1812: Historische roman (part 3 of 5)
„Ontvliedt gij reeds weder?—Waarom hoont gij mij zoo, gij liefelijke droombeelden?” sprak Lodewijk in halve bewusteloosheid. „Ach, vertoont u niet, als gij steeds weder van mij vlieden wilt.” Hij rilde, als door nachtvorst verkleumd en hulde zich dichter in den mantel.
Het gezicht was verdwenen; maar uit het duister van den nacht drongen den sluimerende de woorden in het oor: „Vlucht, vlucht! Uw leven is niet veilig onder dit dak!—Neem dit ten aandenken!”
Eene zachte aanraking gleed thans over zijne wangen. Hij ontwaakte en sloeg met moeite de loodzware oogleden op.—Alle beelden van zijn droom lagen in dagend schemerlicht om hem heen verspreid. Bianca's gestalte verdween als eene schaduw; de vuurglans aan de zoldering was duister omneveld; zelfs de verlichte vensters schenen hem met een zwart weefsel bespannen. Met moeite zocht hij zijne nog geheel verstrooide zinnen bijeen te rapen,—daar klaterde een schot uit het nevenvertrek hem in het oor. Dit geluid rukte hem gewelddadig uit de banden des slaaps los; hij was wakker, sprong op. Echter bleven de voorwerpen ook nu nog als door rook omneveld; thans was het niet meer eene begoocheling van den droom, maar zijn oog moest op eene onbegrijpelijke wijze verblind zijn. Opeens voelde hij weder, gelijk vroeger in den halven sluimer, een zachte, trillende aanraking over wang en voorhoofd glijden, even alsof eene donsachtige pluim daarover heenstreek. Als door tooverkracht was het verduisterend hulsel plotseling van zijn oog afgelicht en zag hij alle voorwerpen om zich heen weder in de volle scherpte hunner omtrekken. Nog was hij van zijne verbazing niet tot zich zelf gekomen, toen Rasinski's donderende stem, die hem en Bernard opriep, zich uit het aangrenzende vertrek hooren liet; hij vloog dus de zaal binnen, die door eene nachtlamp beschenen werd. Rasinski trad reeds met driftige schreden op hem toe, en bijna op hetzelfde oogenblik kwamen de door het schot gewekte manschappen uit de voorzaal aanstormen. „Licht! meer licht!” beval de overste. Zij spoedden heen, om het te zoeken.
„Wat is er toch? Wat zaagt gij?” vroeg Lodewijk.
„Wij zijn in een wonderbaar spookhol. Hebt gij niets gezien?”
„Niet het minste; maar toch....”
„Door mijn vertrek sloop zoo even eene zwarte gestalte, naar alle waarschijnlijkheid eene vrouw.”
„Hoe?” riep Lodewijk, als door den bliksem getroffen uit; „eene zwarte, gesluierde gestalte....”
„Juist! Maar hoe weet gij......”
„En gij zaagt het werkelijk? Het was geen droombeeld?” riep Lodewijk en stond als versteend voor den vriend.
„Neen, bij den hemel, want ik was wakker als in dit oogenblik,” hernam Rasinski, die zich nog te zeer met zijne eigene ontmoeting bezig hield, om den indruk, die ze op Lodewijk maakte, waar te nemen. „Voor vijf minuten wist ik werkelijk zelf niet, of ik gedroomd had, of wezenlijke dingen aanschouwde. Ik meende iets voorbij mijn bed te hooren ruischen en ontwaakte, want gij weet, hoe licht mijn slaap is. Nu zag ik eene donkere schaduw langs den wand glijden en een mat lichtschijnsel scheen mij uit de geopende zaaldeur in mijn vertrek te vallen. Echter drong ik mij op, dat het de flikkering der vuren op de straat was, die mij bedroog. Intusschen was ik volkomen wakker geworden en lag, nog over de verschijning nadenkende, op mijn leger. Juist had ik mij weder in de lakens gewikkeld en de oogen gesloten, toen ik hetzelfde geritsel als vroeger hoorde. Ik sprong op en zie eene zwarte, gesluierde gestalte dicht voorbij mijn bed sluipen. „Werda!” riep ik; zij verschrikt kennelijk, maar geeft geen antwoord en snelt met rassche schreden door de kamer. „Antwoord, of ik geef vuur,” riep ik en greep naar mijne pistolen....”
„Almachtige hemel!” riep Lodewijk en greep onwillekeurig, alsof hij het schot verhinderen wilde, den arm, dien Rasinski in het vuur van zijn verhaal hield uitgestrekt. „Gij hebt dus op haar geschoten?”
„Zekerlijk heb ik; en terstond daarop hoorde ik den kreet eener vrouwelijke stem.”
„Zij is getroffen? Waar?”
Met deze woorden wilde Lodewijk Rasinski ter zijde dringen en in zijn vertrek vliegen; doch deze, die thans eerst de hevige ontroering van den vriend gewaar werd, hield hem terug en vervolgde haastig: „Het was slechts een kreet van schrik. Dadelijk daarop, juist toen ik driftig was opgesprongen en op de geheimzinnige verschijning toesnelde, hoorde ik eene deur ras ontsluiten en weder in het slot werpen. Of nu het vuur en de rook van het schot mij verblindden, of het schemerdonker van het vertrek de vlucht der onbekende begunstigde, dat weet ik niet, althans zij was spoorloos verdwenen en scheen in den grond weggezonken. Oogenblikkelijk liep ik nu naar de zaal en riep u en de manschappen op. Langs dezen weg kan zij niet ontkomen zijn, want ik was bij de deur, eer zij die met mogelijkheid kon bereikt hebben.”
Inmiddels hadden eenige bedienden licht gebracht en Rasinski snelde naar zijn slaapvertrek, om het ten nauwkeurigste te doorzoeken. Lodewijk volgde hem met een onbeschrijfelijk zonderling gevoel. Doch de kamer was ledig; zij had slechts twee deuren; de eene kwam op de zaal uit, de andere bracht in de verder voortloopende reeks van vertrekken. Deze laatste was echter door twee stoelen, die nog evenzoo stonden als den vorigen avond, gesloten; onmogelijk kon iemand ze geopend hebben, zonder de stoelen omver te werpen of ter zijde te schuiven. De bedienden daarentegen verzekerden eenstemmig, dat niemand door de zaaldeur kon ontkomen zijn, daar zij schuins voor deze hunne legers hadden opgeslagen, zoodat men niet dan over hun lijf heen kon uit- en ingaan. Op de plaats, waar Rasinski op de verschijning gevuurd had, was geen deur te vinden; het was die hoek der rug- en zijwanden van het kabinet, welke niet aan de zijde der zaal, maar aan de overige vertrekken grensde. Opmerkzaam onderzocht Rasinski het tapijtbehangsel. „Daar zit mijn schot!” riep hij en wees op eene beschadigde plek, waar de kogel was ingedrongen en nog in den muur zat. „Dus heb ik mij niet bedrogen! Hier moet eene geheime deur zijn.” Nieuwsgierig drongen de lieden om hem heen; Lodewijks hart klopte met angstig zoete verwachting. Daar schoot hem plotseling door de ziel, dat nu alles, wat hij gemeend had te droomen, wel waarheid zijn konde. „Neem dit tot een aandenken!” had de verschijning hem toegefluisterd. Driftig greep hij een handblaker en ijlde naar zijne kamer terug. Zijn eerste blik viel op het rustbed; hij ontdekte niets, maar toen hij nu ook de overige gedeelten van zijn vertrek zorgvuldig opnam, zag hij op den grond, in de nabijheid van het venster, iets wits blinken. Hij hief het op, het was een sluier. Toen het weefsel licht over zijne hand gleed, bespeurde hij eensklaps weder hetzelfde gevoel, dat hij vroeger niet geweten had, waaraan het te moeten toeschrijven; de sluier moest zijn gelaat bedekt hebben. Hij ontvouwde dien; de hoeken waren door eene striklis vastgeknoopt; haastig maakte hij ze los, glanzend goud werd zichtbaar; een groene steen blonk hem in de oogen. „Genadige hemel, is het mogelijk!” stamelde hij, en heete tranen stroomden over zijne wangen. Hij hield denzelfden armband in de handen, dien de geliefde aan den voet van den St. Bernard verloren had; hetzelfde dierbare kleinood, waaraan hij het eerst het geluk van haar schoon gelaat te mogen aanschouwen verschuldigd was. Buiten zichzelf wilde hij naar Rasinski toeijlen, toen hij tusschen de vouwen van den sluier een blad papier ontdekte. Met bevende hand trok hij de gouden naald, die het vasthield, terug en las met in tranen zwemmende oogen:
„Gij waart eens mijn redder uit dreigend gevaar! Gij beschermdet mij met broederlijke trouw! Wie vermag de wonderbare doeleinden der Voorzienigheid te doorgronden, die ons toenmaals vereenigde en scheidde, ons thans weder bijeenbrengt en voor eeuwig van elkander afscheurt!—Doch de minuten zijn kostbaar. Verlaat dit huis, snel, oogenblikkelijk! Het uiterste gevaar dreigt u! De kloof des verderfs gaapt onder uwe voeten; onder den grond, dien gij betreedt, opent zich een vreeselijke afgrond. Eén oogenblik te laat en gij verzinkt! Meer mag ik u niet ontdekken.—Ach, reeds dat wordt mij als eene zware misdaad toegerekend! Doch een heilige plicht der dankbaarheid gebood mij, ze te begaan.—De toekomst is duister als de nacht, mijn leven aan stormen prijsgegeven.—Wat ook mijn lot zij, met zusterlijke trouw zal mijn hart het beeld van den edelen vriend bewaren; mocht ook ik niet geheel door hem vergeten zijn!
BIANCA.”
Roerloos, de strakke blikken onbewegelijk op den naam gevestigd, stond de jongeling daar, toen Rasinski binnentrad. „Waar blijft gij?” vroeg deze. „Wij hebben eene deur ontdekt; men haalt bijlen, om haar open te breken, want nu moet ik noodzakelijk alles weten.—Maar is Bernard nog niet terug?—In 's hemels naam, wat deert u? Wat is er gebeurd?” vroeg hij verbaasd, toen Lodewijk als versteend voor hem stond en hem het papier toereikte. Rasinski las het haastig door. „Hier zijn hoogere machten in het spel,” riep hij uit; „nooit is mij zoo iets overkomen. Maar gevaar? Welk gevaar dreigt ons? Wij zullen dit toch zeker niet letterlijk te verstaan hebben.—Wij moeten de geheimzinnigen opsporen. Kom, laat ons het avontuur gemeenschappelijk wagen!”
Lodewijk liet zich gewillig medeslepen. Zij vonden de rijknechten reeds bezig, het slot der geheime deur met eene bijl te verbrijzelen. Na eenige forsche slagen gelukte zulks. „Thans onbevreesd, maar voorzichtig,” sprak Rasinski, greep in de eene hand eene kaars, in de andere een pistool en ging voor.
Men bevond zich in een smallen, lagen gang, die nauwelijks hoogte en breedte voor één man had. Het scheen, dat deze in den muur zelven was uitgehouwen en in dezelfde richting met den breeden, buitensten gang voortliep. Echter helde hij merkelijk en daalde zelfs op enkele plaatsen snel naar beneden. „Mij dunkt, het riekt hier zoo brandig en zwavelachtig,” sprak Rasinski, nadat zij ongeveer dertig schreden waren voortgegaan. „Merkt gij niets?”
„Of ik!” kuchte de rijknecht. „Er moet hier dichtbij iets smeulen.”
Zij gingen nog een tiental schreden verder, maar nu sloeg hun een dichte, sulferachtige damp te gemoet, zoodat de kaars eensklaps geheel blauwachtig rood vlamde.
„Zou de waarschuwing dan toch woordelijk gemeend zijn?” fluisterde Rasinski Lodewijk in het fransch toe. „Ik houd het niet raadzaam, hier verder door te dringen!”
Deze, wiens angstig kloppend hart de hoop van de geliefde te zullen wedervinden niet kon opgeven, antwoordde: „Nog kunnen wij ons veilig verder wagen, want de terugweg is ons immers niet gesloten. Laat mij vooruitgaan.”
„Neen, het is beter, dat ik de voorste ben; in uw ijver kondt gij u te ver wagen en de noodige voorzichtigheid uit het oog verliezen.”
Zij traden andermaal ettelijke schreden verder; de zwaveldamp werd dichter en dichter en maakte hun het ademhalen bezwaarlijk. Daar woei hun plotseling eene koelte te gemoet, alsof de wind zich ergens een vrijen doortocht gebaand had, en in hetzelfde oogenblik werden de drie lichten, welke zij bij zich droegen, uitgebluscht. Onmiddellijk daarop volgde een doffe knal en het gansche gebouw scheen op zijne grondvesten te wankelen.
„Dat was eene mijn!” riep Rasinski; „wij moeten terug!”
Zelfs Lodewijk zag in, dat een verder voortdringen dolzinnigheid zijn zoude. Men keerde dus om en tastte in het duister om zich heen. Maar eensklaps werden zij door een verstikkenden walm omwolkt en een smoorheete gloed vervulde de enge ruimte, zoodat zij bijna het bewustzijn verloren. „Voort! Voort!” riep Rasinski en dreef Lodewijk aan, terwijl deze ook de overigen voor zich uit stiet. Haastig voortspoedende, met beklemden adem, doeken voor neus en mond houdende, trachtten zij Rasinski's kamer te bereiken. Ademloos stormden zij ze eindelijk binnen, maar vonden ook haar reeds met rook en smook gevuld. Rasinski vloog op het venster toe en sloeg met de kolf van zijn pistool de glasruiten in die kletterend op de straat rinkelden. Door dit middel bekwam men lucht en kon onbelemmerd ademhalen. Lodewijk ijlde naar de zaaldeur, doch nauw had hij ze geopend of ook van daar dwarrelden hem de grijze rookwolken tegen, die uit den grond schenen op te stijgen. Echter flikkerde de lamp nog en kon hij nog zijne kamer bereiken, om in allerijl wapens, mantel en mantelzak bijeen te rapen. Bianca's sluier, armband en brief droeg hij reeds op de borst. Zoo spoedde hij weder naar Rasinski terug, die hem reeds in de zaal te gemoet kwam. Thans weergalmde door de stilte van den nacht eensklaps van buiten de kreet: „Brand! Brand!” en bijna terzelfder tijd roffelden de trommen en schetterden de trompetten op het bivak onder de vensters. Allen vlogen langs de breede marmertrappen naar beneden, om op de straat veiligheid te zoeken. Bij de poort kwam Bernard in vollen loop op hen toesnellen.
„Goddank, dat gij gered zijt!” riep hij: „ik vreesde reeds, dat ik te laat zou komen. Maar maakt, dat gij buiten komt, want de vlammen slaan reeds van alle zijden door de vensters en het dak uit. Hier is de baardige satan los!”
Smart en zaligheid der liefde, bedwelming, verbazing, schrik, dankbare vreugde, al deze verschillende gewaarwordingen overstelpten op eenmaal Lodewijks boezem, doch de machtige vloed der gebeurtenissen verzwolg ze alle in zijne bruisende golven en vergunde het hart de rust niet, om tot zich zelf in te keeren en waarlijk te gevoelen. Het oogenblik vorderde de daad; de bedaarde beschouwing werd van de voorwerpen, waarop zij zich vestigen wilde, met geweld afgetrokken.
Thans echter kon men het gevaar in zijn geheelen omvang overzien. Eene zwarte, ondoorzichtige wolk lag over het paleis; slechts enkele roodachtig flikkerende vuurtongen bliksemden door het duister. De rook drong uit alle vensters van het gebouw, dwarrelde uit de benedenverdiepingen naar boven en steeg in dichte kolommen uit de dakgaten opwaarts. Een enkelen blik was toereikend, om ten volle overtuigd te worden, dat de brand moedwillig was aangelegd, dat de licht ontvlambare stof door het gansche gebouw verspreid en door een plotseling werkend middel overal tegelijk aangestoken moest zijn.
Met angstvolle verwachting zag men de ontwikkeling van het indrukwekkend schouwspel te gemoet. Aan redding was bij het volslagen gebrek aan water en bluschmiddelen niet te denken; men had reeds moeite gehad, om de paarden, die op het binnenplein stonden vastgebonden, en eenigen voorraad in veiligheid te brengen.
Rasinski liet zijne manschappen onder de wapens treden en de rotten tellen, om te zien of iemand ontbrak. Allen waren tegenwoordig.
„Nog is het bijna windstil,” sprak hij; „de rook trekt een weinig zijlings af; als de vlammen in dezelfde richting gejaagd worden, kunnen wij hier zonder gevaar blijven, anders moeten wij ons naar het Kremlin terugtrekken. In alle gevalle dient het voorval gemeld te worden.” Hij riep Jaromir en gelastte hem, onverwijld naar het Kremlin te rijden, ten einde den generaal-adjudant des keizers van alles te verwittigen. De jongeling wierp zich in den zadel en rende in vliegende vaart de straat op.
Stom en angstig, elk oogenblik verwachtende de vlammen door het dak te zullen zien uitslaan, richtten thans allen de oogen op het in damp en rook gehulde gebouw. Eensklaps viel een heldere lichtglans op den breeden voorgevel, alsof deze door een plotseling opgaande zon beschenen werd. Verwonderd zag men in het rond; de gansche hemel stond in donkerrooden gloed en scheen in eene blakende vuurzee herschapen. Rasinski rende de straat op tot aan den tuinmuur, waar hij een vrijer uitzicht in de verte had. „Heilige hemel!” riep hij, hier een tweede gebouw, dat in de nabijheid van het Kremlin moest liggen, ontdekkende, uit welks hoog, reusachtig koepeldak de vlammen met volle woede opsloegen, terwijl eene zwarte rookwolk voor de starren, die nog in het zenith glansden, loom en langzaam voortwentelde. „Dat is geen toeval; hier worden vreeselijke raadslagen volvoerd!” Hij wilde juist terugrijden, toen Bernard hem met het bericht te gemoet kwam, dat aan het einde der straat een magazijn in brand stond.
Thans zag Rasinski duidelijk in, waarop de vijand het had toegelegd, en begreep hij, dat koelbloedige beradenheid hier alleen redden konde. „Hoe is de wind?” vroeg hij en zag opmerkzaam rond. „Ik geloof zuidwest,” hervatte Bernard. „Juist; doch hij schijnt veranderlijk! Intusschen willen wij ons voorloopig terugtrekken, anders kon ons de terugweg geheel worden afgesneden.”
Van de vlucht uit den geheimen gang tot op dit oogenblik waren nauwelijks tien minuten verloopen. Tot hiertoe had men nog geen alarm in de stad vernomen en men scheen dus op de overige bivakken van den brand nog niet onderricht te zijn; althans de plechtige stilte van den nacht was gedurende dit schrikwekkend verheven schouwspel in de verdere wijken der onmetelijke keizerstad nog door niets gestoord. Thans echter hoorde men uit de verte van alle zijden de trommen roeren, de signaal- en jagershorens schallen, de trompetten schetteren. Er ontstond een gewoel, alsof een groot leger werd overvallen. De ruiterij zat op, het voetvolk greep naar de wapens en trad aan. Nog wist men niet of men enkel een woedend element of wel ook een heimelijk loerenden vijand, die, daardoor beschermd, te voorschijn zou springen, te bekampen had. De onzekerheid vermeerderde dus den eersten schrik. Intusschen vlogen de hooge gebouwen van alle zijden in lichtelaaie; de wind verhief zich en joeg het vuur als een gloeienden stortvloed over de stad voort. Nu was men in een ondoordringbaar duister van verstikkenden rook gehuld, die, in de enge straten saamgeperst, niet dadelijk een uitweg vond, dan stond men in een hellen lichtgloed en de weerschijn der vlammen deed alle wapens roodachtig afschijnen, als waren zij in dampend Russenbloed gedoopt.
Thans bereikte Rasinski met de zijnen eene kleine straat, waar de brand nog niet was uitgebroken. De hoogte der huizen belette den weerglans der op een afstand vlammende gebouwen zoo verblindend neer te vallen, als tot nu toe bijwijlen het geval was geweest; men bevond zich in een schemerend halfdonker, schoon de hemel nog door roodachtige rookwolken en vliegende vuurvonken bedekt was. Het einde der straat stiet op eene brug, die op dit oogenblik door de artillerie versperd was, die in allerijl den terugtocht aannam, ten einde de kruit- en ammunitiewagens zoo mogelijk nog aan het dreigend gevaar te onttrekken. Rasinski's troep moest dus hier halthouden, totdat de baan weder geopend zou zijn.
„Ziet gij, vrienden,” sprak hij de beide vrijwilligers aan, „mijn voorgevoel wordt bewaarheid! Thans zie ik aan het onheil geen einde.—Ik wenschte wel, dat Jaromir weer terug was,” vervolgde hij na eene pauze; „in het eind kan hij ons in het geheel niet wedervinden.”
„Ik ga hem opzoeken,” riep Bernard, en ook Lodewijk toonde zich dadelijk daartoe bereid.
„Dat zou hem niets baten en mij ook om uwentwil in ongerustheid brengen. Gij hebt ons gisterenavond reeds angst genoeg aangejaagd door uw plotseling verdwijnen, Bernard. Waar zijt gij toch al dien tijd geweest?”
„Ik heb in den tuin gewandeld, daar het mij toch onmogelijk was te slapen. Bovendien heb ik daar eene ontdekking gedaan, die ons nu wel is waar weinig meer baten zal, maar toch zekerlijk met den brand in verband staat.”
Men zag hem vragend aan, vooral Lodewijk scheen opmerkzaam te worden.
„Ik was juist van plan om naar mijne kamer terug te keeren, want het had reeds middernacht geslagen, toen ik, de breede heesterlaan doorgaande, die op het portaal uitkomt eensklaps uit een zijpad een lichtschijnsel door de struiken zag vallen. Het was een gedaante in een mantel met eene lantaarn. Eerst dacht ik, dat men mij opzocht, maar ik hield het toch raadzaam mij achter een dikken kastanjeboom schuil te houden, tot ik wist, wie de onbekende was; want gij moet weten, dat ik tegen den avond al eenige ontdekkingen gedaan had, die....”
„Ja, ja, ik weet het; Lodewijk vertelde het mij.”
„Ik bleef dan op de loer staan en zag, dat de man met de lantaarn nog door anderen gevolgd werd. Zij sloegen uit het zijpad de hoofdlaan in en kwamen regelrecht op mij toe. Ik telde er tien. De kerel met de dievenlantaarn ging vooraan, daarop volgde een man in een mantel, die eene dame met een zwarten rouwsluier aan den arm had.”
Lodewijk loosde een diepen zucht, maar zweeg.
„De overigen schenen bedienden te zijn; ik zag er nog twee vrouwen onder; de eene was jong en rijk, maar de andere, groot en avontuurlijk gekleed, geleek in dracht en houding volmaakt het razende wijf, dat wij op de muren van het Kremlin gezien hebben en, schoon de lantaarn slechts een vluchtigen lichtstraal op haar wierp, wil ik zweren, dat zij het inderdaad geweest is. De laatste vier mannen droegen iets op hunne schouders, dat ik niet behoorlijk onderscheiden kon; ik zou het voor een in lakens gewikkeld lijk gehouden hebben.—Ik stond in twijfel, of ik het verdachte gezelschap zou aanspreken ja dan neen; maar, om de waarheid te zeggen, het was mij te talrijk om zulks te wagen, vooral daar ik mijne pistolen niet bij mij had. Wie weet ook, dacht ik, of het misschien niet vreedzame lieden zijn, die bij nacht voor ons vluchten en blij en dankbaar zijn, als wij hen slechts niet ophouden. Ik liet hen dus in vrede trekken, en toen zij voorbij waren, wandelde ik bedaard op het slot toe. Een weinig verder rook ik reeds pek en zwavel. Hm! dacht ik, zou deze zwarte bende tot de lijfwacht des satans behoord hebben? De reuk werd gedurig merkbaarder. Plotseling voelde ik de aarde onder mijne voeten beven en een doffe, holle slag dreunt door den stillen nacht. Nu krijg ik licht en vlieg als de wind het park door naar het slot. Eindelijk ben ik het boschje ten einde en zie de gebouwen voor mij, maar tevens den rook, die van alle zijden opstijgt en de roode vlammen, die zich uit de keldervensters verheffen. Ik wilde naar boven, om u te wekken, toen gij mij op de trap tegenkwaamt; zeker zijt gij door den rook wakker geworden.”
„O Bernard,” begon Lodewijk, „eene zonderlinge hulp was ons nabij. Ik....”
„Voorwaarts!” brak Rasinski Lodewijks verhaal af, want juist werd de doorgang vrij en men moest zich haasten, wilde men niet ten tweedenmale worden afgesneden. Op de brug gekomen, had men een ruimer uitzicht. Het vuur breidde zich van de westzijde af over de stad uit. De weerschijn spiegelde zich prachtig in den diepen vloed.
„De wind slaat om!” sprak Rasinski en zag naar de richting van rook en vlammen. „Ziet, hoe de vuurvonken op het Kremlin regenen!—Wij zullen een anderen koers moeten nemen.”
Een adjudant kwam in galop aanrennen en riep: „De cavalerie en artillerie moet zich buiten de poort op den weg naar Petersburg bijeentrekken.” Hierop wendde hij den teugel, vermoedelijk om dit bevel ook aan andere afdeelingen over te brengen, die, zonder te weten waarheen, door de stad omdoolden.
„Goed; nu kennen wij ten minste onze bestemming,” sprak Rasinski, „want waarlijk, ik wist niet, hoe ik mij in deze omstandigheden te gedragen had.”
Zij sloegen eene straat in, die hen naar de aangewezen verzamelplaats brengen moest. Spoedig echter zagen zij zich door een dicht gedrang omgeven, daar verschillende infanterie-colonnes, afgezonden om den brand in zijn verderen voortgang te stuiten en de orde bij de vlammende gebouwen te handhaven, hun in snellen stormpas te gemoet kwamen. „Plaats! plaats!” riep de aanvoerder en drong, de baardige sappeurs aan de spits, met zijne manschappen voorwaarts. Zoo kon de cavalerie, aan de rechterzijde der straat opeengepakt, niet dan stapvoets vooruitkomen. Inmiddels namen de vlammen in haar rug meer en meer de overhand; de rook, tot gloeiende en dreigend zwarte wolken verdikt, dreef al dwarrelend en wentelend over torens en paleizen voort en bedekte den hemel en zijne gesternten. Echter waren de straten niet verduisterd, maar huizen en grond gloeiden, als door de toortsen der furiën beschenen, in bloedrooden weerschijn.
De storm, door den vlammen-oceaan gelokt, wierp zich met grimmige, huilende woede op den golvenden vloed, deed dien in dwarrelingen opstuiven en joeg vonken, vuurvlokken en asch voor zich uit, die vervolgens in een dichten regen ter aarde vielen.
Elk ander lijden, verlangen, hopen en gevoelen werd verslonden door den ijskouden stroom des afgrijzens en der ontzetting, die midden uit de gloeiende vuurzee opwelde en zich in het hart van den koensten uitgoot. Het uur van het wereldgericht scheen aangebroken, het vlammend verderf achterhaalde volken en tronen; wallen van metaal noch muren van erts konden het onheil nu meer afwenden.
HOOFDSTUK VI.
Met lossen teugel was Jaromir door de straten naar de poort van het Kremlin gereden. Eene kille huivering bekroop zijne borst, toen hij alleen door de stille stad voortspoedde. Noch had hij geen tweeden brand bespeurd, noch sloeg geen vlam uit de gevels van verwijderde daken op, om zijn weg te verlichten. Echter had hij een duister vermoeden van de waarheid, en de zwarte steenmassa's der stad kwamen hem als eene gestolde, uitgebrande, bedriegelijke lavakorst voor, welker oude kloven en spleten opnieuw konden openscheuren, om aan de bandelooze, onderaardsche vuurstroomen een vrijen doortocht te verleenen. Hij moest door eene nauwe, kronkelende straat rijden, wier hooge huizen hem het uitzicht in de verte eene poos lang geheel benamen. Toen hij weder een open plein bereikte, zag hij reeds op drie plaatsen tegelijk een roodachtigen rook opstijgen, en eensklaps doorboorden heldere lichtstralen het floers van den nacht. Het waren de eerste vlammen, die door de daken van den bazar uitsloegen. Spoedig werd de hemel op verschillende plaatsen verlicht, en nog eer de jongeling de poort van het Kremlin bereikt had, hoorde hij de tamboers der wachten donderend alarm slaan. Adjudanten kwamen hem te gemoet rennen; hij riep hen aan, om te vragen tot wien hij zich met zijne berichten te wenden had. „Alles is reeds in orde,” luidde het antwoord. „De keizer is van alles verwittigd, maarschalk Mortier in volle bezigheid. Wij moeten alle ruiterafdeelingen en de artillerie gelasten, onmiddellijk de stad te verlaten. Daarentegen moeten sappeurs, mineurs, pontonniers en infanterie zich verzamelen, om te helpen blusschen. Alle berichten worden bij maarschalk Mortier gebracht.”
Jaromir begreep, dat hij niets beters kon doen dan terugrijden, om Rasinski het gehoorde mede te deelen. Hij gaf zijn paard de sporen, doch deels wijl hij niet nauwkeurig met den weg bekend was, deels wijl de zonderlinge verlichting hem misleidde, en eindelijk naardien eene uitrukkende veldbatterij de kleine zijstraat versperde en hem zoo tot een anderen weg dwong dan hij gekomen was, geraakte hij aan het dwalen en kon hij zich niet losmaken uit het net van kleine, elkander kruisende stegen en straten, die altijd op andere punten uitliepen, dan hij uit de richting, welke zij hem bij het inrijden schenen te nemen, meende te mogen opmaken. Ten laatste kwam hij op een open plein, dat door de vlammen met helderen vuurglans beschenen werd, en geloofde nu links te moeten afslaan. Zijn paard omwerpende, bespeurde hij eerst, dat hij zich juist tegenover de plaats van zijn bivak bevond, maar uit een anderen hoek daarop was teruggekeerd, waardoor de voorwerpen hem bij het eerste gezicht half bekend en toch vreemd waren voorgekomen. Het brandende gebouw aan zijne rechterhand was juist dat, waarin Rasinski vertoefd had; de vlammen sloegen reeds over den gevel uit en de rook wentelde zich in een breeden stroom over de tegenoverstaande huizen en daken voort, zoodat het uitzicht naar die zijde bijna geheel belemmerd was. Van troepen was geen spoor meer te vinden; echter maakte Jaromir uit het nog brandende bivaksvuur op, dat zijne kameraden nog niet lang vertrokken waren. Zij hebben het bevel, dat gij moest overbrengen, zeker reeds door iemand anders ontvangen, dacht hij, maar hij bleef in het onzekere, werwaarts hij zelf zich nu te wenden had, om hen spoedig weder in te halen. De sombere gedachten, welke hem verontrust hadden, waren door de machtige indrukken van het oogenblik een weinig afgeleid geworden; thans echter, daar de uitbarstingen zich vermenigvuldigden en de rook wellicht reeds uit twintig verschillende gebouwen ten hemel steeg, overviel hem plotseling eene angstvallige bezorgdheid voor Alisette. Zou zij gewaarschuwd, gewekt zijn? Zou zij weten, werwaarts zij zich wenden moet in dezen akeligen nacht van verschrikking? En wanneer zij ontwaakt door het verdoovend gedruisch, waarheen moet de eenzame, de hulpeloos verlatene vluchten? In vele wijken, waar geen troepen lagen, of waar bovenmatige vermoeidheid alles in loomen slaap gedompeld had, was nog niet eenmaal alarm geslagen. Hoe, wanneer zij in hare afgezonderde tuinkamer den trommelslag niet hoorde, wanneer het vuur ook haar paleis aantastte, wanneer zij....!
Hij dorst niet verder nadenken; zijn besluit was genomen, hij wilde naar haar toesnellen, haar wekken, waarschuwen, redden. Intusschen verdeelde de storm de breede wolken van smook en damp, die tot hiertoe naar de plaats, waar Alisette woonde, voortgestuwd en ze aan het oog onttrokken hadden. Daar zag hij roodvlammende vuurspitsen boven de boomen van den tuin opflikkeren; het paleis moest reeds branden; een onbeschrijfelijke angst overviel hem. Hij rende naar de tuindeur; zij was te eng om zijn paard door te laten. Ras wierp hij zich uit den zadel en opende het slot. Thans zag hij duidelijk, dat het gebouw reeds in vlam stond, schoon het woedend element nog niet geheel de overhand had bekomen. Zonder zich om zijn ros te bekommeren, ijlde hij in vollen vaart door de heesterperken, om de groote laan te bereiken die midden door het park voerde. Ademloos bereikte hij het einde van den tuin. Het paleis lag stil, eenzaam voor hem; niemand in de zwijgende ruimte scheen ontwaakt te zijn, niemand de nabijheid van eenig gevaar te vermoeden. Of de bewoners waren reeds ontvlucht en in veiligheid, òf de slaap hield hen nog in vaste banden gekluisterd en leverde de bedwelmde, weerlooze offers verraderlijk aan een zekeren ondergang over. Nog stond het gebouw niet in vuur, maar de vlammen lekten reeds met spitse, kronkelende tongen aan de voegen van het dak en bliksemden door de loome, langzaam voortkruipende dampmassa's die zich op de tinnen legerden en de muren als met een donker rouwfloers omkleedden. De gansche binnenruimte der prachtige woning was zoozeer met gloed en damp opgevuld, dat eene enkele aanblazing toereikend scheen, om de vlammen naar alle zijden op te jagen en het geheel met hare verterende golvingen te overstelpen.
Zonder zich te beraden, maar met een beklemd hart, wierp Jaromir zich in dezen zwangeren krater des doods, vloog de trappen op en stond weldra voor de kamer der geliefde. Hij klopte; geen antwoord; de deur was gesloten. Alisette kon wellicht in een nevenvertrek slapen en hem niet hooren; met een hevigen trap deed hij dus de deur uit de hengsels springen en trad binnen.
„Alisette!” riep hij; „Alisette! Waar zijt gij?”
Alles bleef stil. Was zij reeds gevlucht, of moest hij haar elders opzoeken? Bij het schijnsel van het vuur, dat, door de boomen voor de vensters gebroken, slechts mat in het vertrek viel, zocht en vond hij de deur der aangrenzende kamer. Ook daar was alles stil; echter zag hij eene nachtlamp op de tafel branden. Van rook of damp was hier nog niets te bespeuren, en de gloed van buiten drong niet helder genoeg door de vensters, om iemand te doen ontwaken; ook was het doodstil en van het gestadig luider wordende gewoel op de straat vernam men hier niets. Jaromirs vermoeden, dat Alisette nog sluimeren zoude, werd hierdoor bijna tot zekerheid; hij wierp onrustige blikken door het vertrek en daar hij niets ontdekte, dat spoor van leven aanduidde, opende hij driftig de deur van het volgende, waar hem een ledekant met gesloten zijden gordijnen in het oog viel. Een zachte rilling liep hem door de leden. „Alisette! Alisette!” riep hij.
„Wie is daar?” antwoordde hare stem angstig en bevend.
„Alisette, ik kom u redden, het slot staat in brand!” Met deze woorden ijlde hij op het bed toe, waaruit de zoete stem hem tegenklonk, ten einde het meisje op zijne armen uit het paleis te dragen. „Terug, terug!” riep zij hem toe, terwijl zij het voorhangsel met de eene hand gesloten hield en met de andere wenkte, dat hij zich verwijderen moest. „Om 's hemels naam terug!”—Jaromir geloofde, dat een gevoel van vrouwelijke schaamte haar dus beangstigde; doch de tijd bleef hem niet, het te bekampen, want eene forsche mannelijke stem riep luid en wrevelig: „Voor den duivel, wat is er dan?”
De jongeling stond als versteend, Françoise gaf een luiden gil. Op hetzelfde oogenblik sprong een man van het leger op.
„Wie dringt hier binnen?” vroeg hij met grimmige stem; doch eer Jaromir antwoorden kon, was ook Alisette opgesprongen, had zich aan zijne voeten geworpen, omklemde zijne knieën en snikte: „Veroordeel mij niet, ik ben onschuldig!”
Jaromir was bedwelmd, verplet, vernietigd. Hij zag zoovele onheilspellende schrikbeelden tegelijk op hem aandringen, dat zijn oog ze niet meer alle onderscheiden kon. Hij wierp de lamp van zich en riep, de handen tegen het voorhoofd gedrukt, hijgende uit: „O, ik rampzalige!”
Alisette had zijne knieën met beide armen krampachtig omstrengeld. Het los gewoelde haar golfde over de ontbloote schouders en den zwellenden boezem. „Ik sta niet op, eer gij mij vergeven hebt!” kermde zij en drukte het aangezicht op den grond. „En wilt gij niet, zoo vertrap mij; ik wil aan uwe voeten sterven.”
Jaromir hoorde en zag niet.
Eene forsche hand greep hem thans bij den arm en schudde hem hevig.
„Ik vorder eene verklaring, heer graaf, en vraag, met welk recht gij u verstout hebt hier binnen te dringen.”
Jaromir wendde zich half bewusteloos om. Juist brak tegenover de vensters een helle vuurgloed door het dak van een naburig gebouw, zoodat het vertrek roodachtig verlicht werd. Bij deze schemering herkende hij den overste Regnard, die in een haastig omgeworpen mantel voor hem stond.
Verschrikt sprong deze terug; Alisette, die zich juist wilde oprichten, gaf een doordringenden kreet en zonk weder half onmachtig op het vloerkleed neder. Jaromir was zoozeer verbijsterd, dat hij de vraag van den overste niet dadelijk vatten kon. In dezen had de onverhoedsche schrik met den ontbrandenden toorn te kampen; zoo bleef het eenige seconden doodstil.
„Voor den duivel! Ik vraag, wat uw indringen hier te beduiden heeft!” riep de overste, thans in woede losbarstend; „antwoord mij, als gij een man van eer zijt.”
Regnard geloofde het gevaar niet zoo nabij, en wat den naburigen brand betrof, daarover had hij zich met den moed van een oud soldaat al dadelijk weder gerustgesteld.
Alisette was thans angstvol opgesprongen. Zij wierp zich tusschen de beide mannen in en riep, de handen wringende: „In 's hemels naam, laat ons vluchten, vluchten! Ik wil immers alles, alles bekennen!”
Doch met onstuimig losbarstende woede greep Jaromir den naakten arm der smeekende aan, schudde haar als een tijger het lam, en donderde: „Beken, rampzalige! Hebt gij Lodoiska belasterd!”
„Vergeving! genade!” kermde de doodelijk beangste en wilde voor hem op de knieën zinken. Doch Jaromir slingerde haar grimmig van zich, zoodat zij op den grond neerstortte, en riep: „Giftige adder! vlucht, laat mij geen vrouwenbloed op mijne ziel laden!”
Regnard wilde den razende in den arm grijpen, maar Jaromir deed hem door een krachtigen stoot in een hoek terugtuimelen. „Wij spreken elkander nader; thans red u, want het paleis staat in brand.”
Een doffe donderslag, die uit de diepte der aarde opwaarts dreunde, verslond de laatste woorden. Het paleis sidderde, de vensterruiten sprongen kletterend in stukken; kalk en pleister vielen van de wankelende, opensplijtende zoldering naar beneden.
„Hel en duivel! Wat is dat?” riep Regnard.
„Barmhartige hemel!” kreet het meisje en wrong de handen.
„Van u weet de barmhartigheid niets,” riep Jaromir haar met doffe stem en dreigend opgeheven hand toe. „Deze gewelven storten in over uwe gruwelen en u verslinden de vlammen der hel.”
„Genade! erbarmen! red mij!” snikte de rampzalige en wankelde op Jaromir toe; maar zij kon zich niet langer staande houden en zeeg bleek en roerloos voor zijne voeten neder.
„Wij kunnen haar hier niet laten omkomen,” sprak Regnard koen beraden; „help mij haar naar beneden dragen.” Hij trachtte haar op te richten; Jaromir stond als eene ijzeren beeldzuil en staarde de onmachtige met strakke blikken aan. Intusschen werd de deur van het nevenvertrek opengestooten en het pleegkind van Françoise, de kleine driejarige dochter harer zuster, sloop binnen en stamelde angstig: „Ik ben zoo bang, tante.”
Bij den aanblik van dit hulpelooze wezen keerde het bewustzijn in 's jongelings borst terug en tegelijk zijn teergevoelig medelijden. „Neen, gij zult niet omkomen, kleine, schuldelooze engel,” sprak hij weemoedig; „gij noch deze misdadige.” Hij nam het kind op zijne armen en wikkelde het in een sjaal van Alisette. Regnard had haar reeds een mantel omgeworpen; echter was hij niet in staat haar op te richten, daar de bekomen wonde zijn arm nog krachteloos maakte. Jaromir reikte hem de kleine over en zeide: „Daar, neem gij het kind.” Hierop greep hij de bezwijmde aan, hief haar met jeugdige kracht op zijn arm en trad op de deur toe. „Mij na! Den tuin kunnen wij nog bereiken.” Regnard volgde hem.
Reeds drong een dichte damp en sulferlucht tot de vertrekken door; doch de vlammen wierpen van buiten zulk een helder licht op de voorwerpen, dat men zich in den weg niet bedriegen kon. De kleine trap, die naar den tuin afdaalde, was geheel met smook vervuld en een verzengende gloed sloeg de vluchtenden tegen. Zonder te aarzelen wierp Jaromir zich in den lichtenden nevel; in drie sprongen was hij beneden en bereikte gelukkig de open lucht. Regnard was hem stoutmoedig op den voet gevolgd. Ademloos, met verschroeide haren en wenkbrauwen, bleven zij op eene veilige plek in den tuin staan. Daar legden zij hun last op het gras neder en schepten adem.
„Wij zijn in zekerheid,” mompelde Jaromir op den doffen toon van koele onverschilligheid; „in den tuinmuur is eene deur, zoo de poort van het paleis reeds in brand mocht staan.—Wat ons betreft, heer overste, wij zullen elkander wel wederzien!”
Regnard zweeg. Hij vermoedde thans den samenhang en gevoelde, dat hij van den ongelukkige geene verklaringen te vorderen had. Deze echter trad haastig door den tuin, om zich te paard te werpen en de zijnen op te zoeken.
Het trouwe ros stond, hoewel niet aangebonden, geduldig aan de tuindeur en scheen zijn heer op te wachten. Jaromir wierp zich in den zadel en rende met lossen teugel de straat op.
Van alle zijden stonden de gebouwen thans reeds in blakenden gloed; de nacht was helderder dan de dag. Slechts waar de opeengepakte smook en walm of de dichte aschregens voorbij togen, was het stikduister. De brandende straten schenen uitgestorven; alles was gevlucht. De reddingsmiddelen wendde men slechts aan om de nog vrijgebleven panden te beschutten, want waar het vuur eens was losgebroken, was elke worsteling met het vernietigend element vruchteloos. De vlam knapte en knetterde overal in het rond; het scheen Jaromir toe, dat het de furiën der hel waren, die hem vervolgden. Zijn paard werd door de sporen en den angst even krachtig voortgedreven; het vloog als een pijl uit den boog met hem voort. Maar de bedwelmde zocht geen uitweg, hij hield de teugels, maar bestuurde die niet, hij gaf geen acht op eenige teekens, hij lette niet op de richting van den wind; zijn paard bewusteloos de vrije keuze latende, verdoolde hij dieper en dieper in het labyrintische warnet der vlammende straten. Eerst toen het schuwe dier zich eensklaps van alle zijden in eene heining van vuur en vonken en gloed en licht zag besloten, en deinsde en zich wilde omwerpen en nogmaals deinsde, en brieschte en snoof, terwijl het zich steigerend op de achterpooten uitrekte, en spranken en vuurvlokken uit de smeulende manen trachtte te schudden,—eerst toen zag Jaromir, in welk een helschen poel hij geraakt was. De doorgloeide lucht was nauwelijks meer in te ademen, het oog brandde en sloot zich, door de hitte verblind; eene duldelooze, stekende pijn doorpriemde de hersenen. „Dus hier moet ik sterven?—Zijn het de vlammen der hel, die mijne misdaad zoo spoedig straffen?”
Hij was het leven moede, doch de natuur verzette zich tegen dezen pijnlijken marteldood. Met geweld spalkte hij de verblinde oogen open en staarde in de vuurzee, om ergens een uitweg te ontdekken. Een rukwind gierde huilend door de vlammen, perste ze met kracht te zamen en dreef ze vervolgens uitéén, den waggelenden muur met vernielende woede omversleurend. Jaromir wierp zich in de gapende kloof; een oogenblik lang werden de vlammende golven naar boven opgestuwd, zoodat de blik tot het punt waar de redding wenkt kon doordringen. Doch reeds sloegen de vlammen weder over zijn hoofd samen; plotseling hoorde hij een vreeselijk donderen en kraken; het was een dak, dat instortte; gloeiende balken en sparren en ribben kletterden naar beneden; zijn paard, door een zwaren hoeksteen in het kruis getroffen, zeeg verpletterd onder hem neder. Bedwelmd tastte hij in het rond, doch richtte zich weder op en drong te voet verder. Reeds waande hij zich verloren; met de oogen, die, door den gloed verblind, in de holen zengden, halfgesloten, spoedde hij voorwaarts, op de plaats toe, waar hij voor eenige minuten eene opene ruimte bespeurd had. Daar, in dien eenzamen vuurchaos, drong eensklaps eene ernstige, mannelijke stem tot zijn oor door. „Weet gij ons nog een uitweg uit de vlammende straten aan te wijzen?” hoorde hij zich van ter zijde toeroepen.
Blij verrast, toch één mede den dood gewijden makker in deze verlatenheid te hebben aangetroffen, wendde hij zich naar de zijde, vanwaar de stem kwam. Doch door schrik en eerbied versteend, bleef hij roerloos staan, toen hij den keizer, die met een klein gevolg uit ééne enge zijstraat vluchtte, voor zich zag. „Hoe? Hij zelf! Hij, van wien het lot van allen afhangt, in deze golvende vuurzee, waar nergens meer een reddingsweg te ontdekken is? Neen, zóó kan hij niet verloren gaan!”—Deze levendige, profetische overtuiging gaf hem kracht en bezinning terug. Door de rustige kalmte van den onverzettelijken man, die hem met dezelfde onveranderlijke trekken aanblikte, waarmede hij in den storm van het gevecht aan het roer stond, voelde hij zijn eigen vertrouwen versterkt. Het nam toe door een blik op de radelooze, bevende geleiders van den veldheer, die, door schrik verblind en verbijsterd, niet meer in staat waren de oude sporen der straten in de wentelende vlammen weer te vinden. Met bezielende kracht doordrong hem het gevoel, dat zijn nietig leven in vergelijking met dit onberekenbaar gewichtige niets gold, en daarom bedwelmde het hem niet meer, dat hij door duizend smarten verscheurd en thans door een reddeloos verderf bedreigd werd. Eer en mannenplicht verhieven hem boven zich zelf.
„Weet gij geen uitweg!” herhaalde de keizer. „Ik vertrouw ja,” was het vaste antwoord; „doch de weg gaat door vuur en vlammen.”
„Welaan dan! Het heeft haast,” hervatte de keizer en ging, werwaarts de hand des jongelings heenwees. Deze ging voor, vast besloten zich stout in den gloed te werpen. Doch het scheen, dat de losgelaten elementen huiverden, den machtige aan te tasten; althans de stormwind verhief zich met verdubbelde woede en brak eene baan door de vlammen. Jaromir snelde vooruit; het pad ging door asch en vuurregens, over smeulende balken en puinhoopen. Men ademde gloed in; het oog scheen te koken; tong en lippen verdorden. Daar waaide eene frissche windvlaag den jongeling leven en verkoeling toe; de ruimte was bereikt, de redding verzekerd!
NEGENDE BOEK.
HOOFDSTUK I.
De maand September was aangevangen met een onbewolkten helderen hemel; de dagen gingen stil, zonnig, zacht verwarmend voorbij. Wel is waar begon het loof reeds te verkleuren, ja zelfs af te vallen, doch de velden waren toch nog met een welig groen bekleed, dat zich met de schoonste herfstbloemen versierde. In dit opzicht hadden de gravin, Lodoiska en Maria eene allergenoeglijkste reis gehad; wat aan het landschap ontbrak, vergoedde de aangenaamheid van het seizoen, dat zich in zijne vroolijke stilte met den zachten trek van weemoedigheid, dien de aanblik der natuur in den herfst aanbiedt, als men vriendelijke deelneming aan de droevige zielsstemming, waarin vooral de jonge meisjes verkeerden, aansloot.
Het paleis der gravin was, ofschoon de inrichting daarvan met eene luisterrijke levenswijze overeenkwam, toch nu een zoo stil, genoegelijk verblijf, als vrouwen, die afgezonderd begeeren te leven, met mogelijkheid konden wenschen. Zij hadden de benedenkamers van den linkerzijvleugel betrokken, die tegen den tuin aan en zelfs gedeeltelijk reeds daarin lag. De glazen deur van de gemeenschappelijke zaal opende zich onmiddellijk op een, van vlier en jasmijnstruiken omgeven, zacht glooiend grasperk. Rozeboomen, die in de lente het aangenaamste gezicht verschaffen, stonden in een halfrond er omheen geplant; hun bloesem was wel lang afgevallen, doch daarvoor schitterde in het midden van het perk een rijk medaillon van herfstbloemen, waaronder eene pracht van bonte asters zich onderscheidde, aan welke de kunst des tuiniers eene bijzondere zorg besteedde. Aan de binnenzijde des vleugels, welke naar de bassecour en den tuin zag, woonden Maria en Lodoiska. Zij hadden elkander als zusters lief gekregen en zich daarom ook uiterlijk vertrouwelijk bij elkander aangesloten. Een wijngaard liep slingerend tegen de vensters van hare slaapkamer op, die dicht aan het ijzeren hek was gelegen, dat zich dwars van den eenen tot den anderen vleugel van het slot uitstrekte en den tuin van de bassecour scheidde. De vruchten werden zeker slechts zelden aan dit staketsel rijp, doch de muren waren vriendelijk door het loof bedekt en de stralen der zon werden door dit bewegelijk groene scherm aangenaam gematigd, zonder geheel en al afgekeerd te worden. Van het slaapvertrek ging men door eene boekenkamer in de woonkamer, en deze paalde aan de zaal. Aan de andere zijde van den vleugel woonde de gravin in de kamers, welke met die van Maria en Lodoiska evenwijdig liepen, doch door een gang daarvan gescheiden waren. Ook deze zagen op den tuin uit, doch naar den kant van den ringmuur; ook was de tuin hier slechts omtrent dertig schreden breed en de gansche ruimte met hooge en donkere struiken bezet, die den muur bedekten, welke zich langs het zijstraatje, waar Françoise Alisette gewoond had, uitstrekte en, in dezelfde richting door, op een zijmuur van het hoofdgebouw uitliep. Eene rij van hooge populieren langs dezen muur benam aan de bewoners der straat elk gezicht op den tuin of de vensters der gravin. Dus lagen deze ook zeer stil en afgezonderd; ja, door de donkere, dichte struiken verkreeg de woning iets sombers, dat zeer goed met den ernst der bewoonsters overeenstemde.
Op deze wijze geheel afgezonderd in het midden der groote, levendige stad leidden de drie vrouwen een stil en slechts onder vrouwelijke bezigheden voortvliedend leven. Zelden ontvingen zij bezoek; nog zeldzamer beantwoordden zij dat; hare eenzaamheid werd haar met iederen dag dierbaarder en zij genoten die meer, naarmate zij elkander langer leerden kennen en beminnen. Moeielijk zou men onder drie vrouwen een grooter verschil bij eene zoo innige overeenstemming kunnen aantreffen. De gravin, de beide meisjes in jaren aanmerkelijk vooruit, overtrof haar evenzeer door koenheid van geest, als door rankheid van leest. Zij bezat wel een fijn vrouwelijk gevoel en verstand, doch zonder de weemoedige neigingen, die aan het jonkvrouwelijk gemoed eigen plegen te zijn. Opgegroeid onder groote gebeurtenissen, was zij vroeg uit de enge beperking van den vrouwelijken levenskring in de grootere banen van den loop der wereld gevoerd geworden. Zij had het vaderland voor haar vaderlijk huis verruild; hare ziel leefde in alle openbare zaken belangstellend. Zij was met geestdrift eene dochter van haar volk. Ook op Maria hadden de machtige gebeurtenissen des tijds een vormenden invloed gehad; ook zij gloeide voor een in slavernij zuchtend vaderland, doch op eene geheel andere wijze. De gravin nam een werkdadig deel aan de algemeene aangelegenheden; haar hart sloeg daarvoor reeds uit gewoonte en ontbeerde het verlies der huiselijke, vrouwelijke rust des gemoeds niet meer. Daarom las zij ijverig de dagbladen, de staatkundige geschriften van den dag; zij was met de geschiedenis der gebeurtenissen vertrouwd, volgde die met een scherpen blik en bracht het lot van verafgelegen volken met dat haars vaderlands in verbinding. Maria beminde daarentegen slechts haar geboorteland, het volk, waartoe zij behoorde, bovenal; zij was door taal en denkwijze eene Duitsche. Haar edele haat richtte zich alleen tegen de vijanden en onderdrukkers van haar vaderland. De geschiedenis der overige wereld beschouwde zij niet onverschillig, maar op den schuwen afstand, met den vrouwelijken eerbied, die erkent, dat haar rijk hier eindigt, dat haar blik op dit gebied geen grenzen ziet en in het verwarde gevoel geen leidraad ontwaart. Daarom keerde zij gaarne in haar stil huiselijk heiligdom terug en was lijdelijk, waar zij niet handelend kon zijn. Met de bevrijding van haar vaderland zou haar aandeel aan het openlijke leven verdwenen of ten minste evenzoo op den achtergrond teruggetreden zijn, als bij de meeste vrouwen. Zij verlangde uit den strijd slechts een stil heiligdom van duitsche huiselijkheid te winnen. Geheel anders de gravin, die met hare wenschen steeds over den drempel des huizes naar buiten snelde. Maria begeerde slechts het geluk, de rust des vredes voor haar vaderland; voor de gravin was het zielsbehoefte, aan den glans, den roem en de macht er van te denken. Op de bewegelijke schilderij van den strijd der volken hield Maria slechts hare landgenooten en naaste vrienden als de vertegenwoordigers in het oog; de gravin daarentegen hield haar blik op de helden van den dag gericht en volgde met bange verwachting het lot der hoofden. Maria zag wel het slagveld op het hoofdvak der schilderij; doch op den voorgrond haar broeder, Bernard en, zooals zij zich zelve beschroomd bekende, Rasinski. De gravin stond midden in den slag; haar blik volgde de vanen, de veldheeren; zelfs in haar broeder zag zij op den dag der beslissing slechts den aanvoerder. Lodoiska daarentegen, geheel meisje, geheel liefde, hoorde den doffen donder van den slag slechts uit de verte; maar de bloedende, verbleekte beminde zonk stervend voor haar neer. De liefde had geheel haar hart zoo vervuld, dat er voor niets anders plaats bleef. Zelfs de dweepende vroomheid, waarmee zij iederen dag de mis bezocht, was slechts een andere vorm van de angst der liefde, want haar gebed steeg slechts voor den vriend harer ziel naar boven.—Gelijk het echter bij edele zielen pleegt te zijn, hield elk der vrouwen de andere voor beter, volkomener, alleen wijl deze bezat, wat haar ontbrak. Zoo beschouwde Lodoiska hare moederlijke beschermster met den diepsten eerbied en schikte zich deemoedig onder Maria, wijl zij in beiden de kracht bewonderde van zich te beheerschen. De gravin en Maria daarentegen vereerden de heilige kracht der liefde in Lodoiska's boezem, die uit hare reine vlam al het vreemde verwierp en het gansche hart van het meisje alleen vervulde en doordrong. En Maria zag met bewondering op tot de heldin, onder wier bescherming zij zich in hare blooheid en angst had begeven.
Op de tafel der gravin lag eene landkaart van Rusland uitgeslagen; zij volgde naar de courantenberichten nauwkeurig iederen marsch, iedere beweging der legers, en teekende ze met spelden aan, welker toppen zij met zinvolle kenteekenen voorzien had, om niet slechts vriend en vijand, maar ook den stand der afzonderlijke korpsen met één oogopslag te onderscheiden. Voor Rasinski's regiment had Lodoiska eene gouden naald uit hare lokken genomen; de schitterende knop van deze toonde haar oog iederen dag, waar haar hart den geliefde moest zoeken.
De laatste berichten had zij na het innemen van Smolensko ontvangen. Met levendigheid sprak de gravin over deze gebeurtenis en knoopte de vroolijkste verwachtingen over den uitslag van den strijd daaraan vast.
„Reeds wij,” zeide Maria, „die hier op een verren afstand zitten en na den volbrachten strijd het bericht ontvangen, dat onze dierbaarsten nog ongedeerd onder de levenden wandelen,—reeds wij volgen de tijdingen van den dag met angstig kloppende harten. Hoe zouden wij te moede zijn, wanneer het verderf ons zoo nabij was, als aan die arme bewoners van Smolensko; wanneer wij, gelijk zij, wisten, dat onze broeders, vaders, echtgenooten voor de poort waren in den strijd op leven en dood voor vrijheid, vaderland en haardstede, voor ons leven, onze eer!”
„Mij zou het geprangde hart naar de muren drijven,” riep de gravin, terwijl zij, zooals zij in hare levendigheid, steeds placht te doen, snel door de kamer op en neder ging, „ik zou met mijne oogen de kansen voor den strijd moeten volgen.”
„Dat zou ik niet vermogen,” hernam Maria met zachten nadruk; „doch mij dunkt,” voegde zij er met den onzekeren toon der bescheidenheid bij, „ik zou genoeg standvastigheid behouden, om de gewonden te verplegen.”
„Ach, en ik,” riep Lodoiska zuchtend uit, „ik zou zeker niets kunnen doen, dan voor het beeld der heilige moeder Gods bescherming voor het dierbare hoofd des geliefden afbidden.” Ook zij stond op, doch om hare opwellende tranen te verbergen.
De vrouwen hadden zich oprecht, zonder achterhoudendheid verklaard; slechts Lodoiska miskende zich zelve, want zij hield voor zwakheid wat sterkte was. In het oogenblik des gevaars zou zij met den heldenmoed eener heilige de hulpvaardige verpleging midden in den slag gedragen, den geliefde onder de dreigende bliksems des doods opgezocht en gered hebben.
Om haar gejaagden boezem te doen bedaren, was zij naar buiten in den tuin getreden. De middagzon straalde helder door de hooge boomen, een lichte wind ruischte door de takken. Zachte wolken zweefden door de helder blauwe ruimte. Maria wier fijn gevoelend hart de vriendin snel begrepen had, ging haar na, om haar te doen bedaren, want bij het vertrouwelijk gesprek in het uur vóór het insluimeren had Lodoiska haar hart geopend en zich zelve wegens de overweldigende macht, die de liefde op haar uitoefende, aangeklaagd, zonder Maria's troost te willen aannemen, die in deze krachtige openbaring van den hartstocht eene zeldzame grootheid van gemoed erkende. Doch toen Lodoiska nu de fontein genaderd was, waar zij haar verbond met Jaromir had gesloten, trad Maria haastig op haar toe, legde den arm om haren hals, kuste hare wang en zeide: „O, lieve, ik wenschte, dat gij mijn naam droegt.”
„Ik wenschte, dat ik uw zacht, sterk, zich zelf beheerschend hart had, mijne dierbaarste,” hernam Lodoiska en droogde hare tranen af.—„Doch waarom wenscht gij mij uw naam toe?”
„Om u te kunnen zeggen: „Maria heeft het goede deel uitverkoren.””
„Ja, ja, dat heeft zij,” riep Lodoiska en nieuwe tranen welden in hare donkere oogen op. „O, ik gevoel het maar al te goed, ik ben krank van liefde en mijn geluk wordt eene kwaal, eene misdaad.”
„Neen, neen, waarlijk niet,” hernam Maria. „Voor het edele mag men geheel gloeien; ik bewonder u, dat gij het geheel vermoogt. Geloof mij, onze rust ligt niet in onze sterkte, doch slechts in de mindere kracht onzer liefde. In mijn hart kon ik moederliefde, broederliefde, vaderlandsliefde zuiver afwegen, totdat....”
Hier zweeg zij; want van haar bestreden hartstocht voor Rasinski had zij hare vriendin nog nooit gesproken, wijl het geheim haar niet alleen toebehoorde en naardien zij gevoelde, dat zij zich op eene zedelijke overwinning niet kon beroemen zonder die te verliezen.—En was zij dan overwinnares? Vernieuwde zich de strijd niet menigmaal in de eenzame uren des nachts in haren boezem? En stroomden hare tranen niet nog steeds over het verloren geluk?
„Totdat?” vroeg Lodoiska, toen Maria zweeg.
„Nu ja dan,” sprak zij verward, „ook ik heb bemind. Een oogenblik!—De jonge plant werd door den ruwen storm des tijds snel ontworteld, zij kon hare bloesems niet openen, noch wortel schieten. Doch zelfs dit vluchtig oogenblik, korter dan een droom, verbrak bijna de oudere, heilige banden van liefde en plicht. En evenwel gevoelde ik mij grooter, edeler, beter door de liefde. Waarlijk, het is iets groots, wanneer men alles in haar en door haar vermag te zijn. Daarom bekommere het u niet, mijne beste, dat gij geringere krachten en plichten door deze hoogere in u opgelost en vernietigd voelt. Wanneer wij sterker wederstand bieden, wie zegt u, dat daarom grooter sterkte in ons woont? Wij wederstaan, omdat wij niet zoo heftig worden aangegrepen. Kleine zielen kunnen geen groote mate van liefde bevatten. Daarom waardeer dan ook uwe ziel naar de kracht uwer liefde.”
„Gij troost zoo beminnelijk,” antwoordde Lodoiska bewogen, „gij wilt als een welriekend viooltje in de stille schaduw treden, waar gij zoudt kunnen schitteren! Mijn liefde is sterker dan ik zelve; dit is mijn vergrijp, en dikwijls heb ik een voorgevoel, dat het zich vreeselijk gestraft moet zien. Of staat de plicht niet hooger dan de liefde?”
„Maar welken plicht hebt gij geschonden?”
„Ik gevoel, dat ik ze alle zou schenden.”
„Dat gevoel bedriegt u; slechts zou elke geringere plicht bij u voor dezen eenen, hoogeren verdwijnen.”
„Neen, bij mij verdwijnt de blik, om die hoogere te onderscheiden.”
„Gij zult ze gewis duidelijk voor u zien, wanneer hunne vervulling van u geëischt wordt en wanneer zich hoogere plichten voor u opdoen! De wereld zal ze misschien vorderen; maar is dit niet eigenbaat der wereld? Moet uw doen dan eene wet voor allen zijn? Bijzondere krachten geven bijzondere plichten. Ik heb steeds dien Romein moeten vereeren, die vrij uit aan de rechters bekende: „Ik zou het kapitool in brand hebben gestoken, zoo mijn vriend dit begeerd had.”—Wanneer ik zelve niet aldus zou handelen, dan is het nog de vraag, of mij dit als verdienste dan wel als schuld moest toegerekend worden. Is liefde, is vriendschap waarlijk zoo groot, wie durft haar deswege beschuldigen? De misdaad, welke zij op zich laadt, is dan geene meer. Hier, mijne lieve, heerscht geen koude, voor allen gelijke wet; doch ieder handelt naar het gevoel in zijne borst, en naar dit richt ons de Eeuwige, die alleen de maat der in ons strijdende krachten vermag te bepalen.”
In haar ijver voor de vriendin had Maria het eigenaardige in deze weten te verdedigen, zonder zelve de heldere bewustheid van haar gevoel te verliezen, die haar in haar handelen en gevoelen den rechten weg aantoonde: zij had zich met levendigheid van de schoone zijde van het karakter harer vriendin doordrongen. Lodoiska was een zuiver kind der natuur, in de droomen harer jeugd opgegroeid, slechts overgegeven aan de gevoelens van haar hart, die, rein en edel op zich zelve, tot het goede en schoone haar bijna buiten haar weten heendrongen. Maria had haar gemoed door de klare wel van een meer ontwikkeld bewustzijn gelouterd; de ernst, de scherpzinnigheid van Lodewijk waren daar hij zich veel met zijne zuster bemoeide, niet zonder invloed gebleven. Zij had het ontvangen geestelijk goed in haar eigendom veranderd; op den bodem van het vrouwelijk hart groeide het edele zaad misschien niet meer zoo krachtig en hoog op, maar het bloeide des te schooner. Zij gevoelde met bewustzijn; oordeel en neiging smolten in haar te zamen, zonder dat zij het wilde of begeerde. Zoo ondervond zij ook, dat in het gemoed, waarin het zedelijk gevoel heerscht, de hartstocht niet zoo wild kan opschieten, en dat men dezen, wanneer hij het hart met eene edele vlam doordringt, tevens alle andere edele krachten, die het evenwicht verleenen moeten, toenemen.
Lodoiska zou zeker, zonder het voorbeeld der vastberaden gravin, der zacht zich schikkende vrienden, zich zelve niet met zulke bezorgde blikken hebben gadegeslagen. Zij leerde zich zelve eerst beter kennen door vergelijking en tevens leerde zij de behoefte kennen eene kracht, die ontbrak en waaraan zij onder andere omstandigheden misschien nooit gebrek zou hebben gevoeld.
Daarbij sluimerde eene schrikbarende gedachte in het diepst harer ziel; zij waagde niet, die voor zich zelve duidelijk te doen worden, veel minder zou zij eene vreemde tot vertrouwde daarvan hebben gemaakt. Van het oogenblik, waarop Jaromir haar dierbaar werd, beschouwde zij—en zij herinnerde zich zulks maar al te wel—de verleidelijke schoonheid van Françoise Alisette met angstige blikken. Dat meisje scheen haar onwederstaanbaar; het voorval bij het afmarcheeren van het regiment, dat zij mede had aangezien, was haar, hoezeer het ook slechts eene onschuldige galanterie geleek, onvergetelijk gebleven. Het had eene vonk van jaloezie—neen, dit woord is te hard—maar toch van bezorgdheid in hare ziel geworpen, die, hoe menigmaal zij die ook door ernstig ongenoegen tegen zich zelve wilde verstikken, altijd opnieuw aanglom en bleef gloren in haar door sombere voorgevoelens bewogen gemoed. Somwijlen meende zij, dat ze was uitgedoofd, doch plotseling brak ze bij de eene of andere gelegenheid opnieuw uit en scheen zich slechts dieper in de schuilhoeken harer ziel verborgen te hebben. Dit was eigenlijk de oorzaak van haar bangen kommer; van hare dweepachtige droefgeestigheid. Niet dat het spook van den argwaan haar zoo vervolgde; maar zij beschouwde bij het gevoel harer onverbreekbare trouw jegens den geliefde eene verdenking tegen de zijne als de zwaarste misdaad. Zoo leed zij de dubbele kwaal van angst en van berouw tevens over hare eigene schuld; slechts in de gloeiendste liefde, in de teederste opoffering geloofde zij boete voor hare strafbare gedachte te kunnen doen, en daarom groeide haar dweepachtige ziekelijke hartstocht in dubbele verhouding tot de beangstigende kwaal aan, welke zij zwijgend in haar binnenste omdroeg. Kon zij zoo door en in hare liefde gelukkig zijn? Slechts in de bedwelming van het oogenblik, waarin zij alles vergat, was dit mogelijk, namelijk wanneer zij brieven van Jaromir ontving, wanneer zij hem schreef en onder het schrijven zich meer en meer opwond, wanneer zij van zijne nabijheid, zijne omarming droomde. Doch spoedig hingen weder zwarte wolken aan den hemel harer verwachtingen, en vergiftige planten sproten rondom den reinen bloesem harer liefde uit. Met deze knagende kwaal paarde zich de diepe aanleg tot zwaarmoedigheid, die van hare jeugd af in hare ziel woonde; deze schiep duistere, schrikkelijke beelden, welke haar, daar zij menigmaal in hare onrustige droomen terugkeerde, spoedig als gewisse voorgevoelens voorkwamen. Of sponnen de koortsachtige hartstocht, de ziekelijk opgewekte aandoening harer zenuwen misschien een onzichtbaren band tusschen haar en de toekomst? Zijn er waarschuwende, voorzeggende stemmen voor een aandachtig luisterend oor? Is het slechts het ruischende gewoel eener uiterlijke wereld, naar welke wij slechts al te zeer heenneigen, dat ons verhindert haar te hooren?
Ach! Lodoiska vernam ze als het verre, akelige rollen van een naderend onweder, als bange klaagtonen in het nachtgeruisch des winds, onder het angstvolle kloppen harer borst.
Dan vluchtte zij in de kapel; slechts in het gebed vond hare edele ziel de rust weder. Want daar zwegen de stemmen des levens en van den hartstocht; de opgeruide golven legden zich neder, de troebele, vreemde stoffen zonken op den bodem, en de hemel spiegelde zich helder en diep in den gestilden vloed.
HOOFDSTUK II.
Het was een grauwe Septemberdag, toen Lodoiska, slechts door hare kamenier begeleid, de nabijgelegen kerk bezocht. Haar weg leidde haar voorbij het hôtel van den heer De Pradt, den franschen gezant in Warschau. Voor de deur stond het rijtuig van een koerier, en er had eene in het oog vallende beweging onder de dienstboden plaats. Er moest eene gewichtige tijding zijn aangekomen. Met een kloppend hart naderde zij. Zeker konden er koeriers uit alle oorden van Europa, uit Spanje, Parijs, Italië of Weenen aan het gezantschap aankomen; doch de groote gebeurtenissen vielen dáár voor, waar haar hart zich bevond. Eene inwendige stem zeide haar, dat er berichten van de armee moesten gekomen zijn. Zij verhaastte haren tred, en te beschroomd, om zelve er naar te vernemen, droeg zij dit aan hare kamenier op en wilde, langzaam voorbijgaande, deze aan de andere zijde van het hôtel opwachten. Doch terwijl zij de deur voorbijging, kwam een officier in groot tenue er uit; hij stond stil toen hij haar zag, scheen haar te herkennen, trad snel op haar toe, boog zich en sprak:
„Ik hoop misschien te veel van de welwillendheid van uw geheugen, wanneer ik vooronderstel, dat gij mij nog zoudt kennen, genadige gravin?”
De jonkvrouw stond verrast, maar herkende evenwel dadelijk den ritmeester Arnheim uit Teplitz.
„O zeker herken ik u,” was haar antwoord, „ofschoon ik maar weinige dagen in Teplitz heb doorgebracht. Doch daarentegen is het ook slechts kort geleden dat wij het verlaten hebben. Maar wat voert u naar Warschau?”
„Mijne herstelling is volkomen. Ik vertrek naar het leger in Volhynië.”
„Het schijnt, dat er zoo even gewichtige berichten bij den franschen gezant zijn aangekomen,” zeide Lodoiska een weinig angstig, en zag rond, of hare kamenier haar niet volgde.
„De gewichtigste der wereld,” hernam de ritmeester met drift; „de koerier heeft ze zoo op het oogenblik gebracht; er is een groote slag geleverd bij Mosaisk, twee dagmarschen van Moskou.”
„Zonder twijfel zeer bloedig?” viel Lodoiska verbleekend en sidderend in.
Arnheim bemerkte onder het gaan niet, dat zij door dit bericht zoo hevig werd aangegrepen, en voer daarom onvoorzichtig voort: „Bloedig zooals er in de geschiedenis geen tweede voorbeeld te vinden is; het aantal gesneuvelden en gewonden is nog niet juist bekend, doch in het ruwe geeft de depêche dit op zestig of zeventig duizend man aan beide zijden op. De overwinning des keizers is met onmetelijke offers gekocht.”
Het tooneel van het slagveld trad plotseling met zoo akelige kleuren voor de oogen van Lodoiska en vervulde hare ziel met zulk eene ontzetting, dat zij, zich zelve niet meer meester, verbleekend terugtrad en onder den uitroep: „Heilige moeder Maria!” ineenzeeg.
Arnheim sprong toe en ving haar in zijne armen op. Verlegen zag hij rond om hulp, toen reeds Lodoiska's kamenier haastig toeschoot en angstig riep: „Om Godswil, wat deert mijne meesteres?”
„De schrik over de tijding van den slag heeft haar zoo hevig ontroerd; wij zullen haar hier in het huis van den gezant dragen,” zeide Arnheim.
Doch Lodoiska opende hare oogen weder. Een donkere schaamtegloed verspreidde zich over het albast harer wangen; diep zuchtte zij; spreken vermocht zij niet, doch zij richtte zich op en bleef slechts op den arm harer kamenier leunen.
„Hoe zal ik vergiffenis voor mijne onverzichtigheid kunnen hopen? Wij soldaten zijn zoo ruw, dat wij bij de tijding van een slag nooit aan de offers denken.”
„Gij hebt geen schuld,” antwoordde Lodoiska; „het was mijne dwaze zwakheid.” Daar barstten hare tranen met stroomen los. „Ik moet naar huis—vergeef mij....” sprak zij met moeite.
„Mag ik u mijn arm aanbieden? Of wilt gij, dat ik een rijtuig bezorg?” vroeg de ritmeester gedienstig.
„Wanneer gij mij ondersteunen wilt, zal ik u zeer verplicht zijn; ik ben inderdaad ten uiterste afgemat.” Arnheim gaf haar den arm. Aan de andere zijde leunde zij op de kamenier, en liet zich zoo naar het paleis der gravin terugleiden.
Gelukkig had Lodoiska's onmacht slechts eene minuut geduurd, en de opmerkzaamheid der lieden op de straat was in dat oogenblik zoozeer op de beweging in het hôtel van den gezant gericht geweest, dat het voorval geheel onbemerkt voorbijging. Men sloeg nu eene stille zijstraat in, en zoo kwam de ondersteunde gelukkig aan het paleis der gravin, zonder dat de nieuwsgierigheid van lastige kijkers haar vervolgde.
Niet moeielijk viel het den ritmeester, zich de oorzaak van haar hevigen schrik in het algemeen te verklaren. Wie had niet een vriend, een broeder of vader bij het leger? Intusschen dacht hij fijn genoeg, om geen onderzoek te doen, en zocht ook den verpletterenden indruk der eerste tijding door verzachtende berichten te matigen.
Toen men aan de deur des huizes stond, zeide Lodoiska: „Ik dank u van harte voor uwe deelnemende hulp; zeker moest ik u verzoeken, mij nog verder te volgen; toch....” Arnheim liet haar niet uitspreken; met warmte viel hij haar in de rede: „Deze eerste uren der ontroering behooren der eenzaamheid; de welwillendste bezoeker zou hier slechts komen storen. Doch gij verbiedt mij immers niet, op een meer gunstigen tijd te komen?”
Lodoiska zag hem met een dankbaren blik aan. „Het zou mij zeer leed doen, indien wij u niet zagen; ik hoop, dat wij u dan blijder welkom zullen heeten.” Met deze woorden reikte zij hem de hand tot afscheid en trad toen, zich ras omwendend, wijl zij haar angst niet meer betoomen kon, binnen. Met moeite bereikte zij de stille tuinkamer. Maria was de eerste, die haar ontmoette. „Leen mij uwe sterkte, Maria,” riep zij haar toe en breidde hare armen uit; „leen mij uwe kracht, mijne dierbare, om den doodsangst te kunnen doorstaan, tot wij bericht hebben.”
„Om Gods wil, wat is er gebeurd?” riep Maria verschrikt, terwijl zij hare vriendin, die zich buiten adem aan hare borst wierp, teeder omarmde. Lodoiska kon een geruimen tijd niet spreken; Maria hoorde slechts het luid kloppen van haar hart. Zij leidde de half bezwijmende naar de sofa. Daar eerst begon deze na eenige minuten in de hevigste aandoening: „Er is een slag geleverd. Zeventig duizend dooden en verminkten bedekken het veld. Het verschrikkelijk beeld van dezen oneindigen jammer zal mij waanzinnig maken. O, Maria! ik zie niets dan bloed en het bleeke, stomme gelaat der dooden.”
De gravin trad binnen. Zij had van de kamenier reeds vernomen, wat er was voorgevallen. Bij haar zegevierde het gevoel der overwinning op den angst omtrent hare betrekkingen. Vriendelijk, maar rustig, trad zij naar de beangste Lodoiska toe en zeide: „Kom aan mijn hart, beminde dochter; ween aan de borst uwer moeder uwe smart uit. Dan zult gij rustiger worden en met gelatenheid de verdere berichten afwachten, welke wij toch spoedig moeten ontvangen.” Het voorbeeld van standvastigheid vereenigd met de zachte deelneming, welke hare moederlijke verzorgster toonde, richtte den moed der vertwijfelende verwonderlijk op. De vriendelijke liefkoozingen van Maria, die haar eigen angst over haar broeder zorgvuldig verborg en juist uit Lodoiska's zwakte de kracht daartoe putte, maakten hare geruststelling, zooverre dit thans mogelijk was, volkomen.
Na eenige minuten trad een bediende binnen en berichtte, dat de ritmeester Arnheim zeer dringend verzocht, toegelaten te worden, daar hij gelukkige tijding overbracht.
[Illustratie: „Vergeef mij slechts mijne haastigheid,” sprak hij binnenkomend.]
Thans eerst vernam Maria, aangenaam verrast, doch een weinig verlegen, de tegenwoordigheid van dezen bekende uit het vaderland, wiens groote belangstelling in haar persoon haar niet kon ontgaan zijn. Lodoiska, tot hiertoe slechts met de voor haar zoo beangstigende gebeurtenis beziggehouden, had tot nu toe nog niet weder aan hem gedacht. De gravin wist door de kamenier verder niets, dan dat een vreemd officier Lodoiska ondersteund en begeleid had. „Is welkom!” sprak zij en wenkte den bediende toe.
Lodoiska was in de grootste spanning, want zonder eene dringende reden en, gelijk alles aanduidde, ook niet zonder eene verblijdende, kon de ritmeester na de wijze, waarop zij afscheid van hem had genomen, onmogelijk nu reeds een bezoek brengen. Met een kloppend hart vernam zij zijne rassche schreden in de voorzaal.
„Vergeef mij slechts mijne haastigheid,” sprak hij binnenkomend tegen de gravin, „maar ik kon mij onmogelijk het genoegen ontzeggen, zelf de brenger van dit blad te zijn, dat zonder twijfel uwe bekommering omtrent den slag dadelijk zal wegnemen.” Daarbij reikte hij haar een open papier over, waarop eenige met potlood geschreven woorden in de poolsche taal stonden.
„Duizendmaal dank,” hernam de gravin, nadat zij een oog in het papier geslagen had. „Hier Lodoiska, lees zelve, wat mijn broeder schrijft: „Dierbare zuster! De slag is voorbij, ik leef, onze naaste vrienden zijn allen ongedeerd. Eerstdaags meer.””
„Heb dank, heilige moeder Gods,” riep Lodoiska buiten zich zelve uit en wierp zich onder een vloed van tranen aan den boezem der gravin. „Hoe vol genade zijt gij voor uwe dochter!” Hare oogen richtten zich in heilige vreugde ten hemel; zij vouwde de handen over de borst samen en kon niet meer spreken.
Ook Maria was hevig aangedaan. „Allen ongedeerd,” herhaalde zij, en een traan trilde aan hare wimpers, „dat is meer, dan ik zelfs waagde te hopen. O, eerst nu gevoel ik aan mijne onuitsprekelijke vreugde, hoe nameloos mijn angst geweest is! Heb dank voor deze boodschap.”
Gelijk een groot geluk of ongeluk edele harten opent en de bekrompen grenzen, die men zich in de samenleving gesteld heeft, doet vergeten, zoo ging Maria open en vrij op Arnheim toe en reikte hem met warmte de hand. Deze stond ten uiterste getroffen, want Maria's tegenwoordigheid op deze plaats, welke hij niet vermoeden kon en nog niet bemerkt had, verraste hem nu zoo plotseling, dat zij hem bijna van stuk bracht. Met vroolijke verwarring greep hij de hem toegereikte hand en drukte ze aan zijne lippen. „Gij hier?” sprak hij op den toon der grootste verbazing; „dat zou ik nooit geraden hebben.”
„Ik ben eene zeer vriendelijke uitnoodiging gevolgd,” antwoordde Maria; „nochtans is in het vreemde land de ontmoeting van een landsman en vooral van eenen, dien wij nader kennen, eene zeer aangename verrassing.”
„O zeker, zeker!” riep de ritmeester en kuste hare hand met zulk een vuur, dat Maria ze zacht moest terugtrekken.
„Wij zijn u oneindigen dank verschuldigd, heer ritmeester,” zeide de gravin; „en zij, welke hem niet eenmaal weet te uiten, wel het meest.” Zij wees daarbij op Lodoiska, die in tranen van dankbaarheid wegsmolt en nog steeds het gelaat met haren zakdoek bedekt hield. „Maar hoe komt gij aan dit papier?”
„Op de eenvoudigste wijze van de wereld,” hernam de ritmeester. „Ik had mij juist aan het bureau van den gezant aangemeld, toen de depêches aankwamen. Een officier, aldaar werkzaam, zeide mij, dat de koerier, zooals gewoonlijk, eene menigte vluchtig geschreven brieven en mededeelingen, gedeeltelijk open, gedeeltelijk in te voren gereed gemaakte omslagen, gedeeltelijk slechts met potlood geschreven, had medegebracht, waardoor zij, die aan een slag hebben deelgenomen, aan de hunnen de eerste geruststelling doen toekomen in zoodanigen vorm, als de omstandigheden het veroorloven. Dit bracht mij op de gedachte, of er voor u, genadige vrouw, niets daarbij zoude zijn. Ik snelde naar het bureau terug, en inderdaad er bevond zich voor u deze open met potlood geschreven brief. Ik vroeg hem voor mij, om hem u dadelijk ter hand te stellen, wat men terstond toestond, daar men deze brieven liefst tegelijk met de tijding doet toekomen. Zoo werd ik de overbrenger.”
„Van ons grootste geluk,” viel hem de gravin in de reden. „Nogmaals zijt gij als een heilverkondende bode ons hartelijk welkom.”
Lodoiska gevoelde in haar vroom gemoed de behoefte, om de hemelsche beschermster van haar geluk den dank des gebeds toe te brengen. Onbemerkt sloop zij het vertrek uit en zocht de eenzaamheid van hare kamer op, waar een Mariabeeld hing, door haar zelve met herfstbloemen versierd. Hier knielde zij neder en bad in stilte. Maria had haar begrepen en volgde haar derhalve niet. In de diepte van haar boezem richtte ook zij dankgebeden tot den Almachtige, die haar broeder behouden had. Doch te gelijker tijd overviel haar een bang weemoedig gevoel over de gevolgen van deze groote gebeurtenis. Het gesprek, dat de gravin met den ritmeester aanving, gaf haar grootendeels uitsluitsel omtrent de vragen, welke zij zich zelve in haar binnenste deed.
„Gij gelooft dus,” begon de gravin, „dat deze overwinning beslissend is voor den uitslag van dezen oorlog?”
„Zonder den minsten twijfel. Twee kleine dagmarschen van de oude hoofdstad des rijks behaald, brengt zij deze gewis in de macht des keizers en dan kon het lot van Rusland licht opeens beslist zijn.”
„Het rijk strekt zich nog ver achter Moskou uit, de bloeiendste en volkrijkste provinciën volgen langs de zuidelijke helling van het Uralgebergte op elkander. Voor geheel overwonnen zou ik Rusland nog niet willen houden, al waren ook de beide hoofdsteden in des keizers macht.”
„O zeker niet,” hernam Arnheim; „doch zijne zedelijke kracht is door het innemen zijner hoofdstad vernietigd. Uiterlijk is de voortzetting van den strijd zonder twijfel mogelijk, maar innerlijk zal zij onuitvoerbaar zijn. Aan de hoofdstad des rijks knoopen zich te veelvuldige en verschillende belangen; zij is het punt, waar alle wegen des rijkdoms, des handels en des vertiers zich vereenigen. En gelijk een verpletterende slag slechts één der edele deelen behoeft te kwetsen, om het leven in het geheele lichaam te verdelgen, zoo heeft in den oorlog het indringen des vijands in de hoofdstad eene doodelijke verlammende uitwerking op alle overige krachten des rijks.”
„En zoo is dus de wereldheerschappij van Napoleon beslist?” vroeg Maria met eene stem, waarin men de onderdrukte, doch diepe smart hooren kon.
„Voor het vasteland zonder twijfel,” hernam Arnheim.
De gravin, die Maria's denkwijze kende, dacht te edel, om hare vreugde over de wending eener gebeurtenis te uiten, die voor eene Duitsche zoo ter nederslaand moest zijn. Maria, van haar kant, die inzonderheid sinds haar verblijf in Polen, licht begreep hoeveel deze natie van de overwinningen des keizers te hopen had, droeg haar kommer in stilte, nauwelijks, dat een smartelijke trek van den gesloten mond dien verried. Arnheim echter scheen haar, wijl hij op dezelfde wijze dacht, te verstaan. Doch de smart over zijn vaderland tastte niet zoo diep in zijne ziel; gedeeltelijk wijl hij hoop had, Oostenrijk, zijn bijzonder vaderland, nu hooger gesteld te zullen zien, gedeeltelijk wijl hij als soldaat een diepen eerbied voor den franschen keizer als veldheer koesterde, maar voornamelijk, wijl hij zich met gelukkiger vooruitzichten voor Duitschland streelde, dan men toen gewoon was te hebben. Hij achtte het goed van deze te spreken. „Misschien,” dus uitte hij zich, „is het gevolg van dezen slag zegenrijk voor geheel Europa. Tegen wien toch wordt deze oorlog gevoerd? Naar mijne meening niet tegen Rusland, maar tegen Engeland. Door het overwinnen der russische legers is de keizer nu eindelijk heer over alle stranden van Europa, want Spanje en Portugal zullen spoedig in zijne macht zijn. Dan is hij in staat, den Engelschen zoo al niet de voorwaarden des vredes voor te schrijven, hen ten minste tot het aannemen van billijke schikkingen te bewegen. De macht van Engeland is zoo groot, dat het gansche vasteland noodig is geweest, om tegen dit kleine eiland het evenwicht te houden. Dit groote doel schijnt mij thans bereikt te zijn; ten minste zijn wij het nabij. Dan, hoop ik, zal een algemeene vrede, dien alle volken behoeven, naar welken alle volken en Frankrijk misschien het meest reikhalzen, de vreeselijke beroeringen, welke Europa sinds de laatste twintig jaren moet lijden, tot rust brengen, de verbroken banden opnieuw aanknoopen en de met geweld geknoopte voorzichtig los maken. Veel kwaad, dat de keizer thans, door den drang der gebeurtenissen genoodzaakt, den volken moet aandoen, zal ophouden. Hij gaf den overwonnen volken vreemde koningen, strenge stedehouders. Waarom? Omdat hij niet zeker van hen was en bij zijne onmetelijke krijgstochten toen geen gevaarlijke vijanden in zijn rug kon dulden. Misschien herstelt hij thans, juist om den band der gerustheid vaster te knoopen, de rechtmatige vorsten weder; want aan de personen ligt hem niets gelegen, vooral aan zijne broeders en bloedverwanten niet. Zij zijn slechts vorsten, wijl hij het zekerst is van hunne trouw, want hij is de stam, op welken zij bloeien. Is hij eenmaal diep en vast geworteld, dan kan hij de woekerende takken, die eene nadeelige schaduw op het land werpen, ontberen. Ja, ik hoop dat zijn nauwe verwantschap met ons keizerlijk huis het geluk van Europa zal zijn. Oostenrijk zal de vertegenwoordiger van het duitsche volk worden. Napoleon zal gaarne zien, dat het met hem in een vreedzaam verbond leeft; dan zal hij, daar men liever sterke dan zwakke bondgenooten heeft, ook den voorspoed van het land op alle mogelijke wijze bevorderen. Er moest veel oud, lastig puin bij ons in Duitschland worden weggeruimd, eer een nieuw gebouw vasten grond en ruimte vond. De verouderde vormen heeft de fransche keizer, als vertegenwoordiger van een grooten, jeugdigen, krachtigen, nieuw ontwakenden tijd, vernietigd; wat thans bestaat, is voorbijgaande. Hij weet het zelf, dat het niet vaststaand is; want hij zelf breekt immers dagelijks af, wat hij uit nood voor het oogenblik opbouwde, en laat vorsten en volken met gelijke snelheid hunne plichten verwisselen en veranderen. Maar wanneer eenmaal het groote doel van zijn geweldigen wil bereikt en het vasteland een even zoo vast inwendig aaneengeschakeld geheel is, als de massa's van landen, waaruit het bestaat, dan zal de groote man een vasten, duurzamen grond leggen en op dezen een trotsch gebouw voor de toekomst grondvesten. Daartoe moest deze laatste strijd gestreden zijn. Niemand gevoelt zoo diep als ik, hoevele offers van deemoed, van verloochening, van gekrenkte trotsch Duitschland moest brengen; maar thans zullen deze een einde hebben. Zij waren eene vergelding voor oude, zware schulden; de geschiedenis bespaart geen volk de boete voor oude misstappen. Zij richt niet de daders, niet de personen, maar de daden, de zaken met onverbiddelijke gerechtigheid. En kan Duitschland de voordeelen loochenen, welke het reeds aanvankelijk door het afschaffen van zooveel ouds, gebrekkigs gewonnen heeft, ofschoon het nieuw goede nog niet in de plaats van het vernietigde getreden is? Laat ons ernstig ons zelven afvragen, of het voor twintig jaren bij ons goed was? Wij moeten antwoorden: Neen! Het stond slecht met alles, wat het geluk eens volks moet uitmaken. Sinds eeuwen heeft Duitschland slechts oorlog met zich zelf gevoerd. In ontelbare landen verdeeld, gehoorzaamde het aan velerlei willekeur. De eenheid der natie was verdwenen. Slechts de taal vormde nog den inwendigen, geestelijken band. Duizend beperkingen stelden zich tegen de vrije werkzame ontwikkeling der volkskrachten in den weg. Slechts tot zijn binnenste was de Duitscher bepaald; dat heeft hij zooveel mogelijk beschaafd, maar de nieuwe kennis kon hem in den toestand van zijn volksbestaan geene levende vrucht voortbrengen. Een door stormen opgeruide vloed bruischte over Duitschland heen, en onder zijne ruwe golfslag verdwenen de oude, diep ingevreten sporen van aangeërfde vooroordeelen, onderdrukkingen en beperkingen. Wij hadden deze kluisters reeds zoo lang gedragen, dat de gewoonte ons gevoel daarvoor verstompt had; ja, zij waren in ons vleesch ingegroeid. Doch wij mogen niet vergeten, hoe ruim wij ademhaalden, toen voor twintig jaren de ijzeren hand des tijds voor het eerst aan de staven van onzen kerker schudde. Thans knellen ons nieuwe banden, welke wij onwillig dragen. Doch zoozeer mogen wij toch in onze gerechte smart en in onzen toorn de oogen niet toedrukken, dat wij niet meer zouden zien, hoe wij, ofschoon wij nieuwe kluisters dragen, toch van de oude, waaronder wij zuchtten, bevrijd zijn. Neen, nauwelijks zuchtten wij, en dat was bijna nog erger, want wij zonken reeds in dien staat der diepste slavernij neder, die de behoefte aan vrijheid niet meer voelt. Thans voelen wij ze, en zoo mogen wij niet wanhopen een doel te bereiken, dat schitterend voor ons zweeft, het moge dan door de kracht van eigene daden, of door een gelukkigen keer der gebeurtenissen bereikt worden. Deze laatste nu kon juist thans misschien wel eens daar zijn.”
Arnheim had zich warm gesproken; hij sprak voor alle partijen, en daarom hoorden zelfs de tegenstrijdigste gaarne naar hem. Maria werd door zijne woorden in het diepst harer ziel verkwikt en hare sprekende blikken betuigden hem liefdevol dank. Bewogen richtte zich de gravin overeind.
„Wanneer gij reeds zulke groote verwachtingen aan de overwinning hecht,” zeide zij, „hoe moet ons dan het hart kloppen, ons, die in dezen slag voor de vrijheid van ons vaderland streden! O, als de dag was aangebroken, de zoolang, zoo gloeiend verlangde dag, waarop het in het stof gebogen Polen den edelen nek weer trotsch kon oprichten; wanneer de witte adelaar de verlamde vleugelen kon uitbreiden en de stoute vlucht naar de zon der vrijheid en des roems ondernemen! O, dan, dan driewerf heil en zegen over deze overwinning! Het bloed der gesneuvelden ware niet vergeefs gestort.” Als eene koningin stond de fiere vrouw daar, met handen en blikken plechtig ten hemel geheven.
HOOFDSTUK III.
Lodoiska trad weder binnen. De afwisseling van angst en vreugde had haar teeder gestel zoo aangetast, dat het lichte rood op hare wangen eer een ziekelijk spoor van koortsachtige aandoeningen dan een teeken van gezondheid en inwendige tevredenheid geleek.
De gravin wist, dat lichamelijke beweging en versche lucht haar in dien toestand het beste waren; zij zelve had eene wandeling in de open lucht noodig, om het jagen van haar boezem te doen bedaren. Zij sloeg voor, in den tuin te gaan; de zaaldeur openende, trad zij terstond zelve naar buiten, de anderen volgden.
De zon had de grauwe wolken aan den hemel een weinig verdeeld, en wierp een halflicht door de dunne witte strepen, die langs de schitterende schijf heentogen.
Maria bleef een oogenblik staan en zag naar den hemel op; zij verloor zich in stille bespiegelingen.
Arnheim, die steeds trachtte haar nabij te blijven, vestigde zijne blikken op haar gelaat. Er lag oneindig veel meer zachte vrouwelijkheid dan hoogheid in hare trekken, doch tevens iets zoo reins en edels, dat zich alle liefde voor deze vriendelijke gedaante met eerbied of ten minste met de teederste schroomvalligheid paarde. Misschien was de gravin, die een scherpen blik voor alle toestanden had, niet zonder oogmerk met Lodoiska vooruitgegaan, zoodat Maria zoo goed als alleen met Arnheim achterbleef. Zij zelve althans had het niet bemerkt.
„En wat zoekt en vraagt het oog mijner schoone vriendin daar boven?” vroeg hij eindelijk, haar zwijgend mijmeren afbrekende.
„Ach! ik dacht aan ons vaderland,” zeide zij op hartelijken toon en met volkomen vrijmoedigheid. „Gij hebt zulke schoone troostwoorden voor mij gesproken, zulke dierbare verwachtingen in mij opgewekt!—Moest mij deze hemel niet als een zinnebeeld van onzen toestand voorkomen? Het licht strijdt met duistere wolken. Vóór een uur lag alles nog in een donker grauw bedolven; thans verbergen nog slechts witte, halfverlichte sluiers de zon. Zoo hebben ook uwe woorden mijne uitzichten verhelderd; zij liggen niet meer achter geheel donkere wolken.”
„O, deze zullen zich spoedig geheel verdeelen,” riep Arnheim met drift uit. „Wij zijn alleen. Ik moet voorzichtig zijn; maar een hart, dat ook in den vrouwelijken boezem zoo vaderlandsch klopt als het uwe, mag ik wel een mannelijk geheim toevertrouwen, dat uwe hoop gelijk een morgendauw zal verkwikken. De gezindheid van broederlijke eendracht, waarop ik met mijne woorden doelde, is in ons vaderland geen schoone droom, geen vrome wensch meer. Met levendigheid is zij ontwaakt; de ijzeren druk der tijden heeft de kracht des wederstands te voorschijn geroepen. Gelijk het staal eerst door zijne harde aanraking de vonk uit den kouden steen lokt, zoo hebben de slagen van het noodlot in Duitschland edele vonken doen voortkomen, die eens, tot een stil aangroeienden gloed vereenigd, als eene heldere vlam zullen opflikkeren. Ja, de edelste mannen reiken elkander de hand; een voor lang gesloten verbond, dat wel voor het uiterlijk weder ontbonden werd, doch in zijn hooger doeleinde bleef voortbestaan, vereenigt hen en slingert zich als eene geheime keten door geheel ons vaderland. Nader en vertrouwelijker dan ooit zijn deze edelen nu verbonden, en in allen leeft het vaste besluit, het onwaardige niet rustig lijdend te verdragen. Doch met de sterke teugels der matiging houden zij de uitbarsting der diepste verontwaardiging terug, totdat de krachten in evenredigheid met den wil zijn aangegroeid. Het gunstig oogenblik zal worden afgewacht; het is geen traag uitzien, want dikwijls vertoont zich de gunst van het noodlot aan het opmerkzame oog. Ondertusschen worden alle krachten voorbereid en gevoed, vertrouwde vrienden aangeworven en in stilte het goede zaad gestrooid. De geheime draden tot het weefsel van groote gebeurtenissen zijn uitgespannen; één wenk, en duizend handen zijn er aan werkzaam.” Arnheims blikken flonkerden van geestdrift, terwijl hij zoo sprak; ook in Maria's oog schitterde een straal van hoop.
„O,” zeide zij, „dus zullen in dit hart toch nog vreugde en hoop terugkeeren; dat zijn gewaarwordingen, die het sinds langen tijd vreemd waren. Hoezeer dank ik u voor dit bericht! Hoe krachtig richt zich de reeds gezonken moed in mij op!—En gij behoort tot dit verbond?” vroeg zij na eenige oogenblikken.
„Eerst sinds twee weken, toen waardige mannen in Pruisen mij die eer waardig rekenden,” hernam Arnheim.
„Neem ook mij daarin op, als een zwijgend, doch niet minder getrouw lid,” zeide Maria en reikte hem de hand. „In mijn hart behoorde ik reeds lang tot zulk een verbond.”
Arnheim greep Maria's hand. Hij kuste ze niet, maar drukte ze met warmte. Een zonderling gevoel beklemde hem de borst. Maria stond zoo beminnelijk voor hem, haar blauw oog zag hem zoo trouwhartig en open aan—o, zij was schoon en goed, en beter dan schoon!
„Hoe noemt gij dat schoone verbond, waartoe ik in stilte wil behooren?” zeide zij, toen hij bevend stilzweeg; „ik heb echter slechts gevraagd, wanneer gij mij moogt antwoorden.”
„Het voert een schoonen, misschien te trotschen naam. Doch deze moet slechts van den wil en niet van het volbrengen der broeders verstaan worden; het heet het Deugdverbond.”
Op dit oogenblik dreven de laatste wolken voor de zon heen en haar schitterend licht viel rein en glansrijk op de sprekers. Tegelijk verhief zich een statig ruischen in de herfstelijke toppen, alsof edele geesten op machtige vleugels voorbij zweefden. De wolkengordijn werd wijd geopend; het licht stroomde uit de blauwe ruimte neder en goot zich als eene gouden golf over het gras en de zich trotsch wiegelende kruinen der boomen uit.
„Dat is de nabijheid des Almachtigen, het is Zijn heilverkondende wenk, het teeken Zijner zegenende goedkeuring,” riep Maria met geestdrift en richtte haar verheerlijkt oog naar het gewelf des hemels, wiens donker, zuiver blauw hoog boven de verstrooide wolken stond. „Welk hard lot mij ook treffe, welke beproevingen Gij mij ook toezendt, aan dit teeken wil ik mij vasthouden. Dat zal voor mij lichten in de donkere dagen, door welke Uw wil mij voert.” Zoo sprak zij in de volheid van haar geloovig vertrouwen.
Arnheim stond met diepen eerbied voor haar. In zijn boezem bewogen zich hevige aandoeningen; doch een donker voorgevoel zeide hem, dat haar hart, dat zich zoo vrij, zoo onverdeeld aan haar vaderland toewijdde, slechts van deze hoogere vlam en niet van den stilleren gloed der liefde vervuld werd. Smartelijk getroffen zweeg hij. Het nabijzijnde beeld der geliefde, dat hij eerst meende te omvatten, verdween; maar eene hoogere, edeler gedaante zweefde voor hem en zag hem uit eene lichtende hoogte aan. Geen bruid waagde hij aan het hart te drukken, tot eene heilige verhief hij zijn blik. Want zóó stond zij thans voor hem. Met zijn veredeld gevoel groeide de verlangende smart in zijn boezem aan, maar ook tevens de kracht, om over deze te heerschen.
„Ja,” hernam hij met mannelijke vastheid, „gij hebt recht. Deze grootsche verwachting moet ons als de vlam eener baak, als het vaste doel midden in den stormachtigen nacht dezes levens voorlichten. Ook de schipbreukeling mag nog den laatsten blik derwaarts wenden, en, wanneer hij edel weet te denken, den troost medenemen, dat anderen, door haar geleid, de haven der vrijheid en des vredes, voor welke hij strandde, zullen bereiken.”
„Ik geloof, dat de gravin ons wacht,” zeide Maria, die haar ver achterblijven nu eerst een weinig blozend, bemerkte. „Wij zijn inderdaad geheel achtergebleven.”
Met deze woorden ging zij sneller vooruit.
De gravin merkte beider ontroering dadelijk op; doch met ware fijngevoeligheid verried zij dit zelfs niet door een glimlach, niet door een oogopslag; maar scheen het achterblijven, als bloot toevallig, niet eens een opmerking waardig te achten.
„De lucht is onze wandeling gunstig,” merkte zij aan, toen de zon juist door de wolken brak. „Zij gaf gedurende eenige oogenblikken de schoonste verlichting aan het park. De wolkenschaduwen vlogen er over heen en de stroom des lichts ijlde ze als vervolgend achterna.”
„Die afwisselende verlichting maakte mij den herfst, ik meen de herfstlandschappen, zoo lief.”
„Hij gelijkt zeker veel op een treurspel in het vierde bedrijf,” hernam Arnheim, terwijl hij zijne gemoedsbeweging achter den lichten toon der samenleving trachtte te verbergen.
„Waarom dat?” vroeg de gravin.
„Daar immers beginnen de gelukkige betrekkingen gewoonlijk te weifelen; de heldere hemel, dien de dichter als contrast van den storm, welke hij wil oproepen, over ons uitgespreid heeft, verduistert zich langzamerhand en wij aanschouwen den strijd van het licht met den nacht van het tragische noodlot. De melodieuse tonen van gelukkiger dagen zijn nog niet geheel vervlogen, maar reeds rollen de doffe tonen des donders in de verte. Evenzoo de herfst, die misschien daarin zijne grootste bekoorlijkheid vindt, dat wij alle schoonheden der natuur gereed zien ons te ontvluchten. Zoo worden onze betrekkingen ons eerst recht dierbaar bij het afscheid; daar eerst erkennen wij weder thans waarde; ja het onverschillige stijgt hoog in prijs, wanneer wij er van moeten scheiden.”
„Gij hebt gelijk, doch ik zou aan den herfst toch ook wel eenige zelfstandige waarde willen toekennen. Het bewijs schijnt mij daarin te liggen, dat ik mij in den zomer reeds in zijne verschijning verheug; wie echter hoopt op het afscheidsuur?”
„Ik wil mijne vergelijking niet verdedigen. Niet eene is er onkwetsbaar; op de eene of andere plaats dringt de pijl der kritiek altijd door. Alle, voornamelijk de schertsende verliezen wanneer men ze standvastig wil volhouden. Mij schijnt het ook een zeer groot gebrek aan poëzie te verraden, dit te willen doen; slechte dichters alleen wagen het. De schoonheid der vergelijking bestaat slechts in de half uitgedrukte, maar tegelijk diep verstaanbare beteekenis der waarheid; men moet ze daaruit erkennen en gevoelen, maar niet bewijzen of verklaren.”
De gravin luisterde opmerkzaam naar de woorden van Arnheim; een gesprek, dat nadenken vorderde, was haar steeds het aangenaamste. Maria had zich bij Lodoiska gevoegd, in wier vreugde zij thans met een even verblijd hart kon deelen.
Opeens klonk tusschen het geruisch der boomen en het waaien des winds het plechtig gelui der klokken van de nabijgelegen Andreaskerk heen.
„Op dezen ongewonen tijd? Wat mag dat beteekenen?” vroeg de gravin.
Het gelui der klokken liet zich thans van verschillende kanten hooren; van nader en verder afgelegen kerken drong het gedreun door de stilte des voormiddags.
„Het zal de viering der overwinning beteekenen,” merkte de ritmeester aan.
„Gij hebt gelijk. Ja, en het is eene zege, voor welke wij den hemel moeten danken. Hoe mij het hart vol wordt bij deze klanken! Eene zege! Eene zege! Uit de donkere onweerswolken van den slag breekt misschien het nieuwe morgenrood voor ons vaderland aan.—Thans versta ik dien onrustigen aandrang in mijn boezem; onder het biddende, dankende volk moet ik mij mengen, de gloeiende ziel in eigen gebed ten hemel verheffen.”
Haastig wendde zij zich om en ging op het paleis aan. Haar voornemen was een onweerstaanbaar gebod voor de overigen, ook zelfs indien hun eigen vreugdegevoel hen niet naar het altaar des Almachtigen gedreven had.
„Geen rijtuig, geen rijtuig!” riep de gravin eenen bediende toe, die, daar hij bemerkte, dat men zich gereed maakte uit te gaan, de vraag, of hij den koetsier zou bestellen, op de tong had. „Wij gaan te voet. Gelijk het gansche volk ter kerke stroomt, zoo ook wij. Het is een dag van deemoed en niet van trotschheid. En toch, hoe fier klopt mij het hart!”
Ondertusschen had zij een donkeren sjaal omgeslagen. Arnheim bood haar den arm aan. Maria en Lodoiska volgden.
Op de straten was alles in beweging. Het volk stroomde over de pleinen naar de kerk. Alle klokken luidden, als op den feestdag eens heiligen. Onder het hôtel van den gezant kruisten zich twee wapperende driekleurige vanen. De in de stad aanwezige troepen vereenigden zich, om in parade naar de kerk te worden geleid. Als door een tooverslag was de werkdag in een hoogen feestdag veranderd. Het volk had zijne zondagskleederen aangetrokken; mannen, vrouwen, meisjes en kinderen, alles stroomde in bont gewoel naar het altaar des Heeren. Hoe schitterden de vurige oogen der meisjes en jongelingen. Genen golfde het lange, zwarte haar onder de sluiers weg en bedekte den blanken hals. Deze hadden de hooge, met tressen versierde mutsen, van welke rijke kwasten afhingen, trotsch in de oogen gedrukt en met mannelijke fierheid de sabel aangegord.
Maria werd het bijna bang om het hart, toen zij de algemeene volksvreugde aanschouwde. Ach, in haar vaderland had zij zulk een feest nog niet beleefd. En zal men daar niet over deze overwinning treuren? Is ons hart niet aan de zijde des vijands, ofschoon ook onze landgenooten, door de macht der wereldgebeurtenissen gedwongen, tegen hem zijn uitgetrokken? En zal deze slag waarlijk zulke zegenrijke gevolgen voor ons hebben, als de verwachtingen nu gespannen zijn?
Met zulke gedachten was men de St. Andreaskerk genaderd, wier wijde deuren openstonden. De tonen des orgels klonken den binnentredenden plechtig tegemoet en vermengden zich met het dreunend geluid der klokken; de kaarsen op het altaar brandden: voor alle beelden der heiligen waren zij aangestoken. Het volk vulde bijna reeds de ruime gewelven, doch nog steeds drongen nieuwe scharen binnen. Met moeite bereikte de gravin nog haar afgesloten bidstoel, door welks tralies men de gansche kerk overzag. Tegenover het koor waren de zitplaatsen van het fransche gezantschap; links zag men het groot altaar, rechts den kansel.
Het traliewerk van hare plaats was Maria zeer welkom, wijl zij dezen dienst moest bijwonen zonder de uiterlijke plechtigheden mede te verrichten en derhalve slechts als toeschouwster verscheen, terwijl haar hart toch innig dankbaar voor het behoud der haren sloeg en haar vurig smeekgebed voor eene zegenrijke wending van het lot haars vaderlands tot God omhoog steeg. Zij ondervond thans, dat de ware vroomheid, het ware, vaste geloof geen secten, geen vormen des gebeds kent. Gij vindt uwen God overal, waar gij in waarheid tot Hem bidt.
Terwijl de gravin en Lodoiska met den rozenkrans in de hand nederknielden, bleef Maria stil, doch aandachtig op haar afgezonderden zetel. Arnheim was niet mede in den bidstoel der gravin getreden, wijl het gebruik de mannen en de vrouwen in de kerk scheidde.
Lodoiska bad met den gloed eener dweepster; haar oog vestigde zich onafgebroken op een tegen haar over hangend Mariabeeld. Zacht bewoog zij de lippen, doch geen geluid werd hoorbaar. De gravin was ernstig; ook knielend behield zij de majesteit harer houding, want de hoogheid straalde van haar open voorhoofd. Haar groot, donker oog verhief zich van tijd tot tijd onder de lange wimpers en zag met heiligen ernst omhoog.
De mis was geëindigd, de vrouwen verlieten de Kerk. Dicht bij de deuren kruisten zich de stroomen van menschen, zoodat er eene stremming ontstond. Van beide kanten kwamen zij, die op het koor gezeten hadden, de trappen af; van drie kanten drong de stroom uit het schip van de kerk voort. Arnheim had zich niet weder bij de vrouwen kunnen aansluiten; zij waren alleen en hielden zich stijf aan elkander vast. Nu kwam ook de fransche gezant met zijn talrijk gevolg de trappen af. De stroom van menschen voerde hem dicht langs de vrouwen heen. Langzamerhand zag Maria zich geheel van uniformen omgeven; zij boog het hoofd, om de somwijlen zeer stoute blikken dezer mannen te ontwijken. Daar hoorde zij eenige fransche woorden door eene stem uitspreken, die haar bekend was. Zij keek op, doch, als had zij op een adder getrapt, deinsde zij onwillekeurig bevend achteruit en verbleekte, want zij zag, met het gelaat half naar haar toegekeerd, den gevreesden, gehaten Beaucaire voor zich en twee treden van hem af ook St. Luces. Zij moest al hare tegenwoordigheid van geest bijeenroepen, om zich niet door een gil te verraden; hare knieën knikten, nauwelijks vermocht zij een voet te verzetten. Zij zou zekerlijk zijn neergezonken, wanneer het gedrang der naar buiten stroomende menschen haar niet met geweld had staande gehouden. Hare gewaarwording geleek die van een wandelaar, die plotseling ontdekt, dat hij zich naast eene in het gras slapende slang heeft nedergevlijd om uit te rusten; hij weet niet of vluchten dan blijven hem in het verderf zal storten. Zooals Beaucaire en St. Luces op dit oogenblik stonden, was het hun onmogelijk Maria te zien. Doch of zij niet reeds lang door beiden bemerkt was, kon zij niet weten. O, hoeveel had zij er thans niet voor gegeven, zoo zij, evenals Lodoiska en de gravin, een sluier gedragen had, om haar gelaat te verbergen. Zij wendde het af, bedekte het met haren zakdoek, zocht zich te verbergen zoo goed het mogelijk was, doch de voortstuwende massa drong haar immer nader aan het gevaar en zij zag het oogenblik komen, waarop zij in de onmiddellijke nabijheid van Beaucaire zoude zijn en haar arm den zijnen moest aanraken. Zij zou de gravin een wenk gegeven hebben, doch ieder woord was gevaarlijk en kon haar verraden. In doodsangst wachtte zij stil den afloop af en gaf zich aan haar lot over. Slechts een zwijgend gebed zond zij tot den Almachtige op, dat Hij haar uit dit gevaar mocht redden. Daar keerde de stroom zich plotseling zijwaarts af, daar men eene tweede deur geopend had. De gravin volgde dezen stroom, en zoo bereikte men in weinige minuten de open lucht, waar voor het oogenblik ten minste veiligheid was. Thans eerst kon Maria harer moederlijke vriendin het gevaar ontdekken, waarin zij verkeerde. Deze sloeg dadelijk een omweg door eenige zijstraten in, om ongemerkt het paleis te bereiken. Zij zocht Maria gerust te stellen door de verzekering, dat niemand in Warschau het zou durven wagen, het heiligdom der gastvriendschap te verontrusten, ook zelfs als men haar verblijf ontdekt had. „Intusschen twijfel ik hier aan,” voer zij voort, „want had een dezer mannen ons herkend, dan zouden zij hun oogen onafgewend op ons gericht hebben, doch hiervan heb ik niets bemerkt.” Ook Lodoiska voegde zich bij deze meening.
Door deze verzekering eenigermate gerustgesteld, haalde Maria weer vrijer adem. Had de gravin gelijk, dan was zij inderdaad een groot gevaar gelukkig ontkomen; want bij den toenmaligen stand van zaken had zij, in Duitschland ten minste, van de willekeur van zulk een vijand als Beaucaire en allerdenkelijkst ook St. Luces was, alles te vreezen. Er was geene andere redding, dan de vlucht of deze of gene machtige bescherming. Op deze hoopte Maria door het aanzien der gravin; aan zich zelve overgelaten, ware zij verloren geweest, want het geringste vermoeden van in staatkundige bemoeiingen gewikkeld te zijn geweest was immers voldoende, om zelfs tegen vrouwen de hardste maatregelen te billijken, en Maria wist zeer goed, dat zij en hare moeder deze slechts door de ijverige en behendige tusschenkomst van Rasinski en door het gelukkig toeval van St. Luces' vertrek uit Dresden ontkomen waren. Wat toen de broeder voor haar gedaan had hoopte zij thans van de zuster. Om zekerheid nopens den stand van zaken te verkrijgen, begreep de gravin, dat men Arnheim, zoo al niet geheel, dan toch gedeeltelijk in het geheim moest inwijden: een vertrouwen, dat Maria hem, na wat hij haar dezen morgen geopenbaard had, volkomen waardig keurde. In de kerk was men wel van hem gescheiden geraakt, doch men twijfelde geen oogenblik, of hij zou zich zeer spoedig weder in het huis der gravin laten zien. Ondertusschen werd het middag en nog verscheen hij niet. Dit verwekte bij Maria eenige bezorgdheid, ofschoon zij over haar eigen toestand reeds rustiger werd, daar zij, zoo Beaucaire haar bemerkt had en vervolgen wilde, reeds nu de werking zijner booze aanslagen zou bespeurd hebben. Immers, hij kon haar niet anders dan in gezelschap van Lodoiska en de gravin gezien hebben, welke hij beiden kende, hetgeen genoeg was, hem haar verblijf te ontdekken. Eindelijk tegen den avond liet Arnheim zich aandienen. Wanneer hij geweten had, hoe smartelijk men naar hem verlangde, was hij reeds lang daar geweest; doch hetzelfde gevoel, dat hem zoo machtig naar deze plaats trok, hield hem juist terug. Niet zelden toch schroomt men het meest, dáár een bezoek te maken, waar men het liefst is, wijl men eene teleurstelling in zijne poging zoozeer vreest, dat men die somtijds liever in het geheel niet onderneemt. Voor dit avondbezoek had Arnheim evenwel een geldig voorwendsel of liever eene dringende reden, want hij moest nog dezen nacht als koerier vertrekken. Te negen uur was hij bij den gezant bescheiden, om zijn depêches te ontvangen. Toen hij met deze verontschuldiging zijn bezoek inleidde, begreep men terstond, dat zijne hulp in de zaak, welke men hem wilde toevertrouwen, niet meer mogelijk was. Doch hij bracht zelf het gesprek daarop, daar hij zich spoedig liet ontvallen: „Het schijnt, dat alle badgasten uit Teplitz zich in Warschau willen verzamelen, want ik ontmoette er twee bij den gezant, de beide Franschen, die op die buitenpartij naar Aussig bij ons kwamen.”
„Hebt gij hen gesproken?” vroeg de gravin op een toon, die te haastig was, om niet opgemerkt te worden.
„Slechts even,” antwoordde Arnheim; „doch waarom? Wenscht gij misschien.....”
„O ja, wij wenschen zeker iets en zouden u een gewichtigen, dringenden dienst kunnen vergen,” viel de gravin hierop in en zag Maria aan.
„Met groot genoegen stel ik mij tot uwe beschikking,” antwoordde Arnheim.
„Het is de vraag, of gij het nog kunt. Ons verlangen namelijk is dit, dat de beide Franschen, zoo mogelijk ons verblijf in 't geheel niet te weten komen, want wij hebben dringende reden, om hen te mijden. Misschien hebt gij ons echter reeds genoemd en dan....”
„Stellig niet,” viel Arnheim haar in de reden; „want ik herinner mij nog uit Teplitz, dat deze heeren u,” hier zag hij Maria aan, „reeds bij de toenmalige ontmoeting niet aangenaam waren; mij zijn zij het inderdaad ook niet en wij wisselden daarom slechts eenige onbeduidende woorden. Ook kunt gij geheel zonder zorg zijn, want zij reizen nog heden, op hetzelfde uur als ik, van hier.”
„Goddank!” riep Maria uit, die tot hiertoe met eene angstige spanning had toegeluisterd en wie nu de aangename verrassing dezen uitroep uitlokte.
Arnheim was verbaasd over hare drift; doch zijne bescheidenheid verbood hem, navraag te doen. Maria gevoelde nochtans, dat zij zich verklaren moest, wanneer zij niet tot vreemde vermoedens aanleiding wilde geven.
„Gij moet weten, heer Von Arnheim,” begon zij dus, „dat ik de oorzaak ben, waarom de gravin een bezoek dier beide heeren wenscht te ontwijken. Eene aaneenschakeling van gebeurtenissen, welke ik het recht niet heb mede te deelen, heeft bewerkt, dat ik deze beide mannen vermijden, ja ontvlieden moet. Gij kunt u dus van mijn innigsten dank verzekerd houden, wanneer gij nu noch ooit, waar gij hen ook moogt ontmoeten, iets van mijn tegenwoordig verblijf alhier laat merken. Het is een dienst, waarom uwe landgenoote u in de volste beteekenis van het woord bidden moet.”
„Ik zou mij zelf voor een ellendeling houden, zoo ik ook maar met een woord, met een blik tegen uw wil handelde,” riep Arnheim met levendigheid uit.
„Ik ben overtuigd, dat gij doen zult, wat gij vermoogt, om mij iets onaangenaams te besparen,” zeide Maria vriendelijk en reikte hem de hand; „neem mijn warmen dank daarvoor reeds bij voorbaat aan.”
„Wanneer gij mij slechts meer, slechts iets, dat waarlijk naar eene daad, naar een dienst geleek, had opgedragen! Wenscht gij misschien iets anders van deze beide mannen te weten?”
„Ik weet niet, of het mij helpen zou,” antwoordde Maria; „doch zeg ons wat gij weet; want schadelijk kan het mij nooit zijn, de betrekkingen van hen, voor wie ik mij in acht moet nemen, te kennen.”
„Het is inderdaad weinig. Voor zoover ik weet, zijn zij beiden bij de burgerlijke administratie, die tot de groote armee behoort, aangesteld en in die betrekking gaan zij thans daarheen. Hun post schijnt zich bijzonder tot de hospitalen te bepalen, die in den rug van het leger aangelegd zijn en gedeeltelijk nog worden aangelegd.”
„Dan zullen zij misschien niet naar de armee zelve gaan?” vroeg Maria en een zweem van hoop herleefde in haar binnenste.
„Hun naaste bestemming is Wilna; verder kan ik niets zekers opgeven. Maar derwaarts zullen zij reeds binnen eenige uren op reis zijn.”
„Het is ook voldoende, en genoegzame geruststelling voor ons,” zeide de gravin. „Doch uwe eigene afreize is zoo nabij, dat wij bijna vreezen moeten, u door het verzoek, om het overige van dezen avond bij ons te blijven, den tijd tot uwe toebereidselen te ontrooven.”
„Indien gij mij wilt veroorlooven, deze weinige uren zoo gelukkig door te brengen, mijne bezigheden zijn afgedaan. Te negen uur ontvang ik mijne depêche, te tien uur ben ik zeker reeds een goed van Warschau verwijderd, want ik heb mijn wagen voor het hôtel van den gezant besteld. Tot negen uur dus....”
„Zijt gij mij de meest welkome gast,” viel de gravin hem in de rede.
Men bracht licht in de zaal en er werd thee rondgediend. Het weêr was weder ruwer geworden, de wind ruischte najaarsachtig door de boomen en sloeg tegen de vensters. Dit verhoogde slechts de gezelligheid van het vertrek; zelfs Arnheim vergat, dat hij dit geluk slechts voor zulk een vluchtig oogenblik kon genieten, dat hij na weinige uren door de ruwe hand des krijgs weder van alle vertrouwelijk, gezellig bijeenzijn voor langen tijd zou gescheiden worden. Men sprak van den slag, van de offers, welke zij geëischt had, van de nog meer beklagenswaardigen, die eerst na een langdurig lijden het geruste perk des doods zouden bereiken. Arnheim schilderde met kennis van zaken den dringenden nood, die dikwijls in hospitalen heerscht, het gebrek aan werktuigen, doch vooral aan verplegende handen.
„Ieder leger,” riep Lodoiska, door hare deelneming medegesleept, „moest door vrouwen en meisjes gevolgd worden, om de verzorging der gewonden op zich te nemen.”
„En zoudt gij moed tot zulk eene onderneming hebben?” vroeg de gravin glimlachend, maar toch ernstig.
Lodoiska, die wel gevoelde, wat haar den moed hiertoe zoude verleenen, werd hoog rood, doch antwoordde snel: „Ja, gewis, ik acht mij daartoe in staat.”
„Ik weet niet,” zeide Maria op weifelenden toon, „of niet allen, die betrekkingen onder de strijders hebben, zulk eene verplichting moesten gevoelen. Wij meisjes moesten ons misschien daarvan onthouden; maar eene vrouw, die weet, dat haar gemaal in gevaar is, moest ten minste wel nabij genoeg zijn, om in de ure van den nood tot zijne hulp te kunnen toesnellen.”
„Wanneer dat slechts mogelijk was en veroorloofd kon worden,” hernam Arnheim niet onbewogen; „onze soldaten zou zulk eene verpleging met dubbele koenheid naar het veld drijven, waar de wonden te halen zijn, waaraan zij een zoo groot geluk zouden te danken hebben.”
„De troost voor de te huis blijvende gade,” merkte de gravin aan, „ligt gewis in het gevoel, dat de man zijn edelste roeping vervult, dat hij voor den roem, de eer, de vrijheid of veiligheid van zijn vaderland strijdt. Eene waarlijk edele, den man waardige vrouw zal zoo moeten denken en daarom ook aldus leeren gevoelen. Zij mag hem het offer, dat alleen zijne persoonlijkheid zoude gelden, niet brengen, daar zij, zonder hem te beschamen, niet mag veronderstellen, dat hij het vordert. De man, die den ganschen omvang zijner plichten overziet, weet ook, dat, wanneer hij ten strijde trekt, hij aan het vaderland vrouwen en huismoeders moet achterlaten, die het opkomend geslacht voor de toekomst aankweeken; ja dat have en goed van ieder in het bijzonder, die vereenigd have en goed van het algemeen zijn, ten algemeenen nutte zorgvuldig moeten bestuurd worden. Door deze overweging schijnen de plichten eener vrouw mij voorgeschreven, en lichter gemaakt te zijn.”
Niet slechts Arnheim, maar ook Maria en zelfs Lodoiska moesten bekennen, dat de gravin de plichten der vrouw op de waardigste wijze opvatte; zij luisterden met eerbied naar haar. Want wat ernstige zelfbeheersching zij ook eischte, toch verloochende zij het teeder vrouwelijk gemoed niet; zij vergunde het zijne rechten, slechts de alleenheerschappij wilde zij het niet toestaan.
„In het algemeen is dat zeker het alleen ware en rechte,” zeide Maria; „doch er komen ook gewis gevallen voor, die eene uitzondering maken. Ten minste zullen wij die, wanneer zij zich opdoen, uit de eigenaardigheid der karakters verklaren, dikwijls rechtvaardigen en somtijds ook wel bewonderen kunnen.”
„Zoo is het,” riep Arnheim met levendigheid en hechtte zijn oog op het schoone, stil gelaten wezen, dat hem, hoe nader het oogenblik des afscheids kwam, nog gestadig dierbaarder werd. Doch hij besloot met mannelijke kracht zijn gevoel te beheerschen en het hart van Maria niet tot een besluit te dwingen, dat het gansche leven omvat, in een oogenblik, waarin zij nauwelijks tijd zoude hebben, haar ja of neen uit te spreken.
De uren waren sneller dan minuten vervlogen. De klok van den St. Andreastoren sloeg negen uur; het strenge gebod van den plicht veroorloofde geen langer vertoeven. Hartelijke wenschen begeleidden den vertrekkende; het afscheid was voor allen roerend, Arnheim moest het verhaasten, om zich niet te verraden.
HOOFDSTUK IV.
De eerstvolgende dagen gingen voor de vrouwen zoo stil als gewoonlijk voorbij. De gewonnen slag maakte voor haar, gelijk voor alle inwoners van Warschau, nog steeds den hoofdinhoud van het gesprek uit. Van tijd tot tijd werden meer juiste berichten daaromtrent bekend, daar ieder, die den zijnen, hoe vluchtig dan ook, geschreven had, toch de eene of andere omstandigheid had vermeld. De bestorming der groote redoute was door de meesten kortelijk meêgedeeld. Bijna niemand was er, die niet van het groote verlies, de hardnekkigheid van het gevecht, het ontzettend artillerievuur en de ongeloofelijke inspanningen het een of ander aanhaalde.
Na drie dagen verscheen een uitvoerig officieel bericht in de couranten. De gravin las het eerst met de meest ingespannen aandacht. Trotsch klopte haar hart, zoo dikwijls de dapperheid der poolsche troepen werd vermeld, vooral echter, waar het bericht van de cavalerie sprak. Toen zij had uitgelezen, ging zij naar Lodoiska en Maria, die, met vrouwelijken arbeid bezig, op hare kamer zaten, om haar voor te lezen, wat de couranten inhielden. De belangstelling der beide meisjes was zoo groot, dat de naald haar onwillekeurig ontzonk; bij elken nieuwen strijd, die geschilderd werd, beefden zij opnieuw voor hare betrekkingen. Vooral toen het heette: „Nu kreeg de koning van Napels bevel van den keizer, om alle cavalerie, die hem ten dienste stond, bijeen te zamelen en daarmede de russische liniën overhoop te werpen, zoodat de schrikkelijke redoute in front aangevallen kon worden. Twee regimenten saksische kurassiers, drie poolsche regimenten lichte cavalerie....”
Hier begon Lodoiska te beven en verbleekte; zelfs de meer bedaarde Maria verschoot van kleur, Rasinski werd niet genoemd, doch een voorgevoel zeide haar, dat hij er met zijn regiment bij tegenwoordig geweest was. Deze voorstelling werkte sterk op haar; de beschrijving van het gevecht was levendig. Zij erkende groote verliezen, doch schilderde ook de zegepraal met schitterende kleuren.
De gravin was aan het einde. Als op een afgesproken teeken sprongen de meisjes, die tot dusver in bevende spanning hadden gezeten, op en zonken elkander in de armen. Het was de diepste aandoening over de redding harer geliefdsten uit het schrikkelijk onweder van dezen strijd. Zelfs de gravin werd week, sloot de meisjes aan hare borst en boog haar moederlijk hoofd tot haar neder.
Eerst den vijfden dag kwam een tweede brief van Rasinski, waarin met potlood geschreven blaadjes van Lodewijk en Jaromir lagen. Rasinski schreef:
„Dierbare Zuster!
„Sinds vier dagen vervolgen wij den vijand zonder ophouden en dagelijks vallen er schermutselingen voor. Evenwel rukken wij langzaam voort, daar de Russen zich in goede orde terugtrekken. Het zou niet zoo zijn, als onze afmatting het mogelijk had gemaakt, hen sneller te vervolgen. De zorg voor onze gekwetsten en voor ons onderhoud neemt bijna ieder oogenblik in beslag. Daarom slechts deze weinige regels. Wij hebben vele dierbare vrienden verloren! Twee derden van mijn regiment liggen op de hoogten van Smolensko, en onder hen ook mijn trouwe Petrowski, wiens lijk ik niet eens kon opzoeken en begraven. Sinds duizenden van jaren is er zoo geen bloedige slag gestreden. Onze vermoeienissen zijn onbeschrijfelijk, doch door Gods goedheid zijn wij nog gezond en wel. Over het bloedige slagveld van Borodino zal de vrijheidszon van Polen opgaan. Daarom, Johanna, treur niet over de dooden. Het vaderland zal hun eereteekenen stichten, die hun roem onvergankelijk doen schitteren. Vaarwel, Johanna! Het morgenrood breekt eindelijk aan. Verheug u!
Uw Broeder.”
Lodewijks blaadje luidde:
„Maria! dagen had ik noodig, om mijn hart voor u uit te storten, en slechts minuten zijn mij vergund. Den avond vóór den slag vernam ik den dood onzer moeder. O, welk een lieve, vertroostende brief van u. Midden in het gewoel van den strijd was mijn hart slechts bij u, gij arme, en de dreigende gevaren verloren bijna hunne macht over mij. Bernard is de trouwste ziel op aarde; hij waande mij verloren en zocht mij onder de dooden. Doch wij vonden elkander levend terug. Vaarwel! vertwijfel niet! de dag des wederziens en des geluks komt ook voor ons. Dat deze schrikkelijke dag mij spaarde, zij u daar borg voor.”
Jaromir schreef slechts:
„Lodoiska, mijn eenigst leven! Beef niet meer, alle gevaren zijn voorbij! De slag was geweldig; ook ik beween vele getrouwe broeders en kameraden. Doch mij beschermde uw gebed; u dank ik alles, geluk en leven. O, kon ik slechts weder aan uw boezem zinken. Boleslaw, Lodewijk en Bernard leven.—Dierbaarste, vaarwel! en denk aan uw eeuwig getrouwen
JAROMIR.”
Deze eerste berichten van de eigen hand der beminden maakten de vrouwen onbeschrijfelijk gelukkig. Ieder spoor van twijfel was nu verdwenen, zij gaven zich geheel aan het zalig gevoel over, dat na de doorgestane bange zorgen en gevaren aan het hart de zoetste belooning schenkt.
Voor en na bezocht Lodoiska dagelijks de mis. Doch hare gebeden waren nu dankgebeden geworden, en hare tranen werden niet meer door angst en verlangen afgeperst, maar vloten uit dankbare aandoening.
Zoo verliep eene week.
Daar kwam het bericht van het binnenrukken van het keizerlijk leger in Moskou; uit den burcht der oude czaren was het bulletin gedagteekend, waardoor de keizer deze nieuwe, laatste overwinning aan het verbaasde Europa bekend maakte. Derhalve was nu het groote doel, de lang gewenschte vrede, bereikt. Met wien toch zoude men oorlog voeren, wanneer er geen vijanden meer te overwinnen waren? Thans herleefden weder alle verwachtingen in alle harten, nu eindelijk geloofde men den dag der rust, de vergelding voor de zoo oneindig vele offers te zien aanbreken. De Pool gevoelde zich reeds weder vrij. Hij hoopte weder een vaderland, een uit den boezem des volks te voorschijn getreden koning, eene geschiedenis te zullen bezitten. In dit gevoel was de gravin gelukkig en trotsch. Lodoiska leunde de hut van haar stil geluk tegen het koene paleis van verwachtingen aan, dat hare verzorgster opbouwde. In hare warme borst koesterde Maria de kiemen, welke Arnheims beschouwing der dingen troostvol in haar had opgewekt. Ofschoon niet dadelijk, zullen zij toch spoedig opschieten; gij zult nog dagen van vrijheid zien aanbreken, zult uw vervolgden broeder weder vrij en veilig aan het hart drukken, zult zijn trouwen vriend onbeschroomd de hand durven reiken. Eindelijk zullen de zwarte wolken, door dezen laatsten slag uiteengejaagd, zich verdeelen en zal de blauwe hemel weder vroolijk over uw vaderland lichten. Lang genoeg hebben de ruwe winterstormen geduurd. Er moet ook weder een dag der lente aanbreken.
In deze gelukkige verwachtingen wiegden zich de zielen der vrouwen gedurende vijf dagen.
Daar verspreidde zich, het eerst door Joden, die van Brzesc Litewski kwamen, het gerucht, dat Moskou door de Russen in brand was gestoken. In het geheim mompelde men het, en fluisterde het elkander zacht, half geloovig in de ooren; want men waagde niet het luid uit te spreken, om niet de blijde hoop der opgewonden menigte door een misschien blinden schrik neder te slaan. Zooals het gewoonlijk gaat, overdreef de een, terwijl de ander wilde weten, dat het geheele geval zich tot enkele, door toeval in brand geraakte gebouwen bepaalde. In het hôtel van den gezant was alles stil, niemand vernam den inhoud der depêches, welke de koeriers aanbrachten. Doch luider en steeds aangroeiend herhaalden zich de geruchten; reeds durfde niemand ze meer tegenspreken. Eindelijk was de ramp niet meer te verbergen. Openlijk bevestigden de berichten des franschen gezants, dat de Russen in hunne razende woede zelven hunne hoofdstad der vernieling gewijd hadden. Wat ook gezegd werd, om het verschrikkelijke van deze tijding te verzachten, om het vermoeden tegen te gaan, alsof deze gebeurtenis het fransche leger gevaar of zelfs verderf konde aanbrengen,—de daad scheen te verschrikkelijk, te ongehoord, wanneer zij niet den zekersten uitslag met zich voerde. Slechts om Rusland met gewisheid te redden, kon Moskou aan de vlammen zijn prijsgegeven, gelijk men, slechts om Frankrijk te redden, de brandfakkels in Parijs zoude werpen. Dat gevoelde ieder met onoverwinnelijk bewustzijn. Een stomme, kille schrik had zich van de gemoederen meester gemaakt; eene huivering sloop door de zielen der stoutmoedigsten; de tijd had de menschen aan schrikkelijke gebeurtenissen, aan daden zonder voorbeeld gewend, deze echter ging verre de maat te buiten, overschreed verre de grens van iemands verbeelding. Men herinnerde zich, dat in den schrikkelijksten tijd der fransche revolutie een der redenaars, welker woorden eene vlam, een zwaard, een bliksemschicht werden, wanneer de opbruisende hartstocht ze uit den krater der borst slingerde, om zijne tegenstanders te verschrikken op de tribune had uitgeroepen: „Dan zal de dag komen, dat men aan de Seine de woeste plek zal aantoonen, waar eens Parijs stond.” Deze gedachte reeds had in die dagen, toen men aan bloedige schrikbeelden, aan de ontzettendste heksendansen aller furiën en demonen, die het menschelijk hart kunnen innemen, gewoon was, het bloed in de aderen doen stollen. En nu zoude iets zoo schrikkelijks, ongehoords, ondenkbaars werkelijk geschied zijn? Die stad, welke sinds eeuwen allen roem, glans en rijkdom van het onmetelijk rijk der czaren in hare burchten en paleizen vereenigde; die stad, waar de weelde van Azië zich met de kunst en bedrijvigheid van Europa wedijverend verbond; de oude hoofdstad, gewijd als een zetel van den voorvaderlijken godsdienst!.... deze zoude tot den bodem geslecht, in een akeligen aschhoop verkeerd zijn! Slechts het ijselijkste kon dit ijselijke voortbrengen, het ontzettendste alleen dit ontzettende baren. Een stortvloed van golvende vermoedens kwam bruisend nader. Daarbij kwam, dat deze nauwelijks begrijpelijke gebeurtenis op de vleugels des geruchts tot in het reusachtige aangroeide; men schilderde de verwoeste stad als een aschhoop, die geen levend wezen meer eene toevlucht verschafte als een uitgebranden krater, waarin ook de laatste levensvonk uitgedoofd was. Onder de asch zou het verbrande gebeente der legers begraven, slechts enkele aanvoerders en weinige personen zouden, door een wonder gered, ontkomen zijn. Men kon zich niet verbeelden, dat zulk een worp zou gewaagd zijn, wanneer het niet buiten twijfel was, alles daardoor te winnen. Daarom verhaalde men, dat de keizer reeds op de vlucht, ja deze of gene meende reeds te weten, dat hij in Warschau was. De bedaardsten en bezadigsten geloofden ten minste niet meer aan den vrede, maar hielden deze daad voor het onbedriegelijkste bewijs, dat de strijd nu eerst recht zou beginnen. Zoo volgde de dofste verdooving en de meest moedelooze schrik op den korten roes der vreugde, die de overwinning had aangebracht.
De gravin geleek een marmeren beeld, zoo bleek zag zij, sinds deze schrikkelijke tijdingen waren aangekomen. Zij sidderde niet voor het lot van haren broeder, voor dat harer naaste betrekkingen, maar voor dat van haar vaderland. Zij waande in het op den donkeren achtergrond brandende Moskou het schrikkelijke beeld der toekomst van Warschau te zien, en in de haar overstelpende droefheid riep zij angstig voorzeggend uit: „Wie weet, hoe nabij de dag is, dat de vlammen boven de tinnen mijner vaderstad opstijgen, ten zoen voor het ontzettende brandoffer, dat Rusland zijner gebracht heeft.”
Lodoiska was geheel moedeloos en verslagen; slechts Maria vond in hare stille gelatene ziel de rust, deze schoone vrucht des geloofs en des bewustzijns tevens. Zij, die zich niet vrij aan de uitgelatenheid der vreugde had kunnen overgeven, maar slechts verwijderde verwachtingen aan het gebeurde knoopte, was ook nu niet zoo diep in den afgrond der moedeloosheid vervallen. De gravin, het met zich zelve volkomen eens zijnde, behoefde geen troost; zij stond ontzet, maar moedig, zonder beven, aan de geopende poorten des verderfs. Doch Lodoiska werd door den stroom der gebeurtenissen bewogen als eene slingerende wijngaardrank; zij had ondersteuning noodig. De liefdevol troostende Maria, die ieder vonkje der hoop met eene alles uitputtende liefde wist aan te wakkeren, was haar steun; want voor de koele, moedige gestalte der gravin beefde Lodoiska heimelijk terug, wijl zij in hare ernstige blikken, in de diepe trekken van hare verheven droefheid het heimelijk verwijt meende te lezen: Gij treurt om niets, dan om uwe armzalige, kleine liefde! Uwe ziel is niet groot genoeg, om het verlies van een vaderland te gevoelen. Mogen allen vrij hun ondergang gevonden hebben in de vlammen, in den aschhoop, wanneer gij slechts uw minnaar behouden hadt.—Lodoiska bedroog zich; deze strenge taal zou Johanna niet gevoerd hebben, daartoe gevoelde haar hart te menschelijk, te medelijdend het lijden in den boezem eens anderen.
Doch spoedig veranderde de gestaltenis der zaken weder. In deze dagen dobberde elk levensschuitje op eene stormachtige zee. Nu zag men van den top der baar de nabijzijnde haven, de redding, de overwinning; dan weder stapelden zich de golven hoog boven het hoofd op en lieten nauwelijks eene plek van den eeuwigen hemel aanschouwen. Er kwamen latere berichten uit Moskou, die bewezen, dat het leger geen gevaar liep, dat men, ondanks de schrikkelijkste verwoesting, genoeg woningen voor winterkwartieren had overgehouden; dat de oorlog wel is waar nog voortduurde, maar dat toch de eerste stappen tot vredesonderhandelingen reeds gedaan waren. Thans verdween de verslagenheid, welke de mare des onheils had teweeggebracht, en nieuwe verwachtingen ontsproten.
De vrouwen wachtten slechts op berichten van hare vrienden, om zich geheel aan hare vreugde over te geven. Daar kwamen op een avond twee brieven tegelijk aan; de eene van Jaromirs hand was aan Lodoiska, de andere van Rasinski aan zijne zuster gericht. Dit bevreemdde, daar anders alles in Rasinski's brieven ingesloten placht te zijn. Lodoiska was in de vesper; de gravin opende alleen den brief van Rasinski aan haar; hij was van den 15. September, den dag na het begin van den brand, en luidde:
„Dierbare Zuster!
„Wij zijn, wat ons zelven betreft, een groot gevaar op de verwonderlijkste wijze ontkomen. Moskou staat in volle vlam. Er heerscht eene verwarring zonder voorbeeld. Wij moeten uit de stad naar buiten rukken en liggen thans op bivak. Ik maak van de eerste minuut, welke ik vind, gebruik, om u te melden, dat wij allen in leven en gezond zijn. Wanneer dit briefje weggaat, weet ik niet. De overste Regnard, dien ik zoo even sprak, bezorgt het op de veldpost.
Uw Broeder.”
Doch in den brief lag nog een afzonderlijk, gesloten briefje met het opschrift: „Voor u alleen.”
„Wij vermissen Jaromir! Verzwijg dit voor Lodoiska. Dat hij omgekomen zou zijn, is haast niet denkbaar. Ik moest hem met een bericht naar den maarschalk Mortier zenden; zoo is hij van ons gegaan. In deze onmetelijke stad, bij deze ongehoorde verwarring is echter niets gemakkelijker dan te verdwalen. Ik hoop, dat wij allen morgen weder bijeen zijn. Ik schrijf dit alleen aan u, omdat ik u heilig beloofd heb, u nooit iets te zullen verbergen. Zoo moogt gij mij ook gelooven, als ik u verzeker, dat ik hoegenaamd niet over Jaromir bekommerd ben.”
Toen de gravin het gesloten briefje gelezen had, geloofde zij natuurlijk, dat de tegelijk gekomen brief van Jaromir zijn verdwijnen zoude ophelderen. Zij hield dien met de grootste waarschijnlijkheid voor later geschreven en tot Lodoiska's geheele geruststelling nagezonden. Daarom verheugde zij zich op de terugkomst van deze, om haar met den brief te verrassen. Maria dacht ook zoo. Na een klein half uur kwam Lodoiska terug. De gravin trad haar met den brief te gemoet, hield dien half schertsend, want zij was in eene zeer vroolijke stemming, daar ook de laatste bezorgdheid van haar hart was weggekomen, omhoog en riep: „Lodoiska, wat geeft gij mij voor dezen brief?”
„Van Jaromir?” riep zij met van vreugde fonkelende oogen; tegelijk trok zij verlangend de opgestoken hand der gravin met hare linkerhand naar beneden en streelde haar met de rechter. Een hartelijke kus was het loon, dat het gelukkige meisje voor den schat gaf. Daarop opende zij haastig, met wangen, die van vreugde en verwachting hoog gekleurd waren, den brief en hield hem tegen het licht, om te lezen. Doch als ware zij plotseling op den rand van een ontzettenden afgrond geraakt, beefde zij terug, werd bleek als de dood, liet de handen krachteloos zinken en het papier vallen. Een gil, dien zij wilde uitstooten, stikte in hare benauwde borst, hare stem beefde, en nog voor de gravin of Maria haar te hulp konden snellen, zonk zij bewusteloos neder.
„Om 's hemels wil, wat deert u?” riep de gravin en zocht met behulp van Maria, die angstvol was toegesneld, de ongelukkige op te richten, doch met moeite slechts vermochten zij haar op de sofa te brengen. De gravin schelde om hulp. Maria, nam den gevallen brief van den grond op en zag, een vluchtigen blik daarin werpende, dat hij slechts één regel bevatte. Zij waagde niet hem te lezen, doch de gravin deed dit zonder bedenking. Hij bevatte niets dan de woorden:
„Huichelaarster! Trouwelooze! wij zijn voor eeuwig gescheiden.
JAROMIR.”
Beide vrouwen waren sprakeloos van verbazing.
„Die slag moest de arme zeker verpletteren,” zeide de gravin op den toon van diepe verontwaardiging. „Op zoo iets kon zij niet bedacht zijn. Het is afschuwelijk, een gruwel zonder voorbeeld.” In hevige ontroering ging zij de kamer op en neder, Maria las tot hare eigene overtuiging het onheilbrengende blad nog eenmaal en legde het dan met bevende handen neder. „O gij rampzalige,” zeide zij, terwijl zij zich over het hoofd der onmachtige neerboog, „hoe zullen wij thans uw lijden verzachten!”
De kamenier van Lodoiska was binnengetreden. Zij ontstelde bij den aanblik van hare meesteres. „De gravin is plotseling ongesteld geworden, zij moet te bed gebracht worden. Kasimir moet vliegend naar den arts. Bestel dat en kom spoedig terug.” Op deze met gedwongen bedaardheid en kalmte gesproken woorden der gravin verliet de kamenier de zaal weder. Maria had ondertusschen Lodoiska's slapen met koud water besprenkeld, om haar weder tot bewustzijn te brengen. De gravin ging nog steeds driftig op en neder. „Daaraan herken ik de mannen! Hunne eigene slechtheid opent hun hart voor ieder onwaardig vermoeden. Wie zou hebben kunnen gelooven, dat op deze engelreine ziel de zwartste verdenking zou kunnen worden geladen! Dit hart, dat zich zelf in den gloed zijner liefde verteerde, wordt van trouweloosheid beschuldigd. Afschuwelijk! Ongehoord! Grenzeloos afschuwelijk! En welke bewijzen kan de lichtzinnige knaap, die met ruwen tred de bloesems van zijn eigen onschatbaar geluk in het stof trapt, voor zijne onnoembaar zware beschuldiging hebben! Een gerucht, een lasterende brief, een boosaardig verdichtsel van den een of anderen eerloozen of tot misdadig wordens toe lichtzinnigen kameraad!”
Zij ging voor Lodoiska staan, wier borst zich onder het verlichte ademhalen—Maria had haar kleed losgemaakt—nauwelijks scheen te bewegen. „Hoe zacht deze reine engel sluimert! Zelfs het ontzettende spooksel van den schrik, die haar zoo plotseling ter neder sloeg, heeft hare minzame trekken niet misvormd. Een blik op haar afbeeldsel moest het bewijs harer onschuld tegen duizend getuigen geweest zijn! Hebt gij haar vermoord, hebt gij dit teedere leven geknakt door den slag, dien uwe ruwe hand in den blinde gedaan heeft, dan moge haar beeld u als een schrikkelijk spook vervolgen!”
„Neen, neen, zij leeft, zij ademt, zij zal ontwaken, wij zullen haar troosten, bemoedigen!” antwoordde Maria met eene door tranen verstikte stem. „Alles zal tot klaarheid komen, ook dit vreeselijke misverstand.”
„Hier kan het weefsel niet meer ontward worden! De knoop is met het ijzeren zwaard doorgehouwen; alle teedere banden, die twee jonge harten verbonden, zijn verscheurd. Waar een zoo duistere geest des argwaans in het heiligdom der liefde en des vertrouwens eens is ingebroken, daar zijn zijne sporen nooit te verdelgen. Overtuigd kan Jaromir worden, dat Lodoiska geen zonnestofje ontrouw of valschheid in haar reinen boezem omdroeg; overtuigd, als van den glans der sterren aan den eeuwigen helderen hemel. Doch het schoone, heilige, onschendbare geloof van beiden aan elkander is vernietigd, voor eeuwig vernietigd. Eene begane daad, een gesproken woord zijn onherroepelijk en zoomin te achterhalen als de vervlogen minuten. Wat gij ook doet, om het verzuimde in te halen, om eene schuld te verzoenen, het is ijdel bedrog en schijn; het verzuim, het vergrijp zijn begaan, zij blijven onveranderlijk en geen godheid is in staat, de eeuwige schriftteekens in het boek van het volbrachte uit te wisschen.”
De kamenier trad weder binnen; Lodoiska werd in hare kamer te bed gebracht. Maria zette zich bij haar neder en wachtte vol angst den terugkeerenden adem, het opslaan van haar oog af. De gravin stond in ernstige, diepe treurigheid zwijgend aan het voeteneinde van haar bed en hechtte de donkere oogen onafgewend op de levenlooze.
Eindelijk opende Lodoiska de lieve oogen weder, zag smartelijk op, reikte toen hare lieve verzorgster de handen toe en sprak zacht, maar uit het diepste harer borst: „O, ik ben onbeschrijfelijk rampzalig!”
TIENDE BOEK.
HOOFDSTUK I.
De avond was reeds gevallen. Een ruwe storm loeide over de vlakte en ruischte hol in de toppen der hooge dennen toen Rasinski met de kleine schaar zijner getrouwen, die hij niet meer zijn regiment durfde noemen, het bivak bereikte. Men was moe en uitgeput; de ledematen verstijfden in den killen wind.
„Hier, op de helling van dezen heuvel, willen wij ons nederslaan,” beval Rasinski. „Wij hebben hier ten minste beschutting tegen den wind.” De ruiters zwenkten linksom.
Het was een, in twee heuveltoppen vooruitspringende hoek van een oud, donker pijnbosch, dien Rasinski tot zijne legerplaats had uitgekozen. Hooge boomen stonden op de vrij steile ofschoon niet zeer hooge heuvels, die eene bijna ringvormige kloof met haar bochtigen rand omvatten. De toppen der aloude stammen kruisten zich, zoo smal was de laatste boven haar; laag, zwaar kreupelhout klom tegen de helling op.
Tegen den herfstwind verschafte de plaats wel eenige bedekking, doch zij was vochtig en koud, daar de zon nauwelijks in het midden van den zomer door de sombere kronen der reusachtige dennen vermocht te dringen, veel minder nu, in het najaar. Slechts eenige berken met hun witten stam en bleekgeel, verdord loof stonden als spoken op den donkeren achtergrond.
„Eene goede hinderlaag,” zeide Bernard, bij het binnenrijden door de enge opening van de kloof.
„Ja, voor eene rooversbende mocht zij goed zijn,” hernam Rasinski.
„Waarlijk,” antwoordde Bernard, „als wij nog allen bijeen waren, zou de legerstede wat klein uitvallen, doch voor honderd is in allen gevalle plaats genoeg hier.”
„Halt! Front! Afzitten!” kommandeerde Rasinski. „Hier langs den rand des heuvels naar omlaag de piketpalen gestoken en de stallijnen gespannen. Wij legeren ons dadelijk daarachter. Twaalf man tot fourageeren, twaalf tot houthakken, twaalf tot waterhalen. De anderen verzorgen intusschen de paarden.”
Nadat deze bevelen gegeven waren, zette Rasinski zich mistroostig en vermoeid op een dicht met mos begroeiden boomstam, die op den grond lag. Hij legde zijne handen op de tusschen zijne knieën staande sabel en keek somber voor zich neer.
„Waar zal ik ons vuur doen aanmaken?” vroeg Bernard.
„Waar gij wilt.—Daar onder dien grooten den.” Rasinski bleef, in gedachten verzonken, onbewegelijk zitten, terwijl Bernard met eenige manschappen toebereidselen tot de legering van het korps maakte.—Zware, donkere voorgevoelens beroerden de ziel van den dapperen strijder. Hij zag donker als de nacht en het woud om hem heen. Spoedig joeg de onrust hem op. Hij ging met groote schreden op en neder. Nu en dan gaf hij in korte, afgemeten woorden een bevel; want hoe onrustig het ook in zijn binnenste golfde, bemerkte zijn aandachtig oog toch alles, wat rondom hem voorviel.
„Wilt gij niet komen, om u bij het vuur te legeren?” dus stoorde Bernard hem na eenige minuten. „Zie, het brandt al vroolijk en verlicht de oude boomstammen en de lang uitgestrekte reuzenarmen der takken op grillige wijze. Wanneer wij door dien ijskouden wind niet zoo verkleumd en huiverig waren, zou ik lust hebben, deze boomgroepen af te teekenen.”
„Of Boleslaw en Lodewijk heden niet eindelijk eens terug zullen komen? Ik verlang met ongeduld naar berichten van Jaromir,” antwoordde Rasinski, alsof hij de woorden van Bernard in het geheel niet verstaan had.
„Zet u dat uit het hoofd, Rasinski,” zeide Bernard op een biddenden toon; „het is een koortsachtige droom, verder niets! Zulk een helsche nacht, als Jaromir in Moskou doorbracht, moest wel waanzinnige inbeeldingen in de hersenen voortbrengen. Dan nog zijn liggen in het hospitaal, van alle vrienden verlaten, onder het gejammer der doodelijk gewonden—geloof mij, zoodra hij hersteld is, zoodra zijne zinnen weder helder zijn, houdt de gansche akelige droom op.”
„Ik heb den brief niet verzonden,” zeide Rasinski na een pauze. „Ik kon hem niet afzenden!”
„En gij hebt wel gedaan!”
„Om te handelen,” hernam Rasinski, „moest ik zekerheid hebben; om de bezorgdheid in mijne borst op te wekken ware de helft der kenteekenen reeds genoegzaam geweest. Ja, ik geloof, Jaromir heeft zich aan eenig vergrijp tegen Lodoiska schuldig gemaakt en het is geen koortsachtige droom alleen, die hem op dit denkbeeld brengt. Thans eerst valt mij in, wat hij met Lodewijk den avond vóór den brand gesproken heeft. Toen was hij nog niet ongesteld. Geene brandwond folterde hem toen nog, geen bovenmatige vermoeienis had hem doodelijk uitgeput, de akelige beelden van dien nacht vervulden zijne ziel toen nog niet met schrik, en evenwel....”
„Voor zoover ik het verhaal van Lodewijk begrepen heb,” meende Bernard, „twijfelde hij toen aan Lodoiska's liefde. Dat kan een kwaad vermoeden zijn, gelijk een toeval dat op het een of ander oogenblik in zijn jong, vurig beminnend gemoed lichtelijk kon doen oprijzen. In het naastvolgende oogenblik schaamde hij er zich over en klaagde zich zelf aan. In die stemming van zijn gemoed vielen de verschrikkelijke gebeurtenissen van den nacht voor. Deze herinneringen vervolgden hem in zijn koortsachtige droomen en in zijne ontstelde verbeelding rekende hij zich zijn wantrouwen als eene zwarte, onverzoenbare misdaad aan. Zoo schreef hij haar den brief, die u zoo ongerust maakt. Wanneer Lodewijk en Boleslaw terugkeeren, zullen zij ons gewis ophelderingen geven, want met hen heeft Jaromir ongetwijfeld daarover gesproken.”
„Ik ben koud. Wij willen bij het vuur gaan. Ook ben ik moê. Verdrietige oorlog! men hangt den geheelen dag op het paard, ziet den vijand aan en vecht toch niet. Het is eene groote gebeurtenis, wanneer een kozak een pistoolschot afwacht. Ja, als onze paarden nog zoo frisch waren, als op den dag, toen wij over de Weichselbrug reden, dan zouden die plagerijen spoedig ophouden. Weet gij, dat men mompelt, alsof de vredesonderhandelingen zouden zijn afgesprongen? Mij dunkt, Kutusow wist dat lang! Het is niet zonder reden, dat men haar rekt, tot de winter ons hier overvalt. Ook in dit opzicht zie ik Boleslaws terugkomst van Moskou met verlangen te gemoet. Ik wil hopen, dat het hem gelukt zal zijn, ten minste iets van wat wij zoo dringend noodig hebben, aan te schaffen.”
„Als Lodewijk een paar nieuwe laarzen meêbracht,” schertste Bernard, „zou hij mij zeker geen kleinen dienst doen, en een pels in plaats van dezen gescheurden, half verbranden mantel, kon ik ook kostelijk gebruiken.”
„Spreek zoo lichtzinnig niet, Bernard,” hernam Rasinski ernstig; „gij hebt nog niet ondervonden, hoe grimmig de scherpe tand van het gebrek iemand kan aangrijpen. Ik, die menigmaal gezien heb, hoe moeilijk beter uitgerusten dan wij zich daartegen verdedigen, ik moet ernstig zorg dragen, dat wij aan zijne duizend kwetsende wapenen niet te veel onbedekte punten bloot geven. Thans reeds maakt de nachtvorst onze lieden ziek, thans, daar wij nog overvloed van hout hebben. Doch als de winter inviel, als....”
„Welnu, mij dunkt, dat wij dan naar Moskou moesten terugtrekken. Vijftien wersten zullen wij toch nog wel marcheeren kunnen.”
„Dunkt u?”
Een uitgezette post riep: „Werda!”
„Goed vriend van Moskou,” luidde het antwoord.
„Dat is Boleslaw!” riep Rasinski driftig en sprong op.
Een oogenblik later sprong Boleslaw van het paard en groette de vrienden.
„En waar is Lodewijk, en wat brengt gij voor goed nieuws van Jaromir?” vroegen Bernard en Rasinski bijna te gelijker tijd.
„Eerst de dienstzaken,” antwoordde Boleslaw. „Ik ben gelukkig geweest. Hoe groot de nood en de toeloop ook zijn mochten, heb ik toch eenigszins voor de nooddruft onzer manschappen kunnen zorgen. Uwe mildheid, Rasinski, stelde mij in staat, de hoogste prijzen te betalen.”
„Laat dat daar!” viel hem deze in de reden.
„Ik werd den koop met twee Joden eens. Zij hebben mij tachtig paar laarzenzolen en dertig paar nieuwe laarzen bezorgd. Doch ik kon slechts zestig mantels bijeenkrijgen en meest oude, maar toch bruikbare, voor een gedeelte goed gevoerd. Ook kocht ik drie schapevachten, die 't is waar, misschien reeds jaren lang op het lijf van russische boeren gezeten hebben, maar die ik, hoe duur ik ze ook moest betalen, niet kon laten gaan. De winter komt en wij Polen kennen dien ten minste zoo half. De Franschen, schijnt het, willen maar niet gelooven, dat het heldere herfstweder, dat wij tot nu toe hadden, een einde zal nemen. Ik zeide hun, dat zij maar eens drie nachten hier bivakeeren moesten.”
„Nu, en waar zijn uwe schatten?”
„Lodewijk escorteert met de manschappen het transport. Zij komen op een wagen, dien ik in beslag genomen heb. Ik ben vooruit gereden. 't Is te hopen, dat zij ons maar spoedig vinden in dezen schuilhoek.”
„De wind heeft ons hierheen gedreven,” antwoordde Rasinski. „Wij willen den wagen eenige lieden te gemoet zenden. Bernard, kies eenige manschappen uit, die tot den grooten weg gaan en daar post vatten.”
Bernard ging.
„Goed! dat hebt gij uitmuntend bezorgd,” ging Rasinski thans tegen Boleslaw voort. „Het was waarlijk hoog noodig! Hebt gij al het geld uitgegeven?”
„Niet alles; ik kon zoo verkwistend met het uwe niet omgaan. Gij offert u voor allen op! Ik heb nog veertig dukaten over.”
„Foei, Boleslaw! Hier alleen hadt gij niet spaarzaam moeten zijn. Als gij wollen kousen gekocht had!”
„Die waren niet te krijgen. Daarvoor zou ik het laatste geld hebben uitgegeven. Maar de andere dingen zijn ook waarlijk nog zoo broodnoodig niet. Gij moest toch iets voor u zelf behouden! Het is moeielijk, hier weder aan geld te komen.”
„Als ik het voor mijne kameraden besteed, brengt het mij de beste renten op, Boleslaw. Ik weet, zij zullen mij in den nood niet verlaten, en de mantel dien ik heden voor den soldaat koop, dekt morgen mij zelf, als de nacht guur is en de trouwe kameraad ziet, dat zijn aanvoerder dien noodig heeft. Maar zou een volle beurs mij verwarmen?”
„Gij geeft in uwe grootmoedigheid alles weg!” riep Boleslaw uit. „Werkelijk, het zou tegen mijne eer en mijn geweten zijn, als ik zulk een misbruik van uwe goedheid maakte. Ook wij overige officieren moeten immers een klein deel dragen in hetgeen voor de manschappen geschiedt. Ik breng u slechts terug, wat wij ons verplicht achten, aan te vullen.”
„Dus gij, die weinig bezit, wilt u opofferen!”
„Vertel ons nu van Jaromir,” brak Bernard, die juist weer nader trad, het halfluid gevoerde gesprek tusschen Rasinski en Boleslaw af.
„Straks; eerst nog iets zeer gewichtigs. De onderhandelingen zijn afgebroken.”
„Heb ik het niet gedacht,” riep Rasinski met levendigheid.
„Kutusow heeft den koning van Napels aangetast en teruggeslagen. De keizer ontving de tijding juist toen hij in het Kremlin de troepen van het leger van Ney inspecteerde. Dadelijk riep hij: „Oorlog dus! Welnu, het zij zoo.” Er volgde order op order. Morgenavond breekt het leger op, naar den kant van Kaluga heen. Wij en alle troepen, die in het noordoosten staan, rukken morgen weder voor Moskou en sluiten ons dan bij het groote leger aan. Ik breng u de order daartoe.”
„Dus wordt de strijd hernieuwd. Ik dacht het wel,” zeide Rasinski. „Nu moeten wij ons een weg naar de zuidelijke provinciën banen. Daar is hoop, dat wij nog vóór den winter vasten voet winnen of ten minste Kiew bereiken, om daar te kantonneeren. Het was hoog tijd! Goddank dus, dat het eindelijk bepaald is. Wanneer de krijg zich daarheen wendt dan heb ik nog hoop. De winter begint in die streken ten minste eene maand later, en is oneindig minder streng. Ook is het land rijk en zal ons beter voeden dan de woestenij, die wij tot nog toe zijn doorgetogen. Deze tijding is van eenige waarde.—Maar nu spreek op van Jaromir. Is hij hersteld?”
Boleslaw zweeg een oogenblik. „Ja,” zeide hij daarop met een donker gelaat, „als wij dat hersteld willen noemen! Zijne brandwonden zijn geheeld, zijne heete koorts is verdwenen, ja hij voelt zich zelfs sterk genoeg om met ons te marcheeren. Hij wil niet bij de achterhoede van het leger blijven; ook geloof ik, dat hij lichaamskrachten genoeg herkregen heeft. Maar....”
„Welnu?”
„Zijne ziel is duister, de heldere glans zijner oogen verdoofd, zijn open voorhoofd bewolkt. Het is onze frissche, vroolijke Jaromir niet meer. Ik vrees....” hier hield Boleslaw plotseling op. „De keizer heeft hem,” voer hij na eenige oogenblikken voort, „het kruis van het legioen van eer gezonden. Hij heeft het afgeslagen met de woorden: „Het toeval alleen heeft mij geleid; ik mag dit teeken niet aannemen. De keizer beware het voor mij, tot ik eene wezenlijke daad verricht heb.”—Geen redeneeringen hadden eenigen invloed op hem; hij bleef onbewegelijk. En gij weet, met wat brandende begeerte hij nu al verscheiden jaren naar dat kruis haakte en hoe hij het mij benijdde.”
„O, ik weet alles,” zeide Rasinski. „Er heerscht eene duisternis in zijne ziel, die al de vlammen van het brandende Moskou niet in staat zijn te verlichten. Heeft hij u van zijn brief aan mij gesproken?”
„Geen woord.”
„Hij moet hem evenwel juist den dag voor uwe aankomst geschreven hebben.”
„Wat behelsde die brief?” vroeg Boleslaw.
„Luister!” Rasinski nam den dichtgevouwen brief uit zijn portefeuille en las:
„Rasinski!
„Gij waart mijn tweede vader,—heden noem ik u voor het laatst bij dezen dierbaren naam; want van heden af zult gij slechts mijn bevelhebber zijn. Gij moogt dit zijn, want de soldateneer heb ik niet verloren. Om één dienst, den laatsten uwe oude, vaderlijke vriendschap, bid ik u echter nog; zend dezen brief aan Lodoiska. Driemaal heb ik vol innig berouw aan haar geschreven en hare vergiffenis afgesmeekt; het geschiedde nog in de verwarde droomen der ziekte; doch ik vernietigde de brieven weder en heb er niet een van verzonden. De ziekte is geweken; thans weet ik, wat ik doe, en handel gelijk ik moet.
JAROMIR.”
„En wat schrijft hij aan Lodoiska? Ik bid u, verberg mij dit niet,” vroeg Boleslaw haastig, terwijl hij scheen te beven.
Rasinski sloeg een anderen brief open en las:
„Lodoiska!
„Wij zijn voor eeuwig, doch door mijne schuld gescheiden; werp uw ring in de rivier, den uwen wierp ik in een dieperen afgrond. Antwoord mij niet, want gij zoudt in de overmaat uwer hemelsche goedheid mij kunnen willen vergeven; ik mag geene vergiffenis aannemen. Uw eeuwigdurend stilzwijgen zij dan ook mijne straf, gelijk ik mij voor eeuwig uit uw gezicht verban.
JAROMIR.”
Boleslaw stond sprakeloos, de donkere blikken naar den grond geslagen; eene vreeselijke storm van tegenstrijdige gewaarwordingen verhief zich in zijn boezem. Jaromir verbrak den band, die hem aan Lodoiska verbond. Een straal van hoop lichtte tusschen de donkere onweerswolken door en wierp een zacht schijnsel in het hart van Boleslaw. Zult gij uit denzelfden beker, die uw vriend vergiftigt, de zaligste vreugde drinken? Terwijl uwe lippen zijn rand met huiverende zaligheid aanraken, verbleeken die uws vriends en sluiten zij zich voor eeuwig!—Neen, Boleslaw!—Moge het de zwarte slang der schuld zijn, die hare kronkels om zijn hart slaat; mogen het enkel donkere droomen zijn, die zijne ziel in hun verward weefsel verstrikken, voor u mag geen bloesem uit dit noodlottig zaad opschieten. Wees een man. Wend uw laatsten blik af van de deur des hemels, die zich voor u schijnt te openen. Het is een drogbeeld; gij moogt daar niet binnentreden; de rozekleurige uchtendschemering, waarin gij uwe brandende borst verkoelend meent te baden, is slechts de weerglans van verborgen vlammen des afgronds. Volgt gij de verleiding, treedt gij over de geheiligde grens, dan stort gij tot uw eeuwig verderf naar beneden. Hier bestaat geene twijfeling voor u. De bruid, van wie uw vriend afstand doet, zij u nog heiliger dan die hij in zijne armen, aan zijn hart drukt. Iedere andere gedachte, iedere andere hoop is verraad tegen de heilige wetten der vriendschap.
In de vuurproef dezer gevoelens, die Boleslaws borst doorstroomden, hardde zich zijn edel hart tot de sterke wilskracht der zelfverloochening.
„Nu,” vroeg Rasinski na eene lange, ernstige pauze, „wat denkt gij van dezen brief? Is hij een voortbrengsel van zijn koortsachtig ijlen? Of drukt waarlijk eene misdaad tegen zijne liefde op Jaromirs hart?”
Het antwoord van Boleslaw werd door een luid „Werda!” dat Lodewijks aankomst aankondigde, afgesneden. De vrienden verwelkomden hem hartelijk. Doch nu dreef de dienstplicht boven; de kleedingstukken, welke Lodewijk bracht, moesten ontvangen en verdeeld worden; dit veroorzaakte eene drukte, die langer dan een uur duurde. Ondertusschen was het nanacht geworden en de vermoeide strijders hadden rust noodig. Bernard ondervroeg Lodewijk wel naar Jaromirs toestand; doch deze wist niet meer dan de anderen. Met ijzeren dichtheid hield de jongeling het geheim in zijne borst; want hij wilde slechts de straf zijner misdaad, niet de goedwillige verontschuldiging, niet het medelijden, niet de vergiffenis.
HOOFDSTUK II.
Het was tegen den avond van den 18 October toen het fransche leger de hoofdstad der czaren, waarin het veel te lang of veel te kort vertoefd had, begon te verlaten. De keizer had evenwel de gedachte nog niet kunnen verdragen, dat hij terugtrekken moest voor de overmacht der natuur en der onuitputtelijke middelen, welke zij den vijand aanbood, terwijl zij hem niets dan onoverkomelijke hinderpalen in den weg wierp; hij dacht er veeleer nog aan, het leger van Kutusow, dat bij Kaluga stond, aan te tasten, het te verslaan, zich een weg naar de zuidelijke provinciën te banen, zijne reserves aan zich te trekken, zijne communicatiën met Polen te vermenigvuldigen en te verzekeren, zich op den rechtervleugel der armee te leunen, en zich zoo tot het voorjaar in het hart van 's vijands land staande te houden. Menige stem had zich zekerlijk reeds voor den terugtocht doen hooren en in angstig voorgevoel, dat het bleeke spook van den winter onverwacht zou tegenwoordig zijn, op zijne verhaasting aangedrongen; doch de raad, die het meest met den koenen geest des keizers overeenstemde, ofschoon dan ook de stoutste, geenszins de verstandigste, behield de overhand.
In den vroegen morgen van den 19 October, een vroolijken herfstmorgen verliet Napoleon zelf Moskou. Ofschoon de uittocht des legers reeds den geheelen nacht geduurd had, drongen de dichte drommen echter nog steeds de poorten der half in puin liggende stad uit. In onafzienbare rijen trokken zij langs den breeden weg voort. Niet zoozeer het getal der strijders maakte den onmetelijken trein uit, als wel de ontelbare wagens met buit beladen, de menigte kanonnen en ammunitiewagens, welke men niet mocht achterlaten. Aan beide zijden braken derhalve de colonnes van infanterie en cavalerie uit den trein en trokken, waar het terrein het slechts eenigszins vergunde, over de landen naast den grooten weg heen, om den meer gebaanden weg voor de voertuigen vrij te laten. Evenwel kwam er spoedig stremming in den onmetelijken trein. Zelfs de keizer en zijn staf konden geen doortocht vinden, zoo hadden de wagens alle doorgangen versperd. Op dit oogenblik kwam Rasinski, die des nachts voor de poorten van Moskou op bivak had gelegen, met zijne kleine bende door eene zijstraat der voorstad, om zich bij de hoofdmacht aan te sluiten. Hij moest stilhouden en zag den keizer dicht voor zich; zijne trekken drukten verstoordheid uit over het oponthoud dat hem overkwam, en met misnoegen zag hij naar dat bovenmatig getal wagens. Hij wierp een scherpen blik op Rasinski, die hem met eerbied groette. Echter sprak hij niet, maar scheen alleen het geringe aantal ruiters, dat nog van het regiment overig was, met bekommering na te tellen. Eindelijk werd er een doortocht geopend en hij rende met zijn volk voort.
Rasinski kon evenwel met zijne manschappen nog niet in het gelid inrukken, maar moest op een gunstiger oogenblik wachten, om door dezen wagenbrug heen te breken. Dit was hem lief, daar hij Jaromir nog verwachtte, dien Lodewijk uit het hospitaal, waarin hij als zieke gelegen had, afhaalde, daar het bevel tot oprukken zoo onverhoeds gekomen was, dat men Jaromir daarvan niet verwittigen kon, maar Boleslaw voor zijne bagage en paarden had moeten zorgen. Zij werden hem door zijn stalknecht voorgebracht, en hij had niets verder te doen dan op te stijgen. Daarom was Lodewijk door Rasinski mede tot hem gezonden, om hem met ernstige woorden tot het besluit te brengen, den geheimvollen sluier, waarmede hij het gebeurde bedekte, ten minste voor een vriend op te lichten. Bij het waarlijk vaderlijk belang, dat Rasinski in Lodoiska zoowel als in Jaromir stelde, ging hem de zorg voor deze twee zoo ter harte, dat deze zelfs door de zoo plotseling ontstane oorlogsgebeurtenissen niet kon verdrongen worden.
Daar zag hij de aankomenden reeds van verre; zij reden snel op de wachtenden aan. Jaromir reed volgens het gewone dienstgebruik op Rasinski toe en meldde zich aan als hersteld, terwijl hij weder in de gelederen der strijders trad. Hij zag er nog bleek uit, ja hij scheen zich slechts met moeite recht en kloek in den zadel te houden; zijne stem had iets hols, het vuur zijner oogen was uitgebluscht.
Rasinski nam geene diensthouding aan, maar reikte hem met vaderlijke deelneming de hand, zeggende: „Wees ons welkom, Jaromir; wij zijn uwentwege bezorgd geweest; wees hartelijk gegroet.”
Bij deze, op den toon van innerlijke ontroering uitgesproken woorden verloor Jaromir de vaste houding, welke hij met geweld had trachten aan te nemen. Hij zag zijn welwillenden vriend wel ernstig aan, doch kon een traan, die in het matte oog opwelde, niet weerhouden. Bevend reikte hij hem de hand, doch waagde niet den hartelijken druk van Rasinski te beantwoorden. „Wees streng, wees hard tegen mij; ik ben geen goedheid meer waard,” zeide hij met eene gesmoorde stem.
Het geoefend oog van Rasinski zag tot in het diepst van des jongelings ziel; thans was hij er ten volle van verzekerd, dat niet een verwarrend schrikverschijnsel zijn brein benevelde. Het oogenblik was gunstig; hij zag hem aangedaan, thans kon hij zijn vertrouwen winnen. Doch hij moest zich haasten, eer het voornemen om hardnekkig te zwijgen weder de overhand in hem verkreeg.
„Boleslaw,” zeide hij daarom tegen dezen, „breng de manschappen daar de tweede straat door en zie naar de vlakte te komen. Dan houd u rechts van den weg. Hier kunnen wij nog een halven dag wachten, voor wij ons baan gemaakt hebben. Ik zelf zal met Jaromir achter de tuinen omrijden en vindt u dan op den heuvelrand voor de stad weder.” Hij wenkte Jaromir, rende met dezen de straat af en reed eerst weer langzamer, toen zij nabij de vlakte tusschen de tuinmuren geheel alleen waren.
„Heeft Lodewijk niets op u kunnen uitwerken, Jaromir?” aldus sprak hij hem ernstig, maar zacht aan. „Wilt gij geen uwer vrienden, ook mij niet, die u zoon kan noemen, uw vertrouwen schenken? Welke schuld bezwaart u? Is zij de inbeelding van door koorts ontstelde hersenen, of is zij werkelijk bestaande? Ofschoon gij ook van het laatste overtuigd zijt, moet ik toch het eerste gelooven; want heeft de man gestruikeld, dan bekent hij het vrij en openhartig.”
„Wil ik het u dan verbergen?” riep Jaromir uit. „Zou ik beter willen schijnen, dan ik ben? Neen, ik wil mij slechts de boete opleggen, mijn berouw en mijne schaamte alleen te dragen; ik wil niet, dat het uwer medelijdende goedheid op het laatst zou gelukken, mij te overreden, dat er vergiffenis voor mij mogelijk zoude zijn. O, misken mij niet, Rasinski! Zie geen lafheid in het besluit, om alleen en stom te boeten, wat ik zonder medeplichtige misdreef.”
Rasinski trok den brief aan Lodoiska uit zijne brieventasch. „Dan neem dezen brief terug; ik mag hem niet verzenden.”
„Hoe? Gij hebt het niet gedaan?” riep Jaromir verschrikt uit.
„Zend hem zelf!”
„Ach, Rasinski, gij moet het doen; want zij zal geen brief meer openen, dien ik haar zend.”
„Hoe? waarom niet!”
„Wanneer gij mij beloven wilt, dezen brief, van uwe vaderlijke, vertroostende woorden begeleid, zoo spoedig mogelijk aan haar af te zenden, dan wil ik mijne lippen voor u openen. Maar geef mij daarop uwe rechterhand, dat gij mij niet weder aan het wankelen zult zoeken te brengen in mijn besluit.”
Rasinski beloofde het; Jaromir beleed nu, hoe hij door Françoise Alisette bedrogen, verstrikt, gevallen was. Een donker schaamrood kleurde zijne bleeke wangen bij het verhaal.
„Arme vriend!” zeide Rasinski, „gij werdt alzoo het offer eener sluwe boeleerster! Gij hebt misdaan, zwaar misdaan; maar niet onvergefelijk! Lodoiska zal u vergeven, gelijk ik het doe. Ik zal haar schrijven.”
„Dat zult gij niet,” riep Jaromir heftig. „Gij hebt mij beloofd, naar mijn wil te handelen. Mijn brief verzendt gij; doch gij moet uwe hand daartoe leenen, anders wijst zij hem ongeopend terug.”
„Waaruit vermoedt gij dit?”
„Wijl hare beleedigde waarde niet anders mag. Ach! ik heb u nog niet alles gezegd. Na dien rampzaligen stond, toen ik in gelijke verblinding van smart en van geluk door de zwarte, nog niet door mij herkende furiën gegeeseld, rusteloos omdwaalde, ontving ik Lodoiska's laatsten brief. De reine glans der heilige straalt uit dien brief; doch mijn waanzin zag slechts het verblindend, verraderlijk schijnsel der hel. Ik antwoordde op staanden voet, noemde haar eene onwaardige huichelares, en verscheurde onze verbintenis. Met eigen hand deed ik den brief nog des avonds laat, nadat Lodewijk mij verlaten had, op de veldpost. Gelooft gij nu, dat Lodoiska na dezen brief er nog een van mij zoude openen?”
„Heeft zij u sedert geschreven?”
„Ik ontving geen enkel woord, doch ik verwachtte er ook geen.”
Rasinski had in dezen geheelen tijd mede geene brieven ontvangen; doch bij de onregelmatigheid van de veldpost verklaarde hij zich zulks daardoor, dat zij vermist of verloren gegaan konden zijn. Evenwel geloofde hij thans, dat Lodoiska, vooral door de edele groothartigheid der gravin zoodanig bewogen, eene aanklacht met stilzwijgende verachting zoude hebben afgewezen.
„Ik zal,” antwoordde hij na eenig nadenken, „uw brief verzenden, ik wil hem aan mijne zuster richten en haar schrijven, dat uw lot in de grootmoedigheid van Lodoiska berust.”
„Neen, dat zult gij niet, dat is tegen uwe belofte. Wanneer ik hare engelachtige goedheid inroep, dan wordt mijn berouw huichelarij en ik verlies het laatste, wat ik nog in mij zelf kan achten: het voornemen en de kracht om boete te doen. Zoo gij niet wilt, dat ik in rechtmatige verachting van mij zelf mijn nietswaardig leven eindige, vervul dan, wat gij beloofdet. Gij zelf moet zeggen, dat ons verbond onherroepelijk verbroken is; weigert gij mij dit, dan—doch neen, gij doet het niet! Ik zou dan een weg moeten gaan—ik ijs er aan te denken—doch ik zou moeten!”
Rasinski schudde ernstig het hoofd en zuchtte. „Nu, het zij zoo, ik wil doen, wat gij verlangt, gij zult den brief aan mijne zuster Johanna zelf lezen; doch gij zult het hart van Lodoiska breken!”
„Dat heb ik reeds lang gedaan!” riep Jaromir vol vertwijfeling en legde zijne rechterhand over zijne oogen en aan het gloeiend voorhoofd.
Zwijgend reden zij nu naast elkander voort. Thans bereikten zij de hoogten. Goede God! Welk een schouwspel! In drie breede stroomen golfde de onmetelijke rij van soldaten en wagens door het veld. Nimmer eindigend schenen zij uit de ruïnen van Moskou voort te stroomen; in den blauwen nevel van de gezichteinder verloren zich hunne uiterste spitsen. Daarenboven was het veld nog aan weerszijden met verstrooide ruiters en voetgangers bedekt, welke rondom den opééngepakten hoofdstroom zwierven.
Rasinski bleef op de hoogte staan. Niettegenstaande zijn omweg, was hij toch sneller vooruit gekomen dan de keizer zelf; want hij herkende aan de witte pluimen dezen en zijn gevolg nog ver onder aan den heuvel, midden in het gedrang der wagens. Ook Boleslaw zag hij in de verte; hij marcheerde reeds op het vrije veld, aan de rechterzijde van den weg, alwaar men, om den ongebaanden weg, de een achter den ander moest rijden.
„Waar moet dat heen!” zeide Rasinski, toen hij den trein overzag. „Hoe zal een leger met zulk eene bagage zich bewegen? Mijn beste troost is, dat de eerste aanval der kozakken ons ten minste van de helft van dien lastigen overvloed zal bevrijden. Wat de hebzucht al niet in het blinde bijeengesleept heeft! Hoe zich de begeerlijkheid met een noodeloozen last bezwaart, waaronder zij bezwijken moet!”
„Het zou mij verwonderen, zoo de keizer niet, zoodra wij het vrije veld bereikt hebben, den geheelen boel deed verbranden,” zeide Jaromir, die met onverschillige blikken het gewoel overzag.
„Dat zal hij niet,” antwoordde Rasinski. „Want hij mag den soldaat, die met zooveel moeite twee derden van Europa doormarcheerde, het loon van den meermaals beloofden buit niet ontnemen. Doch geloof mij, nog eer de dag voorbij is, zullen de onzen zelven hun ballast beginnen weg te werpen. Zie maar eens naar die lieden daar! Het schijnen mij officiersoppassers te zijn. Hebben zij zich niet voor eene handslede gespannen en trekken zij niet hun vracht als stomme lastdieren voort? Geen zes uren ver zijn hunne krachten toereikend; maar door de hebzucht verblind, vergeten zij, dat de weg van Moskou naar Parijs acht honderd uren lang is! En deze massa's van hoog bepakte wagens, waar zullen zij tijd en plaats vinden, om voort te komen? Hoelang zullen hunne assen het uithouden? en wanneer er eene breekt, wie zal een andere bezorgen? Nauwelijks kan de artillerie dit volhouden. De keizer ziet dezen tros met verdriet aan; maar hij laat het aan den tijd over, den hebzuchtigen de onuitvoerbaarheid hunner onderneming te leeren. Daar valt een wagen om. Ziet gij? Let op, deze laat hier, een half uur van Moskou, reeds alles achter, wat hij misschien naar Parijs had hopen te brengen.”
De wagen, dien Rasinski zag vallen, was met buitgemaakte voorwerpen overladen geweest; er brak eene as, en nu lag hij op den weg omver. Dadelijk ontstond er stilstand; de achtersten schreeuwden driftig „voorwaarts!” want ieder besefte, dat men in deze verwarring alles moest aanwenden om vooruit te komen. De menigte belemmerde zich zelve in hare bewegingen; de enkele persoon was daarom blijde, wanneer een toeval het aantal der voertuigen verminderde. Toen de omgevallen wagen niet dadelijk kon geholpen worden en er ook geen ruimte bleef om te wijken, riep een der volgende wagenmenners: „Smijt den rommel uit den weg! Hier moet ieder zien, hoe hij vooruit komt. Wij kunnen geen halven dag op dien eenen wachten. Komaan, kameraden, spant de paarden uit en werpt de geheele kraam in het veld.” Dadelijk waren er twintig, dertig, vijftig lieden gereed om de uitnoodiging te volgen. Te vergeefs raasde en tierde de eigenaar van den wagen en zocht hij zijn buit te verdedigen. In twee minuten was hij van alle kanten omringd en de wagen niet alleen ledig geplunderd, maar ook de paarden uitgespannen, de raderen uitgelicht, en het onderstel in brokken uiteengenomen en op zijde geworpen, zoodat de baan voor de nakomenden vrij werd. De waanzinnige woede, waarin de beroofde uitbrak werd door het honend gelach der overigen verdoofd; niemand bekommerde zich om het geheele geval of hield het der moeite waard, den gewelddadig geplunderde in bescherming te nemen, die op het laatst blij moest zijn, althans nog zijne paarden behouden te hebben.
„Wanneer dat op den eersten dag van den marsch en voor de poorten van Moskou geschiedt,” merkte Rasinski aan, „wat moeten wij dan verwachten, wanneer de vijand eens deze onbeholpen massa bedreigt? Die moradeur heeft niets gered dan een paar vermagerde paarden. De anderen mogen blij zijn, wanneer dit hun bij den eersten aanval van slechts vijftig kozakken ook gelukt. De kerel, die huilt en vloekt, is de gelukkigste van allen, want hij is het onnut tuig het eerst kwijt geraakt. Hij zal gelegenheid genoeg hebben, misschien van daag reeds, om zich schadeloos te stellen door met het verdriet van anderen, wellicht van dezelfden die hem verongelijkt hebben, te spotten. En eer acht dagen voorbij zijn, prijst hij zijn lot, zeg ik u, dat hem de vergeefsche moeite, om zijn last voort te sleepen, ontnomen heeft. Het onderscheid is maar, dat hij vandaag verliest, wat de overigen morgen en overmorgen moeten prijsgeven; van duizend komt er niet een zoover, dat hij genot van zijn buit zal hebben.”
Boleslaw had thans met de ruiters de hoogte bereikt; hij verkreeg ruimte om hen in sectiën te doen opmarcheeren en rukte zoo op het punt aan, waar Rasinski wachtte. Deze stelde zich aan het hoofd der zijnen en reed, zijne vrienden dicht om zich hebbend, weder nevens den weg voort. De weg over de hoogte, dien zij genomen hadden, vergunde hun voortdurend het overzicht over den geheelen trein.
„Het is mij lief,” zeide Bernard, „dat wij bijna de laatsten zijn; want ik geloof niet, dat de vooruitmarcheerende regimenten er zich een denkbeeld van kunnen maken, welk een drakenstaart zij achter aansleepen, en het gezicht is toch aardig genoeg. De heksenprocessie op den Bloksberg kan er niet wonderlijker uitzien, dan de maskerade hier onder en nevens ons. Bij den torenbouw van Babel heeft men niet in zoovele talen gevloekt als hier, en een inventaris van alle dingen, die in een rond jaar in Londen gestolen zijn, zoude een prul zijn tegen die van dit landloopersameublement. Ik geloof, dat in Moskou geen koperen ketel, geen braadpan, geen oude drievoet, geen tang of bezemsteel meer te vinden is, zulk een rommelzoô ligt er op deze wagens gepakt! Zie maar eens,” zoo wendde hij zich tot Jaromir, om diens donker gelaat wat op te helderen, „zie maar die rij van wagens eens, waarbij de keizer zoo zal aankomen. Het schijnt mij wel een amazonentroep, want ik zie bijna enkel vrouwen, en zij zijn toegetakeld, als wilden zij zoo terstond een oostersch stuk met groot spectakel opvoeren, de Turandot of zoo iets.”
„Het zullen denkelijk de acteurs zijn, die in Moskou waren,” merkte Lodewijk aan.
Bij het woord acteurs schrikte Jaromir hevig en wierp snel een blik op den troep; eene woeste, koude grimmigheid vervulde zijne borst. Alisette kon er bij zijn. Hij moest het vermoeden.
Sedert dien verschrikkelijken nacht had hij niets verder van haar vernomen. Regnard had, het valt moeilijk te beslissen, of het uit grootmoedigheid, uit gevoel van zijn onrecht of uit medelijden met Jaromir geschiedde, de zaak niet weder aangeroerd, ofschoon hij tweemaal in het hospitaal was gekomen, om kranke officieren van zijn regiment, die daar ziek lagen, te bezoeken, bij welke gelegenheid hij Jaromir natuurlijk ook had moeten zien. Regnard was anders in zaken van eer meer dan nauwgezet; doch de vreeselijke keer, dien het gebeurde, waarover hij zich eerst beleedigd had gevoeld, voor Jaromir zoowel als voor Alisette genomen had, maakte dit opzettelijk vergeten zeer natuurlijk. Jaromir van zijn kant wist niet, of des oversten betrekking met haar (want hij was het, die haar onderhield en bewerkt had, dat zij naar Moskou was gekomen) nog voortduurde, dan of hij de trouwelooze thans aan haar lot overliet; ja hij zou niet eenmaal vernomen hebben, of zij zich in dien nacht gered had, wanneer niet eene toevallige vermelding van het meisje door een officier van Regnards regiment hem bewezen had, dat zij nog leefde. Thans was zij misschien geen honderd schreden van hem verwijderd. Daar de weg zich deelde en Rasinski slechts een gunstig oogenblik afwachtte om dien te bereiken, kon het gebeuren, dat hij haar weder van aangezicht tot aangezicht zou moeten zien. Die gedachte joeg zijn boezem weder in wilde golven op. Hij gevoelde, dat, zoo hij de verraderes plotseling ontmoet had, hij de heerschappij over zich zelf zoude verloren hebben. Nu, door Bernards wenk voorbereid, had hij tijd zijne gedachten te verzamelen. Hij besloot haar met de koelste minachting met blik noch woord te verwaardigen, wanneer het toeval hem in hare nabijheid mocht brengen.
Bernard en Lodewijk reden naast den somber zwijgende voort. Rasinski had hun en Boleslaw slechts met een vluchtig woord toegefluisterd, dat hij thans Jaromirs geheim wist. Hij scheen eene nadere mededeeling tot gelegener tijd te willen besparen. De deelneming zijner vrienden in het lot van hun trouwen makker was even warm gebleven als te voren, daar zij hem van geen schuld konden verdacht houden, doch slechts het ergste onheil voor hem vreesden. Bernard, wiens scherpen blik zelden eene gelaatsuitdrukking ontging, merkte de verandering in Jaromirs wezen, toen hij van de acteurs sprak, oogenblikkelijk op. Hij had echter geen vermoeden, dat Alisette te Moskou was; want na den brand had hij, alles saamgenomen, geen twee dagen in Moskou doorgebracht, daar het regiment dadelijk een bivak voor de stad betrok en vijf dagen later in de noordelijke voorpostenlinie rukte. Doch zijn scherpzinnig verstand, zoo bijzonder geschikt tot het ontdekken van intriges, gaf hem dadelijk duistere vermoedens der waarheid. Echter verried hij deze ook zelfs door het geringste teeken niet, maar zette zijne opmerkingen over het hem omringend schouwspel voort.
„Wat mag het zijn, dat daar beneden zoo schittert?” vroeg hij plotseling. „Ik geloof, dat het de gouden tooverspiegel uit de „Duizend en Een Nacht” is, die daar op den wagen met acht paarden ligt, of een bundel bliksems, of een hoop vuur als staaltje van den brand.”
Ook Lodewijk en Rasinski zagen daarheen; want inderdaad flikkerde tusschen de zwarte gedaanten, die in de laagte voorttrokken, iets als een schitterende zon door. De menigte der voorbijtrekkende ruiters en wagens verhinderde nochtans, het voorwerp te onderkennen. Toen er evenwel gedurende een oogenblik eene opening ontstond, bemerkte men, dat het een vervaarlijk groot gouden kruis was.
„Het is,” zeide Jaromir op een ernstigen toon, „het kruis van den heiligen Iwan, dat op den toren van het Kremlin heeft gestaan. De Russen vereeren het als hun grootste heiligdom, als het palladium hunner stad. Uit mijn venster heb ik het zien afnemen. Het was een donkere dag; de avondschemering was reeds ingevallen. Ontelbare raven doorkruisten de lucht en fladderden krassend rondom den glanzenden, hoogen top. Men had eene stellage gebouwd, ladders aangebracht, windassen geplaatst, strikken omgeslagen, en de arbeiders waren zonder ophouden bezig, doch de zwermen van raven weken niet, maar klapwiekten met heesch geschrei nu in wijder, dan in enger kringen om het schitterende kruis heen. Onder mijne vensters stond een hoop Russen; er waren ook vele vrouwen bij. Zij kruisten hunne armen over de borst, bogen zich vol eerbied en mompelden zacht gebeden. Eene der vrouwen, avontuurlijk gekleed, een rooden doek als tulband om het grijze haar gebonden, stond midden onder hen, hief de handen omhoog, maakte allerlei wonderlijke gebaren en sprak op een bezwerenden toon in onverstaanbare woorden. Het gezicht had iets angstverwekkends. Toen nu de windassen werkten en het kruis zich begon te bewegen, verhief de schare een luid geschreeuw, sloeg zich op de borst, rukte zich de haren uit het hoofd en stoof als ontzet uit elkander. Het scheen, dat zij geloofd hadden, door hunne bezweringen en gebeden het heiligdom te zullen redden, en nu waren zij buiten zich zelven van schrik, daar zij het onder de schennende handen gevallen en hunne goden overwonnen zagen. Ondertusschen klonk een rauw gekras en geruisch door de lucht; het gansche heer van raven stoof verschrikt uiteen, daar hun oude toevluchtsoord, het kruis, waaronder zij eeuwen lang hunne nesten gebouwd hadden, plotseling begon te wankelen, en trok in eene zwarte wemelende schaar onder de grauwe wolken voort.”
„Een nachtstuk!” merkte Bernard aan. „Mij dunkt, ik heb de vrouw, die gij schildert, ook dadelijk den eersten dag in Moskou op de muren van het Kremlin gezien. Zij zag er waarlijk als eene priesteres der Druïden of als de tooveres van Endor uit.”
De anderen zwegen; doch ieder voelde zijne borst door eene vreemde beangstheid benepen, te meer daar Jaromir op zulk een ernstigen toon sprak, als hij hem nooit te voren eigen was, en zijne bleeke lippen en wangen, de matte blik zijner oogen het hart der vrienden met meewarige droefheid vervulden.
Bernard hing met onafgewende blikken aan zijn gelaat. Wat was er van dien nog onlangs zoo bloeienden jongeling geworden! Het krullende blonde haar zelfs hing sluik langs zijn schedel neder. Gelijkt hij dan nog op zich zelf? dacht Bernard. Wanneer gij hem nevens het portret steldet, dat gij in Warschau van hem geschetst hebt, zoudt gij het dan nog herkennen?—Hij legde den jongeling de hand trouwhartig op den schouder. „Richt u op, mijn vriend, verzamel uwe krachten, denk aan geen treurige voorteekens meer. Vóór ons ligt de krijg, daar heeft men moed en kracht noodig. Wat waart gij een soldaat! Ik kreeg moed, wanneer ik u zag; thans zoudt gij mij tot een lafaard kunnen maken. Komaan, broeder mijns harten, schud alles, wat u den nek nederbuigt, van u af en richt uw edel hoofd weer fier omhoog.”
Juist wilde Jaromir antwoorden, toen het trekken van den trein rondom een heuvel, die den grooten weg eenige oogenblikken geheel aan hun gezicht onttrokken had, de ruiters recht daarop aanvoerde. Daar Rasinski juist een opening bemerkte, waardoor hij tusschen de rij wagens konde indringen, beval hij, in galop te rijden en rende zelf vooraan.
Op deze wijze werd het gesprek, dat Bernard begonnen had, afgebroken. Rasinski's voornemen gelukte; hij rukte onvoorziens de opening in en was spoedig met zijne manschappen op den grooten weg, zoodat hij den wagentrein nu vaneen scheidde. „Zoo,” sprak hij tevreden; „nu kunnen wij ten minste op den weg blijven, zoolang het ons bevalt, en verlaten, wanneer wij willen.”
Doch zooals het bij zulke marschen gewoonlijk gaat, werd de voortgang telkens gestremd; nu en dan moest men verscheidene minuten stil houden en dan weder met verdubbelden spoed oprijden. Dit maakte den marsch zeer onaangenaam; ook had deze zijn vorige aantrekkelijkheid verloren, daar men den trein van wagens niet meer tot in de verte overzag, maar alleen de naaste voorwerpen kon waarnemen. De keizer was nog achter Rasinski's manschappen. Vlak voor hen reed eene rij wagens, met buitgemaakte vaandels bedekt; turksche, tartaarsche, russische zegeteekenen lagen in bonte verwarring opeengehoopt.
„Plaats, plaats voor den keizer!” werd van achteren geroepen, en Rasinski liet zijne manschappen bij rotten afbreken, om de halve breedte van den weg vrij te maken. De keizer kwam van verre aangerend; doch opeens reed hij stapvoets en scheen zich met eenige lieden, die zich nevens hem op een wagen bevonden, te onderhouden. Hun voerman zette zijne paarden aan, om den snelleren pas van het ros, dat de keizer bereed, bij te houden. Zoo kwam de wagen langzamerhand nader en reed de poolsche ruiters voorbij, zoodat deze links bleven, terwijl Napoleon rechts van den wagen reed, waarop drie bevallige vrouwen en een kind zaten. Toen de keizer de plaats naderde, waar Jaromir te paard zat, zag deze slechts schroomvallig naar hem op; want half zou hij verheugd zijn geweest, half zoude het hem gehinderd hebben, zoo Napoleon hem herkend had. Doch de keizer was juist druk in gesprek met eene dame, die, dicht in een fraaien pels gewikkeld, naar hare kleeding te oordeelen de vrouw van een hoofdofficier moest zijn.
„Gij moet den moed niet verliezen,” zeide hij: „wij kunnen den volgenden winter te Petersburg inhalen, wat wij in Moskou verzuimd hebben. Gelukkige reis!” Met deze woorden galoppeerde hij vooruit, zonder Jaromir te bemerken. Doch de jonge dame wendde zich thans links. Almachtige hemel! Het was Alisette! Zij ontstelde, verbleekte en sloeg haar blik neer. In Jaromirs ziel bruiste en kookte het geweldig. Toorn en afschuw wisselden als ijs en vuur op hetzelfde oogenblik in zijn boezem af; doch hij bedwong zich met geweld; slechts een verachtelijken, vernietigenden blik wierp hij haar toe, daar zij heimelijk het oog naar hem opsloeg, en keerde toen zijn paard af. Alisette trok den sluier over haar gelaat en trachtte den gloed van toorn en van schaamte, die hare wangen kleurde, onder zijne plooien te verbergen. Nog had niemand anders haar herkend; thans wilde zij ook van niemand meer herkend zijn. Zij nam daarom haar zusters dochtertje, dat zij bij zich had, op haar schoot en hield zich daarmede bezig, tot Rasinski en zijne manschappen den nu weder langzaam rijdenden wagen opnieuw een eind weegs waren vooruitgekomen. Daar zich spoedig daarna een gelijke grond naast den weg opdeed, waarop men sneller voort konde komen, brak Rasinski wederom naar rechts uit en zocht de voorhoede der colonne te bereiken, daar het zijn voorname doel was, de regelmatige troepen weder in te halen en zich bij zijn korps aan te sluiten, achter hetwelk hij sinds gisteren avond door den te grooten marsch was teruggebleven.
HOOFDSTUK III.
Zeven dagen waren er verloopen sinds de keizer Moskou verlaten had. Het leger stond bij Malo-Jaroslawez, dat den dag te voren stormenderhand was veroverd geworden. Men zag verlangend het bevel om voort te rukken te gemoet en hoopte, zich nog vóór Kaluga met de gansche macht van Kutusow te zullen meten. In eene kleine ellendige hut, welke Rasinski tot zijne woning had gekozen, wachtten Lodewijk, Bernard, Jaromir en Boleslaw op zijne terugkomst uit het hoofdkwartier, waarheen hij nog laat op den avond was uitgereden.
Jaromirs droefgeestigheid en hare oorzaak waren voor de vrienden thans geen raadsel meer, evenmin als de aanwezigheid van Alisette bij het leger. Dikwijls hadden zij getracht, hem te troosten en gerust te stellen, doch te vergeefs. Diep in zijn boezem was de reine bron des levens vergiftigd; de kwaal knaagde aan zijn hart en dreigde den jongeling te doen wegkwijnen. Boleslaw gevoelde in zijne reine, edele ziel de smarten van Jaromir bijna zoo diep als deze zelf. Aan den mannelijken strijd der zelfbeheersching gewoon, had hij de laatste beslissende overwinning op zich zelf behaald, en daardoor was hem, te midden van zijne droefheid en zijne ernstige bekommering, een vroolijke kracht in de ziel gedrongen, die steeds het loon is eener zedelijke overwinning. Het was zijn waarachtig streven, Jaromir weder met zijne geliefde te vereenigen, den verbroken band weder aan te knoopen. Zorgvuldig verborg hij, welke vlam voor Lodoiska in zijn hart gloeide; met belangelooze vriendschap zocht hij de verdorde kiemen van hoop in den boezem zijns vriends opnieuw te doen herleven, de afgevallen bloesems zijns geluks met den zachten dauw van troost en opbeuring te verfrisschen. Ook Lodewijk en Bernard namen met liefde deel in Jaromirs toestand en hadden hem zijne schuld in hun liefderijk hart lang vergeven; doch beiden waren nog door wat zij in Moskou beleefd hadden zoowel als door de beschouwing van hun eigen, zonderling ingewikkeld noodlot te zeer geschokt, om zich geheel in den toestand huns vriends te kunnen verdiepen. Boleslaw daarentegen werd juist door den band der gelijke liefde machtig tot Jaromir aangetrokken; hij voelde denzelfden kommer als deze, en daarom verbonden zich de zielen van beiden te inniger aan elkander. Hij beminde edel, zonder eigenbelang, maar de vreemde smart in hare verschrikkelijke grootte het naast voor hem. Hij dacht aan de eenzaam verlatene, door Jaromirs zelfveroordeeling ganschelijk verpletterde Lodoiska. Daar hij haar met heiligen gloed in het verborgen beminde, scheen het hem plicht en roeping te zijn, haar geluk, wanneer hij het vermocht, weder op te bouwen; want hij was vast overtuigd, dat de liefde alles verzoenen kan, wanneer zij aan het berouw de hand van vergiffenis reikt. Daarom liet hij niet na, verzachtende woorden van troost in het hart zijns vriends uit te storten. Gelijk de gestadige waterdroppel de rots uitholt, zoo, hoopte hij, zou het hem eindelijk gelukken, de ijzeren onverbiddelijkheid van Jaromir tegen zijne schuld te overwinnen en de ijskorst, waarmede deze zelf zijne borst omschorst had, te doen wegsmelten.
Boleslaw trad met Jaromir naar buiten uit de hut, die op eene kleine hoogte lag. Men overzag bij het zwakke licht van de reeds ondergaande maan een uitgestrekt, vlak veld, met gelegerde soldaten en ontelbare wagens overdekt; de Louja met haar kronkelenden stroom omsloot deze vlakte. Daarachter verhieven zich steile, met dennenbosschen bezette hoogten. In die bosschen lag Kutusow in eene sterke, onaantastbare stelling. Vóór de hoogten lagen de rookende puinhoopen van Malo-Jaroslawez, gisteren het tooneel van een bloedig gevecht, dat echter slechts het voorspel van een grooteren slag scheen te zijn.
„O, dat wij aan dien strijd geen deel konden nemen!” zuchtte Jaromir. „Er liggen daar zekerlijk zoovelen, die de zon van heden nog gaarne weder begroet hadden.”
Boleslaw verstond zijn vriend.
„Is dat nu wel recht en billijk Jaromir?” sprak hij vriendelijk, maar ernstig. „Denkt gij niet meer aan hen, die met bittere tranen om u zouden weenen?”
„Hebt gij u nooit den roemvollen dood op het slagveld toegewenscht?” riep Jaromir heftig uit.
Boleslaw zweeg een oogenblik; hij voelde zich getroffen, want in zijn somberen, stillen kommer had hij dezen wensch zekerlijk dikwerf in zijne borst rondgedragen. Doch het was er een van de velen, die slechts uit de verte opstijgen en die een heilige schroom voor het onredelijke er van ons niet veroorlooft, in vollen ernst op te vatten.—„Ik heb hem dikwijls in mij bedwongen, en dat vorder ik ook van u.”
„Ach, Boleslaw,” zuchtte Jaromir, „gij kondt dit misschien lichter dan ik.”
Deze woorden drongen diep in Boleslaws ziel; een namelooze pijn griefde zijn boezem. Hij kon niet antwoorden zonder zich zelf te verraden.—„En wanneer gij ook gelijk hadt, Jaromir, verandert dit toch niets voor u. Wees een man, leef en handel. Niet het berouw, de daad verzoent.”
„Beiden,” antwoordde Jaromir somber.
„Wanneer thans Lodoiska voor u trad en zachtmoedig, gelijk zij is, zeide: Ik heb u vergeven; want de liefde vergeeft duizend en duizendmaal—maar kom weder aan mijn hart, vertreed niet alle bloesems van mijn geluk!”
Jaromir zag hem strak aan; eene beving greep hem aan; plotseling riep hij in wilde droefheid en hoon tegelijk: „Zon, schijn zacht als de maan,—stroom, neem uw loop het gebergte op,—pijl, keer in uwe vaart terug,—minuut, kom weder uit de oneindige ruimte van het verleden! O, Boleslaw, gevoelt gij dan niet, dat gij het onmogelijke denkt? Heb ik dan de bloesem van haar geluk niet vertreden? Is de daad dan niet geschied? Ik klaagde de reine, schuldelooze heilige van eene misdaad aan, die ik in hetzelfde oogenblik zelf beging! Mijne trouweloosheid mag zij mij vergeven, maar nooit mag zij vergeten, dat ik het geloof aan haar verloor—nooit mag ik vergiffenis aannemen.”
„O, gij moogt beide, geloof mij—mij!”
„Gij hebt nooit bemind, Boleslaw,” riep Jaromir uit. „Gij weet niet, hoe zwaar de misdaad is, tegen de geliefde gepleegd.”
„Jaromir, ik weet, hoe onuitputtelijk de vergevende kracht van een minnend hart is.”
„Liefde kan zich niet met verachting paren.” Hij stiet deze woorden wild uit, staarde naar den grond en maakte met zijne rechterhand eene afwendende beweging, als wilde hij zeggen: Verzoeker, wijk van mij!
„Lodoiska heeft u geen oogenblik veracht; zij heeft slechts bittere tranen om u geweend,” antwoordde Boleslaw ernstig, „en in plaats van hare tranen te drogen, verscheurt gij nu koelbloedig hare borst.”
„Ik trok den pijl slechts ras uit de wonde en bespaarde haar het langer lijden. Heb ik haar doodelijk gewond, dan zal zij spoedig bezwijken en—haar bloed komt dan over mij! Was genezing mogelijk, dan was zij het slechts op die wijze. Met den pijl in den boezem ademt gij nog eenige pijnlijke uren, maar leven kunt gij toch niet lang meer. Beslissing is beter.”
„De droefheid benevelt uw blik. Vertrouw het oog van uw vriend.”
„Boleslaw, ik moet het u herhalen: hier beslist slechts een minnend hart.”
„En wie zegt u,” riep thans de vriend, door zijn gevoel medegesleept, „wie zegt u, dat ik..... nooit bemind heb?” voegde hij er met eene gesmoorde stem bij.
„Alzoo ook gij? En zonder geluk, zonder den schoonen tak van den bloeienden boom te plukken?” hernam Jaromir en legde hem zachtkens de hand op den schouder. „Laat ons dan lotgenooten in het ongeluk zijn!—Waarom hebt gij Lodoiska niet bemind! Met u ware zij gelukkig geweest, gij zijt veel beter dan ik,—ja, gij zijt goed, gij zoudt de heilige nooit gelasterd hebben.”
De opwellende smart dreigde Boleslaws boezem te verscheuren, en toch kon hij zijn hart niet uitstorten voor den vriend, zonder het geheim zijner liefde voor Lodoiska te openbaren. Beiden hielden elkaar innig omarmd.
„Maar toch hebt gij gelijk, geliefde broeder,” brak Jaromir eindelijk de stilte af: „de wensch naar den dood is misdadig, want hij is de wensch eener lafhartige ziel. Een zware schuld rust op mij, maar ik wil die door een werkzaam leven goed maken. Het vaderland wil ik vergelden, wat ik tegen zijne reinste, schoonste dochter misdeed. Sta gij mij bij; richt mij op door uwe edele kracht, wanneer ik in mijne zwakheid vertwijfel en neerzink; wees mijn voorbeeld, mijn leidsman! Gij zijt het immers reeds sinds lange jaren geweest, want u streefde ik steeds na. Hoe benijdde ik u dat kruis op uwe borst, hoe beijverde ik mij, het gelijk gij te verdienen! En zoo moet het weder worden. Gij zult mij niet meer krachteloos in tragen kommer verzonken zien. De jeugdige levenslust kleurt mijne wangen wel niet meer, want hare vleugels zijn gebroken; ik toon u geen helder voorhoofd meer; doch ik wil dat ook niet. Weg daarmede! Litteekenen en groeven van ernstige mannelijkheid zullen het versieren, mijne wangen zullen bruin worden in den gloed der zon, in den ruwen stroom der lucht. Dat wil ik, Boleslaw! Daartoe voel ik eene nieuwe kracht door mijne aderen stroomen—maar wat gij vordert, wat gij hoopt—daarvan nooit iets meer!”
De galop en het brieschen van een paard braken de stilte van den nacht af. Het was Rasinski, die den heuvel oprende. Jaromir en Boleslaw traden hem te gemoet; hij begroette hen, sprong van het paard en gaf het dier haastig over. „Voer het af,” riep hij den stalknecht toe; „wij zullen spoedig opbreken.”
„Gaat het voorwaarts?” vroeg Jaromir, toen zij in de hut waren getreden, met een gevoel van vreugde; want hij geloofde er een gunstig teeken van het toeval in te zien wanneer de gelegenheid zich spoedig aanbood, om zijn ras genomen besluit door de daad te bekrachtigen.
„Voorwaarts! Dat woord zullen wij voor dezen veldtocht moeten verleeren,” hernam Rasinski somber. „Iets ontbrak den keizer nog aan zijn roem van een groot veldheer te zijn. Hij kon nog geen beroemden terugtocht aanwijzen; van heden af zal hij ook daarvan kunnen spreken.”
De diepe rimpels op zijn voorhoofd, de donkere blik, waarmede Rasinski deze woorden sprak, wekten een bang voorgevoel op in de harten van die hem omringden.
„Terug moeten wij? Naar Moskou, of waarheen?” vroeg Boleslaw verwonderd.
„Naar Moskou? Om op de puinhoopen van het Kremlin onze vanen te planten?” hernam Rasinski. „Hebt gij den doffen slag, de bevende schudding van den grond van eergisteren reeds vergeten? Het was Mortier, die het oude kasteel der czaren in de lucht deed vliegen. Gisteren middag ontving de keizer het bericht, dat de kozakken nu reeds weder onder de puinen van Moskou rondzwerven en de nalezing van den buit houden. Mortier is naar Werreja opgebroken, hij heeft den generaal Winzingerode gevangen genomen. Ziedaar de nieuwste berichten van ginds; de nieuwste van hier zijn, dat wij binnen een uur insgelijks opbreken, om naar Smolensko te trekken.”
„Onmogelijk!” riep Jaromir uit.
„De krijgsraad heeft tot middernacht geduurd, de terugtocht is besloten. Het is onstuimig toegegaan. De koning van Napels wilde Kutusow aantasten; Bessières, die zijne positie had opgenomen, verklaarde ze voor onneembaar. De keizer zeide: Wij hebben genoeg voor den roem gedaan, het is tijd, ook iets voor onze zekerheid te doen. Davoust verlangde, dat wij ons ten minste op Platof en zijne kozakken zouden werpen en ons den weg naar Medyn banen. De keizer verklaarde zich voor den terugtocht over Mosaisk. Wij zullen alzoo denzelfden treurigen weg teruggaan, dien wij voor twee maanden reeds langs getrokken zijn.”
„De keizer op den terugtocht!” riep Jaromir en zag Rasinski vol verwondering aan, als kon hij het nog niet gelooven.
„En zoo is dan de bloedige zege van gisteren eene vergeefsche geweest?” vroeg Boleslaw en schudde bedenkelijk het hoofd.
„Zij zal ten minste een eeuwig gedenkwaardigen grenspaal voor de daden des keizers hebben opgericht,” hernam Rasinski. „Ik heb het slagveld gezien. Het levert eene verschrikkelijke vertooning op. Bloedenden, verminkten kruipen nu nog van onder de brandende puinhoopen te voorschijn. In Rusland bestaat er geene overwinning, waarvoor de menschheid niet terugbeeft. Hier is de vlam steeds de woedende strijdgenoot van het zwaard. Zoo voerde ook de Scyth, die voor duizende jaren deze steppen doorkruiste, den oorlog.—Doch welke daden zijn hier weder geschied! De moedige Delzons tast aan de spits zijner soldaten de Russen aan, een kogel werpt hem neder. De soldaat, die zijn aanvoerder ziet vallen, stokt, geraakt in verwarring, vlucht; de Russen dringen voort. Delzons' broeder werpt zich alleen in de dampwolken der vijandelijke vuurmonden, om ten minste het lijk te redden. Hij omvat het met zijne armen, neemt het op; daar treft ook hem het doodend lood, hij zinkt met zijn dierbaren last ter aarde, en de laatste slag van zijn hart klopt tegen de koude borst zijns broeders.—De italiaansche rekruten hebben voor de eerste maal gestreden als jonge leeuwen, die hun eersten roof najagen. Geen volk is dapper; allen zijn het, wanneer dapperen hen aanvoeren.”
„En de koenste voert ons thans op den terugweg!” riep Jaromir met onwil uit.
„Wie weet,” hernam Rasinski ernstig, „of niet juist hiertoe de dapperste ook noodig is. Tot roem, ter overwinning lieten zich de volken gemakkelijk van den Ebro tot de Moskowa leiden, zonder dat het vuur van hun moed verflauwde. Maar zal de gloed niet verdooven, wanneer alleen de roem van den heldhaftig lijdenden martelaar te verwerven is? Zal hij voedsel genoeg hebben voor de onmetelijke tijds- en afstandslengte? Zal hij blijven leven onder de wintersneeuw, die spoedig deze vlakten zal bedekken, op de ijsvelden, die ons tot leger zullen verstrekken? Thans roep ik u op, u, die mannen zijt en met bewustzijn handelt, thans roep ik u op, om met trotsch opgeheven hoofd en moedig voorhoofd uwe kameraden voor te gaan; want hoe zwaar ook het werk was, dat wij volbracht hebben, het zwaarste begint eerst van dezen dag.”
Hij sprak met hoogen ernst; men hoorde het aan ieder woord, dat zijne vrees haar grond had in zijne innigste overtuiging. Met bezorgdheid richtten zich dus hunne blikken op de toekomst.—Lodewijk wierp de zijne nog verder voorwaarts dan Rasinski, want hij vroeg zich zelf af: En wat zal van u en Bernard worden? Wanneer wij al den vaderlijken grond weder betreden, wat zal dan ons lot zijn?
Rasinski had hem dadelijk na den slag bij Mosaisk gezegd, dat nu het gunstige oogenblik daar was, waarop hij iets zekers in zijne en Bernards belangen hoopte te kunnen doen. Na eene overwinning was de keizer het meest tot zachtheid geneigd; het regiment had zijne erkentelijkheid verworven, en men mocht derhalve, zonder iets op het spel te zetten, van het verwonderlijke toeval gewag maken, dat Lodewijk en Bernard in de rijen der dappere Polen had gebracht. Ondertusschen had Rasinski sedert niet weder over dit onderwerp gesproken, ja, gelijk het scheen, iedere herinnering daaraan vermeden. Lodewijk, die van hem kon vertrouwen, dat hij uit eigen beweging alles zou doen, wat men van zulk een vriend mocht verwachten, had hem daarom aan deze zaak niet willen herinneren. Thans evenwel geloofde hij, daarvan te mogen spreken, zonder Rasinski te beleedigen. Hij vroeg hem derhalve rechtuit, of hij dan eindelijk eens hoop had van onder zijn waren naam te kunnen optreden, te meer, daar hij dien toch, bij een mogelijken terugmarsch naar Duitschland, niet meer zou kunnen verbergen. Rasinski zag zijn vriend weemoedig en ernstig aan.
„Ik weet, wat gij denkt, Lodewijk,” zeide hij. „Gij gelooft, dat ik u en Bernard vergeten heb, maar waarlijk, dit is zoo niet. Ik kan u thans den geheelen stand van zaken blootleggen; doch hoort mij rustig aan, laat mij geheel uitspreken, en oordeelt dan beiden, of ik voor u gehandeld heb, zooals ik kon en moest. Vóór de overwinning op Kutusow was de keizer zoo moeilijk te naderen en hield hij zich zoo geheel met ernstige plannen bezig, dat ik niet waagde hem aan te spreken. Ik moest bedenken, hoeveel op het spel stond, hoezeer ik u en mij in gevaar bracht, wanneer ik den stand der zaken openbaarde. Ik had immers geen genade, maar het onderdrukken eener aanklacht tegen twee beschuldigden, welke men nog niet had kunnen opsporen, te verzoeken. Na den slag bij Borodino, gij weet het immers zelf, waren wij dag en nacht te paard, zoodat zich geen enkele gelegenheid opdeed. Ook hadden de onmetelijke offers, welke de overwinning had gekost, en hare geringe gevolgen den keizer alles behalve gunstig gestemd. In Moskou hoopte ik alles ten einde te brengen—daar kwam de brand, die ons niet alleen verdreef, maar ook de mogelijkheid om den keizer met zulke zaken te naderen, nog oneindig moeilijker maakte. Bovendien stonden wij op de voorposten; het was slechts zelden mogelijk naar Moskou te komen. Evenwel liet ik niets onbeproefd, om iets voor u te doen; doch ik moest voorzichtig te werk gaan. Alle berichten toch, welke ik inwon, waren ongunstig. Men had den keizer omtrent u, Lodewijk, hoogst nadeelige en verkeerde berichten geleverd, ja, het vermoeden, dat gij in het leger waart, was geuit geworden en het lasterlijke bijvoegsel er bij verdicht, dat gij hier uwe rol als spion der russische regeering voortzettet. Ik verzweeg dit voor u, om u noodeloozen kommer te besparen, want ik kan u de verzekering geven, dat men tot heden van uw plaats in het leger onkundig is. En daarvan kunt gij overtuigd zijn, dat, komt het gevreesde ongeluk der ontdekking, ik met mijne eer als aanvoerder voor u beiden borg zal staan, en ik hoop, dat het mij gelukken zal, u daardoor te beschermen. Maar laten wij nu nog in de gerustheid blijven, welke de verborgenheid ons verschaft. De tijd om voor u te spreken, is zoo ongunstig mogelijk; want door den half raadselachtigen, half verklaarden brand van Moskou is het mistrouwen tegen vreemden nog slechts aangegroeid, en wij mogen niet vergeten, dat in het paleis, waar ik mijn kwartier had opgeslagen, de brand het eerst uitbrak. Ook deze omstandigheid zou u ongunstig zijn. Bij dit alles komt, dat de keizer, zooals ik uit goede bronnen weet, brieven op brieven uit Duitschland ontvangt, die hem de oprechtheid zijner duitsche bondgenooten steeds twijfelachtiger maken. Maarschalk Macdonald meldt, dat de pruisische korpsen wel dapper in het gevecht zijn, maar met onwil tegen de Russen strijden, ofschoon het tegendeel in zijne rapporten staat. Met de werkloosheid des legers onder den vorst Von Schwarzenberg is de keizer insgelijks niet tevreden; het bewijst hem ten minste, dat Oostenrijk, niettegenstaande de banden van verwantschap, die het thans aan Frankrijk binden, geen oprecht bondgenoot is. De agenten uit het binnenste van Duitschland schrijven van geheime vereenigingen van duitsche patriotten tegen Frankrijk en alle fransche regeeringen, van hier en daar openbaar geworden onvoorzichtige uitlatingen omtrent eene gemeenschap, tot in het leger der vijanden zelfs onderhouden. Oordeel zelf, zijn zulke berichten geschikt, om iemand van uwe onschuld te overtuigen?—En nu nog iets. Wanneer de keizer de aanklacht tegen u onderdrukte en daardoor uwe betrekking tot het leger ophield, wat zoudt gijlieden dan doen? Sinds heden, daar tot den terugtocht besloten is, bleef u niets over, dan in het lot des legers te deelen; en waar zoudt gij zulks beter kunnen dan bij mij, daar ik steeds uwe bijzondere belangen voor oogen houd en niet eenmaal een dienstplicht van u vorderen zou, wanneer gij dien niet zelven vrijwillig op u naamt, of als de uitzonderingen zich altijd zoo lieten maken, dat zij niet al te zeer de aandacht tot zich moesten trekken?—Want alleen, op uwe eigene gelegenheid, de schrikkelijk lange terugreis te ondernemen, dat zou thans niet geraden zijn. Gij weet, hoe het land gezind is, aan welke gevaren een enkel persoon zich blootstelt. Gij hebt nog niet kunnen vergeten, hoevelen, die, afgezonderd overvallen, in de handen der fanatieke Mugiks vielen, onder de schrikkelijkste folteringen zijn opgeofferd. En het gevaar zelfs daargelaten, waar zult gij middelen vinden, om op zulk eene reis te bestaan? Het vereenigde geweld van zoovelen vermag zich de noodwendigste behoeften aan te schaffen; doch de enkele kan niets. Hoe zult gij op den verwoesten weg, langs welken wij hier gekomen zijn, waar wij in plaats van dorpen en steden slechts de puinhoopen zullen vinden, die hunne voormalige ligging aanwijzen,—hoe zult gij daar huisvesting, levensmiddelen, paarden vinden, wanneer de uwe, door moeite en slecht voedsel uitgeput, niet meer te gebruiken zullen zijn of sterven? Ik heb noch den lust, noch den moed verloren, om u met vollen vriendschapsplicht te dienen, maar zeg zelf, weet gij thans een zekere uitkomst? Mijne eigene verantwoordelijkheid zou ik het minst ontzien. Geef mij een goeden, uitvoerbaren raad, ik zal hem volgen; gij zelven; Boleslaw en Jaromir, moet beslissen, wat er gedaan moet worden.”
De vrienden zagen elkander aan; zij zochten te vergeefs naar eene wederlegging van Rasinski's gronden, en toch werd Lodewijks ziel diep bedroefd door het besef dezer dreigende toekomst, waarin hij zijne vrienden en zijne hulpelooze zuster gewikkeld zag.
„En al waren wij ieder zevenmaal zoo wijs, als de zeven wijzen van Griekenland te zamen genomen,” aldus verbrak Bernard de ingevallen stilte, „wij zouden geen beteren raad vinden. Het recht van Rasinski is zoo klaar als de hemel daarbuiten, wiens sterren ons recht gunstig op onzen terugtocht schijnen te lichten. Troost u, vriend Lodewijk; ons omgeven niet meer doodsgevaren dan anderen; misschien houdt, wel bezien, de draad van ons leven zich nog te lang goed en spint zich vervelender en treuriger ten einde dan wij dachten. De schaar der schikgodin gaat in eene minuut meermalen toe en open en zal menigeen het voorzichtig gesponnen garen eer afsnijden, dan het zekerlijk vrij dunne haar, waaraan ons het zwaard van Damocles boven het hoofd hangt. Zooveel weet ik evenwel, dat wij, blijven wij hier, onder goede vrienden leven en sterven, waarop het mijns bedunkens meer aankomt, dan of wij eenige meerdere waarschijnlijkheid voor de apotheek en eenige mindere voor de zandhoop konden aantoonen. Maar gij, Rasinski, bekommer u deswege niet; gij hebt meer voor ons gedaan, dan wij u ooit kunnen vergelden. De dankbaarste mensch toch blijft een ondankbare ezel, ik vooral.—Geeft mij de handen, vrienden, wij willen blijde zijn, wanneer de zon ons morgen nog beschijnt en het woud eenige bleekgroene bladeren onder de gele en roode toont, die de wind als een eeuwigdurenden regen van herfstbloesems afschudt. Mij dunkt, de wereld is nog recht aardig, en die haar nog een poosje bezien mag, kan van geluk spreken, in vergelijking met de zes duizend, die daar boven met verbrande kneukels in de asch en het puin van Malo-Jaroslawez liggen.”
Daarmede schudde de wakkere, krachtige vriend Rasinski en Lodewijk de hand, en stak ze dan ook Jaromir en Boleslaw toe. Zijn stoute, vroolijke aard, waarmede hij de hardste slagen des noodlots bespotte, gaf dikwijls aan al zijne vrienden een gevoel van de krachtige zelfstandigheid, welke zich onder geen juk des levens kromt.
Een ordonnans trad binnen; hij bracht het bevel om op te breken, dat Rasinski verwachtte. „Om drie uur!” zeide deze. „Stil dus en in het diepste en holste van den nacht!” Twee malen ging hij met over elkander geslagen armen en ter aarde gerichten blik in het nauwe vertrek op en neder.
„Laat thans opzadelen! Het zal spoedig tijd zijn.”
Jaromir en Boleslaw gingen, om het noodige bij hunne lieden te bevelen. Lodewijk en Bernard hadden tenminste voor zich zelven schikkingen te maken. Zoo scheidden de vrienden. Doch nauwelijks was er een half uur verloopen, of zij bevonden zich weder bijeen, doch te paard en op den terugmarsch. Op Rasinski's voorhoofd lagen donkere wolken; hij sprak niet, doch zag meermalen zwijgend naar de streek om, waar de schouwplaats der laatste overwinning, welke het leger bevochten had, in den sluier van den nacht gehuld lag. Toen de weg om een eenzamen, steilen heuvel heenliep, reed hij dien alleen op. Toen hij boven op den, door winden omruischten top stil stond, richtte hij zijne blikken naar de woeste, door rook omringde stede des doods, die thans het uiterste doel van den ongehoorden krijgstocht was geworden. De rook der puinen vermengde zich met dien der nachtvuren, welke de achterhoede helder liet branden, die, onder de bevelen van den maarschalk Davoust, den vijand omtrent den terugtocht van het groote leger zoude misleiden. Aan de overzijde langs het woud kon men aan tallooze, in donkerrooden gloed schitterende vlammensterren de plaats van het russische leger onderkennen. Langzaam togen de zwarte dampwolken onder den, in het twijfelachtig schijnsel der ondergaande maan, flauw lichtenden hemel heen; zij schenen zich tot een zwaar onweder te verzamelen.
„Daar dan!” zeide Rasinski tot zich zelf, „daar zal de wandelaar in volgende eeuwen de plaats opzoeken, waar den onmetelijken geest, die de koningen der aarde stormend uit hunne oude rust opjoeg, de grenspaal zijner krachten werd geplaatst! Mag dan geen sterveling een groot werk ten einde brengen? Kan dan de geest des menschen niet eens deze kleine, armzalige aarde omvatten, welke hem ter woonplaats is aangewezen, zoolang hij in de boeien van zijn aardsch omhulsel smacht? Zijn wij dan zoo gering, dat dit punt, dit zonnestofje in het heelal eene onmetelijke ruimte voor onze krachten is? Cyrus viel aan de grenzen van het wilde noordsche rijk der Scythen, Cambyses moest terugkeeren aan de gloeiende poorten van Ethiopië, Alexander bij het fabelachtige rijk der Indianen.—En hier zal dan het nageslacht de grenssteenen zijner daden oprichten? Hier! Wie houdt dit staande? Waarom niet reeds bij de piramiden? Wat daar geschiedde herhaalt zich hier. Is dan de cirkelloop der tijden reeds voleindigd? Dwaasheid, aan de grenzen van het ruim te blijven hangen! Alsof de wereld daarheen niet even wijd ware als hierheen!—En evenwel!”
Eene rilling doorvoer zijne leden. De wind suisde over de hoogten en ruischte door de toppen der oude pijnboomen, die hunne takken over Rasinski's hoofd uitstrekten. Zijn ros krabde met den hoef in de aarde en schudde zijne in den wind vliegende manen. Sombere voorgevoelens, welke de beelden der toekomst voor zijn geest schenen heen te voeren, verkregen meer en meer macht over hem.
„Evenwel,” zuchtte hij na eene minuut zwijgens, „evenwel, is het waar, de daad des menschen is door de enge beperkingen der ruimte onzichtbaar omgeven; hij ziet de onoverkomelijke grenspalen eerst, wanneer hij ze bereikt heeft, en geene hand verzet ze, geen tijd doet ze verdwijnen.—Voorzegt hem zijn voorgevoelend hart niet, wanneer hij ze nadert?—Is hier dan de plaats, waar de stroom van groote daden zich in de zee der onmetelijkheid uitstorten en voor eeuwig spoorloos verdwijnen moet? Of keert hij slechts zijn loop, om zich trotsch door nieuwe velden uit te gieten en de nieuwe rotsdammen, die hem tegenstand willen bieden, te doorbreken? Wie zegt ons, waar onze voet de geheime teekens van het noodlot aanraakt, die als een bannende tooverkring om ons getrokken zijn? Openen zich thans de poorten van een nieuw olympisch kamp- en overwinningsveld, of staan wij voor de ijzeren gegrendelde deuren, waarmede de Almachtige in den raad des noodlots onherroepelijk besloot, onzen loop te stuiten? Is hier de plaats, waar de eindige kracht zich aan den metalen dam der eeuwige moest verpletteren?”
„Ja, ja, zoo is het. Eene geestenstem roept het mij toe uit dezen duisteren hemel, uit het ijzingwekkend suizen van den herfstwind.”
„Hier alzoo! Waarlijk hier! Thans grijpt de ijzeren arm van het noodlot in de vleugelen des geweldigen en verlamt en verbreekt ze! En was hij dan niet vernietigd? Neen, nimmer. Eeuwig zal zijn reuzenmonument vaststaan in de voortrollende baren des tijds. Hij zal den sluier van dit duister tegenwoordige oplichten. Weinige maanden of jaren—polsslagen der eeuwigheid—en het boek des noodlots ligt opgeslagen voor ons. De toekomende geslachten zullen het weten, of de klokslag van dit uur eene wisseling der wereldgebeurtenissen aankondigt. Welnu, het zij zoo! De sporen van zijn reuzentred op aarde kan geen eeuwigheid verdelgen. Zoo moge dan hier de grenssteen van zijn machtig volbrengen worden opgericht. De reusachtige altaren aan den Ganges, het slagveld bij Cannae, de rookende puinhoopen bij deze dennenbosschen—zij zijn hieroglyphen van dezelfde beteekenis, en na duizende jaren nog zal de wandelaar ze met huiverige vereering lezen!”
Deze gedachten golfden in Rasinski's heldenziel op en neder. Hij gevoelde met ontegensprekelijke zekerheid, dat een zwaar, verpletterend onheil naderde! Doch met dit klare bewustzijn van het gevaar keerde zijne geheele mannenkracht terug en richtte hij borst en hoofd moedig tegen de toekomst op. Nog één blik wierp hij over het duistere, in nacht verzonken landschap, waar de geschiedenis besloten had, de nieuwe zuilen van Hercules op te richten; daarop wendde hij zijn ros en keerde met bezadigden moed tot de zijnen terug.
HOOFDSTUK IV.
„De nachtwind was koud. En welk een dichte nevel ligt er weder op de aarde,” zeide Bernard en schudde zich rillend af. „Ik ben door en door koud, als een kikvorsch.” Met deze woorden sprong hij van zijn leger aan het bijna uitgegane vuur op en sloeg zijne armen over elkander, om zich te verwarmen. „Ik geloof, dat wij bevroren zouden zijn, wanneer hier weldra niets meer had gebrand dan die drie verkoolde blokken onder de asch!—Hé, Lodewijk; schud u wakker; hoort gij den trompetter niet!”
Lodewijk sloeg, daar zijn vriend hem aanvatte, de oogen wijd open en zag hem vreemd aan. „Nu kent gij mij niet?” vroeg Bernard hem. „Gij ziet er immers uit, alsof gij uit een andere wereld op deze waart neergevallen!”
„Bijna is het ook zoo,” hernam Lodewijk, die uit den diepen, vasten slaap, waarin hem zijne vermoeidheid niettegenstaande de koude gedompeld had, weder tot bewustheid begon te komen. „In mijne droomen zag ik andere gestalten, dan deze om mij heen.”
„Ik heb van bietebauwen, ratelslangen, krokodillen, kozakken, heksen en spoken gedroomd,” antwoordde Bernard. „Toen was ik blijde, dat de ruwe wind mij wakker blies! Satans, is dat een nacht geweest! De vochtige nevel dringt iemand tot in het merg zijner beenderen en maakt het waterig. Als wij maar eerst weder te paard zitten, zal het wel beter worden.”
Lodewijk had zich intusschen opgericht en zocht eveneens door sterke beweging zijne versteende ledematen te verwarmen. „Waar is Rasinski?” vroeg hij.
„Hij moet met de overigen reeds lang op zijn. Ik ontwaakte eerst door het geblaas der trompet en door de koude aan mijn linkerzijde, waar Jaromir gelegen had. Het ergert mij eigenlijk; maar zij zijn toch aan het soldatenleven veel beter gewoon dan wij en verdragen de moeielijkheden gemakkelijker. Wilt gij u wasschen? Hier is nog water in den kookketel; gij ziet er van den rook een weinigje zwart uit, mijn goede vriend. Ferm er in met uw gezicht; het is koud, maar verkwikt. Voor het overige behoeft gij, om versch water te hebben, slechts uw haren uit te drukken; zij hangen vol mistdroppels.”
De beide vrienden maakten hun bivaksmorgentoilet, zoo goed de omstandigheden het vergunden, en begaven zich daarop naar hunne paarden, waar de meesten hunner kameraden zich reeds bevonden en zich tot den marsch gereed maakten. Spoedig zaten zij op en de tocht ging voorwaarts.
Nauwelijks schemerde het, en toch waren zij eerst te middernacht ter rust gekomen; want de marschen werden, wijl men dagelijks het aanrukken van het russische leger vreesde, met haast en inspanning afgelegd.
Men reed, toen het dag werd en de nevel begon te vallen, langs eene helling van het dal naar beneden. Rasinski wees met zijn vinger naar eenige, nog half in mist, half in rook bedolven gevels. „Dat is Mosaisk,” zeide hij; „thans zijn wij weer op onzen ouden weg. Wanneer wij toch hierheen hadden moeten gaan, ware het beter geweest, dat wij dadelijk van Moskou af dezen weg gevolgd waren. Zoo hebben wij volle acht dagen verloren! Wij konden reeds bij Smolensko zijn.”
„Rijden wij door het nest?” vroeg Bernard.
„Neen,” hernam Rasinski; „wij nemen onzen weg hier links door de beek, want daar beneden verstopt zich weer alles. Het is een groot voordeel voor ons, dat wij zulke stipte bevelen niet behoeven te volgen als de anderen. Maar helaas, reeds begint ieder slechts voor zijn eigen voordeel te zorgen; het ware beter dat men strenger orde hield. Ik vrees nochtans, dat dit niet lang meer mogelijk zal zijn.—Ziet gij, hoe daar tegen ons over de artillerie reeds tegen de hoogten optrekt? De kanonnen blijven bijna steken in de diepe sporen en hebben toch reeds het dubbel getal paarden voorgespannen.”
„Ik geloof, dat wij vorst krijgen,” merkte Lodewijk aan; „de lucht wordt zoo helder.”
„Dat was zoo kwaad niet,” meende Bernard; „want in het taaie slijk marcheert het verduiveld slecht.”
„Verlang maar niet naar den winter; hij zal ons spoedig genoeg inhalen!” antwoordde Rasinski ernstig. „Thans gaat onze marsch bezwaarlijk, maar is toch vol te houden. In Rusland blijft de winter niet aan de grenzen van den herfst of de lente staan, maar hij heerscht spoedig in volle kracht; daarom waag het niet hem op te roepen.”
„Mij dunkt, hij komt zonder dat,” meende Bernard; „want de wind blaast ons uit het noordoosten in den nek, wat trouwens beter is dan gisteren, toen hij ons den natten stofregen in het gezicht joeg; maar ik ruik zoo iets van sneeuw in de lucht.”
Onder deze gesprekken waren zij, van den hoofdweg afgaande, bij de beek beneden in het dal gekomen en doorwaadden haar op eene ondiepe plaats. Aan de overzijde sloten zij achter de artillerie aan, die, de spits der colonne uitmakende, reeds een groot eind weegs vooruit was. Zij bereikten de bergvlakte, waarover de weg loopt.
„Duivels, hier blaast de wind scherper,” riep Bernard; „hij draait zich immer meer noordoost.”
Rasinski zag met zijn opmerkzamen veldheersblik over de vlakte heen. Zij bood bijna geen afwisseling aan, maar breidde zich in onmeetbare uitgestrektheid naar alle zijden uit; nauwelijks verhieven zich eenige heuvels in lichte kromming boven de zuivere kringlijn van den gezichteinder.
Niets brak het doode, troostelooze grauw van dit landschap af, dan de lange, zwarte strepen der dennenwouden, die zich aan den rand der vlakte onder blauwzwarte nevelwolken uitstrekten. Zelfs de lange rij van wagens en kanonnen en van de zich afbeulende paarden en artilleristen verlevendigde de eenzaamheid niet, maar maakte haar slechts te meer merkbaar door de tegenstelling.
De zon had een oogenblik geschenen; doch reeds betrok de hemel weder met sombere wolken.
„Heden schijnt de winter het toch nog niet te meenen, hoewel de wind scherp is en wij hierboven reeds sporen van den vorst zien,” zeide Lodewijk na eenigen tijd. „Het zuiver blauw des hemels is bijna weder geheel verdwenen.”
„Enfin! Dit is zeker, dat onze weg niet door het paradijs gaat,” hernam Bernard.
Men marcheerde eenige uren voort, bijna zonder te spreken; want deels brak de draad van het gesprek door het dagelijks bijna ongestoord bijeenzijn somwijlen af, deels boden de voorvallen van den dag zoowel als de omringende voorwerpen slechts stof tot bedroevende opmerkingen aan, welke ieder liever in stilte maakte. Eenige colonnes infanterie hadden van tijd tot tijd de cavalerie en artillerie ingehaald, daar deze wegens de afmatting der paarden slechts langzaam voorttrokken, terwijl het voetvolk, gedeeltelijk om zich te verwarmen, gedeeltelijk omdat de marsch in het algemeen verhaast moest worden, sneller dan gewoonlijk marcheerde. Men zag wonderlijke drachten onder deze menschen. Van de regelmaat eener uniform was niets meer te zien; ieder beschutte zich zoo goed hij kon tegen weer en wind. Aan velen zag men, dat zij de ongemakken van den marsch reeds met moeite begonnen te dragen.
Toen Rasinski zijne opmerkzame blikken over deze manschappen liet gaan en uit hunne houding gissingen trachtte te maken omtrent den toestand der zaken in het algemeen, bemerkte hij een ruiter onder hen. Het scheen een hoofdofficier te zijn. Beide herkenden elkander tegelijk; het was Regnard.
„Aha, Rasinski, zijt gij het?” zeide hij, terwijl hij naar hem toereed en hem de hand reikte. „Hoe gaat het ulieden?”
„Vrij goed!” hernam deze, die het zich tot een stelregel had gemaakt, altijd goeden moed te toonen, wanneer zijne manschappen hem konden hooren of zien.
„Gij zijt met weinig tevreden; ik heb het van mijn leven al beter gehad. Mijn oog is ontstoken; sinds den brand van Moskou werd ik daarmede gemarteld, en deze vochtige herfstnachten hier hebben het kwaad nog maar erger gemaakt.”
„Gevaar zal er niet bij zijn; zulke dingen gaan gewoonlijk tegelijk met de aanleiding weer over.”
„Soms ja, evenals de honger, maar duurt de aanleiding een poosje te lang, dan komt de genezing te laat. Het kon gemakkelijk gebeuren, dat het mij ook zoo ging.—Doch,” voer hij na eenige oogenblikken voort, „ik geef er geen weerga om; men ziet hier met één oog toch al te veel.”
„Hoezoo?”
„Zijt gij niet door Mosaisk gekomen?”
„Neen, ik heb met mijne manschappen een zijweg ingeslagen.”
„Gij hebt niets verloren! Het gansche nest is een hospitaal. Drie duizend gekwetsten liggen er in en zullen er wel blijven liggen. Ik ril er nog van, als ik er om denk. Zeven weken rekken zij nu hun leven onder jammer en ellende. Zij zijn half verhongerd, half bevroren, want de meesten liggen op verrot stroo, dikwijls zonder dekens. Nauwelijks heeft men hun een ouden mantel gelaten. Hunne wonden zijn met werk dicht gestopt, meestal ontstoken en vreten in hunne beenderen in.”
„Spreek zachter,” zeide Rasinski; „zulke schilderingen ontmoedigen de manschappen.”
„Wat hebben zij schilderingen van noode? Zij hebben de ellende zelve gezien! Toen wij doormarcheerden strekten zij, die zich nog roeren konden, ons de armen smeekend uit de vensters toe en riepen: „Neemt ons mede, laat ons hier niet omkomen;” want het gerucht, dat wij terugtrokken, had zich als een loopend vuur onder hen verbreid. Tot hiertoe hielden zij zich met de hoop in hun jammer staande; thans komt nog de vertwijfeling bij de ellende. Zij huilden en weeklaagden luid; sommige vervloekten hemel en aarde! Een dragonder—ik herkende hem aan zijn mantel—wien beide de voeten afgezet waren, had zich met de slecht verbonden stompen tot aan den drempel der hut, waar hij lag, gesleept, en het bleeke beeld des jammers kermde mij met uitgestrekte handen te gemoet. Nu kwam de keizer voorbij; de rampzalige riep: „Sire, ik heb in Egypte gediend, laat mij hier niet versmachten! Naar Frankrijk, naar Frankrijk—mijn arme oude vader.” Daar begaf hem de spraak; de keizer beval, hem op zijn eigen wagen te leggen en zorg voor hem te dragen. Ik zelf tastte meê toe, om hem op te beuren, doch nog voor dat wij er hem konden optillen, had hij den laatsten adem uitgeblazen.”
„Wèl hem!”
„Dat is waar! Doch verbeeld u nu de ellende en den angst der achterblijvenden, wanneer een stervende deze toekomst zoo afgrijselijk voor zich ziet, dat de hoop om haar te ontvluchten hem nog in zijne laatste oogenblikken zulke krachten leent.”
„En moeten zij dan achterblijven?” vroeg Rasinski met eene inwendige rilling.
„Kunt gij ze wegbrengen, en kunnen zij den marsch uithouden? De keizer heeft bevolen dat iedere bagage- of amunitiewagen een man zal opnemen; hen, die nog te redden zijn, wil men trachten te redden. De anderen blijven der grootmoedigheid des vijands aanbevolen.”
„Grootmoedigheid!” riep Rasinski bitter uit.
„Zij mogen van geluk spreken,” voer Regnard voort, terwijl hij den doek over het ontstoken oog terecht trok, „wanneer zij maar spoedig den vijand in handen vallen. Blijft hij lang uit, zoo verhongert en versmacht wat terugblijft op de ellendigste wijze; want het zijn immers louter menschen, die zich van hun leger niet verroeren kunnen. Maar, wat is dat weer een mist!”
Inderdaad hadden de dampen zich weder vochtig en koud rondom op de vlakten gelegerd, zoodat men nauwelijks honderd passen voor zich uit kon zien. Met ieder oogenblik scheen het, dat zij dichter werden; spoedig was het gezicht tot de naaste voorwerpen beperkt.
„Zulk een mist heb ik, geloof ik, nog nooit beleefd,” zeide Bernard; „zelfs in Schotland niet; men ziet immers het tweede kanon niet duidelijk meer. Hoog kan hij echter niet zijn, want de zon boven ons laat zich toch nog als eene helderroode maan zien.”
Eene koude windvlaag streek door de in kringen langzaam wentelende nevelgestalten en joeg ze in grauwe, langgerekte strepen over het veld.
„De wind is ook weer gedraaid; hij is noordwest geworden,” zeide Lodewijk, die de richting van den mist aandachtig met het oog volgde. De ruiters wikkelden zich dichter in hunne mantels en reden stom nevens elkander voort. Vooraan Rasinski met Regnard, vlak achter hen Jaromir, Boleslaw, Lodewijk en Bernard. Het was een wonderlijk, schrikbarend gezicht; rondom eene diepe stilte; slechts het stommelend ratelen der kanonnen was uit de verte te hooren, daar de mist het geluid dempte en de ruiters omtrent honderd treden ter zijde van den weg reden, om de paarden niet zoo diep in het uitgereden, moerassig spoor te doen wegzinken. Eenige kleine oneffenheden van den weg hadden toevallig Lodewijk omtrent twintig of dertig schreden rechts van de vrienden afgeleid. Plotseling struikelde zijn paard; hij rukte het aan den teugel op en boog zich voorover, om het voorwerp, waarover het gevallen was en dat hij, onnadenkend voortrijdende, eerst niet gezien had, op te nemen. Het was een half vergaan, half gekleed lichaam; het aangezicht, door verrotting en door de vogelen des hemels tot een walgelijk mengsel van bloed en etter gemaakt, staarde hem akelig aan. Een onwillekeurige schreeuw ontvoer hem door den schrik; zijn afgrijzen vermeerderde, toen hij om zich heen zag en in den naasten omtrek nog meerdere lijken, reeds half geraamten, in de diepe voren van den akker zag liggen. „Wat is er?” riep Bernard, toen hij den gil hoorde.
„Zie slechts eens rond!” riep Lodewijk rillend. Allen waren in het eentonige grauw van den mist voortgereden, zonder op weg of plaats acht te slaan. Eene sterke windvlaag joeg in dit oogenblik de dampen een weinig uiteen en vergunde eenige honderden schreden in het rond te zien.
„Wij zijn op het slagveld,” riep Rasinski, en eene zonderlinge mengeling van afgrijzen, eerbied en grootsche herinneringen greep hem aan.
„Waarachtig! Ik had niet gedacht, dat wij er reeds zoo nabij waren,” sprak Regnard en zag om zich heen.
Met een onbeschrijfelijk smartelijk gevoel lieten allen hunne blikken over het eenzame, akelig zwijgende veld des doods weiden, dat zeven weken te voren van het ontzettende gewoel van den slag en den duizendvoudigen donder van het geschut weergalmde. Gelijk in de schemering het oog eerst slechts eenige sterren en dan met iedere seconde er meer ziet, zoodat het zich spoedig in de onmetelijkheid verdiept, zoo vermenigvuldigden zich hier op de ontzettendste wijze de lichamen en overige teekenen der verwoesting, welke men overal ontdekte, voor het gezicht. Terwijl de mist, door den wind over de steppe gejaagd, zich langzaam voortbewoog, scheen hij als het ware de gordijn van de schrikkelijke schilderij af te rukken. Allen stond de adem in de borst stil, toen zich die akelige baaierd aan hunne oogen vertoonde. In het eerst had men slechts de naastbijzijnde lichamen, waartegen de hoeven der paarden stieten, gezien; doch toen hun blik verder reikte, steeg het aantal weldra tot in het oneindige; want men merkte spoedig, dat elke zwartachtige hoogte, die het oog zag, niet een steen, een boomstam of aardhoop was, maar een menschelijk lichaam of eene opgestapelde menigte daarvan. Met elken tred verder in deze, slechts door lijken bevolkte woestenij werd het beeld der verwoesting schrikkelijker en treffender. De wind joeg eene giftige pestlucht aan, die zelfs de paarden zóó aandeed, dat zij, schuw terugdeinzend, den ruiters niet wilden gehoorzamen, en slechts met vliegende manen en opengesperde neusgaten, als zochten zij eene reinere lucht in te ademen, de sporen gehoorzaamden en vooruitgingen. Thans zag men enkele hoogten, als hunnebedden, waar groote lijkenhoopen opgestapeld en zoo dun met aarde bedekt waren, dat storm en regen dit bedeksel reeds bijna hadden weggespoeld. Uit de akelige vermenging der over elkander opgestapelde lijken staken er enkele, het gebeente half met vergaan vleesch bedekt, bijna naakt en wit glinsterend, in schrikverwekkende houding uit. Den een was het hoofd, met borstelig bloedig haar bedekt, op de aarde gezonken en staken de beenen onnatuurlijk omhoog; een ander stak een arm hoog op, als leefde hij nog en als zocht hij zich uit het rottende graf naar boven te werken. Enkele ledematen, van roofvogels en wolven half afgeknaagd, lagen rondom verspreid. Grijnzende bekkeneelen met ledige oogholten of sluik afhangend bloedig haar zagen ijzingwekkend van den grond op. Tusschen deze schrikkelijke overblijfselen lagen de krijgshaftige gedenkteekenen van den slag verspreid; hun aanblik verwarmde de verkleumde borst ten minste door de herinnering aan den grootschen strijd, die hier gewoed had. Verbrijzelde affuiten, raderen, trommels, roestende kogels, de overblijfsels van gebroken geweren en sabels, glinsterende helmen en kurassen der ruiters lagen overal over het onbebouwde veld; de plaatsen waar de cavalerie en artillerie gestreden hadden, herkende men dadelijk; zij waren met glinsterende paardengeraamten, die nog half in het uitgedroogde vleesch staken, doch wit schitterden daar, waar de raven en vossen ze afgeknaagd hadden, rondom bedekt. De nevels rolden in lange strepen over het veld, en nu eens vertoonden, dan weder verborgen zij deze velden des schriks. Doch met elke seconde trokken zij meer en meer weg, en spoedig kon men ongehinderd zijne blikken zoo wijd laten rondgaan, als de schrikbarende teekens der verwoesting en des doods te onderscheiden waren.
„Ziet gij daar dien heuvel?” riep Rasinski en wees met zijn vinger op eene vormlooze massa, die juist uit den nevel scheen op te rijzen; „dat is die schrikkelijke redoute, waar wij zoovelen der onzen gelaten hebben. Thans eerst vind ik mij weder te recht op deze velden des doods, waar dertigduizend onzer kameraden hun bloed vergoten.”
Zij reden naderbij, om nog eenmaal de plaats te betreden, die hen met zulke grootsche herinneringen moest vervullen.—Niemand sprak, ieder droeg eene sprakelooze huivering in zijn boezem om. Hoeveel ontzettender was het slagveld nu, dan toen de brullende donder het oor verdoofde, de gansche hemel in rook en vuur gehuld scheen en de ijzeren kar des doods verpletterend over de gevallenen heenrolde; want toen vertoonde dit veld het schrikwekkend gelaat van een vertoornden gigant, thans het ijzingwekkende van een tot verrotting overgaanden.
Toen Rasinski en zijne vrienden—want het regiment hield den grooten weg—nader bij de redouten kwamen, konden de paarden nauwelijks voortkomen door de lijken en de kogels, die hier den grond bedekten.
„Wat mag dat daar boven op de borstwering zijn?” vroeg Rasinski, toen men nog omtrent vijfhonderd schreden van de verschansing verwijderd was.
„Ik kan het niet onderscheiden,” zeide Regnard; „'t gelijkt wel een half afgebroken piramide.”
„Wellicht ongestapeld hout,” sprak Lodewijk.
„Hoe zou dat daar komen?” hernam Bernard, het hoofd schuddende. „Waarlijk een zonderlinge vorm, die een schilder in verlegenheid zoude brengen.”
Zij reden naderbij, de zon brak met krachtige stralen door de wolken heen en sloeg de zwevende dampen neder. Eensklaps verlichtte zij de redoute met een helderen glans, terwijl alles in het rond nog in een grauw lag.
„Het zijn geraamten,” riep Rasinski, die verreweg het scherpste gezicht had. „Ziet gij hoe de beenderen, door zon en regen gebleekt, als zilver blinken?”
Door afgrijzing en verbazing getroffen, renden de ruiters sneller nader. Het was zooals Rasinski gezegd had. Van de lijken, die in het inwendige der verschansing opeengestapeld waren, staken eenige hoog boven den wal uit. Een ijselijk spel van het toeval had hen met de ruggen tegen elkander in eene half opgerichte stelling gebracht. Aan de lucht, den regen, den storm en de roofdieren het meest blootgesteld, waren de beenderen bijna geheel van vleesch ontbloot en de afschuwelijke geraamten schenen nu, op hun troon van lijken zittende, met een grijnzenden lach het veld der vernietiging rondom hen, als hun schrikkelijk rijk te overzien.
Bij dit gezicht tastte een kil, huiveringwekkend gevoel van schrik zelfs den koelbloedigen Regnard aan. Hij trok zijne wenkbrauwen donker samen en rilde, alsof eene koude koorts door het merg zijner beenderen voer.—„Dat alzoo is Caulaincourts grafnaald?” zeide hij eindelijk, terwijl alle overigen stokstijf en zwijgend stonden.—„Komt, laat ons verder rijden.”
Hij wendde zijn paard om.
Rasinski was als aan den grond genageld; zijn oog hing onafgewend aan den heuvel van lijken. „En dat alles te vergeefs!” zeide hij eindelijk, diep uit zijne borst ademend. „En wij hebben dan toch den slag verloren!”
„Verloren?” vroeg Bernard half luid.
„Ja, ja, verloren! Het was eene overwinning in schijn, een bedriegelijk beeld van eene bloedige zegepraal! Daarom kwam op dien droevigen avond geene vreugde in onze borst! O, gij hebt nooit overwonnen; gij weet niet, wat eene overwinning is! Dat wekt een ander gevoel in de borst. Eerst heden ruimen wij het veld! Heden, na zeven weken, beslist het zich, wie den slag verloren heeft! Maar welaan,” zeide hij, zich met koninklijke waardigheid oprichtende en met zijne opgeheven rechterhand naar de geraamten wijzende, „deze bergen van lijken mogen ten minste getuigen, dat hier dapperen gestreden hebben! Den roem van dezen dag zal geene macht op aarde ons ontrooven! Want de roem is waar; het geluk is valsch!”
Een edel vuur vlamde, toen hij deze woorden sprak, in zijne donkere oogen; hij wierp zijn hoofd trotsch in den nek en draafde, zonder deelneming of toestemming van zijne begeleiders te verwachten, over de verrottende lijken hen voorbij. De vrienden bemerkten, dat hij alleen wilde zijn, en volgden hem langzaam op eenigen afstand.
„Voorwaar, hij moest een koning zijn!” riep Bernard vol geestdrift Lodewijk toe. „Hebt gij zijn heldenblik gezien? Toen hij zijne hand uitstrekte, was het mij, als vermocht hij deze dooden te gebieden, zich op te richten en opnieuw naar de wapenen te grijpen.”
„Hij is een held in den volsten zin des woords,” zeide Lodewijk; „want hij vereenigt de grootmoedige zachtheid met de machtig gebiedende kracht. Hij kan alles eischen, en hij verzoekt alles.”
„Zoo is het!” riep Jaromir levendig; het was zijne eerste warme ontboezeming na dien ongeluksdag.
„O, gij moest hem in beter tijden gekend hebben,” zeide Boleslaw; „maar reeds sinds wij Duitschland verlaten hebben, is hij niet meer, die hij was. Hij moet diepen kommer in zijn boezem voeden of het onheil, hetwelk hij thans vreest, vooruit hebben gevoeld.”
Zoo had de mannelijke houding van Rasinski eensklaps de ijzingwekkende indrukken van het slagveld verdreven en voor hartverheffender gevoelens plaats doen maken.
Regnard had zich bij Rasinski gevoegd en samen wachtten zij thans de overigen af. Om het regiment weder in te halen, zetten zij hun weg in versnelden draf voort; steeds liep hun pad nog over lijken en gebroken wapens. Een diepe holle weg doorsneed opeens het veld, dezelfde, waardoor zij toen op den avond na den slag naar de legerplaats terugreden, en dien zij den volgenden dag vol vonden van ongelukkigen, die gewond en versmachtend hier bescherming gezocht hadden tegen de ruwe nachtvorst. Ook hier lagen geraamten van paarden en menschen.
Plotseling trof een klagend geluid hun oor. Allen schrikten en luisterden; eene rilling bekroop allen bij de gedachte, dat onder deze algemeene versterving nog een levend wezen kon zijn. Men zag rond, doch zonder te ontdekken, van waar de klagende stem kwam.
„Het moet daar uit die inspringende holte achter ons zijn,” zeide Rasinski, en hij wierp zijn paard om en sprong in eene kleine, met verwelkt kreupelhout half dicht begroeide grot, langs welker mond zij zoo even gereden waren.
„Heilige God!” klonk dadelijk daarop zijne stem, terwijl hij zich eensklaps van het paard wierp. De anderen begrepen de oorzaak niet zoo terstond; doch zij stonden verslagen van schrik, toen zij daar in den buik van een opengesneden paard een mensch ontdekten, die uit deze verschrikkelijke legerstede zijne handen smeekend naar den toesnellenden Rasinski uitstrekte.
„Begoocheling der hel!” riep deze uit en drukte zich beide handen voor de oogen; „het is Petrowski!”
Als verpletterd stonden Lodewijk, Bernard en Jaromir daar bijeen, toen zij dit woord hoorden en nu den rampzaligen grijsaard herkenden. Jaromir was het eerst van het paard, om Rasinski bij het werk der redding te helpen. Deze stond voor den ongelukkige en hield diens beide handen krampachtig in de zijne; hij had zijn gelaat, van den stervende afgekeerd, naar Jaromir gericht. In zijne trekken was een krampachtig geweld te bespeuren, om de ontzettende smart geen heer over zich te doen worden; doch hij moest bukken. Droppels van angstzweet stonden op het voorhoofd van den held; groote tranen rolden over zijne wangen; hij kon geen woord spreken.
„Gij nog onder de levenden, mijn oude, trouwe kameraad!” riep hij eindelijk uit en gaf daardoor lucht aan zijne beklemde borst;—„en ik zocht u te vergeefs onder de dooden.”
De grijsaard, door ellende en kommer uitgeput, had bij deze laatste vreugde toch nog een traan.
„God in den hemel,—dank!” waren de eenige woorden, welke hij met eene gebroken stem nog vermocht te stamelen. Het vreeselijke van zijn lijden had hem nog de kracht gegeven van om hulp te roepen; de onuitsprekelijke vreugde beroofde hem thans van bewustzijn en spraak.
„Mijn God, mijn God, zijt Gij dan alwetend?” riep Rasinski uit. „In de afgrijselijke armen der verrotting en des doods lag deze levende; zijne spijs was, wat de hongerige wolf en de krassende raaf versmaadt; ieder oogenblik eene hel—en vijftigmaal ging Uwe zon er over op, zag deze ellende en Gij zondt geene redding!”
Jaromir, Bernard, Lodewijk en Boleslaw waren nader gekomen en wilden beproeven, den ongelukkige uit zijne verpeste legerstede op te richten. Doch reeds staarde zijn in de kas weggezonken oog hen gebroken en bewusteloos aan, een lachje zweefde over zijne trekken, die door de grenzelooze ellende diep ingevallen waren; nog eenmaal haalde hij diep adem—toen zonk hem het hoofd op de borst neder en zijne ziel was het veege lichaam ontvloden.
Rasinski liet de handen van den doode niet los; zijn met tranen gevuld oog hechtte zich aan het verbleekte gelaat, dat zelfs in den strijd des lijdens en des doods den krijgsmansadel bewaard had. „Ziet dit schoone voorhoofd vol litteekens, versierd met zilveren haren!—O, dat was een trouw soldatenhart!—En zoo verschrikkelijk te sterven!”
„Neen, hij had een schoone dood,” zeide Lodewijk, wiens ziel zich geloovig tot den Algoede verhief, die den gemartelde in zijn doodsuur zijne dierbaarste vrienden als door een wonderwerk in deze schrikkelijke eenzaamheid toezond; „hij stierf een schoonen dood! Zie slechts, hoe zijne trekken zich verheerlijkt hebben!”
Jaromir sprong plotseling te paard en snelde ras op den weg, dien zij gekomen waren, terug; men wist niet wat hij voor had. „Wacht hier twee minuten,” riep hij, „ik ben dadelijk terug.”
Zwijgend stonden de vrienden rondom den gestorvene.—„Geef mij eene schaar,” vroeg Rasinski. „Ik wil tot aandenken een lok van zijn hoofdhaar medenemen.”
Bernard reikte hem uit zijne portefeuille het verlangde toe. „Gunt gij mij tien minuten,” zeide hij, „zoo teeken ik den kop hier in mijn studieboekje. Deze trekken tref ik gewis.”
„Het blad zal mij heilig zijn,” hernam Rasinski en dankte zijn vriend door een handdruk.
Terwijl Bernard teekende, keerde Jaromir terug. Hij had twee spaden dwars voor zich over den zadel liggen. „Wij moeten onzen kameraad begraven!” riep hij reeds van verre, „dat is de wil van God, die ons in zijn doodsuur tot hem heeft gezonden.”
„Van waar hebt gij die spaden?” vroeg Rasinski verwonderd; „ik had gewis dadelijk aan eene begrafenis gedacht, wanneer ik de mogelijkheid had ingezien van haar te bewerkstelligen. Gij brengt den schoonsten troost aan mijne ziel!”
„Door een toeval ontdekte ik ze. Daar straks, toen wij van de redoute afkwamen, zag ik in een gat twee gebroken russische affuiten liggen, waarbij ik nog de houweelen en spaden ontdekte. Dat viel mij thans in, en daar ik de plaats onthouden had, snelde ik heen om ze te halen.”
„Geef hier,” zeide Rasinski en nam de eene spade. „Hier onder dezen jongen den, dien misschien eens een grijsaard onder de boomen wordt, gelijk de doode er een was onder de helden, hier willen wij hem begraven.” Tegelijk stak hij zelf de eerste kluit uit den grond; Jaromir werkte ijverig mede. Eene aardkloof, die slechts eenigszins verwijd behoefde te worden, moest het laatste leger van den ouden krijgsman worden.—Boleslaw en Lodewijk hielden het hoofd van den doode even omhoog, opdat Bernard zou kunnen teekenen. Een kwartier werd aan dezen liefdedienst gewijd. Regnard bleef een zwijgende, innig ontroerd getuige; hij hield het voor eene zaak van eer, zich niet aan de plechtigheid der begrafenis van een zoo grijzen kameraad te onttrekken.
„Ik ben gereed,” zeide Bernard en reikte Rasinski de met vaste, stoute trekken geschetste beeltenis van den doode over.
„Wij zijn het ook!” zeide deze en nam het blad aan. „Voortreffelijk!” riep hij, terwijl hij het beschouwde. „Het is geheel en al de oude, trouwe kameraad; het is zijn eerwaardig voorhoofd, zijne zachte glimlach in den dood.—Bernard, ik dank u voor dit kleinood.” Hij drukte hem bewogen de hand. „Thans neemt hem uit zijn ontzettingwekkend bed en legt hem in zijne laatste, koele, stille woonplaats. Gij zult eenzaam rusten, oude vriend! maar de wolf zal toch uw graf niet opwroeten, de raaf uw trouw oog niet tot spijs voor zijne jongen in zijn nest dragen.”
Het lijk werd nedergelaten; de aarde bedekte het spoedig.
„Rust zacht!” sprak Rasinski, en strekte zijn arm zegenend over het graf uit. „De wil des Almachtigen zond u eene maat van ellende toe, welke de menschelijke borst niet kan bevatten, voor welke zelfs de ijzeren zenuwen van den held terugbeven. Doch Zijne genade is rijker dan Zijne gestrengheid; u zal vergolden worden. Gij rust hier eenzaam, want geen uwer broederen slaapt nevens u, en verre is het vaderland der uwen. Maar op den dag der opstanding zullen dertig duizend helden om u heen ontwaken en gij zult met hen in zegepraal de poorten der eeuwigheid binnentrekken.—Uw graf kunnen wij niet versieren, de volgende lente moet het doen! Vervloekt zij de bijl, die dezen jongen boom treft, die nog in de latere jaren ons deze plaats kan aantoonen; doch gezegend zij hij, die aan dit graf een teeken van liefde wijdt.” Hier zweeg hij.
Bernard riep: „Laten wij dien steen daar op zijn graf wentelen!” Weinige schreden verder lag een granietblok, dat bijna de gedaante van een teerling had. De krachtige mannen pakten het zware blok aan en wentelden het gelukkig tot op het graf. Toen braken zij groene takken van den denneboom af, staken deze in de versch opgeworpen aarde, en Bernard krabde met zijn mes een P in den steen.
„Thans de laatste krijgsmaneer,” zeide Boleslaw en trok zijne pistolen uit de holsters; de anderen deden hetzelfde. Rasinski trad voor om te commandeeren. Hij trok de sabel en commandeerde: „Legt aan! vuur!” De schoten vielen, de rookzuil steeg recht naar boven en schitterde in een vluchtigen blik, dien de zon door de wolken wierp. Doch door den slag opgejaagd, vlogen rondom troepen van raven op en vluchtten met ruischend klapwieken.
Driemaal werd den begravene den krijgsmanseer gebracht, waaraan ook Regnard zich niet onttrok.
Daarna zaten zij op en reden snel en zwijgend naar de hunnen terug.
HOOFDSTUK V.
Na twee moeitevolle dagen bereikte het leger Wiasma. Hier liet de keizer een rustdag houden, om de achterhoede, onder bevel van den maarschalk Davoust, op te wachten.
Reeds waren de krachten der troepen tot het uiterste ingespannen; velen, door ziekte of wonden verzwakt, bleven achter; zelfs de meeste vaste wil kon de weigerende lichaamskrachten niet vergoeden.
Rasinski was gelukkig genoeg geweest, nog geen der zijnen te verliezen; dit was hij deels zijner tijdige zorg voor hunne warmere en betere kleeding verschuldigd, deels aan de onvermoeide werkzaamheid, waarmede hij nog voortdurend in al hunne behoeften trachtte te voorzien. Vooral had hij door het voorbeeld van moed en beradenheid den geest van orde, van eer en van vertrouwen weten te bewaren, die in zulke benauwde tijden het zekerste redmiddel, de werkzaamste bescherming tegen het naderend verderf verschaft. De soldaat is geheel overmand en verloren, zoodra hij eenmaal, ook maar een oogenblik, den moed opgeeft, om zijn grimmige vijanden, het gebrek, de koude en de bovenmatige inspanning te trotseeren. Zoo was Rasinski thans streng in het handhaven der orde op marsch; hij veroorloofde volstrekt geen achterblijven, geen alleen marcheeren, geene veronachtzaming van paarden, kleedingstukken of wapenen. Hij wist het zijnen ruiters aan het verstand te brengen, dat het kleine gebrek, hetwelk zij nu nog, ofschoon met eenige moeite, herstellen konden, in weinige dagen door verwaarloozing tot eene onherstelbare ramp zoude worden. Zijne officieren zoowel als Lodewijk en Bernard sloten zich door een even zorgvuldig toezicht en door eigen voorbeeld ijverig bij hem aan.
In Wiasma was het Rasinski gelukt nog een dragelijk onderkomen voor man en paard te vinden. Drie half staande gebleven muren eener groote schuur, die nog zoowat een dak had, dienden den paarden tot stal; doch daar er voor allen geen plaats was, moesten zij om de acht uren verwisselen. Er was stroo genoeg bijeen gebracht, zoodat allen konden liggen; maar de fourage viel mager genoeg uit. Doch reeds de rust binnen den warmeren omtrek der muren deed den dieren goed. Voor zich en zijne manschappen had Rasinski een huisje in beslag genomen, dat nauwelijks dertig man scheen te kunnen bevatten; maar door de wijze verdeeling der enge ruimte van kamer en zolder, waarbij ieder plekje in acht werd genomen, was het toch mogelijk geweest, zestig man, zekerlijk een weinig benauwd, te legeren. Door eene verwisseling van acht tot acht uren, gedurende welke dezen sliepen, anderen de paarden, de wachtvuren en de keuken bezorgden, gelukte het den op alles bedachten aanvoerder, de manschappen volkomen te doen uitrusten en zich te verwarmen, zoodat zij, toen de marsch moest vervolgd worden, met frissche krachten tot de moeielijke reis konden aantreden.
Vóór het aanbreken van den dag zetten de colonnes zich in beweging. De weg liep door lange dennenbosschen; de doodsche eentonigheid scheen den onmetelijken afstand, op welken zich de krijgslieden van hun vaderland gevoelden, nog te vermeerderen. Ook de lengte der buitendien moeielijke dagreizen groeide daardoor aan. Rasinski kreeg bevel met zijne manschappen de achterhoede uit te maken en de achterblijvers voort te drijven; want sinds de twee laatste dagen hadden zich zoo vele traineurs opgedaan, die zich op de nakomende korpsen verlieten en tot deze aankwamen eenige rustdagen meenden te verwerven, dat men deze wanorde op alle wijze moest tegengaan. Hij reed dus achter de lange rij van wagens, die deels levensmiddelen en gewonden medevoerden. De overtollige munitiewagens en vele andere, die den tocht hinderden, had men reeds verbrand en de paarden voor de kanonnen gespannen. Want ofschoon het weder helder bleef, ijzelde het iederen nacht, en dan kon men met de slecht beslagen, ongescherpte paarden zelfs kleine hoogten nauwelijks meer opkomen, zoodat de kanonniers zich zelve mede voorspanden, om de hun toevertrouwde wapenen, waaraan zij, even als de regimenten aan hunne adelaars, hunne eer verbonden, niet te moeten achterlaten.—Met moeite bereikte men het bivak, waaruit men, na eene door honger en koude gestoorde nachtrust, nog in den donker weder opbrak.—De aankomende dag vertoonde een beklagenswaardig schouwspel. Eene menigte manschappen was uit krachteloosheid achtergebleven; het was onmogelijk hen in het gelid te houden. Daarbij werd de weg slechter en de slecht gevoerde paarden sleepten zich met moeite voort. De colonnes rukten bijzonder langzaam voort. Er werden al meer en meer paarden tot het vervoeren van het geschut vereischt. De keizer gaf bevel, van alle bagagewagens, zelfs van die der hoofdofficieren, de helft der voorgespannen paarden te nemen, om ze voor de kanonnen te spannen. Daar op die wijze de reeds te groote last door het halve span niet meer vooruit te brengen was, moest deze in gelijke mate verminderd worden. Men zag derhalve alles, wat zich van ontbeerlijke werktuigen en zelfs kunstwerken op de wagens bevond, als een nuttelooze ballast wegwerpen en wat zich daarvan verbranden liet, door vuur vernietigen.
Toen Rasinski naast Jaromir bij een dezer nog vlammende brandstapels voorbijreed en zij hunne paarden moesten afwenden, om niet in de scherven van kostbare porseleinen serviezen te trappen, welke men onvoorzichtig midden op den weg had geworpen, zeide hij tot dezen: „Herinnert gij u het voorval dicht bij Moskou nog, waar die wagen geplunderd werd? Had ik geen gelijk met te zeggen, dat die man de gelukkigste van allen was, daar men hem de nuttelooze zorg voor zijne rommelzoô het eerst ontnomen had?”
„Dat wel,” hernam Jaromir, „doch wie ziet dit in? Geluk en ongeluk, berusten ze niet in onze eigen harten? En wanneer wij ons door den schijn laten bedriegen, is dat niet hetzelfde, alsof wij door de waarheid lijden! Mij zelf is het reeds menigmaal voorgekomen, alsof wij eerst later inzagen, wat gelukkige of ongelukkige voorvallen voor ons zijn. Bij onzen eersten aanval in den slag bij Mosaisk rukte mij een kogel de pluim van het hoofd. Ik prees mij gelukkig, dat hij mij niet een voet breed lager getroffen had. En toch zou het mijn geluk zijn geweest, want als mij nu of later dat lot treft, wat heb ik dan gewonnen, dan eenige dagen van kwelling? En evenwel gevoelde ik mij in die oogenblikken werkelijk gelukkig. Wat is nu waarheid, wat valschheid in onze gedachten?”
„Het tegenwoordige behoort ons ten minste zeker,” zeide Bernard, die naast Jaromir reed. „Doch ook dat niet,” voegde hij er snel bij, „want toekomst of verleden kunnen het vergiftigen. Maar juist daarom, wijl ons niets behoort, behoort ons alles. Waar geen gebieder is, heerscht hij, die heerschen wil, en wat onze wil ons geeft, behoort ons.”
„Ik geloof toch niet, dat gij gelijk hebt,” merkte Boleslaw aan, „want hoe gering is de macht van onzen wil tegen de hoogere machten.”
„Dat is zekerlijk de eindelijke grenspaal van ieder mensch,” zeide Lodewijk; „maar dit geldt toch ook slechts tot aan een zeker punt. Ik geloof niet, dat Bernard staande zal willen houden, dat er geen geluk of ongeluk bestaat, maar dat de mensch zich alles zelf maakt; maar gelijk heeft hij, wanneer hij gelooft, dat er buiten het geluk, laat het het schoonste, het edelste zijn, hetwelk deze aarde aanbiedt, nog iets hoogers is, dat ons machtig kan ondersteunen, wanneer smart of vreugde ons overmeesteren. Zoo kent de schipper boven de zon, die hem een heldere vaart geeft of weigert, nog de eeuwige sterren, naar welke hij opziet, wanneer de aarde in duisternis ligt gedompeld.”
„Zeer waar,” zeide Bernard en schudde zich eens ter deeg, daar de herfstwind hun juist onzacht tegen woei; „maar de eeuwige sterren zijn koud en geven ook niet bijster veel licht. Men komt licht op klippen, wanneer men den neus naar haar uitsteekt.—Gelooft evenwel niet, dat dit eigenlijk mijne philosophie is; ik heb slechts die, er geene andere te hebben, dan welke ik telkens van de omstandigheden leen. Zoo bijvoorbeeld nu, daar wij allerlei rommel zien verbranden, neem ik de leer aan dat men aan zulk een rommel zijn hart niet moet hechten. Daarentegen zou ik, wanneer ik hier ergens een gevulden bakkerswinkel zag, dadelijk bewijzen, dat hij meer waard is, dan alle schatten van Croesus.”
„Hebt gij honger?” vroeg hem Jaromir; „hier is nog brood, dat ik bij mij heb gestoken. Ik eet zeer weinig.”
„Neen, mijn waarde,” hernam Bernard en weigerde het geschenk, „gij weet dat ik even goed ontbeten heb als gij allen. Mijne vergelijking was in de ziel van het gansche leger gedacht.”
„Tot Smolensko, hoop ik,” zeide Rasinski, „zullen wij er ons, ofschoon met moeite, doorslaan. Daar zijn magazijnen.—Maar luistert! Was dat geen kanonschot? Waarachtig! nog een, een derde! Het geluid komt van den kant van Wiasma!—Zouden de Russen er zijn?”
Allen luisterden met spanning naar de doffe, verwijderde schoten, die de stilte van den vroegen morgen afbraken.—Doch spoedig werd het weder stil; men hoorde niets meer. Ondertusschen was Rasinski bezorgd geworden. Tot hiertoe had men slechts de moeielijkheden van een langen, lastigen marsch te overwinnen gehad; doch was de vijand nagerukt en tastte hij met frissche krachten het uitgeputte leger aan, dan kon men niet voorzien, hoe men het geheele verderf zou ontkomen. Het stelde hem niet gerust, dat het schieten weder ophield; want daar hij de wijze van vechten van het russische leger kende, was hij overtuigd, dat ten minste een troep stoutmoedige, snelle kozakken de achterhoede had aangevallen, die wel spoedig kon teruggedreven zijn, maar niettemin bewees, dat het groote leger niet ver meer af was.
Nadenkende over de gevolgen, welke een ernstige aanval konde hebben, reed hij zwijgend voor de zijnen uit. „Bliski,” riep hij na eenige minuten een zijner ruiters toe en wenkte hem, nader te komen.
Bliski reed in krijgsmanshouding naar zijn overste en vroeg, wat zijn verlangen was.
„Gij zijt lang in Rusland geweest, Bliski,” begon Rasinski; „kent gij de wegen tusschen Malo-Jaroslawez en Smolensko volkomen?”
„Dat zou ik denken! Ik heb ze wel dertigmaal met de kibitki gemeten,” antwoordde de vroolijke krullekop levendig en met een zekeren trots, dat zijn aanvoerder bij hem om raad moest komen.
„Hoe verre rekent men van Malo-Jaroslawez naar Wiasma over Medyn?”
„Ten minste eene, zoo geen twee dagreizen nader, dan de weg, dien wij genomen hebben.—Als de kozakken lust hadden gehad, moesten zij ons reeds van Wiasma tot halverwege Gjaz te gemoet zijn gekomen.”
„Zoo meent gij?” vroeg Rasinski glimlachend en verheugd over het vlugge verstand van den knaap, die de bedoeling van zijne vraag spoedig inzag.
„Bij de Heilige Maagd, overste,” hernam Bliski levendig, „ik heb mij verwonderd, dat het niet gebeurd is. Maar wij zouden ze geraakt hebben! Ik had mijn sabel expres geslepen; want ik ben nog in hunne schuld wegens den houw hier over mijn linker oog en den steek in mijn arm! Nu, wie weet het, misschien ontmoeten wij elkander bij Dogorobuye.”
„Waarom daar?” vroeg Rasinski, ofschoon hij zeer goed wist waarom.
„Omdat daar de groote weg van Kaluga dien van Smolensko kruist. Ik denk, wij zullen wat te doen vinden.”
„Wenscht gij het?”
„Wanneer mijn paard en ik tot zoover goed gevoerd worden, zal mij niets liever zijn; maar het ziet er niet naar uit. Zie maar eens, overste, hoe het arme dier het vleesch van de ribben valt, en de heupbeenderen steken hem uit, dat men er zijne chakot aan zou kunnen ophangen.”
„Troost u, Bliski, wij leven ook niet in overvloed,” sprak Rasinski vriendelijk.
„Ei wat,” riep Bliski, „om mij zelf geef ik niet; want een vette ruiter is de dood voor het paard, zooals wij bij ons in het wooiwoodschap Sendomir zeggen; maar mijn paard zie ik even ongaarne gebrek lijden, als ik mijne sabel ongeslepen en mijne pistolen zonder steen zie. Kan men zich niet meer op een flink ros verlaten, dan is de gansche ruiter niets meer waard. Niet waar, oude?” Hierbij bukte hij zich en klopte zijn paard vriendelijk op den hals.
Rasinski had weinig naar dit gepraat geluisterd, wijl de gevaarlijke toestand des legers zijne gedachten te ernstig bezighield.—„Hoe ver rekent men van Kaluga naar Dogorobuye?” viel hij Bliski in diens aanspraak aan zijn paard in de rede.
„Het zullen wel omtrent honderd en twintig wersten zijn.”
„En is de weg goed?”
„Dat ligt aan het weer; tegenwoordig denkelijk zooals hier; op de hoogten dragelijk, in de diepte moerassig. Maar als het sneeuwt, is het de beste sledebaan in het gansche keizerrijk.”
„Nu, naar sneeuw ziet het er nog niet uit.”
„Wie weet het, overste? Het jaargetij is er, de vrucht wordt rijp, zoo zeker als de pruimen in den herfst.”
„Goed, goed, Bliski; rijd nu maar weer naar uwe kameraden terug; ik weet nu al, wat ik weten wilde. Gij kent den omtrek en zult niet verdwalen, wanneer ik u noodig heb.”
„Vrees daarvoor niet,” riep Bliski met levendige oogen; „ik vind den weg van hier naar Madrid.” Daarop reed hij weder bij zijne kameraden in het gelid.
Daar thans de weg een hoek maakte en de boschjes ter zijde ophielden, zag men eenige honderden schreden vooruit een zwart gewemel van menschen, die aan de zijde van den weg druk bezig waren. Tegelijk zag men wagens het veld inrijden.
„Daar zal het weer een vuurtje geven,” zeide Rasinski tot zijne vrienden.
„Het is ook noodig, de kanonnen nog sterker te bespannen, want zij komen niet van de plaats.” Het loopen en de beweging nevens den weg hield de blikken der ruiters voortdurend geboeid. De zon scheen helder; plotseling werd haar beeld midden uit de zwarte massa der verzamelde menschen schitterend teruggekaatst.
„Dat is het kruis van den heiligen Iwan!” riep Bernard, die zich dadelijk het voorval bij Moskou herinnerde. Met gespannen verwachting volgde men nu alles, wat op dat punt voorviel.
Daar de weg tegen eene hoogte opliep, overzag men spoedig het geheele veld. Een klein meer werd ter zijde zichtbaar. Rondom dat meer was eene rij van wagens bijeengereden, bij welke ontelbare menschen bezig waren met afladen. Anderen spanden de paarden af en voerden deze terug op den grooten weg.
Als men nader en nader kwam en de voorwerpen duidelijker kon onderscheiden, zag men, dat de in Moskou buit gemaakte tropeeën, die als teeken der overwinning bestemd waren, om door de bewoners van Parijs bewonderd te worden, hier in het meer bedolven werden. Prachtige sieraden van erts, aan die oude trotsche paleizen der grijze czarenstad ontrukt, vreemde kanonnen, welke Rusland in zijne oorlogen met het oosten veroverd had, eindelijk zelfs dat schitterende kruis van den heiligen Iwan werden hier in de moerassige diepten van den troebelen vloed begraven.
Alzoo bleef het heiligdom toch op zijn vaderlandschen bodem! De proef om het weg te rukken was niet gelukt. De beschermende goden en heiligen van het land hadden het niet verlaten; ja, met smaad moest de vijand het bezit opgeven en bekennen: gij waart machtiger dan ik in mijn overmoed.
Met siddering zag Jaromir het reusachtige gouden kruis in de golven nederzinken. Hij dacht aan de zonderlinge voorvallen, welke hij bij het afnemen te Moskou beleefd had. Hadden die duistere voorteekens gelogen of profeteerden zij waarheid. Beginnen de vloeken en verwenschingen, welke het volk over de schennis van zijne heiligdommen luide had uitgestooten, hunne vervulling te genaken? Zal het vrijwillig opgeven van den buit den toorn der beleedigde huisgoden van dit land verzoenen?
Gelooft gij dat deze zoen toereikend is? Ziet gij niet, hoe vertoornd de zwarte golf opstijgt, nadat zij het gouden heiligdom in haar schoot verborgen heeft? Zij ruischt en kookt als van geheime machten bewogen, en in haar doffer slaan tegen den oever klinken murmelende tooverwoorden! Waanzinnigen, hebt gij met de heilige teekens dan ook de vloeken van u geworpen, welke de heiligschennende roof tegen u opriep? Deze zijn niet mede verzonken in de diepten dezer wateren, maar zij zullen weder opstijgen als uit een kokenden tooverketel en u als gevleugelde harpijen met giftigen adem vervolgen. Ziet gij niet hoe de zware, doffe mist uit dezen modderpoel opwalmt, waarin gij het heilige kleinood hebt doen zinken? Opstijgen zal hij tot den hoogen, helderen hemel en zich tot een schrikkelijk onweer saampakken, om zich boven uwe hoofden te ontlasten. Reeds verduistert de zon! Ziet wel toe! Gij ziet haar niet weder, zooverre Ruslands volkeren voor het beeld van den heiligen Iwan knielen. Verborgen zal u haar zuiver aanschijn blijven, totdat de laatste van ulieden uit deze grenspalen verjaagd is, indien er één van u ze levend bereikt, om het verderf der overigen te huis te verkondigen! Want vervolgen zal u de hand des Almachtigen, zoolang gij op dezen bodem wandelt, welken gij met heiligschennende voeten betraadt, waar gij met roovershanden ingebroken zijt in het heiligdom des geloofs, des vaderlands, des huisgezins! Daarom ontsluiert zich het oog des heelals donker, vreeselijk! Bloedig rood slechts zal het u nog tegengloeien door de grauwe nevels, met welke de hemel zich thans dreigend bedekt.
Nu rust het kruis van Iwan weder op zijn vaderlandschen bodem! Ontrukt is het aan de schendende handen der verwatenen! Thans zal het zijne oude beschermende kracht openbaren, en de volken van dat onmetelijke rijk om zich heen verzamelen. Zij stroomen aan van de oevers van den Don en de Wolga, uit de wouden van het Uralgebergte, uit de steppen van Azië, de sneeuwwoestijnen van de pool, van de oevers der Witte en der Zwarte Zee. In duizend drachten en tongvallen, gewapend met zwaard en lans, met knods of met pijl en boog stroomen zij nader. Geen wapen, dat niet tot uwe verdelging wordt opgeheven, geene taal waarin de volken niet wraak over u roepen. Wee, wee u! Het uur des noodlots heeft geslagen. Gelukkig moogt gij ze noemen, die gevallen zijn, eer zij dezen dag behoefden te zien.
HOOFDSTUK VI.
Een ruwe, snerpende wind verhief zich tegen den avond. Hoe dicht zich de vermoeide krijgslieden ook om de vuren legerden, doch verkleumden hun bijna de ledematen daar, waar zij niet naar de vlam waren toegekeerd. Met verlangen werd naar het morgenrood, als het einde dezer kwelling, uitgezien. Eindelijk klonk het geluid der trommels en trompetten tot opbreken. Doch juist thans eerst had de slaap aangevangen, de overmacht op koude en honger te verkrijgen, en nu moesten de door marschen en honger oververmoeiden zich met geweld oprichten. Velen waren zelfs door sterk schudden en roepen niet in beweging te brengen, zoo verlamden koude en vermoeidheid hun de leden. Als zij eindelijk op hunne voeten stonden, wankelden zij met weigerende knieën eenige treden voort, doch vielen bij de geringste oneffenheid van den grond tuimelend, als verdoofd, weer neder.—Rasinski trad op eene hoogte, van waar hij zijne wachtvuren overzag. „Hier heen, kameraden,” riep hij met vaste stem, „hier heen, verzamelt u om mij, op, op, te paard!” Hem zelf deed de nachtvorst ook nog bibberen, doch, om den moed zijner manschappen aan te wakkeren, bedwong hij met vaste wilskracht de vermoeide natuur.
Zoodra de plaats tot aantreden door vele aangekomenen genoegzaam was aangeduid, ging hij bij de wachtvuren rond, waar eenige talmers en zwakken nog achterbleven, en sprak hun moed in. „Houdt moed, mijne jongens! De nacht was bar, maar de dag zal beter zijn. Wanneer gij maar eerst in beweging zijt, zult gij ook wel weer warm worden. Het ontbijt was schraal, maar ik heb het eerlijk met u gedeeld en gij ziet, ik ben wel te moede. Verliest slechts den moed niet; hij, die het eerst wanhoopt, is het eerst verloren. Wij hebben immers reeds menig boozen dag te zamen doorleefd; waarom laat gij dan heden den moed zakken? Een Pool wanhoopt nooit!”
Zoo hen toesprekend, ging hij door de gelederen; zijn woord, ja zijn blik alleen reeds deed den gezonken moed der manschappen herleven; spoedig zaten allen te paard en begonnen den marsch.
„Het zal van daag laat licht worden,” zeide Bernard tot Lodewijk; „de hemel moet dik met wolken bezet zijn, want er is geen ster te zien.—Hoe is u de nacht bekomen?”
„Het was hard; maar men leert iederen dag meer uitstaan,” antwoordde Lodewijk.
„Ik geloof ook, dat de mensch een plant is, die lichtelijk aan alle luchtstreken gewent. Wij rukken heden, dunkt mij, de koude in; ten minste als ik mijn rug, die van nacht naar de windzijde lag, tot thermometer neem, moeten wij sterk onder het vriespunt gedaald zijn.—Mijn lijf en gezicht daarentegen hebben den ganschen nacht in de verzengde luchtstreek gelegen.”
„Pas toch op uwe oogen, mijn vriend; reeds onlangs hebt gij er over geklaagd,” hernam Lodewijk met goedheid.
„Wat wonder! Ik heb ook nooit gehoord, dat rook van groen hout en de helle schijn van het vuur een conservatief voor de oogappels waren.—Intusschen is het waar, mijne oogen zijn in zeker opzicht mijne schaafbank, mijn ploeg, ja zelfs nog iets beters, de werktuigen namelijk, waarmede ik den honig uit het leven zuig, dat anders, evenals de lindebloesem, die toch na de kruiken uit het dal van Chamouny den besten honig absorbeert, misschien een beetje bitter zou smaken.—Maar zijn uwe oogen u dat ook niet?”
„O zeker,” zeide Lodewijk weemoedig, want hij dacht aan de liefelijke gedaante zijner beminde; „doch voor u is het kleinood toch nog dierbaarder.” Hierbij legde hij zijn vriend de rechterhand op den schouder, liet ze langs zijn arm afglijden en vatte zijne hand, welke hij met innigheid drukte.
„De wind is verduiveld scherp!” riep Bernard wrevelig uit, om zijne aandoening voor den vriend te verbergen.—„Ik ruik zoo iets alsof er sneeuw in de lucht steekt.”
Inderdaad woei er een scherpe, snijdende noordwesten wind hun vlak in het gezicht. Na een uur had hij het gelaat reeds tot smartens toe koud gemaakt en nog scheen hij heviger te worden.
Eindelijk brak de dag aan; doch wat hij liet zien, kon het stille, akelige van den nacht slechts vermeerderen. Dichte, zwarte wolken trokken langs den hemel en schenen met ieder oogenblik lager te drijven. De nevel streek reeds over de dennenbosschen, die langs den heirweg zich uitstrekten, ja raakte reeds de toppen der hoogste boomen aan. Al lager en lager daalde zij neder.
„Er is hoop, dat wij een helderen dag krijgen,” zeide Lodewijk tot Rasinski.
„O ja,” zeide deze ras en stellig, maar hij geloofde het tegendeel, daar hij het onderscheid tusschen een duitschen en russischen winter kende.
De dampen vielen niet in droppels ter aarde; zij zonken niet voor de opstijgende zon neder, om een helderen dag voort te brengen, maar zij werden dichter en dichter en zweefden, langzaam in het rond dwarrelend, in de lucht. Eenigen tijd werd het geheel windstil; doch in deze weinige oogenblikken nam de koude aanmerkelijk toe, en daarop verhief de wind zich weder met nieuwe kracht en streek met ijskoude vleugelen over hen heen. Plotseling scheen het, alsof de zwevende dampen verdwenen en in een dichten rijm nedervielen. Uit hoogere luchtgewelven vielen enkele sneeuwvlokken neder, en eer men nog tijd had gehad, zich over deze snelle, zeldzame verandering te verwonderen, scheen de geheele dampkring in sneeuwvlokken opgelost, die door den wind gedreven, dwarrelend en jagend de geheele atmospheer vervulden.
Met ontzetting zag de soldaat zich plotseling door den winter overvallen. Als had hij arglistig eene hinderlaag gelegd, zoo stoof deze van alle zijden nader en wierp het onmetelijke net over zijn buit heen. De sneeuw viel zoo dicht en scherp, dat men ze op de wang als het ware voelde steken, tot deze in verkleumende verstijving gevoelloos werd. Met stommen schrik togen de scharen der krijgslieden voort. Het vaste land scheen in weinige oogenblikken in eene beweginglooze, ongebaande en onbegrensde zee veranderd. Hoe zou zich een uitweg uit deze woestenij opdoen, waar men geene zon, geen afgelegen bergtop of toren ontdekken, geen weg voor zijne voeten zien kon? De krijgslieden, die sinds twintig jaren van de piramiden van Egypte en de woestijnen van Syrië tot aan den mond van den Taag, van de gebergten van Calabrië tot aan de golvende Belt, van de Pyreneeën tot aan den voet van het Uralgebergte over de aarde waren getogen en overal het gevaar een trotseerenden blik hadden getoond, gevoelden thans voor de eerste maal het koude spook der ontzetting in hunne borst en staarden met een vreesachtig voorgevoel naar omhoog, in den dwarrelenden baaierd boven hunne hoofden, van waar de vlokkige wolken uit onafzienbare hoogte als een zwartachtige zwerm insecten nederstoven. Het met sneeuw bedekte en met geheimzinnige snelheid geweven lijkkleed overtoog de geheele oppervlakte in het rond, en wat het aanraakte scheen de dood voor eeuwig te verstijven.
Gelijk een zich steeds vernieuwend tooverweefsel breidde het zich voor de voeten uit en wikkelde iederen tred in de arglistige strikken zijner fijne draden. Geen ijzeren, onverbreekbare boeien legde het om den voet, maar het putte, door de duizendmaal herhaalde poging om den lichten band te verbreken, de krachten uit. De foltering was langzaam, maar het offer zeker; het stortte niet neder onder een verpletterenden knodsslag, maar zonk langzamerhand onder een last ineen, die, van seconde, slechts bij atomen aangroeiende, eindelijk toch de maat van iedere kracht overtrof.
Bernard trachtte den stommen schrik, dien hij in zijn eigen boezem ondervond en op het gelaat van al zijne kameraden las, weg te schertsen. „Ik wenschte wel, dat het sprookje in Herodotus waar was,” zeide hij, „dat in Scythië zich de lucht dikwijls door neervallende vederen zoo verdikt, dat een ruiter de ooren van zijn paard niet meer zien kan. Het ware niet kwaad voor het bivak, wanneer wij het eiderdons gereed vonden, om ons een warm nest te bezorgen.”
Rasinski, die ernstig bleef, maar in zijne trekken de vaste, moedige houding niet verloor, verheugde zich, dat Bernard hem in zijne poging, om eene rustige stemming onder het volk te houden, te gemoet kwam. „Hebben de ouden dat waarlijk geloofd?” vroeg hij glimlachend.
„Herodotus?” hernam Bernard, „niet zoo geheel en al, ten minste was de oude stroosnijder de waarheid wel wat op het spoor. Hij vermoedt, dat het wel sneeuw zou zijn, waarvan de Thraciërs vertelden, want hij had het ook eens zien sneeuwen.”
„Eenmaal! Die gelukkige Ioniër!” riep Lodewijk bijna onwillekeurig uit.
„Het is mij toch zoo aangenamer,” zeide Rasinski opzettelijk luid; „ik zou slechte soldaten hebben, wanneer het eiderdons sneeuwde. Dat zoude ons Capua zijn. Met de soldaten die zich door de sneeuw der Alpen eene baan gebroken hadden, sloeg Hannibal de Romeinen van den Ticinus tot aan Cannae.”
„Nu, Capua hebben wij vooreerst nog niet te vreezen,” liet Bernard zich ontvallen; „het ziet er hier naar geen oranjeboschjes uit.”
De sneeuwmassa werd ondertusschen met iedere minuut dichter. Niet tevreden met die hij uit de wolken nederschudde, joeg de storm haar ook van den grond op en sloeg ze zoo den soldaten in het gezicht. Van alle vlakten en hoogten dreef hij de dwarrelende kolommen aan en vulde de groeven en lage plaatsen, door welke de weg heen liep.
„Men zou toch denken, dat zoovele duizenden zich spoedig eene vaste baan moesten maken,” zeide Lodewijk; „doch hier vinden wij vóór ons geen spoor en achter ons laten wij er geen terug, zoo snel verwaait de storm het en verdwijnt het onder de altijd vallende sneeuw.”
De trein stopte. Eerst dacht Rasinski, dat het slechts een oponthoud van eenige minuten zouden zijn, zooals dit bij lange marschcolonnes dikwijls voorvalt. Doch spoedig bemerkte hij, dat er een ernstiger hinderpaal moest zijn, want de stilstand duurde al langer. Een adjudant kwam eindelijk op zijn afgemat paard met moeite door de sneeuw galoppeeren en sprak Rasinski aan: „Overste! ik breng u de order, dadelijk de helft uwer paarden uit te leveren, om ze voor het geschut te spannen. Het kan niet meer voorwaarts in de diepe sneeuw. Voor ons ligt een holle weg waar de storm haar ter manshoogte opeen gewaaid heeft. De sappeurs moeten ons eerst baan maken.”
„De cavalerie moet afzitten?” vroeg Rasinski met verwondering, ja verbazing.
„Het is eene harde noodzakelijkheid, maar de order gaat over alle regimenten. Zelfs de garde moet afzitten en te voet gaan. Zadel en gepak blijven op de paarden; de manschappen kunnen hen geleiden.”
Rasinski begreep, dat hij niet weigeren mocht, doch het koste hem een zware strijd, zijne manschappen, zoo ongewoon aan het gaan, van hunne paarden te berooven. Echter liet hij van deze gevoelens niets merken en behandelde dit geval, als alle andere, met ernst, maar als iets zeer gewoons. Zonder dralen kommandeerde hij: „Eerste en tweede escadron met sectiën rechts zwenkt! Marsch!” en liet hen ter zijde van het regiment uit nevens den weg rijden. Thans zwenkten zij met halve sectiën in colonne en volgden onder Rasinski's aanvoering den vooruit rijdenden adjudant. Zij moesten hunne paarden twaalf aan twaalf voor de kanonnen der naaste batterij spannen, wat trouwens in den nood slechts met touwen en slechte borstzeelen kon geschieden. De manschappen gingen er te voet naast. „Gij doet heden het werk, morgen zullen uwe kameraden het doen,” zeide Rasinski. Bernard en Lodewijk behoorden tot het eerste escadron; zij zouden dus hunne paarden ook moeten gegeven hebben; doch daar Rasinski hen voor zijn ordonnancedienst bestemd had, behielden zij ze. Beiden echter gevoelden, dat de tijd, waarin eene uitzondering mogelijk en geoorloofd was, voorbij was. Het strenge gebod van den nood, die allen gelijk maakt, was begonnen te heerschen. Nog eenige zulke dagen, en er zouden nog slechts kameraden, geene officieren en soldaten meer zijn. Zij reden daarom op Rasinski toe en verzochten hem in het lot hunner kameraden te mogen deelen.
„O, wanneer ik het u besparen kon,” zeide deze. „Doch morgen moet gij doen, wat gij heden wilt; daarom hebt gij gelijk.”
Zij reden daarop ook naar het hoofd der colonne en meldden zich bij den artillerie-officier, die de paarden voor een houwitser liet spannen, wiens ellendig, hoogst vermoeid voorspan de hulp het meest behoefde.
Op deze wijze werd het mogelijk, de artillerie vooruit te brengen; maar toch nog met de grootste moeite, want de raderen zonken tot aan de assen in de sneeuw, die in eene taaie massa veranderd was, daar zij zich met het zand van den grond vermengd had en zich nu vast pakte. Zweepslagen en vloeken klonken door de lucht. Voor menig stuk zag men twintig, ja dertig paarden, en toch moest de kracht der menschen de vermoeide dieren nog te hulp komen.
Zeer langzaam rukte de zwaar bewegelijke massa voorwaarts. Niet alleen aan de artillerie lag het, maar menschen en paarden geraakten in de immer dieper wordende sneeuw evenzeer uitgeput. Na weinige uren was de grootste afmatting reeds daar. De orde in de regimenten verdween, naarmate de manschappen met uitgeputte krachten achterbleven. Spoedig marcheerden velen niet meer op den weg, deels wijl men dien in de sneeuwjacht verloor, deels wijl ieder trachtte een beter pad te vinden. Zoo dikwijls zich daarom eene hoogere plaats opdeed, waar de storm het veld van sneeuw gereinigd had, drongen de massa's daarop aan, om ten minste eenigen tijd eene kleine verlichting te hebben. Doch door velen werd deze schrikkelijk geboet. Want achter de hoogten volgden dikwijls diepe aardkloven of ten minste steile hellingen, die, door de sneeuw bedriegelijk gevuld, met den effen grond gelijk schenen te zijn. De krijgslieden stortten plotseling tot aan den buik, tot aan de schouders daarin; anderen volgden, wijl het koude stuiven der vlokken hen verblindde, onwillekeurig na en stortten over hunne kameraden heen of drukten hen nog dieper in hun koud graf ter neder. Zoo zag men dikwijls drie, vier menschen plotseling over elkander heen vallen en in de sneeuw verdwijnen. Weinigen werkten er zich uit op; de meesten begaven de krachten; het geweer of het wapen, waarmede zij zich wilden helpen, ontzonk aan hunne verstijfde handen; zij wilden eenige oogenblikken rusten, om adem te halen. Dan verlamde de koude hunne leden, zij riepen wel met stervende stem om hulp, maar niemand hoorde hen in het geloei van den storm, of de eigene ellende der meesten was reeds zóó hoog gestegen, dat zij, als bij eene schipbreuk, slechts om hun eigen behoud dachten. De eerste offers, die op deze wijze vielen, vervulden de ziel met pijnlijken weemoed; maar toen het aantal vermeerderde, toen dit bij de invallende duisternis tot honderden, tot duizenden steeg, toen verstompte de scherpe smart en slechts nog een medelijdende blik trof hen, die in de koude en gruwelijke omarming verstijfden en te vergeefs de handen om hulp uitstrekten. Stervend wendde zich hun blik naar het vaderland, naar hun voorbijtrekkende kameraden; nog een zachte zucht ontglipte hunne borst, dan dekte de nacht hunne oogleden en hun lijden was voorbij.—Anderen zonken van afmatting en verstijving ter aarde, ook zonder in die bedriegelijke kuilen te storten. Een licht omhulsel werd hun graf, de voortdurend vallende sneeuw bedekte hen met haar lijkkleed. In het begin duidde nog eene lichte ophooging de plaats aan, waar de doode lag, doch spoedig herstelde zich de eenvormige woestijn en ieder spoor van zijn aanwezen was verdwenen.
Thans werd het volkomen nacht; doch geen lichtende ster verhelderde dien, slechts duisterder nog omhulde zich de hemel en stortte voortdurend het ijskoude verderf over de aarde uit. De storm verhief zich ruwer, kouder. Het oog onderscheidde nauwelijks nog het pad voor de naaste voetstappen; wie zich ter zijde begaf, wie terug bleef, verdween in de diepte van den nacht; struikelde zijn voet, zoo verzwolg hem de onafzienbare sneeuwwoestijn. Geen vriend, geen kameraad roept hem een afscheidsgroet toe; geene hand strekt zich naar hem uit. Vergeefs haakt de stervende borst naar zijne gelieven, naar zijn vaderland. Niet om ze gelukkig te bereiken, want tot deze stoute hoop heeft het hart geene kracht meer; slechts een laatsten liefdegroet mocht hij zoo gaarne ontvangen, slechts niet zoo vreeselijk alleen in de akelige omarming des doods verstijven!
Te vergeefs! Uw brekend oog staart vruchteloos naar den hemel, het krampachtig beven uwer stervende borst roert hem niet meer! Doof is hij voor het jammeren der vertwijfeling, doof voor het smeeken van den doodsangst. Vloeken en gebeden kaatsten even machteloos van zijn ijzeren gewelf terug. De poorten der genade zijn gesloten; het gigantische rad der vergelding rolt verpletterend over de aarde.
HOOFDSTUK VII.
Voor en in Dogorobuye betrok het leger na dezen vreeselijken dag het bivak. Met verlamde en verkleumde ledematen bereikten de krijgslieden de rustplaats; hunne kleederen waren doornat geweest en toen door de strenger geworden nachtvorst op het lichaam bevroren. Open geschuurd aan armen en beenen, werd hun iedere voetstap tot pijniging. En thans moesten zij eerst de moeielijke voorbereidingen tot het bivak maken, hout, stroo en voeder voor hunne paarden, levensmiddelen voor zich zelven bijeenbrengen. Door zijn aanzien en zijne onvermoeide werkzaamheid was het Rasinski wederom gelukt, een ellendig huis te bezetten, dat ten minste de helft zijner manschappen onder dak bracht. Hij zelf bleef in de open lucht. Door woorden en voorbeeld moedigde hij de vermoeiden aan, nog spoedig het geringere dagwerk te doen, hout te kappen, te koken, eene plek van de sneeuw te zuiveren tot eene legerstede. Doch met diepe smart zag hij, dat hem vijftien zijner manschappen ontbraken, die eerst, toen het volkomen duister was geworden, verloren waren geraakt. Nauwelijks mocht hij hopen, dat zij nog terecht zouden komen. Bovendien waren er op dien eenen dag drie en twintig paarden nedergevallen! Hoe moest dit eindigen! Doch hoe donker de toekomst voor Rasinski's blikken lag, des te machtiger ondervond hij de noodzakelijkheid, om het tegenwoordige een helder gelaat te vertoonen en het moedig tegen te treden, opdat zij, die bestemd waren, om hun moed uit den zijnen te putten, niet te vergeefs het oog op hem zouden richten. Hij sprak hun vriendelijk toe, troostte, vermaande tot orde en onversaagde werkzaamheid.
De vaste, geruststellende toon zijner woorden, hunne onloochenbare waarheid, het heldere voorhoofd, dat hij bewaarde, gaven de hoop zelfs aan den moedelooste weder.
Hij liet het echter niet bij woorden blijven, maar paarde daarmede daden en gaf zijne korte, bestemde bevelen. „Zuivert deze plaats hier van de sneeuw. Die aarden wal zal ons tegen den wind dekken. Daar ginder aan den hoek van dat bosch moet hout gekapt en bezems gebonden worden, om de sneeuw weg te vegen. Jaromir, neem twintig man en ontvang hooi en haver; bij het hoofdkwartier der cavalerie zal eene uitdeeling worden gedaan.—Gij, die te voet geloopen hebt, rust in dit huis uit, het zal u bergen, wel wat nauw, maar daarvoor zult gij elkander verwarmen.”
Deze bevelen werden stipt uitgevoerd. Slechts Lodewijk en Bernard snelden niet met de overigen naar de hut.
„Waarom legt gij u niet neer, mijne vrienden?” vroeg Rasinski dringend.
„Wij blijven bij u,” antwoorden beiden.
„Ontzeg ons deze aangename gewoonte niet,” voer Lodewijk voort; „uwe nabijheid, het vertrouwen op u geeft ons meer kracht dan dit dak. En wat gij dezen nacht kunt verduren, dat zal ons ook niet wegmaaien.”
Zoo wies de liefde, de trouw in den tijd van den nood. „Welaan dan, zooals gij wilt,” zeide Rasinski met aandoening; „doch gij zult dan altijd het hardste lot deelen, want gij weet, dat ik niets boven mijne manschappen vooruit wil of mag hebben.”
Reeds kwamen eenige manschappen met versch gekapt hout aan. Er werd een plek van sneeuw gezuiverd en een vuur aangestoken. Lang duurde het eer de vlam opsloeg, want het hout was jong en vochtig; doch na een uur was ook dit overwonnen, en daar door Rasinski's zorg nog eenige levensmiddelen voorhanden waren, welke hij zuinig, maar eerlijk liet verdeelen, zoo vond het vermoeide lichaam ook spoedig eenige verkwikking. Officieren en manschappen legerden zich in dicht gesloten rijen om het vuur, elkander met broederarmen omvattende en verwarmende. Zoo rustte Lodewijk aan Bernards borst en Rasinski lag met het hoofd op zijn schouder; aan de andere zijde lagen Jaromir en Boleslaw in elkanders armen. De vriendschap trotseerde den ruwen storm en de sneeuw van den winternacht en bracht haar heilig leven in de omringende verstijving over.
Lodewijk was ten uiterste afgemat; slechts de gedachte aan zijne verlatene zuster, aan hare ontroostbaarheid, wanneer hij mocht vallen, had zijn zwakker gevormd lichaam den moed ingestort, de ongehoorde inspanning te verdragen, waaronder hij dikwijls meende te bezwijken, en misschien ook bezweken was, zoo niet Bernard hem met zijn sterker gestel en veerkrachtiger ziel getrouw was op zijde gebleven. Doch, wanneer deze rampen zich herhaalden, wat dan? Met eene inwendige rilling wendde Lodewijk zich van deze voorstelling af. Zijn leven scheen hem in de akeligheden van een duisteren nacht ingeweven; doch daar zweefde uit den zwarten, donkeren achtergrond, waarin zijn oog zich verloor, hem het heilige beeld zijner liefde te gemoet.—Ja, zij zal uw beschermgeest zijn, dacht hij met verlevendigde kracht, zij, eene heilige, zal u troostend, reddend omzweven. Keerde zij niet reeds eenmaal het verderf van uw hoofd? O gewis, gewis is zij mij nabij!—Hij gaf zich met een zoet verlangen aan deze bedriegelijke verwachtingen over.—Zouden onze lotgevallen slechts daarom zoo raadselachtig ineengeweven zijn geworden, om eeuwig onopgelost te blijven? Neen, dat kan de Almachtige niet willen. Hij voert ons niet langs zijne donkere kronkelpaden, om ons midden in den doolhof te verlaten, maar om ons tot het wonderbare doel Zijner genade en wijsheid te leiden. De koude wet der natuur is niet zoo hardvochtig, dat het hare duizende kiemen en zaden slechts daarom zoude ontwikkelen, om ze in het opgroeien te verstikken; hoe zoude de eeuwige, heilige wet der Voorzienigheid dan zich zelve zoo gruwzaam honen! Neen, de dag zal aanbreken, die alles oplost; het uur moet slaan, in hetwelk de liefelijke gestalte u te gemoet treedt, u de hand reikt en met zoetklinkende stem zegt: De beproevingen zijn overwonnen; thans wenkt u het loon.
Maar hoe, wanneer het eerst aan gene zijde ware?—En waarom dan niet? Wanneer achter den onafzienbaren nacht, die ons omgeeft, de eeuwig heldere dag schittert, wanneer over het ondoordringbaar gewelf des hemels dat boven ons staat, reine, heldere sterren schijnen, duizenden van zonnen zwieren—hoe zou dan slechts de nacht onzer ziel onverlicht blijven? Moed, vertrouwen, vast geloof! En evenwel, hoe machtig bindt mij dit heilige leven hier op aarde, dat ik warm, lichamelijk, met zelfbewustzijn gevoel! Algoede Vader! O, zend Uwen zegen reeds in de aardsche borst neder, los de raadsels, in welke Gij ons hier laat wandelen, ook hier weder op! Laat dit hart niet breken in ongestild verlangen! Waarom moeten wij het met namelooze smart koopen? Ik lijd als een pelgrim dezer aarde, laat mij ook hier rust en lafenis vinden! Voor de wonderen der eeuwigheid is mijn boezem te eng. Geef mij, wat ik vermag te vatten. O, Gij zijt immers zoo rijk in zaligheid, dat Gij ons hier eene opgevulde maat kunt reiken en daar evenwel nog eene grenzelooze zee van verheerlijking voor ons uitbreidt! Gij geeft mij aan dit leven, en dit leven aan mij. Vader, is het dan een schuld mijns harten, wanneer ik met innige liefde aan zijne reinste genoegens hang?
Onder deze gedachten bekroop hem de meer verdoovende dan verkwikkende slaap. Doch de vermoeide natuur haakte gierig naar die karig verleende verkwikking.
Spoedig omving hem de droomgod en spon de bedriegelijkste droombeelden om zijne ziel. De woeste tooneelen van dezen dag schemerden hem nog voor de gesloten oogen. Zijn in halve bewusteloosheid wegzinkende geest vernam nog de naklanken van zijn waken. De wezenlijkheid versterkte ze. Zoo doolde Lodewijk ademloos, uitgeput, met geboeide voeten, welker looden zwaarte hij niet kon overwinnen, want de banden des slaaps en zijn liggen stremden de beweging der spieren, door diepe sneeuwvelden rond. De storm huilde om hem heen, want zijn oor vernam dien in den slaap, hoe hij over de toppen der boomen gierde, en scheurde wijdgapende kloven in den dwarrelenden oceaan van grauwe wolken, die hem omgaf. Wanneer de nevels zich verdeelden, meende hij van verre eene zonnige landstreek te zien schemeren, naar welke hij vol verlangen zijne armen uitstrekte.—Waar ben ik? Alleen in deze woestijn! Ach, thans zie ik het; het is immers de St. Bernard met zijne sneeuwvelden, waarop ik verdoold ben. Dezen helderen schijn moet ik volgen, dan bereik ik het schoone land aan mijne voeten.
Zoo fluisterde hem de stem in den droom toe, en de goedertieren God leende hem zijne vleugelen, om hem zacht naar die schoone beemden omlaag te voeren.
Thans wordt het mij licht om het hart; met deze wolk zweef ik naar beneden.—Gelijk zoo menigmaal in den droom, had hij natuurlijk, daar hij lag, het gevoel, alsof hij zachtjes van eene hoogte afzweefde. De nevel en wolkengedaanten verdeelden zich, de sneeuw verdween; Lodewijk meende op eene zachte, groene bergweide, langs een rotsachtig dal, te wandelen.—O, Goddank, dat ik mij uit deze wildernis weder op het goede pad bevind! Daar achter mij ligt immers het hospitum op de besneeuwde hoogte; hier daal ik naar Aosta af. O gij lieve, aanminnige, waarom vliedt gij voor mij? Ik zie immers uw groenen sluier fladderen; ik heb u immers reeds lang herkend! Bianca! Bianca! Waarom wacht gij mij niet? Waarom wilt gij, gelijk toen, immer verder en verder heentrekken!—Daar wendde zich de edele gestalte der geliefde om en zij sloeg den sluier op en zag hem liefelijk glimlachende aan. Ik ben u immers zoo nabij! Een droom kwelt u, dat gij mij zoo roept. Ziet gij het bekoorlijk landschap niet om ons heen? Vat moed, zet u bij mij op deze bank bij de hut. Ja, mijn geliefde, hier willen wij wonen, hier is het huiselijk en stil. Zie slechts hoe de wijngaard zich om het venster slingert en de breede kastanjeboom, die zijne takken wijd over het dak uitspreidt!
Als een lentekoeltje troffen hem deze woorden, en een zoete, zalige weemoed drong in zijn hart. Bianca! Is het dan geen droom? Ben ik eindelijk met u vereenigd? riep hij beangst en strekte zijne armen der geliefde te gemoet. Zij neigde zich naar hem toe, hij trok haar tot zich en drukte haar bevend aan zijn kloppend hart. Zij zaten nevens elkander op het gras, tegen den stam van den ouden kastanjeboom geleund. Lodewijk had zijn arm zacht om den hals der aanminnige geslagen, en zij liet haar hoofd op zijne schouders rusten; hunne handen hielden ze in elkaar geklemd.
De droom sleurde den sluimerende in nieuwe verwarde voorstellingen mede. Door den storm en de warrelende sneeuw, die zijn aangezicht werkelijk trof, werd hij uit de aangename beelden, welke zijn verlangen hem voorspiegelde, onmeedoogend uitgedreven. Hij geloofde met Bianca te vluchten. Waarheen zij zich wendden ploften sneeuwvallen. De herinneringen aan dien eersten nacht op den Simplon stegen in wonderlijk samenvloeiende beelden in zijne ziel op. Hij geloofde diep begraven te zijn, maar des te inniger en angstvoller drukte hij de bevende geliefde aan zijn hart. Hij troostte haar. Wees niet bang, mijn lieve. Weet gij nog, toen wij in dien eersten nacht naar redding wachtten? Ach, hoe haakte toen mijn hart naar uwe omarming. Bemindet gij mij dan toen reeds?—Sinds het oogenblik, dat ik u voor het eerst zag, antwoordde zij met eene onuitsprekelijke zoete stem, toen gij mij den gouden armband bracht, weet gij nog? Het was immers bij de hut in het dal, waar wij zoo even vertoefden.
O, toen! Hoe schoon was het toen, daar ik uw gelaat voor het eerst aanschouwde; gij lachtet mij tegen als de lente van Italië, naar welke wij afstegen. Ziet gij, daar opent zich de zwarte poort; zie slechts, hoe de heldere stralen der zon er binnendringen.
Hij ging arm in arm met de geliefde naar de opening van het rotshol. Het dal lag voor hem uitgebreid, de lente opende de eerste knoppen en lachte van den blauwen hemel over de bergen.—Zie slechts, hoe de kleine ons te gemoet huppelt. Zij herkent de schoone signora weder, die zoo vriendelijk tegen haar was. Maar laat ons verder gaan naar de blauwe meren, de wijnbergen en de bloeiende tuinen. Thans wandelen wij tusschen de rotsen voort; de zon zal ondergaan, wanneer wij aan den rand staan en in het zalige land nederblikken. Ziet gij? Ziet gij—thans dringt haar roode gloed ons in de oogen. Daar achter die Alp gaat zij onder. Hoe schoon trekt de gouden rook over het geheele dal en hoe smelten ginds de velden door het avondrood verguld met den hemel ineen. O, hoe schoon is het hier!
Steeds bekoorlijker beelden tooverde hem de droom voor. Arm in arm wandelde Lodewijk met zijne geliefde in zalige eenzaamheid door de lachende beemden. Een schaduwrijk priëel bood hem eene rustplaats. Onder de lichte kromming der takken door zweefde het oog over dalen en heuvels, die in het avondpurper gloeiden.
Daar rolde in de verte een doffe donder, aan sneeuwvallen gelijk, die in den afgrond storten. Hij vliegt op uit de omarming zijner geliefde; bevend en bleek staat zij voor hem. Ziet gij, roept zij uit, de zon ontsteekt de aarde en alles vlamt op in laaien gloed. Lodewijk staart voor zich. Eene woeste zee golft rondom hem henen. Vol ontzetting wil hij vlieden. Zijn voet is aan den grond gekluisterd. De geliefde vliegt door den nacht; slechts haar wit gewaad ziet hij schemeren. Hij strekt de armen naar haar uit, hij wil haar roepen, de stem begeeft hem; de vlammen branden hem met stekende pijn in de oogen. Daar treft plotseling een donderend geraas zijn oor en verbreekt met geweld de boeien des slaaps, die hem nog in hunne verdoovende kluisters hielden. Hij springt op en ziet verwilderd om zich heen.
Zelfs wakend staat hij nog onthutst en kan het onmetelijk verschil tusschen droom en werkelijkheid niet begrijpen. Eindelijk verneemt hij de roffelende trommels en trompetten, het sein om op te breken. De wind drijft hem de hoog opflikkerende vlam van het wachtvuur in het gelaat, die zich reeds zoo verschrikkelijk in zijne droomen gemengd had, totdat het krijgsrumoer den voorhang, die zijn bewustzijn omhulde, plotseling verscheurde. Thans eerst gevoelt hij, hoe de ruwe hand der werkelijkheid hem onverbiddelijk aantast en hem uit den liefelijken waan opschudt. Verdwenen is het beeld der geliefde, verzonken de toovertuinen zijner droomen, verduisterd het hem omringende Eden. Alleen het onbegrensde der ijskoude woestenij en der duisternis is overig. Uit de gewesten der zaligen is hij in de plaats der verdoemden nedergestort. Welk een gruwelijke spot. Dat is te veel! Verpletterend daalt de smart in zijne borst. Zij moet breken onder dezen last.
Daar vatte Bernard zijne hand en ziet hem verwonderd in de oogen. „Wat deert u, Lodewijk?” vroeg hij met eene zachte stem.
Hij omarmde hem vurig; aan het hart zijns vriends loste zich de akelige verstijving zijner borst op, en in zachte golven vloot nu de diepe, onuitputtelijke stroom zijner kwellingen voort.
HOOFDSTUK VIII.
Eindelijk lag Smolensko, het lang beloofde en gewenschte einde hunner rampen, voor de blikken der krijgslieden en steeg met zijne zwarte tinnen en muren duister uit het sneeuwveld op. Daar zult gij eene toevlucht vinden tegen de winterstormen; daar zal de razende honger, die in uwe ingewanden woedt, gestild worden; daar zullen de verkleumde leden warmte, de overspannen gepijnigde spieren rust, de afgematte, uitgeputte geestkracht versterking vinden.
Niet zoo vroolijk zagen de tien duizend Grieken den spiegel van hunne vaderlandsche zee van het gebergte af hun tegenschitteren, niet met zulk eene vreugde en dankbaarheid begroette Columbus' vertwijfelende manschap de kusten van een nieuw werelddeel, als de door de woede des winters, des hongers en der doodelijke afmatting vervolgde krijgslieden de muren der stad aanschouwden, waar hun het einde hunner rampen beloofd was. Een zweem van vreugde vloog over de bleeke, vermagerde gezichten, een laatste bewijs van moed en kracht keerde in de vermoeide lichamen terug.
Reeds was men tot op een uur afstands de muren dezer vesting genaderd, toen men aan beide zijden van den weg, eerst een voor een, vervolgens in groote troepen, de uitgehongerde spookachtige gestalten dergenen ontwaarde, die hunne wapenen verloren of weggeworpen en, daar de banden der orde en der gehoorzaamheid overal verbroken waren, gehoopt hadden, dat zij, alleen en hun eigen weg kiezende, met minder gevaar door de woestijnen der sneeuw en der wouden zouden dringen, dan wanneer zij bij het gros des legers bleven, voor welk laatste het weinige, dat men op eene plaats konde bijeenbrengen, nooit genoegzaam was. Zoo waren zij dan nu eens vooruit, dan achterna getogen of hadden het leger van ter zijde omzwermd. De razernij van den honger in hunne gierige, van ontsteking gloeiende oogen, zwart van rook en zand, in lompen gekleed, wierpen deze scharen zich als harpijen over alles heen, wat zij vonden. Geen stem des verstands breidelde hunne tot waanzin geklommen begeerte. Vonden zij ergens eenige spijs, zoo vielen zij met de woede eens roofdiers er op aan en verslonden ze met eene zoo razende drift, dat de meesten, alsof zij vergif gegeten hadden, dadelijk daarop onder de onlijdelijkste pijnen ter aarde stortten en den geest gaven. Doch geen voorbeeld schrikte de later aankomenden af; als door blinden waanzin gedreven, stortten zij zich in hetzelfde verderf, dat hunne kameraden voor hunne oogen gedood had. Ja, het gehuil en het gekerm zelfs der nog lillende stervenden schrikte hen zoomin af, als het hun ook slechts een blik van medelijden kon afpersen. De ellende had de menschelijke natuur in deze rampzaligen op het schrikkelijkst doen ontaarden; ieder kende slechts zich zelf en het tegenwoordige oogenblik. Want de folteringen van het oogenblik waren te schrikkelijk en alles, wat deze stilde, scheen een onbegrijpelijk geluk, al kwam ook in de volgende minuut deze ellende dubbel daarvoor terug. Deze afschrikwekkende gedaanten verschenen eensklaps, in donkere drommen opeengedrongen, naarmate zij uit de naastbijzijnde bosschen, waardoor zij hun weg genomen hadden, toevallig vroeger of later op den grooten weg geraakten. Een kwartier uurs voor de stad hoopten zij zich dermate opeen, dat de nog geordende korpsen der oude en jonge garden zich slechts met moeite den weg tot hun marsch vrijhielden.
Thans naderden de hoogten langs de oevers van den Dnieper meer tot elkander en vernauwden den weg. Aan beide zijden vertoonden zich deze ontzettende horden. Zij trachtten langs de besneeuwde, gladde afhellingen af te dalen, om den weg te bereiken; doch de zwakke kracht hunner voeten bewees hun den dienst, waartoe behendigheid en sterkte vereischt werden, niet meer. Zij tuimelden over elkander heen, de helling af, en kleurden de sneeuw met het bloed hunner van ijssplinters gewonde handen en wangen. Onder weeklagend gekerm stortten zij naar beneden, doch vermochten zich niet meer van hun val op te richten, maar bleven bedwelmd aan den weg liggen.
Thans zag men de poorten der stad. Zelfs onder de aan de stalen wet der gehoorzaamheid sinds lang gewone korpsen der oude garde liet zich thans geen tucht meer houden, maar gelijk hongerige tijgers op hun buit, wilden zij zich afzonderlijk uit de gelederen werpen, om het eerst het toevluchtsoord te bereiken, want reeds had een gedeelte der uitgehongerde horden, die zonder aanvoerder of orde door de wouden gedrongen waren, de muren der stad bereikt en drong in zwart gewemel om haar heen. Doch bij het zien der holoogige gedaanten, in de wonderlijkste kleederen, zoo als nood en toeval ze verschaft hadden, bij hun gierig toedringen, had men in de stad, en met recht, gevreesd, dat zij als een troep hongerige wolven op de magazijnen aanvallen en overal plunderend en verwoestend inbreken zouden. Daarom werden hun de poorten van de verlangde vrijplaats gesloten, en te vergeefs vloekten en baden zij, om de onverbiddelijke muren binnen te gaan. Reeds verscheidene uren hadden velen dezer ongelukkigen, van koude verstijfd, door honger gemarteld, in het gezicht der redding te vergeefs om hulp en medelijden gesmeekt. De meesten waren in vertwijfeling en afgematheid neergezonken en door de steeds grimmiger wordende koude gedood.
De aanrukkende geregelde troepen hoorden het verschrikkelijk wilde gehuil om voedsel, dat zich met de grievendste jammerkreten vermengde. Thans beving ook hen de vrees, dat het hun evenzoo mocht gaan, dat men hier geweld zou moeten aanwenden, en diegenen alleen lafenis zouden vinden, die het eerst met geweld inbraken. Daarom verlieten zij hunne gelederen en zochten, zooveel hunne uitgeputte krachten dit vergunden, elkander vooruit te komen, om de plaats der redding te bestormen en wat zij konde opleveren met gewelddadige hand te rooven. Te vergeefs wierp de maarschalk Bessières zich hun, die gehoorzaamheid weigerden, in den weg, te vergeefs trachtten de officieren hen met geweld terug te houden. Reeds dreigde de wanorde zich over de gansche lange colonne te verbreiden, toen op eens de keizer in de voorste rijen zich vertoonde en met een wenk halt gebood. De eerbied voor den geheiligden persoon des aanvoerders, op wien zich in dezen tijd van tegenspoed het laatst vertrouwen vestigde, boeide zelfs de vermetelsten.
„Soldaten, keert in uwe gelederen terug!” zeide hij streng, doch bedaard, en vond oogenblikkelijk gehoorzaamheid.
Hij zelf reed thans aan de spits der troepen, en onder dof zwijgen, doch in streng geordende gelederen rukten de krijgslieden de vesting binnen.
Rasinski volgde met de zijnen onmiddellijk op de oude garde. Slechts de helft was te paard, de overigen gingen te voet, daar hunne paarden voor het geschut gespannen waren. Bernard en Lodewijk waren te paard. Toen zij op de hoogte van den dalrand kwamen, wees Lodewijk aan Bernard ter linkerhand naar de besneeuwde vlakte en zeide: „Herkent gij daar dat slot wel?”
„Hm!” antwoordde Bernard; „ik had gedacht, dat het geheel afgebrand zou zijn, doch het staat nog tamelijk vast op zijne beenen.”
„Ik weet niet, waarom ik ook nog heden dit statig gebouw met zijne vreemde torens en tinnen met een geheel eigenaardig gevoel aanschouw,” hernam Lodewijk.
„Ik thans meer dan toen; doch dat doet de herinnering.—Ik geloof, dat wij meer onkenbaar geworden zijn dan het slot, ofschoon toch de vlam er al het ingewand wel zal uitgebrand hebben. Want als ik u zoo zie, met uw langen baard en die zware strepen van rook en stof in het gezicht, dan kan ik mij zoo omtrent verbeelden, hoe ik er zelf moet uitzien. Het was wel de moeite waard, ons portret te schilderen, opdat wij toch eens aan de goede lieden in Duitschland of Frankrijk konden toonen welke gezichten het overwinnend leger gezet heeft, toen het voor de tweede maal te Smolensko kwam.”
„Zijt getroost, vrienden,” zeide Rasinski, zich omkeerende, „een tijd van rust ligt voor ons. Die zal ons ook gelegenheid geven, om ons weder een menschelijk aanschijn te verschaffen.”
Zij reden thans door de poort der bovenstad binnen, want de oostelijke helft der stad ligt op de hoogte, de westelijke aan de overzijde des Dniepers in de laagte. Toen zij de eerste straat doorkwamen, zagen zij elkander met bezorgdheid aan.
„Nu,” zeide Bernard zacht tot Lodewijk, „Smolensko ziet er voorwaar niet naar uit, alsof het Capua zou worden.”
„Wanneer de gansche stad zoo verwoest is,” antwoordde Lodewijk even zacht, „zal zij ons niet meer levensmiddelen opleveren, dan de groote weg, dien wij gekomen zijn.”
„Ik zie nog niet in, hoe wij hier een lood rijst zouden koken,” fluisterde Bernard; „merkt gij wel, dat alle vensterkozijnen uitgebroken zijn? Waar hier nog hout in de muren zat, schijnt men reeds oogst gehouden te hebben.”
„En toch,” hernam Lodewijk, „geloof ik, dat wij wel zouden doen, met een dezer op het invallen staande huizen bijtijds te bezetten; want als eerst die massa van ongelukkigen van buiten indringt, blijft er geen steen op den ander.”
„Dat denk ik ook,” hernam Rasinski, die met zijn steeds opmerkzaam oor alles vernomen had, „en ik denk er reeds over, om gezwind het recht van eerste bezitneming te doen gelden. Ik hoop slechts, dat de benedenstad er beter uit zal zien; want hier stort ons misschien des nachts het kwartier boven ons hoofd in.”
[Illustratie: Hij zelf reed thans aan de spits der troepen.]
„Die versche paardengeraamten daar ter zijde,” zeide Bernard, terwijl hij met zijn vinger in een nauw zijstraatje wees, „beloven ook niet veel goeds; zij zien er mij uit, alsof het vleesch eerst sedert een half uur van de botten gekloven was. Ik wilde mijn arm paard, hoe mager ook, hier niet gaarne een kwartier vastbinden, want ik zou moeielijk iets anders dan het geraamte wedervinden. Op een bijzonder ruim onthaal mogen wij dus ook niet rekenen.”
„Nu, levensmiddelen zijn hier,” hernam Rasinski, „of des keizers bevelen zouden op het onverantwoordelijkst veronachtzaamd moeten zijn. Eergisteren hebt gij nog gezien, hoe van hier een transport kwam, dat de keizer billijkerwijze hun toezond, die voor ons vechten en, buiten de moeilijkheden van den marsch, nog het gevaar van den strijd moeten verduren.”
Een adjudant brak het gesprek af met het bevel om rechts af te rijden, waar de kwartieren voor de cavalerie waren aangewezen. Rasinski nam derhalve met de kleine schaar, welke hij nog om zich heen had, zijn weg door een kromme, half ingestorte straat en bereikte zoo een ruim plein, waar eenige groote steenen gebouwen, die vermoedelijk voor magazijnen gediend hadden, in de onderste verdieping stallen voor de paarden, in de bovenste kwartieren voor de manschappen aanboden. Doch ook deze huizen waren geheel verwoest. Slechts op de bovenste verdiepingen zag men hier en daar nog een kozijn; de deuren waren uitgehaakt, ja, op eenige plaatsen was de planken vloer opgenomen. Ondertusschen verschaften de half vernielde gebouwen toch een droog verblijf, en zoo men slechts hout, levensmiddelen, stroo en voeder voor de paarden kon verkrijgen, scheen het verblijf daarin, met de uitgestane ongemakken vergeleken, een tijd van heerlijkheid te beloven. Want in de meeste kamers waren gemetselde kachels, door welke men zelfs, schoon er geen venster te sluiten was, toch nog warmte genoeg in de vertrekken kon brengen, om het daarin uit te houden.
In weinige minuten waren de kwartieren betrokken en de paarden in de stallen gebracht. Rasinski's voortdurend onvermoeide zorg had uitgewerkt, dat hij op weinigen na, die de vermoeienis niet hadden kunnen uithouden sinds den dag van Dogorobuye, de zijnen bijeen had gehouden. Daar hij niet duldde, dat iemand, en hij zelf het minst, eenig voorrecht genoot, zoo waren ook de schraalste levensmiddelen zoo verdeeld geworden, dat niemand ledig heenging.
Thans was zijn eerste werk, Boleslaw tot het ontvangen van levensmiddelen voor de manschappen en Jaromir tot die voor de paarden ieder met het vereischte geleide af te zenden. Boleslaw nam twaalf man en ging naar het hem aangewezen magazijn. Hier heerschte een onbeschrijfelijk gewoel. Zoodra was het niet bekend geworden, dat in het gebouw levensmiddelen voorhanden waren, of de hongerige soldaten en achterblijvers legerden zich, als een zwerm raven op een lijk, voor de deuren en vervulden de lucht met hun gehuil en gekerm. Eenigen gelukte het, in spijt der uitgestelde posten, eene deur open te breken, en nu met blinde woede op de levensmiddelen aan te vallen, om die rauw te verslinden. Men zag, dat zij slechts hun dood vonden, en wat honderden van het verderf had kunnen redden, werd schandelijk verkwist, om de wilde begeerte van eenige weinigen te stillen. Daarom was het noodzakelijk, hoe gruwelijk de maatregel ook mocht schijnen, het wettige geweld tegenover het onwettige te stellen. De opzieners der magazijnen moesten geregelde troepen doen aanrukken, die met bajonet en sabel op hun eigene kameraden aanvielen en hen terugdreven. Daar dit echter niet dadelijk gelukte en ieder den hongerdood vreeselijker vond dan die door de wapenen, zoo werd er vuur onder den dichtsten hoop gegeven. Thans stoof hij uiteen, doch liet den grond met bloedende lijken bezaaid.
Door zulk een ijzingwekkend gewoel moest Boleslaw zich baan maken; hij deed het met kracht, doch tegelijk met een diep smartelijk gevoel. Er waren er echter zoovelen, die recht op de levensmiddelen hadden, dat er verscheiden uren in strijd en gedrang verstreken, eer hij de zijne kon ontvangen. Zijne manschappen gehoorzaamden hem nog en droegen het ontvangene, zonder het aan te raken, naar hunne kameraden, om het met hen te deelen. Doch dit was niet gemakkelijk.
Man aan man gesloten, met de overgehaalde pistool in de hand, moest Boleslaw hen door de joelende, vloekende, huilende en kermende menigte geleiden en zich tegen deze, als tegen eene rooverbende, verdedigen. Slechts met moeite gelukte het hem eindelijk tot in het kwartier van Rasinski te komen.
Jaromir was gelukkiger geweest dan hij, want bij het ontvangen der fourage had zulk een gedrang niet plaats gehad.
Toen Boleslaw aan Rasinski rapport deed, schudde deze het hoofd en zeide: „Dat zijn bedenkelijke teekenen! Wij zullen hier niet lang kunnen blijven, want wij moeten zoo spoedig mogelijk de grenzen van Rusland trachten te bereiken. Bij een zoo volslagen gebrek aan tucht en orde zoude een ernstige aanval ons verderf zijn. Ik heb Bernard en Lodewijk tot het ontvangen van ammunitie uitgezonden; daar waren slechts van weinige regimenten manschappen geweest. Wanneer de soldaat reeds niet meer aan zijne verdediging denkt, wat zal daaruit voortkomen? Ja, zelfs tot het ontvangen der soldij is geen derde gedeelte opgekomen, ofschoon alle regimenten gewaarschuwd waren.”
„Laat deze ééne dag van volkomen afmatting en verslagenheid maar voorbij zijn,” antwoordde Boleslaw, „dan zullen de orde en de gehoorzaamheid wel terugkeeren. De ijselijkheden van den marsch, de honger en de koude hebben de manschappen nog geheel en al bedwelmd. Hebben wij zelfs niet alle krachten moeten inspannen, om den moed niet geheel te verliezen; en hoeveel beter is het ons niet gegaan dan de overigen! Door uwe voorzorg zijn onze manschappen goed gekleed; zij hebben ten minste goede laarzen en mantels. Ook is er altijd nog iets voor hen te eten geweest. Maar zie eens naar de anderen! Met lompen bedekt, met gescheurde schoenen, moesten zij de schrikkelijke nachten onder den blooten hemel doorbrengen, zich den ganschen dag door de sneeuw heenwerken. Wanneer de rampen zoo hoog stijgen, dat in de straf der ongehoorzaamheid geen schrik meer ligt, dan laat zich de tucht niet meer bewaren.”
„Maar het verderf ligt er in,” sprak Rasinski met nadruk, „het verderf van het geheel en van een ieder in het bijzonder. Dat zien de razenden niet in. Gevaar en nood zouden voor allen de helft minder zijn, wanneer niemand uit eigenbelang er zich aan zocht te onttrekken. Van twintig of honderd gelukt het aan één, de overigen gaan des te spoediger verloren.”
„Laat hun slechts twee dagen tijd, om te bekomen, dan zullen zij weder vatbaar zijn voor verstandigen raad en tot gehoorzaamheid terugkeeren!”
„Maar is het dan nog tijd? Hebben zij niet reeds hunne wapenen weggeworpen? Zijn zij voor de overigen niet reeds een ballast geworden, zonder zelven iets ter hulpe bij te dragen?—De keizer moet buiten zich zelf raken op dat gezicht.”
Jaromir, Bernard en Lodewijk traden binnen. Zij kwamen uit de stallen, waar alle paarden goed verzorgd waren.
„Het is het eerste behoorlijke voeder, dat onze beesten krijgen, sinds wij Moskou verlaten hebben,” zeide Jaromir. „Dat wil zeggen, onder behoorlijk voeder versta ik half stroo, half haver en nauwelijks het derde part van een gewoon rantsoen. Doch men ziet, hoe de dieren er zich aan te goed doen!”
„Geeft hun om 's hemels wil geen volle maat! Nauwelijks morgen of overmorgen zullen zij het kunnen verdragen,” merkte Rasinski aan.
„Wees onbezorgd,” hernam Jaromir, „ik heb zelf overal mijn oog laten gaan.”
„Goed,” antwoordde Rasinski; „doch laat ons nu aan ons zelven denken. Het is de eerste maaltijd, dien wij sinds langen tijd onder dak zittende en in vertrouwelijk gesprek zullen nuttigen.”
Rasinski had alle nog overige officieren bij zich in de tamelijk bewoonbare kamer genoodigd. Het was de eerste maal, dat hij een klein voorrecht boven zijne makkers genoot 't welk zij hem nog met geweld hadden opgedrongen. Hij meende het ditmaal te mogen aannemen, wijl het zijn manschappen naar tijdsomstandigheden goed ging. Daarom veroorloofde hij zich ook met zijne vrienden het genot van ééne flesch wijn; de keizer had uit zijn eigen kelder ieder regiments-kommandant twee flesschen laten uitreiken.—„Laat ons,” zeide Rasinski, „de andere bewaren, tot wij die dringender noodig hebben.”
Na den maaltijd sloot de vermoeienis allen de oogen, en zij genoten de kostelijke verkwikking van den slaap zonder ieder oogenblik door de pijn hunner leden, die van koude verstijfden, of door de vlam van het wachtvuur verschroeiden, uit de dommelige verdooving opgewekt te worden, die hen op het bivak in plaats van eene lichte sluimering beving.
HOOFDSTUK IX.
Het was klaar dag, toen zij ontwaakten, en misschien hadden zij nog langer geslapen, zoo de honger hen niet gewekt had. Gelukkig konden zij dien ditmaal bevredigen.
Rasinski ging uit, ten einde te beproeven, of het mogelijk was, zijn ruiters eenigen voorraad van levensmiddelen te verschaffen, opdat zij voor de naaste marschen gedekt mochten zijn.
Terwijl hij afwezig was, kwam Regnard en verhaalde, dat een te Parijs in hechtenis genomen generaal Mallet beproefd had oproer te stichten en de afzetting des keizers te bewerken. De nieuwe regeering had zekerlijk maar eenige uren bestaan, maar de tijding had evenwel een diepen indruk op den keizer gemaakt, die tegen graaf Daru gezegd zou hebben: „Hoe nu, wanneer wij eens in Moskou gebleven waren?”
„Zijn die tijdingen nu gekomen?” vroeg Bernard.
„Reeds bij Dogorobuye ontving de keizer de depêches,” vervolgde Regnard; „hij rekende het evenwel noodig ze geheim te houden. Ook van de achterhoede moeten slechte berichten gekomen zijn. Bij Wiasma heeft een hevig gevecht plaats gehad, waarbij wij veel volk verloren hebben. Prins Beauharnais heeft aan de rivier Wop, die buitengewoon hoog was, waardoor hij haar niet spoedig genoeg kon overkomen, zijne halve artillerie en alle bagage moeten achterlaten. Bij geluk is zij echter den kozakken niet in handen gevallen, want zij is tegelijk met de kruitwagens in de lucht gevlogen. Intusschen moet de achterhoede schrikkelijk geteisterd zijn, als wij bedenken, hoeveel menschen wij alleen door honger en koude verloren hebben! Die na ons komen, vinden nog minder dan wij en hebben daarenboven met den vijand te doen.”
Jaromir had zich stil verwijderd, terwijl Regnard vertelde; bij de groote ellende, welke thans heerschte, was hem het lot van Alisette niet onverschillig. Hij gevoelde medelijden met de ongelukkige, wier lichtzinnigheid zoo streng kon gestraft worden. Gaarne had hij naar haar gevraagd, doch hij kon de woorden niet over zijne lippen krijgen. Daarom verliet hij het vertrek liever en ging de straat op.
In de laatste dagen had de bovenmatige inspanning hem met geweld weerhouden, zich met zijne droefheid bezig te houden. Nauwelijks echter was er nu een oogenblik rust, of ook deze inwendige vijand vertoonde zich weder. Briefwisseling met Warschau was thans onmogelijk geworden; hij wist dus niet zeker, of de brief, dien Rasinski op zich genomen had te bezorgen, was overgekomen, dan of de onteerende beschuldiging nog op Lodoiska rustte, zonder door zijne zelfveroordeeling ingetrokken en vernietigd te zijn. Dit laatste denkbeeld kwelde hem met onverbiddelijke hardheid. Schuldig te zijn in de oogen zijner geliefde, dat had hij leeren verdragen; maar bij haar voor een onwaardige, een verachtelijk wezen te moeten doorgaan, wiens ruw gevoel het heiligdom van haar hart moedwillig schond en die na het eerste oogenblik van woeste hartstochtelijkheid niet tot zijne bezinning terugkeerde—dat boog hem zoo diep neder, dat hij den moed niet in zich vond, om deze smart te dragen. En wanneer nu—wat thans, door den schrikkelijken rampspoed, die het leger trof, mogelijk werd—wanneer nu de dood hem en Rasinski wegnam, en ook de overigen, die zijne schuld en zijn besluit, om haar te verzoenen, kenden, omkwamen en geen van hen den sluier van de rampzalige waarheid konden wegnemen! Wanneer hij den smaak en de verguizing, welke zijne verdenking meedoogenloos op zijne geliefde had geworpen, niet meer kon terugnemen! Wanneer deze verpletterende last des bewustzijns hem tot in de eeuwigheid vervolgde!
Als hij aan de mogelijkheid hiervan dacht, werd hij duizelig, en was het hem of hij aan den steilen rand eens afgronds stond; zijne gedachten verwarden zich en hij had al zijne mannelijke kracht noodig, om zich niet aan dien afgrond over te geven. Maar eene tooverkracht dwong hem voortdurend zijn oog weder in deze gruwelijke diepte der toekomst te slaan. Hij gevoelde, dat men de macht over zijne gedachten kon verliezen; de mogelijkheid van waanzinnig te worden vervulde hem met huivering. Hij zag Regnard weder gaan; zijne lange, schrale, beenige gedaante, zijne scherpe, zelfs door de vermoeienissen dezes tijds bijna niet veranderde trekken, boezemden hem thans een afkeer in, die naar vrees geleek. Hij geloofde in hem zijn boozen geest te zien, en wendde dus spoedig zijne schreden naar een anderen kant, teneinde hem niet tegen te komen.
Spoedig na Regnard kwamen Bernard en Lodewijk op de straat. Zij waren thans weder kenbaar geworden, daar zij sinds den terugtocht van Malo Jaroslawez voor het eerst in de mogelijkheid geweest waren, zich te verkleeden en behoorlijk te reinigen.
„Waarachtig,” zeide Bernard in het naar buiten treden, „thans zien wij er als heeren uit. Nu u de baard niet meer als een stoppelveld van een duim lang om de kin zit, lijkt gij weer een Adonis. Maar er is hier helaas niemand, waarop men verlieven kan.”
„Al weder lichtzinnige gedachten!” zeide Lodewijk glimlachend. „Maar het is inderdaad zelfs in den grootsten nood iets waard, zich zelf niet tot ergernis te zijn. Thans eerst gevoel ik mij recht wel.”
„Over het geheel ziet men,” antwoordde Bernard, „dat slagen aan menschen zoowel als aan honden goed bekomen; want de omstandigheden, waarin wij ons heden bevinden, zijn toch eigenlijk lang zoo slecht niet. Als men onder de zweep niet dood bloedt, is hij een gezonde aderlating.”
„Hoe gelukkig, dat gij in zoo weinig uren toch alles vergeten kunt!” zuchtte Lodewijk. „Ik zie het verledene te donker en de toekomst te dreigend bewolkt, om mij over het tegenwoordige te kunnen verheugen.”
„De toekomst, mijn waarde, zal zoo erg niet zijn, want wij zijn thans op het ergste gevat. Wanneer men de dingen weet, die daar komen zullen, beschouwt men het onheil geheel anders, dan wanneer men er uit den hemel zijner droomen zoo midden invalt. Een onverwachte duw werpt mij neder; maar heb ik tijd, om recht op mijne beenen te gaan staan, dan kan ik driemaal meer tegenstand bieden. Doch laat ons nu zien, of wij schoenen kunnen oploopen. Wij moeten de hospitalen doorzoeken en beproeven, of hier en daar wat te erven valt. Ik zoude Rasinski dien dienst gaarne doen.”
Deze had hun namelijk opgedragen om te beproeven, of zich voor de manschappen, wier schoenen door de marschen geheel versleten waren, ook nieuwe lieten opsporen. Zij gingen; meer het toeval dan een vast plan volgende, namen zij hun weg naar de benedenstad, waar zich de hospitalen der reserve-armee bevonden. Voor een groot, half vervallen, maar toch tot bewoning ingericht gebouw zagen zij twee mannen staan in dikke pelzen gewikkeld en met bonte mutsen op het hoofd. Zij deelden bevelen aan verscheidene anderen uit, wier uniform aanduidde, dat zij tot het personeel der administratie behoorden.
„Zeker een paar van de schoften, die ons laten verhongeren en bevriezen,” riep Bernard met afkeer uit, „en in hunne pelzen spotachtig toezien, wanneer de soldaat, door de koude gepijnigd, tranen vergiet. Een moeders kindje, denken zij dan. Maar ik wilde hun slechts eenmaal laten bivakeeren, als daar bij Dogorobuye.”
„Misschien was er echter juist bij deze lieden wel iets uit te richten,” hernam Lodewijk. „Laten wij hen naderen en zien, of wij iets bekomen kunnen.”
„Voor mijn part ook goed! maar ik beken u gulweg, dat ik liever met een kozak te doen heb, die toch ronduit zegt, dat hij mij plunderen en als het noodig is doodslaan wil, dan met die vergiftige kruisspinnen, die zich vet mesten met het merg der hongerende soldaten.—Maar wat helpt het? Welaan dan, vooruit!”
Zij traden op de beide mannen, die met den rug naar hen toegekeerd stonden toe; toen deze de voetstappen en den groet der aankomenden hoorden, keerden zij zich om. Eene wederkeerige verbazing was zoowel in de trekken van Lodewijk en Bernard, als op die der beide vreemden te lezen.
„Zien wij elkander hier weder?” begon na eenige oogenblikken de jongste der beide vreemdelingen, terwijl hij den mond tot een hatelijken lach vertrok. Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, toen Lodewijk met een gevoel, als ware hij in de spleet eens gletschers gestort, Beaucaire en in diens ouderen metgezel St. Luces herkende.
„Gendarmes!” riep Beaucaire, eer Lodewijk een woord spreken, veelmin een besluit nemen kon, „neemt dadelijk deze beiden in arrest en werpt hen in de gevangenis; het zijn verraders, die zich aan Rusland verkocht hebben!”
Eerst door deze woorden bemerkte Bernard, wie hij voor zich had, want hij had Beaucaire in Dresden slechts eenige oogenblikken op straat gesproken en, hoe vast de wezenstrekken hem ook uit vroegere herinneringen ingeprent waren, toch had het vreemdsoortige der kleeding zijn anders zoo getrouw geheugen een oogenblik in twijfel gelaten. Thans maakte eene onberaden, maar onbetoombare woede zich van hem meester.
„Dat liegt gij, ellendige schurk!” riep hij met vreeselijke stem, sprong eene schrede achteruit en trok zijne sabel. „Wie mij te na komt, dien kloof ik den kop!”
Lodewijk, die even spoedig bemerkte, dat hier eene moedige handelwijze alleen kon redden, stiet met alle krachten den gendarme, die hem bij den arm wilde grijpen, terug, zoodat deze in de sneeuw viel, en in hetzelfde oogenblik flikkerde ook in zijne hand de sabel.
In de buurt waren soldaten. „Kameraden, helpt, helpt!” riep Bernard luid. „Deze schurken, die ons laten verhongeren, willen ons nu nog mishandelen en vermoorden. Hier heen, helpt!”
Doch, zooals het immer in het vuur van den hartstocht gebeurt, riep hij deze woorden niet in het fransch, maar in zijne moedertaal. Deels werden zij dus niet verstaan, deels gaven zij dadelijk te kennen, dat hij een vreemdeling was, op welke, sinds zoovele schrikkelijke ongelukken het leger getroffen hadden, de haat der Franschen zich reeds lang gericht had. Zij geloofden, en niet geheel en al ten onrechte, dat alle, maar vooral de duitsche bondgenooten zich in stilte over het ongeluk des keizers en de armee verheugden. St. Luces, afgericht om van elke gelegenheid partij te trekken, riep daarom insgelijks: „Ce sont des traites Allemands, des espions soldés par la Russie!”
Deze woorden moesten beter werken. De Franschen, die in hunne tegenwoordige stemming licht te verbitteren waren, drongen op de hun zoo aangeduide offers aan, om hen neer te sabelen. Bernard wilde zich niet overgeven, doch Lodewijk hield zijn arm vast en riep: „Verdedig u niet! Wij konden hier een ongeluk begaan. Men moet ons vonnis en recht verschaffen; Rasinski zal ons niet verlaten; wij beroepen ons op hem.”—Bernard stampte ongeduldig met den voet en knarste op zijne tanden.
„Wij zijn uwe gevangenen, mijnheer,” keerde Lodewijk zich tot St. Luces; „wij zullen om verhoor en vonnis vragen, opdat deze ongegronde aanklacht eindelijk een einde hebbe. Wij zijn soldaten van het poolsche leger, overste Rasinski is onze kommandant. Hij zal ons weten te verdedigen; ik eisch, dat gij hem onze gevangenneming dadelijk meldt.”
De gendarmes namen hun de sabels af, en op bevel van St. Luces werden zij beiden dadelijk in het huis binnengeleid. De onderofficier wilde hen in de wachtkamer nevens de poort brengen, waar de magazijnwacht zich bevond, doch Beaucaire riep: „Neen! deze misdadigers hebben het leven verbeurd. Zij moeten in eene zekere gevangenis gebracht worden. Sluit hen in een der kelders op, die aan de gracht uitkomen.”
„Lodewijk, Lodewijk,” zeide Bernard onder het gaan, „ik vrees, gij hebt niet goed gedaan met niet op onze wapens en op de vlucht te vertrouwen. Wie weet, of deze schurken Rasinski niet onderrichten als het te laat is.”
Lodewijk scheen getroffen door de waarheid dezer woorden. In den eersten ijver kon zijn edelmoedig hart zelfs van een vijand als Beaucaire niet zulk een graad van boosheid verwachten; hij had daarom tegen hem gehandeld, zooals hij tegen een man van eer moest handelen. Thans viel hem in, dat misschien niemand meer dan deze Beaucaire voor het daglicht bij deze geschiedenis moest vreezen; hij dacht aan wat deze zijne zuster had durven voorslaan, en het werd hem duidelijk, dat deze graad van slechtheid alleen in de gemeenste wraak genoegdoening kon vinden. Daar wierp hij een blik op den sergeant der gendarmerie, die met drie man hem wegleidde. Deze droeg het legioen van eer, had twee litteekens op het gelaat en een oog, waaruit een edel hart sprak.
„Gij zijt soldaat,” aldus sprak hij hem aan; „gij zult een kameraad geen verzoek afslaan.”
„Behalve een, dat mijn plicht mij verbiedt,” hernam de sergeant ernstig.
„Wij zijn onschuldig. Wij vallen als offers eener helsche wraak. Wanneer graaf Rasinski, onze chef, geen bericht van onze gevangenneming krijgt, zijn wij onvermijdelijk verloren. Beloof mij op uw woord, hem die te melden.”
„Wanneer mijne orders er niet mede strijden, zeer gaarne.”
„Hij zal het u rijkelijk vergelden! Neem mijn dank vooruit,” riep Lodewijk vroolijk en wilde den sergeant zijne gansche beurs in de hand drukken.
Doch deze trad terug en antwoordde: „Geen omkooping; ik zal mijn plicht als soldaat en kameraad doen. Doch weg met uw geld! Wat zou dat ons hier helpen? Van dat tuig hebben wij genoeg.”
„Gij zijt een brave kerel; zoo neem ten minste een handdruk voor uw goeden wil.”
De sergeant reikte hem zwijgend de hand, met een welwillenden blik vergezeld. „Hier zijn wij aan ons doel,” zeide hij en opende eene met ijzer beslagen deur, van welke omtrent twintig trappen naar beneden voerden. Dan wendde men zich in een gang rechts, eene tweede deur ging open en Lodewijk en Bernard betraden met eene inwendige rilling de gevangenis, die zich dadelijk achter hen sloot.
Het was een vochtig, koud gewelf, waarin slechts eene, door een ijzeren kruis gesloten, ronde opening, nauwelijks van de grootte van een menschenhoofd, een spaarzaam licht wierp.
„Een vervloekt gat,” bromde Bernard binnensmonds; „en koud als een ijskelder, en nog vochtig daarenboven! Zie maar, hoe op alle muren de salpeter vingerdik is uitgeslagen!—Welk een hatelijke muffe reuk!” Tastend ging hij rond. „Zou men ons hier inderdaad op de koude steenen laten liggen? Er is geen spoor van een leger te vinden.—Een geluk, dat wij onze mantels om hebben, anders konden wij, eer de zon ondergaat, hier dood vriezen.”
„Ik hoop, wij zullen onze vrijheid nog vroeger erlangen,” zeide Lodewijk op een toon, waarin hij de uitdrukking van troostend vertrouwen zocht te leggen. „O Bernard! deze gevangenis schijnt mij niet zoo vreeselijk! Maar de gedachte, dat ik u, den onschuldige, in dezen geheelen maalstroom van mijn ongelukkig noodlot heb medegesleept, alleen omdat gij mij liefderijk uwe hand reikt, om mij te helpen....”
„Om u met lompe, ezelachtige domheid geheel en al er in te stooten, terwijl gij zonder mijne ongeroepen dwaasheid waarschijnlijk nu aan wal waart,” viel Bernard hem bijna wild in de rede. „Wees geen kind, Lodewijk,” voer hij bedaarder voort. „Wilt gij u eindelijk daarover nog beschuldigen, dat gij de sterren van ons noodlot niet aan een draad kunt regeeren? Wilt gij van nu tot in alle eeuwigheid verantwoordelijk zijn voor al, wat mij overkomt? En toch knoopt zich slechts de eene oorzaak aan de andere, en wanneer ik over vijftig jaren aan een stikhoest sterf, zoo kunt gij mij bewijzen, dat dit daarvan komt, dat gij in 1812 op den Simplon uw plicht hebt gedaan jegens eene schoone smeekende ongelukkige.”
Lodewijk zag somber voor zich en zweeg.
„Sluit die vervloekte rekening toch eenmaal af,” voer Bernard voort. „Eindelijk kon het geluk mij nog meêloopen, en ik moest dan eeuwig dankbaar jegens u zijn en zou geen glas wijn meer durven drinken, zonder mij tegen u te buigen en te zeggen: Ziet gij, was ik toen niet met u naar Rusland gegaan, dan had ik niet met u terug kunnen keeren, en was ik niet teruggekeerd, dan had ik het hoogste lot niet getrokken, en had ik dat niet getrokken, dan had ik de prinses niet kunnen trouwen, en had ik die niet getrouwd, dan zat ik hier nu niet in mijne prachtzaal en—kortom, ik zal u eene keten van oorzaken en uitwerkingen maken, die van den eersten dag der schepping tot aan het jongste gericht zal reiken.”
„Uwe vriendschappelijke omkleedsels zullen mij de waarheid niet doen miskennen,” hernam Lodewijk bewogen. „Ik zie de muren van dezen kerker en meet den afstand van hier naar het vaderland—en ik weet niet, maar ik gevoel, wat en wie u hier heeft gebracht.”
„Ik gevoel het niet, maar ik weet, dat ik u hier heen gesleept heb met mijne domheden in Dresden! Maar gij verlangt misschien, dat ik u stilletjes in den wolfskuil had laten liggen en mij weg gepakt had, nadat ik er u eerst had ingesmeten? Duivels! nu merk ik het! Zoo ik geen lam was, kon ik woedend daarover worden. Zie ik de zaak wel in, dan wilt gij mij op eene fijne, maar des te kwaadaardiger wijze slechts verwijten doen. Doch vergeefs, mijn goede man! Mijn geweten is een krokodilsvel, eene rhinoceroshuid; ik zeg u, het is met eiken planken beslagen en schot- en vuurvrij daarenboven. Gelooft gij, dat ik voor alle zondaars verantwoord wil zijn, die onverwachts en zonder biecht naar de hel gaan, wijl zij door de steenen, waarop mijn voet onvoorzichtig of ongelukkig struikelde, verpletterd werden. Evenmin als ik 't, eene domme streek begaande, onzen aartsvader Adam wijt, dat zijn appelbeet mij de gewetensknaging heeft berokkend, welke ik namelijk gevoelen moest!—Maar ik wou wel, dat wij een goed vuur en eene kanapé met paardenhaar gevuld hadden; want het staan valt mij zoo zwaar, ofschoon ik van nacht goed geslapen heb.—Ziet gij, dat is toch een waar geluk, dat wij uitgerust en half verzadigd in deze russische spekkamer gekomen zijn. Had de schelm ons gisteren opgepakt, zoo ware dit van daag ons deftig grafgewelf, zoo snel zouden honger en koude ons stil gemaakt hebben.”
„Gij zijt zoo goed! Van alles ziet gij de heldere zijde!” antwoordde Lodewijk bewogen. „Hebt gij dan niet bedacht, dat wij juist heden slechts kenbaar konden zijn? Wie had ons gisteren met die lange stoppelbaarden, dat ongekamde haar en dat zwarte, vuile vel herkend?—Zoo wordt, wat voor een uur ons een geluk toescheen, thans een middel tot ons verderf.”
„En wie zegt u dat?—Kan het in dit eene uur zoo verkeeren, waarom dan in het volgende niet nogmaals? Moed, moed, Lodewijk! De muil des doods staat lang open, eer hij ons opsnapt; hij heeft ons in dit laatste vierendeel jaars dikwijls genoeg de tanden laten zien; hij zal ons heden niet bang maken.”
„Ik sidder niet,” zeide Lodewijk met waardigheid, „want ik durf mijne rechters, zooals ik ze niet gaarne noem, met een gerust geweten onder de oogen treden. Maar eene diepe droefheid moet mij vervullen, wanneer ik zie, hoe een rampzalige vloek op mij rust en ook hen mee ter nederdrukt, die het innigst aan mij verbonden zijn. U en Maria, en wie weet....”
„Orestes,” viel hem Bernard in de rede. „Dan laat mij uw Pylades zijn.” Hij trok hem tot zich en omarmde hem hartelijk.
HOOFDSTUK X.
Een uur, nog een tweede uur verliep; zij wachtten te vergeefs, dat men hen tot het verhoor zoude afhalen. De koude in het dompige gewelf scheen ieder uur toe te nemen. De muren waren rondom met fijne ijskristallen bezet en de grond lag zelfs hier en daar vol sneeuw, zooals de wind ze door het venster had ingewaaid. Juist verhief hij zich weder en huilde vreeselijk door het gewelf. De vermoeidheid dwong de gevangenen, zich op den ijskouden, steenen vloer neer te leggen, doch de koude joeg hen spoedig weder op. Slechts in de afwisseling tusschen gaan en liggen vonden zij de mogelijkheid, zich tegen verstijven te behoeden. Handen en voeten waren hun reeds verkleumd. Het begon donker te worden; de zon moest ondergaan. Lodewijk werd van oogenblik tot oogenblik ongeruster; Bernard floot zich de ergernis en den kommer weg.
„Ik vrees,” begon eindelijk Lodewijk, „Rasinski weet niet, wat van ons geworden is. Anders moesten wij reeds tijding van hem hebben.”
„De tijd valt iemand lang in zulk eene kooi.—Wij zijn eerst een paar uren hier. Wie weet, welke langwijlige procedures noodig zijn, eer hij tot ons komen kan.—Ach, zoo 'k een vogel waar!”
Lodewijk zweeg.
„Daar valt mij iets in”, riep Bernard op eens. „Toen de door het Directoire tot deportatie veroordeelde Terroristen naar Amerika gebracht werden—ik geloof Collet d'Herbois ook, die slechte acteur, die echter de rol van tyran dragelijk gespeeld heeft—gaf men hun, om hen aan de magere keuken der verpeste woestijnen van Guyana te wennen, slechts magere scheepskost. Daar begonnen de kerels te brullen, en zij schreeuwden, tot hunne kelen droog werden: „Honger, honger!” Eindelijk begon dat den kapitein te vervelen en hij beval: „Geeft den honden te vreten, opdat zij met huilen uitscheiden.”—Zoo kunnen wij hier ook doen en op de deur donderen, tot zich iemand om ons bekommert.”
Daarbij deed hij een woesten trap tegen de gesloten deur, zoodat de klank in het geheele gewelf dof naklonk. Doch hij viel tuimelend achteruit, zoodat Lodewijk moest toespringen, om te maken, dat hij niet nederstortte.
„Vervloekt!” riep hij, terwijl hij zijne tanden samenkneep, „ik dacht niet aan die duivelsche pijn in de verkleumde voeten. Dat was een gevoel, alsof ik tusschen den hamer en het aanbeeld was geraakt.—Doch het gaat mij naar verdienste.—Geduld, geduld! beveelt de leer der liefde, en ik wilde kwaadaardig op mijn lot razen. Gij moet mij een beetje ondersteunen, want de pijn is mij tot in den rug doorgetrokken!” Hij steunde op Lodewijks schouder en trok den pijnlijken voet krampachtig naar zich toe.
Daar rammelden de grendels der buitenpoort en men kwam de trappen af.
„Nu, het heeft tenminste geholpen!” zeide Bernard. „Nu doet het mij geen pijn meer.”
Vol verwachting hielden beiden de blikken op de deur gericht, welke, zoo zij hoopten, zich tot hunne bevrijding zou openen. De sergeant trad met zijne manschappen binnen.
„Ik heb bevel u in het verhoor te brengen,” zeide hij ernstig; „volgt mij.”
Door de soldaten vergezeld verlieten zij de gevangenis. Zij werden over het plein gevoerd. „Hebt gij aan mijn verzoek voldaan?” vroeg Lodewijk den sergeant half overluid.
Doch deze wees hem met één stom gebaar, dat hij zwijgen moest.
Thans begon Lodewijk te vreezen, dat zijne rechtvaardige zaak toch wel een slecht einde kon nemen. Rasinski kon niet onderricht zijn, anders zou hij pogingen gedaan hebben, om hem te bevrijden. De keizer was in de stad; zonder twijfel zoude hij zich tot dezen zelf gewend hebben. Met deze gedachte vervuld, volgde Lodewijk werktuigelijk zijn vooruitgaanden leidsman de trap in het voorhuis op, waar men hem en Bernard in een groot verwulfd vertrek bracht. Op eene tafel aan het eind brandde licht. In het eerste oogenblik verloren de binnentredenden bijna hun bewustzijn, want de kamer was heet gestookt, en daar zij bijna bevroren waren, werkte de plotselinge warmte zoo hevig op hen. De sergeant merkte het; hij beval hun zich op eene bank neder te zetten, die in den muur was aangebracht, en daar te blijven tot hij terugkeerde. Hij liet de drie man bij hen tot wacht en ging in eene andere kamer.
„Hebt gij niet een stuk brood, kameraden?” vroeg Bernard; „wij vallen bijna flauw van den honger. Ik wil het u goed betalen!”
Na eenig dralen kreeg een der manschappen een stuk zwart brood uit zijn zak, brak het door en reikte Bernard de helft toe.
„Neem! Maar meer kan ik u niet geven. Dat is al wat ik bezit, en wie weet, of wij morgen weer iets krijgen.”
Bernard wilde hem een goudstuk geven.
„Ik ben onder de wapens,” hernam de soldaat, „ik mag geen geld aannemen. Behoud het.”
In dit oogenblik trad de sergeant weder binnen. Hij zag Bernard, die juist het brood met Lodewijk deelde, aan en vroeg: „Van wien hebt gij dat brood?”
„Van mij,” zeide de soldaat bedaard, en trad met geschouderd geweer vooruit.
„Gij zijt braaf, Cottin! maar gij hebt niet goed gedaan. Ik wil het maar niet gezien hebben.—Gij blijft als schildwacht buiten voor de deur staan; gij overigen treedt af en gaat beneden in de wachtkamer.”
De soldaten verlieten het vertrek.
„Ik heb aan uw verzoek niet kunnen voldoen,” sprak de sergeant thans Lodewijk aan; „want de graaf Rasinski had order bekomen, met zijn poolsche lanciers dadelijk naar het corps van den maarschalk Ney op te rukken. Hij was reeds twee uur weg, toen ik hem opzocht.”
Deze tijding trof beiden als een verpletterende slag. Lodewijk verbleekte en zag Bernard aan; zelfs deze had zijn bedaardheid verloren. Intusschen werd er in de andere kamer gescheld.
„Ik moet u binnen brengen,” zeide de sergeant tot Lodewijk; „gij zult het eerst verhoord worden.”
„Bernard!” zoo richtte deze zich tot zijn vriend; „gij kunt u zelf redden; beloof mij, dat gij het doen zult. Word ik hier het offer van de wraak eens ellendelings, zoo bedenk, dat gij de broeder mijner Maria moet zijn. Ik sterf gerust, wanneer ik weet dat gij gered zijt.”
„Het hoofd niet laten hangen, mijn vriend!” hernam Bernard, zonder Lodewijks rechterhand, welke deze toereikte, aan te nemen. „Wie wil u veroordeelen? Geef hun geen enkel woord toe.”
„Ik zal de waarheid, de volle waarheid spreken,” riep Lodewijk met vastheid, „tegen deze ellendigen, ben ik te trotsch, om ook maar de kleinste leugen te gebruiken. Maar beloof mij.....”
„Antwoord dan in het geheel niet; vorder het bewijs hunner rechterlijke macht.”
„Beloof mij....” viel Lodewijk hem dringend in de rede.
„Voort, voort,” riep de sergeant, „wij mogen niet toeven.”
„O Bernard!” riep Lodewijk smartelijk uit, want hij verstond hem maar al te wel. „O, Bernard!—Nu, welaan dan! Mijn lijden heeft het hoogste toppunt bereikt; ik kan niets meer verliezen, dan eer en moed, en die zal geen noodlot mij ontrooven.”
Met deze woorden trad hij, zich ras en moedig losrukkende, met herstelde mannenkracht door de zaal.
Bernard bleef alleen. Hij hield het nog ongenoten brood in de hand.—„Kwaadheid bederft den honger,” bromde hij voor zich heen. „Men kan echter door nog erger zuren gebeten worden; er zijn dingen, welke den geeuwhonger verjagen; maar die moeten bitterder zijn dan gal! Thans heb ik geen honger meer, maar ik wil u toch opeten, gij hard brood des medelijdens! De maag mocht bij slot van rekening baas over ons worden, en nu moeten hoofd en hart het zijn. Ik ben niet slaperig; maar ik wil ook slapen op deze bank, opdat doodelijke vermoeidheid mij mijne leden niet verlamme, waar zij vast moeten zijn als staal.”
Hij legde zich rechtuit op de bank om te slapen; doch had te veel op zijn vasten wil vertrouwd. Zwaarder toch dan de last der vermoeidheid lagen de zorgen op zijne ziel. Tot zijn geluk duurde de beproeving niet lang, want na nauwelijks een kwartier verscheen de sergeant om ook hem af te halen.
„Wat is met mijn vriend gebeurd?” vroeg hij haastig.
„Ik weet het niet,” was het antwoord; en in de blikken van den strengen soldaat was het te lezen, dat hij niets zou geantwoord hebben, al had hij het ook geweten.
Met een trotschen blik trad Bernard binnen. Aan eene lange tafel zaten St. Luces en Beaucaire; twee jongere lieden waren tegenover hen druk bezig met schrijven.
„Wij kennen elkander, geloof ik?” vroeg St. Luces, terwijl hij Bernard scherp aanzag.
„Mogelijk,” hernam deze; „ik weet echter niet, hoe ik aan die eer zoude komen.” De minachtende toon, waarop hij dit zeide, gaf het eene juist omgekeerde beteekenis.
„Ben ik misschien zoo gelukkig?” vroeg Beaucaire met een honenden glimlach.
„Ja, mijnheer! Ik heb u in Pillnitz en in Dresden gezien; misschien ook reeds vroeger ergens, want gij hebt zekere physionomische kenteekenen, die iemand lang in het geheugen blijven.”
„Zoo? Zeer vleiend! Misschien is u ook dit gelaat niet geheel onbekend?” hernam Beaucaire en keerde een papier om, dat voor hem lag. Het was Bianca's portret dat in Lodewijks brieventasch, die men hem ontnomen had, gevonden was.
„Ik heb dit geteekend!” zeide Bernard droog.
„Ik geloof mij dit ook te herinneren,” hernam Beaucaire; „het zal te Londen in den schouwburg geweest zijn.”
Deze woorden vielen als een lichtende bliksemstraal in Bernards boezem; hij zag Beaucaire scherp aan, en op eens klaarde al het duister in zijne herinneringen op. Hij had dezen hatelijken mensch in dezelfde loge met Bianca zien zitten. Alle gewaarwordingen en donkere voorgevoelens zijner borst werden in beweging gebracht door de nabijzijnde mogelijkheid van iets naders over dat wezen te vernemen, dat eene zoo raadselachtige macht op het lot van Lodewijk en hemzelven uitoefende. Hij vergat de betrekking, waarin hij thans tot Beaucaire stond, en riep driftig: „Wie is deze dame? Gij moet haar kennen, want gij waart bij haar!—Ik kan nog andere vragen omtrent dien avond doen, maar niet aan u,” voer hij trotscher voort, terwijl hij zich het verzuimde duel herinnerde.
Beaucaire wendde zich met een duivelschen lach tot St. Luces; „ik moet bekennen, mijnheer, dat wij met knappe menschen te doen hebben. Deze heer speelt de rol van een onwetende met groote waarheid.”
„Mijnheer!” stoof Bernard op.
„Zwijg!” hernam Beaucaire, terwijl hij opeens een bevelenden toon aannam. „Meent gij, dat wij, als het ons niet tot andere oogmerken dienstig was, zulk een misdadiger als u ook slechts een oogenblik zulk een trotschen toon zouden vergund hebben?”
Bernards oogen rolden hem woest in het hoofd; niet het honende bevel van Beaucaire, maar zijn overkokende toorn beroofde hem voor een oogenblik van de spraak. Hij sloeg zijne oogen in het rond, of hij nergens een wapen kon ontdekken; gelukkig voor hem, dat zijn oog op geen voorwerp van dien aard viel, want hij zou dadelijk den spottenden schurk Beaucaire daarmede overhoop gestoken en zijn eigen leven daardoor opgeofferd hebben. Deze zag zijn verstommen voor vrees aan en voer voort:
„Geef thans antwoord op de vragen, welke ik u zal voorleggen.—Hoe zijt gij bij de armee in dienst gekomen?”
Bernards eerste woede was bekoeld; hij gevoelde, dat hij zich met verachting boven den nietswaardige moest verheffen. Dit kon hij niet beter doen, dan door het halsstarrig zwijgen in acht te nemen, dat hem even te voren was opgelegd.
„Hoort gij mijne vraag niet? Hoe zijt gij bij de armee gekomen?”
Bernard tastte naar een bij hem staanden stoel, rukte dien nader bij, zette zich zonder plichtplegingen daarop neder en begon, als ware hij alleen in de kamer, een contre-dans te fluiten.
Beaucaire verbleekte van woede. „Sergeant”, riep hij na eenige oogenblikken, „breng den arrestant naar zijne gevangenis terug.”
Stiptelijk gehoorzamende, trad deze op Bernard toe en zeide hem, niet zonder eene zekere uitdrukking van eerbied, die zijn stoutmoedig gedrag hem afdwong: „Ik verzoek u, mij te volgen.”
„Zeer gaarne, mijn brave kameraad,” antwoordde Bernard en ging met hem naar buiten, zonder door een groet of eenig ander teeken te verraden, dat hij hoegenaamd acht sloeg op de aanwezigheid der overigen. Beaucaire beval den beiden secretarissen af te treden; zij gingen; hij bleef met St. Luces alleen.
„Een verwenscht geval!” zeide deze, terwijl hij opstond; „ik zie niet in, hoe wij bij die koppige Duitschers ook maar den schijn van een procesverbaal zullen bijeenbrengen, waarop zij veroordeeld kunnen worden. Uw hartstocht, Beaucaire, heeft ons in een doolhof van de onaangenaamste omstandigheden gebracht.”
„Ik vertrouw, dat ik wel den uitgang zal vinden,” hernam deze koel en niet zonder een zekeren trots op de meerderheid van zijn eigen doorzicht.—„Wij hebben getuigen, dat de gevangene dit portret heeft erkend als door zijne hand geteekend. Deze omstandigheid, die mij zelf de zekerste overtuiging geeft, dat de beide aangeklaagden in eene nauwe betrekking tot Dolgorow hebben gestaan, zal voldoende zijn tot een rapport, dat ook den intendant-generaal overtuigt. Hoe? Wij zullen den een gelooven, wanneer hij ons eene avontuurlijke geschiedenis opdischt omtrent de wijze, waarop hij den graaf over de grenzen heeft geholpen? Men zou op zijne verzekering vertrouwen, dat hij hem te voren heel niet gekend en later nimmer meer gezien heeft, als hij het portret van de dochter bij zich draagt? En de ander die mij te Dresden om den tuin wilde leiden, bekent het portret geteekend te hebben. En toch zouden beiden in geen de minste betrekking tot die russische familie staan? Als de brutale snaak zich niet schuldig gevoelde, waarom vluchtte hij dan tegelijk met den ander uit Dresden? Waarom vinden wij hen hier te zamen?—Wanneer ik daaruit geen verbaal opmaak, dat ten duidelijkste aantoont, hoe eene zeer vertrouwelijke, voortgezette, misschien nog in dit oogenblik bestaande verbintenis tusschen hen beiden en Dolgorow plaats moet hebben, dan wil ik mij te dom voor boerenpastoor laten verklaren. Gij en ik, die voor ons zelven de meest gegronde redenen moeten hebben, om aan beider mogelijke onschuld te gelooven, moeten thans onze meening opgeven, welke derde zou, ook maar met eenigen schijn, een tegenovergesteld gevoelen kunnen verdedigen? Laat mij twee uren tijd, ik sta u borg voor de toestemming van den intendant-generaal.”
„Ga maar niet al te ver,” antwoordde St. Luces een weinig bitter; „van eene nog voortdurende verbintenis willen wij althans niet reppen. Wie te veel bewijzen wil, bewijst bij slot van rekening niets.”
„Mijnheer de St. Luces,” hernam Beaucaire gevoelig, „laat dat aan mij over. De omstandigheid, dat wij de beide lieden juist hier in Smolensko aantreffen, in welks nabijheid een gedeelte van Dolgorows goederen ligt, mag wel niet onvermeld blijven.”
„Gij hebt mij zelf gezegd,” antwoordde St. Luces, „dat gij nooit op die goederen geweest zijt, ja de namen niet eens juist kent?”
„Dat is waar,” viel hem Beaucaire koel in de reden; „maar mijne onkunde in dit opzicht laat zich genoegzaam daardoor rechtvaardigen, dat ik eerst in Londen in Dolgorows dienst trad en, daar ik hem alleen buitenslands vergezelde, zijne binnenlandsche betrekkingen het minst kon leeren kennen. Ook ben ik nooit zijn secretaris in zijne familie- en geldzaken geweest. Hoe onbepaalder mijne wetenschap in dit opzicht is, des te grooter wordt het veld der gissingen. Wist ik juist, waar en hoever Dolgorows slot van hier ligt dan durfde ik er niet op doelen, dat het dichtbij gelegen kan zijn, zoodat ons van daar verraad en overrompeling door verbintenis met de Russen in de stad kunnen bedreigen.”
St. Luces ging verdrietig en onrustig heen en weder. „Ik weet niet,” hernam hij na eenige oogenblikken, „wat mij in deze zaak zoo tegen de borst stuit. Is het de fatale gelijkenis van dezen heer van Rosen op iemand, dien ik gekend heb en aan wien ik mij ongaarne herinnerd zie, of houdt mij iets anders terug. Ik vrees echter voor slechte gevolgen.”
Beaucaire glimlachte. „Ik sta borg voor de beste. Graaf Rasinski kan ons geen kwaad meer doen; hij is weg—en ik geloof, dat wij niet veel van hem of zijn regiment zullen terugzien.”
„De keizer acht hem zeer! Indien hij klaagde....”
„Dan zou hij de gunst des keizers daardoor verbeuren. Of houdt gij het voor eene aanbeveling, dat de verdachten beiden in zijn regiment dienen? En bedenk hoe vertoornd de keizer op ons en onze confraters is, daar hij de magazijnen niet zoo vindt, als hij ze verwachtte. Ik hoor, hij heeft gisteren in de bovenstad een opziener van een magazijn willen doen doodschieten. Vindt hij tijd, om onze rekeningen en staten behoorlijk te onderzoeken, dan weet gij....”
St. Luces beet zich op de lippen.
„Wat kon dus meer gewenscht zijn, dan hem door een bewijs van onzen ijver gunstig jegens ons te stemmen?—De gelegenheid daartoe was niet beter uit te zoeken, want de argwaan des keizers tegen de vreemde bondgenooten groeit iederen dag aan, en sinds de laatste voorvallen in Parijs vertrouwt hij bijna niemand meer. Onze beide gevangenen zijn vrienden, wat nog meer is, zijn Duitschers en dienen, waarschijnlijk onder een vreemden naam, maar in alle gevalle heimelijk in een poolsch regiment. Dat alleen is genoegzaam om verdacht te maken.”
„Welnu dan,” riep St. Luces, „doe wat gij wilt maar ik laat de gevolgen geheel voor uwe rekening.”
„Ook de voor ons aangename gevolgen!” zeide Beaucaire met nadruk.
„Waarlijk ook deze, mijnheer Beaucaire,” hernam St. Luces trotsch, „wanneer ik in deze zaak slechts mijn naam niet behoef te leenen.”
„Ik was de man niet, die haar begon,” zeide Beaucaire koel. „Gij vindt alzoo goed, dat ik het rapport voor den intendant-generaal opmaak en het, om aan den keizer voorgelegd te worden, hem ter hand stel?”
„Doe, wat gij wilt.”
„En gij zult het mede onderteekenen?”
„Daar ik er niet buiten kan, ja.”
„Zeer wel.”
Met deze woorden boog Beaucaire en vertrok.
Bernard werd door den sergeant en den voor de deur staanden soldaat, die hem het brood had gegeven, naar de gevangenis teruggebracht. Alle drie zwegen. Toen de deur van het gewelf zich opende en het flauwe licht der lantaarn er in viel, zag Bernard te vergeefs naar Lodewijk om.
„Waar is mijn vriend, beste kameraad?” zeide hij tot den sergeant.
„Ik heb hem daar in den anderen vleugel alleen moeten opsluiten.”
„Is zijne gevangenis ook zoo goed, zoo menschelijk ingericht als deze?” vroeg Bernard verder op een bitteren toon, waaronder zich echter de uitdrukking van diepe bezorgdheid mengde.
„Het is waar,” begon de soldaat, die hem vergezelde, „dit gat is ook te slecht voor een hond, laat staan voor een mensch.”
„Durft gij onder de wapens, spreken, Cottin?” vroeg de sergeant op strengen toon.
„Vergeef het mij, sergeant,” hernam deze; „ik weet, ik doe onrecht. Maar Gods gebod is ook eene wet en dat beveelt mij te spreken. Ik ben uit den Elzas, en spreek duitsch, ik heb gehoord, dat de beide arme drommels duitschers zijn. Een landsman, al was het maar een halve, mag men niet geheel in den steek laten.”
„Ik heb u reeds meermalen gezegd, gij zijt een goede vent, doch gij verstaat den dienst niet.”
„Maar ik heb gelijk, sergeant.”
„Ik wil 't niet ontkennen—maar wat zullen wij doen?”
„Vriend,” begon Bernard, „doe uw plicht. Het zou mij leed doen, wanneer gij om mijnentwil gestraft werdt. Ik zal denkelijk in dezen kerker den nacht niet doorkomen, en als ik morgen vrijgesproken word, zal het te laat zijn—maar doe slechts, wat gij moet; doch zoo gij kunt, wees dan barmhartig jegens mijn vriend, die even onschuldig is als ik.”
De sergeant scheen zich te bedenken. „Wij moeten raad schaffen,” zeide hij plotseling op vasten toon. „Ik kan u hier in dit gewelf niet laten, want de koude is te streng en neemt nog met elke minuut toe. Tot een moordenaar zullen zij mij toch niet maken, vooral niet die pennenhuzaren, die nooit kruid ruiken en niet weten, wat de soldaat al moet uitstaan, terwijl zij in hunne dikke pelzen bij de volle magazijnen zitten! Gij moogt misdaan hebben, wat gij wilt, u hier zonder vonnis en recht te laten bevriezen, dat hebt gij niet verdiend. Gij ziet er uit als een brave kerel en ik moet u zeggen, ik heb er schik in gehad, dat gij u daar boven zoo ferm hebt gedragen. Dat past een soldaat. Daarom wil ik ook iets voor u wagen. Maar gij moet mij uw woord geven, kameraad, dat gij mij in alles gehoorzaamt.”
„Wanneer ik het niet doen kan, zeg ik het u vooraf en laat mij hier terugbrengen,” hernam Bernard bedaard.
„Ga dan mede naar de wachtkamer. Doch gij moogt met niemand ook maar een enkel woord spreken.”
„Ik zal zwijgen als deze muren. Maar mijn vriend?”
„Ook hij zal op gelijke voorwaarden den nacht met ons doorbrengen.”
„Mijn hand daarop in zijn naam.”
„Kom dan!”
Onwillekeurig vatte Bernard de beide handen van den sergeant, schudde ze met warmte, zag hem in het gezicht en riep uit: „Waarachtig, ik ben u dank schuldig en meer dan mijn leven!—Nu, ook u, wakkere kameraad en landsman,” voegde hij er bij en keerde zich naar den braven Cottin. „Ja, het is een edele stand, die des krijgsmans. Ik ben dien met inwendigen tegenzin ingetreden, maar ik heb geleerd hem te achten, te vereeren. Hij verheft ons boven den ellendigen knoeiboel van dit leven en adelt zoo de gevoelens van den geringste. Onder groote lotgevallen wordt de mensch zelf groot.—O, gij weet niet, hoe ellendig die daar boven zijn, die zich zoo hoog boven u verheven rekenen!—Waarlijk, het doet mij leed, dat zulk verachtelijk gespuis aan zulke brave mannen bevelen mag geven of hen tot verantwoording roepen kan.”
Hij kon zich niet bedwingen, hij moest de beide braven aan zijn hart drukken.
„Goed, goed kameraad!” riep eindelijk de sergeant bijna ontevreden, daar hij bemerkte, dat hij zijne geheele militaire houding verloren had; „kom, maak nu maar wat voort.”
„Eerst zeg mij, hoe gij heet,” antwoordde Bernard, „want den naam van een braaf man mocht ik ook gaarne in de eeuwigheid medenemen.”
„Ik heet Ferrand, wanneer gij het dan volstrekt weten wilt; doch laat ons nu gaan.”
„Ook zonder opschrijven zal ik hem onthouden,” verzekerde Bernard en drukte nogmaals zijne hand.
Ferrand drong hem als het ware vooruit; zij gingen.
In Bernards gemoed keerde thans een straal van hoop terug. Hij had ze reeds geheel opgegeven en was op het ergste voorbereid. Doch deze gunstige beschikking hield hij voor een gelukkig voorteeken; den eenen, en nog wel den vreeselijksten dood was hij ten minste ontkomen, en nog kon hij zich niet opdringen dat de hemel hem slechts daarom zoo menigmaal in het uiterste gevaar beschermd had, opdat hij als een offer van de schreeuwendste willekeur te gronde zou gaan.
Zoo trad hij in de donkere, onder de poort gelegen wachtkamer; op elken anderen tijd zou zij hem een akelige kerker hebben toegeschenen, thans had zij het voorkomen van een aangenaam, vriendelijk verblijf voor hem.
„Zet of leg u nu op de bank daar in dien hoek neer,” zeide de sergeant; „maar houdt uw woord, spreek met niemand en verlaat de plaats niet.”
„Gij kunt mij als een laffen schurk met voeten trappen, als ik u niet gehoorzaam, zoo goed, alsof ik met ketenen gebonden was. En al kon ik mij met één tred, met één woord redden, ik zou stijf en stom blijven, gelijk de lijken daar buiten onder het ijs en de sneeuw.”
Met deze woorden zette hij zich neder en wikkelde zich, daar de koude hem nog deed bibberen, in zijn mantel.
Ferrand ging, en keerde na eenige minuten met Lodewijk terug. Deze trad met een trek van weemoedige vreugde om den mond binnen, en zijn oog zocht den vriend. Vroolijk wenkte Bernard hem toe, doch legde den vinger op de lippen. Lodewijk gaf een teeken, dat hij den wenk verstond, en nam in een anderen, hem aangewezen hoek plaats. De sergeant liet daarop de soldaten in een kring bijeentreden en sprak hen aan; „Kameraden, ik heb een werk van barmhartigheid aan deze twee verricht en laat hen den nacht hier doorbrengen, doch zonder dat zij elkander mogen spreken. Is er een van u die mij ongelijk geeft, zoo gaan zij dadelijk naar hunne gevangenis terug, waar zij echter vóór morgenochtend door koude en honger moeten omkomen. Meent gij derhalve dat ik goed gehandeld heb, dan mogen zij hier blijven, en wij allen zijn schuldig.”
„Laat hen hier!” riepen de manschappen uit één mond; „van ons wordt niemand een verrader.”
Thans was de laatste zwarigheid opgeheven en waren beiden van een goeden nacht verzekerd.
Een groote schotel met warm avondeten voor de soldaten werd binnengedragen, want hier in het magazijn zelf heerschte nog geen gebrek. Ferrand was er dadelijk op bedacht, den beiden gevangenen door Cottin een genoegzaam deel der spijs toe te zenden, eer zij door het denkbeeld, dat zij vergeten zouden worden, gekweld werden; want nog steeds folterde de honger hunne vermoeide lichamen, te meer, daar de lucht eener lang ontbeerde, wel toebereide spijs de gansche hevige begeerte daarnaar moest opwekken. Deze verkwikking werd dus voor beiden eene onschatbare weldaad. De alvermogende wetten der natuur toch overweldigen iedereen; de edelste, de grootste, wien de zuiverste wilskracht doordringt, moet eindelijk aan de voorwaarden, waarvan zijn stoffelijk deel afhankelijk is, gehoorzamen. Er is een zekere graad, dien niemand overschrijden kan. Wat in andere omstandigheden eene geringe zelfverloochening, een spel schijnt te zijn, dat wordt in zulke oogenblikken eene onmetelijke opoffering. Daarom glimlachte niemand, die nog nooit door de omstandigheden aan eene strenge beproeving zijner dierlijke afhankelijkheid onderworpen is geworden, wanneer, zelfs in oogenblikken waarin het geheele lot des levens op het spel staat, een dronk, een maaltijd, een nachtleger, de gemeenste dagelijksche behoeften tot onweerstaanbare machten worden, die de vrije zielskracht in onverbreekbare banden slaan. Alleen het voortdurend evenwicht tusschen deze geweldige aandriften doet haar schijnbaar te niet. Zoo verplettert ons zelfs de lichte etherische lucht door den reuzenlast harer drukking, wanneer plotseling de natuurwet, door welke zij aan hare eigene kracht tot evenwicht verstrekt, wordt verbroken.
Nadat de grimmige wolf des hongers verdreven was, drong de alles bedekkende, loodzware stroom des slaaps nader en dompelde de vermoeiden in eene wezenlooze verdooving. Zelfs de luchtige weefsels der droomen liet hij niet door zijn dichten sluier dringen, maar hij was stom en bewusteloos als zijn broeder de dood. Doch een volkomen vergeten was het grootste geschenk, dat een goedaardig noodlot den vrienden thans kon aanbieden.
HOOFDSTUK XI.
De morgen was nog niet aangebroken, toen de sergeant Lodewijk hevig bij den arm schudde en hem luid wakker riep.
Hij richtte zich overeind; Bernard, door het roepen gewekt, insgelijks.
„Gij moet naar boven, naar de verhoorzaal. Spoedig maar! Hier, neem een warmen dronk en eet ook wat, dat gij frisch wordt en met standvastigheid uw vonnis aanhoort.”
Lodewijk vond met moeite zijne bezinning terug; nog half bewusteloos nam hij het aangeboden brood en strekte zijne hand naar de flesch met warme meê uit, welke de sergeant hem aanbood. Bernard trad naderbij.
„Mogen wij elkaar thans goeden morgen zeggen?” vroeg hij Ferrand.
„Zooveel gij wilt, arme drommels! Thans staat u alles vrij,” hernam deze.
Bernards knieën knikten. Zoo toch—dacht hij—maar neen, het is onmogelijk; zóó kan zelfs zulk een vonnis niet geveld worden.
Lodewijk was bedaard.
„Is ons vonnis geveld?” vroeg Bernard. „Zeg het ons ronduit, zoo gij het weet. Dat mag de laatste dienst zijn, dien gij ons bewijst. Geloof niet, dat wij er voor sidderen zullen.”
Doch onder het spreken beefde hij hevig—maar voor zijn vriend, voor hem alleen.
„Gij zult het dadelijk boven hooren,” was het antwoord van den sergeant.
„Zeg het ons nu, mijn vriend; ik bid u er om,” bad Lodewijk zacht, maar bedaard, „dan kunnen wij het boven met meer bedaardheid aanhooren, het moge dan gunstig of ongunstig uitvallen. Het staat mannelijker, wanneer wij noch overmaat van vreugde, noch van neerslachtigheid vertoonen.”
„Bij God!” riep Ferrand uit, „het valt mij moeielijk, het u te zeggen; want wat gij ook misdaan moogt hebben, gij zijt brave soldaten en hebt uw woord als mannen gehouden. Ik wenschte, dat gij voor eene batterij waart gevallen. Het is voor ons ook geen vermaak, op een kameraad aan te leggen.”
„Dus worden wij doodgeschoten?” vroeg Bernard en zijne lippen verbleekten.
„Zoo luidt het vonnis.”
„Heilige God!” riep hij uit en wierp zich aan Lodewijks borst, en drukte hem vast in zijne armen. Zij hielden elkaar langen tijd zwijgend omstrengeld.
De sergeant klopte Bernard vriendelijk op den schouder en sprak: „Zamel al uwe kracht bijeen, kameraad! de dood is ons allen nabij, wie weet of ik u lang overleef! Doe hun daar boven het vermaak niet, dat gij daar zoo voor siddert.”
„Sidderen?” vroeg Bernard en zijne oogen vlamden. „Als ik niet van woede of koude moet sidderen, dan zal geen haar op mijn hoofd zich bewegen. Voort, voort, naar boven! Zij mogen ons het doodvonnis voorlezen. Gij zult getuige zijn, of de pijlen mijner blikken niet scherper in het hart dier schurken zullen boren, dan uwe kogels in mijne borst!—Maar hier wil ik weenen, aan de boezem mijns vriends, en om hem en om zijne ongelukkige zuster,” riep hij uit, terwijl hij zich opnieuw aan Lodewijks borst wierp en zijne tranen stroomden.
„Bernard!” zeide Lodewijk eindelijk en scheen de woorden met geweld uit zijn boezem te persen.
„Bernard!—Dus moest ik u toch in den dood medesleepen!—Mijn hart bloedt, het is door duizend wonden vaneengereten.—O, gij weet het immers maar al te goed!—Maar thans, mijn eenige vriend, moet ook mijn lijden om u wijken voor het gebod der eer en manmoedigheid. Acht het geen verraad aan uwe alles opofferende vriendschap gepleegd, wanneer gij mij bedaarder, rustiger ziet, dan ik ben. Uw inwendig oog blikt in het diepst van mijn hart, maar geen ander zal het lijden verraden, dat mij verteert. Onze dood moet onze zegepraal zijn!”
„Bij den hemel, dat zal hij,” riep Bernard en hief zijne hand als tot een plechtigen eed omhoog. „Zelfs Maria, die weenende heilige, zal mijn hart niet meer week maken. Kom! wij willen als Spartanen het grimmig gebit van het roofdier in onze ingewanden laten woelen en geen gezicht vertrekken.”
Met bedaarden tred volgden zij hun geleider naar boven in de zaal. Zij vonden hem ledig, doch er lagen eenige papieren op de tafel.
„Die brief bevat het doodvonnis,” zeide de sergeant en wees op een toegevouwen, doch opengebroken schrift. „Hij is van den commissaris-generaal. Een kwartier geleden is hij gekomen. Ik bracht hem zelf naar boven en hoorde toen de baron St. Luces hem voorlas.”
„Ik wilde hem wel eens lezen!” zeide Lodewijk.
„Laat ik eerst eens zien, of wij ook overvallen kunnen worden; de deur van de kamer hier naast hooren wij open gaan als zij komen.”
Hij opende de deur van het aangrenzende vertrek en zag naar binnen.
„Zij zijn nog boven; lees, maar gezwind.”
Lodewijk nam den brief. Hij luidde aldus: „Ik heb uw rapport den keizer ter hand gesteld. „Wanneer de verdenking gegrond is, moeten de schuldigen op staanden voet worden doodgeschoten, want er is een voorbeeld noodig,” was zijn antwoord. Na uwe, zoo ik vertrouw, nauwkeurige uiteenzetting is er geen twijfel aan de schuld. Wij hebben hier tijd noch plaats, om ons met lange procedures in te laten of om crimineel gevangenen met ons te voeren. Laat derhalve de executie dadelijk bij het aanbreken van den dag buiten den stadsmuur plaats hebben, om opzien te vermijden. Het zien der voltrekking van het vonnis kon beweging veroorzaken; na de daad werkt de schrik stil voort, en het voorbeeld heeft ongestoorde uitwerking, vooral wanneer men zorgt, het behoorlijk te doen verspreiden, dat duitsche verraders gestraft zijn geworden. De aanhankelijkheid toch van de duitsche troepen is niet te groot; de vrees moet hen getrouw houden. Wees zelf bij de voltrekking tegenwoordig en zend mij oogenblikkelijk het proces-verbaal, opdat ik het den keizer kan overreiken.”
„Een uur dus zullen wij nog ademhalen,” zeide Bernard, toen Lodewijk den brief weder op tafel had neergelegd. „Nu, mij zal het niet al te moeielijk vallen, deze zon vaarwel te zeggen. Ja, wanneer het nog eene lente in Italië was—maar een winter in Rusland! De wereld heeft meer verdriet dan vreugd; wie van beiden scheidt, wint meestal, en ik voornamelijk!”
Lodewijk kon het doel van zijn vriend, om hem te troosten, door het ongeluk zoo licht te achten, niet miskennen. Het trof hem in de ziel; doch hij bleef standvastig. „Gij hebt gelijk! Eene lente in Italië!—Die is wel schoon!”
Zijn geest verloor zich in diepe overpeinzing.
„Het verwondert mij, dat er nog niemand komt,” zei Bernard na eenigen tijd ongeduldig.
„Zij stellen het doodvonnis op, opdat alles naar den regel ga. Het zal u voorgelezen worden,” merkte de sergeant aan.
„Natuurlijk; alles in den besten vorm! Lang leve de gerechtigheid! Zal men ons ook niet een biechtvader zenden?” vroeg Bernard bitter.
„Wanneer een geestelijke hier was, zou hij wel mede naar buiten gaan,” hernam de sergeant; „maar hecht gij aan zulke dingen?”
„Neen,” hervatte Lodewijk. „Ik ben bereid om over te stappen. Doch wanneer iemand mijn laatsten wil wilde uitvoeren—dat zou mij een onuitsprekelijke troost zijn. Ik mocht gaarne een groet naar het vaderland zenden.”
„Wat ik ook bezorgen kan, wil ik doen,” zei de sergeant.
„O, zoo ga....”
Hier ging de deur open. St. Luces, Beaucaire en twee klerken traden binnen en namen plaats.
St. Luces wilde het woord nemen; hij scheen verlegen. Lodewijk zag hem vrij en onbevreesd in het gezicht; Bernard hield vlammende blikken op hem gericht.
„Eene uitspraak van de hoogste macht,” begon St. Luces met eene weifelende stem, waaraan hij echter een toon van deftigheid trachtte te geven.
„Uitspraak van de hoogste macht?” viel Bernard hem in rede; „gij meent machtspreuk, mijnheer!”
„Hoe, gij waagt....” riep St. Luces meer verward, dan vertoornd of vastberaden.
„Ik waag thans alles! Ik geloof niet, dat ik iets te verliezen heb, en daarom zal het u niet gelukken, mij juist zoo machtig bevreesd te maken. Bespaar u de moeite van eene inleiding en van het voorlezen van een vonnis, dat wij tot onzen laatsten adem toe voor eene daad van geweld verklaren.”
„Doe, zoo als de orde het vordert, mijnheer Beaucaire,” beval St. Luces en beet zich op de lippen.
Deze las thans met onveranderde stem het doodvonnis van Bernard en Lodewijk overluid voor.
Niet de minste verandering vertoonde zich op de wezenstrekken der veroordeelden.
„Ik ben ter dood veroordeeld,” zeide Lodewijk, „ofschoon ik mij voor God volkomen onschuldig reken en dezen mijn vriend slechts als een gewetenloos vermoorde kan beschouwen, die niet eens naar uwe willekeurige wet schuldig was. Mij zal dan ten minste het recht van ieder veroordeelde toekomen, de uitvoering van mijn laatsten wil te eischen. Ik verzoek mijne papieren en brieventasch terug.”
„Die zullen bij de stukken moeten blijven,” hernam Beaucaire ijskoud; „zij bevatten de bewijzen uwer schuld.”
„Welaan dan, ook dat nog! Dan eisch ik pen en papier, om mijn uitersten wil te schrijven.”
Beaucaire haalde zijn horloge uit en zag daarbij St. Luces vragend aan. Deze zeide ja noch neen.
„Het is te laat, om aan uw verlangen te voldoen,” hernam Beaucaire na eenige oogenblikken; „sergeant, zijn uwe manschappen in gereedheid?”
„Zij zijn het.”
„Dan laat hen binnenkomen. Wij moeten afmarcheeren!”
„Ook dit alzoo wordt mij geweigerd? Een heilig recht, dat ook den gemeensten misdadiger vergund wordt.”
„De omstandigheden verbieden het!” antwoordde St. Luces, doch waagde niet, zijne oogen naar Lodewijk op te slaan.
„Nu dan,” riep deze met de uitdrukking van den edelsten toorn, „zoo valle de misdaad, welke gij aan ons begaat, op uw hoofd terug! Vader in den hemel! Uw eeuwig raadsbesluit ontzegt mij erbarmen, ik mor niet; maar Uwe gerechtigheid zal vergelding uitoefenen aan deze boosdoeners! Ik ben te trotsch van u beiden nog iets te bidden. De Algoede zal diegenen troosten en sterken, voor wie mijne afscheidswoorden nog een zwakke straal van troost in het duister hunner droefheid zouden geweest zijn! Voort! Ik heb op deze aarde niets meer te doen dan te sterven!”
Bernard stond zwijgend. Eene vreeselijke, doodelijke stilte heerschte in de zaal.
De soldaten, twaalf man, traden binnen.
„Scheidt de delinquenten,” beval St. Luces.
De sergeant wilde tusschen hen treden, doch zij reikten elkander de hand toe; trouw en eerlijk zagen zij elkander in de oogen; geen traan drong daaruit te voorschijn.
„Vaarwel, broeder!” riep Bernard met mannelijk krachtige stem.
„Tot wederziens,” zeide Lodewijk bedaard, ernstig, geloovig, en richtte zijn oog omhoog.
De soldaten traden tusschen hen; iedere sectie nam een der veroordeelden in hun midden.
„In den arm 't geweer! Voorwaarts, marsch!”
In gelijken, dof door het gewelf klinkenden tred verlieten zij het vertrek. Bernard wierp Beaucaire, toen hij dezen voorbij ging, een vreeselijken blik toe, zoodat zelfs de verstaalde booswicht verbleekte.
St. Luces bemerkte het en zeide: „Laten wij op onze hoede zijn; dezen trotschen knaap reken ik tot alles in staat.”
Beiden volgden het commando op eenigen afstand.
De weg liep over het plein, een klein zijpoortje van het gebouw uit. Het schemerde nauwelijks, slechts de laatste verbleekte sterren en de schijn van de versch gevallen diepe sneeuw gaven nog eenig licht. Door woeste, half vervallen straten, waar wachtvuren brandden, waarbij zwarte rijen van sluimerende of misschien reeds verstijfde soldaten lagen, bereikte men de brug van den Dnieper, marcheerde door de bovenstad en kwam zoo eindelijk aan den stadsmuur. Een besneeuwde vooruitspringende heuvel, een paar honderd schreden van daar, waarop een zwart woud van hooge dennen ten einde liep, was tot de voltrekking van het vonnis uitgekozen. Een officier wachtte daar met een peleton van omstreeks twintig man. Het daglicht begon van lieverlede zoo helder te worden, dat men reeds vrij ver van zich af kon zien.
„Halt! Zet af 't geweer!” kommandeerde de sergeant, toen hij met zijne gevangenen de hoogte bereikt had.
„Hier alzoo is het einde onzer loopbaan,” zeide Lodewijk en wees op den paal in den sneeuw, bij welken hij den dood zoude ontvangen. „Dat heeft mijn voorgevoel mij niet voorspeld, toen wij voor vier maanden hier langs trokken.”
Bernard scheen ernstig over iets na te denken; want hij antwoordde niet, ofschoon Lodewijk thans weer nevens hem stond. „Geef acht op mij!” fluisterde hij hem na eenige oogenblikken snel toe, „wij kunnen misschien nog ontkomen. Bereiken wij daar den hoek van het bosch, dan zijn wij geborgen, en bij die drie hooge dennen op den heuvel daar ginds vinden wij elkander weder.”
Thans sidderde Lodewijk. Zijn hart sloeg hevig; hij wendde zich naar den heuvel om en zag in den grijzen nevel de drie dennen staan. Men kon zich in de plaats niet vergissen en in een half uur kon zij bereikt zijn. Opnieuw alzoo wenkte hem de redding. Bernard toonde ze hem als mogelijk, nabij, waarschijnlijk. Met geweld rukte hem de hoop weder uit de banden des doods in het leven terug. Gebroken was thans de kracht zijner standvastige verzaking; alle levensprikkelen en polsslagen werden weder wakker en sloegen hevig in zijn boezem. Wanneer de vlucht hem nu mislukte, dit gevoelde hij, dan werd de dood hem zwaar.
Nauwelijks hadden deze gedachten de baren van zijne borst stormachtig in beweging gebracht, toen Bernard het gunstige oogenblik waarnam en op eens met geweldige kracht de beide naastbijstaande soldaten door een onverwachten stoot in den nek voorover op den grond wierp, met één sprong uit hun midden was en onder het roepen van: „Volg mij, broeder!” snel als een hert naar het woud vluchtte.
Aldus had hij voor zich en Lodewijk de baan gebroken; deze, op den wenk wachtende, sprong naar de andere zijde weg en vluchtte insgelijks over de besneeuwde vlakte. De soldaten stonden als verbijsterd.
„Zendt hen eenige kogels na!” riep de officier, en eenigen schoten. Maar tegelijk waren anderen de vluchtenden in vollen ren nagesneld en verhinderden den overigen hunne geweren af te schieten, daar zij even goed hunne kameraden als de vluchtenden konden treffen. Allen wierpen dus hunne geweren in de sneeuw, om des te lichter te zijn, en vlogen de vluchtelingen na. Lodewijk trachtte zich dicht aan Bernard te houden, om zijn lot niet van dat zijns vriend te scheiden; doch de zwerm der vervolgers, die zich tusschen hen wierpen, dwong hen spoedig eene verschillende richting te nemen. Vlucht en vervolging werden even moeilijk; want toen men van den steilen top des heuvels, waar de wind de sneeuw had weggevaagd, meer het bosch naderde, waar de storm haar niet zoo vatten kon, zonk de voet bij iederen tred diep daarin weg. Reeds zag Lodewijk de zwarte dennestruiken vlak voor zich, die hem redding zouden aanbieden, reeds waande hij het onrechtvaardige noodlot ontkomen te zijn, toen hij op eens tot aan zijn middel en bij de eerste beweging tot aan de borst in de sneeuw zakte, die, in een aardkloof opeengewaaid, deze slechts licht met haar bedriegelijken sluier bedekte. Hij arbeidde met alle spierkracht, om zich te redden—doch te vergeefs. In weinige seconden hadden zijne vervolgers hem bereikt, pakten hem onbarmhartig met hunne sterke handen aan en sleurden hem bij zijne armen en haren naar boven.
Ach, hoevelen, die in deze koude graven, in deze loerende wolfskuilen hun dood vonden, smeekten te vergeefs om eene reddende hand. Hem rukte de woede eener woeste moordlust uit de geopende kaken des doods terug, om hem aan het nog gewisser verderf over te leveren. Hij beefde van koude en inwendige rilling; zijne knieën knikten onder zijn lijf; want de krachten van ziel en lichaam waren gelijkelijk uitgeput. De plotselinge omkeer van redding tot verderf had hem verpletterd. De ernstige, rustige beslissing van zijn lot had hij als een man met bedaardheid gedragen; den spot van het toeval, dat het geluk hem voor een oogenblik in den schoot wierp, om hem in dezelfde minuut des te dieper in het verderf te storten, dezen te verdragen ging boven zijne krachten. Hij gevoelde zich verwonnen.
Onder de ruwe mishandelingen der soldaten, met vuist en kolfslagen voorwaarts gedreven, werd hij naar de plaats, waar hij sterven zou, veeleer gesleept, dan hij zelf derwaarts kon gaan. Ja, de honende blik, waarmede Beaucaire hem ontving, kon hem zelfs de kracht niet wedergeven, om in de laatste oogenblikken zijns levens eene heimelijke zege op dezen ellendeling te vieren. Slechts naar Bernard zag hij angstig om, of deze ook thans weder de deelgenoot van zijn treurig lot zoude zijn. Hij ontdekte hem niet; de vervolgers moesten hem nog niet machtig zijn geworden. De hoop, dat zijn vriend gered kon zijn, beurde hem op, alhoewel hij ook diep gevoelde, dat de dood hem thans, alleen, zonder de vertroostende nabijheid van Bernard, veel vreeselijker te gemoet trad, dan voor weinige oogenblikken, toen hij arm in arm met den wakkeren vriend den geheimnisvollen weg zoude gegaan zijn. Thans stond hij aan den paal. Twee soldaten waren bezig hem met een geweerriem de armen op den rug en aan den paal te binden, als vreesden zij nog eenmaal zijn tegenweer. De sergeant trad met een doek in de hand naar hem toe, en sprak bewogen:
„Ik wil u blinddoeken, kameraad; het is beter voor u!”
Te voren zou Lodewijk dit versmaad hebben, thans liet hij zijn medelijdenden kameraad gewillig begaan. Daar viel hem plotseling in, dat hij hem nog tot den overbrenger van zijne laatste mondelinge bestellingen konde maken. „Mijn vriend!” zeide hij, terwijl deze hem den doek voor de oogen bond, „gij wildet mij immers een laatsten liefdedienst bewijzen? Zoo ga dan, als het u mogelijk is, naar den overste Rasinski, die ons regiment kommandeert, zeg hem, hoe ik gestorven ben, en bid hem mijne zuster te vertroosten;—en wanneer gij zelf dezen veldtocht overleeft en haar in Warschau of Dresden wilt opzoeken en zeggen, dat....”
Op eens vielen vlak bij hem eenige schoten.
„Geldt dat mij reeds?” riep Lodewijk, daar de achter hem staande sergeant juist den doek had losgelaten en nevens hem getreden was. Doch deze riep:
„Bij den satan, wat is dat?” en Lodewijk hoorde hem wegloopen. Op eens verhief zich een verward geschreeuw en gejoel, en wederom vielen er eenige schoten zeer nabij, zoodat een kogel vlak langs Lodewijks oor heen floot. Bijna op hetzelfde oogenblik hoorde hij achter zich paarden in vollen galop, en een verward gedruisch van commando's, geschreeuw, wapengekletter en schoten klonk om hem heen. „Voorwaarts!” riep de stem van den sergeant, „sluit de gelederen! vuur!”
Een peletonsvuur van omtrent twintig schoten klonk dreunend in Lodewijks ooren; hij waande, dat de trompen op hem gericht waren geweest, en eene onwillekeurige doodsrilling trok hem door het lichaam. Doch hij voelde zich levend en ongekwetst. De dichte duisternis die hem omgaf, de banden die hem vasthielden, de uiterste spanning van al zijne zenuwen en zinnen joeg een vloed der meest verwarde voorstellingen door zijn hoofd. Daar hij links krijgsgeschreeuw en het trappelen van paarden hoorde, meende hij een oogenblik, dat Rasinski met zijne manschappen tot zijne bevrijding was toegesneld. Doch spoedig hoorde hij het gillend krijgsgeschreeuw der Russen. Een „hurrah,” klonk door de lucht. De troepen raasden hem voorbij; kruitdamp drong hem in het gezicht; geschreeuw, gekerm, wapengekletter bruisten om hem heen. Hij was midden in het krijgsgewoel; te vergeefs zocht hij zijne banden te verbreken, om het deksel van zijne oogen te lichten; het bleef nacht om hem heen. „Is dan alles een woeste, vreeselijke droom?” riep hij eindelijk uit zijne geprangde borst, en wendde zijn gelaat biddend ten hemel. „Doe mij dan ontwaken en eindig deze schrikkelijke kwelling!”
Doch geen hand raakte hem aan, en het geraas verloor zich langzamerhand in de verte.
Zoo verliepen eenige minuten van onbeschrijfelijke verwachting. Lodewijk kromde zich in zijne banden; een donker gevoel zeide hem, dat hij zich redden kon, wanneer hij deze vermocht te breken; doch hij kon het niet. Daar hoorde hij weder verwarde stemmen allengs naderkomen, snelle schreden kwamen op hem af en eensklaps rukte eene ruwe hand hem den doek voor de oogen weg.
Verwonderd zag hij om zich heen; drie mannen met lange baarden, ongetwijfeld russische boeren, stonden voor hem en zagen hem met een mengeling van spot en verwondering aan. Op den grond lagen de lijken van fransche soldaten en eenige weggeworpen geweren. Lodewijk bevond zich in de macht zijner vijanden, welke een zeldzaam toeval tot zijne redders gemaakt scheen te hebben.
Hunne taal in het geheel niet machtig en nog bedwelmd van de gebeurtenissen, kon hij op dit oogenblik geen woord vinden, waardoor hij zijne bede om redding zou kunnen uitdrukken. Zijn smeekende blik, zijne geboeide handen spraken echter eene taal, die niet te miskennen was. Doch de haat der vijanden wilde ze niet verstaan, maar overschreeuwde in zijn woest opbruisen de zachtere stem des medelijdens. Een der drie mannen hief zijn geweer op en wilde den gevangene met de kolf verpletteren; de geboeide kon slechts zijn hoofd afwenden, zonder zijne armen te kunnen vooruitsteken. Daar hield op eens eene hand den opgeheven arm terug; het was de gestalte van een eerwaardigen grijsaard, die, in een donkeren, wijden mantel gehuld, juist van den boschkant naderde. Zijn aanblik werkte op Lodewijk, alsof de stralen der morgenzon in den donkeren nacht zijner schrikbarende droomen drongen. Met eene zachte, ernstige stem sprak de grijsaard eenige woorden. De drie mannen namen hunne mutsen af en bogen zich met de armen over de borst gekruist eerbiedig voor hem. Thans zag Lodewijk in hem een engel der redding; zijne aartsvaderlijke trekken, het zachte, hooge voorhoofd waren hem borg, dat hij wilde redden en niet kwam, om hem tot nog gruwzamer lijden te sparen. De boer, die te voren met de kolf had gedreigd, naderde hem thans met een mes en sneed den riem, die hem vasthield, door. Lodewijk was vrij, gered. Vol dankbaarheid greep hij de hand des grijsaards, doch deze maakte eene afwerende beweging, als wilde hij zeggen: Ik wilde u als een hulpeloos geboeide niet gruwzaam laten vermoorden; maar gij zijt de vijand van mijn vaderland, van mijn God en hebt u aan alles, wat ons heilig is, vergrepen; daarom heb ik geen deel aan u.—De boeren namen hem als gevangene in hun midden en dreven hem vooruit naar het woud. Terwijl Lodewijk hen volgde, kwam hij zoo dicht langs een der gesneuvelde fransche soldaten heen, dat hij zijn gelaat kon onderkennen. Het was de brave landsman Cottin, die hem gisteren het brood had gegeven. Hoe wonderbaar is het lot, dacht hij bewogen; gij, die nog voor weinige minuten mij als een hopeloos verlorene beklaagdet, gij ligt nu zielloos voor mij. Mocht uwe deelnemende ziel het geluk aan de overzijde des grafs vinden!—Er is geene waarschijnlijkheid meer! Welaan, zoo wil ik ook niet meer hopen, niet meer vreezen, of het zwaard des doods nabij of veraf boven mijn hoofd zweve.
Door deze gedachte opnieuw versterkt, ging hij met een bedaarden tred tusschen zijne geleiders voort. Met angst zocht zijn oog in de versche sneeuw naar de sporen van Bernards vlucht, doch het geheele sneeuwveld was thans zoo in alle richtingen door menschelijke voetstappen en paardenhoeven doorkruist, dat zelfs het geoefende oog van een noordschen nomade moeielijk nog eene bepaalde richting van enkele sporen zou hebben onderscheiden.
In weinige minuten bereikte men het woud, dat spoedig zeer dicht werd. Na een kwartier omtrent hielden de boeren op eene plaats, waar reeds verscheiden der hunne op hen wachtten, halt; van tijd tot tijd kwamen andere troepen den weg van Smolensko af, en sommigen hunner hadden eenige Franschen als gevangenen bij zich. Lodewijk zag met deelneming rond, of de sergeant er misschien bij mocht zijn; doch hij kon hem niet ontdekken. Een nieuwe troep kwam uit het bosch; in het midden dezer lieden, welke eenige kozakken te paard vergezelden, moesten zich ook gevangenen bevinden, want Lodewijk hoorde hun angstig gekerm om medelijden. Deelnemend zocht hij in dien verwarden hoop de deelgenooten zijns ongeluks te herkennen. Eindelijk opende zich de groep, en eene huivering doordrong zijne borst. Hij zag Beaucaire en St. Luces, die half naakt, van angst en koude bevend, in het midden der juichende barbaren werden voortgesleept. „Almachtige God!” riep hij getroffen uit; „verworpen zij hij, die twijfelt aan Uwe alles besturende hand!”
In dit oogenblik vielen de oogen der gevangenen op Lodewijk, dien men, hetzij bij toeval, hetzij uit medelijden, niet geplunderd had.
St. Luces verborg het gelaat in de handen, en stond daar met knikkende knieën. Doch Beaucaire beet van woede op zijne lippen en mompelde een slechts half verstaanbare vloek, van welken Lodewijk slechts de woorden verrader en spion verstond. Hij zag den ellendeling met waardigheid en riep hem toe: „Gij bedriegt u! Ik ben slechts een gevangene, evenals gij! De hand des Almachtigen heeft u uwe straf doen vinden! Zoo hoop ik, zal Hij mij nog verder Zijne bescherming verleenen.”
De russen, gelijk Lodewijk thans bespeurde, meestal slechts gewapende boeren, schenen nu voltallig te zijn. Zij dreven de gevangenen te hoop, namen hen daarop in hun midden en braken op, om het bosch verder in trekken.
ELFDE BOEK.
HOOFDSTUK I.
Sinds het slot van graaf Dolgorow door Rasinski overvallen en in brand gestoken was, had zich de bezitter niet weder op zijn goed laten zien. Na den aftocht der vijanden vielen de eigene boeren plunderend in het brandende gebouw en zochten alles meester te worden, wat de vlam nog niet verslonden had. Doch midden onder hen trad de grijsaard Gregorius en verhief zijne stem met gestrengheid en waardigheid. „Keert de vlammen, vrienden,” riep hij hun toe, „redt de have uws heeren en bergt ze in uwe hutten, doch waagt niet, u daaraan te vergrijpen en ze u toe te eigenen. Vloek zal Ruslands zoon treffen, die de trouw jegens zijn heer schendt.”
Door deze vermaningen beteugelde de hoog vereerde vader de hebzuchtige begeerte der slaven, die het eerste oogenblik hunner bevrijding wilden aangrijpen, om zich te verrijken met de goederen van hun heer. Zijn woord was eene wet, de wenk zijner oogen een heilig gebod. Daarom gaven zij hem ook nu gehoor en spanden eerst hunne krachten in, om het slot voor algeheele vernieling door de vlammen te bewaren. Daarop namen zij, wat er kostbaars in de vertrekken te vinden was, en verborgen het in hunne diepe kelders, die aan geen russisch huis, zelfs niet van den armsten lijfeigene ontbreken. Zoo werd het hoofdgebouw van het slot aan de woede der vlammen ontrukt en stond het nog bijna ongedeerd. Doch in de vertrekken zag het er woest en ledig uit. In de meeste waren de vensters stuk geslagen, de muren door den rook zwart geworden, en de boeren hadden er alle huisraad uitgehaald. Zoo had het gebouw van buiten wel zijn trotsch aanzien behouden, doch van binnen was het zoo verwoest, dat nauwelijks eenige kamers bewoonbaar bleven.
Meer dan drie maanden waren er sedert dien brand verloopen, en de graaf was na dien tijd niet teruggekeerd. Ondertusschen had de ijzeren stroom des oorlogs zich zoo wijd over het land uitgestort, dat alle gemeenschap met het binnenste gedeelte verbroken was. Gregorius, die zijne gemeente volstrekt niet wilde verlaten, maar als een getrouw herder achtergebleven was, had daardoor in al dien tijd van den graaf noch van Feodorowna ook slechts het geringste vernomen. Hij had het huwelijk aan het altaar ingezegend, zijne lippen hadden den hemel zegen en heil voor de jeugdige echtelieden afgesmeekt. Doch hij zelf vertrouwde niet zoo vast als anders op de kracht van zijn smeeken; want hij wist wel, met welk een smartelijk gevoel hij de dochter zijns harten zag heengaan en het nieuwe levenspad betreden, dat voor anderen met geurige bloemen pleegt bestrooid te zijn.
De dagen waren eentonig voorbijgegaan; de herfst had de bladeren van de boomen afgeschud. Het groen der dennen werd met iederen dag donkerder en zwarter; spoedig kroonden zij zich met rijp en eindelijk breidde de sneeuw haar schitterend dekkleed over de toppen der boomen, over de heuvels en den verstijfden stroom uit.
Zoo is voor mij dan wederom de winter genaderd, dacht Gregorius, wanneer hij uit de stilte zijner eenzame cel over den opengeslagen Bijbel heen in het treurige, verlaten dorp zag; reeds meermalen geloofde ik, dat het de laatste zou zijn, en bereidde ik mij voor den Heer te verschijnen.
Mijn hart hangt niet aan deze aarde, maar toch verlangt het nu vurig nog eenmaal de lente te zien aanbreken en haar liefelijken groet te ontvangen. Moet dan de akeligste winter mijns levens ook de laatste zijn? Zou ik moeten heengaan, eer ik mijn vaderland weder bevrijd zie van deze horden van schanddadige verwoesters, die al het heilige bevlekken en onteeren? Algoede Vader! Gij weet het, hoe rustig ik mijn oog op de graven vestig, die hier onder mijne vensters rondom het godshuis zijn. Al deze dooden sluimeren onder Uwe bescherming. Zij rusten even stil en koel onder het groene tapijt, waarmede de lente hunne woning versiert, als onder het koude sneeuwkleed van den winter! Hoe dikwijls heb ik mijne hand tot U opgeheven, Heer des hemels, en gebeden: Roep mij op, wanneer Gij wilt, ik treed deemoedig, maar vol vreugde voor Uw aangezicht. Doch thans smeek ik, laat mij den dag der vreugde nog zien, wanneer Uwe hand hen vernietigt, die zich aan U vergrepen hebben. Want Uw bliksem treft de heidenen en Uw woord verplettert Uwe vijanden. O, laat mij dien dag nog zien, waarop de lente weder over mijn rampzalig vaderland aanbreekt! Want redden zult Gij het; dat gelooft mijn hart met onwankelbaar vertrouwen.
In zulke gedachten stond de grijsaard menigmaal, wanneer de avondschemering zich over de aarde uitbreidde, aan het venster zijner cel en hij richtte den blik op het winterlandschap, op het kerkhof vóór hem en op het heilige huis des Heeren.
Met iederen dag, dat de grauwe winterwolken zich donkerder opeenpakten en de storm heviger langs den gevel van het huis huilde, groeide de vrome hoop des geloovigen grijsaards aan. Hij zag in den geest de wrekende engelen des Almachtigen met de dreigende wolken optrekken en de hand der vernietiging over het hoofd der heiligschennende vijanden uitgestrekt.
Met voorzeggenden geest zag hij de lange, treurige vluchten van raven in de schemering over de heuvels trekken, en des nachts, als de wolf, door honger gedreven, zich buiten het woud waagde en voor het goed gesloten huis huilde, dacht hij: Waar zullen de legers der verwoesters spijs en dak vinden, wanneer het hongerige roofdier tot zijne ergste vijand vlucht!
De honger zal u met zijne scherpe tanden vervolgen en aan onzen haard drijven; doch gij zult niet vriendelijk genoodigd worden, u daar neer te zetten; onze hand, met knods en zwaard gewapend, zal u verjagen of op onzen drempel verpletteren. De deur van den Rus, die zich voor ieder gastvrij opent, zal voor u gesloten zijn, gelijk voor den huilenden wolf, wiens buit gij worden zult. Het vuur, tot hetwelk de verkleumde voor de woede des winters vlucht, zal, wanneer gij nadert, uitgedoofd worden, of de hut verteren, onder welke gij toevlucht zoekt. En niet eer zullen wij rusten, voordat het laatste spoor uwer voetstappen uit ons vaderland verdwenen is.
In zulke overpeinzingen lag de grijsaard nog dikwijls te middernacht op zijn leger, wanneer reeds lang alles om hem heen stil en doods was.
Daar klopte midden in den nacht iemand aan zijne deur en eene mannenstem riep: „Open! Ontwaak, vrome vader Gregorius! Uw gastvrij huis moet nog laat aan reizigers eene schuilplaats verleenen!”
De grijsaard meende de stem te kennen. Spoedig wierp hij een mantel om, opende het venster en zag naar buiten. Eene slede stond voor zijne deur stil. „Wie klopt nog zoo laat?” vroeg Gregorius. „Bedriegt mij mijn oor of hoorde ik eene bekende stem?”
„Gij dient haar wel te kennen, vrome vader,” antwoordde de vreemde; „ik ben Dolgorow.”
„Heer in den hemel! Gij zelf?” riep Gregoor vol verwondering uit en snelde met de lamp naar de deur, om ze te openen.
De graaf stond voor hem.
„Zijt gegroet, vader! Gij moet mij dezen nacht huisvesting geven en ook die daar in de slede,” sprak hij hem aan; „ik zal u gewichtige dingen mededeelen.”
Gregoor lichtte naar de slede. Twee vrouwen zaten er in. Met een blij voorgevoel trad hij uit de deur zijner woning en naderde de reizigers. Eene rijzige gestalte, in een dichten sluier gehuld, trad hem te gemoet. „Vader Gregorius, wees gegroet!” aldus sprak zij hem met eene vriendelijke stem aan, en hij herkende zijne geliefde dochter Feodorowna, die bewogen, sprakeloos weenende aan zijn hart zonk.
Haar moeder volgde haar; Gregorius geleidde haar eerbiedig in zijne woning.
„Wat voert u onder mijn nederig dak?” sprak hij met eene bewogen stem, toen hij het bekrompen vertrek bereikt had; want het bleeke gelaat van Feodorowna veroorzaakte hem kommer, en zij droeg een rouwsluier.
„Ik wil u in hare plaats op alles antwoord geven,” hernam Dolgorow. „Wees slechts zoo goed, om dadelijk de vrouwen een vertrek in te ruimen, waar zij rusten kunnen, want wij hebben dag en nacht zonder ophouden gereden. Maar wek niemand van uw volk, want vooralsnog moet ons verblijf hier een geheim zijn.”
„Ja wijs ons eene rustplaats aan, vrome vader!” zeide de gravin met matte stem; „ik ben doodelijk vermoeid.”
Gregorius geleidde de vrouwen in een stil, op den tuin uitziend, ter ontvangst van gasten ingericht vertrek, dat, evenals het geheele huis, goed verwarmd was. De gravin viel dadelijk op een rustbed neder. Feodorowna reikte haar vaderlijken vriend de hand en zeide: „Morgen, beste vader! morgen wil ik lang, recht lang met u spreken.”
„Maar hebt gij nu geene behoefte aan eenige verversching, aan eenige spijs of warmen drank?” vroeg de grijsaard.
„Aan niets, beste vader,” hernam Feodorowna, „dan aan rust en die vinden wij immers hier, zooals wij ze wenschen.”
Gregorius ging naar Dolgorow terug, dien hij met groote schreden door het vertrek zag op- en nedergaan.
„Vader!” sprak de graaf hem aan, terwijl hij hem de hand op den schouder legde, „vader, er gebeuren groote dingen. Rusland ziet de dagen zijns roems aanbreken na den tijd van smaad, welke het heeft doorleefd.”
„Hoe? Mag ik uwe woorden gelooven? Zoo is mijn vurig gebed verhoord geworden?”
„Gij weet, dat de vijand op den terugtocht is.”
„Ja; doch ik vrees slechts, om den winter van Rusland te ontgaan, daar de heilige stad, welke hij zelf schanddadig heeft verwoest, hem geen toevluchtsoord meer aanbood.”
„Ruslands winter heeft hem ingehaald. Het is te laat om terug te keeren. Hij zal de grenzen van het land, dat hij vol trots is binnengedrongen, niet wederzien.—Gij meent dat hij Moskou verbrand heeft? Werpt niet de stuurman de kostelijke waren, waarmee hij zijn schip bevracht heeft, in zee, om zijn gestrand vaartuig weder vrij van de zandbank op de baren te verheffen? Laat de zeeroover zich niet met zijne vijanden in de lucht vliegen? Houdt gij de zonen van Rusland niet voor mannen, die evenzoo konden handelen? Oude man, leer beter van ons denken! Geen vijandelijke fakkel heeft de vlam van Moskou ontstoken. Haar glans zal de schrikkelijkste, maar ook de grootste daad in de jaarboeken van Rusland bestralen.”
„Hoe?” riep Gregorius en hief met verbazing de handen omhoog. „Hoe?”
„Laat dat voor het oogenblik daar; het is zooals ik gezegd heb; doch wij hebben over belangrijker dingen te spreken. Van dien schrikvollen nacht af begon de onweerswolk des verderfs hare wrekende bliksems op de verwatenen af te zenden, die het gansche gewapende Europa in dit rijk voerde, om onze velden te verwoesten. Hun aanvoerder moest den smaadvollen dag beleven, waarop hij zich tot de vlucht genoodzaakt zag; de trots van den nooit overwonnene is gebroken, het verderf heeft hem bereikt. Reeds hier hoopten wij hem te vernietigen; het is te laat geworden, doch hij ontgaat zijn noodlot niet.—Hoor mij thans oplettend aan, waarde vader, want wij hebben uwe hulp noodig. Gij zult niet vergeten hebben, hoe de bruiloft mijner dochter gestoord werd. Gij ziet haar thans in de rouwkleederen eener weduwe, want haar echtgenoot is niet meer. Toen wij vluchtten, bereikten de vijanden ons bij het bosch, achter den tuin. Een kogel trof den prins; hij viel, doch het gelukte ons, hem in het bosch te verbergen. Op eene draagbaar van takken droegen wij hem tot aan het naaste dorp en daar vonden wij het middel, hem langzaam naar Moskou te doen brengen, daar de steeds nader en nader rukkende vijand ons drong, zoo ver te vluchten. Want hij wilde liever sterven, dan den vijand in handen vallen. Van Moskou snelde ik zelf naar het leger terug. Ik streed bij Borodino, waar wij niets verloren dan een woesten, met lijken bedekten grond. Hij werd ons duur betaald. Gewond, ofschoon licht, begaf ik mij naar Moskou, alwaar de prins door zijne en mijne gemalin verzorgd, zijn moeilijk ziekbed doorstond; want daar wij hem geene rust konden gunnen, was de wonde zoo gevaarlijk geworden, dat zij weinig hoop meer gaf op herstel. Thans rukte de vijand voor de hoofdstad. Terwijl hij introk, worstelde Ochalskoi met den dood. Wij hadden hem in een afgelegen vleugel van het slot in een verborgen, goed beschermd vertrek doen brengen waar wij in eene geruste verborgenheid hadden kunnen blijven, wanneer de brand der stad niet besloten ware geweest. Met het ondergaan der zon sloot Ochalskoi zijne oogen. Wij wachtten slechts op den nacht, om langs geheime, zekere wegen te ontvluchten, maar het lijk zelfs van den edele lieten wij niet aan den vijand, want ik had het hem in zijn doodsuur beloofd, alles te zullen wagen, om hem op onbezoedelden, russischen bodem te begraven.
„Het gelukte ons het vrije veld te bereiken; de vlammen van Moskou lichtten bij onze vlucht. Spoedig bereikten wij het dichte bosch en daarachter den grooten weg naar Petersburg.
„Ik begaf mij, door mijne gemalin en dochter begeleid, naar den keizer. Van daar werden nu de onzichtbare netten uitgespreid, waarin wij den vijand des vaderlands lokten. Wij hielden hem op met vredesvoorslagen, tot hij eindelijk bemerkte, dat hij, die vroeger gewend was anderen te bedriegen, voor ditmaal zelf de bedrogene was. Nog was het tijd voor den terugtocht geweest, ofschoon hij het duur zoude gekocht hebben, om de grenzen van Rusland nog eenmaal te betreden. Maar zijne trotschheid wilde dezen smaad niet ondergaan; in den waan zijner onverwinnelijkheid beproefde hij zich een nieuwe baan te breken. Dit mislukte. Zijn dag was gekomen, hij moest terugkeeren en vluchten; doch het was te laat! Reeds trekken van alle zijden de draden, waarmede wij hem omspannen, zich bijeen. De Almachtige is met de heilige zaak des vaderlands. Hij liet zijne zon bedriegelijk schijnen en verborg door hare zachte stralen de nabijheid des winters, die grimmig loerend in zijne hinderlaag lag, waaruit hij nu op eens moordend voor den dag gekomen, in hunne scharen indringt, als de wolf in eene weerlooze kudde. Geen vlucht kan hen redden; alle wegen zijn bezet. Waarheen zij zich keeren, moet hun het verderf te gemoet treden. Daarom kom ik hier. Thans, vader, komt het er op aan, Ruslands zonen met heilige woede te vervullen tegen deze spottende onverlaten, die zich verheugen in de tranen onzer woede. Gij zult mij helpen, hen op te ruien, te verzamelen en tegen den vijand op te trekken. Daarom kom ik uit de hoofdstad; ik ijlde als de wind hierheen, want ik hoopte Smolensko nog voor den franschen keizer te bereiken en bij overrompeling de vesting te bemachtigen. Dan was hij hier in het hart van Rusland gevallen. Doch dat is te laat. Ik weet, dat hij sinds gisteren reeds hier is; met gevaar slechts, langs omwegen door de wouden, kon ik tot hiertoe doordringen; doch waar ik den grooten weg kruiste, zag ik de sporen reeds van het verderf, dat hem bereikt heeft. De weg is met lijken en goederen bedekt. Maar er mag niet één ontkomen, niet één, die het onheil in zijn vaderland kan verkondigen. Slechts uit het doodsche zwijgen, uit het ijselijke verdwijnen van elk spoor, mogen de zijnen te huis gewaar worden, welk lot hem getroffen heeft, benevens hen, wier aanvoerder hij was.—Als de dag aanbreekt, Gregorius, verzamel dan het volk door het gelui der klok in de kerk, vervul hunne harten met de vlam der woede, roep hen op tot wraak tegen de vijanden van hun God. Geene kinderen, geene vrouwen mogen werkeloos blijven. Daarom heb ik ook gemalin en dochter medegebracht, wijl zij het voorbeeld moeten geven van den plicht eener edele dochter van Rusland.—Dan zal ik onder hen treden, hen uitzenden als boden door geheel het omliggende land, en eer de avond valt, zullen wij duizende gewapenden hebben, om tegen den vijand aan te voeren. Zij moeten ijlings op de moedelooze vluchtenden instormen, gelijk een zwarte onweerswolk den hagelslag op de akkers nederzendt! Dat is thans onze plicht, Gregorius! Gij zult mij helpen dien uit te oefenen.”
„Zoo waar het aangezicht des Heeren over mijn grijzen schedel licht,” riep de grijsaard met een blik vol geestdrift, en hief zijne rechterhand plechtig omhoog. Toen zonk hij op de knieën en bad uit het diepst van zijn hart:
„Almachtige Vader! Algoede Bestuurder onzer lotgevallen! Zoo hebt Gij mijn smeeken verhoord en laat dezen dag des heils schitterend voor mijne oogen verrijzen. Heb dank, Algoede! Dit laatste werk worde mij nog toegelaten te voltooien; dan wenk mij, en verheugd leg ik mijn hoofd in het graf neder.”
HOOFDSTUK II.
Zonder door om te zien ook maar een oogenblik tijds te verliezen, had Bernard in vollen ren den hoek van het bosch bereikt. Zijne vervolgers waren hem op de hielen, doch de gulden prijs der vrijheid, die hem toewenkte, gaf hem vleugels. Gods hand bewaarde hem, want ofschoon eenige kogels vlak langs zijn hoofd voorbijvlogen, wondde hem evenwel geen daarvan. Thans dekten hem de dichte struiken; deze belemmerden wel de snelheid zijner vlucht, doch zij verborgen ook hare richting en stelden dezelfde beletselen zijnen vervolgers in den weg. Met het hoofd voorover gebogen, zijn linkerarm beschermend voor zijne oogen houdende, vluchtte hij voort en bemerkte nauwelijks dat de struiken hem de handen en het aangezicht bloedig openreten. Eindelijk ontbrak hem de adem; hij stond een oogenblik stil en schepte lucht. Luisterend stond hij daar, of zich ook voetstappen achter hem deden hooren. Alles bleef doodstil. Voorzichtig snelde hij na eene rust van weinige seconden nog een eind dieper het bosch in, tot hij in zulke dichte struiken kwam, dat zij hem zelfs voor iemand, die vlak langs hem heen ging, zouden verborgen hebben. Hier eerst vergunde hij zich eene langere rust en overlegde, wat hem nu te doen stond.
Gij zelf zijt voor deze reis gered, dacht hij, terwijl hij diep uit de borst ademhaalde en het oog dankbaar tot den hemel hief; was Lodewijk maar eerst hier bij mij!—En dan? Wij beiden eenzaam in deze woestijn? Aan de koude, den honger en de woede der inwoners prijsgegeven? Schaam u, Bernard, wilt gij den moed laten zinken op het oogenblik, dat gij het bewijs ontvangen hebt, dat niets verloren is, zoolang niet alles verloren is? Nader slechts, gij toekomst! men moet u kloek in het oog zien, als een kampvechter zijn vijand; dan weet men zich veilig voor iederen slag.
Onder deze gedachten zette hij zijn weg in de richting naar den heuvel met de drie dennen voort. In het binnenste van het bosch heerschte nog diepe schemering; doodstil was alles om hem heen. Daar klonken op eens verscheidene schoten. „Heilige God! wanneer dat Lodewijk gold, dien men weder gevangen had,” riep Bernard en stond als aan den grond genageld, met het bovenlijf vooruit, naar de richting van het geluid gebogen. Daar vielen wederom schoten en nog eens en nog eens. Neen, dacht hij met meer opgeruimdheid, dat was het schrikkelijk geluid niet, waarvoor ik vreesde. Intusschen bleef hij geheel in het onzekere, hoe hij dit schieten zoude verklaren, te meer, daar het zich met verward, dof en zwak door de morgenstilte tot hem overwaaiend geschreeuw vermengde.—„Wist ik maar, waar de vijand ergens uit den grond kon zijn opgekomen, dan zou ik gelooven, dat dit een gevecht was. Of de vlakte dan van hier nergens te overzien zoude zijn?” Hij ging naar den zoom van het bosch, doch nog eer hij dien bereikte, had het schieten en al het gerucht opgehouden. Des te angstiger luisterde hij, of hij geen voetstappen in den omtrek hoorde, of de struiken geen geluid maakten, wijl een driftige voetganger ze vaneen boog. Te vergeefs.
Bernard wist thans niet, of hij zich haasten zou het bepaalde punt der samenkomst te bereiken, dan of hij zou terugkeeren en trachten uit te vorschen, wat er van Lodewijk mocht geworden zijn. Na kort beraad koos hij het laatste. „Hij mag een half uur langer op mij wachten, het is beter, dat hij dit uitsta, dan dat ik hem misschien hulpeloos en zonder vriendentroost in de handen zijner vijanden achterlaat. Zoo hij het offer geworden was? Neen, neen! Het is onmogelijk. Maar is hij het, welnu, dan wil ik het ook zijn.”
Er lag in dit besluit eene zekere hooghartigheid. Men moest niet durven zeggen, dat hij, om zich zelf te redden, zijn vriend verlaten had. Hij gevoelde wel, dat voor Lodewijk zijn offer te laat kwam; maar het scheen hem eerloos, hem te overleven.
„Maar Maria!—Zoudt gij geen trouwer vriend zijn, wanneer gij voor de eenzame, hulpelooze zuster zorgdet? Voort, voort, uw hart wil u beliegen—vertrouw het niet!”
Bernards inwendige angst klom, hoe heviger de strijd in zijn binnenste werd en hoe nader hij bij de plaats kwam, waar hij zekerheid over het lot zijns vriends hoopte te verkrijgen. Eindelijk had hij het einde van het bosch bereikt en kon hij den heuvel overzien, waar de dood hem en Lodewijk had moeten treffen. Hij was verlaten, niemand nabij; Bernard waagde zich vooruit. De sneeuw was van ontelbare voetstappen doorkruist; ook ruiters moesten hun weg over den heuvel genomen hebben. Thans ontdekte Bernard een verloren chakot, bloedplassen, de ondubbelzinnigste bewijzen, dat hier een gevecht had plaats gehad. Van verre zag hij eenige lijken—hoe, zoude Lodewijk daaronder zijn? Hij snelde ijlings daarheen. Goddank, neen! het zijn andere uniformen.
Drie mannen lagen op de sneeuw ter neder. De eersten herkende Bernard; het was de brave Elzasser, Cottin; de beide anderen waren hem onbekend. De vreugde, dat Lodewijk gered scheen, liet het warm gevoel van medelijden met den wakkeren landsman niet opkomen. De vlucht moest hem gelukt zijn. Daar, waar de drie dennen oprijzen, wacht hij mij misschien reeds. Ik moet mij haasten, zijne onzekerheid te bekorten.
Ook zonder dezen inwendigen aandrang had Bernard reden gehad, zoo snel mogelijk te vluchten, want juist rukten eenige compagniën, in der haast bijeengeraapt, door het schieten opmerkzaam geworden, uit de slechts eenige honderden passen verwijderde poorten van Smolensko naar buiten, om de, zoo het scheen overvallen kameraden, doch te laat, ter hulp te snellen. Bernard bemerkte hen nog bijtijds en nam zijn weg het bosch weder in, naar de plaats, met Lodewijk tot de bijeenkomst bepaald.
Na een half uur had hij haar bereikt. De dennen stonden eenzaam op eene slechts met lage struiken begroeide hoogte, die hem een vrij uitgestrekt gezicht in de verte verschafte. Voor zich zag hij de torens, gevels en muren van Smolensko, waarachter de besneeuwde heuvels, welke den loop des Dniepers volgen, zich verhieven. In de verte liep een lange, blauwe rij van bosschen langs den horizon; aan de rechterhand achter een groot dennenbosch liep op een kwartier afstands ongeveer de groote weg naar Moskou; achter zich en ter linkerhand ontdekte het oog, zoover het reikte, slechts onmetelijke wouden, die zich over de hoogten en laagten van den grond onafzienbaar uitstrekten. Slechts weinige opene plaatsen waren zichtbaar, maar ook deze vertoonden zich slechts als rondom van bosschen ingesloten ruimten. De heuvelrij aan deze zijde des strooms beperkte het gezicht; ter linkerhand achter deze moest, zoo herinnerde Bernard het zich nog van vroeger, vlak een open veld zijn.
Hij wierp slechts een vluchtigen blik over deze treurige, eenzame landouw; zijn oog zocht Lodewijk. Hij ontdekte hem niet. Eerst zacht, vervolgens al harder en harder, riep hij den naam zijns vriend, doch zijne stem verloor zich in de diepe eenzaamheid en stilte, zonder antwoord te ontvangen.
Thans werd hij bevreesd. Duizend mogelijkheden kwamen hem voor den geest, welke de waarheid zeer nabij kwamen, zonder deze evenwel te treffen.
Hij kruiste in den omtrek van den berg rond, doorzocht alle boschjes, zocht naar voetstappen in de sneeuw, of hij daaruit Lodewijks spoor misschien mocht ontdekken, zoo deze verdwaald geraakt was—alles te vergeefs. Altijd ontdekte hij, hoever hij ook in het rond trachtte te zien, geene andere voetstappen dan die, welke hem zelf op den top des heuvels gebracht hadden. Deze kruiste hij een-, twee-, driemaal; hij hield zich eindelijk overtuigd, dat geen menschelijke voet, behalve de zijne, ook slechts in den omtrek des heuvels was gekomen.
De zekerheid viel hem als lood op het hart.—Was Lodewijk gered of niet? Had hij hem niet goed begrepen? Had hij zijne vlucht naar eene andere zijde gericht? Of hadden omstandigheden hem genoodzaakt, zijn behoud naar den anderen kant van het bosch te beproeven?—Was hij in het gevecht gebleven?
Deze en duizend andere vragen kruisten zich in Bernards hoofd, doch hij wist ze niet te beantwoorden.—Slechts die ééne schrikkelijke zekerheid verkreeg hij meer en meer dat hij van zijn vriend gescheiden was, dat slechts eene gunstige wending van zijn lot die buiten zijn bereik en zijne berekening lag, hen weder met elkander kon vereenigen.
Het werd middag. Van het waden door de sneeuw waren Bernards voeten doornat, de spieren zijner knieën ten uiterste afgemat. De honger deed zich met pijnigende hevigheid gevoelen, want het sinds twee dagen goed gevoede lichaam had weder kracht gekregen, om den aanval van den vijand eenigen tijd zonder afmatting, maar daarvoor ook met des te grooter smart te kunnen trotseeren. Een besluit moest hij nemen. Hem bleef slechts de keus over, of in de vesting terug te keeren en zich alzoo den zekeren snellen dood over te geven, of alleen de vlucht door de sneeuwwoestijn te wagen, waar duizend rampen en gevaren op hem wachtten, waartoe de zwakke hoop op behoud nauwelijks den moed en de kracht om te lijden konde geven.
En waarheen zou hij zijn weg nemen? Zonder wapen, om zich tegen een hongerigen wolf te verdedigen of hout voor een vuur te hakken, zonder levensmiddelen, met zeer weinig gangbaar geld, scheen het hem onmogelijk, voorwaarts naar zijn vaderland te komen. Er bleef hem niets over, dan terug te gaan, om het korps van Ney, dat nauwelijks twee dagmarschen achter kon zijn, en met dit het regiment van Rasinski te bereiken.
Was Lodewijk gered, kon hij zooals Bernard vrij handelen, dan bleef ook voor hem geen andere raad over. Daarom was deze weg ook de eenige, op welken hij hopen kon zijn vriend weder te ontmoeten.
Hij brak zich een sterken dennetak af, sneed dien met zijn zakmes, dat hij gelukkig bij zich had, tot een wandelstaf en tot een wapen in tijd van nood, en begon door het woud zijn tred naar den grooten weg te richten. In zijne ziel zag het er zoo somber uit, als rondom hem in de natuur. Hij moest door een ongebaande wildernis heenworstelen en dikwijls tot aan de knieën door de sneeuw waden. Daardoor kwam hij slechts langzaam vooruit, en ofschoon de weg in de naaste richting slechts een half uur van den heuvel verwijderd was, had hij dien evenwel na twee uren nog niet bereikt, deels omdat hij hem niet zoo dicht bij de vesting durfde over steken, en dan, daar zijn weg door de vele hindernissen en omwegen, welke hij moest maken, buitendien wel de helft langer werd. Deze inspanning en de honger, welke hem kwelde, putten zijne krachten zoozeer uit, dat hij zich eindelijk moest nederleggen. Hij ruimde met zijn stok en eenige bijeengebonden takken de sneeuw een weinig op, maakte zich van afgebroken dennenrijs een leger en legde er zich op neder, om een weinig uit te rusten. Doch hij droeg angstvallig zorg, den slaap van zich af te weren, om niet in dien slaap te bevriezen en zoo eene buit des doods te worden. Hij had echter deze voorzichtigheid niet noodig gehad; want de zorgen zijner ziel en de kwelling des hongers waren nog te hevig, om hem te laten sluimeren, en zijn lichaam nog niet zoo afgemat, dat hij de vermoeidheid als de ergste aller kwalen gevoelde. Om de knaging, welke hem de honger veroorzaakte, eenigermate te lenigen, sneed hij de jonge harsachtige spruitjes uit de takken en beproefde die te eten. Deze bittere kost met eenige handen vol sneeuw, welke hij tot stilling van zijn dorst genomen had en langzaam op zijne tong liet smelten, was de eenige versterking, welke zijn ellendige toestand hem vergunde. Na een uur gerust te hebben, brak hij weder op en bereikte nu spoedig den grooten weg. Doch welk een gezicht deed zich daar voor hem op! De weg was met half naakte, bevroren lijken bedekt, die halverwege uit de sneeuw uitstaken. Kleine, licht besneeuwde heuveltjes, tegen welke zijn voet onder het gaan gedurig aanstiet, waren de graven van even zoovele ongelukkigen. Weggeworpen wapens, uniformen, bagage, doode paarden zouden de richting, die het leger genomen had, genoegzaam aangeduid hebben, al ware er ook geen groote, door kanonnen en wagens stuk gereden heirbaan te zien geweest.
Eene kille huivering voer door zijne borst, toen hij zich thans zoo alleen midden onder deze sporen bevond, die de schrikkelijke baan kenmerkten, welke dood en verwoesting door deze sneeuwwoestijnen genomen hadden. De weg geleek één lang, onmetelijk kerkhof, waar echter geen vriendenhand de gestorvenen zacht begraven had. Slechts het lijkkleed der sneeuw bedekte koud en akelig de gevallenen.
Bernard moest thans spoedig een dorp bereiken; de weg boog zich en het lag voor hem. Doch geen huis was er meer te zien; alles omvergerukt, alles verbrand; nauwelijks staken nog hier en daar eenige schoorsteenen en zwart verbrande muren uit de sneeuw uit. Vermoedelijk was hier in de nabijheid een bivak geweest, zoodat de manschappen al het houtwerk voor hunne vuren gebruikt hadden. Spoedig zag Bernard ook de zwarte plekken aan den zoom van het bosch, alwaar de vuren gebrand hadden. Hij ging er heen, in de hoop van iets te vinden, dat zijn honger zoude kunnen stillen. Tevergeefs! Hier lagen ook geene lijken; want hier hadden immers de sterkeren gerust en het vuur had hen voor verkleumen bewaard.
Bernard stiet met zijn staf in een aschhoop en woelde er zoo een nog smeulend stuk hout uit. Dus kon dit bivak dezen morgen eerst verlaten zijn. Hij ontdekte een knoop op de sneeuw; hij nam dien op. Een zoete schrik overviel hem; hij ontdekte er het merk van zijn regiment op. Dit lichte spoor zijner vrienden gaf hem nieuwe hoop. Rasinski had dus hier rust gehouden. Daar hij eerst na den middag uit Smolensko was uitgerukt, moest hij hier des nachts gebivakkeerd hebben en was misschien slechts een halven dagmarsch van de plaats verwijderd.
Had Bernard thans slechts eenige spijs gehad en een paar uren kunnen rusten, zoo had hij zijne vrienden dien nacht misschien nog ingehaald. Doch hij was te vermoeid; want reeds begon de avond te vallen, en hij had den ganschen dag niets genoten en zich op de vermoeiendste wijze door de diepe sneeuw in nooit betreden bosschen moeten werken, niet eenmaal zijne verschrikkelijke gemoedsbewegingen van dien dag in aanmerking genomen. Thans gevoelde hij voor de eerste maal, dat zijn alles trotseerende moed wankelde. De afmatting zijner lichaamskrachten werkte op zijne ziel terug; de diepe eenzaamheid wierp hare donkere schaduw in zijn boezem; de spoorslag om door zijn moedig voorbeeld het vertwijfelen van anderen te verhinderen, bleef uit en met het ontbreken daarvan verdween ook de kracht.
Zwijgend, de armen over elkander geslagen en, daar de koude hem deed rillen, zich ineen krommende, zat hij op een half ingevallen muur en zag donker voor zich heen. Rondom de stilte des doods; het donker dennenwoud stond daar ijzingwekkend koud, en de takken bogen zich onder den last der sneeuw ter neder; grijze nevelwolken dreven langzaam en laag over de toppen van het woud. De adem was uit de borst der natuur geweken; zij lag daar als een lijk, bevroren, zonder warmte, zonder liefde. „En wat is het dan meer,” sprak Bernard, eensklaps oprijzende en moedig vooruittredende, „sluimeren er hier dan niet duizenden? Waarom wilt gij u verzetten, in de koude, uitgebreide armen des doods te zinken! Het lijden zal kort zijn; rust een oogenblik aan zijne borst en uw warm leven is ingezogen door de ijskoude verstijving, en smart en vreugde zijn voorbij.”
„Gij wilt weekhartig worden! Wijl achter dezen grauwen sluier nog de blauwe zonnige dag rust, dien gij ook eens gezien hebt? Wijl vriendelijke gedaanten aan de grenzen dezer woestenij staan?—Waart gij dan gelukkig, toen gij onder hen in het licht verkeerdet? Hebt gij niet altijd de smart in uw boezem verborgen omgedragen? Kon het bonte gewemel des levens u troosten en verkwikken? Droppels bevochtigen uwe tong, maar uw brandende dorst werd niet gelescht, en de lafenis vermeerderde slechts uwe kwaal.—En toch beeft gij, daar de hamer zich thans oplicht, om het uur der rust, der verlossing te slaan? Wil dan het rijsje der hoop zelfs in deze woestijn nog niet bevriezen! Is uwe mannenkracht niet in staat deze zwakke, uitgebrande vonk te verstikken? Schaam u! Zie het spooksel als een man aan! Het leeft alleen in uwe borst; gij ziet slechts de afspiegeling der verschrikkingen, welke gij zelf schept en in u omdraagt. Verpletter met een forsche vuist den bedriegelijken spiegel, en de spookgestalten zijn vernietigd.”
Doch tevergeefs kampte het geweld der gedachte tegen de macht der wezenlijkheid. Te vergeefs beproefde de geest de banden te verbreken, die zijne vrije vleugels in den kerker des lichaams en der zinnen vasthielden. Zij lieten hem niet uit hunne macht en stonden op hun oud recht, met hem tegelijk te heerschen, tot de dood het zegel van het voor de aarde gesloten verbond verbroken had.
Zoo bleef het spooksel dan ijzingwekkend voor Bernard staan en hij voelde, tegen wil en dank, hoe het afgrijzen door zijn boezem sloop en dieper en dieper zijn hart indrong.
„Deze boomstam moge het dan zijn!” zeide hij somber, wikkelde zich, inwendig rillend, vaster in zijn mantel en wierp zich weder op den grond neder.
HOOFDSTUK III.
Nauwelijks echter lag hij, toen hij de struiken achter zich hoorde bewegen en dadelijk daarna menschelijke voetstappen vernam. Hij voer overeind en zag om. Daar opende zich de dennenbosschen voor hem en eene wonderlijke, avontuurlijke gedaante, in een grauwen pels gehuld, een rooden doek om het hoofd gebonden, trad er voorzichtig, naar alle zijden rondziende, uit te voorschijn.
„Heidaar!” riep hij in het fransch Bernard toe. „Leeft gij, of zijt gij een lijk!”
„Ik leef,” hernam Bernard en richtte zich met moeite overeind.
„Gij ziet er echter uit, alsof het niet lang meer duren zou,” hernam de soldaat. „Zijt gij flauw van den honger?”
Bernard knikte met het hoofd. „Dan kan ik u helpen,” zeide de ander en kwam nader; „maar zeg mij, waar gaat de weg naar Smolensko?”
„Daar langs; tweehonderd treden van hier is de groote weg.”
„Geloofd zij Jezus en Maria! En hoe ver is het nog?”
„Vier uren.”
„Zwerven er kozakken op den weg?”
„Neen, zoover ik weet.”
„Barmhartige God! Zoo wilt Gij mij dan toch nog redden?” Met deze woorden zonk de krijgsman op de knieën, sloeg zijne blikken dankbaar naar den hemel en groote tranen rolden langs zijne wangen.—„Hier, vriend, neem,” zeide hij een oogenblik daarna en trad met een stuk brood in de hand op Bernard toe; „gij hebt mij verkwikt, ik wil u ook verkwikken. Neem, en hier is ook te drinken!” Tegelijk trok hij eene flesch brandewijn uit zijn zak en reikte haar Bernard toe.
„Zoo zal het dan toch niet hier ten einde zijn,” sprak deze bewogen. „Ik dank u vriend, gij zijt mijn redder.”
„En gij de mijne.”
„Doch, vanwaar komt gij daar uit het bosch?”
„Zevenmaal uit de kaken der hel,” hernam de gevraagde en zette zich naast Bernard neder. „Eergisteren dreef de honger mij met vele andere kameraden uit de gelederen van het regiment, om in de dorpen naar eten te zoeken. Daar stortte opeens, midden in het woud, een zwerm boeren op ons af en sloegen neder en vermoordden al wat zij vonden. Wij stoven naar alle zijden uiteen; daar kwamen ook kozakken aan en joegen ons met hunne kleine, vlugge paarden, als een herdershond de verstrooide schapen voor zich uit, om ons den woedenden boeren in handen te drijven.
„Doch hun eerste moordlust was voldaan, zij dreven ons met knods en knuppelslagen op een hoop bijeen, koppelden ons aan elkander als jachthonden en stuwden ons zoo voor zich uit. Wij meenden, dat zij medelijden met ons hadden en ons als gevangenen wilden medevoeren. Doch het was eene dwaling. Nadat wij in een twee uur van den weg gelegen dorp waren aangekomen, schudden zij ons zoo uit, dat wij half naakt in de grimmige koude stonden en de tanden ons klapperend op elkander stieten. Zoo sloten zij ons allen te gader in de kerk op. Wij kropen dicht opeen en zochten ons aldus te verwarmen. Doch het duurde niet lang, of er werden twee van ons naar buiten gehaald. Spoedig daarop hoorden wij schieten, doch enkele schoten met lange tusschenpoozen, en na ieder schot vervulde een wild geschreeuw en gebrul de lucht. Eerst konden wij niet begrijpen, wat dit beteekende; doch toen ik met behulp van eenige kameraden tot een klein venster opgeklauterd was, zag ik, dat—bij den duivel, kameraad, de woede klemt mij nu nog de tanden op elkander—ik zag, dat zij onze kameraden aan een boom gebonden hadden en als naar de schijf op hen schoten.”
Bernard verbleekte.
„Ik hield mij goed en verried niets, want te helpen was er toch niet meer. „Zij schieten naar het wit, dat is alles,” zeide ik eenvoudig weg, doch binnen in mij kookte het als eene zee.—De deur ging weer open en nogmaals voerden de bloedhonden twee slachtoffers naar buiten. Ik zweeg, daar het reeds donker werd, en ik hoopte, ons in den nacht te zullen redden. Inderdaad waren dit de laatsten van ons, welke moesten bloeden. In den nacht braken wij de deur die naar den toren leidde, open en het gelukte ons, ons aan het klokketouw in stilte naar beneden te laten. De schildwacht voor de kerk was ingeslapen. Ik stiet hem zijne eigen sabel in het hart, dat de kerel zich niet meer roerde. Thans wierp ik den pels van den Rus om, nam zijne wapenen en ging daarmede naar het wachthuis aan het eind van het dorp. Mijne kameraden liet ik stil volgen. Hier lag alles snorkend en bezopen door elkander, boeren en kozakken. De mantels en pelzen hadden zij op een hoop geworpen, want er heerschte eene verstikkende hitte in de kamer. In den hoek stond ook eene mand met brood, en brandewijnflesschen, gedeeltelijk vol, gedeeltelijk ledig, lagen overal in het rond. Eerst was ik slechts van gedachte geweest, uit wraak voor de vermoorden het gansche gebouw in brand te steken; doch daar de gelegenheid nu gunstig was, haalde ik nog drie kameraden en toen pakten wij zoovele kleederen en levensmiddelen bijeen, als wij konden, en droegen ze naar buiten. Vliegend slopen wij met onzen rijkdom naar het nabijgelegen hout, hielden eene eerlijke deeling en kleedden ons aan. Nu zochten wij een goed heenkomen. Doch de boeren moeten onze vlucht ras bemerkt hebben, want opeens waren zij vlak achter ons. Alles liep, ieder vluchtte, waarheen het toeval hem leidde. Mij gelukte het, een dicht bosch te bereiken, waar ik mij verborg, tot alles stil was. Daarop sloop ik voorzichtig voort, zooveel mogelijk naar den grooten weg toe. Zoolang het donker was, ging het goed; maar bij dag scheen het bosch te leven van het russisch roofgebroed, en ik moest schuin en dwars door bosch en veld, voor- en achterwaarts, om hun te ontgaan. Een uur geleden waren zij mij nog op de hielen. Zoo was ik geheel verdwaald en ik vreesde reeds den grooten weg niet te zullen bereiken. Nu echter hoop ik met God nog dezen nacht te Smolensko te komen. Dan wil ik in het gelid blijven en liever bezwijken van honger en pijn en eerlijk als een soldaat sterven, dan nog eens in de handen dezer wilde beesten vallen! Ik ben geen lafaard; maar geslacht te worden is toch een afgrijselijke dood, en een soldaat wil toch niet gaarne sterven als een moordenaar. Denkt gij dat ook niet?”
Bernard, door het voedsel gesterkt, door het verhaal dezer slingeringen tusschen redding en ondergang opgewakkerd, had in dit oogenblik zijne hoop weder teruggekregen. „Waarlijk niet, kameraad!” riep hij. „Doch daarvan behoeft ook nog niets te komen. Gij zult uw doel bereiken en ik het mijne. In den tegenwoordigen tijd, nu iedere minuut gevaarlijk is, mag men den moed niet opgeven, al had de dood ook iemand reeds bij den kraag gepakt. Men laat hem den mantel en scheurt zich toch weder los.”
„Zoo is het! Leve de moed!—Maar wat zegt gij daar van uw doel? Waar wilt gij heen? Niet vooruit?”
„Neen!”
„Terug? In dit duivelsland weder terug? Zijt gij bij uw verstand?”
„Mij is de dood hier gewisser dan daar.”
„Hoezoo?”
Bernard bedacht zich een oogenblik; daarop verhaalde hij zijnen vriend in den nood, in de overtuiging, dat dit eerlijke soldatenhart hem niet verraden zou, openhartig den samenhang zijner geschiedenis.
„Vervloekt gebroed! Vee van den duivel, dit schrijversgoed!” vloekte de ruwe, eerlijke soldaat, toen Bernard zijn verhaal geëindigd had. „Maar dat mag u geen zorg baren. Daarheen dreigt u bij iederen tred gevaar, want de boeren zijn woedend en liggen als boschnegers achter de zwarte dennestruiken. Een enkel persoon komt er niet door. Daarom raad ik u, kom meê naar Smolensko. Wie kent u? Trek mijn pels aan, wanneer wij de poort binnenmarcheeren en bind u een doek om het gezicht. Wat vraagt tegenwoordig de een naar den ander? Ieder heeft genoeg met zich zelf te doen. Hebben wij, God beter 't, niet duizenden van achterblijvers? Kom, als een man, ga met mij! Ik zal u in lief en leed bijstaan, zoowaar ik Jean Lacoste heet en uit Normandië ben! Kom, laten wij gaan. Het wordt donker, wij hebben gerust, en hoe nader aan Frankrijk, hoe beter!”
Bernard overlegde. Hij had het neerdrukkend gewicht van geheele eenzaamheid en hulpeloosheid nog pas te diep gevoeld, om niet met onweerstaanbaar geweld tot het besluit gedrongen te worden, nood en gevaar weder met een kameraad vereenigd te dragen. Eén dag hoopte hij zich toch wel in Smolensko te kunnen verbergen en den volgenden moest Rasinski er weder terugkomen. Misschien vernam hij ook iets aangaande Lodewijks lot.—Kortom, hij besloot, zijn lot aan dat van zijn nieuwen makker te verbinden.
Zij braken op en wandelden met elkander in gesprek voort. Opeens hoorden zij den toon eener schelle fluit uit het bosch. Bernard hoorde verwonderd op; Lacoste echter pakte hem bij den arm, trok hem ras voorwaarts en riep: „Loop, loop, wat uwe beenen kunnen. Zij zijn ons, God bewaar ons! al weer op de hielen.”
Onwillekeurig volgde Bernard den haastigen tred van zijn makker, ofschoon hij aan de nabijheid van het gevaar nog niet gelooven wilde, daar hij tot hiertoe nog geen sporen van zulk een vijandelijken aanval ontmoet had.
„Wanneer wij eerst maar ginds dien hoek om zijn,” meende Lacoste onder het loopen, „dan kunnen wij ons dadelijk links in het bosch werpen, maar hier is, helaas! op geen drie honderd passen een bosch te zien, en op de sneeuw ziet men ons, niettegenstaande de invallende duisternis, veel te ver.”
Het fluiten werd thans herhaald en van de andere zijde van den weg beantwoord.
„Het is waarachtig, alsof wij in Calabrië waren en een rot bandieten ons wil overvallen,” zeide Lacoste. „Maar deze kerels zijn erger! Ik zie liever een dozijn wolven met open kaken achter mij aanjagen, dan dat ik een kozakkenpaard achter mijn rug hoor.—Maar begint daar ginds het bosch niet te leven?—Roert het zich daar niet als in een mierennest?”
„Gij dwaalt vriend,” hernam Bernard, „het blijft alles doodstil.”
„Het is schande, bang te wezen,” bromde Lacoste wrevelig in zich zelven; „maar ik kan niet loochenen, dat ik het ben. Waar volstrekt niets, niet eenmaal eer te winnen, maar wel alles te verliezen is, daar tast het mij toch een beetje koud naar het hart, en ik begin te zien, wat ik mij inbeeld. Dat komt, doordien ik het vervloekte gebroed heden reeds zesmaal ten minste zoo uit de struiken heb zien uitkruipen als dauwpieren uit de aarde, wanneer het geonweerd heeft. Ik verbeeld mij, achter iederen boomstam een boer te zien. Nu, Goddank, wij zijn om den hoek. Laat ons hier ter zijde af in het bosch gaan, wij kunnen evenwel de richting van den weg volgen.”
Toen zij zich veilig rekenden, begonnen zij langzamer te gaan.
„Kameraad, gij hebt daar een gouden ring aan uw vinger; pas op, dat hij u niet te eng is,” begon Lacoste na eenige minuten; „ik heb gezien, hoe zij mijn kapitein, die zijn trouwring droeg, koelbloedig den vinger afsneden, omdat de ring niet dadelijk over den knokkel wilde. Men weet niet, wat er gebeuren kan; smijt het ding daarom liever weg of verberg het.”
De gedachte, dat hij den ring, die voor hem eene zoo wonderbare beteekenis had, verliezen kon, viel Bernard zwaar op het hart.
„Wegwerpen,” zeide hij, „kan ik hem niet, want hij is mij onuitsprekelijk dierbaar; en waar zou ik hem verbergen, dat de roofzucht hem niet vinden kan?”
„Daar is misschien nog kans toe. Gij hebt zwaar, lang haar, daar laat hij zich misschien wegstoppen. Komaan, ik wil u hem er inknoopen; op eene nette frisuur komt het thans zoo niet aan.”
Bernard trok den ring van den vinger en Lacoste knoopte dien, terwijl hij een bundeltje haren door de opening stak en toen een knoop om den ring sloeg in Bernards lange lokken vast.
„Maar is hij wel goed bewaard? Zal hij niet verloren gaan?” vroeg deze bezorgd.
„Wanneer gij de lok, waaraan hij hangt, niet uittrekt, zekerlijk niet, en die is zoo diep verborgen, dat een raaf haar niet ontdekken zou. 't Is waar, de vingers der kozakken zijn.... Duivelsch! St!—In Gods naam stil! Hoort gij niets?” viel hij, opeens stilstaande en den vinger op den mond leggende, met bijna onhoorbare stem zich zelf in de rede.
Bernard schudde het hoofd.—Doch spoedig daarop vernam hij inderdaad een dof gerucht, alsof verscheidene menschen van verre in gesprek naderden.
„Er komen menschen aan,” fluisterde Lacoste; „geen tred van de plaats! Misschien gaan zij ons voorbij.”
Met deze woorden kroop hij in de dichte struiken en Bernard volgde zijn voorbeeld.
Nauwelijks hadden zij hunne schuilplaatsen bereikt, toen reeds een troep van tien of twaalf, met pieken gewapende boeren zichtbaar werd. Het hart sloeg den beiden vluchtenden hoorbaar in de borst. Zij hoopten nochtans, dat de schemering en de struiken hen zouden verbergen. Daar sloeg plotseling een hond aan; hij kwam snuffelend door de sneeuw en bleef blaffend voor het boschje staan. De boeren luisterden en zagen om.
„Thans helpt ons niets meer dan de vlucht; gij links, ik rechts!” riep Lacoste, „om hen te verdeelen,” en in hetzelfde oogenblik deed hij ook reeds een sprong uit het boschje en liep, wat zijne beenen konden, dieper het bosch in. De hond volgde zijn spoor met luid blaffen. Bernard, den raad van zijn vluggen makker volgende, sloeg even snel een anderen weg in. Zonder om te zien ijlde hij door de diepe sneeuw en de dichte struiken voorwaarts, tot hem de adem begaf. Thans stond hij stil en zag vorschend en luisterend rond. Alles was stil als het graf. Hij hoorde noch menschenstemmen, noch blaffen meer; alleen het huiveringwekkend ruischen van den nachtwind floot door de hooge toppen der boomen. Behoedzaam waagde hij zich weder in de richting van Smolensko, wijl hij daar zijn lotgenoot in het ongeluk hoopte aan te treffen. Spoedig vond hij zijn eigen spoor in de sneeuw terug. Dit volgde hij voorzichtig, ieder oogenblik luisterende, of er ook vijanden in de buurt waren. Doch het bosch was als uitgestorven. Het spoor bracht hem na een kwartier op de plaats, vanwaar zij gevlucht waren. Tot zijne vreugde ontdekte hij nu de sporen van Lacoste en durfde hopen, hem te vinden. Hij volgde ze; spoedig zag hij ze tot zijn leedwezen met vele anderen vermengd, een teeken, dat men den armen man hevig vervolgd had. Nog een eindweegs liepen zij in het bosch voort, dan hielden zij op en namen eene andere richting. Besluiteloos stond Bernard stil en overlegde, of hij het durfde wagen, hen ook het bosch uit naar den open weg te volgen. Hij onderzocht, of niet misschien Lacoste's voetstappen van deze geweldig doorwoelde plaats alleen het bosch verder inleidden. Doch hij vond er geen teeken van. „Zoo is de ongelukkige dan toch in handen zijner gruwzame vijanden gevallen?” Eene inwendige stem zeide Bernard, dat hij hem, die zijn redder was geweest, niet mocht verlaten, maar hem ten minste nog zooverre moest nasporen, als het, zonder zich zelf al te veel bloot te geven, geschieden kon. Daarop volgde hij de voetstappen, die naar den weg voerden, doch met omzichtigheid en ieder oogenblik scherp luisterende. Daar scheen het hem, alsof hij een zacht gesteun hoorde. Hij bleef staan en luisterde. Inderdaad, het herhaalde zich. Hij bedroog zich niet, er moest een levend wezen in de nabijheid zijn. Met vooruitgestoken hals ging hij op het geluid af; nu vernam hij het kermen naast zich, doch hij zag niemand op den grond liggen. De sneeuw was door vele voetstappen vertrapt; een zware den stond weinige schreden zijwaarts. Van daar kwam het gekreun; Bernard ging om den boom rond, welke aan de andere zijde vrijer stond; doch met een onwillekeurigen uitroep van ontzetting deinsde hij terug, toen hij in het halve licht der sneeuw en der schemering een bloedig, half naakt menschelijk lichaam zag, dat aan den boom scheen gebonden te zijn. Huiverend, doch zich zelf beheerschend, trad hij nader. Daar zag hij tot zijne ontzetting, dat de ongelukkige aan den stam gespietst was, en toen hij hem in het gezicht zag, herkende hij zijn makker en redder.
„Almachtige God!” riep hij uit en had moeite, om zich op zijne beenen staande te houden. „Leeft gij nog, vriend? Kan ik u redden?” De stervende bewoog even het hoofd, ten teeken, dat hij den makker herkende; doch hij kon niet spreken. Zelf sidderend, doch het moest zoo zijn, vatte Bernard de afgebroken schacht eener piek, die den ongelukkige door den schouder geboord was, en trok haar uit. Doch een tweede ijzer was door de lendenen gepriemd, en wilde eerst voor al zijne kracht niet wijken; eindelijk gelukte het hem, ook dit er uit te trekken. Toen zonk de verloste mat ineen. Bernard ving hem op in zijne armen en liet hem zachtjes, met den rug tegen den boomstam, op den grond nederglijden. Twee malen nog haalde de ongelukkige diep adem, toen zeeg zijn hoofd op zijne borst neder en was zijn lijden geëindigd.
Bernard hield hem nog lang aan zijn hart en luisterde of het gevloden leven niet terugkeerde; te vergeefs. Het was geen droefheid, die hem vervulde; het was de doffe bedwelming der ontzetting. Het lijk op zijn knie houdende, zag hij strak voor zich heen; geen traan drong in zijn oog, hij liet geen zucht hooren. Het was stil als het graf; zelfs de wind ruischte niet meer door de dennen. Donkere wolken legerden zich zwart en onbewegelijk aan den hemel. Daar fladderden twee raven nader en klapwiekten om den top van den hoogen den, als wachtten zij reeds op hun buit.
„Gij zult ten minste het lijk niet misvormen,” zeide Bernard en stond op. Met zijn stok en zijne eigene handen en voeten maakte hij eene breede groeve onder den denneboom in de sneeuw. Daarop schikte hij de haren en kleederen van het lijk. Toen hij het hemd wilde toeknoopen schramde hij zich aan eene speld. Hij voelde, wat het was, en ontdekte, dat de soldaat zijn hoogsten schat, het kruis van het legioen van eer, van binnen in zijn hemd met eene speld had vastgestoken. „Gij zult het graf van den dapperen versieren, al zoude ook nooit weer een mensch hier voorbijgaan.”
Met deze woorden legde hij het lijk in het koude graf en wentelde hooge sneeuwhoopen daarop, tot zij een witten, vasten heuvel vormden. Met hetzelfde ijzer der piek, dat den doode de schouders doorboord had, hechtte hij daarop lint en kruis aan den stam van den denneboom, zoodat het eereteeken boven het graf schitterde.
Met gekruiste armen stond Bernard voor den sneeuwheuvel. „Rust zacht onder dit koude kleed, tot de lente het oplicht, en kruit en bloemen over uw gebeente uitspruiten!—Gij hebt een duurzamer gedenkteeken verdiend! Neem dit voor lief! Hier wordt het niemand beter aangeboden!—Vaarwel!”—Hij keerde zich om. Dieper en dieper ging hij het bosch in, vast besloten, zijne laatste krachten aan zijne redding te wagen, doch overtuigd, dat het te vergeefs zoude zijn.
HOOFDSTUK IV.
Terwijl Lodewijk en zijne medegevangenen door het bosch gevoerd werden, zag hij met zorgvolle blikken om zich heen, of hij Bernard niet ontdekte. Hij wist nauwelijks, of hij hopen of vreezen moest hem te zien. Het zoude een onbeschrijfelijke troost voor hem geweest zijn, wanneer hij zijn leed in gezelschap van zijn vriend had mogen dragen, doch zijne edele ziel verzette zich tegen de geringste opwelling dezer zelfzucht. Hij koesterde de geheime, ofschoon zwakke hoop, dat Bernard gelukkiger in zijne onderneming mocht geweest zijn en spoedig Rasinski en de vrienden mocht bereikt hebben.
Na eene wandeling van een uur bereikte men een open plaats, die echter rondom door het bosch was ingesloten. Hier brandden hooge nachtvuren, om welke talrijke zwermen gewapende landlieden lagen. Met verwondering zag Lodewijk ook vele vrouwen, die de algemeene haat tegen den vijand van hare vreedzame werkzaamheid afgerukt en midden in het krijgsgewoel der mannen gevoerd had. Eenigen maakten het eten gereed, anderen poetsten geweren, eene andere zag hij een gewonde verbinden.
Eerst scheen men op de aankomenden niet bijzonder veel acht te slaan. Toen men echter de gevangenen, die zij medebrachten, in het oog kreeg, stroomde alles nieuwsgierig toe, om de ongelukkigen op te nemen. De wanhoop in de gelaatstrekken van dezen stak schrikkelijk af tegen de uitdrukking van hoon en woeste vreugde bij de overwinnaars. Lodewijk had al zijne kracht noodig, om zijne mannelijke bedaardheid te bewaren. De toevallige omstandigheid, dat hij niet van zijne kleederen beroofd was, gelijk de overigen, maar, nog in een warmen mantel gehuld, ten minste niet van koude behoefde te beven, kwam hem daarbij zeer te stade. Hij wekte daardoor nochtans ook de roofzucht der aandringende vijanden op, wier voornemens hij uit hunne gebaren en hun immer luider wordend gemompel raden kon. Eindelijk trad een baardig kozak, waarschijnlijk vermeenende, dat hij boven de anderen iets vooruit had, op hem toe en wilde hem de muts van het hoofd nemen. Lodewijk trad onwillekeurig een tred achteruit en weerde den Rus met de hand af. Daar hief deze toornig zijn knuppel, die wel eene knods geleek, tot een verschrikkelijken slag omhoog. Zonder twijfel zou hij Lodewijks hoofd verpletterd hebben; doch opeens klonk de luide kreet eener vrouwelijke stem en in hetzelfde oogenblik trad eene edele, in kostbaar pelswerk gehulde gedaante, doch met gesluierd gelaat, door de rijen der omstanders en hield den opgeheven arm van den Rus tegen.
Toornig wendde deze zich om; doch toen hij zag, wie zijne hand tegenhield, veranderde zijn toorn in de diepste onderdanigheid en trad hij met eerbiedige buigingen terug.
Lodewijk was door het wonder dezer nieuwe redding, die met de snelheid van een oogwenk plaats had, als bedwelmd; hij hechtte zijne blikken op zijne redster, maar kon geen woord van dank of erkentenis uitbrengen. Zij stond, zelve geheel van schrik verbijsterd, uit het diepst van haar boezem met moeite ademhalend, nauwelijks in staat zich staande te houden, vóór hem en sloeg de handen als ware het tot een dankgebed samen. Eindelijk sloeg zij den sluier terug, terwijl zij met eene bevende, onbeschrijfelijk roerende stem zeide: „Kent gij mij?”
Alsof eene hemelsche verschijning, een reddende engel des Almachtigen, plotseling in stralenglans voor hem was getreden, zonk Lodewijk, zich zelf niet meer meester, voor de ontsluierde op de knieën. Het was Bianca.
Bevend vatte hij hare hand; hij boog zijn hoofd, zijne tranen stroomden—hij meende in deze overmaat van zaligheid zijn leven te eindigen.
„Zoo kon ik u dan toch dankbaar zijn!” zeide zij en hief het blauwe, in tranen zwemmende oog ten hemel. „O, almachtige Vader, Uwe hand stuurde mijne schreden!—Wanneer ik te laat ware gekomen!”
De omstanders staarden de groep met sprakelooze verwondering aan.
„Wat beteekent dat?” vroeg opeens eene ruwe mannenstem. Lodewijk ontwaakte uit zijne bedwelming en sprong op.
Een ruiter was den kring binnengereden; het fraaie paard en zijne rijke kleeding verrieden den aanvoerder.
Het was graaf Dolgorow.
„O, mijn vader!” riep Bianca op hartstochtelijken toon, „zie hier onzen redder!”
„Wie? waar?” vroeg de graaf en wierp een doordringenden blik op Lodewijk. Doch opeens brak hij zijne verwondering af door den uitroep: „Gij hier? ellendeling!” en met één sprong was hij van het paard af en drong in de rijen der gevangenen door, om Beaucaire, wiens knieën van koude en schrik knikten naar voren te sleuren.
Dolgorow, wiens borst door wraak sneller werd ontgloeid dan door dankbaarheid, vergat deze om gene te bevredigen! In Engeland en Italië, waar hij zich in gewichtige, maar gevaarlijke diplomatieke betrekkingen had bevonden, was Beaucaire zijn secretaris en geheime agent geweest. Toen de oorlog in het jaar 1812 uitbrak, en Napoleon de engelsche en russische agenten in alle landen op het ijverigst deed opsporen, waren ook Dolgorows bemoeiingen bekend geworden. Hij moest uit Rome overhaast en vermomd vluchten. Beaucaire bekwam een pas als duitsche graaf Wallersheim. Feodorowna ging, onder den naam van Bianca, voor zijne zuster door. Dolgorow zelf werd voor eene oude bediende, zijne vrouw voor de gouvernante der jonge gravin uitgegeven. Zoo aanvaardden zij gezamenlijk de reis. Te Milaan dacht Beaucaire, die eene zinnelijke liefde voor de dochter des graven had opgevat, van de moeielijke omstandigheden alles te kunnen verkrijgen. Hij waagde voorstellen te doen, die Feodorowna met verstoordheid afwees en welke de woede haars vaders deden ontvlammen, ofschoon in zijn toorn het grootste gevaar lag. Hij mishandelde den schelm en stiet hem met smaad van zich; deze snelde heen om hem te verraden. Doch reeds had de graaf toebereidselen gemaakt, om zoo snel mogelijk te ontvluchten, terwijl hij zijn reisplan veranderde, daar hij, in plaats van over Verona naar Inspruck en Munchen, den weg over den Simplon insloeg. Daar ontmoette Lodewijk hem.—Redder en verrader waren thans tegelijk in zijne handen gevallen, en de laatste zou nu zijn loon ontvangen.
„Heilige God! Welke bestiering!” riep Feodorowna uit, toen haar oog op den ellendeling viel, dien Dolgorow, ondanks zijn tegenstreven, uit de sidderende menigte bij den strot naar zich toesleurde.
Beaucaire kreeg haar thans ook in het oog, en met wanhopige inspanning rukte hij zich los en viel voor hare voeten neder. Krampachtig omvatte hij hare knieën en riep: „Erbarmen, gravin! Bid om genade voor mij! Slechts mijne razende liefde voor u was mijn verderf!”
Bianca beefde en sloeg een angstvollen, smeekenden blik tot haar vader op. Doch deze riep in gloeienden toorn:
„Pakt hem aan en werpt hem daar in de vlammen, opdat ieder Rus zie, hoe een verrader gestraft wordt.”
Bianca werd bleek als een marmeren beeld. Beaucaire gilde luid en klemde zich in den angst der vertwijfeling aan hare knie vast, terwijl hij zijn hoofd in haar schoot trachtte te verbergen. Zij zou nedergestort zijn, zoo niet Lodewijk, ras ter hulp springend, haar had staande gehouden.
„Volvoert mijn bevel!” riep Dolgorow nog eens. „Scheurt hem van de vorstin weg!”
Op dit bevel pakten twee mannen, met woest gehuil uit den hoop te voorschijn springend, den vertwijfelende bij de haren; twee anderen grepen hem bij de voeten, een kozak trok zijn mes uit den gordel en gaf hem eene snede over de beide handen, waarmede hij Bianca's knieën omvat hield. Eerst toen de spieren vaneengereten waren, zonken zijne armen terug. Onder een gevaarlijk getier en gebrul der in woede ontvlamde menigte, werd hij half weggedragen, half voortgesleept. Zijn hartverscheurend jammeren drong door het tieren der barbaarsche schaar door, die, van wilde begeerte naar het afgrijselijk schouwspel ontvonkt, in eene zwarte massa hem nastormde.
„Bewaakt de overige gevangenen!” riep Dolgorow en ging met rassche schreden midden door de menigte, die eerbiedig voor hem week, naar de plaats toe, alwaar zijn vreeselijk bevel zoude volvoerd worden.
Bianca had haar hoofd tegen Lodewijks schouders geleund. Zijn hart werd gelijktijdig met schrik en zaligheid vervuld.—Thans klonk een woedend gebrul met verdubbelde kracht door de lucht. Tegen zijn wil trok het zijn oog naar de verschrikkelijke plaats heen. Beaucaire werd hoog opgeheven; zijn gelaat, door verwarde haren omgeven, vertrok zich als door de pijniging der hel gefolterd. Hij sloeg wild met de bloedige stompen zijner handen om zich heen. Daar wierpen hem de woedenden voorover in den gloed; een gruwelijke kreet, die wijd door het bosch weerklonk, steeg op. Hij drong zelfs met ontzettend geweld tot Bianca's bedwelmde zinnen door; zij beefde en kromp ineen en drukte haar gelaat, om het te verbergen, aan Lodewijks borst. Afgrijzen beroofden dezen van beweging en spraak; nauwelijks kon hij zijn blik van het vreeselijk schouwspel af en naar de geliefde heen wenden, die aan zijn hart rustte.
Toen na het wild geraas eenige oogenblikken van akelige stilte volgden, ontwaakte Feodorowna uit hare verbijstering. Zij beefde schuw terug, toen haar oog op de schouwplaats der schrikkelijke daad viel. Haar hoofd afwendende, vielen hare blikken op Lodewijks edele, van schrik en medelijden diep bewogen trekken. Hier toefden ze met onuitsprekelijke innigheid. Aan hare lippen ontvlood het geheim des harten niet, dat zich in dit oogenblik voor het eerst aan haar zelve openbaarde; maar de schittering van haar oog verkondigde het. In Lodewijks borst vlamde het geloof aan de hooge beschikkingen der Voorzienigheid hoog op en een heerlijk bewustzijn doorgloeide zijn borst. Zij en geene andere was hem tot gezellin zijns levens toegedacht! Na den wonderlijksten loop hunner lotgevallen voerde de Voorzienigheid haar hem te gemoet. Hij waagde het, hare wenken te verklaren. Juist wilde hij zijne lippen openen. Daar trad Dolgorow, die van zijn bloedig rechterambt terugkeerde, tusschen hem en Feodorowna. Hij hechtte donkere, vorschende blikken op het gelaat zijner dochter; het scheen, alsof hij vermoedde, dat hare hevige ontroering door iets anders, dan door de zoo even volvoerde ontzettende straf des ellendelings was teweeggebracht.
„Prinses Ochalskoi!” sprak hij koel en op hoogen toon, „ik heb niet vergeten, wat wij dezen jongen man schuldig zijn. Mij dunkt echter, dat onze rekening vereffend is, daar ik hem als Ruslands vijand zie onder hen, die in het heiligdom van ons vaderland zijn ingebroken. Doch grootmoedigheid is de deugd der Russen.—Ik zal zorg dragen, jonkman, dat men u aan de uwen terugzendt; doch valt gij weder in onze handen, dan treft u het lot van al de overigen: de dood of eeuwige gevangenis in de mijnen van Siberië.”
Lodewijks trots ontwaakte; doch hij bedwong zich en hernam: „Wanneer gij mij naar het fransche leger terugzendt, dan is mijn dood zeker, en gij zelf zijt de oorzaak daarvan.”
„Hoe dat?” vroeg Dolgorow verwonderd.
„Wat ik op de italiaansche grenzen voor u gedaan heb, werd mij door de fransche bewindhebbers in mijn vaderland als eene des doods waardige misdaad aangerekend. Iedere weg tot ontvluchten was mij afgesneden; slechts om het geweld mijner willekeurige rechters te ontgaan, trad ik, op aanbieding van een edelen vriend, in de rijen van het leger. Dezen morgen zoude ik, door denzelfden ongelukkige vervolgd en verraden, die in dit oogenblik de straf zijner misdaad ontvangen heeft, den dood ondergaan. De overrompeling der uwen redde mij. Doch een dierbare vriend....”
Dolgorow viel hem in de rede. „Wanneer gij de waarheid spreekt, zijt gij gerechtvaardigd, en ik geloof u. In dit geval zult gij zorg dragen, vorstin, dat onze redder naar het slot gebracht worde. Solanow zal u begeleiden; mij houdt mijn plicht hier terug; maar ik volg u zoo spoedig mogelijk. Doch ga evenwel eerst de gravin hiervan onderrichten.”
Bianca gehoorzaamde en nam, door twee bedienden vergezeld, haar weg naar eene soort van hut, die achter de legervuren opgericht was. „Wij zien elkander spoedig weder,” zeide zij onder het gaan tot Lodewijk, terwijl zij neigend groette. Haar blik drong diep in zijn hart; zij lachte smartelijk en vriendelijk tegelijk, en eene zachte verhevenheid, als van het gelaat eener heilige, straalde uit hare blikken.
Met bevenden eerbied boog hij het hoofd; toen hij het ophief, zag hij de edele gedaante, als de verschijning eens engels in een kring van wilden, door de rijen der zich eerbiedig buigende krijgslieden verdwijnen.
Ook Dolgorow wilde gaan, doch Lodewijk hield hem terug.
„Ik moet u nog om uwe bemiddeling voor een vriend verzoeken, die misschien even als ik in de handen der uwen gevallen is. Hij wilde mijn redder worden en laadde aldus den toorn der fransche geweldenaars op zich; hij wilde mijn noodlot overal met mij deelen en zoo sloeg hij denzelfden weg der redding in. Heden moest hij aan mijne zijde sterven, doch hij redde zich door de vlucht.”
„Wanneer hij in onze handen valt, zal hij bij u gebracht worden,” zeide Dolgorow; „maar hoe heet hij?”
„Graaf Lomond is de naam dien hij aannam, toen hij in dienst trad en welken hij zekerlijk ook nu nog voeren zal.”
„Ik zal het noodige omtrent hem bevelen.”
Een soldaat met grijze haren, van ongeveer zestig jaren, die een russisch uniform en zijn baard op de wijze der Russen droeg, maar in den vorm van zijn gelaat een Duitscher geleek, naderde den graaf vol eerbied en deed hem diep buigend eene vraag.
„Ga uw gang,” hernam deze; „zoo gij denkt een landsman gevonden te hebben, Salonow, spreek hem dan aan.”
„O, mijnheer,” zoo wendde de oude zich thans in het duitsch tot Lodewijk, „vergeef mij eene vraag. Ik ben een Duitscher, maar sinds langen tijd buiten mijn vaderland. Ik geloof bij u eene gelijkenis op te merken. Heet gij misschien Sternfels?”
„Hoe?” riep Lodewijk, hevig sidderend, met de uiterste verwondering, daar de oude den naam uitsprak, dien hij slechts door Maria's brief kende en nog nauwelijks waagde te voeren; „waarom?”
„Ik heb een duitschen heer van dien naam gediend,” antwoordde de oude bewogen; „hij is wel is waar lang dood, maar wanneer ik zijn evenbeeld voor mij zie, hoe....”
„Waar stierf hij?” riep Lodewijk, den grijsaard haastig in de rede vallende.
„De zee heeft hem verzwolgen. Wij zaten om een ongelukkigen twist in Parijs gevangen; doch het gelukte ons, naar Havre te ontvluchten en op een hollandsch schip te komen.”
„Wanneer?” vroeg Lodewijk, zich zelf nauwelijks meer meester.
„Voor achttien jaren.”
„Om een duel?”
„Ja.....”
„Dat was mijn vader!” riep Lodewijk en greep de handen van den grijsaard, die bevend, sprakeloos voor hem stond. „En wie zijt gij?”
„Een eenvoudig mensch, lieve heer,” zeide de oude, en tranen rolden over zijne wangen; „ik was slechts zijn rijknecht; Willhofen is mijn naam.”
„Brave, trouwe knecht!” riep Lodewijk. „En hier moet ik u vinden? En mijn vader is waarlijk dood?”
„Reeds lang! Wij leden schipbreuk op de Noordzee; de zee verslond de meesten. Eenigen, en daaronder ik, werden gered; de kapitein van een russisch schip nam ons op.” Hier zweeg de oude en gaf met een schuwen, zijdelingschen blik te kennen, dat hij niet durfde spreken. Lodewijk vermoedde het lot der ongelukkigen.
Dolgorow was intusschen naar de overige gevangenen toegetreden en had hen gemonsterd. Zij stonden sidderend in eene lange rij voor hem; de meesten waren jonge soldaten.
„Zijn er Duitschers onder u?” vroeg hij luid.
Lodewijk hoorde het en zag er heen; hij wachtte op het antwoord, daar hij gevoelde, dat het zijn plicht was, voor de redding zijner landslieden te pleiten. Het bleef stil.
„Solanow!” riep de graaf, en deze haastte zich te gehoorzamen. „Hier, deze lieden, welke ik u zal overgeven, moeten mede naar het jachtslot gevoerd en van daar verder gebracht worden. Zij zijn voor den arbeid bruikbaar. Voor de overigen heeft Rusland geen ander voedsel dan twee lood kruit.”
Er waren een en twintig gevangenen. Slechts een bleef er, als te oud om te arbeiden, achter, om den dood te ontvangen. Het was St. Luces.
Daar hij niet had verstaan, wat de graaf zeide, dacht hij, dat men aan zijne houding, zijn linnengoed en zijne hem nog overgebleven kleeding gezien had, dat hij tot een hoogeren stand behoorde. De bleeke schrik, welke sinds het lot van Beaucaire zijn gelaat overtogen had, week voor een schijn van hoop. Hij waagde het daarom thans, den graaf aan te spreken en zeide in het fransch:
„Ik hoop, mijnheer, aanspraak te kunnen maken op de wetten, welke alle volkeren zelfs in den oorlog eerbiedigen. Ik ben geen soldaat, maar behoor tot de burgerlijke administratie; mijn rang....”
„Gij zijt een Franschman, een, die het bloed en merg van alle volken uitzuigt,” hernam Dolgorow met dreigenden blik, „verachtelijker en afschuwelijker dan de soldaat; want die strijdt met bloote wapens, doch het uwe is vergif.”
„Men zoude,” trachtte St. Luces nog eenmaal zijne zaak te verdedigen, „mij zeer gaarne tegen gevangen officieren uitwisselen!”
„Gevangenen? Hebt gij dan ook gevangenen?” riep Dolgorow wild en vol hoon tegelijk. „In uwe bulletins staan er zekerlijk duizenden, maar waar kunt gij ze aanwijzen? En waaraan herinnert ge mij? Weten wij misschien niet, hoe uwe eervergeten rooversbenden met de weinigen, die haar in handen vielen, hebben omgegaan? Waant gij, dat wij ze niet gevonden hebben en gezien, hoe zij met verpletterden schedel de wegen bedekten? Hebben wij ze niet aangetroffen in kerken, stallen en schuren, waar de honger hen doodgemarteld had?—Weg met u! Wij zullen er nog genoeg vinden, tegen welke wij diegenen kunnen uitwisselen, die wij willen uitwisselen.”
Ondertusschen had Solanow of Willhofen den van angst sidderenden St. Luces nauwkeurig opgenomen. Hij sprak eenige woorden russisch tegen Dolgorow en vroeg toen den gevangene: „Hoe heet gij?”
„Ik ben de baron Rumigny de St. Luces.”
„Rumigny!” riep Willhofen uit, en zijne trekken namen de uitdrukking van den woedendsten toorn aan. „Almachtige God, Uwe wraak sluimert niet!” riep hij met ten hemel geheven handen uit. „Ellendige, kent gij mij? Hebt gij vergeten, dat gij—doch halt, hier—zie hier heen! Kent gij dezen?”—Daarop liep hij op Lodewijk toe en trok hem met geweld tot dicht bij Rumigny voort, „Sternfels is zijn naam! De dooden staan op om zich te wreken!—Deze is de moordenaar uws vaders, de moordenaar van den braven Waldheim—doch thans is het uur der vergelding gekomen.”
St. Luces staarde doodsbleek en met onbewegelijke blikken Lodewijk aan; hij beproefde te spreken, doch de stem begaf hem.
Lodewijk was in het diepst zijner ziel getroffen door alles wat dit enkele uur hem had ontdekt. Een oogenblik bruiste ook in hem de toorn op; doch zijn edele aard wees dit gevoel spoedig af. Slechts medelijden vervulde zijne borst, toen hij den ellendige, van doodsangst en van gewetenswroeging gefolterde beschouwde. „Willhofen,” zeide hij tot den ouden bediende, „mij is de wraak, spreekt de Heer! Laat den Almachtige verder handelen—wij willen vergeven.”
Willhofen had tranen in de oogen; hij boog zich over Lodewijks hand en kuste die. „Een hart als zijn vader! Hij stierf voor zijn vriend—en ware ook voor zijn vijand gestorven.”
Lodewijk wilde Dolgorow naderen, om een woord van genade voor St. Luces te spreken; doch deze wees met strengen blik zijne bede af. „Hier heerscht de wet,” zeide hij ernstig. „Heeft de gevangene u onrecht gedaan, dan mag uwe vergiffenis hem daar boven helpen. Hier helpt zij hem niet.”
Hij wenkte met de hand een kozak in zijne nabijheid en sprak eenige russische woorden. Dadelijk werd St. Luces, wien de doodsangst alle krachten scheen ontroofd te hebben, weggeleid. Eenige minuten later vielen drie schoten. Lodewijk kon niet twijfelen, wien zij gegolden hadden.
HOOFDSTUK V.
Dolgorow steeg weder te paard, verzamelde bijna alle weerbare mannen en zette zich aan hun hoofd naar den grooten weg in beweging. Willhofen en vier landlieden met pieken bleven ter bewaking der gevangenen achter, welken men vergunde, zich aan de groote vuren te warmen; ook werd er eenig brood en brandewijn onder hen uitgedeeld. Lodewijks hart smachtte naar Bianca. Hij vroeg daarom aan Willhofen: „Wat zullen wij nu beginnen, lieve vriend? Welke zal mijne, welke uwe naaste bestemming wezen?”
„Ik moet hier de bevelen der prinses afwachten, die daar bij de kranke gravin in de hut is,” antwoordde hij. „Zij zullen den terugkeer wel afwachten van hare slede, die gewonden naar het dorp gebracht heeft.”
De benaming prinses had Lodewijk getroffen. Hij vroeg: „Is dan de prinses niet de dochter van den graaf?”
„Jawel,” hernam Willhofen, „en aan prins Ochalskoi, wiens lijfeigene ik ben, gehuwd.”
„Gehuwd?” riep Lodewijk verbleekend.
„Of liever gehuwd geweest,” voer Willhofen voort; „want de prins is dood. Ik geloof, onder ons gezegd, dat het zelfs tot geen huwelijk gekomen is, want op den bruiloftsavond werd het slot door de Franschen overvallen en bestormd, en de prins ontving eene zware wonde, waaraan hij eindelijk te Moskou overleden is.”
Lodewijk luisterde met gespannen aandacht toe.
„Hier op deze plaats in het bosch heb ik hem een geruimen tijd in de struiken moeten verbergen, tot wij hem, met zijne jonge vrouw, in een wagen naar het jachtslot konden brengen.”
„Hier, hier?” viel Lodewijk den sprekende in de rede, en een treffend gevoel bewoog zijne borst.
„Juist hier; want het slot ligt nauwelijks een uur van hier; men kan het door het hooge hout niet zien. Daar over...”
„Wanneer is de bestorming geschied?”
„Den zeventienden Augustus; ik weet het nog, alsof het gisteren was.”
„God van genade!” riep Lodewijk en wierp zich op de knieën. „Almachtige Bestuurder onzer dagen! Wie zal tegen U morren! Aan welke draden bestuurt Gij ons lot! Eeuwige, Oneindige! Neem mijn warmen dank en mijne tranen. Beproef mij nu, zoo hard en zwaar Gij wilt, ik zal nimmer vertwijfelen; geene ontmoediging zal mijne borst bewegen. Want wonderbaarlijk hebt Gij geheerscht en gewaakt.—Gij zult in Uwe heerlijke wijsheid alles voleindigen!”
Willhofen beschouwde den biddende met verwondering. Hij vermoedde geheime betrekkingen, doch waagde het niet, om er naar te vorschen.
Toen Lodewijk opstond en in de hevigste gemoedsbeweging op en neder ging, trad Willhofen tot hem en zeide, terwijl hij zijne hand vatte: „Dat is braaf, lieve heer; vroomheid is eene hooge deugd. Ook ik heb menigmaal innig tot den Heer gebeden en ik hoop ook, dat Hij mij zal verhooren. Hij heeft mij immers nu reeds uit het verre Azië, waar ik, vergeten door mijn vaderland, leefde, weder tot hier gevoerd, bij den zoon mijns dierbaren meesters. O, ik bid u, het schijnt, dat gij veel op graaf Dolgorow vermoogt, ik bid u dringend, verzoek mijne vrijheid van hem.”
„Zekerlijk!” beloofde Lodewijk met een handslag. „Maar zeidet gij niet, dat gij een lijfeigene van den prins waart?”
„Dat wel; doch de goederen zijn door het huwelijkscontrakt aan den graaf gekomen. O, wanneer het van de prinses afhing om mij de vrijheid te geven—dan had ik ze reeds lang. Maar den graaf Dolgorow heb ik er nog niet om durven vragen.”
Een bediende kwam en sprak met Willhofen. „De gravin Dolgorow doet u tot zich roepen, lieve heer,” zeide Willhofen. „Volg dezen man slechts, hij zal u geleiden.”
Lodewijk ging met een kloppend hart. De bediende geleidde hem naar de luchtig van dennetakken gebouwde hut. Bianca kwam hem halverwege te gemoet; zij was vriendelijk, doch eene stille zwaarmoedigheid lag over hare trekken verspreid.
„Ik zal u bij mijne moeder brengen,” zeide zij met eene zachte stem. „Gij hebt haar reeds op onze vlucht uit Italië leeren kennen. Voel u slechts niet beleedigd door de misschien te koude, stijve ontvangst, welke gij lichtelijk bij haar vinden zult. In dit land kent men de zachtere zeden van Duitschland nog slechts weinig; hier geldt de rang alles; en de nationale hoogmoed en de haat tegen vreemden zijn in deze oogenblikken beide zoo hevig, dat de stem der warmste dankbaarheid zich nauwelijks kan verheffen.”
„Dankbaarheid?” hernam Lodewijk. „Wie moet hier dankbaar zijn? Gij, wie ik, nauwelijks wetende wat ik deed, een geringen dienst bewees, die het hoogste geluk mijns levens uitmaakte, of ik, die u alles te danken heb?”
„Gij wildet de toevallige wederdiensten in rekening brengen?” zeide Feodorowna. „Misschien ook wel, dat gij thans, nu gij in onze handen zijt, niet op eene barbaarsche wijze vermoord zijt geworden, gelijk die andere rampzaligen?”
„Zoude ik ook de waarschuwing moeten vergeten, welke ik in Moskou ontvangen heb?” antwoordde Lodewijk na eenig dralen.
„Zoo hebt gij mij aan mijn teeken herkend?” vroeg Feodorowna met onuitsprekelijk liefdevollen blik.
„Wat kon ik ooit vergeten, dat ik door u heb leeren kennen!” antwoordde hij koen.
Een licht rood vloog over de bleeke wangen van het schoone gelaat; zij sloeg hare oogen neder en zeide zacht: „Ook mij zijn de uren, welke wij tezamen doorgebracht hebben, onvergetelijk gebleven. O, dat gij u zoo spoedig van ons losruktet!”
„Meent gij, dat het mijn wil was?” riep Lodewijk uit. „O neen! dat kunt gij niet gelooven! Een vijandige demon voerde ons vaneen. Ik verdwaalde; te laat moet ik den oever der Rhône bereikt hebben.”
„Mijn vader drong ons, om ons te haasten,” viel hem Feodorowna in de rede. „Ik beproefde door een teeken...”
„O, ik heb het gevonden,” sprak Lodewijk schielijk met eene stem, waaruit zijne ontroering sprak, nam hare hand en drukte ze aan zijne lippen. „Doch eerst den anderen morgen, na een met ronddwalen verloren nacht, schitterde het mij als eene star der hoop te gemoet. Nooit vergeet ik het oogenblik, toen ik dit lint rozenkleurig door het hout zag schemeren! Nog in dit uur draag ik het op mijn hart. Hier is het.”
Tranen welden in hare schoone oogen op, toen zij dit liefdeteeken in de hand des beminden zag.
„Wij sloegen dadelijk aan de andere zijde der rivier een gevaarlijk pad naar het hooge gebergte in,” zeide zij, terwijl ze te vergeefs hare aandoening zocht te beheerschen.
„En ik meende u in het dal, over den St. Gotthard, het zekerste te zullen achterhalen. Zonder ophouden vorschte ik naar uw spoor, tot in Duitschland een ongelukkig blad mij...”
„Heeft mijn afscheidswoord u aldus toch bereikt?” viel Feodorowna vroolijk in.
„Het was de bitterste kelk, die mij ooit door eene aanminnige hand is toegereikt.”
„Het lot heeft hem verzoet, wij willen dankbaar zijn,” hernam Feodorowna en eene vrome aandoening bewoog hare stem. „Ik geloofde niet, dat het ons ooit weder bijeen zou brengen; doch een hoogere hand bestuurt de draden, waaraan ons leven hangt.”
„Waarlijk, eene wonderbaar bestierende macht!” riep Lodewijk door zijn gevoel overmeesterd uit. „O, zoo gij wist, hoe nabij ik u intusschen reeds geweest ben!”
Bianca zag hem verwonderd aan. „In Moskou meent gij?”
„Neen, niet verre van hier—ik was bij het bestormen van dat slot ginds.”
„Gij zelf!” riep zij en zag hem met weifelende blikken aan. Toen hief zij oogen en handen ten hemel en sprak uit de volheid harer ziel: „O, Almachtige Vader in den hemel! Hoe kon ik ook slechts een oogenblik aan Uwe goedertierenheid twijfelen! O, gij weet niet,” keerde zij zich bewogen weder tot Lodewijk, „gij vermoedt niet, van welk rampzalig lot gij mij verlost hebt! Doch,” voer zij snel en zacht voort, „verzwijg om 's hemels wil, dat gij aandeel in den strijd van dien nacht hebt gehad; men zoude het u nimmer vergeven!”
Onder deze gesprekken waren zij tot aan de hut gekomen.
Feodorowna trad eerst binnen, Lodewijk volgde. Op een rustbed, in een pels gehuld, zag hij de gravin Dolgorow liggen, wier trekken, ofschoon de uitdrukking van ziekte en lijden ze veranderd had, hij dadelijk herkende. Zij zag hem niet met vriendelijkheid, doch met een gevoel van meerderheid aan. „Het verheugt mij,” zeide zij afgemeten, „dat wij u den dienst, dien gij ons in Italië gedaan hebt, thans hebben kunnen vergelden, ofschoon het mij leed doet, u onder hen aan te treffen, die den oorlog in ons vaderland hebben gebracht.”
„Ik geloof, genadige gravin, mij desaangaande reeds gerechtvaardigd te hebben,” hernam Lodewijk met eenige fierheid.
„Gij kunt thans gelegenheid vinden, de schuld van het lot te vereffenen. God heeft de legers der vijanden verslagen; het verderf komt op hen neder; de rechtvaardige zaak zegepraalt. Het hangt thans slechts van u af, deel aan den strijd te nemen.”
Lodewijk zweeg eenige oogenblikken; toen antwoordde hij rustig en bedaard: „Gij zult mij vergunnen, u op dit voorstel een antwoord te geven, dat mijn besluit mag rechtvaardigen. Ik zelf houd de zaak van Rusland voor eene rechtvaardige; met inwendigen tegenzin heb ik aan den strijd deelgenomen. Ik deed niets meer, dan de eer van den man, den soldaat die zich eenmaal onder eene vaan geschaard heeft, van mij eischte. Als een enkel persoon konde ik den stroom der wereldgebeurtenissen niet beheerschen, noch dien wederstand bieden; dit spreekt mij van persoonlijke verantwoordelijkheid jegens dit land vrij. Misschien wenschte niemand in het geheele leger den oorlog; daarom zal ook het individu het algemeene onrecht noch ontgelden, noch behoeven te verdedigen, daar hij het niet kon verhoeden. Voor den edelen aanvoerder onder wiens bescherming ik mij begeven had, voor mijne trouwe, dierbare kameraden was mijne meening geen geheim. Doch zij eerden die en behandelden mij met zooveel bescheidenheid, dat zij mij van elken plicht zochten te verschoonen, die mijn hart had kunnen bezwaren. Ik moest er mij zelf tegen verzetten, om geene schandelijke verdenking op mijne eer, mijn mannenmoed te laden. Wat vriendschap en broederlijke liefde uit welwillendheid kunnen uitdenken, dat gewerd mij van mijne wapenbroeders. Thans zult gij, daarvan ben ik overtuigd, niet meer verlangen, dat ik hen trouweloos verraden en zelfs de wapenen tot hunne bestrijding opnemen zou. Dwong eene heilige verplichting jegens mijn eigen vaderland mij daartoe, dan moest ik zekerlijk gehoorzamen; en evenwel zou ik met nog zwaarder hart in zulk een strijd gaan, dan in dien tegen Rusland. Want, hoe de groote massa's ook tegenover elkander mogen staan, de enkele persoon treft slechts zijn eenen man, en ik zou het zwaard liever tegen mij zelf trekken, dan tegen die edele, getrouwe vrienden, met wie ik tot hiertoe gevaar en ongemak gedeeld heb.”
De gravin scheen verstoord over Lodewijks vrije, standvastige weigering; doch in Feodorowna's oog gloeide eene heilige vreugde en aandoening over het edele gevoel van hem, tot wien haar hart haar met overweldigende macht heentrok.
„De zaak van Rusland is ook die van uw vaderland. Zij is die van geheel Europa,” hernam de gravin na eenig nadenken; „doch ik voel mij te zwak, u dit thans overtuigend te bewijzen.—Gij zult ons naar een jachtslot, twee uren van hier, vergezellen; het ligt zoo diep in het bosch, dat het tegen elken vijandelijken aanval beveiligd is. Doch wij kunnen eerst tegen den avond opbreken, daar onze slede eenige zwaar gewonden naar een tamelijk ver van hier gelegen dorp brengt. Ondertusschen zullen onze bedienden zorg dragen, dat u niets ontbreke.”
Bij deze woorden wenkte zij met de hand, als wilde zij Lodewijk beduiden, dat hij zich verwijderen kon. Doch Feodorowna viel, zichtbaar geërgerd over de koude, trotsche ontvangst, de gravin in de rede: „Die zorg zal ik zelve op mij nemen, dierbaarste moeder; de redder van ons leven mag ons niet ondankbaar vinden.”
„Ik hoop, hij zal russische grootmoedigheid leeren kennen en waardeeren,” antwoordde de gravin trotsch en verdrietig. „Doch ik moet u bidden, mijne dochter, mij niet te veel alleen te laten, daar gij weet, dat ik uw bijstand in mijn toestand hier, waar wij ons ieder levensgenot moeten ontzeggen, noodzakelijk behoef.”
Lodewijk boog zich en ging; doch Feodorowna volgde hem dadelijk.
„Ik bezweer u, doe niets, wat u onaangenaamheden kan berokkenen,” zeide Lodewijk dringend, toen zij buiten de hut waren. „Het schoonst geluk heb ik immers verworven; wat kan men hoogers wenschen?”
„O, gij verontschuldigt mij zoo goedaardig,” hernam Feodorowna; „maar ik moet ook mijne moeder verdedigen. Zij is met hare gansche ziel aan haar vaderland gehecht, en dit is ook de reden, waarom gij ons hier in dezen zonderlingen toestand aantreft. Zij wilde volstrekt—en hierin volgde zij niet alleen den wil mijns vaders—door hare tegenwoordigheid, door toespraak en hulp voor ongelukkigen en door den veel vermogenden invloed, welke aan hoogere standen zoo licht wordt, wanneer zij dien op deemoedige onderdanen willen uitoefenen, den moed en ijver der verzamelde volksmenigte aanvuren. Dezen plicht heeft zij met zulke, alle vrouwelijke krachten te boven gaande inspanning uitgeoefend, dat zij thans ziek en afgemat ter neder ligt en gedwongen is zich naar dat slot te begeven, waarheen wij, zoo ik hoop, spoedig zullen afrijden.”
Hun gesprek werd daardoor gestoord, dat de grijsaard, die Lodewijks redder uit de handen zijner verbitterde vijanden geweest was, toen hij voor twee uren, aan den doodspaal gebonden, als een offer der volkswraak zoude gevallen zijn, uit het bosch trad. Het was Gregorius.
„Wees gegroet, mijne dochter,” sprak hij Feodorowna in het russisch aan; „erbarmt gij u over dezen ongelukkige?”
„Dezen eerwaardigen grijsaard,” riep Lodewijk, en vatte met een warm gevoel van dankbaarheid zijne hand, „heb ik eerst mijn leven en thans het grootste geluk te danken.”
„Dus gij, vader Gregorius”, zeide Feodorowna bewogen, „hebt gij dezen getrouwen vriend, die eens de redder mijns vaders, mijner moeder en van mij zelve was—ach! hij is het tweemaal geweest—gij dus hebt hem behouden? Deze nieuwe schuld moet mijn hart u betalen?”
„Lieve dochter,” hernam Gregorius vriendelijk, „het gebod des Heeren eischte slechts zijne redding. Hij was hulpeloos, onmachtig, gebonden, onze vijanden waren ook de zijne, en zoo behoorde hij tot ons. Mocht hij thans geheel een der onzen worden en het zwaard tegen de heiligschenners keeren, die door Gods wrekenden bliksem getroffen zijn.”
Lodewijk zweeg, want hij verstond de in het russisch gesproken woorden niet; doch Feodorowna antwoordde snel: „Neen, mijn vader, laat ons dit niet vragen en niet van hem vorderen. Hoe zwaar zich de zijnen ook aan hem vergrepen hebben, hij mag geene wraak aan hen uitoefenen, noch verrader worden van hen, die in één vaderland met hem wonen, ééne taal met hem spreken. Laat Ruslands heilige zaak aan zijne eigene zonen worden overgelaten! Zij zijn sterk genoeg om zich zelven genoegdoening en wraak te verschaffen. Het moet hun roem, hun naijverig streven zijn, geene vreemden deel te laten nemen aan een werk, dat zij zelven kunnen volbrengen. Daarom laat ons, mijn vader, de gevoelens van onzen gast jegens de zijnen eeren. U voert eene mij welkome bestiering mij te gemoet. U zij de vreemdeling ter verzorging aanbevolen; gij zult vaderlijk voor hem zorgen, tot ik om u zend. Deel uw maal, uw leger met hem, want gij ziet, hij is door harde rampen uitgeput. U geef ik hem over; en weet, dat uwe dochter hem als een broeder bemint—daarom zij hij u als een zoon.”
Feodorowna sprak met warmen ijver. Gregorius reikte zijn gast de rechterhand, ten teeken, dat hij hem gaarne opnam, en sprak hem in het latijn aan.
„Salve! Sis felix, quomodo mihi es exoptatus!”
Lodewijk bemerkte nu eerst, dat hij een dienaar des Heeren voor zich had. Verheugd, een middel te vinden, om zich met hem te onderhouden, antwoordde hij hem:
„Salve, mi pater! Gratias tibi ago ex intimo pectore, salvatori vitae meae! Sis felix, quomodo benignas es.”
Feodorowna nam afscheid van Lodewijk en ging terug naar hare moeder. Hij volgde den eerwaardigen Gregorius, die hem naar eene andere hut geleidde, voor welke een groot vuur brandde. Met dank nam hij het maal aan, dat de grijsaard hem aanbood. Terwijl hij den eenvoudigen, maar versterkenden kost nuttigde, trad ook Willhofen nader en zette zich op de welwillende uitnoodiging van Gregorius bij hen neder. Thans eerst had Lodewijk gelegenheid, naar zijn vader en de bediende, om naar Lodewijks moeder en hare lotgevallen te vernemen. Ach, zij konden beiden slechts van het verlorene spreken; maar evenwel vervulden deze herinneringen hunne zielen met een zoeten weemoed.
Eéne zorg, één kommer slechts lag op Lodewijks hart: het lot van Bernard. Wel was de hoop in al hare bezielende kracht in hem ontwaakt, doch hij behoefde slechts een blik te slaan op hetgeen hem omringde, om zijne vrees weder even sterk te doen aangroeien.
HOOFDSTUK VI.
Het werd bijna volkomen nacht, eer Lodewijk weder iets van Feodorowna vernam. Hoe gaarne hij zich in het gezelschap van den eerwaardigen geestelijke bevond, die hem daarenboven nog een warmen pels geschonken had, en hoeveel hij door de vertellingen van Willhofen vernam, dat zijne ziel diep ontroerde, toch sloeg zijn hart van onrustig verlangen naar zijne geliefde en vreesde hij ieder oogenblik, dat de hoop, van haar weder te zien, hem bedriegen moest. Eindelijk kwam er eene boodschap van haar: het verzoek, om zich gereed te maken tot het vertrek. Gregorius en Willhofen begeleidden hem naar de hut, waar de slede met uitgeruste en afgevoerde paarden gereed stond. Spoedig kwamen de beide vrouwen buiten, dicht in pelzen en sluiers gewikkeld. De gravin werd ondersteund; zij was zichtbaar vermoeid. In het voorbijgaan groette zij Lodewijk door eene lichte beweging met het hoofd, Feodorowna daarentegen reikte haar vriend de hand en zeide: „In een paar uren zullen wij de rustplaats bereikt hebben; gij zult u, hoop ik, daarover verheugen.—Vergeef slechts, dat in onze slede ook geen plaats voor u is.”
Lodewijk ried, wat het teeder gevoel van Feodorowna verontrustte, de omstandigheid namelijk, dat hij op de plaats van een bediende moest zitten. Voorkomend brak hij daarom hare woorden af, terwijl hij haar bij het instijgen hielp. „Mijn oog zal voor u zien en waken in dezen nacht; het is eene opdracht, die mij gelukkig maakt.” Met deze woorden sprong hij op de voorbank, waar Willhofen aan zijne zijde plaats nam.—De koetsier zette zich achter op en gaf Willhofen de teugels over; twee knechts reden te paard vooruit.
Gregorius stak, nadat hij afscheid van de vrouwen had genomen, ook zijn jongen gast, welken hij spoedig lief gekregen had, de hand toe. Lodewijk drukte die met gevoel van warme dankbaarheid. Toen voer de slede als de wind heen. Men moest midden door het bosch; het was wel zeer donker en de lucht betrokken, doch de sneeuw lichtte genoeg, om den weg te zien. Ondertusschen hield de vaste baan spoedig op en men moest in de diepe, losse sneeuw langzamer rijden.
Het was alles stil in het rond. Slechts een hol gesuis, dat door de zwarte toppen der dennen streek, en het snuiven der paarden waren de geluiden, welke men in deze bevroren woestenij vernam.
Lodewijk had thans den tijd, om een blik op de gebeurtenissen van den laatsten dag te werpen. Eene wereld van gebeurtenissen lag in dat korte tijdperk van gisteren tot heden. Zij waren elkander zoo snel opgevolgd, dat de eene door de andere verdrongen werd. De van alle zijden bestormde, ontroerde ziel werd opgehouden en gesteund door het evenwicht der op haar aanstormende machten; ééne alleen had haar zeker overweldigd, zoo niet geheel en al verpletterd.—Thans had hij het eerste oogenblik, waarin hij de verwarde gedaanten in orde kon schikken en ze een voor een voor zijn geest doen voorbijgaan. Het tegenwoordige en het verledene, het verre en het nabijzijnde lag voor zijn ziel; smart en vreugde, kommer en hoop grensden aan elkander. Zijn noodlot gaf hem het beeld van een landschap in den herfst, waar duistere wolkschaduwen naast helderen zonneschijn rusten en het groene en half verdorde loof zich op eene wonderlijke wijze vermengen.
De geliefde, de verlorene is u nabij; de adem harer lippen beroert u, uwe hand kan haar bereiken! Zult gij haar echter ooit aan uw hart mogen drukken? Zal zich de ijzeren poort van het noodlot niet wederom met doffen donder voor het geopende paradijs sluiten, zoodat gij daarbuiten in de koude, eenzame duisternis zult vertwijfelen? En uw vriend! Uw trouwe, dierbare, onvergelijkelijke vriend! Heeft het donker lot, dat eene godheid van uw hoofd afwendde, hem getroffen? Of zal hem de dood hier in deze woestijn te beurt vallen? Moet hij eenzaam, huiverend, afscheid nemen van de gulden dagen des levens? Strekt zich geen troostende hand in de laatste bange minuten naar hem uit, om hem den bitteren kelk door zoete droppels van liefde te verzachten? O Almachtige! verscheur het hart niet, dat gij wilt zalig maken! Deze doodwonde heelt zelfs niet aan de borst der geliefde! Neen, neen! moet het voor dien prijs zijn, dan zinkt mijne door smart verlamde hand neder en ik kan den beker der zaligheid, welken Gij mij aanbiedt, niet aan mijne lippen brengen.
„Het wordt recht donker,” zeide Willhofen. „Deze wouden zijn toch schrikkelijk.—Luister! Hoort gij den wolf? Hij huilt van den honger. Wanneer de wind hem de lucht van ons brengt, zal hij ons spoedig op het spoor zijn. Holla, jongens, daar vooruit, rijdt dicht bij ons! Hebt gij de buksen geladen?—Wij zouden ze noodig kunnen hebben.”
Lodewijk zag met bezorgdheid achterom naar de vrouwen. Doch de nacht en de dichte sluiers, welke zij droegen, maakten het onmogelijk, hare trekken te onderscheiden en te zien, of zij zijne bezorgdheid deelden.
„Is er gevaar?” vroeg hij Willhofen zacht.
„Zelden, mijn waarde heer. Wees maar niet bang.”
„Ik ben voor mij niet bezorgd; maar wij hebben vrouwen bij ons,” antwoordde Lodewijk.
„Och, het is niets; wij hebben drie buksen en u geef ik mijn hartsvanger.—Hm! Er moet toch een heele troep bijeen zijn; hoor maar hoe zij huilen!”
Men reed juist door de diepe, ongebaande sneeuw langzaam voort. De wind zweeg, daardoor kon men in de ademlooze stilte het geluid der hongerige roofdieren duidelijk vernemen.
„De paarden rieken waarachtig ook hun vijand reeds,” zeide Willhofen zacht; „zie maar, hoe schuw zij den kop omdraaien en snuiven.—Paulowitsch en Stephanos,” riep hij den ruiters toe, „gebruikt uwe sporen, dat wij spoedig den hoek bij den grooten den bereiken. Daar loopt de weg zoover rechts, dat het vee misschien ons spoor verliest.”
Hij sloeg met de zweep en dreef de paarden aan.—Spoedig daarop draaide de weg om een hoogen, ouden den, wiens stam den hoek maakte, op eenmaal rechts om. Toen de ruiters den hoek wilden omslaan, schrikten zij en hielden hunne paarden in.
„Wat is er?” vroeg Willhofen.
„Hier ligt een mensch op den weg?” hernam de ruiter.
„Waarachtig!” riep Willhofen, die juist tot aan den hoek gekomen was. „Dood of levend? Holla! antwoord!”
„Hij verroert zich niet; het moet een lijk zijn. Wij willen het wegruimen, anders komen wij er met de slede niet voorbij.”
Hij hield op en wilde Lodewijk de teugels geven; doch deze zeide: „Ik zal u helpen. Men moet toch eerst zien, of hij waarlijk dood is.”
De koetsier nam de teugels. Lodewijk en Willhofen stegen af, om het lijk uit den weg te dragen.
„Almachtige Godheid, het is Bernard!” riep Lodewijk uit, toen hij zich over het voorhoofd van den liggende voorover boog, om hem op te nemen. „Bernard, leeft gij? Wanneer er nog een ademtocht in u is, bezweer ik u, geef mij antwoord.”
Hij knielde weenend bij den verstijfde neder, hief hem het hoofd op, steunde het tegen zijne borst en drukte vurige kussen op het koude, bleeke gelaat.
„Wat is er?” vroeg de gravin ongeduldig.
Feodorowna echter had den uitroep van haren vriend gehoord en snelde, van de lage slede afspringend, zelve naar de plaats. „Vindt gij een vriend hier?” vroeg zij met bevende stem, toen zij den hevigen angst van Lodewijk gewaar werd.
„Een vriend! O, den eenigsten, dierbaarsten mijns levens!—En verstijfd—dood! O, mijn Bernard! Dat overleef ik niet.”
„Misschien is er nog redding,” sprak Feodorowna bewogen; „wij willen het mogelijke beproeven.”
Met deze woorden naderde zij en legde hare hand op het hart van den verstijfde. „Mij dunkt hij ademt nog,” zeide zij verheugd.
„Neen, neen! Hij is dood—hij is weg!” riep Lodewijk, bijna buiten zich zelf. „Deze slag verplettert mijne borst! Neem mij mede met u, mijn Bernard; ik verlaat u ook zelfs niet in den dood!”
Met krampachtigen angst klemde hij den vriend aan het hart en drukte zijne lippen op den kouden, bleeken mond van den verstijfde.
„Wij willen den ongelukkige opnemen,” zeide Feodorowna op den toon van het diepste medelijden; „misschien keert het leven in hem terug, wanneer wij hem met warme kleederen bedekken. In een uur kunnen wij het slot bereiken, en dan zal geen middel onbeproefd blijven, om hem tot het leven terug te roepen.”
Lodewijk was sprakeloos van smart; hij kon niets, dan Feodorowna's hand vatten en deze aan zijne lippen drukken. Zij trok die zacht terug. Haar hart bad tot den goeden hemelschen Vader, dat Hij de onuitsprekelijke smart van haren vriend mocht afwenden.
Willhofen en Lodewijk namen den verstijfde op. Toen zij hem aan de slede brachten, vroeg de gravin: „Mijn God, wat is dat? Wat moet dat lijk hier?”
„O mijne moeder,” bad Feodorowna, „het is een ongelukkige, in wiens boezem nog leven is. Misschien zijn wij in staat, hem te redden.”
„Het kan niet zijn,” hernam de gravin heftig; „hoort gij de wolven niet? Wij zijn in gevaar, wij kunnen de slede niet meer beladen en ik zie ook geen plaats—met één woord, het is onmogelijk, het kan niet!—Maakt dat wij voorwaarts komen, ik beveel het.”
Willhofen stond onzeker, wat te doen. Doch Lodewijk wierp zich voor Feodorowna's voeten neder en riep uit: „Bij al wat u heilig is, bezweer ik u, red mijn vriend, neem mijn leven daarvoor in de plaats.”
„Mijne moeder!” riep Feodorowna met nadruk, „de menschelijkheid, het gebod der liefde....”
„Dwaze! om een lijk mede te sleepen zullen wij, levenden, een buit der wolven worden? Neen, zeg ik, neen; ik beveel u spoed te maken. Terstond vooruit!”
„Dan blijf ik hier,” riep Lodewijk buiten zich zelf, „tot de dood ook aan mijn rampvol leven een einde maakt.” Hij trok den verstijfde aan zijne borst, wikkelde hem in zijn pels en drukte hem vast aan zijne borst. „Mijn Bernard, gij, trouwste hart op de gansche aarde,” zeide hij en zijne tranen vloeiden zonder ophouden. „Thans komt de dag der vergelding, ik verlaat u niet. Aan mijne borst zult gij—moet gij weder ontwaken.”
„Solanow, klim op!” beval de gravin met ziekelijke heftigheid. „Het kost u het leven, wanneer gij nog talmt! Laat hier blijven, wie wil!”
„Moeder, moeder!” riep Feodorowna uit, terwijl zij hare hand vatte, „het geldt een menschenleven—het geldt dat van onzen redder!”
„Die ons thans in het verderf wil storten,” viel de gravin in. „Kom bij mij, of ik laat u achter.”
Men hoorde inderdaad het huilen der wolven al nader en nader. De bedienden waagden niet te gehoorzamen, noch tegen te spreken. Feodorowna was in een vreeselijke tweestrijd met zich zelve. „Welaan dan,” begon zij na eenige oogenblikken met fierheid, „dan moet ik beslissen. Moest ik tot mijn onuitsprekelijk lijden den naam van prinses Ochalskoi aannemen, dan zal die mij ten minste eenmaal tot heil verstrekken. Mij behooren deze paarden, deze lijfeigenen, gij kent uwe vorstin, uwe gebiedster. Bij uw leven gelast ik u thans, dezen hulpelooze niet achter te laten.”
Zij stond in eene gebiedende, majestueuze houding voor de bedienden; toorn en verbazing boeiden der gravin de tong.
„Haast u, red u met ons en uw vriend,” zeide Feodorowna thans tot den half bedwelmden Lodewijk. „Haast u!”
Willhofen sprong toe en hielp Bernard voor op de bank zetten, waar Lodewijk hem met zijn eigen pels bedekte en met zijne armen vast aan zich drukte.
„Ik ga hier voor op den dissel zitten,” riep de brave knecht, „dan hebben wij alle drie plaats.” Op den zadel van den dissel springend, greep hij snel de teugels aan en riep: „Vooruit knapen!”
De paarden, die, de nabijheid der woedende wolven ruikende, reeds angstig hadden staan trappelen en met hunne hoeven de sneeuw omwoelden, vlogen thans, alsof zij wisten, dat hunne redding er van afhing, als de wind vooruit. Pijlsnel ging de vaart door het donkere bosch; evenwel vernam men het gehuil der vervolgende roofdieren al nader en nader. Opeens kraakte en bewoog het zich in de takken en plotseling sprong een groote wolf met machtige sprongen uit de struiken, om zich voor de paarden te werpen en deze in den strot te grijpen. Doch de vlugge Willhofen had dadelijk de buks in de hand en velde het dier neer op het oogenblik, dat het het schuw op zijde springend paard naar de keel wilde vliegen.
„Die is betaald! Hij zal ons zijne huid niet schuldig blijven,” riep de schutter vroolijk, zonder bijzonder veel acht te slaan op het luide geschreeuw der gravin. „Paulowitsch, hebt gij geladen? Wees op uwe hoede!”
Er vergingen eenige minuten, zonder dat een nieuwe vijand zich vertoonde. Het akelige gehuil scheen zwakker te worden.
„Zij zijn schuw geworden,” zeide Willhofen, zich tot Lodewijk wendend, die echter, zijn vriend aan het hart houdende, nauwelijks bemerkt had, wat er voorgevallen was.—„Wees onbezorgd, genadige gravin en prinses,” zeide hij tot deze, „nu kunnen de beesten ons niets meer doen. In vijf minuten zijn wij uit het dichtste woud en dan is de baan zoo glad als een spiegel. Dan zal een zwaluw in hare vlucht ons niet inhalen.”
Thans werd het bosch lichter; men kwam op eene, slechts door laag kreupelhout bedekte vlakte, ongeveer een kwartier breed. De slede vloog als een pijl uit een boog over de vastgereden baan heen. Aan de overzijde zwenkte men eene rechte doorgehouwen laan in, en na weinige minuten lag het jachtslot voor de oogen der reizenden.
„Dat noem ik rijden!” riep Willhofen, toen hij voor de poort stilhield, waaruit reeds twee oude bedienden, door het klappen der zweep opmerkzaam gemaakt, met lantaarnen naar buiten waren gekomen. „Zie maar, hoe de paarden dampen! Van den grooten den tot hier nog geen twintig minuten, en dat half door de diepe sneeuw! En het zijn toch goed tien wersten.”
Onder deze woorden was hij afgesprongen en had den koetsier de teugels overgegeven. De bedienden hielpen de vrouwen uit den wagen. Zwijgend, zonder te groeten, ging de gravin, op den arm van een der bedienden steunende, in het slot.
Bianca beval dadelijk, voor Lodewijk en zijn vriend de meeste zorg te dragen. Daarop wendde zij zich met deze worden tot hem: „Hier zijt gij mijn gast; dit slot behoort mij; wil de Hemel die groote smart van u afwenden, dan hoop ik, dat gij hier onbekommerde uren zult doorbrengen.”
Lodewijk, die nog was blijven zitten, daar hij Bernard in den arm hield, wendde zich tot haar, toen zij sprak. Hare zachte stem vond ook nu nog den weg tot zijne ziel. „Engelachtig wezen,” begon hij—daar bewoog Bernard zich aan zijne borst en haalde diep adem. „Hij leeft!” riep Lodewijk, alles vergetend uit. „Algoede Hemel! Hij leeft! hij leeft!”
Hopend en vreezend tegelijk, sloeg hij zijne armen om zijn vriend en beefde hevig.
„Waar ben ik?” vroeg Bernard en sloeg de oogen op.
„In mijne armen!” riep Lodewijk en zijn boezem klopte ademloos en dreigde vaneen te springen door overmaat van vreugde.
Feodorowna hief hare oogen bewogen ten hemel. Ook voor haar vertoonde zich voor het eerst een schijn van hoop. Willhofen hielp den nog half bewust- en beweginglooze van de slede heffen en leidde hem, gezamenlijk met Lodewijk, in het voor dezen bestemde vertrek, waar zij hem op stoelen nederlegden. Daarop haastte de getrouwe knecht zich, om spoedig reddings- en versterkingsmiddelen te gaan halen.
Hier kwam de herlevende weder tot zijne volle bewustheid. „Lodewijk,” riep hij uit, „zie ik u weder! Leeft gij, of zijn wij reeds aan de overzijde? Of was alles een droom?” En met eene warme omhelzing drukte hij den vriend aan zijn hart.
„Wij leven! Een genadig besturende God heeft ons behoed.—O, gij zult nog andere wonderen zien.”
Willhofen trad binnen met een warmen, door Feodorowna gereed gemaakten drank; een bediende bracht wollen dekens, om er den verstijfde in te wikkelen. „Dat is Goddank niet meer noodig,” riep Willhofen, toen hij zag, dat Bernard geheel tot leven en bewustzijn was teruggekeerd. „Doch hier, mijnheer, drink een weinig.—Dat zal u krachten geven.”
Bernard bracht het glas aan zijne lippen. Weinige druppels gaven hem een nieuw levensgevoel; de macht der vreugde voleindigde het werk der genezing spoedig.
„Kom, Ossip,” zeide Willhofen tot den bediende, „wij zijn hier niet meer noodig en er is nog veel op andere plaatsen te doen.”
Beiden vertrokken.
„Broeder!” begon Bernard, toen zij alleen waren, „aan uwe borst hebt gij mij weder tot het leven teruggeroepen! Hier bezweer ik het u, bij de wonderbare wegen der Voorzienigheid, dat er geen droppel bloeds in mijn aderen is, die u niet behoort! Bij den Almachtige!” Hij hief zijne hand op; in zijne vermoeide trekken keerde de edele, alles trotseerende kracht terug, die als een veerkrachtig staal te sterker opsprong, naarmate de druk des noodlots haar harder dreigde samen te persen.—„Doch, nu, vertel mij,” sprak hij. „Waar zijn wij? Hoe zijn wij ontkomen? Wat mij betreft, mij is, buiten eene gruwelijke geschiedenis, waardoor mij letterlijk het leven van binnen bevroren is, want anders, dat gevoel ik nu, zoude de koude mij nog niet overweldigd hebben, niets ontmoet, dan dat ik in het bosch heb rondgedwaald. Maar u?”
Juist wilde Lodewijk spreken, toen de deur geopend werd en Feodorowna met opgeslagen sluier, in rouwgewaad, binnentrad. Een armblaker, die op eene tafel naast de deur stond, wierp een helder licht op hare edele, door de vreugde zacht gekleurde gelaatstrekken. „Zie daar onze redster,” zeide Lodewijk en wees op de binnentredende.
„Uw vriend leeft? De goede hemel zij gedankt!” sprak zij naderbij komende, met eene stem, waarin de heilige beweging harer borst bevend doorklonk.
Bernard hief het oog verwonderd tot haar op. „Die trekken ken ik,” riep hij plotseling, van onverklaarbare gevoelens van herinnering doordrongen, „en ik weet van waar. Maar ook deze stem heb ik meer gehoord.”
Eene gelijke verwondering hield ook Feodorowna's blikken aan het edele gelaat van Bernard geboeid. Het zien van hem wekte wonderbare, vreemde en onverklaarbare herinneringen in haar op. Zij reikte hem, door eene zachte neiging des harten geleid, hare hand toe. Bernard boog zich om die te kussen, doch in het oogenblik, dat hij er zijne oogen op sloeg, schrikte hij als zag hij eene geestverschijning, en stond met bevende lippen, sprakeloos, zijne oogen onafgewend op Feodorowna's gelaat gevestigd, roerloos stil. Driftig streek hij met zijne hand over zijn voorhoofd en door zijne haren, alsof hij daar een lastige drukking en smart gevoelde.
„Wat schort u?” vroeg Lodewijk en trad deelnemend nader.
„Niets, niets!” riep Bernard wild en beefde over het geheele lichaam. „Een waanzinnige droom—doch wanneer ik daaruit ontwaak, word ik razend.—Om Gods wil, maak mij toch dezen knoop uit mijne haren los—ik kan ze immers niet uitrukken!”
Daarbij trok hij krampachtig aan zijn hoofdhaar. Lodewijk voelde den knoop en maakte dien zachtjes los. Bernards ring viel op den grond; hij greep er snel naar, nam hem op, reikte hem Feodorowna toe en sprak met hijgende borst: „Mij dunkt, deze ring gelijkt op den uwen—ik verruilde hem eens—in Warschau—hij draagt de letters—Waanzinnige!” riep hij opeens en trok het voorhoofd in diepe plooien, „maak u niet zelf razend door zulke droomen. Lodewijk, schud mij, opdat ik voel, of ik waak.”
Feodorowna had den ring van hem aangenomen, zij wilde hem met den haren vergelijken, doch haar oog werd duister. Bevend zonk zij op de knieën neder, vouwde hare handen als ten gebede en smeekte zacht, met hemelwaarts gekeerde blikken: „Algoede! beproef mij niet te hard—wanneer mijn hart zich bedriegt, zoo breekt het—zooveel vermag het niet te dragen—neem mij in Uwe bescherming.”
Zij hield de ringen afgewend voor zich uit en hare blikken vlogen ras op zijde, als beefde zij voor het schrikbarend orakel, dat zij moesten verkondigen, dan drukte zij ze beide hevig aan haar hart, alsof zij het kostelijkste waren, dat zij bezat, en zij zich daarvan voor eeuwig moest afscheuren. Opeens hechtte zij hare blikken onafgewend daarop. Zij beefde, haar boezem joeg, de rozengloed van den morgen kleurde hare wangen—toen verbleekte zij tot de sneeuw der lelie—de ringen ontzonken hare hand—zij strekte hare armen verlangend naar Bernard uit—hare lippen bewogen zich, doch het jagen harer borst verstikte ieder geluid—eindelijk riep zij met angstvolle inspanning: „Broeder, broeder!” en zonk als levenloos met het schoone hoofd aan de borst van den voor haar knielenden Bernard. Deze hield haar stom, bevend aan zich geklemd; zijne ijzeren kracht was gebroken, zonder ophouden vloten er tranen uit zijne oogen en bevochtigden de wangen der schoone zuster, die bewusteloos aan zijn hart rustte. „Lodewijk, Lodewijk!” bad hij dezen eindelijk met weeke stem. „Gij zijt beter dan ik—bid gij tot den eeuwigen Vader, dat zij mij niet ontvalle—uw smeeken zal Hij hooren!—Lieve, zachte roos, richt uw hoofd op!—Breek thans niet, gij engelrein hart, klop nog eenmaal levend en beminnend tegen de borst des broeders!”
In zijne armen hief hij zijne zuster omhoog en liet haar zachtjes op de rustplaats neder, waarop hij, nog voor weinige minuten, zelf tot een nieuw leven ontwaakt was. Daar sloeg zij het groote blauwe oog op en hief den mat neergezonken arm weder omhoog, om hem liefkoozend om den hals des broeders te slaan. Thans stroomde de milde bron der tranen over en verloste de borst van het overstelpend geweld der vreugde. Ruim ademde zij en een volle, eindelooze hemel van zaligheid straalde door den vochtigen nevel harer oogen.
„Zoo is het dan waar? Zijn het niet de toovergestalten mijner verbeelding, welke mij bedriegen? Ben ik niet verplaatst in de gewesten der zaligheid?—Ja, ja, gij zijt mijn broeder! De stem mijns harten bedriegt mij niet. Zij is waarachtiger dan de duizend teekenen mijner zintuigen, waaraan ik u herken. Ik heb nu een hart op deze wereld, dat mij toebehoort; eene borst, die mij niet ruw terugstoot, wanneer ik tot haar wil vluchten!—Niet waar mijn broeder!—Gij zult mij niet weder verlaten?”
„Verlaten?” vroeg Bernard, en sidderend drukte hij haar inniger aan zijne borst. „Gelijk de plant in eene donkere rotskloof naar het licht zoekt, zoo verlangde mijne borst naar een zusterhart! En gij waant, dat ik voor de warme gouden straal, die eindelijk in mijn verstorven hart dringt, den kelk zoude sluiten? Voor het eerst breekt in dezen heiligen stond het licht door de nevelwolken mijns levens! Voor het eerst zie ik deze schoone wereld verheerlijkt in zijn gouden rozenglans! Grauw, woest, akelig lag zij voor mij in donkere nevels gehuld.—Thans schittert zij van duizend kleuren! Neen, thans zal ons niets meer scheiden! Zelfs de dood niet, want ik vernietig mij zelf in het oogenblik, waarin hij u uit mijne liefdearmen wegrukt.”
HOOFDSTUK VII.
Men hoorde voetstappen en stemmen op de gang. Geheel in hunne zaligheid verzonken, had het gelukkige drietal ze niet vernomen; doch Lodewijk, wien smart en liefde thans den boezem benauwden, wien donkere voorgevoelens nader waren dan blijde, hoorde ze. Door het duister gevoel, dat het hoogste geluk zich altijd in den schoot des geheims het zekerst verbergt, gedreven, trad hij Bernard snel nader, greep hem bij den arm en zeide: „Vriend, men komt!”
„Wie?” voer deze heftig uit: „wie, wien ik te vreezen of te ontwijken zoude hebben?”
„Hier iedereen,” riep Feodorowna en scheurde zich verschrikt uit zijne armen los; „hier is elk een arglistig, gezworen vijand van het reine geluk der ziel! Laat geen woord uwer lippen ons verraden, mijn broeder, het is de eerste bede uwer zuster; o wijs haar die niet af!”
„Aan een haar zult gij, engel, mijne ongetemdste kracht teugelen,” zeide hij weemoedig. „Beveel mij met den blik uwer oogen en ik wil hem verstaan, en u gehoorzamen, als de schaduw van uw lichaam, die de minste beweging van uw vinger lijdzaam volgt.”
Willhofen, twee bedienden en Feodorowna's kamenier Jeannette traden binnen. De laatste sprak hare meesteres aan: „Doorluchtige hoogheid, de gravin Dolgorow zendt mij met last, u bij haar te ontbieden.”
„Ik wilde juist komen,” hernam Feodorowna. „Vaart ondertusschen wel,” voer zij voort, zich tot Bernard en Lodewijk wendende, „binnen een half uur uiterlijk zien wij u weder, want ik hoop toch, dat gij bij den avonddisch in de zaal zult komen?”
Hare blikken vorderden een ja; Bernard en Lodewijk bogen zich zwijgend; zij zweefde de kamer uit.
„Wij komen met eene geheele vracht kleedingstukken, mijne heeren,” zeide Willhofen. „De prinses heeft gelast de garderobe van haar overleden gemaal hier over te brengen, opdat gij u zoudt kunnen verkleeden. Gij moet ons vergeven, dat u in den nood dit aanbod gedaan wordt; maar wat kunnen wij voor het oogenblik anders doen? Wanneer wij in Petersburg waren, zouden wij binnen vier en twintig uren wel andere maatregelen nemen. Maar hier is de nood meester.”
„Kom over maar, vriend!” zeide Bernard, „gij ziet, wij hebben juist geene staatsiekleederen aan, en gescheurde mantels en laarzen houden de koude wel niet zoo goed buiten als heele.—Vertoon uw winkel eens! Hm, alles zal zoo slecht nog niet passen! Wanneer wij maar niet trotsch worden, Lodewijk; wij zijn niet gewoon ons zoo prachtig uitgedost te zien.—Zie maar eens, ik zie er uit als een russische prins in dezen pels.”
Bernard sprak met voordacht veel en schertsend, daar Lodewijk stil en afgetrokken was. Hij wilde daarmede de vermoedens der bedienden, die deze gasten reeds met vragende oogen aanzagen, afleiden, opdat zij niet op het denkbeeld zouden komen, dat hier iets vreemds was voorgevallen. Gewoon, zelfs zijne diepste gewaarwordingen met kracht te beheerschen, en geoefend, om zijn natuurlijk gelaat met het mom van luim te bedekken, vooral wanneer het van vreugde of smart weende, gelukte hem dit bijna zonder moeite.
Willhofen had welgevallen in den vroolijken, krachtigen jongeling.
„Waarlijk,” riep hij, „het was goed mijnheer, dat wij u op de slede laadden, want nog zoo jong een buit voor de wolven te worden, dat ware al te hard geweest.—Wilt gij echter hier deze pelslaarzen niet aantrekken? Gij zijt er misschien niet aan gewoon, maar bij ons zijn zij goed. De wind blaast hier een weinig scherper dan in Duitschland.”
„Kent gij Duitschland, oude vriend?” vroeg Bernard.
Thans verhaalden Lodewijk en Willhofen gedurende het verkleeden de geschiedenis van hun wedervinden.
„Hm!” zeide Bernard, terwijl hij nadenkend stilstond, „wonderlijk genoeg.—En Beaucaire en St. Luces hebben ook hun loon?—Er komen zoo oogenblikken, dat ik piëtist kon worden, Lodewijk, en gelooven, dat zich iemand zeer bijzonder om onze voddige aangelegenheden bekommerde en onzichtbaar nevens ons ging, om ons door alle zich kruisende dwaalwegen heen te voeren tot aan het punt, waar de draden, waaraan wij dansen, bijeenkomen. Dan eerst verneemt men, wie met ons aan hetzelfde draadje geregeerd werd en naar dezelfde wijs met ons moest dansen. Ja, waarlijk, er gebeuren allerlei wonderlijke fratsen in de wereld!”—„Nu oude!” wendde hij zich tot Lodewijk, „waarom dan zoo hongerig en stom! Is uw geloof nog niet vast genoeg? Merkt gij nog niet, dat uw groene sluier uit het dal van Aosta hier zoo goed op de sneeuw zal schitteren, als bij het hospitium van den heiligen Bernard?—Het doet mij, in 't voorbijgaan, vermaak, dat ik zijn naamgenoot ben.”
Hij greep bij deze woorden Lodewijks hand en drukte ze met warmte. Zijn scherp zielsoog zag diep in het hart zijns vriends en bemerkte den grond van zijn zwaarmoedig zwijgen. Doch met een even helder oog zag hij ook dat de verborgen knoppen der liefde thans tot welriekende bloemen moesten openbarsten, en dat de broeder de hand der zuster in die des vriends konde leggen.
Beiden waren aangekleed; zij gingen naar de zaal, welke Willhofen hun als de eetzaal aanwees. Zij was nog slechts door een groot vuur verlicht, dat, om spoediger warmte te krijgen, was aangelegd. De voor vier personen gedekte tafel stond dicht bij den schoorsteen.
Willhofen zette den armblaker, dien hij in de hand droeg, om de gasten voor te lichten, op de tafel. „Weest voor het overige onbezorgd,” zeide hij, „de zaal zal spoedig warm worden, want de kachels zijn ook gestookt, doch dit duurt wel iets langer.—Ik zal thans de prinses melden, dat gij hier wacht.” Hij ging.
Thans waren Lodewijk en Bernard alleen. Zij zagen elkander lang aan; daarop vielen zij elkander om den hals en hielden elkander zwijgend omarmd.
„Lodewijk,” riep Bernard eindelijk, „wanneer wij ons herinneren, waar wij dezen morgen ontwaakten, en waar wij dezen avond zullen insluimeren—Lodewijk, dan vang ik waarlijk aan, gelijk een vroom kind aan wonderen en engelen te gelooven.”
„Een liefelijke engel is het, die dit wonder bewerkte,” hernam Lodewijk bewogen; „hare beschermende vleugelen waren over ons uitgebreid, hare zorgende hand voerde ons uit het duistere rijk des doods terug. Het hoogste wonder blijft dit wonderdadige heiligenbeeld zelf.”
De deur naar eene binnenkamer opende zich en Feodorowna trad binnen.
„Ziet gij? Reeds zweeft het weder zegenend nader—o, de glans verblindt mij, ik moet mijne oogen afwenden.” En hij wendde zijn gelaat af om zijne tranen te verbergen.
„Zuster!” zeide Bernard zacht en behoedzaam, toen hij zag, dat zij alleen kwam. „Zuster! nog eenmaal moet ik u met dezen naam begroeten.”
„Broeder!” antwoordde zij en trad hem vertrouwelijk tegemoet en leunde tegen zijne borst, toen hij den arm om haar heen sloeg en haar op het voorhoofd kuste.—„Broeder! zuster! Wat klinkt zoeter? De eene naam streelt mijn oor, gelijk de andere mijne lippen. Broeder, zuster!”
„En vriend!” voegde Bernard uit het innigste zijner ziel er bij, terwijl hij den afgewenden Lodewijk bij de hand vatte, om hem nader bij te trekken. „Zie, zuster, hij was de heldere ster van mijn levensnacht, tot uw helder zonnelicht voor mij opging; maar hij zal niet verdooven, noch verbleeken, gelijk de trouwelooze starren aan het firmament; want nooit heeft hem ook eene wolk verborgen en hoe vreeselijker de nacht was, des te helderder, des te vriendelijker straalde hij mij tegen. O, ik wenschte dat hij uw broeder was, dan hadt gij een beteren dan mij gevonden.”
„Bernard!” zeide Lodewijk geroerd, doch zacht berispend.
„O, ik kende onzen vriend vroeger dan u,” hernam Feodorowna. „Mijn hart is hem nog veel verschuldigd uit oude dankbaarheid, en sinds weinige oogenblikken is deze schuld oneindig vermeerderd.”
„Hoe zoo, mijne beste?” vroeg Bernard.
„Mag ik het u bekennen, mijn broeder,” vroeg zij en zag hem vriendelijk aan, „zult gij niet boos op mij zijn?”
„Boos op u zijn? Op u?”
„Zie,” voer zij met eene liefelijke bedeesdheid voort, „de waarde van den vriend is mij borg voor die des broeders! Waarlijk, ik geloofde aan u,” voegde zij er sneller bij, „doch hem dank ik de zalige overtuiging, daar de edele slechts den edele zoekt en bemint.”
Zij verborg na deze woorden het lieve gelaat schaamrood aan Bernards borst.
„Dienzelfden dank ben ik hem schuldig, zuster,” hernam Bernard, met innigen nadruk sprekende.
„Hoe, gij?” vroeg zij met verbazing.
„Is hij mij dan geen borg voor de zuster?”
Zij sloeg hare oogen neder; de liefelijkste rozengloed kleurde hare wangen; zacht huiverend zweeg zij. Eene aangename beklemdheid vervulde de harten der drie innig verbonden menschen: eenige oogenblikken heerschte er eene heilige stilte.
„Ik ben hier gekomen, om u alles te verklaren,” hernam zij.—„Zie hier, waarom uwe trekken mij dadelijk in het eerste oogenblik met zulk eene vreemde aandoening vervulden.”
Zij reikte hem de beide portretten, welke zij van Ruschka door Gregorius ontvangen had, over. Bernard, die ze met een schildersoog bekeek, herkende dadelijk de gelijkenis van het mansportret met hem en van dat der vrouw met Feodorowna. Hierdoor drong de zekere gewisheid in zijn hart, dat zijn nieuw geluk geen droom was, dat het vast rustte op den bodem der wezenlijkheid. Opeens vroeg hij: „En kent gij ook den naam onzer ouders, mijne zuster? Want ik ben onder wildvreemden opgegroeid en heb nauwelijks geleerd eenige waardij aan den naam en het aanzijn van hen te hechten, die mij onbarmhartig van zich gestooten hebben.”
„O, bezondig u niet,” hernam Feodorowna met eene vrome huivering; „het aandenken aan uwe ouders mag u dierbaar zijn. Ik kan u wel geene uitvoerige berichten van hen geven; doch deze papieren zullen u genoeg inlichten, om in het vervolg slechts met weemoed en liefde aan hen, die u het leven gaven, terug te denken.”
„O, gij hebt recht, want reeds daarom moest ik hun eeuwig dankbaar zijn, dat zij mij u tot zuster hebben gegeven.” Hij nam met deze woorden den brief aan, waarin Ruschka aan Feodorowna het geheim harer geboorte ontdekt had, en las hem haastig met stijgende belangstelling.
Ondertusschen spraken Lodewijk en Feodorowna met elkander en begon deze haar zijn wonderbaar vinden van Willhofen en den samenhang te verhalen, waarin deze brave man met zijne lotgevallen stond. Bernard, die onder het lezen half hoorde riep opeens uit: „Lodewijk, hoe heette de vriend uws vaders, om wiens wil hij vluchten moest?”
„Waldheim,” antwoordde deze.
„Waldheim!” riep Feodorowna verrast en zag Lodewijk en Bernard vragend aan.
„Dan vertoonen zich hier nog nieuwe draden van den wonderlijksten samenhang; doch ik weet nog geen middel, om zekerheid te verkrijgen.”
Intusschen trad Willhofen binnen.
„O, ik dwaas,” zeide Bernard en sloeg zich onwillekeurig voor het voorhoofd; „moest ik dat nog afwachten? Mijne scherpzinnigheid moet in deze koude verstijfd zijn, anders had ik er wel van zelf op kunnen komen, dat hier een voldoende ooggetuige leeft.”
Hij nam de beide afbeeldingen, die hij van zijne zuster ontvangen had, en wendde zich tot Willhofen. „Kom nader, mijn vriend,” sprak hij hem aan, „nader, heel dicht bij ons, hier aan het licht.”
Willhofen naderde bescheiden.
„Kent gij misschien deze portretten?”
Eene vroolijke verrassing schitterde in de oogen van den ouden bediende; hij beefde en kon nauwelijks spreken. „Of ik ze ken?” vroeg hij. „Ach hoe ligt opeens de goede tijd voor mijne oogen! Heb ik ze dan niet honderdmaal in de kamer van den ritmeester Waldheim te Straatsburg boven de sofa zien hangen?—Dat is hij immers zelf sprekend gelijkend, en de genadige vrouw ook.”
Nauw had Willhofen deze woorden gesproken, toen Lodewijk uitriep: „Hoe? Mijn vader dus....”
„Offerde zich voor den mijnen op,” viel Bernard hem in de rede. „Ziet gij, vriend,” voer hij aangedaan voort, „zoo heb ik u nog menige oude schuld af te doen, om nu van de nieuwe, die daar zijn gekomen, niet eens te spreken.”
„Welk een samenhang!” riep Lodewijk uit. „Welk een dag van gericht en vergelding!” Hij dacht aan St. Luces en Beaucaire, die in denzelfden stond door de goddelijke wraak waren ingehaald, dat het lot hem en zijn vriend den schoonsten krans bood, welke uit het langzaam gerijpte zaad van lang verloopen jaren was opgebloeid.
Feodorowna had tot hiertoe met stomme verwondering toegeluisterd; thans deed zij in hare verrassing de snelle vraag: „Gij hebt alzoo mijne moeder gekend, Solanow?”
De knecht stond verstomd. „De gravin Dolgorow,” begon hij stamelend en zag Feodorowna met vreemde, verwonderde oogen aan, als zocht hij in hare gelaatstrekken eene verklaring van hare zonderlinge vraag.
Feodorowna was verschrikt, daar zij haar geheim verraden had. Bernard, die het zag, sprak haar geruststellend aan: „Vrees niets, mijne beste, dit hart is trouw; ik sta borg daarvoor; doch nu mag niets meer voor hem geheim blijven.” Hij onderrichtte daarop Willhofen van alles en beval hem zwijgen en voorzichtigheid aan. De oude bediende beloofde dit beide met ontroerde stem en stak Bernard met Duitsche trouwhartigheid zijne hand tot pand toe. „Nu begrijp ik eerst,” zeide hij, „waarom de trekken der prinses mij dadelijk, de eerste maal dat ik haar zag, zoo bekend voorkwamen. Ja, en de uwe waarachtig ook, jongeheer.—Doch vergeef mijn gebabbel, uwe hoogheid; ik kwam eigenlijk om te vragen, of het uwe hoogheid gelegen komt, dat men aanrichten zal.”
„De gravin Dolgorow moet eerst gevraagd worden, of zij aan tafel zal verschijnen,” hernam Feodorowna, en Willhofen verliet, stilzwijgend zich buigende, geheel op de wijze zijner oude dienstonderdanigheid, het vertrek.
Na eenige minuten kwam hij met het antwoord terug, dat de gravin zoo vermoeid was, dat zij zich te bed had begeven.
Men richtte aan. De tegenwoordigheid van onderscheiden bedienden bedwong thans de warme opwelling der liefde tusschen de drie zoo nauw verbonden zielen in het ijzeren keurslijf van uiterlijke plichtplegingen.
Echter wist Feodorowna ook zelfs aan deze betrekking zulk eene aangenaamheid en vriendelijkheid des harten bij te zetten, dat zelfs de broeder met gewillige onderwerping den dwang verdroeg, aan welken zijn trotsche aard en het levendig gevoel zijner rechten zich moesten onderwerpen. Zoo vloog ook dit uur pijlsnel om.
Feodorowna stond op, de bedienden namen af en verlieten de zaal. Feodorowna beval, dat Willhofen in de buurt en op zijne hoede zou blijven. De vertrouwelijke eenzaamheid vereende de harten weder nader. „Nu ben ik weder uwe zuster,” begon Feodorowna, terwijl zij zich met beminnenswaardige vertrouwelijkheid aan Bernard aansloot; „nu behoor ik weder geheel aan u.”
„Gij lieve,” hernam hij en zag haar in het onschuldige, trouwe oog. „O mijn God, zoo diep hebt gij mij nog nooit in uw hemel laten zien!”
Lodewijk was met zich zelf hevig in strijd: zijn hart verdroeg den bangen strijd tusschen het hoogste geluk en de diepste smart niet langer.—Doch hij gevoelde, dat niet de hand des broeders, die zijne liefde kende, hem de zuster mocht toevoeren, maar dat hij zelf met vrijen mannelijken wil en kracht moest wagen en handelen. Wie niet, zelfs met gevaar van het te verliezen, naar het hoogste durft streven, is het niet waard; dit riep hem zijn hart toe, en hij gehoorzaamde, ofschoon bevend, het gebod der liefde en der eer.
„Bianca,” zeide hij met ontroerde stem, „want de zuster mijns vriends vergunt mij gewis den naam, die mij onvergetelijk dierbaar van den schoonen lentedag onzer eerste ontmoeting toeklinkt,—Bianca—op mijne lippen zweeft de hoogste wensch mijns harten, hebt gij dien niet verstaan voor ik hem uitspreek—zoo blijve hij eeuwig in de banden des zwijgens verborgen.—Doch spreekt uw hart—dan—laat het thans beslissen.”
Zij werd rood, eene zoete verwarring teekende zich op haar gelaat; sidderende, met neergeslagen oogen hernam zij: „Mijn hart?—Ik weet het niet—of ik het gehoor mag geven—het heeft reeds lang beslist!” Hier verborg zij het hoofd en het van zoete tranen overstroomend oog aan de borst des broeders. Bernard sloot haar zacht in de armen.
Lodewijk greep bevend hare hand; doch hij waagde het niet de liefelijke gestalte aan zijne borst te drukken. Zijn oor vernam het woord, dat voor hem den hemel der zaligheid wijd opende, doch zijn hart werd door de huivering eener bange twijfeling bewogen, want te schielijk, te machtig stond het wonder der vervulling voor hem. Hij vreesde, dat de beeltenissen zijner zalige droomen mochten ontvluchten; de onmetelijkheid van zijn geluk ontnam hem de kracht, om er aan te gelooven.
Zij liet hare hand in de zijne rusten en trok die niet terug, toen hij ze met heete kussen en tranen overdekte; doch hield haar liefelijk gelaat nog steeds zacht weenend aan de borst haars broeders verborgen.
„Bloos niet, mijne zuster,” zeide Bernard op bewogen toon, „wanneer gij de schoonste bekentenis moogt doen; schooner dan de liefde versiert geene roos de vrouwelijke borst. Uw rein hart kon niet dwalen, het heeft het edelste gevonden en uitgekozen.”
Thans verhief zij het hoofd en het in tranen schitterend oog tot haren broeder; daarna keerde zij zich met maagdelijke schroomvalligheid naar haar geliefde, die haar met bevend verlangen tot zich trok.
„O mijn God,” lispelde zij en dankbaar richtte zij haar oog ten hemel. „Waarmede heb ik deze overmaat van goedheid verdiend?” Woord en blik stierven in heilige tranen weg; liefelijk boog zij zich tot den vriend en zonk zwijgend, zalig bedwelmd aan zijne borst.
HOOFDSTUK VIII.
Thans eerst vereenigde de innigste band de drie beminnende zielen. Zij waren zóó overgelukkig, dat alle zorg, alle schrik voor de toekomst verbannen scheen. Slechts in het verledene verwijlden zij, zich vermeiende in het aangenaam herdenken van de oogenblikken hunner eerste ontmoeting, toen de kiem ontsproot van den heerlijken boom, die hen thans met zijne bloesemkroon beschaduwde. Lodewijk verhaalde van dien dag, waarop hij voor het eerst den groenen sluier op eene uitgebreide sneeuwvlakte had gezien en, door een onwederstaanbaar voorgevoel gedreven, hem dat vooruitzwevende doel was nageijld. „O, Bianca,” zeide hij geroerd, „toen reeds bouwde ik in hoogvliegende droomen luchtkasteelen, waaraan ik zelf niet durfde gelooven. En thans heeft eene wonderhand ons midden in die zalige gewesten gevoerd!—Maar ook thans waag ik niet te gelooven, dat alles werkelijk is, wat ik om mij zie. Spreek, mijne beminde, zullen deze liefelijke gestalten niet verzinken? Reik mij de hand ten onderpand, dat gij leeft, dat gij mij inderdaad nabij zijt en niet verdwijnen zult, wanneer ik u aanraak!”
Zij gaf hem vriendelijk glimlachend hare hand.
„Ja, ja, gij zijt het,” begon hij weder; „zoo glimlachtet gij, toen ik voor de eerste maal uw gelaat zag. Weet gij het nog? In het dal van Aosta, bij die hut, welke de wijnranken vertrouwelijk omslingerden, waar de kastanjeboom zijne takken beschaduwend over het grasperk uitbreidde. O, dat tafereel zal nimmer uit mijne herinnering verdwijnen!”
Zij zag hem aan met de uitdrukking der innigste liefde; een traan glom in haar helder blauw oog.—„O, het was schoon daar,” zeide zij bewogen.
„En weet gij, lieve zuster,” sprak Bernard, „waar ik u het eerst gezien heb?”
„Uwe eerste ontmoeting was eene gezegende,” hernam zij; „gij reddet de zuster uit den dringenden nood, waarin zij met hen, aan wie zij haar hart geheel gewijd had, verkeerde.”
„Neen! Ik kende u reeds veel vroeger,” zeide hij lachend. „Niet in eene romanesk gelegen hut, maar midden in den glans der rijke, bedorven wereld heb ik u het eerst gezien. Maar ik ontdekte den reinen diamant uwer ziel midden onder de menigte van valsche steenen, daar ik ze aan een anderen diamant zag toetsen. Het was te Londen in de Romeo en Julia, dat ik in uwe tranen spoedig echte parelen zag. Ik wilde de schoone schelp rooven—herinnert gij het u niet meer, mijne zuster?”
„Hoe?” vroeg zij verwonderd en zocht door het levend beeld haars broeders dat harer herinnering te verjongen; „hoe waart gij die jonge schilder?”
„Niemand anders dan ik,” hernam Bernard. „En gisteren nog zou ik u het bewijs hebben kunnen leveren, want Lodewijk had uw portret sinds lang. De schelm Beaucaire heeft het ons ontroofd.—Doch wie was die trotsche, engelsche gek, die mij uitdaagde en zich naderhand niet vinden liet?”
„O, mijn broeder,” antwoordde Bianca met levendigheid, „dan dank ik u reeds eene onmetelijke weldaad. Die Engelschman, lord Glower, was de voor mij bestemde bruidegom. Dit voorval verwekte een twist tusschen hem en mijn vader, wijl deze afkeurde, dat de lord zich aan het tweegevecht onttrokken had. Zoo werd door den beleedigden trots van den Engelsman eene betrekking verbroken, welke mijne gebeden en tranen te vergeefs getracht hadden af te wenden.”
„Men wilde u alzoo dwingen?” vroeg Bernard.
„De dochter,” antwoordde Bianca zacht en bepaald, „meende te moeten gehoorzamen; haar hart kende toen de liefde nog niet. Maar zij alleen werpt een zuiver licht op de verwarde paden der plichten en voert, gelijk de morgenster, den dwalenden voet aan het doel.”
„Doch gij waart gehuwd, lieve zuster?” vroeg Bernard.
Lodewijk beefde inwendig bij deze vraag.
Bianca bloosde sterk en sloeg beschaamd hare oogen neder. „Het was door dwang, dat ik den naam eener prinses Ochalskoi draag,” zeide zij zacht; „doch gij zult uwe zuster voorzeker vrijspreken.”
Zij verhaalde thans met weinige woorden de geschiedenis van haar huwelijk. Lodewijk werd daardoor hevig ontroerd, doch het trotsche hart van Bernard zwol van toorn. Hij stond op en ging met onrustige schreden door het vertrek op en neder.
„Lieve zuster,” sprak hij na eenige minuten, „uit alles, wat gij verhaalt, zie ik, dat ons heil hier aan een haar over een afgrond hangt. Wij hebben een uur in de zoetste rust ons geluk genoten; doch de nood dwingt ons te handelen. Zeg mij, weet graaf Dolgorow, dat het geheim uwer geboorte u bekend is?”
„Hij weet het niet; ik zweeg, om Ruschka's broeder niet in het ongeluk te storten, en om ongehinderd naar u te kunnen vernemen.”
„En zoudt gij nog schroomen, u aan hem te ontdekken?”
„Voorzeker,” riep zij snel.
„Zoudt gij dan vreezen....”
„Alles, mijn broeder, voor u, voor mij—voor uw vriend,” voegde zij er zachter bij.
„Dan moeten wij ons zelven den weg banen. Strenge bewaring van het geheim is ten eerste noodig.—Mijne zuster, ik heb u slechts eene vraag te doen; wilt gij met ons naar Duitschland gaan? Kunt gij rang, macht en rijkdom verzaken, om een broeder en een vriend te volgen, die u niets aanbieden dan hun hart, hun hoofd en in het ergste geval hunne werkzame handen?”
„O mijn broeder!” riep Bianca en sloeg haren arm om hem heen, „vraagt gij mij waarlijk, of ik de vurigste wenschen mijns harten wil vervullen?”
„Goed dan,” zeide Bernard bedaard; „zoo is de weg, dien wij in te slaan hebben, te zwijgen en te vluchten, wanneer zich eene gunstige gelegenheid voordoet, maar vooral om thans te scheiden, opdat ons laat bijeenblijven geen argwaan wekke. Morgen zal de zon ons immers wel weder beschijnen.”
In Bernards toon lag iets gebiedends, dat bijna onwillekeurige gehoorzaamheid vond. Zoo gehoorzaamde Bianca hem dan ook en scheidde, na eene innige omarming, met liefdevollen blik, terwijl zij door de deur naar de vertrekken der gravin verdween. Bernard en Lodewijk begaven zich naar hunne slaapkamer.
In de voorzaal wachtte Willhofen, die hun bijzonder als bediende was toegevoegd, en lichtte hen door de gang naar hun vertrek.
Toen zij binnengetreden waren, sprak Lodewijk hem aan: „Vriend, trouwe, eerlijke knecht mijns vaders, zult gij zijn zoon evenzoo aanhangen als hem?”
„Ach, mijnheer,” riep Willhofen vroolijk, „reeds omdat gij een Duitscher zijt en mijne taal spreekt, zoude ik alles voor u doen. Maar mag ik een openhartig woord spreken?—Lieve heeren, uwe zaken staan hier gevaarlijk—de graaf en de gravin denken anders dan de prinses; zij is eene engelachtige vrouw.”
„Willhofen,” zeide Lodewijk, „wij zijn niet blind voor ons gevaar, maar juist gij moet ons raad geven, hoe wij het ontkomen. Gij weet te veel om niet alles te weten; de prinses is de zuster mijns vriends en mijne verloofde. Zij is bereid, ons naar Duitschland te volgen. Is dat nu of spoedig uit te voeren?”
„Mogelijk is het zeker, doch zeer moeielijk,” hernam Willhofen. „Meent gij dan, dat, wanneer het zoo gemakkelijk was, ik niet reeds voor lang zou gevlucht zijn? Slechts daarom heb ik in mijne oude dagen de wapenen weder opgenomen, om den duitschen grond nader bij te zijn; want ik hoopte gelegenheid te vinden om te vluchten. Tot nu toe is het echter onmogelijk geweest, vooral nu, daar de landstorm, de boeren, de kozakken en de fransche legers rondom alles bedekken. Wien wij ook in handen vallen, wij zijn altijd verloren! Ik zeg wij, lieve heeren; want gij zult mij toch toestaan, met u te vluchten?”
„Wij hopen dit, mijn vriend,” hernam Lodewijk.
„Maakt gij onze vlucht mogelijk, oude,” zeide Bernard, „dan zult gij in Duitschland een zorgeloozen ouderdom hebben.”
„O God,” riep de oude man, „wanneer de zon mijns levens toch nog vroolijk onderging! Ik zal beproeven, wat mogelijk is. Ik sta nog al goed bij de gravin, ik wil zien, of zij mij haar vertrouwen schenkt; want vooral moeten wij te weten komen, of zij kwaad vermoedt. Is haar argwaan reeds opgewekt, dan hebben wij geen tijd te verliezen; anders kunnen wij met iederen dag uitstel slechts winnen.”
„Doe wat gij kunt, beste vriend,” zeide Lodewijk, „en breng ons zoo spoedig mogelijk bericht.”
Willhofen vertrok.
„Zal onze nacht zoet of onrustig bewogen zijn?” vroeg Lodewijk, toen hij zich met Bernard alleen zag. „Vriend, welk een dag was dit!”
„Op aarde ben ik niet veel geweest,” hernam Bernard, „maar eene reis of twee, drie in den hemel en in de hel. Thans echter moet ik bekennen, dat al de zenuwen mijner ziel zoo afgemat en moe zijn, als mijn lichaam, waarin ik langzamerhand de vermoeidheid des doods voel binnensluipen. Het noodlot met zijn donder en bliksem heeft mij elk kwartier uit den slaap opgejaagd. Maar gij weet, er komt een tijd, wanneer de afgematte zelfs door het verdoovende kraken van een nevens hem neerstortenden sneeuwval noch verschrikt, noch gewekt wordt. Thans ben ik zoo ver; ik kon, zooals eenige manschappen, die in doodsvermoeidheid op marsch nedergestort waren, een twaalfponder tegen mijne voeten zien rijden en het der moeite niet waard rekenen, ze op zij te trekken.”
Lodewijk, die slechts door geweldige gemoedsaandoeningen geslingerd was geworden, maar bijna geen lichamelijke vermoeienissen had ondervonden, voelde zich minder uitgeput. Met schrik zag hij derhalve Bernard onder het spreken al bleeker en bleeker worden, en bemerkte aan zijne dof slepende stem, dat het bewustzijn hem begaf. Snel sprong hij op hem toe, greep hem bij den arm en riep: „Bernard, wat scheelt u? Zijt gij ziek?”
„Neen, beste—maar—geheel—dood af—,” antwoordde hij in afgebroken woorden en zonk in de armen zijns vriends ineen.—Zoo was dan ook eindelijk de uitgeputte kracht van dezen sterke, die tot nu toe door de uiterste inspanning van zijn geest de natuur getrotseerd had, gebroken. Lodewijk droeg hem zacht op een rustbed en liet aan den slaap over, hem met zijne versterkende kracht opnieuw te doen opleven.—Spoedig verzonk hij ook zelf in zoete verdooving, welke nauwelijks door zwakke droombeelden werd afgebroken.
Toen hij ontwaakte, was het klaar dag en een schitterende lichtstroom drong hem in de oogen. Willhofen stond voor hem en zeide glimlachend: „Gij hebt een gezonden slaap, mijnheer, dat moet ik zeggen. Ik heb reeds driemaal te vergeefs aan de deur geklopt en moest eindelijk binnentreden.—Maar de heer dáár slaapt nog vaster.”
Lodewijk had eenige oogenblikken noodig, om de hem omringende voorwerpen in samenhang te brengen met zijne morgendroomen, die hem, gelijk zoo dikwijls in zijn vaderland hadden overgebracht. Hij richtte zich op. Als een wonder kwam hem de frissche kracht zijner leden voor; hij voelde den vollen levenslust, den jeugdigen levensmoed zoo goed als ooit te voren in zijne beste dagen. „Ja, alles is wezenlijk,” zeide hij en zag den oude vroolijk in het brave gelaat.
„O, welk een geluk is zulk ontwaken!”
Hij sprong op en beschouwde Bernard; ook in hem was de levenskracht teruggekeerd; hij ademde vol, maar licht: een toonbeeld van mannelijke gezondheid.
„Bernard!” zeide hij en nam zijne hand. „Bernard!” Hij ontwaakte niet, voordat zijn vriend hem de hand op het voorhoofd legde. Toen sloeg hij zijne oogen op en zeide: „Lodewijk, zijt gij het, die mij zoo vriendelijk wekt? Gij hebt een schoonen droom verjaagd; doch hij ontvliedt voor eene nog schoonere waarheid.”
„De prinses is reeds voor lang opgestaan,” zeide Willhofen; „doch zij heeft uitdrukkelijk bevolen, dat ik u niet zoude wekken. Eindelijk scheen het mij echter toch tijd toe daar het bijna middag is.”
„Middag?” vroeg Bernard en een soort van schaamte kleurde zijne wangen. „Foei, dat wij ons hier dadelijk als een paar slaapkoppen moesten tentoonstellen!”
„O, de gravin ligt ook nog te bed,” antwoordde Willhofen, „en zelfs de gevangenen zijn nog niet afgemarcheerd; de dag van gisteren was voor ons allen hard.”
„Welke gevangenen?” vroeg Bernard.
„De Franschen, die wij gisteren in onze macht kregen,” hernam de oude man. „Zie daar, juist worden zij gemonsterd, om verder in het binnenland gevoerd te worden.”
Bernard trad aan het venster. Het gezicht der twintig ongelukkigen, die met bleeke gezichten, slecht gekleed, half verhongerd voor hem stonden en van koude of vrees voor hun lot beefden, sneed hem door het hart. „Waar brengt men hen heen?” vroeg hij.
„Denkelijk daarheen,” antwoordde Willhofen, „waar ik zoovele jaren versmacht heb, naar Siberië; de weg daarheen is gemakkelijk gevonden, maar terug is hij moeielijk.”
„En waarom kwaamt gij daar?” zeide Lodewijk. „Wie had het recht, een ongelukkigen schipbreukeling in balling te zenden?”
„Het geschiedde volkomen naar de wet,” zeide Willhofen met bitterheid; „ik was naakt en bloot aan de kust geworpen. Een russisch herbergier borgde mij vijf roebels, weergeven kon ik ze niet. Toen werd ik met het gebruik van mijn dienst zijn eigendom en hij verkocht mij aan prins Ochalskoi, die juist eene fabriek op zijne goederen bij Bern oprichtte.”
„Dus voor vijf roebels!”
„Zuchtte ik achttien jaren lang naar mijn vaderland en al de mijnen.”
„Wees getroost, oude,” klopte Bernard hem op de schouders, „van nu af zal het beter gaan. Het is altijd een mooie dag geweest, wanneer de avond helder is.—Doch wat beteekent dat? De gevangenen schijnen immers weer uiteen te gaan?”
Willhofen zag uit. Een kozak was het plein opgereden en sprak met de boeren, die het transport begeleidden. „Ik wil dadelijk zien, wat er gaande is,” zeide hij en ijlde naar buiten.
Na eenige minuten keerde hij met de tijding terug, dat Dolgorow bevolen had, de lieden hier nog op te houden, daar hij morgen en overmorgen door gelukkige aanvallen op de fransche achterhoede het getal der gevangenen hoopte te vermeerderen. Dan konden zij allen tegelijk worden vervoerd.
„Zoo doe mij den dienst, vriend,” zeide Bernard, „en zorg, dat die ongelukkigen, die reeds half dood zijn, zoo goed mogelijk verzorgd worden.”
Willhofen beloofde het en vertrok.
Beide vrienden hadden zich intusschen aangekleed en begaven zich naar de zaal, waar, zooals hun bericht was, Bianca met het ontbijt op hen wachtte. Doch toen zij binnen kwamen, vonden zij het vertrek ledig, ofschoon de tafel voor het ontbijt was gedekt. Een bediende, die spoedig daarna binnentrad, meldde hun vanwege de gravin Dolgorow, dat de prinses niet zou verschijnen.
Lodewijk was ontsteld, doch Bernard scheen er niet bijzonder op te letten en zette zich aan tafel. Toen de knecht zich verwijderd had, vroeg Lodewijk: „Wat mag er gebeurd zijn? Zou de ziekte der gravin eene gevaarlijke wending hebben genomen?—Ik had mij zeer op dezen vriendelijken morgengroet verheugd; want de heldere, klare dag kan ons, dunkt mij, eerst de volle zekerheid van ons geluk geven. En nu....”
„Als hier maar niets ergers achter verborgen ligt,” bromde Bernard en stond op. „Ik vermoed niets goeds. Mijne zuster zou het zonder dringende reden niet van zich hebben kunnen verkrijgen, haren broeder, eerst gisteren gevonden, heden niet opnieuw te begroeten. Laat ons daarom voorzichtig zijn en toch niet door te veel vragen ons zelven verraden.”
„Gelooft gij dan, dat er zich iets gevaarlijks voor ons heeft opgedaan?” vroeg Lodewijk verwonderd.
„Ik geloof evengoed niets als alles; want beide is even mogelijk,” antwoordde Bernard ras.—„Hm! misschien is het ook maar voorzichtigheid van mijne zuster; zij houdt zich met voordacht van ons verwijderd, om zich niet te verraden.—Ik ken de gewoonten van Rusland niet genoeg, om te weten, wat voor eene gastvrouw vreemd zoude staan of niet. Men moet haar vertrouwen, want zij heeft evenveel verstand als liefde getoond.—Geduld slechts, en alles zal zich ophelderen.”
Lodewijk, ongerust geworden, ging zonder spreken op en neder.
Spoedig daarop kwam Willhofen terug en verhaalde, dat de gevangenen op bevel der prinses goed verzorgd werden, zoodat het meer bezorgdheid voor hun toekomstig lot was, dat hen kwelde, dan wel de tegenwoordige ongemakken.
Intusschen verliepen er een, twee, drie uren en Bianca liet zich niet zien.
HOOFDSTUK IX.
Bernard sloeg aan Lodewijk eene wandeling in de open lucht voor; hij nam dit aan. Zij gingen het slotplein over en namen de ligging van het gebouw nader op.
Het was rondom door dichte, hooge dennenbosschen omgeven, door welke evenwel vier breede wegen waren uitgehouwen, die elkander rechthoekig sneden. Deze waren vrijwel gebaand, doch in het overige lag de sneeuw los en hoog, zoodat het zoowel te voet als met een slede even moeilijk scheen, wanneer men den grooten weg verliet door het woud te dringen.
„Het gebouw schijnt oud,” zeide Bernard; „Gothische, nieuw-grieksche, barbaarsche stijl, alles door elkander. Deze beide ronde hoektorens met hunne lange, dunne spitsen moeten van oude dagteekening zijn.—Hoever wij hier wel van den grooten weg af zijn?”
„Ik hoorde Willhofen zeggen, omtrent vier of vijf uren,” antwoordde Lodewijk, „en Smolensko ligt zeven uren van hier.”
„Zoo rekende ik ook,” stemde Bernard hem toe; „in die richting moet het liggen. Wij zouden den weg door die breede laan moeten nemen.”
„Het is dezelfde, waardoor wij gisteren hierheen gekomen zijn,” meende Lodewijk.
„Hoort gij niets?” vroeg Bernard opeens en luisterde, terwijl hij zijn hoofd op zijde boog en de hand, om het geluid op te vangen, aan zijn oor hield.—„Dat is eene kanonnade, in de richting van den grooten weg, doch zeer ver.”
„De bosschen houden den klank tegen,” zeide Lodewijk en luisterde ook naar de enkele doffe schoten, welke men hoorde.
„Het kon het leger van Ney wel zijn, dat daar aan den dans is, en misschien is Rasinski bij het gevecht,” zeide Bernard.
„Rasinski!” riep Lodewijk; „hoe zal die brave vriend misschien over ons bezorgd zijn! O, wanneer wij hem eenig bericht konden doen geworden.”
„Zekerlijk zou dat goed zijn,” zeide Bernard en bewoog nadenkend, doch toestemmend zijn hoofd. „Over het geheel moet ik u zeggen, dat ik mij, hoe gemakkelijk het hier in het slot voor ons zij, toch liever met mijne zuster onder zijne bescherming zou bevinden dan hier. Eens moeten toch die vreeselijke vermoeienissen een einde nemen. Met iederen dag komen wij het vaderland en de verzorgingstoestellen voor het leger nader. De weg werd vast, effen—ik geloof dat wij het ergste geleden hadden.”
„Ach,” zuchtte Lodewijk, „wanneer wij maar eerst den voet weder op vaderlandschen bodem konden zetten!”
Naar het verwijderde gevecht luisterende, gingen de vrienden nog eenigen tijd op en neder. Ondertusschen was het reeds laat geworden en begon het te schemeren. Zij keerden naar huis terug, daar hun dit uur als dat des middagmaals was aangewezen. De tafel was reeds gedekt, doch slechts voor hen beiden alleen; zelfs Willhofen wist niets naders te berichten over het uitblijven der prinses, dan dat zij waarschijnlijk de zieke gravin gezelschap moest houden.
„Houd u slechts goed voor de bedienden,” fluisterde Bernard Lodewijk toe; „geen schepsel hier mag gissen, dat wij ongerust zijn.”
Bij deze woorden schonk hij een glas wijn in en klonk met Lodewijk op de bewoneressen van het huis. Gedurende het eten was hij voortdurend opgeruimd en schertste veel, zelfs met de bedienden, wie hij eenige russische woorden afleerde, om zich dan, hoe gebrekkig ook, met hen in hunne moedertaal te onderhouden.
Het was donker geworden en men bracht licht. Bernard begon, om het gesprek gaande te houden, van Schotland te vertellen. Lodewijk hoorde hem verstrooid aan; zijne bezorgdheid wies met iedere minuut.—Het was thans zeven uur, de burgerlijke beleefdheid jegens gasten zoude reeds lang gevorderd hebben, dat de vrouw des huizes hen begroet had. Er moest eene dringende reden zijn, die Bianca weerhouden had.
Gedeeltelijk om zich te verstrooien, gedeeltelijk om hunne onrust te verbergen, hadden zij ieder uit eene kast een deel van Voltaire genomen; zij zetten zich aan eene andere tafel en lazen. De bedienden namen inmiddels de tafel af en verwijderden zich.
Doch nauwelijks waren zij eenige oogenblikken alleen geweest, toen Willhofen binnentrad, voorzichtig omzag, of er ook iemand in den omtrek was, en toen Bernard een stukje papier toereikte.
Daarop zag hij met potlood in het engelsch geschreven: „Mijn broeder, wanneer alles slaapt, kom dan onder het venster van mijne slaapkamer.”
„Weet gij, wat dit papier behelst?” vroeg hij Willhofen, nadat hij het gelezen had.
„Ik geloof bijna; de kamenier der prinses, Jeannette, heeft het mij gegeven.”
Bernard ging onrustig op en neder. „Kent gij de ligging van het slaapvertrek der prinses, Willhofen?” vroeg hij dezen.
Deze knikte.
„Wanneer alles in huis slaapt, moet ik mij onder haar venster vervoegen; kunt gij mij zonder gevaar daar brengen?”
„Eene kleinigheid! Ik zal wel zorgen, dat het den portier zwaarder zal vallen, zijne oogen, dan ons de oude, verroeste poort te openen.”
„Wanneer gaat men hier slapen?”
„Vóór middernacht; tegen twaalf uur zijn we zeker, buiten de muizen op den korenzolder, geen schepsel meer wakker te zullen vinden.”
„Kom dan op dat uur bij ons op onze slaapkamer, vriend; gij kunt ons daardoor een gewichtigen dienst doen.”
Willhofen ging heen.
Bernard en Lodewijk gingen naar hunne kamer en wachtten in ongeduldige spanning op het uur van middernacht. Langzaam kroop de tijd voorbij. Angstig luisterden zij naar ieder geluid in het slot, naar het geraas van open- en toegaande deuren, het loopen der knechts door de gangen, en of het roepen en antwoorden niet eindelijk eens een einde zoude nemen.—Dikwijls was het minuten aaneen doodstil; dan brak het geluid van een openspringend slot of de lompe, zware, door de lange gangen dreunende tred van een knecht de diepe stilte opeens weder af. Eindelijk, na elf uur, scheen alles in slaap gedompeld te zijn.
„Het slot is stil als het graf,” zeide Bernard, terwijl hij zachtjes de deur opende en naar buiten zag. „Het is nabij middernacht. Ik wenschte, dat Willhofen kwam, opdat de onzekerheid een einde had.”
Lodewijk was door sombere voorgevoelens en bekommernissen gekweld; doch hij uitte geen woord, om Bernards zichtbare onrust niet nog te vermeerderen.
„Wat blaast de wind door het slot!—Het zal weer een heerlijke nacht buiten zijn!—Mij dunkt ook, dat het weer kouder geworden is. Onze vensters bevriezen, niettegenstaande de gloeiende kachel.—Maar hoor, ruischt daar niet iets op de gang? Waarachtig, het komt langzaam nader. Denkelijk zal het Willhofen zijn; de oude is een vos, hij komt langzaam op zijne teenen, en is, denk ik, zonder schoenen.” Hij luisterde; het kwam allengs nader en nader. Bernard opende eventjes de deur en vroeg door de reet: „Zijt gij het, vriend?”—„Ik ben het,” antwoordde fluisterend eene vrouwelijke stem; tegelijk opende de aankomende de deur, en de kamenier der prinses trad in eene bevallige dracht, een klein mutsje op, doch met een doek om het gelaat, binnen.
Beide vrienden schrikten. Bernard vermoedde een verliefd avontuur en zeide vrij norsch: „Gij zijt verdwaald, mijn kind.” „Neen, ik heb de rechte deur niet gemist,” hernam het meisje met eene bekende stem, terwijl zij tevens den doek afnam, die haar gelaat half bedekte.—Het was Bianca.
„Gij zelve, lieve zuster! in deze kleeding?” riep Bernard zachtjes, terwijl hij een schrede terugtrad; „om 's hemels wil, wat beteekent dit?”
„De nood dwong mij tot deze vermomming,” hernam Bianca, „ik ben eene gevangene en kon slechts in dit kleed naar u toesluipen.”
„Gij eene gevangene?” riep Bernard verwonderd; Lodewijk trad eene schrede nader.
„Laat ons kort zijn, mijne lieven,” antwoordde Bianca, „want de oogenblikken zijn kostbaar. Ik vrees, dat ons geheim half en half verraden is. Wij moeten gisteren beluisterd zijn. Toen ik u verliet en naar de gravin ging, vond ik haar in groote spanning; zij zat bijna geheel gekleed op de sofa en schreef. Bij mijn binnenkomen raapte zij haastig hare papieren bijeen en sprak over onverschillige dingen; doch de hevigste onrust was op haar gelaat niet te miskennen. Ik vermoedde wel, wat er kon geschied zijn, doch om hare achterdocht niet nog meer gaande te maken, vroeg ik niets, doch begaf mij dadelijk door mijne werkkamer, die aan het woonvertrek der gravin paalt, naar mijne slaapkamer, waar Jeannette, mijne kamenier op mij wachtte. Ik liet mij spoedig ontkleeden en zond haar weg; vol ongerustheid bleef ik op. Ik opende de deur mijner slaapkamer een weinig en hoorde, dat de gravin nog op was, ja zelfs met iemand sprak. Ik kon niet onderscheiden wat, doch meende aan de stem een kamerdienaar van den graaf te herkennen. Eindelijk werd het stil; ik begaf mij te bed. In den nacht echter hoorde ik duidelijk de poort openen en eene slede wegrijden. Dezen morgen begaf ik mij al vroeg naar mijne pleegmoeder. Zij had iets achterdochtigs in hare blikken, zoodat ik niet kon twijfelen, of zij had ons geheim gedeeltelijk ontdekt; doch zij liet niet het minste bemerken. Zelf reeds had ik mij voorgenomen, het ontbijt op mijn kamer te nemen, om geen argwaan te wekken; ik zou evenwel des middags aan tafel zijn gekomen. Doch de gravin liet zich ontvallen, dat zij hoopte, dat ik den dag bij haar zou doorbrengen, daar het niet paste, dat ik, terwijl zij zelve ziek was, met de beide vreemden alleen at, zij voegde er bij, dat zij het onbehoorlijk zou vinden, wanneer ik u weder sprak, voor dat de graaf terug was gekomen. Ik voegde mij naar haren wil, doch het werd mij hoe langer hoe duidelijker, dat er iets moest zijn voorgevallen. Gedurende den voormiddag ging ik in mijne kamer en zag bij toeval, dat de deur naar de gang gesloten en de sleutel er uitgetrokken was. Nu doorzag ik alles; ik was eene gevangene der gravin; zij moet ons geheim kennen. De kamerdienaar heeft zich den ganschen dag niet vertoond; ik gis dat hij naar den graaf gezonden is.—Daarom besloot ik u, mijn broeder, van alles te onderrichten, en zond Jeannette met het briefje. Het gesprek met u door het venster kon echter gevaarlijk worden; ik liet dus Jeannette laat op mijne kamer komen, onder voorwendsel, dat ik verlangde, dat zij bij mij zoude slapen, daar ik niet recht wel was. Zoodra zij vast sliep, deed ik stil hare kleeding aan en ging zoo onbemerkt door de kamer der gravin. Thans echter vraag ik u, mijn broeder, wat zullen wij doen?”
„Snelle vlucht schijnt mij het eenige redmiddel,” hernam hij eindelijk. „Zou het mogelijk zijn, Smolensko dezen nacht te bereiken?”
„Mogelijk is het. Maar zullen wij het uiterste wagen, vóór het uiterste ons dringt? O mijn broeder, schoon ook de heiligste band van vrome kinderlijke liefde en van vertrouwen op hen, welke ik als mijne ouders eerde, smartelijk vaneengescheurd is, voel ik mij toch nog door duizend draden van gewoonte en dankbaarheid aan hen gebonden. Als ik mij, heimelijk vluchtend, in den nacht van hen moest losrukken, zou toch eene diepe smart mijne ziel doorgrieven en mijne borst zich door de beschuldiging van ondankbaarheid gekweld voelen.”
„Maar wat wilt gij doen, mijne lieve,” hernam Bernard, „wanneer gij zelve verklaart, dat gij uw broeder voor uwe ouders niet durft erkennen? Heeft dan liefde hunne daden jegens u bestuurd? Of hebben zij u opgevoed, alleen om u op te offeren, om met uwe schoonheid onwaardig voordeel te zoeken?”
„Gij spreekt de waarheid—doch de liefde en de eerbied, die achttien jaren in mijn hart gebloeid hebben, zijn daarin vastgeworteld. Eenmaal beminde ik mijne ouders onuitsprekelijk; want ik had slechts weldaden, ofschoon ik thans gevoel, koud en streng toegemeten, van hen ontvangen. Maar heeft mijn hart ook de vrije, schoone, heilige liefde verloren, het kan zich toch niet vrijspreken van de plichten der dankbaarheid. Het goede, dat ons gedaan is, boeit ons, ook al is het niet uit de zuivere bron der liefde gevloten. Broeder, raad mijn twijfelend hart, leen mij uw vasten mannelijken arm in dezen storm van tegenstrijdige gevoelens, die mij geheel dreigt te overstelpen.”
Bij deze woorden nam zij zijne hand, als wilde zij hem smeeken, en richtte haar vochtig oog naar het zijne, dat donker vlamde, omhoog.
„Gij hebt recht, lieve zuster,” hernam hij. „Recht, met uw vrouwelijk, duldend, alles vergevend hart; ik, met mijn trotsch mannenhart, denk anders en heb ook gelijk.”—„Wij moeten weg,” sprak hij met hevigheid, „ik dwing er u toe en neem de zedelijke schuld geheel op mij. Gij moet mij volgen, mijne zuster, en wel dadelijk; bij God, gij moet!”
„Ja, ik geloof, dat hij gelijk heeft,” zeide Lodewijk bescheiden doch vast en trad nader bij zijn geliefde. „De rechten des broeders zijn heiliger.”
„En de uwe sinds gisteren de heiligste!” riep Bernard, hem in de rede vallende. „Bloos niet, lieve zuster, en mistrouw de waarheid niet daarom, wijl zij tevens het hoogste geluk uws harten uitmaakt. Ik weet het wel, edele zielen aarzelen zelfs het goede te doen, wanneer het één is met hunne wenschen, maar niet altijd is slechts het zich opofferende hart het meest deugdzame. Vertrouw op mij; ik beslis, doch zonder hartstocht. Verbreek de boeien, die, half door liefde en half door dwang gesmeed, de vrije bepaling van uw wil verhinderen.”
„Welnu, het zij dan zoo,” sprak zij na eenige oogenblikken van stillen, inwendigen strijd; „ik gehoorzaam u, mijn broeder.”
„En dadelijk,” viel Bernard in; „want iedere minuut toevens brengt gevaar aan.”
„En waarheen wilt gij vluchten?” vroeg Bianca.
„Naar Smolensko.”
„Hoe!” riep zij verschrikt, „en zweeft daar het zwaard des doods niet boven uwe hoofden?”
„Sinds onze verbitterde aanklagers door hun vreeselijk noodlot achterhaald zijn,” hernam Lodewijk, „vrees ik van die zijde niets meer voor ons. Niet onze schuld, maar de wil om ons schuldig te vinden, bracht ons gevaar aan.”
„Dan volg ik ook u daarheen.—Willhofen zal ons paarden en eene slede bezorgen.”
„Wij wachten hem ieder oogenblik hier, daar hij mij te middernacht naar u zoude voeren,” antwoordde Bernard.—„Maar hoort gij niets?—Dat zijn zweepslagen en bellengerinkel! Zeer duidelijk!”
Bianca verbleekte. „Eene slede, die de slotpoort nadert! Dat is mijn vader!”
„Hij of een ander,” riep Bernard; „thans is het geen tijd tot vluchten. IJl naar uwe kamer terug, zuster, eer de aankomst der slede de lieden in huis wekt. Zoodra het rustig is, ben ik onder uw venster.”
Hij dreef haar voort; zij zweefde met vlugge schreden de lange gang door. Nauwelijks was zij in de binnenvertrekken verdwenen, of de naderende slede hield voor de poort van het slot stil en er werd zoo hevig en luid aangeklopt, dat men niet behoefde te twijfelen, of het was de eigenaar zelf, die begeerde binnengelaten te worden.
De poort werd geopend; Bernard loerde door de reet der halfgeopende deur. Twee mannen kwamen de trappen op, doch een verward gedruisch van stemmen liet gissen dat er nog andere nieuw aangekomenen beneden waren gebleven. Thans herkende Bernard den kamerdienaar, die, met een armblaker in de hand, een dicht in een pels gewikkelden heer voorlichtte. Lodewijk verzekerde, dat het de graaf was; ook richtte hij zijne schreden terstond naar de vertrekken der gravin. Daarop werd het stil; men hoorde niets meer. Een kwartier brachten Bernard en Lodewijk in gespannen verwachting door. Toen werd er zacht aan hunne deur getikt; het was Willhofen. De goedwillige, slimme oude had bijna den ganschen samenhang der dingen geraden. Hij was van meening, dat er voor dezen nacht niets meer te wagen was, zonder den stand der zaken gevaarlijker te maken. Daarom nam hij op zich, der prinses een briefje van Bernard in het venster te werpen, dat haar van het genomen besluit onderrichtte.—Hij voerde dit gelukkig uit, bracht daar bericht van en beloofde waakzaam te zijn, om, zoodra het minste gebeurde, hun een wenk te geven.
De nacht verliep voor hen allen in eene onrustige spanning, die nauwelijks eene meermalen afgebroken sluimering toeliet.
HOOFDSTUK X.
De gravin Dolgorow had de betrekking van Bianca tot de gasten meer vermoed, dan geweten. Door een toeval was Jeannette de verraderes geweest; want deze was het, die dadelijk na het oogenblik, dat Bianca haar braven broeder het eerst herkend had, de gezelschapskamer naderde. Zij hoorde luid en heftig spreken en vernam de woorden: Broeder, Zuster! Verwonderd stond zij stil en luisterde onwillekeurig, ten minste zonder erg. Toen naderden Willhofen en eenige bedienden, en de klank hunner voetstappen werd door Lodewijk vernomen, die de zachtere schreden van het meisje niet had bemerkt. Hunne nadering brak de eerste zoete vertrouwelijkheid van broeder en zuster af; doch Jeannette bemerkte dadelijk bij het binnenkomen, dat er iets ongewoons was voorgevallen. De kamerdienaar van den graaf, Jacques, was haar minnaar; haar eerste werk was dus, dezen geslepen mensch haar vermoeden mede te deelen, waarbij zij zekerlijk niet begreep, hoezeer zij het geluk harer beminde meesteres in de waagschaal stelde. Doch Jacques had een scherpen blik voor zulke intrigues. „Hoor, Jeannette,” zeide hij, „wanneer de prinses zich over niets uitlaat, doe dan ook, als vermoeddet of wist gij niets. Voor bedienden is niets gevaarlijker, dan de geheimen hunner meesters tegen den wil van deze te weten. Wanneer het ook in het begin voordeel schijnt, bekomt het ons later nog altijd slecht. Somtijds wordt men op geheel vreemde wijze tot zwijgen gebracht.” Het meisje was door deze waarschuwing zoo bevreesd gemaakt, dat zij zich inderdaad niet het geringste tegen hare meesteres liet ontvallen, maar, zoo eerlijk was zij, ook niet tegen iemand anders. Jacques daarentegen legde zich op den loer en wist dit zoo behendig te doen, dat hij, eer het een uur verder was, ten minste met zekerheid wist, dat Bianca haar geheim voor de gravin verborg. Thans achtte hij de omstandigheden geschikt, om ze tot zijn eigen voordeel aan te wenden. Hij ging naar de gravin en ontdekte aan deze, eerst slechts uit de verte, doch, daar de uitgestrooide vonk met een onverwachten spoed tot eene heldere vlam opsloeg, toen in zijn geheelen omvang alles wat hij wist. Zij beloofde hem eene rijke belooning, wanneer hij tegen iedereen zweeg en slechts hare bevelen in deze zaak geheel wilde opvolgen. Jacques, hebzuchtig, loos, ondernemend, beloofde alles, zonder evenwel aan Jeannette, wier trouw aan hare meesteres hij kende, een woord te zeggen.
Zoo reisde hij dan nog in dienzelfden nacht met brieven van de gravin aan haren gemaal af, en was ook thans met hem teruggekeerd. Het ontvangen bericht moest voor den graaf van een allerverontrustend gewicht zijn; hij had zelfs zijn ijver tegen de vijanden zijns vaderlands voor een oogenblik ter zijde gesteld, om zijne eigene aangelegenheden te behartigen.
Hij vond de gravin, wier ongesteldheid hoofdzakelijk in te groote lichamelijke vermoeienis bestaan had, nog gekleed; de beweging, in welke haar geest zich sinds gisteren bevond, had haar hare volle krachten teruggegeven.
„Welnu, wat zegt gij van mijne ontdekking?” vroeg zij hem, zoodra zij zich met hem alleen bevond; „wat zijt gij voornemens te doen?”
„Vóór alle dingen,” hernam Dolgorow, „moet ik weten, in hoeverre gij zeker van uwe zaak zijt, en in hoeverre Feodorowna van uw weten bewust is?”
De gravin verhaalde, en vergat ook de maatregelen van voorzichtigheid niet, die zij genomen had, om eene samenkomst tusschen broeder en zuster te verhinderen. Dolgorow ging gedurende het geheele verhaal met over elkander geslagen armen op en neder en schudde menigwerf zijn hoofd, ten teeken van afkeuring.
„En wie van de beide vreemdelingen moet dan nu de broeder zijn?” vroeg hij, toen de gravin ophield.
Met eene soort van schaamte bekende de gravin, dat zij dit niet wist. Zij had onvoorwaardelijk aangenomen, dat het Lodewijk was, waartoe de door haar met zooveel ergernis opgemerkte neiging van Bianca tot dezen haar vrij natuurlijk verleid had. Thans eerst, nu de graaf haar de vraag ook met betrekking tot Bernard voorlegde, zag zij in, dat zij volstrekt geen bepaalden grond voor haar vermoeden bezat.
„Hadt gij slechts dien ongelukkigen maatregel met dat halve gevangen houden niet genomen!” zeide Dolgorow met nauw onderdrukten toorn. „Ik begrijp niet, wat u dit helpen kan. Het was niets, dan een overblijfsel der gewoonten uwer moederlijke gestrengheid en willekeur, die evenwel na Feodorowna's huwelijk in geen geval meer te pas komen. Hoe nam zij het op?”
„Zij heeft er zich volstrekt niet over uitgelaten,” hernam de gravin bedeesd.
„Dan hebben wij misschien nog hoop, dat zij het niet bemerkt heeft?” viel de graaf haar haastig in de reden.
De gravin wist het tegendeel zeer goed, daar zij het daaruit kon opmaken, dat hare kamer de doorgang voor Jeannette was geworden, doch zij bevestigde Dolgorows vermoeden om zijne verdere, juist niet zeer beleefde verwijtingen te ontgaan.
„Dat redt ons,” zeide hij geruster; „en heeft de prinses ook al iets bemerkt, dan moet het geheel als eene vergissing worden voorgesteld, welke men aan den kamerdienaar kan wijten.—Voorloopig willen wij dus niets meer beginnen; morgen zal ik zelf zien en opmerken. Om 's hemels wil geene gewelddadige maatregelen in deze zaak, tot wij ze geheel niet meer kunnen vermijden of ten minste juist weten, in hoever ons geheim verraden is. Ook dat die Jacques er iets van vernomen heeft, is hoogst onaangenaam. Wel is hem de waarheid geheel en al onbekend en, zooverre ik bemerken kan, twijfelt hij er niet aan, dat Feodorowna onze dochter is; doch hij houdt den onverwacht teruggekeerden broeder voor een zoon, welken wij, wie weet waarom, verwijderd moeten hebben. Ja, ik geloof, dat hij eigenlijk van meening was, uwe jaloezie door deze ontdekking op te wekken. Ondertusschen, dat is hetzelfde; zeer onaangenaam blijft het voor ons, dat een zoo vreemd niet te vertrouwen mensch ook maar eenig vermoeden van zoodanige betrekkingen heeft.—Misschien,” vervolgde Dolgorow na eenige oogenblikken, gedurende welke hij zwijgend en nadenkend op en neder was gegaan, „misschien is het geheel een loos alarm. Wie zegt ons, dat Jacques goed gehoord heeft? Evenwel, des te voorzichtiger moeten wij te werk gaan, want men kan niet weten, of Feodorowna en haar vermoedelijke broeder elkaar niet reeds sinds langen tijd kennen en zorg gedragen hebben, hunne bewijzen op plaatsen neder te leggen, die voor ons ontoegankelijk zijn. In dit geval kunnen wij in den moeilijksten toestand geraken.—Ja, ik ben besloten! Morgen zal ik het geheele geval kennen. Wel kwam ik hier met het besluit, om dadelijk de meest beslissende stappen te doen, en ik meen, gravin, dat gij mij genoeg kent, om te weten, dat ik voor de noodzakelijkheid niet als een kind terugbeef,—wij zijn in Rusland nog zoo angstig of weekhartig niet; ik weet zoo goed als anderen in dit rijk, dat men een rotsblok, dat ons in den weg ligt, moet doen springen;—doch zonder overijling! Misschien gelukt het mij, een betere en zekerder weg te vinden, die er omheen leidt.—Goeden nacht! Ik zal geruster slapen, dan ik geloofde. Nog iets, opdat wij ons zelve niet tegenspreken. Mijne aankomst hier was geheel toevallig, hoort gij, gravin, toevallig! Voor het overige zal ik morgen de eerste zijn, die Feodorowna goeden dag zegt en zich over de geslotene deur verwondert.”
Met deze woorden nam hij afscheid en ging met Jacques, die hem in de voorzaal wachtte, naar zijne kamer.
Doch de onrust van zijn gemoed liet hem niet toe te slapen; het lang sluimerende geweten was machtig ontwaakt. Er mocht thans bedrog of waarheid in het spel zijn, hij leerde, dat het zaad der schuld, mocht het nog zoo diep begraven, nog zoover door den storm des tijds verwaaid zijn, voortkiemt, tot zijne bittere vruchten rijp zijn.
„Dwaas,” sprak hij tot zich zelf, „wat maakt gij u voor zorgen? Uw doel is bereikt, gij zijt in het bezit, wie wil u verjagen?—Hm! wanneer echter de Ochalskoi's vernamen, dat er een bedrog had plaats gehad? Slechts als vader van Feodorowna zijn uwe rechten geldig!—Doch wie zal ze u betwisten? Den eenigen, die spreken kon, zijn de lippen verzegeld. Ruschka slaapt. Schrikgestalten van een dwazen waan! Herschenschimmen!”
Zijne plannen waren echter nu rijp geworden, en hij bezat behendigheid en kracht, om ze uit te voeren. Zijn eerste gang was naar Bernard en Lodewijk, die hij als gasten des huizes welkom heette. Met de geslepenheid eens hovelings speelde hij den voorkomenden gastheer, vroeg naar hun welstand, naar den aard hunner ontvangst, zonder ook slechts met een woord iets kwaads te laten blijken. Lodewijk, die de wereld minder kende en wiens rechtschapen hart ook den argwaan niet zoo licht toeliet of, wanneer hij zich vertoonde, met gemoedelijken weerzin verwierp, had zich door dit gedrag laten bedriegen. Bernard daarentegen werd te bezorgder, naarmate de graaf zich minder achterhoudend aanstelde; hij vermomde zich dus met hetzelfde masker tegen hem en nam den schijn aan van een zorgeloos, lichtzinnig vertrouwen, terwijl hij zijne geheime gedachte zorgvuldig verborg. Het gelukte hem volkomen, den geruste te spelen; hij ging hierin zoover, dat hij den graaf zijn Londensch avontuur met Bianca openhartig bekende. „Ik ben schilder,” zeide hij met de losheid van een luchthartigen kunstenaar, „en wij beschouwen een schoon gelaat in zeker opzicht als een eigendom, dat ons niemand mag betwisten. Daarmede, heer graaf, moet gij die daad, die zekerlijk de gewone regels der welvoegelijkheid niet tot rechter mag hebben, verontschuldigen.”
„Wij zijn zulke barbaren hier in Rusland niet,” hernam Dolgorow glimlachend, „om den kunstenaar niet zoodanige vrijheid willig toe te staan. Maar bezit gij het portret?”
„Ik heb het gehad tot voor twee dagen, of veeleer mijn vriend, dien ik het, daar het bij hem zulke aangename en tegelijk raadselachtige herinneringen opwekte, geschonken had. Zijne portefeuille, waarin het lag, werd hem door den ellendeling afgenomen, dien, zoo ik hoor, eene vreeselijke vergelding heeft getroffen; in wiens handen het gekomen is, weet ik niet.”
„Gisteren,” zeide Dolgorow, „zijn mij twee portefeuilles, die men bij de gevangenen had gevonden, ter hand gesteld, doch ik beken, dat ik nog geen tijd gehad heb om ze te openen. Ik ben toch inderdaad nieuwsgierig om te zien, of de uwe daarbij is.”
Met deze woorden snelde hij naar zijne kamer en keerde spoedig daarop met twee brieventasschen terug, waarvan hij er eene open in de hand hield. Het was die van Lodewijk. De graaf hield Bernard het portret voor en zeide: „Herkent gij dit voor uw werk?”
„Hoe zoude ik niet?”
„Dan is het billijk, dat gij uw eigendom terugneemt.”
„Het is, zooals ik zeide, niet meer het mijne, maar dat van mijn vriend.”
De graaf overhandigde Lodewijk de portefeuille, waaruit echter alle papieren verdwenen waren. Dolgorow had ze er eerst uitgenomen, wijl hij er naricht in hoopte te vinden; hij verontschuldigde zich daarmede, dat hem de portefeuille ledig ter hand was gesteld en Beaucaire haar dus waarschijnlijk reeds geledigd zou hebben. De tweede was noch Bernards noch Lodewijks eigendom; de graaf behield haar alzoo en verwijderde zich daarmede, om Feodorowna zijn morgenbezoek te brengen.
„Het is mij oneindig veel waard, dat dit portret weder in mijn bezit is gekomen,” zeide Lodewijk. „Ik ben nu veel geruster; alle gevaar schijnt voorbij en de graaf is een man, die toch wel vertrouwen verdient.”
„Waarlijk, men zou er om lachen,” zeide Bernard, „dat een zoo verstandig mensch als gij, zoo blind en dwaas kan zijn. O, Lodewijk! gij zijt te goed voor deze wereld—en ik vrees, dat mijne zuster het ook is en zich laat bedriegen. Zult gij dan eeuwig zulke kinderen in het leven blijven, dat gij u eene slang aan den boezem laat leggen, omdat zij eene glinsterende huid heeft? Wilt gij dan nooit leeren, dat de bontgevlekte tijger zich slapend houdt, wanneer hij het scherpst loert? Wie overdekt dan een wolvenkuil met adders? Rozen strooit men er over! Rattenkruid moet er als suiker uitzien, anders vreten de ratten het niet.—Lodewijk, Lodewijk! Deze lachende vriendelijkheid is mij bedenkelijker, dan wanneer hij met getrokken zwaard voor mij stond!”
„Gij ziet alles te donker in, mijn waardste,” hernam Lodewijk.
„Meent gij?” vroeg Bernard spottend. „Het beteekent wel niets, dat Bianca eene gevangene is?—En deze onverwachte aankomst, midden in den nacht? Lodewijk, zoo de deur openstond, ik ging er liever uit, zooals ik hier voor u sta, dan nog een uur hier te blijven. Ja, was het niet om mijne zuster, gij moest op stel en sprong mede.”
Willhofen trad binnen en brak hun gesprek af met de vraag, of zij wilden komen ontbijten.—Zij gingen.
Eenige minuten bleven zij alleen in de zaal. Hierop trad Dolgorow binnen. Hij was zoo beleefd als te voren, verzocht hun plaats te nemen, en schonk zelf de chocolade.
„Onze dames,” zeide hij, „staan wat laat op. Wij zullen haar wel voor het eten niet te zien krijgen. De gravin was gisteren ongesteld, dat heeft ook de vorstin van het genoegen beroofd, de plichten van gastvrouw jegens u te vervullen. Ik denk, dat de dames het verzuimde heden zullen inhalen.”
Bernard vroeg naar den staat der politieke omstandigheden.
„Daarover doen wij het best liever niet te spreken,” hernam Dolgorow beleefd; „ik als Rus zou misschien geheel anders moeten denken, dan gijlieden, die ten minste uwe oude kameraden bij het leger hebt.—Het heeft voor mij een bijzonder belang, dat ik u reeds te voren ontmoet heb,” voer hij na eenige oogenblikken voort, zich tot Lodewijk wendende. „Toen wij aan den voet van den Simplon, dien wij door uwe hulp zoo gelukkig overgekomen zijn, door toeval gescheiden werden, wendde ik mij door het gebergte naar Bern, ging van daar naar Tyrol en kwam op den grooten weg naar Munchen. In Duitschland hadden wij verder geen avontuur, doch wel in Warschau, waar wij bijna verraden waren geworden en het ons eerst, na ons verscheiden dagen bij goede vrienden verborgen te hebben, in den nacht gelukte te ontvluchten.”
„Wij zijn ook in Warschau geweest,” zeide Lodewijk.
Bernard gaf hem een verholen wenk, om voorzichtig te zijn, en nam snel zelf het woord op, om geheel onbepaald en algemeen van hun verblijf aldaar te spreken. De graaf vroeg naar het een en ander; hij sprak van Engeland, vernam naar Bernards reizen, naar zijne vroegere woonplaats; kortom, hij zocht op eene geschikte wijze den levensloop en de betrekkingen van beiden zoo nauwkeurig mogelijk uit te vorschen. Bernard antwoordde met groote omzichtigheid; doch alles liet zich niet verzwijgen, en voornamelijk waren Lodewijks betrekkingen spoedig voor Dolgorow in zoover duidelijk, dat hij niet meer twijfelen kon, of Bernard moest Feodorowna's broeder zijn, indien het een van deze twee was. Met opmerkzaamheid beschouwde hij zijne gelaatstrekken, om uit de gelijkenis zijne vermoedens te bevestigen; doch hier was het toeval hem niet gunstig, daar Bernard sprekend op zijn vader, Bianca op hare moeder geleek, en tusschen hen veeleer een merkwaardig verschil in gelaatstrekken dan eene overeenkomst bestond, ofschoon zich al eenige gelijkende trekken lieten vinden. Doch wanneer men ze zoeken wilde, dan bood het gelaat van Lodewijk oneindig meer waarschijnlijkheid voor de bloedverwantschap aan. Bernard had daarenboven met behendigheid in zijn gesprek weten in te vlechten, dat hij uit Dresden geboortig en de zoon van een armen voorzanger aan de kruiskerk was, die hem, gelijk hij er lachend bijvoegde, toen hij voor drie jaren stierf, bij zijn laatsten wil niets had nagelaten, dan den vrijen wil, om te gaan waar hij wilde.
Zoo bleef Dolgorow natuurlijk in de kwellende onzekerheid, of zijn geheim inderdaad ontdekt was, dan of slechts toevallige omstandigheden of half begrepen woorden of uitdrukkingen den schijn eener ontdekking hadden voortgebracht.
Om niet door al te veelvuldig, angstig vragen verdenking te wekken, sloeg hij zijnen gasten eene partij op het schaakbord voor. Lodewijk, die van het spel maar zeer weinig verstond, verontschuldigde zich, Bernard nam den voorslag schijnbaar zeer gaarne aan. De kamerdienaar bracht een schaakbord; zij zetten zich tot spelen; Lodewijk bleef in het vertrek en zag toe.
„Ik heb een gevaarlijke partij,” merkte de graaf na de eerste zetten aan; „ik zal moeite hebben, mij te verdedigen.”
„Uw oordeel na zoo weinige zetten, heer graaf, bewijst uwe meerdere sterkte,” antwoordde Bernard.
Zij speelden ondertusschen voort, en schenen, ofschoon beiden hunne gedachten inwendig op geheel iets anders gevestigd hadden, toch met de grootste aandacht op hun spel te letten. Bernard bezat geestkracht genoeg, om zich tot opmerkzaamheid te dwingen en niet door verstrooidheid te verraden, dat de overwinning in het spel hem op dit oogenblik de onverschilligste zaak ter wereld was.
Zoo verliep de voormiddag; het etensuur naderde. De gravin zoowel als Bianca zouden aan tafel verschijnen. Toen de graaf des morgens bij zijne dochter was geweest, had hij daarvan als van een onvermijdelijken huiselijken plicht gesproken, die gisteren alleen om de gezondheidstoestand der gravin had mogen verzuimd worden. Bianca echter die de geslepenheid van Dolgorow, om zich te beheerschen en zijn wezen in allerlei gedaanten te plooien, reeds uit zijn vroeger diplomatisch leven kende, liet zich door zijn gedrag niet misleiden. Toen hij echter door de deur, die de bijzondere uitgang van hare kamer was, trachtte te gaan en zich verwonderd hield dat deze gesloten was, bekwam zij de volkomen zekerheid, dat hij veinsde, te meer daar hij dadelijk en met zekeren ijver, dien eene onverschillige zaak niet had kunnen teweegbrengen, aan Jeannette bevolen had, den kamerdienaar te vragen, of hij den sleutel had, en hem te gelasten, zorg te dragen, dat de deur geopend werd. Ondertusschen ging hij, en spoedig daarop werd de deur inderdaad geopend. Bianca wist echter te goed, dat zij daardoor niet hare wezenlijke vrijheid, maar slechts den schijn daarvan had teruggekregen, en dat men nu hare schreden des te zorgvuldiger zoude bewaken. Evenwel scheen de vlucht haar niet onmogelijk, en daarenboven was deze het eenige middel, dat haar overbleef. Haar hart zocht derhalve meer naar raad dan naar verstand. Zij moest oude, heilige verplichtingen verbreken—nieuwe, oneindig dierbaarder, op zich nemen; van hare ouders, haar vaderland, zelfs van haar naam plotseling afstand doen en in eene gansch andere wereld treden. Hoezeer haar hart haar ook daarheen trok, ondervond hare edele ziel echter nu eerst, in het oogenblik der beslissing, met hoeveel onzichtbare draden het leven ons omzweeft, welke dan eerst houden en binden, wanneer wij ze voor altijd willen losscheuren. In deze spanning schreef zij aan Gregorius, haren vaderlijken vriend en raadgever, die met haar geheim bekend was en bad hem dringend, zoo spoedig het hem eenigszins mogelijk was, naar het jachtslot te komen. Doch zij was voorzichtig genoeg, hem den grond voor hare bede niet te melden. Zij wist, dat hij eene zoo dringende uitnoodiging toch zoude volgen. Willhofen beloofde den brief door een vertrouwden bode te zullen doen bezorgen, en meldde een uur daarna, dat het hem gelukt was.
Thans voelde haar hart zich wonderbaar verlicht; haar vertrouwen op den dierbaren leeraar was onbegrensd; zij hield zich verzekerd, dat zijne tegenwoordigheid haar bescherming en redding zoude aanbrengen, want het was zijn plicht, haar beide aan te bieden, en zij wist, dat, waar deze hem riep, zijn moed onverzettelijk was.