← Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 01: De Boomvogels.

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 01: De Boomvogels. (part 3 of 3)

Part 3 of 3 · Alfred Edmund Brehm · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #28746, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (3)

Continue:

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 01: De Boomvogels. (part 3 of 3)

Geheel Europa en Siberië tot aan Kamtschatka, benevens Japan, zijn het vaderland van den Bonten Specht. Hij kan als de algemeenste van de Europeesche en tevens als de veelvuldigste van de Siberische soorten beschouwd worden. Hier te lande werd hij nagenoeg in dezelfde streken broedend aangetroffen als de Groene Specht (niet in het lage land en slechts zelden in het hout langs den duinkant). Dikwijls wordt hij na den broedtijd tot in het voorjaar vrij algemeen, ook in de provinciën Noord- en Zuid-Holland, waargenomen (Schlegel). In Friesland broedt hij in de woudstreken vrij algemeen; in het najaar is hij soms menigvuldig, zelfs op heidevelden en op het eiland Ameland, waar slechts enkele boomen zijn. Van half September tot half November 1889 was in alle provinciën een sterke trek van deze vogelsoort. Zij vertoonde zich overal waar maar boomen zijn, zelfs in tuinen midden in de steden. De trek was in westelijke richting. In 1862 werd in dezelfde maanden een dergelijk verschijnsel waargenomen (Albarda).

De Bonte Specht houdt van woudzoomen en van groote bosschen; hij komt echter ook in kleine, door velden omgeven bosschen voor, en vertoont zich in den herfst en 's winters in de tuinen. Hij geeft de voorkeur aan dennen-, populieren- en wilgenbosschen. Gedurende den zomer beweegt hij zich in een niet zeer uitgestrekt gebied; in den herfst en den winter zwerft hij over een grootere uitgestrektheid rond en leeft dan gewoonlijk in gezelschap van Boomkruipers, Boomklevers, Meezen en Goudhaantjes. In den zomer duldt hij in zijn gebied geen van zijne soortgenooten. Bij zijne zwerftochten blijft hij zooveel mogelijk in de met boomen begroeide streken en vliegt niet gaarne over het vrije veld. Hij houdt echter evenmin van omwegen; daar zijne zwerftochten alleen ten doel hebben, zich een ruimer voorzienen disch te verschaffen dan hij op zijn eigenlijke standplaats vindt en tevens een weinig in de wereld rond te kijken.

Velerlei Insecten benevens hunne eieren, larven en poppen, maar ook noten en bessen vormen het voedsel van den Bonten Specht. Vooral op Schorskevers in al hunne ontwikkelingstoestanden maakt hij ijverig jacht. Om deze te verkrijgen, schilt hij de buitenste, doode korst van de sparren geregeld af. Bovendien eet hij allerlei rupsjes, die voor de boomen in het woud nadeelig zijn, en brengt er zijne jongen mede groot. Hij is een echte beschermer van de wouden en moest op alle mogelijke wijzen ontzien worden. "Als hij tegen dunne takken klopt," zegt Naumann, "loopt hij dikwijls plotseling naar de andere zijde van den tak en kijkt hier rond, om alle Insecten, die door het kloppen uit hunne schuilhoeken verdreven zijn en ontvluchten willen, te kunnen wegvangen. De door den Specht vervolgde dieren bemerken--evenals de Regenwormen in den door een Mol doorwoelden grond--reeds op een afstand de nadering van hun doodsvijand."

Bovendien voedt hij zich met zaden, vooral hazelnoten en dennezaden. De noot breekt hij af, brengt haar naar een voor dit doel geschikt gemaakte spleet van een boom en hakt haar open. Dikwijls pikt hij de sparrekegels leeg, terwijl hij er aan hangt; gewoonlijk echter bijt hij ze af, vervoert ze naar een tak en eet de zaden er uit.

De Bonte Specht moge behendig zijn bij het openen van dennekegels, bij het aanleggen van zijn nest toont hij weinig volharding. Hij is reeds aan vele gaten in boomen begonnen te werken, voordat hij er één van voltooit; zoo mogelijk zoekt hij de holte, waarin hij of een zijner verwanten vroeger gebroed heeft, weer op. Het nest bevat 4 of 5, zelden 6, kleine, langwerpige eieren, die zeer dun van schaal zijn en een glanzig witte kleur hebben. De beide echtgenooten broeden om beurten.

Gevangen Bonte Spechten zijn zeer vermakelijke Vogels. Het is niet moeielijk ze aan den gevangeniskost te gewennen. Zij leven in vrede met de meest verschillende kleine Vogels, die met hen dezelfde kooi bewonen, maar niet met andere dieren van hun soort. Jegens deze toonen zij zich reeds in hun vroegste jeugd onverdraagzaam, twistziek en tot vechten geneigd.

Hoezeer de Bonte Spechten zich aan den mensch kunnen hechten, blijkt uit de volgende mededeeling van Girtanner: "Een van mijne voedsterlingen, die volkomen zelfstandig geworden was, en ook Wormen, Maden, Spinnen en dergelijk voedsel had leeren zoeken, wilde ik de vrijheid schenken; ik bracht hem daarom ver weg in het hoogstammige woud en liet hem vliegen. Dadelijk klauterde hij vergenoegd bij een zilverspar omhoog en scheen goed tevreden te zijn, hoewel hij telkens naar mij omkeek. Toen ik weggaan wilde, liet hij zijn loktoon hooren, vloog mij na en klemde zich aan mij vast. Telkens als ik hem wegwierp en hoe ver ik dit ook deed, altijd wist hij mij terug te vinden, zoodat ik eindelijk wel genoodzaakt was hem weer mede naar huis te nemen. Een andere Bonte Specht werd zoo tam, dat hij naar eigen verkiezing uit en in mocht vliegen; hij dacht er nooit aan om naar het woud terug te keeren, hoewel hij vaker op de boomen van de wandelplaatsen der stad te zien was dan in mijn huis. Als ik hem floot, gaf hij steeds antwoord, kwam naar mij toe vliegen en kreeg dan tot belooning larven van Meikevers. Zoolang hij wist, dat er nog voorraad was in de blikken bus, die ik bij mij droeg, kon ik hem niet weg krijgen."

In loofboombosschen van de vlakte (niet in naaldhout) broedt, behalve de vorige soort, ook de Middelste Bonte Specht (Dendrocopus medius). Deze is kleiner (totale lengte 21, staartlengte 8 cM.) en fraaier van kleur, hoewel het verschil niet zeer groot is: de bovenkop is niet slechts bij de mannetjes, maar ook bij de wijfjes en jongen rood; ook de buik en zijn omgeving zijn rood, hoewel deze kleur hier veel flauwer is; op de borst en den buik komen fijne, overlangsche, zwartachtige strepen voor. Zijn verbreidingsgebied komt met dat van den Bonten Specht overeen; hij is echter zeldzamer. In Nederland werd hij nu en dan bij de Duitsche grenzen--in Noordbrabant en Gelderland (ook op den Wildenborch bij Lochem)--broedend waargenomen.

De Kleine Bonte Specht (Dendrocopus minor), is slechts 16 cM. lang (staartlengte 6 cM.), heeft, evenals de vorige soort, op de borst en den buik overlangsche, zwarte streepjes, maar is op het midden van den rug wit; de schouderveeren hebben witte dwarsstrepen; aan en achter den onderbuik is geen rood te zien; de kruin van het mannetje is rood, die van het wijfje witachtig. In levenswijze en verbreiding komt hij met de beide andere Bonte Spechten overeen. In Nederland broedt hij op sommige plaatsen van Noordbrabant, Gelderland (o. a. op den Wildenborch bij Lochem en bij Velp), Groningen en vermoedelijk ook van Noord-Holland ('s Graveland); voorts werd hij waargenomen in Friesland (Oldeberkoop), Overijsel (bij Tubbergen, Ommen en Zwolle), Utrecht (bij Nieuwersluis) en Zuid-Holland.

De Zachtstaartspechten (Picumninae), waarvan een dertigtal soorten bekend zijn, vormen als 't ware een overgang van de Spechten tot de Draaihalzen. Over 't geheel genomen hebben zij de gedaante van onze Spechten, hun staart is echter niet geschikt om er op te steunen. Zij zijn buitengewoon klein, niet veel grooter dan onze Goudhaantjes. De meeste hebben vier, sommige (o. a. de Javaansche Dwergspecht--Picumnus abnormis--van de Soenda-eilanden) slechts drie teenen, daar de binnenteen ontbreekt.

Bij de meest bekende Amerikaansche soort--de Dwergspecht (Picumnus minutus)--is de bovenkop zwart, fijn wit gestippeld; de overige bovendeelen zijn grijsbruin, de onderdeelen wit en zwart dwarsgestreept, het voorhoofd en het voorste deel van de kruin bij het mannetje rood, bij het wijfje wit gepareld, evenals het overige deel van de kruin. Dit 9 cM. lange Vogeltje komt in alle Zuid-Amerikaansche kustwouden van Guyana tot Paraguay (ook in Suriname) niet zelden voor; het vertoont zich dikwijls in de nabijheid van woningen.

De Draaihalzen (Junginae), die als de laagst ontwikkelde van alle Spechtvogels beschouwd moeten worden, behooren uitsluitend in de Oude Wereld thuis. Hun romp is langwerpig, de hals lang, de kop tamelijk klein, de staart middelmatig lang en niet geschikt om er op te steunen, de snavel kort, recht en spits; de vleugels zijn kort en stomp; de tamelijk dikke pooten hebben vier teenen, waarvan de beide middelste naar voren, de binnenste en de buitenste naar achteren gericht zijn; het vederenkleed is los en zacht. De tong is draadvormig en kan zeer ver buiten den bek gestoken worden; zij is echter aan de spits niet met weerhaken voorzien.

Onze Draaihals of Mierenjager (Jynx torquilla), is op de bovenzijde aschgrauw met fijne, donkerder golflijnen en stippels; de onderzijde is wit en met wijd uiteenstaande, donkere, driehoekige vlekken geteekend; de keel en de onderhals zijn op gelen grond met dwarse golflijnen voorzien; een zwartachtige, overlangsche streep strekt zich van de kruin tot aan het onderste gedeelte van den rug uit; voor 't overige bestaat de teekening van de bovendeelen uit zwartachtige, roestbruine en lichtbruine vlekken; de slagpennen vertoonen roodbruine en zwartbruine banden; de staartveeren zijn fijn zwart gespikkeld en met vijf smalle, boogvormige banden geteekend. De oogen zijn geelbruin, de snavel en de pooten groengeel. Totale lengte 18, staartlengte 6,5 cM.

De Draaihals is benoorden den evenaar over de geheele Oude Wereld verbreid; zijn eigenlijk vaderland is echter in Middel-Europa en Middel-Azië gelegen. In ons land is deze soort schaarsch vertegenwoordigd; in de zee-provinciën wordt zij zeer zelden waargenomen. In Friesland b.v. heeft men haar slechts éénmaal te Tietjerk broedend gevonden (Albarda). In de lage streken broedt zij niet; wel, doch in zeer kleinen getale, langs den duinkant (Schlegel). In Duitschland wordt zij in kleinen getale allerwege aangetroffen, echter niet in het hooge gebergte of in de dichte, hooggelegen wouden. Naar 't noorden strekt haar verbreidingsgebied zich tot in het middelste deel van Skandinavië en tot in Finland uit; naar 't oosten tot in de Amoerlanden. In Middel- en Zuid-Rusland is de Draaihals overal veelvuldig; zelfs in de steppen is hij een gewone verschijning. Ik kan niet met zekerheid zeggen, hoe ver het door hem bewoonde gebied zich naar 't zuiden uitstrekt; wel weet ik, dat men hem hier veel zeldzamer opmerkt dan bij ons: in Spanje b.v. komt hij als broedvogel niet meer voor; evenzoo schijnt het in Griekenland gesteld te zijn. De reden hiervoor meen ik in de schaarschte van het boomgewas in de Spaansche en Grieksche vlakten te moeten zoeken; hoewel deze onderstelling bepaald in strijd is met de aanwezigheid van den Draaihals in de steppen. Op den trek ziet men hem in geheel Egypte, Nubië en Oost-Soedan: hier schijnt hij zijne winterkwartieren te hebben. Ditzelfde geldt voor Indië, waar men den Draaihals in alle districten, die men onderzocht heeft, waarnam, hoewel uitsluitend in den winter.

Hier te lande en in Duitschland verschijnt de Draaihals eerst, als het werkelijk lente is geworden; hij verlaat ons reeds vóór het einde van den zomer. Bosschen te midden van het veld, samenhangende kreupelbosschen of boomgaarden worden door hem bij voorkeur bewoond. Hij schuwt den mensch niet en vestigt zich gaarne in de onmiddellijke nabijheid van huizen, b. v. in tuinen, op voorwaarde dat hier minstens één boom met een voor broedplaats geschikte holte staat. Binnen zijn gebied wordt hij, althans in de lente, gemakkelijk opgemerkt; want zijn stem is zeer eigenaardig en valt nog meer op, daar het wijfje gewoon is het roepende mannetje geregeld te beantwoorden. Als men afgaat op het geluid "wie-ie ied wie-ie ied", dat dikwijls 20-maal achtereen weerklinkt, zal men den vreemdsoortigen Vogel spoedig bemerken. Hij zit òf op een boomtak, òf tegen den stam geplakt, òf op den grond, hier zoowel als daar tamelijk rustig, hoewel volstrekt niet bewegingloos, want zoodra hij bemerkt, dat men naar hem kijkt, rechtvaardigt hij minstens zijn naam. Men kan niet zeggen, dat hij plomp of onbehendig, maar wel, dat hij traag is en zich alleen dan beweegt, wanneer hij er volstrekt niet buiten kan. Van de onrust en de haastigheid der Spechten en andere Klimvogels is bij hem niets meer te bespeuren. Zijne klimvoeten dienen hem alleen om zich vast te klemmen aan den boom, maar schijnen onbruikbaar te zijn voor het stijgen. Op den bodem huppelt hij met logge sprongen rond; als hij vliegt, zoekt hij zoo spoedig mogelijk weer een boom op. Van boven laat hij zich tot dicht bij den bodem vallen, vliegt hier met snel bewogen vleugels een eind weegs rechtuit en stijgt daarna volgens een groote, weinig gekromde, boogvormige lijn weer omhoog. Alleen wanneer hij over een grooten afstand moet vliegen, beweegt hij zich volgens een zacht golvende lijn.

Verbazingwekkend is daarentegen de lenigheid van zijn hals; hieraan heeft hij zijn naam te danken, die in bijna alle talen dezelfde beteekenis heeft. Elk ongewoon verschijnsel noopt hem tot het maken van gebaren en deze worden des te doller, hoe meer de Vogel door de een of andere oorzaak bevreesd geworden is. "Dikwijls rekt hij den hals lang uit," zegt Naumann, "zet de veeren van den kop tot een kuif omhoog en breidt den staart waaiervormig uit, terwijl hij intusschen herhaaldelijk langzame buigingen maakt. Soms strekt hij het geheele lichaam, buigt het, vooral als hij boos is, langzaam naar voren, verdraait de oogen en beweegt de keel als een Boomkikvorsch, terwijl hij een zonderling, dof gegorgel laat hooren. Als hij angstig is, b.v. wanneer men hem met de hand wil grijpen en hij niet ontkomen kan, maakt hij zulke zonderlinge grimassen, dat ieder, die ze voor 't eerst ziet, zoo niet verschrikt, dan toch verbaasd zal worden. Met opgerichte kopveeren en half gesloten oogen rekt hij den hals tot een buitengewone lengte uit en draait hem als een Slang zeer langzaam zoo, dat de kop verscheidene malen een cirkel beschrijft en de snavel nu eens naar achteren dan weer naar voren gericht is." Het is zoo goed als zeker, dat de Draaihals op deze wijze zijne vijanden of aanvallers schrik wil aanjagen. Evenals de Hop bij 't zien van een Roofvogel op den grond gaat liggen en zich door eigenaardige gebaren onkenbaar tracht te maken, doet ook de Draaihals moeite om den vijand om den tuin te leiden en af te schrikken. Hij vertrouwt op zijn weinig in 't oog vallend kleed, welks kleur met die van de boomschors of van den grond overeenkomt en bootst bovendien de bewegingen na van de Slang, van een wezen, dat aan de meeste dieren vrees inboezemt.

Zelden hoort men van den Draaihals een ander geluid dan het reeds genoemde "wie-ie ied wie-ie ied." Het mannetje roept "wèd wèd," als het vertoornd is; evenals het wijfje, laat het uit angst den kort afgebroken klank "sjek" hooren; in zeer opgewonden toestand sist het wijfje (misschien ook het mannetje) als een Slang. De jongen sjirpen, zoolang zij zich nog in het nest bevinden, als Sprinkhanen.

De Spanjaarden hebben wel reden om den Draaihals "Formiguero", d.i. Mierenvogel, te noemen, want werkelijk vormen Mieren, die zoowel van den bodem als van de boomen worden afgezocht, het hoofdbestanddeel van zijn voedsel. Alle kleine soorten van Mieren vallen in zijn smaak; nog liever dan de volwassen Insecten verslindt hij echter hunne poppen. Bij gelegenheid eet hij ook wel rupsen en andere larven of poppen; Mieren vormen echter altijd de hoofdschotel van zijn maal. De tong, die hij even ver uitsteken kan als eenige andere Specht, bewijst hem bij zijn kostwinning uitmuntende diensten. Op soortgelijke wijze als de Miereneter steekt hij haar door spleten en gaten binnen in het mierennest en wacht, totdat de vertoornde Insecten zich vastgebeten hebben aan het voorwerp, dat zij voor een Worm houden, of aan het kleverige slijm zijn blijven hangen, waarna de met buit beladen tong met één ruk in de mondholte teruggetrokken wordt.

De Draaihals stelt geen hooge eischen aan de holte, waarin hij zijn nest zal bouwen. Hij acht haar voldoende, als de ingang maar niet zoo wijd is, dat ieder roofdier hem of zijn kroost in gevaar kan brengen. In gewone omstandigheden is geen andere voorbereiding van de nestholte noodig, dan dat zij eenigszins gezuiverd wordt van het hierin aanwezige vuil; het vermolmde hout vormt een tamelijk vlakke onderlaag, waarop het wijfje in het midden van Mei 7 à 12 kleine, stomp eindigende, dunschalige, zuiver witte eieren legt. Deze worden ongeveer 14 dagen lang, grootendeels door haar alleen, bebroed. De jongen zijn, als zij uit het ei komen, bijna naakt of slechts met eenige grauwe donsveertjes bekleed; zij groeien echter schielijk, omdat zij door de beide ouders ruimschoots met voedsel worden voorzien. Zij verlaten evenwel het nest niet, voordat zij volkomen in staat zijn om te vliegen. Hoe zorgvuldig de ouders overigens de belangen van hun talrijk kroost behartigen--van één zaak hebben zij geen begrip, n.l. van het schoonhouden van de kinderkamer. De Hop staat wegens zijn nalatigheid in dezen bij iedereen in kwaden reuk, de Draaihals is geen haar beter; ook zijn nest wordt ten slotte "een stinkende drekhoop."

Gevangen Draaihalzen zijn de gezelligste kamervogels, die er bestaan. Het is niet moeielijk hen aan een doelmatig en voor de kooi geschikt voedsel te gewennen en geruimen tijd in 't leven te houden. Toch komen soms exemplaren voor, die zoogenaamd "koppig" zijn, niets anders dan mierenpoppen willen eten.

Het opvoeden van een nest vol jonge Draaihalzen verschaft misschien nog meer vermaak dan het houden van oude Vogels. "Het hongergeschreeuw van deze kinderschaar," verhaalt Girtanner, "is het merkwaardigste muziekstuk, dat men zich voorstellen kan; het maakt vooral dan een verrassend effect, als de muziekanten zich, gelijk bij mij het geval was, in een gesloten kistje bevinden, welks inhoud men van buiten af niet raden kan. De geringste aanraking van het als nest dienende kistje brengt een zeer zonderling, rythmisch, ratelend gegons te weeg, dat men met een mirliton tamelijk zuiver kan nabootsen: het kistje is als 't ware een speeldoos geworden. Verwonderd zien nu de oningewijde toehoorders, bij 't openen van de speeldoos, deze plotseling in een janklaassenspel veranderd, welks acteurs reeds nu hunne grimassen beginnen te vertoonen. De meest ontwikkelde jongen maken al een goed gebruik van hun lange, beweeglijke slangentong, woelen hiermede bliksemsnel in de mierenpoppen om en laten even schielijk het voedsel, dat aan het bedoelde grijpwerktuig is blijven hangen, in hun snavel verdwijnen." De jongen, die men op deze wijze grootbrengt, worden zoo tam als huisdieren en zijn wel in staat om hun verzorger te vermaken. Met de andere Vogels, waarmede zij in de kooi verkeeren, kunnen zij zeer goed overweg; ook uit dit oogpunt mag men ze dus ten zeerste aanbevelen.

De hoogst ontwikkelde van de drie nu nog overblijvende familiën van Spechtvogels is die der Pepervreters of Toekans (Rhamphastidae), welker buitengewoon groote, maar toch zeer lichte snavel aan de zijranden bij wijze van een zaag getand is; zij hebben slechts tien stuurpennen. De teugel en de oorstreek zijn onbevederd. Deze familie omvat een zestigtal soorten, die de keerkringslanden van Amerika bewonen.

Volgens Burmeister is de levenswijze van deze Vogels het best beschreven door den Prins Von Wied, wiens woorden wij hier laten volgen:

"In de Braziliaansche oerwouden zijn na de Papegaaien de Toekans de meest algemeen voorkomende Vogels. In het koude jaargetijde worden zij overal in grooten getale gedood en gegeten. Voor den vreemdeling, die deze streken bereist, zijn deze Vogels trouwens uit een ander oogpunt merkwaardig dan voor den inboorling, die aan hun hoogst zonderlinge gestalte en aan hunne schitterende kleuren gewoon geraakt is. Het vederenkleed heeft meestal een koolzwarte grondkleur, maar is (evenals de iris van het oog, de pooten en de reusachtige snavel) op sommige plaatsen met sterk sprekende kleuren versierd. Hoewel deze fraaie Vogels in de Braziliaansche wouden zeer talrijk zijn, is het (gelijk ook door Sonnini te recht wordt opgemerkt) moeilijk om nauwkeurige inlichtingen te verkrijgen over hunne levenswijze en gewoonten en meer bepaaldelijk over hun voortplanting. Nooit heb ik het nest van een Toekan gevonden. De Brazilianen hebben mij echter verzekerd, dat deze Vogel twee eieren legt in een holte van een boom of van een boomtak; dit komt mij zeer waarschijnlijk voor, omdat de meeste Vogels van deze gewesten slechts twee eieren leggen. De vraag, welk voedsel de Toekans gebruiken, wacht sinds lang op een bevredigend antwoord. Volgens Azara plunderen zij vogelnesten; hiertegen weet ik niets in te brengen, hoewel ik in hun maag nooit iets anders dan vruchten, pitten van vruchten en dergelijke weeke stoffen gevonden heb. Waterton bevestigt mijn opmerking en zegt, dat de Toekans geen vleesch eten, maar schade aanrichten in de aanplantingen van bananen en guayavaboomen, op welker vruchten zij azen. In getemden toestand zijn zij ongetwijfeld alleseters, gelijk ik zelf heb kunnen opmerken, daar ik zulk een Vogel vleesch, een brij van maniokmeel met vleeschnat en verschillende soorten van vruchten gretig zag verslinden. De mededeeling van A. von Humboldt, dat de Toekan visch eet, heeft ongetwijfeld op een tammen Vogel betrekking. De Toekan gelijkt in getemden toestand veel op een Kraai, maar is nog veel begeeriger naar voedsel dan deze. Dat hij zijn voedsel, voordat hij het verslindt, omhoogwerpt, heb ik niet opgemerkt. Volgens de verzekering van de wilden leven de Toekans in vrijen toestand uitsluitend van vruchten. Over 't algemeen schijnen zij veel overeenkomst te hebben met Kraaien; misschien zijn zij echter in de vrije natuur alleseters, althans voor zoover het voedsel geldt, dat week genoeg is om door hun zwakken snavel verwerkt te worden. Zij zijn nieuwsgierig als de Kraaien, vervolgen de Roofvogels gemeenschappelijk en verzamelen zich in grooten getale om den vijand te plagen. Ik vind geen reden om hun wijze van vliegen plomp te noemen; maar Sonnini's oordeel heeft misschien betrekking op den Toko, die van alle Toekans den grootsten snavel heeft en dien ik nooit zag vliegen. De Toekans vliegen hoog, ver en volgens zwak gekromde booglijnen. Het blijkt niet, dat deze beweging buitengewone inspanning van hen vereischt; ook nemen zij hierbij geen houding aan, welke van die der overige Vogels afwijkt. Zij dragen den hals en den snavel horizontaal uitgestrekt en vliegen niet, zooals Levaillant zegt, moeielijk en met ingetrokken hals. Waterton beweert ten onrechte, dat de groote snavel den Vogel lastig schijnt te zijn en daarom in benedenwaartsche richting gedragen wordt; want het is mij zeer dikwijls opgevallen, hoe gemakkelijk en vlug de Toekans, ondanks hun grooten snavel, over de hoogste boomen van het woud zwenkten, voordat zij naar hunne donkere, schaduwrijke schuilplaatsen terugkeerden. Maakt misschien de Toko een uitzondering op dezen regel? Ik betwijfel het, daar de Toekan-snavel zoo licht is, dat hij den Vogel volstrekt niet lastiger schijnt te zijn, dan den Specht zijn kleinere snavel. De stem is voor iedere soort van Toekans eenigszins verschillend. Azara zegt, dat de door hem waargenomen soorten "rack" roepen. Misschien geldt dit van den Toko; de soorten, die ik heb hooren schreeuwen, maakten een geheel ander geluid.

"De oorspronkelijke bewoners van Amerika tooien zich dikwijls met de fraaie, bonte veeren van deze Vogels; vooral met de oranjekleurig bevederde huid van de borst, die zij in haar geheel aftrekken en aan hun kleeding hechten."

De nieuwere berichten, die mij bekend geworden zijn, zal ik laten voorafgaan door de beschrijving van eenige soorten van Toekans.

De Pepervreters (Rhamphastus) kenmerken zich door den buitengewoon grooten, bij den wortel zeer dikken, naar de spits aanmerkelijk saamgedrukten, op den rug scherpkantigen snavel, den dikken, hoogen, met groote, vlakke hoornplaten belegden loop, den korten, breeden, uit veeren van gelijke lengte bestaanden staart en de korte vleugels. De grondkleur van hun kleed is glanzig zwart; hierbij steken de roode, witte of gele velden aan de keel, den rug en den staartwortel sterk af.

De grootste soort van dit geslacht is de Reuzentoekan of Toko (Rhamphastus magnirostris). Bij hem zijn de veeren effen zwart; de staartwortel is licht bloedrood; de wangen, de keel, het voorste deel van den hals en de bovendekveeren van den staart zijn wit, bij den levenden Vogel met zwak geelachtig waas. De zeer groote, hooge snavel, welks rand eenige inkervingen vertoont, is schel oranjerood, op en bij den snavelrug en aan de spits van de onderkaak vuurrood; de spits van den bovensnavel en de rand van den snavel vóór de veeren van den kop zijn zwart; de driehoekige vlek vóór het oog is dooiergeel, de ring om het oog kobaltblauw, de iris donker flesschengroen, de voet lichtblauw. Totale lengte 57, staartlengte 14 cM.; de snavel is zoo lang als de vleugel, d. i. 23 cM.

De Toko bewoont de hooggelegen gewesten van Zuid-Amerika, van Guyana tot Paraguay, maar komt ook in Middel-Amerika voor. Volgens Schomburgk voedt hij zich in Guyana vooral met de zoogenaamde Spaansche peper (vruchten van verschillende soorten van Capsicum); hieraan heeft hij den naam van Pepervreter te danken.

In 't noorden van Zuid-Amerika wordt hij vervangen door den Roodsnaveligen Toekan, den Kirima der inboorlingen (Rhamphastus erythrorhynchus), die iets kleiner is en slanker gebouwd, maar overigens veel op hem gelijkt. Hij onderscheidt zich hoofdzakelijk door den minder hoogen, grootendeels karmijnrooden, op den rug en aan den wortel geel gekleurden snavel, den breeden, rooden zoom aan den onderrand van de witte keel en den gelen staartwortel. In grootte evenaart hij een Kraai; zijn snavel is korter dan de vleugel.

In de wouden langs de kust van Brazilië leeft de Oranjetoekan, de Toekana der Brazilianen (Rhamphastus Temminckii); deze is een weinig kleiner dan een Kraai; de snavel heeft de helft van de lengte der vleugels en is zwart met een gelen wortelband; de zijden van den kop, de keel en de krop zijn roodachtig geel, de krop met lichtgelen zoom langs den achterrand; de staartwortel en de stuit zijn rood.

Uit de beschrijvingen van alle onderzoekers, die de Pepervreters in hun vaderland hebben leeren kennen, vloeit voort, dat de levenswijze der verschillende soorten in hoofdzaken dezelfde is, zoodat men hetgeen van de eene bekend is, ook op de andere kan toepassen. De Toko bewoont slechts de hoogste gedeelten van het land; men treft deze Vogels uitsluitend in de Savanna aan, deels bij paren in de bosschen en op de met boomen begroeide rivieroevers, deels in kleine troepen, die door de open Savanna zwerven, als de vruchten rijp geworden zijn. De Kirima is een van de algemeenste Vogels van het woud; alleen in de onmiddellijke nabijheid van de kust komt hij zeldzaam, in het dichte woud daarentegen des te veelvuldiger voor. De Toekana eindelijk vindt men overal, waar groote, aaneengeschakelde wouden zijn. Alle onderzoekers berichten, dat de Toekana en de Kirima van den broedtijd tot aan den ruitijd bij paren leven.

Gewoonlijk houden de Pepervreters zich boven in de boomen van het woud op. Hier sluipen zij met meer behendigheid, dan men bij hen zou vermoeden, door de kroon om voedsel te zoeken, of zetten zich om te rusten op de meest uitstekende toppen van de hoogste boomen neer en laten van hier hun krakende of fluitende stem weerklinken. "Soms ziet men," zegt Bates, "een gezelschap van 4 of 5 stuks uren lang op de toptwijgen van een der hoogste boomen zitten en hoort hen dan een vreemdsoortig muziekstuk uitvoeren. Eén van hen, die hooger gezeten is dan de overigen, schijnt de leider van dit wanluidende concert te zijn; van de overigen schreeuwen dikwijls twee beurtelings op verschillenden toon." Ook wanneer zij zich te midden van de dichtst dooreengevlochten twijgen verborgen hebben, laten zij nog dikwijls hun stem weerklinken; buitengewoon schreeuwlustig zijn zij echter, volgens de berichten van de Indianen, wanneer er regen in aantocht is; zij worden daarom als goede weerprofeten beschouwd.

Alle soorten zonder uitzondering zijn beweeglijke, wakkere, schuwe, maar toch nieuwsgierige Vogels. Den mensch ontwijken zij met groote omzichtigheid; alleen geoefende jagers kunnen hen bekruipen; zij plagen den schutter, door, evenals als onze Vlaamsche Gaai, nooit ver, maar altijd ter rechter tijd weg te vliegen en telkens weder een zitplaats te kiezen, die moeielijk te naderen is. Toch zijn deze Vogels oogenblikkelijk bereid om een Roofvogel, b.v. een Uil, het leven lastig te maken. Hun opmerkzaamheid strekt zich uit over al wat in hun omgeving voorvalt; gewoonlijk zijn zij de eersten, die een naderenden vijand bespeuren en zijn aanwezigheid aan de overige bevederde bewoners van het woud verraden. Daar zij sterk en weerbaar zijn, jagen zij zwakke Roofvogels in den regel op de vlucht, hoofdzakelijk door den overlast, dien zij hun aandoen. Bates zegt, dat zij schuw en wantrouwig zijn, zoolang zij kleine gezelschappen vormen, maar zich in 't oog vallend onvoorzichtig toonen, als zij, tot groote vluchten vereenigd, wouden bezoeken, die zij in andere tijden vermijden. Het laatstgenoemde geval doet zich voor, zoodra de ruitijd, die in de maanden Maart tot Juli valt, voorbij is.

Over het voedsel van de Toekans heerschen ook thans nog verschillende meeningen. Schomburgk beweert uitdrukkelijk, dat zij niet anders dan vruchten eten; Bates zegt, dat vruchten ongetwijfeld hun voornaamste voedsel zijn, en dat zij deze, wegens de groote lengte van hun snavel, gemakkelijk afplukken kunnen. Azara daarentegen verzekert, dat zij zich volstrekt niet tot het eten van plantaardig voedsel bepalen, maar ook vele Vogels verdelgen, en door hun grooten snavel allen angst aanjagen, dat zij de kleine Vogels van hunne nesten verdrijven en eieren en jongen, zelfs die van de Araras verslinden, dat zij in den regentijd, als het harde nest van den Ovenvogel week geworden is, zelfs dit aantasten, het stukhakken en de jongen er uithalen. A. von Humboldt verzekert, dat zij Visschen eten. En werkelijk namen alle Toekans, die men tot dusver in de gevangenschap heeft waargenomen, niet slechts zonder eenige aarzeling dierlijk voedsel tot zich, maar vervolgden bovendien kleine Gewervelde Dieren met zóó grooten ijver, dat men wel kon zien, dat zij geen ongewone handeling verrichtten. Azara deelt ook nog mede, dat zij vruchten, stukken vleesch en Vogels omhoog werpen en weer opvangen, op de wijze van een jongleur, die met ballen speelt, en dit herhalen, totdat het voedsel geschikt is om doorgeslikt te worden; ook Pechuel-Loesche heeft ervaren, dat zij wel niet geregeld, maar toch dikwijls op deze wijze te werk gaan; de overige onderzoekers hebben de bedoelde hebbelijkheid niet waargenomen: Schomburgk zegt uitdrukkelijk, dat hij haar nooit bij de Toekans heeft opgemerkt, zoomin in de vrije natuur als in de gevangenschap. "Het kost den vreemdsoortigen Vogel wel eenige moeite om zijn voedsel van den grond op te nemen," zegt hij; "wanneer hij het echter eens gegrepen heeft, steekt hij den snavel loodrecht omhoog en slikt het brok door, zonder het vooraf omhoog geworpen te hebben."

Nagenoeg op dezelfde wijze gaat de Vogel te werk, als hij drinken wil. De snavel wordt met water gevuld, de kop langzaam omhoog geheven, zooals bij een drinkend Hoen geschiedt, waarna de vloeistof in de keel vloeit.

Uitvoerige berichten over de voortplanting ontbreken tot dusver. De Toekans nestelen in gaten van boomen en leggen twee witte eieren. De jongen krijgen spoedig het fraai gekleurde vederenkleed van de ouden; de fraaie kleuren van den snavel ontwikkelen zich echter eerst in het tweede of derde levensjaar. Dit is al wat over dit belangrijke levenstijdperk van den Vogel bekend is.

In Brazilië wordt ijverig jacht gemaakt op alle Pepervreters, zoowel wegens hun vleesch en hunne fraaie veeren als met de bedoeling, om deze vreemdsoortige dieren als huisgenooten te hebben. "Wij schoten," zegt de Prins Von Wied, "dikwijls verscheidene Toekans op één dag; hun vleesch werd gegeten en gelijkt op dat van de Kraai." Burmeister verzekert, dat dit wild een zeer aangenaam gerecht oplevert, dat het met rijst gekookt, op een goede duivensoep gelijkt en zeer smakelijk is. Schomburgk noemt den Vogel eenvoudig eetbaar. Volgens Bates houden alle bewoners van Ega, een plaats aan den Amazonen-stroom, zich ijverig met de Toekan-jacht bezig, zoodra deze Vogels, tot vluchten vereenigd, in de naburige bosschen verschijnen. "In Ega gaat ieder, die in dezen tijd over een geweer of zelfs maar over een blaaspijp kan beschikken, hiermede naar het woud en schiet tot verbetering van zijn middagdisch eenige van deze Vogels, zoodat in de maanden Juni en Juli geheel Ega bijna uitsluitend van Toekans leeft. Weken lang heeft ieder gezin dagelijks een gekookten of gebraden Pepervreter op schotel. In dezen tijd zijn de Vogels buitengewoon vet en is hun vleesch zeer malsch en smakelijk."

Over het gebruik, dat van de veeren wordt gemaakt, geeft Schomburgk uitvoerige berichten. Hij beschrijft een ontmoeting met de Maionkongs en zegt: "Hun smaakvolste vederentooi bestond grootendeels uit dikke hoofdbanden, samengesteld uit de roode en gele veeren, die bij de Pepervreters onmiddellijk boven den staartwortel groeien. Daar niet alleen de Maionkongs, maar ook de Goeïnaus, Olaupes en Paoeixanas zich hoofddeksels en zelfs geheele mantels van deze veeren vervaardigen, zouden de beide soorten van Pepervreters, waarop meer bepaaldelijk jacht wordt gemaakt, weldra uitgeroeid zijn. Op een zeer vernuftige wijze weten de wilden echter het uitsterven van de dieren, die hun grondstoffen voor kleederen leveren, te verhoeden. Zij schieten de Vogels, die hiervoor dienen, met zeer kleine pijlen, die met een zeer zwak vergif bestreken zijn. De wonde, door zulk een pijl veroorzaakt, is te onbeduidend om doodelijke gevolgen te hebben: het zwakke vergif verdooft eenvoudig den buit. De Vogel valt naar beneden, de gewenschte veeren worden hem uitgetrokken; na verloop van korten tijd vliegt hij weer weg, om misschien nog meermalen dezelfde behandeling te ondergaan."

Jong uit het nest genomen Toekans zijn zeer vermakelijke huisgenooten. "Wat levenswijze en natuurlijken aanleg betreft," zegt A. von Humboldt, "gelijkt deze Vogel op de Raaf. Hij is een moedig dier, dat gemakkelijk getemd kan worden. Van zijn langen snavel maakt hij als verdedigingsmiddel gebruik. Hij speelt de baas in huis, steelt al wat voor hem bereikbaar is, baadt dikwijls en vischt gaarne aan den oever van den stroom. De Toekan, dien wij gekocht hadden, was zeer jong; toch plaagde hij gedurende de geheele reis den brommigen, opvliegenden Nachtaap." Schomburgk doet hierover een aardig verhaal. "Onder de vele tamme dieren, die ik in Watoe-Ticaba vond, was ook een Pepervreter, die mij veel genoegen verschafte. Hij had zich opgeworpen als onbeperkte heerscher niet alleen over al zijne bevederde, maar zelfs over zijne groote, viervoetige lotgenooten: gedwee bogen groot en klein zich onder zijn ijzeren scepter. Als er een twist dreigde te ontstaan tusschen de tamme Trompettervogels, Hokko's, Sjakoe's en andere Hoenderen, stoven alle ruziezoekers onverwijld uiteen bij het verschijnen van den krachtigen dwingeland, die, indien hij in de hitte van het geschil niet werd opgemerkt, de opgewonden strijders door eenige pijnlijke beten met den wanstaltigen snavel er aan herinnerde, dat hij geen oneenigheid onder zijn volk duldde. Als wij brood of beenderen te midden van het gewoel wierpen, durfde geen der twee- of viervoetige onderdanen het kleinste stukje te nemen, voordat de Toekan zooveel voor zichzelf had uitgekozen, als hij noodig meende te hebben. Zijn heerschzucht en dwingelandij gingen zelfs zoo ver, dat hij, alle regels van het volkenrecht uit het oog verliezend, iederen vreemden Hond, die misschien met een van de Indianen meegekomen was, op onbarmhartige wijze liet voelen, wat op zijn gebied voor recht gehouden werd, door hem te bijten en in het geheele dorp te vervolgen. Juist op den dag van mijn vertrek werden de geplaagde onderdanen van hun tiran bevrijd. Een groote Hond, die des morgens met zijn meester was aangekomen en op de beenderen, die over den grond verstrooid lagen, evenveel recht meende te hebben als de heb- en heerschzuchtige Pepervreter, begon bedaard te kluiven, zonder vooraf te informeeren, of deze stukken ook van de gading waren van den Vogel, die in de nabijheid zat. Nauwelijks had deze zulks bemerkt, of hij sprong vertoornd op den brutalen indringer en beet hem eenige malen in den kop. De gestrafte Hond begon te knorren; de Vogel liet zich hierdoor niet afschrikken en hakte meedoogenloos met zijn langen snavel op den overtreder los, totdat deze zich plotseling omwendde, naar den boosaardigen Toekan hapte en hem zulk een beet in den kop toebracht, dat de dood er na verloop van korten tijd op volgde. Het verlies van dezen Vogel speet mij zeer; de onverschrokkenheid, waarmede hij zelfs den grootsten Hond te lijf ging en dezen, even goed als kleinere ongehoorzame onderdanen, nadrukkelijk tot de orde riep, leverde werkelijk een hoogst komieke vertooning op. Tot zijne onderworpelingen behoorde onder anderen een Neusbeer."

Bates verhaalt, dat hij eens bij een wandeling in het woud een Pepervreter op een lagen boomtak zag zitten en zonder moeite met de hand ving. De krachtelooze en half verhongerde Vogel herkreeg door goede voeding weldra zijne krachten en werd een van de gezelligste huisdieren, die men zich voorstellen kan. Door zijn schranderheid geleek hij op een Papegaai. Tegen de gewoonte in liet men hem vrij in huis rondloopen. Een straffe terechtwijzing was voldoende om hem van de werktafel verwijderd te houden. Hij at van dezelfde spijzen als zijn meester (vleesch, schildpadden, visschen, farinha, vruchten enz.) en nam geregeld aan diens maaltijden deel. Zijn eetlust was buitengewoon groot, zijn verteringsvermogen verbazingwekkend. Hij was volkomen op de hoogte van de etensuren en het kostte na eenige weken moeite hem uit de eetkamer weg te krijgen. Men sloot hem op in den met een hooge schutting omringden hof; hij klom echter over de afscheiding heen, huppelde in de nabijheid van de eetkamer op en neer en was weer tegelijk met den eersten schotel op de tafel present. Later kreeg hij het in den kop vóór het huis op straat te gaan wandelen. Op een goeden dag werd hij gestolen en Bates beschouwde hem natuurlijk als verloren. Twee dagen later verscheen hij echter ouder gewoonte weer in de eetkamer: hij was zijn onrechtmatigen eigenaar gelukkig ontkomen.

De Pepervreters moeten, wanneer hunne schoonheid, bewegelijkheid en levenslust goed zullen uitkomen, een zeer ruime en hooge kooi hebben, die hun een groote speelruimte verschaft. In zulk een kooi kunnen zij jaren lang in 't leven blijven, wanneer men hen terdege tegen den invloed van het ruwe weer beschut; zij worden zeer tam, herkennen hunne verzorgers, onderscheiden hen van andere menschen, laten zich door hen aanraken en op de wijze van de Papegaaien in de veeren krauwen; door hun gemeenzaamheid, opgewektheid en onverstoorbare opgeruimdheid winnen zij in nog hoogere mate de genegenheid van den mensch dan door de zoo fraaie en eigenaardige kleuren van hun altijd glad aanliggend kleed.

Arassari's (Pteroglossus) noemt men die soorten van Pepervreters, welker betrekkelijk kleine, slanke, ronde, aan de spits meer of minder samengedrukte snavel aan den wortel niet hooger is dan de kop. Hunne neusgaten zijn niet in den snavel gelegen, maar daarachter, in een inham aan weerszijden van den bij het voorhoofd afgeplatten snavelrug. De staart is lang en min of meer trapvormig.

Een der meest verbreide soorten van dit geslacht is de Arassari der Brazilianen (Pteroglossus atricollis). De grondkleur van zijn kleed is donker metaalachtig groen; de kop en de hals zijn zwart, op de wangen met een donkerbruinachtig violet waas; het onderste deel van de borst en de buik zijn licht groenachtig geel; een dwarsband op het midden van den buik en ook de staartwortel tot aan den rug zijn rood; de staart is aan de bovenzijde zwartgroen, aan de onderzijde grijsgroen. De oogen zijn bruin, de naakte streek rondom de oogen is leikleurig zwart; de bovensnavel heeft een geelachtig witte kleur, met uitzondering van den mondhoek, den uitstekenden rand aan den snavelwortel en de afgeronde groeve op den snavelrug die zwart zijn; de ondersnavel daarentegen is geheel en al zwart met een witten rand aan den wortel; de voeten zijn groenachtig grijs. Totale lengte 44, staartlengte 17 cM.

"De Arassari," zegt de Prins Von Wied, "bewoont in grooten getale alle door mij bereisde Braziliaansche oerwouden; zijn levenswijze komt in hoofdzaken overeen met die van de Toekans. Men ziet hem dikwijls op de bovenste doode takken van een hoogen boom van het woud zitten, van waar hij zijn kort, tweelettergrepig geschreeuw laat hooren, dat ongeveer als "koelik koelik" klinkt. Hij leeft paarsgewijs en buiten den paartijd in kleine gezelschappen, die rondtrekken om vruchten te zoeken. Vooral in het koude seizoen, als de meeste vruchten rijp zijn, verlaat hij dikwijls de wouden en komt in de nabijheid van de kusten en op de plantages, waar men dan vele van deze Vogels doodt. Hun vleesch is goed, in het koude seizoen zelfs vet. Deze Vogels vliegen volgens boogvormige lijnen en met rukken, zooals alle Toekans en slaan weinig met de vleugels, Als zij stil zitten, wippen zij met den staart, zooals onze Eksters. Hun nest met twee eieren of jongen vindt men in een hollen boom of tak. Zij kunnen een Roofvogel, vooral een Uil, die zich in hun nabijheid vertoont, niet ongemoeid laten, maar vallen gezamenlijk op den indringer aan om hem te plagen."

Bates verhaalt, dat hij eens een merkwaardige ontmoeting met deze Vogels gehad heeft: "Van den hoogsten boom in een donkere kloof had ik een Arassari afgeschoten. Hij was slechts gewond en schreeuwde luid, toen ik hem oprapen wilde. Alsof zij door een tooverslag waren ontstaan, wemelde het plotseling in de schaduwrijke kloof van kameraden van den gewonden Vogel, hoewel ik er vóór dien tijd geen enkele had gezien. Van tak tot tak springend daalden zij tot mij af, gingen aan de ranken der slingerplanten hangen, schreeuwden en sloegen met de vleugels als furiën. Als ik een langen stok bij de hand gehad had, zou ik verscheidene hunner van de takken af hebben kunnen slaan. Nadat ik den gewonden Vogel gedood had, maakte ik mij gereed tot het bestraffen van deze brutale klanten; zij echter hadden zich, zoodra het geschreeuw van hun ongelukkigen makker zich verstomde, dadelijk weer naar hunne veilige boomtoppen terugbegeven en waren alle verdwenen, nog voordat ik mijn geweer geladen had."

De naaste verwanten van de Pepervreters zijn de Baardvogels (Capitonidae). Zij kenmerken zich door zachte, met prachtige kleuren prijkende veeren; deze zijn bij den breeden wortel van den middelmatig langen, dikken en stevigen, bijna kegelvormigen snavel in borstelige haren veranderd.

Deze familie is in de tropische gewesten van de Oude en van de Nieuwe Wereld inheemsch, maar wordt in de verschillende werelddeelen door eigenaardige geslachten vertegenwoordigd. Haar grootste ontwikkeling bereikt zij in Afrika en Azië; in Australië behoort geen van hare leden thuis. De meeste Baardvogels zijn levendige, vlugge, bedrijvige, van gezelligheid houdende dieren, die zich dikwijls tot kleine zwermen vereenigen en dan geruimen tijd gemeenschappelijk arbeiden. Hun voedsel bestaat behalve uit Insecten, uit allerlei bessen en andere vruchten. De grootste soorten vallen nu en dan ook kleine Gewervelde Dieren aan; zij doen dit althans soms in de gevangenschap. Bijna alle zijn met een luide, ver hoorbare stem begaafd; verscheidene soorten brengen zelfs een soort van gezang voort en voeren geregeld muziekstukken uit, waaraan alle leden van het gezelschap deelnemen.

Als vertegenwoordiger van de Aziatische soorten noemen wij den Goudbaardvogel (Megalaema flavigula), die op Sumatra door de inboorlingen Tagoh-tagoh wordt genoemd. De bovendeelen zijn dof olijfgroen, welke kleur op de buitenzoomen der zwarte slagpennen in dof groenblauw overgaat; de veeren van het voorste en bovenste deel van den kop zijn karmijnrood, die van den achterkop zwart; zwart zijn ook de zijden van den kop met uitzondering van twee zwavelgele strepen, een smalle boven en een breede onder het oog; de eveneens zwavelgele plek op kin en keel is van achteren begrensd door een donker karmijnroode dwarsband, waarop weder een oranjegele band volgt; de overige onderdeelen zijn geelachtig wit, met breede, donker appelgroene, overlangsche schaftvlekken geteekend. Totale lengte 17, staartlengte 4 cM.

De Goudbaardvogel is over geheel Indië tot Cochin-China, Ceylon en de Maleische eilanden (vooral Sumatra) en over de Philippijnen verbreid. Hij is veelvuldig overal waar boomen zijn, bewoont hoogstammige wouden, kreupelbosschen, wandelparken en tuinen, komt zonder eenigen schroom in de onmiddellijke nabijheid van de huizen en gaat zelfs niet zelden op de daken zitten. Wegens zijn luide, als "doek doek" klinkende stem en het eigenaardige knikken met den kop, waarmede zij gepaard gaat, wordt hij door de Europeanen en inboorlingen van Engelsch-Indië "Kopersmid" genoemd.

De laatste familie van de Spechtvogels, die der Speurvogels (Indicatoridae), bevat een twaalftal soorten van langvleugelige, kortstaartige, diksnavelige en kortpootige Vogels met een betrekkelijk ineengedrongen romp.

De Speurvogels zijn hoofdzakelijk bewoners van Afrika; tot dusver zijn slechts twee soorten van de familie buiten dit werelddeel, n.l. in Sikkim en op Borneo, waargenomen. Zij leven in boschrijke streken, gewoonlijk bij paren, hoogst zelden in kleine troepen, fladderen van den eenen boom naar den anderen en laten intusschen hun krachtige, welluidende stem weerklinken. Zij behooren tot de populairste van alle Afrikaansche Vogels; overal waar zij leven, hebben zij ieders aandacht getrokken. Reeds de oudste reizigers maken melding van hen, vooral wegens een zonderlinge eigenschap, die, naar het schijnt, hun allen eigen is. Alle buitengewone verschijnselen, die zij opmerken, trachten zij aan andere dieren en meer bepaaldelijk ook aan den mensch te wijzen; met een in 't oog vallende driestheid komen zij aanvliegen en noodigen door geschreeuw en zonderlinge gebaren den waarnemer uit om hen te volgen. Dat zij door hun lokstem dikwijls de plaats aanduiden, waar bijenzwermen nestelen, weet iedere inboorling, die een der Afrikaansche landen tusschen de Kaap en den Senegal of aan de westkust ten zuiden van Abessinië bewoont.

De Honigwijzer of Honigkoekoek (Indicator Sparrmanni) is aan de bovenzijde grijsbruin, aan de onderzijde grijsachtig wit, aan den gorgel zwart; in de oorstreek komt een grijsachtig witte, op den schouder een gele vlek voor; eenige schenkelveeren zijn met zwarte, overlangsche strepen geteekend; de slagpennen zijn met bruinachtig grijze, de vleugeldekveeren met breede, witte zoomen voorzien; de middelste staartveeren zijn bruin, de beide volgende aan weerszijden op de buitenvlag bruin, op de binnenvlag wit; de snavel is geelachtig wit, de poot bruinachtig grijs. Totale lengte 18, staartlengte 7 cM.

Deze soort is verbreid over de meeste gewesten van Afrika, die ten zuiden van den 16en graad N.B. gelegen zijn; naar het schijnt, komen hare vertegenwoordigers (en ook die van verwante soorten) in sommige van deze gewesten, o.a. in Abessinië en Oost-Soedan, slechts gedurende een deel van het jaar voor; hier zijn zij dus trekvogels.

Ludolf maakte in 1861 voor 't eerst melding van den Honigwijzer. Nadere berichten over dezen Vogel gaf Lobo, wiens beschrijving van een reis naar Abessinië in 1728 het licht zag. Aan Sparrmann's werk, dat tegen het einde van de vorige eeuw verscheen, zijn de volgende, door alle latere reizigers bevestigde mededeelingen ontleend. "De Bijenverraderkoekoek," zegt hij, "gelijkt bij vluchtige beschouwing op een gewone, grijze Musch. Den mensch en den Ratel dient hij tot gids naar de bijennesten. Waarschijnlijk doet hij dit uit eigenbelang, want hij eet bij voorkeur honig en bijenlarven en weet, dat bij het plunderen van de bijennesten altijd iets verloren gaat, waardoor hij deel krijgt aan den buit, of dat men opzettelijk iets achterlaat, als belooning voor den door hem bewezen dienst." Hiertegen voert Levaillant te recht aan, dat de Honigkoekoeken, die in de niet door menschen bewoonde wildernissen leven, onmogelijk op zulk een belooning van hunne diensten kunnen rekenen en toch ook leven, dat dus de Vogel den mensch niet opzettelijk den weg wijst, maar dat deze eenvoudig partij trekt van de eigenaardige gewoonten van den Honigwijzer. "De wijze waarop deze Vogel te werk gaat," gaat Sparrmann voort, "getuigt van veel overleg en is bewonderenswaardig. De meest geschikte tijd hiervoor schijnt de morgen en de avond te zijn; dan beijvert hij zich althans het meest om door zijn ratelend "sjerr sjerr" de aandacht van de Hottentotten of van den Ratel op zich te vestigen. De Vogel vliegt onder voortdurend geschreeuw de Bijen, die zich naar het naastbijgelegen nest begeven, langzaam na. Men volgt deze aanwijzing en draagt zorg, den wegwijzer niet schuw te maken door gedruisch of door de talrijkheid van het gezelschap; men antwoordt hem liever, zooals een mijner sluwe Bosjesmannen deed, nu en dan met een zacht gefluit, ten teeken dat aan de lokstem gevolg wordt gegeven. Ik heb opgemerkt, dat de Vogel, wanneer het bijennest nog ver weg is, telkens eerst na een lange vlucht halt maakt om de bijenjagers af te wachten en op nieuw te lokken, dat hij echter, naarmate men het nest nadert, over steeds kortere afstanden vliegt, voordat hij zich neerzet en bovendien zijn geschreeuw ijveriger en meermalen herhaalt. Als hij eindelijk bij het nest is aangekomen, hetzij dit in een bergkloof of in een hollen boom of in een onderaardsche gang gebouwd is, zweeft hij eenige oogenblikken er boven, strijkt vervolgens neer, en wel gewoonlijk in een naburigen struik, zoodat hij niet gezien kan worden, blijft zitten zonder eenig geluid te geven en let op hetgeen er gebeurt en wat er van den buit voor hem wordt overgelaten. Het is mogelijk, dat hij op deze wijze telkens gedurende een meer of minder langen tijd boven het nest rondfladdert, voordat hij zich verbergt, hoewel men hierop niet altijd zoo nauwkeurig acht geeft. Hoe dit ook zij, men kan er altijd volkomen zeker van zijn, dat een bijennest zeer nabij is, als de Vogel zich geheel stil houdt. Op een plaats, waar wij eenige dagen bleven, werden mijne Hottentotten door een nog al schuwen Bijenkoekoek meermalen naar een oord gelokt, waar wij eerst later, door hem geleid, het nest ontdekten. Wanneer men nu, de aanwijzing van den Vogel volgend, het bijennest gevonden en uitgeplunderd heeft, is men gewoon voor hem uit erkentelijkheid een groot deel van de slechtste raten, waarin de bijenlarven en -poppen zich bevinden, achter te laten; waarschijnlijk zijn juist deze raten het meest naar zijn smaak; ook de Hottentotten houden ze volstrekt niet voor de slechtste. Mijne begeleiders en ook de kolonisten zeiden mij, dat men, op de bijenjacht uitgaande, de eerste maal niet te vrijgevig moest wezen jegens dezen dienstvaardigen Vogel, maar slechts zooveel moest overlaten, als noodig is om zijn eetlust te prikkelen; in de hoop op een ruimere belooning zal hij dan nog een zwerm verraden, indien er in de buurt nog een is."

Bij het berooven van de Bijen komen de dicht opeenliggende, harde veeren en de dikke huid den Honigwijzer waarschijnlijk zeer goed te stade, n.l. door hem tegen den steek der Insekten te beschutten. Dat deze zich niet goedwillig van hun gebroed laten berooven, is verklaarbaar; dat hun strijd met den Honigwijzer soms met den dood van den Vogel eindigt, zooals Levaillant bericht, wordt echter door geen der onderzoekers uit lateren tijd bevestigd.

De Gebroeders Verreaux vonden de eieren of jongen van de verschillende soorten van Honigwijzers, die Zuid-Afrika bewonen, in de nesten van Klauwieren, Ixos, Spechten, Wielewalen en dergelijke Vogels. Het wijfje legt haar glinsterend wit ei op den vlakken grond en draagt het in den snavel naar het vooraf gekozen vreemde nest, nadat zij hieruit een ei heeft weggeworpen. Als de jonge Honigkoekoek een zekere grootte bereikt heeft, beginnen zijne ouders hem te voeden en nopen zij hem het nest van zijne stiefouders te verlaten.

De groep der Groothandigen (Macrochires) omvat twee familiën, die naar het uitwendige weinig op elkander gelijken: de Gierzwaluwvogels en de Gonsvogels of Kolibrie's; aan de laatste moet, wegens de lichamelijke ontwikkeling harer leden, de voorrang worden toegekend. De geringe punten van overeenkomst in bouw en levenswijze, die deze beide familiën vertoonen, zullen wij bij de beschrijving van iedere afdeeling aangeven.

"Van alle levende wezens is de Kolibrie het schoonst van gestalte, het prachtigst van kleur. Edelgesteenten en metalen, die door onze kunst hun glans verkrijgen, staan ver achter bij dit juweel der natuur. Dit vogeltje is haar meesterstuk. Zij heeft het overstelpt met alle gaven, waarvan de overige Vogels slechts enkele hebben ontvangen. Lichtheid, snelheid, behendigheid, gratie en rijke tooi, alles is haar kleinen lieveling ten deel gevallen. Smaragden, robijnen en topazen flonkeren op zijn kleed, dat nooit met het stof der aarde bezoedeld wordt, want gedurende geheel zijn etherisch bestaan komt hij slechts enkele oogenblikken met den bodem in aanraking. Altijd door beweegt hij zich in de lucht, zwevend tusschen de bloemen, welker glans hem eigen is en welker nectar hij drinkt."

"De Kolibrie bewoont slechts die hemelstreken, waar de planten voortdurend met bloemen prijken; de leden zijner familie, die in den zomer de gematigde gewesten bezoeken, blijven er slechts korten tijd. 't Is, alsof zij de zon volgen, met deze zich vooruit en achteruit begeven en op zephyrvleugels in het gevolg van een eeuwige lente reizen."

Deze dichterlijke ontboezeming is aan Buffon ontleend; de door hem geroemde, prachtige Vogels hebben alle onderzoekers van lateren tijd, zelfs de ernstigste, bekoord. "Wie zou," zegt Audubon, "niet bewonderend stil staan, wanneer hij een van deze lieftallige schepseltjes aanschouwt, terwijl het gonzend door de lucht schiet, nu eens als door tooverkracht vastgehouden, op dezelfde plaats blijft, dan weer van de eene bloem naar de andere glijdt, schitterend als een stuk van een regenboog, liefelijk als de personificatie van het licht?"--"De Kolibrie," zegt Waterton, "is de echte Vogel van het Paradijs. Zie slechts, hoe hij door de lucht schiet met de snelheid der gedachte. Nu is hij een armlengte van uw gelaat verwijderd, in een oogwenk is hij verdwenen, een seconde later omzweeft hij weder de bloemen en bloesems. Nu eens gelijkt hij op een robijn, dan weer op een topaas, kort daarna op een smaragd en in 't volgend oogenblik op flonkerend goud."--"Er bestaat," zegt Burmeister, "geen tweede groote familie van Vogels, even fraai gekleurd en sierlijk gebouwd als deze in ieder opzicht zoo uiterst merkwaardige en eigenaardige bewoners van Amerika. Men moet ze levend in hun vaderland gezien hebben om hun bekoorlijkheid volkomen te leeren beseffen."

De grootte der Kolibries (Trochilidae) variëert binnen wijde grenzen: eenige komen in omvang met een kleine Zwaluw overeen, andere zijn nauwelijks grooter dan een Hommel. Het lichaam is in de meeste gevallen slank, of schijnt dit althans te zijn, omdat de staart dikwijls een aanzienlijke lengte heeft; dat de lichaamsbouw eigenlijk zeer gedrongen en krachtig genoemd moet worden, valt bij de soorten, die slechts een kort staartje bezitten, dadelijk in 't oog. De in een fijne punt uitloopende snavel is priemvormig van gedaante, dun en slank, recht of flauw gebogen, soms veel langer, soms niet langer dan de kop, bij eenige soorten nagenoeg even lang als de romp, zelden nog langer dan deze; hij is bedekt met eene fijne, lederachtige hoornscheede, de spits meestal recht, de rand gaaf, gene soms een weinig haakvormig, deze aan het voorste gedeelte fijn zaagsgewijs ingekorven. Aan de binnenzijde zijn de snavelhelften diep uitgehold; de bovensnavel omvat den ondersnavel en vormt met dezen een buis, waarin de tong gelegen is. Van achteren steekt de snavelrug als een stompe lijst boven de oppervlakte van den snavel uit; hiernaast ziet men een diepe groeve, die als neusgroeve aangemerkt moet worden, hoewel zij de neusgaten niet bevat; deze fijne, langwerpige, overlangsche spleten liggen veel verder naar buiten, onmiddellijk naast den zijrand van den bovensnavel. De nauwe, smalle, met een onbevederde huid gevulde kinhoek strekt zich meer of minder ver over den ondersnavel uit, bij een korten snavel bereikt hij ongeveer het midden van dezen. Opmerkelijk klein en sierlijk gebouwd zijn de pooten. De loop is van voren met dwarsschilden, dikwijls echter geheel of ten deele met veeren bedekt, die er echter vaker tegen aanliggen dan uitstaan. De teenen zijn soms volkomen vaneengescheiden, soms aan den wortel een weinig samengegroeid en met korte, plaatvormige schilden bedekt; de klauwen zijn buitengewoon scherp en puntig; hun lengte is weinig geringer dan die der teenen. De vleugels zijn lang, meestal smal en min of meer sikkelvormig gebogen. De eerste slagpen is steeds de langste en heeft gewoonlijk ook een dikkere schaft dan de overige pennen; bovendien is zij opmerkelijk, doordat, bij sommige soorten althans, de onderste helft van de schaft een buitengewone breedte heeft. Aan de hand komen negen, vaker nog tien pennen voor, aan den voorarm echter slechts zes. Van deze zijn de vier voorste even lang, doch niet recht zoo lang als de laatste handpennen; de twee achterste zijn trapsgewijs afgekort. De staart bestaat altijd uit tien pennen; deze zijn echter zeer verschillend van vorm. Zeer vele soorten hebben een gaffelvormigen staart; het verschil in lengte tusschen de buitenste en middelste veeren loopt echter zeer uiteen; bij sommige soorten zijn gene zes of meermalen zoo lang als deze, bij andere is dit verschil gering. De vlag van de stuurpennen is bij sommige soorten over haar geheele lengte tamelijk gelijkmatig van breedte, bij andere aan het topgedeelte van de schaft tot een nauwelijks merkbaren zoom versmalt, aan de spits echter weer tot een rondachtige schijf verbreed; in dit geval noemt men den staart "raket"- of "roeispaanvormig", zooals bij den Gelaarsden Kolibrie. Bij andere soorten is de vlag buitengewoon smal, zoodat van de geheele pen niets anders overig is dan de schaft met aan weerszijden een smallen zoom. Niet zelden komt het voor, dat men de stuurpennen eer voor stekels dan voor veeren zou houden. Bij een gaffelvormigen staart merkt men soms een buitenwaarts gerichte afronding op, zoodat de uiteinden der stuurpennen, als de staart uitgespreid is, een booglijn vormen. Bij andere eindelijk is de staart eenvoudig afgerond, de middelste veeren zijn dan duidelijk de langste. Het vederenkleed is tamelijk dicht en, in verhouding tot de grootte van den Vogel, goed gevuld; het bevat bijna geen dons en bedekt het lichaam volstrekt niet gelijkmatig, maar is op verschillende plaatsen verlengd. Zoo hebben enkele Kolibries een meer of minder lange kuif op den kop, andere een langen borstkraag, nog andere baardvormige pluimen, enz. Rondom het oog blijft een tamelijk breede, onbevederde ring over. De randen van de oogleden zijn met kleine, schubvormige veeren als met wimpers bezet. Het vederenkleed is bij de mannetjes, wijfjes en jongen min of meer ongelijk; het verschil betreft niet alleen de kleur, maar ook de pronkveeren. Met zekerheid heeft men nog niet kunnen uitmaken, of het ruien van de Kolibries één- of tweemaal per jaar plaats vindt.

Van de inwendige deelen der Kolibries verdient vooral de van voren gevorkte tong vermelding. De eigenlijke tong bestaat uit twee holle, gedeeltelijk met elkander vergroeide draden, ieder uitloopend in een smal, bijna vliezig plaatje, met fijne tandjes langs den rand. Deze holle draden bevatten, naar het schijnt, slechts lucht. Verder achterwaarts is haar holte met een los celweefsel gevuld. De tong verbreedt zich eenigszins achter het vereenigingspunt der draden en eindigt in twee korte, een weinig uiteenwijkende, gladde hoeken. Dit deel van de tong is altijd even lang als de snavel. Onmiddellijk achter de beide wortelhoeken wordt de tong vleezig en gelijkt op een korten steel, welks oppervlakte geplooid is. Tot aan het strottenhoofd neemt deze afdeeling, die met het lichaam van het tongbeen overeenkomt, ongevoelig in dikte toe, vervolgens verdeelt zij zich in twee takken (hoornen), waartusschen het strottenhoofd gelegen is; deze begeven zich langs de beide helften van de onderkaak achterwaarts tot aan den achterkop, stijgen hierlangs omhoog en hechten zich boven op den schedel vast. De beide hoornen van het tongbeen worden begeleid door een paar bandvormige spieren, die zich tot aan het voorhoofd uitstrekken en door haar gelijktijdige samentrekking de tong terugtrekken; een tweede paar spieren dient om de tong naar voren te bewegen, waarbij de geplooide scheede van den hierboven genoemden steel tot het vijf- of zesvoud van haar lengte uitgerekt wordt.

Nog steeds is onze bekendheid met de levenswijze van de Kolibries veel te onvolledig, om het verschil te kunnen aanduiden, dat ongetwijfeld bestaat tusschen de gewoonten van vele soorten. Ieder verslag, dat tot dusver van hun handel en wandel gegeven werd, is in meerdere of mindere mate een levensbeeld van de geheele groep. Aan ons overzicht van 't geen over dit onderwerp bekend is, zullen wij de beschrijving van eenige soorten laten voorafgaan. Daar ons bestek niet toelaat, naar volledigheid te streven, moeten wij ons bepalen tot het schetsen van enkele, door gestalte en kleur bijzonder merkwaardige vormen uit de ongeveer 400 soorten, die over meer dan 70 geslachten verdeeld zijn.

De Kolibries van de onderfamilie der Gnomen (Polytminae) zijn tamelijk groot en hebben een gedrongen lichaamsbouw. Hunne veeren prijken niet met bijzonder schitterende kleuren: de bovendeelen zijn gewoonlijk groenachtig of bronskleurig, de onderdeelen bruinachtig en overlangs gevlekt; de zijdelingsche staartveeren zijn aan de spits licht van kleur. Tusschen de mannetjes en de wijfjes bestaat weinig verschil.

De Adelaarsnavel (Eutoxeres aquila) en zijne verwanten kenmerken zich hoofdzakelijk door den krachtigen, sikkelvormig gebogen snavel en den min of meer wigvormigen staart. De bovendeelen zijn glinsterend grijsgroen, de onderdeelen bruinachtig zwart, evenals ook de kleine kuif en de andere veeren van den kop. Hun vaderland is Bogota.

De Zonnekolibries of Zonnevogels (Phaëtornis) hebben een zwakken, zacht gebogen, grooten en langen snavel, die geen inkerving vertoont. De veeren zijn ook bij deze Vogels tamelijk dof van kleur.

De Eremiet (Phaëtornis superciliosus) is een van de grootste Kolibries: zijn lengte bedraagt 18 cM., waarbij 7 cM. voor den staart. De veeren van de bovenzijde zijn dof metaalachtig groen, die van de onderdeelen roodachtig grijs. Hij bewoont Noord-Brazilië en Guyana.

De Woudnimfen (Lampornitinae) zijn betrekkelijk groot; de rechte of flauw gebogen snavel is een weinig langer dan de kop en vóór de rechte spits ingekorven. Het mannetje en het wijfje zijn zeer verschillend van kleur.

Als type van de onderfamilie kan de Mango (Lampornis mango) dienen. De veeren zijn grootendeels metaalachtig groen met koperkleurigen weerschijn; een breede, zwarte streep strekt zich van de kin over het midden van het lichaam tot aan de onderdekveeren, van den staart uit en wordt van den mondhoek tot aan de vleugelbocht begrensd door een donker saffierblauwe, overlangsche streep. De zwartachtige bruine slagpennen vertoonen een zwakken, metaalachtigen weerschijn. De beide middelste staartveeren zijn groen, de zijdelingsche purperkleurig koperrood met blauwzwarten weerschijn op den buitenrand.

De Mango is in Brazilië bijna overal inheemsch, komt echter ook in Paraguay, in Guyana en op de Antillen voor; zelfs werd hij eenige malen in Florida gevangen.

De snavel van de Bergnimfen (Oreotrochilus), het meest bekende geslacht van de onderfamilie der Sabelvleugeligen (Campylopterinae), is hoogstens middelmatig lang, de staart kort en recht afgesneden, het vederenkleed iriseerend, op de bovendeelen meestal blauw of groen, aan de onderzijde lichter van kleur, bijzonder opgesierd door een keelschild, dat met schitterende, metaalachtige kleuren prijkt.

Een van de prachtigste soorten van dit geslacht is de Chimborazo-vogel (Oreotrochilus chimborazo). Het mannetje is op den kop en in de keelstreek glanzig viooltjesblauw, op de bovenzijde grijsachtig olijfbruin, op de onderzijde wit, aan de zijden olijfbruin. In het midden van het keelschild staat een langwerpig driezijdige vlek van iriseerende, groene kleur, die van de lichte onderzijde door een fluweelachtig zwarten band gescheiden is. Totale lengte 12.5, staartlengte 6 cM.

Deze Vogel draagt zijn naam te recht, daar hij tot dusver uitsluitend op den Chimborazo, kort onder de sneeuwlijn, op een hoogte van 4 à 5000 M. gevonden werd.

De Juweelvogels (Topaza) gelijken, wat het maaksel der vleugels betreft, nog op de Bergnimfen; hunne voorste slagpennen zijn echter niet zoo sterk verbreed.

De Topaaskolibrie (Topaza pella) wordt in kleurenpracht door geen der overige Kolibries overtroffen. De kruin en een band, die de keel omgeeft, zijn fluweelachtig zwart, de romp is koperrood, in granaatrood overgaand en met goudkleurigen weerschijn, de keel is goudgeel en vertoont een smaragdgroenen of een topaasgelen weerschijn, al naar het licht op de eene of op een andere wijze invalt; de staartdekveeren zijn groen, de slagpennen roodbruin, de binnenste roestkleurig; de middelste staartpennen hebben een groene, de hierop volgende een kastanjebruine, de buitenste een roodbruine kleur. Wegens de groote lengte van de op één na middelste staartpennen is het geheele dier meer dan 20 cM. lang.

De Topaaskolibrie schijnt tot Guyana beperkt te zijn. Hij bewoont dicht beschaduwde rivieroevers. Een soort, die veel op hem gelijkt, leeft aan den bovenloop van den Amazonenstroom.

De Bloemnimfen (Heliothrichinae) zijn voor 't meerendeel sterk gebouwde, tamelijk groote Kolibries, die door hun krachtigen romp en de lengte hunner vleugels, welke in den rusttoestand tot aan de spits van den staart reiken, tot de leden van de vorige groep naderen.

De veeren van den rug en van de zijden van den hals zijn bij de meest bekende soort, bij den Bloemenkusser (Heliothrix aurita), schitterend metaalachtig groen, bij oude Vogels met gouden weerschijn, de slagpennen grijsachtig zwart met violetten glans; de onderzijde is zuiver wit, evenals de drie buitenste paren staartveeren; de middelste stuurpennen zijn echter staalblauw en iriseeren. Onder het oog begint een fluweelachtig zwarte streep, die zich verder achterwaarts meer uitbreidt en ten slotte in een staalblauwen zoom uitloopt. De totale lengte en de staartlengte bedragen resp. bij het mannetje 15 en 6.5, bij het wijfje 11 en 2.8 cM.

Volgens Burmeister bewoont deze Vogel het woudgebied van de oostkust van Brazilië tot Rio de Janeiro.

De laatste onderfamilie, die wij beschouwen zullen, omvat de Feekolibries (Trochilinae), in zekeren zin de meest typische vormen van de geheele familie. Hunne kenmerken zijn gelegen in den zeer ongelijk langen, maar altijd dunnen, ronden en spits toeloopenden snavel en in de buitengewone pracht van het vederenkleed, dat zoowel door den glans en den weerschijn der kleuren als door den eigenaardigen vorm der veeren het kleed van alle overige Kolibries overtreft. Allerlei versierselen treft men bij hen aan: een kuif, lange oor- en staartveeren, donzige vederbundeltjes aan den loop, een uit schubvormige veeren samengesteld keelschild, enz.

Tot deze groep behoort het vogeltje, dat men zonder nadere omschrijving Kolibrie of ook wel Noord-Amerikaansche kolibrie (Trochilus colubris) noemt. De veeren van de bovenzijde zijn donker bronskleurig groen, die van de kin en van de keel tot aan de zijden van den hals robijnrood, met zwakken, groenen weerschijn wanneer het licht op een bepaalde wijze invalt; de onderdeelen zijn vuilwit, de zijden van den romp metaalachtig groen, de slagpennen en de buitenste staartveeren donkerbruin met zwakken, metaalachtigen weerschijn.

De Kolibrie bewoont in den zomer bij voorkeur de oostelijke Vereenigde Staten van Noord-Amerika, van den 57en graad N.B. tot aan het allerzuidelijkste deel; hier strekt zijn broedgebied zich uit van de kust van den Atlantischen tot aan die van den Stillen Oceaan. In het najaar verhuizen deze vogeltjes in kleine gezelschappen van 20 à 30 stuks naar Mexico en Guatemala, waar zij op een hoogte van 1000 à 1300 M., dus in een gematigd klimaat, overwinteren. Sommige begeven zich 's winters naar Cuba of zelfs naar de Bermudas-eilanden.

De Kleinste Kolibrie of Dwergkolibrie (Trochilus minimus) is tevens de kleinste van alle Vogels. Hij is 5.4 cM. lang, waarvan de rechte snavel ongeveer het zesde deel uitmaakt, en weegt in het geheel ongeveer 1.3 Gram. Zijne bovendeelen zijn metaalgroen, de onderdeelen witachtig. Hij bewoont Jamaica en San Domingo.

Allerbekoorlijkste diertjes zijn de Prachtfeeën (Lophornis). Bij de mannetjes zijn de veeren van den hals bijzonder ontwikkeld; de prachtige kraag dezer Vogels bestaat uit meer of minder smalle, lange, verwonderlijk fraai geteekende veeren, die naar buiten gericht en tegen het lichaam aangelegd kunnen worden; gewoonlijk zijn de veeren van de kruin tot een kuif verlengd.

Het is moeielijk uit te maken, welke soort van dit geslacht de fraaiste is: alle soorten wedijveren in schoonheid. Als voorbeeld kiezen wij de Pronkfee (Lophornis ornata). De veeren van den romp zijn bronsgroen, de kuifveeren bruinachtig rood; een smalle dwarsband op het onderste deel van den rug is wit, het aangezichtsschild groen, prachtig iriseerend. De veeren van den kraag, die zich trapsgewijs verlengen, zijn licht roodbruin, aan de spits versierd met een iriseerende, groene vlek. De slagpennen zijn donker purperbruin, de staartveeren donker bruinrood. Bij het wijfje zijn alle kleuren bleeker en ontbreken de kraag, de kuif en het aangezichtsschild geheel.

De Staartfeeën (Heliactinus) verschillen van de vorige Kolibries hoofdzakelijk door de grootere lengte van den staart. De veeren van den bovenkop vormen bij het mannetje een in twee pluimen verdeelde kuif: één boven ieder oog.

De Staartfee (Heliactinus cornutus) heeft een metaalachtig groene, weinig glinsterende bovenzijde; de veeren van den bovenkop zijn metaalachtig blauw; de halskraag gaat van buiten naar 't midden door violet in groen, geel, oranje en rood over; de keel, de voorhals en de wangen zijn donker fluweelachtig zwart, de bovenborst, het midden van den buik, de staart en de vier buitenste paren stuurpennen wit, de slagpennen grijs. Bij 't wijfje zijn de witte staartpennen ongeveer in 't midden met een zwarten band geteekend. Totale lengte van het mannetje 12, staartlengte 5 à 6 cM.

Deze prachtige Kolibrie komt veelvuldig voor in de open velden (de Campos) van het binnenland van de Braziliaansche provincie Minas Geraës.

Bij de Vlagsylphen (Steganurus) hebben de beide buitenste, sterk verlengde staartvederen tot in de nabijheid van de spits geen, hier echter een zeer breede vlag. De korte pooten zijn met dicht dons bekleed.

Bij den Gelaarsden Kolibrie (Steganurus Underwoodi) zijn de bovendeelen, de buik, de zijden en de onderdekveeren van den staart metaalachtig groen, de keel en de bovenborst donker smaragdkleurig goudgroen, de slagpennen purperbruin, de stuurpennen bruin; de vlag van de buitenste staartpennen is zwart met groenachtigen weerschijn. Totale lengte 15, staartlengte 9 cM.

Deze fraaie Vogel bewoont het noorden van Zuid-Amerika, van Brazilië tot Venezuela.

De Sleepsylphen (Sparganura) onderscheiden zich hoofdzakelijk door den vorm van hun staart. De stuurpennen nemen van de middelste tot de buitenste gelijkmatig in lengte toe; gene zijn meer dan vijf maal zoo lang als deze.

De Sappho-kolibrie (Sparganura Sappho) is aan de bovenzijde karmijnrood; de kop en de onderdeelen zijn metaalachtig groen, aan de keel lichter en glinsterend, aan den onderbuik licht bruinachtig. Zijn vaderland is Bolivia.

De snavel van de Reuzengnomen (Hypermetra) is lang of zeer lang, bij sommige soorten recht, bij andere zeer flauw naar onderen of naar boven gebogen; de staart is middelmatig lang, in het midden uitgesneden. Het kleed vertoont geen bijzonder schitterende kleuren.

Tot dit geslacht behoort de Reuzenkolibrie (Hypermetra gigas), die 21 cM. lang is en dus ongeveer met onze Gierzwaluw in grootte overeenkomt, terwijl hij, wat de omvang van het eigenlijke lichaam aanbelangt, alle leden van zijn familie overtreft. Hij bewoont Ecuador, Peru, Bolivia en Chili.

De Degenkolibrie (Docimastes ensifer, afgebeeld op p. 226) heeft van alle Kolibries den grootsten snavel; deze is zoo lang als de romp, flauw bovenwaarts gebogen en vóór de spits een weinig verdikt. De bovendeelen zijn metaalachtig groen; de kop is koperkleurig; de onderdeelen, de keelstreek en het midden van de borst zijn bronskleurig groen, de zijden iriseerend lichtgroen. Achter ieder oog staat een kleine, witte vlek. De slagpennen zijn purperbruin, de stuurpennen donkerbruin met metaalglans. De lengte bedraagt 22 cM., waarvan 10 cM. op den snavel, 6 cM. op den staart komen.

De gebergten van Quito en Venezuela zijn het vaderland van dezen Vogel.

De Helmkolibries (Oxypogon) kenmerken zich door een betrekkelijk zeer korten snavel, door de tot een helmpluim verlengde veeren van den bovenkop, de grootere breedte van de vleugels, den recht afgesneden staart en het glanslooze kleed.

Het Paramos-bokje, de Chivito de la Paramos der bewoners van de Sierra Nevada de Merida in Venezuela (Oxypogon Lindeni), bewoont het genoemde gebergte op hoogten van 3000 à 4000 M. en draagt er bijzonder veel toe bij om deze eenzame gewesten te verlevendigen. De kleine Insecten, die op den honig der bergkruiden azen, worden door den korten snavel dezer vogeltjes uit de bloemen gehaald en verschaffen hun een voldoend voedsel.

De Kolibries behooren uitsluitend in Amerika thuis en zijn meer dan de meeste overige Vogels voor dit werelddeel karakteristiek. Zij worden hier gevonden, zoover de grond geschikt is om bloemen voort te brengen, van het Sitka-eiland op de kust van Alaska (57° N.B.) tot Kaap Hoorn. De Kolibrie van het oosten van Noord-Amerika werd ook in Labrador waargenomen; een soort van het westen verschijnt geregeld aan de Columbia-rivier en dringt tot aan de Fraser-rivier en de Juan-de-Fuca-straat (op ruim 48° N.B.) door. Ook heeft men deze schijnbaar zoo zwakkelijke Vogels op Vuurland gevonden. En niet slechts op alle breedten komen zij voor, zij bestijgen ook de reusachtige bergen van den Andes-keten en vestigen zich zelfs nog in de onmiddellijke nabijheid van de sneeuwgrens, op een hoogte van 4000 à 5000 M. boven den zeespiegel; zij bezoeken de kraters van de nog werkende, zoowel als die van de steeds rustende vulkanen, kortom plaatsen, waar ternauwernood eenig ander Gewerveld Dier wordt aangetroffen. De reiziger, die, door lust tot onderzoek gedreven, de sneeuwvlagen der hooge bergstreken trotseert en zich volkomen eenzaam waant, vindt dus ook hier nog broedende Kolibries.

Over 't algemeen mag men zeggen, dat ieder gewest, ja zelfs ieder gebied, dat zich door bepaalde eigenschappen onderscheidt, hare eigene soorten bezit. De Bergnimfen, die hoogten van 4000 à 5000 M. bewonen, verlaten deze niet, dalen hoogstens af tot de onderste grens van den genoemden gordel, wanneer het ruwe weer hen hiertoe noodzaakt. Daarentegen verheffen de soorten, die heete dalen bewonen, waar ternauwernood ooit een luchtstroom verademing brengt, zich niet tot de bedoelde hoogten. Maar, niet slechts afgezonderde bergen en dalen, ook wouden en steppen, ja zelfs veel beperkter terreinen herbergen bijzondere soorten van Kolibries. Meer dan alle overige Vogels zijn deze vliegende juweelen, de meeste hunner althans, aan bepaalde bloemen gehecht: tusschen hen en de plantenwereld bestaat een zeer innige band. Bloemen, die aan den eenen Vogel een buit verschaffen, worden door den anderen nimmer bezocht en schijnen voor hem in 't geheel niet te bestaan.

Uit den zeer verschillenden vorm van den snavel kan men reeds afleiden, dat bepaalde soorten steeds dezelfde bloemen doorzoeken en ongeschikt zijn om van andere partij te trekken. Enkele soorten zijn minder kieschkeurig. Zoo ontleent, volgens Wilson, de Noord-Amerikaansche Kolibrie zijn voedsel aan de helft van de flora van zijn vaderland. Andere Kolibries echter zijn bij het zoeken van voedsel niet slechts tot boomen van dezelfde soort, maar zelfs tot bepaalde gedeelten van hun kroon beperkt. Deze plunderen de bloesems van de bovenste twijgen, gene die van lager gelegen takken, sommige vinden den kost op de bladen, andere op den sap uitzweetenden stam. De Dwergkolibrie bezoekt, volgens Gosse, geen andere bloemen dan die, welke dicht bij den bodem aan lage planten groeien. De Zonnevogel, die zich in de boomkronen met onvergelijkelijke behendigheid tusschen de twijgen beweegt, zoekt de Insecten, waarmede hij zich voedt, op de bladen, die met dit doel één voor één van boven en van onderen bezichtigd worden; slechts bij uitzondering ziet men hem op de bloemen, die trouwens in de door hem bewoonde, schaduwrijke wouden zeer schaarsch zijn. Merkwaardig is de beperktheid van het verbreidingsgebied van sommige Kolibrie-soorten. Eustephanus Fernandensis bewoont uitsluitend het kleine eiland Juan-Fernandez (400 Engelsche mijlen ten westen van Valparaiso) en wordt niet eens gevonden op het naburige kleine eiland Mas-a-fuero, waar ook een Kolibrie-soort leeft (Eustephanus Leyboldii), die nergens anders voorkomt. De Dwergkolibrie van Jamaica vliegt niet naar Cuba over. Lijnrecht hieraan tegenovergesteld is het feit, dat enkele soorten, hetzij in Noord- of in Zuid-Amerika, zoowel de noordelijke als de zuidelijke gewesten bewonen. Ook uit andere feiten blijkt, dat de Kolibries volstrekt niet ongeschikt zijn voor groote reizen.

Met deze afhankelijkheid van de Kolibries van de plantenwereld staat in verband, dat zij in de keerkringslanden van Amerika bijzonder talrijk vertegenwoordigd zijn. Toch zijn niet de wouden der laaglanden, waar het plantenleven de hoogste ontwikkeling bereikt, het eigenlijke paradijs van de Kolibries. Natuurlijk bezoeken zij ook wel deze wouden, althans gedurende den tijd, waarin hunne verwonderlijk prachtige bloemen geopend zijn. De vormenrijkdom der Kolibries in een gewest hangt echter niet af van het aantal bloemen, maar van haar veelsoortigheid. Op het tegenwoordige standpunt van onze faunistische kennis mogen wij aannemen, dat de bergstreken van Zuid- en Middel-Amerika tot woonplaats dienen aan het grootst aantal soorten van de familie der Kolibries en haar vormenrijkdom het duidelijkst openbaren.

Mexico schijnt in dit opzicht een bevoorrecht land te zijn: hier treft men meer dan het vijfde deel aan van alle soorten, die men tot dusver heeft leeren kennen; het is te verwachten, dat deze lijst met nog zeer vele tot dusver onbekende soorten zal worden vermeerderd na een nauwkeuriger onderzoek van het genoemde, uitgestrekte rijk. In Mexico zijn trouwens alle voorwaarden vervuld, waarvan zulk een menigvuldigheid afhankelijk is: van alle Middel-Amerikaansche landen biedt het de meeste afwisseling aan; alle hoogtegordels--en derhalve ook alle klimaten (of althans hunne warmtegraden)--zijn hier vertegenwoordigd. De onderzoeker, die dit merkwaardig land betreedt, ziet overal schitterend gekleurde vogelgestalten om zich heen zweven. Hij vindt Kolibries in het heete laagland, zoowel als op de ijskoude hoogten; hij ontmoet ze in de tooverachtig schoone gewesten, waar het water zijn levenwekkende kracht toont en den weelderigen plantengroei der tropen tot volledige ontwikkeling bracht, zoowel als in de dorre, door de zon verbrande vlakten, die alleen aan cactussen voedsel verschaffen, ook nog zelfs op de hooge, steenachtige hellingen der vulkanen. "Zij spreiden," zegt Gould, "hun onnavolgbaren tooi zelfs in de kloven der vulkanische gesteenten ten toon; zij brengen leven in gewesten waar nooit menschelijke voetstappen werden gehoord; zij fluisteren in de doodsche eenzaamheid der koude woestenijen hunne zwakke geluiden."

Nog heeft men niet met zekerheid kunnen bepalen, in hoever ook die Kolibries, welke niet trekken, als standvogels beschouwd moeten worden. Waarschijnlijk bewoont geen enkele soort jaar in jaar uit dezelfde plaats; alle begeven zich, naar men meent te mogen aannemen, nu eens naar deze dan weer naar gene streek, om het geheele jaar door te midden van de voor hen geschikte bloemen te kunnen verkeeren. Met uitzondering van den voortplantingstijd zwerven zij dus misschien voortdurend rond. Alle onderzoekers, die lang achtereen op dezelfde plaats woonden, hebben opgemerkt, dat sommige soorten zich slechts in bepaalde tijden van het jaar vertoonen.

Om de levenswijze van deze Vogels te begrijpen, moet men in de eerste plaats letten op hun wijze van vliegen; want hiermede staan alle andere eigenaardigheden van de Kolibries in 't nauwste verband. Geen andere Vogel vliegt zooals hij; daarom kan hij met geen anderen Vogel vergeleken worden. "Hoe verwonderlijk", zegt Gould, "moet het mechanisme zijn, waardoor de trillende beweging van den Kolibrie voortgebracht en zoo lang in stand gehouden wordt! Ik kan mij niets, dat mij van vroeger bekend was, voorstellen, waarmede deze werking eenige overeenkomst vertoont; zij herinnerde mij echter aan de beweging, die door een krachtige veer wordt veroorzaakt. Deze eigenaardige wijze van vliegen maakte een buitengewonen indruk op mij, daar zij juist het tegendeel was van hetgeen ik verwachtte. De Kolibrie glijdt niet als een Huiszwaluw of Gierzwaluw door de lucht, terwijl hij van de eene bloem naar de andere zweeft, of een grooteren weg over een hoogen boom of over een rivier moet afleggen, voortdurend verkeeren zijne vleugels in een trillenden of gonzenden toestand. Als hij voor het een of ander voorwerp halt maakt, is deze beweging zoo snel, dat het oog de afzonderlijke vleugelslagen niet meer kan onderscheiden en niets anders waarneemt dan een nevelachtigen cirkel aan weerszijden van het lichaam."

Nagenoeg dezelfde meening drukt Von Kittlitz op de volgende wijze uit: "Er is iets zeer eigenaardigs in het vliegen van deze vogeltjes; men zou ze bijna voor Insecten houden. Van den eenen boom naar den anderen verplaatsen zij zich zoo snel, dat zij wegens hun kleinheid bijna niet in 't oog vallen; voor elk voorwerp, dat hen aantrekt, blijven zij, in de lucht zwevend, met rechtstandig lichaam staan; intusschen is de beweging van de vleugels zoo snel, dat alleen hun glans het oog treft."--Nog uitvoeriger en duidelijker beschrijft Newton het komen en gaan van de Kolibries. "Het schouwspel," zegt hij, "is zoo ongewoon, dat iemand, die de overzijde van den Atlantischen Oceaan niet kent, zich er geen duidelijke voorstelling van kan vormen. Men verkrijgt haar niet door aan een vliegenden Avondvlinder (Sphinx) te denken. De beweging van den Kolibrie is een veel merkwaardiger verschijnsel. Terwijl men een bloem bewondert, vertoont zich plotseling tusschen haar en het oog een klein, donker voorwerp, dat als 't ware tusschen vier overkruis gelegde draden opgehangen is. Voor de bloem komt het tot rust: twee van de overstaande hoeken, die door de draden gevormd worden, de rechter en de linker, zijn gevuld met een grijzen nevel. Een oogenblik later merkt men een saffier- of smaragdkleurig lichtschijnsel op en verdwijnt het voorwerp zoo schielijk, dat het oog het niet volgen kan; onuitgesproken blijft de uitroep van bewondering, onvoltooid de wordende gedachte. Hij die voor het eerst getracht heeft Kolibries vliegend af te beelden, moet wel zeer vermetel of zeer onkundig zijn geweest. Geen teekenstift, geen penseel vermag den Vogel in dezen toestand weer te geven. Men ziet alleen, dat het lichaam in loodrechten stand gehouden wordt en dat elk der beide vleugels, terwijl zij zich gonzend bewegen, een halven cirkel beschrijft."

Zoolang de Kolibrie op dezelfde plaats blijft, hoort men geen gedruisch; de beweging van de vleugels veroorzaakt echter een eigenaardigen scherpen, gonzenden toon, zoodra de Vogel zich snel verplaatst. Wegens dit geluid wordt soms aan de geheele familie den naam van "Gonsvogels" gegeven. Het is bij verschillende soorten ongelijk; bij enkele is het zoo karakteristiek, dat men ze zonder fout aan haar wijze van gonzen herkennen kan.

Over de richting van het vliegen, over de lijnen, die daarbij beschreven worden, valt moeilijk te oordeelen. De snelheid van de beweging is zoo groot en het bewogen lichaam zoo klein, dat het onmogelijk is den gevolgden weg waar te nemen. Gould zegt, dat de Kolibrie alle mogelijke zwenkingen en draaiingen met de grootste zekerheid kan verrichten, dat hij dikwijls loodrecht omhoog stijgt, achteruit vliegt, in een kring ronddraait en zich als 't ware dansend van hier naar ginds, van het eene deel van den boom naar het andere beweegt, nu eens stijgend dan weer dalend, totdat hij zich boven de hoogste boomen verheft en zoo plotseling als een meteoor verdwijnt. Dikwijls houdt hij zich gonzend en zonder van plaats te veranderen te midden van kleine, bij den bodem groeiende bloemen op: in 't eene oogenblik zweeft hij hier boven een grashalm, in 't volgende ziet men hem meer dan 40 schreden verder; met de snelheid der gedachte heeft hij zich verplaatst. Al deze bewegingen zijn buitengewoon hartstochtelijk en onstuimig en gelijken in dit opzicht op die van Wespen en andere Insecten. Vooral met Vlinders zou men ze in 't eerst licht kunnen verwarren. Het kostte Gould veel moeite een Amerikaan te overtuigen, dat hij Meekrapvlinders (Macroglossa stellatarum) en niet Kolibries in Engeland had zien vliegen. Bates verhaalt, dat het hem eerst na langdurige oefening gelukte, een aan den Amazonenstroom levenden Vlinder--den Titan (Macroglossa titan)--van sommige soorten van Kolibries te onderscheiden; meer dan eens heeft hij een Vlinder in plaats van een Kolibrie uit den boom geschoten. Zoowel door hun wijze van vliegen en voor een bloem te "staan" als door hun gedaante gelijken deze beide (overigens zoo totaal verschillende dieren) zoo sprekend op elkander, dat niet slechts Indianen en Negers, maar ook beschaafde blanken in deze gewesten den Titan en den Kolibrie voor dieren van dezelfde soort houden. Zij hebben de verandering van een rups in een Vlinder waargenomen en leiden hieruit af, dat een latere gedaantewisseling van een Vlinder in een Vogel zeer wel mogelijk is.

Sommige reizigers maken melding van het prachtige kleurenspel, dat bij den vliegenden Kolibrie opgemerkt wordt; hunne mededeelingen zijn echter slechts onder voorbehoud juist. Terwijl deze levende juweelen vliegen, bespeurt men gewoonlijk niets van hun kleurenpracht; deze wordt eerst zichtbaar, wanneer zij gonzend voor een bloem zweven, zonder eenig ander lichaamsdeel dan de vleugels te bewegen, of, nadat zij zich hebben neergezet om te rusten. Hunne meest geliefde rustplaatsen, die zij telkens weer opzoeken, zijn dunne takjes, die dood of althans over een afstand van eenige centimeters bladerloos zijn.

Evenals de Zwaluwen zijn de Kolibries op den grond vreemdelingen; zij kunnen zich hier niet redden; hoewel ongeschikt om te loopen, komen zij op den grond om te drinken.

Over 't geheel genomen schijnt de sinds lang heerschende meening, dat de Kolibries het vermogen om te zingen missen, juist te zijn, hoewel men reeds verscheidene uitzonderingen op dezen regel heeft leeren kennen. De Prins Von Wied noemt hun stem "een hoogst onbeduidend, zwak geluid" en bericht op een andere plaats, dat een Kolibrie zijn "luide, korte lokstem" liet hooren. Burmeister daarentegen zegt: "De Kolibries zijn volstrekt niet stom; als zij op de eene of andere dorre twijg gaan zitten om eenigen tijd te rusten, laten zij van tijd tot tijd hun fijne, zwakke, kweelende stem hooren. Ik heb haar dikwijls gehoord; tevens zag ik, dat de boven mij, in de schaduw zittende Vogel telkens voor eenige oogenblikken zijn fijne, gespleten tong 3 cM. ver buiten den bek stak na het uiten van zijn zwakken loktoon." De meeste overige waarnemers maken alleen melding van heesche en schrille geluiden.

De zintuigen van de Kolibries schijnen tamelijk gelijkmatig en hoog ontwikkeld te zijn. Hunne bewegingen gedurende het vliegen verraden een buitengewoon scherp gezicht, dat hen in staat stelt om kleine, voor ons oog volkomen onzichtbare Insecten in de vlucht te vangen. Even zeker is het, dat hun gehoor niet onderdoet voor dat van andere Vogels, hoewel hierover geen bepaalde waarnemingen gedaan zijn. De tastzin is ongetwijfeld hoog ontwikkeld; het zou hun anders onmogelijk zijn, het hoofddeel van hun voedsel diep uit de bloemen te halen.

De goed gevormde, bolle schedel geeft recht tot het vermoeden, dat ook de geestvermogens van de Kolibries op een tamelijk hoogen ontwikkelingstrap staan. Daar waarnemingen bij hen lichter tot onjuiste gevolgtrekkingen kunnen leiden dan bij andere leden van de Vogelklasse, is het oordeel der onderzoekers zeer verschillend. De argeloosheid, die zij in verreweg de meeste gevallen toonen en die hun zoo vaak noodlottig wordt, is eenvoudig een gevolg van hun buitengewone behendigheid en van de doeltreffendheid van al hunne bewegingen.

Vroeger werd algemeen aangenomen, dat de Kolibries zich met den honig van bloemen zouden voeden, of althans, dat honig het hoofdbestanddeel van hun voedsel zou uitmaken. Reeds voor lang beschouwden sommige schrijvers dit als een dwaling. In 1778 toonde Badier zeer goed te begrijpen, waarom alle Kolibries, die men met suikerwater en stroop had trachten te voeden, na verloop van korten tijd gestorven waren; volgens zijn meening werd de nectar van de bloemen hoogstens bij toeval doorgeslikt bij het verzwelgen van de zeer kleine kevertjes, die het eigenlijke voedsel van de Kolibries uitmaken en die zelf zich in de diep gelegen nectariën der bloemen ophouden, om van den daar aanwezigen honig te leven. Hij schoot en onderzocht verscheidene Kolibries en vond in hun maag steeds overblijfsels van Kevers en Spinnen. Twee gevangen exemplaren, die hij ongeveer zes weken achtereen met honig en beschuit voederde, werden allengs zwakker; toen zij stierven, vond men in hun darmen suikerkristallen.

Bullock (1825) schrijft: "Het is zeer wel mogelijk, dat alle Kolibries Insecten eten; dat vele het doen, weet ik zeker. Ik heb ze met opmerkzaamheid bespied, terwijl zij hun kleinen buit vervolgden, in den Plantentuin van Mexico, zoowel als op het erf van een huis te Tehuantepec, waar één van hen een bloeienden sinaasappelboom in bezit genomen had, hier den geheelen dag zat en de vliegjes, die de bloemen kwamen bezoeken, ophapte. Ik heb ook zeer dikwijls gezien, dat zij Vliegen en andere Insecten in de vlucht vingen en deze dieren bij de ontleding in de maag van den Vogel gevonden. In een door een tuin omgeven huis te Jalapa heb ik dikwijls met belangstelling nagegaan, hoe de Kolibries tusschen de tallooze spinnewebben hun jachtbedrijf uitoefenden. Zij begaven zich voorzichtig in het labyrinth van netten en draden om de gevangen Vliegen weg te nemen; de grootste Spinnen waren echter niet genegen haar buit goedwillig af te staan, zoodat de indringers dikwijls genoodzaakt waren, onverrichter zake af te trekken. De behendige vogeltjes plachten bij hun komst eerst één- of tweemaal den hof rond te vliegen, als 't ware om kennis te maken met het jachtveld; daarna begonnen zij den aanval door voorzichtig onder het net van de arglistige Spin te vliegen en plotseling op de door draden omwikkelde vliegjes toe te schieten. Elke beweging vereischte de grootste zorgvuldigheid; dikwijls was er ternauwernood ruimte voor het bewegen van de vleugels; de geringste vergissing zou de Vogels met de spinnewebben in aanraking en in gevaar gebracht hebben. Zij durfden trouwens geen andere webben dan die van kleine Spinnen aanvallen, daar de grootere telkens als de vogeltjes naderden, tot verdediging van haar vesting kwamen toesnellen. Als dit geschiedde, zag men den belegeraar als een lichtstraal omhoogschieten. Gewoonlijk duurde iedere rooftocht ongeveer 10 minuten."

Bijna alle Kolibries zijn echte dagvogels. Verscheidene oefenen echter uitsluitend in de morgen- of avonduren hun jachtbedrijf uit en rusten gedurende den heeten middag in de donkere schaduw van de boomen. De Dwergkolibrie van Jamaica beweegt zich gonzend als een Hommel om de laaggroeiende planten en verheft zich slechts bij uitzondering tot de aanzienlijke hoogten, waarop de Reuzenkolibrie zeer dikwijls rondvliegt. Een bloeiende boom lokt zeer verschillende soorten aan; onder zulk een boom staande, kan men in den loop van één uur de meeste soorten, die de landstreek bewonen, zien komen en gaan.

Eenige reizigers hebben van zwermen van Kolibries gesproken, andere beweren, dat deze Vogels niet anders dan één voor één verschijnen. "Ik kan," zegt de Prins Von Wied, "op grond van eigen ervaring verzekeren, dat beide de waarheid spreken; want dikwijls hebben wij binnen weinige minuten zeer vele Kolibries van dezelfde soort op een met bloemen bedekten boom geschoten, hoewel zij in den regel afzonderlijk vliegen." Stedmann verhaalt, dat hij dikwijls zoo vele Kolibries om zekere boomen heeft zien vliegen, dat hun gegons aan dat van een zwerm Wespen deed denken. Hij merkt hier echter uitdrukkelijk bij op, dat zulke groote opeenhoopingen alleen voorkomen bij den aanvang van den bloeitijd, als aan één boom vele bloemen gelijktijdig open zijn. Gewoonlijk komt de eene Vogel na den anderen en blijft ieder slechts korten tijd op dezelfde plaats.

"In de maanden Maart, April en Mei," schrijft Gosse, "is de Kapkolibrie buitengewoon veelvuldig. Soms heb ik er (volgens een waarschijnlijk niet overdreven schatting) niet minder dan 100 achtereenvolgens op een geringe ruimte en in den loop van één voormiddag gezien. Zij zijn echter volstrekt niet gezellig; want, hoewel men soms drie of vier van deze vogeltjes tegelijkertijd om de bloemen van denzelfden struik ziet zweven, merkt men toch geen samenwerking op. Ieder hunner handelt geheel volgens eigen inzicht en houdt zich alleen met zijn eigen zaken bezig. Soms ziet men bijna niet anders dan mannetjes, soms beide geslachten in nagenoeg even groot aantal verschijnen; het gepaard zijn komt alleen in de nabijheid van het nest voor. Twee mannetjes van dezelfde soort houden nooit vrede, maar geraken onmiddellijk met elkander in strijd; eenige twisten zelfs met iederen Kolibrie, onverschillig welken, die in hun nabijheid komt, en zelfs met vele andere Vogels. Van hun twistzieken aard worden vele staaltjes medegedeeld. Salvin verzekert, dat enkele Kolibries door hun strijdlust dikwijls de pogingen van den jager verijdelen, omdat zij alle andere Kolibries, die zich in de nabijheid van hun verblijfplaats wagen, overvallen. "Het was, alsof hun hoofdbezigheid in vechten en twisten bestond. Nauwelijks had een van hen den snavel in een bloem gestoken of hij moest zich verweren tegen een anderen, die ook trek had in deze bloem. Soms vlogen zij daarbij om elkander heen als twee in den wind ronddwarrelende vonken uit een schoorsteen, en stegen zoo hoog, dat wij ze spoedig uit het oog verloren." Naar verhouding van hun Liliputiaansche grootte zijn zij over 't algemeen zeer oploopend en prikkelbaar. Zij gevoelen zich volstrekt niet zwak, maar hebben zooveel zelfvertrouwen, zijn zoo vermetel en strijdlustig, dat zij ieder dier zouden aanvallen, als dit hun noodig voorkomt.

In den broedtijd voeren de Kolibries strijd met elk wezen, dat hun nest nadert; vóór en na dien tijd is hun vertrouwen in den mensch bijzonder groot. Zij zijn volstrekt niet schuw, laten toe, dat men hen van nabij beziet, vliegen zonder schroom dicht voor de oogen van den onderzoeker langs en toonen, zoolang deze zich rustig houdt, volstrekt geen vrees. Gosse zegt, dat zij zeer nieuwsgierig zijn en op een voorwerp, dat hun aandacht trekt, afkomen; Gundlach zag, dat zij een in de hand gehouden bouquet onderzochten; Salvin bericht, dat het mannetje van een paar, dat bezig was een nest te bouwen, hem het katoen, om zoo te zeggen, onder de handen wegnam; de Prins Von Wied heeft gezien, dat zij hun nest bouwden in een kamer, waar zij vrijen toegang hadden.

Het is nog niet uitgemaakt, of het mannetje en het wijfje gedurende het geheele jaar bijeenblijven, of zich alleen tegen den nesttijd vereenigen. Deze tijd loopt in verschillende landstreken zeer uiteen. Bij de trekkende soorten valt hij samen met de lente, bij de Middel-Amerikaansche soorten staat hij in verband met den bloeitijd. Enkele soorten zijn trouwens, naar het schijnt, volstrekt niet gebonden aan een bepaald tijdperk: Gosse verzekert uitdrukkelijk, dat hij in iedere maand van het jaar versche nesten van den Kapkolibrie gevonden heeft. "Zoover mijn ervaring reikt," zegt hij, "broeden de meeste in Juni; hoewel Hill Januari den eigenlijken broedtijd noemt." Waarschijnlijk nestelen de meeste soorten tweemaal per jaar.

De nesten van alle soorten van Kolibries zijn in hoofdzaak op dezelfde wijze gebouwd; zij broeden steeds op slechts twee witachtige, langwerpige, naar verhouding zeer groote eieren. "De overeenstemming tusschen hunne kleine, sierlijke nesten," zegt Burmeister, "is zoo groot, dat ik een uitvoerige beschrijving overbodig acht, ofschoon het nest van iedere soort in verband met de hiervoor gebruikte bouwstoffen eigenaardigheden vertoont. Deze kan men echter aan plaatselijke omstandigheden toeschrijven, daar zij waarschijnlijk vooral voortvloeien uit het meer of minder overvloedig voorhanden zijn van het eene of het andere materiaal.

"Over 't algemeen kan van deze nesten gezegd worden, dat hun grondslag bestaat uit een zachte, katoenachtige stof, maar niet altijd uit echte katoen, en dat hiermede andere, stevige, plantaardige stoffen, vooral korstmossen van boomen en bruine schubben van varenveeren, saamgeweven zijn. Sommige nesten bevatten lagen van al deze bouwstoffen, in andere komt slechts een enkele daarvan voor. De korstmossen, die voor dit doel gebruikt worden, zijn zeer verschillend; iedere Kolibriesoort geeft echter aan een bepaalde soort van korstmossen de voorkeur en gebruikt bij 't bouwen van haar nest geen andere. Het merkwaardigst is uit dit oogpunt waarschijnlijk het nest van den Zonkolibrie (Phaëtornis eurynome); dit bestaat uit teere, bebladerde mosstengels zonder eenig katoen en loopt van onderen in een lange spits uit. Het roode Braziliaansche korstmos, dat met de genoemde bouwstoffen saamgevlochten is, maakt in dit nest een zeer fraai effect, vooral omdat onder den invloed van de bij 't broeden ontwikkelde warmte een kleurstof te voorschijn komt, die de eieren karmijnrood kleurt.

"Niet alleen de samenstelling, maar ook de standplaats van de nesten is zeer verschillend. Sommige soorten volgen hierbij een vasten regel. Zoo staat b.v. het nest van den Withalzigen Kolibrie (Agyrtria albicollis), dat men bij Rio de Janeiro reeds in de tuinen der voorsteden vindt, nooit anders dan op een horizontalen takgaffel. Het is als 't ware van boven af tusschen de beide takken vastgeklemd, zoodat deze zich aan weerszijden van het nest in waterpasse richting uitstrekken of, wat minder vaak voorkomt, scheef opstijgen. Een andere soort bouwt haar nest altijd tusschen de buitengewoon groote, boogvormig overhangende veeren van de manshooge varens, die op slechten grond langs de bergen groeien en in den regel groote stukken voormaligen bouwgrond bedekken. Onder deze veeren, dicht bij de spits, is het vogeltje gewoon zijn nestje te bouwen door de bladslippen, die elkander aanraken, stevig met elkander te verbinden. Het nest is als 't ware in een groenen zak geborgen. De meeste soorten echter bevestigen hun nest tusschen loodrecht staande halmen of fijne twijgen. Ik bezit verscheidene tusschen stijve grashalmen gebouwde nesten, waar de halmen als steunsels of dragers van het nest dienst doen. Sommige konden wegens hun los weefsel en de geringe zorg, die aan de keuze van de standplaats was besteed, niet dan met veel moeite zonder beschadiging in het museum op een met de natuur overeenkomende wijze opgesteld worden."

Van het nest van den Topaaskolibrie bericht Schomburgk, dat het gewoonlijk gebouwd wordt in een kleinen takgaffel van stammetjes, die over den stroom heengebogen zijn of in de van hier afhangende slingerplanten. "Van buiten heeft het nest de kleur van gelooid leder; in samenstelling gelijkt het op zwam. Opdat de eieren of de jongen er niet uitvallen, wanneer de wind de dunne takken schudt, hebben de voorzichtige ouders het nest voorzien met een breeden, binnenwaarts gebogen rand."

Audubon zegt, dat de eieren lang bebroed moeten worden, voordat de jongen uitkomen, dat deze na een week volkomen ontwikkeld zijn, maar ook nog gedurende een groot deel van de tweede week van de ouders voedsel krijgen. Deze mededeeling is, naar het schijnt, niet volkomen juist. Andere schrijvers berichten n.l., "dat de jongen naakt en blind de eischaal verlaten, buitengewoon zwak zijn en nauwelijks hun kleinen snavel kunnen openen om het voedsel van de ouders aan te nemen." Na weinige dagen zijn zij bedekt met een grijsachtig dons; later ontwikkelen zich de veeren van de bovenzijde. Volgens Burmeister duurt het broeden 16 dagen, openen de jongen de oogen 14 dagen na het verlaten van de eischaal en zijn eerst als zij vier weken oud zijn, in staat om te vliegen; tot zoolang blijven zij in het nest, dat door de moeder vergroot wordt, naarmate de jongen groeien.

Vele onderzoekers hebben zich met het nagaan van het leven der Kolibries in den gevangen staat bezig gehouden. Daar dit onderwerp zeer aantrekkelijk is, laten wij de belangrijkste van hunne mededeelingen hier volgen. "Eenige lieden," verhaalt Azara, "hebben Kolibries gevangen gehouden. Don Pedro Melo, stadhouder van Paraguay, heeft ongeveer 4 maanden lang oude Vogels bij zich gehad, die vrij in de kamer rondvlogen. Deze kenden hun meester zeer goed: zij kusten hem en vlogen om hem heen, als zij voedsel verlangden. Dit kregen zij uit een bakje met stroop, waarin zij hun tong staken. Van tijd tot tijd verschafte Melo hun bovendien eenige bloemen en door deze maatregelen waren de lieftallige Vogels in de kamer bijna even opgewekt als in de vrije natuur. Zij kwamen door achteloosheid van de bedienden om 't leven."

"De merkwaardigheid van deze Vogels," zegt Wilson, "heeft vele lieden opgewekt jongen groot te brengen en aan de gevangenschap te gewennen. Coffer, een man, die de zeden en gewoonten van onze inheemsche Vogels met groote opmerkzaamheid waargenomen heeft, verhaalde mij, dat hij twee Kolibries verscheidene maanden lang in een kooi met opgeloste honig in 't leven had gehouden. Het zoete vocht lokte vliegjes en mugjes aan, die door de Vogels weggesnapt werden; zij deden dit zoo ijverig, dat de Insekten een niet onbelangrijk deel van hun voedsel uitmaakten. Peale had twee jonge Kolibries opgevoed. Zij vlogen vrij in de kamer rond en gingen dikwijls op den schouder van hun meester zitten, als zij honger hadden. Deze heer merkte op, dat zij, als de zon in de kamer scheen, op de wijze van de Vliegenvangers kleine Motvlinders ophapten."

"Toen ik Engeland verliet," zegt Gosse, "nam ik mij voor, deze prachtige diertjes zoo mogelijk levend naar Europa te brengen; nadat ik eenige ervaringen over den Kapkolibrie had opgedaan, kwam hij mij voor deze proeven bijzonder geschikt voor. Mijne verwachtingen werden niet verwezenlijkt; maar mijne bemoeiingen hebben mij veel geleerd van de zeden en gewoonten dezer soort. Meestal werden deze Vogels door mij en mijne bedienden in een gewoon vlindernet gevangen; de vallen, die eenige schrijvers hiervoor aanprijzen, zijn mijns inziens beter geschikt voor de studeerkamer dan voor het woud. Dikwijls vonden wij, dat de nieuwsgierigheid van deze vogeltjes hun vrees overtrof. Wel verre van weg te vliegen, als wij een net voor de vangst gereed maakten, vlogen zij dikwijls naderbij en rekten den hals uit om het net te bekijken, zoodat het ons geen moeite kostte ze te vangen. Niet zelden keerde een hunner terug, nadat wij hem te vergeefs vervolgd hadden, en bleef vlak boven onze hoofden zweven, terwijl hij ons met een onverstoorbare vertrouwelijkheid aankeek. Het was echter zeer moeilijk deze Vogels, die zoo gemakkelijk gevangen konden worden, naar huis te brengen; gewoonlijk waren zij, zelfs indien zij volstrekt geen letsel hadden gekregen, gestorven, voordat wij onze woning bereikten; zij die oogenschijnlijk gezond hier aankwamen, stierven in den regel reeds den volgenden dag. In den beginne plaatste ik de versch gevangen Vogels zoo schielijk mogelijk in kooien; geregeld bezweken zij hier echter, ofschoon zij zich niet beschadigden. Zij vielen plotseling op den bodem van de kooi neer en lagen hier bewegingloos met gesloten oogen. Als men ze in de hand nam, was het, alsof zij voor eenige oogenblikken herleefden; zij draaiden hun fraai kopje om of schudden het heen en weer, alsof zij veel pijn leden, spreidden de vleugels uit, zetten de veeren van de borst overeind en stierven in den regel zonder eenige stuiptrekkingen. Zoo was de uitslag van mijne eerste proefnemingen.

"In den herfst ving ik twee jonge mannetjes en bracht deze niet in een kooi, maar in mijn werkkamer, nadat ik de deuren en de vensters goed gesloten had. Zij waren opgewekt, maar niet schuw, toonden lust in 't spelen en geen wantrouwen jegens mij, o.a. gingen zij zonder eenige aarzeling voor een korten tijd op mijn vinger zitten. Op de bloemen, die ik medegenomen had, kwamen zij dadelijk af; sommige werden opmerkzaam bekeken, terwijl aan andere geen aandacht werd geschonken. Van de eerstbedoelde haalde ik er meer; de lieve vogeltjes onderzochten deze bloemen zeer zorgvuldig, zoodra ik er mede in de kamer kwam en terwijl ik ze in de hand hield; zij zwierden op een afstand van nauwelijks 2 cM. voorbij mijn aangezicht. Dit bouquet plaatste ik naast het eerste in een glas; mijne gasten bezochten nu eens het eene dan weer het andere bouquet, speelden met elkander al vliegend, of gingen op verschillende voorwerpen zitten. Hoewel zij af en toe dicht bij de vensters kwamen, fladderden zij er nooit tegen aan. Als zij vlogen, hoorde ik dikwijls het dichtklappen van den snavel: zij hadden dan ongetwijfeld een klein Insect gevangen. Na eenigen tijd viel een van hen plotseling in een hoek op den grond en stierf. De andere behield zijn opgewektheid. In de meening dat de honigbakjes der bloemen geledigd waren, vulde ik een fleschje met suikeroplossing, sloot dit met een kurk, waardoor een penneschacht gestoken was, waarop ik een groote, van onderen geopende bloem plaatste. De Vogel vloog er onmiddellijk op af, ging aan den rand van het fleschje hangen en stak zijn snavel in de buis. Blijkbaar beviel deze lafenis hem, want hij lekte geruimen tijd en toen hij weggevlogen was, vond ik de penneschacht ledig. Weldra kwam hij ook bij de niet meer met een bloem versierde penneschacht en was reeds in den loop van denzelfden dag volkomen bekend met de nieuwe bron van voedsel. Tegen zonsondergang koos hij een gespannen lijn als slaapplaats uit; den volgenden morgen voor zonsopgang was hij echter reeds weer wakker en had ook zijn strooppot reeds geledigd. Eenige uren later was ik onvoorzichtig genoeg de deur open te laten, en vloog de gevangene tot mijn niet geringe teleurstelling weg.

"Drie in April gevangen mannetjes leerden hun nieuw verblijf zeer spoedig kennen. Een van hen vond dadelijk het fleschje met suikeroplossing, van welks inhoud hij herhaaldelijk gebruik maakte. Ook nu stierf een der gevangenen; de beide andere werden zoo tam, dat een hunner, nog voordat de dag om was, naar mijn aangezicht vloog, op mijne lippen of mijn kin ging zitten, zijn snavel in mijn mond stak en mijn speeksel lekte. Hij stak zijn verlengbare tong in alle deelen van mijn mond tusschen de kaak en de wang, onder de tong enz.; hij werd zoo stoutmoedig en herhaalde zijne bezoeken zoo dikwijls, dat ik er ten slotte werkelijk last van had. Soms nam ik een weinig stroop in den mond en noodigde hem door een zwak geluid, dat hij spoedig leerde begrijpen, tot komen uit. Versche bloemen schenen hem niet bijzonder te bevallen; zelfs de in de kamer gebrachte bloemen van den moringa-boom, die door de Kolibries in de vrije natuur voortdurend opgezocht worden, versmaadde hij na een kort onderzoek. Iedere Vogel koos een bepaalde plaats uit op de lijnen, die dwars door de kamer gespannen waren en keerde altijd weer daarheen terug. Bovendien had ieder hunner nog een of twee tijdelijke rustplaatsen en maakte hiervan geregeld gebruik, zonder ooit zijn lotgenoot van zijn plaats te verdrijven. Naar dit plekje keerde hij ook dan terug, wanneer ik hem er van verjaagd had. Daar hij ook in de vrije natuur gewoon is zoo te handelen, konden wij, zoodra een dezer zitplaatsen ons bekend en met vogellijm bestreken was, er stellig op rekenen, dat de Kolibrie, die aan dit plekje de voorkeur gaf, binnen weinige minuten in ons bezit zou zijn.

"De stoutmoedigste van mijne voedsterlingen was zeer strijdlustig en viel nu en dan zijn vreedzamer gezinden metgezel aan; deze week steeds terug; de overwinnaar ging na zulk een feit zitten en gaf zijn vreugde door den klank "skriep" te kennen. Na verloop van een of twee dagen begon dit spel den vervolgde te vervelen; op zijn beurt werd hij dwingeland en liet dit eerst blijken door zijn kameraad van het suikerstroopfleschje te verdrijven.

"Toen de gevangenen goed aan de kamer gewend waren, toonden zij een buitengewone opgewektheid. Zij namen de meest verschillende houdingen aan, draaiden zich ook op hun zitplaats om en om, zoodat hunne prachtige veeren op verschillende wijzen verlicht werden en een bewonderenswaardig schoon kleurenspel vertoonden. Zij vlogen af en aan, bewogen zich met allerlei zwenkingen op de bekoorlijkste wijze door de lucht en deden dit steeds zoo vlug en onverwachts, dat men ze dikwijls met het oog niet volgen kon. Nu eens bevond het schitterende diertje zich in den eenen hoek van het vertrek, onmiddellijk daarna hoorden wij het gonzen van de onzichtbare vleugels op een andere plaats vlak achter ons, of zagen wij het dier zelf dicht bij ons aangezicht zweven, zonder dat wij hadden kunnen nagaan hoe het hier gekomen was."

"Later, tot aan het einde van Mei, kreeg ik nog ongeveer 25 Kolibries in mijn bezit, bijna uitsluitend mannetjes. Eenige van hen waren met het net, andere met vogellijm gevangen; niet weinige van hen stierven, hoewel zij dadelijk na de vangst in een mand waren geplaatst. Voor dezen plotselingen dood heb ik nooit een bevredigende verklaring kunnen vinden. De gevangenen kwetsten zich niet aan de wanden van den korf, hoewel zij zich hier dikwijls aan vasthechtten; het kwam mij daarentegen voor, dat de ontsteltenis over het verlies van hun vrijheid zulk een krachtigen invloed op hen oefende. Hierbij moet ik ook doen opmerken, dat hun aard zeer verschillend was. Eenige waren knorrig, verdrietig en koppig, andere zeer vreesachtig, nog andere van het eerste oogenblik af lieftallig, gedwee, tam en gemeenzaam.

"De wijze, waarop ik deze diertjes in den regel aan de kamer en aan de suikeroplossing gewende, was zeer eenvoudig. Zoodra het korfje waarin de nieuwelingen mij gebracht werden, geopend was, vlogen alle er uit, gewoonlijk tegen den zolder aan, minder dikwijls tegen de vensters. Na een poosje zweefden zij langs de muren, die zij af en toe met de spitsen van de tong of met de borst aanraakten. Als men goed oplette, kon men zien, wanneer zij uitgeput waren en begonnen te dalen. Dan hadden zij er gewoonlijk niets tegen, dat ik ze opnam en op den vinger zette. Als ik ze eerst zoover had, nam ik een weinig suiker in den mond en vatte hun snavel tusschen mijne lippen. Soms begonnen zij dadelijk te zuigen, soms was het noodig hen hiertoe herhaaldelijk uit te noodigen; in den regel leerden zij het echter ten slotte, en als een van hen eens suiker uit mijn mond geproefd had, was hij steeds bereid om later opnieuw te zuigen. Na deze eerste les zette ik de gevangene behoedzaam op een der lijnen neer, en als hij een zachte inborst had, bleef hij hier zitten. De tweede les bestond hierin, dat ik hem, in plaats van mijne lippen, een fleschje met suikeroplossing voorhield; als hij hier één- of tweemaal aan gelikt had, kon hij het ook vinden, wanneer het op de tafel stond en mocht ik hem voor getemd houden. De tamme Vogel verdeelde vervolgens zijn tijd tusschen korte reizen door de kamer en rustpauzen op de lijn. Dikwijls kwam het voor, dat twee Vogels elkander vliegend vervolgden. Deze ontmoetingen schenen van vriendschappelijken aard te zijn. Bij nader onderzoek bleek het mij, dat het voortdurend wegvliegen van de lijn eenvoudig ten doel had om kleine, voor ons oog onzichtbare Insecten te volgen. Zeer dikwijls hoorde ik het happen met den snavel, één- of tweemaal zelfs kon ik de Vlieg, hoewel ternauwernood zichtbaar, nog juist onderscheiden.

"Nadat mijne gevangenen eenigen tijd de kamer bewoond hadden, plaatste ik er vijf in een groote kooi, die aan de eene zijde voorzien was met traliën van draad. Ik zag tegen deze verandering zeer op en bracht de Vogels daarom 's avonds in de kooi, in de hoop dat de nacht hen kalmeeren zou. Reeds vroeger had ik ze door het stroopfleschje aan het verblijf in de open kooi gewend. Toen ik het deurtje gesloten had fladderden zij eenigen tijd rond; den volgenden dag zag ik echter tot mijn blijdschap alle rustig op de stokjes zitten en ook stroop zuigen. Kort daarna bracht ik nog twee mannetjes bij hen en later ook een wijfje.

"Ik was nu vol hoop hen levend naar Engeland te kunnen brengen, daar ik meende, dat de ergste bezwaren voorbij zouden zijn. Maar aan al mijne verwachtingen werd spoedig de bodem ingeslagen. Reeds een week nadat ik ze in de kooi gebracht had, begon de ellende. Soms stierven er twee op één dag. In de volgende week had ik er nog maar één over, die ook spoedig bezweek. Tevergeefs trachtte ik hen door nieuwe exemplaren te vervangen; de plaatsen, waar zij vroeger in menigte voorkwamen, waren thans verlaten. De oorzaak van den dood was ongetwijfeld het ontbreken van Insecten in hun voedsel, want de stroop, die zij voortdurend namen, was natuurlijk niet voldoende om hen in 't leven te houden. Alle gestorven exemplaren waren buitengewoon mager; hun maag was zoo ineengeschrompeld, dat zij nagenoeg onkenbaar was. In de grootere ruimte hadden zij nog Insecten kunnen vangen; in de kooi was hun dit niet mogelijk."

De Kolibries hebben door hun schoonheid en sierlijke bewegingen de genegenheid van alle Amerikanen gewonnen; alleen ten behoeve van naturaliën-verzamelaars wordt soms jacht op hen gemaakt. Fijne vogelhagel is hiervoor volkomen geschikt, wanneer de lading niet te groot is en men op een behoorlijken afstand schiet. Overigens zijn aan deze jacht geen bezwaren verbonden; vaardigheid wordt er niet voor vereischt.

Vermoedelijk hebben de Kolibries, behalve den mensch, weinige of in 't geheel geene vijanden. Het is bijna niet denkbaar, dat zij lastig gevallen worden door Roofvogels of roofdieren in 't algemeen, daar geen van deze hen in snelheid evenaart. Het is echter wel mogelijk, dat de jongen dikwijls ten buit vallen aan klimmende, viervoetige roovers of aan nesten plunderende Vogels. Dat de "gevleugelde juweelen" over 't algemeen weinig van andere dieren te lijden hebben, zou men kunnen afleiden uit hun buitengewone talrijkheid in alle gewesten, waar zij inheemsch zijn, hoewel zij zich volstrekt niet snel vermenigvuldigen. Wat wij van den aard en de bekwaamheden der Kolibries weten, geeft ons recht om te twijfelen aan de waarheid van het verhaal, dat de Groote Vogelspin ze even dikwijls vangt als de Kruisspin de Vliegen. Het kan zijn, dat een kleine Kolibrie door het stevige web van een groote soort van Spin vastgehouden en in dit geval door de vervaardigster van dit web aangevreten wordt. Bates vond eens twee kleine Vinken met draden ontwikkeld in een spinneweb: de Kolibries zijn niet zoo onhandig, zij kennen dit gevaar en weten het te vermijden.

De naaste verwanten van de Kolibries--de Gierzwaluwvogels (Cypselidae)--zijn eveneens kleine, maar krachtig gebouwde Vogels met langwerpig lichaam, korten hals en breeden kop, waarvan het schedeldak tamelijk vlak, weinig gewelfd is; de eenigszins gekromde snavel is klein, buitengewoon kort, zwak, driehoekig, d. i. van achteren verbreed, aan de spits echter samengedrukt; de mondspleet strekt zich achterwaarts zeer ver uit, zoodat de bek zeer wijd geopend kan worden. De vleugels zijn smal en wegens de gekromde slagpennen sabelvormig gebogen. Van de 10 handpennen is de eerste de langste of bij eenige soorten slechts weinig korter dan de tweede; het aantal armpennen bedraagt 7 of 8. De staart is zeer verschillend van vorm: soms lang, soms korter, nu eens diep, dan weer minder diep uitgesneden. De pooten zijn kort en betrekkelijk krachtig, n.l. wat de loop betreft; de korte teenen zijn met zijdelings samengedrukte, sterk gekromde en zeer spitse klauwen gewapend. De achterteen is bij sommige, o. a. bij de inheemsche soort, zijwaarts ingeplant en kan in dit geval alleen naar voren, niet naar achteren gericht worden. Het kleed is over 't algemeen dicht en uit kleine veeren samengesteld; bij uitzondering vertoont het metaalachtig schitterende kleuren, zooals dat van de Kolibries gewoonlijk echter is het eenkleurig en somber.

Hoewel de Gierzwaluwvogels door hun gestalte en ook door eenige eigenaardigheden van hun inwendig maaksel, o.a. door de kortheid van den bovenarm en de lengte van de hand, overeenkomst met de Zwaluwen vertoonen, verschillen zij toch in vele opzichten aanmerkelijk van haar en in eenige opzichten van alle Vogels.

"Met uitzondering van de Kolibries," zegt Nitsch, "heeft waarschijnlijk geen enkele vogelfamilie zulk een buitengewoon lange hand en zulk een buitengewoon korten bovenarm. Hoogst eigenaardig is voorts de bouw der teenen: het aantal leden, dat bij verreweg de meeste Vogels van binnen naar buiten regelmatig toeneemt, zoodat de duim twee, de binnenste voorteen drie, de middelste voorteen vier en de buitenste vijf leden heeft, bedraagt hier resp. twee, drie, drie en drie leden; de middelste teen is dus met twee leden, de buitenste met één lid als 't ware verkort." (Dit geldt echter, volgens Burmeister, alleen voor de echte Gierzwaluwen; bij de overige soorten van de familie komt de gewone verhouding voor.) "Het onderste strottenhoofd heeft slechts één paar spieren, die bovendien niet sterk ontwikkeld zijn; de tong is bijna zoo plat en breed, naar voren even spits uitloopend als bij de Zwaluwen; de slokdarm mist de krop; de kliermaag is klein; de spiermaag zwak gespierd, de darm kort; van blinde darmen is geen spoor voorhanden." Buitengewoon ontwikkeld zijn de speekselklieren, die een voor den nestbouw dienend slijm leveren; zij strekken zich van de spits van den ondersnavel langs de beide onderkaakshelften tot de opening van de luchtpijp uit en zijn gedurende den voortplantingstijd zeer sterk gezwollen.

De Gierzwaluwvogels zijn over alle werelddeelen verbreid; zij bewonen alle breedtegordels, met uitzondering van de koude luchtstreek, alle hoogten, bij het zeestrand te beginnen tot plaatsen, die bij de sneeuwgrens liggen. Zij komen zoowel in wouden als in woudlooze gewesten voor, bij voorkeur echter in gebergten en steden, omdat rotswanden en muren hun de meest geschikte nestplaatsen bieden.

Meer dan andere Vogels zijn zij in den eigenlijken zin van 't woord bewoners der luchtzee. Van 's morgens vroeg tot in den nacht zijn zij werkzaam. Hun spierstelsel schijnt voor vermoeienis niet vatbaar en hun nachtrust tot weinige uren beperkt te zijn. Voortreffelijke vliegwerktuigen stellen hen in staat om zonder bezwaar iederen dag afstanden af te leggen, die bijeengevoegd wel honderden van kilometers zullen bedragen. In tegenstelling met de Zwaluwen vliegen zij gewoonlijk in hooge luchtlagen; enkele soorten bereiken zulke groote hoogten, dat ons oog ze niet meer waarnemen kan. Aan hun wijze van vliegen zijn zij reeds op een afstand kenbaar. De vleugels gelijken in uitgespreiden toestand op een halve maan; hun beweging is zoo snel en hevig, dat zij meer aan het gonzen van Insecten en Kolibries herinnert dan aan den vleugelslag van een Vogel. Soms wijzigen zij hun vlucht minuten lang slechts door een lichte draaiing van de vleugels en van den staart, door een verandering van richting der vliegwerktuigen, die voor ons niet of bijna niet waarneembaar is; toch schieten zij pijlsnel door de lucht. Ook zij kunnen op meesterlijke wijze allerlei wendingen en draaiingen uitvoeren; wat de sierlijkheid en bevalligheid van de beweging betreft, staan zij echter ver achter bij de Zwaluwen. Op den bodem zijn zij zeer onbeholpen; ongeschikt om te gaan en bijna ongeschikt om te kruipen. Daarentegen klimmen zij, wel niet behendig, maar toch tamelijk goed, langs muren of rotswanden omhoog en in holen op en neer.

Hun voortdurende rusteloosheid vereischt een aanzienlijk krachtsverbruik en derhalve een buitengewoon snelle stofwisseling. De Gierzwaluwvogels zijn veel vraatzuchtiger dan de Zwaluwen; de Insecten, die hun eenig voedsel uitmaken, verdelgen zij bij honderdduizenden per dag; zelfs de grootste leden der familie, die, wat omvang van den romp betreft, ongeveer Lijsters evenaren, voeden zich hoofdzakelijk met de kleine Insecten, die boven in de lucht rondzwerven en ons waarschijnlijk voor 't meerendeel nog geheel onbekend zijn.

Onder de zintuigen heeft, zooals het groote, wimperlooze oog reeds laat vermoeden, dat van het gezicht den voorrang; waarschijnlijk volgt hierop het gehoor; van de overige zintuigen weten wij niets mede te deelen. De geestvermogens zijn, naar het schijnt, weinig ontwikkeld. De Gierzwaluwvogels zijn wel gezellige, maar volstrekt geen vreedzame, integendeel twistzieke en tot vechten geneigde dieren, die niet alleen met hunne soortgenooten, maar ook met andere Vogels voortdurend overhoop liggen.

Alle Gierzwaluwvogels, die de gematigde gewesten van de aarde bewonen, zijn trekvogels; die, welke in de keerkringslanden broeden, mag men minstens zwerfvogels noemen. Het trekken geschiedt, althans bij eenige soorten, met de grootste regelmatigheid. Zij verschijnen in hun vaderland bijna precies op den hiervoor vastgestelden dag en verlaten het op een even vaststaand tijdstip weder; de tijd, die zij in hun vaderland doorbrengen, is echter bij de verschillende soorten zeer ongelijk van duur.

De trekvogels van de familie beginnen onmiddellijk na hun aankomst op de broedplaats een nest te bouwen; want hun verblijf hier is zoo kort van duur, dat deze tijd door de voortplantingsverrichtingen grootendeels in beslag wordt genomen. Hunne nesten zijn geheel anders dan die van de overige Vogels. Slechts weinige soorten bouwen sierlijke nesten, welke min of meer op die van de Zwaluwen gelijken; vele sleepen eenvoudig het nestmateriaal naar een holte en stapelen het hier zoo onordelijk mogelijk opeen. Steeds echter worden deze bouwstoffen met kleverig, weldra verhardend speeksel overtrokken en aaneengelijmd. Bij eenige soorten bestaat het nest in hoofdzaak of uitsluitend uit verhard speeksel. Het aantal eieren is gering, soms bepaalt het zich tot één. De eieren zijn rolvormig en licht van kleur. Het wijfje broedt alleen; de jongen worden door de beide ouders gevoederd. Ieder paar broedt eens, hoogstens tweemaal per jaar.

Voor het leven in de gevangenschap zijn de Gierzwaluwvogels niet geschikt. Toch is het mogelijk ook deze Vogels groot te brengen, als zij jong uit het nest genomen zijn. Oud gevangen exemplaren geraken niet aan de kooi gewoon, blijven hulpbehoevend op den bodem liggen of klimmen rusteloos bij de wanden op en neer, weigeren alle voedsel en komen door hun onstuimigheid of anders ten slotte door uitputting om 't leven. Jong uit het nest genomen Vogels moet men aanvankelijk het voedsel in den mond stoppen, eerst later beginnen zij zelf te eten. Ook in dit geval verschaffen zij hun verzorger niet veel voldoening.

De Alpen-gierzwaluw [Micropus (Cypselus) melba], bereikt een lengte van 22 cM. (vleugellengte 20, staartlengte 8.5 cM.). Alle bovendeelen, de zijden van den kop en de onderdekveeren van den staart hebben een donkere, roetbruine kleur. Een uitgestrekt kin- en keelveld, de borst, de buik en de aarsstreek zijn wit, zoodat aan de onderzijde van het lichaam de bruine kleur beperkt blijft tot een band, die aan weerszijden van den snavelwortel tot den schouder en van hier dwars over de bovenborst loopt. De vleugels zijn bruinzwart met duidelijken, metaalachtig groenen weerschijn. De oogen zijn donkerbruin, de snavel en de naakte deelen der pooten zwart.

De kustlanden van de Middellandsche zee mag men het brandpunt van het verbreidingsgebied van dezen Vogel noemen. Van hier reikt het aan de eene zijde tot aan de kusten van Portugal, de Pyreneën en de Alpen, aan de andere zijde tot aan den Atlas en de hooge bergketenen van Klein-Azië; het maakt verder langs de Kaspische Zee en het Meer van Aral een bocht oostwaarts tot aan het noordelijke deel van den Himalaja. Op geen dezer plaatsen is de Alpen-gierzwaluw standvogel, in het noorden van zijn gebied veeleer een regelmatige trekvogel, in de overige gewesten minstens zwerfvogel.

Hij verschijnt veel vroeger dan zijn stamgenoot, de Gierzwaluw, aan de zuidkust van de Middellandsche Zee, reeds omstreeks het midden van Februari in Syrië, tegen het einde van Maart in Griekenland, niet veel later ook in Zwitserland, waar het tijdstip van zijn komst afhangt van de weersgesteldheid tusschen het einde van Maart en het midden van April.

Gedurende den trek overschrijdt de Alpen-gierzwaluw niet al te zelden de noordelijke grenzen van zijn verbreidingsgebied; herhaaldelijk werd hij in het noorden van Duitschland, in Denemarken en op de Britsche eilanden waargenomen. Zijn herfstreis voert hem nog veel verder zuidwaarts dan zijn lentereis hem noordwaarts doet trekken. Evenals zijn stamgenoot doorreist hij geheel Afrika, komt geregeld voor in het zuiden en zuidwesten van dit werelddeel, aan de Kaap de Goede Hoop zoowel als in het Nama-land; boven den Tafelberg zweeft hij even opgewekt rond als boven de hoogste toppen van het Säntis-gebergte.

Hoewel deze Vogels Alpen-gierzwaluwen heeten, komen zij in de Alpen nergens in zoo grooten getale voor als in Zuid-Europa. Hier verzamelen zij zich op enkele plaatsen tot verbazingwekkende zwermen. Alle hooge bergketenen van Zwitserland bevatten eenige koloniën van deze Vogels; het veelvuldigst komen zij echter ook hier in de zuidelijkste gebergten en meer bepaaldelijk in Wallis voor. Verder oostwaarts worden zij steeds zeldzamer. In Tirol en Karinthië nestelen zij slechts op weinige plaatsen; de mededeeling, dat zij ook in Duitschland broedend zijn aangetroffen, berust waarschijnlijk op een vergissing.

Het naaste verwant aan de Alpen-gierzwaluw is onze Gierzwaluw, ook wel Steen- of Torenzwaluw, Haker, in het land van Kuik Scheer, in het Friesch Toerswjel genoemd [Micropus (Cypselus) apus]; deze bereikt een lengte van 18 cM. (vleugellengte 17, staartlengte 8 cM.). Zijn kleed is effen roetbruinzwart met zwartachtig groenen metaalglans, die het duidelijkst zichtbaar is op den mantel en de schouders. De kin en de keel zijn met een rondachtige, witte vlek geteekend. De oogen zijn donkerbruin, de pooten lichtbruinachtig; de snavel is zwart.

Het is de Gierzwaluw, die wij van de eerste week van Mei tot Augustus onder schel geschreeuw door de straten onzer steden zien jagen of rondom de spitsen van oude kerktorens zien vliegen. Deze Vogel is ver verbreid. Men vindt hem van Skandinavië tot Malaga in alle landen van Europa en ook in het grootste deel van Noord- en Middel-Azië. Ook in Perzië behoort hij op sommige plaatsen tot de veelvuldigste zomervogels; in enkele streken, o.a. in de omgeving van Shiras, broedt hij in buitengewoon grooten getale. Den winter brengt hij in Afrika en in 't zuiden van Indië door. Met regelmatigheid komt hij bij ons aan, gewoonlijk op den 5en of 6 Mei; hij blijft hier tot in Augustus. Naar het schijnt, trekken de Gierzwaluwen steeds in groote gezelschappen. Zij komen gezamenlijk aan, zoodat men ze daar, waar zij den vorigen dag in 't geheel niet waargenomen werden, plotseling bij dozijnen of zelfs bij honderden ziet; op dezelfde wijze verlaten zij een stad gewoonlijk alle te gelijk, in denzelfden nacht.

Het is zelfs voor leeken niet moeielijk onze Gierzwaluw te herkennen. Hare bewegingen en gebaren, haar voorkomen en hare werkzaamheden verschillen duidelijk van die der Zwaluwen. Zij en hare verwanten zijn in de hoogste mate levendig, onrustig, haastig en op beweging verzot. De lucht is haar rijk, hier brengt zij, om zoo te zeggen, haar geheele leven door. Van het krieken van den dag tot aan de laatste avondschemering houdt zij zich met de jacht bezig en beschrijft, op en neervliegend, uitgestrekte bogen; zij doet dit meestal op aanzienlijke hoogte en komt alleen 's avonds of bij hevige regen omlaag.

De kracht, de behendigheid en de werkelijk onvermoeide volharding, die de Gierzwaluw bij 't vliegen openbaart, komen bij geen anderen inheemschen Vogel in dezelfde mate voor. Voor de sierlijke en vlugge zwenkingen van de Zwaluwen is zij ongeschikt, haar snelheid is echter onovertroffen. Hare smalle, sikkelvormige vleugels worden soms zoo krachtig en haastig bewogen, dat ons oog er slechts een onduidelijk beeld van verkrijgt. Daarna evenwel breidt de Vogel ze plotseling ver uit, om nu zonder eenige zichtbare beweging van de vleugels prachtig in de lucht te zwemmen en te zweven. Alleen in de lucht gevoelt hij zich thuis, op den bodem is hij een vreemdeling. Men kan zich bijna geen hulpbehoevender wezen voorstellen, dan een Gierzwaluw, die niet vliegen kan en zich op den bodem moet bewegen. Van gaan is bij haar geen sprake. Zij is niet eens in staat om te kruipen. Men heeft beweerd, dat zij zich niet van den grond kan opheffen; dit is echter volkomen onjuist. Als men een pas gevangen Gierzwaluw plat op den bodem neerlegt, breidt zij onmiddellijk hare vleugels uit, doet er een krachtigen slag mede, die haar omhoog doet stijgen en vliegt vervolgens op de gewone wijze. Maar ook van hare pooten weet de Gierzwaluw een geschikt gebruik te maken. Zij haakt zich hiermede behendig vast aan loodrechte muren en houten beschotten; bovendien gebruikt zij de scherpe klauwen ter harer verdediging.

De Gierzwaluw is een schreeuwvogel en geen zanger; haar stem is een snijdend, krijschend geluid, dat door de syllaben "spie spie" of "krie" nagebootst kan worden. Men hoort het soms tot vervelens toe, wanneer de Vogel door de een of andere oorzaak in een staat van opgewondenheid verkeert; als een talrijk gezelschap door de straten jaagt, is het er soms bijna niet uit te houden. In de holen, die als slaap- en nestplaatsen dienen, tjilpen de ouden en de jongen.

Van de hoogere vermogens van de Gierzwaluw valt niet veel goeds te zeggen. Onder de zintuigen nemen de groote oogen ongetwijfeld de eerste plaats in; misschien mag men ook nog het gehoororgaan ontwikkeld noemen; de overige zinnen schijnen stomp te zijn. Het oordeel over de inborst van dezen Vogel luidt ongunstig. Hij is heerschzuchtig, twistziek, onstuimig en overmoedig van aard, leeft, alles wel beschouwd, met geen enkel dier, niet eens met zijns gelijken, in vrede en plaagt soms zonder reden andere dieren. Om de nestplaatsen twisten de Gierzwaluwen onder luid geschreeuw dikwijls dagen lang. Uit ijverzucht pakken twee mannetjes elkander in de lucht woedend aan, houden hun tegenpartij met de klauwen stevig vast en tuimelen nu draaiend naar beneden; dikwijls wordt het gevecht nog op den grond voortgezet en kunnen de strijders met de hand gevangen worden.

Het hangt van de omstandigheden af, waar het nest gebouwd zal worden. Bij ons geschiedt dit meestal in reten van muren van hooge gebouwen en onder balken. Elders nestelt de Gierzwaluw vaak in holle boomen, zeldzamer in den grond, in holen van steile glooiingen. Geregeld verjaagt zij de Spreeuwen of Musschen uit de broedkastjes, die voor hen in de boomen opgehangen zijn, zelfs wanneer deze een nest met bebroede eieren of met jongen bevatten; zonder mededoogen smijt zij de stoffen, waarvan zij haar nest wil bouwen, in den letterlijken zin van 't woord op den rug van het broedende wijfje of van haar kroost, kortom zij plaagt de rechtmatige eigenaars zoo lang, dat deze hun woning verlaten. De wieg van hare jongen bestaat uit halmen, hooisprietjes, droge bladen, vodden, haren en veeren, die zij uit musschennesten wegneemt of bij hevigen wind uit de lucht opvangt, zeldzamer echter van den bodem opzoekt of van boomtakken afrukt; deze onordelijk bijeengelegde materialen bedekt zij vervolgens geheel met haar kleverig speeksel, dat evenals bij de andere leden der familie in de lucht hard wordt. Het nest bevat twee, hoogstens drie, zeer langwerpige, bijna rolvormige, aan de beide einden ongeveer even sterk afgeronde, witte eieren. Het wijfje broedt alleen en wordt intusschen door het mannetje gevoederd. De jongen worden door de beide ouders met voedsel voorzien; zij groeien echter zeer langzaam en zijn eerst na verscheidene weken geschikt om te vliegen. Men vindt de eieren op zijn vroegst in het laatst van Mei, de pas uit den dop gekomen jongen in het midden van Juni of in het begin van Juli; eerst tegen het einde van deze maand vliegen de jongen uit.

De Gierzwaluw voedt zich met zeer kleine Insecten; het is moeielijk te bepalen, tot welke soorten deze behooren, daar zij voor 't meerendeel in de maag van den gedooden Vogel door de spijsvertering of althans door vergruizing zoo veel geleden hebben, dat zij onkenbaar zijn. Stellig vliegen de Insecten, die haar voornaamste voedsel uitmaken, in zeer hooge luchtlagen en komen zij hier alleen bij zeer gunstige weersgesteldheid voor. Want dit alleen kan een verklaring leveren van de zoo late komst van de Gierzwaluw en van het feit, dat zij op verschillende plaatsen op ongelijke tijden verschijnt en er meer of minder lang blijft. De eenige reden van haar bijna rustelooze werkzaamheid is gelegen in haar onverzadelijken honger; in geval van nood kan zij echter verbazend lang vasten: gevangen Gierzwaluwen, die zonder voedsel werden gelaten, stierven naar men zegt, eerst na zes weken den hongerdood.

Alle soorten van Gierzwaluwen hebben weinige vijanden. Hier te lande maakt alleen de Boomvalk jacht op deze zoo buitengewoon snel vliegende Vogels, die zich niet anders dan vliegend vertoonen. De mensch vervolgt hen daar waar zij voor de Spreeuwen lastig en gevaarlijk worden. Zeer bedroevend achten wij echter het dooden van deze nuttige Vogels door de bewoners van Zuid-Europa. Naar Savi bericht, zijn de jongen van de in Italië zeer veelvuldige Gierzwaluwen een zeer gezochte lekkernij. Om haar te verkrijgen worden in hooge muren of torens broedgaten aangebracht, die men van binnen onderzoeken en uithalen kan. Alle jongen, met uitzondering van één, worden vóór het uitvliegen uit het nest genomen en gedood, gebraden en opgegeten. Op een vooruitstekende rots bij Carrara staat een opzettelijk voor dit doel gebouwd torentje.

Zeer lange vleugels en een lange, diep gaffelvormig uitgesneden staart benevens een kuif op den kop komen voor bij het geslacht der Boomgierzwaluwen (Dendrochelidon), welks vertegenwoordigers Indië en de Indische eilanden, Australië en Afrika bewonen.

Een soort van dit geslacht, die wegens haar geschreeuw en dat van hare verwanten Klecho heet (Dendrochelidon longipennis) is 18 cM. lang; zij heeft vleugels van niet minder dan 15 en een staart van 8 cM. De uit breede veeren samengestelde, rechtopstaande kuif voor op den kop, de bovenkop, de mantel, de schouders en de vleugeldekveeren zijn donker zwartachtig groen met een zwarten, metaalachtigen, de spitsen der vleugeldekveeren met een staalachtig blauwen weerschijn; de slagpennen en de dekveeren van de hand zijn zwart met zwartachtig blauwen, de achterste handpennen en de armpennen met metaalachtig groenen glans; de kin, de keel, de krop, de hals en de zijden van den romp zijn grijs, de onderdekveeren van den vleugel zwartachtig groen, de stuurpennen, die een diepen gaffel vormen, zwart.

Het verbreidingsgebied van deze soort omvat de groote Soenda-eilanden (Java, Sumatra, Borneo), Banka en het schiereiland Malakka.

Door haar levenswijze en vooral door de wijze, waarop zij haar nest bouwen en broeden, onderscheiden de Boomgierzwaluwen zich van al hare verwanten. Zij bewonen de dsjungels of dergelijke in vlakten gelegen, boschrijke wildernissen. Zij gaan gaarne op boomen zitten; haar vaardigheid in 't klimmen is echter gering.--De Klecho bouwt op een vrij uitstekenden tak van een hooge boomkroon een nest, dat uit verschillende plantaardige stoffen bestaat, die door kleverig speeksel aaneengelijmd zijn, hetgeen aan den nestbouw van de Salangane herinnert. Het nest is zoo buitengewoon klein, dat de Vogel, om het eenig ei, dat er in gelegd wordt, uit te broeden, genoodzaakt is op den tak te zitten en alleen met den buik het nest te bedekken. Een dergelijke houding moet het jong wel aannemen, zoodra het een zekere grootte bereikt heeft.--Hoewel de Klecho op Java overal voorkomt, is zij echter nergens veelvuldig. Haar langzame vermenigvuldiging maakt dit verklaarbaar.

Salanganen (Collocalia) noemt men de sedert verscheidene eeuwen bekende en toch ook nu nog zeer onvolledig bekende Gierzwaluwen, die de beroemde eetbare vogelnestjes leveren. De kenmerken van het geslacht zijn: geringe grootte, zeer kleine, sterk haakvormige snavel en zeer zwakke pooten, welker binnenteen naar achteren gericht is, tamelijk lange vleugels en middelmatig lange, recht afgeknotte of weinig uitgesneden staart. De vederen zijn tamelijk hard, maar eenvoudig van kleur. Van de inwendige deelen verdienen de zeer ontwikkelde speekselklieren vermelding.

De typische vorm van dit geslacht, de Salangane (Collocalia nidifica), is ternauwernood grooter dan onze Oeverzwaluw; totale lengte 13, vleugellengte 12, staartlengte 6 cM. De veeren van de bovenzijde zijn donker roetkleurig zwartbruin met metaalachtigen weerschijn, die van de onderzijde roetkleurig grijsbruin. De pennen van den zeer zwak uitgesneden staart zijn een weinig donkerder van kleur dan de bovenzijde en effen zwart. De oogen zijn donkerbruin, de snavel en de pooten zwart.

Vroeger kende men de Salangana alleen als bewoonster van de Soenda-eilanden; later heeft men haar ook in de gebergten van Assam, in de Nilgiris, in Sikkim, Arakan, langs de oostkust van de Bocht van Bengalen, in Siam, Cochinchina, op Ceylon, de Nicobaren en Andamanen waargenomen. Zij is de soort, waarvan de meeste berichten en fabels in omloop zijn. "Aan de kust van China," zegt Bontius, "komen in den broedtijd vogeltjes van het geslacht der Zwaluwen uit het binnenland op de klippen der zee om in de zeeslib aan den voet der rotsen een taaie stof, misschien wel walschot of vischkuit, te verzamelen, waarvan zij hunne nesten bouwen. De Chineezen rukken deze nesten van de klippen af en brengen ze in menigte naar Indië, waar zij zeer duur verkocht, in kippen- en schaapvleeschsoep gekookt en door fijnproevers boven alle overige streelingen van het gehemelte verkozen worden." Tot in den laatsten tijd werd deze meening over den oorsprong der eetbare vogelnestjes, wat de hoofdzaak betreft, juist geacht. In nagenoeg alle reisbeschrijvingen las men, dat de grondstof voor het nest aan de zee en hare voortbrengselen ontleend werd.--Marsden onderzocht deze stof scheikundig en vond, dat zij het midden houdt tusschen lijm en eiwit. Zij blijft geruimen tijd onveranderd onder den invloed van heet water, zwelt na eenige uren op en wordt bij het drogen weer hard, maar tevens broos, omdat eenige lijm in het water achterblijft.--De overige meeningen behoeven hier niet nader besproken te worden: alle zijn in meerdere of mindere mate vermoedens van geringe waarde. Door Bernstein's uitvoerige onderzoekingen weten wij thans nauwkeurig, uit welke stof de eetbare vogelnestjes bestaan.

"Het behoeft ons in het geheel niet te verwonderen," zegt deze uitmuntende onderzoeker, "dat er hoogst verschillende meeningen over den oorsprong van de eetbare vogelnesten zijn verkondigd. Wanneer men onvoorwaardelijk geloof hecht aan de verhalen van onwetende en bijgeloovige inboorlingen, hunne gezegden steeds voor waar houdt of zich door een oppervlakkige overeenkomst van het nestmateriaal met een andere, geheel verschillende stof tot voorbarige gevolgtrekkingen laat verleiden, is het bijna niet te verwachten, dat men de waarheid op het spoor zal komen. Slechts door zelfstandige, onbevooroordeelde waarnemingen, aan de Vogels zelf op hunne broedplaatsen verricht, kan men het beoogde doel bereiken. Zulk een onderzoek is echter met tamelijk groote bezwaren verbonden; daar deze dieren in donkere, bijna ontoegankelijke holen nestelen, waar het dikwijls moeite kost de naastbijgelegen voorwerpen duidelijk te onderscheiden, en dus nog veel meer om de buitengewoon beweeglijke Vogels na te gaan. Dit geldt echter alleen van de Salangane in engeren zin. Veel gemakkelijker is het, een andere op Java inheemsche soort na te gaan, die daar Koesappie wordt genoemd; deze bouwt hare nesten op beter toegankelijke plaatsen, hetzij in de voorste, beter verlichte gedeelten der holen, die ook door de Salanganen bewoond worden, of ook wel op volkomen vrije plaatsen, onder overhellende rotswanden enz. Verscheidene malen was ik zoo gelukkig, deze soort bij het bouwen van haar nest nauwkeurig te kunnen waarnemen, terwijl dit mij ten aanzien van de Salangane, op grond van de hierboven aangevoerde redenen, minder dikwijls en nooit zoo volkomen gelukte.

"De eetbare nesten zijn, wat hun uitwendige gedaante betreft, reeds lang bekend en door verscheidene oudere schrijvers goed en nauwkeurig beschreven. Over 't geheel genomen hebben zij den vorm van het vierde gedeelte van een eierschaal, wanneer men zich voorstelt, dat deze door twee door de lengteas gerichte vlakken in vier gelijke stukken gesplitst is. Van boven zijn zij open; de rots, waaraan zij bevestigd zijn, vormt meteen den achterwand van het nest. Het nest zelf is uiterst dun, zijn bovenste vrije rand verbreedt zich naar achteren, waar hij zich tegen de rots aanlegt, aan weerszijden tot een vleugelvormig aanhangsel van verschillende dikte, welks breede, platte achtervlakte, die met het gesteente verbonden is, het voornaamste middel tot bevestiging van het nest uitmaakt. Dit bestaat uit een witachtige of bruinachtige, op lijm gelijkende stof, die (wegens de reeds genoemde dunheid van de wanden van het nest) meestal doorschijnend is; reeds bij oppervlakkig onderzoek merkt men er duidelijk dwarse strepen in op. De dwarse strepen hebben een golfvormig verloop in min of meer dezelfde richting; blijkbaar zijn zij door het laagsgewijs aaneenvoegen van de bouwstoffen ontstaan. Zij zijn het eenige spoor van structuur, dat men aan deze nesten bespeurt. De donkerder gekleurde, bruinachtige, in den handel niet hoog geschatte nesten houd ik voor oudere, waarin Vogels uitgebroed en grootgebracht werden, de witte, duurdere daarentegen voor versch gebouwde. Anderen meenen, dat de beide bedoelde producten door twee verschillende soorten van Vogels vervaardigd zijn. Daar ik nog geen Vogel heb kunnen krijgen, die op een bruin nest gevangen werd, kan ik deze kwestie niet uitmaken. De veelvuldige overgangen van geheel bruine tot zuiver witte nesten en ook hun volkomen gelijke bouw pleiten voor het bestaan van slechts één soort. Eindelijk komen ook nog enkele veertjes als toevallige bijmengselen hier en daar in en aan de nestwanden voor.

"Zonder aan dit nest een andere laag toe te voegen, legt de Vogel er zijne beide, glanzig witte, tamelijk lange en spits toeloopende eieren in. Soms vindt men drie eieren; twee is echter vermoedelijk het gewone getal. Zij zijn ongeveer 20 mM. lang en 14 m.M. breed.

"Het nest van de Koesappie (Collocalia fuciphaga) komt in vorm geheel met dat van de Salangane overeen; het verschilt er echter aanmerkelijk van, doordat het hoofdzakelijk uit plantenstengels en dergelijke stoffen bestaat en dat de eigenaardige, lijm- of hoornachtige specie alleen ten doel heeft om de bedoelde bouwstoffen met elkander te verbinden en het geheele nest op zijn standplaats te bevestigen. Daarom komt deze specie in de grootste hoeveelheid voor aan het achterste gedeelte van het nest, vooral aan de reeds genoemde, vleugel- en armvormige uitbreidingen van den vrijen bovenrand. Deze aanhangsels vindt men hier trouwens minder geregeld dan aan de nesten van de andere Javaansche soort; zij ontbreken soms geheel, vooral indien de overige bouwstoffen stevig zijn en minder behoefte hebben aan ondersteuning. Ik bezit een tamelijk groot aantal nesten van deze Vogels, die onder den dakstoel van een publiek gebouw in Batavia gevonden werden. Zij zijn doorgaans van fijne, zeer buigzame bloemstelen, paardeharen en enkele grashalmen gebouwd, welke stoffen bijna evenwijdig op en over elkander liggen, zonder ineengevlochten te zijn, zooals dit bij de nesten van andere Vogels het geval is. Om de genoemde bouwstoffen samen te voegen, wordt een bindmiddel vereischt; hiervoor dient de reeds vaak vermelde, lijm- of hoornachtige massa; deze komt daarom in grootere hoeveelheid voor aan het achterste gedeelte van het nest. Drie andere nesten vond ik aan een overhangenden rotswand. Zij waren samengesteld uit plantaardige stoffen, die gemakkelijker met elkander verbonden en ineengevlochten konden worden dan die der vroeger genoemde nesten. Daarom had de Vogel slechts weinig gebruik gemaakt van de lijmmassa; ik vond haar bijna alleen aan het achterste deel van het nest: zij diende slechts om de plantaardige bouwstoffen aan de rots vast te hechten; hoogstens waren zij er dun mede overtrokken."

Bernstein komt nu op de oude sagen terug en verhaalt, dat hij herhaaldelijk Koesappies heeft waargenomen, terwijl zij met den nestbouw bezig waren, dat hij andere een tijdlang in leven hield en eenige ontleedde. Zoo kwam hij tot het besluit, dat de bedoelde lijmachtige stof niets anders is dan een afscheidingsproduct van de ondertongspeekselklieren van den Vogel; deze vormen alleen gedurende den broedtijd twee groote opzwellingen: reeds gedurende het eierleggen schrompelen zij ineen en schijnen dan weinig grooter dan bij andere Vogels. "Het dikke, taaie slijm, dat door deze klieren bereid wordt, hoopt zich in de nabijheid van hare afvoeropeningen in het voorste gedeelte van den mond onder de tong, in groote hoeveelheid op. Het gelijkt veel op een dikke oplossing van Arabische gom en is, evenals deze, zoo taai, dat het tot tamelijk lange draden buiten den bek kan worden uitgetrokken. Als men het uiteinde van zulk een slijmdraad met den top van een houtje opneemt en dit langzaam om zijn as draait, kan men de geheele, op dat oogenblik aanwezige hoeveelheid speeksel in den vorm van een draad uit den mond en zelfs uit de afvoeropeningen der genoemde klieren halen. Aan de lucht droogt het schielijk uit en verschilt daarna in geen enkel opzicht van het eigenaardige nestmateriaal van onzen Vogel. Ook bij beschouwing onder een vergrootglas bemerkt men tusschen de beide stoffen geen verschil. Tusschen twee stukken papier gebracht, plakt het deze als Arabische gom aaneen. Op gelijke wijze kan men grashalmen er mede bedekken en daarna aaneen doen kleven.

"Wanneer nu de Vogels hun nest gaan bouwen, vliegen zij, gelijk ik dikwijls gezien heb, herhaaldelijk tegen de hiervoor uitgekozen plaats aan en drukken telkens met de spits van de tong hun speeksel tegen het gesteente. Dit doen zij dikwijls 10- à 20-maal achtereen, zonder zich intusschen meer dan eenige meters ver te verwijderen. Bij gevolg sleepen zij de bouwstof niet telkens aan, maar hebben haar in een groote hoeveelheid, die zich telkens weer vernieuwt, bij zich. Zoo vormen zij in de eerste plaats een halfcirkel- of hoefijzervormige figuur op de gekozen plaats. De aanvankelijk half vloeibare massa droogt weldra en vormt nu een vasten grondslag voor het overige nest. De Koesappie bouwt dit, zooals reeds gezegd werd, van verschillende plantendeelen, die zij in mindere mate met haar speeksel bedekt en aaneenvoegt; de Salangane daarentegen gaat voort met niets anders dan speeksel als bouwstof te bezigen. Zij klemt zich bij het voortzetten van den arbeid aan het nest vast en brengt, terwijl zij den kop zijwaarts heen en terug beweegt, het speeksel op den rand van het reeds bestaande en verharde deel van het nest aan, waardoor de reeds genoemde, golfvormige dwarsstrepen ontstaan. Bij deze gelegenheid blijven waarschijnlijk de enkele veertjes, die in den nestwand gevonden worden, aan het half gedroogde speeksel kleven en worden als toevallig bestanddeel aan het nest toegevoegd. Waarschijnlijk zal de prikkeling, die een gevolg is van de zwelling der klieren, de dieren nopen, zich van het speeksel door drukking en wrijving te ontdoen. Hierbij kan het soms voorkomen, dat deze deelen opengewreven worden en er eenige bloeddruppels uitvloeien; hieraan zijn waarschijnlijk de geringe sporen van bloed toe te schrijven, die men soms aan de nesten waarneemt. Voorts moet ik nog vermelden, dat de afscheiding van het speeksel, evenals de werking van zoo vele andere klieren, recht evenredig is aan de hoeveelheid opgenomen voedsel. Na rijkelijke voedering van de Vogels, die ik eenige dagen lang in de kooi in 't leven hield, had spoedig een overvloedige speekselafscheiding plaats; deze was echter zeer gering, wanneer de dieren eenige uren honger geleden hadden. Andere feiten staan hiermede in verband, vooral dat de Vogels in sommige tijden hunne nesten vlugger bouwen en ze grooter en fraaier maken dan in andere tijden. Hoogst waarschijnlijk hadden de dieren in het eerstgenoemde geval overvloed van voedsel, in 't laatstgenoemde gebrek er aan."

Wij zijn dus thans volkomen op de hoogte van den aard der stof, die door de Chineesche en de hen navolgende, Europeesche fijnproevers verzwolgen wordt, als zij de beroemde Indische vogelnestjes eten. Minder goed zijn wij bekend met de overige levensverschijnselen der Salanganen. De uitvoerigste berichten zijn die, welke Junghuhn geeft in zijn beschrijving van de vogelnestgrot van Rongkob. Deze is aan de zuidkust van Java dicht bij de oostelijke grens van Jogjakarta gelegen en maakt deel uit van het Sewoe- of Duizendgebergte, een minstens 120, op sommige plaatsen wel 180 M. dikke, op zandsteen rustende kalksteenmassa. "Aan de zuidzijde," zegt Prof. Veth, "valt dit merkwaardig gebergte steil in zee; zijn grens is als het ware loodrecht afgekapt, en zelfs de bolvormige heuvelen, voor zoover zij zich in de nabijheid van den oceaan verheffen, zijn aan de zeezijde scherp doorsneden, zoodat de hoogte van den rotsmuur van 60 tot meer dan 100 M. afwisselt, naar gelang hij òf door doorsnede der heuvelen, òf door de lagere tusschenruimten gevormd wordt. In weerwil van het wegzakken van het hier vallende regenwater door trechtervormige gaten in den bodem, zijn de heuvelen tot aan den scherpen rand overal met hetzelfde liefelijke plantenkleed bedekt."--"Aan den voet van den muur," zegt Junghuhn, "heeft de branding van de hier zeer diepe zee in den loop der tijden den kalksteen zoo diep uitgehold, dat het bovendeel van den rotswand een overhangend gewelf vormt. Hier houden de Salanganen zich op: groote zwermen van deze kleine Vogels ziet men af en aan vliegen, daar waar de branding het hevigst is en grotten in den kalksteen heeft uitgespoeld. Opzettelijk doorklieven zij de dichte schuimmassas, die door het breken van de golven tegen de rotsen ontstaan; blijkbaar vinden zij in het verstuivende water hun voedsel, waarschijnlijk zeer kleine zeedieren of hunne overblijfselen; daar de bewoners van de bovenste waterlaag door de branding tegen de klippen geworpen en, al of niet vergruisd, met het schuim omhoog gevoerd worden. Wanneer men zich op het voorgebergte ten oosten van de Rongkob-grot op den rand van den rotsmuur neerzet en met de oogen de beweging van de voortdurend op en neer golvende zee volgt, zal men af en toe aan den voet der tegenoverliggende steilte de ingang van de grot ontwaren en telkens in 't volgende oogenblik geheel onder het water zien verdwijnen. Zoodra de zee zich terugtrekt en de opening vrijlaat, ziet men een zwerm Zwaluwen bliksemsnel in de grot doordringen, een andere haar verlaten. Hare nesten zijn aan het gesteente gehecht, aan het verder binnenwaarts gelegen, hooge, donkere gewelf van de grot. Zij weten van den korten tijd, dat de nauwe ingang open staat, behendig partij te trekken, vóórdat een nieuwe waterberg haar sluit. Telkens als een groote golf de kust bereikt, dringt de zee met donderend geraas in de grot door en drukt de daarbinnen aanwezige lucht tot een kleine ruimte ineen. Zoodra nu de zeespiegel vóór den ingang zich tot een dal begint te verlagen, zet de lucht zich uit en stuwt het water met zulk een geweldige kracht naar buiten, dat beide, soms tot op een afstand van wel honderd meter, door de nog niet geheel teruggetreden branding heenbreken. Als kruitdamp bij de losbranding van het geschut, verlaat dan een straal stoffijn verdeeld water luid fluitend het hol, welks ingang weldra opnieuw door een golf wordt gesloten."

Van de vele andere, door koloniën van Salanganen bewoonde, door grootsche natuurverschijnselen en door een groote opbrengst van eetbare vogelnesten merkwaardige grotten van Java's steile zuidkust vermelden wij nog de negen grotten van Karang Bolong in de residentie Bagelén. Het bergstelsel is hier waarschijnlijk een uit elkaar geslagen vulkaan. Het dorp is op den kraterbodem gebouwd, de kammen en spitsen daaromheen zijn overblijfselen van den kraterwand. Aan de kust is het bergland 180 M. hoog en door den golfslag sterk uitgehold. Bij de Geda-grot ligt de rand van den kustmuur 25 M. boven den zeespiegel bij eb, daaronder is de muur binnenwaarts gebogen; op een hoogte van 8 M. boven de zee bevindt zich echter een uitstekende rotspunt, die langs een loodrecht van den rotsrand naar beneden hangende, van rotan vervaardigde ladder bereikt kan worden. Deze ladder bestaat uit twee zijdelingsche rotanstrengen, die door dwarshouten, op 50 c.M. afstand van elkander verwijderd, verbonden zijn. De bovenrand van den ingang van de grot is echter slechts 3 M. boven den zeespiegel gelegen, die ook bij eb de geheele oppervlakte van den bodem van de uitholling bedekt; bij vloed wordt, zooals reeds gezegd werd, de opening door iedere naar de kust rollende golf geheel gesloten. De inzamelaars van vogelnesten kunnen dus alleen bij eb, bij zeer stil weder en zeer lagen waterstand, in de grot doordringen. Dit zou echter ook dan onmogelijk zijn, indien het gewelf van de grot niet een menigte gaten bevatten en op grillige wijze door de golven was uitgeknaagd. In deze gaten, aan de meest uitstekende punten, houdt de sterkste en moedigste van de nestenplukkers, die het eerst naar binnen klautert, zich vast, terwijl hij aan hiervoor geschikte rotsspitsen rotanstrengen bindt, die 1 1/2 à 2 M. ver van den zolder afhangen. Met hare uiteinden worden andere lange rotanstrengen verbonden, die min of meer evenwijdig aan het gewelf, stijgend of dalend, al naar de oneffenheden die het aanbiedt, door de geheele, meer dan 50 M. breede grot, als 't ware een hangende brug vormen, welke 8 M. boven den zeespiegel verheft. Met een speer steken de nestplukkers de pas voltooide nestjes van den wand.

Behalve aan de zeekust worden ook in het binnenland van Java op verscheidene plaatsen grotten met nesten van Salanganen gevonden, o.a. in de kalksteengebergten van Bandong in de Preanger-regentschappen. Dat deze Vogels niet van zeedieren leven, zooals de meeste vroegere onderzoekers en onder hen Junghuhn in navolging van de inboorlingen schijnen te meenen, maar zich, evenals hunne verwanten, met kleine Insecten, vooral met Muggen, voeden, mag men voor zeker houden.

De berichten van de oudste en ervarenste nestenplukkers en eigen waarnemingen stelden Junghuhn in staat over het leven van de Salanganen het volgende mede te deelen: De Vogels bewonen de grotten ook buiten den broedtijd; zij vliegen echter, wanneer de zorgen voor hun kroost hen niet terughouden, iederen morgen bij zonsopgang uit. Waarheen zij zich begeven, is onbekend; over dag ziet men ze zoomin in het kreupelhout als boven beken en plassen. Eerst 's avonds laat, als de zon ondergaat en de Vleermuizen zich gereed maken om uit te gaan, keert de geheele zwerm plotseling terug, om den nacht in de grot door te brengen. Zij vliegen pijlsnel door de nauwste spleten, zonder de wanden aan te raken en doen dit zelfs, wanneer het volkomen duister is. In de Bandong'sche grotten broeden de Vogels, volgens de verzekering der plukkers, viermaal in den loop van het jaar. Zoolang het broeden duurt, blijft steeds de helft van hen in de grot. De mannetjes en wijfjes lossen elkander, naar men verhaalt, bij het broeden om de zes uren af. Alle paren houden zich nagenoeg te gelijker tijd met het broeden bezig, zoodat de meest achterlijke in dit opzicht niet meer dan tien dagen bij de overige ten achteren zijn. Nooit maken de Salanganen tweemaal van een nest gebruik; telkens als de tijd van eierenleggen nadert, bouwen zij een nieuw nest, hoewel zij hieraan een volle maand moeten werken. Het oude nest begint te rotten en valt af.

Drie- of viermaal per jaar worden de nesten geplukt: in de Bandongsche grotten voor 't eerst in April of Mei, ten tweeden male in Juli of Augustus, voor de derde maal in November of December. Als het inzamelen van de nesten begint, is niet meer dan de helft van de jongen reeds uitgevlogen. In de overige helft van de nesten vindt men gedeeltelijk nog hulpbehoevende jongen, gedeeltelijk eieren. De jongen worden gegeten, de eieren weggeworpen; bij iederen oogst gaat dus de helft van het jonge gebroed verloren. Toch vermindert het aantal van de Salanganen niet; evenmin neemt het toe op de plaatsen, waar men ieder jaar slechts driemaal plukt en één broedsel geheel tot ontwikkeling laat komen.

De zes Bandongsche holen leveren ieder jaar gemiddeld 13.520, bij elken pluk dus 3380 nesten; zij worden dus door minstens 6760 Vogels bewoond. Het aantal nesten, dat te Karang Bolong wordt ingezameld, bedraagt 500.000 per jaar; wanneer men deze over de drie pluktijden verdeelt, blijkt het, dat de grotten hier door meer dan 33.000 Salanganen bewoond moeten zijn. De Chineezen betalen voor het pikol (61 3/4 K.G.) 4 à 5000 gulden of één gulden voor 2 à 2 1/2 nesten, zoodat de jaarlijksche opbrengst van de grotten van Karang Bolong ongeveer 250.000 gulden bedraagt. Hiervan moet ongeveer f 10.000 afgetrokken worden voor verschillende onkosten en bovendien de pachtsom van de klippen, daar deze het eigendom zijn van den staat. In 1871 zijn die te Karang Bolong voor f 37.000 's jaars verpacht voor den tijd van 25 jaren.

Behalve op Java worden ook op verschillende andere plaatsen, eigenlijk door den geheelen Indischen Archipel heen, eetbare vogelnesten ingezameld, zoodat volgens de begrooting der reizigers, ieder jaar millioenen van deze nestjes naar China worden uitgevoerd; de totale waarde van de opbrengst van dit bedrijf zal ongeveer f 3.600.000 bedragen.

De vogelnestjes worden door koking in vleeschnat toebereid; vooraf moeten zij echter 24 uren lang in warm water geweekt zijn, zoodat de draden, waaruit het nestje bestaat, uiteengeplukt kunnen worden; terwijl dit geschiedt, worden ook de veertjes en andere bijkomende bestanddeelen verwijderd. Smaak of geur is aan dit gerecht niet te bespeuren. Wallace zegt, dat hij er niet veel meer smaak aan vond dan aan een schotel vermicelli.

Den laagsten rang in de onderorde der Spechtmuschvogels verdienen de Muisvogels (Colii) in te nemen. Deze groep omvat slechts één familie, van gelijken naam (Coliidae), die tot Afrika beperkt is en waarvan ongeveer tien soorten bekend zijn. Zij wijken van alle overige Vogels af en zijn daarom door verschillende onderzoekers nu eens in de eene, dan weer in een andere afdeeling geplaatst.

Hun romp is langwerpig, bijna rolvormig en sterk gespierd, de snavel kort, dik, gewelfd, van den wortel af gekromd, de bovensnavel is flauw haakvormig over den ondersnavel heengebogen, de pooten hebben een korten loop en lange teenen; de vleugels zijn kort en sterk afgerond, de lengte van den staart is meer dan het dubbele van die van den romp. Tot de meest karakteristieke eigenaardigheden van deze Vogels behooren het maaksel van de pooten en de samenstelling van het vederenkleed. Alle vier teenen kunnen naar voren gericht worden; terwijl ook de binnenste en de buitenste, beide te gelijk of ieder afzonderlijk, een achterwaartschen stand kunnen aannemen. Buitengewoon fijne, zachte, bijna haarvormige veeren, bedekken den romp; 't is, alsof hij met de vacht van een Zoogdier bekleed is. De twaalf staartpennen daarentegen zijn merkwaardig stijf. Van de middelste tot de buitenste nemen zij gelijkmatig in lengte af; gene zijn minstens vier maal zoo lang als deze. De veeren van den achterkop zijn min of meer kuifvormig verlengd. Het kleed heeft grootendeels een moeielijk te omschrijven, vaalachtig grijze kleur, die soms meer, soms minder naar rood of naar aschkleur zweemt; ook uit dit oogpunt is de naam Muisvogels goed gekozen.

De Muisvogel (Colius macrourus) bereikt een lengte van 34 c.M., waarvan ongeveer 24 c.M. op den staart komen. De hoofdkleur is fijn isabel-roodachtig grijs en gaat op den bovenkop in een geelachtige isabelkleur, op de kin en de keel in vaalwit, op de onderborst in isabelachtig geel over. Op het midden van den nek komt een heldere, hemelsblauwe vlek voor, de mantels benevens de schouders en vleugels zijn licht aschgrauw. De slagpennen en stuurpennen hebben aan de wortelhelft een kaneelkleurig roestroode, aan de eindhelft een aardbruine binnenvlag. De roodbruine oogen zijn omgeven door een naakt veld, dat, evenals de teugel en de snavelwortel, een karmijnroode kleur heeft; de snavel is zwart, de pooten zijn koraalrood. De mannetjes en de wijfjes verschillen weinig in kleur.

De Muisvogels zijn, naar het schijnt, tot Afrika beperkt. Zij bewonen het midden en het zuiden van Afrika; in het noorden ontbreken zij geheel, hoewel hunne lievelingsboomen hier zeer goed gedijen; men ontmoet ze niet, voordat men de boomrijke steppen heeft bereikt. In de eigenlijke oerwouden zijn zij op sommige plaatsen zeer veelvuldig, in de steden van Centraal-Afrika en in Kaapland komen zij geregeld voor.

Alle eigenlijke Muisvogels leven familiesgewijs of zijn tot kleine gezelschappen vereenigd, die gewoonlijk uit zes stuks bestaan. Zij vestigen zich in een tuin of in een deel van het woud en doorkruisen nu dagelijks vrij geregeld een tamelijk uitgestrekt gebied. Als uitgangspunt kiezen zij in ieder geval de plek, waar het kreupelhout het dichtst is. Wie de plantenwereld der keerkringslanden niet uit eigen aanschouwing kent, kan zich moeielijk een denkbeeld vormen van de boomen of kreupelboschjes, waaraan deze Vogels de voorkeur geven. Een zeer sterk vertakte en in verreweg de meeste gevallen ook gedoornde boom of struik is zoozeer met woekerplanten bedekt, omsponnen en doorvlochten, dat men van den eigenlijken boom misschien slechts hier en daar een tak te voorschijn ziet komen. De slingerplanten vormen er een net omheen, zoo dicht, dat het voor den mensch en de andere Zoogdieren ondoordringbaar is; zelfs met het jachtmes kan men er geen opening in maken. Een Vogel, die zulk een boom of struik tot schuilplaats kiest, is tegen iederen vijand, ja zelfs tegen den kogel van den jager beveiligd; daar deze, hoeveel moeite hij zich ook geeft, het gedoode dier toch niet zou kunnen bemachtigen. Een uitgestrekt gedeelte van het woud wordt door de slingerplanten volkomen ontoegankelijk gemaakt voor iederen indringer; deze wildernissen, waarvan het inwendige voor iedereen verborgen blijft, worden door den Muisvogel bewoond. Geen andere Vogel is in staat om door te dringen in het labyrinth van stengels en twijgen, waardoor de Muisvogel zonder moeite sluipt of liever kruipt: zijne bewegingen gelijken op die van het Zoogdier, waaraan hij zijn naam ontleent. Evenals de Muis, werkt hij zich door de nauwste openingen heen; evenals deze, schroomt hij niet zich te bewegen te midden van twijgen, welker tusschenruimten nauwelijks groot genoeg zijn om er zijn lichaam doorheen te wringen. Een vlucht Muisvogels, die aan den omtrek van zulk een dichte wildernis neerstrijkt, blijft hier slechts een oogenblik hangen; onmiddellijk daarna hebben de Vogels een opening gevonden, waarin zij verdwijnen. Als men het geluk heeft, tijdig de andere zijde van het warnest te bereiken, zal men hier na verloop van eenigen tijd eerst een kop, na den kop een romp en eindelijk een geheelen Vogel te voorschijn zien komen. Zoodra diens geschreeuw weerklinkt, worden alle koppen eensklaps zichtbaar en vliegt de geheele zwerm regelrecht op een tweede boschje af, waar hetzelfde spel herhaald wordt. Hoe de Vogels kans gezien hebben om door het binnenste van het boschje heen te dringen, blijft den toeschouwer een raadsel; hier komen hunne muizentalenten hun goed te pas.--Het vliegen geschiedt nu eens gonzend met snel opeenvolgende vleugelslagen, dan weer zwevend met wijd uitgebreide vleugels, terwijl de eenigszins ontplooide staart als een sleep achteraankomt. Levaillant vergelijkt de vliegende Muisvogel zeer treffend met voorbijsnorrende pijlen. Zij vliegen nooit op groote hoogte en dalen evenmin op den grond af. Gedurende het vliegen schreeuwen alle leden van het gezelschap; iedere Vogel laat een schel geluid hooren, dat als "kierr kierr" of "trie trie" klinkt; daar alle te zamen schreeuwen, vereenigen deze geluiden zich tot een gepiep, dat door klankteekens niet aangeduid kan worden.

Levaillant verhaalt, dat de slapende Muisvogels als een zwerm Bijen onder aan een tak hangen, de eene aan den anderen allen met den rug naar beneden gekeerd. Ik zelf heb dit nooit gezien. Wel zag ik dat de Vogel als hij rust, dus ook als hij slaapt, een eigenaardigen stand heeft aangenomen; hij wordt dan niet alleen door de voeten ondersteund, maar ligt met de geheele borst tegen den tak aan. Ook loopt hij dikwijls, evenals onze Meezen, aan den onderkant van een tak, zoodat hij met den rug naar beneden hieraan hangt. Dit geschiedt echter altijd slechts gedurende korten tijd.

Naar het schijnt, voeden de Muisvogels zich uitsluitend met plantaardige stoffen. In Middel-Afrika vormen de vruchten van den Christusdoorn (Afrikaansche jujubenstruik, een soort van Zizyphus) een hoofdbestanddeel van zijn voedsel. In de tuinen pikken zij aan de cactus-vijgen en de druiven, maar snoepen ook van de zoete limoenen. Evenals onze Meezen, eten zij in de meest verschillende houdingen; soms hangen zij onder aan de takken, soms klemmen zij zich aan de vruchten vast, enz. De eigenaars van tuinen in Centraal-Afrika klagen trouwens nooit over de schade, die de Muisvogels aanrichten; in Zuid-Afrika evenwel, waar zij, naar het schijnt, veel talrijker voorkomen, heeft men soms last van hen. Er zal wel geen middel bestaan om deze Vogels af te houden van de planten, waarop zij hunne zinnen gezet hebben: stellig zullen zij wel overal een ingang kunnen vinden, die hen de gelegenheid verschaft, om de verbodene vruchten van hun paradijs te bereiken.

Het nest bestaat, volgens Hartmann, uit steppengras, boombast, bladen en bloesems; het is van binnen met plantenwol gevoerd. Het bevat 2 of 3 tamelijk fijnschalige, meestal stomp eivormige eieren, welker witte grondkleur met weinige, tamelijk scherp geteekende, roestkleurige vlekken, strepen en krullen versierd is.

In het Kaapland maakt men ijverig jacht op de Muisvogels, zoowel wegens hunne dieverijen in de tuinen, als wegens hun sappig vleesch. Dikwijls worden zij hier levend gevangen. Volgens Levaillant verdienen zij als kooivogels geen aanbeveling; volgens berichten uit lateren tijd zijn zij opgewekt en gezellig.

Echte droomers, welker prachtig vederenkleed ons eenigermate verzoent met hun stillen en vervelenden aard, zijn de Knaagsnaveligen (Trogonii); zij vormen een onderorde van veel geringeren omvang dan die der Spechtmuschvogels, daar zij slechts één familie--de Soeroekoes (Trogonidae)--omvat, welker vertegenwoordigers (ongeveer 60 soorten) over de keerkringsgewesten van de Oude en de Nieuwe Wereld verbreid zijn. Zij zijn ineengedrongen van gestalte, hebben een korten hals, een grooten en dikken kop, een korten, dikken, eenigszins gekromden, naar achteren breeden, aan den wortel van baardharen, aan de zijranden veelal van insnijdingen voorzienen snavel en een ruime mondopening. De pooten zijn zeer klein en zwak, hebben een korten loop, die bijna geheel bedekt is door de veeren van het benedenbeen en vier dunne, korte teenen, waarvan er steeds twee naar achteren en twee naar voren gekeerd zijn; de twee achterwaarts gerichte zijn echter niet de binnenste of eerste en de buitenste of vierde, zooals bij de Spechten, maar de beide binnenste, de eerste en de tweede dus. De vleugels zijn kort en sterk afgerond, de smalle, spits toeloopende, sikkelvormig gekromde slagpennen hebben stijve schaften. De breede, min of meer verlengde, soms zelfs zeer lange staart bestaat uit twaalf pennen, waarvan de drie buitenste (aan weerszijden) korter zijn dan de zes middelste, die in lengte ongeveer overeenkomen. Het vederenkleed is zeer zacht, rijk aan dons en vertoont meestal fraaie kleuren met prachtigen metaalglans. Hierdoor werd reeds voor lang de aandacht van deskundigen en leeken op deze merkwaardige Vogels gevestigd, welker leven overigens weinig opmerkelijks aanbiedt. Niet alleen door hun ver achterwaarts verlengde mondspleet en de buitengewone kortheid der pooten, maar ook door de dunheid van de huid en de zachtheid van de veeren herinneren de Knaagsnaveligen aan de Nachtzwaluwen. Ook zij moeten beschouwd worden als schemeringvogels, want slechts weinige verlaten de schaduwrijke, donkere wouden, die zelfs de loodrecht invallende zonnestralen niet onder hun bladerendak toelaten. Traag en droomerig zitten zij op een tak en bespieden van hier den omtrek. Een voorbijvliegend Insect noopt hen tot een kort uitstapje door de lucht; zij vervolgen en vangen den buit met groote behendigheid en keeren dan weer naar hun rustplaats terug. Zij voeden zich echter niet alleen met Insecten, maar ook met vruchten; zelfs bepalen verscheidene soorten zich, naar het schijnt, tot plantaardig voedsel.

De voortplanting der Soeroekoes is nog slechts zeer weinig nagegaan. Alle soorten, welker nesten men gevonden heeft, broeden in holle boomen of graven holen in steile, aarden wanden. Het nest bevat 2 à 4 nagenoeg bolvormige, lichtkleurige of witte eieren.

De kleurenpracht van deze Vogels is vergankelijker dan die van eenig ander lid hunner klasse. Opgezette exemplaren, die aan het licht zijn blootgesteld, verliezen hun kleur reeds na verloop van zeer korten tijd.

Een van de meest bekende, Zuid-Aziatische Knaagsnaveligen is de Gestreepte Trogon, de Koerna der Indiërs (Harpactes fasciatus). Het mannetje is aan de bovenzijde roodachtig bruin; de kop en de hals zijn zwart, de vleugel dekveeren wit en zwart gestreept, de borst en de overige onderdeelen karmijnrood; de kropstreek is door een smallen, witten band van de borst gescheiden; een ring, die aan het oor begint en zich om den achterkop uitstrekt, is rood, evenals de borst; de naakte plek om het oog is kobaltblauw; de middelste staartveeren hebben dezelfde kleur als de rug, de buitenste zijn zwart en wit. De totale lengte bedraagt 31, de staartlengte 15 cM.

Nauwkeuriger zijn wij onderricht over de Amerikaansche Knaagsnaveligen. De talrijke soorten, die het westelijk halfrond bewonen, worden tegenwoordig over verscheidene geslachten verdeeld, die echter weinig uiteenloopen. Bij het geslacht der Soeroekoes (Trogon) zijn de snavelranden getand en de bovendekveeren van den staart niet verlengd, terwijl de geheele loop bevederd is.

De Soeroekoea (Trogon surucua), een Vogel van 26 cM. lengte met inbegrip van den 9 cM. langen staart is door Azara het eerst beschreven. Het mannetje is werkelijk prachtig gekleurd. De kop en de hals tot aan de borst zijn blauwzwart; de rug is groen, de buik bloedrood; de veeren van kop, hals en rug hebben een metaalachtigen weerschijn: de zijden van den kop metaalachtig blauw of paarsch, de rug groenachtig, blauwachtig of goudkleurig; de vleugeldekveeren zijn fijn golfvormig zwart en wit geteekend; de buitenvlag heeft een smallen, de binnenvlag een breeden, witten zoom.

Bij den Pompeo (Trogon viridis) zijn voorhoofd, wangen, keel en voorhals zwart, de kruin, de nek, de zijden van den hals en de bovenborst prachtig metaalachtig blauw met groenen weerschijn, de rug, de schouders en de bovenste vleugeldekveeren metaalachtig groen, de buik en de stuit helder dooiergeel, de buitenste vleugeldekveeren en de slagpennen zwart, de laatstgenoemde met witte randen, de middelste staartveeren groen met zwarten eindzoom, de volgende zwart met metaalachtig groenen zoom aan de buitenvlag, de drie buitenste aan weerszijden op de buitenvlag en de spits wit. Totale lengte 33, staartlengte 13 cM.

De Soeroekoea bewoont de oerwouden van het zuiden van Brazilië en het noorden van Paraguay; de Pompeo is over Noord-Brazilië en Guyana verbreid. De eene zoowel als de andere soort is daar, waar zij voorkomt, nooit zeldzaam. Overal hoort men de stem van den Pompeo: een eentonig, tamelijk kort, dikwijls herhaald gefluit, dat langzaam in toonhoogte afneemt en overeenkomst heeft met het geroep van de Kalkoensche hen, of als "woe woe" klinkt. Overal kan men deze Vogels waarnemen, want zij zijn volstrekt niet schuw en laten den mensch tot in hun onmiddellijke nabijheid komen. Azara zag, dat men een Soeroekoea door een stokslag naar beneden liet tuimelen van de twijg, waarop zij zat, en ook van den Pompeo houdt de Prins Von Wied dit voor mogelijk. Op een middelmatig hoogen tak, die een vrij uitzicht verschaft, zitten beide Vogels uren lang onbeweeglijk met ingetrokken hals en slap naar beneden hangenden staart op Insecten te loeren.

De Soeroekoea nestelt in holen, die zij in de op boomen voorkomende Termietennesten graaft. Men kan deze en andere Soeroekoes gemakkelijk dooden. Zelfs wanneer men den Vogel niet ziet, kost het niet veel moeite hem buit te maken, daar hij bij het hooren nabootsen van zijn licht navolgbaren loktoon in de onmiddellijke nabijheid van den jager gaat zitten. De Brazilianen maken van deze list gebruik, wanneer zij gebrek hebben aan levensmiddelen, hetwelk hun in de weinig of niet bevolkte wouden dikwijls overkomt. Men roemt den smaak van het vleesch van dezen Vogel. Grootere moeielijkheden bereidt de doode Soeroekoea den verzamelaar van naturaliën. "Van geen Vogel kostte het aftrekken van 't vel mij zooveel moeite als van den Pompeo," zegt Schomburgk, "daar het zelfs met inachtneming van de grootste voorzichtigheid bijna niet mogelijk is, het vel er onbeschadigd af te trekken. De huid is zoo fijn, dat zij, reeds als de Vogel na het schot van den boom tuimelt en onder het vallen een tak aanraakt of op den bodem neerstort, voor het opstoppen onbruikbaar wordt."

De Pauwstaart-trogons of Pracht-soeroekoes (Calurus), de grootste leden der onderorde, onderscheiden zich door den breeden en platten kop, den lagen, smallen, naar voren in breedte afnemenden, bij de spits haakvormig gekromden, gladrandigen snavel en het vederenkleed, dat vooral aan den staartwortel en op de vleugels zeer sterk ontwikkeld is en door zijn bijna weergalooze pracht den tooi van alle overige Knaagsnaveligen nog overtreft.

Het prachtigste lid van dit geslacht is de Quesal (Calurus resplendens), gekenmerkt door een goed gevulden, uit losbaardige veeren bestaanden helm en door de buitengewoon sterke ontwikkeling van de dekveeren, die golvend over de vleugels en den staart afhangen. De hoofdkleur van de veeren is schitterend smaragdkleurig goudgroen; de borst en de overige onderdeelen zijn hoog karmijnrood, de slagpennen en hunne dekveeren, benevens de vier middelste staartpennen zijn zwart, de overige stuurpennen wit. Totale lengte 42, staartlengte 22 c.M.; de langste dekveeren van den staart strekken zich nog 65 c.M. verder uit dan de stuurpennen.

Tot voor korten tijd was ons van den Quesal niets anders bekend, dan dat hij in Mexico en Middel-Amerika aangetroffen wordt en hier de wouden van het gebergte bewoont. Door de onderzoekingen van Salvin en Owen kan men zich thans ook van zijn levenwijze een denkbeeld vormen. "Zijne verblijfplaatsen zijn," volgens den eerstgenoemden reiziger, "in een gordel van ongeveer 2000 M. hoogte gelegen. Hier schijnt hij in alle wouden voor te komen, althans in die, welke zeer hooge boomen bevatten. Als uitkijkplaats maakt hij bij voorkeur gebruik van lage takken, n.l. van die, welke zich op twee derde van de hoogte van deze boomen bevinden. Hier ziet men hem bijna roerloos zitten; hoogstens draait hij den kop langzaam van de eene zijde naar de andere, of verbreedt en versmalt afwisselend den bijna loodrecht naar beneden hangenden staart en licht dezen ook wel eens op; intusschen worden de lange dekveeren zachtjes bewogen. Bij 't zien van een rijpe vrucht vliegt hij op, blijft een tijdlang met snelle vleugelbeweging voor het begeerde voorwerp zweven en keert, nadat hij het geplukt heeft, naar zijn vroegere zitplaats terug. Ieder dergelijk snoepreisje geschiedt met een sierlijkheid van bewegingen, waarvan woorden geen voldoende voorstelling kunnen geven. Dikwijls heb ik menschen, die opgezette Kolibries bekeken, vol verrukking hooren zeggen: "Wat zullen deze vogeltjes er bekoorlijk uitzien, als zij vliegen." En toch is dit niet het geval. Op een afstand van 20 M. ziet men van de kleuren van een Kolibrie niets, tenzij men zich op de allergunstigste plaats bevindt. Anders is het met den Quesal gesteld. Zijn voorkomen blijft prachtig, welken stand hij ook inneemt; hierdoor wekt hij dadelijk ieders bewondering. Geen andere Vogel van de Nieuwe Wereld evenaart hem, geen enkele van de Oude Wereld overtreft hem. Dit waren mijne gedachten, toen ik het eerste levende exemplaar aanschouwde. De Quesal vliegt snel en in lijnrechte richting; de lange staartdekveeren, die hem volstrekt niet schijnen te hinderen, zweven achter hem aan. De geluiden, die hij laat hooren, zijn verschillend. Zijn lokstem bestaat uit een dubbelen klank en is ongeveer te vergelijken met de syllaben "wieoe wieoe." De Vogel begint met een zacht gefluit, versterkt dit langzamerhand en laat het allengs wegsterven. Hij brengt ook nog andere, heesche en wanluidende klanken voor, die men met een blad in den mond zou kunnen nabootsen. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit vruchten; men vindt echter ook wel eens Sprinkhanen in zijn maag."

De Boomvogels, die in de onderorde van de Tredvoetigen (Halcyoniformes) vereenigd zijn, houden het midden tusschen de Spechtmuschvogels, de Platsnaveligen en de Rakvogels; men verdeelt ze in de drie groepen der Grijpsnaveligen, IJsvogels en Bijenvreters. Zij stemmen o.a. door den vorm hunner pooten met elkander overeen. Deze zijn n.l. naar evenredigheid klein en kort, hebben een met schubben en schilden bekleeden loop en vier (zelden drie) teenen, waarvan er steeds één naar achteren is gericht. De buitenste en de middelste voorteen zijn over een groot deel van hun lengte samengegroeid (zulke voeten heeten "tredvoeten"). Over 't algemeen hebben deze Vogels een grooten kop en een sterk ontwikkelden of zelfs buitengewoon grooten snavel. De hoogste plaats in deze onderorde nemen de Grijpsnaveligen (Bucerotes) in, die door het maaksel van den snavel en de wijze waarop zij zich voeden, hun naam rechtvaardigen; deze groep wordt verdeeld in twee familiën, de Neushoornvogels en de Hopvogels.

De Neushoornvogels (Bucerotidae) danken hun zeer eigenaardig voorkomen aan den langen, zeer dikken, meer of min gebogen snavel, die meestal met zonderlinge uitgroeisels, zoogenaamde "hoornen", voorzien is, waaraan de familie haar naam ontleent. Hoewel de bedoelde uitwassen een zeer verschillende gedaante hebben en ook wel geheel ontbreken kunnen, zijn toch de Neushoornvogels niet moeielijk te herkennen als leden van eenzelfde familie. Deze bewoont Zuid-Azië, de Maleische eilanden, Middel- en Zuid-Afrika en omvat ongeveer 50 door gestalte en kleur, zeden en gewoonten zeer overeenstemmende soorten. Azië schijnt het brandpunt van haar verbreidingsgebied te zijn, hoewel zij ook in Afrika door vele soorten vertegenwoordigd wordt. Men ontmoet deze Vogels van het zeestrand af tot op een hoogte van 3000 M. geregeld in dichte en hoogstammige wouden; alleen de kleinere soorten komen tijdelijk ook in lager groeiend geboomte voor. Alle leven paarsgewijs; hun trek tot gezelligheid noopt hen echter dikwijls tot het vormen van troepen, die uit leden van één soort of van verwante soorten bestaan en zelfs vreemde Vogels bevatten, die in levenswijze met hen overeenstemmen. Evenals de Toekans, brengen ook zij het grootste deel van hun leven op de boomen door; de soorten, die ook op den bodem werkzaam zijn, behooren tot de uitzonderingen. De meeste hebben een hoogst onbeholpen gang, maar bewegen zich betrekkelijk zeer behendig tusschen de twijgen. Hun bekwaamheid in 't vliegen is grooter dan men zou vermoeden. Uit het feit, dat zij zelden lang achtereen vliegen, valt niet af te leiden, dat deze bewegingswijze hen te veel vermoeit: dikwijls vliegen enkele exemplaren een half uur of langer, kringen beschrijvend, hoog in de lucht rond. De meeste soorten maken bij 't vliegen veel gedruisch, sommige kan men nog op een afstand van een Engelsche mijl hooren.

De zintuigen, vooral die van het gezicht en van het gehoor, zijn goed ontwikkeld; de overige althans niet onbruikbaar. Hoewel ons de gegevens ontbreken voor het juist beoordeelen van de geestvermogens dezer Vogels, mag men zeggen, dat zij bijna zonder uitzondering voorzichtig, schuw, oplettend, kortom verstandig verdienen te heeten. Ook door hun dof klinkende stem, die zij vaak laten hooren, dragen zij veel bij tot het verlevendigen van het woud.

Hun voedsel is van gemengden aard. De meeste Neushoornvogels vallen, wanneer de gelegenheid zich voordoet, kleine Gewervelde Dieren en Insecten, vooral kleine Vogels aan, plunderen waarschijnlijk dikwijls nesten en voeden zich zelfs met aas; alle zonder uitzondering eten velerlei soorten van bessen en andere vruchten, ook zaden. Eenige zijn alleseters in de uitgestrektste beteekenis van het woord.

Hoogst eigenaardig zijn de omstandigheden, waaronder hun voortplanting plaats heeft. Alle soorten, welker levenswijze men nauwkeurig heeft nagegaan, broeden in holle boomen. Het mannetje metselt de ingang van het ruime hol grootendeels dicht, terwijl het wijfje zich er in bevindt; door een kleine opening brengt het voedsel aan zijn gezin. De voor 't broeden bestemde holte is dus voor 't wijfje een gevangenis, waarin het blijven moet, totdat de jongen het ei verlaten of zelfs, totdat zij voor het vliegen geschikt zijn. Intusschen verliest het wijfje alle veeren, zoodat het tijdelijk geheel ongeschikt is om te vliegen. Het mannetje moet zich zoozeer inspannen om vrouw en kind met het noodige voedsel te voorzien, dat het, naar men zegt, tegen het einde van den broedtijd "tot een geraamte" vermagerd is. Evenals alle schrandere en voorzichtige dieren worden ook de Neushoornvogels in de gevangenschap weldra tam en toonen dan zulk een innige gehechtheid aan hun verzorger, dat zij slechts bij uitzondering misbruik maken van de vrijheid om zich naar eigen verkiezing te bewegen.

De kleinste soorten zijn leden van het geslacht der Gladhoornvogels (Rhynchaceros). Hun snavel is betrekkelijk klein; de beide kaken zijn gebogen en langs de zijranden getand; de kielvormige snavelrug puilt een weinig uit, maar is niet tot een "hoorn" uitgegroeid.

De Tok (Rhynchaceros erythrorhynchus) bewoont het grootste deel van Afrika, dat ten zuiden van 17° N.B. gelegen is. Het geheele midden van den kop is donkerbruin, de oorstreek bruinachtig, een breede streep aan weerszijden van den hals zwartbruin, door een witte streep van den bovenkop gescheiden. De bovenzijde is zwartbruin, de kleine schouderveeren en vleugeldekveeren zijn met groote, wigvormige, witte eindvlekken geteekend. De handpennen zijn zwart, de zes eerste op het midden van de binnenvlag, met uitzondering van de eerste en de zesde ook op de buitenvlag, met groote, eivormige, witte vlekken versierd. De armpennen zijn wit, met uitzondering van de drie eerste en laatste: de drie eerste zijn evenals de handpennen, gevlekt en bovendien nog wit gezoomd; de drie laatste zijn, evenals de grootste schouderveeren, donkerbruin, aan de wortelhelft van de binnenvlag wit, de groote dekveeren van de effen witte slagpennen eveneens wit, de beide middelste staartveeren effen donkerbruin, de wortelhelften der overige zwart, de tophelften wit met een zwarten dwarsband, die op de buitenste in een vlek eindigt. De snavel is, met uitzondering van een donkere vlek aan den wortel van de onderkaak, bloedrood, de oogen zijn donkerbruin, de pooten grijsachtig bruin. Totale lengte 46, staartlengte 19,5 cM. Het wijfje heeft nagenoeg dezelfde kleuren, maar is aanmerkelijk kleiner.

In alle wouden van Abessinië, Oost-Soedan en Kordofan, voorts in alle andere gewesten van Middel-, West- en Zuid-Afrika, welke met de genoemde overeenkomen, ziet of hoort men den Tok als 't ware dagelijks. In het gebergte komt hij tot op een hoogte van 2000 M. voor. Hij trekt niet, maar zwerft (dikwijls in gezelschap van een nauw verwante soort) ver in het land rond en bezoekt dan zelfs de omstreken van veeparken en boerderijen, die hij anders vermijdt.

Evenals de meeste Neushoornvogels is ook de Tok een echte Boomvogel, die slechts ongaarne (waarschijnlijk alleen, wanneer gebrek aan boomvruchten hem dwingt om elders voedsel te zoeken) op den bodem afdaalt. De naam van dezen Vogel is een klankbeeld van zijn stem, want deze bestaat uit één enkel, aangenaam klinkend geluid, dat, met korte tusschenpoozen, zeer dikwijls achtereen herhaald wordt, zoodat de geheele ontboezeming soms minuten lang duurt. Ieder afzonderlijk geluid gaat met een buiging van den kop gepaard.

Het broeden van den Tok wordt door Livingstone op de volgende wijze beschreven: "Onze weg leidde door groote mopane-wouden; mijne lieden vingen een menigte van de Vogels, die men Korwe noemt, in hunne broedplaatsen, die zich in holten van de mopane-boomen bevonden. Den 19den Februari vonden wij het nest van een Korwe, dat juist door het wijfje betrokken zou worden. De ingang bleek aan beide zijden met leem bestreken te zijn; een hartvormige opening was echter overgebleven, juist groot genoeg om het lichaam van den Vogel door te laten. Evenals bij de andere nesten had ook hier de inwendige ruimte een tamelijk ruime voortzetting naar boven; naar deze holte trachtte de Vogel te ontkomen, toen wij hem vangen wilden. In het nest vonden wij een wit ei, gelijkend op dat van een Duif, een tweede ei liet de Vogel vallen, toen hij reeds in onze handen was. Aan den eierstok vond ik bovendien nog vier bevruchte eieren."

"Voor de eerste maal zag ik dezen Vogel in Kolobeng bij het houthakken in een woud. Een der mij vergezellende inboorlingen riep plotseling: "Daar is het nest van een Korwe." Ik keek op en zag in een middelmatig groote holte van een stam niets dan een spleet, ongeveer 1 cM. breed en 7 à 10 cM. lang. De inboorling brak het harde leem, waarmede de spleet omgeven was, weg, stak de arm in de holte en haalde er een volwassen Tok uit. Hij verhaalde mij toen, dat het mannetje, zoodra het wijfje op het nest gaat zitten, de ingang dichtmetselt, op een kleine opening na, waardoor de opgesloten Vogel den snavel steekt om zich door het mannetje te laten voederen. Het wijfje maakt het nest van haar eigen veeren, legt eieren, broedt ze uit en blijft bij de jongen, totdat deze geschikt zijn om te vliegen. Naar mij gezegd werd, gaan hierover 2 of 3 maanden voorbij. Gedurende dezen tijd wordt het wijfje zeer vet; de inboorlingen beschouwen haar nu als een lekkernij; het arme mannetje echter vermagert jammerlijk, dikwijls zoo erg, dat hij bij plotseling intredende weersverandering, als het gaat regenen, uit den boom valt en sterft, waarschijnlijk van uitputting. In haar gevangenis broedt het wijfje tweemaal achtereenvolgens twee eieren uit; de beide eerste jongen zijn geschikt om uit te vliegen, als de beide laatste uit den dop komen. Nadat de moeder met hare beide oudste kinderen het nest verlaten heeft, wordt de ingang opnieuw toegemetseld, en voederen beide ouders de hierin achtergelaten jongen."

In den laatsten tijd heeft men herhaaldelijk Toks naar Europa overgebracht. Als kooivogels zijn zij niet bijzonder aantrekkelijk: zij bewegen zich weinig en laten slechts zelden hun stem hooren; men ziet het hun niet aan, dat zij zulke wonderlijke klanten zijn.

Als vertegenwoordiger van de Indische soorten der familie kiezen wij den Rhinocerosvogel, den Boerong Oendan der Maleiers, den Homray der Nepalezen (Buceros bicornis). Het geslacht der Dubbelhoornvogels (Buceros), waarvan hij deel uitmaakt, het soortenrijkste van de geheele familie, kenmerkt zich door het groote, hooge, breede uitsteeksel, dat zich minstens over het achterste derde gedeelte van den snavel uitstrekt en een groot deel van den voorkop bedekt; het is van achteren afgeknot en van voren in twee stompe spitsen verdeeld. Deze zoogenaamde "hoorn" is, evenals een groot deel van de kaken, van binnen grootendeels hol [21]; de dunne, met een verhoornde huid bekleede beenlaag, die deze holte begrenst, wordt gesteund door beenen stijltjes, die een soort van netwerk vormen; hierdoor komt het, dat deze buitengewoon groote snavel volstrekt niet zwaar is. Bij sommige variëteiten van den Rhinocerosvogel, o.a. bij den op Sumatra voorkomenden Anngang-Kiki (Buceros rhinoceros sumatranus), is de voorste punt van den hoorn naar boven omgekruld.

De hoofdkleur van de veeren van den Homray is zwart; de hals de toppen van de boven- en onderdekveeren van den staart, de buik, een vleugelvlek, de wortelgedeelten van de handpennen, de topgedeelten van alle slagpennen en eindelijk de stuurpennen, met uitzondering van een breeden, zwarten band vóór de spits, zijn meer of minder zuiver wit. De oogen zijn karmijnrood, de bovensnavel met den geheelen "hoorn" is rood, in wasgeel overgaand, de ondersnavel geel met roode spits, de ruimte tusschen den "hoorn" en den eigenlijken snavel van voren gezien zwartachtig, een smalle streep op den snavelrug donkerbruin, het wortelgedeelte van den snavel loodkleurig zwart, de naakte huid om de oogen zwart. Totale lengte 1.2 M.; de staart is 44, de snavel 26, de "hoorn" 20 cM. lang; de afstand tusschen het achterste deel van den "hoorn" en de spits van den snavel bedraagt 40 cM.; de 8.5 cM. breede "hoorn" is van boven in overlangsche richting gootvormig uitgehold.

De Homray bewoont de wouden van de bergstreken van Indië, van het zuidelijkste gedeelte tot aan den Himalaja en van de kust van Malabar tot Sumatra en het Maleische schiereiland. In Indië ontmoet men hem op berghellingen tot op een hoogte van 1500 M. boven den zeespiegel, meestal echter lager, gewoonlijk bij paren, zeldzamer in kleine vluchten.

"Deze Vogel," verhaalt Hodgson, "vestigt zich bij voorkeur op de opene of beplante houtkappingen, die in de nabijheid van de rivieren te midden van de groote wouden velerwege voorkomen. Hij leeft gezellig en onderscheidt zich door zijne ernstige en rustige gewoonten en bewegingen, zoowel als door zelfvertrouwen en een waardige houding. Uren lang ziet men den grooten, vreemdsoortigen Vogel op den top van een hoogen, phantastischen boom onbeweeglijk zitten, met ingetrokken, bijna tusschen de vleugels verborgen hals, neergehurkt op de in 't spronggewricht gebogen pooten. Nu en dan maakt hij, in den regel vergezeld door een of twee kameraden, een kortstondig gebruik van zijne vleugels en zoekt een anderen, hoogen boom op. Gewoonlijk vindt men 20 of 30 van deze Vogels dicht bij elkander: 6 of 8 op denzelfden boom, indien deze groot is. Hier blijven zij, zooals reeds opgemerkt werd, uren achtereen met den overstoorbaren, deftigen ernst van rechters zitten, terwijl zij af en toe eenige half onderdrukte geluiden laten hooren, die even vreemdsoortig zijn als hun gestalte en hunne gewoonten. Deze geluiden herinneren aan het gekwaak van den grooten Amerikaanschen Kikvorsch en zijn maar weinig sterker. Wanneer echter de onverbiddelijke jager, zich niet storend aan den plechtstatigen ernst van de vergadering, een van hare leden, zonder het doodelijk te wonden, van den boom doet tuimelen, heeft hij wel reden om zich over het brullende geschreeuw van den gekwetsten Homray te verbazen, daar het sprekend gelijkt op het gebalk van een Ezel."

Hodgson is van oordeel, dat de Homray zich bijna uitsluitend met vruchten voedt. "Dat hij (in sommige tijden althans) niet anders dan vruchten eet, is" zegt hij, "volkomen zeker; want de maag van de 6 of 8 Vogels, die ik in Januari en Februari doodde en onderzocht, bevatte geen andere voedingsstoffen dan de vruchten van den heiligen vijgeboom (Ficus religiosa); hij bepaalt zich echter niet tot deze, maar gebruikt, al naar het uitkomt, ook nog andere vruchten." In de vruchtentuinen heeft men soms veel last van hem. Gevangen Vogels moeten echter ook dierlijk voedsel hebben. Enkele gedragen zich zelfs als echte roofdieren, die ieder zwakker levend wezen in hun nabijheid overvallen of dooden.

Verscheidene berichten hebben betrekking op het broeden van deze Vogels. "Als het wijfje," zegt Mason, "5 of 6 eieren gelegd heeft, wordt het door het mannetje zoo volkomen met hen ingemetseld, dat het alleen den snavel door de opening kan steken." Tickell verhaalt: "Den 16 Februari 1858 vernam ik van de bewoners van het dorp Karen, dat een groote Neushoornvogel in een nabijgelegen hollen boom broedde en hier reeds sedert eenige jaren genesteld had. Ik bezocht de broedplaats en bemerkte, dat de holte zich in den stam van een bijna rechten boom bevond, die tot op 15 M. van den bodem geen takken droeg. De ingang was met een dikke leemlaag gesloten, waardoor het wijfje den snavel kon steken om door het mannetje gevoederd te worden. Een van de dorpelingen klom met veel moeite in den boom, door van afstand tot afstand bamboesstokken in den stam te steken. Terwijl hij bezig was met het leem weg te ruimen, liet het mannetje luide, rochelende klanken hooren, vloog af en aan en kwam dicht bij ons. De inboorlingen schenen het dier te vreezen en beweerden, dat zij er door aangevallen zouden worden; het kostte mij eenige moeite hen te overreden, het niet te dooden. Toen de opening voldoende verwijd was, stak de naar boven geklauterde man zijn arm in het nest, maar werd door het wijfje zoo hevig gebeten, dat hij den arm schielijk terugtrok en bijna uit den boom gevallen zou zijn. Nadat hij de hand met eenige lappen omwoeld had, gelukte het hem, den Vogel voor den dag te brengen. Het dier, een erbarmelijk leelijk en smerig schepsel, werd naar beneden gebracht en op den bodem losgelaten; buiten staat om te vliegen, huppelde het dier rond en bedreigde de omstanders met den snavel. Eindelijk klom het in een boompje en bleef hier zitten; daar het veel te stijf was om zijne vleugels te kunnen gebruiken en zich bij het mannetje te voegen. Op den bodem van de holte in den boom, ongeveer 1 M. onder den ingang, lag een enkel, vuil lichtbruinachtig ei op vermolmd hout, stukjes boomschors en veeren. Bovendien lagen in het nest een massa rottende bessen."

Van tijd tot tijd komen Homrays in onze dierentuinen voor. Als zij goed verzorgd worden, blijven zij hier jaren lang in leven en gevoelen zich, naar het schijnt, in de kooi zeer goed thuis.

De Jaarvogels (o. a. Buceros plicatus) kenmerken zich vooral hierdoor, dat de plaats van den hoorn, op het achterste gedeelte van den rug van den bovensnavel, wordt ingenomen door een lage, afgeronde opzwelling, die met 3 à 6 diepe, half-ringvormige dwarsplooien voorzien is. Daar het aantal dezer plooien verschilt, meende men vroeger, dat er ieder jaar één bijkwam en dat dus hieruit de ouderdom van den Vogel afgeleid kon worden.--Buceros plicatus bewoont Java, Malacca en Siam. Het eigenaardige, suizende gedruisch, dat vele (misschien wel alle) Neushoornvogels bij 't vliegen maken, is bij deze soort zeer krachtig en op tamelijk grooten afstand hoorbaar.

De beroemdste van alle Afrikaansche Neushoornvogels is de Hoornraaf, de Abbagamba der Abessiniërs (Tmetoceros abyssinicus). Zij behoort tot de grootste soorten van haar familie. Een ringvormig veld om de oogen en een groote zak aan de keel zijn onbevederd en vertoonen zeer schelle kleuren. Met uitzondering van de tien geelachtig witte handpennen zijn de veeren glanzig zwart; de oogen zijn donkerbruin; de bek heeft een zwarte kleur met uitzondering van een vlek aan den bovensnavel, die van achteren rood, van voren geel is; de ring om de oogen en de keelzak zijn donker loodkleurig grijs, de keelzak met breeden, vuurrooden zoom. Totale lengte 113, staartlengte 35 cM.

Merkwaardig is het korte, maar tamelijk hooge uitwas boven den wortel van den bovensnavel, die op het midden van de kruin begint en zich ongeveer over het eerste derde gedeelte van de lengte van den bek uitstrekt. Bij sommige is het van voren open en dan buisvormig; bij andere is de hoorn gesloten en heeft den vorm van een naar voren gekromden helm, welks breed en vlak bovendeel aan weerszijden door een overlangsche groeve gescheiden is van de zacht afgeronde zijstukken, die van onderen binnenwaarts gebogen en met den snavelwortel vergroeid zijn.

De Hoornraaf bewoont Middel- en Zuid-Afrika. Zij komt niet overal even veelvuldig voor, maar geeft aan boschrijke steppen en gebergten de voorkeur boven de eigenlijke oerwouden en de boomlooze landstreken. Zij is geen boomvogel in den letterlijken zin van het woord, maar loopt als een Raaf op den bodem rond om hier haar voedsel te zoeken. Zij neemt slechts bij vervolging haar toevlucht op boomen; deze zijn haar gewone rustplaats.

De Abbagamba valt door gestalte en gewoonten zoozeer in 't oog, dat zij bij iederen inboorling bekend is en zich overal een zekere achting heeft verworven. In opgewonden toestand n.l. maakt het mannetje zeer zonderlinge gebaren, breidt den staart uit en legt hem weder samen, geheel op de wijze van den Kalkoen; het blaast den keelzak op, laat de vleugels over den grond sleepen, kortom, geeft zich veel moeite om er verschrikkelijk uit te zien. De Hoornraaf loopt schielijk, hoewel eenigszins waggelend; zij vliegt met gemak en op een sierlijke wijze, zoodra zij eerst een zekere hoogte bereikt heeft, maar kan niet gemakkelijk van den bodem oprijzen. Zij houdt er echter niet van in één vlucht over een groote ruimte te vliegen, maar gaat kort na het opvliegen weer op den grond zitten. Als er boomen in de nabijheid zijn, begeeft zij zich gewoonlijk het eerst hierheen, om een hoog gelegen uitkijkplaats te hebben. Bij het zien van een verdacht verschijnsel rekt zij zich zoo hoog mogelijk uit en kijkt met geopenden snavel den naderenden bezoeker angstig aan. Het eerste geluid van een der leden van het gezelschap is voor allen een sein om te vluchten. Zelfs bij het zoeken van voedsel kiest zij bij voorkeur een plaats uit, die haar een vrij uitzicht naar alle zijden veroorlooft.

In de maag van een mannelijke Hoornraaf vond ik, nevens Mestkevers, Sprinkhanen en eenige Wormen, een tamelijk groote Kameleon. Gourney noemt Slakken, Hagedissen, Vorschen, Ratten, Muizen, Sprinkhanen, Kevers en andere Insecten, Monteiro Kruipende Dieren, Vogels, eieren, Kevers, maniokwortels en grondnoten de hoofdbestanddeelen van het voedsel van de Hoornraaf. "Als jachtveld kiest zij," zegt de eerstgenoemde, bij voorkeur een plek, waar het gras verschroeid is, hakt met haar krachtigen snavel in den harden bodem, keert haastig aardkluiten om, zoodat het stof in 't rond vliegt, werpt de gevangen Insecten met den snavel omhoog, vangt ze weder op en laat ze in den slokdarm glijden. Op een groote Slang gaan deze Vogels met hun drieën of vieren af; zij naderen het Reptiel van ter zijde met uitgebreide vleugels en plagen het hiermede; te rechter tijd doen zij een zijsprong en geven de Slang een geweldigen pik met den snavel; onmiddellijk daarna dient de vleugel weer als schild tegen de beten van den verwoeden vijand. Als deze tot den aanval overgaat, breidt de Hoornraaf de beide vleugels uit ter beschutting van den kop en andere kwetsbare deelen. Deze aanvallen worden herhaald totdat de Slang dood is."

Haar stem is een dof, ver hoorbaar geluid, dat als "boe" of "hoe" klinkt. Op deze wijze lokt het mannetje het wijfje; het antwoord bestaat uit een soortgelijk geluid, dat echter een octaaf hooger is. Dit gesprek tusschen de beide bijna onafscheidelijke echtgenooten duurt voort, totdat de een of andere storende invloed er een einde aan maakt, dikwijls wel een kwartier achtereen.

De Hoornraaf nestelt in holle boomen en legt kleine, ronde, ruwschalige, witte eieren. Of het legsel uit meer dan 1 ei bestaat en of het wijfje ingemetseld wordt, is nog niet uitgemaakt.

Markies Antinori kreeg een jonge, uit het nest genomen Hoornraaf en voedde haar hoofdzakelijk met stukjes vleesch en Muizen; zij werd in korten tijd zoo tam, dat zij bij 't hooren van haar naam--Abbagamba--steeds kwam aanloopen om haar voedsel in ontvangst te nemen. Toen zij aan haar verblijfplaats gewoon geraakt was, liep zij naar verkiezing vrij rond, vloog soms 200 à 300 schreden ver, maar liet zich door een kleinen knaap weer naar huis drijven; zij keerde dan met kleine sprongen terug langs den weg, dien zij eerst vliegend had afgelegd.--Daar de Hoornraaf zich zoo gemakkelijk laat temmen en in 't leven houden, zou zij, naar het ons voorkomt, een aanbevelenswaardige huisgenoot kunnen zijn, die door het vangen van Muizen en ander ongedierte zich ongetwijfeld zeer verdienstelijk zou weten te maken.

Minder vormenrijk dan de familie der Neushoornvogels is de verwante familie der Hoppen (Upupidae), die uit slechts 20 soorten bestaat, waarvan slechts één in Europa voorkomt en ook bij ons inheemsch is; twee behooren tot Zuid-Azië; de overige bewonen Afrika. Zij kenmerken zich door den snavel; deze is zijdelings samengedrukt, hooger dan breed, flauw gebogen en spits, de boven- en onderkaak raken elkander met vlakke randen aan. De twee buitenste voorteenen zijn slechts aan den wortel onderling vergroeid.

Onze Hop, in Gelderland Schijthop, in Noordbrabant Stinkhaan en Vlaszaaier, in Groningen Drekhaan en Stronthaan genoemd (Upupa epops), het type van de familie, kenmerkt zich door den gestrekten romp, den zeer langen, zwak gebogen, slanken, zijdelings samengedrukten, spits uitloopenden, dunnen snavel, de korte, tamelijk krachtige voeten, die in korte, stompnagelige teenen eindigen, de groote en breede, zeer afgeronde vleugels, den middelmatig langen, breedpennigen, aan het einde recht afgeknotten staart en de zachte, losse veeren, die zich op den kop tot een waaiervormige kuif verlengen. De veeren zijn op de bovenzijde leemkleurig; op het midden van den rug, de schouders en de vleugels wisselen zwarte en geelachtig witte dwarsstrepen met elkander af; de kuif is donker roestkleurig leemgeel, iedere veder met zwarte spits; de onderdeelen zijn hoog leemgeel; de buik is met zwarte, overlangsche vlekken geteekend; de staart is zwart met een witten dwarsband ongeveer op het midden. De oogen zijn donkerbruin, de pooten loodkleurig grijs; de snavel is zwart. Totale lengte 29, staartlengte 10 cM.

De Hop bewoont Middel- en Zuid-Europa, geheel Siberië en China, West-Azië en Noord-Afrika. Soms dwaalt hij naar het noorden van Skandinavië en naar Spitsbergen af. In sommige Europeesche gewesten, b.v. in het zuiden van Rusland, is hij zeer algemeen, in de Duitsche vlakten veelvuldig; in de meeste landen van Europa echter komt hij slechts hier en daar voor. Zoo is het ook in Nederland, waar hij evenwel in vroegere jaren algemeener was dan thans, zelfs in Noord- en Zuid-Holland, die hij thans slechts zeer enkel op den trek bezoekt. Hij blijft bij ons van April tot September. In Duitschland komt hij in de laatste dagen van Maart alleen of bij paren aan, om in het laatst van Augustus of het begin van September familiesgewijs langzaam weer naar het zuiden te reizen. De exemplaren die in Noord-Afrika broeden, trekken niet; hoogstens zwerven zij na den broedtijd rond. In den winter ontmoet men den Hop in geheel Afrika; ook in Indië is hij een regelmatig verschijnende wintergast. Bij ons geeft hij de voorkeur aan vlakten, die meer of minder dicht begroeid zijn met boomen. Landstreken, waar velden en weiden met kleine bosschen afwisselen, of waar oude boomen als grensscheidingen voor de akkers dienen, vallen bijzonder in zijn smaak. In Zuid-Europa houdt hij zich het liefst in de wijnbergen op; in Afrika kan men hem in ieder dorp, ja zelfs te midden van de steden vinden. Hier wordt echter niet door het vee, maar door den mensch voor het onderhoud van dezen smerigen gast gezorgd. De Gieren, hoe vlijtig zij ook zijn, kunnen al het afval niet uit den weg ruimen; er blijft genoeg van over voor den Hop en deze acht drekhoopen zeer begeerlijk.

De handelingen van den Hop zijn eigenaardig, maar belangwekkend. Hier te lande is hij voorzichtig en schuw, gaat den mensch dikwijls ver uit den weg en vertrouwt eigenlijk niemand behalve den koeherder, wiens kudde in zijn onderhoud voorziet. Hoewel hij in zuidelijke landen in innige vriendschap met den mensch leeft en in diens onmiddellijke nabijheid zijne kapriolen maakt, blijkt ook hier niet zelden, dat grenzelooze vreesachtigheid een grondtrek is van zijn karakter. De Vogel is schrander genoeg om zich volkomen veilig te gevoelen, als hij een mensch of een huisdier van het gewone, hem bekende slag gewaar wordt; reeds een Hond echter boezemt hem argwaan in, een Kat noopt hem tot voorzorgsmaatregelen, een voorbijvliegende Kraai maakt hem bezorgd, een van de in Egypte overal aanwezige Geelbekwouwen (Milvus aegyptius) of een onschadelijk Witte Krenggier (Neophron percnopterus) brengt bij hem een zinneloozen schrik teweeg. Hij gaat dan oogenblikkelijk op den grond liggen, breidt den staart en de vleugels kringvormig uit, buigt den kop achterwaarts, steekt den snavel omhoog en blijft in deze houding, die ten doel heeft den vijand te misleiden, totdat het gevaar geheel voorbij schijnt te zijn. Gewoonlijk draagt hij den vederbos niet ontplooid, maar als een spitse, naar achteren gerichte pluim. Hij beweegt deze pluim, als hij boos wordt, en breidt haar tot een waaier uit, als hij rustig op een boom zit, of als hij zijn stem laat hooren. In den paartijd speelt hij ook gedurende het rondloopen op den grond met zijn koptooi. Soms breidt hij hem onder het vliegen uit, zooals men spelend een waaier open en dicht doet. Zijn gang op den bodem is goed: hij gaat stappend en niet huppelend. In de takken daarentegen beweegt hij zich weinig, hoogstens loopt hij over dikke, horizontale takken op en neer. Gedurende het vliegen worden de vleugels bij afwisseling nu eens snel, dan weer langzaam bewogen; 't is, alsof hij zich uit angst bij rukken verplaatst. Voordat hij neerstrijkt, zweeft hij eenige oogenblikken en breidt intusschen zijn waaier uit. Zijn lokstem is een heesch, snorkend "chrr", dat soms als "sjwer" klinkt; het doffe "kweg kweg" geeft goedgeluimdheid te kennen; de paringsroep is het hol klinkende "hoep hoep". In 't voorjaar laat het mannetje dit geluid aanhoudend hooren, maar reeds tegen het einde van Juli niet meer.

Hoewel op gunstig gelegen plaatsen het eene paar Hoppen dicht bij het andere woont, blijven toch de leden van het gezin trouw bijeen en zijn de buren voortdurend met elkander in strijd. Wel komt het tusschen hen zelden tot dadelijkheden; terwijl zij elkander najagen, toonen zij echter door hun houding zeer duidelijk een wrevelige gemoedsstemming. Met andere Vogels sluit de Hop geen vriendschapsbond. Voor sommige is hij bevreesd, de overige schijnen hem onverschillig te zijn. Toch hecht deze Vogel, die, naar men zou zeggen, zoo weinig vatbaar is voor genegenheid, zich buitengewoon sterk aan den mensch, die hem van jongs af vriendelijk behandeld heeft; een tamme Hop is een van de gezelligste en aardigste huisgenooten die men zich voorstellen kan. Hij wordt zoo tam als een Hond, komt, als men hem roept, neemt zijn meester het voedsel uit de hand, volgt hem door alle kamers van het huis, op het erf, in den tuin, in de vrije natuur, zonder aan wegvliegen te denken. Hoe meer men zich met hem bemoeit, des te gezelliger wordt hij; ten slotte schept hij zelfs behagen in grappen, die hem aanvankelijk in 't geheel niet aanstaan.

De Hop voedt zich met allerlei Insecten, die hij van den grond opzoekt, of met zijn langen snavel uit gaten haalt, welke hij ten deele zelf in den grond geboord heeft. Aan Mist- en Aaskevers en Vleeschvliegen in alle ontwikkelingstoestanden en andere dreklievende Insecten schijnt hij de voorkeur te geven, zonder daarom Mei-, Juni- en Rozenkevers, Sprinkhanen, Krekels, mierenpoppen, rupsen enz. te versmaden. Zijn buit haalt hij zeer behendig uit de verborgenste schuilhoeken; om deze te openen, getroost hij zich dikwijls zeer veel moeite, door als een Specht te kloppen en te hakken. "Op plaatsen, waar hij den drek van het vee en van het wild onderzocht," zegt Naumann, "of waar hij een tijd lang jacht gemaakt heeft op Meikevers, ziet men een groot aantal gaatjes, die hij met zijn slanken snavel in den grond boorde. De bek dient hem echter ook voor het dooden van groote Kevers en voor het losstooten van hunne harde dekschilden, pooten en borstpantserplaten. Hij stoot een Kever zoolang met den snavel tegen den grond, totdat deze deelen er afspringen en verzwelgt de prooi na deze toebereiding." De bek is geschikt voor het grijpen van den buit; hij moet dezen echter omhoogwerpen en weer opvangen om hem door te slikken. Jonge Hoppen, die men grootbrengen wil, zullen verhongeren, indien men hun het voedsel niet in de keel stopt; zij zijn in 't geheel niet in staat, om hetgeen zij met den snavel gegrepen hebben, naar beneden te werken. Eerst later leeren zij dit.

In Europa bouwt de Hop zijn nest bij voorkeur in holle boomen, doch ook wel in gaten van muren of in rotsspleten. In Egypte nestelt hij bijna uitsluitend in gaten van muren, zelfs van bewoonde gebouwen. Hij is over 't algemeen met de keuze van een plaats voor zijn nest niet verlegen. Bij ons behelpt hij zich in geval van nood met een eenigszins verborgen plekje op den vlakken grond en zelfs met "holen, die soms zes voet ver onder den grond loopen, in hellende vlakten, b. v. aan de oevers van rivieren." In de steppenlanden bouwt hij zijn nest nu en dan tusschen de beenderen van een kreng: Pallas vond eens een nest met zeven jongen in de borstkas van een menschelijk geraamte. Holten in boomen worden gewoonlijk zonder verdere voorbereiding als nest gebruikt, soms echter met eenige halmpjes en worteltjes of ook wel met een weinig koemest bekleed; de op den bodem rustende nesten worden van allerlei droge halmen, fijne wortels en dergelijke stoffen vervaardigd en eveneens met koemest opgesierd. Hierin worden 4 à 7 betrekkelijk kleine, zeer langwerpige eieren gelegd; zij zijn op vuil witachtig groenen of geelachtig grijzen grond met uiterst fijne, witte stippeltjes bezaaid, of ongevlekt; zij kunnen dus zeer van elkander verschillen. Zelden vindt men het geheele aantal compleet vóór het begin van Mei, want de Hop broedt slechts éénmaal per jaar. De eieren worden uitsluitend door het wijfje 16 dagen lang met de grootst mogelijke zelfopoffering bebroed; de beide ouders besteden veel zorg aan de verpleging hunner jongen, zij leiden, onderrichten en waarschuwen hen nog lang nadat zij geschikt zijn geworden om te vliegen.

Gedurende den broedtijd rechtvaardigt de Hop den naam, waarmede hij in verschillende gedeelten van ons land wordt aangeduid: bij hem en zijne jongen merkt men dan een werkelijk ondragelijken stank op. De ouders zijn niet in staat om den drek van hunne jongen uit den weg te ruimen; deze steken daarom, zooals Naumann zich uitdrukt, "tot aan den hals in hun eigen vuil" en dit verbreidt, terwijl het verrot, een buitengewoon walgelijke lucht. Reeds gedurende het broeden getroost het wijfje zich zelden de moeite haar eigen uitwerpselen te verwijderen; de kinderkamer echter wordt nooit schoongemaakt. De stank lokt Vliegen aan, die hare eieren in de mest leggen, zoodat het in het nest ten slotte ook krioelt van maden. Natuurlijk stinken de jongen het ergst; weldra echter is het met de ouders niet veel beter gesteld; eerst vele weken na het uitvliegen verliezen ouden en jongen hun onaangename lucht. Deze is bij de geheel volwassen jongen zoo weinig merkbaar, dat men ze zonder walging eten kan. Zij zijn in dezen tijd zeer vet en smakelijk.

De Boomhoppen (Irrisor) zijn slank van gestalte, hebben zeer korte pooten en een zeer dunnen, krommen snavel; door hunne kleuren en hun breeden, trapsgewijs verlengden staart, herinneren zij aan de Glansspreeuwen. Zij leven gezellig in bosschen, voeden zich met Insecten, die zij op de boomtakken zoeken en eten ook vruchten. Zij slapen en nestelen in holle boomen en leggen blauwachtig groene eieren. Dit geslacht omvat een twaalftal soorten, die in Afrika thuis behooren. Van deze is de Roodsnavelige Boomhop (Irrisor erythrorhynchus) ongetwijfeld de meest merkwaardige. Zijn fraaie, metaalachtig glinsterende, blauwe hoofdkleur vertoont nu eens een donkergroene, dan weer een purperen weerschijn. Met inbegrip van den 24 cM. langen staart is hij 45 à 47 cM. lang.

In Noordoost-Afrika vindt men hem niet benoorden 16° N.B., verder zuidwaarts komt hij in alle hoogstammige bosschen voor. Bovendien heeft men hem gevonden langs de geheele oostkust tot aan de Kaap, in alle goed onderzochte, meer westwaarts gelegen landstreken en ook in West-Afrika zelf. Hij is een woudbewoner, die, zoo hij al in de nabijheid van open plekken komt, ook hier de boomen niet verlaat.

Weinige Vogels blijven elkander zoo trouw als de Boomhoppen. De jager kan, als hij voorzichtig te werk gaat, alle leden van een gezelschap achtereenvolgens neerschieten. Zoodra de eerste gevallen is, komen al zijne kameraads aanvliegen, zoeken een plaatsje boven den gesneuvelden makker, op de takken of stammen van de naburige boomen, waarop zij zich neerzetten of waaraan zij gaan hangen, beginnen jammerlijk te schreeuwen en kijken vol ontzetting naar het slachtoffer. Een tweede schot, dat zijn doel niet mist, maakt hen niet beangst of schuw, maar nog standvastiger in hun gejammer. Hoogstens verdeelt de troep zich in twee partijen: de eene blijft bij het eerste lijk, terwijl de overige Vogels zich om het tweede scharen. Hoe ook hunne rijen gedund worden, zij blijven op hun post; zelfs de laatstovergeblevene verlaat haar niet.

De leden van de familie der Bijeneters (Meropidae) behooren tot de bekoorlijkste Vogels van de Oude Wereld. Zoowel door hun eigenaardigen vorm als door hunne fraaie kleuren en hun merkwaardige levenswijze wekken zij belangstelling. Zij hebben zulke duidelijke kenmerken, dat men ze niet met andere Vogels verwarren kan. Hun gestalte is zeer slank, de snavel langer dan de kop, aan den wortel tamelijk dik en de spits, de beide kaken zijn fraai gekromd, de snavelrug en de nagenoeg niet binnenwaarts gebogen zijranden scherp; de bovensnavel is iets langer dan de ondersnavel, maar heeft geen benedenwaarts gerichte spits en ook geen inkerving. De voeten zijn zeer klein en kort; van de drie voorteenen zijn de buitenste en de middelste tot het tweede, de binnenste en de middelste tot het eerste gewricht met elkander vergroeid. De vleugels zijn lang en spits; de tweede handpen is de langste. De staart is lang, aan den top soms recht afgesneden, soms min of meer gevorkt, ook wel zacht afgerond; bij vele soorten overtreffen de middelste stuurpennen de overige in lengte, soms zijn zij wel dubbel zoo lang. Het kleed bestaat uit korte, eenigszins harde veeren, bijna zonder uitzondering is het prachtig en bont van kleur, hoewel de verschillende kleuren gewoonlijk over groote velden verdeeld zijn. Het mannetje en het wijfje onderscheiden zich nagenoeg niet door de kleur.

De warme landen van de Oude Wereld vormen het verbreidingsgebied van de Bijeneters; slechts één soort bewoont Australië. Zij leven op zeer verschillende terreinen, nooit echter in oorden, waar in 't geheel geen boomen groeien.

De levenswijze van deze prachtige Vogels gelijkt het meest op die der Zwaluwen, maar herinnert ook in vele opzichten aan die der Vliegenvangers. Bij fraai weder zweven althans de grootste soorten van de familie, hoog in de lucht, om hier hun buit te zoeken; bij betrokken weder of ook gedurende den broedtijd zijn zij gewoon op uitstekende boomtwijgen te zitten en van hier uit te jagen. Op den bodem dalen zij zeer zelden af; hoogstens doen zij dit om een Insect op te pikken, dat zij hier zien zitten; evenals de Zwaluwen scheren zij echter dikwijls dicht bij; den waterspiegel langs. Den nacht brengen zij door op boomen met dichte kroon, gedurende den broedtijd in hunne nestgaten.

De Bijeneters zijn uitnemend in staat om leven en beweging in een landschap te brengen; zij kunnen onmogelijk onopgemerkt blijven. Men kan zich bijna geen schooner schouwspel voorstellen dan deze nu eens als Valken, dan weer als Zwaluwen de lucht doorklievende Vogels.

Hun voedsel bestaat uitsluitend uit Insecten, die in den regel in de vlucht gevangen, bij uitzondering echter ook wel van gemakkelijk bereikbare bladen of zelfs van den bodem opgezocht worden. Merkwaardig is het, dat de Bijeneters ook Insecten verslinden, die een gifangel hebben. Het is proefondervindelijk gebleken, dat de steek van een Bij of van een Wesp voor de meeste Vogels doodelijk is; nauwkeurige onderzoekingen hebben geleerd, dat bijna alle Vogels, die dergelijke Insecten vangen, er den gifangel afpikken, voordat zij ze verzwelgen; de Bijeneter echter slikt den gevaarlijken buit door, zonder dezen eenigszins voor te bereiden.

Alle Bijeneters nestelen gezellig; zij doen dit in diepe holen, die in horizontale richting gegraven worden op steile hellingen. Alle zijn ook gedurende den broedtijd op het gezelschap van hunne soortgenooten gesteld; bijna zonder uitzondering vormen zij dan zeer talrijk bezette koloniën. Zij nestelen in een holte, die den vorm heeft van een bakkersoven en aan het einde van een gang gelegen is. Zij bouwen geen eigenlijk nest, maar leggen hunne 4 à 7 eieren eenvoudig op het naakte zand. Eerst langzamerhand vormen de afgebeten vleugels van Insecten of hunne uitgespuwde skeletdeelen een soort van zitkussen voor de jongen.

Het is zeer moeielijk oude Bijeneters in de kooi in 't leven te houden; jong gevangen exemplaren geraken lichter dan men onderstellen zou, aan het verlies van hun vrijheid gewoon.

In Europa leeft als geregelde zomergast slechts één soort van deze familie, n.l. de Gewone Bijeneter (Merops apiaster); deze is een van hare grootste vertegenwoordigers, daar hij een totale lengte van 26, bij een staartlengte van 10 à 11 cM. heeft. De veeren van het voorhoofd hebben een witte kleur, het voorste deel van den bovenkop en een streep door het oog zijn blauw met groenachtigen weerschijn; een streep over den teugel en door het oog is zwart; de kin en de keel vormen een hooggeel veld, dat van onderen door een smallen, zwarten dwarsband begrensd wordt; van boven en van achteren is de kop donker kastanjebruin; de achterzijde van den hals en de vleugeldekveeren zijn lichter; de schouders, het voorste deel van den mantel en de staartwortel zijn kaneelkleurig roestgeel. De onderdeelen hebben een fraaie, zeegroenachtig blauwe kleur. De bovendekveeren en pennen van den staart zijn blauwachtig groen, met uitzondering van de beide middelste staartpennen, die zwart zijn en welker versmalde spitsen achter de overige uitsteken; de handpennen zijn groenachtig blauw, de onderdekveeren van den vleugel roestkleurig isabel.

De Bijeneter heeft zich meermalen in Duitschland vertoond en er soms ook gebroed. Men ziet dezen opzichtigen Vogel in de zuidoostelijke gedeelten van Duitschland zeer dikwijls, hoewel niet geregeld. Op hun broedplaats verschijnen de Bijeneters bij vluchten in het einde van April of het begin van Mei. In de omstreken van dit oord kan men nagaan, op welke wijze zij den zomer doorbrengen. In tegenstelling met alle kleinere soorten, die slechts bij uitzondering hunne uitkijkplaatsen voor langen tijd verlaten, ziet men leden van een gezelschap van Gewone Bijeneters gezamelijk uren lang hoog in de lucht rondzwieren. Op deze wijze doorkruisen zij een gebied van verscheidene vierkante KM. altijd gemeenschappelijk. Zoolang zij zich met de jacht bezig houden, roepen zij elkander voortdurend den schellen, als "sjuur sjuur" of "goeëp goeëp" klinkenden loktoon toe. Tegen zonsondergang vereenigen alle leden van het gezelschap zich in de nabijheid van hunne nesten, verdeelen zich hier in paren en houden zich nu nog in de omgeving van hun zitplaats op de takken met de Insectenvangst bezig, totdat de schemering invalt.

Stekende Insecten zijn, naar het schijnt, het meest gewilde voedsel van den Bijeneter, want op gelijke wijze als hij de bijenkorven brandschat, plundert hij de nesten van de Wespen en Hommels. Hij versmaadt echter ook Sprinkhanen, Waterjuffers, Dazen, Muggen en Kevers niet.

Tegen het einde van Mei vangt het broeden aan. Als standplaats voor zijn nest kiest de Bijeneter bij voorkeur de zandige of leemachtige oevers van een rivier. Hier begint hij een ronde gang te graven van 5 à 6 cM. middellijn. Deze gang is horizontaal of een weinig bovenwaarts geneigd en heeft soms een lengte van 1 à 2 M. De dekschilden, pooten enz., die door de jongen niet doorgeslikt worden, en de skeletdeelen, die de broedende ouders uitspuwen, hoopen zich langzamerhand in de nestholte op tot een zachte ligplaats voor de jongen. Reeds in het einde van Juni vliegen de jonge Vogels uit, hoewel zij dan nog door de ouders gevoederd worden. Aanvankelijk keeren de leden van het gezin hoogst waarschijnlijk telkens naar het nest terug; weinige weken later gedragen de jongen zich geheel als de ouden.

Het is verklaarbaar, dat men de Bijeneters niet overal een goed hart toedraagt. Door de bijenhouders, worden zij onmeedoogend vervolgd. In Griekenland schiet men ze in de laatste zomermaanden in buitengewoon grooten getale en beschouwt ze als een smakelijke spijs.

Van de Afrikaansche soorten der familie verdient vooral de Karmijnroode Bijeneter of Karmijnspint (Merops nubicus) vermelding, omdat hij zich zoowel door zijn kleur als door zijn levenswijze van zijne verwanten onderscheidt. Het donkere karmijnrood, dat in zijn kleed de overhand heeft, is op de vleugels en den staart doffer, op den kop en de borst lichter; de staartwortel benevens de dekveeren van den staart zijn fraai turkooisblauw. De slagpennen hebben breede, zwarte spitsen, de eerste handpennen vóór het zwarte uiteinde een dof blauwgroenen band; bij alle is de binnenvlag aan den wortel kaneel-roestkleurig gezoomd. De oogen zijn donker karmijnrood de pooten bruingrijs; de snavel is zwart. Het geheele dier is 34, de beide middelste staartveeren zijn 19, de overige stuurpennen 10.5 cM. lang.

Men heeft den Karmijnrooden Bijeneter in de meest verschillende landen van Afrika's oostkust waargenomen, soms in groote gezelschappen, soms bij enkele exemplaren te gelijk. Hij is, zoo mogelijk, nog bedrijviger en schreeuweriger van aard dan de Europeesche soort, met welke hij overigens door zijn wijze van vliegen en zijne handelingen veel overeenkomst vertoont. De struiken en boomen, waarop deze Vogels gedurende het heetste gedeelte van den dag een schuilplaats zoeken, zijn er dikwijls in den letterlijken zin van 't woord mede bedekt. Zulk een dichtopeengedrongen zwerm levert een prachtig schouwspel op.

Zoolang het grastapijt, dat alle niet met woud bedekte landstreken van Soedan bekleedt, nog rijk is aan Insecten, vinden de Bijeneters gemakkelijk hun dagelijksch brood; zij voeden zich dan bijna uitsluitend met Sprinkhanen. "Den Karmijnrooden Bijeneter", verhaalt Von Heuglin, "zagen wij in Kordofan veelvuldig neerstrijken op Runderen, Ezels, enz., soms zelfs op de deftig door het hooge gras rondstappende Ooievaars; van hier uit maakten zij jacht op de Sprinkhanen die door de bewegingen van deze zonderlinge rijdieren opgeschrikt werden. Een brand in de steppen lokt, behalve de Valken, die Kruipende Dieren en Insecten eten, ook Bijeneters aan. Zij weten, dat de vuurgloed hun een buit toejaagt en maken van deze gunstige gelegenheid het best mogelijke gebruik. Men staat verbaasd over de vermetelheid, die deze dieren toonen. Boven uit de lucht storten zij zich zonder aarzeling, door den dichtsten rook naar beneden, strijken dicht over de spitsen van de vlammenlijn heen, verheffen zich weder, verslinden den door hen gegrepen buit en verdwijnen opnieuw in de rookwolken."

Australië herbergt slechts één enkelen Bijeneter, den Prachtspint (Merops ornatus). Deze soort wordt ook op Timor, Nieuw-Guinea en de Molukken aangetroffen. Hare bovendeelen zijn licht grasgroen, de bovenkop, de nek en de slagpennen roodbruin, de bovenrug en de staartwortel turkooisblauw; de onderdeelen berylgroen, met uitzondering van de blauwe aarsstreek; de hooggele keel is van de borst door een donkerzwarten band gescheiden, de fluweelachtig zwarte teugel van onderen met een hemelsblauwe zoom omgeven. Totale lengte ongeveer 20, staartlengte 8 cM.

"Daar in Australië geen andere soort van Bijeneter voorkomt dan deze en hij als trekvogel--gelijk de Zwaluw en de Koekoek bij ons--een verkondiger van de lente is, daar hij bovendien door zijne fraaie kleuren evenzeer in het oog valt als door zijn sierlijke gestalte, kent iedereen hem in dit werelddeel. In den zomer is hij evenwel, naar het schijnt meer tot de zuidelijke helft beperkt; in Noord-Australië broeden slechts enkele exemplaren, ofschoon zij er op den trek veelvuldig aangetroffen worden; ditzelfde geldt van de bovengenoemde, verder noordwaarts gelegen eilanden.

"Dit sierlijk vogeltje zit bij open plekken op een dorren tak om zich heen te staren; van tijd tot tijd ziet men het in snelle vaart op een in de nabijheid vliegend Insect toeschieten en vervolgens naar zijn vroegere zitplaats terugkeeren om hier zijn buit te verslinden."

Naar een van de prachtigste bewoners van ons werelddeel, die in overleveringen en sprookjes op velerlei wijze verheerlijkt werd, heeft een talrijke familie van Vogels den naam van "IJsvogels" ontvangen. Verreweg de meeste Tredvoetigen, die tot deze familie behooren, leven echter in den warmen aardgordel en weten niets van ijs of winter; de bedoelde naam is dus voor hen al zeer ongelukkig gekozen.

De IJsvogels (Halcyones) kenmerken zich door hun krachtigen romp, korten hals en grooten kop, door hunne korte of middelmatig lange vleugels en korten of hoogstens middelmatig langen staart, door hun langen, dikken, rechten, hoekigen, spitsen snavel, door hunne zeer kleine, drie- of vierteenige "tredvoeten" en door hun glad aanliggend, meestal met prachtige kleuren prijkend vederenkleed, dat bij de mannetjes, wijfjes en jongen verschilt.

De IJsvogels zijn over de geheele wereld tamelijk gelijkmatig verdeeld, hoewel deze familie haar rijkdom van vormen het duidelijkst in den warmen aardgordel openbaart. Vele soorten houden zich bij voorkeur op in de buurt van meer of minder groote stroomen of plassen; niet alle zijn echter aan het water gebonden; integendeel, vele, misschien zelfs de meeste, zijn woudvogels in den volsten zin van het woord en hebben een geheel andere levenswijze dan hunne verwanten, die in de nabijheid van het water leven. Daar, zooals van zelf spreekt, de afwijkende levenswijze gepaard gaat met eigenaardigheden van lichaamsbouw en met een andere samenstelling van het vederenkleed, heeft men deze familie zeer terecht in twee onder-familiën gesplitst: de Visch-ijsvogels en de Jager-ijsvogels.

De onder-familie van de Visch-ijsvogels (Alcedinidae) kenmerkt zich voornamelijk door den langen, rechten en slanken, op den rug rechtlijnigen, zijdelings sterk samengedrukten snavel en het steeds zeer gladde, nauw aansluitende, vettige vederenkleed. Alle hiertoe behoorende soorten houden zich aan den waterkant op en volgen dezen van de zeekust tot hoog in 't gebergte, zoover hier Visschen zijn. Aan den oever leven zij eenzaam of hoogstens bij paren. Evenals alle van visch levende dieren, zijn ook zij stille, knorrige, afgunstige schepsels, die den omgang met hunne soortgenooten of met andere Vogels zooveel mogelijk mijden en ieder levend wezen, zoo niet voor een concurrent, dan toch voor een tegenwerker van hun bedrijf houden. Slechts zoolang de zorg voor hun kroost hen aan een bepaald gebied bindt, blijven zij op dezelfde plaats; gedurende den overigen tijd zwerven zij visschend rond, den loop van het water volgend; enkele soorten leggen op deze wijze een tamelijk uitgestrekten weg af.

Hunne talenten zijn van een eigenaardige soort. Zij kunnen bijna niet gaan en zijn evenmin behendig in 't vliegen; alleen in 't water zijn zij in zekeren zin thuis: zij duiken op een vreemdsoortige wijze en kunnen ook een weinig zwemmen. Visschen, Insecten, Schaaldieren en dergelijke waterbewoners maken hun voedsel uit.

De IJsvogels vermenigvuldigen zich tamelijk snel; alle soorten brengen een groot aantal jongen groot. Voor het nestelen kiezen zij steile walkanten, waarin zij een diep hol graven, welks achterste uiteinde tot een nestkamer verwijd wordt. Een nest bouwen zij niet; langzamerhand hoopen zich echter zoovele, hoofdzakelijk uit vischgraten bestaande, uitgebraakte overblijfselen van spijzen in de nestkamer op, dat er na verloop van tijd toch een leger ontstaat.

Voor de menschelijke huishouding zijn de IJsvogels niet nuttig, maar ook niet schadelijk. In vischrijke oorden komt de hoeveelheid voedsel, die zij noodig hebben, niet in aanmerking; de bij ons levende soort is trouwens zoo klein, dat er ternauwernood sprake kan zijn van eenig door haar aan den mensch toegebracht nadeel.

Wij kunnen de wonderbaarlijke en phantastische berichten van de ouden over dezen Vogel hier niet meedeelen, maar wijzen alleen op het merkwaardig verschijnsel, dat deze sprookjes, die door den lichtgeloovigen Geszner nog in de 17e eeuw werden oververteld, tot in den tegenwoordigen tijd zijn blijven bestaan, voor een deel althans nog bij onze tijdgenooten geloof vinden. Ook nu nog zijn bij sommige volken bijna dezelfde verhalen in omloop. Soortgelijke sprookjes als die, waaraan onze voorouders waarde hechten--o.a. dat deze Vogel nog na zijn dood den bliksem afweert, verborgen schatten doet toenemen, ieder die hem bij zich draagt, bevalligheid en schoonheid verschaft, vrede in huis en windstilte op zee teweegbrengt, de Visschen tot zich lokt en hierdoor de vischvangst bevordert--gaan ook thans nog bij eenige Aziatische volksstammen, bij Tartaren en Ostjaken, van mond tot mond.

Onze IJsvogel (Alcedo ispida) vertoont de volgende kenmerken: De snavel is lang, dun, recht, aan den wortel dik, van hier te beginnen langzamerhand puntig toeloopend, aan de spits wigvormig of een weinig samengedrukt, langs de scherpe zijranden een weinig binnenwaarts gebogen. De pooten zijn zeer klein en kort; de middelste van de drie voorteenen is met den bijna even langen buitenteen tot aan het tweede, met den korteren, binnensten voorteen tot aan het eerste gewricht vergroeid; de achterteen is zeer klein. In de korte, en tamelijk stompe vleugels steekt de derde handpen voorbij de overige uit. De zeer korte staart bestaat uit twaalf pennen. Het kleed is goed gevuld, glad aanliggend en wijdbaardig, maar toch hard; de kleuren van de bovendeelen hebben een staalachtigen, die van de onderdeelen een zijdeachtigen glans. De veeren van den achterkop zijn tot een kleine kuif verlengd. De bovenkop en de achterzijde van den hals zijn op dof groenachtig zwarten grond met zeegroenachtig blauwe dwarsstrepen geteekend; de schouders, de vleugeldekveeren en de buitenvlag van de bruinzwarte slagpennen zijn donker zeegroen; de vleugeldekveeren hebben rondachtige, zeegroenachtig blauwe topvlekken; de staartwortel en het middelste deel van den rug zijn fraai turkooisblauw; een streep over den donkeren teugel, een overlangsche vlek aan den benedenrand van het oog, die tot aan de oorstreek reikt, benevens de geheele onderzijde (met inbegrip van de onderdekveeren van staart en vleugels) zijn levendig kaneelkleurig roestrood; de kin en de keel zijn roestgeelachtig wit; een breede streep, die zich van den snavelwortel tot onder de kaneelroode plek aan de oorstreek uitstrekt, de uiteinden van de veeren der bovenste borstzijden, de zijdelingsche staartdekveeren en de stuurpennen zijn donker zeegroenachtig blauw. De iris is donkerbruin, de snavel zwart, de wortel van den ondersnavel rood, de kleine voet lakrood. Totale lengte 17, staartlengte 4 cM. Verwarring van den IJsvogel met een anderen Europeeschen Vogel is niet wel mogelijk; wel gelijkt hij op eenige uitheemsche soorten van zijn familie.

Geheel Europa, van Jutland, de Deensche eilanden, Lijfland en Estland af en verder zuidwaarts, alsmede het westelijke deel van Middel-Azië zijn het vaderland van onzen IJsvogel. In Spanje, Griekenland en op de Grieksche eilanden is hij nog veelvuldig, aan den Jordaan algemeen, op Malta reeds tamelijk zeldzaam. In Oost-Azië wordt hij door een nauw verwante soort vervangen. In het noordwesten van Afrika komt hij misschien als broedvogel voor; Noordoost-Afrika bezoekt hij in den winter, maar broedt er niet.

Hier te lande komt deze Vogel in kleinen getale voor en is tot bepaalde plaatsen beperkt. Hij is hier standvogel, doch zwerft na den broedtijd rond. Hieraan is het toe te schrijven, dat IJsvogels in sommige jaren 's winters bij felle koude aan wakken vrij menigvuldig waargenomen worden. Dikwijls vindt men ze dan dood op het ijs. In Duitschland komt deze Vogel in alle landstreken voor, doch steeds in kleine getale. Zoowel wegens zijn fraaie kleur als wegens zijn vreemdsoortige levenswijze, valt hij zeer in 't oog en is daarom algemeen bekend; ofschoon hij zich zooveel mogelijk aan de blikken van de menschen tracht te onttrekken. Het liefst bewoont hij de oevers van kleine rivieren en beken met helder water; hij komt daarom ook in in het gebergte voor; in de Alpen tot op een hoogte van 1800 M. Rivieren of beken, die door bosschen stroomen, of althans aan beide oevers met kreupelhout begroeid zijn, bieden hem verblijfplaatsen, zooals hij ze wenscht; indien zij zooveel verval hebben, dat zij 's winters niet overal dichtvriezen, blijft hij ook gedurende dit jaargetijde, dat voor hen zoo moeielijk door te komen is, zijn zomerverblijf bewonen. Als de omstandigheden minder gunstig zijn, is hij wel tegen wil en dank genoodzaakt andere oorden op te zoeken; hij vliegt dan ook wel naar Noord-Afrika.

Gewoonlijk krijgt men hem niet anders te zien, dan wanneer hij zich pijlsnel over den waterspiegel voortrept; want men moet al zeer nauwkeurig bekend zijn met zijne gewoonten om hem te vinden, terwijl hij zit. Vooral in de nabijheid van menschelijke woningen of in andere oorden, waar een druk verkeer is, kiest hij om te rusten steeds plekjes en hoekjes uit, die zooveel mogelijk verborgen zijn; hij doet dit met veel overleg en moet zich, naar het schijnt, veel moeite getroosten, voordat hij een geschikte plaats heeft gevonden. Dat de plaats, waaraan hij ten slotte de voorkeur geeft, werkelijk de beste is, kan men afleiden uit het feit, dat alle IJsvogels, die dezen oever bezoeken, steeds op dezelfde plaats zich neerzetten. Iedere Vogel van deze soort, of althans ieder paar, maakt trouwens aanspraak op een bepaald gebied en verdedigt het hardnekkig tegen concurrenten; hoogstens duldt hij er den Waterspreeuw en den Kwikstaart.

Door onzen IJsvogel "Zitvogel" te noemen, zou men hem geen onrecht aandoen. Halve dagen achtereen zit hij roerloos op dezelfde plaats, altijd zwijgend, de blikken voortdurend naar het water gericht, geduldig wachtend op een buit, onverschillig voor al het overige, het evenbeeld van een echten hengelaar. "Zijne kleine pootjes," zegt Naumann, "schijnen alleen voor 't zitten, niet voor 't gaan geschikt; hij loopt uiterst zelden en doet ook dan slechts eenige pasjes, b.v. op de kleine oppervlakte van een steen of van een paal, nooit echter op den vlakken grond. Als hij niet gestoord wordt, verandert hij alleen dan van zitplaats, wanneer hij de hoop om hier iets te vangen moet opgeven. Als het geluk hem gunstig is, brengt hij verreweg het grootste deel van den dag op dezelfde plaats door. Wie hem met geduld waarneemt, ziet hem af en toe plotseling den hals uitstrekken, zich vooroverbuigen, zoodat de snavel bijna loodrecht naar onderen gericht is, en zich eensklaps als een Vorsch, of, juister gezegd, als een pijl uit een boog in het water storten, zonder daarbij gebruik te maken van de vleugels. Gewoonlijk verdwijnt hij geheel onder den waterspiegel, eenige vleugelslagen brengt hem echter naar de oppervlakte terug, hij vliegt weer op zijn zetel, schudt het water van de veeren, brengt deze misschien ook een weinig in orde en herneemt zijn vroegere houding. Als hij meermalen tevergeefs gedoken of in 't geheel geen Visch gezien heeft, besluit bij eindelijk tot het opzoeken van eene andere uitkijkplaats. Voor het vliegen moet hij, naar alle waarschijnlijkheid, al zijne krachten inspannen; de korte vleugels kunnen den zwaren romp bijna niet voortslepen en moeten zoo snel bewogen worden, dat men iedere afzonderlijke beweging niet meer onderscheiden kan. Toch, of misschien juist om deze reden, vliegt hij buitengewoon snel, maar ook op een zeer eenvormige wijze. De IJsvogel schiet, zoolang hij kan lijnrecht voort, altijd op gelijke hoogte boven den waterspiegel; hij maakt geen andere wendingen, dan die welke noodig zijn om de bochten van de rivier of beek te volgen, hoogst ongaarne verlaat hij deze. Verder dan 500 of 600 schreden strekt zulk een vlucht zich niet vaak uit; tenzij hij gestoord wordt, vliegt hij niet verder dan tot aan de naastbijgelegen zitplaats. De honger of andere drogredenen nopen hem echter soms tot vliegkunstjes, die men niet van hem verwacht zou hebben. Dikwijls ziet men hem boven het water opstijgen, zich plotseling met fladderende of snel wapperende vleugelbeweging stil op één plaats houden, zorgvuldig den waterspiegel onderzoeken en zich op eens van deze hoogte af in de diepte storten. Zulke kunstjes, die bij andere leden van zijn familie veelvuldig voorkomen, verricht hij meer bepaaldelijk boven een breed water, welks oever hem geen geschikte loerplaatsen oplevert, vooral in den tijd dat voor het talrijke kroost voedsel moet worden gezocht; dit is dus als 't ware het laatste middel, tot het verkrijgen van een buit, waarvan hij gebruik maakt.

Het voedsel van den IJsvogel bestaat hoofdzakelijk uit kleine Visschen en Schaaldieren, bovendien uit Insecten; met deze worden meer bepaaldelijk de jongen grootgebracht. Van een keuze van bepaalde soorten van Visschen is bij hem geen sprake; hij neemt die, welke hij krijgen kan en ziet zelfs kans om een tamelijk grooten Visch mee te voeren. Hij beloert deze als de Kat een Muis. De snavel is zijn eenig wapen en vangwerktuig; hij doet daarom niet zelden een vergeefsche poging en moet zich dikwijls zeer inspannen, voordat hij iets vangt. Zijn eigenaardige wijze van visschen noopt hem tot groote omzichtigheid bij de keuze van een uitkijkplaats; het water, waarin hij vischt, mag niet te ondiep zijn, omdat hij in dit geval licht tegen den bodem zou stooten en zich door de hevigheid van den schok zou kwetsen; het moet echter ook niet te diep zijn, omdat hij zijn buit dan licht zou missen. Langdurige regens, die het water troebel maken, brengen den IJsvogel dikwijls in nood, ja zelfs in 't verderf; ook de winter wordt hem niet zelden noodlottig, want, om zijn bedrijf te kunnen uitoefenen, moet hij de Visschen kunnen zien. In den winter moet hij zich behelpen met de weinige open plaatsen, die in de ijskorst overgebleven zijn; hij loopt dan gevaar onder het ijs te geraken en de opening niet weer te vinden. Op deze wijze verliest menig IJsvogel het leven. Soms zelfs wordt een gelukkige vangst voor hem noodlottig: hij tracht een grooten Visch te verzwelgen en stikt. Vischgraten, schubben en andere harde bestanddeelen van zijn voedsel spuwt hij in ballen weer uit.

Gedurende den paartijd hoort men den IJsvogel dikwijls, anders zelden; zijn stem is een schel, snijdend, als "tiet tiet" of "sie sie" klinkend geluid, dat dikwijls en snel achtereen herhaald wordt; in den paartijd voegt hij aan deze gewone tonen andere, bijzondere toe; bovendien maakt hij dan zeer ongewone bewegingen; bij 't spelend vervolgen van 't wijfje verwijderden beide zich wel 200 of 300 schreden van 't water en zaten met hoog opgericht lichaam op de boomen te midden van 't veld. "Zoodra, in 't midden van Maart of in het begin van April de IJsvogels gepaard hebben," zegt mijn vader, "zoeken zij een plaats voor hun nest. Steeds nestelen zij op een drogen, steilen, geheel van gras bevrijden oever, waarbij geen Waterrat, geen Wezel en geen ander roofdier kan opklimmen. In dezen loodrechten muur hakken de IJsvogels op een afstand van 30 à 60 cM. van den bovenrand een rond gat, dat gewoonlijk een middellijn van 5 cM. heeft, O.5 à 1 M. diep is, een weinig naar boven stijgt en aan den onderrand van den uitgang twee groeven vertoont. Aan haar achterste uiteinde verwijdt deze gang zich tot een rondachtige holte, die op een bakkersoven gelijkt, 8 à 10 cM. hoog en 10 à 13 cM. breed is. De bodem van deze holte is als 't ware met vischgraten geplaveid; de holte zelf is droog en van boven glad; op de genoemde, weinig uitgeholde grondlaag liggen 6 of 7 zeer groote, bijna bolvormige, eieren, welker glanzig witte schaal een roodachtig gele tint vertoont wegens het doorschemeren van den roodachtigen dooier. Zij zijn buitengewoon glad en glanzig; de leege dop is zoo wit als het fraaiste email. Daar zij ongeveer zoo groot zijn als die van de Zanglijster, is het mij onverklaarbaar, dat de IJsvogel ze met zijne korte en harde veeren alle bedekken kan.

"Het nest van den IJsvogel herinnert aan dat van den Specht, hoewel deze in boomen, die van binnen vergaan zijn, gene in den drogen grond nestelt. De IJsvogel bewoont zijn gang verscheidene jaren achtereen, wanneer hij er geen stoornis ondervindt; indien echter de ingang tot het nest verwijd wordt, legt hij er nooit meer eieren in. Dat een nest meermalen gebruikt werd, is gemakkelijk te zien aan de aanwezigheid van de talrijke koppen en vleugels van Waterjuffers tusschen de vischgraten; in een sinds kort aangelegd nest komen veel minder graten voor; ook zijn deze, voordat de jongen het ei verlaten hebben, niet met overblijfselen van Waterjuffers vermengd. Een IJsvogel-nest is op het eerste gezicht te onderscheiden van het hol van een Waterrat of van een ander Zoogdier; om te weten of het bewoond is, behoeft men er slechts aan te ruiken; aan de vischlucht is het versche nest te herkennen.

"Met merkwaardige volharding bebroedt de IJsvogel zijne eieren en houdt hij zijne nog onbevederde jongen warm. Hij blijft zitten, hoe hard men ook tegen den oever klopt; zelfs wanneer men de gang begint te verwijden, verlaat hij zijn nest niet; dit geschiedt eerst, als men hem na op het lijf komt."

Naumann bericht, dat enkele nesten meer dan 7 (soms wel 11) eieren bevatten en verhaalt van de jeugd van den IJsvogel nog het volgende: "De jongen zijn in den eersten tijd van hun leven buiten den eischaal leelijke dieren: volkomen onbevederd, verscheidene dagen lang blind en zeer ongelijk van grootte; sommige zijn ternauwernood half zoo groot als de overige. Zij zijn zeer hulpbehoevend, maken dikwijls een trillende beweging met den kop, sperren soms den bek wijd open, piepen zacht, als zij hongerig zijn of voedsel krijgen en kruipen als Wormen door elkander heen. In dezen tijd worden zij door de ouders gevoederd met larven van Insecten en vooral met Waterjuffers, waarvan vooraf de kop en de vleugels afgebeten zijn; later krijgen zij ook kleine Visschen. Allengs groeien hunne veeren, die aanvankelijk op blauw-zwarte stekels gelijken, daar de zeer lange veerscheeden niet schielijk opengaan. Na het uitvliegen worden de jongen door hunne ouders naar de rustigste hoeken van den oever gebracht, vooral in struiken, bij walbeschoeiingen of tusschen de blootgespoelde wortels van boomen aan den waterkant. Het duurt lang, voordat zij Visschen vangen."

Het is niet bekend, dat het een of ander roofdier op den IJsvogel jacht maakt. In volwassen toestand is hij door zijn levenswijze gevrijwaard tegen vele vervolgingen, waaraan andere Vogels blootgesteld zijn.--Niet altijd slaagt men er in dit fraaie dier aan de gevangenschap te gewennen. Jong uit het nest genomen IJsvogels kunnen met vleesch en visch grootgebracht en hiermede vervolgens lang in 't leven gehouden worden. Op lateren leeftijd gevangen Vogels zijn in de kooi zeer druk en angstig, weigeren dikwijls het voedsel en fladderen tegen de traliën, totdat zij van uitputting sterven; er zijn echter uitzonderingen op dezen regel. De getemde IJsvogel is, wanneer hij een voor hem geschikte verblijfplaats bewoont, een aanminnige huisgenoot.

De Stootvisschers (Ceryle) verschillen van de leden van het vorige geslacht voornamelijk door de langere en spitsere vleugels en den breederen staart. Het vederenkleed is ook bij hen dicht en glad aanliggend, maar niet prachtig van kleur, zelfs bijna zonder glans; het is bij de mannetjes en wijfjes min of meer verschillend. Dit geslacht is vooral in Amerika sterk vertegenwoordigd, maar ontbreekt in Afrika en Azië niet; het omvat de sterkste en behendigste en daarom roofgierigste leden van de geheele familie.

De Grauwe Visscher (Ceryle rudis) heeft zeer bescheiden kleuren; de bovendeelen zijn zwart en wit gevlekt, de onderdeelen zuiver wit met uitzondering van één of twee zwarte banden over de borst. Het wit van de zijden van kop en hals wordt afgebroken door een breede, zwarte streep, die aan den mondhoek begint, over de oorstreek naar achteren en vervolgens over den nek naar den rug loopt. De oogen zijn donkerbruin, de pooten bruin, de snavel is zwart. Totale lengte 26, staartlengte 8 cM.

De Grauwe Visscher heeft een uitgestrekt verbreidingsgebied. Men ontmoet hem in bijna alle landen van Afrika, in Syrië, Palestina en Perzië, bovendien in Indië en andere deelen van Zuid-Azië. Uit Egypte en Syrië zijn herhaaldelijk exemplaren van deze soort naar Europa, doch alleen naar Griekenland en Dalmatië, afgedwaald. In de Nijllanden komen zij menigvuldig voor: gewoonlijk ziet men ze, met de witte borst naar den stroom gekeerd, zitten op de staken, waaraan de voor 't waterscheppen dienende emmers hangen. Soms kiest hij een tak van een palm of een mimosa, die in de onmiddellijke nabijheid van den oever staat, en dus een ruim uitzicht toelaat, als zitplaats uit; even gaarne strijkt hij neer op het houtwerk van de door ossen bewogen schepraderen, waardoor de aan alle reizigers welbekende en door allen verwenschte "Nijl-muziek" veroorzaakt wordt. De Grauwe Visscher is niet zoo schuw als onze IJsvogel. Hij gevoelt zich veilig in zijn vaderland; hij weet, dat hij den Egyptenaar vertrouwen kan en van hem niets te vreezen heeft. De gemeenzaamheid van dezen in vele opzichten merkwaardigen Vogel met den mensch is voor den vreemdeling een hoogst verrassend schouwspel. Vlak boven den knaap, die de Runderen aan het scheprad met de zweep aanspoort en letterlijk binnen het bereik van deze tuchtroede, zit hij zoo rustig, alsof hij door den knaap getemd en gedresseerd is en dezen als zijn heer en meester erkent; hij vliegt zoo dicht langs en over de waterscheppende vrouwen heen, alsof hij deze van den rivieroever wil wegjagen. In tegenstelling met onzen IJsvogel is hij vriendelijk en verdraagzaam van aard, d. w. z. men merkt weinig broodnijd en meer gezelligheid bij hem op. Het mannetje en het wijfje blijven trouw bijeen; daar waar het eene is, zit gewoonlijk ook het andere; in den regel ziet men de beide echtgenooten dicht bij elkander van uit denzelfden tak hun prooi beloeren.

In den regel vischt de Grauwe Visscher op de manier, die door onzen IJsvogel wordt gevolgd, wanneer zijn gewone handelwijze geen voldoenden buit oplevert; hij beloert de Visschen dus niet, terwijl hij een hooge zitplaats inneemt, maar terwijl hij met snellen vleugelslag boven het water op dezelfde plaats blijft zweven (wat men ook wel "bidden" of "zwemmen" noemt); om den buit te vangen schiet hij plotseling naar beneden. Hij vliegt op een geheel andere wijze dan de IJsvogel. Ook zijne vleugels worden zeer vlug bewogen; dit geschiedt echter niet "snorrend": de afzonderlijke slagen kunnen nog zeer goed onderscheiden worden. Dit maakt, dat hij niet zoo snel vliegt als de IJsvogel, maar dit veel behendiger doet, d. w. z. meer afwisseling kan brengen in den door hem gevolgden weg. De IJsvogel schiet vooruit als een pijl uit den boog, de Grauwe Visscher vliegt bijna als een Valk, wendt en keert naar verkiezing, blijft vele minuten achtereen op dezelfde plaats zweven, begeeft zich naar een ander punt, wanneer hij gedurende het "bidden" geen buit bemerkt heeft en begint hier op nieuw stil te staan. Wanneer hij op zijn buit aanvalt, legt hij de vleugels geheel tegen het lichaam aan en schiet nu in eenigszins scheeve richting pijlsnel in 't water neer, verdwijnt onder de golven en werkt zich na verloop van eenigen tijd met krachtige vleugelslagen weer omhoog. Niet zelden trouwens stort hij zich gedurende het vliegen, dus onder een zeer geringen hoek, in 't water om daarna zoo schielijk weer omhoog te stijgen, alsof hij door den waterspiegel werd teruggekaatst. Het is waarschijnlijk en ook zeer goed verklaarbaar, dat de Grauwe Visscher behendiger is dan onze IJsvogel; toch mist hij dikwijls zijn doel, wegens het onjuist schatten van de diepte, waarop een door hem waargenomen Visch zwemt. Als zijn vangst gelukkig is geweest, vliegt hij onmiddellijk naar zijn gewone zitplaats terug en verslindt hier den buit, die dikwijls vooraf door hem herhaaldelijk tegen een tak wordt geslagen, zooals vele andere leden van zijn familie gewoon zijn te doen. Als hij niet uitvliegt om te jagen, scheert hij met gelijkmatigen vleugelslag tamelijk kort boven den waterspiegel langs, om zich zooveel mogelijk regelrecht naar een tweede zitplaats te begeven, in welker nabijheid hij plotseling omhoog stijgt. Overdag is hij gewoonlijk stil, maar wordt tegen den avond meer opgewekt en toont dan zelfs eenigen lust in spelen; dan hoort men ook dikwijls zijn stem: een luid, snerpend, dikwijls herhaald geschreeuw.

Bij hoogen waterstand ziet de Grauwe Visscher zich dikwijls genoopt, zijn geliefden stroom te verlaten, omdat het water van den Nijl dan gewoonlijk zoo troebel is, dat het niet mogelijk is er een Visch in te onderscheiden. De talrijke kanalen van Egypte verschaffen hem trouwens hiervoor een voldoende vergoeding. Hun water is reeds eenigermate bezonken, zoodat de vischvangst hier goede uitkomsten oplevert. Volgens de mededeelingen van Tristram worden de Grauwe Visschers ook aan de zeekust aangetroffen; bij dozijnen ziet men ze "op ongeveer 100 M. afstand van het land zonder beweging in de lucht drijven."

In Egypte begint de broedtijd van den Grauwen Visscher, als de Nijl nagenoeg zijn laagsten stand heeft bereikt, dus in Maart of April. Men heeft opgemerkt, dat deze Vogel in Palestina echte broedkoloniën vormt. Een van deze koloniën bevond zich in een steilen aarden wand bij de uitmonding van de Moedawarah-beek in het meer van Genesareth. De toegangen naar de holen waren niet meer dan ongeveer 10 cM. boven den waterspiegel gegraven en konden niet anders dan zwemmend bereikt worden. Iedere gang was ongeveer 1 M. diep en zijwaarts verwijd tot een eenvoudig hol. Nergens werden tusschen de eieren vischgraten gevonden; nevens ieder nest met jongen bevatte het hol echter een rottenden hoop vischgraten en drek. De jongen lagen op een hoop gras en onkruid.

De Jager-ijsvogels (Halcyoninae) onderscheiden zich van de Visch-ijsvogels door de meerdere ontwikkeling der vliegorganen, die bij enkele zelfs uitmuntend zijn. Bovendien is hun snavel, welke over 't geheel genomen op dien van den IJsvogel gelijkt, in den regel veel breeder; ook de voeten zijn gewoonlijk forscher en hebben een langeren loop. Het vederenkleed is losser en vertoont niet de vettige gladheid van dat der Visch-ijsvogels; het prijkt echter met schitterende kleuren; enkele soorten wedijveren in pracht met de fraaiste leden dezer klasse.

Afrika, Zuid-Azië en Australië met de eilanden, die tusschen deze werelddeelen liggen, zijn het vaderland van deze soorten- en vormenrijke onderfamilie. In Amerika en Europa ontbreken zij geheel. In meerdere of mindere mate behooren zij in de wouden thuis; die, welke een voorliefde voor het water toonen, vormen een kleine minderheid. Enkele soorten visschen, naar men zegt, eenigermate op de wijze van de IJsvogels; de meeste komen echter in levenswijze veeleer met de Baardvogels overeen. Vele soorten hebben zich geheel onafhankelijk gemaakt van het water en leven in de droogste gewesten, voorzoover deze niet geheel zonder boomgewas zijn; want boomen zijn hun, naar het schijnt, volstrekt onontbeerlijk.

In verband met de goede inrichting hunner ledematen zijn de Jager-ijsvogels veel beter in staat om zich te bewegen dan hunne verwanten; zij overtreffen zelfs de meest begaafde Visch-ijsvogels door hun lichte, sierlijke en behendige wijze van vliegen, welke aan die der Bijenvreters herinnert. Van een verheven zitpunt bespieden zij met opmerkzame blikken de omgeving, vliegen, zoodra zij een buit bemerken, op dezen toe, of vervolgen hem en keeren met hun vangst naar de oude zitplaats terug. "Zij houden zich gaarne op een bepaalde standplaats in de Savanna op," schrijft Pechuel-Loesche, "en maken jacht op Insecten door haastig heen en terug te vliegen, zelden door "biddend" boven de grasgronden te zweven. Onverwachts schiet de wakkere, prachtig gekleurde jager, die van een niet hooge, overschaduwde zitplaats aan den rand van een kreupelhoutboschje zijn klein gebied in de campine met een waakzaam oog overziet, naar buiten in den zonnegloed, grijpt een buit en keert vergenoegd op zijn tak terug. Pas zit hij op den boom, of hij bespeurt een nieuw slachtoffer en vliegt terug naar 't open veld." Op den grond zijn onze Vogels vreemdelingen. Hun geschiktheid om in 't water voedsel te zoeken, staat ver achter bij die van de IJsvogels; het is zelfs waarschijnlijk, dat slechts enkele (en ook deze niet dan bij uitzondering) Visschen of andere waterdieren zelf uit het water halen. Hun stem is luid en eigenaardig.

Het voedsel van deze dieren bestaat uit Insecten van allerlei slag, bij voorkeur uit Sprinkhanen en groote Kevers; de sterkste soorten overvallen ook Krabben en kleine Gewervelde Dieren uit alle klassen. Enkele worden geacht, omdat zij op Slangen jacht maken; van andere wordt gezegd, dat zij vogelnesten plunderen. Door hun roofzucht evenaren zij de Visch-ijsvogels.

De meeste soorten broeden in holle boomen, enkele in door de natuur gevormde holen in den grond of in het gesteente; alle bouwen een meer of minder volkomen nest. De eieren zijn zuiver wit en glanzig, zooals die van den IJsvogel. Hun aantal is, naar het schijnt, niet bijzonder groot.

De Jager-ijsvogels verdragen de gevangenschap goed en gedurende langen tijd, omdat zij spoedig aan een goed gekozen gevangeniskost gewend geraken. Er is wel eenige reden om ze meer vreemdsoortig dan aantrekkelijk te vinden; hierbij moet men echter niet uit het oog verliezen, dat ook zij vaak een warme genegenheid voor hun meester aan den dag leggen en met dezen op een allerliefste wijze omgaan.

Tot het geslacht der Bosch-ijsvogels (Halcyon) behoort de Halfblauwe Bosch-ijsvogel (Halcyon semi-coeruleus) die 22 cM. lang is met inbegrip van den 6.5 cM. langen staart. De boven- en achterkop zijn lichtbruinachtig, de nek en de achterhals lichter; aan de zijden en van onderen tot aan de borst is de hals wit; de overige onderdeelen zijn kaneelroodbruin, de mantel, de schouders en de bovenste vleugeldekveeren met de slagpennen zwart; de buitenvlag en de dekveeren van de handpennen, de duimveeren, de staartwortel en de staart zijn glinsterend kobaltblauw. De oogen zijn bruin, de snavel en de pooten rood.

Deze Vogel werd in West-Afrika ontdekt, later echter ook op de Kaapverdische eilanden en door geheel Middel-Afrika heen tot in Abessinië gevonden. Gedurende den geheelen dag ziet men hem van een boomtak af jacht maken op Sprinkhanen en andere Insecten en telkens weer naar zijn zitplaats terugkeeren. Hij houdt dit vol, zoolang hij van deze plaats uit voedsel kan verkrijgen en niet gestoord wordt. Jegens den mensch is hij volstrekt niet schuw.

De meest bekende Australische soort is de Reuzen-ijsvogel (Halcyon giganteus). De kop, de hals en alle onderdeelen zijn wit, vuil roestkleurig vaal getint; de teugel en een breede streep over de oorstreek, een breede vlek op het midden van de kruin en den achterkop, de mantel, de schouders en de vleugeldekveeren zijn bruin, de laatstgenoemde (de middelste althans) aan de spits met teer berylblauwen zoom; breede, zwarte dwarsbanden versieren de roodbruine bovendekveeren van den staart en de roodachtige stuurpennen; de laatstgenoemde hebben breede, witte eindzoomen. De iris is donkerbruin, de bovensnavel zwart, de ondersnavel lichtgeel, de poot donkerbruin. Totale lengte 45 à 47, staartlengte 16 cM.

De Reuzen-ijsvogel trok reeds de aandacht van de eerste reizigers en onderzoekers, die Australië bezochten; zijn levenswijze is echter eerst in lateren tijd, vooral door de berichten van Gould bekend geworden. "Ieder, die Nieuw-Zuid-Wales bewoont of bezoekt," zegt Gould, "zal dezen Vogel opmerken; zoowel door zijn grootte als door zijn buitengewone stem trekt hij de aandacht. Daarbij komt nog, dat hij, wel verre van den mensch te schuwen, op elk verschijnsel, dat zijn nieuwsgierigheid prikkelt, afgaat, om er kennis mede te maken. Zoo ziet men hem dikwijls zich neerzetten op een dorren tak van een boom dicht bij dien, waaronder reizigers zich gelegerd hebben, zeer nauwkeurig acht gevend op het aanleggen van het vuur of het bereiden van het maal. Toch wordt men zijn aanwezigheid zelden gewaar, voordat hij zijn gorgelend gelach laat hooren, dat telkens den aanwezigen de opmerking ontlokt: "Kijk daar hebben wij onzen vriend, Lachende Hans." Zijn geluid is zoo opmerkelijk, dat iedere schrijver over Australië er melding van maakt. Caley zegt, dat men het schreeuwen en lachen van den Reuzen-ijsvogel op een aanzienlijken afstand kan hooren. Volgens Kapitein Sturt beantwoordt het aan de voorstelling, die men zich van een koor van booze geesten kan vormen; het is wel in staat een reiziger, die in gevaar meent te verkeeren, schrik in te boezemen en op het denkbeeld te brengen, dat zijn ongeluk met een spottend hoongelach wordt begroet. Volgens Bennett, hoort men dit zonderlinge, hortende gelach, dat zacht begint en allengs hooger en luider wordt, dikwijls in alle deelen van de kolonie. Het weerklinkt in de schemering en bij zonsondergang en is als 't ware een avondgroet voor allen, die het als zoodanig willen opvatten. Uitvoeriger wordt het besproken door den Engelschen natuuronderzoeker, die onder den pseudonym "the old Bushman" zijne ontmoetingen in de Australische wildernissen beschrijft. "Een uur voor het aanbreken van den dag wordt de jager gewekt door woeste geluiden; het is alsof een helsche legermacht krijschend, schreeuwend en lachend om hem heen manoeuvreert. Deze geluiden zijn het morgengezang van "Lachenden Hans", die zijne bevederde gezellen het einde van den nacht aankondigt. In het middaguur hoort men hetzelfde woeste gelach, dat als de zon in het westen verdwijnt, opnieuw door het woud weerklinkt. Nooit zal ik den eersten nacht vergeten, dien ik in Australië onder den blooten hemel in het kreupelhout doorbracht. Na een onrustigen slaap ontwaakte ik met het aanbreken van den dag; het duurde echter eenigen tijd, voordat ik mij kon bezinnen, waar ik mij bevond, zoo overweldigend was de indruk, dien de vreemdsoortige tonen op mij maakten. Het helsche gelach van den Reuzen-ijsvogel vormde met de zwakkere stemgeluiden van de "Ekster," die op de tonen van een fluit gelijken, met het heesche gekakel van de Loophoenderen, met het gekrijsch van duizenden Papegaaien en met de stem van verscheidene andere Vogels zulk een wonderbaarlijk geheel, als ik nog nooit gehoord had. Later heb ik honderden malen dit concert bijgewoond, maar er nooit dezelfde aandoeningen bij ondervonden als toen. "Lachende Hans" is de tijdaanwijzer van den jager in de Australische wouden, die dezen alles behalve schuwen en zelfs gezelligen Vogel tot op zekere hoogte als een tentkameraad beschouwt. Om deze reden en meer nog wegens zijn vijandschap tegen de Slangen is hij in de oogen van de "Bushmen" geheiligd."

De Reuzen-ijsvogel komt zoomin in Tasmanië als in West-Australië voor; hij wordt, naar het schijnt, alleen in het zuidoosten van Nieuw-Holland aangetroffen. Hij is volstrekt niet gebonden aan een bepaald terrein, maar bezoekt ieder oord: het weelderig groeiende houtgewas langs de kust zoowel als de ijle bosschen der bergstreken. Nergens evenwel is hij veelvuldig. Overal ontmoet men hem, doch steeds alleen of bij paren. Zijn voedsel is verschillend, maar altijd aan het Dierenrijk ontleend. Aan Kruipende Dieren en Insecten en ook aan Krabben schijnt hij de voorkeur te geven. Gretig valt hij Hagedissen aan; niet zelden ziet men hem met een Slang in den snavel naar zijn zitplaats vliegen. "Eens," zegt onze berichtgever, "zag ik een paar "Lachende Hansen" op de doode takken van een ouden, grijzen boom zitten en van hier af en toe op den bodem neerschieten. Zij hadden zooals mij bij nader onderzoek bleek, een "Tapijtslang" gedood en gaven door hun gesnap en gelach een levendige vreugde hierover te kennen. Ik kan trouwens niet verzekeren, dat zij Slangen eten, want de eenige Kruipende Dieren, die ik ooit in hun maag gevonden heb, waren kleine Hagedissen." Zij maken wel op kleine Zoogdieren jacht. Water schijnt niet tot hunne levensbehoeften te behooren; zooals reeds gezegd werd, worden deze Vogels zelfs in de droogste wouden gevonden; de gevangen exemplaren toonen geen bijzonder verlangen naar water, zoomin om te drinken als om zich te baden.

De broedtijd valt in de maanden Augustus en September. In een voor dit doel geschikte holte van een grooten eucalyptus legt het wijfje hare prachtig parelwitte eieren op het vermolmde hout. Moedig verdedigen de ouders hun kroost en brengen soms den nestroover met den snavel wonden toe, die niet ongevaarlijk zijn.

De gevangen dieren kunnen gemakkelijk in 't leven worden gehouden; zij zijn met zeer eenvoudig voedsel tevreden n.l. met grof gesneden stukken vleesch. Muizen en Visschen; hier vinden zij dus geen aanleiding om het verlies van hun vrijheid te betreuren. In een ruime kooi herkrijgen zij weldra hun vroegere opgewektheid en gedragen zich geheel op dezelfde wijze als in hun vaderland. Gewoonlijk zitten zij stil en, als een paar de kooi bewoont, dicht bij elkander op de meest geschikte plaats. De hals is dan zoover ingetrokken, dat de kop onmiddellijk op de schouders rust; aan 't ordenen van de veeren wordt weinig zorg besteed. Tot afwisseling zet de eene of andere de veeren van den kop overeind, waardoor deze de dubbele grootte verkrijgt van vroeger en hun gelaat een ernstige uitdrukking aanneemt; ook wippen zij soms met den staart. Het traag, somber en slaperig uitzicht van den Reuzen-ijsvogel wordt gelogenstraft door de onrustig rondblikkende, listig glinsterende oogen, waarmede hij de omgeving voortdurend bespiedt en alles opmerkt, wat hier voorvalt.

In de kooi toont de Reuzen-ijsvogel zijn bekendheid met de tijdverdeeling op dezelfde wijze als in de Australische bosschen; hij schreeuwt in den regel alleen op de hierboven aangeduide tijdstippen. Hij wijkt echter in bijzondere omstandigheden van dezen regel af en beantwoordt een voor hem verstaanbaren groet met geschreeuw; op dezelfde wijze (en ook wel zonder voorafgaande uitnoodiging) begroet hij zijn verzorger.

Karakteristieke bewoners van de eilandenwereld tusschen Australië en Azië zijn de Raketstaartige IJsvogels (Tanysiptera), die zich van de Bosch-ijsvogels door de trapsgewijs verlengde stuurpennen onderscheiden; de beide middelste zijn zeer lang, haar vlag is grootendeels smal, doch aan de spits spatelvormig verbreed.

Een van de prachtigste vertegenwoordigers van dit geslacht is de Galatea (Tanysiptera Galatea). De bovenkop, de veeren van het handgewricht en de beide middelste staartpennen (met uitzondering van haar witten, spatelvormig verbreeden top) zijn schitterend lichtblauw; de bovenrug, de schouderveeren, de vleugels en een breede band over de zijden van den kop zijn donker zwartblauw; wit zijn de onderrug, de staartwortel, de geheele onderzijde en de 4 paar buitenste staartveeren met uitzondering van een smallen, lichtblauwen zoom. De snavel is licht koraalrood. Deze Vogel, die, evenals de overige leden van zijn geslacht, ongeveer de grootte van onzen Middelsten Bonten Specht bereikt, bewoont Nieuw-Guinea en de naburige eilanden.

De Platsnaveligen (Todidae), die met de Zaagbekscharrelaars de kleine onderorde van de Todivogels (Todi) vormen, hebben een zeer vreemdsoortigen snavel. Deze is middelmatig lang, recht en zoo plat, dat hij strikt genomen slechts uit twee dunne, stompe platen bestaat, daar de rug van den bovensnavel bijna niet meer te onderscheiden is. Van boven gezien heeft de snavel den vorm van een in de lengte gerekten, van voren afgeknotten driehoek. De top van den bovensnavel is recht, d. w. z. niet naar onderen gebogen, de onderkaak stomp afgeknot, de zijranden zijn uiterst fijn getand; de mondspleet reikt tot achter de oogen. Zij zijn beperkt tot de Groote Antillen.

Bij den Todi of Groenen Platsnavel (Todus viridis) hebben alle bovendeelen een prachtig glinsterende, grasgroene kleur; aan den onderrand van het oog merkt men een zeer smallen, rooden zoom op. De kin- en keelveeren zijn fraai karmijnrood, met een uiterst smallen, zilverwitten rand aan de spits; de geheele keelvlek wordt zijwaarts begrensd door een zacht grijsblauwe, overlangsche streep en van onderen door een witte vlek. De zijden van den krop en de borst zijn groenachtig, de zijden van den schenkel, de onderste vleugel- en staartdekveeren licht geelachtig, de borst en het midden van den buik geelachtig wit; terwijl eenige bundelsgewijs bijeenstaande veeren aan de zijden van den buik een zachte, rozeroode kleur hebben. De iris is lichtgrijs, de bovensnavel vuilroodachtig, de ondersnavel vuilgeelachtig, de poot bruinrood of vleeschkleurig. Totale lengte 12, staartlengte 3.8 cM.

"In alle deelen van Jamaica," zegt Gosse, "is de Groene Platsnavel een zeer gewone Vogel. Zijn glanzig, grasgroen kleed, met fluweelachtig roode keelvlek trekken spoedig ieders opmerkzaamheid. Daar hij bijzonder mak is, kan iedereen hem gemakkelijk naderen; dat hij dit toelaat, is waarschijnlijk eer een bewijs van onverschilligheid dan van argeloosheid. Wanneer hij opgejaagd wordt, vliegt hij hoogstens naar de naastbijgelegen twijg. Wegens zijn gemeenzaamheid is hij algemeen bemind, hetgeen blijkt uit de vleiende benamingen, die het volk hem geeft."

Hij voedt zich met Insecten, die in de vlucht gevangen worden en nestelt in holen in den grond op de wijze van de IJsvogels. In de kooi wordt hij zeer tam.

De naaste verwanten van de Platsnaveligen--de Zaagbek-scharrelaars of Momots (Momotidae)--gelijken op de Scharrelaars, maar meer nog op de IJsvogels. Zij bewonen alle Mexicaansche en Zuid-Amerikaansche wouden, maar worden nergens in grooten getale bijeen gevonden; zij leven afzonderlijk of bij paren en blijven gewoonlijk ver van de woningen der menschen verwijderd. De zijranden van hun tamelijk langen en flauw gebogen snavel zijn met fijne, tandvormige inkervingen voorzien. De pooten eindigen in tredvoeten en hebben een korten loop. De vleugels zijn tamelijk kort en afgerond; de staart is wigvormig.

Een van de meest bekende soorten is de Braziliaansche Momot, de Hoetoe der inboorlingen (Prionites brasiliensis). De voorhoofdsrand, de teugel en de oogstreek, benevens een vlek op de kruin zijn zwart; vóór deze vlek is de bovenkop hemelsblauw, daarachter donker ultramarijnblauw; het achterste deel van den hals en de onderdeelen zijn groen met roestkleurig kaneelbruinen weerschijn; de roodbruine veeren van den nek vormen een dwarse vlek; eenige iets langere en breedere, zwarte veeren op het midden van de keel hebben een smallen, hemelsblauwen zoom; de rug, de vleugels en de staart zijn donker grasgroen; de slagpennen aan de binnenzijde met zwarten, de handpennen aan de buitenzijde met groenachtig blauwen, de vier buitenste paren staartpennen aan den top met breeden, donker marineblauwen zoom, de beide middelste, voor zoover zij achter de overige uitsteken, breeder en levendiger van kleur, doch met zwarten eindzoom. Totale lengte 50, staartlengte 28 cM.

Deze fraaie Vogels bewonen de woudrijke gewesten van Suriname, Cayenne en van het noorden van Brazilië. Zij zijn hier algemeen bekend: reeds vóór zonsopgang schalt van uit het dichte oerwoud hun klagende, droefgeestige stem, die uit de duidelijk geïntoneerde klanken "hoetoe hoetoe" bestaat. Azara, die ze in de gevangenschap heeft nagegaan, noemt ze schuw en wantrouwig, maar nieuwsgierig van aard, en zegt, dat hunne bewegingen plomp en stijf zijn, hoewel zij zeer aardig met den kop knikken en den hals heen en weer bewegen. Zij aten brood, maar nog liever rauw vleesch, dat zij vooraf met den snavel meermalen tegen den grond stootten, alsof het een buit was, die eerst nog gedood moest worden. Kleine Vogels, die zij geruimen tijd vervolgden en ten slotte op deze wijze doodden, waren zeer naar hun smaak.

De onderorde van de Koekoekvogels (Coccygiformes) omvat slechts één groep (Coccyges), tot welke de familiën van de Koekoeken en Pisangvreters behooren. Zeer na verwant aan deze groep is die der Glansvogels (Galbulae) met de familiën van de Glansvogels en van de Baardkoekoeken. Van deze vier familiën heeft alleen die der Koekoeken (Cuculidae), die in vier onderfamiliën wordt gesplitst, één enkelen, inheemschen vertegenwoordiger.

De Boomkoekoeken (Cuculinae), die de eerste onderfamilie vormen, kenmerken zich door den flauw gebogen, gewoonlijk tamelijk dunnen, aan den wortel zich verbreedenden snavel, die in lengte met den kop overeenkomt, door de korte of hoogstens middelmatig lange voeten met vier teenen, waarvan den binnenste steeds naar achteren gekeerd is, de buitenste echter naar verkiezing naar voren of naar achteren kan worden gericht, door de lange, smalle en spitse vleugels, welker derde handpen in den regel de langste is, door den langen, afgeronden of wigvormig toegespitsten, uit 10 pennen samengestelden staart en eindelijk door het dichte vederenkleed, welks bijzonder lange bestanddeelen zwak in de huid bevestigd zijn. In den regel is het verschil van kleur tusschen het mannetje en het wijfje gering, tusschen de ouden en de jongen groot.

De leden van deze onderfamilie, ongeveer 80 in getal, zijn verbreid over de Oude Wereld en Australië. In Indië en Afrika zijn zij bijzonder talrijk, in het noorden evenwel slechts door één enkele soort vertegenwoordigd. Alle zonder uitzondering bewonen het woud en verlaten slechts tijdelijk de nabuurschap der boomen. Zoover de boomgroei reikt, worden zij overal gevonden, boomlooze streken daarentegen vermijden zij geheel en al. De in 't noorden broedende soorten trekken, die van 't zuiden zwerven hoogstens in het land rond. Zij zijn onrustig, onstuimig en schuw van aard, vermijden het gezelschap van hunne soortgenooten en houden zich over 't algemeen niet gaarne bij andere Vogels op. Snel doorkruisen zij vliegend een tamelijk groot gebied, zoeken de boomen af, schieten van hier neer op het door hen opgespoorde dier, ook wel op den bodem, zonder zich hier neer te zetten; op deze wijze zwerven zij, vliegend, etend en roepend hun gebied rond. Hun voedsel bestaat bijna geheel uit Insecten en meer bepaaldelijk uit Insectenlarven, vooral echter uit behaarde rupsen, die door de overige Vogels versmaad worden. De haren van deze rupsen hechten zich gedurende de spijsvertering zoo stevig aan de maagwanden, dat deze er uitzien, alsof zij van nature behaard zijn, hetgeen aanleiding heeft gegeven tot verkeerde gevolgtrekkingen. Van de groote soorten dezer familie wordt gezegd, dat zij Kruipende Dieren niet versmaden; alle worden, misschien niet geheel ten onrechte, als nestroovers beschouwd, die niet slechts eieren uit het nest werpen, maar ze ook verslinden. Deze eenigszins in 't oog vallende roofzucht vindt haar verklaring in de voortplantingswijze der Boomkoekoeken. Alle leden van deze onderfamilie broeden n.l. de eieren niet zelf uit, maar leggen ze in de nesten van andere Vogels, die zich met de verzorging van de Koekoeksjongen belasten. In den regel neemt het Koekoekwijfje vooraf een ei uit het nest van de Vogels, die door haar tot pleegouders van haar kroost verkozen worden. Dat dit ei niet zelden door den Koekoek verslonden wordt, is vaak ontkend; volgens vele waarnemingen is dit feit echter boven allen twijfel verheven. Op zeer verschillende wijzen heeft men trachten te verklaren, waarom de Koekoeken niet zelf broeden, zonder tot dusver een voldoende reden voor dit verschijnsel te kunnen aangeven.

Het komt sommigen nog twijfelachtig voor, of men de Koekoeken als nuttige, dan wel als schadelijke Vogels moet beschouwen. Het valt niet te ontkennen, dat zij ons groote diensten bewijzen door het verslinden van de harige rupsen, die door hare verdedigingsmiddelen tegen de vraatzucht van andere insectenroovers gevrijwaard zijn; evenmin kan men echter loochenen, dat zij door het leggen van hunne eieren in de nesten van kleinere Vogels eenige schade veroorzaken; daar het grootbrengen van een Koekoek altijd den dood van de jongen van zijn pleegmoeder ten gevolge heeft. Hier kan echter tegen in gebracht worden, dat één Koekoek meer Insecten verslindt dan vijf of zes kleine Zangers. Het komt ons daarom voor, dat de Koekoeken de bescherming van den mensch volkomen verdienen.

Onze Koekoek (Cuculus canorus) is aan de bovenzijde blauwachtig aschgrauw of donker aschgrauw, aan de onderzijde witachtig grijs met zwartachtige, dwarse golflijnen; de keel, de wangen, de gorgel en de zijden van den hals tot aan de borst zijn zuiver aschgrauw, de vleugels loodkleurig zwart, de stuurpennen zwart met witte vlekken. De oogen zijn hooggeel, de pooten geel, de snavel is zwart met uitzondering van den gelen snavelwortel. Totale lengte 37, staartlengte 17 cM.

In Europa, Azië en Afrika zijn weinige landen of gewesten, waar de Koekoek niet waargenomen werd. Als broedvogel bewoont hij het noorden van de Oude Wereld, van China en de Amoer-landen tot aan de kust van Portugal, van de Noordkaap tot Syrië en Palestina, van Algerië tot Perzië. Van hier trekt hij naar het zuiden: van Siberië tot naar de Soenda-eilanden en Ceylon, van Europa tot in Zuid-Afrika. Ook in ons land is hij zeer algemeen; men treft hem in de meeste groote en kleine bosschen en zelfs in groote tuinen aan. Hij komt hier gemiddeld op den 23en April, soms later (7 Mei), soms vroeger, bij uitzondering ook wel in het begin van April (2 April) onverschillig of het weer gunstig is of niet. In Duitschland, waar de Koekoek eveneens algemeen verbreid is, wordt 18 of 19 April opgegeven als tijd van aankomst. In Zuid-Europa is hij veel zeldzamer dan bij ons, toch legt het wijfje ook daar eieren. Verder noordwaarts wordt hij veelvuldiger; in Skandinavië behoort hij tot de algemeenste Vogels van het land.

Ieder mannetje kiest voor zich een gebied van een tamelijk grooten omvang en verdedigt het hardnekkig tegen mededingers, zoo deze komen opdagen. Als een Koekoek door een soortgenoot verdrongen wordt, vestigt hij zich dicht bij den overwinnaar en gaat dan bijna iederen dag een poosje met hem bakkeleien. Dat dezelfde Vogel op dezelfde plaats terugkeert, is door waarnemingen bewezen. Onophoudelijk doorkruist het mannetje zijn gebied en verschijnt daarom iederen dag verscheidene malen geregeld op bepaalde boomen. Het wijfje daarentegen let niet op de grenzen van eenig gebied, maar zwerft gedurende den geheelen zomer, althans zoolang de legtijd duurt, zonder eenigen regel door het gebied van verscheidene mannetjes en leeft met ieder van deze in goede verstandhouding. Het aantal wijfjes is vermoedelijk ongeveer de helft van dat der mannetjes.

Onze Koekoek is onrustiger en bedrijviger dan al zijne mij bekende verwanten en maakt ijveriger dan deze van zijne vleugels gebruik. Van den morgen tot den avond is hij in beweging, in Skandinavië zelfs gedurende het grootste deel van den nacht. Onophoudelijk is hij met eten bezig; hij is even vraatzuchtig als beweeglijk en schreeuwlustig. Licht en sierlijk, min of meer op de wijze van een Valk, doch minder snel, komt hij aanvliegen, zet zich op een tak neder en ziet naar voedsel uit. Als hij een buit heeft opgemerkt, schiet hij er met een paar behendige zwenkingen op toe, pikt hem op en keert naar zijn vorige zitplaats terug, of vliegt naar een anderen boom, waar hetzelfde bedrijf plaats vindt.

De Koekoek is trouwens alleen in 't vliegen behendig, in alle overige bewegingswijzen onbeholpen. In 't klimmen is hij volstrekt niet, in 't gaan zeer weinig bedreven; op den vlakken bodem moet hij zich bepalen tot huppelen. Beter, doch niet gaarne, beweegt hij zich te midden van de twijgen. In de lente zal hij nooit verzuimen na het neerstrijken op een boom herhaaldelijk zijn stem te laten hooren; hij doet dit, als de liefde in hem ontwaakt is, zoo dikwijls, dat hij er ten slotte werkelijk heesch door wordt. Op het bekende "koekoek" laat hij dikwijls een zacht, lachend geluid volgen, dat als "kwawawa" of "haghaghaghag" klinkt. De stem van het wijfje is een eigenaardig gegrinnik, dat het best vergeleken kan worden met "wik wik".

De Koekoek wordt dikwijls als zeer twistziek afgeschilderd. Toch leeft hij alleen met zijne soortgenooten op een voet van oorlog; de geheele overige vogelwereld laat hem koud, tenzij hij zich tegen een vijand verweren moet, of bezig is aan andere Vogels de rol van pleegouders van zijn kroost op te dringen. De bewering, dat de Koekoek onverdraagzaam zou zijn, wordt weersproken door het feit, dat dit dier met verscheidene andere Vogels--Papegaaien, Appelvinken, Kardinalen, Hoorn- en Kalander-leeuweriken, Hoppen, verscheidene soorten van Zangers, Helmvogels, Ruigpootduiven, enz.--in dezelfde kooi geleefd heeft, zonder dat de verstandhouding iets te wenschen overliet; de Koekoek dacht er niet aan met zijne lotgenooten te vechten of te kibbelen. Ook heeft hij een tijdlang samengewoond met kleine, West-Afrikaansche Vinken, zonder ze ooit lastig te vallen. Zelfs Koekoeken, die op lateren leeftijd gevangen zijn, worden soms zeer schielijk tam. Het is echter een feit, dat de eene mannelijke Koekoek den anderen niet kan uitstaan.

Reeds aan de Ouden was het bekend, dat de Koekoek zijne eieren in vreemde nesten legt. Voor het uitbroeden van het koekoeksei en het grootbrengen van het hieruit voortkomende jong zorgt de Zangvogel, in wiens nest het ei gelegd werd. Men heeft thans reeds in nesten van 117 soorten van Vogels een koekoeksei gevonden; zonder twijfel zou door een nauwkeuriger onderzoek van het geheele verbreidingsgebied van dezen merkwaardigen Vogel deze lijst nog belangrijk vergroot worden. De Rietzangers, Kwikstaarten, Grasmusschen genieten de voorkeur; van vele andere Vogels wordt het nest alleen in den uitersten nood en misschien wel bij vergissing gebruikt.

De eieren van den Koekoek zijn, in verhouding tot de grootte van den Vogel, buitengewoon klein, nauwelijks grooter dan die van de Huismusch; zij hebben een stevige, zware, niet zeer glanzige schaal, in verschen toestand meestal een meer of minder levendige, geelachtig groene grondkleur, met paarsachtig grijze of dofgroene ondervlekken en bruine, scherp begrensde stippeltjes. Zij zijn echter soms grooter, soms kleiner, bovendien verschillend van vorm en zeer ongelijk van kleur en teekening. Bij geen anderen Vogel, wiens eieren men kent, komen zulke groote afwijkingen voor. In verband met de verschillende plaatselijke gesteldheid heeft nu eens deze, dan weer een andere kleur de overhand. Ieder wijfje legt slechts één ei in ieder door haar gekozen nest en doet dit in den regel eerst, wanneer het nest van de toekomstige pleegouders reeds eieren bevat. Waarschijnlijk geeft ieder wijfje aan het nest van een bepaalde soort van Vogels de voorkeur en tracht zij haar ei steeds in zulk een nest te leggen; slechts in geval van nood maakt zij van het nest van een anderen Vogel gebruik.

Nog voordat haar ei rijp, d. w. z. voor het leggen geschikt is, vliegt het wijfje uit om een nest te zoeken. Het mannetje, dat zich trouwens, naar het schijnt, in 't geheel niet om zijn nakomelingschap bekommert, vergezelt haar niet op deze reis. Zij vindt het gezochte nest soms reeds onder het vliegen, soms na eenigen tijd in de struiken rondgeklauterd te hebben of na het bespieden van de Vogels, die voor pleegouders zijn uitgekozen, bij het bouwen van het nest.

Zijn gewone schuwheid overwinnend, komt het Koekoek-wijfje bij deze gelegenheid zeer dikwijls in de onmiddellijke nabijheid van woningen en zelfs in gebouwen, b.v. bergplaatsen en schuren. Wanneer de tijd van 't leggen gekomen is, zal het Koekoek-wijfje, indien de bouwtrant en de standplaats van het nest dit toelaten, hier op gaan zitten; indien dit niet mogelijk is, wordt het ei op den grond gelegd, in den snavel genomen en zoo in het nest overgebracht. Niet al te zelden komt het voor, dat het wijfje, als het oogenblik van 't eierleggen gekomen is, om het gewenschte nest te bereiken in een holte moet sluipen, door welks ingang het zich slechts met moeite kan heenwringen, zelfs heeft men wijfjes, die in dit geval verkeerden, gevangen, omdat zij niet spoedig genoeg konden vluchten.

De Koekoek keert na het leggen van het ei herhaaldelijk naar het nest terug om er eieren of zelfs jongen van de rechtmatige eigenaars uit te werpen. De bewering, dat de Zangvogels er zeer mede ingenomen zijn, als een vrouwelijke Koekoek hun nest nadert en er een ei in legt, mist allen grond. Opmerkelijk is het daarom, dat de bedoelde Vogels, die iedere verstoring van hun nest zeer onaangenaam vinden en hierdoor zelfs genoopt worden het broeden te staken, in dit geval een uitzondering maken en het koekoeksei behandelen, alsof het van hen zelf afkomstig is. Zij haten het wijfje van den Koekoek, maar laten het vreemde ei of het hieruit gekomen jong niet boeten voor wat zijn moeder misdreef.

De jonge Koekoek, die gemakkelijk te herkennen is aan zijn wanstaltig dikken kop en groote pupillen, verlaat het ei als een zeer hulpbehoevend wezen. Aanvankelijk groeit hij snel, weldra ontspruiten uit zijn zwartachtige huid stoppelvormige veeren, die hem een zeer leelijk uiterlijk verschaffen. Zijn eetlust is verbazend; hij heeft meer voedsel noodig dan zijne pleegouders hem kunnen verschaffen; een gevolg hiervan is, dat de jongen, die met hem het voer zouden moeten deelen, verhongeren; hij werpt ze ook wel ten slotte uit het nest, als zij niet door zijn moeder weggenomen of om 't leven gebracht worden. Daarom is de Koekoek in de latere tijdperken van zijn ontwikkeling steeds de eenige bewoner van de kinderkamer.

De barmhartigheid, die de kleine Zangvogels bij het grootbrengen van den Koekoek toonen, is werkelijk treffend. Met grooten ijver voorzien zij het vraatzuchtige monster, dat de plaats van hun eigen kroost ingenomen heeft, met een overvloed van voedsel. Zij brengen het kevertjes, Slakken, rupsjes, Wormen en sloven zich van 's morgens tot 's avonds tevergeefs af, om hun pleegkind te bevredigen en zijn als "tsies tsiesies" klinkend hongergekrijt te doen ophouden. Zelfs na het uitvliegen volgen zij het nog dagen lang, hoewel het zich niet door hen laat leiden, maar naar eigen verkiezing rond vliegt, willen de trouwe pleegouders het niet verlaten. Wanneer de Koekoek geboren is in een hollen boom, komt het soms voor, dat hij wegens de engheid van de opening niet in staat is het nest te verlaten; in dit geval blijven zijne pleegouders om zijnentwil tot laat in 't najaar achter en voederen hem aanhoudend. Om deze reden heeft men wijfjes van Kwikstaarten hier zien blijven, nadat reeds al hunne soortgenooten naar 't zuiden waren afgereisd.

De volwassen Koekoek heeft weinige vijanden. Zijn bekwaamheid in 't vliegen beveiligt hem tegen de vervolgingen van de meeste Valken; van de klimmende roofdieren heeft hij waarschijnlijk nooit iets te vreezen. Vaak wordt hij echter geplaagd door kleine Vogels: niet alleen door die soorten, welke hij in den regel met de verzorging van zijn kroost belast, maar ook door andere. Het meest heeft hij, zooals te verwachten was, van de moedige Kwikstaarten te lijden. Voor den mensch is hij in den regel goed op zijn hoede; alleen iemand, die het geluid van den Koekoek volkomen zuiver weet na te bootsen, zou hem kunnen naderen. Nog moeielijker is het een volwassen Koekoek levend te bemachtigen.

Men doet wèl den Koekoek in ieders welwillendheid aan te bevelen. Hij mag in het woud niet ontbreken; daar hij het niet slechts verlevendigt, maar ook medewerkt om het in stand te houden. Voor ons gevoel treedt met het geroep van den Koekoek ook de lente het woud binnen; de ervaring leert ons, dat dit klankvol geluid nog een geheel andere en meer belangrijke beteekenis heeft. Het verraadt de terugkomst van een der trouwste beschermers onzer bosschen. Zijn voedsel bestaat uit allerlei Insecten en slechts bij uitzondering uit bessen; hij verdelgt zelfs die Insecten, welke tegen andere vijanden gewapend zijn, n.l. behaarde rupsen. Dat vele van deze dieren afschuwelijke boschvernielers zijn, is algemeen bekend en ook, dat zij zich dikwijls zeer sterk vermenigvuldigen. De niet zelden onrechtvaardig veroordeelde Koekoek is hun ijverigste bestrijder. Zijn onverzadelijke eetlust is een weldaad voor het woud; de vraatzucht is zijn beste aanbeveling althans in de oogen van den verstandigen houtteler. De Koekoek doet aan de schadelijke Insecten veel meer afbreuk dan de mensch zou kunnen doen.

De prachtigste van alle Koekoeken bewonen de keerkringsgewesten van Afrika, Azië en Nieuw-Holland. De namen Bronskoekoeken en Goudkoekoeken (Chrysococcyx) zijn geheel onvoldoende tot aanduiding van hun schoonheid; daar hun kleed met veel prachtiger kleuren prijkt, dan eenig metaal of metaalmengsel vertoont.

De Goudkoekoek of Diedriek (Chrysococcyx cupreus of auratus) is op de geheele bovenzijde, met uitzondering van eenige lichter gekleurde plekken, glanzig goudgroen, met koperkleurigen weerschijn; vele veeren hebben echter bovendien nog een blauwachtigen glans aan haren rand, enkele hebben één of twee dergelijke vlekken. Langs het midden van de kruin strekt zich voor en achter het oog een witte streep uit, een andere met goudgroenen zoom gaat van den mondhoek uit. De geheele onderzijde is licht bruinachtig of geelachtig wit. De veeren van de zijden, die van den staart en de ondervleugeldekveeren zijn groenachtig, de eerste hand-, alle arm- en de buitenste stuurpennen vertoonen witte banden op donkergroenen grond. De oogen zijn levendig geelbruin, gedurende den paartijd bij het mannetje cochenille-rood, het ooglid is koraalrood, de snavel donkerblauw, de poot lichtgrijsachtig blauw. Totale lengte 19.5, staartlengte 8.5 cM. Het wijfje is gemakkelijk te herkennen aan de gevlekte onderzijde. Het jeugdkleed gelijkt veel op het volkomen kleed; de onderdeelen hebben dan echter een gele tint, de borst en de keel zijn als 't ware dicht bedekt met metaalachtig groene schubben; de veeren van de bovenzijde hebben roestgele randen en de slagpennen roestgele vlekken.

Veelvuldig komt hij in Zuid-Afrika voor, minder algemeen is hij in Midden-Afrika. Zijn loktoon is een luid gefluit, dat door de lettergrepen "diediediediedriek" of "hoeïedhoeïedhoeïedie" nagebootst wordt. Het wijfje laat slechts een zachten, als "wiek wiek" klinkenden toon hooren.

Levaillant vond, naar hij bericht, 83-maal een ei van den Goudkoekoek in het nest van insectenetende Vogels en verzekert waargenomen te hebben, dat het wijfje zijn ei met den snavel overbrengt in het nest van de Vogels, die het tot pleegouders heeft bestemd.

Een tweede onderfamilie wordt gevormd door de Gaaikoekoeken (Coccystinae), welker grootste vertegenwoordiger--het eenige lid van het geslacht der Maskerkoekoeken (Scythrops)--de Reuzenkoekoek, de Ameao van de bewoners van Celebes (Scythrops novae-hollandiae)--Australië bewoont, van waar hij in het najaar naar Timor, Batjan, Halmahera en Celebes trekt. Zoowel in het eerstgenoemde als in het laatstgenoemde gebied wordt zijn komst als een voorteeken van regenachtig weer gehouden; vandaar de naam Voorspeller, waarmede hij soms wordt aangeduid. De snavel, die dezen Vogel de eer heeft verschaft van als een overgangsvorm tusschen de Koekoeken en de Pepervreters beschouwd te worden, is langer dan de kop, groot, dik en stevig, aan den wortel tamelijk hoog en breed, zijdelings samengedrukt, met sterk gebogen snavelrug en haakvormig gekromde spits. De kop en de hals zijn fraai aschgrauw, de bovendeelen (met inbegrip van de vleugels en den staart) grijsbruin, alle veeren van den mantel, van de schouders en van den staartwortel en alle bovendekveeren van den staart hebben breede, omberbruine randen. De oogen zijn bruin en met een onbevederden, karmijnrooden kring omgeven; de snavel is vuilgeelachtig, de pooten zijn olijfbruin. Totale lengte 65, staartlengte 26 cM.

Uit zijne handelingen en gewoonten, zijn wijze van beweging, van voeding en van voortplanting, blijkt duidelijk, dat hij tot de Koekoeken behoort. Het doordringende geschreeuw, dat hij zoowel gedurende het zitten als onder het vliegen laat hooren, weerklinkt vooral, als hij een Roofvogel ziet. In zijn maag vond men behalve Insecten ook vruchten en zaden, vooral die van den rooden eucalyptus en van den pepermuntboom (Eucalyptus amygdalina en piperita).

Uitvoerige berichten over de voortplanting van dezen Vogel ontbreken tot dusver; het schijnt zeker te zijn, dat ook hij zijne eieren aan de zorg van vreemde Vogels toevertrouwt. Gould kreeg er één, dien men, naar gezegd werd, door twee Vogels van een andere soort had zien voederen. Een jonge Reuzenkoekoek werd gebracht in een kooi, waarin zich reeds een Reuzenijsvogel bevond en hier door Bennett in 't oog gehouden. Onmiddellijk na zijn aankomst opende de blijkbaar hongerige nieuweling den snavel en tot ieders verwondering ontfermde de Reuzenijsvogel zich over het weeskind. Hij nam een stukje vleesch, bewerkte het met den snavel zoo lang, tot hij het week genoeg achtte en stak het zijn voedsterling zorgvuldig in den mond. Met dit bedrijf ging hij voort, totdat de jonge Koekoek in staat was zelf te eten.

Zuid-Azië en Oost-Indië werden bewoond door een klein geslacht van groote Gaaikoekoeken, die men Goekels (Eudynamis) heeft genoemd. De beroemdste soort van dit geslacht is de Koeïl der Hindoes, de Koesil der Maleiers, de Toehoe of Tsjoeli der Javanen (Eudynamis nigra). Het mannetje is glinsterend groenachtig zwart, het wijfje glinsterend donkergroen, aan de bovenzijde witgevlekt, op de slagpennen en den staart met witte banden, van onderen wit met zwarte vlekken. Het mannetje is 41 cM. lang, zijn staart 21 cM.

Het wijfje van dezen in Indië zeer populairen Vogel legt haar ei, naar het schijnt, uitsluitend in de nesten van de beide Indische soorten van Kraaien: vooral in dat van de Glanskraai (Corvus splendens), veel zeldzamer in dat van de Krengenkraai (Corvus culminatus). Algemeen verbreid is de meening, dat het wijfje van dezen Koekoek het kraaiennest, waarin zij haar ei gelegd heeft, uit de verte in 't oog houdt, om te zien of haar jong er uitgeworpen wordt. Naar het heet, geschiedt dit, zoodra het gevlekte jeugdkleed zich ontwikkeld heeft, omdat de pleegmoeder dan het jegens haar gepleegde bedrog bemerkt; de echte moeder zou dan de zorg voor het nog hulpbehoevende kind overnemen en het voederen, totdat het zich zelf kan redden. Betrouwbare berichtgevers verzekeren echter, dat de Kraai de haar opgedrongen taak tot aan het einde trouw vervult, hoewel het haar bekend is, dat zij een ondergeschoven kind verzorgt. De Koeïl heet zoo, wegens zijn stemgeluid, dat alleen in den voortplantingstijd, maar dan hinderlijk dikwijls, gehoord wordt. Het mannetje brengt bovendien nog andere geluiden voort. Deze dieren gebruiken, naar het schijnt, uitsluitend plantaardig voedsel, vooral besschen en andere vruchten; hiermede en met gekookte rijst kunnen zij in de gevangenschap jaren lang in 't leven gehouden worden.

Het vrij talrijke geslacht der Gaaikoekoeken i. e. z. (Coccystus), dat zich kenmerkt door de tot een kuif verlengde veeren van den bovenkop, de staartlengte, welke die van de andere Koekoeken overtreft en de rankheid der gestalte, heeft vooral in Afrika vertegenwoordigers. Een daarvan--de Kuifkoekoek (Coccystes glandarius)--is veelvuldig in sommige gewesten van Egypte en Nubië en in West-Afrika, op zijn minst genomen niet zeldzaam in Arabië en Palestina; in Algerië komt hij eveneens voor; van hier vliegt hij meer of minder geregeld naar Zuid-Europa over, zelfs is hij een enkele maal in Duitschland (o. a. te Lübben in 't Spree-dal) geschoten. Zijn winterreis strekt zich tot in Middel-Afrika uit; ongetwijfeld begeven alleen de in Europa woonachtige exemplaren zich zoo ver zuidwaarts. De Egyptische verlaten hun vaderland niet in de maanden, die met onzen winter overeenkomen. Deze geven beslist de voorkeur aan de over 't Nijldal verspreide, kleine mimosaboschjes. Zelden ontmoet men dezen Vogel hier alleen. Of de paartijd op zijn gezelligheid eenigen invloed oefent, is mij niet bekend; wel vonden wij de Kuifkoekoeken juist gedurende den broedtijd tot gezelschappen vereenigd, waarin echter geen vreedzame stemming heerschte.

De kop van den Kuifkoekoek is aschgrauw, de rug grijsbruin, de onderzijde grijsachtig wit; de keel, de zijden van den hals en de voorborst zijn roodachtig vaalgeel; de vleugeldekveeren en armpennen eindigen in groote, breede, driehoekige, witte vlekken. Totale lengte ongeveer 40, staartlengte 22.5 cM.

Behalve in de wijze van vliegen bestaat er tusschen dezen Koekoek en den onzen weinig overeenkomst in uiterlijk en levenswijze. Gene bepaalt zich tot een veel kleiner gebied en keert veel vaker naar dezelfde plaats terug. Hij heeft een geheel andere stem, n.l. een lachend geschreeuw, hetwelk aan dat van den Ekster herinnert en ongeveer klinkt als "kiau kiau". Tot waarschuwing roept hij "kerk kerk".

In de maag van gedoode exemplaren werden allerlei Insecten, ook rupsen, gevonden. In Egypte en Spanje, werd opgemerkt, dat de Kuifkoekoek zijne eieren in de nesten van Kraaien en Eksters legt. Jonge Vogels van deze soort kunnen in de kooi gemakkelijk met vleesch in 't leven worden gehouden.

De onderfamilie der Kreupelhoutkoekoeken (Zanclostominae) omvat alle Koekoekachtigen, welker loop langer is dan de middelste teen of even lang als deze.

Onder den naam Malkoha's (Phoenicophaeus) worden door Schlegel een aantal Oost-Indische soorten samengevat, welker groote snavel zoowel als het vederenkleed veelal met fraaie kleuren prijkt. Zij hebben tamelijk korte, afgeronde vleugels, een min of meer verlengden staart en veelal een naakten kring om de oogen.

Tot dit geslacht behoort de op Java levende Lontok (Phoenicophaeus melanognathus); deze heeft bronsgroene bovendeelen; de achterhelft der staartpennen is kastanjebruin, de onderzijde ros, de ondersnavel zwart, de bovensnavel geel. Men treft hem aan in streken, die dicht met struiken begroeid zijn en ziet hem dikwijls met uitgebreide vleugels op dichte struiken rusten, zonder dat hij zich met de pooten vasthoudt. De zeer na verwante Lewajèn (Phoenicophaeus erythrognathus) heeft een roode onderkaak en bewoont Sumatra. Nog opzichtiger zijn de kleuren van den Prachtsnavel (Phoenicophaeus callirhynchus) van Celebes, bij wien de bovenkaak van achteren helder geel, van voren zwart, de ondersnavel van voren rood is. De staart is buitengewoon lang, fraai metaalglanzig blauw met purperen weerschijn; de overige veeren zijn roodbruin met uitzondering van den bovenkop en de buik, die grauw zijn, terwijl de achterhelft der vleugels een staalblauwe kleur heeft.

Amerikaansche Koekoeken of Koelikoe's (Coccygus) gelijken, wat vorm en lengte van den snavel betreft, veel op onzen Koekoek. De loop is is echter bij hen even lang als de middelste teen, de staart lang en trapvormig; de vleugels zijn zoo lang, dat zij het midden van den staart bereiken. Hun vederenkleed is buitengewoon zacht. Zij houden zich in bosschen en plantsoenen op, zijn schuw, houden van de eenzaamheid, bewonen meestal de dichtste gedeelten van het kreupelhout, sluipen hier behendig tusschen de twijgen door en komen nu en dan ook wel op den bodem. Hun voedsel bestaat uit Insecten en vruchten, vooral echter uit behaarde rupsen. Soms plunderen zij de nesten van kleine Vogels, verslinden althans hunne eieren en kunnen hierdoor schade doen. Daarentegen werken zij de vermenigvuldiging van deze Vogels niet tegen door hen met de zorg voor vreemde jongen te belasten; want zij broeden in de regel zelf en leggen, naar het schijnt, slechts bij uitzondering, misschien slechts in geval van grooten nood, een van hunne eieren in een vreemd nest.

Bij den Regenkoekoek (Coccygus americanus) zijn de veeren van de bovenzijde met inbegrip van de vleugeldekveeren en de beide middelste staartpennen, licht bruingrijs met zwakken metaalglans, de geheele onderzijde en de zijden van den hals melkwit met een teer grijs waas; de wortelhelft van de derde tot zevende slagpen is roodachtig kaneelkleurig; de overige slagpennen zijn op de buitenvlag en op de spits bruin evenals de rug, de staartveeren met uitzondering van de beide middelste zwart met witte spits, de buitenste ook op de buitenvlag wit. De iris is donkerbruin, de rug van den bovensnavel bruinachtig zwart, de ondersnavel geel, de poot blauwgrijs. Totale lengte 33, staartlengte 17.5 cM.

De Regenvogel--zoo genoemd, omdat zijn als "kau kau" of "koek" klinkende stem, die vooral in Mei en Juni in de bosschen weerklinkt, als voorteeken van regen geldt--bewoont de Vereenigde Staten, van Canada tot Florida en van de Atlantische kust tot aan die van de Stille Zuidzee en broedt bovendien op vele West-Indische eilanden. Waarschijnlijk is hij in de zuidelijkste gedeelten van dit gebied zwerfvogel, uit de noordelijke staten trekt hij geregeld tegen het midden van September naar Middel-Amerika. In de boomkronen beweegt hij zich met de behendigheid van een Mees; als hij, 't geen zelden geschiedt, op den bodem komt, huppelt hij hier onbeholpen rond. Het plunderen van vogelnesten heeft hem bij alle kleine Vogels zoo gehaat gemaakt, dat deze hem even ijverig en hevig vervolgen als onzen Koekoek, zoodra hij zich vertoont.

Het ondiepe nest is op zeer eenvoudige wijze van gras met eenige droge twijgen gebouwd en rust, evenals dat van de Gewone Duif, waarop het veel gelijkt, op horizontale twijgen, dikwijls op manshoogte. De eieren hebben een levendig groene kleur. Audubon zag zulk een nest in het begin van Juni te Charleston: "Een van de oude Koekoeken, die er op zat, verliet zijn plaats eerst, toen de hand van den knaap, die in den boom klom, nog slechts weinige centimeters van hem verwijderd was en vloog toen zonder gedruisch naar een anderen boom. Twee jonge Koekoeken, die bijna reeds vliegen konden, verlieten ijlings hun wieg en kropen tusschen de takken, maar werden spoedig gevangen. Het nest bevatte nog drie Koekoeken, die echter alle in grootte verschilden. Blijkbaar was de kleinste eerst pas uitgekropen, de volgende stellig slechts een paar dagen oud, terwijl de grootste reeds tamelijk bevederd was en waarschijnlijk na verloop van een week geschikt zou zijn geworden om uit te vliegen. Naast deze jongen lagen nog twee eieren in 't nest: het eene bevatte reeds een jong, het andere was nog versch en was dus stellig eerst sinds kort gelegd. Toen wij alle jonge Koekoeken naast elkander plaatsten en vergeleken, zagen wij tot onze groote verwondering, dat er geen twee van gelijke grootte bij waren. Het was niet te betwijfelen, dat de jongen op verschillende tijdstippen uit den dop gekomen waren en het oudste minstens drie weken ouder was dan het jongste." Terwijl het wijfje broedt, houdt het mannetje in de nabijheid trouw de wacht en waarschuwt bij het naderen van een gevaar. Beide brengen met veel zelfverloochening hunne vraatzuchtige jongen groot en toonen dezen hun groote liefde op allerlei wijzen, ook door de listen, die zij aanwenden, om hun kroost voor gevaar te behoeden.

Op de Groote Antillen leven de Takko's of Hagediskoekoeken (Saurothera); deze staan hoog op de pooten en komen veel op of dicht bij den grond.

De op Jamaica levende soort wordt daar Regenvogel genoemd (Saurothera vetula). Bij deze soort is de snavel langer dan de kop, bijna volkomen recht, dun, zijdelings samengedrukt, aan de spits haakvormig. De sterk trapvormige staart is 17 cM. lang, bij een totale lengte van 40 cM. De bovendeelen zijn bruin, de keel en de wangen wit, de onderdeelen ros. Deze Vogels broeden zelf en hebben hun nest op boomen. Men ontmoet ze overal, doch slechts in het lage houtgewas. Zij vliegen zelden en laag bij den grond; dikwijls laten zij hun stem hooren, die als "takko" of "kwa kwa" klinkt. Zij loopen vlug, zoowel op den grond als langs de takken. Vaker nog bewegen zij zich sluipend en klimmend tusschen de twijgen door. Hun voedsel bestaat niet slechts uit allerlei Insecten, maar ook uit verschillende Gewervelde Dieren, vooral Muizen en Hagedissen.

"Eén of twee dagen na mijn aankomst op Jamaica," verhaalt Gosse, "deed ik in gezelschap van een kleinen jongen een uitstapje naar een heuvel, die gedeeltelijk met bijna ondoordringbare struiken begroeid was. Toen wij hier toch in doordrongen, zag ik een vreemdsoortigen Vogel weinige meters voor ons, die schijnbaar met de grootste belangstelling naar ons keek. Mijn kleine gids zei mij, dat het de Regenvogel was, die men echter wegens zijn dwaze nieuwsgierigheid ook wel "Gekke Thomas" noemde. Zonder verder te spreken greep de knaap een steen en trof hiermede den weetgierigen Vogel zoo goed, dat deze op den grond viel en door mij werd medegenomen."

Afrika, Oost-Indië tot de Philippijnsche eilanden en Nieuw-Guinea, benevens Australië worden bewoond door een geslacht van op den grond levende Koekoeken, die men Koekals (Centropes) noemt; zij heeten ook wel Spoorkoekoeken, omdat de binnenste van de beide naar achteren gerichte teenen in den regel met een langen, slanken, bijna rechten, spitsen klauw voorzien is, die met een spoor wordt vergeleken. Laag, verward struikgewas, rietwildernissen en zelfs graswouden verschaffen hun verblijfplaatsen. Hier rennen zij veel op den bodem rond, dringen met muisachtige behendigheid door de meest verwarde samengroeiingen van planten heen en doorzoeken op deze wijze allerlei plaatsen, die voor andere Vogels bijna onbereikbaar zijn; zij maken jacht op groote Insecten, Duizendpooten en Scorpioenen, zelfs op Hagedissen en Slangen, plunderen vogelnesten en versmaden in een woord geen enkelen dierlijken buit.

De Australische Fazant-koekal (Centropus phasianus) heeft een dofzwarte grondkleur, waarop de glanzig zwarte schaften een soort van teekening vormen. De vleugels hebben op roestbruinen grond geelachtig witte, zwart gezoomde dwarsvlekken, de staart is donkerbruin met groenen weerschijn en rosachtige, grootendeels tot dwarse banden vereenigde stippels. Totale lengte 63, staartlengte 37 cM.

Deze Vogel houdt zich op in moerassige, met laag houtgewas, gras en riet weelderig begroeide, moerassige streken en leeft bijna uitsluitend op den bodem, waarover hij met gemak voortrent. Slechts in geval van nood vliegt hij op hooge boomen. Zijn groot, van droog gras vervaardigd nest staat te midden van een kleine, uit grassen bestaande verhevenheid, soms onder de bladen van een pandanus. Het is overwelfd en van twee tegenover elkander staande openingen voorzien, waardoor het wijfje bij het broeden den kop en den staat steekt. De Fazant-Koekal kan zonder bijzondere moeite aan de gevangenschap en aan een doelmatigen, gemakkelijk verkrijgbaren, gemengden kost gewend worden; hij verdraagt langdurige zeereizen zonder bezwaar; reeds verscheidene malen heeft men hem levend naar Europa, vooral naar Engeland, overgebracht.

Een nog grootere, 78 cM. lange Koekal--de Reuzen-spoorkoekoek (Centropus Goliath)--bewoont Halmaheira en Batjan; hij is zwart van kleur, met een groote, witte vlek op elken vleugel en zoekt Insecten op den grond.

Evenmin als de vorige soort komt de in Afrika veelvuldige Egyptische of Senegalspoorkoekoek (Centropus senegalensis), met de echte Koekoeken in uiterlijk en levenswijze overeen; de grondkleur van zijn vederenkleed is roodachtig bruin. Totale lengte 37, staartlengte 19.5 cM. Hij leeft bijna uitsluitend in oorden, waar groote rietbosschen voorkomen. Zijn voedsel bestaat uit velerlei Insecten, vooral uit Mieren, die hem dikwijls een zeer onaangename lucht doen verbreiden. Als lekkernij maakt hij bovendien gebruik van twee groote soorten van Landslakken.

Hoogst eigenaardige Koekoeken zijn de Madeneters (Crotophaginae), die een uit weinige soorten bestaande, tot Middel- en Zuid-Amerika beperkte onderfamilie vormen. Hun belangrijkste kenmerk is de zijdelings samengedrukte, hooge snavel, welks rug tot een scherpen kam is uitgegroeid. De bovensnavel is van binnen hol, d. w. z. evenals bij de Pepervreters en Neushoornvogel uit zeer dunwandige hokjes samengesteld.

De Madeneters hebben een zeer eigenaardige levenswijze, welke volstrekt niet gelijkt op die van de andere Koekoeken, maar eerder met die van onze Eksters en Kraaien overeenstemt, hoewel zij ook aan die van de Pepervreters herinnert. Men ziet ze altijd gezelschappen vormen, die zich in de nabijheid van menschelijke woningen of ook wel in de bosschen van de steppen ophouden; het liefst zoeken zij echter de vochtige weidegronden in de dalen op en huppelen in den regel bij het vee rond. Zij schuwen de tegenwoordigheid van den mensch niet; zelfs toonen zij in sommige gevallen een driestheid, die ons waarlijk onbegrijpelijk voorkomt. Hun voortplantingswijze is niet minder vreemdsoortig: het groote, gewoonlijk uit slingerplanten samengestelde nest, dat zij gemeenschappelijk op een boom bouwen, dient als legplaats voor verscheidene wijfjes, die naast elkander zittend de eieren uitbroeden en gezamenlijk de jongen verzorgen.

De meest bekende en verst verbreide soort van het eenige geslacht, dat tot deze onderfamilie behoort, wordt in Brazilië Ani, in Cayenne Oiseau-du-Diable, in Suriname Sinonzovogel, op Haïti Bout-de-tabac genoemd (Crotophaga minor). Hij is 35 cM. lang, waarvan 17 cM. op den staart komen. De donkerzwarte veeren vertoonen op de vleugels en op den staart een metaalachtig blauwen weerschijn; die van den kop èn van den hals eindigen in een breeden, metaalachtig bruinen zoom; die van den mantel en den schouder, van den krop en van de borst hebben eindzoomen met zwartblauwen weerschijn.

De Ani bewoont het grootste deel van Zuid-Amerika ten oosten van de Andes-keten. Zijn verbreidingsgebied reikt van het oosten van Brazilië tot Middel-Amerika met inbegrip van West-Indië en de Antillen. Men vindt hem in Brazilië overal, waar open vlakten afwisselen met kreupelhout en kleine bosschen; steeds mijdt hij echter de groote, aaneengeschakelde wouden. Op Jamaica ziet men hem op alle vlakten, vooral in de steppen en op de weidegronden, die door paarden- en rundveekudden bezocht worden. "Hun rustelooze bedrijvigheid," zegt Schomburgk, "levert een zeer aantrekkelijk schouwspel op, dat uren lang ons kon bezig houden. Behendig huppelen zij om het rundvee heen of sluipen door het gras om Insecten te vangen." Telkens weer laten zij hun stem hooren, een vreemdsoortig geluid, waarvan men een voorstelling verkrijgt door den naam, die hun in Brazilië gegeven wordt, met een neusklank uit te spreken, of door de lettergrepen "troe-ï troe-ï" of "oooï."

Hun voedsel is van gemengden aard. Waarschijnlijk vormen Kruipende Dieren, Insecten en Wormen er de voornaamste bestanddeelen van; gedurende een deel van het jaar gebruiken de Madeneters bijna niets anders dan vruchten. Zij zoeken het ongedierte van het rundvee af en houden daarom zoo graag op weiden verblijf. Men ziet ze op de beesten rondloopen zonder dat deze hierover ongenoegen te kennen geven; soms zitten verscheidene Vogels tegelijkertijd op één Rund, hetzij dit ligt of staat.

De houding van de Madeneters tegenover den mensch is verschillend. Voor ruiters vluchten zij òf in 't geheel niet òf eerst bij nadering tot op zeer geringen afstand, vooral als de rit ophoudt; voetgangers vertrouwen zij minder. Op plaatsen, waar zij weinig met den beheerscher der aarde verkeeren, grenst hun driestheid aan het ongeloofelijke.

Er wordt geen jacht gemaakt op de Madeneters behalve door enkele Cubanen, die het vleesch van deze Vogels eten, hoewel het zich door een eigenaardigen reuk onderscheidt. Die, welke men van den boom afschiet, vallen niet altijd den jager in handen, omdat zij een zeer taai leven hebben.

Pisang- of Bananeneters (Musophagidae) noemt men de leden van de tweede familie der Koekoekvogels, hoewel deze naam een geheel onjuiste voorstelling geeft van het voedsel, dat deze dieren gebruiken. Hun grootte wisselt af tusschen die van een Raaf en die van onzen Vlaamschen Gaai. De romp is slank, de hals kort, de kop middelmatig groot, de snavel kort, hoog en breed, aan den rugrand sterk gekromd, aan den onderrand een weinig benedenwaarts gebogen, langs de zijranden getand, d.i. met inkervingen voorzien; de vleugels zijn middelmatig lang en sterk afgerond: de vierde of vijfde handpen steekt voorbij de overige uit; de staart is tamelijk lang en afgerond; de pooten zijn dik en hebben een betrekkelijk langen loop met één achterteen en drie voorteenen, waarvan de buitenste een weinig zijwaarts bewogen kan worden. De veeren zijn zacht, bij enkele soorten bijna haarvormig gebaard en prijken voor een deel met prachtige kleuren.

De Pisangeters bewonen de groote, aangeschakelde wouden van Middel- en Zuid-Afrika. In boomlooze gewesten vindt men ze niet. Zij leven gezellig, in kleine troepen, die van 3 tot 15 stuks kunnen aangroeien, houden zich veel op te midden van de twijgen der boomen, maar komen ook dikwijls op den bodem.

Zij voeden zich hoofdzakelijk, zoo niet uitsluitend, met plantaardige stoffen, met bessen en andere vruchten, met zaden en bladknoppen, die zij in de kronen der boomen, in het kreupelhout en op den grond bijeenzoeken; bij voorkeur bewonen zij daarom landstreken, die rijk aan water en bijgevolg ook rijk aan vruchten zijn. De wijze, waarop zij zich voeden, maakt het gemakkelijk hen aan het leven in de gevangenschap te gewennen en bij eenigszins zorgvuldige behandeling jaren lang te behouden. Enkele soorten behooren tot de aangenaamste kamervogels, die men hebben kan. Zij interesseeren ons door de pracht van hunne veeren, zoowel als door hun opgewekten aard en stellen weinig eischen.

De keerkringsgewesten van West-Afrika, van Sierra-Leone tot Gaboen, en het eiland Fernando-Po, zijn het vaderland van de Reuzen-toerako of Koko (Corythaeolus cristatus)--de eenige vertegenwoordiger van het geslacht der Toerako's (Corythaeolus)--, een Vogel, die een totale lengte van 65 à 75 cM. heeft en dus in grootte ongeveer met een Fasant overeenkomt. De grijsgroene veeren van de rugzijde en van den hals vertoonen een prachtigen, lazuur- en kobaltblauwen weerschijn, aan de borst zijn zij groenachtig geel, aan den buik, de schenkels en de stuit roestrood. De staartveeren zijn bij den wortel blauw, bij den top zwart met een blauwen eindzoom; het middelste gedeelte van de drie buitenste paren staartveeren wordt ingenomen door een breeden, groenachtig gelen dwarsband. De gele, zijdelings samengedrukte snavel heeft een scherpen rug. De zwarte kuifveeren zijn tot aan den top breed.

Deze prachtige Vogel leeft paarsgewijs in de dichte, uitgestrekte wouden van het gebergte en van de vlakte, maar begeeft zich ook wel naar de houtrijke savannas, wanneer de velerlei daar groeiende vruchten rijp zijn. De plaats, waar hij zich ophoudt, wordt verraden door zijn buitengewoon luide, wijd en zijd weerklinkende stem; deze heeft hem den naam "Koko" verschaft, waarmede hij door de inboorlingen wordt aangeduid.

Tegen het einde van de vorige eeuw ontdekte de Duitsche natuuronderzoeker Isert in de wouden van Agra aan de Goudkust een Vogel, dien hij Bananeneter (Musophaga violacea) noemde. Deze werd later ook verder noordwaarts tot in Senegambië en meer zuidwaarts tot in Gaboen aangetroffen. Swainson prijst hem als een "vorst onder de gevederde schepselen." "Andere Vogels," zegt hij, "zijn fraai, sierlijk, schitterend, prachtig; de kleur van den Bananeneter is koninklijk. Het iriseerende, purperkleurige zwart, dat de overhand heeft, maakt een betooverend schoon effect naast de prachtige, hoogroode slagpennen. De snavel, hoewel betrekkelijk groot, vertoont geen wanverhoudingen; hij heeft zoomin een phantastischen vorm gelijk bij de Neushoornvogels, als een kolossalen omvang gelijk bij de Pepervreters; de donkergele, in hoogrood overgaande kleur, waarmede hij prijkt, doet de schoonheid van het donkere vederkleed des te beter uitkomen." Totale lengte ongeveer 50, staartlengte 22 cM.

"Aan de Goudkust," zegt Schlegel, "behoort hij niet onder de gewone Vogels; intusschen werden er herhaaldelijk levende voorwerpen van deze landstreek voor onze diergaarden aangevoerd."

De Helmvogels (Corythaix) vormen de kern van de familie, zijn in alle deelen van het door haar bewoonde gebied vertegenwoordigd en komen veelvuldiger voor dan al hunne verwanten, van welke zij zich onderscheiden door den korten, driehoekigen snavel, de voor een deel door de voorhoofdsveeren bedekte neusgaten, de korte, afgeronde vleugels en den middelmatig langen, afgeronden staart. Hun kleed is rijk voorzien, grootendeels groen van kleur; de vleugels echter zijn in den regel prachtig purperrood. De veeren van de kruin zijn tot een kuif of "helm" verlengd.

De Witwangige Helmvogel (Corythaix leucotis) bewoont Abessinië. Zijn helm is zwart met groenen weerschijn, overigens is de kop (evenals de hals, de mantel en de onderdeelen tot aan den buik) fraai lichtgroen; de buik en de overige onderdeelen zijn donker aschgrauw, de nog niet genoemde deelen van de bovenzijde hebben een blauwachtig leikleurig grijze kleur en evenals de zwarte stuurpennen een metaalachtig groenen weerschijn; de slagpennen met uitzondering van de laatste armpennen zijn donker karmijnrood; een vlek vóór het oog en een andere, die, onder het oor beginnend, zich langs den hals uitstrekt, zijn sneeuwwit. Een uit kleine wratjes bestaande ring van vermiljoenroode kleur omgeeft het lichtbruine oog. De snavel heeft een bloedroode spits, van hier tot aan de neusgaten is de bovensnavel groen; de pooten zijn bruinachtig grijs. Totale lengte 45, staartlengte 21.5 cM.

In Abessinië ontmoet men deze Vogels in de met bosch bedekte waterrijke dalen van tamelijk hoog gelegen bergstreken, daar waar de candelaber-euphorbia gevonden wordt, hetzij in troepen of in kleine familiën, welker wijze van vliegen aan die van onzen Vlaamschen Gaai herinnert. Zij zijn bedrijvig en onrustig, zwerven over dag voortdurend heen en weer, keeren echter geregeld op bepaalde boomen van hun gebied terug, vooral op sycomoren of tamarinden, die aan alle zijden door laag geboomte omgeven zijn. Zulke boomen zijn als 't ware plaatsen van bijeenkomst voor het geheele gezelschap: hier verzamelen zich de leden van den troep, die zich verstrooiden om voedsel te zoeken; van hier begeven zij zich op nieuw naar hunne voederplaatsen.

De stem is moeielijk te omschrijven; zij klinkt als die van een buikspreker en geeft aanvankelijk aanleiding tot een onjuiste schatting van den afstand, waarop de schreeuwende Vogel zich bevindt. Men kan haar voorstellen door de lettergrepen, "jahoehajagagoega," die tot een samenhangend geheel verbonden zijn.

In de maag van gedoode exemplaren heeft men geen andere dan plantaardige stoffen, vooral bessen en zaden, gevonden. Zeer dikwijls bezoeken de Helmvogels struiken, die buiten het bosch groeien, zoodra deze rijpe bessen dragen; zij blijven hier echter nooit lang. Zij snoepen als 't ware slechts even van de vruchten en keeren daarna zoo spoedig mogelijk naar hunne veilige schuilplaatsen in de boomkronen terug. De Abessiniër vervolgt den Helmvogel niet; evenmin komt het in hem op den fraaien Vogel te vangen om hem in een kooi bij zich te houden. Dit zal wel de reden zijn, waarom deze Vogel bij ontmoetingen met Europeanen niet bijzonder schuw is. Hij wordt het echter, zoodra hij vervolging te verduren heeft gehad.

Met het leven van den Helmvogel in de gevangenschap is men bekend geworden sedert de oprichting van onze diergaarden. Meermalen heb ik dieren van deze soort verzorgd; mijns inziens behooren zij tot de lieftalligste kooivogels, die de keerkringsgewesten ons leveren. Buiten de middaguren, die zij rustend doorbrengen, zijn zij voortdurend in beweging en vertoonen zich dan in hun volle pracht. Zij zijn het schoonste sieraad van een behoorlijk groote vogelkooi. Vooral in volières, die in de open lucht geplaatst zijn en een voldoende ruimte aanbieden voor het vliegen, maken zij een prachtig effect. In de vroegere morgenuren en 's avonds zijn zij het meest opgewekt; voor het sterke daglicht nemen zij de wijk naar donkere plaatsen te midden van de bladen of naar andere, tegen het zonlicht beschutte ruimten. Niet minder afkeerig dan van de zon zijn zij van hevige regenbuien, die hunne droge veeren zoo nat maken, dat zij bijna ongeschikt worden om te vliegen. Jegens medegevangenen zijn zij zeer verdraagzaam, of liever, zij bekommeren zich bijna niet om hen. Ik heb hen met de meest verschillende soorten van Vogels in dezelfde kooi gehouden, zonder ooit op te merken, dat zij met den een of anderen lotgenoot in twist geraakten. Zelfs wanneer een van deze vlak naast hen gaat zitten, zich letterlijk tegen hen aanvleit, ondergaat hun goedaardig voorkomen geen verandering.

Zeer eenvoudig is het voedsel, dat men aan deze Vogels geeft: hoofdzakelijk gekookte rijst, gemengd met verschillende groenten en eenige vruchten. Zij eten veel, maar stellen overigens zeer geringe eischen.

Van de tot dusver genoemde Pisangeters onderscheiden zich de Schettervogels (Schizorhis) voornamelijk door de niet ronde, maar spleetvormige neusgaten en de eenvoudige kleuren van hun vederenkleed. Zij hebben een slanke gestalte, betrekkelijk lange vleugels en een dikken, hoogen snavel met sterk gekromden rug en slechts zwak getande zijranden. Zij zijn tot Afrika beperkt.

De Goegoeka (Schizorhis zonura) bewoont de wouden van Abessinië. De geheele bovenzijde is tamelijk gelijkmatig donkerbruin, de onderzijde, bij de bovenborst beginnend, licht aschgrauw, langs de schaften bruinachtig gestreept; de wit gezoomde, verlengde, smalle en puntige veeren van de kruin vormen geen kuif, maar zijn toch een weinig opgeheven; de veeren van den rug, voor zoover zij onder de toegevouwen vleugels verborgen zijn, hebben een blauwgrijze kleur; de slagpennen zijn zwartbruin, de handpennen, op de eerste na, ieder met een groote, witte, vierhoekige vlek op de binnenvlag geteekend, welke vlekken gezamenlijk een dwarsband vormen, de middelste stuurpennen lichtbruin; de eveneens lichtbruine topgedeelten van de vier buitenste paren stuurpennen zijn door een breeden, witten dwarsband van de roetkleurige wortelgedeelten gescheiden. Het oog is grijsbruin, de snavel groengeel, de voet donker aschgrauw. Totale lengte 51, staartlengte 25 cM.

De stem van den Goegoeka verschilt zeer van het zachte buikspreken van den Helmvogel; zij herinnert zoo sterk aan die van de Apen, dat de jager er soms door bedrogen wordt en meent, dat het afkomstig is van een troep Grijsgroene Meerkatten, die iets verschrikkelijks hebben gezien. De naam, dien de inboorlingen den Vogel geven, is een verkorte nabootsing van zijne luide, gillende klanken "goe goe goek gie gak ga gier goe gie gee goe," die zich, omdat alle Vogels door elkander schreeuwen, tot een gorgelend geluid vermengen. Op dit getier afgaande, ziet men weldra de zeer in 't oog vallende levenmakers, bij paren of tot kleine familiën vereenigd, op een van de hoogste boomen van het gebergte zitten, elk mannetje naast zijn wijfje. Alleen in de morgen- en avonduren begeven zij zich naar de lage struiken, waaraan allerlei soorten van bessen groeien, die hun tot voedsel dienen. Gedurende de overige uren van den dag blijven zij in hunne boomkronen; vooral in de middaguren zoeken zij het dichtste lommer op.

De familiekenmerken van de Glansvogels (Galbulidae) zijn: een slank lichaam met langen, hoogen, scherpkantigen, priemvormigen snavel; kleine, zwakke pootjes met zeer korten loop, de tweede en de derde teen zijn naar voren, de eerste en de vierde naar achteren gericht (bij één soort ontbreekt de vierde of buitenteen); korte vleugels, lange, trapvormige staart en een zacht, los vederenkleed met prachtigen, goudkleurigen glans; de veeren om den snavelwortel zijn in borstels veranderd. Evenals de Baardkoekoeken onderscheiden de Glansvogels zich bovendien door hun uiterst dunne huid.

Bij den Jacamar (Galbula viridis) zijn de bovendeelen en de borst prachtig goudgroen, de overige onderdeelen roestrood, de buitenste veeren van den staart roestrood met groene spitsen; de keel is bij het mannetje wit, bij het wijfje vaal roestgeel. Totale lengte 21.5, staartlengte 9 cM.

De Jacamar bewoont de wouden van het geheele kustgebied van Brazilië en Guyana. De Brazilianen noemen hem "Bejaflor Grande" (Groote Kolibri). Evenals zijne verwanten leeft hij eenzaam en stil in vochtige bosschen en schaduwrijk kreupelhout; gewoonlijk zit hij aan den waterkant op lage twijgen; hij vliegt snel, maar niet ver; droefgeestig, stil en somber van aard, schijnt hij letterlijk iedere beweging te vermijden. Geduldig wacht hij, tot er een Insect in de nabijheid komt, vangt dit in snelle vlucht en keert even schielijk naar zijn vorige zitplaats terug. Soms blijft hij uren achtereen traag en zonder beweging zitten. Zijn stem is een luide, schelle, dikwijls harde toon. Evenals zijne verwanten bouwt hij zijn nest in een rond gat aan den oever.

De familie der Baardkoekoeken (Bucconidae), die de keerkringsgewesten van Zuid-Amerika bewoont, omvat ruim 40 soorten van Vogels. Hare kenmerken zijn: een krachtige, dikke romp, een zeer groote kop, een snavel van verschillende lengte, soms langs den geheelen rug, soms alleen aan de spits gebogen of zelfs haakvormig, zonder groeven of inkervingen, tamelijk zwakke pooten, welker teenen denzelfden stand hebben als bij de vorige familie, staart en vleugels kort of middelmatig lang, deze kenbaar aan de talrijke en groote dekveeren; de veeren zijn buitengewoon los, slap en zacht; zij zijn somber van kleur en aan den snavelwortel in baardborstels veranderd.

Van alle soorten geldt in hoofdzaak, wat Burmeister zegt van den Trappist (Monastes fusca): "Uit een dierkundig oogpunt beschouwd, is hij een zonderling mengsel; daar bij hem de lichaamsbouw van de drieste, beweeglijke, schreeuwerige Koekoeken met het sombere kleed en den tragen aard der Nachtzwaluwen vereenigd voorkomen. Zij leven afzonderlijk of bij paren in de wouden en vereenigen zich hoogstens tijdelijk tot kleine troepen. De Insecten, die zij als voedsel gebruiken, vangen zij van een vaste standplaats uit. De Brazilianen noemen hen (doch ook de Glansvogels) "Joao Doido" (Domme Hans). Een anderen spotnaam, die "Woudrechters" beteekent, danken zij aan hun bedaarde houding. Daar traagheid, luiheid en domheid hunne meest in 't oogloopende karaktertrekken zijn en het veel moeite kost hen in de kooi op doelmatige wijze te voeden, wordt met de jacht, die men op hen maakt, geen ander doel beoogd, dan het verkrijgen van een smakelijk gebraad."

Na zorgvuldige overweging van de moeilijke vraag, bij welke orde de groep der Uilen (Striges) ingedeeld moet worden, kwam Fürbringer tot de slotsom, dat de overeenstemming van de Uilen met de Valken en Gieren zich bepaalt tot de levenswijze. Door de eigenaardigheden van hun lichaamsbouw zijn de Uilen echter nader verwant aan de Geitenmelkers en de Scharrelaars. Deze drie groepen vormen, volgens Fürbringer, gezamenlijk de onderorde van de Rakvogels [22] (Coraciiformes), de laatste afdeeling van de orde der Boomvogels.--Tot de groep der Uilen behoort slechts één (gelijknamige) familie.

De Uilen (Strigidae) zijn duidelijk te onderscheiden van hunne verwanten. Hun romp schijnt door de veeren dik, maar blijkt bij nader onderzoek zeer slank en smal en weinig vleezig te zijn. Hun kop is buitengewoon groot en dicht bevederd, van achteren bovendien breed. De oogen zijn zeer groot, naar voren gericht en door straalsgewijs gerangschikte, gekrulde veertjes omgeven; zij zijn onbeweeglijk in hunne ondiepe kassen; de kop kan echter op den korten, 9 wervels bevattenden hals buitengewoon goed draaien. De vleugels zijn breed en lang, aan de onderzijde trogvormig; de staart is meestal kort. De snavel is van den wortel af sterk naar beneden gebogen, kort haakvormig en niet met een tand voorzien; de washuid is kort en altijd onder de lange, stijve, borstelvormige veeren van den snavelwortel verborgen. De pooten, welker bevedering zich gewoonlijk tot aan de klauwen uitstrekt, zijn middelmatig lang of tamelijk lang, de teenen betrekkelijk kort en in lengte weinig van elkander verschillend; de achterteen is gewoonlijk iets hooger ingeplant dan de voorteenen; van deze is de buitenste een "keerteen," daar hij willekeurig naar voren en naar achteren gericht kan worden. De klauwen zijn groot, lang, sterk en gebogen en buitengewoon spits, op de dwarse doorsnede bijna zuiver rond. De veeren, ieder afzonderlijk beschouwd, zijn groot, lang en breed, aan de spits afgerond, met zeer fijne baarden voorzien en hierdoor zacht en buigzaam, bij aanraking knetterend; die van het gelaat zijn fijner en stijver; zij vormen een sluier, die meestal uit vijf min of meer volledige, kringvormige reeksen van veertjes bestaat en aan den kop van den Uil het katachtige uiterlijk verschaft. De slagpennen zijn tamelijk breed, aan het einde afgerond en naar het lichaam gebogen; de buitenvlag van de eerste, tweede en derde is, althans bij de echte Daguilen, op zonderlinge wijze met franjes voorzien of zaagvormig getand; de binnenvlag van de slagpennen daarentegen is, wegens de zachtheid van de baardjes, zijdeachtig of wollig. De eerste slagpen is kort, de tweede iets langer, de derde of vierde de langste van alle. De staartpennen, die zich op soortgelijke wijze naar beneden krommen als de vleugelveeren, zijn in den regel gelijk van lengte; de staart is in den regel aan het einde recht afgesneden, bij uitzondering echter ook wel trapvormig, met naar het midden toe langer wordende pennen. De kleur van de veeren is gewoonlijk somber, bij uitzondering echter betrekkelijk levendig; in de meeste gevallen steekt zij weinig af bij de kleur van den bodem of van de boomschors; toch is het vederenkleed soms op velerlei wijzen uiterst sierlijk geteekend. De bek kan zeer wijd geopend worden, de slokdarm is niet tot een krop verwijd, de maag is vliezig en kan zich zeer sterk uitzetten.

Zeer opmerkelijk zijn de zintuigen van de Uilen. Het hoornvlies van het buitengewoon groote oog is zoo sterk gewelfd, dat het op een halven bol gelijkt; het harde oogvlies, voor zoover het door den ring van beenplaten wordt gesteund, is op een vreemdsoortige wijze, nagenoeg cilindervormig, binnenwaarts verlengd; de binnenste gedeelten van den oogbol zijn buitengewoon beweeglijk, want de pupil vergroot of vernauwt zich bij iederen ademtocht. Achter het oog bevindt zich bij de Uilen, die het best ontwikkelde uitwendige oor bezitten, een huidplooi of klep, die zich over een groot deel van den afstand tusschen den mondhoek en de kruin uitstrekt. Zij kan opgericht en achterwaarts omgeslagen worden en bedekt in 't laatstgenoemde geval een daarachter voorkomende, uitgestrekte, ondiepe holte (de tot een oorschelp verwijde gehooropening). De voorvlakte van de oorklep is door de daarop groeiende sluierveeren bedekt; dergelijke veeren omgeven den achterrand van de gehooropening, zijn bij de Ooruilen zeer sterk verlengd, vormen pluimpjes, die zich duidelijk boven de overige veeren van den kop verheffen en vergrooten op deze wijze het klankopvangend gedeelte van het gehoororgaan.

De Uilen zijn wereldburgers: zij bewonen alle werelddeelen, alle aardgordels, alle gewesten, alle terreinen, van de ijskoude landen om de noordpool tot den evenaar en van de zeekust tot op een hoogte van 5000 M. In het zuiden is het aantal soorten grooter dan in het noorden, dat er echter volstrekt niet arm aan is; in 't geheel onderscheidt men er thans 150. De bosschen zijn hun eigenlijk woongebied; men vindt ze echter bovendien zoowel in steppen, woestijnen en gebergten zonder plantengroei als in volkrijke oorden en steden. De naam Nachtroofvogels, die hun soms gegeven wordt, vereischt eenige toelichting. Hoewel verreweg de meeste het rooversbedrijf niet vóór de schemering beginnen uit te oefenen, houden verscheidene zich ook over dag en zelfs gedurende de middaguren met de jacht bezig. Oogen, die op geringen afstand buitengewoon scherp kunnen zien, een merkwaardig fijn gehoor en de opmerkelijke zachtheid van de veeren stellen de Uilen in staat, om ook nog in de duisternis met goed gevolg op buit uit te gaan. Zonder gedruisch te maken, vliegen zij op betrekkelijk geringe hoogte langs den bodem; omdat hun eigen beweging in alle stilte geschiedt, kunnen zij het onbeduidendste geritsel nog hooren en ondanks de duisternis het kleinste Zoogdier onderscheiden.

De gevoeligheid van het uilenoog voor het daglicht schijnt grooter dan het is. Dat de leden van sommige soorten de oogen halverwege of nog verder sluiten, als zij aan het volle daglicht zijn blootgesteld, kan niet als bewijs gelden, dat zij het daglicht niet kunnen verdragen. Deze beweging moet veeleer opgevat worden als een onwillekeurig gebaar van verrassing, misschien ook wel als een listig voorgewende slaperigheid. Volkomen ongegrond is althans de bewering, dat zij over dag niet kunnen zien. Bij helder daglicht kunnen zij niet slechts in een open ruimte, maar ook, zonder zich ergens tegen te stooten, door het dichte boomgewas vliegen.

De vreemdsoortig gebouwde vleugels en de zachte veeren leiden onmiddellijk tot het vermoeden, dat de Uilen op een eigenaardige wijze vliegen. De onhoorbare beweging geschiedt betrekkelijk langzaam; zij houdt het midden tusschen zweven, glijden en fladderen; sommige Daguilen vliegen op de wijze van de Spechten, door beurtelings volgens een booglijn op te stijgen en plotseling te dalen; zoodoende komen zij snel vooruit, maar worden, naar het schijnt, schielijk vermoeid; lang houden zij daarom dezen arbeid niet vol. Alleen wanneer zij langere reizen ondernemen, verheffen de Uilen zich tot op een afstand van 100 M. van den bodem en bewegen zich dan gelijkmatig met vele vleugelslagen of zwevend vooruit. Op den grond zijn de meeste Uilen zeer onbehendig; de langpootige vormen gaan echter zoo goed, dat zij loopend kunnen jagen, waarbij dan trouwens altijd ook de vleugels dienst moeten doen. Alle kunnen zich uitmuntend redden te midden van de twijgen; enkele klimmen, op een zonderlinge wijze huppelend en springend, zeer snel van de eene twijg op de andere. Gaarne nemen zij zeer verschillende standen aan, beurtelings vertoonen zij zich ineengehurkt en zoo hoog mogelijk uitgerekt; zij wenden, buigen en draaien den kop op een voor den toeschouwer vermakelijke wijze en kunnen evenals de Luiaard hun gelaat geheel rugwaarts keeren.

Hun stem is gewoonlijk luid, maar zelden aangenaam. Door het woedend klapperen of happen met den snavel en door een heesch geblaas geven zij hun gewone gemoedsstemming te kennen; hun eigenlijke stem hoort men alleen 's nachts of als zij in zeer groot gevaar verkeeren. Enkele soorten laten een afschuwelijk gekrijsch hooren, andere brengen schelle geluiden voort. Wat geestvermogens betreft, staan zij achter bij de meeste Dagroofvogels. Er zijn onder hen eenige soorten, welker opgewektheid en vlugheid van beweging aanleiding zouden kunnen geven tot een verkeerde opvatting over den aard van hun geest; gezamenlijk zal men ze evenwel niet tot de werkelijk schrandere Vogels kunnen rekenen, hoewel er eenige uitzonderingen kunnen bestaan. Alle zijn schuw, maar niet voorzichtig, kunnen nauwelijks een werkelijk aanwezig van een denkbeeldig gevaar onderscheiden, leeren zelden hunne vrienden kennen, en houden ieder vreemd wezen in meerdere of mindere mate voor een vijand; men kan ze gewennen aan een bepaalde plaats, nooit echter africhten tot iets, dat werkelijk inspanning van den geest vereischt. Zij zijn in den hoogsten graad oploopend en doldriftig, onverschillig en wreed. Met andere dieren van hun soort leven zij in vrede en vriendschap, tenzij de eene of andere hartstocht, b.v. vraatzucht, hen overheerscht; met volkomen gemoedsrust zullen zij echter den kameraad, waarmede zij jaren lang eendrachtig samengeleefd hebben, verslinden, zoodra deze op de een of andere wijze verongelukt is. Vogels, die uit hetzelfde nest afkomstig zijn, overvallen elkander niet zelden en de onderliggende partij wordt geregeld gedood en opgegeten.

Alle Uilen eten, wanneer zij in vrijheid leven, geen anderen dan een door hem zelf overmeesterden buit. Dat zij nagenoeg nooit aas aanraken, vloeit voort uit het eenstemmig getuigenis van de meest verschillende waarnemers. Vooral aan de kleine Zoogdieren hebben zij den oorlog verklaard; de sterkste Uilen vallen echter ook grootere Zoogdieren aan, zelfs zulke, die, evenals zij, het roovershandwerk uitoefenen; ook maken zij jacht op Vogels, gelijk de Valken doen; enkele zijn visschers, andere insectenjagers. Uiterst gering is het aantal van hen, die den mensch schade toebrengen, verreweg de meeste zijn hem voortdurend nuttig. Uit nauwgezette onderzoekingen blijkt, dat de inheemsche Uilen nagenoeg uitsluitend jacht maken op Muizen en met uitstekend gevolg in deze richting werkzaam zijn. Juist als de gehate Knaagdieren het brutaalst optreden, beginnen de Uilen hun handwerk. Onhoorbaar zweven zij dicht bij den bodem langs en onderzoeken dezen zorgvuldig van uit de hoogte; in den regel vangen zij iedere Muis, die zij opmerken. Veel dienst hebben zij hierbij van hunne korte, beweeglijke, met naaldscherpe, sterk gekromde klauwen gewapende teenen. Reddeloos verloren is de Muis, die eens door een Uil gegrepen werd: dolken doorpriemen haar, nog voordat zij aan de vlucht kan denken. Zoodra de Uil een buit genomen heeft, vliegt hij naar een naburige rustplaats en begint te eten. Ook dit geschiedt op een eigenaardige wijze.

"Niets is meer in staat om walging te wekken," zegt mijn vader, "dan de wijze van eten van een Uil, daar hij kolossale brokken verzwelgt en zich hierbij zeer moet inspannen. Terwijl andere dieren bij het eten in een behagelijke stemming verkeeren, is het alsof de Uil een hem opgelegde taak afwerkt, als hij zijne groote pillen naar binnen stuurt. Ik heb gezien, dat een Ooruil een groote Muis, dat een Kerkuil, een oude mannelijke Huismusch met de pooten en nagenoeg alle veeren in haar geheel doorslikte. Hij nam de Musch in den eenen poot, bracht hem naar den snavel, zoodat de kop het eerst in den bek kwam, en begon toen, den hals achteroverbuigend, de Musch naar binnen te werken, hetgeen eindelijk na groote inspanning gelukte. Toen de Vogel in den slokdarm kwam, puilde deze zoo uit, dat hij van den hals gescheiden scheen. Ik heb hem deze proef verscheidene malen laten herhalen; gewoonlijk echter plukte de Uil dan den Vogel, voordat hij hem verslond. Het verzwelgen van Muizen kost den Kerkuil geen groote moeite. Als het dier, dat hij met den snavel opneemt, te groot is voor zijn lichaam, spuwt hij het weder uit, drukt het met den snavel en de pooten samen en bewerkt het zoolang, totdat het kan passeeren. Het verzwelgen van een groote prooi door een Uil zou iemand mijns inziens een denkbeeld kunnen geven van het walgingwekkende vreten der Slangen. Van zeer groote dieren verslinden zij eerst het vleesch van de borst en de hersenen; het overige bewaren zij tot later. De Ooruil vreet het vleesch onder de huid weg, vouwt deze weer toe en vrijwaart op deze wijze het overschot tegen uitdroging. Ten slotte verslindt hij ook de huid."

De meeste Uilen kunnen maanden lang zonder water leven, misschien omdat zij genoeg hebben aan het bloed van hunne slachtoffers; soms drinken zij echter met veel smaak; ook hebben zij water noodig om te baden. Hun spijsvertering geschiedt zeer vlug; door de krachtige werking van het maagsap wordt al het voedsel in korten tijd ontleed. Beenderen, haren en veeren klonteren samen tot ballen en worden daarna onder hoogst vermakelijke gebaren uitgespuwd, hetgeen gewoonlijk op bepaalde plaatsen geschiedt. Daartoe sperren de Uilen den snavel wijd open, buigen den kop ver omlaag, rusten afwisselend op den eenen en den anderen poot, knijpen de oogen dicht, kokhalzen en schudden zich en raken eindelijk van den hen bezwarenden bal verlost. Altum, die vele honderden van deze ballen onderzocht, kwam tot het besluit, dat de Duitsche Uilen hoofdzakelijk Muizen en Spitsmuizen, bij uitzondering echter ook Ratten, Mollen, Wezels, Vogels en Kevers verslinden.

Vele soorten van Uilen nestelen in holle boomen, andere in rotsspleten of gaten van muren, eenige in holen in den grond, die door verschillende Zoogdieren gegraven zijn en andere eindelijk in verlaten nesten van Valken en Kraaien. Hier wordt in 't gunstigste geval eenig nestmateriaal bijeengebracht; gewoonlijk echter geeft de Uil zich de moeite niet om de onderlaag van het nest te herstellen, en legt het wijfje hare eieren zonder meer op den bodem van het nest, zooals zij het vindt. Het aantal eieren, waarop zij broedt, wisselt af van 2 tot 10; bij uitzondering echter vindt men soms niet meer dan één ei in het nest. De eieren gelijken zeer op elkander: zij zijn steeds sterk afgerond, hebben een fijnkorrelige schaal en een witte kleur. Bij alle soorten schijnt de liefde van de ouders voor hun kroost zeer groot te zijn; dit blijkt onder anderen ook uit den buitengewonen moed, waarmede zij hunne jongen tegen vijanden verdedigen. De jongen blijven lang in het nest; des nachts weergalmt de omtrek van hun geschreeuw.

Ongelukkig hebben de Uilen vele vijanden. Alle dagvogels haten hen, alsof zij zich willen wreken over de aanvallen, die zij gedurende hun slaap van deze nachtroofvogels hebben te verduren. Bijna alle Dagroofvogels gedragen zich als razenden, wanneer zij een grooten Uil zien. Alle kleine Vogels zijn met dezelfde gezindheid bezield en geven haar te kennen door druk gesnap en geschreeuw, als 't ware door schimpreden en scheldwoorden. Het geheele woud komt in opstand, wanneer een Uil ontdekt wordt. De eene Vogel roept de andere er bij en de arme duisterling heeft dan veel te lijden, want de sterke dagvogels plegen ook gewelddadigheden jegens hem. Maar al te dikwijls sluit de mensch zich bij de genoemde vijanden aan. Velen meenen een heldendaad te hebben volbracht, als zij een slapenden Uil om 't leven brachten of een vliegenden Uil schoten; slechts zeer zelden komt het voor, dat men hem bescherming verleent. De landman en de boschkweeker doen wel, zich bij de beschermers van de Uilen aan te sluiten en voor het welzijn dezer Vogels te zorgen.

In de kooi worden alleen die Uilen werkelijk tam, welke men in hun prille jeugd gevangen, grootgebracht en vriendelijk behandeld heeft. Zij, die op rijperen leeftijd gevangen worden, toonen zich soms onverschillig, soms echter gedragen zij zich op een wijze, die angstige gemoederen schrik inboezemen, moediger personen echter hoogstens vermaken kan. Vooral de grootste soorten schijnen met de geheele wereld in onmin te leven en ieder ander wezen als vijand te beschouwen. Woedend rollen hunne groote oogen, als men hen nadert; kwaadaardig knarsen zij met den snavel en vol boosheid blazen zij als Katten. Kleine Uilen daarentegen behooren tot de onderhoudendste en beminnelijkste kooivogels, die er zijn. Als zij goed verzorgd worden, planten zoowel gene als deze zich in de gevangenschap voort.

Een der meest eigenaardige geslachten van de familie omvat de Sluieruilen (Strix). Zij zijn slank gebouwd, hebben een grooten, breeden kop, zeer groote vleugels, een middelmatig langen staart en hooge pooten; hun vederenkleed is zoo zacht als zijde en meer of minder prachtig van kleur. De snavel is eenigszins langer dan bij hunne verwanten, de bovensnavel aan den wortel recht, alleen aan de spits haakvormig gekromd, aan de spits van de onderkaak flauw uitgesneden. De oogen zijn betrekkelijk klein en meer gewelfd dan bij andere Uilen, de oorschelp echter (in overeenstemming met den zeer ontwikkelden sluier) buitengewoon groot. De sluier zelf onderscheidt zich aanmerkelijk van dien der overige Uilen, doordat hij niet rond, maar hartvormig is. In den vleugel is de eerste slagpen even lang als de tweede en slechts weinig korter dan de derde en langste. De zwakke en hooge loop is schraal bevederd, op het onderste derde deel slechts met fijne, borstelige veeren bekleed, op de teenen bijna naakt, de klauwen lang, dun en spits.

Onze Kerkuil, in Gelderland Torenuil, in Groningen Oranjeuil, in Drenthe Lijkuil genoemd (Strix flammea), wordt in andere werelddeelen, en meer bepaaldelijk in Azië en Amerika, door vormen vervangen, die zoo nauw met hem verwant zijn, dat enkele vogelenkenners geneigd zijn, om alle Kerkuilen der aarde als vertegenwoordigers van één soort te beschouwen. Bij de exemplaren, die ons vaderland bewonen, zijn de bovendeelen op donkeraschgrauwen (aan de zijden van den achterkop en in den nek op geelachtig rooden) grond, met uiterst kleine, zwarte en witte overlangsche vlekken geteekend; de bovendekveeren van den vleugel zijn donker aschkleurig, lichter gespikkeld en met zwarte en witte overlangsche vlekjes versierd, de onderdeelen op donker roestgelen grond bruin en wit gevlekt; de geheele sluier of alleen de bovenste helft is roestkleurig, de onderste helft in 't laatstgenoemde geval roestkleurig wit. De slagpennen zijn roestkleurig, op de binnenvlag witachtig met drie of vier donkerder dwarsbanden, op de buitenvlag donker gevlekt; de roestgele staartveeren hebben 3 of 4 zwartachtige dwarsbanden en een donker aschgrauwen, wit gespikkelden, breeden eindband. De oogen zijn donkerbruin, de snavel en de washuid roodachtig wit, de pooten, voor zoover naakt, vuil blauwachtig grijs. Totale lengte 32, staartlengte 12 cM.

Kerktorens, kasteelen, oude gebouwen zijn hier te lande zoowel als in het overige Europa de meest geliefde, zoo niet de eenige verblijfplaatsen van den over geheel Middel- en Zuid-Europa, Klein-Azië en Noord-Afrika verbreiden Kerkuil, die oorspronkelijk rotsen en holle boomen bewoonde. In ons geheele werelddeel, van 't hooge noorden te beginnen, ontbreekt hij slechts in de groote wouden van het gebergte; evenzeer vermijdt hij het hooge gebergte boven den gordel van den plantengroei. Hij is een standvogel in den eigenlijken zin van 't woord, daar hij niet eens zwerft. Op de plaatsen, waar wij thans Kerkuilen aantreffen, werden zij, zoolang de herinnering der menschen reikt, waargenomen. Alleen de jonge Vogels vertoonen zich soms buiten het jachtgebied der oude: zij moeten nog een vaste woonplaats opzoeken en doen met deze bedoeling grootere uitstapjes. Over dag zitten zij rustig in de donkere hoeken van de door hen bewoonde gebouwen, op de balken der torens of kerkzolders, in muurnissen, duiventillen en dergelijke schuilhoeken. Het luiden van de klokken in de onmiddellijke nabijheid van hun slaapplaats, het uit- en invliegen van de Duiven in de til, waarin zij zich gevestigd hebben, stoort hen in 't geheel niet; zij zijn aan de menschen en hun bedrijf even goed gewoon geraakt als aan de drukte der Duiven, waarmede zij op een goeden voet verkeeren. Als zij zitten, gelijken zij op andere Uilen; zij zijn echter voor iedereen kenbaar aan hun slanke, hooge gestalte en aan hun onbeschrijfelijk, hartvormig gelaat, dat de wonderbaarlijkste grimassen mogelijk maakt.

Uit waarnemingen, die bij gevangene exemplaren gedaan zijn, is voldoende gebleken, dat hun slaap zeer licht is. Het gelukt den mensch nooit ze te verrassen, want het geringste gedruisch is voldoende om hen te doen ontwaken. Bij 't zien van den toeschouwer zijn zij gewoon zich hoog op te richten en zachtjes zijwaarts heen en weer te wiegelen. Bij zulk een gelegenheid trekken zij ook gezichten; al hunne bewegingen zijn echter langzamer en aanhoudender dan bij de meeste overige Uilen. Als zij van nabij bedreigd worden door een vermeend gevaar, vliegen zij weg en toonen hierdoor, dat zij over dag zeer goed zien kunnen. Na zonsondergang verlaten zij het gebouw door een bepaalde, hun goed bekende opening, die zij ook over dag zonder fout weten te vinden en waarvan zij een behendig gebruik maken. Vervolgens strijken zij met spookachtig stille en schommelende vlucht laag over den bodem heen. Een heesch gekrijsch,--volgens Naumann het afschuwelijkste geluid, dat door eenigen inheemschen Vogel wordt gemaakt en dat wel in staat is om bijgeloovige menschen met ontzetting te vervullen--kondigt hun nadering aan. Wanneer men nu de aandacht vestigt op de streek, van waar dit gekrijsch komt, ziet men den bleeken Vogel stellig, want hij vliegt onbeschroomd op plaatsen, waar avondwandelaars zijn en zweeft dikwijls als een schaduw op korten afstand om hun hoofd heen. Des nachts bij helder maanlicht vliegen de Kerkuilen tot omstreeks zonsopgang voortdurend in de vrije natuur rond, tijdelijk op gebouwen uitrustend en daarna weer ijverig jagend; in donkerder nachten gaan zij alleen des avonds en tegen den morgen op roof uit.

Muizen, Ratten, Spitsmuizen, Mollen, kleine Vogels en groote Insecten vormen het voedsel van den Kerkuil. Dikwijls heeft men hem beschuldigd van in duiventillen misdrijven te plegen; hiertegen pleit echter de onverschilligheid, waarmede de Duiven hun vreemdsoortigen commensaal bejegenen. "Ik heb hem," zegt Naumann, "zeer dikwijls bij mijne Duiven zien uit- en invliegen. De Duiven, die weldra aan dezen gast gewend raakten en zich niet om hem bekommerden, bleven steeds in het ongestoorde bezit van hunne eieren en jongen; ook zag ik nooit eenig kenteeken van een aanval op een oude Duif. Dikwijls zag ik in de lente een uilenpaar gedurende vele opeenvolgende avonden op mijn erf; naar het scheen, wilde het in de duiventil broeden; zij vlogen, zoodra het 's avonds begon te schemeren, spelend in en uit, lieten nu eens in de til, dan weer op korten afstand er vóór haar wanluidende nachtmuziek bijna zonder ophouden weerklinken en--geen Duif verroerde zich. Als men over dag zonder gedruisch te maken tot de til opklom, zag men de Uilen rustig op een stok of in een hoek gemeenzaam te midden van de Duiven zitten slapen. Niet zelden hadden zij een hoop Muizen naast zich liggen; want zij verzamelen zulk een voorraad, als hun jacht gelukkig geweest is, en misschien ook, als zij een voorgevoel hebben van een naderende ongunstige weersgesteldheid, om geen honger te lijden gedurende de donkere, stormachtige nachten, waarin het jagen hun onmogelijk is. Ik leidde mijne getemde Kerkuilen dikwijls in verzoeking, door hen gave en gedeukte eieren van Hoenderen en andere Vogels voor te zetten, maar zij lieten mijn geschenk steeds onaangeroerd. Slapende, kleine Vogels worden echter door hen overvallen; in de steden dooden zij niet zelden de Leeuweriken, Nachtegalen, Vinken, Lijsters enz., die in kooien voor de vensters hangen; ook halen zij soms de gevangen Vogels uit de strikken. Sommige exemplaren zijn zachtaardig, andere daarentegen zeer roofgierig. Een van mijne kennissen kreeg een Kerkuil, die ongeveer acht dagen geleden gevangen was; hij bracht hem in een stikdonkere kamer en ging spoedig heen om licht te halen. Hoewel hij nauwelijks een minuut wegbleef, zag hij tot zijn groote ergernis bij zijn terugkomst den Uil bezig met het verslinden van een Zwartkop, dien hij van zijn zitplaats achter de kachel weggehaald had. Dikwijls vrat dit dier in één nacht 15 Veldmuizen op. Zelfs krengen worden in tijd van nood niet versmaad."

In den regel broedt de Kerkuil vroeg in 't voorjaar. Soms vindt men reeds in de eerste week van April jongen in het nest, soms zijn de eieren op den laatsten dag van deze maand nog schoon. Men heeft evenwel verscheidene malen nog in October of November jonge Kerkuilen aangetroffen; zelfs is het voorgekomen, dat de oude Vogel in dezen tijd van 't jaar nog ijverig zat te broeden. Volgens Altum is het waarschijnlijk, dat in deze gevallen het eerste broedsel mislukte. Dikwijls broedt de Kerkuil in duiventillen, zelfs heeft men hem eens met een Duif van 't zelfde nest gebruik zien maken.

Hoewel de jongen van den Kerkuil en van alle andere Uilen in hun prille jeugd buitengewoon leelijk zijn, worden zij door hunne ouders zeer liefderijk bejegend en rijkelijk met Muizen voorzien. Jonge Kerkuilen, die voor de kooi bestemd zijn, heeft men, om ze zonder moeite groot te krijgen, slechts op een voor de ouders toegankelijke plaats in een wijdmazige kooi op te sluiten; weken en maanden achtereen komen dan de ouders bij de kooi om door de traliën heen hunne jongen te voederen. Als men ze zelf verzorgt, worden zij zeer tam, zoo zelfs, dat zij zich laten aanraken en op de hand ronddragen zonder tegen te spartelen; ook maken zij geen misbruik van de vrijheid om naar eigen verkiezing uit en in de kooi te vliegen. Van deze fraaie en goedaardige dieren kan men als kooivogels veel voldoening smaken. Hoogst vermakelijk is het zien van hunne gezichtsvertrekkingen; door het verschuiven van den sluier, hetgeen in verband staat met het meer of minder openen van het oor, vertoonen zij dikwijls echte caricaturen van het menschelijk gelaat.

"De benaming van Katuil," zegt Schlegel, "wordt gewoonlijk door ons volk, zonder een vaste bepaling op allerlei soorten van Uilen toegepast. Intusschen is het wenschelijk dezen naam te gebruiken in tegenoverstelling van dien van Ooruil, of, met andere woorden, daaronder te begrijpen alle soorten van Uilen, wier kop niet van oorpluimpjes voorzien is." In dit werk heeft het woord Katuilen (Syrniinae) een nog beperkter beteekenis, daar behalve de Ooruilen, ook nog de Uilen met hartvormigen sluier of Sluieruilen uitgezonderd zijn.

Bij de vertegenwoordigers van het geslacht der Boschuilen (Syrnium) is de sluier rondom het oog goed ontwikkeld en dus volledig; de beide helften van den sluier hangen evenwel onder den snavel niet samen, vormen geen hartvormig geheel. Bij deze dieren zijn de kop en de oogen groot, de ooren met een deksel voorzien; in de middelmatig lange, afgeronde vleugels, die niet voorbij den staart reiken, is de vierde of de vijfde slagpen de langste en hebben althans de beide eerste pennen aan de buitenvlag een franjevormigen rand; de staart is lang en breed; de loop en de teenen zijn dicht bevederd; de klauw van den middelteen is gaafrandig.

De Boschuil (Syrnium aluco) heeft een buitengewoon grooten kop, een dikken hals en een ineengedrongen romp; de gehooropening is minder uitgestrekt dan bij zijne verwanten; de groote, geelachtige snavel bezit geen tand en is langs den rug sterk gekromd; de krachtige, kortteenige voet is middelmatig lang; de vierde slagpen is de langste. Twee kleursverscheidenheden komen voor: de eene met donkergrijze, de andere met licht roestbruine grondkleur; bij beide zijn de onderdeelen en de teekening lichter, hoewel van dezelfde kleur; op de schouder- en vleugeldekveeren komen echter scherp begrensde, peervormige, witte vlekken, op de onderdeelen zwartachtige schaftstreepen voor. De zes eerste slagpennen hebben aan de buitenvlag een franjevormigen rand. Totale lengte 40 à 48 cM.; de 18 cM. lange staart reikt slechts 2 cM. voorbij de vleugelspitsen.

De Boschuil, de eenige inheemsche vertegenwoordiger van zijn geslacht, wordt in ons vaderland slechts in kleinen getale aangetroffen, het meest nog in de bosschen van Gelderland, waar hij ook broedt, evenals bij Oldeberkoop in Friesland; voorts is hij slechts éénmaal in Zuid-Holland geschoten (Albarda). Hij is hier standvogel, maar zwerft, als het koud weder is en er sneeuw ligt, meestal rond. Zijn verbreidingsgebied strekt zich van 67° N.B. tot Palestina uit. Het veelvuldigst komt hij voor in het midden, zeldzamer in het oosten, zuiden en westen van Europa. In Duitschland, waar hij bijna overal gevonden wordt, bewoont hij bij voorkeur bosschen, doch ook wel gebouwen. Gedurende den zomer zit hij, dicht tegen een stam aangedrukt, in een lommerrijke boomkroon verborgen, des winters verschuilt hij zich liever in holle boomen; jonge bosschen, die geen holle stammen bevatten, vermijdt hij daarom.

De Boschuil is veel minder lichtschuw dan men na oppervlakkige kennismaking met dezen Vogel zou kunnen meenen; zelfs op klaar lichten middag weet hij zich uitmuntend te redden. De potsierlijke gratie van de kleinere Uilen, en meer bepaaldelijk van de Daguilen, mist hij geheel; al zijne bewegingen zijn plomp en langzaam; hij vliegt met krachtigen vleugelslag zonder groote inspanning, maar heeft geen vaste en volstrekt geen snelle beweging. Zijn stem, een krachtig, ver door het bosch weerklinkend "hoe hoe hoe", wordt soms zoo dikwijls herhaald, dat zij op een huilend gelach gelijkt; bovendien hoort men van hem een als "rai" klinkend gekrijsch of het welluidende "koewiet".

Hoewel Naumann een Boschuil 's nachts een aanval zag doen op een Buizerd, die zijn heil in de vlucht moest zoeken, en van zijn vader vernam, dat een roover van dezelfde soort een Pestvogel uit een strik haalde, hoewel men weet, dat de Boschuil de jonge Duiven in de tillen, die hij nu en dan bezoekt, evenmin ongemoeid laat als de op den grond slapende en broedende Vogels, mag men toch aannemen, dat Muizen, vooral Veld-, Bosch- en Spitsmuizen, het hoofdbestanddeel van zijn voedsel vormen. Soms behelpt hij zich met Insecten: Martin vond in de maag van een door hem geopenden Boschuil 75 groote Dennenpijlstaartrupsen.

In 't voorjaar als de Houtsnippen rondzwerven, omstreeks het midden van Maart dus, schalt "het huilende hoongelach" van den Boschuil door het woud. Zelfs over dag geeft hij op deze wijze lucht aan zijn opgewondenheid en brengt daardoor leven en beweging in het bosch. Meestal broedt hij in een gat van een boom, dat hem tegen den regen beschut en waarin hij zonder moeite kan binnengaan; hij is echter ook tevreden met een holte in een muur, een plekje onder het dak van een woning, een nest van een Roofvogel, van een Kraai of van een Ekster. De twee of drie rondachtige, langwerpige of eivormige eieren worden eenvoudig op het vermolmde hout of op een toevallig reeds in het nest aanwezige onderlaag gelegd. De eieren zijn ruw van schaal en wit van kleur. Zij worden, naar het schijnt, alleen door het wijfje uitgebroed. Het mannetje helpt haar bij het voederen der jongen. Beide ouders hebben veel liefde voor hun kroost.

Gevangen exemplaren kunnen zeer tam worden. Liebe deelt als uitkomst van zijn ervaring mede, dat van alle soorten van Uilen de Boschuil het best geschikt is voor de kooi. Hij is zoo weinig lichtschuw, dat hij zich tegen den middag een warm, door de zon beschenen plaatsje uitkiest en hier onder allerlei vermakelijke gebaren de zon tusschen de half opgerichte veeren door op zijn huid laat schijnen. Het gezelschap van den mensch doet hem gedurende den geheelen dag wakker blijven, vooral, wanneer men zich de moeite getroost met hem te spelen, waarvoor hij, althans in zijne eerste levensjaren, duidelijk zijn dankbaarheid laat blijken. Als men hem jong uit het nest genomen heeft, geraakt hij weldra zoozeer aan zijn verzorger gewoon, dat hij dezen onthaalt op allerlei liefkoozingen, die gewoonlijk alleen voor zijne soortgenooten bestemd zijn en die uit knippen met de oogen, gezichtsvertrekkingen en een zacht gepiep bestaan. De uitdrukking van het gelaat van den Uil is in hooge mate veranderlijk al naar de gemoedsstemming van het dier; de Boschuil kan zijn aangezicht op zoo zonderlinge wijze plooien, dat men het ternauwernood weder herkent. Als hij slecht gehumeurd is trekt hij--door de bovenste aangezichtsveeren naar boven, de onderste naar onderen te richten en de veeren boven de oogen te laten zakken--een echt verdrietig gezicht, welks beteekenis zelfs voor een nietdeskundige geen oogenblik verborgen blijft. Als hij in een teedere gemoedsstemming verkeert, geeft hij, door de middelste en zijdelingsche aangezichtsveeren naar voren te richten, aan zijn gelaat een uitdrukking, die volgens zijn meening teederheid te kennen geeft, maar die door het te gelijker tijd plaats hebbende knippen met de oogen echter eenigszins komisch wordt. Met zijne soortgenooten leeft de Boschuil in uitmuntende verstandhouding, in de vrije natuur zoowel als in de kooi.

Een andere soort, die op deze plaats nog vermeld moet worden, is de Baarduil of Laplandsche Uil (Syrnium lapponicum), een der grootste leden van de geheele familie. Hij heeft, met den 28 cM. langen staart, een lengte van 70 cM. Zijn lichaamsbouw gelijkt op dien van den Boschuil; hij is evenwel slanker en heeft een betrekkelijk langeren staart, onderscheidt zich voorts door een zeer goed gevuld vederenkleed en een grooten, cirkelronden sluier, die een regelmatige teekening vertoont.

Het verbreidingsgebied van den Baarduil omvat het hooge noorden van de oude wereld, vooral Lapland, Finland, Noord-Rusland en Siberië tot aan de zee van Ochotsk.

De overige geslachten van Katuilen worden wel eens onder den naam van Daguilen samengevat. Hun snavel is van den wortel af gekromd. De voorrand van de gehooropening is bij hen glad, niet met een uitstekende huidplooi (met een oordeksel) voorzien. In verband hiermede is de sluier onduidelijk. Zij hebben betrekkelijk kleine, schitterende oogen met gele iris. De vleugels zijn afgerond en korter dan de staart.

De Sneeuwuil (Nyctea scandiaca) is 68 à 71 cM. lang (staartlengte 26 cM.). Zijn kleur verschilt al naar den leeftijd. Zeer oude Vogels zijn wit, soms bijna ongevlekt of hoogstens met een dwarsrij van bruine vlekken op den voorkop en enkele op de groote slagpennen; middelmatig oude zijn op witten grond in meerdere of mindere mate met bruine dwarsvlekken of op den kop met bruine, overlangsche vlekken geteekend; de jonge Vogels zijn nog sterker gevlekt dan de laatstgenoemde: op de bovenzijde zoowel als op de onderdeelen letterlijk als een Sperwer met dwarse golflijnen geteekend. De oogen hebben een prachtig gele kleur, de snavel is hoornkleurig zwart.

Een uitvoerige opgave van alle gewesten en landen, die door den Sneeuwuil bewoond worden, kunnen wij vervangen door de mededeeling, dat hij een kind is van de toendra, maar ook verder noordwaarts veelvuldig wordt waargenomen, zoover als de onderzoekingen van de poolgewesten zich hebben uitgestrekt. Er bestaat verband tusschen zijn aanwezigheid in een streek en het grooter of geringer aantal Lemmingen, dat er voorkomt. Voorts houdt hij van rust en eenzaamheid en vermijdt dus de gewesten, die door den mensch, zijn ergsten tegenstander, dikwijls bezocht worden. Daarom treft men hem in Amerika, Lapland en het noordwesten van Rusland veelvuldiger aan dan in het noordoosten van Rusland en in Siberië, waar men, althans in de door ons bezochte landstreken, gewoonlijk om zijn vleesch ijverig jacht op hem maakt. Gedurende den zomer houdt hij zich hoofdzakelijk in de gebergten van de noordelijke gewesten op; in den winter zwerft hij in lagere en ook wel in zuidelijker gelegen landstreken rond. Herhaaldelijk werden enkele exemplaren ook in ons vaderland waargenomen, vooral in de maanden October en November.

Een Sneeuwuil in de toendra levert een prachtig schouwspel op. Van andere Uilen onderscheidt men hem oogenblikkelijk; men herkent hem trouwens op iederen afstand. Behalve door de over dag schitterende kleur en de aanzienlijke grootte, maakt hij door zijne korte, breede, sterk afgeronde vleugels zulk een eigenaardigen indruk, dat men over hem niet in twijfel kan verkeeren. Hij vliegt zoowel over dag als 's nachts en is soms in de namiddaguren meer opgewekt dan in de morgen- en avondschemering. Naar het schijnt, overtreft hij alle overige Uilen door zijn stoutmoedigheid. Met groote drift valt hij de Honden aan en "stoot" op hen neer gelijk een Valk.

Het voedsel van den Sneeuwuil bestaat uit kleine Knaagdieren, vooral Lemmingen, bovendien Eekhoorns, Fluithazen, Beversoorten en dergelijke; hij doodt echter ook dieren van de grootte van een Haas. Tot troepen vereenigd, volgen de Sneeuwuilen de heerscharen der Lemmingen op hun uittocht; paarsgewijs of afzonderlijk maken zij jacht op allerlei soorten van Vogels. Sneeuwhoenderen vervolgen zij met hartstochtelijken ijver, zij nemen die, welke aangeschoten zijn, voor de oogen (en zelfs uit den weitasch) van den jager weg. Boschhoenderen, Eenden en Wilde Duiven zijn evenmin veilig voor zijne aanslagen, zelfs Visschen vallen hem ten buit. "Op een morgen," verhaalt Audubon, "zat ik in de nabijheid van de Ohio-watervallen op de loer om Wilde Ganzen te schieten en was toen in de gelegenheid om te zien, hoe een Sneeuwuil Visschen vangt. Hij lag loerend op een rots, den neerwaarts gedrukten kop naar het water gekeerd, zoo rustig, alsof hij sliep. Zoodra echter een Visch onvoorzichtig aan de oppervlakte van het water kwam, stak hij bliksemsnel zijn klauw in 't water en trok geregeld den zonder fout gegrepen Visch op het droge." Als de Sneeuwuil aan 't jagen is, vliegt hij op elk voorwerp af, dat bij in de lucht ziet zweven. "Ik wist," verhaalt Höllböll, "zulk een Uil eens over te halen om mij over een afstand van wel een vierde gedeelte van een mijl te volgen door af en toe mijn muts omhoog te werpen."

De voortplanting van den Sneeuwuil heeft in 't midden van den zomer plaats. In Juni vindt men zijne eieren; hij legt er meer dan eenige andere Uil. Dikwijls heeft men er 7 in één nest aangetroffen; de Lappen beweren echter eenstemmig, dat de Sneeuwuil soms wel 8 à 10 eieren legt. Collett bevestigt de laatstgenoemde mededeeling en merkt er bij op, dat ook de voortplanting van den Sneeuwuil, evenals zijn geheele leven, zich regelt naar de meerdere of mindere talrijkheid van de Lemmingen: niet alleen broedt hij gewoonlijk in oorden, waar de bedoelde Knaagdieren zich sterk vermenigvuldigd hebben, maar ook legt hij in de zoogenaamde Lemmingenjaren meer eieren dan anders.

Sneeuwuilen in de kooi behooren tot de zeldzaamheden; bovendien kan men ze hier slechts bij uitzondering 4 à 6 jaar lang in 't leven houden. Zij zijn opgewekter en ook overdag bedrijviger dan hunne even groote, tot andere soorten behoorende verwanten; zij vliegen gaarne in hun kooi rond en toonen geen buitengewone boosaardigheid, wanneer men naar hen kijkt.

In de noordelijke landen van de Oude Wereld leeft de Sperweruil (Nyctea ulula), dien men, omdat hij er als een Valk uitziet, ook wel "Valkuil" of "Uilvalk" noemt. Hij heeft tot kenmerken een breeden, lagen kop met plat voorhoofd en smal aangezicht zonder echten sluier of kransen van veeren om het oog, tamelijk lange, betrekkelijk spitse vleugels en een langen, wigvormigen staart. Zijn snavel is kort, krachtig, meer hoog dan breed, van den wortel af gekromd; de haakvormig naar beneden omgebogen spits van den bovensnavel steekt bijna 9 mM. voorbij de spits van den ondersnavel uit. De loop en de teenen zijn geheel bevederd; deze zijn kort en met scherpe klauwen gewapend. De oogen zijn groot, de ooren met een goed ontwikkeld deksel voorzien, dat aan het oordeksel van den Kerkuil herinnert. Het vederenkleed is goed gevuld, zacht en glanzig; het ligt echter meer tegen het lichaam aan dan bij de meeste Nachtuilen. In het volkomen kleed is het aangezicht witachtig grijs; twee strepen, één vóór en één achter het oor, die halvemaanvormig aan weerszijden van den kop naar beneden loopen, zijn zwart; de kruin is bruinzwart, elke veer met een ronde, witte vlek geteekend, die aan de lichte kleur de overhand verschaft; de nek benevens een vlek achter het oor zijn zuiver wit, de bovendeelen bruin met witte vlekken; de keel is wit, de bovenborst met een zacht uitvloeienden dwarsband versierd, de onderzijde wit, op de onderborst, den buik en de zijden met smalle, zwartbruine dwarsstrepen of golflijnen; de slagpennen en staartveeren zijn muiskleurig met witachtige dwarsstrepen. De iris is donker zwavel-, de snavel vuil wasgeel, aan de spits hoorn-glanzig zwart. Totale lengte 39 à 42, staartlengte 16 cM.

Het verbreidingsgebied van den Sperweruil omvat de noordelijke gewesten van de Oude Wereld. Hij broedt geregeld in het noordelijke deel van Skandinavië, in Noord- en Middel-Rusland en in Siberië. In goede Lemmingenjaren verlaat de Sperweruil zijn broedgebied niet; hoogstens ondernemen de jonge Vogels dan reizen naar zuidelijker gewesten en worden ook gezien op terreinen, zeer verschillende van die, waarop zij gewoonlijk verblijf houden, b.v. in landstreken zonder bosschen. Zijn uiterlijk herinnert sterk aan dat van de Valken. Evenals deze jaagt hij over dag; bij hem gaat de onhoorbare, maar snelle wijze van vliegen van de Uilen gepaard met de levendigheid en den moed van de Valken; zelfs bestaat er overeenkomst tusschen zijn geschreeuw en dat van deze Vogels. Nagenoeg geen enkele gevederde bewoner van het woud is veilig voor zijn roofzucht. Wheelwright zag, dat hij een ongelukkigen Vlaamschen Gaai, zijn gewonen buurman, op de vlucht joeg en verraste hem meer dan eens bij het verslinden van een Groot Sneeuwhoen, wiens gewicht bijna het dubbele bedraagt van het zijne. Allerlei Vogels, Lemmingen en Boschmuizen, maar ook Insecten maken zijn gewone voedsel uit. Als een Valk schiet hij van zijn hooge zitplaats naar beneden om het een of ander klein Knaagdier te grijpen, pakt het stevig beet, doorboort of worgt het met zijne scherpe klauwen en voert het vervolgens mede naar een tak, die hem geschikt voorkomt om er zijn buit te verslinden, soms langen tijd aarzelend, voordat hij een keuze doet. Als de Sperweruil door de Vogels van het woud, meer bepaaldelijk door Vlaamsche Gaaien, Kraaien of Meezen, geplaagd wordt, laat hij zich dit dikwijls aanleunen, maar stort zich daarna plotseling te midden van zijne tegenstanders en pakt er één van. Tegen de Eksters schijnt hij echter niets te kunnen uitrichten. Wanneer hij in 't nauw gebracht, b.v. vleugellam geschoten, is, houdt hij den rug gedekt en verweert zich met den moed der vertwijfeling.

In het begin van Mei, soms reeds in April, heeft de voortplanting plaats. De Sperweruil nestelt soms in een hollen boom, soms in een van de nesthokken, die men in Lapland voor de Groote Zaagbekken in de boomen hangt, soms in een oud kraaiennest; ook bouwt hij wel eens op een hoogen boom een ondiep, schotelvormig nest, dat hoofdzakelijk uit takken en rijs samengesteld en met bladen en mos bekleed is; hierin legt hij 6 à 8 afgeronde, zuiver witte eieren, welke een weinig kleiner zijn dan die van den Boomuil.

De Vogel van Minerva was een "Kauz" ("Kauz" beteekent zoowel "Katuil" als "rare snaak") en meer bepaaldelijk een Steenuil, zij het dan ook niet juist die, welke bij ons gevonden wordt, maar een, die zich van hem slechts onderscheidt door bleekere kleur en geringere grootte. Deze--de Woestijnuil (Carine noctua meridonalis)--komt in Griekenland buitengewoon veelvuldig voor--ook in andere landen (Zuid-Europa tot aan den benedenloop van den Wolga, Midden-Azië tot Nepal en Noord-Afrika).

De Steenuilen (Carine) zijn kleine Uilen met middelmatig grooten kop, korten, zijdelings samengedrukten, van den wortel af sterk gekromden, tandeloozen snavel met tamelijk korten haak; de pooten zijn tamelijk hoog en met dikke, flink gewapende teenen voorzien; de korte, afgeronde vleugels reiken hoogstens iets over het derde gedeelte van den eveneens korten, aan het einde recht afgesneden staart; de derde slagpen overtreft de overige in lengte. De gehooropening is klein, de sluier derhalve onduidelijk, hoewel beter merkbaar dan bij andere Daguilen. De veeren liggen tamelijk dicht tegen het lichaam aan; de pooten zijn schraal bevederd; de teenen dragen zelfs geen andere dan haarvormige veertjes.

Onze Steenuil [Carine (Athene) noctua], die in weerwil van zijn lieftallig voorkomen, vaak zoo verkeerd beoordeeld wordt, heet in Holland ook wel Boomuil en wegens zijn stemgeluid Poepuil, in Noordbrabant Huipke; hij is de kleinste, inheemsche vertegenwoordiger der familie: totale lengte 21 à 22, staartlengte 8 cM. De bovendeelen zijn donker muiskleurig grijsbruin met onregelmatige, witte vlekken, het aangezicht is grijswit, de onderdeelen zijn witachtig, tot dicht bij de aarsstreek met bruine, overlangsche vlekken geteekend; de slagpennen en staartveeren hebben dezelfde grondkleur als de bovendeelen en zijn versierd met roestgeelachtig witte vlekken, die op den staart vijf onduidelijke dwarsbanden vormen. De iris is zwavelgeel, de snavel groenachtig geel, de voet geelachtig grijs. De jonge Vogels zijn donkerder van kleur dan de oude.

Van het zuiden van Zweden te beginnen, is deze Uil over geheel Europa en een groot deel van Azië tot in Oost-Siberië verbreid. Hier te lande is hij zeer algemeen. Bij voorkeur vertoeft hij op boomen in de nabijheid van dorpen of boerenwoningen, maar gaat in 't najaar, als het weder guur wordt, rondzwerven. Overal waar boomgaarden met oude boomen de dorpen omgeven, treft men hem zeker aan; hij vestigt zich echter ook midden in de steden, op torens en zolders, in gewelven, begraafplaatsen en andere geschikte schuilhoeken. Het binnenste gedeelte van uitgestrekte wouden vermijdt hij; ook houdt hij niet van naaldboombosschen; boschjes die aan alle zijden door akkers omgeven zijn, vallen echter zeer in zijn smaak. Den mensch en zijn bedrijf schuwt hij niet: den dag brengt hij verborgen in zijn schuilplaats door; des nachts vreest de mensch, ten spijt van de toenemende beschaving, den Uil meer dan deze hem. In vele gewesten wordt de lieftallige Steenuil als een ongeluksprofeet beschouwd. Aanleiding hiertoe geeft zijn stem. Meestal roept hij zacht en dof: "boe boe", soms op luiden en schellen toon: "kwoeëw kwoeëw kebel kebel", dan weer "koewiet koewiet". Het volk, dat deze klanken op zijn wijze vertaalt, meent hierin zeer duidelijk te hooren: "Kom med', kom med' op het kerkhof, hof, hof", of "kom med', kom med', breng schop en spade med'" en vindt dit reden genoeg om van den Steenuil een afschuw te hebben.

De Steenuil verdient de genegenheid van den mensch. Hij is een allerliefst dier. Een echte Daguil kan men hem niet noemen, hoewel hij niet zoo bang is voor 't licht als sommige andere Uilen en zich over dag zeer goed weet te redden. Nooit slaapt hij zoo vast, dat men hem overrompelen kan; door het geringste gedruisch wordt hij gewekt en gaat tijdig op de vlucht, waaruit blijkt, dat hij ook over dag zeer goed kan zien. Hij vliegt bij rukken volgens booglijnen, ongeveer op dezelfde wijze, als de Spechten, maar komt toch schielijk vooruit en ziet kans om met groote behendigheid door dicht bijeengroeiende boomtwijgen heen zijn weg te vervolgen. Bij 't ontwaren van een verdacht verschijnsel rijst hij dadelijk uit de ineengehurkte houding, die hij bij 't zitten gewoonlijk inneemt, omhoog, rekt zich zoo ver mogelijk uit, buigt in verschillende richtingen, kortom hij houdt het voorwerp, dat zijn belangstelling wekt, scherp in 't oog en maakt intusschen hoogst zonderlinge gebaren. Uit zijn blikken spreken list en geslepenheid, maar geen boosaardigheid, integendeel zij hebben iets innemends. Ieder die den Steenuil kent, begrijpt, dat de Grieken in hem den lievelingsvogel van een wijze godin konden zien. Zijne geestvermogens staan volstrekt niet op een laag peil; men kan hem gerust een van de verstandigste van alle Uilen noemen. Bovendien, is hij verdraagzaam in den omgang met zijne soortgenooten. In het zuiden van Europa treft men deze Vogels dikwijls bij troepen aan.

Reeds vóór zonsondergang laat de Steenuil zijn stem weergalmen; in den regel gaat hij op de jacht, als de schemering invalt. In heldere nachten kan men hem bijna tot aan den morgen onophoudelijk in beweging zien of althans hooren. Hij doorkruist intusschen een klein gebied, laat zich door ieder in 't oog vallend verschijnsel naderbij lokken, zweeft vooral graag rondom het kampvuur van den eenzamen jager of reiziger, of komt in de nabijheid van de helder verlichte vensters onzer huizen, waardoor hij bijgeloovige personen een doodschrik op 't lijf jaagt. Hij maakt hoofdzakelijk jacht op kleine Zoogdieren, Vogels en Insecten, vangt Vleermuizen, Spitsmuizen en Echte Muizen, Leeuweriken, Musschen, Sprinkhanen, Kevers en dergelijke dieren. Muizen zijn echter altijd zijn voornaamste wild. Dat hij ander wild niet versmaadt en het zelfs bij voorkeur gebruikt, blijkt uit een tweetal mededeelingen van den heer Blaauw, voorkomende in de verslagen van den heer Albarda: "Indien de honger hem plaagt, maakt deze Vogel zich schuldig aan het dooden en verslinden van Duiven in duiventillen. Ik heb dit te Nijmegen waargenomen en dit reeds voor de tweede maal. Telkens was de grond met sneeuw bedekt."--"In het laatst van Augustus 1892 schoot te Lisse (Zuid-Holland) een opzichter op een Steenuiltje, hetwelk door mij reeds lang op dezelfde plaats was waargenomen. De Vogel werd vleugellam, liep snel over den grond en verdween in een konijnenhol, vóór hetwelk overblijfsels van Zanglijsters en Merels lagen. Ik liet den gang opgraven, en hoe verder wij kwamen, des te meer overblijfsels vonden wij. Deze waren alle van Vogels; er was geen enkele van een Mol of van een Muis bij. In den gang vonden wij den Uil, die inmiddels was gestorven en aan het einde daarvan een nest, waarin twee jongen, die reeds zoo vlug waren, dat zij ons ontsnapten."

In April of Mei begint de voortplantingstijd van den Steenuil. Hij is dan buitengewoon onrustig, schreeuwt en tiert veel, ook over dag. Hij bouwt geen eigenlijk nest, maar zoekt een geschikt hol in rotswanden, onder steenen, in oude gebouwen of boomen op; desnoods maakt hij ook wel gebruik van een konijnenhol; hier legt hij zijne 4 à 7 bolvormige eieren op den naakten grond. Vervolgens broedt hij 14 à 16 dagen lang zoo ijverig, dat hij bijna niet van het nest weg te krijgen is. Naumann verhaalt, dat hij een broedend wijfje streelen en zelfs een der eieren onder haar lichaam wegnemen kon, zonder dat zij wegvloog. De jongen worden met Muizen, kleine Vogels en Insecten grootgebracht.

De Havik en de Sperwer dooden den Steenuil, waar zij hem vangen kunnen; de Wezel rooft zijne eieren; Kraaien, Eksters, Vlaamschen Gaaien en alle kleine Vogels vervolgen hem onder hevig geschreeuw. Op dit feit berust een wijze van vogelvangen, die vooral in Italië vaak in toepassing wordt gebracht. De Steenuil wordt ergens buiten op den grond vastgemaakt; om hem heen worden, behalve lokvogels in kooien, ook lijmroeden geplaatst. "Zoodra zich kleine Vogels in de buurt vertoonen," schrijft Schlegel, "trekt men uit een schuilplaats aan een lang touw, hetwelk aan den poot van den Uil gebonden is: deze springt dientengevolge in de hoogte en maakt allerlei potsierlijke gebaren, waardoor de Vogels verleid worden, zich in de nabijheid te begeven en dan aan de lijmstokken blijven hangen." "Om geen gebrek aan Uilen te hebben," verhaalt Lenz, "zorgen de Italianen voor goede, donkere broedplaatsen onder de daken en voor gemakkelijke toegangen naar die plaatsen. Er worden niet meer jongen uit het nest genomen en grootgebracht, dan men voor eigen gebruik of voor den verkoop op de markt noodig heeft; de overige laat men den ouders behouden. De tamme Uiltjes zijn echte huisvrienden bij de Italianen, loopen dikwijls gekortwiekt in huis, hof en tuin naar eigen verkiezing rond, vangen overal Muizen, worden bij voorkeur in goed omheinde tuinen geplaatst, waar zij Aardslakken en ander lastig ongedierte verdelgen, zonder eenige schade aan te richten. Een schoenmaker, snijder, pottebakker of een andere handwerksman, die, zooals het daar gewoonte is, zijne werkzaamheden op straat verricht, heeft, gelijk ik dikwijls gezien heb, zeer graag zijne lievelingen, zijne 2, 3 of 4 Steenuiltjes, naast zich zitten, gekluisterd aan een stokje; zoo vaak mogelijk en met welgevallen kijkt hij naar hen. Omdat hij voor zijne eetgrage huisgenooten niet altijd vleesch kan bekostigen, heeft hij ze gewend om mede te eten van zijn polenta of maïsbrij."

Reeds in Oostenrijk wordt de Steenuil veelvuldig en, naar men verzekert, met goed gevolg voor het vangen van Vogels gebruikt. De rol, die de Ooruil speelt bij de Valkenvangst, wordt bij de vangst van kleine Vogels niet minder goed vervuld door den Steenuil. Iedere Vogel, die bewust is van zijn eigen behendigheid, zal niet verzuimen zich in de nabijheid van den gehaten Uil te begeven om hem te plagen en te foppen. De Vlaamsche Gaaien en de Klauwieren doen dit dikwijls met zulk een ijver, dat zij er door in gevaar geraken. De Klauwieren vooral verliezen bij 't zien van een Uil allen schroom; zij komen de eene na den anderen, dikwijls van verre op hem aanvliegen en verlaten het strijdperk ook dan nog niet, als zij zien, dat sommige van hunne kameraads hunne roekeloosheid duur hebben moeten bekoopen. De oud-Hollandsche valkeniers vingen de Klauwieren, die zij voor de valkenvangst noodig hadden, altijd met behulp van den Steenuil.

De sierlijkste en lieftalligste van de Europeesche Uilen is de Dwerguil of Muschuil (Carine passerina). Dit aardige diertje is in de eerste plaats kenbaar aan zijn dwergachtige gestalte. Het mannetje is 17, het wijfje 19 cM. lang (staartlengte van het mannetje 6 cM.). Het vederenkleed is aan de bovenzijde muisgrauw met witte vlekken, aan de onderzijde wit met bruine, overlangsche vlekken, op het aangezicht (waaraan de sluier geheel ontbreekt) grijswit; de staart is met vier, de vleugel met vele witte banden geteekend, de iris hooggeel, de snavel vuilgeel; de loop en de teenen zijn dicht bevederd.

Ook de Dwerguil is veelvuldiger in het noorden dan in het zuiden; zijn verbreidingsgebied strekt zich echter van Noorwegen tot Oost-Siberië en van de noordelijke grens van den boomgroei tot op de breedte van Noord-Italië uit. In de wouden van de Skandinavische gebergten is hij niet zeldzaam, in die van Rusland zelfs talrijk; ook in Duitschland komt hij echter--en waarschijnlijk minder zeldzaam dan men onderstelt--als standvogel voor. Bovendien heeft men hem in de Zwitsersche, Stiermarkensche en Italiaansche Alpen, in den Kaukasus, in het Boereja-gebergte en aan den Amoer gevonden.

In het voorjaar hoort men zijn stem reeds voordat de schemering aanvangt, na het aanbreken van den dag echter niet meer. Evenals andere Uilen laat hij zich door het nabootsen van zijn stem lokken; duizend schreden en verder volgt hij den mensch, die hem op deze wijze beetneemt; bij 't vliegen maakt hij echter zoo weinig gedruisch en zet zich zoo schielijk op een tak neer, dat hij dikwijls reeds langen tijd om het hoofd van den wandelaar heenvloog, voordat deze hem te zien krijgt. In verhouding tot zijn geringe grootte is hij een flinke, niet minder behendige dan stoutmoedige Roofvogel. Hij doodt Muizen, Lemmingen, Vleermuizen en andere kleine Zoogdieren, vooral echter Vogels, die kleiner of althans niet grooter zijn dan hij. Hij vangt zijn prooi, hetzij deze vliegt, loopt of zit, en vervolgt de Musschen dikwijls tot in het voorhuis van een bewoond gebouw. Voor den mensch koestert hij weinig vrees en kan daarom gemakkelijk op zijn zitplaats geschoten of in vallen met een lokaas gevangen worden.

De Holenuilen (Speotyto), nauw verwant aan de Steenuilen, zijn slechts weinig grooter dan deze en verschillen van hen vooral door de groote lengte van den loop en de kortheid van de teenen.

Een bewoner van Zuid-Amerika is de Koeroeje der Brazilianen of Konijnuil (Speotyto cunicularia). Zijn vederenkleed is aan de bovenzijde grijsbruin, met langwerpig ronde, witte stippels geteekend, aan den onderbuik geelachtig wit zonder vlekken. De iris is geel, de snavel bleek groenachtig grijs; de pooten zijn eveneens bleek groenachtig grijs, de zool van de teenen is echter geelachtig. Totale lengte 23, staartlengte 7 cM.

De Noord-Amerikaansche vertegenwoordiger van dit geslacht--de Prairie-uil (Speotyto hypogaea)--stemt met de zooeven genoemde soort zoozeer overeen, dat slechts een zeer uitvoerige beschrijving van beide het geringe verschil duidelijk zou kunnen maken. In gewoonten en levenswijze gelijken zij zooveel op elkander, dat men de berichten van de verschillende schrijvers even goed op den eenen als op den anderen mag toepassen.

De Holenuilen zijn karakteristiek voor Amerika. Zij bewonen de Pampas en de Llanos van de zuidelijke en de Prairiën van de noordelijke helft van dit werelddeel. Overal waar zij voorkomen en niet vervolgd worden, zijn zij veelvuldig. De reiziger, die de genoemde boomlooze vlakten bezoekt, ziet deze merkwaardige Vogels paarsgewijs op den bodem zitten, gewoonlijk op de aardhoopen, die door gravende Zoogdieren gemaakt zijn. Deze woningen zijn het eigenlijke tehuis van den Uil; niet zelden bewoont hij het gemeenschappelijk met den rechtmatigen eigenaar of ook wel met zijne vreeselijkste vijanden, de vergiftige Slangen. In de nabijheid van Buenos-Ayres bewoont de Holenuil uitsluitend de holen van de Viscacha, in Brazilië nestelt hij zich in de woningen van de Miereneters en Gordeldieren, in Noord-Amerika ontmoet men hem in de zoogenaamde dorpen van den Prairiehond. De holen, die nog door gravende Zoogdieren bewoond worden, onderscheiden zich van die, waarin de Uil leeft, door zindelijkheid en netheid; in de vervallen woningen van deze soort vindt men den Uil daarentegen dikwijls en zelfs bijna geregeld. Het komt echter ook voor, dat men Prairiehonden, Uilen en Ratelslangen door dezelfde opening uit en in ziet gaan; zooveel is althans zeker, dat er tusschen het Zoogdier en den Vogel een volkomen vreedzame verhouding bestaat. Ieder uilenpaar leeft gedurende het geheele jaar in trouwe gemeenschap en zit overdag geregeld voor den ingang van het hol van een Viscacha, het mannetje zoo dicht naast het wijfje, dat beide elkander bijna aanraken. Als zij verschrikt worden, vliegen beide op; soms stijgt alleen het mannetje omhoog, terwijl het wijfje in het hol verdwijnt.

In de nabuurschap van alle door Europeanen bewoonde volkplantingen is de Konijnuil buitengewoon talrijk en tevens in de hoogste mate gemeenzaam; in alle gewesten echter, waar de Indiaan jaagt, gedraagt hij zich geheel anders. Tegen zonsondergang laat de Konijnuil zijn stem hooren. Op een kort geluid volgt een langer; beide worden echter zoo vaak herhaald, dat de tusschenpoos ternauwernood één seconde bedraagt. Dit geschreeuw klinkt zoomin vreeselijk als statig, eerder zacht en treurig, eenigermate herinnerend aan de lage tonen eener fluit. Gedurende de lente roepen alle; iedere Vogel beantwoordt dan den naastbijzijnden. Als de nacht aanbreekt, verheft de een na den anderen zich in de lucht; men ziet dan overal de aardige uiltjes op een afstand van ongeveer 40 M. boven den bodem met snel bewogen vleugels zweven. Zij maken jacht op ieder levend wezen, dat zij meenen te kunnen overmeesteren.

Een derde, goed begrensde groep van Uilen kenmerkt zich hoofdzakelijk door een pluimpje van overeind staande veeren boven ieder oor. De kop van de Ooruilen (Buboninae) is gewoonlijk groot, breed en plat, met meer of minder in 't oog vallende, voor oprichting vatbare oorpluimpjes versierd, de sluier daarentegen onvolledig. De dikke, bijna buikige, op den rug weinig gekromde snavel heeft een korten haak aan de bovenkaak. De loop is dik en lang of middelmatig lang; de teenen zijn zeer krachtig en met groote, boogvormige klauwen gewapend. De vleugels zijn middelmatig lang, maar stomp; de staart is kort, aan het einde bijna recht afgesneden, het vederenkleed zeer goed gevuld en los. De oogen zijn merkwaardig door hun grootte en platheid, in den regel ook door hun levendige, goudgele kleur.

De eerste plaats onder de Ooruilen komt toe aan den door vele sagen verheerlijkten "koning der nacht," aan onzen Ooruil of Ransuil, in Friesland Groote Katuil of Hoornuil genoemd, den Uhu (Oehoe) der Duitschers (Bubo ignavus). Hij is 63 à 77 cM. lang, waarvan 25 à 28 cM. op den staart komen. Het zeer gevulde en dichte vederenkleed is op de bovenzijde donker roestgeel en zwart gevlamd, aan de keel geelachtig wit, op de onderzijde roestgeel met zwarte, overlangsche strepen; de oorpluimpjes zijn zwart, aan de binnenzijde geel gerand, de slagpennen en staartpennen met onderling afwisselende, bruine en geelachtige, donker gesprenkelde stippels geteekend. De snavel is donker blauwgrijs; de naakte voetschilden zijn licht blauwgrijs, de oogen prachtig goudgeel, aan den buitenrand roodachtig. Het wijfje is alleen kenbaar aan haar meerdere grootte.

Het verbreidingsgebied van den Ooruil omvat het geheele Noordelijke faunistische Rijk van de Oude Wereld: de noordelijke gewesten, voor zoover zij boschrijk, de zuidelijke, voor zoover zij bergachtig zijn. In Nederland werd deze Vogel in de bosschen van Gelderland en Noordbrabant en ook enkele malen in Friesland (o.a. te Beetsterzwaag) broedend aangetroffen (Albarda). In het najaar zwerft hij meestal rond en bezoekt dan ook andere streken van Nederland. Hoewel hij in vele gewesten van Duitschland uitgeroeid is, vindt men hem nog in het hooge gebergte van Beieren en in alle middelgebergten, voorts in alle uitgestrekte, aaneengeschakelde wouden. Veel talrijker, doch evenmin algemeen is hij in Oostenrijk-Hongarije, Skandinavië, geheel Rusland, de lage gewesten langs den Donau, Turkije en Griekenland, Italië, Spanje en het zuiden van Frankrijk, zeldzamer in België en Denemarken, bijna uitgeroeid in Groot-Brittannië. In Afrika bewoont hij de Atlas-landen; bij uitzondering treft men hem ook in Egypte aan. Dezelfde of een verwante vorm--de Bleeke Ooruil (Bubo turcomanus), die misschien niet eens een afzonderlijke soort mag heeten--vond men van Klein-Azië en Perzië tot China en van de noordelijke grens der wouden tot den Himalaja in alle landen en gewesten, welker dierenwereld voldoende bekend is, zelfs in de steppen. De Ooruil is geen trekvogel; hij blijft gedurende het geheele jaar zijn broedgebied bewonen; hoogstens zwerft hij vóór den paartijd zonder doel of regel rond.

In Noord-Afrika en Klein-Azië leeft de verwante, doch merkbaar kleinere Pharao-ooruil of Oehoe met korte ooren (Bubo ascalaphus), zoo genoemd wegens zijne veel kortere oorpluimpjes; deze soort komt ook in Griekenland voor en is er misschien zelfs standvogel.

De Ooruil geeft de voorkeur aan bergstreken, omdat deze hem de beste schuilplaatsen verschaffen; maar bewoont ook vlakten, vooral die, welke met groote wouden bedekt zijn. Wouden met steile rotswanden vallen bijzonder in zijn smaak; menig gunstig gelegen oord dient hem sinds onheugelijke tijden tot verblijfplaats. Hoewel hij steeds voorzichtig is, vindt men hem soms gevestigd in de nabijheid van menschelijke woningen. Over dag krijgt men hem zelden te zien wegens de overeenkomst van zijn kleur met die van rotswanden en boomschors. Wanneer echter het een of ander Zangvogeltje den schuilhoek van den roover ontdekt, verraadt het dien door zijn geschreeuw aan de overige bevederde bewoners van het woud, die dan onder luid getier bijeenkomen om hun vijand te plagen. Des nachts trekt hij beter onze aandacht door zijn zeer opmerkelijke stem, die vooral in het voorjaar gedurende den paartijd vaak gehoord wordt.

De Ooruil begint zijn jachtbedrijf eerst, wanneer het volkomen nacht geworden is. Over dag zit hij bewegingloos en half sluimerend, meestal met tegen het lichaam aanliggende veeren en eenigszins naar achteren gerichte oorpluimpjes, verscholen in een rotsholte of in een boomkroon. Het geringste gedruisch is voldoende om hem te wekken. Dan zet hij de oorpluimpjes overeind, draait den kop heen en weer en buigt hem naar voren en naar achteren, knipoogend naar de zijde van waar het verdachte geluid komt. Bij 't vermoeden van gevaar vliegt hij oogenblikkelijk weg en tracht een rustplaats te bereiken, die minder aan stoornis is blootgesteld. Als de dag zonder een dergelijke ontmoeting voorbijgaat, wordt de Ooruil eerst tegen zonsondergang wakker; met onhoorbaren vleugelslag begeeft hij zich dan gewoonlijk in de eerste plaats naar een rotspunt of een hooge boom; van hier weerklinkt in het voorjaar in den regel zijn dof, maar op grooten afstand hoorbaar "boehoe". Bij helderen maneschijn hoort men het vaker, dan wanneer het donker is; vóór den paartijd schreeuwt hij bijna onophoudelijk gedurende den nacht. Zijn huiveringwekkende stem verkrijgt door den weergalm in het woud een nog akeliger klank. Naar alle waarschijnlijkheid heeft dit geschreeuw, dat, gelijk Lenz zegt, "bijgeloovige lieden kippevel doet krijgen," aanleiding gegeven tot de sage van "den wilden jager"; het klinkt den angstigen mensch als het hondengeblaf van den jachtstoet des duivels of althans van den verdoemden ridder in de ooren. Uit dit geschreeuw blijkt, dat de Ooruil gedurende den geheelen nacht werkzaam en in beweging is. Tot aan het krieken van den morgen hoort men het in het woud, nu eens hier, dan weer daar. Het is zijn loktoon en zijn minnelied; toorn en kwaadaardigheid toont hij door een woedend gegrinnik en een luid klinkend gekrijsch, die gepaard kunnen gaan met een hevig geblaas en een door het snel sluiten van den snavel veroorzaakt, knappend geluid. In den paartijd hoort men alle zooeven genoemde geluiden soms achtereenvolgens en dooreengemengd.

De Ooruil maakt jacht op zeer verschillende, groote en kleine Gewervelde Dieren. Des nachts blijkt het, dat behendigheid en moed bij hem gepaard gaan met lichaamskracht; dan valt hij zonder schroom ook groote dieren aan. Hoewel hij gewoonlijk op even onhoorbare wijze als zijne verwanten dicht bij den bodem langs zweeft, kan hij zich zonder moeite tot een aanzienlijke hoogte verheffen en zich zoo snel bewegen, dat een uit den slaap opgeschrikte Vogel hem zelden ontkomt. Door jacht te maken op Hazen, Konijnen, Auerhoenderen, Korhoenderen, Hazelhoenderen, Patrijzen, Eenden en Ganzen doet hij ons afbreuk; kleine Dagroofvogels, Raven, Kraaien en zelfs de zwakkere leden van zijn eigen familie worden echter evenmin door hem gespaard; de stekelige huid van den Egel schrikt hem volstrekt niet af. Hij wekt den slapenden Vogel door het geluid zijner vleugelslagen en het dichtklappen van den snavel en vangt het vol schrik opvliegende slachtoffer zonder moeite in de vlucht. Vermoedelijk zijn Muizen en Ratten echter zijn voornaamste buit; het is daarom nog volstrekt niet zeker, dat de door hem aangerichte schade grooter is dan het voordeel, dat hij aanbrengt.

De Ooruil paart in de eerste maanden van het jaar, gewoonlijk in Maart, en is een trouwe en liefdevolle echtgenoot. Het nest komt voor in gaten van rotsen, in holen van den grond, in oude gebouwen, op boomen, soms zelfs op den vlakken bodem, o. a. in het rietveld. Bij voorkeur maakt hij gebruik van een reeds bestaande woning, die slechts bij hooge noodzakelijkheid vooraf eenigszins hersteld wordt. Wanneer zulk een gelegenheid ontbreekt, sleept hij eenige takken en rijsjes bijeen en bedekt deze op een tamelijk slordige wijze met een laagje droge bladen of dergelijke bouwstoffen. Dikwijls blijven zelfs deze toebereidselen achterwege en worden de 2 of 3 rondachtige, witte, ruwschalige eieren eenvoudig op den naakten grond gelegd. Het wijfje broedt zeer ijverig en wordt intusschen door het mannetje gevoederd. De beide ouders voorzien hunne jongen zeer rijkelijk met voedsel en verdedigen hen met grooten moed tegen vijanden. Ieder roofdier en zelfs de mensch heeft bij 't naderen van hun woonplaats een hevigen aanval te duchten. Ook heeft men gezien, dat Ooruilen hun kroost naar een andere plaats droegen, wanneer het hun bleek, dat het oorspronkelijke nest geen voldoende veiligheid aanbiedt.

Wiese verhaalt het volgende merkwaardige staaltje van de genegenheid van den Ooruil voor een zijner soortgenooten: "Een houtvester in Pommeren, wiens eenzame woning te midden van een dennenwoud lag, hield sedert geruimen tijd in een donker hok op zijn erf een tammen Ooruil. Deze werd in de eerste dagen van Maart, toen men in het naburige woud een wilden Ooruil hoorde schreeuwen, aan beide pooten gekluisterd, buitenshuis geplaatst, waar hij weldra bezoek kreeg van zijn in vrijheid levenden neef, die hem vervolgens geregeld iederen nacht met voedsel voorzag. Zijn meester, die hem bijna vier weken lang niets te eten gaf, kon uit de uitgebraakte, onverteerbare overblijfselen van den buit afleiden, uit welke dieren het maal van zijn gevangene bestaan had. Deze kreeg van zijn medelijdenden verwant achtereenvolgens drie Hazen, één Waterrat, tallooze andere Ratten en Muizen, één Ekster, twee Lijsters, één Hop, twee Patrijzen, één Kievit, twee Waterhoenderen en één Wilde Eend. Telkens als er over dag iemand in de nabijheid van den tammen Oehoe kwam, liet de wilde in het naburige bosch dadelijk zijn "oehoe"- of "boehoe"-geschreeuw hooren; eerst lang na het vertrek van den gewantrouwden bezoeker verstomde dit geluid."

Herhaaldelijk is het voorgekomen, dat oude Oehoes hunne uit het nest genomen en in een kooi opgesloten jongen voortdurend met voedsel voorzagen. Graaf Wodzicki verhaalt, dat een jonge Oehoe in een kooi twee maanden lang gevoederd werd door zijne ouders, die, zoodra het jong, dat in het nest gebleven was, kon vliegen, door hun kind bij dit liefdewerk geholpen werden.

Geen enkele inheemsche Uil wordt zoo algemeen gehaat als de Oehoe. Bijna alle Vogels, die over dag wakker zijn en zelfs eenige Uilen plagen hun vijand telkens als zij hem bespeuren. Zooals reeds gezegd is, laten de Roofvogels en ook de Raven zich bij deze gelegenheid tot groote onvoorzichtigheid verleiden. Geen dezer vijanden is waarschijnlijk voor den Oehoe zoo gevaarlijk als een mensch.

De gevangen Oehoe kan bij behoorlijke verzorging vele jaren lang in 't leven blijven. Hoewel hij in den regel blijken van woede en kwaadaardigheid geeft aan iederen persoon, die zich in de nabijheid van zijn kooi vertoont, zelfs aan dien, welke hem iederen dag met voedsel voorziet, kan men wel degelijk jong uit het nest genomen Ooruilen temmen, wanneer men zich veel met hen bemoeit. De gevangen Oehoe leeft, als hij volwassen is, in vrede met zijne soortgenooten, maar valt moordzuchtig aan op alle zwakkere Vogels, die zich in zijn nabijheid vertoonen, en verslindt ze zonder eenig gemoedsbezwaar, zoodra hij er in geslaagd is ze te dooden.

De Sluierooruilen (Asio) onderscheiden zich van de leden van het vorige geslacht door het bezit van een volledigen, ronden sluier; in verband hiermede is de oorschelp bij hen zeer ontwikkeld en voorzien met oorpluimpjes, die opgericht kunnen worden; in hunne lange, tot voorbij de spits van den afgeronden staart reikende vleugels zijn de tweede en derde handpen langer dan de overige; de tweede is vóór de spits versmald; de eerste en de tweede zijn aan de buitenvlag getand. De loop en de teenen zijn met veertjes bedekt.

De bij ons niet voorkomende, in Duitschland echter veelvuldige Woudooruil (Asio otus) is een Oehoe in 't klein; hij verschilt echter van dezen door een slankeren lichaamsbouw, langere vleugels, kortere pooten, langere (uit 6 veertjes bestaande) oorpluimpjes; voorts door de zeer ontwikkelde oorschelpen en den zeer duidelijken sluier. Zijn kleur gelijkt zeer op die van den Oehoe, maar is lichter. De snavel is zwartachtig, het oog hooggeel. Totale lengte 34 à 35, staartlengte 15 cM.

Te beginnen bij 64° N.B. is de Woudooruil over geheel Europa verbreid, zoo ook van den Oeral tot Japan in alle gewesten, die ten zuiden van den noordrand van den woudgordel liggen. Naar 't zuiden wordt hij echter zeldzamer; het noordoosten van Afrika, de Kanarische Eilanden en het noordwesten van Indië bezoekt hij waarschijnlijk slechts op den trek.

De Woudooruil verdient dezen naam, daar hij alleen in het woud geregeld aangetroffen wordt. Wel komt hij 's nachts in de nabijheid van bewoonde oorden en neemt hij gedurende zijn zwerftijd ook wel over dag zijn intrek in een dicht begroeiden boomgaard of zelfs op het vrije veld; dit zijn echter uitzonderingen. Het is moeielijk uit te maken, of hij bosschen van naaldboomen, dan wel van breedbladige boomen prefereert: in beide vindt men hem even veelvuldig.

De levenswijze en de gewoonten van den Woudooruil verschillen niet onbelangrijk van die van den Oehoe. Over dag komen beider handelingen bijna geheel overeen; beide vliegen ongeveer terzelfder tijd en op dezelfde wijze ter jacht uit; maar de Woudooruil is veel gezelliger en veel minder kwaadaardig dan zijn groote stamgenoot, bovendien toont hij een minder schuwen aard. Alleen gedurende den broedtijd vindt men de Woudooruilen bij paren; zoodra echter de jongen volwassen zijn, vereenigen zij zich met andere Vogels van hun soort tot vluchten, die soms zeer talrijk kunnen worden. Tegen den herfst beginnen deze gezelschappen rond te zwerven; men treft ze dan op voor hen geschikte plaatsen soms zeer veelvuldig aan. Zij maken hoofdzakelijk jacht op kleine Zoogdieren en in de eerste plaats op Bosch- en Akkermuizen en op Spitsmuizen.

Ook de Woudooruil is bij alle dagvogels zeer gehaat; hij wordt geplaagd en gesard, waar hij zich vertoont. De nadenkende mensch laat hem ongemoeid en doet hier zeer wijs aan, omdat de bescherming, die dezen Uil wordt verleend, aan het woud ten goede komt. Er zijn echter maar al te veel onverstandige lieden, die hem van den boom afschieten, zoodra zij hem in 't oog krijgen en vervolgens dit bewijsstuk van hun dwaasheid, met uitgespreide vleugels aan den staldeur spijkeren; zij beroemen zich hierop zelfs als op een heldendaad. Hun moeten wij voor oogen houden, dat de Woudooruil nuttig is, zoolang hij leeft. Hoewel hij geen groote hoeveelheid voedsel noodig heeft, zal, zelfs wanneer de honger hem niet kwelt, geen enkele Muis zich in zijn nabijheid kunnen vertoonen, zonder kennis te maken met zijne scherpe wapens; hij doodt veel meer Muizen dan hij verslindt. Nog grooter slachting wordt door hem onder de Muizen aangericht, wanneer hij jongen heeft; nadat ook deze zich verzadigd hebben, belegt hij het geheele nest met zijn buit; in verhouding tot zijn grootte verdelgt hij dus zeer vele schadelijke Knaagdieren.

De Velduil, ook wel Katuil genoemd (Asio accipitrinus [23]), gelijkt zoozeer op den Woudooruil, dat men den eenen dikwijls voor den anderen aangezien heeft. De Velduil heeft echter kortere, slechts uit 2 à 4 veertjes bestaande oorpluimpjes en langere vleugels. De bovendeelen zijn roestgeel met donkerbruine en witachtige vlekken, de onderdeelen licht roestgeel met donkerbruine schaftvlekken; de snavel is zwart, het oog lichtgeel en met een breeden krans van zwarte veeren omgeven, de sluier echter witachtig grijs. Totale lengte 36, staartlengte 16 cM.

Deze Uil, oorspronkelijk een bewoner van de toendra, is in den letterlijken zin van 't woord wereldburger geworden. Genoodzaakt om ieder jaar uit zijn vaderlandsche woestenijen weg te trekken, bezoekt hij in de eerste plaats alle drie noordelijke werelddeelen, zwerft door geheel Europa en Azië, vliegt naar Afrika over, bezoekt waarschijnlijk van Azië uit de Sandwicheilanden en trekt evenzoo geheel Amerika door van 't hooge noorden tot aan de zuidspits. Burmeister zag een dezer Uilen boven de open zee ten westen van de Kaapverdische eilanden. De meeste exemplaren, die men hier te lande ontmoet, komen in het midden van September op den trek uit het noorden en keeren in Maart langzamerhand naar hun vaderland, naar het hooge noorden, terug. Soms echter laten zij zich door een buitengewoon grooten overvloed van voedsel verleiden om in de streek, waar zij overwinterden, ook den zomer door te brengen en er te broeden. In Skandinavië gebeurt dit, als de Lemmingen zich bijzonder sterk vermenigvuldigd hebben, bij ons in de zoogenaamde "muizenjaren". De Velduil broedt dan bij ons in de duinen, op weilanden, heidevelden of andere vlakke streken, waar hij op den grond, in het gras of onder andere planten, zonder een eigenlijk nest te bouwen, drie of vier witte, nagenoeg bolvormige eieren legt.

Hoewel zij gedurende hunne reizen op alle boomlooze of met weinig bosch begroeide vlakten hun kwartier opslaan, geven zij toch de voorkeur aan moerassige streken. Over dag houden zij zich op den bodem, tusschen gras en riet verborgen, "drukken" zich bij gevaar als Hoenders op den grond, laten den vijand tot op korten afstand naderen, vliegen echter nog te rechter tijd omhoog. Zij bewegen zich in de lucht gewoonlijk op onhoorbare wijze, wankelend, laag bij den grond en tamelijk langzaam, ongeveer als een Wouw, hoewel zij zich soms tot grootere hoogten verheffen. Meestal zitten zij op den grond, soms ook op windmolens, zelden op boomen. Zij buitelen gedurende het vliegen van tijd tot tijd over den kop en loeren op hun buit en op de wijze van Torenvalken.

Bij ons houden zij zich vooral met de muizenjacht bezig en vallen waarschijnlijk slechts bij uitzondering grootere dieren aan, hoewel zij natuurlijk kleine, onbeholpen Vogels niet versmaden. Ook rooven zij Mollen, als deze boven den grond komen, of vergrijpen zich soms aan een nog zwak haasje of konijntje. In geval van nood behelpen zij zich met Insecten of Kikvorschen. Voor den landbouw is de Velduil hoogst nuttig, ondanks de overtredingen, waaraan hij zich nu en dan schuldig maakt.

Een slank lichaam met tamelijk grooten kop, een sterk gekromde snavel, lange vleugels, waarin de tweede slagpen voorbij de overige veeren uitsteekt, een korte, flauw afgeronde staart en hooge, schraal bevederde pooten met onbevederde teenen, benevens een betrekkelijk glad tegen 't lichaam aanliggend vederenkleed, dikke, korte oorpluimpjes en een weinig merkbare sluier, geëvenredigd aan de kleine gehooropeningen, kenmerken een aantal kleine Uilen, die, wegens hun geringe grootte, Dwergooruilen (Pisorhina) of (Ephialtes) worden genoemd.

De meest bekende soort van dit geslacht--de Dwergooruil (Pisorhina scops)--is 15 à 18 cM. lang, waarvan 7 cM. op den staart komen. De grondkleur van de bovenzijde is roodbruin, afgestompt door aschgrauw en met zwartachtige golflijnen en overlangsche strepen geteekend, op de vleugels echter met witte, in de schouderstreek met roodachtige, schubvormige vlekken; de kleur van de geheele onderzijde kan het best omschreven worden als een verward mengsel van bruinachtig roestgeel en witachtig grijs. De snavel is blauwachtig grijs, de pooten zijn donker loodkleurig grijs, de oogen licht zwavelgeel.

In Zuid-Europa komt deze Vogel veelvuldig voor, in Zuid-Duitschland is hij reeds tamelijk zeldzaam, naar Middel- en Noord-Duitschland, Nederland en Groot-Brittannië dwaalt hij slechts zelden af. In Spanje houdt de Dwergooruil zich op in vlakke gewesten, waar slechts enkele boomen groeien, vooral op bouwlanden en in wijnbergen, in tuinen en op wandelplaatsen.

In verhouding tot zijn grootte is dit dier een flinke roover; het maakt voornamelijk jacht op kleine Gewervelde Dieren, niet op Insecten. In de maag van gedoode exemplaren werden meestal Muizen gevonden; in de kooi zag men ze kleine Vogels met moordzuchtige bedoelingen te lijf gaan. In de kooi nemen de gevangen Dwergooruilen over dag zeer verschillende houdingen aan; sommige hebben glad aanliggende veeren, andere gelijken op een met veeren bezetten bal; bij den eenen ligt één der oorpluimpjes achterover, terwijl het andere omhoog gericht is, zijn buurman heeft beide ooren gespitst en kijkt intusschen knipoogend, met een merkwaardig komische gelaatsuitdrukking den toeschouwer aan, die hem tot op korten afstand kan naderen, zonder dat hij zich verroert. In de kooi zoekt elke gevangene een bepaald plaatsje uit en weet zich zoo uitmuntend te verbergen, dat men dikwijls lang moet zoeken, voordat men hem vindt. De kleur van hun kleed smelt volkomen ineen met die van de omgeving.

In Indië en in het Maleische gebied leven de Vischuilen (Smilonyx), die zich van alle overige leden der familie onderscheiden, doordat hunne, lange en zeer krachtige, met scherpe klauwen gewapende pooten beneden het spronggewricht geheel onbevederd en daarentegen met netvormige schubben bekleed zijn. Deze Vogels hebben groote oorpluimen en een aanzienlijke grootte.

De Vischuil, in Indië Oeloe of Oetoem genaamd (Smilonyx ceylonensis), is slechts weinig kleiner dan de Oehoe, daar hij een lengte van 60 cM. heeft (staartlengte 21 cM.). Hij wordt in geheel Indië, o. a. veelvuldig op Ceylon, aangetroffen, maar heeft klaarblijkelijk een veel uitgestrekter verbreidingsgebied, daar men hem ook in China en Palestina geschoten heeft. Hij bewoont hoofdzakelijk de boomgroepen en boschjes in de nabijheid der dorpen, verbergt zich hier althans over dag, op soortgelijke wijze als vele andere Uilen, door in de kroon van den een of anderen rijk bebladerden boom dicht bij den stam te gaan zitten. Eenig gevangene exemplaren konden Hagedissen, Slangen, Ratten en andere dieren, die toevallig in hun kooi geraakt waren, ook over dag zeer behendig vangen. Behalve op deze dieren maken zij volgens de verhalen der inboorlingen, ook jacht op Hoenderen en andere Vogels. Jerdon daarentegen zegt, dat de Vischuil zich gewoonlijk naar het naastbij gelegen water begeeft, onverschillig of dit een vijver, een beek of een rivier is. Hier ziet men hem, op een overhangenden rots of op een dooden boom zittend, op Visschen loeren. Door de inboorlingen wordt beweerd, dat hij ook Katten doodt.

De op Java levende Vischuil wordt Ketoepa (Smilonyx javanensis) genoemd. De fraaie, roestgele grondkleur van zijn vederenkleed is met zwarte vlekken geteekend. Bij voorkeur brengt hij den dag door in de alleenstaande boomen der met hoog gras bedekte, moerassige vlakten of op de boomen, die de kerkhoven der Javanen omgeven.

De Nachtzwaluwvogels (Caprimulgidae) hebben zulke sterk sprekende eigenaardigheden, dat zij gemakkelijk herkend en niet licht met andere vogelgroepen verward kunnen worden. Overal, waar zij voorkomen, hebben zij de aandacht van den mensch tot zich getrokken en aanleiding gegeven tot de zonderlingste meeningen. Hiervan getuigen o. a. de talrijkheid en de beteekenis der namen, waarmede zij aangeduid worden. Zij vormen een uit meer dan 100 soorten bestaande, scherp begrensde familie. Hun gemeenschappelijke naam "Nachtzwaluwen" is niet kwaad gekozen; van een overeenkomst tusschen haar en de Zwaluwen kan echter alleen bij oppervlakkige beschouwing sprake zijn: een nauwkeuriger vergelijking brengt vele belangrijke verschilpunten aan 't licht.--Zoowel de uitwendig zichtbare als de inwendige bouw van de Nachtzwaluwen is in alle opzichten eigenaardig. De grootte van deze Vogels wisselt binnen wijde grenzen af. Eenige soorten zijn bijna zoo groot als een Raaf, andere ternauwernood grooter dan een Leeuwerik. De romp is slank, de hals kort, de kop zeer groot, breed en plat; de oogen hebben een grooten omvang en puilen tamelijk sterk uit. De betrekkelijk kleine, ongemeen platte snavel is van achteren buitengewoon breed, naar voren sterk versmald. Hoewel de snavel zeer kort is, zijn de kaken zeer lang, zoodat zij de bek verder kunnen openen dan eenige andere Vogel. Hoornachtig is slechts de spits van den snavel; de smalle hoornrand van de bovenkaak is aan de zijden naar beneden gebogen; naast den stompen snavelrug, die zich niet ver naar achteren uitstrekt, liggen de gewoonlijk buisvormige neusgaten dicht bijeen. De pooten zijn in den regel zwak en hebben een zeer korten loop; deze is aan de achterzijde met een eeltachtige massa bedekt, aan de voorzijde meestal met korte schilden bekleed, het bovenste deel is dikwijls met korte veertjes begroeid, maar soms geheel naakt. De teenen zijn (met uitzondering van den zeer ontwikkelden, middelsten voorteen) kort en zwak, de binnenste en de middelste voorteen zijn aan den wortel gewoonlijk door een kort vliesje (spanvlies) verbonden; de achterteen (keerteen) is naar binnen gericht, maar kan ook naar voren gekeerd worden (klemvoet). Bij alle soorten van één der onderfamiliën draagt de lange middelteen een langen nagel, die aan de binnenzijde gezwollen en getand is. De vleugels zijn lang, smal en spits; gewoonlijk echter is niet de eerste, maar de tweede, dikwijls eerst de derde of vierde slagpen de langste. De staart is uit tien pennen samengesteld en zeer verschillend van vorm. Het vederenkleed herinnert aan dat der Uilen; het is zacht en bestaat uit groote veeren; in den regel vertoont het een buitengewoon fijne en sierlijke teekening; het is echter somber en weinig in 't oog vallend gekleurd; op de kortste wijze kan men de kleur omschrijven door haar "boomschorsachtig" te noemen. Opmerkelijk zijn de borstels, die den snavel omgeven; even merkwaardig zijn de korte, fijne en dicht bijeenstaande wimpers, die een krans om het oog vormen. Bij eenige soorten onderscheiden de mannetjes zich door lange veeren van een zeer eigenaardigen vorm; soms maken deze deel uit van den staart, zooals bij vele andere Vogels het geval is, soms behooren zij tot den vleugel en moeten als vervormde slagpennen beschouwd worden.

De Nachtzwaluwvogels bewonen alle landen en gewesten der aarde, met uitzondering van die, welke binnen den kouden aardgordel gelegen zijn. In Europa wordt deze familie door niet meer dan twee soorten vertegenwoordigd; in Noord-Amerika zijn er meer dan dubbel zooveel; reeds in Middel-Amerika en Noord-Afrika neemt het aantal soorten aanmerkelijk toe. Hetzelfde kan gezegd worden van de overeenkomstige gedeelten van Azië; ook Australië is niet arm aan leden van deze familie. Hoewel het verbreidingsgebied van iedere soort tamelijk uitgestrekt is, bewonen zij in dit gebied echter slechts enkele, bijzonder gunstig gelegen plaatsen. Verreweg de meeste Nachtzwaluwvogels houden zich op in bosschen of zoeken deze althans op om uit te rusten; eenige soorten geven beslist de voorkeur aan steppen, andere zelfs aan woestijnen, woestijnachtige, met steenen bedekte hellingen en dergelijke oorden.

Waarschijnlijk zijn alleen die soorten, welke in de wouden der keerkringslanden leven, standvogels. Alle overige zijn vermoedelijk minstens zwerfvogels en, voor zoover zij in het noorden leven, trekvogels. Deze verschijnen tamelijk vroegtijdig in hun vaderland en blijven hier tot in het begin van den herfst. Hunne reizen strekken zich uit over een groot gebied: onze Nachtzwaluw trekt tot in het binnenland van Afrika. Onderweg zijn de Nachtzwaluwvogels nog eenigszins gezellig; in hun vaderland echter leven zij bij paren in strenge afzondering; ieder paar handhaaft zich in een bepaald gebied. Gewoonlijk is dit van geringen omvang; op plaatsen waar deze Vogels veelvuldig zijn, kan het voorkomen, dat een groote tuin door verscheiden paren bewoond wordt. Hier te lande vermijden de Nachtzwaluwen de nabuurschap van den mensch; zij verschijnen althans slechts bij uitzondering 's nachts boven de dorpen; in 't zuiden vestigen ook zij zich in of dicht bij dorpen, vooral in groote tuinen.

Verreweg de meeste Nachtzwaluwen voeden zich uitsluitend met allerlei Insecten, eenige eten bovendien nog verscheidene kleine Gewervelde Dieren. Alle zijn in de hoogste mate vraatzuchtig en maken zich daarom zeer verdienstelijk als beschermers van onze wouden. Met de behendigheid van een Valk of van een Zwaluw zwerven zij nu eens op geringe, dan weer op grootere hoogten boven open ruimten, struiken en boomkronen, omzweven de boomen dikwijls met zeer bevallige zwenkingen en vangen in de vlucht de haar voorbij gonzende Insecten; ook zoeken zij deze wel van de bladen, halmen en zelfs van den grond op. Haar wijde bek stelt haar in staat om zeer groote Kevers te verzwelgen; juist de soorten, die door de andere Vogels verschoond worden, zijn het meest aan den aanval der Nachtzwaluwen blootgesteld. Haar jacht begint in den regel met het aanbreken van den nacht, wordt na eenige uren afgebroken, vóór de morgenschemering hervat, maar houdt op, voordat de zon aan den hemel verschijnt; dan zoeken zij rust. Op dezen regel zijn echter uitzonderingen: sommige Amerikaansche soorten jagen niet zelden op klaarlichten dag; zij doen dit niet alleen in schaduwrijke bosschen, maar ook in de vrije natuur, te midden van den heldersten zonneschijn. De overige soorten rusten over dag: zij zitten of liggen lang uitgestrekt op het een of ander voorwerp, b.v. op een omgevallen stam, op den grond of op uitstekende rotspunten in donkere holen; zij drukken zich zoo plat tegen haar rustplaats aan, dat zij veel breeder schijnen dan hoog.

De Nachtzwaluwen hebben geen andere organen om zich op een flinke wijze voort te bewegen, dan hare vleugels; op de takken hechten zij zich met de klauwen vast, op den bodem liggen zij meer, dan zij zitten. Haar gang is een armzalig getrippel, dat zeer schijnt te vermoeien en nooit verder dan over een afstand van eenige meters wordt voortgezet. Haar wijze van vliegen is echter licht en sierlijk, behendig en bevallig.

Onder de zintuigen is waarschijnlijk dat van het gezicht het meest ontwikkeld, zooals de grootte der oogen reeds doet vermoeden; daarop volgen die van het gehoor en het gevoel.

De verstandelijke vermogens zijn gering, ofschoon waarschijnlijk niet in die mate als gewoonlijk aangenomen wordt. De slaapdronken Nachtzwaluw maakt een hoogst ongunstigen indruk en weet, als zij toevallig gevangen wordt, niets anders te doen dan bij het opensperren van den ontzaglijken bek een heesch geblaas te laten hooren; van een geheel andere zijde leert men haar kennen, zoodra zij wakker en druk bezig is. Hoewel zij gewoonlijk een dwaze nieuwsgierigheid en zeer dikwijls een verderfelijke argeloosheid toont, leert zij haar vijand spoedig genoeg kennen en neemt zelfs tot list haar toevlucht om zich of haar kroost aan zijne vervolgingen te onttrekken.

Een eigenlijk nest bouwen de Nachtzwaluwen niet; zij sleepen geen bouwstoffen aan en krabben niet eens een ondiepe holte uit in den kalen bodem, waarop zij hare eieren leggen. Het aantal eieren, waarop zij broeden, is steeds gering: bij de meeste soorten twee, bij vele niet meer dan één. Waarschijnlijk broeden alleen de wijfjes. Beide ouders toonen echter een levendige belangstelling in hun kroost en verdedigen het, zoo goed zij kunnen. In geval van nood worden, naar Audubon ons mededeelt, de eieren soms op een eigenaardige wijze in veiligheid gebracht: in den ontzaglijk grooten muil geborgen en naar een andere, veiliger plek van het woud vervoerd, waar de bebroeding wordt voortgezet. Bij alle ons bekende soorten verzorgen en verdedigen de ouders hunne jongen met zelfverloochenende liefde.

Weinige Nachtzwaluwen zijn geschikt voor de gevangenschap; wanneer men ze jong uit het nest neemt en haar aanvankelijk het voer in de keel stopt, is het volstrekt niet onmogelijk ze bij doelmatige verzorging geruimen tijd in de kamer of in de kooi in 't leven te houden.

Betrekkelijk gering is het aantal vijanden, die voor de Nachtzwaluwen gevaarlijk kunnen worden. De mensch vervolgt haar niet, zoodra hij haar heeft leeren kennen. In den regel worden deze Vogels echter niet gespaard uit waardeering van hun voor ons zoo nuttige werkzaamheid, maar veeleer, omdat men ze als geheimzinnige wezens beschouwt, welker dood noodlottige gevolgen kan hebben. Zoo denken de Indianen, de Mestiezen en de Negers van Middel-Amerika,--niet veel anders de Spanjaarden en vele Afrikaansche volksstammen. Onze boeren beschouwen deze onschadelijke dieren met wantrouwen, omdat zij van oordeel zijn, dat de Nachtzwaluwen met geen ander doel zulk een wijden bek hebben dan om de Geiten te melken.

Onze Nachtzwaluw, Geitenmelker, Dagslaper, Schapenmelker, Nachtratel, Ratelaar of Vliegende Pad (Caprimulgus europaeus), vertegenwoordigt het geslacht der Nachtzwaluwen (Caprimulgus), waarop over 't algemeen de hierboven gegeven beschrijving toepasselijk is. De romp is slank, de hals zeer kort, de kop groot en breed, de door groote baardborstels omgeven snavel zeer klein en kort, maar breed, aan den wortel smal, aan de spits, vóór de neusgaten, benedenwaarts gebogen; de vleugels zijn lang, smal en spits, de staart is recht afgesneden. De voeten zijn klein en laag, de middelste teen steekt ver voor de overige uit, draagt een langen, alleen aan den buitenrand getanden nagel en is tot aan het eerste gewricht door een spanvlies met den vorigen en den volgenden teen verbonden; de kleine, naar binnen gerichte achterteen is vrij. De bovenste helft van den loop is met kleine veertjes, de onderste helft met schildvormige hoornplaten bedekt. Een zeer wijd uitstaand en buitengewoon zacht vederenkleed, dat uit groote, zeer los in de huid bevestigde veeren samengesteld is, omhult den romp.

De totale lengte van de Nachtzwaluw bedraagt 26, de vlucht 55, de vleugellengte 19, de staartlengte 12 cM. De bovendeelen zijn aschgrauw met bruinzwarte en roestgele vlekken, strepen, stippels en golflijnen, de onderdeelen lichtgrijs met zwarte en donkerbruine streepjes en vlekken. Een streep boven het oog en een andere langs de mondspleet zijn witachtig. Het mannetje is licht te onderkennen aan een groote, witte vlek op het einde der beide buitenste staartpennen en aan de binnenvlag der groote slagpennen.

Deze Vogel is van het midden van Noorwegen af over geheel Europa en West-Azië verbreid. Hier te lande vindt men hem in boschrijke streken niet zelden, het meest op open plekken in naaldhoutbosschen. Hij blijft bij ons van Mei tot September; in den winter bezoekt hij alle landen van Afrika; daar hij, naar 't schijnt, eerst in het zuiden van dit werelddeel zich vestigt.

De eenige andere Europeesche soort--de Roodhalzige Nachtzwaluw (Caprimulgus ruficollis)--bewoont het zuidwesten van ons werelddeel en meer bepaaldelijk Spanje. Zij is aanmerkelijk grooter dan de bij ons inheemsche. Haar verbreidingsgebied schijnt tamelijk beperkt te zijn. Als broedvogel bewoont zij het Pyreneesche Schiereiland en het noordwesten van Afrika; op hare zwerftochten dwaalt zij echter ook wel af naar Malta en het zuiden van Frankrijk; zelfs heeft men haar in Engeland waargenomen.

De meest bekende, hoewel misschien niet de veelvuldigste Nachtzwaluw van Noord-Amerika is die, welke wegens zijne klagende geluiden Whip-poor-Will (Caprimulgus vociferus) wordt genoemd. Zij komt in grootte ongeveer met de inheemsche soort overeen, is over de oostelijke Vereenigde Staten verbreid en bezoekt in den winter Mexico en Zuid-Amerika.

Het geslacht der Sleepnachtzwaluwen (Scotornis) onderscheidt zich vooral door den zeer langen, trapvormigen staart, welks beide middelste pennen ver voorbij de overige uitsteken. Het omvat drie soorten, die in Afrika thuis behooren. Eén daarvan (Scotornis longicandatus), die van 19° N.B. af het grootste deel van Noordoost- en West-Afrika en het geheele binnenland van dit werelddeel bewoont, dwaalt soms naar Zuid-Europa af. Zij heeft een lengte van 40 cM., waarvan 25 op den staart komen.

Bij de Water-nachtzwaluwen (Hydropsalis), die uitsluitend in Zuid-Amerika voorkomen, is de staart van het mannetje zeer diep, die van het wijfje veel minder sterk gaffelvormig ingesneden. De mannelijke Liernachtzwaluw (Hydropsalis forcipatus) is 68 à 73 cM. lang omdat de buitenste staartveer aan weerszijden een lengte van 50 à 55 cM. heeft, en derhalve ongeveer drie maal zoo lang is als het eigenlijke lichaam. De grondkleur van het vederenkleed is donkerbruin met roestgele vlekken en strepen.

De Wimpelnachtzwaluwen (Cosmetornis) hebben een betrekkelijk korten staart, maar kenmerken zich door de vreemdsoortige ontwikkeling harer slagpennen. Van de eerste tot de vijfde nemen de handpennen in lengte af, de zesde is iets langer dan de vijfde, de zevende is even lang als de eerste, de achtste aanmerkelijk langer, de negende eindelijk bereikt een buitengewone lengte. De hier afgebeelde soort (Cosmetornis vexillarius) is een weinig grooter dan onze Nachtzwaluw en bewoont de keerkringslanden van Centraal-Afrika.

Tot hetzelfde gebied behoort de merkwaardigste van alle Nachtzwaluwen, de Viervleugelige Vogel der Arabieren (Macrodipteryx longipennis), die een afzonderlijk geslacht vertegenwoordigt. De snavel en de pooten verschillen weinig van die der overige soorten zijner familie; de vleugels en de staart vertoonen echter belangrijke afwijkingen van den regel. De staart is n.l. korter dan het overige lichaam, 10 cM. lang bij een totale lengte van 21 cM., aan de spits nagenoeg recht afgesneden. De vleugel van het mannetje kenmerkt zich door een zeer in 't oog vallende pronkveer, die bij het wijfje niet gevonden wordt. Deze veer ontspringt op de grensscheiding tusschen de hand- en armpennen, bereikt een lengte van 47 cM., bezit aan den wortel geen vlag en is aan de spits aan beide zijden van de schaft met een betrekkelijk breede, 16 cM. lange vlag voorzien, welke op zwarten grond zes breede, grauw gepoederde dwarsbanden vertoont. De bovendeelen van het vederenkleed zijn zwartbruin met een lichtere, uit stippels en vlekken bestaande teekening, de onderdeelen roestkleurig met donkere dwarsbanden.

Het verbreidingsgebied van dezen Vogel omvat vele gewesten van Middel- en West-Afrika.

Een levensbeschrijving van de hierboven kortelijk beschreven soorten kan in den grond van de zaak niets anders behelzen dan een nadere uitwerking van hetgeen vroeger reeds van de familie in 't algemeen werd medegedeeld. Zooals reeds gezegd is, behooren verreweg de meeste Nachtzwaluwen in het woud thuis, evenwel niet in het eigenlijke, donkere oerwoud: integendeel zij kiezen juist zulke bosschen tot woonplaats, waar groote, open plekken met dichter begroeide terreinen afwisselen. Afrika's steppenwouden, waar slechts hier en daar een boom of een struik staat, terwijl de bodem overigens met hoog gras begroeid is, moeten door de Nachtzwaluwen wel als een paradijs worden beschouwd; dit zou men althans kunnen afleiden uit haar buitengewone veelvuldigheid in deze streken. Ook de Zuid-Europeesche bosschen, die zeer dikwijls aan de bedoelde steppenwouden herinneren, zijn veel meer naar haar smaak dan onze meer dichte wouden. Bijna angstvallig vermijden zij onze uit breedbladerige boomen bestaande wouden, hoewel deze ongetwijfeld veel rijker zijn aan Insekten dan de naaldhoutbosschen, waarin zij den zomer doorbrengen. Op den trek verschijnen zij in wouden en tuinen; in het noorden zoeken zij echter uitsluitend de naaldhoutbosschen op om er te broeden.

Men mag aannemen, dat verreweg de meeste Nachtzwaluwen op den bodem rusten en zich slechts bij uitzondering op de twijgen neerzetten. Des nachts komt dit laatste bij alle soorten vaker voor dan over dag. Het is niet moeielijk de reden te vinden van de besliste voorliefde van de Nachtzwaluwen voor den vlakken bodem: zij stellen bepaalde eischen aan de twijg, waarvan zij gebruik zullen maken en verlangen, dat deze haar een in alle opzichten gemakkelijke rustplaats zal verschaffen. De Geitenmelker gaat alleen dan in den trant van andere Vogels op een twijg zitten, wanneer hij, uit zijn diepsten slaap opgeschrikt, tot een boom zijn toevlucht neemt; deze wijze van rusten bevalt hem echter zoo slecht, dat hij ten spoedigste een andere, gemakkelijkere plaats opzoekt. Gedurende den slaap sluit hij zijne groote oogen geheel; door zijn scherp gehoor wordt hij, naar het schijnt, te rechter tijd onderricht van een naderend gevaar. Dan kijkt hij, knipoogend als een Uil, tusschen de bijna gesloten oogleden door, tracht zich te vergewissen van de oorzaak der storing en vliegt daarna weg of drukt zich nog steviger en platter tegen den bodem aan, vol vertrouwen op de overeenkomst tusschen de kleur van zijn kleed en die van een oud stuk schors of van den grond.

De wijze waarop hij vliegt, is verschillend en hangt af van den tijd van den dag en den toestand van opgewondenheid, waarin de Vogel verkeert. Over dag is zijn vlucht fladderend, onvast en in zekeren zin onbeholpen, of ook wel ongeregeld; het is alsof een licht voorwerp door den wind plotseling opgeheven en door een luchtstrooming medegevoerd wordt om ten slotte weer op den bodem neer te storten. Geheel anders vliegt de Geitenmelker 's nachts. Zoodra het avondrood aan den westelijken hemel verdwijnt, vangen zijne jachttochten aan. Hij is kort te voren ontwaakt, heeft zich nog eenige minuten rustig gehouden en om zich heen gekeken en scheert nu over vlakten, waar weinig of geen boomgewas voorkomt, met aanvankelijk snelle, behendige, glijdende vlucht. Zoolang de jacht zijn eenige bedoeling is, zal hij nu eens zonder merkbare inspannig, gelijk een Zwaluw, in de lucht drijven en zweven, de weinig bewogen vleugels ongeveer even hoog houdend als een vliegende Wouw, dan weer door vlug opeenvolgende wiekslagen zijn snelheid vergrooten, met den meesten spoed vooruitschieten en toch met een behendigheid, welke die der Boerenzwaluw nabijkomt, allerlei zwenkingen maken. Af en toe blijft hij met snellen vleugelslag gedurende eenigen tijd onbeweeglijk boven dezelfde plek; in dit geval heeft het een of ander verschijnsel zijn aandacht getrokken en acht hij het noodig dit nader te onderzoeken. Zoo gaat het voort, totdat de jacht wegens de duisternis gestaakt moet worden. Daar onze Vogel een kolossaal groote prooi verzwelgt--Meikevers, Mestkevers en groote Nachtvlinders b.v. bij dozijnen doorslikt,--is zijn maag in den kortst mogelijken tijd gevuld. Hij gaat nu voor een poos rustig op een tak zitten om de spijs te verteren; de Kevers komen levend in zijn maag aan en bezwijken niet spoedig; zoodra zij dood zijn, en er dus weer plaats is voor een nieuwen voorraad voedsel, vangt een nieuwe jachttocht aan. Het beurtelings jagen en rusten wordt voortgezet gedurende den geheelen nacht, voor zoover deze niet te duister en te stormachtig is. Het drukst vliegen de Nachtzwaluwen in de morgen- en avonduren.

Het jachtveld van den Geitenmelker strekt zich dikwijls tot op grooten afstand van zijn eigenlijke woonplaats uit. Hij komt in Thuringen uit de naburige wouden in de dorpen, of vliegt er hoog over heen naar een ander woud, verschijnt in Spanje boven groote steden, b.v. boven Madrid, en keert 's morgens naar de omliggende tuinen terug, begeeft zich in Centraal-Afrika van de steppe naar de door menschen bewoonde oorden en zwerft hier dikwijls gedurende den halven nacht rond. In de nabijheid van menschelijke woningen zoowel als in het woud bezoekt de Nachtzwaluw gedurende hare nachtelijke uitstapjes met een zekere regelmatigheid bepaalde punten, om van hier uit een voorbijsnorrend Insect na te jagen, of om haar vreemdsoortig liefdesgezang te laten hooren. Niet zelden komt het voor, dat bijzondere gebeurtenissen haar nieuwsgierigheid prikkelen; het voorbijloopen van een Hond kan haar wel een kwartier bezig houden. Herhaaldelijk schiet zij dan, gelijk een Valk, op den viervoeter neer en vliegt om hem heen tot ver voorbij de grenzen van haar gebied. Menschen, die toevallig in de door haar bewoonde streek loopen, vervolgt zij eveneens dikwijls een tijd lang; zij vliegt in kleine kringen om hen heen en vergezelt ze tot aan de grenzen van het woud of nog verder.

Ook op de stompzinnig schijnende Nachtzwaluwen oefent de liefde haar toovermacht. Dat er een hevige strijd ontbrandt tusschen twee mannetjes, die naar de gunst van 't zelfde wijfje dingen, dat zij elkander aanvallen en zoo erg mogelijk toetakelen, is een te algemeen voorkomend verschijnsel om het ook hier uitdrukkelijk te noemen; wel moet ik echter vermelden, dat alle Geitenmelkers gedurende den paartijd merkwaardige bewijzen van bekwaamheid in 't vliegen geven. Ook de inheemsche soort levert door hare spelen in de lucht een aantrekkelijk schouwspel op. Elke beweging geschiedt in dezen tijd met meer vuur, schijnt vlugger, waardiger en koener. Iedere soort openbaart bij deze spelen eigenaardigheden; den meesten indruk maken echter, zooals licht te begrijpen is, de bewegingen van de Centraal-Afrikaansche en Zuid-Amerikaansche soorten, die een vreemdsoortigen vederentooi bezitten. Dit blijkt o.a. uit de beschrijving, die Russeger geeft van den vliegenden Viervleugel: "Indien ik een harem-opvoeding had gehad, zou ik het verschijnsel, dat wij in de lucht zagen, aan spokerij en duivelskunsten toegeschreven hebben, zoo wonderbaarlijk was dit schouwspel. De Vogel scheen veeleer door de lucht te wentelen dan te vliegen. Nu eens zag ik vier Vogels, dan weer drie, daarna twee, vervolgens was er maar één Vogel over, maar deze scheen vier vleugels te hebben; soms draaide het tooverdier als een hoepel om zijn as en werd zijn beeld vaag. De beide lange veeren, die wegens de dunheid van hare schaften een speelbal zijn van iedere luchtstrooming, bemoeielijken de vlucht; zij brengen door haar fladderen en heen en weer wapperen het genoemde gezichtsbedrog teweeg, vooral omdat de Viervleugel slechts in het bedriegelijke licht van de schemering vliegt en van nature een zeer ongeregelde en onzekere beweging heeft."

De stem van de Nachtzwaluwen is zeer verschillend. Van eenige soorten hoort men bijna niet anders dan een soort van gespin, andere brengen meer of minder welluidende tonen voort. Het geluid, dat onze Geitenmelker maakt, als hij over dag plotseling wordt opgeschrikt, is een zwak en heesch "dak dak," in tijd van gevaar een zwak en zacht geblaas, zooals dat van de Uilen.

Dat het geschreeuw van eenige Amerikaansche Nachtzwaluwen een zeer bijzonderen indruk maakt, valt niet slechts af te leiden uit het feit, dat de onontwikkelde bewoners van dit werelddeel deze Vogels schuwen, maar ook uit de zonderlinge namen, waarmede de meer beschaafde bevolking hen aanduidt. Schomburgk beschrijft op een schilderachtige wijze de stemmen van de bewoners van het oerwoud, die hoorbaar werden, zoodra het luide gezang, het uitbundig gelach van de kleurlingen, die den reiziger begeleidden, verstomden. "Op den vroolijken juichkreet volgden de doffe jammerklachten van verschillende soorten van Geitenmelkers, die, zittend op de dorre, boven den waterspiegel uitstekende twijgen van de boomen, die in de rivier gezakt waren, hunne steunende klaagtonen in den maneschijn lieten weerklinken. Zoo somber en huiveringwekkend zijn de doffe geluiden dezer dieren, dat ik de afkeer en vrees, die zij inboezemen, zeer natuurlijk vind. Geen Indiaan, geen Neger, geen Kreool van de kust zal een dezer Vogels durven schieten; de Indianen houden hen voor dienaren van den boozen geest Jabahoe en van diens toovenaars; de Negers beschouwen ze als boden van den geest Jumbo; de Kreolen meenen, dat het geschreeuw van de Nachtzwaluw het onfeilbaar voorteeken is van een sterfgeval in hun huis. De indruk, dien deze geluiden maken, wordt door Waterton in zijne "Reizen" op de volgende prettige wijze geschetst: "In het eene oogenblik klonk ons uit gindsche boomen of van den naburigen oever het klagende "ha-ha-ha-ha-ha-ha-ha" tegemoet, dat met een helderen, vollen toon begint en langzamerhand tot een wegstervende zucht afdaalt, kort daarna hoorden wij de met angstige haast uitgeschreeuwde vraag "Who-are-you, who-who-who-are-you?" (Wie ben-je, wie, wie, wie ben-je?), vervolgens weer het dof bevel "Work-away-work-work-work-away" (Werk door, werk werk werk door), terwijl in het volgende oogenblik een van het innigste verdriet getuigende stem mij smeekte "Willy-come-go, Willy-Willy-Willy-come-go" (Willem, kom, ga mee, Willem, Willem, Willem, kom, ga mee) en een andere klaagde: "Whip-poor-Will! Whip-whip-whip-whip-poor Will!" (Arme Willem slaan! slaan enz.) tot plotseling het krijschende geschreeuw van een Aap, die in zijn slaap gestoord of door een Tijgerkat overvallen werd, uit het duistere woud tot ons kwam."

Zelfs aan Vogels, die zich goed bewegen kunnen, biedt de nacht veel minder gelegenheid tot ontwikkeling van den geest dan de dag met zijn helder licht en velerlei afwisseling; bovendien en vooral krijgen zulke wezens den algemeenen vijand der dieren, den mensch, slechts zelden te zien. Dit maakt de nieuwsgierigheid van den Geitenmelker verklaarbaar. Ieder ongewoon verschijnsel trekt in de hoogste mate zijn aandacht; hij schroomt geen moeite om het nader te onderzoeken. In eenzame wouden komt hij bij den reiziger, die zich verlaat heeft en vliegt in kleine kringen om hem heen, of begeleidt hem vele minuten lang, ongetwijfeld met de bedoeling om beter bekend te worden met een wezen, dat hem zoo zelden onder de oogen komt. Nog meer wordt zijn nieuwsgierigheid geprikkeld door het plotseling ontsteken van licht. Niet slechts de Sleepnachtzwaluw, maar al zijne verwanten worden door het kampvuur aangelokt en zwermen er op de vreemdsoortigste wijze omheen. Door een schot worden zij letterlijk overbluft, al heeft het geen hunner getroffen. Zij staken dan plotseling hun tocht en blijven, onbekend als zij zijn met de gevaarlijkheid van het vuurwapen, met snellen vleugelslag onbeweeglijk boven dezelfde plek zweven, om de beteekenis na te gaan van het voorval, dat zooeven plaats had. Dat zij zich op deze wijze nogmaals blootstellen aan het gevaar van doodelijk getroffen te worden, komt hun niet in de gedachte: zij missen de hiervoor noodige ervaring. Wanneer echter één van de leden van een paar gevallen is, neemt het andere zich gewoonlijk wel in acht; ook zij worden door de ervaring wijs.

Naar het schijnt, broeden alle Geitenmelkers slechts éénmaal in 't jaar. In verband met de ligging der door hen bewoonde landstreken geschiedt dit op verschillende tijden, in den regel n.l., wanneer het daar lente is. Na de paring en zoodra ieder paar een bepaald gebied als woonplaats gekozen heeft, legt het wijfje op de plaats, die zij het veiligst acht, twee eieren op den grond. Bij voorkeur legt zij ze onder struiken, welker twijgen tot op korten afstand van den bodem reiken, maar ook wel op een met mos begroeiden boomstronk, in een graspol en op dergelijke plaatsen, in den regel daar, waar men ze niet licht zal zoeken. Onze Geitenmelker schijnt met bijzondere voorliefde plekjes uit te kiezen, waar fijne spanen van een afgehouwen boom, stukjes schors, afgevallen naalden en dergelijke voorwerpen liggen. Een nest bouwen zij nooit; op de plaats waar zij broeden zullen, brengen zij niet de geringste verandering aan. Beide ouders toonen een innige genegenheid voor hun gebroed en nemen waarschijnlijk ieder hun deel van de zorgen, die het vereischt. De broedende Geitenmelker maakt, bij dreigend gevaar van de gewone list van zwakke Vogels gebruik: over den bodem voortfladderend, alsof hij verlamd is, beijvert hij zich om de aandacht van den vijand te trekken, lokt hem steeds verder van het nest weg en stijgt dan plotseling omhoog om in snelle vlucht weg te vliegen en naar zijn nest terug te keeren. Als men bedaard en zoo veel mogelijk zonder beweging te maken, in de nabijheid van de gevonden eieren blijft zitten, ziet men het wijfje na verloop van geruimen tijd terugkomen, op eenigen afstand van de eieren zich nederzetten en voorzichtig, vol argwaan rondkijken. Eindelijk ontdekt of herkent zij den spionneerenden mensch, kijkt hem nogmaals oplettend aan, denkt even na en begint eindelijk zich te bewegen. Met waggelenden gang voorttrippelend, nadert zij hoe langer hoe meer den rustverstoorder, komt eindelijk dicht bij hem en begint, met het doel om hem verschrikt te maken en te verjagen, te blazen en de veeren op te zetten. Deze gebaren zijn zoo vermakelijk, zoo onverwacht, dat E. von Homeijer, aan wien ik de mededeeling van dit feit te danken heb, nooit verzuimde om aan de dierenliefhebbers onder zijne gasten dit verrukkelijke schouwspel te verschaffen, door hen naar de eieren van een in zijn tuin broedende Nachtzwaluw te brengen, die hij onder zijne bescherming had genomen.

Audubon heeft bij een soort van Nachtzwaluw opgemerkt, dat de ouders, zoodra het nest ontdekt wordt, hunne eieren en hunne kleine jongen naar een ander gedeelte van het woud dragen; het is niet onmogelijk, dat alle overige Geitenmelkers op dezelfde wijze te werk gaan. Het wegsleepen van de eieren heeft trouwens alleen dan plaats, als zij door een mensch aangeraakt zijn; de Vogel blijft rustig zitten broeden als de persoon, die het nest ontdekte, weer weggegaan is zonder de eieren aan te raken.

Het is mogelijk, maar tamelijk moeielijk, jong uit het nest genomen Geitenmelkers groot te brengen. De uitkomst is gunstig, wanneer men ze niets anders dan Nachtvlinders en Kevers voert; de jongen sterven echter na korten tijd, wanneer men ze uitsluitend Vliegen geeft. Zij houden wel van warmte, maar niet van zonneschijn: als zij vóór het venster in de zon gezet worden, kruipen zij altijd naar de plaatsen, waar de schaduw van de raamposten valt en vleien zich hier neder.

Niet alleen onze Geitenmelkers, maar de Nachtzwaluwen in 't algemeen doen nimmer schade aan de menschelijke huishouding en bewijzen daarentegen zeer belangrijke diensten; zij verdienen daarom overal en te allen tijde onze bescherming. Ieder die de zeden en gewoonten van deze dieren uit eigen ervaring heeft leeren kennen, zal van hen houden. Van al het kwaad, dat hun ten laste wordt gelegd, is geen woord waar.

De in Zuid-Amerika levende Reuzen-nachtzwaluwen (Nyctibius) hebben een buitengewoon grooten kop met een tot onder het oor reikende mondspleet; zij kunnen dus den bek zeer wijd openen; de bovensnavel is aan de spits sterk haakvormig omgebogen en onmiddellijk daarachter aan elken zijrand met een ruim 2 mM. lang, hoekig uitsteeksel voorzien. Men ziet niet veel van het hoornachtige deel van den snavel, omdat deze grootendeels bevederd is: de bovensnavel tot aan de neusgaten, de ondersnavel tot dicht bij de spits. De vleugels zijn lang en spits; de staart is betrekkelijk lang en aan den top flauw afgerond, het vederenkleed goed gevuld, zacht en los. De pooten zijn kort, de teenen slank, de nagels matig groot en een weinig gekromd; de middelste heeft een scherpen, uitstekenden buitenrand, welke echter niet kamvormig gekorven is, zooals bij de meeste Nachtzwaluwen.

De grootste soort, die door de Guaranen Ibijau ("Aard-eter") wordt genoemd (Nyctibius grandis), heeft de grootte van een Raaf (totale lengte 55, staartlengte 27, vlucht 55 cM.). Zij wordt, naar het schijnt, in alle wouden van Zuid-Amerika gevonden; zoowel in Cayenne als in Paraguay heeft men er exemplaren van gevangen. Waarschijnlijk is zij niet zoo zeldzaam, als men gewoonlijk aanneemt; het kost echter moeite haar te ontdekken, daar zij over dag altijd in de dicht belommerde kroon van een hoogen boom zit, lang uit tegen een dikken tak aangedrukt. Vertrouwend op haar beste beveiligingsmiddel, op de kleur van haar kleed, welke op die van boomschors gelijkt, beweegt zij zich niet, hoeveel moeite men zich ook geeft om haar op te jagen. In de schemering daarentegen is zij niet minder vlug en behendig dan hare verwanten. "In de onbeschrijfelijk aangename maneschijn-nachten van de heete landen," schrijft de Prins Von Wied, "is het dikwijls zoo helder licht, dat de jager op grooten afstand de voorwerpen duidelijk kan onderscheiden. In zulke nachten ziet men de Ibijaus op groote hoogte als adelaars voortzweven en groote afstanden doorvliegen, zich bezig houdend met de vangst van groote Avond- en Nachtvlinders. Er zijn in Brazilië een menigte zeer groote Vlinders, die slechts door een geweldig grooten bek verzwolgen kunnen worden; deze Vlinders hebben in de Reuzen-nachtzwaluw hun vreeselijksten vijand en worden door haar in grooten getale verslonden. De overblijfselen van deze maaltijden--de vlindervleugels, die niet mede doorgeslikt worden--vindt men dikwijls in groote menigte in de wouden op den grond."

In diepe rotsholen en rotsspleten van de middelste gedeelten van Amerika leeft een merkwaardige Vogel, die, wat gestalte en andere uiterlijke kenteekenen betreft, een zeer groote overeenkomst vertoont met de Nachtzwaluwen; vooral met de reuzen dezer familie, maar er toch in allerlei opzichten zoo zeer van verschilt, dat men hem als het type van een afzonderlijke familie--die der Vetvogels (Steatornidae)--beschouwt.

De Vetvogel, de Guacharo der Venezuelanen (Steatornis caripensis), bereikt een lengte van 55 en een vlucht van 110 cM. Zijn romp is zeer slank, de kop breed, de snavel langer dan breed en tamelijk hoog langs den rug sterk boogvormig naar beneden gekromd en in een uitstekende, overhangende spits uitgetrokken; achter dezen haak is de zijrand van den bovensnavel met een hoekig uitsteeksel voorzien; de ondersnavel is aan den wortel boogvormig buitenwaarts gekromd, aan de samengedrukte spits scheef afgeknot; de pooten zijn zeer krachtig, de loop is kort en naakt, niet met schilden bekleed, slechts half zoo lang als de middelste teen. De staart is aanmerkelijk korter dan de vleugels, sterk afgerond en uit stijve, aan het einde breede veeren samengesteld; ook de overige veeren zijn hard en stijf, die van de teugelstreek vervormd tot lange borstels, die voorbij den snavel uitsteken, zoodat het gezicht als bij de Uilen met een sluier omgeven is. Kleine, borstelige veeren bedekken voorts het ooglid en beschutten het groote, halfbolvormige oog. Onder de huid bevindt zich een vetlaag; ook de ingewanden zijn met veel vet omgeven. De veeren hebben een fraaie, kastanjebruine kleur; de teekening bestaat op de bovendeelen uit zeer onduidelijke stippels, op mantel, schouders en armpennen uit donkere dwarslijnen, op de onderzijde, de vleugels en de bovendekveeren van den staart uit duidelijke, lancetvormige, geelachtig witte vlekken op het midden van de schaft; deze worden op de middelste bovendekveeren van den vleugel en aan den buitenrand van de beide eerste armpennen grooter en nemen een meer droppelvormige gedaante aan. De staartveeren hebben smalle, zwarte dwarsbanden, de beide zijdelingsche een reeks van witte vlekken langs den buitenzoom. De iris is donker-, de snavel roodachtig bruin, de poot bruinachtig geel.

Alexander von Humboldt nam den Guacharo waar in het jaar 1799 in het groote rotshol van Caripe; latere reizigers vonden hem echter ook in andere donkere rotskloven of holen, die in de Andes zoo veelvuldig voorkomen. De berichten over de levenswijze van dezen Vogel zijn tamelijk uitvoerig; er blijft echter nog veel in over, dat opheldering vereischt. Zeker is het, dat geen andere bekende Vogel in levenswijze met hem overeenstemt.

"In een land, waar het wonderbaarlijke zooveel belangstelling wekt," zegt Von Humboldt, "is een hol, waaruit een stroom ontspringt en waarin duizenden van nachtvogels leven, welker vet in de missie's" (zendingsposten) "voor de spijsbereiding wordt gebruikt, natuurlijk een onuitputtelijke bron van gesprekken en redetwisten. Dit hol, dat door de inboorlingen een vetgroeve wordt genoemd, ligt niet in het eigenlijke dal van Caripe, maar krap 3 mijlen in westzuidwestelijke richting van het klooster verwijderd. Het mondt uit in een zijdal, dat naar de Sierra de Guacharo gericht is.

"Aan den voet van den Guacharo-berg kan men het hol, van welks ingang men dan slechts 400 schreden verwijderd is, nog niet zien. De beek, welker oever men volgt, vloeit door een ravijn, dat door het water is uitgespoeld en gaat onder een overhangende rotsmassa door, zoodat men den hemel in 't geheel niet ziet. De weg maakt dezelfde slingeringen als de stroom en bij de laatste bocht staat men plotseling voor de verbazend groote opening van het hol. Dit schouwspel maakt een grootschen indruk, zelfs op hen, die met de schilderachtige landschappen van de hooge Alpen bekend zijn; daar de weelderige, tropische plantengroei aan den ingang van zulk een spelonk een zeer eigenaardig voorkomen verschaft. De opening van het Guacharo-hol bevindt zich in een loodrechten rotswand. Zij is naar 't zuiden gekeerd, 25 M. breed en 22 M. hoog. Op de rotsen boven de grot staan reusachtige boomen; de mamea- en genipa-boomen met hunne breede, glanzige bladen richten de takken loodrecht omhoog, terwijl die van den courbaril en van den erythrina zich zijwaarts uitspreiden en een dicht, groen gewelf vormen. Pothos-soorten met saprijke stengels, oxalideeën en orchideeën van vreemdsoortig maaksel groeien in de dorste rotsspleten, terwijl slingerplanten, door den wind bewogen, zich voor den ingang van het hol tot guirlandes ineenvlechten. Welk een tegenstelling tusschen dit hol en de spelonken in het noorden, die door eiken en sombere lorken overschaduwd zijn!

"Deze heerlijke plantengroei versiert niet alleen de buitenzijde van het gewelf, maar strekt zich zelfs tot in het voorportaal van het hol uit. Met verbazing zagen wij de oevers van de beek, ook daar waar zij onder den grond vloeit, omzoomd door 6 M. hooge, prachtige heliconiën met pisangvormige bladen, door praga-palmen en boomachtige aroïdeën. De plantenwereld bereikt in het hol van Caripe, gelijk ook in de diepe rotsspleten van de Andes, alle plaatsen waar nog schemerlicht heerscht. Zij strekt zich uit tot op 30 of 40 schreden afstands van den ingang. Wij maten den weg met een touw en waren ongeveer 150 M. ver gegaan, vóórdat het noodig was de fakkels aan te steken. Het daglicht dringt zoo ver door, omdat het hol slechts uit één gang bestaat, die steeds in dezelfde richting van het zuidoosten naar het noordwesten voortloopt. Daar, waar het daglicht begint te verdwijnen, hoort men het heesche geschreeuw van de nachtvogels, die, volgens de meening van de inboorlingen, nergens anders wonen dan in deze onderaardsche ruimten.

"Bezwaarlijk kan men zich een denkbeeld vormen van het vreeselijke getier, dat door deze duizendtallen van Vogels in de donkere, binnenste ruimte van het hol voortgebracht wordt. Het laat zich slechts vergelijken met het geschreeuw van de Kraaien, die in de naaldhoutbosschen van het noorden gezellig leven en op boomen nestelen, welker kronen elkander aanraken. Het gillende, doordringende geschreeuw van den Guacharo wordt door het rotsgewelf weerkaatst en komt uit de diepten van het hol als echo terug. De Indianen toonden ons de nesten van de Vogels door fakkels te binden aan een langen stok. Zij bevonden zich in trechtervormige gaten, die 20 à 23 M. boven onze hoofden in grooten getale in het gewelf voorkomen. Hoe verder men zich in het hol begeeft, des te grooter is het aantal Vogels, die door het licht der kopalfakkels opgeschrikt worden, en des te sterker weerklinkt hun getier. Wanneer het voor een paar minuten in onze omgeving rustiger werd, hoorden wij in de verte het klagend geschreeuw der Vogels, die in andere vertakkingen van het hol nestelden. De troepen losten elkander bij 't schreeuwen geregeld af.

"De Guacharo verlaat het hol bij 't aanbreken van den nacht, vooral wanneer de maan schijnt. Hij vreet zeer harde zaden; de Indianen beweren, dat hij zoomin op Kevers als op Nachtvlinders jacht maakt; men heeft trouwens slechts den snavel van den Guacharo met dien van den Geitenmelker te vergelijken, om te zien, dat beider levenswijze verschillend moet zijn.

"Ieder jaar tegen St. Jan gaan de Indianen met stokken gewapend in de Cueva del Guacharo en vernielen er de meeste nesten. Bij ieder bezoek slaan zij verscheidene duizenden jongen dood; intusschen vliegen de oude Vogels, alsof zij hun kroost willen verdedigen, met vreeselijk geschreeuw rondom de hoofden hunner vijanden. De jongen, die op den grond vallen, worden onmiddellijk van de ingewanden ontdaan. Hun buikvlies is sterk met vet doorgroeid; een vetlaag, die van het onderlijf naar de aarsstreek loopt, vormt tusschen de pooten van den Vogel een soort van knobbel. Dat zaden etende Vogels, die niet aan het daglicht blootgesteld zijn en hunne spieren weinig gebruiken, zeer vet worden, herinnert aan de overoude ervaringen bij het mesten van Ganzen en ander vee; men weet, hoe zeer dit door duisternis en rust bevorderd wordt. De Europeesche nachtvogels zijn mager, omdat zij niet, zooals de Guacharo, van vruchten, maar van de schrale opbrengst van hun jacht leven. Ten tijde van de "vetoogst," gelijk men in Caripe zegt, bouwen de Indianen hutten van palmbladen voor zich aan den ingang of in het voorportaal van het hol. Wij zagen er nog de overblijfselen van. Hier wordt het vet van de jonge, pas gedoode Vogels boven het vuur uitgesmolten en vervolgens in steenen potten gegoten. Het is half vloeibaar, helder en reukeloos en zoo zuiver, dat men het langer dan een jaar bewaren kan, zonder dat het rans wordt. In de kloosterkeuken te Caripe wordt geen ander vet gebruikt dan dat uit het hol en wij hebben niet opgemerkt, dat de spijzen er eenige onaangenamen reuk of smaak door verkregen."

Grosz bezocht de kloof van Icononzo in Nieuw-Granada, die een zandsteenrots doorklieft; zij is ongeveer 800 M. lang en 10 à 12 M. breed; op een diepte van 80 à 100 M. bruischt er een wilde bergstroom door. In den duizelingwekkenden afgrond, welks wanden het woeste getier van den stroom met doffen toon weerkaatsen, onmiddellijk boven de met razenden spoed voortschietende golven, wonen eveneens Guacharos. Grosz liet zich aan een touw naar beneden zakken, kreeg vasten voet op een smalle, vooruitstekende rotspunt en werd onmiddellijk aangevallen door een ontzaglijk aantal nachtvogels, die hunne nesten wilden verdedigen. De spookachtige dieren zwierden zoo dicht om den onderzoeker heen, dat zij hem in 't voorbijvliegen met de vleugelspitsen aanraakten; het geschreeuw van de honderden en duizenden bewoners der kloof was letterlijk oorverdoovend.

Göring, die verscheidene dergelijke holen bezocht en de levenswijze der daarin wonende Vogels op aanschouwelijke wijze beschreven heeft, zegt o.a.: "Humboldt schrijft met het volste recht, dat het aantal dezer Vogels niet vermindert; de reden hiervan is, dat eenige van de holen, waarin zij broeden, voor den mensch ontoegankelijk zijn. Dit zijn die, welke ik met de Chakmas opgezocht heb om ze te teekenen. Zij bevinden zich ten zuidoosten van Caripe, in de gebergten van Terezen en Punceres. De afbeelding, die ik met het grootste genoegen voor "het Leven der Dieren" geteekend heb, stelt den ingang van het zoogenaamde Kleine Hol voor.

"Het is inderdaad zeer moeielijk om deze holen te bereiken. Geen weg leidt door het weelderige oerwoud, dat de bergen met hunne tallooze ravijnen bedekt. Van Caripe zijn de holen in rechte lijn nauwelijks meer dan 6 uur gaans verwijderd; wij hadden echter twee volle dagen noodig om tot de Rio Arcacuar door te dringen. Reeds op den eersten avond, dien wij in het woud doorbrachten, hoorden wij het geschreeuw der Guacharos. Zoodra de schemering aanving, zwermden zij uit. Hoog boven de kronen der reusachtige boomen van het dichte woud verhieven zij zich en vervulden de lucht met hun geschreeuw, dat door de echo der ravijnen en dalen van het gebergte duizendvoudig weerkaatst, ons akelig in de ooren klonk. Het gelijkt op kraaiengeschreeuw, maar is veel luider en krijschender; het aanhoudende snavelgeklepper, dat er mede gemengd is, draagt er veel toe bij om den huiveringwekkenden indruk van dit concert te vergrooten. Op een avond bij helderen maneschijn waren waarschijnlijk duizenden Guacharos uit hunne onderaardsche woningen naar het woud getogen; want het geschreeuw groeide aan tot zulk een ontzettend getier, dat alle andere stemmen van nachtdieren daarnevens in 't niet verzonken en wij een gewaarwording kregen, alsof erboven onze hoofden in de lucht een vreeselijke strijd werd uitgevochten. Eerst langzamerhand verminderde het helsche rumoer, omdat de Vogels, naar het scheen, op de boomkronen neerstreken om hier vruchten te zoeken. Ik meen althans te mogen aannemen, dat de Guacharo alleen gedurende het vliegen zijn stem laat hooren.

"De nesten, die ik gezien heb, hadden meer of minder den vorm van een hoop drogen koedrek en waren donkerbruin van kleur. Voor hun samenstelling was gebruik gemaakt van de losse aarde van den bodem van het hol en van zaden ter grootte van een duivenei, die door de Guacharos weer uitgebraakt worden. De vorm van de nesten hangt natuurlijk af van die der spleten, kuilen en holten, waarin de Vogels ze bouwen. Dat de Guacharos ook op het eiland Trinidad voorkomen, is bekend; van hunne onderaardsche woningen aan de bergachtige noordkust wil ik alleen nog vermelden, dat de ingangsopeningen voor een deel aan de zeezijde gelegen zijn."

De Uilzwaluwen (Podargidae) hebben een slank lichaam, een korten hals, een breeden en platten kop, betrekkelijk korte en stompe vleugels, een langen staart, krachtige en betrekkelijk lange pooten. De snavel gelijkt slechts in zoover op die der Nachtzwaluwen, dat de mondspleet zeer ver achterwaarts verlengd is, n.l. tot achter de oogen; in ieder ander opzicht verschilt hij er van. Hij is groot, plat, aan den wortel zeer breed, breeder dan het voorhoofd, aan de spits haakvorming gebogen en geheel en al hoornachtig; de beide kaken zijn ongeveer even lang, glad, d. w. z. ongetand, aan de randen onbevederd; de neusgaten zijn niet op het midden, maar dicht bij den wortel van den bovensnavel gelegen en gedeeltelijk onder de veeren van het voorhoofd verborgen. De loop, hoewel kort, is veel langer dan bij de Nachtzwaluwen; drie teenen zijn naar voren, één teen is voortdurend naar achteren gericht. Het vederenkleed is somber van kleur en zacht, zooals bij de meeste Geitenmelkers; de veeren aan den snavelwortel, bij eenige soorten ook die van de oorstreek, zijn borstelvormig.

Alle thans bekende soorten bewonen de wouden van Zuid-Azië en Australië, eenige de vastelanden, andere de groote eilanden van dit gebied. De levenswijze dezer Vogels is nog zeer onvoldoende bekend. Daar echter ook de soorten in dit opzicht onderling verschillen, is het geven van een algemeen overzicht niet wel mogelijk.

De Reuzen-uilzwaluw (Podargus australis), die wij de waardigste vertegenwoordiger van haar geslacht mogen noemen, heeft de grootte van een Kraai. Haar vederenkleed heeft een bruine grondkleur, grijsachtig wit en donkerbruin gesprenkeld. "Deze nachtvogels," zegt Gould, "die in Australië zeer talrijk zijn, schijnen bestemd om de te sterke vermeerdering van de Boom-sprinkhanen tegen te gaan. Zij trachten hun prooi niet door behendige en vlugge vleugelbeweging te verkrijgen, maar zoeken haar eenvoudig van de twijgen af. Als zij 's nachts niet bezig zijn met het vangen van haar prooi, zitten zij op open plaatsen, op boomwortels, hekken of daken, ook wel op de grafsteenen der kerkhoven; haar aanwezigheid wordt daarom door bijgeloovige lieden als een voorteeken van een sterfgeval beschouwd; tot het ontstaan van dit vooroordeel heeft haar onaangenaam stemgeluid veel bijgedragen."

De Reuzen-uilzwaluw is een der algemeenste Vogels van Nieuw-Zuid-Wales; haar levenswijze is dus gemakkelijk na te gaan. "Zij is slaperiger en moeielijker te wekken dan eenig ander dier. Zoolang de zon schijnt, rust zij slapend op een tak, het lichaam vast er tegen aangedrukt, de hals samengetrokken, de kop tusschen de schouderveeren verborgen, het geheele lichaam zoo onbeweeglijk, dat het meer op een knoest van een tak dan op een Vogel gelijkt. Ik moet uitdrukkelijk op den voorgrond stellen, dat het altijd dwars gericht is ten opzichte van den tak. De Reuzen-uilzwaluw zit zoo stil en haar sombere kleur stemt zoo volkomen overeen met de kleur en de teekening van de schors, dat er eenige oefening noodig is om dezen Vogel op klaarlichten dag op te merken, hoewel zij zich gewoonlijk in 't geheel niet verbergt, maar zich op takken ophoudt, die geen twijgen dragen."

De Reuzen-uilzwaluw slaapt zoo vast, dat men van een paar dezer Vogels, die naast elkander op een tak zitten, er een uit den boom kan schieten, zonder dat de andere zich verroert.

Geheel anders gedraagt deze Vogel zich, als de nacht invalt. Zoodra de schemering begint, ontwaakt hij uit zijn slaap, rekt zich, brengt zijne veeren in orde en begint rond te zwerven. Nu is hij juist het tegendeel van 't geen hij over dag was; levendig, bij de hand, bedrijvig, vlug en behendig in al zijne bewegingen, ijverig bezig met het zoeken van zijn voedsel. Snel rept hij zich voort over de twijgen en pikt de Sprinkhanen en Cicaden op, die zich juist ter ruste hebben begeven; als een Specht hamert hij ('s winters althans) met den snavel tegen de schors, om de daaronder verborgen Insecten te voorschijn te brengen; soms sluipt hij zelf in holten van boomen om ook hier voedsel te zoeken. Een bijzonder goede vlieger is hij niet; zijn vlucht is kort en afgebroken, zooals de betrekkelijk korte vleugels reeds kunnen doen vermoeden. Dat deze organen niet ongeschikt zijn voor het gebruik, blijkt nog het best bij 't begin van de avondschemering; dan vliegen de Vogels paarsgewijs voor hun vermaak van den eenen boom naar den anderen. Zoodra het werkelijk nacht wordt, komt er een einde aan dit spel. Dan houden zij zich op de reeds genoemde wijze, gewoonlijk evenwel slecht een paar uren lang, in de boomkroon met de jacht bezig, uitsluitend loopend over de takken, die zij één voor één afzoeken. Eenige uren vóór het aanbreken van den dag gaan zij ten tweede male op de jacht, gelijk ook de Geitenmelkers doen. In donkere nachten echter blijven zij rustig op denzelfden tak zitten.

De stem van het mannetje is luid en onaangenaam; zij herinnert eenigszins aan het geluid der Duiven. Zij wordt natuurlijk het meest gehoord in den voortplantingstijd, die in Juli of Augustus aanvangt; dan hebben er soms hevige vechtpartijen tusschen de mannetjes plaats. In September bouwen het mannetje en het wijfje gezamenlijk een nest in den hoek van een gevorkten, horizontalen boomtak, 1,5 à 2 M. boven den grond. De beide ouders broeden om beurten op de 2 à 4 witte eieren: het mannetje gewoonlijk 's nachts, het wijfje over dag. Naar het schijnt, houdt alleen het mannetje zich bezig met het voederen der jongen, terwijl het wijfje de jongen met haar lichaam bedekt om ze tegen de zonnestralen en andere nadeelige invloeden te beschutten. Wanneer de jongen hiervoor te groot geworden zijn en het nest al te veel aan de zonnehitte is blootgesteld, worden zij door de ouders opgenomen en in een hollen boom gebracht. Deze zorgvuldigheid verdient vermelding, omdat de oude Vogels zich op hunne slaapplaatsen volstrekt niet om het weer bekommeren. In het begin van November verlaten de jongen het nest, maar blijven waarschijnlijk nog lang in het gezelschap van hunne ouders.

Jong uit het nest genomen Reuzen-uilzwaluwen worden spoedig mak, herkennen haar verzorger, gaan op zijn hoofd zitten, kruipen in zijn bed, verjagen hieruit ook wel andere dieren en veranderen na verloop van eenigen tijd hare gewoonten zoozeer, dat zij zelfs over dag eten. Zulke gevangenen zijn herhaaldelijk naar Europeesche diergaarden gebracht; de eerste in 1862 naar Londen, de tweede in 1863 naar Amsterdam. Zij verzwelgen haar buit in zijn geheel, zelfs een groote Muis of een dikke Musch. Het doorslikken heeft zeer langzaam plaats: van de Muis blijft de spits van den staart dikwijls een half uur lang buiten den bek zichtbaar.

De Sluier-uilzwaluw (Aegotheles novae-hollandiae) herinnert door haar grootte en uiterlijk aan onzen Steenuil. Zij is 25 cM. lang. Gould heeft haar levenswijze nagegaan. In geheel Zuid-Australië en Tasmanië is zij standvogel; zij bewoont zoowel het kreupelhout van de kust als de schaars met boomen bezette gedeelten van de wouden in het binnenland. Hare gewoonten herinneren evenzeer aan die der Steenuilen als aan die der Nachtzwaluwen. Over dag houdt zij zich schuil in holten van boomen, vooral in stammen van eucalypten; hier verbergt zij zich zoo voortreffelijk, dat men niets van haar kan zien. Een zonderlinge gewoonte, die haar eigen is, maakt het mogelijk haar te vinden. Zoodra er geklopt wordt tegen den stam, waarin zij zich bevindt, klimt zij zoo spoedig mogelijk naar den ingang van haar hol en steekt den kop er buiten, om de oorzaak van de storing te leeren kennen. Als zij zich veilig acht, keert zij naar haar slaapvertrek terug en blijft hier rustig zitten, totdat er een nieuwe stoornis plaats grijpt. Zoodra er echter volgens haar oordeel gevaar bestaat, vliegt zij naar een anderen schuilhoek, gewoonlijk naar een tweeden hollen boom, niet zelden echter in de dichte kroon. Zij bouwt geen eigenlijk nest; maar legt hare 4 of 5 rondachtige en zuiver witte eieren op vermolmd hout in de holte van een boom.

De laatste rang in de orde der Boomvogels wordt ingenomen door de Scharrelaarachtigen (Coraciidae), een kleine, ruim twintig soorten omvattende familie, welker verbreiding zich tot het oostelijk halfrond bepaalt. Het zijn tamelijk groote Vogels, die meestal met bonte kleuren prijken. Hun snavel is middelmatig lang, stevig, recht, aan den wortel eenigszins verbreed, nader bij de spits samengedrukt, met scherpe zijranden voorzien, de spits van de bovenkaak over die van de onderkaak heengebogen. De korte pooten hebben een zwakken loop en korte teenen. De vleugels zijn tamelijk breed en middelmatig lang of lang; de staart is in den regel eveneens middelmatig lang, aan den top recht afgesneden of flauw afgerond, soms ondiep gaffelvormig; bij enkele soorten steken de beide buitenste stuurpennen ver voorbij de overige uit. Het vederenkleed is sterk verdeeld, maar ruig en wreed; de schaften van de veeren zijn stijf, de baarden glad, maar los aaneengesloten. Groen, blauw, kaneelbruin of wijnrood zijn de heerschende kleuren. In dit opzicht bestaat er tusschen de beide seksen slechts weinig, tusschen de jongen en de ouden geen belangrijk verschil.

De keerkringslanden van de Oude Wereld moeten beschouwd worden als het eigenlijke vaderland van de Scharrelaars. Een voorwaarde voor hun verblijf is de aanwezigheid van hooge, eenzaam staande boomen of rotswanden, rotspunten en onbewoonde gebouwen, van waar zij een ruim uitzicht hebben en welker holen en spleten hun geschikte nestplaatsen bieden. Hier zetten zij zich gewoonlijk neder en bespieden zorgvuldig hun geheele gebied. Op dezelfde wijze als de Vliegenvangers en Bijeneters maken zij ieder voorbijvliegend Insect buit, voor zoover het niet al te klein is; een onvoorzichtig over den grond loopend muisje, een Hagedis of een ander klein Reptiel wordt ook niet versmaad. Hoewel de Scharrelaars waarschijnlijk aan dierlijk voedsel de voorkeur geven, eten zij in sommige tijden van 't jaar bovendien nog vruchten.

Alle Scharrelaars zijn onrustige, niet lang op dezelfde plaats vertoevende Vogels. Hun behendige, snelle en buitengewoon losse wijze van vliegen onderscheidt zich in hooge mate door allerlei vreemdsoortige lichaamsbewegingen, b.v. door merkwaardige buitelingen. Hun stem is een onaangenaam, grof geluid, dat vrij nauwkeurig overeenkomt met den hieraan ontleenden Duitschen naam van deze Vogels ("Rak").

Zoolang het vogelenpaar jongen te verzorgen heeft, blijft het in een bepaald oord; vóór en na den broedtijd zwerft het rond. Het nest wordt op zeer verschillende plaatsen, doch steeds op dezelfde wijze gebouwd. De soort, die ook in ons land enkele malen buiten den broedtijd verdwaalt, broedt o.a. in Duitschland in holle boomen, hetgeen aanleiding gegeven heeft tot de onderstelling, dat niet alleen hare vertegenwoordigers, maar ook die van alle overige soorten, in holle boomen nestelen; thans weet men echter, dat het nest even dikwijls, zoo niet vaker, in gaten van muren, rotsspleten of zelfs in holen van steile aarden wanden en in gebouwen te vinden is. Het is zeer slordig, van halmen, wortels, haren en veeren samengesteld. Het wijfje broedt op 4 of 5 glanzig witte eieren.

Tot in den laatsten tijd heeft men, waarschijnlijk op grond van een bewering van Bechstein, gemeend, dat de Scharrelaars de gevangenschap niet konden verdragen. Dit moge tot op zekere hoogte waar zijn voor exemplaren, die oud gevangen worden; uit het nest genomen jongen kan men echter wel degelijk in 't leven houden, wanneer hun een doelmatige, zorgvuldige verpleging ten deel valt; als men hun bovendien een ruime woonplaats verschaft, zullen zij zich tot uitmuntende, gezellige en lieftallige kooivogels ontwikkelen, die hun verzorger ruimschoots loonen voor de aan hen besteede moeite.

Onze Scharrelaar (Coracias garrula) gelijkt het meest op het zooeven geschetste beeld van de familie. Zijn vederenkleed is prachtig. De kop, de hals, de onderdeelen en de dekveeren van de vleugels zijn zacht hemelsblauw met groenachtigen tint, de kleine dekveeren langs den voorarm, de staartwortel en de bovendekveeren van den staart donker ultramarijnblauw, de mantel- en schouderveeren benevens de achterste armpennen kaneelbruin, de handpennen zwart, aan den wortel hemelsblauw, de armpennen zwart met donkerblauwen weerschijn, hemelsblauw op de wortelhelft van de buitenvlag, de geheele vleugel van onderen gezien donkerblauw, de beide middelste staartveeren vuil bruinachtig grijs, de overige dof hemelsblauw. Totale lengte 30 à 32, staartlengte 13 cM.

Bij Skandinavië beginnend en verder zuidwaarts komt de Scharrelaar in geheel Europa voor; hij is echter veel verder verbreid en doorkruist op den trek geheel Afrika en Zuid-Azië. Uiterst zelden bezoekt hij Nederland (waar tot dusver in 't geheel 7 exemplaren, in Wassenaar, Amerongen, Uden, Baflo en Ommerschans, waargenomen werden), Engeland, Noorwegen, Zweden, Finland en Noord-Rusland. Zwitserland en Noord-Frankrijk doet hij, naar men zegt, slechts op den trek aan. In Zuid-Rusland, Spanje, Griekenland, Klein-Azië en Algerië komt hij op geschikte plaatsen zeer veelvuldig voor; in Griekenland vormt hij ware koloniën; in Spanje wordt hij eveneens dikwijls in talrijke gezelschappen aangetroffen. Hier te lande vermijdt de Scharrelaar bijna angstvallig de nabuurschap van den mensch; in zuidelijker gewesten geeft hij wel is waar eveneens de voorkeur aan oorden, waar hij niet gestoord wordt, maar schuwt toch de hier wonende, over 't algemeen trouwens vriendschappelijker gezinde menschen niet. Hij is buitengewoon wispelturig en beweeglijk: zoolang de zorg voor zijn gebroed hem niet aan een bepaald gebied bindt, zwerft hij gedurende den geheelen dag rond, vliegt van den eenen boom naar den anderen en kijkt van den top of van de spits van dorre takken naar voedsel uit. Bij donkere lucht verdrietig en ontevreden, dartelt hij bij zonneschijn hoog in de lucht rond en maakt vreemdsoortige zwenkingen; hij stort zich b.v. plotseling van een aanzienlijke hoogte hals over kop naar beneden en stijgt daarna weer langzaam omhoog, of zwiert als een Duif met haastige vleugelslagen schijnbaar doelloos door de lucht; het is daarom niet altijd gemakkelijk hem te herkennen. Op de twijgen huppelt hij niet rond; evenals de meeste overige leden zijner afdeeling, maakt hij steeds van de vleugels gebruik, om zich van den eenen tak naar den anderen te begeven. Den vlakken grond vermijdt hij; wel komt hij soms vliegend dicht genoeg bij den bodem, om een daar loopend dier te kunnen grijpen.

Over de geestvermogens van de Scharrelaars heerscht tusschen de onderzoekers verschil van meening. Moeielijk valt het echter tegen te spreken, dat men ze als schrandere Vogels mag aanmerken. Zij herkennen en onderscheiden werkelijke gevaren zeer goed van denkbeeldige, moeten echter eerder goed vertrouwend dan onvoorwaardelijk schuw genoemd worden. Zij blijven zitten, wanneer de mensch hen tot op korten afstand nadert, zoodra de ervaring hen geleerd heeft, dat zij dit veilig kunnen doen; overal waar zij vervolging te verduren hebben gehad, vluchten zij echter reeds, als zij hem van verre zien aankomen en gedragen zich steeds hoogst voorzichtig. Naar het schijnt, zijn zij niet beminnelijk van aard. Zeer dikwijls ziet men ze met andere Vogels of met hunne soortgenooten twisten. Het hevigst vechten de Scharrelaars om een rustplaats; bovendien geeft broodnijd ook wel aanleiding tot oneenigheid en komt de ijverzucht hun gemoed vergallen. Het geluid, dat zij gewoonlijk maken, is een hoog, ratelend, telkens herhaald "raker raker raker"; toorn ontlokt hun een krijschend "rè"; teedere aandoeningen geven zij te kennen door den hoogen, klagenden klank "krè".

Allerlei soorten van Insecten en kleine Reptielen, vooral Kevers, Sprinkhanen, larven en Wormen, kleine Vorschen en Hagedissen, dienen tot voedsel aan de Scharrelaars. Waarschijnlijk zullen zij ook wel Muizen verslinden en kleine Vogels niet versmaden. Graaf Von der Mühle bericht, dat bij de in Griekenland levende Scharrelaars de veertjes aan den wortel van den snavel dikwijls door het suikersap van de vijgen aaneengeplakt zijn. Lindermeijer bevestigt deze mededeeling door er aan toe te voegen, dat de Scharrelaars na hun vertrek uit Griekenland op de eilanden nog steeds te vinden zijn, "waar de Vijgen, hun lievelingskost, hen eenigen tijd terughouden, voordat zij de reis naar de Afrikaansche winterkwartieren aanvaarden." Water schijnt voor hen geen behoefte te zijn: men heeft beweerd, dat zij nooit drinken en zich ook niet baden; dit zal niemand onwaarschijnlijk achten, die deze Vogels in de waterlooze steppe of woestijn heeft zien rondzwerven.

Het nest verschilt al naar de standplaats; de nestholte is echter altijd met fijne worteltjes, halmen, haren van dieren en veeren bekleed. Het nest bevat 4 à 6 glanzig witte eieren. Het mannetje en het wijfje broeden om beurten en doen dit met zooveel ijver, dat men ze met de hand kan vatten, als zij op de eieren zitten. Daar de oude Vogels den drek niet uit de kinderkamer verwijderen, zitten de jongen tot over de ooren in 't vuil en verbreidt het nest een zeer walgelijken stank.

De Breedbek-scharrelaars of Rollers (Eurystomus) hebben een korten, zeer breeden snavel met afgeronden rug en sterk gekromde bovenkaak. De pooten hebben een korten loop; de binnenste en de buitenste voorteen zijn met den middelsten aan den wortel een weinig vergroeid. De staart is kort en recht afgesneden. Door deze eigenaardigheden verschillen de Rollers van de Scharrelaars, waarmede zij overigens zeer goed overeenkomen.

De meest verbreide soort van dit geslacht is wel de Dollarvogel van de Australische kolonisten, de Tiong-batoe of Tiong-lampay der Maleiers (Eurystomus orientalis). Hij bewoont n.l. geheel Indië en de andere Zuid-Aziatische landen, het vaste land zoowel als de groote eilanden, Ceylon, de Soenda-eilanden, de Philippijnen, de Molukken; noordwaarts is hij door Siam en China tot in 't stroomgebied van den Amoer verbreid, zuidwaarts over Nieuw-Guinea tot in Zuid-Australië. Zijn grootte is ongeveer gelijk aan die van den Scharrelaar; de lichaamsbouw schijnt echter meer ineengedrongen. De kop en de achterhals zijn olijfbruin, de mantel, de schouders, de vleugels en de onderdeelen meer of minder donker zeegroen; een groote vlek op de kin en de keel is donkerblauw. De zware slag- en stuurpennen hebben een zeer smallen, donkerblauwen buitenzoom, de zes eerste slagpennen echter blauwe wortelvlekken, waardoor op den vleugel een spiegel ontstaat. Van onderen zijn de stuurpennen donker indigo-blauw. De snavel (met uitzondering van de zwarte spits) en de pooten zijn rood; een naakte, roode kring omgeeft het bruine oog.

In levenswijze komt deze Vogel met den Scharrelaar vrij wel overeen.

AANTEEKENINGEN

[1] Calamoherpe Boie.

[2] Acrocephalus phragmitis Boie.

[3] Hypolais icterina Brehm.

[4] Phyllopneuste Meyer.

[5] Phileremus alpestris L.

[6] Motacilla sulphurea Bechstein.

[7] Anthus arboreus Bechstein.

[8] Ligurinus chloris L.

[9] Cannabina linota Gray.

[10] Cannabina flavirostris L.

[11] Linaria rubra Gessner.

[12] Carpodacus erythrinus Gray.

[13] Pyrrhula (Corythus) enucleator. L.

[14] Phyrhula europaea Viellot var. minor.

[15] Phyrhula europaea Viellot var. major.

[16] Plectrophanes lapponicus Nilsson.

[17] Emberiza miliaria L.

[18] Gracula L.

[19] Pica caudata Ray.

[20] De Drieteenige Specht (Picoides tridactylus) bewoont de hooge en hoogste middel-gebergten van Middel- en Zuid-Europa, voorts het geheele noorden van Europa, zoover de boomgroei reikt, bovendien Middel-Azië tot Kamtschatka en Saghalin, zuidwaarts tot aan het Tian-schan-gebergte. Evenals het Sneeuwhoen broedt hij in de Alpen (in Duitschland tot in Beieren) en op grooten afstand van hier, in de gebergten van het hooge noorden. Talrijk is hij nergens. Hij gelijkt in kleur, grootte en levenswijze nog het meest op onzen Bonten Specht. De bovenkop van het mannetje is bleek goudgeel.

[21] Bij één soort--die o. a. daarom als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht wordt beschouwd, bij den Helmhoornvogel (Buceroturus scutatus), den Anngang-gading der Maleiers van Sumatra--bestaat de geheele "hoorn" uit een vaste massa, die zoo hard is als ivoor ("gading") en de grondstof levert voor zeer fraaie, gele, roodgevlekte knoopen en kralen voor halssnoeren. Bovendien zijn de middelste staartpennen bij deze soort buitengewoon lang.

[22] Terwille van de kortheid en welluidendheid wordt het woord Coraciiformes niet vertaald door "Scharrelaarvogels," maar door "Rakvogels," welke naam, gelijkluidend met de Duitsche, ontleend is aan de klanken, die de Scharrelaars voortbrengen.

[23] Otus brachyotus Cuvier.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us