← De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. (part 1 of 4)

Part 1 of 4 · Unknown author · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #19786, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (4)

Continue:

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz.

DE KORAN

Voorafgegaan door Het leven van Mahomed, Eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz.

Met ophelderende aanmerkingen en historische aanteekeningen van

M. Kasimirski, Dr. L. Ullmann, Dr. G. Weil en R. Sale

Uitgegeven onder toezicht van

Dr. S. Keyzer

Vierde druk

Waaraan is toegevoegd

Een overzicht van de geschiedenis der Turken voornamelijk in hunne verhouding tot het overige Europa

Door

Dr. N. Japikse

Met 3 in kleuren gedrukte Kaartjes

Rotterdam--D. Bolle

VOORBERICHT BIJ DEN TWEEDEN DRUK.

Toen de eerste druk van den Koran, nu 20 jaar geleden onder toezicht van den bekwamen Hoogleeraar Keyzer bij mij het licht zag, werd er bepaald op gewezen, dat de kennis van de godsdienstgebruiken der Mahomedanen een noodzakelijk vereischte is, om tot een juiste beoordeeling te komen der geduchte macht, die haar hoofdzetel in Konstantinopel heeft, en vandaar zich over geheel AziÎ en Afrika uitstrekt.

Honderd dertig millioen Mahomedanen staan in de voornaamste werelddeelen steeds gewapend tegenover drie honderd zestig millioen Christenen.

Gedurende meer dan twaalf eeuwen is de Turk de openbare vijand van den Christen en heeft deze laatste den Mahomedaan als zijn erfvijand leeren beschouwen.

En toch is de Christen over het algemeen al zeer oppervlakkig in zijne beschouwing van den Muzelman, slechts schaars bekend met den godsdienst van Mahomed.

Sinds meer dan twaalf eeuwen hebben honderden millioenen menschen in dit geloof hun levensgids gevonden. Men noeme dezen godsdienst een dwaling: 't is zeker, dat geen Christensecte tot op dezen dag voor haar geloof zÛÛ heeft geleden en gestreden als deze geminachte Muzelman voor het zijne.

De leer van Mahomed heeft slechts drie geloofsartikelen: "Er is maar ÈÈn God;"--"Mahomed is Zijn profeet;"--"Niemand kan het lot, dat ÈÈnmaal onveranderlijk over hem is vastgesteld, ontgaan!"

Mahomed noemde zichzelf Gods profeet,... de Christenwereld noemde Mahomed een kwakzalver. Het is bezwaarlijk aan te nemen, dat een Godsdienst, waarin honderden millioenen schepselen, van gelijke beweging als wij, leven en sterven, gedurende nu meer dan twaalf eeuwen,.... dat zulk een godsdienst geheel op kwakzalverij berust.

Wanneer wij er Mahomed een verwijt van maken, dat hij zijn godsdienstige leerstellingen doordreef met het zwaard, dan mogen wij, Christenen, niet vergeten, dat de grondlegger van onzen godsdienst wel een godsdienst des vredes en der liefde predikte, doch dat Karel de Groote eveneens het zwaard gebruikte om de door hem overwonnen volkeren tot het Christendom te bekeeren.

En als de Christen zijn Bijbel hoog in eere houdt, dan zien wij, dat de eerbied, die den Muzelman voor zijn Koran heeft vooral niet minder is.

Is het Mahomedanisme in Europa nog een groote kracht, gelijk uit den laatsten worstelstrijd met Rusland blijkt; blijft het in het Britsch-Indische rijk het allesbeheerschend element, ook in onze Nederlandsch-Indische bezittingen is het opgegroeid tot eene verbazende macht.

Sedert Europa en IndiÎ in versnelde gemeenschap zijn, de afstand tusschen beiden van maanden tot weken is ingekrompen, elke maand honderden van Europa naar AziÎ afreizen, is de noodzakelijkheid vermeerderd om de grondbeginselen te kennen van de kracht, die daar alles beheerscht, welker voorhoede reikt tot aan de grenzen van Rusland en Oostenrijk, en eenmaal zelfs voor de poorten van Weenen de vlag van den profeet ontplooide.

Ziedaar, waarom het wenschelijk mag genoemd worden, dat een tweede vermeerderde druk van de Nederduitsche vertaling van den Koran daarin een licht ontsteke, dat velen welkom zal zijn.

Haarlem 1878. J. J. van Brederode.

VOORBERICHT BIJ DEN VIERDEN DRUK.

Wat de vorige uitgever, in zijn Voorbericht bij den Tweeden Druk, ten opzichte van doel en strekking van dit boek heeft gezegd, is heden nog even juist en actueel als het destijds was; bij dezen vierden druk behoeft daaraan niets te worden toegevoegd.

Alleen aangaande het Overzicht van de Geschiedenis der Turken, zij opgemerkt, dat dit hoofdstuk door Dr. N. Japikse geheel opnieuw werd geschreven ten behoeve van den derden druk, en thans weder door hem werd herzien.

De drie kaartjes bij dit hoofdstuk behoorend werden speciaal voor deze uitgave ontworpen en geteekend door den heer H. Hettema Jr.

Rotterdam 1916. D. Bolle.

INHOUD.

I.

Levensschets van Mahomet 1

II.

De Koran. Algemeen overzicht 41

III.

De Islam. Algemeen overzicht 57

IV.

De Koran.

I. Inleiding. Gegeven te Mekka.--7 verzen 69 II. De Koe. Gegeven te Medina.--286 verzen 70 III. De familie Imram. Gegeven te Mekka.--200 verzen 108 IV. De Vrouwen. Gegeven te Medina.--175 verzen 129 V. De Tafel. Gegeven te Medina.--120 verzen 152 VI. Het Vee. Gegeven te Mekka.--165 verzen 171 VII. Al Araf. Gegeven te Mekka.--205 verzen 189 VIII. De Buit. Gegeven te Medina.--76 verzen 211 IX. De Verklaring van Vrijstelling. Gegeven te Medina.--130 verzen 219 X. Jonas. Gegeven te Mekka.--109 verzen 235 XI. Hoed. Geopenbaard te Mekka.--123 verzen 245 XII. Jozef. Gegeven te Mekka.--111 verzen 260 XIII. De Donder. Gegeven te Mekka.--43 verzen 276 XIV. Abraham. Geopenbaard te Mekka.--52 verzen 282 XV. Al Hedjr. Geopenbaard te Mekka.--99 verzen 288 XVI. De Bij. Gegeven te Mekka.--128 verzen 294 XVII. De nachtelijke Reis. Geopenbaard te Mekka.--111 verzen 309 XVIII. De Spelonk. Geopenbaard te Mekka.--110 verzen 322 XIX. Maria. Geopenbaard te Mekka.--98 verzen 336 XX. T. H. Geopenbaard te Mekka.--135 verzen 344 XXI. De Profeten. Geopenbaard te Mekka.--112 verzen 355 XXII. De Pelgrimstocht. Gegeven te Mekka.--78 verzen 365 XXIII. De ware Geloovigen. Geopenbaard te Mekka.--118 verzen 374 XXIV. Het licht. Geopenbaard te Medina.--64 verzen 381 XXV. Al Forkan. Geopenbaard te Mekka.--77 verzen 393 XXVI. De Dichters. Geopenbaard te Mekka.--228 verzen 400 XXVII. De Mier. Gegeven te Mekka.--95 verzen. 410 XXVIII. De geschiedenis (of de lotgevallen). Gegeven te Mekka.--88 verzen 419 XXIX. De Spin. Geopenbaard te Mekka.--69 verzen 429 XXX. De Grieken. Geopenbaard te Mekka.--60 verzen 435 XXXI. Lokman. Geopenbaard te Mekka.--34 verzen 441 XXXII. De Aanbidding. Gegeven te Mekka.--30 verzen 445 XXXIII. De Verbondenen. Geopenbaard te Medina.--73 verzen 448 XXXIV. Sara. Geopenbaard te Mekka.--54 verzen 461 XXXV. De Engelen, of de Schepper. Geopenbaard te Mekka.--45 verzen 468 XXXVI. Y. S. Geopenbaard te Mekka.--83 verzen 472 XXXVII. Zij die zich in orde scharen. Geopenbaard te Medina.--182 verzen 478 XXXVIII. S. Geopenbaard te Mekka.--88 verzen 485 XXXIX. De Scharen. Geopenbaard te Mekka.--75 verzen 491 XL. De ware Geloovige. Geopenbaard te Mekka.--85 verzen 498 XLI. De duidelijk Uitgelegden. Geopenbaard te Mekka.--54 verzen 505 XLII. Overweging. Geopenbaard te Mekka.--53 verzen 510 XLIII. De gouden Versierselen. Geopenbaard te Mekka.--89 verzen 515 XLIV. De Rook. Geopenbaard te Mekka.--59 verzen 520 XLV. De Nederknieling. Geopenbaard te Mekka.--36 verzen 523 XLVI. Alahkaf. Geopenbaard te Mekka.--35 verzen 526 XLVII. Mahomet. Geopenbaard te Medina.--40 verzen 530 XLVIII. De Overwinning. Geopenbaard te Medina.--29 verzen 534 XLIX. De Binnenvertrekken. Geopenbaard te Medina.--18 verzen 539 L. K. Geopenbaard te Mekka.--45 verzen 541 LI. De Verspreiding. Geopenbaard te Mekka.--60 verzen 544 LII. De Berg. Geopenbaard te Mekka.--49 verzen 547 LIII. De Ster. Geopenbaard te Mekka.--62 verzen 549 LIV. De Maan. Geopenbaard te Mekka.--55 verzen 552 LV. De Barmhartige. Geopenbaard te Mekka.--78 verzen 555 LVI. De Onvermijdelijke. Geopenbaard te Mekka.--96 verzen 558 LVII. Het IJzer. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--29 verzen 562 LVIII. De Klaagster. Geopenbaard te Medina.--22 verzen 565 LIX. De Landverhuizing. Geopenbaard te Medina.--24 verzen 568 LX. Zij, die beproefd is. Geopenbaard te Medina.--13 verzen 571 LXI. Slagorde. Geopenbaard te Mekka.--14 verzen 574 LXII. De Vergadering. Geopenbaard te Medina.--11 verzen 575 LXIII. De Huichelaars. Geopenbaard te Medina.--11 verzen 577 LXIV. Wederzijdsche Teleurstelling. Gegeven te Mekka.--18 verzen 578 LXV. De Echtscheiding. Geopenbaard te Medina.--12 verzen 579 LXVI. Het Verbod. Geopenbaard te Medina.--12 verzen 581 LXVII. Het Koninkrijk. Geopenbaard te Mekka.--30 verzen 584 LXVIII. De pen. Geopenbaard te Mekka.--52 verzen 586 LXIX. De onvermijdelijke Dag. Geopenbaard te Mekka.--52 verzen 588 LXX. De trappen. Geopenbaard te Mekka.--44 verzen 590 LXXI. Noach. Geopenbaard te Mekka.--29 verzen 592 LXXII. De Geniussen. Geopenbaard te Mekka.--28 verzen 594 LXXIII. De Omwikkelde. Geopenbaard te Mekka.--20 verzen 596 LXXIV. De (met den mantel) Bedekte. Geopenbaard te Mekka.--55 verzen 598 LXXV. De Opstanding. Geopenbaard te Mekka.--50 verzen 600 LXXVI. De Mensch. Geopenbaard te Mekka.--31 verzen 601 LXXVII. De Gezondenen. Geopenbaard te Mekka.--50 verzen 603 LXXVIII. Het nieuws. Geopenbaard te Mekka.--41 verzen 605 LXXIX. Zij, die de zielen uitscheuren. Geopenbaard te Mekka.--46 verzen 606 LXXX. Hij fronste het Voorhoofd. Geopenbaard te Mekka.--42 verzen 607 LXXXI. De opgevouwen Zon. Gegeven te Mekka.--29 verzen 609 LXXXII. De gespleten Hemel. Geopenbaard te Mekka--19 verzen 610 LXXXIII. De Bedriegers. Geopenbaard te Mekka.--36 verzen 611 LXXXIV. De geopende Hemel. Geopenbaard te Mekka.--25 verzen 612 LXXXV. De Hemelteekenen. Geopenbaard te Mekka.--22 verzen 613 LXXXVI. De Nachtster. Geopenbaard te Mekka.--17 verzen 614 LXXXVII. De Verhevenste. Geopenbaard te Mekka.--22 verzen 615 LXXXVIII. De Overvallende. Geopenbaard te Mekka.--26 verzen 616 LXXXIX. De Morgenschemering. Geopenbaard te Mekka.--30 verzen 617 XC. Het Grondgebied. Geopenbaard te Mekka.--20 verzen 618 XCI. De Zon. Geopenbaard te Mekka.--15 verzen 619 XCII. De Nacht. Geopenbaard te Mekka.--21 verzen 619 XCIII. De Ochtendglans. Geopenbaard te Mekka.--11 verzen 620 XCIV. Hebben wij niet geopend? Gegeven te Mekka.--8 verzen 621 XCV. De Vijg. Gegeven te Mekka of te Medina.--8 verzen 621 XCVI. Het gestolde Bloed. Geopenbaard te Mekka.--19 verzen 622 XCVII. Al Kadr. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--5 verzen 623 XCVIII. Het duidelijke Teeken. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--8 verzen 623 XCIX. De Aardbeving. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--8 verzen 624 C. De Oorlogspaarden. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--11 verzen 625 CI. De Slag. Geopenbaard te Mekka.--8 verzen 625 CII. De Begeerte zich te Verrijken. Geopenbaard te Mekka of Medina.--8 verzen 626 CIII. De Namiddag. Geopenbaard te Mekka.--3 verzen 626 CIV. De Lasteraar. Geopenbaard te Mekka.--9 verzen 627 CV. De Olifant. Geopenbaard te Mekka.--5 verzen 627 CVI. De KoreÔshieten. Geopenbaard te Mekka.--4 verzen 628 CVII. De Aalmoes. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--7 verzen 628 CVIII. Al Kauther. Gegeven te Mekka.--3 verzen 629 CIX. De Ongeloovige. Geopenbaard te Mekka.--6 verzen 630 CX. De Hulp. Geopenbaard te Mekka.--3 verzen 630 CXI. Aboe Lahab. Geopenbaard te Mekka.--5 verzen 631 CXII. Gods Eenheid. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--4 verzen 631 CXIII. De Dageraad. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--5 verzen 632 CXIV. De Menschen. Geopenbaard te Mekka of te Medina.--6 verzen 632

V.

Algemeen Register der voornaamste onderwerpen in den Koran behandeld, en der noten desbetreffende 633

VI.

Kort Overzicht van de Geschiedenis der Turken, voornamelijk in hunne verhouding tot het overige Europa 667

I. Inleiding 667 II. De Opkomst en Bloei der Turksche macht in Europa 675 III. De Achteruitgang der Turksche macht in Europa 691

I.

LEVENSSCHETS VAN MAHOMET.

De Koran is eene onregelmatige en onsamenhangende verzameling van zedelijke, godsdienstige, burgerlijke en politieke voorschriften, gemengd met vermaningen, of beloften en bedreigingen, met het leven hier namaals in betrekking staande, zoowel als van verhalen, die nu eens getrouw en dan weÍr op ongetrouwe wijze, aan de bijbelsche oudheid, aan de Arabische overleveringen, en zelfs aan de geschiedenis van de eerste eeuwen des Christendoms ontleend zijn. Evenzeer vindt men er toespelingen op zaken die gebeurd zijn ten tijde dat de Koran geschreven is, op pogingen door den nieuwen godsdienst aangewend, om overwicht te krijgen op den afgodendienst, of op de worstelingen die zij had te bestaan. Die toespelingen zijn echter, doorgaans, in zulke algemeene en onbepaalde uitdrukkingen vervat, dat zin en beteekenis ons dikwijls zouden ontsnappen, indien wij hier geen geleiders vonden in de uitleggers van den Koran en de historische verhalen ten opzichte der vestiging van den Islam of het Islamisme.

Niet meer dan drie van Mahomets tijdgenooten worden, in het voorbijgaan, door den Koran genoemd. Wat Mahomet zelven betreft, wordt deze alleen vermeld bij wijze van toespraak, die God verondersteld wordt tot hem te richten. Daaruit volgt, dat de Koran ons bijna geene narichten geeft omtrent het leven en den persoon van den profeet der Arabieren. Deze bijzonderheid is overigens in overeenstemming met het algemeene en erkende karakter van den Koran: deze toch stelt Gods woord voor, dat aan Mahomet geopenbaard en door diens mond aan het Arabische volk overgeleverd is. Als een muzelman een gezegde uit den Koran aanhaalt, dan zegt hij nooit: Mahomet heeft het gezegd; maar: God (of de Allerhoogste, het Opperwezen) heeft het gezegd; en het was daarom niet te wachten, dat God aan de medeburgers van Mahomet bijzonderheden omtrent diens verwanten, zijn' oorsprong en zijne levensgevallen zou openbaren [1]. Dat stilzwijgen van den Koran wordt echter door de overlevering ruimschoots vergoed, en wij bezitten over Mahomet, ten minste van het oogenblik dat hij als Godsgezant optrad, historische bronnen, die, hoezeer met legenden vermengd, den beoefenaar tot een onbedriegelijk richtsnoer verstrekken, waaraan zijne openbaringen verbonden kunnen worden.

De gezellen van den profeet (de Ashab), zijne helpers (de Ansar), de aanhangers van den profeet die hun vaderland om de zaak van den nieuwen eeredienst hadden verlaten (de Moehadjirs), allen die Mahomet gevolgd zijn (de Tabi', in het meervoud Tabi'in), en allen die dezen hebben opgevolgd, hadden het zich tot plicht gesteld, Úok de minst beteekenende bijzonderheden uit het leven van hunnen apostel, wetgever en zoowel geestelijk als tijdelijk opperhoofd, met godsdienstigen eerbied te bewaren en aan hunne nazaten over te leveren. Die bijzonderheden zijn overgegaan in de eerste historische boeken, door de Muzelmannen [2] samengesteld, en vormen heden ten dage een werkelijk en onmisbaar gedeelte van elk werk over de algemeene geschiedenis, en dus voorzeker van eene geschiedenis der Arabieren. Men bevroedt gemakkelijk, dat door de godsdienstige geestdrijverij onder een volk, hetwelk, over het algemeen, ongeletterd en van het overige gedeelte der wereld afgezonderd was, waarin menige twijfelachtige verhalen en verdachte overleveringen hebben moeten binnensluipen; dat de fictie en het wonderbaarlijke, voor zeker gedeelte, gemengd zijn in de geschiedenis van Mahomets zending, even als dit in de geschiedenis van de meeste andere godsdiensten plaats heeft. Misschien kan echter de geschiedenis van Mahomets zending, gemakkelijker dan eenige andere godsdienst uit het Oosten, van dat inmengsel van versiering en het wonderbaarlijke worden ontdaan, voor hetwelk slechts een Muzelman zich verplicht acht, met eerbiedigheid te blijven staan. Maar zelfs indien men er het karakter van heiligheid aan ontneemt, is zoowel het ontstaan als de voortplanting van het Islamisme desniettemin een der buitengewoonste gebeurtenissen in de jaarboeken des menschdoms.

Het is niet overbodig hier te doen opmerken, dat het groote Arabische schiereiland niet altijd door Èen volk van hetzelfde ras en met dezelfde taal is bewoond geworden. De Arabische schrijvers onderscheiden er drie verschillende menschenrassen, die elkander in ArabiÎ hebben opgevolgd en die allen Arabieren genoemd zijn geworden. Het eerste ras wordt er aangeduid door den naam van Arabieren, el-Ariba [3] volbloed-Arabieren of van onvermengd ras, of met andere woorden, oorspronkelijke Arabieren. Dit ras bevat de volken, die langen tijd voor Mahomet uitgestorven of uitgeroeid waren. Dit zijn de Adieten, de ThÈmoedieten, de Amalika of Amalekieten, de bevolkingen van Tasm en Djadis, die, volgens de Arabische geschiedschrijvers, uit Sem of Cham, zonen van Noach, zijn gesproten. Het tweede ras is dat van de Arabieren, MoetÈarriba (Arabieren die dat zijn geworden). Men beschouwt deze als voortgekomen uit Kaktan of Joktan, zoon van Heber; dezen hebben zich aanvankelijk in het gebied van Yemen (in Gelukkig ArabiÎ) gevestigd, van waar zij zich naar alle overige gedeelten van ArabiÎ hebben verbreid, door het uitzenden van volkplantingen, en nu eens door zich met de oorspronkelijke stammen te vermengen, of dan eens door hen te vervangen in het uitsluitende bezit van verschillende streken. De Himyarieten behooren tot de MoetÈarriba-Arabieren, of, zoo als Caussin de Pergeval hen noemt, secondaire Arabieren. Het derde ras is dat van de Moesta'riba-Arabieren, (die met de andere Arabieren gelijk zijn gesteld); dit zijn de afstammelingen van IsmaÎl, den zoon van Abraham. Deze hebben zich in het gebied Hedjaz (woest ArabiÎ) gevestigd en achtereenvolgens zich in al de andere gedeelten van ArabiÎ verspreid: dit zijn de tertiaire, of IsmaÎlitische Arabieren. Tot dat ras behooren de Arabieren, die sedert onheugelijke tijden rondom Mekka gevestigd zijn, en in het bijzonder het geslacht der KoreÔshieten, waaruit Mahomet geboren werd. Alhoewel de Arabieren de grootste zorg hebben gedragen om hunne geslachtslijsten te bewaren, zijn toch al de pogingen der Arabische geschiedschrijvers, om de rechtstreeksche afstamming vast te stellen van Mahomet tot IsmaÎl, gedurende een tijdverloop van twintig eeuwen, vruchteloos geweest; maar over het algemeen komen zij wel overeen betrekkelijk zijne geslachtsrekening tot Adnan, die voor een' afstammeling van IsmaÎl gehouden wordt. Neemt men drieÎndertig jaren voor elk menschengeslacht aan, dan kan men het tijdvak van Adnan op omstreeks 130 jaren voor Chr. stellen, zoodat er dan alleen enkele namen overblijven van degenen, welke door de geschiedschrijvers vermeld worden, om de heele tijdruimte aan te vullen, die er verloopen is tusschen IsmaÎl, den zoon van Abraham, en Adnan, een' persoon die meer nabij ons tijdvak heeft geleefd.

Hoe groot nu ook die gaping zij, zoo bestaat er toch geen eenige grond om het geslachtsregister van Mahomet in twijfel te trekken. Integendeel zijn er twee beschouwingen, die ten voordeele daarvan schijnen te pleiten. In de eerste plaats zijn dit onderscheiden gedeelten van den Bijbel, te beginnen met de boeken van Mozes tot aan de profeten [4], die daarin overeenkomen, dat zij de Arabieren uit Woest ArabiÎ (van Hedjaz en Mekka) als IsmaÎlieten beschouwen, en voorts ook de eerbied dien zij voor de nagedachtenis van Abraham hebben bewaard. Inderdaad zou, volgens de overlevering uit den tijd voor Mahomet, de vermaarde tempel van Caaba, die ten doel strekte van de pelgrimstochten der Arabieren, en veel ouder is dan de stad Mekka zelve, door Abraham gedurende zijn verblijf in ArabiÎ opgericht zijn; en eindelijk in dienzelfden tempel, welke eene soort van pantheon voor de Arabieren is geworden, zag men, ten tijde van Mahomet, een figuur, die Abraham, den stichter der eeredienst van den eenigen God, voorstelde en naast de Arabische godheden of de Christen heiligen geplaatst was. Moge nu die aaneenschakeling al of niet gegrond zijn, moge zij zeer oud wezen of nabij het tijdstip van den Islam liggen, zooveel is waar, dat die afkomst van Mahomet eene belangrijke rol in zijne zending speelt, en niet weinig tot zijn' opgang bijgedragen moet hebben. Vooral in den aanvang van zijn apostelschap, toen het er nog op aankwam, de Arabieren van de afgodendienst los te maken, vond Mahomet in het voorbeeld van Abraham een grooten steun voor den door hem gepredikten godsdienst, en hij plaatste dien godsdienst onder de bescherming van een' persoon, wiens nagedachtenis onder zijne landgenooten algemeen geÎerbiedigd werd.

De stad Mekka is niet vroeger dan in de vijfde eeuw onzer jaartelling gesticht; maar de vallei van Mekka strekte sedert de vroegste tijden tot verblijf der Arabische stammen, die zich in den omtrek der overblijfsels van den Caaba-tempel nedersloegen, waarvan zij de bewaking en het bestuur als eene eer en als gevende aanspraak op den eersten rang, elkander onafgebroken betwistten. Omstreeks het jaar 200 der gewone jaartelling, werd een der afstammelingen van Adnan, Firh geheeten en El KoreÔsh bijgenaamd, de stamvader van den vermaarden stad der KoreÔshieten, die in het vervolg een' grooten invloed te Mekka verkreeg. KossaÔ, een van zijn afstammelingen in het vijfde geslacht, slaagde er niet alleen in, de Khozzaas, een andere Arabischen stam, als beheerders van Mekka uit den zadel te lichten, maar ten einde die belangrijke betrekking ten eeuwigen dage aan zijn geslacht te verzekeren, wist hij de KoreÔshieten te belezen, rondom den Caaba-tempel eene stad te bouwen, waarvan de verschillende gedeelten door de leden van den uitgestrekten stam der KoreÔshieten bewoond zouden worden. Voor zich zelven bouwde KossaÔ een huis, dat aanzienlijker dan de andere was, en vestigde er den zetel van den raad (nadwa), waarin al de KoreÔshieten toegang hadden en waarin alle zaken in het openbaar werden behandeld. In dat Raadhuis (Dar-ennadwa) ontvingen de KoreÔshieten, als zij een' anderen stam gingen bevechten, de banier uit handen van KossaÔ. Op KossaÔs raad gaven de KoreÔshieten hunne toestemming om zich aan eene belasting te onderwerpen, rifada (hulp) genaamd, welke zij, in het tijdvak van den pelgrimstocht, aan KossaÔ betaalden, en die door dezen werd besteed om aan de behoeftige pelgrims, gedurende drie dagen dat zij te Mina, op eenigen afstand van Mekka, verbleven, kosteloos levensmiddelen te verschaffen. KossaÔs gezag vermeerderde nog, toen hij op zijnen persoon eenige andere posten wist te vereenigen, die met den dienst in den Caaba-tempel in verband stonden. Die ambten waren de volgenden: sikaÔa, bestuurder van het water en de uitreiking daarvan, hidjaba, wachter van den Caaba-tempel en van den dienst in dezen. Bij dezen ambten dient men die te voegen van rifada, de ontvangst van de belasting der hulpverstrekking, van liwa, die het recht gaf eene kap van witte stof aan den standaard der KoreÔshieten te hechten, als deze ten strijde gingen, en van nadwa, raad, zijnde het voorzitterschap van de vergadering Eenige mindere betrekkingen werden door KossaÔ aan andere Arabische stammen overgelaten. Door het vorenstaande ziet men, dat de KoreÔshieten, omstreeks twee honderd jaren voor Mahomet (tegen het jaar 440 na Chr.) niet alleen te Mekka in het bezit waren van een regelmatig gevestigd gezag, maar ook dat hun invloed en aanzien zich naar buiten verbreidden, en eindelijk dat de naam der KoreÔshieten, door den toevloed van pelgrims naar de alouden tempel van Caaba, in al de gedeelten van ArabiÎ bekend was. Door den handel dien zij met voortbrengsels van Gelukkig ArabiÎ (Yemen) in SyriÎ, MesopotamiÎ en Egypte dreven, en van waar zij, in ruiling, stoffen, graan en andere voorwerpen [5] terugbrachten, hadden zij een zekere gegoedheid, ja zelfs aanmerkelijke rijkdommen verkregen.

KossaÔ of KoesseÔ had vier zonen. Abdeddar, Abdelozza, Abd en Abdmenaf. Wij zullen alleen over dezen laatsten tijd spreken, omdat hij in de rechte lijn de voorzaat van Mahomet is. Abdmenaf werd evenzeer vader van vier zonen, zijnde: Abdchams, Nowfal, Hachim, en Mottalib. Hachim, die de rijkste der broeders en, bijgevolg, het best in staat was, in de behoefte der pelgrims te voorzien en de zaken van Mekka te besturen, werd met de gewichtigste betrekking der vereeniging bekleed.

Deze voerde onder de KoreÔshieten 't gebruik in, jaarlijks twee karavanen uit te zenden: de eene des winters, naar Yemen en de andere, 's zomers, naar SyriÎ, ook was hij het, die het eerst aan de behoeftige KoreÔshieten eene soort soep uitdeelde, welke tharid genoemd werd en samengesteld was uit vleeschnat en tot kruim gewreven brood, hetgeen oorzaak was, dat zijn oorspronkelijke naam Amr in dien van Hachim--den kruimelaar--veranderd werd. En den naam van Hachmieten wordt aan den geheelen opgaanden zijtak van Mahomet gegeven.

CheÔba, de zoon van Hachim, werd ook Abdelmottalib genaamd, omdat hij door zijn oom Mottalib als zoon werd aangenomen. Hij volgde zijn vader te Mekka in diens gewichtigste ambten op, te weten in die van sikaÔa en rifada. Zijne edelmoedigheid en zijn braaf gedrag hadden hem de algemeene achting doen winnen. Deze hoedanigheden scheen echter in de oogen zijner landgenooten het middel niet, te vergoeden, dat hij maar een' eenigen zoon had; want evenals de IsraÎlieten, stelden de Arabieren den hoogsten prijs op een groot aantal mannelijke nakomelingen. Dat denkbeeld was bij de Arabieren zÛÛ vast geworteld, dat Abdelmottalib op zekeren dag van een' zijner landgenooten beleedigingen moest ondergaan, omdat hij maar ÈÈn' zoon had. In zijne ergernis zwoer hij, dat indien God hem tien mannelijke kinderen gaf, hij hem er ÈÈn' voor den Caaba van zou offeren. Abdelmottalibs wensch werd verhoord. Na de geboorte van zijn' eersten zoon (528 na Chr.) tot het jaar 569 kreeg hij twaalf zonen en zes dochters. Op zekeren dag verzamelde hij, vast besloten zijn eed te vervullen, de tien oudste van zijne zonen; hij deelde hun den eertijds door hem gedane eed mede; een ieder van deze wilde er zich aan onderwerpen, het slachtoffer te worden, en allen begaven zich naar den Caaba voor den afgod Hobal om te loten. Het lot viel op Abdallah, die door zijn' vader het meest werd bemind. Het offer stond op het punt volbracht te worden, op eene plaats die gewoonlijk bestemd was voor het slachten der offers, toen de KoreÔshieten toesnelden, den arm van Abdelmottalib tegenhielden en hem rieden, eene waarzegster te raadplegen die zich te KaÔbar bevond, dat eene versterkte en door IsraÎlieten bewoonde Stad was. De waarzegster vroeg, wat de boete was, die voor een' manslag werd betaald, en toen men haar antwoordde, dat de boete tien kameelen bedroeg, ried zij, Abdallah aan de eene zijde, en aan de andere tien kameelen te plaatsen; dat men daarna het lot zou raadplegen, en verklaarde zich dit tegen Abdallah, dat men wederom tien kameelen bij de eerste voegen en daarmede telkens voortgaan zou, tot het lot op de kameelen viel. Abdelmottalib onderwierp zich aan de uitspraak der waarzegster, en nademaal het lot tienmalen achtereen ten nadeel van Abdallah uitviel, kocht de vader zijn' eed eerst tegen honderd kameelen los. Sedert dien tijd werd de bloedprijs onder de Arabieren op honderd kameelen bepaald. Dadelijk na deze gebeurtenis huwde Abdelbottalib zijnen zoon Abdallah uit aan Amina, de dochter van Wahb, een' der afstammelingen van Abdmenaf. Uit dit huwelijk werd Mahomet geboren. [6]

Mahomets geboortejaar kan niet gemakkelijk worden vastgesteld. Er zijn echter drie gegevens, die dienen kunnen om het ten minste bij benadering te bepalen. Volgens de overlevering zou Mahomet gezegd hebben: "Ik ben geboren onder de regeering van den rechtvaardigen koning." Die rechtvaardige koning was Kesra Anoechirvan (KosroÎs de Groote), die zevenenveertig jaren en acht maanden heeft geregeerd. Neemt men nu met een' Arabischen geschiedschrijver (Ibn El-athir) aan, dat Mahomet zeven jaren en acht maanden voor Anoechirvans dood ter wereld kwam, dan zou zijn geboortejaar in het jaar 570 n. Chr. vallen. Ten andere valt Mahomets geboorte, volgens de overlevering, in het jaar van den krijgstocht van den ∆thiopischen koning Abraha tegen Mekka (zie de noot op hoofdstuk CV van den Koran). Deze krijgstocht eindigde door de volkomene vernieling van Abrahas leger; maar de Arabische geschiedschrijvers stemmen zoo weinig ten aanzien van dien krijgstocht overeen, dat Mahomets geboorte in het 34e of in het 40e of in het 41e, of in het 42e jaar der regeering van Kesra Anoechirvan zou vallen. Ook is algemeen de meening aangenomen, dat Mahomet, in 632, in den ouderdom van drie en zestig jaren gestorven zij, waardoor zijne geboorte in het jaar 569 zou vallen. Hierdoor ontstaat een nieuw vraagpunt, en wel dat, of het cijfer van die drie en zestig jaren, bij benadering, is opgegeven in maanjaren, gelijk die bij de Arabieren in gebruik zijn, of dat daarbij gerekend zij op de tusschenvoeging welke in 413 geschied is [7].

De Muzelmansche godvruchtigheid bleef niet ten achter bij de ingeschapen neiging, die de wieg van buitengewone menschen door den glans van mirakelen en merkwaardige natuurverschijnsels doet omringen. Die godvruchtigheid is oorzaak, dat de verhalen daarvan volgaarne worden aangenomen, zonder bron of grondslag te onderzoeken; door diezelfde beweegoorzaak worden zij voortgeplant en als geloofspunt vastgesteld. Volgens die verhalen, welke wij niet met stilzwijgen zouden kunnen voorbijgaan, omdat zij den Muzelman altijd voor den geest zijn, zoude, op het oogenblik waarop de toekomstige profeet der Arabieren geboren werd, de geheele wereld in beweging geweest zijn. Het paleis van CosroÎ te Clesiphon schudde, en veertien van zijne torens stortten in: het heilige vuur der pyreen ging uit, in weerwil van het onafgebroken toezicht der magiÎrs; het meer van Sawa droogde uit, de groot-moubed der Perzianen droomde, dat PerziÎ door de Arabische kameelen en paarden bezet zou worden, en Amina verhaalde haren schoonvader, dat zij gedurende hare zwangerschap had gedroomd, dat een buitengewoon licht zich uit haren boezem verspreidde om de wereld te verlichten; Abdelmottalib, eindelijk, die op zekeren dag zijn kleinzoon was komen zien, bemerkte tot zijne verwondering, dat hij besneden geboren was. Het kind, dat door zijnen grootvader Mahomet genaamd werd (en hij was de eerste die dezen naam onder de Arabieren droeg), werd door zijne moeder toevertrouwd aan eene Bedouinsche min, die Halima heette, en welke het naar heuren stam in de woestijn medenam. Na twee jaren werd hij gespeend, maar zijne aanwezigheid in Halimas gezin, had daar zoo veel geluk en overvloed in schijnen te brengen, dat zij Amina verzocht haar het kind te laten opvoeden. De overlevering verhaalt, dat het kind aan eene ziekte onderhevig was, waarvan men zich geene rekenschap wist te geven, maar welke men aan de werking des duivels toeschreef [8]. Toen Mahomet later een voorval verhaalde, dat grooten schrik aan zijne min had gebaard, zeide hij, dat, in zijne kinderjaren, toen hij met zijne jeugdige makkers in de vlakte speelde, twee in het wit gekleede mannen, dat engelen waren, hem op den grond geworpen, de borst geopend en het hart er uitgenomen hadden, om het te wasschen en te zuiveren.

Een hoofdstuk van de Koran (hoofdstuk XCIV) begint inderdaad met woorden die aldus vertaald kunnen worden; Openen wij niet den boezem, of zetten wij de borst niet uit, of wel; hebben wij de borst niet geopend. Terwijl nu zekere uitleggers daarin slechts een figuurlijke uitdrukking zien, voor een hart, dat door God geschikt is gemaakt om de wijsheid en de openbaring er in op te nemen, willen andere er eene toespeling in vinden op het voorval, dat door de overlevering vermeld wordt, en volgens hetwelk Mahomets hart werkelijk door de engelen gewasschen en gereinigd, en zoodoende sedert zijne kindsheid een uitverkoren vat zou zijn geworden. Overigens is dat niet het eenige gedeelte van den Koran, waarin een figuurlijke of overdrachtelijke uitdrukking, ingevolge de overlevering, eene gewrongen uitlegging en een' bovennatuurlijken en wonderbaarlijken zin hebbe verkregen (zie Hoofdst. XVII, LIV). Op den ouderdom van zes jaren verloor Mahomet zijne moeder en werd door zijn' grootvader Abdelmottalib opgenomen, die hem eene vaderlijke genegenheid toedroeg. Drie jaren later ontviel Mahomet ook die steun, daar Abdelmottalib in den ouderdom van meer dan tachtig jaren stierf. Toen belastte Aboe-Talib, zijn oom, zich met hem en nam hem later met zich naar Syrie, waarheen de karavaan der KoreÔshieten Arabische voortbrengselen ging voeren. Toen zij te Bosra waren gekomen, ontmoetten zij een' Arabischen christen monnik, welken de Arabieren Bahira en de Christenen Bjirdjis (George) of Serdjis (Sergius) noemden. Er wordt verhaald, dat Bahira door Mahomets uiterlijk getroffen zou zijn geweest en in diens gelaat zijne toekomstige bestemming hebben weten te lezen, en dat hij, bij het afscheid nemen van de Arabische karavaan, Aboe Talib aanbevolen zou hebben over Mahomet te waken en hem te bewaren voor de kunstenarijen der Joden, die het op zijn leven zouden toeleggen, indien zij tot de ontdekking kwamen, dat hij, Bahira, in dien knaap het zegelmerk der profetie had ontdekt. Dit zegelmerk van profetie was, naar men zegt, een teeken, dat Mahomet tusschen de schouders had, even als dit het geval met al de andere profeten en met al zijne voorzaten uit den stam IsmaÎl was, maar op eene veel duidelijker wijze dan bij deze allen.

Bij den terugkeer van dien tocht nam Mahomet, veertien jaren oud zijnde, aan den tweeden der oorlogen deel, die bij de Arabieren bekend zijn onder den naam der oorlogen van el-fidjar, of der schending van de heilige maand, of ook van de misdaad, welke oorlogen de KoreÔshieten tegen den stam der Benou-Hawasin voerden. Volgens het verhaal echter van Mahomet zelven, dat door de overlevering bewaard is gebleven, bepaalde zich het aandeel, dat hij in dien tweeden oorlog nam, bij het oprapen der pijlen, die door de vijanden afgeschoten waren, en deze aan zijn ooms ter hand te stellen, welke een werkdadiger deel in den strijd namen. De overlevering heeft geen enkel belangrijk feit van Mahomets leven bewaard, gedurende de tien jaren, die na deze gebeurtenis verliepen. Alles wat men weet is, dat de jeugdige KoreÔshiet, door zijn gedrag en manier van handelen, zijne snedigheid en ernstig karakter, dat tot gepeinzen en eenzaamheid neigde, de achting en eerbied zijner medeburgers wist te winnen.

Op den ouderdom van vijfentwintig jaren belastte hij zich met het doen eener handelreize naar SyriÎ voor eene rijke weduwe, Khadidja genaamd, dochter van KhowaÔlid, even als Mahomet gesproten uit KossaÔ, over wien boven gesproken is. Mahomet kweet zich met zulk een goed gevolg van zijne taak, dat Khadidja een gunstige meening voor hem opvatte. Dit gunstige denkbeeld nam nog toe, toen Khadidjas' slaaf, die Mahomet naar SyriÎ had vergezeld, haar verhaalde, dat hij onderweg Mahomet eens door twee engelen met hunne vleugels tegen de hitte der zonnestralen had zien beschutten. Khadidja bood Mahomet derhalve hare hand aan en alhoewel zij op dat tijdstip tusschen de dertig en veertig telde, dat een meer dan rijpe leeftijd voor eene Arabische vrouw is, nam Mahomet den voorslag spoedig aan. Naar het gebruik der Arabieren, biedt de man, aan de door hem te huwen vrouw eene huwelijksgift aan, welke sadak wordt genoemd: Mahomet bood dan ook Khadidja, als zoodanige gift, twintig kameelen aan. Het huwelijksmaal, waaraan de verwanten van man en vrouw deel namen, was schitterend en vroolijk en werd door dans en muziek begeleid, en voor de talrijke gasten werden twee kameelen geslacht. Bij Khadidja kreeg Mahomet weldra een zoon, dien hij El-kachim noemde en sedert dien tijd werd hij Aboelkachim (vader van El-kachim) genoemd. Khadidja schonk hem nog twee zonen, die echter op zeer jeugdigen leeftijd stierven, en vier dochters. In het jaar van zijn huwelijk met Khadidja, werd Mahomet lid van eene vereeniging, die zich onder de KoreÔshieten had gevormd tot bescherming der vreemdelingen, of der zwakke burgers van Mekka tegen de onrechtvaardigheden der machtige KoreÔshieten, en hij stelde er altijd eene eer in, tot deze vereeniging te hebben behoord, welke zelfs nog na de vestiging van het Islamisme bleef bestaan. Sedert zijn huwelijk hield Mahomet zich weinig meer met handelszaken bezig, maar wijdde zich meer aan godsdienstige bespiegelingen. In die neiging werd hij vooral versterkt door een' neef zijner vrouw, Waraka Ibn Raufa genaamd, welke reeds te voren den afgodendienst had verworpen, die in Arabie heerschte, en zoowel den MozaÔschen als den Christelijken godsdienst had leeren kennen. Door dezen Waraka, die niet ongeletterd was, had hij waarschijnlijk het IsraÎlietische MonotheÔsme leeren kennen, en Mozes en Christus als Godsgezanten aanzien; maar beide godsdiensten schenen hem de oorspronkelijke zuiverheid verloren te hebben. Alleen Abraham, die menschenmin met het geloof aan een eenig God verbond, scheen hem in den Bijbel, dien hij ten deele vervalscht achtte, de beste verpersoonlijking van een' Godsgezant. Bovendien kon hij, bij die keuze en het voorstellen van Abraham als toonbeeld, op te meer sympathie rekenen, nademaal diens herinnering niet slechts in geheel Arabie nog levendig was, maar de overlevering hem daar, als stamvader, in eerbiedig aandenken gehouden had en hem was blijven vereeren als den grondvester des heiligen tempels, naar welken men sedert onheugelijke tijden in bedevaart optrok.

Wij hebben reeds gezegd, dat Mahomet in zijne jeugd de algemeene achting had weten te winnen; zijne erkende eerlijkheid had hem El-Emin, de rechtschapene, de vertrouwen verdienende, de getrouwe doen noemen. Eene toevallige gebeurtenis, die er plaats had toen hij vijfendertig jaren oud was, schonk hem in de oogen zijner medeburgers nog meer aanzien. In 605 besloten de KoreÔshieten den Caaba-tempel te herbouwen, die eenige jaren te voren door brand vernield was. De eerbied voor dat overblijfsel uit de IsmaÎlitiesche oudheid boezemde aan alle takken van den stam der KoreÔshieten een' buitengewonen ijver in: tegelijkertijd werd echter daardoor een wederkeerige naijver opgewekt. Toen de werkzaamheden van den bouw gevorderd waren tot de hoogte waar de zwarte steen geplaatst moest worden, die het voorwerp van bijzondere vereering was, betwistten al de takken der KoreÔshieten elkander de eer van die taak. De mannen van twee takken des stams, die besloten hadden hunne aanspraken tegen al de anderen staande te houden, dompelden hunne handen in een vat dat met bloed gevuld was, en zwoeren veeleer te sterven dan toe te geven. De werken werden geschorst, en men riep eene vergadering in het binnenste van den tempel zelven bijeen, om over de middelen te beraadslagen, ten einde den burgeroorlog af te wenden, die dreigde uit te barsten. Een oude KoreÔshiet deed nu eensklaps den voorslag, den eerste, die de ruimte zou binnentreden waar de vergadering werd gehouden, tot scheidsman te nemen. Men kwam dit overeen, en toen nu aller blikken op den ingang gevestigd waren, verscheen El-Emin (Mahomet) en werd tot scheidsrechter genomen. Hij doet een' mantel op den grond uitspreiden, kiest de vier aanzienlijkste personen uit de vier voornaamste takken van den stam, en laat elk van hen eene slip van den mantel vasthouden, waarop de steen rust. Zoodra de steen door dit middel op voegzame hoogte is geheven, vat Mahomet hem met zijne eigene handen, om hem in den muur te bevestigen, en bevredigt dusdoende de aanspraken der mededingers, terwijl hij bovendien een aanzienlijk deel in die verrichting neemt. Weinig tijds daarna verloor Mahomet al de mannelijke kinderen, die Khadidja hem had gebaard; derhalve ook omdat de schaarschte van levensmiddelen, die toen zich te Mekka, voornamelijk bij de mingegoede en met een talrijk gezin bezwaarde personen deed gevoelen, nam hij den jongen Ali, zoon van zijnen oom Aboe-Talib tot zich. Sedert dien tijd was Ali zijn onafscheidelijke, trouwe gezel en zijn verkleefdste volgeling. Dikwijls vervulde hij de betrekking van secretaris bij hem, huwde later Mahomets dochter Fatima en werd eindelijk tot Khalif verheven.

Eerst op veertigjarigen ouderdom voelde Mahomet zich geroepen, een nieuwe godsdienst aan de Arabieren te prediken. Te zijnen tijde vormde het Arabische ras niet een enkel volk: de Perzen en Romeinen oefenden op de Arabische stammen, die het dichtste bij de provinciÎn der Perzen en van het Romeinsche keizerrijk woonden, een zekere heerschappij uit, ofschoon die ten deele in naam bestond. De Arabieren der woestijn daarentegen leefden in volslagen onafhankelijkheid en zonder dat zij eenig middenpunt van nationaal gezag bezaten. Zij beleden ook niet allen denzelfden godsdienst: onder de Arabieren in de steden had zich de Christelijke godsdienst verspreid; eenige stammen, die evenzeer in steden gevestigd waren, beleden den MozaÔschen godsdienst, zooals de stammen der KoraÔza, Nadhir, die Yathrib (Medina) en Khaibar bewoonden; maar de overgroote meerderheid der Arabieren was aan den afgodendienst overgegeven. De Caaba-tempel, die, gelijk wij hebben gezien, werd aangemerkt als de vroegere verblijfplaats van Abraham en de zetel van den dienst aan een eenig God, was het middenpunt geworden van al de Arabieren, die den afgodendienst volgden. Elke stam had eene godheid, een' bijzonderen afgod dien hij aanbad; maar even als het Romeinsche heidendom, in zijn pantheon of afgodentempel, aan alle eerediensten eene plaats inruimde en zelfs geneigd was er Christus in toe te laten, zoo waren ook de Arabieren zeer verdraagzaam ten aanzien der godheden, van welken oorsprong die ook waren, als men maar den eeredienst van de hunne eerbiedigde, en niet aan de gebruiken en bijgeloovigheden raakte, die in de zeden waren overgegaan. Bij een zwervend volk, dat door zijne geographische ligging van het overige der wereld afgescheiden en bijna in den toestand van wilden was, konden de wetenschappen en kunsten der andere staten, die in beschaving meer vooruit waren, zich alleen met moeite en door middel der handelsbetrekkingen met het Romeinsche Keizerrijk en PerziÎ verspreiden, welke betrekkingen zeer beperkt waren, even als dit het geval was met de voortbrengselen, welke dat volk kon aanbieden en met de behoeften die het had te voldoen.

De oude schriften der Himyarieden (van Yemen) waren bijkans verloren gegaan; die der Hebreeuwen en der SyriÎrs gingen alleen de IsraÎlietische Christelijke Arabieren aan, en datgene wat bekend is onder den naam van Dejzm, en in Mekka weinig tijds voor Mahomets geboorte werd ingevoerd, was alleen aan een klein getal bekend. De Arabieren der woestijn kenden derhalve geene andere bezigheid dan den oorlog, geene andere geschiedenis dan die van hunne geslachtsrekening. Zij bekreunden zich dan ook om niets dan om hunne kudden schapen en kameelen; zij beoefenden geene andere kunsten dan de dichtkunst en hunne taal, die buigbaar, bovenal zeer rijk en, naar men zou zeggen, sedert hare geboorte aan zeer vaste regels gebonden was. Ten tijde van Mahomet bestonden de hartstochten, zeden en gebruiken der Arabieren in dobbelspelen, het dikwijls onmatig gebruik van wijn, de veelwijverij, welke overigens aan alle volken van het Semitische ras gemeen was, het sluiten van huwelijken, die elders voor bloedschande werden gehouden; in liefdesavonturen en persoonlijke wraakoefeningen, die dikwijls in hardnekkige oorlogen tusschen geheele stammen ontaardden; het gebruik om de meisjes levend te begraven, ten einde zich zoo van vele monden te ontdoen, die in tijden van schaarschte overbodig zouden zijn; het stelen en rooven, dat dikwijls met gastvrijheid en edelmoedige vormen gepaard was. Op dat tijdstip werd de aldus gevestigde Arabische maatschappij door niets ter wereld tot eenige daad naar buitengedreven. In zulke oogenblikken van kalmte heeft de maatschappij meer tijdruimte om in eigen boezem te zien. Zoowel het Joden- als het Christendom maakten weinig proselieten, maar beiden traden vrijelijk op en predikten, juist onder begunstiging van de godsdienstige onverschilligheid of den twijfel, die meer verbreid was dan men wel denkt. Juist uit die innerlijke werking eener heidensche maatschappij heeft het voorgevoel kunnen ontstaan van eene op handen zijnde hervorming, welke door eenige schrijvers ten tijde van Mahomet werd aangeduid, maar welke ons toeschijnt, noch aan dat tijdstip eigen, noch genoegzaam betoogd te zijn. Mahomet was niet de eenige die zich door den beklagenswaardigen, zedelijken toestand der Arabieren getroffen voelde, maar hij was de eenige, die de vastberadenheid bezat en vooral de roeping gevoelde, daarin verandering te brengen. Indien men op de overlevering afgaat, die uit zijn eigen verhaal is geput, dan openbaarde zich dat besluit in hem als een plaatselijke lichtstraal. Mahomet, die ernstig van aard was en van nature tot peinzen overhelde, dwaalde dikwijls in de ravijnen rond die nabij Mekka lagen, en werd toen ongetwijfeld reeds door het denkbeeld beheerscht, dat God uit het binnenste eens bergs tot hem zou spreken, even als tot Mozes, over wien hij op zijne reize naar SyriÎ, of in zijne gesprekken met de Joden en de Christenen, of wel met een' Arabier--Waraka, zoon van Nowval, een neef van Khadidja--een man die, gelijk wij boven zeiden, in de schrift bedreven was [9], had hooren spreken. Tot dien tijd kon hij ter goeder trouw wezen.

Hij had de gewoonte de maand ramadhan op den berg Hira, nabij Mekka, in afzondering door te brengen. Op zekeren nacht (in December 610 of Januari 611), zond Khadidja, toen zij hem niet meer naast zich vond, bedienden uit om hem op te zoeken. Ondertusschen kwam Mahomet terug en verhaalde haar het volgende: "Ik lag in diepen slaap, toen een engel mij in droom verscheen. Hij hield een stuk zijden stof in zijne handen dat met schriftkarakters bedekt was; hij bood het mij aan met de woorden: 'Lees!'--Wat zal ik lezen? vroeg ik. Hij omwikkelde mij toen met die stof en herhaalde zijn gezegde 'Lees!' Ik herhaalde mijne vraag; Wat zal ik lezen? Hij antwoordde: 'Lees! In den naam van den God die alle dingen heeft geschapen, lees; bij den naam van uwen Heer, die edelmoedig is; Hij is het die het schrift onderwezen heeft. Hij heeft den mensch geleerd wat deze niet wist' [10]. Ik sprak die woorden na den engel uit en hij verwijderde zich. Ik ontwaakte en ging uit om naar de berghelling te gaan. Daar hoorde ik boven mijn hoofd eene stemme die sprak: 'O Mahomet! gij zijt de gezant van God en ik ben GabriÎl.' Ik sloeg de oogen op en bemerkte den engel; ik bleef onbewegelijk staan, met den blik op hem gevestigd, tot hij verdween."

Khadidja was door dat verhaal getroffen, en deelde het aan Waraka mede, van wien wij boven hebben gesproken. Sedert dien tijd ontving Mahomet, die naar Mekka terug was gekeerd, gedurig goddelijke openbaringen, door tusschenkomst van den engel GabriÎl (Djebreil). De eerste zaak welke de engel hem onderwees, bestond in het gebed, door wasschingen voorafgegaan. Op zijne beurt onderwees Mahomet dit aan Khadidja, die langs dien weg de eerste proseliet van het Islamisme werd: zijn tweede bekeerling was Ali, de zoon van Aboe-Talip. Vervolgens ZeÔd of SeÔd, zijn aangenomen zoon, die de eenige van Mahomets volgelingen is, welke in den Koran wordt vermeld [11]. Bovendien wordt aangehaald Abdelcaaba, bijgenaamd el-Atik, (de edele), een man, wien, uithoofde zijner kennis van de Arabische geslachten, groote eerbied werd toegedragen. Hij was bekleed met een ambt van boet- of lijfstraffelijk rechter, en moest uitspraak doen in zaken van moord en boeten, en men wendde zich tot hem tot het uitleggen van droomen. Toen Abdelcaaba (dienaar van den Caaba) het nieuwe geloof aannam, welks grondslagen nauwelijks gevormd waren, nam hij ook den naam aan van Abdallah (dienaar Gods, en dus gelijk staande met Gottschalk en Godschalk), terwijl hij later, toen hij zijne dochter AÔcha aan Mahomet ter vrouw gaf, den naam van Aboebekr (vader der maagd) aannam. Dit nu is dezelfde, die vervolgens de eerste Khalif, of opvolger van Mahomet werd. De eerste bekeeringen tot het nieuwe geloof, welks voornaamste en steeds zeer gewichtig leerstuk, de volstrekte eenheid Gods was, en hetwelk de strekking had tot afschaffing der afgoderij [12] geschiedden in het geheim, en gedurende drie jaren was Mahomets zending alleen bij zijne aanhangers bekend. Dit wordt door den geloofwaardigsten geschiedschrijver van Mahomets zending gezegd. Deze omstandigheid verdient opmerking: zij verklaart ten deele het zeer treffende verschil, dat er bestaat tusschen de laatste hoofdstukken van den Koran (die, wat den stijl betreft, zeer veel overeenkomst hebben met het hoofdstuk, dat, volgens Mahomets verhaal, het eerste geopenbaard is geworden) en de hoofdstukken die, volgens de tegenwoordige redactie van den Koran, de voorste plaatsen innemen. Deze dragen den stempel van eene godsdienstige geestdrijverij, die zich in het onbepaalde uitgiet en zich aan niets stelligs hecht, terwijl de lange hoofdstukken afkomstig zijn van een' man, die met zijne tegenstanders aan het worstelen is; van een' zendeling, die voor een volk spreekt; van een' wetgever.

Op Gods stellig bevel begon Mahomet zijn' godsdienst in het openbaar te prediken. Zijn eerste predikingen wekten in den aanvang alleen spotternij en gelach op; zijne volharding, zijne lastigheid, zijne stoutmoedigheid om in den Caaba zelven de vernieling der afgoden te prediken, gaf, van de zijde der Arabieren, weldra aanleiding tot beleedigingen, tegen welke hij nochtans door zijne ooms beschermd werd, hoezeer dezen het Islamisme nog niet hadden omhelsd. Mahomet had aanvallen en handtastelijkheden te verduren; somtijds dreigde men hem om te brengen; dikwijls vervolgde de samengerotte menigte hem met geschreeuw en gejouw, en men schold hem dan: logenaar, bedrieger, gek en bezetene. Tot een van die tusschengebeurtenissen zijner zending heeft hoofdst. LXXIV betrekking, dat hem geopenbaard werd om hem over dit hoonen te troosten en hem aan te moedigen, zijn' arbeid voort te zetten. Het aantal zijner aanhangers nam voortgaande toe gedurende de pelgrimsreis naar Mekka, toen de bedevaartgangers, die uit alle hoeken van Arabie bijeengestroomd waren, en wien zijne predikingen niet onbekend konden zijn, het verhaal van deze naar hunne woonplaatsen terug brachten. Op deze wijze werd het getal zijner aanhangers te Yathria (Medina) door nieuwe aanhangers vermeerderd, welke hem weldra tot groote hulp waren. Ten gevolge der geheime bekeeringen en der openbare predikingen zag men, gelijk dit verschijnsel bij het invoeren van nieuwe godsdiensten, ja zelfs bij wijzigingen en hervormingen van bestaande, zich altijd heeft opgedaan, dikwijls gezinnen in twee godsdienstpartijen verdeeld. In zulke gevallen baarden de vernederingen, die den lasteraar der goden kwistig werden toegevoegd, een onverzoenlijken en hevigen haat. Aangezien nochtans eenige daad van geweld, op Mahomet gepleegd, onmisbaar tot bloedvergieten zou hebben geleid, stelden eenige KoreÔshieten bij hem eene laatste poging in het werk, Mekka te verlaten, of zijne predikingen te staken. Men bood hem rijkdommen en eereplaatsen in zijne geboortestad aan, en wilde eindelijk zich verbinden, de bekwaamste geneesheeren te doen komen, om hem van zijne ziekte te genezen zoo zijne handelingen inderdaad het gevolg van geestverbijstering of van den invloed des duivels waren. Tot eenig antwoord begon Mahomet, voor hen die tot hem spraken, met het opzeggen van het hoofdstuk Ha-mim: Zie hier de openbaring, die van den grootmoedige over den barmhartige komt, enz., zijnde hoofdstuk XLI. Toen de KoreÔshieten zagen dat zij hem niet konden overtuigen, vroegen zij hem ten minste eenige wonderwerken van God voor Mekka te verkrijgen. Het antwoord door Mahomet gegeven is, in menig opzicht, hoogst opmerkelijk en spreekt te zijner gunste; want hij zeide, dat zijne zending alleen bestond in het prediken van den eeredienst aan den eenigen God, en de menschen tot de waarheid te roepen, maar dat hem het doen van wonderwerken niet gegeven was.

De KoreÔshieten, die door dit antwoord ongeduldig waren geworden, beschuldigden hem toen, dat hij alleen de weerklank van eenige Christenen was [13], en het ontbrak in Mekka niet aan menschen, voor wie die voorgewende openbaringen des Hemels niets anders waren, dan een onsamenhangend weefsel van verhalen, die, Ën wat vorm Ën wat wezen betreft, veel minder beteekenden dan de godsdienstige boeken en zelfs dan de historische of poÎtische geschriften der andere volken [14]. Volgens eenige levensbeschrijvers van Mahomet, zouden de KoreÔshieten eene deputatie naar de rabbijnen van Yathrib (Medina) hebben gezonden, om hun Mahomet af te malen, hun een kort bericht over diens godsdienst te geven en om hun te vragen wat zij er van dachten. De rabbijnen zouden, volgens die levensbeschrijvers, geantwoord hebben: "vraagt hem, wie zekere lieden der verloopen eeuwen zijn, wier voorval een wonder vormt? Wie is de man die de grenzen der aarde ten oosten en ten westen heeft bereikt? Wat is de ziel? Antwoordt hij nu," zouden zij gezegd hebben, "op die en die wijze, dan is hij werkelijk een profeet, zoo niet, dan is hij een bedrieger." Toen de afgezondenen te Mekka terug waren gekeerd, deden zij Mahomet de drie vragen; hij beloofde des anderen daags te antwoorden, maar uithoofde hij vergeten had daarbij te voegen: als het Gode behaagt, strafte God hem en deed hem veertien dagen op die openbaring wachten, gedurende welken tijd de ongeletterde man daarop eenig antwoord wist in te winnen. Na verloop van veertien dagen eindelijk antwoordde hij door de geschiedenissen der zeven slapers en van Alexander de Groote (hoofdstuk XVIII). Wat de vraag ten aanzien der ziel betrof, antwoordde hij, juist ter snede, dat God alleen wist, wat deze was [15]. Zijne levensbeschrijvers zeggen, dat die zegepraal van Mahomet op de ongeloovigen de teleurstelling en wrok der KoreÔshieten ten top voerde, en zij toen een' ieder verboden, de predikingen des profeets aan te hooren. Door de strenge maatregelen die men tegen de aanhangers van den nieuwen eeredienst nam, werd een zeker aantal (in het vijfde jaar van Mahomets zending, zijnde in het jaar 615) weldra gedwongen, Mekka te verlaten en een toevluchtsoord in AbyssiniÎ te zoeken. Daar werden zij met welwillendheid door den koning van AbyssiniÎ ontvangen, die christen was. Spoedig werd de eerste landverhuizing door eene tweede gevolgd: in het geheel bedroegen die twee groepen honderd vijftien personen van beiderlei geslacht. De KoreÔshieten zonden eene deputatie naar AbyssiniÎ, om de uitlevering dier uitgewekenen te vragen; maar de koning weigerde dit, terwijl hij hun gedrag in zoodanige uitdrukkingen lof toezwaaide, dat zij, volgens de Muzelmansche geschiedschrijvers, tot een bewijs konden strekken voor zijn heimelijk overhellen naar den Islam.

De partij van den nieuwen eeredienst werd op dat tijdstip onvoorziens versterkt, door dat er zich een man bijvoegde, die sedert in de Mohammedaansche jaarboeken zeer vermaard is geworden, en welke, meer dan al de anderen, bijdroeg, om dezen eeredienst te verbreiden. Dit was Omar, de zoon van Khattar, die, even als zijn vader, aanvankelijk Mahomet zeer vijandig was en, uithoofde van zijnen moed en zijne hevigheid, zich bij de Muzelmannen zeer gevreesd had gemaakt. De Islam had in zijne familie, en vooral bij de vrouwelijke leden, toegang gevonden. Onder deze was Fatima zijne zuster; maar de vrees voor haren broeder gaf haar aanleiding om den Koran niet anders dan in het geheim te lezen. Op zekeren dag verraste Omar haar te midden van dat lezen, en vervoerd door toorn kwetste hij haar. Op het zien van het vloeien des bloeds zijner zuster bedaart hij eensklaps; daarop doet hij zich eenige verstrooide bladen van den Koran toonen; hij staat opgetogen van bewondering, is tegelijk verteederd, en begeeft zich dadelijk tot Mahomet, om in zijne handen belijdenis van het Muzelmansche geloof af te leggen. Al die gelukkige gebeurtenissen wekten bij den grooten hoop der KoreÔshieten zwaren wrok op twee takken van den stam, namelijk die der Hachim en die der Mottalib, welke uithoofde hunner verwantschap met Mahomet, hem een' machtigen steun gaven. Er werd een verbond tegen die twee takken gevormd, met het doel, hen van alle burgerlijke en handelsbetrekkingen uit te sluiten, en deze soort van ban werd geschreven door eene, op perkament geschreven acte, die in den Caaba nedergelegd werd. Deze maatregel baarde aan de beide in den ban gelegde takken ernstige ongerustheid ten aanzien van hunne veiligheid. Zij besloten derhalve, op een enkel punt van Mekka samen te trekken, in plaats van, gelijk tot hiertoe het geval was geweest, huizen te bewonen, die door de stad verspreid waren. Dit gebeurde in het zevende jaar van Mahomets zending.

Deze staat van vijandelijkheid in de Muzelmansche of niet-Muzelmansche gezinnen der KoreÔshieten, duurde tot in het tiende jaar der zending; toen besloot men eene verzoening te bewerken; maar op zekeren dag, terwijl men over deze zaak beraadslaagde, verscheen Aboe-Talib, de oom van Mahomet, en verkondigde aan de afgoden-dienende KoreÔshieten, dat Mahomet door eene openbaring vernomen had, dat de acte van het verbond, die in den Caaba was bewaard, door God aan de wormen ten prooi gegeven was. Men begaf er zich heen en vond, naar het bericht der geschiedschrijvers, het perkament door de wormen geheel weggeknaagd, met uitzondering der woorden: "In Uwen naam, o God," die zich aan het hoofd bevonden. Aangezien de acte nu vernietigd was, viel ook het verbond uiteen, en de gezinnen die in den ban gedaan waren, betrokken hunne oude woningen weder. Het blijkt intusschen niet, dat de afgodendienaars door die voorgewende bewijzen voor het goddelijke van Mahomets zending zÛÛ sterk getroffen zouden zijn geworden, dat zij daardoor den Islam zouden hebben omhelsd. Mahomet, die in zijn geboortestad teruggestooten werd, begaf zich naar Taif eene stad die met Mekka wedijverde; maar zijne predikingen ontmoetten er even sterke tegenkanting, beleedigingen en haat. Mahomet keerde toen weder naar Mekka terug en gedroeg zich voorzichtiger; hij predikte toen niet meer in het openbaar en onthield zich ook van het beleedigen en bespotten der afgoden. Zijn verblijf te Mekka werd nochtans steeds onhoudbaarder, vooral toen hij zich in 619 of 620, door den dood van Aboe-Talib [16] en Khadidja, van hunnen steun beroofd zag. In zulk een gevaarlijken toestand was het voor Mahomet van gewicht, eenige andere stad te vinden, die tot middenpunt voor zijnen werkkring kon dienen. Hij vond deze te Yathrib. Die stad was hoofdzakelijk bewoond door twee stammen van afgodendienende Arabieren en twee Joodsche stammen.

De Arabieren, die de IsraÎlieten hadden hooren spreken van de te verwachten verschijning eens profeets, welke de geheele wereld aan zijn bestuur onderwerpen zou, en waarmede deze natuurlijk den te verwachten Messias bedoelden, voelden zich niet ongeneigd, het verhaal van de predikingen, door Mahomet te Mekka gehouden, gunstig op te nemen. De pelgrimstocht naar Mekka bracht hen gemakkelijk in betrekking met Mahomet, en ten gevolge van eenige enkele bekeeringen van Arabieren uit Yathrib, begon de nieuwe eeredienst er weldra talrijke aanhangers te bezitten. In het elfde jaar van Mahomets zending, hadden twaalf personen, die van Yathrib gekomen waren, met hem eene samenkomst op den berg Akaba, een' heuvel in de nabijheid van Mekka, in welke bijeenkomst hij hun de hoofdpunten van zijn' godsdienst ontvouwde en hen vermaande, die te volgen. Deze bijeenkomst is bekend onder den naam van de eerste eed van Akaba, omdat die twaalf personen daar zwoeren, de voorschriften door Mahomet ingeprent te volgen. Op dat tijdstip zijner zending vergde hij van zijne bekeerlingen nog niet, zich ter verdediging van zijn godsdienst te wapenen, maar het duurde niet lang of zij verbonden zich daartoe, en wel bij de volgende gelegenheid: in het volgende jaar, zijnde het twaalfde zijner zending, of het jaar 622, begaf eene karavaan van de inwoners van Yathrib zich naar Mekka; zij was samengesteld uit Muzelmannen en afgodendienaars. Onder begunstiging van den nacht, toen de afgodendienaars in diepen slaap waren gedompeld, hadden de Muzelmannen eene geheime samenkomst met Mahomet; daarin beloofden zij hem te ondersteunen en eene schuilplaats te verleenen, ja zij noodigden hem zelfs, zich bij hen te komen vestigen. "Als wij het leven voor u laten, wat zal dan onze belooning zijn?" vroegen zij hem. "Het Paradijs!" antwoordde Mahomet--"Maar als wij tot het welgelukken uwer onderneming bijdragen, zult gij ons dan niet verlaten om naar Mekka terug te keeren?"--"Nooit! Ik zal bij u leven en sterven!" hernam hij, en deze belofte werd met een' handslag bezegeld. Tot eer van Mahomet dient men hier te doen opmerken dat deze belofte nimmer door hem gebroken, maar met de meeste eerlijkheid gehouden is, (wat ook de geschiedenis bevestigt) welke gronden en omstandigheden hem later daartoe ook mochten hebben uitgelokt. Dit was de tweede, of groote eed van Akaba ook de eed der vrouwen genoemd. Welke pogingen men ook moge hebben aangewend, om het verbond met de Arabieren van Yathrib zeer geheim te houden, werd het echter aan de KoreÔshieten bekend, waarop deze besloten, zich van Mahomet te ontdoen. Nademaal Mahomet de mogelijkheid voorzag, dat er geweldige maatregelen konden worden genomen, drong hij bij vele Muzelmannen van Mekka aan, naar Yathrib uit te wijken. Deze Muzelmannen zijn bekend onder den naam van moehadjirs (uitgewekenen). Mahomet zelf, eindelijk, wist de waakzaamheid zijner vijanden te ontgaan, die al zijne stappen bespiedden, en verliet Mekka in de eerste helft van Juni des jaars 622 [17]. Deze vlucht, hidjret genaamd, waarvan wij hedjira of hegira hebben gemaakt, is het aanvangspunt der Mahomedaansche jaartelling. Deze is nochtans zeventien jaren later, onder den Khalif Omar ingesteld. Op zijne vlucht werd Mahomet door Aboe Bekr vergezeld. De twee vluchtelingen, die door een' troep KoreÔshieten vervolgd werden, verborgen zich in eene grot van den berg Thour, op drie mijlen zuidelijk van Mekka gelegen. Reeds maakten de KoreÔshieten, die hem vervolgden, zich gereed om er binnen te dringen, toen zij bemerkten, dat eene duif aan den ingang van het hol twee eieren had gelegd, en eene spin haar webbe had gesponnen. Daaruit maakten zij op, dat niemand kort geleden in die grot kon zijn doorgedrongen en verwijderden zich [18]. Mahomet kwam na eenige omwegen, ten noorden van Mekka, op den weg naar Yathrib, waar hij in het begin van Juli 622 aankwam, nadat hij te Koba, een dorp op twee mijlen afstands van Yathrib, den eersten steen voor de eerste Muzelmansche moskee had gelegd.

Dadelijk na zijne aankomst te Yathrib, begon hij eene moskee te bouwen en vestigde zijne woonplaats in die stad, welke van dien tijd Medinet-en-nabi (stad van den profeet) of el-Medineh (de stad), Medina begon genoemd te worden. De twee Arabische stammen van Yathrib, die, na jaren van haat en oorlog, door den Islam verzoend waren, ontvingen de benaming van ansar (helpers, bondgenooten), zoodat Mahomets aanhangers op dit tijdstip bestonden uit de moehadjirs (uitgewekenen van Mekka) en de ansar (van Medina), die allen begrepen werden onder den naam van ashab (gezellen).

De Muzelmannen die zich op deze wijze te Medina kwamen vestigen, waren niet aan de genade der inwoners overgegeven; maar om hunne veiligheid nog beter te verzekeren, sloot men eene overeenkomst, waarbij hunne wederzijdsche betrekkingen en hunne rechten werden vastgesteld.

Krachtens die overeenkomst moesten de KoreÔshieten, inwoners van Mekka, en de Arabieren van Medina voortaan slechts een enkel volk uitmaken. Onder die bepalingen kwamen er ook voor, van eenen aard, welke men niet alleen in dat verwijderd tijdstip en uitsluitend in het Muzelmansche burgerlijk wetboek aantreft, maar waarvan nog negen, tien en elf eeuwen daarna en nog later, de wetboeken van de meeste Europeesche volken bedroevende en menschonteerende stalen opleveren, terwijl die nog in den tegenwoordigen tijd--om maar iets te noemen--ten aanzien der Russische lijfeigenen enz. in Europa voorkomen; van andere werelddeelen willen wij niet eens spreken. De bedoelde bepalingen waren, b.v., dat een Muzelman geen' Muzelman mocht dooden, om den dood van een' ongeloovige te wreken, en ook niet voor een' ongeloovige tegen een' Muzelman partij mocht trekken. Voorts moesten de rijke en machtige lieden de zwakken eerbiedigen. Geene partij der geloovigen mocht afzonderlijk vrede met de ongeloovigen sluiten. De IsraÎlietische bondgenooten der Muzelmannen moesten voor alle beleedigingen of afpersingen beveiligd worden, en mochten hunnen godsdienst vrijelijk uitoefenen; maar zij moesten zich ook bij de Muzelmannen voegen, om Medina tegen alle aanvallen te verdedigen, of moesten tot de oorlogskosten bijdragen. Eindelijk vond men er eene bepaling, volgens welke iedere twist, die er mocht ontstaan tusschen hen, welke het verbond hadden gesloten, aan het oordeel van God en van Mahomet zou worden onderworpen. Om elken naijver tusschen de Ansar en de Moehadjirs te voorkomen, vormde Mahomet eene soort van broederschap, in welke een ieder van de Ansar bij een' Moehadjir gevoegd was. Op dat tijdstip waren vele godsdienstige instellingen en voorschriften nog niet gevestigd: zoo wendde men zich, b.v., bij het gebed naar de zijde van Jeruzalem, dat noordelijk lag, gelijk men de IsraÎlieten zich daarheen zag wenden, in stede van zich zuidelijk, naar den Caaba te keeren. De edhan of izan--de oproeping tot het gebed--werd eerst eenige maanden na Mahomets vestiging te Medina vastgesteld, maar er bestond reeds eene zekere organisatie, die alleen de bezegeling der zegepraal noodig had om te wortelen. Zoodanige overwinning kwam Mahomets werk weldra ter hulp. Het was in de maand Ramadhan van het jaar 624 en in het tweede jaar der hedjira. Mahomet had toen vernomen, dat eene karavaan van SyriÎ, tusschen Medina en de zee, naar Mekka terugkeerde. Hij nam het besluit haar aan te vallen; maar het hoofd der karavaan, die van Mahomets voornemen onderricht werd, deed ijlings te Mekka hulp vragen. Die van Mekka kwamen, ten getale van omtrent duizend manschappen en honderd paarden, de karavaan helpen. Mahomet had niet meer dan driehonderd veertien manschappen, die slechts zeventig kameelen bezaten; dit was dus ÈÈn kameel op vier of vijf personen, die den kameel beurtelings bereden. Bij dien troep waren slechts drie paarden, wier namen, zoowel als de kleinste bijzonderheden dier onderneming, bewaard zijn gebleven. In weÍrwil van het mindere aantal zijner lieden, viel Mahomet de KoreÔshieten te Bedr aan en sloeg hen, na een' tamelijk warmen strijd van eenige uren, op de vlucht. Dat gevecht had plaats den 16den dag der maand Ramadhan in het tweede jaar der hedjira. De Muzelmannen, die zelven over hunne zegepraal verbaasd stonden, schreven die aan de hulp der engelen toe, welke zij, naar hun zeggen, de ongeloovigen hadden zien bestrijden; en Mahomet zegt uitdrukkelijk in den Koran (III, 119 en VIII, 9), dat God drieduizend engelen te zijner hulpe had gezonden. In het begin van het gevecht onthield Mahomet zich in eene hut, en zond vurige gebeden tot God op; doch zoodra de strijd algemeen was geworden, kwam hij er uit, en terwijl hij zich onder de strijdenden mengde, wierp hij eene handvol zand op de vijanden. Die trek wordt onder de door Mahomet verrichte wonderwerken geteld.

De karavaan die kennis had van Mahomets bewegingen, vermeed Bedr en naderde de zee, terwijl zij tevens den weg naar Mekka vervolgde. Mahomet, die de hoop had opgegeven haar nog te bereiken, keerde met de gevangene KoreÔshieten en den krijgsbuit naar Medina terug. Behalve het na kort proces en spoedig ter dood brengen van eenige KoreÔshieten, door wie Mahomet voorheen beleedigd en zijne zending bespot was, hadden al de andere gevangenen reden, over de menschelijkheid der Muzelmannen voldaan te zijn. Na verloop van zes weken werden die gevangenen door de bewoners van Mekka losgekocht. Wel verre dat de laatstgenoemden door de nederlaag van Bedr ontmoedigd zouden zijn geweest, besloten zij integendeel daarover wraak te nemen, en besteedden de helft der winst welke de ontzette karavaan had gemaakt, aan het uitrusten der troepen; terzelfder tijd stuurden zij zendelingen uit, om de Arabische stammen ten krijg tegen Mahomet op te zetten. Zij hadden weldra drieduizend strijders vereenigd, waaronder een zeker aantal, die hunne vrouwen mede namen, welke in last hadden op tambourijns te slaan, liederen ter eere van de bij Bedr gedoode krijgslieden te zingen, en door hare aanwezigheid den ijver harer mannen aan te vuren. Het leger der KoreÔshieten trok eerst op Medina aan, toog de stad toen voorbij en nam ten noordoosten, nabij den berg Ohod, eene stelling in.

Mahomet trok Medina aan het hoofd van duizend man uit, om de KoreÔshieten aan te vallen. De Muzelmannen putten hun vertrouwen uit de herinnering van den gelukkigen uitslag te Bedr; de KoreÔshieten daarentegen vonden zich bemoedigd door hun getal en hunnen haat; en hun aanvoerder had twee afgodsbeelden met zich gevoerd, om den moed zijner troepen aan te wakkeren. De strijd was zeer hardnekkig, en reeds waande Mahomet dat hij overwinnaar was, toen een gedeelte zijner troepen bij het vervolgen van den vluchtenden vijand zich op de bagage wierp om die te plunderen. De KoreÔshieten hereenigden zich toen en vielen de Muzelmannen aan. Mahomet stort in een ravijn en wordt door een' steen getroffen, die hem een tand aan stukken slaat; desniettemin roept hij zijn krijgsmakkers toe: "wie wil zijn leven voor mij geven? Hij die zijn bloed met het mijne vermengt, zal niet door het helsche vuur bereikt worden." Men snelde te zijner hulp, maar eenigen van zijne dapperste krijgsmakkers werden daarbij gedood, en de Muzelmannen trokken naar een hollen weg terug, waar zij door de KoreÔshieten niet vervolgd werden. Het gevecht bij Ohod was verloren en men vatte van wederzijde het voornemen op, het volgende jaar elkander te Bedr nogmaals te ontmoeten. In den Koran heeft Mahomet de oprechtheid gehad, de nederlaag van Ohod niet te verzwijgen, maar toe te schrijven aan het te groot vertrouwen der Muzelmannen op hunne krachten en aan de groote hebzuchtigheid, waarmede zij zich op den buit hadden geworpen. Bij die gelegenheid was het, dat Mahomet verbood de dooden van het slagveld te vervoeren om die elders te begraven. Hij verbood zelfs hun het bloed af te wasschen, daar hij zeide, dat de martelaars op den dag der opstanding met hunne bloedende wonden verschijnen en eene muskuslucht van zich geven zouden. Hij beval hun slechts aan, een gebed voor de lijken te doen. Wij zouden de grenzen van deze levensschets te buiten gaan, door hier een omstandig verhaal te geven van de tochten, de marschen en gevechten, waartoe Mahomet, in de jaren die op de gevechten van Bedr en Ohod volgden, bij zijne botsingen, vooral met de afgodendienaars, verplicht was. Wij zullen ons derhalve bij een zeer beknopt verslag van die worstelingen bepalen. De KoreÔshieten kwamen in het vierde jaar der hedjira niet opdagen voor het treffen bij Bedr, gelijk men elkander in het vorige jaar beloofd had, doch daarentegen vormde zich tegen Mahomet een verbond van Arabische en Joodsche stammen, naar Mahomets meening vooral op aandrijven der Joden van Medina, die den stam van KoraÔza uitmaakten. Dit verbond liep uit op het belegeren van Medina en aangezien de Muzelmannen op drie zijden van Medina eene gracht groeven, is die oorlog bekend onder den naam van den oorlog der gracht. Deze gebeurtenis had plaats in het vijfde jaar der hedjira (627), en op dat verbond heeft het hoofdstuk uit den Koran betrekking, het welk Al-ahzab (de verbondenen) heet, zijnde het XXXIIIe. Bij die gracht hadden eenige gevechten tusschen de belegerden en de belegeraars plaats. Het beleg duurde omstreeks eene maand, maar door den naijver welken de heimelijke aanhangers van Mahomet in het leger wisten op te wekken, ging het verbond, dat tienduizend man telde weldra uiteen en het beleg werd toen opgeheven. Aan het hoofd van drieduizend man ging Mahomet nu, terecht of niet, wraak nemen op den Joodschen stam KoraÔza--aan den anderen waagde hij zich niet--en belegerde hen in hunne versterkingen. De KoraÔza, die geene levensmiddelen hadden, gaven zich na eenigen tijd over. Mahomet deed toen al de hoofden ombrengen en verdeelde al de overigen benevens hunne vrouwen, hunne kinderen en al hunne roerende en onroerende eigendommen, onder de Muzelmannen. In het zesde jaar der hedjira ondernam Mahomet, zoowel in eigen persoon als door zijne krijgsbevelhebbers, eenige kruistochten tegen onderscheidene Arabische stammen, welke hij spoedig onderwierp. Zonder moeite namen deze den Islam aan. Uit dien tijd verhalen Mahomet's levensbeschrijvers een' menschlievenden trek van hem ten aanzien der afgodendienende KoreÔshieten. Er waren eenige pas bekeerde stammen die geweigerd hadden Mekka van levensmiddelen te voorzien, waar toen schaarschte daarvan was, doch Mahomet hief dat verbod op. Het was evenzeer na een' dezer krijgstochten--dien tegen de Mostaliks--dat de gebeurtenis voorviel met AÔsha, Mahomets vrouw, die door het algemeen gerucht beschuldigd werd, in misdadige betrekking te staan tot een jong Muzelman. De openbaring nu, vervat in Hoofdstuk XXIV is door Mahomet niet alleen gewijd aan het doel om AÔsha te zuiveren van de lasteringen te haren aanzien verbreid, maar ook om in het vervolg de rechtspleging in gevallen van overspel te regelen. In het zesde jaar der hedjira beschouwden Mahomet en de Muzelmannen, die sedert hunne vlucht uit Mekka niet ter bedevaart naar den heiligen tempel waren geweest, het als plicht, dit te bewerkstelligen. Mahomet deed daartoe de KoreÔshieten verlof vragen, tegelijkertijd verklarende, dat zijne bedoelingen vredelievend waren, hetzij nu dat hij werkelijk geene andere voornemens koesterde, hetzij dat hij op eenige gunstige gebeurtenis wachtte, om zich van Mekka meester te maken, bij gelegenheid dat hij deze bedevaart zou houden aan het hoofd der Muzelmannen, bij welke zich de Arabieren zouden hebben gevoegd, welke nog den afgodendienst waren toegedaan. Maar de KoreÔshieten lieten zich niet gemakkelijk belezen om dat verlof toe te staan, en al de stappen door Mahomet gedaan, hadden alleen tot uitslag, het sluiten eener overeenkomst, welke als eene zedelijke nederlaag kan worden beschouwd. Deze overeenkomst bepaalde: 1∫. een tienjarig bestand zal getrouwelijk tusschen de Muzelmannen en de KoreÔshieten in acht worden genomen; 2∫. ieder persoon die de KoreÔshieten mocht verlaten, om, zonder verlof zijner hoofden, tot Mahomet over te gaan, zal aan de KoreÔshieten uitgeleverd worden; 3∫. zij die van Mahomets partij tot die der KoreÔshieten mochten overgaan, zouden niet uitgeleverd worden; 4∫. den Arabischen stammen wordt vrijheid gelaten, zich met de KoreÔshieten of met de Muzelmannen te verbinden; 5∫. Mahomet en de zijnen zullen onmiddellijk zich uit den omtrek van Mekka terugtrekken; 6∫. het volgende jaar zullen zij den Caaba kunnen bezoeken, maar zij zullen er niet langer dan drie dagen blijven, en geene andere wapens dragen dan hunne sabels, die zij niet uit de scheede zullen trekken. Deze overeenkomst, waarin het gewone verschijnsel--overmoed tegen de zwakken, kruipen voor de sterken zichtbaar was--mishaagde den Muzelmannen zeer, maar Mahomet deed, vooral ten aanzien der artikelen 2 en 3, opmerken, dat God degenen niet zou verlaten, welke aan de KoreÔshieten mochten worden overgeleverd, en wat diegenen betrof, welke tot de afgodendienaars mochten overgaan, dat het openlijke verlaten door eenige huichelaars veeleer voor- dan nadeel was. Deze overeenkomst werd gesloten te HodaÔbiia.

Voor dat jaar moest Mahomet van de bedevaart naar Mekka afzien, en zelfs weinig tijds na het sluiten der overeenkomst, toen een KoreÔshiet tot den Islam overging en door zijne hoofden opgeÎischt werd, haastte zich Mahomet om hem uit te leveren, waarover de Muzelmannen zeer misnoegd waren; maar hij deed het stilzwijgen der overeenkomst ten aanzien der vrouwen gelden, toen eenige vrouwen na het verlaten van Mekka in zijn kamp den Islam kwamen omhelzen, en gaf haar niet aan hare mannen terug, die haar kwamen opeischen. In hetzelfde jaar, het zesde der hedjira, zond Mahomet een' gezant aan den koning van PerziÎ, om bij hem aan te dringen tot het aannemen van zijn godsdienst. De brief dien hij CosroÎs toezond, begon met de volgende woorden: Mohammet zoon van Abdallah, gezant van God, aan Kesra (CosroÎs), koning van PerziÎ. Men kan begrijpen met welke verachting dat schrijven door de Perzianen ontvangen moet zijn, als men weet, dat deze al de Arabieren als een lomp en barbaarsch volk beschouwden, dat ten deele aan de macht van PerziÎ onderworpen was. De koning en de koningin verscheurden Mahomets brief. Toen deze het vernomen had, riep hij uit: "Dat God zijn rijk verscheure!" en deze vloek werd aangezien als een onfeilbaar voorteeken van den spoedigen val der Perzische monarchie. Die voorzegging werd echter eerst in het achttiende jaar der hedjira onder het khalifaat van Omar vervuld.

Volgens de Muzelmansche geschiedschrijvers werden de gezantschappen, die door Mahomet aan den koning van Abysenie en den gouverneur van Egypte werden gezonden, met eerbied ontvangen. Het zevende jaar der hedjira werd door eene belangrijke overwinning gekenmerkt en wel door die op de Joden van KhaÔbar, eene stad die door onderscheidene forten verdedigd werd, en die drie of vier dagreizen van Medina, te midden eener vruchtbare landstreek was gelegen. Mahomet toog naar KhaÔbar aan het hoofd van veertien honderd man, waarbij twee honderd ruiters. Het beleg duurde omstreeks twaalf dagen, en de Muzelmannen vonden er een' krachtigen tegenstand; maar na eenige hardnekkige gevechten, in welke Ali, Mahomets schoonzoon zich onderscheidde, werden al de forten, het een na het andere ingenomen, en daardoor de macht der Joden van KhaÔbar vernietigd. Maar aangezien zij aan hun land waren gehecht, bleven zij in het bezit er van; dit was echter niet langer als eigenaars, maar als pachters der Muzelmannen, en dit tengevolge eener met Mahomet gesloten overeenkomst. Deze wederrechtelijke en door niets te weeg gebrachte nederlaag der IsraÎlieten, deed bij eene van Mahomets vrouwen, die ook tot dezen godsdienst behoorde, de zucht ontstaan haar landgenooten te wreken. Zij gaf hem daarom een stuk vergiftigd schapenvleesch te eten, en alleen ternauwernood was het, dat hij aan den dood ontsnapte.

De overmeestering van KhaÔbar werd door die van Fadak gevolgd, zijnde dit een vlek dat tot KhaÔbar behoorde. Mahomet maakte Fadak tot zijn bijzonder eigendom, hetwelk aan zijn dochter Fatima overging, die met Ali gehuwd was. De IsraÎlieten van Wadi-l-Kora ondergingen hetzelfde lot, en die van Taima, op de grenzen van SyriÎ, achtten het voorzichtig, eene onvermijdelijke vernieling voor te komen, en zonden hunne onderwerping aan Mahomet in. In hetzelfde jaar zond de nieuwe profeet een' gezant aan keizer Heraclius [19] die zich toen, bij zijn terugkeer van den veldtocht naar PerziÎ, in SyriÎ bevond. De Muzelmansche levensbeschrijvers zeggen, dat Heraclius den Muzelmansche gezant met onderscheiding ontving; maar de gezantschappen die Mahomet aan twee Ghassanidisch-Arabische vorsten zond, welke leenmannen van het Romeinsche keizerrijk waren, werden met verontwaardiging en verachting ontvangen; in zijne brieven had Mahomet hen uitgenoodigd, het Islamisme te omhelzen.

Op het einde van het zevende jaar der hedjira (629), hetgeen het tijdstip was voor de bedevaart naar Mekka, vastgesteld in de overeenkomst, die in het vorige jaar met de KoreÔshieten gesloten was geworden, kon Mahomet eindelijk de gelofte van het bezoeken der heilige plaatsen volbrengen, en hij volbracht haar op vreedzame wijze. Hij trok Mekka binnen, te midden van een grooten toeloop van afgodendienaars. Hij zat op zijn wijfjes-kameel Koswa en werd omringd door zijne leerlingen, die te voet waren en de sabel op zijde hadden. Hij nam al de godsdienstgebruiken waar, en wel niet alleen diegene, welke sedert onheugelijke tijden ingesteld waren, en door niets gekenmerkt werden wat naar afgoderij geleek, maar ook die, welke hij, in zijne hoedanigheid van apostel, zelf pas had ingesteld. De zeven omgangen rondom den Caaba, de zeven gangen tusschen de heuvels van Safa en Merwa, het slachten der offers in de vallei van Mina en het Muzelmansche gebed, dat door zijn bijzonderen uitroeper aangekondigd werd, kortom alles had vreedzaam en in ongestoorde orde plaats; maar de KoreÔshieten stonden er op, dat hij, onmiddellijk na het verblijf van drie dagen, dat door de overeenkomst was bepaald, vertrekken zou, en wilden zelfs niet de uitnoodiging aannemen tot een gastmaal, dat Mahomet hun voor zijn vertrek wenschte te geven.

Tengevolge van dien vreedzamen tocht, welke Mahomet wist dienstbaar te maken aan het vermeerderen zijns aanziens in de oogen der Arabieren, en die oorzaak werd dat er vele en belangrijke bekeeringen plaats hadden, ondernam de profeet der Arabieren, die reeds door den glans eens vorsten omringd was, een' krijgstocht tegen het Romeinsche keizerrijk, of om beter te zeggen tegen de Ghassanidisch-Arabische vorsten, die aan de Romeinen schatplichtig waren, en door Romeinsche troepen ondersteund werden. Een Muzelmansch leger, drie duizend man sterk en door zijn' vrijgemaakten slaaf SeÔd aangevoerd, toog naar Moeta, een vlek in het zuid-oostelijke uiteinde van SyriÎ, en had daar bloedige gevechten te bestaan tegen de Arabieren en Romeinen, die veel sterker in getal waren. De uitslag van dien oorlog was voor de Muzelmannen noodlottig. Nadat zij achtereenvolgens twee opperbevelhebbers hadden verloren, waren zij genoodzaakt naar Medina terug te trekken. Intusschen deed dat verlies Mahomets macht niet verzwakken; want eenige Bedouynsche stammen haastten zich het Islamisme te omhelzen en zich onder zijne banier te scharen; daaronder behoorde de stam Abs, waartoe de vermaarde held Antara [20] had behoord. Mahomet, welke de afgezanten van dien stam ontving, zeide hun dat Antara, voor eenige jaren gestorven, de Bedouynsche held was, welken hij het sterkst had verlangd te zien. Om al den voorspoed in ArabiÎ de kroon op te zetten, ontbrak Mahomet nog maar de vermeestering van Mekka. Daartoe deed zich in het achtste jaar der hedjira, eene gunstige gelegenheid op, toen de stam Khozaa, die Mahomets bondgenoot was door de overeenkomst, twee jaren vroeger te HodaÔbiia geteekend, door den stam DoÔl (bondgenoot van Mekka) en door die van Mekka zelven werd aangevallen. Mahomet achtte zich daarvoor van alle verplichtingen ontslagen, en besloot dadelijk de meeste partij van die breuk te trekken; daarom wees hij de openingen der KoreÔshieten af, ten aanzien eener voldoening en eener schikking. Hij vertrok uit Medina op den 10den dag der ramadhan van het achtste jaar der hedjira (630) aan het hoofd der Ansar en der Moehadjir, en waarbij onderweg zich de stammen kwamen voegen, die kortelings tot zijne leer waren overgegaan. Volgens Mahomets geschiedschrijvers beliep dat leger tien duizend man. Tien dagen later trok het Muzelmansche leger de heilige stad binnen, zonder dat er eenige verdediging plaats had en zelfs zonder veel wederstand; zÛÛ geheim had men den beraamden tocht weten te houden, en zÛÛ snel waren de bewegingen geschied; maar een troep KoreÔshieten, die de Muzelmansche voorhoede bij het intrekken van Mekka aanviel, werd nedergesabeld en alleen Mahomets spoedige aankomst op de slagplaats was in staat, een groot aantal schuldelooze offers te sparen. Zeventien bewoners van Mekka werden van de algemeene kwijtschelding uitgesloten, en Mahomet gaf verlof hen te dooden, al waren zij ook in den Caaba verborgen. Mahomet begaf zich dadelijk naar den tempel, ging er zevenmalen omheen, en raakte met eerbiedigheid den zwarten steen met zijn' mihdjan aan, zijnde dit een staf, die aan het eene einde omgebogen was. Hij vroeg vervolgens den sleutel van den tempel en drong in het binnenste door. Hij zag er beelden en voorstellingen van engelen, die op de muren geschilderd waren, eene houten duif die aan de zoldering was opgehangen en die vermoedelijk ontleend was, hetzij aan de Oud-Testamentaire vrededuif, aan de duif der Samaritanen, of misschien aan het zinnebeeld van het Nieuwe Testament; voorts een beeld, hetwelk men zeide dat van Abraham te zijn, en hetwelk de pijlen in de hand had, door middel van welken de Arabieren gewoon waren het lot te raadplegen. In den tempel waren drie honderd zestig afgodsbeelden vereenigd; naarmate Mahomet deze voorbijging, hief hij zijn mihdjan op, en na dat teeken verbrijzelde men die terstond, terwijl hij de woorden sprak: "De waarheid verscheen en de logen verdween." Op het middaguur klom zijn bijzondere uitroeper, Belal genaamd, op den Caaba en verkondigde het uur van het gebed.

Denzelfden dag werd de geheele bevolking van Mekka verwittigd, dat zij zich had te begeven naar den heuvel Safa, om den profeet te erkennen en hem den eed van gehoorzaamheid bi'at bi'a te doen, welke daarin bestond, dat een ieder Mahomet de hand moest geven. Bij die gelegenheid was Omar Mahomets vertegenwoordiger; hij stak elk der omstanders de hand toe, terwijl Mahomet op een' verheven zetel geplaatst was. Na de mannen, werden de vrouwen toegelaten, om evenzeer den eed te doen; zij beloofden, noch schelmerij, overspel, hoererij noch kindermoord te plegen, en zich aan geen liegen of kwaadspreken schuldig te maken.

Mahomet bleef omstreeks veertien dagen te Mekka. Gedurende dien tijd deed hij, in den omtrek, de afgodsbeelden en de tempels der afgodendienaars vernielen, en zond detachementen ruiterij uit, om de bewoners der omgelegen streken tot den Islam te roepen. Hoezeer hij zijne troepen had bevolen, hunne wapenen niet anders dan alleen in den uitersten nood te gebruiken, volgden eenige hoofden deze orders niet op en richtten moordtooneelen aan, welke Mahomet zich verplicht achtte, openlijk te ontkennen als op zijn bevel geschied te zijn, en die te veroordeelen. Een enkele machtige stam, die sedert lang naijverig op de KoreÔshieten was, weigerde zich te onderwerpen, en trok tegen Mekka op. Mahomet trok die stad binnen aan het hoofd van een indrukwekkend leger, en het gezicht van die strijdmacht boezemde de Muzelmannen een zoodanig vertrouwen in, dat zij zich onverwinbaar achtten. Dat vertrouwen wordt echter in den Koran (IX:25) gegispt; inderdaad toen dan ook, de Muzelmannen eene enge vallei binnentrokken en te HonaÔn aankwamen, dat op tien mijlen afstands van Mekka is gelegen, werden zij door de Hawazin, en wel met zulke hevigheid aangevallen, dat er wanorde in hunne gelederen ontstond, en dat het Mahomet eerst na de uiterste pogingen gelukte, de vluchtenden tot staan te brengen en hen te hereenigen. Hij beval zijn' witten muilezel Doldol te gaan liggen, en wierp toen, even als te Bedr, eene handvol zand naar den vijand, en door dit wonderwerk, zeggen de geschiedschrijvers verschafte hij zich de overwinning. De vijand werd op de vlucht gedreven en trok af naar Taif, eene stad ten westen van Mekka gelegen, en omringd door eene zeer vruchtbare streek, welke stad door den handel rijk geworden en door muren omringd was. Toen nu de belegering der stad lang begon te duren, wilde Mahomet eerst al de wijngaarden in den omtrek verwoesten, maar zag, op de aanhoudende verzoeken van de Arabieren uit den omtrek, daarvan af; terzelfder tijd deed hij echter afkondigen, dat iedere slaaf die uit Taif naar het leger der Muzelmannen overliep, vrij zoude zijn. In weÍrwil nochtans dat daarop een aanmerkelijk getal overloopers aankwamen, hield de stad hare verdediging vol, en Mahomet achtte het raadzaam het beleg op te breken, nadat hij twintig dagen lang vergeefsche pogingen had aangewend om de stad te onderwerpen. Het mislukken van dien tocht werd echter door de onderwerping van andere stammen vergoed.

Toen Mahomet te Medina terugkwam, liet hij te Mekka een' onderbevelhebber achter, die belast was met het bestuur over de feesten en plechtigheden der pelgrimstochten. Wat hierbij opmerking verdient, is, dat de afgodendienaars onder de Arabieren, die er aankwamen, van die plechtigheden niet uitgesloten waren. Het volgende jaar echter deed Mahomet dit gebruik eindigen en gebood, dat de afgodendienaars volstrektelijk zouden uitgesloten wezen, waarbij hij hun een' termijn van vier maanden liet, om zich te bekeeren.

Het 9e jaar der hedjira (631) was getuige van de bekeering en onderwerping van eenige andere, zoowel heidensche als christenstammen. De bekeering der laatsten had plaats na eene redetwist, die door Mahomet zelven werd gehouden met bisschoppen en Christenen van Nedjram, in welken redetwist de Christenen, volgens het zeggen van de Muzelmansche geschiedschrijvers, zich overwonnen verklaarden. Op het einde van hetzelfde jaar richtte Mahomet, die vernomen had, dat er een Romeinsch leger tegen de Muzelmannen in aantocht was, eene algemeene oproeping aan al de ongeloovigen, en vereenigde een leger van dertigduizend man, dat hij naar Taboek op de grenzen van SyriÎ voerde. Men zag toen, dat de tijding van het aanrukken der Romeinen valsch was, maar de aanwezigheid van zulk een aanmerkelijk leger had de onderwerping van AÔla tengevolge, dat eene handeldrijvende stad aan de Roode zee was, en ook van eenige plaatsen in de nabijheid van Taboek gelegen. De stad TaÔf, die, ten vorige jare de aanvallen van Mahomet had wederstaan, onderwierp zich in dit jaar evenzeer. Dit jaar werd dan ook het jaar der gezantschappen genoemd, uithoofde van het aantal deputatiÎn die elkander onophoudelijk opvolgden, om aan Mahomet de onderwerping van steden en stammen te komen betuigen.

Het volgende jaar, zijnde het 10e der hedjira (632), groeide het aantal bekeeringen en onderwerpingen nog altijd aan. Tot hiertoe zich hebbende bepaald bij Hedjaz en de noordelijke streken van ArabiÎ, breidden zij zich, van toen, naar de zuidelijke en oostelijke gedeelten uit. Nu huldigden de streken, welke bekend zijn onder de namen Hadramaut, Yemen en Nedjd den eeredienst onder een eenig God en tegelijk ook de profetenzending van Mahomet. Het dient daarbij opgemerkt te worden, dat de profeet der Arabieren zich niet tevreden hield met de belijdenis van den eeredienst des eenigen Gods, als die niet het erkennen zijner zending tot gevolg had. "Er is geen andere God dan God (Allah) en Mahomet is Gods gezant", was de vastgestelde formule: dit waren de twee onmisbare getuigenissen (ChehadeteÔn), om aangezien te worden als Muzelman (Moeslim), of als man die aan Gods wil onderworpen is.

Het werk van Mahomet was dan nu, na twintigjarige, volhardende pogingen, verricht, de eerste helft van welk tijdverloop hem niet anders dan teleurstelling scheen te bereiden, en hem niets anders dan bespotting, beleedigingen en haat had opgeleverd. Om den gelukkigen uitslag zijns arbeids plechtig te vieren, maakte Mahomet, in het 10e jaar der hedjira, zijn voornemen kenbaar, eene plechtige bedevaart naar Mekka te doen, en dadelijk stroomde van alle zijden van ArabiÎ eene groote menigte toe, om hem in dat herkomstige godsdienstgebruik te vergezellen. Volgens eenigen bestond de stoet uit negentig duizend, volgens anderen uit honderdveertigduizend man. Toen de karavaan te Mekka was aangekomen, verrichtte Mahomet al de plechtigheden, welke door het gebruik waren vastgesteld; zeide de gebeden op en begaf zich den volgenden dag naar den berg Arafat, waar hij eene toespraak hield, welke vervolgens werd herhaald door een' KoreÔshiet, die eene doordringende stem bezat, ten einde de menigte, die langs de helling van den berg bijeen was, hem zouden kunnen hooren. Die toespraak, welke door de overlevering is bewaard gebleven, bevatte een beknopt overzicht van de voornaamste voorschriften, die in den Koran vervat zijn. De aanspraak prentte rechtvaardigheid, menschelijkheid, welwillendheid, broederschap tusschen de Muzelmannen, goede behandeling der vrouwen en rechtschapenheid bij alle betrekkingen van het maatschappelijk verkeer in; zij verbood ook het invoegen van dagen, om de maanmaanden te verbeteren. Mahomet eindigde met de woorden: "Ik laat u eene wet achter, die u voor dwaling zal behoeden; eene wet, die duidelijk en stellig is; een boek eindelijk, dat van boven is neÍrgezonden." Hij besloot met uit te roepen: "O! mijn God! heb ik mijne zending vervuld?" waarop aller stem antwoordde: "Ja, gij hebt haar vervuld!"

Den volgenden dag, zijnde voor de slachtoffers bestemd, offerde Mahomet, met eigen hand, drieÎnzestig kameelen en schonk aan drieÎnzestig slaven de vrijheid, welk getal juist gelijk was aan zijnen ouderdom, in maanjaren geteld, welker behoud hij pas had aanbevolen. Vervolgens deed hij zich het hoofd kaal scheren; want gedurende den pelgrimstocht is het niet geoorloofd, het hoofd te scheren of de nagels te knippen. De personen die het dichtst bij hem waren, verdeelden toen de afgesneden haren onder elka‚r. De bedevaartstocht, waarvan wij zoo even hebben gesproken, wordt de afscheidspelgrimage genoemd. In Mahomets aanspraak op den berg Arafat had hij doen doorschemeren, dat het hem wellicht niet zoude vergund zijn, Mekka weÍr te zien. Inderdaad werd hij eenigen tijd na zijn' terugkeer te Medina ziek. Hoezeer die krankte zijne lichaamskrachten verzwakte, werden zijne geestvermogens er niet door benadeeld. Gedurende die ongesteldheid vormde hij het plan voor eenen nieuwen tocht tegen de Romeinsche provinciÎn, en wees zelfs Oekama, den zoon van zijn vrijgemaakten slaaf SeÔd, aan, als het hoofd der troepen, die dezen krijgstocht zou aanvoeren. Omstreeks dat tijdsgewricht brak er een storm in ArabiÎ zelf uit. In drie verschillende provinciÎn, noemden drie onderscheidene personen zich profeet der Arabieren. Een van dezen was TolaÔka, de tweede was MossaÔlama, en de derde AÔhama (die ook el-Aswad of de zwarte werd genaamd) van den stam der Ans of der el Ansia. Deze profeten, welke door de Muzelmannen niet anders dan als valsche profeten konden worden beschouwd, hadden onder de kortelings bekeerde, maar van Medina verwijderde stammen eenige vorderingen gemaakt; en MossaÔlama richtte zelfs een schrijven aan Mahomet, waarin hij hem voorsloeg, de macht met hem te deelen, aangezien zij beiden gelijkelijk profeten en Godsgezanten waren. Op deze boodschap antwoordde Mahomet door de volgende woorden: "Mahomet, gezant van God, aan MossaÔlama, den bedrieger. Heil, hun die den rechten weg volgen [21]. De aarde behoort aan God en Hij geeft haar bezit aan wien het hem behaagt. Zij alleen die den Heer vreezen, hebben voorspoed." De uitdrukkingen van dat antwoord gaven te kennen, dat Mahomet niet van de beslissing der wapenen zoude laten afhangen, aan wien de macht zou behooren; in afwachting daarvan zond hij aan zijne legerhoofden bevelen, om de vorderingen der bedriegers te beletten. Hem werd echter alleen de nederlaag van el-Aswad bekend, welke door een' van zijne eigene bevelhebbers werd gedood. Meer vernam hij niet; want de koorts die hem verlaten had, keerde na weinig tijds terug en deed al zijne krachten zinken. Toen hij gevoelde, dat hij al zwakker en zwakker werd, vestigde hij zich in het verblijf zijner vrouw AÔsha, en bepaalde zeer nauwkeurig de wijze waarop hij begraven wilde worden.

"Zoodra gij mij gewasschen en in de doodskleederen zult hebben gehuld," zeide hij tot zijne verwanten, "zult gij mij, op dit bed, aan den rand van mijn graf plaatsen, dat in ditzelfde vertrek gegraven moet worden, op de plaats waar ik mij nu bevind; daarna zult ge mij alleen laten en wachten tot de engel GabriÎl en al de engelen des hemels voor mij gebeden hebben. Vervolgens zult gij binnen komen, namelijk eerst mijn gezin en hierna al de Muzelmannen, om bij mij te bidden."

In weÍrwil zijner zeer groote zwakte, begaf hij zich nog, door zijn beide neven ondersteund, naar de moskee of Mahomedaansche kerk, en toen hij er het gestoelte (minber) had bestegen, hield hij de volgende toespraak aan de Muzelmannen.

"O! Muzelmannen, heb ik iemand onder u geslagen, zie hier dan mijn rug; laat hij mij terugslaan. Is er iemand door mij beleedigd geworden, laat hij mij dan beleediging met beleediging vergelden; heb ik iemand zijn goed ontroofd, laat hij het dan terug nemen. Men vreeze niet, daardoor mijn' haat op te wekken; de haat ligt niet in mijne natuur [22]." Een persoon kwam toen drie dirhems [23] van hem terug vorderen. Mahomet gaf hem die dadelijk terug, met de woorden; "Het is beter schande in deze wereld, dan in de andere te hebben." Toen hij, eenige dagen daarna, zich te zwak gevoelde om het bed te verlaten, zeide hij eensklaps, in een oogenblik waarin hij schier aan het ijlen was geraakt, tot de omstanders: "Laat men mij inkt en papier brengen; ik zal u een geschrift geven, dat u altijd voor dwaling zal behoeden." Maar Omar belette het uitvoeren van dat bevel. "De profeet is aan 't ijlen," zeide hij. "Hebben wij niet den Koran om ons te leiden?" Onderwijl men aan't twisten was over de vraag, of men de bevelen moest uitvoeren van iemand die reeds stervende was, zeide Mahomet tot de omstanders:

"Gaat heen! het is niet voegzaam in tegenwoordigheid van den gezant Gods aldus te twisten."

Hij verscheen nog eens in de moskee, waartoe men uit zijne kamer toegang had, en dezen keer gaf hij de aanbeveling, den Koran te volgen, als eene onfeilbare gids te midden der beproevingen, die de Muzelmannen stonden te wachten. Deze raadgevingen werden uitgesproken met eene krachtige en helderklinkende stem die scheen aan te duiden, dat de krachten terugkeerden. Dit was echter niet meer dan het laatste opflikkeren van een licht, dat weldra uit zoude gaan. Toen hij in zijn vertrek was teruggekeerd, bleef hij eenige uren ineengezakt zitten, nadat hij eenige afgebroken woorden had uitgesproken, als: "Mijn God ... ja... met den gezel van boven (de engel GabriÎl)." Hij stierf op de knieÎn van AÔsha, den 13den dag der maand Rabi van het tiende jaar der hedjira (8 Juni 632), hetgeen Maandag was. Zijn graf is derhalve te Medina, welke stad, uit dien hoofde den bijnaam monewwereh, de verlichte, heeft verkregen. De tijding van zijnen dood verspreidde zich weldra te Medina, en veroorzaakte er eene algemeene verslagenheid. Eenigen wilden het niet gelooven, anderen waren geneigd om weder tot den afgodendienst terug te keeren; maar Aboe Bekrs besluit, dat met spoed genomen werd, verstikte de wanorde in de kiem en vestigde voor altijd de toekomst van den Islam. Door hetgeen hier gezegd is, ziet men, dat Mahomet volstrekt geen opvolger had aangewezen [24]. Bij zijn afsterven liet hij geen enkel kind van het mannelijk geslacht na. Hij had in alles vijftien vrouwen gehuwd en met twaalf van haar echtelijke gemeenschap gehad. Met uitzondering van Israhim, een zoon, welken hij bij de Kophtische Maria had, die eerst zijn bijwijf en naderhand zijne vrouw was geweest, en welke zoon vÛÛr hem stierf, waren ook al de andere kinderen hem door zijne eerste vrouw, Khadidja, gebaard, en de zonen der overige vrouwen vÛÛr hem gestorven. Dit waren vier zonen: Kacim, Taiib, Tahir, Abdallah, en vier dochters: Fatima, die gehuwd was met Ali, RokaÔa en Omm Kolthoem, beiden gehuwd met Othman, die later Khalif was, en eindelijk ZeÔnab (Zenobia). Onder diegene zijner vrouwen, welke eenige vermaardheid hebben verkregen, behooren: Khadidja, dochter van KwowaÔlid; AÔsha, dochter van Aboe Bekr; Hafsa, dochter van Omar; Omm Habiba, dochter van Aboe Sofian, een der machtige KoreÔshieten; Safia eene IsraÎlietin en ZeÔnab, dochter van Djahch, die eerst gehuwd was aan zijn vrijgemaakten slaaf SeÔd (zie Hoofdstuk XXXIII ten aanzien van dat huwelijk). Negen van zijne vrouwen overleefden Mahomet; maar aangezien hij de Muzelmannen had verboden, haar na zijn dood te huwen (XXXIII : 53), hertrouwde geene van haar. Dat aantal vrouwen is lijnrecht in strijd met het voorschrift van den Koran, waarbij aan de Muzelmannen verboden wordt, te gelijk meer dan vier wettig gehuwde vrouwen te hebben, (Hoofdst. IV) maar het was een voorrecht, dat Mahomet, in zijne hoedanigheid van geestelijk opperhoofd en profeet, voor zich zelven had ingeroepen.

Mahomet had, zegt men, in tegenwoordigheid van Aboe Bekr verklaard, dat al wat een profeet bij diens dood bezat, weer aan het volk, dat is aan den Staat, terug moest komen. Bij zijnen dood ging men waarschijnlijk van deze woorden uit, om aan zijne vrouwen een jaargeld op de schatkist aan te wijzen, en, anderdeels, om zijner dochter Fatima de eigendom te ontnemen van Fadak, een vlek, dat op de joden veroverd was. Krachtens de voorschriften van den Koran, had het hoofd van den Staat, die ook het geestelijke hoofd, of de opperpriester was, aanspraak op het vijfde gedeelte van den buit welke op den vijand was veroverd. Nadat Mahomet zijn vijfde gedeelte, na elken gelukkigen tocht had genomen, besteedde hij een groot gedeelte aan ondersteuning van armen, weduwen en weezen. Zijne matige en eenvoudige levenswijze, zijne onafgebroken werkzaamheid brachten hem niet tot bovenmatige uitgaven; maar het onderhouden van een groot aantal vrouwen, waarvan elkeen een afzonderlijk huis of verblijf bewoonde, verzwolg zijn vermogen.

Hij bezat tweeÎntwintig paarden, twee ezels Ofair en Ya'foer; vijf muilezels, vijf wijfjes kameelen, welke hij bereed, waartoe ook die behoorde, welke bekend was onder den naam van Koswa (met afgesneden ooren); voorts nog twintig melkkameelen, honderd schapen en eenige geiten. Van negen sabels was diegene de beroemdste, welke naderhand in het bezit van Ali overging en dhoelfikar heette; zijnde een sabel die bestond uit twee klingen, welke naar de punt uiteenliepen; voorts had hij drie lansen, drie bogen, zeven harnassen, drie schilden, een standaard (liwa) van een witte kleur, en een andere, die zwart was en okuk (zwarte adelaar), genoemd werd, en welke, naar men zegt, nog dezelfde is, dien men tot op onze dagen, onder den naam van sandjak sherif (doorluchtige vaan) te Konstantinopel bewaard heeft. Vervolgens liet hij na: een mantel (borda) thans nog in de laatstgenoemde stad bewaard, onder den naam van kherkaÔ sherifsh en, naar men zegt, dezelfde welken Mahomet aan den dichter Ca'b gaf, die zijne lofrede had geschreven. De groene tulband werd later het onderscheidingsteeken van de afstammelingen, die uit zijne dochter Fatima waren voortgesproten, terwijl de zwarte dat van den zijtak werd, die uit Abbas, den stamvader des Abbassiden, voortgesproten waren.

Mahomet was, wat zijn uiterlijk voorkomen betreft, van middelbare gestalte en had een stevig gebouwd en welgevormd lichaam. Hij had zwarte oogen, zwart, sluik haar, een' arendsneus, gladde en blozende wangen, en zijne tanden stonden een weinig van een. In weÍrwil van zijn gevorderden ouderdom, bemerkte men nauwelijks eenige grijze haren aan hem. Overigens had hij, naar het gebruik der Arabieren, de gewoonte, die zwart te verven, en zijne nagels door middel der henna te kleuren, en collyre op zijn oogleden te doen. Hij was er op gesteld, een spiegel te gebruiken, of zich in een met water gevuld vat te spiegelen, om zijn tulband in orde te schikken. Wat zijne neigingen betreft, vermeldt men van hem de woorden: "waar ik ter wereld het meest op gesteld ben, zijn de vrouwen en de reukwerken, maar wat mij de ziel verstrekt, is het gebed." Het innemende van zijn uiterlijk voorkomen werd overigens door eene sterke uitdrukking van goedheid en minzaamheid verhoogd. Hij verliet nimmer het eerst dengeen die hem aansprak, en trok zijne hand nooit terug, vÛÛr de hand van dengeen die haar drukte, werd teruggetrokken. In Hoofdstuk LXXX doet hij zich een streng verwijt, omdat hij een armen man op onvriendelijke wijze had ontvangen. Hij gebruikte nochtans de voorzorg, zich van de lostigheden en de onbeschoftheid zijner medeburgers te vrijwaren, door gedeelten van den Koran, waarin de regelen der wellevendheid worden onderwezen. Hij, die zich bovenal met zijn voornamen doel bezig hield, wist scheldwoorden en beleedigingen met geduld te verdragen, en vond niet het minste behagen in het voldoen zijner persoonlijke wraak, als het goede gevolg zijner zaak die nutteloos maakte. Na het innemen van Mekka, voerde men een zijner hardnekkigste vijanden voor hem; hij zweeg geruimen tijd en eindigde met hem vergiffenis te schenken. "Ik heb gezwegen," zeide hij tot zijne aanhangers "in afwachting, dat er een opstaan en dien man dooden zou." Zij antwoorden daarop: "wij hebben een teeken van u, o profeet, afgewacht," Hij hernam: "Teekens van verstandhouding geven, die een verraad zouden zijn, voegt den profeet niet." Daarmede scheen hij eenigermate kenbaar te maken, hoedanig men het zwijgen van den profeet tegenover een vijand had uit te leggen. De overlevering heeft onderscheidene trekken uit Mahomets leven bewaard, die hem als een zeer zachtaardig, zeer menschelijk en zeer welwillend man schetsen, ten aanzien van allen die aan hem verknocht waren. Hij had echter een diep gevoel van de hekeldichten, door sommige dichters der afgodendienaars geschreven, en belastte eenigen van hem, die zijne partij hadden omhelsd, hun te antwoorden. De vermaardste dier aan Mahomet verknochte dichters zijn Hassan, zoon van Thabit en Ca'b, zoon van ZohaÔr. Wat hemzelven betreft, was poÎzie hem zÛÛ vreemd, dat men voorbeelden van hem aanvoert, waarin hij, bij het herhalen van het vers eens dichters, de woorden derwijze verplaatste, dat maat en rijm er geheel door verloren gingen. Het oordeel, dat hij in den Koran (hoofdstuk XXVI), over de dichters in het algemeen velt, mag doen aannemen, dat hij evenzeer geneigd was, zich, in zijn' Muzelmanschen staat, zonder hen te behelpen, als Plato het was, om hen uit zijne republiek te verjagen. Terzelfder tijd dient men te erkennen, dat de godsdienstige overspanning, welke het medeslepen door den nieuwen eerdienst voorbracht, de poÎtische verheffingen van het heidendom eenklaps heeft onderdrukt. Een beroemd Arabisch dichter, Lebid genaamd, schreef geene verzen meer, van het oogenblik dat hij Muzelman was geworden, en Mahomets lofdichters kunnen niet wedijveren met AmrilkaÔs, Chanfara, Tarafa enz.

Het laat zich moeilijk beslissen, of Mahomet lezen en schrijven kon. Het gedeelte van den Koran, waarin de engel GabriÎl hem zegt: "Lees!" en zijn antwoord: "wat zal ik lezen?" zoude doen aannemen, dat hij kon lezen, terwijl de omstandigheid, dat hij weinige dagen voor zijnen dood, pen en inkt vroeg, om zijne meeste beschikkingen op te schrijven, grond schijnt te leveren tot het veronderstellen, dat hij schrijven kon. In allen gevalle en hoe het daarmee gelegen zij, bediende hij zich gaarne van zijne secretarissen, welke nederschreven wat hij hun voorzegde. Die geheimschrijvers waren Ali, Othman, SeÔd, ObaÔ, Moawia. Wat nu eenige letterkennis betreft, gelijk die, op dat tijdstip, onder de IsraÎlieten en Christenen kon bestaan, zoo bezat hij deze niet, en kende van de heilige schriften dier beide godsdiensten alleen brokstukken, gelijk men ze in gesprekken of van hooren zeggen opdoet. Dit is dan ook oorzaak, dat eenige bijbelsche verhalen, welke door den Koran worden aangevoerd, verminkt en verward zijn, en dat het valsche en twijfelachtige er, bijna doorgaans, naast het ware en echte ligt. Overigens erkent Mahomet zelf, dat hij een ongeletterd profeet (ommi) is, die tot de ongeletterden gezonden was, hetgeen waarschijnlijk geschiedde om zijn karakter, als man die door den hemel bezield was, des te beter te doen uitkomen. Eenige Muzelmansche schrijvers wenden nochtans voor, dat het woord ommi (moederlijk, of gelijk men is als men uit het moederlijf komt, te weten: onwetend, ongeletterd), als het op Mahomet toegepast wordt, niets anders beteekent, dan dat hij geboortig was van Mekka, welke stad Ommoel-Koera of moeder der steden, genoemd wordt [25]. De eigen bekentenis, welke Mahomet bij herhaling van zijne gebrekkige kunde aflegt en van zijne onbekendheid ten aanzien der toekomst, zijn voor zijne metgezellen, en nog veel meer voor de latere geslachten, geen beletsel geweest, om hem de gaaf toe te schrijven, in de toekomst te lezen en mirakelen te doen. De godsdienstige overspanning, de ijver voor het uitbreiden van eenen godsdienst, die reeds grond had gewonnen, en ook het godsdienstbedrog--al welke oorzaken aanleiding geven tot zoodanige wonderwerken, welke in geene enkele der verkondigde godsdiensten ontbreken--hebben zich tot de onwetenden en lichtgeloovigen gewend en Mahomet als den bewerker van duizende mirakels doen voorkomen [26]. Daarbij bleef men echter zelfs niet staan. Toen, op de natuurlijke helling van eenen eeredienst in de ontwikkelingsperiode, de godsdienstige redetwisten over de leerstukken geopend werden; toen de Muzelmansche eerdienst met het joden- en christendom in aanraking kwam, werd men tot de verzekering gebracht, dat de Koran, die voor eene rechtstreeksche openbaring van God en zijn woord werd verklaard, eene zaak even eeuwig als God, en niet geschapen was.

Zoodra men zekerheid had, dat Mahomet gestorven was, begonnen de twisten over de keuze van een' Khalif. Aangezien Ali echter niet daaraan deel nam, zoo had de partij die voor Aboe Bekr was, alleen de aanspraken van een deel van die van Medina te bestrijden, aan welker hoofd Saad Ibn Ibada stond. Aboe Bekrs welsprekendheid en Omars zielskracht, gevoegd bij de tweespalt tusschen Medinas inwoners, waren oorzaak van het beslissen der zege, en dat de eerstgenoemde door de aanzienlijkste Muzelmannen te Medina gehuldigd werd. Wij vermelden hier nog, dat zijne grafstede, vroeger in de woning van AÔcha of AÔsha gelegen, later, door de vergrooting der moskee, binnen deze kwam.

Nog het een en ander willen wij omtrent zijne vrouwen hierbij voegen en terwijl wij de Kophtische Maria, welke hij van den stadhouder van Egypte ten geschenke had gekregen, slechts in het voorbijgaan aanvoeren; omdat zij aanleiding heeft gegeven tot eenige merkwaardige Koranverzen, zullen wij eenige oogenblikken langer verwijlen bij AÔsha of AÔcha, die evenzeer oorzaak is van het ontstaan van een gedeelte des Korans. Met AÔsha, de dochter van Aboe Bekr verloofde Mahomet zich eenige maanden na Khadidjas dood; aangezien zij echter toen niet ouder dan zeven jaren was, huwde hij haar eerst later te Medina. Zij was de eenige van Mahomets vrouwen, welke hij niet als weduwe gehuwd had, en zij werd ook het meest door hem bemind. Zij oefende een' grooten invloed op hem uit en gaf het bestaan aan de meeste overleveringen, welke tot grondslag dienen, zoowel van de Muzelmansche legenden, als van de geschiedenis der vestiging van het Islamisme, terwijl zij zelfs eene rol speelde in de burgeroorlogen, die onder het Khalifaat van Othman begonnen en met de overwinning der Omejjaden eindigden.

Alvorens echter over te gaan tot het mededeelen der gebeurtenis, waardoor AÔsha aanleiding gaf tot een gedeelte van den Koran, en waardoor eene belangrijke bijdrage wordt geleverd tot de kennis van Mahomet als wetgever en profeet, noemen wij nog eene andere zijner vrouwen. Dit is Hafsa, de dochter van Omar, welke evenzeer aanleiding gaf tot het ontstaan van eene plaats in den Koran, en bovendien degene was, bij welke de eerste verzameling bewaard bleef van de fragmenten des Korans, door Aboe Bekr bijeen gebracht, en waarvan Othman verdere afschriften maakte. De bedoelde plaats in den Koran, waartoe Hafsa aanleiding gaf, ontstond bij de volgende gelegenheid: Mahomet had namelijk op zekeren dag eene heimelijke bijeenkomst met de reeds genoemde Maria, en wel, op zeer onvoegzame wijze, in de woning van Hafsa, die hen bijeen vond. Om nu de minijverige en gekwetste echtgenoot tevreden te stellen, beloofde hij niet weÍr gemeenschap met Maria te hebben. Hafsa maakte desniettemin geen geheim van de zaak, en Mahomet werd door zijn' geheelen harem, maar vooral door Hafsa en AÔsha met zulke kleinachting behandeld, dat hij eene geheele maand in een zolderkamertje alleen doorbracht. Toen echter dreigde hij, in naam des Hemels, met echtscheiding, en veroorloofde zich, evenzeer ten gevolge eener openbaring, weder den omgang met Maria [27].

De Openbaring en de wet op overspel, waartoe AÔsha aanleiding gaf, ontstond bij eene belangrijke gebeurtenis. AÔsha (of AÔcha) vergezelde Mahomet op een' veldtocht tegen de Benoe Moestalik. Zij bleef nochtans op den laatsten dag van den terugkeer achter, toen de troepen in de vroegte opbraken, en kwam toen met Moeattal, die tot de achterhoede behoorde, eenige uren later te Medina aan. Daardoor gold AÔsha in de oogen der menigte natuurlijk als een overspeelster, en Mahomet vond in dat voorval grond genoeg, om aan hare echtelijke trouw te twijfelen; want hare verontschuldiging scheen hem niet geheel voldoende. Zij verklaarde namelijk, dat zij, toen zij in haren draagstoel wilde stijgen, haar halsketen gemist had, en dat zij weder was teruggekeerd, om die op te zoeken. Intusschen hadden nochtans hare kameeldrijvers, meenende dat zij werkelijk ingestegen was, den draagstoel, als gewoonlijk, op den kameel vastgebonden en dezen voortgedreven. Toen zij nu terug kwam, was de draagstoel verdwenen, en de manschap reeds zoover vooruitgetrokken, dat zij dezen niet meer kon inhalen. Mahomet behandelde haar koel en met onverschilligheid, gedurende de ziekte, waaraan zij--schijnbaar of werkelijk--kort na hare aankomst leed, en liet haar zelfs later naar het huis harer ouders brengen. Geheel Medina sprak over dat voorval, en zelfs Mahomet maakte er bij zijne vrienden geen geheim van, dat hij aan AÔshas onschuld twijfelde. Omstreeks eene maand nochtans na die treurige gebeurtenis, zegepraalde de liefde voor AÔsha, en misschien ook het gevoel voor zijn' oudsten en getrouwsten aanhanger--zijn schoonvader Aboe Bekr--bij hem, op den minnenijd en het wraakgevoel. Hij bezocht haar toen in haars vaders woning en verklaarde, na een' aanval van vallende ziekte, door welke zijne openbaringen dikwijls werden voorafgegaan, in naam des Hemels, dat zij onschuldig was. Diegenen, welke op de meest bepaalde wijze tegen zijne vrouw hadden gesproken, werden gegeeseld, en deze straf werd ook van toen af, tegen een' ieder bepaald, welke eens anderen vrouw van ontrouw beschuldigt en zijne beschuldiging niet door vier geloofwaardige getuigen kan bewijzen. [28]

De zwakheid, welke Mahomet in zijne betrekking tot het vrouwelijke geslacht vertoonde, en die gewis reeds volstaat om een zeer dubbelzinnig licht op zijn karakter als profeet te werpen, is overigens de eenige, welke wij in zijn bijzonder leven opmerken. In elk ander opzicht was hij een toonbeeld van huisselijke en gezellige deugd. In zijne woning, manier van leven en spijze, heerschte de grootste eenvoud, ja zelfs was daarin somtijds gebrek en armoede. Hij maakte zoo weinig aanspraak op hulde, dat hij niet wilde, dat zijne aanhangers hem eenigerhande uiterlijk bewijs van eerbied zouden geven, ja dat hij diensten welke hij zelf verrichten kon, niet eens van zijne slaven aannam, zoodat hij dikwijls in persoon ter markt ging, om levensmiddelen in te koopen en deze zelf toebereidde, zijne kleederen verstelde, zijn geiten melkte en zijne woning veegde. Een elk had vrijen toegang tot hem, en zelfs op straat verleende hij elkeen gehoor, welke iets had te verzoeken. Zijne weldadigheid en mildheid waren onbegrensd, zoodat hij, in spijt van zijn groot aandeel in allen buit, altijd arm bleef en bij zijnen dood slechts weinige dinars naliet. Niet alleen jegens armen echter maakte zijne weldadigheid zich kenbaar; hij zocht ook, op alle mogelijke wijzen, alle andere lijdenden te troosten. Niemand was in Medina ziek, of hij bezocht hem, en niemand stierf daar ter stede, of hij voegde zich bij hen die het lijk volgden. Niemand ondervond eene onrechtvaardigheid, die hij niet ter hulpe ijlde; overal waar het gold, den zwakke tegen den sterke te verdedigen, was hij. Alleen waar de staatkunde het gebood, kon hij zich tot de grootste wreedaardigheden laten wegslepen; maar in alle overige gevallen, toonde hij zich uiterst toegevend en grootmoedig. Men vindt wel menige voorbeelden van ter dood gebrachte misdadigers of werkzame vijanden van den Islam, maar in evenredigheid van den duur zijner heerschappij is het aantal van dezen zeer gering. Een der bloedigste moordtooneelen richtte hij onder de Benoe KoraÔza aan. Dit was niet zoo zeer uit godsdiensthaat, als wel omdat zij hem in het oogenblik van gevaar verlaten hadden, en tot den vijand waren overgegaan; iets waardoor hij zijn' ondergang nabij was geweest. Moesten wij nu Mahomet, die zich profeet en Godsgezant noemt, niet strenger beoordeelen dan een gewoon opperhoofd der Arabieren, dan zouden, in onze oogen, de vlekken, welke wij in zijne levensgeschiedenis waarnemen, des te gemakkelijker verdwijnen, uithoofde zij door de zeden en gebruiken van zijnen tijd zijn te rechtvaardigen. Wij zouden hem een' sluwen staatsman noemen, welke, ten deele uit liefde tot zijn volk, ten deele uit eerzucht, groote zaken heeft volvoerd. Ook als verbeteraar der zeden, als verkondiger van het monotheÔsmus of stelsels van de eenheid Gods, der leer van de onsterfelijkheid der ziel en de vergelding, welke hij 't eerst in ArabiÎ deed wortelen, kunnen wij hem onzen bijval en, met het oog op zijn menigvuldig lijden in den eersten tijd, zelfs onze bewondering niet onthouden. Dat hij echter volstrekt niet opgewassen was tegen de rol van stichter van eenen nieuwen godsdienst en van wetgever, blijkt uit een nauwkeurig onderzoek van den Koran, niet minder dan uit zijn leven.

II

DE KORAN.

Algemeen overzicht.

Wat wij Mahomet niet kunnen vergeven, is, dat hij zijne voorgewende of werkelijke openbaringen, welke, gelijk hij zelf zich dikwijls uitdrukt, de geloovigen voor alle tijden licht en leiding zouden verschaffen, niet bij zijn leven, volgens chronologische orde, of volgens den inhoud, tot een geheel heeft doen verzamelen [29].

De Muzelmannen, wel is waar--doch blijkbaar alleen met het doel om hunnen profeet te verontschuldigen en de echtheid des Korans te verdedigen--stellen vast, dat dit niet noodig was, omdat de door hem geopenbaarde verzen door zijne volgelingen van buiten geleerd, en langs dien weg aan de vergetelheid onttrokken werden. Zien wij echter niet bij Mahomets dood, dat, behalve Aboe-Bekr, niemand iets van een vers wist, waarin Mahomets sterfelijkheid bepaald uitgedrukt zou geworden zijn? [30]

Stelt ook Omar niet vast, dat het vers, waarbij, echtbreuk met den dood wordt gestraft, en eenige andere verloren zouden zijn gegaan? En hoe dikwijls werden niet vroegere voorschriften door latere veranderd, zonder dat altijd degenen, welke zich de vroegere voorschriften in het geheugen hadden geprent, bij het herroepen tegenwoordig waren? Moest Mahomet toen niet veronderstellen--wat naderhand inderdaad gebeurde--dat er ten minste over de letter zijner openbaringen, later twist zou ontstaan. Moest hij niet vreezen, dat men er geheel vreemdsoortige dingen onder zoude schuiven? Dit toch moest hij te eerder, omdat hij aanneemt, dat zoowel de Joden als de Christenen de Heilige Schrift vervalscht hebben? Voor deze zorgeloosheid nu weten wij geen' anderen grond op te geven, dan dat de meeste dusgenoemde openbaringen alleen door de omstandigheden van het oogenblik in het leven werden geroepen, en derhalve niet meer dan een tijdelijke beteekenis hadden, zoodat het bewaren van deze, hem niet zeer gewichtig scheen te zijn. Voorts schijnt het, dat hij, uithoofde der menigvuldige tegenstrijdigheden in zijne openbaringen vervat, hebbe geaarzeld, deze als een geheel aan de toekomst over te geven, terwijl hij ook vÛÛr zijnen dood, waarvan hij natuurlijk het oogenblik niet kende, speelruimte wilde houden om er verbeteringen en bijvoegsels in te brengen. De volgende overlevering van een rechtzinnigen Muzelman toont ons, hoe gewichtig het voor Mahomet was, zijne openbaringen elk oogenblik te kunnen wijzigen, wat niet zoo gemakkelijk had kunnen geschieden, indien hij die, bijeengebracht en gerangschikt, aan de handen der geloovigen had overgegeven. Toen het vers verscheen: "Zijn ook misschien zij die te huis blijven, (voor God) gelijk aan hen die voor hun geloof strijden [31]?" zeide Abd Allah Ibn Djahsh en Ibn Um Maktum tot Mahomet: "Wij zijn blind, en zou nu geene uitzondering met ons gemaakt worden?" en dadelijk openbaarde hem God: "Met uitzondering dergenen, welke lichaamsgebreken hebben." De profeet deed zich hierop het schouderblad brengen, waarop dit vers geschreven was en beval zijnen secretaris ZeÔd Ibn Thabit, die woorden er bij te voegen. "Ik verbeeld mij--verhaalde ZeÔd naderhand--als zag ik nog die plaats naast eene spleet op het schouderblad." Eene andere overlevering, volgens welke Abd Allah Ibn Masoed, een der gezellen van Mahomet, des avonds een vers opschreef, dat hij den volgenden ochtend niet meer vond, en tot wien Mahomet zeide, dat het weder in den hemel teruggenomen, of met andere woorden, dat het door hem des nachts uitgewischt was, bewijst, dat, indien eene nieuwe openbaring met eene vroegere streed, hij er zich niet mede vergenoegde, deze als niet geldig te verklaren, maar haar vernietigde, zoo het nog in zijne macht stond. Nog eene onbetwiste overlevering in den Koran zelf [32] bevestigt dit, gelijk ook, dat, indien herroepen openbaringen reeds van buiten waren geleerd, zij weder moesten worden vergeten. Wij gelooven derhalve niet te ver te gaan, door aan te nemen, dat, volgens Mahomets bedoeling, de Koran in het geheel geene herroepene plaatsen moet bevatten, en dus Aboe Bekr tegen den wil des profeets handelde, toen hij verzen, welke desniettemin opgeteekend, of bij eenig Muzelman in het geheugen gebleven waren, in den Koran opnam. Mahomet immers heeft zelfs de goddelijkheid des Korans ook, onder anderen, willen betoogen door de omstandigheid, dat die vrij van tegenstrijdigheden was.

Maar hebben wij Mahomet eens gekenschetst als een man, die er voor terugdeinsde, datgene wat hij, in eene reeks van drieÎntwintig jaren, in den naam des Hemels had verkondigd, aan de geloovigen als een volkomen godsdienst- en wetboek achter te laten; hebben wij hem daarin de grootste schuld opgeladen, die tegen zijne waarheidsliefde en rechtschapenheid spreekt, zoo mogen wij toch de gebreken, welke wij thans in den Koran waarnemen, niet hem, maar wel aan Aboe Bekr en Othman toeschrijven. Na den oorlog met den valschen profeet MossaÔlama, die aan vele Koranlezers het leven kostte, liet de eerstgenoemde alles wat van Mahomets openbaringen op perkament, palmbladen, beenderen, steenen en andere ruwe schrijfmaterialen opgeteekend en onder de Muzelmannen verstrooid was, bijeenzamelen en, uit wezenlijke of gehuichelde vroomheid, zonder eenigerlei zifting opzamelen.

Ook de khalif Othman, die later eene tweede redactie van den Koran bezorgde [33], droeg geene zorg voor diens inwendige verbetering en rangschikking, maar vestigde zijn oogmerk slechts op ÈÈn punt, en wel om er weder eenheid in te brengen, uithoofde reeds in zijnen tijd onderscheidene lezingen van den Koran in omloop waren, die natuurlijk onder de geleerden tot hevige twisten aanleiding gaven. Hij deed derhalve, naar de oorkonden, welke door ZeÔd, onder Aboe Bekr, verzameld en door Omars dochter Hafsa bewaard geworden waren, nieuwe afschriften vervaardigen, welke slechts in zooverre van die van Aboe Bekr verschilden, dat de onderscheiden lezingen, welke door dezen opgenomen waren, achterwege bleven en daarin slechts ÈÈne leeswijze opgenomen werd. Aan de kritiek des Korans bracht Othman nochtans het grootste nadeel toe, door het bevel, hetwelk hij gaf, al de vroegere afschriften van den Koran te verbranden, zoodat slechts de lezingen die van hem waren uitgegaan, in de kopieÎn van deze, voor het nageslacht bewaard bleven. Wel is waar de Muzelmannen stellen vast, dat die varianten alleen verschillen van dialecten hadden gegolden, nademaal de Koran door Mahomet zelven in zeven verschillende dialecten geopenbaard zoude zijn geworden, en dat Othman, onder deze, het dialect gekozen had, hetgeen het nauwste met dat der KoreÔshieten verwant was. Maar deze stelling is tegenover eene gezonde kritiek niet alleen onhoudbaar, zij is ook in strijd met andere erkende en geloofwaardige Muzelmansche overleveringen. In de eerste plaats toch wordt verhaald, dat Omar het 25e hoofdstuk eens door Hisham anders had hooren lezen, dan het hem door Mahomet geopenbaard was geworden. Hij geleidde hem derhalve tot den profeet en deed dat hoofdstuk door hem herhalen; toen zei ook hij het op, en Mahomet gaf beiden gelijk, terwijl hij verklaarde, dat de Koran naar zeven verschillende leeswijzen geopenbaard was geworden. Wij gelooven reeds uit die overlevering te kunnen besluiten, dat er hier geen sprake van eenige provincialismen kan zijn; want dan hadden immers niet beiden het geheele hoofdstuk behoeven te lezen. De genoemde stelling der Muzelmannen wordt echter nog krachtiger door de volgende overlevering wedersproken: "Elk jaar in de maand Ramadhan herhaalde Mahomet voor den engel GabriÎl, wat tot dat tijdstip van den koran geopenbaard was: men zegt zelfs, dat hij in zijn laatste levensjaar dit twee malen zoude herhaald hebben. Zoo dikwijls hij nu eene nieuwe lezing er bij voegde, of iets wegliet, waaruit de eerste zeven uitgaven ontstonden, prentten zijne volgelingen zich die wijzigingen dadelijk in het geheugen; en handelden overeenkomstig die bijvoegsels of veranderingen [34]. Hier zien wij duidelijk dat de voorgewende, van elka‚r afwijkende openbaringen, waardoor Mahomet, in gevallen, als dat tusschen Omar en Hisham, zich uit elke verlegenheid vermocht te redden, niet alleen de uitdrukkingen maar ook den inhoud betroffen. Onder de verschillen die Othman wegliet, behooren derhalve ook dezulken en zijne weglatingen bepaalden zich geenszins alleen bij dialectverschillen, gelijk men tot hiertoe meende. Door het vernietigen van alle varianten of tekstverschillen, wilde Othman dus ÈÈnen Koran vormen, over welks inhoud niet meer getwist kon worden Aan de zuiverheid en gelijkmatigheid, uit het oogpunt van spelling en spraakleer, schijnt hij echter minder zorg besteed te hebben. In dien zin verstaan wij dan ook eene overlevering, volgens welke Otham, toen hij in de afschriften des Korans, welke op zijn bevel waren vervaardigd, spelfouten ontdekt had, gezegd zoude hebben: "Laat die staan! De Arabieren zullen die wel verbeteren." Op dezelfde wijze begrijpen wij ook de volgende overlevering, waaraan door de Muzelmannen de zonderlingste uitleggingen worden gegeven, om elken twijfel aan de reinheid van den Koran tegen te gaan: "Hisman de zoon van Urwas verhaalt, dat zijn vader eens AÔsha gevraagd had, hoe er toch zoo menigvuldige feilen tegen de Arabische woordvoeging in den Koran hadden kunnen ontstaan;" waarop hem geantwoord werd, "dat dit het gevolg van misslagen der afschrijvers was geweest."

De handelwijze moge nu ook door de politiek gerechtvaardigd kunnen worden; uit het oogpunt nochtans der kritiek, zoowel als uit dat van het geloof, moet zij veroordeeld worden, en de ontevredenheid der geloovigen zoowel als der geleerden nog verhoogen. Ongelukkigerwijze waren de afschriften van den Koran toen ook nog zÛÛ zeldzaam, dat het hem werkelijk schijnt gelukt te zijn, al die er bestonden te verzamelen en te verbranden, en degenen welke eigenhandig door hem geschreven, of de afschriften, die naar deze vervaardigd en aan de hoofdsteden van het rijk toegezonden waren, aan den geheelen Islam op te dringen. Het valt nochtans te betwijfelen, of Othmans exemplaar zÛÛ lang bewaard gebleven zij [35], en door de Mahomedaansche Masorethen, tot het vaststellen van den tekst kon worden gebruikt, gelijk onderscheidene Muzelmannen aannemen. Daarentegen is het bewaard blijven der door hem bezorgde afschriften, zoowel als der kopieÎn, welke door onderscheidene tijdgenooten vervaardigd zijn, wel schier niet aan eenigen twijfel onderhevig [36]. Men kan derhalve bepaald aannemen, dat, na Othman, niet verder wezenlijke veranderingen in den Korantekst, of ten minste opzettelijke toevoegsels of weglatingen plaats vonden. Desniettemin mogen wij echter ook de oudste der bekende afschriften niet volkomen als het werk van Othman aanzien, omdat ten tijde van Othman het Arabische schrift nog geene teekens bezat ter onderscheiding van eenige naar elkander gelijkende letters, of toonteekens tot aanwijzing der verschillende klinkers had. Deze punten en strepen werden eerst in de tweede eeuw gebezigd, toen er ten aanzien van menige letters en klinkers reeds twijfelingen bestonden. Daardoor zijn dan ook, tot op onzen tijd, vele daaruit ontstane en van elka‚r afwijkende lezingen bewaard gebleven; die dikwijls den grootsten invloed op den zin uitoefenen.

Onbegrijpelijk blijft het altoos, dat Othman, die, bij de redactie van den Koran, op minder bezorgde en nauwlettende wijze dan Aboe Bekr te werk ging, niet ook een deel hebbe weggelaten van de wetten, leerstellingen en legenden, welke somwijlen met dezelfde woorden zijn herhaald, en welke Mahomet wel onderscheiden keeren kon hebben voorgedragen, doch hem voorzeker eigenlijk maar eenmaal hebben kunnen geopenbaard worden; ook voorts dat hij niets voor het vaststellen van eene stelselmatige en tijdrekenkundige orde in de reeks van Soeren of hoofdstukken en verzen hebbe gedaan. De wanorde die in den Koran heerscht, verwart niet alleen den Europeeschen geleerde, al is hij uiterst bekend met Mahomets leven, maar zelfs de degelijkste Muzelmansche uitleggers weten dikwijls geen raad, en twisten met elkaÍr, zoowel over enkele verzen, als over geheele kapittels; over de aanleiding tot hunne verschijning, en of zij reeds van Mekka, dan wel van Medina, na Mahomets vlucht of uittocht, dagteekenen. Maar zelfs ook waar zij tijd en aanleiding der openbaring op bepaalde wijze vermelden, zijn zij niet te vertrouwen, omdat zij meer de doode letter eener overlevering volgen, die dikwijls valsch is, dan wel dat zij op een zelfstandigen, levenden, kritischen geest gegrond zijn. Dat de indeeling des Korans in honderd veertien hoofdstukken, gelijk zij thans voor ons liggen, niet van Mahomet afkomstig is gelijk de rechtzinnige Muzelmannen gelooven, is in het leven van Mahomet bewezen; ofschoon niet tegengesproken kan worden, dat Mahomet ten minste een deel van den Koran in afdeelingen openbaarde, die hij Soeren of hoofdstukken noemde. Zij die den Koran van buiten leerden, hebben mogelijk, om hun geheugen ter hulp te komen, een bijzonderen naam aan elke afdeeling gegeven. Van vele dier afdeelingen, vooral van de oudste, schijnt echter het grootste gedeelte verloren gegaan of opzettelijk vernietigd te zijn, zoodat nog slechts hare namen en weinige verzen er van overgebleven zijn, terwijl bij de latere en uitgebreider afdeelingen, vele gedeelten bijeen werden geworpen, welke volstrekt niet bij elkaÍr behooren.

Wij hebben gepoogd, niet alleen den tijd der verschijning van de geheele hoofdstukken, maar ook, vooral bij de wetgevende stukken uit Medina, dien der afzonderlijke gedeelten van elk hoofdstuk te bepalen.

Bij deze laatsten is het ons ook doenlijk geweest eene juiste tijdorde der afzonderlijke hoofdstukken op te geven, terwijl die uit Mekka, omdat zij algemeener van aard zijn en sterk op elka‚r gelijken, in slechts drie tijdvakken zijn verdeeld. Bij het bepalen der tijdorde dienden ons tot leiddraad: a. Duidelijk blijkende betrekkingen op historische gebeurtenissen, waarvan het tijdstip uit andere biographische bronnen bekend is; b. Het karakter der openbaring, dat na den uittocht van Mekka geheel verandert, aangezien Mahomet niet meer uitsluitend als hervormer, maar ook als stichter van eenen nieuwen godsdienst en wetgever optreedt, en c. De uitwendige vorm; omdat Mahomet, in den eersten tijd zijner leer, zijne voordrachten, zoo al niet streng naar de regels der prosodie, nochtans in poteÔsche, rhytmische taal kleedde, gelijk dit bij de vroegere Arabische waarzeggers plaats vond, terwijl hij in lateren tijd anders schreef, deels opzettelijk, om niet voor dichter of waarzegger te worden aangezien, deels omdat hij zich zelven uitgeput had, doch vooral ook omdat het hem, op latere jaren en op zijn standpunt als godsdienststichter, regeerder en wetgever, aan wezenlijke, innerlijke begeestering mangelde; zoodat hij zelfs d··r een geheel prozaÔschen vorm bezigde, waar hij hetzelfde onderwerp behandelt, dat vroeger zijne geheele ziel had doorgloeid.

Naardien de hoofdstukken, in welke Mahomet, in zekeren zin, zelfs eerst tot 's Heeren gezant gewijd wordt, voorzeker de oudsten zijn, zoo nemen wij de overlevering opzichtens de beide het eerst geopenbaarden aan, en geven als de zoodanigen op het 96e en 74e. Wij doen hier echter opmerken, dat waarschijnlijk eenige andere verzen of hoofdstukken, die verloren gegaan, in andere hoofdstukken gevoegd, of misschien later opzettelijk vernietigd zijn, en welke de kern der oorspronkelijke leer van Mahomet bevatten, gelijktijdig zijn verschenen; want blijkbaar zijn slechts de eerste vijf verzen van het 96e hoofdstuk en de eerste zeven verzen van het 74e hoofdstuk als eene wijding tot profeet aan te zien. In de volgende verzen is er slechts sprake van de zoodanigen, die Mahomet geen gehoor schenken en met den Koran spotten. Overigens duiden reeds de eerste woorden van hoofdstuk 96, zoo al niet rechtstreeks op een volslagen godsdienstboek, dan toch ten minste op eene gelijktijdig verschenen openbaring, welke hij lezen en voorlezen moest. Het 31e vers van het 74e hoofdstuk behoort gewisselijk tot een later tijdvak. Ook de eerste acht verzen van hoofdstuk 73 rekenen wij onder de oudsten; de tien volgende verschenen later, en het laatste voorzeker eerst te Medina. Zonder twijfel behooren ook vers 77-104 van het 26e hoofdstuk tot de vroegste openbaringen, in welke Mahomet opgeroepen wordt, slechts ÈÈn God te aanbidden en zijne stamgenoten voor afgoderij te waarschuwen; en evenzeer hoofdstuk 106, hetwelk voornamelijk op de KoreÔshieten betrekking heeft. Daarop volgt dan hoofdst. 111, dat een verwensching bevat, die gericht is tegen Mahomets oom Aboe Lahab, welke, gelijk wij uit biographische bronnen weten, tegen zijnen neef een steen ophief, toen deze zijn eerste prediking hield. Evenzeer is dit waarschijnlijk het geval met de laatste zes verzen van het 15e hoofdstuk waarin hem bevolen wordt, zijne leer luide en niet alleen voor stamgenooten en vrienden te verkondigen. Het geheele overige gedeelte van hoofdstuk 15 behoort tot het tweede tijdvak.

Nu volgt eene reeks hoofdstukken, waarin Mahomet zelfs vermaand wordt, standvastig op het betreden pad te blijven, en zich door de tegenspraak der Mekkanen niet van het geloof aan een eenigen God te laten aftrekken; daarin wordt voorts de goddelijkheid des Korans verkondigd. Mahomets karakter als profeet, als des Heeren gezant wordt nauwkeurig opgegeven; van dat der bezetenen, der dichters, der toovenaars en waarzeggers onderscheiden, en de leer van de opstanding en vergelding tegen de spotzieke Arabieren verdedigd. Al deze hoofdstukken welke wij in de eerste vijf jaren van Mahomets zending plaatsen, dragen den stempel eener echte begeestering en van eene diepe, innige overtuiging, en degene welke op Mahomet zelven betrekking hebben, zelfs dien van een wezenlijk visioen. Dit gaat zoo ver, dat men tot het denkbeeld moet komen, dat Mahomet zelf, ten minste in den eersten tijd, slechts het werktuig van een' wezenlijken hervormer was, die hem als engel verscheen. Hoe laten zich wel anders verzen verklaren, in welke aan Mahomet bevel wordt gegeven, den Koran, zoolang die hem wordt voorgelezen, niet na te zeggen, maar te wachten, tot de engel voleindigd hebben zou [37]. Hoe zou men anders eene verklaring kunnen geven van zoodanige verzen, waarin hem bevolen wordt, zich van de ongeloovigen te verwijderen, als zij met den Koran spotten, en, indien de satan hem dit gebod mocht doen vergeten, het althans op te volgen zoodra hij het zich herinnerde [38]? Is het wel denkbaar, dat Mahomet tot zich zelven zou hebben gezegd: Wellicht laat gij een deel der openbaring achterwege, omdat het gesnap der spotters u de borst vernauwt [39]; of: volgt gij hunne (der ongeloovigen) begeerten, dan is God uw beschermer niet meer [40]; of: als gij den Koran leest, dan neem uwe toevlucht bij God tegen den Satan [41]. Deze en soortgelijke verzen, bij welke zich geen bedrog laat veronderstellen--want wij kunnen daarin slechts eene gekunstelde naÔviteit zien, die al te zeer zou strijden met de waarheid der leerstellingen, welke in den eersten tijd werden geopenbaard en met de geestdrift waarmede zij voorgedragen zijn--geven ons derhalve aanleiding, ook bij andere uit dien tijd, elke verdenking van opzettelijke misleiding, zelfs van Mahomets zijde te verwijderen, en hem veeleer voor een godsdienstigen dweper vol zelfmisleiding, dan voor een bedrieger te houden.

Ten aanzien der hoofdstukken, in welke, behalve de leer van God, Mahomet, den Koran en van de opstanding, slechts hier en daar ook eenige zedelijke voorschriften gevlochten zijn, die de leer van elken godsdienst vormen, en waarin ook niet meer dan korte aanwijzingen voorkomen van vroegere volken, die, uithoofde van hun ongeloof, zijn ondergegaan, kan men, uithoofde van hunnen gelijksoortigen inhoud en vorm, de tijdorde niet met eenige nauwkeurigheid bepalen. Uit dien hoofde tellen wij diegene, welke wij in dat tijdvak plaatsen, naar de volgorde op, gelijk zij in de vroeger vermelde overlevering op elkaar volgen. Wij behoorden hier dan ook niet met hoofdstuk 81 te beginnen, dat volgens die overlevering na het 111e hoofdstuk volgt, omdat dit hoofdstuk, gelijk vooral uit vers 23 volgt, waarschijnlijk te gelijk met het 53e hoofdstuk verscheen. Beide spreken over Mahomets visioen, in hetwelk hij geloofde in den hemel gedragen te zijn, en dat, volgens de opgave van de meeste levensbeschrijvers, eerst na zijnen terugkeer van TaÔf plaats had [42]. Nademaal echter hunne schrijfwijze tot de oudste behoort gelijk reeds blijkt uit hun volslagen afwijken van het hoofdstuk der geniÎn, dat werkelijk eerst na de terugkomst van TaÔf verscheen, zoo is voorzeker in beide sprake van eenig ander visioen, en deze verzen werden eerst later, valschelijk, tot ondersteuning van de legende der hemelvaart gebezigd. Dit is des te waarschijnlijker, nademaal vers 17 en 18 van het 53e hoofdstuk, zelfs volgens de Muzelmansche levensbeschrijvingen, kort na den eersten veldtocht naar AbyssiniÎ verschenen, en aanleiding geven tot terugkeer der eerste uitgewekenen [43]. Slechts, vers 30, 31 en 32 schijnen tot de laatste verzen uit Mekka te behooren. Na de bovengenoemde hoofdstukken komen de 68e, 87e, 92e, 89e, 93e en 94e soeras. Het 103e hoofdstuk volgt, dat waarschijnlijk, evenals menig ander hoofdstuk, slechts uit afzonderlijke verzen bestaat, die geen eigen hoofdstuk moesten vormen, of van welke een gedeelte verloren is. Hierna komen de hoofdstukken 100, 108, 102 en 107. Hoofdstuk 109, hetgeen onderscheidene uitleggers zelfs tot de Medinasche tellen, behoort gewis niet tot het eerste tijdvak, maar in het tweede, waarin. Mahomets leer reeds zÛÛ zeer verbreid was, dat de afgodendienaars hem eenige concessiÎn wilden doen. Dan volgen hoofdstuk 105, 113, 114, 112, 80, 97, 91, 85, 90, 95, 101, 75, 104, 77 en 86. Vervolgens 70 [44], 78, 79, 82 en 84, in welken de dag des oordeels, op meesterlijke wijze, in zeer korte, rhytmische zinnen wordt geschilderd; evenzeer hoofdstuk 56, 88, 52, 69 en eindelijk 83. Ook hoofdst. 99, hetwelk door onderscheiden Muzelmannen onder de Medinasche wordt gerangschikt, behoort nog tot de oudste van Mekka.

Het tweede tijdvak omvat ook nog zeer poÎtische hoofdstukken; in welken tijd Mahomet reeds meer als profeet dan als een in verrukking verkeerende optreedt, en waarbij men in zijne voorstelling reeds meer spel en kunst, dan rechtstreeksche uitgietingen van een overvloeiend gemoed opgemerkt. Mahomet komt reeds meer in bijzonderheden, zoo wel in het gispen der bijgeloovige Mekkanen, als opzichtens zijne grondvesting des waren geloofs. De hel en het paradijs worden gaandeweg wijdloopiger beschreven; ook worden er de goddelijke attributen nader bepaald en met bewijsgronden gestaafd. De legenden der profeten vermeerderen en worden bepaalder van teekening, hetgeen reeds bij die van Mekka den argwaan opwekte, dat Mahomet een medearbeider had. Deze argwaan wordt zelfs uitgedrukt en niet behoorlijk wederlegd [45]. Immers indien ook zij, welke door de Mekkanen als zijn leermeesters worden aangezien, vreemdelingen en de Arabische taal niet volkomen machtig waren, zoo konden zij hem des niettemin de stof voor zijne openbaringen geleverd hebben, welke hij dan vrij bewerkte. Totdat tijdvak, hetgeen zich tot Mahomets terugkeer van TaÔf uitstrekt, rekenen wij te behooren, behalve de reeds genoemde ook de hoofdstukken: 1, 51 [46], 36, 50, 54, 44, 19, 20, 21, 23, 25, 67, 37, 38, 43 en 71, en eindelijk nog 55 en 76, welke door vele Muzelmannen worden aangezien, als te Medina geschreven te zijn.

De hoofdstukken in de laatste jaren te Mekka verschenen, en welke zich van toen nog maar zeldzaam boven het gewone proza verheffen, doch in welke echter nog veel redenaarstalent aanwezig is, zijn de hoofdstukken: 7, 72, 35, 27, 28, 17, 10, 11, 12, 6, 31, 34, 39, 40, 32, 42, 45, 46, 18, 16, 14, 41, 30, 29, 13 en 64. De beide laatste worden gewoonlijk onder de Medinasche hoofdstukken geteld. In het laatste vindt men, wel is waar, in het 14e vers: "O gij, die gelooft!" eene wijze van aanspreken, die gewoonlijk in de Medinasche hoofdstukken voorkomt; doch deze wijze van aanspreken kan door Mahomet nochtans reeds te Mekka gebezigd zijn geworden, als hij iets openbaarde, wat diegenen betrof, welke reeds tot den Islam bekeerd waren.

Alvorens wij tot de hoofdstukken overgaan, die te Medina geschreven zijn, en bij welke, uithoofde zij tot historische feiten in betrekking staan, eene nauwkeuriger tijdsbepaling mogelijk en, uit genoemden hoofde, ook noodzakelijker is, moeten wij nog enkele aanmerkingen laten volgen, over de hoofdstukken die te Mekka geschreven zijn. Volgens eene Muzelmansche overlevering zou vers 93 van het 6e hoofdstuk niet dan later verschenen zijn en op valsche profeten betrekking hebben, welke eerst na Mahomets uittocht opkwamen. Intusschen kan het mogelijk wezen, dat Mahomet, zonder toespeling op anderen, alleen om des te meer geloof te vinden, gezegd hebbe: Bestaat er wel iets snooders, dan God logen toe te dichten, of te zeggen: mij is iets geopenbaard, indien dit niet waar is, enz. Als wilde hij daardoor zeggen; hoe kunt ge mij voor zoo goddeloos houden?

Vers 30 van het 7e hoofdstuk moet gelijkerwijze eerst in Medina en wel eveneens eerst na de verovering van Mekka verschenen zijn, hetgeen ontwijfelbaar is, indien men dat vers als een gebod aanneemt. Het blijft echter altijd mogelijk, dat het slechts een vermaning ware tegen de KoreÔshieten, welke den bedevaartgangers nieuwe kleederen wilden opdringen, of hen dwongen, maakt den tempel om te trekken; zoodat het reeds vroeger verschenen kon zijn.

Van het 17e hoofdstuk is voorzeker vers 35 (waar gezegd wordt: "wij hebben den bloedverwant eens vermoorden reeds macht over een moordenaar gegeven," en waarin waarschijnlijk op hoofdstuk 2 vers 173 wordt verwezen), eerst in Medina verschenen, waar Mahomet een uitvoerende macht bezat. Ook vers 78 kon eerst te Medina geopenbaard zijn; want er wordt van eene poging gesproken, om Mahomet uit het land te verdrijven, hetgeen die van Mekka werkelijk gedaan hadden. De volgende echter en vers 83 kunnen reeds in Mekka geopenbaard zijn; want reeds voor de verovering van die stad kon hij zeggen: "De waarheid is gekomen, de leugen is ontvloden." Wat het eerste vers van dit hoofdstuk betreft, zoo houden wij het niet alleen niet te behooren tot die, welke in Mekka zijn geschreven, maar voor een, dat eerst na Mahomets dood verdicht, of bij vergissing in den Koran opgenomen is. Onderscheiden Koranplaatsen pleiten er voor, dat Mahomet zelf de nachtelijke reize, naar Jeruzalem en den hemel, slechts als een visioen aangezien wilde hebben. Reeds Mahomets gedurige verzekeringen, dat hij niet meer dan een prediker en geen wonderdoener was [47], behoorde ook overigens de geloovigen te overtuigen, dat er geen grond voorhanden is, om hier aan het doen eener werkelijke reize, gelijk ook aan eene gespleten maan te denken. Desniettemin had deze legende zich spoedig na den dood van den profeet verbreid, en langs dien weg kon ook dit vers, door eenig geloovige voor zich zelven opgeteekend, wellicht reeds ten tijde van Aboe Bekr, in den Koran overgegaan zijn. Dat vers komt overigens volstrekt niet bij het daaropvolgende, is voor een ieder, die de legende niet kent, onverstaanbaar, en bovendien voor dengeen, die er mede bekend is, duister en taalkundig onjuist. Woordelijk luidt het vers: "Geprezen zij degeen, die met zijn knecht des nachts reisde, van den heiligen tempel naar den verwijderden tempel, wiens omgeving wij gezegend hebben [48], opdat wij hem onze wonderen toonen. Gewisselijk hij is de hoorende, de zienden."

In vers 85 van hoofdst. 28 moet, volgens eenige Koranverklaarders, aan Mahomet voorspeld zijn, dat hij eens naar Mekka terug zou keeren. Ten gevolge daarvan zou dat vers zeker in Medina, of tenminste daarheen geschreven moeten zijn. Er komt echter een woord in voor (Maad) hetgeen woordelijk "plaats des terugkeers" beteekent, zoodat daarmede even goed de wereld hier namaals, als Mekka bedoeld kan zijn.

Vers 9 en 10 van hoofdstuk 29 schijnen ook naar Medina verplaatst te moeten worden; want daarin wordt gezegd: dat zekere lieden zich van de geloovigen afscheiden, indien zij in kommer zitten, maar zich weder bij hen voegen als er bijstand van God komt; dat echter God de ware geloovigen wel van de huichelaars weet te onderscheiden. De vijf eerste verzen van Hoofdstuk 30, welke betrekking hebben op de zegepraal der Perzen op de Grieken, behooren tot het vroegere tijdvak.

Het 15e vers eindelijk van het 46e Hoofdstuk, ten minste de tweede helft er van, welke door de Muzelmannen betrokken wordt op Aboe Bekr, wiens vader, zoon en kleinzoon zich tot den Islam bekeerden, is niet minder verdacht dan het 1e van Hoofdstuk 17.

Tot de nog overige drieÎntwintig Medinasche Soeras overgaande, volgen wij het algemeene gevoelen, en noemen de 2e Soera (die van de Koe) als de eerste van Medina, omdat Mahomet in den eersten tijd voorzeker niets belangrijkers te doen kon hebben dan de Joden, die te Medina in grooten getale aanwezig waren en grooten invloed bezaten, te zijnen voordeele te stemmen, en dit wel te meer, nademaal hij te Mekka zich dikwijls op de getuigenis der Joden beroepen had [49]. Dit is het thema, waarover namelijk het eerste gedeelte van dat hoofdstuk loopt. Hij toont de Joden van Medina uit hunne eigene geschiedenis aan, hoe het hun, zelfs toen Mozes onder hen was, aan waar geloof en vertrouwen had ontbroken, en stelt Abrahams natuurlijken godsdienst tegenover het strenge MozaÔsme en het van dogmas zoo zeer vervulde Christendom. Hij kent geene andere verboden spijzen dan bloed (wat overigens ook in het vroegere Christendom verboden was) aas of krengen, varkensvleesch en wat ter eere van eenigen afgod geslacht was [50]. En dit verbod komt ook reeds in Mekkasche hoofdstukken voor, in verband met verschillende andere gebruiken, die onder de bewoners van Mekka heerschten [51]. Ook schrijft hij in den eersten tijd geen ander gebod voor, dan het geloof aan God, engelen, opstanding, profeten en hunne openbaring; milddadigheid jegens armen, weezen, bloedverwanten, reizigers en slaven; gebed, vervulling van zijn woord en lijdzaamheid in het ongeluk. Op de richting des lichaams bij het gebed komt het niet aan; God is Heer van het Oosten en Westen [52]. Op deze algemeene leer der plichten, door Mahomet in den vroegsten tijd van zijn verblijf te Medina geopenbaard, volgden intusschen andere wetten, welke eerst in het tweede jaar verschenen. De oorlog tegen ongeloovigen wordt er nu bevolen en zelfs in de heilige maanden veroorloofd. Niemand mag zich echter in al te groote gevaren storten, en in zulke gevallen mag het gebed zelfs onder het rijden of gaan verricht worden, terwijl het anders ten deele staande, deels knielend gedaan wordt. Mekka wordt nu als de plaats aangewezen, waarheen men zich bij het doen van het gebed moet richten. Het genot van den wijn en de hasardspelen wordt zoo al niet bepaald verboden, dan toch ten minste gegispt. De maand Ramadhan wordt als vaste-maand bepaald. Ook worden in dien tijd eenige wetten ten opzichte van gezondheids-maatregelen en omtrent burgerlijke en lijfstraffelijke aangelegenheden bepaald. Van dien aard zijn de bepalingen omtrent de reiniging der vrouwen [53]; testamenten [54], schuldverbintenissen [55], woeker [56], echtscheiding en rechten der vrouwen [57], huwelijk met ongeloovigen [58] en moord [59] Alleen vers 192-199, welke de voorschriften omtrent de bedevaart bevatten, behooren voorzeker tot een lateren tijd, en wel waarschijnlijk tot het 6e of 7e jaar der hedjirah.

Gelijktijdig met het tweede Hoofdstuk, en alleen tot zijne aanvulling, verscheen waarschijnlijk het 98e Hoofdstuk, dat voornamelijk tegen de ongeloovige Joden en Christenen gericht is, en evenzeer het 62e, dat het gebod behelst over het vieren van den Vrijdag, of eigenlijk over de godsdienstoefening op dien dag, voorafgegaan door een twistgeschrijf tegen de Joden, en bijna met dezelfde woorden als in het 2e Hoofdstuk.

Het 65e Hoofdstuk is slechts ten deele eene herhaling, deels eene aanvulling der huwelijkswetten, welke in het 2e Hoofdstuk vervat zijn, en moet derhalve ook omstreeks denzelfden tijd geplaatst worden. Hoofdstuk 22, dat het verlof bevat tot het oorlog voeren, over de bedevaart handelt, gelijk zij door Abraham is vastgesteld [60] en over het loon, dat de landverhuizers verbeidt, die sterven of gedood worden, behoort ook tot dezen tijd; maar, zelfs volgens het gevoelen de Mahomedanen is een gedeelte daarvan reeds te Mekka verschenen; want het bevat meer redetwisten tegen de afgodendienaars van Mekka dan tegen de bewoners van Medina. Vers 51-53, in welke Mahomet eene concessie terug neemt, welke hij aan de ongeloovigen heeft gedaan, en eene vroegere openbaring aan de kunstenarijen des satans toeschrijft, laten hierover niet den minsten twijfel bestaan.

Tot de eerste Medinasche Hoofdstukken behoort eigenlijk ook het 4e, waarin het verdere over het huwelijksrecht en het daarmede in verband staande erfrecht is bevat [61] en voorts verbod van den zelfmoord [62], bepalingen omtrent doodslag bij vergissing [63]; eenige krijgswetten, bijzonder tot bevrijding der te Mekka teruggehouden geloovigen: twistreden tegen afgodendienaars, Joden en Christenen [64], verordeningen over het gebed in den oorlog en de reiniging vÛÛr dezen, en eindelijk nog eenige algemeene, zedelijke vermaningen, zooals over milddadigheid zonder vertoon te maken [65], rechtschapenheid [66] en waarheid [67].

Aangezien het derde hoofdstuk, of tenminste een gedeelte daarvan, gezonden werd om de Muzelmannen over het verlies bij Ohod te troosten, zoo is het voorzeker in het derde jaar der hedjirah verschenen. De overige verzen van dat Hoofdstuk, welke ten deele twistgeschrijf en ten deele vriendelijk tegemoet komen ten aanzien van Joden en Christenen bevatten, met verwijzing op Abrahams geloof, kunnen ouder zijn: doch v. 82 daarentegen, dat elken niet-Muzelman in alle eeuwigheid verdoemt, is gewis eerst later verschenen.

Eene opmerkelijke bijzonderheid voeren wij uit Hoofdstuk 33 vers 47 aan. Nadat daarin gezegd is, de ongeloovigen en huichelaars niet na te volgen (of zoo als anderen vertolken, niet naar hen te luisteren), besluit het vers met te bevelen, hun geen leed te doen.

Hoofdstuk 48 betreft de verongelukte bedevaart, of den tocht van HoedeÔbia, en wordt daarin het verdrag, met de Mekkanen gesloten, als eene verovering afgeschilderd, en de onmiddellijk daarop volgende oorlog van Cheribar vermeld. Ook de drie verzen, welke het 110e Hoofdstuk vormen, zijn waarschijnlijk in dien tijd, zoo niet zelfs na de verovering van Mekka verschenen. Zoo is het ook met Hoofdstuk 61: vooral vers 13, waarin evenzeer de spoedige verovering wordt beloofd, en de vier eerste verzen, waarin den geloovigen verweten wordt, dat zij hun woord niet houden; waarbij hun achterblijven van den tocht naar Mekka wordt bedoeld. Eindelijk nog Hoofdstuk 60, dat het huwelijk tusschen geloovigen en ongeloovigen ontbindt--hetgeen dadelijk na den terugkeer van HoedeÔbia plaats had--en het huldigings-formulier der vrouwen voorschrijft. Het begin van dat Hoofdstuk zoude kort voor de verovering zijn verschenen, toen Hatib Ibn Baltaa zijne vrienden te Mekka van Mahomets voornemen wilde onderrichten. Het gebod, geene ongeloovigen tot vrienden te kiezen, wordt nochtans zoo dikwijls herhaald, dat het waarschijnlijk ook reeds vroeger werd medegedeeld, nademaal de vriendschapsbetrekkingen tusschen geloovigen en ongeloovigen reeds lang te voren niet wenschelijk kon toeschijnen.

Hoofdstuk 49, welks begin op het gedrag der afgevaardigden van de Thakifieten betrekking heeft, verscheen na de verovering van Mekka. In de volgende verzen tracht Mahomet de eendracht tusschen de verwonnelingen en de veroveraars te herstellen, en waarschuwt voor wantrouwen, argwaan, beluisteren, achterklap en geboortetrots, omdat die ondeugden onvrede tusschen de geloovigen bewerkten, welke elkander als broeders moesten beminnen.

Het vijfde Hoofdstuk eindelijk bevat eenige verzen, welke Mahomet bij zijne laatste bedevaart geopenbaard heeft, en dat derhalve door eenige Muzelmannen als het laatst verschenen wordt beschouwd. Daartoe tellen wij diegenen, welke betrekking op de bedevaart hebben, en eenige spijswetten, vooral die, welke in het vierde vers herhaald zijn; uit hoofde van de tweede helft, waarin de godsdienstlessen thans als volkomen worden erkend. Het gebod van het wrijven met zand, bij gebrek aan water [68], bevindt zich reeds in een vroeger Hoofdstuk, en is, zelfs naar de Muzelmansche overlevering, ouder. Zoo is het ook met den zoen voor een' niet gehouden eed [69], waarop reeds in Hoofdstuk 66 v. 2 wordt geduid.

Ook de wet, om bij testamenten twee getuigen te doen onderteekenen [70], is waarschijnlijk reeds vroeger, met vers 176 van het 2e Hoofdstuk, verschenen. Evenzeer het gispen van het wijn drinken en dobbelspel [71]. Alleen de wet, die den diefstal met het afhouden der hand straft, kan nog bij de laatste bedevaart zijn gegeven. Het overige gedeelte van het hoofdstuk, dat Bijbelsche legenden bevat, en voorts twistgeschrijf tegen Joden en afgodendienaars, maar meer nog tegen Christenen, en vooral tegen de leer der DrieÎenheid, is voorzeker nog ouder. Dit bewijst hoofdzakelijk v. 85, waarin de Christenen vrienden der muzelmannen genoemd worden, hetgeen althans na den slag van Moeta en den veldtocht van Taboek niet meer gezegd kon worden; ook vers 73, waarin, even als in Hoofdstuk 2 v. 59, den geloovigen Joden en Christenen eene zalige toekomst wordt beloofd, terwijl in het 3e Hoofdstuk wordt gezegd [72]: wie eenen anderen godsdienst dan den Islam aanhangt, wordt door haar niet (bij God) aangenomen en behoort in de toekomstige wereld tot de verdoemden; en evenzeer Hoofdstuk 48 v. 17: "wie niet aan God en zijnen gezant gelooft, voor zulke ongeloovigen hebben wij de hel bereid". Immers het is niet aan te nemen, dat Mahomet in den laatsten tijd verdraagzamer en vrijzinniger jegens Joden en Christenen geworden zij, daar hun zelfs verboden wordt, het gebied van Mekka te betreden.

III

DE ISLAM.

Algemeen overzicht.

Wij zullen thans van de geschiedenis der uiterlijke ontwikkeling van den Koran en de ontleding zijner deelen, tot het innerlijke wezen overgaan, en hem meer beschouwen met betrekking tot het blijvend gehalte en in zijn geheel als godsdienst- en wetboek. Wij zullen met de geloofsleer van den Koran beginnen, zonder juist een dogmatiek in de streng wetenschappelijke beteekenis van het woord te geven, of in de subtiliteiten der latere, scholastieke dogmatici te treden; eensdeels dewijl ons dit te ver zou voeren, en anderdeels omdat, vooral bij een natuur-mensch als Mahomet, ook niet in het minst aan een systematisch leerstelsel kan worden gedacht. Dit blijkt reeds ten duidelijkste daaruit, dat de gewichtigste leerstellingen van den Islam, om hare onbestemdheid, niet minder dan die van het Christendom, een onderwerp der heftigste polemiek en later zelfs van de bloedigste oorlogen en vervolgingen zijn geworden; een verschijnsel, dat bij de volgelingen van Mahomet meer bevreemdend is dan bij die van Christus. Het Christendom toch is rijker aan geloofsstellingen, dan het Mahomedanismus, en leerstellingen als die van de DrieÎnigheid, van de wonderbare geboorte van Christus en diens opstanding, van de sacramenten en van de kerken, geven meer stof tot verschillende opvatting dan die van den Islam, welke slechts ÈÈn eenige God kent, in Mahomet een profeet ziet en volstrekt niets van priesterdom weet, zelfs hoewel latere Imams zich, uit staatkundige redenen, tot hoogepriesters willen verheffen. Maar niet alleen het innerlijk wezen van het Christendom was eerder er toe geschikt, scheidingen te doen ontstaan, ook de wijze waarop het aan de nakomelingschap werd medegedeeld, begunstigde het sectenwezen meer dan de Islam. Christus zelf droeg zijne leerstellingen slechts mondeling en bij gelegenheid, grootendeels zonder stelsel en samenhang voor; zijne woorden werden eerst lang na zijnen dood opgeteekend, in vreemde talen vertolkt en met subjective meeningen vermengd, zoodat reeds de in vele punten van elkander afwijkende bronnen van het Christendom de kiem tot verschillende godsdienstbegrippen in zich moesten bevatten. Mahomet daarentegen liet zelf, indien al niet den geheelen Koran, zoo als de Muzelmannen gelooven, dan toch een groot deel zijner openbaringen opteekenen, en het kleinere deel werd reeds twee jaren na zijnen dood aan het schrift overgeleverd, en dat wel in de Arabische taal; in de taal, waarin de profeet sinds zijne jeugd dacht, en welke ook die van zijn volk was en bleef. Desniettemin werd ook de Islam reeds in de eerste eeuwen der hedjira in vele secten verdeeld, en geloofsoorlogen, even bloedig als die door het Christendom veroorzaakt, verstoorden het Mahomedaansche rijk. Slechts omdat Mahomet er niet in het minst aan had gedacht, een bepaald leerstellig systeem te vormen, kon ook later, toen onder zijne volgelingen een sterkere drang naar kennis ontwaakte, dan dit bij hem het geval was geweest, over menig punt in zijne leer op verschillende wijze worden gestreden. Mahomet vorderde namelijk van zijne volgelingen slechts het geloof aan ÈÈn eenigen, eeuwigen, alomtegenwoordigen, onzichtbaren, almachtigen, alwetenden, alwijzen, algerechten, algenoegzamen en genadigen God, schepper en onderhouder van het heelal, voorts aan Mahomet en de hem voorafgegane profeten, als overbrengers der goddelijke openbaringen, die de menschen voor dwaling behoeden en tot heil voeren zullen; aan de engelen, als de werktuigen van Gods wil, en eindelijk aan de opstanding der dooden en een leven hier namaals, waarin de vromen voor hunne werken beloond en de zondaren gestraft zullen worden. Hoe eenvoudig echter ook deze, bijna op ieder blad des Korans terugkeerende, drie grondleeren van den Islam: God, openbaring en laatst oordeel zijn, werden zij toch een voorwerp van strijd, zoodra slechts bij de Mohamedanen, nog voor zij met de Grieksche philosophie nader bekend werden, het verlangen levendig werd, deze leer eene speculatieve volmaking te geven, die zelfs aan Mahomet, welke gewoonlijk slechts sprak naar den oogenblikkelijken drang van het gevoel, geheel vreemd was. Menig punt, dat oppervlakkig en beeldsprakig in den Koran was voorgesteld, naar den aard zijner verzameling, waardoor de werkelijke samenhang van twee op elkander volgende verzen, en ook de tijd of de aanleiding hunner verschijning, nooit bepaald kan worden opgegeven, en menig schijnbare of werkelijke tegenspraak, openden natuurlijk een uitgebreid slagveld voor alle afwijkenden secten, wat in dezelfde mate nog in omvang won, toen de wijsgeerige studien der Arabieren zich uitbreiden, en al hetgeen op dit gebied verkregen was, door kunstmatige verklaring in de godgeleerdheid gebracht en uit de heilige schrift afgeleid moest worden.

Mahomet verliet deze wereld, zonder ook slechts de minste bepaling omtrent zijne opvolging gemaakt te hebben. Wij vinden niet alleen geene plaats in den Koran, welke over den toestand van het rijk na zijnen dood handelt, maar ook geene authentieke, mondelinge overlevering, zoo als reeds uit de vergezochte bewijzen van iedere partij voor hun recht op het khalifaat blijkt; immers of Mahomet vermeed, in het geheel van zijne vergankelijkheid te spreken, en de verzen die hem sterfelijk noemen, zijn door Aboe Bekr tusschen gevoegd, of hij waagde het niet, door bevoorrechting der eene partij zich de andere tot vijand te maken. Het gold namelijk niet alleen tusschen Ali en Aboe Bekr te kiezen, en zijne geliefde dochter Fatima of zijne vrouw AÔsha--die vol intrigues was--in hare hoop teleur te stellen, maar ook tusschen de met hem uitgeweken burgers van Mekka en die van Medina, aan wier bescherming en bijstand hij de uitbreiding zijner macht had te danken. Intusschen was het ook mogelijk, dat hij zich in het algemeen niet gerechtigd achtte, in een land, waar de republikeinsche regeeringsvorm steeds de overhand had, eene erfelijke monarchie in te stellen, en dat hij daarom liever zweeg, in de verwachting, dat de beste zijner makkers zich wel den weg tot de heerschappij zoude banen. Hoe het zij, in geen geval mag de erfelijk monarchale, en nog minder de volstrekt despotische regeeringsvorm der Muzelmansche rijken, aan Mahomet zelf, of aan den door hem gestichten godsdienst worden toegeschreven zoo als dit dikwijls door Europeesche geleerden is geschied. Mahomet zelf wilde in het geheel niet als wereldlijk heerscher maar slechts als profeet worden aangezien. Toen hij, bij de verovering van Mekka, te midden der bondgenooten en uitgewekenen Abel SofaÔn voorbijtrok en deze tot Abbas zeide: "bij God, het rijk van uwen neef is groot," hernam Abbas: "Hij is een groot profeet." Daar Mahomet zich echter de laatste profeet noemde, zoo kan ook dan na hem geen sprake zijn van een goddelijk recht op eene geestelijke macht. Dit blijkt ook uit het eigen gedrag van Aboe Bekr bij de keuze der khalifen, die in het algemeen slechts van de voorrangen der uitgetrokkenen sprak en geene eigene rechter deed gelden, ja zelfs Omar of Aboe Ubeida tot khalif voorstelde. Was nu ook deze voorstelling misschien niet ernstig gemeend, omdat hij te voren wist, dat beiden de heerschappij bij zijn leven niet zouden overnemen, dan bewijst dit toch ten minste, dat de hoofden van het volk en geen aangeboren rechten over de opvolging zouden beslissen. Als wetgever kon een Muzelmansch vorst in het geheel geene macht hebben; want de Koran zou de eeuwige wet der Muzelmannen blijven, en was zeker ook in den eersten tijd des Islams volkomen toereikend. In den Koran echter wordt niet slechts het leven der geloovigen gewaarborgd, maar ook hunne bezittingen. Het eerste kan slechts den moordenaar ontnomen worden, en van het laatste kunnen alleen de wettelijk bepaalde belastingen gevorderd worden. De verrichtingen van het opperhoofd van den staat bestonden dus, naar het begrip van den Koran eenvoudig in het waken voor de navolging der wet, in de handhaving der militaire macht, in haar gebruik, tot bevestiging en uitbreiding van het geloof. Mahomet dus verantwoordelijk te maken voor den regeeringsvorm, welke zijne opvolgers hebben ingevoerd, of zelfs voor de gruwelen, door enkele Moslemische heerschers gepleegd, ware nog veel onbillijker, dan indien wij het despotismus van verschillende Christelijke staten uit het Evangelie wilden afleiden. Gelijk overigens in het Christendom dikwijls is beproefd geworden, de erfelijke en onbegrensde macht op de Heilige Schrift te doen steunen [73], zoo bekwam ook in den Islam de wereldlijke macht reeds vroeg eene godsdienstige wijding, en de leer van het Imamaat vormt een tegenhanger van die der kerk. Terwijl intusschen de factische khalifen, namelijk de drie eersten, zich nog meer als wereldlijke dan als geestelijke navolgers van Mahomet beschouwden, en hun recht meer op de keuze, of minstens op de overeenstemming der Muzelmannen steunden, grondden de aanhangers van Ali en zijn geslacht reeds onder de heerschappij van Othman, bijzonder echter gedurende den oorlog met Muawia en diens overwinning, hunne aanspraken op een vormelijk erfrecht. De Imams werden toen als bijzondere door God verlichte menschen aangezien, en ten laatste zelfs als eene incarnatie der Godheid vereerd en aangebeden. De versmade, ware Imams bleven zelfs na hunnen dood een voorwerp van vereering en hoop voor hunne partij, daar spoedig ook het geloof aan hunne, eens plaats te hebben terugkeer tot herstelling van het recht en der waarheid zich vormde, even als bij de Joden ten opzichte van den Messias.

De eene partij, die wij met den algemeenen naam van SchiÔten zullen aanduiden, zonder ons met het bijzondere der verschillende secten bezig te houden, in welke zij verdeeld werden, had overigens de meest overdreven begrippen van de waardigheid en de heiligheid van den Imam. Andere Muzelmannen echter zagen, reeds ten tijde van Ali, in het khalifaat slechts eene zuiver staatkundige instelling, die het welzijn der volken tot eersten grondslag zou hebben. Zij leerden daarom dat het Imamaat, op zich zelven beschouwd, in het geheel niet noodig is, dat iedere deugdzame, hij zij vrij of slaaf, uit welk geslacht hij ook afstamme, daartoe kon worden verheven, en dat, indien de Imam of khalif niet aan zijn heiligen plicht voldeed, de wet veroorloofde, en zelfs gebood, zich tegen hem te verzetten en hem te bekampen. Deze meening, die natuurlijk door de machthebbenden ten sterkste werd bestreden, en wier bekenners den naam CharÔdjiten [74] ontvingen, vond zelfs onder de meest geleerde mannen van de eerste eeuw der hedjira talrijke aanhangers, en bewijst genoegzaam, dat de heilige schrift der Muzelmannen niet ter gunste van het khalifaat spreekt, gelijk zich dat later vormde. Merkwaardig en pleitende voor den zoogenaamden orthodoxen Islam is het, dat deze leer hier verdoemd en hare bekenners als ketters werden bestraft, hoewel, naar eene zeer oude, authentieke overlevering, Aboe Bekr zelf, in zijne eerste rede, die hij als khalif in de moskee te Medina hield, zeide: "O, gijlieden! Gij hebt mij tot uw opperhoofd gekozen, hoewel ik niet de voornaamste onder u ben. Handel ik recht, zoo weigert mij uwe medewerking niet, bega ik een onrecht, zoo biedt mij tegenstand!.... Gehoorzaamt mij, zoo lang ik God en zijnen gezant gehoorzaam. Handel ik echter tegen de geboden van God en zijnen gezant, weigert mij dan gehoorzaamheid!"

Ook de leer van het goddelijke raadsbesluit is, in de strengheid en consequentie, die alle vrijheid van 's menschen wil vernietigt, gelijk zij door menigen orthodoxen Muzelman opgevat en door alle vijanden van den Islam voorgesteld wordt, meer eene uitvinding der politiek, dan van het geloof. In den Koran verschijnt zij meer tot bekamping der vrees, tot bevestiging van het vertrouwen en der onderwerping aan den wil des Heeren, tot troost in het ongeluk en tot bewaring der bescheidenheid in het geluk, dan tot verlamming der menschelijke werkzaamheid, of wel tot berooving der zedelijke vrijheid. Roekeloosheid wordt uitdrukkelijk in den Koran verboden [75]. Voorzichtigheid wordt zeer dikwijls aanbevolen, en zelfs het gebed, de hoogste ceremoniÎele wet van den Islam, ondergaat eene wijziging, zoo, door de verrichtingen volgens het voorschrift, de biddende in gevaar kon worden gebracht [76]. En indien het ook dikwijls wordt herhaald, dat God de menschen naar Zijnen wil voedsel geeft, zoo wordt toch nergens daarmede bedoeld, dat de Muzelmannen de handen werkeloos in den schoot moeten leggen. Veeleer is het zelfs veroorloofd, op den heiligen Vrijdag, na de verrichting van het gebed, zijne zaken te verrichten [77]. Ook moet slechts een klein gedeelte van den Koran bij het gebed worden gelezen, naardien velen het land moeten doorkruisen om hun levensonderhoud te zoeken [78]. Enkele andere plaatsen, in welke eene zekere zorgeloosheid tot deugd wordt verheven, kunnen dus slechts daarop doelen, dat de mensch door versaagdheid niet al te zeer in de zorgen voor zijn onderhoud moet worden tegengehouden, en daardoor zijne hoogere plichten, het trachten naar Gods welbehagen, door oefening der deugd, op den achtergrond plaatse, gelijk ook de apostel Petrus schrijft [79] "Werp al uwe zorgen op Hem (God), want Hij zorgt voor u". Wat de leerstelling van de volstrekte voorbestemming van den mensch tot zaligheid of tot lijden betreft, is Mahomets, geheel op vrees en verwachting gebouwd godsdienststelsel niet alleen er tegen, daar hij voortdurend tot gelooven en tot vrome handelingen, om het loon in het paradijs, vermaant, en voor ongeloof en zonden waarschuwt, om de straf in de hel, en dus noodzakelijk ook het toekomstig lot van den mensch van zijn eigen wil afhankelijk moet maken; maar bovendien wederleggen eenige plaatsen in den Koran zulk eene Augustiniaansche predestinatieleer ten stelligste. Daar zij echter door de orthodoxe Imams aangenomen en voortdurend in alle Europeesche werken den stichter van den Islam worden toegeschreven en verweten. Zoo moeten wij hier uitvoeriger zijn en meer bewijzen voor Mahomets leer van de vrijheid des wils aanvoeren, dan eigenlijk noodig zou zijn. De mondelinge overleveringen kunnen wij omdat men er zich niet op kan verlaten, noch hier, noch bij andere verschillen in aanmerking nemen. Wat hiervan in dit opzicht kan worden aangenomen, blijkt voor den onderzoeker genoegzaam daaruit, dat zij Mahomet reeds vooruit laten zeggen: De Islam zou zich in drie-en-zeventig secten verdeelen, onder welke de bekenners van den vrijen wil als de MagiÎrs van den Islam worden aangeduid. Wij mogen alzoo op dit punt slechts naar den Koran verwijzen [80].

Deze verzen, bij welke nog vele andere gevoegd kunnen worden, bewijzen genoegzaam, dat Mahomet niet slechts de consequente predestinatieleer, zooals zij door eenige secten in het Christendom en door de Djabariten en eenige andere secten in den Islam ontwikkeld werd, niet huldigde, maar dat hij in het algemeen veel meer nabij het Pelagiaansche stelsel was, dan het nieuw opgevatte Augustiaansche systeem. Hoe ware het overigens mogelijk, daar hij den val van den mensch niet als Augustijn en de Christelijke kerk aanneemt, en de leer der erfzonde loochent, die alleen de volstrekte predestinatieleer met de goddelijke gerechtigheid en heiligheid kan verzoenen. Volgens de leer van den Koran werd namelijk het eerste menschenpaar, om zijne ongehoorzaamheid, wel uit het hemelsche paradijs op de aarde verstooten, en ook wordt, voor zoo verre de eerste zonde door de zege van de baatzuchtigheid over Gods wil werd begaan, het menschenras wederkeerige haat en onvrede voorspeld; de Koran weet echter niets van eenen zich voortplantenden toestand van innerlijk verderf, ten gevolge der zonde van Adam, en neemt zich op vele plaatsen in acht voor het denkbeeld eener toerekening van vreemde zonden. Mahomet kent daardoor ook geene andere genade, dan de openbaring door profeten, deels tot volmaking der menschelijke erkenning van het goede en het kwade, deels als hulp tegen de verzoekingen van den satan, wien de mensch door zijnen val geheel werd prijs gegeven, of eigenlijk zich zelven nog meer heeft blootgesteld. Adam had berouw over zijne zonde en God schonk het menschenpaar weder genade, terwijl hij zeide: "Verwijdert u van hier; ik zal u eene leiding geven: wie deze leiding volgt zal vrees noch droefheid kennen. Die deze echter niet gelooven en onze teekenen verloochenen, worden ten eeuwigen vure gedoemd [81]." Iedere profeet, van Adam tot Mahomet, is diensvolgens een door God gezonden verlosser; om echter verlost te worden: dat is, tot het ware begrip en tot hoogere erkenning te geraken en, ten gevolge daarvan, weder de zaligheid van het paradijs te genieten, is het geloof aan de openbaring en het handelen daarnaar noodig. Beiden hangen zij echter alleen van den menschelijken wil af. Geheel werkeloos, blijft intusschen, ook bij het individu, de Goddelijke wil naar de leer van den Koran niet, maar hij uit zich voortdurend, naar gelang van het innerlijke van den mensch, als genade of gerechtigheid. Mahomet geeft namelijk ook toe, wat Pelagius aan Augustinus toestond; te weten, dat God desgenen meening in het geloof sterkt, die den wil tot het goede heeft, terwijl hij dengeen, bij wien de zucht naar het booze den boventoon voert, aan zijn altijd toenemend bederf overlaat, en dus in zekeren zin verhardt. Ook blijft het natuurlijk aan de raadsbesluiten der Hemelsche wijsheid overgelaten, op welken tijd en welk volk Zij door hare leiding genade wil schenken. Deze concessie der rede aan het geloof, welke zoowel in het Oude als in het Nieuwe Testament niet te loochenen is [82], maar geene onvoorwaardelijke predestinatie, wordt op verschillende plaatsen gepredikt [83]. Uit deze verzen blijkt ten duidelijkste, dat de mensch, met betrekking tot geloof en deugd, geen werktuig der Goddelijke willekeur is, maar dat hij het in zijne macht heeft, het ware te gelooven en het goede te willen; dat God echter den voor het goede en ware vastbaren mensch ondersteunt, terwijl hij degenen, welke hun hart sluiten voor Zijne, zich als openbaring uitende genade, aan hunne verdorvenheid overlaat. De woorden, die dikwijls in den Koran worden gevonden, dat God leidt wien Hij wil en in dwaling laat wien Hij wil, welke, uit hun verband gerukt, in elk geval tot de leer van Augustinus konden voeren, moeten daarom, naar gelang van hun verband (hetgeen echter, zoo als wij reeds hebben gezegd, niet altijd met zekerheid is te ontdekken), of in het algemeen op de zending van een profeet, Úf op den goddelijken bijstand tot ontwikkeling van het geloof toegepast worden, hetwelk identisch is met het goede door zijnen wil te ondersteunen, terwijl het, door eene bijzondere inwerking, dwingen van den roekelooze tot gelooven, met de Hemelsche gerechtigheid zou strijden, en daarom ook niet in Haren wil kan liggen. Dit denkbeeld blijkt duidelijk uit het 209e vers van de tweede Soera, waar onmiddellijk na de woorden; "God zond de profeten om de waarheid te verkondigen," volgt: "en God leidt de geloovigen naar de waarheid," en daarna: "God leidt op den rechten weg wien hij wil." Evenzoo ook in het 19e vers der 39e Soera. Iederen onpartijdigen lezer moet het daarom klaar zijn, dat Mahomet de vrijheid van den menschelijken wil in geenen deele loochende. Overigens trad reeds in de eerste eeuw der hedjira eene hevige oppositie op, tegen de door de regeering begunstigde bekenners der predestinatieleer, bij welke zich zelfs een zoon van Omar aansloot. Zij werd echter natuurlijk door de Omejaden bestreden en onderdrukt, dewijl hunne heerschappij, die op list en geweld berustte, tot hare ondersteuning en rechtvaardiging, te zeer behoefte had aan de leer der goddelijke raadsbesluiten en der predestinatie van alle menschelijke handelingen. Maabad, die aan het hoofd dezer oppositie stond, zeide luide van zijne tegenstanders: "Deze lieden vergieten het bloed der menschen en wagen het dan te beweren, dat al onze handelingen vooraf door een goddelijk raadsbesluit bepaald zijn." Maar inderdaad werd hij dan ook wegens zijne meening, niet omdat zij tegen de heilige schrift aandruischte, maar omdat zij voor de willekeur van den heerscher gevaarlijk was, in het tachtigste jaar der hedjira, op bevel van den khalif Abd-Almalik, door den wreeden Haddjadi gefolterd en daarna opgehangen [84]. Desniettegenstaande plantte zich zijne leer voort, riep de secte der Mutaral in het leven en bleef zelfs niet zonder invloed op den orthodoxen Islam, die wel aan de leerstelling der voorbestemming van de uitverkorenen en verworpenen vasthoudt, doch inderdaad zonder dialectische consequentie, de predestinatie niet tot de enkele goede of slechte handelingen van den mensch uitbreidt, en dien ten gevolge ook, zoo als vele Christelijke dogmatici, eigenlijk slechts ten gevolge van vooruitweten eene predestinatie aanneemt [85]. De Koran verwerpt echter, zoo als uit de door ons aangehaalde verzen blijkt, ook dit dogma en bevat geene enkele plaats, die zoo beslissend daarvoor zou kunnen pleiten, als die van het Evangelie (Apost. XIII vs. 48 en Rom. VIII vs. 28-30 enz.). Wij zullen ons niet lang meer met de overige leerstellingen van den Islam ophouden, deels dewijl zij niet zoo diep in het innerlijke wezen van het geloof grijpen, en minder betrekking op het leven hebben, deels omdat hare verdere ontwikkeling eerst tot een lateren tijd behoort, en dus met Mahomet en den Koran, waarmede wij ons hier bijzonder bezig houden, minder in verband staan dan met de Arabische wijsbegeerte. Al deze dogmen baarden vele tegenstrijdigheden en secten, daar de eenen aan de letter des Korans hingen, en de anderen eener meer vrije uitlegging de voorkeur gaven; dewijl de eenen zich blindelings aan de voorgewende uitspraken van den profeet onderwierpen, de anderen de wetten der onveranderlijke rede boven alles plaatsten, en met de elementen der Grieksche wijsbegeerte naar eenheid in het godsdienststelsel streefden.

Aangezien wij hier niet verder willen gaan dan de bondgenooten van den profeet, volgen wij ook de geschiedenis der dogmen van den Islam niet langer, en merken slechts ten slotte nog aan, dat, hoezeer Mahomet ook in den Koran op het geloof aan een eenigen God, aan de profeten en de onsterfelijkheid der ziel aandringt, toch ook, op tallooze plaatsen, niet minder het volgen der geopenbaarde leer, een deugdzame, reine levenswandel, naar de voorschriften van den Koran, van den waren geloovige gevorderd en als het middel aangeduid worden, om Gods welbehagen en de zaligheid van het paradijs te erlangen. Men begaat dus ook hierin, omtrent den stichter van den Islam een onrecht, als men beweert, dat hij aan de uitoefening der deugd en het bekampen der hartstochten in het geheel geene waarde hecht, en slechts geloof vordert. Hoe dikwijls vindt men in den Koran de woorden terug: "die gelooven en goede daden verrichten, komen in het paradijs," en dergelijken meer. Daar intusschen deze dwaling in den nieuweren tijd weder is herhaald, verwijzen wij hier naar eenige plaatsen in den Koran [86]. Indien dus op andere plaatsen, al gewis, het paradijs aan hen wordt beloofd, die aan God gelooven en voor de zaak Gods kampen, dan wordt daardoor in het geheel niet gezegd, dat de overige door God geopenbaarde voorschriften ter zijde mogen gesteld worden. Veeleer wordt bij den waren geloovige, die bereid is zijn leven ieder oogenblik voor zijnen God te offeren, eene volkomene heerschappij over de menschelijke hartstochten en een strikt volgen van den goddelijken wil, die in den Koran wordt verkondigd op den voorgrond geplaatst. De Muzelmansche dogmatici, die toch nog minder met Mahomet mogen worden verwisseld, dan de kerkvaderen met Christus, nemen wel aan, dat de geloovige, niettegenstaande zijne slechte handelingen, niet eeuwig uit het paradijs verstooten blijft, maar zij geven toch toe, dat hij eerst voor zijne ondeugd wordt gestraft [87]. Overigens is toch ook door Christelijke secten beweerd, dat het ongeloof allÈÈn den naam van zonde verdient en den mensch in het toekomstige leven wordt aangerekend, maar dat hij voor de goede werken op geene belooning aanspraak heeft.

Als hervormer, hetgeen Mahomet oorspronkelijk was en wilde zijn, verdient hij onze volkomene hulde en bewondering. Een Arabier, die de schaduwzijde van het toenmalige Joden- en Christendom openbaarde, en niet zonder levensgevaar trachtte, het veelgodendom te verdringen en zijn volk de leer van de onsterfelijkheid der ziel in te prenten, verdient niet alleen naast de grootste mannen der geschiedenis geplaatst te worden, maar ook, in zeker opzicht, den naam van profeet. Zoodra hij echter ophoudt te verdragen, zoodra hij der waarheid door het zwaard de zegepraal tracht te verschaffen, en in den naam Gods nieuwe ceremoniÎele, burgerlijke, politie- en lijfstraffelijke wetten voorschrijft, drukt hij op zijne woorden den stempel van menschelijke zwakheid en vergankelijkheid.

De ceremoniÎele wetten van den Islam zijn wel niet zoo talrijk als men gewoonlijk in Europa gelooft, maar een enkele is er bij, welke Mahomet ten minste van de blaam zuivert, dat hij in zijne voorschriften de zinnelijkheid der Arabieren zou hebben begunstigd. Wij bedoelen het vasten van den Ramadhan. Men verbeelde zich de gloeiende zandwoestijnen van ArabiÎ [88] met het verbod, gedurende eene geheele maand, van zonsopgang tot zonsondergang, zich met eenigerhande spijzen te laven, en ook geen droppel water te drinken, en men zal de vervulling der Mahomedaansche voorschriften niet meer zoo gemakkelijk vinden, en ook niet meer kunnen beweren, dat zij geen kamp tusschen geest en lichaam vorderen. Het dagelijks vijf malen te verrichten gebed, met de voorafgaande reiniging, is om zijne kortheid en omdat ieder het voor zich verrichten kan, minder bezwaarlijk, terwijl de pelgrimstocht naar Mekka eenmaal gedurende het leven, slechts voor hem verplichtend is, wiens omstandigheden zulk eene reis veroorloven.

De gewichtigste politiewetten bestaan in het verbod van hazardspelen, van het genieten van den wijn, het bloed van gestorvene, of ter eere eens afgods geslachte dieren en van het varkensvleesch.

De staatswetten van den Islam bepalen de op te brengen belastingen, de deeling van den buit, en de betrekking der geloovigen, zoowel tot de afgodendienaars als tot de Joden en Christenen. Volgens de strengere wet der laatste jaren, moeten de eerstgenoemde beoorloogd worden, tot alle neiging tot afgoderij ophoudt, en de laatsten tot zij zich onderwerpen en schatting opbrengen. Wij hebben reeds bemerkt, dat Mahomet, hoewel hij, als mensch, onder de toenmalige omstandigheden niet anders leeren en handelen kon, nochtans door deze krijgswetten zijn profetisch karakter in zijn naaktheid heeft getoond. Hoe groot echter de verzoeking is, indien men eenmaal tot de macht is geraakt, om die tot het bekampen en onderdrukken van andersdenkenden te gebruiken, heeft ook het Christendom genoegzaam bewezen, van den dag dat het den troon der Cesars besteeg tot op den huldigen dag.

Het strafrecht van den Koran is uiterst vrijgevig. De doodstraf wordt slechts voor tegennatuurlijke vermenging der geslachten en moord toegepast; en willen de bloedverwanten van een vermoorden liever eene schadeloosstelling aannemen, dan zich wreken, dan blijft zelfs de moordenaar in het leven. Ook echtbrekers worden, ten minste in den tot ons gekomen Koran, niet met den dood gestraft. Voor lichamelijke verwondingen wordt geene wraak geduld, maar alleen geldstraffen, of liever schadeloosstelling.

De strengste crimineele wet, die echter kan worden gerechtvaardigd door de noodzakelijkheid, om de aangeboren lust der Arabieren tot diefstal en rooftochten te onderdrukken, is het afkappen der hand voor elke toeÎigening van eens anderen goed.

De burgerlijke wetten van den Koran betreffen vooral het erf en huwelijksrecht, en hare hoofdstrekking is de vaststelling van de rechten der vrouwen en beperking van den willekeur des mans. De veelwijverij wordt niet opgeheven, doch aan voorwaarden onderworpen, welke de ware geloovige slechts zelden kan vervullen. De huwelijkstrouw wordt ook de man tot plicht gesteld. Een ander deel der burgerlijke wetgeving betreft het lot der slaven, hetwelk Mahomet niet minder dan dat der vrouwen tracht te verzachten. De geheele opheffing der slavernij wordt voorbereid en in grondbeginsel, vooral bij geloovigen, uitgesproken. Een volkomen emancipatie was echter, bij de voortdurende oorlogen, in welk slechts door de verandering der gevangenen in slaven den overwonnenen het leven kon worden gespaard, schier niet mogelijk. De armoede van den Koran aan burgerlijke wetten, hetwelk deels te verklaren is uit de eenvoudige omstandigheden waarin men leefde, meer echter nog daardoor dat hij waarschijnlijk daar, waar hij het bestaande behield, niets openbaarde, werd spoedig gevoeld. Men beriep zich echter ten eerste op mondelinge uitspraken van Mahomet, daarna op het voorbeeld van een eersten khalif, later op de besluiten der eerste Imams, en eindelijk, toen onder de geheel veranderde omstandigheden ook deze niet meer toereikend waren, handelde men analogisch: zoodat altijd de moeilijkste vraag, over een of ander onderwerp, al zou het ook den nadruk of de stoomvaart hebben betroffen, door een Muzelmansche rechtsgeleerde even goed als door een rabijn, een christen geestelijke die naar de kanonnieke wet, of door een jurist die naar het Romeinsche recht uitspraak doet, in naam des Hemels kon worden opgelost.

De zedeleer van den Koran eindelijk kan als het volkomenste gedeelte van dit merkwaardige boek worden beschouwd. Zij is wel niet, even als de andere bouwstoffen, die er den inhoud van vormen, in een kapittel bij elkander verzameld; maar de schoonste zedekundige grondbeginselen en voorschriften loopen als gouden draden door het geheele weefsel van bijgeloof en misleiding, Ongerechtigheid, wraakzucht inbeelding, hoogmoed, logen, veinzerij, kwaadsprekerij, smaad, spot, gierigheid, verkwisting, buitensporigheid, ijdelheid, praal, wantrouwen en argwaan worden als goddelooze ondeugden verklaard; daarentegen worden milddadigheid, menschlievendheid, bescheidenheid, toegevendheid, geduld, standvastigheid, tevredenheid, oprechtheid, rechtschapenheid, tucht, vrede en waarheidsliefde, doch voor alles vertrouwen en onderwerping, als deugden aanbevolen, welke Gode het welgevalligst zijn.

IV.

DE KORAN [89].

EERSTE HOOFDSTUK.

INLEIDING [90].

Gegeven te Mekka--7 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God [91].

1. Lof aan God, meester des heelals [92]. 2. Den lankmoedige, den albarmhartige. 3. Rechter op den dag des gerichts. 4. U bidden wij aan, Uwe hulp roepen wij in. 5. Voer ons langs den rechten weg. 6. Langs den weg dergenen, die zich in Uwe weldaden verheugen [93]. 7. Niet langs den weg dergenen, die Uwen toorn hebben opgewekt, en niet op dien der dwalenden [94].

TWEEDE HOOFDSTUK.

DE KOE [95].

Gegeven te Medina--286 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. A. L. M. [96] Dit is het boek, waaromtrent geen twijfel bestaat; de richtsnoer van de godvreezenden, 2. Van hen, die de mysteriÎn [97] gelooven, het gebed nauwlettend doen, en weldaden verspreiden van de bezittingen, die wij hun verleenen. 3. Van hen, die aan openbaringen gelooven, u van boven gezonden en voor u gezonden [98]; van hen die aan het volgend leven [99] gelooven. 4. Zij alleen zullen door hunnen Heer worden geleid; zij alleen zullen welzalig zijn. 5. Den boozen is het gelijk, of gij hun de waarheid verkondigt of niet. 6. God heeft hunne harten en ooren verzegeld, hunne oogen geblinddoekt en eene verschrikkelijke straf wacht hen. 7. Er zijn menschen, die zeggen: "Wij gelooven aan God en aan het jongste gericht," en toch behooren zij niet tot het getal der geloovigen. 8. Zij trachten God en de geloovigen te misleiden; maar zij zullen slechts zich zelven misleiden, en begrijpen het niet. 9. Eene ziekte zetelt in hunne harten, en God zal die slechts doen toenemen [100]; eene pijnlijke straf blijft hun bewaard; want zij hebben de profeten [101] voor leugenaars gehouden. 10. Als men hun zegt: "Verleidt de wereld toch niet" [102] dan antwoorden zij: "Verre van daar, wij zijn rechtschapen lieden." 11. Helaas! zij misleiden de wereld, maar zij begrijpen het niet. 12. Zegt men hun: "Gelooft toch, gelijk zoo veel anderen gelooven," [103] dan antwoorden zij: "Zullen wij gelooven als de zotten?" Helaas! zij zelven zijn zotten, maar zij gevoelen het niet. 13. Ontmoeten zij geloovigen, dan zeggen zij: "Wij gelooven ook,'" maar zoodra zij weder bij hunne verleiders [104] zijn, zeggen zij: "Wij houden het met u, en deze bespotten wij slechts." 14. Maar God zal met hen spotten: Hij zal hen langen tijd in hunne dwaling laten, onzeker heen en weder geslingerd. 15. Zij zijn het, die de dwaling voor de munt der waarheid gekocht hebben; maar hun handel heeft hun geen winst opgebracht; want zij zijn van den rechten weg afgedwaald. 16. Zij gelijken op hem, die een vuur ontsteekt [105] en dat, wanneer het zijn licht op de omringende voorwerpen heeft geworpen [106], door God wordt uitgebluscht, hen in de duisternis latende opdat zij niet kunnen zien. 17. Doof, stom en blind zijn zij en kunnen daarom op den afgelegden weg niet terugkeeren [107]. 18. Of zij zijn gelijk aan hen, die, wanneer een van regen zwangere wolk met donder en weÍrlicht [108] van den hemel nederdaalt, voor het gerol van den donder en omdat zij den dood vreezen, hunne ooren met hunne vingers dichtstoppen, terwijl God de ongeloovigen aan alle zijden aangrijpt. 19. Weinig is er slechts noodig, opdat de bliksem hun het gezicht ontroove; als de bliksem alles om hen heen verlicht, wandelen zij in zijn licht; wordt het weder duister om hen heen, dan staan zij onbewegelijk. Als God slechts wilde, zou Hij hen van het gezicht en gehoor berooven; want Hij is Almachtig. Menschen [109] dient uwen Heer, die u en uwen voorgangers heeft geschapen, opdat gij Hem vereert. 20. Hij heeft u de aarde tot een tapijt en den hemel tot een overwelfsel gegeven. Hij laat het water van den hemel stroomen, om vruchten tot uw onderhoud voort te brengen. Stel dus geen gelijke naast God, tegen beter weten aan. 21. Twijfelt gij aan het boek, dat wij onzen dienaar hebben geopenbaard, brengt dan, al is het slechts een der hoofdstukken voort, die het bevat, roept uwen getuigen buiten God [110] ter hulp, indien gij waarheid spreekt. 22. Doet gij dit niet, en gij zult het niet doen, vreest dan voor de ongeloovigen het vuur dat menschen en steenen [111] verteert. 23. Verkondig hun die gelooven en wel doen, dat zij tuinen tot woonplaats zullen hebben, van beken doorsneden, Iederen keer als zij eenig voedsel van de vruchten dier tuinen zullen nemen, zullen zij uitroepen: "Ziedaar de vruchten, waarmede wij ons vroeger hebben gevoed", zoo zullen zij daarop gelijken [112]. Daar zullen zij reine en onbevlekte vrouwen vinden, en eeuwig zullen zij daar verwijlen. 24. Voorwaar God behoeft zich niet te schamen, vergelijkingen met insecten of nog kleinere voorwerpen te maken [113]. De geloovigen wisten, dat slechts waarheid van hunnen Heer komt; maar de ongeloovigen zeggen: "Wat heeft God met deze vergelijkingen bedoeld? Hij doet velen daardoor dwalen en wijst anderen daardoor terecht, maar slechts de boozen zullen dwalen. 25. Die het met God aangegane verbond verbreken; die het door hem vereenigde zullen scheiden, die verderf op aarde stichten, zullen ondergaan. 26. Hoe kunt gij God verloochenen? Gij waart eens dood; Hij heeft u het leven hergeven en Hij zal u weder dooden en weder levend maken; dan zult gij eens tot hem terugkeeren? 27. Hij is het, die alles op de aarde voor u geschapen heeft, daarna den hemel uitbreidde en dien tot zeven hemelen maakte; Hij, de alwetende." 28. Toen God tot de engelen zeide: "Ik wil een stadhouder op aarde [114] plaatsen," zeiden zij: "Zult Gij er een plaatsen, die daar wanorde sticht en bloed vergiet? Wij echter zingen Uw lof en heiligen U." Hij zeide echter; "Ik weet wat gij niet weet." 29. God leerde daarop aan Adam de namen van alle dingen, en vertoonde die daarop aan de engelen, zeggende: "Noem mij de namen dezer dingen indien gij oprecht zijt." Zij antwoordden: 30. "Geloofd zijt Gij! wij weten slechts wat Gij ons hebt geleerd; want Gij zijt de Alwetende, de Alwijze." 31. God zeide: "Adam, noem hun de namen." Toen hij (Adam) dit had gedaan, zeide God: "Heb ik u niet gezegd, dat ik de geheimen van hemel en aarde ken, en weet wat gij bekent en wat gij verbergt?" 32. En toen wij tot de engelen zeiden: "Knielt voor Adam," deden zij het, slechts Eblis [115] weigerde; hij was ongeloovig, [116]. 33. Wij zeiden: "o Adam bewoon den tuin [117] met uwe vrouw en geniet er van wat gij wilt, maar nadert dezen boom niet [118]; anders zult gij zondaar zijn." 34. Maar Satan verleidde hen en dreef hen er uit, en wij zeiden; "Weg van hier [119]; de een zij des anderen vijand [120]; de aarde zal uwe woonplaats zijn en tot tijdelijk gebruik." 35. Daarop leerde Adam woorden des gebeds van God, en hij keerde tot den Heer terug; want Hij is de lankmoedige en barmhartige. 36. Wij zeiden: Verwijdert u van hier, Ik zal u eene leiding geven; wie deze leiding volgt, zal vrees noch droefheid kennen. 37. Die deze echter niet gelooven en onze teekenen [121] verloochenen, worden ten eeuwigen vure gedoemd. 38. o Kinderen IsraÎls [122] bedenkt het goede, dat ik u heb gedaan; weest getrouw aan mijn verbond; ook ik wil daaraan getrouw zijn, en vereert slechts mij, en gelooft wat wij tot bevestiging uwer vroegere openbaring thans geopenbaard hebben, en weest niet de eersten, welk niet daaraan gelooven; en verruil het niet met nietigheden en vereert mij. 39. Kleedt de waarheid niet in het gewaad der leugen en verbergt de waarheid niet tegen beter weten aan. 40. Doet nauwkeurig het gebed, geeft aalmoezen en buigt u met hen die zich buigen [123]. 41. Hoe zoudt gij anders de menschen tot vroomheid aansporen, zoo gij het welzijn uwer eigene ziel vergeet. Gij leest het boek [124]: moet gij het dan niet ook verstaan. 42. Roept geduld en gebed ter hulpe; het gebed is licht voor den geloovige. 43. Die gelooven, dat zij eens hunnen Heer zien, en tot Hem terugkeeren zullen. 44. o Kinderen IsraÎls, herinnert u de weldaden, die ik u heb bewezen, terwijl ik u boven alle volkeren bevoorrechtte. 45. Vreest den dag, waarop geene ziel genoegdoening voor eene andere zal kunnen geven, geene smeeking van anderen aangenomen, waarop geen losgeld ontvangen zal worden; waarop niets kan helpen. 46. Denkt er aan, hoe wij u van Pharaos volk hebben gered, dat u met hardheid onderdrukte, uwe zonen doodde en slechts uwe vrouwen [125] liet leven; dit zij u een groot bewijs voor de goedheid van uwen God. 47. Gedenkt, hoe wij de zee ter uwer redding hebben gespleten en voor uw oogen Pharaos volk lieten verdrinken [126]. 48. Gedenkt, dat, toen ik gedurende veertig nachten met Mozes sprak, gij het kalf [127] hebt aangebeden; en gij hebt snood gehandeld. 49. Wij hebben u later vergeven, opdat gij dankbaar zoudt zijn. 50. Wij gaven Mozes de schriften en de onderscheiding [128], opdat gij op den rechten weg zoudt geleid worden. 51. Mozes zeide tot zijn volk: Gij hebt uwe zielen door dit kalf verontreinigd, keert tot uwen Schepper terug of doodt u zelven; dit zal uwen Schepper welgevalliger zijn. Hij zal zich weder tot u wenden; want Hij is vergevensgezind en albarmhartig. 52. En toen gij tot Mozes zeidet: O Mozes, wij willen u niet eerder gelooven, dan na dat wij God met eigen oogen hebben gezien, toen kwam er straf over u, terwijl gij er naar zaagt. 53. Wij wekten u op na uwen dood, opdat gij het dankbaar zoudt erkennen. 54. Wij gaven wolken om u te overschaduwen en zonden manna en kwartels [129], zeggende: eet van de heerlijke spijzen, die wij u hebben gegeven. Zij hadden ons geen leed gedaan, maar zich zelven. 55. Wij zeiden: Gaat in deze stad [130], geniet naar welbehagen van hetgeen zich daar bevindt: treedt de poort aandachtig binnen, en roept uit: Vergiffenis Heer! [131] Wij willen u uwe misstappen ook vergeven, en het geluk der goeden verhoogen. 56. Maar de boozen veranderen dit woord met een ander [132], wat hun niet was gegeven, en wij hebben onzen toorn op de boozen uit den hemel neÍrgezonden, om hunne goddeloosheid te straffen [133]. 57. Mozes bad God om water, en wij zeiden: "sla met uwen staf op de rotsen," en er ontsprongen twaalf bronnen, opdat allen hunne bron zouden erkennen. Eet en drinkt van de weldaden die God u geeft, en doet geen boosheid meer op aarde. 58. Toen zeidet gij: O Mozes! wij kunnen niet langer immer dezelfde spijzen verdragen; bid uwen Heer, dat hij voor ons de vruchten der aarde doe groeien, groenten, komkommers, knoflook, linzen en uien [134]. Mozes antwoordde: "Verkiest gij het slechte boven het goede? keert dan naar Egypte terug, daar vindt gij wat gij verlangt." Vernedering en armoede spreidden zich over hen uit; zij waren in den goddelijken toorn vervallen, daar zij niet aan zijne wonderen geloofden, en brachten hunne profeten onrechtvaardig ter dood [135]. Ziedaar het gevolg van hunne weÍrspannigheid en hun geweld. 59. De geloovigen, het mogen Joden, Christenen en SabÎisten [136] zijn, indien zij slechts aan God en aan den oordeelsdag gelooven en wel doen, zullen door hunnen Heer beloond worden; noch vrees noch droefheid zal over hen komen. 60. Toen wij het verbond met u sloten en den berg SinaÔ [137] over uw hoofd verhieven, zeiden wij: Ontvangt met vastheid hetgeen wij u geopenbaard hebben; bedenkt den inhoud, en bewaart dien. 61. Maar gij zijt daarop er van afgekeerd; en had God u niet beschermd en zich over u erbarmd, dan waart ge reeds lang verdelgd. Gij wist reeds wat hun was wedervaren die den Sabbat hadden ontwijd, en tot welken wij zeiden: "Verandert in apen en zijt uit de maatschappij gestooten" [138]. 62. En wij lieten hen dienen tot een voorbeeld voor hunne tijdgenooten en voor hunne nakomelingen, en tot eene waarschuwing voor de vromen. 63. Toen Mozes tot zijn volk zeide: "God gebiedt u eene koe te offeren," [139] toen antwoordden zij; "Spot gij met ons?" Hij zeide: "God beware mij tot de zotten te behooren." Zij antwoordden: "Bid uwen Heer voor ons, dat hij ons duidelijk verklare welke een koe dit zijn moet."--"God wil," zeide hij, "Dat dit noch eene oude koe, noch een vaars zij, maar van middelbaren ouderdom. Doet derhalve wat u bevolen is." 64. De IsraÎlieten antwoordden: "Bid uwen Heer, ons duidelijk te verklaren welke kleur zij moet hebben."--"God zeide," antwoordde hij, "zij zijn rood en geel, en aangenaam voor het oog des beschouwers." 65. "Bid uwen Heer, ons duidelijk te verklaren hoe deze koe moet zijn; want wij vinden wel koeien die elkander gelijken, en zij zullen dan alleen goed in onze keuze geleid worden, als God het wil." 66. Mozes hernam: "God zegt u: "Het zij eene koe die niet vermagerd is door het beploegen of besproeien van het veld, maar het zij eene zonder gebrek." "Nu," zeiden zij, "komt gij met de waarheid." Zij doodden de koe, doch er ontbrak weinig aan of zij hadden het niet gedaan [140]. 67. Indien gij iemand vermoord hebt en over de daders strijdt, dan zal God uitbrengen wat gij geheim houdt. 68. Wij bevalen den doode met een deel der koe [141] te slaan [142] en God zal den doode weder levend maken; Hij toont u zijne wonderen, opdat gij wijs zoudet worden. 69. Maar spoedig daarop werden uwe harten verhard; zij zijn als steenen en nog harder; want uit sommige steenen ontspringen bronnen, andere splijten en er vloeit water uit; andere zakken in elkander uit vreeze voor God; maar inderdaad, God is niet onbekend met uwe daden. 70. Meent gij thans dat zij u gelooven zullen. Maar een deel van hen heeft het woord Gods vernomen: maar zij hebben het daarna, tegen beter weten aan, verdraaid. 71. Als zij de geloovigen ontmoeten, zeggen zij; wij gelooven, doch als zij onder zich bij elkander komen, zeggen zij; wilt gij hun dan verhalen, wat God u geopenbaard heeft, opdat zij u daarover voor uwen Heer zouden bestrijden. Begrijpt gij dat niet. 72. Weet gij dan niet, dat God kent wat zij verbergen en wat zij openbaren. 73. Er zijn wel onwetende menschen onder hen, welke de schrift (de vijf boeken) niet verstaan, maar alleen de leugenachtige verhalen, en zij weten het niet. Wee hun, welke de schrift met hun eigene handen schrijven, en uit nietige winzucht zeggen [143]: "Dit is van God. Wee hun om hunner handen schrift, wee hun om hunne winzicht. 74. Zij zeggen: als het vuur ons kwetst, zal dit slechts voor weinige dagen zijn [144]; zeg hun: Hebt gij deze verzekering van God? zal God om u zijne gelofte breken? Of zegt ge iets van God wat gij niet weet? 75. Waarlijk, die slechte daden [145] verricht en der zonde vervalt, dien treft eeuwig vuur. 76. Die echter gelooft en goed doet, komt voor eeuwig in het paradijs. 77. Toen wij met de kinderen IsraÎls een verbond sloten, bevalen wij: Vereert een eenigen God, weest goed omtrent uwe ouders, bloedverwanten, weezen en armen, en wenscht den menschen slechts goeds; doet het gebed en geeft aalmoezen; doch spoedig daarop zijt gij enkelen uitgezonderd, afgevallen en daarvan afgekeerd. 78. Toen wij een verbond met u sloten, geen bloed te vergieten, niemand uit zijne woning te verdrijven, hebt gij verklaard daaraan vast te houden. 79. Doch spoedig daarop hebt gij elkander vermoord [146], een deel uwer uit hunne woningen verjaagd. Gij stondt elkander bij in vijandschap en ongerechtigheid. Maar komen zij als gevangenen tot u, dan koopt gij hen weder, hoewel het u verboden was, hen uit hunne woningen te verjagen. Gelooft gij dan slechts een deel van uwe schrift en wilt gij het andere loochenen? Wie dit doet, dien zal schande treffen in dit leven, en de hardste straf op den dag der opstanding; want God is niet onopmerkzaam omtrent hetgeen gij doet. 80. Het zijn diegene welke dit leven ten koste van het toekomstig verkoopen; hunne straf wordt niet verzacht en nimmer worden zij geholpen. 81. Eens openbaarden wij Mozes de schrift, lieten hem door nog andere boden volgen, rusteden Jezus, den zoon van Maria, met kracht van overtuiging uit en wij gaven hem den heiligen geest [147]. Maar telkens als een dezer boden iets bracht wat u niet beviel, bleeft gij halsstarrig: eenige hebt gij van bedrog beschuldigd, en anderen gedood. 82. Zij zeiden: "Onze harten zijn onbesneden," [148]. Maar God heeft hen om hun ongeloof vervloekt, en slechts weinigen hebben geloofd. 83. Toen zij nu de schrift van God ontvingen, waardoor hunne vroegere schriften werden bevestigd, en hoewel zij vroeger om hulp tegen de ongeloovigen hadden gesmeekt, wilden zij toch deze loochenen, hoewel zij die kennen, Gods vloek ruste op deze ongeloovigen. 84. Voor eene nietigheid hebben zij hunne zielen verkocht. Zij loochenen de openbaring Gods [149] uit nijd: want God zendt zijne gunsten aan zijne dienaren, die hem behagen. Toorn op toorn komt over hen; schandelijke straf treft de ongeloovigen. 85. Zegt men hun: Gelooft wat God heeft geopenbaard, dan antwoorden zij: Wij gelooven slechts aan datgene, wat ons werd geopenbaard [150], en zoo loochenen zij al het daarop volgende, hoewel het waarheid is en het vroegere slechts bevestigt. Zeg hun: Waarom hebt gij dan, als gij geloovigen zijt de vroegere profeten Gods gedood? 86. Toen Mozes met wonderkracht tot u kwam, hebt gij desniettegenstaande een kalf vereerd en boos gehandeld. 87. Toen wij een verbond met u sloten en den berg boven u verhieven, zeiden wij: Neemt met vastheid aan wat wij openbaren, en hoort. Zij antwoorden: Wij hoorden het wel, maar wij gehoorzamen niet, en zij moesten het kalf in hun hart drinken [151]. Zeg hun: Een zware taak legt uw geloof u op, zoo ge er een hebt [152]. 88. Zeg hun: Indien gij dan eens eene bijzondere woning bij God, gescheiden van de overige menschen hoopt, dan moet gij den dood verlangen, indien gij oprecht zijt. 89. Maar nimmer wenscht gij dien, om het werk uwer handen, dewijl God de booswichten kent. 90. Gij zult vinden, dat juist zij, meer nog dan de afgodendienaars, dit leven vurig wenschen; ieder bidt dat hij duizend jaren moge leven. Maar al zou hij ook duizend jaren leven, dan nog zou hij de straf niet ontgaan want God ziet wat zij gedaan hebben. 91. Zeg: Wee den vijand van GabriÎl [153], die u, door Gods wil de openbaring ingegeven heeft; diegeene welke gij reeds bezit, bevestigend als een richtsnoer en eene belofte voor de geloovigen. 92. Wee hem, die den vijand van God, van zijn engelen, zijne boden, van GabriÎl en MichaÎl is. Waarlijk God is een vijand der ongeloovigen. 93. Wij hebben u overtuigende kracht van wonderen gegeven [154], en niemand kan die betwijfelen dan de goddeloozen. 94. Hoe dikwijls zij ook ons geloof bezweren, een deel van hen verwerpen het toch: ja de meesten onder hen gelooven niet daaraan. 95. Toen de apostel Gods tot hen kwam, de schrift bevestigende, die hen reeds vroeger was gegeven, wierp een deel der schriftgeleerden het boek Gods achter hunnen rug, als kenden zij het niet. 96. Zij volgden de plannen, die de duivelen tegen den koning Salomo [155] hadden verzonnen; en Salomo was geen ongeloovige, maar de duivels waren het, en leerden de menschen tooverkunsten, die de beide engelen van Babel: Haroet en Maroet [156], waren medegedeeld. Maar zij leeren deze kunst niemand, tenzij hij zegge: "Wij zijn geneigd tot de verzoeking," wees daarom geen ongeloovige. Van hen leerde men ook wat oneenigheid tusschen man en vrouw sticht, maar zij doen niemand kwaad dan met Gods toestemming. Wat zij leeren brengt nadeel en heeft geen nut, en daarbij wisten zij, dat hij die deze kunst had gekocht, geen deel aan het leven hier namaals zou hebben. Voor een onzaligen prijs hebben zij hunne zielen verkocht. Hadden zij het geweten! 97. Ach! hadden zij maar geloofd en God gevreesd, dan ware hun een schooner loon geworden. Indien zij het hadden geweten! 98. O, gij geloovigen, zegt niet RaÔna, maar Ondhorna [157] en gehoorzaamt; den ongeloovigen wacht eene groote straf. 99. De ongeloovigen en de schriftbezitters wenschen, even als de heidenen, dat geenerhande gunst van uwen Heer op u nederdale; maar God beweldadigt wien hij wil; want God is almachtig. 100. Als wij verzen uit dit boek afschaffen of u doen vergeten, dan geven wij betere, of vervangen die door gelijksoortige. Weet gij dan niet dat God almachtig is. 101. Weet gij niet dat hij regeerder van den hemel en van de aarde is; en gij buiten hem geen beschermer en helper hebt? 102. Wilt gij van uwen profeet vorderen wat men eens van Mozes vorderde [158]? Maar wie het geloof tegen het ongeloof verwisselt, is reeds van den weg afgedwaald. 103. Velen der bezitters van de schrift wenschen, dat gij, nadat gij geloovig zijt geworden, weder ongeloovig zoudt worden, uit nijd hunner zielen, daar zij de waarheid hebben gezien. Vergeeft hun, laat hen gaan, tot God gebiedt [159]; want God is almachtig. 104. Verricht het gebed, geeft aalmoezen; en het goede wat gij hier voor uw zielenheil doet, vindt gij eens bij God weder; want God weet wat gij doet. 105. Zij zeggen: slechts Joden en Christenen komen in het paradijs, zegt hun echter: Toont uwe bewijzen, indien gij waarachtig zijt. 106. Neen, wie zijn aangezicht tot God wendt, en deugdzaam is [160], ontvangt belooning van zijnen Heer; noch vrees, noch droefheid zullen hem treffen. 107. De Joden zeggen: De Christenen gronden zich op niets, de Christenen zeggen: de Joden gronden zich op niets, en toch lezen beiden de schriften. Zij die niets kennen [161], spreken evenzoo. Maar God zal eens, op den dag der opstanding, datgene beslechten, waarover zij thans oneenig zijn. 108. Wie is onrechtvaardiger dan hij, welke de tempelen beletten wil, waar Gods naam geprezen zal worden en deze tracht te vernietigen. Slechts sidderend kunnen zij die binnentreden. Zij zullen in deze wereld door smaad, in de toekomende door strenge straf getroffen worden. 109. God is Heer van Oost en West, en waar gij u heen wendt, is het oog van God [162]: want God is alomtegenwoordig en alwetend. 110. Eenigen zeggen; God heeft kinderen voortgebracht. Dit zij verre [163]! Hemel en aarde behoort hem en alles gehoorzaamt hem. 111. De schepper van hemel en aarde is bezitter van alles; zoo hij slechts bezielt, indien hij slechts zegt: Wees! dan bestaat het. 112. En zij die niets kennen, zeggen: wij willen niets gelooven, tot God zelf met ons spreekt, of gij ons wonderen toont. ZÛÛ zeiden anderen, die vÛÛr hen bestonden; hunne harten zijn gelijk. Wij hebben reeds genoeg bewijzen gegeven voor hen die gelooven wilden. 113. Wij hebben u in waarheid gezonden, met goede tijdingen en ook straffende, maar zij die ter helle zullen gaan, zullen u zelfs niet ondervragen. 114. Maar de Joden en Christenen zullen niet eerder met u tevreden zijn, dan zoo gij tot hunnen godsdienst overgaat; zeg echter slechts: het richtsnoer dat van God komt, is het ware. En waarlijk, indien gij hun verlangen waart nagekomen, na de reeds door u verkregen kennis [164], gij hadt bij God geene bescherming en geene redding gevonden. 115. Zij wie wij de schrift hebben gegeven en die haar lezen, zooals zij gelezen moet worden, gelooven er aan; die welke er echter niet in gelooven, storten zich in de ellende. 116. O Kinderen IsraÎls, herinnert u het goede, dat ik u heb gedaan, dat ik u boven de andere natiÎn bevoorrecht heb. 117. Vreest den dag waarop de eene ziel niets voor de andere vermag, waarop geen losgeld aangenomen worden, geene bemiddeling baten en geene redding zijn zal. 118. Toen God Abraham met zekere woorden beproefde [165] en deze Zijne geboden vervulde, zeide God: Ik stel u aan als hoogsten priester [166] voor de menschen. Hij antwoordde: En mijn gezin ook? God antwoordde: de boozen zijn niet begrepen in mijn verbond. 119. En toen wij een huis tot verzameling der menschen en een toevluchtsoord oprichtten [167] zeggende: Neemt Abrahams huis [168] bedeplaats, sloten wij een verbond met Abraham en IsmaÎl, dat zij dit huis zouden reinigen, zoowel voor die welke er om heen gaan, als voor diegenen welke het bezoeken en zich er biddend nederwerpen [169]. 120. Toen Abraham zeide: Heer maak dit eene plaats van zekerheid en geef aan zijne bewoners, die aan God en aan het laatste oordeel gelooven, het voedsel uwer vruchten, toen antwoordde God: ook de ongeloovigen wil ik spijzen, maar slechts met weinig en hen dan in het vuur der hel drijven. Eene harde reis zal dat zijn. 121. Toen Abraham en IsmaÎl den grondslag voor dit huis legden, baden zij: o Heer neem het genadig van ons aan; want gij hoort en kent alles. 122. Heer, maak ons u geheel onderworpen [170] en onze nakomelingen tot een u onderworpen volk; toon ons onze heilige ceremoniÎn en wend u tot ons; want gij zijt de genadige en barmhartige. 123. Heer zend een gezant onder hen, die hun uwe wonderen openbare, en hun de schrift [171] en de wijsheid verklare en hen zuivere; want gij zijt de machtigste en wijste. 124. Wie zal afkeer voor den godsdienst van Abraham hebben? Slechts hij, wiens hart ingebeeld is. Wij hebben hem reeds op deze wereld gekozen en in de andere zal hij tot het getal der rechtvaardigen behooren. 125. Toen God tot hem zeide: wees mij onderworpen, antwoordde hij: ik onderwerp mij den meester van het heelal. 126. En Abraham leerde zijnen kinderen dien godsdienst, en ook Jacob deed dat, zeggende: O mijn kinderen! waarlijk, God heeft dezen godsdienst voor u uitverkoren; sterft niet zonder God onderworpen te zijn (muzelmannen). 127. Waart gij tegenwoordig, toen Jacob op het punt was te sterven, en tot zijne zonen zeide: Wien wilt gij vereeren na mijnen dood? Zij antwoordden: wij zullen uwen God aanbidden, en den God uwer vaderen Abraham, IsmaÎl en Izaak; den eenigen God; hem willen wij onderworpen zijn. 128. Dit volk is voorbijgegaan; zij hebben wat zij verdienden: gij zult mede ontvangen wat gij zult verdienen, en men zal u niet vragen wat anderen gedaan hebben. 129. Zij zeggen: weest Joden of christenen, dan zijt gij op den rechten weg. Zegt hun: Wij volgen het geloof van Abraham, den waren geloovige, die geen afgodendienaar was. 130. Zegt; wij gelooven aan God en wat hij ons heeft geopenbaard, en wat hij heeft geopenbaard aan Abraham, IsmaÎl, Izaak en Jacob en de stammen, en aan datgene wat Mozes, Jezus en de profeten door hunnen God werd gezonden. Wij maken geen onderscheid tusschen hen, en zijn God onderworpen. 131. Gelooft gij nu wat wij gelooven, dan zijt gij op den rechten weg; dwaalt gij echter daarvan af, dan maakt gij tweespalt. God zal u ondersteunen tegen hen; want God hoort en weet alles. 132. Wij hebben Gods doop en wat is beter dan Gods leer [172]? Hem dienen wij. 133. Wilt gij met ons over God strijden [173]? Wie is onze God en de uwe? Wij hebben onze handelingen en gij de uwe, en wij zijn hem oprecht onderworpen. 134. Wilt gij zeggen dat Abraham, Izaak, Jacob en de stammen, Joden of Christenen zijn geweest? Zegt: zijt gij wijzer dan God? En wie is schuldiger dan hij, die de getuigenis verduistert welke hij van God heeft ontvangen? Maar God is niet onopmerkzaam nopens hetgeen gij doet. 135. Dit volk is voorbijgegaan; wat het verdiende, heeft het ontvangen, en ook gij zult ontvangen wat gij verdient hebt; maar men zal u niet vragen wat anderen gedaan hebben. 136. De dwazen onder de menschen zullen vragen: Wat heeft hen van hunne Kebla afgewend, welke zij vroeger aangenomen hadden [174]? Zegt hun; God behoort het Oosten en het Westen; hij geleidt wien hij wil op den rechten weg. 137. Zoo hebben wij u geplaatst als een bemiddelend volk [175], opdat gij getuigen zoudt zijn tusschen de menschen, en dat de apostel een getuigen tegen u zou wezen. 138. Wij hebben de Kebla daarom veranderd, opdat men zou kunnen onderscheiden tusschen hen, welke hem volgen en diegenen welke hem den rug toekeeren [176]. Menigeen hindert dit, doch niet hun die door God worden geleid. Maar God beloont uw geloof [177]; want God is genadig en barmhartig omtrent de menschen. 139. Wij hebben gezien, dat gij uw gezicht naar den Hemel wendt, maar wij willen het eene richting geven die u aangenaam is. Wendt daarom uw gezicht naar den heiligen tempel; waar gij u ook bevindt, wendt uw aangezicht daarheen. Zij die de schrift ontvingen, weten het wel, dat deze waarheid van hunnen Heer komt, en God is niet onopmerkzaam omtrent hunne daden. 140. En indien gij zelfs de bezitters der schrift nog zoo vele bewijzen zoudt brengen, zouden zij nog uw Kebla niet volgen; volgt dus de hunne niet. Zelfs onder hen volgt de eene den andere niet na [178]. Indien gij echter, na de kennis welke gij hebt opgedaan, hun verlangen zoudt volgen, dan behoordet gij tot de goddeloozen. 141. Zij die de schrift bezitten, kennen hem (onzen apostel), zoo goed als zij hunne eigen kinderen kennen [179], maar velen van hen verbergen de waarheid tegen hun beter weten aan. 142. De waarheid komt van uwen Heer, behoort dus niet tot den twijfelenden. 143. Ieder volk heeft eene richting van den hemel, waarheen het zijn gezicht wendt; keert u echter tot de betere, dan zal God u eens terugbrengen, waar gij ook zijn moogt; want God is almachtig. 144. En aan welke plaats gij ook komen moogt, wendt uw aangezicht naar den heiligen tempel; want dit is de waarheid die van uwen God komt, en God is niet onopmerkzaam nopens hetgeen gij doet. 145. Van waar gij ook komen moogt, wendt uw aangezicht naar den heiligen tempel. Waar gij ook mocht zijn, wendt uw aangezicht daarheen, opdat de menschen geen voorwensel tot strijden tegen u hebben. Wat de goddeloozen betreft, vreest hen niet, maar vreest mij, opdat ik u mijne genade verleene en op den rechten weg voere. 146. Wij hebben u een apostel uit uw midden gezonden, om u onze wonderen te brengen; om u te reinigen en u het boek en wijsheid te leeren, en u te onderrichten nopens datgene wat ge nog niet weet. 147. Denkt aan mij, opdat ik u gedenke. Weest dankbaar en wordt niet ongeloovig. 148. O geloovige! smeekt hulp met geduld en gebed; want God is met de geduldigen. 149. Zegt niet van hen welke op Gods weg [180] gedood werden; "Zij zijn dood," maar; "Zij leven," [181] want dit verstaat zij niet. 150. Waarlijk wij willen u beproeven door vrees en honger, en door schade, welke gij aan vermogen, leven en vruchten zult lijden. Maar verkondig heil aan de vrome lijdenden. 151. Hun die bij een ongeluk uitroepen: Wij behooren God en keeren eens tot hem terug [182]. 152. Over hen komt Gods zegen en barmhartigheid: zij zijn op den rechten weg. 153. Ook Safa en Merwa [183] zijn gedenkstukken van God, en wie in bedevaart naar den tempel gaat of die plaats bezoekt, dien treft geen kwaad, indien hij om beiden heen gaat. Die het goede uit eigene beweging doet, zal beloond worden; want God beloont alles en is alwetend. 154. Zij die de duidelijke leer en leiding verbergen, welke wij geopenbaard en in de schrift geleerd hebben, worden van God vervloekt en, allen die vloeken, zullen hen vervloeken [184]. 155. Maar zij die berouw hebben, en zich beteren en terugkeeren, neem ik weder in genade aan; want ik ben genadig en barmhartig. 156. Waarlijk zij die niet gelooven en ongeloovig sterven, hun treft Gods vloek en de vloek van de engelen en van al de menschen. 157. Eeuwig zal die op hen rusten; hunne straf wordt niet verzacht en nimmer zal God op hen nederzien [185]. 158. Uw God is een eenige God; er is geen God buiten hem, de albarmhartige. 159. In de schepping van hemel en aarde, en de wisseling van nacht en dag; in het schip dat op de zee zeilt, met hetgeen nuttig voor de menschen is, en in het water dat God van den hemel doet stroomen, om de in den nood verkeerende aarde te doen herleven, waarop hij de verschillende diersoorten verspreidt; in de verandering der winden, en de beweging der wolken, tot het verrichten van den dienst tusschen hemel en aarde [186] bestemd, zijn wonderen voor nadenkende menschen gelegen. 160. Toch zijn er nog menschen, die afgoden naast God plaatsen, en deze beminnen, zooals men slechts God moet beminnen; maar zij die gelooven, beminnen God nog inniger. O mochten de ongeloovigen, wanneer de straf hen bereikt, het inzien, dat God alleen alle macht is, en dat Hij streng in zijne straffen is. 161. Wanneer de verleiden zich eens van de verleiders afzonderen [187] en de straffen zien, en hoe alle banden tusschen hen scheuren. 162. Dan zullen de verleiders zeggen: Indien wij konden herleven, dan zouden wij ons van hen afscheiden, zooals zij thans ons vlieden. Zoo zal God hun hunne werken toonen, dan zullen zij zuchten van smart, maar zullen niet uit het vuur komen. 163. O menschen! geniet wat goed en geoorloofd is op aarde, en volgt niet de stappen van satan; want hij is uw verklaarde vijand. 164. Hij beveelt u het booze en schandelijke, en leert u van God zeggen wat ge niet kent. 165. Als men hun zegt: Volgt datgene wat God heeft gezonden! dan antwoordt gij: Neen, wij volgen de gebruiken onzer vaderen. Maar waren hunne vaderen dan geen onverstandigen en verkeerd geleiden? 166. De ongeloovigen gelijken op iemand, die een man roept, welke slechts den klank der stem en het geluid hoort, zonder de woorden te kunnen onderscheiden. Doof, stom en blind zijn zij, en verstaan het niet. 167. O geloovigen! geniet het goede dat wij u tot voeding hebben gegeven, en dankt God daarvoor, indien gij Hem vereert. 168. Er is u verboden, doode dieren, bloed, varkensvleesch en elk dier te eten, waarover men een anderen naam dan dien van God heeft aangeroepen [188]. Maar hij die gedwongen, onvrijwillig of zonder boos opzet daarvan geniet, zal geene zonde begaan hebben; want God is genadig en barmhartig. 169. Hun die verbergen wat God in de schrift geopenbaard heeft, en het voor een nietig loon verkoopen, zullen de ingewanden door vuur verteerd worden. God zal hen op den dag der opstanding niet aanspreken en hen niet voor rein verklaren, en zij zullen eene strenge straf ondergaan. 170. Zij zijn het, die de ware richting voor de dwaling verwisselen en genade voor straf; maar wat zullen zij van het vuur moeten lijden. 171. Daarom zullen zij lijden, omdat God dit boek met waarheid openbaarde, en zij die daarover in strijd komen, in eene groote dwaling geraken. 172. De godvruchtigheid bestaat niet daarin, dat gij uw gezicht (bij het gebed) naar het Oosten of het Westen wendt. Godvruchtig is hij die aan God gelooft, aan den jongsten dag en de engelen, en de schrift en de profeten: die van zijn vermogen geeft aan aanverwanten; weezen en armen en de vreemdelingen, en hun die vragen; hij die gevangenen loskoopt, het gebed verricht en aalmoezen geeft; die aangegane verbintenissen nakomt; die geduldig is in tegenspoed, nood en krijgsgevaar; hij is rechtvaardig; hij is godvreezend. 173. O geloovigen! u is het vergeldingsrecht voor den doodslag voorgeschreven. Een vrije man tegen een vrijen man, een slaaf tegen een slaaf, eene vrouw voor eene vrouw [189]. Indien echter de broeder [190] den moordenaar vergeeft, dan kan deze toch naar rechterlijke uitspraak en billijkheid bestraft worden [191]. 174. Dit is genade en barmhartigheid van uwen Heer. Wie dit echter overtreedt, zal eene groote straf ondergaan. 175. In deze wedervergeldingswet [192] ligt uw leven, indien gij verstandig en godsvruchtig zijt. 176. U is voorgeschreven: Indien een uwer op het punt is van te sterven en vermogen nalaat, zal hij daarvan, naar billijkheid [193], zijne ouders door testament achterlaten. Het is een plicht voor geloovigen. 177. Die echter dit testament vervalscht, nadat hij het kent, laadt schuld op zich [194]. God hoort en weet alles. 178. Vermoedt men echter, dat hij die het testament achterliet, eene dwaling of eene onrechtvaardigheid heeft begaan, en zoekt men het te schikken, dan laadt men geene schuld op zich; want God is vergevend en barmhartig. 179. O geloovigen! eene vaste is u bevolen, even als die uwen voorgangers bevolen was, opdat gij godvreezend zoudt zijn. 180. Een zeker getal dagen zult gij vasten. Indien echter iemand onder u ziek of op reis is, dan zal hij een gelijk getal andere dagen vasten. Die het echter kan [195] en het toch niet doet, moet daarvoor een arme voeden [196]. Hij die dit echter vrijwillig doet, handelt beter, en nog beter indien hij de vasten daarbij in acht neemt. Mocht gij dat inzien. 181. De maand Ramadan, waarin de Koran werd geopenbaard, als eene leiding voor de menschen en tot onderscheiding van goed en kwaad, zult gij vasten. Daarom laat hem welke onder u tegenwoordig is [197] die maand vasten; doch hij die ziek of op reis is, zal later een gelijk getal andere dagen vasten. God wil het u gemakkelijk maken; hij wil slechts dat gij de bepaalde vastendagen houdt en God verheerlijkt, omdat hij u op den rechten weg geleid heeft, en dat ge hem zoudt danken. 182. Als mijne dienaren u omtrent mij ondervragen, zal ik nabij hem zijn; ik wil het gebed hooren van hen die mij gelooven; doch dat zij naar mij luisteren, en mij gelooven; opdat zij langs den rechten weg geleid mochten worden. 183. Het is veroorloofd, in den nacht van den vastentijd uwe vrouwen te naderen [198]. Zij zijn uw deksel en gij het hunne. God weet dat gij u zelven (daarin) bedriegt, daarom keert hij tot u terug en vergeeft u dit. Nadert haar daarom en begeert ernstig wat God u veroorloofd heeft, en eet en drinkt, tot gij bij den ochtendglans een witten draad van een zwarten draad kunt onderscheiden; dan vast gij tot den nacht: nadert haar niet en brengt den tijd in het bedehuis door. Dit zijn de grenzen die God heeft gesteld [199]; komt die niet te nabij. Zoo leert God den mensch zijne teekenen [200], opdat zij hem vreezen. 184. Verteert uw vermogen niet onder u in ijdele zaken [201]; besteekt den rechter niet daarmede, om het vermogen van uwe naasten onrechtvaardig, tegen uw eigen geweten, te bekomen. 185. Zij zullen u ondervragen omtrent de maansveranderingen. Antwoord; zij dienen om den mensch den tijd en de bedevaart naar Mekka te bepalen. De gerechtigheid bestaat niet daarin, dat gij uwe huizen van achteren ingaat [202]; maar hij is rechtvaardig, die God vreest. Gaat daarom uwe huizen door de deur binnen, en vreest God, opdat gij gelukkig moogt zijn 186. Strijdt voor Gods weg [203] tegen hen die u bestrijden, maar begaat geene ongerechtigheid en begint niet met de vijandelijkheden; want God bemint de zondaren niet. 187. Doodt hen overal waar gij hen vindt, verdrijft hen van waar zij u verdrijven; want de verzoeking tot afgoderij is sterker dan de doodslag. Bestrijdt hen nochtans niet in de nabijheid van den heiligen tempel: zoo ze u echter daar aangrijpen, doodt hen ook daar. Dit zij het loon der ongeloovigen. 188. Indien zij zich beteren, dan is God genadig en barmhartig. 189. Bestrijdt hen daarom, tot de verzoeking ophoudt en Gods richting gezegevierd heeft. Maar indien zij zich beteren, dan geene vijandelijkheid meer, behalve tegen de boozen. 190. Zelfs de maand Haram voor de maand Haram, en de heilige grenzen van Mekka als wedervergeldingsrecht [204]. Wie u vijandig aangrijpt, grijpt gij op gelijke wijze aan. Vreest God en weet dat God met hen is die hem vereeren. 191. Draagt bij tot verdediging van Gods weg, en stort u niet met eigene hand in het verderf [205]. Doet goed; want God bemint hen die goed doen. 192. Doet de bedevaart en bezoekt den tempel [206], en indien gij belegerd zijt, brengt dan een klein offer. Scheert uw hoofd niet, tot uw offer de offerplaats bereikt heeft. Wie echter ziek is, of aan eene hoofdziekte lijdt, moet boete doen door vasten, aalmoezen geven, of een ander offer [207]. Indien gij veilig zijt voor vijanden, en iemand nalaat het bedehuis tot de bedevaart te bezoeken, zal hij een klein offer brengen. Wie dit echter niet kan, vaste drie dagen gedurende de bedevaarten en zeven na den terugkeer; te zamen dus tien dagen. Dit zal hij doen, wiens gezin niet in den heiligen tempel tegenwoordig is. Vreest God en weet dat hij streng in zijne straffen is. 193. De bedevaart moet in de bekende maanden geschieden [208]. Wie echter de bedevaart ondernemen wil, zal zich van den bijslaap moeten onthouden, even als van alle onrecht en krakeel gedurende de reis. Het goede echter wat gij doet, ziet God. Voorziet u van het noodige voor de reis, doch het meest noodige is vroomheid. Daarom vereert mij, gij die verstandig zijt. 194. Het is geene zonde indien gij gunsten van uwen God afsmeekt [209]. Als gij met de sterke schreden den berg Arafat [210] afdaalt, gedenkt dan God nabij de heilige plaats [211] en denkt aan hem, daar hij u op den rechten weg heeft gebracht en gij vroeger tot de dwalenden hebt behoord. 195. Gaat dan in optocht zooals de anderen, en bidt God om genade; want God is genadig en barmhartig. 196. Als gij uwe heiligen gebruiken hebt voleindigd, denkt dan aan God, zooals gij aan uwe vaderen denkt, maar met meer eerbied. Er zijn menschen die zeggen: O Heer! geef ons ons deel in deze wereld. Deze hebben geen deel in het volgende leven. 197. Er zijn anderen die zeggen: O Heer! geef ons goed in deze en in de volgende wereld en bevrijd ons van het vuur der hel. 198. Zij zullen het deel hebben dat zij verdienen; want God is snel in het opmaken van rekeningen [212]. 199. Gedenkt God op de bepaalde dagen [213]. Die het vertrek uit de vallei van Mina zal hebben verhaast, zal niet schuldig zijn. Ook hij niet die nog langer blijft, indien hij God slechts vreest. Vreest daarom God en weet dat gij eens tot hem verzameld wordt. 200. Er is een man die u verbazen zal door zijn spreken in dit leven, en die God tot getuige zal roepen over de gedachten van zijn hart; maar hij is de hardnekkigste uwer tegenstanders. 201. Zoodra hij zich echter van u verwijdert, haast hij zich, verderf op de aarde aan te richten, en vernietigt alles wat groeit en opschiet. Maar God bemint het verderf niet. 202. En indien iemand tot hem zegt: "Vrees God" dan maken zich trotschheid en misdaad van hem meester; maar de hel zal zijne belooning zijn [214], en dat is eene ongelukkige rustplaats. 203. Een ander heeft zichzelven verkocht om God te behagen [215]. God is barmhartig voor hen die hem dienen. 204. O geloovigen neemt den waren godsdienst aan, volgt niet de voetstappen van satan, hij is uw verklaarde vijand. 205. Indien gij echter afwijkt na de u geopenbaarde teekenen, weet dan dat God almachtig en alwijs is. 206. Of verwachten de goddeloozen dat God zelf met de engelen in de schaduw der wolken tot hen zal komen. Maar het is reeds bepaald; eens zal alles tot God terugkeeren. 207. Vraag de kinderen IsraÎls hoeveel duidelijke teekenen ik hun heb gegeven. Wie echter Gods genade verwisselt nadat hij die bekomen heeft, voor dien is hij een strengbestraffend God. 208. Het leven in deze wereld is voor hen die niet gelooven en de geloovigen bespotten; maar zij die God vreezen, zullen boven hen staan op den dag der opstanding; want God is genadig zonder maat omtrent dengene die hem behaagt. 209. De menschen hadden vroeger ÈÈn geloof, en God zond hen profeten, om hun het heil te verkondigen en met straffen te bedreigen. Door hen openbaarde hij de schrift in waarheid, om tusschen de menschen en het voorwerp hunner twist uitspraak te doen. Maar juist nadat zij de schrift hadden ontvangen, twisten zij uit nijd met elkander. En God leidt de geloovigen naar die waarheid, waarover zij twisten, naar zijnen wil; want God leidt op den rechten weg wien hij wil. 210. Gelooft gij in het paradijs te komen, zonder dat gij ondergaan hebt wat anderen voor u hebben geleden? Zij ondergingen ongeluk, tegenspoed en droefheid, zoodat de apostel en zij die met hem geloofden, uitriepen: Wanneer komt Gods hulp? Waarlijk Gods hulp is nabij. 211. Zij zullen u vragen, welke aalmoezen zij moeten geven. Zeg hun: Geeft aan ouders, verwanten, weezen, armen en reizigers. God kent het goede dat gij doet. 212. De oorlog is u voorgeschreven en gij haat dien. 213 Mogelijk dat gij haat wat u goed is en dat gij mint wat u nadeel doet. God weet het, maar gij weet het niet. 214. Zij zullen u ondervragen omtrent den oorlog in de maand Haram. Antwoordt hun: Slecht is het in deze maand krijg te voeren, maar af te wijken van Gods weg, hem niet getrouw te zijn en den heiligen tempel, en zijn volk er uit te verdrijven, is nog veel slechter. De verzoeking (tot afgoderij) is erger dan de krijg (in de heilige maand). Zij zullen niet ophouden u te bestrijden, tot het hun gelukt is, u van uw geloof af te brengen; maar degene onder u, die van zijn geloof afvallig wordt en als ongeloovige sterft, diens werken zullen op deze en op de volgende wereld te vergeefs zijn. Zij zullen ter hel gedoemd wezen en eeuwig daarin blijven. 215. Zij echter die gelooven en hun land verlaten, en strijden voor Gods zaak, zij mogen op Gods genade hopen; want God is genadig en barmhartig. 216. Zij zullen u ondervragen omtrent wijn [216] en gelukspel [217]. Zeg hun: In beiden is groote zonde, maar ook nut voor de menschen [218]; maar de zonde is grooter dan het nut. Zij zullen u vragen, wat zij aan aalmoezen moeten besteden. 217. Antwoord hun: Uw overvloed. Zoo heeft God u zijne teekens geopenbaard, opdat gij zoudt nadenken. 218. Over deze en de volgende wereld. Zij zullen u vragen omtrent weezen. Zeg hun: Het beste is goed met hen te handelen. 219. Zoodra gij u met hen inlaat, zijn zij uwe broeders. God weet den gerechtige van den ongerechtige te onderscheiden, en indien God wil, kan hij u bedroeven; want God is machtig en wijs. 220. Huwt niet met vrouwen die afgoden dienen, tot zij geloovig geworden zijn; waarlijk een slavin die gelooft, is beter dan eene vrije die niet gelooft; zelfs indien deze u meer behaagt. Huwt ook geene aan een afgodendienaar uit, tot hij geloovig is geworden; want eene geloovige slaaf is beter dan een vrije afgodendienaar; zelfs indien deze u meer bevalt. 221. Zij noodigen u tot het vuur der hel. God noodigt u tot het paradijs en tot de vergiffenis, zooals hij wil. Hij verklaart de menschen zijne teekens, opdat zij hem gedenken. 222. Zij zullen u ondervragen omtrent de maandelijksche reiniging der vrouwen. Zeg hun: Dit is een onreinheid. Scheidt u daarom gedurende de maandelijksche reiniging van de vrouwen af; komt haar niet nabij, tot zij gereinigd zullen zijn. Maar als zij gereinigd zijn, gaat dan tot haar, zoo als God u heeft bevolen. Want God bemint hen die berouw hebben en de reinen. 223. Uwe vrouwen zijn uw veld. Gaat in uw veld zoo als gij wilt, maar doet eerst iets wat goed is voor uwe zielen. Vreest God en weet dat gij eens voor hem zult verschijnen. Kondigt de geloovigen goede daden aan. 224. Maakt God niet tot onderwerp uwer eeden, dat gij rechtvaardig, vroom en vredebevorderend zult zijn; want God weet en hoort alles. 225. God zal u niet straffen voor een onbedacht woord in uwe eeden; hij zal u straffen voor de voorbedachtzaamheid uws harten. God is genadig en mild. 226. Hun die de gelofte afleggen, zich van hunne vrouwen te onthouden, is het vergund, zich vier maanden te bedenken; nemen zij dan die gelofte terug, dan is God verzoenend en barmhartig. 227. Besluiten zij bepaald tot eene echtscheiding, dan ziet God het en weet het. 228. De vrouwen die gescheiden zijn, zullen zoo lang wachten, tot zij driemaal hare reiniging gehad hebben, en zij zullen niet verbergen, wat God in haar lichaam heeft geschapen, als zij aan God en aan den jongsten dag gelooven. Hare mannen zullen rechtvaardiger zijn, door haar in dien staat te hernemen indien zij hereeniging verlangen. Zij zullen dan wederkeerig naar het rechtvaardige voorschrift omgaan; maar de man heeft de macht over de vrouw, God is machtig en wijs. 229. De echtscheiding mag tweemaal plaats hebben; dan moet hij haar met rechtvaardigheid behandelen, of met edelmoedigheid ontslaan. Het is u niet veroorloofd iets te behouden wat gij haar hebt geschonken, tenzij gij beiden vreest, Gods geboden niet te kunnen vervullen. Vreest gij echter Gods geboden niet te kunnen vervullen, dan is er geene zonde in, dat zij zich door haar weduwgift loskoope. Dit zijn de geboden Gods (overtreedt die niet); wie die overtreedt, behoort tot de zondaren. 230. Scheidt hij zich nogmaals (ten derden male) van haar, dan mag hij haar niet weder terug nemen, of zij moest weder met een ander man getrouwd en van dien gescheiden zijn [219]; dan is het geene zonde, indien zij zich weder vereenigen, als zij meenen Gods geboden te kunnen vervullen. Dit zijn de geboden Gods, welke hij het volk heeft bekend gemaakt, dat verstandig is. 231. Maar indien gij u van uwe vrouwen scheidt en zij hebben haren voorgeschreven tijd vervuld, dan moet gij haar met billijkheid behouden, of met edelmoedigheid ontslaan. Houdt haar echter niet met geweld terug, om onrechtvaardig omtrent haar te handelen. Wie dit doet, bezondigt zijne eigene ziel. Maakt de teekenen van God niet tot spotternij, en herinnert u Gods weldaden jegens u, en dat hij het boek en de wijsheid tot u gezonden heeft tot onderricht. Vreest God en beseft dat hij alwetend is. 232. Indien gij u van uwe vrouwen scheidt, en zij hebben den haar voorgeschreven tijd vervuld, verhindert haar dan niet een anderen man te nemen, indien zij zich naar billijkheid willen vereenigen. Dit is tot onderricht van hen onder u, die aan God en den jongsten dag gelooven. Dit is gerechter en reiner [220] voor u God weet, maar gij weet niet. 233. Moeders zullen hare kinderen twee volle jaren zogen, indien de vader wil dat de zoging volkomen zij. De vader zal verplicht zijn, haar voeding en kleeding naar billijkheid (gedurende dien tijd) te geven. Niemand is echter verplicht, boven zijne krachten te gaan. Noch de moeder zal in hare belangen ten opzichte van het kind benadeeld worden, noch de vader. De erfgenaam van den vader heeft dezelfde plichten. Indien de echtgenooten verkiezen, het kind (vÛÛr den bepaalden tijd) te spenen, zal dit geene zonde zijn. En indien gij verkiest, eene min voor het kind te nemen, zal dit geene zonde zijn, ingeval gij haar ten volle betaalt wat gij haar hebt beloofd. Vreest God en weet dat hij alles weet wat gij doet. 234. Indien zij die sterven vrouwen nalaten, moeten deze vier maanden en tien dagen wachten.

Is deze tijd verloopen, dan is het geene zonde, als zij naar billijkheid met zich zelven handelen. God weet wat gij doet. 235. Ook is er geene zonde in, zoo gij vÛÛr dezen tijd [221] openlijk eene vrouw ten huwelijk vraagt of dit voornemen in uwen boezem verborgen houdt. God kent uwe wenschen. Doet haar echter geene beloften in het geheim, dan wanneer gij dit met kuische woorden doet. 236. Gaat echter de verbintenis zelve niet aan, tot de bestemde tijd is verloopen: weet, dat God kent wat in uwe harten geschiedt, en weet, dat hij genadig en barmhartig is. 237. Ook is het geene zonde, zich van de vrouw te scheiden, zoo lang gij haar niet aangeraakt of haar nog geene huwelijksgift toegekend hebt; doch dan moet gij, de rijke en de arme, ieder naar omstandigheden en billijkheid, voor haar onderhoud zorgen. Dit is de plicht der rechtvaardigen. 238. Verstoot gij eene vrouw vÛÛr gij haar hebt aangeraakt, maar nadat gij haar eene huwelijksgift hebt toegekend, dan zult gij haar de helft geven van hetgeen gij haar toegekent hebt, behalve wanneer zij, of hij die het huwelijks-contract in handen heeft, van alles afziet. Zijt gij echter toegevend, dan nadert gij de vroomheid des te meer. Vergeet de edelmoedigheid niet onder u. God ziet wat gij doet. 239. Neemt het gebed in acht; vooral het middengebed [222]. Bidt God met eerbied. 240. Vreest gij (eenig gevaar, bidt dan) te voet of te paard; zijt ge in zekerheid, gedenkt dan God, die u heeft geleerd wat gij nog niet wist. 241. Zij onder u die sterven en vrouwen achter laten, moeten haar onderhoud voor een jaar achter laten, zonder haar uit het huis te verdrijven. Verlaten zij het vrijwillig, dan hebt gij er geene zonde van, indien zij naar billijkheid met zich zelven handelen. God is machtig en wijs. 242. De gescheiden vrouwen zijt gij mede verplicht naar billijkheid te onderhouden, zoo als het den godvruchtige betaamt. 243. Dit heeft God u duidelijk voorgeschreven, opdat gij het zoudt verstaan. 244. Hebt gij hen nog niet beschouwd die hunne woningen verlieten (zoo waren er duizenden) uit vrees voor den dood [223]. God zeide tot hen: Sterft. Daarop wekte Hij hen weder op; want God is genadig voor de menschen, doch het grootste gedeelte hunner bedankt hem niet voor zijne weldaden. 245. Kampt voor des Heeren godsdienst, en beseft dat God alles hoort en kent. 246. Wie wil God tegen goede renten leenen? Veelvoudig verdubbeld geeft hij het hem weder; want God verbreidt en beperkt zijne weldaden naar zijnen wil, en tot hem keert gij eens terug. 247. Hebt gij nog niet teruggeblikt op de vergadering der kinderen IsraÎls, na den tijd van Mozes, toen zij tot den profeet zeiden: stel een koning over ons, dat wij voor des Heeren godsdienst mogen strijden. Hij antwoordde; Zult gij misschien niet weigeren te vechten, als u de oorlog bevolen wordt? Zij antwoordden; Zouden wij niet kampen voor den godsdienst onzes Heeren; wij die uit ons land verdreven en van onze kinderen gescheiden zijn? Toen hun nu echter de krijg werd bevolen, vloden zij op weinigen na. Maar God kent de goddeloozen. 248. En hun profeet zeide tot hen: Waarlijk, God heeft Talut [224] als koning over u gesteld; toen zeiden zij: Hoe zal hij over ons regeeren, daar wij den schepter meer waardig zijn dan hij; daarbij bezit hij geene rijkdommen? De profeet zeide: God heeft hem voor u gekozen; hij heeft hem uitgerust met voordeelen van geest en lichaam. God geeft de regeering wien hij wil: God is goed en wijs. 249. De profeet zeide tot hen: een teeken van zijn rijk zal zijn, dat de arke [225] waarin de Godheid woont, tot u zal komen en ook de reliquieÎn, welke door de gezinnen van Mozes en A‰ron zijn achtergelaten. Engelen zullen u die brengen. Dit zijn teekenen voor u, indien gij geloovig zijt. 250. Toen nu Talut met zijne soldaten uittrok, zeide hij: God wil u aan de rivier beproeven. Wie daaruit drinken zal, is niet met mij, doch wie daaruit niet drinkt, zal met mij zijn. Hij die echter met de vlakke hand een weinig daaruit schept, is daarvan uitgezonderd. Maar op weinigen na dronken allen daaruit [226]. Toen zij nu de rivier waren overgetrokken, hij en die met hem geloofden, riepen zij: Wij hebben heden geene kracht tegen Jalut [227] en zijne soldaten. Zij echter die geloofden dat zij God eens zouden zien, zeiden: Hoe dikwijls heeft niet reeds een klein leger, door Gods hulp, een talrijker leger overwonnen. God is met de geduldig volhardenden. 251. Toen zij nu tot den strijd met Jalut en zijn leger optrokken, zeiden zij: O Heer! stort geduld over ons uit, sterk onzen voet en help ons tegen dit ongeloovige volk. 252. Door Gods wil overwonnen zij, en David doodde Jalut. En God gaf hem het rijk [228] en wijsheid, en leerde hem, wat hij wilde. Zou God den mensch niet door den mensch binnen de grenzen houden, dan ware de aarde reeds verdorven. Maar God is genadig voor zijne schepselen. 253. Dit zijn de teekens van God, en wij openbaren u die in waarheid; want gij behoort tot de gezanten. 254. Onder de apostelen hebben wij eenigen boven de anderen bevoorrecht. Met eenige sprak God zelf, anderen bevoorrechte hij nog meer. Jezus, den zoon van Maria, gaven wij kracht van teekenen en versterkten hem met den heiligen geest [229]. Indien God gewild had, dan zouden de later levenden, nadat hun zulke duidelijke teekens waren geopenbaard, niet van meening verschillen. Maar zij zijn van verschillende meening. Eenige gelooven, anderen gelooven niet. En indien het Gode behaagd had, zouden zij niet onder elkander strijden; maar God doet wat hij wil. 255. O geloovigen! geeft aalmoezen van hetgeen wij u schonken, tot de dag komt, waarop noch onderhandeling, noch vriendschap, noch bemiddeling zal zijn. Goddeloozen zijn de ongeloovigen. 256. God is de eenige God; buiten hem is geen God, de levende, de eeuwige [230]. Hem bereikt sluimering noch slaap; hem behoort wat in den hemel en op aarde is. Wie kan bemiddelaar bij hem zijn, zonder zijnen wil. Hij weet wat was, wat zijn zal, en de menschen begrijpen slechts wat hij hun wil leeren. Zijn troon [231] is over hemel en aarde uitgespreid en de bewaking van beide kost hem geene moeite. Hij is de verhevene, de machtige. 257. Laat geen dwang in den godsdienst zijn. De ware leer is duidelijk van de valsche onderscheiden [232]. Wie echter den Tagut [233] verloochent en aan God gelooft, rust op eenen staf, die nimmer breekt. God hoort en weet alles. 258. God is de beschermer der geloovigen. Hij voert hen door de duisternis naar het licht. 259, De ongeloovigen hebben geen anderen beschermer dan Tagut, die hen uit het licht in de duisternis zal leiden; zij behooren tot de hel, en eeuwig zullen zij daar blijven. 260. Hebt gij niet teruggeblikt op hem die met Abraham over God heeft gestreden [234], omdat God hem het koninkrijk had gegeven. Toen Abraham zeide: Mijn Heer is hij, die leven geeft en doodt. Hij antwoordde: Ook ik maak levend en dood. Abraham hernam: Hij brengt de zon van het Oosten hierheen, breng gij die van het Westen. De ongeloovige was verbaasd. God leidt de ongeloovigen niet. 261. Of hebt ge niet teruggeblikt op hem die eene stad voorbijging, welke verwoest was tot op den grond [235] en zeide: Hoe zal God deze stad weder doen herleven, nadat zij dood is. God liet hem daarop sterven en eerst na honderd jaren weder opstaan, en God zeide: Hoe lang hebt gij hier doorgebracht? Hij antwoordde: een dag of een deel van eenen dag. En God zeide: Neen, gij hebt hier honderd jaren doorgebracht. Zie op uw spijs en drank; zij zijn nog niet bedorven. Zie ook op uwen ezel, dien wij als een teeken voor de menschen hebben ingesteld. Betracht deze hoe wij die opwekken en met vleesch omkleeden. Toen hij dit wonder zag, riep hij uit: Nu weet ik dat God almachtig is. 262. Toen Abraham zeide; O Heer! toon mij, hoe gij de dooden levend maakt [236], zeide God: Wilt gij nog niet gelooven? Ja, maar ik vraag slechts om mijn hart gerust te stellen. God zeide, neem daartoe vier vogels [237], snijd die in stukken, en leg een stuk op iederen berg; roep ze daarna en zij zullen tot u komen; want weet dat God almachtig en wijs is. 263. Zij die hun vermogen voor des Heeren Godsdienst verteren, gelijken een zaadkorrel, die zeven aren oplevert en waarvan iedere aar honderd zaadkorrels voortbrengt; want God geeft tweevoudig aan hen die hem behagen; God is goed en wijs. 264. Zij die hun vermogen voor des Heeren Godsdienst verteren en die gaven niet terugvorderen, en ook geen strijd daarom beginnen, zullen door hunnen Heer beloond worden; hun treft vrees noch droefheid. 265. Woorden van vriendelijkheid en vergeving zijn beter dan eene aalmoes door onvriendelijkheid gevolgd [238]. God is rijk en genadig. 266. O geloovigen! maakt uwe aalmoezen toch niet ijdel door verwijtingen of onvriendelijkheid, evenals diegenen, welke slechts aalmoezen geven, opdat de lieden het zullen zien, maar niet aan God en aan den jongsten dag gelooven. Zij gelijken de kiezelsteenen die op de aarde liggen; het moge er op regenen, zij blijven toch hard. Hunne zaken zullen hun geene winst aanbrengen; want God leidt de ongeloovigen niet. 267. Zij echter die aalmoezen geven om God te behagen en tot heil hunner zielen, gelijken eenen tuin, die op eenen heuvel ligt waarop een sterke regen valt, en die zijne vruchten tweevoudig voortbrengt; en indien er geen regen op valt, wordt hij toch door den dauw bevochtigd, God ziet wat gij doet. 268. Begeert een uwer een tuin te hebben met palmboomen en wijnstokken [239], door beken besproeid, waarin alle soorten van vruchten voorkomen; dat door hem een hooge ouderdom worde bereikt; dat hij kinderen hebbe die hem gelijk zijn, en dat een vreeselijke storm met vlammen dien tuin verwoeste? Zoo verklaart God u zijne teekens, opdat gij zoudt nadenken. 269. O geloovigen! geeft aalmoezen van de goede zaken die gij verworven hebt, en van datgene wat wij voor u uit de aarde hebben doen voortkomen, en zoekt niet het slechtste voor aalmoezen uit. 270. Zoo als gij zelven het niet hebt ontvangen, of het moest door wederzijdsch goedvinden zijn met hem die het u aanbood. Weet, dat God groot en hooggeprezen is. 271. Satan bedreigt u met armoede [240] en beveelt u met schandelijkheden. God belooft u vergeving en rijkdom, en waarlijk God is mild en wijs. 272. Hij geeft wijsheid aan wien hij wil, en degene die de wijsheid heeft ontvangen, bezit een groot goed; maar slechts de wijzen bedenken dit. 273. Wat gij aan aalmoezen geeft en wat gij gelooft, God weet het; zondaren worden niet beschermd. Maakt gij uwe aalmoezen bekend, het is goed; maar zoo gij verbergt wat gij den armen geeft, dan is het nog beter. Dit zal al uwe zonden uitwisschen. God weet wat gij doet. 274. Gij zijt niet verplicht hen terecht te wijzen, God leidt wien hij wil. Wat gij aan aalmoezen geeft is voor uw heil; wat gij geeft, geeft het met het doel, Gods aangezicht te zien [241]. Wat gij den armen goed doet, zal u eens betaald worden, en gij zult niet onrechtvaardig behandeld worden. De armen die in den godsdienstoorlog bezig zijn, kunnen het land niet doorloopen om hun onderhoud te zoeken. De onwetenden houden hen om hunne bescheidenheid voor rijk. Aan hunne merken zult gij hen erkennen [242]; zij vragen niet met onbescheidenheid. Het goede wat gij hun doet is God bekend. 275. Zij die nacht en dag aalmoezen van hun vermogen geven, in het geheim en openbaar, zullen hun loon van den Heer ontvangen, en vrees noch droefheid zal hen bereiken. 276. Zij, die van woeker leven, zullen eens weder opstaan, als bezetenen, die door Satan zijn aangeraakt, en wel omdat zij zeggen: "Koophandel staat gelijk met woeker." Maar God heeft den handel veroorloofd en den woeker verboden. Wie nu, door Gods waarschuwing, zich daarvan onthoudt, ontvangt vergeving voor het verledene, en zijn lot wordt dan door Gods wil geregeld. Zij echter die tot den woeker terugkeeren, zullen deelgenooten der hel zijn: eeuwig zullen zij daarin blijven. 277. God geeft den woeker geen zegen, de aalmoezen zal hij vermeerderen. God bemint de Goddeloozen niet. Zij die gelooven, goed doen, het gebed verrichten en aalmoezen geven, hebben loon van hunnen Heer te verwachten, en vrees noch droefheid zal hen bereiken. 278. O geloovigen! vreest God en geeft den woeker [243] terug, dien gij in handen hebt, voor zoo ver gij geloovigen zijt. 279. Doet gij dit echter niet, verwacht dan den oorlog met God en zijnen apostel. Maar bekeert gij u, dan zal u uw kapitaal verblijven. Doet niemand onrecht, dan zal u geen onrecht geschieden. 280. Valt een schuldenaar de betaling moeilijk, wacht dan tot zij hem gemakkelijker is; schenkt gij zijn schuld hem echter, als aalmoes, des te beter voor u; indien gij het weet. 281. Vreest den dag waarop gij tot God zult terugkeeren, dan ontvangt iedere ziel het loon dat zij verdient, en niemand zal onrecht gebeuren. 282. O geloovigen! indien gij bij eene schuld u voor een bepaalden tijd verbindt, doet het dan schriftelijk. Een schrijver schrijve dit nauwkeurig voor u neder. De schrijver schrijve alleen en niet anders dan zoo als het hem door God geleerd is. Laat hem schrijven zoo als de schuldenaar het hem voorzegt, naar waarheid; hij vreeze God zijnen Heer en vervalsche niets. Is echter de schuldenaar dwaas of zwak, of kan hij zelf niet voorzeggen, dan zegge zijn voogd [244] naar waarheid, en neme twee mannen onder u tot getuigen. Kent gij geene twee mannen, neemt dan een man en twee vrouwen, van die welke u geschikt voorkomen, tot getuigen; indien zich eene dezer (vrouwen) vergist, kan de andere haar helpen. De getuigen mogen niet weigeren, indien zij geroepen worden. Versmaadt het niet op te schrijven, hetzij een groote of kleine schuld, met het tijdstip van betaling. Dit zal rechtvaardiger zijn in het oog van God; het dient tot verzekering en neemt allen twijfel weg. Maar is het eene zaak, die gij dadelijk tusschen u beiden afmaakt, dan zal het geene zonde zijn indien gij niets opschrijft; maar neemt getuigen indien de een den ander iets verkoopt. Maar doe den schrijver noch den getuige geweld. Handelt gij echter anders, dan begaat gij eene zonde. Vreest God: hij zal u onderrichten; want hij weet alles. 283. Zijt gij echter op reis en vindt gij geen schrijver, neemt dan een onderpand. Vertrouwt echter de een den ander zonder dat, dan geve hij, wien het vertrouwd werd, het vertrouwde weder terug en hij vreeze God. Weiger geene getuigenis. Wie het verbergt, heeft een boos hart, en God weet wat gij doet. 284. Gode behoort wat in den hemel en op aarde is. Hij zal u rekenschap vragen van hetgeen in uwe harten is, hetzij gij het openbaar maakt of verbergt. Hij zal vergeven en bestraffen wien hij wil; want God is almachtig. 285. De profeet gelooft aan hetgeen hem geopenbaard is, en alle geloovigen gelooven aan God, aan zijne engelen, aan zijne schrift en aan zijne profeten. Zij zeggen: Wij maken geen onderscheid tusschen zijne profeten [245]. Wij hooren en wij gehoorzamen. U, o Heer bidden wij om genade; want tot U keeren wij terug. 286. God dwingt niemand boven zijne kracht te gaan; maar het loon van het goede en kwade hetwelk men gedaan heeft, zal men ontvangen. O Heer! bestraf ons niet, indien wij door verzuim of vergissing gezondigd hebben. Leg ons het juk niet op, dat gij hun hebt opgelegd, die vÛÛr ons leefden [246]. O Heer, leg ons niet meer op, dan wij dragen kunnen. Wees ons genadig, vergeef ons, erbarm u onzer. Gij zijt onze beschermer. Help ons tegen de ongeloovigen.

DERDE HOOFDSTUK.

DE FAMILIE IMRAM [247].

Gegeven te Mekka--200 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. A. L. M. [248] Er is geen andere God dan God, de levende en eeuwig levende. 2. Hij heeft u het boek in waarheid geopenbaard, dat het vroeger geopenbaarde bevestigt. Hij openbaarde de thora en het evangelie reeds vroeger, als leiding voor de menschen. Thans heeft hij de onderscheiding [249] gezonden. 3. Waarlijk, zij die Gods teekenen niet gelooven, zullen eene vreeselijke straf ontvangen; want God is machtig en kan zich wreken. 4. Niets is voor God verborgen van hetgeen in den hemel en op aarde is. Hij is het, die u in het lijf uwer moeder naar zijn welbehagen gevormd heeft; buiten hem, den machtige en wijze, is geen God. 5. Hij is het, die u de schrift zond, waarin verschillende verzen klaar en duidelijk zijn, die de grondzuilen van het boek zijn; anderen zijn beeldsprakig [250]. Zij nu, welker harten twijfelen, willen het beeldsprakige volgen, uit liefde tot scheiding en uit lust tot vertolking daarvan. Maar God alleen kent hunne ware beteekenis. Maar zij, die grondig in hunne kennis zijn, zeggen: Wij gelooven daaraan; het geheel is van onzen Heer. Zoo denken slechts de verstandigen. 6. O Heer! laat onze harten niet meer dwalen, nadat gij ons op den rechten weg hebt geleid. Schenk ons Uwe barmhartigheid; want gij zijt de gever. 7. O Heer! gij zult eens, op eenen bepaalden dag, de menschen verzamelen, daaraan is geen twijfel; want God herroept zijne belofte niet. 8. Den ongeloovigen zal echter vermogen noch kinderen bij God hebben. Zij zullen tot voedsel van het vuur verstrekken. 9. Op de wijze van het volk van Pharao [251] en die welke vÛÛr hen geleefd hebben, beschouwden zij mijne teekens als leugens, God heeft hen gegrepen om hunne zonden, en God is streng in zijne straffen. 10. Zeg tot de ongeloovigen: Gij zult overwonnen en in de hel verstooten worden, en een onzalig verblijf hebben. 11. Gij hebt reeds een wonder gezien in deze twee legers, die op elkander stieten; de eene schaar kampte voor des Heeren godsdienst, de andere was ongeloovig. De eene hield de andere voor twee malen zoo sterk als zich zelve [252]; want God sterkt met zijne hulp wien Hij wil. Waarlijk, daarin was een voorbeeld voor verstandige menschen. 12. Den menschen werd prikkel en begeerte tot vrouwen, kinderen, goud en zilver, edele paarden [253], kudden en akkers ingeplant; dit zijn allen slechts de genietingen van dit leven, doch de schoonste terugkeer is die tot God. 13. Zeg, kan ik u betere dingen dan deze verkondigen? De vromen zullen bij hunnen Heer eens tuinen vinden met wateren doorsneden, en eeuwig zullen zij daarin verblijven; onbevlekte vrouwen en Gods welbehagen zijn hun ten deel, God slaat zijne dienaren gade. 14. Die zeggen: o Heer! wij zijn geloovigen; vergeef ons onze zonden en bevrijd ons van de straf van het hellevuur. 15. Zoo spreken de geduldigen, de waarheidminnenden, de aandachtigen; zij die aalmoezen geven en bij iederen zonsopgang om Gods genade smeeken. 16. God heeft het zelf betuigd, dat er buiten hem geen God bestaat: de engelen en de menschen met verstand begaafd, bevestigen het in waarheid: Er is geen andere God dan hij, de machtige en wijze. 17. De ware godsdienst des Heeren is de Islam, en zij die de schrift hadden ontvangen, werden het niet eerder oneens, dan nadat de kennis onder hen was gekomen; toen werden zij uit nijd oneens met elkander; maar hij die niet in de teekenen van God gelooft, wete, dat God snel is om rekenschap te vragen. 18. Indien zij met u twisten, zeg dan: Ik heb mij aan God overgegeven, evenals zij die mij volgen. 19. Zeg tot hen, die de schrift hebben ontvangen en tot de onwetenden: [254] Neemt gij den Islam aan? Zoo zij hem aannemen, zijn zij op den rechten weg; zoo zij echter weigeren, moet gij hun slechts prediken; want God ziet zijne dienaren. 20. En diegenen welke de teekenen Gods loochenen en de profeten zonder oorzaak dooden, en hen vermoorden die recht en gerechtigheid prediken, verkondig hun eene pijnlijke straf. 21. Deze zijn het, wier werken voor deze en de toekomstige wereld verloren zijn; en zij zullen niemand hebben om hen te helpen. 22. Hebt gij hen niet opgemerkt, die een deel der openbaring hebben ontvangen [255]? Zij werden op de schrift van God gewezen, daar deze de strijdpunten besliste [256]; maar een deel van hen keerde zich om en verwijderde zich. 23. Dit deden zij omdat zij zeiden: "Het Hellevuur treft ons slechts een bepaald aantal dagen," en zoo vervielen zij, door eigene denkbeelden in den godsdienst, tot dwaling [257]. 24. Hoe zal het zijn, als wij hen op den dag verzamelen, waarover geen twijfel is, en iedere ziel zijn verdiend loon zal ontvangen? Niemand zal dan onrechtvaardig behandeld worden. 25. Zeg: o God! gij die het rijk bezit, gij geeft het rijk aan wien gij wilt, en gij ontneemt het wien gij wilt, en gij verhoogt en gij vernedert wien gij wilt. In uwe hand is al het goede; want gij zijt almachtig. 26. Op den nacht laat gij den dag en op den dag den nacht volgen; gij brengt het leven uit den dood voort. Gij geeft voedsel aan wien gij wilt, zonder maat. 27. Laten de geloovigen geene ongeloovigen, in plaats van geloovigen tot beschermers nemen. Zij die dit echter doen, hebben van God in niets op bijstand te hopen, of gij moest gevaar van hen vreezen; maar God zelf zal u beschermen en gij zult eens tot hem komen. Zeg: gij moogt geheim houden wat in uwe harten is, of het openbaar maken. God weet het; want hij weet wat in den hemel en wat op aarde is; God is almachtig. 28. Op den jongsten dag zal iedere ziel het goede tegenwoordig vinden wat zij gedaan heeft, en zal wenschen, dat tusschen haar en het booze hetwelk zij verricht heeft, eene groote klove moge zijn. God zal u echter zelf beschutten; want hij is genadig omtrent zijne dienaren. 29. Zeg: Indien gij God mint, volgt mij. God zal u beminnen en uwe zonden vergeven, want God is vergevend en barmhartig. Zeg: gehoorzaamt God en zijnen profeet; wendt gij u echter af, weet, God bemint waarlijk de ongeloovigen niet. 30. Zekerlijk, God heeft Adam en Noach en het gezin van Abraham en de familie Imram [258] boven alle andere menschen gekozen. Het eene geslacht sproot uit het andere voort. God hoort en kent alles. 31. Gedenkt dat de vrouw van Imram [259] zeide: O Heer! ik heb u geofferd hetgeen in mijnen boezem is, om aan u te worden gewijd; neem het aan; want gij hoort en weet alles. Toen zij gebaard had, zeide zij: Heer! waarlijk, ik heb een meisje voortgebracht (God wist wel wat zij voortgebracht had), en een knaap is niet gelijk een meisje [260]. Ik heb haar Maria genaamd; haar en hare nakomelingschap stel ik onder uwe bescherming tegen den gesteenigden satan [261]. 32. God nam haar met welgevallen aan [262], en liet een uitmuntenden tak uit haar voortspruiten Zacharias droeg zorg voor haar. Toen Zacharias in hare kamer kwam, vond hij spijzen bij haar [263]. O Maria! van wien bekomt gij dit? Zij antwoordde: Van God; want God spijst wien hij wil, zonder het te rekenen. 33. Daarop bad Zacharias God, en zeide: o God! schenk mij eene gezegende nakomelingschap; want Gij zijt de verhoorder der gebeden. Terwijl hij nog in de kamer stond te bidden, riepen de engelen hem toe: 34. God verkondigt u de geboorte van Yahia [264], die Gods woord zal bevestigen. Hij zal een eerwaardig en kuisch man [265] zijn en een rechtvaardig profeet. 35. Hij antwoordde: Hoe zal ik een zoon krijgen; ik ben reeds door den ouderdom bereikt [266] en mijne vrouw is onvruchtbaar? De engel antwoordde: God doet wat hij wil. 36. Zacharias zeide: o Heer! geef mij een teeken. Hij antwoordde: Dit zal u een teeken zijn, dat gij drie dagen lang slechts met gebaarden tot de menschen zult kunnen spreken. Gedenk uwen Heer dikwijls, en loof hem des avonds en des ochtends. 37. De engelen zeiden tot Maria: God heeft u gekozen, gezuiverd en boven alle andere vrouwen der wereld uitverkoren. 38. O Maria! wees uwen Heer onderdanig; vereer hem en kniel neder met hem, die voor hem nederknielen [267]. 39. Dit is eene geheime geschiedenis, die wij u openbaren. Gij waart er niet bij, toen zij hunne roeden wierpen, wie zorg voor Maria zou dragen; gij waart niet er bij, toen zij er om streden [268]. 40. De engelen zeiden verder; o Maria! God verkondigt u zijn woord; zijn naam zal zijn: Jezus Christus, zoon van Maria. Heerlijk zal hij zijn in deze en in de toekomstige wereld, en een van hen die in Gods nabijheid zijn. 41. En hij zal tot de menschen spreken als kind in de wieg [269] en als volwassen man, en zal een vroom man zijn. 42. O Heer! antwoordde Maria: Hoe zal ik een zoon baren, terwijl geen man mij heeft aangeraakt!" De engel antwoordde: God doet wat en hoe hij wil; en heeft hij eene zaak besloten, dan zegt hij slechts: Wees, en het is. 43. Hij zal hem ook onderwijzen in de schrift en de wijsheid, in de thora en het evangelie en hem tot de kinderen IsraÎls zenden, zeggende: Ik kom tot u met teekens van uwen Heer. Ik wil u uit klei een vogel maken [270], ik zal er op blazen, en hij zal, met Gods verlof, een levende vogel worden, en ik zal den blindgeborene en den melaatsche genezen, en met Gods verlof dooden levend maken [271]. Ik zal u zeggen wat gij eet en verder in uwe huizen verricht. Dit alles zal u een teeken wezen, indien gij geloovig zijt. 44. Ik kom om de thora te bevestigen, die gij vÛÛr mij hebt ontvangen; ik zal u het gebruik van eenige zaken veroorloven, die u vroeger verboden zijn. Ik kom tot u met teekens van uwen Heer. Vreest God en gehoorzaamt mij. Hij is mijn en uw Heer. Vereert hem; dit is de rechte weg. 45. Toen Jezus hun ongeloof zag, zeide hij: Wie wil mij voor Gods zaak helpen. De apostelen antwoordden: Wij willen Gods helpers zijn; wij gelooven aan God; betuig het, dat wij geloovigen zijn. 46. O Heer! wij gelooven aan wat gij geopenbaard hebt, wij gelooven uwen afgezant; schrijf ons daarom in, bij het getal der getuigen. 47. De Joden verzonnen eene list; God bedacht beter tegen hen, en God is de listigste. 48. God zeide: o Jezus! ik wil u doen sterven [272] en u tot mij verheffen [273], en u van de ongeloovigen bevrijden; en hen die u gevolgd zijn, wil ik boven de ongeloovigen plaatsen, tot den dag der opstanding. Gij zult allen tot mij terugkeeren, en ik zal tusschen u richten over de strijdpunten. 49. Ik zal de ongeloovigen in deze en in de volgende wereld streng bestraffen, en niemand zal hen helpen. 50. Maar zij die gelooven en doen wat goed is, zullen hun loon ontvangen; want God bemint de onrechtvaardigen niet. 51. Deze teekens en wijze waarschuwingen maken wij u bekend. 52. In de oogen van God is Jezus gelijk aan Adam; hij schiep hem uit stof en zeide: Zij, en hij was. 53. Deze waarheid komt van God; wees dus geen twijfelaar. 54. Indien iemand, nadat gij de ware kennis hebt gekregen, daarover [274] met u twisten wil, zeg dan: Kom, laat ons onze en uwe zonen te zamen roepen, onze en uwe vrouwen, onze en uwe slaven, en tot God bidden, en Gods vloek over de leugenaars inroepen [275]. 55. Dit is eene ware geschiedenis, en er is geen God, buiten God en God is machtig en wijs. 56. Indien zij omkeeren; waarlijk, God kent de goddeloozen. 57. Zeg: o gij! die de schrift hebt ontvangen, komt en laat ons de volgende vereeniging tusschen ons vinden: Laat ons slechts God vereeren, en geen schepsel met hem gelijk stellen, en dat geen van ons een ander, buiten God, als Heer erkenne [276] en aanbidde. Weigeren zij dit, zeg dan: Wees getuige, dat wij trouwe geloovigen zijn. 58. O gij! die de schrift hebt ontvangen, waarom twist gij omtrent Abraham? De thora en het evangelie werden toch eerst na zijnen tijd geopenbaard. Begrijpt gij dit niet? 59. Gij, die immer twist omtrent zaken, welke gij kunt weten, waarom strijdt gij omtrent zaken, die gij niet kunt weten. God weet, maar gij weet niet. 60. Abraham was noch Jood noch Christen, maar hij was vroom en God onderworpen en geen afgodendienaar. 61. Die, welke Abraham volgen, komen hem het dichtst nabij, en zijn profeet (Mahomet) en de geloovigen. God is de beschermer der geloovigen. 62. Eenigen van hen die de schrift hebben ontvangen, zouden u willen verleiden, maar zij verleiden slechts zich zelven, en zij bemerken het niet. 63. O gij bezitters der schrift! waarom loochent gij Gods teekenen, terwijl gij zelven er getuigen van waart. 64. O gij! die de schrift hebt ontvangen, bemantelt de waarheid toch niet met de onwaarheid, om de waarheid te verbergen, terwijl gij die kent [277]. 65. Eenigen van hen, die de schrift bezitten, zeggen: Geloof des ochtends aan het boek, den geloovigen gezonden, en loochen het des avonds weder; opdat zij weder terugkeeren [278]. 66. Geloof slechts hem, die uwen godsdienst volgt. Zeg: De ware leiding is Gods leiding; indien zij ook een ander is geopenbaard, zooals zij u gegeven is. Zullen zij voor God met u strijden? Zeg hun: Al het goede is in Gods hand. Hij geeft het aan wien hij wil; want hij is goed en wijs. 67. Hij zal zijne barmhartigheid verleenen aan wien hij wil; want God bezit groote genade. 68. Onder hen die de schrift hebben ontvangen zijn er, die gij een talent kunt toevertrouwen; zij zullen u dit teruggeven [279]; maar er zijn ook anderen, die u een, hun geleenden dinar, niet zullen teruggeven, indien gij hen niet aanhoudend dit herinnert. 69. Dit geschiedt omdat zij zeggen: Wij hebben geen verplichting omtrent de onwetenden. Maar zij liegen omtrent God, tegen beter weten aan, 70. Hij, die zijne verplichtingen nakomt en God vreest, dien bemint God. 71. Die met Gods verbond handel drijven en met hunnen eed, voor een nietigen prijs, hebben geen deel aan het volgende leven; op den dag der opstanding zal God hen niet aanspreken. Hij zal geen enkelen blik op hen werpen en hen niet reinigen; maar zij zullen een strenge straf ondergaan. 72. Velen van hen lezen hunne vervalschingen van de schrift zÛÛ voor, dat gij zoudt gelooven, dat het werkelijk in de schrift voorhanden was. Dit is niet zoo in de schrift, en zij antwoorden: Dit is van God, maar het is niet van God, en zij zeggen leugens van God, tegen beter weten aan. 73. Het past den mensch niet, nadat God hem de schrift, wijsheid en de profetie heeft gegeven, dat hij daarop tot de menschen zegge: Bidt mij aan, even als God [280]; maar het past hem te zeggen: Volmaakt u in de schrift, die gij kent, en oefent u er in. 74. God gebiedt u niet, dat gij engelen of profeten voor uwe meesters zoudt nemen [281]. Zou hij u gebieden ongetrouw te worden, nadat gij trouwe geloovigen (Muzelmannen) zijt geworden. 75. Toen God het verbond der profeten aannam, zeide hij hun: Dit is de schrift en de wijsheid die ik u geef. Hierna zal een gezant tot u komen en datgene wat ik u thans geef, bevestigen. Gij moet hem gelooven en hem ondersteunen. God sprak voorts: Hebt gij ernstig besloten, mijn verbond aan te nemen? Zij antwoordden: wij zijn vast besloten. Daarop zeide God: weest dus getuigen, en ik zal met u getuige zijn. 76. Hij die dan terug treden wil behoort tot de zondaren. 77. Verlangen zij eenen anderen godsdienst dan dien des Heeren, terwijl wat in den hemel en op aarde woont, hetzij vrijwillig of gedwongen, hem onderworpen is en alles eens tot hem moet terug keeren. 78. Zegt: Wij gelooven aan God, aan hetgeen hij ons geopenbaard heeft, en aan datgene wat hij aan Abraham, en IsmaÎl, en Izaak, Jacob en de stammen heeft geopenbaard, en aan datgene wat aan Mozes, Jezus en de profeten door hunnen Heer werd geopenbaard. Wij maken geen onderscheid tusschen hen. Wij zijn God onderworpen (Muzelmannen). 79. Die eenen anderen godsdienst dan den Islam aanneemt, wordt door God niet aangenomen, en hij zal in de toekomstige wereld tot hen behooren die vergaan. 80. Hoe zou God de menschen kunnen leiden, die ongeloovigen zijn geworden, nadat zij geloovigen zijn geweest en betuigd hebben, dat de apostel waarachtig was, en zij getuigen waren van de teekens. God leidt de goddeloozen niet. 81. Hunne belooning zal zijn, dat Gods vloek hen zal treffen, en die der engelen en van alle menschen. 82. Eeuwig zullen zij daaronder gebukt gaan; hunne kwelling zal niet verzacht worden, en nimmer zal een blik hen treffen. 83. Niet evenzoo zal het zijn met hen, welke berouw hebben en boete doen; want God is genadig en barmhartig. 84. Zij echter, die ongetrouw zijn geworden nadat zij geloofd hebben, en nog in ongetrouwheid toenemen, hun berouw wordt nimmer aangenomen; want zij blijven in hunne dwaling. 85. Waarlijk, zij die niet gelooven en als ongeloovigen sterven, van hen worden alle schatten der aarde niet aangenomen, indien zij zich daarmede willen los koopen; zij zullen eene strenge straf ondergaan en zullen geen verdediger hebben. 86. Nimmer zult gij de gerechtigheid bereiken, dan nadat gij aalmoezen zult hebben gegeven van hetgeen gij lief hebt; en God weet wat gij geeft. 87. Het gebruik van alle spijzen was den kinderen IsraÎls geoorloofd, uitgezonderd datgene wat IsraÎl zich zelven verbood, vÛÛr de thora werd gegeven. Zeg: breng de thora en lees die, indien gij oprecht zijt. 88. Wie dus God leugens toedicht, behoort tot de goddeloozen. 89. Zeg: God is waarachtig; volgt daarom den godsdienst van den rechtgeloovigen Abraham die geen afgodendienaar was. 90. De eerste tempel voor de menschen gesticht, was die te Becca [282], tot zegen en tot rechtsnoer voor alle menschen. 91. Daarin zijn duidelijke teekens. Dit is de plaats van Abraham, en wie die betreedt, zal veilig zijn. Het is de plicht van alle menschen die het kunnen, een pelgrimstocht daarheen te doen. 92. Wat de ongeloovigen betreft, God heeft geen schepsel noodig. 93. Zeg: o gij! die de schrift hebt ontvangen, waarom gelooft gij Gods teekenen niet? God is getuige van al hetgeen gij doet. 94. Zeg: o gij! die de schrift hebt ontvangen, waarom wilt gij de geloovigen van den weg Gods afleiden? Gij tracht hen te verwarren, en gij zijt zelven getuigen. Maar God is niet onopmerkzaam omtrent hetgeen gij doet. 95. O geloovigen! Indien gij eenigen van hen volgt, die de schrift hebben ontvangen, dan zullen zij u ongeloovig maken, nadat gij geloovig zijt geweest. 96. Hoe kunt gij echter ongeloovig worden, indien men u de teekens van God voorleest, en zijn gezant onder u is? Wie God vast aankleeft, wordt op den rechten weg gevoerd. 97. O geloovigen! vreest God met oprechte vrees en sterft niet, zonder dat gij trouwe geloovigen (Muzelmannen) zijt. 98. Kleeft allen God sterk aan [283] en verlaat hem niet, en gedenkt de weldaden, die hij u heeft bewezen. Terwijl gij vijanden waardt, heeft hij uwe harten vereenigd, en gij zijt door zijne genade een volk van broeders geworden. 99. Gij waart aan den rand van het hellevuur, en hij bevrijdde u. God maakte u zijne teekens bekend, opdat gij op den rechten weg zoudt mogen geleid worden. 100. Opdat gij een volk zoudt worden, dat de anderen tot het goede zou brengen, het goede gebiedende, het slechte verbiedende. Dit volk zal gelukkig zijn. 101. Weest niet als zij die zich gescheiden hebben, en die nog oneenig zijn [284], nadat zij de duidelijke leer hebben ontvangen; zij zullen eene strenge straf ondergaan. 102. Op den dag der opstanding zullen eenige blanke, anderen zwarte gezichten hebben. God zal zeggen tot hen die zwarte gezichten hebben; zijt gij ongeloovigen geworden, nadat gij geloovigen waart? Ontvangt dan de straf voor uw ongeloof. 103. Zij wier gezichten blank zijn, zullen Gods genade ontvangen en die eeuwig genieten. 104. Dit zijn Gods teekenen; die wij u in waarheid openbaren. 105. Hem behoort alles wat in den hemel en op aarde is, en tot hem zullen eens alle dingen terugkeeren. 106. Gij zijt het beste volk dat ooit onder de menschen is opgestaan: gij beveelt wat rechtvaardig is, verbiedt wat slecht is, en gelooft aan God. En indien zij, die de schrift hebben ontvangen, geloofd hadden, waarlijk het ware beter voor hen geweest. Er zijn eenige geloovigen onder hen [285], maar het grootste gedeelte hunner zijn goddeloozen. 107. Zij zullen u slechts weinig nadeel kunnen toebrengen, en als zij met u kampen, zullen zij vluchten en niet geholpen worden. 108. Overal waar men hen vindt, zal smaad hen treffen, behalve indien zij een verbond met God en de menschen sluiten. Gods toorn laden zij op zich, en gebrek zal hen treffen, omdat zij Gods teekenen geloochend, de profeten onrechtvaardig gedood, en oproer en boosheid gesticht hebben. 109. Maar de bezitters der schrift zijn niet allen gelijk. Er zijn rechtschapene onder hen [286], die elken nacht doorbrengen met nadenken over Gods teekenen en hen te aanbidden. 110. Zij gelooven aan God en aan den jongsten dag; zij gebieden wat goed is, verbieden wat slecht is en streven naar goede daden; zij behooren tot de vromen. 111. Het goede zal niet onbeloond blijven: want God kent de vromen. 112. Niets zal bij God de ongeloovige helpen: noch vermogen noch kinderen. Zij worden aan het hellevuur overgeleverd en zullen eeuwig daarin blijven. 113. Wat zij in deze wereld uitleenen, gelijkt een hevigen, kouden wind, die over het staande koren van de menschen waait en het verwoest. God is niet onrechtvaardig omtrent hen; zij waren veeleer onrechtvaardig omtrent zich zelven. 114. O gij geloovigen! sluit geene vriendschap met hen die niet tot de uwen [287] behooren; zij laten niet na, u te verleiden; zij wenschen slechts uw verderf. Hunnen haat hebben zij reeds met den mond uitgesproken, maar wat in hunne borst blijft besloten, is nog verderfelijker. Wij hebben u daarvan reeds bewijzen gegeven, indien gij deze slechts verstaat. 115. Ziet, gij bemint hen, en zij beminnen u niet. Gij gelooft aan de geheele schrift; indien zij u ontmoeten, zeggen zij: wij gelooven; zijn zij echter heimelijk bij elkander gekomen, dan bijten zij zich uit toorn tegen u op de nagels. Zeg hun: sterft van toorn; God kent het binnenste uws harten. 116. Als het u goed gaat, zullen zij bedroefd zijn, en indien u een ongeluk overkomt, zijn zij van vreugde vervuld. Indien gij echter geduldig zijt en God vreest dan zullen hunne listen u niet schaden; want God weet wat zij doen. 117. Herinner u den dag, toen gij met het aanbreken van den dag uwe familie verliet, om de geloovigen een kamp voor den oorlog te bereiden [288], God hoorde en wist het. 118. Toen twee van de heerscharen den moed verloren [289] en God hen ondersteunde. Op God moeten de geloovigen dus vertrouwen. 119. God heeft u geholpen bij den slag van Bedr, toen gij zwakker in getal waart. Vreest dus God en weest dankbaar. 120. En toen gij tot de geloovigen zeidet: Is het niet genoeg, dat God u met drieduizend van den hemel dalende engelen helpt? 121. Waarlijk indien gij volhardt en God vreest, dan zal, indien de vijand u plotseling overvalt, God u met vijfduizend uitgeruste engelen versterken. 122. En God verkondigt dit als eene gelukkige tijding, opdat uwe harten gerust zouden zijn. Er is geene andere hulp dan bij God, de machtige, de wijze. Dat hij de ongeloovigen met den wortel zal uitroeien, of verdelgen, en dat zij omvergeworpen of bestraft zullen worden, is u onnoodig te weten. 123. Het gaat u niet aan, of God hen bestraft of hun vergeeft; het zijn zondaren [290]. 124. Gode behoort alles wat in den hemel en op aarde is; hij vergeeft en straft wien hij wil; God is genadig en barmhartig. 125. O geloovigen! vermijdt den woeker, door tweevoudig te verdubbelen. Vreest God, opdat gij gelukkig zijt. 126. Vreest het vuur, voor de goddeloozen bereid, en gehoorzaamt God en den profeet, om Gods genade te verwerven. 127. Wedijvert om de genade van uwen Heer te ontvangen en het paradijs, dat, zoo groot als de hemel en de aarde, bestemd is voor de godvreezenden. 128. Voor hen die in goede en slechte tijden aalmoezen geven, hunnen toorn beheerschen en de menschen vergeven; want God mint de goeden. 129. Degenen, die nadat zij eene booze daad bedreven of een zonde begaan hebben, God gedenken en om vergeving bidden--en wie kan buiten God hunne zonden vergeven?--en niet volharden in het booze dat zij erkennen. 130. Deze allen zullen genade van hunnen Heer ontvangen, en tuinen van beken doorsneden, waarin zij eeuwig zullen wonen. Hoe heerlijk is het loon van hen die wel handelen. 131. Reeds vÛÛr u waren er voorbeelden van straffen op boozen. Doorloop de aarde, en zie hoe het einde was van hen, die Gods gezanten van bedrog hebben beschuldigd. 132. Dit boek is eene verklaring aan de menschen, een richtsnoer en vermaning voor u, vromen. 133. Weest dus niet ontmoedigd en treurig. Gij zult de bovenhand behouden, indien gij gelooft. 134. Zoo gij in den krijg eene wonde ontvangt, dan heeft de booze mede er eene ontvangen [291] en wij laten de dagen zoo afwisselend op elkander volgen onder de menschen, opdat God hen kenne die gelooven en wie martelaars onder u zijn (God mint de boozen niet). 135. Om de geloovigen te beproeven en de ongeloovigen te verdelgen. 136. Gelooft gij dan het paradijs binnen te gaan, vÛÛr God hen kent, die voor hem gekampt en volhard hebben. 137. Gij verlangdet den dood vÛÛr hij nabij was [292], gij hebt dien gezien en gij beschouwdet dien. 138. Mahomet is slechts een gezant. Andere gezanten zijn reeds vÛÛr hem gestorven: indien hij zou sterven of gedood worden, zoudt gij dan op uwe voetstappen willen terugkeeren? Maar hij die op zijne voetstappen terugkeert, schendt God niet, en God zal de dankbaren beloonen. 139. Geene ziel kan sterven dan op Gods verlof, naar het boek waarin de bestemming van alle dingen is opgeschreven [293]. Wie de belooning in deze wereld verlangt, zullen wij die geven; wij zullen haar echter ook hun geven, die hunne belooning in het toekomstige leven verlangen. De dankbaren zullen wij beloonen. 140. Hoevele profeten kampten met hen, die tienduizendmaal zoo sterk waren; toch lieten zij den moed niet zakken om hetgeen zij doorstonden, terwijl zij voor des Heeren godsdienst kampten, en gedroegen zich niet zwak en niet verachtelijk. God mint hen die geduldig volharden. 141. En zij zeiden niet anders dan: o Heer vergeef ons onze zonden en wat wij in onze daden misdreven hebben; sterk onze voeten en sta ons bij tegen de ongeloovigen. God gaf hun daarvoor in deze wereld belooning en een heerlijk loon in de toekomstige; want God bemint hen die goed doen. 142. O geloovigen! indien gij naar de ongeloovigen luistert, zullen zij op uwe vroegere voetstappen terug brengen, opdat gij afvallig zoudt worden, en u in het verderf storten. 143. God is uw beschermer en hij is de beste helper. 144. Wij vervullen het hart der ongeloovigen met schrik, omdat zij God nog andere wezens hebben toegedicht, waartoe zij geene macht hadden. Het vuur zal hunne woning wezen, en de verblijfplaats der goddeloozen zal verschrikkelijk zijn. 145. God had reeds zijne beloften vervuld, toen gij, met zijnen wil, de vijanden hebt verslagen; maar gij liet den moed zinken, streedt over de bevelen, werd oproerig, hoewel hij u de vervulling uwer wenschen [294] had getoond. 146. Eenige onder u kozen deze wereld, anderen weder de toekomstige. Hij heeft u op de vlucht gejaagd om u te beproeven; maar hij heeft u reeds vergeven; want God is genadig omtrent de geloovigen. 147. Herinnert u, hoe gij tegen de hoogte opgeklommen zijt, en naar geen uwer omzaagt, terwijl de profeet u riep [295]. Toen liet God bedroefenis op bedroefenis over u komen, opdat gij geene droefheid zoudt gevoelen over het verlies van den buit en over andere treurige gebeurtenissen. God kent al uwe daden. 148. Toen liet God, na de droefheid, tot verkwikking, eenigen in diepen slaap vallen [296]. Een ander deel der uwen werd verontrust door zich zelven, terwijl zij valsche en dwaze denkbeelden van God hadden, en zeiden: zal een gedeelte van die zaak met ons gebeuren [297]. Zeg: waarlijk, alles behoort God. Zij verbergen gedachten in hunne harten, die zij u niet openbaren, zeggende: indien een dergelijke zaak met ons gebeurd ware, wij waren hier niet geslagen geworden [298]. Antwoordt hun: Indien gij zelfs in uwe huizen waart gebleven, dan hadden toch zij, wier dood bestemd was, naar buiten naar de plaats moeten gaan om daar te sterven. God wilde daardoor de gevoelens en gedachten uwer harten onderzoeken; want God kent het binnenste van het hart der menschen. 149. Zij die zich op den dag des slags tusschen de beide legers verwijderden, werden door satan verleid, tot straf van eenigerhande misdaad door hen bedreven; maar God heeft hun thans vergeven; want God is vergevend en genadig. 150. O geloovigen! weest niet als de ongeloovigen, die van hunne broeders zeggen, als zij het land doorreizen, of naar den oorlog gaan: Indien zij met ons waren gebleven, zouden zij niet gestorven of niet gedood zijn. God heeft dit gedaan om hun hart te beproeven. God geeft leven en dood, en ziet wat gij doet. 151. En indien gij ook gedood wordt, of sterft voor de verdediging van des Heeren godsdienst, waarlijk dan is Gods genade en barmhartigheid beter dan alle wereldsche schatten. 152. Hetzij gij sterft of gedood wordt, gij wordt tot God verzameld. 153. En wat de barmhartigheid betreft, die gij hun van God hebt geopenbaard, gij o Mahomet! waart mild omtrent hen; waart gij strenger en harder geweest, dan hadden zij zich zekerlijk van u gescheiden. Vergeef hun dus en vraag vergiffenis voor hen, en raadpleeg hen omtrent de zaak van den oorlog, en nadat gij hebt beraadslaagd, vertrouwt op God; want God bemint die op hem vertrouwen. 154. Indien God u helpt, dan kan u niemand overwinnen; indien hij u echter verlaat; wie zou u dan na hem kunnen helpen? Vertrouw daarom op God. 155. Het is de gewoonte van den profeet niet, te bedriegen [299]. Hij, die bedriegt, zal op den dag der opstanding met zijn bedrog moeten verschijnen [300]. Dan zal iedere ziel het loon ontvangen wat zij heeft verdiend, en niemand zal onrechtvaardig behandeld worden. 156. Zou hij, die naar Gods welbehagen leeft, evenzoo behandeld worden als hij, die Gods toorn heeft op zich geladen, en de hel zijne woning zijn? Eene ongelukkige reis zal dat zijn, 157. Er zullen graden van belooning en straf bij God zijn; want God ziet wat gij doet. 158. God heeft ook daardoor zijne goedheid omtrent de geloovigen getoond, dat hij hun een apostel uit hun midden heeft gezonden, om hun zijne teekens te leeren en hen te reinigen, en hen te onderwijzen in de wijsheid [301], daar zij vroeger in eene openbare dwaling verkeerden. 159. Toen u een onheil geschiedde (bij Ohod) nadat gij reeds twee gelijke voordeelen had behaald, zeidet gij: Van waar komt ons dit? Antwoord: Dit is van u zelven [302]; want God is almachtig. 160. En wat u trof op den dag, toen de twee legers elkander ontmoeten, was zekerlijk door Gods wil, opdat hij de geloovigen en de goddeloozen zou leeren kennen. Toen men hun zeide: komt, vecht voor des Heeren godsdienst en drijft den vijand terug, zeiden zij: Indien wij konden vechten zouden wij u volgen. Toen waren zij het ongeloof nader dan het geloof. 161. Zij spraken met hunne monden, wat niet in hunne harten was: maar God wist wat zij verborgen. 162. Die te huis gebleven waren, zeide van hunne broeders: Hadden zij ons gevolgd, dan waren zij niet geslagen geworden. Antwoord hun: Keert den dood dan van u af, indien gij waarheid zegt. 163. Rekent hen toch niet onder de dooden, die voor des Heeren godsdienst zijn gevallen: zij leven bij hunnen God, die hen voor eeuwig verzorgt. 164. Zij verblijden zich om de weldaden, waarmede God hen heeft overladen, en verheugen zich om degenen, die na hen zullen komen, maar nog niet bij hen zijn, en die door vrees noch droefheid zullen getroffen worden. 165. Zij verheugen zich om de weldaden en de genade die zij van hem hebben ontvangen, en omdat hij de belooningen der geloovigen niet verloren laat gaan. 166. Zij, die God en zijnen apostel gevolgd zijn en nadat zij te Ohod verwond waren, even als zij die goede daden verrichten en God vreezen, zullen eene ruime belooning ontvangen. 167. Tot hen zeiden de menschen: Waarlijk: de bewoners van Mekka hebben zich reeds met macht tegen u uitgerust: vreest hen dus; maar dit vermeerderde slechts hun vertrouwen, en zij zeiden: God is onze hulp en de beste beschermer. 168. Daarom kwamen zij ook met Gods gunst en weldaden terug: geen ongeluk had hen getroffen, en zij volgden Gods welbehagen; want zijne genade is oneindig. 169. Satan wil u vrees voor zijne vrienden veroorzaken; doch vreest niet hen, maar mij alleen, indien gij geloovigen zijt. 170. Laten zij u niet bedroeven, die het ongeloof zoo haastig najagen: zij zullen God nooit het minst schaden. God zal hun geen deel in de toekomstige wereld geven, en zij zullen eene gestrenge straf ondergaan. 171. Waarlijk, zij die het geloof tegen ongeloof verruilen, kunnen God niet de minste schade toebrengen, maar eene gestrenge straf wacht hen. 172. Laten de ongeloovigen toch niet denken, dat, zoo wij hun leven verlengen en gelukkig maken, dit eene weldaad zij: neen! wij verlengen hun leven en maken het gelukkig, opdat zij slechts hunne zonden vermeerderen en eene strengen straf zouden ondergaan. 173. God zal de geloovigen niet langer in den toestand laten, waarin gij u thans bevindt, dan tot dat hij de slechten van de goeden heeft afgezonderd. 174. God zal u ook niet met zijne geheimen bekend maken [303]; maar God kiest hiertoe een zijner gezanten; naar zijn welbehagen. Gelooft daarom in God en zijne Gezanten: indien gij gelooft en God vreest, zult gij eene ruime belooning ontvangen. 175. Laat ook zij die gierig zijn met de weldaden, die hun door Gods goedheid zijn geworden, niet gelooven dat hunne gierigheid tot hun geluk dient: neen zij dient veeleer tot hun verderf. 176. Wat zij met gierigheid verzameld hebben, zal op den dag der opstanding hun als een halsband om den hals gehangen worden [304]. God is erfgenaam van hemel en aarde; hij kent al uwe daden. 177. God heeft reeds de woorden gehoord van hen die zeiden: God is arm en wij zijn rijk. Wij willen opschrijven wat zij gezegd hebben, even als den moord der profeten, die zij zonder oorzaak hebben begaan en wij willen tot hen zeggen: Neemt nu de straf der verbranding aan. 178. Dit zullen zij ondergaan voor het booze, dat zij met hunne handen hebben verricht; want God is niet onrechtvaardig omtrent zijne dienaren. 179. Anderen zeggen: God heeft ons beloofd, dat wij geen gezant zouden moeten gelooven, dan alleen indien hij met een offer tot ons komt, dat dadelijk door het vuur verteerd wordt. 180. Antwoord: Reeds vÛÛr mij zijn gezanten gekomen met duidelijke bewijzen en met het wonder waarvan hij spreekt: waarom hebt gij hen dan gedood, indien gij waarheidlievende menschen zijt? 181. Beschuldigen zij u van bedrog o Mahomet! de gezanten vÛÛr u werden reeds van bedrog beschuldigd, terwijl zij duidelijke bewijzen medebrachten en de schrift het verlichtende boek. 182. Iedereen zal den dood proeven, en op den dag der opstanding zult gij uw loon ontvangen; en hij, die zich ver van het vuur heeft verwijderd en in het paradijs zal toegelaten worden, zal gelukkig zijn; want het aardsche leven is bedriegelijk bezit. 183. Gij zult beproefd worden in uwe bezittingen en in u zelven, en gij zult vele harde woorden moeten aanhooren van hen, die de schrift vÛÛr u hebben ontvangen en van de afgodendienaars; maar weest geduldig en vreest God; want zoo is het vastbesloten. 184. En toen God een verbond sloot met hen, die hij de schrift gaf, met den last, die den menschen bekend te maken en haar niet te verbergen, wierpen zij dit achter hunne ruggen en verkochten het voor een lagen prijs. Hoe slecht was de prijs dien zij er voor ontvingen. 185. Denk niet dat zij, die zich verblijden in hetgeen zij gedaan hebben, en wenschen geprezen te worden om hetgeen zij niet gedaan hebben, denk niet dat zij van de straf zijn uitgesloten; eene groote straf wacht hen. 186. God is de Heer over hemel en aarde. Hij is de almachtige. 187. In de schepping van hemel en aarde; in de afwisseling van dag en nacht zijn teekens voor hen die nadenken. 188. Die staande, zittende en liggende aan God denken en, bij het nadenken over de schepping van hemel en aarde, uitroepen: O Heer! gij hebt dit niet zonder reden geschapen. Lof zij u. Red ons van de straf des vuurs. 189. O, Heer! indien gij iemand in het vuur stort, zult gij hem met schande bedekken. De goddeloozen hebben geene hulp van u te hopen. 190. O Heer! wij hebben een prediker gehoord [305], die ons tot geloof aanspoorde, zeggende: Gelooft in uwen Heer! en wij geloofden. 191. O Heer! vergeef ons dus onze zonden; wisch onze misstappen uit en laat ons met de vromen sterven. 192. O Heer! geef ons ook wat gij door uwe gezanten hebt beloofd, en bedek ons niet met schande op den dag der opstanding. Gij verbreekt uwe belofte niet. 193. God antwoordde hun, zeggende: Ik laat geene goede daad verloren gaan, wie die ook gedaan hebbe; hetzij man of vrouw [306]. De eene onder u is uit den andere gesproten. 194. Zij die hunne woonplaatsen hebben verlaten en uit hunne huizen werden verdreven, voor mijnen godsdienst hebben geleden, en in den slag zijn omgekomen, wil ik van alle schuld bevrijden, en zal hen brengen in de tuinen van wateren doorsneden. 195. Dit is de belooning van God; dit is de schoonste belooning. 196. Laat u niet verblinden door den voorspoed der ongeloovigen [307]. IJdel genot [308]. Hunne woning zal de hel zijn; een ongelukkig verblijf. 197. Maar zij, die God vreezen, zullen tuinen bewonen met wateren doorsneden, en zullen eeuwig daarin verblijven. Dit is de belooning van God. Wat van God komt, is beter voor de geloovigen. 198. Onder hen die de schrift hebben ontvangen, zijn er, die God gelooven en in hetgeen u is gezonden, en hetgeen hun is gezonden; die zich aan God onderwerpen en Gods teekenen niet voor een geringen prijs verkoopen. 199. Zij zullen hunne belooning van God ontvangen; want God is vlug in het samenstellen. 200. O, geloovigen! weest geduldig; streeft er naar, in geduld uit te munten; weest standvastig en vreest God, opdat gij gelukkig zijt.

VIERDE HOOFDSTUK.

DE VROUWEN [309].

Gegeven te Medina--175 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. O menschen! vreest uwen God, die u uit eenen man geschapen heeft en uit dezen diens vrouw, en uit beiden vele mannen en vrouwen deed ontstaan. Vreest God, tot wien gij voor elkander bidt [310], en eert de vrouw [311] die u heeft geboren: want God waakt over u. 2. Geeft de weezen hun vermogen (als zij meerderjarig zijn geworden), en geeft hun geen slecht voor goed [312]. Verteer hun vermogen niet, door het bij het uwe te voegen; want dit is eene groote zonde. 3. En indien gij vreest, niet rechtvaardig te kunnen zijn omtrent de weezen (der vrouwelijke kunne), neem dan, naar uw behagen, twee of drie, of vier vrouwen, maar niet meer [313]. Indien gij echter toch vreest, niet rechtvaardig te kunnen zijn, neem dan eene, of eene der slavinnen die gij u verworven hebt [314]. Dan zal het u gemakkelijker zijn, niet van den rechten weg af te dwalen. En geef uwe vrouwen insgelijks hare huwelijksgiften [315], en indien zij u vrijwillig daarvan een deel afstaan, geniet het dan met gemak en nut. 4. Vertrouw het vermogen der zwakken van zinnen [316], hetwelk God u tot hun onderhoud heeft gegeven, niet in hunne handen, maar voed hen; geef hun kleederen en spreek vriendelijk met hen. 5. Onderzoekt de weezen [317] tot zij de jaren des huwelijks hebben bereikt [318]. Vindt gij hen in staat, om hunne zaken zelf te besturen, geeft hun dan hun vermogen terug. Neemt u in acht, dat gij het niet buitensporig verteert en haast u niet. 6. Want zij groeien op [319]. Dat de rijke voogd zich in acht neme, het geld van zijn pupil aan te raken, en laat hij, die arm is, naar billijkheid van hun vermogen genieten [320]. 7. Als gij hun het vermogen overgeeft, neemt dan getuigen in hunne tegenwoordigheid. God vordert rekenschap van uwe daden en dat is voldoende. 8. De mannen komt een deel toe van hetgeen ouders en bloedverwanten nalaten, de vrouwen moeten mede een deel hebben van hetgeen ouders of bloedverwanten nalaten [321], hetzij weinig of veel; een bepaald deel komt hun toe. 9. Indien de verwanten, weezen en armen tegenwoordig zijn bij de deeling, verdeel dan een gedeelte onder hen, en spreek hen ten minste vriendelijk aan, indien er weinig aanwezig is. 10. Laat degenen huiveren, weezen te bedriegen, die jonge kinderen nalaten, en voor hen vreezen. Zij moesten God vertrouwen en slechts eene gepaste taal voeren [322]. 11. Zij, die het vermogen der weezen onoprecht verteren, brengen het vuur in hunne ingewanden, en zullen eens in heete vlammen braden. 12. God heeft u dit, betreffende uwe kinderen, geboden. Een knaap zal zooveel hebben als het deel van twee vrouwen [323]; maar indien het alleen vrouwen zijn, en meer dan twee, zullen zij twee derden der nalatenschap [324], en indien er maar eene is, zal zij de helft [325] hebben. En de ouders van den overledene zullen ieder een zesde gedeelte ontvangen van hetgeen hij nalaat, indien hij een kind heeft achtergelaten. Indien hij geen kind nalaat, en zijne ouders zijne erven zijn, zal de moeder een derde [326] hebben. En indien hij broeders heeft, zal zijne moeder een zesde hebben, nadat de legaten [327] en de schulden van den erflater zullen betaald zijn. Gij weet niet, of uwe kinderen of uwe ouders u nuttiger zijn. Dit is een bevel van God, de alwetende en alwijze. 13. Buitendien moogt gij aanspraak maken op de helft van hetgeen uwe vrouwen nalaten, indien zij geene kinderen hebben; en indien zij kinderen bezitten, dan zult gij het vierde ontvangen van hetgeen zij nalaten, nadat de legaten en hare schulden zullen betaald zijn. 14. Zij zullen ook het vierde hebben van hetgeen gij zult nalaten. Indien gij kinderen hebt, zullen zij het achtste gedeelte hebben van hetgeen gij nalaat, nadat uwe legaten en schulden zullen zijn betaald. 15. En indien het vermogen van een man of eene vrouw door een verwijderde bloedverwant wordt geÎrfd [328], en hij of zij een broeder of zuster heeft, dan zal ieder van hen beiden een zesde gedeelte der nalatenschap [329] ontvangen. Indien er meer zijn, zullen zij een derde gedeelte gelijk deelen, na betaling der legaten en schulden. 16. Zonder daardoor aan anderen nadeel toe te brengen. Dit is een bevel van God; hij is wijs en genadig. 17. Dit zijn Gods bevelen. En wie God en zijne gezanten gehoorzaamt, zal door God in tuinen geleid worden van stroomen doorsneden. Hij zal eeuwig daarin verblijven, en dit zal eene groote gelukzaligheid zijn. 18. Maar hij die God en zijne gezanten ongehoorzaam is en zijne bevelen overtreedt, zal in het vuur der hel komen. Hij zal daarin eeuwig verblijven en eene schandelijke straf ondergaan. 19. Indien uwe vrouwen aan eene afschuwelijke daad [330] schuldig zijn, roep dan vier getuigen van u tegen haar, en indien deze tegen haar getuigen, sluit haar op in afzonderlijke vertrekken, tot de dood haar bevrijdt, of dat God haar een weg tot redding schenkt. 20. Indien twee uwer dezelfde misdaad begaan, straf hen beiden [331]; maar indien zij berouw hebben en zich beteren, laat hen met rust; want God is vergevingsgezind en barmhartig. 21. Waarlijk, bij God is verzoening voor hen, die in onwetendheid gezondigd en er spoedig berouw over hebben. God vergeeft hun; want God is alwetend en wijs. 22. Maar er is geene verzoening voor hen, die het booze doen tot de dood hen treft, en dan eerst zeggen: Ik heb berouw; ook voor hen niet die als ongeloovigen sterven. Voor dezen hebben wij een strenge straf bepaald. 23. O geloovigen! het is niet geoorloofd, de erfgenamen van vrouwen te worden, tegen haren wil, noch haar te beletten te trouwen; om daardoor een deel te ontvangen van hetgeen gij haar gegeven hebt, behalve indien zij eene openbare misdaad [332] hebben begaan; maar ga goed met haar om. Indien gij haar echter haat, dan kan het mogelijk zijn, dat gij iets haat, waarin door God groot geluk voor u is bereid. 24. Indien gij eene vrouw tegen eene andere wilt verruilen [333], en hadt gij reeds eene van haar een talent gegeven, dan nog moogt gij niets daarvan terugnemen [334]. Zoudt gij het haar ook door eene onrechtvaardigheid en klaarblijkelijke oneerlijkheid willen afnemen? 25. En hoe zoudt gij het haar ook willen afnemen, dewijl gij innig met elkander verbonden zijt geweest en uwe vrouw uwe plechtige gelofte heeft ontvangen. 26. Huw de vrouwen niet, die de echtgenooten van uwe vaders waren, hetgeen reeds geschied is; want het is schandelijk en afschuwelijk, en eene slechte daad. 27. Het is u verboden te huwen met uwe moeders, uwe dochters en uwe zusters, en uwe tantes, zoowel van vaders als van moeders zijde; de dochters van uwe broeders en zusters, uwe voedsters [335], uwe zoogzusters, de moeder uwer vrouwen en uwe stiefdochters, welke gij onder uwe bescherming hebt genomen, en uit vrouwen geboren zijn, met welke gij reeds omgang hebt gehad. Hebt gij echter geen omgang met haar gehad, dan is er geene zonde in met haar te huwen. Huw ook niet met de vrouwen uwer zonen, die uit u zijn ontsproten, noch twee zusters, behalve wat reeds is geschied [336]; want God is genadig en barmhartig. 28. Het is verboden, getrouwde vrouwen te huwen, behalve diegene, welke als slavinnen [337] in uwe handen zijn gevallen. Zoo gebiedt God het u. Al het overige wat hier niet wordt verboden, is geoorloofd. Gij kunt uw vrouwen nemen naar uw vermogen, maar altijd sober levende en u niet aan ongebondenheid overgevende. En voor het genoegen dat gij met haar smaakt, zult gij haar eene belooning geven [338], overeenkomstig hetgeen is voorgeschreven. Het zal geene misdaad van u zijn, indien gij daarenboven eene andere overeenkomst met elkander aangaat, na het volvoeren van hetgeen is voorgeschreven; want God is alwetend en wijs. 29. Hij onder u, die niet rijk genoeg zal zijn, vrije [339] vrouwen die geloovig zijn te huwen, zal met slavinnen huwen, indien zij geloovig zijn; want God kent uw geloof [340]. Gij zijt de een uit den ander voortgekomen [341]; huw haar daarom met de toestemming harer meesters, en geef haar een bruidschat, volgens hetgeen rechtvaardig is. Laat haar kuisch, niet schuldig aan overspel zijn en geene liefdesbetrekkingen onderhouden. 30. En indien zij gedurende het huwelijk overspel plegen, zullen zij de helft der straf ondergaan, die voor vrije vrouwen is bepaald [342]. Dit is bepaald voor degenen onder u, die vreezen te zondigen door vrije vrouwen te huwen; maar het is beter voor u, geene slavin te huwen. God is genadig en mild. 31. God wil u deze voorschriften verklaren en u leiden in de richting van hen, die u zijn vooraf gegaan, en genadig omtrent u zijn. God is alwetend en wijs. 32. God wil barmhartig omtrent u zijn; maar zij die hunne hartstochten volgen, verlangen, dat gij zult afwijken langs eene steile helling. God is geneigd, zijnen godsdienst licht voor u te maken, daar de mensch zwak geschapen is. 33. O geloovigen! verteert uwe bezittingen niet onder u in ijdelheid [343], tenzij het bij wederzijdsche verbintenis tusschen u is bepaald; doodt u niet onder elkander [344]. Waarlijk, God is lankmoedig omtrent u. 34. Hij, die zoodoende, door boosheid en ondeugd zal handelen, zal door het vuur der hel verteerd worden, en dit is God gemakkelijk. 35. Indien gij de groote zonden weet te vermijden [345], welke u verboden zijn, zullen wij uwe overtredingen vergeven, en zullen u met eere binnen het paradijs voeren. 36. Begeer niet wat God den een boven den ander uwer heeft geschonken. De mannen zullen ieder een deel hebben van hetgeen zij gewonnen hebben, en de vrouwen zullen het deel hebben van hetgeen zij zullen hebben gewonnen; daarom zult gij God om zijne goedheid vragen. Hij is alwetend. 37. Wij hebben ieder de erfgenamen aangewezen, die de erfenis zullen ontvangen, door vader en moeder en bloedverwanten bij hunnen dood nagelaten. En hun met wien uwe rechterhanden verbintenissen hebben gesloten, zult gij een deel van de erfenis geven [346]; want God is getuige van alle dingen. 38. De mannen zullen de voorkeur boven de vrouwen hebben, door de voordeelen, waarmede God den een heeft begiftigd, om boven de anderen uit te munten, en omdat zij van hun vermogen besteden om hunne vrouwen te onderhouden. De deugdzame vrouwen zijn gehoorzaam en onderworpen; zij bewaren zorgvuldig, gedurende de afwezigheid harer mannen [347], wat God haar bevolen heeft ongeschonden te bewaren. Gij zult haar bestraffen, wier ongehoorzaamheid gij hebt te vreezen. Sluit haar in afzonderlijke vertrekken op [348] en tuchtigt haar [349]. Maar indien zij u gehoorzaam zijn, zoekt dan geen twist met haar. God is verheven en groot. 39. Indien gij eene breuk tusschen de beide echtgenooten vreest, kies dan een scheidsrechter [350] in zijne familie en een scheidsrechter in hare familie: indien de echtgenooten zich wenschen te vereenigen, zal God hen in goede verstandhouding doen leven; want hij is alwetend en wijs. 40. Dien God en verbind geen schepsel met hem [351]. Wees goed voor uwe vaders en moeders, voor bloedverwanten, weezen, armen, uwen nabuur, die u bestaat [352] en ook voor den nabuur die vreemdeling is; voor uwe makkers, reizigers en voor hen die uwe rechterhand zal bezitten (slaven). God bemint de hoovaardige en snoevende menschen niet. 41. Die gierig zijn en de gierigheid anderen aanbevelen, en verbergen wat God hun in zijne goedheid heeft gegeven. Wij hebben den ongeloovigen eene schandelijke straf bereid. 42. Hij bemint degenen niet, die aalmoezen geven om door de menschen te worden opgemerkt, en in God noch in den jongsten dag gelooven. Hij, die satan tot makker heeft, bezit een slechten makker. 43. Wat zouden zij verloren hebben, indien zij aan God en den laatsten dag geloofden; indien zij aalmoezen gaven van weldaden die God hun heeft geschonken, naardien God de daden der menschen kent. 44. Waarlijk, God zal geen onrecht doen, aan wien het ook zij, zelfs niet ter zwaarte van een atoom [353]. Indien het eene goede daad is, zal hij die verdubbelen, en daarvoor eene groote belooning schenken. 45. Wat zullen de ongeloovigen doen, wanneer wij een getuige uit ieder volk tegen hen zullen brengen, o Mahomet! en uwe eigene getuigenis tegen hen zullen inroepen. Op dien dag zullen zij, die niet geloofd hebben en wederspannig jegens den profeet zijn geweest, veeleer willen, dat de aarde hen had verzwolgen. Maar zij zullen zich op geenerlei wijze voor God kunnen verbergen. 46. O geloovigen! komt niet om te bidden, indien gij beschonken zijt, totdat ge zult verstaan wat gij zegt; noch wanneer gij bezoedelt zijt. Wacht, tot gij uw aangezicht gewasschen hebt, ten minste wanneer gij niet op reis zijt. Maar indien gij ziek of op reis zijt, of uwe natuurlijke behoeften hebt voldaan, of eene vrouw hebt aangeraakt, en geen water [354] vindt, neemt dan zuiver, fijn zand en wrijft uw aangezicht en uwe handen daarmede; want God is genadig en vergevingsgezind. 47. Hebt gij hun niet opgemerkt, onder welke een deel der schrift werd geopenbaard? Zij verkoopen dwaling en zouden u den rechten weg willen doen verlaten; maar God kent uwe vijanden wel. God is een voldoende beschermer. God is een toereikend helper. 48. Onder de Joden zijn sommigen, die de woorden uit hunne schrift verplaatsen en zeggen: Wij hebben gehoord, maar wij hebben niet gehoorzaamd. Hoort wat gij tot nu toe niet gehoord hebt, en hoort ons, ook zonder onze meening te verstaan, en zie naar ons; zoo verwarren zij de woorden met hunne tongen en lasteren den waren godsdienst. 49. Maar indien zij zouden gezegd hebben: Wij hebben gehoord en wij gehoorzamen; hoort naar ons en sla ons gade [355], waarlijk het ware beter voor hen en rechtvaardiger. Maar God heeft hen verwenscht om hunne ongetrouwheid; daarom zullen slechts eenigen kunnen gelooven [356]. 50. Gij, aan wie de schriften zijn gegeven, gelooft aan hetgeen God u heeft nedergezonden, om uwe geheiligde boeken te bevestigen, alvorens wij de trekken van uwe aangezichten uitwisschen, en die elders heen wenden [357], of u vervloeken, zoo als wij hen vervloekten, die den sabbathdag schonden [358], en het bevel van God was volvoerd. 51. Waarlijk, God zal hun niet vergeven, die een gelijke naast hem plaatsen. Hij zal de andere zonden vergeven [359] aan wien hij wil, maar zij die een ander met hem gelijk zullen hebben gesteld, hebben eene groote zonde begaan. 52. Hebt gij hen niet gezien die zich rechtvaardigden [360]? Maar God zal slechts hen rechtvaardigen die hem behagen; hun zal geen haar gekrenkt worden. 53. Ziet, hoe zij een leugen tegen God bedenken. Dat is genoeg voor een duidelijke zonde, 54. Hebt gij hen niet opgemerkt, die, na een deel van de schrift te hebben ontvangen, aan valsche goden en afgoden gelooven [361], en die den ongetrouwen zeggen, dat zij een meer waren weg dan de geloovigen volgen. 55. Dat zijn zij, die door God vervloekt zijn; en onder hen die God zal vervloeken, zullen zij zeker geen helper vinden. 56. Zouden zij een deel van het koninkrijk hebben; zij die niet het kleinste deel aan de menschen hebben gegeven? 57. Benijden zij de weldaden, die God aan anderen heeft geschonken? Wij hebben het geslacht van Abraham een boek van wijsheid gegeven, en wij gaven hun een groot koninkrijk. 58. Onder hen gelooven eenigen aan den profeet, en anderen hebben zich van hem afgewend; maar het vuur der hel is een toereikende straf. 59. Waarlijk, zij die onze teekenen niet gelooven, zullen in het hellevuur geworpen worden; zoodra hunne huid goed verbrand zal zijn, zullen wij hen met een andere huid bedekken, om hun de marteling te doen gevoelen. God is machtig en wijs. 60. Zij die gelooven en goed handelen, zullen wij brengen in tuinen door rivieren besproeid; daarin zullen zij eeuwig wonen, en daar zullen zij zich met geheel kuische vrouwen verheugen en wij zullen hen in eeuwige schaduwen brengen. 61. God beveelt u, den eigenaars terug te geven wat gij van hen onder uwe bewaring hebt, en als gij tusschen menschen richt, dat gij eerlijk zult richten. En waarlijk, het is eene schoone deugd die God u aanbeveelt; want God hoort en ziet alles. 62. O geloovigen! gehoorzaamt God en gehoorzaamt den gezant; en hun onder u die de macht uitoefenen; en indien gij omtrent eene of andere zaak verschilt, brengt dan uw geschil voor God [362] en den profeet, indien gij in God en den jongsten dag gelooft; dit is beter en de beste wijze van beslissing. 63. Hebt gij hen niet gezien, die beweren, aan datgene te gelooven wat u is geopenbaard en wat vÛÛr u werd geopenbaard? Zij verlangen voor Thagut [363] te worden gericht, hoewel het hun verboden is, in hem te gelooven. Maar satan wil hen ver van de waarheid leiden. 64. En wanneer men hun zegt: Keert tot het boek terug, dat den godsgezant van boven is nedergezonden, ziet gij de goddeloozen zich met tegenzin van u afwenden. 65. Maar wat zullen zij doen, aan welke, als een gevolg van het werk hunner eigen handen, een groot ongeluk zal overkomen? Zij zullen tot u komen en bij God zweren, dat zij slechts het goede en de eendracht verlangen [364]. 66. God weet, wat in de harten dier menschen is verborgen; laat hen daarom alleen. Waarschuw hen en richt een woord tot hen, opdat hunne zielen daarvan worden doordrongen. 67. Wij hebben geen apostel gezonden, dan opdat hij door het verlof van God mocht worden gehoorzaamd; maar indien zij, nadat zij hunne eigen zielen hebben beleedigd [365], tot u komen en God vergiffenis vragen, en de godsgezant vraagt vergiffenis voor hen, zullen zij God zeker tot vergeving gezind en barmhartig vinden. 68. Ik zweer bij uwen God, zij zullen niet geloovig zijn, dan nadat zij u rechter over hunne geschillen zullen hebben gemaakt, en niets in te brengen hebbende tegen hetgeen gij hebt beslist, zullen zij zich daaraan geheel onderwerpen. 69. Indien wij hun hadden bevolen, zich zelven te dooden, of hunne huizen te verlaten, zouden zij het, eenigen van hen uitgezonderd, niet gedaan hebben. En indien zij gedaan hadden wat hun bevolen werd, waarlijk, het zou beter voor hen zijn geweest, en meer geschikt om hun geloof te bevestigen. 70. Wij zouden hen rijkelijk beloond en op den rechten weg geleid hebben. 71. Zij, die in God en den profeet gelooven, zullen onder hen zijn, die God genadig was; onder de profeten, de oprechten, de martelaars, de godvruchtigen, en dat is het uitmuntendste gezelschap. 72. Dit is Gods goedheid; en Gods wetenschap is toereikend. 73. O geloovigen! neemt uwe voorzorgen [366] tegen den oorlog en rukt in gedeelten of gezamenlijk op. 74. Er is menigeen onder u, die u langzaam zal volgen, en indien gij tegenspoed zult ondervinden, zal hij zeggen: God heeft mij eene bijzondere gunst bewezen, dat ik niet met hen was. 75. Maar indien God u voorspoed geeft, zal hij zeggen (als was er geene vriendschap tusschen u en en hem: God gave, dat ik met hen ware geweest; ik zou groote verdienste hebben verworven. 76. Laten zij daarom voor Gods zaak strijden, die het tegenwoordige leven voor het toekomstige willen verruilen; want hij die voor Gods zaak strijdt, hetzij hij geslagen wordt of overwint [367] waarlijk, wij zullen hem eene groote belooning schenken. 77. En waarom zoudt gij niet voor Gods zaak strijden, als de zwakken, de vrouwen, de kinderen uitroepen: O Heer! breng ons uit deze stad, wier bewoners dwingelanden zijn; zend ons een beschermer van u; geef ons een verdediger van u. 78. Zij die gelooven strijden voor Gods zaak, maar zij die niet gelooven strijden voor de zaak van Thagut. Strijdt daarom tegen de vrienden van satan: en waarlijk de listen van satan zullen onmachtig zijn. 79. Hebt gij hen niet gezien tot welke was gezegd: Onthoudt uwe handen van den oorlog [368], weest standvastig in het gebed en geeft aalmoezen? Maar als de strijd hun wordt bevolen vreest een deel hunner de menschen, zooals zij God moesten vreezen, of met nog grooter vrees, en zeggen: O Heer! waarom hebt gij ons bevolen ten strijd te gaan, en waarom hebt gij ons niet veroorloofd, ons naderend einde [369] af te wachten? Antwoordt hun: Het genot van dit leven is klein, maar het toekomstige leven is het ware goed voor hen, die God vreezen; en daar zult gij in het minst niet bedrogen worden. 80. Waar gij ook mocht wezen zal de dood u bereiken; al waart ge in hooge torens. Indien God hen begunstigt, zeggen zij: Dit is van God, maar indien hun kwaad overkomt, zeggen zij: Dit is van u, o Mahomet [370]! Zeg hun: Alles komt van God; en wat ontbreekt dit volk, dat zij zoo ver verwijderd zijn van hetgeen hun werd gezegd? 81. Wat goeds u ook overkome, het komt van God. Het kwaad komt van u zelven [371]. Wij hebben een gezant onder de menschen gezonden. Gods getuigenis is toereikend. 82. Hij, die den gezant gehoorzaamt, gehoorzaamt God. Wij hebben u niet gezonden, om eene beschermer voor hen te zijn, die zich van u afwenden. 83. Zij zeggen: Wij gehoorzamen, maar als gij van hen vertrokken zijt, dan bepeinst een deel hunner, gedurende den nacht zaken, die tegen datgene strijden, wat gij zeidet. Maar God zal opschrijven wat zij des nachts overdenken. Laat hen daarom alleen en vertrouw op God; want Gods bescherming is steeds toereikend. 84. Onderzoeken zij den Koran niet nauwkeurig? Indien die van iemand anders dan God afkomstig was, zouden zij daarin niet menige tegenstrijdigheid gevonden hebben? 85. Indien zij een bericht ontvangen, waardoor hun zekerheid of vrees wordt ingeboezemd, verspreiden zij dat onmiddellijk; maar indien zij het den gezant en hunne opperhoofden vertelden, zouden zij, die waarheid begeerden, haar uit den mond van deze laatsten hooren. Indien Gods genade en zijne barmhartigheid niet over u waakten, zoudt gij, eenigen van u uitgezonderd [372], satan volgen. 86. Strijdt daarom voor Gods zaak, en legt niemand iets moeielijks op, behalve u zelven; spoort echter de godvruchtigen tot den strijd aan, misschien wil God den moed der ongeloovigen verkleinen; want God is sterker dan zij, en meer in staat te straffen. 87. Hij, die tusschen menschen treedt met een loffelijk doel, zal een gedeelte daarvan genieten, en hij die met een slecht doel daartusschen treedt, zal een deel daarvan genieten. God overziet alles. 88. Indien gij gegroet wordt, groet dan nog vriendelijker, of beantwoordt het op dezelfde wijze. God rekent alles. 89. God! Er is geen God buiten hem; hij zal u zeker op den dag der opstanding verzamelen; daaraan is geen twijfel; en waar is meer waarheid, dan in hetgeen God zegt? 90. Weshalve zijt gij omtrent de goddeloozen [373] in twee deelen gesplitst? Dewijl God hen heeft verstooten om hetgeen zij hebben bedreven? Wilt gij hen geleiden, dien God heeft doen verdwalen? Gij zult geen weg vinden voor hem, dien God doet dwalen. 91. Zij willen u ongetrouw maken, zooals zij ongetrouwen zijn, en dat gij gelijk zij zult wezen. Kiest daarom geene vrienden onder hen, totdat zij hunne woonplaats voor Gods zaak zullen hebben verlaten. Indien zij het geloof den rug toewenden, grijpt en doodt hen, waar gij hen mocht vinden, en kiest geen vriend of beschermer onder hen. 92. Uitgezonderd zij, die eene schuilplaats bij uwe bondgenooten mochten zoeken, of zij, die tot u komen, en die hun hart verbiedt, om Úf tegen u, Úf tegen hun eigen volk te strijden [374]. Indien het God behaagd had, zou hij hun hebben veroorloofd tegen u gestemd te zijn, en zij zouden tegen u gestreden hebben. Maar indien zij aftrekken van u en niet tegen u strijden, en u den vrede aanbieden, verbiedt God u, hen aan te tasten of te dooden. 93. Gij zult anderen vinden, die begeerig zullen zijn, uw vertrouwen te winnen, en op denzelfden tijd het vertrouwen van hun eigen volk te bewaren. Telkenmale dat zij tot de wanorde terugkeeren, zullen zij verjaagd worden; en indien zij niet van u aftrekken, en den vrede niet aanbieden en niet ophouden u te bestrijden, zult gij hen aangrijpen en hen overal dooden, waar gij hen mocht vinden. Over hen geven wij u eene volstrekte macht. 94. Het is verboden, dat een geloovige eenen geloovige doode, tenzij het bij ongeluk plaats hebbe [375]. Hij, die een geloovige bij ongeluk doodt, zal daarvoor een geloovige uit de slavernij moeten verlossen en de familie den bloedprijs betalen [376], tenzij de familie dien als aalmoezen uitreike; en indien de verslagene tot eene u vijandige natie behoort en een waar geloovige is, zult gij een geloovige moeten bevrijden [377], maar indien hij van een met u verbonden volk is, zult gij een bloedprijs aan zijne familie betalen en een geloovige bevrijden. En hij, die geen slaaf vindt, zal twee achtereenvolgende maanden vasten als eene boete door God opgelegd. God is alwetend en wijs. 95. Maar hij, die een geloovige opzettelijk doodt, zal met de hel gestraft worden; eeuwig zal hij daarin verblijven [378], en God zal toornig tegen hem zijn; hij zal hem vervloeken en eene groote straf voor hem bereiden. 96. O geloovigen! indien gij oprukt om den waren godsdienst te verdedigen, onderricht u met nauwkeurigheid, en zegt niet tot hem, die u groet, gij zijt geen waar geloovige, uit begeerte naar toevallige bezittingen dezer wereld [379]. God is zeer rijk. Zoo gedroegt gij u vroeger, maar God was genadig omtrent u; onderricht u dus nauwkeurig; want God is wel bekend met hetgeen gij doet. 97. De geloovigen, die te huis zullen blijven zonder gekwetst te zijn, en zij, die hunnen bezittingen en hunne personen voor Gods zaak gebruiken zullen niet gelijk gesteld worden. God heeft hun, die hunne bezittingen en hunne personen voor dat geval gebruiken, een meer verheven rang gegeven boven hen, die te huis blijven. God heeft inderdaad ieder het paradijs beloofd, maar God heeft hun de voorkeur gegeven die strijden, boven hen die te huis blijven. 98. Meer verheven rangen nabij hem, barmhartigheid en genade. Waarlijk God is vergevingsgezind en genadig. 99. Daarenboven hebben de engelen tot hen gezegd, welken zij het leven benamen, omdat zij hunne eigene zielen hadden verdoemd: Wie waart gij? Zij antwoordden: Wij waren de zwakken der aarde [380]. De engelen hernamen: Was Gods aarde niet groot genoeg, dat gij daar geene schuilplaats vondt [381]. Daarom zal de hel hunne woning wezen. Welk een slecht verblijf zal het hunne zijn. 100. Uitgenomen de zwakken onder de menschen, de vrouwen en kinderen; zij, die niet in staat zouden zijn eene list uit te denken, en niet op den weg werden geleid, dezen zal God misschien vergeven; want God is vergevingsgezind en genadig. 101. Hij, die zijn land verlaat voor de zaak van het ware geloof Gods, zal op aarde een aantal personen vinden, die gedwongen zullen zijn hetzelfde te doen en overvloedige hulpbronnen bezitten. En hij, die zijn huis verlaat en tot God en zijn gezant toevlucht neemt, zal, indien hem den dood op dien weg overvalt [382], God verplicht zijn, te beloonen; want God is genadig en barmhartig. 102. Indien gij in het land ten oorlog trekt, zal het geene misdaad zijn, indien gij uwe gebeden nalaat, zoo gij vreest, dat de ongeloovigen u mochten aantasten; want de ongeloovigen zijn uwe openlijke vijanden. 103. Maar wanneer gij, o Mahomet! onder hen mocht zijn en met hen mocht bidden, laat een deel hunner het gebed met u verrichten, en laat hen hunne wapens nemen; en als zij aangebeden [383] zullen hebben, laten zij achter u staan en laat een ander gedeelte komen, dat niet gebeden heeft, en laat hen met u bidden; en laat hen voorzichtig wezen en gewapend zijn. De ongeloovigen zouden willen, dat gij uwe wapenen en uwe goederen zoudt achterlaten, opdat zij u eenklaps zouden kunnen aanvallen. Het zal geene misdaad zijn, indien gij door regen wordt belet, of indien gij ziek zijt, dat gij uwe wapens niet opvat, maar neem uwe voorzorgen. God heeft de ongeloovigen eene schandelijke straf bereid. 104. En als gij het gebed zult hebben geÎindigd, herdenkt God, hetzij staande, zittende of op uwe zijde liggende. Maar indien gij in zekerheid zijt, volbrengt uwe gebeden; want het gebed op de bepaalde uren is den godvruchtige geboden. 105. Wees niet zorgeloos bij de vervolging van den vijand, indien gij ook lijdt; want zij zullen lijden zooals gij lijdt, en gij hoopt van God, wat zij niet kunnen hopen; en God is alwetend en wijs. 106. Wij hebben u het boek met de waarheid gezonden, opdat gij tusschen de menschen zoudt kunnen richten door dat, wat God u heeft gegeven. Wees geen verdediger van den zondaar [384], maar vraag God vergiffenis voor uwe kwade bedoelingen; want God is vergevingsgezind en genadig. 107. Redetwist niet met hen, die elkander bedriegen; want God bemint hem niet, die een bedrieger of onrechtvaardige is [385]. 108. Zij kunnen zich aan de menschen onttrekken, maar aan God kunnen zij zich niet onttrekken; want hij is hun nabij, als zij des nachts iets spreken wat hem mishaagt [386], en God begrijpt wat zij doen. 109. Ziet, gij zijt het, die in het tegenwoordige leven voor hen gepleit hebt. Maar wie zal op den dag der opstanding met God voor hen redetwisten, of wie zal hun schuts zijn? 110. Hij, die kwaad bedrijft, of zijn eigen ziel verderft, en daarna van God vergiffenis vraagt, zal Hem vergevingsgezind en barmhartig vinden. 111. Hij, die eene zwakheid begaat, begaat die tegen zijne eigen ziel, God is alwetend en wijs. 112. En hij, die eene zonde of een misstap doet, en deze daarna op een onschuldige werpt, zal waarlijk de schuld van laster en verklaarde onrechtvaardigheid op zich laden. 113. Indien de vergevingsgezindheid en de genade van God niet met u waren geweest, waarlijk een deel van hen zou getracht hebben u te verleiden [387]; maar zij zullen zich zelven alleen verleiden en u in het geheel niet deren. God heeft u het boek en de wijsheid gezonden, en heeft u geleerd wat gij niet wist [388]; want de gunst van God omtrent u was groot. 114. Er is geen goeds in de menigte hunner bijzondere gesprekken, behalve van hem, die het geven van aalmoezen aanbeveelt, of wat rechtvaardig is, of tot vereeniging strekt der menschen. Hij, die dit doet uit begeerte om God te behagen, waarlijk wij zullen hem eene groote belooning geven. 115. Maar hem, die zich van den gezant scheidt, nadat hem de ware richting is geopenbaard, en een anderen weg dan dien der ware geloovigen volgt, zullen wij datgene doen bereiken, waarheen hij zich wendt, en zullen hen veroordeelen om in het vuur der hel te worden verbrand: en dat zal hem een ongelukkig verblijf zijn. 116. Waarlijk, God zal hem niet vergeven, die een ander naast hem plaatst, maar hij zal, buiten dat, alles vergeven wat hem behaagt; en hij, die een ander naast God plaatst is misleid en op een grooten verkeerden weg geraakt. 117. De ongeloovigen roepen naast hem slechts vrouwelijke godheden aan [389], en zij roepen slechts den oproerigen satan aan. 118. God vloekte hem, en hij zeide: ik maak mij van een deel uwer dienaren meester [390]; ik zal hen verleiden, hun ijdele begeerten ingeven en hen bevelen, en zij zullen de ooren van het vee afsnijden [391], en ik zal hen beheerschen, en zij zullen Gods schepping veranderen [392]. Maar hij, die satan als zijn schutspatroon naast God kiest [393], zal zeker eindelijk verloren zijn. 119. Hij doet hun beloften en geeft hun ijdele begeerten; maar satan doet hun slechts bedriegelijke beloften. 120. Hunne verzamelplaats zal de hel zijn; daartegen zullen zij geene schuilplaats vinden. 121. Maar zij, die gelooven en goede werken doen, dezen zullen wij zeker in tuinen brengen, met rivieren doorsneden; eeuwig zullen zij daarin verblijven, overeenkomstig Gods ware belofte; en wat is meer waar dan hetgeen God zegt? 122. Het zal niet overeenkomstig uwe begeerten zijn, en niet overeenkomstig de begeerten van hen, die de schriften hebben ontvangen. Hij, die kwaad bedrijft, zal daarvoor in gelijke mate worden beloond, en zal geenerlei beschermer of helper naast God vinden. 123. Maar hij, die goede werken doet, hetzij een man of vrouw, en een waar geloovige is, zal in het paradijs worden toegelaten, en zal niet het minst worden benadeeld. 124. Wie is beter in den godsdienst dan hij, die zich aan God overgeeft en goed doet, en de wet van Abraham den Vrome volgt? naardien God Abraham tot zijnen vriend heeft genomen. 125. Aan God behoort alles wat in den hemel en op de aarde is. God omvat alles. 126. Zij zullen u raadplegen omtrent alles. Antwoord: God heeft u daaromtrent onderricht; en wat u is gelezen in het boek nopens vrouwelijke weezen, die gij niet geeft wat u is bevolen, en die gij nooit wilt huwen [394]; nopens zwakke kinderen, en dat gij rechtvaardig tegenover weezen moet handelen: wat gij ook goed doet, God weet het. 127. Indien eene vrouw misbruik of tegenzin van haren echtgenoot vreest, zal het geene misdaad zijn, indien zij de zaak in der minne wil schikken [395]; want verzoening is beter. De zielen der menschen zijn van nature tot gierigheid geneigd, maar indien gij weldadig zijt en God vreest, is God wel bekend met hetgeen gij doet. 128. Gij kunt nimmer gelijkelijk omtrent uwe vrouwen handelen; tracht het echter; wend u daarom niet met tegenzin van uwe vrouw af [396], noch verlaat haar als eene die geschorst is [397], maar indien gij haar tevreden stelt en vreest haar te misbruiken, zal God genadig en barmhartig zijn. 129. Maar indien gij van elkander scheidt, zal God u beiden uit zijnen overvloed voldoen [398]; want God is almachtig en wijs. 130. Gode behoort wat in den hemel en op aarde is. Wij hebben hun, die de schriften vÛÛr u hebben ontvangen, even als u zelven reeds geboden, zeggende: Vreest God, en weest niet ongeloovig; want weet dat Gode alles behoort wat in den hemel en op aarde is, en God is almachtig en zelf genoegzaam. 131. Want Gode behoort wat in den hemel en op aarde is, en God is een helper, die machtig genoeg is [399]. 132. O menschen! indien het hem behaagt, neemt hij u weg en brengt anderen voort; Want God is in staat dit te doen. 133. Hij, die een belooning van deze wereld begeert, waarlijk, de belooning van deze wereld is bij God evenals die van de toekomstige. God hoort en ziet alles. 134. O ware geloovigen! neemt de rechtvaardigheid in acht wanneer gij getuigenis voor God aflegt; zij het ook tegen u zelven, of uwe ouders, of betrekkingen, hetzij die arm of rijk mochten wezen; want God is meer waard dan zij beiden, volgt daarom niet uw eigen hartstocht, zoodat gij afwijkt. En indien gij weigert of u onttrekt, God is wel bekend met hetgeen gij doet. 135. O ware geloovigen! gelooft aan God en zijn gezant, en het boek dat hij door zijn gezant heeft nedergezonden, en het boek dat hij vroeger nederzond. En hij die niet in God gelooft, en zijne engelen, en zijne geschriften; en zijne gezanten, en den jongsten dag, doolt zeker op een breeden dwaalweg. 136. Daarenboven zal God hun die geloofden, en daarna ongeloovig werden, en dan weder geloofden, en daarna niet geloofden en in ongeloovigheid toenamen, op geenerlei wijze vergeven, noch hen op den rechten weg leiden. 137. Zeg den goddeloozen, dat zij eene pijnlijke straf zullen ondergaan. 138. Zij die de ongeloovigen tot hunne beschermers nemen, veeleer dan de geloovigen, is dat om kracht bij hen te zoeken? naardien toch Gode alle kracht behoort. 139. En hij heeft u reeds in het boek geopenbaard [400]: Als gij de teekens van God zult hooren, zal men die niet gelooven, maar zullen zij met verachting bespot worden. Zit daarom niet neder met hen die niet gelooven, tot zij een ander gesprek aanvangen; anders zult gij hun gelijk worden. God zal de goddeloozen en de ongeloovigen zeker te zamen in de hel vereenigen. 140. Zij, die wachten om te zien wat u overkomt, of God u de overwinning schenkt, zeggen: zijn wij niet met u? [401] Maar indien den ongeloovige eenig voordeel te beurt valt, zeggen zij: Waren wij niet boven u geplaatst, en hebben wij u niet tegen de geloovigen verdedigd. God zal onder u richten op den dag der opstanding, en God zal de ongeloovigen niet boven de geloovigen beloonen. 141. De veinsaards handelen bedriegelijk met God, maar hij zal hen bedriegen; en als zij opstaan om te bidden, staan zij zorgeloos; zij doen het om door de menschen gezien te worden, en denken slechts een weinig aan God [402]. 142. Drijvende tusschen het eene en het andere, en noch tot dezen noch tot genen behoorende [403]; en hij die door God afgeleid zal zijn, zal den waren weg niet vinden. 143. O ware geloovigen! neemt de ongeloovigen niet tot uwe beschermers, in plaats der geloovigen. Wilt gij God eene onwraakbare getuigenis tegen u geven? 144. De huichelaars zullen op den laagsten grond van het vuur zijn, en gij zult niemand vinden om hen te helpen. 145. Maar zij, die berouw gevoelen en zich bekeeren, en zich vast aan God gehecht hebben, en de oprechtheid van hun geloof aan God zullen bewijzen, zullen onder de geloovigen geteld worden, en God zal den geloovigen zekerlijk eene groote belooning toekennen. 146. En waarom zou God u eene straf opleggen, indien gij dankbaar zijt en gelooft? want God is genadig en wijs. 147. God bemint hem niet, die kwaad spreekt in het openbaar, tenzij hij, die gelasterd wordt om hulp roept; en God hoort en weet alles. 148. Hetzij gij het goede uitbazuint of het verbergt, hetzij gij het kwade vergeeft; waarlijk God is genadig en machtig. 149. Zij, die niet in God gelooven en zijne gezanten, en een onderscheid maken tusschen God en zijne gezanten, en zeggen: Wij gelooven in sommigen der profeten en verwerpen anderen van hen, en willen zoo doende een middenweg zoeken. 150. Dit zijn ware ongeloovigen; en wij hebben de ongeloovigen eene schandelijke straf bereid. 151. Maar zij, die in God en zijne gezanten gelooven, en geen onderscheid tusschen hen maken, hun zullen wij hunne belooning geven; God is genadig en barmhartig. 152. Zij, die de schriften hebben ontvangen, zullen u vragen, dat gij hun een boek uit den hemel zult doen nederdalen: zij vroegen te voren aan Mozes een grooter iets dan dit; want zij zeiden: Doe ons God op zichtbare wijze zien [404], maar een vuurwind van den hemel verwoestte hen, om hunne boosheid. Daarop namen zij het kalf om het te aanbidden [405], nadat er duidelijke bewijzen onder hen waren gekomen. Maar wij vergaven hun dat, en schonken Mozes duidelijke kracht om hen te straffen [406]. 153. En wij verhieven den berg (SinaÔ) boven hen [407] als een pand van ons verbond, en zeiden tot hen: Ga deze poort biddende binnen [408]. Wij zeiden hun ook: Schendt den Sabbath niet. En wij ontvingen eene stellige verbintenis van hen. 154. Maar omdat [409] zij hun verbond hebben geschonden, en niet in Gods teekenen geloofd, de profeten onrechtvaardig gedood, en gezegd hebben: Onze harten zijn onbesneden, heeft God die dichtgezegeld, wegens hun ongeloof, daarom zullen zij niet gelooven, behalve eenigen van hen. 155. En omdat zij niet in Jezus geloofden, en eene ernstige lastering omtrent Maria hebben uitgedacht [410]. 156. En gezegd hebben: Waarlijk wij hebben Christus Jezus, den zoon van Maria, den gezant van God gedood; doch zij sloegen hem niet dood en kruisigden hem niet, maar iemand, die hem geleek, werd in zijne plaats gesteld [411], en waarlijk zij, die nopens hem twistten [412], verkeerden in eene dwaling, en hadden geene bepaalde kennis daarvan, maar volgden slechts eene meening. Zij doodden hem niet werkelijk; God heeft hem tot zich opgenomen, en God is machtig en wijs. 157. En er zal geen enkele onder hen zijn, die de schriften hebben ontvangen, welke niet in hem zal gelooven, vÛÛr zijn dood [413], en op den dag der opstanding zal hij een getuige tegen hen zijn [414]. 158. Wegens de boosheid van hen, die Joodschgezind zijn, hebben wij hun goede dingen verboden, die hun vroeger veroorloofd waren. 159. En omdat zij menigeen van Gods weg uitsluiten en woeker hebben gedreven, wat hun verboden was, en de goederen van anderen ijdel hebben verteerd [415], hebben wij voor velen hunner, daar zij ongeloovigen zijn, eene pijnlijke straf bereid. 160. Maar degene onder hen, die met grondige kennis zijn uitgerust [416], en de geloovigen, die gelooven in hetgeen hun door u werd nedergezonden, en dus wat hun vÛÛr u werd nedergezonden, en die de bepaalde tijden in acht nemen en aalmoezen geven, en in God en den oordeelsdag gelooven, dezen zullen wij eene groote belooning geven. 161. Waarlijk wij hebben u geopenbaard, zooals wij Noach openbaarden en de profeten, die hem opvolgden; zooals wij aan Abraham openbaarden, en IsmaÎl, en Izaak en Jacob en de stammen, en aan Jezus, aan Job, aan Jonas, aan A‰ron, aan Salomo; en wij gaven de psalmen aan David. 162. Wij zonden u apostelen, waarvan wij u te voren spraken, en andere gezanten, welke wij u niet bekend maakten, en God sprak met Mozes. 163. Wij zonden gezanten, om u goede tijdingen te brengen en u te waarschuwen, opdat de menschen geene verontschuldiging tegenover God zouden kunnen aanvoeren, nadat de gezanten waren gekomen. God is machtig en wijs. 164. God is getuige van de openbaring, die u is nedergezonden; hij zond die met zijne bijzondere kennis: de engelen zijn medegetuigen; maar God is een toereikende getuige. 165. Zij, die niet gelooven en anderen van Gods weg afvoeren, zijn op den verwijderden weg verdwaald. 166. Zij, die niet gelooven en onrechtvaardig handelen, hun zal God op geenerlei wijze vergeven; nimmer zal hij hun den rechten weg toonen. 167. Of het moest den weg der hel zijn, waarin zij eeuwig zullen verblijven, en dat is gemakkelijk voor God. 168. O menschen! thans is de apostel onder u gekomen met waarheid van uwen Heer; gelooft dus; het is beter voor u. Maar indien gij niet gelooft; alles, wat in den hemel en op aarde is behoort Gode; en God is alwetend en wijs. 169. O gij! die de schriften hebt ontvangen, overschrijdt de juiste grenzen van uwen godsdienst niet [417]; zegt nimmer iets anders van God dan de waarheid. Waarlijk, Christus Jezus, de zoon van Maria, is Gods apostel, en zijn woord, dat hij in Maria overbracht, en een geest van hem. Gelooft dus in God en zijne gezanten, en zegt niet; Er zijn drie goden [418]: doet dit niet; het zal beter voor u zijn. God is slechts ÈÈn God. Het is verre van hem, dat hij een zoon heeft! Hem behoort wat in den hemel en op aarde is, en God is een voldoende beschermer [419]. 170. Christus versmaadt niet trotsch, Gods dienaar te zijn, noch de engelen, die hem naderen. 171. En hij, die zijnen dienst versmaadt en die door hoovaardij is vervuld, God zal hen allen voor zich verzamelen. 172. Hen, die gelooven en doen wat goed is, zal hij hunne belooning geven, en zal die met zijne mildheid vermeerderen, maar hen, die versmaden en trotsch zijn, zal hij gestreng straffen. 173. Zij zullen niemand naast God vinden, die hen kan helpen of ondersteunen. 174. O, menschen! thans is een duidelijk bewijs van uwen Heer tot u gekomen, en wij hebben een blijkbaar licht [420] tot u gezonden. Hen, die in God gelooven en zich streng aan hem vasthouden, zal hij in zijne genade en overvloed leiden, en hij zal hen langs den rechten weg tot zich voeren [421]. 175. Zij zullen u ondervragen. Zeg hun, God geeft u deze bepalingen nopens de meer verwijderde graden van bloedverwantschap. Indien een man zonder kroost sterft en hij eene zuster heeft, dan zal zij de helft hebben van hetgeen hij zal nalaten [422], en hij zal van haar erven [423], bijaldien zij geen kroost heeft. Maar indien er twee zusters zijn, zullen zij twee derden hebben van hetgeen hij zal hebben nagelaten, en indien er broeders en zusters zijn, zal de man zooveel hebben als het deel van twee vrouwen, God verklaart u dit, opdat gij niet zoudt dwalen; en God is alwetend.

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE TAFEL [424].

Gegeven te Medina--120 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. O, ware geloovigen! weest getrouw aan uwe verbintenissen. Het is u geoorloofd het redelooze vee te eten [425], behalve datgene, wat u verboden is; uitgezonderd het wild, dat geoorloofd is op andere tijden te gebruiken, maar niet terwijl gij op den pelgrimstocht zijt. God beveelt hetgeen hem behaagt. 2. O, ware geloovigen! schendt niet de heilige voorschriften van God [426], noch de heilige maand, noch de offerande, noch de versierselen daaraan hangende [427]. Eerbiedigt hen, die naar het heilige huis reizen, om de gunst des Heeren te zoeken en hem te behagen. 3. Maar indien gij uwen pelgrimstocht hebt volbracht, jaagt dan. En laat de boosheid van hen, die u zouden willen beletten, den heiligen tempel binnen te gaan [428] u niet tot onrechtvaardigheden verlokken. Helpt elkander naar rechtvaardigheid en vroomheid, maar ondersteunt elkander niet in onrechtvaardigheid en boosheid; vreest dus God; want God is een streng straffer. 4. Het is u verboden te eten van dieren, die van zelven zijn gestorven, voorts bloed en varkensvleesch, en datgene waarover een andere naam dan die van God is aangeroepen [429] en datgene wat gesmoord is, of door een slag of een val, of door de horens van een ander dier is gedood, en dat door een wild dier [430] is verscheurd, behalve datgene wat gij hebt gedood [431]; ook datgene wat voor afgoden [432] werd geofferd. Het is u eveneens verboden te verdeelen door het lot, met pijlen te trekken [433]. Dit is verboden. Heden wacht de wanhoop hun, die van hunnen godsdienst zijn afgedwaald; vreest dus hen niet, maar vreest mij. 5. Heden heb ik uwen godsdienst voor u volmaakt [434] en heb ik mijne genade voor u voltooid [435], en heb ik den Islam voor u gekozen, om uwen godsdienst te zijn. Maar hij, die door hongersnood gedreven en zonder de bedoeling te hebben van te zondigen, mocht eten van hetgeen wij hebben verboden, waarlijk God zal hem genadig en barmhartig zijn. 6. Zij zullen u vragen, wat hun veroorloofd is. Antwoord: de dingen, die goed [436] zijn, zijn u geoorloofd. De prooi der jachtdieren [437], die gij als honden zult hebben afgericht, naar de wetenschap, die gij van God hebt ontvangen, is u geoorloofd te eten. Eet daarom van hetgeen zij u zullen hebben verschaft, en herdenkt daarbij den naam Gods [438], en vreest God; want God is snel in het rekenen. 7. Heden is het u geoorloofd zulke dingen te eten, die goed zijn, en het voedsel van diegenen, aan wie de schriften werd gegeven [439] is u mede als geoorloofd toegestaan; en uw voedsel is hun geoorloofd. En gij moogt vrije vrouwen huwen, die geloovig zijn, en ook vrije vrouwen van hen, die de schriften vÛÛr u hebben ontvangen [440], als gij haar heuren bruidschat hebt toegekend. Leeft kuisch met haar; bedrijft nimmer hoererij, noch neemt haar als bijzit [441]. Hij, die het geloof verzaakt, diens werk zal ijdel zijn, en in het volgende leven zal hij vergaan. 8. O, ware geloovige! indien gij u tot het gebed gereed maakt, wascht dan uw aangezicht, en uwe handen tot onder de ellebogen; wrijft u het hoofd, en ook de voeten tot aan de hielen. 9. En indien gij eene vrouw hebt beslapen, reinigt u. Maar indien gij ziek of op reis zijt, indien gij aan eene natuurlijke behoefte hebt voldaan, of indien gij vrouwen hebt aangeraakt, en gij vindt geen water, neemt dan fijn en zuiver zand [442], en wrijft uw aangezicht en u uwe handen er mede. God wil u geene moeite veroorzaken, maar hij wil u zuiveren en zijne gunst omtrent u volmaken, opdat gij hem dankbaar zoudt zijn. 10. Gedenkt dus Gods gunst omtrent u en het verbond, dat hij met u heeft aangegaan, toen gij zeidet: Wij hebben gehoord, en zullen gehoorzamen [443]. Vreest God; want God kent het meest verborgene gedeelte van des menschen borst. 11. O, ware geloovigen! weest rechtvaardig, wanneer gij als getuigen voor God verschijnt, en laat de haat omtrent iemand u niet verleiden, boos te handelen. Weest rechtvaardig; dit brengt u nader tot de vroomheid, en vreest God; want God is geheel bekend met hetgeen gij doet. 12. God heeft hun beloofd, die gelooven en doen wat recht is, dat zij vergiffenis en eene groote belooning zullen ontvangen. 13. Maar zij, die niet gelooven en onze teekens van onwaarheid beschuldigen, zullen makkers der hel zijn. 14. O, ware geloovigen! herinnert u Gods gunst omtrent u, toen zekere mannen hunne handen naar u uitstrekten; maar hij stiet hunne handen terug [444] die u wilden deren. Vreest dus God, en dat de geloovigen in hem vertrouwen. 15. God nam vroeger het verbond der kinderen IsraÎls aan, en wij kozen twaalf hoofden uit hun midden, en God zeide [445]: Waarlijk ik ben met u; indien gij het gebed doet en aalmoezen geeft, en in mijne apostelen gelooft, en hen ondersteunt en God tegen goede renten [446] leent, zal ik uwe slechte daden vergeven, en u in tuinen voeren, met rivieren doorsneden; maar onder u, die na deze waarschuwingen niet gelooft, dwaalt van den rechten weg af. 16. Maar omdat zij hun verbond hebben geschonden, hebben wij hen gevloekt en hunne harten versteend; zij rukken de woorden van den Pentateuches van hunne plaats, en hebben een deel vergeten van hetgeen hun werd onderwezen; en gij zult niet ophouden slechte daden bij hen te ontdekken, bij eenigen van hen uitgezonderd; maar vergeef hun [447] en schenk hun daarvoor genade; want God bemint den milde. 17. En van hen, die zeggen: Wij zijn Christenen; wij hebben eene verbintenis aangenomen; maar zij hebben een gedeelte vergeten van hetgeen hun werd onderwezen; derhalve hebben wij vijandschap en haat onder hen doen ontstaan tot den dag der opstanding, en God zal hun dan zeker mededeelen, wat zij hebben verricht. 18. O gij, die de schriften hebt ontvangen, thans is onze apostel onder u gekomen, om u vele plaatsen duidelijk te maken, welke gij in de schriften hebt verborgen [448], om vele anderen daarvan voorbij te gaan [449]. Thans is het licht in een duidelijk boek van God tot u gekomen. Daarmede zal God hem leiden, die zijn wil op de paden des vredes zal volgen, en hem voeren door zijn wil uit de duisternis tot het licht, hij zal hem richten op den rechten weg. 19. Zij, die zeggen, dat Christus, de zoon van Maria, God is, zijn ongeloovigen. Zeg hun: Wie zou God kunnen tegengaan, indien het hem behaagt had Christus, den zoon van Maria, en zijne moeder en al, die op de aarde zijn, te verdelgen? 20. Want Gode behoort het koninkrijk des hemels en der aarde, en wat daar tusschen is; hij schept wat hem behaagt, en God is almachtig. 21. De Joden en Christenen zeggen, wij zijn de kinderen Gods en zijne geliefden. Antwoord: Waarom straft hij u dan voor uwe zonden? Maar gij zijt slechts menschen, van diegenen, welke hij heeft geschapen. Hij vergeeft aan wie het hem behaagt, en hij straft wie hem behaagt; en Gode behoort het koninkrijk des hemels en der aarde, en alles wat tusschen beide is; en tot hem keert alles terug. 22. O gij! die de schriften hebt ontvangen, thans is onze apostel onder u gekomen, om u den waren godsdienst te verklaren, gedurende de schorsing der apostelen [450], opdat gij niet meer zoudt zeggen: Er kwam niemand tot ons, die goede tijdingen bracht, noch eenige waarschuwer: maar nu is een bode van goede tijdingen en een waarschuwer tot u gekomen; want God is almachtig. 23. Toen Mozes tot zijn volk zeide: O, mijn volk! gedenk Gods gunst omtrent u, sedert hij profeten onder u heeft aangewezen en u koningen heeft gegeven [451], en u heeft geschonken, wat hij geene natie ter wereld [452] heeft gegeven. 24. O, mijn volk! ga het heilige land binnen, dat God voor u heeft bestemd, en wendt u niet om; opdat gij niet omvergeworpen en vernield mocht worden. 25. Zij antwoorden: O, Mozes! dit land wordt door een volk van reuzen bewoond [453], en wij zullen er op geenerlei wijze binnen gaan, dan nadat zij het hebben verlaten; maar indien zij het verlaten, zullen wij er binnentrekken. 26. Twee mannen [454] van hen die God vreesden, nopens welke God genadig was geweest, zeiden: Treedt de poort binnen, en zoodra gij die binnentreedt, zult gij overwonnen hebben; vertrouwt dus in God, indien gij ware geloovigen zijt. 27. Zij hernamen: O, Mozes! wij zullen het land nimmer binnentreden terwijl zij er in vertoeven; ga dus, gij en uw God en strijd; want wij zullen hier blijven. 28. Mozes zeide: O Heer! waarlijk ik ben geen meester over iemand buiten mij en mijn broeder; maak dus een onderscheid tusschen ons en het goddelooze volk. 29. God antwoordde: Waarlijk het land zal hun gedurende veertig jaren ontzegd zijn; gedurende welken tijd zij op de aarde zullen dwalen [455]: pleit dus niet alzoo voor het goddelooze volk. 30. Verhaal hun ook de geschiedenis van de twee zonen van Adam [456] naar waarheid. Toen zij hun offer brachten [457] en het van een hunner werd aangenomen [458], en het van den andere niet werd aangenomen, zeide KaÔn: Waarlijk ik zal u dooden: Abel antwoordde: God neemt alleen het offer van den vrome aan. 31. Indien gij zelfs uwe hand tegen mij opheft om mij te dooden, zou ik de mijne niet uitstrekken om u te dooden; want ik vrees God, den heer van alle schepselen [459]. 32. Ik heb liever dat gij mijne onrechtvaardigheid en uwe eigene onrechtvaardigheid draagt, en dat gij een makker in het vuur verkrijgt; want dat is de belooning van den onrechtvaardige. 33. En zijne ziel drong hem, zijn broeder te dooden en hij doodde hem; zoodat hij tot hen behoorde die verdoemd zijn. 34. En God zond eene raaf die de aarde krabde, om hen te toonen, hoe hij het lichaam van zijn broeder moest verbergen, en hij zeide: Wee over mij! ben ik niet in staat gelijk deze raaf te zijn, dat ik het lijk van mijn broeder zou kunnen verbergen? en hij behoorde tot hen die berouw hebben. 35. Daarom bevolen wij de kinderen IsraÎls, dat hij, die eene ziel doodt, zonder dat die eene ziel hebbe gedood, of eene misdaad op aarde hebbe bedreven [460], zal zijn alsof hij alle menschen had gedood [461], doch hij die iemand het leven redt, zal zijn alsof hij het leven van alle menschen had gered. 36. Onze apostels kwamen later tot hen, met duidelijke wonderen, maar zelfs daarna waren velen hunner zondaren op aarde. 37. Maar de belooning van hen die tegen God en zijn apostel strijden, en er op bedacht zijn, op aarde slecht te handelen, zal wezen, dat zij gedood zullen worden, of gekruisigd, of dat hunne voeten aan de tegenovergestelde zijden zullen worden afgesneden of dat zij uit het land zullen worden gebannen [462]. Dit zal hunne ongenade in deze wereld zijn, en in de volgende zullen zij een strenge straf ondergaan, 38. Behalve zij, die berouw zullen gevoelen, alvorens gij hen in uwe macht hebt; want weet, dat God vergevingsgezind en genadig is. 39. O, ware geloovigen! vreest God en begeert eene engere verbinding met hem, en strijdt voor zijnen godsdienst, opdat gij gelukkig moogt zijn. 40. Daarom zij die niet gelooven, al hadden zij wat op de aarde is, en zelfs tweemaal zooveel, waarmede zij zich van de straf op den dag der opstanding zouden willen loskoopen, het zal niet van hen worden aangenomen, maar zij zullen eene pijnlijke straf ondergaan. 41. Zij zullen begeeren het vuur te verlaten, maar zij zullen het niet verlaten, en hunne straf zal doorloopend zijn. 42. Indien een man of eene vrouw mocht stelen, zult gij hun de handen afsnijden [463], als vergelding voor hetgeen zij hebben bedreven; dit is eene voorbeeldige straf door God bepaald, en God is machtig en wijs. 43. Maar hij, die berouw zal hebben na zijn onrechtvaardigheid en zich verbetert; waarlijk, God zal zich tot hem wenden [464]; want God is geneigd tot vergeven en genadig. 44. Weet gij niet, dat het koninkrijk des hemels en der aarde Gode behoort? Hij straft wie hem behaagt, en hij vergeeft wie hem behaagt; want God is almachtig. 45. O, Profeet! laat u niet door hem bedroeven, die zich naar ongetrouwheid spoeden [465], of door hen die met hunne monden zeggen: wij gelooven, doch wier harten niet gelooven [466], of door de Joden, die het oor gretig aan de leugens en aan anderen leenen [467]. Zij verdraaien de woorden der wet van hunne plaatsen [468] en zeggen: indien u dit gebracht wordt, gelooft het, maar indien dit u niet gebracht wordt, hoedt u er dan voor [469]; want wie zou hem van dwaling kunnen redden, dien God op een dwaalweg wil voeren. Zij wier harten het God niet behaagt te zuiveren, zullen schande in deze wereld ondergaan, en strenge straf in de volgende. 46. Zij leenen het oor aan de leugens en eten wat verboden is [470]. Maar indien zij tot u komen, om door u gericht te worden, richt dan tusschen hen, of verlaat hen [471], en indien gij hen verlaat, zullen zij u volstrekt niet deren. Maar indien gij aanneemt te richten, richt dan tusschen hen met rechtvaardigheid; want God bemint hen, die de rechtvaardigheid in acht nemen. 47. En hoe zullen zij zich aan uwe beslissing onderwerpen, terwijl zij de wet hebben verlaten, die Gods oordeel bevat? Maar zij zullen daarna hunne aangezichten afwenden [472]; doch dit zijn geene ware geloovigen. 48. Waarlijk wij hebben hun de wet nedergezonden, bevattende de goede richting en licht. De profeten, die tot den waren godsdienst behoorden, richtten de Joden naar dat boek; de leeraren en priesters richtten volgens de gedeelten van Gods boek; en zij waren er getuigen van [473]. Vrees dus geene menschen maar vrees mij; en verkoop mijne teekens niet voor een lagen prijs. En zij die niet richten volgens hetgeen God heeft geopenbaard, zijn ongeloovigen. 49. Wij hebben hun daarin bevolen, leven voor leven [474], en oog voor oog, en neus voor neus, en oor voor oor, en mond voor mond, en dat kwetsuren ook door wedervergelding [475] zouden gestraft worden. Maar hem die den prijs der straf in aalmoezen zal weggeven, zal dit als eene voldoening [476] zijn. Zij die niet richten volgens hetgeen God heeft geopenbaard zijn onrechtvaardig. 50. Wij hebben ook Jezus den zoon van Maria gezonden, om de voetstappen der profeten te volgen, overeenkomstig de wet die vÛÛr hem werd nedergezonden, en wij gaven hem het evangelie, bevattende richting en licht; mede bevestigende de wet, die te voren was gegeven en eene richting en waarschuwing voor hen, die God vreezen. 51. Opdat zij, die het evangelie hebbende ontvangen, mochten richten volgens hetgeen God daarin had geopenbaard; en zij die niet richten, volgens hetgeen God heeft geopenbaard, zijn zondaren. 52. Wij hebben u ook het boek, den Koran, gezonden, met waarheid, bevestigende de schrift, welke te voren was geopenbaard en dat haar voor verminking behoedt. Richt dus tusschen hen, overeenkomstig hetgeen God heeft geopenbaard, en volgt hunne begeerten niet, door van de waarheid af te dwalen, die u is geworden. Ieder uwer hebben wij eene wet gegeven en een open weg [477]. 53. En indien het Gode had behaagd, zou hij zeker ÈÈn volk van u hebben gemaakt; maar hij heeft uwe getrouwheid willen beproeven, nopens de inachtneming van hetgeen hij u heeft gegeven. Streeft er dus naar, elkander in goede daden te overtreffen. Gij zult allen tot God terugkeeren en dan zal hij u datgene verklaren, waarover gij getwist hebt. 54. Daarom, o Mahomet! richt tusschen hen overeenkomstig hetgeen God heeft geopenbaard, en volg hunne begeerten niet, maar neem u in acht, uit vrees dat zij u noodzaken, van een deel dezer voorschriften af te dwalen, die God u heeft nedergezonden; en indien zij zich afwenden [478], weet dan, dat het Gode behaagt, hen voor eenige hunner misdaden te straffen; want een groot getal der menschen zijn zondaren. 55. Verlangen zij dus het oordeel der onwetendheid [479]? Maar wie is beter dan God, om tusschen hen te richten die waarlijk gelooven? 56. O, ware geloovigen! neemt niet de Joden of Christenen tot vrienden; zij zijn elkanders vrienden; maar hij uwer, die hen tot vrienden neemt, is zekerlijk een hunner. Waarlijk, God leidt de onrechtvaardigen niet. 57. Gij zult hen zien, in wier harten eene zwakheid heerscht, hoe zij zich haasten, zeggende: wij vreezen, dat ons eenigerhande tegenspoed overkomt; maar het is God gemakkelijk, de overwinning te schenken, of een bevel van Hem, dat zij berouw mogen gevoelen, omtrent hetgeen zij in hun binnenste hebben besloten. 58. En zij die gelooven, zullen zeggen: zijn dit de menschen die, met den plechtigsten eed, bij God zwoeren, dat zij zeker tot ons behoorden [480]? Hunne werken zijn ijdel geworden en zij behooren tot de verdoemden. 59. O, ware geloovigen! hij van u, die van zijnen godsdienst afstand doet, God zal zeker een ander volk brengen, dat hij zal beminnen en dat hem zal beminnen. Dat volk zal nederig omtrent de geloovigen en gestreng omtrent de ongeloovigen zijn; zij zullen voor den godsdienst des Heeren strijden en de afkeuring van den lasterende niet vreezen. Dit is Gods goedheid; hij schenkt dien aan wien het hem behaagt. God is groot en wijs. 60. Waarlijk uw schuts is God en zijn, apostel; en zij die gelooven, die de bepaalde tijden van het gebed in acht nemen en aalmoezen geven en zich nederbuigen, om God te aanbidden. 61. En zij die God en zijn apostel en de geloovigen als hunne vrienden [481] kiezen, behooren tot de partij van God en zullen de zege behalen. 62. O, ware geloovigen! kiest als uwe vrienden niet hen, wie de schriften vÛÛr u waren gegeven, of de ongeloovigen, die uwen godsdienst tot het onderwerp van hunne lachlust en bespotting maken; maar vreest God, indien gij ware geloovigen zijt. 63. Noch hen, die, wanneer zij hooren bidden, daarvan een onderwerp van lachlust en bespotting maken [482]; zij doen dit omdat zij het niet begrijpen. 64. Zegt: o gij! die de schriften hebt ontvangen, verwerpt gij ons om eene andere reden, dan omdat wij in God gelooven, in hetgeen ons werd nedergezonden, en dat wat vroeger nedergezonden werd, en omdat het grootste deel van u zondaren zijn? 65. Zeg hun: zal ik u eene vreeselijker zaak verkondigen dan diegene, welke gij van God kunt verwachten? Zij die God heeft gevloekt, en omtrent welke God toornig was; die hij in apen en varkens veranderde [483]; zij die Taghut [484] aanbidden, zijn in den slechtsten staat en dwalen verder van den weg. 66. Toen zij tot u kwamen, zeiden zij: wij gelooven, doch zij traden in uw gezelschap met ongetrouwheid en gingen daarmede van u weg; maar God kent goed wat zij verbergen. 67. Gij zult velen van hen zien, wedijverende in oneerlijkheid en onrechtvaardigheid, en die verboden spijzen eten. Hoe verachtelijk zijn hunne daden. 68. Indien hunne wetgeleerden en priesters het niet waren, die hun verboden zonden te begaan en ongeoorloofde spijzen te eten, welke verachtelijke daden zouden zij niet bedrijven! 69. De Joden zeggen, de hand van God is geketend. Hunne handen zullen geketend zijn [485], en zij zullen gevloekt worden, om hetgeen zij hebben gezegd. Neen! zijne beide handen zijn geopend; Hij beschikt naar zijn welbehagen. Wat u van uwen Heer is neder gezonden zal de zonde en de ongetrouwheid van velen hunner vermeerderen, en wij hebben de vijandschap en den haat tusschen hen geplaatst, tot op den dag der opstanding. Zoo dikwijls zij het oorlogsvuur zullen ontsteken, zal God het uitblusschen [486], en zij zullen in hun binnenste besluiten, slecht op aarde te handelen; maar God bemint de boozen niet. 70. Daarom, indien zij, die de schriften hebben ontvangen, gelooven en God vreezen zullen wij zeker hunne zonden uitwisschen, en wij zullen hen in genoegelijke tuinen voeren; en indien zij den pentateuch in acht nemen en het evangelie en dat wat vroeger door hunnen Heer werd nedergezonden, zullen zij zeker eten van goede spijzen, van boven hen en onder hunnen voet [487]. Onder hen zijn er, die oprecht handelen; maar hoe slecht is het wat velen onder hen doen! 71. O, profeet! maakt het geheel bekend, wat u door uwen Heer werd nedergezonden; want indien gij het niet doet, vervult gij niet uwen last, en God zal verdedigen tegen de boozen [488]; want God leidt de ongeloovigen niet. 72. Zeg: o gij! die de schriften hebt ontvangen, gij zijt met niets grondig bekend, indien gij niet den pentateuch en het evangelie in acht neemt, en dat wat door uwen Heer is nedergezonden. Dat wat door uwen Heer is nedergezonden, zal zeker de boosheid en de ontrouw van velen hunner vermeerderen; maar bekreun u niet om de ongeloovigen. 73. Waarlijk zij die gelooven [489], en de Joden, en de SabeÔsten en de Christenen, wie hunner in God gelooven, in den jongsten dag, en weldoen, geen vrees zal over hen komen en nimmer zullen zij bedroefd worden [490]. 74. Wij hebben vroeger het verbond van de kinderen IsraÎls aangenomen en gezanten tot hen gezonden. Zoo dikwijls een apostel tot hen kwam, met dat wat hunne zielen niet begeerden, beschuldigden zij sommigen van hen van misleiding, en doodden eenigen van hen. 75. Zij verbeeldden zich dat zij daarvoor niet zouden worden gestraft, en zij werden blind en doof [491]. Daarop wendde God zich tot hen, daarna werden velen van hen blind en doof, maar God zag wat zij deden. 76. Zij zijn zeker ongeloovigen, die zeggen: waarlijk, Christus, de zoon van Maria, is God, daar toch Christus zeide: O, kinderen IsraÎls! dient God, mijn Heer en de uwe; wie een ander naast God plaatst, zal door God van het paradijs uitgesloten worden, en het hellevuur zal zijne woning zijn; en de goddeloozen zullen niemand hebben, die hen helpt. 77. Zij zijn waarlijk ongeloovigen, die zeggen: God is de derde der drieÎenheid [492], want er is geen God behalve den eenigen God, en indien zij niet terugkomen van hetgeen zij zeggen, eene pijnlijke straf zal hun worden opgelegd, daar zij ongeloovigen zijn. 78. Zullen zij dus niet tot God terugkeeren en hem vergiffenis vragen? God is genadig en barmhartig. 79. Christus, de zoon van Maria, is niets meer dan een apostel: andere apostels zijn hem voorafgegaan, en zijne moeder was eene vrouw van waarheid [493]. Zij beiden gebruikten voedsel [494]. Gij ziet hoe wij de teekenen Gods onder hen openbaarden, en ziet dan hoe zij zich afwenden. 80. Zeg hun: wilt gij aanbidden naast God, wat u kan deren noch nuttig zijn? God hoort en ziet. 81. Zeg: o gij! die de schriften hebt ontvangen, overschrijdt de ware grenzen in uwen godsdienst niet [495], door onwaarheid te spreken, noch volgt de begeerten van het volk, dat vroeger dwaalde, en dat velen heeft verleid en den rechten weg [496] heeft verlaten. 82. Zij, die onder de kinderen IsraÎls niet geloofden, werden door de tong van David en door die van Jezus, den zoon van Maria [497], gevloekt [498], omdat zij oproerig en verdorven waren; zij verboden elkander de zonden niet die zij bedreven, en wee hun om hetgeen zij hebben bedreven. 83. Gij zult velen ongeloovigen tot hunne vrienden zien nemen. Wee over hen, om hetgeen hunne zielen hun hebben ingegeven [499], en weshalve God toornig over hen is; en zij zullen eeuwig in de marteling blijven. 84. Maar indien zij in God hadden geloofd, in den profeet en hetgeen hem werd geopenbaard, hadden zij hem niet als vrienden genomen; maar velen hunner zijn boosdoeners. 85. Gij zult zeker vinden, dat de hevigsten in vijandschap omtrent de ware geloovigen, de Joden en de afgodendienaars zijn, en gij zult zeker vinden, dat zij onder hen, die het meest er toe overhellen, vriendschap met de trouwe geloovigen te sluiten, diegene zijn, welke zeggen: wij zijn Christenen. Dit komt, omdat er priesters en monniken onder hen zijn, en omdat zij niet van hoogmoed vervuld zijn. 86. En wanneer zij, hetgeen den apostel werd nedergezonden, zullen hooren lezen, zult gij hunne oogen zien overstroomen van tranen, door de waarheid die zij zullen ontdekken [500], zeggende: o Heer! wij gelooven; schrijf ons dus op met hen, die getuigenis afleggen der waarheid van den Koran. 87. En wat zou ons verhinderen in God te gelooven en de waarheid, die tot ons is gekomen, en ernstig te begeeren, dat God ons met de rechtvaardigen in het paradijs leide? 88. Daarvoor heeft God hen beloond, om hetgeen zij hebben gezegd, met tuinen van rivieren doorsneden; eeuwig zullen zij daarin verblijven; en dat is de belooning voor den rechtvaardige. Maar zij die niet gelooven, en onze teekens van valschheid beschuldigen, zij zullen makkers der hel zijn. 89. O ware geloovigen! verbiedt niet de goede dingen, die God u heeft veroorloofd [501], maar zondigt niet; want God bemint de zondaars niet. 90. Eet hetgeen God u tot voedsel heeft gegeven, hetgeen wettig en goed is, en vreest God, in wien gij gelooft. 91. God zal u niet straffen voor een onbedacht woord in uwe eeden [502], maar hij zal u straffen voor hetgeen gij plechtig zweert en schendt. En de boete voor zulk een eed zal zijn, het voeden van tien arme lieden met zulk middelmatig voedsel als dat, waarmede gij uw gezin voedt, of hen te kleeden, of het bevrijden van den nek van een waren geloovige uit de slavernij; maar hij die aan geen dezer drie dingen zal kunnen voldoen, moet drie dagen vasten [503]. Dit is de boete voor uwe geschondene eeden, indien gij onverdacht zweert. Let daarom op uwe eeden. Zoo verklaart God u zijne teekens, opdat gij dankbaar moogt zijn. 92. O ware geloovigen! waarlijk, wijn en spelen [504], en beelden [505] en het raadplegen van pijlen zijn een gruwel van satans vinding: mijdt die dus, opdat gij gelukkig moogt zijn. 93. Satan tracht tweedracht en haat onder u te zaaien, door middel van wijn en spelen, en u te verwijderen van de herdenking van God en de geboden. Wilt gij u dus daarvan niet onthouden? Gehoorzaamt God en gehoorzaamt den apostel, en hoedt u; maar indien gij u afwendt, weet dan dat de plicht van onzen apostel alleen bestaat in het openbaar te prediken. 94. Zij die gelooven en goede werken doen, zullen niet gezondigd hebben, indien zij van wijn of spel gebruik hebben gemaakt, alvorens wij het verboden, indien zij God vreezen, en gelooven en goede werken verrichten, en voortaan God vreezen, en gelooven en volharden God te vreezen en wel te doen [506]; want God bemint hen die goed doen. 95. O ware geloovigen! God zal u zeker (op den pelgrimstocht) beproeven met wild, dat gij met uwe handen of uwe lansen zult kunnen vangen, opdat God zou kennen, wie hem in het geheim vreest; maar wie daarin zondigt zal een strenge straf ondergaan. 96. O ware geloovigen! doodt geen wild, terwijl gij aan den pelgrimstocht deelneemt. Hij onder u, die een dier opzettelijk heeft gedood, zal een gelijk dier moeten teruggeven, als datgene wat hij doodde, in huisdieren [507], overeenkomstig de beslissing van twee rechtvaardige personen, om als een offer naar den Caaba-tempel te worden gebracht, of ter vergoeding daarvan zal hij armen voeden, of, in plaats daarvan vasten, opdat hij de afschuwelijkheid van zijne daad moge gevoelen. God heeft vergeven wat voorbij is, maar hij die nogmaals zondigt, op dien zal God zich wreken; want God is machtig en in staat tot wraak. 97. Het is u geoorloofd, in de zee te visschen [508] en wat gij vangt te eten, als leeftocht voor u en voor hen die reizen, maar het is u niet geoorloofd op het land te jagen, terwijl gij de ceremoniÎn van den pelgrimstocht vervult. Vreest daarom God; want eens zult gij tot hem verzameld worden. 98. God heeft den Caaba, het heilige huis, als eene inrichting voor den mensch gemaakt, en heeft de heilige maand bevolen, en het offer en de versierselen daaraan te hangen, opdat gij zoudt weten, dat God kent wat in den hemel en op aarde is, en dat God alwetend is. Weet, dat God gestreng straft, en dat God ook vergevingsgezind en genadig is. 99. De plicht van onzen profeet is alleen om te prediken, en God weet hetgeen gij toont en wat gij verbergt. 100. Zeg: kwaad en goed zullen niet gelijk geschat worden, ofschoon de overvloed van kwaad u behaagt [509]. Vreest dus God, gij die verstand hebt, opdat gij gelukkig moogt zijn. 101. O ware geloovigen! onderzoekt niet zulke dingen, die, als zij u werden verklaard, u smart zouden veroorzaken; maar indien gij daaromtrent ondervraagt op het tijdstip waarop de Koran geheel zal zijn geopenbaard, zullen zij u verklaard worden, God vergeeft uwe nieuwsgierigheid; want God is vergevingsgezind en genadig. Menschen die vÛÛr u waren, hebben daaromtrent onderzocht, en werden later ongeloovig. 102. God heeft niets voorgeschreven omtrent BahÓra, noch omtrent S‚Ôba noch nopens WasÓla, noch nopens H‚mi [510], maar de ongeloovigen hebben een logen betreffende God uitgedacht, en het grootste gedeelte hunner verstaan niet. 103. En toen tot hen gezegd werd: Komt tot hetgeen God heeft geopenbaard en tot den apostel, antwoordden zij: Het geloof dat wij bij onze ouderen vonden, is toereikend voor ons, terwijl hunne vaders niets kenden en niet geleid werden. 104. O ware geloovigen! neemt uwe zielen in acht. Hij die dwaalt, zal u niet deren; want gij wordt op den rechten weg geleid. Met God zult gij terugkeeren, en hij zal u verhalen wat gij hebt gedaan. 105. O ware geloovigen! laat getuigen onder u kiezen, als de dood een uwer nadert, op het oogenblik dat hij testament maakt; neem twee rechtvaardige menschen onder u, of twee anderen van een verschillenden stam, of van een ander geloof dan gij zijt [511], indien gij reizende op aarde zijt en het doodsgevaar u overvalt. Gij zult hen beiden opsluiten na het namiddaggebed [512], en zij zullen bij God zweren indien gij aan hen twijfelt, en zij zullen zeggen: Wij verkoopen onze getuigenis niet, voor welken prijs ook; zelfs niet aan iemand, die met ons is verwant, en wij zullen de getuigenis van God niet verbergen; want dan zouden wij zeker tot het getal der zondaren behooren. 106. Maar indien het blijkt, dat beiden aan oneerlijkheid schuldig zijn geweest, zullen twee anderen in hunne plaats worden gesteld, van degenen die hen van valschheid hebben overtuigd, en wel de twee naasten in den bloede; en zij zullen bij God zweren, zeggende: Waarlijk, onze getuigenis is meer waar dan de getuigenis van deze beide; wij hebben niet pogen te verleiden; want dan zouden wij tot het getal der onrechtvaardigen behooren. 107. Dit zal gemakkelijker zijn, dat de menschen eene getuigenis afleggen overeenkomstig hare ware bedoeling, of zij zullen vreezen, dat een andere eed na hunnen eed mocht worden afgelegd. Vreest daarom God en luistert; want God leidt de onrechtvaardigen niet. 108. Op zekeren dag [513] zal God de apostels vereenigen en tot hen zeggen: Welk een antwoord werd u gegeven, toen gij voor het volk hebt gepredikt, naar hetwelk gij werd afgezonden? Zij zullen antwoorden: Wij hebben geene kennis, maar gij kent de geheimen. 109. Als God zal zeggen: o Jezus! zoon van Maria: gedenk mijne gunst omtrent u en omtrent uwe moeder, toen ik u sterkte met den heiligen geest [514], opdat gij tot de menschen in hunne wieg zoudt spreken, en toen gij zijt opgegroeid [515]. 110. En toen ik u de schrift onderwees en wijsheid, en de wet en het evangelie; en toen gij, door mijn verlof, slijk in den vorm van een vogel hebt gebracht, en dat gij er in hebt geblazen en dat het door mijn verlof een vogel werd, en dat gij een blindgeborene en een melaatsche door mijn verlof hebt genezen, en toen gij, door mijn verlof [516], de dooden hunne graven deedt verlaten, en toen ik de kinderen IsraÎls terug hield u te dooden [517], toen gij met duidelijke wonderen tot hen waard gekomen en sommigen van hen, die niet geloofden, zeiden: Dit is slechts tooverij [518] 111. En toen ik de apostelen gebood, zeggende: Gelooft in mij en in mijn gezant, antwoordden zij: Wij gelooven, en gij zijt getuige, dat wij Gode zijn onderworpen. Gedenk, toen de apostelen zeiden: 112. O, Jezus, zoon van Maria! is uw Heer in staat, ons eene tafel uit den hemel te doen nederdalen [519]? Hij antwoordde: Vreest God, indien gij ware geloovigen zijt. 113. Zij zeiden: Wij verlangen er van te eten, en dat onze harten voldaan mogen worden, en dat wij mogen weten, of gij ons de waarheid hebt verhaald, en dat wij er getuigen van mogen zijn. 114. Jezus de zoon van Maria, zeide: O God, onze Heer! laat eene tafel tot ons uit den hemel nederdalen; dat de dag van hare nederdaling een feestdag voor ons worde: voor den eerste van ons en voor den laatste van ons, en een teeken van u; en voorzie haar van voedsel voor ons; want gij zijt de beste voorziener. 115. God zeide: Waarlijk ik zal haar tot u doen nederdalen; maar hij van u, die daarna nog ongeloovig zal zijn, zekerlijk zal ik hem straffen met eene straf, en ik zal de andere schepselen ongestraft laten. 116. En als God tot Jezus zal zeggen: O Jezus, zoon van Maria! hebt gij tot de menschen gezegd: Neemt mij en mijne moeder als twee goden naast God? zal hij antwoorden: Geloofd zijt gij: verre zij het het van mij, te zeggen wat niet waar is; indien ik dit had gezegd, zoudt gij het zekerlijk weten; gij weet wat in mij is, maar ik weet niet wat in u is; want gij kent alle geheimen. 117. Ik heb hun niets gezegd, dan wat gij mij hebt geboden; namelijk: Aanbidt God, mijn Heer, en ˘w Heer; en ik was getuige van hunne daden, zoo lang ik onder hen bleef; doch sedert gij mij tot u hebt opgenomen [520], waart gij hun bewaker; want gij zijt getuige van alle dingen. 118. Indien gij hen straft; gij hebt de macht en zij zijne uwe dienaren, en indien gij hun vergeeft; gij kunt het; want gij zijt machtig en wijs. 119. God zal zeggen: Deze dag is een dag waarop de rechtvaardigen hunne rechtvaardigheid zullen vermeerderd zien: zij zullen tuinen bezitten met wateren doorsneden; eeuwig zullen zij daarin verblijven. God heeft behagen in hen geschept, en zij hebben behagen in hem geschept. Dit zal een groot geluk zijn. 120. Gode behoort de heerschappij over hemel en aarde en al wat zij bevatten, en hij is almachtig.

ZESDE HOOFDSTUK.

HET VEE [521].

Gegeven te Mekka [522].--165 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God [523].

1. Geloofd zij God, die de hemelen en de aarde heeft geschapen, en de duisternis en het licht heeft ingesteld: desniettegenstaande plaatsen zij, die niet in den Heer gelooven, andere goden naast hem. 2. Hij is het, die u uit slijk heeft geschapen, en daarna het einde van uw leven heeft bepaald. Dat vooruit bepaalde einde is in zijne macht; nog twijfelt gij er aan. 3. Hij is God in den hemel en op aarde; hij weet wat gij heimelijk doet; en wat gij openbaart, en weet wat gij verdient. 4. Er kwam geen enkel teeken tot hen, van de teekenen van hunnen Heer, of zij wendden zich er af. 5. En zij hebben de waarheid geloochend, nadat zij tot hen was gekomen: maar eene boodschap zal tot hen komen, nopens hetgeen zij bespot hebben. 6. Hebben zij niet opgemerkt, hoe vele geslachten wij vÛÛr hen hebben vernietigd. Wij hebben hen op de aarde geplaatst op eene wijze zooals wij u niet hebben geplaatst [524]. Wij hebben den hemel gezonden om overvloed op hen te doen regenen, en gaven hun rivieren, die onder hunnen voet stroomden; daarna hebben wij hen om hunne zonden vernietigd, en hebben andere geslachten na hen doen opstaan. 7. Zelfs indien wij hun een boek hadden nedergezonden, op papier geschreven, en zij hadden het met hunne handen aangeraakt, zouden de ongeloovigen zekerlijk hebben gezegd: Dit is slechts tooverij [525]. 8. Zij zeggen, dat zoolang geen engel tot hen werd nedergezonden, zij niet zullen gelooven. Maar indien wij een engel hadden nedergezonden, zou hunne zaak reeds bepaald zijn, en zij zouden geen oogenblik berouw gevoeld hebben. 9. En indien wij een engel als onzen boodschapper hadden aangewezen, zouden wij hem in den vorm van een mensch [526] gezonden hebben; en wij zouden dien voor hen hebben gekleed, gelijk zij gekleed zijn. 10. Andere apostelen zijn vÛÛr u bespot, maar de straf waarmede zij spotten, heeft de spotters bereikt. 11. Zeg hun: Doorloopt de aarde en ziet wat het einde van hen was, die onze profeten van bedrog beschuldigden. 12. Zeg: Wien behoort wat hemel en aarde bevatten? Zeg: Aan God. Hij heeft zich zelven barmhartigheid voorgeschreven. Hij zal u zeker op den dag der opstanding verzamelen; daaraan is geen twijfel. Zij, die niet gelooven, verwoesten hunne eigene zielen. 13. Hem behoort alles wat bij nacht of bij dag gebeurt; hij hoort en ziet alles. 14. Zeg: Zal ik een anderen beschermer kiezen dan God, de schepper van hemel en aarde, die alles voedt en door niemand gevoed wordt? Zeg: Waarlijk, mij is bevolen, de eerste te zijn die den Islam belijdt en het werd mij gezegd: Gij zult op geenerlei wijze een afgodendienaar zijn. 15. Zeg: Waarlijk, ik vrees de straf van den grooten dag, indien ik ongehoorzaam jegens mijnen Heer mocht zijn. 16. Indien zij van iemand op dien dag wordt afgewend, zal God genadig omtrent hen zijn geweest, en dat eene blijkbare verlossing zijn. 17. Indien God u door eenig leed bedroeft, zal niemand het van u kunnen afnemen, uitgezonderd hij zelf; indien hij echter eene weldaad bewijst, is het omdat hij almachtig is. 18. Hij is de opperheer over zijne dienaren; en hij is wijs en alwetend. 19. Zeg: Wat is het sterkste bij het afleggen van getuigenis [527]? Zeg: God; hij is getuige tusschen mij en u. En deze Koran werd mij geopenbaard, opdat ik u daardoor zou waarschuwen, en ook hen tot welke hij zal komen. Gelooft gij inderdaad dat er andere goden behalve God zijn? Zeg: Ik belijd dit niet. Zeg: Waarlijk, hij is eÈn God en ik ben onschuldig aan hetgeen gij met hem vereenigt. 20. Zij, wie wij de schrift hebben gegeven, kennen onzen apostel zooals zij hunne eigene kinderen kennen [528]: maar zij, die hunne eigene zielen verwoesten, zullen niet gelooven. 21. Wie is onrechtvaardiger dan hij, die eene leugen omtrent God verzint [529], of zijne teekenen van bedrog beschuldigt? Waarlijk, de booze zal niet bloeien. 22. En op den dag der opstanding zullen wij hen allen verzamelen, en dan zullen wij zeggen tot hen, die anderen met God vereenigen: Waar zijn uwe makkers [530], van wien gij u verbeeldt, dat zij het van God zijn? 23. Maar zij zullen geene andere verontschuldiging hebben, dan dat zij zullen zeggen: Bij God, onzen Heer, zweren wij, dat wij geene afgodendienaars waren. 24. Zie hoe zij tegen zich zelven liegen, en hoe de goden zich hebben verborgen, die door hen werden uitgevonden [531]. 25. Er zijn er onder hen, die luisteren, als gij den Koran leest, maar wij hebben sluiers over hunne harten geworpen, dat zij het niet zouden verstaan, en eene doofheid in hunne ooren; en indien zij zelfs alle soorten van teekens zagen, zouden zij er niet aan gelooven; en hunne ongeloovigheid zal zoo groot worden, dat zij zelfs tot u zullen komen om met u te twisten. De ongeloovigen zullen zeggen: Dit zijn niets anders dan dwaze fabelen uit oude tijden. 26. En zij zullen anderen verbieden er aan te gelooven, en zich er verre van verwijderen; maar zij zullen hunne eigene zielen slechts vernietigen, en dat gevoelen zij niet. 27. Indien gij hen zaagt, als zij in het vuur der hel zullen worden geplaatst, en zij zullen zeggen: Gave God dat wij in de wereld mochten worden teruggezonden; wij zouden dan de teekens van onzen Heer niet van bedrog beschuldigen, en wij zouden ware geloovigen worden. 28. Ja, het is hun duidelijk geworden, wat zij vroeger verborgen, en indien zij zelfs in de wereld werden teruggezonden, zouden zij zekerlijk terugkeeren tot datgene wat hun verboden werd; en zij zijn zekerlijk leugenaars. 29. En zij zeggen: Er is geen ander leven dan dit leven; nimmer zullen wij opgewekt worden. 30. Maar indien gij kondet zien, als zij voor hunnen Heer zullen worden geplaatst [532]! Hij zal tot hen zeggen: Was dit niet de waarheid? Zij zullen antwoorden: Ja, bij onzen Heer! God zal zeggen; Onderga dus de straf, omdat gij niet hebt geloofd. 31. Zij zijn verloren, die de verschijning voor God in het volgende leven als eene onwaarheid verwerpen, tot op het uur [533] dat hen onvermijdelijk zal verrassen. Dan zullen zij zeggen: Helaas dat wij gedurende onzen leeftijd ons zelven achteloos hebben vergeten, en zij zullen hunne lasten op hunne schouders dragen; en zal het niet kwaad zijn, waarmede zij beladen zullen wezen? 32. Dit tegenwoordige leven is niets anders dan een spel en een ijdel vermaak; maar, waarlijk, het volgende leven, zal beter zijn voor hen die God vreezen. Zult gij dat niet begrijpen? 33. Nu weten wij, o Mahomet! dat het u grieft wat zij spreken! men beschuldigt niet u van valschheid; maar de ongeloovigen loochenen Gods teekenen. 34. En reeds vÛÛr u werden er apostelen voor leugenaars gehouden; zij verdroegen de beschuldigingen en de onrechtvaardigheid, tot op het oogenblik dat onze hulp tot hen kwam; want niemand kan Gods woorden veranderen; en gij hebt eenige inlichting ontvangen omtrent hen, die vroeger door hem werden gezonden. 35. Indien hun afkeer u grieft, indien gij een holte kondet opzoeken, waardoor gij tot het binnenste der aarde zoudt kunnen doordringen, of eene ladder, waardoor gij tot in den hemel zoudt kunnen opklimmen, om hun een teeken te kunnen toonen, dan zoudt gij het doen; doch uwe pogingen zouden vruchteloos zijn; want indien het Gode behaagde, zou hij hen allen in de ware richting kunnen leiden; wees dus geen der onwetenden [534]. 36. Hij zal alleen hun een gunstig antwoord geven, die met aandacht zullen luisteren; en God zal de dooden opwekken; want tot hem zullen zij terugkeeren. 37. De ongeloovigen zeggen, dat, zoo lang hun geen wonder van den Heer zal worden geopenbaard, zij niet zullen gelooven. Antwoordt: Waarlijk, God is in staat een wonder te doen; maar het grootste deel hunner weet het niet [535]. 38. Er is geene diersoort op de aarde, noch een vogel die met zijne vleugels vliegt, welke niet, gelijk gij, een volk vormt [536]. Wij hebben niets in het boek onzer besluiten [537] vergeten; want tot hunnen Heer zullen zij terugkeeren [538]. 39. Zij, die onze teekens van logen beschuldigen, zijn doof en stom en wandelen in duisternis; God zal doen dwalen wien hij wil, en wie hem behaagt, zal hij op den rechten weg brengen. 40. Zeg: wat denkt gij? indien Gods straf over u komt, of het uur der opstanding, zult gij dan een ander dan God aanroepen; spreekt, indien gij oprecht zijt? 41. Ja! Hij is het dien gij zult aanroepen; en hij zal u bevrijden van hetgeen u hem doet aanroepen, indien het hem behaagt, en gij zult de goden vergeten die gij met hem vereenigt. 42. Wij hebben reeds gezanten gezonden onder de volkeren die vÛÛr u bestonden, en hebben hen door onrust en tegenspoed bedroefd, opdat zij zich zouden vernederen. 43. Toen de door ons gezonden droefheid over hen kwam vernederden zij zich niet, maar hunne harten werden versteend, en satan bereidde voor hen wat zij bedreven [539]. 44. En toen zij hadden vergeten, wat hun gewaarschuwd was, openden wij de deuren van alle weldaden voor hen [540], tot op het oogenblik, dat zij in vreugde gedompeld over de weldaden die zij hadden ontvangen, eensklaps door ons werden aangegrepen en in wanhoop gestort werden. 45. En het grootste gedeelte des volks, dat slecht gehandeld had, werd afgesneden: geloofd zij God, de Heer aller schepselen! 46. Zeg: wat denkt gij? indien God uw gehoor en uw gezicht weg nemen, en uwe harten verzegelen zou; welke god, behalve God, zou die u terug geven? Zie, op hoeveel verschillenden wijzen, wij de teekenen van Gods eenheid vertoonen, en toch wenden zij er zich van af. 47. Zeg tot hen: wat denkt gij? indien Gods straf onverwachts over u kwame, of openlijk [541], zou dan iemand behalve de goddeloozen omkomen? 48. Wij zenden onze gezanten niet anders dan goede tijdingen dragende, en bedreigingen aan te kondigen. Wie dus gelooven en berouw gevoelen zullen, over deze zal geene vrees komen; nimmer zullen zij bedroefd worden. 49. Maar zij die onze teekens van leugen zullen beschuldigen, zullen door een straf worden overvallen, omdat zij slecht hebben gehandeld. 50. Zeg: ik zeg niet tot u, de schatten van God zijn in mijne macht, of dat ik de verborgenheden van God ken; ik zeg u niet dat ik een engel ben: ik volg alleen wat mij werd geopenbaard. Zeg: Zullen de blinde en de ziende gelijk gesteld worden? Zult gij dat niet overwegen? 51. Predik het tot hen, die vreezen voor hunnen Heer verzameld te worden; zij zullen schuts noch voorspraak hebben, behalve Hem; misschien zullen zij hem vreezen. 52. Verdrijf hen niet, die des ochtends en des avonds God aanroepen, uit begeerte zijn aangezicht te zien [542]. Het komt u niet toe, een oordeel over hen uit te spreken, evenmin als het hun behoort, een oordeel over u uit te spreken: indien gij hen dus verdrijft zult gij tot de onrechtvaardigen behooren. 53. Dit hebben wij een deel hunner door een ander deel getoond, opdat zij zouden mogen zeggen: zijn dat diegene onzer, omtrent welke God genadig is geweest? Kent God hen niet, die dankbaar zijn? 54. En wanneer zij, die gelooven, tot u komen, zeg: Vrede zij over u. Uw Heer zelf heeft zich de barmhartigheid voorgeschreven; indien een uwer door onwetendheid slecht handelt en daarna berouw gevoelt en boete doet, voor dien zal hij zeker genadig en barmhartig zijn. 55. Zoo zetten wij onze teekens duidelijker uiteen, opdat het pad der boozen bekend zou zijn. 56. Zeg: Waarlijk, het is mij verboden, de valsche goden te aanbidden, die gij naast God aanroept: Zeg: ik wil uwe begeerten niet volgen; want dan zou ik dwalen, en ik zou nimmer een hunner zijn, die op den rechten weg worden geleid. 57. Zeg: ik houd mij aan de verklaring, die ik van mijnen Heer heb ontvangen: doch gij hebt logens nopens hem uitgedacht. Wat gij wilt dat verhaast zal worden, is niet in mijne macht [543]; het oordeel behoort alleen aan God. Hij zal de waarheid doen kennen, en hij is de beste beslisser. 58. Zeg: Indien wat gij wenscht te zien verhaasten in mijne macht ware, zou de zaak tusschen u en mij bepaald zijn; maar God kent den onrechtvaardige. 59. Hij bezit de sleutels der geheimen; niemand kent die buiten hem; hij weet wat op het droge land en in de zee is; er valt geen blad af, of hij weet het; nergens is een eenvoudige zaadkorrel in de duistere gedeelten der aarde, nergens een groen of verdord spruitje, dat niet in het duidelijke boek is opgeschreven [544]. 60. Hij is het die maakt dat gij des nachts kunt slapen, en weet wat gij des daags hebt gedaan; hij zal u eens opwekken, opdat de vooruit bestemde eindpaal uws levens vervuld worde; want tot hem zult gij terug keeren en hij zal u verklaren wat gij hebt bedreven. 61. Hij is de meester zijner dienaren, en hij zendt de beschermengelen, om over u te waken, tot op het oogenblik dat de dood u verrast: dan ontvangen onze gezanten den stervenden mensch, en zij zullen onze bevelen nakomen [545]. 62. Daarna zult gij tot God terugkeeren, uw waren Heer; behoort hem het oordeel niet? Hij is de snelste in het opmaken eener rekening. 63. Zeg, wie bevrijdt u van de duisternis des lands en der zee, wanneer gij hem nederig en in stilte aanroept, zeggende: Waarlijk, indien gij ons bevrijdt [546] van deze gevaren, zullen wij zeker dankbaar zijn? 64. Zeg: God bevrijdt u daarvan en van iedere tegenspoed en droefenis, en toch plaatst gij andere goden naast hem [547]. 65. Zeg: Hij is in staat u eene straf te zenden van boven [548] of van onder uwe voeten [549], of de tweedracht onder u te brengen en aan den een de geweldenarijen van den ander te doen gevoelen. Zie hoe verschillend wij onze teekens vertoonen, opdat gij die eindelijk zoudt verstaan. 66. Dit volk heeft de openbaring, die gij gebracht hebt, van valschheid beschuldigd, hoewel het de waarheid is. Zeg: Ik ben geen waker over u; iedere profetie heeft haren bepaalden tijd van vervulling; en daarna zult gij dien kennen. 67. Als gij hoort, dat de ongeloovigen over onze teekens spreken, verwijder u dan, tot zij een ander onderwerp voor hunne gesprekken hebben gekozen; en indien satan u dit voorschrift doet vergeten, blijf dan niet langer bij de goddeloozen, zoodra gij het u weder herinnert. 68. Men zal er geene rekenschap voor vragen aan hen, die God vreezen, doch zij dienen zich te herinneren, dat zij God vreezen [550]. 69. Verwijder u van hen, die hunnen godsdienst als een spel en een tijdverdrijf beschouwen, en welke het tegenwoordige leven heeft verblind, en waarschuw hen, door den Koran, dat eene ziel wordt gestraft voor hetgeen zij heeft bedreven. Zij zal geen schuts of beschermer naast God hebben, en indien zij den grootsten losprijs zouden kunnen betalen, zou die niet worden aangenomen. Zij, die aan het verderf zijn overgegeven, om hetgeen zij hebben gedaan, zullen kokend water moeten drinken, en zij zullen eene strenge straf ondergaan, omdat zij niet geloofd hebben. 70. Zeg: Zullen wij, naast God hen aanroepen, die ons nuttig zijn noch bestraffen kunnen? En zullen wij op onzen weg terugkeeren, nadat God ons heeft geleid, evenals hij, die door de duivels op den verkeerden weg werd gebracht, terwijl hij op de aarde ronddoolt en thans makkers heeft, die hem tot den rechten weg terugroepen, zeggende: kom tot ons? Zeg: Gods richting is de ware; men heeft ons bevolen, ons aan den Heer van alle schepselen te onderwerpen. 71. Neem de bepaalde tijden van het gebed in acht, en vreest hem; want hij is het, voor wien gij zult verzameld worden. 72. Hij is het, die de hemelen en de aarde in waarheid heeft geschapen; en wanneer hij tot een ding zegt: wees! dan is het. 73. Zijn woord is de waarheid; hem zal het koninkrijk zijn op den dag, waarop de trompet zal klinken: Hij kent wat geheim of openbaar is; Hij is de wijze, de alwetende. 74. Abraham zeide tot zijn vader Azer [551]: neemt gij beelden tot goden [552])? Waarlijk, ik bemerk, dat gij en uw volk in eene duidelijke dwaling verkeert. 75. En zoo deden wij Abraham het koninkrijk van hemel en aarde zien, opdat hij een mocht worden van hen, die oprecht gelooven. 76. En toen de nacht hem omsluierde, zag hij eene ster, en hij zeide: Dit is mijn Heer; doch toen zij verdween, zeide hij: Ik bemin de goden niet die verdwijnen. 77. En toen hij de maan zag opgaan, zeide hij: Dit is mijn God; doch toen zij verdween, zeide hij: indien God mij niet geleidt, zal ik verdwalen. 78. En toen hij de zon zag opgaan, zeide hij: Dit is mijn heer, dit is de grootste; doch toen zij verdween, zeide hij: O mijn volk! ik ben onschuldig aan datgene, wat gij naast God plaatst. 79. Ik wend mijn aangezicht tot hem, die den hemel en de aarde heeft geschapen; ik ben een waar geloovige en ik behoor niet tot de afgodendienaars, 80. En zijn volk spotte met hem, en hij zeide: Wilt gij met mij over God twisten? Hij heeft mij op den rechten weg geleid, en ik vrees hen niet, die gij naast hem plaatst, tenzij God iets verlangt; want hij is alwetend [553]. Zult gij dit niet in overweging nemen? 81. En hoe zou ik vreezen, wat zij, naast God plaatsen, naardien gij niet vreest goden naast hem te plaatsen, zonder dat God u daartoe eenige macht heeft gegeven? Zeg: welke der beide partijen is de zekerste, indien gij het verstaat? 82. Zij die gelooven en hun geloof niet met onrechtvaardigheid omkleeden [554], zullen zekerheid genieten en op den rechten weg geleid worden. 83. En dit is onze bewijsreden, waarvan wij Abraham hebben voorzien, opdat hij daarvan tegen zijn volk gebruik zou maken: Wij verheffen hen, die ons behagen; want uw Heer is wijs en alwetend. 84. En wij gaven hun Izaak en Jacob; en wij hebben hen beiden geleid; en vroeger hadden wij reeds Noach geleid en onder zijne afstammelingen [555] hebben wij ook David en Salomo, en Job [556], en Mozes en A‰ron geleid. Zoo beloonen wij hen, die goed handelen. 85. Zacharias en Johannes, en Jezus en Elias [557], waren allen rechtvaardigen. 86. En IsmaÎl, en Elisa en Jonas [558] en Loth [559]; deze allen hebben wij begunstigd boven alle andere stervelingen. 87. Zoo ook hebben wij onder hunne vaderen en hunne kinderen, onder hunne broeders een groot aantal uitverkorenen op den rechten weg geleid. 88. Zoo is Gods richting; hij leidt wie hem van zijne dienaren behaagt. Indien de menschen andere goden naast hem plaatsen, zullen hunne daden geheel vruchteloos zijn. 89. Deze zijn de personen, welken wij de schrift gaven en wijsheid, en profetie; doch indien deze [560] daarin niet gelooven, zullen wij de zorg daarvoor aan een volk opdragen, dat daarin zal gelooven. 90. Dit zijn de personen, die door God werden geleid; volg daarom hunne richting. Zeg tot de bewoners van Mekka: Ik vraag van u geene belooning voor het prediken van den Koran; het is slechts eene waarschuwing aan alle schepselen. 91. Zij waardeeren God niet zoo als hij het verdient [561], als zij zeggen: God heeft niets aan de menschen geopenbaard [562]. Zeg: Wie heeft dan het boek geopenbaard, dat Mozes heeft gebracht, om er het licht en den gids der menschen van te maken; het boek, dat gij op bladen schrijft; het boek, dat gij vertoont, en waarvan gij echter een groot gedeelte verbergt? Gij zijt onderricht geworden, van hetgeen gij evenmin als uwe vaderen wist. Zeg hun: God is het, en laten zij zich dan met hunne ijdele gesprekken vermaken. 92. Dit boek, hetwelk wij hebben nedergezonden, is gezegend; het bevestigt datgene, wat vÛÛr u werd geopenbaard, en werd u gegeven, opdat gij het zoudt prediken in de stad Mekka en aan hen, die in den omtrek wonen. Zij, die in het volgende leven gelooven, zullen ook daaraan gelooven, en zij zullen den tijd van het gebed nauwkeurig in acht nemen. 93. Wie is slechter dan hij, die eene leugen tegen God uitdenkt of zegt! Dit werd mij geopenbaard, als hem niets werd geopenbaard, en die zegt: Ik zal eene openbaring voortbrengen, gelijk aan die, welke door God is nedergezonden? [563] Indien gij de goddeloozen in de doodsangsten zaagt en de engelen hunne handen uitsteken, zeggende: werpt uwe zielen weg; heden zult gij een strenge straf ondergaan, voor hetgeen gij valsch nopens God hebt gesproken, en omdat gij zijne teekenen hebt versmaad. 94. En nu komt gij alleen tot ons [564], zooals wij u het eerst schiepen, en liet de weldaden, die wij u hebben geschonken achter u; en wij zien de tusschenpersonen niet, die gij als Gods makkers hebt beschouwd [565]. De banden, die u vereenigden, zijn gebroken, en wat gij hebt verzonnen, heeft u verlaten [566]. 95. God maakt dat de graankorrel en de dadelpit zich voortplanten. Hij brengt het leven uit den dood voort [567]. Dit is God. Waarom hebt gij u dus van hem afgewend? 96. Hij veroorzaakt, dat de morgen verschijnt, en heeft den nacht bevolen voor de rust, en de zon en de maan tot bepaling van den tijd. Dit is de beschikking van den machtigen, den wijzen God. 97. Hij is het, die de sterren voor u heeft bevolen, dat gij daardoor geleid zoudt worden in de duisternis, te land en ter zee. Wij hebben overal teekens doen schitteren voor hen, die verstaan willen. 98. Hij is het die u uit ÈÈne ziel heeft voortgebracht, en eene zekere verzamelplaats en eene rustplaats voor u geschapen heeft [568]. Wij hebben teekenen doen schitteren voor hen, die verstandig zijn. 99. Hij is het, die water van den hemel nederzendt. Daardoor doen wij de spruiten van alle planten ontkiemen; daardoor hebben wij het groen voortgebracht, waaruit wij het graan in aren doen opschieten, en palmboomen, uit welker takken nederhangende, dichte trossen dadels voortkomen, en tuinen met wijngaarden beplant, en olijven en granaatappelen, die op elkander gelijken en van elkander verschillen. Zie op hunne vruchten, als zij vruchten dragen, en hoe zij rijpen. Waarlijk, daarin zijn teekens voor hen, die gelooven. 100. Zij hebben de geniussen [569] met God vereenigd, terwijl hij het is, die ze heeft geschapen. In hunne onwetendheid schrijven zij hem zonen en dochters toe. Geloofd zij hij, en het zij verre van hem, wat zij met hem vereenigen. 101. Hij is de maker van hemel en aarde. Hoe zou hij kinderen hebben? hij die geene gezellin heeft? Hij heeft alle dingen geschapen en is alwetend. 102. Dit is God uw Heer. Er is geen God buiten hem, de schepper van alle dingen: dien hem dus; want hij zorgt voor alle dingen. 103. De blikken der menschen kunnen hem niet bereiken. Hij bereikt alle blikken. Hij is de barmhartige [570], de wijze. 104. Thans zijn er duidelijke aanwijzingen van uwen Heer tot u gekomen. Hij die deze ziet, ziet ze in zijn eigen voordeel en die er blind voor blijft, het is zijn nadeel. Ik ben uw bewaker niet. 105. Zoo verklaren wij onze teekens op verschillende wijzen, opdat zij zouden zeggen, gij hebt met ijver geleerd; [571] en opdat wij hen er van zouden onderrichten, die ons verstaan. 106. Volg datgene, wat u reeds van uwen Heer werd geopenbaard; er is geen God buiten hem; verwijder u dus van de afgodendienaars. 107. Indien het Gode had behaagd, zouden zij onschuldig aan afgoderij zijn geweest. Wij hebben u niet tot bewaker over hem aangesteld: noch om op hunne belangen toe te zien. 108. Beschimp de godheden niet, die zij naast God aanroepen; zij konden op hunne beurt, in hunne buitensporigheid, God beleedigen. Zoo hebben wij ieder volk zijne daden aangewezen. Later zullen zij tot hunnen Heer terugkeeren, die hun zal herhalen wat zij hebben verricht. 109. Zij hebben bij God gezworen, met den meest plechtigen eed, dat indien hun een teeken werd geopenbaard, zij zekerlijk daaraan zouden gelooven. Zeg: Waarlijk, de teekens staan alleen in Gods macht, en hij veroorlooft u niet te begrijpen, dat, als die komen, zij niet zullen gelooven [572]. 110. En wij zullen hunne harten en hun gezicht van de waarheid afwenden; want zij geloofden er voor de eerste maal niet aan [573], en wij zullen hen verlaten, opdat zij in hunne dwaling mogen voortgaan. 111. En hoewel wij hun engelen hadden gezonden, en de dood tot hen had gesproken, en wij alle dingen voor hun oog [574] voor hen hadden verzameld, wilden zij niet gelooven, tot het Gode behaagde; maar het grootste deel hunner weet het niet. 112. Zoo hebben wij voor iederen profeet een vijand doen ontstaan; de verleiders van menschen en geniussen, die elkander afzonderlijk klinkende gesprekken [575] inbliezen, om te verblinden; maar indien het God had behaagd, zouden zij het niet hebben gedaan. Verlaat hen dus, en ook datgene, wat zij valschelijk hebben uitgedacht. 113. Laat de harten van hen, die niet in het volgende leven gelooven, zich daartoe neigen, en laat hen zelven er behagen in scheppen en laat hen winnen wat zij winnen. 114. Zal ik een anderen rechter naast God zoeken, om tusschen ons te richten? Hij is het, die u het boek van den Koran heeft toegezonden, onderscheidende goed en kwaad; en zij, welke wij de schrift gaven, weten dat zij van den Heer werd nedergezonden met waarheid. Wees dus niet een van hen, die er aan twijfelen. 115. De woorden van uwen Heer zijn volmaakt in waarheid en rechtvaardigheid; er is niemand die deze woorden kan veranderen [576]. Hij hoort en kent alles. 116. Maar indien gij het grootste deel gelooft van hen, die op de aarde zijn, zullen zij u van Gods weg afleiden; zij volgen slechts een onzeker gevoelen en spreken niets dan leugen. 117. Waarlijk, God kent hen, die van zijnen weg afgaan, en kent hen wel, die op den rechten weg worden gevoerd. 118. Eet van hetgeen, waarbij de naam van God is herdacht [577], indien gij aan zijne teekens gelooft [578]. 119. En waarom zoudt gij niet eten van datgene, waarover Gods naam is uitgesproken? aangezien hij u duidelijk verklaarde, wat hij u heeft verboden, uitgenomen datgene, waarvan gij genoodzaakt zijt te eten. Sommigen brengen anderen in dwaling, door hunne hartstochten, zonder kennis te bezitten; maar God kent de zondaren. 120. Verlaat het binnenste en het buitenste der zonde [579]; want zij die de zonde begaan, zullen de belooning ontvangen, naar hetgeen zij hebben verricht. 121. Eet dus niet van datgene, waarbij Gods naam niet is herdacht; want dit is zeker zonde. De duivels zullen hunne vrienden ingeven, daarover met u te twisten, doch indien gij hen gehoorzaamt, zijt gij zekerlijk afgodendienaars. 122. Zal hij die dood geweest is, en dien wij tot het leven hebben teruggebracht, en dien wij een licht hebben geschonken, waarmede hij onder de menschen zou kunnen wandelen, als degene zijn, die in de duisternis wandelt en die daaruit niet kan geraken? Zoo werden de daden der ongeloovigen vooruit bereid. 123. Zoo hebben wij in iedere stad hoofdlieden van de boozen aldaar geplaatst, opdat zij er valstrikken zouden spannen [580]; doch zij zullen hunne eigene zielen slechts strikken spannen en zij weten het niet [581]. 124. En als hun een teeken [582] wordt geopenbaard, zeggen zij: wij zullen op geenerlei wijze gelooven, tot ons eene openbaring worde gebracht, evenals diegene, welke aan Gods zendelingen werd gegeven [583]; God weet het beste, wien hij tot zijnen zendeling zal verkiezen. De schande in Gods aangezicht bedreven, zal op hen vallen, die boos handelen, en eene strenge straf voor het kwaad, dat zij bedreven. 125. En hij, wien het Gode behaagt te leiden, zal zijne borst openen om het geloof van den Islam te ontvangen: doch wien het hem zal behagen in dwaling te brengen, diens borst zal hij sluiten en vernauwen als diegene, welke zich ten hemel wil verheffen. [584] Zoo legt God eene vreeselijke straf aan hen op, die niet gelooven. 126. Dit is Gods rechte weg. Thans hebben wij hun, die overdenken willen, onze teekenen duidelijk verklaard. 127. Zij zullen eene woonplaats des vredes bij hunnen Heer hebben, en hij zal hun beschermer zijn voor datgene, wat zij hebben gedaan. 128. Denk aan den dag, waarop God hen allen verzamelen en zeggen zal: verzameling van geniussen [585]; gij hebt te veel misbruik van de menschen gemaakt [586], en hunne vrienden onder de menschen zullen zeggen: O Heer! de een van ons heeft van den andere diensten genoten en wij zijn tot den gestelden eindpaal [587] genaderd, dien gij ons hebt bepaald. God zal zeggen: het hellevuur zal uwe woning zijn; daarin zult gij eeuwig verblijven, tot het Gode zal behagen uwe smarten te lenigen; want uw Heer is wijs en alwetend. 129. Zoo plaatsen wij sommigen der onrechtvaardigen boven anderen van hen, om hetgeen zij hebben bedreven. 130. O verzameling van geniussen en menschen! kwamen er geene zendelingen van u zelven tot u [588] die u mijne teekens herhaalden, en die u de verschijning van dezen dag voorspelden? Zij zullen antwoorden: wij leggen getuigenis tegen ons zelven af: het tegenwoordige leven verblindde hen, en zij zullen tegen zich zelven getuigen, dat zij ongeloovigen waren. 131. En dit was Gods handelwijze [589]; want God is niet de verwoester der steden, die haar verdelgt uit boosheid, terwijl hare bewoners zorgeloos waren. 132. Ieder zal graden van belooning genieten, naarmate van hetgeen zij zullen bedreven hebben; want God is niet onopmerkzaam nopens hetgeen zij doen. 133. En uw Heer is rijk en vol van barmhartigheid. Indien het hem behaagt, kan hij u vernietigen, en hij kan uit u doen voortkomen wie hem behaagt, zooals hij u uit de nakomelingschap van een ander volk heeft doen voortspruiten. 134. Waarlijk, datgene, waarmede men u bedreigt, zal gebeuren, en gij zult het niet kunnen voorkomen. 135. Zeg tot de bewoners van Mekka; O mijn volk! handel overeenkomstig uwe kracht; waarlijk, ik zal handelen overeenkomstig mijnen plicht [590]. 136. En hierna zult gij kennen, wat de belooning van het paradijs is. De goddeloozen zullen niet bloeien. 137. Die van Mekka bestemmen een deel van hetgeen hij in hunnen oogst en onder hun vee heeft doen geboren worden, voor God, en zeggen dit behoort God (volgens hun verbeelding), en dit aan onze gezellen [591]. En dat wat voor hunne gezellen is bestemd, komt niet tot God, en hetgeen voor God bestemd is, zal tot hunne makkers komen. 138. Hoe verkeerd oordeelen zij [592]. Zoo hebben hunne gezellen verscheidene der afgodendienaars ingegeven, hunne kinderen te dooden [593], opdat zij hen in het verderf zouden kunnen voeren, en dat zij hunnen godsdienst duister konden maken, en hen daarin verwarren [594]. Maar indien het Gode had behaagd, zouden zij dit niet hebben gedaan; verlaat hen dus en datgene wat zij valschelijk uitdenken. 139. Zij zeggen ook: Dit vee en deze aardvruchten zijn geheiligd, niemand zal daarvan eten dan die ons behaagt (gelijk zij zich verbeelden); deze dieren mogen niet tot lastdieren gebruikt worden [595]; en over deze dieren wordt Gods naam niet uitgesproken, als zij die slachten [596]; zoo denken zij een leugen tegen hem uit, maar God zal hen beloonen voor hetgeen zij valschelijk uitdenken. 140. En zij zeggen: De jongen van deze dieren mogen onze mannen eten, maar onze vrouwen niet; doch indien de vrucht on voldragen is, mogen ze beiden haar eten [597]. God zal hen beloonen voor hun onderscheid maken. Hij is verstandig en wijs. 141. Zij zijn onredbaar verloren, die hunne kinderen dwazelijk, zonder kennis [598], hebben vermoord [599], en verboden hebben, wat God hun tot voedsel heeft gegeven, terwijl zij eene leugen tegen God uitdachten. Zij dwaalden en werden niet op den rechten weg geleid. 142. Hij is het, die de wijngaarden heeft geschapen, zoowel die door houten latwerk zijn gestut, als zij die het niet zijn [600], en palmboomen en de granen verschillende soorten voedsel opleverende, en olijven en granaatappelen, die elkander gelijk en niet gelijk zijn. Eet van hunne vruchten als zij vruchten dragen, en betaal den prijs daarvoor op den dag van den oogst [601]; doch verkwist niet [602]; want God bemint den verkwister niet. 143. En God heeft u sommige dieren gegeven, die tot het dragen van lasten zijn geschapen, en sommigen die alleen geschapen zijn om geslacht te worden. Eet van hetgeen God u tot voedsel heeft gegeven, en volg de stappen van satan niet; want hij is uw verklaarde vijand. 144. Vier paren vee heeft God u gegeven: een paar schapen en een paar geiten (elk van twee soorten). Zeg tot hen: heeft God de twee mannetjes van de schapen en van de geiten, of de twee wijfjes verboden, of dat wat de lichamen der wijfjes bevatten? Zeg mij met zekerheid, indien gij waarheid spreekt. 145. En God gaf u een paar kameelen en een paar runderen. Zeg, heeft hij de twee mannetjes van dezen, of de twee wijfjes verboden, of wat de lichamen der beide wijfjes bevatten [603]? Waart gij tegenwoordig toen God u dit beval? En wie is onrechtvaardiger dan hij, die eene leugen tegen God uitdenkt, opdat hij onverstandige menschen zou kunnen verleiden? Waarlijk, God leidt de onrechtvaardigen niet. 146. Zeg: ik vind in datgene, wat mij werd geopenbaard, geenerlei ding verboden om te eten, dan doode dieren, bloed dat gevloeid heeft [604] en varkensvleesch; want dat is eene afschuwelijkheid, of datgene wat ontwijd is, doordat het in den naam van een ander dan God is gedood. Doch hij, die door den nood mocht gedwongen zijn, en het niet uit ongehoorzaamheid eet, noch met de bedoeling om te zondigen, waarlijk, hem zal God barmhartig en goedertieren zijn. 147. Den Joden hebben wij ieder dier verboden, dat eene ongespleten hoef heeft, en wij verboden hun het vet van ossen en schapen, behalve het vet dat zich op hunne schouders en ingewanden [605] en datgene wat zich aan de beenderen bevindt [606]. Dat is om hen voor hunne onrechtvaardigheden te straffen; en waarlijk wij spreken de waarheid. 148. Indien zij u van bedrog beschuldigen, zeg: Uw Heer is met eene uitgebreide genade bekleed, maar zijne gestrengheid zal van den booze niet kunnen worden afgewend. 149. De afgodendienaars zullen zeggen: Indien het Gode had behaagd, zouden wij noch onze vaderen afgodendienarij schuldig zijn geweest. Volgens hen zouden wij het gebruik van geenerlei ding verboden hebben. Zoo beschuldigden zij die hen voorafgingen, de profeten van bedrog, tot zij onze gestrenge straf ondervonden. Zeg: indien gij eenige kennis hebt van hetgeen gij zegt, laat het zien; doch gij volgt slechts meeningen en zijt leugenaars. 150. Zeg: Alleen God heeft de macht tot de duidelijkste aanwijzing; want indien het hem had behaagd, zou hij u allen hebben geleid. 151. Zeg: Breng uwe getuigen bij, die verklaren kunnen, dat God dit heeft verboden. Maar indien zij dit getuigen, getuig dan niet met hen, noch volg de begeerten van hen, die onze teekens van valschheid beschuldigen, en die niet gelooven in het volgende leven, en afgodsbeelden met hunnen Heer gelijk stellen. 152. Zeg: Kom [607]! ik zal u voorlezen, wat uw Heer u heeft verboden; weest niet schuldig aan afgodendienst, weest eerbiedig jegens uwe ouders, en doodt uwe kinderen niet, uit vrees tot armoede te vervallen. Wij zorgen voor u en hen; en nadert de hatelijke zonden [608] niet, zoowel openlijke als geheime, en doodt de ziel niet, welke God u verboden heeft te dooden, behalve voor eene rechtvaardige zaak [609]. Dit heeft hij u bevolen, opdat gij zoudt begrijpen. 153. Raakt het vermogen van den wees niet aan, behalve tot de vermeerdering daarvan, totdat hij de jaren zijner manbaarheid heeft bereikt; en gebruikt eene goede maat en een nauwkeurig gewicht. Wij zullen geene ziel eene last opleggen, dan die zij kan dragen. En als gij recht spreekt, neemt dan de rechtvaardigheid in acht, hetzij dit voor of tegen iemand is, die met u verwant mocht zijn, en vervul Gods verbond. Dit heeft God u bevolen, opdat gij het overwegen en weten zoudt. 154. Dit is mijn rechte weg; volg dien dus, en volg niet het pad van anderen, opdat gij niet afgeleid moogt worden van dat van God. Dit heeft hij u bevolen, opdat gij hem zoudt vreezen. 155. Wij gaven Mozes ook het boek der wet, een volkomen leiding voor hem, die wel wil handelen, en eene verklaring omtrent alle noodige dingen, en eene richting en genadebewijs, opdat de kinderen IsraÎls aan het verschijnen voor hunnen God zouden gelooven. 156. En dit boek, dat wij thans hebben nedergezonden, is gezegend; volg het dus en vrees God, opdat gij genade moogt ondervinden. 157. Gij zult niet meer zeggen: De schriften werden alleen aan twee volkeren gezonden, die vÛÛr ons leefden, en wij hebben geene kennisse van hunne plichten. 158. Gij zult niet meer zeggen: indien ons een boek met goddelijke openbaringen ware nedergezonden, waarlijk wij zouden beter dan zij zijn geleid geworden [610]. En thans is eene duidelijke verklaring, en eene richting en eene genade van uwen Heer tot u gekomen; en wie is onrechtvaardiger dan hij, die leugens omtrent Gods teekenen uitdenkt, en zich van hem afwendt? Wij zullen hen die zich van onze teekenen afwenden, met eene strenge straf beloonen, omdat zij zich hebben afgekeerd. 159. Wachten zij tot de engelen tot hen komen, of dat hun Heer komt om hen te straffen, of dat sommige van Gods teekenen hen verrassen? Op den dag waarop sommige van uws Heeren teekenen zullen verschijnen, zal het geloof daaraan geene ziel bevoordeelen, die daaraan niet vroeger geloofde, of in zijn geloof niet goed handelde [611]. Zeg: indien gij wacht, zullen ook wij wachten. 160. Nader hen niet, die eene scheiding in hunnen godsdienst maken [612] en zich in secten verdeelen; hunne zaak behoort alleen aan God; daarna zal hij hun verklaren, wat zij gedaan hebben. 161. Hij, die met goede werken mocht verschijnen, zal daarvoor eene tienvoudige belooning ontvangen; doch hij, die met slechte daden verschijnt, zal slechts eene gelijke straf daarvoor ontvangen, en zij zullen niet onrechtvaardig behandeld worden. 162. Zeg: Waarlijk, mijn Heer heeft mij geleid op een rechten weg, eenen waren godsdienst: het geloof van Abraham, den waren geloovige, en hij was geen afgodendienaar. 163. Zeg: Mijne gebeden en mijne aanbidding, en mijn leven en mijn dood zijn Gode gewijd; den Heer van alle schepselen, die geen gelijke heeft. Dit werd mij geboden, en ik ben de eerste Moslem [613]. 164. Zeg: Zal ik een ander Heer begeeren naast God? Hij is toch de Heer van alle dingen. Alle zielen handelen slechts voor zichzelve en geene ziel zal de last van eene andere dragen. Tot uwen Heer zult gij terugkeeren, en hij zal u datgene verklaren waarover gij thans twist. 165. Hij is het, die u heeft aangewezen, uwe voorgangers op aarde op te volgen, en sommigen uwer boven anderen in verschillende graden heeft verheven, opdat hij u zou kunnen bewijzen, wat Hij voor u heeft verricht. Uw Heer is stipt in zijne straffen, maar hij is tevens genadig en barmhartig.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

AL ARAF [614].

Gegeven te Mekka [615].--205 verzen.

In naam van den lankmoedigen en barmhartigen God.

1. A. L. M. S. [616] Een boek werd u nedergezonden; laat dus geen twijfel daaromtrent in uwe borst bestaan, opdat gij hetzelfde zoudt verkondigen, en dat het eene vermaning voor den geloovige zij. 2. Volg datgene, wat u van uwen Heer werd nedergezonden, en volg geene anderen naast hem. Hoe weinig denkt gij daaraan! 3. Hoe vele steden hebben wij verwoest, die des nachts door onze wraak werden overvallen, of terwijl zij in het middaguur uitrustten. 4. En hunne smeeking, toen onze straf hen bereikte, was niets anders dan dat zij zeiden: waarlijk wij zijn goddeloos geweest. 5. Hen zullen wij zeker tot verantwoording oproepen, aan welk een profeet werd gezonden; en wij zullen ook hen ter verantwoording oproepen, die hun werden toegezonden. 6. En wij zullen hun hunne daden met verstand verklaren; want wij waren niet afwezig. 7. De weging der menschelijke daden op dien dag zal rechtvaardig zijn; en zij wier weegschalen, met goede daden gevuld, zwaar zijn, zullen gelukkig wezen. 8. Maar zij, wier weegschalen licht zullen wezen, zijn zij, die hunne zielen hebben verloren, omdat zij onze teekens geloochend hebben. 9. En thans hebben wij u op de aarde geplaatst, en hebben u daarop van voedsel voorzien; doch hoe weinig dankbaar zijt gij? 10. Wij schiepen u en vormden u daarop, en zeiden vervolgens tot de engelen: aanbidt Adam, en zij baden hem aan, uitgenomen Eblis, die niet onder hen behoorde, welke hem aanbaden [617]. 11. God zeide tot hem: Wat belet u, Adam te aanbidden, naardien ik het u had bevolen? Hij antwoordde: Ik ben voortreffelijker dan hij; mij hebt gij van vuur en hem van slijk geschapen. 12. God zeide: Vertrek dan uit het paradijs; want het past niet, u op deze plaats met hoogmoed te wapenen. Vertrek van hier! Gij zult tot het getal der verworpelingen behooren. 13. Hij zeide: Geef mij uitstel tot den dag der opstanding. 14. God zeide: Waarlijk, gij zult tot de uitgestelden [618] behooren. 15. De duivel zeide: Omdat gij mij verdoemd hebt, zal ik hen op uwen rechten weg afwachten. 16. Daarna zal ik hen van voren en van achter aanvallen; ik zal mij op hunne rechter- en op hunne linkerzijde [619] vertoonen, en waarlijk gij zult slechts weinigen vinden, die u erkentelijk zullen zijn. 17. Vertrek van hier, zeide de Heer tot hem, met verachting bedekt en verworpen; en wat hen betreft, die u volgen, ik zal de hel met u allen vullen. 18. Gij, Adam, woon met uw vrouw in het paradijs en eet van zijne vruchten, overal waar gij wilt: nader echter dezen boom niet, opdat gij niet tot de onrechtvaardigen moogt behooren. 19. En satan gaf hun beiden in, dat hij hun hunne naaktheid zou ontdekken, die hun tot hiertoe verborgen was; en hij zeide: Uw Heer heeft u dezen boom slechts verboden, opdat gij geene engelen worden noch onsterfelijk zijn zoudt. 20. En hij zwoer hun, zeggende: Waarlijk, ik ben een dergenen, die u goed raden. 21. En hij deed hen vallen, door hen te verblinden [620]. En toen zij van den boom hadden geproefd, ontdekten zij hunne naaktheid [621], en zij vlochten bladeren uit het paradijs [622] aaneen, om zich te bedekken. En hun Heer riep hen, zeggende: Heb ik u dezen boom niet verboden, en zeide ik niet tot u: waarlijk satan is uw verklaarde vijand. 22. Zij antwoordden daarop: O Heer! wij hebben onrechtvaardig met onze eigene zielen gehandeld, en indien gij ons niet genadig zijt, zullen wij zekerlijk behooren tot hen, die verloren zijn. 23. God zeide: Vertrekt! de een zal des anderen vijand zijn. Gij zult op aarde een tijdelijk verblijf en een tijdelijk genot vinden. 24. Hij zeide: Daarop zult gij leven en sterven, en eens zult gij daarvan verdwijnen. 25. O kinderen van Adam! wij hebben u kleederen [623] gezonden, om uwe naaktheid te bedekken, en kostbare versierselen; doch het kleed der vroomheid is beter. Dit is een van Gods teekenen, welke gij misschien zult overwegen. 26. O kinderen van Adam! laat satan u niet verleiden, zooals hij uwe ouders uit het paradijs verdreef, door hen van hunne kleeding; te berooven, opdat hij hun hunne naaktheid zou kunnen toonen. Waarlijk, hij en zijne makkers zien u, van waar gij hem niet ziet [624]. Wij hebben de duivels aangewezen om de beschermers te zijn van hen, die niet gelooven. 27. En als zij eene zondige daad hebben bedreven, zeggen zij: Wij hebben het door onze vaderen zien verrichten; God heeft het bevolen. Zeg hun; God beveelt geene schandelijke daden; zegt gij van God wat gij niet weet? 28. Zeg: Mijn Heer heeft mij bevolen, rechtvaardigheid in acht te nemen. Wendt uwe aangezichten naar de plaats, waar men aanbidt, roept hem aan, en bewijst hem de oprechtheid van uwen godsdienst. Zooals hij u uit het niet deed voortkomen, zal hij u tot zich verzamelen. Sommigen heeft hij geleid, en een deel heeft hij met recht in dwaling gelaten, daar zij de duivels tot beschermers naast God namen, en zich verbeeldden, dat zij op den rechten weg werden geleid. 29. O kinderen van Adam! trekt uwe schoonste kleederen aan, indien gij u naar eene plaats van aanbidding begeeft [625], en eet en drinkt [626], doch maakt u niet schuldig aan buitensporigheid; want hij bemint degenen niet, die zich aan buitensporigheid schuldig maken. 30. Zeg: Wie heeft het gebruik verboden van Gods gepaste versierselen, welke hij voor zijne dienaren heeft voortgebracht, en de goede dingen, welke hij tot voedsel heeft geschapen? Zeg: Deze dingen zijn voor hen die gelooven, in dit leven, maar bijzonder op den dag der opstanding. Zoo verklaren wij onze teekens duidelijk aan hen, die verstaan. 31. Zeg: Waarlijk, mijn Heer heeft alle slechte zaken verboden, zoowel die verborgen als openlijk zijn, en oneerlijkheid en onrechtvaardig geweld; en hij heeft u verboden, datgene met God te vereenigen, waartoe hij u geene macht heeft nedergezonden, of om nopens God te zeggen, wat gij niet kent. 32. Voor ieder volk is vooraf een eindpaal vastgesteld; indien dus de voor hen bepaalde tijd is bereikt, zullen zij zelfs geen uur uitstel verkrijgen, en nimmer zal die korter gesteld worden. 33. O kinderen van Adam! waarlijk, profeten van u zullen tot u komen, die u mijne teekens zullen voorzeggen: hij die God zal vreezen en berouw betoonen, zal door geene vrees worden aangedreven; hij zal nimmer bedroefd worden. 34. Doch zij die onze teekens van valschheid beschuldigen en deze versmaden, zullen de gezellen van het hellevuur zijn en eeuwig daarin verblijven. 35. En wie is onrechtvaardiger dan hij, die een leugen tegen God smeedt, of zijne teekens van valschheid beschuldigt? Aan die menschen zal, ingevolge het eeuwige boek, een deel van het goede dezer wereld worden toegekend, tot op het oogenblik, dat onze zendelingen [627], terwijl zij hen oproepen, hun zullen vragen: Waar zijn de afgoden, die gij naast God hebt aangeroepen? Zij zullen antwoorden: Zij zijn van ons verdwenen; en zij zullen tegen zich zelven getuigen, dat zij ongeloovigen waren. 36. God zal bij de opstanding tot hen zeggen: Gaat met de volkeren van geniussen en menschen, die u zijn voorafgegaan, in het hellevuur; zoo dikwijls eene natie zal binnentreden, zal zij hare zuster vloeken [628], tot zij alle achtervolgens daar binnen zijn getreden. De laatste van hen zal van den eerste zeggen: O, Heer! deze heeft ons verleid; leg hem dus eene dubbele straf in het hellevuur op. God zal antwoorden: Die straf zal voor allen verdubbeld worden [629], maar gij weet het niet. 37. En de eerste van hen zal tot den laatste zeggen: Welk voordeel hebt gij boven ons? Gevoel de straf, die gij door uwe daden hebt gewonnen. 38. Waarlijk, hun die onze teekens van valschheid zullen beschuldigen, en deze trotsch verwerpen, hun zullen de deuren des hemels niet geopend worden [630]; nimmer zullen zij het paradijs binnentreden, tot een kemel door het oog van eene naald gaat [631], en zÛÛ zullen wij de boosdoeners beloonen. 39. Hun bed zal de hel zijn, en zij zullen met dekens van vuur bedekt worden; en zÛÛ zullen wij de onrechtvaardigen beloonen. 40. Doch zij, die gelooven en doen wat recht is (en wij zullen geene ziel eene zwaardere last opleggen dan die zij kan dragen), zullen de gezellen van het paradijs zijn; eeuwig zullen zij daarin verblijven. 41. En wij zullen alle wrok van hunne harten wegnemen [632]. Rivieren zullen aan hunnen voet stroomen, en zij zullen zeggen: Geloofd zij God, die ons tot zijne zaligheid heeft geleid; want wij zouden niet recht zijn geleid geworden, indien God ons niet geleid had; thans zijn wij door bewijzen overtuigd, dat de profeten van onzen Heer met waarheid tot ons kwamen. En het zal hun worden verkondigd: Dit is het paradijs, waarvan gij de erfgenamen zijt geworden, als eene belooning voor hetgeen gij gedaan hebt. 42. En de bewoners van het paradijs zullen de bewoners der hel toeroepen: Nu hebben wij gevonden, dat hetgeen onze Heer ons heeft beloofd, waarheid is, hebt gij ook gevonden, dat hetgeen uw Heer u heeft beloofd, waarheid is? Zij zullen antwoorden: Ja, een heraut zal deze woorden tusschen hen uitroepen: Gods vloek zij over de boozen. 43. Die de menschen van Gods weg afleidden, en dien bochtig trachtten te maken en niet in het volgende leven geloofden. 44. En tusschen de gezegenden en de verdoemden zal een sluier zijn. Op Al Araf [633] zullen de menschen staan, en ieder van hen aan hunne onderscheidingsmerken kennen; en zij zullen de bewoners van het paradijs aanroepen, zeggende: Vrede zij over u; doch zij zullen er niet binnentreden, hoezeer het hunne ernstige begeerte mocht zijn [634]. 45. En als zij hunne oogen naar de gezellen van het hellevuur wenden, zullen zij zeggen: O, Heer! plaats ons niet bij de goddeloozen. 46. En zij, die op Al Araf staan, zullen tot zekere menschen [635] roepen, die zij aan hunne onderscheidingsmerken zullen herkennen; zeggende: Waartoe hebben uwe opeengehoopte rijkdommen en uw hoogmoed u gediend? 47. Zijn dit de menschen nopens wie gij hebt gezworen, dat God hun geene genade zou schenken [636]? Treedt gij in het paradijs, geene vrees zal over u komen; nimmer zult gij bedroefd worden [637]. 48. En de bewoners van het hellevuur zullen de bewoners van het paradijs aanroepen; zeggende: Giet een weinig water op ons af, van de ververschingen, die God u heeft geschonken [638]. Zij zullen antwoorden: God heeft die voor de ongeloovigen verboden. 49. Die van den godsdienst hun spel en het onderwerp hunner spotternijen hebben gemaakt, terwijl het ondermaansche leven hen verblindde; daarom zullen wij dezen dag hen vergeten, gelijk zij de verzameling van dezen dag vergaten, en dewijl zij het loochenden, dat onze teekens die van God waren. 50. En thans hebben wij die van Mekka een boek met openbaringen gebracht; wij hebben het met kennis verklaard, als eene richting en eene genade voor hen, die gelooven zullen. 51. Wacht gij van iemand anders de uitlegging daarvan [639]? Op den dag, waarop de verklaring daarvan zal komen, zullen zij die haar vroeger vergaten, zeggen: Thans zijn wij door bewijzen overtuigd, dat de profeten van onzen Heer met waarheid tot ons kwamen; zouden wij dus middenpersonen hebben, die voor ons tusschenbeiden treden? of zouden wij in de wereld teruggezonden worden, opdat wij andere werken zouden mogen doen, dan hetgeen wij gedurende onzen leeftijd deden? Doch thans hebben zij hunne zielen verdorven, en dat wat zij goddeloos uitdachten, is hun ontvlucht [640]. 52. Waarlijk, uw Heer is God, die de hemelen en de aarde in zes dagen heeft geschapen, en daarna zijn troon beklom. Hij bestemde den nacht om den dag te omhullen, en de dag volgt dien snel op. Hij schiep ook de zon en de maan en de sterren, die geheel aan zijn bevel zijn onderworpen. Is niet de geheele schepping en hare besturing de zijne? Geloofd zij God, de Heer van alle schepselen. 53. Roep uwen Heer nederig en in het geheim aan; want God bemint de zondaren niet [641]. 54. En handel niet slecht op aarde na hare hervorming [642], en roep hem met vrees en begeerte aan; want Gods genade is den rechtvaardige nabij. 55. Hij is het die de winden zendt [643], welke voor zijne genade zijn uitgespreid, tot zij groote regenwolken aanbrengen, welke wij naar het doode land [644] zenden; en wij doen daarna water nedervallen, waardoor wij allerlei vruchten doen voortspruiten. Zoo zullen wij de dooden uit hunne graven doen komen, misschien zult gij dat overwegen. 56. Op eene goede aarde zullen de vruchten overvloedig voortspruiten, door het verlof van den Heer; doch uit het slechte land zullen zij niet dan schaarsch voortkomen. Zoo verklaren wij de teekenen der goddelijke voorzienigheid aan hen die dankbaar zijn. 57. Wij zonden vroeger Noach [645] tot zijn volk en hij zeide: O mijn volk! bid God aan, gij hebt geen anderen God dan hem [646]. Waarlijk ik vrees voor u de straf van den grooten dag [647]. 58. De opperhoofden van zijn volk antwoordden hem: Wij zien dat gij in eene grove dwaling verkeert. 59. Hij antwoordde: O mijn volk! er is geen dwaling in mij; doch ik ben een zendeling van den Heer aller schepselen. 60. Ik breng u de zendingen van mijnen Heer en ik raad u ten goede; want ik weet van God wat gij niet weet. 61. Verwondert het u, dat eene waarschuwing van uwen Heer tot u is gekomen, door iemand van u, om u te waarschuwen, u zelven te behoeden, opdat gij misschien genade zoudt mogen verwerven? 62. En zij beschuldigden hem van bedrog; doch wij redden hem en die met hem in de ark waren [648], en wij verdronken hen, die onze teekens van valschheid beschuldigden; want zij waren blind. 63. En tot den stam Ad [649] zonden wij hunnen broeder Hoed [650]. Hij zeide: O mijn volk! aanbid God; gij hebt geen anderen God dan hem; wilt gij hem niet vragen? 64. De opperhoofden van hen onder zijn volk die niet geloofden, antwoordden: Waarlijk, wij zien dat gij door dwaasheid wordt geleid, en wij houden u voor een der leugenaars. 65. Hij antwoordde: O mijn volk! ik word niet door dwaasheid geleid; maar ik ben een gezant bij u van den Heer aller schepselen. 66. Ik breng u de boodschappen van mijn Heer, en ik ben een geloovige raadgever voor u. 67. Verwondert gij u, dat eene vermaning tot u gekomen is van uwen Heer, door een man van u, opdat hij u zou waarschuwen? Herinner u dat hij u aan het volk van Noach heeft doen opvolgen, dat hij u eene reusachtige gedaante heeft gegeven. Herinner u Gods weldaden, opdat gij gelukkig zoudt mogen zijn. 68. Zij zeiden tot hem: Zijt gij tot ons gekomen, dat wij God alleen aanbidden en de goden verlaten zouden, die door onze vaderen werden aangebeden? Zorg dat uwe bedreigingen in vervulling gaan, indien gij oprecht zijt. 69. Hoed antwoordde: Thans zullen weldra Gods wraak en toorn op u nederkomen. Wilt gij met mij twisten over de namen welke gij en uwe vaderen hebt genoemd [651], en waartoe God u geene macht heeft gegeven? Wacht daarop, dan zal ik een dergenen zijn die met u wachten. 70. En wij bevrijdden hem en hen die met hem hadden geloofd, door onze genade, en wij sneden het grootste gedeelte af van hen die onze teekens van valschheid beschuldigden en geene geloovigen waren. 71. En tot den stam Thamoed [652] zonden wij hunnen broeder Saleh. Hij zeide: O, mijn volk! aanbid God; gij hebt geen God naast hem. Thans is een duidelijk teeken tot u gekomen van uwen God. Deze kameel van God is een teeken voor u [653], laat hem in Gods weide grazen; doe hem geen kwaad, opdat u geen pijnlijke straf bereike. 72. En herinner u dat hij u heeft aangewezen tot opvolgers van den stam van Ad, en u eene woning op de aarde heeft aangewezen; in hare valleien bouwt gij u kasteelen en de rotsen bouwt gij tot huizen [654] uit. Herinner u dus Gods weldaden, en doe daarom geen geweld op aarde door slecht te handelen. 73. De opperhoofden van zijn volk, door trotschheid opgeblazen, zeiden tot hen, die zij voor zwak hielden; namelijk, tot hen die geloofden: Weet gij dat Saleh door zijnen Heer werd gezonden? Zij antwoordden: Wij gelooven aan zijne zending. 74. Doch zij die door hoogmoed waren opgeblazen, zeiden: Waarlijk, wij gelooven niet aan datgene waarin gij gelooft. 75. En zij sneden den voet van den kameel af, en overtraden onbeschaamd het bevel van hunnen Heer, zeggende: O Saleh! zorg dat uwe bedreigingen in vervulling gaan, indien gij een hunner zijt die door God werden gezonden. 76. Daarop volgde eene geweldige schudding des hemels [655], die hen verraste, en des ochtends werden zij in hunne woningen gevonden, voorover liggende op hunne borst en dood [656]. 77. En Saleh verliet hen en zeide: O mijn volk! thans heb ik u de zending van mijnen Heer overgebracht, ik ried u ten goede; doch gij bemint hen niet die u ten goede raden. 78. En denk aan Loth [657], toen hij tot zijn volk zeide: Zult gij zonden begaan, die geen volk ooit vÛÛr u heeft bedreven? 79. Zult gij de mannen in plaats van de vrouwen misbruiken? Waarlijk, gij zijt een volk aan buitensporigheden overgeleverd. 80. Maar het antwoord van zijn volk was niet anders, dan dat zij tot elkander zeiden: Verdrijf hen [658] uit uwe stad; want zij zijn menschen die zich zelven rein houden van de zonden welke gij bedrijft. 81. Daarom bevrijdden wij hem en zijn gezin, uitgenomen zijne vrouw; zij was eene dergenen die achterbleven [659]. 82. En wij deden een regen van steenen op hen nederstorten [660]. Zie dus wat het einde der zondaren was. 83. En tot Madian [661] zonden wij hunnen broeder ShoaÔb [662]. Hij zeide tot hen: O mijn volk! aanbid God, gij hebt geen God buiten hem. Thans is een duidelijk teeken [663] van uwen Heer tot u gekomen. Geef dus volle maat en ruim gewicht; ontneem den menschen niet wat hun verschuldigd is [664], en handel nimmer slecht op aarde, na hare hervorming [665]. Dit zal beter voor u zijn, indien gij gelooft. 84. En plaats u niet in hinderlaag op iederen weg, en leidt niet hen van Gods weg af, die in hem gelooven; gij wilt dat pad kronkelend maken. En herinner u dat gij slechts klein in getal waart, en dat God u heeft vermenigvuldigd, en onthoud hoe het einde was van hen die slecht handelden. 85. En indien een deel uwer gelooft in hetgeen waartoe ik werd gezonden, terwijl een ander dit verwerpt, wacht geduldig tot God tusschen ons richte; want hij is de beste rechter. 86. De opperhoofden van zijn volk, die door hoogmoed waren opgeblazen, antwoordden: wij zullen u, o ShoaÔb! en zij die met u gelooven, uit onze stad verdrijven, of gij moet tot onzen godsdienst terugkeeren. Hij zeide: Hoe! ofschoon wij er een afkeer van hebben? 87. Wij zouden zekerlijk eene leugen tegen God uitdenken, indien wij tot uwen godsdienst terugkeerden, nadat God ons daarvan heeft bevrijd, en wij hebben geene reden daartoe terug te keeren, tenzij het Gode onzen Heer mocht behagen ons te verlaten. Onze God omvat ieder ding door zijn verstand. Wij hebben ons vertrouwen in God gesteld. O Heer! richt tusschen ons en ons volk met waarheid; want gij zijt de beste rechter. 88. En de opperhoofden van zijn volk, dat niet geloofde, zeiden: Indien gij ShoaÔb volgt, zult gij zekerlijk verdorven zijn. 89. Daarom verraste hen een storm van den hemel, en des ochtends werden zij, in hunne woningen, dood en voorover liggende gevonden. 90. Zij, die ShoaÔb van bedrog beschuldigden, verdwenen, als hadden zij nooit daar gewoond; zij die ShoaÔb van bedrog beschuldigden zijn verloren. 91. En hij ging van hen weg, zeggende: O mijn volk! thans heb ik u de bevelen van God gepredikt, en ik heb u ten goede geraden; doch waarom zou ik mij bedroeven om een ongeloovig volk. 92. Wij hebben nimmer een profeet in eene stad gezonden; doch wij hebben hare inwoners met tegenspoed en rampen getroffen, dat zij zich zouden vernederen. 93. En wij gaven hun goed voor kwaad in ruil, tot zij, alles in hun geheugen uitwisschende, zeiden: Tegenspoed en voorspoed kwam ook vroeger over onze vaderen. Daarom namen wij plotseling wraak op hen, op het oogenblik dat zij er niet aan dachten. 94. Maar indien de bewoners dezer steden geloofd en God gevreesd hadden, zouden wij zekerlijk zegeningen over hen hebben uitgestort, zoowel van den hemel als van de aarde. Maar zij beschuldigden onzen apostel van valschheid, zoodat wij ons op hen wreekten voor datgene waaraan zij schuldig waren. 95. Waren dus de bewoners dier steden verzekerd, dat onze straf niet des nachts over hen zou komen terwijl zij sliepen? 96. Of waren de bewoners dier steden verzekerd, dat onze straf niet des daags over hen zou komen, terwijl zij zich aan de vermaken overgaven? 97. Achtten zij zich dus veilig voor Gods krijgslist [666]? Maar niemand zal zich zeker achten voor Gods krijgslist, behalve zij die verdoemd zijn. 98. En is het niet duidelijk bewezen voor hen die de aarde van hare vroegere bewoners hebben geÎrfd, dat, indien het ons behaagde, wij hen om hunne zonden kunnen kastijden? Doch wij zullen hunne harten verzegelen en zij zullen niets hooren. 99. Wij zullen u eenige verhalen van die steden vertellen. Hunne apostelen waren met duidelijke wonderen tot hen gekomen; doch zij waren niet geneigd te gelooven in datgene wat zij vroeger voor leugens hielden. Zoo zegelt God de harten der ongeloovigen dicht. 100. En wij vonden, in het grootste gedeelte van hen geen trouw aan hun verbond; maar wij bevonden dat het grootste deel van hen boosdoeners waren. 101. Daarom zonden wij, na de bovengenoemde apostelen, Mozes met onze teekens tot Pharao en zijne prinsen, die hen onrechtvaardig behandelden [667]; doch ziet hoe het einde der zondaren was. 102. En Mozes zeide: O Pharao! waarlijk, ik ben een apostel, door den Heer van alle schepselen gezonden. 103. Het is rechtvaardig dat ik van God niets anders dan de waarheid zegge. Thans ben ik tot u gekomen met een duidelijk teeken van uwen Heer; zend dus de kinderen IsraÎls met mij weg. Pharao antwoordde: Indien gij met een wonder komt, toon het, indien gij waarheid spreekt. 104. Hij wierp daarom zijn staf weg en, onthoud het, hij werd eene slang [668]. 105. Hij trok zijne hand uit zijne borst en, onthoud het, zij was voor de toeschouwers wit geworden 106. De opperhoofden van het volk van Pharao zeiden: Deze man is waarlijk een behendig toovenaar. 107. Hij tracht u van uw land te berooven; wat denkt gij dus te doen. 108. Zij antwoordden: Stel hem en zijn broeder door ijdele beloften voor eenigen tijd uit, en zend, in dien tusschentijd, personen naar de steden. 109. Die alle behendige toovenaars [669] zullen verzamelen en tot u voeren. 110. Zoo kwamen de toovenaars tot Pharao en zij zeiden: zullen wij zekerlijk eene belooning ontvangen, indien wij de zege over hem behalen? 111. Hij antwoordde: ja, en gij zult zeker tot hen behooren, die mijnen troon naderen. 112. Zij zeiden: O Mozes! zult gij uwen staf wegwerpen, of zullen wij dit vooraf doen? 113. Mozes antwoordde: Werpt uwe staven eerst weg; en toen zij die hadden weggeworpen, betooverden zij de oogen der menschen die tegenwoordig waren en verschrikten hen, en zij deden een groot tooverstuk. 114. En wij spraken door eene openbaring tot Mozes; zeggende: Werp uwen staf weg en, onthoudt het, hij verzwolg de staven die in slangen waren veranderd [670]. 115. Daardoor was de waarheid bevestigd, en dus wat zij gemaakt hadden ijdel geworden. 116. En Pharao en zijne toovenaars waren overwonnen en beschaamd. 117. De toovenaren bogen zich biddende. 118. En zij zeiden: Wij gelooven in den Heer aller schepselen. 119. Den Heer van Mozes en A‰ron. 120. Pharao, zeide: Hebt gij in hem geloofd, alvorens ik u verlof heb gegeven? Gij hebt dit schelmstuk vooruit in de stad gesmeed, om er de inwoners uit te verdrijven. Weldra zult gij zien. 121. Want ik zal uwe voeten en uwe handen aan de tegenovergestelde zijden doen afsnijden [671] en daarna zal ik u allen doen kruisigen [672]. 122. De toovenaren antwoordden: Wij zullen zekerlijk tot onzen Heer terugkeeren. 123. Want gij wreekt u alleen op ons, omdat wij in de teekenen van onzen Heer gelooven, toen zij ons werden geopenbaard. O Heer! schenk ons geduld, en doe ons als Muzelmannen sterven. 124. En de opperhoofden van Pharao's volk zeiden: Wilt gij Mozes en zijn volk laten vertrekken, opdat zij op de aarde zouden zondigen en u en uwe goden verlaten [673]? Pharao antwoordde: wij zullen hunne mannelijke kinderen doen dooden, en wij zullen hunne vrouwelijke kinderen sparen, en zoo zullen wij de zege over hen behalen. 125. Mozes zeide tot zijn volk: Vraag God om ondersteuning en lijdt geduldig; want de aarde behoort Gode en hij geeft haar tot erfenis, aan diegene zijner dienaren, welke hem behagen, en het einde van hen die hem vreezen, zal voorspoedig zijn. 126. Zij antwoordden: Wij werden bedroefd door het dooden onzer mannelijke kinderen, voor gij tot ons kwaamt en ook sedert gij tot ons zijt gekomen. Mozes zeide: Misschien wil God uwe vijanden verdelgen, en u hun op aarde doen opvolgen, opdat hij moge zien hoe gij dan handelt. 127. En wij straften vroeger het volk van Pharao met onvruchtbaarheid en schaarschheid hunner vruchten, teneinde hen te waarschuwen. 128. Toen zij weder voorspoedig werden, zeiden zij: Dit komt ons toe; maar indien er kwaad over hen komt, schrijven zij het aan den tegenspoed van Mozes toe en van hen die met hem waren. Was niet hun tegenspoed van God afkomstig [674]? Maar de meesten van hen wisten het niet. 129. En zij zeiden tot Mozes: Welk wonder gij ons ook toont, om ons daarmede te betooveren, wij zullen daaraan niet gelooven. 130. Daarom zonden wij over hen overstrooming [675], sprinkhanen, ongedierte, kikvorschen en bloed, als duidelijke teekenen; doch zij bleven hoogmoedig en werden snoodaards. 131. En toen de plaag over hen kwam, zeiden zij: Roep uwen God voor ons aan, overeenkomstig het verbond dat hij met u heeft gesloten. Waarlijk, indien gij de plaag van ons wegneemt, zullen wij u zekerlijk gelooven, en wij zullen de kinderen IsraÎls met u laten gaan. Maar toen wij de plaag van hen hadden afgenomen, tot de tijd was verloopen, die God had bepaald, braken zij hunne belofte. 132. Daarom namen wij wraak op hen en verdronken hen in de Roode Zee [676], omdat zij onze teekens van valschheid beschuldigd en verwaarloosd hadden. 133. En wij deden het zwakke volk de oostelijke en westelijke streken der aarde erven [677], welke wij met vruchtbaarheid zegenden, en het genadige woord van uwen Heer in de kinderen IsraÎl vervuld, omdat zij met geduld hadden geleden, en wij verwoestten de werken, welke Pharao en zijn volk hadden gemaakt, en datgene wat zij hadden opgericht [678]. 134. En wij deden den kinderen IsraÎls door de zee trekken, en zij kwamen tot een volk, dat afgoden aanbad [679], en zij zeiden: O Mozes! maak ons een God, evenzoo als de goden van dit volk. Mozes antwoordde: Waarlijk, gij zijt een onwetend volk. 135. Want de godsdienst dien zij hebben, zal verwoest worden, en wat zij doen is ijdel. 136. Hij zeide: Zou ik u een anderen god zoeken dan God, die u boven alle andere volken heeft verheven? 137. En gedenk dat wij u van het volk van Pharao verlosten, die u jammerlijk verdrukte; zij doodden uwe mannelijke kinderen en lieten uwe vrouwelijke leven; daarin lag eene zware beproeving van uwen Heer. 138. En wij bepaalden Mozes eene vaste van dertig nachten [680] alvorens wij hem de wet gaven, en wij voegden er tien bij; en de bepaalden tijd van zijnen Heer was in veertig nachten vervuld. En Mozes zeide tot zijn broeder A‰ron, wees gij gedurende mijne afwezigheid, mijn afgezant bij mijn volk; handel oprecht en volg den weg der snooden niet. 139. En toen Mozes, op den voor hem bepaalden tijd kwam, en zijn Heer tot hem sprak [681], zeide hij: o Heer! laat mij uw glans zien opdat ik u aanschouwe. God zeide: Gij zult mij op geenerlei wijze aanschouwen; maar zie den berg [682] aan, en indien deze vast op zijne plaats staat zult gij mij zien. Toen echter zijn Heer met glans op den berg [683] verscheen, veranderde hij dien in stof. En Mozes viel in zwijm neder. 140. En toen hij tot zich zelven kwam, zeide hij: Geloofd zijt gij! Ik keer tot u terug met berouw, en ik ben de eerste der ware geloovigen [684]. 141. God zeide tot hem: o Mozes! Ik heb u boven alle menschen uitverkoren, door u met mijne opdrachten te vereeren, en door met u te spreken; ontvang dus wat ik u heb gebracht, en wees een van hen die dankbaar zijn. 142. En wij schreven voor hem op de tafels [685] eene waarschuwing omtrent alles, en eene beslissing in ieder geval [686] en zeiden: Ontvang die met eerbied, en beveel uw volk, dat zij stipt overeenkomstig die voorschriften leven. Ik zal u de woning der snooden toonen. 143. Ik zal degenen van mijne teekens afleiden, die zich trotsch en zonder rechtvaardigheid op aarde gedragen, en hoewel zij ieder teeken zien, daarin niet zullen gelooven; en ofschoon zij het pad der rechtvaardigheid zien, dat niet zullen betreden; maar die, indien zij het pad der dwaling zien, dien weg zullen inslaan. 144. Zoo zal het geschieden, daar zij onze teekens van bedrog beschuldigen en die veronachtzamen. 145. Maar wat hen betreft, die de waarheid van onze teekens loochenen en de ontmoeting in het volgende leven, hunne werken zullen ijdel zijn. Zouden zij anders beloond worden dan overeenkomstig hetgeen zij hebben verricht? 146. En het volk van Mozes nam, na zijn vertrek, een lichamelijk kalf [687], dat loeide [688], van hunne versierselen [689] vervaardigd. Zagen zij niet, dat ik niet tot hen sprak, noch hen op den weg geleidde? 147. Maar zij beschouwden het als hunnen god en handelden slecht. 148. Doch toen zij met droefheid berouw gevoelden, en zagen, dat zij verdwaald waren, zeiden zij: Waarlijk, indien onze Heer geene barmhartigheid met ons heeft en ons niet vergeeft, zullen wij zeker tot hen behooren, die verloren zijn. 149. En toen Mozes tot zijn volk terugkeerde, vol van toorn en verontwaardiging, zeide hij: Gij hebt een snoode daad na mijn vertrek bedreven. Hebt gij het bevel van uwen Heer verhaast [690]? Hij nam de tafelen [691] en greep zijn broeder bij het hoofdhaar en haalde hem onder zich. En A‰ron zeide tot hem: Zoon mijner moeder, waarlijk het volk heeft mij overheerd, en het had slechts weinig gescheeld of zij hadden mij gedood: laat mijne vijanden zich dus niet over mij verblijden, noch plaats mij onder de boozen. 150. Mozes zeide: O Heer! vergeef mij en mijn broeder en ontvang ons in uwe genade: want gij zijt de barmhartigste der barmhartigen. 151. Waarlijk, zij die het kalf tot hunnen god namen, de verontwaardiging des Heeren zal over hen komen [692], en schande in dit leven. Zoo zullen wij degenen beloonen, die leugens uitdenken. 152. Maar voor hen, die snood handelen en daarna berouw betoonen en in God gelooven, zal God later goedertieren en barmhartig zijn. 153. En toen de toorn van Mozes was bedaard, nam hij de tafelen [693]. De letters die er op gehouwen waren, bevatten de leiding en de barmhartigheid voor hen, die hunnen Heer vreezen. 154. En Mozes koos zeventig mannen uit zijn volk, ten einde met hem den berg te bestijgen op het door ons bepaalde tijdstip; en toen een storm, vergezeld van donder en bliksem, hen wegnam [694], zeide hij: O Heer! indien het u had behaagd, hadt gij hen en ook mij reeds te voren verdelgd; wilt gij ons verdelgen om hetgeen de dwazen onder ons hebben bedreven? Dit is alleen uwe beproeving; waarmede gij in dwaling brengt wien het u behaagt, en hem zult leiden die u behaagt! Gij zijt onze schuts, vergeef ons dus en wees ons genadig; want gij zijt de meest vergevingsgezinde der vergevingsgezinden. 155. Beschenk ons met het goede in deze wereld en in het volgende leven; want door u worden wij geleid. God antwoordde: Ik zal mijne straf opleggen aan wien het mij behaagt, en mijne barmhartigheid strekt zich over alle dingen uit; en ik zal haar toekennen aan hen, die mij vreezen en aalmoezen geven, en in mijne teekens zullen gelooven. 156. Die den gezant volgen; den ongeletterden gezant [695], dien zij in hunne boeken, in den Pentateuchus en in het Evangelie vinden aangeduid; hij zal hun gebieden wat rechtvaardig is en hun verbieden wat slecht is, en zal hun gebruik als wettig veroorloven van de dingen die vroeger verboden waren [696], en hij zal de dingen verbieden die slecht zijn [697], en hij zal hen van hunne zware lasten ontheffen en van de ketenen die op hen rusten [698]. En zij die in hem gelooven, die hem vereeren en ondersteunen en het licht volgen dat met hem werd nedergezonden, zullen gelukkig zijn. 157. Zeg: O menschen! waarlijk, ik ben Gods gezant en aan u allen gericht [699]. 158. Hem behoort het koninkrijk des hemels en der aarde; er is geen God buiten hem; hij geeft leven en doet sterven. Gelooft dus in God en zijn gezant, den ongeletterden profeet, die zelf in God en zijn woord gelooft, en volgt hem, opdat gij goed geleid moogt worden. 159. Er is een deel van het volk van Mozes, die anderen met waarheid leiden, en rechtvaardig nopens hen handelen. 160. En wij verdeelen hen in twaalf volksstammen. En wij spraken door openbaring tot Mozes, toen zijn volk drank van hem verlangde, en wij zeiden: Sla de rots met uwen staf, en twaalf fonteinen [700] stroomden er uit, en iedere stam wist, uit welke fontein hij moest drinken. En vervolgens deden wij hen door wolken overschaduwen, en manna en kwakkels [701] op hen nedervallen, zeggende: Eet van de dingen die wij u tot voedsel hebben gegeven; maar zij beleedigden niet ons, doch hunne eigene zielen. 161. Herinner u, toen men tot u zeide: Woont in deze stad [702] en eet van hare voortbrengselen zoo veel gij wilt; en smeekt vergiffenis, en treedt de poort biddende in; wij zullen u uwe zonden vergeven en de bezittingen vermeerderen van hen, die goed handelen. 162. Maar de goddeloozen onder hen veranderden de uitdrukking in eene andere, die niet tot hen was gebruikt. Daarom zonden wij onze kastijding uit den hemel op hen neder, omdat zij zondigden. 163. En vraag hun nopens de stad [703], die aan de zee was gelegen, toen zij op den Sabbathdag zondigden; toen hun visch op den Sabbathdag tot hen kwam, duidelijk op het water verschijnende, maar op den dag dat zij geen rustdag vierden, kwam hij niet tot hen. Zoo beproefden wij hun omdat zij boosdoeners waren. 164. En toen een deel hunner tot de anderen zeide: Waarom waarschuwt gij een volk, hetwelk God verdelgen of met eene gestrenge kastijding straffen wil? Antwoordden zij: Dit is eene verontschuldiging voor ons bij uwen Heer [704] ten einde zij zich zullen behoeden. 165. Maar toen zij de waarschuwingen hadden vergeten, redden wij de degenen, die hun verboden kwaad te bedrijven, en wij legden hun die gezondigd hadden, eene gestrenge straf op, daar zij slecht gehandeld hadden. 166. En toen zij trotsch weigerden, datgene te laten, wat hun was verboden, zeiden wij tot hen: verandert in apen, en wordt uit de maatschappij der menschen verdreven. En herdenk, hoe uw Heer verklaarde, dat hij den Joden zekerlijk tot den dag der opstanding een volk zou zenden, dat eene harde verdrukking op hen zou uitoefenen [705]; want uw Heer is stipt in bestraffing, doch hij is ook gereed te vergeven en barmhartig. 167. En wij verstrooiden hen onder de volkeren der aarde. Sommigen van hen zijn deugdzame personen, en sommigen van hen zijn anders. En wij beproefden hen door voor- en tegenspoed, opdat zij van hunne ongehoorzaamheid mochten terugkeeren. 168. En eene nakomelingschap volgde hen op, die het boek der wet erfde en de tijdelijke goederen dezer wereld ontving [706], en zeide: Het zal ons zekerlijk worden vergeven; en indien hun een tijdelijk voordeel gelijk het vorige wordt aangeboden, nemen zij het mede aan. Is niet het verbond van het boek der wet met hen aangegaan, dat zij niets dan waarheid van God zouden spreken [707]? Zij lezen echter thans ijverig wat daarin staat. Doch de genieting van het volgende leven zal beter voor degenen zijn, die God vreezen. Begrijpt gij dat niet? 169. En ook voor hen, die het boek der wet vasthouden en standvastig in het gebed zijn; want wij zullen nimmer dulden, dat het loon der rechtvaardigen verloren ga. 170. En toen wij den berg SinaÔ over hen oprichtten [708], als ware het een deksel, en zij zich verbeeldden, dat die op hen viel, zeiden wij: ontvang de wet die wij u hebben gebracht met eerbied; en gedenk wat daarin is bevat, opdat gij u in acht moogt nemen. 171. En toen de Heer uit de lendenen der zonen van Adam hunne nakomelingschap voortbracht [709], en hen koos om tegen hen zelven te getuigen, zeggende: Ben ik uw Heer niet? antwoordden zij: Ja, wij leggen getuigenis af. Dit is geschied, opdat gij op den dag der opstanding niet zoudt zeggen: waarlijk wij wisten het niet. 172. Opdat gij niet zoudt zeggen: waarlijk onze vaderen waren vroeger schuldig aan afgodendienarij; en wij zijn hunne nakomelingschap, die hen opvolgde; zoudt gij ons dus verdelgen, om hetgeen leugenaars hebben bedreven? 173. Zoo verklaren wij onze teekens, opdat zij van hunne dwalingen mogen terugkeeren. 174. En verhaal den Joden de geschiedenis van hem, dien wij onze teekens brachten [710], en die zich daarvan afwendde; daarom volgde satan hem, en hij werd een van hen, die verleid werden. 175. En indien het ons had behaagd, zouden wij hem zekerlijk daardoor tot wijsheid hebben verheven, maar hij bleef aan de aarde gehecht en volgde zijne eigen begeerten [711]. Hij gelijkt op een hond, die, wanneer gij hem wegjaagt, de tong uitsteekt, of indien gij u van hem verwijdert, mede de tong uitsteekt. Dit is de gelijkenis van hen, die onze teekens van valschheid beschuldigen. Herhaal hun dus deze geschiedenis, opdat zij die in overweging zouden mogen nemen. 176. De overeenkomst is slecht van hen, die onze teekens van valschheid beschuldigen en hunne eigene zielen beleedigen. 177. Maar die door God geleid mocht worden, zal goed geleid zijn, en wien hij mocht afwenden zal verloren zijn. 178. Wij hebben voor de hel een groot aantal geniussen en menschen geschapen die harten hebben, waarmede zij niets verstaan; die oogen hebben, waarmede zij niets zien; die ooren hebben waarmede zij niets hooren. Deze zijn gelijk de redelooze dieren; zij dwalen zelfs meer dan de redelooze dieren. Dit zijn de achteloozen. 179. De schoonste namen komen God toe [712]; noem hem dus daarbij en verwijder u van hen, die deze zondig mochten gebruiken [713]. Zij zullen het loon ontvangen voor hetgeen zij hebben bedreven. 180. En onder hen die wij hebben geschapen, is een volk, dat anderen met waarheid leidt en rechtvaardig is. 181. Maar hen, die onze teekens van leugens beschuldigen, zullen wij trapsgewijze verdelgen, op eene wijze die zij niet kennen [714]. 182. En ik zal hun toestaan een lang en voorspoedig leven te genieten; want mijne list is onfeilbaar. 183. Begrijpen zij niet, dat er geen duivel in hun metgezel (Mahomet) is. Hij is niets dan een openbaar prediker. 184. Of beschouwen zij het koninkrijk des hemels en der aarde niet, en de dingen die God heeft geschapen; en denken zij er niet aan, dat hun einde misschien nabij is? En in welke nieuwe verklaring zullen zij na deze gelooven? 185. Hij wien God zal doen dwalen, zal geen gids hebben, en hij zal hen in hunne goddeloosheid verlaten, zonder kennis dwalende. 186. Zij zullen u ondervragen nopens het laatste uur; op welk tijdstip de komst daarvan is bepaald? Antwoord: Waarlijk, de wetenschap daarvan behoort mijn Heer; niemand zal den bepaalden tijd daarvan verklaren, behalve hij. De verwachting daarvan is smartelijk in den hemel en op aarde; hij zal niet dan onverwachts tot u komen. 187. Zij zullen u ondervragen, als waart gij daarmede goed bekend. Antwoord: Waarlijk, de kennis daarvan, behoort alleen aan God, maar het grootste deel der menschen weet het niet. 188. Zeg: Ik heb geen macht om mij te verschaffen wat mij nuttig is, noch om te vermijden wat mij nadeelig is, tenzij God het wil. Indien ik Gods geheimen kende, zou ik zekerlijk overvloed van goederen bezitten; nimmer zou mij kwaad treffen. Waarlijk, ik ben slechts een aankondiger van beloften en een boodschapper van goede tijdingen voor hen die gelooven. 189. Hij is het, die u uit ÈÈn man geschapen en zijne vrouw uit hem voortgebracht heeft, opdat hij met haar mocht wonen; en nadat hij met haar geleefd had, droeg zij een lichten last, waarmede zij gemakkelijk wandelde. Maar toen het zwaarder werd, riep zij God haren Heer aan, zeggende: Indien gij ons een welgemaakt kind schenkt, zullen wij dankbaar zijn. 190. Maar toen hij hun een welgeschapen kind had gegeven, plaatsten zij makkers naast hem, voor hetgeen hij hun had geschonken [715]. Maar God is te verheven om anderen met hem te vereenigen. 191. Willen zij valsche goden met hem vereenigen, die niets scheppen, maar die zelf geschapen zijn, en hen nimmer ondersteunen noch zich zelven helpen kunnen? 192. En indien gij hen tot de ware richting uitnoodigt, zullen zij u niet volgen: het zal u gelijk zijn, of gij hen uitnoodigt, of dat gij rustig blijft. 193. Waarlijk, de valsche goden welke gij naast God aanroept, zijn dienaren, evenals gij [716]. Roep hen dus aan, en laten zij u antwoord geven, indien gij waarheid spreekt. 194. Hebben zij voeten, om er mede te loopen? Of hebben zij handen, om iets aan te vatten? Of hebben zij oogen, om er mede te zien? Of hebben zij ooren, om er mede te hooren? Zeg: Roept uwe makkers; denkt eene list tegen mij uit en geeft mij geen uitstel. Ik vrees niets. 195. Want mijn schuts is God, die het boek van den Koran nederzond, en hij ondersteunt den rechtvaardige. 196. Maar zij die gij naast God aanroept, kunnen noch u bijstaan, noch zich zelven helpen. 197. En indien gij hen aanroept om u te leiden, zullen zij u niet hooren. Gij ziet hen naar u blikken, maar zij zien niet. 198. Gebruik toegevendheid, beveel het goede en blijf ver van den onwetende. 199. En indien satan u iets slechts ingeeft, zoek dan eene toevlucht bij God; want hij hoort en ziet. 200. Waarlijk, zij die God vragen, indien eene verzoeking van satan tot hen komt, gedenken de goddelijke bevelen en, onthoud het, zij zien duidelijk het gevaar der zonde. 201. De broederen der duivels zullen hen slechts verder in dwaling brengen, en later zullen zij zich daarvoor niet behoeden. 202. En indien gij hun geen vers van den Koran brengt, zeggen zij: Hebt gij het nog niet samengesteld? Antwoord: Ik volg alleen datgene wat mij van mijnen Heer werd geopenbaard. Dit boek bevat duidelijke bewijzen van uwen Heer, en is eene leiding van barmhartigheid voor hen die gelooven. 203. En als de Koran wordt voorgelezen, luistert dan, en bewaart het stilzwijgen, opdat gij genade moogt verwerven. 204. En peinst nopens uwen Heer in uw eigen hart, met nederigheid en vrees, en zonder luid te spreken, zoowel des avonds als des ochtends, en weest niet onachtzaam. 205. De engelen, die met mijn Heer zijn, versmaden zijnen dienst niet trotsch, maar zij vieren zijn lof en bidden hem aan.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

DE BUIT [717].

Gegeven te Medina [718].--76 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Zij zullen u vragen nopens den buit. Antwoord: De verdeeling van den buit behoort Gode en zijn gezant. Vreest dus God, en tracht uwe geschillen in der minne te schikken. Gehoorzaam God en zijn gezant, indien gij ware geloovigen zijt. 2. Waarlijk, de ware geloovigen zijn zij, wier harten vreezen als God wordt genoemd, en wier geloof vermeerderd wordt, zoo hun zijne teekens worden herinnerd en die op God vertrouwen. 3. Die de bepaalde tijden van het gebed in acht nemen, en aalmoezen geven van hetgeen wij hun hebben geschonken. 4. Deze zijn waarlijk geloovigen; zij zullen hoogere graden van gelukzaligheid van hunnen Heer genieten, en vergiffenis en een overvloedig vermogen. 5. Toen uw Heer u van uw huis wegvoerde, met waarheid, en een deel der geloovigen afkeerig van uwe leiding waren. 6. Twistten zij met u nopens de waarheid, nadat die hun was kenbaar gemaakt [719]; op geene andere wijze dan alsof men hen ter dood had gevoerd, en zij dit met hunne oogen hadden gezien [720]. 7. En herinner u, toen God u een der twee deelen beloofde, dat het u zou worden gegeven [721], en gij begeerdet dat het deel, hetwelk niet van wapens was voorzien [722] aan u zou worden overgeleverd; maar God wilde de waarheid zijner woorden bekend maken, en het grootste deel der ongeloovigen afsnijden [723]. 8. Om de waarheid openbaar te maken en de leugen te verdelgen, ofschoon de boozen er afkeerig van mogen zijn. 9. Toen gij hulp van uwen Heer hebt gevraagd [724], en hij u antwoordde: Waarlijk, ik zal u ondersteunen met duizend engelen, die elkander geregeld opvolgen. 10. En dit deed God alleen als goede berichten [725] voor u, en opdat uwe harten daarbij vertrouwend zouden blijven; want de overwinning komt alleen van God, en God is machtig en wijs. 11. Toen een slaap u overviel, als een teeken van zekerheid van hem, en hij water van den hemel op u nederzond, opdat hij u daarmede zou zuiveren, en hij de afschuwelijkheid van satan van u zou afnemen, en hij uwe harten en uwen voet daardoor zou mogen bevestigen. 12. Ook toen uw Heer tot de engelen sprak: Waarlijk ik ben met u; bevestigt dus hen die gelooven. Ik zal schrik in de harten der ongeloovigen werpen. Slaat dus hunne hoofden af, en slaat al de toppen hunner vingers af [726]. 13. Dit zullen zij ondergaan, omdat zij God en zijn gezant wederstand hebben geboden: en wie God en zijn gezant wederstand biedt, waarlijk, die zal gestreng door God gestraft worden. 14. Dit zal uwe straf zijn; gevoelt die dus; ook zullen de ongeloovigen de straf van het hellevuur ondergaan. 15. O ware geloovigen! als gij de ongeloovigen ontmoet, in grooten getale tegen u optrekkende, wendt u dan niet van hen af. 16. Want wie hen op dien dag zijn rug mocht toewenden, tenzij hij zich ter zijde wende om te strijden, of zich tot een ander deel der geloovigen terugtrekke, zal Gods verontwaardiging over zich doen komen, en zijne woning zal de hel zijn. Welk een slecht verblijf! 17. En gij dooddet hen niet, welke te Bedr werden verslagen; maar God doodde hen [727]. Gij slingerdet niets, o Mahomet! ofschoon gij scheent het te slingeren, maar God doet het [728] om de geloovigen door eene schoone proef te beproeven; want God begrijpt en weet alles. 18. Dit geschiedde opdat God de listen der ongeloovigen mocht verijdelen. 19. Gij hebt de overwinning verlangd, o ongeloovigen! en de overwinning heeft zich tegen u gekeerd. Indien gij de eersten zijt, die ophoudt den gezant te bestrijden, zal u dat voordeeliger zijn. Maar indien gij terugkeert om hem aan te vallen, zullen wij mede terugkeeren om hem te ondersteunen, en uwe krachten zullen u volstrekt van geen voordeel wezen, alhoewel die ook talrijk mochten zijn; want God is met de geloovigen. 20. O ware geloovigen! gehoorzaamt God en zijn gezant, en wendt u niet van hem af, nu gij de waarschuwingen van den Koran hoort. 21. En weest niet als zij die zeggen: Wij hooren, als zij niet hooren. 22. Waarlijk, de slechtsten van de dieren der aarde tegenover God, zijn de dooven en de stommen, die niet begrijpen. 23. Indien God slechts iets goeds in hen had ontdekt, zou hij hun zekerlijk hebben doen hooren; maar indien hij hen had doen hooren, zouden zij zich gewis afgewend en zich ver verwijderd hebben. 24. O ware geloovigen! antwoordt God en zijn apostel, indien hij u het leven geeft; en weet dat God zich tusschen den mensch en zijn hart plaatst [729], en dat gij voor hem zult verzameld worden. 25. Hoedt u voor de verzoeking [730]; zij zal niet hen in het bijzonder treffen, die goddeloos onder u zijn, maar u allen in het algemeen; en weet, dat God gestreng in het straffen is. 26. En gedenkt, dat, toen gij zwak en in kleinen getale in het land waart [731], gij vreesdet door uwe vijanden verdelgd te worden; maar God gaf u een toevluchtsoord, en hij ondersteunde u met zijne hulp, en beschonk u met goede dingen, opdat gij dankbaar zoudt zijn. 27. O ware geloovigen! bedriegt God en zijn gezant niet: schendt nimmer uw geloof met uw weten. 28. En bedenkt, dat uw rijkdom en uwe kinderen eene beproeving voor u zijn, en dat Gods belooning groot is. 29. O ware geloovigen! indien gij God vreest, zal hij u eene onderscheiding verleenen. Hij zal uwe zonden vergeven, en u vergiffenis schenken; want zijne genade is groot. 30. En herinner u, toen de ongeloovigen een komplot tegen u smeedden; toen zij u wilden aangrijpen, en dooden of verjagen. God spande op zijne beurt tegen hen samen [732]; en waarlijk, God is het beste in staat, een samenspanning te verijdelen. 31. En als onze teekens voor hen worden herhaald, zeggen zij: Wij hebben het gehoord; indien het ons behaagde, konden wij iets dergelijks uitspreken; dit zijn slechts fabelen der ouden [733]. 32. En toen zij zeiden: O God! indien dit de waarheid van u is, laat dan steenen uit den hemel op ons nedervallen, of leg ons eene andere gestrenge straf op. 33. Maar God was niet geneigd hen te straffen, zoolang gij u onder hen bevondt, noch was God geneigd hen te straffen, toen zij vergiffenis vroegen. 34. Maar zij kunnen geene verontschuldiging aanvoeren, waarom God hen niet zou straffen, naardien zij de geloovigen hebben belet, den heiligen tempel te bezoeken [734], hoewel zij er de bewakers niet van zijn. De bewakers daarvan zijn alleen, die God vreezen; maar het grootste deel hunner weet het niet. 35. En hun gebed in het huis des Heeren is geen ander dan gefluit en handgeklap [735]. Ondergaat dus de straf, omdat gij ongeloovigen zijt geweest. 36. Zij die niet gelooven, wenden hunne rijkdommen aan, om den weg van God [736] te versperren. Zij zullen die verspillen, maar daarna zal het een bitter berouw voor hen zijn, en zij zullen eindelijk overwonnen worden. 37. En de ongeloovigen zullen in de hel verzameld worden. 38. God zal de slechten van de goeden scheiden; hij zal de slechten op elkander stapelen; hij zal er een bundel van vormen en dien in het vuur der hel werpen. Dan zullen de boozen verloren zijn. 39. Zeg tot de ongeloovigen dat, indien zij ophouden u weerstand te bieden, hun zal vergeven worden wat reeds voorbij is; maar indien zij voortgaan u aan te vallen, zal de voorbeeldige straf van de vroegere bestrijders der profeten, die reeds voltrokken is, eveneens op hen worden toegepast. 40. Strijd dus tegen hen, tot er geen verzet meer ter gunste der afgodendienarij, en geen andere godsdienst dan die van uwen Heer besta. Indien zij ophouden, waarlijk dan ziet God wat zij doen. 41. Maar indien zij zich afwenden, weet dan, dat God uw schuts is. Hij is de beste schuts en de beste Helper. 42. En weet, dat, indien gij eenigen buit bekomt, een vijfde deel daarvan aan God en den gezant behoort en aan zijne bloedverwanten, en aan de weezen, de armen en de reizigers [737] indien gij aan God gelooft, en aan hetgeen wij door onzen dienaar op den dag der onderscheiding hebben nedergezonden; op den dag waarop de twee legers elkander ontmoeten; en God is almachtig. 43. Toen gij gelegerd waart op de meest nabijgelegen zijde der vallei, en zij gelegerd waren op de verste zijde, en de karavaan zich lager bevond, en indien gij wederzijds bepaald hadt slag te leveren, zoudt gij zekerlijk die bepaling hebben geschonden [738]; maar gij werdt, zonder eenige voorafgaande bepaling, tot den strijd gebracht, opdat God de zaak zou vervullen, welke hij besloten had te doen plaats hebben. 44. Opdat degeen die omkwam, zou omkomen, na een blijkbare aanwijzing, en hij die het moest overleven, door hetzelfde teeken leven mocht. God hoort en weet alles. 45. Herinner u, toen uw Heer den vijand in uwen slaap en weinig in getal aan u deed verschijnen [739]; en indien hij u dien in grooten getale had doen verschijnen, zoudt gij den moed verloren en daarover getwist hebben [740], maar God behoedde u daarvoor; want hij kent de binnenste deelen van de borst der menschen. 46. En toen hij hem zich voor u deed vertoonen, deed hij hem weinig talrijk voor uwe oogen schijnen; hij verminderde het getal in uwe oogen, opdat God de zaak zou mogen vervullen, welke hij besloten had te doen; en tot God zullen alle dingen terugkeeren. 47. O ware geloovigen! indien gij een deel der ongeloovigen ontmoet, weest onverwrikbaar en gedenkt God dikwijls, opdat gij voorspoedig zoudt mogen zijn. 48. En gehoorzaamt God en zijn gezant, en weest niet verdeeld; daardoor zoudt gij ontmoedigd worden, en al uw welslagen hangt van u af; maar volhardt met geduld; want God is met hen die volharden. 49. En weest niet als zij, die onbeschaamd hunne huizen verlieten en met pralen onder de menschen verschenen, en van den weg van God afwenden; want God begrijpt wat zij doen. 50. En gedenkt, toen satan hunne daden voor hen vooraf beschikte [741] en zeide: Niemand zal u heden overwinnen; en ik zal zeker nabij zijn, om u te helpen. Maar toen de beide legers elkander in het gezicht kwamen, wendde hij hun den rug toe, zeggende: Waarlijk, ik bemoei er mij niet mede, ik zie wat gij niet ziet, ik vrees God, want God is gestreng in het straffen [742]. 51. Toen de huichelaars, en zij in wier harten een gebrek zetelde, zeiden: Hun geloof verblindt hen [743]. Maar hij die zijn vertrouwen in God stelt, weet dat hij machtig en wijs is. 52. En zoo gij hadt gezien toen de engelen de ongeloovigen doodden; toen sloegen zij hunne aangezichten en hunne ruggen [744] en zeiden tot hen: Gevoelt gij de pijn der verbranding? 53. Dit zult gij ondergaan, om hetgeen uwe handen voor u hebben verricht, en omdat God niet onrechtvaardig omtrent zijne dienaren is. 54. Hun lot gelijkt dat van het volk van Pharao en der ongeloovigen, die hen zijn voorafgegaan. God verdelgt hen om hunne zonden. God is sterk en gestreng in zijne straffen. 55. Dit is geschied, omdat God de weldaden niet verandert, waarmede hij de menschen overlaadt, zoolang zij niet veranderen wat in hunne zielen is, en hetwelk God alles hoort en ziet. 56. Zij hebben gehandeld evenals het volk van Pharao en evenals zij die het vooraf gingen; die de teekens van hunnen Heer loochenden. Daarom verdelgden wij hen in hunne zonden en wij overstroomden het volk van Pharao; want zij waren allen zondaren. 57. Waarlijk de slechtste dieren in Gods oog zijn zij, die hardnekkige ongeloovigen zijn, en niet willen gelooven. 58. Evenals zij, die een verbond met u aangaan en later hun verbond bij iedere geschikte gelegenheid schenden en God niet vreezen. 59. Indien gij hen in den strijd gevangen neemt, verstrooi hen en stel een voorbeeld voor hen die na hen zullen komen, opdat zij gewaarschuwd mogen zijn. 60. Of indien gij eenig verraad van een volk vreest, verwerp zijn verbond en behandel het dan op gelijke wijze; want God bemint de verraders niet. 61. En denkt niet [745] dat de ongeloovigen Gods wraak ontgaan; want zij zullen Gods macht niet verminderen. 62. Verzamel dus alle krachten die gij tegen hen hebt, en troepen paarden, waarmede gij den vijand Gods moogt verschrikken, en ook uw vijand en alle ongeloovigen buiten hen, welke gij niet kent, maar die God kent. En wat gij voor de verdediging van Gods geloof besteedt, zal u worden terug betaald en gij zult niet onrechtvaardig worden behandeld. 63. Indien zij tot vrede overhellen, zult gij mede daartoe neigen, en stel uw vertrouwen in God; want hij hoort en weet alles. 64. Maar indien zij trachten u te verraden, dan zal God uw helper zijn. Hij is het, die u door zijne ondersteuning heeft geholpen en door die der geloovigen, en hij heeft hunne harten vereenigd. Indien gij alle rijkdommen der aarde zoudt hebben verspild, zoudt gij hunne harten niet hebben kunnen vereenigen, maar God vereenigt hen; want hij is almachtig en wijs. 65. O profeet! God is uw steun, en die der ware geloovigen welke u volgen [746]. 66. O profeet! zet de geloovigen tot oorlog aan; indien twintig uwer volhardend zijn, zullen zij twee honderd overwinnen, en indien er een honderd van u zijn, zullen zij duizend overwinnen van degenen die niet gelooven, daar zij een volk zijn dat niet begrijpt. 67. God heeft uwe taak gemakkelijk gemaakt; want hij weet dat gij zwak waart. Indien er een honderd van u zijn die volharden, zullen zij twee honderd overwinnen, en indien er duizend van u zijn zullen zij tweeduizend [747] overwinnen, door Gods verlof; want God is met hen die volharden. 68. Het was nimmer een profeet gegeven, gevangenen te maken zonder groote slachtingen op aarde te doen plaats hebben [748]. Gij verlangt het goede dezer wereld, en God wil u dat der volgende geven; want God is machtig en wijs. 69. Indien u vooraf geene openbaring van God ware gegeven, zou u eene strenge straf zijn opgelegd voor het losgeld, dat gij van de gevangenen te Bedr [749] hebt verkregen. 70. Eet dus van hetgeen gij hebt verworven, van hetgeen geoorloofd en goed is; want God is barmhartig en genadig. 71. O profeet! zeg tot de gevangenen die in uwe handen zijn: Indien God weet, dat er eenig goed in uwe harten is, zal hij u beter geven dan hetgeen van u werd genomen en hij zal u vergeven; want God is genadig en barmhartig. 72. Maar indien zij trachten u te bedriegen [750], waarlijk, dan hebben zij God bedrogen; daarom heeft hij u de macht over hen gegeven, en God is alwetend en wijs. 73. Zij die geloofd hebben en hun land zijn ontvlucht, en hunne bezittingen en hunne personen aan den strijd, voor den godsdienst van hunnen Heer, wijdden, en zij die den profeet eene schuilplaats hebben verleend en hem hebben bijgestaan, zullen als elkanders naaste bloedverwanten worden beschouwd [751]. Maar zij die geloofd hebben en hun land niet zijn ontvlucht, zullen geene bloedverwanten van u zijn, tot zij hunne woningen eveneens hebben verlaten. Maar indien zij uwe hulp voor het geloof inroepen, zult gij die verleenen, tenzij het tegen degenen mocht wezen, die uwe bondgenooten zijn; en God ziet wat gij doet. 74. Laat de ongeloovigen elkanders bloedverwanten zijn. Zoo lang gij dit niet ook doet, zullen er wanorde en groote plagen over de aarde heerschen. 75. Maar zij die geloofd en hunne woningen verlaten, en voor des Heeren waren godsdienst hebben gestreden, en den profeet eene schuilplaats verleend en hem ondersteund hebben, deze zijn waarlijk geloovigen, zij zullen vergiffenis en edelmoedige ondersteuning ontvangen. 76. En zij, welke sedert dien tijd geloofd en hunne woningen verlaten hebben, en met u streden, behooren eveneens tot de uwen. En zij, die door bloedverwantschap verbonden zijn, zullen, als elkanders naaste bloedverwanten, boven vreemdelingen worden beschouwd, overeenkomstig Gods boek. God kent alle dingen.

NEGENDE HOOFDSTUK.

DE VERKLARING VAN VRIJSTELLING [752].

Gegeven te Medina.--130 verzen.

1. Eene verklaring van vrijstelling van God en zijn gezant, aan zoodanige afgodendienaars, met welke gij een verbond hebt aangegaan. 2. Ga en reis gedurende vier maanden [753] met zekerheid op aarde, en weet dat gij God niet zult verzwakken, en dat God de ongeloovigen zal schandvlekken. 3. En eene verklaring van God en zijn gezant voor het volk, op den dag van den grooteren pelgrimstocht [754], dat God vrij is, en ook zijn gezant, omtrent de afgodendienaars. Daarom zal het beter voor u zijn, indien gij berouw betoont; maar indien gij u afwendt, weet dan, dat gij God niet zult verzwakken. Kondig den ongeloovigen eene pijnlijke straf aan. 4. Uitgenomen zulke afgodendienaars waarmede gij een verbond hebt aangegaan, en die dit later op geenerlei wijze schenden, noch een ander tegen u bijstaan [755]. Handhaaf dus het verbond dat gij met hen hebt aangegaan, tot hun tijd zal zijn verloopen; want God bemint hen die hem vreezen. 5. En wanneer de maanden, waarin het u niet geoorloofd is hen aan te vallen, zullen zijn verloopen, dood dan de afgodendienaars waar gij hen moogt vinden; maak hen gevangen, beleger hen en wacht hen op iedere geschikte plaats op. Maar indien zij berouw mochten betoonen, en de bepaalde tijden voor het gebed in acht nemen en de voorgeschrevene aalmoezen geven, stel hen dan in vrijheid; uw God is genadig en barmhartig. 6. En indien een der afgodendienaars u ondersteuning vraagt, verleen hen die, opdat hij Gods woord hoore, en voer hem daarna naar eene veilige plaats [756]. Dit zult gij doen; want zij kennen de uitnemendheid van uwen godsdienst nog niet. 7. Hoe zouden de afgodendienaars tot een verbond met God en zijn gezant worden toegelaten, uitgenomen zij met welke gij een verbond in den heiligen tempel sluit. Zoo lang zij getrouw omtrent u handelen, handel ook gij getrouw omtrent hen; want God bemint hen, die hem vreezen. 8. Hoe kunnen zij een verbond met u hebben? Indien zij de overhand boven u hebben, zullen zij noch ontzag voor uwe bloedverwantschap, noch voor uw geloof hebben. Zij zullen u met hunne monden toestemmen, doch hunne harten zullen afkeerig van u wezen; want het grootste gedeelte hunner zijn snoodaards. 9. Zij verkoopen Gods teekenen voor een nietigen prijs en versperren zijn weg; voorzeker het is boos wat zij verrichten. 10. Zij eerbiedigen bij de geloovigen noch bloedverwantschap noch geloof; en dat zijn de zondaren. 11. Maar indien zij berouw betoonen, en de bepaalde tijden voor het gebed in acht nemen, en aalmoezen geven, zullen zij uwe broederen in den godsdienst zijn. Wij verklaren onze teekens duidelijk voor hen, die geneigd zijn te begrijpen. 12. Maar indien zij hunne eeden na het aangaan van hun verbond schenden, en uwen godsdienst aantasten, tast dan de aanvoerders der ongeloovigen aan (want bij hen bestaat geene trouw), opdat zij hunne verraderijen staken. 13. Wilt gij niet strijden tegen hen, die hunne eeden geschonden en samengezworen hebben, om Gods gezant te verjagen? Zij waren de zondaren. Zoudt gij hen vreezen? Het is rechtvaardiger, dat gij God vreest, indien gij ware geloovigen zijt. 14. Valt hen dus aan; God zal hen door uwe handen straffen; hij zal hen met schaamte bedekken, en zal u de overwinning op hen schenken; en hij zal de borst genezen van hen die gelooven. 15. En hij zal de verontwaardiging uit hunne harten wegnemen; want hij zal zich wenden tot hen, die hem behagen. God is alwetend en wijs. 16. Verbeelddet gij u, dat gij verlaten zoudt worden, alsof God hen nog niet kende, die voor zijnen godsdienst streden, en naast God en zijn apostel niemand, maar de geloovigen tot hunne vrienden kozen? God is wel bekend met hetgeen gij doet. 17. En waarom zouden de ongeloovigen Gods tempelen bezoeken? daar zij zelven getuigen van hun ongeloof tegen hunne eigene zielen zijn. De werken dier menschen zijn ijdel, en zij zullen eeuwig in de hel verblijven. 18. Maar hij alleen zal Gods tempelen bezoeken, die in God en den laatsten dag gelooft en volhardend in het bidden is: die de voorgeschreven aalmoezen geeft en God vreest. Deze zal misschien tot hen behooren, die op den rechten weg worden geleid [757]. 19. Rekent gij het reiken van drank aan de bedevaartgangers en het bezoeken van den heiligen tempel, als daden van dezelfde verdienste als diegene, welke door hem worden verricht, die in God en den laatsten dag gelooft en voor Gods eeredienst strijdt? Zij zullen voor God niet gelijk zijn; want God leidt de onrechtvaardigen niet. 20. Zij die geloofd hebben en hun land verlieten, en hunne bezittingen en hun persoon aan de verdediging van Gods waren eeredienst wijdden, zullen door God op de hoogste trap van eer worden gesteld, en deze zijn het, die gelukkig zullen wezen. 21. Hun Heer zendt hun goede tijdingen van genade, van welwillendheid en van tuinen, waar zij bestendige genoegens zullen smaken. 22. Zij zullen daarin eeuwig verblijven; want de belooning van God is groot. 23. O ware geloovigen! kiest uwe vaderen of uwe broeders niet tot uwe vrienden, indien zij ongeloof boven geloof beminnen; en wie uwer hen tot zijne vrienden mocht kiezen, zal onder de goddeloozen worden geteld. 24. Zeg: Indien uwe vaderen en uwe zonen, en uwe broeders en uwe vrouwen, en uwe bloedverwanten en het vermogen dat gij hebt verworven en uw handel, welks verval gij vreest, en de woningen waarin gij u beweegt, u dierbaarder zijn dan God en zijn apostel, en de vooruitgang van zijnen godsdienst, wacht dan tot God zijn bevel zendt; want God leidt de goddeloozen niet. 25. God heeft u in verschillende gevechten bijgestaan, en hoofdzakelijk in den slag van Honein [758], waar gij u in uw groot aantal hebt verheugd; maar het was u niet voordeelig, en de aarde was u te eng [759], niettegenstaande zij ruim was; daarop zijt gij heengetrokken en hebt u afgewend. 26. Later zond God zijn bescherming [760] op zijn apostel en op de geloovigen neder, en hij zond engelenscharen neder, die gij niet zaagt, en strafte hen, die niet geloofden; en dit was de vergelding der ongeloovigen. 27. Hierna zal God zich slechts wenden tot hen die hem behagen [761]; want God is barmhartig en genadig. 28. O ware geloovigen! waarlijk de afgodendienaars zijn onrein; laat hen dus na verloop van dit jaar [762] den heiligen tempel niet naderen. Indien gij de armoede vreest door het afsnijden van handelsgemeenschap met hen, zal God u van zijn overvloed verrijken, indien het hem behaagt: want God is alwetend en wijs. 29. Strijdt tegen degenen, die noch aan God: noch aan den jongsten dag gelooven [763], en niet verbieden wat God in zijn apostel hebben verboden, en den waren godsdienst niet belijden van hen, aan wie de schriften werden geopenbaard, tot zij door het recht van onderwerping schatting hebben betaald [764], en zij vernederd zijn. 30. De Joden zeggen: OzaÔr is de zoon van God, en de Christenen zeggen Christus is de zoon van God [765]. Dat is wat zij met hunne monden zeggen. Zij bootsen de taal na van hen, die in vroegere tijden ongeloovigen waren. Dat God hun den oorlog aandoe. Hoe dwaas zijn zij! 31. Zij kiezen hunne priesters en hunne monniken tot hunne heeren naast God [766], benevens Christus, de zoon van Maria, hoewel het hun is geboden, slechts ÈÈn God te aanbidden; en er is geen God buiten hem. Het zij verre van hem wat zij met hem vereenigen. 32. Zij trachten het licht van God door hunne monden uit te blusschen; maar God wil slechts zijn licht volmaken, hoewel de ongeloovigen daarvan een afkeer hebben. 33. Hij is het, die zijn apostel met de leiding en den waren godsdienst heeft gezonden, opdat hij zijnen voorrang boven iederen anderen godsdienst zou aantoonen, hoewel de afgodendienaars er afkeerig van mogen zijn. 34. O ware geloovigen! waarlijk, velen der priesters en monniken verteren het vermogen der menschen in ijdelheid [767] en versperren den weg van God. Maar hun, die goud en zilver verzamelen en het niet voor den vooruitgang van Gods waren dienst gebruiken, verkondig eene gestrenge straf. 35. Op den dag des oordeels zullen hunne schatten sterk verhit worden in het vuur der hel, en hunne voorhoofden en hunne zijden en hunne ruggen zullen daarmede gebrandmerkt worden, en hunne pijnigers zullen hun zeggen: Dit zijn de schatten, welke gij voor uwe ziel hebt vergaderd. Proef dus wat gij hebt verzameld. 36. Het volkomen getal van Gods maanden is twaalf [768], die door Gods boek [769] werden ingesteld, op den dag, dat hij de hemelen en de aarde schiep: vier daarvan zijn geheiligd. Dit is de ware godsdienst. Handel hierin dus niet onrechtvaardig met u zelven. Maar val de afgodendienaars in alle maanden aan, daar zij u evens in alle maanden aanvallen, en weet, dat God met degenen is die hem vreezen. 37. Waarlijk, het overbrengen van een geheiligde maand op eene andere maand is eene overmaat van ongeloof. De ongeloovigen zijn daardoor in eene dwaling gebracht; zij staan toe, dat een maand in het ÈÈne jaar worde geschonden, en verklaren die in een ander jaar voor heilig, opdat zij het getal maanden zouden volmaken, die volgens Gods bevel heilig moeten gehouden worden; en zij veroorloven, wat God verboden heeft. Het slechte hunner daden is hun door den Satan bereid; want God leidt de ongeloovigen niet. 38. O ware geloovigen! wat scheelde u, dat, toen men u zeide: vertrekt, om voor Gods eeredienst te strijden, gij u als bewaard ter aarde hebt gebogen? Verkiest gij het tegenwoordige leven boven het volgende? Maar de genietingen van dit leven zijn slechts onbeduidend in vergelijking met die van het volgende. 39. Indien gij niet vertrekt als gij ten oorlog wordt opgeroepen, zal God u met eene gestrenge straf tuchtigen, en hij zal een ander volk op uwe plaats stellen [770], hetgeen hem volstrekt niet zal deren; want God is almachtig. 40. Indien gij den profeet niet bijstaat, waarlijk, dan zal God hem bijstaan, zoo als hij dat vroeger deed, toen de ongeloovigen hem uit Mekka verdreven, den tweede van de twee [771], toen zij beiden in het hol waren. Toen zeide hij tot zijne gezellen: Weest niet bedroefd; want God is met ons. En God zond zijne zekerheid op hem neder en versterkte hem met legers en engelen, die gij niet zaagt. En hij vernederde het woord van hen, die niet geloofden en Gods woord werd verheven; want God is machtig en wijs. 41. Trekt ten strijd, lichten en zwaren [772], en wijdt uwe bezittingen en uwe personen aan den vooruitgang van Gods geloof. Dit zal beter voor u zijn, dat gij het weet. 42. Indien het een nabij gelegen voordeel of eene gemakkelijke reis ware geweest, zouden zij u zeker zijn gevolgd; maar de weg scheen hun lang, en thans zweren zij bij God, zeggende: Indien wij daartoe in staat waren geweest, zouden wij u zeker hebben gevolgd. Zij vernietigen hunne eigene zielen; want God weet dat zij leugenaars zijn. 43. God vergeve het u! waarom gaaft gij hun verlof te huis te blijven [773], voor dat het u was bewezen, dat zij waarheid spraken, en voor dat gij de leugenaars kendet? 44. Zij, die in God en den jongsten dag gelooven, zullen u geen verlof vragen om er van ontslagen te worden, hun vermogen en hunne personen aan den vooruitgang van Gods waar geloof te wijden; en God kent hen, die hem vreezen. 45. Waarlijk, zij alleen zullen u verlof vragen, die niet in God en den jongsten dag gelooven en wier harten nopens het geloof twijfelen; terwijl zij in hunnen twijfel heen en weder worden geslingerd. 46. Indien zij geneigd zouden zijn geweest, met u te vertrekken, zouden zij zekerlijk voor dat doel een voorraad van wapens en benoodigdheden hebben gereed gemaakt; maar God was er afkeerig van, hen te laten vertrekken; hij heeft hen traag gemaakt en hij zeide tot hen: zit stil met hen die stil zitten [774]. 47. Indien zij met u waren vertrokken, zouden zij slechts een last voor u geweest zijn, en heen en weder geloopen, en tot opstand aangezet hebben; en er zouden sommigen onder u zijn geweest, die hun gehoor zouden gegeven hebben; maar God kent de boozen. 48. Reeds vroeger trachtten zij opstand te veroorzaken [775], en zij verwarden uwe zaken, tot de waarheid verscheen en Gods bevel duidelijk werd gemaakt, hoewel zij er afkeerig van waren. 49. Sommigen van hen zeggen tot u: Geef mij verlof achter te blijven, en stel mij aan geene verzoeking bloot. Zijn zij er niet reeds toe vervallen? Maar de hel zal de ongeloovigen verwoesten. 50. Indien gij met geluk wordt bedeeld, bedroeft het hun, maar indien u een ongeluk overkomt, zeggen zij: Wij hebben onze maatregelen vooraf genomen, en zij wenden zich af, en verheugen zich, dat gij ongelukkig zijt. 51. Zeg: Niets zal ons overkomen, dan wat God over ons heeft besloten; hij is onze schuts, en in God stelt de geloovige zijn vertrouwen. 52. Zeg: Verwacht gij dat ons iets anders zal overkomen, dan een der twee uitmuntendste dingen, overwinning of martelaarschap? Maar wij verwachten omtrent u, dat God u eene straf oplegt, hetzij van hem zelven of door onze handen [776]. Wacht dus, om te zien wat het einde zal zijn; want wij zullen op u wachten. 53. Zeg: Besteedt uw geld, zoowel vrijwillig als gedwongen, voor vrome doeleinden; het zal niet van u worden aangenomen daar gij goddeloozen zijt. 54. En niets verhindert hunne gaven aan te nemen, dan dat zij niet in God en zijn apostel gelooven, en dat zij het gebed niet anders dan onachtzaam verrichten, en hun geld voor Gods geloof slechts onwillig besteden. 55. Laten hunne rijkdommen of hunne kinderen u dus niet verwonderen. Waarlijk, God wil hen slechts door die zaken op deze wereld straffen, en dat hunne zielen hen verlaten, tijdens zij ongeloovigen zijn. Zij zweren bij God, dat zij tot de uwen behooren, maar zij behooren niet tot u; doch zij vreezen. 56. Indien zij een toevluchtsoord, of holen, of een onderaardsch gewelf vinden, wenden zij zich af en begeven zich zoo spoedig mogelijk daarheen. 58. Er zijn ook onder hen, die slechte berichten omtrent u verspreiden, nopens uwe uitdeeling van aalmoezen; maar indien zij een deel daarvan ontvangen, zijn zij wel tevreden, doch indien zij geen deel daarvan ontvangen, onthoudt het, zijn zij toornig. 59. Maar indien zij tevreden waren geweest met datgene, wat God en zijn apostel hun hebben gegeven, en zoo zij gezegd hadden: God is onze steun; God zal ons van zijn overvloed geven, evenals zijn Profeet, en wij begeeren slechts God: waarlijk het zou beter voor hen geweest zijn. 60. Aalmoezen moeten alleen uitgereikt worden aan de armen, de hulpbehoevenden [777] en aan hen, welke gebruikt worden om die te verzamelen en te verdeelen, en aan hen wier harten voor den Islam gewonnen zijn; voor het vrijkoopen van slaven, en aan hen die schuld hebben en niet betalen kunnen; voor de bevordering van Gods geloof en aan den reiziger. 61. Dit is een bevel van God, en God is alwetend en wijs. Er zijn sommigen onder hen, die den profeet belasteren en zeggen: Hij is een oor [778]. Antwoord: Hij is een goed oor voor u [779]; hij gelooft in God en hij vertrouwt den geloovige. 62. En hij is eene genade voor degenen van u, die gelooven. Maar zij die Gods apostel beleedigen, zullen eene smartelijke straf ondergaan. 63. Zij zweren u bij God, dat zij u zouden willen behagen; maar het zou beter zijn dat zij Gode en zijn apostel behaagden, indien zij ware geloovigen zouden zijn. 64. Weten zij niet, dat hij, die God en zijn apostel weÍrstand biedt, zonder twijfel met het vuur der hel gestraft worden, en daarin voor eeuwig verblijven zal? Dit is eene groote schande. 65. De huichelaars vreezen, dat eene Soera nopens hen mocht worden geopenbaard, om hun te verklaren, wat zich in hunne harten bevindt. Zeg tot hen: Gij spot, maar God zal zekerlijk aan het licht brengen, wat gij vreest te zien openbaren. 66. En indien gij hun de reden van deze bespotting vraagt, zeggen zij: Waarlijk, wij spraken slechts met elkander en schertsten onder ons. Zeg: spot gij met God en zijne teekens en met zijn apostel? 67. Tracht niet u te verontschuldigen; gij zijt ongeloovigen geworden, na geloofd te hebben. Indien wij een deel uwer vergeven, zullen wij een ander deel straffen, daar zij boozen waren. 68. Huichelende mannen en vrouwen zetten elkander wederkeerig aan; zij gebieden wat slecht is, en verbieden wat goed is, en sluiten hunne handen om geene aalmoezen te geven. Zij hebben God vergeten; daarom heeft God ook hen vergeten: waarlijk de huichelaars zijn goddeloozen. 69. God bedreigt de huichelaars, zoowel mannen als vrouwen, en de ongeloovigen met het vuur der hel; eeuwig zullen zij daarin blijven; dit zal hun verdiende loon zijn. God heeft hen vervloekt, en zij zullen eene voortdurende pijniging ondergaan. 70. Gij handelt evenals zij, die vÛÛr u bestonden. Zij waren sterker dan gij en hadden meer overvloed van rijkdommen en van kinderen; en zij genoten van hun vermogen in deze wereld, evenals gij, die uw vermogen hier geniet, gelijk zij, die u vooraf gingen, hun vermogen genoten. En gij mengt u in ijdele gesprekken, evenals zij zich daarin mengden. De daden van dezen zijn ijdel, zoowel in deze als in de volgende wereld, en zij zijn het die verloren gaan. 71. Waart gij niet bekend met de geschiedenis van hen, die vÛÛr hen bestonden? Van het volk van Noach, van Ad en van Themoed, en van het volk van Abraham, en van de bewoners van Madian, en van de steden die verwoest werden [780]? Hunne apostelen kwamen tot hen met duidelijke aanwijzingen, en God was niet geneigd hen onrechtvaardig te behandelen; maar zij handelden onrechtvaardig met hunne eigene zielen. 72. En de geloovige mannen en de geloovige vrouwen zijn elkanders vrienden. Zij bevelen wat rechtvaardig is en verbieden wat slecht is, en zij zijn volhardend in het gebed, en reiken de vastgestelde aalmoezen uit, en zij gehoorzamen Gode en zijne gezanten. Voor hen zal God genadig zijn; want hij is machtig en wijs. 73. God beloofde den waren geloovigen, zoowel mannen als vrouwen, tuinen door rivieren besproeid, waarin zij eeuwig zullen verblijven; hij beloofde hun heerlijke woningen in de tuinen van eeuwig verblijf [781]; maar Gods goede gezindheid zal hunne uitnemendste belooning zijn. Dat zal een groot heil wezen. 74. O Profeet! onderneem den oorlog tegen de ongeloovigen en de huichelaars, en wees gestreng omtrent hen; want hunne woning zal de hel zijn. Welk een ongelukkig verblijf! 75. Zij zweren bij God, dat zij niet zeiden waarvan zij worden beschuldigd, en toch hebben zij het woord van ongeloovigheid geuit en werden ongeloovigen, nadat zij den Islam hadden omhelsd. En zij vormden een plan, maar konden het niet volvoeren; en zij vormden het niet, dan omdat God en zijn gezant hen door hunne goedheid hebben verrijkt [782]. Indien zij zich bekeeren, zal het beter voor hen zijn; maar indien zij terugtrekken, zal God hen met eene strenge pijniging straffen, zoo wel in deze als in de volgende wereld, en zij zullen noch eenen schuts op aarde noch eenen beschermer hebben. 76. Er zijn sommigen van hen die een verbond met God hebben aangegaan, zeggende: Waarlijk, indien hij ons van zijnen overvloed geeft, zullen wij aalmoezen schenken en rechtvaardigen worden. 77. Maar toen hij hun van zijn overvloed had gegeven, werden zij gierig, keerden zich om en wendden zich ver weg. 78. Daarom liet God huichelarij in hunne harten opvolgen, tot den dag dat zij voor hem zullen verschijnen, om rekenschap te geven van hunne schending der beloften, die zij Gode hebben gedaan, en omdat zij bedriegelijk hebben gehandeld. 79. Weten zij dan niet, dat God kent wat zij verbergen en hunne onderlinge gesprekken, en dat God alle geheimen kent? 80. Zij die de geloovigen belasteren wegens de onverplichte aalmoezen, of omdat dezen daaraan niet dan met veel moeite kunnen voldoen, en hen daarom bespotten, God zal hen bespotten en zij zullen eene gestrenge straf ondergaan. 81. Of gij al dan niet vergiffenis voor hen vraagt, het zal gelijk zijn. Indien gij zeventig maal vergiffenis voor hen vraagt, zal God hun op geenerlei wijze vergeven [783]. Dit is omdat zij niet in God en zijn gezant gelooven; en God leidt de goddeloozen niet. 82. Zij die bij de expeditie van Taboec te huis bleven, waren verblijd achter den profeet te blijven, en ongeneigd hunne bezittingen en hunne personen te wagen voor den vooruitgang van Gods waren godsdienst, en zij zeiden onderling: Trek niet in de hitte op. Zeg: het hellevuur zal heeter zijn; indien zij dit maar begrepen! 83. Laat hen dus weinig lachen; zij zullen des te meer weenen, als eene vergelding voor hetgeen zij hebben gedaan. 84. Indien God u terugbrengt tot sommigen van hen, en zij u verlof vragen, met u ten oorlog te mogen trekken; zeg dan: Gij zult niet met mij vertrekken; nimmer zult gij een vijand met mij bekampen: het behaagde u de eerste maal te huis te blijven; zit dus thans te huis met hen die achterblijven. 85. Nimmer zult gij voor een van hen die gestorven is, bidden; sta nimmer bij zijn graf stil [784], omdat zij niet in God en zijn gezant geloofden, en in hunne boosheid stierven. 86. Laten hunne rijkdommen en hunne kinderen uwe verwondering niet opwekken; Gods bedoeling is alleen hen daardoor in deze wereld te straffen en hen door hunne zielen te doen verlaten, terwijl zij ongeloovigen zijn. 87. Indien eene Soera [785] wordt nedergezonden, waarin gezegd wordt: Geloof in God en trek ten oorlog met zijn gezant, vragen de rijksten onder hen u verlof om achter te blijven, en zeggen: Sta ons toe tot hen te behooren, die te huis blijven. 88. Zij zijn er toe geneigd, met hen achter te blijven, en hunne harten zijn verzegeld; daarom begrijpen zij niet. 89. Maar de gezant en zij die met hem hebben geloofd, wagen hunne bezittingen en hun leven om God te dienen; zij zullen de geneugten van het volgende leven smaken en gelukkig zijn. 90. God heeft tuinen voor hen gereed gemaakt, met rivieren doorsneden; eeuwig zullen zij daarin blijven. Dit zal eene groote zaligheid zijn. 91. En zekere Arabieren van de woestijn kwamen om zich te verontschuldigen, en baden, dat zij achter mochten blijven. Zij die God en zijn gezant van logen hadden beschuldigd, bleven te huis. Maar eene pijnlijke straf zal hun worden opgelegd die niet gelooven. 92. Zij die zwak, of door ziekte aangetast zijn, of zij die geene middelen hebben om tot den oorlog bij te dragen [786], zullen geene zonde doen indien zij te huis blijven, zoo zij zich geloovig omtrent God en zijn gezant gedragen. Hun die rechtvaardig zijn, zal geen kwaad geschieden; want God is genadig en barmhartig. 93. Noch hun die u zijn komen verzoeken, hun benoodigdheden (rijdieren) voor de reis te verschaffen, en die, toen gij hebt geantwoord: Ik heb geene benoodigdheden om u te geven, terugkeerden met de tranen in de oogen, uit verdriet dat zij geene middelen konden vinden om tot den tocht bij te dragen [787]. 94. Maar er bestaat reden van gisping voor hen, die u verlof vragen, te huis te mogen blijven, als zij rijk zijn. Het behaagt hun met degenen te zijn, die achterblijven, en God heeft hunne harten dichtgezegeld; daarom begrijpen zij niet. 95. Zij zullen zich bij u verontschuldigen, als gij tot hen zijt teruggekeerd; zeg: Verontschuldigt u niet; wij zullen u op geenerlei wijze gelooven. God heeft ons met uw gedrag bekend gemaakt, en God zal op uwe daden acht geven en ook zijn gezant, en hierna zult gij voor hem gebracht worden, die weet wat verborgen en wat duidelijk is, en hij zal u verklaren wat gij hebt bedreven. 96. Zij zullen, als gij tot hen zijt teruggekeerd, u bij God bezweren, dat gij hen alleen zult laten [788]. Laat hen dus alleen; want zij zijn afschuwelijk, en de hel zal hunne woning zijn, als eene vergelding voor hetgeen zij hebben bedreven. 97. Zij zullen u bezweren, dat gij welwillend omtrent hen moogt zijn; maar indien gij welwillend omtrent hen zijt, waarlijk, dan zal God niet welwillend zijn omtrent degenen die slecht handelen. 98. De Arabieren van de woestijn zijn nog hardnekkiger in hun ongeloof en hunne huichelarij; en het is gemakkelijker voor hen, onbekend te zijn met de bevelen van hetgeen God Zijnen gezant heeft nedergezonden [789] en God is alwetend en wijs. 99. Onder de Arabieren van de woestijn zijn er die, wat zij voor God hebben besteed, als eene schatting [790] rekenen te zijn, en wachten dat u eene wisseling der fortuin [791] mocht overkomen. Eene wisseling ten kwade zal over hen komen; want God hoort en weet alles. 100. En onder de Arabieren van de woestijn zijn er, die in God en den jongsten dag gelooven en die, hetgeen voor God wordt besteed, als een middel achten, om nader tot God gebracht te worden en de geboden van den gezant te verwerven. Is het middel tot die nadering niet in hunne handen? God zal hen in zijne genade opnemen; want God is barmhartig en genadig. 101. Wat de leiders en de hoofden der Mohajerin en de Ansars betreft, en degenen die hen in het uitoefenen van weldaden, hebben gevolgd, God is voldaan over hen, en zij zijn voldaan over hem, en hij heeft tuinen voor hen bereid met rivieren doorsneden. Eeuwig zullen zij daarin verblijven. Dit zal eene groote zaligheid zijn. 102. Onder de Arabieren van de woestijn, die rondom u wonen, zijn huichelachtige personen [792], en onder de bewoners van Medina zijn sommigen die hardnekkig in huichelarij zijn. Gij kent hen niet, o profeet! maar wij kennen hen; wij zullen hen zekerlijk tweemaal straffen [793]; daarna zullen zij tot eene pijnlijke kastijding verwezen worden. 103. Anderen nebben hunne misdaden bekend; zij hebben eene goede daad met eene andere vermengd, die slecht is; misschien zal God zich tot hen wenden; want God is barmhartig en genadig. 104. Neem aalmoezen van hunne bezittingen aan, opdat gij hen moogt zuiveren en van hunne zonden reinigen; bid voor hen; want uwe gebeden zullen hen gerust stellen, en God hoort en weet alles. 105. Weten zij niet, dat God boete van zijne dienaren en aalmoezen aanneemt, en dat God geneigd tot vergeven en barmhartig is? 106. Zeg tot hen: Handelt zooals gij wilt, maar God ziet uw werk, evenals zijn gezant en de ware geloovigen, en gij zult gebracht worden voor hem, die alles kent wat geheim gehouden en wat openbaar gedaan wordt, en hij zal u verklaren wat gij hebt bedreven. 107. Er zijn anderen, die met verlangen Gods besluit afwachten, hetzij hij hen zal straffen, of dat hij zich tot hen zal wenden; maar God is alwetend en wijs. 108 Er zijn sommigen die een tempel hebben gebouwd om de geloovigen te schaden en ongeloof voort te planten; om verdeeling tusschen de ware geloovigen te zaaien en als eene hinderlaag voor hen, die in vroegeren tijd tegen God en zijn gezant hebben gestreden; en zij zweren, zeggende: Waarlijk, wij hebben geen ander doel dan goed te handelen; maar God is getuige, dat zij zekerlijk liegen. 109. Zet daar nimmer den voet om te bidden. Er is een tempel, sedert den eersten dag van zijn bouw op godsvrucht gegrondvest [794]. Het is beter dat gij daar den voet zet om te bidden; daarin zijn menschen, die er naar haken, gezuiverd te worden; want God bemint den reine. 110. Is dus hij beter, die zijn gebouw op Gods vrees heeft gesticht en om hem te behagen, of hij, die zijn gebouw heeft gesticht op den rand van eene zandbank, die door de wateren wordt weggespoeld, zoodat die met hem in het hellevuur stort? God leidt de goddeloozen niet. 111. Hun gebouw, dat zij gesticht hebben, zal niet ophouden eene aanleiding tot twijfel in hunne harten te zijn, tot hun hart in stukken is gesneden [795]; en God is alwetend en wijs. 112. Waarlijk, God heeft van de ware geloovigen hunne zielen en hunne bezittingen aangekocht, waartegen hij hun de geneugten van het paradijs zal schenken, op voorwaarde, dat zij voor Gods zaak zullen strijden tenzij zij dooden of gedood worden; de belofte daarvan wordt verzekerd door de wet, het evangelie en den Koran. En wie komt zijne verbintenis getrouwer na dan God? Verheug u dus in de verbintenis, welke gij hebt aangegaan. Dit zal eene groote gelukzaligheid zijn. 113. De berouwvollen en zij die God dienen en hem loven, en vasten en nederbuigen en aanbidden, en datgene bevelen wat rechtvaardig is, en verbieden wat slecht is, en de bevelen van God nakomen, zullen eveneens met het paradijs worden beloond: breng dus goede tijdingen tot de geloovigen. 114. Het is den profeet niet geoorloofd, noch hun die ware geloovigen zijn, voor afgodendienaars te bidden, zelfs indien zij tot hunne bloedverwanten behooren, nadat het hun bekend is geworden, dat zij bewoners der hel zullen zijn [796]. 115. Ook Abraham vroeg geene vergiffenis voor zijn vader, anders dan ter voldoening eener belofte, welke hij hem had gedaan [797]; maar toen het hem bekend werd, dat deze een vijand van God was, onttrok hij zich daaraan [798], en waarlijk, Abraham was meÍdoogend en menschelijk. 116. God is niet geneigd een volk in dwaling te leiden [799], nadat hij het ten goede heeft geleid, dan nadat hij heeft verklaard wat het heeft te vermijden; want God is alwetend. 117. Waarlijk aan God behoort de heerschappij van hemel en aarde; hij schenkt leven en hij doet sterven, en gij hebt geen schuts of helper naast God. 118. God heeft den profeet vergeven en den Mohajerin en Ansars, die hem in de ure des gevaars volgden, toen de harten van een groot deel hunner zoo nabij het afdwalen waren; daarna wendde hij zich tot hen; want hij was meÍdoogend en genadig omtrent hen. 119. Ook is hij verzoend met de drie die achter bleven [800], zoodat de aarde, hoe ruim zij ook is, te beperkt voor hen werd, en hunne lichamen te klein werden voor hunne zielen, en zij kwamen tot de overtuiging, dat er tegen God geen schuilplaats was, tenzij men zijne toevlucht tot hem nam. Hij wendde zich daarop tot hen, opdat zij berouw mochten gevoelen; want God is vergevingsgezind en genadig. 120. O ware geloovigen! vreest God en weest met de oprechten. 121. Er bestond geene reden waarom de bewoners van Medina en de Arabieren van de woestijn, die rondom hen wonen, achter Gods gezant zouden blijven staan, of zich boven hem zouden verheffen. Dit is onredelijk, daar zij niet door dorst of vermoeienis of honger werden geteisterd, bij de verdediging van Gods waren godsdienst; naardien zij geen stap deden die de ongeloovigen kon vertoornen; naardien zij van de zijde van den vijand niets ondervonden, wat hun niet voor eene goede daad werd aangerekend; want God duldt niet dat de belooning der rechtvaardigen verloren ga. 122. En zij dragen geene som bij, hetzij klein of groot; zij trekken geen stroom door, of het wordt voor hen opgeteekend; opdat God hen met eene belooning beschenke, die datgene zal overtreffen, wat zij gedaan hebben. 123. De geloovigen zijn niet verplicht allen te gelijk ten strijde te trekken. Indien een deel van iederen stam niet vertrekt, geschiedt dit om zich met ijver in hunnen godsdienst te onderrichten [801], en om hun volk te vermanen, indien zij terugkeeren, opdat het volk op zijne goede zij. 124. O ware geloovigen! voert oorlog tegen de ongeloovigen die u nabij zijn [802] en laten zij u gestreng vinden, en weet dat God met degenen is die hem vreezen. 125. Als eene Soera wordt nedergezonden, zijn er sommigen van hen die zeggen: kan dit uw geloof vermeerderen? Zij zal het geloof vermeerderen van hen die gelooven, en zij zullen zich verblijden. 126. Maar bij hen, wier harten gebrekkig zijn, zal de tegenwoordige twijfel nog vermeerderd worden, en zij zullen in hun ongeloof sterven. 127. Zien zij niet, dat zij ieder jaar eens of tweemaal worden beproefd [803]. En toch hebben zij geen berouw en overwegen niet. 128. En als eene Soera wordt nedergezonden, zien zij elkander aan, zeggende: ziet ons iemand? daarna wenden zij zich af, God zal hunne harten afwenden van de waarheid, omdat zij niet begrijpen. 129. Thans is een gezant van uw eigen volk tot u gekomen, een uitmuntend persoon; het is droevig voor hem dat gij zonden begaat; hij is vol zorg voor u, en medelijdend en genadig omtrent de geloovigen. 130. Indien zij zich afwenden, zeg: God is mijn helper; er is geen God buiten hem. Op hem vertrouw ik, en hij is de Heer van den grootschen troon.

TIENDE HOOFDSTUK.

JONAS [804].

Gegeven te Mekka.--109 verzen.

In naam van den lankmoedigen en barmhartigen God.

1. Elif. Lam. Ra. Dit zijn de teekenen van het wijze boek. 2. Was het eene vreemde zaak voor de bewoners van Mekka, dat wij onzen wil aan een hunner [805] hebben geopenbaard, zeggende: Waarschuw de menschen indien zij niet gelooven, en breng goede tijdingen aan hen die gelooven, en zeg, dat zij van hunnen Heer de belooning voor hun geloof zullen ontvangen? De ongeloovigen zeggen: Dit is duidelijke tooverij. 3. Waarlijk, uw Heer is God, die de hemelen en de aarde in zes dagen geschapen heeft, en daarop zijnen troon besteeg om de regeering over alle dingen op zich te nemen. Er is geen tusschenpersoon, dan met zijn verlof [806]. Dit is God uw Heer: dien hem dus. Wilt gij dit niet overwegen? 4. Tot hem zult gij allen terugkeeren, overeenkomstig Gods zekere belofte, want hij doet een schepsel ontstaan, en daarna doet hij het terugkeeren, opdat hij degenen die gelooven en doen wat goed is, met rechtvaardigheid zou kunnen beloonen. Wat de ongeloovigen betreft, zij zullen kokend water drinken en zullen eene gestrenge straf ondergaan, omdat zij ongeloovig waren. 5. Hij is het die de zon bevolen heeft des daags te schijnen en de maan als een licht bij nacht. Hij heeft hare standpunten bepaald, opdat gij het getal jaren zoudt kennen en de berekeningen van den tijd. God heeft dit niet zonder doel, maar met waarheid geschapen. Hij legt zijne teekens hun uit, die begrijpen. 6. En waarlijk, in de wisseling van dag en nacht, en in alles wat God in den hemel en op aarde heeft geschapen, zijn teekens voor degenen die hem vreezen. 7. Zij die niet hopen, ons op den jongsten dag te ontmoeten, en zich met het tegenwoordige leven tevreden stellen, zich daaraan met zekerheid toevertrouwen en die onverschillig zijn voor onze teekens. 8. Hunne woning zal het hellevuur zijn wegens hetgeen zij hebben bedreven. 9. Maar wat degenen betreft die gelooven en rechtvaardig handelen, hun Heer zal hen, om hun geloof, leiden; zij zullen rivieren bezitten die door lusttuinen stroomen. 10. Daar zal hun gebed zijn: Geloofd zijt gij o God! en daar zal hunne groete [807] zijn: Vrede! 11. En het einde van hun gebed zal zijn: Geloofd zij God, de Heer van alle schepselen! 12. Indien God het kwade bij de menschen wilde verhaasten, zooals hunne begeerte is om het goede te zien bespoedigen, waarlijk, dan zou hun einde spoedig gekomen zijn; maar wij laten hen, die ons niet na hunnen dood hopen te zien, zich blindelings aan hunne dwalingen overgeven. 13. Indien een mensch kwaad overkomt, bidt hij tot ons, liggende op zijne zijde, of zittende of staande [808], maar indien wij hem van zijne bedroeving verlossen, vervolgt hij zijne vroegere levenswijze, alsof hij ons niet had aangeroepen om hem tegen het kwaad te verdedigen, dat hem was overkomen. Zoo werd dus, wat de zondaren bedreven, hun voorbereid. 14. Wij hebben vroeger de geslachten vernietigd die vÛÛr u bestonden, o bewoners van Mekka! toen gij onrechtvaardig hadt gehandeld, en onze gezanten tot hen waren gekomen met duidelijke wonderen, en zij niet wilden gelooven. Zoo vergelden wij de schuldigen. 15. Daarna deden wij u hen op aarde opvolgen, opdat wij zouden zien, hoe gij wildet handelen. 16. Indien onze duidelijke teekens hun worden medegedeeld, zeggen degenen, die niet hopen, ons bij de opstanding te zien: Breng een Koran die van dezen verschilt, of breng er eenige verandering in. Antwoord: Het is niet voegzaam voor mij, dat ik dien naar mijn welgevallen zou veranderen: Ik volg alleen datgene wat mij werd geopenbaard. Waarlijk, ik vrees de straf van den grooten dag, indien ik mijn Heer ongehoorzaam zou zijn. 17. Zeg: Indien het Gode had behaagd, zou ik ze (de verzen) u niet voorlezen en nimmer zou ik u die hebben doen kennen. Ik heb reeds tot den ouderdom van veertig jaren [809] onder u gewoond, alvorens ik die ontving. Zult gij het dan niet begrijpen? 18. En wie is onrechtvaardiger dan hij die eene leugen tegen God uitdenkt, of zijne teekens van valschheid beschuldigt? Waarlijk, de boozen zullen geen voorspoed genieten. 19. Zij aanbidden naast God datgene, wat hun schaden noch bevoordeelen kan, en zij zeggen: Dit zijn onze tusschenpersonen bij God. Antwoord: Zoudt gij God iets in den hemel of op de aarde kunnen doen kennen wat hij niet kent? [810]. Geloofd zij hij! en het zij verre van hem [811], wat gij met hem vereenigt! 20. De menschen beleden vroeger slechts ÈÈnen godsdienst [812], doch zij werden daarna verdeeld, en indien Gods woord, waardoor hunne straf werd uitgesteld, niet vooraf geopenbaard ware geworden, zou het onderwerp hunner geschillen thans beslist zijn. 21. Zij zeggen dat, zoolang hun geen teeken van hunnen Heer wordt nedergezonden, zij niet zullen gelooven. Antwoord: Waarlijk, het verborgene is alleen aan God bekend; wacht dus, en ik zal met u wachten. 22. En toen wij de bewoners van Mekka onze genade deden proeven, nadat zij door ongelukken waren overvallen, onthoudt het, dachten zij eene list tegen onze teekens uit. Zeg hun: God is behendiger in het uitvoeren eener list dan gij. Waarlijk, onze gezanten schrijven op wat gij bedriegelijk uitdenkt. 23. Hij is het, die u op de vaste aarde en op de zee geleidt: als gij u in schepen bevindt en daar mede zeilt door een gunstigen wind, verheugt gij u daarin. En als hen een ongunstige wind overvalt en de golven van alle zijden op hen aankomen, en zij zich door onvermijdelijke gevaren bedreigd zien, roepen zij God aan met een oprecht geloof, zeggende: Waarlijk, indien gij ons van dit gevaar bevrijdt, zullen wij dankbaar zijn. 24. Maar toen hij hen had bevrijd, onthoudt het, gedroegen zij zich boos op aarde, zonder rechtvaardigheid. O menschen! waarlijk, het geweld dat gij uwe eigene zielen aandoet, is alleen voor het vermaak van dit leven; daarna zult gij tot ons terugkeeren en wij zullen u verklaren wat gij hebt gedaan. 25. Waarlijk, de gelijkenis van het tegenwoordige leven is niet anders dan water, dat wij van den hemel nederzenden, en waarmede de voortbrengselen der aarde zijn vermengd, waarvan de menschen eten en het vee, tot de aarde, na het opslorpen er van, haar kleed ontvangt en met verschillende planten wordt bedekt. Hare bewoners verbeelden zich, dat zij er de macht over hebben; maar ons bevel komt des nachts of bij dag, en dadelijk is het met den oogst, alsof er den vorigen dag nog niets ware geweest. Zoo leggen wij onze teekens uit, voor hen die overwegen. 26. God noodigt u tot de woning des vredes [813] en leidt op den rechten weg wien het hem behaagt. 27. Zij, die goed handelen, zullen de uitmuntendste belooning ontvangen, en een overvloedig toevoegsel [814]. Noch zwartheid noch schaamte zal hun aangezicht bedekken. Zij zullen het paradijs bewonen en daarin voor eeuwig verblijven. 28. Maar zij die kwaad bedrijven, zullen de vergelding des kwaads ontvangen, daaraan gelijk, en zij zullen met schaamte bedekt worden (want zij zullen geen beschermer tegen God hebben, alsof hunne aangezichten met de diepe duisternis des nachts bedekt waren. Dezen zullen het hellevuur bewonen; eeuwig zullen zij daarin blijven. 29. Op den dag der opstanding zullen wij hen allen verzamelen; daarna zullen wij tot de afgodendienaars zeggen: Gaat naar uwe plaats, gij en uwe gezellen [815], en wij zullen hen van elkander scheiden en hunne gezellen zullen tot hen zeggen: Gij hebt ons niet aangebeden [816]. 30. En God is een toereikend getuige op uwe aanbidding van ons. 31. Daar zal iedere ziel ondervinden naar hetgeen zij heeft bedreven, en zij zullen voor God gebracht worden, haren waren Heer: en de valsche godheden, die zij in ijdelheid uitdachten, zullen voor hen verdwijnen. 32. Zeg: Wie voorziet u van voedsel uit den hemel en van de aarde? of wie heeft de volstrekte macht over het gehoor en het gezicht? en wie brengt het leven uit den dood voort? en wie regeert alle dingen? Zij zullen zekerlijk antwoorden: God! Zeg: Wilt gij hem dus niet vreezen? 33. Dit is dus God, uw ware Heer, en wat blijft er anders, buiten de waarheid, over dan dwaling? Hoe zijt gij dus van de waarheid afgewend? 34. Zoo heeft zich dit woord van God bij de boozen bewaarheid, dat zij nimmer zullen gelooven. 35. Zeg: Is er een van uwe gezellen, die een schepsel voortbrengt en het daarna tot het niet doet terugkeeren? Zeg: God brengt een schepsel voort en doet het daarna tot het niet terugkeeren. Hoe hebt gij u dus van zijn geloof afgewend? 36. Zeg: Is er een van uwe gezellen die tot de waarheid leidt? Zeg: God geleidt tot de waarheid. Is dus niet hij meer waardig gevolgd te worden, die tot de waarheid geleidt, dan hij die niet geleidt, tenzij hij zelf geleid worde? Wat is dus de oorzaak dat gij zoo oordeelt? 37. En het grootste gedeelte hunner volgt slechts eene onzekere meening; maar eene meening vervangt de waarheid geenszins. Waarlijk, God weet wat zij doen. 38. De Koran zou door niemand hebben kunnen samengesteld worden, behalve door God; het is eene bevestiging van hetgeen te voren werd geopenbaard, en eene uitlegging der schrift: daaraan is geen twijfel: hij werd door den Heer van alle schepselen nedergezonden 39. Zeggen zij: Mahomet is het, die hem heeft uitgedacht? Antwoord: Brengt dan een hoofdstuk voort dat daaraan gelijk is, en roept wien gij wilt ter uwer ondersteuning aan naast God, indien gij waarheid spreekt. 40. Maar zij hebben, datgene van valscheid beschuldigd, waarvan zij geen begrip hebben; hoewel de verklaring daarvan tot hen gekomen zij. Evenzoo deden zij, die vÛÛr hen bestonden en hunne profeten van bedrog beschuldigden: maar onthoudt wat het einde der onrechtvaardigen was! 41. Er zijn sommigen van hen, die daaraan gelooven, en er zijn sommigen van hen, die niet daaraan gelooven [817] en hun Heer kent de boosdoeners wel. 42. Indien zij u van bedrog beschuldigen, zeg: Ik heb mijn werk en gij hebt uw werk: gij zult onschuldig zijn aan hetgeen ik doe en ik zal onschuldig zijn aan hetgeen gij doet. 43. Er zijn sommigen van hen die naar u luisteren; maar wilt gij de dooven hoorend maken, als zij niets verstaan? 44. En er zijn sommigen van hen die naar u zien; maar wilt gij de blinden leiden, als zij niet zien. 45. Waarlijk, God wil met niemand in eenig opzicht onrechtvaardig handelen; maar de menschen handelen onrechtvaardig met hunne eigene zielen [818]. 46. Op zekeren dag zal hij hen allen verzamelen, als waren zij niet langer gebleven [819] dan ÈÈn uur van een dag; zij zullen elkander kennen. Dan zullen zij vergaan, die de ontmoeting met God hebben geloochend, en niet op den rechten weg werden geleid. 47. Hetzij wij u een gedeelte der straf doen zien, waarmede wij hen hebben gestraft, of wij u voor dien tijd doen sterven. Tot ons zullen zij terugkeeren; daarna zal God getuige zijn van hetgeen zij doen. 48. Aan ieder volk werd een profeet gezonden, en toen hun profeet kwam, werd het geschil tusschen hen met eerlijkheid beslist, en zij werden niet onrechtvaardig behandeld. 49. De ongeloovigen zeggen: Wanneer zullen deze bedreigingen vervuld worden, indien gij waarheid spreekt? 50. Antwoord: Ik ben noch in staat om mij zelven voordeel te verschaffen, noch om ongeluk van mij af te wenden, dan wanneer het Gode behaagt. Voor ieder volk is een bepaald tijdstip vastgesteld; indien dus hun tijd is verloopen, zullen zij zelf geen uur uitstel erlangen; maar ook hunne straf zal nimmer vervroegd worden. 51. Zeg: Verhaal mij, indien u Gods straf bij nacht of bij dag overvalt, welk gedeelte daarvan zullen de goddeloozen wenschen verhaast te zien [820]? 52. Als zij op u nederkomt, zult gij er dan aan gelooven? Ja, dan zult gij er aan gelooven. Maar gij zult uitstel wenschen, als vroeger het verhaasten. 53. Dan zal tot de goddeloozen gezegd worden: Onderga de straf der eeuwigheid; zoudt gij anders willen ontvangen dan de vergelding voor hetgeen gij hebt bedreven? 54. Zij zullen van u begeeren te weten, of dit inderdaad waar is: Antwoord: Bij mijn Heer! het is zekerlijk waar: nimmer zult gij Gods macht verzwakken, noch die ontkomen. 55. Waarlijk, indien iedere ziel die slecht gehandeld heeft, alles zou hebben, wat op aarde is, zou deze zich daarmede gewillig op den laatsten dag willen loskoopen. Zij zullen hun berouw verbergen [821], nadat zij de straf zullen hebben gezien, en het geschil tusschen hen zal met eerlijkheid worden beslist en zij zullen niet onrechtvaardig behandeld worden. 56. Behoort niet alles wat in den hemel en wat op aarde is aan God? Is Gods belofte geene waarheid? Maar het grootste deel hunner weet het niet. 57. Hij geeft leven en hij doet sterven, en tot hem zult gij allen terugkeeren. 58. O menschen! thans is eene waarschuwinge van uwen Heer tot u gekomen en een geneesmiddel voor den twijfel, die in uwe borst bestaat, en eene leiding en genade voor de ware geloovigen 59. Zeg: Door de genade van God en zijne barmhartigheid; dat zij er zich dus in verheugen; dit zal hun voordeeliger zijn dan de wereldsche rijkdommen, welke zij bijeenverg‚ren. 60. Zeg: verhaal mij van datgene wat God u tot voedsel heeft nedergezonden, hebt gij een deel geoorloofd en een ander deel ongeoorloofd verklaard [822]? Zeg: Heeft God u geoorloofd, dit onderscheid te maken, of denkt gij eene leugen tegen God uit? 61. Maar wat zal op den dag der opstanding de meening van hen zijn, die een leugen tegen God uitdenken? Waarlijk, God heeft eene onmetelijke goedheid omtrent de menschen; maar het grootste gedeelte hunner zijn niet dankbaar. 62. Gij zult u in geenerhande omstandigheid bevinden; gij zult geen enkel woord in den Koran lezen, noch zult gij iets doen, of wij zullen uwe getuigen zijn, als gij daardoor wordt bezig gehouden. Zelfs het gewicht van een atoom [823] is, noch in den hemel, noch op de aarde, voor uwen Heer verborgen. Er is geen enkel ding lichter of zwaarder dan dit, hetwelk niet in het duidelijke boek werd opgeschreven. 63. Zijn Gods vrienden niet de personen die door geen vrees zullen worden aangedaan en die niet bedroefd zullen worden? 64. Zij, die in God gelooven en vreezen, zullen goede tijdingen in dit leven en in het volgende ontvangen. 65. Er is geene verandering in Gods woorden. Dit zal eene groote gelukzaligheid zijn. 66. Laat hunne gesprekken [824] u niet bedroeven. Alle glorie behoort aan God; hij hoort en ziet alles. 67. Is niet alles wat in den hemel en op aarde woont aan God onderworpen? Waarom volgt gij dus degenen die afgoden naast God aanroepen? Zij volgen slechts eene ijdele meening en bedenken niets dan leugens. 68. Hij is het, die den nacht voor u heeft bevolen, opdat gij daarin rust zoudt nemen, en den helderen dag voor den arbeid; waarlijk, daarin zijn teekens voor hen, die luisteren. 69. Zij zeggen: God heeft een zoon. Verre zij dit van hem. Hij is zich zelven toereikende. Hem behoort alles wat in den hemel en op aarde is. Hebt gij machtiging om aldus te spreken? Zegt gij van God wat gij niet weet? 70. Zeg: Waarlijk, zij die een leugen tegen God uitdenken, zullen geen voorspoed hebben. 71. Zij mogen tijdelijk in deze wereld genieten, maar daarna zullen zij tot ons terugkeeren, en dan zullen wij hun eene gestrenge straf doen ondervinden, daar zij ongeloovigen waren. 72. Herlees hun de geschiedenis van Noach [825], toen hij tot zijn volk zeide: O mijn volk! indien mijn verblijf onder u en mijne herinnering van Gods teekenen u bedroeven, stel ik in God mijn vertrouwen. Smeedt dus uw plan tegen mij en verzamelt uwe valsche goden, maar verbergt uw voornemen niet in het duister. Komt dus tegen mij op en draalt niet. 73. En indien gij u afwendt van mijne vermaningen, vraag ik daarvoor geene belooning van u [826]. Ik verwacht mijne belooning van God alleen, en mij is bevolen mijn vertrouwen in hem te stellen. 74. Maar zij beschuldigden hem van bedrog, zoodat wij hem bevrijdden en degenen die met hem in de arke waren, en wij deden hen den zondvloed overleven, doch wij deden hÈn verdrinken, die onze teekens van valschheid beschuldigden. Onthoud dus hoe het uiteinde was van hen, die door Noach gewaarschuwd werden. 75. Wij zonden na hem gezanten tot de verschillende volkeren [827] en deze kwamen tot hen met duidelijke teekenen, doch zij waren niet geneigd te gelooven in datgene, wat zij te voren als valsch hadden verworpen. Zoo verzegelen wij de harten der zondaren. 76. Na hem zonden wij Mozes en A‰ron tot Pharao en zijne vorsten met onze teekens [828], doch zij gedroegen zich trotsch en waren zondig. 77. En toen de waarheid van ons tot hen kwam, zeiden zij: Waarlijk, dit is duidelijke tooverij. 78. Mozes zeide tot hen: Spreekt gij aldus van de waarheid, nadat die tot u is gekomen? Is dit tooverij? Maar de toovenaars zullen geen voorspoed genieten. 79. Zij zeiden: Zijt gij tot ons gekomen om ons af te leiden van den godsdienst, welken wij onze vaderen zagen beoefenen, opdat gij beiden het bevel over het land zoudt kunnen voeren? Maar wij gelooven u niet. 80. En Pharao zeide: Breng alle kundige toovenaars tot mij. En toen de toovenaars waren gekomen, zeide Mozes tot hen: Werpt wat gij te werpen hebt. 81. En toen zij hunne staven en koorden hadden nedergeworpen, zeide Mozes tot hen: De tooverij die gij hebt gedaan, zal God zekerlijk ijdel maken; want God doet de daden der boozen niet gelukken. 82. En God wil de waarheid zijner woorden bevestigen, niettegenstaande den tegenzin der zondaren. 83. En niemand geloofde in Mozes, behalve een geslacht van zijn volk [829], uit vrees voor Pharao en zijne vorsten, opdat die hen niet zouden onderdrukken. En Pharao was machtig op de aarde, en was zekerlijk een der zondaren. 84. En Mozes zeide: O mijn volk! indien gij aan God gelooft, stel dan uw vertrouwen in hem, indien gij aan zijn wil onderworpen zijt. 85. Zij antwoordden: Wij stellen ons vertrouwen in God: o Heer! duld niet dat wij door onrechtvaardigen lijden. 86. Maar bevrijd ons door uwe genade van de ongeloovigen. 87. En wij spraken door ingeving tot Mozes en zijn broeder, zeggende: Maakt woningen voor uw volk in Egypte gereed; vormt uw huizen tot eene plaats van aanbidding [830], weest volhardend in het gebed en brengt den waren geloovigen goede tijdingen. 88. En Mozes zeide: O Heer! waarlijk, gij hebt Pharao en zijn volk schitterende versierselen en rijkdommen in dit leven geschonken, o Heer! opdat zij van uwen weg mochten worden afgeleid. O Heer! vernietig hunne rijkdommen en verhard hunne harten, opdat zij niet gelooven, voordat zij uwe gestrenge straf hebben gezien. 89. God zeide: Ulieder gebed is verhoord [831]; wees dus oprecht [832] en volg den weg der onwetenden niet. 90. En wij deden de kinderen IsraÎls door de zee trekken, en Pharao en zijn leger vervolgden hen op eene hevige en vijandige wijze, tot hij op het punt was te verdrinken, en toen zeide: Ik geloof dat er geen God is buiten hem, in wien de kinderen IsraÎls gelooven en ik ben een der onderworpenen [833]. 91. Thans gelooft gij, nadat gij te voren oproerig en een der snoodaards waart? 92. Heden zullen wij uw lichaam [834] van den bodem der zee doen oprijzen, opdat gij een teeken moogt zijn voor hen die na u zullen wezen; en waarlijk, een groot aantal menschen zijn onachtzaam omtrent onze teekens. 93. En wij bereidden voor de kinderen IsraÎls eene uitmuntende woning in het land Kana‰n, en wij brachten goede dingen voor hun onderhoud voort en zij twistten niet nopens den godsdienst, dan nadat de kennis tot hen was gekomen. Waarlijk, hun Heer zal op den dag der opstanding nopens datgene tusschen hen richten, waaromtrent zij verschillen. 94. Indien gij in twijfel verkeert nopens eenig gedeelte van datgene, wat wij u hebben nedergezonden [835], vraag dan hun, die het boek der wet vÛÛr u hebben gelezen. Thans is de waarheid van uwen Heer tot u gekomen; wees dus niet een van hen die twijfelen. 95. Wees nimmer een van degenen die Gods teekenen van valschheid beschuldigen, opdat gij niet tot de verworpenen moogt behooren. 96. Waarlijk zij, tegen wie dat woord van uwen Heer werd uitgesproken, zullen niet gelooven. 97. Zelfs al werden hun alle wonderen getoond, dan nadat zij de gestrenge, voor hen toebereide straf zullen gezien hebben. 98. En indien dit niet zoo ware, zou menige stad, van de vele die verwoest werden, geloofd hebben, en het geloof harer inwoners zou hun ten voordeele hebben gestrekt; maar niemand van hen geloofde, vÛÛr de uitvoering van hun doemvonnis, uitgenomen het volk van Jonas [836]. Toen zij geloofden bevrijdden wij hen van de straf der schande in deze wereld en lieten hun, voor zekeren tijd, hun leven en hunne bezittingen genieten [837]. 99. Maar indien het uw Heer had behaagd, zouden allen die op aarde zijn, algemeen geloofd hebben. Wilt gij dus de menschen met kracht noodzaken, ware geloovigen te zijn? 100. Geene ziel kan gelooven dan met Gods verlof, en hij zal zijne verontwaardiging uitstorten over hen die niet gelooven. 101. Zeg: Beschouw alles wat in den hemel en op aarde is. Maar teekens noch predikers zijn van eenig nut voor degenen die niet willen gelooven. 102. Verwachten zij dus een ander dan een verschrikkelijk oordeel, dat over degenen geveld werd, die u voorafgingen? Zeg: Wacht en ik zal met u wachten. 103. Dan zullen wij onze gezanten bevrijden en hen die gelooven. Dit is eene rechtvaardigheid welke wij verschuldigd zijn, dat wij de ware geloovigen bevrijden. 104. Zeg: O bewoners van Mekka! indien gij in twijfel verkeert nopens mijnen godsdienst, waarlijk, ik verklaar u, dat ik de afgoden niet aanbid, die gij naast God aanbidt; maar ik aanbid God, die u zal doen sterven; en het is mij bevolen, een der ware geloovigen te zijn. 105. En het werd mij gezegd: Wend uw aangezicht naar den waren godsdienst en wees vroom en nimmer een van degenen, die anderen naast God plaatsen. 106. Roep nimmer naast God aan, datgene wat u bevoordeelen noch deren kan, want indien gij het doet, zult gij zekerlijk tot de onrechtvaardigen behooren. 107. Indien God u door een ongeval bedroeft, is er niemand die het van u kan afnemen behalve hij; en indien hij u iets goeds toekent, is er niemand die zijne goedheid kan beletten. Hij kent het toe aan degenen zijner dienaren die hem behagen; en hij is genadig en barmhartig. 108. Zeg: O menschen! thans is de waarheid van uwen Heer tot u gekomen. Hij dus, die geleid zal worden, zal ten voordeele zijner eigene ziel worden geleid: maar hij die dwaalt zal slechts ten nadeele zijner ziel dwalen. Ik ben uw bewaker niet. 109. O profeet! volg wat u werd geopenbaard, en volhard met geduld, tot God zal richten; want hij is de beste rechter.

ELFDE HOOFDSTUK.

HOED [838].

Geopenbaard te Mekka.--123 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Al R. Dit boek waarvan de verzen voor verdraaiing behoed en duidelijk zijn verklaard, is eene openbaring van den wijzen en al wetenden God. 2. Opdat gij geen anderen God zoudt dienen (waarlijk, ik ben een aanwijzer van bedreigingen, doch ik breng u goede tijdingen van hem). 3. En dat gij vergiffenis van uwen Heer zoudt vragen en daarna tot hem gewend worden. Hij zal u van een goed deel doen genieten, tot een vooraf bepaalden tijd, en aan iedereen die dit door goede daden heeft verdiend, zal hij zijne overvloedige belooning schenken. Maar indien gij u afwendt, waarlijk, dan vrees ik voor u de straf van den grooten dag. 4. Tot God zult gij terugkeeren, en hij is almachtig. 5. Leggen zij geene plooien in hunne harten [839], ten einde hunne voornemens voor hem te verbergen. 6. Als zij zich zelven met hunne kleederen bedekken, kent hij dan niet wat zij verbergen en wat zij laten zien? 7. Want hij kent de binnenste deelen van de harten der menschen [840]. 8. Er is geen schepsel dat op aarde kruipt, of God voorziet het van voedsel, en hij kent zijne woning en de plaats waar het zich verbergt. Het geheel is geschreven in het duidelijke boek van zijne besluiten. 9. Hij is het, die de hemelen en de aarde in zes dagen heeft geschapen (maar vÛÛr die werden geschapen was zijn troon boven de wateren), ten einde u bewijzen te leveren, en te zien wie van u in goede daden wilde uitmunten. 10. Indien gij zegt, dat gij na den dood zekerlijk zult worden opgewekt, zullen de ongeloovigen zeggen: Dit is slechts duidelijke tooverij. 11. En waarlijk, indien wij hunne straf tot een bepaalden tijd verschuiven, zullen zij zeggen: Wat belet, dat dit reeds nu geschiede? Zal zij dan niet over hen komen op een dag, waarop niemand aanwezig zal zijn om die van hen af te wenden, en zal datgene wat zij hebben bespot, hen niet omstrikken? 12. Waarlijk, indien wij den mensch van onze genade doen proeven, en daarna van hem aftrekken, zal hij zeker wanhopig [841] en ondankbaar worden. 13. En indien wij hem onze gunst doen ondervinden, nadat hem een ongeval is overkomen, zal hij zekerlijk zeggen: De ongevallen die mij zijn overkomen, zijn van mij afgewend, en hij zal vroolijk en trotsch worden. 14. Uitgenomen zij die met geduld volharden, en doen wat goed is; zij zullen vergiffenis krijgen en eene groote belooning ontvangen. 15. Wellicht zult gij vergeten, een deel te openbaren van datgene, wat u werd geopenbaard, en zal uw hart angstig worden, tot zij zeggen; Zoolang hem geen schat wordt nedergezonden, of een engel met hem komt, om hem tot getuige te verstrekken, zullen wij niet gelooven. Waarlijk, gij alleen zijt een aankondiger, en God is de beheerscher van alle dingen. 16. Zullen zij zeggen: Hij heeft den Koran uitgedacht? Antwoord: Brengt dan tien [842] hoofdstukken voort, door u zelven uitgedacht gelijk aan dit; en roept aan wien gij wilt om u te helpen, behalve God, indien gij de waarheid spreekt. 17. Maar indien zij, die gij tot uwe hulp roept, u niet hooren, weet dan, dat dit boek slechts door Gods kennis is geopenbaard, en dat er geen God buiten hem is. Wilt gij dus Moslems worden? 18. Zij die het tegenwoordige leven met zijne uiterlijke pracht kiezen, hun zullen wij de belooning hunner werken in dit leven schenken, en deze zal voor hen niet worden verminderd. 19. Zij zijn het, voor wie geene andere vergelding in het volgende leven is bestemd, behalve het hellevuur. Wat zij in dit leven hebben gedaan zal verloren gaan, en datgene wat zij hebben verricht, zal ijdel zijn. 20. Zal hij dus vergeleken worden met hem, die de duidelijke verklaring van zijn heer volgt en wien eene getuigenis van hem [843] wacht, voorafgegaan door het boek van Mozes [844], dat als een leiddraad werd geopenbaard en uit genade voor het menschelijk geslacht? Deze gelooven in den Koran; maar wie der verbonden ongeloovigen daarin niet gelooft, wordt met het hellevuur bedreigd, en die bedreiging zal zeker worden verwezenlijkt. Voed dus geen twijfel daaromtrent; want het is de waarheid van uwen Heer; maar het grootste deel der menschen zal niet gelooven. 21. Wie is onrechtvaardiger dan hij, die eene leugen tegen God uitdenkt? Zij zullen op den dag der opstanding voor den Heer worden geplaatst, en de getuigen [845] zullen zeggen: Zij zijn het, die leugens tegen hunnen Heer uitdenken. Zal Gods vloek niet komen over de onrechtvaardigen? 22. Die de menschen afleiden van Gods weg en dien krom trachten te maken, en niet in het volgende leven gelooven? Zij waren niet in staat om op aarde Gods macht tegen te gaan, noch om zijne straf te ontduiken; nimmer hadden zij eenigen schuts buiten God: hunne straf zal verdubbeld worden [846]. Zij kunnen hooren noch zien. 23. Zij zijn het, die hunne zielen in het verderf hebben gestort, en de afgoden die zij valschelijk uitdachten, hebben hen verlaten. 24. Er is geen twijfel aan, dat zij de ellendigsten in het volgende leven zullen zijn. 25. Maar zij die gelooven en goede daden verrichten, en zich voor hunnen Heer verootmoedigen, zullen het paradijs bewonen; eeuwig zullen zij daarin verblijven. 26. De overeenkomst der beide gedeelten [847] is als de blinde en de doove, en als hij die ziet en hoort. Zouden zij als gelijken beschouwd worden? Zoudt gij dus niet nadenken? 27. Wij zonden vroeger Noach [848] tot zijn volk, en hij zeide: Waarlijk, ik ben belast, u duidelijk te onderrichten. 28. Opdat gij God alleen zoudt aanbidden. Waarlijk, ik ducht voor u de straf van een vreeselijken dag. 29. En de opperhoofden van het volk, die niet geloofden, antwoordden: Wij zien, dat gij slechts een mensch zijt gelijk aan ons en wij zien niet dat u iemand volgt, behalve zij, die de laagsten van ons zijn; die in u hebben geloofd door een overhaast oordeel [849]. Wij bespeuren geene verdienste in u boven ons; maar wij houden het er voor, dat gij alle leugenaars zijt. 30. Noach zeide: O mijn volk: zeg mij: Indien ik eene duidelijke verklaring van mijnen Heer heb ontvangen en hij mij zijne genade heeft geschonken, en deze voor u verborgen is, willen wij u die dan opdringen, terwijl gij er afkeerig van zijt? 31. O mijn volk! ik vraag geene rijkdommen van u, voor het onderricht dat ik u heb gegeven; mijne belooning komt alleen van God. Ik wil degenen niet verdrijven die geloofd hebben [850]; waarlijk, zij zullen voor hunnen Heer verschijnen op den dag der opstanding; maar ik zie dat gij onwetenden zijt. 32. O mijn volk! wie zal mij tegen God bijstaan, indien ik hen verdrijf? Wilt gij dus niet overwegen? 33. Ik zeg u niet: De schatten van God zijn in mijne macht, noch zeg ik: Ik ken Gods geheimen, noch zeg ik: Waarlijk ik ben een engel [851]; noch zeg ik van degenen op welke gij verachtende blikken slaat: God zal hun op geenerlei wijze goed doen (God weet het beste wat in hunne zielen is); want dan zou ik zekerlijk een onrechtvaardige zijn. 34. Zij antwoorden: O Noach! gij hebt reeds met ons getwist, en hebt de twisten tusschen ons vermenigvuldigd; daarom breng thans de straf over ons, waarmede gij ons hebt bedreigd, indien gij waarheid spreekt. 35. Noach zeide: Waarlijk, God alleen zal die over u brengen, indien het hem behaagt, en gij zult die niet kunnen verhoeden, noch ontgaan. 36. Indien het Gode behaagt u in dwaling te leiden, zal mijn raad nimmer u tot voordeel kunnen strekken, hoewel ik tracht u ten goede te raden. Hij is uw Heer, en tot hem zult gij terugkeeren. 37. Mochten de bewoners van Mekka zeggen: Mahomet heeft den Koran uitgedacht? Antwoord: Indien ik dien hebbe uitgedacht, zal de schuld op mij komen, en laat mij onschuldig zijn aan datgene, waaraan gij schuldig zijt. 38. En het werd Noach geopenbaard, zeggende: Waarlijk, niemand van uw volk zal gelooven, behalve hij die reeds heeft geloofd; wees dus niet bedroefd, om hetgeen zij doen. 39. Maar maak eene ark in onze tegenwoordigheid, overeenkomstig den vorm en de afmetingen welke wij u hebben geopenbaard; en spreek niet tot mij ten behoeve van hen, die onrechtvaardig hebben gehandeld; want zij zijn er toe gedoemd, te verdrinken. 40. En hij bouwde de ark (en zoo dikwijls eenigen van zijn volk hem voorbij gingen, bespotten zij hem [852]; maar hij zeide tot hen: Ofschoon gij ons nu bespot, zullen wij u later bespotten, gelijk gij ons bespot, gij spot, doch gij zult zekerlijk weten. 41. Wien eene straf zal worden opgelegd, die hem met schaamte zal bedekken, en op wien eene voortdurende straf zal vallen. 42. Zoo hielden zij zich bezig, tot onze straf ten uitvoer werd gebracht, en de oven water uitgoot [853]. En wij zeiden tot Noach: Breng een paar [854] van iedere diersoort en uw gezin [855] in de ark, uitgenomen hij, over wien de straf werd uitgesproken [856] en zij die gelooven [857]. Doch behalve enkelen [858] geloofden zij niet met hem. 43. En Noach zeide tot hen: scheept u in, in den naam van God; terwijl het schip vooruitgaat en terwijl het stil ligt [859]; want mijn Heer is genadig en barmhartig. 44. En de ark dreef met hen tusschen golven als bergen [860], en Noach riep zijn zoon [861] die van hem gescheiden was, zeggende: Scheep u met ons in, mijn zoon, en blijf niet bij de ongeloovigen. 45. Hij antwoordde: Ik wil op een berg gaan, die mij voor het water zal behoeden. Noach antwooordde: Heden is er geene zekerheid voor Gods besluit, uitgenomen voor hem, voor wien hij genade zal hebben. En eene golf ging tusschen hen door, en hij was een van hen die verdronken. 46. En het werd gezegd: O aarde, zwelg uwe wateren op, en gij, o hemel, houd uw regen terug! En dadelijk zakte het water, en het besluit was vervuld, en de ark bleef op den berg Al J˚di [862] en er werd gezegd: Weg met de goddeloozen! 47. En Noach riep zijn Heer aan, en zeide: O Heer! waarlijk, mijn zoon behoort tot mijn gezin, en uwe belofte is waar; want gij zijt de rechtvaardigste van hen die oordeelen. 48. God antwoordde: O Noach! waarlijk, hij behoort niet tot uw gezin; uwe tusschenkomst voor hem is geen rechtvaardig werk [863]. Vraag dus niet van mij, waarvan gij geene kennis hebt; ik waarschuw u, geen onwetende te worden. 49. Noach zeide: O Heer! ik neem mijne toevlucht tot u; onthef mij er van, u te vragen wat ik niet weet; en tot gij mij vergeeft en barmhartig voor mij zijt, zal ik tot hen behooren die verdoemd zijn. 50. Het werd tot hem gezegd: O Noach! kom uit de ark [864] met vrede van ons, en zegeningen op u en op een deel van hen, die met u zijn; maar een deel van hen [865] zullen wij van de geneugten dezer wereld doen genieten, en daarna zal hun eene gestrenge straf in het volgende leven door ons opgelegd worden. 51. Dit is eene geheime geschiedenis, die wij u openbaren; gij kendet die niet, noch uw volk voor dezen; volhard dus met geduld; want een gelukkig uiteinde is voor de godvruchtigen bewaard. 52. En tot den stam Ad zonden wij hunnen broeder Hoed [866]. Hij zeide: O, mijn volk! aanbid God! gij hebt geen God, behalve hem. Gij denkt slechts valschheid uit, door afgodsbeelden en tusschenpersonen van uw eigen maaksel op te richten. 53. O mijn volk! ik vraag u hiervoor geene belooning; mijne belooning verwacht ik slechts van hem, die mij heeft geschapen. Wilt gij dus niet begrijpen? 54. O mijn volk! vraag vergiffenis van uwen Heer en wend u tot hem; hij zal een overvloedigen regen uit den hemel op u nederzenden [867]. 55. En hij zal uwe kracht vermeerderen, door u nog verder kracht te schenken [868]; wend u dus niet af, om kwaad te bedrijven. 56. Zij antwoordden: O Hoed! gij hebt ons geen bewijs gebracht van hetgeen gij meldt: wij willen dus onze goden niet verlaten, om hetgeen gij zegt: wij gelooven u niet. 57. Wij zeggen niet anders, dan dat sommige onzer goden u met droefheid hebben getroffen [869], en hij antwoordde: Waarlijk, ik roep God tot getuige, en legt ook gij getuigenis af, dat ik onschuldig er aan ben, dat gij andere goden met God vereenigt. 58. Spant dus allen tegen mij samen en draalt niet. 59. Want ik stel mijn vertrouwen in God, mijn en uw Heer. Er is geen dier dat hij niet van voren bij zijn haarlok vasthoudt [870]. Waarlijk, mijn Heer bewandelt den rechten weg. 60. Maar indien gij u afwendt, heb ik u reeds datgene verklaard, waarmede ik tot u werd gezonden, en mijn Heer zal een ander volk in uwe plaats stellen, en gij zult hem volstrekt niet deren, want mijn Heer is de bewaker van alle dingen. 61. En toen onze straf kwam, om ten uitvoer gebracht te worden, bevrijdden wij Hoed, en zij die met hem hadden geloofd, door onze genade, en wij bevrijdden hen van eene strenge straf. 62. En deze stam van Ad verwierp met voordacht de teekens van zijnen Heer, was ongehoorzaam aan zijne gezanten, en volgde het bevel van ieder oproerig en bedorven mensch. 63. Daarvoor werden zij in deze wereld door een vloek vervolgd, en zij zullen daardoor ook op den dag der opstanding vervolgd worden, met den toeroep: Was Ad niet ongeloovig omtrent zijn Heer? Werd er niet gezegd: Weg met Ad, het volk van Hoed? 64. En tot den stam van Thamoed zonden wij hunnen broeder Saleh [871]. Hij zeide tot hen: O mijn volk! aanbid God, gij hebt geen God buiten hem. Hij is het, die u uit de aarde voortbracht en u eene woning daarop heeft geschonken. Vraag hem dus vergiffenis en wend u tot hem; want mijn Heer is nabij, en gereed te antwoorden. 65. Zij antwoordden: O Saleh! Gij waart een persoon, in wien wij voor dezen onze hoop hadden gesteld. Verbiedt gij ons datgene te aanbidden, wat door onze vaderen werd aangebeden? Maar wij verkeeren zekerlijk in twijfel nopens den godsdienst, tot welken gij ons uitnoodigt; als zijnde te recht verdacht. 66. Saleh zeide: O mijn volk! zeg mij; indien ik eene duidelijke verklaring van mijn Heer heb ontvangen, en hij mij zijne genade heeft doen genieten, wie zal mij dan ondersteunen tegen Gods wraak, indien ik hem ongehoorzaam ben? Gij zoudt slechts mijn val vergrooten. 67. En hij zeide: O mijn volk! deze wijfjes-kameel van God is een teeken voor u; laat haar vrijelijk op Gods aarde weiden en doe haar geen leed, opdat u geen snelle straf treffe. 68. Doch zij doodden haar, en Saleh zeide: Verblijd u in uwe woningen gedurende drie dagen [872], waarna gij verdelgd zult worden. Dit is eene onfeilbare voorzegging. 69. En toen ons besluit tot uitvoering komen zou, bevrijdden wij Saleh en hen die met hem geloofden, door onze barmhartigheid, van de ongenade van dien dag; want uw Heer is de sterke, de machtige God. 70. Maar een vreeselijk onweder kwam uit den hemel op degenen neder, die onrechtvaardig hadden gehandeld, en des morgens werden zij in hunne woning dood, en voorover liggende gevonden. 71. Als hadden zij er nimmer in gewoond. Thamoed geloofde niet in zijn Heer. Werd Thamoed niet ver weg verworpen? 72. Ook kwamen onze gezanten [873] later tot Abraham met goede tijdingen. Zij zeiden: Vrede zij met u. En hij antwoordde: En op u zij vrede; en hij draalde niet en bracht een gebraden kalf. 73. En toen hij zag dat hunne handen het vleesch niet aanraakten [874], mishaagde hem dit en hij voedde vrees voor hen [875], Maar zij zeiden Vrees niet; want wij zijn tot het volk van Lot gezonden. 74. En zijne vrouw Sara stond er bij en lachte, en zij beloofden haar Izaak, en na Izaak, Jacob. 75. Zij zeide: Helaas! zal ik een zoon baren, terwijl ik oud ben en deze mijn man ook in jaren gevorderd is [876]? Waarlijk, dit zou een wonder zijn. 76. De engelen antwoordden: Verwondert gij u over de uitkomst van Gods bevel? Gods genade en zijne zegeningen mogen op u zijn, en op de leden van het huisgezin [877]; want hij is aanbiddenswaardig en roemrijk. 77. En toen Abrahams vreeze was geweken, twistte hij met ons nopens het volk van Lot; want Abraham was een zacht, medelijdend en inschikkelijk mensch. 78. De engelen zeiden tot hem: O Abraham! onthoud u hiervan; want thans is het bevel van uwen Heer gekomen, om hunne straf ten uitvoer te brengen, en eene onvermijdelijke straf is gereed, om op hen neder te komen. 79. En toen onze gezanten tot Lot kwamen, was hij bezorgd om hen [878] en zijn arm was zwak voor hen [879] en hij zeide: Dit is een treurige dag. 80. En zijn volk kwam tot hem; zij vielen op hem aan, en zij waren reeds vroeger schuldig door zonde. Lot zeide tot hen: O mijn volk! deze mijne dochters mocht gij veeleer misbruiken. Vreest dus God, en beschaamt mij niet, door mijne gasten te verongelijken. Is er geen rechtschapen man onder u [880]? 81. Zij antwoordden: Gij weet dat wij uwe dochters niet noodig hebben, en gij weet wel wat wij begeeren. 82. Hij zeide: Indien ik kracht genoeg bezat, om u wederstand te bieden, of indien ik mijne toevlucht kon nemen tot een krachtigen steun, zou ik het zekerlijk doen. 83. De engelen zeiden: O Lot! waarlijk, wij zijn de gezanten van uwen Heer, zij zullen u op geenerlei wijze aanraken. Ga dus heen, met uw gezin, gedurende dezen nacht, en laat zich niemand van u omkeeren: maar wat uwe vrouw betreft [881], wat over hen zal komen zal ook haar treffen. Waarlijk, de voorzegging hunner straf zal des ochtends vervuld worden: Is de ochtend niet nabij? 84. En toen ons bevel kwam, keerden wij die steden om, en wij lieten steenen van gebakken klei [882] op haar nederregenen, den een na den ander, en zij waren door uwen Heer gemerkt [883]; en zij zijn niet ver verwijderd van hen die onrechtvaardig handelen [884]. 85. En tot Madian zonden wij hunnen broeder ShoaÔb. Hij zeide: O mijn volk! aanbid God; gij hebt geen God buiten hem; en verminder geen maat of gewicht. Waarlijk, ik zie dat gij in een gelukkigen toestand verkeert [885]; maar ik vrees voor u de straf van den dag, die de goddeloozen zal omstrikken. 86. O mijn volk! geef volle maat en juist gewicht, en verminder der menschen bezittingen niet; pleeg nimmer onrechtvaardigheid op aarde, door slecht te handelen. 87. Het minste deel, dat u zal overblijven als eene belooning van God, nadat gij rechtvaardig omtrent anderen zult hebben gehandeld, zal beter voor u zijn, dan rijkdom door bedrog verkregen, indien gij ware geloovigen zijt. 88. Ik ben geen bewaker van u. 89. Zij antwoordden: O ShoaÔb! zijn het uwe gebeden die u gelasten, ons de goden te doen verlaten, welke door onze vaderen werden aangebeden, of dat wij met onze bezittingen niet zouden doen, wat wij verkiezen [886]. Gij alleen zijt, naar het schijnt, de wijze man, en geschapen om tot leidsman te strekken. 90. Hij zeide: O mijn volk! Zeg mij, indien ik eene duidelijke verklaring van mijn Heer heb ontvangen en hij mij een schoon deel zijner gaven heeft geschonken, en ik u niet wil veroorloven wat hij heeft verboden, zoek ik dan iets anders dan uwe verbetering, met al mijne macht? Mijn steun is God alleen; in hem vertrouw ik, en tot hem wend ik mij. 91. O mijn volk! laat niet de tegenstand dien gij mij biedt, eene wraak over u brengen, gelijk aan de wraak die over het volk van Noach, of het volk van Hoed, of het volk van Saleh kwam. Het einde van het volk van Lot is niet zeer ver van u verwijderd [887]. 92. Vraag dus vergiffenis van uwen Heer, en wend u tot hem; want mijn Heer is genadig en liefderijk. 93. Zij antwoordden: O ShoaÔb! wij verstaan niet veel van hetgeen gij zegt, en wij zien dat gij een man zonder macht [888] onder ons zijt; indien het niet om uw gezin ware, zouden wij u zekerlijk hebben gesteenigd, en gij zoudt niet de overhand op ons gehad hebben. 94. ShoaÔb zeide: O mijn volk! is mijn gezin naar uw oordeel meer waardig dan God? en werpt gij hem zorgeloos achter u? Waarlijk, God begrijpt wat gij doet. 95. O mijn volk! arbeid naar uwen aard, ik zal zekerlijk naar mijnen plicht arbeiden [889]. En gij zult vernemen. 96. Wien eene straf zal worden opgelegd, die hem met schaamte zal bedekken, en wie een leugenaar is. Wacht dus het uur; want ook ik zal met u wachten. 97. Toen dus ons besluit tot uitvoering kwam, bevrijdden wij ShoaÔb en hen die met hem geloofden, door onze genade, en een vreeselijk onweder kwam neder op hen, die onrechtvaardig hadden gehandeld; en des ochtends werden zij dood in hunne huizen, en voorover liggende gevonden. 98. Als hadden zij nimmer op aarde gewoond. Werd Madian niet van de aarde verdreven, terwijl Thamoed daarvan verwijderd werd? 99. En wij zonden vroeger Mozes met onze teekens en duidelijke kracht tot Pharao en zijne vorsten [890]; maar deze volgden het bevel van Pharao, hoezeer het bevel van Pharao hen niet op den rechten weg leidde. 100. Pharao zal zijn volk voorafgaan op den dag der opstanding, en hij zal hen in de hel voeren. Een ongelukkige weg zal het zijn, waarop zij geleid zullen worden. 101. Zij werden in dit leven door een vloek gevolgd, en op den dag der opstanding zal de vergelding ellendig zijn, die hen gegeven zal worden. 102. Dit is een deel van de geschiedenis der steden, welke wij u verhalen. Van deze staan sommige, terwijl andere geheel verwoest zijn [891]. 103. En wij behandelden hen niet onrechtvaardig, maar zij handelden onrechtvaardig met hunne eigene zielen; en hunne goden die zij, naast God, aanriepen, waren hun volstrekt niet tot voordeel, toen Gods besluit op hen zou worden uitgevoerd; zij hebben hunnen val slechts verhaast. 104. En zoo was de straf, die door uwen Heer werd opgelegd, toen hij de onrechtvaardige steden strafte; want zijne straf is smartelijk en gestreng. 105. Waarlijk hierin is een teeken voor dengeen, die de straf van den laatsten dag vreest: dit zal een dag zijn, waarop alle menschen zullen verzameld worden, en dit zal een dag zijn, waarop getuigenis zal worden afgelegd. 106. Wij stellen dien niet uit, dan tot een vooraf bepaalden tijd. 107. Als die dag komt, zal geene ziel spreken om zich zelve te verontschuldigen, noch om voor een ander tusschen beide te treden, dan door Gods verlof. Van hen zal de een ellendig, een ander gelukkig zijn. 108. En zij die ellendig zullen zijn, worden in het hellevuur geworpen; daar zullen zij weenen en jammeren [892]. 109. Zij zullen daarin zoo lang verwijlen, als de hemelen en de aarde duren [893], behalve wat door den Heer, naar zijn behagen, van hunne straf zal worden afgenomen; want uw Heer doet wat hem behaagt. 110. Maar zij die gelukkig zullen zijn, worden in het paradijs toegelaten; zij zullen daarin zoo lang verblijven, als de hemelen, en de aarde voortduren, behalve wat uw Heer, naar hem behaagt, bij hunne gelukzaligheid zal voegen; eene weldadigheid, die niet gestoord zal worden. 111. Verkeer dus niet in twijfel, nopens hetgeen deze menschen aanbidden; zij aanbidden niets anders, dan hetgeen hunne vaderen vÛÛr hen aanbaden, en wij zullen hun zekerlijk hun volkomen gedeelte geven, dat volstrekt niets verminderd zal zijn. 112. Wij gaven vroeger aan Mozes het boek der wet, en daarover rezen twisten onder zijn volk, en ware niet een voorafgaand besluit van uwen Heer genomen, om gedurende dit leven geduldig nopens hen te zijn, zoo zou het verschil tusschen hen zekerlijk uitgemaakt zijn. En uw volk is ook naijverig en twijfelachtig nopens den Koran. 113. Maar aan ieder van hen, zal uw Heer de belooning voor hunne werken geven; want hij weet zeer goed wat zij doen. 114. Wees gij dus onwrikbaar, zooals u bevolen is, en laat degeen mede standvastig zijn, die met u wordt bekeerd, en zondig niet, want hij ziet wat hij doet. 115. En neig niet tot hen die onrechtvaardig handelen, opdat het hellevuur u niet bereike; want gij hebt geene beschermers behalve God; tegen hem zult gij niet geholpen worden. 116. Bid dan geregeld des ochtends en des avonds, en in het voorgedeelte van den nacht [894]; want goede werken verdrijven de snoode. Dit is eene waarschuwing voor hen, die nadenken. 117. Volhard dus met geduld; want God zal de rechtvaardigen niet vergelden, door hen te verdoemen. 118. Waren degene van de geslachten voor u, begiftigd met verstand en deugd, welke verboden goddeloos op aarde te handelen, meer dan slechts eenigen van hen, welke wij bevrijdden? Maar zij, die onrechtvaardig waren, volgden de geneugten, welke zij op deze wereld genoten [895], en waren goddeloozen [896], 119. En uw Heer was niet geneigd, de steden onrechtvaardig te verwoesten [897], welker bewoners zich oprecht gedroegen. 120. En indien het uw Heer had behaagd, zou hij alle menschen van ÈÈnen godsdienst gemaakt hebben; maar zij zullen niet ophouden onder elkander te verschillen, behalve zij, voor wie uw Heer genade zal hebben. Daartoe heeft hij hen geschapen; want het woord van uwen Heer zal vervuld worden, toen hij zeide: Waarlijk, ik zal de hel met menschen en geniussen beiden vullen. 121. Alles wat wij van de geschiedenissen der gezanten hebben verhaald, vertellen wij u, opdat daardoor uw hart moge bevestigd worden; en daardoor is de waarheid tot u gekomen en tevens eene waarschuwing en eene vermaning voor de ware geloovigen. 122. Zeg tot hen die niet gelooven: handelt overeenkomstig uwen staat, wij zullen zekerlijk volgens onzen plicht [898] handelen. Wacht het uur af, want ook wij wachten dit af. 123. Aan God is bekend wat in den hemel en op de aarde geheim is, en tot hem zal alles terugkeeren. Aanbidt hem dus en stelt uw vertrouwen in hem; want uw Heer is niet onopmerkzaam voor hetgeen gij doet.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

JOZEF [899].

Gegeven te Mekka [900]--111 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. E. L. R. Dit zijn teekens van het duidelijke boek: 2. Hetwelk wij in de Arabische taal hebben nedergezonden, opdat gij het misschien zoudt verstaan. 3. Wij verhalen u de uitmuntendste geschiedenis, door u dezen Koran [901] te openbaren, waarop gij vroeger geen acht hebt geslagen [902]. 4. Jozef zeide tot zijn vader: O mijn vader! waarlijk, ik zag in mijn droom elf sterren en de zon en de maan; ik zag hen mij gehoorzamen. 5. Toen zeide Jacob: O mijn kind! herhaal uw visioen niet aan uwe broeders, opdat zij u geene hinderlaag spreiden [903]; want de duivel is de verklaarde vijand van den mensch. 6. En zoo zal overeenkomstig uwen droom; uw Heer u kiezen, en u de vertolking der duistere gezegden [904] geven, en hij zal zijne gunst uitstorten op u en op het gezin van Jacob, zooals hij dit vroeger heeft vervuld aan uwe vaderen Abraham en Izaak; want uw Heer is alwetend en wijs. 7. Waarlijk, in de geschiedenis van Jozef en zijn broeders zijn teekens van Gods bescherming voor hen die vragen. 8. Eens zeiden de broeders van Jozef tot elkander: Jozef en diens broeder [905] zijn onzen vader dierbaarder dan wij; en toch maken wij een grooter getal uit: waarlijk onze vader verkeert in eene duidelijke dwaling [906]. 9. Doodt Jozef dus, of verdrijft hem naar een afgelegen en onbewoond gedeelte der aarde, en het aangezicht van uwen vader zal tot u gewend worden en gij zult daarna rijke menschen zijn [907]. 10. Een van hen [908] sprak en zeide: Doodt Jozef niet en laat hem tot op den bodem van den put neder; en een of ander reiziger zal hem ophalen, indien gij dit niet doet. 11. Zij zeiden tot Jacob: O vader! waarom vertrouwt gij ons Jozef niet toe, daar wij oprecht voor hem zijn en hem goeds toewenschen? 12. Zend hem morgen met ons naar het veld, opdat hij zich moge vermaken [909] en spelen; en wij zullen zijne makkers zijn. 13. Jacob antwoordde: Het grieft mij, dat gij hem medeneemt, en ik vrees dat de wolf hem verscheure [910], dewijl gij achteloos nopens hem zijt. 14. Zij zeiden: Waarlijk indien de wolf hem verslond, terwijl wij zoo velen zijn [911], zouden wij inderdaad zwak wezen [912]. 15. En toen zij hem met zich hadden genomen, en overeengekomen waren, hem tot op den bodem des puts neder te laten [913], voerden zij hun voornemen uit; en wij zonden hem eene openbaring [914] zeggende: Gij zult hun hierna deze hunne daad verklaren, en zij zullen niet bemerken, dat gij Jozef zijt. 16. En zij kwamen des avonds tot hunnen vader, weenende. 17. Zij zeiden: Vader! wij hebben ons verwijderd en hebben een wedloop gehouden [915]; wij hebben Jozef met onze reisgoederen verlaten, en de wolf heeft hem verscheurd; doch gij wilt ons niet gelooven, hoewel wij de waarheid spreken. 18. En zij vertoonden zijn onderste kleedingstuk, met ander bloed geverfd. Jacob antwoordde: gij zelf hebt dat in uw eigen belang bedreven [916]; maar geduld is het beste, en Gods hulp roep ik in, om mij in staat te stellen, het ongeluk te dragen, dat gij mij verhaalt. 19. En zekere reizigers kwamen en zonden een man [917] om water voor hen te halen; en hij liet zijn' emmer neder [918] en zeide: goed nieuws [919]! dat is een jongeling. En zij verborgen hem [920], omdat zij hem als een stuk koopwaar willen verkoopen; maar God wist wat zij deden. 20. En zij verkochten hem voor een lagen prijs: voor eenige stuivers [921] en stelden weinig waarde in hem. 21. En de Egyptenaar, die hem kocht [922], zeide tot zijn vrouw [923]. Gebruik hem met eere; misschien kan hij ons dienstig zijn; of laten wij hem als onzen zoon aannemen [924]. Zoo hebben wij de plaats van Jozef op aarde vooraf gereed gemaakt, en wij leerden hem de vertolking der duistere gezegden; want God is wel in staat zijn doel te bereiken: maar het grootste deel der menschen begrijpt het niet. 22. En toen hij zijnen ouderdom van kracht had bereikt, schonken wij hem wijsheid en kennis; want zoo beloonen wij den rechtvaardigen. 23. En zij, in wier huis hij zich bevond, begeerde dat hij zich bij haar zou leggen, en zij sloot de deuren en zeide: Kom hier. Hij antwoordde: God beware mij! Waarlijk, mijn heer [925] heeft mij gastvrijheid verleend, en de ondankbare zal geen voorspoed genieten. 24. Maar zij hield bij hem aan, en hij had dezelfde bedoeling; doch hij ontving eene duidelijke waarschuwing van zijnen Heer [926]. Zoo wendden wij het kwaad en de onreinheid van hem af, daar hij een onzer oprechte dienaren was. 25. En zij begaven zich beide naar de deur: de een om te ontvluchten, de andere om hem te weerhouden; en zij scheurde zijn kleed van achteren. En zij ontmoette haren heer bij de deur. Zij zeide: wat zal de vergelding zijn van hem, die kwaad in uw gezin tracht te bedrijven: gevangenis of eene pijnlijke straf? 26. En Jozef zeide: zij vroeg mij bij haar te liggen. En een getuige van haar gezin [927] legde getuigenis af, zeggende: Indien zijn kleed van voren gescheurd is, spreekt zij de waarheid en is hij een leugenaar. 27. Maar indien zijn kleed van achteren is gescheurd, liegt zij en spreekt hij de waarheid. 28. En toen haar man zag, dat zijn kleed van achteren gescheurd was, zeide hij: Dit is eene doortrapte boosheid; want waarlijk uwe boosheid is groot. 29. O Jozef! houd u niet meer met deze zaak bezig; en gij, o vrouw! vraag vergiffenis voor uwen misdaad; want gij zijt een schuldig mensch. 30. En zekere vrouwen zeiden in het openbaar [928] in de stad: De vrouw van den edelman heeft den knecht verzocht hij haar te liggen; hij heeft hare borst door zijne liefde ontvlamd. Wij zien dat zij op een duidelijken dwaalweg is. 31. En toen zij het gesprek over haar boos gedrag had gehoord, zond zij tot haar, en maakte een middagmaal voor haar gereed en gaf aan ieder van haar een mes, en zeide tot Jozef, onder haar te verschijnen. En toen zij hem zagen, prezen zij hem zeer. [929] Zij sneden hunne eigen handen af [930] en zeiden: O God! dit is geen sterveling; hij is een engel die den hoogsten eerbied verdient. 32. En zijne meesteren zeide: Hij is het die mij uwen blaam heeft berokkend. Ik verzocht hem met mij te liggen; maar hij weigerde aanhoudend. Maar indien hij niet volbrengt wat ik hem gebied, zal hij zekerlijk in de gevangenis worden geworpen, en zal tot de ellendigsten behooren. 33. Jozef zeide: O Heer! eene gevangenis is verkieselijker voor mij, dan de misdaad, waartoe zij mij willen verleiden, en indien gij hare kunstgrepen niet van mij afwendt, zal ik aan mijne neiging voor haar toegeven en zal ik tot de dwazen behooren. 34. Daardoor verhoorde hem zijn Heer, en wendde hare kunstgrepen van hem af: want hij hoort en ziet alles. 35. En het behaagde hun [931], zelfs nadat zij de bewijzen zijner onschuld hadden gezien, hem voor eenigen tijd gevangen te houden. 36. En twee van des konings dienaren traden met hem in de gevangenis. [932] Een van hen [933] zeide: Het scheen mij in mijn droom toe, dat ik wijn uit druiven perste. En de andere zeide: Het scheen mij in mijn droom toe, dat ik brood op mijn hoofd droeg, waarvan de vogels aten. Geef ons de uitlegging onzer droomen; want wij bemerken, dat gij een deugdzaam mensch zijt. 37. Jozef antwoordde: Er zal nog geen voedsel, om u te onderhouden, tot u komen; maar ik zal u de uitlegging daarvan geven, alvorens dit tot u kome [934]. Deze kennis is een deel van hetgeen mij door God is geleerd; want ik heb den godsdienst van hen verlaten, die niet in God gelooven en die het volgende leven loochenen. 38. Ik volg den godsdienst mijner vaderen: Abraham, Izaak en Jacob. Het is ons niet geoorloofd, iets met God te vereenigen. Deze kennis van de goddelijke eenheid is ons gegeven, door de goedheid van God omtrent ons en nopens den mensch; maar het grootste gedeelte der menschen is ondankbaar. 39. O mijne medegevangenen! zijn een aantal heeren beter, of de eenig ware en almachtige God? 40. Zij, die gij naast hem aanbidt, zijn slechts ijdele namen [935], die door u en uwe vaderen zijn uitgedacht, waarvan God geen bewijs heeft gegeven. Het oordeel behoort aan God alleen, die bevolen heeft, dat gij niemand naast hem zoudt aanbidden. Dit is de ware godsdienst; maar het grootste gedeelte der menschen weet het niet. 41. O mijne medegevangenen! waarlijk, een uwer zal zijn heer wijn toedienen, evenals vroeger, maar de andere zal gekruisigd worden en de vogels zullen van zijn hoofd komen eten. De zaak, waaromtrent gij mij ondervraagt, is onherroepelijk vastgesteld. 42. En Jozef zeide tot hem, die, naar zijn oordeel, de persoon was, welke bevrijd zou worden: Gedenk mij in tegenwoordigheid van uwen heer. Maar de duivel veroorzaakte, dat hij vergat, bij zijn heer melding van Jozef te maken [936], waardoor deze eenige jaren [937] in de gevangenis bleef. 43. En de koning van Egypte [938] zeide: waarlijk ik zag in mijn' droom zeven vette koeien, die zeven magere koeien verslonden, en zeven groene korenaren en zeven verdroogde korenaren. O edelen! legt mij mijn visioen uit, indien gij in staat zijt dit te doen. 44. Zij antwoordden: Het zijn verwarde droomen; wij zijn niet bedreven in het uitleggen van zulke droomen. 45. En Jozefs medegevangene, die bevrijd was, zeide (want hij herinnerde zich Jozef, na verloop van eenigen tijd): Ik zal u de uitlegging daarvan geven, laat mij dus tot den persoon gaan, die mij dien droom zal verklaren. 46. En hij ging naar de gevangenis en zeide: O Jozef! waarheidlievend man, geeft ons de uitlegging van zeven vette koeien, die zeven magere koeien verslonden, en van zeven groene korenaren en zeven verdroogde korenaren, welke de koning in zijn' droom zag, opdat ik kunne terugkeeren tot de personen die mij hebben gezonden, en zij dit wellicht mogen verstaan. 47. Jozef antwoordde: Gij zult zooals gewoonlijk zaaien, en het graan dat gij gemaaid zult hebben, zult gij in zijne aren laten [939], behalve eene kleine hoeveelheid, waarvan gij moogt eten. 48. Dan zullen, na deze, zeven jaren van strengen hongersnood komen, die verteren zullen, wat gij als voorraad daarvoor hebt verzameld, behalve eene kleine hoeveelheid die gij bewaard zult hebben. 49. Dan zal er een jaar komen, dat de menschen veel regen hebben [940] en de druiven uitpersen zullen. 50. En toen de opperschenker dit had overgebracht, zeide de Koning: Breng hem tot mij. En toen de boodschapper tot Jozef kwam, zeide deze: Keer tot uwen heer terug en vraag hem af, wat de bedoeling der vrouwen was, die hare handen afsneden [941]; want mijn Heer kent den valstrik wel dien zij mij spannen [942] 51. En toen de vrouwen voor den koning waren verzameld, zeide hij tot haar: Wat was uwe bedoeling [943] toen gij Jozef tot eene onwettige liefde aanspoordet? Zij antwoordden: God zij geloofd! Wij weten geen kwaad van hem. De vrouw van den edelman (Aziz) zeide: Thans is de waarheid duidelijk geworden: Ik verzocht hem bij mij te liggen, en hij is een dergenen die waarheid spreken. 52. En toen Jozef daarmede bekend was, zeide hij: Deze ontdekking heeft thans plaats gehad, opdat mijn heer wete, dat ik hem niet ongetrouw was tijdens zijne afwezigheid, en dat God den aanslag der bedriegers niet leidt. 53. Ik wil mij ook niet volstrekt rechtvaardigen [944] want iedere ziel is aan het kwaad onderworpen, uitgenomen degene voor wie mijn Heer genade heeft; want mijn Heer is genadig en barmhartig. 54. En de koning zeide: Breng hem tot mij, ik wil hem in mijnen eigenen en bijzonderen dienst nemen. En toen Jozef tot den koning was gevoerd en hij met hem gesproken had, zeide de vorst: Van heden af zijt gij vast bij ons geplaatst, en gij zult met onze zaken vertrouwd zijn [945]. 55. Jozef antwoordde: Geef mij het beheer over de voorraadplaatsen van het land; want ik zal daarvan een verstandige bewaarder zijn. 56. Zoo plaatsten wij Jozef in het land, opdat hij zich daarin eene woning zou kiezen, waar het hem mocht behagen. Wij schenken onze genade aan wien het ons behaagt, en wij laten de belooning niet verloren gaan van hen die goed handelen. 57. En waarlijk, de belooning van het volgende leven is beter voor hen die gelooven en God vreezen. 58. Vervolgens kwamen Jozefs broederen en wendden zich tot hem, en hij herkende hen, doch zij herkenden hem niet. 59. En toen hij hen van hunne levensmiddelen had voorzien, zeide hij: Breng uwen broeder tot mij, den zoon van uwen vader. Ziet gij niet dat ik de volle maat geef en dat ik mijne gasten gul ontvang? 60. Maar indien gij hem niet tot mij brengt, zal u door mij geen koren meer gemeten worden, en gij zult niet meer in mijne tegenwoordigheid komen. 61. Zij antwoordden: Wij zullen trachten hem van zijn vader te verkrijgen, en wij zullen zekerlijk volvoeren wat gij verlangt. 62. En Jozef zeide tot zijne dienaren: Leg hun geld [946], dat zij voor hun koren hebben betaald, in hunne zakken, opdat zij het bemerken als zij tot hun gezin zijn teruggekeerd; misschien komen zij tot ons terug. 63. En toen zij tot hunnen vader waren teruggekeerd, zeiden zij: O vader! het is verboden ons nog koren te meten, tenzij wij onzen broeder Benjamin mede nemen; zend dus onzen broeder met ons, en men zal ons koren afleveren; en, waarlijk, wij zullen hem voor alle ongevallen behoeden. 64. Jacob antwoordde: Zou ik hem u met beter gevolg toevertrouwen, dan ik u vroeger uwen broeder Jozef toevertrouwde? Maar God is de beste bewaker, en hij is de barmhartigste. 65. En toen zij hunne zakken openden, vonden zij dat hun geld was teruggegeven, en zij zeiden: O vader! wat verlangen wij meer? Dit ons geld is ons teruggegeven; wij zullen dus wederkeeren en koren voor onze gezinnen koopen; wij zullen voor onzen broeder zorgen, en wij zullen een kameellast meer ontvangen dan den laatsten keer. Dit is eene kleine hoeveelheid [947]. 66. Jacob zeide: ik wil hem volstrekt niet met u zenden, tenzij gij mij eene plechtige belofte aflegt en bij God zweert, dat gij hem zekerlijk tot mij zult terugbrengen, behalve wanneer zich een onoverkomelijke hinderpaal daartegen opdoet. En toen zij hem hunne plechtige belofte hadden gegeven, zeide hij: God is getuige van hetgeen wij zeggen. 67. En hij zeide: Mijne zonen treedt de stad niet allen door ÈÈne poort binnen, maar gaat door verschillende poorten binnen. Doch deze voorzorg zal u niet tot voordeel strekken tegen Gods besluit; want het oordeel behoort Gode alleen: in hem stel ik mijn vertrouwen, en laat hen, die zoeken onderworpen te zijn, dit in hem stellen. 68. En toen zij de stad binnenkwamen, zooals hun vader hun had bevolen, was het hun niet van oordeel tegen Gods besluit, en het diende alleen om de begeerte van Jacobs ziel te bevredigen, die het hun had gelast; want hij was begiftigd met de kennis, waarin wij hem hadden onderwezen; maar het grootste deel der menschen begrijpt niet. 69. En toen zij in tegenwoordigheid van Jozef kwamen, ontving hij zijnen broeder Benjamin als zijn gast en zeide: Waarlijk, ik ben uw broeder [948]; wees dus niet bedroefd om hetgeen zij tegen mij hebben bedreven. 70. En toen hij hen van hunne levensmiddelen had voorzien, legde hij zijn beker [949] in den zak van zijn broeder Benjamin. En een uitroeper riep hen achterna, zeggende: O gezelschap van reizigers! waarlijk gij zijt dieven. 71. Zij keerden zich om en zeiden: Wat vermist gij? 72. Men antwoordde hun: wij vermissen den beker van den vorst, en hij die dien terugbrengt, zal een kameellast koren ontvangen, en ik sta daarvoor borg. 73. Jozefs broeders antwoordden: Wij zweren bij God, dat gij wel weet, dat wij niet komen om snood in het land [950] te handelen, en evenzeer dat wij geene dieven zijn. 74. De Egyptenaren zeiden: Wat zal de vergelding zijn voor hem, die blijken zal den beker te hebben gestolen, indien het blijkt dat gij leugenaars zijt. 75. De broeders van Jozef antwoordden: Als eene vergelding voor hem, in wiens zak de beker zal gevonden worden, zal hij uw gijzelaar zijn: zoo vergelden wij de onrechtvaardigen, die schuldig zijn aan diefstal [951]. 76. Daarop begon hij hunne zakken te onderzoeken, alvorens hij den zak van zijn broeder onderzocht, en hij haalde den beker uit den zak van zijn broeder. Wij verschaften Jozef deze list. Hij zou zich volgens de wet van den Koning van Egypte niet van zijn broeder hebben kunnen meester maken [952], indien God het niet had veroorloofd. Wij verheffen tot den rang van kennis en eer, wie ons behaagt, en er is een die wijs is, boven allen die met kennis zijn begiftigd. 77. Zijne broeders zeiden: Indien Benjamin schuldig aan diefstal zij, is zijn broeder Jozef vroeger ook schuldig aan diefstal geweest [953]. Maar Jozef verborg deze dingen in zijn hart en ontdekte zich niet aan hen, en hij zeide bij zich zelven: Gij zijt in een meer beklagenswaardigen toestand dan wij beiden. God weet beter waarover gij spreekt. 78. Zij zeiden tot Jozef: Edele Heer! deze jongeling heeft een ouden vader, neem dus een van ons in zijne plaats; want wij zien dat gij een edelmoedig mensch zijt. 79. Jozef antwoordde: God verhoede, dat wij iemand anders zouden nemen dan hem, bij wien wij onze goederen vonden; want dan zouden wij zekerlijk onrechtvaardig zijn. 80. En toen zij wanhoopten, Benjamin terug te krijgen, verwijderden zij zich om afzonderlijk met elkander te beraadslagen. En de oudste van hen zeide [954]: Weet gij niet dat uw vader eene plechtige belofte van u heeft ontvangen, in den naam van God, en hoe bedriegelijk gij vroeger omtrent Jozef hebt gehandeld? Ik zal dus op geenerlei wijze het land Egypte verlaten, tot mijn vader mij verlof geeft, tot hem terug te keeren, of dat God mij zijnen wil bekend maakt; want hij is de beste rechter. 81. Keert tot uwen vader terug, en zegt: O vader! waarlijk, uw zoon heeft een diefstal gepleegd; wij zijn van niets meer getuigen dan van hetgeen wij weten, en wij konden niet waken tegen hetgeen wij niet voorzagen. 82. Onderzoek in de stad waarin wij zijn geweest en bij het gezelschap van kooplieden waarmede wij zijn aangekomen, en gij zult vinden dat wij de waarheid spreken. 83. En toen zij waren teruggekeerd en aldus tot hunnen vader hadden gesproken, zeide hij: Gij zelven hebt dat alles zoo ingericht; maar ik zal geduldig zijn; misschien zal God mij hen allen terug geven: want hij is de alwetende en wijze. 84. Hij wendde zich van hen af en zeide: O hoezeer ben ik door Jozef bedroefd! En zijne oogen werden door treuren wit [955] daar hij door zware droefheid overstelpt was. 85. Zijne zonen zeiden: Bij God, zult gij dan nimmer ophouden van Jozef te spreken tot gij aan de poort des doods zijt gevoerd, of tot de smart uwe dagen eindigt. 86. Hij antwoordde: ik breng mijne smart, die ik niet kan dragen, en mijne droefheid voor God, omdat ik door openbaring van God weet, wat gij niet weet [956]. 87. O mijne zonen! gaat en doet onderzoek naar Jozef en zijn broeder, en wanhoopt niet aan Gods genade want niemand wanhoopt aan Gods genade, behalve de ongeloovigen. 88. Daarom keerden de broeders van Jozef naar Egypte terug en toen zij in zijne tegenwoordigheid kwamen, zeiden zij: Edele heer, de hongersnood heerscht bij ons en ons gezin, en wij zijn met eene kleine som gelds [957] gekomen; geef ons dus volle maat, en schenk ons koren als aalmoes; want God beloont hen die aalmoezen geven. 89. Jozef zeide tot hen: Weet gij wat gij aan Jozef en zijn broeder deedt, toen gij niet wist wat de gevolgen daarvan zouden zijn [958]? 90. Zij antwoordden: Zijt gij werkelijk Jozef [959]? Hij antwoordde: Ik ben Jozef en dit is mijn broeder. Thans is God genadig nopens ons geweest. Want wie God vreest en met geduld volhardt, zal eindelijk hulp vinden; want God zal de belooning der rechtvaardigen niet laten verloren gaan. 91. Zij zeiden: Bij den naam van God, thans heeft God u boven ons gekozen en waarlijk, wij zijn zondaars geweest. 92. Jozef antwoordde: Heden zal ik u geene verwijtingen doen. God vergeeft u; want hij is de genadigste der genadigen. 93. Vertrekt met dit mijn onderkleed [960], legt het op mijns vaders aangezicht, en hij zal zijn gezicht terug krijgen; en komt dan tot mij met uw geheele gezin. 94. En toen het reisgezelschap van Egypte was vertrokken om zijne reis naar Cana‰n te aanvaarden, zeide hun vader tot hen die nabij hem waren: Waarlijk, ik bemerk den reuk van Jozef [961], hoewel gij denkt dat ik ijl. 95. Zij antwoordden: Bij den naam van God, gij verkeert in uwe oude dwaling. 96. Maar toen de boodschapper van goede tijdingen [962] met Jozefs onderkleed was gekomen, dekte hij het over zijn gelaat en hij kreeg zijn gezichtsvermogen terug. 97. En Jacob zeide: Verhaalde ik u niet, dat ik van God wist hetgeen gij niet wist? 98. Zij antwoordden: O vader! vraag vergiffenis van onze zonden voor ons; want, waarlijk, wij zijn zondaars geweest. 99. Hij hernam: Ik zal zekerlijk vergiffenis voor u van mijn Heer vragen; want hij is genadig en barmhartig. 100. En toen Jacob en zijn gezin in Egypte aankwamen en bij Jozef waren binnengeleid, ontving hij zijne ouders bij zich [963] en zeide: Gaat, door Gods gunst, in volle zekerheid Egypte binnen. 101. En hij verhief zijne ouders op een verheven zetel, en zij vielen met zijne broeders op hunne aangezichten en betoonden hem eerbied [964]. En hij zeide: O mijn vader! dit is de beteekenis van mijn visioen, dat ik vroeger zag; thans heeft mijn Heer het bewaarheid. En zekerlijk hij is mij genadig geweest, daar hij mij uit de gevangenis voerde en u hierheen heeft gebracht uit de woestijn, nadat de duivel tweedracht tusschen mij en mijne broeders had gezaaid; want mijn Heer is genadig voor dengeen die hem behaagt, en hij is de alwetende, de wijze God. 102. O Heer! gij hebt mij een deel van het koninkrijk gegeven; gij hebt mij de vertolking van duistere gezegden geleerd. Schepper van hemel en aarde! gij zijt mijn beschermer in deze en de volgende wereld. Doe mij als een Moslem sterven en vereenig mij met de rechtvaardigen [965]. 103. Dit is eene geheime geschiedenis, die wij u, o Mahomet! openbaren, hoewel gij niet tegenwoordig waart bij de broeders van Jozef, toen zij hun plan overlegden en een aanslag tegen hem smeedden. Maar het grootste deel der menschen zullen, hoewel gij het ernstig begeert, niet gelooven. 104. Gij zult van hen geene belooning vragen voor uwe mededeeling van den Koran! het is slechts eene waarschuwing aan alle schepselen. 105. En hoeveel teekens er ook in den hemel en op de aarde zijn, zoowel van het bestaan als van de eenigheid en voorzienigheid van God; zij gaan die voorbij en wenden zich af. 106. En het grootste deel hunner gelooft niet in God, zonder nog schuldig te zijn aan afgodendienarij [966]. 107. Zijn zij er dan van verzekerd, dat Gods zware kastijding hen niet zal overvallen, of dat het uur des oordeels hen niet plotseling zal bereiken, als zij de nadering niet verwachten? 108. Zeg tot de bewoners van Mekka. Dit is mijn weg. Ik noodig u door een duidelijk wonder tot God; ik en hij die mij zal volgen, zijn, God zij geloofd, geene afgodendienaars. 109. Wij zenden u geene gezanten, behalve menschen, aan welke wij onzen wil openbaren en die wij kiezen onder hen die in steden wonen [967]. Wilt gij niet de aarde rond trekken en zien wat het einde was van hen die u zijn voorafgegaan? Maar de woning van het volgende leven zal zekerlijk beter zijn voor hen die God vreezen. Wilt gij dus niet begrijpen? 110. Toen eindelijk onze gezanten wanhoopten aan het slagen hunner pogingen, en de menschen dachten, dat zij leugenaars waren, kwam onze hulp tot hen, en wij bevrijdden wie ons behaagde; maar onze wraak werd van de zondaren niet afgewend. 111. Waarlijk, in de geschiedenissen der profeten en hun volk is een leerzaam voorbeeld gelegen voor hen, die met verstand zijn begaafd. De Koran is geen nieuw uitgevonden sprookje, maar eene bevestiging der schriften die te voren zijn geopenbaard, en eene duidelijke uitlegging van iedere zaak, die zoowel met betrekking tot het geloof als tot beoefening noodig is en eene leiding en eene genade voor hen die gelooven.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

DE DONDER [968].

Gegeven te Mekka [969].--43 verzen.

In naam van den lankmoedigen en barmhartigen God.

1. A. L. M. R. [970]. Ziehier de teekens van het boek, en hetgeen u nedergezonden werd van uwen Heer is de waarheid; maar het grootste deel der menschen wil niet gelooven. 2. Het is God die den hemel zonder zichtbare pijlers heeft verheven, en toen zijn troon beklom, en de zon en de maan heeft onderworpen om hunne diensten te verrichten. Ieder der hemellichamen legt een bepaalden weg af. Hij beschikt alle dingen. Hij toont zijne teekenen duidelijk, zoodat gij verzekerd moogt zijn, dat gij uwen Heer op den jongsten dag zult zien. 3. Hij is het die de aarde heeft uitgespreid en daarop vaste bergen en rivieren geplaatst, en die van elke vrucht twee verschillende soorten heeft verordend [971]. Hij doet door den nacht den dag bedekken. Daarin liggen zekere teekenen voor hen die nadenken. 4. En op de aarde zijn stukken land van verschillenden aard [972], ofschoon aan elkander grenzende, alsmede wijngaarden, en zaden en verschillende palmboomen uit denzelfden wortel en afzonderlijk uit verschillende stammen spruitende. Zij worden door hetzelfde water besproeid, maar wij maken sommigen uitmuntender tot voedsel dan andere. Daarin liggen zekerlijk teekens voor hen die nadenken. 5. Indien gij u verwondert, dat de ongeloovigen de opstanding loochenen, dan moet gij u zekerlijk verwonderen als zij zeggen [973]: Nadat wij tot niet zijn veranderd, zullen wij dan tot een nieuw schepsel worden gevormd? 6. Zij zijn het die niet in hunnen Heer gelooven; zij zullen banden [974] om hunne halzen hebben, en deze zullen de bewoners der hel zijn; daar zullen zij eeuwig verblijven. 7. Zij zullen u vragen veeleer het kwade dan het goede te verhaasten [975]; hoewel zij reeds voorbeelden van de goddelijke wraak hebben gezien. Waarlijk, de Heer bezit inschikkelijkheid omtrent de menschen, niettegenstaande hunne boosheid; maar de Heer is ook streng in het straffen. 8. De ongeloovigen zeggen: Zoolang hem geen teeken door zijn Heer wordt neder gezonden, zullen wij niet gelooven. Gij zijt alleen gelast te verkondigen en geen bewerker van mirakelen; en tot ieder volk werd er een leider gezonden. 9. God weet wat elke vrouw in haren boezem draagt, en hoeveel de schoot nauwer of wijder wordt. Door hem wordt ieder ding geregeld, overeenkomstig eene bepaalde maat. 10. Hij weet wat geborgen en wat geopenbaard is. Hij is de groote, de verhevenste. 11. Hij van u die zijne woorden verbergt, en hij die ze in het openbaar verkondigt; ook hij die zich in den nacht tracht te verbergen en hij die zich gedurende den dag openlijk vertoont, allen zijn zij gelijk voor Gods kennis. 12. Ieder van hen heeft engelen, die elkander wederkeerig opvolgen, zoowel vÛÛr hem als achter hem geplaatst; zij waken op Gods bevel over hem. Waarlijk, God zal zijne genade, die op de menschen rust, niet veranderen, tot zij de geneigdheid hunner zielen door zonde veranderen. Als hij hen wil straffen, kan niets hem dat verhinderen; naast hem hebben zij geen beschermer. 13. Hij is het die den bliksem voor u doet verschijnen, om vrees in te boezemen en hoop op te wekken [976], en die de bezwangerde wolken vormt. 14. De donder verheft zijnen lof [977], en de engelen doen het vol vrees voor hem. Hij zendt zijne bliksemschichten en treft daarmede wien het hem behaagt, terwijl gij nopens God twist [978]; want hij is de almachtige, de wijze. 15. Hij alleen is waardig te worden aangebeden, en de afgoden, die zij naast hem aanroepen, zullen hen volstrekt niet hooren; evenmin als degeen wordt verhoord, die zijne handen naar het water uitstrekt, opdat het tot zijn mond opstijge, ofschoon het hem nimmer kunne bereiken; de smeeking der ongeloovigen is geheel verkeerd. 16. Alles wat in den hemel en op aarde is, aanbidt God vrijwillig of gedwongen [979], evenals hunne schaduwen des ochtends en des avonds zich voor hem buigen [980]. 17. Zeg: Wie is de Heer van hemel en aarde? Antwoord: God! Zeg: hebt gij daarom onder u zelven beschermers naast hem gekozen, die niet in staat zijn, hetzij te helpen, hetzij zich zelven tegen ongevallen te verdedigen? Zeg: zullen de blinde en de ziende gelijk geschat worden? of zullen duisternis en licht gelijk gesteld zijn? Zullen zij andere goden naast God plaatsen, welke zij geschapen hebben, zoo als God heeft geschapen, zoo dat de beide scheppingen zich in hunne oogen met elkander verwarren? Zeg veeleer: God is de schepper van alle dingen; hij is de eeuwige glorierijke God. 18. Hij doet water van den hemel nederdalen, en de vloeden stroomen, overeenkomstig hunne afmetingen; de stroom voert het schuim mede dat op de oppervlakte drijft, en uit de metalen, die de menschen op het vuur smelten, om daaruit versierselen of vaatwerk te vormen, rijst schuim op, dat daaraan gelijk is. Zoo maakt God waarheid en ijdelheid bekend. Maar het schuim wordt weggenomen; en datgene wat den menschen nuttig is, blijft op de aarde. Zoo brengt God gelijkenissen voort. Dengenen die hunnen Heer gehoorzamen, zal de uitnemendste belooning worden toegekend; maar zij die hem niet gehoorzamen, al bezaten zij alles wat op de geheele aarde is, en nog meer, zij zullen dit alles te vergeefs als losgeld geven. Hunne rekening zal verschrikkelijk zijn, en de hel hunne woning. Welk een vreeselijk rustbed zal dat wezen! 19. Zal dus hij, die weet wat hem van zijnen Heer werd nedergezonden waarheid is, gelijkelijk worden beloond als hij die blind is? Alleen de voorzichtigen zullen nadenken. 20. Zij die getrouwelijk de verbintenissen vervullen, met God aangegaan, en zijn verbond niet verbreken. 21. Die verbinden wat God heeft bevolen te verbinden [981] en die God vreezen en eene slechte rekening duchten. 22. Zij, die door de begeerte om Gods aangezicht te zien, volhardend in tegenspoed zijn; die het geheel met nauwgezetheid volvoeren, die in het geheim of in het openbaar van de bezittingen geven, welke wij hun hebben toegekend, en die hunne zonden door hunne goede werken uitwisschen; hun zal het paradijs tot belooning strekken. 23. De tuinen van eeuwig verblijf [982], waar wij zullen binnen treden, evenals ieder die onder hunne vaderen, hunne vrouwen en hunne nakomelingschap rechtvaardig zal hebben gehandeld en de engelen zullen door elke poort tot hen binnengaan zeggende: 24. Vrede zij met u! omdat gij volhard hebt met geduld. Welk eene uitnemende belooning is het paradijs! 25. Maar zij die het verbond van God schenden, nadat dit werd ingesteld, en die afscheiden wat God heeft bevolen te vereenigen, en snood op aarde handelen, over hen zal een vloek komen, en zij zullen eene ellendige woning in de hel hebben. 26. God geeft zijne weldaden in overvloed aan dengeen welke hem behaagt, en beperkt, die naar zijn welbehagen. De bewoners van Mekka verheugen zich in het tegenwoordige leven, hoewel dit leven, in vergelijking met het volgende, slechts een tijdelijk voordeel is. 27. De ongeloovigen zeggen: zoo lang hem geen teeken van zijn Heer wordt nedergezonden, zullen wij niet gelooven. Antwoord: Waarlijk, God zal in dwaling brengen wien het hem behaagt, en zal dengeen tot zich voeren, die berouw toont. 28. Zij die gelooven, en wier harten in zekerheid rusten in de overpeinzing van God. Rusten de harten der menschen niet zeker in de herdenking van God? Zij die gelooven en doen wat recht is, zullen de gelukzaligheid genieten en eene gelukkige opstanding deelachtig worden. 29. Zoo hebben wij u tot een volk gezonden, dat door andere volkeren werd voorafgegaan, tot welke eveneens profeten werden gezonden; opdat gij hun zoudt mededeelen wat wij u hebben geopenbaard, daar zij niet gelooven in den barmhartigen God. Zeg hun: Hij is mijn Heer; er is geen God buiten hem, en hem vertrouw ik, en tot hem moet ik terugkeeren. 30. Indien een Koran werd geopenbaard, waardoor bergen zouden worden bewogen, of de aarde gespleten, of de dooden tot spreken gebracht [983] het ware ijdel. Maar alles behoort aan God. Weten de geloovigen dan niet, dat, indien het Gode behaagde, alle menschen door hem geleid zouden worden. 31. De tegenspoed zal niet ophouden de ongeloovigen te bedroeven, om hetgeen zij hebben bedreven, of zich nabij hunne woningen neder te zetten [984], tot dat Gods belofte kome [985]; want God is niet in tegenspraak met zijne belofte. 32. Ook voor u waren mijne gezanten voorwerpen van spotternij, en ik heb de ongeloovigen toegestaan, een lang en gelukkig leven te genieten; maar daarna strafte ik hen, en hoe gestreng was de straf die ik hun oplegde. 33. Wie is het dus die boven elke ziel is geplaatst, om waar te nemen wat zij doet? Zij plaatsen anderen naast God. Zeg: Noemt hen: zoudt gij God willen leeren wat hen tot nu onbekend op aarde was? Of zijn uwe goden slechts ijdele namen [986]? Maar de bedriegelijke handelwijze der ongeloovigen was hun voorbereid, en zij zijn van den rechten weg afgeleid; want hij dien God zal doen dwalen zal geen leider hebben. 34. Zij zullen straf in dit leven ondergaan; maar de straf van het volgende leven zal strenger wezen, en er zal niemand zijn om hen tegen God te ondersteunen. 35. Dit is de beschrijving van het paradijs dat aan den vrome is toegezegd. Het wordt door rivieren besproeid, en zijn voedsel is eeuwig, evenals zijn lommer: dit zal de belooning zijn van hen die God vreezen. Maar de vergelding der ongeloovigen zal het hellevuur zijn. 36. Zij, aan wie wij de schriften hebben gegeven, verheugen zich in hetgeen hun werd geopenbaard [987]. Maar er zijn sommigen der verbonden Arabieren, die een gedeelte daarvan loochenen [988]. Zeg hun: Waarlijk mij werd bevolen, God alleen te aanbidden en niemand naast hem te plaatsen; hem roep ik aan, en tot hem zal ik terugkeeren. 37. Met dat doel hebben wij den Koran nedergezonden: een wetboek in de Arabische taal. En waarlijk indien gij uwe begeerten volgt, na de kennis die u werd geschonken, zal er niemand zijn om u tegen God te beschermen of te ondersteunen. 38. Wij zonden u vroeger profeten, en wij gaven hun vrouwen en kinderen [989], en geen profeet had de macht met een teeken te komen dan door Gods verlof. Elke eeuw had zijne openbaring. 39. God zal afschaffen en bevestigen naar zijn welbehagen. Bij hem berust het oorspronkelijke van het boek [990]. 40. Hetzij wij u een deel der straf doen zien, waarmede wij hen hebben bedreigd, hetzij wij hen doen sterven, alvorens hun die werd opgelegd, waarlijk, uwe zending is te prediken; maar ons behoort het, eene ernstige rekening te vragen. 41. Zien zij niet, dat wij in hun land komen en dat wij de grenzen daarvan vernauwen, door de overwinning der ware geloovigen? Als God oordeelt, kan niemand zijn oordeel omverwerpen, en hij zal snel zijn in het opmaken der rekening. 42. Hunne voorgangers dachten vroeger sluwe aanslagen tegen hunne profeten uit; maar God is meester van iedere geslepen list. Hij weet wat iedere ziel verdient, en de ongeloovigen zullen zekerlijk eens weten wie met het paradijs zal worden beloond. 43. De ongeloovigen zullen zeggen: Gij zijt niet door God gezonden. Antwoord: God en hij die de schriften begrijpt, zijn mij voldoende getuigen tusschen mij en u.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

ABRAHAM [991].

Geopenbaard te Mekka.--52 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. E. L. R. Dit boek hebben wij u nedergezonden, opdat gij de menschen van de duisternis tot het licht zoudt voeren, en met het verlof van hunnen Heer, op den glorierijken en prijzenswaardigen weg. 2. Hij is God, wien alles toebehoort wat in den hemel en op de aarde is, en wee over de ongeloovigen; want eene gestrenge straf wacht hen. 3. Die het tegenwoordige leven boven het toekomstige beminnen en de menschen afvoeren van Gods weg, en dien kronkelig trachten te maken, deze verkeeren in eene dwaling, die ver van de waarheid verwijderd is. 4. Wij hebben geen apostel gezonden dan met de taal van zijn volk, opdat hij hun hunnen plicht duidelijk zou kunnen verklaren [992], want God doet dwalen naar zijn welbehagen en leidt dengeen die hem behaagt; en hij is de machtige, de wijze. 5. Wij zonden vroeger Mozes met onze teekens en gaven hem bevelen, zeggende: Leid uw volk uit de duisternis tot het licht, en herinner hun de gunsten van God [993]; waarlijk, daarin zijn teekens voor ieder lijdzaam en dankbaar mensch. 6. En herinner u toen Mozes tot zijn volk zeide: Herdenk de gunst van God omtrent u, toen hij u van het juk van Pharao bevrijdde: deze verdrukte u vreeselijk; en zij doodden uwe mannelijke kinderen en lieten uwe vrouwelijke kinderen leven [994]. Dit was een harde proef van uwen Heer. 7. En toen uw Heer door den mond van Mozes eene verklaring aflegde, zeide hij: Waarlijk, ik wil mijne weldaden omtrent u vermeerderen, indien gij dankbaar zijt; maar indien gij ondankbaar zijt, waarlijk, dan zal mijne straf gestreng zijn. 8. En indien gij ongeloovig zijt, en de geheele aarde met u, dan nog is God rijk en lofwaardig. 9. Hebt gij de geschiedenis der volkeren, uwe voorgangers, niet gehoord? namelijk van het volk van Noach, en van Ad en van Thamoed [995] en van degenen die hen opvolgden. 10. Wier getal niemand kent, behalve God? Hunne gezanten kwamen tot hem met duidelijke wonderen; maar zij brachten hunne handen aan hunne monden uit verontwaardiging, en zeiden: Wij gelooven de boodschap niet, waarmede gij voorgeeft belast te zijn, en wij verkeeren in twijfel nopens den godsdienst waartoe gij ons uitnoodigt. 11. Hunne gezanten antwoordden: Bestaat er eenige twijfel nopens God, den schepper van hemel en aarde? Hij noodigt u niet tot het ware geloof, opdat hij een deel uwer zonden zou kunnen vergeven [996] en uwe straf kunnen verschuiven, door u tijd tot berouw te geven, tot een bepaalden oogenblik. 12. Zij antwoordden: Gij zijt slechts een mensch, gelijk wij; gij tracht ons van de goden af te leiden, die door onze vaderen werden aangebeden; breng ons dus door een wonder een duidelijk bewijs, dat gij de waarheid spreekt. 13. Hunne gezanten antwoordden hun: Wij zijn niets anders dan menschen gelijk gij, maar God is goedertieren voor diegenen zijner dienaren, welke hem behagen; en het ligt niet in onze macht, u een wonderdadig bewijs voor onze zending te geven. 14. Tenzij met het verlof van God; laat dus de godvruchtige op God vertrouwen. 15. En waarom zouden wij God niet vertrouwen, die ons op onze wegen heeft geleid? Daarom zullen wij met geduld het kwaad verdragen, waarmede hij ons bezoekt, en laat degenen hun vertrouwen in God stellen, die trachten, het ergens in te plaatsen. 16. En zij die niet geloofden, zeiden tot hunnen gezanten: wij zullen u zekerlijk uit ons land verdrijven, of gij zult tot onzen godsdienst terugkeeren. En hun Heer sprak tot hen door openbaring, zeggende: Waarlijk, wij zullen de boozen verdelgen. 17. En wij zullen u na hen op aarde doen wonen. Dit is de belooning van hen, die mij en mijne bedreigingen vreezen. 18. En zij vroegen ondersteuning van God [997], en ieder hoovaardig en oproerig mensch werd vernietigd. 19. De hel ligt onzichtbaar voor hem en hij zal vuil water [998] te drinken ontvangen. 20. Hij zal het met kleine teugen afslokken, en hij zal het niet licht door zijne keel kunnen doen gaan, door de walgelijkheid; de dood zal hem van alle kanten aanstaren, maar hij zal niet sterven, en voor hem zal eene grievende pijniging gereed zijn. Dit is de gelijkenis van hen die niet in hunnen Heer gelooven. 21. Hunne werken zijn gelijk aan asch, die door den wind op een stormachtigen dag wordt voortgedreven; zij zullen niet in staat zijn, een blijvend voordeel te verkrijgen van hetgeen zij hebben bedreven. Dit is eene dwaling, die zeer ver van de waarheid is verwijderd. 22. Ziet gij niet dat God de hemelen en de aarde met wijsheid heeft geschapen? Indien het hem behaagt, kan hij verdelgen en een nieuw schepsel in uwe plaats voortbrengen. 23. Dit is gemakkelijk voor zijne macht. 24. En zij zullen allen op den jongsten dag in Gods tegenwoordigheid worden gebracht; en de zwakken, die zich onder hen bevinden, zullen tot de sterken zeggen [999]: Waarlijk, wij hebben u op de aarde opgevolgd; wilt gij dus niet een deel der goddelijke wraak van ons afwenden? 25. Zij zullen antwoorden: Indien God ons op den rechten weg had geleid, zouden wij u zekerlijk geleid hebben [1000]. Het is ons onverschillig, of wij onze plagen met ongeduld dragen, of dat wij die met geduld verduren, want wij bezitten geen weg om daaraan te ontkomen. 26. En satan zal zeggen, nadat het oordeel zal zijn uitgesproken: Waarlijk, God deed u eene belofte van waarheid; ook ik deed u eene belofte, maar ik bedroog u; ik had echter de macht niet om u te dwingen. 27. Maar ik riep u slechts en gij antwoorddet mij: beschuldigt mij dus niet, maar beschuldigt u zelven [1001]. Ik kan u niet helpen en gij kunt mij niet bijstaan. Toen gij mij naast God hebt geplaatst, achtte ik mij niet als zijns gelijke [1002]. Eene gestrenge straf is den onrechtvaardige bereid. 28. Maar zij die geloofd en rechtvaardig gehandeld hebben, zullen binnen geleid worden, in tuinen die door rivieren worden besproeid; eeuwig zullen zij daarin verblijven, door het verlof van hunnen heer, en zij zullen begroet worden met het woord Vrede [1003]. 29. Weet gij niet waarbij God een goed woord vergelijkt? Het is een goede boom; zijne wortels zijn stevig in den grond bevestigd en zijne takken reiken tot den hemel. 30. Die boom brengt in ieder jaargetijde door des Heeren wil vruchten voort. God spreekt met de menschen door gelijkenissen, opdat zij onderricht zouden mogen worden. 31. En de gelijkenis van een slecht woord is een slechte boom, die uit den grond is gescheurd en geene vastheid bezit [1004]. 32. God zal degenen, die gelooven, door het standvastige woord des geloofs, zoowel in dit leven als in het toekomstige, bevestigen [1005]; maar God zal den booze in dwaling brengen; want God doet wat hem behaagt. 33. Hebt gij hen niet opgemerkt, die Gods genade in ongetrouwheid hebben veranderd [1006], en hun volk in het huis des verderfs hebben doen afdalen; namelijk is de hel. 34. Zij zullen daarin geworpen worden om te verbranden, en dat zal een ongelukkigen woning zijn. 35. Zij richten ook afgodsbeelden op als Gods gelijken, opdat zij de menschen van zijnen weg zouden afleiden. Zeg hun: Geniet de geneugten van dit leven voor eenigen tijd; maar daarna zal uw verblijf in het hellevuur zijn. 36. Zeg tot mijne dienaren die geloofd hebben, dat zij volhardend in het gebed moeten zijn, en dat zij aalmoezen moeten schenken van hetgeen wij hun hebben gegeven, zoowel in het geheim, als in het openbaar; alvorens de dag komt, waarop noch koop noch verkoop, noch vriendschap zal bestaan. 37. God is het die de hemelen en de aarde heeft geschapen en het water van den hemel doet nederdalen, door middel van hetwelk hij vruchten voor uw onderhoud voortbrengt; en door zijn bevel noodzaakt [1007] hij de schepen voor uwen dienst op zee te zeilen; ook dwingt hij de rivieren u cijnsbaar te zijn: evenzoo noodzaakt hij de zon en de maan, die hunne loopbanen met ijver afleggen, u te dienen, terwijl hij den dag en den nacht aan uwen dienst heeft onderworpen. Hij geeft u van alles wat gij hem vraagt, en gij zoudt niet in staat zijn de weldaden op te rekenen, die God u heeft geschonken. Waarlijk, de mensch is onrechtvaardig en ondankbaar. 38. Gedenk, toen Abraham zeide: O Heer! maak dit land [1008] tot eene plaats van volkomen veiligheid, en dat ik en mijne kinderen [1009] het aanbidden van afgodsbeelden mogen vermijden. 39. Want, o Heer! zij hebben reeds een groot aantal menschen verleid. Wie mij dus volgt, zal tot mij behooren: en omtrent hem die mij niet gehoorzaamt, zult gij genadig en barmhartig zijn [1010]. 40. O Heer! ik heb een deel mijner afstammelingen [1011] in eene onvruchtbare vallei doen wonen, nabij een heilig huis, o Heer! opdat zij volhardend in het gebed zouden mogen zijn. Vergun dus dat de harten van sommige menschen [1012] gunstig voor hen gestemd worden, en schenk hun alle soorten van vruchten [1013], opdat zij dankbaar zouden mogen zijn. 41. Heer! gij weet alles wat wij verbergen, en alles wat wij openbaren; want voor God is niets verborgen, tenzij op de aarde of in den hemel. Geloofd zij God, die mij op mijne oude jaren IsmaÎl en Izaak heeft gegeven; want mijn Heer verhoort de ootmoedige beden. 42. O Heer! vergun dat ik het gebed in acht neme, gelijk een gedeelte mijner nakomelingschap [1014]. O Heer! en verhoor mijne bede. O Heer! vergeef mij en mijnen ouders [1015] en den geloovigen op den dag dat de rekening zal worden opgemaakt. 43. Denk niet, o profeet, dat God niet opmerkt wat de goddeloozen doen. Hij stelt slechts hunne straf uit tot den dag, waarop de oogen der menschen op den hemel zullen worden gevestigd. 44. Zij zullen zich haasten vooruit te komen, als de stem des engels tot het oordeel zal oproepen; zij zullen hunne hoofden opheffen, maar zij zullen niet in staat zijn hun gezicht af te wenden van het voorwerp, waarop dat zal zijn gevestigd, en hunne harten zullen ledig wezen. Daarom dreig de menschen met den dag, waarop hun de straf zal worden opgelegd. 45. Waarop zij, die onrechtvaardig hebben gehandeld, zullen zeggen: O Heer! geef ons uitstel tot een nabij gelegen tijdstip. 46. En wij zullen uwe oproeping tot het geloof gehoorzamen en uwe gezanten volgen. Maar men zal hun antwoorden: Zwoert gij niet vroeger, dat gij nimmer zoudt veranderen [1016]? 47. Thans woont gij in de verblijven van hen, die hunne eigene zielen onrechtvaardig hebben behandeld [1017], en het is u duidelijk, hoe wij met hen hebben gehandeld [1018], en wij stelden u hunne vernietiging als voorbeelden. Zij gebruiken hunne grootste listen om der waarheid weerstand te bieden; maar hunne list is duidelijk voor God, die in staat is hunne plannen te verijdelen, al waren hunne listen zoo groot, dat de bergen daardoor, konden worden bewogen. 48. Denk dus niet, o profeet, dat God zou willen handelen tegen zijne belofte van hulp aan zijne gezanten gedaan; want God is machtig en in staat te wreken. 49. De dag zal komen waarop de aarde in eene andere aarde, en de hemelen in andere hemelen zullen worden veranderd [1019]; en de anderen zullen uit hunne graven opstaan, om voor den eenigen, den almachtigen God te verschijnen. 50. Dan zult gij de boozen zien, hoe hunne handen en voeten met ketenen beladen zijn. 51. Hunne onderkleederen zullen van pek zijn, en het vuur zal hunne aangezichten bedekken, opdat God iedere ziel vergelde volgens zijne werken; want God is snel in zijne rekeningen. 52. Dit is eene voldoende vermaning voor de menschen, opdat zij daardoor zouden gewaarschuwd zijn; dat zij zouden weten, dat er slechts ÈÈn God is, en dat zij die met verstand zijn begaafd, zouden nadenken.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

AL HEDJR [1020].

Geopenbaard te Mekka.--99 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us