1812: Historische roman (part 2 of 5)
„Ontferming! ontferming!” kermde zij. Hare stem verstikte in ademlooze angst; onstuimig klemde zij het gelaat aan de voeten des gebieders, die haar, in het gevoel van zijn onrecht, maar te trotsch, om aan de stem der menschlievendheid gehoor te geven, gramstorig aanblikte. „Laat mij los, ontuchtige deerne!” riep hij. „Weet het mijner ontferming dank, dat ik uwe schande door een eerlijk huwelijk verbergen wil!” Krachteloos liet Axinia de armen los en sloeg een strakken, vertwijfelingsvollen blik naar boven; thans eerst werd zij Feodorowna gewaar. „O, bid, bid voor mij!” steende zij, poogde zich op de knieën tot haar voort te slepen, maar zeeg uitgeput en bewusteloos op den grond neder.
[Illustratie: Feodorowna zat bleek, het hoofd achterover gezonken, aan den wand geleund.]
Feodorowna kampte met een vreeselijk besluit; haar boezem golfde, zij rilde krampachtig. Eindelijk waggelde zij met onzekere schreden op den vader toe. „Vader!” riep zij, „erbarmen, vader!—Ik wil, ik moet,—o, op deze pijnbank wordt mij het ja ontwrongen!—Welaan dan, het zij zoo! Het geldt hier de redding van twee schuldelooze offers! Ik kan ze niet laten bloeden.—Ik mag niet.—Genade voor hen—en ik ben Ochalskoi's gade!” Als een ijskoud marmerbeeld zonk zij in Dolgorows armen.
Deze liet haar op een stoel neerglijden en schelde. „Ga naar beneden en laat den tuinier Paul losbinden; zijne straf is voorloopig uitgesteld,” riep hij den dienaar toe. „Roep ook de kamenier der gravin; mijne dochter is ongesteld geworden!”
Feodorowna zat bleek, het hoofd achterover gezonken, aan den wand geleund; de armen hingen machteloos bij haar neder, de donkerblauwe hemel van het oog was door het gesloten ooglid bedekt. Axinia lag nog steeds in doffe bedwelming op den grond. Een tijger zou deze aanblik van hartverscheurenden jammer, dit aandoenlijke beeld van zelfopoffering en lijdzaamheid vermurwd hebben, maar op de koude, door het bederf der in de hoogere standen heerschende liefdeloosheid van jongs af versteende en vergiftigde borst van Dolgorow gleed de pijl, als op een ijzeren pantser, af. Het zal wel voorbij gaan, dacht hij en hield Feodorowna's smart voor de dwaasheid eener dweepster; terwijl Axinia's jammer hem geen de minste aandoening veroorzaakte, daar zij tot een soort van wezens behoorde, welke hij nimmer anders dan als eigendommen beschouwd had. Hij verheugde zich slechts, dat deze toevallige gebeurtenis de hinderpalen uit den weg ruimde, die hem nog gisteren hadden doen wanhopen aan de bereiking zijner plannen, en ijlde haastig naar Ochalskoi, om ook dezen van het voorgevallene te onderrichten, terwijl hij aan de juist binnentredende Jeannette de zorg voor haar gebiedster overliet. Deze sloeg weldra de oogen weder op en beijverde zich nu ook Axinia weder in het leven terug te roepen. Toen het meisje eindelijk uit hare verdooving ontwaakte, blikte zij verwilderd in het rond en scheen met de oogen een voorwerp te zoeken, dat zij niet vermocht te noemen. Aanvankelijk was haar oor voor de troostende toespraak van Feodorowna doof en gevoelloos; zij wist niet, wat de ijdele klank der woorden, die zij vernam, moest te kennen geven. Eindelijk toch, toen de gravin haar toefluisterde: „Wees gerust, Axinia, de akelige droom is voorbij; gij zult gelukkig zijn!” keerde haar bewustzijn terug. In den roes der verrukking en met heete vreugdetranen wierp zij zich aan de borst harer weldoenster, die de beide armen opende en haar liefderijk aan het hart sloot. „Gij zult gelukkig zijn, Axinia!” riep zij nog eenmaal met een onbeschrijfelijk smartelijk gevoel. Maar gij weet niet tot welk een prijs! klonk het snijdend in haar binnenste. Lang hingen beiden wang aan wang, borst aan borst; de machtige, overstelpende golven der smart en der vreugde, waaraan hare harten ten speelbal verstrekten, hadden elken dam, die anders beider levensbedding scheidde, overstroomd, en als geredde schipbreukelingen omarmden zij elkander aan het strand, waarop de vloed des levens haar had uitgeworpen. Ten laatste begaven Feodorowna de krachten en zij smeekte: „O, breng mij naar mijne kamer! Ik ben zeer uitgeput!”—Goedertieren hemel! dacht zij, heb ik dan niet op de folterbank gelegen, tot mij de smart mijn eigen doodvonnis afperste! Maar zij zweeg, en geen geluid verried het onmetelijk offer, hetwelk zij aan de menschelijkheid gebracht had. Langzaam geleidde Jeannette en Axinia haar naar hare kamer; hier vond zij eenzaamheid en rust, om een helderen blik op de ontknooping van het verwarde raadsel van haar lot te werpen.
HOOFDSTUK IV.
De plechtstatige verloving zoude dadelijk plaats hebben; de huwelijksvoltrekking zelve vorderde wegens de noodzakelijk daarmede gepaard gaande plechtigheden een langer uitstel, en men moest den tijd, waarop dit feest het gevoegelijkst kon gevierd worden, vooralsnog aan den loop der omstandigheden overlaten. Dat Feodorowna haar woord weder zoude intrekken, daarvoor was de vader niet beducht, daar hij wist, dat zij, bij de gestrengheid harer grondstellingen, eene gedane belofte te heilig achtte, om die, onder welk voorwendsel ook, te verbreken.
Dolgorow en Ochalskoi gingen, om haar de heugelijke tijding mede te deelen, naar het vertrek der gravin, die, gewoon laat op te staan, van het voorgevallene nog niet het geringste vernomen had.
Middelerwijl had Feodorowna op hare kamer een treurig uur met Axinia doorgebracht en inmiddels ook den ganschen samenloop der omstandigheden vernomen, welke deze haar onderhoud met den vader zoo onverhoeds had doen afbreken. Om Paul van hetgeen de gravin voor beider geluk wilde doen te onderrichten, had zij reeds van den vroegen morgen eene gelegenheid gezocht om hem te spreken; maar telkens was haar dit mislukt. Juist wilde zij ten derdenmale naar het slot gaan, toen de rentmeester, Pauls gezworen vijand, haar bij de poort ontmoette en het bericht van 's graven bevel haar met honende woorden mededeelde.
Nauwelijks had zij deze verpletterende tijding, welker samenhang met haar eigen noodlot zij maar al te wel bevroedde, vernomen, of zij zag ook reeds den armen Paul op het plein aan den schandpaal.
Dit te zien, de trappen op te vliegen, door de schaar der bedienden heen te dringen, in 's graven vertrek te stormen en zijne knieën te omarmen, was het werk van eene minuut geweest. Gelukkigerwijze had Jeannette het bevel der gravin, om Pauls straf op te schorten, nog tijdig genoeg overgebracht; men had hem onverwijld losgebonden en in een klein vertrekje gevoerd, waar hij thans nog als gevangene bewaakt werd. Axinia was in den beginne nog eenigszins over zijn lot bekommerd, maar liet zich spoedig gerust stellen, daar Feodorowna haar niet alleen plechtig verzekerde, dat hem verder geen haar zoude gekrenkt worden, maar ook tevens, in het bewustzijn van thans volkomene vrijmacht tot handelen te hebben, door Jeannette liet geven, den gevangene onmiddellijk op vrije voeten te stellen en bij haar te zenden.
Dolgorow liet zijne dochter bij zich verzoeken. Zij ging met een bloedend hart, doch bedaard, bleek, doch zonder tranen. De ouders waren alleen. Zij vond den vader vriendelijker dan ooit, ook de moeder scheen vergenoegd. „Gij wilt nu gehoorzaam zijn, wilt onze wenschen vervullen, Feodorowna?” sprak deze vleiend. Het was sinds maanden het eerste woord van liefde, dat de minnende dochter uit den mond der moeder hoorde.
„Ja, mijne moeder,” hernam zij; „ik wil thans het geluk van mijn leven opofferen aan eene verplichting, waaraan ik mij niet onttrekken mocht. Maar ik maak het tot eene uitdrukkelijke voorwaarde, dat ik thans over het lot der ongelukkigen vrij en ongehinderd beschikken mag.”
„Het is u vergund,” sprak Dolgorow bijna met teederheid.
„Nog eene tweede voorwaarde moet ik maken,” ging Feodorowna voort. „De schrede welke ik op het punt ben te doen, moet ik met bedaardheid, met vrouwelijke waardigheid volvoeren; ik mag ook niet met een door smart verwrongen gelaat voor mijn bruidegom treden; want mijne gelaatstrekken zouden het ja mijner lippen te bitter tegenspreken. Het zoude hem beleedigen, en dat wil ik niet, want van het oogenblik af, dat ik hem tot echtgenoot kies, ben ik hem achting verschuldigd; mijne te hevige smart zoude aan deze te kort doen. Daarom eisch ik drie dagen om mijn hart tot bedaren, mijne ziel tot kalmte te brengen; de vrome toespraak van vader Gregorius zal mij dien zwaren kampstrijd lichter maken. Op den vierden morgen ben ik bereid, den verlovingsring met Ochalskoi te wisselen; tot zoo lang verlang ik stilte en eenzaamheid.”
„Ook dit staan wij u toe,” sprak de vader; „gij weet, uwe ouders hebben u altijd liefgehad, en slechts uwe hardnekkige, onbegrijpelijke ongehoorzaamheid kon hun hart van u vervreemden.”
Feodorowna sloeg haar oog ten hemel en zuchtte diep. O, hoe gaarne had zij aan deze woorden geloof gehecht; maar zij gevoelde, het was onmogelijk, want hunne handelwijze streed daarmede te zeer. Hoe hadden minnende ouders hun kind jaren lang aan een duldeloos lijden kunnen ten prooi geven? Ook was geen blik van liefde in hunne oogen te lezen; het woord alleen bootste de doode vormen der teederste neiging na.
Zij keerde naar hare kamer terug.
In het woonvertrek trad Paul haar bleek en met kommervolle gelaatstrekken te gemoet; hij was te zeer door den storm der woedendste hartstochten geslingerd geworden, om uit eene eerste schemering van hoop moed te kunnen vatten. Eerst thans, nu Feodorowna hem de verzekering gaf, dat zijn lot geheel in hare macht stond, keerde het vertrouwen in zijn hart, het bloed in zijne wangen terug. Zij beval hem, haar te volgen; in hare kamer gekomen, voerde zij zelve hem op de blozende Axinia toe en legde beider handen ineen. „Zijt gelukkig!—Gij waart niet zonder schuld, doch hebt zwaar daarvoor geboet. Laat nu uwe liefde door den heiligen band des huwelijks inwijden. Vervolgens, Paul, verlaat gij dit land en keert naar dat uwer geboorte terug. Wee hem, die het vaderland doemen moet; wel hem, die een ander toevluchtsoord kent! Beschermen kan ik u slechts, zoolang ik hier bij u ben; dit zal misschien maar voor eenige weken zijn. Zoodra gij dus den weg geopend ziet, trekt gij naar die landen, waar eene zachte wet voor allen waakt. Laat mij thans alleen; gaat, weest gelukkig!”
Zij wendde zich af om de smart te verbergen, die haar overweldigde.
Beschaamd en blozende, doch op den toon der innigste liefde, vroeg Axinia nog eenmaal: „Hebt gij mij waarlijk alles vergeven? Ach, en verdien ik het ook? O, zie mij nog eens vriendelijk aan!”
Feodorowna richtte het hoofd op en lachte haar door tranen vriendelijk toe. „Uw hart is rein! Gij bemint! Om der liefde wil wordt ons veel, veel vergeven. Ik vergeef u alles. En al kon de bloesem van uw geluk slechts uit mijn graf ontspruiten—nog uit het stille, koele graf zou ik u zegenen. Doch gaat, gaat!”
Zij verlieten stilzwijgend het vertrek.
„Hemelsche beschermster! Genadige moeder Gods!” riep Feodorowna thans en boog hare knie voor het Mariabeeld, „geef mij troost en kracht. Aan uwe genaderijke goedheid geef ik mij over. Gij zult mij niet verlaten in den kouden, akeligen nacht des levens. Uw zacht gesternte zal over mij lichten, ook als de gansche hemel verduistert!”
Na dit gebed drong een troostvolle kalmte in hare borst. Dankbaar gevoelde zij dat er eene hand is, die onze brandendste wonden vermag te heelen, een oog dat over ons waakt, ook in de donkerste diepte van den afgrond. Van tusschen de grijze, dreigende nevelwolken harer toekomst brak een lichtstraal door en deed eene zachte kiem der hoop in hare ziel ontspruiten. Wanhoop niet, riep het haar toe, schoon ook uw sterfelijk oog geen pad meer ziet, dat u tot een gelukkig doel kan voeren, achter dezen donkeren nevelsluier rust immers de hemel in zijne eeuwige klaarheid. Een ademtocht des Almachtigen en het wolkenfloers opent zich, en boven u glanst het reine, blauwe gewelf des aethers met zijn koesterenden zonnegloed.
Feodorowna trad aan het venster. De lente tooide het aardrijk en verleende daaraan, zelfs in deze noordsche wildernis, de frischheid der jeugd. De stroom liet zijn donkerblauwen band door de groene velden wapperen; de toppen der dennen werden door een zacht koeltje bewogen; uit de struiken klonk het gefluit der meerlen; boven de velden verhief zich de leeuwrik; zwaluwen kruisten over den spiegel des waters; aan de steile, groene heuvelzijden, die naar den stroom afdaalden, graasden de kudden; overal waarheen het oog zich wendde, zag men leven, vreugde, liefde! Juist riep de statige toon der kerkklok ter vroegmis, want het was feestdag! Eene zoete weemoedigheid beving de lijdende; de beelden en droomen der jeugd drongen met de oude, heilige kracht in haar hart; zij vergoot zachte tranen. Met elken droppel, die haar oog ontvloeide, werd hare borst meer verruimd, voelde zij haar geloovig vertrouwen terugkeeren. „God is mij nabij,” riep zij getroost en bemoedigd: „ik ontwaar zijne zegenende kracht. Moed dan, Feodorowna, gij hebt naar Zijn gebod gehandeld. Hij zal u niet verlaten.”
Hierop besloot zij naar de kerk te gaan en in de gebeden der landslieden te deelen.
Toen zij terugkeerde was alles op het slot in drukke beweging. Een op het plein vastgebonden kozakkenpaard deed haar de aankomst van een renbode vermoeden. Nauwelijks was zij dan ook op hare kamer gekomen, of haar vader trad binnen en sprak haar in dezer voege aan: „Gij weet, mijne dochter, dat ik gewoon ben mijn gegeven woord stiptelijk te houden; thans kom ik echter, om mij ten deele daarvan te laten ontslaan. Gij wildet drie dagen voor u zelve hebben. Gaarne had ik die toegestaan. Maar voor eenige minuten is een bode, door den generaal aan ons afgezonden, met brieven voor mij en Ochalskoi hier aangekomen. De vijand is werkelijk over de Niemen getrokken en rukt met onbegrijpelijke snelheid voort. Dit dwingt ons, nog heden naar het leger te vertrekken; mijne afreize is noodzakelijk, die van den graaf nog meer. Onder zulke omstandigheden zult gij gewisselijk van het u verleende uitstel afzien, daar het voor mij van het grootste belang is, deze zaak zoover mogelijk geregeld te zien, eer ik mijn leven en dat van uw toekomstigen gemaal aan den onzekeren uitslag van een veldtocht prijs geef.”
Slechts door de kinderlijk vrome gemoedsstemming, waarin zij zich op dit oogenblik bevond was het voor Feodorowna mogelijk, den wensch haars vaders te vervullen. Echter liep haar eene koude rilling over de leden en niet dan met moeite kon zij antwoorden: „Wanneer het zijn moet, ben ik gereed te gehoorzamen. Laat mij nog slechts een uur alleen, mijn vader!”
„Wij zullen ons inmiddels tot de afreis gereed maken,” hernam deze, „want elke minuut is ons thans kostbaar. Na verloop van een uur zal ik u laten roepen.” Hij verliet het vertrek.
Feodorowna zonk uitgeput op een stoel neder. Zij had den moed gehad het offer te brengen, het oogenblik der onherroepelijke beslissing vernieuwde den smartelijken kampstrijd in hare borst. „Nog is terugkeeren mogelijk—nog kan dit hart kiezen—,” riep zij en wrong de handen, „één uur verder, en alles is voorbij!—Neen, het is thans reeds voorbij, want gij hebt uw onschendbaar woord gegeven. Volbreng dan met gelatenheid den plicht, dien de drukkende arm des Almachtigen u oplegt. Hij alleen, die uw hart verbrijzelt, vermag het weder te heelen, vertrouw u aan Hem toe!”
Zij schelde. Jeannette verscheen.
„Gij moet mij voor mijne verloving opschikken, meisje,” sprak zij weemoedig glimlachend, „binnen een uur spreek ik het beslissend ja uit.”
Jeannette vermoedde, wat er in het hart harer meesteres omging, en verrichtte heimelijk weenende hare kleine diensten.
„Welk kleed?” vroeg zij.
„Het zwarte... neen, het witte; ik treur immers om niemand, ik ben immers zelve het offer. O ware ik eene bruid, die men voor het graf tooide!”
Het was een uitroep van diepen, hartverscheurenden jammer, die der lijdende ontvoer. Duizelend zonk zij in Jeannette's arm en weende aan hare borst.
Na eenige minuten richtte zij zich weder op en wierp een vromen blik op het Mariabeeld, dat juist door eenige zonnestralen beschenen werd. „Een troost, een hoop blijft ons immers nog over,” zuchtte zij, „waarom zoude ik dan versagen? Na dit aardsche lijden moet het uur komen, dat gij uw kind tot eene eeuwige zaligheid tot u roept.”
Van nu af bleef zij bedaard. Schoon als eene lelie vertoonde zij zich in het licht zijden gewaad. Aan Jeannette's arm zweefde zij naar de zaal, waar zij hare ouders, Ochalskoi en Gregorius reeds bijeen vond. Stilzwijgend begroette men elkander.
„Ik wensch, dat vader Gregorius mijne verloving inzegene, schoon dit anders niet gebruikelijk is,” verzocht Feodorowna vriendelijk, maar op een toon, die geene weigering toeliet.
De priester sprak eenige woorden. Hierop werden de ringen gewisseld en de bruid duldde zonder tegenstand den kus en de omarming van hem, aan wien zij zich thans zoo plechtig had overgeleverd. In zijne armen verbleekte zij echter, haalde diep adem, wankelde, en bewusteloos moest men haar naar hare kamer dragen.
Zij werd aan de zorg der moeder overgelaten, want reeds trappelden de paarden voor den wagen, waarin Dolgorow en Ochalskoi onverwijld naar het leger afreisden.
HOOFDSTUK V.
Het was op den 22sten Juni dat Rasinski met zijne ruiterschaar op de hoofdcolonne des legers stiet, welke de keizer in persoon aanvoerde. Een bevel, onderweg ontvangen, had zijn marsch verhaast. De overige corpsen, Regnards regiment, de artillerie en twee escadrons zware cavalerie konden hem niet zoo ijlings volgen. De zon daalde reeds achter de blauwe bosschen, die den westelijken gezichteinder begrensden, neder, toen men van eene verhevenheid het fransche leger voor het eerst gewaar werd. Tot zoover het oog reikte bedekten de zwarte troepenmassa's de zachte helling, welke aan deze zijde der heuvelreeksen, die den oever der Niemen begrenzen, langs den zoom van het uitgestrekte woud van Pilwiski heenloopt. Rasinski was met Bernard en Lodewijk, die hij gewoonlijk als zijne ordonnansen gebruikte, het regiment ongeveer duizend schreden vooruitgereden. „Groote hemel!” riep hij uit, „welk eene wereld onder de wapenen! Ziet, vrienden, ziet daar voor ons. Wel eene mijl strekt zich de linie der dicht opééngesloten colonnes uit. Ziet van weerszijden zijn nog ontelbare massa's in aantocht. Welk een reusachtige geest, die de krachten van zoo ontelbaar vele duizenden alle in het middenpunt van zijn wil vereenigt! Alle talen van Europa kunt gij in dit wereldleger hooren. Van de Ebro en den Vesuvius, van de zonen der Alpen en Pyreneeën tot aan de Slavonische stammen, die onze barre vlakten bewonen, heeft elke stad, elk dorp, elk gehucht zijne kinderen gezonden, en allen volgen in gloeiende geestdrift of stomme onderwerping den wenk des gebieders. Zij gehoorzamen hem vrijwillig, zij vertrouwen op hem, als op een God, voor wien de mensch zich buigt, ook zonder hem te doorgronden!—Ziet de heerlijke artillerieperken, die daar de hoogte zijn opgestegen; ik begroot de sterkte op vier- tot vijfhonderd vuurmonden, en toch is het nauwelijks de helft van het geschut, dat Napoleon medevoert, om dood en verderf op den vijand te braken.”
Rasinski hield stil en zag opmerkzaam in het rond. „Daar, over die drie boomen, ligt Kowno; vermoedelijk zal het hardnekkig door de Russen verdedigd worden. Ginds loopt de weg van Königsberg, die zich in het gindsche bosch met den onzen vereenigt. Het gehucht daar beneden in het woud heet Pilwiski; die spitse toren links behoort tot het stadje Schirwindt. Neemt de ligging der plaatsjes nauwkeurig op, vrienden, misschien moet ik er u nog dezen nacht heenzenden, daar de staf er waarschijnlijk legeren zal.”
Terwijl Rasinski zijne geleiders op deze wijze met de landstreek bekend maakte, was zijn regiment genaderd. Hij plaatste zich thans aan de spits en liet het in geregelde orde naar het leger voortrukken.
Eer hij de uiterste posten had bereikt, kwam hem een stafofficier te gemoet rennen. „Ik ben gelast, heer overste,” sprak deze hem aan, „u de plaats aan te wijzen, waar gij voor uwe troepen het bivak kunt opslaan. Wij waren reeds van uwe komst verwittigd. Op gindschen heuvel, naast de keizerlijke garde, is uwe legerplaats.”
Rasinski besefte dadelijk de eervolle onderscheiding, die in deze aanwijzing gelegen was, en gaf zijne vreugde daarover onbewimpeld te kennen.
Door den stafofficier begeleid, rukte het regiment thans midden door het leger voort. Deze doortocht leverde een uiterst bont en afwisselend schouwspel op. De lange rijen van zwaar geschut, door dicht opeengepakte perken van munitie-wagens afgebroken, moest men eerst voorbijtrekken. „Dat zijn de ijzeren knoken van het oorlogsmonster,” sprak Lodewijk tot Bernard.
„Of veeleer zijne vuurbrakende kelen,” hernam deze. „Ik ben zonderling te moe,” vervolgde hij na eenige oogenblikken; „terwijl ik dit voorportaal van den krijg binnentrek, kom ik mij zelf, tegenover deze reusachtige strijdkrachten, eensklaps zoo geheel nietig en onbeduidend voor, verlies ik zoo geheel het gevoel van zelfstandigheid en eigene wilskracht, dat ik mij bij een armzaligen notendop vergelijken kon, die op den onstuimigen oceaan drijft. Maar voor mijn teekenboek zal ik genoeg te doen krijgen, want elke tien passen zie ik een kostelijk genrebeeld en merk, dat men maar ééns door eene legerplaats behoeft te rijden, om een Filip Wouwerman te worden, wanneer men er overigens het penseel toe heeft en nog geen is.”
Thans was men de eerste bivakken der infanterie genaderd en kon men de groepen opnemen, die zich om de vuren gelegerd hadden. In de verte hoorde men de half verwaaide tonen der veldmuziek, die den marseillaanschen marsch speelde. Op den voorgrond lagen een dozijn grenadiers om een helder vuur uitgestrekt. Een baardig sappeur roerde ijverig in den blikken kookketel en was telkenreize genoodzaakt, zijn langen baard voor de opwakkerende vlam in zekerheid te stellen; eenige jonge borsten, die zijne verlegenheid bespeurden, dreven den spot met hem. Een tamboer had het omwonden hoofd op den randsel neergevlijd en sliep; zijne kameraden hadden hem met houtskool een monsterachtigen knevel gegeven. Twee anderen stonden overeind en worstelden met de handen. De overigen zaten of lagen in een breeden kring en beschouwden al geeuwend het voorbijtrekkende regiment, zonder dat dit voor hen alledaagsche gezicht hunne nieuwsgierigheid bijzonder scheen gaande te maken.
Eenige schreden verder was eene andere groep gelegerd en luisterde aandachtig naar den muzikalen kunstenaar, die op eene kleine dwarsfluit de romance: „Il pleut, il pleut bergère,” blies. Dit geliefkoosde liedje scheen de teederheid van een sergeant te ontvlammen, die achter den kring zijner gelegerde kameraden voor eene hupsche markententster de fijnste vleitaal uitkraamde en haar met eene zekere vaderlijke welwillendheid de kin streelde, schoon zijne flonkerende oogen eene geheel andere gezindheid jegens het vlugge meisje te kennen gaven. Zij knikte vroolijk met het kleine hoofdje naar de maat der muziek en bekommerde zich weinig om den minnaar, wiens stoute hand zij slechts nu en dan afwerend terugsloeg.
„De liefde is overal thuis,” sprak Bernard glimlachend; „ook op het bivak schiet zij hare wortels. De altijd dorre grond, waarop zij niet voort wil, schijnt mijn hart te wezen; bloesems van gelukkige liefde althans heeft mijn herbarium nog bitter weinig aan te wijzen.”
Lodewijk zweeg en gaf zich aan de sombere gedachten over, die Bernards zeggen in hem verlevendigd had.
„Nu, lomperd,” riep deze een weinig verdrietig, toen een stevige dragonder hem op een gespierd brouwerspaard zoo dicht langs het lijf reed, dat de onzachte aanraking hem bijna uit den zadel deed tuimelen. De vent liet zich echter den lomperd getroosten en draafde zonder om te zien zijns weegs.
„Zie daar zoo'n plompen, ongelikten vlegel met zijn lange beenen over den dikken slepersknol hangen,” bromde Bernard; „de vent rammelt mij armen en beenen stuk met zijn olifant.”
„Dat zijn de kleine beleefdheden van het leger,” riep Jaromir lachende. „Gij zult ze u zoolang getroosten moeten, tot gij ze zelf leert uitdeelen.”
„Pah!” hernam Bernard; „in dat opzicht ben ik als meester geboren en gelijk sommige echo's, die het geluid niet slechts vermenigvuldigen, maar ook versterkt teruggeven. Een vlegel krijgt mij gewoonlijk in een brandspiegel te zien, waarin ik hem de grimmigste bekken toetrek.”
Een bivak der ruiterij volgde, waar de paarden in lange rijen aan lijnen stonden. Het snuiven en hinniken der rossen maakte het schouwspel levendiger. Toen het regiment naderde, rukte een der dieren zich los en wilde zich onder de broederlijke gelederen scharen; dadelijk waren eenige dragonders bij de hand om het te grijpen; maar het sloeg achteruit, wierp eenige veldketels om, zoodat de juist gereede avondsoep over den grond stroomde, en vloog vervolgens in gestrekten ren den heuvel af. De infanteriebataljons, die in de nabijheid lagen, hieven een jubelend gelach over deze jacht aan en trachtten het schuwe dier door geschreeuw terug te jagen. De poolsche ruiters zagen eveneens lachend naar het schouwspel om, toen het commando:
„Richt u! Oogen rechts!” hen eensklaps in de strenge boeien van den dienst legde. Het was een fransch generaal, dien Rasinski naar krijgsgebruik groeten wilde. Hij reed op een prachtigen appelschimmel, welks tuig en schabrak met gouden versieringen en borduursels bedekt waren. Groetend bracht hij de hand aan den hoed en monsterde de manschappen in het voorbijrijden met een groot, opmerkzaam oog. De forsche, gespierde gestalte, de ernstige, vurige blik, de strenge rimpels op het hooge voorhoofd, dit alles te zamen verleende hem het voorkomen van persoonlijke meerderheid, dat zelden nalaat den soldaat een onbepaald vertrouwen op zijn aanvoerder in te boezemen.
Lodewijk, op wien deze verschijning een buitengewonen indruk gemaakt had, vroeg zachtjes aan Boleslaw, die naast hem reed: „Wie is die generaal?”
„De maarschalk Davoust, prins van Eckmühl,” antwoordde deze met een ernstig, veelbeteekenend gelaat, dat de eerbied te kennen gaf, dien ook hij voor den beroemden veldheer koesterde.
„De maarschalk Davoust,” fluisterde Lodewijk Bernard toe, en beiden staarden hem met gespannen aandacht na, tot hij zich in het gewoel des legers verloor.
Het begon reeds duister te worden, toen het regiment de plaats zijner bestemming bereikte. De ruimte, welke het beslaan mocht, was reeds zorgvuldig afgebakend. Men bevond zich namelijk op een heuvel, die, op de kruin vlak en kaal, rondom door kreupelhout omzoomd werd. Ettelijke honderd schreden verder had men op den top van een anderen, eenigszins hoogeren heuvel de tent des keizers opgeslagen. De driekleurige vlag hing van die tent neder; twee grenadiers der oude garde hielden wacht aan den ingang. Hoofdofficieren, adjudanten en ordonnansen gingen zonder ophouden af en aan. Bernard hield het oog onwrikbaar op de plek gericht, waar het lot van Europa op dit oogenblik beslist werd. Intusschen bleef hem niet lang tijd tot ijdele bespiegelingen; de aangenaamste taak voor den soldaat, het aanleggen van het bivak, moest worden aangevangen. De stallingen voor de paarden werden door piketpalen en uitgespannen lijnen afgedeeld; men regelde de stookplaatsen, eenige haalden hout en stroo, anderen brachten water aan. Weldra vlamden de vuren lustig op: de makkers schaarden zich in een breeden kring, vertrouwelijke gesprekken werden aangeknoopt, men werd vroolijker en vroolijker. Een goede dronk, dien Rasinski deed uitreiken, verhoogde de onbezorgde, luchtige stemming; ja zelfs jubelende krijgsliederen werden aangeheven, tot het invallen van de duisternis en de vermoeienissen van den dag den slaap deden neerzinken, die de woelige onrust van het leger in eene zwijgende stilte herschiep.
HOOFDSTUK VI.
Middernacht was voorbij. Aan een groot vuur, onder een breed getakten eik, lag Rasinski in zijn mantel gewikkeld op het schrale legerstroo uitgestrekt en sliep, zonder door het dak eener hut of tent tegen de koude nachtlucht beschut te worden. Boleslaw, Jaromir, Bernard en eenige jonge officieren waren om hem heen gelegerd.
Een ordonnans trad in den kring en vroeg Lodewijk, die juist de vuurwacht had, naar den overste. Nog eer hij antwoorden kon, sprong deze, wiens lichte sluimering door het noemen van zijn naam was afgebroken, van zijne harde legerstede op. „Wat is er?” vroeg hij.
De ordonnans reikte hem een verzegelden brief over, dien hij bij het schijnsel van het vuur openbrak. „Zeer wel, kameraad! Ik zal komen,” sprak hij, na den inhoud doorloopen te hebben.
De bode verwijderde zich; Rasinski riep zijn rijknecht. „Zadel dadelijk mijn paard,” gebood hij dezen; „en ook gij, mijne vrienden,” hiermede wendde hij zich tot Lodewijk en Bernard, die intusschen ook ontwaakt was, „tuigt uwe vossen, wij moeten terstond op weg.”
Haastig sprongen zij overeind en ijlden naar de omheining. Binnen weinige minuten keerden zij te paard terug; Rasinski zat reeds in den zadel. De overige officieren waren wakker geworden en opgestaan. „Tegen het aanbreken van den dag ben ik waarschijnlijk terug,” sprak de overste; „mocht er gedurende mijne afwezigheid iets voorvallen, zoo hebt gij u bij den ritmeester Negolinski, als den oudsten van het korps, te vervoegen. Hij is reeds gewaarschuwd. Tot wederziens!”
In stap reden zij den heuvel af, het hout door op de tent van den keizer aan.
„Hoe laat is het?” vroeg Rasinski.
„Half twee,” hernam Bernard.
„Dan komen wij nog te vroeg. Te twee ure, in de eerste schemering, wil de keizer de Niemen verkennen. Ik ben gelast mij aan zijn gevolg aan te sluiten, daar ik met de landstreek bekend ben.—Ik verzoek u de hoogst mogelijke stilte, mijne vrienden; want in dergelijke gewichtige oogenblikken, wanneer hij zijne reusachtige plannen ontwerpt, haat de keizer alle gedruisch.”
De jongelingen werden door dit gezegde in eene ernstige spanning gebracht. Voor de eerste maal zouden zij thans getuigen van een dier grootsche oogenblikken zijn, waarin Europa's beheerscher de eerste draden van een koen, reusachtig weefsel uitspande. Zij werden als het ware in de werkplaats der wereldgeschiedenis gevoerd, zouden de schijnbaar nietige bronwel der gebeurtenissen naderen, die, tot een oceaan aangewassen, bestemd was, het lot van gansche volkeren op zijne bruisende vloeden te wiegen.
Stom en zwijgend hielden zij, door nacht en woud heen, tusschen rechts en links flauw schemerende legervuren door, op de tent des keizers aan. Daar gekomen, vonden zij reeds verschillende generaals en officieren verzameld. Eenige minuten later kwam de keizer te voorschijn en wierp zich in den zadel. Het begon reeds te dagen, echter was de gansche landstreek nog met een grauwen sluier, dien de morgennevel hier en daar verdikte, omtogen. In minder dan een vierde uurs had men de boschrijke hoogten bereikt, die den loop der Niemen verzellen. Mat glanzend, de half verdoofde starren flauw terugspiegelend, blonk de schoone stroom tusschen de donkere oevers.—Aan genen oever begint het Russische gebied.
De keizer hield op de hoogte stil en zag eenigen tijd opmerkzaam in het rond. Vervolgens snelde hij in korten galop den heuvel af en op de rivier toe. Toen zijn paard de moerassige vlakte van den oever bereikte, zonk het eensklaps met de voorpooten daarin weg, viel, en slingerde zijn ruiter ter aarde.
Een oogenblik scheen elk door dit voorval, dat zoozeer het aanzien van een noodlottig voorteeken had, geheel onthutst. Rasinski was zoo verrast, dat hij als onwillekeurig uitriep: „Een Romein zoude terugkeeren!” Het zwijgen dat in den kring heerschte, en de morgenstilte, die elk geluid zoo gereedelijk voortplant, bewerkten, dat deze woorden door allen verstaan werden. Zelfs den keizer, die ras opgesprongen was, moesten zij niet ontgaan zijn; want verwonderd zag hij om, zonder echter iets te zeggen. Bedaard steeg hij weder op zijn paard en zette de grondverkenning voort. Hij riep Rasinski tot zich en sprak lang en levendig met hem. Een uur reed hij langs den oever voort; vervolgens wierp hij zijn paard om, rende een heuvel op, wenkte den maarschalk Berthier tot zich en beval, terwijl hij met de hand op den stroom duidde, dat met het aanbreken van den dag op drie punten van den oever, welke hij uitdrukkelijk aanwees, bruggen moesten geslagen worden. Hierop keerde hij naar zijne tent terug, en Rasinski reed met zijn geleide weder naar het bivak.
In gespannen onrust liep de dag voorbij. De tent van Napoleon werd opgebroken. Hij begaf zich naar eene in de nabijheid gelegen boerenwoning, die hij van tijd tot tijd verliet, om een rit door het leger en den moed der soldaten door zijne tegenwoordigheid aan te wakkeren. Het werd zwoeler en zwoeler. De drukkende hitte der lange zomerdagen van het noorden dreigde alles te verstikken; de zon schoot gloeiende pijlen. Amechtig lagen de troepen op den grond uitgestrekt; de verzorging van paarden en wapenen was de eenige bezigheid; doch ook deze vermoeide in de verzengde lucht. Elk schaduwgevend plekje werd zorgvuldig opgezocht; een frissche dronk was de eenige verkwikking, waarnaar men streefde. In Egypte, in Syrië, niet in het noordelijk Rusland, scheen men krijg te voeren.
Eindelijk werden de schaduwen weer langer, de zon neigde ten ondergang. Tegen acht ure braken eenige afdeelingen pontonniers naar den stroom op, om de bruggen te slaan. Met de al nader en nader komende minuut der beslissing werd de spanning grooter. Eindelijk, tegen middernacht, kwam het bevel om op te rukken. In diepe stilte moest men uittrekken; geen geluid mocht gehoord, geen vonk gezien worden.
Rasinski liet opzitten en rukte in dicht gesloten gelederen op een breeden weg voort, die naar den stroom geleidde. Na een half uur hield men halt op een met graan bewassen heuvel. De hongerige paarden weidden het jonge koren af; de ruiters legerden zich op den vochtigen grond. Met ongeduld beidde men den dageraad. Duistere nachtelijke nevelwolken deden dien vertoeven. Eindelijk stak een frissche wind op, verstrooide de dampen en onthulde het eerste, zachte morgenrood, dat den wachtenden over Ruslands wildernissen tegenblonk. Thans kon de blik langs den anderen oever zweven, die men van de heuvels waarop men stond, tot in de nevelachtige verte voor zich zag. Welk een sombere aanblik! Slechts onmetelijke wouden en woeste zandvlakten breidden zich voor het oog uit. Hoe? Droeg men daarom de wapenen, om met tallooze offers, met stroomen bloeds een zoo bar, onherbergzaam land, dat slechts eene onmetelijke gevangenis geleek, te gaan veroveren? Eene drukkende moedeloosheid maakte zich van de zielen der krijgers meester.—Daar roffelden trommen en schalden trompetten; de zon kwam bloedig, maar glansrijk van achter het zwarte dennenbosch te voorschijn en eene frissche aanblazing der morgenkoelte vervulde de borst weder met moed en veerkracht. Aller oogen richtten zich naar de plaats, waar de krijgszuchtige toon ten optocht riep. Het was bij de tent des keizers, die men gedurende den nacht naar het hoogste punt van den oever verplaatst had. De zon verlichtte ze met hare stralen; vroolijk glansden de witte, blauwe en roode banen der driekleurige vlaggen, die op de hoeken golfden; een luisterrijke stoet van maarschalken en generaals omstuwde den ingang. De keizer trad naar buiten, groette en besteeg zijn arabischen schimmel. Thans braken de legerkorpsen als door een wenk gedreven uit den zoom van het woud te voorschijn. Weldra waren alle heuvels met de zwarte, stroomende massa's bedekt, wier blanke wapenen de gloeiende morgenzon duizendvoudig terugkaatsten. De gansche landstreek woelde en golfde; het hart zwol bij den aanblik dezer ontzettende strijdkrachten. In die breede stroomen rolde de zwarte vloed over de gele zandvlakte van den oever naar de drie bruggen voort, die de zoomen der rivier verbonden, wier spiegel welhaast de scharen verdubbelde. Thans brak ook de keizer op, reed, de gelederen door, op de middelste brug toe en trok met zijn gevolg den stroom over. Niet schroomvallig, niet aarzelend betrad hij den vijandelijken bodem; onstuimig, vurig sprong hij daarop over, als vloog hij eene bruid in de armen. Thans hield hij zijn paard staande en liet de scharen voorbijtrekken; de blik van zijn donker oog deed de borst der krijgers in moed en geestdrift ontvlammen. Zij begroetten hem met wild gejubel, zoodat de gansche landstreek dreunde en het donderend geluid van heuvel tot heuvel, van woud tot woud werd voortgeplant.
Eerst tegen tien uur trok Rasinski met zijn regiment over de brug; de keizer zag hem met welwillendheid aan en groette vriendelijk, toen de Polen een juichend: „Leve de keizer!” in hunne volkstaal aanhieven. Daarop gaf hij zijn paard eensklaps de sporen, joeg pijlsnel langs den zandigen landweg het bosch in en was weldra uit het gezicht zijner krijgers verdwenen. Een zeldzaam, onrustig gevoel maakte zich van hunne zielen meester, toen zij hem, die hen in deze barre noordsche vlakten gevoerd had, plotseling en alleen daarin zagen verdwijnen, als ware hij door de wildernis verslonden. Doch welhaast keerde hij met lossen teugel terug. Zijn voorkomen was onrustig en mismoedig; het scheen hem te verdrieten, dat hij den vijand, naar wien zijn strijdzuchtig, roemgierig hart zoo verlangend uitzag, niet had aangetroffen.
Langzaam trokken de legermassa's langs den stroom voort. Thans hoorde men in de verte den donder der kanonnen. Men luisterde. Nogmaals hoorde men een dof, aanhoudend dreunen en kraken van vuurmonden.
In aller trekken was eene onrustige, angstvolle spanning te lezen; de gelederen sloten dichter opeen en ordenden zich strenger; adjudanten vlogen heen en weder; de generaals renden de hoogten van den oever op. Men moest vermoeden, dat een der vleugelkorpsen onder den koning van Westfalen of den onderkoning van Italië den kamp had aangenomen. Daar klonk het doffe rollen sterker en aanhoudender; echter was het niet dat van een verren slag, maar de donder van een dreigend opkomend onweder.
Reeds stapelden de zwarte, met sulferachtige lichttinten doorkruiste wolkgevaarten zich boven de boschrijke heuvelen opeen; de stroom stuwde zijne donkere golven onstuimig deinend voort; de zon verdween. Van alle zijden trok het zwarte hulsel voor het heldere blauw van den hemel te zamen; eene zwoele, drukkende hitte beklemde den adem. Zwijgend en langzaam kroop het leger voort; men hoorde niets dan het geheimzinnig, hoog boven de hoofden en rondom in de diepte der wouden murmelend gedreun van den donder. Thans verhief zich de storm, kalm bulderend nader en zweepte de baren met schuimende kruintoppen tusschen de oevers voort. Plotseling siste een vlammende straal door het ruim des hemels, zoodat de gansche horizont in vuur stond en de Niemen den roodachtigen gloed helder terugkaatste. Met verbleekt gelaat zagen de krijgers elkander aan. Daar kraakte de donder verdoovend boven hunne hoofden, de hemel scheurde vaneen en in volle stroomen plaste de regen neder.
Dat was de welkomstgroet op Ruslands bodem!
VIJFDE BOEK.
HOOFDSTUK I.
Sinds Lodewijks overhaast vertrek vloden de dagen voor moeder en zuster stil en treurig daarheen. Maria droeg haar lijden met zachte gelatenheid; zij klaagde niet, zij weende niet, slechts in verdubbelde liefderijke zorg voor hare moeder zocht zij troost en opbeuring; over haar gansche wezen lag eene weemoedige vriendelijkheid verbreid, die haar eene nieuwe, zachtere aantrekkelijkheid verleende. Zij werd, en dit is de natuur van edele zielen, door haren kommer beter, en hoe meer zij zelve leed, des te medelijdender en gevoeliger werd zij ook voor het lijden van anderen. Aan de geliefde kranke, wier borstkwaal sedert de laatste hevige gemoedsschokken aanmerkelijk verergerd was, wijdde zij alle gedachten harer ziel; in den vroegen morgen reeds, wanneer zij, vóór den dag ontwaakt, eenzaam op haar leger zat, bepeinsde zij hoe door kleine verrassingen de zieke op te beuren en haar door stille genoegens de slepende, smartelijke uren van den langen dag te korten. Heimelijk kwelde haar echter de gedachte, dat de dagen der dierbare ten einde spoedden. En niet zonder grond; ze wist het, dat diepe smart de krachten der moeder langzaam sloopte en nog meer de gezondheid der dierbare ondermijnde, wijl die smart zoo weinig werd geuit. Een vreemde zou bij de bestendige bedaardheid, welke zij vertoonde, bij hare vriendelijke, hoewel niet levendige belangstelling in alles wat om haar voorviel, bezwaarlijk vermoed hebben, dat die zachte, welwillende vrouw onder eene zoo zware zorg, onder een zoo drukkenden kommer gebukt ging. Maria echter kende haar en vreesde het ergste.
Niettegenstaande dit alles, was toch deze tijd van beproeving voor Maria hoogst weldadig, daar de strenge eischen van den plicht, dien zij jegens de kranke moeder te vervullen had, haar verhinderden zich te zeer met hare eigene smart bezig te houden, waardoor deze allengs veel van hare bitterheid verloor en onmerkbaar begon te genezen, zoodat zij ten laatste niet meer de pijn der wonde zelve, maar slechts de zachte afmatting gevoelde, die pleegt te volgen wanneer de hevige bloedstorting voorbij is. Ook de uitwendige bedrijvigheid, waartoe zij zich thans dikwijls genoodzaakt zag, was haar heilrijk, daar zij hierdoor belet werd te veel in zich zelven in te keeren, terwijl verder de tegenwoordigheid van Julie en Emma, welke lieve meisjes haar beurtelings gezelschap hielden, er veel toe bijbracht, om haar van hare sombere mijmeringen af te trekken.
Zoo was de helft van den zomer verwonderlijk snel voorbij gevlogen en de dagen begonnen reeds merkelijk te korten, toen de moeder zich toch eindelijk weder sterk genoeg geloofde om de reis naar Teplitz te ondernemen, welke badplaats zij jaarlijks gewoon was te bezoeken. De Julimaand was nog niet geheel ten einde, toen beide vrouwen op een schoonen morgen de stad verlieten; de hemel glansde blauw en helder boven de verfrischte aarde, de dauw had zijn flikkerend zilvernet over de velden uitgespreid. In eene eenzame aan den weg van Peterswald gelegen herberg brachten zij de uren van den middag door, in welken tusschentijd een onverhoedsche regenvlaag die zich in een vruchtbaren stortregen ontlastte, den gloeienden dampkring weldadig afkoelde. Zij reden verder toen de regen nog zacht neerruischte, ofschoon de wolken reeds gebroken en heldere blauwe strepen door den donkeren nevelsluier zichtbaar waren. Zoo bereikten zij den Nollendoffer berg, dien zij langzaam opstegen. Tegen den namiddag kwamen zij op den top bij de kleine kerk aan, en nu lag het gansche koninkrijk Boheme aan hare voeten uitgestrekt.
Beiden verlieten den wagen en wandelden langzaam naar de kleine kapel, in welker schaduw zij zich op eene bank neerzetten. Het ertsgebergte strekte zijn groenen, lommerrijken woudmuur ver naar het zuidoosten uit; in de diepe dalen glansden de zindelijk gepleisterde gebouwen van vele gehuchten, sloten en abdijen; de lange woudachtige heuveltakken drongen dikwijls tot diep in het land door, eer zij zich in korenvelden of groene akkers verloren; de straatweg hing als een wit glansrijk lint in slingerende bochten bij de berghelling neder, deelde het dennenwoud doormidden en reeg vervolgens de rijke dorpen der heuvelvlakte het een na het ander aan zijn onafzienbaar snoer. Maria liet met welgevallen hare blikken over de bekende landouw rondzweven. Mijmerend vestigde zij het oog op de hooge, blauwe bergkolossen der beide Milischauers, die als een reusachtig broederpaar in het hart van Boheme oprezen en het grootste gedeelte der oostelijke begrenzing van den gezichteinder besloegen. Ver achter deze, daar, waar de westenwind de verspreide onweerswolken voortdreef, lag het onmetelijke land, waar thans de dierbaarsten verwijlden, die zij op aarde bezat. Warm toch en hevig klopte haar hart ook voor hem, wiens mannelijk, waardig voorkomen en edele gezindheid hare liefde te gelijk met hare innigste hoogachting gewonnen hadden en wien zij gaarne gevolgd ware, wanneer zij zich niet door heiliger banden aan haar vaderland had gekluisterd gevoeld.
Het rijtuig moest wegens de steile afhelling met spijlen voorzien worden, weshalve de vrouwen een nader voetpad insloegen, dat haar spoedig weder op den grooten straatweg bracht. Hier klommen zij in het rijtuig en bereikten na weinige uren hare oude, welbekende verblijfplaats. Met de uiterste hartelijkheid werden zij door den schrijnwerker Holder en zijne vrouw, bij welke goede menschen zij reeds meermalen haar verblijf genomen en die zij nu weder van hare komst verwittigd hadden, ontvangen, en Maria had het genoegen door alle kinderen van het huis, zelfs door het kleine vierjarig meisje, dadelijk herkend te worden. De beide stille tuinkamers waren, evenals vorige jaren, voor haar in gereedheid gebracht, en weldra gevoelde zij zich daar even vertrouwelijk en wel als in haar eigen huis. De deur van het woonvertrek kwam onmiddellijk in den vrij grooten tuin uit, die wel is waar grootendeels met ooftboomen en keukengroenten bezet was, maar toch ook eenige bloemperken en schaduwrijke plaatsjes aanbood, waar Maria reeds menig genoegelijk uur doorgebracht en zich in het gezicht van den Schlossberg verlustigd had, dien men met zijne heerlijke ruïne in de verte zag oprijzen.
De bijzondere, alleen aan vrouwen eigene begaafdheid van zich op elke plaats recht vertrouwelijk als het ware in te nestelen en in te bouwen, bezat Maria in eene hooge mate; het was haar een tweede natuur geworden, om alles om zich heen een vriendelijk, uitlokkend voorkomen te geven. Een ongeordend vertrek veroorzaakte haar, zonder dat zij zich dikwijls zelve de reden bewust was, eene onaangename, pijnlijke gewaarwording; daarentegen gevoelde zij zich gelukkig, wanneer zij eene plaats die haar verblijf moest worden, regelen, versieren en daaraan een lachend, aardig, net aanzien geven konde. De wijze, waarop zij hare bloempotten rangschikte, hare kleine vrouwelijke benoodigdheden door het vertrek verdeelde, hare boeken, muziekbladen en kleine teekeningen om zich heen ordende, dit alles droeg blijken van een smaakvolle regelmatigheid, waardoor elk die een blik in hare kamer wierp, zich aangenaam verrast gevoelde. Zoo was dan ook nu hare eerste bezigheid, de koffers te ontpakken en elke ruimte van het vertrek deels aan te vullen, deels op te sieren. Haar vrouwelijke zin voor orde was echter niet op den uiterlijken schijn alleen gericht, maar strekte zich ook tot dingen uit, die het oog van den vreemden opmerker onmogelijk navorschen konde. In hare werkdoos, in hare kleerkast heerschten dezelfde sierlijke netheid en orde, welke men op hare kamer aantrof, ja in hare kleeding, in heur kapsel bespeurde de nauwlettende waarnemer het in acht nemen der zelfde regelen, de werkzaamheid van dezelfde eigenschappen der ziel. Is het te verwonderen, dat deze zachte regelmatigheid, deze overeenstemmende verbinding van ruimten en dingen ook zelfs in haar karakter eenigermate doorstraalden? Zij had een donkeren kerker bewoonbaar weten te maken door vrouwelijk schikken en ordenen, hoe zoude zij dan ook niet, door een gestadig opmerkzaam vergelijken harer krachten en plichten, door een dankbaar en gewillig erkennen van het goede dat haar bejegende, aan de droeve verwarring van diep smartelijke rampen een zachter, vriendelijker voorkomen gegeven en door een vasten wil de hevigheid van opbruisende hartstochten op eene schoone, weldadige wijze beteugeld hebben!
Aan deze bijzondere gemoedsgave was zij eene zachte opgeruimdheid verschuldigd, die haar zelfs in zoo treurige tijden als zij thans doorleefde, niet verliet en zich ook aan allen, die haar omringden, weldadig mededeelde. Ook stroomde de gezegende uitwerking dezer, het is moeielijk te beslissen, of door oefening van den wil of door gelukkigen natuurlijken aanleg verkregen zielskracht op haar zelve terug; want gelukte het haar, hare betrekkingen en vooral hare geliefde moeder daardoor op te beuren, zoo werd zij zelve hierdoor kalmer, gelukkiger, tevredener, hoopvoller en zag zij, hoewel nog altijd door eenige donkere sluiers met vrijer, geruster blikken in de toekomst uit.
Dezen eersten avond wilde beide vrouwen hare woning niet verlaten. Maria had de theetafel naar het groen priëel laten brengen, waar men, door wilde wijnranken overschaduwd, koel en rustig zitten kon en den Schlossberg met zijne ruïne in het goud der avondzon zag blinken. Hier liet zij Anna en Therese, de beide dochtertjes van den huisheer, bij zich komen; de eerste een twaalfjarig vlug en levendig kind, dat haar reeds menige nutte onderrichting te danken en die wel gebruikt had; de ander een blond, vierjarig krulkopje, waarover zij peettante en dat haar, om zijn koddige vroolijkheid en zoete vleitaal, even lief als een zustertje was. Anna was er bijzonder door vereerd, dat zij met hare breikous, als een groote dame, aan de theetafel der vreemde dames mocht plaats nemen; de kleine Threes snapte onophoudelijk voort en deed duizend kinderlijke vragen. Maria zorgde voor beiden met de vriendelijkheid eener oudere zuster, wist zich geheel in de kinderwereld te verplaatsen en was met de oudste reeds in een druk gesprek gewikkeld, toen Therese, ongeduldig zoo lang te zitten, met eene krakeling in de hand lustig weghuppelde en de tante uitdaagde haar te krijgen. Als een kleine Amor sloop het kind door de heesters, om de onder schertsende bedreigen haar naijlende Maria te ontkomen; deze zette het moedwillig spel een tijdlang voort en lachte vriendelijk, toen de kleine haar lokkig kopje van tusschen de groene bladeren te voorschijn stak en met haar zilverstemmetje riep: „Piep, tante, hier ben ik!”
Intusschen was het avondrood verdwenen en bleek maanlicht vermengde zich met de blauwachtige schemering, die den tuin omhulde; de sikkel der nieuwe maan dreef op den kalmen oceaan des hemels en wierp vriendelijke blikken door de fluisterende heesters. De kinderen moesten nu naar huis om te bed gebracht te worden, en Therese was ook na al haar stoeien en dartelen zoo moe en slaperig, dat zij zich gewillig door het dienstmeisje op den arm liet nemen. De toenemende avondkoelte bewoog ook de moeder naar hare kamer terug te keeren; Maria wandelde nog een tijdlang in den tuin op en neder; vervolgens ging ook zij naar binnen en genoot weldra eene zoete, verkwikkende rust, die zelfs het treurende hart niet ontvliedt, wanneer het tevens rein en schuldeloos is.
Den volgenden dag begonnen de toebereidselen, welke men tot het gebruiken der baden te maken had; een zeer vroeg opstaan werd noodzakelijk, de overige bezigheden moesten daarnaar geregeld worden. Hiertoe behoorden ook de wandelingen, welke de arts had voorgeschreven, Maria verzelde hare moeder altijd en overal; wanneer deze zich in het bad bevond, deed zij met eenige bekenden uit Dresden, die zich hier reeds langer hadden opgehouden, eene wandeling, gewoonlijk in den slottuin. Op deze wijze werd zij, hoe eenzaam zij overigens leefde, toch langzamerhand met de verschillende, ten deele zonderlinge figuren bekend, die zich in het stadje verzameld hadden. Van lieverlede wist men, met wie men het badseizoen doorbracht, afreizenden werden vermist, nieuw aangekomenen dadelijk opgemerkt. Het vrije ongedwongene verkeer, aan badplaatsen eigen, bracht als van zelf mede, dat men ook met vreemde heeren licht in gesprek geraakte. Deze sloten zich ook zeer gaarne aan het gezelschap, waarin Maria zich bevond, aan; want hare tengere, slanke gestalte maakte reeds in de verte de opmerkzaamheid gaande, hare sierlijke, hoewel hoogst eenvoudige kleeding trok velen aan, de zachte vrouwelijke uitdrukking harer gelaatstrekken, de heldere blik van het blauwe oog en vooral haar innemend, evenzeer van schuwe blooheid als van aanmatigend zelfvertrouwen verwijderd, voorkomen boeiden zoo onweerstaanbaar, dat oudere en jongere mannen zich om strijd beijverden met haar in gesprek te komen. Ook op vrouwen maakte Maria's voorkomen een gunstigen indruk, en eenstemmig beklaagde men zich, dat deze liefelijke verschijning slechts gedurende dat ééne morgenuur zichtbaar was en voor het verdere gedeelte van den dag spoorloos verdween. Dit was evenwel gedeeltelijk eene dwaling, want schoon Maria slechts de schoone avonden tot wandelen gebruiken konde, wijl de moeder zich voor koude en vochtigheid wachten moest, was zij toch niet zelden met deze en ook met een kleinen kring van nadere bekenden in de schoone omstreken van Teplitz aan te treffen. Dan echter koos zij niet de bij de groote wereld vooral geliefkoosde oorden, waar men verzekerd is eene schitterende menigte bijeen te vinden, maar zocht bij voorkeur de schoone, eenzame punten op, die geene andere genietingen aanbieden dan de zuivere, verkwikkende gaven, welke de natuur ons uit de eerste hand welwillend toereikt. Intusschen had het verschijnen op de morgenwandeling haar langzamerhand bij de jongere badgasten zoo bekend doen worden, dat men hare tegenwoordigheid bij een landelijk feest dat men geven wilde, volstrekt noodzakelijk achtte, zoude het niet van zijn schoonsten tooi verstoken blijven. Toen zij dus op zekeren morgen als naar gewoonte met hare vriendinnen in de nabijheid der bron verscheen, trad een plechtig gezantschap van eenige jongelieden op haar toe; een oostenrijksch ritmeester, Arnheim, die het bad bezocht, om de genezing van zijn, in den slag bij Wagram zwaar gewonden arm te bespoedigen, stond aan de spits en sprak haar bescheiden en vriendelijk aan: „Ik heb u in naam van de badgasten eene nederige bede te doen, mijne dame; maar ik vrees bijna dat gij ons die zult afslaan.”
„Voorzeker niet,” antwoordde Maria vriendelijk, „wanneer de vervulling in mijne macht staat. Ofschoon ik niet weet,” voegde zij er met een ongedwongen lachje bij, „wat ik zou kunnen doen, waaraan het gezelschap iets gelegen kan zijn?”
„Gij zijt tot hier toe slechts eene morgenster voor ons geweest, die bij het toenemen van den dag verdween,” vervolgde de ritmeester; „wij wilden u bidden, ook eens als avondster voor ons te glanzen. Tegen morgen hebben wij een gemeenschappelijk feest aangericht; het zou ons zeer leed doen, wanneer het den luister, dien uwe tegenwoordigheid daaraan verleenen zou, ontberen moest. Mogen wij op uw bijzijn hopen?”
Tevens waren de overige jongelieden nader getreden en vereenigden hunne beden met die van den ritmeester.
„Van harte gaarne zal ik de uitnoodiging aannemen,” sprak Maria vriendelijk, „wanneer mijne moeder het vergunt.”
„Ontvang voorloopig onze hartelijke dankbetuiging,” hernam Arnheim levendig, terwijl ook zijne vrienden hunne vreugde luid te kennen gaven.
„Maar waar zult gij het feest geven?” vroeg Maria na eenige oogenblikken.
„Wij hebben voorgenomen,” antwoordde Arnheim, „eene kleine uitvlucht in het gebergte te ondernemen en ons daarbij door scherts en spel en, als het zijn kan, ook door dans onder den vrijen hemel zoo goed te vermaken als mogelijk is. Vervolgens willen wij naar Aussig rijden en van daar, de Elbe op, naar den Schreckenstein roeien. Het overige zullen wij aan de gunst van het weder overlaten.”
„Waarlijk, niets kon beter met mijn smaak overeenstemmen,” hervatte Maria.—De jongelieden gaven nogmaals hunne dankbaarheid en vreugde te kennen en verwijderden zich hierop, om zich onder de overige wandelaars te mengen. De familie uit Dresden, waaraan Maria zich had aangesloten, was ook tot het feest genoodigd, en de dochters boden haar dadelijk eene plaats in het rijtuig aan, in geval de moeder niet verkiezen mocht van de partij te zijn.
„Dat is helaas! maar al te zeker,” zeide Maria, „want aan de onzekerheid van het weder mag zij zich volstrekt niet blootstellen en ook de koelte van den stroom en den avond zoude gevaarlijk voor haar zijn. Gaarne zal ik dus onder uw geleide het feest bijwonen, niet zoo zeer wijl ik mij groot genoegen daarvan voorstel, als wel omdat het mij grieven zoude een zoo welwillend verzoek van de hand te wijzen.”
Terwijl zij nog sprak, kwam hare moeder de laan door uit het bad terug. Maria droeg haar dadelijk de zaak voor en bekwam eene gereede toestemming.
HOOFDSTUK II.
De helderste morgen was aangebroken; het sloeg juist zes uur, toen Maria in een licht, wit zomerkleedje, dat slechts door eenige lilastrikken versierd was, met luchtigen tred door den tuin spoedde, om, de kleine deur in de heining uitgaande, den naasten weg naar hare vriendinnen in te slaan. Reeds vond zij een kapwagen voor het huis gereed staan en de beide jonge meisjes kwamen haar op de trap te gemoet snellen. „Wij zullen het heerlijkste weder hebben,” zeide Maria na de eerste begroetingen; „ik stel mij veel genoegen voor van het romantische landschap, dat ik in lang niet gezien heb.” Gedurende dit gesprek traden ook de ouders binnen, heetten Maria welkom, en gezamenlijk ging men nu naar beneden om in het rijtuig te stijgen. Weldra had men de huizen van het stadje achter zich en rolde men tusschen bedauwde struiken, heggen, weilanden en korenvelden langzaam voort. Men verwonderde zich zeer nog geene wagens op den straatweg te ontdekken, daar toch een aanzienlijk getal personen aan het feest deel zou nemen.—Op eene kleine hoogte, ongeveer een vierde uur van de stad, werd men op het aangenaamste verrast. Reeds van verre was het zichtbaar, dat de weg met bloemfestoenen gesloten werd; naderbij gekomen werd men een zeer bevalligen eereboog gewaar. In een lossen, golvenden boog hing de lange bloemketen, uit de toppen van twee, aan weerszijden van den weg staande beuken naar beneden, en de struiken, die deze omringden, had men met rijke kransen versierd, die van tak tot tak rondzwierden en zoo eene wel onregelmatige, doch juist door hare willekeur en schilderachtige losheid hoogst verrassende vertooning opleverden. Met vermaak rustten de blikken der meisjes op dit tafereel, dat haar een gunstig voorteeken voor de verdere genoegens van den dag scheen te geven, toen eensklaps van weerszijden uit de struiken een ruiter te voorschijn sprong, wiens hoed met groene takken en bloemen bevallig was opgesierd; dezen volgden anderen, die zich aan beide zijden van den weg in orde schaarden en der vrouwen een jubelenden morgengroet toeriepen. De aanvoerders reden naar het portier en overhandigden aan elke dame een geurige ruiker. Het was de ritmeester, die Maria op deze wijze verwelkomde; hij en nog een tweede ruiter sloten zich hierop aan den wagen aan en verzochten dadelijk, dat men stapvoets mocht rijden, ten einde daardoor aan de andere rijtuigen den tijd te geven, om hen in te halen en zoo een langen trein te vormen. „Wij zijn dus de eersten?” vroeg Maria, toen de wagen verder rolde. „Voorzeker,” antwoordde Arnheim, die aan hare zijde naast het portier reed. „Wij hadden allen dames verzocht, stipt te zes uur af te rijden, en heimelijk met elkander afgesproken, dat wij die te paard zijn, alsdan hier op de hoogte de aankomenden begroeten en ons twee aan twee bij elk rijtuig aansluiten wilden, waarbij wij het, door ons in gelederen te rangschikken, geheel en al aan het toeval overlieten, van wie wij op deze wijze de ridders zouden worden. Zoo moest elke strijd, elke schijnbare voorkeur vermeden worden; het toeval ordent de wagens en paart de geleiders; want wij hadden elkander plechtig beloofd aan geene der dames iets van de kleine verrassing hierboven te verraden, doch aan allen hetzelfde uur van den afrit op te geven. Zoo zijn wij dan ook van de lastige verplichting ontslagen, om op den rang der verschillende personen angstvallig acht te slaan, en wij hopen, dat, wanneer de stijve rechten der geboorte eens zijn opgeheven, zij ons ook verder in het zorgelooze genot niet zullen storen.—Maar terwijl wij spreken, is onze karavane immers reeds aanmerkelijk vergroot! Zie slechts, hoe wagen op wagen nadert, om onzen trein te verlengen.” Inderdaad bespeurde men op de hoogte, die men zoo even was afgereden, drie rijtuigen, die, door hunne ruiters verzeld, op verschillende tusschenruimten der straat kwamen aanrollen. Weldra hadden zij het eerste bereikt, en reden nu langzaam achteraan voort. Daar men nog bij voortduring den weg, tot aan het punt waar de eereboog was opgericht, konde overzien, was het een vroolijk schouwspel de wagens te zien aankomen, die door de veelkleurige doeken, bonte kleederen, glanzende hoeden en groene sluiers der dames, alsmede door de bloemruikers, waarmede de ruiters getooid waren, levendig tegen de akkers en velden afstaken en een schemerenden glans van verven in het rustige beeld van het landschap brachten. De verstrooide punten, waarop het oog rustte, drongen dichter en dichter opéén en vormden weldra een rijke, veelvervige keten, die door de velden heenkronkelde, die slingerende bochten der straat volgde en nu eens bij eene zachte hoogte opsteeg, dan weder schilderachtig in het diepe dal nederdaalde. De gansche optocht, nu hij, onder den helderen blauwen hemel en door de morgenzon vriendelijk beschenen, langzaam daarheen trok, leverde een zóó bekoorlijk schouwspel op, dat alle aanwezigen reeds daardoor alleen tot vreugde gestemd werden en zich den gelukkigsten dag durfden beloven.
Daar thans niemand meer in de reeks ontbrak, kon men van tijd tot tijd de paarden aanzetten, en bereikte men dus spoedig de, tusschen Teplitz en Aussig gelegene hoogte, waar men een landelijk ontbijt, voor hetwelk de ondernemers gezorgd hadden, gebruiken wilde. De heuvel vergunde een vrij uitzicht op de landstreek; aan den voet lag een klein, half in het hout verscholen dorpje uitgestrekt, door 't welk eene breede beek haar kronkelenden loop nam; verder opwaarts zag men golvende korenvelden, die zich over de heuvels uitbreidden en slechts hier en daar door groene grasvlakten doorstreept werden. Om dezen vriendelijken voorgrond trok het hoogere gebergte zijn blauwen, in vochtige morgennevels gehulden ringmuur op. Achter de plaats, welke men tot rustpunt gekozen had, steeg de rotswand iets steiler en dicht met struiken bewassen omhoog, en boog vervolgens linksaf naar het stadje Aussig, waar hij bij den Mariënberg verdween.
Een oude linde bood een schaduwrijke plek tot het ontbijt aan; eenige gevelde boomstammen, in den omtrek verstrooid, werden spoedig in landelijke zetels herschapen; ook spreidde men de wagenkussens op den grond uit en bekwam zoo turksche rustbedden, waarmede de vrouwen zeer tevreden waren. Spoedig was de gansche kring gelegerd en zag men elkander met vergenoegde blikken aan. Ieder prees de bestuurders van het feest; dezen gingen ijverig rond, deden onderzoek naar ieders wenschen en behoeften en raadpleegden met de dames, hoe het een en ander nog doelmatiger in te richten. Intusschen werden de ververschingen rondgediend; in de handen der heeren zag men gevulde glazen, de geest van den wijn openbaarde zijn machtigen invloed; kout, scherts en moedwil heerschten alom; de vertrouwelijkste band der gezelligheid knoopte alle aanwezigen nu reeds zoo nauw aaneen, alsof zij jaren te zamen verkeerd hadden, schoon de meesten elkander niet eens bij name kenden. Zelfs Maria werd vroolijk in dezen vroolijken kring; doch ook in de gelukkigste tijden, was hare vreugde steeds van een stillen aard; met een bekoorlijk lachje op de lippen genoot zij het schoone, dat haar het oogenblik aanbood, als het ware slechts door een innerlijk weltevreden beschouwen der beelden, die van buiten af in hare ziel drongen. Zoo liet zij ook nu hare blikken langs den kring der verzamelden rondzweven en beschouwde de menigvuldige gestalten, van welke ernstige en komische, bevallige en terugstootende in bonte verscheidenheid waren dooreengemengd. Vooral trokken twee vrouwen hare aandacht, die tamelijk ver van haar verwijderd, tegen een boomstam geleund, op kussens zaten en door een bejaarden en een jongeren man in een levendig onderhoud gewikkeld werden. Zij vroeg den ritmeester, die aan hare zijde had plaats genomen, wie de beide dames waren. „Inderdaad,” antwoordde deze, „ik kan het zelf niet met zekerheid opgeven; zooveel weet ik slechts, dat het vreemden zijn, die gisteren pas aankwamen en nog niet op de badlijst zijn ingeschreven. Dezen morgen eerst, toen de vele, haar hôtel voorbijrijdende wagens haar op ons voornemen opmerkzaam maakten, zijn zij tot het feest uitgenoodigd. Toevallig logeerde een der medebestuurders, die teruggebleven was om eenige kleinigheden te bezorgen, die eerst tegen den middag te Aussig moeten komen, met haar op denzelfden gang. Hij ontmoette haar, toen zij juist naar de bron wilden gaan; zij vroegen, wat men voorhad, en natuurlijk kon hij niet nalaten haar te verzoeken mede van de partij te zijn. Daar de wagen, waarmede zij naar het bad wilden rijden, voor de deur stond, behoefden zij slechts van richting te veranderen, om zich dadelijk aan onze karavaan aan te sluiten. Ook geloof ik, dat wij er bij gewonnen hebben, want de moeder vertoont nog de sporen van hooge schoonheid en de dochter is inderdaad een bevallig wezen. Ik ben nog niet in de gelegenheid geweest mij met haar te onderhouden, maar beider voorkomen reeds verraadt de fijnste beschaving. Vergun mij slechts u een oogenblik alleen te laten, om bij den baron Erlhofen naar de namen onderzoek te doen.”
Eer Maria het verhinderen kon, was de ritmeester opgesprongen en weggesneld. Inmiddels had zij tijd, de beide edele gestalten opmerkzaam op te nemen, en moest heimelijk bekennen zelden schooner vrouwen gezien te hebben; bovendien vertoonde de oudste zulk een verheven adel in gelaat en houding, dat de jongere, hoewel met alle bekoorlijkheden van jeugd en schoonheid toegerust, daardoor eenigermate op den achtergrond werd gesteld. Het rijke, zwarte haar, dat slapen en voorhoofd bedekte, verleende in vereeniging met het groote, donkere oog aan het gelaat een zweem van edele zwaarmoedigheid, dien de oudachtiger trekken, inzonderheid de mindere frischheid der wangen, nog sterker deden uitkomen. Hoewel de vreemde zat en een breede donkerroode sjaal den bouw harer gestalte verborgen hield, was men verzekerd, dat zij, wanneer zij opstond, eene vorstelijke houding moest hebben. Tegenover deze prachtig ondergaande zon vertoonde de dochter het beeld der zachte, bleek oprijzende maan. Van gelijkenis tusschen beider gelaatstrekken kon men niets bepaalds opgeven; echter was eene nationale verwantschap zoo in het oogloopend merkbaar, dat een oppervlakkige blik reeds voldoende was, om beide als nauwe verwanten te begroeten.
Terwijl Maria zich nog met deze beschouwing bezighield, keerde de ritmeester terug en zeide: „Ik heb mijne berichten ingewonnen; het zijn poolsche dames, de oudste is eene gravin Johanna Micielska, de jongere hare pleegdochter Lodoiska.”
Maria sidderde van blijde verrassing, want door de brieven haars broeders kende zij deze namen en wist, dat Johanna Rasinski's zuster was. Tegelijk echter bekroop haar eene beklemmende, angstige verlegenheid, daar zij volstrekt niet wist, of Rasinski wel ooit van haar had melding gemaakt; hare betrekking tot Lodewijk kon hij niet medegedeeld hebben, daar deze thans een anderen naam voerde; echter was het mogelijk, dat hij haar bij zijne zuster genoemd had, te eer, daar zij al hare brieven onder zijn adres afzond en hij ook Lodewijk en Bernards antwoorden in een omslag van zijne hand en met zijn zegel insloot en die zoo aan hare moeder deed toekomen. Zij brandde van verlangen, om de schoone vrouw te spreken en naar haren broeder en naar Bernard onderzoek te doen. Eene zachte, maar dringende stem in haar binnenste, waaraan zij echter geen gehoor wilde geven, dreef haar ook aan naar den man te vernemen, die haar zoo boven alles dierbaar was geworden; welk een strijd zou het haar kosten, wanneer zij gedwongen was al deze heilige, machtige opwellingen in de stomme banden des stilzwijgens te leggen! Hare vatbaarheid voor de vreugde van het feest was voorbij; al hare gedachten richtten zich slechts op dat ééne punt; zij was bijna niet in staat de blikken weder van de gravin af te wenden. De ritmeester knoopte een gesprek met haar aan, maar zij moest hare gansche kracht bijeenrapen, om slechts de onvermijdelijkste antwoorden te kunnen geven. Hoe levendig de beschaafde man sprak, hoe welsprekend hij haar ook de gezellige beteekenis van zulk een feest wist af te schilderen, Maria werd dikwijls met ontsteltenis gewaar, dat zij hem ja, opmerkzaam aangezien, maar geen woord van al wat hij sprak gehoord had. Zij zag niet, hoe schilderachtig de groepen zich in het groen legerden, hoorde niet, hoe scherts en kortswijl immer luidruchtiger werden, ja hoe zelfs de vroolijke moedwil reeds een weinig stoutmoedig begon los te breken. Het was haar dus hoogst aangenaam, dat men na een half uur weder opbrak en de ritmeester haar den arm bood om haar naar het rijtuig te geleiden. Hier ontstond echter eene niet geringe verwarring; want niet alle feestgenooten hadden op de wagens, waarmede zij gekomen waren, nauwkeurig acht geslagen, en daar dit meerendeels huurrijtuigen uit Teplitz waren, konden slechts weinigen de hunne wedervinden. Zoo geraakte men in een schertsenden twist, dien de moedwil van eenige heeren nog meer aanstookte. Ook Maria geraakte in verlegenheid, daar eenige vreemde dames zich reeds van den wagen bemachtigd hadden, waarop zij met haar gezelschap recht en aanspraak meende te hebben. De beslissing was moeilijk, vooral daar eenige spotvogels de koetsiers door een drinkgeld aanmoedigden, te beweren, dat ook zij geen geldige getuigenis in de zaak konden afleggen, doordien zij altijd den rug aan hunne passagiers hielden toegekeerd en dus niet weten konden, wie zich achter hen in den wagen bevond. De strijd werd hierop grootmoedig; met beschaafde hoffelijkheid wilde ieder zich vergist hebben en voor den ander onderdoen; hierdoor kwam men trouwens nog minder tot het doel. Eindelijk riep de baron Erlhofen, een der bestuurders van het feest, die als een welgedaan veertiger reeds eenig ontzag inboezemde, met luider stem om gehoor. Men verlangde stilte, om zijn voorstel aan te hooren. Luchtig sprong hij op een afgeknotten boomstam, wuifde met den zakdoek om zijne toehoorders bijeen te krijgen, en toen zich eene aanzienlijke corona om hem verzameld had, begon hij in dezer voege: „Hoog achtbare vergadering! Ik ben noch Cicero noch Demosthenes maar beide redenaars zouden in mijn geval even verlegen zijn geweest als ik; elk menschelijk verstand toch heeft zijne grenzen. De wereldgeschiedenis maakt grooten ophef van de onuitsprekelijke verwarring bij den torenbouw van Babel, zij spreekt van de niet te ontvluchten doorgangen van den Cretensischen labyrint, van de niet te ontwarren strikken van den Gordiaanschen knoop, van de onmogelijk te onderscheiden zaadkorrels, die Asschepoester schiften moest, van de onontwarrelijk verwikkelde beenen der Schildburgers—maar dat alles, wat is het bij de vreeselijke verwarring en verblinding, waardoor een god of een demon ons in een onberekenbaar verderf dreigt te storten? De ijzeren mannen, die uit de drakentanden, gezaaid op den akker, dien Jason op raad van Medea met de vuurbrakende stieren beploegde, opschoten, versloegen elkander om den steen, dien de roover van het gulden vlies in hun midden wierp, niet met zulk eene verbittering, als wij, edele vrienden, in den kamp om de Teplitzer huurwagens reeds getoond hebben. Trojanen en Grieken vochten niet met zulk eene woede om het bezit der trouwelooze Helena, ja zelfs Juno, Pallas en Venus streden niet zoo driftig om den appel van Eris, als onze schoonen om de plaatsen in de rij van gindschen trotschen wagenburg. De wijsheid van Minos of koning Salomo zou niet in staat zijn dit pleit te beslechten. Of het daarom onbescheiden van mij zijn zou, wanneer ik mij zelf een weinig verstandiger rekende dan die beiden, zoo ik een uitweg gevonden had, die alles in orde bracht; of ik in dat geval niet eene lauwer-, eiken- en muurkroon tegelijk verdiend had,—daarover mogen de onpartijdigen in deze doorluchte vergadering het oordeel vellen. Mijn voorslag intusschen is, om, daar toch eenmaal eene revolutie in onzen nomadischen herderstaat onvermijdelijk is, dadelijk eene waarlijk Lycurgische wet uit te vaardigen en vrijheid en gelijkheid vrij wat volkomener te handhaven dan in de fransche republiek het geval was, en wel daardoor, dat wij alle privaateigendom van het huidige oogenblik af opheffen en gindsche gezamenlijke wagens en paarden voor nationaal eigendom verklaren. Maar dit is nog niet genoeg; mijn republikeinsche geest kan niet eenmaal dulden, dat men zich zelf als privaat eigendom bezitte! Mijn voornemen is dus, het gezelschap als scheepsbevrachting te beschouwen en gelijkmatig op gindsche talrijke vloot over te laden, die slechts daarin van de engelsche verschilt, dat deze met uitgespannen zeilen, de onze met voorgespannen paarden voortstevent. De gelijkelijke verdeeling hoop ik daardoor te bewerkstelligen, mijne hoog geëerde vrienden, dat wij eene polonaise opvoeren en ons zoo al dansend paar na paar inschepen. Draagt deze voorslag, die ons uit eene der akeligste ontmoetingen onzes levens redden moet, uw bijval weg, mijne schoonen, geeft zulks dan daardoor te kennen, dat gij uwe zachte hand aan de wachtende ridders toereikt, en mij, die als dux gregis, waartoe de uitstekende spitsvondigheid van mijn vernuft mij van zelf verheft, den dans zal aanvoeren, paarsgewijze volgt.”
Na deze, op een ernstigen toon door den baron gehouden rede, verhief zich een algemeen bravo, en zijn voorstel werd eerst door toejuiching en vervolgens ook door de daad goedgekeurd, daar men hem, toen hij de gravin Micielska opleidde, terstond willig volgde. Elke heer die niet te paard geweest was, reikte aan eene dame de hand, en zelfs zij, die zich reeds in de wagens gezet hadden, daar hunne aanspraken niet bestreden waren, verlieten ze weder, om zich aan de wet van den nieuwen Lycurgus te onderwerpen. Erlhofen voerde de rij eenige malen het groen rond, totdat zich alles aangesloten en geordend had, en nam vervolgens zijn weg naar de naaste kales, die hij met het hem volgend paar innam. Zoo schikte zich alles spoedig en geregeld, en zelfs de strengste moeders lieten voor ditmaal de schikkingen van het toeval gelden. Ook de verrassing deed het hare om de vreugde te verhoogen, want eerst bij het instijgen werd men gewaar, welk paar het tweede in den wagen zijn zou. Maria had al dadelijk bij het begin van den dans met een kloppend hart bemerkt, dat zij met de gravin in denzelfden wagen rijden zoude, daar zij door den ritmeester, die zijn paard aan een vriend had overgegeven, geleid, onmiddellijk op den baron volgde. Hoewel haar zonderlinge toestand haar beklemde, moest het zich thans toch beslissen, of zij der gravin geheel onbekend blijven, dan wel in eene nadere betrekking met haar treden zoude, daar zij licht kon vermoeden, dat Erlhofen en de ritmeester, te meer daar beiden bestuurders van het feest waren, de dames aan elkander zouden voorstellen. Zulks gebeurde ook zoodra zij ingestapt waren, en nauwelijks had Erlhofen Maria's naam genoemd, of de gravin vroeg haar dadelijk met belangstelling, of zij uit Dresden was en den overste Rasinski, haar broeder, gekend had.
Toen Maria dit toestemmend beantwoordde, vroeg de gravin ook naar haren broeder en hare moeder, en of beiden aanwezig waren.
„Mijne moeder,” hervatte Maria eenigszins verlegen, „is wel in Teplitz, maar werd door zwakheid verhinderd dit feest bij te wonen; mijn broeder bevindt zich weer op reis, zoodat ik voor dit oogenblik zijn verblijf niet kan opgeven.”
De gravin gaf haar verlangen te kennen, om tenminste de moeder te ontmoeten, daar zij zich eene maand in Teplitz dacht op te houden. „Dresden,” vervolgde zij, „is voor mijn broeder eene zeer gelukkige plaats geweest; want schoon hij er slechts kort vertoefde, heeft hij er twee vrienden gevonden, die uit neiging tot hem in zijn regiment hebben dienst genomen en te Warschau eenigen tijd mijne gasten geweest zijn. Voorzeker kent gij hen: graaf Lomond en de heer Von Soren.”
Maria geraakte in eene kwellende verlegenheid; vooreerst was elke verheling, elke, zelfs de onschuldigste waarheid zoo geheel vreemd aan haar aard, dat zij ook in dringende gevallen daarvoor terugbeefde, en ten anderen was het haar volstrekt onbewust, in hoe ver Bernard en Lodewijk hadden opgegeven, met haar bekend te zijn. Nauwelijks hoorbaar en over het gansche gelaat als purper gloeiende, stamelde zij dus: „O ja, ik ken hen, schoon niet van nabij.” Hare verwarring was aan de gravin niet ontgaan; intusschen schreef zij die aan eene andere reden toe en meende uit Maria's merkbare ontroering te mogen opmaken, dat haar hart een warmer aandeel in die kennis nam, dan een jonge meisje durft verraden. Met een zacht, even snel als het ontstond, onderdrukt lachje liet zij dus dit gesprek varen en ging tot andere onderwerpen over. Met de behendigheid eener vrouw naar de wereld wist zij dadelijk, zonder een merkbaren sprong te maken, op de genoegens van het feest terug te komen, waarvan zij zoo onverhoeds de deelgenoote geworden was. Maria daarentegen vroeg naar de dochter der gravin, voor welke zij de jonge Lodoiska hield. „Om haar,” hervatte deze, „kom ik hoofdzakelijk deze baden bezoeken, minder wijl haar gezondheid het gebruik daarvan vordert, dan wel omdat zij eene verstrooiing behoeft, die onze, zoo nabij het tooneel van den oorlog gelegen vaderstad Warschau haar thans niet geven kan. Niets kon mij dus aangenamer zijn, dan dadelijk bij onze aankomst op eene zoo recht vroolijke wijze begroet te worden en ik meen ook bespeurd te hebben, dat dit voorteeken, om het zoo eens te noemen, op Lodoiska een hoogst gelukkigen indruk gemaakt heeft. De lieve droomster is sinds eenige maanden zoozeer tot zwaarmoedigheid geneigd, dat ik soms bijna aan de mogelijkheid wanhopen moest van haar ooit weder voor de blijde genietingen des levens vatbaar te maken; echter werkt niets krachtiger op den mensch dan het ongehoopte, het onvermoede, waarin hij geen voordacht, geen opzet, maar eene voeging en als het ware eene wending van zijn eigen lot ziet, die hem oneindig sterker geloof en vertrouwen inboezemt, dan wanneer hij daarin vooraf beraamde menschelijke bemoeienissen waant te zien doorstralen.”
HOOFDSTUK III.
Onder dergelijke gesprekken, waardoor men elkander ten minste eenigszins van meer nabij leerde kennen, was de karavane nader en nader aan hare bestemming gekomen. Reeds zag men het stadje Aussig, dat zich schilderachtig langs den oever der Elbe uitstrekt, op een kleinen afstand voor zich. De ruiters, die tot hiertoe de wagens verzeld hadden, renden met lossen teugel vooruit, om de nadering der dames te berichten en alles tot hare ontvangst voor te bereiden. De gansche plaats geraakte in beweging, toen de statelijke trein van jonge lieden zijn intocht hield; alles vloog aan venster of huisdeuren. De hupsche meisjes met hare nette boheemsche neepmutsjes en levendige zwarte oogen gluurden nieuwsgierig naar de voorname jonge heeren en trokken half beschaamd, half tevreden lachend de aardige kopjes terug, wanneer haar een kus toegeworpen of een groet toegewenkt werd, met welke beleefdheid de jonge ruiters in hun vroolijken luim geenszins karig waren. De waard van de herberg was reeds van hunne komst verwittigd; met dienstvaardigen ijver sprongen hij en zijne lieden de aankomenden te gemoet en grepen de teugels der paarden. „Alles is al volmaakt in orde, mijne heeren,” riep hij; „het gansche huis is tot uw dienst, de kamers zijn schoon gemaakt en opgesierd, voor eene goede tafel is gezorgd, kortom, ik hoop, dat de genadige heeren over mij tevreden zullen zijn.”
„Wij zullen zien,” sprak de baron Heilborn, een der bestuurders, „en willen alles in oogenschouw nemen. Hoogstens in tien minuten komen de wagens met de dames en dan mag niets ontbreken. Hebt gij ook bloemen in voorraad, om de stoep te bestrooien, en is de ingang behoorlijk bekranst?”
„Dat zou ik denken, uwe genade,” hernam de waard; „en niet alleen de deur, maar ook de gansche eetzaal, zoo goed wij 't schikken konden en zoo goed het juist niet uitstekend fraaie lokaal toeliet.” Onder deze woorden ging men de trappen op, om de tweede verdieping van het huis, die tot ontvangst der gasten was ingericht, te bezichtigen. Pronkvertrekken dorst men zekerlijk niet verwachten, want vier vrij blauwselachtig gewitte muren, waarop eene lage zoldering rustte, plompe, gebrekkig sluitende deuren, met donkerbruine verf aangestreken, kleine, sombere vensters, met ronde schijven in het lood gezet, en een vloer van ruwe planken, die nergens waterpas lagen, konden bezwaarlijk een glansrijk paleis vormen, en behalve eenig stukadoorwerk aan de wanden was niets te ontdekken, dat men eene bouwkunstige versiering had kunnen noemen. Intusschen had de huiswaard de deuren met dikke kransen van eikenloof, waardoor ook eenige bloemen heenschemerden, behangen; de smaak in rangschikking was wel niet de fijnste, maar leverde toch een vroolijk aanzien op, gelijk trouwens groen en bloemen ons altijd vriendelijk toelachen, hoe kunsteloos zij ook geordend zijn. In denzelfden trant als de deur, was ook de zaal getooid; van de vier wanden hingen de groene volle eikenkransen in bevallig golvende bogen—een schoone vorm, dien de wet der zwaartekracht van zelf medebrengt—tot ongeveer twee voet onder de zoldering naar beneden. De binnentredenden zagen het vertrek rond en riepen den waard een eenparig bravo toe; een vroolijk gestemd gemoed toch schept in alles behagen, wat zijne stemming zoekt te gemoet te komen. Echter had men den tijd niet om lang in de zaal te vertoeven, daar de wagens elke minuut konden aankomen. De jongelieden ijlden dus naar beneden, zorgden dat stoep en gang met loof en bloemen bestrooid werden, en schaarden zich nu rustig aan de deur om de aankomst der overigen te verbeiden. Alle vensters van het stadje waren met nieuwsgierigen bezet, die de dingen, welke komen zouden, met gespannen verwachting te gemoet zagen; eene menigte kinderen was om het huis verzameld. Hoe armoedig en half naakt de meesten ook zijn mochten, was toch de vreugde over het ongewone schouwspel dat hen wachtte, in de helder flonkerende oogen ten duidelijkste te lezen. De waard wilde hen verjagen, opdat de genadige heerschappen in hun genot niet gestoord mochten worden, maar Heilborn belette hem dit en zeide: „Laat de kinderen vroolijk zijn, heer waard; zij storen onze vreugde niet; dat zij dan ook de hunne hebben. Waarlijk men wordt zelf nog lustiger, als men zoo'n kleinen jubelenden zwerm om zich ziet; laat hen dan rondspringen en buitelen en juichen en in de handjes klappen, zooveel zij willen; wij zullen zien, wie het vandaag in vroolijkheid winnen, zij dan wij.”
Thans ratelde de eerste wagen over de hobbelige straat van het stadje; alle hoofden keerden zich naar het punt, waar de straat van de poort op de markt uitliep. Een jubelgeschrei rees onder de kinderen op, toen de vurige schimmels van den eersten wagen uit de enge straat te voorschijn kwamen. „Laat ons als de kleinen doen,” riep Heilborn, „en welkom heeten!” Tevens kreeg hij zijn zakdoek te voorschijn en wuifde de komenden vroolijk tegen; de overigen volgden dit begroetingsteeken na en de kinderen verdubbelden hun gejuich. Het waren de gravin, Maria, de ritmeester en Erlhofen, die in den eersten wagen zaten, welke onmiddellijk door den tweeden gevolgd werd. De jongelieden vlogen naar het portier, om de dames bij het uitstijgen behulpzaam te zijn. „Daar zijn wij,” riep Erlhofen, „en ziedaar eene gansche volksverzameling om ons te ontvangen. Dat is betamelijk, dat is recht, dat verheugt mij, gij mijne medegenooten en medebestuurders van dit olympische feest. Bij gewichtige gelegenheden moet echter ook geld onder het volk worden uitgedeeld.” Dit zeggende kreeg hij eene lange groene beurs te voorschijn, schudde eene menigte klein en groot zilvergeld in zijne hand uit en strooide het, als een triomfeerend Romein in den wagen staande, met den statigen uitroep: „Panem et circenses!” onder de kleine menigte uit. IJlings sprong hij hierop van zijne triumfkar en snelde de reeds in huis getreden dames na.
Wagen op wagen volgde en de sierlijkste gestalten zweefden de breede deur der herberg binnen. De rijkelijk gestrooide bloemen ontlokten aan elken schoonen mond een blijden uitroep van verrassing. Eindelijk zag men het laatste nette voetje de trede afwippen en in luchtigen tred de stoep opsnellen. Boven in de zaal en aangrenzende vertrekken was Erlhofen, ondersteund door Arnheim, Heilborn en de overige aanleggers van het feest, onvermoeid bezig stoelen voor de dames te plaatsen, zich bevlijtigende haar behulpzaam te zijn in het afleggen en bezorgen van doeken, hoeden, mantels, zonneschermen en al de duizend kleinigheden, die onafscheidelijk met het bestaan der vrouw verbonden zijn. Toen eindelijk de eerste verwarring voorbij en de orde teruggekeerd was, rees natuurlijk de vraag op, wat men nu beginnen moest. Erlhofen scheen niet weinig lust te gevoelen, om opnieuw het redenaarsgestoelte te beklimmen en eene ciceroniaansche verhandeling, zooal niet de offices of de amicitia, dan toch de deliclis voor te dragen, toen de ritmeester hem voorkwam en zeide: „Een staat moet geregeerd worden en in beslissende tijden heeft zelfs de republiek een dictator noodig. Wanneer wij over alles beraadslagen en de stemmen opnemen wilden, zou daarmede zooveel tijd verloopen, dat, wanneer wij van duizend besluiten het beste genomen hadden, ons niets meer ontbrak dan tijd om het ten uitvoer te brengen. Ik sla dus voor een koning en eene koningin te kiezen, aan wier bevelen wij van daag gehoorzamen willen; deze kunnen dan, zoo het noodig is, hoogstderzelver ministers benoemen, in één woord, de regeling van de gansche huishouding van staat op zich nemen.”
Het voorstel werd met eenparigen bijval begroet, en men ging onverwijld tot de verkiezing van een monarch over, wiens benoeming bij voorkeur aan de dames werd opgedragen. Erlhofen was de gelukkige, die met algemeene stemmen verkozen werd, en men liet aan hem over, welke schoone hij als koningin naast zich op den troon wilde plaatsen. De gekroonde ging in eene fiere houding den kring rond, en wierp genadige, doch tevens vorschende blikken op de zwakkere helft zijner onderdanen; vervolgens trad hij met statigen ernst op de gravin Micielska toe, boog eene knie voor haar en sprak: „Die mij door het lot is toegevoegd, zij mijne gebiedster; zij deele den schoonsten troon van Europa, want hij is het minst door zorgen verontrust, met haren koninklijken gemaal.”
Glimlachend reikte de gravin hem de hand, stond op, deed hem oprijzen en sprak met bevalligheid: „Ik zal heerschen, maar zooals het der vrouw betaamt, door overreding en ik eerbiedig den wil van mijn vorstelijken heer.” Een luid gejubel begroette het doorluchtige paar, dat dadelijk tot den eersten plicht der nieuwe waardigheid, het benoemen van een ministerie, overging. „De justitie,” sprak Erlhofen, „houden wij aan ons. Een minister van oorlog zullen wij, hoop ik, niet van doen hebben, het finantie-wezen komt niet voor van avond in aanmerking; wel beschouwd, kunnen wij ons met huisminister en een voor de openbare vermaken tevreden stellen. Daar intusschen beider werkzaamheden zeer menigvuldig kunnen worden en het ons, naardien wij er geene betalen, op de bezoldiging niet aankomt, zoo bezetten wij deze posten twee-, drie-, viervoudig, door alle bestuurders van het feest daartoe te benoemen, terwijl wij aan ons zelven voorbehouden, hun nadere bevelen te geven.”
Men was met deze schikking der nieuwe monarchen volkomen tevreden en scheen over het geheel zeer geneigd, zich aan het goeddunken van het vorstelijk paar willig te onderwerpen. Het eerste bevel luidde, dat men eene wandeling naar den Mariënberg ondernemen zoude, die, niet ver van het stadje gelegen, een verrukkelijk uitzicht op het Elbedal aanbiedt en niet moeilijk te beklimmen is. Daar gekomen, zou men het verdere bespreken. Het was een vroolijke optocht, die zich eerst langs de straten van het stadje door de gapende inwoners een weg baande en vervolgens over de lachende velden onder het lommer der boomen voorttrok. Doeken, linten en strikken wapperden lustig in het frissche koeltje, de bonte, lichte zonneschermen schemerden helder door het groene loof der struiken. De krommingen van het bergpad volgende, begon men tusschen de wijnperken en moestuinen, die de helling bekleedden, rustig opwaarts te stijgen. Erlhofen trad, de gravin aan den arm houdend, aan de spits van zijn volk vooruit; van tijd tot tijd stond hij stil, deels om te laten rusten, deels om op de schilderachtige gezichtspunten, die het dal aanbood, opmerkzaam te maken. De kruin was spoedig bereikt en vergunde, schoon geen ruim, een uiterst bevallig uitzicht op de gansche landouw. Als van een hoogen toren zag men in de straten van het stadje neder. „Wij kunnen ons rijk duidelijk overzien,” sprak de baron, met den vinger op de herberg wijzende; „ook onze gansche legermacht kunnen wij tellen, die zich daar in den vorm van een wagenbrug in de schaduw van het raadhuis op de markt heeft neergeslagen. Ik begrijp echter niet, waarom ik slechts onze naaste bezittingen tot ons gebied rekenen zou! Wat heet bezitten? Naar mijn oordeel bezit men dat alles wat men geniet, ten minste zoolang men het geniet. Derhalve strekken de grenzen van ons gebied zich tot in het onmetelijke uit; het Elbe-dal, welks schoone natuur ons heden verkwikken zal, is ontegenzeggelijk ons eigendom; en dat men tegen ons nog over de zon, die ons verwarmen, over de maan, die ons heden avond naar huis lichten moet, iets zou inbrengen kan ik mij bezwaarlijk voorstellen.”
„De schoonere helft onzer bezitting,” hernam de gravin, terwijl zij vriendelijk omzag, „schijnt mij het bezielde deel onzer onderdanen te zijn; ik zal mij, als eene ware landmoeder, vooral in het welzijn van mijn volk gelukkig gevoelen.”
„Inderdaad,” riep Erlhofen, „uwe Majesteit heeft gelijk! Wanneer ik onze onderhoorigen beschouw, zou ik bijna durven beweren, dat geen monarch in Europa eene zoo beschaafde, rijke en zoo gehoorzame bevolking regeert. Wij hebben in onzen staat wel is waar gebrek aan de noodzakelijkste inrichtingen, maar uit zeer goede gronden. Eene politie kennen wij niet, wijl wij geen vagebonden hebben; van een gerechtshof willen wij niets weten, daar het ons aan misdadigers ontbreekt, en een advocaat zou onder ons honger lijden, want, zoolang onze troon staat, is nog geen enkel proces gevoerd. Armbesturen zijn geheel onnoodig, daar niemand bedelen wil, of het mocht om een kus zijn, en in dat geval zal men, vertrouw ik, ruime liefdadigheid uitoefenen.”
„Niet te voorbarig, lieve Sire,” hervatte de gravin glimlachend, „niet te vroeg mogen wij ons over den bloeienden staat van ons rijk verheugen. Wie weet of niet spoedig tweespalt en oproer daarin losbarsten; uwe laatste vooronderstelling tenminste kon een gerechtshof, een minnehof natuurlijk, dringend noodzakelijk maken.”
„Dan bekleeden wij den voorzittersstoel,” riep de baron levendig, „ik wenschte slechts, dat wij reeds een klagend liefdepaar voor ons zagen.”
Onder deze gesprekken had men eene bevallige plek gevonden, die met zacht mos begroeid en door groene struiken overschaduwd eene bekoorlijke rustplaats aanbood. De koning verordende, dat men zich paar aan paar legeren zoude, en de gehoorzame onderdanen volgden dit bevel gewillig op. „Wij regelen ons, dunkt mij,” dus verhief de heerscher zijne stem, „in onze genietingen deels naar onze krachten, deels naar de wenken, die ons door de natuur zelve gegeven worden. In deze stille voormiddaguren, nu de zon hooger en hooger stijgt en de warmte allengs toeneemt, moeten wij rustend het schoone genieten. Eerst de namiddag, als met elke minuut een koeler adem de lucht verfrischt, is tot lichamelijke uitspanningen geschikt. Thans mogen kout en scherts ons bezighouden, die ons niet verhinderen, naar het zachte gegons en gezwerm der insekten te luisteren of den blik opwaarts naar de groene looverkruinen te richten, die fluisteren en suizen en zonnestraal en hemelsblauw tusschen hare kleine traliereten laten doorgluren. Een luchtig spel laat ik mij welgevallen, slechts geen dier vermoeiende, waarbij men zich buiten adem loopt en die voor een koninklijken hofstoet zoo weinig voegen.”
Men was van zijne meening en de gravin, door de dames tot een voorslag uitgenoodigd bracht een pandspel tot stand. Dit gaf aanleiding tot allerlei vroolijke scherts, daar de koning die niet alleen toeliet, maar zelfs menig koene vrijheid bij de inlossing uitdrukkelijk gebood. Toen deze was afgeloopen, gelastte hij op te breken en eene nieuwe legerplaats te zoeken, waar men tegen de stralen der zon, die het dunne loofdak, waaronder men nu zat, niet meer buitensloot, geheel beschut was. Daar hij zijne ministers in verschillende richtingen als boden had uitgezonden, keerde de ritmeester na eenige minuten met de verzekering terug, dat hij een plekje had opgespoord, dat alle vereischten van een aangenaam toevluchtsoord in zich vereenigde. Men volgde hem; hij ging het gezelschap op de kruin des bergs dalwaarts voor, en sloeg vervolgens een voetpad in, dat, een weinig van de hoogte afdalende, zich in eene donkere woudstreek verloor, waar steile beuken de koelste schaduw aanboden. Eene heldere bron welde uit eene rotskloof op en verzamelde zich in een door haar zelve uitgehold bekken, om vervolgens, over den rand heenstroomende, lustig in het dal neder te dartelen. De helling van den berg vormde de gemakkelijkste zitplaatsen; de met mos bekleede tronk van een ontwortelden beuk bood eene verhevenheid aan, die het koninklijk paar tot troonzetel kon dienen. Tevens was men, niettegenstaande den donkeren woudnacht, niet zonder een schoon uitzicht, daar een hooge, boogvormige opening in het boomgewelf een blik op de Elbe vergunde, aan wier anderen oever, juist te midden der door de groene takken begrensde ruimte, het slot Schreckenstein op zijne zwarte grondvesten omhoog rees. Daarenboven kon men ook recht voor zich uit in het dal nederzien, waar de golven der breede rivier als zilver door het loof heenblonken. De plaats verraste zoozeer door hare natuurlijke, schilderachtige schoonheid, dat zij door het gezelschap met een luiden kreet van bewondering begroet werd. De monarch nam op den zachten troonzetel plaats, de koningin zette zich aan zijne zijde neder, paar bij paar legerden zich de overigen in het groen en sloten eenen breeden, trapsgewijze bij de helling afdalenden cirkel om het vorstelijk paar.
„Hier is het ook voor spel te schoon,” begon de koningin; „het oord is bijna te eerwaardig, om door luchtige scherts te worden ontwijd. Met genoegen zou men hier naar een verhaler of zanger luisteren, die ons van de romantische wonderen van dit dal wist kond te doen. Heeft niemand onzer onderdanen den oude dezer rots gesproken? Verscheen niemand de berggeest of de liefelijke nimf van den stroom? Heeft zij geen onzer ridders, die op de jacht van het spoor dwaalden, in het geheimzinnige duister van het woud aangesproken, den dorstende een verkoelenden laafdronk gereikt, den vermoeiden den helm ontgespt en hem met zoet gevlei uitgenoodigd, het hoofd in haren schoot te leggen? Heeft zij hem toen niet verhaald van hare sloten in de diepe rotskloof of onder de koele zilveren spiegelvlakte van het water? Heeft zij niet zoete liederen met het suizen en lispelen der bergvlieten en boomen gepaard, om hem in haren arm in slaap te wiegen? Voerde zij niemand in hare paleizen binnen; liet zij niemand den dans aanschouwen van de nimfen, hare zusters? Of is er wellicht een gelukkige onder ons, dien zij vleiend met zich lokte naar de schemerdonkere grot, om in vertrouwelijke eenzaamheid met hem te koozen? Ach ik vrees, de schoone tijd der wonderen is voorbij; nauw geeft de dichter ons nog bericht van die gulden dagen, toen goden de sterfelijken bezochten! Ware hier echter iemand, die het zelf ervaren heeft, dat de oude, schoone droomen nog immer voortduren, dat de goedige wezens, met wie onze stamvaders bevriend waren, nog altijd omwandelen, schoon ook het onheilige gedruisch en gewoel der wereld in de diepste eenzaamheid ontweken: dat hij optrede en ons verhale, wat hij gezien heeft.”
Alles bleef stil; men glimlachte slechts over de bevallige wijze, waarop de gravin de feestgenooten tot het verhalen eener sage of overlevering had aangemoedigd. Eindelijk stond een jongeling op, die nauwelijks twintig jaren oud scheen, maar door zijn zacht, bescheiden en bijna vrouwelijk voorkomen, zijne schoone, blonde haarlokken en frissche, bloeiende gelaatskleur reeds vroeger de aandacht geboeid had, en sprak: „Ik ben wellicht de jongste uit dit gezelschap en durf niet hopen door mijne voordracht belangstelling te wekken; echter ben ik in deze bergen opgevoed en ken menig schoone sage, die hier onder het volk in aandenken is gebleven. Wanneer ik....”
„O vertel, wij bidden u, vertel,” riepen vele stemmen en braken zoo de inleiding af, die hij schuw en blozend begonnen had. Ook de gravin stond op en zeide: „Dat is prijselijk, dat gij uwe gebiedster gehoorzaam zijt; maar de verhaler moet eene plaats hebben, waar ieder hem zien en hooren kan; zet u dus, zoolang de sage duurt op mijn troon neder.”
De gravin had hare woorden niet kunnen voleinden, toen Erlhofen reeds opsprong en uitriep:
„Dat verhoede de hemel, dat mijne koningin haren troon zoude verlaten! Maar de dichter en zanger is de ware koning, want hij beheerscht de harten, vooral die der vrouwen. Hij neme dus mijn zetel in en zitte aan de zijde der koningin, wier nabijheid zijn geestdrift ontvlammen moge.”
Een vroolijk handgeklap getuigde van de goedkeuring der onderdanen, en Benno, zoo heette de jongeling, nam met eene bedeesdheid en schroomvalligheid, die zijn jeugdig gelaat ongemeen goed stonden, aan de zijde der gravin plaats. Na eenig nadenken droeg hij eene, door hem zelven naar eene der volksoverlevering van het gebergte vervaardigde legende voor. Zij behelsde de geschiedenis van een door de bewoners der bergen en stroomen begunstigden jongeling, die de liefde eener in de diepte van het meer wonende jonkvrouw wint, en haar eeuwige trouw zweert. Doch hij moet zware beproevingen doorstaan; geheime krachten en machten omgeven hem van alle zijden. Schoon de geliefde hem door geheimzinnige, wondervolle geschenken en gaven tegen de betooverende werkingen in zekerheid stelt, wordt hij verblind, wordt hij ontrouw, ziet zich eensklaps door alle drogbeelden van zijn waan verlaten en in diepe ellende gedompeld. Vol vertwijfeling beneemt hij zich het leven door in dat meer te springen, op welks bodem het kristallen paleis zijner geliefde verborgen is. Sinds dien tijd zijn de blauwe baren donker en troebel geworden; en zelfs bij den heldersten hemel spiegelt de zwarte watervlakte geen enkelen zonnestraal terug.
HOOFDSTUK IV.
Toen Benno zijn verhaal geëindigd had, verkeerden alle gemoederen in eene zekere angstige spanning, en een diep stilzwijgen heerschte in den breeden kring. Hij had de gebeurtenis zoo levendig voorgesteld en zijne toehoorders zoo volkomen van de nabijheid der schouwplaats, waar die moest zijn voorgevallen, overtuigd, dat zij het omliggende landschap met bijna dezelfde gewaarwordingen beschouwden, die het bezoeken van de eene of andere geschiedkundig gedenkwaardige plek te weeg brengt, waar men als het ware nog de voetstappen der daar plaats gehad hebbende belangrijke voorvallen op den heiligen bodem vindt ingeprent en ze met eerbied en aandoening gadeslaat.
„Bevindt zich werkelijk zoodanig meer in dezen omtrek?” Met deze vraag brak de gravin het algemeene stilzwijgen af.
„Het is weinig bekend,” hervatte Benno, „en inderdaad, de plaats verdient ook nauwelijks bezocht te worden, zoo het niet om de overlevering was. Intusschen heb ik meermalen meenen op te merken, dat onze voorouders, in weerwil van hun romantischen aanleg tot poëzie, ten opzichte der landschappen, waaraan zij hunne sagen verbonden, niet zooveel gevoel voor natuurlijk schoon ontwikkeld hebben, als men van zulke dichterlijke gemoederen wel verwachten zoude.”
„Die aanklacht schijnt mij een weinig onbillijk,” merkte Maria op; „vooreerst toch vinden wij vele sporen, dat onze vaders het schoone, stoute en verhevene in de natuur wel degelijk en met bewustzijn gevoeld hebben, zooals dit ook reeds uit de namen van enkele bekende bergen, rotsen en holen genoegzaam blijkt; maar ten anderen was de overlevering toch zeker niets louter willekeurigs, en wanneer zij ook al ten deele uit de plaatselijkheid zelve geboren werd, zoo vereischte zij toch evenzeer eene gebeurtenis, eene handeling, weshalve men haar in zeker opzicht als eene geheimzinnige dochter der daad en der plaats beschouwen kan. En hoe dikwijls ziet men, dat ook de schouwplaats der gebeurtenissen ten nauwste met deze in verbinding staat.”
„Gij hebt voorzeker gelijk,” antwoordde Benno een weinig blozend; „intusschen vindt men ook meermalen, dat de schoonste sprookjes aan een weinig beteekenende plaatselijkheid verbonden zijn, en dat is ook met mijne overlevering het geval. Echter beken ik gaarne, dat mijne algemeene gevolgtrekking uit deze voorbeelden eenigszins te gewaagd was.”
„Dat mag zijn, hoe het wil,” sprak de gravin, „uw verhaal heeft ons een aangenaam uur verschaft. Ik, als koningin, ben verplicht den dichter van mijn minnehof te beloonen, en ik vertrouw, dat zulks op eene waarlijk vorstelijke wijze zal geschieden. Uwe overlevering is uit den zuiveren schoot der natuur ontsproten; met hare zuivere, oorspronkelijke gaven zal zij ook beloond worden. Zij verheft op eene treffende wijze de trouw, als de waarachtige ziel der liefde, en trekt zich dus inzonderheid ons geslacht aan, dat van de trouweloosheid der mannen zooveel te lijden heeft; het is dan ook billijk, dat eene vrouwelijke hand den zinrijken dichter, want als zoodanig moeten wij den verhaler beschouwen, de belooning toereike. Ik beveel dus aan al de schoone maagden van ons hof, dat zij zich opmaken, om de schoonste veldbloemen op te garen. Bij den terugkeer onzer edele jonkvrouwen zal ik zelve drie van haar uitkiezen, om een eerekrans uit de bloemen te vlechten, en vervolgens zal het lot beslissen, welke dezer drie den dichter kronen en, zoolang ons rijk duurt, zijne dame zal zijn.”
Een luid gejuich van goedkeuring deed zich hooren, toen de vorstin dit besluit bekend maakte. De mannen klapten in de handen en prezen de schoone koningin, die een minnehof zoo treffelijk wist te regeeren. Erlhofen greep met kluchtige geestdrift een groenen tak als scepter, hield dien met statigen ernst omhoog en riep: „Gij, mijne volkeren! hoort! Ik hecht bij dezen aan de uitspraak mijner koninklijke gemalin het zegel mijner allerhoogste goedkeuring. Gaat dus henen, gij jonkvrouwen, en keert niet terug, eer gij ons vorstelijk rijksgebied van zijne schoonste bloemen beroofd hebt.”
Na deze rede stonden de meisjes op en trokken met hare golvende schitterende kleeding het groene woud in, om op zonnige plaatsen de bloemlezing te beginnen. Vele mannen hadden grooten lust de vrouwen te geleiden, doch de vorstin verbood zulks met ernst, want op dezen tocht mochten de jonkvrouwen in haren ijver niet gestoord worden. Men kon dus slechts uit de verte zien, hoe de bevallige gestalten luchtig over het groen zweefden, nu in de struiken verdwenen, dan weder te voorschijn kwamen, zich bukten, om de geplukte bloemen in mandjes en doeken bijeen te zamelen, bij eene gelijktijdig ontdekte schoone bloem wedijverend daar op toesnelden, in één woord, al die behendigheid en vlugheid ten toon spreidden, welke der vrouwelijke jeugd in het oog van den jongeling zooveel bevalligheid verleenen.
„Ziet het bosch er niet uit, alsof het door nimfen bevolkt was?” vroeg de gravin, met welgevallen het landelijk tooneel gadeslaande.
„Het zijn de liefelijkste Oreaden, Dryaden, Hamadryaden, Sylfen, Elfen, Feeën en Peri's, die ik van mijn leven gezien heb,” riep Erlhofen uit.
Terwijl de gesprekken nog lustig voortliepen over het gelukkig lot van den dichter, over den ijver der vrouwen om hem te beloonen, over het twijfelachtige geluk van zijne gezellin te worden, hadden de nimfen korfjes en doeken gevuld en keerden tot het gezelschap terug, waar zij haren geurigen roof voor den troon uitschudden.
„Zeer schoon,” sprak de gravin, met vorschende blikken den voorraad monsterende; „thans zal ik mijne kransvlechtsters benoemen.” Hare keus viel op Maria, Lodoiska en Louise, de zeer bevallige dochter van een welgesteld inwoner van Teplitz, die door de brongasten, die in haar huis inwoonden, tot het feest genoodigd was. De drie meisjes zetten zich dadelijk in het gras neder en begonnen den krans te winden, die onder hare vlugge handen spoedig gereed was. De gravin koos hierop drie bloemen, eene wilde roos, eene korenbloem en een viooltje uit, waarvan zij, nadat de dichter geblinddoekt was, aan elk der meisjes eene ter hand stelde. Nu moest Benno kiezen; hij noemde de roos, en Lodoiska werd zijne gezellin. Deze moest dus ook den vollen, geurigen krans op des jongelings blonde lokken drukken. Maagdelijk schuw en met een lichten blos op de wangen, nam zij dien uit de hand der gravin aan; Benno boog de knie voor zijne gebiedster neder en ontving met een kloppend hart het loon voor zijne dichterlijke gave. „Moge deze krans u zoo gelukkig maken,” sprak het meisje, „als uw schoon verhaal ons hart geroerd heeft.” De bekroonde stond op, greep hare hand; drukte die met vuur aan zijne lippen en antwoordde met de een weinig veranderde woorden des dichters:
„Dat slechts mijn loon u niet tot straf moog wezen!”
Hij bood haar hierop den arm en geleidde haar naar hare plaats in het groen, waar hij zich aan hare zijde nederzette.
Inmiddels was de zon de middaglijn genaderd en slechts de hooge gewelven der takken deden het aangenaam koel blijven. Nu werd het tijd naar het stadje terug te keeren, wilde men het middagmaal niet laten wachten. Erlhofen verklaarde dit voor de gewichtigste aangelegenheid van den dag en dreigde ieder met de gruwzaamste straffen, die hierin weerspannigheid of onwil mocht doen blijken. Deemoedig nam de gravin dus zijn arm aan, en de trein zette zich paarsgewijze, zooals hij gekomen was, in beweging, om weder in de diepte neder te dalen.
De maaltijd was gereed, en in bonte rij zette men zich om den langen eikenhouten disch. Erlhofen en de gravin zaten natuurlijk voor; de eerste liet het niet aan menigvuldige toespraken ontbreken, waartoe de tafel hem genoegzame gelegenheid aanbood, en stelde ook verschillende toasten in, die algemeene toejuiching verwekten. Zulks bracht te weeg, dat de wijn, hoe spaarzaam hij ook hare schoone lippen bevochtigde, de vrouwen toch ongemerkt met zijne macht bekroop en haar tot de levendigheid en den moedwil aanzette, die, wanneer een beschaafd zedelijk gevoel ze binnen de grenzen van het schoone doet blijven, haar zoo ongemeen bekoorlijk staan. Zij verliezen dan onwillekeurig slechts het te veel der bedeesdheid en zelfbeheersching, verkrijgen het open vertrouwen, dat haar den moed inboezemt, om zich ook eenmaal van ganscher harte vroolijk te toonen; en, gelijk zij zelve geheel argloos zijn, worden zij meer en meer in het geloof versterkt, dat in geen boezem op den wijden aardbodem iets onreins of misdadigs kan oprijzen of huisvesten. Dan treedt de schoone vrouwelijke natuur geheel ontslagen van die boeien te voorschijn, die toch slechts door het in onze zeden en gezindheden diep ingedrongen bederf aan hare sekse zijn opgelegd en die zij zich gedurende haar ganschen leeftijd getroosten moeten. De knellende band, waaraan zij angstvallig langs den grond plegen te fladderen, wordt verbroken, en ook zij zweven eenmaal op de vrije vlerken der vreugde in het verwijde gebied rond en wagen zich in tot hiertoe ongekende hoogten en ruimten. Eerbaarheid en deugd blijven haar als schoone, vriendelijke gezellinnen op zijde, maar beheerschen haar niet meer als vreemde, strenge gebiedsters.
De warmte der zaal, hoewel door open vensters en den frisschen geur der kransen en bloemen gematigd, begon na eenigen tijd toch drukkend te worden, en weldra kostte het vooral der jeugd moeite, zich langer op de bestemde plaats te houden, hoe aangenaam die overigens ook door het gezelschap zijn mocht. Met algemeene vreugde werd dus het door Heilborn en Arnheim medegedeelde bericht ontvangen, dat twee gondels op de Elbe gereed lagen, om de feestgenooten naar den Schreckenstein te voeren, waar men den namiddag wilde doorbrengen. Erlhofen zou wel gaarne nog eenigen tijd aan tafel vertoefd hebben, daar de voorraad champagne nog op verre na niet was uitgeput, doch het ongeduld der jongelieden was niet meer te beteugelen en zelfs zijn koninklijk gezag schoot daartoe te kort. Men brak dus op, de paren bleven geordend, gelijk zij tot hiertoe geweest waren, en de trein sloeg het pad naar den stroomoever in.
De met lustig wapperende wimpels en kransen versierde gondels leverden zulk een schilderachtige vertooning op, dat men daardoor reeds de schoonste verwachting van de voorgenomen vaart opvatte. Een zachte muziek van blaasinstrumenten, door boheemsche bergwerkers uitgevoerd, liet zich uit een opzettelijk daartoe ingericht vaartuigje vernemen. De zindelijk gekleede bootslieden, wier hoeden met linten en strikken prijkte, begroetten het gezelschap met een juichend vivat; de planken werden uitgelegd, de dames wipten luchtig aan boord, de paren namen, naarmate zij elkander opvolgden, op de banken plaats; spoedig waren de gondels gevuld, de muziek gaf een luiden toon aan, onder het gejubel der verzamelde toeschouwers stiet men van wal en, met krachtige roeislagen voortgedreven, doorkliefden de ranke booten de breede watervlakte. Thans eerst, nu men het midden bereikt had, kon men recht diep in het prachtvolle wouddal nederzien, waaruit de Elbe te voorschijn bruischt. Op den achtergrond rees het stadje aan den groenen oever vriendelijk omhoog en spiegelde zich in de golven; vóór zich ontdekte men slechts donkere woudterrassen, die naar den stroom afdaalden en hun duister beeld in de diepte wierpen; ter linkerzijde werd het uitzicht door de zwarte rotsen van den Schreckenstein begrensd, die, in schuinsche richting uit het gebergte oprijzende, zijn kruin ver over de golven neigt en de muurkroon van vervallen torens over den afgrond laat neerhangen. Eene frissche, uit het dal opkomende koelte maakte het roeien onnoodig; men kon de zeilen ontspannen en zich door hen tegen den ruischenden stroom laten opvoeren. Vliegensvlug scheen de oever de varenden voorbij te zweven en vertoonde eene lange reeks van afwisselende beelden. Nu eens gleed men onder een hoogen bergkegel door, die zijn breede schaduwen schuins over den stroom wierp, dan weder dansten de gondels op zilveren, in helderen zonneschijn flikkerende golven, terwijl de oever, met dichte pijnen en lommerrijke eiken omzoomd, in nachtelijk duister gehuld scheen. Nu vernauwde zich de bedding, en de stroom schoot bruisend tusschen en over rotsen daarheen, dan verwijdde hij zich tot een kalm en helder meer, in welks diepte de wolken rustig voorttrokken. Na een uur had men het doel, den Schreckenstein en zijn rotsburg, bereikt.
„Ik had mij de rots toch hooger voorgesteld,” sprak Lodoiska tot Benno, terwijl zij, aan den oever staande, een blik naar de torenspitsen omhoog wierp; „van verre kwam zij mij veel verhevener voor. Het is de eerste steile rots, die ik ooit gezien heb; want bij ons in Polen is het land vlak en met bosch of kreupelhout doorsneden.”
„Laat ons maar eerst den top beklimmen,” hernam Benno, „en gij zult spoedig bemerken, dat de rots niet onbeduidend is. Thans, het is waar, verdwijnt zij tegen de veel hooger gebergten, die achter haar opstijgen.”
Lodoiska hield nog gestadig hare oogen op de stout voorover hangende kruinspits gevestigd. „Berglanden zijn toch zeer schoon!” sprak zij na eenig zwijgen, „Polen heeft ook bergen, maar enkel in het zuidelijke deel, waar zich eenige takken van de Karpathen verheffen. Ik ben daar nooit geweest.”
Een deel van het gezelschap was, terwijl beiden spraken, den weg, de hoogte op, reeds ingeslagen; ook Benno reikte dus aan zijne schoone den arm en voerde haar behoedzaam het steile bergpad op. Toen zij de rots half bestegen hadden, wilde Lodoiska zich omwenden om naar beneden te zien, doch Benno verzocht haar zulks niet te doen. „Gun mij de vreugde u boven op het schoonste punt met het overzicht van het geheel te verrassen. Ik zou u smeeken de oogen geheel te sluiten, wanneer het pad niet zoo was, dat zelfs de opmerkzaamste geleider niet voor kleine ongevallen behoeden kan. De grond is te ruw en oneffen, er liggen te veel puntige steenen in den weg, de richting verandert zich vaak te onverhoeds, om met gesloten oogen vasten voet te kunnen houden. Maar vestig uwe oogen slechts stijf op het pad voor u, tracht van u zelve te verkrijgen, dat gij noch rechts noch links uitziet, en ik durf u eene rijke vergoeding voor uwe zelfbeheersching voorspellen.”
Lodoiska beloofde dit gewillig en liet zich geheel aan de leiding van den jongeling over. De overige leden van het gezelschap schertsten wel over hare gehoorzaamheid, doch daaraan stoorde zij zich niet, maar glimlachte stil voor zich heen en zeide: „Ik vertrouw mijn gids, want hij kent dit gebergte nauwkeurig en weet de schoonheden daarvan te gevoelen.” Tevergeefs zochten eenige moedwillige jongelieden hare nieuwsgierigheid gaande te maken, en roemden nu dezen blik in de diepte, dan dat uitzicht op het dal; zij bleef standvastig. Na eene kleine wandeling stond zij op de kruin en Benno geleidde haar door vervallen muurpuinen naar een hoektoren, dien men langs eenig half ingestorte trappen beklimmen moest, waarop men zich in een klein vertrek met breede venstergaten bevindt, dat zoo dicht aan den uitersten rand der rots is gebouwd, dat men geen grond onder zich gewaar wordt, maar vrij over den Elbespiegel schijnt te zweven. Eer het meisje hier intrad, had zij het oog, op Benno's raad, geheel gesloten en liet zich zoo door dezen aan het hoofdvenster plaatsen.
„Nu”, sprak Benno, „open nu de oogen! Nu is het tijd, om in het rond te zien.”
„Almachtige hemel!” riep Lodoiska en trad verbleekend eene schrede terug, toen zij den duizelingwekkenden afgrond zoo eensklaps voor zich geopend zag. Doch spoedig had zij zich hersteld, trad, hoewel nog een weinig sidderend, aan Benno's hand weder dicht aan de lage vensteropening en blikte naar beneden. „Welk een huiveringwekkend genot!” sprak zij, angstvallig rondziende. „Schoonheid en ontzetting, hoe zonderling gaan zij hier gepaard!”
„Welnu,” vroeg Benno, „is de rots hoog? Verdient zij haren naam: Rots der Verschrikking?”
„Voorzeker, voorzeker! O het is hier verrukkelijk schoon!” riep het meisje, wier angst weldra in bewondering overging. „Hoe klein schijnen onze gondels daar in de oeverbocht. Reeds het tuintje van den poortwachter hier dicht onder ons ligt diep, en van daar daalt de rots toch eerst recht steil naar beneden. Zie slechts, hoe de zwaluwen bijna zoo diep onder ons vliegen als anders boven ons!”
„De roofvogels blijven toch nog altijd hoog boven onze hoofden,” merkte Benno aan; en wees op een havik, die juist schuins over het dal streek en zich op breede vlerken wiegde.
Lodoiska sloeg het oog naar boven. Juist stond de roofvogel bijna onbewegelijk en liet zich op de wijd uitgespannen wieken drijven. Eensklaps schoot hij pijlsnel op eene vlucht bergduiven neder, die vreedzaam onder hem rondkruisten. De verschrikte dieren fladderden haastig naar alle richtingen uiteen; maar de roover had reeds een in het oog gevat en joeg het met uitgebreide vleugels voor zich uit. De duif nam hare vlucht naar den toren, doch bijna in hetzelfde oogenblik, dat zij deze zekere schuilplaats bereikte, was ook de vijand haar genaderd en greep, nabij de plek waar Lodoiska stond, het angstig fladderende diertje met zijn scherpe klauwen grimmig aan. Het meisje zag eenige witte veeren vliegen en hoorde het angstig gekrijsch van het schuldelooze offer. In de snelle vaart zijner vlucht streek de havik zoo na aan den toren voorbij, dat hij met de breede, grijze vleugels de hoeksteenen raakte, waarna hij zich, schuw voor de menschen, doch zonder zijn roof te laten varen, weder hoog in de lucht verhief.
De vrouwen—want ook Maria, de gravin en eenige andere dames waren inmiddels in den toren getreden—hadden met deelneming het schouwspel aangezien. Medelijden met het gekwelde diertje, dat niemand redden kon, en zelfs ook schrik voor den wilden, heesch krijschenden roofvogel hadden allen meer of min getroffen; maar Lodoiska zag bleek als de dood en sidderde hevig. Door het beklemmend gevoel, dat het duizelingwekkend hooge standpunt, waarop zij zich zoo eensklaps had verplaatst gezien, in haar verwekt had, was zij nog te zeer ontroerd, om niet door een tweede, soortgelijke gewaarwording ten hevigste geschokt te worden. Het gelaat afwendende trad zij terug, en toen haar oog de gravin ontdekte, wierp zij zich met eene krampachtige stuiptrekking aan hare borst en uitte eenige woorden in hare moedertaal. Hare moederlijke vriendin fluisterde haar in dezelfde taal een antwoord in het oor en wendde zich vervolgens, als om het gebruik der vreemde taal te verontschuldigen, tot de aanwezigen: „Zij heeft iets dergelijks gedroomd, daarom heeft het gezicht haar zoo getroffen.”
„Ja, het was een droom, een recht akelige droom,” stamelde Lodoiska met een gedwongen lachje; „maar ik wil niet verder daaraan denken,” voegde zij er met meer kalmte bij en trad in den kring der overigen terug.
HOOFDSTUK V.
Ten einde den lichten schrik te doen vergeten, sloeg Benno voor, den grijzen brug nauwkeuriger in oogenschouw te nemen, hetgeen, vooral daar hij zich als geleider aanbood, met dankbaarheid werd aangenomen. Vervolgens hield men zich met allerlei gezellige spelen bezig, schoot met een armboog, kaatste met den bal en wierp met het raket, bij welk laatste spel vooral Lodoiska veel bevalligheid en vlugheid aan den dag legde.
De zon neigde zich intusschen reeds dieper naar de bergen, en hare stralen begonnen den roodachtigen tint te krijgen, waardoor de landschappen zich in den lateren namiddag in zulk een warmen lichtgloed vertoonen. Niet zonder reden was men beducht, op de terugvaart door die snelle afkoeling der lucht verrast te worden, die in hooger liggende landen bespeurd wordt, zoodra de bergen zich geheel in hun schaduwen gewikkeld hebben. De wensch, dat men opbreken mocht, werd dus van verschillende zijden geuit, hoewel men ongaarne juist op den schoonsten tijd van den dag van het romantische punt afscheid nam, waar men de middaguren zoo genoeglijk had gesleten. Ook bracht Arnheim hier tegen in, dat niets verrukkelijker zijn zoude, dan tegen den tijd, dat het purper van den avond met het zilverlicht der maan ineensmelt, zonder roeislag met de golven van den stroom af te drijven, en daar nog anderen met hem weinig geneigdheid tot de verhaaste afvaart aan den dag legden, kwam men eindelijk overeen, dat men zich zoude verdeelen. Wie voor de avondkoelte bevreesd was, kon met de eerste gondel dadelijk terugkeeren, de overigen wilden een uur later volgen, terwijl allen van meening waren, dat men gezamenlijk het avondeten gebruiken moest. Na deze vriendelijke schikking klom de grootste helft van het gezelschap van den berg naar beneden; de andere, waartoe het koninklijk paar, Maria, Lodoiska, de ritmeester, Benno en eenige andere behoorden, besloten, op voorslag van den laatste, tot eene wandeling hooger het gebergte op, waarvan men zich nog menig verrassend uitzicht in het dal voorstelde. Een voetpad, waarop nauwelijks twee personen naast elkander konden gaan, voerde in slingerende bochten bergopwaarts door het woud.
De weg had iets ongemeen bevalligs; kronkelend en als heimelijk door het woud sluipend, liep hij onmerkbaar hooger naar de kruin op. Door de reten van het loover zag men boven zich den hemel schemeren, in de diepte den blinkenden stroom glanzen; breeder openingen van het kreupelhout verrasten door schilderachtige gezichten in het dal, die bij elke kromming van het pad afwisselden. Allengs werd het eenzamer en stiller, het pad verdween bijna in het hoog opgeschoten gras, het struikgewas hield op, en de koele schaduw van een donker dennenbosch ontving de wandelaars. Thans had men inderdaad de wildernis van het gebergte bereikt. Een betreden voetspoor was nergens meer te ontdekken, maar een zacht moskleed lag over den grond uitgespreid en de lucht was bezwangerd met de balsemachtige geuren van welriekende gewassen. De volle berg-aardbezie was hier in rijken overvloed en liet de donkerroode vrucht tusschen de lichtgroene bladeren doorblinken, enkele steile varenkruiden schoten in weelderige bosschen nevens de verstrooide rotsblokken omhoog, van onder welke het heldere welwater lustig opborrelde. Een zacht ruischen en ritselen fluisterde door de toppen der dennen, de gansche natuur blikte hier den mensch met eenvoudig verhevene trekken aan. Benno, die met de landstreek nauwkeurig bekend was, deed het gezelschap eene, van de tot nu toe gehoudene afwijkende richting inslaan, om een hoog rotsblok te bereiken, dat in dezen omtrek op eene vrije grasvlakte schilderachtig lag neergestrekt. Op een afstand van ettelijke honderden schreden zag men het reeds als een reusachtige sarcophaag voor zich liggen, welks bovenste hoek echter stout vooruit sprong en zich ver over de grondvlakte uitstrekte. Onze wandelaars geloofden zich geheel alleen op deze hoogte te bevinden, toen hun tot hunne verwondering een witte windhond te gemoet sprong, hen eerst van verre aanblafte, maar spoedig vertrouwelijk naderde en Lodoiska's liefkoozingen door vriendelijk opspringen en vleiend indringen beantwoordde. Als om den weg te wijzen, verdween het vlugge dier achter het breede rotsblok.
„Vermoedelijk zal daar een jager uitrusten,” sprak Benno, „want wild is hier boven in groote menigte te vinden.”
Men was inmiddels de rots genaderd en ging, om te zien of men werkelijk niet alleen was, er om heen. Aan de andere zijde vond men, gelijk Benno met grond vermoed had, twee heeren in jachtgewaad, die echter, door het werk van den dag vermoeid, in diepen slaap lagen en noch door het geblaf van den windhond, noch door de nadering van het gezelschap in hunne rust gestoord werden.
„Het moeten badgasten zijn,” fluisterde Benno, „daar ik hen gisteren reeds in Teplitz gezien heb. Waarschijnlijk logeeren zij in den Gouden Leeuw, waar zij na de morgenwandeling ingingen, zonder dat ik er hen weder uit zag komen, schoon ik mij een uur in het huis tegenover ophield.”
Intusschen hoorde men op niet verren afstand een schot vallen; de hond sloeg aan, de jagers rezen uit den slaap op. Zij schenen zeer verbaasd een zoo talrijk gezelschap van heeren en dames in de nabijheid te zien, sprongen in allerijl op, begroetten de aankomenden en verontschuldigden zich dadelijk wegens den toestand, waarin men hen had aangetroffen.—Het waren Franschen. Als groote liefhebbers der jacht hadden zij van de beleefdheid van een boheemsch edelman, die hen had uitgenoodigd op zijn grondgebied te komen jagen, met vreugde gebruik gemaakt, waren echter van hem afgedwaald en rustten hier boven uit om nieuwe krachten tot het voortzetten hunner uitspanning te verzamelen. Het zooeven gevallen schot moest door hun vriend gelost zijn, wiens fraaien jachthond men reeds in de verte ontdekte. Het duurde ook niet lang, of men zag hem zelf van onder de boomen te voorschijn komen en regelrecht op het gezelschap toetreden. Het was de baron Sedlazeck, een rijk landeigenaar uit den omtrek, dien Erlhofen, Arnheim en Benno van nabij kenden. Men begroette elkander met de verhoogde deelneming, die een ontmoeting op eene geheel ongedachte plaats te weeg brengt, en de baron vroeg vergunning om zich met zijne beide vrienden, die hij als de heeren St. Luces en Beaucaire voorstelde, bij het gezelschap aan te sluiten, 't geen natuurlijk met beleefdheid werd toegestaan. Maria had onderwijl op eenigen afstand gestaan en de namen der aankomelingen niet gehoord; anders zoude zij voorzeker hevig zijn ontroerd geworden, daar zij wist welken invloed beide personen op het lot van haren broeder uitoefenden.
Men nam hierop gezamenlijk den terugtocht naar het slot aan. De beide vreemden wisten zich met fransche behendigheid bij de vrouwen in te dringen en waren spoedig zoo levendig met haar in gesprek gewikkeld, alsof zij de oudste vrienden van de wereld waren. Daar men zich bij het afklimmen moest verdeelen, hield St. Luces den ritmeester een weinig terug en vroeg met de gewone gezellige nieuwsgierigheid, naar stand en naam der aanwezigen. Ook Beaucaire drong nader. De namen Erlhofen, Benno, zelfs die der gravin en van Lodoiska schenen hen vrij onverschillig te laten; toen Arnheim echter Maria noemde, viel de andere vreemde hem met belangstelling in de rede: „Hoe? Rosen? Uit Dresden? Hebt gij 't gehoord, Beaucaire?”
„Zeker heb ik,” antwoordde deze met een gelaat, welks zeldzame uitdrukking Arnheims aandacht tot zich trok.
„Kent gij de jonge dame?” vroeg deze verwonderd.
„Eenigszins geëerde vriend,” hervatte St. Luces, „eenigszins. Ik heb haar in Dresden, waar ik mij voor eenige maanden ophield, meermalen in den schouwburg gezien en, daar haar bevallig uiterlijk mijne aandacht trok, naar haren naam gevraagd. Ziedaar onze geheele kennis.” Dit zeggende wierp hij echter Beaucaire een zoo zonderlingen blik toe, dat de ritmeester wel bemerkte, dat hier iets anders moest schuilen, wat zijne nieuwsgierigheid niet weinig spande. Hij mocht het zich zelf toch bekennen of niet, Maria had een diepen indruk op zijn hart gemaakt, en deze onverwachte kennis welke St. Luces met haren naam toonde te hebben, deed allerlei ijverzuchtige vermoedens in hem levendig worden.
„Zeg mij toch,” ging deze inmiddels voort, „is de jonge dame alleen of met hare bloedverwanten hier?”
„Voor zoo ver ik weet enkel met hare moeder,” antwoordde Arnheim, „die evenwel wegens ziekelijkheid is te huis gebleven.”
„Dus is haar broeder hier niet?”
„Haar broeder? Ik ken hem niet. Het is echter wel mogelijk, dat hij hier geweest is of verwacht wordt; daar ik eerst sinds eenige dagen de eer heb de dame te kennen, kan ik u omtrent hare betrekkingen niet de minste inlichting geven.”
„Dus kan de broeder wellicht nog gewacht worden?” vroeg St. Luces met eene drift, die bewees, dat hij daarin een meer dan gewoon belang stelde.
„Daaromtrent zal de zuster zelve u het best kunnen inlichten,” hernam de ritmeester, wien het wederzijdsche toewenken en oogknikken der beide vreemden gestadig merkbaarder en onaangenamer werd. Zij vroegen intusschen niet verder na, en Arnheim zocht zich van hem los te maken, wat hem te gemakkelijker werd, daar beiden tamelijk ver achterbleven en driftig met elkander fluisterden. Daarentegen bevlijtigde hij zich te meer, Maria op zijde te komen, ten einde haar te zeggen, dat de beide vreemden haar kenden, en zoo mogelijk gewaar te worden, hoe het met de kennis, waarvan zij van hare zijde niet het geringste had doen blijken, eigenlijk gelegen was. Bij eene kromming van het pad gelukte het hem door een stouten sprong de voor hem gaanden af te snijden en Maria op zijde te komen.
„Gij zijt de eenige uit het gezelschap,” zeide hij, nadat eenige onbeduidende woorden van weerszijden gewisseld waren, „die aan de vreemdelingen niet geheel onbekend is. Zij beweren, reeds in Dresden het geluk gehad te hebben....”
„Voor zoover mij bewust is niet,” antwoordde Maria een weinig overijld; „het schijnen mij fransche officieren te zijn, met wie ik in geene betrekking hoegenaamd heb gestaan.”
„Wellicht in geene nadere,” vervolgde Arnheim; „en toch waart gij den ouderen heer bij name bekend, en zij verzekeren u meermalen in den schouwburg te hebben gezien.”
„Onmogelijk”, hervatte Maria, „sinds langer dan een jaar heb ik dezen niet bezocht, en nooit wanneer fransch garnizoen in Dresden lag.” Zij sprak met zooveel geestdrift, dat Arnheim vreesde haar mishaagd te hebben; en inderdaad, Maria voelde zich eenigermate beleedigd, daar zij het, bij haren diep ingewortelden haat tegen de vijanden haars vaderlands, bijna eene schande achtte met fransche officieren omgang te hebben, ook al ware een dubbelzinnige naam in dien tijd niet zoo licht het gevolg van zulk eene verkeering geweest.
„Ik kan u betuigen,” vervolgde Arnheim, „dat ik slechts letterlijk herhaal, wat die heeren mij daar op het oogenblik gezegd hebben.”
„O, u wil ik gaarne gelooven,” hernam Maria op zachter toon, wijl zij vermoedde Arnheim te hebben gekrenkt; „maar gij weet, het ligt in den aard der Franschen, overal gewetenloos te handelen, zelfs met den naam van een meisje. Dat de heeren aan mij kennis hebben is mogelijk, wanneer zij mij op straat of op eene wandelplaats gezien hebben; deze bestaat echter, dit verzeker ik u nogmaals, enkel aan hunne zijde.”
Arnheim, wien het genoegen deed, dat geen zijner vermoedens zich bevestigde, brak het gesprek, dat Maria zoo kennelijk onaangenaam was, terstond af, en van de beide vreemdelingen werd niet verder gerept.
De weg naar beneden liet zich spoediger afleggen, dan die naar boven; men bereikte dan ook weldra den Schreckenstein, waar men nog eene wijle vertoefde, om vervolgens, toen de ondergaande zon den helderen hemel met een rooden lichtgloed kleurde en de bleeke volle maan tegenover haar in den blauwen aether oprees, de gondel weder te bestijgen en op de golven van den schoonen stroom naar het kleine stadje af te zakken.
Het gezelschap gaf zich geheel aan het genot der riviervaart en van den inderdaad verrukkelijken avond over. De gevreesde koelte liet zich niet bespeuren; slechts een zoel windje stoeide met de kabbelende golven. De kruinen der bergen waren aan de eene zijde met purperen schemerschijn overgoten, aan de andere spreidde de maan een dunnen lichtenden zilversluier over de zwarte toppen uit. De Elbe spiegelde hemel en oever in zacht kronkelende lijnen helder terug; uit het water steeg een koele, verfrisschende ademtocht op. Men zat stil, bijna zonder te spreken, in het kalme, alle weemoedige gewaarwordingen van het hart opwekkende genot verloren, toen zich eensklaps de zachte akkoorden eener gitaar lieten hooren.
Alles luisterde. Een zonderling gevoel maakte zich van de borst meester bij het vernemen dezer tonen, die zoo zeer aan het land der vreugde, aan Italië herinnerden. Wie toch had niet, hetzij door beschrijving van anderen, hetzij door eigene ondervinding, reeds die zoete gewaarwording gekend, welke door de schommelende boot en het lied van den gondelier in ons wordt opgewekt? Het was alsof de stroom met zijne oevergebergten eensklaps onder den hemel van Italië was overgebracht, alsof het de golven van den Brenta of de Po waren, waarop men zachtkens voortdobberde.
De schoone, blonde Benno was het, die de snaren had geroerd, om eene ballade voor te dragen, welke hij naar eene overlevering van den Schreckenstein vervaardigd had. De bootslieden zaten luisterend aan het roer en vestigden hunne blikken op den zanger; de overige hoorders, verheugd over de verrassing, wenkten elkander met de oogen stilte toe. Men vernam thans niets dan het zachte ruischen der golfjes aan de kiel van het vaartuig. De maan wierp hare stralen op Benno's gelaat, die aan een zuidelijken improvisator gelijk, het groote blauwe oog naar het licht opsloeg en met eene welluidende stem het in verzen gebrachte verhaal begon voor te dragen, volgens hetwelk een wreed vader de geliefde zijner dochter, toen deze bij nacht de steile rots beklauterde, arglistig opgewacht en in den grondeloozen afgrond neergestort moest hebben. De minnende wierp zich in hare wanhoop hem na in den stroom, en de rusteloos voortwentelende baren strekten de trouwe gelieven tot een graf en verkoelden den gloed hunner noodlottige vlammen.
Bij het slot van dit lied zaten allen, als vóór dien tijd, in diep stilzwijgen verzonken. Wien had de droeve mare niet ontroerd? Zelfs St. Luces en Beaucaire hadden te veel verfijnd gevoel, om de stilte dadelijk af te breken, alhoewel zij nieuwsgierig waren den inhoud van het gezang te vernemen, welks woorden zij niet verstaan hadden.
Inmiddels was men het stadje genaderd en het drukke gewoel aan den oever, benevens eenige lustig heen en weer kruisende roeibooten met jongelieden braken de kalme rust af, die tot hiertoe in het landschap had geheerscht. Van lieverlede werd dus ook het lang verstomde onderhoud weder aangeknoopt en onder drukke gesprekken kwam men bij de landingsplaats aan wal. Daar hadden de overige leden van het gezelschap, die vroeger waren afgevaren, zich verzameld, en verwelkomden de aan land springenden met een blij gejuich. In ongeregelde, verwarde groepen stroomde men naar de herberg, waar eene helder verlichte zaal het gezelschap ontving en den uitlokkenden aanblik van eene, met vruchten, koude spijzen en wijn rijk bezette tafel aanbood, om welke men zich voor de terugreis nog eenmaal in een vertrouwelijken kring schaarde en met scherts en kout den genoegelijk doorgebrachten dag besloot. Eindelijk, het was bijna middernacht, moest men toch scheiden en zich tot den terugrit gereed maken. Erlhofen kon echter deze voegzame gelegenheid tot eene plechtige aanspraak niet ongebruikt laten voorbijgaan. Hij rees met deftigheid op, vulde zijn glas en sprak: „Na een kort, maar, naar ik hoop, roemruchtiger bewind dan ooit een scepter-dragend koning gevoerd heeft—want gedurende mijn beheer werd geene minuut anders dan tot het geluk mijner onderdanen besteed—na zulk eene Titusregeering neem ik de mij opgezette kroon weder van het hoofd en leg den scepter nevens haar neder. Geen oproer heeft mij verdreven, de hand des doods heeft mij niet weggeraapt, en toch verdwijnt mijn rijk nog spoorloozer van de aarde, dan dat van koning Priamus; want mijne onderdanen verstrooien zich, aan den ijzeren wil van het noodlot gehoorzamende, over alle landen der wereld. De door een scepter verlengde arm strekt zich reusachtig over verre landstreken en hare millioenen bewoners uit; men ontneme hem den twee voet langen heerschersstaf, en hij wordt twintigmaal zoo vele uren korter en krimpt tot een liliputschen stomp ineen, die tevreden is, wanneer hij eene vlieg van den neus kan wegknippen. Hoe smartelijk grieft het mij dus, mijne vrienden en onderdanen, dat ik reeds zoo schielijk die smartelijke afzettingskuur moet doorstaan! Nog ben ik uw gebieder, nog houd ik u met den band onzer vriendschappelijke grondwet te zamen; ettelijke zandkorrels verloopen, en wij rijten ons vaneen of liever, wij rijden te zamen naar huis. Thans eerst beginnen de moeielijke en gevaarvolle wegen, en thans juist geeft de afval van uw meester u aan het toeval ten prooi, dat u zoo licht ten val kan brengen op de hobbelige straat naar Teplitz. In 's hemels naam dan, mijne onderdanen, rijt u los, maar rijdt voorspoedig!” Haastig ledigde hij zijn glas, reikte der gravin den arm en geleide haar naar den wagen. Ook de overigen hadden spoedig in de rijtuigen plaats genomen en, door het schoone schijnsel der maan, die haar blinkenden sluier over bergen en dalen uitwierp, vriendelijk omschenen, rolden de feestgenooten naar huis.
De dag der vreugde was genoten, de vroolijke juichtoon verstomd. Slechts eene zwakke echo trilde nog in menige borst na en vervulde ze met zoet weemoedige aandoeningen.
HOOFDSTUK VI.
De morgen daagde reeds, toen Maria de kleine tuindeur weder binnentrad, waarvan zij den sleutel had medegenomen, om, zonder iemand te storen, hare slaapkamer te kunnen bereiken. 't Verwonderde haar, in het vertrek harer moeder nog licht te zien. Voorzichtig sloop zij nader en gluurde door het met wijnranken begroeide venster naar binnen. De nachtlamp brandde; het lichtschijnsel wierp eene donkere schaduw op het bed en daarvóór, in een leunstoel, zat eene vrouwelijke gestalte, wier gelaatstrekken zij niet onderscheiden kon. Eene angstige rilling liep haar bij dit gezicht over de leden en deed haar de knieën knikken, zoodat het haar bijna onmogelijk was zich staande te houden en in huis te gaan. Was de moeder plotselijk zoo verergerd? Was haar eenig onheil bejegend? Door deze gedachten gepijnigd, wankelde zij naar hare kamer en opende behoedzaam de deur van het vertrek der moeder. Toen zij binnentrad, ontwaakte vrouw Holder, want deze was het die in den leunstoel zat, uit de lichte sluimering, welke haar had overvallen; zij herkende Maria dadelijk en wenkte haar met den vinger op den mond stilte toe, terwijl zij met de andere hand op de rustende kranke wees. Maria bleef in bange verwachting aan de deur staan; vrouw Holder kwam haar op de teenen tegemoet en volgde haar in het nevenvertrek.
„Om Gods wil, wat deert mijne moeder?” vroeg zij, zoodra de deur gesloten was, met bevende stem.
„Beangstig u niet te zeer, lieve juffer,” antwoordde de huisvrouw geruststellend; „het toeval zal geen gevolgen hebben. Dezen morgen, toen mevrouw zich, door mij geleid, met vele andere brongasten op de groote wandelplaats bevond, werd er eensklaps geroepen: een dolle hond, een dolle hond! Alles liep verward dooreen en zocht toevlucht in de naaste huizen. Ook wij liepen zoo hard wij konden, om een huis te bereiken. Plotseling hoorden wij achter ons een luid geschreeuw, en toen wij omzagen ontdekten wij inderdaad, dat het woedende dier in dezelfde richting kwam aanstuiven, die wij hadden ingeslagen. Hevig ontsteld vlogen wij zijwaarts, de kleine hoogte op, naar de kastanjeboomen toe. Wij bereikten ze gelukkig; het dolle dier vloog ons strijkelings voorbij en op de stad aan, waar het ook is doodgeschoten. Inspanning en schrik hadden ons evenwel geheel buiten adem gebracht, en vooral uwe moeder klaagde over pijn in de borst, dat is de reden van hare onpasselijkheid.”
Bevende, beurtelings gloeiend en verbleekend, had Maria het verhaal aangehoord. Thans, nu het geëindigd was, schepte zij weder adem en zei met kalmte: „Zeg mij alles, lieve vrouw Holder, alles, volstrekt alles. Ik moet het immers weten, als ik mijne moeder wil oppassen! Is de dokter hier geweest? Wat heeft hij voorgeschreven?”—Onder het spreken verloor zij hare met moeite verkregene bedaardheid weder, want gestadig meer beangstigende voorstellingen rezen onder deze vragen in hare ziel op.
„Zekerlijk hebben wij dadelijk naar den dokter gezonden,” antwoordde vrouw Holder; „hij heeft vooral rust aanbevolen, toen hij hoorde, dat de zieke een weinig bloed had opgegeven.”
„Eene bloedspuwing!” riep Maria, door dat verschrikkelijk woord verpletterd. „Almachtige God, ook dat nog!”
Het was te veel voor hare krachten; de gansche vrouwelijke sterkte harer ziel was door dezen onverhoedschen slag als verlamd. Daar zij de kwaal harer moeder kende, kon zij het gevaar in zijn vollen, vreeselijken omgang beseffen. Zij moest zich door vrouw Holder naar een stoel laten leiden, waarop zij uitgeput neerzeeg. „Wees niet al te bezorgd,” sprak deze, „de geneesheer heeft de beste hoop gegeven. Slechts de meest mogelijke rust heeft hij ons aanbevolen, opdat het toeval niet terugkeere. Ga daarom rustig slapen, ik zal wel verder bij de zieke waken. Zij weet nu eenmaal, dat ik bij haar ben, en zou wellicht schrikken, wanneer zij u eensklaps bij haar bed zag. Bovendien heb ik haar plechtig moeten beloven, u bij uwe terugkomst niet het minste van het gebeurde te zeggen, daar morgen alles toch wel weer geschikt zal zijn en gij u dan noodeloos zoudt bekommerd hebben. Dat dorst ik echter niet zoo geheel op mij nemen. Maar nu moet gij toch vooral stil en bedaard in uwe kamer blijven en u rustig neerleggen; want anders zoudt gij zelve ziek worden. Gij moet doodelijk vermoeid zijn van het lange rijden en wandelen.”
Maria was inderdaad vermoeid; evenwel zou zij krachten genoeg hebben gehad, om ook deze nieuwe inspanning te verdragen, wanneer de plotselinge schrik haar niet zoo hevig had aangegrepen. Thans echter moest zij zelve bekennen, dat de opgewonden toestand, waarin zij verkeerde, haar tot de behoorlijke verpleging der kranke geheel ongeschikt maakte, en het was hierom dan ook, dat zij besloot, de welgemeende aanbieding der huisvrouw aan te nemen, die er met ernst en liefderijke deelneming op aan bleef dringen, dat zij zich ten minste voor eenige uren ter rust zoude begeven. Zij legde zich te bed, schoon overtuigd, dat geen zachte slaap haar verkwikken zou; nochtans had de groote vermoeidheid van het lichaam, verbonden met de hevige afmatting der ziel, eene zoodanige ontspanning harer krachten ten gevolge, dat zij in eene soort van bedwelming wegzonk, gedurende welke de onstuimigheid harer gemoedsbewegingen, door de macht der natuur overwonnen, tot kalmte werd gebracht. Zoo kreeg ook het lichaam de noodige verkwikking, die zij zich vrijwillig niet zoude vergund hebben.
Na eenige uren trad vrouw Holder aan hare legerstede en deed haar uit hare lichte sluimering ontwaken.
Haastig rees zij op, kleedde zich vluchtig aan en trad in het vertrek der kranke. Met vastheid had zij zich voorgenomen hare gewaarwordingen in toom te houden en hare bange bekommeringen op geenerlei wijze te verraden.
„Goeden morgen, beste moeder,” sprak zij op fluisterenden toon; „hoe gaat het u? Voelt gij u iets beter?”
De zieke vertoonde in de zachte trekken van haar gelaat de onmiskenbare uitdrukking van die kalme gelatenheid in 't lijden, waarmede zij sinds lange jaren alle schijnbaar harde slagen van het lot met christelijke onderwerping had gedragen, zonder ooit het goede voorbij te zien, dat haar door dezelfde hand werd toegezonden.
Vriendelijk, doch zonder te spreken, lachte zij hare dochter toe en bood haar de op het dek rustende hand door een langzaam omwenden en openen aan, daar zij de kracht niet had, die op te heffen. Met het scherpziend oog der bezorgde kinderlijke liefde, doorzag Maria alras het lichte waas van kalmte en rust, waaronder de moeder haren waren toestand trachtte te verbergen. Bij den eersten aanblik reeds van dat lieve, lijdende wezen drong zich de verpletterende waarheid aan haar op: zij is voor u verloren! Het matte oog, de bleeke lippen spraken te duidelijk, ook zonder die stomme begroeting, dat haperen der taal, dat der anders zoo vriendelijke moeder zoo smartelijk moest vallen. Haar hart dreigde te breken onder den last van dezen nieuwen jammer, die haar werd opgelegd; maar zij behield hare uiterlijke bedaardheid en haar mond glimlachte, terwijl hare borst door de grievendste smart werd verscheurd.
„Mijn lieve, goede moeder,” sprak zij; „terwijl ik den dag in onbezorgde vreugde en lichtzinnigheid doorbracht, moest u zulk een vreeselijk onheil treffen en u in den korten tijd, die tot herstelling van uw zwak lichaam bestemd was, een nieuw lijden veroorzaken! Maar ik vertrouw zeker, dat het even spoedig zal voorbijgaan als het onverhoeds is opgekomen. Blijf slechts bedaard, antwoord mij nergens op, troost mij niet, vraag mij niets, ik kan alles, wat u ontbreekt, wat gij wenscht, in uwe oogen lezen, en mijne liefde zal raden, wat gij niet door wenken kunt uitdrukken.”
Tegelijk beijverde zij zich, het afgegleden kussen weder te recht te leggen, ten einde de beklemde borst daardoor eene vrijer ademhaling te verschaffen. Vervolgens vulde zij een kopje met thee, die de arts had aanbevolen, en bracht het, bij kleine tusschenpoozen, aan de lippen der kranke. Toen deze gedronken had, vroeg zij: „Zal ik u voorlezen, moeder?” Een matte oogwenk was voldoende, om haar het boek te doen halen, waarin hare moeder gewoon was te lezen. Met eene zachte, maar vaste stem begon zij hare ernstige bezigheid. De gemoedelijke geest, de kinderlijke gezindheid, die in het gansche werk doorstraalden, versterkten ook haar neergebogen hart en gaven het kracht, om zich in geloovig vertrouwen boven de aardsche rampen en bekommernissen te verheffen. Na eenige bladzijden gelezen te hebben, kwam zij aan eene plaats, die opzettelijk voor haren toestand geschreven scheen te zijn. Tot in het binnenste der ziel van de waarheid doordrongen, las zij die met zulk een innig gevoel, met zulk eene toenemende kracht van geloof en vertrouwen, dat de moeder zich door die zachte woorden van vertroosting merkbaar gesterkt voelde en met levendiger oog toeluisterde. Maria, die niet naliet van tijd tot tijd over het boek heen de kranke aan te zien, ten einde hare geringste wenschen dadelijk te kunnen vervullen, bemerkte spoedig den indruk, dien deze plaats had te weeg gebracht. „Zal ik dit nog eens herhalen, lieve moeder?” vroeg zij, hare gewoonte kennende om plaatsen, die haar bijzonder troffen, meermalen te herlezen. De kranke glimlachte en knikte met het hoofd. Maria las:
„Er zijn tijden in ons leven, dat de heldere hemel zich geheel voor ons oog schijnt te verbergen, dat gestadig zwarter en dreigender wolken aan den gezichteinder opstijgen en zich boven ons hoofd samenpakken. Nu is de maat gevuld, denken wij dan dikwijls, nu kan geen harder lot, geen smartelijker leed ons meer treffen. Daarin spreekt echter de gezindheid van een twijfelmoedig, ondankbaar hart, dat de oneindige weldaden Gods miskent en roekeloos voorbijziet. Zijne genade is te groot, om u den kelk des lijdens tot den bodem toe te doen ledigen; gij zoudt het niet verdragen; eer de beker ten halve geleegd is, bezwijken uwe aardsche krachten. Maar waarom gelooft gij, dat gij de diepte des jammers hebt uitgeput? Wijl gij niet meer met een dankend hart opmerkt, welk een rijke overvloed van goddelijke weldaden ook dan nog over u wordt uitgestort, wanneer gij enkel de grievende pijn der smart meent te voelen. Eéne vrucht van den boom des levens wordt door den worm doorknaagd en valt verdord ter aarde, maar nog prijkt heel de overige kroon met ontelbare vruchten, bloesems en kiemen tot duizend nieuwe vruchten. Gij echter beweent enkel wat gij verloren hebt, en sluit uw ondankbaar oog voor alles, wat u is overgebleven. Eene moeder verliest haar geliefd kind; zij klaagt in troosteloozen rouw en ziet niet, dat een bloeiende kring van zonen en dochteren haar nog omringt, door welker liefde de Heer haar de gelukkigste toekomst wilt schenken. En wanneer u ook alles ontroofd werd, wanneer eene wees alléén, zonder betrekkingen, zonder vrienden, zonder raad of hulp achterbleef, wanneer zij nergens een uitweg ontdekte, die uit den diepen afgrond der ellende in het schoone dal van het geluk terugvoerde—bleef haar dan niet nog de liefderijke Vader in den hemel? Opent zijne hand niet duizend paden, wanneer het sterfelijk oog nergens uitkomst meer bespeurt? Is al het leed, dat u treft, niet een ras voorbijspoedend leed der aarde? Woont niet de eeuwige vreugde in de zalige gewesten van den hemel? Als het hier duistere nacht is, als nevels en wolken elke ster aan uw oog onttrekken, vlammen dan toch niet tallooze bliksemende zonnen in de onmetelijke ruimte boven den lagen dampkring der aarde? Ja, koestert zich niet de eene helft dezer aarde in licht en zonnegloed, terwijl de andere in een kortstondig duister gehuld is? Zoo zeker het aanbreken van den dageraad na den donkeren nacht is, zóó zeker wacht den geloovigen de zaligheid, na den korten tijd der aardsche beproeving. Daarom, lieve vrienden, zijt getroost. Er is een oog, dat door nacht en wolken dringt en de tranen telt der bedrukten, die het oog geloovig naar boven richten; er is een hart, dat het lijden voelt in elke borst, die zich niet trouweloos van hem afwendt; er is eene hand, die tot in den donkersten afgrond reikt en de hand aangrijpt van den hulpelooze, die van haar redding wacht. Dat oog waakt steeds over u, dat hart klopt met het uwe, die hand leidt u op de duistere wegen van rampspoed en gevaar. Daarom zijt gij getroost, want waar gij wandelt, daar wandelt de Heer met u, en Hij verlaat niemand, die Hem getrouw blijft.”
Onder het ijverig lezen had Maria niet bemerkt, dat de geneesheer was binnengetreden, en reeds eenige minuten aan de deur toeluisterde, zonder door haar of de kranke gezien te worden. Thans naderde hij en nam, om Maria eene lichte verwarring te besparen, den schijn aan, alsof hij zoo even eerst gekomen was. De reeds bejaarde man groette haar vriendelijk goeden morgen en trad op de kranke toe, wier pols hij opmerkzaam onderzocht.
„Hm, nog altijd een weinig gejaagd,” sprak hij: „wij moeten met de kalmeerende middelen voortgaan.”
Na nog eenige vragen te hebben gedaan, schreef hij een geneesmiddel voor, welks spoedige bereiding hij dringend aanbeval, en nam afscheid. Maria deed hem uitgeleide, onder den schijn van burgerlijke beleefdheid, maar inderdaad, om door hem omtrent den wezenlijken toestand van hare moeder onderricht te worden, daar zij overtuigd was, zelfs de grievendste zekerheid met meer kalmte en standvastigheid te zullen dragen, dan die angstvallige weifeling tusschen vrees en hoop, waardoor zij tot op dit oogenblik geslingerd werd. Op een biddenden toon, maar toch met bedaarde vastheid, sprak zij hem dus in het woonvertrek aan: „Zeg mij de waarheid, dokter, de volle zuivere waarheid. Houd mij niet voor een zwak vrouwelijk wezen, dat in nuttelooze klachten uitbarsten of in onmachtige moedeloosheid neerzinken zal, wanneer het gevaar dreigend is; maar gun ook aan eene bedrukte dochter den troost der hoop, die uwe uitspraak haar verleenen kan. Zeg mij de zuivere waarheid, ik smeek het u nogmaals, houdt mij niet het geringste verborgen!”
„Mijn goed kind,” antwoordde de geneesheer vriendelijk, maar met aandoening, „gij doet wel, u aan de schoone woorden van troost te houden, die ik u bij mijn binnentreden hoorde lezen. Ik heb weinig hoop! Keert de bloedstorting terug, dan is alles voorbij. Tegen den middag zal zich denk ik, alles beslissen.”
Hoewel Maria zich op het ergste had voorbereid, schoon zij zich met vastheid had voorgenomen, elke weekelijke uitstorting van haar gevoel met alle inspanning te bedwingen, deed toch dit zekere doodvonnis voor een oogenblik hare krachten bezwijken. Bittere, stille tranen welden in haar oog op en bevende moest zij zich aan den schouder van den geneesheer vasthouden, die haar met zachte woorden trachtte op te beuren.
„Het is nu overwonnen,” sprak zij na eene poos; „ik voel mij sterk genoeg, om naar mijne stervende moeder terug te keeren. Ik dank u, dat gij mij niets verborgen hebt. Ik neem nu het smartelijkste voor zeker aan en getroost mij het verlies van het dierbaarste, van het éénige, dat ik thans op aarde bezit!”
„Denk aan het oog, dat de tranen van het uwe telt, aan het hart, dat met het uwe slaat, aan de hand, die u geleiden wil op uw eenzamen levensweg,” sprak de arts; „dat zal u moed en sterkte geven, als het uur dáár is. Vaar thans wel! Binnen weinige uren ziet gij mij weder. Als inmiddels het geringste mocht voorvallen, laat gij mij waarschuwen, en ik zal terstond hier zijn.”
Dit zeggende vatte hij hare hand, drukte ze met warmte aan zijne borst en verliet haastig het vertrek, om niet zelf door zijn gevoel overweldigd te worden.
Maria wierp zich op de knieën neder en bad God, dat hij haar kracht en sterkte mocht verleenen in het uur der beproeving. Nog eens gaf zij aan hare kinderlijke tranen den vrijen loop; hierop richtte zij zich op en keerde met eene verruimde borst naar het bed harer moeder terug.
HOOFDSTUK VII.
St. Luces en Beaucaire waren, in hunne woning terugkeerende, te vermoeid, om zich over de gebeurtenissen van den dag breedvoerig te onderhouden; den volgenden morgen echter toen de bediende Beaucaire het ontbijt bracht, was het zijne eerste gedachte, de ontdekking, welke hij gisteren gedaan en de menigvuldige plannen, die hij daarbij dadelijk ontworpen had, verder te vervolgen. Hij begaf zich dus naar St. Luces, dien hij reeds aan de schrijftafel vond, groette hem en begon: „Ik geloof, dat wij gisteren eene gelukkige jacht gehad hebben; althans zijn wij op het spoor van een edel wild gekomen, dat ons duizend gouden napoleons buitgeld kan opbrengen.”
„Zeker, zeker,” hernam St. Luces met een tevreden glimlachje; „de vraag is maar, hoe wij het voor het schot krijgen. Ik ben reeds bezig mijne maatregelen te nemen, door naar Dresden te schrijven en de noodige volmachten te verzoeken, om ook het bestuur hier in den arm te kunnen nemen; wij, zoo als wij hier zijn, kunnen niets uitvoeren.”
„Dat is de weg niet, dien ik zou inslaan,” hervatte Beaucaire; „ik vrees, hij brengt ons geen stap verder, dan wij de eerste maal gekomen zijn. Wij hebben met bewoners van een bevriend land te doen, tegen wie men niet met gestrengheid handelen wil; anders had men reeds lang door moeder of zuster het verblijf van den broeder kunnen gewaar worden, daar het sprookje van het duel en de volstrekte onkunde der moeder omtrent het verblijf van den zoon toch al te ongerijmd waren, om daaraan geloof te hechten. Maar gesteld ook, dat zij het toenmaals niet kende, vroeger of later heeft zij het toch zeker moeten te weten komen. Had men dat dus door de beteekenis der vrouwen willen ontdekken, zoo ware niets ter wereld gemakkelijker geweest. Ik twijfel dus, of men ons de vereischte volmachten zal geven; en deed men het ook, zoo zou de zaak toch licht eene hatelijke opschudding kunnen te weeg brengen, voor wier gevolgen ik bij de verbittering, die, niettegenstaande het bondgenootschap des keizers en zijne betrekking tot het huis van Oostenrijk, hier nog altijd tegen ons heerscht, niet wil instaan. Echter dunkt mij, dat er nog wel andere middelen te vinden zijn, om achter het geheim te komen.”
„En die waren?” vroeg St. Luces opmerkzaam.
„Wij moeten slechts niet gierig zijn,” ging Beaucaire met een sluw, boosaardig lachje voort, „en van de duizend napoleons vijftig tot honderd door de vingers laten glippen, die de postmeester van dit stadje verdienen zou, ingeval hij ons alle brieven, die door beide vrouwen afgezonden worden of onder haar adres aankomen, ter vluchtige inzage overleverde. Denkt gij niet, dat ons heet mes het zegel van een meisjesbrief niet even goed zal losmaken, als de zorgvuldig gestempelde staatsstukken?”
„Ik vrees slechts, dat men ons reeds herkend heeft en op zijne hoede zal zijn!”
„Wie zou ons herkend hebben?” riep Beaucaire. „Het jonge meisje? Dat hadden wij dadelijk moeten bemerken; maar ik ben overtuigd, dat zij niet eens onze namen gehoord heeft, want toen wij voorgesteld werden, was zij te ver verwijderd, en van het oogenblik af, dat ik hoorde wie zij was, heb ik geen oog van haar afgewend.”
„Ook ik niet,” hervatte St. Luces; „maar juist aan hare houding, aan hare blikken meen ik te hebben waargenomen, dat zij, zoo ze ons al niet kent, dan toch eenige achterdocht tegen ons voedt, of naar eene herinnering zoekt, waarmede zij ons in verband wil brengen.”
„En al kenden de vrouwen ons ook, wat zou ons daar nog aan gelegen zijn?” riep Beaucaire uit.
„Zij zouden hoogst omzichtig zijn, hare brieven langs omwegen verzenden, wellicht zelve afreizen!”
„Laat haar! Hare omzichtigheid kan zich toch slechts tot de af te zenden, niet tot de aankomende brieven uitstrekken, en deze laatste zullen ons in allen gevalle meer licht geven dan de eerste, die wellicht onder een valsch adres verzonden worden. Dat toch zal de voortvluchtige ridder wel vooreerst beschikt hebben.”
St. Luces ging nadenkend op en neder.
„En zult gij,” vroeg hij eensklaps, „niet op de domme eerlijkheid van den duitschen beambte het hoofd stooten en ons beider goeden naam aan de kaak stellen?”
„Ik verbeeld mij, heer baron,” hervatte Beaucaire eenigszins geraakt, „u reeds eenige blijken gegeven te hebben, dat ik onderhandelingen wist aan te knoopen, waarbij nog meer op het spel stond. Wanneer ben ik zoo waanzinnig geweest ons vroeger bloot te geven, dan nadat ik van mijne partij zeker was?—Wees volkomen gerust, laat de zaak geheel aan mij over; ik zal wel middelen vinden, om den draad, waaruit ik den vangstrik voor onzen avonturier hoop saam te knoopen, fijn genoeg aan te leggen en uit te spinnen.”
St. Luces ging nog eenige malen besluiteloos het vertrek op en neder; eindelijk reikte hij zijnen vertrouweling de hand en zeide: „Mijnentwege dan; ik laat u begaan, ik wil u ook het grootste aandeel der belooning laten; doe slechts wat in uw vermogen is, om den roem van onze behendigheid staande te houden. Juist, wijl hier elk spoor verloren scheen en men ongaarne tot in het oogloopende, de gemoederen verbitterende dwangmiddelen de toevlucht zou nemen, is er mij veel aan gelegen, de zaak tot een gewenscht einde te brengen, teneinde mij daardoor tot nieuwe gewichtige ondernemingen aan te bevelen. Wij zijn nauw met elkander verbonden, vriend, want gij volgt mijne loopbaan schrede voor schrede. Klim ik opwaarts, dan neemt gij de plaats in, die ik openlaat, en gij kunt er op rekenen, dat ik u de hand zal toereiken om u op te trekken, eer iemand anders zich daar tusschen kan dringen.—Nog eens, ik geef de zaak geheel aan u over, maar trek mij ook geheel terug, wanneer zij eene onaangename wending mocht nemen.”
„Laat alles vrij op mij aankomen,” riep Beaucaire met eene nederige buiging; „ik haast mij het net uit te werpen, want wij hebben geen minuut te verliezen.”
Met deze woorden nam hij afscheid en keerde naar zijne kamer terug, om zich te kleeden. Hierop begaf hij zich op weg, om zijne taak te beginnen.
Zijn eerste werk was in een koffiehuis te gaan, om op de badlijst de woning der vrouwen, welke hij zoo arglistig wilde omspinnen, op te zoeken. Tevens knoopte hij een gesprek met eenige burgers aan, ten einde met het karakter van den postmeester eenigszins bekend te worden; wat hij hoorde, scheen zijne plannen uitermate te begunstigen.
Hij ging derhalve welgemoed naar het postkantoor om zijne onderhandelingen aan te knoopen. Tot zijn verdriet moest hij vernemen, dat de postmeester dezen zelfden morgen naar Dresden was vertrokken en er misschien veertien dagen zoude vertoeven. Dit naricht werd hem door een ouden schrijver gegeven, in wiens grijnzende trekken en fonkelende groene oogen Beaucaire een zeker iets waande te lezen, waarvan hij zich den besten uitslag voorspelde.
„Gij neemt waarschijnlijk de zaken inmiddels waar, mijnheer?” vroeg hij beleefd, „en wellicht kan ik mij tot u wenden om een dienst te verzoeken, waarvoor ik zeer dankbaar zijn zoude?” Bij deze woorden schudde hij den oude vriendschappelijk de hand en liet met behendigheid eenige goudstukken daarin nederglijden. Dit placht Beaucaire's doorgaande proefneming te zijn, wanneer hij den grond dien hij betreden wilde vooraf moest onderzoeken. Hij gaf, eer hij zeide waarvoor; wie in zulke gevallen aanneemt, zonder te weten of men werkelijk zijne moeite beloonen, dan slechts zijn geweten met goud tot zwijgen wil brengen, verraadt daardoor reeds, dat zijne rechtschapenheid te overwinnen is. Intusschen ging Beaucaire ook nog verder met behoedzaamheid te werk; hij verzocht eerst om de vroegere uitlevering zijner eigen brieven en gaf vervolgens, daar de oude zich gedurig geldzuchtiger toonde, al duidelijker en duidelijker zijne eigenlijke begeerte te kennen. Nog had hij zich niet volmondig verklaard, toen beiden door de aankomst van de brievenmaal gestoord werden. De beambte opende de lijst, waarop de adressen der aangekomen brieven waren aangeteekend; ook Beaucaire wierp een vluchtigen blik daarop, en las, door het toeval geleid, den naam Rosen.
Als een valk op de duif, schoot zijn roofgierige ijver op deze ontdekking los. De brandende begeerte, om den brief machtig te worden, deed hem zijne bedachtzaamheid een oogenblik uit het oog verliezen en driftig, maar fluisterend vragen: „Wilt gij mij dezen brief voor een kwartier overlaten, zoo zijn twintig goudstukken de uwe.” Tegelijk tastte hij in zijn zak, om het geld over te geven. De beambte hield zich alsof hij niets gehoord had, schoof den brief zachtkens ter zijde, ontving het geld met een heimelijken handdruk en tuurde met de grootste oplettendheid op het aktenstuk, dat nevens hem op de tafel lag. Beaucaire verstond dien wenk, greep haastig toe en maakte zich van den brief meester. Met verbazing zag hij aan het postmerk, dat hij uit het hoofdkwartier kwam. Onverwijld ijlde hij naar huis, trad met een triomfeerend gelaat in St. Luces' kamer en sprak: „Wat nu, heer baron, indien ik reeds de overwinning in de hand had, indien de sleutel van het geheim reeds mijn ware!”
„Onmogelijk!” riep deze en sprong driftig op. Beaucaire reikte hem den brief over; St. Luces las verbaasd het opschrift.
„Nu? Wat zegt gij? Deze brief zal ons dan toch wel eenig uitsluitsel geven?”
„Hoe zoo?” zeide St. Luces.
„Slechts geduld, wij zullen dadelijk zekerheid hebben,” hervatte Beaucaire en maakte zich gereed, den brief te openen. „Ziedaar dan!” juichte hij, met van boosaardige vreugde tintelende oogen, toen hij het blad uit den omslag getrokken en ontvouwd had: „„Uw getrouwe L.” de onderteekening.—Zijn dat sporen? Hebben wij den draad in handen?”
„Gij zijt inderdaad zeer gelukkig geweest,” sprak St. Luces; „echter zal uwe ontdekking ons weinig baten, want de vluchteling heeft zekerlijk een valschen naam aangenomen, de armee is een half millioen sterk en onder die menigte juist hem op te sporen, dien wij zoeken, tegen hem vervolgingen in het werk te stellen,—dat alles vereischt zulk een wijdloopigen omslag, dat ik er weinig geneigdheid toe gevoel.”
„Mijne ontdekking is zóó gelukkig,” hernam Beaucaire, „en ik ben zóó verheugd over de wijze, waarop ik bij den postmeester geslaagd ben, dat ik mij voorloopig daarmede tevreden stel. Wie weet echter, of de inhoud van den brief ons nog niet uitvoeriger berichten geeft.”
Hij zette zich neder en doorliep vluchtig den inhoud. Zijne trekken teekenden gestadig meer voldaanheid, drukten eene steeds toenemende boosaardige vreugde uit. Bij het slot riep hij: „Er blijft ons niets te wenschen over; want uit dit schrijven laat zich met zekerheid opmaken, dat de beide vluchtelingen bij de armee, en wel hoogstwaarschijnlijk bij het regiment van den graaf Rasinski staan. Ofschoon geen enkele naam in dezen brief voluit geschreven is, behoeft iemand, die de plaatsing der regimenten kent, geen oogenblik meer te twijfelen. Wij hebben dus niets meer te doen dan voor de aangifte te zorgen, en hoogstens hier nog de namen uit te vorschen, welke beide jongelieden vermoedelijk hebben aangenomen om onbekend te blijven. Bij mijne tegenwoordige betrekking met den postbediende is niets gemakkelijker, want wij behoeven slechts het antwoord af te wachten.”
St. Luces was inwendig hevig geërgerd, dat Beaucaire in deze ontdekking zoo voorspoedig geslaagd was, want de verdienste daarvan aan hem toe te schrijven, daartoe gevoelde hij niet de geringste neiging. Hij was echter listig genoeg, om uiterlijk hoegenaamd niets van zijne innerlijke gevoelens te doen blijken. Met rassche schreden wandelde hij de kamer op en neder en trachtte zich het voorkomen te geven, alsof de ijver, die men thans in het vervolgen der ontdekking moest aanwenden, hem geheel bezig hield. Heimelijk intusschen koesterde hij geheel andere gedachten, die op een tweeledig doel uitliepen. Tot welken prijs ook, wilde hij Beaucaire's ontdekking verijdelen, het liefst echter die aan zijne eigene belangen dienstbaar maken. Met het vriendelijkste gelaat van de wereld overstelpte hij hem dus met lofspraken, om hem daardoor elken argwaan te benemen. „Ik moet aan uwe talenten volle recht laten wedervaren, mijn lieve Beaucaire,” sprak hij. „Gij hebt in deze zaak met eene scherpzinnigheid en bedachtzaamheid gehandeld, die waarlijk voorbeeldeloos zijn. Gaarne beken ik, dat ik in het eerste oogenblik een kleine opwelling van verdrietelijkheid gevoelde, die nijd op uwe meesterlijke uitvoering van den gelukkigen inval in mij deed levendig worden. Beschouw dezen kleinen naijver, dien ik nu geheel bedwongen heb, als de waarachtigste lofspraak op uwe verdienste; zij is wellicht ook de vleiendste.”
Gelijk de sluwheid van alle schurken niet dan tot eene zekere hoogte gaat en het gansche kunstige weefsel hunner verstandsberekeningen eigenlijk slechts in eene verlengde domheid bestaat, daar de vaste grondslagen der rede en dus ook der zedelijkheid daaraan ontbreken, zoo vond ook Beaucaire's scherpzinnigheid hier hare grenzen, vermits zijne ijdelheid hem het oog verblindde, waarmede hij anders de dingen uit het juiste gezichtspunt wist te beschouwen, zonder zich licht door een valschen schijn te laten misleiden. St. Luces bezat echter ook in eene hooge mate de kunst, zijne gelaatstrekken in elke plooi te leggen, om den overtuigenden toon der welmeenende waarheid aan te nemen en daardoor zelfs hen te bedriegen, die reeds getuigen geweest waren, hoe hij die zelfde wapenen tegen anderen gebruikt had. Beaucaire kon niet nalaten, nog een tijd lang praalzuchtig, hoewel met de uitdrukking en vormen der bescheidenheid, op zijne geslepenheid en de snelle uitvoering van zijn heerlijken inval terug te komen. St. Luces' ongelijk scherpzichtiger blik drong tot den bodem van zijn hart door; des te veiliger kon deze hem dus in zijne verblinding versterken en hem door de vleiendste verzekeringen in slaap wiegen.
Daar in deze aangelegenheid voorloopig niets verder te ondernemen was en men vóór alles den brief aan het postkantoor moest terugbezorgen, wilde men in het vervolg niet van deze hulpbron verstoken zijn, nam Beaucaire dit laatste op zich en ijlde, nadat hij den omslag weder verzegeld had, naar den beambte, aan wien hij het toevertrouwde pand onopgemerkt overhandigde.
St. Luces bleef in gedachten verzonken aan het venster staan en overlegde, hoe het aan te leggen, om de pogingen van zijn lastigen mededinger te verijdelen en tevens de verdiensten van diens ontdekking zich zelf toe te eigenen.
HOOFDSTUK VIII.
Terwijl Maria met angst en bezorgdheid aan het bed der kranke moeder zat, vermoedde zij niet, dat boosheid en hebzucht samenspanden, om haar nieuwen kommer te bereiden. Ach, en al had zij het ook geweten, dan zoude haar toch de naaste zorg haar de meer verwijderde hebben doen vergeten; want onder overstelpend lijden is de zwakheid der menschelijke borst hare eenige redding, daar zij, hoe de vloeden des jammers ook op haar mogen aandringen, slechts eene zekere mate daarvan bevatten kan. Het overige verdwijnt in de wijde ruimte van het heelal als de klank en het licht, die oog en oor aanraken, zonder daarin door te dringen. Maria's innig, stom gebed was de oprichting van hare moeder. Als een beschermende engel zat zij aan hare legerstede en weerde alles, wat de kranke vijandig naderen kon, met zachte vastheid, met onvermoeide volharding af. Doch in den raad des Eeuwigen was het anders besloten.
De moeder had een geruimen tijd met een smartelijk lachje om de lippen op het kussen achterover geleund, gelegen. Maria's opmerkzaam oog bespeurde reeds lang een heimelijken strijd in de trekken der kranke; herhaalde malen had zij naar de reden gevorscht en de moeder gevraagd of zij pijn voelde, doch telkenreize had deze zulks door stomme wenken of door een zacht neen ontkend. Thans fluisterde zij plotseling: „Mijne dochter, ik voel.... het zal ras voorbij zijn,.... ik zal het niet te boven komen. Een geheim voor u en Lodewijk,.... uw vader,.... de papieren in de geheime lade mijner schrijftafel,.... ach mijne dochter, in uw armen....!”
Na deze, met de grootste inspanning geuite woorden breidde zij hare armen vol verlangen naar haar kind uit. Een krampachtige hoest trok hare borst samen; zij trachtte zich met behulp van Maria, die haar weenende omarmd hield, omhoog te richten. Deze greep, terwijl zij met de rechterhand de moeder ondersteunde, met de linker naar de schel, die aan het bed stond, en schelde driftig. „De dokter! de dokter!” riep zij ademloos, toen vrouw Holder intrad, en deze ijlde haastig weder terug, om dien te ontbieden.
„O moeder, moeder, verlaat uwe dochter niet,” dit waren de eenige woorden, welke zij vermocht uit te brengen. De kranke was door de kramp te benauwd om te kunnen hooren, veel minder kon zij antwoorden. Zoo verstreken eenige minuten in den vreeselijksten angst voor Maria, die alléén, zelve bijna hulpbehoevende, alle inspanning harer ziel noodig had, om niet door den aanblik van het lijden der dierbare moeder en de eigene hartverscheurende smart ongeschikt tot den bijstand te worden, dien zij aan de kranke verleenen moest. Eindelijk nam de stuip af, maar slechts om voor eene andere plaats te maken, die de oplossing verhaasten moest. Een hevige bloedbraking gaf der gekwelde lucht; met deze zwijmden hare laatste krachten en zij zeeg bleek en roerloos op het kussen achterover.
Sidderende, een beeld der vertwijfeling, met stomme, onophoudelijk vlietende tranen, zat Maria aan de legerstede en zag met benevelde blikken, hoe de dierbaarste ziel welke zij op aarde bezat zich aan het stoffelijk hulsel ontworstelde. De moeder staarde nog slechts mat en kwijnend, maar toch met innige liefde en vriendelijkheid uit half gebroken oogen de achterblijvende aan. De borst werd door den zachten, slependen adem nauwelijks meer bewogen; de doodskramp wilde de lippen smartelijk samentrekken, maar werd overwonnen door een stil lachje, de weerglans van het namaals in de reeds brekende, sterfelijke borst. De vlottende ziel behoorde reeds ten halve aan de zalige kringen van eeuwig licht, waar zij haar oorspronkelijk vaderland zoude wedervinden.
Nog één mat glanzende blik der liefde, en het oog brak; Maria rees bevende op en boog zich over het bleeke gelaat, om nog één ademtocht op te vangen; te vergeefs, hij was ontvloden;—geen teeken des levens was op de verstijvende trekken meer te bespeuren.
Het was beslist; zij was eene wees en stond nu eenzaam en alleen op de wereld.
Eenige minuten zat zij versteend, alléén met de droefheid, wier ganschen vreeselijken omvang zij nog niet overzien konde. De eersten, die deze doodsche stilte afbraken, waren de geneesheer en vrouw Holder. „Wij komen te laat,” riep de eerste uit, zoodra hij een vluchtigen blik op het leger had geworpen, „ik vreesde het wel, hier was geen hulp meer mogelijk!” Deze woorden deden Maria uit haar doffe, gevoellooze bedwelming ontwaken. Zij richtte zich tot de bedroefde, weenende vrouw Holder, en wilde haar stil en zacht zeggen: „Mijne moeder is dood!” doch met ieder woord sloeg de smart heviger tonen aan en eindigde in een luiden angstkreet, waarmede zij der toesnellende in de armen zonk. Deze heftige gemoedsbeweging, de uitbarsting der zoolang met kracht beteugelde gewaarwordingen, die thans de te zwakke banden doorbraken, was echter niet van langen duur. Weldra hield de stroom der droefheid op woest tusschen de oevers voort te bruisen, en vlood weder met meerdere kalmte in de diepe bedding daarheen.
Maria liet zich de zorg niet ontnemen, ten minste zij wilde die niet aan vrouw Holder alleen overlaten, om de afgestorvene op een schoon rustbed over te brengen en haar in een eenvoudig, maar zindelijk doodkleed te wikkelen.
Zij ontvlood hare droefheid niet, gelijk zwakke zielen gewoon zijn, maar bekende, dat deze haar thans boven alles dierbaar, dat het haar eenige, ware troost was, zich geheel, zoowel uit- als inwendig, daarmede bezig te houden.
Elke diep gevoelende ziel heeft hare smart lief en smaakt dan alleen eene weemoedige vreugde, wanneer zij zich onverdeeld daaraan kan toewijden. Zij ontvliedt de verstrooiingen des levens, daar zij weet, dat die schijnbeelden van vroolijkheid en geluk, waarmede men zich kan omgeven, in zulke dagen slechts de vreugde huichelen, dat naast deze blinkende leugen de sombere gestalte der waarheid oprijst en de begoocheling doet wijken. Het leven toch gelijkt een spiegel; wie daar vóór treedt, ziet slechts zich zelven; al de bekoorlijke beelden op den achtergrond zijn enkel schijn en eeuwig ongenaakbaar voor hem, die ze niet in den eigen boezem omdraagt.
De beide dochtertjes van de vrouw des huizes, Anna en Therese, traden binnen toen Maria het kleeden der moeder juist voleindigd had. In witte lakens gehuld, lag deze op de baar; het gelaat was zacht en kalm, zonder eenige smartelijke uitdrukking; een stil glimlachje speelde om de lippen.
De kinderen droegen een korfje met bloemen, dat de moeder haar gegeven had, om het leger der doode daarmede op te sieren. Anna, de oudste, zoude deze taak volbrengen, doch het arme kind snikte luid en kon geen woord uitbrengen; Therese daarentegen riep met schuldelooze vreugde: „Zie eens, tante, die fraaie bloemen zijn alle voor u.”
Maria beschouwde de kleinen met een weemoedig lachje. Zij kuste de oudste en drukte haar zacht weenend aan het hart; vervolgens nam zij de kleine Therese, die de handjes vol verlangen naar haar uitstrekte, op den arm, liet zich door het lieve wicht met liefkozingen overladen en verborg haar betraand gelaat in die vleiende omhelzing. Ook het kind begon thans te weenen, daar de droefheid der anderen haar angstig maakte. Maria bracht het met troostende woorden tot bedaren en zeide: „Schrei niet, mijn engel, zie, ook ik ben weer vroolijk; kom, wij willen de bloemen nemen en moeders bed bestrooien. Ziet gij wel, hoe gerust zij slaapt?”
Het kind werd weder rustig en sprak: „Ik zal u helpen, tante.”
„Ja, dat zult gij ook, Therese, gij zult mij de bloemen toereiken.” Zij gaf hierop aan de kleine het korfje over, die het naast zich neerzette en haar de bloemen een voor een met de mollige handjes overgaf. Anna hielp het leger der ontslapene daarmede versieren; het vrome werk werd bijna zonder spreken voortgezet; slechts nu en dan maakten de onschuldige vragen en kinderlijke uitroepen der kleine Therese een vriendelijken wenk van Maria noodzakelijk.
De afgestorvene lag nu in een sneeuwwit gewaad, met bloemen omgeven, op het doodbed; de laatste treurige plichten had Maria aan haar vervuld. Stom, met neergezonken, saamgevouwen handen stond zij in ernstige mijmering aan de baar en vestigde haar oog op het moederlijke gelaat. Nog zweefde de adem des levens over de kalme trekken, nog was het niet dat koude versteende masker der dooden, nog scheen zij in een zachten sluimer verzonken te zijn, waaruit zij elk oogenblik weder ontwaken kon. Het kwam Maria eene poos geheel onmogelijk voor, dat de band van vereeniging nu voor altijd was afgebroken, dat dit oog haar nimmer weder vriendelijk aanblikken, die mond haar nooit weder vriendelijke woorden toespreken zoude. Eensklaps beving haar een hevige angst en beklemdheid; zij moest naar buiten, moest de vrije lucht inademen. Haastig nam zij de kinderen bij de hand en sprak: „Laat ons een weinig in den tuin gaan, de zon schijnt zoo schoon.” Zij gingen.
Toen Maria de deur opende, stonden twee vrouwelijke gestalten voor haar, die zij, daar de smart haar van alles vervreemdde, niet dadelijk herkende, maar verrast en onzeker aanstaarde. Het waren de gravin en Lodoiska, die, om de gisteren aangeknoopte kennis voort te zetten, een eerste bezoek bij Maria en hare moeder wilden komen afleggen.
Nog meer dan Maria over de komenden, ontstelden deze op het gezicht der bleeke, wankelende gestalte; doch die wederkeerige bevreemding duurde slechts eenige seconden, daar het meisje op de vraag der gravin: „Mijn God, wat is u overkomen?” met eene zwakke stem antwoordde: „Gij treedt in een huis der droefheid! Eene wees staat voor u!” Overweldigd door haar gevoel, zonk zij half bewusteloos in de geopende armen, welke de gravin medelijdend naar haar uitstrekte. Met warmte drukte deze het in stomme smart aan hare borst rustende meisje een kus op het voorhoofd en sprak troostend: „Wees mijne dochter!”—„En mijne zuster!” fluisterde Lodoiska en greep Maria's nederhangende hand.
O, hoe weldadig, hoe zacht drongen deze vertroostende stemmen van deelnemende, gevoelige zielen, die de hemel der treurende in het oogenblik van hare diepe eenzaamheid op aarde toezond, in het verscheurde, bloedende hart! Hoe had dit ééne warme oogenblik den kouden ijzeren grensmuur, dien het leven dikwijls zoolang tusschen de menschen doet standhouden en waardoor zij somtijds voor altijd van elkander verwijderd blijven, bijna geheel doen verdwijnen. Jaren in gemeenzamen, onbeduidenden omgang met elkander doorgebracht, verbinden niet zoo vast en innig, als eene enkele diep treffende ontmoeting, waarbij de menschelijke ziel, in het verhoogde gevoel der nietigheid van al het uiterlijke en toevallige, slechts haars gelijken zoekt en slechts in de liefde de waarheid erkend. Op den helderen stroom der vreugde vloeien de zielen der menschen inéén; nog inniger echter op den donkeren vloed der smarte en des lijdens.
Zoo waren de drie vrouwen in deze weinige minuten voor haar leven verbonden, en Maria besefte met helder inzicht de eerste zegening, die God den mensch uit droeve rampen bereidt, deze namelijk, dat zijne ziel rijker in en vatbaarder voor liefde wordt.—De beklemde, gejaagde toestand, waarin zij nog immer verkeerde, vorderde, dat zij, eer zij de nieuwe moederlijke en zusterlijke vriendinnen aan de baar bracht, eenige malen den tuin op en neder ging, om hare kalmte te herwinnen.
Toen de ernstige, vertrouwen inboezemende toespraak der gravin en Lodoiska's teedere zusterliefde hare treurende borst op deze wandeling met zulk een zoeten troost vervulden, kwam het haar eensklaps als bijna misdadig voor, dat de geringste schuilhoek van haar hart voor háár verborgen zoude blijven, wier liefde zich op zulk een roerende wijze openbaarde. Het besluit, aan beiden mede te deelen, wat Rasinski voor den geliefden broeder gedaan had, werd haar eene dringende behoefte. „Ik kan,” sprak zij en zij sloeg haar open, blauw oog vertrouwelijk tot de gravin op, „ik kan het denkbeeld niet verdragen, dat ik eener zoo edele vrouw half versluierd, met argwaan en achterhouding onder de oogen treed. Gij hebt mij naar mijn broeder gevraagd: o, gij kent hem, want in uw huis vond hij als Lodewijk Soren met zijne vriend Bernard de liefderijkste toevlucht.”
„Hoe?” riep de gravin verbaasd; „die jonkman, die door zijn mannelijken, ernstigen aard ons allen zoo aantrok, was dat uw broeder?”
„Hij is het; maar zulks moet het diepste geheim blijven,” sprak Maria, en verhaalde hierop den ganschen samenhang der omstandigheden, waardoor Lodewijk in zijn zonderlingen toestand was verplaatst geworden. Hierbij noemde zij ook de namen St. Luces en Beaucaire, waarop de gravin, die voor alle ontmoetingen een opmerkzaam oog had, haar dadelijk aan de beide vreemden van gisteren herinnerde en de slechts al te gegronde bezorgdheid te kennen gaf, dat juist deze de gevaarlijke mannen zijn konden. Thans viel Maria ook te binnen, wat Arnheim haar gisteren gezegd had, en dat was genoeg om haar elken twijfel te benemen. Zij zag, na haar deze mededeeling gedaan te hebben, de gravin angstig en vragend aan. „Men mag den moed niet verliezen,” sprak deze, „en moet hoogst omzichtig zijn. Schoon ik, als Poolsche, den keizer der Franschen met geestdrift vereer en Frankrijk als onzen reddenden bondgenoot beschouw, ken ik toch alle verdrukkingen en gruwelen dier ter beheering van vijandelijke landen gebruikte beambten, die, noch soldaten, noch mannen van moed, ook mannelijken moed niet waardeeren en slechts over machteloozen weten te zegepralen. Tot dezulken kunnen uwe vijanden wellicht ook behooren. Voorzichtig dus, meidlief!—Hoe verzendt gij uwe brieven?”
„Onder het opschrift aan den graaf Rasinski,” hervatte Maria niet zonder te blozen.
„Goed,” vervolgde de gravin haastig, zonder op Maria's verwarring acht te slaan; „maar misschien is dit nog niet voldoende. Geef mij uwe brieven. Ik ken vele officieren van 't regiment, dat mijn broeder aanvoert. Ik kan van adres verwisselen en het toch zoo inrichten dat mijn broeder de brieven opent. Door mij dus, lieve, voert gij in het vervolg uwe briefwisseling.”
Onder dit gesprek was men in huis teruggekeerd en Maria geleidde de beschermster en de vriendin, welke zij gevonden had, naar het ontzielde hulsel van haar, in wie zij beide verloor.
In diep stilzwijgen stonden de drie vrouwen om de baar. Maria leunde zacht op de innig ontroerde Lodoiska en weende stil aan hare borst.
„Hoe vriendelijk is dat gelaat,” sprak de gravin en leide hare hand op het voorhoofd der doode, om het haar nog een weinig op zijde te strijken. „Hoe zacht moet de ziel uit dat lichaam gescheiden zijn! Hoe kalm, hoe vroom, hoe rustig!”
„O zij was zacht als de avondzon!” sprak Maria; „gelijk deze ging zij onder, en in dit kalme, vriendelijke gelaat schemert het avondrood harer ziel uit de schoone wereld, waarin zij nu is overgegaan, nog in deze terug. Spoedig echter zal zij in den langen, stikdonkeren nacht neerzinken, die haar voor eeuwig aan ons oog onttrekt.”
Therese en Anna huppelden binnen en hielden een brief in de hand. Hij was van Lodewijk; dezelfde, dien Beaucaire voor een uur met misdadige handen geopend had.
„Van mijne broeder aan mijne moeder,” sprak Maria en barstte opnieuw in tranen uit.—„Ach, die arme Lodewijk! Hij wist niet, dat zij, aan wie hij zijne woorden richtte, die niet meer vernemen zal! Voor zijn leven beefden wij, daar hij door duizend gevaren omringd is, en wie weet of hij ons beiden niet overleeft. O, dan zou ik hem diep beklagen!——Maar neen! Zulk eene beproeving zal God ons niet toezenden,” ging zij na eenige oogenblikken met een verhelderd gelaat voort; „hij zal ons niet scheiden. Zijne vertroostende engelen zullen mij staande houden, de beschermende over mijn broeder waken.”
De gravin deed thans aan Maria den voorslag, het sterfhuis te verlaten, om met haar mede te gaan en bij haar in te wonen, ten einde niet geheel eenzaam in de nu zoo treurige woning achter te blijven, maar eene vertrouwde borst te hebben, waaraan zij hare droefheid kon uitweenen. Met dankbaarheid nam de verlatene dit aan, daar zij voor den eersten eenzamen nacht angstig terugbeefde. Lodoiska, die de smart geheel met haar deelde, doch zich, daar zij de gezegende gaaf der mededeeling miste, dan het minst uitte, wanneer haar hart het volst was, bleef nog bij de nieuwe vriendin terug, om haar in eenige noodzakelijke toebereidselen behulpzaam te zijn. De gravin begaf zich naar huis, om aanstalten tot hare ontvangst te maken.
Maria bracht intusschen hare kleine bezitting in orde, koos eenige weinige boeken, kleederen en papieren uit, welke zij naar de nieuwe woning wilde medenemen, en hulde zich vervolgens in het nog voorhanden zijnde rouwgewaad. Toen zij verkleed uit het zijvertrek te voorschijn trad, was Lodoiska inderdaad verbaasd over de zachte verhevenheid harer edele gestalte. Vroeger was zij enkel beminnelijk en schoon geweest, slechts aanvalligheid had haar voorkomen de innemende bekoorlijkheden verleend, waardoor zij ieder zoo onwederstaanbaar boeide; thans echter scheen zij eene treurende vorstin te zijn, zoozeer werd hare schoonheid door de ernstige kleeding en houding, alsook door de diep smartelijke uitdrukking harer gelaatstrekken geadeld.
Met hartelijke kussen en tranen nam Maria van de beide kleinen, met warme dankbaarheid van beider moeder afscheid en begaf zich, het gelaat door een zwarten sluier voor de lastige nieuwsgierige blikken der menigte bedekt, aan de zijde harer jonge, ernstige vriendin op weg naar hare nieuwe woning. Onder het gaan was het haar, als moest de bewustheid haar verlaten, daar zij thans de lieve plaats vaarwel zeide, waar zij nog voor eenige uren de stem harer moeder gehoord, haar vriendelijk oogwenken gezien had. En nu alles zoo stil en stom en doodsch!
In de huisdeur stond vrouw Holder met haar beide meisjes. De goede vrouw reikte Maria nogmaals de hand, terwijl zij zich met het voorschoot de tranen uit de oogen wischte. Anna verschool zich schuw en treurig achter de moeder; maar de kleine Therese hief met zoet gevlei hare armpjes naar Maria omhoog en riep: „Tante, kom toch gauw weer te huis!”
„Spoedig, spoedig, recht dikwijls, mijn lief kind!” sprak Maria met eene in tranen gesmoorde stem, en drukte de kleine onstuimig aan hare borst. Eindelijk reet zij zich los en ging met rassche schreden voort, om hare uitgeputte krachten als met geweld op te richten.
HOOFDSTUK IX.
Op den vroegen morgen van den derden dag werd de ontslapene ter aarde besteld. Slechts Maria, de gravin, Lodoiska en vrouw Holder waren tegenwoordig, toen men haar neerliet in den somberen grafkuil. Maria toonde zich ernstig, bedaard; zij rechtvaardigde de vrees der gravin niet, die haar dringend gesmeekt had, de treurige plechtigheid niet bij te wonen. Hare even standvastige als zachte ziel wist zich aan het gebeurde, aan het onvermijdelijke weldra met kalmte te onderwerpen; alleen de twijfel, de zorg, de vrees voor het komende schokten haar zoo hevig. Voor de dreigend opgeheven hand van het lot sidderde zij; was de verpletterende slag echter gevallen, dan kampte zij met zedelijke sterkte, met onwrikbaar christelijk geloof tegen het vernietigend geweld.
Ofschoon den ganschen dag ernstig en somber, nam zij toch met stille vriendelijkheid aandeel in het gesprek. Eerst toen de zon reeds in haar roodachtigen gloed achter de blauwe bergen stond en de weemoed der avondstilte zich over het landschap verbreidde, toen eerst werd ook zij week en vergoot zij bittere tranen. Zij kon den aandrang, die haar naar de moederlijke rustplaats dreef, niet langer weerstand bieden; de troostende vriendinnen wilden haar verzellen, maar zij smeekte, dat men haar alleen zoude laten gaan. „Gelooft niet, dat deze gang mij dieper zal neerbuigen, neen, hij zal mijn hart opbeuren, mijne beklemde borst door tranen verlichten. Mijne wonden moeten vrij uitbloeden; wellicht zijn zij doodelijk; zij worden het echter zeker en sneller, wanneer gij de pijn er van gewelddadig in mijn binnenste wilt terugpersen. O, ik zal troost vinden op het graf mijner moeder!” Zij ging.
Het graf was met frissche zoden bedekt; nog had het geen ander versiersel. Het kerkhof lag eenzaam, vredig, door hoog geboomte overschaduwd. Maria zette zich op den kleinen terp neder en zag peinzend voor zich neer, terwijl stille tranen langs hare wangen neervloeiden. Eensklaps deed het naderen van een mannelijken tred haar opzien; zij ontwaarde St. Luces, die recht op haar toetrad.
Onaangenaam, bijna hatelijk door zijne nabijheid gestoord, rees zij op, beantwoordde zijn eerbiedigen groet met eene lichte, angstvallige buiging en wilde het kerkhof verlaten. Hij volgde haar echter met rassche schreden en sprak haar aan.
„Vergeef mij, wanneer ik uwen rouw gestoord heb;—het toeval voerde mij herwaarts, ik had u niet vroeger herkend, anders zou ik mij eerbiedig verwijderd hebben.”
St. Luces loog met tong en oog even behendig; even geveinsd toch als deze woorden, waren ook zijne schijnbaar verlegen blikken en de kunstig gehuichelde droefheid op zijn gelaat. Reeds sinds drie dragen bespiedde hij namelijk op elke mogelijke wijze eene gelegenheid, om Maria te spreken. Het bericht van den dood der moeder was hem uiterst welkom; want deze begunstigde zijne misdadige plannen. Maria's betooverende schoonheid had, zoodra hij haar de eerste maal zag, zijn ontaarden, lagen hartstocht doen ontvlammen. Op de aan alle ellendelingen zoo eigen kunstgreep steunende, om, door van den benarden toestand van anderen gebruik te maken, hun het uiterste af te persen, ontwierp hij dadelijk het helsche plan, om eerst den angst der zuster door de voorstelling van het gevaar, dat den broeder bedreigde, ten top te voeren, ten einde zich vervolgens door het beloven van redding—aan het nakomen was hem weinig gelegen—van hare gunst te kunnen verzekeren. Uit dien hoofde stond Beaucaire's hebzuchtige regelrecht op het doel uitloopende list hem zoo hevig tegen de borst. Nog meer verbitterd zou hij geweest zijn, wanneer hij vermoed had, dat deze zijn medeminnaar was en met meer stoutheid, maar juist daarom ook met min kunstig verfijnde boosheid hetzelfde doel nastreefde.
St. Luces wilde een heimelijken minnehandel aanknoopen; hij berekende, dat het verteederde hart eener treurende het meest vatbaar is voor den troost, die eene gehuichelde deelneming aanbiedt; met één woord: hij wilde Maria doen vallen, maar niet zonder haar gelegenheid te geven, om hare zwakheid door eene soort van heiligen schijn te verhullen, daar hij aan hare gunst de redding des broeders dacht te verbinden.
Beaucaire had hetzelfde plan, doch ruwer; met het zwaard des beuls boven het hoofd van den broeder wilde hij de radelooze zuster in zijne armen drijven. Hem was het slechts om zinnelijk genot te doen, en aan den afschuw, dien hij zijn offer inboezemde was hem hoegenaamd niets gelegen.
St. Luces meer beschaafd en door vele dergelijke ontmoetingen zijns levens, waarbij hem zijn zeer innemend voorkomen, want in zijne jeugd was hij inderdaad een schoon man geweest, steeds grootelijks te stade was gekomen, in eene hooge mate verfijnd en geslepen, berekende, dat de waarde van eene zoodanige verbintenis door de wederkeerige neiging van het vrouwelijke gemoed oneindig verhoogd werd. Hij wilde daarom zijn masker eerst dan afwerpen, wanneer volkomen verzadiging en bevrediging zijner driften hem het voorwerp, dat die thans zoo hevig deed ontvlammen, ten eenenmale onverschillig deden zijn. Beaucaire en St. Luces hielden deze plannen natuurlijk allerzorgvuldigst voor elkander verborgen; en inderdaad, geen hunner vermoedde het opzet des mededingers, deels dewijl zij een geheel verschillenden weg insloegen, deels ook, wijl de een den ander niet voor sluw of boosaardig genoeg hield, om zich den ingewikkelden toestand der zaken zoo dadelijk ten nutte te maken. Beaucaire deed onvermoeide nasporingen, om het verblijf van Lodewijk bij de armee, en den naam, dien hij thans voerde, met zekerheid te weten te komen. Zich als de mierenleeuw in zijn duister hol schuil houdende, loerde hij slechts op een brief van Maria aan haren broeder, om dien met zijne uitgestrekte grijptangen naar zich toe te sleepen. Dan wil hij der ongelukkige onder de oogen treden, haar door het Medusahoofd zijner ontdekking versteenen en zoo de machtelooze aan zijne driften opofferen. De dood der moeder was dus ook hem welkom geweest, daar hij met grond vermoeden kon, dat Maria den broeder dadelijk of ten minste binnen weinige dagen van dit voorval bericht zou toezenden. Hij had derhalve geen geld ontzien, om den schurkachtigen postbeambte opmerkzaam te maken. Ditmaal echter had hij het vruchteloos verspild, wijl Maria's brief reeds lang door de gravin was verzonden, die hem aan een naar Dresden vertrekkenden landsman had medegegeven, om hem daar op de post te doen. Van het opzet van St. Luces, die hem met vleierijen en vriendschapsbetuigingen overlaadde en daardoor te meer in zijn ijdel, licht te misleiden zelfvertrouwen versterkte, vermoedde Beaucaire niet het geringste en sloeg dus ook weinig acht op de wandelingen, welke deze, òf onder eenig waarschijnlijk voorwendsel òf geheel buiten zijn weten, dagelijks ondernam.
Het was thans de eerste maal, dat St. Luces Maria alleen vond. Op zijne verontschuldiging, voegde zij hem eenige koele woorden toe en wilde zich verwijderen; doch hij hield zich, alsof hij zulks niet bemerkte, en dwong haar te blijven door haastig het gesprek te hervatten. „Hoe arglistig weet het lot ons somwijlen te treffen! Wie had kunnen vermoeden, dat gij, van het genoegelijk uitstapje vroolijk terugkeerende, zóóveel ongeluk en jammer in uwe woning zoudt vinden! O geloof mij, de slag die u trof, heeft geen hart ongeroerd gelaten; nog keert de gedachte, het gesprek telkens weder daarop terug, en er is zeker geen oog in deze, met vreemdelingen vervulde plaats, dat u niet een stillen traan van medelijden heeft gewijd.”
Maria rilde; daar zij wist, welken invloed St. Luces op het lot haars broeders had uitgeoefend, vervulde zijne nabijheid haar met eenige huiverige angstvalligheid. Echter trachtte zij bedaard te blijven.
„Ik weet het,” sprak zij na eenige minuten, „dat de plotselinge dood mijner moeder opzien heeft verwekt, te meer, daar deze met een voorval in verband stond, dat velen verschrikt heeft. Doch juist dat opzien moet mij smartelijk zijn, daar de treurende het liefst de ongestoorde eenzaamheid opzoekt.”
St. Luces verstond de bedoeling der laatste woorden zeer goed; slechts wilde hij ze niet verstaan en wist zijn innerlijken spijt volkomen te beheerschen. „Voorzeker,” sprak hij; „echter is niet altijd dat, wat de kranke begeert, hem heilzaam; eenige oogenblikken moest gij toch afzonderen voor hen, die waarlijk uwe vrienden zijn.”
Hij zweeg; ook Maria deed zulks.
„Het is bijna donker geworden!—Het schijnt mij plicht, u te herinneren, dat gij in dit uur nauwelijks alleen naar de stad kunt terugkeeren,” begon St. Luces opnieuw.
„Gij hebt gelijk, ik had reeds moeten gaan,” sprak Maria beleefd, groette en ging.
Nauwelijks had zij het hek van de begraafplaats bereikt, of zij hoorde zijne schreden opnieuw achter zich.
„Ik ben in tweestrijd geweest,” sprak hij haastig, „of het mijn plicht was, u ongevraagd de volle waarheid te zeggen, of ik gronden heb, die dringend genoeg zijn om mijne tusschenkomst in de zaken van geheel vreemde personen te rechtvaardigen. De beslissing luidt: ik moet spreken. Weet dan, ik kwam niet bij toeval hier; ik zocht u op. Ik weet, dat iemand, die u hoogst dierbaar is, in gevaar verkeert, dat men op het punt is van zijne verblijfplaats te ontdekken, die op dit oogenblik wellicht reeds ontdekt heeft. Gij kondt door onvoorzichtigheid in de droevigste onaangenaamheden gewikkeld worden—een gevoel,” hier sloeg hij het oog als verward ter aarde, „dat slechts jongeren plegen te kennen, dat mij echter van het eerste oogenblik, dat ik u zag, doordrong, waarvan ik geen meester ben.... dwong mij.... ik vrees tot eene schending van mijn plicht. Meer mag ik niet doen.... wees op uwe hoede!”
Met deze woorden keerde hij zich om en wilde haastig voortsnellen. Maria, die hem met angstige verbazing had aangehoord, riep hem na: „Om Gods wil, verklaar u duidelijk. Ik smeek u dringend!”
St. Luces stond stil; hij scheen met zich zelf te kampen. Eindelijk keerde hij terug. „Duidelijker? Is het niet genoeg, dat gij mij verstaat? ik kom aan mijne plichten te kort .... en toch, als ik uwe tranen zie, hoe kan ik weerstand bieden!” Hij trad nader op Maria toe en greep hare hand, die zij hem noch toereikte, noch waagde terug te trekken.
Op hetzelfde oogenblik ruischte het in de struiken dicht nevens hen en Benno trad te voorschijn. Maria's bleek gelaat werd door een donkeren schaamteblos overgoten, daar zij op deze eenzame plaats alleen en in eene zoo vertrouwelijke houding met den vreemde verrast werd. Zij vermoedde niet, dat Benno haar goede engel zijn zoude; want in de verrassing ware het St. Luces wellicht gelukt, haar vertrouwen te winnen en haar daardoor nog dieper in het verderf te storten.
Benno was zelf nog te jong en onschuldig, om uit dezen lichten schijn eenigen krenkenden argwaan op te vatten. Zijne dichterlijke droomen hadden hem naar de rustplaats gevoerd, waar zoo menig vroeg ontslapen vriend den eeuwigen morgen verbeidde. Toen hij Maria gewaar werd, van wier treurig verlies ook hij reeds onderricht was, trad hij met diepe aandoening op haar toe en sprak haar aan. „O dat ik u hier moet wedervinden na dien schoonen, onvergetelijken dag; wie had dat kunnen denken!” Ook hij greep, zijne ontroering geen meester, hare hand en drukte ze met warmte aan zijne lippen. Het was Maria, of haar een sluier van de oogen en een zware last van het hart zonk, toen zij Benno's natuurlijk medelijden met St. Luces' geveinsde deelneming, de heilige, eenvoudige trekken der waarheid met het gekunstelde masker der huichelachtige logen vergelijken kon. Het onderscheid tusschen beiden was niet meer te miskennen. Een zachte handdruk was het eenige antwoord, dat zij geven konde, het dankte den jongen vriend voor zijne deelneming en zijne argeloosheid tevens. Een enkele blik toch op zijn open gelaat had haar ten volle overtuigd, dat niet de geringste schijn van achterdocht in zijne schuldelooze ziel was opgerezen.
„Het is laat.... ik moet gaan,” sprak zij na eenige oogenblikken en wilde zich verwijderen.
„Het is zoo laat, dat ik u onmogelijk alleen kan laten gaan,” riep St. Luces, en Benno voegde er met de zuiverste welwillendheid bij: „Voorzeker, wij willen u geleiden.”
Maria voelde zich verruimd, toen deze liefderijke beschermengel haar op zijde trad; op St. Luces trekken werd de vroeger reeds met moeite verheelde spijt over des jongelings tusschenkomst zoo duidelijk zichtbaar, dat het meisje gedurig meer recht meende te hebben, om aan de zuiverheid zijner bedoelingen te twijfelen.
Bijna zonder te spreken, wandelde men naast elkander voort. Maria haastte zich naar huis te komen. Toen men zich weder in de eerste straat der voorstad bevond, haalde een onbekende hen van achteren in, wierp een vluchtigen blik zijwaarts, groette en sprak onder het voorbijgaan: „Bonsoir Monsieur de St. Luces!” Deze zag verrast op; het was Beaucaire.
Men had het hôtel bereikt, waar de gravin woonde; Maria nam met een stommen, verlegen groet afscheid van hare geleiders. In huis gekomen, verhaalde zij dadelijk, wat haar bejegend was. De gravin koesterde denzelfden argwaan tegen St. Luces en vermeerderde dien nog door verschillende, niet onbelangrijke opmerkingen, waaruit men het voorbedachtelijke zijner handelwijze met zekerheid kon opmaken.
De klok der Slotkerk had juist tien geslagen en de vrouwen wilden zich, naar het gebruik der badplaats, reeds ter rust begeven, toen met drift aan de huisdeur werd gebeld. De bediende bracht een brief boven, dien een onbekende had afgegeven. Het opschrift luidde aan Maria. Zij opende en vond slechts een blad met de woorden:
„Wacht u voor den heer St. Luces!
Uw Vriend.”
Wie was de raadselachtige waarschuwer? Te vergeefs beijverden de vrouwen zich het te raden; de eenige, op wien zij gissen konden, was Benno. En toch, wat zou hij weten of vermoeden?
Vol nieuwe, bange zorgen legde Maria zich ter rust; maar de beangstigende voorstellingen vervolgden haar ook in hare droomen, en zij rees dikwijls verschrikt op uit de zware bedwelming van den koortsachtigen slaap. Ach, was het dan niet genoeg, eene moeder te beweenen, moest zij ook voor het leven des broeders sidderen!
HOOFDSTUK X.
Maria had nog slechts in Teplitz willen vertoeven, totdat hare moeder was ter aarde besteld en zij aan de verschillende verplichtingen, welke de burgerlijke wetgeving bij sterfgevallen voorschrijft, voldaan had. Daarna wilde zij zich naar de zuster der afgestorvene begeven, om zich verder aan de bescherming dezer naaste, haar zoo hartelijk liefhebbende verwanten toe te vertrouwen. Voorloopig had zij hare tante door een brief van den nieuwen slag kennis gegeven en zag het antwoord elken dag met verlangen te gemoet.
Na den in onrust en kommer half doorwaakten nacht werd zij eindelijk tegen den morgen door eene zachte sluimering verkwikt, die haar tot laat na het gewone uur aan hare legerstede geboeid hield. Toen zij de oogen opsloeg, was het helder dag, zoodat de zon over de daken der tegenover gelegen huizen reeds in het vertrek scheen. Bijna beschaamd over den langen slaap, kleedde zij zich in aller ijl aan en trad in de gemeenschappelijke ontbijtkamer. Met verbazing werd zij dadelijk bij het openen der deur eenige dames in diep rouwgewaad gewaar en voelde zich, eer zij tijd had te gissen, wie het zijn konden, door vriendelijke armen omstrengeld. Het was Emma, die ter zijde van de deur aan het venster gezeten, de binnentredende het eerst gezien en herkend had. De blij verraste, doch weemoedige uitroep der beide meisjes bewerkte, dat ook de andere vrouwen, die het openen der deur bemerkt hadden, opsprongen en haar te gemoet snelden. Het waren Julie en hare moeder; alle drie kwamen, om Maria in hare treurige eenzaamheid op te zoeken en haar vervolgens mede naar buiten te nemen.
Liefde en vriendschap wedijverden. De gravin en Lodoiska wilden Maria niet laten vertrekken, hare verwanten haar zoo spoedig mogelijk tot zich nemen. Eindelijk werd besloten, dat de beide eerstgenoemde haar voor eenige dagen naar het landgoed verzellen zouden, en men bepaalde de afreis op den volgenden morgen.
Nadat men eenigen tijd in vertrouwelijke gesprekken had doorgebracht, gaven de aangekomenen haren wensch te kennen, om het graf der afgestorvene te bezoeken. Maria geleidde haar derwaarts.
Reeds nabij de poort gekomen, ontdekten zij in eene zijstraat een oploop van menschen die haar het voortgaan belette. Zij wilden juist naar de reden vernemen, toen Benno op haar toetrad en verhaalde, dat men een beambte van het postkantoor wegens zoo even eerst ontdekte, schandelijke verduistering van geld en brieven met geldswaarde in hechtenis had genomen en thans bezig was, de woning van den gevangene te onderzoeken, zijne papieren in beslag te nemen en alles te verzegelen.
Dit voorval zoude eene minder levendige belangstelling bij Maria verwekt hebben, wanneer een angstig voorgevoel haar niet had doen vreezen, dat zij zelve misschien een der slachtoffers dier trouweloosheid zijn konde. Thans werd het mogelijk, ja zelfs waarschijnlijk, dat St. Luces van alles onderricht en zijne waarschuwing gegrond was. Maar ook hemzelf had men haar verdacht gemaakt! Wie kende hare geheimste betrekkingen zoo nauwkeurig? Was zij van rondom met netten omstrikt, bewaakt, beloerd, bespied van alle zijden?
Terwijl zij zich nog met deze bekommerende gedachten bezig hield, trad een bevallig bloemenmeisje, wier uiterlijk echter een lichtvaardigen levenswandel scheen aan te duiden, op haar toe en bood haar ruikers te koop aan. Maria wees haar verstrooid af; het meisje vernieuwde hare bede met de vriendelijke overreding aan dergelijke vleiende wezens eigen.
„Dezen ruiker neemt gij mij toch zekerlijk af,” sprak zij; „zie eens nog drie rozen in dit late jaargetij.” Tegelijk drukte zij dien Maria met geweld in de hand en fluisterde daarbij de woorden: „Om uws broeders wil!”—Maria verschrikte, het meisje glimlachte en vervolgde op den vleiendsten toon: „Ja, dezen houdt gij; hij is de schoonste van alle en kost maar drie stuivers!”
Maria wilde het meisje ondervragen, doch deze sloot haar de lippen door een heimelijken oogwenk en een nauw hoorbaar: „Strikte geheimhouding!”
Benno wilde zich intusschen beleefd tonen en kocht haar voor elk der dames een ruiker af. De kleine nam het geld met een vergenoegd gelaat aan, wenkte Maria nog éénmaal toe, als wilde zij zeggen: verraad u door geen enkel woord—en huppelde luchtig verder, om ook aan andere voorbijgangers hare geurige waren aan te bieden.
Maria was door deze ontmoeting hevig ontsteld en sidderde merkbaar, zelfs aan het graf der moeder, dat men spoedig bereikte, waren hare gedachten niet bij de doode, maar te midden van de woelingen der wereld. Te onbedreven in de kleine kunstgrepen der liefde, had zij er nog niet aan gedacht, de bloemen nader te onderzoeken, toen een toevallige blik haar daartusschen een strookje papier deed bespeuren. Met gespannen verwachting trok zij het onbemerkt te voorschijn en las de woorden: „Gij kunt uwen broeder redden, wanneer gij dezen avond met klokslag van negen uur alleen in den slottuin aan de oude linde komt. Hij is verloren, wanneer gij achterblijft of het geringste verraadt. Ten tweede male waarschuwt men u voor St. Luces.”
Zij stond als versteend, toen zij deze regels had gelezen. Welk een nieuw verschrikkelijk geheim! Dus deze uitnoodiging en de waarschuwing van gisteren kwamen van dezelfde hand? Zou zij het geheim ontdekken? Zou zij zich aan haar, die zij beminde, toevertrouwen, zich onder hare bescherming stellen? Maar konden deze den broeder redden, wanneer boosaardige list hem wilde verderven?
Neen, ik wil het wagen; het is mijn heilige plicht het te wagen, dacht zij, zich vermannend; eindelijk moeten deze raadsels zich oplossen. En wie zegt mij dan, dat ik een nieuw onheil te gemoet ga? Kan het niet een grootmoedig vriend zijn, dien ik, wanneer ik het stilzwijgen verbrak, in het verderf bracht? Gij, mijne moeder, blikt uit gindsche zalige kringen in mijn beklemd hart, uw geest zal mij omzweven, aan u wil ik mij toevertrouwen.
Na dit onwrikbaar besluit werd hare ziel weder kalmer en geruster.
De dag verstreek, het bestemde uur naderde. Maria ging naar hare kamer, verzegelde het geheimzinnige blad, dat zij ontvangen had, en voegde er de woorden bij: „Dit zal mij rechtvaardigen, wanneer een onwaardig vermoeden mij treft, mij redden, wanneer mij gevaar dreigt. Het zegt u waar ik ben”. Op den omslag schreef zij: „Aan mijne geliefden! Doch dan slechts te openen, wanneer ik te middernacht niet terug ben.” Dezen brief legde zij op hare tafel en verliet hierop in een mantel gehuld en zorgvuldig gesluierd het vertrek en het huis.
Het was reeds volkomen donker en geheel eenzaam; zij sidderde, maar verloor hare bedaardheid niet. Schuw en huiverig betrad zij de donkere kastanjelaan; de aangeduide linde stond in het eenzaamste en verst verwijderde gedeelte van den tuin. Dit vermeerderde hare bezorgdheid. Een tuinarbeider ontmoette haar en zag haar verwonderd aan. Eensklaps viel haar in, dat zij zich van den bijstand van dien man verzekeren konde, zonder hem iets te ontdekken. Zij wendde zich om, ging hem na en sprak hem aan: „Mijn vriend, wilt gij een goed drinkgeld en wellicht nog meer verdienen?”
„Daartoe ben ik nu en altijd bereid.”
„Blijf dan een uur hier op deze bank zitten of vertoef ten minste hier in de nabijheid, doch zorg dat men u niet bemerkt. Neem dit vooreerst aan; als ik terugkom, krijgt gij driemaal zooveel. Hoort gij mij luid om hulp roepen, kom dan spoedig bij de groote linde, daar beneden aan den tuinmuur.”
„Daar, waar de heer met den mantel staat?” vroeg de arbeider.
„Juist, daar,” antwoordde Maria niet zonder schrik.
„Hm! Hm! Uwe genade moest liever in het geheel niet gaan,” meende de oude en schudde bedenkelijk het hoofd. „Dien heer zijn vreemde lieden in den tuin juist zoo lastig, als zij voor uwe genade noodig kunnen zijn. Hij heeft mij daareven vijf guldens gegeven, opdat ik met werken ophouden en naar huis gaan zou.”
„Dat mag zoo zijn,” sprak Maria bevend, „ik wil ook niet, dat gij dáár komen zult, maar blijf hier in den omtrek,” tevens gaf zij hem eenige geldstukken.
De arbeider scheen besluiteloos en zweeg eenige oogenblikken; eindelijk sprak hij: „Nu dan, aan mij zal 't niet haperen, ik zal hier blijven en uwe genade kan op mij staat maken. Maar neem u toch in acht; de heer ziet er uit als een volleerde italiaansche spitsboef, dien ik heb leeren kennen, toen ik als bediende met vorst Clary in Napels was. Doch vergeve uwe genade mijn gebabbel, gij zult voorzeker wel weten, met wien gij te doen hebt.”
„Ja wel, ja wel!” sprak Maria op een toon, die het tegendeel te kennen gaf. Zij wankelde in haar besluit. Doch met vernieuwde kracht sprak zij tot zich zelve: „Gij hebt er het dierbaarste, uwen naam, reeds aan gewaagd en zoudt gij nu voor uw leven sidderen? Dwaasheid! En welk belang kan iemand bij uw dood hebben? Het is niets; de vrees is ingebeeld, uw zusterplicht vordert dien gang van u.”
Met haastigen tred zette zij haren weg voort. Toen zij in de nabijheid der linde kwam, zag zij eene donkere gestalte onder deze op en neder gaan. Schoorvoetend trad zij nader. De onbekende had haar echter nauwelijks ontdekt, of hij ijlde ras op haar toe en sprak: „Het verheugt mij, dat gij moeds genoeg gehad hebt, om aan mijne uitnoodiging te voldoen.”
Eene ijskoude rilling greep Maria aan, toen zij deze stem vernam; het was Beaucaire, voor wien een onoverwinnelijke afkeer haar van het eerste oogenblik af had gewaarschuwd. Echter bedwong zij zich, daar zij duidelijk besefte dat het noodzakelijk was zich tegen dezen man met al de vastheid, al den adel te wapenen, die het gevoel van onschuld en recht aan een vrouwelijk wezen verleenen kunnen.
„Ik moest inderdaad wel,” hervatte Maria, „daar gij mij door eene geheimzinnige bedreiging hier heen gesleept en mij zoo den gewaagden stap, waartoe ik anders voor geen prijs zou besloten hebben, tot plicht gemaakt hebt.”
Beaucaire scheen misnoegd over dit korte antwoord, dat hem door de vastheid, waarmede het gegeven werd, zeer ver van het doel zijner wenschen terug wierp. Hij gevoelde, dat zijne taak niet gemakkelijk zijn zoude, en besloot derhalve, met het stalen voorhoofd van schaamtelooze stoutheid door te dringen. „Gij neemt,” sprak hij, „een trotschen toon aan, die u dunkt mij weinig voegt. Weet dan, dat het lot uws broeders in mijne hand ligt, dat ik alleen in staat ben hem te redden of te verderven. Ik ken zijne schuilplaats; hij heeft haar sluw genoeg daar gekozen, waar niemand hem zoeken zou, bij het leger.”
Maria stond sprakeloos daar; de schrik had haar stem en adem benomen.
„Gij moogt dus,” ging Beaucaire met spotachtigen nadruk voort, „nog wel iets meer doen, dan ik tot hiertoe van u geëischt heb, in geval het u op den bijstand van den man aankomt, op wiens lippen het leven uws broeders zweeft.—Doch, gevoelt gij u niet wel?”
Maria was genoodzaakt geweest, zich aan den stam der linde vast te houden, om niet machteloos neer te zinken. Beaucaire geleidde haar, terwijl hij haar met onzachte ruwheid vast omklemde, naar eene, weinige schreden verwijderde tuinbank.
„Zeg mij,” sprak Maria met inspanning, „wat ik voor mijn broeder doen kan. Ik zal het zwaarste niet schuwen, ik mag het niet; van de volle dankbaarheid eener liefhebbende zuster kunt gij u verzekerd houden, wanneer gij mij grootmoedig den weg tot redding aantoont.”
„Vooreerst geeft gij mij nauwkeurig op,” viel Beaucaire haar in de rede, „hoe ik uwen broeder papieren van gewicht langs den zekersten weg kan toezenden; hij moet onverwijld onderricht en van middelen ter ontvluchting voorzien worden, daar zijne gevangenneming van dagen, wellicht van uren afhangt.”
Maria had inmiddels zooveel bezonnenheid herkregen, dat zij zich door die arglistige vraag niet verrassen liet. „Wat gij mijnen broeder toezenden wilt, geeft gij aan mij,” hervatte zij haastig; „ik doe het hem zeker toekomen. Een anderen weg kan ik u niet opgeven.”
Beaucaire knarsetandde van spijt over dit antwoord; Maria had het nauwelijks gegeven, of zij zelve verwonderde zich schier over den gelukkigen uitweg, dien zij als door eene hoogere ingeving gevonden had. Inderdaad had dan ook, in het tijdsbestek van weinige seconden, eene reeks van gedachten en samenknoopingen van omstandigheden hare ziel doorkruist, die haar noodzakelijk den hoogsten argwaan tegen Beaucaire moest inboezemen. Het voorval met den postbeambte liet haar thans geen twijfel meer, of het brievengeheim moest ook in betrekking tot haar geschonden zijn; met de hoogst mogelijke nauwkeurigheid riep zij zich dus den inhoud van Lodewijks laatste letteren voor den geest terug, om te berekenen, of zij ook iets behelsden waaruit zijn verblijf, zijn naam en verdere betrekkingen nader waren op te sporen. Met een verruimd hart kwam zij tot de overtuiging, dat door den brief niets kon verraden zijn, dan dat hij zich bij het leger ophield. Met de scherpzinnigheid, de verhoogde zielskracht, welke de hemel in oogenblikken van gevaar aan schuldelooze zielen verleent, ontdekte de anders zoo argelooze thans het weefsel der boosheid, waarmede men haar omstrikken wilde, zonder echter de zwartste diepte van den helschen afgrond te vermoeden, waarin Beaucaire haar trachtte neder te storten.
„Gij schijnt mij niet te vertrouwen,” sprak deze eindelijk misnoegd en geraakt; „ofschoon ik u door deze samenkomst toch wel eenige bewijzen van mijn goeden wil, om u van dienst te zijn, gegeven heb. Bedenk echter, dat ik ook reden heb om voorzichtig te zijn; in mijne betrekking moest ik zonder verschooning te werk gaan en mij op de strenge baan der wetten houden. Waag ik uit medelijden een omweg, dan moet ik volle zekerheid hebben, dat mij deswege geene verantwoordelijkheid treffen kan. Op zulke gevaarlijke paden kan men echter slechts zich zelf vertrouwen.”
„Hoe?” riep Maria levendig, „vreest gij, dat de zuster, wier broeder gij redt, u verraden zal?”
„Niet opzettelijk; maar onvoorzichtigheid, gebrek aan inzicht, aan kennis der omstandigheden....”
„Dit alles is hier onmogelijk,” viel Maria hem in de rede; „want de weg dien ik heb in te slaan, is te eenvoudig, om mij daarin te bedriegen.”
„Gij wantrouwt mij dus?” vroeg Beaucaire grimmig.
Maria beefde, het was hare bedoeling niet om hem te verbitteren. Zij antwoordde dus op een zachten toon: „Ik heb een vreemd geheim te bewaren; gij zult voorzeker niet verlangen, dat ik er misbruik van maak. Uit de getrouwheid, waarmede ik dezen ouderenplicht vervul, kunt gij de overtuiging opdoen, dat ik omzichtig en nauwgezet ook met betrekking tot u handelen zal, daar gij mij eene weldaad wilt bewijzen, welke ik door levenslange dankbaarheid niet zal kunnen vergelden.”
Beaucaire geraakte in verwarring; het edele, vaste en toch vrouwelijk zachte gedrag van Maria oefende zelfs op zijn ontaard hart zulk een onwederstaanbaar vermogen uit, dat hij bijna den moed verloor tot het doen der schandelijke voorslagen, om welke te beproeven hij deze eenzame samenkomst met haar had opgezocht. Onwillekeurig had het gesprek, dat hij door den schrik der eerste bedreigingen op zijn eigenlijk doel had trachten te brengen, eene geheel andere wending genomen, en hij zag zich thans ten eenenmale afgesneden van den weg, dien hij gemeend had in te slaan. De spijt echter, dien hij over zichzelf gevoelde, daar hij zijne vaste besluiten door weinige woorden van een meisje aan het wankelen had laten brengen, deze valsche schaamte der verharde boosheid dreef hem aan, het masker plotseling af te werpen.
„Op dankbaarheid,” sprak hij, „hoop ik natuurlijk en durf daarop rekenen, daar eene schoone zuster juist de beste middelen bezit, om voor een gewichtigen dienst, dien men den broeder bewijst, de schuld af te doen.”
Met deze woorden greep hij de rechterhand van Maria en drukte en kuste ze op eene wijze, die het verschrikte meisje op eens een nieuwen blik in den zwarten achtergrond der misdadige bedoelingen openen moest. Schuw sprong zij op en riep: „Mijn God! wat wilt gij?” Beaucaire liet haar echter niet los, wilde haar bij zich neertrekken en sprak: „Niet zoo schroomvallig, liefje, het leven eens broeders is toch wel den kus eener zuster waard!”
„Ellendeling!” riep Maria, die thans den ganschen omvang zijner afschuwelijkheid overzag, met onstuimige hevigheid. „Laat mij los, of ik roep hulp!”
„Bedaar, bedaar,” sprak Beaucaire, zonder de zich krachtig verwerende los te laten; „luister een oogenblik toe. Uw broeder is bij de armee, morgen vertrek ik naar het hoofdkwartier. Twee uren zijn dáár voldoende, om hem, dien ik zoek, op te sporen, en vierentwintig bij den krijgsraad meer dan genoeg, om van de aanklacht tot de voltrekking over te gaan. Uw broeder heeft den dood verdiend, zijn leven is in mijne en uwe hand.... wilt gij....”
„Nimmer!” riep Maria en rukte zich met geweld uit zijne armen los. „Mijn broeder zou een leven verachten, dat hij op die wijze moest koopen. Waag het niet, mij te naderen; een enkele schreeuw brengt mij hulp aan!”
„Vrees geen geweld,” stamelde Beaucaire met verstikte woede, „ik ben geen roofdier dat u verslinden zal. Doch thans raad ik u voor de laatste maal,” ging hij met snijdende koelheid voort, „versmaad mijne aanbieding niet. Hier achter den slottuin wacht ons een rijtuig; het brengt u aan eene veilige plaats. Daar vind ik u binnen twee uren en overhandig ik u de papieren, waarmee uw broeder ongehinderd naar Engeland, waar hij volkomen zeker is, kan afreizen. Gij zelve kunt u op weg bij hem voegen. Verklaar u thans.”
Maria was in hevigen tweestrijd met zich zelve. Plotseling wierp zij zich aan Beaucaire's voeten neder, klemde zich aan zijne knie vast en riep met snikken en tranen: „Neen, het is onmogelijk! Het is slechts eene gruwelijke scherts, maar zij is te gruwelijk. Houd op, ik smeek u, maak een einde aan mijn angst, aan mijne vertwijfeling. Laat mij niet langer op de folterende pijnbank. Ik deed u onrecht, zeker, schreeuwend onrecht, en thans straft gij mij daarvoor. Maar het is genoeg, ik heb genoeg geboet! Keer nu tot de waarheid terug! Ach, gij kent niet den doodsangst eener zuster, die voor het leven haars eenigen broeders, ach, van het eenige, dat zij nog op aarde bezit, beven moet.”
„Sta op, ik hoor iemand komen,” sprak Beaucaire driftig, maar zacht.
Het was de oude arbeider, die, door het levendige gesprek opmerkzaam gemaakt, nader trad.
„Neen, neen!” riep Maria, „niet, eer gij mij zweert...”
„Gij zijt waanzinnig,” hervatte Beaucaire woest en reet zich met geweld van haar los. „Wilt gij mij volgen of niet? De tijd is mij kostbaar!”
„Nimmer!” riep Maria met terugkeerende kracht en bezinning, terwijl zij zich met waardigheid oprichtte. „Mijn broeder moest mij vervloeken en ik mij zelve verachten. Ga dan, bloeddorstig monster, en volvoer uwe schanddaad. Voeg ook nog dien gruwel bij de tallooze misdaden, die uw rampzalig volk in ons arm vaderland begaat. Ik vraag naar niets meer! De dood is een oogenblik, de toekomst eeuwig. Moord mij ook, als gij wilt. Wij sidderen niet voor den dood! Ik, een meisje, weet te sterven; gelooft gij, onze mannen zouden het niet kunnen? Zegenen zal mij mijn broeder, daar ik weigerde, hem op zulk eene schandelijke wijze te redden.”
Beaucaire stond, door woede en schaamte gefolterd, voor de door edelen toorn bezielde gestalte; hij vreesde te vluchten en waagde niet te blijven. „Die razernij zal u berouwen!” riep hij, toen de arbeider nader en nader trad, met de doffe stem van verkropte woede. Hierop drukte hij zich den hoed in de oogen en verdween met verhaaste schreden in de donkere laan.
Maria bedekte het weenende gelaat met beide handen; na eenige minuten hief zij het weder op en sprak, terwijl zij het oog naar den donkeren hemel sloeg: „Gij, mijne moeder, die daar boven de sterren woont, gij zult mij troosten en beschermen, wanneer ik geheel alleen ben op deze aarde.” Uitgeput wankelde zij naar de bank en zette zich neder. Nu trad de welmeenende oude op haar toe en vroeg:
„Heb ik verkeerd gedaan, uwe genade te storen? Maar God weet het, ik hoorde zoo driftig spreken, dat ik onraad begon te vreezen.”
„Neen, goede oude,” hernam Maria, „gij hebt recht goed gedaan.—Maar wilt gij mij thans naar huis brengen; ik zal het gaarne vergelden.”
„Met alle vreugde,” sprak de grijsaard, en op zijn arm geleund, verliet Maria met waggelende schreden den tuin.
ZESDE BOEK.
HOOFDSTUK I.
„Bij den satan, wat is 't nu weer?” Met deze woorden stoof Bernard, die in zijn mantel gewikkeld, aan het bivaksvuur lag, verdrietig op, toen eene mannelijke hand hem uit den slaap schudde, waarin hij eerst voor eenige minuten verzonken was. „Ach, zijt gij 't Lodewijk?” voegde hij er dadelijk zachter bij, toen hij den vriend herkende. „Al terug?.... Nu, welke avonturen hebt gij in Witepsk gehad?”
„Van verschillenden aard,” antwoordde Lodewijk; „maar gij zijt toch niet boos, dat ik u zoo laat nog stoor?”
„Zoo moe ben ik niet, of ik kan nog wel een uurtje met u keuvelen. Vertel op dan.”
„Raad eerst wie ik in Witepsk gezien heb.”
„Wie, den grooten mogol, of den paus, of den koning van Engeland?”
„Neen, in ernst, Bernard!”
„Dat zeg ik u; hoe zal ik van de tienduizend mogelijkheden de werkelijkheid treffen, wanneer mijn raden niet eene scherts zal zijn. Dus wien zaagt gij?”
„Ik ging een klein huisje in eene dwarsstraat voorbij, toen ik eene vrouwenstem hoorde zingen. Verwonderd keerde ik mij om en zag in een half met bloemen bezet venster de jonge zangeres uit Warschau.”
„Françoise Alisette?” riep Bernard, met de uiterste verbazing.
„Dezelfde.”
„Zijt gij er wel zeker van? Hebt gij haar gesproken?”
„Dat niet, want zij sprong verschrikt terug, toen zij mij ontdekte. Echter ben ik zeker van wat ik gezien heb.”
„Hm!” mompelde Bernard en beet zich in den knevel, „zou alles zoo naar mijn vermoeden uitkomen? Hoor, Lodewijk, ik zou durven wedden, dat de overste Regnard ook met zijn regiment in de stad ligt.”
„Gij vergist u; ik heb hem er wel ontmoet, doch weet, dat zijn regiment in Ostrowno staat.”
„Pah!” riep Bernard, „dat zijn vijf kleine uren en dood op zijn gemak rijdt men ze in twee. Maar, weet gij wat het zal best zijn, dat wij er Jaromir niets van zeggen, zoo hij het niet al weet.”
„Dat denk ik niet; maar waarom?” vroeg Lodewijk verwonderd.
„Uit menigerlei gronden. Vooreerst geloof ik, dat Regnard jaloersch op hem is, en dat kon aanleiding tot eene onaangename ontmoeting geven; vervolgens vermoed ik half en half, dat de overste niet zoo geheel en al ongelijk heeft, ten minste voor zoover de schoone Alisette het verantwoorden moet. Te Warschau reeds keek zij Jaromir met blikken aan, die voor een jong, onervaren mensch als hij, licht gevaarlijk konden worden; dus is zwijgen hier zeker goed.”
„Naar gij wilt,” antwoordde Lodewijk.
Eensklaps brak een pistoolschot in de nabijheid het gesprek der vrienden af. De in het rond gelegerde lieden sprongen, want men bevond zich op de uiterste voorposten, haastig op en grepen naar de wapens, den wenk verwachtende, om zich tot het gevecht te regelen. Men luisterde of zich een nieuw geraas vernemen liet, doch alles bleef stil; slechts in de verte, aan de zijde der postenketen, hoorde men eenige stemmen driftig spreken. Boleslaw, die de veldwacht had, zond den wachtmeester Petrowski met eene patrouille af, om bericht wegens het voorgevallene in te winnen. Deze keerde na eenige minuten terug en voerde een jongen man en eene jeugdige vrouw, naar hare kleeding eene Russin, als gevangenen mede. Het meisje klemde zich angstig aan haren geleider vast en zocht de blikken der nieuwsgierig toedringende soldaten beschaamd te ontwijken.
„Waarachtig, een aardig kind!” riep Bernard zijnen vriend toe, toen zij nader gebracht werden en de weerschijn van het vuur de groep verlichtte; maar nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of de jonge man stond stil en sprak hem aan: „O, mijnheer, gij zijt een Duitscher, help gij een landsman die in groote verlegenheid is, daar hij alleen duitsch en russisch spreekt, dat deze Polen niet verstaan of niet willen verstaan.”
„Gaarne,” hernam Bernard, „ik zal u verzellen.”
Inmiddels was ook Boleslaw nader getreden en vroeg den wachtmeester, wie die lieden waren en wat zij wilden.
„Zij zijn,” sprak Petrowski, „zoo even met eene slede aangehouden. Toen wij hen aanriepen, gaven zij geen antwoord, maar wilden ras omwenden; eerst toen de schildwacht het pistool afschoot, hielden zij stil. Het zijn denkelijk spions.”
Bernard mengde zich in het gesprek en vroeg Boleslaw verlof, om de lieden in het Duitsch te ondervragen. „Vanwaar komt gij?” sprak hij hen aan; „hoe is uw naam? wat het doel uwer reis?”
„O, mijnheer,” antwoordde de gevangene, „geen ander, dan in vrede naar Duitschland te trekken, vanwaar ik geboortig ben. Ik heet Paul, en dit is mijne jonge vrouw, Axinia, eene Russin. Tot hiertoe was ik als tuinier in dienst van den graaf Dolgorow; daar de oorlog alles in verwarring brengt, heeft hij mij laten gaan, om naar mijn vaderland terug te keeren.”
„Hebt gij papieren, goede vriend, die uw voorgeven bevestigen?” vroeg Bernard verder.
„O, in de beste orde, mijnheer!” antwoordde Paul en kreeg eene brieventasch, waaruit hij zijn doopcedel, zijne dienstgetuigenis en een in Smolensko uitgereikten pas aan Bernard overgaf.
[Illustratie: „Wat gebeurt hier?” vroeg eensklaps eene stem.]
„Deze papieren mogen volkomen in orde zijn, mijn vriend,” hervatte deze; „maar russische passen, begrijpt gij licht, geven u geen toegang in het fransche leger. Schoon het mij van harte leed doet, zal men u toch moeten afwijzen.”
„O, mijn hemel, dan ben ik verloren!” riep Paul uit, „want slechts door een wonder is het mij tot hiertoe gelukt, met mijne kleine bezitting aan de zwermen van rondstroopende kozakken te ontsnappen. Ik bid u, beste heer, wanneer gij eenigszins kunt, help ons door, want waarachtig, wij zijn eerlijke lieden en begeeren niets, dan ongestoord verder te kunnen reizen.”
„Waarom hebt gij niet de rechte lijn naar Witepsk genomen? En waarom kiest gij den nacht tot de reis? Dat verwekt kwaad vermoeden.”
„Enkel om de kozakken te vermijden, en bovendien zeide men ons, dat wij hier den linkervleugel der armee konden voorbijkomen en dan zonder verdere hindernis over Boiszikowo de rechte straat naar Wilna bereiken.”
„Ja nu, stroopers zult gij daar ook nog in menigte aantreffen,” merkte Bernard op en dacht na, hoe hij de lieden het best konde voorthelpen. „Zij schijnen mij eerlijk en onverdacht toe,” sprak hij tot Boleslaw; „maar al liet gij hen ook door, zoo zou het hun nog niet veel baten, daar men hen, waar zij komen, opnieuw zal aanhouden. Vooral is deze jonge vrouw eene waar, voor welke ik de verzekering niet gaarne op mij zou nemen op de verwoeste wegen van hier naar Wilna, waar nog altijd naloopers omzwerven en joden en boeren rooven, wat die overlaten.”
„Wat gebeurt hier?” vroeg eensklaps eene stem. Het was Rasinski, die met omgeworpen mantel, eene veldmuts diep in de oogen gedrukt, onverhoeds onder de sprekenden trad. Bernard berichtte hem het voorval.
„Bij wien stondt gij in dienst?” richtte de overste zijne vraag aan Paul.
„Bij graaf Dolgorow,” antwoordde deze.
„Uwe papieren?”
Paul vertoonde ze.
Rasinski doorliep ze met snellen blik. „Zij zijn richtig; dat is de handteekening van den graaf. Ik zal u tot uwe verdere reis behulpzaam zijn. Dezen nacht moet gij in het leger doorbrengen; morgen gaat een transport zieken naar Wilna terug, daar kunt gij u bijvoegen. Ik zal u de gevorderde passen bezorgen.”
Paul dankte met blijde woorden en nog vroolijker blikken; op Axinia's bezorgde gelaatstrekken keerde de gerustheid terug. Thans eerst scheen Rasinski haar gewaar te worden. Vriendelijk trad hij op haar toe en vroeg haar in hare moedertaal: „En ook gij wilt naar Duitschland trekken en zijt toch eene dochter uit Ruriks rijk, gelijk ik uit uwe kleeding opmaak?”
Axinia bloosde en sloeg de oogen voor zich neder. „Het was de wil der jonge gravin Feodorowna,” stamelde zij.
„En waarom zond de jonge gravin u naar Duitschland?” vervolgde hij na eenig nadenken.
„Wij zouden, meende zij, daar gelukkiger zijn.”
„Thans? Dat is de vraag; dat land is ook niet bovenmate rijk in geluk.—Is de gravin Feodorowna de dochter van graaf Dolgorow?”
„Zoo is het, genadige heer!” hervatte Axinia, terwijl zij ter bevestiging en met de uitdrukking van deemoed het hoofd boog. „In mijne kindsheid werd ik als gespele der gravin met haar opgevoed; ik ben haar alles verschuldigd.” Hier scheen zij zoo ontroerd, dat zij niet in staat was verder te spreken.
„Wanneer gij zoo aan haar gehecht zijt, waarom verliet gij haar dan of zond zij u weg?”
Axinia bloosde en zweeg.
„Ik versta u,” vervolgde Rasinski met een weemoedigen glimlach; „wel nu, het is de plicht der vrouw den man te volgen. Gij hebt welgedaan. Wijst dezen lieden eene plaats op zijde van den heuvel aan, waar zij veilig kunnen overnachten,” sprak hij, het gesprek afbrekend, en wenkte met de hand.
„Nu vrienden,” begon hij, toen de nieuwe gasten zich verwijderd hadden, „morgen zetten wij onzen marsch voort; dat had ik u nog niet gezegd. Ik verwacht Jaromir elk oogenblik met orders uit Witepsk terug; bij zijne terugkomst zal ik u kunnen zeggen, werwaarts wij onzen weg nemen moeten. Dat wij bij het gros der armee blijven, geloof ik niet. Het wordt eindelijk tijd, dat wij aan het handelen komen.”
„Waarlijk,” riep Bernard, „wanneer de Rus slechts stand wil houden. Tot hiertoe hebben wij met een schaduwbeeld gevochten. Wanneer wij den vijand dicht voor oogen hadden en hem eindelijk als Achilles aan Hector, konden toeroepen: Sta en kamp!.... dan verdween de verschijning weder in den donkeren nacht. Ik beken, dat deze wijze van oorlogvoeren mij tusschenbeiden eene bijna angstige huivering verwekt heeft. De grootste veldheer moet toch een tegenstander hebben, om hem te kunnen overwinnen.”
„Dit is nu eenmaal de vorm van den verdedigingskrijg, wanneer het terrein den aanvaller door zijne uitgestrektheid ongunstig is; reeds de eerste scythische bewoners dezer gewesten voerden op die wijze den oorlog tegen de perzische koningen,” antwoordde Rasinski. „Ik was van den beginne daarop voorbereid, want ik ken de Russen en hun land. Maar dat juist is mijn troost. Hier is de plaats nog niet, waar dit rijk het hart slaat; half vochten wij nog op eigen grond en bodem, op oud-poolschen; ook Littauwen behoorde eertijds aan den stam van Jagello. Deze bodem is den Rus geen heiligdom. Thans eerst raken wij zijne grenzen: hier begint zijn vaderland, zijne kerk. Geeft acht, hier zullen Ruriks zonen hunne haardsteden en altaren verdedigen; naar mate wij verder op den zetel des heiligen Iwans, de eerwaardige stad Moskou, aanrukken, zal ook het volk zich met meer geestdrift tegen ons wapenen. Niet alle bewoners van het russische gebied hebben één vaderland. De grensprovinciën zijn bij voorhoven en buitenzalen te vergelijken, waar het heir der zonder vaste bezitting omdolende slaven gelegerd is. Deze geeft men licht prijs, doch in het binnenste des huizes wonen de zonen en zij zullen altaren en heiligdommen met bloed en leven verdedigen. Dan zal het aan veldslagen en ik hoop ook aan overwinningen niet ontbreken.”
Men hoorde een ruiter in galop naderen. Het was Jaromir. Vlug uit den zadel springend, reikte hij Rasinski zijne orders over, die deze bij den schijn der vlammen doorliep terwijl de jongeling zijne vrienden begroette.
„Morgen tegen vier uur breken wij op. Goeden nacht dan; gebruikt den tijd die ons blijft tot rusten, want de dag van morgen vordert wellicht uwe krachten.” Met deze woorden keerde Rasinski naar zijne tent terug, en de overigen legerden zich weder om het wachtvuur, waar zij spoedig in vasten slaap verzonken.
Toen de dag aanbrak, bevond Rasinski zich met zijn regiment reeds op marsch. Hij trok op eene uitgestrekte hoogte voort, langs den zoom van een dennenwoud, dat aan zijne rechterzijde tot diep in de landstreek voorttrok, terwijl links eene heuvelachtige, met kreupelhout en laag struikgewas doorsneden wildernis het uitzicht begrensde. Boleslaw, Jaromir, Lodewijk en Bernard reden aan zijne zijde. „De keizer heeft een stout ontwerp beraamd,” dus brak hij het eerst de stilte af; „gelijk gij ziet, nemen wij eene richting, die ons van den vijand, die ver links bij Rudnia en Inkowo zijn hoofdkwartier heeft opgeslagen, verwijdert. Wij zullen over den Dnieper gaan, dan, op de linkerflank door den stroom gedekt, tot Smolensko voortdringen, de russische armee omtrekken, ons midden tusschen haar en Moskou inwerpen. Waarlijk eene kolossale onderneming, die, wanneer zij gelukt, den ganschen veldtocht op eenmaal beslissen moet. Wat de maarschalk Davoust door den misslag van den koning van Westfalen tegen Bagration te vergeefs beproefde, zal thans hoop ik, tegen Barclay en Bagration tegelijk gelukken. Onze taak daarbij is, de zwermen lichte cavalerie, die zich nog op onze rechterflank bevinden konden, te verjagen en op zulk een afstand te houden, dat zij de bewegingen onzer hoofdarmee niet te vroeg bespeuren.”
De zon was thans opgegaan en wierp hare stralen op het uitgestrekte landschap, dat men van de hoogte kon overzien. „Ziet gij die massa's te voorschijn komen?” sprak Rasinski met den vinger links wijzende. „Hier, aan deze zijde van den zwarten stroom, is alles nabij en duidelijk; maar op gindschen oever ontdekt men enkel aan de stofwolken, dat cavalerie oprukt, en achter genen heuvel, die te ver verwijderd is, om de troepen zelve te onderscheiden, ziet men toch de wapens blinken. Dezer dagen kan veel beslist worden!”
Lodewijk overzag de vlakte, waarover de zwarte stroomen der volkeren voortgolfden met een zonderling gevoel.
„Wat hier voorbereid en beslist wordt,” vroeg hij zich zelf ernstig af, „zal het der wereld tot heil of ten verderve strekken? Wanneer de geweldige geest, die deze duizendtallen in beweging zet, hier eens, als weleer Alexander in Indië, den eindpaal zijner daden vond? Wanneer de kolossale, ruwe macht van Rusland haar overwicht in Europa geldend maakte?—Of als, omgekeerd, de stroom der overwinning voortbruiste tot in het hart van het oude Rusland en Frankrijks vanen ook op den zetel der czaren neergeplant, van de trotsche tinnen van het Kremlin wapperden?—Ware het dan niet gedaan met Duitschlands zelfstandigheid? Moest dan niet alles voor den franschen overmoed bukken? Zou de naam „vaderland” dan niet een ijdele klank, een ledig niets voor ons worden?”
Uit deze mijmeringen deed Bernard hem oprijzen, die, als schilder, alle uitwendige verschijningen uit het oogpunt eener schilderij opvatte. „Wat kunnen toch ook doode landschappen niet eene eigenaardige schoonheid hebben,” sprak hij zijn vriend aan; „zie slechts hoe fijn deze blauwachtig zwarte woudzoom zich met zijne zachte spitsen tegen den hemel afteekent, deze treurige eenvormigheid heeft iets treffends, gelijk ook de woestijn een eigenaardigen indruk maakt. En de breede boschstreken, die daar beneden door het land kruisen, de naakte heuvels daartusschen, waarop het roode heidekruid schemert, de vervelooze hemel, de lange grauwe wolkstrepen,—bij tijd en wijle zou ik iets dergelijks liever schilderen, dan zwitsersche landschappen.—Zoo lag ik ook in Schotland bij stille, heldere herfstdagen gaarne op de barre heiden van het Hoogland en liet de wolken over mij heentrekken.”
„Zoo lang de mensch met het huiveringwekkende en sombere vrij speelt en het van zich af kan wijzen, wanneer hij wil,” antwoordde Lodewijk, „zoo lang vindt hij er ook een bijzonder welbehagen in, de meer heldere zijden des levens voorbij te zien; doch wanneer de strenge noodzakelijkheid ons hare ernstige paden doet bewandelen, dan zien wij het duister voorkomen van het lot met geheel andere oogen aan.—Maar wat ik zeggen wilde,” dus brak hij eensklaps af, „ja, wat dunkt u? Boleslaw schijnt zeer droefgeestig; sinds wij Warschau verlaten hebben, wordt hij dagelijks somberder.”
„En dagelijks schooner,” hernam Bernard. „Zie eens, hoe edel die bleeke trekken zijn, hoe trotsch dat voorhoofd, waarop de sombere schaduwen der zwaarmoedigheid rondzweven! En het zwarte haar, de donkere gloed van het oog, de fijne mond!—Hij is de Orestes bij den zorgeloozen Pylades Jaromir, het romantische nachtstuk bij een zonsopgang, of immers het herfsttafereel bij diens lentelandschap.”
Men was onder deze gesprekken aan een kruisweg gekomen; links daalde de heuvelreeks naar de vlakte van Liozna af, rechts boog zij het woud in, naar Babinowiczi en Orsza. Rasinski sloeg den laatsten weg in en achtte het, daar hij het terrein vóór zich niet meer kon overzien, noodzakelijk, eene voorspits en zijpatrouilles uit te zenden. Jaromir ontving het bevel over de eerste, Boleslaw moest de laatste verdeelen, Lodewijk en Bernard bleven in Rasinski's nabijheid, die zich van hen als adjudanten bediende, om bevelen aan de verspreide troepen over te brengen. Men marcheerde intusschen tot aan den avond, zonder op den vijand te stooten. Des nachts bivouakeerde men deels in, deels buiten een ellendig dorp, dat door de inwoners geheel was verlaten. Met de morgenschemering rukte het regiment weder op en trok op Rasasna aan, waar de armee den overtocht over den Dnieper bewerkstelligen wilde.
De keizer was reeds met de afdeeling van Davoust aangekomen; de bruggen bij Rasasna, die haastig in goeden staat waren gebracht, wemelde bereids van troepen, die in lange zwarte massa's overtrokken. Ook Rasinski sloot zich daar achter aan en betrok zijne legerplaats aan de overzijde van den stroom, boven Rasasna, waar ook de tent van den keizer werd opgeslagen. Een littauwsche Jood, die zich aan Rasinski tot spion had aangeboden, nam tegen eene goede belooning op zich, nog eenige uren verder voorwaarts te gaan, ten einde uit te vorschen, of de vijand van de aannadering der armee onderricht en misschien ook voornemens was, krachtdadig wederstand te bieden.
Tegen drie uren in den morgen, toen het nog volkomen duister was, keerde de spion terug. Bernard was juist ontwaakt en had het vuur opgestookt, toen de zonderlinge gedaante van den Israëliet, die, daar schuwe bedachtzaamheid hem reeds tot eene tweede natuur was geworden, zonder het minste geruisch nadersloop, in den weerschijn der vlammen zichtbaar werd. Een boosaardig toovenaar scheen hij den verschrikten Bernard toe, toen hij zoo eensklaps uit den donkeren nacht in den hellen lichtkring van het vuur trad. Een lang, zwart opperkleed, om de middel door een lederen gordel vastgesnoerd, omhulde de gestalte; de spitse, roode baard hing tot op de borst neder, het smalle, bleeke gezicht stak loerend uit de wildernis der verwarde haarlokken te voorschijn, en de scherpe, grijze oogen vlamden listig, maar tegelijk boosaardig, uit hunne diepe holen. Een grijnzend lachje vertrok zijne lippen, toen hij Bernard in zijn joodschen tongval aansprak:
„Jongeheer! zeg mij dan gezwind, waar de heer overste slaapt! Ik heb hem toch noodwendig te spreken, hoort gij, jongeheer?”
„De vent ziet er uit, als de duivel in een vossenvel gekropen,” mompelde Bernard. „Hebben zij u niet opgeknoopt, Isaäk?” vroeg hij den Jood.
„Vader Abraham, wat de jongeheer voor vragen doet! Zou de oude Isaäk zoo lang geleefd hebben, om niet te weten, hoe men ontsnapt aan een hennipstrik? Maar breng mij gezwind bij den heer overste, het heeft haast!”
„Kom, zone Abrahams, zet uwe zolen op de sporen mijner voetstappen, zoo zult gij komen, waar gij hem vindt, wiens geld gij zoekt. Voorwaarts!” Met deze spotachtige woorden ging Bernard voor en geleidde den ouden sluwkop door de groepen der rondom de vuren gelegerde ruiters naar de plaats, waar Rasinski, in zijn mantel gehuld, op een bos stroo sliep. Bij de aannadering der schreden richtte deze zich dadelijk op en zag scherp rond. „Zijt gij het, vriend Isaäk?” riep hij, de komenden herkennende. „Nu? Brengt gij nieuws van belang?”
De Jood wenkte met geheimzinnige gebaren en trok hem ter zijde. Bernard wilde zich verwijderen, doch Rasinski gebood hem te blijven. Inmiddels sprak deze lang en heimelijk met den Jood en hoorde, naar het scheen, met toenemende belangstelling diens berichten aan. De trekken van den spion werden gestadig levendiger; het grijnzend boosaardige lachje straalde van minuut tot minuut duidelijker door, naarmate Rasinski met de narichten meer en meer tevreden scheen te zijn.
„Vervloekte Judas!” mompelde Bernard. „Ik zou die tronie niet vertrouwen, al bezwoer de vent op ziel en zaligheid, mij regelrecht naar het paradijs te brengen. Doch Rasinski kent dat volk!”
Isaäks bericht was ten einde; deemoedig stond hij voor den overste en scheen met diepen eerbied diens verdere bevelen te willen afwachten. Rasinski trok zijne beurs; het gelaat van den Jood glansde van vreugde, de begeerte naar het metaal flonkerde in zijne oogen, en toen hij eindelijk in de gierig uitgestrekte hand een aantal goudstukken voelde, barstte hij in de uitbundigste dankbetuigingen los.
„God Abrahams!” riep hij, terwijl hij zich beijverde Rasinski's handen te kussen; „bescherm mijn weldoener, die mij niet laat omkomen in den tijd van ellende en gevaar. De honger zou verscheuren mijne ingewanden, dat ik huilde als de wolf in den winter, als gij niet waart mijn grootmoedige redder, edele heer!”
Rasinski wenkte met de hand en gebood hem te zwijgen. De Jood wilde zich verwijderen en trok onder het gaan een kleinen lederen buidel te voorschijn, om de goudstukken te bergen. Doch tegelijk trok hij onvoorziens eene tweede, aanmerkelijk zwaardere beurs, waaraan de koord der eerste moest zijn vastgehaakt, uit den gordel op en liet ze voor zijne voeten neervallen. Isaäk schrikte kennelijk en wilde toegrijpen, maar Bernard, die het gezicht van den Jood in den weerschijn der vlammen bespied had, kreeg dadelijk argwaan en sprong eveneens toe, om den buidel meester te worden. Daar het gras hoog en de grond niet door het vuur verlicht was, tastten beiden eene poos tevergeefs in het rond, tot eindelijk Bernard met zijn vond opsprong.
„Geef hier, mijn lieve jongeheer,” riep Isaäk haastig, „het is mijn zuur verworven goed. Wat men thans niet bij zich draagt, is niet zeker! Ik bid u, geef.”
De angstige toon, waarop hij deze woorden sprak, en zijne driftige gebaren versterkten niet alleen Bernards achterdocht, maar maakten ook Rasinski's opmerkzaamheid gaande.
„Hm! zwaar, zeer zwaar,” sprak Bernard opzettelijk overluid; „vermoedelijk enkel goud?”
Rasinski trad nader.
„Ei, beware!” riep Isaäk, „een weinig zilver en koper, met een paar oude dukaten daarbij.” Tevens strekte hij den arm driftig naar de beurs uit en wilde haar grijpen. Bernard trok echter de hand terug, hield den schat tegen het schijnsel der vlammen, en sprak nog luider: „Zilver? koper? Wat ik bij het licht van 't vuur door de reten glinsteren zie, schijnt mij zuiver goud te zijn.”
„Laat eens zien!” sprak thans Rasinski en kwam haastig nader. Lachend gaf Bernard hem de beurs over; de Jood waagde niet iets in te brengen, doch sprak sidderend en op een deemoedig smeekenden toon: „Grootmoedige heer! Het is het weinige, dat ik heb gered uit den nood. Gij zult de bezitting van een ouden hulpeloozen man niet rooven.”
„Rooven?” sprak Rasinski verachtelijk. „Ben ik een strooper? Maar,” ging hij op dreigenden toon voort, „gij zult mij niet wijs maken, dat dit geld reeds lang uw eigendom geweest is. Denkt gij, dat ik niet beter weet, wat een Jood van uws gelijken in Littauwen besparen kan? Ik zou gelooven, dat gij met dezen schat bij u van het eene leger in het andere als spion zoudt rondsluipen? Tien voeten onder de aarde, in het dichtste bosch zoudt gij uw geld nog niet veilig achten. En waarom ontkent gij, dat het goud is. Waar is het zilver en koper onder deze nieuwe dukaten? Beken, Jood, van waar hebt gij het goud?”
Isaäk rilde over al zijne leden; eindelijk stotterde hij met moeite: „Wat kunt gij denken, genadige heer overste? Hoe zou de oude Isaäk bezitten ander goud, dan wat hij in de zestig jaren van zijn leven bespaard heeft? Waar zou hij het begraven? Welke grond is zijn, dat hij kon weervinden den schat? En daar ik het verbergen wou, dat ik ettelijke dukaten bespaard heb, zoo zeg mij toch, wanneer is het raadzaam met zijn geld openlijk te loopen te pronk?”
„Ellendige uitvluchten!” riep Rasinski. „Hier neem uw geld terug, ik verlang het niet. Dit echter zeg ik u, smelten laat ik het en gloeiend zult gij het doorslikken, als uwe tong mij leugenachtig bedrogen heeft! Deze dukaten schijnen mij het Judasloon voor gewichtiger narichten, dan gij mij gebracht hebt. Hebt gij den vijand iets verraden, mislukt het plan dat wij voorhebben, dan sidder, want gij zult weten, met wien gij te doen hebt!”
De Jood wierd bleek als de dood; zijne knieën knikten; plotseling wierp hij zich aan Rasinski's voeten neder en kermde op den toon der vertwijfeling: „Genade, barmhartigheid!”
„Recht!” donderde Rasinski hem toe. „Onderzoekt hem dadelijk ten strengste, of hij papieren of iets dergelijks bij zich draagt.”
Een onderofficier en twee soldaten maakten zich terstond van den jammerende meester, sleepten hem naar het naaste vuur en bevalen hem zich dadelijk tot op het hemd te ontkleeden.
Zulks was weldra geschied. Men doorzocht het opperkleed, de broek, den lijfgordel, de kousen en schoenen, zonder iets te vinden; zelfs eene snede door de schoenzolen bracht tot geene ontdekking. Isaäk stond inmiddels in het bloote hemd en volgde met angstige blikken de beweging der soldaten. Zijne trekken helderden nochtans op en werden rustiger, toen het eene stuk zijner kleeding na het andere onverdacht bevonden en ter zijde gelegd was. „Zoo waar God Jehova boven mij leeft,” riep hij uit, „ik ben een onschuldig oud man. Geef mij, ik bid u, het mijne terug, en mijne kleedingstukken, en laat mij in vrede heentrekken naar mijne hut!”
„Daar, trek den rommel aan,” riep een onderofficier en wierp hem de broek toe. Isaäk ving haar met beide handen op; maar in hetzelfde oogenblik wierp een soldaat hem ook het opperkleed op dezelfde wijze toe. Daar de Jood juist naar het eerste stuk gegrepen had, kwam het tweede hem, eer hij het afweren konde, op het hoofd te land, zoodat hij zich een oogenblik in de plooien verwarde. Dit gaf den moedwilligen soldaten aanleiding hem te sarren, daar zij hem het wijde kleed al verder over het hoofd neertrokken, tot hij geheel daarin verwikkeld werd en als verbijsterd, maar toch met luid gekerm en driftigen tegenstand heen en weer tuimelde.
Juist wilde Rasinski aan dit woeste spel een einde maken, toen de Jood, door een soldaat met kracht voortgesleurd, struikelde en op den grond viel, zoodat het kleed in de handen der krijgers bleef. Doch tegelijk met het gewaad, was den gevallene ook de valsche haarpruik, die tot nog toe door niemand was opgemerkt, ontrukt geworden, en zijn kale schedel werd voor aller oog zichtbaar. Niets kwaads vermoedend, lachten de soldaten over dit nieuwe onheil dat den Jood bejegende, toen Bernards scherpziend oog een strookje papier ontdekte, dat de Jood tusschen schedel en pruik verborgen gehad en zoo even verloren moest hebben. Hij wilde het oprapen, maar Isaäk, zich zelf niets goeds bewust, kwam hem voor, greep het aan en slingerde het, eer Bernard zijn arm kon tegenhouden, in den gloed van het helder vlammend wachtvuur, waar het oogenblikkelijk tot asch verbrandde. Deze omstandigheid gaf aanleiding tot een nieuw onderzoek. De Jood lochende alles; hij zwoer bij den God zijner vaderen, dat hem van een papier niets bewust was, en dat hij niets in het vuur geworpen, maar slechts zijn witten doek van den grond opgeraapt had. Rasinski liet hem dadelijk den schedel nauwkeuriger onderzoeken, en men ontdekte, dat het haar eerst onlangs was afgeschoren en Isaäk dus geen pruik had noodig gehad. Met loosheid bracht hij tot zijne verdediging in: „God der genade! wat ik gedaan heb, om u te kunnen dienen, dat zal thans worden bij u mijn verderf? Toen ik mij aanbood, uit honger en nood, om voor u te wagen het gevaarlijk werk, moest ik toen niet bedenken, hoe ik u nuttig kon worden, zonder u te verraden? Wist ik, wat ik voor u zou te doen hebben? Heb ik niet altijd gehoord, dat men brieven, berichten en andere papieren voorzichtig moest overbrengen? Daarom heb ik—en nu treft mij de straf!—geschonden de heilige wet, en een scheermes gebracht aan mijn hoofd! Moet gij mij straffen, wijl ik gezondigd heb, om u te dienen? Spreek, en neem tot getuige uw God, heer overste, als gij mij hadt gezegd: Isaäk, hier is een brief, ga heen, breng hem aan den vijandelijken generaal, doch laat hem niet vallen in vreemde handen! zoudt gij dan hebben gevraagd wat de oude Isaäk had aangevangen, om te doen naar uw woord? Hadden zij mij gesnapt en gehangen, zoudt gij niet geroepen hebben: hem geschiedt naar recht; waarom is hij niet voorzichtig en slim, als een kondschapper past? Is het mijne schuld, dat gij mij niets anders dan eene mondelinge boodschap gegeven hebt?”
Op dezen toon ging de Jood, door doodsangst gefolterd, met toenemende welsprekendheid voort, en inderdaad, zijne gronden waren bezwaarlijk te wederleggen. Echter gelukte het hem niet Rasinski van zijne onschuld te overtuigen, die beval, hem zorgvuldig te binden en, wanneer men oprukken mocht, op een pakpaard mede te voeren.
„Bespeur ik aan de bewegingen van den vijand,” riep hij den Jood toe, toen deze werd weggeleid, „dat hij gewaarschuwd is, dan zijt gij rijp voor de galg en zult haar niet ontgaan. Hebt gij niets verraden of kunnen verraden, loopt dan waarheen gij wilt, tot anderen u hangen: achter Liady zijt gij toch niet te gebruiken, daar de Rus uw, bloed en merg der armen uitzuigend geslacht op zijn bodem niet duldt; het eenige, wat ik in dat volk prijzen kan. Nu marsch! Bewaakt hem wel!”
De luid jammerende en weeklagende Jood werd onder den hoon en den spot der moedwillige soldaten in hechtenis gebracht; zoo veracht toch is het snoode, maar helaas onontbeerlijke handwerk van den spion, dat zelfs zij, wie hij van nut is, hem liever mishandeld dan beloond zien.
HOOFDSTUK II.
Bij het aanbreken van den dag was het gansche leger der Franschen reeds weder op marsch.
Rasinski had bevel bekomen, zich bij de voorhoede onder den koning van Napels aan te sluiten. Op een zijweg, dien Isaäk aanwees, won hij zooveel grond, dat hij de lange colonne infanterie, die de maarschalk Davoust aanvoerde, voorbijtrekken en zonder verdere hindernissen het punt zijner bescherming bereiken kon. Hier vond men den prins Murat reeds door verschillende stafofficieren omgeven, en bezig het voor hem uitgestrekt liggende terrein met rassche blikken te monsteren. Rasinski reed op hem toe, ten einde zich te melden en den koning te berichten, dat hij aan Isaäk verschuldigd was, mede te deelen, zonder echter zijne vrees te bewimpelen, dat de spion zich van een dubbel masker bediend had en den vijand wellicht meer tot nut was geweest dan het leger van den keizer.
„Wanneer slechts dat waarheid is,” antwoordde de prins, „wat de Jood u heeft opgegeven, dan kan een onverwijld handelen nog alles redden. Wij moeten het korps van den generaal Newerowskoi afsnijden, vernietigen en Smolensko op die wijze vroeger bereiken dan hij. Het hoofdleger des vijands kan de vesting uit zijne standkwartieren onmogelijk zoo snel naderen, dat wij hem nog niet zouden kunnen voorkomen. Dit is het oogenblik, waarin wij den veldtocht van het geheele jaar kunnen beslissen. Snelheid is thans onze eerste plicht; laat ons dien vervullen.”
Deze woorden waren ook het teeken tot oprukken.
De hoofdarmee zette haren marsch langs den Dnieper voort, zoo echter, dat tusschen den stroom en de groote heirbaan nog eene aanmerkelijke ruimte bleef. Rasinski marcheerde met zijn regiment het naast aan den vloed; hij zond eene patrouille vooruit, welke Jaromir, een andere op de rechterflank, die een jonger officier aanvoerde; ter linkerzijde verleende de stroom genoegzame zekerheid.
„Een verdrietig werk,” wendde Rasinski zich tot Lodewijk, „zoo altijd den vluchtenden vijand na te trekken, zonder hem ooit te kunnen bereiken. Hier moeten zeer onlangs kozakken geweest zijn; zie slechts, de sporen zijn nog versch en duiden onbeslagen paarden met kleine hoeven aan. Aan hen hebben wij het vermoedelijk te danken, dat alle bruggen en vlonders zijn afgebroken, zoodat wij gestadig door het water kunnen rijden. Maar wat gebeurt daar! Jaromir zendt bericht.”
Men zag een lansier naderen; Rasinski galoppeerde op hem toe, om het naricht des te spoediger te ontvangen. Jaromir liet weten, dat hij zoo even, bij het beklimmen eener hoogte, twee kozakken ontdekt had, die dadelijk in een vooruit gelegen boschje verdwenen waren en vermoedelijk tot een sterken troep behoorden.
„Hadden wij hen eindelijk!” riep Rasinski met van vreugde fonkelende oogen en beval in draf voort te rukken. Het regiment stoof den heuvel op, van wiens kruin men een uitgestrekt, vlak terrein voor zich zag, dat slechts door het gemelde boschje, dat nauwelijks een paar honderd schreden diep en ook niet veel breeder scheen, doorsneden werd. De patrouilles werden ingetrokken en men rukte in gesloten gelederen met allen spoed voorwaarts. Het hout genaderd, deelde Rasinski het regiment af en liet een escadron rechts, een ander links omrijden, terwijl hij zelf met de overigen den rechten weg, midden door het bosch, vervolgde, en iets langzamer reed, opdat men te zelfder tijd de ruimte weder bereiken mocht. Nog dampende paardenmest, die men op den weg ontdekte, alsook de vele sporen van hoeven zonder ijzers bewezen met zekerheid, dat eerst eenige minuten te voren een sterke troep kozakken door het bosch moest gekomen zijn. Thans opende het zich en had men het vrije veld voor oogen.
„Waarachtig, daar zijn zij!” riep Rasinski en duidde met den vinger op een korenveld, boven hetwelk men vele lansspitsen en pieken zag uitblinken; „nu zullen zij ons niet weder ontsnappen. Blaast ten aanval!”
De trompetten klonken. Met bliksemsnelheid braken de strijdmassa's uit het bosch te voorschijn. Rasinski beval in front op te marcheeren en de diepe colonne vormde zich tot eene breede linie. De beide escadrons, die het hout waren omgereden, werden thans ook aan den zoom daarvan weder zichtbaar en sloten zich in gestrekten galop bij het hoofdkorps aan.
Het gedruisch, door eene op deze wijze aanrukkende ruiterij te weeg gebracht, moest de kozakken, die vreedzaam voortreden en den vijand niet zoo nabij waanden, dadelijk opmerkzaam maken. Een gevecht scheen met hunne bedoeling niet te strooken; zij zetten hunne paarden aan en renden met lossen teugel voort, tot zij in de door struiken en heuvels begrensde verte verdwenen.
Toen het stof, door de vluchtelingen veroorzaakt, gevallen was, werd men eene kleine stad gewaar, die geen uur meer verwijderd scheen. „Dat zal Krasnoi zijn,” sprak Rasinski. „Waar is de Jood Isaäk? Hij moet het weten.” Isaäk had tot hier toe, met geknevelde handen op een pakpaard gezeten, het regiment met den trein en wagenknechten moeten volgen. Hier zocht men hem ook thans, doch te vergeefs; in het gewoel van den aanval was het hem gelukt te ontkomen.
„Dus hebben de kozakken ons toch nog schade toegebracht,” riep Rasinski; „dien Jood had ik met hart en ziel de galg gegund.”
Intusschen was toch een gedeelte der infanterie en eenige lichte ruiterij met het korps van den generaal Newerowskoi slaags geraakt, die na dappere tegenweer terug geworpen werd.—Tegen het ondergaan der zon sloeg Rasinski's regiment het nachtleger op. Juist had men zich om het helder vlammend vuur in een kring geschaard, toen de donder der kanonnen zich eensklaps liet hooren.
Alles geraakte in beweging, doch spoedig vernam men, dat het vreugdeschoten, ter eere van het zegenrijk gevecht met de Russen en van den geboortedag des keizers waren.
„Waarlijk!” riep Rasinski uit, „bijna zou ik vergeten hebben, dat wij heden den 15 Augustus schrijven. Dit salvo is iets waard, want het wordt met russisch, heden buit gemaakt kruit gelost. Laat ons dan ook den dag niet vergeten, mijne vrienden, maar in een vroolijken kring op het welzijn des keizers drinken.”
Deze uitnoodiging werd met blijdschap aangenomen. Het vuur vlamde spoedig helder op; daar omheen legerden zich de officieren van het regiment en de beide vrienden, die steeds door Rasinski als tot zijn staf behoorende beschouwd werden.
„Onze drinkschalen zijn wel niet van de glansrijkste,” sprak Rasinski, toen ieder het glas, den beker, of wat anders bij de hand was, gevuld had, „de tafel is wel niet te rijk bezet, maar de gasten zijn, vertrouw ik, zoo edel, als zij ooit in eene pronkzaal bijeen zaten. Zoo heet ik u dan welkom, mijne kameraden!”
Eensklaps werden zijne trekken ernstig; met waardigheid trad hij voor den kring der gelegerde broeders, steunde met den linkerarm op de sabel en hield met den rechter den gevulden beker omhoog.
„Vrienden!” begon hij op plechtigen toon, „na lange jaren betreden wij heden, door den grooten keizer der Franschen aangevoerd, het gebied van oud-Rusland voor het eerst weder met de wapens in de vuist! Wij staan op den bodem, waar onze vaderen eertijds zoo menigen roemrijken kamp met den gehaten nabuur gestreden hebben. Herinnert u, broeders, hoe er een tijd was, dat Polens vanen in Moskou van het Kremlin waaiden, dat onze waiwoden den Russen hunnen czaar gaven. De czaar Boris Godunow, die de oude stad Smolensko, welke daar achter gindsche heuvels door het duister van den nacht bedekt wordt, grondvestte en de muren met hunne torens bouwde, die wij morgen wellicht in stormloop beklimmen—die czaar Boris Godunow verloor den troon door de dapperheid onzer voorvaders. Dat waren Polens glansrijke dagen! Maar zij keeren weder! Als een feniks uit de asch zal de witte arend zich uit het rookend puin verheffen, waaronder ons vaderland bedolven ligt, sinds verraad en overmacht de brandfakkels in onze steden en velden slingerden. In de diepte smeulde de vonk voort; in de borst van elken Pool blaakt nog de machtige vlam van den ouden heldenmoed, van de oude vaderlandsliefde. De dag der vergelding, der verzoening, der gerechtigheid is daar!—De wereldgeschiedenis heeft den grooten man aan het licht gebracht, die dezen dag doet aanbreken. Zijne banieren volgende, stormen wij ter zege over onze vijanden! Op dan, ledigt op hem dezen beker. Leve de keizer, leve Polen, leve de vrijheid!”
Gelijk een stormwind de losgebarsten vlammen opjaagt, drongen de vurige woorden van Rasinski in het hart zijner van vaderlandsliefde en heldenmoed gloeiende strijdgenooten. Tot marmerbeelden versteend, hadden zij elk woord van zijne lippen opgevangen; slechts het vurige oog verried het leven in hunne borst. Thans sprongen zij op. Onder tranen en gejuich herhaalden zij den kreet: „Leve de keizer, Polen, de vrijheid!” Met duizendvoudige echo's klonk de juichtoon verder, want de kring had zich door de van alle zijden toedringende krijgers tot in het onafzienbare uitgestrekt. Toen Rasinski zijn beker geledigd had, slingerde hij dien hoog in de lucht, breidde de armen uit en sloot den naasten makker onstuimig aan de borst. De vrienden omringden hem, wierpen zich aan zijne voeten, grepen zijne handen, bedekten ze met kussen en tranen. Eene bijna waanzinnige geestvervoering had zich van allen bemachtigd; luid weenend hielden jongelingen en mannen elkander omstrengeld. Diepe smart en namelooze verrukking welden tegelijk met machtige golven in de ziel op en dreigden de geschokte gemoederen geheel te overstelpen. De ouden van dagen gevoelden zich verjongd en over den grijzen knevelbaard van Petrowski rolden even heldere tranen, als over Jaromirs bloeiende wangen.
Lang duurde het eer de hevig opbruisende vloed weder in de kalmere bedding terugkeerde. Een milde, zachte ernst vervulde hierop de gemoederen. Vertrouwelijk bleef men om de vlam gelegerd en gaf zich aan het zoet gevoel van hartelijke, broederlijke gemeenschap over. Al langzamerhand nam de gloed der legervuren af; de vermoeide natuur gevoelde na de verdubbelde inspanning eene verdubbelde afmatting. De zachte slaap deed de krijgers den een na den ander nederzijgen. Jaromir legde het blonde hoofd op Bernards schouder, die dien last gewillig droeg en eindelijk, zelfs door den sluimer overmand, met hem op het gras terugzonk. Lodewijk bleef nog lang wakende. Alles zweeg om hem heen; de verteerde denneblokken braken doormidden; de vlam verdoofde; de nachtelijke hemel welfde zich donker over het leger; door den in breede dwarlende zuilen langzaam opstijgenden rook schemerden matte sterren. Een ernstig, somber beeld!
En donker werd het in de ziel van den jongeling. Het hopeloos treurend vaderland, de verre geliefden, het dierbare beeld van een onbekend, spoorloos verdwenen wezen, dat zijn hart nog altijd geheel vervulde—dat waren de treurige gestalten, die zich op den somberen achtergrond van den nacht voor hem afteekenden.
Die diepe, onuitsprekelijke angst beklemde zijne borst; het was hem eensklaps, alsof hij aan de smart niet langer weerstand kon bieden, alsof hij onder deze bezwijken moest. Met al de innerlijke kracht zijner ziel moest hij zich wapenen, om niet moedeloos neer te zinken onder den last, die op zijn hart drukte. Zijn oog viel op Bernard, die, door den matten glans van het vuur bestraald, nevens hem sluimerde. Toen hij in dat trouwe, edele gelaat blikte, waarop fierheid en kracht zich met welwillende zachtheid innig paarden, waaruit de liefde hem uit broederlijke, hartelijke trekken vriendelijk toelachte, toen keerde eene vertroostende kalmte in zijn geschokten boezem terug, en hij dacht: „Neen, hij mag zich nog niet ongelukkig noemen, die aan de zijde van zulk een vriend insluimert!”
En rustiger vlijde ook hij thans het hoofd aan de borst van den vriend neder, hulde zich in den mantel en sliep in.
HOOFDSTUK III.
„Dat zijn de torens van Smolensko!” riep Rasinski, toen hij aan de spits van zijn regiment eene boschrijke hoogte bestegen had, vanwaar men de grijze stad op nauwelijks een uur afstand voor zich zag. „Wij moeten nu langs den zoom van den heuvel, door het kreupelhout, afdalen, om ongemerkt tot dicht onder de muren te komen.—Ik vrees, ik vrees, dat wij een harden strijd zullen te kampen hebben. Ziet gij daar die stofwolken op de heuvels aan gindschen oever van den Dnieper? Dat kunnen geen troepen van ons leger zijn! In den zwavelpoel der hel zou ik den Jood wenschen; want het is zoo goed als zeker dat hij het opzet van den keizer beluisterd of geraden en aan Barclay overgebracht heeft. Mijn kop wil ik er op verwedden, dat het de russische hoofdarmee is, die daar aanrukt!”
„Nu, dan is de gewenschte slag immers daar?” hervatte Bernard op vragenden toon.
„Misschien; maar nog niet zeker, en in allen gevalle onder veel ongunstiger omstandigheden, dan wanneer wij Smolensko vroeger bereikt, het bezet en zoo den weg naar Moskou voor den vijand afgesneden hadden. Dan moest hij ons de vesting ontrukken; thans zullen wij duizenden voor haar bezit opofferen.—Ware het ons slechts gelukt, Newerowskoi af te snijden, dan zouden wij nog de eersten geweest zijn!”
Onrustig stoof Rasinski alleen vooruit naar een nabijliggenden heuvel, die een vrijer uitzicht vergunde; het regiment trok intusschen langs den aangeduiden weg, die in breede bochten op de stad aanliep, langzaam voorwaarts.
„De landstreek is toch niet geheel onbevallig,” sprak Lodewijk tot Bernard, daar eene breede opening in het kreupelhout juist een verren blik in het Dnieperdal vergunde. „Ziet gij ginds dat kasteel aan genen oever op den heuvel?”
„Een statig gebouw,” hervatte Bernard. „Het schijnt van zonderlingen, voorvaderlijken bouwtrant, voor zoover men van hier kan zien. Wellicht zullen wij er spoedig ons nachtkwartier in opslaan, daar het, met het aanzienlijke dorp, dat zich ginds ter zijde uitstrekt, waarschijnlijk even verlaten zal zijn, als alle plaatsen, die wij tot hiertoe doortrokken.”
„Inderdaad eene treurige wildernis, die wij doortrekken!” hernam Lodewijk. „Maar het gindsche slot brengt een zonderlingen indruk op mij te weeg. Ik ondervind hier voor het eerst, dat de verte, de vreemdheid, haren invloed merkbaar doen gelden. De bouworde, de ligging, alles wekt een zonderling, zeldzaam gevoel in mij op.”
„Ook in mij flikkeren eenige vonken van avontuurlijk romantische verschijningen op,” sprak Bernard luchtig. „Hoe, wanneer daar eene bekoorlijke prinses woonde, of wanneer het slot bestormd werd, in brand vloog, en wij een liefelijk wezen van onbegrijpelijke schoonheid uit de vlammende zalen redden? Mij dunkt, ik zie den rooden gloed nu reeds om de zonderlinge torenspitsen spelen.”
„Scherts niet,” sprak Lodewijk ernstig. „Uwe voorzegging kon ten minste gedeeltelijk bewaarheid worden; wie weet, met welk vreeselijk onheil de ongelukkige bewoners werkelijk bedreigd worden!”
„Licht mogelijk, dat zij zelven de pekkransen in hunne bezitting slingeren; het slot schijnt niet ver van den landweg gelegen, die langs den anderen oever heenloopt, en tot hiertoe hebben wij niet vele onverwoeste dorpen en sloten op onzen weg aangetroffen. Het schijnt, dat de Russen ons liever eene verwoeste provincie, dan eene onvernielde stad inruimen. Doch daar komt immers Rasinski met lossen teugel terug.”
Inderdaad kwam deze met zulk een spoed aanrennen, dat zijn paard wild uit de neusgaten blies en het stof in dwarlende wolken achter hem opsteeg. Reeds van verre wenkte hij met de sabel. Zijn naaste plaatsbekleeder, majoor Negolinski, verstond dit teeken en liet het regiment in vliegenden galop bij den volgenden heuvel oprukken. Thans zag men Smolensko voor zich; tegelijk kon men de gansche landstreek tot in de verte overzien en ontdekte verschillende korpsen der groote armee, die op eenige punten reeds tot binnen de geschutlijn der vesting waren doorgedrongen. Op genen oever werd men daarentegen de tallooze russische legermassa's gewaar, die in vliegenden stormmarsch op Smolensko aanrukten, om de stad te bezetten, eer de Franschen zich van haar hadden meester gemaakt.
„Voorwaarts, voorwaarts!” schreeuwde Rasinski. „Het dal af, langs den stroom op, wellicht gelukt het ons den vijand te verrassen.” Hij zelf rende wederom ver vooruit, alsof hij het oogenblik, waarop men zich met den vijand meten zoude, niet kon afwachten.
Toen men de rivier bereikt had, lag Smolensko op zijne beide steile heuvels aan deze en gene zijde van den Dnieper, dicht voor de aanvallers, ja bijna boven hen. Reeds hoorde men kanongedonder en klein geweervuur. Wolken van stof en rook omhulden het dal en den stroom; slechts de tinnen van den ouden stadsmuur en de hooge torens verhieven zich boven den nevel. De ruiters volgden hun aanvoerder, zonder te weten, of zij vriend of vijand voor zich hadden; want in den dichten damp, dien de wind hun te gemoet joeg, was niets te onderscheiden.
Plotseling kwam Rasinski weder op hen toe. „Halt!” was zijn commando. Het regiment stond als een muur; de ruiters, door den overhaasten rit op den oneffen grond ten deele uit hunne gelederen gedrongen, ordenden zich in stilte weder. „Eerste escadron links zwenkt! Regiment marsch!”
Langzaam voerde Rasinski de zijnen de helling weder op en boven over de heuvelachtige vlakte naar eene, met hout bedekte hoogte, die buiten het bereik der vesting lag.
„Het was te laat,” zeide hij in het terugrijden. „De koning van Napels wilde van deze zijde met de cavalerie, de maarschalk Ney van gene zijde met de infanterie de stad overvallen, maar de Russen zijn te vast verschanst en hebben te veel geschut. Binnen een half uur moet bovendien de hoofdarmee hier zijn, en dan ware het dwaasheid, juist hier den kamp te beginnen. Echter heb ik hoop, dat men zich morgen door een slag van het bezit der vesting zal trachten te verzekeren, daar het er hier op aankomt, de hoofdpoort te verdedigen, die naar Rusland voert.”
Het regiment betrok het bivak.
Tegen den avond kwam een adjudant van den generalen staf aanrennen en vroeg naar Rasinski. Hij werd bij den keizer ontboden, die, benevens de maarschalken, ook alle der landstreek kundige officieren om zich verzameld had, ten einde betrekkelijk den aanval, dien hij morgen op de stad wilde ondernemen, van hen eenige inlichtingen te bekomen. Om mogelijke bevelen spoedig te kunnen afzenden, liet Rasinski zich door Bernard en Lodewijk verzellen. Zij hadden moeite de tent van den keizer te bereiken, wijl de tot nabij de stad voortgerukte troepen op bevel van Napoleon hun bivak ontruimen en het verder achterwaarts weder moesten opslaan.
„Wat beteekent die beweging?” vroeg Rasinski aan een adjudant, die met hem den zelfden weg nam.
„De keizer wil den vijand een slagveld vrijlaten; hij hoopt, dat de russische liniën morgen eindelijk geordend voor ons staan en den kamp zullen aannemen.”
„En onze stelling?” vroeg Rasinski verder.
„Daar op het gindsche amphitheater van heuvels, die een halven kring om de stad sluiten. Het zijn slechts holle wegen en engten, waartegen wij leunen; bij een terugtocht eene bedenkelijke stelling!”
„Het woord terugtocht heeft de keizer in zijn woordenboek doorgestreken,” hernam Rasinski; „voor elk ander veldheer ware de misslag groot. Hij echter heeft de zekerheid van de overwinning; tot hiertoe ontbrak hem niets dan de vijand. Gave de hemel dat die morgen toch eindelijk stand hield!”
„Hm! Ik twijfel er aan. Waarom zou hij vóór de vesting een slag wagen, wanneer hij het daarachter even goed kan?”
„Bagration heeft, naar men verneemt, den grootsten lust tot een gevecht.”
„Barclay des te minder.”
„Hij is niet bemind; de Rus haat hem, slechts de keizer is zijn steun. In zijn eigen vaderland aangetast, moet het den Rus in zijne eer ten diepste krenken, dat hij, zonder weerstand te bieden, telkens wijken moet. Barclay zal moeten vechten, daar het leger hem anders niet langer gehoorzaamt. In zeker opzicht staat de veldheer, niettegenstaande zijne onbeperkte macht, nog altijd onder het bevel des legers. En het zwaarst van alles is, den strijdzuchtigen soldaat van den slag terug te houden; tevens is het ook het gevaarlijkst, want hij toont naderhand juist in het beslissende oogenblik onwil, wanneer men vroeger zijne dapperheid met geweld in boeien heeft gelegd. Een veldheer moet niet slechts het terrein, hij moet ook den innerlijken mensch weten te beoordeelen; verrekent hij zich dáár, dan zal al zijne taktiek hem weinig baten.”
„Hoopt gij iets goeds van den slag?” vroeg de officier na eene poos stilzwijgen.
„Zonder twijfel de beslissendste overwinning; echter zal zij bloed kosten.”
„Voorzeker, veel. Reeds bij den aanval van heden hebben wij een geducht verlies geleden. Van het bataljon, waarmede de maarschalk Ney liet aangrijpen, zijn twee derden gebleven. Zij geraakten in het flankvuur der russische batterij, één enkele kogel trof zoo moorddadig, dat hij vier en twintig soldaten verpletterde. Wij konden het van de hoogte maar te duidelijk aanzien.”
„Te vallen is de ernstige bestemming van den soldaat,” hernam Rasinski. „Maar hoor! Tirailleursvuur!”
„De keizer heeft bevolen, dat het eerste korps den vijand verontrusten zal, om hem misschien op dezen oever der rivier te lokken.”
Gedurende dit gesprek was men, deels tusschen bivaksvuren en gelegerde troepen door, deels om terugtrekkende afdeelingen heenrijdende, aan de legerplaats der oude garde gekomen, in welker nabijheid de tent des keizers op eene boschachtige hoogte was opgeslagen. Men zag hem juist met een vrij talrijk geleide afrijden, vermoedelijk om den omtrek te verkennen; Rasinski stoof in gestrekten galop na, de beide vrienden volgden op een behoorlijken afstand. Ongeveer een half uur reed de keizer met zijn gevolg van den eenen heuveltop naar den anderen. Van wat inmiddels verhandeld werd konden Lodewijk en Bernard niets verstaan, daar zij met andere ordonnans- en jongere officieren ten minste dertig tot veertig schreden achter de maarschalken reden. Thans hield de keizer stil en sprak met den maarschalk Ney en den koning van Napels; hierop wenkte hij Rasinski, dien hij een uitvoerig bevel scheen te geven, want hij sprak lang en met driftige gebaren.
Dadelijk reed deze terug, liet zich door Lodewijk verzellen en beval Bernard, den trein verder te volgen en daarna bij de keizerlijke tent te wachten, tot hij eenig schriftelijk of mondeling bevel ter overbrenging zou hebben ontvangen.
Bij het toenemen der duisternis keerde Napoleon naar zijne tent terug. De maarschalken Berthier, Ney, Murat, Davoust en de onderkoning van Italië volgden hem. Twee grenadiers van de garde hielden wacht aan de tent; Bernard en drie ordonnans-officieren plaatsten zich nabij den ingang, om de bevelen af te wachten. Binnen een kwartier werden de drie afgevaardigd, Bernard bleef alleen zonder verdere bestemming. Het was stil geworden; de vermoeide troepen lagen in hunne mantels gewikkeld en sliepen; ook het minste geruisch in de verte begon hoorbaar te worden. Zoo kon Bernard thans onderscheiden, dat in de tent levendig gesproken werd; echter was het hem onmogelijk den loop van het gesprek te volgen. Slechts enkele woorden verstond hij en wel bij herhaling de namen Smolensko en Moskou. Gaarne ware hij eenige schreden nader getreden, maar de beide baardige grenadiers met hunne hooge berenmutsen, die met afgemeten passen voor de tent op- en nedergingen, hielden hem door den ernstigen blik hunner zwarte oogen op een eerbiedigen afstand.
„Men spreekt van den slag, dien wij wellicht morgen leveren,” begon hij eindelijk; „kunt gij het gesprek volgen, mijne vrienden?”
„De schildwacht des keizers hoort niets, kameraad,” antwoordde een der grenadiers met strengen blik.
„En spreekt ook niet,” voegde de andere er op verwijtenden toon bij.
Pas had men deze woorden gewisseld, toen de maarschalken Ney en Davoust, beiden zichtbaar in hevige gemoedsbeweging, met rassche schreden de tent verlieten en een verschillenden weg insloegen, zonder van elkander afscheid te nemen. Het viel onmiskenbaar in het oog, dat zij zich in een uiterst verbitterde stemming bevonden. Intusschen werd het gesprek in de tent nog driftiger. Bernard onderscheidde duidelijk de stem van den keizer, die luid en heftig sprak. De vice-koning van Napels verliet eenige oogenblikken later de tent. De schildwachten trokken het geweer aan, toen hij voorbij kwam; maar de anders zoo vriendelijke, welwillende man verzuimde den groet te beantwoorden; hij scheen, innerlijk zoo geschokt en ontroerd, dat de uiterlijke voorwerpen hem geheel ontgingen. Bernard kon bij den schijn van een, niet ver van de tent brandend vuur, waaraan de keizerlijke keuken bezorgd werd, de edele veelbeteekenende trekken van den vorst, op wiens voorhoofd zorg en kommer duistere wolken samentrokken, vrij duidelijk onderscheiden. Er lag zooveel zachtheid in dat gelaat en zooveel mannelijke stoutheid met vriendelijken adel gepaard, dat de indruk, dien het teweeg bracht, onvergetelijk zijn moest. Nog volgde Bernard met onafgewende blikken de edele gestalte, toen het kletteren eener sabel zijn oog opnieuw naar den ingang der keizerlijke tent trok. Het was de koning van Napels, die in zijne avontuurlijk vreemdsoortige dracht, een reigerveer op de met pels omzoomde muts, onder het onverstaanbaar mompelen van eenige, toorn en ijver verradende woorden uit de tent te voorschijn trad. Zonder Bernard te bemerken, ging hij strijkelings diens paard voorbij, en duidelijk kon deze verstaan, dat hij stampvoetend en met eene halfgesmoorde stem uitriep: „Moscou! Moscou! Cette ville nous pendra.”
Nauwelijks was hij echter eenige schreden verder, toen hij eensklaps als zich bezinnend, bleef staan, zich omwendde en riep: „Waar is de ordonnans van overste Rasinski?”
Bernard wilde van het paard springen en zich aanmelden, doch de koning riep hem toe: „Blijf zitten! Deze order voor den overste! Haast u!”
Met deze woorden verwijderde hij zich, en Bernard rende met lossen teugel op het bivak van zijn regiment toe.
Met een gelukkig plaatsgeheugen begaafd, gelukte het hem, in weerwil der duisternis en der van alle zijden verwarrend flikkerende legervuren, die, wijl hunne verte en nabijheid zoo moeilijk te berekenen zijn, dikwijls als dwaallichten van den rechten weg afleiden, toch in korten tijd de legerplaats zijner kameraden te ontdekken. Rasinski brak de order met driftig ongeduld open en verslond de regels bij den glans van het vuur.
„Goed, goed,” mompelde hij, „ik vrees maar, dat het onnoodig zal zijn.”
De nacht verstreek zonder eenige bijzondere ontmoeting; men had de wachten verdubbeld, en een deel der manschappen bleef onder de wapenen; intusschen werd de rust der overigen door niets gestoord. Bij het aanbreken van den dag verwachtte men den vijand in slagorde geschaard te zien. Men had zich bedrogen. De wijde ruimte, die men hem tot een slagveld had gelaten, was eenzaam en ledig. De stad met hare oude, dikke, met achttien torens gekroonde muren lag stil en doodsch in de vale morgenschemering; geen geluid liet zich daaruit vernemen. Het gansche leger der Franschen stond onder de wapens; op den eersten wenk konden de troepen in slagorde uitrukken. Men zag den keizer, door maarschalken omstuwd, meermalen over het veld rijden; hij rende de eene hoogte na de andere op en zag in het rond, deels om, ingeval het tot een treffen kwam, zijne maatregelen te nemen, deels in de gestadige verwachting, dat de vijand toch eindelijk nog zou komen opdagen.
Een maarschalk, het was Belliard, kwam op Rasinski toe, wenkte en sprak eenige woorden met hem. Dadelijk beval deze het eerste escadron, hetwelk door Boleslaw werd aangevoerd, hem te volgen.
Zij reden een eindweegs langs den Dnieper voort; bij eene kromming van den weg stieten zij op twintig of dertig kozakken, die, zoodra zij den vijand in het oog kregen, als een zwerm opgejaagde vogels ijlings over de vlakte stoven. In ééne minuut waren zij verdwenen; echter ontdekte men hen eenige oogenblikken later weder aan den voet eens heuvels, waar zij op eene plaats van den stroom, die tot hiertoe door zijne kromming onzichtbaar was geweest, met hunne paarden naar den tegenoever overzwommen.
„Duivel!” riep Rasinski plotseling uit en wendde zich tot den maarschalk, terwijl hij met de sabel voor zich uit wees. „Ziet gij naar die massa's! Het is de russische armee in vollen aftocht op den weg naar Moskou.”
De maarschalk sloeg een mistroostigen blik naar de overzijde. „De keizer zal buiten zich zelf zijn; tot hiertoe had hij nog altijd gehoopt, het leger hier tot den slag te zien uitrukken, en Davoust versterkte hem in dien waan. Nu is de begoocheling voorbij, zie slechts die onmetelijke rijen artillerie, infanterie en cavalerie, die den weg bedekken. Doch ik wil het dadelijk melden.” In gestrekten galop vloog de maarschalk thans over de vlakte terug op de tent des keizers toe.
Rasinski droeg aan Boleslaw op, met het escadron den vloed hooger opwaarts te verkennen en eene ondiepte te zoeken, waardoor men met de ruiterij en desnoods ook met infanterie en geschut den anderen oever konde bereiken; want hij vermoedde terstond, dat de keizer bevel zoude geven, de armee in de flank te vallen en haren aftocht te verontrusten.
Boleslaw reed verder dan een uur langs den oeverkant voort. Overal, waar het water slechts een schijn van ondiepte vertoonde, was hij de eerste, die beproefde er door te waden, doch nergens vond hij, wat hij zocht, en bijna had hij eenige manschappen bij zijn vruchtelooze pogingen ingeschoten. Verdrietig, dat het hem niet gelukken wilde, den last te volvoeren, was hij op het punt van den teugel om te wenden, toen hij achter zich den donder eener batterij vernam. Hij wierp zijn paard om en zag den oever met geweldige artilleriemassa's beplant, die op de, aan de overzijde van den stroom zich langzaam voortbewegende russische armee hun vuur uitbraakten. Thans wierp ook deze eenige batterijen op, om het vijandelijke vuur tot zwijgen te brengen, en spoedig werd men de vreeselijke uitwerking daarvan gewaar. Eene wolk legerde zich als een nachtelijk monster op het veld; slechts eenige roodachtige tongen bliksemden door het duister en werden onmiddellijk daarop door den rollenden donder gevolgd. Boleslaw, die de hoop om eene doorwaadbare plaats te vinden, nu had opgegeven, besloot met zijne lieden terug te rijden. Zoo had hij dan het veld der verwoesting en des doods voor zich, want niet slechts de batterijen vuurden onophoudelijk op elkander, maar ook de gansche vlakte van Smolensko dreunde van een verbitterd gevecht.
De keizer had den aanval op de stad bevolen, waarvan hij zich thans ten spoedigste wilde meester maken. De zwarte massa's infanterie rukten dus van alle zijden aan, ten einde den vijand, nadat hij door het vuur der artillerie verzwakt was, geheel te verdrijven. De aarde scheen angstig te zwoegen onder het dof gedreun; grijze rookwolken trokken langzaam over de strijdenden voort en overschaduwden het veld des doods. Als een bloedig oog blikte de verduisterde zon op de slachting neder. De vogels fladderden angstig en verschrikt in het rond en vluchtten van de schouwplaats der verdelging. Buiten den doffen donder van den slag, dien Boleslaw slechts in de verte vernam, liet zich geen geluid hooren. De natuur lag in diepe stilte; geen windje ritselde door het loover. Zwijgend en ernstig reed Boleslaw aan de spits der zijnen langs den rug des heuvels op het slagveld aan. De kamp, die de krijgers met vlammenden moed vervult, wanneer zij zich midden in zijne golven zien neergestort, verwekte thans, daar zij hem uit de verte moesten aanzien en geen aandeel in de beslissing konden nemen, eene angstige beklemming in hunne borst. Buiten de handeling geplaatst, gevoelden zij hare vreeselijke beteekenis te dieper, naarmate zij die beter overzien konden.
„Daar in dien kuil spookt de baardige satan, geloof ik,” sprak de oude Petrowski en wees naar eene plaats, waar de fransche vuurmonden in den dichtsten damp gehuld stonden.
„Zij schijnen in drievoudig kruisvuur te staan,” hernam Boleslaw.
„Voorzeker; de drie zwarte wolken daarboven bliksemen er al op los! En zij treffen. De kruitwagens vliegen in de lucht, alsof zij op vlammende mijnen stonden. Daar komt eene reservebatterij aandraven; zij moeten er al verduiveld van gelust hebben. De Moskoviten beginnen er ernst mee te maken. Hadden wij hen maar op de vlakte, waar de cavalerie er op los kan houwen! De sabel is mij van daag zoo licht in de hand als een wandelstok! Ik zou hen.... Donder en hel! alweer eene kruitkist naar den duivel!”
Inderdaad scheen de plaats, waarop Petrowski gewezen had, vooral thans, nu men nader kwam, een vuurspuwende vulkaan. De rook dwarrelde in dicht opeengepakte wolken daaruit omhoog, en trok langzaam, in donkere, zwarte wentelingen over de vlakte voort. Daardoor juist werd het vuur van den vijand zoo verderfelijk, dat hij het voordeel had, zijn tegenstander duidelijk te zien, terwijl hij zelf door den voorwaarts trekkenden rook dicht omhuld was. Zoo sloegen de kogels en granaten onophoudelijk met verheerende kracht op de batterij neer. Raderen en assen werden tot splinters geschoten, de paarden steigerden en verscheurden zeelen en strengen, granaten barstten, kruitkarren vlogen in de lucht, en bij dat alles kraakte en donderde het eigen legervuur der batterijen, dat de grond, waarop zij stonden, sidderde en dreunde.
„Wij moeten, geloof ik, nog verder links rijden,” sprak Boleslaw tot Petrowski, „anders komen wij zelve in de geschutlijn.”
„Ik geloof het ook,” antwoordde de oude; „wij konden geheel zonder noodzaak een half dozijn paarden kwijt raken en ik verlies niet gaarne iets, waar niets te winnen valt.”
„Gij hebt gelijk, oude! Er zal ons dan niets overblijven, dan achter gindschen heuvel om te rijden,” hervatte Boleslaw, na een blik over de landstreek geworpen te hebben.
Hij sloeg een hollen weg in en was dus spoedig buiten het bereik van het vijandelijke vuur, maar kon ook niets meer van het slagveld overzien. Weldra had hij het bivak bereikt, waar hij Rasinski van zijne vergeefsche pogingen bericht gaf.
„Ik wist het reeds,” antwoordde deze; „want wij hebben intusschen eenige lieden opgespoord, die met de landstreek bekend zijn. Verder opwaarts is evenwel nog een doortocht te vinden, waarvan wij echter niet vóór den avond willen gebruik maken daar er slechts weinig lieden tegelijk over kunnen trekken en de plaats door de steile oevers voor het geschut geheel ongenaakbaar is. De aanval met een geheel korps op de achterhoede der Russen is dus niet denkbaar, maar toch kunnen wij wellicht een blinden schrik onder hen brengen, een troep naloopers gevangennemen en eenigen buit maken. Dit is aan ons opgedragen. Het verheugt mij, dat wij dan toch nog eenig aandeel in den dag van heden krijgen zullen, daar de cavalerie overigens ledig toeschouwster blijven moet.”
Intusschen werd het gevecht onder de muren der stad met verbittering voortgezet. Rasinski was met zijne officieren naar een punt gereden, waar zij het bloedig tooneel in zijn ganschen omvang konden overzien. Ook thans nog was de stelling der batterijen aan den stroom de plaats, waar dood en verwoesting het vreeselijkst woedden. Met bezorgdheid richtten zich de blikken der toeschouwers daarheen, waar zoovele kameraden aan het lot van den dag moesten worden opgeofferd. Een aantal ruiters kwam uit de dichte rookzuilen te voorschijn rijden en nam zijn weg over de vlakte naar de tent des keizers. Met verbazing herkende men, toen zij naderden, den koning van Napels. Hij reed langzaam voorbij en beantwoordde den eerbiedigen groet der officieren, zonder verder naar hen om te zien. Een officier uit zijn gevolg rende op Rasinski toe. Het was de overste Regnard.
„Om 's hemels wil,” vroeg hem Rasinski, „wat hadt gij daarboven in dien ziedenden ketel te doen en bovenal wat wilde de koning daar?”
„Wat hij wilde? Bezwaarlijk, wat hij nu doet: weder terugrijden. Er moeten gisteren zeldzame dingen tusschen hem en den keizer zijn voorgevallen, want hij is geheel veranderd. Hij bleef hardnekkig bij zijn voornemen, om zich in dien helschen kuil te laten neerschieten. Toen wij hem bezwoeren terug te rijden, riep hij: „Ik wil niemand met mij in het verderf storten,” en wilde zijne adjudanten wegzenden. Eenstemmig verklaarden zij, geene schrede van hem te zullen wijken. Op hetzelfde oogenblik sloeg een houwitser neer en deed het paard van zijn lieveling Duteuil ter aarde storten, zoodat hij dezen zelf gedood meende. Verschrikt sprong hij uit den zadel en trok hem zelf van onder het stuiptrekkend dier weg. Toen hij hem nog in leven en ongekwetst zag, kuste hij hem en zeide: „Laat ons dan terugrijden.””
Bernard hoorde dit verhaal met gespannen deelneming aan en bracht het dadelijk in verband met wat hij gisteren voor de tent des keizers waargenomen, maar aan niemand medegedeeld had.
„En vermoedt men wat tusschen den keizer en zijn zwager kan zijn voorgevallen?” vroeg Rasinski.
„Ieder gist het zijne,” antwoordde Regnard de schouders ophalende; „hij zal evenmin als Duroc, Daru, Lobau, kortom, als wij allen met den veldtocht tevreden en daarover met hem in strijd geraakt zijn. Het oude lied met het oude refrein. Nu, wanneer wij heden een twintig duizend man laten, om den steenhoop daar ginds te veroveren, zal er wel een luid deuntje in het geheele leger worden gezongen. Ten minste zal ieder het stil voor zich zelf neuriën. Goeden morgen!” Met deze woorden reed hij verder en liet Rasinski in sombere mijmeringen achter.
HOOFDSTUK IV.
De aanvallen op Smolensko werden den ganschen dag door onophoudelijk vernieuwd. De Russen verdedigden zich koelbloedig, maar vreeselijk. Duizende krijgers zonken op het veld des doods neder, en nog immer was de prijs voor deze offers niet gewonnen, toen de zon reeds begon te dalen en achter grauwe wolken verdween.
Thans was de gunstige tijd voor Rasinski's plan gekomen. Hij liet opzitten en trok met zijn regiment langs den Dnieper voort, maar hield zich zoo ver van den oever verwijderd, dat men hem van de overzijde niet ontdekken konde. Nadat men een uur had afgelegd, werd deze voorzorg overbodig, daar het geheel donker was geworden.
„Ieder houde zich doodstil! Niemand mag rooken of vuur slaan!” luidde het bevel dat de overste van rot tot rot liet voortloopen. Hij had een jongeling uit den omtrek bij zich, die hem tot gids diende. Met dezen onderhield hij zich in het russisch, zoodat niemand der overigen verstaan konde, waarover hij met hem sprak. De gansche tocht werd als een geheim behandeld.
Men bevond zich in een vrij dicht kreupelhout, toen Rasinski halt liet houden. Hij zelf reed, enkel door zijn geleider verzeld, verder voorwaarts en beval het regiment, zijne terugkomst af te wachten.
Eene hooggespannen verwachting heerschte in de gelederen. Rondom ademlooze stilte; de donder van den slag, dien men nog lang in de verte gehoord had, was verstomd. De vallende avond had aan den bloedigen moord een einde gemaakt. Slechts de wind ruischte in de toppen der berken en dennen, van tijd tot tijd hoorde men het geroep van den roerdomp. Een half uur bracht men op deze wijze door. Eindelijk kwam Rasinski terug en gebood stapvoets voort te rukken. Men moest eenige woeste heuvels, die met bramen en varenkruiden bedekt waren, op en af; hierop stond men onverhoeds aan eene steile helling en hoorde de Dnieper ruischen, in wiens golven de zwarte, nachtelijke hemel zich donker afspiegelde. „Bij tweeën afgebroken en mij gevolgd!” fluisterde Rasinski den vleugelman toe; en met dof gemompel liep dit bevel door de gelederen voort. Hij liet daarop zijn paard behoedzaam bij de helling afklauteren en reed door de, hier nauwelijks drie voet diepe stroombedding. Boleslaw volgde met zijn escadron. De overigen moesten, daar die overtocht zich slechts langzaam liet bewerkstelligen, een geruimen tijd op de hoogte wachten.
Bernard, die zich altijd met de plaatselijkheid nauwkeurig zocht bekend te maken, stiet Lodewijk zachtkens aan en fluisterde, met den vinger naar den anderen oever wijzende: „Zie ik daar ginds in de hoogte niet flauw verlichte vensters? Mij dunkt, ik moest mij zeer bedriegen, zoo wij ons hier niet zeer in de nabijheid van het slot bevinden, dat ons dezen morgen reeds zoo in het oog viel.”
„Mogelijk,” antwoordde Lodewijk. „Maar zie eens dien helderen schijn daar achter ons. Wat mag dat beduiden? Boven de boomtoppen is de hemel gloeiend rood.”
„Het zal de opkomende maan zijn,” sprak Jaromir, die zich intusschen bij hen gevoegd had.
„Dat kan niet zijn,” meende Bernard; want die komt eerst tegen middernacht op.
Daar lichtte eensklaps een roode bliksemstraal door den nachtelijken hemel en een bloedigen weerschijn werd op de golven van den vloed zichtbaar.
„Dat is brand,” riep Jaromir met eene gesmoorde stem. „Ziet, ziet! Nu breekt het uit;—de vlammen slaan wild omhoog. Het is Smolensko, dat in brand staat.”
Men kon er niet meer aan twijfelen, want de donkere gloed, met lichter vuurstrepen doortinteld, breidde zich verder en verder over den gezichteinder uit en begon zijn helder schijnsel tot zelfs op de plaats neer te werpen, waar de ruiters zich opeendrongen. Thans werden ook de zwarte torenspitsen van den stadsmuur op den blakenden achtergrond zichtbaar, en de boomkruinen in den omtrek schenen als door de late avondschemering roodachtig verlicht te worden.
„Ziet gij wel, dat ik gelijk had?” met deze woorden wendde Bernard zich nu weder tot Lodewijk en wees naar den anderen oever. „Herkent gij nu het slot in den flikkerenden weerglans der vlammen? Hoor de klok van het dorp. Ik geloof, men luidt storm!”
Inderdaad lag het oude gebouw duidelijk en nauwelijks een vierde uur verwijderd voor hunne oogen. Eene zonderlinge gewaarwording maakte zich van Lodewijks ziel meester. Zou de in scherts gesproken voorzegging bewaarheid worden? Zouden moord en brand ook hier woeden?
Doch de tijd tot verdere bespiegelingen werd hem benomen, daar het rot, waartoe hij behoorde, zich juist in beweging zette, om door de rivier te rijden. Bernard sloot dicht nevens hem aan; toen de hoeven hunner paarden in het water plasten, zeide hij half in scherts, half ernstig: „Rijden wij door den Phlegethon, door den Styx of Cocytus? Men weet waarlijk niet, of het een zwarte, dan een vurige, helsche stroom is!”
De bloedige weerschijn der vlammen, die zich ver over de wentelende golven uitstrekte, gaf hem aanleiding tot deze vergelijking. „Ten minste,” vervolgde hij, „is het voor ons de Rubicon, dien wij overtrekken. Jacta est alea! Wij weten nauwelijks, of wij de overzijde bereiken, veel minder of wij dezen weg terug zullen rijden. In allen gevalle maak ik hiernevens mijn testament, broertje. Als de visschen in den Dnieper of de raven van oud-Rusland mij buit mochten maken, zijt gij mijn eenige erfgenaam. Maar mijn hart—ik begeer daarom niet, dat gij mij den kouden vleeschklomp uit de borst snijdt—breng dat aan uwe zuster Maria en deel het in vrede.”
„Hoe komt gij thans op mijne zuster?” vroeg Lodewijk geroerd.
„Zij is een kostelijk meisje, een engelachtig, braaf kind en verdiende een betere broeder, dan gij zijt. Waarom zij echter juist in dit oogenblik voor mijne ziel staat, als had ik haar zelf zoo trouw als haar spiegelbeeld geportretteert, dat weet ik niet; wij zien onze gedachten wel bloeien, maar weten niet, waar zij gezaaid zijn. Genoeg, schoon mijne gedachten dagelijks een twintig-, dertigmaal naar Dresden en Teplitz reizen, zijn zij toch in deze minuut met buitengewoon driftige vlucht derwaarts heengetrokken; zij vliegen als zwaluwen naar het huisdak. Het moet zijne oorzaak hebben, want alles in de wijde schepping steunt op goede gronden; ik wil het echter nauwkeurig in gedachtenis houden, dat ik op den 17 Augustus, 's avonds te tien uur, aan Maria gedacht heb, en dat zij mij juist in deze minuut nog tienmaal liever is geworden dan te voren.”
Lodewijk drukte den vriend met warmte de hand. Reeds meermalen had hij gemeend te bespeuren, en zich daarover in stilte verheugd, dat in Bernards borst eene zachte warme liefde voor de zuster woonde, doch de zonderlinge mensch liet zelfs den vriend bijna nooit anders, dan door de misvormende, gekleurde glazen van schertsende luim in het binnenste van zijn hart blikken. Daarenboven had Lodewijk steeds het gevoel, alsof Bernards ziel door zoo velerlei grootere gewaarwordingen en diepere, meer woeste hartstochten, zelfs dezulke waaronder zich eene vrouwelijke gestalte verborgen hield, bewogen werd, dat de stille bloem eener liefde voor de zachte, vriendelijke Maria in dien woeligen chaos onmogelijk wortel kon vatten. Er lag iets in zijne natuur, dat scheen aan te duiden: ik zou wel gaarne onder de schaduw dezer boomen vertoeven, deze vrucht plukken, in deze hut vreedzaam wonen, maar ik kan niet, ik mag niet, eene onbekende, overmachtige kracht drijft mij tegen mijn wil voorwaarts. Als de stroom, moet ik de vriendelijke oevers voorbijsnellen, en spiegel ik al somtijds den blauwen, lachenden hemel op mijne vlakte af, ras zwellen de woest schuimende golven met vernieuwde drift op en vernielen het zachte, liefelijke beeld weder. Hoe vurig deze borst ook naar een vreemd hart verlangt, ik durf er geen aan mij verbinden, want ik zou het in den woelenden maalstroom van mijn lot moeten medeslepen. Eene teedere bloem zoude ik, door haar aan deze gloeiende borst te drukken, slechts verzengen, zoodat zij ras verdord neerzonk,—ik zou haar vernietigen, al was zij mij dierbaarder dan mijn leven. Semele sterft aan de borst van Jupiter; zelfs de vader der goden vermag hare bestemming niet te keeren, hoe diep ook de wonde in zijn eigen onsterfelijk hart dringt.—Deze ééne warme ontboezeming echter, die zoo even van Bernards lippen vloeide, verdreef eensklaps al deze gewaarwordingen en twijfelingen; op den hartelijksten toon antwoordde hij: „Het is wel natuurlijk, dat gij aan haar denkt. In ernstige oogenblikken onzes levens treden de beelden onzer geliefden te lichter te voorschijn, naarmate de grond, waarop zij zich afteekenen duisterder is. Ook ik....”
„Ja, ja, gij hebt gelijk,” sprak Bernard, als om het gesprek af te wenden, „het beeld hier heeft een verduiveld zwarten grond; maar er vallen reeds lichttinten in, want de pekfakkels daar beneden branden in lichtelaaien gloed. Dra kan men de muizen over het veld zien loopen. Maar mij dunkt, de Dnieper is verwenscht koud, en uw knol heeft mij nog daarenboven een ganschen bek water over de lendenen gespogen. Gij moet beter op uw paard passen, als gij een goed kameraad wilt zijn.—Den hemel zij dank! Land! Ik ben nooit een liefhebber van zeereizen geweest.”
Zoodra het regiment op den anderen oever verzameld was, rukte Rasinski in de hoogst mogelijke stilte op het recht vóór hen gelegen slot aan. Toen men nog eenige honderden schreden daarvan verwijderd was, liet hij halt houden. „Vrienden,” sprak hij, „wij zijn aan het doel. Daar in het slot zijn, naar ik met zekerheid onderricht ben, eenige russische generaals en voornamen op een bruiloftsfeest bijeen. Hen op te lichten, is het oogmerk onzer gewaagde onderneming. Thans langzaam voort, tot wij een vlakken bodem voor ons zien en geenerlei beletsel ons meer kan ophouden. Dan echter als de bliksem er op in! Nu voorwaarts, vrienden, houdt u wakker, zijt vlug, koen, doch behoedzaam! Voorwaarts!”
Zij rukten voort, tot aan eene zachte helling. Thans liet Rasinski stormloop blazen, en in den vollen ren der snuivende rossen stoof de schaar den weg naar slot en dorp op.
ZEVENDE BOEK.
HOOFDSTUK I.
De geweldige aandoeningen, die in een zoo kort tijdsbestek Feodorowna's boezem geschokt hadden, moesten haar, niettegenstaande de vrome gelatenheid en zedelijke sterkte, waarmede zij zich aan haar lot onderwierp, toch eindelijk overweldigen. Zij was op het ziekbed neergezonken; eene hevige koorts gloeide in de tot het uiterste gespannen zenuwen; de geneesheer hield haren toestand voor gevaarlijk. Tot geen prijs wilde Axinia thans van de zijde der dierbare gebiedster wijken, hoewel zij met recht de bangste vrees voor haar eigen lot moest koesteren, wanneer Feodorowna bezwijken mocht, eer zij met haren Paul het land verlaten had. Te minder nog kon zij zich aan dezen plicht der dankbaarheid onttrekken, daar de kranke slechts hare nabijheid en oppassing duldde en dadelijk in een onrustigen en dus gevaarlijken toestand verviel, wanneer iemand anders hare legerstede naderde. De tegenwoordigheid der moeder vooral scheen haar telkens sterker te ontroeren en vervulde haar eindelijk met een zoo hevigen angst, dat zij tot woeste ijlhoofdigheid oversloeg, wanneer zij deze slechts in de verte bespeurde. In kalmer oogenblikken mocht Jeannette de uitgeputte Axinia vervangen; maar niet zoodra verhief zich de hitte der koorts weder, of, met de aan kranken eigen onstuimigheid, vorderde zij de zusterlijke verpleging van de vriendin harer jeugd. Bijna eene maand ging op deze treurige wijze voorbij; eindelijk begon Feodorowna langzaam te herstellen, doch was door de ziekte zoo uitgeput, dat men nog altijd voor haar leven te duchten had. Schoon toch de hevige aanvallen der koorts geweken waren, scheen het nog immer twijfelachtig, of het lichaam kracht genoeg zou hebben, om de uitterende afmatting te boven te komen.—Het zachte jaargetijde was echter van eene heilzame uitwerking; de Julimaand met haar koesterenden zonnegloed, die zelfs der noordsche aarde een groenend tapijt ontlokt, deed de kwijnende kiem des levens tot nieuwe bloesems ontspruiten. Feodorowna genas, bijna tegen haren wil, en had niet het diep verborgen lijden, dat aan haar hart knaagde, zijne sporen om wang en lip ingedrukt en den helderen gloed van haar blauw oog eenigszins verduisterd, zoo zou de schoone gestalte weder zoo liefelijk ontloken zijn als eene roos, waarin nog de droppen van een voorbijgetogen onweder glanzen. Maar zij was niet verfrischt door den dauw des hemels, zij was slechts door zijne stormen geknakt.
Wie zelf lijdt, heeft een gevoelig hart voor de wenschen en het lijden van anderen. Zoo gevoelde ook Feodorowna, dat thans haar eerste plicht was, het laatste dreigende wolkje van den hemel van Axinia's geluk te verdrijven en de verbintenis en afreis der gelieven te bespoedigen. Gregorius gaf het jonge paar de kerkelijke inzegening, denzelfden dag nog verliet het, rijkelijk begiftigd, het grafelijk slot, om zich midden door het gewoel van den oorlog den weg te banen tot vreedzaam geluk onder een zachteren hemel.
Feodorowna stond nu geheel alleen; want niettegenstaande het onmetelijke offer, dat zij gebracht en de gewillige gehoorzaamheid, waarmede zij zich aan het gebod der ouders onderworpen had, bleef de moeder nog even koel als voorheen en scheen niet eenmaal medelijden te gevoelen met het lijden, dat Feodorowna om harentwille zoo geduldig droeg. Het is waar, zij had zich nooit anders betoond en de innigste liefde der dochter ook in vroeger jaren niet dan met eene hoofsche vriendelijkheid beantwoord; maar Feodorowna was daaraan gewoon geworden en had in deze koude vormen slechts het overwicht van het moederlijk aanzien erkend en geëerbiedigd; doch gevoelde thans, dat een beminnend, zich opofferend kind een ander moederhart eischen mag. Zoo veranderde ook hare liefde in een bangen, schuwen eerbied, en wat gedurende de ziekte zoo kenbaar gebleken was, liet ook thans nog duidelijke sporen achter; een angstige rilling greep haar aan, wanneer zij zich in de nabijheid van diegene bevond, bij wie haar gewond hart troost en verzachting had moeten vinden.
Ochalskoi en Dolgorow waren bij de armee; in de eerste dagen van Augustus schreef de laatste, dat hij binnenkort op het goed zoude komen, ten einde het huwelijk tusschen zijne dochter en den vorst te voltrekken. De verhinderingen, die zulks tot hiertoe belet hadden, waren grootendeels in de familie-betrekkingen van Ochalskoi gelegen, die, ten gevolge van een verdrag, dat sinds onheuchelijke jaren in zijn geslacht bestond, de toestemming van eenige naastbestaanden noodig had, eer hij zich in den echt kon begeven. Daar het belang van sommigen hunner hierbij ten deele in het spel kwam en zij uit baatzuchtige inzichten eene vereeniging van den graaf met eene nadere verwante gewenscht hadden, had het moeite gekost hunne bezwaren uit den weg te ruimen, en was Ochalskoi niet zonder belangrijke opofferingen daarin geslaagd. Thans was hem een verlof van drie dagen toegestaan, om zijne echtverbintenis te sluiten, waarop zijne jonge gade met hare moeder terstond over Kaluga naar zijne goederen in Azië zou afreizen, om geheel uit de onrustige landstreek van het krijgstooneel verwijderd te zijn. Dit was juist op het tijdstip, dat de groote russische armee zich in allerijl naar Smolensko had teruggetrokken, ten einde niet door den franschen keizer afgesneden te worden. In den nacht na haren reeds ten deele volbrachten aftocht naar Moskou kwamen Dolgorow en Ochalskoi op het kasteel aan. Den volgenden middag zoude Gregorius het jonge paar inzegenen, de viering van den bruidsnacht moest hierop naar Dolgorows uitdrukkelijke begeerte nog op het kasteel plaats hebben, maar den morgen daarna zouden de mannen zich dadelijk weder naar het leger terugbegeven, terwijl de vrouwen over Jelnia en Kaluga hare reis naar Ochalskoi's goederen aannamen.
Zoo was dan het verschrikkelijk oogenblik gekomen, dat Feodorowna den duisteren kerker zag ontsluiten, waarin zij haar leven verzuchten zoude. Zelfs de zoete troost, dat zij door dit offer den grond gelegd had tot het geluk van anderen, werd krachteloos bij de naderende werkelijkheid. Tranen had de ongelukkige niet meer te vergieten; slechts met eene koude ijzing blikte zij in de toekomst. Alles vereenigde zich, om den dag recht vreeselijk te maken. In de verte de doffe donder van het geschut uit de belegerde vesting, trad zij aan het venster van haar vertrek, nog altoos talrijke ruiterscharen, die als de laatste afdeelingen der terugtrekkende groote armee, op den, een half uur van het slot verwijderden landweg naar Moskou in woeste zwermen voorbijtogen. Het gezicht dezer horden van Tartaren, Baschkiren, Kozakken en andere barbaarsche volksstammen, in wier midden zij voortaan hare dagen zou slijten, vervulde haar met schrik en afgrijzen. „O, waarom heb ik schooner landen, zachter zeden, edeler, beschaafder menschen leeren kennen!” zuchtte zij uit eene beklemde borst. „Gelukkig gevoelde ik mij ook dáár niet; slechts korte, schoone droomen verlichtten voor oogenblikken den donkeren nacht mijns levens. Slechts éénmaal had ik een zaligen droom! En nu! Gij zacht flonkerende leidstar op mijn donker pad, die zoo snel weder in de diepste duisternis verdwenen zijt, gij edele gestalte, die mij eens zoo liefderijk de hand bood, gij vriend in bitteren nood, wien mijn hart eeuwig zal toebehooren—o vergeef mij het verraad, waaraan ik mij thans tegen u schuldig maak!—Gij zijt de leidsman mijns levens, sprak eene heilige stem van dankbaarheid en liefde in mijne borst, u, u alleen is mijn aanzijn gewijd, riep het luid in mijn binnenste, en toch—het was eene ijdele begoocheling! De hand der Voorzienigheid, die ik vertrouwde, verscheurde den band; een woeste storm verdreef de beelden van den schoonen droom, het floers van nacht en vergetelheid omhult alles!”
In droef gepeins verloren stond de rampzalige bruid aan het venster en staarde op het woeste landschap, dat door het gewoel van den krijg verlevendigd, naar den donkeren hemel, die door de wolken van den slag verduisterd werd. Eensklaps voelde zij een zachte hand op haren schouder. Het was Jeannette met het bruidskleed over den arm. Feodorowna's knieën knikten, echter uitte zij geen luiden klaagtoon, maar liet zich geduldig optooien als een offer, dat naar het outer gevoerd wordt.
Juist had Jeannette haar den krans op de lokken gedrukt, toen Ochalskoi binnentrad, om haar te begroeten en naar de kerk te geleiden, waar Gregorius hen wachtte. Wanneer de nood daar was, vond Feodorowna heldensterkte in hare groote ziel. Ernstig, zwijgend, doch zonder te wankelen, zweefde zij aan Ochalskoi's arm de breede trappen af. In de zaal werd zij door hare ouders en de verzamelde gasten opgewacht. Het waren slechts eenige naverwante leden van beide familiën, meest bejaarde mannen van hoogen rang, en verscheidene generaals, die men op het feest genoodigd had. Met het bruidspaar aan de spits, begaf men zich in statigen optocht naar de kerk. De dorpelingen waren van alle zijden toegevloeid en vormden eene straat, door welke Feodorowna, met weemoedige vriendelijkheid groetende, voorttrad. Men had bloemen op het pad gestrooid; zij konden den donkeren afgrond niet bedekken, dien de bruid aan hare voeten geopend zag. Ook de gasten en de menigte waren ernstig, want een bruiloftsfeest, waarop de plechtige toon der kerkklokken zich met het gedonder van den naburigen slag vermengt, waarop duizende bloedige offers op den achtergrond vallen, terwijl woorden van vrede en zegening van de lippen vloeien,—zulk een bruiloftsfeest is waarlijk niet vroolijk te noemen. Gregorius sprak met ernst, aandoening en warmte; alles luisterde in ademlooze stilte. Spoedig was de kerkelijke plechtigheid geëindigd, en men begaf zich langs denzelfden weg naar het slot terug, waar het middagmaal de gasten wachtte.
Gedurende den maaltijd hield het donderen der vuurmonden aan, ja werd nog heviger. De gravin werd angstig en vroeg, of het niet raadzamer zoude zijn, terstond op te breken.
„Wij zijn hier volkomen in zekerheid,” antwoordde een oude generaal; „Smolensko is de sleutel van dezen weg. Zoolang die poort niet geopend is, kan de vijand niet verder voortdringen. Tegen kleine overvallen zijn wij door de kozakken gedekt, die nog in tallooze zwermen den rivieroever bewaken.”
„Ik wenschte toch,” sprak Dolgorow met sombere blikken, „dat men meer ernstige aanstalten tot verdediging gemaakt had, ofschoon het met mijne familieplannen zeer goed overeenkomt, dat het niet gebeurd is, daar ik anders bezwaarlijk een dag zou gevonden hebben, waarop mij de uithuwelijking van mijne dochter mogelijk geweest was. Maar het welzijn van het vaderland acht ik hooger, en dat zou, dunkt mij, dringend gevorderd hebben, dat men hier, waar alles ons gunstig is, een slag had aangenomen. Ik kan mij, dit beken ik rondborstig, niet met de inzichten van den veldmaarschalk vereenigen, die slechts in den terugtocht zijn heil zoekt.”
„En voorzeker niemand van ons,” antwoordde de generaal met nadruk. „Ware graaf Barclay de Tolly een geboren Rus, dan zou hij den smaad van ons vaderland ook niet zoo geduldig verdragen. Doch hier, waar ik slechts echte Russen bijeen zie, kan ik wel een woord in vertrouwen spreken. Ik geloof, dat het den langsten tijd zoo geduurd zal hebben; men verzekert, dat de keizer aan de dringende voorstellen van alle standen en van de hoogste staats-ambtenaren eindelijk gehoor gegeven en besloten heeft, het opperbevel aan een ander op te dragen.”
„Aan vorst Bagration?” vroeg Dolgorow driftig.
„Ik mag hem nog niet noemen,” was het antwoord; „doch het is een edel, waardig Rus, en men is reeds in onderhandeling met hem getreden. Voor een krijgsmakker van Suwarow zal het bewaard zijn, Ruslands ouden wapenroem te handhaven.”
„Dan is het vorst Kutusow en geen ander,” riep Ochalskoi met vuur. „Den waardigen grijsaard, hij worde onze veldheer of niet, zij dit glas toegebracht!” Tegelijk stond hij op en hief den gevulden beker omhoog; alle mannen volgden zijn voorbeeld en klonken.
„Wie ook onze aanvoerder zijn moge,” sprak Dolgorow met krachtige stem, „wij willen onzen dronk zoo inrichten, dat hij altijd een waardigen geldt: De zoon van Rusland, dien de smaad des vaderlands bloedig wreekt!”
„Hij leve!” riepen de mannen en ledigden hunne glazen.
De gravin Dolgorow stond op; in hare oogen fonkelde een ongewoon vuur; de anders zoo koude trekken verlevendigden zich. „Zoo wil ook ik aan de oud-vaderlandsche gewoonte indachtig zijn,” sprak zij, „en gij, Feodorowna, volg mijn voorbeeld.” Onder deze woorden rukte zij den sluier van haar hoofd, scheurde dien door midden en verdeelde de stukken onder de naast haar zittende mannen. Ook de bruid nam den sluier, waaronder zij tot hiertoe haar bleek gelaat had trachten te verbergen, van het hoofd. Een lichte blos kleurde hare wangen, toen zij hem in stukken scheurde en verdeelde. „Neem, mijn gemaal,” sprak zij met eene bevende stem, „dit aandenken uwer achterblijvende gade met u in den kamp, ontvangt ook gij het, waardige helden van mijn vaderland! Moge het u in het uur des gevaars herinneren, dat op uwe dapperheid de edele verplichting rust, om het heiligdom van vrouwelijke onschendbaarheid voor Ruslands dochteren te verdedigen, en dat u de vurigste dankbaarheid wacht, wanneer gij, met lauweren bekranst, ons eenmaal dit teeken der inwijding tot den kampstrijd vlekkeloos en door edel vaderlandsch bloed geheiligd terugbrengt.”
Feodorowna sloeg de schoone oogen neder, toen zij deze woorden tot den grijzen krijgsman richtte, die de eereplaats aan hare rechterzijde had ingenomen. Deze greep hare hand, kuste ze vurig en antwoordde: „Met een aandenken uit zulk eene hand gaat men den slag even vroolijk als een bruiloftsfeest te gemoet. Spoedig hoop ik, schoone vorstin, dit teeken, met echt russisch bloed versierd—want daarop zoude ik trotsch zijn—te kunnen terugbrengen, om het, naar de gewoonte van ons vaderland, te zien ingelost.”
Een hooger rood kleurde de wangen der jonge gade, want de vergunning om driemaal de frissche lippen der vrouw of jonkvrouw te kussen, wier veldteeken men aldus geverfd terugbracht, mocht den dapperen zoon des vaderlands door geene dochter uit Ruriks stam geweigerd worden; een gebruik, dat, schoon lang uit de zeden des tijds verdwenen, in de geschiedkundige overlevering was bewaard gebleven en thans weder in het leven werd teruggeroepen. Bij gewichtige gelegenheden toch plegen de volken zich hunne oude gebruiken weer levendiger en dankbaarder te herinneren; dikwijls niet zonder innerlijk zelfverwijt, dat zij zoo lang, met zekere trouweloosheid jegens hunne waardige voorvaderen, de heilige overleveringen vergeten en veronachtzaamd hadden.
Het was avond, toen de gasten van tafel opstonden en zich in de aangrenzende vertrekken verdeelden. Met angstige beklemdheid zag Feodorowna het uur nader en nader komen, waarin zij, alleen niet haren echtgenoot, den laatsten vreeselijken strijd met haar hart zoude te kampen hebben. Zij had zich juist in een nevenvertrek begeven, om, van het gezelschap verwijderd, eenige oogenblikken met hare sombere gedachten alleen te zijn, toen Jeannette haar kwam berichten, dat vader Gregorius op hare kamer wachtte en dringend verlangde haar te spreken. Hoe gaarne haastte zich Feodorowna, den wensch van den eerwaardigen, geliefden grijsaard te vervullen! Ach, haar gansche hart drong haar tot hem; want van hem alleen hoopte zij troost en sterkte voor de zware beproeving, die haar te wachten stond.—Zij vond hem op hare kamer; zijn gelaat was ernstiger dan gewoonlijk.
„Mijne dochter,” sprak hij haar aan, „het uur is gekomen, dat ik u van hoogst gewichtige dingen spreken moet. Gij zijt onherroepelijk de gade van vorst Ochalskoi, want de plechtige inzegening heeft u voor het oog van God vereenigd. De dood alleen kan dien band verscheuren.”
„O mijn goede vader,” viel Feodorowna hem in de rede, „ik weet het; maar ik zal in mijn plicht niet wankelen. Hem, aan wien mijn woord mij, hoewel met een wederstrevend hart, verbonden heeft, zal ik getrouw en onderdanig zijn tot aan het einde mijner dagen. Ach, ik hoop, het zal niet lang zijn!” Door smart overweldigd leunde zij het moede hoofd aan de borst van den grijsaard.
„Het is niet dat, waarover ik u spreken wil, lieve dochter,” hernam hij; „want van de kracht uwer deugd ben ik verzekerd. Ik kwam om u een geheim te openbaren, dat uwe voedster Ruschka op haar sterfbed onder het zegel der laatste biecht in mijn oor gelegd en dat zij, mocht de dood ook mij wegnemen, aan deze papieren toevertrouwd heeft. Ik had haar bij mijn priesterlijken eed beloofd, het u eerst dan te zullen ontdekken, wanneer uw huwelijk voltrokken was. Zulks is gebeurd, ik mag dus thans mijne lippen openen. Gij zijt niet de dochter van Dolgorow, gij zijt geen Russin. Duitschland is het land uwer geboorte, maar uwe ouders rusten reeds lang onder de aarde. Graaf Dolgorow nam u als kind aan, daar zijne echtgenoote hem geen hoop gaf zelf vader te worden. Dit zijn de beeltenissen uwer ouders, mij door Ruschka ter hand gesteld.” Met deze woorden gaf hij Feodorowna een brief en eene geopende brieventasch met twee portretten, eene jonge vrouw en een officier voorstellende.
Met strakke, verbaasde blikken, bevend, bijna bewegingloos stond Feodorowna voor den priester en poogde te vergeefs te spreken; half bewusteloos nam zij aan, wat hij haar toereikte en legde het voor zich op de tafel neder. Eindelijk bracht zij, de gevouwen handen krampachtig tegen de borst drukkende, met een angstigen kreet der vertwijfeling de woorden uit: „Niet hunne dochter!—En toch.... o almachtige God!”
„Herstel u, mijne dochter,” sprak Gregorius, „verhef uw hart geloovig tot God, die het lot der menschen wonderbaar beschikt.—Ik heb u het gewichtigste, het noodwendigste ontdekt. Lees deze papieren door en gij zult het overige vernemen. Ik verlaat u thans. Laat eerst den hevigen storm tot bedaren komen, die nu in uwe borst woedt. Wanneer gij alleen zijt, zult gij u zelve wedervinden. Als gij mij noodig hebt, laat mij roepen.”
Met deze woorden verliet de grijsaard het vertrek; Feodorowna was niet in staat hem iets te antwoorden; met moeite wankelde zij naar een zetel en leunde het zware, door den onverwachten slag bedwelmde hoofd, in de beide handen. Het duurde lang eer zij de papieren, die het geheim van haar leven ontsluieren zouden, vermocht te ontvouwen. De beeltenissen harer ouders lagen voor haar; onafgewend hield zij hare oogen daarop gevestigd, maar de stroomende tranen verduisterden haar gezicht. Eindelijk brak zij de vijf zegels van den aan haar gerichten brief open en las, wat Ruschka met eene, door ouderdom bevende hand geschreven had:
„Mijn dierbaar Kind!
„Zoolang ik leefde, bond een strenge, vreeselijke eed mijne tong; wanneer ik van de aarde weggenomen ben, zal mijne stem nog uit het graf oprijzen, om u de geheimen te ontdekken, die op uwe geboorte rusten. Gij zijt niet de dochter van den graaf en de gravin Dolgorow. Slechts eenige dagen waart gij oud, toen zij u in Duitschland na den dood uwer moeder als kind aannamen. De graaf was toenmaals reeds vier jaren gehuwd; hij had de hoop om vader te worden, opgegeven. De ledigheid van een kinderloozen echt, als ook zijne begeerte om vreemde landen te leeren kennen, hadden hem tot het ondernemen van groote reizen bewogen. In Mei van het jaar 1793 bevond hij zich te Pyrmont; hier leerde hij uwe moeder kennen, die zich als weduwe met haar vijfjarig zoontje, Benno genaamd—gij waart nog niet geboren—daar ophield, om haar ondermijnde gezondheid te herstellen. Zij heette Louise Waldheim; haar man was officier geweest en in een duel doodgeschoten. Daardoor plotseling in een meer bekrompen toestand geraakt, zwak en ziekelijk, de geboorte van een tweede kind te gemoet ziende, maakte zij, niettegenstaande hare afgezonderde levenswijze, toch spoedig de opmerkzaamheid van eenige rijke badgasten gaande. De gravin Dolgorow, die de eerste verdieping van het huis gehuurd had, waarin uwe moeder een klein kamertje bewoonde, deed haar het voorstel, als gezelschapsdame bij haar te komen en daarbij tevens de verplichting op zich te nemen, om den graaf en haar zelve in de duitsche taal te onderwijzen, welke zij beiden toenmaals gaarne grondig wilden leeren. Uwe moeder, door den nood gedwongen, nam dit voorstel aan; drie maanden later, toen wij Pyrmont reeds verlaten hadden en Zwitserland en Italië doorreisden, werdt gij geboren. In eene afgelegen herberg in de omstreken van Freiburg, midden in Zwitserland, hebt gij het eerst het daglicht gezien. Toen de verlossing uwer moeder naderde, wilde de graaf haar eerst aan de zorg der eerlijke landlieden toevertrouwen, mij achterlaten en de reis alleen met de gravin voortzetten, tot wij ons weer bij hen zouden kunnen vervoegen: doch eene lichte ongesteldheid der gravin zelve bewoog hem in onze eenzaamheid te deelen, tot uwe moeder weer geheel hersteld zoude zijn. De arme vrouw herstelde echter niet; op den elfden dag na uwe geboorte stierf zij. Ik was hare verzorgster in de laatste dagen haars levens; stervende droeg zij mij de zorg voor hare kinderen op en stelde mij hare gansche kleine nalatenschap voor u ter hand. Daaronder waren ook de trouwringen van haar en haren echtgenoot. Terstond na de begrafenis bemerkte ik, dat de graaf zich met een gewichtig plan moest bezig houden. Hij sloot zich meermalen met de gravin op, hield lange, niet zelden zeer hevige redewisselingen met haar en sprak, wanneer ik tegenwoordig was, dikwijls engelsch, dat ik niet verstond; nochtans bemerkte ik duidelijk, dat gij het onderwerp van het gesprek zijn moest, daar zij u gedurig met eene zonderlinge opmerkzaamheid beschouwden. Eenige dagen daarna gaf de graaf, onder voorwendsel, dat hij in Italië inboorlingen in zijn dienst wilde nemen, aan zijne beide duitsche bedienden hun afscheid, schonk hun reisgeld en liet hen naar hun vaderland terugkeeren. Eindelijk riep hij mij op een morgen alleen en verklaarde mij, dat hij voornemens was, u als zijne dochter aan te nemen. Natuurlijk was ik daarover zeer verheugd, wijl het lot der beide kinderen mij reeds niet weinig verontrust had; maar spoedig veranderde mijne vreugde in diepe droefheid, toen hij mij zeide, voor den broeder op eene andere wijze te zullen zorgdragen, daar het volstrekt geheim moest blijven, dat de gravin niet de echte moeder van het kind was. „Dus moeten dan de kleinen gescheiden worden!” riep ik verschrikt en bedroefd uit.—„Het zal geen ongeluk voor hen zijn, die elkander nooit gekend hebben,” antwoordde de graaf. „Gij zijt de eenige, die van het geheim weet, en ik eisch van u, dat gij mij op de gewijde hostie zweert, het nimmer te zullen ontdekken. Breekt gij uw woord, herinner u dan, dat gij en uwe broeders lijfeigenen zijn en dat ik u door één woord weder in den staat der diepste slavernij kan terugslingeren.” Deze bedreiging was vreeselijk. Mijne broeders waren door de gunst van den ouden graaf, den vader van uw pleegvader, welgestelde kooplieden in Petersburg geworden; maar de trotschheid der russische grooten, die er roem op dragen, rijke lijfeigenen te bezitten, was oorzaak, dat hij hun de vrijbrieven steeds geweigerd had. Ik wist, welk een verschrikkelijk lot hun en mij zelve boven het hoofd hing, wanneer ik den eed weigerde. Daar bovendien het besluit van den graaf uw geluk verzekerde, daar ik bedacht, dat gij aan een broeder, dien gij nooit gekend hadt, niets verliezen kondt, daar eindelijk de graaf mij beloofde, voor den knaap grootmoedig zorg te zullen dragen, besloot ik, mij aan zijn wil te onderwerpen. Doch thans, in het uur van mijn naderenden dood, nu gij, mijn geliefd kind, verre van mij omzwerft, thans eerst bekruipt mij een zware gewetensangst en kan ik niet besluiten, dien last met mij in het graf te nemen. Ik weet, welke oorzaken den graaf bewogen, u tot zijne dochter aan te nemen. De gravin kon een aanmerkelijk deel harer goederen eerst dan erven, wanneer zij moeder was. Het was geen liefde, het was eigenbaat, die hen dit plan deed ontwerpen. Voor twee jaren eerst, kort voor uwe afreis naar Engeland, is haar die erfenis te beurt gevallen, die nauwelijks toereikend was, om des graven door zucht tot praal en verkwisting geheel versmolten vermogen eenigermate weder te herstellen. Thans hoopt hij door u, wier schoonheid en engelachtige goedheid aller harten moeten innemen, een rijken schoonzoon te winnen. Gij zijt in den stand der rijken, der voornamen opgevoed, gij hebt de voordeelen eener vrije geboorte verkregen. O lieve, zij zijn onberekenbaar! Verneemt gij het geheim uwer geboorte te vroeg, zoo kunt gij ze verliezen. Daarom zal het u eerst ontdekt worden, wanneer gij, als de gade van een vrijen Rus, voor eeuwig van de rechten van uw stand verzekerd zijt. Aan den vromen vader Gregoor heb ik gebiecht, wat mij op het hart drukte; ik vertrouw het aan dit papier toe, opdat hij het in de sakristij beware, het vernietige, wanneer gij ongehuwd sterven mocht, en het u overgeve, wanneer niemand u dat, wat gij met het verlies eens broeders gewonnen hebt, ontrooven kan.”
Feodorowna moest het blad uit de hand leggen, daar tranen haar verhinderden verder te lezen. Het ongeduld echter, om meer, en vooral ook het lot van haren broeder te vernemen, richtten haar spoedig weder uit die afmatting op.
„Nadat ik den eed had afgelegd, dien de graaf van mij vorderde, verliet ik zijne kamer. De lieve vijfjarige knaap, uw broeder, huppelde mij vroolijk te gemoet en wees mij met zijn vingertje op de wieg, om mij te doen opmerken, dat gij zoo gerust sliept. Thans dacht ik aan de beide ringen. Een donker voorgevoel, waarvan ik mij zelve geene rekenschap wist te geven, spoorde mij aan den knaap ten minste dat ééne aandenken te laten. Haastig nam ik zijn kleedje en naaide den eenen ring in den gordel daarvan vast. Wel mij, dat ik het gedaan had, want eenige minuten later trad de graaf binnen en beval mij den knaap aan te kleeden, daar hij met hem wilde uitrijden. Een veelbeteekenende blik zeide mij, wat hij voorhad. Onder snikken en tranen voldeed ik aan het bevel. De knaap begreep niet, waarom ik weende, maar verheugde zich slechts in den schoonen rit. Zijn ongeduld, ja zijne onstuimigheid—want hij was even wild en driftig als goedhartig—kon het oogenblik, dat hij met den graaf in het rijtuig zou klimmen, onmogelijk afwachten. „Mij drukt hier iets,” riep hij verdrietig, toen ik hem het kleedje toeknoopte, en hij greep naar den ingenaaiden ring. Bezorgd, dat hij zelf op die wijze mocht verraden, wat ik gedaan had, sneed ik haastig met de schaar een ingelegden naad van het rokje los, om de spanning te doen ophouden. Had de graaf mijn geheim ontdekt, het zou slecht met mij zijn afgeloopen.—Tot mijne verwondering zag ik, dat de reiswagen met postpaarden bespannen was. De graaf steeg met het kind in, en ik heb het sinds dien tijd niet weer gezien. Wat er van hem geworden is, weet ik niet, want den volgenden morgen reed ik, met de gravin en u, den, zooals het heette, vooruit gereisden graaf na, dien wij na drie dagen te Keulen weder aantroffen. Hij zweeg; ik dorst niets vragen. Vandaar vertrokken wij naar Holland en staken vervolgens naar Engeland over, daar de tijdsomstandigheden het gevaarlijk maakten naar Italië te reizen. Eerst na drie jaren keerden wij naar Rusland terug en gij gingt nu door voor de gravin Feodorowna Dolgorow en werdt als zoodanig opgevoed. De ring, dien ik u, mijn dierbaar kind, bij mijne afreis gaf en u zoo dringend bad, niet te verliezen, maar steeds uit liefde tot mij te dragen, is de trouwring uwer moeder. Door hem kunt gij wellicht nog eens uw broeder wedervinden. Meer heb ik niet te ontdekken. Ik bezweer u echter, bewaar deze geheimen in het diepste van uw hart en houd ook voor uwe pleegouders verborgen, dat gij daarmede bekend zijt, want zij zouden aan mijne nog levende broeders vreeselijk wraak nemen. Niemand weet iets van hetgeen ik u mededeelde dan gij en vader Gregorius, wien het heilige zegel der biecht voor eeuwig de lippen sluit.
En nu vaarwel, mijn geliefd kind. Vergeef mij, wat ik tegen u misdaan heb, om der liefde wil, die ik steeds voor u koesterde. Mocht gij op aarde zoo gelukkig zijn, als gij goed en schoon zijt, dan zult gij niet zooveel tranen vergieten, niet zooveel angst en kommervolle nachten doorbrengen, als ik in mijn leven geteld heb. Uwe oude, getrouwe, zeventigjarige voedster
RUSCHKA.”
HOOFDSTUK II.
Feodorowna was in de hevigste gemoedsbeweging en wist in haren angst tot geen besluit te komen. Nu wilde zij Gregorius roepen, dan naar hare pleegouders snellen, dan wederom haren echtgenoot alles ontdekken. Met door tranen verduisterde oogen beschouwde zij de beeltenissen harer ouders. „O, hoe zacht, hoe teeder zijn de trekken mijner moeder, hoe edel, vurig, mannelijk die mijns vaders!” zuchtte zij, bij den aanblik der geliefde, nooit gekende dooden. „Ach, gij zoudt uwe dochter warmer bemind hebben! Thans weet ik, waarom ik geofferd werd.” Lang stond zij besluiteloos; eindelijk schelde zij Jeannette en liet door deze Gregorius roepen. Hij had in de voorzaal gewacht. „O mijn vader, mijn redder, wat heb ik te doen!” riep zij hem toe en wrong de handen; „wat moet ik rampzalige nu beginnen!” Daar voelde zij Ruschka's ring aan haren vinger. „Dit is het eenige teeken,” vervolgde zij, „waaraan ik mijn broeder weder herkennen kan. Ach, onlangs was ik op het punt van het voor altijd te verliezen! Doch God waakte over mij! Het was—o vergeef mij, ik wilde een nutteloos verhaal beginnen, nu, daar de seconden onschatbaar zijn. Wat raadt gij mij, vader? Wat moet ik doen? Ik ben niet langer graaf Dolgorows dochter, ben hem niet meer het offer mijns levens schuldig.”
„Gij hebt het gebracht,” viel Gregorius haar zacht, maar ernstig in de rede, „gij zijt de gade van vorst Ochalskoi, het onverbrekelijk sakrament der kerk heeft u vereenigd, en die band kan alleen door den dood verbroken worden.”
„O hemelsche barmhartigheid!” snikte Feodorowna; „ook dan niet, wanneer hij door bedrog en leugen gesloten is?”
„Ook dan niet, mijne dochter!”
„Zoo moge ik zijne gade heeten, maar nimmer wil ik het zijn, voor en aleer mij de broeder, die mij ontroofd werd, is teruggegeven. O, waarom drong het licht der waarheid niet één eenige dag vroeger tot het zwarte weefsel des bedrogs door! Gregorius, gij kondt mij hebben gered uit dezen afgrond des jammers, maar uw mond zweeg!”
Uitgeput zonk zij op een stoel neder en liet de armen machteloos zinken. Gregorius trad op haar toe en greep hare hand in de zijne, terwijl hij de andere ten hemel hief: „Geloften zijn heilig, zijn onschendbaar, mijne dochter. De Heer zegent hen, die het Hem gegeven woord trouw gestand doen. Bedenk ook gij zulks, die heden voor Zijn heilig aangezicht eeuwige trouw, liefde en gehoorzaamheid beloofd hebt. Denk aan de beden der stervende, aan het lot harer....”
„Hoe?” riep Feodorowna onstuimig, „zou de vrees voor eene nieuwe euveldaad van hem, die mij den broeder ontroofd heeft, mij beletten, mijne heiligste rechten te doen gelden? Ruschka vreest voor het lot harer broeders; moet ik daarom den mijnen voor eeuwig verliezen? Neen, den graaf Dolgorow onder de oogen treden, dat wil ik en hem vragen: Waar is mijn broeder? Hij alleen is in staat, mij hem terug te geven.”
„Dierbare dochter, gij zijt buiten u zelve, gij weet niet, wat gij doen wilt,” sprak Gregorius; „maar gij moet kalmer worden en anders handelen. Hoe, wanneer graaf Dolgorow Ruschka's bekentenis voor valsch verklaarde? En kon hij anders, wanneer hij zich niet de verderfelijkste gevolgen op het hoofd wil laden? Of waant gij, dat de moed tot die leugen hem zou ontbreken, die den moed tot de daad bezat? Welke bewijzen hebt gij tegen hem? Zal zijne getuigenis niet meer gelden, dan die eener arme lijfeigene? Hebt gij den heiligen doop niet als zijne dochter ontvangen? Heb ik zelf u niet in deze kerk de slapen bevochtigd met het gewijde water des Heeren? O mijne dochter, bedwing thans uw overstelpt hart, want gij zoudt slechts ramp op rampen hoopen! Den haat des vaders, der moeder, van den echtgenoot zoudt gij op u laden, tweedracht en verwarring uitzaaien en door dat alles noch raad noch troost winnen. En kunt gij den heiligen eed vergeten, dien gij voor eenige uren hebt afgelegd? Is het uw echtgenoot, die u bedrogen heeft? Moogt gij hem trouw en gehoorzaamheid ontzeggen, wijl anderen u onrecht deden? En was dat onrecht niet met duizende weldaden verbonden? Zijt gij niet met liefde en zorgvuldigheid grootgebracht?—Neen, mijne dochter, wijk niet af van het pad der zachtmoedigheid en lijdzaamheid, dat de Heer u gebiedt te bewandelen. Blijft u nog eenige hoop, den broeder immer weder te vinden, dan is het slechts, wanneer gij nu zwijgt en het geheim in de diepte van uw hart bewaart. En weet gij dan, of gij niet misschien hem zelven ten verderve brengt, wanneer gij eischt, dat hij u worde teruggegeven? Kunt gij weten, hoe ver of hoe nabij hij zijn kan? Hoor naar de woorden van uw ouden, trouwen vader, beloof hem, dat gij zijn raad volgen wilt, dan zal hij u zoolang hij nog op aarde omwandelt met getrouwe liefde op zijde staan. En roept de Heer hem van hier weg, dan zal hij nog daar boven den zegen des hemels op uw hoofd afsmeeken.”
De grijsaard hield Feodorowna's hand in de zijne geklemd. Eene krampachtige trekking beefde door haren, onder den hevigsten kamp zwoegenden boezem. „Nu welaan dan, het zij zoo,” sprak zij eindelijk. „Ook dat is overwonnen. Ik beloof u te zwijgen, Gregorius. Maar,” vervolgde zij, zich met hoogheid oprichtende en de rechterhand plechtig ten hemel heffende, „ik zweer ook.... en de Almachtige moge mijn eed vernemen!.... ik zweer ook, van dit uur af onvermoeid naar mijn broeder te vorschen, en wanneer ik hem vind, dan zal geene macht op aarde mij terughouden, hem aan het hart te sluiten en te roepen: Ik ben uwe zuster!—Ik moet mij thans weder naar het gezelschap begeven; ik kan het, ik ben bedaard. Verlaat mij, mijn vader; maar bezoek mij morgen nog eenmaal, eer ik dit slot misschien voor eeuwig vaarwel zeg.”
Zij reikte hem de hand. Gregorius legde de zijne zegenend op haar gebukt hoofd en knikte haar sprakeloos vaarwel toe.
Feodorowna had nog eenige oogenblikken noodig eer zij genoegzaam bedaard was, om weder in het gezelschap te kunnen verschijnen; juist wilde zij het vertrek verlaten, toen de deur geopend werd en Ochalskoi binnentrad. Verschrikt en bevende week zij onwillekeurig eene schrede terug.
„Heb ik u verschrikt, lieve?” vroeg de binnentredende, haar verbleeken gewaar wordende, op vleienden toon en bracht hare hand aan zijne lippen. „O, gij zult mij vergeven, dat mijn verlangen mij dreef u op te zoeken. Bijna een uur mist men u. Ik kan u niet berispen, dat gij het gezelschap ontvlucht; maar gij zult licht begrijpen, dat mij dezelfde neiging voortdrijft, Feodorowna! Het gelukkigste uur mijns levens heeft geslagen. Ik sluit de schoonste, de beste, de beminnenswaardigste van haar geslacht in mijne armen. De scheidsmuur is nu tusschen ons gevallen; zult gij nu ook geheel met liefde de mijne zijn?”
Hij had haar bij deze woorden vertrouwelijk omvat en kuste hare bleeke lippen en wangen. Sidderend vermocht zij noch weerstand te bieden, noch op zijne teedere liefdetaal te antwoorden; sprakeloos duldde zij de liefkoozingen, waartoe hij gerechtigd was.
„Wanneer gij wilt, Feodorowna,” ging hij dringender voort, „is het oogenblik onzer vereeniging daar. De ras voorbijsnellende minuten van ons geluk zijn zoo spaarzaam afgemeten, dat het wreedheid ware, ze moedwillig te verkorten. Zoudt gij dat willen, geliefde? Wij zijn in het vertrouwelijke heiligdom der liefde, niemand kan ons meer storen. Uwe moeder zelve zeide mij, u op te zoeken. De gasten hebben zoo even het slot verlaten. Slechts de landlieden en bedienden vieren thans nog op hunne wijze bij dans en spel den dag van ons geluk; ook Jeannette heb ik weggezonden; of hebt gij nog iets noodig? Geliefde, de tijd is kort, dien wij het lot ontrooven, dat ons morgen reeds weder vaneen scheidt; laat ons dien dan gebruiken. Niet waar, gij laat mij niet weder gaan?”
De angst roofde der ongelukkige de spraak. Ochalskoi hield haar zwijgen voor maagdelijke schaamte, haar stom lijden voor minnend, niet langer weerstrevend toegeven, het krampachtig hijgen harer borst voor de onstuimige opwelling der overstelpende liefde.
Driftig drukte hij zijne gloeiende lippen op hare verbleekte wangen en sloot haar met den rechterarm aan zijne kloppende borst, terwijl hij met de linkerhand hare rijke haarvlechten losknoopte.
Met reeds bezwijmende krachten trachtte Feodorowna zich uit zijne omarming los te winden. „Ik versta u, hemelsch meisje,” fluisterde hij, „uw zwijgende lip is zoet welsprekend! Slechts in een heilig duister bloeit de zachte nachtbloem der liefde.” Hier liet hij de angstig afwerende los, om de op de tafel brandende lichten uit te dooven. Zij wilde hem ontvluchten, maar wist niet meer, wat zij deed; de handen wringende, wankelde zij op de deur van het bruidsvertrek toe, opende die en zeeg met een luiden angstkreet bewusteloos op den grond neder.
Ochalskoi sprong, zelf hevig verschrikt, op haar toe; want toen Feodorowna de deur had geopend, zag hij hare gestalte door een donkerrooden gloed verlicht en een breeden, bloedigen vuurschijn in het duistere vertrek vallen.
„Dood en hel, wat is dat?” riep hij, toen de gloeiende weerglans hem uit het nevenvertrek in de oogen straalde.
Het was het brandende Smolensko, welks hoog opflikkerende vlammen juist door het zwarte rookkleed heenbraken, dat haar zoolang omhuld had. De vesting lag juist tegenover de vensters van het bruidsvertrek, waar de gordijnen nog niet neergelaten waren.
Ochalskoi hief de onmachtige Feodorowna op, sloot haar in zijne armen en trachtte haar gerust te stellen. „Wees bedaard, lieve! Het is eene vreeselijke bruidsfakkel, die ons ontstoken wordt, maar zij zal onze heilige verbintenis niet storen. De tijd zal komen, dat wij de toortsen der wraak zwaaien.”
Feodorowna's oog bleef gesloten. Ochalskoi wist niet, of hij hulp vragen dan alleen beproeven zou, haar in het leven terug te roepen. De donkerroode weerschijn der vlammen speelde op de doodelijk bleeke wangen der onmachtige, zoodat zij door den zachten lichtgloed der avondschemering bestraald scheen. „Gij zult aan mijne borst ontwaken,” stamelde hij, haar met bevende armen omvattende en gloeiende kussen op haren mond drukkende; „Feodorowna, ontwaak, of neen, blijf....” In dit oogenblik vielen drie schoten in de nabijheid.
„Wat was dat!” riep Ochalskoi, sprong op en rukte het venster open. Het geschreeuw van verwarde stemmen en dadelijk daarop eene onregelmatige losbranding van geweer- en pistoolschoten, die het gevecht van een aantal strijders aanduidden, drongen door de stilte van den nacht in zijn oor.
„Overrompeling! Verraad!” riep hij in dolle woede. „Dood en verderf, en in dit uur!” Met deze woorden stoof hij onstuimig op de deur toe en snelde naar buiten.
In het slot heerschte reeds eene onbeschrijfelijke verwarring. De bedienden en landlieden waren het eerst door het kleppen der stormklok, die het uitbarsten van den brand verkondigde, in hunne vreugde gestoord geworden. Thans had men de krakende schoten gehoord en waande den vijand reeds binnen de muren van het slot. In gangen en zalen, op trappen en portalen verdrongen knechts en vrouwen, speellieden en landmeisjes elkander in steeds toenemend gewoel.
„Sluit de poort,” riep Dolgorow. „De brug op! verzamel u op het slotplein. Geen moed verloren! Het kan een blind alarm zijn!” Terwijl hij zich te vergeefs beijverde, door deze bevelen de orde te herstellen, kwam een boer ademloos de poort binnensnellen en riep: „De vijand, de vijand! Zij overvallen ons! Vlucht allen in het bosch!”
De verschrikte slotbewoners, de landlieden en alle meisjes vlogen met luid angstgeschreeuw en gejammer naar hof en tuin, deels om zich te verbergen, deels om te ontvluchten. Anderen drongen door de slotpoort, om hunne huizen in het dorp te bereiken. Het ophalen der brug en sluiten der poort werd daardoor geheel onmogelijk. Schuimbekkend van woede hieuw Dolgorow met de vlakke sabel op de vluchtenden, die hem niet gehoorzaamden in, en vermeerderde daardoor de ontsteltenis en verwarring.
Thans rende een troep vluchtende kozakken de poort voorbij en huilde: „De vijand! De vijand! Vlucht, steekt aan!”
„Het is te vergeefs, weerstand te beproeven,” riep Ochalskoi, die zich intusschen met sabel en pistolen gewapend had. „Laat ons slechts de vrouwen redden. Wij vluchten door den tuin en bereiken zoo het woud, waar wij volkomen in zekerheid zijn.”
„Ten minste de poort moet versperd worden,” schreeuwde Dolgorow, „anders baat de schandelijke vlucht ons niets.”
Thans vond zijn bevel gehoor, daar de ingang juist vrij was. Hij zelf, Ochalskoi en drie bedienden trokken ijlings de kettingen, waarmede de vleugeldeuren aan den slotmuur vasthaakten, terug, wierpen de poort toe en schoven de grendels er voor.
Het was hoog tijd, want juist rende Rasinski aan de spits zijner manschappen den heuvel af, en nauwelijks was de deur gesloten, of men hoorde reeds de donderende hoeven der paarden op de ophaalbrug.
Dolgorow en Ochalskoi vlogen de trappen op naar het bruidsvertrek, om Feodorowna te redden, terwijl de gravin ijlings hare kleinooden en hetgeen zij op de vlucht noodzakelijk behoefde, bijeen raapte. Het gedruisch had de onmachtige uit hare bedwelming doen ontwaken. Met kalmte—want uitwendige schrik oefende weinig geweld op haar uit, die thans niets meer vreesde—had zij hare kleeding reeds veranderd en hare belangrijkste bezitting, eenige brieven en de beeltenissen harer ouders, bij zich gestoken. Haastig wierp zij den mantel om en snelde met vasten tred aan de zijde van haren echtgenoot naar de zaal, waar de gravin wachtte. Toen men het voorplein bereikte, beukten de stormenden zoo geweldig tegen de poort, dat men elk oogenblik verwachten moest, die te zien bezwijken. Echter konden de vluchtenden niet dan langzaam doordringen, want een aantal bedienden en landlieden, thans van den eersten schrik bekomen, sleepten van alle zijden groote bundels hooi, stroo en rijshout aan, om de ruimte voor de poort daarmede op te vullen. „Wij willen hen door een vuurwal van ons scheiden,” riep Dolgorow en schoot zijn pistool in het droge stroo af, dat dadelijk vuur vatte. „Nog meer hooi, stroo en takkenbosschen; dat de rook en walm de honden verstikke, wanneer zij het slot willen indringen!” riep de verbitterde Rus, en in hun ijver verstikten de dienaars bijna in de vlammen door de menigte van ras opgeworpen brandstoffen. „Zoo, goed zoo, jongens!” riep de graaf, „steekt het slot aan de vier hoeken aan; daar wij het verlaten moeten, willen wij het ook den vijand niet gunnen.”
Daar hij zag, dat zijn bevel werd opgevolgd, ijlde hij Ochalskoi en de vrouwen na, die reeds door den tuin vluchtten, om door eene achterpoort het woud te bereiken. Weldra hadden ook de teruggebleven bedienden hunne meesters achterhaald, en toen men omzag, steeg een zwarte, dichte rookzuil uit de slotmuren op.
„Zij zullen niet lang in het kasteel huizen,” riep een der knechten met honende jubel; „in elken stal brandt een duchtig bos stroo. Eer tien minuten om zijn, moet de vlam boven de daken uitslaan. Zij zal ons, denk ik, nog een poosje in het bosch voorlichten. Jammer, dat wij de paarden niet konden meênemen, doch daartoe was geen tijd, laat staan tot zadelen en optoomen.”
„Zwijgt thans,” gebood Dolgorow; „onze vlucht zij zoo stil mogelijk.” Zacht, maar met verhaaste schreden ijlden de vliedenden voorwaarts. Nog hadden zij den grensmuur van het park niet bereikt, toen zij de heldere vlam reeds door de groene boomen zagen blinken. Door de kleine achterpoort geraakte men op het vrije veld en snelde langs een smal voetpad op het nabijgelegen woud toe. Juist was men den zoom daarvan genaderd, toen eene talrijke ruiterbende in gestrekten galop den hoek van den tuinmuur omsloeg, om de vluchtelingen na te zetten. In vollen loop ijlden dezen op het bosch toe, maar met losse teugels renden de ruiters hen na, en eer het veilige toevluchtsoord nog bereikt was, floten de pistoolkogels door de lucht, en flikkerden dadelijk daarop de blinkende sabels boven de hoofden der vluchtenden.
Inmiddels had Rasinski met twee aan den weg gevonden boomstammen de slotpoort onder den voet geloopen. Zoodra die opensprong, sloeg hem een verstikkende, gloeiende rook te gemoet, doch eensklaps gierde de stormwind door de hem geopende baan, joeg de vlam naar binnen op hof en tuin aan en werd het smeulende hooi, stroo en rijs door den hevigen luchtstroom mede voortgedreven, zoodat men geene kunstige kunstmiddelen noodig had, om zich den weg te banen. In twee minuten had de storm alle vonken uitgedoofd, en slechts een aschhoop in het voorportaal verried nog de sporen van het aangelegde vuur. Onverwijld drong Rasinski nu met zijne scharen het gebouw binnen en riep: „Bezet alle ingangen! Laat niemand ontkomen. Boleslaw, gij rijdt rechts met uw escadron den slotmuur om, Jaromir links. Alle gevangenen worden hier gebracht. Niemand wage zich in het dorp! Het slot blijft onze verzamelplaats.”
Driftig sprong hij van het paard en ijlde, door de boden, Lodewijk, Bernard en eenige officieren gevolgd, de trappen op, ten einde het binnenste van het gebouw zelf te onderzoeken. Spoedig had hij de lange rij van vertrekken doorkruist, daar alle deuren openstonden, terwijl alles de overhaaste vlucht der bewoners verried; maar zijne navorschingen bleven vruchteloos en verdrietig begaf hij zich naar de groote zaal terug. „Zou het nog mislukt zijn?” riep hij mismoedig uit. „Ik vrees, dat de brand van Smolensko ons onzen buit heeft doen verliezen en de bruiloftsgasten te vroeg uiteengejaagd!”
De bode haalde de schouders op en hernam: „Mijne schuld is het niet, heer overste; ik heb u goed onderricht. Was de vesting niet in brand geraakt, zoo zouden wij hier geweest zijn, eer een mensch onze tegenwoordigheid vermoed had, en de generaals en andere hooge gasten waren uwe gevangenen geweest.”
„Gij hebt uw loon verdiend, neem,” antwoordde Rasinski en wierp den Rus eene beurs toe, die deze begeerig opving.
„Wanneer wij thans slechts een weinig infanterie met een paar kanonnen hadden,” vervolgde de overste, tot de officieren gewend, „zou ik, zonder een oogenblik te aarzelen, daarmede de achterhoede aangrijpen en haar door een onverhoedschen aanval ten minste een duchtigen schrik aanjagen. Zooals wij hier zijn, is het echter niet raadzaam, ons dieper in het land te wagen. De infanteriepatrouilles en de bende kozakken, die wij bij het dorp aantroffen, moeten toch alarm gemaakt hebben, en licht kon een overmachtige hoop tegen ons aanrukken, die ons, bij het ééne smalle pad, dat ons tot den terugtocht blijft, hoogst verderfelijk zou zijn. Mij dunkt dus, wij laten verzameling blazen, trekken onze troepen weer bijeen en keeren even stil over den stroom terug, als wij gekomen zijn.”
De officieren waren van dezelfde meening.
Weldra keerde Boleslaw, zonder iets ontmoet te hebben, met zijne ruiters terug en werd spoedig daarop door Jaromir gevolgd, die eenige bedienden van den graaf als gevangenen medevoerde. „Ik stiet,” berichtte hij, „dicht bij het woud op de vluchtenden. Het waren de bewoners en bedienden van het slot met eenige vrouwen; een deel vlood, anderen boden tegenstand. Bij het licht der vlammen, die van het slotplein oversloegen, bemerkte ik een officier, die eene jonge dame op zijne armen naar de dichte struiken trachtte te dragen, waar wij met onze paarden niet voortkonden. Ik sprong uit den zadel en poogde hem in te halen; toen ik door het hout heenworstelde en hem naderde, zette hij de dame op den grond neder en wachtte mij af. Ik riep hem toe, dat hij zich gevangen zou geven, maar hij schoot op mij, doch miste. Nu gaf ik vuur; hij viel. Juist wilde ik toespringen, toen eenige Russen zich tusschen hem en mij in wierpen en mij terugdrongen, zoodat ik bijna overweldigd was geworden. Gelukkig bereikte ik nog eene vrije plaats, waar mijne lieden mij te hulp konden komen. Zij bevrijdden mij en wij maakten drie gevangenen. Volgens hun zeggen was de getroffene vorst Ochalskoi, die heden met de dochter van graaf Dolgorow, wien dit slot toebehoort, moet getrouwd zijn.”
„Ware ons ten minste die ééne vangst gelukt,” riep Rasinski mistroostig; „maar dat wijt ik u niet, Jaromir, want gij hebt meer dan uw plicht gedaan,” voegde hij er vriendelijk bij. „Het geluk heeft ons niet genoeg begunstigd. Maar laat ons nu opbreken, eer het ons nog verder tegenloopt.”
Nadat men zich overtuigd had, dat er onder de gevangenen niemand van beteekenis was, liet men hen vrij, met de bedreiging, van hen dadelijk te zullen neersabelen, zoodra men hen weder in handen kreeg. Op die wijze trachtte Rasinski te verhoeden, dat men zijn terugweg naspoorde, wijl hij in het oogenblik, dat hij over den Dnieper terugtrok, door een aanval in den hachelijksten toestand kon gebracht worden. Ook wilde hij de lieden in den hun opzettelijk ingeprenten waan laten, dat hij door een aanzienlijk legerkorps gedekt werd, dat in den nacht over de rivier was getrokken. Zoo begaf men zich weder op marsch en liet de brandende schuren en stallingen aan de woede der vlammen over.
Eerst toen men de rivier doorwaad en den anderen oever bereikt had, bemerkte Rasinski dat de oude Petrowski en Bliski, een geoefend, dapper ruiter, vermist werden. Vol bezorgdheid zond hij Boleslaw met eenige manschappen terug, om hen op te zoeken. Twee uren wachtte hij op diens terugkeer; eindelijk kwam hij, maar zijne pogingen waren vruchteloos geweest, de beide wakkere kameraden schenen verloren.
„Zouden wij deze beide dapperen ten offer moeten brengen?” riep Rasinski. „Vrienden, laat ons nog hopen, wellicht zijn zij slechts verdwaald en keeren tot ons terug. Wij moeten er nu den geheelen nacht aan wagen en willen langzaam verder trekken, om van tijd tot tijd seinen te geven. Hier zijn wij immers volkomen in veiligheid.”
De trouwe krijgsmakkers gehoorzaamden gaarne, want het waarschijnlijke lot hunner kameraden ging hun allen na aan het hart. In tragen stap en onder diep stilzwijgen reed men langs den oeverkant voort.
„Hoor! Wat was dat?” vroeg Rasinski den nevens hem rijdenden Boleslaw. „Ruischt het niet in het water? Het was, alsof iemand van den anderen oever neerplompte. Halt!”
„Waarachtig, daar beweegt zich iets,” fluisterde Boleslaw. „Zal ik aanroepen?”
„Nog niet, wij moeten eerst beter kunnen zien; men kan niet weten, wat het is, want wij zijn hier reeds dicht bij de vesting. Het zijn twee zwemmers.”
„Werda? Halt! Antwoord!”
„Goed vriend,” antwoordde de welbekende stem van Petrowski en eene algemeene juichtoon ging er op. Twee minuten later sprongen zij aan land.
„Die mij liefheeft omarme mij niet!” riep Bliski, eenige kameraden koddig afwerende; „wij zijn van boven tot onder slijk en eendekroos; brr! het bad was frisch.”
„Hoe komt gij te voet, spreekt op, vertelt!” vroeg Rasinski met belangstelling.
„Bliski was mijn redder,” begon Petrowski.
„Gekheid, laat mij vertellen,” viel de vroolijke ruiter hem in de rede. „Toen wij naar het slot wilden terugrijden, kwam hij te vallen; drie russische spitsboeven, die zich in de struiken verborgen hadden, kwamen voor den dag springen, om hem te plunderen. Gelukkig zag ik het en vloog er op in. Daar beukt een van de schurken mijn arm paard met een knuppel op de hersens, dat het schuw op zij springt en ik uit den zadel tuimel. Des te beter, dacht ik, en stond gauw op de voeten. Tegen ons tweeën dorsten de helden geen stand te houden; maar de paarden waren de vlakte opgeloopen. Daar wij niet weten konden, of het kreupelhout meer soortgelijke vruchten droeg, sukkelden wij te voet op het slot aan, in de hoop, dat onze arme dieren den grooten hoop wel achterna zouden draven. Maar nu sneed het uit het dorp vluchtende kanalje ons den weg af. Wij moesten het bosch in en dwaalden in het donker heen en weer, maar hielden altijd de vlammen van Smolensko in het oog. Eensklaps staan wij voor een grooten weg, dien ik dadelijk voor de baan naar Moskou herken; want ik ben lang in Rusland geweest en hier zoo redelijk goed bekend, heer overste. Juist toen wij uit de struiken wilden treden, om eens in het rond te loeren, ziet de wachtmeester gelukkig, dat er een troep ruiters aankomt; wij als de wind weer onder het hout gekropen en den mond toegehouden. Pas zijn de ruiters voorbij, of wij hooren het ratelen van kanonnen. Het waren zoo ongeveer honderd stukken en kruitkarren, ook ander voertuig in menigte; daarop kwam de infanterie in lange, dichte colonnes, dan weer cavalerie; kortom een gansch legerkorps; het duurde wel een uur eer alles voorbij was. Eindelijk werd de baan vrij, wij sprongen voor den dag en keken in het rond; een tijdlang hielden wij den grooten weg, sloegen toen linksaf en kwamen binnen vijf minuten aan de rivier.”
Hoe innig het Rasinski ook verheugde, zijne brave lieden gered te zien, maakte toch Bliski's verhaal ook nog in een ander opzicht zijne belangstelling levendig gaande. Hij werd namelijk meer en meer in het vermoeden bevestigd, dat misschien de gansche, ten minste een deel der bezetting de vesting verlaten had, en besloot derhalve door de watervoorstad, welke ook voor ruiterij toegankelijk is, in de stad door te dringen, om de eerste te zijn, die van dit gewichtige, ofschoon thans weinig gevaarlijke voordeel gebruik maakte. Hij beval daarom in diepe stilte voort te rukken, en hield zich bij voortduring dicht aan den rivieroever. Zoo bereikte hij de eerste huizen, zonder op een enkele schildwacht te stooten. De dageraad begon aan te breken, toen hij de eerste straat insloeg. Geen geluid, geen spoor verried, dat nog bewoners in de half ingestorte, half smeulende steenhoopen verwijlden. Men bereikte eene dwarsstraat; met verbazing zag Rasinski ook door deze ruiters aankomen. Zij waren van het korps van vorst Poniatowski; men begroette elkander met vroolijke verrassing en zette den weg in verschillende richtingen voort. Rasinski reed de buitenstad in en zag bij de schemering eene mannelijke gedaante behoedzaam rondsluipen. Hij hield ze voor een Rus en riep dus in die taal aan; doch de persoon antwoordde niet en zocht te ontkomen. Hopende van hem met zekerheid te vernemen of de vesting geheel verlaten was, rende Rasinski den vluchteling na en had hem weldra met eenige lanciers zoozeer in het nauw gebracht, dat hem geen uitweg meer overbleef. „Vive l'Empereur!” riep de moedige soldaat en leide zijn geweer op Rasinski aan. Thans eerst herkent deze de fransche uniform en maakte zich aan den dappere, dien hij voor den vijand gehouden had, bekend. Het was een onderofficier van het korps van Davoust, die de vermetele onderneming gewaagd had, om alleen over den muur in de vesting te dringen. Zoo werd dan de roem van de vijandelijke plaats het eerst betreden te hebben, ten derde male twijfelachtig. Intusschen was de hoofdzaak ontwijfelbaar zeker, men bevond er zich in; zeer spoedig overtuigde men zich ook, dat de Russen de stad verlaten en zich, na het vernielen der bruggen, op den anderen oever teruggetrokken hadden, waar zij de aldaar gelegen vestingwerken waarschijnlijk nog bezet hielden.
De dag begon aan te breken en de eerste zonnestralen vielen op een akelig tafereel. Waar men het oog wendde, ontwaarde men rookende puinen en opeengehoopte lijken, die bloedend of half verbrand, meerendeels geheel uitgeschud, op de omgewoelde aarde lagen neergestrekt. Andere zag men verkoold, zwart van rook en brand, ten deele onder de smeulende asch bedolven liggen; enkele ledematen des lichaams waren door de vlammen verschroeid of geheel van vleesch ontbloot; slechts het naakte, uitgebrande gebeente stak nog te voorschijn. Rasinski had het regiment teruggevoerd, daar de enge, door ingestorte balken, steen en aschhoopen versperde straten den doortocht belemmerden; hij zelf reed echter, door Jaromir verzeld, weder in de vesting terug, ten einde de schouwplaats der verwoesting nauwkeuriger op te nemen. „Eene treurige overwinning!” zuchtte hij. „Het bloed, voor de verovering der russische wildernissen gestort, schijnt bijna vruchteloos verspild, daar zij ons in plaats van steden en dorpen weldra niets meer dan de aschhoopen zullen aanbieden, waaronder zij begraven liggen.”
Ook den vroolijken, luchthartigen, aan de sombere tafereelen van den oorlog gewonen Jaromir liep eene ijskoude rilling over de leden, toen hij in dezen dampenden baaierd van puin en lijken rondreed. „Inderdaad,” antwoordde hij, na eenig nadenken: „en nog onbegrijpelijker is het mij, hoe dit verwoeste land de tallooze volksmassa's voeden zal, die het van alle zijden overstroomen. Eer hier niet weer opnieuw gezaaid en geoogst is, zou men gelooven, dat geen menschelijk wezen in deze woesternij zijn aanzijn ook slechts voor eenige dagen verlengen kon.”
„De wolf zal naar Polen en Pruisen op roof moeten uitgaan, wijl hij hier van honger zou omkomen,” sprak Rasinski, bij den half schertsenden vorm zijner woorden inwendig huiverend.—„Hoor! Muziek!”
Het was de fransche garde, die met vliegende vaandels en luid klinkende tonen de stad binnentrok. Het vroolijk geschal in dit uur, in deze omgeving, scheen de vreeselijkste hoon. Rasinski trok zijn paard in eene zijstraat terug en liet de troepen voorbijtrekken. De muzikanten bliezen den marseillaanschen marsch; doch deze krachtige tonen, die anders in elk fransch hart de gloeiendste geestdrift, in elk oog den vurigsten moed deden ontvlammen, schenen ditmaal eene onverstaanbare taal tot de dappere krijgers te spreken. Diepe ernst stond op hunne trekken te lezen; somber richtten zij het oog op de verwoesting rondom en trokken de zwarte wenkbrauwen dreigend te zamen. Men ontdekte wel is waar geen spoor van vrees en moedeloosheid op het ruwe, verschroeide, met breede litteekens bedekte gelaat dezer dapperen, maar ook geene schemering van vreugde en zelfvoldoening straalde uit hunne blikken. Met stout opgericht of somber gefronst voorhoofd traden zij over lijken, puin en asch voort; zij geleken een opkomend onweder in hunne stomme ijzeren houding.
Thans naderde de keizer op zijn fraaien arabischen schimmel. Hij wierp de scherpe blikken overal opmerkzaam in het rond, zonder zich daardoor in zijn levendig gesprek met den generaal Lobau te laten storen.
„De keizer is dezelfde als op de parade te Dresden,” fluisterde Jaromir met merkbare verwondering.
„Het ligt in zijn aard,” hernam Rasinski, „zich zelf in storm en zonneschijn steeds gelijk te blijven. Doch wij willen hem volgen; ik ben verlangend zijne jongste bevelen te vernemen, en misschien geven die ons nog werk genoeg, eer het avond wordt.”
Met deze woorden drong hij, door Jaromir gevolgd, over de rookende puinhoopen en nevens het gedrang der binnenrukkende troepen voort, om zich bij den staf aan te sluiten, met welken de keizer de vesting nader in oogenschouw nam.
HOOFDSTUK III.
„Ik begin bijna verdriet in het leven te krijgen,” zuchtte Bernard, terwijl hij een zwaren zak van den schouder liet glijden, waarbij Lodewijk hem behulpzaam was. „Voor mij zelf had ik den verren, gevaarlijken strooptocht niet ondernomen, maar mijn arme magere klepper moet toch ook iets anders te smullen hebben dan onrijpe haver en dor heigras.”
„Gij zijt gelukkig geweest,” antwoordde Lodewijk, „wij hebben niet zooveel gevonden. Alles in den omtrek is woest en ledig; de dorpen zijn verlaten en verbrand. Ik weet niet, hoe dat eindigen moet!”
„Het is waar, wij stevenen een woesten oceaan in, maar hebben een Columbus aan boord, wiens kompas nog lang streek houdt, wanneer ons oog geene enkele star aan den hemel meer ziet, waarop wij koers kunnen zetten.—Doch help mij de paarden voeren, ik kan de dieren niet laten wachten, totdat Rasinski's rijknecht komt; zij zullen groote oogen opzetten over het gastmaal, dat wij hun opdisschen.”
„Gaarne,” hernam Lodewijk.—„Het is goed,” vervolgde Bernard, terwijl hij de haver in den voederzak schudde en den hongerigen dieren voorhing, „dat wij hier tamelijk afgezonderd liggen en ten minste nog een oude schuur tot stal hebben bij dit koude, vochtige herfstweder. Stonden wij op het vrije veld, zoodat men een uur ver zien kon, wat wij buit gemaakt hebben, wij zouden meer ongenoode gasten krijgen, dan zomers vliegen op de melk afkomen.—Zie, zie hoe de oude sukkels smullen! Ja, mijn bruintje, zulke haver is tegenwoordig geen alledaagsche kost voor u.”
Terwijl beiden in deze genoegelijke bezigheid, de verzorging hunner paarden, geheel verdiept waren, trad Rasinski binnen, die van een rit naar het hoofdkwartier, waar hij op de parade geweest was, zoo even terugkeerde. „Waarachtig,” riep hij, „gij voert immers zoo rijkelijk en prachtig als in den hofstal van St. Cloud. Waar hebt gij dien schat opgedaan?”
„Ha, goeden avond!” riepen de vrienden hem vroolijk toe. „Niet waar,” vervolgde Bernard, „dat zal den kleppers goed doen na den langen vastentijd? Ik had de dragonders beloerd; zij kwamen met eenige zakken haver daar ginds uit het bosch aanslepen. Hm, dacht ik, daar is misschien nog meer te halen, volgde als klein Duimpje het spoor der verloren korrels en breede laarzen en kwam spoedig aan een gehucht, waar voor acht dagen misschien een dozijn huizen gestaan hebben, maar dat thans nog slechts een dozijn puinhoopen vertoont. Ik klauterde over asch en balken heen, snuffelde alle gaten en spleten rond en vond eindelijk in een hoek nog dezen zak met haver, dien de dragonders òf niet gezien, òf, wijl zij hem niet konden meêdragen, daar verborgen hadden.—Maar gij hebt immers brieven? Wat nieuws?”
„Voor Lodewijk; en gewichtige narichten voor ons allen. Morgen zal het eindelijk tot een slag komen.”
„Werkelijk?” riep Bernard levendig.
„Eindelijk!” sprak Lodewijk, maar bedoelde daarmede de aankomst der sinds verscheidene weken gewachte brieven der zijnen. Terwijl hij ze opende, tikte Rasinski Bernard heimelijk op den schouder en wees hem met een veelbeteekenenden oogwenk op Lodewijk.
Bernard begreep niet, wat dit beduiden moest, maar zweeg en vestigde opmerkzame blikken op zijn vriend. Deze las met toenemende ontroering; hij verbleekte, groote tranen rolden over zijne wangen; plotseling bracht hij de rechterhand voor de oogen, liet de linker met den brief zinken en reikte dien met een smartelijken zucht aan Bernard over, als wilde hij bij dezen troost en sterkte zoeken. Deze greep driftig toe, terwijl Rasinski den geschokten vriend de hand op den schouder legde en hem met weemoedige aandoening aanzag.
„Mijne moeder.... mijne moeder....! Lees zelf....” meer vermocht Lodewijk niet uit te brengen.
„Ik wist het reeds,” sprak Rasinski en sloot den jongeling met warmte aan zijne borst, „wist het door mijne zuster, die mij den brief in den haren toezond; maar gij moest het niet van mij vernemen. Wie kan een bitteren kelk met zachter hand toereiken dan eene zuster?”
Bernard las intusschen met eene aandoening, welke zelfs zijne sterke ziel niet bedwingen kon.
„Hartelijk geliefde Broeder!
„Hoe moet ik beginnen, om met de verpletterende tijding die ik u niet onthouden kan, tegelijk ook den troost der liefde in uw hart uit te storten? Der liefde, die u op dien verren afstand nauwelijks nog vermag te bereiken! Ach Lodewijk, onze moeder is niet meer; dezen morgen is zij in mijne armen ontslapen! Hare oude borstkwaal, waarvan ik reeds zoolang het ergste vreesde, nam door onvoorziene toevallen eensklaps zoo hevig toe, dat aan de redding van haar dierbaar leven niet te denken was. Echter waren de laatste uren kalm en rustig; de ziel der liefderijke moeder hield zich slechts met hare kinderen bezig. O, mijn broeder, bij deze diepe smart komt nog die, welke veel grievender is, dat gij eenzaam en verlaten in eene ruwe wildernis omzwerft, waar uwe klachten door het woeste krijgsgewoel verdoofd worden. Mijne droefheid over de afgestorvene is zacht en kalm, maar mijn hart wordt als toegeschroefd, als ik aan u denk, mij uwen toestand voorstel. O kon ik bij u zijn, kon ik met zusterlijke liefde uwe wangen afdrogen, als zij door tranen bevochtigd zijn! U zijn alle goederen des levens ontrukt, die ons in donkere dagen vertroostend toelachen. Uit uw vaderland verdreven, in een barre wildernis geslingerd, is uwe bezigheid eer een geesel dan een straf voor u. Gij kunt geen troost, geene afleiding vinden in uw beroep, dat u slechts nog meer ter neerdrukt. O, ik gevoel het, Lodewijk, dat deze slag voor u veel verpletterender zijn moet dan voor mij. Een zachte genius voerde de ontslapene uit mijn armen weg; een vreeselijke demon rijt haar u van het bloedend hart. Laat toch geene zorg of bekommering over mijn lot uw lijden vermeerderen. Dat ik diep bedroefd ben en onze lieve moeder hartelijk beween, kunt gij u niet verhelen: maar ik treur niet alleen: moederlijke vriendschap en zusterlijke liefde staan mij ter zijde. Vrees dus niet, dat ik eenzaam en verlaten ben. Juist wijl het ouderlooze meisje geheel hulpeloos is, biedt haar ieder de hand, toont ieder haar medelijden en ziet zij zich—zoo althans ging het mij—door de roerendste liefdeblijken overstelpt. Met den man handelt men anders, hij is sterk, hij moet door eigen kracht staande blijven; wijl hij zelf hulp en raad kent, gaat ieder hem koel voorbij, en zoo is hij dikwijls meer verlaten dan wij zelve. Wie toch vermag zich alleen staande te houden in deze wereld vol stormen?—Ach waarom kan ik niet slechts het eerste, bittere uur aan uwe borst rusten, en u de tranen van de wangen kussen! Voorzeker, gij zoudt minder lijden!
De warme hand der liefde zou de ijskoude der smart van uwe borst afweren. Slechts door mannen zijt gij omgeven. Zal hunne verharde ziel uw lijden zoo diep gevoelen? Kunnen zij u zoo teeder beminnen, als mijn zusterhart? Kunt gij u tot hen om troost wenden, als tot mij? Maar, zij zullen in uw lijden deelnemen, u bemoedigen, u niet verlaten in uwe droefheid, gelijk zij u in andere bittere rampspoeden zoo trouw ter zijde stonden. Dat smeek ik van God, die zoo genadig is, ook als Hij ons beproevingen toezendt; ik vertrouw op hen—ach, mijn gansche hart zal hun eeuwig dankbaar zijn.
Vaarwel, mijn broeder! Gij het eenige, dat mij nog op aarde blijft! O, mogen duizend goede engelen u op uwe gevaarvolle paden omzweven! Wanneer de gedachte bij mij oprijst, dat ook gij—neen, neen, dat zal de liefderijke Vader in den hemel mij niet opleggen, want Hij weet, dat wij zwak zijn en wat wij dragen kunnen. Leef wel! Zijn zegen, Zijn troost zij met u!
Uwe MARIA.”
„Gij hebt een machtig schild voor u, dat morgen in het uur des gevaars u dekken zal,” sprak Bernard met eene stem, waaraan hij te vergeefs hare gewone vastheid poogde te geven; „omzweefden mij zulke beschermgeesten, ik zou aan den mond van den Vesuvius rustig insluimeren. Broeder Lodewijk, wij zouden u troosten? Troost gij ons, die van niemand zulke woorden der liefde hooren.—Lees, lees,” dus wendde hij zich tot Rasinski en reikte hem den brief over, „hij staat mij in het hart gegrift.”
„Ik zal haar dus niet wederzien!” sprak Lodewijk met eene gesmoorde stem en leunde het hoofd aan Bernards borst.
„Dat de duivel ons nu nog tot morgen op de pijnbank moet laten omspartelen!” riep deze verdrietig. „Nu dadelijk heb ik lust tot den slag, dadelijk. Dapper? Dapper zal ik niet zijn; maar dat mij ooit van mijn leven iets onverschilligers ontmoeten kan, dan eene batterij, die een Niagarastroom van kartetsen uitbraakt, dat geloof ik niet.—Kom, laat ons naar de hutten gaan, waar Jaromir en Boleslaw liggen; op een avond vóór den slag moet men elkander toch nog eens goeden dag zeggen.—Maar is het dan ernst?”
Bernard had, zoolang hij sprak, Lodewijks hand niet uit de zijne gelaten en ze bijna krampachtig vastgeklemd. De laatste woorden richtte hij tot Rasinski, die uit eene sombere mijmering oprees.
„Ernst? Zoo zeker als de bittere slag, die onzen vriend getroffen heeft.”—Hij drukte zich de hand op het voorhoofd, als kostte het hem moeite zijne gedachten te verzamelen. „Wat wilde ik toch zeggen?—Ja, ja.—Kutusow wil morgen vechten—zonder twijfel. De keizer heeft het slagveld reeds opgenomen. De dag van gisteren was slechts een voorspel. De zevende September is bestemd, om in de boeken der geschiedenis te worden ingeschreven.”
„Dan zal men hem met roode letters in den almanak kunnen drukken, denk ik,” hernam Bernard. „Mij goed. Hoe meer de dood in massa oogst, des te koeler zie ik het aan. Wat ziet men met meer onverschilligheid dan de sterflijsten van een groot rijk bij het einde des jaars? En geen veldslag, de bloedigste zelfs niet, is zoo moorddadig als een enkel jaar van den rustig voortloopenden tijdstroom. Wat zeg ik? Een jaar? Een dag, een uur, een oogenblik, wanneer wij over den molshoop, waarop wij rondwoelen, heenzien! Ik ken niets dwazers dan aan dood en doodsgevaar gewicht te hechten; het gevaarlijkste is geboren te worden, want daarmede begint niet alleen de last des stervens, maar ook die des levens met zijn zondvloed van rampspoeden, jammer, ellende, schurkestreken en nesterijen. Maar komt, vrienden.—De paarden smullen, dat het een lust is. Wat doen wij langer hier.”
Met drift vatte hij Lodewijk onder den arm en geleidde hem naar buiten. „Ik volg u dadelijk,” riep Rasinski de heengaanden na.
„Nu, een ijsbeer ben ik nou ook juist niet, vriend,” mompelde Bernard, toen zij alleen waren; „maar mijne tranen heb ik slechts voor mij zelf en voor hen, die ik lief heb als mijn eigen ik.” Hier klemde hij den vriend onstuimig aan de borst en drukte een warmen kus op zijn voorhoofd. Lodewijk voelde Bernards heete tranen en met deze zijne gansche liefde, den vollen troost zijner opofferende trouw.
Arm in arm beklommen zij eene kleine hoogte, vanwaar zij de met mannen en paarden bedekte vlakte geheel konden overzien. Reeds had de herfst het loof verbleekt, de berken strooiden dorre bladeren over het gras uit, het groen was dood en vertoonde een vaal grauw; de hemel hing loodkleurig over de velden, ruwe windrukken gierden van tijd tot tijd door de vochtige, nevelachtige lucht.
„Zoo is het thans in mijne ziel gesteld, beste broeder,” sprak Lodewijk met eene onzekere stem; „zoo ledig en vreugdeloos en toch zoo onstuimig, als in dit doode, schoon met een onrustig gewoel vervulde landschap.”
„In de mijne is dat eigenlijk de alledaagsche kleur,” hernam Bernard, „slechts zelden werpt de zon, als op hooge feestdagen, een vluchtigen blik door het grijze nevelfloers. En zelfs dan wekt hare verschijning, evenals elk te vluchtig geluk, eer smart, dan vreugde en doet slechts het verlangen van ons hart uit zijne doffe sluimering ontwaken. Drogbeelden naderen ons; wij zijn vol liefde, maar wanneer wij de armen uitbreiden, om haar te omvangen, zijn zij verdwenen. Ik voor mij pleeg dan nog gewoonlijk het geluk te hebben van met de knokkels tegen den wand te stooten of mij de wollen deken in het gezicht te drukken in plaats van de geliefde.—Gij wordt wellicht verdrietig, Lodewijk, maar er is iets dat mij ergert, en ik moet het u zeggen. Het zou mij een goed voorteeken geweest zijn, wanneer het uur en de dag waren overeengekomen; intusschen zie ik, dat zulks het geval niet is.”
„Hoe zoo, broeder?”
„Toen wij door den Dnieper reden, moest ik, gij weet het immers, zoo levendig aan uwe zuster denken, alsof zij voorbij ons heenzweefde. Wanneer dat nu het doodsuur uwer moeder geweest was—ik ben een man, ik weet het, maar ik hecht nu eenmaal aan zoo iets. Uwe moeder is des morgens en drie dagen vroeger overleden.”
Lodewijk glimlachte weemoedig, Bernard zag strak voor zich neder, beiden zwegen.
„De goede Maria!” begon Lodewijk eindelijk weder, „zij bekommert zich over mijne eenzaamheid en staat toch zelve zoo geheel verlaten.”
„Zoo moet het ieder toeschijnen, die niet altijd het eerst aan zich zelf denkt. Ook komt daar nog eene zeer algemeene dwaling bij. Nooit kan de mensch geheel uit zijne eigene gewaarwordingen in die van een ander overtreden. Wijl Maria u zoo ver van haar zelve gescheiden gevoelt, meent zij u ook van allen gescheiden; en gij omgekeerd evenzoo. Niets is bij ons natuurlijker, dan dat wij ons den bewoner van Siberië of Spitsbergen als geheel verstooten van den aardbodem voorstellen, want wij bedenken niet, dat een Parijzenaar de Groenlander even verwijderd, even ver naar de uiterste grenzen van den bewoonden aardbodem verbannen moet toeschijnen, ja dat deze hem als beroofd en verstoken van alle weldaden der natuur beschouwt, dewijl alles, wat Frankrijk kan opleveren, ver buiten den kring zijner wenschen en voorstellingen ligt.—Doch zie, hoe de wind den rook der wachtvuren over de vlakte jaagt; de damp beklemt de ademhaling.—Denkt gij met bezorgdheid aan den slag?”
„Neen, Bernard, mijn ziel houdt zich zoo geheel anders bezig. Wanneer wij midden in het gewoel zijn, wellicht dat het mij dan medesleept. Ik had mij vroeger het bijwonen van een veldslag als hoogst belangrijk voorgesteld; heeft het gevaarvolle zwervende krijgsmansleven, die gedurige herhaling van het voorspel tot het hoofddrama, mij verstompt of is het, omdat mijne gedachten zoo ver van hier omzwerven, althans voor mijn gevoel is het op dit oogenblik eene schier onverschillige omstandigheid, dat morgen het lot van twee volken beslist moet worden. Intusschen zegt mijn verstand mij het tegendeel.”
„Vriend,” begon Bernard, „ik vroeg dat niet zonder opzet, anders had ik thans wel over andere dingen gesproken. Maar vergeef mij, ik denk mede aan Maria; het slot van haren brief—ik geloof wel, dat hare beden in den grond meer afdoen dan tien beschermheiligen—en toch—om uwentwil vrees ik den slag en het zou mij, rondweg gezegd, recht aangenaam zijn, wanneer gij buiten het gedrang woudt blijven. Laat mij met Rasinski spreken.”
„Neen!” antwoordde Lodewijk zacht, maar met vastheid. „Gij weet, dat geen innerlijke beweeggrond mij tot den strijd aanvuurt, dat mijne wenschen zelfs meer tot de zaak onzer tegenstanders overhellen, wijl hunne overwinning ons vaderland ten minste van de onderdrukking, die het in dit oogenblik dulden moet, bevrijden zou; maar toch druischt uw voorslag zoozeer tegen mijn gevoel in, dat ik geene minuut weifelen kan. Vooreerst ben ik een man; daardoor reeds zoude ik mij zelven verlaagd gevoelen, wanneer ik mij in het uur des gevaars aan mijne roeping onttrok.”
„Waarlijk, ik denk slechts aan Maria,” riep Bernard, „en weet, dat gij een smartelijk offer zoudt brengen; maar ik twijfel of gij zulks niet verplicht zijt!”
„Slechts voor haar wensch ik te leven,” hernam Lodewijk, „en de hemel is mijn getuige, dat ik, moet ik vallen, alleen treur om de eenzaam achtergelatene. Doch neen, neen, de scherpzinnigheid mijner gronden mag kunnen bestreden worden, het gevoel, dat in mijne borst spreekt, kan het nimmer. Maria zelve zou zich mijner schamen; zoomin zij mij door iets, dat harer onwaardig is, het leven zou willen behouden, zoomin kan zij verwachten, dat ik zulks voor haar doen zoude. Neen, Bernard, uwe liefde voert u te ver!”
„Gij zijt door uwen waren moed boven den schijn dezer verdenking verheven; ik ben het ook en zou mij, in geval ik reden had om mij aan den slag te onttrekken, geen oogenblik bezinnen.”
„Ook ik niet, indien het terugblijven zelf het doel mijner handelwijze was; maar niet, wanneer dat het middel zijn moest. Vergeet ook niet, dat de stand dien wij kozen, eigenlijk ons leven beschermt; daardoor rust op ons de dubbele verplichting om het heiligdom van zijne eer ongeschonden te bewaren. En dan, Bernard, dezen weg des doods wilt gij voor mij afsluiten; maar hoe de duizend andere paden, waarop hij ons dagelijks kan overvallen? Sterk u met het geloovig vertrouwen, dat Maria zelve koestert; zij vordert niet, dat ik het gevaar ontvluchten zal, maar hare krachtige ziel vertrouwt er op, dat hoogere machten mij zullen beschermen. En zoudt gij dan mij en Rasinski en Jaromir en Boleslaw in den slag kunnen laten trekken en in zekerheid uit de verte aanzien, hoe het zwaard des doods boven de hoofden uwer vrienden zweefde? Bernard, raadpleeg uw eigen hart en laat dat u antwoorden.”
„Recht hebt gij zekerlijk, maar stond het in mijne macht u onrecht aan te doen, ik deed het dadelijk in dit geval. Ware ik in Rasinski's plaats, ik liet u onder eenig voorwendsel handen en voeten binden, en heden avond nog tien dagmarschen achter onze achterhoede tusschen vier muren zetten.”
„Gij deedt het zeker niet,” sprak Lodewijk en drukte hem met aandoening de hand.
„Laat dan loopen het ijzeren rad van het noodlot!” riep Bernard en stampvoette van spijt. „Het verplette wien het wil, maar dat zweer ik u, het zal geene ruimte vinden, om tusschen u en mij door te rollen!———Komen Jaromir en Boleslaw daar niet de hoogte op?”
Zij waren het. Door Rasinski van Lodewijks verlies onderricht, kwamen zij den bedroefden vriend door hunne liefde en hun medelijden vertroosten. De jeugdige, licht voor aandoeningen vatbare Jaromir bedwong zijne tranen niet; Boleslaw, door eigen lijden meer gehard, vermocht slechts den zachten ernst te toonen.
Zij gingen te zamen den heuvel af, om zich aan het wachtvuur bij Rasinski's hut te legeren, waar deze alle officieren verzameld had, om den avond vóór den slag in vriendschappelijke vertrouwelijkheid door te brengen. De zon moest haren ondergang reeds nabij zijn; sedert den middag had zij zich achter grauwe wolken verscholen. De avond naderde en was gevoelig koud, zoodat zelfs het vuur en de dichte mantels de vorst niet geheel konden afweren. De gansche dag was in doodsche rust voorbijgesneld; het scheen, dat de beide vreeselijke, tegenover elkander gelegerde strijdmachten zich deze korte verademing wilden vergunnen, om den volgenden morgen met verdubbelde woede den verbitterden kamp der verdelging te kunnen beginnen. Deze beklemmende, alle frissche levenskrachten verlammende stilte werd door de stemming der enkelen nog vermeerderd; want ieder zag natuurlijk het uur der beslissing met somberen ernst te gemoet. Zoo wilde dan ook het gesprek in den kring der gelegerde kameraden niet levendig worden, en zelfs dan, wanneer Lodewijk en zij, die het nauwst met hen verbonden waren, niet bijzondere oorzaken hadden gehad, om zich aan zwijgende, afgetrokken mijmeringen over te geven, zoude op dezen avond geen vrije, zorgelooze opgeruimdheid onder de krijgers geheerscht hebben. De toekomst vertoonde zich te donker, de hemel was te zwart betrokken, de donder rolde te dreigend in de verte, om aan het bloed een vrijen omloop door de aderen te vergunnen. Te vergeefs trachtte Rasinski door het gestadig vullen der bekers, door het herinneren aan vroegere, belangrijke ontmoetingen, door het uiten der schoonste verwachtingen voor de toekomst de gemoederen te vervroolijken; een oogenblik nam men een levendig aandeel in het gesprek, maar na eenige minuten was ieder weder in zijne eigene, stille overdenkingen verdiept.
Het schemerde reeds, toen een kanonschot uit het vijandelijk leger de doodsche stilte afbrak. Men sprong op, vorschte, vroeg. In zulke uren, onder zulke omstandigheden is een schot bijna altijd het teeken van een gewichtig voorval, ieder hield het voor eene waarschuwing, om op alles bedacht te zijn. Ditmaal echter bleek de vrees voor dadelijke verontrusting ongegrond te zijn, schoon men reeds na eenige minuten vernam, dat dit enkele schot misschien het lot van den ganschen veldtocht had kunnen beslissen. Het was op eene bende ruiters gelost, onder welke zich de keizer bevond, die, door de vrees gefolterd, dat het russische leger zijne hoop op een veldslag andermaal door een overhaasten nachtelijken aftocht mocht verijdelen, zich te paard geworpen en van de schemering gebruik gemaakt had, om de stelling van den vijand nog eenmaal op te nemen. Tot zijne vreugde had hij uit de in zwarte massa's opdagende colonnes, die zich over de vlakte verspreidden, uit de lange, van Moskou aanrukkende rijen van ammunitie- en proviandwagens en de geduchte, nog gedurig versterkt wordende verschansingen op de hoogten de zekerheid verkregen, dat de lang gewenschte dag gekomen was. Hij aarzelde nu niet meer, zijne troepen hiermede bekend te maken. Een half uur na het vallen van het schot werd de legerorder rondgedeeld. Rasinski ontving ze van een adjudant en haastte zich, de woorden des keizers aan zijne vrienden voor te lezen.
„Soldaten! De dag van den veldslag, dien gij lang gewenscht hebt, is daar. De zege staat ons op zijde; zij is noodzakelijk, zij zal u overvloed, veilige winterkwartieren, een spoedigen terugtocht naar het vaderland verzekeren. Gedraagt u als te Austerlitz, Friedland, Witepsk en Smolensko, opdat uwe late nakomelingen nog met trotschheid van hunne voorvaderen zeggen mogen: Hij streed in den geweldigen slag onder de muren van Moskou!”
Deze korte, ernstige woorden maakten een krachtigen indruk op het hart der krijgers. Een edel vuur straalde uit hunne blikken, en toen Rasinski de sabel trok, haar plechtig omhoog hief en luid uitriep: „Leve de keizer!” werd die kreet door duizend stemmen juichend herhaald, zoodat de daverende toon, door den wind voortgedragen, tot in het leger des vijands weergalmde.
De komende dag vorderde groote inspanningen; Rasinski vermaande derhalve zijne manschappen, zich tot rusten te leggen, ten einde frissche krachten tegen den volgenden morgen te verzamelen. Om eene opgewekte stemming levendig te houden; maar vooral ook om Lodewijk te verstrooien, sloeg hij den officieren nog eene wandeling door de legerplaats der gardes naar de tent des keizers voor, welke niet ver van het bivak der cavalerie was opgeslagen.
Spoedig had men den grooten vierhoek bereikt, dien de gardes om de keizerlijke tent gesloten hadden. De aanblik dezer uitgelezen dapperen, onder welke men geen voorhoofd zonder litteekenen, geene borst zonder orde zag, moest de mannelijke ziel met krachtvol zelfgevoel vervullen; zelfs de weemoedig gestemde Lodewijk richtte zich vrijer op, toen hij door de rijen dezer helden trad. Nog levendiger werd Bernard door dit gezicht verrast.
„Waarlijk, eene gansche galerij van studiebeelden!” riep hij uit. „Tien jaren zou ik hier kunnen zitten teekenen. En welk eene verscheidenheid van koppen en drachten! Zie eens dien gindschen grenadier, die juist zijn geweer poetst. Met welken ernst beschouwt en onderzoekt hij zijn wapen; in elken trek leest men, dat hij het als een heiligdom in eere houdt. Zie hoe hij den schijn der vlammen op het slot laat spelen en zich in den blanken loop spiegelt! Hm, de oude knevel mag zich vrij laten zien en mij dunkt, hij heeft zelf schik in den breeden naad, die zijn rimpelig voorhoofd halveert. Nu is hij klaar, doet een paar handgrepen, legt aan. Zeker bedenkt hij reeds, hoe hij morgen in den dichtsten kruitdamp zijn vijand in 't vizier nemen en met oogen zal aanzien, die doorborender schijnen dan de kogels in den loop.”—Onder het voortwandelen zweefde zijn geoefend oog over alle groepen in het rond, en waar hij een belangrijken kop zag, maakte hij de vrienden in zijne levendige, schertsende voorstelling daarop opmerkzaam, vooral ook met het doel, om zijn treurenden vriend hierdoor eenige afleiding te verschaffen.—„Zie daar vóór ons den baardigen grijskop, die zich het bloedig voorhoofd verbindt. Hoe koel en onverschillig scheurt hij zijne oude slobkous tot windsels! Nu, hij is aan wonden gewoon! Ik zie daar nog een breeden hoekigen hieroglief, die vermoedelijk door eene Mammelukkensabel aan de piramiden geteekend is. Zijn voorhoofd is eene volmaakte gedenkrol. Wie zich ingeschreven heeft, blijft zekerlijk in aandenken, schoon bezwaarlijk, in het vriendschappelijkste.—Die kerel ginds bevalt mij! Waarachtig hij scheert zich;—met gladde kin, als tot den zondagsdans in de tuinen van Neuilly of in de lustige wijnhuizen van St. Denys waar zooveel lieve meisjes zijn, wil hij morgen in den slag gaan. Hij is een Spartaan, die zich ook versierden en bekransten voor den strijd. Ik geloof, deze grenadier ziet er weinig onderscheid in, of hij met zijn liefjen de française opvoert of aan den vleugel van zijn regiment op eene batterij aanrukt. Muziek heeft men bij beide gelegenheden. Ik wed, dat hij zich verzekerd houdt, morgenavond in Moskou te zullen zijn en nu zijn toilet in orde brengt, wijl het dan misschien aan tijd kon ontbreken. Zijn gansche voorkomen roept: „Vive la bagatelle!” en een slag, een geheele veldtocht telt mee onder de rij der bagatellen. Hij ziet er echter niet jong meer uit en kan misschien wel van Marengo en Arcola meespreken. Geluk op reis, goede vriend, ik hoop, dat gij morgen nog zoo vroolijk zijn moogt als heden en bij uw avondeten zoo zorgeloos uw liedje neuriën, als op dit oogenblik.”
„Ik heb toch deze soldaten reeds in eene geheel andere stemming gezien,” hernam Rasinski; „zoo woelig het leger hem moge toeschijnen, die het in dezen veldtocht voor het eerst ziet, zoo stil en doodsch komt het hem voor, die het reeds sinds lange jaren kent. Kalmte, bedaardheid, gevatheid op het ergste is op de gezichten dezer lieden te lezen, maar niet dat blijde vertrouwen, die brandende begeerte naar kamp en overwinning, die men anders op dagen vóór den slag in hunne oogen zag blinken.—Zie, daar is de tent des keizers. Wat mag wel de reden van dien oploop zijn?”
Men zag de soldaten in groote troepen naar de tent snellen en zich in dicht gedrang daarom heen scharen. De terugkeerenden vertoonden een vroolijk gelaat en waren levendig met elkander in gesprek. Uitroepen van verwondering, van vreugde verhieven zich uit den zwarten hoop.
„Wat is daar te zien?” vroeg Rasinski een grenadier, die uit het gedrang terugkeerde.
„Wat er te zien is, mijn kolonel? O, wat schoons en prachtigs! Een kind, een kostelijk kind! De zoon des keizers! Ja, mijn overste, het is een jongen van melk en bloed. O, men is ook vader! Ik heb een zoon, die pas acht dagen ouder is. Zijn portret kan ik wel niet laten nakomen, maar ik heb het toch in het geheugen. De schelm staat mij hier”—daarbij wees hij op zijne met de orde van het legioen van eer versierde borst—„zoo duidelijk afgeteekend, dat ik geen beeltenis noodig heb. Maar het is toch aangenaam, als men die hebben kan!—Verzuim niet, overste, 't is de moeite waard, het zelf te zien.”
De verrukte soldaat werd in den stroom zijner rede gestuit en door den hoop medegesleept. Rasinski en zijne geleiders trachtten zich een doortocht te banen, maar het gedrang was te groot; zij konden slechts uit de verte zien, dat voor den ingang der tent, onder de bewaking van twee baardige grenadiers, eene schilderij was ten toon gesteld, welke de soldaten met nieuwsgierige deelneming beschouwden.
„Het heeft in mijn oog iets roerends,” sprak Lodewijk, „dat zich te midden dezer vreeselijke krijgstoerusting niet alleen de veldheer, maar ook de liefhebbende vader vertoont, die zijne dapperen in zijne vreugde wil doen deelen.”
„Ja, ja,” sprak Rasinski glimlachend, „hij is een grondig menschenkenner, de keizer. Door niets kan hij zijne oude knevelbaarden levendiger aan het vaderland en hunne geliefde betrekkingen herinneren, dan door zulk eene vertooning. Nu verlangt ieder met vurige drift naar het schoone Frankrijk, waar deze zijne kinderen, gene zijne jonge vrouw, die wellicht moeder is geworden, een derde zijn bevallig liefje heeft achtergelaten. Een andere weg naar Parijs, dan die over Moskou is er niet, dat weten zij allen te goed. Als grimmige leeuwen zullen zij dus op den vijand instormen, die dezen weg voor hen sluiten wil.”
„Mij dunkt toch,” hernam Lodewijk, „door zulke herinneringen moest het hart van den soldaat verteederd worden, hij moest den krijg, die hem van alles wat hem dierbaar is scheidt, haten en met weerzin verder voortdringen.”
„Voorzeker,” antwoordde Rasinski, „doch slechts niet op den dag vóór den slag. Moeite en bezwaren verdraagt hij met tegenzin, gevaren gewillig; hij waagt liever dan hij duldt. De tijd der vermoeienissen is nu voorbij, er komt een kortstondig oogenblik van gevaar; dat gaat hij getroost te gemoet, want er is altijd meer bij te winnen dan te verliezen. Toon hem slechts een zekeren prijs der overwinning en waarlijk, hij zal met vreugde de hel bestormen, om in het paradijs te komen. De belooning echter moet ontwijfelbaar zeker zijn; hij moet zijn vast doel hebben, dat hij, door zijn leven te wagen, bereiken kan. Zijne geloofsartikelen luiden: zege, vrede, terugkeer. Wordt zijn verlangen naar het laatste levendig opgewekt, dan behoeft gij voor de eersten niet bezorgd te zijn.”
„Goeden avond, graaf,” riep eene bekende stem Rasinski toe. Het was Regnard. „Goed, dat wij elkander heden nog aantreffen, morgen zullen wij naar menigeen te vergeefs vragen. Ik denk, dat de slag naar de aanstalten zal beantwoorden, die men er toe gemaakt heeft; men marcheert geen achthonderd mijlen, om een voorpostengevecht te leveren.”
„Nu, tot hiertoe hebben wij nog weinig anders te doen gehad,” antwoordde Rasinski.
„Elke vrucht moet rijp worden, graaf. In Rusland oogst men later dan bij ons. Geef acht, morgen zullen de maaiers de handen vol hebben. De Russen meenen het ditmaal zeer ernstig.”
„Is men daar reeds zoo zeker van?”
„Men kan er geen oogenblik aan twijfelen. Zoo even was ik er bij tegenwoordig, dat een overlooper zijn bericht aflegde. De oude Kutusow houdt zich verzekerd, dat wij morgen aanvallen, en heeft besloten als een muur stand te houden. De Rus is op een beslissenden kamp voorbereid, is plechtig tot den dood gewijd. Gij hoordet immers tegen den middag die zonderlinge muziek wel overwaaien en hebt de beweging in het leger bemerkt, toen de manschappen onder de wapens traden?”
„Voorzeker! Doch wat beteekende het?”
„Het was de feestrede voor de bruiloft, die wij vieren zullen. De oude vorst heeft zich met al zijne priesters en archimandriten omgeven, die in hunne prachtgewaden het leger doortrokken. Zij droegen een heilig beeld, dat zij uit Smolensko gered hebben, door de gelederen der soldaten. De Rus bidt het als een wonderdoenden beschermheilige aan; zijne kerk vervult hem met geestdrijvende woede. Zijne priesters hebben hem nu tot den kamp gewijd, wie valt, is van de hemelsche zaligheid verzekerd. Gij kampt morgen voor de altaren van uwen God, heeft men hun toegeroepen, gij moet uwe heilige stad Moskou, die de vijand verdelgen wil, beschermen, uwe vrouwen en dochters voor smaad en slavernij beschutten. Zoo iets werkt; de gemeene rus verlangt thans reikhalzend naar den martelaarsdood, brandt van begeerte om door onze kogels te vallen. Ik heb ook de oproeping gelezen; ik verzeker u, men vleit ons niet, en het zou moeite kosten een hongerigen noordschen dog zoo grimmig aan te hitsen, als de oude cycloop daarboven zijne brommende ijsberen tegen ons opstookt. De zaak komt mij verduiveld ernstig voor, want uit scherts, dat weet gij, windt men den soldaat zoo niet op, daar eene dergelijke stemming geen zes weken aanhoudt en men zich wachten moet haar noodeloos te verwekken, wijl anders de herhaling slecht uitvalt. Daarom zeg ik u, wij vinden den vijand morgen nog op dezelfde plek: wellicht nog overmorgen. Een ijzeren muur werpt men zoo licht niet overhoop, en geestdrijvers zijn nog taaier dan ijzer.”
„Hoe, gij twijfelt aan de overwinning, Regnard?” riep Rasinski bijna verdrietig.
„Geen oogenblik! Maar zij zal bloed kosten. Een twintig, dertigduizend man kunnen morgen avond hier den grond mesten en zoo vreedzaam naast elkander liggen, als zij gedurende den dag grimmig gevochten hebben. Mochten wij onder dat getal zijn, overste, zoo laat ons thans afscheid nemen, want ik moet naar mijn korps terug!” Zij drukten elkander vriendschappelijk de hand. „Vaartwel mijne heeren, tot wederzien! Morgenavond in Moskou; wordt intusschen de een of ander verhinderd woord te houden, wij zullen het hem voor ditmaal niet ten kwade duiden. Vaartwel!”
Met deze woorden verdween hij in het gedrang; op hetzelfde oogenblik zag men Petrowski naderen, die den overste een verzegelden brief overbracht.
„Wij moeten terug,” sprak deze, na gelezen te hebben. „De troepen zullen nog dezen nacht andere stellingen innemen. Komt dan, vrienden, de tijd is kostbaar.”
Zij bereikten hunne legerplaats; Rasinski beval de vuren uit te blusschen, de manschappen moesten onder de wapens treden. Weldra bracht een adjudant het bevel tot opzitten en het regiment begaf zich op marsch. Onder het rijden bespeurde men, dat alle vuren in het fransche leger waren uitgedoofd of slechts flauw en donker brandden. In dat der Russen daarentegen vlamden zij hoog op en beschreven een breeden gloeienden lichtkring om den zwarten gezichteinder.
De marsch was slechts kort; men had zich nader naar het centrum der armee teruggetrokken. Aan de helling van een heuvel, die breed opliep, maakte men halt; rechts was het terrein met struikgewas bedekt, dat den overgang tot een hooger woud vormde. Groote massa's cavalerie schenen hier verzameld te zijn. Tegen elf ure had men eene vaste stelling ingenomen. Rasinski liet afzitten, echter moesten de paarden gepakt en gezadeld blijven. De manschappen legerden zich op den vochtigen grond. Stomme, beklemmende verwachting deed alle harten driftiger slaan, lang scheen de slaap de oogleden te willen ontvluchten, doch eindelijk kreeg lichamelijke vermoeidheid op de ontroering der gemoederen de overhand, en in weerwil van den kouden, guren herfstnacht zonken alle krijgers in diepe rust. Ook Lodewijk; maar bange, weemoedige droomen deden hem dikwijls weder ontwaken en in eene werkelijkheid terugkeeren, zwarter en dreigender dan zijne droombeelden zelve.
HOOFDSTUK IV.
De gewichtige morgen brak aan. De hemel was helder, slechts enkele blauwe nevelstrepen lagen over de diepe bedding der Kalotscha en eenige andere beken, die het slagveld doorkruisten. Een frissche morgenwind had deze vluchtige dampen spoedig verjaagd. Thans rees de zon van achter de donkere toppen van het dennenwoud bij Utiza op en wierp haar verblindende stralen over de vlakte, waar de massa's van het fransche leger, reeds tot den slag geordend, hare komst met ongeduld verbeiden. De lange rijen der bajonetten lichtten en flonkerden, de adelaars blonken en op het harnas der kurassiers gloeide het volle beeld der zon, zoodat het zich langs de onafzienbare gelederen gelijk eene bloedige slang over de velden kronkelde.
„Dat is de zon van Austerlitz,” riep de keizer, die van eene hoogte ter linkerzijde der in linie geschaarde cavalerie het slagveld overzag, terwijl hij met den vinger op het glansrijke hemellicht duidde. Rasinski was benevens andere hoofdofficieren den heuvel opgesneld, om een vrijer uitzicht op de vlakte te hebben, en hem tot zoo nabij genaderd, dat zij deze woorden konden verstaan. De generaals, tot welke zij gericht waren, gaven geen antwoord.
Lodewijk en Bernard sloten, als Rasinski's geleiders, dicht achter de hoofdofficieren op. Ook zij hadden den luiden uitroep des keizers gehoord.
„De stralen vallen ons te verblindend in het oog,” fluisterde de laatste, „wij kunnen den vijand niet zien en ons moet hij des te duidelijker onderscheiden. Deze zon is ons dus ten minste nog niet gunstig.”
Thans zag men de batterijen, die gedurende den nacht hare stelling te ver van de linie der Russen genomen hadden, aanrukken, om de nabij gelegen hoogten te bezetten. De vijand liet dit gunstig oogenblik ongebruikt voorbijgaan. Het scheen, alsof hij in dezen oorlog, waarin hij zich altijd slechts verdedigd had, zelfs op het gekozen slagveld niet het eerste bloed vergieten wilde, maar den aanvaller ook thans nog keus en gelegenheid laten, om van zijne onderneming af te zien.
Daar dreunt eensklaps aan den linkervleugel de doffe donder van het geschut; bij het dorp Borodino ziet men rook en stofwolken opstijgen. De heilige stilte is afgebroken, de zwarte nevelsluier der onzekerheid vaneen gereten, de bliksem slaat verdelgend neder. Met verplettend gewicht ontschiet het ijzeren rad aan de handen van het noodlot; verbrijzele 't wien 't wil, geene menschelijke macht is thans meer in staat zijn woedenden loop te stuiten.
De bevelen des keizers vliegen over het veld. Op hetzelfde oogenblik dondert het van alle hoogten, die zoo even nog als sluimerende nachtgedrochten in doffe stilte rustten. Rook en vlammen stijgen van hunne kruinen omhoog, de aarde beeft, de lucht trilt in het vreeselijke gedaver. Een breede vloed van zwarten damp wentelt zich, gelijk een losbrekende helsche stroom, over de sidderende vlakte; het bloedig oog der zon is te zwak, om die golvende duisternis te doorboren.
Met een angstig beklemd hart beschouwden de beide vrienden deze ontwikkeling van het, den oudsten krijgsman ontroerende schouwspel, dat voor hen nog alle verschrikkingen der nieuwheid met zich voerde. Echter vonden zij, gelijk de standvastige en beschaafde altijd, kalmte en bedaardheid in het gevoel van plicht en mannelijke waarde.
Rasinski scheen te vermoeden, wat in hen omging. Hij reed op hen toe en zeide: „Gij hebt u met mij ingescheept, vrienden; thans stormt en woelt de zee. Ik wenschte, dat ik een veilig eiland wist, waar ik u aan wal kon zetten.”
„Dat ware slechts een toevluchtsoord der schande,” hernam Lodewijk met vastheid; „wij willen ons verheugen, dat onze mannelijke gezindheid op eene ernstige proef gesteld wordt.”
De kamp had zich thans langs de geheele heuvelreeks uitgestrekt. Ter rechterzijde, vóór de plaats waar Rasinski stond, doch buiten het bereik van het geschut, lagen drie vijandelijke verschansingen, die den ijzeren dood uit ontelbare vuurmonden op de aanrukkende troepen uitbraakten.
„Maarschalk Davoust zal veel volk verliezen,” sprak Rasinski, toen diens colonnes zich op de vlakten ontwikkelden, om de vreeselijke redouten te bestormen.
Vast opééngesloten, doch met verbazende snelheid drongen deze, door strenge krijgstucht tot één lichaam, waarin slechts ééne ziel leefde, te zamen gesmede massa's op den versterkten vijand aan. Dertig mortieren verzelden hen. Weldra waren zij zoodanig in stof en kruitdamp gewikkeld, dat men niets meer van hen ontdekken kon.
Met arendsblikken overzag Rasinski het slagveld. Op den rechtervleugel had ook vorst Poniatowski den aanval begonnen; hij rukte uit het woud, dat zijne stelling gedekt had te voorschijn en drong naar het scheen den linkervleugel des vijands met beslissend overwicht, doch slechts langzaam terug.
Uit den vuurspuwenden vulkaan, door welken Davoust en zijne scharen verslonden schenen, kwam thans een adjudant met lossen teugel aanrennen. Hij joeg recht op de plaats aan, waar de keizer zich bevond, die zijn standpunt eenige honderden schreden verder voorwaarts genomen had, om een duidelijker overzicht van het gevecht te hebben. Men kon niets van zijn rapport vernemen, maar dadelijk daarop zag men hem met den generaal Rapp in vliegenden ijl naar het dichtste gewoel terugspoeden.
Om te vernemen, welken keer het gevecht nam, reed Rasinski op een transport gewonde officieren toe, dat juist naar de achterhoede vervoerd werd.
„Nu, kameraden? Hoe staat het? Gij zijt de eerste offers?” vroeg hij.
„Maar zullen niet de laatste zijn,” antwoordde een kapitein, wiens arm verbonden was; „de batterijen daar boven braken een hagel van kartetsen uit. Generaal Compans is gevallen, de maarschalk gewond!”
„Maarschalk Davoust?”
„Zeker, wie anders?”
„Het gevecht is dus bloedig?”
„Het zal lichter zijn de overblijvenden te tellen dan de dooden.”
„Ik dank u, kameraad, en wensch u eene spoedige genezing,” met deze woorden reed Rasinski terug.
De slag had zich thans reeds algemeener ontsponnen. Juist rukte de maarschalk Ney met zijne drie divisiën voorwaarts.
Een gekwetste generaal werd uit het gewoel gebracht. Het was Rapp, die, toen hij nauwelijks in het gevecht gekomen was, door een kartetskogel van het paard geworpen werd. Het was de twee en twintigste wonde, die de onverschrokken krijgsman op dezen dag ontving.—Langzaam droeg men hem bij de hoogte op, waar de keizer stond.—Ney's divisiën ontwikkelden zich thans op het vrije veld; onder het vernielend vuur des vijands drongen zij met onbezweken moed voorwaarts. Het scheen, dat zulks spoedig eene beslissing ten gevolge zoude hebben, waardoor ook aan de cavalerie gelegenheid gegeven werd aandeel aan den kamp te nemen. Rasinski begaf zich derhalve naar zijn regiment terug, om op den eersten wenk gereed te zijn.
De koning van Napels kwam aanrennen; zijne adjudanten stoven naar alle richtingen uiteen. Hij verzamelde de lichte cavalerie, om den vijand op de hoogte aan te tasten. Rasinski moest mede aansluiten. In langzamen draf stelden de massa's zich in beweging. Thans roffelden de trommen der infanterie ten stormtred. Men zag haar met bliksemsnelheid de hoogte opvliegen. De donder der kanonnen verdubbelde; de gansche vlakte was eene zee van stof, rook en vuur. Men zag niet, wie viel, zag niet, wie voortdrong. Daar verstomde plotseling het gedreun der mortieren; een luid jubelgeschrei verhief zich; de redouten waren door Ney's en Davousts dappere scharen genomen.
In vliegenden galop kletterden thans de, door den ridderlijken koning van Napels aangevoerde ruiterbenden over het slagveld; stof en keien werden hoog in de lucht geslingerd; de bodem dreunde onder den stampenden hoefslag. Bernard wierp een blik op Lodewijk, die hem ter zijde reed; deze knikte hem toe, aan spreken was niet te denken. In weinige minuten was de hoogte bereikt. De russische troepen, uit de batterijen verjaagd, waren grootendeels op het veld verstrooid en werden door de cavalerie nog verder teruggeworpen. Eensklaps echter vernam men opnieuw den donder van het geschut en bijna op hetzelfde oogenblik sloeg eene hagelbui van kogels en kartetsen in de gelederen neder. Tegelijk zag men nieuwe korpsen in zwarte massa's van achter de heuvels van het verwoeste dorp Semenowskoi te voorschijn komen. Het was de vorst Bagration, die, op Kutusows bevel, met deze frissche benden aanrukte, om de overhoop geworpen scharen te ondersteunen. Rondom, op alle hoogten, vertoonden zich rijdende batterijen, die hare vernielende kogels op de voorwaarts dringenden nederslingerden. Rasinski's regiment scheen het doelwit te zijn, waarop alle stukken tegelijk gericht waren, daar zulk eene menigte kartetsen door het front en van ter zijde door de rechterflank in de gelederen nedersloeg, dat in weinige oogenblikken de ontzettendste verwoesting was aangericht. Het verpletterend ijzer had wijde bressen geboord, paarden en menschen stortten ter aarde, het luid jammergeschrei der gewonden en half verbrijzelden verscheurde het oor. Het scheen, alsof men zich in den maalstroom van eene woedende windhoos bevond, zoo wild raasde de dood door de rijen. Rasinski hief de sabel omhoog en riep met al de kracht zijner metalen stem den zijnen een: „Voorwaarts!” toe. Door de onverschrokkenheid des aanvoerders bemoedigd, drongen de reeds wankelende gelederen met een nieuwen, geweldigen aanloop voort. Doch in dit oogenblik kletterde hun een kartetsenhagel tegen, welks dichtheid de lucht bijna verduisterde. Lodewijks paard werd getroffen, steigerde, deed een zijsprong en slingerde zijn ruiter ter aarde. Bernard zag het, een onbeschrijfelijke angst verscheurde zijne borst, doch aan hulp was niet te denken, want de nadringende stroom dreef hem met onweerstaanbaar geweld voorwaarts over de gevallenen heen. Maar reeds had de verstrooide russische infanterie zich weder verzameld en rukte in gesloten gelederen op. Van alle zijden stormde de dood in de rijen; spoedig waren alle banden van tucht en orde verbroken. De aanvoerders verdwenen in stof en rook of waren reeds gevallen; naar geen bevel werd meer geluisterd, de schrik kreeg de overhand. Twee escadrons dragonders, die ver vooruitgedrongen waren, wierpen zich, een vernielend kartetsvuur ontwijkend, in wilde vlucht op Rasinski's nog stand houdende manschappen. Door dezen schok werden ook zij deels in den teruggolvenden stroom mede voortgesleurd, deels afzonderlijk over de vlakte verstrooid. In weinige minuten was de gansche linie der cavalerie ontbonden en op de vlucht.
Bernard was door eenige wilde zijsprongen van zijn gewond paard uit het gedrang geraakt. Verdoofd door het gedreun en gewoel, waarin zijn oog de enkele voorwerpen nauwelijks meer onderscheiden kon, zag hij slechts naar Rasinski om, ten einde diens lot tot het zijne te maken. Op eenmaal bespeurt hij aanrennende kozakken, die hem bijna reeds omringd hadden. Driftig wil hij zijn paard omwerpen; daar ziet hij den koning van Napels in gevaar van omsingeld te worden. Hij vliegt hem te hulp; tegelijk dringen ook reeds de zijnen van alle zijden toe, om den geliefden veldheer te redden. Het gelukt!—Murat wuift met zijn golvenden vederbos ten teeken van verzameling. Zijn paard wordt door een kogel ter aarde geworpen; hij zelf echter blijft ongekwetst. Vast besloten, roemrijk te sneven of te overwinnen, werpt hij zich in de redoute; de weinigen, die nog om hem verzameld zijn, volgen hem. Ook Bernard, wien na Lodewijks val nog slechts de dood welkom is, springt van zijn, door de wonde onbruikbaar paard, om in het lot dezer dapperen te deelen. Thans druischen twee vijandelijke, dicht opeengepakte kurassiersregimenten en als eene ijzeren deining over de vlakte tegen de schans aan. Reeds geloofden de benarden zich verloren, toen de maarschalk Ney aan de spits der herzamelde infanterie zich opnieuw aan den rand der hoogte vertoonde. De zijwaarts oprukkende artillerie boort met hare vuurmonden eene wijde bres in den stalen muur der voortdringende russische kurassiers; de infanterie opent een moorddadig bataljonsvuur en volgt in stormloop met gevelde bajonet na. De vijand wankelt, deinst; zijne gelederen zijn gebroken, door het vuur gedund; enkelen wijken voor de overmacht van den schrik; de stroom sleept ook de koeneren met zich voort, en weldra is het veld met vluchtenden overdekt. Onder luid gejuich dringen de overwinnaars van alle zijden na; thans eerst, daar zij de zege bevochten, de eer gehandhaafd, den veldheer gered zien, houden zij, ademloos, uitgeput door de geweldige inspanning, op de hoogte stil, om krachten tot nieuwe daden te verzamelen.
Bernard maakte van dit eerste oogenblik, waarin het mogelijk was naar de gewonden om te zien, gebruik, om Lodewijk op te zoeken. Men was reeds ijverig bezig, eenige generaals en hoofdofficieren achteruit te brengen, die op het met bloed doorweekte veld gevallen waren; om de menigte der overigen kon men zich nog niet bekommeren. Ofschoon zulks met het uiterste gevaar verbonden was waagde Bernard zich koelbloedig op de tusschen beide legers vrijgebleven ruimte, waar de lijken van het regiment moesten liggen. Het bloed stolde hem in de aderen, toen hij dit veld der verwoesting bereikt had en daarop voorttrad. Niet de dooden vervulden hem met ontzetting, maar de afgrijselijk verminkten, die jammerend om redding smeekten en welker ellende hij niet verzachten kon. Huiverend, met afgewend gelaat, spoedde hij hen voorbij. Zij strekten de bloedige armen krampachtig naar hem uit, riepen met hartverscheurend snikken zijne hulp in. Onmogelijk! Hij moest verder. Deze afschuwelijke aanblik bracht hem met verdubbelde levendigheid voor den geest, dat hij, die hem het dierbaarste op aarde was, in denzelfden hulpeloozen toestand versmachtte. Lijken van menschen en paarden belemmerden hem bij elke schrede in het voortdringen. Een ongelukkige, die in krampachtige zenuwtrekken op den bloedigen grond rondwentelde, greep den voorbijsluipende aan en klemde de armen als ijzeren boeien om zijne voeten. „Help mij, red mij, ik versmacht!” kreunde hij. Het was een Duitscher! Bernard hoorde de taal van zijn vaderland. Moest hij den landsman, den krijgsmakker, die kermend om redding smeekte, die met afgrijselijk vaneen gereten lijf, waaruit bloed en ingewanden opwelden, aan zijne voeten kroop, van zich stooten? Moest hij met een wreeden voetschop de nog glimmende vonk der heilige levensvlam voor eeuwig uitdooven? En anders konde hij zich niet uit die stuipachtig saamgeknelde armen losrukken! „Lodewijk! U moge God redden! Ik kan het niet!” snikte hij, door zijn gevoel overweldigd, en boog zich tot den kermende neder, om hem op de schouders te laden en naar eene veilige plaats te dragen. Doch reeds werd de vaste knoop, waarmede de ongelukkige hem omkluisterd hield, losgebonden; de armen zonken krachteloos neder, het met brekende oogen opgeheven gelaat zeeg ter aarde, de alle spieren en zenuwen verwringende doodskramp was voorbij, het leven ontvloden. Eene ijskoude rilling liep den jongeling over de leden, bevend trad hij terug en drukte beide handen voor de oogen.—Eensklaps hoort hij in de verte eene stem roepen, die als hemelsche tonen in zijn oor klinkt. Hij ziet op, het is Lodewijk, die te paard komt aanrennen, om den vriend, dien hij onder de gevallenen waande, op te zoeken. In woesten galop vliegt deze op hem toe; zij vallen elkander sprakeloos in de armen, tranen van vreugde en dankbaarheid rollen langs hunne wangen.—Doch er is geen tijd te verliezen. „Spring op!” roept Lodewijk, „wij moeten naar de onzen terug.” In ééne seconde zit Bernard achter den vriend te paard, en deze snelt met den kostelijken buit naar de plaats terug, waar Rasinski de zijnen opnieuw verzamelt en ordent.
Met een luiden vreugdekreet ijlen Jaromir en Boleslaw de naderenden te gemoet. „Gij leeft dus? Zijt ongekwetst?” luidt de wederkeerige begroeting. Ook Rasinski komt vol vreugde aansnellen en ontvangt de geredden, die men reeds verloren waande. „Een paard hier!” roept hij, en terstond staat een van die, welke zonder ruiter, zich uit natuurlijk instinct midden uit het slaggewoel weder in hunne oude gelederen geschaard hebben, voor Bernard in gereedheid.
Eenige oogenblikken rust zijn den vermoeiden vergund. Bernard verhaalt, hoe het hem gegaan is; Lodewijk, dat hij zich, toen zijn paard was neergestort, hoewel door den val eenigermate bedwelmd, toch vrij spoedig weder opgericht, een los rondloopend paard opgevangen en zich opnieuw bij het regiment aangesloten heeft, tot de terugwijkende benden ook hem medegesleept hadden. Toen de vrienden zich verzamelden, ontbreekt Bernard. Zonder hem geen leven! Met lossen teugel vliegt hij naar 't slagveld terug, maar, nog eer hij de plaats bereikt heeft, waar zijne gevallen kameraden moeten liggen, ziet hij Bernard van verre, herkent hem aan de uniform en redt den vriend, die hem redden wilde.
Zoo, door nieuwe banden der liefde aan elkander gesnoerd, wordt hunne vriendschap nog versterkt en als edel goud in de vlam der beproeving gelouterd.
Maar opnieuw sleurt de woede van den slag hen voort. Op bevel van den koning van Napels verzamelden zich de cavalerie-regimenten ten tweeden male, om den, door 't geschutvuur aanmerkelijk verzwakten vijand geheel overhoop te werpen. Rasinski voegt zich bij de dappere brigades, welke Bruyères en Nansouty aanvoeren. Deze massa's doen den vijand wijken en werpen hem op zijn centrum terug; maar tallooze lijken, de troepen der overwinning, bedekken het slagveld.
De zoom der hoogten achter Semenowskoi is nog altijd met sterke batterijen beplant, die hare verderfelijke ladingen onophoudelijk losbranden. De zege wordt twijfelachtig en schijnt nu naar deze, dan naar gene zijde over te hellen. Met lijken koopt men elke schrede voorwaarts, met lijken teekent men de baan van den terugtocht. Eindelijk stormt het voetvolk met inspanning der laatste krachten de steile heuvels op, het vuur van den vijand verflauwt en laat andermaal een korte verademing toe.
Rasinski bevond zich met zijn regiment in eene diepte, waar hij, terwijl de infanterie het gevecht op een voor de ruiterij ongunstig terrein had overgebracht, voor den kogelregen gedekt was. Ernstig reed hij de gelederen door en berekende het getal dergenen, die hij miste. Eene sombere wolk legerde zich op zijn voorhoofd, toen hij nauwelijks de helft der zijnen aanwezig zag; een vol derde was gesneuveld, de overigen lagen gewond op de vlakte. En toch was het eerst middag en de bloedigste arbeid wellicht nog te doen. Een adjudant van Murat kwam pijlsnel aanrennen en bracht hem het bevel over om onmiddellijk naar den linkervleugel der armee te trekken en de in massa oprukkende artillerie te dekken. Tegelijk besteeg de officier met hem de naaste hoogte, ten einde hem het punt, werwaarts hij zich te begeven had, nader aan te wijzen. De slag was nu reeds tot dicht bij de vijandelijke stellingen doorgedrongen. De Russen raapten hunne reserves bijeen, om met hardnekkige dapperheid een tweede bedrijf van het bloedige schouwspel te beginnen. Ter verijdeling van hun opzet liet de keizer thans de gansche onafzienbare linie zijner artillerie in beweging brengen, ten einde de oprukkende colonnes reeds op verren afstand met dit vreeselijk wapen te verpletteren. Rasinski volgde drie zware batterijen, die zich tot eene eenigszins afgezonderde hoogte vooruitwaagden, waar zij lichtelijk door de vijandelijke lichte cavalerie konden verrast worden, tegen welke hij haar in dat geval beschermen moest.
Het rumoer van den slag, dat men tot hiertoe vernomen had, geleek slechts het dof gedreun van een verwijderd onweder tegen de krakende donderslagen, die thans over de vlakte rolden. Op de tegenovergelegen hoogten waren de Russen in lange colonnes in slagorde geschaard. De kogels sloegen met vreeselijke zekerheid in de zwarte massa's neder. Men zag den vijand in gansche rijen nederstorten; echter week hij niet, maar ordende zich telkens weder opnieuw.
„Zij bieden hardnekkig tegenstand,” sprak Rasinski, „maar zij offeren zich te vergeefs op. Niet dáár moesten zij zich verzamelen, maar òf verder terugtrekken òf met allen spoed voorwaarts rukken. Zij zullen dien misslag duur betalen.”
„Zie, zie,” riep Jaromir, „hoe de blauwe hemel gedurig door den zwarten muur zichtbaar wordt, wanneer onze kogels eene opening boren. Zij zijn waarachtig waanzinnig, hunne beste manschappen zoo nutteloos op te offeren.”
„Maar ook wij verzuimen onzen tijd, vrees ik,” antwoordde Rasinski. „Wanneer thans de gardes aanrukten en van de voordeelen, die wij, met het bloed onzer kameraden betaald hebben, gebruik maakten, moesten wij de gansche armee der Russen op haren rechtervleugel terugwerpen en tusschen de Moskowa en de Kalotscha insluiten kunnen. Ik zie niet in, hoe zij ons ontkomen zouden.”
„De koning van Napels, daarvan was ik zelf in de redoute getuige, heeft reeds voorlang zijn adjudant aan den keizer gezonden en op voortrukken der garde aangedrongen,” hernam Bernard.
„Ook maarschalk Ney,” sprak Boleslaw.
„En hij weigerde het?” vroeg Rasinski.
„Vermoedelijk.”
„Onbegrijpelijk! onbegrijpelijk!—Hij is te ver van het slagveld verwijderd, hij moest hier op ons standpunt staan en ik ben verzekerd dat hij den aanval in stormmarsch bevelen zoude.”
„Ik kan mij niet voorstellen,” sprak Lodewijk, „dat een veldheer als de keizer niet gewichtiger redenen zou hebben, om aan dit verlangen niet te voldoen, dan zij opgeven, die het aan hem te kennen gaven.”
„Wat hem doet aarzelen, geloof ik te kunnen gissen,” antwoordde Rasinski; „men is aan de beide vleugels nog zoover niet, als op het centrum. Echter ziet men toch duidelijk, dat ook vorst Poniatowski grond wint, en de onderkoning van Italië heeft ten minste nog niet ongelukkig gevochten.—Maar is dat niet Regnard, die daar aankomt?”
Hij was het inderdaad. Met verbonden hoofd en arm reed hij langzaam, door twee zijner soldaten ondersteund, uit het gevecht terug. Rasinski snelde op hem toe.
„Nu, hoe staat het, vriend?” riep deze hem toe.
„Hoe het staat? Met mij verduiveld slecht, zooals gij zien kunt. Echter kan ik nu verzekerd zijn, dat ik in dezen slag mijn leven niet verliezen zal. Ik ben onbeduidend gekwetst, maar de helsche arbeid en het bloedverlies hebben mij zoo verzwakt, dat ik mij niet langer te paard kan houden. En dan het ongeluk, het verdriet, deze arglist des satans dreigen mij razend te maken!”
„Wat dan?” vroeg Rasinski verwonderd,
„Gij vraagt nog? Ziet gij dan niet hoe de slag staat? Barsten kon ik van spijt, dat de keizer niet meer de keizer, of liever, dat hij enkel de keizer en niet meer de veldheer is. Hij moet ziek zijn, de koorts spookt hem in de hersens, geen mensch kan hem begrijpen. De overwinning ligt vóór hem en hij, die anders in eene Charybdis sprong om haar te grijpen, is thans bevreesd er den arm naar uit te strekken. Murat, Davoust en Ney hebben hem bezworen, hun de garde tot versterking toe te zenden. Hij heeft het afgeslagen. Slechts op de hoogte mag zij zich vertoonen, om den vijand voor onze reserve bevreesd te maken. Het schijnt, dat een helsche demon zijne gedaante heeft aangenomen, om ons in het verderf te storten!”
„Wij zullen het toch winnen!”
„Dat zullen wij ook! Maar kan het ook anders met zulke troepen? Vliegen de kerels niet als uitgehongerde wolven op den vijand in? Mijne manschappen hebben zich bij den aanval op de verschansing in den dood gestort, als gold het een wedloop naar de prijzen aan den meiboom, en het verwondert mij nog, dat zij de kogels niet met de bajonetten uit de kanonnen geboord hebben, terwijl de artillerist de brandende lont aan de kruitkamer bracht. Voor den duivel, ik weet wat vechten is, maar zooals heden heb ik de Franschen nog nooit gekend.”
„De vijand doet ook het zijne!”
„Zeker; hij weert zich als een gewond everzwijn; doch juist als hij zulk een ijzersterken tegenstander vindt, wordt de soldaat een leeuw. Vaarwel, vriend! Ik moet mij dadelijk laten verbinden, wil ik niet zachtjes uit den zadel glijden.”
Hij reikte hem de hand en reed verder.
Inmiddels was de bloedige worsteling met verdubbelde woede hervat. Thans was het de moedige Eugenius, die den hachelijksten kamp te strijden had. Op eene hoogte tusschen Borodino en Semenowskoi had de vijand zijne stelling door eene geduchte redoute gedekt, waaruit vier en twintig mortieren hunne ijzeren kogels op de voorwaarts dringende regimenten nederwierpen.
„Daar is de overwinning!” riep Rasinski, toen hij het punt in het oog kreeg, waartegen thans beide machten al hunne benden aanvoerden. „Die redoute is het palladium van Ruriks gebied,” voegde hij er met fonkelende oogen bij; „maar zij zal het onze worden. Thans zal de keizer toonen, dat hij nog de veldheer van Austerlitz en Marengo is!”
Eenige oogenblikken later kreeg hij bevel, zich weder met zijn regiment bij de hoofdcolonne der ruiterij aan te sluiten, die het ten derden male herstelde linkercentrum van den vijand moest overhoop werpen. In een dal, door eene kleine beek doorsneden, werden de troepen onder de bescherming van het terrein herzameld. Tegelijk zag men dichte colonnes infanterie ontwikkelen, die den storm op de verschansing ondernemen moesten.
„Mij dunkt, het is lichter den zetel van den dondergod te bestormen, dan deze helsche werkplaats der cyclopen,” riep Bernard zijnen vriend toe.—Doch reeds drongen de colonnes met gezwinden tred met geveld geweer voorwaarts. Een vreeselijk gedonder dreunde over de vlakte; alle stukken der redoute werden tegelijk gelost. Een hagel van kartetsen kletterde op de troepen neder, als moesten zij door één verpletterden slag vernield worden. Hef hoog opdwarlende stof liet niet toe, te onderscheiden, wie stond of viel. Doch spoedig zag men de adelaars weder blinken, en in opnieuw gesloten rijen rukten de stormenden voort. Het ijzeren monster op den heuvel scheen verstomd te zijn. Maar het had slechts geloerd, om zijne prooi des te zekerder te treffen; toen de colonnes zich weder tot eene dichte massa hadden saamgesmeed, rukte het de bliksemende tongen uit al zijne vier- en twintig vuurmonden tegelijk uit en het hemel en aarde schokkende gebrul kraakte door de lucht. Gelijk een stormwind over het korenveld raast en de halmen in breede vlakten ter aarde drukt, zoo velde thans de sikkel des doods de koene aanvallers ter neder. Het scheen, dat de helft door dien éénen slag was weggemaaid. De ijzeren stroom, die over hen heen bruiste, vergunde hun nauw een vrijen ademtocht. Met onverzadelijken bloeddorst slingerde de furie des verderfs, die, in den donkeren mantel van rook en damp gehuld, over de strijders rondwaarde, hare bliksemen neder. De verschrikking won de overhand; de rijen bogen, weken, vluchtten. Nieuwe benden werden aangevoerd, om de verpletterden en vliedenden te vervangen; maar even onuitputtelijk goot zich de alles vernielende vloed der kartetsen over het veld uit. Lijken werden op lijken gestapeld, als wilde men een wal van gevallenen om dezen vuurspuwenden krater doen oprijzen.
Tegen de beide zijden der redoute, die als een onverwinnelijk Gibraltar alle pogingen van den stoutsten heldenmoed trotseerde, leunden de vleugels van het russische leger. Ook zij zonden den dood in de rijen der aanvallers. Murat zendt twee cavalerie-regimenten tegen deze colonnes af, om haar zoo mogelijk te doen wijken en vervolgens de verschansing van ter zijde aan te tasten. Doch nauwelijks komen zij binnen het bereik van het vijandelijk vuur, of eene bloedige slachting verdunt hunne gelederen, en een kogel doet hun aanvoerder, den dapperen Montbrun, van het paard storten. Hem ziende vallen, wankelen zij, beginnen te wijken; doch ijlings springt de generaal Caulaincourt voor het front, om Montbruns plaats in te nemen. „Vrienden!” roept hij, „niet beweenen, wreken willen wij onzen wapenbroeder!”
Op last van den koning van Napels stelt zich nu de gansche ruiterij in beweging. Twee saksische kurassiersregimenten vormen den linkervleugel, een poolsch korps sluit hun ter zijde aan, hierop volgt Rasinski met zijne scharen en eindelijk de overige lichte cavalerie.
Langzaam rukken zij voort, tot zij het vlakke veld voor zich zien. Thans klinkt het commando, de trompet schalt, pijlsnel stormen de ijzeren mannen over het veld. De donder van het geschut wordt verdoofd door het stampen en trappelen der paarden, het kletteren der kurassen en sabels, den woedenden aanvalskreet der krijgers. Eene stofwolk hult hen in nacht; slechts de bliksems der vijandelijke mortieren wijzen hun het spoor. Man aan man gesloten, rennen zij voort. Aan deze vereenigde kracht vermag niets weerstand te bieden. Thans wordt de teerling geworpen, die over den slag, over twee keizerskroonen, over het lot van Europa beslissen moet. Met woeste onstuimigheid werpen de ruiterscharen zich op de linie van den vijand en drijven hem naar de vlakte terug. Dit gezicht doet den moed der reeds afdeinzende infanterie, die tegen de verschansing wordt aangevoerd, opnieuw ontvlammen; onder wild geschreeuw dringt zij voort. De gloeiende ijzerbrokken woelen door hare gelederen en doen duizenden vermorzeld neerzinken. Voorwaarts over de lijken der broeders! De adelaars vallen. Voorwaarts! De aanvoerders storten ter aarde. Voorwaarts, dat zij op het veld der overwinning hun heldenadem uitblazen! De aarde is eene stormende zee; gierig verslindt de afgrond des verderfs zijn roof. Nog eenmaal kraken de ijzeren mortieren en slingeren vlammen en erts op de bestormers. Hunne rijen liggen geveld, doch onder jubelgeschrei dringen de overblijvende voorwaarts.
Daar wordt het plotseling stil. Het zwarte voorhangsel van rook en damp opent zich, en een verblindende glans straalt den dapperen in het oog. Hoe? Is dat de godin der Overwinning? Rijst een nieuwe, ijzeren muur voor onze schreden op?—Neen, wij vernemen vreugdegejuich, zegekreten!
Het zijn de duitsche scharen, die de schans genomen, de zege bevochten hebben, en de zon van dezen dag spiegelt zich trotsch in hunne flonkerende kurassen die een hart van nog ondoordringbaarder metaal bedekken.
HOOFDSTUK V.
Het vijandelijk geschut was veroverd, de tegenstander overhoop geworpen. Doch spoedig wordt deze door geordende scharen ondersteund en schijnt nogmaals den kamp te willen hervatten. Hij beseft echter, dat hij wijken moet, maar wil niet vluchten. Het grimmig gelaat naar het slagveld gekeerd, trekt hij langzaam in nieuwe, vaste stellingen terug. Zijne heuvels, zijne vloeden worden tot machtige verdedigers des vaderlands. Geen stortbeek, die niet hare steile zandoevers tot borstwering aanbiedt, om hem tegen den nadringenden vijand te beschermen; geen heuvel, die zich niet tot eene vesting hervormt, om den vervolger opnieuw een dam in den weg te werpen, waarop hij zijne afnemende krachten geheel kan uitputten. Zoo was het der fransche lichte ruiterij niet mogelijk, verwarring en verderf onder de wijkende scharen te weeg te brengen, en na het ernstige spel van den slag bleef het lichtere, den vijand rijken buit te ontwringen of talrijke gevangenen in triumf terug te voeren, geheel achterwege. Slechts het ijzeren geschut hechtte zich aan de verzenen der vluchtenden en zond hun den dood na, tot eindelijk de stille nacht den jammer en de verschrikkingen van den dag met zijn donkeren mantel omhulde.
Om de narukkende batterijen tegen de vijandelijke cavalerie te dekken, was Rasinski met zijn regiment tot aan den laten avond in het gevecht geweest. Thans, daar de schemering inviel en ook deze laatste kamp een einde nam, reed hij met de zijnen over het slagveld terug, om eene geschikte legerplaats op te zoeken. De toenemende duisternis liet niet toe, de omliggende voorwerpen duidelijk te onderscheiden; de hemel was met dichte wolken betrokken; een fijne stofregen, door den ruwen herfstwind voortgejaagd, sloeg den vermoeiden krijgers in het gezicht. Het vreeselijke gewoel en geraas van den dag had voor eene diepe, huiveringwekkende stilte plaats gemaakt. Slechts in de golvende toppen der wouden murmelde een hol gesuis en geritsel, en fladderende raven, die reeds het aas roken, krijschten boven de hoofden der ruiters om. Somber en droefgeestig, als de omringende natuur, was ook de stemming der gemoederen. „Is dat het gevoel na eene overwinning?” zuchtte Lodewijk. Zijn lot scheen hem op dit oogenblik een zwarte droom toe, waaruit hij ontwaken moest. Huiverig wierp hij een blik terug op de baan zijns levens, die zoo plotseling uit eene zachte vlakte bij de steilste hoogte was opgeklommen en hem nu langs de dreigendste afgronden heenleidde. Voor eenige maanden, toen de lente de knoppen der boomen op de velden van Italië deed ontluiken, toen woonde nog zachte rust en tevredenheid in zijne borst. Toenmaals bouwde hij schoone luchtkasteelen van eene vreedzame, van het gewoel der wereld afgezonderde toekomst. Hij dacht aan Maria, aan de moeder, aan hare stille huiselijkheid, aan de beoefening der wetenschappen en aan het beroep dat hem beidde; hij gevoelde zich gelukkig als zoon en broeder. Zelfs de zonderlinge gewaarwording, welke de schoone, aanlokkelijke gestalte, die hem aan den voet van den St. Bernard verschenen was, in zijne borst had opgewekt, voerde slechts een glimlachje van weemoedig verlangen op zijne lippen. Wat hij steeds als een droom, als een vluchtig voorbijzwevende verschijning beschouwd had, kon geene diepe wonden in zijn hart achterlaten.
Hij kende slechts de bezorgdheid over het lot van zijn vaderland en de treurigheid—dikwijls kan men haar ook een geluk noemen!—die, door een onbevredigd, rusteloos pogen en streven veroorzaakt, de borst van elk gevoelig mensch zoo dikwijls bestormt. Zoo beklom hij den kleinen heuvel bij Duomo d'Ossola; daar zag hij het geheimzinnige teeken des groenen sluiers, en sinds dat oogenblik werd de kalme vloed zijns levens door onstuimige golven bewogen, die hem naar eene woeste, ledige eenzaamheid met zich voortsleurden. Wanneer hij zich nu in het hart van het russische gebied op een, met lijken bezaaid, met bloed gedrenkt slagveld verplaatst zag, wanneer hij bedacht, dat zijne moeder in het stille graf sluimerde, zijne zuster eenzaam en verlaten rondzwierf, het beeld der geliefde in de zee van een eeuwigen nacht verzonken was, dan gaf het oogenblikken, dat hij met krampachtige smart wilde uitroepen: Wekt mij, wekt mij uit dezen vreeselijken droom!—Eensklaps voelde hij, dat Bernard, die stilzwijgend aan zijne zijde reed en met innig medelijden het gelaat van den treurenden vriend gadesloeg, zijn achteloos neerhangende hand aangreep en met warmte drukte.
„Gij zijt zoo ernstig en bedrukt, Lodewijk,” sprak hij; „gij moest het oog vroolijker ten hemel slaan, nu wij ons na dezen bloedigen dag nog in leven en aan elkanders zijde bevinden. Dit moet ons een onderpand zijn, dat ons zeldzaam lot een gelukkig beslissend einde zal nemen. Ik ben niet buitengewoon vroom, zooals men dat gemeenlijk verstaat, maar na een dag als dezen, dat de donder Gods om ons heen rolde en zijne bliksems naast ons neersloegen, hef ik toch met een ander gevoel dan gewoonlijk naar de kleine starren daarboven ons het oog op, schoon zij ook slechts ter sluiks tusschen de drijvende herfstwolken heengluren.”
„Ja, Bernard,” hervatte Lodewijk, „gij hebt gelijk! Wanneer ik u naast mij zie, levend, frisch als dezen morgen, dan wendt mijne ziel zich met warme dankbaarheid tot den eeuwigen Vader, maar gevoel ik tevens ook, hoe peilloos diep de afgrond der droefenis zijn kan. Vriend, ik gevoel, wat ik verloor, en beef, als ik bedenk, wat ik nog verliezen kan! Wanneer de dood, die zoo weinigen van onze getrouwen verschoonde, nu ook u eens had weggerukt! O dan was het beter, dat ook ik op dit donker veld lag!”
„En Maria?”
„Ach zij zoude spoedig haar vermoeid hoofd tot mij neigen.”
„Ja, tot u,” sprak Bernard met eene bitterheid, die de vriend, door de eigene bekommernissen te zeer geschokt, niet bemerkte. Mij, wilde hij er bijvoegen, zou geen gedachte, geen wensch navolgen, wanneer ik als een goede maaltijd voor de raven, die hier boven ons zwieren en krassen, op dit woeste slagveld lag neergestrekt. Doch steeds gewoon, zich zelf streng te beheerschen, bande hij deze gedachte van zijne lippen in de borst terug en vervolgde op bijna onverschilligen toon: „Spreek niet op die wijze, Lodewijk. Zekerlijk zal zij haar hoofd spoedig tot u neigen, maar met eene van vreugde gloeiende, door zoete tranen bevochtigde wang tegen uwe warme, kloppende borst.”
„Hoopt gij dat?”
„Voorzeker, en juist heden na den slag vooral, want de overwinning is ook de vrede, de vrede de terugkeer, deze de verzoening met alle ons nog dreigende machten des noodlots, wanneer ik namelijk den franschen schurken niet te veel eer aandoe, door hun giftig spinneweb met het weefsel der Schikgodinnen te vergelijken.”
Hier werd het gesprek afgebroken, daar Bernards paard struikelde en op de knie nederviel, zoodat hij bijna uit den zadel geslingerd was. „Wat is dat?” riep hij, zich oprichtende. „Ik geloof waarachtig, dat het een lijk was, waarover ik gevallen ben.”
„Wij zijn thans op de hoogte achter Semenowskoi,” sprak Rasinski, „hier moeten reeds vele dooden liggen en voorzeker ook nog zwaar gekwetsten. Rijdt dus voorzichtig, mannen, opdat wij het lijden der hulpeloozen niet nog vermeerderen.”
Dit menschlievende bevel was vruchteloos, want spoedig werd het getal der lijken van menschen en paarden zoo groot, dat men bijna bij elken stap daartegen aanstiet.
„Wij willen links afslaan en de laagte houden,” beval Rasinski. „Daar heeft de dood niet zoo sterk kunnen woeden; wij bereiken ons doel wel langs een omweg, maar toch altijd nog spoediger, dan wanneer wij recht doorrijden en bij elken pas worden tegengehouden.”
Zoolang zij nog op de hoogte voortreden, bleef de grond met lijken bezaaid.
„Het is mij niet onaangenaam, dat de nacht al deze gruwelen in duisternis hult,” sprak Lodewijk; „schoon ook de verbeelding machtiger is dan de werkelijkheid, zullen hare beelden toch niet zoo afgrijselijk zijn als die, welke het oog des dags hier verlichten zal.”
Sprakeloos reed de kleine schaar over het lijkenveld voort. Dikwijls waande men een kermen, een zwaar kreunen te vernemen, doch de in de boomen van het nabijgelegen woud ruischende wind, het doffe dreunen der hoefslagen, het gekletter der sabels, het snuiven der hijgende paarden verdoofden weldra deze enkele toonen des jammers. Echter sneden zij diep door het hart.
Elk ademde vrijer, toen men de kloof bereikte, waar de dood niet zoo talrijke offers had kunnen neervellen. Den loop der regenbeken, die zich hier eene diepe bedding gewoeld hadden, volgende, kwam men voorbij den voet des heuvels, waarop de drie redouten lagen, voor welke Rasinski met zijn regiment het eerst in den strijd was gewikkeld geworden.
„Halt! Front!” kommandeerde hij. Het regiment, wanneer men de weinige lieden, die nog overig waren, zoo noemen mag, stond thans met het front tegen de hoogte, waar het zijne dappersten gelaten had.
„Daar boven,” sprak Rasinski met eene weeke, doch mannelijk krachtige stem tot zijne ruiters, „daar boven op den heuvel liggen onze getrouwe, wakkere kameraden. Laat ons een stil gebed voor hen uitspreken.”
Met deze woorden nam hij zijn czapka met den golvenden vederbos af en neigde het ontbloote hoofd. Ernstig volgden de krijgers zijn voorbeeld. Eenige minuten heerschte er eene plechtige, heilige stilte; hierna richtte de aanvoerder zich weder op, dekte het hoofd en reed in korten galop langs de gelederen. In het midden, op eene kleine hoogte, hield hij stil. „Rechts en links zwenkt, formeert den kring!” riep hij. Toen men een halven kring gesloten had, want meer liet het terrein niet toe, liet hij halt houden en sprak: „Kameraden! De dag van heden was bloedig, maar roemvol. Meer dan twee derden onzer broeders ontbreken in onze rijen. De helft heeft de zege met den dood betaald, de anderen hebben zware wonden bekomen in den strijd voor onze rechten. Wij betreuren de dapperen, die gevallen zijn; maar hun lot is schoon, hun verlies mag ons niet ontmoedigen, doch wij moeten er trotsch op zijn. Verbant derhalve de sombere stemming uit uwe borst. Wij hebben overwonnen en na eene overwinning moet het gelaat des krijgsmans vroolijk stralen. De kamp is geëindigd; nog eenige dagen en het loon zal u geworden voor de zware vermoeienissen en gevaren, die gij zoo roemrijk doorworsteld hebt. Ja, mijne broeders, roemrijk, want, schoon de kans ons ook in enkele oogenblikken van den dag ongunstig was, gij hebt gevochten als echte zonen van Polen; ik ben er trotsch op uw aanvoerder te zijn. Ontvangt mijn dank, kameraden, voor dezen bloedigen, maar schoonen dag!”
Gelijk eene vlam door de zware rookwolken, die haar lang neerdrukken, plotseling lichtend omhoog slaat, zoo vlamde na de sombere stemming der droefheid de geestdrift der krijgers thans helder op. „Leve onze aanvoerder, de dappere Rasinski!” riep Jaromir het eerst, en de gansche schaar ruiters herhaalde dien kreet. Rasinski dankte door handdruk en vriendelijken groet, doch beheerschte zijne ontroering, om de krachtige stemming der manschappen, die hem zoo gewichtig en noodzakelijk scheen, niet te verzwakken. Hij liet de trompetters een marsch blazen, de gelederen ordenen en sluiten en reed zoo aan de spits der kleine bende op het bivak toe. Weldra had men het bereikt, en nu deed zich de behoefte aan rust en verkwikking bij allen te sterk voelen, dan dat men nog aan iets anders had kunnen denken. Rasinski koos zijne legerplaats onder drie hooge dennen van het woud, aan welks zoom zijne ruiters het bivak betrokken.
Het vuur was spoedig helder ontvlamd; de weerschijn daarvan verlichtte de breed neerhangende takken der oude, reusachtige boomen en het lage kreupelhout in den omtrek. Bernard, Lodewijk, Jaromir, Boleslaw en de officieren, welke de slag verschoond had, vlijden zich op deze plaats neder. Rasinski wenschte hen om zich heen te hebben.
„Welaan vrienden,” begon hij, „laat ons nog eenige minuten aan een vertrouwelijk gesprek wijden en dan de rust zoeken, die wij allen behoeven zullen.—Het was een harde dag! Weet gij, hoevelen wij nog overig zijn? Niet meer dan honderd vijf en twintig man, wij allen medegerekend. Driehonderd zeventig heeft ons de slag gekost.”
De officieren zagen elkander met sombere blikken aan. Zij waren slechts vijf in getal. Zeven had men zwaar gewond van het slagveld gedragen, elf had de dood weggerukt; en van hen, die hier aan het vuur zaten, had Boleslaw een houw over het voorhoofd, die echter onbeduidend en door hem zelf verbonden was, terwijl Lichnowski, een zeer jong mensch, door een schampschot in den arm was gekwetst. Geheel ongekwetst waren slechts Rasinski, Jaromir en de beide ritmeesters Bernecki en Jelski; Bernard was eveneens onbezeerd gebleven, doch Lodewijk had door zijn val van het paard eenige zware kneuzingen bekomen.
„Velen, allen, die ik missen moet, betreur ik innig,” sprak Rasinski; „doch één verlies gaat mij bijzonder na aan het hart. Het is dat van onzen Petrowski, die meer naden dan haren op zijn schedel had; in wiens borst een jeugdig vuur van moed en vaderlandsliefde gloeide, schoon zijn hoofd met de sneeuw van den ouderdom bestrooid was.”
„Dus Petrowski dood! En waar viel hij?” vroeg Bernard.
„Daarboven bij de redoute, waar wij wijken moesten en meest al de onzen den dood vonden. Hij wilde niet vluchten en trachtte zijne sectie tot staan te brengen, toen een kanonskogel tusschen hem en zijn paard doorsloeg, zoodat beiden neerstortten. De sabel ontzonk aan zijne hand en het gebroken oog staarde ten hemel; zoo zag ik hem op de plaats liggen. Het was onmogelijk hem weg te dragen, want de stroom sleepte ons allen mede voort.”
„Zou hij wellicht ook onder de gewonden zijn?” vroeg Lodewijk.
„Neen, mijn vriend, ik heb reeds bericht. Ook was de dood te duidelijk op zijn gezicht te lezen. Hij ligt daarboven. Wanneer de tijd het morgen toelaat, wil ik zien, of ik den grijzen held een eerlijk graf kan bezorgen, opdat zijne kameraden te huis vertellen kunnen, waar het gebeente van den dapperen Pool rust.” Rasinski rilde, als werd hij door eene koortsachtige koude bevangen. „Wij worden te weekhartig, vrienden. Wie weet, wat dezen nacht onze rust nog stoort; laat ons van de uren gebruik maken.”
Hij hulde zich in zijn mantel en legde zich neder, meer om zijne ontroering te verbergen, dan om te sluimeren. Echter had de geweldige arbeid en nog meer de langdurige spanning der ziel het lichaam tot uitputtens toe vermoeid, en zoo zonken allen die hem omringden, spoedig in vasten slaap.
Doch midden in den nacht dreven onrust en bezorgdheid Rasinski van zijne harde legerstede op. Hij trad, in zijn mantel gedoken, door de rijen der krijgers, die in diepen slaap om de vuren waren uitgestrekt. Alleen de vuurwachten waakten nog en stookten, gedachteloos in de vlammen starende, den gloed aan.
„Hoe laat is het, vriend?” vroeg Rasinski.
„Middernacht.”
„Hebt gij niets gehoord? Geen kanonschot in de verte, geen trommelslag?”
„Alles stil als de dood.”
„Zonderling,” mompelde Rasinski; „men moest vervolgen, den vijand geen rust gunnen. Maar de overwinnaars zijn wellicht nog vermoeider dan de overwonnenen!”
Hij beklom eene hoogte, die hem een ruim uitzicht aanbood. Het slagveld lag zwart en zwijgend voor hem. Evenals den avond te voren vlamden de vuren van het russische leger in een breeden, halven kring helder op; die der zegevierende armee brandden slechts flauw en spaarzaam.
„Dat is dus de vrucht van een zoo moorddadigen kamp? De vijand nog onverwrikt in zijne stelling! Zou morgen wellicht de zon ten tweedenmale zoo bloedig opgaan? Nog eens zulk eene overwinning en wij zijn reddeloos verloren!”—Hij trad driftig op en neder. Een verward gerucht van stemmen drong uit de verte in zijn oor. Het was het welbekende russische krijgsgeschreeuw, dat door den nachtwind werd voortgedragen. „Zouden zij midden in den nacht een aanval wagen?”
Inmiddels ritselde het achter hem in de struiken.
„Werda?”
„Ik ben het,” antwoordde Lodewijks stem. „Mij laten akelige droomen geen rust vinden, daarom volgde ik u, toen ik u zag opstaan.”
Rasinski legde de hand op Lodewijks schouder en zuchtte. „O mijn vriend! Mijne droomen zijn wellicht nog akeliger! Wanneer gij een ervaren soldaat waart, zoudt gij mij begrijpen. Deze overwinning is ons verderf! Deze oorlog kan niet gelukkig eindigen! De keizer is verblind! Hij kent het oude Rusland niet. Hij hoopt tot Moskou door te dringen en daar den vrede voor te schrijven. En wanneer het hem al gelukt, de oude hoofdstad der czaren, die nog slechts twee dagmarschen voor ons ligt, te bemeesteren, bedenkt hij niet, dat hij dan eerst aan den drempel van dit reusachtige rijk staat, dat eerst aan gene zijde de bloeiendste provinciën liggen, die ruimte en kracht genoeg bezitten, om de bewoners van dezen oever der Moskowa op te nemen en te voeden, terwijl de winter ons hier doet omkomen?—En nog zijn wij niet in Moskou! Ziet gij daarboven de vlammende legervuren der Russen, hoort gij hun krijgsgeschreeuw? Wanneer zij den moed niet opgeven, wanneer hun veldheer dapperheid aan inzicht en beleid paart, kunnen zij ons nog drie veldslagen leveren, eer wij Moskou's gulden koepels zien blinken.—En dan? Wanneer duizenden en nog eens duizenden weggeraapt zijn, hoe zullen wij ons dan in het bezit der onmetelijke ruimte handhaven, die wij veroverd hebben? Elke menschelijke kracht heeft hare grenzen. Gewoon, het reusachtige te volbrengen, het onmogelijke werkelijk te maken, heeft onze groote veldheer zijne kracht te hoog geschat, zijne grenzen overschreden. Hij moet bezwijken onder het gewicht zijner onderneming, dat terugrollen en hem zelf verpletteren zal!”
Lodewijk zweeg en liet aan zijne sombere gedachten den vrijen loop.
Ook Rasinski stond zwijgend voor hem en staarde droefgeestig in den duisteren nacht.
„O vriend,” begon hij plotseling weder, en zoo ontroerd als Lodewijk hem nog nooit gezien had, „wanneer men zulk een veld der verwoesting vóór zich ziet, dan wil men ook weten, waarom de duizende offers bloeden moesten. O, gij vermoedt niet, welk een afgrijselijk beeld van menschelijke ellende zich achter die duisternis verscholen houdt. Niet de dooden beklaag ik; zij hebben hun edel doel bereikt. In den slag te vallen is het lot, de roem des krijgsmans. Maar hoe vele duizenden liggen hier op de folterbank van nameloos lijden! Deze gure, regenachtige nacht doet ons van koude rillen, die ongedeerd, gelaafd en verkwikt in onze mantels aan het vuur rusten. En zij daar? Met verbrijzelde leden, met opgereten lichaam liggen zij aan den ruwen nachtstorm prijsgegeven; hunne wonden bloeden, koude en koorts doen hen stuiptrekkend samenkrimpen; angstvol tellen zij de trage seconden van den nacht en kermen te vergeefs om hulp. Zij denken aan hun vaderland, aan hunne ouders, wier teedere zorg zij, nauw de kinderjaren ontwassen, door de ijzeren hand des oorlogs ontrukt werden; den vader zweeft het beeld zijner hulpelooze kinderen, den echtgenoot de gestalte der minnende gade, den jongeling zijne weenende bruid voor oogen. Doch uit al de gedachten der liefde, die hen in de verte op het slagveld volgen, vormt zich geen enkele beschermende, helpende engelengedaante, om de vertwijfelenden te troosten. Onder koude lijken begraven, omgeven van hen, die nog in den laatsten doodstuip zich zelven en hunne Schepper vloeken, liggen zij in akelige eenzaamheid of in schrikwekkend gezelschap, en elke komende minuut schudt een nieuwen stroom van jammer en ellende over hen uit.—Lodewijk, wie den slag gezien heeft, kent slechts de lachende zijde van den krijg. Zie morgen het slag_veld_ en gij zult voor het grijnzend masker van het helsche spooksel terugbeven. Maar zien zult, moet gij het! Gij moet weten, wat de man voor den roem, voor het vaderland waagt. Die aanblik moet uwe mannelijke opvoeding voltooien. Maar wanneer het doel gemist wordt! Wanneer in onze borst de vreeselijke overtuiging oprijst, het is te vergeefs! Alles, alles te vergeefs! Al die bloedige tranen, die krampachtige zuchten, die gruwzame martelingen van een gerekten doodstrijd, die het medelijden zelfs den verhardsten booswicht bespaart—alles te vergeefs! Vriend, dan zijn er oogenblikken dat ook de ijzeren kracht des mans nog te zwak is en dreigt te bezwijken onder den last, dien het noodlot op zijne schouders wentelt.”
Door zijn gevoel overweldigd, sloeg hij den arm om Lodewijks hals en drukte het hoofd aan zijne borst; hij vergoot geene tranen, maar zijn hart klopte onstuimig en zijne wang brandde als in koortsgloed. Lodewijk had geen troostwoorden, maar slechts een liefderijken handdruk voor den man, aan wiens mannelijke kracht hij zich zoo vaak had staande gehouden en dien hij thans zoo geheel verpletterd voor zich zag. Maar deze zwakheid duurde slechts eenige minuten. Spoedig richtte Rasinski het hoofd weder op, en sprak weemoedig vriendelijk: „Mijne borst wordt kalm en bedaard, Lodewijk, als die, waarin geen hart meer slaat; het is voorbij, ik heb aan de verstikkende beklemdheid lucht gegeven, het droombeeld is vervlogen, ik ben weer meester over mij zelf. Gij zult mij niet zwak zien, wanneer mijn plicht koele kracht eischt, het oogenblik de daad vordert. Ik wilde mijn lijden alleen aan den nacht toevertrouwen; thans heeft de borst des vriends daarin gedeeld en gij helpt het mij dragen, niet waar, Lodewijk? Ik heb immers ook in uwe smart gedeeld, en zoo valt ons beiden de last lichter.”
Arm in arm keerden zij naar het bivak terug en rustten tot de dagende morgen hen wekte.
HOOFDSTUK VI.
Een ordonnans had het bericht gebracht, dat de keizer de troepen in oogenschouw zoude nemen. Zeer vroeg zat het regiment dus reeds op en rukte in de linie voor. Eerst thans vernam men van de heen en weder rijdende adjudanten, dat het russische leger gedurende den nacht den aftocht begonnen had. De koning van Napels was met een gedeelte der cavalerie uitgerukt, om na te vorschen, of het zich naar Moskou, dan wel naar Kaluga wendde.
Eene nadrukkelijke vervolging met de gansche armee meende de keizer van de uitgeputte, bijna geheel ontbonden troepen niet te kunnen vorderen. In eene lange linie geschaard, kroonden de regimenten den zoom der heuvels, die het vóór hen uitgebreide slagveld begrensden. Het strekte zich als eene treurige woestenij voor het front uit, doch men was te ver verwijderd, om de duizendvoudige ellende daarop te onderscheiden. De armee zelve leverde een droevig schouwspel op. De troepen hadden zich om hunne adelaars verzameld, maar hun voorkomen was ernstig en somber. Hunne uniformen waren zwart van kruitdamp en stof, doorboord en verscheurd door kogels en sabelhouwen. Honger, koude en bovenmatige inspanning hadden de krachten der dapperen uitgeput. De anders zoo vurige oogen schemerden flauw en mat onder de borstelige wenkbrauwen. Eene verheven droefheid lag op de gefronste voorhoofden; zij scheen toe te nemen bij elken blik op het bloedige veld, waar zoo vele duizende wapenbroeders sluimerden of onder duldelooze martelingen naar den dood als naar een verlosser uitzagen. En dat veld vol lijken en bloed was de eenige prijs der overwinning, die men bevochten had! Vele regimenten waren tot een derde gesmolten; een klein rot, stonden zij om hunne arenden en schenen nauw talrijk genoeg, om ze verder te beschermen.
Zoo wachtten zij op den keizer.
Ernstig reed deze langs de gelederen. Hij groette de soldaten, prees hunne dapperheid in korte, afgemeten bewoordingen, beloofde belooningen, bevorderingen, eereteekens. Wel hieven de officieren den kreet: „Leve de keizer!” aan en de soldaten herhaalden dien, maar het was slechts eene oude gewoonte, een plicht van het hart, niet de vrije aandrang, die zich moedig en vroolijk uitte; en waar eens de donder van duizende stemmen daverde, daar hoorde men thans slechts eenige honderden roepen, want velen waren de lippen voor eeuwig gesloten.
Na de monstering der troepen wierp de keizer zijn paard om, ten einde het slagveld op te nemen. Vele generaals en hoofdofficieren volgden hem. Rasinski, en op zijn verlangen ook Lodewijk en Bernard, sloten zich op behoorlijken afstand bij den trein aan.
„Zie eens, hoe donker de hemel zich omwolkt, als ware hij bevreesd, bij zulk een akelig schouwspel een helder gelaat te toonen,” sprak Bernard tot zijn vriend, toen zij langzaam naast elkander voortreden. „Wat moet dat voor eene ziel vol koene, zich boven menschenrecht en menschengeluk stout als de Alpen verheffende ontwerpen zijn, die zulk een last van jammer en ellende op zich durft laden, zonder daaronder verpletterd te worden! Hoe hoog boven de aarde moet de geest omzweven, die de kleine akkers, vruchten, hutten, genoegens en wenschen der menschheid zoozeer uit het oog verliest, dat hij niets meer ontdekt, dan de massa's der landen en volkeren, dan de oceanen en vesten des aardrijks. Hoe ver moet hij met zijne gedachten over den tijd, over het tegenwoordige heenreiken, die, te midden van het verwarde, duizendvoudige schrift der dagelijksche gebeurtenissen zoo stout de griffel der wereldgeschiedenis bestuurt!”
„In zijne nabijheid,” hernam Lodewijk, „is het alsof ik mij tot dat gevoel zou kunnen verheffen. Gelijk ik mij zelf verlies en mij slechts als eene alleenstaande kracht beschouwen kan, waaraan hij tegelijk met duizend andere de richting geeft; gelijk ik allen, die ik anders als de besten, de grootsten, de zelfstandigsten vereerde, hetzelfde zie doen; gelijk zij tegen zijn groot een verdwijnen, even als de tallooze regendroppelen eens onweders, die op den oceaan vallen—zoo wordt het mij begrijpelijk, hoe al die afzonderlijke krachten in het ééne zwaartepunt van zijn machtigen wil te zamen dringen. Hij gevoelt slechts de verplichting, haar naar den innerlijken, noodwendigen aandrang zijner ziel te gebruiken; hij ziet in den mensch slechts het stofdeeltje der enkele kracht, dat hij tot vorming van het geheel verzamelen moet. Of de atomen der enkele rechten daarbij verstuiven, dat overweegt hij niet, dat mag hij niet overwegen, en wie zich bij hem aansluit, verliest dat recht volgens eene onveranderlijke grondwet. Wie niet wil moet het aan een anderen algemeenen wil ten offer brengen; dat is het lot der menschenkinderen. Wie in zich zelf de kracht gevoelt, om de draden des willens van zooveel duizenden in zich te vereenigen, die heeft ook het recht daartoe; wie het zich ijdel inbeeldt, zal spoedig verpletterd worden door de reusachtige knods, welke hij niet wist te voeren. Zij echter, die aan het machtige gebod van een beslisser der wereldgebeurtenissen gehoorzamen, mogen niet klagen, dat zij hunne vrijheid verliezen. Zij volgen hier zoo als altijd eene natuurwet; slechts de hoogere van den geest wordt minder algemeen erkend, dan de lagere der lichamelijke stof. Moogt gij u beklagen, omdat gij sterfelijk zijt? Zou het hoogste wezen, dat u aan die wet onderwierp, eenig verwijt treffen? Immers neen. Daarom is een groot man evenmin verantwoordelijk voor het lijden van enkelen, als deze recht hebben zulks aan hem te wijten. Daarom ook voelt hij roeping en recht in zich vereenigd, vindt hij zijne ziel niet bezwaard door hun jammer en richten zij hun vloek niet tegen hem. Elk draagt en vervult in zijne betrekking, wat eene eeuwige beschikking der waarheid en der gerechtigheid hem oplegt. Zoo slechts vormt zich de gedachte der Godheid; wie daaraan niet vasthoudt, mag uit de gonzende mug, die hem in den slaap stoort, eene beschuldiging tegen de Almacht inbrengen.”
„Zie op, Lodewijk, daar rechts?” viel Bernard hem in de rede.
Juist kwam een transport wagens voorbij, waarop men gekwetsten had geladen. De uitdrukking der bleeke, met bloed bemorste gelaatstrekken was over het geheel die van een stil, gelaten lijden. Eenigen zagen trotsch, wild in het rond, alsof zij zich boven hun lot wilden verheffen. Slechts enkele stieten hartverscheurende klaagtonen uit, terwijl nog anderen alleen vreugde over de hulp, die hun was toegebracht, schenen te gevoelen en vroolijk om zich heenblikten, als wilden zij zeggen; „ditmaal zijn wij nog gelukkig aan den dreigenden dood ontsnapt en zullen in leven blijven.”
Men bereikte thans het eerste punt, waar de dood hevig gewoed had, daar men door den hollen weg reed, dien Rasinski gisteren gekozen had, om het met lijken bezaaide veld te vermijden. Doch nu was het anders. Vele gewonden hadden zich tot hier voortgesleept, om bescherming tegen den storm te zoeken. Zij lagen, in de zandkuilen gedoken, en beefden van koude en koorts. Een ouden grenadier klapperden de tanden hoorbaar op elkander, doch hij uitte geen klaagtoon, maar staarde slechts uit holle, brekende oogen de voorbijrijdenden aan. Lodewijk werd door dit gezicht zoo hevig ontroerd, dat hij van het paard springen en den ongelukkige helpen wilde, doch juist kwamen twee treinsoldaten, die hem op eene baar leiden en wegdroegen.
Eenige schreden verder stiet Bernard Lodewijk aan. „Zie, het is om te ijzen.”
Een jongmensch, met blond haar, op wiens teedere, bijna vrouwelijke trekken, niettegenstaande de diepe voren der smart, nog jeugdige bevalligheid zichtbaar was, lag aan den weg en hief de flauwe verglaasde oogen naar de ruiters op. Aan de half geopende lippen schenen zachte klaagtonen te ontglippen; smeekend richtte hij zijne blikken naar eenige krijgers, die in zijne nabijheid gekwetsten opnamen en naar een gereedstaanden wagen droegen. Hij scheen te kermen: „O, helpt toch eindelijk ook mij!”
Lodewijk kon dit niet aanzien, hij sprong uit den zadel, naderde den verlatene en wilde hem oprichten, toen eene grijze grenadier hem barsch, schoon niet zonder aandoening toeriep: „Laat hem liggen, Kameraad, voor hem is geen kruid meer gewassen; gij verlengt slechts zijn lijden. Hoe kan iemand met één been en eene opengescheurde borst uit dit woeste land weer naar Frankrijk hinken? Help liever die nog te redden zijn, als gij iets doen wilt. Wensch hem wel te rusten en daarmeê basta.”
De ongelukkige hoorde deze woorden, die den laatsten draad zijner hoop meêdoogenloos afsneden, en zag diep zuchtend tot Lodewijk op. Dezen dreigde het hart te breken, zijn blik verduisterde en hij moest alle kracht der mannelijke vastheid bijeenrapen, om uiterlijk bedaard te blijven. Met innig medelijden boog hij zich over den jongeling neder en zeide: „Het is zoo erg nog niet, mijn vriend; ik zal voor u zorgen; vat moed!” De gewonde zag hem dankbaar aan; glimlachen kon hij niet met de door pijn verwrongen spieren, echter lichtte een zachte straal van vreugde in zijn stervend oog. Lodewijk vatte hem aan en wilde hem oprichten, doch daar de ongelukkige den gepakten ransel nog op den rug droeg, was de last te zwaar en moest hij hem laten terugzinken. Bernard was inmiddels ook van het paard gesprongen, om zijn vriend behulpzaam te zijn; doch toen beide vrienden den stervende behoedzaam wilden opbeuren, liet deze het hoofd op de borst neerzijgen. „Ah! ma mère!” ademde hij met brekende stem en was niet meer.
„Wel hem!” sprak Lodewijk, toen hij thans het stille lachje des doods op het bleeke gelaat zag doorstralen, „wel hem, nu is zijn lijden geëindigd.”
„Kom dan mede,” drong Bernard, bezorgd, dat hun lang achterblijven Rasinski verdrieten mocht. Zij wierpen zich weder te paard en renden ijlings na.
Juist toen zij het gevolg bereikten, was dit op de hoogte voor de redoute gekomen, waar de strijd gisteren zoo vreeselijk gewoed had. Hier lag het gansche veld vol lijken; echter zag men niet meer zoovele gewonden, daar honderden soldaten reeds van den vroegen morgen bezig geweest waren die op de van alle zijden bijeenverzamelde wagens te laden. Des te schrikwekkender was de werkplaats des doods, die men hier geopend zag. Russen en Franschen bedekten in tallooze menigte den bodem. Men zag afgrijselijke verminkingen; de afgeschoten ledematen lagen in het rond verspreid of waren achteloos in hoopen opgestapeld. De lichamen van half vermorselde paarden hadden zich in de wilde stuiptrekkingen van den doodstrijd over de zieltogenden en gekwetsten heengewenteld, zoodat men in de verstijfde trekken van hen, die onder die bloedige vleeschklompen bedolven lagen, nog den krampachtigen angst kon lezen, waarmede zij onder dat akelig wicht den laatsten adem hadden uitgeblazen. Verbrijzelde helmen, harnassen, geweren, sabels schemerden tusschen de bloedige lijken; overblijfsels van vernield geschut lagen in het rond verstrooid. Het was bezwaarlijk, de paarden door dezen gruwelijken chaos voort te leiden, zonder door hunne hoeven menschelijke lichamen, waarin zich nog altijd sporen des levens lieten vermoeden, te beschadigen.
De keizer hield stil. Met scherpen blik zag hij in het rond; over het tooneel der verwoesting voor zijne voeten zweefde zijn oog heen, zonder daarop te rusten. Hij beschouwde niet het veld des doods, maar dat van den slag met het vorschend oog des veldheers en scheen alleen te willen zijn, want voor zoover men zien konde, gaf hij hun die hem het naast omringden, een wenk, zich te verwijderen. Zij verstrooiden zich in verschillende richtingen over het slagveld. De maarschalk Berthier bleef alleen in zijne nabijheid en volgde hem op zijn verderen rit.
Rasinski richtte zich met zijne geleiders naar de plaats, waar hij gisteren met zijn regiment het eerst in het vuur was gekomen. Spoedig zag men de poolsche uniformen, die aan de lichtblauwe kleur gemakkelijk te onderkennen waren, in de verte schemeren.
„Hier zocht ik u gisteren,” sprak Bernard tot den vriend; „voor den duivel, het is mij lief, dat ik u thans nevens mij te paard zie!” Deze woorden stiet hij bijna met woestheid uit; Lodewijk bemerkte intusschen wel, dat hij achter dezen ruwen uitroep de op hem overweldigende ontroering en aandoening, die de aanblik van het slagveld bij hem verwekt had, trachtte te verbergen.
„Nu zal men er spoedig aan gewoon zijn en er bij inslapen, als arme zondaars op de pijnbank, als zij lang gemarteld worden,” vervolgde Bernard. „De mensch is ontzettend leerzaam in de kunst der meêdoogenloosheid. Ik laat alles reeds bij mij afglijden als sneeuw van den mantel.” Inderdaad maakte hij daarbij eene beweging, die met deze woorden overeenstemde, schoon zijne trekken verrieden, dat hij de ijskoude rilling, die hem aangreep, op deze wijze wilde ontveinzen.
„O, zoo het ons gelukte, het lijk van den braven Petrowski te vinden,” sprak Rasinski, terwijl hij opmerkzame blikken over het veld wierp en de dooden van zijn regiment een voor een monsterde.—„In dezen omtrek zag ik hem vallen.—Gewonden zie ik gelukkig niet meer; het was ook het deel van het slagveld, waarvan wij ons het eerst meester maakten, en men kon dus hier reeds tijdig hulp brengen.—Maar is dat Jaromir niet, die daar zoo haastig komt aanrennen?”
Men herkende hem aan een ver in het rond blinkenden appelschimmel, dien hij sinds gisteren bereed, toen hij twee paarden verloren had. Toen hij nader gekomen was en zag, dat men hem bemerkte, wenkte hij met de sabel. In het veld is men steeds op belangrijke tijdingen voorbereid, weshalve Rasinski hem ijlings te gemoet snelde; de beide vrienden bleven natuurlijk niet achter.
„Wij marcheeren, Rasinski,” riep Jaromir. „De order is zoo even gekomen,” vervolgde hij, terwijl zij langzaam te zamen voortreden. „Boleslaw met het overblijfsel van ons regiment is reeds op weg. Ik bleef achter, om u op te zoeken. Wij moeten de zijwegen van de oude baan naar Moskou verkennen, daar men gelooft, dat de Russen derwaarts terugtrekken en op Kaluga en op Tula aanrukken.”
„Wie heeft het bevel gebracht?”
„Een adjudant van den koning van Napels.”
„Hebt gij fourage gevonden?”
Jaromir schudde het hoofd.
„Dus hebben de paarden niets gehad?”
„Een weinig hooi en half verdord gras was alles, wat wij konden opsporen; echter hopen wij in de dorpen rechts van den weg nog voorraad te vinden.”
„En hoe zijn de manschappen?”
„Uitgerust, maar niet genoegzaam; ondernemend, doch niet vroolijk. De overwinning is onvolkomen. Zij weten dat men slechts achthonderd gevangenen gemaakt heeft, en men zou na zulk een slag toch dubbel zooveel duizenden verwachten. De vier en twintig zware kanonnen en ettelijke veldstukjes zijn de eenige buit, dien men gemaakt heeft.”
„En daarvoor zeventig duizend dooden en gekwetsten!” zuchtte Rasinski.
„Ja, maar aan beide zijden.”
„O, wij hebben aan de helft, die op ons valt, dubbel genoeg.—Eene vreeselijke overwinning! Twee en veertig generaals zijn gebleven, onder hen Caulaincourt en Montbrun. Ook de maarschalk Davoust is gewond.”
„Maar niet gevaarlijk!”
Rasinski antwoordde niet verder en rende, daar men nu een vlak terrein bereikt had, met lossen teugel voort, om het regiment in te halen en zich opnieuw in de woeste zee zijner krijgsmansverplichtingen te storten.
Zoo zijn de wilde verschrikkingen van den oorlog de heelsters der wonden, welke zij zelve toebrengen; want in het steeds voortdurend gewoel wordt de klagende stem in de borst zoo luide overschreeuwd, dat zij zich zelve niet meer verneemt. Wie kan, zoolang de storm met onophoudelijk vernieuwde woede het slingerende vaartuig teistert, hen betreuren, die hij reeds in de kolken van den afgrond heeft doen verzinken? De ziel zelve wordt immers door onstuimige golven bewogen; eerst wanneer deze kalm en bedaard zijn, vermag zij, de beelden des levens weder helder in zich af te spiegelen. Dan echter, zoo heeft de eeuwige goedheid het verordend, rust in hare diepte ook reeds weder het reine, zuivere blauw des hemels, waarin het geloovig hart elken troost vindt, die het zoekt en van noode heeft.
ACHTSTE BOEK.
HOOFDSTUK I.
Den 14 September bereikten de eerste ruiterscharen, waartoe ook Rasinski met zijne vrienden behoorde, den Berg des Heils, van wiens top zij het prachtige Moskou, den ouden, gewijden zetel der czaren in het diepe dal zagen uitgestrekt. Het was vroeg in den namiddag. Een glanzende zonneblik brak juist door de dunne wolken, welke de lichtblauwe ruimte des hemels doorkruisten. In duizendvoudigen vervengloed flonkerden de tallooze koepels der kerken en paleizen, die, in goud en schemerend groen stralende, zich hoog boven de stad verheffen. Uit een woud van torenspitsen steeg het Kremlin als een gekroond hoofd opwaarts: de Moskowa kronkelde als een glinsterende zilverband door de velden. Talrijke scharen van fladderende duiven wiegden zich op lichtende vleugels in de zonnestralen, verhieven zich hoog boven de daken en dartelden om de tinnen der paleizen.
Een onwillekeurige uitroep van vreugde en eerbied tevens verhief zich bij dezen verrassenden aanblik. „Moskou! Moskou!” juichten de krijgers, die zich nauwelijks begrijpen konden, dat het onmetelijk verre, in een geheimzinnig duister van wonderbare verhalen en sprookjes gehulde, onder tallooze vermoeienissen en gevaren nagejaagde doel nu werkelijk zoude bereikt zijn. Als de gouden prijs des overwinnaars, als een stralende kroon des roems, lag de hoofdstad van het oude Rusland voor de oogen der koene mannen, die gewaagd hadden, van de schoone lachende oevers der stroomen van Frankrijk en Duitschland, midden door de woestenijen voort te dringen, waarachter zich deze rijkdommen verschansen, die aan de fabelachtige sprookjes van het Oosten herinneren.
Vreugdegejuich en zegekreten vervullen de lucht. De voorsten roepen en wenken hunne nakomende kameraden toe. De onder de bezwaren van den marsch bijna bezwijkende krijgsman voelt zich plotseling door nieuwe krachten gesterkt; elke gedachte aan zijn lijden, zijne zorgen en gevaren is verdwenen. Als een stroom, die zich eensklaps eene nieuwe baan heeft geopend en nu in sneller loop voortbruist, golft de menigte in steeds wassenden spoed de hoogte op, zoodat de met onweerstaanbare kracht voortwentelende vloed over de kruin heenstroomt. Naarmate de zwarte massa's zich dichter op de hoogte samenpakken, worden de vreugdekreten luider en stijgen zij door de zuivere herfstlucht krachtiger en helderder ten hemel opwaarts.
„Ziedaar dan de beroemde, aan verhalen en wonderen rijke stad der czaren,” riep Bernard. „Zoo hebben wij haar eindelijk toch gevonden achter de onmetelijke wouden en steppen, die haar beschermend omgorden!”
„Het was tijd,” sprak Rasinski en wierp een blik op het leger; „hoog tijd!”
Lodewijk beschouwde de rijke, onmetelijk uitgestrekte stad met die eerbiedvolle, de borst verheffende en verruimende opgetogenheid, waarmede ons de aanblik van oorden of menschen vervult, wier roem sinds lang uit de verte tot ons is doorgedrongen en welke wij reeds in de dagen onzer kindsheid als wonderbeelden, die ons uit onbereikbaar verre ruimten en tijden toeschemerden, in de ziel omdroegen.
„Eene kolossale schilderij,” riep Bernard vol vuur; „dat men zoo iets niet kopiëeren kan! Zie eens die massa's van licht en gloed daarboven op de koepels; dat verwarde mengsel der daken en lage huizen, der groene strepen en vlekken van tuinen, die als aderen door het gesteente loopen; de zilvertinten, welke de stroom op het landschap werpt, en, wanneer wij omzien, het ontzaglijke leger, dat als een zwarte vloed door de velden golft. Zie, hoe de bajonetten in den zonnegloed bliksemen, de vederbossen blinken en het erts der kanonnen flikkert, die daar ginds in lange colonnes het woud voorbijtrekken. Hier en daar verliest de blik zich in het oneindige; want de uiterste torens der stad verdwijnen reeds in blauwen damp en nevel, en de lange sleep van wagens en van naloopers des legers smelt in de onafzienbare ruimte geheel weg.”
Gedurende dit gesprek was men langzaam bij de hoogte afgedaald. Een tijdlang had eene bonte verwarring geheerscht, gelijk die bij buitengewone ontmoetingen op marsch gemeenlijk pleegt plaats te grijpen; doch thans werden de manschappen weder geordend, moesten in hunne gelederen blijven en zich aan de strenge regels van den marsch op vijandelijk grondgebied onderwerpen, daar men voorzeker op een ernstigen tegenstand moest gevat zijn, eer men het kleinood des rijks, het palladium der russische kroon, dat thans als een glansrijke diamant voor de oogen der legers fonkelde, in zijne macht kreeg.
Zoo kwam men nader en nader bij de stad, elk oogenblik verwachtende, een hardnekkigen vijand te ontmoeten. Plotseling werd halt gehouden; van rot tot rot liep het gerucht, dat de koning van Napels met de aanvoerders der kozakken in vriendschappelijke onderhandeling was getreden. Reeds begon men de zoete hoop te koesteren, dat de kamp hier een einde nam, dat de vrede nabij was, dat het loon voor de doorgestane moeiten en gevaren zeker en onmetelijk groot zijn zoude. Rasinski reed vooruit en trachtte de waarheid te vernemen. Deze bestond daarin, dat de koning eenige oogenblikken met de kozakken gesproken en hun eenige kleine geschenken gegeven had. Zij hadden intusschen slechts een officier verzeld, die vrijen aftocht voor Kutusows achterhoede eischte; ingeval van weigering dreigden zij, de stad aan de vlammen ten prooi te geven. De keizer, ten spoedigste van die vordering verwittigd, had dadelijk ingewilligd, maar rukte desniettegenstaande de stad binnen.
Terwijl prins Eugenius en vorst Poniatowski zich met hunne korpsen ter rechter en linkerzijde van den hoofdweg uitbreidden en de stad omsingelden, volgde Rasinski met de zijnen den koning van Napels, die met behoedzaamheid binnentrok. Het was niet denkbaar, dat de vijand geen weerstand zoude bieden; men moest zich integendeel op bloedige straatgevechten voorbereiden.
Thans reed men door de straten der voorstad. Zij waren woest en ledig, evenals de verlaten dorpen, die men op weg naar het gewenschte doel in zoo talrijke menigte had aangetroffen.
„Zouden de arme inwoners zoo bang voor ons zijn, dat zij geen vingerbreedte van hunne kromme haviksneuzen, geen duim lengte van hunne spitse baarden durven vertoonen?” sprak Bernard tot Jaromir. „Zou dan geen enkel hupsch kind nieuwsgierig genoeg zijn, om de nieuw aangekomenen uit een dier kleine vensters ten minste eens eventjes te begluren? Het is goed en wel, dat de vijand het noodige ontzag voor ons heeft, maar de lieve meisjes moesten niet zoo ontzettend schuw en eenkennig voor ons zijn. Zijn wij dan menscheneters, of houdt men ons daarvoor?”
„Ik vermoed, dat de bewoners dezer buitenwijken naar de binnenstad gevlucht zijn,” antwoordde Lodewijk. „Zij duchten veellicht den eersten inval; wie weet ook, of het hier niet nog spoedig tot een gevecht kan komen. Dan is hij er voorwaar ongelukkig aan, die geen wapens draagt.”
„En bovenal hier,” merkte Rasinski op, „waar de houten huizen, bij de eerste granaat, die men op het dak wierp, als droog stroo in brand zouden vliegen.”
„Het ware eene verwenschte grap,” riep Jaromir, „wanneer ons de winterkwartieren eens boven het hoofd afbrandden. De rust van zes tot zeven maanden, waarop ik hier stellig reken, hebben wij, dunkt mij, hoog van noode.”
Rasinski zweeg; echter las men op zijn voorhoofd, dat hij met Jaromirs verwachting niet instemde. „Het meest wenschelijk ware voorzeker,” sprak hij na eenig stilzwijgen, „dat de vrede zoo spoedig mogelijk gesloten werd. In dat geval, vermoed ik, zouden wij den winter niet hier doorbrengen, daar de tegenwoordigheid van den keizer en van het leger in het middelpunt van Europa stellig noodwendiger is, dan hier bijna aan de grenzen van Azië.”
Boleslaw reed, ernstig en in zich zelf gekeerd, zooals gewoonlijk, naast de overigen voort, zonder zich in het gesprek te mengen.
Plotseling werd de voortgang opnieuw vertraagd. Daar Rasinski zich niet aan de spits bevond, kon hij niet zien, of dit oponthoud door eenige uitwendige hindernis veroorzaakt werd. Terwijl hij nog met zijne blikken door het gewoel trachtte heen te boren, zag hij den overste Regnard de straat afkomen. Hij droeg den arm nog omwonden en eene breede, zwarte pleister op het voorhoofd. Sinds de korte ontmoeting op het slagveld, had Rasinski hem niet weder gesproken.
„Goeden avond, overste,” riep hij hem toe, „gij komt van de spits der colonne; wat legt men ons nu weder in den weg?”
„Ha, vriend Rasinski, hoe gaat het?” antwoordde Regnard. „Het verheugt mij, u wèl te zien, schoon ik uit het rapport reeds wist, dat gij uit de schipbreuk bij Mosaisk gered waart. Wat ons ophoudt? Enkel eene afgebroken brug over de Moskowa, die spoedig weer hersteld zal zijn. Maar....” hier wenkte hij Rasinski ter zijde en sprak heimelijk tot hem. Bernard, wiens scherp oog gewoonlijk door het gelaat eens anderen tot diep in diens ziel doordrong, werd eene merkbare ontroering in Rasinski's trekken gewaar. Ook Regnards koud, scherp geteekend gezicht, hoewel over 't geheel voor weinig verandering vatbaar, wijl alle lijnen daarvan als in vasten steen gesneden waren, drukte eene angstige bevreemding en bezorgdheid uit. Het moest iets van het uiterste gewicht, misschien wel het bericht van een dreigend gevaar zijn, wat hij Rasinski mededeelde. Hun gesprek duurde echter slechts drie minuten, waarop Regnard zijn weg vervolgde. Met gefronst voorhoofd keerde Rasinski tot de zijnen terug; hij scheen juist te willen mededeelen, wat hem de overste bericht had, toen de colonne zich weder in beweging zette en, zooals steeds na eene stremming het geval is, met verdubbelden spoed narukken moest. Weldra bereikte men de Moskowa; de brug was zoo slecht hersteld, dat men verkoos door den zeer ondiepen vloed te rijden. Bernard bespeurde, dat Rasinski de straten en huizen met eene angstvallige opmerkzaamheid beschouwde, welke toenam, naarmate men de eigenlijke stad meer en meer naderde. Eindelijk kwam men aan den ringmuur, dien ze in haar ganschen omvang insluit.
„Hier worden de straten toch ruimer en de huizen aanzienlijker,” sprak Bernard; „in het verschiet ziet men reeds verscheiden gebouwen, die naar paleizen gelijken. Nu zullen wij toch wel spoedig hare bewoners leeren kennen.”
„Dat juist vrees ik,” sprak Rasinski, zich omwendend, zacht, maar op een bekommerden toon, „zullen wij niet. Naar Regnards berichten moet de gansche stad verlaten en zoo doodsch en stil als het groote kerkhof zijn, dat wij bij den inmarsch voorbijkwamen.”
Deze woorden, die slechts door zijne hem onmiddellijk omringende vrienden gehoord werden, joegen hun een killen schrik aan. „Hoe? Onmogelijk!” riep Jaromir; „dat zou dus een vernieuwden kamp, een hardnekkigen tegenstand aanduiden, zelfs nadat wij tot het hart des rijks zijn doorgedrongen?”
„Dat staat in ieder geval te vreezen. Thans worden vermoedens bevestigd, die mij reeds bij het binnentreden van oud-Rusland duister voor den geest zweefden. Niet de keizer Alexander en zijne legers zullen wij meer te vreezen hebben, niet met hen zullen wij kampen, maar een geheel, onmetelijk volk is het, dat met al de gloeiende woede tegen ons opstaat, welke dweepzuchtige geestdrijverij in de borst van den mensch kan doen ontvlammen. Diep verzonken in onzinnig bijgeloof, in slaafsche onderwerping, zoowel aan hunne priesters als aan hunne vorsten, zal het onmogelijk zijn hen voor eenige overreding toegankelijk, voor eenige verstandelijke overtuiging vatbaar te maken en hun te doen inzien, dat wij niet gekomen zijn, om hunne altaren te vernietigen, hunne kerken te plunderen, hunne steden in asch te leggen. Hier zal niet langer een krijg tusschen twee machten gevoerd worden, waar de beslissing op het slagveld of in den raad der ministers wordt uitgesproken, maar een gansch geslacht vat tegen ons de wapens op, een geslacht, dat ons vervloekt als het uitbraaksel der hel. De mensch is de vijand van den mensch; giftige haat bezielt de borst van den knaap en het hart der vrouw. Dan kent men geen edelen, grootmoedigen kamp der gedachten, der eer, des roems meer, maar alles ontaardt in een afgrijselijk moorden, slachten en worgen, waarbij zege en nederlaag even afschuwelijk en menschonteerend zijn.”
Terwijl hij sprak lichtte een donker vuur uit zijne oogen; het hooge voorhoofd was in ernstige vouwen saamgetrokken en eene diepe smart teekende zich om zijne lippen. Bernard staarde hem met onafgewende oogen aan. Door de schoonheid, den verheven adel van dat mannelijk gelaat vergat hij voor een oogenblik, waarom deze onweerswolken in zoo ernstige majesteit daarover heentogen.—Waarlijk, dacht hij bij zich zelf, de mensch is nooit zoo schoon, dan wanneer eene edele droefheid, uit den diepsten grond des harten opwellende, door de lichte hulsels van oog en gelaat schemert. Daarom vertoonden de ouden ons hunne helden zoo diep ernstig; daarom vinden wij zelfs in hunne goden dien verheven zweem eener zachte droefheid, die de trekken zoo veredelt en opluistert.
Maar de snelle afwisseling der voorwerpen en van de indrukken, die zij teweeg brachten, vergunde geen lang verwijlen der gedachten op eene en dezelfde plaats, vooral daar, waar zij te ver buiten den kring der naastbijzijnde, machtige werkelijkheid rondzweefden.
De breede straten, waardoor men thans voorttrok, wekten eene zonderlinge gewaarwording; zij waren vervuld met het woeste gevoel van den oorlog en toch tevens doodstil, wijl de huizen aan beide zijden als stomme graven oprezen, waaruit zich geen spoor, geen adem des levens liet vernemen; niet eenmaal de rook eens schoorsteens was in het rond te ontdekken. De koepels der hoofdkerken glansden van stralend goud, met groene kransen omhangen; de zuilen der paleizen rezen prachtvol omhoog. Echter scheen de tooi dezer grootsche gebouwen die van een statig opgekleed, ter laatste openlijke beschouwing ten toon gesteld lijk te zijn, zoo doodsch, zoo stom bleef alles. Deze vermenging van de weelderige pracht des levens met de stille, diepe verlatenheid des doods was zoo pijnlijk, dat zij zelfs de borst van den ruwsten soldaat, die nog geen vermoeden van de vreeselijke waarheid had, beklemde.
Reeds twee uren trok men door deze steenen woestenij voort en scheen zich gestadig dieper en dieper in de labyrintische doolgangen te verwarren. Slechts langzaam rukte men voorwaarts, daar de koning, die nog altijd aan de waarheid twijfelde, elk oogenblik een aanval verwachtte en de bezorgdheid nog niet verbannen kon, dat men hem listig tot midden in dit bedriegelijk net van elkander onregelmatig kruisende straten wilde lokken, om hem dan plotseling van alle zijden met het zwaard in de vuist aan te tasten. Daarom zond hij in elke zijstraat sterke troepen uit, die berichten moesten, of de vijand ook ergens in eene hinderlaag loerde. Men vond niemand. Eene akelige stilte heerschte in de onmetelijke stad, waar anders het gewoel der menigte het oor verdooven moest. Slechts de doffe hoefslag der paarden en het kletteren der wapenen werden door de stomme, hooge muren hol en dreigend teruggekaatst. Zoodra de voortgang een oogenblik gestremd werd, breidde zich de stilte als een lijkkleed over de scharen uit; want ook de soldaat was van het beklemmend gevoel diep doordrongen, en schoon hij de hoofdstad des vijands binnentrok, verhief zich geen kreet der overwinning, geen toon van vreugde of gejuich. Ernstig, zwijgend het verwonderd oog op de gebouwen gericht, waarin hij vruchteloos eenig spoor van leven trachtte te ontwaren, hield hij zijn intocht in de veste der oude czaren.
Thans rezen de muren en tinnen van het oude Kremlin boven de hoofden der krijgers statig omhoog. Daar vernam men voor het eerst, als ware het een verkwikkend geluid, een verward gedruisch van stemmen en krijgsgewoel. Het was een troep samengeschoold volk, dat zich in zwart gewemel om een transport wagens verdrong, waarop levensmiddelen en eenige gekwetsten lagen, die men niet tijdig genoeg uit de stad had kunnen vervoeren. Ettelijke kozakken, ter hunner bedekking achtergelaten, stoven op hunne kleine, vlugge rossen in alle richtingen uitéén en waren spoedig in de welbekende straten en stegen verdwenen, zonder door de hun nagezonden kogels beschadigd te worden. Maar in het Kremlin, welks poorten men thans genaderd was, verhief zich plotseling een afgrijselijk gebrul van huilende stemmen. Rasinski was, alleen door Bernard verzeld, bij het vallen der eerste schoten, naar de spits der colonne gesneld, om te zien wat er gebeurde; zelfs zijn mannelijke borst, aan dreigende gevaren, onder welke gedaante zij zich ook vertoonden, sinds lang gewoon, werd door dit afgrijselijk geluid met angst vervuld. Zijn oog volgde de richting, welke zijn oor hem aanwees. Daar ontwaart hij op de muren van het Kremlin een aantal dreigende gestalten, mannen en vrouwen, die den ingang van den heiligen burg der czaren willen verdedigen. Het verwarde, vliegende haar der vrouwen, de verwilderde stekelige baard der mannen, woeste, bloeddorstige gebaren, lompen, gekrijsch, plompe barbaarsche wapens, dit alles voltooit het ijzingwekkende der vertooning. „Hoe? Heeft de hel hare monsterachtigste duivels uitgebraakt, om ons te verschrikken?” roept Rasinski uit en houdt onwillekeurig de teugels in.—„Zijn dat weerwolven of menschen?” vraagt Bernard sidderend. De verwoede schaar verheft opnieuw haar grimmig gehuil, en geweerschoten vallen van de muurtransen in den dichtsten hoop. De koning van Napels wuift met een witten doek, ten teeken van vreedzame onderhandeling, en gelast Rasinski hun te zeggen, dat zij den waanzinnigen, vruchteloozen kamp moeten opgeven, dat men hun geen leed wil doen. Rasinski rijdt voor het front en roept hun in het russisch toe: „Hoort, verneemt woorden des vredes!” maar een gillend gekrijsch, waarbij de razende wijven de borsten slaan en zich de haren uit het hoofd rukken, verscheurt, in stede van antwoord, zijn oor. Eensklaps springt eene vrouw van reusachtige gestalte, wier haarlokken wild om de schouders zwieren, op de uiterste tinne des voorgevels. „Hond! vanéénrijten wil ik u met mijne tanden, als eene hongerige wolvin! Roover, gij zult verscheurd worden, als de jager, die het jong der berin uit het hol sleept. Vloek u, moordenaars onzer mannen en kinderen! Vloek u, verwoesters onzer steden! Driemaal vloek u, duivelsch gebroedsel, dat onze heilige altaren schendt en den Almachtige met vervloekte tongen lastert! Wee zal over u komen, meer dan over de verdoeming in den zwavelpoel der hel! Vloek, vloek, eeuwig vloek!”
Rasinski rilde. De dreigende gestalte was vreeselijk, maar verwekte geen afgrijzen. Wijde, zwartgrijze kleederen omhulden haar, een bloedroode doek, half naar eene muts, half naar een tulband zweemende, was om haar hoofd gewonden. Het grijze haar fladderde in den wind en zwierde om de half ontbloote schouders, haar oog bliksemde en rolde vurig in de diepe holen, den mond had zij tot eene luide vervloeking geopend, de handen hief zij bezwerend ten hemel.
Alle mannelijke kracht bijeenrapend, riep Rasinski nog eenmaal met zijne donderende stem: „Wilt gij de genade versmaden, rampzaligen?”
Een woest gebrul, met dreigende gebaren verzeld, verdoofde zijne woorden, nog eer hij geëindigd had. Door een wenk gaf hij den koning te kennen, dat alles vruchteloos was; deze gaf bevel, de poort te verbrijzelen. De reeds aangespannen artillerie gaf vuur. Drie schoten, welker gedonder door de ledige stad weergalmde, kraakten tegen de deur, die in splinters uit de hengsels sprong. Zoodra zij neerstortte, drong de woedende bende door de geopende bres te voorschijn en wierp zich in dolle razernij op de gelederen der krijgers. Men had hen willen verschoonen, daar zij te weinig in getal waren, om een overmachtigen vijand tot noodeloos bloedvergieten te nopen; maar de waanzinnige verbijstering der ongelukkigen maakte zulks onmogelijk. Als wilde dieren stormden zij op de gehate tegenstanders in en trachtten, van woede schuimbekkend, zoovelen te verdelgen, als zij vermochten. Een razende velde met een boomstam, die naar eene knods geleek, twee Franschen ter aarde en had door een sprong reeds den koning, die, gelijk altijd, een der voorsten bij het gevaar was, bereikt, toen Rasinski ijlings tusschenbeiden vloog en den dolzinnige een sabelhouw toebracht. Doch deze viel vlak, en met al de grimmigheid van een getergden bulhond pakte de half getroffene thans hem aan, sleurde hem met bovenmenschelijke kracht uit den zadel, greep hem bij de keel aan en wierp zich op hem neder. Pijlsnel, als eene toeschietende slang, liet Bernard zich van het paard glijden en trok den tijger, die Rasinski poogde te verworgen, terug. Een fransch officier sprong hem te hulp. Met moeite braken zij den Rus de gespierde armen open, waarmede hij zijne prooi hield vastgeklemd; toen hij deze niet meer roeren konde, knarste hij grimmig met de tanden en poogde den onderliggende daarmede in den strot aan te grijpen. Doch thans had ook Rasinski weder den eenen arm losgewoeld, en toen de woedende naar hem beet, stiet hij hem, daar eene andere verdediging onmogelijk was, met de gebalde vuist zoo geweldig tegen den mond, dat een zwarte stroom van dik bloed daaruit opgulpte en hem borst en aangezicht bevlekte. En toch liet de barbaar nog niet los, maar trotseerde met de ongehoorde spierkracht van zijn ijzersterk lichaam de vereenigde pogingen der drie mannen, tot eindelijk de kogel uit het pistool eens jagers, die hem koelbloedig met op de borst gedrukte tromp door het hart schoot, aan zijn leven een einde maakte.
Rasinski en Bernard waren door dezen kamp geheel verpletterd; het geleek te veel op moord, op een barbaarsch worgen en slachten, om een edel mannelijk hart niet met diep afgrijzen te vervullen. Inmiddels waren de overigen, die nog weerstand boden, deels neergesabeld, deels op de vlucht gejaagd. Het scheen onnoodig hen te vervolgen; men liet hen dus ongehinderd trekken en de koning van Napels zette den marsch verder voort.
Verdubbelde behoedzaamheid bij het doordringen in den dedalischen doolhof van straten werd thans echter noodzakelijker dan ooit. De soldaat, die al deze vorstelijke huizen en paleizen van de bewoners verlaten zag, begon zijne gedachte op den rijken buit te richten, dien hij uit de achtergebleven bezitting hoopte bijeen te schrapen. Enkelen poogden zich hier en daar uit de gelederen te verwijderen, om in de huizen op roof uit te gaan; doch eene strenge bedreiging dreef hen naar hunne plaats terug en ten bewijze, dat ze vervuld zoude worden, schoot een generaal eigenhandig een dragonder neder, die zich in eene dwarsstraat verbergen wilde. Zulks werkte; de menigte onderwierp zich striktelijk aan het bevel. Echter hielden de aanvoerders nog andere maatregelen voor noodzakelijk en zonden, zoodra zij een uitstekend gebouw, dat aan eenige openbare inrichting gewijd scheen, of eene groep aanzienlijke huizen naderden, sterke troepenafdeelingen zijwaarts af, om ze tegen elke aanranding van roofgierige plunderaars te beschermen.
Zoo werd ook aan Rasinski opgedragen, een groot, van den rijkdom des bezitters getuigend paleis, dat in eene breede, overigens slechts met kleine huizen bezette zijstraat gelegen was, te bewaken. Met zijne weinige manschappen en een bataljon jagers, dat hem toegevoegd werd, scheidde hij zich dus van het groote armeekorps af en betrok midden in de stad eene eigene legerplaats. Het paleis en de omliggende huizen nam hij plechtstatig in bezit, en er vertoonde zich geen levende ziel, die hem deze verovering betwistte. Hierop droeg hij aan Boleslaw op, met een genoegzaam aantal manschappen zoodanige voorwerpen, welke tot kleeding en voeding dienen en misschien voorhanden zijn konden, te verzamelen en ze naar billijkheid en behoefte onder de soldaten uit te deelen. Tevens verbood hij streng, zich in de huizen in te kwartieren, eer hij zelf zich van de veiligheid daarvan ten volle overtuigd had, en liet hij posten voor de deuren plaatsen, die met hun leven voor plundering of moedwillige vernieling verantwoordelijk werden gesteld.
De troepen sloegen dus voorloopig een geregeld bivak in de breede, bijna een marktplein gelijkende straat, welke tegenover het paleis lag, op. In dit gebouw nam Rasinski zijn hoofdkwartier en richtte dadelijk een bureau op, waar hij zijne dienstzaken en menigvuldige andere bezigheden behoorlijk regelen konde. Als gewoonlijk namen Lodewijk en Bernard de besturing daarvan op zich.
HOOFDSTUK II.
Het schemerde reeds, toen deze voorloopige aanstalten gemaakt waren. Men bevond zich dus nu in de hoofdstad des vijands, men had haar geheel in bezit genomen, ja meer dan men geloofde, daar alles, wat niet te vervoeren geweest was, den inrukkenden als het ware als erfenis bleef overgelaten. Het paleis, dat Rasinski met zijne beide jonge vrienden had betrokken, was van voorvaderlijken, edelen bouwtrant. De poort, hoog gewelfd, met ijzer sterk beslagen, had men met geweld moeten openbreken; men vond ze van binnen gegrendeld, een bewijs, dat de bewoners òf nog in het gebouw verscholen òf door den tuin ontvlucht moesten zijn. Het laatste hield men voor meest waarschijnlijk. Toen men de beide regelmatige wenteltrappen, die van beide zijden van het breede voorportaal naar de tweede verdieping voerden, was opgeklommen, kwam men in de wijde gangen, die eene reeks van zalen en vertrekken begrensden. Deze getuigden van groote pracht, van zelfs in Rusland niet gewonen rijkdom; echter was, gelijk meubels, spiegels, tapijten en vergulde sieraden duidelijk bewezen, de inrichtingen daarvan ten minste reeds door den vader van den tegenwoordigen bezitter geschied.
In een aan de trap grenzend vertrek richtten de vrienden het bureau op. Uit dat vertrek trad men rechts in eene ruime zaal, waarnaast Rasinski eene kleine, nette kamer tot zijn afzonderlijk gebruik had gekozen; ter linkerzijde hadden Lodewijk en Bernard in twee groote vertrekken hunne legersteden opgeslagen.
Het begon donker te worden; buiten op de straat flikkerden de heldere wachtvuren, waaraan de manschappen bivakeerden. De weerschijn der vlammen speelde tegen de zoldering der nog niet verlichte vertrekken en bracht, met de flauwe avondschemering inéénsmeltende, een zonderling schijnspel teweeg. Rasinski was naar beneden gegaan om de troepen te monsteren en voor hunne behoeften te zorgen. Lodewijk zat alleen in het ruime vertrek, dat hij tot verblijf had gekozen, in een ouden leunstoel gedoken; want Bernard had, naar zijn lievelingsgewoonte, om vreemde groote gebouwen dadelijk in alle richtingen te doorkruisen, eene ontdekkingsreis, zooals hij het noemde, naar de uitgestrekte zijvleugels van het paleis ondernomen.
In het schemerdonker van den herfstelijken avond, bij het spel van den vuurschijn voor de vensters, onder het zacht gemompel van verwijderde stemmen gaf Lodewijk zich ongestoord aan zijne mijmeringen over. De schoone beelden van het verleden zweefden als glansrijke gestalten op den donkeren grond van het tegenwoordige voorbij. Het was het eerste eenzame, rustige uur, dat het gewoel van den oorlog hem, sinds hij de tijding van den dood zijner moeder ontving, vergund had. Eene sombere zwaarmoedigheid maakte zich van zijne ziel meester; het hoofd in de hand geleund, zat hij in herinneringen verzonken en zijn oog dwaalde onbestemd in de hooge, donkere ruimte der zaal om. Zoo bemerkte hij niet, dat Bernard was binnengetreden en, in de half geopende deur staande, hem aandachtig gadesloeg. Deze echter zag door de diepe schemering in Lodewijks oog tranen blinken, waarin zich de flikkerende weerschijn der vlammen spiegelde.
„Zoo in treurige gedachten verzonken, krijgsmakker?” sprak hij hem aan.
„Ha, Bernard, zijt gij het? Ja, wel in treurige gedachten verdiept; hoe kan het ook anders op zulk eene sombere plaats en met eene borst zoo vol herinneringen en smarten als de mijne!”
„Hm, mijn hart is ook juist geen voorraadschuur van vreugde en geluk en wanneer ik mijne herinneringen voor de tooverlantaarn zet, trekt de duivel met zijne grootmoeder aan den wand voorbij. Maar wat de sombere plaats betreft, zoo moet ik u zeggen, dat ze mij ook huivering aanjaagt.”
„Hoezoo?”
„Wij wonen hier niet alléén in huis, daarop zou ik een eed willen doen.”
„Hebt gij gronden voor dat vermoeden?”
„Meer dan een. Ik ging door den langen gang naar den zijvleugel, die op den tuin uitkomt. Terwijl ik zoo aan de eene deur na de andere stoot, die alle op slot of toegegrendeld waren, kom ik eindelijk aan eene die terstond opengaat. Ik treed binnen en voel mij door eene aangename warmte verrast; zulks maakt mij opmerkzaam, ik zie rond en bemerk dat ik in eene soort van keuken sta, waar op den haard nog asch ligt. Ik treed toe, de asch is warm; zelfs vind ik, daar ik haar met de sabel omwoel, nog eene gloeiende kool.”
„De bewoners zullen dezen morgen nog hier geweest zijn.”
„Zoo dacht ik ook; daar hoor ik plotseling onder mij een doffen slag, even alsof iets zwaars op den grond viel. Dat maakt mij huiverig. Ik snel weder naar den gang, ontdek een kleine trap, die naar de onderste verdieping brengt, en vindt daar eveneens een gang, waarop een reeks van vertrekken met gesloten deuren uitkomt. Ik beproef ze te openen, in te trappen; zij zijn, naar het schijnt, stevig toegegrendeld. Ik schreeuw, roep, klop; geen antwoord. Eindelijk wordt mijne keel schor en ik maak rechtsomkeert. Daar ik de kleine trap weer opklim, hoor ik iets ruischen en tegelijk meen ik vrouwelijke voetstappen te vernemen. Als een pijl vlieg ik toe, maar ontdek niets. Overtuigd, dat mijn scherp gehoor mij niet bedrogen heeft, snuffel ik alle hoeken rond. Daar zie ik op den vloer, dicht bij de deur der keuken, waar ik vroeger reeds geweest was, iets wits blinken; ik raap het op en zie, het is dit lint, dat vroeger, daarop wil ik een eed doen, daar niet gelegen had. Ik loer en doorzoek alle kisten en kasten in het rond, om de schoone te ontdekken, die het lint moet verloren hebben, doch te vergeefs. Alles bleef stom en roerloos. Of het nu een goede of kwade geest, eene stamvrouw of misschien wel de beruchte witte burchtvrouw kan geweest zijn, die in de gangen rondspookt, dat wil ik onbeslist laten.”
„Zonderling! Zouden de ongelukkige bewoners zich misschien schuil houden, uit vrees voor mishandeling?”
„Mogelijk! Ik voor mij houd het liever met spoken, verwenschte jonkvrouwen, die op verlossing hopen, ingemuurde nonnen, wier ziel geene rust kan vinden en die in de donkere gangen omdolen. Tegen middernacht moeten wij op de vangst uitgaan; doet gij meê?”
„Als uwe vermoeidheid u niet van gedachte doet veranderen, van harte gaarne,” antwoordde Lodewijk glimlachend.
„Hoe? Zit gij zoo in het donker, vrienden?” klonk plotseling Rasinski's stem. „Het zal tijd zijn, dat wij licht laten aansteken, maar ook vuur, want de herfstavonden zijn koud tusschen de salpeterachtige muren.”
Hij beval zijnen rijknecht, licht te brengen en in de kleine kamer, die hij bewoonde, vuur aan te leggen. Zij was het eenige vertrek, waarin zich eene haardstede bevond, die voor den herfstavond eene meer doelmatige verwarming beloofde, dan de reusachtige kachels in de overige zalen.
„Ik heb zoo even brieven voor mij en u ontvangen,” vervolgde hij; „laat ons samen naar binnen gaan en elkander vertellen, wat de lieve vrienden uit het vaderland ons schrijven. Het is een goed teeken, dat wij den eersten dag van onze aankomst in de hoofdstad zoo aangenaam verrast worden.”
Zij gingen.
Rasinski's bediende had eene lamp aangestoken, die aan de zoldering hing; spoedig vlamde ook het vuur op den breeden haard. Hij gaf Lodewijk twee brieven van verschillenden datum over, die echter gelijktijdig met den veldpost waren aangekomen.
Bernard floot een soldatenlied en morrelde met de tang in het vuur, terwijl de beide anderen lazen. „Men is onuitsprekelijk gelukkig, wanneer men op de wijde wereld geen enkelen correspondent heeft,” mompelde hij; „men behoeft geen port te betalen, niet te antwoorden, ja niet eens te lezen. Het laatste vooral is voor een schilder, die gaarne zijne oogen spaart, een uitstekend groot voordeel.”—Hij floot verder, daar niemand antwoordde, en staarde onafgewend in den gloed.
„Ja, ja, gij zijt gelukkiger dan wij,” riep Lodewijk uit, terwijl hij de hand met den brief zinken liet; „want zulke brieven te ontvangen, daar behoede u de hemel voor!”
„Wat is het? Wat deert haar?” vroeg Bernard, van zijn stoel opspringend.
„Ik kan het vermoeden, na wat mijne zuster mij schrijft,” sprak Rasinski; „het is een helsch schurkenstuk, maar het zal niet gelukken.”
„Zwart als de nacht en giftig als eene adder,” riep Lodewijk buiten zich zelf. „En om mijnentwille moest de hulpelooze dat lijden!”
„Wat dan, wat? In 's duivels naam, spreek toch, wat?” riep Bernard met rollende oogen, daar hij iets van de waarheid vermoedde.
„Lees, lees,” sprak Lodewijk en reikte hem den brief over.
Bernard greep driftig toe en wilde de letters haastig verslinden; doch even ras wierp hij het papier weder op de tafel en riep: „Er staan mij te veel regels op het blad; zij wriemelen door elkander als een gansche hoop vergiftige kruisspinnen. Vertel het mij met twee woorden, ik kan er het venijn niet zoo langzaam uitzuigen.”
„Het is verfoeilijk voor elk, die ooit een mannelijk hart in de borst sloeg,” sprak Rasinski en ging driftig en met groote schreden de kamer op en neder; „de schurken, die u vervolgen, hebben zijne ongelukkige zuster opgespoord; toeval of hunne helsche kunstgrepen brachten het geheim aan den dag....”
„Zij is in de gevangenis?” riep Bernard met donker vlammenden blik.
„Neen dat gelukkig niet; maar schandelijke aanbiedingen heeft de ellendeling haar gedaan en voor het hoofd des broeders...”
„Spreek niet verder, Rasinski!” riep Bernard half bevelend, half smeekend. „Moet de broeder dat tweemaal hooren?” Tegelijk vloog hij op Lodewijk toe en klemde hem met krampachtige onstuimigheid aan zijne hijgende borst. „O, die schuldelooze engel! Lodewijk, wij willen God danken, dat zij gered is; want ik zie het aan uw oog, zij moet het zijn, anders kondt gij hier niet zoo stil staan. Maar nog vaart mij eene rilling door de leden. Goddank, Lodewijk, dat zij gered is!”
Zij hielden elkander opnieuw omsloten. Rasinski legde de hand op hunne schouders en sprak met diepe ontroering: „Ja, wel hebben wij God vurig te danken!”
„Laat mij nu zien, wat de gemartelde heilige u schrijft,” sprak Bernard met eene bevende stem en wond zich uit de armen van den vriend los. Hij nam den brief en zette zich daarmede bij het vuur.
„Hm!” sprak hij kalmer, maar nog met gesmoorde woede in toon en blik, toen hij den brief gelezen had; „dat éene gevaar is gelukkig afgekeerd, maar nog hangt het zwaard boven haar hoofd. Ook boven het onze... maar dat is het minst. Ik moest den ellendeling hier hebben... hij zou een ander liedje hooren!” Na deze woorden ging hij onrustig op en neder.
„Ik heb den tweeden brief nog niet geopend,” sprak Lodewijk; „de eerste had mij te hevig geschokt. Wellicht bevat hij nader bericht. Laat hooren!”
„Dresden den 19 Augustus.
„Beste Broeder!
„Welk een tijd beleven wij! In uren geschiedt meer dan voormaals in jaren! De belangrijkste ontmoetingen van mijn leven dringen zich alle in één punt samen. Wij verlieten Teplitz dadelijk den anderen morgen na het afschuwelijk voorval, dat ik u nog 's avonds vluchtig meldde. (Wees slechts op uwe hoede, lieve!) Dezen nacht brachten wij buiten bij tante door; heden morgen in de vroegte reden wij naar de stad. Op haar sterfbed sprak moeder mij van een geheim; maar de droefheid had mij toen zoozeer overweldigd, dat ik er nauwelijks acht op sloeg; ik meende, dat niets op de wereld voor mij meer belangrijk kon zijn! En toch—maar hoor. Moeder had mij de lade harer schrijftafel, als gewichtige papieren bevattende, aangeduid. O Lodewijk, met welk eene ontroering heb ik deze doorgelezen! Zoodra het langs een zekeren weg mogelijk is, zult gij de volledige bewijsstukken ontvangen; thans geef ik u slechts een uittreksel, zoo breedvoerig, als de korte tijd het mij toelaat. Onze ware naam is niet Rosen, maar vader heette Sternheim en was grondbezitter in Frankenland. De getrouwste vriendschap was zijn ongeluk. In Maart 1793 bezocht hij een der getrouwste vrienden zijner jeugd, Waldheim genaamd, die officier geweest, maar door de Franschen gevangen genomen was en zich in Straatsburg ophield, werwaarts zijne jonge echtgenoote, eene engelachtige vrouw, zooals moeder haar beschrijft, hem gevolgd was. Een Franschman, Rumigny beleedigde de schoone, jeugdige vrouw door eerlooze voorstellen.” Hier hield Lodewijk een oogenblik op, daar Rasinski door de komst van een ordonnans, die hem berichten overbracht, gestoord werd. Op een wenk ging hij echter dadelijk weder voort. „Daar deze natuurlijk met verachting werden afgewezen, nam hij wraak door de zwartste lastertaal. Dit kwam den beleedigden echtgenoot ter oore, die zijne getrouwe gade kende. Hij daagde den lasteraar uit, dwong hem tot een duel; onze vader was getuige. Doch de ellendeling, die zich van verscheiden geleiders voorzien had, deed een verraderlijk schot, dat den ongelukkigen Waldheim in de borst trof. Onze vader was buiten zich zelf; daar echter de wensch, om het leven des vriends wellicht nog te redden, voor het oogenblik de bovenhand kreeg op de met moeite onderdrukte begeerte tot wraak, kon hij den dader niet dadelijk tuchtigen. De vriend gaf na eenige minuten in zijne armen den geest. Vader daagt den moordenaar uit; deze bespot hem. Nu overweldigt hem zijn menschelijk gevoel, hij zoekt den booswicht op, om wraak aan hem te nemen of hem tot een tweegevecht te dwingen. Zijn getrouwe bediende Willhofen vergezelt hem; doch de snoodaard is gewaarschuwd en zoekt hem in het net te lokken. Door beschimpingen weet hij hem tot razernij te brengen; vader dringt met woede op hem in, de degen wordt hem ontwrongen en hij met den trouwen Willhofen naar de gevangenis gesleept. Om zijn offer te zekerder ten verderve te brengen, tracht de verrader hem nu als spion verdacht te maken en beschuldigt hem van misdadige verstandhouding met de vijanden van Frankrijk. Hij wordt naar Parijs gezonden en met de guillotine bedreigd. Willhofen echter, die in al zijne rampspoeden deelt, vindt in den cipier een landsman uit den Elzas. Deze begunstigt hunne vlucht en beiden komen op een hollandsch schip behouden te Havre aan. Van daar schrijft vader dadelijk aan onze lieve moeder al wat gebeurd is, en bezweert haar, terstond met ons naar Hamburg af te reizen, werwaarts hij haar spoedig hoopt te volgen. Zij komt er aan, maar wacht hem te vergeefs. Dagen en weken verstrijken, eindelijk is eene maand voorbij, zonder dat hare doodelijke ongerustheid een einde neemt. Intusschen verneemt zij, dat de, zich reeds toenmaals ver uitstrekkende macht der fransche gezagvoerders haren echtgenoot ook reeds in zijn vaderstad vervolgt en hem, als een voortvluchtigen moordenaar, op het spoor tracht te komen.—Wat behoef ik u alles breedvoerig te schrijven? Vader is nooit teruggekeerd; zijn goed werd verbeurd verklaard en, toen de Franschen Frankenland bezetten, hij zelf eerloos verklaard, daar zijn naam bij de rechtbanken te Parijs op de lijst der landverraders stond aangeteekend. Dit bewoog moeder, den naam Rosen aan te nemen en zich met ons naar Dresden te begeven, waar onze tante, hare zuster, reeds als weduwe woonde.—Nog duizend omstandigheden had ik u te melden, lieve broeder, wanneer het in deze korte oogenblikken mogelijk was, vooral de hartroerende gronden van liefde en bezorgdheid, die, tegelijk met andere gewichtige beweegredenen, onze moeder deden besluiten, hare kinderen van het geheim, dat om het hoofd des vaders zweefde, geheel onkundig te laten. Doch er zal immers nog wel eens een dag komen, dat de zuster hare beklemde borst vrij en ongehinderd in die des broeders kan uitstorten. Thans stormt en dringt alles gelijktijdig op ons aan! Binnen een uur reeds reis ik met de gravin Micielska naar Warschau af, waar ik voor elke vervolging beveiligd zal zijn. O, dat ook gij zulks waart! Maar gij ziet het gevaar van den oorlog vóór u en wordt door zwart verraad in den rug bedreigd! Ach Lodewijk, en gij draagt de wapens voor hen, die uw vader, uw vaderland in zulk eene onuitsprekelijke ellende gedompeld hebben! Ik doe u geen verwijt, lieve broeder, maar kan het ongeluk hooger stijgen, kunnen wij dieper in rampspoed verzinken? Dagelijks zend ik de warmste beden voor u ten hemel, maar ik bid ook uit den grond van mijn hart, dat ons arm vaderland moge verlost worden van het ijzeren juk, waaronder het thans schandelijk gebukt gaat.—Ik moet eindigen,—groet uwe vrienden van mij, den trouwen Bernard, den edelen Rasinski.—O, mochten wij eens andere tijden beleven!
Uwe Maria.”
Verbazing en aandoening hadden Lodewijk bijna verhinderd, den brief ten einde toe door te lezen. Thans eerst bracht hij zich eenige ontmoetingen uit zijne kinderjaren levendig en duidelijk weder voor den geest—want hij telde vijf jaren ten tijde van het rampspoedig voorval—thans eerst, nu zij verklaard werden, rezen de verschillende toespelingen, wenken en woorden, welke hij van de moeder omtrent het lot des vaders gehoord had, als heldere sterren aan den donkeren nachthemel van het verledene voor hem op. Maar hoeveel bleef nog met zwarte wolken en nevelen omsluierd!
Rasinski was vooral door de laatste woorden van den brief getroffen, die eene wonde van zijn hart aanraakten, welke, daar hij zijne smart steeds met mannelijke vastheid in het diepste zijner borst verborgen hield, zelfs door Lodewijk niet vermoed werd. Met gekruiste armen stond hij tegen den marmeren schoorsteen geleund en staarde peinzend voor zich neder.
Op Bernard scheen deze brief den minsten indruk te maken, daar hij zich nog geheel met het in den eersten gemelde voorval bezig hield. Hij zat aan de andere zijde bij het vuur en speelde met zijn ring, dien hij aan den vinger ronddraaide. „In het eerste oogenblik, mijn goede Lodewijk,” begon hij na een lange stilte, „brengt een dergelijk bericht ons in eene hevige ontroering, op den duur echter verflauwt die indruk. Ik geloof aan wonderen in de borst, in het hart en wáárin men wil, maar in het leven zijn zij zeldzaam. Iemand, die sinds twintig jaren verdwenen is, moet onder de dooden geteld worden; om een vader dien wij lang ontbeerden, kan ook de droefheid niet groot zijn. Maar Maria in haren toestand, in den smaad, dien zij dulden, in den angst, dien zij doorstaan moet, is een arm bloedend offerlam!”
„Gij zijt zoo goed, zoo trouw, Bernard,” hervatte Lodewijk; „gij kent het hart uws vriends zoo tot den diepsten grond, en zoudt gij niet begrijpen, dat het hem tot in zijn binnenste schokken moet, te vernemen, dat hij wellicht nog een vader bezit, die zoo onbeschrijfelijk veel geleden heeft en misschien nog lijdt? Waart gij in mijn geval.....”
„En ben ik het dan niet?” stoof Bernard bijna woest op. „Ten minste in een soortgelijk, en daarom weet ik, wat ik er van denken moet. Ik kon misschien nog eene gansche maagschap, vader, moeder, broeders, zusters en al wat er meer toe behoort, opschommelen, maar ik betuig u, dat ik thans zelfs geen enkelen voet zou verzetten voor hen, die mij twintig jaren alleen lieten loopen. Het is wel is waar met u een ander geval, want gij weet, dat uw vader u niet verstooten heeft; gij hebt hem vroeg verloren, en alles, wat gij van hem vernomen hebt, bewijst, dat hij een edel man was! Nu, gij weet, ik ben ook niet van ijzer of steen—maar Maria ligt mij thans nader aan het hart.”
„Gij hebt mij nooit gezegd, dat uwe ouders nog in leven waren,” sprak Lodewijk met de uiterste verbazing.
„Ik vernam het zelf eerst voor twee jaren in Londen, toen mijn pleegvader gestorven was; maar toenmaals had ik geheel andere dingen in hoofd en hart—gij weet het immers—en naderhand heeft de tijd mij tamelijk onverschillig gemaakt. Daar, door dien ring,” hij wierp dien over de tafel aan Lodewijk toe, „kan ik misschien mijne ware ouders terugvinden, en toch had ik hem voor drie maanden zonder de minste zwarigheid voor een zeker iets, dat mij liever was, weggegeven, wanneer ik niet de domste ezel geweest ware, die ooit door de lieve zon beschenen is.”
Daar Rasinski en Lodewijk hem bevreemd en vragend aankeken, vervolgde hij, terwijl de laatste den ring beschouwde: „Mijn pleegvader, dien ik voor mijn werkelijken hield, was een arm dorpspredikant bij Würzburg. Toen ik in mijn tiende jaar redelijk goed begon te teekenen, zond hij mij naar Dresden bij zijn broeder, dien gij gekend hebt. Dat het mij slecht beviel bij dien ouden, strengen ijzegrim, behoef ik u niet te herhalen. Ik rukte mij eindelijk van alle ketenen los en ging op reis. Omstreeks dezen tijd stierf mijn pleegvader, en zijn broeder werd erfgenaam, dat is te zeggen, kon de nagelaten preeken en papieren naar huis halen. Onder deze was er een, dat hij mij dadelijk overzond en waarop de overledene met eigen hand ongeveer het volgende geschreven had: „Op een avond, dat ik reeds te bed was, werd er herhaalde malen driftig aan de huisdeur gescheld. De meid opende; eene vijfjarige knaap, die zelf den knop der schel niet had kunnen bereiken,—dat was mijn persoon—stond op de stoep en hield een aan mij gerichten brief in de hand. Ik brak dien open en vond eene aanwijzing van twee duizend gulden op een frankforter bankier, die men te mijner beschikking stelde, onder voorwaarde, dat ik het kind, dat ze overbracht, zoude opvoeden. Men kende mij als een eerlijk mensch, die van het in mij gestelde vertrouwen geen misbruik zou maken, en wilde, na verloop van tijd, verder voor den knaap zorgen. Ik heb mijn plicht naar mijn beste weten vervuld, schoon de spoedig daaropvolgende oorlog mij de som, die ik met het kind ontvangen had, voor altijd deed verliezen. Zijn aanleg tot teekenen deed mij besluiten, hem naar mijn broeder te Dresden te zenden. Het linnen was met eene B gemerkt, weshalve ik hem Bernard noemde. Dit en een gouden trouwring, dien wij later toevallig in zijn kleedje ingenaaid vonden, en waarin de letters B. W. staan, zijn de eenige teekens, door welke hij zijne ware ouders misschien nog eens kan opsporen.” Dit geschrift en den ring deed mijn oom, of hoe ik hem noemen moet, mij in Londen toekomen, met aanmaning om nu zelf dáár of in Duitschland naar mijne ouders onderzoek te doen. Verder bleef mij ook niets over, want, gelijk gij weet, stierf de goede man voor twee jaren zoo onverwachts, dat mijn antwoord hem niet eens meer in leven vond.—Dus zijn wij in hetzelfde geval; maar ik betuig u, Lodewijk, dat ik geen vinger heb uitgestoken om eene ontdekking te doen. Wat doe ik met ouders, die zich mijn leven lang niet om mij bekommerd hebben? Rijk of arm, voornaam of gering, 't is mij alles om 't even; liefde hebben zij toch nooit voor mij gevoeld. Met u is dat anders, maar ook op verre na onwaarschijnlijker—want welk verstandige rekent ooit op het groote lot in de loterij? In uw geval zou ik slechts den schurk Romanay, of hoe heet de schoft, op het spoor zien te komen, om hem bij gelegenheid den nek om te draaien. Maar uw vader—twintig jaren spoorloos verdwenen, is dood.....”
„Neen Bernard!” riep Lodewijk, „dat laat mijn gevoel zich niet opdringen. Ik hoop, ik wil, moet hopen, dat ik mijn vader weervinden en hem wellicht nog vreugde en levensgeluk bereiden zal. O, die liefde is sterker dan de zucht, om mij aan een ellendige te wreken, dien de hand der vergelding mogelijk nu reeds achterhaald heeft. Neen, ik hoop nog!”
„Dat zal acht dagen duren; de eerstvolgende maanden komt het nu en dan nog eens bij u op, maar wanneer eindelijk jaren verloopen zijn en alles blijft gelijk het is, dan zult gij zien, dat zulk eene zwakke hoop vanzelve uitgaat, als eene vlam zonder brandstof.”
„Het is waar, ik ben naar het schijnt bestemd, om mijne dierbaarste verwachtingen aan bijna onzichtbare draden te zien vastgeknoopt, en men kon het mij vergeven, wanneer ik wanhoopte, door hen den uitweg uit den donkeren doolhof van mijn lot te vinden.”
Rasinski had intusschen den ring opgenomen en aandachtig beschouwd. „Hm!—Welke letters zeidet gij, dat in den ring stonden?” wendde hij zich vragend tot Bernard.
„B. W.” antwoordde deze.
„Ja,” sprak Rasinski, niet zonder eenigen berispenden nadruk, „wanneer men zulke fijne draden slechts onoplettend beschouwt, dan is het zeker onmogelijk, die te vervolgen en, zooals Lodewijk zeide, door hen geleid, den uitweg uit den doolhof te vinden. Ik lees niet B. W., maar zeer duidelijk L. W. in dezen ring.”
„Onmogelijk!” riep Bernard, greep haastig naar den ring en hield hem tegen het licht. „Dat is een goochelspel der hel!” stamelde hij doodsbleek uit. „In mijn ring stond B. W., of ik wil eeuwig verdoemd zijn. Drijft gij den spot met mij?” stoof hij woest tegen Rasinski op.
„Hoe komt gij bij die gedachte!” sprak deze en stond verwonderd van zijn stoel op; ook Lodewijk staarde den vriend met angstige bevreemding aan. In zijne trekken was eene ontroering te lezen, zooals hij nooit bij hem bespeurd had; hij scheen zijne bezinning verloren te hebben en staroogde met verwilderde blikken op den ring.
Plotseling barstte hij in een lach uit, die de vrienden deed rillen. „Het is niets, zeg ik, niets. Een der potsierlijkste meesterstukken van het toeval, dat echter iemand in het dolhuis kon brengen! Ik geloof, het noodlot wil zich aan mij wreken. Ik geloofde niet aan zijne wonderen in dit nuchtere leven, nu toont het, wat het kan, en steekt honend den draak met mij—maar toch bijna te gruwzaam! O,” hij drukte zich de vuist voor het voorhoofd, „dat iemand mij slechts deze enkele maal zeggen kon, of de grijnzende spoken van een droom mij kwellen, dan of de werkelijkheid mij dat honend masker voorhoudt. Pakt mij toch aan, in 's duivels naam, en schudt mij wakker, als de nachtmerrie mij het hart wil indrukken!”
„Bernard, beste Bernard,” sprak Lodewijk hem toe en greep zijne hand, „wat deert u? Bedaar, kom tot u zelf, zeg ons, wat u zoo vreeselijk geschokt heeft.”
Als iemand, die uit de bewustelooze vlagen eener zenuwkoorts in het leven terugkeert en nu, doodelijk afgemat, nauw de oogleden kan openhouden, zeeg Bernard thans aan de borst des vriends neder en ware gevallen, wanneer Rasinski hem niet ondersteund had. „Laat mij alleen, vrienden!” stamelde hij. „Gij hebt mij lief, het moet u even zoo treffen. Waarom zou ik meer dan ééne borst verscheuren?—En wanneer alles een louter spel was! Een niets, een minder dan niets, dat mijn hart zoo vreeselijk pijnigt!—Thans weet ik, dat er ook buiten de werkelijkheid dingen zijn, waartegen de mannelijke borst niet bestand is, dat men aan folterende droomen sterven kan.”
HOOFDSTUK III.
Jaromir en Boleslaw waren op dezen eersten avond in Moskou van hunne vrienden gescheiden, daar hunne tegenwoordigheid bij de troepen volstrekt noodzakelijk was. Toen echter de bivaksvuren vlamden en de soldaat behoorlijk verzorgd en van spijs en drank genoegzaam voorzien was, konden de wachthebbende officieren zich wel beurtelings voor eenigen tijd van hunne posten verwijderen en zich door hunne kameraden daarop laten vervangen. Dit deed ook Jaromir. Bij zijne frissche, levendige geaardheid, bij zijne jeugdige, nog voor alle indrukken des levens vatbare gevoeligheid, was, hoeveel hij ook reeds beleefd, gezien en ondervonden mocht hebben, de intrede in eene nieuwe, beroemde hoofdstad eene gebeurtenis voor hem, die zijne belangstelling en nieuwsgierigheid in eene hooge mate gaande maakte. Met verbazing had hij de paleizen, de lange onafzienbare straten en ruime pleinen aangestaard; het Kremlin met de hooge koepels, torens en tinnen had op zijne ziel den indruk van een tooverslot uit de wonderwereld der feeën gemaakt. Hij had lust om door de straten te dwalen, de bivakken der kameraden te bezoeken, met hen te keuvelen en te schertsen, in één woord, om na de langdurige inspanning eens vrij en frank de vreugde van den ongestoorden lediggang te genieten. Boleslaw bespeurde dit en met zijne gewone welwillendheid bood hij hem, zonder eerst een verzoek af te wachten, aan, den dienst van hem over te nemen. Met twee officieren van het bataljon infanterie, dat Rasinski voor het oogenblik was toegevoegd, drentelde hij, toen het reeds begon te schemeren, arm in arm de straat op, om eene wandeling door de stad te doen.
„Hier op deze beide torens met hunne gouden koepels moeten wij het oog houden,” zeide hij tot zijne geleiders, „zij kunnen ons, al wordt het ook donker, weer terecht wijzen, want in den getakten knop spiegelen onze vuren zich helder genoeg af, om hem zelfs in den nacht uit de verte te zien blinken.”
Lebrun en Lacoste, zoo heetten zijne makkers, waren even als hij zelf in de lustigste stemming. „Marlborough s'en va en guerre,” neurde Lebrun, zich luchtig den knevel opstrijkende, en de beide anderen bleven niet in gebreke, hem met hunne stemmen in koor te ondersteunen.
Na eenige straten, waarin hun eene batterij zware artillerie te gemoet kwam, te hebben doorgeslenterd, kwamen zij aan het Kremlin. Hier waren groote bivakken opgeslagen. Der jonge garde was het plein ter legerplaats aangewezen.
Lange rijen van geweerrotten flonkerden prachtig in den weerschijn der vuren, die men ter zijde van de straat had aangelegd. Daar de soldaat steeds gewoon is, zijne legerplaats zooveel mogelijk te versieren, had men ook hier voor elk bataljon eene piramide van trommels en adelaren opgericht. Aan de uitgangen der verschillende kruisstraten stonden de kanonnen opgesteld; zij waren afgespannen, de brandende lonten stonden in den grond geplant. Om de lieden te vervroolijken, hoorde men van verschillende zijden een krijgszuchtige veldmuziek; doch slechts weinigen hadden kracht genoeg of waren in eene luim, om aan een luchtigen dans naar de geliefkoosde française of gavotte de rust op de met stroo bedekte straatsteenen op te offeren. Over het geheel leverde het leger wel eene levendige, maar niet die vroolijke vertooning op, welke zulk een krijgszuchtige nomadenstad anders, vooral na dagen van zege en overwinning, den toeschouwer pleegt aan te bieden. De kleeding der meeste soldaten was gescheurd, met bloed en kruit bevlekt; zelfs de garde maakte daarop geene uitzondering, ofschoon zij bij Borodino geen deel aan het gevecht genomen had. Later toch, toen Kutusow nogmaals eene verschanste stelling bij Krymskoïe, drie uren vóór Moskou, aannam, had ook zij zich eervol van haar plicht gekweten.—Hier en daar hoorde men een lustig liedje aanheffen, doch meerendeels lagen de baardige krijgers in hunne mantels gewikkeld aan de vuren en sliepen of staarden geeuwend in de vlammen, waarop hunne dampende kookketels stonden.
„Laat ons daar de kaai eens opwandelen, waar al die prachtige huizen staan,” sprak Jaromir.
Ook hier lagen soldaten; het was de oude garde. Bij deze anders aan zoo strenge tucht gewone troepen heerschte thans weinig orde. Men had de deuren der huizen opengebroken en zich van de ruime voorportalen meester gemaakt; de officieren lagen op de bovenverdiepingen uit de vensters. De soldaten sleepten hout en stroo aan; anderen droegen beddenspreien, kussens en tapijten naar beneden, om zich een gemakkelijk leger te spreiden, want de soldaat was de vroolijke erfgenaam der gevluchte bezitters.—Het bivak kreeg door deze stoffeering een bont, bijna oostersch aanzien, te meer, daar juist eenige lijfmammelukken des keizers zich met lange pijpen in den mond op een prachtig geborduurd tapijt en hemelsblauwe, in een naburig paleis gevonden kussens hadden neergevlijd.
„Hm! gij zijt hier wel op uw gemak,” sprak Lacoste; „nu, geen wonder! de garde moet altoos een streepje vóór hebben. Het is vrij onzeker, of gij het bivak in huis, dan de huizen in het bivak gedragen hebt. Waarom gaat gij niet liever binnen op de ledikanten liggen?”
„Er is order om te bivakeeren, heer kapitein,” antwoordde een grenadier met blinkend zwarten knevel; „maar dat zal, naar alle verwachting, niet lang duren. Als de nacht zoo schoon is, als nu, kan men het zich nog licht getroosten.”
„Zoo schoon? Mij dunkt de wind zal koel genoeg blazen,” merkte Jaromir op.
„Als hij de vuren maar niet uitblaast,” riep de knevel glimlachend, „laat hem dan vrij zijn gang gaan.”
„Zeg liever, als hij ze maar niet aanblaast,” hernam Lebrun. „Uw bivak, vriend, is niet het geregeldste van die ik tusschen den Ebro en hier gezien heb. 's Nachts, als alles slaapt en de vuurwachten knikkebollen, kan het stroo onder uw lijf in brand vliegen bij zulk een verduiveld verwarde huishouding.”
„Waarachtig!” riep Jaromir, „het zou wat fraais zijn, als gij de winterkwartieren boven uw hoofd in brand staakt; maar het schijnt er volkomen op toegelegd. Zie eens, hooi en stroo zijn van het vuur tot aan de huisdeuren gestrooid, alsof gij met een kruitslang een artilleriepark woudt in de lucht doen springen.”
„Pah! stroo is geen kruit. Wat licht brandt, is licht gedoofd!” antwoordde de grenadier.
„Niet altijd,” hernam Lacoste; „uw bivak wil ik met eene sigaar in brand steken, maar het zou u moeielijk vallen, in gansch Moskou water genoeg bijeen te halen om het uit te blusschen.”
„Wij zullen het wat voorzichtiger aanleggen, heer kapitein,” sprak de grenadier, zich buigend, terwijl de officieren hun weg voortzetten.
„Het verwondert mij toch, dat zoo iets wordt toegelaten,” meende Jaromir, „het is inderdaad gevaarlijk.”
„Zeker is het,” antwoordde Lacoste, de schouders ophalend; „maar bij zijne geliefde garde ziet de keizer veel door de vingers. Hij steunt er op, dat het enkel veteranen zijn, die met krijg en krijgstucht bekend en van de noodzakelijkheid der laatste zoo overtuigd zijn, dat zij vanzelf doen wat goed is. Dat is ook wezenlijk het geval op marsch, in het leger en in den slag; maar, gij weet het, is de tijd om uit te rusten eens voor den soldaat gekomen, dan is het onmogelijk hem tot werken te bewegen. Zoolang hij aan den gang is, gaat het, men kan hem opladen, wat zijne schouders kunnen dragen; strekt hij zich echter eens moe en mat op het bivak neer, vooral zooals nu in eene veroverde hoofdstad, dan mag gebeuren, wat wil, hij stoort zich aan niets. Nu, men moet ook iets aan het geluk en aan den goeden hemel overlaten, wanneer alles, wat hier op de wereld gevaarlijk is, op zijn ergst uitviel, dan mocht de henker soldaat zijn. Onze grootste troost zijn immers de kogels die niet treffen.”
Al pratende was men verder gewandeld; geen schrede, die niet een beeld voor de hand eens bekwamen schilders aanbood. Hier een oud krijgsman, die sliep, als zou hij nooit weer ontwaken, en niet bespeurde, dat zijne zolen reeds aan het vuur verzengden, zoodat Jaromir hem meêlijdend ter zijde schoof, om den armen duivel den volgenden dag niet geheel blootsvoets te laten loopen. Dáár eene marketentster, die door een zwerm lustige soldaten omgeven en vrouwelijke geslepenheid met trots op de nauwgezette eerlijkheid van haar handel parende, allen gelijkelijk wist tevreden te stellen. Verderop spelen, plagerijen, liederen, dansen. Een weinig ter zijde eene groep genoegelijk keuvelende en snappende ouden, die meer litteekens dan haren op de kale schedels omdroegen. Eene zieke, die mistroostig, met omwonden hoofd, in de kapot gewikkeld in het stroo dook. Een pijper, die zich in eene schilderachtige houding als sansculotte op zijn ransel had gezet, terwijl hij als zijn eigen kleermaker zijn eenige broek opflikte. Zelfs eene moeder met een tweejarigen knaap zag men, aan het vuur zittende, met het kind stoeien en dartelen. Dat was het eenige zoete loon voor eene trouw en eene liefde, welke haar den moed hadden gegeven, deze onmetelijke, met bloed besmette wildernissen te doorwandelen.
Terwijl Jaromir zich door een dichten hoop soldaten den weg trachtte te banen, die elkander om een met rijst beladen wagen, waarvan zij hun rantsoen zouden ontvangen, verdrongen, voelde hij iemand aan zijne jasslip trekken. Hij zag op; het was een sierlijk gekleed jockey, een knaap, naar het scheen, van ruim vijftien jaren, wiens aanwezigheid in het leger opzien moest wekken. Een engelsche hoed met breed omslaande randen en zwarten vederbos, versierde het hoofd en bedekte ten halve de gelaatstrekken.
„Wat wilt gij, mijn jongen?” vroeg Jaromir verwonderd.
De kleine boog zich een weinig, als beschaamd, en fluisterde: „Ik moet u verzoeken, mij te volgen!”
Jaromirs verbazing nam toe, toen hij den schoonen knaap opmerkzamer aanzag, de schemering, het roodachtig schijnsel der wachtvuren en de diepe slagschaduw van den hoed verleenden het gezicht eene eigenaardige, romantische bekoorlijkheid.—De trekken deden levendige herinneringen bij hem oprijzen, welke hij echter op geen bepaald voorwerp wist te huis te brengen; evenwel hield hij zich overtuigd, dat hij den knaap reeds vroeger ergens moest gezien hebben.
„Volgen?” vroeg hij; „gaarne; maar waarheen?”
„Slechts mij na,” sprak de kleine, zich ras omwendende, terwijl hij uit het gedrang zocht te ontkomen. Jaromir, hoogst verrast en gespannen, ijlde hem na, bevreesd hem in al het gewoel uit het oog te zullen verliezen.
IJlings voortgaande sloeg de vlugge geleider eene donkere, smalle zijstraat in, door welke zij spoedig op een open plein uitkwamen. Daar stond plotseling het Kremlin met zijn in de diepe schemering zwart en reusachtig opwaarts stijgende torens en muren vóór hen; door het laatste avondlicht beschenen, blonk het gulden kruis des heiligen Iwans op de spits der hoofdkerk en scheen zich in het blauw des hemels te verliezen. Ofschoon Jaromir door de zeldzame ontmoeting zeer gespannen en met gedachten en vermoedens vervuld was, die hem van wat hem omgaf onwillekeurig aftrokken, zoo maakte toch dit onverwachte, grootsche schouwspel een machtigen indruk op zijne jeugdige ziel. Als aan den grond gekluisterd bleef hij roerloos staan en staarde naar de hoogte. Zijn gids echter, die hem steeds eenige schreden was vooruitgebleven, zag steeds aandrijvend naar hem om en wenkte met de hand, dat hij niet zou dralen. Zij kwamen aan den voorhof van een prachtig paleis; de knaap snelde de breede marmertrappen op, trad in het portaal en wachtte, of Jaromir hem volgde. Nu greep hij diens hand en zeide: „Hier moet ik u omzichtiger leiden, want in de donkere zuilengangen zoudt gij verdwalen.”
Inderdaad was de wijde voorhal des huizes door eene kleine lamp, die bij een boogvenster op eene marmeren tafel stond, zoo goed als niet verlicht. Ternauwernood kon men de breede trap, die naar de bovenverdiepingen voerde, onderscheiden. Jaromir aarzelde; zou hij verder volgen, in de vreemde stad, in het ledige huis?—Hij was niet vreesachtig en toch wankelde hij in zijn besluit, om zich geheel aan zijn onbekenden geleider toe te vertrouwen.
„Halt, mijn jongen,” sprak hij, „niet verder eer gij mij zegt waarheen.”
„Een Pool, een soldaat, en vrees?” fluisterde de knaap bijna spotachtig.
Dit antwoord verdroot den moedigen jongeling. „Vrees?” riep hij; „beeldt gij zelf u misschien ook in, mij bevreesd te maken, kleine? Vooruit dan, in 's hemels naam, maar gij blijft mij borg voor al, wat mij bejegent.”
De knaap antwoordde niet, maar Jaromir reikte zijne hand toe, die haar zoo krachtig vastklemde, dat de kleine geleider hem niet ontkomen kon; hierop trok hij zijne sabel en riep: „Voorwaarts nu, waarheen gij wilt.”
De zwijgende gids leidde hem de trap op, opende, op een bovengang gekomen, eene kleine deur en voerde hem vervolgens door eene lange reeks van, naar het scheen, ledig staande vertrekken, waarin eene zwarte duisternis alle voorwerpen omsluierd hield.
Nog eenmaal traden zij door eene deur; de knaap wierp die achter zich in het slot, wrong door eene onverhoedsche wending zijne kleine hand uit die van Jaromir los, verdween in het duister en riep hem nog slechts met eene welluidende zilverstem de woorden toe: „Wacht hier een oogenblik!”
Jaromir wilde naar den vluchteling grijpen en tastte met uitgestrekte armen om zich heen, maar het toeslaan eener tweede deur bewees hem, dat zulks te laat en de vlugge page ontkomen was.
Alléén in den stikdonkeren nacht, klopte Jaromirs hart met hoorbare slagen; hij trachtte de deur, waardoor hij was ingetreden, te openen; maar zij moest een springslot hebben, althans zijne pogingen waren vruchteloos.
„Zou de vijand mij hier in eene hinderlaag gelokt hebben?” dacht hij bij zich zelf. „Doch wat reden kon hij hebben, om juist u onder zoovele duizenden tot prooi uit te kiezen? En hoe toevallig stiet men op u! Er waren wel belangrijker levens in het leger te vinden, wanneer de vijand het daarop toelegde. Maar wat ter wereld kan men met mij voorhebben? Waartoe die geheimzinnigheid?”
Door dergelijke gedachten verontrust, trad hij aan het venster, dat met dichte, zijden voorhangsels gesloten, zich door eene smalle lichtstreep kenbaar maakte. Hij schoof de gordijnen open; het vertrek zag uit op een tuin; achter dien tuin werd men door het schemerdonker de, door de vlammen der bivaksvuren bestraalde, beide torenspitsen gewaar, welke Jaromir tot leidsterren op zijne wandeling hadden moeten dienen. Bedroog hij zich niet ten eenenmale, dan moest hij door den tuin op den naasten weg naar de zijnen uitkomen. Hij herinnerde zich tevens, in de straat, waarin zijn regiment gelegerd was, een tamelijk langen tuinmuur en daarin een kleine achterpoort te hebben gezien. Met de gevatheid van een soldaat, wist hij deze omstandigheden der plaatselijke gesteldheid dadelijk met elkander in verband te brengen en hield zich nu volkomen verzekerd, dat hij, eerst in den tuin zijnde, ook den muur bereiken en vandaar de hulp zijner kameraden inroepen kon. In zijne gedachten ontwierp hij reeds het plan tot een terugtocht, ingeval het tot het uiterste komen en zijn leven bedreigd worden mocht. Hoe in den tuin te geraken, was slechts de zwarigheid, want het venster was hoog en een sprong uiterst gewaagd. Daar kwam hem het toeval te hulp; hij hoorde plotseling in zijne nabijheid eene deur in hare hengsels kraken. Op het geluid afgaande, ontdekte hij eene kleine deur in het behangsel, die, slecht toegemaakt door den wind heen en weder bewogen werd; hij opende die en stond in een gang, welks venster op den tuin uitkwam. Daar het door geen gordijn gesloten was, liet het genoegzaam licht door, om de plaatselijke gesteldheid verder te onderzoeken, en reeds na eenige oogenblikken vond de jongeling een kleine trap, die, tot zijne vreugde en geruststelling, naar den tuin afdaalde en beneden niet gesloten was. Hij stond nu aan den uitgang en was heer zijner vrijheid, doch een gevoel van schaamte en eerzucht dreef hem weder naar boven; tevreden, dat hij zich van een vrijen aftocht kon verzekerd houden, besloot hij, het avontuur stoutmoedig te bestaan.—Juist had hij het duistere vertrek weder bereikt, toen de deur, waardoor zijn geleider verdwenen was, geopend werd en een zacht lichtschijnsel hem in de oogen blonk. Eene vrouwelijke, in witte kleeding en sluiers gewikkelde gedaante zweefde hem te gemoet; zij hield eene, door een mat geslepen glas bedekte lamp van antieken vorm in de hand. Jaromir, die zich op een vijand, althans op eene ernstige, zoo niet gevaarlijke ontmoeting had voorbereid, was uiterst verbaasd. Met zichtbare verwarring boog hij zich; doch de vreemde zette de lamp op de marmeren tafel, trad op hem toe en vroeg, zonder echter den sluier op te lichten, met eene liefelijke, hem hoogst bekend voorkomende stem: „Raadt gij niet, wie voor u staat?”
„Bij den hemel, neen!” riep de jongeling; „maar kennen moet ik u!”
„Gij hebt geen trouw geheugen,” hervatte de onbekende, „en ik herkende u toch te midden van het gewoel, en mijn hart sloeg ruimer, wijl ik een vriend en beschermer hoopte te vinden. Maar ik moet u toch smeeken, dat voor mij te zijn!” Met deze woorden sloeg zij de sluier op en zag beschaamd voor zich neder. De schemering, die in het vertrek heerschte, bedekte hare van het licht afgekeerde gelaatstrekken. Jaromir tot het uiterste gespannen, greep driftig hare hand en trok haar nader bij de lamp. Zij bood slechts flauwen wederstand, maar neigde met vrouwelijke schaamte het hoofd op den vollen boezem.
„Alisette! Gij?” riep hij buiten zich zelf van verbazing. „Hoe is het mogelijk, dat gij hier komt!”
Zij sloeg haar schoon blauw oog, dat in vochtigen glans schemerde, biddend tot hem op en sprak met eene bevende stem: „Ach, voorzeker is het mij zelve onbegrijpelijk; maar er zijn tijden en omstandigheden, welke ook ons vrouwen in de zonderlingste en ongewoonste betrekking plaatsen. O, ik gevoel diep”, ging zij met neergeslagen oogen voort, „hoe vijandig de schijn is, die op mij vallen moet, nu gij mij hier aantreft! Doch wist gij....”
„Ik zweer u,” riep Jaromir vurig uit, „dat mijn hart niet in staat is, eenigen onwaardigen argwaan te voeden!”
„O gij edele vriend,” snikte Alisette, greep zijne hand en drukte ze met warmte. Hierop zonk zij vermoeid en uitgeput op de sofa neder en verborg haar lokkig hoofd in het zijden kussen. Zij scheen in stilte te weenen. Jaromir stond voor haar en beschouwde het schoone meisje met een kloppend hart. Het hoofd rustte op den vollen, licht verhulden arm, de haren wierpen hunne schaduw op wangen en nek; de rechterhand hing achteloos neder. Zacht zette hij zich naast haar, nam hare hand en sprak met waarlijk medelijdende aandoening: „Bedaar, arm meisje! Gij zult een vriend in mij vinden.”
Zij richtte zich langzaam op. „Ach,” zuchtte zij, „wanneer het tafereel van mijn leven zoo met recht levendige kleuren voor mijn geest staat, dan begeven mij de krachten. Schenk gij mij slechts vergiffenis!—Maar hooren moet gij, welke lotswisselingen mij herwaarts voeren. Beantwoord mij echter eerst deze ééne vraag: Herkendet gij mij niet vroeger?”
„U? Wanneer?” vroeg Jaromir verwonderd.
„Gij zoudt mij niet in de mannelijke kleeding herkend hebben!”
„Onmogelijk! Gij zelve waart de sierlijke, schelmsche bode? Nu begrijp ik de duistere wenken der herinnering.....”
„De schelmsche bode!” viel Alisette hem met een bitteren nadruk in de rede. „O wanneer gij wist, wat het mij gekost heeft, die rol vol te houden. Maar ik heb op het tooneel gestaan, waar ik vaak met een verscheurd, bloedend hart een lachend gelaat moest vertoonen!—Doch, wilt gij mij aanhooren? Zal mijn verhaal u niet vermoeien? Zult gij mij uw raad en bijstand niet ontzeggen?”
„Een ellendeling zou ik zijn, indien ik niet bereid ware, alles voor u te doen!” riep Jaromir, drukte hare zachte hand, die nog immer in de zijne rustte, aan zijne lippen en bedekte ze met gloeiende kussen. Alisette belette dit niet en drukte haar doek voor de schoone, weenende oogen.
„Nu, verhaal dan, verhaal mij alles,” bad Jaromir; „droog die bittere tranen, want gij hebt een vriend, een broeder gevonden.”
„En ik wil mij aan u vertrouwen, als aan een broeder,” hervatte het meisje en drukte liefderijk zijne hand. „Gij weet wellicht niet, dat ik een afschuw van mijn stand heb? Waarom—behoeft eene vrouw, een meisje u niet te verklaren. Maar de dringende nood, de zorg voor het eenig overgebleven kind eener boven alles geliefde zuster, die ik in Engeland verloor, drongen mij, in deze rampzalige betrekking te blijven. Mijn talent, dat ik slechts tot eene vrijwillige veraangenaming des levens voor mij en anderen bestemd waande, moest onder den drukkenden slaafschen plicht, om voor het dagelijksche onderhoud te zorgen, buigen. De treurige omstandigheden, die mij het eerst deze akelige baan deden inslaan, behoef ik u niet op te geven. In Warschau vondt gij mij daarop; de uren, in het huis der gravin gesleten, de vluchtige dagen, dat ik u daar aantrof, waren de schoonste mijns levens. Gaarne ware ik daar gebleven, maar de verfoeielijke aanbiedingen eens mans in wiens hand daar mijn gansche lot berustte, dwongen mij, spoedig na u, eenige dagen nadat de gravin was afgereisd, de stad te verlaten, waar ik zooveel goeds had genoten, waar echter eensklaps al diegenen, welke mij vriendschap hadden betoond, als door een ruwen storm naar alle wereldstreken waren uiteengestoven. Zonder raad of hulp, bleef mij niets over, dan den naasten tak aan te grijpen, dien ik in mijne schipbreuk ontdekte. Een tooneeldirecteur, die op de macht en het geluk des keizers het onbepaaldste vertrouwen stelde, beijverde zich, leden voor eene fransche opera aan te werven, door welke hij het winterverblijf in Rusland voor het leger dacht te veraangenamen. In den beginne heette het, de keizer zou te Witepsk blijven; derwaarts volgde hem de nieuwe beschikker van mijn lot. Ik waagde mij te midden van het gewoel des oorlogs; zonder vrees, durf ik zeggen, want ik ben aan de stormen des levens gewoon en uitwendig gevaar verschrikt mij niet meer. Maar nauwelijks waren wij te Witepsk aangekomen, of de keizer brak van daar op en de stad werd zoo ledig en eenzaam als vroeger. Ten einde de groote onkosten, welke hij reeds had gemaakt, niet geheel te verliezen, besloot de ondernemer het leger te volgen. Hij hield zich stellig overtuigd, dat de keizer weldra te Moskou zijn zoude, en zocht ons daardoor te overreden, hem verder te volgen. Echter zou ik zeker naar Duitschland of Polen zijn teruggekeerd, maar.....” Zij scheen een oogenblik huiverig om voort te gaan. „Doch waarom zoude ik mij de bekentenis schamen,” vervolgde zij blozend, „het ontbrak mij daartoe aan geld.”
„O, waarom zocht gij mij, waarom den graaf Rasinski niet op! Wij stonden immers dicht bij de stad en ik zelf kwam er dagelijks.”
„Ach, had ik u gezien, ik zou misschien den moed gehad hebben, tot u zulk eene bede te richten; maar tegenover anderen hield eene onoverwinnelijke schaamte mij borst en lippen toegeklemd. Ook zag ik den graaf slechts eens op zijn prachtigen schimmel voorbijrijden; ik stond aan het venster, doch hij bemerkte mij niet.”
„De onmogelijkheid van het terugkeeren,” vervolgde het schoone meisje na eenig stilzwijgen, „dreef mij verder en verder in de akelige wildernis voort. Slechts voor de dagelijksche, dringende behoeften zorgde de ondernemer; voor het overige beloofde hij ons gouden bergen van Moskou, wellicht alleen, om elken anderen uitweg voor ons af te sluiten. De nabijheid der armee, de vaak voor mijn gevoel stuitende nachtverblijven, het gestadige, niet te vermijden verkeer met mannen deden mij besluiten, de mannelijke kleeding aan te nemen. Voor een groot voorrecht mag ik het houden, dat het mij gelukte, eene plaats op den bagagewagen van een generaal te krijgen, want ik ging nu voor een zijner bedienden door en de reis werd mij oneindig minder bezwaarlijk. Wij kwamen eenige dagen na den slag door het nog smeulende Smolensko. Hier wierp ik voor het eerst een blik op de gruwelen van den oorlog. Door afgrijzen versteend, bevend en half bewusteloos reed ik over den bloedigen weg voort, dien men door puin en lijken had gebaand, en zag aan beide zijden half verbrande lijken en zwarte menschenbeenderen opeengestapeld. Ik moest eindelijk het oog sluiten voor deze hartverscheurende beelden. Maar zij vernieuwden zich dagelijks. Misschien zag ik afgrijselijker tooneelen dan gij zelf; want gij snelt op de baan des roems rusteloos voort en werpt geen blik terug op de vreeselijke sporen van dood en verwoesting, die het langzaam wijkende monster des krijgs achterlaat. Maar ik heb ze gezien, die jammergestalten, aan den weg, die holoogige bleeke spooksels, die ons hunne doffe klachten tegenkreunden. Ik heb hen gezien en moest, schoon mij het hart brak, voorbijgaan, zonder hen te kunnen helpen. En in deze woestenijen van gruwel en ellende dreef mijne bestemming mij voort! Met elken tred onzer vermoeide paarden werd de terugkeer onherroepelijker gesloten. De stroom drong langzaam voorwaarts; ik zag, dat hij op mijn reddeloos verderf uitliep. Maar was ik in staat, alleen om te keeren en langs den weg terug te dwalen, waar ik bij elken voetstap op een lijk, op een stervende stooten moest? Hoe had daar, waar duizenden in den krijg geharde mannen versmachtten, wijl hunne krachten bezweken, een zwak, hulpeloos meisje den terugweg gevonden! Bijna waanzinnig door de onophoudelijke verschrikking, die mijne ziel verscheurde, liet ik mij door mijn lot meedrijven en dacht in doffe bedwelming aan geen tegenstand meer. Zoo hoorde ik het gedonder van den vreeselijken slag, zoo reed ik met gesloten oogen over het lijkenveld, waaruit reeds vergiftige pestdampen opstegen, en zoo eindelijk, dierbare vriend, bereikte ik deze stad. Daar elk hier met de in overvloed opengelaten ruimte naar willekeur handelt, geraakte ook ik in dit paleis, welks voorste vleugels eenige vrouwen bewonen, die hetzelfde lot met mij deelen, maar zich met lichtvaardigen moed, ik zou kunnen zeggen met schandelijke zorgeloosheid, daarin weten te voegen. Zij hebben bovendien zoo spoedig innige betrekkingen aangeknoopt, dat de mijne met haar zoo goed als verbroken is. Zoo was ik dan al dadelijk in de eerste minuten het verlatendste wezen in deze reusachtige stad, in dit onmetelijk rijk. Vóór ongeveer een uur waagde ik, mijn stillen schuilhoek te verlaten; de angst dreef mij aan een anker in dezen nood op te zoeken. Eensklaps deed een gunstig gesternte mij u ontdekken en.... het overige behoef ik u immers niet meer te verhalen,” voegde zij er fluisterend bij en sloeg het schoone oog verlegen ter aarde.
Het wonderbare en verrassende der ontmoeting, de eenzame, vertrouwelijke plaats, de bevalligheid, welke Françoise Alisette zelfs aan de geringste bewegingen en uitdrukkingen wist te verleenen, het roerende en treffende van haar verhaal en hare levendige schildering, de gedachte aan hare vrouwelijke hulpeloosheid in het onstuimig woelen en stormen van den oorlog, bovenal echter de onweerstaanbare tooverkracht der tranen van haar schoon, blauw oog—dit alles oefende op het jeugdig hart des jongelings zulk een onuitsprekelijk vermogen uit, dat hij, eer hij het vermoedde, in het purperen net gevangen was, waarmede het bekoorlijke meisje hem omstrikte. Uit het vertrouwen, dat zij hem schonk, putte hij eene hem zelf anders onverklaarbare koenheid; het was hem, alsof zij nu haar gansche lot in zijne hand gelegd, alsof zij hem tot heer en meester van haar doen en willen gemaakt had. Met ras ontvlammenden gloed klemde hij zijne lippen op hare hand en trok de schuw weerstrevende nader tot zich. Zijne gloeiende wang raakte de hare; hij sidderde in zoete bedwelming; ook zij beefde in de armen, die hij koen om haar slanke gestalte sloeg.
„Zoet, engelachtig wezen,” sprak hij teeder vleiende, „wees mijne zuster, ik wil uw broeder zijn. Droog uwe tranen, wees niet meer angstig bekommerd over uw lot, nu zal alles, alles geleden zijn.”
„O hemel, hoe overstelpt gij mij met ongehoopt geluk,” riep Alisette en neigde zich, als overweldigd door haar gevoel, tegen den vriend en verborg haar schoon gelaat aan zijne borst.
„Gij hebt mijne bruid later gezien dan ik,” sprak hij na eenige minuten. „O, vertel mij van haar! Was zij zoo treurig, zoo bedrukt, als hare brieven?”
Bij het woord bruid scheen Alisette krampachtig te rillen; een gebroken, beklemd „ach!” rees uit hare borst op. „De schoone gravin Lodoiska heb ik weinig meer gezien,” sprak zij met moeielijk herwonnen kalmte; „den dag na den afmarsch was zij op het bal in het Saksische Paleis, waar ik verschijnen moest, om op het concert te zingen.”
„Op het bal?” vroeg Jaromir op een toon, die duidelijk te kennen gaf, dat dit bericht hem even onverwacht als onaangenaam voorkwam.
„De vorst Lichnowski geleidde haar.”
„Danste zij met hem?”
„Met hem alleen, ook slechts een paar maal. Den meesten tijd zaten zij samen in de vensternis en spraken. Zij reden ook vroeg naar huis, want de vorst bleef dien avond nog bij de gravin eten.”
Jaromir zweeg; een donkere gloed van toorn vloog over zijne wangen; echter onderdrukte hij de jaloersche neiging, die in hem opwelde. Neen, dacht hij eenige minuten later, zij bemint u teeder en hare droefheid was zoo oprecht en ongehuicheld, als hare brieven die afschilderden. Zou zij echter daarom het geleide van een vertrouwden vriend des huizes niet meer aannemen? Zou zij zich aan een openlijk feest, dat nog wel eene vaderlandsche strekking had, onttrekken? Gij doet haar onrecht!
In zijne open trekken had Françoise gelezen, wat in zijne ziel omging. „Gij zijt eensklaps zoo verstrooid, lieve vriend,” sprak zij met bezorgde deelneming, „de herinnering aan eene zoo schoone bruid moet inderdaad zeer roerend zijn. Schrijft zij u dikwijls?”
„Ik heb sinds den dag voor den slag geen bericht gehad. De laatste brief was uit Teplitz.—Maar zij schrijft dikwijls en met de aandoenlijkste liefde.” De laatste woorden sprak hij met eene ontroering, die scheen aan te duiden, dat hij over zijn argwaan berouw had. Doch opeens schoot hem te binnen: Waarom heeft zij u niet geschreven, dat zij op het bal geweest is? Zij heeft anders alles, wat haar wedervaren is, nauwkeurig bericht, dag voor dag hare levenswijze opgegeven—waarom....?
Alisette stoorde hem in deze gedachten. „Hoe gaarne had ik van de gravin en uwe bruid afscheid genomen! Maar het was mij onmogelijk. Driemalen liet ik mij aanmelden en vond telkens niemand te huis. De portier zeide mij, dat zij naar buiten gereden waren. Zij kwamen eerst laat weder in de stad en den morgen daarop wekte mij de wegrollende wagen.”
„Naar buiten?” vroeg Jaromir vol verbazing, want ook daarvan had men hem geheel onkundig gelaten. „Waarheen? Kent gij de plaats?”
„Neen,” antwoordde het meisje kennelijk verlegen, „die poolsche namen kan ik zoo moeielijk onthouden.”
„Misschien Wikzolky; het goed van haar oom? Of Pulawy, waar vorstin Czartoryski woont?”
Alisette ontkende zulks door eene lichte beweging met het hoofd.
„Maar naar wien dan? De naam des bezitters zult gij toch kennen?”
„De portier wist het niet,” hernam Alisette aarzelend.
„Dat is onmogelijk, lieve! Als hij de plaats kent, weet hij ook wie er woont.—Ik bezweer u, meisje, spreek de waarheid!” riep hij eensklaps met opbruisende heftigheid. Alisette beefde verschrikt terug.
„Mijn God!”
„De waarheid! Was het Czarnowicki?”
„Ik geloof ja!”
„Daar woont Lichnowski!” riep Jaromir en sprong woedend op. „Zij is trouweloos, is zoo valsch als eene vrouw! Zij verzweeg mij dat bezoek; dat had zij nooit gedaan, was zij onschuldig geweest! Een dagboek zond zij mij; van elk uur, elke minuut gaf zij rekenschap. Eene heilige kon niet stiller, ingetogener leven. O de huichelaarster!” Tranen welden in de oogen des jongelings op; hij wischte ze verdrietig af en stampte met den voet op den grond. „Het is waarachtig ook nog de moeite waard, dat een man als een kind om haar schreien zou!” Doch zijne tranen vloten slechts des te sterker.
Alisette was sidderend, zonder een woord te durven spreken, blijven zitten; zij geleek een kind, dat onverhoeds een groot ongeluk heeft aangericht en, van schrik verbleekt, zonder eene poging tot afwending te wagen, het wassende verderf bevend aanziet. „O, wees toch bedaard,” bad zij eindelijk vleiend: „zet u weder naast mij. Zeker, gij doet der arme schreeuwend onrecht.”
„Neen!” riep hij heftig, „ik doe haar geen onrecht! Onwillens hebt gij, lieve, meer verraden, dan gij vermoeden kunt! Zeg mij thans de volle waarheid. Wat weet gij verder?”
„Werkelijk niets,” hervatte zij, door den smeekenden toon de vraag ontwijkende.
„Alisette?” bad Jaromir onstuimig en zette zich weer. „Alisette! Gij hebt hulp en bescherming van mij afgesmeekt! Thans heb ik u meer noodig, dan gij mij, best meisje! O gij zijt goed, zeg mij alles, ik bid u, alles wat gij weet en denkt.”
„Waarlijk, ik weet niets, en wat ik denk—dat mag ik niet denken. O, dat ik mij een zoo ongelukkig woord moest laten ontvallen!”
„Slechts één ding zeg mij,” sprak hij met verkropte woede en smart,—„is vorst Lichnowski de gravin naar Teplitz gevolgd?”
„Hij reisde denzelfden dag af,” antwoordde Alisette nauw hoorbaar.
„O, gij zijt goed—gij hadt mij niet zoo verraden,” riep hij met diepe ontroering, trok de zacht weerstrevende aan zijn hart en neigde het zware voorhoofd tot haar neder. „Maar ik wil haar vergeten! Zij zal de voldoening niet hebben, dat een man om haar weent. Ik dacht slechts aan haar in den slag. Slechts haar beeld stond voor mijne ziel; ik zag geen dood, geen gevaar. Het scheen mij zoet te sterven, wanneer men zoo betreurd werd—nog zoeter scheen het mij te leven! O, hoe waanzinnig was die wensch! Waarom lig ik niet liever bij de vrienden op de vlakte; daar zou ik rust vinden!”
„En ons brak het hart!” riep Alisette smartelijk uit en scheen van schrik en schaamte te rillen, toen het woord aan hare lippen ontvloden was. De uitroep, dien de macht van het te vergeefs bestreden gevoel haar ontwrongen had, wierp een helderen lichtstraal in de verborgenste diepte harer ziel.
Zij bemint u, dacht Jaromir en dat denkbeeld begon hem met gloeiend leven te doordringen; zij bemint u waarachtig en heeft dat gevoel bestreden en bedwongen in hare maagdelijk schuwe borst. Hoe kon uw oog dat bekoorlijk wezen onachtzaam en miskennend voorbijzien! O, het is eene wonderbare beschikking des hemels, die u in dit oogenblik der diepste smart dezen engel van troost toezendt.
Na de onwillekeurige bekentenis had Alisette te vergeefs getracht, zich uit Jaromirs driftige omarming los te winden, om hem te ontvlieden; hij hield haar met klimmende liefde omstrikt; doch zij verborg hare van schaamte gloeiende wangen schuw aan zijne borst.
„Neen, richt u op, zie mij aan, aanminnig wezen. Gij bemint mij? Mag ik het hopen, het uitspreken? O thans eerst, in dit oogenblik eerst weet ik, wat liefde is. Hoe koud was Lodoiska's omarming!”
Hij drukte zijne heete kussen op de lippen der hem flauw afwerende; haar tegenstand was krachteloos tegen zijne onstuimigheid.
De donkere gestalte van zijn boozen demon trad ongezien achter hem, hief de dreigende hand op en hield ze boven zijn hoofd uitgestrekt.—„Nog ééne schrede en de koude, vreeselijke aanraking treft uwen schedel en de vergiftigde adem dringt doodelijk in uwe borst. Is geen goede genius u nabij? Treedt de reine gestalte der geliefde niet tusschen u en het drogbeeld, dat u omstrengelt? Geen beschermengel waakt over u—gij zinkt in het net der verdervende machten!”
„Wilt gij de mijne zijn? Eeuwig de mijne?” smeekte Jaromir met teederen aandrang. „Kunt gij hem vergeven, die u miskende, die den zuiveren diamant van uw hart blind voorbijging? Alisette, ik heb zwaar onrecht jegens u goed te maken! Maar vergeef mij—vergeef den onzinnige!”
„O onuitsprekelijk geluk!” stamelde Alisette uit en omstrikte hem met hare blanke armen. Haar boezem vloog, hare lippen gloeiden aan de zijne, haar adem stierf weg in zijne kussen. Jaromir sidderde in huiverende verrukking. De bruisende kracht der jeugd stormde door al zijne zinnen. Tot hiertoe had hij slechts de reine offervlam der liefde gekend, van verre staande hare bezielende warmte ondervonden, haar heiligen glans vereerd. Roekeloos trad hij het heiligdom te na. Als gloeiend metaal rolde thans het vuur door zijne aderen, de vlam greep den zoom van zijn kleed aan, sloeg in verterende woede over zijn hoofd te zamen en—het heldere maanlicht der gelouterde liefde verbleekte voor den onstuimig losbrekenden vulkaan zijner hartstochtelijke driften.
Met angstige gejaagdheid ontwaakte Alisette uit hare bedwelming en wilde zich uit de omhelzing des geliefden losrukken; doch hij liet haar niet los. „De mijne zijt gij voor altijd,” riep hij, „die gelofte zal ik houden. Gij, de trouwe, de minnende, neem dezen ring. Dit gouden teeken zij de getuige van ons verbond. Het is heilig gesloten, het is onverbrekelijk.” Hij trok Lodoiska's ring van zijn vinger en stak hem aan dien van Alisette. Zij hing sprakeloos aan zijne borst. „O, ik ben eene misdadige,” riep zij eindelijk uit, „eene zwaar misdadige! Maar gij, gij zijt er de oorzaak van, voor u heb ik die zonde op mijne ziel geladen. Gij moogt mij niet verstooten.” En met nieuwe kussen en tranen hing zij aan zijne lippen. „Laat mij het u slechts bekennen! Schoon uiterlijke omstandigheden mij ook met harden nooddwang herwaarts dreven, een machtiger aandrang des harten had mij toch het eerst op deze gevaarlijke baan gevoerd. Een geheime stem in mijn binnenste voorspelde mij, dat ik door de ster van mijn geluk geleid werd. Mijn oog hing met tranen aan haar vertroostend schijnsel, maar mijn zwak gelooven en hopen waande haar ongenaakbaar hoog. En nu, daar de vervulling mij met geluk overstelpt..... nu.....”
Weenend verborg zij het gelaat in haar kleed, maar hield met den arm den geliefden jongeling teeder omvat.
„Gij eenig geliefde! Is het dan waar, dat gij mij bemint?” sprak zij vleiende en liefkoozende, daar hij stom en sprakeloos voor haar stond.
De blakende gloed was uitgedoofd; Jaromir zag thans, welke verwoestingen de verterende vlam om hem had aangericht. Eene koude, akelige rilling van berouw drong hem door de borst. „Of ik u bemin?” vroeg hij met somberen weemoed. „Buiten u heeft thans de aarde niets meer voor mij! Gij zijt het eenige gesternte, dat voor mij flonkert—mocht gij!—neen, neen!—gij zult voor mij eeuwig glanzen. Gij zoete geliefde! Uwe zachte hand heelde immers de gloeiende wonde, door welke eene giftige verraderes mijn boezem zoo gruwzaam verscheurde! O, gij waart mijn goede engel in een vreeselijk uur!”
Hij leunde zijn voorhoofd tegen het hare; zijne tranen vloeiden onophoudelijk. Hoe hij het zich ook trachtte op te dringen, thans eerst gevoelde hij het,—hij was toch niet gelukkig! Een wervelwind had hem hoog op het toppunt des levens gedragen, maar onder zijne voeten voelde hij geen grond; de storm trok de vleugels in en met dezen zonk hij dieper en dieper neder. Slechts naar de lichtende starren boven hem hief hij de oogen angstig op.
De doffe slag eener torenklok, die negen malen door den stillen nacht drong, deed beide minnenden uit hunne verdooving ontwaken.
„Gij moet weg,” riep Alisette,—verschrikt opspringende; „als men u hier vond, was ik verloren!”
„Verloren? Wie kan na den band, dien wij gesloten.....”
„Om aller heiligen wil, ik hoor gerucht,” viel zij hem haastig in de rede; „de deur wordt geopend, de klank dringt door de holle gangen tot hier door. Wij hier in het donker—wanneer men ons vond!—Geliefde, als u mijn leven, mijne eer dierbaar is, dan verlaat mij nu! Gij weet niet, wat een vrouwenhart gevoelt! Mij zou de schaamte vernietigen, wanneer de vrouwen—o, ik bid u, ik smeek u, ontvlucht! Nog is het tijd! Hier door deze deur naar den tuin!”
Zelve gaf zij hem de sabel, die hij afgelegd had, in de hand en drong hem met angstvallige liefkoozingen te gaan.
„Gij schuwe ree!” sprak hij weemoedig glimlachend. „Hoe bekoorlijk is deze schaamte! Wees gerust, gij moogt het oog opslaan tegen velen, die zich vlekkeloos achten, want zuiver is uwe ziel; uw hart blijft een ongeschonden heiligdom!”
„O, pijnig dat hart dan niet langer!” smeekte zij. „Wanneer gij mij lief hebt, ga dan! Het zij het eerste bewijs, dat gij mij van uwe teederheid geeft.”
Hij omarmde haar nog eenmaal, kuste met vuur hare bevende lippen en verliet hierop stil en haastig het vertrek.
„Leef wel! Morgen! Morgen!” fluisterde Alisette hem teeder na en verdween. Ongemerkt bereikte Jaromir den tuin. Hij wilde thans onderzoeken, of deze werkelijk aan de straat grensde, waar zijn bivak lag, en doorsneed derhalve in die richting de duistere heesterperken. Na eenige minuten stiet hij op een muur en vond na kort zoeken eene deur, die slechts van binnen gegrendeld was. Met forsche kracht schoof hij de ingeroeste grendels af en stond inderdaad, gelijk hij vermoed had, nauwelijks honderd schreden van de wachtvuren zijner manschappen. Deze heimelijke weg, die hem der geliefde als in de armen voerde, was hem een nieuw onderpand van zijn geluk, een nieuwe wenk van het lot. En schoon zijn hart nu nog bloedde aan de plaats, waar hij de zachte banden, die hem tot hiertoe ketenden, gewelddadig had losgescheurd, zoo voelde hij toch ook den verzachtenden balsem, dien de hand van het noodlot hem reikte.
HOOFDSTUK IV.
Toen Bernards kalmte langzamerhand was teruggekeerd, en Rasinski en Lodewijk met warmte daarop aandrongen, verhaalde hij hun eindelijk, bijna met de oude, ruwe luim, zijn avontuur te Warschau met de zonderlinge schijnverwisseling der ringen. „Zoo ben ik dan met een nieuwen titel uitgedoscht,” besloot hij, gedwongen schertsend; „en kan mij den broeder eener onbekende noemen; want zij was jong en schoon, dat bezweer ik, trots den sluier, die haar omhulde. Zij kon wel is waar ook mijne moeder zijn, maar dan ware de ontmoeting niet half zoo romantisch.”
Nog nooit had Lodewijk een zoo diepen blik in het hart des vriends geworpen, als op dit oogenblik. Bernard, die zich met zelfstandige kracht van alle ketens des levens en der betrekkingen wist los te rukken, wiens stout, koen hart de vrijheid hooger scheen te schatten, dan zelfs de zoetste banden der liefde; hij, die vaak zoo ruw tegen de zachtere verbindingen des levens optrad en haar met eene vastheid, die Lodewijk verbaasde, trotseerend toeriep: Gaat, gij hebt mij niet opgezocht, gaat dan, ik heb u ook niet noodig; de gewoonte, om alleen te staan, heeft mij de kracht daartoe gegeven; ik ben mijzelf genoeg!—deze ruwe, geharde borst van rots en steen brak en smolt week, ja vernietigd te zamen alleen bij de voorstelling, dat een liefelijk wezen, door de teedere banden des bloeds aan hem verwant, hem was voorbijgezweefd, zonder dat hij het herkend en aan de onder het koude omkleedsel zoo vurig gloeiende borst geklemd had. Met welk eene ontroering beschouwde Lodewijk in dit oogenblik den vriend, die het weekste, het meest liefdevolle hart met een ijzeren harnas van zelfverloochening en wilskracht hield ompantserd. Voorzeker wist hij sinds lang, dat onder het harde marmer zijner borst geen hol graf, geen koude aschkruik rustte; doch deze macht van den innerlijken, diep verholen gloed der liefde had hij tot hiertoe bij hem noch gekend, noch vermoed.
„Ziet gij! Zulk een dwaas, zulk een droomer ben ik,” sprak Bernard na een ernstig stilzwijgen, „op zulke sporen in het stuifzand bouw ik den babylonischen toren mijner luchtkasteelen! Lacht mij maar duchtig uit, dat long en lever schudden; waarachtig, gij hebt er recht toe, want als men de trouwringen van onzen aardbol of slechts die van eene enkele stad als Moskou of Dresden op een hoop schudde, zouden er tweelingbroertjes bij dozijnen onder zijn, en ik kon ten minste op zooveel vaders, moeders of zusters aanspraak maken, als de boheemsche graaf, die men te Dux ziet afgebeeld, zoons had,—vier en twintig namelijk. Wanneer ik thans alles bedaarder naga, moet ik betuigen, dat ik, ware er niet de nacht en een romantisch avontuur bijgekomen, aan het gansche geval niet langer zou gedacht hebben, dan ik tijd noodig heb, om dien nietigen ring van den vinger te schuiven. Wij kunstenaars, want daar reken ik mij nu eens onder en houd palet en penseel voor mijn rechtmatig diploma, zijn echter vaak dweepende, maanzieke narren en, geloof mij, ik ben in dat opzicht niet de minste onder de broeders. Dus, lacht mij uit, en daarmede basta!”
Maar niemand lachte en Bernard zelf vermocht het slechts gedwongen met de lippen.
„Ik heb besloten te handelen, gelijk ik tot hiertoe gedaan heb,” ging hij voort, daar niemand antwoordde. „Wil het noodlot mij iets van mijne geheime betrekking bekend maken, goed dan, ik heb er niets tegen, ik zelf echter raak de gordijn met geen hand of vinger aan. De gesluierde gestalten kan ik mij zoo lief en bekoorlijk droomen als ik wil, de ontsluierde, de hemel weet, met wat leelijke tronies die mij misschien konden aangrijnzen! Jong en schoon was het wezen, dat ik ontmoette, dat weet ik zeker; daarom wil ik het als eene zuster of halfzuster beschouwen. Onze gansche ontmoeting was die van broeder en zuster; zijn wij het niet, zoo wil ik toch ten minste den droom vasthouden en geen platte werkelijkheid zal mij daaruit onaangenaam wekken. Ik heb altijd een hekel gehad aan het hanengekraai; vooral wanneer het gillend tusschen de muziek van een droom inkakelt en ons uit de hemelsche gewesten, waardoor wij meenden rond te zweven, op eene harde stroomatras neerbonst, waarop wij lui en liederlijk de matte leden uitrekken. Maar waarlijk, vrienden, het is tijd daartoe; ik heb slaap en ga naar bed. Goeden nacht!”
Hij stond op en ging heen. Lodewijk volgde en wilde hem in de eenzaamheid warm aan het hart drukken. Nu voelde hij, dat Bernards wang vochtig was; doch geen woord, geen klaagtoon kwam over zijne lippen, hij rukte zich met fierheid los en sprak slechts: „Goeden nacht, broeder.”
Lodewijk keerde naar Rasinski terug. Thans eerst trad hem de verrassende wending zijner eigene levensbetrekkingen weder levendig voor den geest. „Het is zonderling,” sprak hij tot den ouden vriend, „ik win niets, ik verlies niets bij de verwisseling van naam en het naricht van mijn vader, dien ik reeds sedert twintig jaren gewoon ben onder de dooden te tellen, en toch is het mij, alsof ik onberekenbaar veel gewonnen en tegelijk verloren had.”
„De mogelijkheid van beiden moet in den beginne natuurlijk levendig bij ons opkomen,” antwoordde Rasinski; „echter geloof ik, dat Bernard gelijk heeft, als hij beweert, dat die indrukken van lieverlede bijna geheel verdwijnen. Wij hebben immers zoo even gezien, hoe de plotselinge verrassing hem onweerstaanbaar met zich voortsleepte; de golven zijner ziel stortten bruisend over elkander als een woeste waterval; thans zien wij dien stroom hoogstens nog met driftige vaart tusschen de oevers voortrollen.”
„Het is mogelijk des te dieper!”
„Mogelijk!—doch ten laatste verloopt ook de Rijn in het zand. Wonden, smart, hoop, verwachting, niet telkenreize uit nieuwe bronnen gevoed, geloof mij, als uw ouderen vriend, zij drogen eindelijk uit, al dreigden zij in den beginne ook alle dijken en oeverdammen te vernielen.”
Lodewijk las Maria's brief nog eenmaal door en verdiepte zich in stille mijmeringen over deze nieuwe, onvermoeide wendingen, waarmeê de stroom zijns levens voortwentelde. Rasinski, niet minder in sombere gedachten verloren, wandelde het vertrek op en neder. Thans sloeg het negen uur.
„Bernard heeft gelijk,” dus brak de laatste het stilzwijgen af; „de vermoeide natuur laat zich niet afwijzen. Wij moeten ons ter rust leggen. Wie weet, welke stoornis de nachtelijke uren medebrengen; want, onder ons, ik ben nog altijd ver van gerust in deze verlatene, doodsche stad. Telkenreize komt de gedachte aan de vloot der Grieken bij mij op, die van Troje onder zeil ging, om 's nachts terug te keeren.”
Deze woorden herinnerden Lodewijk eerst weder aan de ontdekkingsreis, welke zijn vriend gedaan, maar door de aankomst der brieven uit Duitschland vergeten had, aan Rasinski mede te deelen. Hij verhaalde nu alles, wat Bernard wilde gezien hebben.
„Hm! Is dat zoo, dan behoeven wij niet dadelijk voor vijandelijkheden bevreesd te zijn!” antwoordde de overste. „Waarschijnlijk zijn het schuwe bedienden of oude zieke lieden, die niet meer ontvluchten konden en zich hier verborgen hebben, daar zij bevreesd voor ons waren. Rostoptschin doodverft ons in al zijn berichten als moordenaars en tempelschenders, men kan het dus het arme volk niet ten kwade duiden, dat het zich voor zulke monsters tracht schuil te houden. Laat ons de lieden ten minste nog dezen nacht rust gunnen. Morgen wil ik het gansche slot laten doorzoeken. De wacht aan de poort, mijne bedienden, die in de voorzaal slapen, en vooral wij zelven verschaffen ons genoegzame zekerheid. Ook kunnen wij ons immers slagvaardig houden en ons gekleed en met onze wapens neerleggen. Dit verontruste u dus niet; verbeeld u slechts nog dezen nacht op het bivak te liggen.—Goeden nacht, lieve vriend! Ik denk, de dag van morgen zal voor ons gewichtig zijn.”
Lodewijk ging. Toen hij door de lange zaal trad, welke zijn slaapvertrek van dat van Rasinski scheidde, werd het hem bijna angstig om het hart in de wijde, eenzame ruimte, waar elke schrede, elk geritsel langs de holle wanden fluisterend voortkroop. Hij kwam in zijne kamer; die van Bernard stond open; hij zag naar binnen; de vriend was er niet.
„Ik dacht dadelijk wel, dat hij niet slapen ging,” mompelde Lodewijk. „Voorzeker gaat hij voor zijn geschokt hart in nacht en eenzaamheid rust zoeken. Als hij zich maar niet te onvoorzichtig midden in de vreemde stad waagt!”
Onrustig trad hij aan het venster en zag zijne kameraden aan de vuren in diepen slaap liggen. Een officier waakte nog en ging met rassche, ongelijke schreden de straat op en neder; bij het vuurschijnsel herkende hij Jaromir. Om te vernemen, of deze ook iets van Bernard wist, begaf hij zich naar beneden.
„Goeden avond, vriend; hebt gij Bernard zien uitgaan?” vroeg hij den jongeling, die, zonder hem te herkennen, met driftige schreden wilde voorbijsnellen.
„Wat wilt gij? Wie zijt gij?” met deze woorden richtte hij bevreemd en blijkbaar verdrietig het hoofd op.—„Ach Lodewijk! zijt gij het,” vervolgde hij langzaam en op een somberen toon, toen hij den vriend herkende. „Gij komt juist als geroepen. Hebt gij lust, een brief van Lodoiska te lezen? Eerst voor een half uur, toen ik van eene wandeling door de stad terugkwam, heeft Boleslaw mij dien overhandigd.—Hebt gij ook brieven gehad?”
„Jawel! en van een zonderlingen aard!”
„Van een zonderlingen aard is deze ook!—Daar, lees!”
„Gij vergeet, vriend, dat ik nog te weinig met het poolsch gevorderd ben; maar lees gij hem mij voor.”
„Voorlezen! Ach!” Hij zuchtte, bedekte zijne oogen en voorhoofd met de hand en streek er meermalen over heen, alsof hij eene drukkende hoofdpijn tot bedaren zocht te brengen.
„Zijt gij ongesteld, vriend?”
„Hoofdpijn!—Het woeste soldatenleven bedwelmt mij somwijlen.—Voorlezen kan ik den brief waarachtig niet! Het vuur verblindt mij te zeer, mijne oogen gloeien. Morgen misschien.”
„Gij schijnt in eene treurige stemming, goede Jaromir. Hebt gij bedroevende tijding ontvangen? Rasinski heeft ons nog geen woord gezegd, schoon hij brieven van zijne zuster heeft.”
„Van zijne zuster!—Wat zal die hem ook schrijven! Ach Lodewijk! Ik wenschte dat ik bij mijne kameraden aan de redoute lag!”
„Mijn God!” riep Lodewijk verschrikt, „wat deert u dan? Wat schrijft u Lodoiska? Zeg het mij ten minste, wanneer gij niet lezen kunt.”
„Neen, ik wil lezen, al zouden mij de oogen uit het hoofd springen!” riep hij hevig, nam den brief opnieuw uit zijn boezem en trok Lodewijk met zich naar het groote wachtvuur, waar beiden zich op het stroo nederwierpen. Jaromir las:
„Teeder geliefde Vriend!
„Eindelijk keeren wij naar de vaderstad terug. Nog eenige minuten en wij zijn op weg naar Warschau, waar ik weder ettelijke uren nader bij u ben, die onophoudelijk verder en verder voorttrekt. O mijn geliefde, wanneer zal die verschrikkelijke oorlog toch een einde nemen? Wanneer keert gij uit die ruwe wildernissen tot mij terug? Hoe liefderijk zullen deze armen u omvangen! Ach Jaromir, ik heb vaak droeve, akelige uren en verbeeld mij dan, dat eene zwarte gestalte ons geluk dreigt te vernietigen. Een warm, innig gebed tot de heilige Moedermaagd is dan mijn eenige troost. Alles wat de vrienden, die mij omgeven, beproeven, om mij op te beuren, stuit op mijne borst af, maar het gebed dringt tot diep in het hart. Bidt ook gij, mijn dierbare; laat door het wilde gewoel en de gestadige verstrooiing van den krijg de heilige stem niet tot zwijgen brengen, die ons deemoedig en vertrouwend voor den Almachtige doet nederzinken. Wie zal u in den slag beschermen, als Hij het oog van u afwendt? Maar Hij verlaat niemand, die zich met een kinderlijk hart tot Hem om bijstand wendt. Lieve Jaromir! Uwe reine, schoone ziel vol jeugd en hoop, leg haar dagelijks zoo vertrouwelijk en oprecht voor den Hemelschen Vader open, als gij ze voor mij ontsloten hebt. Spot niet met de zwakheid van het meisje, dat u tot gebed en godsvrucht aanmaant, daar zij zelve daarin haar eenigen troost vindt. Ik weet wel, de man verbeeldt zich sterk te zijn, ook zonder goddelijken bijstand. Maar het is eene dwaling, geliefde. Voor Hem zijn de zwakken sterk; want zij staan onder Zijne bescherming, en de sterken zinken neer, als Zijn adem over hen heenblaast. Sterk, onoverwinnelijk voel ik mij, wanneer ik mij in een vurig gebed tot den troon des Allerhoogsten gewend heb; dan zie ik den engel des Heeren u geleiden en beschermen met zijn machtig schild; dan lacht mij de zon eener gelukkige toekomst vertroostend toe. Wel keeren de sombere uren van angst en beklemdheid somwijlen terug, gelijk de nacht na elken dag wederkeert, maar ik zie toch altijd lichtende starren door het duister blinken en de uiterste rand des hemels blijft met gouden ochtendglans omzoomd. Spoedig, geliefde, ben ik nader bij u, in de vaderstad, waar alles, tot zelfs de taal der menschen, mij u voor den geest roept. Ik zal mij daar veel gelukkiger gevoelen dan hier!—Juist komt de wagen aanrollen. Vaarwel! Vaarwel! Duizend engelen mogen u beschermen en gelukkig tot mij terugbrengen. Ach, wanneer zal die dag eens komen, dat gij weder in de armen rust van
Uwe LODOISKA.”
„Dat edele, goede meisje! Enkel liefde, vertrouwen, onschuld en waarheid!” riep Lodewijk, toen Jaromir geëindigd had. Deze wierp zich met onstuimigheid aan zijn hart en drukte zijn gloeiend gelaat tegen de borst van den vriend. Lodewijk kon niet vermoeden, wat den jongeling zoo hevig ontroerde, en waande, dat het de overmaat van verlangen naar de verwijderde geliefde was.—„Wees een man, Jaromir,” sprak hij bemoedigend, „de dag des wederziens zal aanbreken; hij is misschien niet verre meer.”
Jaromir bleef in die houding, zonder een woord te antwoorden. Vreeselijke gedachten pijnigden zijne ziel. Ongelukkig zijt gij, riep de stem in zijn binnenste, wanneer dit niet de taal der waarheid is, dubbel ellendig, wanneer zij het is!
Daar hij bij voortduring zweeg en den vriend steeds vaster omklemde, vroeg Lodewijk eindelijk, om aan zijne gedachten een andere wending te geven, naar Bernard.
„Ik heb hem niet gezien,” antwoordde Jaromir zich oprichtende en het hoofd schuddende; „ik heb niemand, niets gezien!—Lodewijk! ik moet u verlaten, ik moet alleen zijn! Ik bid u, laat mij alleen!”
Lodewijk zag hem ontroerd na, toen hij opsprong en, met overhaaste schreden de straat opgaande, in het duister verdween.
Zouden dan al mijne vrienden heden in zulk eene spanning verkeeren, dacht hij, zoodat ik vreezen moet, dat zij door den drang hunner innerlijke gewaarwordingen en aandoeningen de uiterlijke wereld en hare gevaren vergeten? En heb ik zelf niet wellicht de sterkste oorzaken tot eene gelijke stemming? Van waar dan, dat mijn hart zooveel rustiger slaat? Ach—wijl ik mij reeds onder het ijzeren juk van het lot gebogen heb, wijl mijne hoop niet meer zoo frisch bloeit en de warme, bruisende ader der vreugde lang heeft uitgebloed?—Op den Gotthard was ook ik niet zoo kalm en rustig. En ben ik het dan thans werkelijk? Of ben ik slechts vermoeid?
Langzaam keerde hij naar zijne kamer terug. Hij trad aan het venster, om te zien, of geen der beide vrienden zou terugkeeren. Een vol uur verliep, alles bleef stil. De vuren waren bijna verteerd; slechts een doffe, smeulende gloed glom nog te midden der zwarte, op den grond gelegerde gestalten. Men hoorde de diepe, zware ademhaling door het zwijgen van den nacht; zelfs de vuurwachten werden door den slaap overweldigd en sluimerden in. Eene doodsche stilte lag over de gansche, onmetelijke stad uitgebreid.
HOOFDSTUK V.
Eindelijk werd ook Lodewijk door zijne vermoeidheid overmand; hij sloot het venster, hulde zich in zijn mantel en wierp zich op het in den hoek staande rustbed neder. De bezorgdheid over Bernard en Jaromir hield hem nog eene poos wakker, doch zij verloor zich meer en meer in de nevel der sluimering, die hem langzaam bekroop; spoedig klonken de verontrustende gedachten hem nog slechts als een verwijderd bruisen der zee, als een doffe, in de verte wegstervende donder door de ziel; zij werden gestadig dichter omsluierd, weken gedurig verder in het ledig der wijde, donkere ruimte terug. Eindelijk zonken hem de matte oogleden toe en hij lag in diepen slaap. Doch de ziel werkte onrustig voort in het vermoeide lichaam, en deed bonte, begoochelende droombeelden op den zwarten achtergrond van den nacht voorbijzweven.
Nu zag hij zich in de hitte van het gevecht en stortte, rondom door vijanden omsingeld van zijn paard ter aarde. Dan zweefde hem eene vriendelijke gedaante uit het vaderland te gemoet; zijne moeder stond voor hem en wenkte hem haar te volgen. Zij voerde hem in de vertrouwelijke woonkamer, kuste hem en vroeg: Waar zijt gij dan zoo lang geweest, mijn zoon?—Eene zachte aandoening verteederde zijn hart; hij smaakte in den droom de vreugde des wederziens, der hereeniging, van welke de werkelijkheid hem zoo gruwzaam verstoken hield.—Hij was op de wandelplaats te Pillnitz; de lieve gezellinnen zijner jeugd verzelden hem. Eensklaps ontglipte hem een kreet van blijde verrassing, want Maria kwam uit de donkere lindenlaan te voorschijn en ging arm in arm met Bianca, die zich zoo vertrouwelijk aan haar aansloot, alsof beiden zusters waren. „Zoo, hebt elkander lief, gij dierbaarsten, die ik op aarde bezit,” sprak hij in zijn droom, en een zalig lachje speelde om zijne lippen. Hij wilde nader treden, haar de hand reiken, de armen ter omhelzing uitstrekken, maar een vreemde hield hem terug. Het was Rasinski, die hem gelastte, dadelijk te paard te stijgen. De schoone gestalten verdwenen, hij zag zich weder te midden van het onrustige woelen en warren van den veldtocht; lange, onafzienbare rijen soldaten trokken hem voorbij; hij sloot zich bij den trein aan, en toch rezen onophoudelijk nieuwe gestalten vóór, achter en nevens hem op en zweefden strijkelings langs hem heen. Verwijlen en voorwaarts dringen geschiedde in hetzelfde oogenblik, gelijk zoo dikwijls het dubbele en tegenstrijdige in den droom. Thans verbeeldde hij zich, Moskou binnen te trekken; hij reed met Bernard en Rasinski door de straten, die zich in onafzienbare verte voor hem uitstrekten. De huizen en paleizen van den omtrek mengden zich voor zijne blikken tot een verwarden chaos dooréén: hij zag steeds het huis voor zich, dat hij bewoonde, maar gestadig drongen nieuwe straten daartusschen in, eer hij het bereiken kon. Met elke schrede scheen zich de weg te verlengen. Eindelijk stond hij met beide vrienden voor de breede poort; Petrowski hield den teugel, zij stegen af en beklommen de trappen. Uitgeput van vermoeidheid legde hij zich in den droom in hetzelfde vertrek, op hetzelfde bed neder, waar hij werkelijk sliep. Droom en werkelijkheid begonnen zich thans zonderling dooreen te mengen. Hij hoorde het aanroepen van den schildwacht, die beneden zijne vensters werd afgelost, en ontwaakte. Daar echter zijn geopend oog dezelfde beelden zag, als het sluimerende, namelijk het door den matten glans der wachtvuren flauw beschenen vertrek, daar zijn wakend oor dezelfde tonen hoorde, die hij in den slaap vernomen had, zoo deed de bedwelming, die nog op zijne zinnen rustte, schijn en waarheid onafscheidelijk dooréénsmelten. Zoo zag hij, half droomend, half wakend, de deur zijner kamer langzaam openen en eene in het zwart gekleede, gesluierde gestalte, die eene flauw schemerende lamp in de hand droeg, binnentreden. Als eene geestverschijning zweefde zij op hem toe; thans stond zij dicht voor zijn leger stil en sloeg het floers terug dat haar gelaat bedekte. Het was Bianca; maar bleek, doodsbleek, met ingevallen, smartelijke trekken. „Waar is Maria?” vroeg Lodewijk het droombeeld; „en waarom komt gij in een rouwkleed, geliefde? Ach, is uwe moeder óók gestorven?” Met weemoedig verlangen strekte hij de hand naar de dierbare uit; stom, bevende stond zij voor hem. Het was, alsof zij zich over hem wilde nederbuigen; doch eensklaps wankelde zij een schrede terug, hief de hand op, als een teeken, dat hij haar niet mocht aanraken, en schudde langzaam en droevig het edele hoofd.