← 1812: Historische roman

1812: Historische roman (part 4 of 5)

Part 4 of 5 · Rellstab, Ludwig · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #48216, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (5)

Continue:

1812: Historische roman (part 4 of 5)

Zij ging met hare moeder naar de eetzaal. Hier zag zij Lodewijk en Bernard na de haar zoo lang en smartelijk gevallen scheiding weder. Haar hart klopte, doch zij beheerschte hare gewaarwordingen met geweld, om zich niet te verraden. Vriendelijk, welwillend kon zij immers zijn, want zij was dit steeds, en thans konden dankbare gevoelens haar bovendien het gunstige voorwendsel daartoe zijn. De oefening der groote wereld hielp daar de uren aan tafel te boven komen, zonder door iets hare stemming te verraden. De bedrevenheid haars broeders, die zich van het gesprek meester maakte, het op Schotland en Engeland, op zijne reizen aldaar en op de kunst in het algemeen leidde en alzoo ook Lodewijk, die over ernstige en belangrijke zaken altijd met verstand wist te spreken, in het gesprek trok, kwam haar heerlijk te stade. Dolgorow zelf liet zijne achterdocht reeds half en half varen en gaf zich aan de hoop over, dat alle bekommeringen slechts op toevallige omstandigheden berustten. Eindelijk stond men van tafel op, en de vrouwen wilden zich verwijderen. Daar vond Bianca een, naar zij geloofde, onbewaakt oogenblik en fluisterde Bernard de woorden toe: „Houd goeden moed, ik heb hoop, op eene gelukkige wending van ons lot.”

Doch Dolgorow, die juist eenige door Jacques gebrachte brieven geopend had en las, wierp toevallig een blik over het papier op een spiegel, waarin hij Bernard en Bianca's gestalten geheel en al zag. Hij zag hunne vertrouwelijkheid, bemerkte hun fluisteren en den indruk, welke de woorden op Bernards gelaat teweeg brachten. Wel is waar had hij geen woord verstaan, doch in beider trekken lag eene uitdrukking van vertrouwelijkheid, die slechts door eene zeer nauwe betrekking kon ontstaan zijn en te meer verwondering baarde, daar beiden, toen de deur onverwachts openging, opeens de uitdrukking hunner trekken veranderden en de stijve houding der beleefdheid weder aannamen. Wat hier gebeurd was, kon geen plaats vinden tusschen de prinses Ochalskoi en een vreemdeling zonder rang of naam. Derhalve had Dolgorow opeens de ontegensprekelijkste bewijzen voor de gegrondheid van zijne achterdocht. Het verraste hem nu hij er bijna van terug gekomen was, zóó sterk, dat hij, die onder de moeielijkste omstandigheden bezonnen en koel bleef, voor een oogenblik zijne bedaardheid verloor en zich een half onderdrukten uitroep van verbazing liet ontvallen. Doch even spoedig als hij zijne bedaardheid verloren had, had hij die teruggekregen, terwijl hij voorbedachtelijk dien uitroep herhaalde en hevig op den grond stampte, doch den schijn aannam, alsof het de berichten, die hij in zijne brieven vond, waren, welke hem zoozeer aandeden. „Het is ongehoord! onvergeeflijk!” riep hij uit en kneep den brief hevig in elkander; „men zou dol worden over zulk eene handelwijs!”

Zelfs Bernard liet zich door dit mom bedriegen en vermoedde niet, dat zijn geheim in dit oogenblik ontdekt en verraden was. Behendig met den graaf instemmend, zeide hij half vragend, half deelnemend: „Gij ontvangt zulke onaangename tijdingen heer graaf?”

De Gravin deed dezelfde vraag, doch meer bepaald.

„Wat zou het zijn,” antwoordde Dolgorow, „dan nieuwe redenen tot oude klachten. Geheel verkeerd handelen, onzinnig veranderen, tegenstrijdige bevelen, welke alles in de war brengen, wat men met eigen krachten der liefde van het vaderland onderneemt!—Vergeef mij, maar ik moet eenige oogenblikken alleen zijn, om mijne drift te doen uitwoeden.”

Met deze woorden boog hij zich en ging naar zijne kamer, terwijl de vrouwen tegelijk de haren opzochten. Bianca nam ondertusschen afscheid met de vriendelijke vertroostende woorden: „Ik hoop, dat wij elkander bij de thee wederzien.”

Zoodra Dolgorow op zijne kamer was gekomen, schelde hij den kamerdienaar, om hem nogmaals nauwkeurig omtrent alles te ondervragen, waarop hij zijn vermoeden gegrond had. Jacques die lang gemerkt had, hoe gewichtig deze zaak voor den graaf was, verzweeg, gedeeltelijk omdat hij niet gaarne de verdienste der ontdekking met iemand wenschte te deelen, gedeeltelijk om in de gunst van Jeannette te blijven, niet alleen wat deze hem gezegd had, maar zelfs, dat zij hem inderdaad het gewichtigste ontdekt had. Daarom waren zijne verklaringen voor den graaf geheel onvoldoende. Hij gebood hem te vertrekken en bleef peinzend in zijne kamer, terwijl hij zich kwelde, een middel te vinden, om de waarheid te ontdekken. Opeens werd het hem helder. „Dwaas!” riep hij, „hoe kunt gij zoo dom zijn en niet dadelijk daarop komen? Hij of zij moeten hier een of andere brieven, documenten, of andere herkenningsteekenen hebben; het was anders onmogelijk, dat zij elkander gevonden hadden!—Dat moet mij licht geven. Vooreerst willen wij het gemakkelijkste beproeven en Feodorowna's kamer in stilte doorzoeken.”

Hij schelde. Jacques trad binnen.

„Is de prinses op hare kamer?”

„Neen: hare hoogheid werkt bij de genadige gravin.”

„Het is goed!—Gij kunt vertrekken.”

Zoodra de kamerdienaar vertrokken was, stak Dolgorow eene kleine dievenlantaarn aan, nam die onder zijn mantel en ging naar Bianca's kamer. Het gelukte hem, er onbemerkt binnen te sluipen.—Dadelijk sloot hij de deuren naar beide kanten dicht en begon zijn onderzoek. Hij had eenige loopers bij zich gestoken, waaraan geen slot gemakkelijk weerstand bood en die hij nog uit den tijd van zijne gevaarvolle diplomatieke betrekkingen bezat, toen hij de papieren zijner ondergeschikten steeds in het geheim zorgvuldig nazag, om zich van hunne trouw te overtuigen. Met behulp dezer werktuigen gelukte het hem spoedig, Bianca's gesloten secretaire te openen. Na eene poos gezocht te hebben, vond hij onder hare brieven dien van Ruschka boven op liggen, daar zij hem eergisteren eerst weder geborgen had. Deze nam allen twijfel weg; en toen hij nu de portefeuille ontdekte en opende, waarin de portretten der beide ouders zich bevonden, wier gelijkenis met de kinderen niet te miskennen was, had hij verder geene de minste verklaring of navorsching noodig, om te weten dat Bernard de teruggevonden broeder was. Zorgvuldig legde hij alles weder op zijne plaats, ontsloot de deur en snelde naar zijne kamer terug.

Thans hielden hem de plannen, hoe hij het naderend onheil het best zoude afweren, bezig. Spoedig was hij besloten. Hij moest Feodorowna's lippen evenzoo verzegelen, als die van Ruschka, door bedreigingen tegen wat haar het dierbaarst op aarde was. Die taak viel den gewetenlooze licht, doch hij had de middelen niet dadelijk bij de hand. Bernard en Lodewijk moesten het lot der gevangen Franschen deelen. Dan zoude hun lot daarvan afhankelijk gemaakt worden, of Feodorowna op de hostie wilde zweren, nimmer het geheim harer geboorte te verraden. Doch daartoe had men meer manschappen noodig, dan men in het slot had. Buiten de bedienden, van welke de meesten lijfeigenen van Feodorowna waren, op wie Dolgorow zich in een beslissend oogenblik niet durfde verlaten, was er niemand op het slot. Bernard en Lodewijk alleen konden een zoo dapperen tegenweer bieden, dat men ten minste genoodzaakt zoude zijn hen te dooden, en dan was de borgtocht voor het geheim verloren. Feodorowna's leven echter zelf durfde Dolgorow niet aantasten; gedeeltelijk wijl hare lijfeigenen in zulk eene daad eene vreeselijke, onverzoenlijke misdaad zouden gezien hebben, gedeeltelijk omdat hij vooruit zag, dat de gravin hare toestemming zoude weigeren, eindelijk ook wel, omdat hij hier de inwendige maat van zijn misdadig pogen gevuld gevoelde. Want ieder, zelfs de slechtste, heeft eene grens van zijn misdadig willen in zich, welke hij niet kan overschrijden. Zelfs de diepste afgrond der misdaden wordt eenmaal gevuld, en er is een punt, waar het heilige gebod der zedelijkheid zich zoo onverwinnelijk doet gelden, dat de meest ontaarde, al moest hij daardoor de vrucht van al zijne vorige misdaden verliezen, al moest hij zelf der aardsche vergelding ten buit worden, evenwel zijne wilskracht tot het booze verlamd gevoelt en den laatsten slag, welke hem aan het doel zoude voeren, niet waagt toe te brengen. Zoo grijpt de onzichtbare arm des Almachtigen zelfs in het raderwerk der boosheid en beveelt een onherroepelijken stilstand.

Dolgorows besluit stond vast. Hij wilde genoegzame manschap in de nabijheid van het slot doen komen, om iederen wederstand onmogelijk te maken. Dan zouden Lodewijk en Bernard naar buiten gelokt, onverwachts overvallen, gegrepen, gekneveld en zoo stil mogelijk weggevoerd worden, zoodat niemand in het slot het gewaar werd. Wanneer men aldus het binnenste van het bosch bereikt had, wilde Dolgorow hun verklaren, dat hun lot en dat van Feodorowna van de bewaring van hun geheim afhing, en hen dan met de overige gevangenen binnenslands wegvoeren. Eerst nadat alles volbracht was, zou Feodorowna den afloop der zaak vernemen, en dan zou het zeker gemakkelijk zijn, haar de belofte eener eeuwige geheimhouding door bedreiging tegen de gevangenen af te persen.

Willhofen was een verdacht getuige voor Dolgorow. Hij besloot derhalve, zich van hem te ontdoen en tevens door hem zijn doel te bereiken, daar hij hem als bode uitkoos, om het bevel over te brengen, dat de manschap op het slot zoude komen, maar tevens den houtvester, die het bevel over dit gedeelte der als landstorm verzamelde boeren had, verzocht Willhofen niet mede terug te zenden, maar hem tot nader order met iets anders bezig te houden.

De snelle daad volgde op het weldoordachte besluit. Hij schreef het bevel, verzegelde het, schelde en liet, toen Jacques binnen kwam, Willhofen roepen.

„Hier is een brief van gewicht te bestellen, Solanow,” dus sprak hij hem toe; „gij moet dadelijk zadelen en rijden. Ik stel er u verantwoordelijk voor, dat het bevel uiterlijk binnen drie uren overhandigd is.”

De oude boog zich zwijgend, nam den brief en vertrok.

Thans schepte Dolgorow lucht. Het gevaar scheen afgewend, de dreigende wolk verdeeld. Hij vermoedde niet, dat zijn plan verongelukt was, nog eer het tot de uitvoering kwam.

HOOFDSTUK XI.

Bianca immers wist reeds, dat en hoe zij verraden was. Jeannette had namelijk in de kamer der prinses gezeten en gewerkt. Toen het licht haar begon te begeven, zette zij zich op een leuningstoel in de, door de dikke muren van het slot ruime vensterholte en werkte, zoolang zij zien kon. In de schemering hield zij op en zonk, daar zij eenigen tijd ledig bleef zitten, in slaap. Opeens wordt zij door een geruisch gewekt, richt zich op en ziet met verbazing den graaf voor de geopende secretaire der prinses staan. Onwillekeurig getuige dezer handeling zijnde, vreest zij, zich te verraden; de groote zijden gordijnen bedekken de vensters zoo, dat zij niet kan bemerkt worden. Zij besluit daarom zich niet te verroeren en zich slapende te houden. Doch zij slaat acht op alles, wat Dolgorow doet. Eindelijk gaat hij, nadat hij eerst de beide vroeger in het slot gedraaide deuren zachtjes ontsloten heeft. Deze omstandigheid overtuigt het meisje, dat hier iets geheimzinnigs tegen de prinses ondernomen wordt, daar zij de treurige verwijdering tusschen deze en hare ouders reeds lang kent. Zij brengt dit in verband met hetgeen zij gehoord en aan Jacques toevertrouwd heeft; zij wordt bevreesd, door hare onvoorzichtigheid hare zoo oprecht beminde meesteres in gevaar gebracht te hebben, haar geweten laat haar geen rust, zij moet derhalve bekennen, wat zij meent te weten, wat zij gezien heeft. Met dit voornemen, om door de eerlijkste oprechtheid zoo mogelijk haar misgreep goed te maken, wil zij naar de prinses snellen, toen deze zelve onverwacht binnentreedt. Jeannette verhaalt, wat er gebeurd is. Bianca vermoedt den samenhang; zij doorziet, dat zij geheel verraden is, dat zij geen tijd te verliezen heeft. Dadelijk besluit zij, met haren broeder te spreken. Jeannette moet de kamer sluiten en krijgt bevel, zoodra zich iemand aan de deur laat hooren, te antwoorden, dat de prinses bezig is zich te verkleeden en voor het oogenblik niemand kan binnenlaten. Intusschen ijlt Bianca, door dezelfde muts van Jeannette, welke zij haar gisteren gedurende hare sluimering heimelijk ontvreemd heeft, voor herkenning bewaard, naar de kamer van Lodewijk en Bernard en verhaalt hun, wat geschied is. Er wordt besloten nog dezen nacht te vluchten. Gregorius zal de hulpeloozen opnemen, wanneer men zijne woning kan bereiken voordat hij op weg naar het slot is, of wanneer het toeval het zoo gelukkig doet uitkomen, dat men hem ontmoet. Wordt deze hoop niet vervuld, dan blijft Smolensko, nog door de Franschen bezet, hun als toevluchtsoord overig.

Willhofen zal hen op de vlucht vergezellen. Hij wordt van alles onderricht en belooft paarden en een slede gereed te houden. Om de noodige voorbereidselen daartoe te maken, heeft hij juist de kamer verlaten, toen Jacques hem ontmoet en bij den graaf ontbiedt. Met een voorgevoel van hetgeen er geschieden zal, treedt hij bij dezen binnen, doch bewaart volkomen zijne geruste en gewone houding. Zonder argwaan geeft Dolgorow hem den brief, dien Willhofen dadelijk naar Bernards kamer brengt, waar Bianca zich nog bevindt. Men opent hem; Bianca leest het in 't russisch geschreven bevel; de meening van Dolgorow is duidelijk. Bernard vermoedt zijn plan, ofschoon niet in de volle afschuwelijkheid, daar de brave nooit zoo diep in de ziel van de boosdoeners indringt, dat hij hunne ontwerpen in den geheelen omvang overziet. Thans is ieder oogenblik kostbaar en er is geen tijd te verliezen; de vlucht moet nog in dit uur geschieden. Terwijl Willhofen naar beneden snelt, om, onder voorwendsel van zijn paard te zadelen, de paarden voor de slede te spannen, voorziet Bianca zich op hare kamer van de noodwendigste zaken. Zij kan er thans niet buiten, Jeannette deelgenoote van haar geheim te maken; deze wil van hare gebiedster niet wijken, maar bidt met tranen, in haar lot te mogen deelen. Bianca moet inwilligen, haar mede te nemen, te meer daar het meisje van Dolgorows toorn alles te vreezen heeft, wanneer hij slechts vermoeden kan, dat zijn geheim door haar kon verraden zijn. Deze pakt derhalve in alle haast kleedingstukken en wat haar verder onmisbaar schijnt in, terwijl hare meesteres zich van geld voorziet en hare juweelen, papieren, brieven en kleinigheden in een kistje bijeen legt. Bernard en Lodewijk hebben zich inmiddels, op raad van Willhofen, met pistolen, die den bedienden toebehooren, gewapend. Lodewijk gaat naar beneden naar het plein, om, zoodra Willhofen te paard stijgt, met de slede te volgen. Bernard ijlt naar zijne zuster, om haar te geleiden. Een teeken, dat hij uit het venster aan de benedenstaanden geeft, geeft blijk, dat de vrouwen gereed zijn.

In angstvolle spanning stond Lodewijk op het plein en hield de oogen onafgewend op Bianca's venster gericht. Het dringende gevaar, de mogelijkheid om verraden te worden, de val in de diepste ellende, welke alsdan op de schoone droomen eener namelooze zaligheid moest volgen, dit alles veranderde voor de op de pijnbank gespannen verwachting de seconden in eene eeuwigheid.

Eindelijk trad Bernard met een licht aan het venster en blies het uit. Dit was het afgesproken teeken. Willhofen sprong te paard en reed naar de poort toe, welke hij beval te openen. Lodewijk volgde hem met de slede: onder de poort aan de trap, zoo luidde de afspraak, zou hij stilhouden, Bernard en Bianca opnemen en dan, zoo snel de paarden vermochten, den vooruitgaanden Willhofen volgen. Dat zij niet dadelijk vervolgd konden worden, daarvoor had de voorzichtige Willhofen gezorgd, doordien hij de tuigen van alle overige paarden, die in het slot waren, bijeengenomen en over een ingevallen vak van den muur in de slotgracht geworpen had, die wel toegevroren was, doch waar niemand deze dingen zoude zoeken. Het was derhalve te verwachten, dat zij vóór het aanbreken van den dag niet zouden gevonden worden. De duisternis begunstigde hunne onderneming; zacht, zoodat men de voetstappen der paarden over de sneeuw nauwelijks hoorde, kwam Lodewijk tot onder de poort. Willhofen was er reeds buiten en hield aan de brug stil. Bij den matten schijn der lamp, die het verwulf verlichtte, zag Lodewijk met een kloppend hart de drie gedaanten op de trappen staan. Hij hield stil. „Zijt gij het, Bernard?” fluisterde hij. „Wij zijn het,” was het antwoord en metéén naderde Bianca, om in te stijgen.

Daar klonk op eenmaal Dolgorows vreeselijke stem: „Verraad! Holla! Sluit de poort, grijpt de verraders!” In hetzelfde oogenblik flikkerde eene getrokken sabel over Bernards hoofd en, door den houw getroffen, stortte deze ter aarde.

Bianca gaf een luiden gil, wierp zich over den gevallene heen en Dolgorow in den weg, die den arm reeds tot een tweeden slag ophief.

„Om Gods wil erbarming, houd op—het is mijn broeder!” riep zij op een toon, die door de ziel sneed.

Lodewijk stond onbewegelijk. Doch snel bezon hij zich, hij sprong van de slede, greep een pistool en schoot op Dolgorow. Hij trof hem licht aan den schouder, zoodat de gewonde een oogenblik wankelde en terugtrad. „Vlucht, ongelukkige,” riep Lodewijk nu en wilde Bianca omvatten, doch reeds waren drie bedienden, die in de wachtkamer naast de poort gezeten hadden, toegesneld en rukten hem achterover op den grond. „Pakt de schelmen! Bindt hen!” riep Dolgorow woedend, en de knechts, welker getal spoedig door eenige van het plein komenden vermeerderde, wierpen zich op de ongelukkigen. Hij zelf greep Bianca aan, rukte haar omhoog en droeg haar, daar zij zich wilde verzetten, met geweld de trappen op. Hare kracht ging in hare smart te gronde; zij kon geen weerstand bieden. Jeannette volgde hare gebiedster. De knechts rukten, zonder verdere bevelen af te wachten, den bewusteloozen Bernard en den verstommenden Lodewijk met zich voort en sleepten hen den graaf na.

Boven op den gang ontmoette hem de gravin, die het geraas en het schot gehoord had, zonder de reden te weten, en thans uit hare kamer kwam, om naar deze te vernemen.

„Neem uwe dochter tot u, gravin,” riep Dolgorow, „de eer van ons huis staat op een gevaarlijk spel.”

„Niet uwe dochter!” riep Feodorowna, die tot haar bewustzijn terugkeerde, van smart buiten zich zelve: „ik erken uwe rechten niet meer! Gij hebt mijn broeder vermoord!” Met geweld rukte zij zich thans uit de armen van den graaf los en snelde de bedienden te gemoet, welke Bernard en Lodewijk medesleepten. „Gij zijt mijne lijfeigenen!” riep zij dezen te gemoet met eene kracht, die de vertwijfeling haar verleende; „ik beveel u, dezen ongelukkige los te laten en den bloedende ter hulp te komen.”

Dolgorow was haar nagevlogen. „Wie mijne bevelen niet gehoorzaamt,” dreigde hij met hoog opgeheven sabel, terwijl hij zijne stem vreeselijk verhief, „dien kloof ik den kop! Wie waagt het, mij te trotseeren?”

De lijfeigenen der vorstin stonden besluiteloos, daar zij tusschen vrees en plichtgevoel wankelden. Twee van Dolgorows eigen lieden echter bogen zich slaafs deemoedig en zeiden: „Alleen onze gebieder zal ons bevelen geven, wat wij te doen hebben.”

„Ik deed dit reeds,” snauwde Dolgorow hun toornig toe; „bindt deze honden en werpt hen in het diepste gewelf van het kasteel.”

„Neen, het is onmogelijk,” riep Bianca uit en sloeg hare beide armen om haar broeder en drukte zijn bloedend hoofd aan hare borst: „ik verlaat u niet mijn broeder, in mijne armen zult gij sterven.”

Door een schuwen eerbied aangegrepen, weken thans de ruwe slaven terug en schenen een anderen plicht, dan dien der deemoedige gehoorzaamheid gehoor te geven.

Dolgorow stampte kwaadaardig op den grond. „Werpt haar mede in het hok, wanneer zij hem niet verlaten wil!” riep hij woedend uit en trad zelf naar de ongelukkige toe, om haar van het hart haars broeders af te rukken.

Lodewijks boezem werd op dit oogenblik van namelooze smart doorgriefd. Daar doordrong hem op eenmaal het gevoel van de alomtegenwoordigheid van den hoogsten Rechter, en in de zedelijke kracht zijner overtuiging richtte hij zich trotsch tusschen de slaven, die hem de armen gebonden hielden, op en riep den graaf met al de meerderheid der deugd toe: „Houd op! Vrees voor eene vergelding! de Almachtige is getuige van iedere daad, Zijne gerechtigheid ontkomt geen mensch!”

Dolgorow keerde zich trotsch om. Hij voelde zich inwendig getroffen, ja, hij ondervond voor de eerste maal in zijn leven de stille, geheime onrust van het kwaad geweten. Doch juist daarom kantte zich zijn verhard gemoed daartegen aan, als tegen een schandelijke vlucht, en zocht hij zijne ontroering achter verdubbelden trots te verbergen. Met een spottenden lach hernam hij derhalve: „Meent gij? Ik denk u evenwel te toonen, dat men mijn toorn en mijne gerechtigheid nog minder ontkomt.”

In dit oogenblik liet zich opeens van beneden een dof geraas en luid geschreeuw van verwarde stemmen hooren.

Allen stonden verrast en luisterden; het gedruisch kwam nader.

„Wat is daar te doen!” riep Dolgorow. „Gaat een van allen naar beneden en ziet, wat dit misbaar beteekent.”

Doch toen een der bedienden dit bevel wilde gehoorzamen, hoorde men de menigte reeds met geschreeuw de trappen opstormen. Een vlammende gloed toonde aan, dat zij met lantaarnen of fakkels kwamen.

Dolgorow snelde thans, ongerust geworden, zelf naar de trap. Het geschreeuw der aanstormenden wies met ieder oogenblik. „Hierheen, hier!” riep eene stem; „volgt mij.”

Lodewijk herkende de stem van Willhofen. Een voorgevoel, dat hij redding aanbracht, doordrong zijn borst. Doch nauwelijks was deze gedachte bij hem opgekomen, toen een schot en dadelijk daarop een tweede, gevolgd van een vreeselijk woedend geschreeuw, zich liet hooren.

Dolgorow, op wien de schoten gemunt waren geweest, keerde haastig terug; hij hield de hand aan zijne gekwetste zijde, doch moedig zwaaide hij nog zijne sabel en riep de bedienden te hulp. Deze waren ongewapend en aarzelden.

„Vecht of ik stoot u neder,” brulde Dolgorow en stampte met den voet, dat de bodem dreunde. De verschrikte slaven lieten Lodewijk en Bernard los en snelden naar hun meester. Daar vervulde opeens een helder rood fakkellicht het geheele gewelf, en Lodewijk zag den trouwen Willhofen, die, in zijne rechterhand eene sabel, in de linker eene helder lichtende fakkel zwaaiend, op de bovenste trede van den trap verscheen. Snel drong hij voorwaarts, eene menigte menschen met knuppels en stokken achter hem. Woedend stormden zij op Dolgorow en de zijnen aan; dezen gingen op de vlucht en vloden langs den gang. Dolgorow wilde standhouden, doch hij werd overweldigd en ter aarde geworpen; de schaar drong voort en voordat Lodewijk zich bezinnen kon, drukte Willhofen hem de hand, en schudde haar en riep juichend uit: „Wij zijn gered, mijnheer!”

Lodewijk viel den trouwen dienaar om den hals en hield hem dronken van vreugde in zijne armen geklemd.

Bianca knielde op den grond; het hoofd van haar gevallen broeder lag op haar schoot. Zij vouwde de handen over zijn bleek, bloedig gelaat. Hare bevende lippen waren niet bij machte eenig geluid voort te brengen, doch in haar ten hemel gericht oog gloeide de reinste dankbaarheid aan den Algoede. „Broeder, open gij slechts uwe oogen weder!” stamelde zij na eenige oogenblikken en trachtte zijn neergezonken hoofd op te richten. Daar keerde zijn bewustzijn terug. Hij sloeg zijne oogen op en vroeg: „Waar ben ik?”

„Aan het hart uwer zuster,” riep Bianca met den juichtoon der vreugde en hare hijgende borst vermocht nauwelijks te ademen.

Lodewijk had zich tot haar nedergebogen en hielp haar den gekwetste weder oprichten. Hij veegde hem met zijn zakdoek het bloed van het voorhoofd en vroeg: „Smart de wonde u? Is zij diep?”

„Neen, mijn beste vriend,” zeide Bernard, „ik voel mij zeer verruimd en wel. Doch wat is er gebeurd?”

„Ik weet het zelf nog nauwelijks,” hernam Lodewijk, „doch eerst moet gij geholpen worden.” Zijn vriend en zijne zuster voerden hem naar zijne kamer. Hier wiesch Bianca hem zelve zijne wonde en verbond die met haren zakdoek. Ondertusschen trad Willhofen binnen. Lodewijk wees op dezen en zeide: „Zie hier onzen redder; doch hoe hij het geworden is, heeft hij ons nog niet verklaard.”

„Waarachtig, ik weet het zelf nauwelijks,” hernam Willhofen. „Ik stond buiten op de brug en wachtte op u, toen ik opeens een luid geschreeuw en dadelijk daarop een schot hoorde. Daar keerde ik mijn paard om en zag de bedienden uit de wachtkamer naar de slede loopen. Nu wist ik, wat er gaande was. Onzeker, of ik vluchten of blijven zoude, zag ik van buiten het leven mede aan. Toen echter de kerels de trappen opvlogen en de poort ledig werd, kwam de gedachte bij mij op: de gevangene Franschen moeten ons helpen! Als de wind vlieg ik het plein op; de kerel met zijn oud geweer, die voor de deur van het hek, waar zij opgesloten zaten, op schildwacht stond, dacht om geen aanval; want van het paard te springen, hem op den grond te werpen, hem zijn geweer te ontrukken en met een kolfslag het roepen te beletten, was het werk van een oogenblik. De deur is van buiten alleen gegrendeld; ik ruk de grendels los; spring er in, in de tweede deur steekt de sleutel, ik draai ze om en de gevangenen zijn vrij. Snel raap ik het beetje fransch dat ik nog van mijne jeugd onthouden heb, bij elkander en vraag hun, of zij den moed hebben, zich te bevrijden? Ik behoefde het voor den duivel geen tweemaal te vragen. „Zoo komt dan,” riep ik, en zij volgden mij naar het plein. Toen ik hen hier in de open lucht had, bracht ik hen bij een hoop hout, die rechts om den hoek lag, beval hun, hier ferme knuppels te nemen en mij dan naar de poort te volgen. Ondertusschen loop ik vooruit, sluit de buitenpoort, opdat mij de knapen niet vlak voor mijn neus in het bosch naar den duivel zouden loopen en ons hier in den steek laten, pak uit de kachel in de wachtkamer een paar brandhouten en trommel en wenk hen toen naderbij. Zij vliegen als de wind toe, mij na, de trappen met gehuil en geschreeuw op en—het overige weet gij immers. Thans zijn wij meester van het slot. Maar wij zullen toch weldoen met nog in dit uur af te trekken, want men kan niet weten wat het volgende zal opleveren.”

„Brave kerel!” riep Bernard, „gij zijt een Duitscher gebleven, midden in Ruslands woestijnen. Ik voel mij sterk genoeg, mijne vrienden! Laat ons haast maken, om in het vrije veld te komen.”

„De slede is nog aangespannen,” antwoordde Willhofen, „wij kunnen oogenblikkelijk voort. Maar hoor, wat is dat?”

Men hoorde aan de poort kloppen en daarbuiten zweepslagen en het schellengerinkel van een slede.

Allen schrikten.

„Slechts bedaard! Wij zullen zien, wie het is,” zeide Willhofen, „zijn er velen, dan laten wij hen niet binnen. Tegen weinigen hebben wij de overmacht, want onze vijanden hier zijn onschadelijk gemaakt.” Met deze woorden ging hij naar buiten, om uit een der voorste vensters te zien, wie er was.

Binnen drie minuten keerde hij terug en berichtte: „Er is geen gevaar bij, uwe hoogheid! Het is vader Gregorius.”

„Dien zendt de hemel zelf mij toe,” riep Bianca. „O, die brave grijsaard, die nacht noch winter ontziet, om aan mijne bede, zoo snel hij kan, gehoor te geven.—Doe open, doe open—neen, ik zelve wil hem ontvangen.”

Zij snelde zoo ras naar beneden, dat Willhofen haar nauwelijks kon volgen. Na eenige minuten keerde zij aan de zijde des grijsaards, aan wien zij zich als een liefderijken vader vertrouwelijk aansloot, terug. „Zie mijn vader—hier is hij—hij is waarlijk mijn broeder.”

Bernard stond eerbiedig op, want het gelaat van Gregorius geleek dat van een heilige; eene zachte vreugde temperde den ernst zijner gelaatstrekken, zijne oogen schitterden, eene eerbiedige bewondering van de schikkingen des Almachtigen straalde uit den vroom omhoog geheven blik.

„Zoo wonderbaar leidt de Onnaspeurlijke onze schreden,” sprak hij, onwillekeurig stilstaande, „zoo bestuurt Hij ons lot aan onzichtbare draden, welke Hij alleen kan aanknoopen en ontbinden! Wees gegroet, mijn zoon!” voer hij, naderkomend voort en legde zijne hand op Bernards gebogen hoofd, „de zegen des hemels ruste op u! Zie, de Algoede is kennelijk met u, hier, waar zijne wraakengelen den overmoed der misdadigen straffen, hier in de verlaten wouden en sneeuwwoestijnen van het noorden, waar het akelig verderf alle die duizenden genaakt, die het heiligdom van onzen haard, ons land en onzen God aantasten—hier laat Hij voor u de liefelijkste bloem ontspruiten en geeft ze aan uwe zorg, aan uwe bescherming, aan uwe bewaring over. Gij kwaamt met het zwaard, doch de engel des Heeren ontneemt het u en biedt u den palmtak aan.”

„Ik ontvang dien met ontroering en dankbaarheid,” hernam Bernard en boog zich bewogen over de hand van Gregorius.

„O, mijn vader!” sprak Bianca hem biddend toe, „gij zult de verzoener zijn, uwe vrome hand zal den bloesemtak des geluks van den haat en het bloed reinigen, die hem bezoedelden. De heiligste plicht, de machtigste stem des harten volgende, moest ik andere, oudere banden verbreken; gaarne had ik ze zacht ontbonden, doch thans heeft het zwaard der tweedracht ze verscheurd. Wees gij de bemiddelaar tusschen mij en mijne pleegouders; ik verdien hun haat niet, doch zelfs de onrechtvaardige vloek zou onheilbrengend aan mijn geluk knagen.—Waar is mijn vader? waar mijne moeder?”

„Ik laat hen boven op de zaal bewaken,” antwoordde Willhofen.

„Dan willen wij tot hen gaan,” smeekte Bianca dringend. „Mijn broeder, zoudt gij mij kunnen begeleiden?—Lodewijk, wilt gij mij ook volgen?—Buigt uwe harde mannenharten tot het werk der verzoening en der liefde.”

„Welk hart zou deze zachte bede wederstaan?” zeide Lodewijk. „De verschrikkelijkste ijzeren woede zoude, indien zij mijne borst vervulde, verdwijnen, gelijk de sneeuw smelt voor het zachte oog der lente.”

Bernard had haar bij de hand gevat en zeide, terwijl hij die zacht drukte: „Ik ben driftig, ontoombaar; ach, ik weet het, er is weinig goeds in mij, wilden man! Maar, mijne zuster, gij—aan een haar uwer zijden lokken kunt gij mij leiden en gij zult mij daarmede vaster boeien, dan door tienvoudige ketenen. Door u werd ik misschien nog goed, mijne beste!—Doch laat ons gaan.” Zij gingen.

In de zaal vonden zij Dolgorow met donkere blikken, bleek van inwendige woede, op en neder gaan. De gravin zat in een leuningstoel, afgemat en weenende.

„Wat wilt gij?—Zijt gij ook in de samenzwering, en van uw vaderland en uwen God afvallig geworden, Gregorius?”—beet Dolgorow den naderenden grijsaard boosaardig toe.

Deze hernam met eene zachte stem: „Spreek geen woorden van haat in dit uur, waarin de eeuwige Bestuurder aller dingen u zijn dreigend aanschijn heeft getoond. Spreek geen woorden van haat, thans, daar wij in liefde naderen. Gij hebt heilige banden der natuur verbroken, maar Gods oog waakte en voerde hen te zamen, die elkaar toebehoorden. Wees niet gramstorig op hen, die geene schuld hebben, verzoen de strenge daad door zachte liefde. Zij, die u zoo lang vader noemde, zij gaat van u, want een nieuwe plicht roept haar; laat haar in liefde en verzoening scheiden.”

Dolgorow zweeg en wendde zich af.

„Mijn vader, mijne moeder!” sprak Bianca met bevende stem en trad bevreesd nader: „Ik zou deze heilige namen, die ik door u leerde kennen, niet gaarne vergeten. Ik leed veel, doch ik genoot ook veel goeds. Daarvoor zal mijn hart steeds dankbaar zijn. Scheiden moet ik, want ik zou hier eeuwig eene vreemdelinge gebleven zijn. Geen gewoonte, geen levenswijze heeft de zucht kunnen smoren, welke de natuur in mijn hart heeft geplant. Andere gevoelens en neigingen zijn mij ten erfdeel geworden, ik moet uit deze kringen, waarin ik mij nooit te huis bevond, terugtreden. Mij trekken heilige, dierbare plichten. Niet slechts de band, die de zuster aan den broeder verbindt, ook eene andere, niet minder heilige trekt mij met onverbreekbare kracht. Mijn hart heeft gekozen. Ik voel, dat mijne liefde aan een goddelijk bevel gehoorzaamde, daarom belijd ik haar vrij en openlijk. Zoo moeten de oude banden worden losgemaakt. O, mijne ouders, laat het niet met geweld geschieden. Bespaar u en mij eene smart, welke wij slechts door vrijen wil kunnen ontgaan! Laat ons in liefde scheiden!”

Biddend was Bianca de gravin genaderd en vatte hare nederhangende hand. „Heb ik ooit mijn kinderplicht jegens u verzuimd, mijne moeder? Zelfs het smartelijkste offer heb ik bloedende, doch zwijgende gebracht; een offer, dat, thans gevoel ik het, zelfs de macht der ouders te boven ging. Een allesbesturend God heeft mijne banden verbroken, nog eer mij hun smaad had aangeraakt. Zie daarin den wenk des Almachtigen! Buig u voor Zijn wil, en zegen met liefde, wat gij niet meer kunt veranderen. Dat zij mijn loon voor dat uur van onvergetelijken jammer, toen ik mij naar uwen wil voegde en alle verwachtingen des levens begroef. Zij zijn weder opgestaan, machtig opgestaan door den wonderbaren raad des Eeuwigen. O, giet den milden dauw des zegens over de jonge bloesems en vergiftig ze niet met de koude droppels van den haat!”

De gravin wendde zich wel is waar weenend, doch ongeroerd af. Hare tranen waren slechts die der verbittering. Dolgorow stond stom en onbewegelijk.

„Vrome vader Gregorius!” smeekte Bianca met gesmoorde stem, „o laat gij nog eenmaal uwe zachte woorden hooren. Uw geheiligde stem zal dieper indruk maken, dan de bede der dochter.”

De grijsaard trad nader tot de gravin, doch sprak tot beiden gekeerd: „Hebt uwe vijanden lief, doet wel dengenen, die u haten, eischt het bevel des Heeren van ons. Gij moet slechts den geringeren plicht vervullen, door liefde met liefde te vergelden, door slechts daar niet toornig te zijn, waar geene schuld is. Dat gebod oefent de wilde tegen den wilde uit. Gij zult het niet overtreden. Bij de genade van den Allergenadigsten, welke gij in uw laatste uur zult behoeven—en weet gij dan, of niet het volgend uur uw laatste is?—bij de verzoenende liefde des Heilands vermaan ik u, handelt volgens het goddelijk en menschelijk gebod en verhardt u niet in uwen toorn!”

„Het is genoeg!” riep Dolgorow, verbitterd opstuivend. „Gij zijt de afvallige priester der vijanden geworden! Wat wilt gij thans van mij? Ik ben uw gevangene. De prinses Ochalskoi, een dochter van Rusland, laat den graaf Dolgorow, haren vader, den verdediger des vaderlands, door verraders boeien! Het is haar gelukt, zij kan nu verder hare bevelen geven!”

„O hemel, dat is te veel!” riep Bianca uit en verborg haar hoofd aan de borst van Gregorius, die zijn arm zacht om haar heen sloeg. „Mijne zuster, kom, anders breek ik mijne belofte,” sprak Bernard dringend, van toorn bevend.

Lodewijk trad in eene edele houding vooruit en wendde zich tot Dolgorow. „Kunt gij het verdragen, aldus voor den rechter van uw eigen hart te staan? Laat af, het reinste hart met onwaardigen laster te krenken! Hier vindt gij geen oor, dat door zulke woorden bedrogen wordt.”

Dolgorow antwoordde niet.

Toen hief Gregorius zijne handen ten hemel en bad met nadruk: „Hemelsche Vader! schenk Gij aan deze reine Uwe genade. Zij is onschuldig voor U!” Hierop legde hij zijne hand zegenend op Bianca's hoofd. „Ontvang hier den zegen des Heeren! Zijne zachte vleugelen zullen zich over u uitbreiden en u beschermen voor de grimmigheid der boozen! En al volgde u zelfs de vloek van een waren vader na, hij zoude onmachtig afglijden bij het schild, hetwelk de Heer door mij over u uitstrekt. Trek nu in vrede, waarheen de heilige stem des harten u roept. Rein zijt gij van alle schuld; zoo zal ook het gezegende lot der goeden u geworden!”

Met deze woorden wendde hij zich af en ging op de deur der kamer toe. Wankelend volgde hem Bianca; Bernard en Lodewijk ondersteunden en begeleidden haar.

„Stijgt maar spoedig in de slede, mijne heeren,” bad Willhofen, die hen buiten wachtte. „Wij moeten waarlijk voort. Doch dekt u goed, want de nacht is koud. Ik ben dadelijk hier gereed en zet mij dan te paard, om mij warm te rijden.”

Lodewijk volgde den raad van den eerlijken vriend. Hij hielp Bernard bij het instijgen zijner zuster, zette zich als voerman op de slede en nam ten tweedenmale de teugels in handen.

Bianca hield haren broeder, die zich toch door het bloedverlies zeer afgemat en in de snerpende koude ook de pijnen van zijne wond voelde, zacht in hare armen. Jeannette plaatste zich, daar Bernard, om gemakkelijker te zitten, nu meer plaats noodig had, bij Gregorius in de slede.

Willhofen had intusschen de gevangen Franschen verzameld, die zich volgens krijgsrecht in allerijl van de kleederen, levensmiddelen en wapenen voorzien hadden, die in het slot te vinden waren geweest. Hij nam hun aanvoerder, een jong officier, ter zijde en beduidde hem, wat hij te doen had.

„Volg het spoor van de sleden maar,” zeide hij, „dan komt gij tot bij drie groote dennen, nevens welke een wegwijzer staat. Daar gaat gij rechts, wanneer onze sleden zich links wenden. Dan bereikt gij Smolensko in twee uren. De nacht is door de starren en de sneeuw vrij helder, gij zult genoeg zien. De gravin moet gij maar hier op het slot laten, doch neem den graaf als gijzelaar mede, voor het geval gij misschien onderweg een troep Russen mocht ontmoeten. Ik sta u borg, dat zij u geen haar zullen krenken wanneer zijn leven er aan hangt. En volgt gij mijn raad, laat hem dan aan de poorten der vesting vrij; want het is niet goed, de wraak zijner vijanden te erg aan te zetten, en laat gij hem goedschiks naar huis keeren, zoo kan het u misschien nog eenmaal te pas komen. In alle geval echter, haast u het slot te verlaten, want hier zijt gij geen uur zeker voor ongenoodigde gasten. Wilt gij rijden, dan staan er in den stal nog verscheidene paarden, maar het tuig ligt in de sneeuw van de slotgracht achter den ouden muur. Nu, vaarwel!”

Thans sprong de oude te paard en vloog de slotpoort uit. De beide sleden volgden hem. Spoedig na hen verlieten ook de bevrijde gevangenen met Dolgorow als gijzelaar in hun midden in een kleinen, welgeregelden troep het slot.

Nog eenmaal wendde Bianca het hoofd om. Naarmate de torens van het slot verder achter haar verdwenen, haalde zij vrijer adem. Thans, daar het donkere woud haar omgaf, legde zij het hoofd zacht tegen de borst haars broeders en vergoot weemoedig zoete tranen.

TWAALFDE BOEK.

HOOFDSTUK I.

De dag was nog niet aangebroken, toen Rasinski aan de spits zijner weinige getrouwen en te midden der kleine, door het aftrekkende korps van Ney gevormde legerafdeeling de ringmuren van Smolensko verliet. De hemel was somber betrokken, geen star drong door den donkeren wolkensluier; slechts de matte schemering van het sneeuwdek, dat zich over de velden uitbreidde, wierp eenig licht in het diepe duister. In het rond alles stom en zwijgend; alleen het ratelen der weinige kanonnen, die nog te vervoeren waren, en het kletteren der wapenen deden zich door de akelige stilte hooren; de soldaat zelf gaf taal noch teeken van zich, maar waadde stom en in sombere mijmeringen verdiept door de sneeuwwoestijn voort.

Na verloop van een uur had de schaar dezer krijgers, de laatste troepen, die uit het onherbergzame Rusland terugtrokken, een dicht mastbosch bereikt. Plotseling deed zich een dof gekraak uit de verte hooren en tegelijk flikkerde een lichtschijnsel op de toppen der steile dennen. Alles luisterde, want in het eerste oogenblik waande men het gedonder van vijandelijke kanonnen te vernemen.

„Het is niets,” sprak Rasinski tot Jaromir, die naast hem reed; „men laat de torens en muren der vesting in de lucht springen. Het is het oude krijgsrecht, ook den vijand niet te gunnen, wat men zelf niet behouden kan.”

Het akelig dof gedreun hield een tijdlang aan. Thans begon ook de dag aan te breken en de lange trein van krijgers en voertuigen werd langzamerhand zichtbaar. „Houd gij een oog op de manschappen, Jaromir,” sprak Rasinski; „ik ga zien, hoe het met onze arme gekwetsten gesteld is.” Met deze woorden reed hij, de gelederen door, op de wagens toe, waarop men de gewonden, die nog hoop op leven en herstel gaven, medevoerde; de overigen had men aan de menschelijkheid van den vijand moeten overlaten.

Boleslaw, die door een niet gevaarlijk schot in de zijde getroffen was, bevond zich, benevens eenige andere kameraden van het regiment, op een wagen, dien Rasinski's onvermoeide voorzorg hem had weten te verschaffen.

„Nu, hoe gaat het, vrienden?” sprak deze de zijnen aan en drukte Boleslaw de hand.

„Zoo goed het kan,” antwoordde de jongeling, zich met een bleek gelaat en het hoofd tegen de snerpende koude met een zwarten doek omwonden, van zijne plaats oprichtende.—„Hebt gij nog niets van hen vernomen?”

„Alle moeite was vruchteloos,” luidde het somber antwoord; „het onverzadelijke oorlogsmonster, dat reeds zooveel goeden en dapperen verslonden heeft, verlangde ook dezen buit. Waren zij van de onzen geweest, ik zou niet klagen! Zij zijn voor de schoone zaak van het vaderland gevallen, zou ik mij troosten; de krijg was hunne roeping, zij moesten goed en bloed daarbij op het spel zetten, even goed als wij overigen zulks doen. De een valt het donkere lot des doods, den andere het lichte des levens ten deel—wij zijn op beide voorbereid, weten wat ons te wachten staat en mogen niet klagen. Maar onze vrienden! Niet hun hart voerde hen derwaarts. De oorlog, die boven elk ander hoofd een vernielend zwaard zwaait, zou boven het hunne een schild tegen vijandelijke pijlen houden. Ik was het, die hun de gevaarlijke schuilplaats heb aangeboden; doch deze alles verzwelgende draaikolk van ellende en verschrikking heeft nu ook hen naar den afgrond gesleept.—Wij moeten het dragen, Boleslaw; daartoe zijn wij mannen. Al breekt ons het hart, ons stervend oog mag geen versagend hart verraden!”

„Wie weet,” hernam Boleslaw zwaarmoedig, „hoe spoedig wij weder met hen vereenigd zijn.”

„Ik hoop niets meer!” antwoordde Rasinski, die zijne bedoeling niet vatte.

„De dood scheidt vrienden hier niet langen tijd vaneen, wil ik zeggen,” sprak de jongeling en schudde langzaam het hoofd, terwijl hij uit de groote, zwarte oogen een blik, eerst op de jammergestalten om hem heen en vervolgens op den verren gezichteinder wierp, als wilde hij de bezwijkende krachten dezer lijdenden met de onmetelijke afstanden vergelijken, welke zij, eer men de vaderlandsche haardsteden bereikte, nog hadden af te leggen.

„Bedoelt gij het zoo? Ja, dan hebt gij gelijk;—maar zijt gij zoodanig door uwe wonden verzwakt, dat zij u reeds aan den dood doen denken?”

„Neen dat niet; ik voel mij beter. Misschien kan ik binnen eenige dagen wel weder te paard zitten. Nu reeds zou ik in staat zijn, een eindweegs te rijden of te wandelen.”

„Nu, houdt u verder goed!” riep Rasinski, bevreesd dat zijn gevoel hem overmeesteren zoude, en wendde driftig den teugel. „Kinderen, ik zal verder het oog op u houden,” sprak hij, terwijl hij zich tot de overigen wendde, gaf zijn paard de sporen en keerde naar Jaromir terug.

Boleslaw, die bij zijn ernstig, weinig mededeelzaam karakter alles dieper gevoelde, dan hij het uiterlijk placht te kennen te geven, was ook door het verlies van Bernard en Lodewijk ten diepste getroffen geworden. En het was bijna onmogelijk, iets anders dan hun dood te vermoeden; want daar zij moesten vernomen hebben, dat Rasinski eensklaps bevel had ontvangen, om met zijn regiment naar het korps van Ney terug te trekken, hadden zij hem voorzeker òf zoeken in te halen, òf hem ten minste in Smolensko opgewacht. Velen waren nog in die stad aanwezig, die hen op het spoor hadden kunnen brengen, onder anderen de overste Regnard, die met den onderkoning van Italië de vesting eerst verliet, toen Rasinski ze met de zijnen reeds weder was ingerukt. Doch tot niemand hadden zij zich gewend, niemand had het geringste spoor van hen kunnen ontdekken. Waren zij daarentegen voorwaarts getrokken, hadden zij eene gelegenheid gevonden, om langs veiliger wegen hun vaderland te bereiken, dan voorzeker zouden zij gezorgd hebben, dat Regnard en door hem Rasinski daarvan naricht bekomen had. Met zekerheid echter wist niemand iets van hun lot op te geven, en zij werden dus onder het gestadig toenemende getal van dezulken gerangschikt, die dagelijks, zonder eenig spoor na te laten, uit de gelederen hunner kameraden verdwenen.

Rasinski droeg dit verlies met die mannelijke kracht, waardoor hij steeds gewoon was, zich boven de gevoeligste slagen van het lot te verheffen; Jaromir benijdde in zijne innerlijke verbrijzeling hen, die van den last des levens bevrijd waren; Boleslaw gevoelde de diepste smart van broederlijke vriendschap, maar was aan het knagen van verborgen wonden reeds gewoon geworden; zijn kalm gelaat verried weinig.

Zoo gaf hij zich dan ook thans aan stille mijmeringen over en liet zijne blikken over den trein zweven, die zich voor hem in den grauwen morgennevel verloor; de wagens der gekwetsten vormden de achterhoede. Een bijna onmerkbaar opstijgende bergrug doorsneed den weg, maar was op zijne helling met sneeuwijs bedekt, zoodat de vermoeide paarden, niettegenstaande de vloeken en zweepslagen der voerlieden, de onbeduidende hoogte niet konden beklimmen. Zoo moesten de wagens en kanonnen halt houden, en terwijl ruiters en voetvolk voorbijtrokken, bleven zij terug. Intusschen waren de meeste voertuigen toch gelukkig genoeg, dezen hinderpaal te boven te komen en, daar het ijs brak, kostte dit ook minder moeite aan de later nakomenden. Reeds waren de laatste wagens, waartoe Boleslaw mede behoorde, aan de beurt gekomen, toen een van deze, die met vrouwen en pakgoederen beladen was, trots alle inspanning van paarden en geleider in zijn voortgang gestuit werd. De wachtenden vloekten en tierden en drongen er op aan, dat men dit voertuig, dat alle andere ophield, zoude achterlaten. Men zoude het van ter zijde zijn voorbijgereden, doch reeds had men de minst steile punten van den weg uitgezocht, en uit dien hoofde zoude elke poging, om de hoogte op eene andere plaats te bestijgen, oneindig bezwaarlijker geweest zijn. Zoo martelden de twee ellendige paarden zich dan te vergeefs af, om de gladde helling te beklimmen; menschenhanden konden hier ook niet van dienst zijn, want op de wagens bevonden zich slechts krachtelooze zieken en gekwetsten en zelfs de voerlieden behoorden onder dit getal. Eindelijk, ter halver hoogte van den heuvel, zonken de gekwelde rossen uitgeput neder, en daar zij den wagen niet meer konden houden, rolde deze terug en sleepte de paarden mede naar beneden. Een luide angstkreet werd aangeheven, zoowel door hen, die zich op de wagen zelve bevonden, als door de personen, die volgden en door het omlaag rollend voertuig vreesden verpletterd te worden. Echter werden slechts de eersten in gevaar gebracht; want hun span gleed zijdelings af, geraakte met het eene wiel in eene diepe groeve, stiet met het andere op een ijsblok en sloeg krakend om.

Reeds hadden eigen nood en zucht naar zelfbehoud het menschelijk gevoel zoo verstompt, dat de overigen meer vreugde over het uit den weg ruimen van dien hinderpaal voor hun verder voortkomen gevoelden, dan zij medelijden met het lot hunner kameraden en der hulpelooze vrouwen, die op den verbrijzelden wagen gezeten hadden, aan den dag legden. Deze echter hadden zich spoedig van den eersten schrik hersteld en ijlden, hun eigen voertuig onbruikbaar ziende, op de naaste wagens toe, ten einde daarop eene plaats te vinden. Doch zij werden met geweld teruggewezen, daar er werkelijk geen mogelijkheid bestond om hen op te nemen.

Toen Boleslaw gewonde krijgers met verbittering afgewezen en kermende vrouwen met zweepslagen verdreven zag, ging hem die jammer met gloeiende priemen door het hart. „Vrienden,” riep hij, zich oprichtende, „laat uwe kameraden niet in den steek! Oude, kom hier, wij willen u opnemen,” dus wendde hij zich tot een grijzen, zwaar gekwetsten grenadier; „een van ons allen kan van tijd tot tijd te voet gaan.—Ik wil de eerste zijn, die het beproeft.” Met deze woorden reikte hij den ouden krijgsman de hand en hielp hem, terwijl hij zelf afklom, op den wagen.

Dit voorstel werkte; men besloot op elken wagen één gekwetste op te nemen. Echter was het getal der hulpbehoevenden grooter dan dat der wagens, en eene jonge, zorgvuldig in een pelsmantel gewikkelde vrouw, met een ongeveer driejarig kind op den arm, werd overal teruggewezen, terwijl haar beide gezellinnen reeds plaats gevonden hadden.

Zal de moeder om haar kindswil in deze wildernis versmachten? dacht Boleslaw en een koude rilling liep hem over de leden. Doch nog grooter afgrijzen beving hem, toen hij zag, hoe de rampzalige haar kind in de sneeuw slingerde en, van dien last bevrijd, alléén op den wagen vóór hem toesnelde. „Zoo neemt dan mij alleen op,” riep zij op een doordringenden toon van angst; „dan redt gij ten minste nog één leven!”

Deze onnatuurlijke daad eener moeder vervulde echter zelfs de harten der ruwste mannen met schrik en afgrijzen. Boleslaw sprong op het weenende kind toe, dat reeds half in de sneeuw verzonken was, en hief het driftig omhoog. Doch welk een onbeschrijfelijk smartelijk gevoel verscheurde hem de borst, toen hij in het kleine wezen Alisette's pleegdochter en in de in radelooze vertwijfeling om redding smeekende deze zelve herkende. „Almachtige God!” riep hij geheel verpletterd; „dat is Uwe straffende vergelding!”

Door deze daad der ongelukkige was het gevoel des medelijdens in de borst der krijgslieden geheel uitgedoofd. In plaats daarvan verstrekte het hun tot een gruwzame voldoening, deze hemeltergende wandaad op staanden voet te kunnen wreken.

„Breng ons het kind, het arme kind, dat zullen wij redden!” riep een jager van den wagen, dien Alisette vruchteloos trachtte te beklimmen, terwijl hij de rampzalige moeder met harde vuistslagen terug dreef. Boleslaw gaf aan deze uitnoodiging gehoor, bijna zonder te weten, wat hij deed. De jager strekte de armen naar hem uit, hij reikte het kleine wezen over, en de ruwe baardige soldaat nam het op zijn schoot en kuste en troetelde het vriendelijk. Alisette was inmiddels in waanzinnigen angst op den volgenden wagen toegevlogen en zocht daar door kermen en handenwringen het medelijden op te wekken. Maar een diep afgrijzen had zich van alle harten meester gemaakt en een oude grenadier duwde haar ook hier met een donderende stem de woorden toe: „Weg, ravenaas! Loop te voet door de sneeuw!”

„O, heb medelijden met mijne jeugd!” jammerde de verstootene en wierp zich op de knieën in de sneeuw neder.

Thans trad Boleslaw op haar toe, legde de hand op haar schouder en sprak ernstig, maar vriendelijk: „Bedaar, Alisette, draag uw lot met geduld en onderwerping. Gij zijt niet verloren; ik zal u leiden en ondersteunen, zooveel ik kan.”

De ongelukkige, die nog immer op de knieën lag, had hem gedurende deze woorden sprakeloos en met smeekende blikken aangestaard; eerst toen hij uitgesproken had, scheen zij hem te herkennen.

„Hoe?” riep zij met verwrongen wezenstrekken. „O, gij kondt zoo deemoedig om een lied smeeken in mijne goede dagen! En nu wilt gij mij aan een nameloos lijden prijsgeven! Ik zou in deze wildernis omkomen!”

Driftig sprong zij op, stortte wederom op den wagen toe, waar het kind zich sidderend aan de borst des jagers vastklemde, en eer men haar voornemen nog zelfs vermoeden kon, had zij het onschuldige wezen opnieuw aangegrepen, slingerde het andermaal op den grond en riep: „Laat het hier, het weet nog niet hoe schoon het leven, hoe vreeselijk de dood is; redt mij, mij moet gij redden, ik weet, hoe schoon de wereld is, ik heb betere dagen gekend!” Met krampachtige inspanning wilde zij zich nu aan den wagen vastklemmen en scheen zelfs de stooten en slagen niet te achten, waardoor de ruwe vuist des jagers haar trachtte terug te houden. „Weg, weg, giftige adder!” riep deze, in woede ontbrand; „weg slang! wie u opneemt, laadt zich Gods toorn op den hals. De wolven mogen u hier vaneenscheuren, gij, erger dan eene wolvin.”

Tegelijk brak hij met alle inspanning van krachten en door zijne buurman ondersteund de vastgeklemde handen met geweld open en wierp haar van zich, zoodat zij bedwelmd op den harden grond nedertuimelde.

Boleslaw had intusschen het weenende, thans ook door den ruwen val bloedende kind ten tweede male in de armen genomen en gaf het opnieuw aan den ouden soldaat over. Toen hij Alisette als verpletterd, met loshangende haren, ruggelings op den grond zag uitgestrekt, kwam hem hare ellende toch nog grooter voor dan hare waanzinnige misdaad. Hij naderde haar en richtte haar op. Toen zij van hare bedwelming bijkwam en gewaar werd, dat het andermaal Boleslaw was, die haar met mannelijken ernst moed insprak, wierp zij zich buiten zich zelve van angst voor hem neder, omklemde zijn knieën en kermde: „Gij moet mij redden! Gij kunt mij niet aan mijn lot overlaten! Ik laat u niet los, eer gij zweert, mij te redden!”

Zij hield zijne voeten zoo vast omstrikt, dat hij, door zijne wonden verzwakt, niet bij machte was zich los te rukken. Vergeefs riep hij haar toe, dat zij bedaard blijven en opstaan zou: in hare verbijstering hoorde zij niets meer. Intusschen waren de wagens langzamerhand vooruit geraakt; twee hadden de hoogte reeds bestegen, die, waarop Boleslaw zijn plaats had, was alle zwarigheden ook reeds te boven; vier slechts waren nog achter en hielden eenige oogenblikken rust. Het werd hoog tijd, dat zij, die zich uit medelijden hadden aangeboden, om beurtelings een eindweegs te voet te gaan, hun weg voortzetten. Deels om zich bij den officier aan te sluiten, wiens hoogere rang hun onwillekeurig vertrouwen inboezemde, deels ook om van het schrikwekkende tooneel getuigen te zijn, waren vijf of zes dezer krijgslieden Boleslaw genaderd. Daar deze thans door de wanhopige zoo vast omklemd werd, dat hij niet in staat was zich los te scheuren, grepen zij toe, trokken de ongelukkige met geweld van hem af en slingerden haar in de sneeuw terug. „Voorwaarts, heer officier,” riep een jong soldaat, „voorwaarts, anders halen wij de wagens niet meer in. Het vrouwspersoon heeft immers gezonde voeten, zij kan beter voortkomen dan wij; kom, kom!” Dit zeggende greep de jongeling hem bij den arm, terwijl een dragonder hem van achteren voortduwde en zoo sleepte men hem mede. Bij zijne verzwakte krachten had dit akelige tooneel hem zoo hevig geschokt, dat hij zich nauwelijks kon staande houden. Echter wendde hij zich nog eenmaal om en riep aan de radelooze, die in vertwijfeling op de aarde rondkroop, de woorden toe: „Verlies den moed niet, ongelukkige, en draag, wat het lot over u beschikt heeft.”

Doch zij was doof voor deze bemoedigende woorden, die van hare, slechts voor zinnelijke aandoeningen vatbare ziel matigden, geduld en beradenheid vorderden. Wel is waar met innerlijk afgrijzen, maar toch in de waanzinnige verblinding, die de oogen met geweld voor de mogelijkheid van een dreigend onheil toesluit, had zij de jammeren van dezen oorlog van dag tot dag om zich heen zien aangroeien. Dat ze eindelijk ook haar zouden bereiken, deze akelige gedachte had zij altijd zoo verre van zich verwijderd gehouden, dat zij thans nu dat oogenblik daar was, alle kracht miste, om wederstand te bieden. Niets ware nog verloren geweest, wanneer zij in de wezenlijk harde noodzakelijkheid, om zich aan drukkende bezwaren te onderwerpen, niet reeds een onvermijdelijken ondergang gezien had. Zoo richtte zij zich zelve te gronde; de vreeselijke Nemesis eener onzedelijke gezindheid, die van het leven slechts genot verlangde en ook dat alleen met alle krachten en alle middelen had nagejaagd, trof thans haar hoofd met verpletterende zwaarte. Op dagen van lijden en tegenspoed was zij niet voorbereid; hier ontzonken haar de krachten, zij had slechts tranen en klaagtonen, die door het hart sneden. „Hulp, erbarmen, redding!” kermde zij en wrong de handen, doch zij miste de kracht, om tot het besluit te komen zelve iets tot die redding bij te dragen. Eerst toen de laatste wagen zich nu ook in beweging zette, de paarden onder wild geroep en klemmende zweepslagen de hoogte naderden en het denkbeeld, dat zij nu geheel verlaten was, haar met helschen angst vervulde, toen eerst richtte zij zich op en ijlde radeloos, met loshangende haren de van daar trekkenden na. In hare razernij wilde zij zich aan den laatsten wagen vastklemmen; maar de soldaten, die reeds vreesden, dat hunne paarden bezwijken zouden, dreven haar met sabels en bajonetten terug en brachten haar diepe, bloedige wonden toe. Door doodsangst gedreven, omvatte zij thans een der, door de koude en op de gladde ijsbaan vastgeraakte achterraderen en liet zich mede voortslepen; doch daar deze last de reeds uitgeputte dieren nog meer vermoeide, kreeg een kurassier zijn pistool te voorschijn en dreigde vuur te geven, wanneer zij niet losliet. Door den onverhoedschen schrik verlamd, zonken hare handen machteloos neder en kermende en krimpende bleef zij op de plaats liggen. Zoo zag haar Boleslaw, toen hij den laatsten blik terugwierp; hij was met zich in tweestrijd, of hij nog eenmaal zoude omkeeren, doch zijne kameraden trokken hem met geweld voort en zijn jonge geleider riep uit: „Laat haar, laat haar! De moeder die haar kind wilde ombrengen, mag men niet aanraken, anders laadt men den vloek des hemels op zich. Laat haar, het is de welverdiende straf, die haar treft.”

Weldra vernam Boleslaw nog slechts eenige hartverscheurende jammerkreten; doch ook deze werden allengs flauwer en flauwer en stierven eindelijk geheel weg in het gebulder van den storm, die zich met onstuimige woede over de vlakte verhief en de glinsterende sneeuw in dichte dwarrelingen deed opstuiven.

HOOFDSTUK II.

Bij Korithnia werd het leger door den nacht overvallen; men betrok het bivak of zocht tusschen de bouwvallen van het ellendige dorpje eene plaats te vinden. Rasinski had, als gewoonlijk, door zijne onvermoeide zorg, door zijn aanzien en zijne behendigheid nog zooveel voor de zijnen gewonnen, dat zij in vergelijking met anderen een gelukkig lot troffen. Maar nauwelijks hadden zij de vermoeide leden om de legervuren uitgestrekt, of een donderend gekraak deed zich in de nabijheid hooren en eene hagelbui van kogels suisde boven hunne hoofden door de lucht.

„Wij worden aangevallen,” riep Rasinski en sprong haastig op; „te wapen, spoedig te paard!”

In hetzelfde oogenblik zat hij zelf in den zadel en begon zijne manschappen reeds te ordenen, toen de maarschalk Ney in vollen galop kwam aanrennen en hem toeriep:

„Overste, verken met uw volk de linkerflank des legers en breng mij dadelijk bericht, wanneer gij op den vijand stoot.”

De maarschalk rende verder de legerplaats op en ordende en regelde de verschrikte soldaten. Rasinski, aan de spits zijner kleine, doch moedige schaar, trok in de duisternis voort, ten einde den vijand op te zoeken, die zich zoo vreeselijk had aangekondigd. Het bevreemdde hem wel eenigszins, dat diens artillerie slechts één salvo had gegeven en nu zoo plotseling zweeg, doch de gevechten op dezen terugtocht, die meestal bij nacht, in bosschen en op ongebaande sneeuwvelden geleverd werden, waren zoo rijk aan zeldzame voorvallen en ontmoetingen, dat men bijna elken dag iets zag gebeuren, dat tot hiertoe in de geschiedenis der krijgvoering ongehoord was.

Eene dicht aan de legerplaats grenzende hoogte bereikende, meende Rasinski op den witten sneeuwgrond eenige zwarte massa's gewaar te worden. „Is dat struikgewas of zijn het troepen?” vroeg hij Jaromir.

„Nog laat zich niets onderscheiden,” antwoordde deze.

„Er op los dan, in Gods naam,” beval Rasinski en reed vooruit. Spoedig echter helde de grond naar eene diepte af, langs welker steilen rand men niet kon afdalen; men moest dus den loop van dezen volgen. Daar stoven plotseling vijftien tot twintig kozakken als opgejaagde vogels uit eene kromming der kloof te voorschijn en beklauterden met hunne kleine vlugge paarden de minder steile hoogte aan de overzijde. Meer om hen te verschrikken, dan wijl men hun schade kon toebrengen, liet Rasinski vuur geven; vliegend renden zij over de vlakte voort en verdwenen in het duister. Eenige minuten later geraakten ook de zwarte massa's op het sneeuwveld in beweging en men vermoedde hieruit, dat het eene grootere afdeeling der kozakken was, die op het bericht, dat de kleine verstrooide bende van de aannadering des vijands overbracht, terugtrok.

Met behoedzaamheid deed Rasinski de zijnen thans op eene minder steile plaats afdalen. Hier ontdekte men spoedig de oorzaak van het gedruisch, dat men voor een aanval der artillerie had gehouden. Men vond namelijk een aantal kanonnen en veldstukken, die vernageld en bij gebrek van middelen tot vervoer hier achtergelaten waren. Een weinig verder werd men de overblijfsels van verbrijzelde proviandwagens en kruitkarren gewaar. Waarschijnlijk hadden de zoo even gevluchte kozakken verscheidene dezer voertuigen in de lucht doen springen en waren ze in hun voornemen, om ook de overige te vernielen, slechts door Rasinski's komst gestoord geworden.

Deze laatste was verheugd, de ware oorzaak van het alarm te hebben opgespoord, en wilde derhalve in allerijl met zijne manschappen terugkeeren, ten einde den maarschalk hiervan bericht te brengen. Toen hij echter door den hollen weg voortreed, zag hij boven op de hoogte, ongeveer dertig schreden voor zich uit, een man in vollen loop voortijlen. Vermoedende, dat het een Rus zijn zou, riep hij hem in de volkstaal aan en beval hem, te staan. De vluchteling scheen eene poos besluiteloos, doch vervolgde weldra zijn loop met verdubbelde snelheid. Daar echter de hoogte hier niet steil was, hadden Rasinski en Jaromir die spoedig beklauterd, en twee ruiters volgden hen, ten einde den Rus, die wellicht van de nabijheid des vijands belangrijke narichten kon geven, het ontkomen onmogelijk te maken. Deze liep wat hij kon, doch na weinige schreden zonk hij uitgeput in de diepe sneeuw neder en werd door zijne vervolgers gegrepen. Tot Rasinski's niet geringe verwondering riep de gevangene, terwijl hij zich overgaf, in het fransch uit: „Is er iemand onder u, die fransch spreekt?”

„Bij den hemel, die stem heb ik meer gehoord,” antwoordde Rasinski in dezelfde taal; „wie zijt gij?”

„Rasinski, gij zelf? Is het mogelijk?” riep de gevangene en strekte jubelend de armen naar hem uit. „Ik ben Regnard, herkent gij mij niet?”

„Regnard! In 's hemels naam, hoe komt gij hier?” vroeg Rasinski met verbazing.

„De historie is kort en bondig, maar stichtelijk is zij niet,” hervatte Regnard; „gij zult ze uitvoeriger vernemen, dan u lief is; doch ik raad u, hier niet te vertoeven, maar eene veiliger plaats op te zoeken. In vertrouwen gezegd, er zijn meer Russen hier in de nabijheid, dan boomen in deze dennenbosschen. Maar hoe komt gij hier?”

„Met Maarschalk Ney uit Smolensko; ons nachtkwartier is nauwelijks vijfhonderd schreden van hier.”

„Laten wij het dan zoo spoedig mogelijk trachten te bereiken. Onder het gaan zal ik u alles vertellen.”

Jaromir bood den overste zijn paard aan, doch deze wees het van de hand en stapte tusschen hem en Rasinski driftig voort.

„Gij weet,” dus begon hij, „dat ik met den onderkoning van Italië Smolensko uittrok. Gisteren werden wij drie uren van hier door de Russen aangegrepen en ik geraakte gevangen. De kozakken zweepten mij met den knoet voor zich uit, tot ik een russischen generaal aantrof, dien ik in het Fransch toeriep, dat hij mij van deze schandelijke mishandeling bevrijden zoude. De hond lachte mij in mijn gezicht uit en was van oordeel, dat de knoet der kozakken naar stand of rang van een soldaat niet behoefde te vragen; ik moest mij maar geduldig in mijn lot schikken.”

Rasinski knarste van woede op de tanden. „Die beulshonden!” riep hij grimmig uit; „doch ja, zij, die zelven met zweepslagen en voetschoppen moeten geregeerd worden, kunnen ook de eer van een dapper vijand niet ontzien. Verder, verder!”

„Men zou mij wel gaarne uit den weg geruimd hebben, naar Tobolsk of Irkutsk, maar gelukkig of ongelukkig had men te weinig gevangenen gemaakt, om een transport aan te vullen, en ik werd dus door de kozakken meê rondgesleept. Voor tien minuten heeft een dozijn dier kerels hier eene, door ons in den steek gelaten batterij in de lucht doen springen; zij moeten echter door u of anderen zijn gestoord geworden, althans de helden kwamen, wat hunne kleine katten door de sneeuw loopen konden, bij de pulk, dat daar in het bosch gelegerd is, terug, en meldden, dat de vijand in vollen aantocht was. De kozak is echter slechts dapper tegen een vluchtenden, vermoeiden, weerloozen vijand. Laat men hem de tanden zien, dan zet hij het op een loopen. Dat deden ook de schurken daarboven, en zoo maakte ik van het oogenblik van verwarring gebruik, om een heenkomen te zoeken. Daar viel ik in uwe handen! Nu, uw gevangene blijf ik, Rasinski; gij behoeft niet te vreezen, dat ik u ontsnappen zal.”

„Maar gij spreekt daar van een gevecht, dat de onderkoning heeft moeten leveren. Hoe is het daarmede toegegaan?” vroeg Rasinski bekommerd.

„Ik reed,” vervolgde Regnard meer ernstig, „aan de zijde van den prins; wij gaven ons aan onze sombere gedachten over, die door de akelige wildernis om ons heen gedurig nieuw voedsel bekwamen. Ongeveer twee uren van Krasnoe kwam er eensklaps eene ongewone beweging onder de verstrooide, maar talrijke soldaten, die buiten rij en gelid, aan hunne eigene willekeur overgelaten, om ons heen marcheerden. Zij pakten zich opeen, vormden een klomp. Thans werden wij opmerkzaam. Daar zijn de hoogten voor ons plotseling met zwarte massa's gekroond en met schrik zien wij overmachtige strijdkrachten tusschen ons en het vaderland oprijzen, die ons den uitweg uit de sneeuwwoestijnen van Rusland met ijzeren deuren dreigen te versperren. Doch wat elk soldatenhart nog heviger ontroeren moest, deze onbeklimbare muur stapelt zich tusschen ons en onzen grooten keizer, voor den vice-koning tusschen vader en zoon op. Thans eerst ontwaren wij, dat de sneller tred onzer paarden ons korps wel omstreeks een uur achter ons heeft doen blijven, dat de weg slechts van uitgeteerde, krachtelooze, ongewapende vluchtelingen wemelt. Op hetzelfde oogenblik komt een russisch officier aanrennen en eischt, dat wij ons overgeven. Twintig duizend Russen sluiten u den weg, roept hij, vijftig kanonnen staan gereed u te verpletteren; de keizer met zijne garde is volkomen geslagen en wellicht op dit oogenblik reeds in onze handen.—Ik bespeur, dat gramschap en woede den onderkoning in zijne spraak belemmeren en hem beletten, dadelijk te antwoorden. Driftig neem ik voor hem het woord op: „Weg met u! Hebt gij twintig duizend man, wij hebben er tachtig duizend. Een fransch veldheer geeft zich niet vóór den slag over.” De Rus rijdt terug. Binnen twee minuten zijn de heuvels voor en ter zijde met batterijen beplant. Het bliksemt en eene dichte rookwolk stijgt boven de witte sneeuw op, alsof de muilen van den ijzigen Hekla om ons gaapten; een hagel van kartetsen en granaten klettert op ons neder. De ongewapende vluchtelingen pakten zich opeen, als eene schuwe kudde, die door den wolf bedreigd wordt. De onderkoning is buiten zich zelf over de verwijdering van zijn korps; hij beseft, dat hij zich aan de spits moet stellen, en toch kan hij niet besluiten, de hulpelooze schaar aan haar lot over te laten.

„De chef van zijn staf, generaal Guilleminot, drong er echter op aan dat hij zou terugkeeren, terwijl wij de onthutste manschappen bijeenverzamelden en tot tegenstand aanmoedigden. Onder de verstrooiden waren eene menigte officieren, oversten, ja zelfs generaals, die allen te voet gingen. Dezen nemen het commando over de in een oogenblik tijds gevormde compagnieën op zich. De generaal wordt kapitein, de overste luitenant, deze laatste treedt als soldaat in het gelid. Ieder behelpt zich met het wapen, dat hij bewaard heeft; slechts weinigen hebben geweren, de meesten alleen de sabel, die zij op het bivak tot houtkloven gebruikten, velen enkel den knuppel, waarop zij nog voor eenige minuten hun afgemarteld lichaam moesten voortsleepen. Maar de moed en het ontvlamde gevoel van eer vergoedden alles. Zoo rukten wij, terwijl de onderkoning terugsnelt, onverschrokken tegen den vijand op.

„Een uur lang staan wij het vuur zijner kartetsen kloekmoedig door; te vergeefs wachten wij op den onderkoning, die zich tot ons doorslaan en tot Krasnoe baan breken zoude. Hij moest eveneens door een machtigen vijand zijn aangegrepen, want wij hoorden achter en in de verte vóór ons het gedonder der kanonnen. Van Smolensko tot Krasnoe scheen de weg één slagveld te zijn. Eindelijk, daar wij voor ons uit geen redding meer zien, besluiten wij, om te keeren en tot den onderkoning door te breken, van wien dichte colonnes ons reeds begonnen af te snijden. Wij rotten in massa samen en dringen terug, weder dieper de wildernis van oud-Rusland in. De tot dicht aan den grooten weg opgerukte vijand schijnt aanvankelijk onze bedoeling niet te begrijpen; hij deinst en laat ons een eindweegs voortrukken; daar wij zijne linie voorbijsnellen, eischt hij, dat wij ons aan hem overgeven. Wij hooren niet; zij, die ons naderen, ontvangen slechts geweerschoten en sabelhouwen ten antwoord. Nu breekt zijne woede in dolle onstuimigheid los. Op hetzelfde oogenblik geven tienduizend geweren en dertig mortieren vuur op ons, en de helft onzer dapperen ligt verpletterd op de bloedige sneeuw neergestrekt. De overigen echter rukken onophoudelijk, gesloten voorwaarts; geen blik wenkt den gevallenen kameraden vaarwel toe. De vuurmonden des vijands spelen rusteloos achter ons voort; zijne kogels maaien gansche gelederen weg. Echter is een kleine schaar eindelijk gelukkig genoeg de vrienden te bereiken, die hen met open armen ontvangen. Ook ik meende het gevaar reeds ontworsteld te zijn, toen de duivel ons een pak kozakken op het lijf zendt, die thans eerst wagen nader te komen, om de verstrooide achterblijvers gevangen te nemen. Zoo geraakte ook ik in hunne klauwen—het overige weet gij.”

„Wij verheugen ons, het van u zelf gehoord te hebben,” sprak Rasinski en reikte hem de hand. „Maar de onderkoning? Weet gij iets van zijn lot?”

„Zeker, zeker, Rasinski; ware hij verongelukt, ik zou niet van mij zelf het eerst gesproken hebben. Hij vocht den ganschen dag als een leeuw—nu, gij zult er wellicht de sporen van zien. Eindelijk nam hem de duisternis in hare bescherming. Hetzij dat de Russen hem heden ontzien wilden, want, bij God! wij verkochten ons leven duur genoeg, hetzij dat zij hunne overwinning volkomen zeker achtten, althans zij deden geen beslissenden aanval, om de zaak ten einde te brengen, maar zorgden slechts, alle stellingen en uitgangen bezet te houden. Maar tegen den morgen was het nest toch ledig en de zon ging juist tijdig genoeg op, om den Russen te toonen, hoe de dappere schaar, reeds buiten de mogelijkheid van achterhaald te worden, op Krasnoe aantrok. Ik zelf zag hunne bajonetten in de morgenzon flikkeren en—spot er mede, zooveel gij wilt—maar waarachtig, ik deed een dankgebed, zooals ik er sinds mijne kinderjaren geen gedaan heb.”

„Doch hoe was die marsch mogelijk?” vroegen Rasinski en Jaromir als uit één mond.

„Ditmaal zijn wij aan u, brave Polen, onze redding verschuldigd,” antwoordde Regnard met aandoening; „en als Frankrijk een goed geheugen heeft, dan zal het zich zoolang er Franschen en Polen bestaan, met dankbaarheid herinneren, dat het aan u het behoud van een gansch armeekorps te danken heeft en bovendien het leven van den dappersten en menschelijksten veldheer, die immer fransche soldaten heeft aangevoerd.”

Rasinski was tot het uiterste gespannen.

„Zoo luistert! En het is de waarheid, want een stervende landsman, die helaas slechts den halven weg ter redding kon afleggen, heeft het mij verhaald. Het was nacht geworden. De onderkoning achtte zich verloren. Echter wilde hij nog eene wanhopige poging wagen, om aan den vijand te ontsnappen. Daar deze, door des prinsen bewegingen daartoe genoopt, zijn grootste macht op de linkerzijde van den weg had bijeengetrokken, besloot de veldheer hem op zijn linkervleugel, rechts van den weg namelijk, voorbij te sluipen. Met de grootste behoedzaamheid breekt hij midden in den nacht op, doch laat zijne vuren branden. Met ingehouden adem en bedachtzamen tred trekt hij midden over de sneeuwvelden langs de lange russische linie voort. Daar komt de maan, alsof alle krachten der natuur ons in dit land vijandig gezind waren, geheel onverhoeds van achter dichte, zwarte wolken te voorschijn en werpt een helder licht op de breede vlakte. De onzen zien de Russen zoo duidelijk voor zich, dat ook deze hen zoo klaar als op helder lichten dag bemerken moeten. Den dappersten zelfs ontzinkt hier den moed. Een russische schildwacht bespeurt onraad en roept aan. En thans was Frankrijks edelste veldheer, thans waren de dapperste soldaten onherroepelijk verloren geweest, wanneer niet een Pool hen gered had. Overste Kliski....”

„Ha, wakkere landsman!” viel Rasinski, die den samenhang reeds vermoedde, den verhaler met fonkelende oogen in de rede.

„Overste Kliski springt, zonder zich een oogenblik te bezinnen, uit de gelederen te voorschijn en roept den rus met eene gesmoorde stem toe: „Waanzinnige! Zult gij zwijgen! Ziet gij dan niet, dat wij van Ouwarows korps zijn en den vijand in den rug willen vallen?”

„De soldaat, in zijne volkstaal aangesproken, staat aan den grond genageld. Verscheidenen zijner kameraden, ook eenige officieren, die deze woorden mede hadden aangehoord, treden nader en wenschen een goeden avond. Kliski houdt stil, spreekt hen vriendschappelijk toe, verzoekt hun de kozakken tegen te houden, wijl hij vreest, dat deze voorbarigheid nadeelig zou kunnen worden, en wacht zoo, midden onder zijne vijanden, tot hij ziet, dat de onzen op den goeden weg zijn. Thans rent hij zijne makkers na, en binnen het uur zijn allen in veiligheid.”

In Rasinski's oogen parelden mannelijke vreugdetranen, toen hem de daad van zijn landsman verhaald werd. „Brave Kliski,” herhaalde hij nogmaals, „Polen moge altijd trotsch op u zijn. Uw naam zal onder ons in gezegend aandenken blijven!”

„Ja, Frankrijk is u oneindig veel verschuldigd, u Polen,” vervolgde Regnard; „~en het ware diep verachtelijk, indien het zulks niet eeuwig erkennen en u vergelden wilde, wanneer zich de gelegenheid daartoe aanbiedt~.”

„Van wien hebt gij uw bericht?” vroeg Rasinski.

„Van kapitein Lebrun van het veertigste regiment; een brave jongen, wien ik een beter lot had toegewenscht.”

„Ik ken hem,” sprak Jaromir niet zonder aandoening, „in Moskou hadden wij hetzelfde kwartier en deden den eersten avond nog te zamen eene wandeling.—En hij is gevallen?”

„Des morgens reeds had hij eene wonde bekomen,” hernam Regnard met merkbare ontroering; „maar hij spande nog alle krachten in, om het op den reddingsmarsch uit te houden. Het leger was reeds in zekerheid, toen zijne krachten hem begaven; hij bleef achter en werd door de rondzwervende kozakken gevangen genomen. Het toeval deed ons elkander ontmoeten; hij verhaalde mij, wat er gebeurd was. De beestachtige behandeling, die hij ondergaan moest—want te eten gegeven heeft men ons ook niet—het bloedverlies—kortom, het werd hem te zwaar. Nu ligt hij gerust op de koude sneeuw, en duizenden met hem. Eén meer of minder—wien raakt dat! Maar—het was toch een brave jongen!”

Hoezeer Regnard ook moeite deed, den drogen, korten toon zijner gewone wijze van spreken te behouden, zoo konden toch zij, die hem meer van nabij kenden, uit het beven zijner stem de ontroering opmaken, door welke hij tot diep in zijn binnenste geschokt werd. De laatste dagen trouwens waren dan ook bij uitnemendheid geschikt, om den ruwsten man het hart week te maken, den ongevoeligsten soldaat het vocht in de oogen te drijven.

Inmiddels had men het bivak weder bereikt; Jaromir was in somber gepeins verdiept, want de herinnering aan Lebrun riep hem alle voorvallen van den dag, die zoo noodlottig voor hem werd, met vernieuwde levendigheid voor den geest terug. Zelfs de afgrijselijke tooneelen van jammer en ellende, door welke hij zich dagelijks omringd zag, hadden slechts bleeke verven tegen die beelden der gloeiende herinnering. Zoo is elk lijden en elk geluk van den mensch in het diepste zijner ziel gegrond, en geen uiterlijk voorval prent zich zoo diep in zijne borst, als de smart en vreugde, waarvan hij zelf de oorzaak is.—Van Alisette's lot was hem intusschen nog niets bekend, daar Boleslaw, die vermoeden kon, hoe hevig het bericht daarvan hem schokken moest, het gebeurde zorgvuldig had verzwegen.

Rasinski en Regnard begaven zich naar den maarschalk Ney, die met de uiterste belangstelling de berichten aanhoorde, welke de laatste hem aangaande de gebeurtenissen van den vorigen dag kon mededeelen. Hij deed nauwkeurig onderzoek naar de sterkte en het vermoedelijk opzet van den vijand; de antwoorden konden niet geruststellend uitvallen.

„Ik zie een heeten dag tegemoet, maar hij zal een dag der eere zijn,” sprak hij op een bedaarden, vasten toon; „doch laat ons den soldaat heden nog rust gunnen; morgen zal hij tijdig genoeg gewaar worden, dat wij niet slechts alle verschrikkingen der natuur, maar ook een overmachtigen vijand te bestrijden hebben. Ik hoop, dat wij over beide zullen zegepralen. Twee uren na middernacht breken wij op.”

De beide oversten verwijderden zich; aan het wachtvuur vonden zij Boleslaw en Jaromir, de eenige officieren, die van het regiment nog in leven waren. Regnard vroeg naar Lodewijk en Bernard. Een sombere blik van Rasinski liet hem niet aan hun lot twijfelen. „Dus ook dood!” zuchtte hij en schudde het hoofd. „Deze met ijs ompantserde grond is bloeddorstiger dan een vampyr!”

Den overste berichtende, wat van het lot der beide verlorenen was bekend geworden, trachtte Jaromir hun behoud nog als niet geheel onmogelijk te doen voorkomen; doch Rasinski, vroeger nog altijd vol moed en vertrouwen, waar anderen ze reeds lang verloren hadden, schudde ongeloovig het hoofd. „Hier hoop ik niets meer,” sprak hij; „daarom vrees ik ook dáár,”—hij wees met de hand de richting aan, welke het leger nemen moest,—„wat mij zelf betreft, het ergste niet. Zoo komt alles weder te recht.”

„Mij ligt nog eene andere zorg op het hart,” dus nam Regnard na eenig zwijgen het woord op. „Mijn jonge vriend dáár zal mij vergeven, zoo ik hierdoor wellicht oude, verdrietelijke herinneringen bij hem opwek; maar de ijzeren tijd dien wij thans beleven, heeft immers de lichte sporen van vorige, achteloos doorleefde dagen genoegzaam uitgewischt, om alles, wat vandaar komt, in de zee der vergetelheid te doen verzinken. Weet niemand uwer, wat van Alisette geworden is?”

Jaromir staarde somber voor zich uit en wikkelde zich dieper in zijn mantel. Boleslaw scheen in tweestrijd, wat te antwoorden.

„Ik had mij,” vervolgde Regnard, die in dit opzicht met de, den meeste mannen eigene lichtzinnigheid over het onzedelijke zijner betrekking tot het meisje dacht en dus niet schroomde, rondborstig voor alles uit te komen, „ik had mij sinds dat voorval te Moskou van haar gescheiden. Dat zij lichtzinnig was, wist ik vroeger reeds, doch op zulk eene wijze kon ik niet vermoeden. Het ontbinden van onze betrekking zal waarschijnlijk ook haar zelve niet onaangenaam geweest zijn. Thans echter stel ik toch belang in haar lot en nog meer in dat van ons kind. Immers, waarom zou ik ontkennen, dat ik de vader ben? Ik zal het nimmer loochenen. Nu reeds zou ik Alisette van de zorg voor dat kind ontheven hebben—want het arme wicht moet eene andere opvoeding ontvangen, dan de moeder het geven kan—wanneer het niet, zoolang de veldtocht duurt, bij haar het veiligst geweest was. Een vrouwelijke verzorgster had het toch noodig, en zoo was de moeder immers de naaste. Ik voorzag haar dus in Moskou van wagen en paarden en gaf haar overvloedig reisgeld. Thans echter wordt dit alles geheel ontoereikend; sedert de eerste dagen van onzen afmarsch heb ik niet het geringste van haar vernomen; hoe licht kan haar eenig ongeluk zijn overkomen. In mijne gevangenschap daar ginder had ik zoo mijne eigene gedachten, die men, helaas! vóór het mes op de keel staat, vooraf hier in dit krijgsgewoel, maar al te licht van zich afzet. Thans zal het mijne eerste zorg zijn, naar haar en het kind onderzoek te doen; want ik ben daarvoor verantwoordelijk, daar het op mijn aanhouden was, dat zij mij naar Rusland volgde; gij, mijne vrienden, zult mij voorzeker daarin behulpzaam zijn.”

Boleslaw zweeg in pijnlijke verlegenheid, want hij gevoelde diep, hoe hevig het vernemen der waarheid Jaromir ontroeren moest; doch het kind leefde, was zelfs in de nabijheid, en dit mocht voor den vader, die de zorg voor het schepseltje op zich wilde nemen, geen oogenblik verzwegen worden. Het was hem derhalve hoogst welkom, dat Jaromir, dien het gehoorde en de daardoor opgewekte herinneringen de tranen in de oogen joegen, opstond en met haastige schreden de plaats verliet.

„Hm! dat doet mij leed,” sprak Regnard, die de oorzaak giste; „ik kan evenwel niet begrijpen, hoe een man zoo weekhartig kan zijn.”

„Laten wij ons verheugen, overste,” hiermeê nam Boleslaw het woord op, „dat wij alleen zijn. Ik kan u helaas! met het lot der ongelukkige bekend maken.”

Hij verhaalde hierop het voorval, waarvan hij dezen morgen getuige geweest was, en dat hem thans eerst, nu hij vernomen had, dat Alisette werkelijk de moeder van het schuldelooze wezen was, met het diepste afgrijzen van deze aan waanzin grenzende ontaarding vervulde. Slechts de bedwelming, waarin de vreeselijkste ellende een gemoed moest doen wegzinken, dat nooit gewoon was, zich tot iets hoogers dan het aardsche te verheffen, gaf hem eenige verklaring en verontschuldiging van deze wandaad.

„Het monster!” riep Regnard met gloeiende verontwaardiging. „Maar waar is het kind; is het gered? Zeg mij alles!”

„Wij zullen het weinige schreden van hier in een gerusten slaap vinden,” antwoordde Boleslaw; „ik wil u derwaarts brengen.”

Hij geleidde hem naar het bivak, waar de gewonde jager, die de zorg voor het kind met de zieke weduwe eens tamboers deelde, gelegerd was. De oude soldaat stond eerbiedig op, toen hij de overste zag naderen.

„Kameraad,” stamelde deze in de hevigste gemoedsbeweging, „meer dan mijn leven ben ik u schuldig, want gij hebt mijn kind gered.”

„Zooveel had de moeder er niet voor gegeven!” antwoordde de jager. „Maar nu is het kostelijk verzorgd, heer overste! Zie hier slechts, het ligt daar en slaapt als eene kleine prinses.”

Zorgvuldig in hooi en mos gepakt, lag het in eene soort van mand, die met een lichten doek overdekt was; de weduwe van den bij Wiasma gesneuvelden tamboer zat er naast. Met diepe ontroering staarde Regnard de kleine aan en kuste haar behoedzaam op het heldere voorhoofd. Hierop wendde hij zich tot de vrouw en den jager. „Vrienden, voert God ons naar Frankrijk terug, dan kunt gij op mijne warmste dankbaarheid staat maken; ik zal vergelden, wat in mijn vermogen is. Thans ben ik arm en bloot als gij, want de Russen hebben mij uitgeplunderd. Maar houdt u aan mij; gezamenlijk zullen wij de zorg voor den kleinen engel op ons nemen. Voor het oogenblik kan ik u echter niets anders aanbieden, dan dezen dankbaren handslag.”

„Waarachtig, dat is ook het beste, heer overste,” riep de jager en sloeg duchtig toe. „Zulk eene hand, waarop men zich verlaten kan, is thans meer waard dan bergen gouds. Niet waar, gij trekt mij toch uit de sneeuw, als ik ergens blijf steken? In de laatste dagen heb ik menigeen gekend, die nog leven zou, zoo zijn kameraad niet te moe en te vertwijfeld geweest ware, om drie minuten bij hem achter te blijven en hem uit een sneeuwkuil te trekken, waarin men zich als kind honderdmaal op een dag zou hebben laten neertuimelen, om er even spoedig weer uit te springen. Op zulk eene hand, heer overste, daar rekenen wij op.—Maar goud? dat is hier niet bijster in trek. Toen wij voor vier dagen Smolensko binnentrokken, zat een kanonnier voor de poort met een klomp klinkklaar zilver, zoo groot als een kinderhoofd, en denkt gij, dat iemand er hem een brood en een flesch brandewijn voor geven wilde? Hij was blij genoeg, toen een Italiaan er hem een brokje brood zoo groot als mijne hand, en een kleinen slok uit zijne veldflesch voor aanbood, dingen met elkaar nog geen sou waard. Ja, zoo veranderen de tijden, mijn kolonel; maar een fransch soldatenhart verandert nooit. Zoo denk ik er over, heer overste! Top ik sla toe! Hand tegen hand! Met mijne wonden, hoop ik, zal het dra beter gaan, en dan kunnen wij elkander wellicht nog uit den nood helpen.”

De oude zou misschien nog een uur hebben voortgesnapt, ware Regnard hem niet in de rede gevallen met de vraag, hoe hij heette en bij welk regiment hij stond; iets dat zich onmogelijk liet gissen, daar de uniformteekens bijna geheel onkenbaar waren geworden en menig vreemd kleedingstuk de soldatendracht avontuurlijk genoeg veranderd had.

„En gij blijft met de goede vrouw daar op één wagen?” vroeg Regnard verder.

„Ja zeker; zoo lang onze paarden loopen willen. Is echter het voeder nergens beter dan hier, zoo zal dat niet lang meer wezen.”

„En gij heet?”

„Jacques Desiré Pallier, heer overste! en zij is de weduwe René.”

„Goed, Pallier! Goed, madame René! Wij vinden elkander weder.—Voor heden goeden nacht, en zorgt toch, dat onze kleine warm blijft.”

Zij keerden naar het bivak terug, waar hunne vermoeidheid hen spoedig den slaap deed vinden.

HOOFDSTUK III.

Een bleek maanlicht viel door grijze wolken, de wind streek met dof gesuis over de woudtoppen en sneeuwsteppen heen, toen de krijgslieden opnieuw opbraken. Geen trom of horen verried den afmarsch. In diepe stilte, zoo luidde het bevel, maakte men zich tot den moeielijken tocht gereed. Regnard had van den maarschalk een paard ontvangen en bleef als adjudant in zijne nabijheid. Daar men een aanval te gemoet zag, marcheerde Rasinski met de zijnen aan de spits en nam de grootste behoedzaamheid in acht.

De maarschalk was in den beginne overal tegenwoordig, waar het oogenblik zijn bijzijn vereischte; nadat de trein door zijn ontzag zooveel mogelijk geordend was, geloofde hij zich naar die plaats te moeten begeven, waar men den aanval des vijands het eerst verwachten moest.

Intusschen legde men verscheiden uren door de diepe sneeuw af, zonder op eenige wijze verontrust te worden. De koude was in de laatste dagen eenigszins minder geworden, zoodat men door haar niet meer zooveel te lijden had; het scheen zelfs, dat men dooiweder verwachten kon.—De hemel, hier en daar met dunne wolken bezet, voorspelde voor het oogenblik geen nieuwe sneeuwvlagen.—Thans begon de zon in den rug van het leger de lucht te kleuren en eene matte schemering breidde zich over het doode landschap uit. Men was er reeds aan gewoon geworden, in elke diepte, in elke maar eenigszins steile kloof weggeworpen wapens, ransels, helmen, geweren, dikwijls ook kanonnen en proviandwagens te vinden, en niet zelden lagen enkele, door verzwakking of honger ontzielde soldaten daarnaast uitgestrekt. Hier echter hoopten zich deze teekenen eener vreeselijke vernieling en verstrooiing der geregelde legermassa's op eene ontzettende wijze opeen. Hoe akelig de nacht met zijn alles omhullenden sluier ook mocht geweest zijn, de dag, die aanbrak, dreigde nog schrikverwekkender te zullen worden.

Eensklaps werd de oostelijke hemel geheel ontwolkt en de juist boven den gezichteinder oprijzende zon stond donkerrood achter het leger en wierp hare stralen als een langen bloedigen stroom over de besneeuwde vlakte. De schaduwen van menschen en paarden rekten zich als zwarte reuzenbeelden tot eene onmetelijke lengte uit en kruisten elkander in duizendvoudige verwarring. Zonderling verrast wierp elk een blik terug. Sedert langer dan een week had men het gelaat der zon niet gezien, heden vertoonde het zich weder voor het eerst; maar het liefelijk beeld, dat anders veerkracht en vreugde zelfs in de borst der versaagdsten uitstort, verwekte thans slechts schrik en huivering.

Als een gloeiend oog toch stond het daar, onder de wenkbrauw van dreigend saamgepakte wolken, en het scheen zijn zwarten sluier slechts te hebben weggeschoven, om met een vreeselijker blik op het tooneel van dood en verderf, hetwelk de aarde aanbood, neder te zien.

„Zoo ging de zon bij Mosaisk op,” fluisterde Jaromir Rasinski in het oor; „de keizer noemde haar die van Austerlitz.”

Rasinski wilde deze toespeling opzettelijk niet opmerken. „Ik geloof, dat wij een helderen dag zullen hebben,” hervatte hij daarom; „zoo de wind niet omslaat...”

Een doffe kreet van angst en verbazing, die zich voor en om hem verhief, deed hem in het midden zijner rede afbreken. Verwonderd sloeg hij het oog op en overzag nu met een enkelen blik de oorzaak der ontzetting, die de soldaten had aangegrepen. Men had juist een kleinen heuvel bestegen en zag thans de gansche vlakte voor zich uitgebreid. Daar lagen, zoover het oog reikte, de lijken van menschen en paarden, de overblijfsels van verbrijzelde veldstukken, wagens en wapenen in een zwarten mengelklomp op het witte sneeuwveld uitgestrekt.

Het was het slagveld, waar de onderkoning twee dagen vroeger van alle zijden was aangegrepen en zich zoo moedig verdedigd had.

Eene diepe stilte heerschte in de gelederen der soldaten; het vreeselijk gezicht had zich geheel onverhoeds als een reusachtig spooksel aan hunne blikken vertoond en drong, alle warme levenskracht versteenend, tot diep in hun boezem door. Zelfs geen ademtocht liet zich hooren; het was alsof niemand het wagen durfde, het plechtige zwijgen van dit lijkenveld, waar de dood zelf in de armen des winters verstijfd was, door een menschelijk geluid af te breken. Ook de maarschalk toonde eene hevige ontroering; doch slechts een oogenblik. In het volgende liet hij reeds de arendsblikken des veldheers over het landschap rondzweven en zocht den vijand in de stelling, waar hij hem met het meeste voordeel kon afwachten.

„Soldaten,” dus sprak hij de scharen aan, die dichter en dichter de hoogte opdrongen, „soldaten, hier hebben onze kameraden een dag des roems gevierd en zich midden door den vijand den weg gebaand. Hun voorbeeld strekke u ter navolging! Wellicht doet het geluk ons heden denzelfden roem verwerven.”

Ook Rasinski bleef in zijne gelaatstrekken de mannelijke vastheid behouden, die hem, uiterlijk ten minste, nimmer verliet. „Vrienden,” sprak hij tot de zijnen, „die hier neerliggen stierven een roemrijken dood. Deze sneeuw is met edel bloed gekleurd. Het moet uwe woede ontvlammen, u tot wraak aansporen. Denkt daaraan, wanneer ik u den vijand toonen kan.” Terwijl hij sprak flikkerde de heldenmoed uit zijne donkere oogen. Fier verhief hij het hoofd en onwillekeurig sloeg hij de hand aan het gevest van zijne sabel. Als een bliksemstraal schoot het vuur uit zijne oogen in het hart der krijgslieden; onder zulk een aanvoerder kon de moed niet bezwijken. De koude keten van den schrik, die een blik op dat zwijgend veld des doods om het hart had geslagen, was door dien eenen heldenblik als versmolten, en met nieuwe veerkracht repten zich de wieken van den moed.

De trein zette zich in beweging. Den zacht hellenden heuvel langzaam afdalende, kwam men het slagveld, dat men van de hoogte slechts in zijn geheel had kunnen overzien, allengs nader en bevond zich eindelijk te midden van de teekenen der verwoesting. De maarschalk reed aan de spits en overzag ernstig, maar kalm het veld des roems en des doods. Het begon thans kenbaarder te worden en liet de stellingen, welke de troepen gedurende den slag hadden ingenomen, duidelijk onderscheiden. Regnard reed naast Rasinski en wees hier en daar de dooden aan, uit welke men kon opmaken, welke regimenten hier gevochten hadden. „Daar stond de veertiende divisie,” riep hij en wees op eene plaats aan den weg, waar de blinkende platen van verbrijzelde chakots het regimentsnommer lieten onderkennen.

„Daar moet de garde van Italië hebben gevochten,” hervatte Rasinski, „want daar liggen vele dooden. Waar mogen de levenden zich thans wel bevinden?”

Deze laatste woorden sprak hij met eene gesmoorde stem, daar hij zijne bekommering niet verraden wilde; maar een blik, dien hij op Regnard wierp, gaf duidelijk genoeg te kennen, wat hij dacht.

„Hm!” mompelde deze; „Krasnoe hebben zij zekerlijk gelukkig bereikt; wat echter tusschen de morgenzon van gisteren en die van heden ligt, kan ik evenmin weten, als ik verzekeren durf, dat wij morgen nog op russische sneeuw zullen wandelen. Evenwel, zoo wij binnen het uur niet aangegrepen worden, zou ik het bijna gelooven. Maar zie eens, bid ik u, hier links van den weg.”

„Daar hebben mannen gevochten!” riep Rasinski uit; „een ellendeling, die het durft loochenen.”

Zij hadden thans, naar het scheen, dat gedeelte van het slagveld bereikt, waar het vijandelijk vuur de grootste verwoesting had aangericht. Lange rijen van dooden lagen op de sneeuw neergestrekt en tot in de verte bespeurde men roode schemering der bloedstroomen, die hier tot ijs gestold waren. Nimmer leverde eenig slagveld zulk een afgrijselijk schouwspel des doods op; de gesneuvelden schenen in de houding, waarin hun de laatste adem ontvloden was, tot roerlooze beelden versteend, om zoo, tot eene herinnering voor den versten nakomeling, als koude gedenkzuilen van den slag bewaard te blijven. Wie hunne gelaatstrekken gekend had, zou zijn vrienden spoedig hebben wedergevonden, zoo geheel onveranderd waren zij gebleven. Op bijna elk gelaat echter bespeurde men de krampachtige sporen van den doodstrijd, en de verstijvende adem des winters had wezenstrekken verhinderd, weder den stillen, vriendelijken glimlach aan te nemen, dien de scheidende ziel gewoonlijk op het aangezicht achterlaat, nadat zij den kamp met de machtige boeien des levens volstreden heeft en zich nu omhoog heft naar de gewesten des lichts. Hier was het niet zoo; het scheen of de ruwe hand des winters nog vroeger dan die des doods op de warme vormen des levens haar kouden, onuitwisbaren stempel had ingedrukt. Daarom zag men op geen verhelderd voorhoofd, op geen vriendelijk glimlachenden mond de uitdrukking der bevrijding van kwalen des levens; alle trekken waren in de diep ingesneden vouwen van de smart, van den angst der vertwijfeling en der woede blijven staan. Hoewel hij zijne aandoening uiterlijk wist te verbergen, moest de maarschalk toch waarschijnlijk aan zich zelf gevoelen, dat deze stomme wandeling door de woestenijen des doods weinig geschikt was, om den moed zijner dapperen te doen ontvonken. Elk toch zag in deze onbegraven, op het koude ijs achtergelaten krijgers, als in een profetischen spiegel, het beeld zijner eigen toekomst. Wel is waar hadden de met wonden bedekte helden den dood op honderd slagvelden in menigerlei vreeselijke gestalte onder de oogen gezien, en niet als nieuwelingen ontvingen zij den ernstigen groet, welken hij hun ook hier weder aanbood, maar vroeger rustten de gevallenen op velden der overwinning, groenden lauweren om hunne slapen, reikte de godin des roems aan levenden en dooden den krans toe en was de val ook tevens een triomf. Doch hier?—Wat valt den overblijvenden ten deel, anders dan nieuwe kwalen en worstelingen? En wat den dooden, die op den vijandelijken grond achterblijven, die geen vriendenhand met aarde bedekt, wier graf geen gedenkteeken voor de nakomelingschap versiert, die spoorloos wegzinken in het diepe rijk der vergetelheid, in het onmetelijke niets? De koele aarde neemt hunne lijken niet eenmaal in haren schoot op, maar de roofvogels des hemels, de hongerige wolven der vlakte verslinden den aanzienlijkste met den geringste, en de lentezon, die de sneeuw doet smelten, zal slechts afgeknaagde beenderen te voorschijn brengen.

Het korps was in gestadig versnelden marsch een diep dal genaderd, waarin de weg afdaalt, om van daar weder tot aan de breede vlakte van Katowa op te stijgen.

„Herkent gij dit terrein?” dus wendde Rasinski zich tot Jaromir.

Deze zag opmerkzaam in het rond en antwoordde: „Wanneer de sneeuw mij niet bedriegt, is dit de plaats, waar wij voor drie maanden Newerowskoi sloegen en den keizer op zijn geboortedag met de veroverde kanonnen een eeresalvo brachten.”

„Zeer juist,” hernam Regnard, die vraag en antwoord gehoord had; „gij hebt een goeden militairen blik, jonge vriend. Wat dunkt u, zullen wij ook nu nog victorie roepen?”

Jaromir wilde juist antwoorden, toen een dof, schoon niet ver verwijderd kanonschot de diepe stilte afbrak. Dit teeken, dat de vijand in de nabijheid was, drong als een electrieke schok in de gemoederen. Het geoefende oor der soldaten schatte dadelijk den afstand, waarop het schot gevallen was, terwijl het oog zich naar de richting wendde, in welke men het gehoord had. De gespannen verwachting, of het herhaald zoude worden, of het een aanstaand gevecht, dan slechts enkel een signaal aanduidde, was op aller gelaat te lezen. De maarschalk liet halt houden en achtte het niet raadzaam zijne manschappen juist in dit oogenblik in de diepte te doen afdalen, daar het beklimmen der steile hoogten aan de overzijde bij de uitgeputte krachten van paarden en menschen, vooral voor de artillerie, de grootste inspanning vereischen zou. Rasinski alleen kreeg bevel, met zijn weinige ruiters vooruit te rukken, ten einde op de hoogten van Katowa uit te vorschen, of de vijand zich werkelijk in de nabijheid bevond; de overige troepen legerden zich intusschen, om hunne krachten voor het op handen zijnde gevecht te verzamelen.

Rasinski had de vlakte van Katowa spoedig bereikt, maar te vergeefs zocht zijn oog den vijand. Hij ontdekte niets dan de lange, eenvormige liniën van donkere pijnbosschen, die zich in eene onafzienbare reeks langs den gezichteinder uitstrekten. Met de uiterste behoedzaamheid reed hij den grooten weg een half uur op, verdeelde vervolgens zijne manschappen en beval Jaromir de rechterzijde van den weg tot op een kanonschot te verkennen, terwijl hij zelf de linker doorzoeken wilde. Op dezen rit naderde hij den zoom van het woud. Hier bespeurde hij sporen van paarden op de sneeuw, die, hoe verder hij voortreed, gedurig talrijker werden. Dit bewees hem, dat de vijand zich in den omtrek moest ophouden, want ten deele was de hoefslag nog geheel versch. In de uiterste spanning hield hij het oog op den zoom van het woud gevestigd, dat het verderf met een diep zwijgen scheen te omhullen. Van tijd tot tijd liet hij halt houden en luisterde, of zich nergens eenig gedruisch liet vernemen; maar alles bleef stil als in de woning des doods. Plotseling fladderde een troep raven met heesch gekrijsch uit het hout op en verspreidde zich naar alle windstreken. „Die vogels zijn opgejaagd,” sprak Rasinski tot de naast hem rijdenden; „ik ben verzekerd, dat hier troepen verborgen zijn.”

„Zie, zie, overste!” riep de vlugge Bliski, terwijl hij zich bukte, om onder de takken der boomen door te zien; „waarachtig hier marcheert een troep.”

Inderdaad was men juist aan eene plaats gekomen, die een vrij uitzicht tot in het binnenste des wouds vergunde, en toen Rasinski zich tot onder den zadel nederboog, zag hij eene zwarte colonne, die zich vermoedelijk op een breeden weg midden in het bosch bevond, in de verte voorbijtrekken. In allerijl sprong hij van het paard en liet zijne geleiders vooruitrijden, opdat deze niet uit de woudopening zouden bemerkt worden. Hij zelf, op de sneeuw neergebukt, bespiedde de colonne.

Haar marsch hield een geruimen tijd aan; het was infanterie. Daar hij de diepte niet kon overzien, was het hem onmogelijk hare sterkte te schatten. Thans echter kwam ook de artillerie, en Rasinski kon zonder eenige moeite de stukken tellen. Toen hij tot dertig gekomen was, wist hij genoegzaam, dat de strijdkrachten van den vijand die des maarschalks verre overtroffen. Hij wierp zich dus weder in den zadel en haastte zich, den veldheer van het een en ander te verwittigen.

Jaromir was reeds weder bij het korps teruggekeerd, zonder een spoor van den vijand ontdekt te hebben. Daar zich een mastbosch in de nabijheid bevond, hadden de soldaten inmiddels hout gekapt en vuren ontstoken, en de maarschalk gebood hun, zich te verwarmen en te verkwikken, opdat zij te beter in staat zouden zijn den aanval des vijands te weerstaan.

Toen Rasinski thans zijne berichten overbracht, liet zich de wanhopige toestand, waarin zich het korps bevond, geen oogenblik langer betwijfelen. „Voorzeker,” sprak de maarschalk, „houden de Russen de bosschen op de hoogte van Katowa bezet en wachten slechts, dat wij ons daarboven vertoonen, om ons van alle zijden aan te tasten en, door het bezetten van dat dal hier voor ons, elken uitweg af te snijden. Doch ik hoop, dat wij er ons gelukkig zullen doorslaan. Echter moeten wij het gevecht nog eenige uren trachten te verschuiven, totdat de duisternis ons te hulp komt. Hoe laat is het?”

„Half twee,” antwoordde Rasinski.

„Goed; te vier uren is het volkomen donker. Dan willen wij opbreken. Tot zoolang kunnen wij nog uitrusten.”

Rasinski keerde tot de zijnen terug. Daar men nog een kleinen voorraad hooi en haver bezat, had Jaromir de paarden reeds laten voederen, en ook de manschappen waren bezig hun armoedigen maaltijd gereed te maken. Zoo ging een uur in bange verwachting voorbij.

HOOFDSTUK IV.

„Rasinski!” riep Jaromir en sprong driftig op; „ziet gij het, daarboven op de hoogte?”

„Kozakken! Waarachtig! Maar mijn hoofd verpand ik, dat zij niet alleen zijn!”

Op den heuveltop vertoonden zich drie ruiters, die echter slechts om te verspieden schenen vooruitgezonden. Spoedig werden zij door allen bemerkt en de troepen geraakten in die onrustige beweging, men hoorde dat doffe gemompel door de gelederen loopen, waardoor zich het op handen zijn van een beslissend oogenblik gewoonlijk pleegt aan te kondigen.

„Werp u te paard, Jaromir,” gelastte Rasinski, „en rijd daar tot den woudzoom op, dan hebt gij een ruim gezicht over de landstreek.”

De jongeling, die het beste paard van allen bezat, vloog als een pijl over de sneeuwvlakte, om den last te volvoeren. Bijna nog sneller keerde hij terug en meldde, dat de gansche hoogte met kozakken bezet was, terwijl ook infanterie-colonnes uit de diepte van het bosch kwamen opdagen.

Juist reed ook Regnard voorbij, die op bevel van den maarschalk eveneens eene verkenning gedaan had. „Wij zullen het warm krijgen, Rasinski,” riep hij; „het bosch wemelt van Russen.”

De trommen roffelden; de troepen traden onder het geweer. De ongeregelde massa's der marketentsters, der zieken en der ongewapenden rotteden zich tot een dichten hoop samen.

„Voor ons kan de slag eene vreugde zijn,” sprak Rasinski; „maar Boleslaw en de andere gekwetsten hebben een hard lot. Wij moeten het van hen zoeken af te wenden. Doch wie komt daar?”

Een russisch officier kwam de hoogte afjagen en wuifde reeds in de verte met een witten doek.

„Wat gij verlangt, mijnheer,” mompelde Rasinski trotsch en verdrietig, „is vergeefsche moeite. Zoolang wij wapens hebben, onderhandelen wij niet.”

De maarschalk hield zich met het regelen en in slagorde stellen der troepen bezig, vloog door de gelederen, was overal zelf tegenwoordig, ordende, bemoedigde, gaf bevelen. Rasinski zond dadelijk een ruiter naar hem af, ten einde hem van het naderen van een parlementair te verwittigen. Doch nog eer de maarschalk terugkeerde, had de Rus de voorposten reeds bereikt, en daar hij Rasinski's ruiters aan hunne uniform voor Polen herkende, riep hij hun in het poolsch toe, dat zij zich aan de overmacht zouden overgeven. Maar als een grimmige leeuw sprong Rasinski op hem toe en riep: „Gij stookt onze manschappen op, gij poogt hen tot verraad over te halen! Dat is niet de rol van een parlementair, mijnheer. Gij zijt mijn gevangene!”

Verschrikt wilde de officier zijn paard omwerpen, doch reeds had Rasinski de teugels aangegrepen, en zijne toesnellende ruiters hadden den Rus zoo spoedig van alle zijden omringd, dat aan vlucht of tegenweer niet te denken was.

„Gij zoudt u aan den onschendbaren persoon eens parlementairs willen vergrijpen!” riep de Rus.

„Om onschendbaar te zijn, hadt gij op een behoorlijken afstand moeten afwachten, of het ons goeddunken zou, u als parlementair te ontvangen,” was het antwoord. „Op deze wijze mag niemand een leger in slagorde naderen, dat is tegen het krijgsgebruik.”

„Laat mij naar uw bevelhebber geleiden,” sprak de Rus; „hij zal mijne welgemeende voorslagen op prijs weten te stellen. Het onmogelijke is zelfs den dappersten onmogelijk; u blijft geen andere weg open, dan die van onderhandeling.”

„Wij zullen zien, wij zullen zien,” hernam Rasinski, die van de standvastigheid des maarschalks verzekerd was. „Daar komt de opperbevelhebber. Gij staat voor den maarschalk Ney; dit zij u genoeg, om te weten, dat uwe woorden vruchteloos zullen zijn.”

De maarschalk kwam, Rasinski reed hem te gemoet en meldde, wat hij gedaan had. „Gij hebt als man van eer gehandeld,” ontving hij ten antwoord; „ik zou mij schamen, minder hooghartig te denken dan gij.—Doch ik wil den officier spreken.” Hij reed op dezen toe en vroeg hem wat hij wilde.

„De maarschalk Kutusow zendt mij,” begon de Rus; „hij zou zulk een beroemden krijgsman en veldheer den voorslag niet doen, de wapens neer te leggen, wanneer er nog een andere uitweg overbleef. Op deze omliggende hoogten staan tachtig duizend man en honderd vuurmonden. Wanneer gij twijfelt, zal het u vrijstaan, een officier te zenden, dien ik door de gelederen der onzen wil rondleiden.”

„Ik hoop uwe manschappen zelf zoo nabij te komen, dat ik hen tellen kan,” gaf de maarschalk met flonkerende oogen ten antwoord. „Zeg den vorst, dat de maarschalk Ney nog nooit de wapens heeft nedergelegd, en dat de geschiedenis nimmer eene dergelijke handelwijze van hem melden zal. Daar ligt het doel, mij door plicht en eer aangewezen; ik zal mij midden door uwe gelederen den weg banen, al werden ook deze bosschen in legers herschapen!”

„Zij zullen het,” antwoordde de parlementair; maar nog eer hij ten volle had uitgesproken, deed een vreeselijk gekraak de nabijgelegen heuvels sidderen en een hagel van kartetsen kletterde op den ijsspiegel der omliggende velden neder.

„Dat is verraad!” riep de maarschalk driftig, terwijl hij het oog opsloeg en de hoogten van alle zijden met zwarte troepenmassa's en veldgeschut bekroond zag. „Onder het vuur onderhandelt men niet! Gij zijt mijn gevangene!”

De onthutste officier, die door de onvoorzichtigheid der zijnen op deze wijze werd prijsgegeven, gaf zijn degen gewillig over.

„Breng hem naar de achterhoede!” beval de maarschalk.—„Generaal Ricard, voorwaarts! Gij tast den vijand met de bajonet aan. U zij de eer gelaten van ons de baan te breken.”

De generaal met ongeveer vijftienhonderd man rukte onverschrokken voorwaarts. De kleine schaar smolt bijna weg in de onbegrensde ruimte, die voor haar lag; de onderneming, om tegen de dichte massa's van den vijand op te rukken, die als dreigende onweerswolken zich gestadig zwarter en zwarter op de hoogten samenpakten, scheen aan waanzinnigheid te grenzen. Doch de maarschalk had het bevolen, en het vertrouwen, dat de krijgslieden in hem stelden, was onbegrensd; op zijn gebod, zoo waanden zij, kon de overwinning niet achterblijven. Zonder bedenking stortten zij zich dus langs den steilen weg in de diepte neder, om aan gene zijde de hoogte te bestormen.

Inmiddels vliegt de veldheer door de gelederen der overigen en ordent hen tot den kamp. Regnard komt op Rasinski toeijlen en gelast hem met zijn, tot op zestig man gesmolten regiment, den linkervleugel tegen de aanvallen der kozakken te dekken. De artillerie maakt front tegen den vijand en hare kleine kanonnen ondernemen het, zich tegen de vreeselijke overmacht der russische vuurmonden te verdedigen.

Op de besneeuwde heuvelkruinen, welke de vijand bezet, heerscht sinds dat eerste salvo, waarmede de aanval begonnen is, eene akelige doodsche stilte. Maar alsof de scharen, gelijk de geharnaste mannen van Cadmus, uit de aarde oprezen, werd het zwart gewemel van paarden en menschen op den witten grond gestadig dichter en dichter.

[Illustratie: „Zeg den Vorst dat maarschalk Ney nog nooit de wapens heeft nedergelegd.”]

Rasinski had ettelijke honderden schreden links van den weg post gevat, waar hij door een besneeuwden heuvel tegen het vijandelijke kanonvuur, althans gedeeltelijk, beschut was en toch het gansche slagveld overzien kon. Zijn voorkomen was ernstig, gelijk altijd in het gevecht, maar overigens even bedaard, even moedig, welberaden en vrij, als drie maanden vroeger, toen hij bij Mosaisk aan de spits van zijn regiment met leeuwenmoed tot in 's vijands gelederen doordrong. Terwijl hij zijne vlammende blikken over het slagveld liet gaan, reed Jaromir op hem toe en fluisterde: „Wij zullen eervol vallen, Rasinski; mocht gij in het leven blijven en haar wederzien,”—Lodoiska's naam uit te spreken waagde hij niet—„zeg haar dan, hoe innig mijn berouw was. De vergeving, welke de levende onwaardig was, zal den doode aan gene zijde de rust schenken.”

„Wat spreekt gij, Jaromir!” hernam Rasinski met merkbare ontroering; „denk aan het leven. Hier zijn nog vele uitwegen.”

„O, ik vrees den dood niet,” sprak Jaromir met drift, en een edele blos kleurde zijn bleeke wangen bij het denkbeeld, dat Rasinski hem van versaagdheid verdacht hield; „doch gij zelf ziet, dat slechts zeer weinigen zich hier leven en redding mogen voorspellen. Het is anders eene gruwzame scherts van de geluksgodin, dat zij den dapperste nu zoo schandelijk verraadt. Evenwel, zij is toch altijd eene Delila, die haar Simson gebonden overlevert.”

„Laat ons afwachten,” hernam Rasinski met waardigheid, „of hij zijne banden nog misschien niet verbreken zal.”

Gedurende dit gesprek had Ricard met zijne manschappen den weg door de diepte afgelegd en rukte aan gene zijde in stormmarsch tegen de russische batterijen op de hoogte van Katowa op. Thans bliksemde het, als bij het opkomen van een onweder, langs den geheelen horizon, en zoover het oog reikte, werden de heuveltoppen in zwarte rookwolken gehuld. Een oogenblik later scheurde eene donderende ontploffing den dampkring vaneen, en met suisend huilen en sissen gierde een kogel- en kartetsenzwerm, als een heir onzichtbare, vliegende draken, door de lucht. Van rondom kletterden zij op de harde sneeuw- en ijskorst, waarmede het veld overdekt was, neder, zoodat deze tot stof vergruisd werd en in duizend glanzige wolken opstoof. Een blik op Ricards dapperen moest het hart verscheuren, want deze ééne seconde had de helft van hen op de koude, wintersche doodbaar ter neder gestrekt. De zooeven nog dicht gesloten gelederen waren dermate gedund, dat zich de levenden als verspreide boomstammen van een neergehouwen woud aan het oog voordeden. Doch de aanvoerder is niet gevallen; zijne stem herzamelt de onverzeerden, hij rukt opnieuw tegen de den dood brakende hoogten op. Daar maait een tweede ontzettende laag der batterijen vóór hem zijne gelederen andermaal weg. Slechts weinigen worden door den vernielenden sikkel des doods gespaard; daar de overwinning onmogelijk wordt, doen schrik en ontzetting hun allen moed ontzinken en in ademlooze vlucht stormen zij terug, om in de rijen hunner wapenbroeders redding te zoeken.

De maarschalk Ney rukt echter zelf reeds aan de spits zijner beste soldaten tegen den vijand op. Dicht opeengepakt, een ijzeren hart in den boezem, door den dood hunner makkers in grimmige woede ontbrand, vast besloten den laatsten bloeddroppel aan eer en wraak ten offer te brengen, stormt deze onweerswolk van helden, de koensten aan het hoofd, op den dood en verderf neerslingerende vulkanen der russische batterijen aan. Thans voelt ook de vijand, die tot hiertoe op zijne heuvels onbewegelijk had stand gehouden en slechts uit de verte den dood op zijne tegenpartij had uitgebraakt, zijne eergierigheid opgewekt. De eerste russische linie, driemaal sterker dan de gansche legermacht der Franschen, voortreffelijk gewapend, uit krachtvolle, nog geheel versche troepen samengesteld, trekt de koene aanvallers te gemoet en meent hen te omvleugelen, te verstikken, te vermorzelen.

Nu is het oogenblik daar, dat Rasinski handelen moet. Hij zet zich met zijne kleine schaar in beweging, daalt neder in de diepte, rent links de hoogte op en werpt zich op de rechterflank van den vijand. Tegelijk brengen ettelijke honderden mannen lichte troepen, het waren Illyriërs, dezelfde beweging op de linkerflank ten uitvoer. Eene stomme verbazing maakt zich, bij dit gezicht, van den vijand meester. Daar hij ziet, dat de Franschen de overwinning zeker achten, begint hij aan de mogelijkheid daarvan geloof te hechten. De koene onverschrokkenheid der aanvallers beneemt hem het zelfvertrouwen. Hij wankelt, deinst terug. Nu breekt Ney met zijne grimmige schaar in de waggelende linie door, werpt haar neder en jaagt ze voor zich uit, gelijk een bergstroom, die, boven den oever opbruisende, zijne machtige golven op eene vluchtende kudde nederstort. Jubelend dringt hij op de zoo vaak betreden baan der overwinning voorwaarts. Doch ach, thans verlaat hem de trouwelooze godes! Een tweede leger, als het vernieuwde hoofd der Hydra uit den grond opgerezen, rekt uit duizend ijzeren monden de roode, bliksemende tongen naar hem uit. De grond schijnt te bersten, het firmament te scheuren bij het dreunen der mortieren, die in dit oogenblik een stroom van lood en ijzer tegen hem uitspuwen. Alles wankelt; slechts Ney staat vast in dezen orkaan. Doch welk een schouwspel ontwaart hij om zich heen! Al zijne generaals zijn gesneuveld of gekwetst en verven de sneeuw met hun bloed; zijne scharen zijn vreeselijk geteisterd, de grond is met dooden zwart bedekt! Nog eens roept hij: „Voorwaarts!” en tracht de overblijfsels van zijn leger te verzamelen, maar daar ontlaadt de vreeselijke donderwolk zich ten tweede male en slingert den duizendvoudigen dood in de verstrooide rijen. Thans dringt de onzichtbare godin der verwarring tot de scharen door en de zwerm stuift angstig naar alle zijden uiteen. Rasinski's dapperen zijn de laatsten die wijken; hij zelf beveelt de vlucht, daar deze alleen nog de mogelijkheid van redding aanbiedt. De veldheer erkent den wil van het noodlot, waartegen de sterveling zich te vergeefs tracht aan te kanten; met smartelijke verontwaardiging in de borst onderwerpt ook hij zich aan de harde noodzakelijkheid, die hem thans, daar geen andere uitweg meer open staat, de smadelijke vlucht tot eene verplichting maakt. Tot de zijnen teruggekeerd, houdt hij te midden van den grootsten hoop zijn paard staande.

Kutusow, zich op zijne heuvels veilig achtende, schijnt intusschen weinig genegen, om zich meer van nabij met krijgslieden in te laten, van welke de geringste een onverzettelijken heldenmoed ten toon spreidt; uit de verte echter zendt hij onafgebroken den dood in hunne rijen. Terwijl de manschappen zich weder ordenen en verzamelen, overziet de maarschalk het slagveld met een vorschenden blik des veldheers. Zijn gelaat is ernstig, zijn voorhoofd gefronst, doch fier en trotsch. Elk soldaat heeft het oog op hem gevestigd, want slechts van hem neemt men de verzekering aan, dat alle hoop op redding vervlogen is; zoolang hij ze niet heeft uitgesproken, blijft men nog aan een minder rampspoedigen uitslag geloof hechten. Uit zijn ernstig peinzen kan men genoegzaam opmaken, dat hij over een anderen uitweg nadenkt. Geen oogenblik verliest hij den vijand en zijne bewegingen uit het oog; slechts nu en dan werpt hij een smartelijken blik op de plaats, waar hij de vluchtigste zege, maar tevens ook den onvergankelijksten roem binnen weinige minuten met het leven van zoovele dierbare kameraden betaald heeft. Intusschen duurt het moorddadige vuur onafgebroken voort, en de ruimte, die het kleine leger beslaat, is zóó gering, dat de kogels door zijn gansche diepte en breedte heendringen. Hetzelfde schot dat in de voorste gelederen eenige manschappen heeft weggeraapt, brengt nieuwe verwoestingen teweeg onder de wapens in de achterhoede, waar de gekwetsten, de zieken, de vrouwen en kinderen in hulpelooze onmacht aan het verderf zijn prijsgegeven. Welke hand zal thans redden?—Daar laat de heilige duisternis haar schemerenden sluier allengs dieper op de aarde neerzinken en omhult de verlorenen met haar beschaduwend weefsel. Thans schijnt de maarschalk den uitweg uit den doolhof des doods te hebben gevonden. Hij meet met de oogen den afstand en de stelling van den vijand, zijne blikken vliegen naar alle zijden in het rond, men ziet, dat hij den grond, waarop men zich bevindt, met nieuwe inzichten gadeslaat en dat hij nieuwe voordeelen daaraan denkt te ontwringen. Nu is de gedachte rijp geworden; hij heeft geen krijgsraad belegd, slechts zijn eigen moed, zijn eigen doorzicht heeft hij geraadpleegd. Hij wenkt Regnard, Rasinski, benevens eenige andere hoofdofficieren, en deelt aan elk hunner de noodige bevelen uit. Deze ijlen naar hunne korpsen terug. Het bevel tot den afmarsch weergalmt door het geheele leger en van alle zijden breken de colonnes op. Maar waarheen? Tegen den vijand? Neen. En toch het vreeselijkste verderf te gemoet, want men keert terug, om de onmetelijke wildernissen van Rusland weder dieper in te dringen. De vijand staart van zijne hoogten deze beweging met verbazing aan; hij schijnt een soortgelijk ontwerp te vermoeden, als twee dagen vroeger door den onderkoning van Italië is ten uitvoer gebracht. Derhalve breidt Kutusow de flanken van zijn leger naar beide zijden nog verder uit en vergroot zoo het net, waarin hij den leeuw hoopt te verstrikken. Hij had hem kunnen vernietigen, één aanval ware voldoende geweest, om de weinige dapperen onder de overstelpende menigte hunner bestrijders te verpletteren, maar den koelbloedigen grijsaard scheen er meer aan gelegen te zijn, hen als gevangenen in zijne legerplaats te zien, nadat honger, koude en uitputting hen tot het nederleggen der wapenen zouden genoodzaakt hebben. Dat er andermaal eene mogelijkheid bestaan zou, om dezen tiendubbelen ringmuur van gevaren te boven te komen, dit scheen den ouden Rus geheel ondenkbaar. Het stond dus thans in zijne macht, den beroemdsten veldheer van het Fransche leger te vernietigen; doch dat was voor zijne wraak en trotschheid niet genoeg. Hij wilde hem vernederen en niet zijn hoofd, maar zijn degen aan keizer Alexander overleveren.

De bevelen des maarschalks werden door de fransche soldaten met verbazing ontvangen. Hoe, sprak elk bij zich zelf, op nieuw zullen wij omdolen in die koude, akelige wildernissen, waaraan wij nog zoo onlangs niet dan met doodsgevaar ontworsteld zijn? Opnieuw keeren wij het vaderland den rug toe en wagen ons in dat vreeselijke land, waar de mensch nog ruwer en barbaarscher is dan de natuur zelve?—Met heimelijken afkeer deden zij elke schrede achterwaarts; intusschen, zij gehoorzaamden, want hun veldheer had het bevolen, en het vertrouwen op hem was het eenige steunsel van hun kracht.

De duisternis scheen de vale vlucht heurer wieken te bespoedigen en daalde lager en lager naar het koude sneeuwleger af. Reeds waren de door den vijand bezette hoogten in eene twijfelachtige schemering weggezonken en nog slechts nu en dan sloeg een zware kogel in de gelederen der aftrekkenden neder, als tot een teeken, dat de opmerkzame vijand zijn buit niet uit het oog verloor.

Zwijgend, met slependen tred en de borst met bange zorgen vervuld, waadden de krijgers langs ongebaande wegen door de diepe sneeuw voort. De maat van hun lijden was echter nog niet gevuld. Van lieverlede, aanvankelijk met een hol gesuis, vervolgens met gestadig heviger rukken verhief zich de orkaan; ditmaal niet de gewone, ijzige adem van het noorden, maar een vochtige stormwind uit het zuidwesten, die de zwangere wolken aan het gewelf des hemels opeenpakte en tegelijk dwarrelende sneeuwzuilen van de aarde opjoeg. Alsof een vijandelijke demon dezen draaistroom van storm en sneeuw in beweging bracht, om de ongelukkigen daarin, als in de golvende kolken eener Charybdis, te versmoren, wervelden de gierende luchthoozen in het rond en maakten het ademhalen onmogelijk. Paarden en menschen hijgden naar lucht, de laatste kracht dreigde te bezwijken. De wind streek met dof gebulder over de vlakte; nu eens sloeg hij om in kloven en krochten, dan brak hij op den zoom der wouden en keerde afstuitend, zich zelf kruisend terug, zoodat hij, de vermoeiden mochten hunne schreden wenden, waar zij wilden, hun steeds het aangezicht rauw zweepte. De marsch werd onzeker, week links, week rechtsaf. Hier versperden diepe sneeuwkuilen den weg en men moest op zijne schreden terugkeeren, onzeker, of men den vijand naderde, dan zich van hem verwijderde; daar dwongen steile, met ijzel bedekte heuvelhellingen tot eene veranderde richting. De nacht werd duister als het graf; zwarte, dichte wolken, uit wier schoot de sneeuwvloeden dwarrelend nederstortten, bedekten den hemel. Niets bleef voor het oog zichtbaar, dan het spookachtig schemerende, witte lijkkleed, dat over de onmetelijke doodbaar der aarde lag uitgespreid. Eindelijk waren de uitgeputte krachten bezweken; de verstijfde voet vermocht geen stap meer te doen; aan de verkleumde hand ontzonk het wapen. Zelfs de veldheer scheen alle hoop op te geven en het edele hoofd onder den verpletterenden slag der vernietiging te willen buigen. Er moest ten laatste midden op de sneeuw en het ijs gerust worden, opdat de ongelukkigen althans adem tot nieuwe inspanningen scheppen mochten. De maarschalk bevond zich, te midden van Rasinski's ruiterbende, aan de spits van het korps. Regnard was bij hem.

„Weet gij nog, Rasinski,” fluisterde hij dezen in het oor, „waar zuid of noord is, of de vijand voor of achter ons staat, of wij ons rechts, dan links van den grooten weg bevinden?—Een kompas ware hier eene provincie waard!”

„Als het sneeuwgestuif ophoudt, laten zich wellicht eenige sterren zien,” antwoordde Rasinski; „het duurt zoo reeds drie uren, het moet toch eens minder worden.”

„Ik geloof niet, dat er voor ons nog starren blinken,” sprak Regnard en schudde mismoedig het hoofd.

Rasinski pijnigde zich af, om een middel te verzinnen, geschikt, om den marsch met eenige zekerheid voort te zetten. Juist was hem een gelukkig denkbeeld ingevallen, toen de maarschalk hem driftig toevoegde: „Hebben uwe manschappen en paarden nog eenige krachten behouden, volg mij dan terstond; ik hoop een middel te hebben uitgedacht, om de richting naar den Dnieper zelfs door deze sneeuwwoestijn te ontdekken.”

„Ook mij is iets ingevallen,” riep Rasinski; „kon men slechts den loop van de beek ontdekken, die door de bedding heenstroomt, aan welke wij voor een half uur genoodzaakt waren, om te keeren.”

„Wij verstaan elkander,” hervatte de maarschalk met merkbare vreugde; „juist dat is ook mijne gedachte. Wij zullen zien, of wij de plaats kunnen wedervinden; gij met uwe ruiters en eenige sappeurs zult mij vergezellen.”

Men begaf zich terstond op weg. De nog niet geheel verwaaide en onder nieuwe sneeuw bedolven sporen der kanonnen wezen den weg aan, dien het leger genomen had, en binnen een half uur had men de bedding bereikt. De sneeuw was door den storm tot meer dan manshoogte daarin opgehoopt; echter raapten de sappeurs hunne laatste krachten bijeen, om ze weg te ruimen, en stuitten werkelijk op een vasten ijsspiegel.

„Zoo de vorst bij dit ondiepe water maar niet tot den bodem is doorgedrongen,” sprak de maarschalk, terwijl de sappeurs reeds bezig waren het ijs door te hakken.

„Dat vrees ik niet,” antwoordde Rasinski; „al deze beken hebben een warmen, drassigen grond en vriezen alleen bij de strengste koude geheel toe. Wij vinden buiten allen twijfel nog water, te meer, daar het sinds gisteren reeds gedooid heeft.”

Hij had zich niet bedrogen, want juist drong de bijl door de ijskorst en er trad water in de opening. Met eenige slagen was de bijt verbreed, en men kon den loop van het water duidelijk onderkennen.

„Nu zijn wij gered,” riep de maarschalk. „Deze beek moet ons naar den Dnieper geleiden, die niet ver meer zijn kan. Hebben wij dien achter den rug, dan, denk ik, zijn wij het zwaarste te boven en zullen wij onze kameraden voor ons uit spoedig inhalen.”

Zonder verwijl zond hij thans de marschbevelen aan het korps af, dat zich inmiddels eenigermate van de doorgestane vermoeienis hersteld had. Gestadig den loop der beek volgende, bereikte men nog binnen het uur een dicht woud en was nu meer tegen den storm beschut, terwijl ook het stuiven der sneeuwvlokken allengs minder werd. De geringste gunstige wending der omstandigheden doet in dergelijke gevallen den verloren moed ongelooflijk spoedig terugkeeren. Vandaar ging de marsch schielijk voorwaarts. Het vertrouwen der soldaten wies nog door het gelukkige toeval, dat Rasinski in de half ingestorte hutten van een verwoest dorp een oude, kreupele boer opspoorde, die met de landstreek nauwkeurig bekend was. Deze berichtte, dat de rivier in de nabijheid was, doch dat men ze bezwaarlijk zou kunnen overtrekken, daar het ijs nog niet sterk genoeg geweest was, om tegen het dooiweder bestand te zijn. Was de overgang nog mogelijk, dan zou ze slechts op eene enkele plaats kunnen geschieden, waar de sterke kromming van den stroom de ijsschollen gewoonlijk deed opeenkruinen en dus nog eene tamelijk vaste oppervlakte aanbood, wanneer andere gedeelten reeds geheel van ijs bevrijd waren.

Rasinski beloofde den grijsaard eene rijke belooning, wanneer hij hem die plaats wilde aanwijzen; terwijl hij hem tevens met den vreeselijksten dood bedreigde, zoo hij verraad pleegde.

„Wees onbezorgd,” was het antwoord; „ik ben niet uit oud-Rusland, maar van den anderen oever, waar men niet zoo erg op u verbitterd is als hier. Volgt mij slechts; gij zult spoedig zien, dat ik u niet bedrieg.” Hij werd dus de gids van het leger en bracht het gelukkig aan den oever van den stroom, die de redder of de verderver van deze dappere schaar zoude worden.

HOOFDSTUK V.

De maan trad juist van achter dichte wolken te voorschijn en goot haar bleek licht over het landschap uit, toen Rasinski, die naast den gids voortreed, den zoom van het woud bereikte en voor het eerst de doodsche landstreek overzien kon. Slechts de tusschen lage, maar steile oevers ingesloten Dnieper was zichtbaar en scheen eene zwarte reuzenslang, die kronkelend over de witte sneeuw voortkroop; want helaas, geen ijsdek was meer op den breeden stroom te bespeuren en slechts enkele schollen en schotsen werden door zijne bruisende golven voortgekruid. Rasinski, die, om zich te verzekeren dat men geen verraad had te duchten, de colonne ettelijke honderden schreden was vooruit gereden, bevond zich hier met zijn zwijgenden geleider geheel alleen en liet zijn vorschend oog over de akelige wildernis ronddwalen, in welke zich slechts het doffe gekraak en geknars der op elkander hortende ijsklompen liet vernemen.

„Daar,” sprak de Rus en wees met den vinger naar eene plaats, waar de loop van den stroom zich achter steile zandheuvels scheen te verliezen, „daar staat het ijs, want in de enge kromming stapelen zich de ijsschollen opeen en, zoo zij sedert gisteren niet is weggedooid, heeft er zich ook eene baan vastgezet.”

Rasinski wendde zijn paard naar de aangewezen plaats. Terwijl hij langs den zoom van het bosch voortreed, hoorde hij plotseling een gerucht in de struiken en spoedig daarop het knallen eener zweep en het snuiven van heftig aangezette paarden. Verwonderd luistert hij toe, want de wagens van de achterhoede konden onmogelijk reeds zoo nabij zijn, en bovendien geen enkel span der uitgeputte trekdieren waren thans tot zulk eene rassche beweging in staat geweest. „Loopt hier een weg door het woud?” vroeg hij den Rus. „Ja, heer,” gaf deze ten antwoord, „de weg van Syrokorenje naar Gosinoe komt hier uit. Het zijn wellicht boeren uit den omtrek. Gevaar heeft het zeker niet, want het schijnt immers eene slede te zijn.” Intusschen oordeelde Rasinski het toch raadzaam, den komenden met behoedzaamheid gade te slaan en hen, zoo noodig, aan te houden. Zoodra hij dus de slede ontdekte, trok hij een pistool uit den gordel, wierp zich midden op het wagenspoor en riep in het russisch: „Halt, of ik vuur!”

De in een dichten pels gewikkelde voerman der slede deed zijne paarden stilhouden en antwoordde in dezelfde taal: „Wat wilt gij? Wij zijn eerlijke Russen, waarom ons aan te houden?” Rasinski reed nader op het voertuig toe, doch hield het pistool met overgetrokken haan in de hand. „Van waar komt gij, wie zijt gij en waarheen is de reis? Op deze vragen eisch ik voldoend antwoord,” sprak hij op een bedaarden, maar mannelijk vasten toon. De menner der slede wendde zich, in stede van te antwoorden, naar zijne reisgenooten om en fluisterde in het duitsch: „Zij zijn met hun tweeën, zal ik met het pistool antwoorden en doorrijden?”

Rasinski had thans de onbekenden nader in oogenschouw genomen; naar hunne kleeding te oordeelen, waren het twee mannen en twee vrouwen. Daar hij uit de ten deele opgevangen woorden des geleiders opmaakte, dat het geen Russen waren, kwam hij op het denkbeeld, dat het wellicht voortvluchtige officieren van de armee zijn konden. Ten einde zich zekerheid te verschaffen, bracht hij zijn paard dicht aan de slede, hield een der mannen het pistool op de borst en sprak in het duitsch: „Wij beiden zijn niet, wat wij willen schijnen; het moet blijken, of wij vrienden of vijanden zijn. Nogmaals vraag ik....”

Doch een juichende uitroep belette hem uit te spreken. „Rasinski, Rasinski!” klonk het van de lippen der gedreigden en Lodewijk wierp zich buiten zich zelf van vreugde aan zijne borst. Tegelijk herkende hij ook de stem van Bernard, die met woeste drift uit de slede sprong, om van de andere zijde op hem toe te snellen. Rasinski sprong van het paard en klemde de vrienden aan het kloppende hart. „O God, welk een dank ben ik U voor deze genade schuldig!” snikte hij, hevig ontroerd, en warme vreugdetranen rolden van zijne mannelijke wangen.

Hoe wisselden thans vragen en antwoorden elkander met eene verbazende snelheid af! Het hart was niet in staat te bevatten, wat de bevleugelde woorden ontdekten. Het dreigende doodsgevaar, ongeloofelijkste redding, het vinden der meest geliefde wezens, nieuwe gevaren en uitreddingen aan de eene zijde; aan de andere daarentegen onuitsprekelijke zorgen, vreeselijke angst, gestadig nieuwe tegenspoeden en worstelingen en thans dit wedervinden der vrienden aan den dorpel der redding.

„Leeft Jaromir?” „Waar is Boleslaw?” vroegen Bernard en Lodewijk uit een mond. Thans eerst herinnerde Rasinski zich, dat een leger hem op den voet volgde; hij keerde zich om, wees op het bosch en antwoordde: „Daar komen zij met de onzen.”

Juist zag men de eerste ruiters te voorschijn komen. Rasinski wierp zich weder in den zadel en haastte zich, den maarschalk van de aanwijzingen van den gids bericht te geven. Hierop zocht hij Jaromir op, dien hij bij den wagen van Boleslaw aantrof, zoodat hij aan beiden tegelijk de blijde tijding kon overbrengen. De jongelingen, Rasinski op den voet volgende, ijlden met onstuimig ongeduld naar de wedergevondenen toe en begroetten hen met al het vuur der jeugdige vriendschap. Het was sinds langen tijd de eerste lichtstraal in beider neergedrukte ziel. Rasinski liet hun den tijd, hun geluk ten volle te beseffen, daar hij zelf zich met de zorg voor de troepen belastte.

Zoo vernamen nu ook de jongelingen de aan het wonderbare grenzende ontmoetingen hunner beide innigste vrienden en zij mochten de bruid en de zuster met warme hartelijkheid begroeten. Ook Bianca gevoelde zich gelukkig door het geluk van hen, die haar het dierbaarst op aarde waren, en haalde vrijer adem, daar zij zich nu eerst van hare redding verzekerd achtte. Met nog menigerlei gevaren toch hadden de vluchtenden, sedert zij het jachtslot verlieten, te worstelen gehad. Bernard was door zijne wonde zoodanig verzwakt geworden, dat het hem onmogelijk werd de reize dadelijk voort te zetten. Onder het gastvrije dak van vader Gregorius vonden zij wel is waar eene schuilplaats, maar toch slechts eene zeer onzekere, daar zij den volgenden dag reeds vernamen, dat Dolgorow zijne vrijheid had terug bekomen. Elk oogenblik hadden zij nu des graven wraak te vreezen en moesten zich derhalve des daags in een grafgewelf der kerk schuil houden, tot zij onder de bescherming der duisternis door Gregoor naar een van zijne ambtsbroeders konden worden overgebracht, die hen vijf dagen lang in zijn huis verborgen hield. Van daar zetten zij, daar Bernard weldra genoegzaam hersteld was en de russische legers van alle zijden naderden, wederom in het geheim en bij nacht hunne vlucht voort. Den vorigen dag hadden zij in het dichtste van het woud doorgebracht, in dezen nacht hoopten zij het werk der redding te voleindigen en het fransche leger te bereiken. Willhofen, die het best met de landstreek bekend was, bestuurde de slede; Jeannette was Bianca's getrouwe gezellin gebleven. Aller lot scheen nu, zoodra zij den anderen oever der rivier zouden bereikt hebben, beslist te zullen worden.

Maar hoeveel onheil, jammer en namelooze ellende stapelde zich nog op den smallen weg opeen, die tusschen hen en de gehoopte redding gelegen was! Het gansche leger had zich reeds in zwart gewemel over de naar den stroom afdalende sneeuwvlakten verspreid; maar met verbazing zag men, dat het zich steeds dichter en dichter aan den oever opeendrong, zonder dat aan de overzijde iemand zichtbaar werd. Willhofen wilde thans ook met zijne slede naar de rivier afdalen; doch het gedrang was reeds zoo groot geworden, dat hij den oever onmogelijk bereiken kon. Rasinski wist zijne vrienden in de steeds toenemende verwarring te vinden en berichtte met niet weinig bezorgdheid, dat geen wagen en misschien zelfs geen paard de rivier kon overtrekken, daar het ijsdek voor zulk een last te zwak was en nog slechts uit eenige opeengeschovene schollen bestond, die òf reeds onder water stonden, òf niet dan door eene zeer dunne ijskorst werden saamgehouden. Slechts enkele manschappen hadden het derhalve gewaagd, naar den anderen oever over te trekken, en van hen waren nog verscheidenen verongelukt, die in de diepe spleten en kloven tusschen de schotsen wegzonken. De maarschalk had dus voor het oogenblik elke verdere poging verboden, vooral daar zijne menschelijkheid niet kon toelaten, dat men den overgang bewerkstelligde, zonder die duizenden gewonden, vrouwen en kinderen af te wachten, die met hunne uitgeputte krachten niet in staat geweest waren, den vreeselijken marsch door storm en sneeuwvlagen vol te houden. Er waren dus drie uren tot uitrusten en ter herzameling der krachten toegestaan, gedurende welk tijdsverloop men nog het mogelijke beproeven wilde, om, door de niet te breede gaten met stroo en takken aan te vullen en de overige althans voor het oog kenbaar aan te duiden, den overgang minder gevaarlijk te maken.

Bianca zag zich dus thans door de zonderlinge aaneenschakeling harer lotgevallen op eenmaal midden in het krijgsgewoel verplaatst. Ofschoon hare maagdelijke schuwheid haar dit woeste bedrijf der mannen met huivering en schrik deed gadeslaan, gevoelde zij zich toch door Lodewijks en Bernards nabijheid gesterkt en opgebeurd. Tegen uitwendige gevaren was zij met den moed van edele zielen gewapend, die zich staande houden door het bewustzijn, dat er buiten dit leven nog iets beters en eeuwigs bestaat, hetwelk geen vreemd geweld, maar slechts onze eigene afval van de waarheid ons kan ontrukken. Echter moest zij zich nog met andere krachten toerusten, dan met die, waardoor men tegen zijn eigen lot bestand is; zij was bestemd, getuige te zijn van den onbeschrijfelijken jammer der vele duizenden rampzaligen, die hier den dood zouden vinden.

Tegen middernacht gaf de maarschalk, die zich dit korte uitstel met onverzettelijke koelbloedigheid had ten nutte gemaakt, om zich door een verkwikkenden slaap tot nieuwe vermoeienissen te sterken, bevel, den overgang in geregelde orde te beproeven. Stil, ernstig, in gesloten gelederen rukte een regiment lichte infanterie op de rivier aan, doch nauwelijks hadden de eerste rotten eenige schreden voorwaarts gedaan, of plotseling deed zich een dof gekraak onder hunne voeten hooren en de bodem begon te waggelen. Door driftig voortdringen hoopten zij zich nog te zullen redden en verdubbelden derhalve hunne schreden; doch daar andere massa's volgden, werd de drukking op de ijsvlakte gestadig sterker. Zij zonken met de schollen tot aan de knieën in het water; de voet kantelde, gleed uit, zij stortten neder. Daar scheurde het ijs met luid gekraak vaneen, een diepe, zwarte afgrond opende zich en verzwolgen waren de ongelukkigen, die zich aan de verraderlijke schots hadden toevertrouwd! Een luid angstgeschreeuw verhief zich; ontzet en verbijsterd keerden de naastvolgenden om en wierpen zich, met geweld terugdringende, in de gelederen hunner kameraden, die reeds op den stroom aanrukten.

De maarschalk was overal zelf tegenwoordig. Geheel verpletterd zag hij zijne dapperen in den gapenden afgrond wegzinken. Nog verhief zich hier en daar een hoofd, een arm, en een jammerende angstkreet verscheurde het hart; doch na eenige seconden was alles verdwenen en eene huiveringwekkende stilte legerde zich op de golven.

„Zóó is het onmogelijk,” sprak de maarschalk, zich met geweld vermannende. „Een voor een moeten wij het beproeven.”

Thans werd een rot van twintig man afgezonden, die elk afzonderlijk van schots op schots klimmende, den anderen oever trachtten te bereiken. Dit gelukte. Eene nieuwe hoop doorgloeide de borst der soldaten. Daar hoorde men op een niet verren afstand het donderen van het geschut! Dit geluid herinnerde weder aan de overmacht van den vijand, die elk oogenblik de sporen van het leger ontdekken en ze volgen kon; de zucht tot redding kreeg daardoor in elke borst te zeer de overhand. Kwam de vijand opdagen, zoo waren zij gered, die de overzijde bereikt hadden, terwijl integendeel zij, die nog op den oever verwijlden, zich reddeloos verloren moesten achten. Met woeste onstuimigheid drongen de massa's derhalve op den oever aan en verhaastten hun eigen verderf, door te wedijveren wie de gevaarlijke reddingsbaan het eerst betreden zoude. Bevelen, voorstellen, gebeden zijn vruchteloos, zelfs de maarschalk tracht te vergeefs zijn gezag te doen gelden. Zijne nabijheid vreezende, begeven de ongelukkigen zich naar andere punten, waar de duisternis hen aan zijn oog onttrekt. Zoo wordt, wat hunne redding had kunnen worden, hun ondergang; de haast, de blinde begeerte, de onvoorzichtigheid dooden hen. Het ijs wordt te zwaar belast, het vermag de massa's niet te dragen, het buigt, kraakt, stort in. Het gedrang beneemt aan ieder het gebruik van zijne kracht en behendigheid. De kameraad stoot den kameraad, de vriend den vriend, de soldaat het heilig geachte hoofd des aanvoerders in den poel des verderfs neder. De gansche oppervlakte van het ijs weergalmt van krakend vaneensplijtende schollen, van gierende angstkreten, van razende vloeken en verwenschingen. De oever aan de overzijde strekt hun, die hem bereiken, eene steile met ijs ompantserde borst te gemoet. De door schrik en inspanning uitgeputten vermogen dien niet meer te beklimmen; zij tuimelen van de hoogte naar beneden, rollen naar den stroom af en breken het ijsdek of hunne eigene, half verstijfde leden. Bloedend wentelen zij zich op de harde schollen rond en kermen te vergeefs om hulp. Het medelijden is doof geworden, de menschelijkheid uit elke borst verbannen. Over de stuiptrekkende lichamen hunner broeders dringen de nakomenden gevoelloos voort en de ruwe voetstap van den onverzeerden kneust en misvormt de borst en het gelaat van den bezwijkenden makker. Maar in het volgend oogenblik reeds achterhaalt hem de Nemesis; ook zijn voet glijdt uit, ook zijne hand weigert hem den reddenden dienst, ook hij rolt op het ijs terug en kermt hulpeloos aan de zijde van hem, dien hij nog zoo even meêdoogenloos met voeten vertrapte.

De gewonden, de vrouwen en kinderen aan den oever hooren het jammergeschrei der ongelukkigen door den nacht weergalmen; de donkere sluier welken deze over het tafereel heenspreidt, vermeerdert nog de ontzetting, want de scheppende verbeelding maalt de verschrikkingen van het verderf met reusachtige trekken af. Eene razende vertwijfeling grijpt de versagenden aan; kermend en de handen wringend dwalen zij langs den oever rond. Eenigen, aan wie dit lijden vreeselijker toeschijnt dan de dood zelf, storten zich in blinde razernij in de gapende wakken van den stroom neder; anderen, aan alles en vooral aan hunne eigene kracht wanhopende, werpen zich jammerend op den ijskouden grond en verwenschen hun daarzijn en den dag hunner geboorte!

Dit was het tafereel, dat zich aan Bianca's blikken voordeed. Een tijdlang had zij met stomme gelatenheid hare smart gedragen; thans werd zij daardoor overweldigd, barstte in tranen uit en zeeg aan de borst des broeders neder, die te vergeefs al zijne mannenkracht inspande, om bedaard te schijnen. Gaarne had hij zich op zijne gewone ruwe wijze lucht gegeven, maar om zijne zuster, die hem thans immers het liefste was, wat hij op het wijde wereldrond bezat, bedwong hij zich en sprak haar geruststellend toe: „Troost u, lieve zuster; de Algoede heeft ons voorzeker niet vereenigd, om de eerste bloesems van ons geluk hier onder de ijsschollen van den stroom te vernielen. Zijn oog waakt over ons!”

„O mijn broeder,” hernam zij, „zie op de ellende om ons heen; zij verscheurt mij de ziel! Ach, ik ben immers niet zóó ondankbaar, om over mij zelve te klagen!”

Lodewijk trad nader en sprak met zachten ernst: „De Almachtige heerscht ook te midden dezer verschrikkingen, lieve Bianca. Die de stroom in zijne diepte begraven heeft, zijn zij niet bevrijd van een eindeloos lijden? Ach hunne borst is immers reeds rustig en misschien zien zij nu reeds met een verhelderd oog op de donkere aarde neder! Laat u door het akelig gezicht van de korte worsteling niet verschrikken.”

Rasinski, die nog altijd te paard zat en ordende en regelde, waar zulks slechts geschieden kon, kwam op dat oogenblik nader en sprak de vrienden aan: „Houdt u slechts rustig, mijne besten, doe niets met overhaasting, want hier vrees ik geen gevaar. Slechts de schrik, die de soldaten heeft aangegrepen, is hun ondergang.—Ook ik blijf met mijne ruiters tot het laatste toe; doet dus geene poging, eer ik u kom waarschuwen. Wellicht is er nog mogelijkheid, om ook de wagens en sleden over te brengen.”

De kalme bedaardheid, welke Rasinski te midden der bedenkelijkste ontmoetingen wist te bewaren werd een vast steunsel voor allen, die hem omgaven. Wel is waar was hij op hetzelfde oogenblik weder verdwenen, om eenige grenadiers, die niet ver van den oever door het ijs waren gezakt, te hulp te snellen, doch de weinige seconden zijner tegenwoordigheid waren voldoende geweest, om aan allen nieuwen moed en nieuwe verwachtingen in te boezemen.

Allengs begon het tooneel zich te ontwarren; de troepen waren meerendeels over, slechts tot het overbrengen van voertuigen en kanonnen had men nog geene pogingen in het werk gesteld. Rasinski's ruiters waren ter dekking van een wagentrein met zwaar gekwetsten achter gebleven. De maarschalk ging te voet aan den oever rond en gaf nog gestadig bevelen; hij wilde, als de kapitein van een strandend schip, het wrak van zijn korps niet verlaten, eer hij het reddeloos verloren zag.

Eindelijk was de overgang volbracht en de scharen begonnen zich aan gene zijde reeds weder te ordenen. Thans zou men beproeven, of het mogelijk was, eenige wagens over te brengen, waarop zich zoodanige gekwetsten bevonden, die geheel buiten staat waren, te voet te gaan. Door den gestadig nieuw aanbrengenden stroom werden de schotsen bij elke opening dadelijk weder dicht op elkander geschoven; ook had men van lieverlede de plaatsen leeren kennen, die de veiligste baan aanboden. Op deze zou thans de proef gewaagd worden. Voorzichtig worden de wagens van den oeverkant nedergelaten; ongeveer dertig schreden houdt het ijs. Daar stort het plotseling in. Luid angstgeschreeuw verheft zich, de ongelukkigen verzinken, zij kampen met den vloed, zij worstelen onderling om de laatste, reeds half uitgebluschte vonk van hun jammervol leven. God en menschen roepen zij smeekend om redding aan. Vruchteloos! Weinige oogenblikken zijn genoeg, om hen allen in de diepte te doen wegzinken, en op de door de ziel snijdende angst- en jammerkreten volgt eensklaps weder de huiveringwekkende stilte, die slechts door het doffe ruischen en kabbelen van den stroom en door het holle dreunen en horten der ijsmassa's wordt afgebroken.

Met hevig, maar gewelddadig beteugeld smartgevoel staart de veldheer de plaats aan, waar de edelste, de dapperste, de aan de diepste wonden bloedende martelaars door den zwarten afgrond zijn verslonden geworden. Daar beweegt zich nog iets boven de oppervlakte van het water! Een klagelijk geluid laat zich hooren; men ziet eene gestalte op eene schots, nu dalend, dan rijzend ronddrijven.

„Daar is nog iemand te redden,” roept de menschelijke veldheer en waagt zich zelf op de gevaarvolle baan, waar elke mistred naar het graf voert. Rasinski, die in de nabijheid is, springt pijlsnel van het paard en vliegt den maarschalk te hulp.

Werkelijk is het een der zoo even verongelukten, die als door een wonder uit de diepte van den afgrond opduikt, doch, zwaar gekwetst en krachteloos, niet in staat is de vaste schol te beklimmen. Daar strekken zich de bevriende armen naar hem uit; zijn veldheer en Rasinski zijn het, die hem de reddende hand toereiken. Zij trekken hem op den vasten grond, geleiden hem naar den oever—hij is den dood ontrukt. Doch nu begeven hem de krachten; het verstijfde, uitgeputte, verbrijzelde lichaam houdt de ziel niet meer in vaste banden—zij ontvliedt! Zijn dwalend oog valt op zijne redders, zoekt vervolgens zijn vaderland, breekt, en sluit zich voor eeuwig.

Eene minuut wandelt de maarschalk in sombere mijmering op en neder; eene minuut is hij mensch en vriend, in de volgende weder geheel veldheer.

„Wagens kunnen niet worden overgebracht,” spreekt hij op een beslissenden toon; „vernagelt de kanonnen! Pakgoederen en levensmiddelen, die niet vervoerbaar zijn blijven voor diegenen achter, die ons niet kunnen volgen.”

Met dit bevel is het doodvonnis over de ongelukkigen uitgesproken, die op hunne eigene kracht niet meer kunnen vertrouwen. Een luid weeklagen verheft zich; wie nog een voet, nog eene hand verroeren kan, klimt met moeite van de voertuigen, om zich naar den anderen oever voort te sleepen. De anderen plunderen in vliegende haast de bagage, want deze bevat, wat alleen redden kan, den geringen spijsvoorraad, de beschermmiddelen tegen de nijpende koude, de noodzakelijkste behoeften! Bijna niets is te vervoeren en toch kan men niets ontberen! Zij grijpen, werpen weg, grijpen nog eens aan, slingeren opnieuw van zich.

Als razenden, wier have in vlammen staat, redden zij in hunne verbijstering het minst bruikbare. Velen konden niet tot een besluit komen. Daar hooren zij het geroffel der trommen, die aan de overzijde den afmarsch aankondigen, de angst van terug te blijven grijpt hen aan, en in wilde vertwijfeling snellen zij op de rivier toe en wagen de poging tot redding.

Thans eerst denkt Rasinski aan zich zelf, aan zijne vrienden. Met de uitdrukking van diepen weemoed in stem en gelaatstrekken nadert hij de slede, waarop Bianca met Jeannette gezeten is. „Vorstin,” spreekt hij haar aan, „de nood wil, dat gij u aan eene harde beproeving zult onderwerpen. Wagens en sleden zijn niet over de rivier te brengen; met de paarden zal ons dit, hoop ik, gelukken. Voorzie u dus van het onontbeerlijkste. Zonder twijfel bereiken wij spoedig eene bewoonde plaats, waar wij voor vrouwen ten minste hulp zullen weten te vinden!”

Bianca sloeg den sluier terug, stond op en antwoordde met aandoening: „Gij zijt zoo goed—maar ik vrees deze beproeving van het lot niet,” ging zij met meer kalmte voort; „ik voel moed, deze bezwaren te verduren. Slechts het lijden van al deze hulpeloozen heeft mij zoo hevig ontroerd en verlamde mijne eigene kracht. Thans zal een strengen dwang mij heilzaam zijn.”

De paarden werden afgespannen en met eenige bagage, doch niet te zwaar, beladen. Willhofen geleidt het eene, een van Rasinski's ruiters, van welke reeds eenigen te voet gingen, het andere. Rasinski zelf gaat vooruit, wijl hij de baan, welke men volgen moet, het best kent. Bianca wordt door Lodewijk en Bernard, Jeannette door Jaromir en Boleslaw ondersteund.

Daar de weg naar den oever door wagens, pakgoederen en honderden ongelukkigen, welker angstgeschreeuw de lucht vervult, versperd is, laat Rasinski de zijnen een omweg maken. Plotseling verneemt Bianca's angstig luisterend oor het kermen van een kind.

„Mijn hemel,” roept zij, „zou hier ergens een kind hulpeloos zijn achtergelaten? Wanneer wij al de anderen niet kunnen redden, dit onschuldige leven mogen wij toch niet prijsgeven.” Haar blik volgt het oor, zij luistert, heeft de richting gelukkig gevonden. Het arme schepsel moet zich tusschen de wagens bevinden. Zij snelt er heen en vindt werkelijk een in stroo en dekens gewikkeld, verlaten, op een wagen liggend kind, dat zij met teederheid opheft. „Arme kleine,” spreekt zij op zachten toon, „kon uwe moeder u zoo vergeten? Ik wil uwe moeder zijn, tot zij terugkeert.” Zij neemt het in haren arm en duldt niet dat Lodewijk of Bernard haar van den zoeten last ontheffen. Vriendelijk stelt zij de angstig weenende kleine gerust, die zich spoedig vol vertrouwen aan haar vastklemt. Eene zalige vreugde doorgloeit hare borst bij de gedachte, dat zij ten minste één wezen uit dezen afgrond des verderfs gered heeft. Zoo keert zij terug en toont aan Jeannette en de overigen den kostelijken schat, dien zij gevonden heeft. Boleslaw herkent het kind; het is Alisette's dochter. In de hevige ontroering ontvalt dit woord dochter aan zijne lippen. Jaromir hoort het, vraagt, vorscht en blijft, daar zijn vriend een bepaald antwoord tracht te ontwijken, met verdubbelde hevigheid op eene verklaring aanhouden.

„Zeg mij de waarheid,” roept hij uit, „de volle, zuivere waarheid. Boleslaw, zoo gij u mijn vriend noemt—bij deze gevaren, die wij deelen, bij de trouw, die wij elkander altijd bewezen—zeg mij de waarheid!”

Zoo vernam Jaromir Alisette's ondergang en doorzag tevens het gansche weefsel van huichelarij en bedrog, waarmede zij hem omsponnen had.—Hij was hevig geschokt, doch geen traan welde in zijn oog op, geen woord vloeide van zijne lippen. Hij smoorde de stomme smart, dit bittere mengsel uit bedrogen liefde, bedriegelijke begoocheling der zinnen, verachting, medelijden en diep berouw, in de binnenste schuilhoeken zijner hijgende borst, en leed zwijgend, zag bleek als een marmerbeeld.

Thans had men den stroom bereikt; de gevaarlijke overtocht begon en de beschermende hand des hemels leidde de schreden der beangsten gelukkig tot het doel. Van hoe nabij het gevaar hen ook aangrensde, hoe dikwijls de grond ook onder hen kraakte en de voet bij zwarte afgronden uitgleed—de waakzame redding was gestadig nader dan het loerende verderf. Zij betraden den anderen oever en haalden weder vrij adem.

Diep ontroerd drukten de vrienden elkander aan het hart, keerden zich tot Rasinski, die zij gevoelden dat hun redder geweest was en overstelpten hem met bewijzen van dankbaarheid en liefde.

„Zoek daar boven den Helper,” sprak deze en hief de hand ten hemel. „Hem, die boven de sterren woont, wiens oog door nacht en nevel blinkt, Hem komt de eer toe en niet mij!”

Plotseling drong een man met woeste onstuimigheid door het dichtste gewoel en wilde Rasinski voorbijsnellen; deze herkende Regnard. „Waarheen?” riep hij hem toe en hield hem staande.

„Laat mij!” gaf deze driftig ten antwoord en wilde zich losrukken; „ik moet naar den anderen oever terug. De ongelukkige, die mijn kind bewaken zou, heeft het achtergelaten. Ik moet het redden.”

„Het is gered!” riep Rasinski.

„Hoe? Waar?” stamelde Regnard en blikte angstig in het rond.

Rasinski wees den van vreugde bevende naar Bianca. Deze had het gesprek aangehoord en trad hem te gemoet.

„Gij arme kleine!” riep de vader met roerende teederheid en nam het kind op zijne armen; „zijt gij dan waarlijk ten tweeden male gered?”

Zijne vreugde was zoo groot, dat hij bijna aan geen dankbetuigingen denken kon; half beschaamd wendde hij zich echter tot Bianca, en zeide: „Gij waart de beschermengel van dit hulpelooze wezen! Eisch mijn leven, zoo gij wilt; als man van eer geef ik u mijn woord, dat ik het gaarne voor u wil opofferen. Maar blijft gij dan ook de moeder van deze verlatene wees?”

„Vertrouw thans het kind aan mij toe,” sprak Bianca vriendelijk; „het zal zijne moeder niet missen!”

„Ja, dat wil ik,” hervatte Regnard; „zoo de Almachtige u spaart, is ook dat jonge wezen behouden. Gij zult het niet vergeten in het uur des gevaars!”

„Voorzeker niet,” sprak Bianca; „en zij zal eer mij beschermen, dan ik haar, want Gods engelen waken over dit schuldelooze hoofd.—Ook heeft zij mij reeds hartelijk lief, niet waar, kleine?”

De koude Regnard, wiens ijzeren voorhoofd bijna nimmer door een vriendelijk lachje ontrimpeld werd, vertoonde thans in al zijn gelaatstrekken de hevigste ontroering en heldere tranen rolden langs zijne wangen. Hij kon niet spreken, of wilde niet, daar hij zijne aandoening zocht te verbergen.

Bernard beschouwde hem met innige deelneming en fluisterde zijnen vriend in het oor: „Aan hem ziet men, dat het noodlot ijzer tot was kneedt. Het moet hem dan ook met reuzenvuisten hebben aangegrepen, dat het tranen uit zijn stalen hart perst en warme vonken uit zijn koude marmerborst slaat.”

„Gij bedriegt u, mijn vriend,” antwoordde Lodewijk; „niet de slagen van het lot hebben hem verpletterd, die blijft hij als altijd het hoofd bieden, maar de warme zon der liefde doet door hare stralen het ijs van zijne borst versmelten en ontlokt geurige bloemen aan den grond van graniet. O, geloof mij, in de diepte van elke borst ligt de gouden zaadkorrel der liefde verholen en ontkiemt ook, zoodra een zonnestraal tot haar doordringt.”

„Toch wel niet, voor en aleer het scherpe ploegijzer van het ongeluk den harden grond van alle zijden heeft losgewoeld.”

„Is dat zoo, dan willen wij den hemel dankbaarder zijn voor de smart dan voor de vreugde, die hij ons verleent,” sprak Lodewijk met aandoening.

„Daartoe heeft men ook dikwijls reden,” vervolgde Bernard; „en zijn ook wij niet in die school geweest? Hoe diep en dikwijls moest de pijn der smart, het vuur des toorns, het ijs der versmading, ja zelfs het gif der zonde mij door het hart dringen en daarin branden en invreten, eer het week en vruchtbaar werd voor de heilige zaden van vriendschap en liefde!”

„En lagen deze dan niet altijd in u?” antwoordde Lodewijk. „Gij miskent en misvormt u zelf, mijn vriend!”

„Zoo iets droeg ik er zeker van bij mij,” sprak Bernard, „maar geen echt, gelouterd metaal; en nog is het niet van alle slakken gezuiverd. Wellicht duurt het nog lang, eer het zulk een helderen, gouden klank geeft als bij haar!” Hij wees op Bianca, die nog met Regnard sprak.

„Zij, ja,” hernam Lodewijk, „is als eene vaas van het zuiverste kristal, die, wanneer men haar aanroert, de welluidendste toonen doet hooren!”

Gedurende dit gesprek hadden de troepen zich verzameld en weder in beweging gezet. Willhofen bracht de beide paarden, die hij voor Bianca en Jeannette met dekens gezadeld had, de vrouwen werden opgetild, Bianca nam het kind vóór zich en de oude bediende sloeg de teugels om den arm, ten einde de paarden te geleiden. Spoedig nam een dicht woud de vluchtenden op, en onder de bescherming der duisternis schenen de dreigendste gevaren gelukkig afgewend.

HOOFDSTUK VI.

Bij het groote leger hadden de diepste droefheid en bekommernis geheerscht, wijl men niet meer hopen durfde, dat de prijs gegeven held Ney uit de sneeuwvelden van oud-Rusland, welks grenzen door tallooze vijanden bewaakt werden, een uitweg vinden zou. Wanneer de garde des keizers, toen zij, om Eugenius en Davoust te redden, onder diens eigen aanvoering terugkeerden, reeds zulk een vreeselijken kamp moest doorstaan, wanneer de armee van Italië slechts door een wonder had kunnen gered worden—wat kon men dan nog van hen verwachten, die, meer dan twee dagmarschen achter, van alle zijden door den vijand waren ingesloten? Eene sombere mistroostigheid had zich van allen meester gemaakt; zelfs in zijne eigene redding mocht niemand zich verheugen, zoolang de koene, edele leeuw in den kerker des vijands versmachtte of wellicht onder de knodslagen der overmacht verpletterd werd. De keizer zelf, schoon hij uiterlijk en waar hij zich voor het oog der soldaten als mensch of veldheer moest vertoonen, zijne onverzettelijke kalmte en bedaardheid bleef behouden, kon zijne bezorgdheid en zijn kommer voor zijn nadere vertrouwden niet langer verbergen. Men zag hem somber, met gefronst voorhoofd, de handen op den rug gekruist, in de armoedige, half ingestorte hutten van Krasnoe, Lyadi, Rasasna en Orsza, waar de beheerscher van Europa thans zijn nachtverblijf moest nemen, op en neder wandelen. Zijne vertrouwden zaten of stonden zwijgend om hem heen en hadden den moed niet de diepe stilte af te breken. De smart over het verlies van zoovele duizenden zijner getrouwen, den smaad zijner nederlagen, de vernietiging van alle zijne verwachtingen had hij met onbezweken standvastigheid gedragen; het verlies van zijn koensten veldheer, van zijn warmsten vriend bedwong zelfs dezen kolos, die gewoon was, te midden der stormen en vlagen van het noodlot als eene rots vast te staan en de onweders op zijne kruin te doen afstuiten.

Door gevechten en inspanningen vermoeid, had het leger met een tragen tred, want de keizer wilde de geopende baan der redding niet betreden, zoolang hij zijn kostelijkst edelgesteente aan den vijand verpand had, tegen den laten avond Orsza bereikt. Eugenius, Davoust en Mortier legerden zich met hunne troepen in de stad en vonden hier, na eene maand van lijden en ontbering, voor de eerste maal eene veilige schuilplaats, een dak tegen de snijdende winterkoude en eene legerstede, waarop zij de vermoeide leden konden uitstrekken. Men scheen de pijnlijke vermoeienissen te boven te zijn en met den ijzeren dwang der gebiedende noodzakelijkheid weken ook de krachten, die de wil alleen niet tot zulk eene vreeselijke gehoorzaamheid vermocht te dwingen. Uitgeput waren de krijgslieden op hunne legersteden nedergezonken en vergaten in de armen van den slaap het doorgestane lijden.

Het was nacht.

Daar hoort de nog in het late uur voor de zijnen wakende Eugenius de stille straten van het stadje van luiden hoefslag weergalmen. Luisterend buigt hij zich uit het venster, ziet ruiters naderen en roept hen aan.

„Werda?”

„Poolsche cavalerie!”

„Van waar?”

„Van het korps van maarschalk Ney!”

Dit antwoord dringt den koning als een gloeiende vuurstraal door het hart. „Leeft hij? Is hij gered?” vraagt hij driftig.

„Hij komt op den rechteroever des Dniepers aanrukken,” hervat Rasinski, die door den maarschalk was uitgezonden; „doch de Russen vervolgden hem en ik kom hulp vorderen.”

„Gij zult ze hebben,” juicht de veldheer en verschijnt na weinige oogenblikken met zijne officieren op de straat. De tamboers slaan den generalen marsch, men ijlt van huis tot huis, om de soldaten op te roepen. Doch welk een eisch! Nauwelijks hebben ze eindelijk de eerste plaats van rust en zekerheid bereikt, nauw heeft de slaap de uitgeputte soldaten in zijne zachte armen gesloten en reeds wederom zouden zij naar buiten in den onmetelijken oceaan van ijs en sneeuw, zouden zij terugkeeren in de wildernis, aan welke zij zoo even eerst met doodsgevaar ontworsteld zijn! Wie kan hen daartoe noodzaken! Liever kiezen zij den dood, dan de vernieuwing van dat lijden. De roffelende trommen hooren zij niet, met zoo vaste banden houdt de slaap hen omstrikt; met moeite opgeroepen en opgericht tuimelen zij half bewusteloos weder op de warme legerstede terug. Laat de vijand, dien zij wanen, dat de stad overvallen heeft, hen vermoorden; elke tegenstand is toch vruchteloos; waarom zouden zij de verlamde spieren nog eens op de pijnlijke folterbank spannen, waarom de martelingen vernieuwen en verlengen?

Nog één middel is onbeproefd gebleven. „Gij moet den maarschalk Ney redden,” schreeuwt men den bedwelmden in het oor. „Hij is in de nabijheid! Op, om hem te redden, hem te beschermen!”

De naam van den vereerden, betreurden, verloren geachten Ney doet het eergevoel der dapperen ontwaken; zulk een veldheer te verlaten, is smadelijker dan verraad en vlucht. De oproeping dringt met wegslepend vermogen in de ziel der krijgslieden door; Ney is de held, die alles waagt, hij is de redder, waar niemand anders meer redden kan. En hij keert van de poorten des doods terug! Niets is meer te vreezen, wanneer hij weder in ons midden verwijlt!

De heugelijke tijding vliegt van mond tot mond, van huis tot huis; bij gansche scharen stroomen de soldaten toe; elk wil de eerste zijn, die den vergoden held te hulp snelt. Zelfs de bevelhebbers betwisten elkander dezen roem; slechts door zijn hoogeren rang vermag de onderkoning zijn recht daarop te doen gelden.

Door de dichte duisternis, langs ongebaande wegen breekt men op, Rasinski en zijne ruiters rijden als wegwijzers aan de spits. Doch de vijandige natuur rust ook nog thans niet; de sneeuw stuift dwarrelend op; elk spoor wordt onkenbaar. Hoe zal men thans de juiste richting houden? Hoe in deze onafzienbare wildernissen de verlorenen opsporen?—Twee uren is men, op het goed geluk vertrouwende, onophoudelijk verder voortgedrongen; thans echter schijnt elke baan en daarmede elke hoop verloren; verder gaande moet men vreezen in de netten des vijands te verwarren en op zijne legers, niet op die der vrienden, te stooten.

„Wij zijn hier op zee, ofschoon de golven ook al bevroren zijn,” roept de koning. „Wij moeten de middelen van benarde zeelieden te baat nemen en seinschoten doen.”

Hij gebiedt halt. Twee stukken worden blind geladen. Met behoorlijke tusschenpoozen worden drie schoten gelost, welker dof gedonder tot in de verte voortrolt. In angstige verwachting luistert men, of het signaal beantwoord wordt. Lang blijft alles stil; reeds begint men te wanhopen, of het teeken wel verstaan is. Daar doet zich eindelijk een verwijderd geweervuur hooren.

„Hoe? Wat moet dat beteekenen?” vraagt de onderkoning.

„O, dit teeken is ons gunstig,” valt Rasinski hem haastig in de rede, „het derde armeekorps heeft geen kanonnen meer en kan slechts op deze wijze antwoorden.”

„Dan heeft hij ons toch verstaan,” roept Eugenius. „Hoe voorzichtigheid en koenheid altijd bij hem gepaard gaan! Hij wachtte af, of de drie schoten niet door andere zouden gevolgd worden, en zoo ried hij de eenige beteekenis, die zij hebben konden.”

„Het was in des maarschalks toestand buiten twijfel gevaarlijk, op het sein te antwoorden,” hernam Rasinski; „hij kon zich daardoor even goed aan den vijand verraden. Doch zijn veldheersblik doorziet alle omstandigheden met ongeloofelijke snelheid, en waar verderf en redding nauwelijks te onderscheiden zijn, weet hij toch met vaste hand aan te grijpen, wat hem heil aanbrengt.”

„En ditmaal zal hij zich niet bedrogen vinden,” sprak de onderkoning, terwijl hij zijne afdeeling de richting liet aannemen, in welke de schoten gevallen waren.

Met vernieuwden moed en frissche kracht trekken de getrouwe kameraden voorwaarts. Eensklaps scheurt het wolkenfloers vanéén en de maan, na zoo dikwerf hunne gevaarlijke vijandin geweest te zijn, wordt eindelijk eene vriendin der bekommerden. Zij werpt haar zacht schijnsel over de sneeuwheuvels, en thans ziet men een zwarten legertroep langs den zoom van het woud afdalen.

„Dat zijn zij!” roept Rasinski, en de manschappen verdubbelen hunne schreden. Weldra heeft men elkander wederkeerig herkend; de vreugde drijft tot spoed aan; de edele aanvoerders kunnen het oogenblik der ontmoeting niet afwachten, zij snellen hunne benden vooruit, springen uit den zadel en houden elkander innig omarmd.

Het gansche leger volgt dit roerend voorbeeld na. Als had elk een broeder, een zoon, een vader gered, ijlen officieren en soldaten met open armen op elkander toe. Alle gevaren, ontberingen en opofferingen zijn vergeten. Op de zwarte zee des onheils blinkt eindelijk eene flonkerende ster des geluks, en Ruslands koude ijsvlakte, tot hiertoe slechts het akelige tooneel der verschrikking, ziet een treffend schouwspel van liefde en trouw, waarbij slechts vreugdetranen vlieten.

Met eerbiedige bewondering wordt de held, die zich met leeuwenkoenheid door alle vijanden en gevaren den weg baande, door de krijgslieden omringd. Zelfs niet de nijd van hen, die met hem gelijk staan, bezoedelt zijne lauweren; elk legt gewillig den prijs aan zijne voeten, doch hij, zóó hebben plicht, eer en roem zijne natuur veredeld, weet nauwelijks, dat hij dien verdiend heeft.

In zegepraal wordt hij naar Orsza gevoerd; op den weg derwaarts deelen de soldaten des konings met die van den geredden maarschalk de levensmiddelen en verkwikkingen, welke zij zoolang ontberen moesten. Zij verhalen elkander van hun lijden, van hunne gevaren en van hunne daden; doch zijn lijden vergeet de soldaat, zijne daden blijven vast in zijn geheugen ingeprent, op deze beroemt hij zich met trotschheid, uit deze put hij kracht tot nieuwe waagstukken.—Zoo betrekken de dapperen de legerplaatsen voor dezen nacht. Zij gevoelen zich weder de soldaten van de groote, onoverwinnelijke armee, nu zij het kostelijkste goed, den roem, uit de vreeselijke schipbreuk van hun geluk gered hebben. De vijand toch kan van geen leger spreken, dat voor hem de wapens heeft nedergelegd; allen zijn zij door de russische legermassa's en de verschrikkingen eener vijandige natuur stoutmoedig heengeworsteld. Deze trotsche gedachte doet een edel vuur in de borsten der krijgers ontvlammen, en in den gloed daarvan wordt het stalen harnas eener onverzettelijke standvastigheid om de heldenborst nog hechter vastgesmeed.

DERTIENDE BOEK.

HOOFDSTUK I.

Door Rasinski's toedoen waren de vrienden weder in het bezit van een wagen gekomen, waarop Bianca, Jeannette en het kind den bezwaarlijken tocht konden voortzetten. Om in den algemeenen nood nog hulp aan te brengen, waar zij zulks vermochten, namen zij nog drie gekwetste officieren op, die beurtelings een der paarden bestuurden. Bernard, wiens wonde bij zijne frissche, jeugdige krachten en onder de betere verzorging, welke hij in de laatste dagen genoten had, volkomen genezen was, ging met Lodewijk te voet, maar zij hielden zich in de nabijheid van het voertuig. Rasinski en zijne manschappen beschouwden zich eenigermate als de bedekking van den wagen en verlieten dien slechts wanneer de krijgsplicht hen ergens elders riep.

De koude was geheel geweken en werd door een zóó sterken dooi gevolgd, dat zelfs de sneeuw ten deele wegsmolt en ten minste van den grooten weg geheel verdween. Viel dus ook al de winter het leger met zijne scherpe wapenen niet meer met zooveel geweld aan, zoo werd daarvoor de marsch nu dubbel bezwaarlijk. Zij, die in het vertrouwen, dat de vorst van duur zijn zou, hunne wagens met sleden verwisseld hadden, zagen zich thans bitter bedrogen, daar deze voertuigen bij het verdwijnen der sneeuw geheel onbruikbaar werden. Het toeval, meer dan eigen inzicht, had voor Bianca op eene tegenovergestelde wijze zorg gedragen. Gelijk men in tijden van druk en beproeving zelfs aan de geringste gunstig schijnende omstandigheden groote waarde hecht, zoo wilde ook zij daarin een bijzonder teeken ontdekken, dat de hand des hemels zich beschermend over haar uitstrekte en haar gelukkig uit den diepen afgrond dezer grenzenlooze ellende redden zoude. Met angstig medelijden zag zij echter den jammer aan, welke om haar heen heerschte en van uur tot uur eene meer verschrikkelijke gestalte aannam; het scheen haar bijna misdadig, in dezen algemeenen ondergang op eigen redding bedacht te zijn en dood en ellende niet gemeenschappelijk te willen deelen. Had de smart zich overal onder eene edele gedaante vertoond, zij zou misschien huiverig zijn geweest, slechts aan eigen behoud te denken; thans echter kwam onder deze ernstige beproevingen meerendeels alleen de diepe verdorvenheid der menschelijke ziel in hare gansche afschuwelijkheid te voorschijn. Hoogst zeldzaam bespeurde men eene verhevene, edele gelatenheid onder het verpletterend noodlot, des te menigvuldiger daarentegen eene wrokkende woede, een luid vloeken en verwenschen van alle menschelijke, heilige en goddelijke instellingen. Bianca ijsde hiervoor terug; haar gemarteld oog wendde zich van deze tooneelen van afgrijzen af en zij boog zich over het aanminnig kind op haren schoot neder, om in de beschouwing van diens zachte trekken de vreeselijke ontaarding der menschheid te vergeten. Ach, en juist dit kind herinnerde het haar niet ook de onnatuurlijkste daad? Stond achter het vriendelijke beeld van dezen lachenden engel niet de furiëngestalte eener aan het verderf ten prooi gegeven moeder, die in snoode waanzinnigheid zelve de heilige vrucht van haren schoot had willen vernietigen?—En wanneer de beangste het oog weder opsloeg, wat ontdekte zij dan om zich heen? Jammer, ellende, razernij, vertwijfeling, onmenschelijke woede tegen den Schepper en zijn schepsel!

De slijkige, in een moeras veranderde weg, vorderde eene bovenmatige inspanning van alle krachten. De voor sleden gespannen paarden stortten, in weerwil der meedoogenlooze zweepslagen, waarmede de geleiders hen onder grimmige vloeken trachtten voort te drijven, ter neder en waren nauwelijks in staat zich weder op te richten. Thans eerst, schoon te laat, werd het besluit genomen, het onmogelijke op te geven. Men spande de dieren uit en overlaadde hen met buit en voorraad; te vergeefs smeekten de zieken en gewonden, dat men hen niet vergeten zou. De hebzucht en het eigenbelang waren doof; wie nog krachten bezat, om voor zich zelf te handelen, zich zelf te redden, dacht aan geen plichten der menschelijkheid meer. Echter werd deze daad door de verdiende straf op den voet gevolgd, want nauwelijks had men, zonder zich om het gekerm der kameraden, die men aan een akeligen dood door honger of koude prijsgaf, te bekommeren, de uitgeputte paarden eenige honderden schreden vooruitgezweept, of deze stortten andermaal ter aarde en thans waren alle pogingen, om hen opnieuw op te jagen, vruchteloos. Huilend van woede trapten de verbitterde bezitters hun bijeengeraapten buit in het slijk en vernielden in hunne grimmigheid zelfs de levensmiddelen, die hen wellicht den volgenden dag van den hongerdood zouden gered hebben.—En honderden en duizenden zagen deze tooneelen aan, doch niemand stoorde zich daaraan, niemand ging het lot der verlatenen ter harte, zoo had de vreeselijke herhaling van dergelijke voorvallen zelfs het verschrikkelijkste tot iets onverschilligs, iets gewoons gemaakt, zoo de ondragelijke zwaarte van het eigen lijden elk gevoel voor dat van den vreemden verstompt! En niet alleen de ruwe, de onbeschaafde, dien beter weten en gevoel voor het ware en edele de borst niet gelouterd hadden, maar zelfs hij, die met de hoogere voorschriften der deugd bekend moest zijn, had ze ganschelijk vergeten en droeg van den mensch nog slechts de uiterlijke gedaante, en ook deze nog misvormd en bijna onkenbaar door honger, uitputting, ellende en krankheid.

Zoo zag men hoofdofficieren, zelfs generaals, onder de massa's der krijgers verloren, zich met behulp van een stok voortsleepen en den bodem, dien zij als overwinnaars betraden, als bedelaars verlaten, gelukkig genoeg, zoo zij buiten de bezwaren van den marsch niet nog de gevaren van den kamp en den hoon des vijands te verduren hadden, wiens zwervende aziatische horden, als eene schaar hongerige roofvogels, die om een verrottend lijk in het rond zwierf, het leger verzelden.

Eenige dagen verstreken, gedurende welke de sombere beelden zich in gestadige opvolging vernieuwden. De hoop van weldra het niet ver meer verwijderde Minsk te bereiken en aldaar voorraad in overvloed, ruimte ter herberging van allen en bovendien onderstand van versche, wel uitgeruste troepen te vinden, hield de kracht staande. Zoo trok men Toloczin binnen. Den volgenden morgen had men zich nauwelijks weder op marsch begeven, toen een officier den keizer met een schriftelijk bericht te gemoet kwam. Deze opende de depêche en verried door eene driftige beweging, dat de inhoud verre van geruststellend was.

Schoon het bericht nog een geheim bleef, liepen weldra allerlei vermoedens en geruchten, die aan de waarheid zeer nabij kwamen, door de gelederen rond. Tegen den avond van den volgenden dag liet zij zich niet langer ontveinzen, want reeds langs andere wegen was zij het leger ter ooren gekomen.—Minsk was verloren, in 's vijands handen!

Toen Rasinski op het bivak dit naricht uit den mond van Regnard vernam, verwisselde zelfs hij van kleur en drukte zich de hand voor de oogen, als wilde hij dat nieuwe onheil niet zien. „Zoo is dan de keizer een russisch staatsgevangene!” riep hij in onstuimige gemoedsbeweging.

Een somber zwijgen heerschte in den kleinen kring der verzamelde vrienden. Met vragende blikken hingen allen aan het gelaat van hun aanvoerder en trachtten vruchteloos nog eenige hoop op zijn gefronst voorhoofd te lezen.

„Dus ook dat nog,” vervolgde hij na een lange stilte. „En deze winter, die ons eerst eene maand te vroeg overviel, verraadt ons nu ten tweede male, daar hij ons verlaat, waar hij onze bondgenoot worden kon. Het verlies van Minsk, hoe hard het ook zij, ware nog te verkroppen, zoo de Beresina ons niet met hare moerassige diepten gevangen hield. Eene russische armee aan de overzijde der rivier is als een ijzeren grendel, die ons de poort van dezen Tartarus onherroepelijk sluit.”

„Ons blijft geene andere hoop,” hervatte Regnard, „dan deze, dat de vijand vóór ons onzen toestand hier nog niet kan kennen; dat hij ons wellicht vreest, wellicht te misleiden is.”

Rasinski schudde het hoofd. „Kutusow, meent gij, zou geen bode gevonden hebben, om Tschitschagoff, Wittgenstein, of hoe die generaals heeten mogen, van alles te verwittigen?—Een demon moest hen verblinden, zoo zij nu het net niet over de kostelijke vangst toetrokken! Eén uitweg rest ons nog—de eervolle kamp en ondergang.—Op de baan der schande kan ons het lot niet brengen, dat echter is ook de eenige gunst, die het ons toedeelt.”

Over Jaromirs wangen zweefde een weemoedig lachje, toen Rasinski zich dus uitliet. Bernard, die zulks bespeurde, ontdekte hieruit, welke hoop door het geheel verbrijzeld hart van den armen jongeling gekoesterd werd. Sedert de ongelukkige Alisette's lot kende, had buiten den somberen ernst, die na den rampzaligen avond in Moskou zijne jeugdige opgeruimdheid in ijzeren boeien geketend hield, ook nog eene stille droefgeestigheid hem overmeesterd, die dikwijls een wezenloos mijmeren en droomen geleek. Het mannelijk besluit zijner ziel, om door een stalen krijgsmansmoed de schuld, met welke hij zich bezwaard gevoelde, te verzoenen, was door een, buiten de grenzen van zijn wil gelegen oorzaak verlamd. De vastberadenheid, waardoor hij zich tot hiertoe in deze dagen van tegenspoed ook boven Boleslaw zoo gunstig had onderscheiden was verdwenen, de ellende om hem heen scheen hem koud en gevoelloos te laten, ja zelfs de roerende deelneming en bezorgdheid zijner dierbaarste vrienden bespeurde hij nauwelijks en beantwoordde hij met merkbare onverschilligheid.

Met diepe droefheid had de steeds opmerkzame Bernard deze verandering in het geheele gemoedsbestaan van den jongeling waargenomen. En thans nu het vonnis der veroordeeling over zijne makkers, over zijne vrienden, welke hij innig liefhad, over den roem van het leger en dien des keizers, ja over het lot van zijn vaderland werd uitgesproken, nu hij zijne lotgenooten verpletterd en als versteend voor zich zag, thans glimlachte hij, alsof eindelijk een lichtstraal der vreugde in den nacht zijner smarten doordrong. Hij geleek een afgemartelden lijder op het doodbed, die den engel der verlossing ziet naderen.

Bernard werd door den aanblik van den ongelukkigen vriend zelfs nu ten diepste ontroerd, daar de verbrijzelende knodsslag der wereldgebeurtenissen, die allen gelijkelijk trof, even bedwelmend op hem nederviel als op alle overigen. Dit ware onmogelijk geweest, wanneer hetzelfde oogenblik de zekerheid van den ondergang en zijne vervulling had doen geboren worden; doch wanneer nog een arm van den tijdstroom tusschen deze twee heenbruist, is de mensch, zelfs onwillekeurig, nog steeds geneigd, zijn geluk aan het zwakste, met de golven worstelende vaartuig der hoop toe te vertrouwen, en behoudt hij het gevoel eener tegenwoordigheid met al hare smarten en genietingen.

„Dus is juist dat zijne hoop en het doel zijner wenschen geworden, wat in elke andere borst alle wenschen en alle verwachtingen vernietigt?” dacht Bernard en liet zijn blik in weemoedige beschouwing op het bleeke gelaat en het matte oog van den jongeling rusten. „Zijt gij zoo diep ongelukkig, gij arme lotgenoot?”—Het vorschend oog van den scherpzienden vriend drong dieper door. Het was niet de verlossing uit zijn lijden, welke met de vernietiging der vrienden, des roems en van het vaderland gepaard ging, die Jaromir, nog bij zijn volle bewustzijn verkeerende, met een vriendelijk lachje had begroet! Dat kon slechts hij, voor wien de beelden des levens zich reeds begonnen te verwarren, voor wien zij in schemerende droomen overgingen. Ach, reeds lang had Bernard het bemerkt, maar de gedachte als een pijnigenden vijand van zich trachten af te weren, dat de Nemesis, die de schuldige Alisette achterhaald had, voor Jaromir een gruwzaam spiegelbeeld was geworden, waarin hij zijn eigen noodlot dreigend voor zich zag.

En dit niet alleen, maar ook de gedachte, dat zulk eene vreeselijke schuld op hem rustte, dat zijne misdaad de duistere wraakgestalten opriep en ze dreigend aan zijne schreden vasthechtte, folterde Jaromirs borst met duldelooze wroegingen, van welke hij geene verlossing zag dan in den dood, dien hij zich zelf niet geven mocht, zonder zich met nieuwen vloek te beladen. Door deze gestadige, inwendige marteling verteerde hij zich zelf, zijne kracht bezweek, zijn edele geest verloor het heldere, vrije bewustzijn; als nachtelijke spooksels slopen de verschrikkingen der krankzinnigheid zijne ziel binnen en hij ijsde terug bij hare kille aanraking. Wie zal het thans in hem veroordeelen, dat de donkere poort des doods hem die der bevrijding toescheen, toen zijn gemartelde ziel niet meer in staat was, haar zich anders voor te stellen?

Met ijskoude huivering wendde Bernard het oog van den ongelukkige af. De openhartige mededeeling zijner bange vermoedens zou thans eene verkwikkende weldaad voor hem geweest zijn, doch hij ontzeide zich die, om het hart zijner vrienden niet met nieuwen bitteren kommer te beladen. Het leed had hunne borst reeds genoeg verpletterd, waartoe ze met nieuwe, diepe wonden te doorpriemen?—Tot Jaromir wendde hij zich echter met warme, broederlijke liefde en beproefde, of woorden van opbeuring en hoop nog in staat waren, den zwarten roofvogel der krankzinnigheid te verjagen, die in enger en enger kringen om diens ziel zweefde en haar met giftige klauwen dreigde vaneen te rijten.

HOOFDSTUK II.

Na onuitsprekelijk vermoeiende marschen bereikte het leger eindelijk Niamanitza. Duizenden hadden op dezen vreeselijken weg den dood gevonden en de schrikwekkende tijding, dat Minsk in de handen der Russen was gevallen, werd dagelijks meer bevestigd. De landstreek werd gestadig woester, de weg liep bijna onafgebroken door onmetelijke mastbosschen voort, die slechts nu en dan door enkele armzalige hutten werden afgewisseld. Een grauwe, drukkende wolkenhemel scheen tot laag op de aarde neder te hangen en haar met zijne vochtige nevelsluiers aan te raken. Het was noch strenge vorst, noch dooiweder, doch bij voortduring woei een waterkoude, verstijvende wind, die door de ellendige kleeding der krijgslieden heendrong en hunne vermoeide ledematen verkleumde. De grond werd met spiegelgladden ijzel overtogen; elke schrede vorderde eene vreeselijke inspanning en bijna elke mistred had den dood tengevolge, daar het den kranken, die meerendeels uit krachteloosheid nederzonken, dikwijls onmogelijk was, zich weder op te richten.

In de dichtste duisternis had Rasinski met de zijnen een verlaten huis gevonden, dat, ter zijde van den weg gelegen, bij toeval door een zijner lieden was ontdekt geworden. Men zou den nacht in deze bekrompene, maar toch eene veilige schuilplaats verleenende hut dragelijk hebben doorgebracht, zoo men niet door de ontmoedigendste tijdingen ware verontrust geworden. Regnard, wiens ijzeren lichaam tegen alle vermoeienissen bestand was, en die zich met onbezweken ijver bezighield met het inwinnen der noodige berichten, kwam nog in den laten avond Rasinski van alles, wat hij had kunnen uitvorschen, verslag brengen en tevens zijn dochtertje bezoeken, dat nog steeds aan de hoede van Bianca bleef toevertrouwd.

„Nu, Regnard, wat nieuws?” vroeg Rasinski, die zich reeds op den grond had te slapen gelegd.

„Ik wilde u liever niet verontrust hebben, maar ik moet wel,” antwoordde de binnentredende. „Het schijnt, dat ik altijd de krassende ongeluksvogel zijn moet; maar wie duivel kan een nachtegaal of leeuwrik zijn op een veld van lijken, zooals onze marsch van Moskou tot hier geweest is. De raven zijn hier op hunne plaats.”

„Welnu, kras dan,” hernam Rasinski, zich van zijn leger oprichtende. Ook de overigen traden nieuwsgierig nader.

„Wij zijn geheel en al in het net,” vervolgde Regnard. „De brug bij Borisow is verbrand en de rivier zoo breed, dat aan opbouwen niet te denken is. De andere oever is met vijanden bezaaid; het leger van Tschitschagoff strekt zich tot alle punten uit, waar men de Beresina zou kunnen overtrekken; kortom, het is onmogelijk, den overtocht te bewerkstelligen.”

„Slechts één enkele nacht strenge vorst, en alles zou goed gaan,” riep Rasinski.

„Misschien, en vooral daar ik u toch nog ééne goede tijding kan brengen en wel, dat wij tegenover Kutusow toch eindelijk een geregeld legerkorps kunnen stellen. De maarschalk Victor komt met twintigduizend man versche troepen aanrukken, waarmede wij ons morgen in de vroegte zullen vereenigen. Zoo even is de lichte cavalerie van de voorhoede aangekomen.”

„Het zijn slechts zoovele offers te meer,” was Rasinski's somber antwoord. „Wel is waar, zoo het mogelijk werd, over den stroom te komen, zoo de hemel te onzen behoeve een wonder deed, zoo hij de rivier de Beresina in banden sloeg en haar deed stilstaan als de zon te Jericho—ja, dan konden de frissche strijdkrachten tot onze redding bijdragen.—Er bestaat nog eene mogelijkheid,” ging hij driftig voort, alsof hem een gelukkig denkbeeld was ingevallen; „zoo men Tschitschagoff omtrent het punt van onzen overgang misleiden kon! Men moet valsche berichten uitstrooien, wendingen maken, den vloed afwaarts in de richting van Ukoloda en Beresino, en dan plotseling den overtocht voor allen volvoeren. Thans, nu een versch armeekorps ons misschien eenige dagen uitstel kan verschaffen, is zulks mogelijk.”

„Op iets dergelijks is men bedacht,” hernam Regnard; „er worden reeds aanstalten gemaakt. De zwarigheid is slechts, het leger ongemerkt op het zware overgangspunt te vereenigen.—Doch het is laat; goeden nacht. Gij hebt rust noodig en ik niet minder; morgen althans vinden wij elkander, hoop ik, nog in leven.”

Hij wilde gaan, doch bleef eensklaps staan en wierp nog een teederen blik op zijn kind, dat op een leger, hetwelk men achter in de hut van stroo en eenige dekens zoo goed mogelijk gespreid had, in Bianca's armen gerust sluimerde. Hij sloop nader, doch behoedzaam, om de slapende niet te wekken. „De hemel bescherme slechts deze,” fluisterde hij; „wat ons betreft, wij willen niet klagen, want wij zijn bestemd om te vallen.”—Haastig verliet hij de hut; Rasinski en de overigen wierpen zich weder op den grond, waar zij weldra vast insliepen.

Tegen den avond van den volgenden dag bereikte het leger Borisow, dat dicht aan de steile oevers der Beresina, die hier een breed moerassig meer gelijkt, gelegen is. De vaste brug over haar was, daar de stad eerst eenige dagen vroeger aan de Russen was ontrukt geworden, geheel vernield en onbruikbaar gemaakt. De maarschalk Oudinot hield Borisow bezet. Rasinski vernam spoedig, dat men, gelijk hij zelf zou hebben aangeraden, alles gedaan had, om den vijand in den waan te brengen, dat men het overgangspunt ten zuiden van Borisow kiezen wilde, waar de rivier inderdaad twee gunstige doorwaadbare plaatsen aanbod. De generaal Laurencé, als chef van den generalen staf met de herstellingen der bruggen belast, had verscheidene Joden, die spionnendiensten verrichtten, laten ontbieden en van de nauwkeurigste berichten aangaande die plaatsen ingewonnen. Hij was ten volle verzekerd, dat zij, na van hem hunne betaling ontvangen te hebben, den vijand alles zouden verraden, ten einde ook door dezen beloond te worden. Derhalve werden alle vragen zoo ingericht, dat ze niet anders vermoeden konden, of de armee zou door eene onverhoedsche wending langs den stroom zuidwaarts trekken, om zoo de vervolgers te misleiden, Tschitschagoff te ontduiken en het boven alles gewichtige Minsk door verrassing te hernemen. Inmiddels begaf zich het korps van maarschalk Oudinot in diepe stilte naar Studianka, waar de overtocht werkelijk zou volvoerd worden, op marsch. Ook Rasinski moest, nadat zijne manschappen eenige uren gerust hadden, derwaarts opbreken. Het uitdrukkelijk bevel luidde, dat men op dezen marsch de diepste stilte moest in acht nemen; ook was het ten strengste verboden, vuur te slaan of iets anders te doen, wat van den anderen oever zou kunnen bemerkt worden, daar deze door een keten van russische voorposten bezet was, welker verwijderde wachtvuren men op de boschrijke heuvelkruinen als bleeke sterren zag flonkeren. Zouden ze met haar bloedig schijnsel den ondergang van het leger verkondigen, dat in dit land door zulke vijandige gesternten bestraald werd? Om het onheil ten top te voeren, scheen door het noodlot de voltooiing van hun verderf, in het gezicht der redding, besloten. Een sombere ernst, door het diepe zwijgen en de angstig gespannen stilte nog verhoogd, had zich van de ziel der krijgslieden meester gemaakt. Bij alle harde ontberingen kwam thans ook nog het gemis van eene troostende bemoedigende toespraak, ja, de stikdonkere nacht vergunde niet eenmaal een versterkenden blik der liefde en der vriendschap op de naaste dierbaarste panden. Rasinski had Lodewijk en Bernard willen overreden, met Bianca het leger te verlaten en, zoover mogelijk, hunne reis langs de rivier voort te zetten, wijl hij geloofde, dat het hun onder bescherming van Bianca, die overal voor eene Russin kon doorgaan, misschien gelukken zou, een toevluchtsoord en wellicht spoedig de onbelemmerde baan naar Warschau te bereiken. Doch beide vrienden, en ten stelligste Bianca zelve, verklaarden, dat zij hun lot niet van dat van Rasinski en de zijnen wilden scheiden. Met dezelfde roerende hartelijkheid hadden Willhofen en Jeannette aan elke poging van Bianca, die hun insgelijks dezen weg tot levensbehoud wilde opdringen, wederstand geboden. Zoo waren er dan toch nog harten, in welke met de sterkte der beproeving de kracht aanwies en die, verre van door den ijzeren voet van het lot gestadig dieper in het stof der verworpenheid vertreden te worden, in elken nieuwen druk slechts de aansporing tot verdubbelden tegenstand vonden.

Bernard en Lodewijk gingen te voet dicht nevens den wagen, waarop Bianca gezeten was; het verleende haar en hun troost, zich in elkanders nabijheid te weten en, nu het gevaar van het oogenblik elke mondelinge mededeeling verbood, althans de schemerende omtrekken der gedaanten in het oog te houden.

Naarmate men Studianka meer en meer naderde, werden ook de legervuren op de hoogten gestadig talrijker. Rasinski merkte zulks met bekommering op, daar men uit die menigte kon opmaken, dat de tegenoever door een aanzienlijk legerkorps bezet werd, en alles was reddeloos verloren, wanneer het niet gelukte, den vijand te misleiden.

Omstreeks vier uren, in den nanacht, kwam Rasinski op de verzamelplaats bij Studianka aan. Reeds van den vorigen avond af waren de ingenieurs hier met het slaan van twee bruggen bezig, wier voltooiing men voor het aanbreken van den dag te gemoet zag, ten einde nog onder bescherming der duisternis zoovele troepen over te brengen, als noodig waren, om aan genen oever de eerste baan te breken. Doch deze verwachting werd op het gruwzaamst teleurgesteld en leed wederom schipbreuk op de der, naar het scheen, met den vijand saamgezworen elementen. Door het dooiweder van den vorigen dag opgezwollen, was de vloed ettelijke voeten gewassen, zoodat de plaats, welke de infanterie in geval van nood had moeten doorwaden, zelfs voor de ruiterij te diep werd. De sedert gisteren ingevallen koude was juist voldoende, om sterke ijsschotsen te vormen, die met den stroom afdreven en alles met zich voortsleepten, doch zij was niet hevig genoeg, om een hecht ijsdek te vormen. Zoo behield de ruwe kracht der natuur op de uiterste inspanningen van menschelijk pogen de overhand. Te vergeefs hadden de pontonniers, dikwijls tot aan de borst in water en moeras weggezonken, den ganschen nacht door gezwoegd en gearbeid, te vergeefs met de vinnige koude, de snijdende ijsschollen, den machtigen stroom gekampt en geworsteld! De morgen was nabij, en nog geen enkele steunbalk stond behoorlijk bevestigd, want tweemalen had de opgeruide vloed de ingeheide palen en kromhouten weggevaagd en wat met ongehoorde inspanning van krachten was tot stand gebracht, als ijdel speelwerk vernietigd.

Het gevaar was ten top gestegen; brak de dag aan en was de brug niet voltooid, dan had men te duchten, dat de vijandelijke batterijen aan gindschen oever door eene volle laag den gebrekkigen arbeid vernielden, en dan verdween de mogelijkheid, om zelfs een enkelen man voor het vaderland te redden, dan was alles, alles verloren!

Rasinski was met zijne manschappen op een heuvel nabij Studianka gelegerd. Hij zelf begaf zich met Regnard naar den oever, waar de generaals te vergeefs naar een middel ter redding uitzagen.

Mortier, Davoust, Ney en Eugenius vormden een kleine groep en vestigden hunne donkere blikken op den anderen oever, waar de russische wachtvuren als zoovele brandtoortsen des verderfs helder opvlamden. Zelfs de onverschrokken Ney liet zich in zwaarmoedige gramschap op de verraderlijke krijgskans de woorden ontvallen: „Vindt de keizer hier nog een uitweg, dan houdt hij de geluksgodin met ketenen aan zich vastgeboeid en dient zij hem als slavin.”

Daar verscheen deze zelf in den kring der maarschalken en legerhoofden. Met zijne garden van Borisow opgerukt, had hij in stilte eene legerplaats in de nabuurschap betrokken. Hier waren hem van minuut tot minuut de ontmoedigendste berichten aangaande de mogelijkheid, om de brug tot stand te brengen, overgebracht; hij beschouwde zich dus als door het geluk verlaten en verscheen nu op de plaats des gevaars, om zelf te zien, te beoordeelen, te meten en, zoo hij al niet bij machte was, het te overwinnen, er ten minste roemrijk mede te kampen.

Hij groette kort, ernstig, maar vriendelijk. Hierop vorschte hij met onverzettelijke bedaardheid naar alle omstandigheden, tegenspoeden, teleurstellingen. De berichten luidden zoo, dat zelfs hij de onmogelijkheid der redding bijna moest toegeven. Op een gewelddadig doorslaan midden door 's vijands legermacht was hij in het gunstige geval voorbereid geweest.

Rasinski hing met onafgewende oogen aan de ernstige, maar volkomen kalme wezenstrekken van den reusachtigen man, die den trotschen nek nog niet voor de slagen van het noodlot gekromd had, maar op nieuwe wapens zon, om er mede te worstelen. Een somber zwijgen heerschte om hen heen. Daar rijst eensklaps in Rasinski het denkbeeld op: Wordt hij slechts gered, zoo is niets verloren, dan een groot leger; gansch Frankrijk, half Europa kan zich opnieuw voor hem wapenen! Deze massa's zijn dood, verplet, verstoven, als vergruisde steen, zoo zijne kracht ze niet samenbindt; zij zijn onverwinnelijk, zoo hij ze met de vlam van zijn geest bezielt. Honderd duizenden zijn in de sneeuwgroeven begraven; wat komt er het op eenigen meer of minder aan? Hij moet gered worden, dan is alles gered.

Met dit denkbeeld bezwangerd, ijlt hij op den maarschalk Ney toe en ontsluiert dezen de ingeving van zijn hart. De koene soldaat juicht dit denkbeeld met geestdrift toe; hij zelf zou wel is waar in een dergelijken voorslag zijner onderhoorigen nimmer hebben ingewilligd, doch thans voelt hij slechts als soldaat, niet als veldheer. „Is de redding mogelijk, dan moet zij beproefd worden,” roept hij uit.

„Met mijn hoofd sta ik voor het welgelukken borg,” betuigt Rasinski met edel vuur. „Van hier af ken ik elk pad, mijne Polen ook. Elk hunner geeft tienmaal zijn leven voor dat des keizers. Verder opwaarts naar Weselowa is de rivier niet breed; met onze paarden zwemmen wij over, nog voor het daglicht zijn wij aan genen oever. In vijf dagen breng ik den keizer naar Wilna; van daar staat Europa voor hem open. Beweeg den keizer, maarschalk! Zijne redding is immers ook de onze; weet Rusland, dat hij van Parijs nieuwe legers zendt, zoo zijn wij hoogstens krijgsgevangenen; deelt de keizer in ons lot, dan zijn wij met hem staatsgevangenen en gij kent den onmetelijken kerker, welken Rusland voor dezen bezit.”

Rasinski's vuur had den maarschalk volkomen overtuigd. „Hij moet willen,” riep hij driftig uit; „en er mag geen oogenblik verloren gaan.”

De keizer had zich juist in eene hut aan den oever begeven. Ney ijlt derwaarts; hij vindt den koning van Napels en den onderkoning van Italië, aan hen deelt hij Rasinski's voorslag mede; zij juichen dien toe, besluiten gezamenlijk tot den keizer te gaan en treden de hut binnen.

In angstige spanning ziet Rasinski den uitslag te gemoet. Een vierde uur verloopt; niemand laat zich zien. Het wordt reeds laat—reeds wil Rasinski het wagen, zelf tot den keizer door te dringen,—daar komt Ney terug, gaat hem langzaam te gemoet en zegt:

„Graaf Rasinski: De keizer is niet te bewegen, het leger te verlaten. Wij wachten hier gezamenlijk den dag, den vijand, den ondergang af!”

De ruwe toon waarop de maarschalk dit zeide, bewees, hoe hevig hij ontroerd was, en hoeveel moeite hij zich aandeed, om het niet te schijnen. Rasinski stond als versteend; een onbeschrijfelijk smartelijk gevoel doorpriemde zijne borst en benam hem den adem. „Hebt gij den keizer gezegd....” begon hij eindelijk weder, doch werd dadelijk door den maarschalk in de rede gevallen:

„Alles! alles, waartoe liefde en overreding in staat zijn; de koning van Napels, de onderkoning van Italië, Davoust, Mortier, Rapp, graaf Daru, Berthier zelfs—bijna hadden wij ons aan zijne voeten geworpen. Doch hij bleef onwrikbaar als een rots. „De soldaat heeft zijn vertrouwen op mij gesteld, ik wil het niet teleurstellen,” was het eenige antwoord.”

„En Parijs, Frankrijk, Europa, wogen die gewichten in de schaal nog te licht?”

„„Hier is het dringendste gevaar,” herhaalde hij slechts; „ik ga niet, eer het voorbij is.””

„Dan is het te laat,” riep Rasinski buiten zich zelf; „vergun mij, dat ik nog eens....”

„Neen, graaf,” antwoordde de maarschalk; „de keizer laat zich door gebeden niet van zijne besluiten afbrengen. Ook ik zeide hem: Dan is het te laat.—„„Maar thans is het nog te vroeg,”” was zijn antwoord, „„en,”” voegde hij er na eenig zwijgen bij, „„wilt gij dan met geweld zien, dat ik bij het ongeluk ook nog schande op mijn hoofd lade! Ik zal gaan, ik zal niet tot Parijs aan de spits des legers marcheeren, maar eerst dan, als uwe tegenwoordigheid hier voldoende is. Dat oogenblik is nog niet gekomen.”””

Rasinski zweeg. Zoo diep het denkbeeld hem griefde, dat de groote man hier in het aangezicht der redding een onherroepelijken ondergang vinden zou, zoo diep doordrong hem toch ook het gevoel van opbeurende bewondering, welke het vaste besluit des keizers inboezemde. Eenige minuten duurde de kamp in zijn binnenste; vervolgens riep hij: „Waarlijk, hij mocht niet anders, hij heeft ons ook ditmaal overtroffen en beschaamd. Zoo is het beter! Wij willen hem het, aan elke menschelijke borst dierbare bewustzijn ontrooven van edel, waardig, groot te handelen. Wèl hem, wèl ons, dat hij het niet duldde. Ook het ware voordeel is aan dezen kant! De wereldgeschiedenis wint weinig, wanneer hij nog eenige jaren over Europa heerscht, veel, wanneer hij zijner waardig valt! Voor den glans des roems heeft hij tienvoudig genoeg gedaan, thans handelt hij voor het echte goud van dien roem.—Maarschalk, ik ben meer dan getroost, ik ben bemoedigd en gesterkt.”

„En gij hebt gelijk, en onze diepe droefheid is daarvan het onbedriegelijke bewijs.” Zij reikten elkander de hand en scheidden. Rasinski reed naar de zijnen terug en verhaalde wat gebeurd was. De gloeiende geestdrift voor den veldheer vlamde in aller borst weder helder op en allen zagen het verderf, dat hen weldra zoude naderen, met kalmte en trotschen moed tegen.

HOOFDSTUK III.

De dag begon aan te breken. Thans boorden aller blikken door de verdunde nevels van den nacht, om de vijanden te tellen, die zich voor de poorten der redding gelegerd hadden.—Rasinski had met Boleslaw eene kleine, met struiken omzoomde hoogte bestegen, vanwaar hij den loop des strooms en de kromming van diens oever tot in de verte kon overzien. Nog glinsterden de vlammen der russische wachtvuren door de morgennevels en het blauwachtig schemerende licht des daags. Echter was alles stil op de besneeuwde heuvelkruinen.

„Mij dunkt, men moest toch reeds beweging onder de lieden bespeuren,” sprak Rasinski; „of zouden zij zich achter den rand der hoogten verschanst hebben?”

„Voor zoover ik zien kan, zijn de vuren verlaten,” antwoordde Boleslaw; „althans de voorste. Daar achter den woudzoom zijn zij misschien nog bezet.”

„Zij zullen zich buiten het vuur onzer artillerie hebben begeven; echter verwondert het mij, dat ik nergens kanonnen in batterij zie.”

Zij reden nog ettelijke honderden schreden verder voorwaarts; intusschen verstrooide de wind de vochtige morgendampen en het werd allengs helderder.

„Bij den hemel!” riep Rasinski, die met stijgende verbazing in het rond zag; „de gindsche oevers zijn verlaten! Daarachter moet eenig opzet schuilen. Men wil ons misschien den overgang laten beginnen, om dan een des te vreeselijker bloedbad onder ons aan te richten.”

„Wellicht blijft ons ten minste tijd genoeg om de brug te slaan,” meende Boleslaw en wees naar den stroom, waar men thans de arbeiders in volle bezigheid ontdekken kon.

„Op de heuvels daar rechts zie ik ruiters; zij schijnen ook op verkenning uitgezonden. Laat ons derwaarts rijden; men moet van die hoogte de bochten van de rivier beter kunnen volgen.”

Zij reden naar het gezegde punt en vonden er den maarschalk Ney, Regnard en eenige andere officieren. Deze waren niet minder dan Rasinski verbaasd, den gevreesden oever van troepen ontbloot te vinden. Eensklaps riep Regnard: „Daar in de verte, naar Borisow, zie ik volk op marsch; het is eene sterke colonne. Rasinski, gij hebt een valkenoog, wat dunkt u, is het geen russische cavalerie?”

Rasinski hield de hand boven het oog, daar de zoo even opgaande zon reeds begon te verblinden, zag scherp voor zich uit en riep: „Het is artillerie en voetvolk; zij marcheeren naar Borisow.”

„Zou de vijand wellicht aftrekken!” riep maarschalk Ney op den toon van twijfel. „Het is onmogelijk!”

„En toch is er niet meer aan te twijfelen,” viel Rasinski hem in de rede.

„Dan straalt de ster des keizers nog immer helder en gunstig!” riep Ney met vlammenden blik; „dadelijk moet hij daarvan onderricht worden.”

Allen renden, wat de paarden vermochten, op de brug toe, waar de keizer bemoedigend en aansporend onder de arbeiders stond en op berichten wachtte.

De op verkenning uitgezonden officieren kwamen thans van alle zijden terug. Niemand had een spoor van den vijand ontdekt, meer dan een de aftrekkende troepen bemerkt.

„Zoo is het ons dan toch gelukt, Tschitschagoff te bedriegen!” riep de keizer. „Men moet een gevangene zien te krijgen, die ons zekerheid verschaft.”

Rasinski bood zich hiertoe aan. Hij reed dadelijk met Boleslaw den stroom opwaarts, nam eenige jagers mede en zwom met hen door de rivier. Toen zij de hoogten aan de overzijde bereikten, ontdekten zij alle sporen van een belangrijk korps, hetwelk hier gedurende den nacht moest gelegerd hebben. De vuren brandden nog meerendeels; men zag dat zij eerst sedert eenige uren heimelijk verlaten waren en dat hunne vlam den keizer had moeten misleiden. De sporen van den weg, dien het russische leger had genomen, waren op de sneeuw gemakkelijk te ontdekken; zij trokken zuidwaarts op Borisow aan, Rasinski volgde ze ras, maar met behoedzaamheid; door een klein kreupelbosch gereden zijnde, kreeg hij eenige verstrooide kozakken in het oog; geheel onverhoeds overviel hij ze; zij vluchtten, doch één struikelde met zijn paard, kon zich op de gladde sneeuw niet spoedig genoeg weder oprichten en viel zoo in de handen van Rasinski, die met dezen buit onverwijld terugkeerde.

Onderweg vroeg hij zijnen gevangene over alle omstandigheden uit en vernam, dat de generaal Tschaplitz met tien duizend man en dertig kanonnen de hoogten tegenover Studianka gedurende dezen nacht had bezet gehouden, maar op Tschitschagoffs bevel tegen den morgen over Borisow naar Beresino was opgebroken. Zijn hart klopte van vreugde, nu hij zijne vermoedens aldus hoorde bevestigen; want thans was de redding mogelijk, ingeval de overgang slechts in den loop van den dag beginnen kon. „Verheug u, Boleslaw,” riep hij dezen toe, „nog glanst onze zon. Heden heeft de godin des geluks getoond, dat zij den keizer nog niet wil verlaten. Dit zijn de onbezette bergpassen van Cilicië; de ster van den Macedoniër straalde niet luisterrijker, dan die van onzen Corsikaan.”—Ongeduldig dit bericht aan den keizer mede te deelen, gaf Rasinski zijn paard de sporen, stak den stroom over en meldde, wat hij gezien en gehoord had.

De keizer ontving deze tijding met merkbare tevredenheid, maar toch even kalm, even bedaard, als hij gisteren het bericht der dreigendste gevaren aanhoorde. Hij gaf dadelijk bevel, het bouwen van de brug met man en macht door te zetten. Met deze was men eindelijk zoover gekomen, dat twee bokken ingeheid en met balken verbonden waren; nu moest het werk rasser voortgaan, en de generaal Eblé beloofde, het tegen den middag te voleindigen.

Inmiddels begonnen de troepenmassa's van alle zijden op te dagen. Studianka zelf was met kanonnen, kruitwagens, transporttrein, de bagage des keizers, der maarschalken en der andere officieren opgevuld; evenzoo de wegen, die op het plaatsje aanliepen, en de hoogten, die het van rondom omgaven. Rasinski zag met een beklemd hart deze ongeregelde ophooping der massa's aan, welke slechts met den toestand van volslagen oplossing, waarin het leger zich bevond, kon verontschuldigd worden. Thans nog eene ordening, eene regeling te bewerken, scheen onmogelijk, te meer daar menschen en paarden, tot het uiterste afgemat, zich dit korte uitstel, zooveel de omstandigheden zulks toelieten, moesten ten nutte maken. Men zag de uitgeputte trekdieren zich op de sneeuw nederleggen en slecht haksel, verrot stroo of wat slechts naar voeder geleek, met woedenden honger verslinden. De geleiders hadden deels eene schuilplaats in de ellendige hutten gezocht, deels zich om vuren gelegerd. Wanneer deze verwarde klomp zich begon te ontbinden en in beweging te stellen, wanneer wagens braken, paarden neerstortten, de enge wegen versperd werden, haast en begeerte om zich te redden de bezinning roofden en, gelijk op dezen terugtocht reeds zoo dikwijls gebeurd was, elk aan zijn eigen oogenblikkelijk voordeel het voortdurend welzijn van het geheel opofferde—dan kon, hoe gelukkig de omstandigheden zich ook hadden geschikt de ellende hier haar toppunt bereiken en zich aan de oevers van den stroom nog een laatst, vreeselijk gedenkteeken oprichten. Deze bange vermoedens van Rasinski werden, helaas! maar al te ontzettend bewaarheid.

Toen hij zich weder naar de hoogte, waar zijn volk gelegerd was, wilde terugbegeven, hoorde hij in de verte, naar de zijde van Borisow, het doffe gekraak van een kanonschot. Eenige oogenblikken bleef het stil, daarna herhaalde het zich en werd door een regelmatig vuren gevolgd.

„Hoort gij, Boleslaw,” sprak hij tot dezen, „daar beneden gaat het er op los; wij willen hopen, dat het onweder ten minste heden nog niet los breekt.”

Boleslaw luisterde aandachtig toe en antwoordde: „Het is mogelijk, dat de wind mij bedriegt, maar ook daar opwaarts verbeeld ik mij kanonschoten te hooren. Luister, opnieuw! Hoort gij wel? In de richting van Niamanitza.”

Rasinski's voorhoofd fronste zich. „Zou het toch besloten zijn? Drie russische legers zijn op het punt van zich te vereenigen!—Slechts twee dagen uitstel!”

Het vuur werd intusschen levendiger; er moest hevig gevochten worden. Wanneer het den Russen gelukte, het korps van maarschalk Victor te slaan, dan zouden de massa's met geweld doordringen en de overblijfsels van het fransche leger waren vernietigd. Dit zag Rasinski onvermijdelijk voor zich en met deze nieuwe bezorgdheid keerde hij naar de zijnen terug.

Hier heerschte nog eene algemeene vreugde over den aftocht der legermassa's op den anderen oever; wel is waar was de verwijderde donder van het geschut niet onopgemerkt gebleven, doch men geloofde het gevaar niet zoo nabij.

Inderdaad werd het vuren gestadig flauwer en tegen den middag was alles stil. Te een uur kwam eindelijk het bericht, dat eene der bruggen, de voor het voetvolk bestemde, voltooid was en dat de brigade Legrand reeds met hare artillerie overtrok. Ook de andere zoude spoedig gereed zijn.

Reeds ontstond er een onrustig golven en dringen onder de saamgepakte menigte, wijl ieder den reddenden oever het eerst wenschte te bereiken; evenwel, nog was de keizer te Studianka, nog waren te veel geregelde troepen tegenwoordig en ook de zwermen wapenlooze, ongeordende vluchtelingen nog niet in die mate aangewassen, dat de stroom alle banden verbroken en alles met zich voortgesleept zoude hebben. Tegen den namiddag hoorde men opnieuw het donderen der kanonnen en wel nader en sterker dan vroeger. Het gevecht rukte ontwijfelbaar nader; het scheen mogelijk, dat de colonnes tegen het aanbreken der duisternis tot Studianka konden zijn teruggeworpen. Intusschen zag men de artillerie en hare troswagens, benevens eenige andere troepenkorpsen de Beresina in twee zwarte rijen overtrekken. Alles scheen met zooveel orde toe te gaan, dat men verwachten mocht, het grootste gedeelte der bagage, der gekwetsten en der wagens, voor welke de eene brug uitsluitend bestemd was, nog vóór middernacht aan genen oever te zien.

Rasinski gaf Bernard den raad, zich thans met Bianca's wagen bij den trein aan te sluiten, opdat deze niet door den stroom der verwarring zou worden medegesleept, wanneer misschien nieuw opdagende colonnes of wel de aanrukkende vijand grooter haast en ontsteltenis verwekken mochten. Met een beklemd hart scheidden Lodewijk en Bernard van den vaderlijken vriend; doch zij zagen in, dat hij met de zijnen wellicht een der laatsten zijn zou, ja, misschien hier nog in een gevecht kon gewikkeld worden. Daarenboven had hij toch over de andere brug moeten trekken, daar de bovenste bij uitsluiting voor de wagens was aangewezen. Zij zeiden hem dus een weemoedig vaarwel en verzelden den weder door Willhofen bestuurden wagen naar Studianka.—De schemering begon te vallen. De tros der voertuigen bewoog zich langzaam voorwaarts; den oever naderende scheen hij een ontzettende wagenbrug, waarbij aan inachtneming van rang en orde niet meer te denken was. Al naarmate men zich het best uit den saamgepakten klomp ontwarren en de brug bereiken kon, trok men over.

Bianca wierp angstige blikken op dit gewemel van paarden, menschen, wagens en sleden; een dof gedruisch van roepende en schreeuwende stemmen, dat van minuut tot minuut met de duisternis toenam, verhoogde den huiveringwekkenden indruk, dien deze onbeschrijfelijke verwarring maken moest.

„O, waart gij thans niet in mijne nabijheid,” fluisterde zij haren broeder en Lodewijk toe en drukte beider handen, „ik verloor mij zelve in dit afgrijselijke gewoel! Doch zoo is mijn hart zonder zorg en vrees.”

Lodewijk besefte wel, dat zij door deze schijnbare gerustheid slechts zijne en haars broeders bezorgdheid wilde verminderen, daar het harer schoone ziel eigen was, altijd eerst de vreemde smart, de vreemde zorg te gevoelen en te verzachten. Hij antwoordde dus ook voor haar troostend en opbeurend, en schertste, om haar te verstrooien, met het kind, dat, geen gevaar vermoedend, met roerende onschuld snapte en keuvelde. Bernard zag inmiddels opmerkzaam in het rond, om elk voordeel, dat zich aanbood, ras waar te nemen. Een onrustig gemompel aan zijne linkerzijde deed hem het oog derwaarts wenden. Eene menigte soldaten wees op de sneeuwheuvels afwaarts den vloed, en het gefluister, dat door de rijen liep, bewees, dat eenig voorval van aanbelang hunne opmerkzaamheid bezig hield. Aanvankelijk kon Bernard niet gissen, wat het zijn mocht, doch plotseling bespeurde hij een roodachtig schijnsel op de sneeuw, dat in omvang en helderheid scheen toe te nemen.

„Borisow staat in vlammen!” riep eene stem naast hem; het was Willhofen.

„Meent gij?” vroeg Bernard.

„Het kan geene andere plaats zijn; ik weet, dat het juist die streek uit ligt.”

De vlammen sloegen hooger op; allengs werden allen, die aan den oever verzameld waren, de verschijning gewaar en terwijl elk zijne opmerkzaamheid daarop richtte, werd het verdoovende gedruisch der stemmen eenige oogenblikken afgebroken. Inmiddels vernam men duidelijk het dreunen van geschut. Dus werd om Borisow, nauwelijks twee uren van Studianka, gevochten!

Nog dezen nacht kan ons de vijand overvallen.—Deze gedachte scheen in aller borst gelijktijdig post te vatten en plotseling eene razende aandrift en begeerte, om den anderen oever te bereiken, op te wekken. Van drie zijden tegelijk werden de wagens op den engen toegang der brug aangedreven; zij hortten tegen elkander aan, dat raderen en dissels te pletter stoven, sloegen om en versperden zoo de baan. Dit veroorzaakte een grimmig vloeken en verwenschen, dat gestadig toenam. Met woede wierpen de nakomenden zich op hen, die verongelukt waren en hun zoo den weg ter redding versperden. Meêdoogenloos sleurden zij de ongelukkigen, die zich nog op de neergestorte wagens hielden vastgeklemd, naar beneden en verbrijzelden de voertuigen in duizend stukken, om baan te maken. Doch nog eer hun dat volkomen gelukte, drongen reeds weder andere wagens na. De voorsten joegen dus in onzinnigen ijl over de verpletterde wielen en spaken op de brug toe, botsten eveneens tegen elkander aan, braken de assen, kantelden om en vernieuwden zoo zelven het schouwspel, hetwelk hunne onbesuisde drift had teweeggebracht. Paarden en menschen tuimelden over elkander heen; een huiveringwekkend geschreeuw en gekerm deed zich van alle zijden hooren.

De cavalerie mengde zich in het gedrang en zocht de orde te herstellen, door met sabelhouwen diegenen terug te drijven, welke zich van buiten in de rijen wilden indringen; maar nauwelijks was haar dit aan de eene zijde gelukt, of aan de andere had de verwarring ook reeds weder driewerf grooter onheil aangericht. Gekwetsten raakten onder de wagenwielen en hieven een hartverscheurend jammergeschrei aan, doch het werd overschreeuwd door het tieren, razen en vloeken, waarmede zij, die, het doel nabij, slechts nog een laatste inspanning behoefden, om behouden te zijn, hunne dieren aanzetten.

„Heilige God, wat moet daaruit worden!” riep Bianca verbleekend en vestigde, terwijl zij het angstig geworden kind bijna bewusteloos aan haren boezem drukte, angstige blikken op dit tafereel van ontzetting.

„Wees bedaard, mijn lieve,” zei Lodewijk geruststellend; „het is slechts de ontsteltenis van het eerste oogenblik; buiten twijfel komt alles spoedig weer tot rust, want elk kan immers zien dat hij op deze wijze slechts zijn eigen verderf bespoedigt.”

„O, laat ons liever naar Rasinski terug gaan,” bad zij smeekend; „deze afschuwelijke redding over de verbrijzelde borst van hulpelooze gewonden verlang ik niet. Liever wacht ik den dood van de vijandelijke kogels, dan dat ik dezen bloedigen weg betreden zou.”

„Terugkeeren is onmogelijk, Bianca,” antwoordde Lodewijk, een blik om zich heen werpende. „Zie, met welke massa's van wagens en menschen deze hellingen en alle afdalende wegen bedekt zijn; men kan zich eer een weg door eene rots graven, dan door dit gewoel dringen.”

Bernard, die met Lodewijk naast den wagen gestaan had, klom op de as van het achterwiel, teneinde een ruimer uitzicht te hebben. Een onafzienbaar zwart gewemel, dat zich, zoover men de oevers met het oog volgen kon, langs hunne krommingen naar de besneeuwde heuvelklingen uitstrekte, vertoonde zich aan zijn zwervenden blik. Door de toenemende schemering scheen het nog onzekerder en reusachtiger.

„Hm!” mompelde hij, „de Zwarte Zee midden in den Noordpool-oceaan; en de golven beginnen te spoken, wij krijgen storm.”

Aan den uitersten rand van den horizon, waar duisternis en afstand inéénsmolten, gloeide de donkerroode weerschijn van het brandende Borisow. Een nachtelijke storm begon zijne vleugels uit te spreiden en gierde ijskoud over de wijde vlakte.

Zelfs den onverzettelijken Bernard bekroop eene kille huivering, en een drukkend voorgevoel zeide hem, dat alle verschrikkingen, welke deze veldtocht reeds had opgeleverd, zich hier zouden opéénhoopen en de vroegere ellende als in het niet doen verzinken. Voor zich zelf alleen voelde hij kracht, om alles te trotseeren, maar als hij een blik op zijne zuster wierp, als hij hare jeugd, hare schoonheid beschouwde, zich de offers herinnerde, die hare reine liefde hem gebracht had, en dan het oog vestte op deze grondeloos diepe zee van verderf en verschrikking, die om hem heen hare zwarte golven verhief—dan moest hij het harnas van den ijzeren wil om zijne borst smeden, opdat zij onder het drukkend gewicht der zorgen niet breken zou.

Uit maagdelijken schroom neigde Bianca zich met haar vertrouwen nog altijd meer tot den broeder, dan den geliefde; ook hield zij hem wegens zijne rassche wijze van handelen voor stoutmoediger en omzichtiger in gevaren, dan den even vasten, maar meer zachtaardigen Lodewijk. Daarom vestigde zij ook thans hare angstig vragende blikken, die raad en troost schenen te verlangen, op Bernard. Ze drongen tot diep in zijne borst door; opzettelijk echter zweeg hij, want hij was te hevig ontroerd, om dit niet door zijn spreken te verraden, en zijn gewoon ruw masker, zijn stekelig pantser van dolle scherts wilde hij tegen de teedere zuster niet aanleggen, wijl hij wist, dat zij zich daaraan bezeeren zou.

Gelukkig bevond de wagen, waarop zij gezeten was, zich op eene plaats, die buiten het bereik der golven van het stroomende gedrang gelegen was en van waar men dus, schoon de terugweg versperd bleef, ten minste niet met geweld in de alles verslindende dwarling kon worden voortgedreven. Dit verstrekte Bianca wel is waar tot eigen behoud, doch daar hare medelijdende ziel haar gedurig in den toestand van anderen verplaatste, leed zij des te onuitsprekelijker bij den aanblik van den jammer, dien zij voor oogen had, zonder te kunnen redden of verzachten. Stom en zwijgend, als een offerlam, dat onder de opgeheven bijl siddert, zat zij daar en hield het oog onbewegelijk op het weenende kind op haren schoot geslagen; zelve bevende, troetelde en kuste zij het en zocht het gerust te stellen. Jeannette die naast haar zat, was bleek als een lijk en gaf geen geluid, maar koude tranen van den angst biggelden onophoudelijk langs hare wangen. Tegenover de beide vrouwen zaten twee zwaar gekwetste officieren, die echter door eene ijlende koorts, het gevolg van zware hoofdwonden, van de verschrikkingen, die zich om hen opeenhoopen, geen besef hadden. Onder den druk van angst en kwellende zorg kropen de minuten met tragen, slependen gang voorbij.

HOOFDSTUK IV.

Plotseling vernam men een dof, donderend gekraak, en dadelijk gierde een gillende angstkreet door de lucht. Aller oogen wendde zich naar de rivier, vanwaar het snijdend angstgegil zich hooren liet, en een ijskoud afgrijzen versteende borst en lippen, toen men de brug onder haren last en door den aandrang van vreeselijke ijsschollen bezweken en verschillende bogen vernield zag. Slechts van de omliggende hooge punten des oevers kon men dit bemerken. De tallooze menigte echter, die zich op de brug zelve en op den lager gelegen rivierzoom bevond, vermoedde niets van het ongeval, maar drong in rampzalige verblinding voorwaarts en dreef hen, die aan den rand des afgronds stonden, met geweld in het gapende graf. Te vergeefs klemden de ongelukkigen zich aan de balken der brug vast, te vergeefs riepen zij met hartdoorvlijmend gekerm het mededoogen hunner broeders in—er bestond geene keuze meer, met geweld werden zelfs zij, die gaarne zouden hebben willen redden en helpen, tot den gruwzamen moord hunner lotgezellen genoodzaakt, om het volgend oogenblik op dezelfde wijze in den zwarten muil van den verslindenden stroom te worden neergestort. De doodsangst baarde vertwijfeling en razernij. Zij, die zich verloren achtten, werden in bloedgierige tijgers herschapen, want met getrokken sabels en degens stormden zij op de saamgedrongen scharen hunner broeders in, om baan naar den oever te breken. Zoo ontstond een onmenschelijke kamp, een waanzinnig moorden, worgen en slachten onder bevriende kameraden; de achterwaarts golvende vloed des gedrangs worstelde met den voorwaarts stroomenden, en daaruit volgde een vreeselijk samenpersen naar het middenpunt. De schuwe paarden steigerden of zochten zijwaarts een uitweg en plompten dan met wagen en al in den schuimenden vloed neder. Angstkreten, weegeschrei, gebeden, vervloekingen, wapengekletter, gedruisch en verwarring aan alle zijden!

Slechts weinige oogenblikken duurden deze schriktooneelen, die door eene vreeselijke onwetendheid, eene rampzalige dwaling waren teweeggebracht; doch elke minuut kostte aan honderden het leven, die reeds den voet op den dorpel der redding gezet hadden. En in de borst van vele duizenden sloeg het akelig spooksel der ontzetting zijne ijskoude klauwen en een beklemmend voorgevoel zeide hun, welk lot de dreigende schrikgodinnen ook voor hen weefden.

Terwijl de brug weder hersteld werd, heerschte eene doodsche akelige stilte. Het reeds voorgevallen onheil had, meende men, de overigen bedachtzamer gemaakt; ook werd al wat mogelijk was in het werk gesteld, om eenige orde bij den overtocht voor te bereiden. Doch thans maakte de diepe duisternis elke leiding der onafzienbare menigte nog oneindig bezwaarlijker, en slechts het kleinste deel kon weten of vermoeden, wat er gebeurd was. Elk werd als geblinddoekt zijner bestemming te gemoet gevoerd, en eerst wanneer hij zich midden op den wentelenden stroom des verderfs, waar geen vluchten, geen terugkeeren meer mogelijk was, verplaatst zag, werd hem de blinddoek van voor de oogen weggerukt en hij stond rillend aan den rand des afgronds.

Het aantal dergenen, die tot offers bestemd waren, wies daarenboven van minuut tot minuut aan, daar nog gestadig eene menigte naloopers, gekwetsten en zieken van alle zijden kwamen opdagen. Eensklaps werd het dof, akelig gemompel, dat men aan de oevers van den verderfelijken stroom hoorde, weder door luide, ratelende kanonschoten afgebroken. De vlammen van Borisow wakkerden helderder op; van dien kant scheen de gloeiende lavastroom van den kamp langzaam te komen aanwentelen. Terwijl men angstig naar den rollenden donder van dit nieuwe onweder luisterde, opende de krater zich nog aan eene andere zijde en kondigde zijn uitbarsting door een verdoovend kraken en dreunen der vuurmonden aan.

Dit tweede gevecht had zich naar alle waarschijnlijkheid voor Studianka, misschien wel op de heuvels, waar Rasinski legerde, ontsponnen, zoo nabij hoorde men het gedruisch van den slag. Dit vermoeden werd versterkt, daar men van verschillende zijden renboden op den keizer zag toesnellen, die nog immer aan den oever vertoefde en bij de brug voor het voetvolk den overgang bestuurde. Andere boden werden ijlings teruggezonden, aan allen bespeurde men, dat er iets gewichtigs moest zijn voorgevallen.

Aan de herstelling der brug werd reeds met de grootste inspanning gearbeid; echter zond de keizer den eenen officier na den anderen af, om de voleindiging te verhaasten. Intusschen duurde het donderen van het geschut nog immer met kleine tusschenpoozen voort, zonder echter naderbij te komen. De donkere nacht maakte een slag onmogelijk; het wederzijdsche vuren scheen derhalve alleen ten doel te hebben, elkander bij voortduring te verontrusten.

Middernacht was voorbij. De overspannen krachten van lichaam en ziel zouden de meeste aan den oever verzamelde ongelukkigen weldra hebben doen insluimeren, hadden niet honger en koude en vooral een snijdende noordoostenwind, die zich gestadig heviger verhief en alles, wat hij met zijn adem aanblies, versteende, hen aangedreven een ander toevluchtsoord op te zoeken. Zij verscholen zich onder de wagens, kropen tusschen de paarden, om hunne bevriezende ledematen aan de dierlijke warmte te ontdooien, en pakten zich in dichte klompen opeen. Eensklaps verlichtte een helder flikkerende fakkel het donkere nachtstuk en een bloedige weerschijn blonk op den stroom en de besneeuwde heuvelkruinen. Toen men zich omwendde, stond het dorp Studianka in vlammen. De ongelukkigen van de oeverhoogten, die zich nog zoover hadden kunnen voortsleepen, waren daar eene schuilplaats gaan zoeken; doch de hutten waren bezet en de koude van den ruwen nacht nam met den storm toe. Hout was in de nabijheid niet te vinden, dus trokken de wanhopigen de ellendige huizen omver, joegen de daarin gevluchten naar buiten, en staken balken, delen en daksparren in brand, om zich aan den gloed te verwarmen.

De keizer was hevig vertoornd over dit voorval, dat den vijand het overgangspunt verraden en het verderf van allen na zich sleepen kon. Intusschen was het onheil gebeurd en daarenboven de drang der omstandigheden zoo groot, dat zelfs zijn machtige wil niets daartegen vermocht.

Den ganschen nacht door hield het defileeren der geregelde troepen over de onbeschadigde brug aan, doch deze werd thans ook voor de artillerie gebruikt, tot zoolang de tweede gereed zoude zijn. Na hare herstelling had men hoop gekoesterd, den overgang met meer regelmatigheid bewerkstelligd te zien, daar èn de menigte aan den oever aanmerkelijk verminderd was èn de bittere ervaring, welke men reeds gehad had, ter waarschuwing kon verstrekken. Maar een nieuw onheil doet zich voor. Onverhoeds komt eene menigte wagens met zwaar gewonden, door vrouwen en lichter gekwetste soldaten te voet geleid, bij het leger aan. Het zijn schrikgestalten, door honger, koude en smarten half ontzield. Men is verbaasd, vraagt van waar zij komen? Van Borisow, waar de vijand de brigade van den generaal Parthouneau dezen nacht voor het grootste gedeelte heeft gevangen genomen. Slechts een deel is het gelukt, zich te redden; het trekt voor de vervolgende Russen terug en wordt voorafgegaan door dezen hoop gekwetsten, verminkten en wapenlooze, uitgehongerde naloopers, die hier hun behoud zoeken. Nauw zijn deze eerste berichten ingewonnen, of men ontdekt reeds dichte, zwarte scharen, die de hoogten en oeverranden bedekken.

Bij het vale schijnsel der smeulende hutten van Studianka, bij het flauwe schemerlicht van sneeuw en sterren ontwaart men, dat het vele duizenden zijn, die in teugellooze verwarring naderen. Nauwelijks ontdekken zij gewapende kameraden, van welke zij zich bescherming beloven, of in wilde jacht, als zat hun de vijand reeds op de hielen, snellen zij toe en pakken in zwermen opeen. Bleek, met holle wangen, de razernij des knagenden hongers in het oog, van angst en koude klappertandend, naderen deze rampzaligen met dof gejammer, en smeeken met opgeheven handen om hulp en voedsel. Met medelijden bezield, wil men hen aanvankelijk niet terugwijzen, doch hunne massa's dringen zoo geweldig op, dat zij de geordende gelederen der soldaten doorbreken; en daar zij eindelijk de brug ontdekken, stormen zij in blinde drift op dezen reddingsweg toe en dreigen zoo de ramp van gisteren te hernieuwen. In dezen oogenblik gelast de keizer, die nadere berichten van het aanrukken der Russen bekomen had en wien men te gelijker tijd meldt, dat de brug voor de wagens weder hersteld is, den overtocht der garden op beide bruggen. Hij zelf werpt zich te paard, om aan hare spits de overzijde te bereiken en haar bij Brilowa met de reeds overgebrachte troepen in slagorde te stellen, wijl men, helaas! ook aan den oever de vijanden te duchten had. Dit bevel tot opbreken brengt alles in beweging. Ieder waant het gunstig oogenblik der redding thans ook voor zich gekomen, en zoo stormen en dringen allen gezamenlijk op de nauwe toegangen der brug in. Aan zulk een massa is geen wederstand te bieden; de gelederen der oude garden stuiven uiteen, vreemde voertuigen mengen zich onder den geschuttrein, alle orde is verbroken, alles aan de vreeselijkste verwarring ten prooi gegeven. Zelfs het gezag des keizers is ongenoegzaam om baan te maken. Trosknechten, gekwetsten, pakwagens, vrouwen en kinderen versperren den toegang tot de eerste brug en de golvende zwermen dringen zoo onophoudelijk voorwaarts, dat zonder geweld aan geen doorbreken meer te denken is. De ijzeren noodzakelijkheid dwingt tot het verschrikkelijkste besluit. Ruiterbenden moeten in den dichten warklomp indringen en dien met scherpe wapenen verbreken en verstrooien: met huivering volbrengen zij het bevel, dat hen dwingt, het bloed van hulpelooze lotgenooten te vergieten en de krimpende lichamen der gevallenen onder de hoeven hunner paarden te verbrijzelen. Een luid gehuil, dat zelfs den gierenden Noord overschreeuwt, verscheurt de lucht, en om den schrik ten top te drijven, doet het donderen van het vijandelijk geschut zich ook thans wederom opnieuw hooren. Het bewijst althans, dat de onmenschelijkste last niet dan door den dringendsten nooddwang is afgeperst geworden. De baan is nu geopend; eene afdeeling ruiterij rukt vooruit; hierop volgt de keizer, van zijne officieren omgeven, de garden sluiten zich achter hem aan; doch gestadig opnieuw, naarmate het geschut nader en luider achter hun rug aandreunt, stormen de vluchtende scharen op de troepen in. Slechts der vereende, geregelde strijdkracht gelukt het, ze af te houden, en slachtoffers bij honderdtallen laten in deze onnatuurlijken kamp het leven.

Toen de laatste colonnes de brug betraden, begon het te schemeren, en allengs werden de zwarte sluiers voor het tafereel weggeschoven en kon men zien, wat zij achter hun somber hulsel verborgen hielden. O, de nacht was weldadig geweest, toen hij deze schriktooneelen met zijne donkere vlerken bedekte! De meedoogenlooze dag onthulde de volle, afgrijselijke waarheid! Vertrapte lijken, verbrijzelde wagens en geschut, gevallen paarden, die zich in hunne laatste stuiptrekkingen over nog bloedende menschelijke lichamen heenwentelden, bedekten de steile boorden, die nabij de brug naar de rivierbedding afdaalden. Tusschen de tegen de oeverranden opgekruide ijsschotsen ontwaarde men half gezonken ongelukkigen, die dood en koude in hetzelfde oogenblik versteend hadden, dat zij de armen nog smeekend naar hemel en menschen uitstrekten, doch vruchteloos, wijl beide doof waren voor de kreten van den angst en der vertwijfeling. Wendde het oog zich met afgrijzen van de grijnzende schrikbeelden af, dan deinsde het nog schuwer terug, wanneer het zich op de levenden aan den oever vestte; want het ontwaarde slechts eene tallooze schaar bleeke spooksels, uit welker holle, verglaasde oogen de wanhoop staarde, die sidderend, krijtend, huilend of vloekend door elkander kropen en door eigen lijden verstompt, dat hunner lotgenooten niet meer gevoelden. Slechts een woest, onzinnig streven naar redding uit deze ellende bestuurde, als eene donkere, dierlijke aandrift, al hunne bewegingen en schreden. Velen echter konden daartoe zelfs geen klacht of wensch meer uiten, maar zaten roerloos als lijken op de met ijs omschorste aarde en staarden onwrikbaar op de plaats, die hun graf moest worden. Slechts het weeklagen der vertrapten, der verpletterden, van dezulken, die in den stroom nederstortten en door de ijsschotsen werden voortgesleept, slechts de vloeken en de godslasteringen der onmenschen, die zich over de lijken hunner broeders een pad baanden mengden in dit reusachtige beeld des doods de laatste krampachtige stuiptrekkingen des levens. Doch het treurtooneel zou een nog schrikwekkender voorkomen aannemen. De menschelijke maat van jammer en ellende scheen wel is waar geledigd, maar de machtige wraakgodinnen wisten het onheil uit opnieuw gevulde vaten in nog vreeselijker golven uit te gieten. Plotseling toch rolde en klaterde het, als de donder van het jongste gericht, boven de hoofden dezer verworpenen. Uit hunne doffe bedwelming wakker geschud, beurden zelfs zij, die alle hoop hadden opgegeven en in koude wezenloosheid hun einde naderden, het hoofd op, en zagen de heuvels in de nabijheid in zwarte rookwolken gehuld: de slag woedde boven hunne hoofden. Alsof een demon der blinde verschrikking zich plotseling in het midden der scharen wierp en ze in radelooze vlucht opjoeg, wentelden zij zich thans, geene mogelijkheid en waarschijnlijkheid der redding meer berekenende, in dichte, zwarte golven op de rivier en de brug toe. En als brak hij uit duizende geopende kolken te voorschijn, wies de vloed aan en zwol op door de stroomen van vluchtelingen, die, door het gevecht voortgestuwd, van de heuvels om Studianka en Borisow neerdruischten. Het oogenblik was daar, dat het ijzeren rad der vernietiging van de besneeuwde hoogten nederrolde, om al wat daar ademde te verpletteren.

Bianca, door angst en ontzetting uitgeput, wendde langzaam het hoofd naar de vlammende en rookende hoogten. „Denkt gij, mijn broeder,” vroeg zij Bernard op fluisterenden toon, alsof zij bevreesd was, het antwoord te vernemen, „denkt gij, dat de edele Rasinski daarboven mede in het gevecht is?”

„Het kan wel niet anders, lieve,” was het antwoord.

„Dan neemt mijn hart afscheid van hem,” sprak zij op een vasten, maar diep roerenden toon.

„Waarom?” vroeg Lodewijk getroffen.

„Ach, mijn beste,” hernam Bianca, „waarlijk, ik vertrouw geloovig op God; doch reeds onze redding uit dezen alles vernielenden maalstroom te hopen, schijnt mij vermetelheid toe, hoeveel te meer dan de zijne, uit dien moorddadigen slag. Ik heb de aarde vaarwel gezegd, die ik vereerde, die ik beminde—nu, wij zien elkander immers daarboven weder.”

„Wees bedaard, Bianca,” zei Bernard en vermande zich, om het zelf te schijnen; „gij hebt nog nooit gedobbeld, waar het één tegen één stond; ik heb nog zooveel hoop op winnen als vrees voor verliezen. En ons spel staat goed, want wij hebben hier ten minste een anker in de sneeuw geworpen, dat ons steun geeft tegen de bergstroomen, die daar ginds van de hoogte afrollen. Eens moesten zij toch verloopen, en dan krijgen wij ruimte.”

„Voorzeker,” voegde Lodewijk er met mannelijke vastheid bij; „en ik bid u, bedenk toch, Bianca, welke wonderen de hemel reeds voor ons gedaan heeft; zij staan mij borg voor de toekomst, zijn mij een vast steunsel, waarop ik gerust mijn vertrouwen stel.”

„Dat herinnerde de goede Gregoor mij ook,” antwoordde Bianca; „maar wie doorgrondt de raadsbesluiten des hemels?”

„Dan zou onze ondergang toch al heilrijk voor ons zijn,” hervatte Lodewijk met diepen ernst. „Dat zij uw troost!”

„Het is die ook, geliefde,” sprak zij kalmer en hief het oog ten hemel; „maar ook daarom juist neem ik afscheid van de aarde.”

„Ik niet,” sprak Bernard, „en gij moet het ook niet doen, mijne zuster; uit aardsche nooden en gevaren heeft het lot ons ook voor aardsch geluk gered. Lodewijk heeft gelijk, wij hebben een onderpand; de hemel is niet zoo kwistig met genade en wonderen....”

„O, spot niet,” viel Bianca hem verschrikt in de rede, daar hij weder in zijn ouden, ruwen toon verviel en de bekommernissen stoutmoedig afschudde als een leeuw, wien een muggenzwerm om het hoofd gonst; „spot hier niet, waar de Almachtige zijn vreeselijk gericht houdt.”

„Neen, neen, zuster,” antwoordde Bernard; „gij verstaat mij niet; Lodewijk weet wel hoe ik 't meen; hij kent mij langer.”

Deze drukte hem geroerd de hand. „En de Alwetende kent hem het best,” fluisterde hij Bianca toe, „en heeft nooit een trouwer, edeler hart in eene menschelijke borst gezien.”

„Dat is nog zoo zeker niet,” mompelde Bernard; „maar laat ons door beuzelpraat den tijd niet verzuimen.—Willhofen! hebt gij nog eenig voeder voor de paarden? Zij konden ons anders in het oogenblik van nood in den steek laten.”

„Vóór het licht werd heb ik ze in stilte afgevoerd,” was het heimelijk antwoord; „men mag hier niet te veel vertoonen; voor éénmaal is nog voorraad.—Maar zie eens daar achter ons! Dat komt mij voor, alsof het ons gelden moet.”

Hij had nauwelijks gesproken, of het eerste kanon schoot zijn bliksem uit en na weinige seconden kaatsten de omliggende heuvels den doffen knal daverend terug. In hetzelfde oogenblik sloeg een kogel met verpletterend geweld in den dichtsten hoop voor de brug neder, zoodat deze naar alle zijden uiteen stoof. Men had den tijd niet, zich te bezinnen en den omvang van dit nieuwe gevaar te beseffen, want dadelijk daarop volgde een tweede schot en toen een volle laag, die vreeselijke openingen in deze opeengepakte menschenmassa's boorde.

In de eerste seconden hielden schrik en ontzetting de ongelukkigen aan den grond geketend, en zelfs de spraak verliet hen. Daardoor ontstond er eene doodsche stilte, die het dreunen der batterij nog te schrikwekkender deed voorkomen. Spoedig echter gaf zich de angst in huilend weeklagen lucht, en de een wierp zich in blinde, dolzinnige drift op den ander, onverschillig waarheen, zoo men slechts uit dezen vuurspuwenden krater ontkwam. Ruiters wierpen zich in den stroom en zochten dien niettegenstaande het drijfijs over te zwemmen; de meesten werden op korten afstand van den oever door de bruisende golven medegesleept. Anderen sneden de strengen der voor vreemde wagens gespannen paarden door, wierpen zich op den rug der vermoeide dieren en wilden zich insgelijks door zwemmen redden, zonder zich om de ongelukkigen te bekreunen, die nu hulpeloos moesten achterblijven. De straf volgde deze daad op den voet. De massa's wentelden zoo geweldig naar de boorden des strooms voort, dat zij thans niet enkel op de brug, maar ook regelrecht op de rivierbedding aandrongen. Te vergeefs verzetten de voorsten zich tegen het drukkende overwicht; gelijk gisteren honderden van de bezwijkende brug nederstortten, werden heden duizenden in den vrijen stroom gedrongen. Moeders met hare zuigelingen op den arm zag men tusschen de drijvende ijsschollen, en vruchteloos riep haar jammergeschrei om den man en beschermer, van wiens zijde zij eerst zoo even waren weggerukt, doch dien misschien de vloed reeds verslonden had, zoo hij niet onder de voeten der aandringenden vertrapt werd. Het water zwol haar tot aan den gordel, tot aan de borst; nog altijd hielden zij hare kinderen boven: eindelijk bereikte het den hals, het hoofd, zij werden voortgesleurd, zonken, maar onder het zinken hielden de verkleumde handen het dierbaarste leven nog boven den zwarten afgrond der golven omhoog geheven, tot de stroom alles verslond en begroef.

HOOFDSTUK V.

Bianca hield beide hare handen voor de oogen en ademde krampachtig; geen enkelen traan had zij meer, zoo greep haar de alles verstijvende schrik der ontzetting aan. Lodewijk en Bernard sloten zich dicht aan haar en zochten haar door bemoedigende toespraak tot kalmte te brengen. Jeannette was doodsbleek en rilde koortsachtig; ook zij weende niet meer, hare lippen beefden, alsof zij spreken wilde, doch zij vermocht zulks niet. Het kind klemde zich schuw aan Bianca's boezem.

Plotseling kraakte en dreunde het om hen heen, en als door een aardbeving geschokt, werden zij van hunne zitplaatsen opgelicht.

„Barmhartige God!” riep zij, toen zij opzag, en strekte de beide handen afwerend voor zich uit. Een kogel had het voorste gedeelte van den wagen getroffen, verbrijzeld en de bloedige, gescheurde ledematen der beide officieren op den grond geslingerd. De schuwe paarden steigerden hoog op en zouden, wanneer dissel en vooras niet verpletterd waren geweest, den wagen zijwaarts gesleurd hebben. Willhofen sprong toe om ze in de teugels te vatten; Lodewijk en Bernard beijverden zich, hem bij te staan. Doch reeds had Jeannette zich met loshangende haren van den wagen geworpen, en Bianca, onbewust wat zij deed, volgde dit voorbeeld, terwijl zij de kleine aan haren boezem klemde.

„Leeft het nog? Leeft het?” riep eene forsche stem in hare nabijheid, en zij voelde zich eensklaps van achteren vastgehouden. Toen zij zich omwendde, stond Regnard, den linkerarm in een doek gebonden, voor haar. „O, ik heb u gevonden,” sprak hij snikkend en kuste en liefkoosde het kind in Bianca's armen, die, nog geheel bedwelmd door den schrik, niet eens besef genoeg had, om zich over zijne plotselinge verschijning te verwonderen.

Ook Bernard ontdekte hem, ijlde op hem toe en vroeg vol verbazing: „Gij hier, overste? In 's hemels naam, hoe komt gij hier?”

„Van daarginds uit het gevecht,” antwoordde hij. „Het gaat er vreeselijk moorddadig toe; onze soldaten staan als de muren van Troje, doch dra zal alles instorten; want zij begraven ons onder hunne kogels!”

„Zaagt gij Rasinski? Leeft hij? Leven Boleslaw en Jaromir?” vroeg Bernard driftig.

„Zij vechten als leeuwen, als duivels, die Polen,” hernam Regnard. „Maar het zal alles te vergeefs zijn, wij kunnen geen uur meer standhouden! En dan dit défilé, dat zoo goed als de open helpoort is.”

„Zijt gij gewond, overste?” vroeg Bernard, hem eene krampachtige beweging naar den arm ziende maken, die met een zakdoek omwonden was.

„Mijn rechterarm is verbrijzeld,” was het antwoord; „mijn paard werd door een granaat neergeworpen; ik sleepte mij naar Studianka, om een wondarts te zoeken, doch daarginds is niets te vinden dan asch en lijken. Vechten kan ik niet meer, ik wilde dus beproeven of ik over de brug kon komen. Daar zag ik uit de verte deze wagens! Ik wist, dat gij gisteren hier gestaan had en dacht: misschien vind ik hen nog daar. Mogelijk kunt gij uw klein dochtertje nog eens zien! sprak het in mijn binnenste, en—lach mijnenthalve, vriend,—dat klonk mij als eens stem uit den hemel in de ooren. Wellicht is het de laatste wensch, dien gij vervuld ziet, dacht ik en ging regelrecht hierop aan. Het was of een goede geest mij geleidde, want ik was juist bij uwe wagen, toen de twaalfponder u dien trek speelde.—Ach zie eens, hoe vriendelijk het kind nog is; het lijkt toch sprekend op de moeder!—Ja, had ik maar iets voor u, mijn arm schaap! Waren wij in Parijs, en kon ik u een zak vol bonbons geven!”

Hij gaf zich geheel aan het liefkoozen der kleine over en scheen zoowel zijn verpletterden arm, als de verwoesting om hem heen te hebben vergeten. De kogels verschrikten hem niet, twintig veldslagen hadden hem daaraan gewoon gemaakt; maar de vaderliefde was nieuw voor hem, en een voorgevoel scheen hem te zeggen, dat hij dit geluk niet lang meer genieten zou.

Middelerwijl was ook Lodewijk toegetreden en heette hem welkom. Bianca gaf de kleine, die Regnard met zijn éénen arm niet houden kon, aan Jeannette over: zij voelde dat zij wankelde, en trachtte zich aan het rad van den wagen staande te houden. Bernard speurde dit, sloeg den arm om haar middel en kuste hare bleeke wangen. Hij sprak niet, maar zijne vurigste bede rees tot den Almachtige omhoog en smeekte: „Red mij om harentwil en haar om mijnentwille, of laat ons allen omkomen!”

„Gij zijt zoo verschrikt geworden,” sprak hij na eenige oogenblikken; „dat komt wijl gij uw oog voor deze tooneelen sluit: beschouw ze lang, gij zult er aan gewoon worden en daardoor den indruk verflauwd zien.”

„O, mijn broeder!” riep zij smartelijk, „zou mijn hart dàt leeren?—Neen, neen; dat kan ik niet.”

„Zie daar gindsche vrouw,” ging Bernard voort; „neem een voorbeeld aan haar; zie, mijne lieve, hoe kalm en rustig zij onder de verwoestingen des doods blijft.”

Inderdaad zag men, ongeveer twintig schreden van hen verwijderd, eene edele vrouwelijke gestalte, die, een driejarig kind in den arm houdende, te paard zat en naar het scheen met onafgewende oogen het gewoel gadesloeg. Een zwarte sluier was om haar hoofd gewonden, doch liet het gelaat vrij, welks regelmatige, edele trekken onwillekeurig ontzag inboezemden. Zij moest zich eerst sinds eenige minuten hier bevinden, want hare verschijning had anders, zelfs in dit gewoel, waar ieder slechts aan zich zelf dacht, reeds vroeger de algemeene deelneming moeten gaande maken. Bernard maakte ook Lodewijk op haar opmerkzaam.

„Kalm, rustig?” vroeg Bianca, die haar lang oplettend had aangestaard; „rustig meent gij? Versteend moest gij zeggen; want bemerkt gij de tranen niet, die over haar onbewegelijk aangezicht rollen, en den wanhopigen blik, dien zij van haar kind ten hemel slaat?... O, de rampzalige!”

„Het is de weduwe van den overste Lavagnac,” sprak Regnard; „haar man viel voor drie weken bij Wiasma en het kind, dat zij op den arm heeft, is haar dochtertje.”

Allen hielden het oog op de rijzige, edele treurgestalte gevestigd. Daar sloeg een gierende kartets verpletterend neder en wierp vrouw, kind en paard ter aarde.

Zelfs den mannen werd bij dit gezicht een kreet van ontsteltenis afgeperst. De ongelukkige was verdwenen; in het gedrang liet zich geen spoor meer van haar ontdekken.

„In 's hemels naam, is zij dood?” kreet Bianca; „o, vliegt haar te hulp, ziet of zij te redden is!”

De drie mannen zochten door de opeengedrongen menschen en paarden een weg te banen, doch het was niet mogelijk, hierin spoedig te slagen. Bianca volgde hen, deels door hare deelneming gedreven, deels ook om hen in dit vreeselijk gedrang geen oogenblik uit het oog te verliezen. Na eenige minuten opende zich de zwarte hoop, zoodat men, ofschoon een omgestorte wagen belette haar te naderen, de rampzalige op de sneeuw kon zien liggen.

Daar zat de edele vrouw, zonder een klacht te uiten, op de met bloed gedrenkte sneeuw tegen een boomstam geleund en hield haar kind in de armen, de kartets had hare beide voeten verbrijzeld, doch de kleine scheen ongedeerd en sloeg de beide handjes angstig om den hals der moeder. Niemand dacht er aan, haar hulp te bieden, elk ging, zich alleen met zichzelf bezig houdende, haar gevoelloos voorbij; slechts dewijl alles voor het zich in stuiptrekkingen rondwentelende paard op zijde week, had zich eene opening om haar gevormd, anders ware zij wellicht vertrapt geworden. Lodewijk en Regnard wilden beproeven, over het omgeworpen voertuig heen te klimmen, terwijl Bernard de bevende Bianca ondersteunde. In dit oogenblik rukt de edele lijderes een haarsnoer van haren boezem los, legt het, eer iemand het verhinderen kan, om den ontblooten hals van het kind en trekt den strikt met hare laatste krachten te zamen, zoodat het kleine wezen met neerhangend hoofd, verworgd, in haren schoot terugzinkt. Daarop omklemt zij het in krampachtigen doodsangst, heft het woest, verwilderd, brekend oog ten hemel, hijgt nog eenmaal uit holle, diepe borst en zijgt ontzield op haar kind neder.

Tegelijk sprongen Lodewijk en Bernard toe, doch het was te laat; Bianca wierp zich aan de borst des broeders en verborg haar gelaat, als wilde zij den aanblik ontvlieden, die als eene Medusa haar binnenste versteende. Bernard sloeg zijne armen om haar heen, en vermocht noch te spreken, noch zijne overvloedig opwellende tranen te bedwingen. Plotseling rukte zij zich los, staarde hem met strakke oogen aan en sprak met doffe kalmte: „Thans kan mij niets meer verschrikken, mijn broeder; heb ik dat gezien, zonder vernietigd neer te zinken, dan is mijn hart voor eeuwig versteend en ik kan met den jammer spotten.”

Bernard huiverde; hij leidde haar langzaam naar de plaats, waar Jeannette met het kind stond, en zeide: „Ween uit, zuster, en ontdooi het koude ijs, dat zich op uw hart legt, met warme tranen; zie, ik ween immers ook en ik ben toch een man.”

Het meisje strekte de armpjes verlangend naar Bianca uit, nam het kind, drukte het met onstuimige hevigheid aan hare borst en barstte nu in een stroom van tranen uit. Hare knieën knikten, Bernard liet haar behoedzaam op de sneeuw nederzinken en plaatste zich naast haar op den grond.

Het moorddadige vuur der Russen duurde inmiddels voort; de batterijen op de heuvels werden versterkt, kogels en granaten kletterden onophoudelijk op de brug en de dichte drommen neder. Ook in den rug, van de zijde van Studianka, kwam het gevecht al nader en nader, en weldra moest men den vervolgenden vijand ook van daar duchten. Zoo ratelde de donder van het geschut in alle richtingen en smolt ineen met het gehuil van half verpletterden, de wanhoopskreten van de ongelukkigen, die in den stroom verzonken, het woest gebrul van hen, die zich met geweld de baan der redding trachtten te ontsluiten.

De kogels sloegen thans weder meer in de nabijheid van Bianca en hare vrienden neder, zoodat Willhofen moeite had, de paarden in toom te houden. Regnard liefkoosde zijn kind en sloeg inmiddels den voortgang van het gevecht en den aftocht met opmerkzaamheid gade. De pijn van zijn verbrijzelden arm deed hem geen enkele klacht uiten; echter zag hij met een gefronst voorhoofd den vloed des onheils steeds hooger en hooger opzwellen.

Eene granaat raakte op eenige voeten afstands van de vrienden den grond, deed ijs en sneeuw opstuiven en woelde een kuil in de aarde. „Neder, bukt u!” riep Regnard, doch in hetzelfde oogenblik barstte het moordtuig reeds in eene wolk van damp en gloed uitéén en spatten de stukken in het rond. Een angstkreet ging er van alle zijden op; Bernard voelde zich ongekwetst, de zuster in zijn arm was het ook, maar eene zwarte rookzuil hield hem zoodanig omhuld, dat hij niemand der anderen kon ontdekken. „Lodewijk!” riep hij, „Lodewijk, leeft gij?” Doch het kraken der vuurmonden, het angstgeschrei der verschrikten en het gehuil van den storm, die met vernieuwde woede opstak, versmoorden zijne stem. Eindelijk wentelde de rook langzaam weg en men kon om zich heen zien.

„Gij leeft!” klonk Lodewijks stem en hij zelf lag aan Bianca's voeten en drukte de geliefde met warme dankbaarheid voor hare redding aan zijne borst. Eensklaps echter rukte hij zich los en riep: „Heilige God, ook dat nog!” Zijn oog viel op Willhofen, die vreeselijk verminkt tusschen de paarden op den grond lag. Slechts het gelaat was ongeschonden; zijn brekend oog zocht verlangend eene vriendenhand, die het toedrukte. Lodewijk snelde op hem toe en ondersteunde het zware hoofd met beide handen. Bernard had de rechterhand van den gevallene gegrepen en knielde naast hem neder. „Leeft gij nog, getrouwe vriend? Kunt gij ons nog vaarwel zeggen?” stamelde Lodewijk met eene door aandoening gesmoorde stem. De stervende kon geen woord meer uitbrengen; hij bewoog slechts met moeite de lippen, en zijne machtelooze hand sloot zich tot een zachten druk. Een smartelijk lachje zweefde over zijne wangen, vervolgens zonk het hoofd op de borst neder en het oog brak.

„Dus mocht gij toch het vaderland niet wederzien,” riep Lodewijk, „gij, getrouwe dienaar! Nu is het lijden voorbij,—gij zijt de gelukkige!” Zij wilden het lijk opheffen, maar eene vernielende laag uit de russische batterijen slingerde juist weder eene menigte kogels en granaten in het gedrang om hen heen.

„Laat ons opeensluiten,” riep Regnard; „anders zijn wij voor eeuwig gescheiden.” Juist wilde hij Lodewijks hand grijpen, doch tusschen beiden gierde een kogel door en wierp den overste ter aarde. „Regnard!” riep Lodewijk, geheel verpletterd, en sprong op hem toe; „zijt gij doodelijk getroffen?”

Bernard beurde den gevallene bij de schouders op en boog zich over hem neder.

„Ik heb mijn deel,” steunde deze; „waar is mijn dochtertje?”

Bianca trad, hoewel bevende, met het kind op den arm nader; zij knielde voor den vader neder en hield het hem toe. „Hier, hier,” snikte zij. Regnard lachte de kleine weemoedig toe, kuste haar mond en voorhoofd en sprak: „Leef gelukkig! Gij hebt geen vader meer... maar eene moeder... niet waar?... Groet Rasinski... als nog een van u overblijft... Leve de keizer!”

Deze kreet uitte hij met alle inspanning der laatste krachten in den ruwen soldatentoon; hierop kromp hij zenuwtrekkend ineen—en was niet meer.

„Er is een maaier, die heet de Dood,”

neurde Bernard, om zijn woeste smart te bekampen, uit een oud lied; maar de tonen bestierven hem op de lippen.

„Van God hij kracht ontving zeer groot!”

ging hij nog, zich zelf vermannend, voort. „Van God! Ik ben getroost!”

Doch hun bleef de tijd niet, zich aan hunne droefheid over te geven, want een vreeselijk gedreun en geratel in de nabijheid, een mengeling van schreeuwen en brullen, een alles overhoop werpend dringen en golven der vluchtelingen kwam nader.

„Laat ons dezen stroom ontwijken, hij overstelpt ons!” schreeuwde Bernard. „Terug! Daar, de hoogte op.”

Lodewijk sleepte Bianca, Bernard de radelooze Jeannette met zich voort. Alles achterlatende, zochten zij slechts het gevaar van het oogenblik te ontkomen en waren dan ook gelukkig genoeg, zijdelings af eene plaats te bereiken, werwaarts de menigte zich niet voortwentelde, daar zij niet in de richting van de brug gelegen was en niemand anders dan over deze zijne redding zocht.

„Hier is lucht,” riep Bernard geheel ademloos; „de vloed stroomt hier voorbij. Hier kan ons niets ergers meer overkomen, dan door de vijandelijke kogels getroffen of door den vijand zelf gevangen te worden. Onbarmhartiger kan hij niet zijn, dan de tijgerwoede, waarmede het verderf daar ginds moordt en worgt.”

Nu was echter ook het ontzettendste oogenblik daar; want van de hoogten van Studianka kwamen de vluchtende benden des legers afstroomen. Het geschut kletterde in vollen draf de steilten af; de paarden waren niet in staat de stukken te houden. Zoo bleef er geene keus meer; de weg liep midden op het diepste gedrang van ongelukkigen aan. Verpletterend rolden de ijzeren raderen op eene straat van lijken en over de krakende beenderen van vele honderden voort. Het angstgehuil scheen uit den schoot der aarde op te rijzen; wagens, kanonnen, paarden en menschen stormden over elkander heen, de oeverboorden af, op de brug toe.

Het vreeselijkst echter woedde de vernieling op de brug zelve. Hier liepen behoud en verderf op het smalste pad langs den afgrond naast elkander voort. De voet trad niet op lijken, maar op levenden, op zieltogenden, die zich half vertrapt in dolle stuiptrekkingen kromden en martelden. Gulzig spalkte de vloed aan weerszijden den zwarten muil op en verslond duizende offers, die meedoogenloos in zijn gapenden afgrond werden neergestort. Eene onmenschelijke worsteling werd op dit punt met afwisselende kans voortgezet. De broeder wilde zich de baan breken over het lijk des broeders en trapte diens hoofd onder den voet.

Die neergesleurd werden in de koude doodsomarming der golven, klemden zich met woede aan de naast omgevenden vast en wilden dezen met zich in het verderf trekken, of door hen op den veiligen oever gesleept worden. De aangegrepenen stelden zich te weer, alsof zij door wolven overvallen werden. Met de sabel, door een verpletterenden kolfstoot zochten zij zich uit de krampachtig vastgeknelde armen der wanhopigen los te rukken en stieten, zoo hun dit gelukte, de verminkte lichamen in de branding neder. Maar de razernij der vertwijfeling nam nieuwe reddingsmiddelen te baat; met scherpe tanden beten zich de nederstortenden in voet of kleeding vast, tot een dreunende kolfslag op den schedel of een schop, die het gelaat ontvleeschte, hen bedwelmd in den geopenden grafkuil deed nedertuimelen.

HOOFDSTUK VI.

In dichte scharen stroomden de soldaten, die in den laatsten slag gevochten hadden, van de heuvels af. Daar zij de brug en den geheelen oever zoo dicht met vluchtelingen bezaaid zagen, dat het onmogelijk was, zich hier een doortocht te banen, namen zij hun loop verder stroomopwaarts, teneinde met zwemmen of over eene doorwaadbare ondiepte de overzijde te bereiken. Deze stortvloed bedreigde ook de schuilplaats, die Bernard had opgespoord. Lodewijk bemerkte dit het eerst en ried aan, voor de anderen dieper landwaarts in te vluchten. Zulks geschiedde met driftigen tred en zoo snel de uitgeputte krachten der vrouwen het toelieten. Maar ook nu was de natuur vijandig gezind, want de storm loeide hen tegen, en joeg hun de opeengehoopte sneeuw vlak in het aangezicht. Velen, die aan de redding over de brug wanhoopten, volgden hen na en zoo pakte zich ook hier eene dichte, golvende zwerm opeen. De uit het gevecht terugkeerende ruiters, soldaten, wagens en veldstukken stormden in teugellooze verwarring van de hoogte naar beneden. Weldra smolten de beide stroomen inéén en thans werden al de verschrikkingen van het vreeselijk gedrang vernieuwd. „Volgt mij,” schreeuwde Bernard zijnen verbijsterden lotgenooten toe; „altijd naar boven, nog hooger op moeten wij doorworstelen; waar niemand zich redden wil, zullen wij ons behoud zoeken.”

Zij moesten dus den stroom van vluchtelingen doorsnijden en zulks kostte hun eene geweldige inspanning; hijgend, ademloos, op het punt van te bezwijken, zagen zij zich echter toch eindelijk aan de grenzen van het gewoel verplaatst. IJlings spoedden zij over eene gladde heuvelhelling voort, doch ook hier loerde het verderf op hun ondergang. Twee kanonnen komen van de hoogte af, geraken op de met ijs bedekte helling, de paarden struikelen, dreigen te vallen. Niets kan meer redden dan een blind doorhollen. Door zweepslagen en wild getier voortgejaagd, komen de paarden in vollen loop aanrennen en stormen regelrecht op Bernard toe. Deze, Jeannette om den middel grijpende, wil op zijde springen; doch het is te laat. Het voorste span heeft hem bereikt, doet hem met het meisje ter aarde tuimelen, en kletterend rollen de ijzeren raderen over hen heen.

Met een luiden kreet valt Bianca op de knieën, heft de armen smeekend omhoog en roept: „Ook over mij, onmenschen, verplettert ook mij!” In hare zinsverbijstering wil zij zich voor de paarden nederwerpen, doch Lodewijk omvat haar en slingert haar terug. Bedwelmd zinkt zij met hem ter aarde; het gespan klettert voorbij, het bewustzijn begeeft haar, zij ligt in doodelijke onmacht.

Eindelijk dringt eene welbekende stem tot haar door. „Zuster, lieve zuster, ontwaak!” Zij slaat het oog op, Bernard knielt ongekwetst voor haar neder en strekt zijne armen naar haar uit. „O God, ik dank U!” snikte zij en hield den broeder in teedere omhelzing vastgeklemd.

„Dus heeft het geen offer gekost?” vraagt zij nog eenmaal, en wil des broeders lippen met zoete kussen verzegelen.

„Eén heeft toch moeten bloeden,” is het sombere antwoord, „schoon de hemel het verderf van mij heeft afgewend, Jeannette vond den dood; de trouw uwer vriendin zal als die van onzen Willhofen eerst daar boven haar loon vinden.”

„Jeannette dood!” riep Bianca met bevende stem. „O,” vervolgde zij na eenige oogenblikken met onderdrukte aandoening, „wanneer hier alles vernietigd wordt, mogen wij het dan een geluk noemen, alleen te ontkomen?—Maar waar is zij?”

„Ach, verlang haar niet te zien,” smeekte Bernard en wilde Bianca beletten, zich om te keeren, want het lijk lag achter haar; „haar dood was te afgrijselijk.”

Doch die bede kwam te laat. Bianca, de bloedsporen met de oogen volgende, had het lijk reeds bespeurd en gaf een luiden gil bij den vreeselijken aanblik. Het rad was over voorhoofd en borst gegaan en had het frissche, bloeiende gelaat akelig gekwetst en opgereten. Nog borrelde het bloed in donkere stroomen uit de gapende wonden op en kleurde de blonde lokken, die loshangend en verward van het hoofd der ontzielde afgolfden en over de witte sneeuw lagen uitgespreid.

„Ach, ik moet haar toch nog zien,” smeekte Bianca; „ik moet afscheid van haar nemen, al is zij ook nog zoo vreeselijk misvormd. Zoo weekelijk is mijn hart niet, dat ik dit gevoel door den plicht der liefde niet zou kunnen overwinnen. Zij heeft haar jeugdig leven immers voor mij opgeofferd! O, breng mij bij haar!”

Bernard en Lodewijk namen haar in den arm en geleidden haar naar de doode. Lodewijk droeg ook het kind, dat tot nu toe, als door engelen beschermd, in alle gevaren was bewaard gebleven.

De stroom der menigte in den omtrek was voorbijgevloeid, doch beneden in de diepte en verder terug bruischte en raasde hij nog; slechts uit de verte deed zich een verward geruisch van stemmen hooren. Zelfs de kogels konden deze plaats niet meer bereiken, schoon de donder van het geschut nog altijd den grond deed dreunen. Zij waren hier dus met hunne droefheid en hun zielsangst geheel alleen en toch, in weerwil van alle ellende, kinderlijk dankbaar, dat het losgelaten verderf ten minste de heiligste banden der liefde verschoond had. Sprakeloos stond Bianca, op de schouders van broeder en vriend geleund, voor de nu zalige en gaf aan hare tranen den vrijen loop.

„O, zoo gij haar het hoofd wildet omkeeren, Bernard,” snikte zij, „wellicht kon ik dan nog eens hare vriendelijke trekken zien.” Bernard deed het; tegelijk verborg hij de bloedende, gewonde plaatsen onder het gewaad en bedekte het voorhoofd met een gedeelte der lokken, die nog niet met bloed besmet waren. Bianca had gelijk gehad; alleen de linkerzijde van het hoofd was zoo afzichtelijk verminkt, de rechter wel eenigszins krampachtig saamgetrokken, maar toch nog ongekwetst genoeg, om aan het beeld der levende te herinneren.

Met aandoening boog Bianca zich over de doode neder. „Hoe zacht en roerend is haar voorkomen,” sprak zij; „zoo vriendelijk, welwillend en teeder was ook haar hart.”

„En dat goede kind moest zulk een wreeden dood vinden!” voegde Lodewijk er bij en drukte Bianca met diepe ontroering de hand.

„Ja,” merkte Bernard aan, „een zacht bed moet men hier niet zoeken; wie den dood hier gezien heeft, zal hem niet met de ouden als een genius met omgekeerden fakkel afbeelden. Zelfs onze beenderman is nog te vriendelijk; hij is een ijzeren cycloop, die onder zijne voeten en met zijne knods alles vergruist en vermorzelt.—Doch schoon de plichten van liefde heilig zijn, wij mogen en moeten ons hier niet langer ophouden. Ziet, daarboven vertoonen zich reeds weder nieuwe massa's, Russen of Franschen onverschillig, hier is alles vijand, want de menigte vernielt zich onderling. Haasten wij ons, om gindsche oeverbocht te bereiken; misschien vinden wij verder op nog een dorp of eene hut, waar wij kunnen schuilen.”

Hij wilde de zuster voorttrekken, doch deze smeekte: „Laat mij nog slechts ééne lok van haar hoofd medenemen, Bernard!”

„Gaarne,” antwoordde hij, en reikte haar uit zijne brieventasch eene kleine schaar, benevens een blad papier, om het haar daarin te wikkelen; „doch haast u, Bianca.”

Zij knielde op de sneeuw neder, sneed eene golvende lok uit het rijke, blonde haar, rolde ze op en verborg ze zorgvuldig in haren boezem. Vervolgens drukte zij een smartelijken kus op de bleeke wangen van het meisje, bevochtigde die nog eenmaal met hare tranen en fluisterde haar een teeder: „Slaap zacht!” toe.

Met verdubbelde snelheid zetten zij thans hunne vlucht voort. Eene aanmerkelijke kromming van den rivieroever bracht hen geheel buiten het gezicht der brug, en zij hoorden niets meer, dan het doffe gekraak der vijandelijke vuurmonden; overigens omgaf hen een bar, noorsch winterlandschap. Ter linkerzijde van hun pad kruide de Beresina hare dikke ijsschollen opeen, rechts werd het door de hoogten begrensd, van welke de storm de sneeuwvlokken dwarlend opjoeg. Deze blies koud tegen hen in, zoodat gezicht en handen verkleumden, en gierde met hevige rukken door de lucht. En toch was deze ruwe, akelige wildernis een vriendelijk toevluchtsoord, vergeleken bij het tooneel van moord en verwoesting, dat zij ontvloden.

Evenwel moest zich spoedig eene schuilplaats vertoonen, want Bianca was doodelijk afgemat en op het punt van machteloos neerzinken. Bernard zocht haar daarmede moed in te spreken, dat Weselowa niet ver meer kon verwijderd zijn. Wanneer zij daar ook slechts Russen vonden, was hunne redding toch verzekerd, daar Bianca zich naar Bernards aanwijzing voor eene, voor de Franschen gevluchte Russin en hem en Lodewijk voor hare uitlandsche huisbedienden zoude uitgeven. Vonden zij Franschen, dan was het de taak der mannen, voor hulp en redding te zorgen.

Verder dan een uur hadden zij thans hunne schreden voortgezet en nog liet Weselowa zich niet ontdekken. Eensklaps maakte Lodewijk zijn vriend op eenige ruiters opmerkzaam, die zich rechts van hun pad op de steile hoogte bevonden. Bernard, wiens scherp oog verder reikte, riep dadelijk: „Dat zijn kozakken, ik zie het aan de pieken; zoo de gierige roofvogels ons hier overvallen, is uitplundering het minste, dat wij te wachten hebben. Vriend of vijand, den kozak is alles buit. Wij willen ons zoo dicht mogelijk aan den oever houden”.—Dit geschiedde, doch te vergeefs, want reeds hadden de ruiters hen in het oog gekregen en schenen voornemens, jacht op hen te maken. Andermaal nam de rivier eene bocht, die hen gelukkig den vervolgers uit het gezicht bracht; tegelijk zagen zij de besneeuwde daken van Weselowa in de verte voor zich en hadden zij dus de veilige haven in het gezicht.

Maar Bianca's krachten waren door de geweldige inspanning dezer laatste minuten geheel bezweken; hare knieën knikten, zij zeeg op den grond neder en riep: „Ik kan niet meer! O, vlucht gij, redt u en laat mij het kind; de barbaren zullen met mij medelijden hebben.”

„Wij dragen u,” riep Bernard; „tot aan gindsche hut kunnen wij het nog uithouden.”

Reeds hadden hij en Lodewijk haar opgeheven, doch zij beproefden het onmogelijke. Na weinige schreden moesten zij het opgeven, daar zij zelven zich met moeite staande hielden.

„Vlucht, ik smeek het u! Broeder, geliefde, vlucht, dat is de eenige redding voor u en mij; zóó storten wij ons gezamenlijk in het verderf.”

„Bianca,” sprak Lodewijk vriendelijk, ofschoon eenigszins gekrenkt: „kunt gij dat werkelijk van ons verwachten? Neen, uw hart weet niet, wat uwe lippen vorderen!”

„Waarom luistert gij er dan naar, Lodewijk,” vroeg Bernard met een weemoedig glimlachje. „Maar wij kunnen hier verder niets doen en willen ons op de sneeuw nederzetten en er ons lot met bedaardheid afwachten. Wij scheppen inmiddels toch weder adem.”

Bianca besefte, dat haar smeeken niets zoude baten. Zwijgend zette zij zich dus op den kouden grond neder en nam het kind op den schoot. Bernard en Lodewijk plaatsten zich nevens haar, sloegen elk den arm om het schoone edele wezen en zagen zoo in eene liefelijke omhelzing hun gemeenschappelijk lot te gemoet.

Thans hoorden zij het getrappel van paarden achter de spits des sneeuwheuvels, om welken de rivier heen kromde; nog eene minuut, en hun lot was beslist. Zij zagen niet op, maar hielden elkander slechts te inniger omsloten en verwachtten als met gebukten hoofde den slag van het doodszwaard, dat hen dreigde.

De ruiters kwamen nader, hielden voor hen stil, en eene stem vroeg in het russisch: „Zeg, is dat daar ginds Weselowa?” Bianca hief het hoofd langzaam op, maar juichte, het gelaat van den vrager herkennende, op een onbeschrijfelijken toon: „Almachtige God, Rasinski!”

Met onstuimige vreugde sprongen Lodewijk en Bernard bij deze woorden op en tegelijk wierp Rasinski zich van het paard en in hunne armen. Ook Boleslaw en Jaromir die zich onder de achterste ruiters bevonden, vlogen toe en aan de borst der vrienden. „Gij leeft, gij leeft! en hier moeten wij elkander vinden!” klonk het uit aller mond; het hart was niet in staat het overstelpende geluk te bevatten, en tranen der vreugde bevochtigden zelfs Rasinski's wangen.

Bianca hing aan zijn hals als eene dochter aan de borst haars vaders. De geweldige stroom der omstandigheden had de nietige grenzen en beperkingen, binnen welke de mensch zich in gewone tijden kleingeestig vastnestelt, geheel omvergerukt. Tusschen edele zielen bestonden geen palen van armzalige gewoonte en stijve vormelijkheid meer, welke de argwaan om zich afbakent en die uit de verdorven kiemen van het hart opwassen. Het verheven geluk of ongeluk verbant al wat bedriegelijk en valsch is uit de menschelijke borst; slechts het gelouterde hart blijft over, en het edele slaat voor het edele.

De onstuimige, half bedwelmende minuut van zaligheid was voorbij, en werd gevolgd door eene liefelijke rust, gelijk de stroom zich na een woelig bruisenden waterval rustig voortstuwt en de gansche diepte van den aether in zich afspiegelt.

Ook aan diep smartelijke inmengsels ontbrak het niet; Willhofens, Regnards, Jeannette's lot werd verhaald. Rasinski vernam het met innige ontroering, wendde zich om, wees op de weinigen, die hem volgden, en sprak met eene bevende stem: „Ziedaar allen, die ik van mijne getrouwen uit de slachting heb overgehouden! Wij zijn tot hier verjaagd!”

Eene ernstige stilte heerschte in den kleinen kring; elk gaf zich aan zijne sombere mijmeringen over en bepeinsde, welke offers gedurende deze korte scheiding gevallen waren. Ten laatste brak Rasinski het zwijgen af. „Om niet nog anderen van onze weinige vrienden te verliezen, willen wij opbreken; ginds ligt Weselowa, daar hoop ik over de rivier te komen. Aan gene zijde zijn wij, vertrouw ik, in veiligheid.”

Hij hief de uitgeputte Bianca met het kind op zijn eigen paard en voerde het bij den teugel. Boleslaw en Jaromir boden Lodewijk en Bernard hunne rossen aan, doch dezen, zich nog sterk genoeg voelende om te voet te gaan, wezen dit aanbod van de hand.

Zoo brak men op. Na verloop van een uur had men het plaatsje bereikt; een litthauwsche boer wees een punt aan, waar de stroombedding niet meer dan eene manshoogte diep was; niettegenstaande het drijfijs, begaf men zich moedig te water. Ditmaal zou hen geen nieuwe ramp treffen: zij bereikten gelukkig den anderen oever, en aller oog en hart verhief zich met een vurig dankgebed ten hemel.

VEERTIENDE BOEK.

HOOFDSTUK I.

Een langdurig ziekbed had Lodoiska in een toestand van bedwelming gehouden; haar leven gedurende dat tijdsverloop was bij een zwaren droom te vergelijken, waarin zij zonder bewustzijn leed of genoot, naar gelang donkere of lichte gestalten hare bedwelmde zinnen voorbijgleden. De beelden, die haar oog om zich zag, vielen niet dan door een schemerachtig floers in hare ziel. Somtijds herkende zij hen, die aan hare legerstede gezeten waren; meestal schenen deze haar geheel vreemd en sprak zij hen verward en zonder samenhang uit de wereld harer verbeelding aan. Het was eene weldaad voor de arme te noemen, dat de ziekte haar niet het volle besef van haren toestand liet; want bij de prikkelbaarheid van haar gevoel zoude zij onder de zielesmart, welke zij op geene andere wijze had kunnen lucht geven, innerlijk weggekwijnd en ongemerkt bezweken zijn.

Na eenige weken begon de hevigheid der ziekte te breken en mocht men gegronde hoop voeden, dat de benevelde begrippen der lijdende nu toch eindelijk zouden worden opgeklaard. Maria verheugde zich hierover met zusterlijke deelneming; maar de gravin zag dit wederkeeren tot de werkelijkheid des levens met gestadig toenemende bezorgdheid te gemoet; want bij Lodoiska moest met het begrip der werkelijkheid om haar heen ook het besef van de oorzaak van haar hartverscheurend lijden terugkeeren, en dan was te duchten, dat de ziekte zich òf met doodelijke hevigheid hernieuwen òf in eene stille, maar des te onverzettelijker, alle inwendige levenskrachten verterende zwaarmoedigheid verkeeren zoude. Ach, en niemand kon haar ook zelfs den geringsten schijn van troost geven, want sinds die noodlottige regels van Jaromir waren geen brieven uit het leger aangekomen, met uitzondering van eenige vluchtige woorden van Rasinski, welke een keizerlijke renbode had medegebracht; maar deze behelsden niets, dan dat alle vrienden nog leefden en waren klaarblijkelijk in groote haast geschreven, om slechts de gelegenheid niet te laten voorbijgaan, die zich tot eene groete aan de achtergelaten betrekkingen aanbood. De gravin daarentegen had terstond na het ontvangen van den ongeluksbrief van Jaromir haren broeder geantwoord en op een onbewimpeld verslag van de reden dezer onbegrijpelijke aantijging ten dringendste bij hem aangedrongen. Het antwoord op dezen haren brief kon zij wel is waar nu nog niet verwachten; maar het plotseling stilzwijgen van alle overigen, want ook Maria had geen enkelen regel ontvangen, vervulde haar daarom toch met bange vermoedens.

„Wat moeten wij het arme kind zeggen,” vroeg zij op zekeren morgen, terwijl de kranke nog sluimerde, aan Maria, „als zij nu eindelijk wakker wordt en ons vraagt, of het een droombeeld was, dat haar zoo vreeselijk beangst heeft, dan of deze aarde wezenlijk zulk eene bittere waarheid oplevert?—Wat zouden wij haar antwoorden, zoo juist deze zachte slaap haar het heldere bewustzijn van hare schuldelooze ziel eens teruggaf?”

„Ik geloof niet, dat zij de waarheid vernemen mag,” sprak Maria; „wij moeten haar door een liefderijk bedrog trachten te misleiden, totdat haar hart meer veerkracht bekomen heeft en in staat is, het scherpe vergif te verdragen. De rampzalige brief mag haar niet onder de oogen komen; wij zullen haar in de waan trachten te brengen, dat het eene koortsachtige inbeelding van haar is, dien te hebben ontvangen.”

„Dat zou mogelijk zijn, wanneer wij haar andere brieven konden toonen,” hernam de gravin; „maar zoo zal zij op het vermoeden komen, dat Jaromir dood is en deze gedachte, deze vrees pijnigt de arme wellicht nog vreeselijker. Ach, ik zie geen uitweg uit deze akelige verwarringen en ik hoop er ook niet op, want sinds lang ben ik gewoon, dat de bloesems van mijn geluk zich slechts openen, om door de ruwe stormen van het lot te worden afgeschud, opdat elke schrede van den voortsnellenden tijd ze te dieper in den grond trappe!”

Dit droevig onderhoud werd door het binnenkomen van een bediende afgebroken, die de oplossing der bange twijfelingen in de hand droeg, want hij bracht een pakket brieven van Rasinski. Driftig brak de gravin het open, om zoo spoedig mogelijk zekerheid te erlangen. Zij vond den brief haars broeders, waarin deze van Jaromirs treurige geschiedenis volledig verslag gaf, benevens dien, welken de ongelukkige na zijne genezing aan Lodoiska geschreven had, om zich in zijn diepen rouw de boete van onherroepelijke verbanning uit haar hart op te leggen. De gravin had zwijgend ten einde toe gelezen, terwijl Maria met vragende blikken aan hare lippen hing, met ongeduld hare mededeeling verwachtte en toch niet waagde eene vraag te doen, wijl zij wist, dat dit zwijgen niet uit vergeetachtigheid en nog minder uit koele achterhoudendheid voortsproot, maar veeleer tot het sterke, zelfstandige karakter der edele vrouw behoorde, die al hare gevoelens zoolang voor zich zelve hield, tot zij zich bewust was, die volkomen meester en tot een vast besluit gekomen te zijn. Een blos van verontwaardiging kleurde nu en dan het gelaat der gravin, maar ging spoedig in een weemoedig lachje over. Eindelijk nam zij ook Jaromirs brief, maar onder het lezen welden verduisterende tranen in haar oog op en mompelde zij half voor zich zelve: „Hij is toch meer ongelukkig dan schuldig!” Opstaande gaf zij Maria de beide brieven over en wandelde met rassche schreden door het vertrek.

„O, die Françoise Alisette!” riep zij bijna luide uit. „Wie had zulk een giftige doortraptheid bij haar vermoed! Dus leert men toch nimmer de diepten des harten doorgronden! Voor lichtzinnig had ik haar misschien kunnen houden, en toch zou ik haar geene koele, vooraf berekenende, maar veeleer die dweepende lichtzinnigheid hebben toegeschreven, die meer zichzelve bedriegt dan anderen—en toch!—Zij zij vergeten en veracht!”

Ook Maria had Rasinski's brief gelezen, onder maagdelijk blozen, vermengd met diepe, zedelijke verontwaardiging tegen de verleidster; maar Jaromirs berouwvolle boete perste haar warme tranen van mededoogen uit het oog. „Arme Lodoiska,” zuchtte zij, „hoe zult gij nog gefolterd worden! Maar uw minnend hart zal alles overwinnen en vergeven.”

„Dat mag zij niet,” sprak de gravin met vastheid. „Jaromir is harer niet meer waardig. Zij moet achting hebben voor zich zelve! Kon zij hem ook al vergeven, hij mag geen vergiffenis aannemen.”

Inmiddels sloeg de zieke de oogen op; zij geleek eene lieflijke, bleeke roos; haar vroeger zoo vurig, donker oog had de vlam verloren, maar den zachten gloed behouden; met teedere innigheid vestigde zij haren blik op moeder en zuster en zeide: „Ik heb zeer gerust geslapen, ik ben lichter en beter geworden.”

De gravin boog zich over haar neder en drukte een zachten kus op haar voorhoofd. „Dat verheugt mij, lieve,” sprak zij, terwijl zij moeite had hare inwendige ontroering door toon en stem niet te verraden. Maria trad met een vriendelijk lachje op de zieke toe en vroeg: „Zijt gij nu weer wel, volkomen wel?”—„O ja, mij dunkt ik ben geheel gezond,” hernam Lodoiska, de aangeboden hand zachtkens drukkende; doch haar blik verried, dat zij iets anders dacht, dan zij sprak. Met pijnlijke onrust scheen zij zich op iets, dat zij vergeten had, te bezinnen. „Ik weet niet, Maria,” vervolgde zij en zag de vriendin vragend aan, „mij verontrust en beklemt iets, als had ik eene zware zonde begaan, die ik niet biechtte.”

„Gij eene zonde!” antwoordde Maria. „Neen, die gedachte bleef u nog uit de koortsachtige droomen uwer ziekte bij. Het vroolijke licht der gezondheid zal die donkere nachtvogels weldra geheel verdrijven.”

„Ach, ik vrees neen,” vervolgde Lodoiska; „het is mij, alsof een vreeselijk spook in mijne ziel stond, dat wijken noch wankelen wil. Slechts weet ik niet, wat het met zijn zwarten sluier bedekt; maar het beangst en knelt mij meer en meer.” Thans trad de gravin op het leger toe, nam de hand der zieke en sprak liefderijk, maar ernstig: „Mijne dochter, is u waarheid of ontveinzing liever? Zoudt gij thans in staat zijn, de bittere waarheid, die u verpletterde, toen zij eensklaps verraste, te verdragen, wanneer eene moeder ze u behoedzaam onthulde?”

Lodoiska staarde de gravin met angstig vorschende blikken aan en scheen het geheim te willen raden. Eindelijk sprak zij met stille onderwerping: „Van u kan ik alles hooren, ik wil bedaard blijven en lijden; ik weet immers, dat gij mij lief hebt.”

„Ik wil u zeggen, wat toch niet voor u verzwegen kan blijven,” begon de gravin. „Herinnert ge u nog de laatste woorden, die Jaromir u schreef?”

„O God!” riep Lodoiska angstig; „zoo is dat toch geen droom geweest! En die furie vervolgt mij nog altijd!”

„Neen, neen, geliefd kind,” trachtte de moeder haar gerust te stellen; „het was half een droom, half waarheid. Jaromir veroordeelde u in de verbijstering van zijn schuldig hart; nu echter is hij tot beter inzicht gekomen; aan hem lag de schuld, op hem rusten nu ook rouw en boete.”

„Hoe?” snikte Lodoiska, die thans alle herinneringen weder met gloeiende kleuren zag terugkeeren, maar niet verstond, wat de laatste woorden der gravin moesten beteekenen; „dan gelooft hij toch weder aan mijne liefde en miskent mijn hart niet langer? O, dan ben ik immers gelukkig. Hij heeft mij diep gegriefd, maar alles, alles zij hem vergeven! Ach, mijne moeder, hoe gelukkig maken mij uwe woorden!”

Zij strekte de zwakke armen uit, ten einde die om den hals der geliefde moederlijke vriendin te slaan, maar was te zeer uitgeput; de gravin echter volgde den teederen wenk, boog haar gelaat tot de lijdende neder en liet zich door deze aan de hijgende borst drukken. Weldadige vreugdetranen bevochtigden de wangen der kranke, maar eene angstige beklemdheid drukte op het hart der moeder, die haar dezen nieuwen waan ontrooven moest.

Doch de gravin erkende de noodzakelijkheid; zij had haar besluit genomen en bracht het ten uitvoer.

Nadat Lodoiska kalmer was geworden, vervolgde zij dus: „Uw minnend hart vergeeft; maar mag Jaromir, die de schuldelooze zoo diep krenkte, die vergeving aannemen?”

„Ach, het besef van schuld zal zijne boete zijn, en boete verzoent!”

„Zoo hij echter nu zelf schuldig ware, zoo hij....”

„Verlaat hij mij?” riep Lodoiska buiten zich zelve en met zulk eene hevigheid, dat de gravin het terugkeeren der woeste koortsvlagen duchten moest.—„Neen, lief kind,” vervolgde zij: „maar hij heeft zwaar tegen u misdreven, zóó zwaar, dat gij hem niet vergeven moogt, dat hij zich niet kan laten vergeven.”

„O moeder, ik weet niet wat hij misdeed; maar iets harders voor mij bestond er niet, dan dat hij mijn hart miskende en van ontrouw verdacht hield. God, die barmhartig is, vergeeft elken berouwhebbende, en zou het mij dan niet vrijstaan?”

Toen zij deze woorden sprak, glansde zulk eene hemelsche zachtheid op haar gelaat, straalde zulk eene vrome geestdrift uit hare oogen, dat de gravin zich in hare eigene strenge grondbeginselen overwonnen gevoelde. „Ja, gij moogt hem vergeven, gij moogt het,” sprak zij vol aandoening; „gij hebt het gedaan, nog eer gij zijne schuld kendet—thans, verneem ook die.”

Zij gaf haar den brief van Rasinski. Lodoiska beschouwde dien eenige oogenblikken en zeide: „Neen, lees gij hem slechts, als ik toch hooren moet; maar nog veel liever hoor ik niets, het is immers genoeg dat hij berouw heeft.—Zou hij dan zoo gruwzaam tegen mij zijn, wanneer ik gedwaald had?”

Het reine hart van Lodoiska vermoedde Jaromirs schuld niet; hare ziel had geen denkbeeld van de vele overtredingen, omtrent welke de bezoedelde omgang des gemeenen levens den man vaak geheel onverschillig doet zijn. Maar de gravin achtte het noodzakelijk, haar alles te ontdekken. „Waarheid zij tusschen u en hem,” sprak zij; „vergeef dan, zoo gij het kunt en wilt. Alles moet gij weten; de vergeving zelve ware anders immers slechts eene halve vergeving, en Jaromir mocht ze niet aannemen, daar hij zou moeten gelooven, dat zij niet waar en niet volkomen was, wijl het u aan moed had ontbroken, de schuld te vernemen, die gij vergeven wildet.”

Zoo begon zij Rasinski's brief langzaam voor te lezen, terwijl zij de kranke daarbij zorgvuldig in het oog hield, om te zien, of deze misschien ook te hevig geschokt mocht worden. Doch dit was het geval niet, Lodoiska bleef bedaard; om hare lippen zweefde een weemoedig lachje, dat de vriendelijkheid harer verzorgsters gold, en uit hare oogen vloten zachte tranen, die zij over Jaromirs val en berouw vergoot, welke beide Rasinski met de eenvoudige kleuren der waarheid had afgeschilderd.

De brief was ten einde. Lodoiska bleef eenige minuten zwijgend en heimelijk weenen, terwijl Maria haar door zachte liefkoozingen zocht te troosten.

„Laat mij zelve Jaromirs brief lezen,” verzocht zij eindelijk en ondersteunde deze bede door een tot diep in het hart dringenden, weemoedigen blik. De gravin reikte haar dien toe en met een dikwijls door tranen verduisterd oog las zij nu het geschrift een-, twee-, driemaal over. „O mijn God!” riep zij vervolgens smartelijk uit; „hoe onbeschrijfelijk heeft de arme geleden en hoe zwaar geboet! En ik zou hem niet vergeven? Ach, hij bemint mij immers nog, bemint mij vuriger dan ooit! Alles, alles zij vergeten! Hij mag mijn minnend hart niet terugwijzen!”

Eene zalige vreugde kleurde hare bleeke wangen en verleende vuur en gloed aan haar vochtig oog; zij was als nieuw geschapen door het grootmoedig besluit, dat aan haar edele ziel niet eenmaal strijd had gekost. De sombere geest der ziekte scheen eensklaps verbannen te zijn en te vlieden. Zij hield niet op met bidden, tot de gravin haar vergunde, de regels van verzoening en vergiffenis onverwijld te schrijven; zelfs de bezorgdheid harer verpleegsters, dat haar de kracht daartoe ontbreken zou, was ongegrond; want de dringende hevigheid van haar wenschen en willen had haar zoodanig opgewonden, dat volslagen weigeren thans gevaarlijker zou geweest zijn dan toegeven. Zich op haar leger oprichtende, schreef zij het volgende aan Jaromir:

„O, mijn Geliefde! De liefde vergeeft alles; zij kan slechts weenen en bloeden—ik ben nooit vertoornd op u geweest. Verplet zonk ik neder, toen uw bedrogen hart mij verstooten wilde; thans toont gij mij een hart vol berouw, en ik weet niets meer van schuld; een hart vol liefde, en ik weet niets meer van mijne smart. Neen, geliefde, vorder niet, dat ik zelve de bloesems mijns levens vertreden zou. Omsluit uw hart niet met het koude ijzer der trotschheid!

Vriend mijner ziel! De rechter van uwe dwaling is alleen de liefde en haar zacht vonnis luidt: alles, alles zij vergeten! Wilt gij doof zijn voor hare zoete stem—o, dan zullen nacht en duister mijn hart omgeven, tot het ophoudt te slaan en breekt—en voor eeuwig verloren is het zalig geluk, waarop het thans nog hoop voedt!—Jaromir, hoor de heilige stem der liefde!

Uwe LODOISKA.”

Toen het meisje geëindigd had, gaf zij het blad aan de gravin over. Deze las het met diepe aandoening; het strookte niet met haren gemoedsaard, maar zij eerbiedigde de heilige rechten van een minnend hart, dat alleen zichzelf raadpleegt en hoort. Maria's gevoel stemde met dat van Lodoiska overeen; zij zou zich niet zoo deemoedig, ja, men mocht bijna zeggen zoo onderdanig, maar toch even liefderijk, even vergevensgezind betoond hebben.—Daar deze schrede nu eenmaal gedaan was, toonde de gravin ook haren vollen werkdadigen ijver, om de zaak geheel ten einde te brengen. Zij schreef dadelijk aan haren broeder, sloot Lodoiska's brief in den haren en reed met beide naar den franschen gezant, ten einde de verzending door diens tusschenkomst op de spoedigste en veiligste wijze bewerkstelligd te weten. Gewoonlijk koos zij dezen weg niet; maar, hetzij dat zij er te veel belang in stelde, juist dezen brief zoo ras en zeker mogelijk verzonden te zien, hetzij dat een voorgevoel, misschien opgewekt door eenige wenken van Rasinski, die zijn brief den eersten dag na den terugtocht uit Moskou, toen zijn helder oog buiten twijfel reeds menig onheil voorzag, verzonden had, haar aandreef, kortom: zij meende dezen maatregel van voorzichtigheid thans niet te mogen verzuimen.

Toen Lodoiska wist, dat haar brief naar den geliefde op weg was en hem elk uur nader en nader kwam, keerden hoop en vertrouwen in haar hart terug. Elke dag zag haar frisscher ontluiken en reeds na verloop van de eerste week was zij in staat haar ziekbed te verlaten.

HOOFDSTUK II.

Inmiddels verstreek de eene week na de andere, zonder naricht van de betrekkingen bij het leger te zien aankomen; November spoedde ten einde en nog was het vurig gewenschte antwoord niet verschenen. Lodoiska verontrustte zich en begon te gelooven dat haar brief was verloren geraakt; bij andere gelegenheden kwelde zij zich met twijfelingen aangaande den aard van het antwoord. Te vergeefs stelde de gravin alles in het werk, om haar gerust te stellen en dag aan dag haar voor te rekenen, dat een tijding voor het einde van November onmogelijk kon daar zijn; te vergeefs somde zij al de toevalligheden op, die in oorlogstijd, bij het tusschen dooi en vorst weifelende winterweder en bij de gebrekkige inrichting der veldposten in den geregelden gang der briefwisseling eene stremming konden en moesten teweegbrengen; het minnende meisje werd gestadig treuriger en beangster, en zelfs dit, dat ook Rasinski, Lodewijk en Bernard geene enkele letter geschreven hadden, was niet in staat haar te troosten. Inderdaad was echter juist deze omstandigheid de bron van bekommernissen van een anderen aard voor de gravin zoowel als voor Maria. Deze laatste begon voor het leven der haren te sidderen, terwijl zich aan het dieper inzicht der eerste nog andere vermoedens en zorgen opdrongen, die de waarheid, helaas! maar al te nabij kwamen.

Het was in het begin van December, dat de drie vrouwen, die over het geheel in strenge afzondering leefden, op een avond onder vertrouwelijke gesprekken bijeenzaten. Er werd gescheld; de kamerdienaar meldde een vreemden officier aan, die berichten uit het leger bracht. Een gloeiende vreugdeblos overtoog Lodoiska's wangen bij de gedachte: zou het misschien Jaromir zelf zijn? De gravin was niet minder begeerig te weten, wie de vreemde zijn mocht, en nam, hoewel geen naam was genoemd, derhalve het bezoek aan; in elk geval hoopten allen eenig naricht van hare vrienden te erlangen, waarnaar zij zoo lang en smachtend hadden uitgezien.

De deur werd geopend—Arnheim trad binnen.

Was ook dadelijk bij zijne verschijning de hoop op tijding van Rasinski vervlogen, men koesterde toch voor den edelen, beschaafden man te veel vriendschap, om hem niet van harte welkom te heeten. Na de eerste begroetingen bracht de gravin het gesprek op de oorlogsaangelegenheden, en daar sedert eenigen tijd allerlei geruchten, niet weinig geschikt om onrust en bezorgdheid te verwekken, in omloop waren, vroeg zij dienaangaande Arnheims gevoelen.

„Wij weten niets anders, dan dat de keizer met de groote armee terugtrekt,” was het antwoord. „Evenwel gelooven wij, dat het in de omstreken van Minsk of Wilna tot een belangrijken slag moet komen, daar de russische legerkorpsen van de noordelijke en zuidelijke armee zich gedurig dichter samentrekken. Dat is de reden, waarom vorst Schwarzenberg zich thans tot dekking herwaarts gewend heeft.—Dezen namiddag liep er een gerucht, dat Minsk zelf door Tschitschagoff zou zijn ingenomen; de Fransche gezant spreekt zulks echter tegen.”

„Juist daarom zou ik bijna te eer geneigd zijn, het te gelooven,” sprak de gravin met merkbare onrust; „want sedert ettelijke weken heeft zich doorgaans datgene bevestigd, wat bij het gezantschap de meest beslissende tegenspraak vond.”

„Volgens de stelling des legers moeten de Russen Minsk bezet hebben,” hernam Arnheim; „misschien kan dat zelfs reeds veertien dagen het geval zijn.”

„Het zou mij niet verwonderen,” sprak de gravin, „want de ongelukstijdingen worden zoolang mogelijk voor ons verborgen gehouden. Doch wat is uw gevoelen aangaande de plannen en voornemens van den keizer? Tot hoever zal zijn terugtocht zich uitstrekken? Denkt hij in Litthauwen de winterkwartieren te betrekken, of hier te komen?”

„Ik vermoed, dat hij Witepsk, Wilna, Minsk, zoo het niet verloren is of hernomen wordt tot zijne kantonnementen kiezen en vandaar tegen het volgende voorjaar den oorlog met nieuwe krachten hervatten zal; ingeval hij zich namelijk niet te zeer uitgeput voelt en zich daardoor meer geneigd tot den vrede betoont.”

„Zoo zou dan toch de uitslag van dezen veldtocht niet aan de verwachting en aan de gedane opofferingen beantwoord hebben?”

„Openhartig gesproken, neen!” antwoordde Arnheim vrijmoedig. „Zoo het den keizer gelukt ware, in Moskou vrede te sluiten—dan ongetwijfeld. Nu echter zou hij ten minste even ver geweest zijn, wanneer hij na de inneming van Smolensko den veldtocht besloten en de zaken van Polen geregeld had.”

De gravin schudde mijmerend het hoofd. „Het was althans onze hoop zoo,” zuchtte zij, meer dan zij sprak.—„Doch vertel ons nu ook iets van uw eigen wedervaren, beste vriend!” vervolgde zij, blijkbaar met het doel om het gesprek eene andere wending te geven. „Wat brengt u herwaarts? Gij zijt spoediger teruggekeerd, dan wij hopen durfden.”

„Het zijn aangelegenheden van verschillenden aard en wel niet de aangenaamste,” antwoordde Arnheim, „die mij in Warschau brengen; invorderingen van gelden, kleine onderhandelingen wegens duizend nietigheden, ten deele ook eigen zaken.” Hij wierp, dit zeggende, een blik op Maria, die een weinig verward, het oog onwrikbaar op het borduurwerk vestigde, waarmede zij zich juist bezighield.

„Dan zult gij toch niet weder zulk een vluchtige gast zijn als onlangs?” hervatte de gravin met hartelijkheid. „Gij zult, hoop ik, mijn huis als de toevlucht beschouwen, waar gij u van uwe bezigheden ontspannen kunt, zoo de stilte eener vrouwelijke afzondering u namelijk bevredigen kan na het woelige leven, dat de krijg medebrengt.”

„Wat kon mij meer welkom zijn?” riep Arnheim met vuur. „De krijg maakt ons niet ongevoelig voor het geluk van een vertrouwelijken omgang; hij verleent ons integendeel de vatbaarheid daarvoor, daar elk genot door ontbering verhoogd wordt. Ik voor mij althans heb mij te midden van het oorlogsgewoel vaak in de vredige rust van uw eenzamen tuin teruggewenscht; aan die wandeling denk ik nog met wezenlijke aandoening.”

Maria stond op en verliet onder eenig voorwendsel het vertrek. Hare ontroering had Arnheim waarschijnlijk herinnerd, dat hij zich te levendig had uitgedrukt; want hij bedwong zich en sprak in algemeene bewoordingen over het genot, dat hij in de schoonheid der natuur vond, en hoe hij daarbij licht te bevredigen en onverzadelijk tevens was. Licht te bevredigen, wijl een boom, een weiland, een zonnestraal hem het rijkste genot verschafte; onverzadelijk, daar hij zich in de stille genoegens der natuur uren lang verlustigen kon.—Echter gelukte het hem niet, bedaard te blijven, vooral toen Maria, met de onmiskenbare sporen eener diepe aandoening op hare onbedriegelijke gelaatstrekken was teruggekeerd. De bezorgdheid, welke uitlegging hieraan voor zich zelf te moeten geven, verontrustte hem te zeer, dan dat zulks voor een zoo geoefend oog als dat der gravin zou hebben kunnen verborgen blijven.

Arnheim had, sedert hij Warschau verliet, steeds het voornemen gekoesterd, om Maria, voor wie hij eene warme genegenheid had opgevat, zijne hand aan te bieden. Vandaar had al zijn pogen en streven gedurende dien tijd slechts ten doel, in eene betrekking geplaatst te worden, die hem het geluk van den echt veroorloven kon. Zijn positie als soldaat was niet van dien aard en zijn tegenwoordige betrekking kwam ook geenszins met zijne neigingen overeen, zoolang Europa's staatkundige toestand alles aan den wil van Frankrijk ondergeschikt maakte. Zijn ontslag was hem, terstond na het eindigen van den veldtocht, toegezegd, en hij wilde zich dan als rechtsgeleerde aan den staat wijden, waartoe vroegere studiën, geboorte en bekwaamheid hem de bevoegdheid verleenden. Deze verwachtingen waren hare vervulling nabij en het hoofddoel van zijn oponthoud in Warschau was dus inderdaad geen ander, dan aanzoek te doen om de hand van het beminde meisje. Eene onbedriegelijke overtuiging zeide hem, dat zij meer dan enkel welwillendheid jegens hem koesterde; doch een bijna even stellig voorgevoel deed hem vreezen, dat wat hij haar inboezemde meer eene warme, vriendschappelijke neiging, of misschien wel deelneming in den landsman, dan werkelijk liefde was. Ten einde haar niet te verontrusten, wachtte hij zich zorgvuldig, deze teedere snaar opnieuw aan te roeren en bepaalde hij zich in zijn gesprek tot algemeene onderwerpen. Ook brak hij zijn bezoek vroeger af, dan hij dit anders wel zou gedaan hebben.

De gravin zou zich in eene verbintenis tusschen Maria en Arnheim innig verheugd hebben, daar zij, en waarschijnlijk niet ten onrechte, vertrouwde, dat deze het geluk van het door haar zoo innig geliefde meisje op hechte grondslagen zou vestigen. Arnheim toch was een edel hart waardig en Maria, in haar verlaten toestand, had een beschermer dringend noodig. Wat bovendien de uitwendige gaven der fortuin betrof, ook in dit opzicht liet dit huwelijk niets te wenschen over. Zij besloot uit dien hoofde alles, waartoe hare moederlijke betrekking op Maria haar recht gaf, in het werk te stellen, om het tot stand te brengen.

Tegen hare gewoonte trad zij nog in den laten avond Maria's kamer binnen en vond deze met het invullen van haar dagboek bezig.

„Ik zou toch wel gaarne eens willen weten, wat mijne jonge vriendin nog zoo laat in den nacht in dat boek opteekent,” zeide zij glimlachend, schoon daar zij Maria's geaardheid kende, die in ernstige zaken nimmer eene schertsende wending beminde, op den hartelijken toon van moederlijke deelneming.

„Zoo gij het ernstig wenscht,” hernam Maria, die de bedoeling van het bezoek wellicht gissen kon, „wil ik het niet voor u verbergen.”

„Neen, Maria,” sprak de gravin; „er zijn geheimen, welke zelfs de dochter voor de moeder mag hebben. Veel in ons moet alleen ons eigendom blijven; men miskent het innerlijke, zelfstandige recht van den mensch, wanneer men in vriendschap, liefde of in welke betrekking ook, op een onbepaald vertrouwen aandringt. En die het vorderen, verleenen het gewoonlijk het minst.”

„In deze zaak mag ik u het schenken, ja, ik zou er u wellicht morgen zelve om verzocht hebben,” hernam Maria; „want uw moederlijke raad wordt mij thans onontbeerlijk.”

„En ik kom u dien aanbieden,” viel de gravin haar haastig in de rede, daar zij eene voor haar opzet gunstige stemming waande te ontdekken. „Leg dan uw hart voor mij open, mijne lieve, en beschouw mij als uwe tweede moeder.”

Maria zag haar met hare trouwe, blauwe oogen dankbaar aan en antwoordde vol aandoening: „Als zoodanig heb ik u immers altijd beschouwd, van het eerste oogenblik af, dat gij de ledige plaats innaamt, welke de dood mijner eerste liefderijke moeder in mijn hart openliet. O, ik heb steeds met innige dankbaarheid jegens de Voorzienigheid erkend, hoe moederlijk gij voor mij zorgdet, toen ik hulp- en radeloos, toen ik geheel verlaten was.—Daarom moet ik ook nu mijn hart voor u openleggen, hoewel het mij eenigen strijd kost, daar gij mij wellicht van eene berispelijke ijdelheid zult verdacht houden. Maar ik moet mij dezen schijn van schuld getroosten, om niet eene werkelijke schuld op mij te laden.”

De gravin luisterde in gespannen verwachting toe. Maria zweeg eenige oogenblikken en ging vervolgens onder liefelijk blozen met neergeslagen oogen voort: „Ik geloof—ik vrees, wilde ik zeggen—de ritmeester Arnheim koestert inzichten....”

Hier brak zij in tranen uit. De gravin, geheel verschrikt, sloot haar in de armen en trachtte haar tot bedaren te brengen. Zij kon dit weenen wel is waar niet in zijne volle beteekenis verstaan, wijl Maria zich over Rasinski's aanzoek nooit een woord had laten ontvallen, doch in deze moesten de verlevendigde herinneringen gewaarwordingen doen oprijzen, waaraan hare gevoelige ziel zich weemoedig overgaf.

„Gij zoudt zijne neiging niet kunnen beantwoorden?” vroeg de gravin op een deelnemenden toon.

„Ach, dat is het juist, waarover ik mij bedroef en mij zelve verwijten doe,” snikte het meisje. „Hij is goed, ja, ik moet hem edel noemen en ik ben niet zonder schuld, want ik heb mijne gezindheid wellicht te onvoorzichtig doen blijken,—ach, er kwam nog veel bij, dat mijne vriendschap voor hem meer voedsel gaf—en nu moet ik hem zeggen: ik versmaad u!—Dat grieft en pijnigt mij onuitsprekelijk. Daarom heb ik eene moederlijke raadgeving noodig, hoe het onvermijdelijke kwaad te verzachten.”

„Goeie Maria,” antwoordde de gravin vriendelijk, „gij weet, ik behoor niet tot diegenen, die de heiligste gewaarwording van het hart, de liefde, onder de dweepachtige tellen; maar ik geloof toch, dat vereenigingen, op den vasten ankergrond van achting en vriendschap gebouwd, op den duur gelukkiger zijn dan die, welke op de woelige zee der hartstochten worden aangeknoopt. Zouden wij vrouwen, aan wie eene vrije keus niet vergund is, wel het recht hebben, dezulken af te wijzen, tegen welke het scherpste onderzoek geen ander geldig bezwaar kan inbrengen, dan dit, dat zij ons geene onwillekeurige neiging hebben ingeboezemd? Het is schoon, wanneer volmaakt gelijk gestemde harten elkaâr ontmoeten; maar hoe zelden is dat werkelijk het geval! Meenen wij ons gerechtigd, ook daar neen te zeggen, waar wij den hoogsten graad van achting en vriendschap koesteren mogen, dan benemen wij ons zelve bijna de mogelijkheid van aan onze vrouwelijke bestemming te beantwoorden. Liefde baart liefde; hoe konden anders zoovele harten zoo gelukkig verbonden wezen. Men bemint, wijl men bemind wordt....”

„Wanneer dat echter niet zoo is!” riep Maria met smartelijke hevigheid en bedekte zich het gelaat met haren zakdoek.—„Wanneer nu die schoone echo der wederliefde zich niet in het hart doet hooren,” vervolgde zij na eenige oogenblikken met meerdere kalmte, „dan kan het toch wel geen plicht zijn, een band aan te knoopen, alleen wijl de uiterlijke omstandigheden gunstig schijnen? Het recht der keuze is ons ontzegd; zouden wij daarom ook het recht verliezen, om neen te zeggen, wanneer het hart tot een ja niet besluiten kan?”

De gravin zweeg. Hare wet was eene van het gebruik, van de werkelijkheid, gelijk het leven in zijne verschijning die voorschrijft, die van Maria eene hoogere, uit het vrije rijk der gedachte, die wel is waar zelden wordt nageleefd, maar uit dien hoofde nog geenszins hare geldigheid verliest.

„En waartoe hebt gij dan mijn raad noodig, mijne beste, wanneer gij zoo vast besloten zijt?” vroeg de gravin na eenig zwijgen.

„Niet uw raad alleen, uwe dadelijke hulp heb ik noodig,” antwoordde Maria. „Tot dusver is er geen beslissend woord gesproken; gij kondt het geheel voorkomen en ons beiden de smartelijkste uitlegging besparen.”

„Hoe gaarne wil ik dat, schoon het mij leed doet,” hernam de gravin. „Maar, lieve, staat uw besluit onherroepelijk vast? Zoo nu—ik moet u deze bittere mogelijkheid herinneren—zoo nu Lodewijk eens niet uit Rusland terugkeerde!”

„O, hij zal, hij zal!” riep Maria. „En zou ik een man mijne hand reiken, wanneer ik ze slechts als een hulpeloos smeekende naar hem kon uitstrekken? Dat mag niet beslissen; de nood zou mij in zijne armen drijven, wanneer de liefde zulks niet vermocht.”

„Gij oordeelt valsch, Maria!” antwoordde de gravin bedaard, maar op overtuigenden toon. „Het is het hoogste geluk der liefde, vreugde en zegen van elken aard te kunnen uitstorten. De edele redt zijn geluk het liefst uit onstuimige golven, uit eene schipbreuk des levens, ja, hij zou der geliefde alles willen ontrooven, om haar daarna opnieuw met alles te kunnen beschenken en versieren.”

„De minnende,” hernam Maria, „mag een dergelijk offer aannemen, hoewel zij het liever zelve brengen zou; maar wie niet zijn gansche hart ter vergoeding kan geven, die mag het niet—ik niet.”

Zij sprak deze woorden zeer zacht, maar met vastheid. Hierop wendde zij zich weder biddende tot de moederlijke vriendin, opdat deze de bemiddeling op zich zou nemen. „Zeg hem,” eindigde zij, „dat ik hem mijne warme vriendschap wijd. Ook op mijne dankbaarheid heeft hij aanspraak! Dubbel vriendelijk en zusterlijk wil ik jegens hem zijn, wijl het hem smarten moet—maar ik kan niet anders, waarlijk ik kan niet.”

Stil weenende rustte zij aan de borst der moeder, en deze zocht haar door teedere liefkoozingen te troosten, want beiden ontbrak het aan woorden. Eindelijk scheidden zij, om in den zachten arm des slaaps rust en kalmte voor het bewogen hart te zoeken.

HOOFDSTUK III.

Arnheim had vermoed, wat Maria gevoelde; uit dien hoofde legde hij den volgenden morgen bij de gravin een bezoek af, om voor deze vrouw, wier waardigheid en minzaamheid aan ieder vertrouwen inboezemde, zijn hart open te leggen. Diep bedroefd, maar met bedaardheid hoorde hij zijn vonnis aan.

„Ik durfde nauwelijks anders hopen,” sprak hij, „want ik ben niet aan geluk en vreugde gewoon; alleen de buitenzijde des levens lacht mij aan, van binnen hebben zijne priemen mijn hart reeds meermalen diep gewond. Ik ben niet verstoord; ik eerbiedig haar besluit. Mij aan haar te vertoonen, is mij vooreerst nog onmogelijk. Ik heb eenige dagen stilte en afzondering noodig, om mijn onrustig hart tot bedaren te brengen. Vaarwel, gravin!—Vóór mijn vertrek, ziet gij mij nog eenmaal.”

Hij ging.

De treurige, bange stilte, welke zijne verschijning voor eenige oogenblikken had afgebroken, keerde opnieuw terug en woog met nog beangstigender druk op de bewoonsters des huizes. Het hart miste de kracht tot blijde verwachtingen; het knellend voorgevoel van eenige ramp drong dieper en dieper den boezem in. Men beefde voor de toekomst, hoewel men van haar alleen de verlossing uit deze pijnlijke spanning verwachten kon.

Op een morgen, het was den tienden December, stond de gravin in haar vertrek voor het venster en zag, in droeve mijmeringen verdiept, naar de straat uit. Zij bespeurde een onrustig woelen en bewegen, bekenden riepen elkander toe, hielden eene korte, levendige woordenwisseling en zetten vervolgens hun vroeger uiteenloopenden weg gezamenlijk in die richting voort, naar welke men een driftigen aandrang der voorbijgangers waarnam. Het was het eerste begin van een, door het een of ander belangrijk voorval teweeggebrachten volksoploop. Gedurende de laatste dagen waren er zoo menigvuldige nieuwe onheilspellende geruchten in omloop gekomen en vroegere noodlottige berichten, gelijk onder anderen het innemen van Minsk door de Russen, bevestigd geworden. De gravin vermoedde daarom iets kwaads, en was te ongeruster geworden door het geheel uitblijven der brieven van haren broeder. Voor Lodoiska trachtte zij wel rustig te schijnen, uit vrees dat zij in hare doodelijke overspanning terug mocht gaan; maar in het binnenste van haar heldhaftig gemoed stegen donkere voorgevoelens op, waarvan zij de mogelijkheid zich nauwelijks durfde voorstellen. In hare onrust stond zij reeds op het punt, den kamerdienaar te schellen en tot het inwinnen van eenige nadere berichten uit te zenden, toen deze binnentrad en den ritmeester von Arnheim aandiende.

„Zeer welkom!” sprak zij. Arnheim trad binnen.

„Op uw gelaat lees ik,” riep zij hem tegen, „dat er iets belangrijks gebeurd is; zeg het ons spoedig, want het dreigend zwaard beangst meer dan het gevallene.—Welke tijding is er? Spreek vrij uit, wij zijn alleen.”

„Het ongehoordste, dat de geschiedenis heeft aan te wijzen,” hernam Arnheim met een gelaat, waarop de hoogste verbazing, maar noch vreugde noch droefheid te lezen stond. „Voor eenige minuten is de fransche keizer hier aangekomen; alleen, vluchtend, vermomd! Zijn leger is vernietigd—het overschot is door den vijand ingesloten...”

„Genoeg, genoeg!” riep de gravin, terwijl zij wankelde, verbleekte en zich met moeite aan een stoel staande hield. Arnheim wilde haar te hulp snellen, doch zij wees hem met de hand terug.—Nog stond zij ademloos, niet in staat te spreken, toen de deur geopend werd. Lodoiska, bleek als een marmerbeeld, met doodsangst in het matte oog, stoof het vertrek binnen. Met uitgestrekte armen, als voor een dreigend spooksel vliedende, snelde zij op de moeder toe, omhelsde haar krampachtig, en voor haar op de knieën vallende, verborg zij het gelaat in haren schoot.

Als Niobe in hare smart versteend, stond de gravin sprakeloos over de ongelukkige neergebogen en legde de bevende handen op haar hoofd.

Arnheim staarde somber voor zich heen; wel is waar zag hij uit dezen vreeselijken nacht reeds de ster der verlossing voor zijn vaderland schemeren; doch deze ging te bloedig op, dan dat zij met hare stralen vreugde in een menschelijk voelend hart zou hebben kunnen uitgieten. De ontzettingen der vernietigende Nemesis hadden het gemoed nog te zeer vervuld, om ruimte te laten voor de hoop, die uit dit zaad des doods ontkiemen zou.

Thans verscheen ook Maria, bleek, sidderend, maar met meer liefde dan schrik in de zachte gelaatstrekken. Toen zij Arnheim bespeurde, vloog een donkere blos over hare wangen; doch spoedig herstelde zij zich, ging hem te gemoet, bood hem vriendelijk de hand en zeide met eene nauw hoorbare stem: „O, help mij deze ongelukkigen troosten!” Hierop wendde zij zich tot de gravin en Lodoiska en loste hare versteening door warme beden en tranen der liefde in eene zachtere smart op.

„Het is voorbij,” sprak eindelijk de gravin met vaste stem; „ik vind mij zelve weder. Deze ramp moet moedig en standvastig gedragen worden. Terwijl wij de kracht tot tegenstand in ons trachten op te wekken, erlangen wij ze werkelijk. Kom, Lodoiska, beur het hoofd op; toon dat gij eene dochter van Polen zijt.”

„Dat wil ik,” sprak het meisje, in wier oogen een nieuw vuur ontvlamde; „toonen wil ik het door de daad. Maar gij, moeder, beloof mij, dat gij mij niet verlaten zult!”

De edele trekken van haar gelaat verfden zich met den gloed, dien een grootmoedig besluit over de wangen uitgiet. Voor de gravin was dit verschijnsel een raadsel; Maria, daarentegen, wier zusterlijk gevoel met dat der minnende nauw verwant was, vermoedde de bedoeling der belofte, welke het teedere meisje zoo onstuimig vorderde.

„Behoef ik u nu eerst toe te zeggen, wat ik door elke daad mijns levens beloofd, waarvan ik u elken dag een nieuw bewijs gegeven heb?” antwoordde de gravin op een toon, waarin zoowel een vraag als een verwijt lag.

„Neen gij behoeft het niet,” sprak Lodoiska kalmer; „want gij zult doen, wat gij mij niet weigeren kunt, zonder mij het leven te rooven,—moet hem zien, eer de oorlog hem wegraapt;—mijn hart zegt mij, dat hij nog leeft, dat ik hem vinden zal,—wij moeten ons met elkander verzoenen—neen, niet verzoenen, want ik voed geen wrok en voedde dien nooit; maar hij moet de liefde hem nog eens vriendelijk zien toelachen, al ware het ook in het laatste uur zijns levens! Moeder! moeder! zoo gij dat belet, dan breekt mij het hart en hier noch dáár boven is voor mij meer rust te hopen.”

„Onbegrijpelijk kind,” riep de gravin, door aandoening en verbazing overweldigd, en drukte het minnende wezen aan hare borst met eene teederheid, die het inwilligen van hare hartstochtelijke bede ook zonder woorden te kennen gaf.

Maria's gemoed werd door afwisselende aandoeningen geschokt. Het verpletterende der zoo even ontvangen berichten, hevige ontroering over Lodoiska's smart en liefde, zusterlijk gevoel van bange bezorgdheid voor den geliefden broeder en eindelijk, in de verborgenste diepte van het hart, het beeld van den edelen man, van wien zij afstand had gedaan, zonder van hare liefde voor hem afstand te doen, en die thans, zoo hij al niet reeds uit het land der levenden was weggerukt, door honderde doodsgevaren omringd werd,—dit alles bestormde gelijktijdig hare ziel, haar adem en herinnering. Eensklaps viel haar oog op Arnheim en een nieuwe smartelijke pijl drong in hare borst. Wat moest hij, wien de liefde ontzegd werd, niet lijden, nu hij zag, hoe machtig die heilige vlam het teederste hart doorgloeide! Van dat geluk was hij uitgesloten—ach, en Maria, moest zij het niet zelve uit hare borst verbannen? De overeenkomst van haar lot met dat van den edelen vriend deed haar eene innige, zusterlijke betrekking op hem gevoelen. Zij trad op hem toe en fluisterde: „Edele vriend, wellicht doet deze minuut mij een broeder verliezen, wilt gij zijne plaats innemen—hij blijve of keere terug—het zusterhart kan twee broeders liefhebben.”

Driftig greep hij hare hand en klemde ze aan zijne lippen. „O Maria!—zij het een erfdeel of een geschenk,—het is het schoonste, wat ik van nu af bezit.”—Zijn gevoel overmeesterde hem, hij verwijderde zich haastig.

Toen de drie vrouwen zich alleen zagen en hare harten, die vroeger reeds nauw verwant, nu door den machtigen band van een gemeenschappelijk lijden nog vaster verbonden waren, ongestoord voor elkander konden uitstorten, sprak de gravin:

„Deze vreeselijke slag, die in Europa's eene helft droefheid en jammer, in de andere vreugde zal verspreiden, doet in uw hart, Maria, wellicht eene zoete hoop ontkiemen, terwijl het onze aan sombere vertwijfeling wordt ten prooi gegeven. Maar laat ons thans niet denken aan hetgeen ons zou kunnen scheiden; eene gemeenschappelijke zorg, die voor onze dierbaarste betrekkingen, houdt ons innig, onafscheidelijk verbonden. Lodoiska's minnend hart heeft ons den weg gewezen. Het drijft haar naar den geliefde voort; zij wil aan het harde lot nog een lachend oogenblik ontwringen; mogen wij haar alleen laten heentrekken?”

„Neen, neen!” riep Maria, Lodoiska aan hare borst drukkende; „mijn hart maakte mij reeds lang tot uwe gezellin. Eene zuster bemint ook!”

„Ja eene zuster bemint ook,” herhaalde de gravin, en een heldere traan welde in haar groot oog op.—„Het is dus besloten, wij vertrekken!—Onze vrienden zijn niet ver af, binnen weinige dagen kunnen wij hen bereiken. Wellicht heeft het lot hen gespaard, om hen nog eens in onze armen te voeren; wellicht zijn wij bestemd, om hun brekend oog zacht te sluiten; wellicht ook kan onze vrouwelijke verpleging hen aan den dood ontrukken. Men mag ons gedrag afkeuren; ons hart spreekt ons vrij. Slechts de lage menigte die nooit groothartig dacht of handelde, miskent elk vrij besluit dat de grenzen van gebruiken, gewoonten en koele berekeningen stout te buiten treedt.—Ik ben uwe moeder: mij is het heiligdom van uwe maagdelijke eer toevertrouwd; maar vol vertrouwen hef ik het oog tot de zalige op, wier schoot u baarde, want ik weet, dat zij billijkt, wat ik volbreng.”

HOOFDSTUK IV.

Nadat het Rasinski gelukt was, met zijne vrienden en de weinige kameraden die hem gebleven waren, den rechteroever van den stroom te bereiken, die zoovele duizenden verslond, zette hij zijn weg nog tot Zembin voort. Hier vond hij den maarschalk Ney, wien wederom de zwaarste taak, het dekken van den terugtocht, was opgelegd. De grootste moeilijkheden en gevaren schenen nu toch overwonnen te zijn, want men trok door een meer bevolkt land en de inwoners koesterden althans geen vijandelijke gezindheid. De zucht tot behoud zag de geringste schemering van hoop voor redding aan; doch de onverbiddelijke gramschap van het lot was nog niet bevredigd, maar sluimerde slechts, om met vernieuwde woede op de weerlooze offers aan te vallen.

Te Zembin gelukte het Lodewijk, een kleine slede, die nauwelijks voor twee menschen ruimte had, voor Bianca te bekomen. Rasinski liet het paard van een gekwetste, die zich tot rijden niet meer in staat bevond, inspannen en redde den man zelven, door hem met het besturen van het kleine voertuig te belasten. Bernard en Lodewijk drongen er te vergeefs bij Bianca op aan, dat zij thans, nu het nog mogelijk was, beproeven zoude, het leger een eindweegs vooruit te komen en Wilna te bereiken, op welke plaats allen, als benarde zeelieden op eene reddende haven, hun uitzicht vestigden. Zij bleef onverzettelijk bij haar besluit, om den broeder en den geliefde geen oogenblik meer te verlaten. „Noemt het geen grootmoedigheid, wat mij uwe beden doet afwijzen,” sprak zij, „het is eigenbelang; in uwe nabijheid was ik kalm en getroost te midden der vreeselijkste gevaren, van u verwijderd zou de kleinste tegenspoed mij radeloos en versaagd vinden. Neen, laat mij bij u blijven; het lijden, dat ons gezamenlijk treft, valt licht, al is het ook het allerzwaarste. De eenzame, de verlatene zou slechts wanhoop en vertwijfeling om zich heen zien.”

Er bestaan opofferingen der liefde, die wij met angst en beklemdheid aannemen en welke wij toch niet kunnen afwijzen. De grens, die onze wederzijdsche plichten vaneenscheidt, is voor het scherpste oog niet meer kenbaar. Het hart geeft zich eindelijk lijdelijk en onwillens aan de toekomst over en waagt het niet eene zelfstandige beslissing uit te spreken.—Zoo ook hier. Bernard en Lodewijk lieten zich door de roerende beden van Bianca overhalen, wijl niemand beslissen durfde, of de uitwendige gevaren, welke zij dachten af te weren, door het innerlijke lijden, hetwelk afstand en angst der van vriend en broeder gescheidene moesten opleggen, niet misschien rijkelijk zouden worden opgewogen.

Aan eene regeling van het armeekorps, aan eene geregelde verdeeling van het leger was niet meer te denken. Elk hield zich bij de troepen, onder welke hij de meeste zekerheid hoopte te vinden, of die het toeval hem deed aantreffen. Rasinski sloot zich weder bij Ney aan, deels uit gehechtheid aan den veldheer, met wien hij zooveel gedragen en overwonnen had, deels, wijl zijne groothartigheid hem de gevaren van den kamp altijd als de meest roemvolle deed voorkomen, en eindelijk ook, vermits hem geene andere keuze overbleef, daar de uitputting zijner manschappen, welke hij zich had voorgenomen in geen geval te verlaten, hem niet gunde, de reeds een eindweegs vooruit zijnde korpsen in te halen.

De vijand verloor hen de eerstvolgende marschdagen wel niet uit het oog, maar vervolgde toch niet onstuimig. Slechts enkele zwermen kozakken, die men met een blind kanonschot dikwijls eenige uren ver kon terugdrijven, verontrustten den aftocht.

Daar kwam de dag, tegen welken de verbitterdste vijand van het leger, de winter, zijne gansche grimmigheid scheen te hebben opgegaderd. Het was in den nacht van den 4 Dec. dat de zuidwestenwind plotseling in een snijdenden noordoostelijken omsloeg en alle verschrikkingen der ijspool op zijne vlerken aanvoerde, om de laatste overblijfselen van het trotsche heldenleger te vernietigen, dat eindelijk door den stroom van duizendvoudige rampen tot den veiligen oever scheen doorgeworsteld te zijn. Arglistig had de winter zich tot hiertoe half schuil gehouden en slechts nu en dan zijne schrikwekkende tegenwoordigheid doen gevoelen; thans kwam hij door den donkeren nacht aangeslepen en overviel de weerloozen in den slaap. Door zijne kille aanraking uit hunne sluimering opgeschrikt, sloegen zij het oog op, en het meedoogenlooze monster stond in zijn volle vreeselijkheid voor hen.

Rasinski had met al de zijnen en nog vele andere krijgsmakkers in eene groote schuur gelegen, waar de ruimte geen vuur toeliet en zij zich dus slechts door een nauw opeendringen verwarmen konden. Tegen den morgen ontwaakte hij door eene stekende pijn in handen en voeten; hij wilde opspringen, doch was als verlamd. Met moeite bracht zijne wilskracht eindelijk beweging in de stramme spieren en hij richtte zich op; een enkele ademtocht zeide hem, dat thans de moskovische winter voor de deuren was gelegerd en met doodelijke aanblazing alle leden versteende.

„Hola!” riep hij en schudde Jaromir, die naast hem lag. „Hola! Op! Anders ontwaakt gij nimmer! Boleslaw, Bernard op!”

Half bewusteloos wilden deze zich uit de vaste banden van den slaap losrukken, doch hunne leden waren aan den kouden grond vastgeketend en zij bleven roerloos liggen.

„Vermant u, spant alle krachten in,” schreeuwde Rasinski, „anders zijt gij verloren. Nu is de rechte winter daar. Tot hiertoe heeft hij slechts uit de verte gedreigd, nu, ik voel het, valt hij ons met al zijne kracht op het lijf.”

Onder deze woorden schudde en wekte hij de vrienden en was hun in het opstaan behulpzaam. Langzamerhand ontstond in de gansche, donkere ruimte der schuur, tot welke slechts de matte weerschijn van eenige, daar buiten aangelegde wachtvuren doordrong, een dof mompelen, kreunen en bewegen, en te midden daarvan verhief zich een jammerend weeklagen, dat kranken, licht gewonden of dezulken aanhieven, die den sluipenden dood reeds in de ledematen voelden, tot welke de koude als een fijn, bijtend vergif doordrong.

„Bij den duivel, is dat een weer!” mompelde Bernard, terwijl hij zich dichter in den pelsjas inknoopte; „het pakt iemand aan als met de klauwen van een ijsbeer!—Bianca, mijne beste, hoe hebt gij het?”

Het standvastige meisje onderdrukte smart en bezorgdheid. „Ik ben wel, beste broeder,” gaf zij ten antwoord; „dit klimaat is mij minder vreemd dan u. Ook zijn wij immers nog zoo goed van kleeding voorzien.”

„Door uwe zorg en goedheid,” merkte Lodewijk op. „Doch wee de ongelukkigen, die een dergelijk schild tegen de scherpe pijlen der koude missen!” Het toenemend gejammer om hen heen deed hem bijna onwillekeurig deze woorden uiten.

„Sluit dicht opeen, vrienden,” vermaande Rasinski; „in dit gedrang verliest men elkander spoedig uit het oog.”

Zij, die ontwaakt waren, hadden zich opgericht en snelden op de vuren toe, die buiten brandden, in hoop van zich daar te zullen verwarmen. Tegelijk werden zij door den honger gedreven, daar zij zich van de gedurende den nacht door hunne makkers toebereide spijzen dachten meester te maken. Doch op verre na niet allen hadden de kracht, dit nabijgelegen doel te bereiken. De meesten tuimelden, door slaap en koude bedwelmd, de een op den ander neder; velen bleven roerloos op den grond liggen. Afmatting en koortshuivering hadden hen zoodanig verlamd, dat zij zich niet konden oprichten; ook was de kracht van den wil zelfs bij de sterksten geheel bezweken, en zij verkozen liever, in doffe gevoelloosheid den dood af te wachten, dan zich tot nieuwe martelingen te vermannen.

Bernard en Lodewijk namen Bianca, die de zorgvuldig in een pels gewikkelde kleine op den arm droeg, in hun midden. Rasinski ging met zijne beide vrienden voor hen uit; de weinige van het regiment nog overige ruiters volgden. Zoo bereikten zij, niet zonder moeite en inspanning, het vrije veld. De sneeuw kraakte en knetterde onder hunne voeten; de lucht scheen met ijsdeelen bezwangerd, die bij het ademhalen stekend op de borst vielen; oogen, wangen en lippen begonnen pijn te doen, zoodra de adem van den niet sterken, maar snijdend scherpen wind ze aanroerde.

Eenige trommen deden een dof geroffel hooren en vermaanden tot den afmarsch; doch dit teeken, waarbij de soldaat anders opmerkzaam het hoofd opheft en met de wapens in de hand opspringt, stierf thans als in een grafgewelf weg.

Met de grootste moeite werd de verwarde klomp eindelijk in beweging gebracht, terwijl zich, alsof elke inwendige band verbroken was, van tijd tot tijd enkele deelen van het geheel losrukten en het eene voor, het andere na, den weg naar het westen insloeg.

Op een heuvel, die door het flikkeren der sneeuw, het schemeren der sterren en het schijnen der legervuren zonderling verlicht werd, stond eene lange, statige mansgestalte, in een pelsmantel gewikkeld, en sloeg de armen kruiselings over elkaar, ten einde zich te verwarmen. „Hier bij mij! Het eerste armeekorps hier!” riep hij met luider stemme. Het was de maarschalk Davoust. Allengs schoolde een klein hoopje, het overschot van zijn gansche leger, om den onverzettelijken krijgsman te zamen, dien noch ellende, noch tallooze rampspoeden de redding deden opgeven, welke het inachtnemen van de orde en krijgstucht in zich besluit. De zijnen te voet voorgaande, deelde hij met de soldaten elk bezwaar en met zijne eerste officieren elke geringe gunst, die zijn hooge rang hem in deze, alles gelijk makende ellende nog boven anderen verleende.

Gelukkig hadden Rasinski's paarden nog eene dragelijke schuilplaats gevonden. Desniettemin waren twee daarvan door uitputting en koude bezweken. Men zat op, Bianca plaatste zich in hare kleine slede, Lodewijk en Bernard wandelden daarnaast en de beide thans ontzadelde ruiters sloten zich bij hen aan.

De aanbrekende dag, die anders de hoop, welke gedurende den akeligen nacht bezweken was, gewoonlijk weder deed herleven, had heden deze kracht verloren. Met het licht nam de snijdende koude meer en meer toe, en toen het bloedroode oog der zon zich boven den gezichtseinder vertoonde, scheen het slechts met het lijden van zoovele duizende ellendigen te willen spotten; want niet het geringste spoor van koesterende warmte was in de stralen, welke zij op het bleeke gelaat der verkleumden spelen liet, te ontdekken. Slechts tot het oog, dat, reeds door den rook en den gloed der nachtelijke legervuren ontstoken, door het glinsteren der sneeuw nog verblind was, drongen zij door, deden het in de holte branden en voegden zoo eene nieuwe foltering bij den last van lijden, waaronder de rampzaligen reeds gebukt gingen.

Toen Bianca zag, dat vriend en broeder het tranend oog afwendden en te vergeefs een voorwerp zochten, waarop zij het zonder pijn konden laten rusten, viel haar plotseling een hulpmiddel in. „Wacht, wacht, één oogenblik slechts,” riep zij, keerde zich om, zocht een groenen sluier van onder haren pels te voorschijn, scheurde dien doormidden en reikte de eene helft aan Bernard, de andere aan Lodewijk toe. „Het is de groene sluier,” fluisterde zij dezen toe, „dien ik op den St. Bernard droeg. Sinds ik wist, dat hij het teeken was, waaraan gij mij weder herkend hebt, droeg ik hem op mijn hart. Thans moge hij het licht der dierbaarste oogen behoeden. Bedek uw gezicht daarmede, geliefde, want alles, wat in dat land glanst en schemert, is koud en gruwzaam, als deze sneeuw en deze zon.”

Met diepe ontroering beschouwde Lodewijk het eerste teeken, waaraan hij zijne liefde geknoopt had, en de gedachte, dat het hem juist nu, daar de genadige Goedheid haar gelaat van de aarde scheen af te keeren, opnieuw in de oogen blonk, bezielde zijn hart met nieuwe hoop en verlevendigd vertrouwen. Een onverklaarbaar gevoel in zijne borst had hem van het eerste oogenblik af daarin een talisman doen zien, die een wonderdadigen invloed op geheel zijn volgend leven zoude uitoefenen. Ook thans weder beschouwde hij het als zoodanig. Doch terwijl hij het uit Bianca's hand ontving, zag hij haar bezorgd aan en vroeg: „Maar gij, geliefde, zult gij beschermd zijn tegen dezen verderfelijken glans?”

„Mij dekt immers nog het zwarte rouwfloers,” antwoordde zij; „schoon ik het eigenlijk niet dragen moest, want door dien nacht zag ik immers mijn schoonsten levensdag aanbreken!” Dat zeggend lachte zij den vriend met betooverende aanminnigheid toe en scheen door haar innerlijk geluk te vergeten, dat de boot, die het droeg, op de golven der van buiten dreigende gevaren als op eene doode zee van onheil en verderf omdobbert.

Bernard, hare ontroering bemerkende, beijverde zich, vroolijk en opgeruimd te schijnen. „Ik dank u, lieve zuster,” sprak hij; „hier wordt scherts ernst en ernst scherts. Onze gansche trein is niet veel anders dan een gemaskerde optocht, schoon wij allen verduiveld sombere grijnzen dragen. Ik wil dus over de mijne een groen net spannen. Een schilder moet buitendien altijd zijne oogen ontzien, en daar ik mij op de ijszee van Chamouny zoo zou toetakelen, waarom zou ik het op deze grootere niet doen?” Hij hechtte het dunne weefsel aan zijne pelsmuts en drukte ze dieper in de oogen. De scherpe koude maakte het ademhalen moeilijk, zoodat zwijgen eene noodzakelijkheid werd, waaraan elk zich vrijwillig onderwierp. De troep had het voorkomen van eene lange rij witte spookgestalten, zoo hadden als rijp neervallende dampen hun dicht weefsel van fijne ijsspitsen over man en paard uitgespreid. Met moeite sleepte men zich voort, en in de zich langzaam bewegende massa's heerschte eene doffe doodstilte. Alles, zelfs het geluid der lippen, werd door de vreeselijke koude in boeien van geheele verstijving geslagen. Ook de wind had zich neergelegd; vogels vielen dood uit de lucht neder; het laatste spoor van leven was uit de natuur verbannen.

De voorttrekkenden hoorden niets dan het kraken der sneeuw, het hol gedreun van het geschut en het doffe gekreun derzulken, die met den versteenden dood in de aderen ter aarde zonken, om zich nimmer op te richten.

De zoodanigen zag men waggelen, als bedwelmd eenige schreden voorttuimelen en vervolgens op de knieën neerzinken, welker verstramde spieren en pezen niet meer in staat waren hen te dragen. Bloedige tranen drongen uit hunne wijd opengespalkte oogen; vergeefs staarden zij hunne makkers aan, die onder eigen lijden gebukt, geen gevoel meer hadden voor de martelingen van anderen en de gevallenen onverschillig voorbijgingen, zonder het hoofd naar hen om te wenden.

Bij enkelen deed deze uiterste vertwijfeling nog een trotseerende kracht geboren worden, tot welke zij zich gewelddadig opwonden. Zij barstten in een woesten, schaterenden lach uit bij het zien van den zich gestadig hernieuwenden jammer en riepen den nedertuimelenden een grijnzend, honend vaarwel toe. Slechts de edelste en koenste gemoederen tevens behielden ook hier eene mannelijke kalmte en bedaardheid. Rasinski had haar niet verloren. Zijn paard, dat hij aan den teugel leidde, was door de koude bezweken; hij nam de pistolen uit den holster en zette rustig zijn weg voort. Vruchteloos boden Boleslaw en Jaromir, die uit hoofde der koude eveneens te voet gingen, hem hunne rossen aan; hij antwoordde: „Wij zijn nog slechts weinigen. Als uw aanvoerder had ik dat offer niet slechts aangenomen, maar zelfs gevorderd. Een regiment van onze sterkte kan een rekruut even goed aanvoeren als ik; er bestaat geen rang meer.”

Desniettemin had Boleslaw den mantelzak, dien Rasinski wilde achterlaten, afgenomen en op den zijnen gegespt. Eene hongerige schaar viel op het paard aan en scheurde het in duizend stukken, tot een maaltijd tegen den nacht.—Rasinski verhaastte zijne schreden, om niet te zien, hoe smadelijk het getrouwe dier, dat hem in zoo menigen slag had gedragen, verminkt werd.—Er verliep geen half uur, of ook Boleslaws paard viel; eenige minuten later dat van Jaromir. De in spijt van den naderenden middag toenemende koude viel als een roofdier menschen en beesten zonder onderscheid aan en verwon hen te lichter, naarmate de inspanning hen meer afmatte. De weg liep tegen eene nauwelijks merkbare, maar spiegelgladde hoogte op. Toen Bianca's slede ze naderde, was het paard niet in staat den geringen last voort te trekken; zij sprong uit het voertuig; doch dat baatte niet. Tweemaal spande het dier al zijne krachten in; de vijf mannen, onder wie Rasinski zelf, hielpen naar vermogen. Maar het was vergeefsche arbeid; het matte ros vermocht zich zelf niet meer voort te sleepen, zakte ineen en verstijfde binnen twee minuten. Zonder te ontstellen sprak Bianca tot de haar omringende vrienden: „Ik zal nu geheel in uwe bezwaren deelen en het zal mij niet zwaar vallen. In deze vinnige koude is te voet gaan zelfs verkieslijker.”

Bernard antwoordde niets; hij nam haar het kind van den arm en droeg het verder. Lodewijk ondersteunde de geliefde; stom en zwijgend wandelden zij naast elkander voort.

Zij sloegen een ter zijde van den weg voortloopend pad in, dat gebaander scheen en waar zij minder door de massa's gedrongen werden; slechts eenige weinigen hadden het gekozen. Bianca ging met Lodewijk vooraan; Bernard volgde op eenigen afstand met de kleine, welker niets kwaads vermoedende vroolijkheid—want Bianca's zorg had haar zelfs tegen deze koude beschut—op eene hartroerende wijze bij de heerschende verschrikkingen afstak. „Gij zijt een kleine vlinder, die in den opgesperden muil van een krokodil fladdert,” mompelde Bernard; „maar ik zie u even gaarne hier, als ik u een slapenden tijger den kop zag streelen.—Schelmpjen, lacht gij?”

Op hetzelfde oogenblik brulde een holle stem hem van achteren in het oor: „Sta, hond! Geef mij uw pels, of ik leg u neder!”

Bernard huiverde en zag om.

Een soldaat, met ellendige lompen bedekt, groot van gestalte, met verwilderde trekken, langen, morsigen baard, het gelaat door aarde en rook onkenbaar, krankzinnige woede in de bloedig ontstoken oogen, stond voor hem en hield hem de tromp van het geweer op de borst.

„Wat wilt gij, rampzalige?” riep Bernard van schrik bevangen, en deed huiverend eene schrede achterwaarts. Het kind gaf een angstigen gil, klemde zich aan hem vast en verborg het hoofdje aan zijne borst.

„Uw warmen pels, of ik schiet u neder,” riep de razende. „Hier is geen kameraadschap meer; ik heb even goed recht, mij te redden, als gij.”

Bernard bevond zich bijna alleen met den verbitterden aanrander; hoewel duizenden binnen het bereik zijner stem waren, zou het schot des wanhopigen toch allen zijn voorgekomen, voorondersteld ook al, dat een enkele nog medelijden genoeg met het gevaar eens makkers had bezeten, om deswege zijn weg en zijn lijden door eenige moeielijke schreden te verlengen.

„Gij wilt door het vermoorden van een kameraad uw leven verlengen?” antwoordde hij op vasten, kalmen toon; „welaan, het zij zoo; maar gij zult er u niet lang in verheugen. Uw laatste uur zal toch slaan.”

„Spoedig! want ik voel den dood reeds,” riep de onzinnige, die nog gestadig den verkleumden vinger aan den trekker hield, met woest rollende oogen.

Bernard bukte zich, om het kind neder te zetten, dat hem bij het uittrekken van den pels hinderde; eensklaps verneemt hij een luiden gil en zich omwendende ziet hij Bianca, die zich ademloos aan de voeten van den woedende nederwerpt.

„Neem, dit goud, dit juweel,” riep zij, „dezen warmen mantel, alles, alles, maar laat mijn broeder leven!” Met de drift van den doodsangst had zij eene kostbare keten van haren hals gerukt en wierp haar prachtigen pels af, zoodat zij met bijna ontbloote armen, aan de grimmige koude prijs gegeven, voor den moordenaar knielde.

Deze blikt haar met strakke oogen aan, laat daarop den arm met het geweer langzaam zinken; het wapen ontvalt hem, hij drukt de beide handen voor het woeste gelaat en breekt in een luid gekerm uit. Inmiddels was ook Lodewijk toegetreden, en deze en Bernard hieven de nog altijd knielende Bianca van den grond op.

„Zulk een monster kon ik worden?” riep de onbekende plotseling uit; „neen, deze schande overleef ik niet. Vergeef mij; gij hebt mij beter gekend, het vreeselijk lijden maakte mij razend! Maar ik weet wat mij te doen staat!”

Bianca hing met blikken, waarin twijfel en angst met de uitdrukking der hoogste vreugde afwisselden, aan den zonderlingen mensch, die zich thans naar het hem ontvallen geweer bukte en het opnam. Bernard hield evenzoo het oog op hem gevestigd en zocht in zijn geheugen naar de trekken, die hem zelfs in deze misvormende zinsverbijstering bekend toeschenen.

„Waar heb ik u ontmoet?” vroeg hij, toen de soldaat zich weder oprichtte.

„Het verwondert mij niet, dat gij mij niet herkent,” antwoordde deze somber; „ik zou mij zelf niet herkend hebben.—Deze orde hier ben ik, zoolang ik leef, niet meer waard!” riep hij woest uit, rukte het lint van het legioen van eer uit zijne lompen te voorschijn en wierp het in de sneeuw; „daarom wil ik pogen te verdienen, dat gij het op mijn lijk legt. Ik straf mijne daad zelf, zooals zij het verdient.”

Dit zeggende drukte hij de kolf van zijn geweer in de sneeuw, klemde de borst op de tromp en schopte met den voet tegen den haan. Het schot viel, de ongelukkige stortte neder.

„Barmhartige God!” gilde Bianca en zeeg bewusteloos in Lodewijks armen.

Bernard sprong op den gevallene toe en beurde zijn hoofd op. Nog glom eene flauwe vonk van leven in de verbrijzelde borst. „Zoo gij Frankrijk weerziet, groet mijne vrouwe en mijn jongen... sergeant Ferrand... uit Laon.”

Hij leefde niet meer.

In het oogenblik, dat hij het oog sloot, had Bernard hem herkend. Het was dezelfde sergeant Ferrand, wiens streng plichtmatig, maar menschlievend gedrag hem en Lodewijk bij hunne gevangenneming te Smolensko het leven had gered. Het heiligste, wat dit leven hem aanbood, was zijne onbevlekte eer als krijgsman; door de begane wandaad, waartoe de verbijstering der ellende, der vertwijfeling hem aandreef, achtte hij ze verloren; eene vrouw had hem in moed overwonnen—dat verdroeg hij niet. Streng rechtvaardig sprak hij zelf zijn vonnis uit en voltrok het met eigen hand.

Hevig geschokt knielde Bernard naast het lijk neder, nam het lint, dat de doode voor zijn hoogste goed had gehouden, legde het op zijne borst en zeide: „Wie zal het u ontnemen? Het siere u in uw onmetelijk graf! Slaap wel!”

Zij zetten hun weg voort, want hier was het geen oord om te vertoeven. Onverbiddelijk scheurde het lot de harten vaneen en joeg de verwijlende liefde met grimmige zweepslagen voorwaarts.

HOOFDSTUK V.

De koude schijf der zon begon reeds weder roodachtig te gloeien en naar de sneeuwzee af te dalen, toen de vermoeiden Malodeczno op den afstand van een uur voor zich zagen. Het uitzicht op een dragelijk nachtverblijf deed den bezweken moed opnieuw herleven; maar alsof het lot elke geringe schemering van geluk slechts liet aanlichten, om de krachten tot het verduren van een nieuw, grooter onheil op te winden, werd de kortstondige vreugde ook hier door verdubbelden schrik op den voet gevolgd. Plotseling toch werden de hoogten met zwarte massa's gekroond; de vijand, langs andere wegen voortgedrongen, verscheen, om het toevluchtsoord tegen den kouden winternacht aan de ongelukkige vluchtelingen te betwisten. Bij den eersten aanblik dezer donkere liniën, die den horizon begonnen te omzoomen, pakte de schaar der ongewapenden zich opeen, als eene kudde, die door een gevreesd roofdier bedreigd wordt. Met luider stem riep de maarschalk Ney den weerbaren toe, zich om hem te verzamelen. Nog bestonden eenige overblijfsels van het oude heldenleger, nog klopten harten, die zelfs nu nog de voorschriften van plicht en eer niet vergeten hadden. De gelederen ordenden zich, de weinige ruiters, schoon ook uit alle regimenten bijeengeraapt, sloten opeen en plaatsten zich aan de vleugels, de artillerie, zoo men het kleine aantal stukken dien naam geven mocht, koos eene stelling.

„Kameraden,” riep de maarschalk, „heden moeten wij dak en huisvesting bevechten; want de winternacht is moorddadiger dan 's vijands wapenen. Ook hij wordt door den nood gedreven; gij verdelgt hem, zoo gij standhoudt. Denkt aan uwe redding, aan Frankrijks roem, aan uwen keizer!”

„Leve de keizer!” klonk de doffe kreet der heldenschaar, die slechts den verren donder van het geschut behoefde te hooren, om te midden der zwaarste rampen de stoute geestdrift te herwinnen, waarmede zij alle landen van Europa doorkruist had.

„Wij hebben geen paarden,” riep Rasinski zijnen ruiters toe; „laat ons het geschut bedienen, want hier zijn handen te kort.”

Een dof gedonder rolde langs de heuvels; de eerste kogels werden door den vijand afgezonden en vlogen, op den versteenden grond afstuitend, in wijde boogsgewijze sprongen over de ten slag geordende schaar heen.

„Gij schiet te hoog, wij willen beter treffen,” sprak Rasinski en boog zich voor het stuk neder, om het te richten. „Zóó! Thans vuur!” Jaromir vuurde af.

„Ziet gij, hoe de kogel ruimte maakt?” riep Rasinski, toen de zwarte linie op de hoogte scheurde, zoodat de hemel daarachter zichtbaar week. „Stonden zij zoo diep als breed, dan zou dit schot hun dertig koppen gekost hebben.”

Het gevecht was begonnen; de artillerie des vijands daverde thans van drie zijden tegelijk en de kogels kletterden zoowel in den zwerm weerlooze, in blinde drift naar het vlek Malodeczno voortspoedende vluchtelingen, als in de geordende gelederen der dapperen neder, die hun leven voor dat hunner makkers stoutmoedig in de bres stelden.

„Wij moeten langzaam terugtrekken,” beval de maarschalk, „anders snijden zij ons van het vlek af en wij worden allen een buit van den winter.”

De artillerie gaf nog eene laag en nam daarop ettelijke honderden schreden verder achterwaarts eene nieuwe stelling aan. De troepen volgden gesloten. Voet voor voet wijkende trok men zich, een ernstig gevecht vermijdende, van lieverlede tot nabij de eerste hutten van Malodeczno terug; doch deze korte beweging had de krachten der artilleriepaarden zoodanig uitgeput, dat zij elk oogenblik struikelden, neervielen en ten laatste niet meer waren op te krijgen. Wat handen had, moest derhalve aangrijpen, om de stukken bij eene hoogte op te trekken, vanwaar zich de toegang tot het vlek verdedigen liet.

„Onze kanonnen te redden is onmogelijk, kameraden,” riep Ney, de vermoeiden aanmoedigende; „maar wij zullen ze althans duur genoeg zien te verkoopen.”

De Russen waren langzaam, vurend nader gerukt; thans schenen zij hunne krachten te verzamelen, om stormenderhand een aanval te beproeven. Nauwelijks echter hadden zij zich in volle colonnes vertoond, of de artillerie der Franschen gaf een vreeselijk salvo, dat eene moorddadige verwoesting in hunne gelederen aanrichtte. De aarde sidderde, de lucht dreunde, rook en damp spreidden een zwarten sluier over het leger uit. De vijand vulde zijne openingen en drong kloekmoedig voorwaarts, zijn aanval door de artillerie ondersteunende. Eene tweede laag deed hem andermaal uiteenstuiven. Doch gestadig nieuwe scharen kwamen opdagen, de Rus kon troepen opofferen, want hij vocht met duizenden tegen honderden en scheen het bezit van het vlek tot elken prijs te willen koopen.

Rasinski, Boleslaw, Jaromir, Bernard en Lodewijk bedienden een stuk geschut, want ook de beide laatsten achtten het een plicht, hun door de eer voorgeschreven, een werkzaam aandeel in het gevecht te nemen en, hoewel zij niet meer de uniform van het regiment droegen, hunne vrienden niet te verlaten, nu koelbloedige mannen eene tienvoudige waardij hadden. Ook was het denkbeeld, van met de vrienden vereenigd te blijven, de eenige troost, de eenige bron van hoop en bemoediging, welke hun in dezen akeligen tijd nog overig was. Voor Bianca hadden zij eene plaats opgespoord, waar deze, zoo veilig als eenigszins mogelijk was, in hunne nabijheid blijven kon. Aan de zijde van Malodeczno, dicht achter de stelling, welke de artillerie handhaafde, helde de heuvel tot ongeveer manshoogte genoegzaam loodrecht af en vormde dusdoende eene natuurlijke borstwering. Daar toefde Bianca met het kind, terwijl de slag boven haar hoofd woedde; eenige schreden van haar af stonden de kruitwagens, waaruit de batterijen op de hoogte van het noodige voorzien werden.

Alhoewel de arme voor zich zelve niets te vreezen had, klopte toch haar hart met krampachtigen angst, nu zij de geliefden op weinige schreden afstands aan al de verschrikkingen des doods wist prijsgegeven. Hoe plechtig zij Bernard ook mocht beloofd hebben, de veilige schuilplaats niet te zullen verlaten, kon zij toch, daar het kraken der kanonnen tot eene verdoovende sterkte toenam, haren zielsangst niet langer bedwingen. Zij moest den heuvel op, om te zien, of de haren nog verschoond waren van het lot, dat zijn ijzeren doodsstroom met donderende golven over de vlakte wentelde. Maar ach! te vergeefs zwierven hare blikken in het rond, want de rook hing in dichte wolken op de vuurmonden en men zag slechts zwarte gestalten, die zich schemerachtig en onkenbaar daarin bewogen.

Buiten de mogelijkheid van zich aangaande het lot der dierbaren zekerheid te verschaffen, wankelde zij naar de plaats, waar zij beloofd had te zullen blijven, terug. Doodsangst joeg haar het klamme zweet op het voorhoofd; elke donderslag der mortieren trof haar eigen hart. Zulk verpletterend zielelijden had zij nog nooit gekend.

Nadine werd angstig door het aanhoudende slaggewoel en begon bitter te schreien. Bianca legde haar handjes gevouwen ineen en sprak: „Bid, schuldelooze engel, bid tot den Hemelschen vader, uw kinderlijk smeeken zal Hij verhooren: o laat dit akelige uur ons voorbijgaan!” De kleine gehoorzaamde bijna bewusteloos, knielde neder en hief de betraande oogen smeekend ten hemel. Ook Bianca wierp zich op de knieën; woorden ontbraken haar, zij vermocht slechts de handen sidderend omhoog te heffen; doch de Almachtige hoorde ook hare stomme verzuchtingen. Een geloovig, kinderlijk vertrouwen keerde allengs in haar hart terug en verdreef de zwarte twijfelingen der wanhoop. Zij ademde vrijer, drukte het kind aan haren boezem en zachte tranen rolden in verlichtende stroomen langs hare bleeke wangen.

Weldra werd de donder van het geschut flauwer en zwakker, plotseling zweeg het geheel. Bianca sprong op; nu moest zij tot de haren, nu was het beslist, of het zwarte lot des doods ook hun was ten deel gevallen. Driftig spoedde zij, het kind aan de hand houdende, de hoogte op. Daar klonk haar eene stem uit rook en schemering te gemoet. „Zuster, lieve zuster, waar zijt gij?” Het was Bernard. „Hier, hier, gij leeft, beiden, allen?” riep zij en zeeg in hetzelfde oogenblik haren broeder in de armen. Eene minuut van onuitsprekelijk zoet geluk was Bianca gegeven, doch ook niet meer dan eene minuut.

„Verheug u niet te vroeg,” sprak Bernard en wond zich uit hare sidderende armen los; „wij moesten een offer brengen! Boleslaw....”

„Genadige hemel! hij is....”

„Wij vreezen het; daar komen de vrienden hem herwaarts dragen,” vervolgde de broeder, wees op eenige gestalten, die langzaam naderden, en liet tot schreiens toe bewogen, het hoofd op Bianca's schouder rusten. Door het verlies van den vriend was zijne sterke ziel hevig geschokt, zijne vaste kracht gebogen. „Het moet worden doorstaan,” zuchtte hij, zich oprichtend, „hoe diep de dolk ook in de borst dringe!—Laat ons hun te gemoet gaan.”

Met onzekeren gang traden beiden op de komenden toe, die in hunne armen den verbleekten jongeling droegen. Een kartetskogel had hem het dijbeen verbrijzeld, de vreeselijke schok de levenskiemen van het geheele lichaam verwoest.

„Legt mij neder, ik bid u,” sprak hij doodelijk afgemat.

„Geef hem zijn wil,” fluisterde Rasinski en schudde weemoedig het hoofd, alsof hij zeggen wilde: onze zorg redt hem toch niet meer.

Zij legden den gewonde behoedzaam op den grond neder. Rasinski knielde aan zijn hoofd en nam hem half opgericht in zijne armen. Jaromir hield de rechterhand van den stervende in de zijne geklemd. Lodewijk wendde hevig ontroerd het hoofd af. Bianca trad vol mededoogen op hem toe en snikte: „Ook dat nog, geliefde!” Hij drukte haar stom aan zijn hart: te spreken vermocht hij niet. Dat kon niemand. Met het heilige zwijgen van de diepste bekommering vestigden allen den blik op den gekwetste, die, den doodstrijd in de wezenstrekken, met gesloten oogen daar nederzat. Thans sloeg hij ze op, zag verwonderd om zich heen en zocht zich te bezinnen.

„Gij zijt allen bij mij?” sprak hij vriendelijk, toen hij zijne vrienden herkende, en een vriendelijk lachje van dankbaarheid speelde om zijne lippen. „Ik sterf een schoonen dood,” vervolgde hij en richtte zich op; „gij moogt niet om mij treuren. Ik sterf den eeredood in vriendenarmen!” Een edele trots kleurde des jongelings verbleekte wangen met een vluchtigen blos en nog eenmaal ontvlamde de moed in zijn brekend oog. „Ik sterf gaarne,” vervolgde hij meer weemoedig. „Jaromir! mijn vriend, mijn broeder!” Hij drukte de hand des naast hem knielenden met warme liefde en diepe aandoening, want zijne gedachten verwijlden bij het beeld der verwijderde geliefde, dat hij stom, maar met standvastige trouw in zijn hart had omgedragen.

„O, waarom lig ik niet op uw plaats!” riep Jaromir met onstuimige droefheid en drukte zijn gelaat op de hand des stervenden; „waarom heeft de dood mij niet verlost!”

„Neen, neen—gij zult nog gelukkige dagen zien,” vervolgde Boleslaw met aandoening, „gelukkige dagen in hare armen.—Breng Lodoiska mijn laatsten groet; u bekent het mijn stervende mond... ik heb haar bemind... zwijgend, maar uit het diepst mijner ziel!”

„O God, o mijn broeder!” snikte Jaromir. „Gij, gij—gij waart getrouw gebleven! O, ik rampzalige!”

„Gij hebt zwaar geboet, alles is verzoend, mijn broeder,” sprak Boleslaw. „Weest gelukkig met elkander.... om der smarten wille, die ik droeg.... het is mijne laatste bede aan u, aan haar.... dat zij mijne vreugde daarboven!”

Hij liet het matte hoofd zinken. Jaromir boog zich onstuimig over hem neder. „Blijf nog bij ons—o broeder, sterf nu nog niet,” riep hij onder krampachtig snikken en drukte zijn gloeiend voorhoofd op de verstijvende hand des dierbaren. Nog eenmaal sloeg Boleslaw het brekend oog op.—„Rasinski.... gij, mijne vrienden!” sprak hij met zwakke stem. Zij drukten zijne handen, zijn blik zweefde weemoedig over allen heen en wenkte elk een vriendelijken groet toe. Op Jaromir verwijlde hij het langst; hierop zuchtte hij nog eens: „Lodoiska!” sloot het moede oog, legde het hoofd op Rasinski's borst ter ruste—en ontwaakte niet meer.

De dood gaf hem zijne edele, mannelijke schoonheid geheel terug; als een marmerbeeld zat hij daar; de zwarte lokken golfden vrij en onbedwongen van zijn hoog voorhoofd, dat ook nu nog den onmiskenbaren adel van moed en stoutheid droeg; om de lippen speelde een zacht, half smartelijk lachje; maar heilige rust woonde op de verstijvende wezenstrekken; heilige, zachte rust; want zijn met kommer beladen hart sloeg niet meer.—Jaromir drukte zijn weenend gelaat op de borst van het lijk en hield het in onstuimige omarming vastgeklemd.

„De Heer zij zijner ziel genadig!” sprak Rasinski ernstig, maar bedaard, en legde de handen zegenend op het hoofd des ontslapenen. „Wèl ons,” wendde hij zich hierop tot de vrienden, „dat wij althans dit dierbare lijk niet aan de wolven behoeven te laten.—De duisternis begint te vallen. Wij moeten het duur gekochte nachtleger zien te bereiken; en daar zal hij begraven worden.”—Hij wees met den vinger op Malodeczno, werwaarts de troepen zich thans terugtrokken, nu de vijand, door hunne standvastige volharding afgeschrikt, het eindelijk had opgegeven, hun dit toevluchtsoord te betwisten.

Jaromir alleen was doof voor Rasinski's stem; het verlies van den vriend had hem te hevig geschokt, hij lag nog altijd bewusteloos aan de borst van den doode.

„Herstel u, Jaromir,” dus sprak Rasinski hem toe en trachtte hem op te richten; „toon een mannenhart. Gij verloort uw trouwen makker, vereer zijne nagedachtenis door u krachtig boven uwe groote smart te verheffen. Ontviel u een broeder, ik verlies een zoon; verman u, en neemt gij de plaats des verlorenen in.”

Deze zachte, ernstige troost vond ingang in het hart van den ongelukkige; zwijgend, schoon met geweldige inspanning, richtte hij zich op en Rasinski sloot hem met vaderlijke liefde in zijne armen. „Help ons, onzen gevallene den laatsten liefdedienst te bewijzen,” sprak deze en boog zich tot Boleslaw neder, om diens hoofd op te richten. De vier vrienden namen den ontzielde in hunne armen en sloegen zwijgend en langzaam den weg naar het vlek in.

HOOFDSTUK VI.

Maar de grimmige natuur was met hare verschrikkingen sterker, dan zelfs de edelste, diepste smart.

Met de dalende zon steeg de koude al hooger en hooger. Hoe kort de weg ook zijn mocht, voelden de dragenden toch het bloed in hunne armen verstijven. Slechts de heiligste, onverbrekelijkste vriendschap vermocht deze laatste liefdedienst te volvoeren; voor elken anderen ware zij onvoltooid gebleven. In hunne innige liefde echter vonden de getrouwen de kracht.

Na onuitsprekelijke inspanning bereikten zij een klein huis, dat ter zijde van den hoofdweg, waarop de massa's in woest gedrang naar den ingang van het vlek voortwentelden, gelegen was. Tegen alle verwachting was het nog bewoond; een grijsaard opende de deur en trad de komenden met smeekende gebaren te gemoet. „Is er plaats in uwe hut?” riep Rasinski hem toe.

„Genoeg, genoeg!” hernam de oude, verheugd, de taal van zijn land te hooren; „ik wil u gaarne huisvesten. Doch ik smeek u, drijf mij zelf niet naar buiten in dezen kouden winternacht. Gun aan mijn grijs hoofd een klein plaatsje!”

„Houdt gij ons voor ontmenschte barbaren?” vroeg Rasinski met onwillekeurige huivering; „gij hebt niets te vreezen!”

„Dan moge de Heere u zegenen,” sprak de grijsaard; „maar gisteren hebben zij mijn zoon en mijne beide kleindochtertjes naar buiten gejaagd, en die zijn bevroren voor mijne gesloten deur. Gij kunt ze zien, ik heb de lijken nog hier in de hut.”

„Barmhartige God!” riep Bianca vol afschuw en medelijden uit; „was het mogelijk!”

„Ook wij brengen u een doode,” sprak Rasinski; „zijn lijk zelfs is ons nog dierbaar. Wilt gij bij de Moeder Maria zweren, hem vroom en christelijk ter aarde te bestellen, wanneer wij daarin mochten verhinderd worden, dan beloof ik u en uw huis zekerheid, zoolang wij er ons in ophouden.”

„Bij de heilige Moeder zweer ik het; hij zal naast mijn eigen zoon rusten,” riep de grijsaard en hief de hand plechtig omhoog.

Zoo traden zij de hut binnen.

„Breng het lijk hier, lieve heeren,” sprak de oude en opende de deur van een klein zijvertrek.

„O, mijn God,” riep Bianca, toen zij een blik naar binnen wierp.—Op een, met wit linnen lakens bedekt strooleger lag in een doodshemd een man van nog jeugdigen leeftijd, schoon van een ziekelijk voorkomen. Naast hem zag men twee kleine meisjes van uiterlijk zeven tot acht jaren oud.

Lodewijk en Rasinski droegen Boleslaws lijk naar binnen en legden het aan de zijde der beide schuldelooze kleinen neder.

„Ziet gij, heeren, dat zijn zij,” sprak de grijsaard en tranen verstikten zijne stem. „Gisteren waren de kinderen nog frisch en gezond, als bloeiende rozen—de vader sukkelde sinds het voorjaar—toen zijne vrouw,—neen, laat mij daarvan liever zwijgen.—Gisteren drongen er zooveel soldaten in mijn huis, dat het aan plaats ontbrak; zij joegen ons de deur uit. Wij brachten den nacht onder den blooten hemel door; mijn zoon, dien de ziekte verzwakt had, was tegen de felle koude niet bestand; de kleinen kon ik niet uit den slaap houden—zij bevroren in mijne armen. Ik alleen bleef over. Gaarne had ik mij bij de doode, op de sneeuw nedergelegd, maar ik heb nog eene dochter—om harentwille leef ik. Zij is echter thans in Wilna.”

Terwijl de oude zijn overkropt hart uitstortte, hadden de mannen Boleslaws kleederen en haar in orde gebracht en hem met den wijden mantel bedekt, zoodat de sporen der wonde en van het reeds geronnen bloed niet meer zichtbaar waren. Thans scheen hij te sluimeren, zoo kalm en edel waren zijne trekken.

„Laat hem hier rusten,” sprak Rasinski weemoedig. „Zijn beeld staat levend, waardig, vriendelijk in onze harten geprent, laat ons het zoo bewaren; het is niet goed, bij het koude hulsel te vertoeven.”

Aan zijn wensch voldoende, keerden allen naar het eerste vertrek terug, welks weldadige warmte hen verkwikkend aandeed.

Sedert langen tijd was dit het eerste veilige dak, dat hen gastvrij opnam. Een helder brandend vuur vlamde op den breeden haard en verbreidde een gematigde warmte door de gansche binnenste ruimte van het kleine woonhuis. De zeeman, die na een gevaarlijken tocht de gewenschte haven binnenloopt, wordt niet zoo levendig door het gevoel van erkentenis jegens den almachtigen Redder doordrongen, als het gezicht van dit toevluchtsoord tegen de grimmigheid der natuur en van den vijand het hart der naar lichaam en ziel lijdenden met innige dankbaarheid vervulde.

„De God der genade is met ons,” sprak Lodewijk, zich tot Bianca wendende, die hij, als hem uit den drang van nooden en gevaren opnieuw hergeven, aan het hart sloot. „Hoe zwaar wij ook beproefd worden, wij zijn steeds onder de hoede des Almachtigen.”

„Zijn vriendelijke engel wandelt immers midden onder ons,” sprak Rasinski en drukte een zachten kus op Bianca's gebogen voorhoofd; „dit schuldelooze hoofd keert ook van ons het verderf af. Wees getroost gij schoone ziel—wie aan eene voorzienigheid gelooft, mag in uwe nabijheid niet vreezen.”

Bianca bloosde en sloeg beschaamd de oogen neder. „Het is medelijden met de hulpelooze, dat u zoo spreken doet,” hernam zij; „ik weet te wel, dat de arm des Heeren hier beteren beschermt en vernietigt dan ik ben. Laat mij in het gevoel mijner minderheid gelooven, dat uw machtige geest ons allen beschermt.”

Rasinski was nog nooit zoo week gestemd geweest. De dood van den geliefden vriend had zijn krachtigen geest geweldig aangedaan. Zwijgend zette hij zich neder en verzonk weldra in diep gepeins.—Eene diepe stilte heerschte in den kleinen kring, die door het flikkeren der vlam spaarzaam verlicht werd. Jaromir zat voor den haard en staarde met strakke, wezenlooze blikken in den gloed. Met inwendige huivering bemerkte Bernard, hoe de smart het gevoel van den armen jongeling verstompte, en opnieuw rezen de bange zorgen en bekommeringen in hem op, die reeds gedeeltelijk verdwenen waren, daar de teekenen van zinsverbijstering, welke de ongelukkige vroeger had gegeven, zich misschien wel door de macht der te hevige uitwendige aandoeningen teruggedrongen, in de laatste dagen minder kennelijk vertoond hadden.

„Wat is geluk?” dus brak Rasinski het algemeene stilzwijgen af. „Voelen wij ons niet gelukkig, nu wij ons hier te zamen in eene armzalige hut bevinden, die ons nauwelijks eene schuilplaats tegen de koude aanbiedt? Ja, zoo de liefste vriend niet in onzen kleinen kring ontbrak, ik zou zeggen, wij zijn gelukkig! Ware hij bij ons—ja waarlijk, wij zouden in dit uur gelukkig zijn!”

„De wenschen wassen aan met de vervulling,” hernam Lodewijk; „hij, wien het lot toont, wat het dreigen, wat het rooven kan, stelt zich tevreden en acht zich gelukkig, zoo hij slechts het kleinste deel zijner verwachtingen uit het onmetelijk rijk van onvervulde wenschen redden mag. Welk eene mengeling van gewaarwordingen in de menschelijke ziel! Tegelijk met de diepste smart kan zij het hoogste geluk gevoelen—ja, soms voelt zij het eene slechts door het andere.”

Een blik op Bianca en een druk harer in de zijne rustende hand zeiden der geliefde, hoe hij deze woorden verstond en de waarheid daarvan aan zich zelve ondervonden had.

„Het geluk geeft ons een te zachte huid,” merkte Bernard op; „een gekreukeld rozeblad drukt ons als den Sybaritischen Alcibiades. Het ongeluk smeedt ons een schubbig harnas om de borst, waarop de scherpste pijlen ten laatste mat en krachteloos afstuiten.—Trouwens, er klopt dan ook weinig hart meer achter een zoodanig pantser, maar de versteening dringt tot midden in de kern door, en de wonden houden om geen andere reden op met bloeden, dan wijl zij reeds hebben uitgebloed.”

Hij hield, dit zeggende, zijn oog onafgewend op Jaromir gevestigd, die nog gestadig met de tang in het vuur speelde.

„Eene mooie, heldere vlam, niet waar, Rasinski?” sprak deze, daar allen zwegen, op een doffen toon, terwijl hij met een zonderlingen glimlach in het rond zag.

„Ja, ja,” hernam de gevraagde half verstrooid; „de mensch wordt verootmoedigd en leert, dat hij uit aarde, uit stof en asch bestaat.”

„Ongetwijfeld,” viel Bernard hem in de rede, „ik weet, wat gij eigenlijk wilt zeggen. Men kan hem het hart met een gloeiend zwaard doorboren en het tot kool en asch uitbranden; zoo zijne maag slechts onbeschadigd is gebleven, zal een duchtige eetlust daarom toch niet uitblijven.—Op mijn woord, ik krijg honger.—En ik wenschte,” voegde hij er fluisterend bij, „dat Jaromir gegeten en gedronken had en slapen ging, zoodat zijne afgestompte zenuwen uitrusten en weer nieuw gevoel bekomen konden.”

Nu eerst wierp Rasinski een vorschenden blik op den ongelukkige en verbleekte, toen hij diens koude, wezenlooze trekken aandachtiger gadesloeg. „Gij hebt gelijk,” sprak hij tot Bernard; „wij moeten hem tot rust zien te krijgen.”

Dadelijk sprong hij op, om den huiswaard te zoeken, die zich voor eenige oogenblikken verwijderd had. De grijsaard was gewillig, om alles te geven, wat men noodig had, te meer daar Rasinski hem de verzekering gaf, dat hij heden de laatste Franschen huisvestte en van nu af slechts Russen zou te zien krijgen, die van alles zóó rijkelijk voorzien waren, dat zij de uitgeplunderde, verarmde inwoners nog konden ondersteunen.

„Veel hebben wij niet overgehouden,” vervolgde de oude; „evenwel is er nog brood, een weinig honig en ook nog een vaatje brandewijn.—Een warme soep kan ik gereed maken.”

„Breng ons, wat gij hebt—wij zullen u helpen.”

„Heilige moeder Maria!” riep de oude vol angst en kruiste de armen, „daar wordt aan de deur geklopt. Zoo er nog anderen hier indringen, zijn wij verloren!”

„Laat mij openen,” sprak Rasinski; „zoolang er plaats is, zou het onmenschelijk zijn, onze kameraden aan den kouden nacht prijs te geven.” Hij trad op de zorgvuldig toegegrendelde deur toe en vroeg in het fransch: „Wie is daar buiten? Wat wilt gij?”

„Er zijn van onze manschappen bij, ik heb ze herkend,” riep Bernard.

Zij openden. Vijf half verkleumde ruiters van Rasinski's regiment omringden de deur. In de verwarring van het gevecht hadden zij hun geliefden overste uit het oog verloren en nu huisvesting in het vlek gezocht. Alle huizen echter waren gevuld, wijl de maarschalk Victor de plaats reeds bezet had, hetgeen trouwens in andere opzichten een geluk mocht genoemd worden, daar zijne troepen de van de westzijde indringende Russen hadden teruggeslagen. Van huis tot huis ronddwalende en overal afgewezen, wees een officier hun eindelijk het spoor van Rasinski, dien hij met Jaromir en de overigen, toen zij het lijk van Boleslaw droegen, over het veld had zien gaan. Deze aanwijzing volgende, bereikten zij gelukkig het kleine huis, dat, gelijk meermalen gebeurde, daar elk slechts den hoofdstroom der massa volgde, geheel onopgemerkt was gebleven.

De vreugde der redding straalde den ongelukkigen uit de oogen, toen zij het warme vertrek binnentraden en vooral, toen zij hun aanvoerder en hunne geliefde officieren, want ook Lodewijk en Bernard beschouwden zij als zoodanig, behouden voor zich zagen. Deze verheugden zich even hartelijk, nu zij eenigen der verloren geachten opnieuw begroeten en aan het verderf ontrukken mochten.

Met een diep smartelijke gewaarwording overzag Rasinski de weinige getrouwen, die hem nog omgaven; dat was alles, wat hem van zijn statig regiment overbleef! En toch moest hij het lot danken, dat hem de dierbaarste vrienden had doen behouden. Slechts een was heden als het eerste offer gevallen. Hij smeekte vurig tot den Almachtige, dat dit het laatste mocht zijn!

HOOFDSTUK VII.

Een voedzame maaltijd had de vermoeiden verkwikt; thans overweldigde de ontspanning van het lichaam zelfs de diepste smart der ziel. Allen zonken spoedig in een lang ontbeerden, zoeten slaap, die hun het lijden en de bekommernissen voor een korten tijd geheel deed vergeten.

De koude nam intusschen in hevigheid niet af, maar deed integendeel hare verschrikkingen in steeds toenemende mate op de velden nederdalen. Een geluk was met dit onheil verbonden: de felle vorst, die de voeten der vluchtelingen als in ijzeren boeien sloot, belemmerde ook de schreden der vervolgers. De woede der natuur was zooveel machtiger dan die van den krijg, dat zij als vanzelve een wapenstilstand deed geboren worden.

Een driftig kloppen aan de deur en een woest gedruisch daar buiten deden Rasinski ontwaken. Hij sprong dadelijk op en luisterde, eer hij op het roepen en spreken antwoordde, aandachtig toe, ten einde zich te overtuigen, of het vrienden of vijanden waren, die deze stoornis veroorzaakten. Weldra ontdekte hij, dat het Russen waren, die aan de deur klopten. Hij zag naar den tijd; het was zes uren. Buiten moest het nog volkomen duister zijn. Zijne vrienden lagen in vasten slaap, alleen de huiswaard begon te ontwaken en vroeg nog half slaapdronken: „Wie is daar?”

Rasinski sprong op hem toe, schudde hem geheel wakker en beet hem in het oor: „Gij zijt verloren, zoo gij ons door een enkel woord verraadt; laat mij alleen begaan.” De verschrikte oude gaf door teekens te kennen dat hij gehoorzamen wilde. Rasinski ging hierop naar de deur en vroeg in het russisch: „Wie is daar?”

„Wij zijn Russen, vriend,” luidde het antwoord. „De koude brengt ons om, wij hebben een nachtmarsch gemaakt, open terstond, wij zijn slechts weinigen!”

„Bij de heilige moeder Maria,” antwoordde Rasinski, „gij zijt verloren, als ik opendoe, want mijn huis is vol Franschen. Rijdt toch spoedig verder.”

„Duivel!” riep de stem. „Hoe sterk zijn zij?”

„O, er zijn er meer dan mijn huis bevatten kan. Over de vijftig, heer, en vele officieren!”

„Zwijg dan, zoo gij uw leven liefhebt. Binnen een half uur moeten mijne manschappen hier zijn; ik ga hun tegemoet. De vijanden, die in dit huis zijn, moeten in onze handen vallen.—Is de plaats ook nog bezet?”

„Ik weet het niet, heer! Misschien zijn zij reeds opgebroken.”

„Dan moeten wij ons haasten! Binnen een half uur zijn wij terug, zoek hen zoolang op te houden.”

De ruiters verwijderden zich. Rasinski bleef luisteren, tot de hoefslag der paarden zich in de verte verloor, en schudde hierop dadelijk zijne vrienden uit den slaap wakker.

„Wat is er gaande?” vroeg Bernard.

„De vijand zit ons op de hielen,” antwoordde Rasinski. „Haast u, wij moeten oogenblikkelijk weg en in het vlak alles oproepen, wat nog niet op de been is. Binnen een half uur hebben wij de kozakken te wachten.”

Deze woorden brachten de slaapdronken manschappen geheel tot zich zelve. Eer er drie minuten verloopen waren, stonden allen gereed, den bezwaarlijken marsch door den ruwen winternacht te ondernemen. De grijsaard moest overgeven, wat hij van levensmiddelen en brandewijn bezat, ten einde het te verdeelen en mede te nemen. Sidderend greep hij Rasinski's hand en sprak: „O, heer, wat zal nu mijn lot worden! Zal men mij niet voor een verrader houden en wraak aan mij nemen?”

„Neen, oude, zeker niet,” hernam Rasinski; „spreek de zuivere waarheid, die zal u het best beschermen. Doch wacht—ik zal u nog meer zekerheid geven.”

Hij nam een blad papier uit zijne brieventasch en schreef in het russisch:

„Heer kameraad! Het lag slechts aan ons, u, door verraderlijk te openen, tot onzen gevangene te maken. Wij verlangen echter alleen onze eigene redding, want de slachtoffers van dezen oorlog noodeloos te vermeerderen, schijnt ons een gruwel. Houd den ouden bewoner van dezen hut niet van verraad verdacht, want niet hij, maar een fransch officier, die uwe taal machtig is en dit schrijft, sprak met u, terwijl alle overigen in diepen slaap lagen.”

Hij vouwde het papier toe en gaf het den oude over. „Dit briefje stelt u volkomen in zekerheid,” sprak hij. „Vergeet uw eed niet! Bestel het lijk, dat wij u achterlaten, eerlijk ter aarde of laat het in het gewelf uwer kerk bijzetten. Neem deze beurs, zij bevat de middelen daartoe en bovendien eene rijkelijke belooning. Wellicht wordt het vrede en kan ik spoedig terugkeeren. Kunt gij mij dan de kist met het dierbare lijk toonen, dan zult gij tienmaal zooveel goud ontvangen. Thans vaarwel, oude! De hemel zegene u, zoo gij uwe belofte eerlijk nakomt.”

Allen waren marschvaardig; men brak op, Rasinski ging vooraan.

Zwarte duisternis bedekte de aarde; eene doodelijke stilte heerschte in het rond, het kraken der sneeuw onder de voeten der wandelaars was het eenig geluid, dat zich hooren liet. Niemand sprak, want de snijdende koude maakte elken ademtocht pijnlijk. Het gezicht zoo zorgvuldig mogelijk bedekt, trad men zwijgend in de voetstappen van den voorman en hield zich slechts met zijne eigene gedachten bezig.

Toen de kleine bende de eerste hutten van het vlek bereikte, vond zij de deuren open, de huizen ledig. Men was reeds opgebroken.

„Het schijnt, dat wij alleen zijn achtergebleven,” sprak Rasinski tot Bernard. „Wij moeten onze krachten inspannen en het woud trachten te bereiken, waar wij, ook wanneer de dag aanbreekt, vooreerst in veiligheid zullen zijn.”—Deze eene rustig doorgebrachte nacht had aller krachten zoodanig gesterkt, dat zij tegen nieuwe vermoeienissen bestand en tot een versnelden marsch zouden in staat geweest zijn, had niet de vreeselijke koude diegenen, welker kleeding niet dicht genoeg was, met een zoo moorddadig geweld aangegrepen; hetgeen vooral het geval was, toen zij aan gene zijde van het vlek eene niet onaanzienlijke hoogte bestijgen moesten. Hier ontdekten zij ook sporen van het leger, want in het duister stiet de voet van tijd tot tijd op lijken, die, tot steen verhard, midden op den weg lagen. Met huivering gingen zij deze stomme wegwijzers voorbij en niemand waagde het, zijne gewaarwordingen aan zijn nevenman mede te deelen. Echter werden allen door hetzelfde gevoel van angst beklemd, bij het denkbeeld, dat ook zij zelven op dezen harden grond nederzinken en in de ijzige armen van den winter versteenen konden.

Rasinski, die met de landstreek bekend was, sloeg ter zijde van den grooten weg af, ten einde Smorgoni langs een nader en veiliger pad te bereiken. Tegelijk onttrok het woud hen aan het gezicht des vijands, die hen misschien vervolgen kon. De koude dreef hen tot den hoogst mogelijken spoed, zoodat men, toen de donkerroode schijf der zon boven den gezichteinder oprees en hare eerste stralen door de dichtste takken der dennen wierp, reeds een aanmerkelijken afstand had afgelegd.

Bianca droeg alle vermoeienissen en bezwaren met eene verwonderlijke bedaardheid; geen klaagtoon, geen zucht kwam over hare lippen, hoewel haar teedere lichaamsbouw onder zulke inspanningen scheen te moeten bezwijken. Ja zelfs haar blik werd niet treurig of bezorgd, en daar zij het spreken vermijden moest, zag zij Lodewijk en Bernard toch dikwijls met vriendelijke oogen aan, alsof zij zeggen wilde: verontrust u niet over mij; ik ben wèl.

Eindelijk gebood de uitputting eenige oogenblikken rust, hoe gevaarlijk deze bij de koude ook wezen mocht. Niet zoodra toch had de slaap het vermoeide lichaam overmand, of ook de dood loerde reeds achter den zachteren broeder, om het ooglid, dat deze zacht had toegedrukt, met zijne ijzeren hand voor eeuwig te sluiten. Rasinski deed de vrienden op een sterken boomstam, die aan den weg lag, nederzitten; hij zelf wandelde op en neder en droeg zorg, dat geen der hem toevertrouwden zich door den slaap liet overrompelen. Dezen dienst bewezen allen elkander wederkeerig, en zoo brachten zij de twee middaguren meest zittend en dus rustend door. Eindelijk begaven zij zich weder op weg en bereikten tegen den laten avond Smorgoni. De stad was vol troepen, doch Rasinski was gelukkig genoeg, den Maarschalk Ney aan te treffen, die hem een nachtverblijf voor de zijnen liet aanwijzen en hem vervolgens bij zich ontbood.

Na verloop van een uur keerde Rasinski van den maarschalk terug.

„In 's Hemels naam, wat deert u?” vroeg Bernard, die hem nog nooit zoo ontroerd gezien had.

„Gij zult het tijdig genoeg vernemen,” antwoordde Rasinski; „voor het tegenwoordige is het nog een geheim.”

Zwijgend zette hij zich neder en leunde het hoofd in de hand. Allen hielden zich stil, niemand waagde het, hem meer te vragen.

Bernard sloeg hem ongemerkt gade. Zijn donker oog hechtte zich op geen bepaald voorwerp; hij staarde slechts strak voor zich uit en scheen de voorwerpen, waarop het viel, niet te bemerken. Van tijd tot tijd hief hij den blik ten hemel en een heldere traan rolde over zijne bleeke wangen. Eindelijk stond hij op. Hij scheen in de worsteling met zijne smart meester te zijn gebleven.

„En wat zou het dan nog?—Het moest zoo zijn!—Hij had gelijk!”—mompelde hij half verstaanbaar. Hierop wendde hij zich tot de vrienden en sprak vriendelijk: „Ach, mijne besten, stoort u niet aan mij—ik ben verstrooid. Er is iets, dat mij op het hart drukt. De slaap zal mij opbeuren.”

Met deze woorden wikkelde hij zich in zijn mantel en legde zich op den grond neder, waar zijne ruiters reeds sinds een uur gerust sliepen. Jaromir lag in een anderen hoek van het vertrek; zonder een enkel woord te spreken, had hij zich dadelijk bij zijne aankomst ter rust begeven.

Lodewijk, Bianca en Bernard waren alleen nog wakker gebleven en zagen elkander weemoedig aan, zonder dat zij het wagen durfden, voor hunne bezorgdheid uit te komen. Eene drukkende beklemdheid benauwde hunne borst; de onuitsprekelijke liefde, die zij elkander toedroegen, was de eenige lichtstar, die in dezen donkeren nacht voor hen schemerde en troost uitstortte in hun versagend hart.

Zoo verstreek andermaal een lange nacht, tot de schemering hen tot nieuwe zorgen en gevaren deed ontwaken. Toen zij op het punt stonden, de hut te verlaten, hield Rasinski hen tegen en zeide: „Eerst moet ik u ontdekken, wat mij gisteren bijna verpletterde. De keizer heeft het leger verlaten!”

Allen staarden hem vragend en met angstige blikken aan.

„En hij had gelijk!” vervolgde hij. „Gisteren was ik even ontroerd als gij thans, want ik weet, dat het onwrikbare vertrouwen op zijn reuzengeest de eenige band was, die de armzalige overblijfsels van het groote leger nog te zamen hield. Maar het moest zoo zijn. Wij kunnen niets meer redden dan ons zelven; de keizer heeft eene meer gewichtige taak te volbrengen. Parijs is thans het slagveld, waar hij handelen moet. Hier is alles verloren, daar alles te redden. Wij blijven aan ons zelven overgelaten en willen voor ons zelven zorgen.”

Zij braken op.

HOOFDSTUK VIII.

De zon neigde achter grauwe nevelachtige wolken ter kimme; troepsgewijze, langzaam, doodelijk afgemat sleepte eene schaar van bleeke schaduwbeelden zich door de diepe sneeuw voort. Zij geleken wezens uit eene andere wereld, tot welke nooit eene vriendelijke zonnestraal was doorgedrongen. In de holle, bloedende oogen woonden jammer en ellende; het spooksel van den honger grijnsde uit de ingevallen wangen en bleeke lippen. De koude deed de tanden knarsend en klapperend op elkander slaan, en op het loodvervige voorhoofd, in den strakken blik lieten zich de voorteekenen van razernij en vertwijfeling bespeuren. Zoo strompelden de schrikgestalten als bedwelmd en wezenloos naast elkander voort, en waar nog een voelend wezen onder hen wandelde, werd dit door de zich opeenhoopende verschrikkingen gemarteld en gepijnigd, totdat het afgrijzen elke zenuw had afgestompt of het vloekgedrocht der krankzinnigheid eindelijk toch de overmacht bekwam en den te vergeefs wederstrevenden geest met zijne vreeselijke kluisters omknelde.

Bianca had den sluier voor het gelaat getrokken, om zoodoende het tafereel van den haar omringenden jammer niet te zien. Bernard en Lodewijk liepen naast haar en namen, daar hunne verstijfde armen niet meer in staat waren dien last te torschen, het in een paardedeken gewikkelde kind beurtelings op den rug. Dat kleine wezen alleen bleef kalm en rustig te midden der gestadig toenemende ellende; door de koude vermoeid, was het in diepen slaap gezonken, doch het liep geen gevaar van te verkleumen, daar Bianca haar pleegkind zorgvuldig tegen de koude gedekt had.

Rasinski ging vooruit met Jaromir, die, zwak en krachteloos, zonder de hulp en ondersteuning van den vaderlijken vriend reeds lang zou bezweken zijn en wiens toestand, zelfs te midden dezer algemeene ellende, een diep mededoogen inboezemde. Zijne innerlijke zielesmart deed hem zoo vreeselijk lijden, dat hij alle lichamelijke pijnen en kwellingen bijna zonder bewustzijn verdroeg. Hij sprak niet; slechts een bange, diepe zucht kwam van tijd tot tijd over zijne lippen.

Zoolang het licht, dit onderpand der eeuwige genade, nog in den dampkring trilde, had de hoop zich nog staande gehouden, maar nu de duisternis allengs toenam en zich zwarter en zwarter op de versteende aarde nederliet, werd de laatste glimmende vonk van moed en vertrouwen in de versagende borst uitgedoofd en achtten de sterksten zich zelfs verloren.

Nu was de zon verdwenen; de weg verloor zich in de donkere diepte van een onbegrensd mastbosch; het laatste uitzicht op een dragelijk nachtverblijf was den ongelukkigen benomen. Als dreigende reuzen rezen de steile dennen aan weerszijden van den weg op en strekten hunne zwarte armen over het besneeuwde wagenspoor uit. Het dichte weefsel hunner takken sloot elke schemering des hemels buiten en scheen een onmetelijk grafgewelf te vormen, dat plaats voor vele duizenden aanbood. Vruchteloos trachtte het oog de lengte van dit woud te meten, en te ontdekken, of zich achter deze onherbergzame wildernis niet nog eenige gastvrije woningen van menschen zouden bevinden, waar men de afgemartelde leden voor eene poos slechts veilig kon te rusten leggen. Met dit langzaam wegstervend schijnsel van hoop in de borst, sleepten de uitgeputte strijders zich voort, tot eindelijk de laatste krachten bezweken. Dan struikelden zij, de voet gleed uit op den gladden spiegel der ijskorst, zij sloegen voorover of zonken machteloos op de knieën. Vruchteloos strekten zij de armen nog eenmaal naar de hen voorbij waggelende lotgenooten uit; doch geen oor luisterde meer naar de stem der smeekende ellende. De winter omvatte zijne offers met koude armen en vermoordde hen door zijne ijzige aanblazing; het bloed stolde in de aderen, langzaam drong de versteenende dood tot in het hart door; nu had hij het bereikt, het hield op te slaan, de marteling was geëindigd, het hoofd zonk voorover, een donkere bloedstroom gulpte uit de borst op en met dezen was het laatste spoor van leven verdwenen.

De hoop op een toevluchtsoord tegen den nacht werd eindelijk door allen opgegeven; er bleef geene keus meer, men moest zich zonder schut of scherm aan het hongerige roofdier der koude prijsgeven. Vele troepen hielden op het voorbeeld der voorgangers halt en maakten zich gereed, hun bivak op te slaan.

Bernard gaf dezelfde begeerte te kennen, doch Rasinski sprak hem moed in en drong er op aan, dat men den marsch nog een eindweegs zoude voortzetten. Gewoon, op den aanvoerder te vertrouwen, volgden allen zijn raad. Plotseling stond Rasinski stil. „Hier willen wij vuur aanleggen, mijne vrienden,” sprak hij, „en beproeven, of wij den vreeselijken nacht kunnen doorworstelen.”

„Welaan dan,” hernam Bernard; „wellicht gelukt het ons, het grimmig ondier te verjagen, dat ons de koude tanden reeds op de borst zet. Wolven vluchten immers voor het vuur; laat ons zien, of ook dit monster niet tot wijken is te brengen.”

Rasinski had zelfs in dezen bijna hopeloozen toestand noch den scherpzienden blik, wien in den drang der gevaren geen reddingsweg ontgaat, noch de stout beradene kracht verloren, die het hollende span des verderfs met vaste hand in de teugels grijpt en het dan ook nog zoekt te leiden en te betoomen, wanneer het reeds met ons in den afgrond dreigt neer te storten.

Uit dien hoofde had hij, hoewel zelf op het punt van te bezwijken, zich tot hiertoe voortgesleept en gestadig naar eene plaats omgezien, waar het aanleggen van vuur mogelijk was. Overal vond hij slechts breedstammig, hoog opgeschoten of nog geheel groen hout. Hoe zou men dat vellen of in brand krijgen? Wie bezat nog kracht genoeg, om een steilen den te beklimmen en met de stompe sabel of bijl in den top takken af te houwen? Daarenboven was de grond overal hoog met sneeuw bedekt, zoodat, wanneer men de vuren daarop aanlegde, alles in den omtrek zou smelten, waardoor het legeren onmogelijk zou worden gemaakt. Hier echter had zijn onvermoeid rondvorschend oog twee verdorde stammen ontdekt, waarvan de eene half omver was gevallen en tegen een nabijstaanden boom leunde. Dezen kon men omhakken, genen in brand steken en alsdan in de hoog opslaande vlammen ook van groen hout gebruik maken. Tevens had hij eenige schreden verder een steilen, eenige voeten hoogen aardwal bemerkt, waarvoor geen sneeuw lag, daar de wind die in het vallen onderschept en over de schuine helling voortgejaagd had. Was het mogelijk den nacht ergens door te brengen, dan kon zulks het veiligst hier geschieden.

Onverwijld liet hij dus zijne manschappen van de plaats en de boomen bezitnemen en was hij de eerste, die zelf de handen aan het werk sloeg.

Bernard, die sedert zijne ontmoeting met den ongelukkigen sergeant weder wapens droeg, ging met zijn breeden hartsvanger aan het hout vellen. Lodewijk beijverde zich de sneeuw nog verder uit den weg te ruimen, zoodat men eene vrije legerplaats bekwam. Rasinski brak met Jaromir, die uit eigen beweging maar zwijgend alles mededeed, het dunne rijshout van de stammen. Door deze vereende werkzaamheid was in weinige minuten het noodige verricht. Eene heldere vlam steeg op, de grond werd met frissche dennetakken belegd, die men dicht onder de wal uitspreidde, om tegen den storm gedekt te zijn; men maakte aanstalten tot het toebereiden der zorgvuldig bespaarde levensmiddelen.

De koesterende vuurgloed gaf nieuw leven aan de verstijfde ledematen; de uitgeputte kracht keerde na het genot van eenige spijzen terug. Met dankbare verwondering ondervond men, dat alle levensgloed nog niet was uitgebluscht en eene nieuwe schemering van hoop en vertrouwen brak voor de ongelukkigen aan.

Het vlammend vuur had spoedig ook vreemde, afzonderlijk voorbijtrekkende krijgslieden gelokt; in een dichten kring legerden zij zich in het rond en schenen zich na de lange ontbering in het gevoel der levenwekkende warmte niet te kunnen verzadigen. Maar de aandrang der opdagende ongelukkigen werd gestadig sterker. Reeds ontbrak het aan ruimte, en wilde men een nieuwen lotgezel opnemen, dan moest een reeds gelegerde zich op zijne reeds vrij beperkte plaats nog nauwer inkrimpen. Doch de tijd was voorbij, dat de een voor den ander met menschelijke bereidwilligheid een deel zijner voordeelen opgaf, om hem aan het verderf te ontrukken. De nood was te dringend, de grens tusschen leven en dood te smal geworden. De geringste inschikkelijkheid kon den toegevende zoover van het vuur verwijderen, dat hij door de koude klauwen van het in de duisternis loerende monster der koude in den rug werd aangegrepen. Daarom was er slechts plaats voor een enkele; wie haar afstond was zelf verloren. Het was een schrikwekkend spel van het toeval om redding of vernietiging. Bleeke schaduwbeelden waggelden uit het duister, 't welk het vuur omgaf, te voorschijn en vertoonden zich als afgrijselijke nachtspoken in den donkerrooden gloed der vlammen; door eene bewustelooze drift tot zelfbehoud aangespoord, wilden zij in den kring der gelegerden doordringen, doch werden gruwzaam, onverbiddelijk afgewezen. De angst baarde eene machtelooze woede; zij poogde hunne kameraden bij de schouders, bij de haren terug te trekken, doch dezen stelden zich met wanhopige grimmigheid te weer en dreven de rampzaligen met scherpe wapenen terug.

Deze laatste inspanning van den doodsangst heeft de krachten der hulpeloozen ten eenenmale uitgeput; jammerend werpen zij zich op de knieën en smeeken hunnen broeders om mededoogen, om erbarmen. Te vergeefs! Aarde en hemel blijven doof voor de hartverscheurende weeklachten. In wanhopigen doodsstrijd storten de verstootelingen ter aarde en wentelen zich in de koude sneeuw rond, hun luid jammergeschrei wordt flauwer en flauwer, sterft weg in een zacht kreunen en nokken, en weldra kan men uit het verstommen hunner laatste zuchten opmaken, dat de versteenende dood hun lijden voor altijd geëindigd heeft. Zoo hoopt zich een akelige dam van lijken om den kleinen kring van levenden op.

Bianca's gevoelig hart ware tegen deze folteringen niet bestand geweest; zij zou zich voor anderen hebben opgeofferd, tot eindelijk het verderf haar achterhaald had. Doch de hemel nam haar in zijne genadige bescherming; nog eer deze jammertooneelen plaats grepen, had een diepe, geruste slaap een sluier voor hare oogen gelegd, zoodat zij het afgrijselijke schouwspel niet kon zien; het schemerachtig weefsel der vergetelheid omhulde hare ziel met ondoordringbare sluiers. Het was de zoetste lafenis, welke de hand der genade op deze schrikwekkende plaats kon aanbieden.

Lodewijk en Bernard rustten aan de zijde der sluimerende en beschermden haar door hunne nabijheid. Angstig en huiverend had Jaromir zich tegen Bernards borst aangedrukt; eene inwendige koude scheen hem koortsachtig aan te doen, want tegen het geweld des winters was hij tot hiertoe beter bestand geweest, dan een zijner makkers, ook brak hij thans zijn diep, beangstigend stilzwijgen af en begon, wat niet in zijn aard lag, bitterlijk te klagen. „Ik ben koud, Bernard; het is of mij het hart bevriest. Ach, laat mij aan uwe borst rusten!—En hier, hier gloeit het als vuur!” Hij streek hierbij met de hand over het voorhoofd, als wilde hij de brandende pijn verzachten.

Met innig medelijden zag Bernard hem aan, want het oog des jongelings dwaalde verwilderd in het rond en verried de verwarring van zijn eens zoo helderen geest. De doffe bedwelming, welke de vrienden tot dusverre met bange bezorgdheid hadden waargenomen, ging nu in eene woeste, beangstigende opgewondenheid over, welker doodelijk gif de kiemen des levens weldra moest vernietigen. Slaap, geruste, verkwikkende slaap, zou nog van eene heilrijke uitwerking kunnen zijn; doch het scheen, dat zijne stillende olie tegen de opgeruide baren der geschokte ziel niets meer vermocht. De vriendelijke broeder van den dood, die na deze ongehoorde vermoeienissen elk hoofd met looden last ter aarde drukte, zoodra de inspanning van den wil slechts een oogenblik afliet, fladderde om het hoofd des armen jongelings als een schuwe nachtvlinder heen en weder en scheen zich daarop niet te willen nederlaten.

„Kom, kom,” sprak Bernard op den overredenden toon van broederlijke liefde, „laat uw gloeiend hoofd hier aan mijne borst rusten, de slaap zal het spoedig afkoelen. Drink met ons uit dezen Lethe, opdat wij vergeten, wat om ons heen voorvalt. Alles vergeten, is immers het beste, wat wij hier van den hemel kunnen afsmeeken! Kom, kom, slaap mijn broeder!”

„Ja, vergeten!” zuchtte Jaromir, terwijl hij zich rillend aan den vriend vastklemde en hem met beide armen omsloot. Bernard voelde, hoe de ongelukkige koortsachtig sidderde en drukte hem dicht aan het hart. „Slechts dit ééne leven,” bad hij vurig, „laat het ons behouden, Almachtige; de smart over dit verlies zou het ruwste hart gruwzaam verscheuren.”

Doch de uitputting liet Bernard niet lang wakend blijven; nog eenige oogenblikken en hij lag vast omstrikt door de armen des slaaps en wist niet meer, dat een vriend aan zijne borst, eene zuster aan zijne zijde rustte.

Rasinski alleen zat wakend in den kring, waarin thans eene diepe, akelige stilte heerschte. Roerloos, als had de koude dood hem aangegrepen, lagen zijne lotgenooten om hem heen; de heldere gloed van het vuur wierp een vreemd schijnsel op de in zonderlinge, avontuurlijke dracht gehulde gestalten. Altijd eerst voor anderen zorgende, was Rasinski ook thans de eerste geweest, die zich met de zorg voor het vuur belastte. Hij rakelde het hout op, dat de vonken in dichte lichtwolken uiteenstoven, en wierp nieuwe, groene dennetakken in den gloed, waarvan eene zwarte rookzuil dwarlend opsteeg en over de hoofden der sluimerenden wegtrok. Met starend oog, den arm op de hand steunende, waakte de edele Pool, en sombere mijmeringen vervulden zijne heldenziel. Hij overdacht zijn levensloop. Wat was zijn leven geweest? Smart en lijden, vurig verlangen, rusteloos streven, moeite en gevaren—en geen ander loon, dan het innerlijk bewustzijn van eer en trouw. Van kindsbeen af ten prooi aan kommer en verbittering over het in schande en smaad gedompelde vaderland; sedert den jongelingsleeftijd medegevoerd in den woesten draaikolk der wereldwisselingen; voortgedreven op den stroom des levens, de groene oevers voorbij, zonder tijd tot landen of verwijlen, schaars door den verren groet eener vriendelijk wenkende en lokkende gestalte verkwikt; elk betooverend beeld van het lachende geluk door ruwe stormen ras weggevaagd—wat had deze borst niet geleden en gedragen!

„Hm, hm,” mompelde hij, „wat verlangt gij dan? Heeft niet de glansrijke zon der eer uw levenspad van der jeugd af bestraald?—Ach, zij is geene zon, zij is slechts eene star, die aan den donkeren, nachtelijken hemel glanst, maar deze vriendelijke woonstede der aarde niet verlicht, niet verwarmt! Op dan, voorwaarts! omhoog het hoofd! Heeft mijn lot mijne borst met zijn stalen harnas omgeven en haar aan de zachte omarming der liefde en des vredes ontrukt, zoo zij ze althans tegen den kamp gewapend, en de scherpe pijl stuite even machteloos weder af. Ik tart u uit; hoop uwe verschrikkingen, uwe rampen opeen! De tijd zal komen, dat gij mij verplettert, maar nimmer, nimmer die, dat ik mijn hoofd angstvallig voor uw dreigenden arm verberg.”

Hij richtte zich op; zelfs toen de moed der sterksten bezweek, ontwaakte in hem het bewustzijn van edele kracht en bood hij het noodlot fier het hoofd.

Zwijgend, luisterend, waakzaam zat hij voor de vlam; zijn machtige wil verbande den slaap, want hem was het leven der dierbaarste vrienden toevertrouwd.

HOOFDSTUK IX.

Het uur was verstreken, toen schudde hij Jaromir wakker. „Nu is het uwe beurt te waken; maar voelt gij u daartoe wel in staat? Gij schijnt ziek en gij laagt slechts in onrustige sluimering, terwijl de anderen vast doorsliepen.”

Zijn plichtbesef als soldaat had Jaromir nog niet verloren; nu dit hem riep, wist hij, door gewoonte en eergevoel geoefend, zich te vermannen en antwoordde snel: „Ik ben wakker, leg gij u thans neder, geen slaap zal in mijne oogen komen.”

Rasinski was gerustgesteld, toen hij de kalme beradenheid van Jaromir zag, waarop hij zich altijd onvoorwaardelijk had kunnen verlaten. Hij wikkelde zich dus dieper in zijn mantel, leunde het hoofd achterover en sliep in.

Jaromir nam een langen dennetak en stookte het vuur op. Alles in het rond was doodstil, geen voet verroerde zich, geen geluid liet zich hooren.

„Het is koud,” mompelde de eenzame en staarde in den gloed. Eene rilling greep hem aan. In den nek voelde hij de ijzige hand des winters, terwijl zijn gelaat door de vlam verschroeid werd. Maar nog meer, dan deze tweevoudige pijniging, folterden hem de giftige adders in zijne borst. Nog was de helderheid van zijn geest niet geheel geweken, want nog voelde hij met angstvolle huivering, dat donkere wolken der zinneloosheid bij tusschenpoozen voorbij de heldere zon van zijn bewustzijn heentogen en deze verduisterden. „Hoe is het,” dacht hij, „droom ik meer onder het waken, of waak ik meer onder het droomen? Nauwelijks voel ik eenig verschil tusschen slapen en waken; als een langzaam dalende nevel komt het op mij neerwentelen.—Hoe rustig slapen die allen!”

Zijne blikken hechtten zich op het gelaat der vrienden. „Ja, zij slapen vast, zij droomen zoet en genoegelijk! Ach, of ik al mijn lijden zoo in den slaap vergeten kon! Dat ik nimmer weder ontwaakte!” Eene machtige duizeling greep hem aan; hij moest al de kracht van zijn wil, al zijn eergevoel te hulp roepen, om niet bedwelmd achterover te zinken.

Eensklaps vernam hij op geringen afstand, maar uit de diepste duisternis, een schaterend gelach.

Als door den bliksem getroffen, kromp hij bij dit geluid ineen, dat hem op deze akelige plaats als eene helsche godslastering in de ooren klonk.

„Wie daar?” wilde hij uitroepen, maar de stem bestierf op zijne lippen en zijn oog staarde woest in het rond, om den geest des afgronds, die hier loeren moest, te ontdekken.

Daar trad uit het duistere rijk van den nacht eene afgrijselijke gestalte in den lichtkring van het vuur. Het was een rijzige kurassier, in een verscheurden mantel gehuld, het hoofd onder den helm met een bloedigen doek omwonden, een jongen taxisboom als langen wandelstaf in de hand.

„Goeden avond,” riep hij Jaromir met holle stem toe, „goeden avond, kameraad! Heisa, hier is 't lustig en goed!”

„Wat wilt gij?” riep deze ontzet; „maak u weg, satan!”

De kurassier staarde hem uit holle oogen aan, vertrok den mond tot een vreeselijk grijnzen en knarste als een verwoed roofdier op de tanden.

„Ha, ha, ha!” gierde hij schaterend uit. „Slaapt gij zóó vast, gij luiaards!” Hier stampte hij met den voet op het lijk eens bevrorenen. „Wordt wakker! kom met mij!”

Een oogenblik stond hij stil en scheen naar iets te luisteren; vervolgens kwam hij met wankelende schreden nader en tuimelde op het vuur toe.

„Terug,” riep Jaromir. „Terug, of ik schiet u neder!” Hij greep naar zijn pistool, maar zijne sidderende hand was niet bij machte het op te heffen.

De krankzinnige staarde hem met doffe onverschilligheid aan; nu vertoonde zich een woeste grijnslach, dan de uitdrukking der diepste ellende op zijne ingevallen trekken, Jaromir, wien schrik en ontzetting elke zenuw verlamd hadden, hing sprakeloos, bleek, met onafgewende blikken aan de dreigende gestalte, die zich hoog oprichtte, de magere armen van onder den mantel te voorschijn stak en allerlei zonderlinge bewegingen maakte.

„Wat wilt gij, akelig monster?” vroeg hij eindelijk, zelf reeds bewusteloos en verbijsterd, met bevende stem.

„Brr, ik ben koud!” huilde de razende, greep als een spelend kind naar de vlam en trad nader en nader, tot hij dicht aan den kring der slapenden stond, over welken hij de beide armen ver uitstrekte. Thans eerst scheen hij de warmte van den gloed te bemerken. Een zacht gekreun en gereutel steeg uit zijne borst op; vervolgens riep hij half lachend, half jammerend: „In 't bed, in 't warme bed!” slingerde zijn taxis ver van zich af, tuimelde voorwaarts over de gelegerden heen en stortte zich in razende verblinding midden in de vlammen.

„Hulp! hulp!” schreeuwde Jaromir, wien de haren te berge rezen, en schudde Rasinski met krampachtige hevigheid bij den arm.

Deze sprong op. „Wat is er?”

„Daar! Daar!” stamelde de jongeling en wees op de vlammen, waar de ongelukkige zich huilend en stuiptrekkend rondwentelde.

Rasinski giste eer wat er voorviel, dan dat hij het begreep; snel beraden sprong hij toe, om den rampzalige te redden. Doch het was te laat. Reeds had de hitte hem verstikt; hij lag roerloos, de vlam sloeg over zijn verschroeid lijf samen, en een dichte, verpeste walm dampte in zwarte wolken omhoog.

Rillend trad Rasinski terug en wendde het gelaat af, om zijne ontroering te verbergen; nu zag hij, dat allen in den kring nog in diepen slaap lagen. Niemand was ontwaakt door het vreeselijke voorval, hetwelk te midden van zoovele levenden plaats greep!

Eene gestalte echter bewoog zich; het was Bianca. Het afgrijselijk gehuil van den verbrande had in den slaap haar oor getroffen en hare ziel met onwillekeurigen angst vervuld. Vermoedende, dat er iets ontzettends voorviel, rukte zij zich met moeite uit de zware kluisters van den slaap los, richtte zich op en zag angstvallig in het rond. Haar oog viel op Jaromir, die nog altijd bleek, sidderend en bedwelmd in de vlam staarde. Met diep medelijden beschouwde zij den armen jongeling, want, den samenhang niet vermoedende, moest zij gelooven, dat de krankzinnigheid, welker verontrustende voorteekenen zich in de laatste dagen reeds meermalen bij hem vertoond hadden, zich nu geheel van hem had meester gemaakt.

„Lieve Jaromir!” sprak zij hem op den innigsten toon der liefde aan en legde de hand op zijn schouder.

Hij staroogde haar met blijkbare bevreemding aan en scheen uit een zwaren droom te ontwaken. „Ach,” zuchtte hij uit het diepste der borst en een zonderling weemoedig lachje zweefde om zijne lippen.

„Het is niets, Bianca,” sprak Rasinski, die ras toetrad, om te verhinderen, dat zij van het gebeurde onderricht werd. „Leg u gerust weer te slapen, wij zullen voor u waken.”

„Ach, Lodoiska! Hebt gij mij eindelijk vergeven....?” riep Jaromir plotseling, en zijne stem ging in een luid weenen over; hij drukte het hoofd op Bianca's hand en bevochtigde ze met een stroom van tranen.

„Heilige God, wat is dit!” riep deze verschrikt en waagde niet, de hand terug te trekken.

„Bezin u, Jaromir,” sprak Rasinski hem ernstig aan en wilde hem oprichten. „Bezin u, zamel uwe kracht bijeen en bedenk waar gij zijt.”

„Ach, Rasinski, zij vergeeft mij!” riep de jongeling uit, terwijl hij den vaderlijken vriend aan het hart viel; „zij is eene heilige, zij is niet langer vertoornd! Om mijns stervenden Boleslaws wille heeft zij mij vergeven! Niet waar? O gij neemt het niet terug! Ik ben uwer niet meer waardig—maar ik kan immers niet uitstaan, zonder u te leven. Kom nu weder aan mijn hart!” Hij vouwde de handen en zag Bianca met smeekende oogen aan; groote tranen biggelden langs zijne bleeke wangen en toch blonk eene zachte, vluchtige schemering van vreugde op zijn gelaat.

„Ik ben immers Lodoiska niet,” hernam Bianca met vruchteloos bekampte ontroering, en zocht hare hand uit die van den jongeling los te maken.

„Gij zijt het niet?” riep hij eensklaps met toenemende hevigheid; „gij wilt het niet zijn—gij haat mij, gij veracht mij!—Ach, dan is alles voorbij!”

Radeloos wierp hij zich weder aan Rasinski's borst en wilde de armen om zijn hals slaan; doch de kracht ontbrak hem, hij zonk bewusteloos neder.

„Ook dát moet nog gedragen worden!” riep Rasinski uit en knielde voor den bleeken jongeling neder. Bianca wilde in haren angst Bernard en Lodewijk wekken, doch Rasinski verhinderde dit. „Hoe kunnen zij ons helpen?” sprak hij; „waarom zouden nog anderen met ons dit lijden verduren? Het is wellicht spoedig beslist!”

„O, welk een vreeselijke troost,” snikte Bianca en wrong de handen. „Neen, neen, dat zal de Algoede ons niet opleggen. De maat is gevuld, het kan niet zijn, het kan niet!”

„Bid gij tot Hem uit den grond van uw schuldeloos hart,” sprak Rasinski somber; „ik kan slechts handelen, maar uw bidden is meer dan mijn doen!”

Bianca deed het. Met diepen ootmoed knielde zij neder en smeekte uit een geloovig, kinderlijk hart om redding voor den ongelukkige. Doch hare beklemde borst werd niet verruimd, de angst bleef op hare ziel drukken.

Rasinski had den onmachtige de slapen met sneeuw ingewreven. Deze sloeg eindelijk de oogen op en blikte verwilderd om zich heen. „Waarom neemt gij mij uit het graf?” mompelde hij; „het was zoo stil en koel daar beneden.—Ach, ik zie het, de zon gaat prachtig op en schijnt in het graf. Zij is schoon!”

Hij staroogde onbewegelijk in de vlammen. Plotseling rukte hij zich met ongeloofelijke spierkracht uit Rasinski's armen los, sprong op en met den kreet: „Dat is de brandende hel! Daar storten zij mij in neder! Spoedig, spoedig!” wilde hij zich in den laaienden gloed werpen. Rasinski greep hem aan met de kracht van den angst. Bianca wierp zich aan zijne voeten en klemde zich aan zijne knieën vast. „Help help, mijn broeder, Lodewijk!” gilde zij, op doordringenden toon, daar beider vereende krachten niet meer in staat waren, de razende tegen te houden. Door deze stem op eenmaal uit den vasten slaap gewekt, sprong Lodewijk op.

„Hemel, wat is er?” riep hij uit, toen hij Jaromir met Rasinski en Bianca zag worstelen; tegelijk ontwaakte Bernard en richtte zich mede op. Het was meer dan tijd, want Rasinski met zijne volle mannenkracht vermocht den rampzalige, die zich met geweld in de vlammen wilde werpen, niet meer te houden. „Helpt, vrienden,” riep hij, „helpt mij, anders is hij verloren.”

Zonder te weten, wat er voorviel, snelden Bernard en Lodewijk den roepende te hulp; doch Jaromirs verwilderde trekken ziende, behoefden zij geen oogenblik langer aan 's jongelings volslagen zinneloosheid te twijfelen.

„Ach, ik heb het lang gevreesd,” zuchtte Bernard; „hem lag te veel op de ziel, hij kon den last niet dragen.”

Na de bovenmatige overspanning van zijne krachten volgde even spoedig eene geheele verslapping. De armen zonken machteloos neder, de knieën knikten, het gansche lichaam zakte ineen. Nu scheen het, alsof de folterendste smarten zijn binnenste doorgriefden; want hij brak in een luid, hartverscheurend jammeren en weeklagen uit. Deze tonen die door merg en been drongen, gelijk ook de onrust van het vroeger voorgevallene, hadden eindelijk alle slapenden doen ontwaken. Zij richtten zich op, blikten in den beginne verwonderd, maar daarna vertoornd over deze stoornis in het rond. Er ontstond een dof gemompel, dat van minuut tot minuut levendiger werd. Men begon op den ongelukkige te wijzen, en het noodlottige denkbeeld, dat deze hen in gevaar en ten verderve zou kunnen brengen, maakte zich van de gemoederen meester.

„Wie is de razende, wat wil hij?” riep eindelijk een baardig grenadier met onstuimige drift. „Wat rooft hij ons de kostbare minuten des slaaps? Werpt hem uit den kring en laat hem doodvriezen, dan hebben wij rust!”

„Weg met hem, weg met hem!” riepen verscheidene stemmen, en eenigen sprongen op, om het gruwzame vonnis onverwijld te voltrekken.

Bianca gaf een luiden gil van angst; Lodewijk ving haar, daar zij dreigde neder te zinken, in zijn rechterarm op en trachtte met den linker een woest toedringende af te weren.

Rasinski, den omvang van het gevaar terstond overziende, liet Jaromir in Bernards armen en sprong met flonkerende oogen midden in den kring. Snel beraden rukte hij een smeulenden boomtak uit het vuur, hief dien hoog op en donderde met zijne leeuwenstem: „Terug, rampzaligen! Wie één tred voorwaarts doet, sla ik met deze knods de hersens in!”

De verbitterden weken verschrikt terug en waagden niet te naderen; de zedelijke overmacht van Rasinski boezemde hun ontzag in. De grenadier nochtans trok de sabel en schreeuwde: „Hoe, lafaards! zijt gij allen bevreesd voor een enkele! Voorwaarts! Neer met den poolschen hond!”

„Ellendeling!” donderde Rasinski en sprong als een getergde leeuw op den razende toe. „Uit den weg met u, ontmenscht ondier!” Tegelijk greep hij hem met kracht en behendigheid in het gewricht der opgeheven vuist, zoodat hij zijn wapen niet kon gebruiken, en bracht hem met den brandenden tak zulk een hevigen slag op het hoofd toe, dat deze in splinters vloog en kolen en vonken in het rond stoven. Doch de slag was door de dichte berenmuts gebroken en had slechts den toorn van den verbitterde tot ziedende woede doen stijgen. Een Hercules in lichaamsbouw, in lengte een half hoofd boven zijne tegenpartij uitstekende, liet hij de sabel vallen en wierp zich op Rasinski, om hem al worstelende in de vlammen te werpen. Deze bood slechts een oogenblik tegenstand, toen gleed hij uit, struikelde; viel op de knieën. Hij was verloren! Een roekeloos monster dreigde de edelste heldenborst met ruwe overmacht te verpletten! Daar sprong Lodewijk met bliksemsnelheid den vriend te hulp, greep den woedende van achteren aan en sleurde hem terug, zoodat beiden ter aarde stortten. Rasinski raapte de gevallen sabel op, rukte den op den grond liggende met de linkerhand de berenmuts van het hoofd en bracht hem met de rechter een houw langs de slapen toe, die hem den schedel door midden kloofde. Fier en gebiedend als een koning, richtte hij zich thans op en trad met majesteit in den kring der verschrikte soldaten. „Werpt het lijk in de sneeuw,” beval hij; „gaat weer liggen en slaapt.”

Alsof hij dat wapen ontberen en de menigte door zijn verheven geest alleen beheerschen kon, wierp hij het verachtelijk van zich. Niemand verstoutte zich, een woord te reppen; een tweetal nam het bebloede lichaam op, droeg het eenige schreden buiten den kring en wierp het op de overige lijken.

Daar de gramschap nog bij hem navolgde, gelijk de zee na een hevigen storm, ging Rasinski eenige oogenblikken op en neder, zonder zelfs naar zijne vrienden om te zien. Weldra echter had hij zijne bedaardheid herkregen, reikte den met bloed bespatten vriend, die Bianca teeder in zijne armen omvangen hield, de hand en sprak: „Gij zijt mijn redder! Ziet gij, dat heeft de woelige krijg zelfs in dezen jammervollen tijd nog boven het alledaagsche leven vooruit, dat hij ons in een enkel uur meer gelegenheid om den vriend van dienst te zijn aan de hand geeft, dan een gansche menschenleeftijd van den slaperigen vrede in staat is op te leveren. Ik dank u!—Maar gaat nu weder rusten, mijne vrienden; het is niets dan één doode meer onder de legioenen, die om ons heen versteend zijn. Eene kleine kramersnegotie tegen den wereldhandel van het lot!”

Zijn oog vestigde zich weder op Jaromir: deze scheen in slaap gezonken en had het blonde hoofd tegen Bernards borst gedrukt. In de stille, bleeke trekken lag een nameloos lijden, dat geen vriendelijk oog met een zachten sluier bedekte.

„Laten wij hem in ons midden nemen, Bernard,” sprak Rasinski. „Wat kunnen wij anders, dan hem aan de genade des hemels aanbevelen? Wellicht brengt de slaap hem weder tot kalmte.”

Hij had zich wederom neergevlijd, nam Jaromir in zijne armen en drukte hem liefderijk aan zijn hart. „Rust hier uit; de verschrikkingen des winters zullen u in mijne armen niet vinden. En kunt gij, ontwaak dan tot een beteren morgen!” Dit zeggende zonk hij achterover, bedekte het hoofd en rustte hart aan hart met den lijdenden vriend. Spoedig, zoo onweerstaanbaar deed de albedwingende natuur haar rechten gelden, viel hij opnieuw in vasten slaap. De krijgslieden om hem heen waren reeds lang weer ingesluimerd en zoo was de vreeselijke ontmoeting schielijker vergeten, dan een vluchtig oprijzend droombeeld van den nacht.

Bernard en Lodewijk waakten gezamenlijk, daar één alleen zich misschien door den slaap had kunnen laten overrompelen, en deelden de zorg voor het vuur, waarmede het leven van allen tot een eeuwigen nacht zou zijn uitgebluscht.—Een scherpe nachtwind verhief zich, streek ijskoud langs hunne wangen en deed de sneeuw in lichte vlokken van de toppen der dennen neerdwarrelen.

„Brr! hoe grimmig blaast die winter ons in den rug!” mompelde Bernard; „ik verbeeld mij de ijzeren klauwen, waarmede hij zijne slachtoffers worgt, reeds in den nek te voelen. Weg, monster! Hier neemt uw rijk een einde! Hier brandt de vlam des heils, die wij getrouwer onderhouden zullen dan de Vestalen de hare.”

„Hoe eng,” merkte Lodewijk, „is de ring des levens, die om deze zon loopt. Wij liggen op de bijna ondeelbare grenslinie tusschen den vuurdood en dien der verstijving.”

„Als de wind ons zoo scherp aanblaast als nu,” hernam Bernard en rakelde het hout op, „en het vuur ons zulke gloeiende pijlen in de oogen schiet, dan is het bijna, alsof men beide martelingen tegelijk voelde. En is dat niet in het klein een beeld van de wereld? Onze aarde, eene span nader bij de zonnevlam, verschroeit en vergaat tot asch, eene span verder, en alle leven versteent in de koude, onmetelijke wereldruimte. De mensch is overal even hulpeloos, even nietig als hier. Hij sluit slechts de oogen en waagt geen blik over zijn eng grensgebied in leven, weten en genieten.”

„Neen, Bernard, gij spreekt geen waarheid, geen waarheid zelfs voor u zelf,” antwoordde Lodewijk ernstig. „Gij schat het leven zoo gering niet en miskent den waarborg niet, dien de Eeuwige ons in zijne kortstondige verschijning geeft. Wie kon dit leven ook slechts een oogenblik verduren, zonder die hoop op het hiernamaals, die eeuwig als het spiegelbeeld des hemels door de golven der aardsche woelingen heenblinkt! En is het schoonste, dat ons dit aanzien aanbiedt, niet ook een afschijnsel van daar—de liefde...”

„Heb ik het dan ooit geloochend?” viel Bernard hem in de rede en zijne gansche gevoelige ziel schitterde in zijn oog. „Zie deze hier slechts,” hij wees op Bianca, „zie haar sluimeren en vraag dan u zelf! Zij maakt zelfs mij vroom, zooals de menschen dat gewoonlijk noemen, want als zij bidt en knielt, is dat zoo schoon en waar, dat ik denk: kunt gij dan iets beters? Van haar alleen leer ik, dat ootmoed sterker is dan trots; al vergeet ik het dan ook spoedig weder. Gisteren, toen de nood op het hoogst was, zag ik haar achter gindschen boomstam knielen en bidden; en ik deed het ook, schoon enkel voor haar. O Lodewijk, zullen wij haar schuldeloos leven redden uit dezen afgrond van ellende, waarin wij dag aan dag dieper wegzinken?”

„Ik hoop nog,” sprak de vriend innig ontroerd.

„O, thans ondervind ik het,” hernam Bernard, „dat gij beter zijt dan ik. Ik handel rasser dan gij, ik schijn onverzettelijker, maar gij zijt het. Ik voel, dat mijn hopen, mijn vertrouwen, mijne kracht eene grens heeft, en ik ben die grens nabij. Zoo even waande ik ze uitgeput; ben ik echter eens moedeloos, dan zal ik het geheel zijn. Gij met uwe edele bedaardheid, uwe onwankelbare mannelijke deugd zult het nimmer worden. Ik loop, spring, vlieg en ben u dan ook eene poos lang vooruit geweest. Gij gaat met vasten, rustigen tred; daarom zult gij nog staande blijven, als ik machteloos neerzink.—Dan Lodewijk—dan maak mijne zuster gelukkig—en groet de uwe! Neen, neen, zeg mij niets, ik bid u,” riep hij driftig, toen Lodewijk hem wilde antwoorden. Hij wendde zich af en hulde zich dieper in den mantel.

Zoo zaten zij sprakeloos nevens elkander. Eensklaps liet zich een zacht klagend gezang achter hen hooren. Het was Jaromir, die slapeloos met open oogen neerlag en, smartelijk glimlachend, die tonen neuriede.

„Hij droomt van haar,” sprak Lodewijk; „het is de melodie van het lied, dat Lodoiska ons dien avond te Warschau voorzong. Dikwijls heb ik de wijze van hem gehoord. Daar dus toeft zijne ziel.”

Bernard staarde den ongelukkige weemoedig aan. „Daar toeft zij,” herhaalde hij langzaam, „bij zijne liefde! Het is over ons besloten,” vervolgde hij met doffe stem, „wij moeten te gronde gaan. De afgrond is te diep. Ik durf er niet meer in neerzien, anders stort ik duizelig in de diepte!”

De krankzinnige zong klagend voort en zag met een onbeschrijfelijk smartelijken blik tot de vrienden op. Na eenige minuten bestierf de toon op zijne lippen en hij verzonk weder in doffe bewusteloosheid.

„Was de tijd slechts voorbij, dat ik slapen kon!” riep Bernard. „Slapen! ik ben moe. Het logge dier weegt zwaar op mijne ziel en verdooft hare laatste glimmende vonken! Het is voorbij met menschelijkheid, vriendschap, liefde en haat; alles stomp en ledig en dood. Wie zou anders slapen kunnen bij zulk een jammer! Hoe laat is het?”

„Terstond middernacht.”

„Dan zijn wij spoedig afgelost!”

De minuten kropen met loomen, slependen tred voorbij. Eindelijk was het uur om. Zij maakten hunne opvolgers wakker en legden zich tot slapen neder, om den last aller bezwaren, aller angsten, aller smarten in de ledige ruimte van doffe vergetelheid af te schudden.

VIJFTIENDE BOEK.

HOOFDSTUK I.

Toen Rasinski na een onrustigen slaap van den harden grond opsprong, zag hij zich door een dichten nevel omgeven, die het woud in grijze sluiers hulde en zelfs de naastbijzijnde voorwerpen aan het oog onttrok. Het waren echter ditmaal geene vochtige mist- en morgendampen, die tusschen de struiken heentrokken, maar ontelbare, zwevende ijsstofjes, welke de lucht bezwangerden en bij elken ademtocht als bijtend gif op de longen vielen.

„Op, op, gij slapers!” riep hij; „voorwaarts, heden kunt gij den eindpaal van uw lijden bereiken!”

Doch slechts een gering aantal zijner lotgenooten hoorde zijn geroep. Eenigen bewogen zich nog, kreunden uit holle borst, trachtten zich op te richten, maar tuimelden even spoedig weer achterover, om den laatsten zwakken adem des levens uit te blazen. De meesten lagen reeds in de koude armen des doods en vormden een breeden kring van lijken om het smeulend vuur. Jaromir richtte zich op. Hij had het voorkomen van eene bleeke spookgestalte, die uit het graf oprijst; echter leefde hij nog. Lodewijk en Bernard gevoelden, dat zij heden hunne laatste krachten inspanden. Zonderling was het, dat Bianca het minst had geleden en door haar voorbeeld ten bewijze kon strekken, dat het vrouwelijke lichaam der vrouwelijke ziel gelijkt en, als deze, tegen het lijden beter bestand is, dan dat der mannen.

Met een gevoel van huivering en afgrijzen baande zij zich over den kring van versteenden den weg; tot op een aanmerkelijken afstand was de grond daarmede overdekt, zoodat zij meermalen genoodzaakt werd, den voet op menschelijke lichamen te zetten.

Jaromir scheen alle besef te hebben verloren; hij wandelde naast Rasinski voort en volgde zwijgend elken wenk op, welken deze hem gaf.

Een akelige, doodsche stilte heerschte nog in de schemering van het woud, want zij, die om de uitgaande vuren den nacht hadden doorgebracht, lagen òf nog in vasten slaap òf waren reeds in de versteenende omarming van den dood gezonken. Men ging hooge beuken voorbij, welker zware takken tot dicht op den grond neerhingen en lijken bedekten, die in verschillende houdingen door den dood verrast en in steenen beelden herschapen waren. Eenigen hielden in de krampachtig toegeknelde vuist nog de bijl geklemd, waarmede zij te vergeefs beproefd hadden deze reusachtige boomen te vellen. Anderen hadden, met even weinig gevolg, vuur om de stammen gelegd en ze op die wijze pogen in brand te steken; men zag hen, het hoofd op de knoestige wortels neergebukt, de tot asch verteerde lont nog in de hand houden.

Rasinski verhaastte zijne schreden, om dit schrikwekkend oord zoo ras mogelijk te ontvlieden; doch de gansche weg leverde een tooneel van ontzetting op en bij elken tred stiet de voet op nieuwe, vreeselijke hinderpalen. Eindelijk, na verloop van een uur, bereikte men eene opening van het woud en, daar de nevel verdunde, ontwaarde men in de verte een huis, dat wellicht eene verkwikkende rustplaats kon aanbieden. Met verdubbelden spoed ijlden de wandelaars daarop toe; maar toen zij nader kwamen en de vensters verbrijzeld en van ruiten en roeden beroofd zagen, bespeurden zij wel dat ook deze hoop hen bedrogen, dat men hier geen verblijf voor levenden te wachten had. Rasinski verlangde echter zekerheid en opende de slagdeur van het hoofdgebouw, dat eene schuur of stalling scheen te zijn; doch huiverend sprong hij terug, want hij ontdekte slechts lijken, die in dicht gedrang, ja zelfs op elkander gehoopt, den grond bedekten en hem met verglaasde oogen aanstaarden. „Is hier nog een levende?” vroeg hij, zich vermannende, met luider stemme. Alles bleef doodstil in het wijde graf en de stem stierf met doffen nagalm in de holle ruimte weg.—„Leeft hier nog iemand?” riep hij nog eens, want zijn hart verzette zich tegen de vreeselijke gedachte, dat in dezen warklomp van menschelijke lichamen ook niet ééne vonk van leven meer glimmen zou. Maar het was zoo; want, toen hij zijn pistool nam en het boven de hoofden der liggenden losbrandde, verroerde zich nog niemand, maar alles bleef stil als in de diepste eenzaamheid eener woestenij. Onder andere omstandigheden zou hij het bij deze poging niet hebben laten rusten, doch thans, nu zijne dierbaarste betrekkingen, en hij zelf met hen, in onmiddellijk doodsgevaar verkeerden, thans was zijn edel hart ongevoeliger geworden en hij wendde zich af met de woorden: „Alles te vergeefs! Verder, verder!” Zoo vervolgden zij hun weg met den hoogst mogelijken spoed, want het verderf zat hun op de hielen als een roofdier, dat naar buit jaagt en zijn offer aangrijpt, zoodra het, door uitputting overmand, een oogenblik poogt adem te scheppen.

De weg werd thans meer en meer met vluchtelingen bevolkt, die uit de omliggende bosschen of naburige verlaten dorpen te hoop stroomden. Weldra bevond men zich weder in het dicht gewemel van die spookachtige, grijnzende, holoogige schrikgestalten, die de winter met gruwzamen hoon in de avontuurlijkste kleederdrachten had uitgedost, zoodat het lachwekkende zich in de vreeselijke nabijheid van den hartverscheurendsten jammer scheen gewaagd te hebben. De adem bevroor oogenblikkelijk, zoodra zij de lippen ontvlood. Vandaar waren de lange, verwilderde baarden, ja zelfs het hoofdhaar en de wenkbrauwen der ongelukkigen met spitse ijsnaalden bedekt, die hun het voorkomen van stokoude, zilverharige grijsaards gaven.—Doch te midden van al deze schriktooneelen werden de innig verknochte vriendenharten het gevoeligst getroffen door den rampzaligen toestand van Jaromir, die, in steeds toenemende zinsverbijstering, wel uiterlijk gevoelloos bleef voor het lijden, waaronder anderen gebukt gingen, en bijwijlen zelfs in krankzinnig schertsen en lachen uitbarstte, maar inwendig toch door gestadig vernieuwde aanvallen, nu van diepe droefheid, waarbij hij een luid gejammer hooren liet, dan van teugellooze razernij en vertwijfeling werd aangetast. In deze vlagen van woede, die de laatste levensbanden plotseling dreigden los te rukken, kende hij niemand en stiet zelfs Rasinski met dolle drift van zich, zoodat de vrienden hem vasthouden en beletten moesten, dat hij de handen aan zich zelf sloeg. Zij deden het, doch hunne vereende krachten waren nauwelijks toereikend en zij zagen het vreeselijk oogenblik naderen, dat zij den ijlhoofdige als een reddeloos verloren offer aan de furiën zouden moeten ten prooi geven. Tweemaal was de vlaag gebroken; toen de aanval zich ten derdemale verhief, tastte deze den lijder heviger en langduriger aan dan te voren. Eindelijk riep Rasinski: „Het is onmogelijk, wij moeten hem opgeven; bidden wij slechts, dat de hevigheid zijner folteringen zijn einde bespoedige!”

En reeds wilden zij hem aan zijn lot overlaten en in bandelooze drift laten voorthollen, toen de hemel hem in Bianca een reddenden engel toezond. Haar hart kon niet dulden, dat men zulk een vriend aan het verderf prijsgaf, zoolang de heilige vonk des levens nog in zijne borst gloorde. Weenend en smeekend wierp zij zich tusschen de mannen in en riep: „O neen, geeft hem niet op, redt hem of laat ons met hem omkomen!” Hierop wendde zij zich tot Jaromir zelven, aarzelde niet de hand des waanzinnigen zachtkens in de hare te nemen, en smeekte op een toon, die zelfs tot in den diepen nacht der zinneloosheid doordrong: „O, wees bedaard! Kom tot u zelf, herken uwe vrienden en ga met ons!”

Als uit een beangstigenden droom ontwakend, staarde Jaromir haar strak en verwonderd aan en vergat plotseling het worstelen tegen de hem omringende vrienden. De woeste golven zijner krankzinnigheid werden eensklaps effen, toen de vriendelijke gestalte met zachten blik door de donkere sluiers, die zijne ziel omhulden, heendrong. Stil en gehoorzaam als een kind vouwde hij de handen en sprak met bevende stem: „Ik wil u immers gaarne volgen; laat mij slechts aan uwe zijde gaan en verstoot mij niet weder!” Zij reikte hem vriendelijk den arm en zeide: „Kom, ik wil u geleiden.” En gewillig liet hij zich leiden en brak niet weder in gejammer, niet weder in vlagen van woede uit, maar glimlachte stil voor zich heen, als in zalige droomen. Met ontroering bemerkten de mannen dit vermogen der reine vrouwelijke ziel en hunne borst werd met deemoed en vereering vervuld.

Het was de laatste beproeving. Eindelijk sloeg het uur der verlossing. Eensklaps verhief zich onder de voorste troepen een kreet van vreugde en verbazing, die met elken voetstap luider en luider werd en, daar elk naar de reden vorschte, weldra in een luid geroep en geschreeuw overging. Ten laatste bereikte ook Rasinski met de zijnen de kromming van den weg, waar het gejoel zich het eerst had doen hooren, en de lang gewenschte haven der redding, de eerste bevolkte, bewoonbare stad, WILNA, lag voor hunne oogen uitgestrekt. Bij dezen aanblik kende de verrukking geen palen; snikkend vielen de vrienden in elkanders armen en onder het storten van heete vreugdetranen zocht hun overstelpt hart lucht in een vurig dankgebed tot den almachtigen Helper.

Zelfs de bitterste herinneringen aan het verleden versmolten in dit oogenblik voor de vriendelijke stralen van den gelukszon; slechts de pijl van het heden, die nog in de versche wonde van het hart brandde, smartte onbeschrijfelijk.

Met innigen weemoed vestigde men het oog op den ongelukkigen jongeling, voor wien dit uur der verlossing geene waarde meer bezat. Slechts één dag vroeger en ook hem zoude de zon der vreugde vriendelijk hebben toegelachen!—Doch met doffen slag wierp het lot de poorten toe, juist toen hij op den dorpel trad, en belette hem voor eeuwig den toegang tot de vroolijke velden des levens!

Koel en onverschillig zag Jaromir de ontroering der vrienden aan. Een oogenblik scheen het, dat hij een straal der waarheid zag doorschemeren: hij ademde sneller, beklemder; het was, alsof de stroom der vreugde zich met geweld uit de borst een weg banen en de klemmende boeien der krankzinnigheid verbreken wilde. Doch deze bleven machtiger; zuchtend liet de ongelukkige het hoofd weder zinken en zijn ontvlammend oog verloor dien kortstondigen gloed. „Leid mij verder, Lodoiska,” richtte hij zich smeekend tot Bianca, die, door de hevigheid harer aandoeningen overweldigd, in Lodewijks armen hing en zich nauwelijks kon staande houden. De gedachte echter, dat een grenzeloos ongelukkige haren bijstand behoefde, gaf haar de noodige bedaardheid terug; zij bood hem opnieuw den arm en, door de hoop met frissche krachten toegerust, zette men met verhaaste schreden den weg voort.

Het nabijgelegen doel was echter moeielijk te bereiken; want reeds zag men de wegen in hunne gansche breedte met ongelukkigen bezaaid, die de aanblik van den gewenschten eindpaal van hun lijden aan de doffe bedwelming had ontrukt, waarin de overmaat der geledene rampen hen gedurende de laatste dagen had doen wegzinken. In blinde haast—gelijk het over het geheel de vloek was, die op dezen ganschen noodlottigen terugtocht rustte, dat men redding en verderf met dezelfde verblinding miskende—stormden zij op de stad aan. Hoewel het ruime veld nog eene vrije uiteenspreiding der massa's veroorloofde, bespeurde men nu reeds een golvend samenpakken en opeendringen; wat moest het gevolg zijn, wanneer engere toegangen het afstroomen van dezen vloed belemmerden? Rasinski zag het met bezorgdheid. Hij vreesde eene tweede, meer vreeselijke Beresina, wijl niet eenmaal de vijand, maar slechts de razende verblinding der bevriende lotgenooten het onheil dreigde te bespoedigen. Als dáár nam de gansche stroom ééne enkele richting; aan eene dierlijke aandrift gehoor gevende, volgde elk zonder oordeel of overleg den makker na, die voor hem ging. De zucht om het doel te genaken, deed slechts daarop achtgeven, en langs den naasten weg wilden allen het bereiken. Rasinski zag rond, of zich nergens een zijweg bespeuren liet, dien men ongemerkt zou kunnen inslaan; want door zulks plotseling te doen, vreesde hij een al te sterken stroom na zich te zullen sleepen. Thans naderde men reeds enkele verstrooide huizen van de voorstad en deze zelve was nabij. Zoo ergens liet het opzet zich hier ten uitvoer brengen.

„Houd u dicht achter mij,” fluisterde hij Bernard toe, „en volg mij onmiddellijk, wanneer ik zijlings afsla. Langs gindsche heg moet men eene andere poort der stad bereiken, die wellicht minder door het gedrang belegerd is.”

Daar Jaromir thans volkomen bedaard was geworden, nam hij dezen weder in den arm en liet Bianca tusschen Lodewijk en Bernard ingaan. Reeds begon men eene stremming in den toevloed te bespeuren, reeds werd men meer voorwaarts gedrongen, dan men vrijwillig ging. Het was derhalve hoog tijd, het plan te volvoeren.

„Nu,” riep Rasinski en sloeg zijwaarts af. De drie anderen volgden hem. Door een donker voorgevoel gedreven, drongen gansche scharen hen na, zoodat zij een tak van het stroomende gedrang op deze wijze afleidden. De weg daalde met eene steile, gladde helling naar het veld af. Rasinski kwam dezen hinderpaal gelukkig te boven, doch Bianca gleed uit en viel. Schoon broeder en vriend haar dadelijk ondersteunden, waren ook dezen te zwak, om zich op het gladde ijs staande te houden, te meer, daar Bernard het kind droeg. Ook zij vielen dus. De stroom der menigte drong hen aan weerszijden voorbij; hij wentelde niet over hen heen, doch sneed hen dadelijk met dichte golven van den geleidenden vriend af. Met moeite richtten zij zich op; Bianca had den voet verwrikt, zoodat zij te nauwernood kon staan. Bernard zag naar Rasinski om; deze was verdwenen en eene zwarte menigte had zich reeds over het veld verspreid.

„Voorwaarts, voorwaarts, in 's hemels naam voorwaarts!” riep hij, „anders worden wij voor altijd van hem gescheiden.”

Doch het was te laat. Te velen hadden zich tusschen hen en den vriend ingedrongen, en dit getal werd nog gestadig van buiten af vermeerderd, daar zij, die op den grooten weg nakwamen, dezen vroeger verlieten en het veld in eene schuine richting overstaken, ten einde zich zoo spoedig mogelijk bij de voorste troepen aan te sluiten. Tegen dezen stroom op te worstelen was ondoenlijk; door voort te dringen hem sneller te deelen, ook hieraan was niet te denken. Er bleef hun dus geene andere keuze over, dan zich door den stroom lijdelijk te laten voortstuwen. De weg kromde om de hoekige heggen en heiningen der verspreid liggende buitentuinen; eensklaps verdeelde hij zich in verschillende zijpaden, die alle reeds met vluchtelingen bezaaid waren. Welke richtingen had Rasinski hier genomen? Dit was met geenerlei zekerheid te bepalen en, al ware het ook mogelijk geweest, zoude het toch niet gebaat hebben, want ook hier was men niet meer aan zijne vrije verkiezing overgelaten; elk moest volgen, werwaarts de toevallige richting der gestadig talrijker aandringende scharen hem voortdreef. Naar denzelfden stelregel, die hem aan den oever der Beresina het leven had gered, was Bernard er ook hier op bedacht, zich aan den stroom der menigte te ontworstelen, om eindelijk de keus van den weg weer vrij te hebben. Dit gelukte hem niet ver van de eerste huizen der voorstad, in welker enge straten de verblinde scharen als eene door een wolf vervolgde kudde binnendrongen. Ademloos en uitgeput kwamen zij ten laatste in de ruimte; de winter, die hen zoo lang vervolgd had, werd nu hun redder, want slooten en plassen, die hun anders zouden belet hebben, de stad langs dezen weg te naderen, waren thans vast toegevroren.

Hun weg verlengde zich tot over het half uur, doch eindelijk bereikten zij een andere, tegenover de eerste gelegen voorstad en zagen zich hier geheel alleen, alsof zich geen leger in de nabijheid bevond. De weinige armoedige huizen, welke zij hier aantroffen, konden hun geene schuilplaats aanbieden, daar zij door de bewoners verlaten waren; maar de geopende stadspoort lag op geringen afstand voor hen, en met onuitsprekelijke blijdschap ontdekten zij op de breede straat reeds verschillende goed gekleede menschen, welker geheele voorkomen verried, dat de ellende des oorlogs hier een einde nam. Sidderend van vreugde traden zij de poort binnen en gevoelden thans ook over het lot van Rasinski minder ongerustheid, daar zij, bij het zien der bewoonde huizen en der alom heerschende rust en kalmte, vooronderstellen moesten, dat ook hij reeds eene veilige schuilplaats gevonden had. Slechts eenige uren verademing, rust en warmte, dan zou, hoopte men, de geliefde vriend wel op te sporen en het wederzien dubbel verblijdend zijn.

Het naaste dak was ook het meest gewenschte; de nood verhief elke hut tot een paleis; derhalve snelden zij met haastige, wankelende schreden op een klein, vriendelijk huis toe, aan welks deur zij eene jonge vrouw ontdekten, die evenals eenige voorbijgangers, de aankomenden met groote oogen aanstaarde.

Bianca, het russisch machtig, riep haar reeds op eenigen afstand toe: „Hebt gij plaats voor ons goede vrouw? Wij willen u rijkelijk beloonen.”

Daar vloog deze eensklaps met den uitroep: „Om aller heiligen wil, gravin Feodorowna, zijt gij het?” de naderende te gemoet, greep hare handen en bedekte ze met kussen. „Wat voert u herwaarts? En in dien toestand! Barmhartige God! Herkent gij mij dan niet?”

„Axinia! Gij zijt het?” riep Feodorowna met bevende stem. „Axinia! Gij onze redster?”

Hier begaven haar kracht en zinnen; zij wankelde, Bernard en Lodewijk vingen haar in hunne armen op, Axinia greep het kind, snelde vooruit en riep: „Volgt mij, hier woon ik!”

Na een duldeloos lijden hadden de ongelukkigen dan eindelijk redding, hulp en liefde gevonden. Uit de barre wildernis waren zij tot de gastvrije woningen der menschen teruggekeerd. Hun leven zou geen foltering meer zijn; vriendelijk bood de werkelijkheid hun de hand—de wisseling echter was te onmetelijk groot, te onverwacht; nu zij daar was, vermochten zij haar niet te bevatten.

HOOFDSTUK II.

Axinia bracht de geliefde gebiedster, aan welke zij eens hare redding was verschuldigd en wie zij het nu kon vergelden, terstond te bed en zocht alles, wat het kleine huis opleverde, ter harer verzorging bijeen. Reeds na eenige minuten richtte Bianca het hoofd weder op en zag, tot haar volle bewustzijn teruggekeerd, met zalige blikken in het rond. „O mijn broeder, o mijn geliefde!” sprak zij en drukte Bernard en Lodewijk, die aan haar leger zaten, de handen. „Is het dan toch waar, zijn wij gered? Heeft deze onuitsprekelijke ellende werkelijk een einde genomen?”

„Ja, het is zoo! Wij behooren tot de weinigen, die den dood ontkwamen!”

„En welke hand biedt mij het eerst hulp en bijstand aan!—Ach, Lodewijk, ik offerde eenmaal veel voor dat goede kind op! Om haar te redden verzaakte ik de liefde, die ik u toedroeg. Wel was deze toen nog als een diep geheim in mijn hart verborgen en scheen zij slechts als een schoon, ongenaakbaar gesternte in den nacht van mijn ongeluk; maar toch was zij de eenige straal van hoop, die mij toelachte, het eenige geluk mijner eenzame droomen. Doch hoe onuitsprekelijk rijk beloont de goedertierende hand der Voorzienigheid, en hoe ondoorgrondelijk zijn Hare wegen en bestieringen! Nu is het Axinia, die ons aan het verderf ontrukt.”

Deze was intusschen binnengetreden en naderde met een van vreugde en geluk stralend gelaat. Bianca vroeg haar thans naar haar wedervaren, naar de oorzaak, die haar in Rusland had teruggehouden, daar zij dit rijk voor altijd had willen ontvlieden. Van schaamte blozend antwoordde de jonge vrouw, dat een te vroege bevalling haar verrast en in eene langdurige ziekte gestort had. Deze ziekte deed hare kleine bezitting spoedig inkrimpen, en daar zich inmiddels voor Paul eene gelegenheid opdeed, om als opziener in het lazaret geplaatst te worden, eene betrekking, waarvoor zijne kennis van de fransche, duitsche en russische talen hem boven anderen geschikt maakte, had hij haar te gretiger aangegrepen, wijl zijne uitzichten op eene betrekking in Duitschland in dezen woeligen tijd toch niet dan zeer onzeker waren en Axinia zich middelerwijl van hare ziekte volkomen herstellen kon.

Terwijl de jonge vrouw een kort verslag van hare ontmoetingen gaf, ontstond er op de straat een toenemend gedruisch en gewemel. De buren verzamelden zich in verschillende groepen, of snelden de straat op naar het midden der stad; in alle huizen opende men de vensters en zag nieuwsgierig naar buiten. Axinia deed hetzelfde. „Heilige moeder Maria, wat is er te doen?” riep zij verschrikt uit. „Ach, daar komt Paul, hij zal ons bericht brengen.”

Zij ijlde haren man te gemoet, die, toen zij hem de aankomst der onverwachte gasten bericht had, vol vreugde binnentrad.

„Genadige gravin!” riep hij, „dus zijt gij het waarlijk? En gij waart gekomen met dien hoop ongelukkigen, die huilend door de poort indringt?”

„Wij komen met het leger,” hernam Bianca.

„Met het leger?” vroeg Paul verwonderd. „Dus zou dat het leger zijn? Onmogelijk!”

Thans eerst ontdekte men, dat de keizer zijn ongeluk zóó diep verborgen had weten te houden, dat de ingezetenen van Wilna van de vreeselijke rampen, die de macht van den wereldbedwinger verpletterd hadden, nog niet het geringste vermoedden. Met schrik en verbazing hoorden Axinia en haar echtgenoot dit bericht en tevens de schildering der vreeselijkste ellende aan, waartoe ooit eenig leger was of kon vervallen.

Axinia verbleekte en beefde, toen zij hoorde, dat hare gebiedster in al deze gevaren en rampen had gedeeld. Sidderend wierp zij zich voor een klein Mariabeeld op de knieën en bracht onder het storten van tranen deze heilige haar dank voor de redding van Feodorowna toe. Nu verdubbelde zij hare bezorgdheid en liefde ook jegens de haar nog vreemde geleiders der gebiedster. O, het was voor haar dankbaar hart zulk eene weldaad, dat zij nu toch toonen konde, hoe gaarne zij aan de heilige verplichting voldeed, welke Bianca's grootmoedigheid op haar had gelegd.

Het gewoel op de straat vermeerderde; men ontdekte enkele dier ongelukkigen, die, huisvesting en lafenis zoekende, tot in deze afgelegene wijk waren doorgedrongen. De eerstkomenden werden opgenomen, maar toen zich nog anderen en eindelijk gansche benden vertoonden, sloten de verschrikte bewoners hunne huizen.

De afgewezenen, die in het gezicht der redding zouden omkomen, daar hunne uitgehongerde, vermoeide lichamen tegen de vreeselijke koude niet langer bestand waren, hieven een afgrijselijk gebrul aan. Zij beukten op de huisdeuren en dreigden alles in brand te steken.

Paul was besluiteloos, wat hij doen zou; zijn menschelijk gevoel dreef hem aan, de ongelukkigen op te nemen; de voorzichtigheid gebood, hen terug te wijzen. Bianca riep hem toe: „Neem op, zooveel uw huis kan bevatten! Wij hebben de ellende met hen gedragen, wij weten dat medelijden plicht is.”

De jonge man wilde wegsnellen, om aan het bevel der gravin te voldoen; doch het was niet meer noodig. Slechts een kleine troep was tot hier verdwaald geweest en had reeds huisvesting gevonden; de overigen waren naar de stad teruggekeerd om daar hun geluk te beproeven.

„Maar hoe is het mogelijk,” zeide Bernard, „dat deze lieden thans eerst in de stad dringen, dat niemand voor hen zorgt, niemand hun schuilplaats verleent. Wij zouden reeds een half uur vroeger hier zijn geweest, zoo wij ons niet, om het gedrang te ontwijken, den omweg naar deze poort getroost hadden.”

„Dat is het juist, waaraan het gansche onheil is toe te schrijven,” hernam Paul. „De menigte heeft zich in de enge voorstad zoo opgedrongen, dat niemand voor- of achterwaarts kan. De poort is door wagens, paarden en menschen verstopt; niet dan een voor een dringen zij binnen. Maar wie zou ook gedacht hebben, dat dit het leger was! Wij hielden hen voor een troep marodeurs, die, zooals gewoonlijk bij een terugtocht, voor het leger uit zwerven en door dit worden voortgedrongen. Daarom is ook dadelijk aan de magazijnen last gegeven, hun niets uit te leveren, in geen hospitaal mogen wij hen opnemen.”

„Heilige God!” riep Lodewijk; „dus moeten deze rampzaligen omkomen door de onzinnige, zelfzuchtige voorzorg der hunnen. Haast u, haast u, beste vriend; maak bekend, dat dit het gansche leger is 't welk binnenrukt, dat één uur uitstel aan duizenden het leven moet kosten, en gij zult tallooze ongelukkigen redden!”

Paul snelde weg.

Thans begonnen de geredden ernstige bezorgdheid over het lot van Rasinski en Jaromir te voelen. Tot hiertoe hadden zij gemeend, dat zij onder de laatsten behoorden, die eene schuilplaats gevonden hadden, nu echter bleek het, dat zij zich inderdaad onder de gelukkigsten moesten rangschikken. Bianca ontveinsde hare vrees niet geheel, doch trachtte die te verkleinen, daar zij duchtte, dat Lodewijk en Bernard aan de inspraak van hun edelmoedig hart gehoorzamen en dit veilige dak verlaten zouden, om zich, door hunne pogingen om Rasinski op te sporen, aan nieuwe gevaren bloot te geven. Zij had zich niet bedrogen, want als uit één mond riepen vriend en broeder: „Wij moeten hen opzoeken!”

Bianca zag hen angstig aan. „Is het echter noodzakelijk, kunt gij hun hulp of redding brengen?” vroeg zij. „Dikwijls houden wij voor plicht, wat ons het moeilijkst te volbrengen schijnt. Waar zult gij hen zoeken in de onbekende stad, in het gedrang en gewoel der naar huisvesting zoekende soldaten? Weet gij meer van hen, dan zij van u? Geeft gij u niet opnieuw bloot? Zoo gij in het gedrang geraakt, zoo——ach, gij laat mij aan den vreeselijksten angst over!”—

„Ik heb al die tegenwerpingen zelf gemaakt, geliefde,” antwoordde Lodewijk met zachten ernst; „doch mijn hart wederlegt ze alle. Voor eenige minuten nog achtte ik het verstandiger, dat wij eerst uitrustten en dan onderzoek naar hem deden, want ik waande deze stad voor allen eene reddende haven. Nu echter ook zij, gelijk alles in dezen verderfelijken oorlog, eene gevaarlijke klip wordt, is van zelve de noodzakelijkheid daar, om onverwijld te handelen. Ook voel ik mij door de warmte en verkwikking reeds weder sterker. Hoe, zoo Rasinski nu eens, gelijk vele anderen, hulpeloos door de straten dwaalde en slechts onze traagheid zijn ondergang berokkende?—Neen, mijn lieve, wij mogen het niet uitstellen, wij moeten hem zoeken.”

Bernard had inmiddels zijne muts reeds weder opgezet; Axinia voorzag beiden van pelslaarzen en andere verwarmende kleedingstukken en gaf hun rum en brood mede, ten einde zich zelven of anderen, die het noodig hadden, te laven. Zij gingen en beloofden na verloop van een uur terug te keeren.

De stad leverde een akelig schouwspel op: voor de magazijnen en hospitalen waren de beklagenswaardige vluchtelingen verzameld en belegerden de deuren, die het strenge verbod voor hen gesloten hield. Gehuil, verwenschingen en gebeden mengden zich dooreen; de burgers verscholen zich in hunne veilige huizen en grendelden de deuren en vensters. En inderdaad, de wezens, die men zag naderen, zwart van rook en aarde, met de uitdrukking van angst en honger in het holle oog, schenen eene schaar afzichtelijke harpijen, die roofgierig op spijs, drank en alles, wat een behagelijk leven verried, dreigde aan te vallen. Waar men hun uit mededoogen eene deur had geopend, moest men zich dit spoedig beklagen, want er kwam geen einde aan den aandrang; met onstuimige woede baanden zij zich een weg en, door den scherpen prikkel des lijdens onweerstaanbaar gedreven, hadden zij elk gevoel van dankbaarheid en matiging verloren. Gelijk overal, werwaarts deze scharen hunne schreden richtten, scheen zich ook hier de vloek, die op haar rustte, te openbaren; de redding was daar, de eindpaal des jammers bereikt, maar ook nu juist lag het gruwzame lot het grimmigst op de loer en spande het zijne verderfelijke strikken. Het rukte den ongelukkigen den beker der verkwikking van voor de lippen weg, juist nu zij hem aanroerden, en liet hen in duldelooze ellende versmachten.

Te vergeefs dwaalden de beide vrienden door dit akelig gewemel, waar de een zich niet meer om den ander bekreunde, maar elk met blinde woede om zelfbehoud en redding kampen wilde, heen en weder; te vergeefs riepen zij Rasinski en Jaromir luid bij den naam—geen bekende stem, geen antwoord liet zich vernemen.

Zoo zouden zij dan den edelsten vriend, die hun redder en beschermer in tallooze gevaren geweest was, verliezen, nu zij gehoopt hadden hem vroolijk en dankbaar in de armen te vallen. Treurig en moedeloos namen zij ten laatste den terugweg naar hunne woning aan, want ook hun zelven begonnen de krachten te ontzinken. Door lange straten vol versteende lijken, die voor de huizen lagen, aan welker gesloten deuren zij te vergeefs geklopt hadden, snelden zij voort. De felle koude nam gestadig toe; wie zich eenige seconden ter ruste nederzette, zonk verstijfd ter aarde, om zich niet weder op te richten.

Zoo waren de straten, die nog kort te voren van gejammer en gekerm weergalmden, weldra in stille kerkhoven veranderd, waar geen schijn van leven zich vertoonde en elke voetstap hol dreunend werd teruggekaatst. Met onuitsprekelijke droefheid in de borst naderden de vrienden het kleine huis. Geen van beiden sprak, men bekende elkander niet wat men vreesde, niemand waagde het, eene vraag te doen.—Reeds zetten zij den voet op den drempel, toen zij eene met postpaarden bespannen slede de poort zagen binnenrijden. Vol verbazing over deze verschijning, die hun sinds maanden vreemd was geworden en die vooral in deze stad der ellende hunne aandacht tot zich trok, richtten zij de blikken derwaarts.

Plotseling riep Bernard: „Almachtige hemel! Ik word krankzinnig of ik zie geesten! Het is Maria!” Met krampachtige onstuimigheid greep hij Lodewijk bij den armen, wees, hevig sidderend, op eene vrouwelijke gestalte, die juist met opgeslagen sluier uit het geopende sledevenster rondzag. Nauw kreeg Lodewijk haar in het oog, of ook hij herkende de geliefde wezentrekken en wilde met den kreet: „Zuster, zuster!” op haar toesnellen. Doch zijne knieën knikten, de krachten begaven hem; ook Bernard stond als aan den grond geketend en sloeg de armen om den vriend, nauw bewust of hij zich zelf, dan dezen ondersteunen wilde. „Zuster!—Maria!” riepen zij nog eenmaal en thans eerst hoorde deze hun geroep. Zij gaf een luiden gil van ontsteltenis en vreugde, het portier der slede vloog open, en nog eer de schuimende paarden stilhielden sprong zij er uit, zonk op de knieën, richtte zich weder op en zeeg bedwelmd en ademloos in de geopende armen des broeders.

Sprakeloos hingen broeder en zuster aan elkanders hart en misten woorden, om hun geluk, hun liefde uit te drukken. Voor Bernards oog werd het duister en smartelijke tranen welden daarin op; door diepen weemoed overmeesterd, wendde hij zich af en weende. Doch dra vermande hij zich en mompelde: „Ik heb immers ook eene zuster en kan in hare armen gelukkig zijn.”

Driftig wilde hij zich omwenden en naar binnen snellen, toen Maria als een vriendelijke engel voor hem trad en zijn naam noemde. Hij zag op; tranen glinsterden in haar oog, eene zachte smart veredelde haar gelaat, de lippen fluisterden nauwelijks hoorbaar, daar het jagen harer borst haar de stem roofde: „Bernard, lieve vriend!” Hij greep de hand, die zij hem aanbood;—als door onzichtbaren aandrang voelde hij zich gedreven, het liefelijke wezen in zijne armen te trekken, het te omvatten en aan zijn gloeiend hart te drukken. Doch een blik op haar maagdelijk gelaat, waarop tegelijk heilig vertrouwen en zachte schaamte troonden, deed hem voor zijne onstuimigheid terugbeven en hij bedwong zich met mannelijke kracht. Zachtkens drukte hij zijne lippen op hare hand en zeide: „Maria! ook ik heb eene zuster gevonden. O, ik ben thans geheel veranderd!”

Zij wilde antwoorden, toen hij met den verbaasden uitroep: „Hoe? de gravin!” het gesprek afbrak en alle droefheid en smart tevens gevoelde, welke deze verschijning op dit oogenblik teweeg moest brengen.

De gravin had op Maria's roepen en voortsnellen dadelijk laten stilhouden en volgde haar met Lodoiska, welke laatste door schrik en verrassing zoozeer was overweldigd, dat zij niet dan sidderende en door den arm van haar moederlijke vriendin ondersteund, kon naderen.

„O vriend! Hoe zien wij elkander weder!” sprak de gravin met diepe ontroering. „Zeg mij spoedig, wat weet gij van mijn broeder, van Jaromir....”

„Zij kwamen met ons hier,” viel Bernard haar driftig in de rede, daar hij vreesde, dat zij ook Boleslaws naam noemen zou, „doch in het gedrang verloren wij elkander uit het oog. Maar volg ons; wij hebben hier dak en huisvesting voor u. De stad is opgepropt met soldaten; gij zoudt bezwaarlijk een schuilplaats vinden.”

De gravin nam Bernards aanbieding terstond aan, doch wierp tevens een onrustigen blik op hem en Lodewijk, wijl beider gelaatstrekken geene vreugde te kennen gaven. Lodoiska's oog hing angstvol aan Bernards lippen; een voorgevoel der waarheid scheen haar te doen huiveren, want zij werd bleek als de sneeuw, waarop zij stond, toen zij den naam des geliefden hoorde.

Bernard geleidde de gravin in het huis, welks deur door Axinia, die de komenden uit het venster bemerkt had, reeds geopend werd. Lodewijk volgde, terwijl hij zijne zuster aan den arm had, die Lodoiska ondersteunde. Vol verbazing staarde Axinia de vreemde dames aan en wierp een vragenden, verlegen blik op Bernard.

„Slaapt de vorstin?” vroeg deze.

„Zij is zoo uitgeput, dat ze in eene diepe bedwelming ligt,” was het antwoord; „evenwel durf ik het geen slaap noemen, want zij rijst dikwijls verschrikt op en roept de namen: Jaromir, Rasinski.”

Bernard ontstelde, want dit antwoord verried bijna alles.

„Wat beteekent dat?” riep de gravin. „Ik bezweer u, verheel mij de waarheid niet. Waar is mijn broeder, waar Jaromir? Op hun dood zijn wij lang voorbereid en wij gevoelen ons sterk genoeg om met onderwerping te dragen, wat over ons beschikt is. Deze angstige spanning breekt mij het hart; hoe zal Lodoiska ze verdragen?”

Gelukkigerwijs was deze nog zoo ver achtergebleven, dat zij van dit gesprek niets vernam. Bernard antwoordde fluisterend: „Ik kan u den angst niet besparen; echter is mijne hoop grooter dan mijne vrees.”

Axinia bracht de nieuwe gasten in een ander vertrek, ten einde Bianca in hare sluimering niet te verontrusten. Met een zonderling gemengd gevoel van vreugde, geluk, angst en verbazing hoorden de vrouwen hier een vluchtig verhaal aan van de rampen en gevaren, waarmede de mannen in dezen verderfelijksten aller oorlogen hadden te worstelen gehad. Men was huiverig, van Boleslaws dood te spreken, doch eindelijk nam Lodewijk het woord: „Een onzer liefste vrienden heeft het lot uit onze armen weggerukt. Boleslaw viel; hij stierf een heldendood,—hij stierf schoon!”

Maria weende zacht in de armen des broeders en verborg haar gelaat aan zijne borst. Bernard zat somber, het hoofd op zijne hand gesteund, en staarde op den grond. Lodoiska hoorde het naricht met kloppend hart en bleeke lippen; slechts koude tranen rolden over hare wangen. Was het een bang voorgevoel, dat haar beklemde, of wel medelijden met den edelen jongeling, die haar stom en trouw bemind had en voor wien zij althans eene oprechte genegenheid gevoelde,—wie kan het beslissen? De gravin was opgestaan en wandelde, gelijk zij bij heftige gemoedsaandoeningen gewoon was, diep ontroerd door het vertrek. „Gij zijt gelukkig,” sprak zij ontroerd, „wie de last der smarten nog in verlichtende tranen van de borst wegsmelt. Ik kan niet weenen: mijn hart is versteend onder het gewicht der ellende. Ik ween niet, en ik wil niet weenen. Waarheid, zekerheid is de eenige gunst, die ik nog van den hemel weet af te bidden. Hebt gij mij aangaande Rasinski en Jaromir alles gezegd?”

Lodewijk schroomde te antwoorden, want van Jaromirs krankzinnigheid hadden zij gezwegen; Bernard echter had zich van de verlegenheid, welke deze rechtstreeksche vraag hem veroorzaakte, spoediger hersteld. „Alles,” sprak hij haastig, „wat zich in de weinige trekken liet te zamen dringen, waarmede wij het tafereel der ongehoorde wereldgebeurtenissen en zonderlinge eigen ontmoetingen trachtten af te schetsen.” De gravin stond als het marmerbeeld eener Minerva, onbewegelijk, trotsch overeind. Haar donker oog blikte in de troostelooze toekomst, stille weemoed zweefde om hare lippen, verheven ernst zetelde op haar hoog voorhoofd; lang stond zij zwijgend en als versteend. Eindelijk vloog een zacht lachje over het edele gelaat, als een zonnestraal, die over het nevelachtige herfstlandschap heenzweeft. „Ik heb immers nog eene dochter!” riep zij en breidde de armen naar de bleeke, sidderende Lodoiska uit, die zich snikkend aan hare borst wierp. Zij hielden elkander teeder omarmd en slechts het beklemde ademhalen van haren door angst geprangden boezem was hoorbaar in deze minuten van heilige, doodsche stilte.

HOOFDSTUK III.

Paul was inmiddels naar huis teruggekeerd, zijn verslag aangaande den toestand der stad, dat Bernard hem heimelijk afvroeg, was ver van geruststellend. Bovendien begon de duisternis te vallen; met de zon van den volgenden dag moest men de terugkomst der hoop verwachten.

De vrouwen hadden zich naar het vertrek van Bianca begeven, die Lodewijk haar thans had voorgesteld. Welke zalige uren van liefde, vriendschap en heilig dankgevoel hadden zij thans te zamen kunnen doorbrengen, zoo angst en ongerustheid over de vermisten aller harten niet zoo drukkend hadden beklemd!

Ten einde der vrouwen althans eenigen troost te verschaffen, en opdat zij den nacht niet in te angstige spanning doorwaken mochten, sprak Bernard met den welwillenden Paul af, dat deze den toestand der stad gunstiger zou afschilderen, dan die inderdaad was, en bracht hem daarop naar Bianca's kamer. Hier verhaalde Paul, dat alleen de eerste verwarring zoo verderfelijk geweest was, dat alles zich thans begon te schikken, dat de soldaten, in de huizen der burgers gastvrij opgenomen, meerendeels in diepe rust lagen, om morgen met frissche krachten te ontwaken, en dat voorts het wedervinden van een verlorene heden reeds deswege onmogelijk was, wijl ieder, die een dak gevonden had, zich daar aan den slaap, die van alle behoeften de dringendste was, ongestoord overgaf. De gravin hoorde deze mededeelingen zwijgend aan; zij gaf zich aan haar lot over, ofschoon geen bemoedigende straal van hoop tot hare ziel doordrong.

De onweerstaanbare rechten der stoffelijke natuur hadden zich bij de uitgeputten krachtig doen gelden. Bernard, Lodewijk en Bianca lagen in vasten slaap. De gravin echter en Lodoiska waakten in bange bekommering en met haar Maria, niet alleen uit de innigste deelneming der vriendschap, maar ook wijl haar hart, hoe moedig zij het ook bekampt had, nog altijd met warm gevoel voor Rasinski klopte.

Ook Paul en Axinia wilden zich niet ter rust begeven, hoewel zij zich bescheiden van hunne gasten hadden afgezonderd. In de straten der stad was het geheel stil geworden; geen enkel geluid liet zich in den omtrek vernemen.—„Luister!” sprak Paul en sprong eensklaps verschrikt op; „luister, Axinia, was het niet alsof daar iemand kermde en kreunde? Hoor, al weder.” Hij opende een venster en bleef eenige oogenblikken luisteren. „Het komt van de overzij uit de smalle steeg, waar de Joden wonen!—Mij dunkt ook, dat ik stemmen hoor mompelen.”—Beiden waren geheel oor. Na eenig tijdsverloop hoorde men een dof geluid, als van een vallend lichaam en tevens een gillenden angstkreet, die hun door merg en been drong. „Wat is dat?” riep Paul. „Hoort gij het jammeren en steunen? Zouden de vervloekte honden....”

Een mannelijke stem riep luid kermend om hulp; Axinia wrong doodelijk ontsteld de handen. Plotseling werd de deur geopend en de gravin trad met een licht in de hand binnen.

„Hebt gij het ook gehoord, dat akelig gejammer?” vroeg zij merkbaar ontroerd; „het schijnt het gekerm van een stervende. O ga, vriend, en ziet wat er gebeurt!”

Paul wierp zijn pels om en greep naar een lantaarn; doch Axinia hield hem angstig tegen en smeekte: „Ach, ga niet alleen! Wie weet, wat gruwel daar voorvalt en of de wreedaards niet weer iemand om het leven brengen. Ga niet alleen!”

„Ik moet!” riep Paul; „misschien kan ik een mensch redden.”

„Wek dan tenminste de heeren; zij zullen met u gaan.”

„O, laat hen toch slapen; en wellicht kwamen wij dan nog te laat!”

„Neen, neen, zij zijn immers niet ontkleed, maar slapen in hunne pelzen,” antwoordde Axinia driftig en snelde naar het nevenvertrek, waar Bernard en Lodewijk, daar het in huis aan genoegzame bedden ontbrak, geheel gekleed op stroo sliepen. De waakzaamheid was hun nog zoo eigen, dat zij bij het eerste geroep uit hun vasten slaap opsprongen en dadelijk volkomen wakker waren.

„Wij verzellen u,” riep Bernard, ter loops door Paul van het gebeurde onderricht, en reeds had ook Lodewijk de pistolen gegrepen en zijn sabel omgegespt.

Paul ging met de lantaarn vooruit, in de richting, van waar het gekerm zich hooren liet. Het was een enge dwarssteeg, die zich langs den stadsmuur uitstrekte, en slechts door Joden bewoond werd. Juist wilden zij ze inslaan, toen een forsche mannenstem hun van achteren aanriep: „Wie daar, wie zijt gij, wat gebeurt hier?”

„Rasinski!” riep Lodewijk bij het eerste geluid dier stem, en toen het lantaarnschijnsel op het gelaat van den naderende viel, herkende hij ook de trekken van den geliefden vriend.

„Rasinski! Gij hier, en levend!” riep hij en lag juichend in zijne armen.

„Ik heb u weder! u, dien ik verloren achtte! En gij leeft! Bianca leeft?”

„Wij allen, allen,” riep Bernard. „Wij zochten naar u, doch te vergeefs!”

„En ik u!” hernam Rasinski.

Zij zouden alles om zich heen vergeten en elkander hunne wederzijdsche ontmoetingen verhaald hebben, had het gekerm zich niet weder opnieuw uit de straat doen hooren. Rasinski wond zich nu dadelijk uit Bernards armen los. „Die tonen,” riep hij, „hebben mij uit den slaap opgejaagd. Laat ons thans eerst aan de hulpbehoevenden denken.”

Paul lichtte met de lantaarn voor, de overigen volgden. De steeg was eng en vol krommingen, zoodat men niet ver voor zich uit zien en dus ook niet gezien worden kon. Toen men de eerste bocht bereikte en de lichtschemering in de voorliggende ruimte viel, zag men duidelijk eenige gestalten opspringen en ijlings langs de huizen voortsluipen.

„Wie daar?” riep Rasinski in het Russisch. „Staat, of ik vuur.”

Maar de schaduwen vloden langs den muur voort en slopen over de sneeuw weg. Rasinski wilde ze nazetten, doch struikelde over een voorwerp, viel, en onder het vallen ging zijne pistool los. Lodewijk en Bernard waren hem op den voet gevolgd en wilden hem oprichten, doch hij riep hun toe: „Voorwaarts, voorwaarts, de vluchtenden na.”

Zij spanden al hunne krachten in, doch zagen nog slechts eene enkele gedaante, die haastig voor hen uitvlood; zij riepen haar toe te staan, doch vruchteloos. Een schot, door Bernard onder het loopen gelost, miste; maar daar de vluchteling zich, onwillekeurig of wijl hij den kogel hoorde fluiten, bukte, gleed hij uit en tuimelde ter aarde. Lodewijk was de eerste, die hem met forsche vuist in den nek greep.

„Ha! Wie zijt gij?” beet hij den verdachte, die een soort van langen, zwarten tabberd droeg, in het oor; „waarom vlucht gij?”

„God mijner vaderen!” smeekte de vreemde op klagenden toon. „Hebt erbarmen, genadige heer! Wat misdoet u de arme Jood, daar hij vliedt voor den gruwel!”

„Licht hier, Paul,” beval Bernard, die hijgend toesprong; „wij moeten eerst zien, wat slag van een mensch het is, die zoo klagend om erbarmen jankt. Het beste geweten heeft hij zeker niet.”

Paul hief de lantaarn op, zoodat het volle lichtschijnsel op het gelaat van den Jood viel.

„Duivel! Die galgentronie ken ik!” riep Bernard verwonderd. „Waar heb ik dat vermaledijd Judasgezicht meer gezien? 't Is waar, de litthauwsche roodbaarden gelijken elkaar op een haar; maar mij dunkt toch.... Jood, gij zijt de spion, met wien wij sinds vijf maanden eene rekening te vereffenen hebben.”

Rasinski's geroep deed hem afbreken. „Komt hier, vrienden, het is nog iemand, die hulp noodig heeft.”

Zij keerden om en sleepten den Jood, niettegenstaande zijn kermen en jammeren, met zich voort.

„Zie hier de vervloekste gruweldaad, die ik immer beleefde,” riep Rasinski, rillend van woede en afgrijzen, hun te gemoet; „licht hier!—Onze kameraden naakt uitgeschud in deze koude, uitgeplunderd, geworgd en uit de vensters op de harde sneeuw gesmeten! Monster,” riep hij den sidderenden Jood met donderende stem toe, „draagt gij schuld daaraan, levend laat ik u door de honden vanéénscheuren! Ziet hier—hier liggen zij. Het schreit ten hemel!”

In een hoek, waar een huis een weinig binnen de rij der overige insprong, zag men acht lijken, slechts met ettelijke lompen bedekt, op een hoop liggen. Op een dezer ongelukkigen, die nog eenige teekenen van leven vertoonde, had Rasinski zijn pels geworpen, ten einde hem tegen de snijdende koude te beschutten.

Allen huiverden bij den aanblik van dezen gruwel, die hun zoo even in de haast van het vervolgen ontgaan was.

„God Abrahams, hef ik niet mijne rechterhand tot u omhoog, dat ik ben onschuldig aan dat bloed, als een onnoozel kind!” riep de Jood. „Vervloekt wil ik zijn, ik met mijne kinderen en kindskinderen, zoo ik heb aandeel in die daad! Laat de raven mij levend uitscheuren de oogen, laat verdorren het vleesch aan mijne hand, zoo mijn eed toch valsch is!”

„Hij was onder de moordenaars,” steende de stervende, met moeite het hoofd oprichtende; „hij wou mij de keel afsnijden, toen de val uit het venster mij niet gedood had en ik om hulp riep. Uwe aankomst alleen heeft mij gered.”

„Satan, gij vervloekte, helsche satan! De gruwelijkste ellende, die een kanibaal de tranen uit de oogen zou persen, kon u niet roeren?” knarsetandde Rasinski, terwijl hij de sabel over het hoofd van den Jood zwaaide, om hem den schedel te kloven. Doch deze wierp zich stuiptrekkend van angst op de knieën en kermde, de handen wringend: „God Jehovah, erbarmen, heer graaf, erbarmen!”

Lodewijk had Rasinski in den arm gegrepen en hield hem terug. „Bezoedel u niet met het bloed van dezen ellendeling,” smeekte hij dringend, „geef hem aan de wraak des hemels over!”

„Gij hebt gelijk, ik moet mij bedwingen,” hernam de graaf.—„Waant gij, dat ik u niet herken?” sprak hij met de uitdrukking van den diepsten afschuw tot den Jood, die als een worm aan zijne voeten kroop. „Ik herken u, evenals gij mij herkent, lage, bedriegelijke hond, die reeds eenmaal de verdiende straf ontkwaamt! Niets zou u redden, zoo niet zelfs een monster als gij een werktuig in de hand des hemels kon worden. Ik weet, het gansche ras der uwen broedt hier gruwelen der hel uit, waartoe uw duivelsche hebzucht u opstookt. Ga heen en verkondig uwen moordgezellen, dat, zoo ik morgen hier in deze huizen ook slechts één lijk of één spoor van gewelddadigheid ontdek, ik ze dan alle in asch zal leggen en u zelven met vrouw en kinderen in den gloed zal verbranden! Weg, monster! Doch teekenen wil ik u, opdat gij althans niet ontkomt.”

Bij deze woorden trapte hij hem driemaal met de hak der laars in het gezicht, zoodat de Jood het als een wild dier uitbrulde en het bloed op de sneeuw gudste. Desniettemin beurde deze zich op en waggelde onder luid gejammer naar de naaste huisdeur, waar hij heftig aanklopte en de hulp en het mededoogen zijner geloofsgenooten inriep.

„Helpt mij nu dit slachtoffer wegdragen,” sprak Rasinski, terwijl hij zich tot den ongelukkige voorover boog, die, schoon met verkleumde leden en door de mishandelingen en het bloedverlies uitgeput, nog levend op de sneeuw lag.

In den warmen pels hieven zij hem op. Zijn gejammer weergalmde door de lucht, doch nog eer zij de groote straat bereikt hadden, verstomde het, want de levenskracht ontzonk hem. „Ik dank u, kameraden; het was te laat!” dit waren de laatste woorden, die van zijne lippen vloeiden.

„Een graf kan ik u niet geven,” sprak Rasinski, terwijl zij het lijk op den grond nederlegden; „rust hier uit bij de duizenden, aan wie dit gruwzame land alles, tot zelfs eene grafstede weigert. Is het niet genoeg, dat de natuur ons met hare verschrikkingen onmeêdoogend vervolgt? Moet ook de mensch nog in een hyena veranderen en tot het heiligdom van den weerloozen slaap doorbreken?”

Deelnemend trad Lodewijk op hem toe. „Een zoete balsem zal deze uwe wonden verzachten,” sprak hij: „wij hebben u eene blijde tijding te brengen.”

„Gij? Eene blijde tijding?” vroeg Rasinski bijna met bitteren nadruk.

„Uwe zuster en Lodoiska zijn in de nabijheid—zijn hier; binnen weinige minuten kunt gij haar omarmen.”

„Mijne zuster hier!” riep hij, eer verschrikt dan vroolijk.—„O Johanna, dat gij ook in deze oogenblikken moest komen! Dus kende men in Warschau ons lot! Vriend, vriend, uwe tijding is zoo bitter als zoet. Ik was er niet op voorbereid, haar thans te zien. En toch,” voegde hij er weemoedig bij, „dat ik haar nog zie, welk een onuitsprekelijk geluk is dat voor mij!”

De vrienden geleidden hem naar Pauls woning. Eer zij binnentraden, stond Rasinski stil. „En Lodoiska verzelt haar? Wat moeten wij het arme kind zeggen! Jaromir ligt in wilde vlagen van krankzinnigheid, buiten kennis, razend—wellicht is hij reeds verlost!”

„En al ware zij slechts gekomen, om zijn laatsten adem op te vangen,” sprak Lodewijk uit innerlijke overtuiging, „zelfs dan nog zouden alle schatten der aarde tegen dit geluk in de diepste smart niet kunnen opwegen.—En kunt gij weten, of niet misschien hare verschijning eene reddende, genezende wonderkracht op hem uitoefent?”

„Het zij, zoo het wil! Het moet gedragen worden; laat ons een mannelijk gelaat toonen.” Met deze woorden trad hij moedig op den dorpel en kalmte en moed troonden weder op het ontrimpelde voorhoofd. Terwijl hij de deur opende, wendde hij zich nog eens naar Lodewijk om en vroeg met gesmoorde stem: „Is uwe zuster ook hier?”

„Ook zij.”

Het duister verborg de wolk van smart, die over zijn gelaat trok, en niemand bespeurde het vluchtig rood, dat de nabijheid van dit bekoorlijke wezen over zijne bleeke wangen uitgoot. Daar hij voor geen der vrienden het diepe geheim van zijn hart onthuld had, vermoedde ook niemand zijne innerlijke ontroering.

„Laat mij vooruitgaan,” verzocht Bernard; „uwe verschijning kon de vrouwen te zeer ontstellen.”

„Mijne zuster niet, doch de jongere meisjes wellicht. Ga dan en zeg, dat gij mij gevonden hebt.”

Bernard snelde naar de gravin; eenige oogenblikken na hem opende Rasinski de deur. Lodoiska vloog met een luiden gil op hem toe en zonk, het gelaat verbergende, aan zijne borst; hij hield haar met den rechterarm omvat. De zuster trad bevende nader, leunde, door zijn linkerarm teeder omvat, op zijn schouder en drukte stom en zwijgend hare bevende lippen op de zijne. Maria bleef schroomvallig, heimelijk weenende, van verre staan.

„Zuster!” sprak Rasinski na een lang, diep stilzwijgen en wond zich los uit hare armen.

„Zoo moeten wij elkander weerzien,” riep zij op een toon, die tot diep in de ziel doordrong. „Zoo!” En alsof zij den last van bezwaren door dezen uitroep van de beklemde borst had gewenteld, haalde zij thans ruimer adem en barstte in tranen los.

„Troost u, Johanna; over het graf reikt geene smart,” sprak Rasinski met die sterkte, die zelfs de hoop verloochenen kan. „Tot zóólang zullen wij het weten te dragen. Maar gij, arm kind,” wendde hij zich thans tot de bleeke, sidderende Lodoiska, die in zijne armen hing en zonder Bernards zachte ondersteuning lang zou zijn neergezonken, „welke troost moet ik u brengen? Gij zijt nog zoo jong, gij hebt nog zulk eene lange baan voor u!”

Met angstvolle blikken hing zij aan zijne lippen, doch naar Jaromir vragen, dit kon zij niet.

„Ik versta u, lief kind,” vervolgde hij diep ontroerd; „gij vraagt naar Jaromir! Lodoiska, gij zijt eene dochter van Polen. Vastheid in 't lijden moet uw erfdeel zijn, want wij worden gezoogd met kommer en gevoed met droefheid. Uw vriend leeft, maar hij is ziek, zeer ziek, donkere koortsvlagen verduisteren zijne ziel. Stel u voor, hem te verliezen.”

Haar boezem hijgde onstuimig; eindelijk stamelde zij met moeite de woorden: „Waar is hij?—Laat mij hem zien!”

„Morgen, lieve engel,” trachtte Rasinski haar gerust te stellen; „thans, midden in den nacht, is het onmogelijk.”

Maar alsof eene hoogere geest haar plotseling met vernieuwde kracht bezielde, riep zij uit: „Morgen? Morgen? En zijn leven is geen minuut zeker! Wellicht blaast hij in het volgend uur den laatsten adem uit en ik zou wachten, dezen ganschen, eeuwigen nacht?—O moeder, moeder, gij kent mijn hart, gij weet of dat mogelijk is, of ik niet bezwijken moet door angst en onuitsprekelijk lijden.—Moeder, moeder, help mij hem verbidden!”

Smeekend strekte zij de armen naar de gravin uit, wankelde op haar toe en zonk voor haar neder, met het hoofd in haar schoot.

Thans trad ook Maria schuw en blozend nader en sprak Rasinski aan. „Wij hebben elkander nog niet begroet. Mijn eerste woord zij de ondersteuning harer bede. Zij bemint, en een minnend hart moet onder zulk eene foltering bezwijken.” De laatste woorden waren nauwelijks hoorbaar.

„Maria!” hernam Rasinski op een onbeschrijfelijken toon, waarin zijne mannelijke kracht scheen weg te sterven. „Maria!—Bij al wat heilig is,” riep hij eindelijk met die hevige inspanning, waardoor hij met geweld weder meester van zich zelven trachtte te worden, wanneer zijn gevoel op de vastberadenheid van zijn doen en handelen de overhand dreigde te bekomen, „bij al wat heilig is, ik vermag het niet. Jaromir ligt in het lazaret. Bij nacht wordt de poort voor niemand geopend; anders zou ik het arme kind immers dadelijk bij hem brengen. Nu zou ik den maarschalk uit den slaap moeten wekken, zou...”

„In welk lazaret ligt de zieke, van wien gij spreekt, heer graaf?” viel Paul hem in de rede.

„Hier onmiddellijk aan de poort, linksaf, dat groote gebouw.”

„Daarvan heb ik de sleutels,” riep Paul vroolijk uit; „ik zelf breng de jonge gravin derwaarts.”

„Dank, heilige Moeder Maria!” riep Lodoiska opspringende; „dank, innig dank—dan zal ik hem nog eenmaal zien!”

„Ik verzel u,” sprak Rasinski.

„En ik,” riep de gravin.—„Wij allen,” sprak Maria vol zusterlijke deelneming.

„Neen, Maria,” hernam Rasinski; „die gang is noch licht, noch opbeurend. Wij moeten die alleen doen, ik sta daarop.”

Binnen twee minuten hadden de gravin en Lodoiska zich tot het treurige bezoek uitgerust. Rasinski eischte dringend, dat Lodewijk en Bernard te huis zouden blijven; dezen daarentegen vorderden, dat hij zelf zich de hem zoo noodzakelijke rust gunnen zou.

„Handelt voor de laatste maal naar mijn bevel,” sprak hij eindelijk zacht, maar gebiedend. „Gij blijft ter bewaking van het huis achter; ik moet de geleider der ongelukkige zijn, want niemand dan ik kan zijne legerstede in het duister vinden.”

Door den guren winternacht begaven zij zich op weg.

HOOFDSTUK IV.

Het oude, kolossale gebouw, waarin de zieken en gekwetsten lagen, was eertijds een klooster geweest. Met zijne schemerachtige omtrekken op den donkeren hemel afgeteekend stond het somber dreigend voor de naderenden.

„Ongaarne open ik dit huis,” sprak Paul; „want jammer en ellende is het eenige dat men er aantreft. Aan alles is hier gebrek, dikwijls zelfs aan het noodzakelijkste voedsel, aan stroo tot ligging. Elken dag worden de dokters verwisseld, en de weinige jongelieden, die men ons overlaat, vertoonen zich nauwelijks, daar zij weten, dat alles toch vruchteloos is en hunne kunst het lijden der slachtoffers verlengt. De oude gewelven kunnen niet eenmaal behoorlijk verwarmd worden, zoodat bij eene vorst als deze het koudvuur in de wonden komt en de ongelukkigen bezwijken doet. Het is een groot kerkhof, waar levenden begraven worden.”

Gedurende deze woorden had hij met zijne zware sleutels de poort geopend en de oude vleugeldeuren knarsten op de verroeste hengsels.

„Is hier dan 's nachts geen enkele waker?” vroeg de gravin huiverend.

„Niemand,” antwoordde Paul; „het ontbreekt daartoe aan ruimte. Hier moeten de dooden altijd voor de levenden plaatsmaken, en eer de krib van een overledene nog koud is, neemt zij dikwijls reeds een nieuwen lijder op.”

Lodoiska zweeg; ook weende zij niet, maar sidderde slechts als in de hevigste koortsrilling.

Men beklom de hier en daar ingestorte steenen trappen en bevond zich in een langen, donkeren kruisgang.

„Hier, aan het eind van den gang, in het laatste gewelf aan de rechterhand vond ik een leger voor hem”, sprak Rasinski; „breng ons daarheen, mijn vriend!”

„Ligt hij dáár?” vroeg Paul met angstige verbazing.

„Waarom vraagt gij dat zoo?”

„Hm! Dat gewelf is koud en tochtig; het ligt juist op het noorden.”

„Er was geen andere plaats meer te vinden en de geneesheer, dien ik daar aantrof, beloofde mij de beste zorg voor den zieke te dragen.”

„Ik wil het wel gelooven!” hernam Paul, maar op een toon, die het tegendeel verried.

De voetstappen der haastig voortsnellenden werden door de holle wanden dreunend teruggekaatst; overigens hoorde men geen geluid, dan bijwijlen aan weerszijden een dof kreunen en snikken, dat dubbel akelig was, daar het uit de muren zelve scheen voort te komen.

„Hier,” sprak Paul terwijl hij eene deur openstiet.

Zelfs Rasinski huiverde, toen hij nu het akelige verblijf binnentrad, dat hij voor eenige uren genoodzaakt was geweest te kiezen, ten einde Jaromir, die, na van Bianca gescheiden te zijn, eerst in vlagen van woede en vervolgens in wezenlooze, doodelijke afmatting was vervallen, althans eene legerstede te verschaffen.—Thans, in het uur van middernacht, was dit afgrijselijk hol, ook zelfs voor een bewustelooze, eene helsche strafplaats. Een enkele, flauw opflikkerende lamp verspreidde een mat licht door de kelderachtige ruimte. In een breeden kring lagen de arme, met bloedige lompen bedekte lijders op het spaarzame stroo uitgestrekt; eenigen met gapende wonden en afzichtelijk verminkt, anderen door de diepste ellende onkenbaar en misvormd. Diep, zwaar ademhalen, dof reutelen en rochelen waren de eenige geluiden, die zich hooren lieten. Een ijzige wind blies door het gewelf; want de vensters waren ten deele van glasruiten beroofd, zoodat de sneeuw van buiten insloeg en zich tot nabij de ligplaatsen der rampzaligen ophoopte.

„Dus hier!” sprak Lodoiska met bevende stem en een kil afgrijzen versteende hare borst.

Paul lichtte eenige lijders met de lantaarn in het gezicht. Zij staarden hem met wijd opengespalkte oogen aan, zonder een ooglid te verroeren.

„Dat zijn dooden, vriend,” sprak Rasinski; „de koude heeft hen versteend. Verder!” Lodoiska klemde zich aan de gravin vast.

Men moest zich door eene akelige opeenhooping van dooden en stervenden een weg banen, zoodat de voet, hoe behoedzaam ook neergezet, telkenreize tegen roerlooze ledematen stiet. Aan Rasinski's arm hangend, zweefde de schoone gestalte van Lodoiska als die van een engel des lichts door deze donkere grafgewelven.

„Het was toch goed, dat wij u geleiden, mijn kind,” sprak de gravin, die zelve alle kracht moest bijeenrapen, om zich staande te houden.

„Onder de bescherming der heiligen zou ik het ook alleen gewaagd hebben,” hernam het meisje en sloeg geloovig het oog ten hemel.

Paul hief de lantaarn omhoog en lichtte naar een donkeren hoek, waar nog geen lichtstraal was doorgedrongen, daar het schijnsel der aan het gewelf brandende lamp door een breede pilaar werd onderschept.

„Daar ligt nog iemand,” sprak hij en wees met den vinger.

„Barmhartige moeder Gods, dat is hij!” riep Lodoiska met zulk eene hevigheid, dat de hartverscheurende kreet door het gewelf weergalmde, terwijl zij geheel verpletterd aan Rasinski's borst zeeg. „Ja, hij is het,” herhaalde deze op somberen toon; „hij lijdt zwaar!”

Lodoiska's bedwelming was van korten duur, weldra gaf de liefde haar nieuwe krachten. „O, laat mij aan zijn leger nederknielen,” bad zij met bevende stem; „ach, ik smeek u!”

Rasinski ondersteunde hare wankelende schreden; doch Paul moest eerst eenige lijken uit den weg ruimen, eer men Jaromirs strooleger naderen kon.

Dicht in zijn mantel gewikkeld lag hij daar en, het licht bemerkende, richtte hij zich op. Met strakke, verglaasde oogen, waaruit stille waanzin sprak, tuurde hij een wijle in de vlam; een vliegende koortsgloed kleurde daarop zijne holle, uitgeteerde wangen en zich woest vooroverbuigend, wilde hij het schijnsel met de hand naar zich toerukken.

De onverschrokken gravin deed huiverend eene schrede achterwaarts. Is dat de schoone jongeling, vroeg zij zich zelve, die voor weinige maanden nog een toonbeeld was van bloei en leven? Hij, dit bleeke nachtspooksel uit het graf?

„Wat wilt gij?” vroeg Jaromir met holle, slepende stem. „Wat komt gij hier doen in mijn graf? Weg met dien fakkel!”

De snijdende smart hield Lodoiska's lippen krampachtig toegeklemd; zelfs de liefde was niet bestand tegen deze vreeselijke beproeving en mocht de boeien van het innerlijk afgrijzen niet verbreken.

„Jaromir! Wees een man! Herken ons!” riep Rasinski den ongelukkige toe en legde zijn warme hand op diens ijskouden arm.

Men zag dat 's jongelings waanzinnige verbijstering worstelde met het bewustzijn, hetwelk Rasinski's aanblik bij hem wekte; in al zijne blikken kon men lezen, dat zijne ziel zich uit de vreeselijke bedwelming poogde los te rukken.

Eindelijk had Lodoiska den kamp volstreden. Zij knielde naast den geliefde neder, nam zijne hand, zag hem aan en vroeg met ontroerende stem: „Jaromir! herkent gij mij niet meer? O, geef mij slechts één teeken van uwe liefde!”

Tweemalen streek hij met de hand over het voorhoofd, als om eene hevige pijn of drukking te verdrijven; toen vlamde plotseling een vluchtige glans in zijn brekend oog op. „Lodoiska!” riep hij uit en poogde de armen uit te strekken, doch vruchteloos, nog eenmaal ademde hij diep uit de borst, en het gansche lichaam kromp ineen, het oog sloot zich, en roerloos zeeg hij achterover.

„Alle heiligen, beschermt hem, hij sterft!” riep Lodoiska en wrong de handen.

„Neen, de vreugde heeft hem overweldigd,” sprak Rasinski vertroostend. „Laat ons van zijne onmacht gebruik maken, om hem uit dit akelig verblijf te verwijderen.”

„Mijn vriend, er zal een tijd der vergelding komen,” dus wendde hij zich tot Paul, „leen mij thans nog uw bijstand en help mij den ongelukkige naar uwe woning brengen. Hier moet hij sterven.”

„Gaarne, gaarne,” riep de goedhartige man; „en het zal weinig moeite kosten. Op het portaal staan draagbaren en in mijn huis is zeker nog wel een plaatsje open.”

Onverwijld hieven zij den onmachtige op en droegen hem naar buiten, waar zij hem voorzichtig op de baar nederlegden. Lodoiska, die hen aan den arm der moeder met wankelende schreden gevolgd was, herkreeg kracht en bezinning, toen de liefde thans hare diensten vorderde. Zorgvuldig dekte zij den jongeling toe, om alle koude van hem af te weren, en geleidde zoo den stervenden vriend naar het gastvrije dak, waar bevriende gestalten in plaats van schrikbeelden diens legerstede omringen zouden.

Weldra had men Pauls woning bereikt; met sprakelooze droefheid ontvingen de getrouwe lotgenooten den beklagenswaardigen vriend, en als twee liefderijke beschermengelen zetten Maria en Lodoiska zich naast de baar neder, om gedurende het verdere van den nacht bij hem te waken. Hij lag in onrustige sluimering en sprak dikwijls in zijne koortsverwarring. Meermalen noemde hij Lodoiska's en Bianca's namen, eens riep hij: „Alisette, Alisette—weg, weg, gij schoone slang!”

Met welk eene gewaarwording hoorde de minnende Lodoiska dezen naam! Zij had hem zoo geheel, zoo oprecht vergeven—zij vergaf ook de verleidster!—O, ware zij slechts in staat geweest, dezen troost in zijne door folterende wroegingen gemartelde borst uit te storten!

Maria was, door vermoeidheid uitgeput, in een armstoel in slaap gezonken.

Diepe nacht en eenzaamheid omgaven thans de minnende. Welk een oogenblik van zaligheid, ware zij niet door de vreeselijk gapende kloof van hem gescheiden geweest, die zich onoverkomelijk als het doodenrijk opdoet, zoodra de banden van het heldere bewustzijn verbroken zijn.

In het gebed alleen vond de arme hoop en troost. Zij knielde neder en wendde haar hart en gelaat ten hemel. „O Vader daar boven,” dus smeekte zij, „laat het heldere licht van klaar bewustzijn slechts nog eenmaal in zijne borst schijnen! Voer zijne ziel nog eenmaal naar deze aarde terug, zoo schoon en rein, als zij eens in hem woonde! Ach, de dood kan hem immers niet zoo akelig van mij scheiden, als deze zwarte gevangenis, waarin hij gekerkerd ligt; want hebt Gij hem weggenomen, dan woont hij bij U in eeuwig licht en onze gedachten kunnen zich getroost tot hem verheffen. Nu echter doolt hij als een verdoemde in de duisternis om; zijn geest zwerft in een woesten baaierd rond en vindt nergens rust, nergens troost. O, maak hem los uit die akelige kluisters—wees genadig, o Albarmhartige, en ontferm U over hem en mij!”

Allengs spoedde de lange nacht ten einde en de grauwe schemering van den morgen drong tot het stille vertrek door. Zij trad aan het venster. De hemel was helder; het licht der verbleekende sterren tintelde nog met laatsten matten glans op het diepe blauw. Aan den zuidoostelijken horizon vertoonde zich een roodachtige gloed en kleurde de lichte wolken. In droef gepeins verzonken, staarde Lodoiska voor zich heen en tranen verduisterden haar oog; doch het waren zoete tranen, zij ontsprongen uit een heilig vertrouwen, dat na het langdurig lijden hare borst met zachte, weemoedige hoop vervulde. Zij wendde het hoofd om naar de legerstede van den vriend haars harten. Hij sliep gerust, zijne ademhaling was geregeld, ja, een lachje zweefde om zijne lippen, en de eerste vriendelijke schemering van den morgen speelde op de bleeke wangen. Het was niet meer de macht der krankzinnigheid, die hem boeide, maar een verkwikkende slaap, die op de uitputting volgde.

„Heilige moeder Gods, wees gij hem met uwen zegen nabij!” zuchtte het meisje en trad bevend nader. Eene zoete beklemdheid maakte zich van haar meester en de hoop werd in haar levendig, dat het oog des ontwakenden haar nu eindelijk herkennen zou. Met ingehouden adem over hem neergebogen, luisterde zij naar het ademen zijner lippen, naar het slaan van zijn hart. „O, thans geniet hij een kalmen, rustigen slaap,” fluisterde zij, inwendig juichend, en wierp zich voor zijne legerstede op de knieën neder.

Het morgenrood schoot vriendelijke stralen door het venster en bescheen het gelaat van den sluimerende. Eensklaps opende hij de oogen en zuchtte: „Nu is het voorbij!” Zijn blik was niet meer woest en verwilderd; eene stille, zachte verrukking stond op al zijne gelaatstrekken te lezen. Onuitsprekelijke zaligheid daalde in Lodoiska's boezem neder, doch met inspanning van al hare krachten bedwong zij zich, daar zij beducht was, dat eene plotselinge uitbarsting van vreugde den nauwelijks aangeknoopten band van het bewustzijn opnieuw verscheuren zou. Sidderend bleef zij op de knieën liggen en fluisterde met bevende lippen: „Zijt gij nu beter, mijn geliefde!”

Kruiselings legde hij de handen op de borst, hief het hoofd een weinig op en sprak zacht, op den toon van eerbiedige vereering: „O, ik herken u, gij heilige, in den gulden stralengloed; gij zijt nu eene zalige, en ook voor mij openen zich de poorten des vredes.—O, reik mij nu ook de hand ten teeken van verzoening.”

Hij verwijlde nog te midden zijner droomgestalten, onder welke hij vooral Lodoiska gezien had. Thans, nu zij, door het morgenrood omstraald, met golvende lokken voor hem knielde, gingen die verbleekende beelden van den droom, alles verflauwend, in de werkelijkheid over, en waande hij in het verblijf der zaligen ontwaakt te zijn.

Zij reikte hem vriendelijk de hand en vroeg op den zachten, smeltenden toon der liefde, die in tranen van verrukking wegstierf: „Eindelijk herkent gij mij weder? O, gij hebt akelig gedroomd! Ik ben het, mijn Jaromir, levend en werkelijk, minnend en gelukkig!”

„Heilige God!” stamelde hij, „waar ben ik dan, waar was ik—neen, neen, gij zwarte nachtspooksels, keert niet weder uit het duister terug!”

Met de hand maakte hij een afwerende beweging en blikte schuw in het rond. Lodoiska, als wilde zij hem tegen de schrikbeelden beschermen, sloeg hare sidderende armen om zijn hals en drukte zachte kussen op zijne lippen. „Neen, neen geliefde,” fluisterde zij, „vrees niets, gij leeft en rust aan mijn hart; hier zal geen akelige droom u kwellen.”

In zalige bedwelming drukte hij zijn gelaat tegen de borst van zijne geliefde; en toen zijne wang aan haar hart rustte, zijn oor het hoorde kloppen en jagen, toen keerde hij in het rijk der werkelijkheid en waarheid terug, en verscheurd was de sluier, die zijne ziel omhuld hield—verscheurd ook de laatste band des levens in het verwoeste lichaam!

[Illustratie: „Barmhartige moeder Gods, dat is hij!” riep Lodoiska.]

Afgemat hief hij het hoofd tot den geliefde op, dronk een zoeten kus van hare lippen en lispelde langzaam: „Nu weet ik alles!—En gij vergeeft mij alles, Lodoiska?”

„Mijn hart kan slechts beminnen,” riep zij, half verstikt in den opwellenden stroom van tranen.

Nog vermoedde zij niet, dat dit oogenblik van overstelpend geluk haar tevens den beker der diepste, grievendste smart zou te drinken geven. Slechts de hoogst mogelijke opgewondenheid van alle krachten zijner ziel hield het leven nog in Jaromirs boezem terug.

„O, gij werdt edeler, oprechter, trouwer bemind, dan door mij,” zuchtte hij smartelijk. „Boleslaw was uwer waardig! De mond des stervenden ontdekte mij het heilige geheim!—Nu kan ik hem daarboven vrij te gemoet gaan!”

Bleek en roerloos zeeg hij op het kussen terug en zijne armen vermochten de geliefde niet meer te omvatten.

„Heilige moeder,” kreet zij, toen zij hem verbleeken zag, „hij sterft, hij sterft!”

Bij dezen angstigen uitroep ontwaakte Maria; met één oogopslag begreep zij wat er voorviel en snelde toe, om de ongelukkige vriendin te ondersteunen.

„Hij sterft, hij sterft, Maria!” jammerde deze nogmaals en wrong vol vertwijfeling de handen.

Maria zag wel, dat menschelijke hulp hier geene redding meer kon aanbrengen. Zij herinnerde zich dus de belofte, welke de gravin gisteren in stilte van haar geëischt had, om haar, zoodra er iets bedenkelijks mocht voorvallen, onverwijld te wekken. „Ik zal zijne moeder roepen,” sprak zij tot de radelooze en ijlde naar het nevenvertrek.

Zij vond de gravin reeds aangekleed en Rasinski bij haar, die hevig ontroerd scheen. Haar bleek, ontsteld gelaat voorspelde niets goeds.

„Wat gebeurt er?” vroeg de gravin.

„Ik vrees, hij sterft,” was haar zacht antwoord, dat zij met een veelbeteekenenden wenk verzelde, uit vrees, dat Lodoiska, wier hoop zij zoolang mogelijk wilde staande houden, iets hooren zoude.—Driftig en ontsteld traden beiden naar binnen. Zij vonden de ongelukkige weenend op den jongeling neergebogen en zijne handen in de hare houdende, die hij, den dood voelende naderen, angstig gegrepen en vastgeklemd had.

Nog herkende hij de binnentredenden; want hij lachte hun vriendelijk toe, doch de spraak ontbrak hem.

Door Axinia, die in het voorvertrek Lodoiska's angstkreet gehoord had, geroepen, traden thans Lodewijk, Bernard en Bianca binnen en naderden zwijgend het sterfbed.—Bianca had eerst in den vroegen ochtend van haren broeder vernomen, dat Rasinski was wedergevonden. Op dezen trad zij dus het eerst toe, reikte hem de hand ter begroeting en verborg, hevig ontroerd, het schoone hoofd aan zijne mannelijke borst. „U hebben wij terug,” snikte zij, „en toch wordt een nieuw offer gevorderd!—O, vriend....” hare stem verstikte in tranen en zij moest haar gelaat bedekken.

Rasinski trad, tot het diepst zijner ziel geschokt en bewogen, maar toch uiterlijk zich zelf meester, aan het leger van zijn jeugdigen vriend. „Mijn zoon, kent gij uw vader niet meer? Mijn Jaromir, kent gij uw wapenbroeder niet?”

De stervende sloeg bij het hooren van die stem het oog op, en een vriendelijk lachje vloog over zijne lippen. Hij bewoog de rechterhand, als wilde hij die naar hem, die zijn vader, broeder en vriend tevens geweest was, uitstrekken. Rasinski greep haar, en Lodoiska liet ze hem gewillig over.

Een heilig stilzwijgen heerschte in den kring; niets dan de onwillekeurige toon der smart brak de diepste stilte af. Nog eens verhief zich de borst des stervenden en haalde diep adem. „Vaartwel, vrienden, geliefden!” zuchtte hij; zijne lippen verbleekten, zijn oog brak,—hij had geleden.

In sprakelooze droefheid wierp Lodoiska zich op den ontslapene neder en hield hem vast in hare armen geklemd.

De broeder- en zusterparen, die het sterfbed omringden, hielden elkander omvat;—het was, als zouden zij borst aan borst hun diepe smart uitweenen!

HOOFDSTUK V.

Eensklaps dreunde de doffe donderslag van een kanonschot door de diepe stilte, en wel zóó nabij, dat de vensters dreunden.

„Wat is dat?” riep Rasinski en richtte zich driftig op. Maar nog eer hij had uitgesproken, kraakte de volle laag eener batterij, zoodat de aardbodem beefde.

„Heilige God!” riep de gravin, „is de vijand zoo nabij?”

Maria verbleekte; want voor haar was dit geluid nog vreemd.

„Ik moet weg,” sprak Rasinski op vasten toon; „wij zijn aangevallen.”

„Wij verzellen u,” riep Lodewijk, en Bernard sprong naar de wapens, die op een stoel lagen.

„Neen, dat nooit,” beval Rasinski met waardigheid. „Gij hebt in dezen kamp niets meer te bevechten! Blijft hier, en beschermt, wat mij en u het dierbaarst is.”

„Wij laten u niet alleen in 't gevecht,” riep Lodewijk heftig en wilde hem tegenhouden.

„Gij zult, gij moet! Mij roept de plicht derwaarts, u bindt zij hier,” hernam Rasinski met nadruk en wees Lodewijk terug.

„Neen, gij moogt ons het recht, om aan uwe zijde te staan, niet rooven,” sprak Bernard; „want gij kunt het zelfverwijt niet van onze ziel wentelen, wanneer gij valt, waar onze bijstand u had kunnen redden.”

Buiten roffelden de trommen met oorverdoovend gedreun door de enge straten. Woest geschreeuw, donderend geschutgekraak, schel trompetgeschetter klonken verward dooreen, volk en soldaten stroomden te hoop.

„Zoo gij ooit mijn wil geëerbiedigd hebt,” riep Rasinski en richtte zich met de hem aangeboren waardigheid op, „dan blijft terug. Gehoorzaamt mij in deze minuut voor de laatste maal als uw bevelhebber. Ik gebied u, blijft!”

De vrouwen waren door smart en angst te hevig ontroerd, om de nieuwe spanning, welke deze edelmoedige strijd in haar had moeten verwekken, in hare volle kracht te gevoelen. Zonder het zelve te weten, viel haar de met harde bezoekingen gewoonlijk gepaard gaande weldaad ten deel, dat de van vele zijden tegelijk treffende slag elkander onderling krachteloos maakten, wijl de menschelijke borst, gelijk een vaatwerk, slechts voor eene bestemde mate ruimte heeft. Moge de stroom van den rampspoed dan ook met toomeloos geweld daarover heenbruisen, hij vult het niet hooger aan, maar de overmaat der smart vloeit zonder gevoeld of bemerkt te worden voorbij.

Alleen Maria, op wie de dood van Jaromir niet dien verpletterenden indruk gemaakt had, zag met bange bezorgdheid den afloop van dezen strijd tegemoet. Nu zij zag, hoe de edele man, die haar eens zijne liefde bood en de hare wegdroeg zich thans in het gevaar van den slag storten en zich moedig aan den dood voor eer en vaderland wijden wilde, vlamde de diep verborgen gloed weder levendig in haar op en sidderde zij voor het dierbare leven.

Door dit gevoel gedreven, trad zij tusschen de mannen. „Roept de strijd u dan ook nu nog?” vroeg zij; en hief het oog smeekend tot Rasinski op; „is het nog plicht, zich aan den dood te wijden, wanneer uit de geheele schipbreuk toch niets meer te redden is? O, blijft gij ook, opdat het uur van ons wederzien niet dat der onuitsprekelijke smart tevens worde, zoo....”

Hier brak zij af; zij waagde niet uit te spreken, wat zij dacht en vreesde.

„Maria!” riep Rasinski met eene stem, die zijn gansche hart openlegde, „Maria!” Hij stond in den hevigsten tweestrijd met zich zelf en staarde haar smartelijk aan. Een oogenblik scheen het hem toe, dat de ijzeren scheidsmuur, die tusschen haar en hem oprees, was omvergerukt door de reuzenkracht der omstandigheden. Met onweerstaanbare banden voelde hij zich aan de schoone gestalte gekluisterd, die de vriendelijke genius van zijn leven zijn kon. Doch de zoete begoocheling duurde slechts eene seconde. De zachte nevelsluiers scheurden, het bedriegelijke wolkenfloers werd weggevaagd en de onverbiddelijke waarheid stond weder, krachtiger dan ooit, in hare barsche majesteit voor hem. Niets was veranderd; de scheidende kloof gaapte slechts nog dieper, dan ooit te voren. Hij bevroedde het en sprak vast, maar zacht: „Neen, ook deze bede mag mij niet terughouden! Vaartwel! Gij blijft!”

Onstuimig scheurde hij zich los en snelde naar buiten.

Maria waggelde als bedwelmd eenige schreden achteruit en zonk mat en krachteloos in de armen haars broeders. Bernards scherpziend oog drong tot in de binnenste schuilhoeken van haar hart door; Rasinski had het geheim van zijn hart met een enkel woord onthuld.

Dus hij—en zij, dacht hij, en de smart klemde hem de borst krampachtig te zamen. „O, hij laat ons den zwaarsten plicht over!” riep hij, zijnen boezem lucht gevende. „Wien de volle maalstroom des levens heeft aangegrepen, die weet, dat een slag slechts een lustig speeltochtje is, waarbij de vloek spelend tegen de boot kabbelt!”

Lodewijk verstond den vriend slechts ten halve en voor zoover hij in hetzelfde gevoel deelen kon.

„Ongetwijfeld hebben wij een zwaren strijd van zelfverloochening te voeren,” antwoordde hij; „doch op zijn edel hart drukte juist datgene met ondragelijke zwaarte, wat ons ruimte en verademing geeft. Daarom kampt hij zwaarder en mannelijker dan wij.”

„O,” riep Maria uit, „o geliefden, vraagt niet, wie hier den bittersten kelk der smarte ledigt!—Het lijden is eene zee geworden; de vloed stijgt boven het peil van elk hart!”

„Bergen hoog!” mompelde Bernard barsch en wrevelig; „op ettelijke torenshoogten komt het niet meer aan.”—Hij rilde als in koortskoude.—De ontdekking, dat Maria een ander beminde, was als een rotsklomp op zijne borst gevallen en had ze verpletterd.—Hij is de edelste, de waardigste, dacht hij en ging driftig op en neder; doch dat kan mij niet troosten, het vernietigt mij des te zekerder, want zooveel verder ook verdringt hij mijn beeld uit hare ziel! En deze liefde was de leidstar, die ik volgde door de zwarte wildernis van onzen jammertocht. Haar zacht licht alleen verschafte mij troost en sterkte—ik bereikte het doel, en zij verzinkt, en alles is duisterder dan ooit!

In gepeins verdiept, den strakken blik op den grond geslagen, stond hij als bedwelmd en bemerkte niet, wat om hem voorviel. Daar legde zich een zachte arm om zijn hals, en hij voelde eene gloeiende wang aan de zijne—het was Bianca.

„Zuster!” riep hij met ontroerde stem, „zuster!—Ja, u heb ik nog behouden!”

Maria had misschien een donker vermoeden van hetgeen in zijne ziel omging; wellicht ook deden zich in haar binnenste nieuwe verborgen stemmen van een gevoel hooren, dat zij aan één enkele waande te hebben uitgeput. Zacht, ja bijna deemoedig, als had zij een zwaar onrecht goed te maken, trad zij derhalve op Bernard toe en sprak, ten antwoord op zijne smartelijke ontboezeming: „Ook wij, hoop ik, blijven innig verbonden; de broeder zal niet vergeten, dat hij een vriend en eene vriendin bezit, die hem meer dan haar leven verschuldigd is!”

Bernard zag haar verbaasd aan. Zij was de eerste, die de hand naar hem uitstrekte en de zijne aangreep. „O, ik weet, wat Lodewijks zuster den vriend haars broeders te danken heeft,” vervolgde zij. „Mij dunkt, ik heb nu twee broeders, en—wij zijn zusters!”

Deze laatste woorden richtte zij tot Bianca, die haar met zusterlijke liefde aan het hart drukte.

Bernard wilde antwoorden, doch zijne tong weigerde hem haar dienst, zoozeer was zijn hart gebroken en innerlijk ontroerd. Zou deze trouwhartige, vrijwillig aangeboden vriendschap en vereeniging aan zijne hoop voedsel geven of die geheel vernietigen? Hij wist het niet, ja hij wist nauwelijks, wat hij wenschen moest. Edel toch, gelijk hij was, had hem de gedachte reeds bezwaard, dat zijn geluk niet dan uit het ongeluk eens anderen kon ontkiemen. Rasinski, in zijne mannelijke droefheid, stond voor hem, en zijn grootmoedig hart deelde in het lot van den vriend, alsof het zijn eigen ware.

De gravin trad nader uit het andere einde van het vertrek, waar zij zich bij het lijk des jongelings slechts met Lodoiska had beziggehouden. Haar gang was langzaam; men kon zien, dat de hooge gestalte zich met moeite staande hield. „Mijn broeder is weg,” begon zij, minder vragend, dan wel zich die vraag zelve beantwoordende: „hij had zich toch den tijd tot afscheid moeten gunnen. Wie weet, of wij elkander wederzien.—Ik voor mij heb het hopen verleerd!”

Zij stond bleek, maar met opgerichten hoofde, als achtte zij het beneden zich, haren nek onder den last der rampspoeden te buigen; echter parelde een traan tusschen hare oogleden en omnevelde het groote, donkere oog met droeven schemer. Maria en Bianca traden deelnemend op haar toe; aan beiden reikte zij de hand en trok haar diep ontroerd nader.

„O mijne dochters! Gij zijt jong; het leven greep u reeds vroeg met ruwe hand aan—maar het verpletterde u niet zoo gruwzaam als deze arme.”—Zij wees op Lodoiska, die bleek, stom en koud als een marmerbeeld, aan Jaromirs rustbed zat en zijne verstijfde hand niet losliet.

„Welk een lot! Hier een zielverscheurend lijden, dat geen traan verzacht; daarbuiten verwoesting, dood, gruwelen, ontzetting! Hoort gij, hoe de moordgierige donder rolt? O, hij kan ook het edelste hoofd treffen, dat zoo mannelijk de stormen tartte! Wellicht kunnen we 't uit deze vensters aanzien, hoe het vermorzelend lood hem verplettert.”

„O nooit, nooit!” snikte Maria.

„Gij weent! Arm kind! Zoo waant gij de grimmigheid van het noodlot te verzoenen? Erts ware gesmolten in mijne gloeiende tranen, doch de machten daarboven bleven koud en gevoelloos. Neen, neen! Waan niet, dat de hemel het kermen uit verbrijzelde borst aanhoort! Hij is doof, ondoordringbaar zijn ijzeren gewelf, vloeken en gebeden sterven weg in het ijdele luchtruim!—En meent gij, dat wij tot den bodem des afgronds zijn afgedaald? O, wij kunnen nog onmetelijk dieper zinken. Bij de ellende zal zich hoon, schimp en verguizing voegen. Dra zal de vijand triomfeeren! Wellicht zie ik mijn broeder gebonden, bloedend hier voorbijsleepen, wellicht ook deze jongelingen, ons zelve. Want ik ben eene dochter van Polen, en ons is onverzoenbare wraak, onuitwischbare schande gezworen. Doch eer ik deze zachte handen,” zij wees op Lodoiska, „in slaafsche banden gekneld, eer ik hare kuische schoonheid door barbaarsche tijgers bevlekt zie, eer zal mijne eigene hand haar doorboren! Eene poolsche moeder is niet zwakker dan een romeinsch vader—en zij zal voor den dood niet sidderen!”

Rillend had zij voleind; hare overbeladen borst moest zich lucht maken. Diep en verruimd haalde zij adem en zonk daarop uitgeput in een armstoel neder.

Bianca naderde en omarmde haar met vertroostende liefde. „Neen, edele vrouw,” sprak zij uit vaste overtuiging, „zoo ver zal het niet komen. Thans zal ik mijne rechten, als eene dochter van Rusland, doen gelden. Wie het ook zij, die deze stad vijandelijk binnendringt, ik wend mij tot hem en hij zal ons bescherming verleenen. Zóó ver gaat zelfs de verbittering van den oorlog niet. Er klopt geen hart op aarde, dat onze smart koud zou laten. Ook de ruwe mannen van dit land zullen zich laten verbidden, zoo niet, dan zal ik hen mijn naam doen eerbiedigen. Het recht, om dien te doen gelden, heb ik nog niet verloren!”

Inmiddels kwam het gewoel van het gevecht nader en nader, Paul was naar buiten gesneld, ten einde te ontdekken, van welke zijde de aanval geschiedde. Ademloos kwam hij terug en meldde: „Voor de poorten komt het tot een hardnekkig gevecht. Ik zag den graaf en maarschalk Ney aan vluchtende soldaten de geweren uit de hand rukken en zelven naar de wal vliegen, om den vijand het indringen te beletten. Daarop heeft het volk zich weer verzameld en houdt zich nu dapper, terwijl de overigen door alle poorten aftrekken. De weg naar Memel is reeds met troepen bezaaid. Binnen een paar uren moet de Rus meester in de stad zijn.”

Hij had nauwelijks geëindigd, toen de deur openvloog en Rasinski zelf binnenstoof. „Almachtige hemel, mijn broeder!” riep de gravin en hing in zijne armen.

Hij bloedde aan het voorhoofd; zijn gezicht was zwart van kruitdamp, doch zijn oog vlamde met den ouden vuurgloed.

„Het dringendste gevaar is voorbij,” riep hij; „een oogenblik is mij tot afscheidnemen vergund. Binnen weinige minuten wacht de maarschalk mij terug.—Dra zullen de Russen de stad bezetten; tot vluchten is het te laat: houd u dus verborgen, tot de eerste storm voorbij is. Dan gaat gij naar Warschau, Johanna; daar zult gij weer van mij hooren. Vaarwel! U, mijne vrienden, raad ik, naar Pruisen de wijk te nemen; dat is het naast en vervolging hebt gij niet te duchten. Onze wegen loopen nu uiteen. Wij hebben trouw en wel met elkander geleefd.—God zegene u mijne broeders!”

Zij lagen in zijne armen; hij schaamde zich de tranen niet, die langs zijne mannelijke wangen rolden, doch bleef standvastig, daar hij zulks wilde blijven.

„Het moet zijn,” sprak hij na eene heilige, onvergetelijke minuut; „ik heb geen tijd meer voor al mijne geliefden! Ook gij vaartwel, gij vriendelijke engelen! Bianca—Maria!”

Bianca, die hem liefhad als een vader wierp zich snikkend aan zijne hijgende borst; hij kuste haar het voorhoofd en legde de handen zegenend op hare lokken. „Gij waart onze lieve beschermheilige in nood en gevaren; uwe nabijheid was mijn troost. Thans scheuren de ruwe stormen ons vaneen—mocht gij voortaan op zachter paden wandelen!”

Maria stond schuw van verre. Rasinski trad een schrede nader. „Maria”, stamelde hij, „wij zien elkander voor de laatste maal!”

Toen deden liefde en smart hare heilige rechten gelden. In het zegepralend gevoel van haar onbetwistbaar, onuitsprekelijk duur bestreden recht zonk de schuwe jonkvrouw, door weedom en zaligheid overstelpt, aan het hart des edelen mans, en hare maagdelijke lippen klemden zich vurig op de zijne.

„Mijn waart gij in dit schoone oogenblik, Maria!” sprak hij vol weemoed en wond zich zacht uit hare armen los; „thans, wees weder geheel de uwe! Gij hadt gelijk, gij edele, schoone ziel; tusschen ons is een diepe kloof geopend, waarover geen pad leidt, dan dat der schuld. Heil ons, wij zullen het niet bewandelen!”

Hij voerde de in tranen wegsmeltende in de armen des broeders.

„De minuten zijn verstreken, ik moet weg!” Ras wendde hij zich af en wilde voortijlen.

Nu rukte Lodoiska zich met geweld uit hare doffe wezenloosheid los. „Vader, mijn vader, wilt gij mij vergeten!” kreet zij op hartverscheurenden toon en wankelde hem te gemoet.

Huiverend ving hij de nederzinkende in zijne armen op. „Neen, neen, gij schoone, bleeke roos! Hoe zou ik u vergeten!” sprak hij weemoedig en drukte haar met vaderlijke teederheid aan zijn hart. „Doch tranen heb ik niet voor uw lijden—tranen zijn te arm!”

Sprakeloos hing zij aan zijne borst; het rijke haar golfde in losse vlechten langs hare ranke gestalte; vaster en vaster prangde zij het gelaat tegen zijn vaderhart. Doch de kracht begaf haar, de knieën knikten, het bleeke hoofd zonk achterover, en met gesloten oogen rustte zij als levenloos in Rasinski's armen. Hij liet haar behoedzaam op een stoel nederglijden, drukte nog een kus op het voorhoofd en ijlde hierop met rassche schreden naar de deur. Bernard en Lodewijk wilden hem volgen, doch hij wees hen met de hand terug, riep, geheel overmand, met gesmoorde stem: „Het is genoeg!” en was verdwenen.

Maria vloog naar het venster, om hem nog een liefdevollen blik na te zenden. Op de straten woelden burgers en soldaten in bont gewemel dooreen. Rasinski trad onder een dichten hoop en wierp zich, met de zedelijke overmacht van zijn krachtigen heldengeest, dadelijk tot hun aanvoerder op. Met getrokken sabel plaatste hij zich aan de spits en nam zijn weg naar het midden der stad. Te vergeefs wachtte Maria, dat hij het hoofd nog eenmaal zou omwenden.

Hij deed het niet; de brug, die hem met de meer vriendelijke oevers des levens verbond, had hij thans achter zich afgebroken en hij wierp nu ook zelfs geen blik meer terug, want zich vruchteloos aan ontzenuwend, smachtend verlangen over te geven lag niet in zijn aard. Van de zusterlijke borst, uit de armen der liefde en vriendschap had de onverbiddelijke plicht hem weggerukt, nu volgde hij ook dezen alleen en toonde den soldaten het ijzeren, fiere heldenvoorhoofd.

De bruisende stroom van het gevecht sleurde hem spoedig met zich voort en sloeg met verkoelende golven tegen zijne borst. Reeds drong de vijand voorwaarts en tastte de stad van alle zijden aan. Donderende kanonschoten deden de gebouwen dreunen, doffe trommelslagen weergalmden door alle straten, angst- en jammerkreten van vrouwen en gewonden verdeelden de lucht.

De ondragelijke smart, die het hart der vrouwen geheel vervulde, liet de zwakkere gewaarwordingen van angst en bezorgdheid bij haar nauwelijks plaats vinden. Lodoiska hoorde niets van het gewoel daarbuiten, maar lag in aanhoudende bedwelming. De gravin was op het ergste voorbereid en hoopte of vreesde niets meer; Bianca en Maria zochten troost bij hare broeders, de eenigen, die in hun hart nog ruimte voor zorg behielden en den loop van het gevecht met angstvolle verwachting volgden.

Plotseling kraakten geweerschoten dicht voor het huis en een woest getier van stemmen verhief zich. Bernard sprong aan het venster.

„De stad moet omsingeld zijn,” riep hij; „dat zijn kozakken, die hier door de poort rennen.”

Inderdaad bezette eene afdeeling kozakken de poort en greep eene kleine schaar Franschen, die juist door haar de stad verlaten wilde, verwoed aan. Doch deze stelden zich, hoewel uiteengedreven, onverschrokken te weer, en zoo werd de ruimte onmiddellijk voor het huis de schouwplaats van een hardnekkig straatgevecht.

„Neemt de wijk naar de achterkamer,” smeekte Lodewijk de vrouwen; „hoe licht kunnen de kogels hier inslaan.”

„Dan moogt gij hier ook niet blijven,” hernam Bianca; „waar gij zijt blijven wij ook.”

„Groote hemel, ik zie Rasinski,” riep Bernard en bijna gelijktijdig vernam men een sterk gelederenvuur.

Allen, zelfs Lodoiska, snelden op dezen uitroep naar het venster. „Waar?” vroeg de gravin, „waar is mijn broeder?”

„Daar, waar de gesloten infanterie aanrukt, zag ik hem midden in den kruitdamp te paard zitten,” antwoordde Bernard; „doch thans is hij in de wolk verdwenen.—Goddank, daar is hij, nu komt hij te voorschijn, zie, zijn paard steigert.”

„Hoe komt hij aan het paard?” vroeg Lodewijk.

„Buit! Buit! Het is een kozakkenrenner!” juichte Bernard en het vuur van den strijdlust gloeide op zijne wangen. „Achter hem volgt maarschalk Ney. Ziet gij, dáár?—Hier moeten zij doorslaan!”

De vrouwen sidderden.—De kamp woedde hevig; de roofgierige dood zwaaide zijne zeisen boven het hoofd der strijders; de onweerswolk van het verderf zweefde over de kruin des dierbaren. Zij wilden het oog afwenden, doch konden zulks niet; onverwrikt hing aller blik aan den geliefden man, als konden zij daardoor het dreigend gevaar van hem afweren.

Als krijgsgod rende Rasinski door den kruitdamp, de met pels omzoomde poolsche muts fier op het voorhoofd, de sabel getrokken.

„Voorwaarts, kameraden, wij moeten ons baanbreken,” klonk zijne machtig gebiedende stem en boezemde zelfs den vrouwen moed en vertrouwen in.

De scharen rukten gesloten op, Rasinski met zijn steigerend ros aan de spits. De kozakken deinsden terug, geraakten in verwarring en zouden de vlucht hebben genomen, ware de poort niet door de hen nadringende ruiters versperd geweest. De maarschalk Ney stond op eenigen afstand en ordende de aanrukkende massa's. Rasinski zag opmerkzaam naar hem om. Thans nam de veldheer den hoed af en zwaaide dien vederbos hoog in de lucht. Dit scheen het afgesproken teeken.

Hij reed, door de voorste rijen van het korps omgeven, voorwaarts; de ruiters rukten gesloten op. „Vuur!” klonk thans zijn commando, en het salvo kraakte. De vensters rinkelden, de vrouwen gaven een luiden gil, de straat lag in dichte nevelen van rook en damp gehuld, woeste aanvalskreten der soldaten verhieven zich uit de diepte.

Eene windvlaag verstrooide de wolken. Daar rende Rasinski door de heldere, vrije ruimte. Zijn krachtige sabelhouw deed een kozak van het paard tuimelen, een tweeden legde hij met zijn pistool neder. Over hunne lijken heen gaf hij zijn paard de sporen. „Voorwaarts, kameraden,” riep hij, zich ten halve op den zadel omkeerende, „de baan is open, breekt door! Zij vluchten! Voorwaarts!”

Eén blik wierp hij nog terug naar de bevende vrouwen aan het venster, en wenkte haar met flonkerende oogen een laatsten groet toe. Daarop stortte hij zich in het gedrang der wijkende vijanden, de zijnen volgden hem met luid gejubel, en binnen weinige oogenblikken was hij in den kruitdamp verdwenen.

ZESTIENDE BOEK.

HOOFDSTUK I.

Twee maanden waren er verloopen. De vreeselijke storm, die zoo veler levenslot tot in zijne diepste grondvesten geschokt had, was eindelijk voorbij. Dus ook deze wrange beker van lijden en ellende kon geledigd worden! De donkere wolken togen voorbij, de hemel werd helderder, het hart kon weder aan eene Voorzienigheid gelooven.

Lodewijk en Bernard hadden met Bianca en Maria Koningsbergen bereikt en daar eindelijk eene zekere verblijfplaats gevonden, tot welke de verschrikkingen van den oorlog niet doorgedrongen waren.

De tijd had hunne uitgeputte lichamen gesterkt en begon ook de bloedende wonden van de ziel te heelen.

De gravin was door Bianca's bemiddeling in veiligheid gebracht en met Lodoiska naar Warschau teruggekeerd.

Diep medelijden met den toestand dezer ongelukkigen en bezorgde deelneming in het lot van Rasinski, die door den stroom der krijgsgebeurtenissen rusteloos werd voortgedreven, waren de eenige donkere schaduwen, welke in het stille, gelukkige leven der vereenden vielen, die de Voorzienigheid langs zoo wonderbare wegen geleid en zoo kennelijk behoed had.

Welk een tijd der zoetste mededeelingen, hoewel ook met de weemoedigste herinneringen doormengd, mochten Lodewijk en Maria thans met elkander doorleven! In de eerste uren van hun wederzien werden zij door den storm der geweldige gebeurtenissen zoo onweerstaanbaar medegesleept, dat het hart geen tijd vond, zich aan het stille geluk der beschouwingen te wijden. Thans, in de lange winteravonden, nu een vertrouwelijk vertrek vier schoone zielen vereende, werden alle zorgen en bezwaren rijkelijk vergoed. Hun gesprek bepaalde zich bij voorkeur tot het verledene, op hetwelk de opkomende zon der toekomst nu reeds vriendelijker stralen begon terug te werpen, ja zelfs vertoefden de gedachten van broeder en zuster gaarne bij het graf der moeder, hoewel een zachte weemoed hun binnenste doordrong bij het herdenken van die edele ziel, die getrouwe hand, welke hen in de dagen hunner jeugd zoo liefderijk geleid had.

Met innige vreugde zag Lodewijk de vriendschap tusschen Bianca en Maria bloeien en aanwassen, maar met nog vuriger dankgevoel ontwaarde hij, dat Maria's zusterlijke toegenegenheid voor Bernard elken dag naarmate diens edel, groot hart zich meer en meer voor haar opende, ook warmer en inniger werd. In Bernards innerlijk gemoedsbestaan had eene gewichtige omkeering plaats gegrepen; het werd allengs kalmer, rustiger, bedaarder in hem. Als bij edelen wijn loste de opbruisende gloed der gisting zich in een helder, weldadig vuur op. Reeds de laatste vreeselijke worstelingen hadden den onstuimigen aandrang van ruwe kracht aanmerkelijk gewijzigd en bedwongen, doch de zuivere straal der liefde drong thans nog dieper in zijne woelige, rustelooze borst door, en hare golven werden kalm en effen, als duchtten zij, het heilige beeld zijner vereering misvormd terug te spiegelen. Het bedarend vermogen, waarmede vroeger reeds Bianca's nabijheid op hem gewerkt had, oefende Maria thans in een nog hoogeren graad uit. Hoe diep en smartelijk de gloed ook in hem brandde, bestreed hij dien toch mannelijk, als wilde hij Maria's liefde door zelfbeheersching en verloochening verdienen. Hij had een blik in het binnenste heiligdom harer ziel geworpen, en gelijk de edele gemakkelijk doorziet en verstaat, vermoedde ook hij den strijd, dien zij doorstaan had, en begreep hij, waarom zij kampte. Hare vurige vaderlandsliefde, die thans in nieuwe, schoone verwachtingen herleefde, kende hij en wist, wat zij daarvoor in staat was op te offeren. Voor zijne liefde durfde hij vooreerst nog niets hopen, doch van hare warme vriendschap was hij verzekerd, en uit dien hoofde wilde hij thans niet verder bij haar aandringen, daar hij de smart eerbiedigde der nog altijd in stilte bloeiende wonden harer ziel, die door de genezende kracht der zelfverloochening nauwelijks gesloten, nu onlangs weder zoo vreeselijk waren losgereten. Uit den grond van haar hart was zij hem dankbaar voor deze grootmoedige terughouding en matiging; want zij besefte, hoeveel strijd ze hem dagelijks kosten moest.

Hoe eerbiediger Bernard derhalve terugtrad, des te nauwer moest Maria zich ook aan hem verbonden, des te heiliger zich aan hem verplicht gevoelen.

Wellicht had zij er op zijne dringendste bede niet toe kunnen besluiten, hem haar hart te schenken; doch nu hij zwijgend en gestreng afstand deed, veroorzaakte dit van hare zijde eene vrijwillige, hartelijke toenadering, en van uur tot uur voelde zij eene sterkere verplichting, om diens geluk op vaste grondslagen te vestigen, die het zoo mannelijk edel wist op te offeren. Hoe meer liefde plicht bij haar werd, werd ook die plicht liefde. Zoo werd de zuivere, schoone bloesem eener edele toegenegenheid in de koesterende stralen van warme dankbaarheid en ongeveinsde hoogachting meer en meer ontwikkeld. Alleen de lichte, fijn geweven sluier harer maagdelijke schaamte en zijn heilige eerbied verborgen nog het zoete geheim van de minnende harten. Hij waagde het niet, de bloem aan te roeren, die zich met schuw gesloten kelk tot hem neigde. Beider hart zweefde thans in dit onzekere, bange geluk; doch stil en ongemerkt rijpt de kostelijke vrucht, en prijkt ze in vollen wasdom, dan valt zij, bij den minsten adem eener gunstige koelte, als van zelve in den geopenden schoot.

De zaden der wereldgeschiedenis rijpten meer en meer tegen den naderenden oogst. Reeds gistte en kookte het merkbaar in alle vaderlandsgezinde harten; men voelde den ijzeren druk van het juk, dat zoolang den nek gekromd had, een oogenblik opgeheven, en koen en vrij en hoopvol haalde de borst adem.

Op een avond, dat het viertal in een vertrouwelijk gesprek bijeen zat, werd er laat aan de deur geklopt, en op Lodewijks roep trad Arnheim binnen. Een donkere blos vloog over Maria's wangen, toen zij den edelen man herkende. In dezen oogenblik vermoedde zij, uit het onderscheid harer gezindheid jegens hem en jegens Bernard, de liefde, die zij den laatsten toedroeg. De binnentredende sprak haar, als de eenige, die hij in dezen kring kende, het eerst aan:

„Nauwelijks durfde ik mijne oogen vertrouwen, toen ik u dezen namiddag in de schemering aan het venster ontdekte; ik hoorde echter spoedig, dat ik mij niet bedrogen had. Vergun mij, dat ik de stoutheid van mijn bezoek met een heugelijk nieuws verontschuldig, hetwelk ik u vooral zoo spoedig mogelijk wilde mededeelen.”

„In elk geval zijt gij van harte welkom,” hernam Maria, „en dubbel welkom, zoo gij eene verblijde tijding voor ons vaderland medebrengt.” Zij maakte hem met haren broeder, met Bianca en Bernard bekend.

„Gij herinnert u, dat ik u reeds te Warschau van een geheim vaderlandsch verbond gesproken heb,” begon Arnheim; „thans is het tijd, vrijer daarvan te spreken, want het uur, dat het vruchten moet dragen, is gekomen. Duitschland zal opstaan met man en macht; het gansche volk zal te wapen geroepen worden. Pruisen stelt zich moedig aan het hoofd. Mijn vaderland is nog door andere, arglistig aangeknoopte staatkundige banden gekneld; doch er bestaat hoop, dat ook Oostenrijk zich met geweld zal losrukken. Tot de dag daar is, dat het vrij en onverdeeld kan optreden, vergenoegt het zich, de geestdrift van enkelen voor de heilige zaak te ontvlammen en hunne pogingen te ondersteunen. Zoo ben ik reeds sedert eenige weken uit den dienst mijns keizers in dien van den koning van Pruisen overgegaan. De hoofden onzer vereeniging hebben reeds voor langen tijd den wenk ontvangen, op een beslissenden stap des konings voorbereid te zijn. Heden voor een uur, is eindelijk het vurig gewenschte bericht gekomen, dat dezen gedaan is. Pruisens koning spreekt krachtig tot zijn volk; hij roept het ten strijde op voor het heiligdom van den eigen haard, van het vaderland, van de vrijheid. Een heilige krijg ontvlamt, waarin de volken hunne dierbaarste, zoolang miskende rechten voor hun bloed herwinnen zullen; een krijg, die den vallende den martelaarspalm, den overwinnende den lauwer des eeuwigen roems aanbiedt! Zoo zal dan ons vaderland eindelijk verlost worden uit de ketenen van smaad en ellende! Deze zalige vreugde verruimde mijne borst en doet mij wat ik aan eigen leed te dragen heb bij het groote gebrek van het geheel vergeten.”

Hij wierp bij deze laatste woorden een veelbeteekenenden blik op Maria, dien zij slechts te wel verstond.

„U,” ging hij tot haar gericht voort, „heb ik als zulk eene dochter van het vaderland leeren kennen, dat ik het, glimlach vrij, voor een gunstigen wenk des hemels hield, u juist in dezen oogenblik, nu ik u zulk eene tijding brengen kon, onverwachts weder te vinden.”

„O, ontvang mijn innigen dank,” hernam Maria diep ontroerd en met een helderen vreugdetraan in het blauwe oog. „Welk een morgenrood doen uwe woorden aan den donkeren hemel van ons vaderland voor mij aanlichten!”

„En eene heerlijke zon zal prachtig verrijzen,” riep Lodewijk in gloeiende geestdrift. „Thans, thans eerst komen de dagen, dat ik vrij en gelukkig adem! Zelfs mijne liefde bloeit eerst vol en tierig in dit nieuwe licht!—O Bianca, tot hiertoe waart gij eene bloesem, welker geur een zoet voorgevoel der naderende lente in een doffen, beklemmenden kerker droeg. Thans bezielt ons de sidderende morgenstraal! Hij valt op mijn hart, als op de Memnonszuil, en ontlokt het zoete, hemelsche klanken. O Bianca, welke dagen zullen wij beleven!”

Bernard had ernstig, maar innerlijk doorgloeid en verwarmd des ritmeesters bericht aangehoord. „Ik treed als vrijwilliger in uwe gelederen,” sprak hij met onverzettelijke beradenheid, en reikte Arnheim de hand.

„En ik vecht aan uwe zijde, broeder,” riep Lodewijk vurig. „Thans eerst zullen wij ondervinden, met welk gevoel een man de donders van den slag om zich hoort kraken. O, en nu zegen ik dat jaar van beproeving, dat wij doorworstelden, want het was ons eene strenge, leerrijke oefenschool. Dubbel kan ik thans het ongelijk vergoeden, waaraan ik mij tegen wil en dank jegens mijn vaderland schuldig maakte. Gehard in den vreeselijken veldtocht, die achter ons ligt, wegen wij thans driewerf zooveel in dien, welken wij te gemoet snellen. Geen nieuwelingen meer, beproefde mannen, verstaald in nood en gevaren, weten wij thans het zwaard te voeren. O waarlijk, lieve zuster, gij spraakt waarheid; het vroolijk morgenrood breekt door den diepsten nacht.”

Bernard wandelde, terwijl Lodewijk zich geheel door zijne verrukking liet medesleepen, onrustig en peinzend op en neder. „Ik voel, wat er gebeuren moet,” begon hij eindelijk, „en een edel gevoel doortintelt ook mijne borst, maar vreugde kan ik het niet noemen. Deden wij onrecht door aan den kamp van het verloopen jaar deel te nemen, was het ons hoogere plicht, het hoofd op het blok te leggen en als weerlooze offers der snoodste arglistigheid te vallen, dan treft ons thans ook de Nemesis. En zij treft zwaar!”

Maria doorgrondde de gedachten, die Bernards borst verontrustten. Lodewijk echter hernam: „Ik versta u niet, Bernard; welke Nemesis ziet gij in de beschikkingen, welke ik voor de genaderijkste des hemels houde?”

„Ook ik houd ze daarvoor; maar leggen ze ons toch niet eene zware beproeving op?—Uwe edele geestdrift, Lodewijk, deed u dat voorbijzien. Zoo moet ik u dus herinneren, wat ik anders van u, die altijd beter, altijd edeler en fijner van gevoel geweest zijt dan ik, zou gehoord hebben?”

„O zwijg,” viel Lodewijk hem driftig in de rede; „ik weet, wat gij zeggen wilt. Voorzeker, dit offer wordt zwaar; het is de ring van Polycrates, dien wij in zee moeten werpen.”

„Ik versta u beiden,” sprak Maria met diepe ontroering; „maar het moet zoo zijn, het moet, hoe bitter het wezen moge. En Rasinski zal de eerste zijn, die uw besluit billijkt. Zelf groot van ziel, gevoelt hij ook al wat groot is, waar en onvervalscht; maar vrij, open, rond moet gij met hem handelen. Door niemand anders, dan door u, verneme hij, dat er een dag kan komen, waarop gij met het zwaard in de hand tegen elkander overstaat.”

„Zoo zij het,” sprak Bernard: „wij schrijven hem, zoodra het beslist is, wat wij doen.”

„Dat kan terstond geschieden,” viel Arnheim hem in de rede; „de gang, die u tot kampvechters voor Duitschlands vrijheid zal maken, is nog in dit uur mogelijk.”

„Gaan wij dan, er bestaat voor ons geen grond tot uitstellen meer,” hernam Bernard.

Zij gingen.

Den volgenden morgen bevatten de dagbladen de oproeping des konings aan zijn volk, de oproeping van den derden Februari van het jaar achttienhonderd dertien. De geestdrift ontgloeide alle harten. Onder luid gejubel stroomden de duitsche mannen toe en schaarden zich onder de wapperende banieren der herrijzende vrijheid; vreugdetranen glansden in het oog der duitsche jonkvrouwen en hare boezems zwollen trotsch op in vaderlandsch zelfgevoel. Vroolijk zag de moeder den zoon, de zuster den broeder, de bruid den geliefde derwaarts trekken; elke droeve traan werd verzwolgen door de hoog golvende zee van verheven vreugde, wier baren in het zachte morgenrood der hoop gloeiden en glansden. O schoone tijd, o liefelijk stralende Aurora der vrijheid, die een eeuwig lachenden lentehemel over Germanjes landouwen welven moest!

Bernard en Lodewijk waren bij het leger ingelijfd; den volgenden morgen reeds zag men hen opnieuw onder de wapens. Echter drukte een zware last op hunne borst bij de gedachte, dat zij van nu af gedwongen waren, tegenover den edelsten vriend, den redder en beschermer van hun leven vijandig te staan en de wapens tegen zijn vereerd hoofd te voeren. Deze sombere stemming kon niet wijken, alvorens het tusschen hen en Rasinski tot een mannelijke verklaring was gekomen. Van het eerste rustige uur na hun besluit maakten zij dus gebruik, om zelven hem daarmede bekend te maken. Lodewijk schreef hem:

„Dierbaarste Vriend!

„Tot uw edel, grootmoedig hart richt ik deze woorden. De stroom der gebeurtenissen, die mij tot u droeg en mijn leven onder uwe bescherming stelde, heeft ons thans weder ver vaneengedreven. Doch hij scheidt ons niet alleen, hij drijft mij zelfs vijandig op u aan. Nog eer ik u de verklaring van dit woord geef, hebt gij het reeds verstaan. De volken rusten zich tot een vreeselijken krijg uit; de enkele mag zich aan de heilige zaak van het vaderland niet onttrekken; maar bloeden onder den harden plicht, dat mag hij. Gij hebt den schipbreukeling, die op de golven omzwalpte, aan boord genomen en veilig op de vaderlandsche kust aan wal gezet. En thans zal hij, de trotsche zeilen der vaderlandsche vloot volgend, verderf brengen, waar hij vroeger redding vond! Vriend, u, die mij kent, die mijn hart duizendwerf beproefd hebt, u vraag ik af, of ik ondankbaar zijn kan. Ik weet en bouw met heilig, onverzettelijk geloof daarop, dat gij mij vergeven zult, dat zelfs deze nieuwe stormen van het lot onze vriendschap niet zullen doen wijken of wankelen. Gewapend zullen wij tegen elkander over staan, maar in heel de schaar mijner duitsche broeders zal mijn hart voor geen zoo dierbaar leven sidderen, dan voor dat, hetwelk strenge plichten mij dwingen vijandig te bedreigen. In het gebed der onzen mogen wij bescherming vinden; Bianca en Maria zullen, als de donders van den slag dreunen, hare harten smeekend tot den Heer der legerscharen verheffen, en Hij, de Algoede, zal haar hooren en ons het uiterste niet opleggen. Door de dichte dampwolken des krijgs glanst eene schoone ster, de ster des vredes. Ook deze stormen zullen uitwoeden; eindelijk heeft de donderende vulkaan, die Europa's grondvesten schokken en daveren doet, uitgeblaakt, en de bloedige lavavloeden zullen staan, de opgeruide volkenstroomen, die nu tegen elkander opklotsen, in de oude, rustige bedding terugkeeren. Dan Rasinski, als de schoone oevers der aarde zich weder in kalme vloeden spiegelen, als de hemel helder lacht en Mars aan Themis het zwaard laat, opdat zij de landpalen der volkeren opnieuw afmete en hunne rechten met strenge schaal wege en wikke,—dan, Rasinski komt de dag, dat ook ons het loon voor de zwaarste opofferingen te beurt valt. Op den doorwoelden grond der slagvelden zullen wij elkander met de oude liefde en trouw omarmen, en de verwoesting om ons heen bedroeft ons niet meer, want reeds zien wij ze ontspruiten, de kiemen der nieuwe lente, die in verdubbelde schoonheid herleeft, werwaarts de vulkaan zijn vernielenden aschregen heeft voortgedreven. Derwaarts dan, laat ons het oog richten op dat verre, lichtende doel. Ver? Wat zeg ik! Hij, die sprak: er zij licht, en er was licht, wiens machtwoord zonnen uit de duisternis te voorschijn riep, Hij, voor wien duizend jaren zijn als één dag, Hij kan ons met sterken arm in één oogenblik des tijds derwaarts voeren. Daarom laat ons op Hem vertrouwen, want Zijne liefde is nog onuitputtelijker dan Zijne macht.—Eeuwig

Uw LODEWIJK.”

Ook Bernard had geschreven:

„Rasinski!

„Kon ik u oog in oog zien, van mond tot mond met u spreken, dan zou de zachte blik en weeke toon het scherpe gif mijner woorden temperen. Doch drinken moeten wij het beiden, al scheurt het ons de borst stuk. Het lot neemt wraak aan mij. Gij weet Rasinski, om den wille van mijn vriend verried ik mijn vaderland, nam het zwaard en wondde de borst, die mij zoogde. Thans rolt de kogel om; de Nemesis wapent mij tegen den vriend en hem verraad ik voor het vaderland. Wat druischt mijn hart daartegen op en wil nu breken, dan oproerig worden en uit de borst springen? Te rust met u! Ik had en heb recht. Fier wil ik nu een ijzeren voorhoofd toonen en als een Spartaan op de pijnbank lachen, waarop het lot mij eene valsche, laffe verklaring denkt af te dwingen. U, Rasinski, doe ik de ware: Het is mijn heilige plicht, met de wapens in de hand op u in te stormen en u de borst te doorboren, die mij schut en scherm verleendet en waaraan mijn hart met warme liefde geslagen heeft. Doe gij mij ook zoo!—O, Rasinski! de dag zal schoon zijn, dat wij elkaar in donder- en onweerswolken, als bij Mosaisk, aantreffen en als het broederpaar voor Thebe's muren met speer en zwaard op elkaar inrennen en beiden doorboord neerzinken! Hier betuig ik u, ik zal u niet sparen; want zwaarder verraad wist ik jegens mijn vaderland niet te plegen. Doe gij mij ook zoo! Doch als wij naast elkaar onder de doode broeders liggen, dan wil ik met stervende stem roepen: „Rasinski,” en gij roept: „Bernard.” Met ons hartebloed stroome dan ook de volkenhaat weg; en hoe meer de wijkende kracht des levens onze borst doet verkoelen, des te warmer zal zij in heilige vriendschap ontgloeien. Hart aan hart zullen wij den adem uitblazen! Het zal eene schoone dood zijn en zij zullen ons beweenen, Bianca—Maria! Voorwaarts dan; alle stroomen, hoe wild zij bruisen, vinden immers toch eindelijk de zee, en dan rusten zij uit en hunne golven dringen niet meer rusteloos verder. Tot zoolang vaarwel!....

BERNARD.”

Maria en Bianca verlangden de brieven te lezen.

„Naar gij wilt, mijne besten,” antwoordde Lodewijk; „schoon het misschien beter ware, dat gij het niet deedt.”

„Neen,” riep Bernard, „het is beter, dat gij ze leest. Gij weet wat er gebeurt, waarom zoudt gij het hoe niet weten.”

Hij gaf haar de bladen over en zij lazen, beiden tegelijk, stom, onder opwellende tranen. Bernard wandelde intusschen in hevige gemoedsbeweging door het vertrek; eindelijk bleef hij voor Lodewijk staan en sprak: „O, het snijdt mij door de ziel, broeder!” en de vriend lag aan het hart van den vriend.

Maria en Bianca schreven elk een innigen liefdegroet onder de woorden des broeders. Zoo werden de brieven afgezonden.

Er verliep eene week, eer men antwoord ontving. Eindelijk, op een avond, verscheen het. Bernard, aan wien het opschrift luidde, opende het niet, maar wachtte Lodewijks thuiskomst af.—Toen allen bijeen waren, gaf hij het dezen over en zeide: „Lees gij ons voor.” Lodewijk nam den brief, vloog hem vluchtig over en las met bevende stem:

„Mijne Vrienden!

„Ik heb uwe brieven ontvangen en wachtte ze reeds. Gij handelt, zooals onvermijdelijke plicht het van u vordert; kon mijne liefde nog voor u toenemen, zij zou het daardoor. Het altaar des vaderlands is het heiligste, waarop de man zijne offers kan brengen. Bij zijne geboorte reeds legt hij daaraan den stommen, maar onverbrekelijksten eed van trouw af. Houdt dien; ook zal ik hem houden, want ik zwoer hem als Hannibal reeds als knaap, schoon geen Hamilcar mij naar den offerhaard geleidde. Steeds vereerde ik de verhevene deugd van Brutus, die over zijne zonen het doodvonnis uitsprak, wijl zij hun vaderland verrieden; ik zou het over u uitspreken, zoo gij als Brutus' zoon misdeedt. En gelooft niet, dat een nieuwe dolksteek mijn hart treft. Ik ben er aan gewoon, dat de ijzeren voet der wereldgebeurtenissen de bloesems vertrapt, die ik voor mijn hart hoopte aan te kweeken. Het zorgelooze geluk der jeugd, het schoonere der liefde, alles heb ik aan den strengen God opgeofferd; ook den band der vriendschap wil hij verscheuren, doch dat vermag hij niet.—Ja, mijne vrienden, ik heb het lijden in eene ernstige school geleerd en ben gehard tegen zijne pijlen. Een ondoordringelijk staal dekt mijne borst. De ruwe slagen van het lot verpletteren ze niet meer, maar doordreunen haar enkel met doffe verdooving. Wij moeten elkaar bestrijden, maar mogen elkander toch beminnen. Den band die onze harten aaneenknoopt, zal zelfs het scherpe slagzwaard van den oorlogsgod niet doorsnijden. Is het ons al niet vergund, gelijk de helden van Homerus, het heiligste gastrecht der vriendschap ook in den open kamp te eeren, zoo kunnen wij toch, edeler dan zij, met liefde de hand drukken, waardoor wij vallen. Doch dat uiterste zal de goede God verhoeden, aan wien wij onze dagen toevertrouwen. Vrienden, broeders! Een wijze hand legde den blinddoek voor het oog des menschen, die hem belet, in de toekomst te blikken; vaak is het heilzaam, dat ook het heden voor hem omsluierd blijve. Laat ons dien zegen als eene weldaad afsmeeken en dien niet roekeloos van ons afstooten. Zoolang de worsteling duurt, die ons vijandelijk tegen elkander overstelt, willen wij onze vriendschap zwijgend in ons hart begraven. Geen onzer wete, geen onzer verneme iets van den ander. Niet te vermetel toch steune de mensch op zijn kracht. Wist ik, waar gij als vijanden tegenover mij stondt, wellicht ontzonk het zwaard mijne hand, wellicht ware ik niet in staat, aan mijne heilige gelofte getrouw te blijven. Derhalve breke deze strijd der volken, die zich als een ijzeren scheidsmuur verheft, thans alle zachte banden van liefde en mededeeling af, die vroeger tusschen ons en de onzen waren aangeknoopt. Misschien komt eens de dag des vredes, waarop gij hoopt, Lodewijk, en dan zullen wij elkander wedervinden. Valt het anders uit, het zij zoo. Wij zullen het tijdig genoeg vernemen. Vaart dan wel, mijne broeders!—En gij, vriendelijke gestalten, aan welke mijne ziel met zachten weemoed blijft denken, Bianca, Maria! Vaarwel, Maria, wees gelukkig, gij kunt het, want de jeugd lacht nog op uwe wang en nog bloeit de lente, die nieuw gestrooide zaden tot gulden vruchten rijpt. Wees en maak gelukkig!—Het is genoeg! Wij scheiden wellicht voor lang, wellicht.... doch mijne hand wil den sluier aanraken, die het gelaat der toekomst verhult, en de tijd alleen mag dien opheffen. Vaartwel tot aan den dood.

Uw RASINSKI.”

Zoo was dan de laatste, zwaarste kamp der harten volstreden; alleen de lichtere, die des zwaards, bleef nog overig.

* * * * *

Den volgenden morgen luidden de klokken van alle torens; de scharen der krijgers verzamelden zich op de marktplaats, duizende burgers stroomden toe, om de uittrekkende dapperen nog eenmaal vaarwel te zeggen.

Bernard en Lodewijk waren gewapend; hunne rossen trappelden onrustig voor de deur. Bianca en Maria stonden, met beschreide oogen, maar machtig gesterkt door de verhevenheid van het oogenblik, aan de broeders geleund.

„God hoede u, lieve zuster,” brak Bernard eindelijk de stilte af; „vaarwel. En gij, Maria? En gij?”

Zij wilde hem de hand reiken, hij trok haar nader, zij zonk, overwonnen door zijne edele liefde, weenend aan zijn hart. Bernard drukte een zachten kus op het voorhoofd en sprak vast: „Neen, gij engel, thans eisch ik het beslissende woord niet van u, dat de bloesems van mijn levensgeluk zacht zal openen of voor altijd doen verwelken. Niet de overweldigende aandrang van het oogenblik zal het u ontwringen! Gij moet weten, of uwe diepe wonden genezen kunnen. Maar de dag van wederzien zal komen; die glansrijke zon, die daar de koepels bestraalt, belooft het ons. Dan treed ik voor u, Maria, en vraag: Wil het schoonste hart zich aan een getrouw hart wijden? Doch thans niet!”

Met deze woorden rukte hij zich los en snelde Lodewijk na. Maria zonk snikkend bedwelmd aan Bianca's boezem.

Nu hoorden zij den hoefslag der paarden. De scharen zetten zich in beweging. Lodewijk, Bernard, Arnheim waren onder de voorsten. Statig klokgebrom, wuivende doeken, juichende jubelkreten vergezelden de dapperen. Bruisend golfde de onstuimige zee der vreugde en droeg op hare stoute deiningen het hart over de diepste afgronden van angst en droefheid met zich voort. Want de tijd was vervuld en de oogst gerijpt, en de maaiers des Heeren togen uit met flonkerende zeisen.

LAATSTE WOORDEN.

Zege luidde de voorspelling, zege de vervulling!—De storm van den laatsten vrijheidsslag aan Frankrijks grenspalen had uitgewoed; ten tweedenmale golfden de heilige banieren van de torentransen van Parijs.

In Ruslands sneeuwwoestijnen, onder den ruwen hemel van het barre Noorden, had de boom der vrijheid zijne diepe wortels geschoten; in den storm des heldentijds wies hij krachtig op; thans zou de zachte zon des vredes zijne bloesemknoppen openen, zijne schaduwrijke kroon ontwikkelen. Nog bewoog een angstig gevoel de harten bij de herinnering aan het dof nadonderende, in de verte aftrekkende onweder; doch de hemel welfde zich blauw en helder over de aarde en elke borst werd verruimd door de schoonste verwachtingen.

Zelfs de droefheid om de duizende offers werd een weemoedig geluk; er was immers slechts bloed der verlossing gevloten.

Alles, alles zoude deze tijd goed maken, elke wonde heelen, elke brandende smart met verkoelende balsem lenigen—wee hun, die hem vergiftigden!

* * * * *

Maria en Bianca hadden naar Lodewijks verlangen op het stille landgoed bij Dresden, dat de zuster zijner moeder bewoonde en waar de liefde en zorg der gespelen harer kindsheid haar beidde, een toevlucht gezocht. Hier zagen de terugkeerende vrienden haar weder; hier werd aller geluk door eene zoete, onverbreekbare verbintenis verzekerd. Ook Maria's hart toch was door Bernards edele trouw en grootmoedigheid geheel het zijne geworden; en de roos hunner liefde, waarin zoolang de zware onweersdroppen van smartelijke tranen gestaan hadden, flonkerde thans van sidderende dauwparelen der vreugde en ontvouwde den geurigen kelk met nieuw ontluikende schoonheid.

Slechts ééne wolk hing drukkend op het voorhoofd der gelukkigen, die hier vereenigd waren. De dag des vredes was gekomen; maar van den edelen vriend, die zich, zijn voornemen getrouw, tot dezen oogenblik elke gemeenschap met hen gestrengelijk ontzegd had, hadden zij niets vernomen. Een brief aan de gravin, door Lodewijk reeds voor ettelijke weken naar Warschau afgezonden, bleef onbeantwoord.—Zouden zij den edele te betreuren hebben? Was hij, gelijk de mannelijke Arnheim, de dichterlijke jongeling Benno, onder de offers gevallen, die de bloedige krijg onverbiddelijk geëischt had? Deze nieuwe bekommeringen vervulden de harten der anders zoo gelukkigen.

Op een avond, tegen het einde van Augustus, toen de schemering hare sluiers langzaam over den glans der nederdalende zon begon uit te spreiden, zat het viertal op het groene terras voor de tuinkamer aan de theetafel. Zij ontdekten een reiswagen, die van den met kreupelhout omkransten heuvel nederdaalde en langs den, op een kleinen afstand van den tuin voorbijloopenden straatweg nader kwam. De wagen hield stil aan het hek van het perk, een lakei opende het portier en eene rijzige, vrouwelijke gestalte in rouwkleeding klom uit en sloeg de laan naar huis in. „Die Juno heb ik meer gezien,” sprak Bernard, niet zonder een gevoel van beklemdheid, toen zij reeds zoo nabij was gekomen, dat men hare gelaatstrekken had kunnen onderscheiden, waren zij niet door een sluier omhuld geweest.

„Het is de gravin!” riep eensklaps Maria, die haar het langst en nauwkeurigst gekend had, en ijlde haar angstvol verrast te gemoet.

„Ja, ik ben het,” sprak de naderende stilstaande en sloeg den sluier op; daarop opende zij de armen, om Maria te ontvangen, sloot deze onstuimig aan het hart en drukte gloeiende kussen op hare lippen. Ook Lodewijk, Bernard en Bianca waren toegeschoten en ontvingen een zwijgende, smartelijk teederen groet van de waardige vrouw.

Zij was bleek; het lijden had diepe voren in hare edele trekken geploegd; tranen vergoot zij niet, maar de glans van het oog was uitgedoofd.

„Zoo moeten wij elkander wederzien,” sprak zij na lange worsteling met zich zelve en bood Bernard en Lodewijk de hand. „Zoo! O, ik heb het altijd gevreesd!”

De vraag naar Rasinski zweefde op aller lippen, doch niemand waagde het, haar te uiten.

„En gij komt alleen, geheel alleen?” vroeg eindelijk Bianca met bevende stem, „O, laat ons niet langer in kwellende onzekerheid aangaande het lot der zoo dierbare wezens.”

De gravin zuchtte uit diepe borst en hief het oog ten hemel. „Ik kom alleen. Geheel alleen! Dat is mijn antwoord.”

„En Lodoiska?” vroeg Maria met bleeke lippen.

„Dacht gij, dat zij hare smart overleven zou? Sinds een jaar rust haar gemarteld hart in vrede. Zij is gelukkig!”

„En Rasinski?” riep Bernard, die zich niet langer kon bedwingen.

Een zware zielestrijd was op het gelaat der gravin te lezen. „Ook hij heeft rust gevonden,” sprak zij eindelijk dof en langzaam. „Men zag hem het laatst in den slag bij Leipzig, in de nabijheid van vorst Poniatowski; verder weet ik niets van hem.”

Lang reeds had het beklemde hart dit vermoed; doch de bevestiging was daarom niet minder verpletterend. Maria zonk snikkend aan Bernards borst; hij klemde haar vast aan zich, zijn hoofd neigde zich tot het hare en zijne tranen besproeiden hare wangen. Bianca bedekte zich het schreiend oog en leunde de bleeke wang tegen den schouder van den echtgenoot.

„Ik ween niet meer over hem,” sprak de gravin met eene stem, die, in tegenspraak met hare woorden, eene zachte ontroering verried; „ik heb ook weinig geweend. Wel hem dat zijn oog zich sloot, dat hij deze dagen niet zien kan! Zou zijn edel hart onze schande verdragen?—Waarlijk, zoo is het beter!”

Maria wankelde naar haar toe en wierp zich aan hare borst. „O mijne moeder!” snikte zij, in tranen stikkende.

„Dochter, mijne dochter!” riep de gravin en thans ontsprong een heete tranenvloed ook uit hare oogen. „Eene dochter aan mijne borst! O, ik kan weder weenen!”

Ook Bianca naderde en sloeg haren arm om den hals der eerwaardige vrouw. „Rust bij ons uit, gij diep gebukte,” bad zij vleiend, „wij willen uwe dochters zijn!”

De gravin zag haar een oogenblik met vragende blikken aan; een hevige tweestrijd woelde in hare borst; met zachte armen voelde zij zich weder in het leven, in het schoone rijk der vreugde teruggetrokken. Doch plotseling richtte zij zich op, onttrok zich aan de omarming der weenenden, schudde weigerachtig het hoofd en zuchtte: „Neen, neen, het is onmogelijk! Zou ik, een eeuwig versteend beeld der smart, mij nederzetten in den kring van uw geluk en u elken vreugdebeker vergallen? Neen, neen, dat nimmer!”

In houding en stem drukte zij de onverzettelijkheid van haar besluit zoo krachtig uit, dat niemand de bede durfde herhalen. Inmiddels huppelde het blonde dochtertje van Alisette, Nadine, uit de heesters te voorschijn, bleef verwonderd voor de vreemde staan en zag haar met de groote, onschuldige oogen vragend aan.

Eene zeldzame aandoening maakte zich van de gravin meester bij den aanblik van het kind, dat zij dadelijk herkende. „Kent gij mij nog, Nadine?” vroeg zij met nauw hoorbare stem.

In stede van te antwoorden zag het kind haar nog altijd aan en drong zich met het blonde krulkopje vertrouwelijk tegen haar schoot.

Te hevig geschokt, weerde de gravin het zacht van zich af en keerde zich om, om te gaan.

„Blijf bij ons, schoone dame,” riep Nadine haar vriendelijk na, toen zij zich eenige schreden verwijderd had. Driftig wendde zij zich om, hief het kind op, kuste het en vroeg het met aandoening: „Wilt gij met mij gaan?—Dit kind zou mij een zoete troost in mijne eenzaamheid zijn,” richtte zij zich tot Bianca en zag haar vragend aan.

„Wat gij verlangt, niets, niets kan ik u weigeren,” antwoordde deze, hoe smartelijk de gedachte aan eene scheiding van het kleine, liefgekregen wezen haar ook door de borst drong.

„Neen, ook dat niet!” sprak de gravin na eenige oogenblikken, van innerlijken tweestrijd zacht maar vast en zette de kleine op het gras neder. „Zou ik een zwart rouwfloers over hare vroolijke jeugd werpen? Zou zij slechts onder cipressen wandelen en urnen om zich heen zien? Neen, ik wil de dagen, die ik nog leven moet—en God, de Almachtige geve, dat het weinige zijn!—niet met dat verwijt belasten. Verwijl onder gelukkigen, onschuldig kind!”

Zij kuste Nadine; deze liep op Bianca toe en vroeg deelnemend: „Moeder, gij weent?”

„Ik kwam alleen om afscheid te nemen,” begon de gravin na eenige minuten diepe stilte; „ik beefde voor dit uur, doch het ware liefdeloos geweest, het te vermijden. Ik vertrek naar Amerika.—Het kan mij een vaderland worden, want het is het eenige land der aarde, waar eene vrije ziel mag ademen. Mijn geboortegrond is een kerkhof, eene gevangenis, eene smadelijke gerichtsplaats—een oceaan ligge tusschen hem en mij! Wij willen elkaar het afscheid niet moeielijk maken; ras, opeens scheure de laatste band, die mij boeien wil. Vaartwel, dierbaren, volgt mij niet—eerst na mijn dood zult gij weder van mij hooren.”

Zij liet den sluier over het gelaat vallen en snelde met rassche, vaste schreden voort, nog eens met de hand terugwenkende, dat niemand haar volgen zou. Het door tranen verduisterde oog der achterblijvenden verzelde echter de koninklijke gestalte, tot zij in het geboomte en de schemering verdween.

UITGAVE VAN #D. BOLLE# TE ROTTERDAM.

CHARLES KINGSLEY

#HYPATIA#

OF NIEUWE VIJANDEN IN EENE OUDE GEDAANTE.

NAAR HET ENGELSCH DOOR #W. J. MENSING#.

NIEUWE UITGAVE 3e DRUK MET 34 ILLUSTRATIËN.

MET EEN WOORD VOORAF VAN #S. ULFERS#.

#Ingenaaid f 1.95# #In Prachtband f 2.50#

#HYPATIA# van CHS. KINGSLEY is een meesterwerk van het edelste gehalte, gebouwd op Christelijken en Historischen grondslag. De schrijver heeft meer bedoeld, dan zijne lezers het genot van een onderhoudend verhaal te verschaffen; hij wilde hen een blik doen slaan op den laatsten strijd van de oude wereld tegen de Christelijke Kerk in derzelver jeugd. #HYPATIA# van CHS. KINGSLEY plaatst den lezer terug naar de 5e eeuw onzer jaartelling, naar een der felste brandpunten van den strijd: het klassiek Alexandrië.

Zoo een episode uit dat groote treurspel kan niet anders dan veel bevatten, dat den lezer pijnlijk aandoet; het is een tijdperk, hetwelk met veel verhevens, veel afschuwelijks oplevert; een van die hachelijke en belangrijke gedeelten der wereldgeschiedenis, waarin zich deugden en ondeugden vertoonen nevens elkander, met een schrikbarende naaktheid en kracht. Menig bloedig tafereel komt er in voor, menig afgrijselijk drama, waarin belijders van den naam van Christus eene rol vervullen, die maar al te duidelijk bewijst, dat de geest des Meesters hun volkomen vreemd was gebleven.

Alexandrië, toenmaals een der hoofdzetels zoowel van de jeugdige Christelijke geleerdheid als van het afgeleefde Grieksche heidendom, moest de schouwplaats zijn van een dezer drama's, misschien wel het aandoenlijkste van alle, waarin de reinste en edelste der vrouwen het offer moest worden van den heerschzuchtigsten der Prelaten.

KINGSLEY heeft de oorkonden der geschiedenis van nabij gevolgd en in zijn bewonderenswaardig boek verraadt elke bladzijde den man die in dat tijdvak der historie volkomen thuis is. De Joden, de Gothen, de monniken, de verschillende klassen der bevolking van Alexandrië, zijn alle met de meeste zorg in hunne eigenaardigheid geteekend.

De levensbijzonderheden van HYPATIA, zoo ook die van de meesten der overige personen zijn geschiedkundig waar, nevens hen treden enkele verdichte personen op, zooals de romandichter ze niet kan ontberen; maar ook deze zijn zoo meesterlijk uitgebeeld dat de wederga er van moeilijk, misschien in 't geheel niet te vinden zou zijn. De hoogste kracht der fantasie paart zich hier aan de nauwkeurigste kennis der historie. In het geheel heeft wellicht nooit een romanschrijver zich met het karakter zijner historische personen zoo weinig vrijheid veroorloofd en zijne verdichte personen zoo goed aan den geest en het kostuum van hunnen tijd doen beantwoorden, als in dit merkwaardig boek is geschied. En dan nog is CHS. KINGSLEY niet alleen romandichter en historieschilder, hij is eigenlijk Godgeleerde en Evangelieprediker; het spreekt dus van zelve dat zoo een man niet slechts een priester is der waarheid en schoonheid, maar dat hij ook offert op het altaar van Godsvrucht en deugd. Nooit zijn in een boek zoovele, zoo goede, zoo eminente verdienste vereenigd geweest als in CHS. KINGSLEY'S monumentaal en onvergankelijk werk: #HYPATIA of Nieuwe Vijanden in eene Oude Gedaante#.

Wie den geest verkwikken wil, het weten vermeerderen, het hart veredelen, de Godsvereering versterken en verjongen, neme #HYPATIA# ter hand; hij (en zij) zal er geestelijk door vooruitgaan; zal met den inhoud en strekking van het bewonderenswaardig boek vertrouwd geworden zijnde, een gevoel van oprechte vereering koesteren voor den schrijver, die zijne gaven en zijn genie wijdde aan zulk een werk; zal hartgrondig beamen wat de schrijver bedoelt te leeren: dat het Christendom heden ten dage zijn taak nog niet heeft volbracht. Onze Eeuw moge hoeden en rokken, instede van toga's en tunica's dragen, het menschdom is hetzelfde gebleven.

„Dezelfde geest die de oude Egyptenaren verzocht, verzoekt ook U. Dezelfde God die hen zou behouden hebben als zij gewild hadden, wil ook U behouden, zoo gij wilt. Hunne zonden zijn de Uwe, hunne dwalingen de Uwe, hun oordeel is het Uwe, hunne verlossing de Uwe. Er is niets nieuws onder de zon; hetgeen geweest is, dat zal zijn. Laat hem, die zonder zonde is, den eersten steen werpen op HYPATIA, MIRJAM, of CYRILLUS.”

UITGAVE VAN #D. BOLLE# TE ROTTERDAM.

#C. SPINDLER#

#DE JOOD#

#Historische Roman uit het begin der 15e Eeuw#

GROOT FORMAAT #4e DRUK# Met 6 Oorspronkelijke Platen

#Ingenaaid f 3,—# #In Stempelband f 3,75#

Reeds van nature is de goed geschreven historische roman eene aanzienlijke verschijning in de boekenwereld. Maar verschijningen zoo aanzienlijk als #Spindler DE JOOD# zijn er in den loop der tijden slechts weinigen aan te wijzen. De verdiensten van dat boek komen ten goede aan meer dan een geslacht, dat boek wordt nimmer vergeten; het geesteskind van zoo een schrijver kon niet met hem het graf in gaan.

Ondoenlijk, de bewondering te beschrijven, die de lezer van #Spindler's DE JOOD# in zich voelt ontstaan; onmogelijk, een denkbeeld te geven van de geweldig boeiende kracht, die van deze bladzijden uitgaat; alleen degene die er zelf kennis mede maakt kan dat meesterwerk naar waarde schatten.

Er mogen bladzijden in voorkomen van bloed en bladzijden van liefde, die niet bestemd zijn onder de oogen te komen van kinderen, een realistisch boek in de beteekenis die daaraan dikwijls wordt gegeven, is SPINDLER'S werk niet, en waar realisme wordt aangetroffen, is dat ongezocht en natuurlijk.

Belangwekkend als weinigen, zijn tijd en plaats waar #Spindler's DE JOOD# ons heenvoert: de eerste jaren der 15e Eeuw, te Frankfort, Worms, Konstanz en andere plaatsen; de strijd om gewetensvrijheid. Zeden, tafereelen, personen en toestanden treden hier als in werkelijkheid voor ons en niet gemakkelijk zal men een tweede werk vinden dat zoo een krachtig afgebeeld stuk historisch leven te zien geeft, waarvan de intrige zoo wonderlijk mooi is gedacht, dat zoo oneindig veel afwisseling biedt, dat—als dit—telkenmale andere wendingen neemt dan men verwacht, dat meer boeiend en onderhoudend van stijl is, dat den lezer zoo volkomen onder zijn indruk brengt.

Boeiend zonder wederga is het van af de eerste zinsnede; met onvermengde belangstelling, zeer dikwijls in heftige spanning, volgen wij de daden en lotgevallen van Ben David, Dagobert, Zodick, Esther, Wallrade en anderen, terwijl we te vergeefs trachten het geheim, dat Bilger zoo lang blijft omhullen, te doorgronden. En na het beëindigen leggen wij slechts noode het boek, dat ons zooveel genot bracht, terzijde, terwijl het ons nog lang daarna blijft toe schijnen als hebben we zelf eenigen tijd verpoosd in die oude tijden te midden der hoofdpersonen uit #Spindler's DE JOOD#.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us