Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 01: De Boomvogels. (part 2 of 3)
De algemeen bekende Distelvink of Putter, in Groningen ook wel Kletter genoemd (Carduelis elegans), vertegenwoordiger van een gelijknamig, weinige soorten omvattend geslacht (Carduelis), dat in de Oude Wereld inheemsch is, kenmerkt zich door den zeer langwerpig tolvormigen, in een scherpe spits uitloopenden, een weinig naar beneden gekromden snavel, de korte, stevige pooten, welker lange teenen met scherpe nagels gewapend zijn, de spits toeloopende vleugels, van welker slagpennen de vijf eerste de langste zijn, den middelmatig langen, aan den top flauw uitgeranden staart en de losse bevedering. Zijn kleed is zeer bont van kleur. Een smalle band rondom den snavel, de teugel, het midden van de kruin en de achterkop zijn donkerzwart; de voorkop, het achterste gedeelte van de wangen en de keel zijn schel karmijnrood, de slapen en het voorste gedeelte van de wangen wit, de nek, de schouders en de rug geelachtig, de krop en de zijden van de borst licht roodachtig bruin, de gorgel, de staartwortel en de nog niet genoemde onderdeelen wit; de eerste slagpennen zijn over haar geheele lengte donkerzwart, de overige aan de buitenzijde hooggeel op het derde gedeelte, dat het dichtst bij den wortel gelegen is, en vóór de spits met een naar achteren zich vergrootend witachtig schildje versierd. Het oog is nootbruin, de snavel roodachtig wit, maar aan de spits zwart, de poot blauwachtig vleeschkleurig. De mannetjes en de wijfjes gelijken sprekend op elkander. Bij de jongen zijn het rood en het zwart aan den kop nog niet aanwezig. Totale lengte 13, staartlengte 5 cM.
Van 't midden van Zweden te beginnen wordt de Distelvink in geheel Europa gevonden; hij komt ook voor op Madera, de Kanarische eilanden, in het noordwesten van Afrika en in een groot deel van Azië, van Syrië af tot in Siberië. Op Cuba is hij verwilderd, op Nieuw-Zeeland met goed gevolg ingevoerd. Binnen de grenzen van het genoemde verbreidingsgebied ontbreekt deze soort, naar het schijnt, nergens en neemt het aantal harer vertegenwoordigers toe, naarmate aan het kweeken van fruit meer uitbreiding wordt gegeven; trouwens zij schikt zich uitmuntend in gewijzigde omstandigheden, maar wordt geenszins overal even veelvuldig aangetroffen. In Nederland broedt de Putter op vele plaatsen, waar hout groeit, zelfs in groote tuinen; gaarne houdt hij zich in populieren op, daarentegen mijdt hij de naaldboomen. In het begin van den herfst vereenigen de Distelvinken zich hier en daar tot groote zwermen; gezelschappen, die uit meer dan honderd leden bestaan, zwerven dan door 't land. Gewoonlijk verdeelen deze scharen zich tegen den aanvang van den winter in kleinere troepen, die weken lang samenleven. Sommige trekken in September naar Zuid-Europa, om in April terug te keeren; enkele overwinteren hier. De meeste broedplaatsen worden gevonden in oorden, waar de bosschen met breedbladige boomen de overhand hebben, of waar fruit wordt gekweekt. Een woudbewoner in de eigenlijke beteekenis van het woord is de Distelvink niet, daar hij niet van aaneengeschakelde, met boomen begroeide terreinen houdt, maar zich liever in tuinen en parken, langs wegen, op grasperken of weiden en dergelijke plaatsen vestigt en hier gewoonlijk ook broedt.
De Distelvink is een zeer lieftallige Vogel, in alle lichaamsbewegingen goed ervaren, onrustig, behendig, schrander en listig; zijn houding is sierlijk en maakt den indruk, alsof hij zich bewust is van zijn schoonheid. Hij is een echte boomvogel, komt slechts ongaarne op den bodem en beweegt zich hier ook tamelijk ongeschikt; hij klimt daarentegen als een Mees, houdt zich evenals het Sijsje met gemak onder aan de dunste twijgen vast en blijft in deze houding eenige minuten lang aan 't werk. Hij vliegt snel en met gemak, volgt evenals de meeste Vinken een golvende lijn en zweeft alleen dan, als hij zich wil nederzetten. Als rustplaats geeft hij de voorkeur aan de hoogste toppen van boomen en struiken; nooit blijft hij lang op één plaats, altijd komt zijn onrust weer boven. Jegens den mensch toont hij zich steeds voorzichtig; schuw is hij echter alleen dan, als hij reeds vervolgingen te verduren heeft gehad. Met andere vogels leeft hij in vrede, maar toont eenigzins neiging om met hen te stoeien. Zijn lokstem heeft aanleiding gegeven tot zijn Duitschen naam "Stieglitz", die een navolging is van de klanken "Stiegliet", "piekelniet" en "piekelniek kie kleia", welke hij zoowel zittend als onder 't vliegen laat hooren. Een zacht "mai" wordt als waarschuwend sein gebruikt, door het heesche "rèrèrèrè" openbaart hij een onaangename aandoening. De jongen roepen "tsief lietsie tsie" enz. Het gezang van het mannetje is luid en aangenaam, hoewel de tonen, ieder afzonderlijk genomen, bij die van het Kneutje achterstaan, wat klank en volheid betreft; het zingt met veel afwisseling en zoo vroolijk, dat de vogelliefhebber den Distelvink ook wegens zijn gezang in in hooge eer houdt. In de kooi zingt hij bijna gedurende het geheele jaar; in de vrije natuur zwijgt hij alleen in den ruitijd en bij ongunstige weersgesteldheid.
Het voedsel van den Distelvink bestaat uit velerlei zaden, vooral echter uit die van berken en elzen en niet minder uit die van distels in de uitgebreidste beteekenis van het woord; men kan er daarom staat op maken hem te zullen aantreffen op plaatsen, waar distels of klissen groeien. In den zomer eet hij bovendien Insecten en met deze brengt hij zijne jongen groot. In ieder jaargetijde is zijn werkzaamheid dus nuttig voor ons, niet minder door het azen op schadelijk onkruid als door het vangen van Insecten.
De Distelvink bouwt zijn stevig, dicht ineengewerkt, kunstig nest in bosschen met verspreid staande breedbladerige boomen of in boomgaarden, dikwijls in tuinen en in de onmiddellijke nabijheid van huizen, gewoonlijk 6 à 8 M. boven den grond, meestal in een gaffel van het bovenste deel der kroon; het is zoo goed verborgen, dat het van onderen eerst dan zichtbaar wordt, als de bladen van de boomen vallen. Groene korstmossen, die op de boomen en bladmossen, die op den grond groeien, fijne worteltjes, droge halmpjes, vezels, en veeren, alles aaneenverbonden door spinsels van insectenlarven en Spinnen, vormen den buitenwand van het nest; de binnenbekleeding bestaat uit een laag vruchtpluis van distels, die door een dunne laag paardehaar en varkensborstels op haar plaats wordt gehouden. Het wijfje bouwt dit nest; het mannetje verdrijft haar intusschen den tijd door vlijtig te zingen, maar geeft zich slechts zelden de moeite direct behulpzaam te zijn bij het bouwen. Het broedsel bestaat uit 4 of 5 broze, dunschalige eieren, die op witten of blauwgroenachtigen grond spaarzaam bedekt zijn met violetachtig grijze stippels, maar aan 't stompe einde een kranswijze teekening vertoonen. Zelden vindt men deze eieren vroeger dan in Mei; waarschijnlijk heeft het broeden slechts éénmaal per jaar plaats. Het wijfje broedt alleen; de jongen verlaten na 13 of 14 dagen het ei; zij worden aanvankelijk met kleine insectenlarven, later met Insecten gevoederd; nadat zij uitgevlogen zijn, staan zij nog gedurende geruimen tijd onder de leiding van de ouders. Evenals het Kneutje brengt ook de Distelvink voedsel aan zijne jongen, wanneer zij vóór het uitvliegen in een kooi opgesloten worden.
De snavel van de Geelvinken (Serinus) is klein, kort, dik en voorzien van een stompe spits, van boven een weinig gewelfd, aan de boogvormige zijranden ingetrokken, met een ondiepen inham vóór de spits van den bovensnavel; de voet heeft een korten loop en niet bijzonder lange teenen, die met kleine, flauw gebogen nagels gewapend zijn; de vleugel is middelmatig lang en scherp; zijn spits wordt gevormd door de tweede en de derde slagpen; de staart is middelmatig lang en aan het einde tamelijk diep ingesneden.
Van de eenige, in Duitschland inheemsche soort van dit geslacht, de Europeesche Kanarievogel, het Geel Sijsje, de Gewone Geelvink (Serinus hortulanus), werden sedert 1887 in de wintermaanden herhaaldelijk ook in Nederland enkele exemplaren gevangen, n.l. in Utrecht (Amersfoort), Noordbrabant ('s Hertogenbosch, Vucht), Gelderland (Harderwijk, Doornspijk), voorts te Breskens in Zeeuwsch-Vlaanderen (Albarda). Haar totale lengte bedraagt 12.5 cM., terwijl de staart 6 cM. lang is. De hoofdkleur van het vederenkleed is fraai groen; de achterkop, de rug en de schouders zijn groengeel met uitvloeiende, zwarte, overlangsche vlekken; de voorkop, een streep achter de oogen en een ring aan den nek, de staartwortel en de onderdeelen zijn bleek goudgeel, welke kleur op den buik lichter wordt en op de onderdekveeren van den staart in wit overgaat; de borst en de zijden van den buik zijn met groote, donkerzwarte, overlangsche vlekken geteekend; de slagpennen zijn zwartbruin, aan de buitenzijde met groenachtig gelen, aan de spits met witten zoom, de stuurpennen bruinzwart, aan de binnenzijde met witachtig gelen, aan de buitenzijde met groenachtig gelen zoom. De iris is lichtbruin, de bovensnavel hoorngrijs, de ondersnavel roodachtig grijs, de poot geelachtig vleeschkleurig.
Oorspronkelijk in het zuiden van Europa en in Klein-Azië inheemsch, heeft de Europeesche Kanarie de grenzen van zijn verbreidingsgebied langzamerhand noordwaarts uitgebreid; hij doet dit ook thans nog en vestigt zich, steeds verder voortschrijdend, in gewesten, waar hij een menschenleeftijd geleden nog in 't geheel niet gevonden werd.
In Duitschland is de Europeesche Kanarie een zwerfvogel, die geregeld in het voorjaar, en wel in de laatste dagen van Maart of in de eerste dagen van April, verschijnt en tot in het laatst van den herfst blijft. In geheel Zuid-Europa vliegt hij gedurende den winter hoogstens van de eene plaats naar de andere, zonder evenwel werkelijk te zwerven. Hij is er veel overvloediger dan in Duitschland, bewoont oorden met zeer verschillende gesteldheid en ontbreekt zelfs op hooge bergtoppen niet. Boomgaarden, in welker nabijheid zich moestuinen bevinden, lokken hem het meest aan, daarom komt hij in Duitschland in sommige streken zeer veelvuldig, in andere dichtbij gelegene in 't geheel niet voor.
De Europeesche Kanarie is een aardige, levendige en aanvallige Vogel, altijd wakker en goed geluimd, gezellig en vreedzaam, zoolang de liefde geen aanleiding geeft tot scheiding, afzondering en strijd. Die welke het eerst bij ons aankomen, zijn steeds mannetjes; de wijfjes volgen later. Gene worden onmiddellijk opgemerkt wegens hun gezang en hun onrustigen aard; zij gaan op de hoogste boomtoppen zitten, laten de vleugels hangen, richten den staart een weinig op, draaien zich voortdurend naar alle zijden en zingen intusschen zeer ijverig. Dit gezang wordt door Hoffmann zeer juist vergeleken met het lied van den Bastaardnachtegaal, dat evenwel zachter is. Uitmuntend kan men het niet noemen, daar het te eenvormig is en te veel snorrende geluiden bevat; ik moet echter erkennen, dat het op mij altijd een aangenamen indruk heeft gemaakt.
Het nest gelijkt nog het meest op dat van onzen Vink; het wordt op zeer verschillende wijzen samengesteld; soms bestaat het bijna geheel uit dunne worteltjes, soms uit allerlei halmen; van binnen is het bijzonder fijn en zacht met haren en veeren bekleed. Het is nu eens hooger, dan weer lager geplaatst, maar altijd zooveel mogelijk verborgen te midden van de dicht opeengepakte twijgen van een struik of van een boom. Het broedsel bestaat uit 4 of 5 kleine, stompe, buikige eieren, die op vuilwitten of groenachtigen grond overal, aan het stompe einde echter meer dan aan de spits, met dofbruine, roode, roodgrijze, purperzwarte stippels, vlekken en krullen geteekend zijn. In Duitschland begint de broedtijd omstreeks het midden van April. Waarschijnlijk heeft het broeden minstens tweemaal per jaar plaats.
In Spanje vangt men de Europeesche Kanaries op de zoogenaamde "musschenboomen" bij duizenden ten behoeve van de keuken. Hiertoe worden de afgezonderd in 't veld staande boomen, die aan de Vinkenzwermen tot rustplaats dienen, in groote hoeveelheid bestrooid met esparto (een hard, biesachtig gras, nadat dit met vogellijm bestreken is). Van de talrijke Vogels, die zich op zulke boomen neerzetten, ontsnapt ternauwernood het vierde gedeelte aan de verraderlijke lijmroeden; niet alleen Kanaries, maar ook Vinken en zelfs Arenden vallen den vogelvanger ten buit.--In de kooi maakt de Europeesche Kanarie een aangenamen indruk; hij is echter niet zoo goed tegen de gevangenschap bestand, als men vermoed zou hebben.
"Drie eeuwen zijn voorbijgegaan," zegt Bolle, "sedert de Tamme Kanarie de grenzen van zijn eigenlijk vaderland overschreden heeft en wereldburger geworden is. De beschaafde mensch heeft de hand naar hem uitgestrekt, hem naar andere gewesten overgebracht en zorg gedragen voor zijn vermenigvuldiging. Gedurende een groot aantal opeenvolgende geslachten is zijn lot aan dat van zijn meester verbonden geweest; dit heeft hem zeer groote veranderingen doen ondergaan. Licht zou men thans, in dezelfde dwaling vervallend als Linnaeus en Brisson, het goudgele huisdiertje kunnen beschouwen als type van de soort en den groenachtigen, in 't wild levenden Vogel, die de kenmerken van den stamvorm onveranderd behouden heeft, bijna geheel vergeten."
Er was een onderzoeker als Bolle noodig, om ons het leven van den Kanarie in de vrije natuur te schilderen. Door al zijne voorgangers, met uitzondering alleen van A. von Humboldt, werd aan dit onderwerp weinig zorg gewijd; bovendien zijn de door hen medegedeelde feiten zoozeer met onjuistheden vermengd, dat het moeite kost deze van gene te scheiden. Bolle, die ons een even zuiver als kleurenrijk beeld van den zoo belangrijken Vogel gegeven heeft, trof hem aan op de vijf eilanden van de Kanarische groep, die nog in het bezit zijn van bosschen, n.l. op Gran Canaria, Teneriffa, Gomera, Palma en Ferro. Hij meent echter te mogen aannemen, dat de Kanarie, die op de Kaapverdische Eilanden en op Madera inheemsch is, vroeger eveneens geleefd heeft op verscheidene van de Kanarische Eilanden, welker bosschen thans geheel uitgeroeid zijn. Op de boschrijke eilanden dezer groep bewoont hij alle oorden, waar dicht bijeengroeiende boomen met struiken afwisselen, bij voorkeur de oevers van de met weelderig groen omzoomde geulen, die gedurende het regenseizoen bekend zijn, en in het droge jaargetijde ophouden te vloeien; niet minder veelvuldig houdt hij zich echter op in de tuinen rondom menschelijke woningen. Zijn verbreidingsgebied strekt zich uit van de zeekust tot meer dan 1500 M. daarboven in het gebergte. Overal, waar de eischen, die dit vogeltje aan 't leven stelt, bevredigend worden, is het veelvuldig; in de wijnbergen algemeen, in de dennebosschen, die de hellingen van het gebergte bekleeden, niet zeldzaam; naar het schijnt, vermijdt het echter de binnenste gedeelten van de schaduwrijke wouden der hooge bergstreken, hoewel het de randen der wouden bewoont.
De Wilde Kanarie, die ook in zijn vaderland door de Spanjaarden en Portugeezen Canario wordt genoemd (Serinus canarius) is aanmerkelijk kleiner en gewoonlijk ook iets slanker, dan de Tamme in Europa geteelde vorm. Zijn totale lengte bedraagt 12 à 13 cM., de staart is 6 cM. lang. Op het oude mannetje zijn de rugveeren geelgroen met zwartachtige schaftstrepen; wegens de groote breedte van de licht-aschgrauwe randen dezer veeren heeft op den rug het aschgrauw bijna de overhand; de staartwortel is geelgroen; de bovendekveeren van den staart echter zijn groen met aschgrauwe randen; de kop en de nek zijn geelgroen met smalle, grijze randen; de voorkop en een breede streep achter de oogen, die aan den nek een kringvormige bocht verkrijgt, zijn groenachtig goudgeel, zoo ook de keel en de bovenborst; de zijden van den hals daarentegen zijn aschgrauw. De kleur van de borst wordt verder achterwaarts lichter, meer geelachtig; de buik en de onderstuitveeren zijn witachtig, de schouders fraai geelgroen met dofzwarte en bleekgroenachtige banden; de zwartachtige slagpennen hebben een smallen, groenachtigen, de zwart-grijze staartveeren een witachtigen zoom. De iris is donkerbruin; de snavel en de pooten zijn bruinachtig vleeschkleurig.
Het voedsel van den Wilden Kanarie bestaat grootendeels, zoo niet uitsluitend uit plantaardige stoffen; fijne zaden, malsch groen en sappige vruchten, vooral vijgen. "Water is voor den Kanarie volstrekt onmisbaar. Hij vliegt dikwijls, meestal in gezelschap, naar de drinkplaats; evenals onze tamme Kanarie, houdt hij veel van baden, waarbij hij zich zeer nat maakt.
"De paring en de nestbouw hebben plaats in Maart, meestal eerst in de tweede helft van deze maand. De door mij waargenomen nesten van deze Vogel lagen minstens 2 M. boven den grond, dikwijls veel hooger. Voor jonge, nog slanke boompjes schijnt hij een bijzondere voorliefde te gevoelen; van deze kiest hij het liefst de altijd groene of zeer vroeg in 't blad staande soorten uit. Het eerste nest, dat wij te zien kregen, vonden wij op een der laatste dagen van Maart 1856 te midden van een verwilderden tuin van de villa Orotava op een ongeveer 4 M. hoogen buksboom, die boven een myrtenboschje uitstak. Het rustte op een gaffel en was van onderen breed, van boven zeer nauw, buitengewoon sierlijk afgerond, net en regelmatig gebouwd, grootendeels uit sneeuwwitte plantenwol samengesteld, waardoor slechts weinige droge halmpjes heengeweven waren. Het eerste ei werd den 30sten Maart gelegd: iederen dag werd er een toegevoegd, totdat er vijf eieren in het nest waren, hetwelk het gewone getal schijnt te zijn in ieder broedsel. De eieren zijn bleek zeegroen en met roodachtig bruine vlekken bezaaid, zelden bijna of geheel effen van kleur. Zij gelijken volkomen op die van den tammen Vogel. In den duur van het broeden is door het temmen geen verandering gekomen; ook de Wilde Kanarie broedt ongeveer 13 dagen. De jongen blijven in het nest, totdat zij volkomen bevederd zijn en worden nog eenigen tijd na het uitvliegen door de beide ouders, vooral echter door den vader, met veel zorg uit den krop gevoederd. Het aantal broedsels in één zomer bedraagt in den regel vier, soms niet meer dan drie. Terwijl het wijfje broedt, zit het mannetje niet ver af, bij voorkeur boven in boomen, die nog geen bladeren hebben. Op zulke plaatsen zingt hij het liefst en het langst achtereen.
"Veel is er over de waarde van het gezang van den Wilden Kanarie gesproken. Door eenigen overschat en al te zeer geprezen, is het door anderen zeer streng beoordeeld. Men is niet ver van de waarheid verwijderd, wanneer men zegt, dat de Wilde Kanarie op dezelfde wijze zingt als onze Tamme. De slag van den laatstgenoemden is volstrekt geen kunstproduct, niet als een geheel aangeleerd, maar over 't algemeen gelijk gebleven aan het oorspronkelijke gezang. Het moge zoo zijn, dat de opvoeding enkele gedeelten van het gezang heeft kunnen veranderen en ze tot een schitterender ontwikkeling heeft gebracht, dat andere bij de in den natuurstaat levende Vogels frisscher en zuiverder zijn gebleven, over 't geheel genomen komen de beide Vogels door de voornaamste eigenaardigheden van hun gezang ook thans nog volkomen overeen. Hieruit blijkt, dat, moge een volk zijn taal kunnen verliezen, een vogelsoort de zijne, ondanks allen wijzigingen van de uitwendige omstandigheden, onveranderd behoudt. Zoo luidt het onbevangen oordeel van den waarnemer. Bevooroordeeld wordt hij echter door de duizenden bekoorlijkheden van het landschap, door de tooverkracht van het ongewone schouwspel. Het fraaie gezang, dat hij hoort, wordt nog schooner en klankvoller, doordat het niet in de stoffige kamer, maar onder Gods vrijen hemel weerklinkt, waar rozen en jasmijnen de cipressen omstrengelen; bovendien verliezen de klankgolven, terwijl zij in de ruimte allengs wegsterven, de hardheid, die ons aan het gezang van den tammen Vogel, dat men meestal van zeer nabij hoort, niet bevalt. Hierbij komt nog, dat men niet uitsluitend met het oor hoort, maar onbewust ook de klanken verneemt, die de phantasie ons voor den geest toovert, hetgeen aanleiding geeft tot beoordeelingen, die later bij anderen ontgoochelingen doen ontstaan.
"De wijze van vliegen van den Wilden Kanarie gelijkt op die van het Kneutje. De vluchtlijn is eenigszins golvend en loopt meestal op matige hoogte van den eenen boom naar den anderen. Als de Vogels bij zwermen vliegen, zijn de leden van het gezelschap niet dicht opeengedrongen, maar houdt ieder zich op een korten afstand van zijn buurman en laat intusschen herhaaldelijk den kort afgebroken loktoon hooren.
"Het is zeer gemakkelijk deze diertjes te vangen; vooral als zij jong zijn gaan zij bijna in iederen val, wanneer er slechts een lokvogel van hun soort naast staat: hetgeen een bewijs te meer is voor hun groote neiging tot gezelligheid. Op de Kanarische Eilanden vangt men ze gewoonlijk in een soort van knipkooi, bestaande uit twee naast elkander gelegen afdeelingen, die als vallen dienst doen en ieder voorzien zijn met een dichtslaand deksel dat door een licht verplaatsbaar stelhoutje open wordt gehouden; deze vallen zijn vaneengescheiden door een in 't midden aanwezige kooi, waarin zich de lokvogel bevindt. De vangst heeft plaats in boomrijke gewesten, waar water in de nabijheid is en levert de beste uitkomsten op in de vroege morgenuren. De prijs van jonge Vogels, die reeds vliegen kunnen, is te Santa Cruz gewoonlijk ongeveer 15 cents per stuk, wanneer men er verscheidene te gelijk koopt. Voor pas gevangen, oude mannetjes betaalt men 60 cents per stuk. Veel duurder zijn zij op Canaria in weerwil van den geringeren prijs der levensbehoeften aldaar, wat op zichzelf beschouwd reeds voldoende is om de grootere zeldzaamheid van de Kanarievogels op dit eiland te verklaren.
"Het duurt langen tijd, voordat de gevangen Kanaries de hun aangeboren wildheid afleggen. Wegens hun onrustigen aard beschadigen zij licht elkanders veeren, wanneer er verscheidene in een kleine kooi opgesloten worden. Zij houden er veel van elkander met den snavel te liefkoozen. De jonge mannetjes beginnen na verloop van korten tijd te kweelen; aan hun luid en langdurig gezang worden zij gemakkelijk herkend. De voedering van deze dieren vereischt veel zorg. Er bestaat misschien onder de zaadeters geen teergevoeliger Vogel. Men verliest de meeste aan kramp: de tweede of derde aanval van deze kwaal brengt in den regel den dood teweeg."
Bij de Roodmusch (Pinicola erithrynus) [12] heeft de snavel, die aan den wortel meer breed is dan hoog een iets grootere lengte en een sterker gekromden rug dan bij het vorige geslacht; in den tamelijk spitsen vleugel zijn de tweede en de derde slagpen de langste; de staart is middelmatig lang en flauw uitgerand, de loop krachtig, korter dan de middelste voorteen; de nagels zijn sterk gekromd en zijdelings samengedrukt.
Bij het mannetje van de Roodmusch zijn de kruin, de keel, de krop en de staartwortel karmijnrood, de achterhals en de rug bruingrijs, met donkere, karmijnrood getinte vlekken geteekend, de buik, de schenkels en de onderdekveeren van den staart vuilwit; de donkerbruine slagpennen zijn aan de buitenzijde roestgeelachtig wit gezoomd; de schouderveeren hebben licht bruinachtige randen en zijn karmijnrood getint; de stuurpennen zijn grijsbruin met iets lichteren zoom; de bovendekveeren van den staart hebben een karmijnrooden zoom. Bij het wijfje, heeft in plaats van karmijnrood, vaalgrijs de overhand. Het oog is bruin, de snavel licht-, de voet donkerhoornkleurig. Totale lengte 16, staartlengte 6 cM.
In Europa bewoont de Roodmusch als standvogel alleen de oostelijke landen, meer bepaaldelijk Galicië, Polen, de Oostzeeprovinciën, Middel- en Zuid-Rusland bovendien echter geheel Middel-Azië van den Oeral tot Kamtschatka. Van hier trekt zij geregeld naar 't zuiden, door China tot Indië en door Toerkistan tot Perzië, verschijnt echter niet al te zelden in Oost-Duitschland, heeft in Silezië en Sleeswijk gebroed en werd herhaaldelijk in Middel-, West- en Zuid-Duitschland, Nederland (te Overveen en nabij Groningen), België, Frankrijk, Engeland en Italië waargenomen. Omstreeks het midden van Mei, op zijn vroegst in 't einde van April, komt zij op hare broedplaatsen aan, van waar zij in September weder vertrekt. Als verblijfplaats kiest zij bij voorkeur dichte struiken in de nabijheid van het water, ook wel broekland, dat met riet en struiken begroeid is; zij blijft echter niet beperkt tot de lage streken, maar komt ook in heuvelachtige gewesten en zelfs in bergstreken tot boven 2000 M. hoogte voor. Veelvuldig is zij nergens, overal wordt zij verspreid waargenomen; gedurende den zomer vormt zij nooit groote zwermen.
Onmiddellijk na haar aankomst hoort men haar buitengewoon aantrekkelijk gezang, dat rijk aan afwisseling en klankvol is. Hoewel het aan den slag van den Distelvink, het Kneutje en den Kanarie herinnert, bezit het toch zooveel eigenaardigs, dat men het niet met het gezang van eenigen anderen Vink verwarren kan. In Kamtschatka heeft men, naar Von Kittlitz ons mededeelt, van dit lied een zeer aardig klankbeeld in Russische woorden gegeven: "tsjewitsja widel" ("ik heb den Tsjewitsja gezien!"). Tsjewitsja noemt men de grootste, daar aanwezige Zalmsoort, de meest gewilde Visch en het voornaamste voedingsmiddel van de inwoners van dat land; deze Visch komt ongeveer gelijktijdig met de Roodmusch in Kamtschatka aan. Het gezang van den Vogel wordt geacht de aankomst van den Zalm aan te kondigen; de Roodmusch is derhalve in een land, welks bewoners zich hoofdzakelijk met visch voeden, de voorbode van den schoonsten tijd van het jaar en van den hem begeleidenden buit.
Het voedsel van de Roodmusch bestaat uit allerlei soorten van zaden, ook wel uit bladknoppen en jonge uitspruitsels. Ook eet zij, althans in de kooi, mierenpoppen en andere dierlijke stoffen. In hare winterkwartieren voedt zij zich met de zaden van bamboes- en rietsoorten en bewoont hier uitsluitend plaatsen waar deze planten groeien; In Indië wordt zij daarom Reedsparrow ("Rietmusch") genoemd. Hier, evenals in haar vaderland, bezoekt zij ook de akkers, maar brengt nergens een belangrijke schade aan de gekweekte planten toe.
De gevangen Roodmusch is een zeer aanvallige Vogel; haar kleur is echter vergankelijker dan die van eenigen anderen, met even schoone kleuren prijkenden Vink. Reeds wanneer men haar in de hand neemt, verliezen de veeren een deel van haar glans en diepte van kleur; bij het eerstvolgende ruien wordt het vederenkleed werkelijk wankleurig; zelden gebeurt het trouwens dat zij verscheidene jaren in de kooi blijft leven.
Bij den Haakbek (Pinicola enucleator) [13] is de romp krachtig, de snavel aan alle zijden bol, de bovensnavel evenwel bij wijze van een haak over de spits van den ondersnavel naar beneden gebogen, aan de zijranden een weinig uitgesneden; de loop is betrekkelijk kort maar stevig, de teenen zijn krachtig, de klauwen groot, de vleugels, van welker handpennen de tweede en de derde de spits vormen, strekken zich in den toestand van rust over het eerste derde gedeelte van den staart uit; deze is tamelijk lang en in het midden uitgesneden; het vederenkleed eindelijk onderscheidt zich door zijn dichtheid en eigenaardige kleurenpracht. Bij de oude mannetjes heeft een fraaie aalbessenroode kleur de overhand; de keel is lichter van kleur en de roodgrijze vleugels hebben twee witachtige dwarsbanden. De slagpennen en stuurpennen zijn zwartachtig met lichtgele randen. Het oog is donkerbruin, de snavel vuilbruin, aan de spits zwartachtig, de ondersnavel lichter dan de bovensnavel, de voet grijsbruin. Totale lengte 22, staartlengte 8 cM.
Alle landen van het hooge noorden kan men als het vaderland van dezen fraaien en in 't oog loopenden Vogel beschouwen. Voor zoover men weet, komen de Haakbekken nergens veelvuldig voor, maar leven integendeel gedurende den zomer bij paren en afzonderlijk in een uitgestrekt gebied en vereenigen zich eerst in den herfst tot zwermen. De dan gevormde vluchten zwerven gedurende den geheelen winter in de wouden van het noorden rond, komen ook wel in de nabijheid van afgelegen hofsteden en keeren in het begin van de lente weer naar hunne broedplaatsen terug. Enkele Haakbekken verschijnen als trekvogels, zoo niet ieder jaar dan toch in bijna iederen strengen winter in het noordoosten van Duitschland, de Oostzee-provinciën en het noorden van Rusland, voorts in de hiermede overeenkomstige landstreken van Noord-Azië en Amerika; in talrijke zwermen bezoeken zij de genoemde landen slechts zelden. Slechts dan, wanneer zij door bijzondere gebeurtenissen, vooral door buitengewoon langdurige sneeuwvlagen, genoopt worden naar zuidelijker gewesten te trekken, komt het voor, dat vele vluchten zich vereenigen en zeer talrijke zwermen vormen. In de jaren 1790, 1795, 1798 en 1803 verschenen de Haakbekken in zoo grooten getale in de Oostzeelanden, dat er alleen in den omtrek van Riga gedurende langen tijd iedere week ongeveer 1000 paren gevangen konden worden; in de jaren 1821, 1822, 1832, 1844 en 1878 kwamen zij in moeielijk te schatten hoeveelheid in Pruisen voor. Eénmaal heeft men een dier van deze soort in Nederland waargenomen; het werd 9 Nov. 1890 te Peize (Drenthe) in een lijsterstrik gevonden (Albarda).
Aan de onvrijwillige verhuizingen van deze Vogels naar de ten zuiden van hun vaderland gelegen gewesten, danken wij grootendeels onze bekendheid met hun levenswijze. De in Middel-Europa komende exemplaren toonen hun gezelligen aard, door over dag tot troepen vereenigd te blijven, gemeenschappelijk rond te zwerven, gezamenlijk hun kost te winnen en des nachts in vereeniging hun slaapplaats op te zoeken. Evenals in hun vaderland, houden zij zich ook in den vreemde bij voorkeur op in naaldhoutbosschen; vooral die, welker onderhout uit jeneverbessenstruiken bestaat, worden, naar het schijnt, gaarne door hen opgezocht. In bosschen van breedgebladerde boomen komen zij veel zeldzamer voor; over boomlooze vlakten vliegen zij zoo snel mogelijk heen. Kort na hun komst in den vreemde gedragen zij zich als argelooze, niets kwaads vermoedende Vogels, als dieren die de arglist van den mensch nog niet ondervonden hebben. Zij blijven rustig zitten, als de onderzoeker of de jager den boom nadert, waarop zij zich verzameld hebben, en kijken den schutter domdriest in zijn wapen; zij zijn als 't ware geheel verbluft en denken er niet aan om te vluchten, als deze den eenen Vogel na den anderen wegvangt of van den boom afschiet. Men kan hun zelfs, terwijl zij aan 't eten zijn, aan lange stokken bevestigde strikken over den kop werpen; kortom men heeft ze zelfs met de plompste toestellen gevangen. Van de roerende gehechtheid dezer Vogels aan hunne metgezellen gewagen alle onderzoekers, die hen in vrijheid konden waarnemen. Zoo bemerkte een jager, die drie leden van een gezelschap, dat uit vier stuks bestond, in één trek onder een slagnet gevangen had, tot zijn niet geringe verbazing, dat de overgeblevene vrijwillig onder het net kroop, om het lot van de overige Vogels te deelen. Men kan zulk een daad niet als een bewijs van beperktheid van geestvermogens opvatten; uit tal van feiten blijkt, dat ook zij door de ervaring schrander, d. w. z. wantrouwend, schuw en voorzichtig worden.
De levenswijze en gewoonten van den Haakbek herinneren in vele opzichten aan die van den Kruisbek. Hij is op en top een Boomvogel, die zich te midden van de twijgen wel thuis gevoelt, maar op den bodem een vreemdeling is. In de boomkronen klautert hij zeer behendig van den eenen tak op den anderen; springend overschrijdt hij met gemak tamelijk groote tusschenruimte. Gedurende zijn tamelijk snelle vlucht beschrijft hij, evenals de meeste Vinken, uitgestrekte bogen, en begint eerst kort voordat hij zich zal nederzetten, te zweven; zoo hij al een enkele maal op den bodem komt, huppelt hij hier met plompe sprongen rond. Zijn lokstem bestaat uit een aangenaam gefluit, gelijkend op dat van den Goudvink; zijn gezang, dat ook gedurende den geheelen winter weerklinkt, biedt velerlei afwisseling aan; het bevat zachte, zuivere fluittonen, die een zeer liefelijken indruk maken. Gedurende de dagheldere zomernachten van zijn eigenlijk vaderland zingt hij met grooten ijver; de bewoners van Norrland noemen hem daarom "Nachtwachter". Zijn aard is zachtmoedig en vredelievend; de wijze waarop hij met zijn wijfje omgaat, getuigt van veel zelfverloochening en teederheid.
In de vrije natuur voedt de Haakbek zich met zaden van naaldboomen, die tusschen de uiteengeweken schubben van de kegels weggehaald of van de takken en twijgen, ook wel van den grond, opgezocht worden; ook andere zaden en allerlei bessen gebruikt hij gaarne; boomknoppen of malsche, groene plantendeelen in 't algemeen zijn voor hem lekkernijen. Vermoedelijk eet hij des zomers bovendien Insecten, vooral de in zijn vaderland zoo buitengewoon menigvuldige Muggen; waarschijnlijk brengt hij hiermede zijn jongen groot; met zekerheid is hiervan echter niets bekend.
Volgens Wolley bouwt de Haakbek in Lapland zijn nest op lage sparren, ongeveer 4 M. boven den grond. De buitenste laag bestaat uit lange, dunne, buigzame takken, die dikwijls uiterst los ineengevlochten zijn; de dichtere binnenbekleeding is met den buitenwand dikwijls slechts losjes verbonden; zij wordt van fijnere wortels, van op boomen groeienden korstmossen en misschien ook wel van halmen vervaardigd. In den regel broedt het wijfje op vier eieren; volgens Naumann verricht zij dezen arbeid alleen, terwijl het mannetje haar den tijd helpt korten door het zingen van zijne heerlijke liederen.
Binnen weinige uren geraken de Haakbekken aan een kooi gewoon; zij eten zonder aarzeling het voor hen bestemde voedsel en worden weldra even tam als andere Goudvinken; de gevangen Vogels blijven echter zelden lang in 't leven en verliezen reeds bij het eerste ruien voor altoos hunne prachtige kleuren.
De Meesvink (Uragus sibiricus) werd vroeger tot de Roodmusschen gerekend, maar wordt thans als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht--dat der Langstaartvinken (Uragus)--beschouwd. Aan zijn niet bijzonder krachtigen snavel is de spits van de bovenkaak slechts weinig over die van de onderkaak heengebogen. Hij heeft zwakke pooten en stompe vleugels, welker spits door de vierde handpen wordt gevormd. De trapvormige, maar toch in 't midden uitgesneden staart is ongeveer even lang als het overige lichaam. De veeren zijn zoo zacht als zijde; evenals bij de vorige soort, heeft bij het mannetje de roode kleur de overhand, evenwel geen karmijnrood, maar rozerood. Het wijfje is licht olijfkleurig of grijsgroen. Totale lengte 18, staartlengte 9 cM.
De Meesvink bewoont moerassige, met riet begroeide gewesten van Oost-Azië hoofdzakelijk Oost-Siberië, Oost-China en Mandsjoerije, bovendien Oost-Toerkistan. Radde vond hem gedurende het geheele jaar bij den middelloop van den Amoer. In het laatst van den herfst vereenigen de paren zich tot vluchten van 10 à 30 stuks, die onder voortdurend gefluit rondzwerven. Bij Irkoetsk, waar zij zich eerst tegen het einde van September vertoonen, worden zij tegelijk met Meezen, Bloedvinken, Kruisbekken en Sneeuwgorsen door de vogelaars gevangen. In de kooi houden zij zich slechts korten tijd goed en verliezen weldra hun eigenaardige levendigheid bijna geheel. Tot tegen November treft men ze het veelvuldigst aan, omdat zij dan op den doortrek zijn. Een aantal paren vestigen in het genoemde gewest hun winterverblijf en bewonen er in gezelschap van Goudvinken beekoevers, die dicht begroeid zijn met struikgewas; ook houden zij zich gaarne op in de nabijheid van graanbewaarplaatsen, die gewoonlijk gelegen zijn op heuvels in woudstreken, waar het bosch niet zeer dicht is. Soms verdwalen deze Vogels naar het zuidoosten van Europa; naar bericht wordt, heeft men ze zelfs in Hongarije ontmoet.
Het nest van den Meesvink wordt in de eerste helft van Juni, meestal op dwergberken, zelden op kleine wilgen of lorken, in den regel 1.5 à 2 M. boven den grond en altijd zoo dicht mogelijk bij den hoofdstam gebouwd. Het is voor een zoo diksnaveligen Vogel zeer kunstig samengesteld en herinnert aan dat van den Spotvogel; de buitenste laag bestaat uit allerlei droge halmen, samengeweven met vezels van netels, wilgen en andere planten; de holte is netjes gevoerd met fijn gras, haar van Paarden, Reeën en Hazen, dikwijls ook met veeren. Het wijfje broedt op 4, zeldzamer op 3 of 5 eieren; deze zijn zeer fraai van kleur, op donker blauwachtig groenen grond geteekend met weinig talrijke, bruinachtige vlekken en strepen, die alleen aan het dikke uiteinde dicht bijeenstaan. Het mannetje laat gedurende den nestbouw een zacht, maar aangenaam gezang hooren.
De eigenlijke Bloedvinken of Goudvinken (Pyrrhula) kenmerken zich door den snavel, die aan den wortel meer breed is dan hoog; de snavelrug is bij den wortel plat, verder naar voren zijdelings samengedrukt en gekromd; de vleugels zijn middelmatig lang en afgerond; hun spits wordt gevormd door de 2e, 3e en 4e handpen. De staart is een weinig uitgerand, de loop zoo lang als de middelste voorteen. Men onderscheidt een tiental soorten van dit geslacht. Die, welke in ons land aangetroffen en hier soms in 't najaar in lijsterstrikken gevangen worden, bewonen Europa en het noorden van Azië tot Japan. Zij zijn op den bovenkop en aan de keel, op de vleugels en den staart glanzig donkerzwart, op den rug aschgrauw, op den staartwortel en den onderbuik wit; overigens hebben de onderdeelen een fraaie, helderroode kleur. Het wijfje is gemakkelijk te herkennen aan hare aschgrauwe onderdeelen, terwijl ook de andere gedeelten van het vederenkleed over 't algemeen minder sprekende kleuren vertoonen. Bij de jongen is de bovenkop nog niet zwart. De vleugel is steeds ter hoogte van het handgewricht met twee grijsachtig witte banden geteekend. Als verscheidenheden komen witte of zwarte en bonte Goudvinken voor. Van de hier bedoelde dieren onderscheidt men twee groepen, die onderling alleen in grootte verschillen, maar dit kenmerk standvastig overerven en daarom als afzonderlijke soorten worden beschouwd. De eene, de Kleine Goudvink (Pyrrhula europaea) [14] bewoont het westen van Europa; hij is 17 cM. lang, met inbegrip van den 6 cM. langen staart. De Groote Goudvink (Pyrrhula rubicilla) [15] is 2 cM. langer; hij broedt in het oosten van ons werelddeel, te beginnen bij de provinciën Pommeren en Pruisen. In het westen komt hij in 't najaar op den doortrek of als zwerveling gedurende de wintermaanden, bij uitzondering ook in Nederland. Soms, doch zeer zelden heeft men hier eenige broedende exemplaren gevonden, en wel bij Lochem in Gelderland en te Oranjewoud in Friesland (Albarda). De Kleine Goudvinken broeden ook wel in Gelderland; bij Lochem komen zij "in Maart en April bij winderig weer in groote vluchten de knoppen der kersenboomen vernielen; is het weder rustig en zoel, dan schijnen zij meer in de bosschen te blijven, waar zij in menigte broeden" (Brants, 1885). "In de overige streken van ons rijk worden zij slechts in het gure jaargetijde en alles behalve menigvuldig, in kleine troepen zwervende aangetroffen" (Schlegel).
De Goudvinken (in de nu volgende beschrijving worden de beide soorten gemeenschappelijk behandeld) zijn zeer gehecht aan de bosschen, die zij stellig niet verlaten, zoolang zij er voedsel vinden. Eerst als de winter den Goudvink uit zijne woonplaatsen verdrijft, komt hij bij vluchten in de boomgaarden en tuinen der dorpen of in akkermaalshout om hier de weinige bessen en zaadkorrels op te zoeken, die de andere familieleden voor hem nog overgelaten hebben. In het begin van de zwerfperiode ziet men dikwijls alleen mannetjes, later mannetjes en wijfjes te zamen. Zoolang bijzondere omstandigheden den Goudvink niet tot groote reizen nopen, blijft hij in zijn vaderland; in sommige gevallen echter strekt hij zijne tochten tot in het zuiden van Spanje of tot Griekenland uit. Meestal reist hij over dag en vliegt, voor zoover dit mogelijk is, van het eene bosch naar het andere.
"Het woord Gimpel" (de Duitsche naam van den Goudvink), zegt Brehm de vader, "is als scheldwoord tot aanduiding van een bekrompen mensch algemeen bekend; het wekt den indruk, dat onze Vogel dom is. Het valt niet te ontkennen, dat hij geen argwaan heeft en tegen de vervolgingen van den mensch volstrekt niet opgewassen is: hij laat zich gemakkelijk schieten en vangen. Zijn domheid is echter op verre na niet zoo groot als die van den Kruisbek, want, hoewel de nog overige leden van een gezelschap Goudvinken, waarvan er één door een schot gedood werd, daarna soms neerstrijken op of naast den boom, waarin zij aanvankelijk zaten, is het mij toch nooit voorgekomen, dat een ongekwetste Goudvink na een schot bleef zitten, welk geval zich daarentegen bij de Kruisbekken dikwijls voordoet. Indien de Goudvink werkelijk zoo dom is, als men beweert, hoe zou hij dan allerlei wijsjes zoo zuiver kunnen leeren nafluiten?--Een in 't oogvallende karaktertrek van dezen Vogel is liefde voor zijne soortgenooten. Als er een van 't gezelschap gedood wordt, jammeren de overige geruimen tijd; zij kunnen er bijna niet toe besluiten om de plaats waar hun metgezel gebleven is, te verlaten, maar willen hem volstrekt medenemen. Dit is het duidelijkst merkbaar, als het gezelschap klein is. Deze innige gehechtheid heeft mij dikwijls getroffen. Eens schoot ik één van twee mannetjes-Goudvinken, die in een struik zaten; de andere vloog zoover weg, dat ik hem uit 't oog verloor, maar keerde terug en ging weer zitten op den struik, waar zijn kameraad om het leven was gekomen. Verscheidene dergelijke voorbeelden zou ik kunnen noemen."
"De gang van onzen Goudvink is huppelend, op den grond tamelijk onbeholpen. Op de boomen is hij des te behendiger. Zijne losse en lange vederen legt hij zelden tegen 't lichaam aan; daarom schijnt hij gewoonlijk veel grooter te zijn dan hij werkelijk is. Gedurende het vliegen, voordat hij opvliegen zal, onmiddellijk na het neerstrijken en bij het uitpluizen van de zaden of pitten ziet hij er slank en net uit; in de kooi laat hij de veeren bijna altijd een weinig hangen. Een boom vol Goudvinken levert een prachtig schouwspel op. Het rood van de mannetjes steekt in den zomer prachtig af tegen de groene bladen en in den winter tegen rijp en sneeuw. Zij schijnen tegen de koude geheel ongevoelig te zijn; want, voor zoover er geen gebrek aan voedsel heerscht, zijn zij, zelfs in den strengsten winter, zeer opgewekt. Door hun buitengewoon dicht vederenkleed zijn zij voldoende beschut. Dit heeft ook op hun wijze van vliegen een grooten invloed; zij doen dit zonder inspanning, maar langzaam, volgens boogvormige lijnen, eenigszins op de wijze van den Vink. De loktoon, die zoowel van de mannetjes als van de vrouwtjes gehoord wordt, is een klagend "juug" of "luuï", waarnaar men in Thuringen dezen Vogel "Lübich" noemt. Men hoort hem het veelvuldigst gedurende het vliegen, vóór het opvliegen en kort na het neerstrijken. Deze klank dient, al naar de wijze, waarop hij geïntoneerd wordt, soms als lokmiddel, soms als waarschuwend sein, soms als klaagtoon. In al deze gevallen wordt hij goed begrepen. Het gezang van het mannetje steekt niet uit, het onderscheidt zich vooral door eenige ratelende geluiden en kan moeielijk goed omschreven worden. In de vrije natuur wordt het vóór en gedurende den broedtijd voorgedragen; in de kooi zingt de Goudvink bijna het geheele jaar door."
Boom- en graszaden vormen het voedsel van den Goudvink, bovendien eet hij de pitten van verscheidene soorten van bessen en in den zomer vele Insecten. De sparre-, denne- en zilversparzaden kan hij niet goed uit de kegels plukken; hij zoekt ze daarom van den grond op.
In bergachtige streken, waar uitgestrekte, met bosch begroeide terreinen verborgene, weinig bezochte schuilhoeken bevatten, nestelt de Goudvink geregeld. Bij uitzondering bouwt hij ook wel in parken en groote tuinen zijn nest. Dit is op boomen gelegen, gewoonlijk op geringe hoogte, hetzij in een gaffel van een der hoogste struiken of op een zijtak dicht bij den stam van een boom. Op een buitenste laag van dorre rijsjes van sparren, zilversparren en berken, volgt een tweede laag van uiterst fijne wortelvezels en baardmos; de nestholte is met haren van Paarden en Reeën of ook wel eenvoudig met fijne blaadjes van grassen en fijne stukjes van korstmossen bekleed. Soms bevat de binnenwand ook wel paardenhaar of schapenwol. In Mei vindt men in het nest 4 of 5 betrekkelijk kleine, rondachtige eieren met gladde schaal, die op bleekgroenachtigen of groenblauwachtigen grond met dofviolette of zwarte vlekken en roodbruine stippels, vegen en figuren bezaaid is. Binnen 2 weken broedt het wijfje de eieren uit; zoolang het op de eieren zit, wordt het door het mannetje gevoederd. Beide ouders wijden zich aan de opvoeding hunner kinderen, die zij buitengewoon teeder liefhebben en met gevaar voor hun eigen leven trachten te verdedigen. De jongen krijgen aanvankelijk Insecten, later jonge uitspruitsels van planten en allerlei in den krop geweekte zaden, ten slotte hoofdzakelijk het laatstgenoemde voedsel.
In de bergstreken neemt men de jonge Goudvinken uit het nest nog voordat zij vliegen kunnen, om ze in de kooi op te voeden en te onderrichten. Hoe vroeger men met het africhten beginnen kan, des te beter zijn de uitkomsten. In het Thuringerwoud worden ieder jaar honderden jonge Goudvinken afgericht en daarna door vogelhandelaars naar Berlijn, Warschau, Petersburg, Amsterdam, Londen, Weenen, ja zelfs naar Amerika gebracht. Het onderricht begint reeds op den eersten dag van hun gevangenschap; een hoofdvereischte is, dat de onderwijzer den Vogel het wijsje, dat hij hem wil leeren, steeds zoo zuiver mogelijk en altijd op dezelfde wijze voorfluit. Door bij het africhten van een draaiorgeltje gebruik te maken, verkrijgt men geen goede resultaten. Zelfs door een fluit kan men den goed fluitenden menschenmond niet vervangen. Eenige Goudvinken leeren zonder bijzondere inspanning 2 of 3 stukjes, terwijl andere stumpers blijven; eenige onthouden het geleerde, zoolang zij leven, andere vergeten het weer, vooral gedurende den ruitijd. Ook de wijfjes leeren wijsjes fluiten, hoewel zij dit zelden nagenoeg even vol en zuiver doen als de mannetjes. Sommige van deze worden echte kunstenaars. Het is bijna niet te gelooven, hoeveel een Goudvink leeren kan. Dikwijls leert hij de melodieën van twee liederen fluiten en doet dit zoo mooi, dat men gaarne lang achtereen naar hem luistert. Behalve door zijn talent van nabootsing onderscheidt hij zich van alle overige Vinken, doordat hij zoo gemakkelijk getemd kan worden en een onbeperkte gehechtheid aan en vertrouwen op zijn verzorger toont; hij gevoelt voor dezen een innige vriendschap, juicht, als hij tegenwoordig, treurt, als hij afwezig is; hij sterft zelfs door de overmaat van vreugde of van verdriet, die zijn meester hem bereidt. Zonder buitengewone moeite kan men hem er aan gewennen in en uit de kooi te vliegen. Een aantal voortreffelijke eigenschappen komen dus bij hem vereenigd voor.
De Woestijnvink of Moro (Pyrrhula githaginea) heeft een prachtig gekleurd vederenkleed, dat als 't ware uit groene en rozeroode atlas bestaat. De roode kleur verkrijgt op lateren leeftijd een hoogeren gloed en een grootere uitgebreidheid en is in de lente, als de kleuren het levendigst zijn, het volledigst ontwikkeld, zoodat zij dan de purperen tint van den Bolderik (Lychnis githago), die onze graanvelden versiert en waaraan de Vogel zijn wetenschappelijken naam ontleent, ver achter zich laat. Bij 't naderen van den herfst verbleeken de kleuren van het mannetje snel, zoodat zij meer en meer beginnen te gelijken op die van het wijfje, waarin donker geelrood de overhand heeft. Vele kleursverscheidenheden heeft men opgemerkt: enkele mannetjes zien er uit, alsof zij met bloed bedekt zijn, terwijl andere een grijze woestijnkleur vertoonen. De roode kleur blijft niet tot de veeren beperkt, maar is ook in de opperhuid zelf aanwezig, zoodat een geplukte Woestijnvink er als een echte roodhuid uitziet. Zijn lengte bedraagt 13 cM.
Om de woonplaats van dezen Vogel te leeren kennen, moet men zich naar de woestijn begeven, want uitsluitend hier, in de woestijn in de uitgebreidste beteekenis van 't woord, behoort hij thuis. Bolle vond hem veelvuldig als broedvogel op de Kanarische eilanden en wel voornamelijk op Lanzarote, Fuertaventura en Gran Canaria, niet minder veelvuldig is hij in het grootste deel van Opper-Egypte en Nubië tot in de nabijheid van de Steppen, waar hij langzamerhand verdwijnt. Bovendien is hij verbreid over Perzië en Sind. Van zijn vaderland uit bezoekt hij elken winter als de gast het eiland Malta; ook is hij wel eens naar de Grieksche Eilanden, naar Provence en zelfs naar Toscane afgedwaald. Het terrein, waaraan hij de voorkeur geeft, moet in ieder geval boomloos en door de heete zon beschenen zijn. "Deze schroomvallige Vogel," zegt Bolle, "wil zijne blikken vrij over de vlakte of over de heuvels laten waren. Hij geeft de voorkeur aan de dorste en steenachtigste plaatsen, waar de opstijgende luchtstroom, die door de middagzon veroorzaakt wordt, boven het geblakerde gesteente trilt. Slechts weinig gras, in den zomer verdord en geel verbleekt, mag tusschen de steenen groeien en zich er boven verheffen, slechts hier en daar mogen lage struiken verstrooid uit den grond ontspruiten, opdat de Woestijnvink zich op een plaats thuis zal gevoelen. Daar leeft hij, meer een bewoner van de vergruisde gesteenten dan van de rotsen, een diksnavelige met de gewoonten van een Tapuit, steeds gezellig, zoolang de voortplantingszorgen hem niet tot afzondering nopen, familiesgewijs of kleine troepen vormend. Vroolijk wipt hij van den eenen steen op den anderen of zwiert, meestal laag vliegend, door de lucht. Zelden kan het oog hem over een grooten afstand volgen; daar de roodachtig grauwe kleur van de vedertooi der oude Vogels onmerkbaar samenvloeit met de gelijksoortige kleur van de steenen en in meerdere mate nog met die van de bladerlooze stammen en takken der euphorbias; ook de isabelkleurige jongen zijn moeilijk te onderscheiden van de vaalgele massa's zand, tufsteen en kalk. Zeer spoedig zouden wij het spoor van dezen Vogel verliezen, als niet de stem, die een zijner grootste merkwaardigheden is, onzen wegwijzer werd bij het zoeken. Hoor! een geluid als van een kleine trompet schalt door de lucht: gerekt, trillend komt het tot ons; ieder die een fijn gehoor heeft en goed oplet, kan in het onmiddellijk voorafgaande of volgende oogenblik een paar zachte, zilverheldere tonen vernemen, die zoo helder als klokgelui door de stille woestijn weerklinken. Soms echter hoort men merkwaardig doffe klanken, die wel wat gelijken op het gekwaak van den Kanarischen Boomvorsch, maar eenigszins minder heesch zijn; snel achtereenvolgens worden zij uitgestooten en beantwoord met nagenoeg gelijke, hoewel zachtere geluiden, welke als die van een buikspreker van een grooten afstand schijnen te komen. Er is waarschijnlijk niets, dat minder bevrediging verschaft dan een poging om de tonen van een Vogel door letters voor te stellen: vooral bij den Moro komt mij dit bijzonder moeilijk voor. Het zijn inderdaad stemmen uit een afzonderlijk, op zichzelf staand gebied; men moet ze gehoord hebben om er een juiste voorstelling van te kunnen verkrijgen. Niemand zal van een Vogel uit gewesten, die zulk een eigenaardig voorkomen hebben, een werkelijk gezang verwachten. Het wordt vervangen door de genoemde vreemdsoortige klanken, waarop hij dikwijls nog een reeks van kraaiende en snorkende geluiden laat volgen: zij passen door hun zonderlingheid zoo volkomen bij de niet minder ongewone omgeving, dat men er steeds met genoegen naar luistert en met spanning hun herhaling afwacht, zoodra zij verstommen. Op plaatsen, waar de bodem geheel uit stuifzand bestaat, komt de Moro niet voor. Hij is er niet voor ingericht om als een Wulp of een Renvogel over het zand te loopen. Ook steile, rotsachtige gebergten vallen niet in zijn smaak, des te meer houdt hij van woeste, zwarte lavastroomen vol spleten en afgronden, als in een gletscher; deze schijnen hem te behagen wegens de veilige schuilplaatsen, die zij hem in hunne holen aanbieden, hoewel er ternauwernood een groen sprietje te vinden is. Nooit ziet men den Woestijnvink op een boom of struik neerstrijken. In meer bewoonde gewesten zijn deze Vogels tamelijk schuw, daar, waar de eenzaamheid en de stilte van de woestijn hen omgeven, zijn zij echter nog zeer argeloos, vooral de jongen, die men dikwijls onverwacht op een steen naast zich ziet zitten, vanwaar zij den bezoeker met hunne vroolijke, zwarte oogjes aanstaren."
Ongeveer evenzoo is het in het Nijlgebied gesteld. Hier verlevendigt de Woestijnvink, van Sioet af stroomopwaarts, de rotsachtige oevers van den Nijl, en wel op sommige plaatsen in verbazend groot aantal.
In de vrije natuur voedt deze Vogel zich bijna uitsluitend met verschillende soorten van zaden, misschien ook wel met groene bladen en knoppen; van Insecten houdt hij niet, naar 't schijnt. Water is voor hem een behoefte. "Hoe schaarsch, troebel en lauw het water van een bron ook zij, met iedere drinkplaats is hij tevreden, indien hij haar dagelijks minstens éénmaal bereiken kan, zij het dan ook door eenige mijlen ver te vliegen." Hij komt er, als de afstand niet te groot is, tweemaal per dag; des morgens en des namiddags; hij drinkt dan veel en met lange teugen en neemt vervolgens ook wel een bad in het minst diepe deel van het water.
In Maart begint de broedtijd. De mannelijke Vogels hebben hun prachtkleed verkregen en zich met het uitverkoren wijfje van de vlucht afgescheiden, maar zijn daarom niet uit de gemeenschap met hunne soortgenooten getreden. Tristram bericht, dat het nest uitsluitend uit fijne worteltjes en buigzame halmen bestaat. Het bevat 3 of 4 eieren, die op bleek zeegroenen grond met roodbruine stipjes en vlekken geteekend zijn, welke aan het spitse einde en verderop zeer verstrooid staan; doch dicht bij het stompe einde gewoonlijk een krans vormen, die uit fijne krulletjes, zigzaglijnen en groote, licht roodbruine, aan de randen uitvloeiende vlekken samengesteld is.
Woestijnvinken zijn, daar zij in hun vaderland niet gevangen worden, bij ons als kooivogels zeldzaam. In de gevangenschap gedragen zij zich zeer lief, zijn niet moeilijk te onderhouden en worden zeer tam.
Het laatste geslacht van de onderfamilie der Vinken omvat de Kruisbekken (Loxia); deze hebben een grooten kop en een ineengedrongen lichaam; zij zijn dus eenigszins plomp van vorm. Hun snavel is zeer forsch, dik, zijdelings samengedrukt, aan de zijranden boogvormig uitgesneden, de smalle rug van den bovensnavel afgerond, in een lange spits eindigend en flauw haakvormig naar beneden gebogen; de ondersnavel die den bovensnavel in stevigheid overtreft, is op soortgelijke wijze als deze, maar in tegenovergestelde richting, n.l. bovenwaarts, gebogen en kruist hem dus, nu eens aan de linker, dan weer aan de rechterzijde.
De grootste en krachtigste soort van dit geslacht is de Groote Kruisbek (Loxia pityopsittacus). Totale lengte 20, staartlengte 7 cM. De snavel is hier in 't oog loopend forsch, dik en hoog; zoowel de boven- als de ondersnavel zijn bijna volkomen halfcirkelvormig gebogen en kruisen elkander slechts weinig. De kop, de keel, de gorgel, de borst en de buik zijn meer of minder levendig rood, van voren met een tint, welke tusschen die van menie en die van aalbessen afwisselt, op de wangen met een grijsachtig, op de keel met een aschgrauw waas overtogen, de veeren van den rug grijsrood, die van den onderbuik helder aschrood of witachtig met grijsroodachtig waas; de slagpennen, bovendekveeren met vleugel en staart en stuurpennen zijn grijsachtig zwart met roodachtig grijzen zoom. Deze in Oost-Europa broedende Vogel komt in Nederland alleen op zijne zwerftochten na den broedtijd en werd in Utrecht, Drenthe, Noord- en Zuid-Holland, Friesland en Gelderland waargenomen. Zoo "vertoonde zich in de eerste dagen van Juni 1888 nabij Bergum (Friesland) een troep van ongeveer 200 stuks. Zij bleven daar drie weken en voedden zich met de knoppen, spruiten en bloesems van boomen, vooral van eiken. Een twintigtal werd gevangen. Alle waren jonge Vogels in overgangskleed. In het laatst van die maand werden ook enkele voorwerpen te Joure (Friesland) waargenomen. (Albarda). Dergelijke vluchten hebben zich in 't begin van October 1887 in de dennen langs den duinkant van de gemeenten Bloemendaal, Velsen, en Hillegom vertoond. Eerst na 15 April begonnen zij te vertrekken; enkele vluchtjes zijn nog tot 11 Mei waargenomen (Crommelin).
De gewone en gemeenste soort, die eenvoudig Kruisbek wordt genoemd, in Groningen Kruisvink of Kruiskanarie, in Friesland Dennenpapagaai heet (Loxia curvirostra), is kleiner dan de vorige; zijn snavel is slank, meer lang dan hoog en minder gekromd; de spits van den ondersnavel kruist die van den bovensnavel en steekt duidelijk boven diens rug uit. Totale lengte 17, staartlengte 6 cM. De kop, de nek en de onderdeelen hebben dezelfde kleur als bij de vorige soort, de wangen zijn van achteren donker grijsbruin, de veeren van den onderbuik witachtig grijs, de slagpennen en de stuurpennen benevens hare bovendekveeren grijsachtig zwart met roodachtig grijzen zoom, de onderdekveeren van den staart zwartachtig grijs met witte, roodachtig getinte spitsen. De eenige mededeeling omtrent het broeden van deze soort in Nederland heeft betrekking op een paar dat in 1887 op Vlieland in een spar nestelde (Albarda). Deze Vogels worden echter in verschillende deelen van ons land nagenoeg ieder jaar bij troepen zwervend aangetroffen, dikwijls reeds in den nazomer, soms reeds in de eerste helft van Juni, zij houden zich ook nog in de wintermaanden hier op, vooral in sparrebosschen.
De Witband-Kruisbek (Loxia bifasciata) is kleiner dan de beide reeds genoemde soorten (totale lengte 16, staartlengte 6 cM.). De heerschende kleur van zijn gevederte is prachtig aalbessenrood, dat in den nek en op het midden van de onderzijde in grijs overgaat. Zoowel de groote als de kleine bovendekveeren van den vleugel en ook de schouderdekveeren hebben witte spitsen, waardoor twee breede banden over den vleugel gevormd worden, die ook bij het wijfje en de jongen zichtbaar zijn. Deze soort, die Siberië en Noordelijk Rusland bewoont, komt zwervend na den broedtijd in kleine troepen naar anderen Europeesche landen. Ook Nederland wordt in sommige jaren door haar bezocht. In Febr. 1846 zag men zulk een familie in Utrecht, in Sept. 1889 eenige vluchten in Gelderland, Noord-Holland en Friesland; sommige van deze Vogels werden gevangen (Albarda).
De Kruisbekken behooren tot die leden hunner klasse, welke mijn vader zeer eigenaardig "Zigeuner-vogels" heeft genoemd. Evenals het merkwaardige volk, welks naam zij dragen, verschijnen zij in een bepaalde streek, blijven hier geruimen tijd gevoelen zich er reeds in de eerste dagen na hun komst thuis, houden zich hier soms ook wel met de voortplanting bezig en verdwijnen even plotseling, als zij gekomen zijn. Hunne zwerftochten staan in een zeker verband tot zaadproductie van de naaldhoutbosschen, zonder dat men echter een bepaalden regel zou kunnen vaststellen. Het kan dus voorkomen, dat zij uit onze dennen- en sparrenbosschen jaren lang wegblijven en deze daarna weer in menigte bevolken. Alleen de gesteldheid van de plaats waar zij zich ophouden, staat vast, hun vaderland daarentegen heeft geen grenzen. Alle genoemde soorten zijn broedvogels van Noord-Europa, maar ook van Noord-Azië, voor zoover het met bosschen bedekt is; zelfs is het niet onwaarschijnlijk, dat het laatstgenoemde werelddeel als haar eigenlijk vaderland moet worden beschouwd. Wanneer in aaneengeschakelde wouden de sparren- en dennenzaden zich overvloedig ontwikkeld hebben, hoort men het aan de vogelaars van die gewesten welbekende "göp göp," "giep giep" of "tsok tsok" van onze Vogels of ook wel het gezang van het mannetje, dat door velen zeer aangenaam wordt geacht. De Kruisbekken zijn aangekomen en hebben het bosch in bezit genomen. Als hier een goede oogst binnen te halen is, maken zij toebereidselen voor de voortplanting, zoo niet dan, zwerven zij een tijdlang rond en vestigen zich op een andere, beter geschikte plaats. Van een woud, dat door hen voor een langduriger verblijf uitgekozen werd, hebben zij weldra de gunstigst gelegen gedeelten opgespoord; deze zijn in zekeren zin als hun eigenlijke woonplaats te beschouwen, waar de over dag rondzwervende gezelschappen zich iederen avond verzamelen.
Alle Kruisbekken zijn gezellige dieren, die gedurende den broedtijd zich paarsgewijs afzonderen, maar toch met hunne soortgenooten in gemeenschap blijven. Ze zijn boomvogels, die slechts in geval van nood op den bodem afdalen om hier te drinken of om eenige afgevallen kegels leeg te pikken. Ze klimmen zeer behendig, waarbij zij zich, evenals de Papegaaien, met de snavelspitsen vasthouden en vooruithelpen, gaan met den kop naar onderen of naar boven, met voet en snavel aan een twijg of een kegel hangen en blijven zonder bezwaar vele minuten achtereen in deze schijnbaar zoo ongemakkelijke houding. Zij vliegen snel en betrekkelijk zonder inspanning met beurtelings sterk uitgebreide en daarna plotseling opgevouwen vleugels, waardoor de gevolgde weg een golvend beloop verkrijgt; zij houden er echter niet van lang achtereen te vliegen.
Gedurende den dag, hoogstens met uitzondering van de middaguren, zijn zij bijna voortdurend aan den arbeid. In de lente, den zomer en den herfst zwerven zij reeds vóór het aanbreken van den dag in het woud rond, van het eene bosch naar het andere of van berg tot berg; in den winter daarentegen, vooral wanneer de koude fel is, blijven zij langer in het oord, dat hun een geschikte slaapplaats verschaft; zij vliegen dan zelden vóór zonsopgang uit, hoewel zij reeds vroeg in den morgen zingen. Het is niet moeilijk deze dieren te vangen, omdat hun overgroote gezelligheid hen dikwijls verleidt tot handelingen, waardoor hun vrijheid in gevaar wordt gebracht: hieruit blijkt echter niet zoozeer gebrek aan verstand als wel de argeloosheid van deze werkelijk beminnenswaardige Vogels. Het mannetje, wiens wijfje zooeven gedood werd, blijft soms verbluft en treurig zitten op den tak, waarvan zijn gezellin werd neergeschoten, of keert, haar zoekend, herhaaldelijk terug naar de plaats waar het onheil voorviel. Alle Kruisbekken worden, nadat zij meermalen treurige ervaringen van de arglistigheid van den mensch hebben opgedaan, gewoonlijk zeer schuw. In de gevangenschap worden zij weldra volkomen tam. Zij vergeten spoedig het verlies van hun vrijheid, leeren hun verzorger als hun meester en gebieder beschouwen, leggen alle vrees voor hem af, laten zich aanraken, op den arm of de hand in de kamer ronddragen en geven hem ten slotte door duidelijk verstaanbare gebaren hun warme liefde te kennen. Wegens de beminnelijke eigenschappen, die zij in de kooi aan den dag leggen, zijn allen, die hen hebben leeren kennen, hun zeer genegen; vooral de bewoners van het gebergte houden de Kruisbekken in hooge eer.
De loktoon van den Grooten Kruisbek is voor beide geslachten dezelfde en bestaat, zooals reeds gezegd is, uit de klanken "göp göp" of "giep giep" en "tsok tsok". "Göp" roepen zij als zij vliegen of zitten," zegt mijn vader; "het is zoowel een sein tot vertrek als een middel om de soortgenooten bijeen te roepen en het gezelschap vereenigd te houden; daarom wordt dit "göp" met kracht voortgebracht. Door "giep giep" geven deze Vogels teedere aandoeningen te kennen, de beide echtgenooten roepen dit elkander toe, terwijl zij zitten; zij doen het zoo zacht, dat men dicht bij den boom moet staan om hen te hooren. Dikwijls zou de klank van dit geluid tot de meening kunnen leiden, dat de Vogel zeer ver af is, hoewel deze, zooals men naar boven ziende bemerkt, zich boven den waarnemer bevindt. Zittende Vogels roepen gewoonlijk "tsok" om de voorbijvliegende soortgenooten uit te noodigen bij hen te komen zitten; men hoort het soms ook van vliegende Kruisbekken. Het klinkt krachtig en vol; de lokvogel moet vooral dit geluid voortbrengen. Het gezang van het mannetje wordt door vele menschen aangenaam gevonden. Gewoonlijk zingt de Groote Kruisbek beter dan zijn kleinere verwant; het lied van dezen heeft echter veel overeenkomst met dat van genen. Het bestaat uit een luid voorgedragen strophe, waarop verscheidene kweelende, zwakke en niet ver hoorbare tonen volgen.
Het voedsel van de Kruisbekken bestaat hoofdzakelijk uit de zaden van de boomen van het woud. De sterke snavel met gekruiste spitsen is hun voor het verkrijgen van dit voedsel onontbeerlijk. Het vereischt groote kracht en behendigheid de denne- of sparrekegels zoo open te breken, dat de goed verborgen zaden bereikbaar zijn; maar deze eigenschappen zijn den Kruisbek in hooge mate eigen. Hij komt aanvliegen, gaat met den kop naar onderen gericht aan een kegel hangen, of legt dezen op een tak en gaat er op staan, of bijt hem af, draagt hem naar een tak en houdt hem met de stevige, lange en scherpe nagels vast. "Het is zeer aardig om te zien, hoe de Gewone Kruisbek, een Vogel van de grootte van een Musch, een middelmatig grooten sparrekegel van den eenen boom naar den anderen brengt. Gewoonlijk vat hij met den snavel den kegel zóó aan, dat diens spits recht naar voren gericht is en vliegt, zonder dat dit hem veel moeite kost, tien of zelfs twintig schreden ver naar een naburigen boom om hem hier te openen, daar hij niet op alle boomen takken vindt, die voor dit doel geschikt zijn. Het openbreken geschiedt op de volgende wijze. De Kruisbek scheurt als de kegel vast hangt of ligt, met de spits van den bovensnavel de breede kegelschubben midden door, schuift den min of meer geopenden snavel er onder en licht door een zijwaartsche beweging van den kop de schub op. Nu kan hij de daaronder liggende zaadkorrel met de tong gemakkelijk in den snavel schuiven, waar het zaad eerst nog van den vleugel en van de zaadhuid bevrijd wordt, voordat hij het doorslikt. De kruiswijs gebogen snavelspitsen zijn voor hem en zijne verwanten bij het openbreken van de kegels van het grootste belang, want zulk een snavel behoeft hij slechts weinig te openen om hem een buitengewone breedte te geven, zoodat de kegelschub door een zijwaartsche beweging van den kop met groot gemak opgeheven wordt."
De Gewone Kruisbek bemoeit zich zelden met dennekegels, daar hij niet de noodige kracht bezit om deze te openen; de Groote Kruisbek echter doet dit zonder moeite, hij kan in één ruk alle schubben optillen, welke zich bevinden boven die, waaronder hij zijn snavel heeft gestoken. Zoolang de Kruisbekken naaldboomzaden kunnen vinden, zoeken zij geen ander voedsel; in geval van nood eten zij zaden van eschdoornen en haagbeuken, ook wel oliehoudende zaden; bovendien maken zij te allen tijde zeer gaarne gebruik van Insecten, vooral van bladluizen, die zij ook in de tuinen en boomgaarden van de dorpen der wouden gaan opzoeken. Onder anderen bijten zij de uitwassen op de bladstelen der populieren aan stukken om de daarin wonende Bladluizen (Pemphigius bursarius) op te eten (Albarda).
Een noodzakelijk gevolg van hun drukken arbeid op de harsrijke takken en kegels van naaldboomen is, dat de Kruisbekken zich dikwijls op een zeer ongewenschte wijze bevuilen. Zij zijn even zindelijk als de meeste overige Vogels en reinigen zich na iederen maaltijd zorgvuldig, om de hen aanklevende harsdeeltjes te verwijderen; vooral den snavel poetsen zij minuten lang op de takken; zij zijn echter niet altijd in staat om hunne veeren zoo goed in orde te houden, als zij wel zouden wenschen; het komt daarom dikwijls voor, dat hunne veeren met een dikke laag hars bedekt zijn. Het lichaam van de Kruisbekken, die lang achtereen niets anders dan zaden van naaldboomen gegeten hebben, wordt zoo met hars doordrongen dat het na den dood geruimen tijd weerstand biedt aan de verrotting.
Een gezelschap Kruisbekken maakt te allen tijde een sieraad uit van den boom, waarin het zich bevindt; de prachtigste vertooning maken deze Vogels echter, wanneer de winter zijn schepter zwaait en de twijgen met een dikke sneeuwlaag bedekt. Dan steken de roode vogeltjes vroolijk af bij het donkere groen der naalden en de witte sneeuw; de geheele boom ziet er dan uit als een kerstboom, zoo fraai als men zich er een kan voorstellen. Behalve door hun bevallige kleur bekoren zij iedereen door hun frissche, vroolijke levenswijze, hun bedaarde, maar voortdurende bedrijvigheid, hun behendig op en neer klauteren, hun lokken en zingen.
De Kruisbekken nestelen in alle maanden van het jaar, in den warmen zomer zoowel als in den ijskouden winter, terwijl de boomen en struiken met sneeuw bedekt en alle overige Vogels van het woud bijna geheel verstomd zijn. Gedurende den nestbouw verdeelt zich het gezelschap in paren. Het nest rust soms op een ver vooruitstekenden tak, waar deze zich gaffelvormig vertakt, soms op een dikken tak bij den stam; nu eens is het dicht bij den top, dan weer ver van dezen gelegen, altijd echter zoo, dat twijgen voor of over het nest langs loopen, waardoor dit tegen de vallende sneeuw beschut en tevens zoo goed mogelijk verborgen wordt. Het is een kunstig bouwwerk, welke buitenste laag vervaardigd is uit dorre sparrerijsjes, heide, droge grashalmpjes, grootendeels echter uit korstmossen van sparrestammen en bladmossen, die op boomen of op den grond groeien; van binnen is het met enkele veeren, grashalmpjes en dennenaalden bekleed. De wand van het nest is ongeveer 3 cM. dik, zijne bestanddeelen zijn uitmuntend samengeweven; de nestholte is naar verhouding diep.
Het wijfje broedt op 3 of 4 betrekkelijk kleine eieren, die op grijsachtig of blauwachtig witten grond met uitvloeiende vlekken en streepjes van bloedroode, bloedbruinachtige of zwartbruine kleur bezet zijn. Soms staan deze vlekjes kranswijs aan het stompe einde, soms zijn zij over het geheele ei verbreid; toch is dit, welke afwijkingen het ook vertoonen moge, altijd te herkennen als een ei van een Kruisbek. De zorgvolle moeder wijdt zich met grooten ijver aan het broeden, terwijl ook het mannetje met lust het op hem rustende deel van den arbeid verricht door de moeder met voedsel te voorzien. De jongen, waaraan de ouders zeer veel liefde betoonen, krijgen reeds op den eersten dag van hun leven sparre- of dennenzaden als spijs, aanvankelijk zulke, die in den krop der ouders geweekt en voor de verteering voorbereid zijn, later harde zaden; zij groeien snel en zijn spoedig zeer behendig en levendig; langer dan andere Muschvogels moeten zij echter door hunne ouders verzorgd worden, omdat hun snavel eerst na het uitvliegen een "kruisbek" wordt en zij dus vóór dien tijd niet in staat zijn om de kegels van de dennen of sparren te openen.
De jacht en de vangst van de Kruisbekken leveren geen bezwaren op. Die, welke pas in onze gewesten gekomen zijn, laten zonder weg te vliegen den jager naderen tot onder den boom, waarin zij zich bevinden, en blijven dikwijls ook dan nog op denzelfden boom zitten, wanneer een hunner metgezellen neergeschoten is. Wanneer men er eens in geslaagd is een van hen te bemachtigen, kan men door dezen als lokvogel te gebruiken, zijne soortgenooten gemakkelijker vangen dan door ze te schieten. In Thuringen maakt men voor dit doel gebruik van lange stokken, welker bovenste gedeelte bij wijze van een struik bekleed is met sparretakken, waaraan lijmroeden bevestigd zijn. Deze stokken worden vóór het aanbreken van den dag in den grond gestoken op vrije, open plekken in het woud; een kooi met een lokvogel er in wordt er onder opgehangen. Alle voorbijvliegende Kruisbekken komen in de nabijheid van den stok om naar hun roependen en lokkenden kameraad te gaan kijken. Vele gaan op den kunstmatigen struik zitten en blijven gewoonlijk aan een van de lijmroeden vastkleven.
De snavel van de Kernkrakers (Coccoborinae) herinnert aan dien van de Appelvinken; de snavelrug is echter meer gekromd, meer of minder over de spits van den ondersnavel heengebogen; bij sommige loopt hij zelfs uit in een haakvormig benedenwaarts gericht gedeelte, dat aan de achterzijde ingekorven is; de zijranden zijn meer of minder sterk ingetrokken en ook wel zwak binnenwaarts gebogen, aan den bovensnavel boogvormig uitgesneden; de krachtige poot heeft een langen loop en lange teenen; de eerste slagpen is steeds aanmerkelijk korter dan de overige, de derde en de vierde vormen in den regel de spits van den korten vleugel; de lange staart is meestal afgerond, zeldzamer afgeknot of uitgesneden, het vederenkleed vol, zacht, metaalglans, dikwijls effen grijs of groenachtig olijfkleurig grijs, zeldzamer roodachtig geel of zwart en nog minder dikwijls gekenmerkt door velden van sterk sprekende kleur.
Zuid-Amerika herbergt de meeste soorten van deze onderfamilie, in Noord-Amerika komen er betrekkelijk weinige voor. Door hun uiterlijk en hunne gewoonten gelijken de Kernkrakers veel op onze Appelvinken, maar toch ook in sommige opzichten op de Goudvinken; zij bewonen meer de struiken en de boschranden dan het eigenlijke oerwoud en eten harde zaden, bessen en Insecten. De meeste zijn niet tot zingen in staat, hoogstens hoort men van hen korte loktonen; andere daarentegen zijn beroemd wegens hun lied en worden om die reden als kamervogels zeer gezocht.
Audubon verhaalt: "Gedurende een vermoeiende voetreis, die ik in de maand Augustus langs den oever van de Mohawk-rivier deed, werd ik eens door den nacht overvallen. Ik was weinig bekend met dit deel van het land en besloot hierom den nacht door te brengen op de plaats waar ik mij bevond. De avond was fraai en warm; de sterren spiegelden zich in de rivier; op een afstand hoorde ik het gemurmel van een waterval. Weldra had ik onder een rots een vuurtje aangelegd en lag er naast uitgestrekt. In behagelijke rust, met gesloten oogen, liet ik mijne gedachten den vrijen loop. Ik bevond mij reeds in het rijk der droomen, toen plotseling het avondgezang van een Vogel tot mij doordrong, zoo klankrijk, zoo luid weerklinkend in de stilte van den nacht, dat de slaap, die mij reeds bevangen had, aan mijne oogen ontvlood. Nooit hebben welluidende tonen mij meer genot verschaft. Zij trilden mij door 't gemoed en maakten mij gelukzalig. Ik zou mij hebben kunnen inbeelden, dat zelfs de Uil over hun liefelijken klank opgetogen was, want hij zweeg in dien nacht. Nog lang nadat de tonen weggestorven waren, bleef ik onder hun bekoring; in deze gemoedsstemming geraakte ik in slaap."
De Vogel, waarover de dichterlijk gestemde natuuronderzoeker met zooveel verrukking spreekt, is de Roodborst-kardinaal (Coccoborus ludovicianus), vertegenwoordiger van het geslacht der Kardinalen (Coccoborus). Totale lengte 18, staartlengte 7 cM. De bovenzijde, de vleugels, de staart, de kin en de bovenkeel zijn zwart, de overige onderdeelen wit, met uitzondering van een breed, naar achteren spits toeloopend en tot aan het midden van de borst zich uitstrekkend, karmijnrood kropschild; de zijden van den buik en van de schenkels zijn met enkele zwarte strepen geteekend; over de vleugels loopen twee witte banden; de okselveeren en de onderdekveeren van den vleugel zijn karmijnrood; de eindhelft van de buitenste staartveeren is aan de binnenzijde wit. De iris is donkerbruin, de snavel lichtgeel, de poot grijsachtig bruin.
Het verbreidingsgebied van deze Vogels omvat het oosten van de Vereenigde Staten; op den trek bezoeken zij Middel-Amerika tot aan Nieuw-Granada. Binnen de genoemde grenzen komen zij echter niet overal geregeld en altijd verspreid voor.
"Ik heb," verhaalt Audubon verder, "dezen prachtigen Vogel in de zuidelijkste gedeelten van Louisiana, in Kentucky, en bij Cincinnati in Maart, als hij oostwaarts trok, dikwijls waargenomen. Hij vloog dan op een aanzienlijke hoogte en streek slechts nu en dan op den top van een der hoogste boomen van het woud neer, alsof hij een weinig rusten wilde. Ik heb hem op zijn reis naar 't noorden nagegaan, in Pennsylvanië, New-York en andere oostelijke staten, door de Britsche provinciën Nieuw-Brunswijk en Nieuw-Schotland tot Newfoundland, waar hij veelvuldig broedt; nooit zag ik hem echter in Labrador en evenmin aan de kust van Georgië of Corolina, hoewel hij hier in de gebergten aangetroffen wordt." Zijn voedsel bestaat uit graszaden en bessen, in de lente ook uit knoppen en malsche bloesems. Bovendien maakt hij soms jacht op Insecten, die hij niet zelden in de vlucht vangt.
Door de Amerikanen wordt de Roodborst-kardinaal als een der beste en ijverigste zangers beschouwd. Zijn lied is rijk aan melodieën en zeer welluidend; elke toon is vol en helder. Als het weder goed is, zingt hij des nachts "met alle verschillende, treffende intonaties van den Nachtegaal, nu eens schel klinkend, luid, helder en vol, dan weer klagend, vervolgens weer opgewekt en eindelijk teeder, zoetvloeiend en zacht."
De ook in Europa welbekende Gewone Kardinaal, de Red-bird der Amerikanen (Coccoborus virginianus), is 20 cM. lang en heeft een 8 cM. langen, flauw uitgeranden staart. Zijn kruin is getooid met een kuif, die opgezet en neergelegd kan worden. De hoofdkleur van het vederenkleed is schel karmijnrood; de veeren van mantel, schouders en staartwortel zijn doffer van kleur daar zij een smallen, uitvloeienden, vaalgrijzen zoom aan de spits hebben; de teugel, een smal randje om de oogen, de kin en de bovenkeel zijn zwart; de slagpennen en staartveeren zijn donker karmijnrood, gene met uitzondering van het bruine topgedeelte en van een vaalbruinen zoom aan den buitenrand van de laatste armpennen. De iris is roodbruin, de snavel rood, de ondersnavel aan den wortel zwart, de poot bruin.
Het verbreidingsgebied van dezen Vogel omvat de zuidelijke Vereenigde Staten, Mexico en Californië. In zachte winters blijft hij gedurende het geheele jaar in 't zelfde oord; bij ongunstiger weersgesteldheid trekt hij. Wegens zijn prachtige veeren valt hij reeds op een afstand in 't oog en strekt tot sieraad aan het woud. Over dag houdt hij zich bij voorkeur op in de dicht dooreengewarde twijgen der slingerplanten en onderneemt van hier uit tochten naar naburige akkers en tuinen; men ontmoet hem daarom zoowel in de nabijheid der steden als in het donkerste en eenzaamste woud. Gedurende den zomer leven de Kardinalen paarsgewijs, in den herfst en in den winter zijn zij tot kleine gezelschappen vereenigd. Bij strenge koude komen die, welke in het land gebleven zijn, niet zelden op de boerenerven om hier voor de schuur, in gezelschap van Musschen, Duiven, Sneeuwvogels, Withalzige Muschgorsen en andere Vogels, zaden op te pikken, dringen in openstaande stallen en zolderruimten door, of zoeken voedsel bij de omheiningen der tuinen en velden. De struik of de boom, waarin het nest wordt gebouwd, staat soms dicht bij een boerderij of te midden van het veld, soms aan den rand van het woud of in het struikgewas. Niet zelden vindt men het nest in de onmiddellijke nabijheid van een boerderij, dikwijls op een afstand van slechts weinige meters van dat van de Spotlijster. Het bestaat uit droge bladen en twijgen, hoofdzakelijk uit stekelige takjes, die door halmen en wijnstokranken aaneenverbonden, van binnen echter met fijne grashalmen bekleed zijn. Het broedsel bestaat uit 4 à 6 eieren van vuilwitte kleur, die dicht bezaaid zijn met olijfbruine vlekken. In de noordelijkste Staten broedt het paar zelden meer dan éénmaal in de zuidelijke soms driemaal per jaar. De jongen blijven slechts weinige dagen onder de hoede van hunne ouders en worden daarna aan het lot overgelaten.
De Amerikaansche onderzoekers roemen tamelijk eenstemmig het gezang van den Kardinaal; volgens ons oordeel bestaat hiervoor geen voldoende reden. Als zanger in het vrije woud moge de "Virginische Nachtegaal" den lof verdienen, die hem wordt toegezwaaid; als kamervogel speelt hij slechts een ondergeschikte rol, hoewel het niet al te zelden voorkomt, dat hij in de kooi broedt.
De Gorsen (Emberizinae) vormen de vierde en laatste onderfamilie van de Vinken; zij omvat ongeveer 55 soorten, welke in vele opzichten overeenstemmen. Het zijn diklijvige Muschvogels met betrekkelijk kleine, kort kegelvormigen en scherpen snavel; deze is aan den wortel dik, naar voren zijdelings samengedrukt; de bovensnavel is smaller dan de ondersnavel; de zijranden zijn sterk ingebogen; de onderkaak heeft van achteren een min of meer uitstekenden zijrand en deze is, evenals die van de bovenkaak, aan den mondhoek steil naar beneden gebogen; de bovenkaak heeft aan het gehemelte een beenigen knobbel, die in een uitholling van de onderkaak past. De pooten hebben een korten loop en lange teenen, van welker nagels de dikwijls spoorvormig verlengde klauw van den achtergrond het meest in 't oog valt. De vleugels zijn middelmatig groot; hun spits wordt gevormd door de tweede en de derde slagpen. De staart is tamelijk lang, bestaat uit nog al breede veeren en is aan het einde flauw uitgerand. Het vederkleed is los en meestal bij mannetjes, wijfjes en jongen verschillend.
Voor 't meerendeel behooren de Gorsen tot het noordelijk halfrond; de meeste houden zich op in laag struikgewas of in rietvelden. Hoewel zij niet tot de vlugste en meest begaafde Vinken behooren, ontbreekt het haar geenszins aan een lieftallig voorkomen; zij zijn zeer gezellig en vredelievend, voeden zich gedurende den zomer hoofdzakelijk met Insecten, in den herfst en in den winter met melige zaden, die zij, evenals de Insecten, op den bodem zoeken; zij bouwen haar steeds eenvoudig ingericht nest op den grond in een klein kuiltje of althans zóó, dat het zich slechts weinig boven de oppervlakte verheft; zij leggen hierin 4 à 6 donkere, met stippels en krieuwels geteekende eieren, die door de beide ouders uitgebroed worden. Wegens haar welsmakend vleesch, dat in den herfst zeer vet is, worden sommige soorten reeds sinds overouden tijd ijverig vervolgd; de andere daarentegen worden door den mensch niet lastig gevallen, daar zij slechts bij uitzondering in de kooi worden gehouden.
Misschien mag men de Spoorgorsen (Calcarius) wel als de hoogst ontwikkelde leden van deze onderfamilie aanmerken. Hare kenteekenen zijn gelegen in den kleinen snavel met weinig merkbaren gehemelteknobbel, de krachtige, voor 't gaan geschikte pooten, welker achterteen een nagel draagt, die dezen, wat de lengte betreft, minstens evenaart, de scherpe vleugels, van welker slagpennen de beide eerste de langste zijn, den korten, aan 't einde uitgesneden staart en de overvloedige bevedering.
Bij de IJsgors (Calcarius lapponicus) [16] zijn de kop, de kin en de keel zwart, een breede streep, die boven de oogen begint en zich over de slapen uitstrekt, is witachtige roestkleurig, de nek en de achterhals zijn kaneelrood, de overige bovendeelen roestbruin met zwarte schaftvlekken geteekend, de zijden van den hals en de onderdeelen wit, de flanken met zwarte schaftstrepen voorzien, die aan de zijden van de borst tot een groote vlek ineenvloeien; de slagpennen zijn bruinzwart, de staartveeren eindelijk zwart met valen zoom. De iris is donkerbruin, de snavel stroogeel, bij de spits zwart, aan den rug blauwzwart, de poot blauwachtig grijs. Totale lengte 16, staartlengte 6 cM.
De IJsgors is een kind van de toendra, haar verbreidingsgebied strekt zich daarom uit over de noordelijkste gedeelten van de Oude en van de Nieuwe Wereld. Van hier trekt zij in den winter zoover zuidwaarts, als volstrekt noodig is; reeds in Nederland en Duitschland verschijnt zij zeer zelden; in nog zuidelijker gelegen landen verdwaalt zij hoogstens een enkele maal. Zoodra het weder een weinig zachter wordt, keert zij zoo spoedig mogelijk naar haar onherbergzaam vaderland terug. Hier is zij overal buitengewoon talrijk; tusschen hoog en laag gelegen gewesten maakt zij zoo goed als geen verschil, voor zoover n.l. de dwergberk er groeit en den bodem bekleedt met een viltachtige laag, waarop zij gaarne verblijf houdt. In Nederland werd deze Vogel herhaaldelijk waargenomen gedurende de maanden October tot Maart en wel te Haarlem, Lisse, Wassenaar en Harderwijk. In den winter 1892-1893 b.v. zijn een twintigtal voorwerpen van deze soort te Amsterdam op de markt geweest (Albarda).
Wat hare gewoonten betreft, houdt zij als 't ware het midden tusschen de Leeuweriken en de Gorsen. Als een Gors gedraagt zij zich bij 't zitten, zoowel op een steen als op een wiegelende twijg, als Leeuwerik en Gors te gelijk bij 't loopen en vliegen. Stappend, niet huppelend, beweegt zij zich behendig over den bodem; zij vliegt zonder inspanning en flink; evenals de Leeuwerik zweeft zij dikwijls langen tijd gedurende het zingen. Haar zwaarmoedige, aan haar woesten geboortegrond herinnerende loktoon kan ongeveer nagebootst worden door de syllaben "tsjuu, tsjuu eb". Het zeer eenvoudige, maar aangename gezang, bestaat uit een enkele strophe, waarin de loktoon dikwijls wederkeert; het wordt alleen gedurende het vliegen, maar dan met grooten ijver voorgedragen. Het nest, dat men op vochtige plaatsen tusschen de wortels van een dwergberk, op een heuveltje, goed verborgen onder het dichte struikgewas en op dergelijke plaatsen aantreft, bestaat, wat de buitenste laag betreft, uit meer of minder grove of fijne halmpjes en is van binnen met zachte veeren van het Groote Sneeuwhoen gevuld. Tegen het midden van Juni is het voor 't broeden vereischte aantal eieren, 5 of 6, in 't nest aanwezig; deze zijn op grijsachtigen, geelachtigen of lichtbruinachtigen grond meer of minder overvloedig geteekend met donkerder, haarfijne strepen en stippels, welker kleur op die van de grondkleur gelijkt.
Het voedsel bestaat gedurende den broedtijd uitsluitend uit Insecten en wel hoofdzakelijk uit Muggen. Gedurende den winter daarentegen voedt ook deze Gors zich met zaden. Daar de IJsgorsen zich in het laatst van den herfst gaarne bij de Leeuweriken voegen, worden zij dikwijls met deze en soms in grooten getale gevangen; dit is b.v. het geval in China, waar zij in sommige tijden van het jaar in menigte op de markt te koop liggen.
De verwante Sneeuwgors, ook wel Duin-, Strand-, Zee- en Sneeuwputter, Sneeuwvink en in Groningen IJskletter genoemd (Calcarius nivalis), is in den zomer grootendeels sneeuwwit; zwart zijn de mantel- en schouderveeren, met uitzondering van den smallen, witten zoom aan de spits, de handpennen, met uitzondering van het witte wortelgedeelte, en de vier middelste staartpennen. Van het winterkleed daarentegen zijn de boven- en de achterkop benevens de oorstreek roestkleurig kaneelbruin, de schouders en de mantel zwart met kaneelbruine vederzoomen; roestgeelachtige plekken loopen dwars over den krop en langs de zijden; de buitenste staartpennen hebben op het einde van de buitenvlag een zwarte vlek. De iris is donkerbruin, de snavel des zomers zwart, des winters oranjegeel, de poot zwart.
De Sneeuwgors houdt ongeveer in dezelfde landen verblijf als de IJsgors. Haar verbreidingsgebied is uitgestrekter, haar broedgebied echter beperkter dan dat van hare verwante. Zelfs de noordelijkste gedeelten van de toendra, voor zoover zij, al is het slechts gedurende eenige weken, hun sneeuwlaag verliezen, worden nog door haar bewoond; altijd houdt zij zich zooveel mogelijk in de nabijheid van de eeuwigdurende sneeuw op. Op IJsland is zij de algemeenste landvogel; zij broedt nog op Spitsbergen, Nowaja Semlja en Noord-Groenland, voorzoover dit onderzocht is. Haar winterreis strekt zich tot in Zuid-Duitschland, soms nog verder zuidwaarts uit, in Azië tot in 't zuiden van Siberië en tot in China, in Amerika tot in de middelste Vereenigde Staten. Bij ons ziet men deze Vogels, vooral bij sneeuw of vorst, soms in groote menigte in de kuststreken, op onbeplante dijken, wegen enz. In hun broedgebied houden zij op berghellingen en rotsachtige gebergten verblijf. Hier brengen zij haar korten zomer door, hier minnen en broeden zij. Het nest, dat steeds in rotsspleten of onder groote steenen aangelegd wordt, bestaat van buiten uit grashalmen, mos en korstmossen, die op den bodem groeien; het is van binnen met veeren en dons gevoerd; de ingang is zoo klein mogelijk, niet grooter dan noodig is om de oude gemakkelijk door te laten. Het bevat 5 of 6 eieren, die zeer verschillend van kleur en teekening kunnen zijn, gewoonlijk echter op blauwachtig witten grond donker roestbruine vlekken, stippels en strepen vertoonen, welke zich in de nabijheid van het dikke einde kranswijs opeenhoopen. Reeds tegen het einde van April laat het mannetje, boven op een steen zittend, zijn kort, maar helder klinkend, aangenaam gezang hooren. Kort na den broedtijd vereenigen de paren zich met hunne jongen tot groote vluchten, die nog eenigen tijd in het vaderland blijven, maar vervolgens hun winterreis aanvangen. Op de broedplaatsen voeden zij zich uitsluitend met Insecten, vooral met Muggen; gedurende den winter moeten zij zich met zaden behelpen.
Weinige andere Vogels reizen in zulke verbazend groote gezelschappen als de Sneeuwgorsen. Ook Nederland en Duitschland bezoeken zij in bijna iederen winter, maar slechts zelden in zulke groote zwermen als het hooge noorden. In Rusland noemt men ze "Sneeuwvlokken" en deze benaming past goed op haar, daar zij werkelijk als sneeuwvlokken uit de lucht komen vallen en akkers en straten bedekken. Soms komen zij in groote vluchten op schepen om hier eenige oogenblikken uit te rusten.
Door hare handelingen gelijken de Sneeuwgorsen zoowel op de Leeuweriken als op de Gorsen. Zij loopen geheel op de wijze van de Leeuweriken, vliegen behendig en zonder moeite, met weinig gefladder en volgens groote booglijnen, gedurende de reis op aanzienlijke hoogte, overigens liefst dicht bij den bodem. Gezelschappen, die voedsel zoeken, rollen als 't ware over den grond verder, daar slechts een gedeelte zich op den grond neerzet en de andere over deze heenvliegen. Zij zijn onrustig en beweeglijk van aard: zelfs gedurende de strengste koude verliezen zij haar opgewektheid niet en hebben, zelfs wanneer zij bepaald gebrek lijden, nog een vergenoegd uiterlijk. Slechts zelden blijven zij lang op dezelfde plaats, liever zwerven zij door een beperkt gebied aanhoudend rond. Als er veel sneeuw ligt, zoeken zij de wegen op en komen zelfs in de steden; zoolang zij echter op de akkers nog voedsel kunnen vinden, kiezen zij deze als winterverblijf en zijn hier gedurende den geheelen dag bezig. Haar loktoon is een luid gefloten "fiet" en een klinkend "tsierr"; het gezang van het mannetje is een getsjilp, dat in vele opzichten op het gezang van den Veldleeuwerik gelijkt, maar er door luide, schel klinkende strophen van verschilt.
In gevangenschap houden zij zich in den regel niet lang goed.
Het geslacht der Gorsen in engeren zin (Emberiza) kenmerkt zich door den snavel, die, hoewel verschillend van lengte en dikte steeds een duidelijken knobbel aan het gehemelte bezit; de bovensnavel is smaller dan de ondersnavel; de voeten, welker achterteen met een korten, sterk gekromden nagel gewapend is, zijn zwakkelijk; de vleugels zijn middelmatig lang, hun spits wordt gevormd door de tweede en derde handpen; de staart is lang en aan de spits uitgerand.
Bij onze Rietgors, Rietmusch, Slootmusch of Rietvink, in Friesland Rietmosk genoemd (Emberiza schoeniclus), zijn de kop, de kin en de keel tot aan het midden van den krop zwart; de knevelvlek en een den hals omgevende kraag zijn wit evenals ook de onderdeelen, deze met uitzondering van de grauwe, met donkere, overlangsche strepen voorziene zijden; de mantel en de schouders, die een overgang van grijs in zwartbruin vertoonen, zijn door de roestbruine zoomen aan weerszijden van de veeren op een aangename wijze geteekend; de staartwortel en de bovendekveeren van den staart zijn grijsbruin, de slagpennen bruinzwart met roestbruine zoomen, de bovendekveeren van den vleugel roestrood, de grootste aan den wortel zwart, de beide middelste met roestroode randen, de buitenste aan de buitenvlag wit. De iris is donkerbruin, de snavel eveneens, de poot is bruinachtig. Totale lengte 16, staartlengte 5.5 cM.
Het verbreidingsgebied van deze soort omvat geheel Europa en het westen van Azië. In ons land vindt men haar van April tot October, vooral aan den waterkant in 't riet, in de laatste jaren intusschen veel minder algemeen dan vroeger (Schlegel).
Binnen de grenzen van het genoemde, uitgestrekte verbreidingsgebied ontbreekt de Rietgors nergens behalve in het gebergte. Zij woont echter uitsluitend daar, waar moerassige oorden met hooge waterplanten, riet, zeggen, wilgenstruiken en dergelijke in moerassige streken groeiende gewassen bezet zijn, met andere woorden dus, aan de oevers van plassen, rivieren en meren, in moerassen en drasse weiden. Hier broedt zij ook.
Het nest wordt, zeer goed verborgen tusschen wortels en halmen, op den bodem van eilandjes en andere niet door het water overdekte plekjes grond gebouwd. Gewoonlijk is het slordig samengesteld uit allerlei halmen en slingerplanten, grasstoppels en drooge grasbladen, van binnen bekleed met enkele paardeharen, met vruchtharen van riet en zaadharen van wilgen. Tweemaal in den zomer, in Mei en begin van Juli, vindt men in het nest 4 à 6 aardige eitjes, die een zeer verschillende kleur kunnen hebben, maar gewoonlijk op grijsachtig witten, naar bruinachtig of roodachtig zweemenden grond met aschgrauwe à zwartbruine, scherp begrensde of uitvloeiende vlekken, stippels en adertjes geteekend zijn. Het broedende wijfje wijdt zich met zooveel ijver aan haar taak, dat men het bijna met de hand kan vangen; het mannetje komt, zoodra iemand het nest nadert, angstig toegevlogen en laat een klagend geschreeuw hooren. De jongen worden op de gewone wijze met voedsel voorzien en grootgebracht.
De Rietgors is een opgewekt, slank vogeltje, behendiger en flinker dan hare verwanten; zij klimt als een acrobaat bij de rietstengels op en neer en ziet kans om op de zwakste twijgen of halmen te blijven zitten; zij huppelt vlug over den bodem, vliegt snel en zonder inspanning, maar met rukken; als zij opvliegt verheft zij zich hoog boven den grond en schiet bij 't neerstrijken plotseling naar beneden, ook dartelt zij dikwijls in fraaie booglijnen boven het rietveld. Haar loktoon is een luide, ongewoon lang gerekte, met "tsie" overeenkomende klank; haar gezang wordt door Naumann zeer eigenaardig met stamelen vergeleken.
Gedurende den zomer voedt ook de Rietgors zich bijna uitsluitend met Insecten, die in het riet of in en op het water leven; in den herfst en in den winter eet zij zaden van riet, zeggen, biezen en andere moerasplanten. Kort na den broedtijd vereenigen deze Vogels zich tot kleine vluchten en bezoeken van tijd tot tijd de akkers, waar zij bij de gierststengels en andere korenhalmen opklauteren en de graankorrels uit de aren en pluimen halen. Als de weersgesteldheid ongunstig begint te worden, verlaten zij de noordelijke gewesten en slaan in de rietbosschen of op de met langhalmige grassen en distels begroeide vlakten van Zuid-Europa hare winterkwartieren op. Zij overwinteren ook in Griekenland en Algerië; aan de oevers van het Albufera-meer bij Valencia blijft zij gedurende het geheele jaar. Enkele exemplaren overwinteren in Zuid-Duitschland.
De Dwerggors (Emberiza pusilla), zoo genaamd, omdat zij de kleinste van alle Gorsen is (totale lengte 16, staartlengte 6.5 cM.), bewoont het Noorden van Rusland en geheel Noord-Azië. Enkele malen werd zij in West-Europa waargenomen, ook in Nederland (in 't geheel 7 of 8 maal). De bovenkop, de teugel en de zijden van den kop zijn roestrood; twee breede, zwarte streepen strekken zich, bij het neusgat beginnend, over den kop tot in den nek uit; een zwarte streep achter het oog verbindt zich met een dergelijke, die de oorstreek van achteren begrenst; aan de zijden van den hals komt een roestroode dwarsstreep voor. De bovendeelen (benevens oogen, snavel en pooten) zijn bruin, de onderdeelen wit, gene op den mantel en de schouders, deze op de zijden met breede, bruinzwarte, roodbruin gezoomde schaftvlekken geteekend; dicht bijeen staande, zwarte schaftvlekken versieren den krop en de borst. Van de donkerbruine stuurpennen is de buitenste op de geheele buitenvlag en op het einde van de binnenvlag wit.
Nog zeldzamer is in ons land de 17 cM. lange Woudgors (Emberiza rustica), die éénmaal te Harderwijk gevangen werd (Albarda). Zij bewoont het noorden, van Kamtschatka tot Lapland. Van de Dwerggors, waarop zij overigens veel gelijkt, verschilt zij door de zwarte kleur van de bovenvlakte en de zijden van den kop. Beide soorten trekken uit het noorden van Europa in 't najaar in zuidwestelijke richting en bezoeken naar alle waarschijnlijkheid vaker ons land dan men vermoedt.
De grootste, inheemsche soort van het Gorsengeslacht is de zwaarlijvige Grauwe Gors of Gierstvogel, in Gelderland Grauwgors, in Groningen Dikschijter, Korenspork of Grauwstjirt, in Friesland Grauwtjirt genoemd (Emberiza calandra) [17]; zij is 19 cM. lang met inbegrip van den 7 cM. langen staart. Hare bovendeelen zijn op rosachtig grijsbruinen grond met zwartbruine, overlangsche vlekken geteekend; dergelijke vlekken gaan van de ondersnavel uit en vormen onduidelijke baardstrepen, die op het midden van den krop tot een groote, donkere vlek ineenvloeien; de wangen en de oorstreek zijn op bruinachtigen grond met donkere, overlangsche strepen voorzien en van onderen begrensd door een vaalwitten, eveneens donker gestreepten band; de slagpennen en staartvederen zijn donkerbruin met vaalwitten buitenzoom; de vaalwitte eindzoomen van de bovendekveeren vormen op den vleugel twee lichte dwarsstrepen. Het oog is donkerbruin, de snavel vuilgeel, de poot bleekgeel.
Van het zuiden van Noorwegen af wordt de Grauwe Gors op alle voor haar geschikte plaatsen van geheel Europa en ook van West-Azië, hetzij als standvogel of althans als zwerfvogel aangetroffen. Men ontmoet haar hier ook als trekvogel; in 't najaar begeeft zij zich afzonderlijk of in zwermen tot naar Noord-Afrika, is dan in Egypte niet zeldzaam en op de Kanarische eilanden algemeen. Des zomers bewoont zij uitgestrekte, met graan bebouwde vlakten; bij voorkeur houdt zij zich op in gewesten, waar bouwland en weiden met elkander afwisselen en waar afgezonderd staande boomen en struiken voorhanden zijn. In groote bosschen ziet men haar evenmin als op gebergten. In ons land werd zij broedende slechts in sommige streken en wel in kleinen getale aangetroffen, zooals b.v. in Groningen, in Friesland en ook in Gelderland en Noordholland; soms zwerft zij hier ook 's winters rond. In de overige streken ziet men haar slechts zeer zelden in October en November op den trek verschijnen. In Maart komt zij op hare broedplaatsen terug. In Noord-Duitschland is zij nergens zeldzaam, in Middel-Duitschland breidt zij het door haar bewoonde gebied meer en meer uit; in de rijke, graan verbouwende districten van Oostenrijk-Hongarije is zij, zoo niet de veelvuldigste van alle Vogels, dan toch de veelvuldigste van alle Gorsen. Marshall zegt van de wijzigingen, die de geographische verbreiding van dezen Vogel ondergaat: "De somber uitziende Grauwe Gors en de om zijn smakelijk vleesch bekende Ortolaan, die eveneens de bebouwing van den bodem en meer bepaaldelijk de teelt van granen en klaver volgen, streven van het Oosten naar het Westen vooruit. Daar zij echter, naar het schijnt, minder goed geschikt zijn voor den strijd om het bestaan, zich ook niet zoo innig bij den mensch kunnen aansluiten, kortom minder onbeschaamd zijn dan de Musch, hebben zij het niet zoo ver gebracht als deze. De beide genoemde Gorsen hebben, naar het schijnt, in Middel-Europa zich het eerst gevestigd in het meer noordwaarts gelegen vlakke land (en wel de Grauwe Gors niet geheel en al zoo noordelijk als de Ortolaan), later eerst in het zuidelijkere bergland: in Zuid-Rusland en West-Azië zijn beide Gorsen algemeen; hier zal waarschijnlijk haar oorspronkelijke woonplaats gelegen zijn."
Zooals de ineengedrongen, plompe lichaamsbouw, de kortheid der vleugels en de zwakheid der pooten al dadelijk doen vermoeden, is de Grauwe Gors log van beweging. In gebukte houding huppelt zij langzaam over den grond en wipt intusschen met den staart; ook voor het vliegen wordt veel inspanning vereischt; met snorrende vleugelslagen beschrijft zij een uit bogen bestaande vluchtlijn; toch weet zij op deze wijze een voldoende snelheid te bereiken en allerlei doelmatige wendingen te maken, die men van haar niet verwacht zou hebben. Haar loktoon, die bij het opvliegen dikwijls herhaald wordt en die zij ook gedurende het vliegen laat hooren, is een scherp "tsiek", het waarschuwend sein klinkt gerekt als "sieh", het geluid, dat teedere aandoeningen verraadt, is een zachter "tiek"; het gezang is zoomin aangenaam als luid en gelijkt sterk op het gedruisch, dat bij het kousenweven gehoord wordt, daar het herhaaldelijk roepen van "tiek tiek" het voorspel is van een onnavolgbaar gekletter, waarmede deze zonderlinge compositie besloten wordt. Gedurende het zingen neemt de Grauwe Gors op steenen, palen, takken van struiken en boomen verschillende houdingen aan en tracht zij zooveel mogelijk door gebaren de gebreken van haar gezang te vergoeden. Beminnelijke eigenschappen merkt men bij deze Gors niet op, integendeel, zij is vervelend en valt bovendien hare meer vredelievende verwanten lastig met haar twistgierigheid.
Het nest wordt in April in een kleine holte te midden van gras of van andere tot beschutting dienende kruiden en altijd op korten afstand boven den grond gebouwd. Oude stroohalmen, droge grasbladen, halmpjes zijn de bestanddeelen van den nestwand; de nestholte is met haren of met zeer fijne halmpjes gevoerd. De 4 à 6 eieren hebben een fijne, glanslooze schaal en zijn op dof grijsachtigen of vuilgelen grond met roodblauwachtig grijze stippels, vlekjes en streepjes geteekend en geaderd. De jongen worden met Insecten grootgebracht en zijn tegen het einde van Mei geschikt om te vliegen; zoodra zij zichzelf kunnen redden, beginnen de ouders voor een tweede broedsel te zorgen; als ook deze werkzaamheden afgeloopen zijn, voegen alle zich tot vluchten bijeen en beginnen kort daarna te trekken.
De Grauwe Gors wordt geschoten of in netten gevangen, omdat zij een lekker gebraad oplevert. Voor de kooi vangt men haar niet.
De gemeenste soort van Gors in ons land is de Geelgors, Haverkneu, Geelgierst, Geelvink, Gierstvink of Gerstkneu, in de Tielerwaard Drifter, in Gelderland Geelkneus, in Noord-Brabant Sip, Schrijver of Schrieverik, in Groningen Geelstjirt, in Friesland Gelegeus of Geeltjirt genoemd (Emberiza citrinella). Totale lengte 17, staartlengte 7 cM. De kop, de hals en de onderdeelen zijn fraai hooggeel, de voorkop en de achterhals olijfkleurig grijsgroen, zoo ook twee overlangsche strepen aan weerszijden van den kop, waarvan de eene zich van den voorkop boven het oog langs naar den nek, de andere van den achterrand van het oog tot op den slaap uitstrekt. De zijden van den kop zijn kaneelroodbruin, de staartwortel en de bovendekveeren van den staart iets donkerder, de mantel en de schouders vaalroestbruin, de zijden van den romp van boven met breede, zwarte, iets lager met donkerbruine schaftstrepen; de slagpennen en stuurpennen zijn zwartbruin, de binnenvlag van de beide buitenste stuurpennen heeft breede, witte eindvlekken. Het oog is donkerbruin, de snavel donkerblauw, aan de zijranden lichter, de poot roodachtig geel.
Deze Vogel bewoont Noord- en Middel-Europa en een groot deel van Azië, vooral Siberië. Bij ons houdt hij zich op aan boschkanten, in struiken en heggen, vooral in de nabijheid van slooten en ander water. Overal, waar tusschen akkers, weiden en boomgaarden struikgewas groeit, kan men hem met zekerheid verwachten. In Duitschland ontbreekt hij in geen vlakte en komt hij ook in het gebergte tot bij den woudgrens voor.
Met uitzondering van eenige gewesten is de Cirlgors (Emberiza cirlus), over het geheele zuiden van Europa verspreid; in vele oorden komt zij nevens de Geelgors voor, in andere vervangt zij haar. Zij wordt bovendien hier en daar in Zwitserland, het zuidwesten van Duitschland, Frankrijk, België en Engeland aangetroffen en is ook een paar malen in Nederland (bij Harderwijk en bij Arnhem) gevangen. Zij gelijkt in vele opzichten op de vorige soort, maar is iets kleiner (totale lengte 15.8, staartlengte 7 cM.); bovendien levert de kleur kenmerken ter onderscheiding op: de grondkleur van den mantel en de schouders is nl. roodbruin, de staartwortel bruingrijs met olijfgroenen tint, de snavel van boven zwart, van onderen lichtbruin, de keel zwartachtig, de oorstreek met zwart omzoomd.
Gedurende den geheelen zomer ontmoet men de oude Geelgorsen bij paren of hare jongen tot kleine vluchten vereenigd. Het nest wordt in den eersten aanvang van de lente gebouwd; dikwijls vindt men het reeds in Maart. Als bouwstoffen dienen grove, half vergane stengels van kruiden, grashalmen en droge bladen, voor de binnenste laag grashalmen en paardehaar. Het nest is gelegen in laag struikgewas, meestal op of dicht bij den grond, slechts bij uitzondering 1 of 2 M. er boven, tusschen de stammen of te midden van de dichte twijgen, ook wel in het gras of tusschen andere kruiden en zelfs in het riet. Het bevat reeds in het begin van April, ook wel vroeger, 4 of 5 eieren, deze zijn fijn van schaal, op witachtigen of roodachtigen grond paars gevlekt of gestippeld en met fijne, gekronkelde streepjes als beschreven; hieraan dankt deze Vogel zijn Noordbrabantschen naam. De beide ouders broeden om beurten en deelen met elkander de zorg voor de opvoeding der jongen. In gunstige jaren broedt de Geelgors twee- en zelfs driemaal. Zoolang de broedtijd duurt, is het mannetje zeer opgewekt: het zingt van den vroegen morgen tot laat in den avond zijn eenvoudig liedje, dat uit 5 of 6 bijna gelijke tonen en een eenigszins gerekten, één octaaf hoogeren slotklank bestaat. In Duitschland wordt het nagebootst door de woorden: "S'is, s's noch viel zu früh" of "Wenn ich 'n sichel hätt; wollt' ich mit schnitt", of eindelijk volgens Mosen, "Wie, wie hab ich dich lieb". De Zanger zit bij het zingen op een vrijen taktop en laat den mensch zeer dicht bij zich komen, hij en zijne handelingen kunnen daarom gemakkelijk waargenomen worden.
Na den broedtijd vereenigen ouden en jongen zich tot zwermen, die weldra zeer talrijk worden en van nu af, in den eersten tijd althans, in een klein gebied rondzwerven; ook voegen zij zich wel bij Leeuweriken en Vinken, zelfs bij Kramsvogels. In strenge winters zien de Geelgorsen zich genoodzaakt om bij den mensch om voedsel te komen bedelen; zij komen dan in grooten getale, dikwijls als welkome of althans gedulde gasten, op het erf van den landman, vooral bij stallen, op mesthoopen enz., in gezelschap van Musschen en andere Vogels; in het volgende voorjaar keeren zij echter naar hare vroegere woonplaatsen terug. Hier en daar worden zij op bepaaldelijk hiervoor bestemde vinkebanen gevangen; de roofdieren zijn voor haar echter gevaarlijker vijanden dan de menschen.
Van meer belang voor den vogelaar en den fijnproever is de Ortolaan (Emberiza hortulana). Totale lengte 16, staartlengte 7 cM. De kop, de hals en de krop zijn dof grijsgroenachtig, een smalle kring om de oogen, de kin en de keel zijn geelachtig, zoo ook een streep, die, van den ondersnavel uitgaande, de wang omgeeft en van de lichte keelvlek gescheiden is door een smalle, donkere baardstreep; de overige onderdeelen zijn kaneelkleurig roestrood, de onderdekveeren van den staart lichter; de bovendeelen zijn dof roestbruin (als bij den Musch), de mantel en de schouders met breede, donkere schaftstrepen geteekend, de slagpennen donkerbruin, de eerste met witten, de volgende met smallen, vaalbruinen, de laatste armpennen en hare dekveeren met breeden, roestbruinen zoom aan de buitenvlag, de bovendekveeren van den vleugel bovendien met roestbruinen zoom aan de spits, waardoor een dwarsband ontstaat; de staartveeren zijn donkerbruin met valen buitenzoom, de tophelft van de binnenvlag van de beide buitenste pennen en het middelste deel van de buitenvlag van de buitenste pen wit. De oogen zijn donkerbruin, de snavel en de pooten vleeschkleurig.
Ook de Ortolaan is over een groot deel van Europa verbreid; hij komt echter slechts hier en daar, in vele gewesten niet of uiterst zelden voor. Soms vestigt hij zich in oorden, waar hij vroeger niet gezien werd, voor goed, om er te nestelen. "In ons land wordt hij buiten sommige streken van Noordbrabant," schrijft Schlegel, "slechts toevallig aangetroffen. Hij nestelt in de bedoelde streken algemeen, maar komt er ook in het najaar op den trek menigvuldig. Hij wordt alsdan, zooals dat b. v. in de omstreken van Turnhout plaats heeft, met slagnetten gevangen en in kooien, gedurende den nacht bij kaarslicht, met gierst in weinige dagen vetgemest, vervolgens door een stopnaald in het achterhoofd te steken gedood, doch niet ontweid, en met roode zijden strikjes om den hals, in spanen doosjes verzonden. Vroeger betaalde men een ducaat, thans somtijds nog één of twee gulden voor het stuk." In Duitschland bewoont de Ortolaan als standvogel de gewesten aan den benedenloop van de Elbe, de Mark en Lausitz, Silezië, Westfalen en de Rijnlanden. Veelvuldig is hij in het zuiden van Noorwegen en in Zweden en gemeen in Zuid-Europa; bovendien broedt hij in Engeland, Frankrijk, Rusland, Middel-Azië tot aan de Alatau, en in de gebergten van Klein-Azië en Palestina. In den winter begeeft hij zich op den trek tot in het westen en oosten van Afrika en houdt zich hier bij voorkeur in de gebergten op, waar hij zelfs nog op een hoogtegordel van 3000 M. voorkomt.
De levenswijze en de gewoonten van den Ortolaan, verschillen weinig van die der andere Gorsen. Hij bewoont ongeveer dezelfde soort van plaatsen als de Geelgors en is hier op dezelfde wijze werkzaam; ook zijn gezang is van soortgelijken aard, hoewel iets aangenamer. De loktoon klinkt als "gief gerr", de zachte klank "gie" of een nauwelijks hoorbaar "piek" geeft teedere gevoelens te kennen; een onaangename gewaarwording wordt geopenbaard door luid "gerk" te roepen. Het nest en de eieren gelijken op de reeds beschrevene. Het nest is dicht bij den grond gelegen, gewoonlijk in de dichtste twijgen van lage boomen; het bevat bij het broeden 4 à 6 eieren, die op roodachtig grijzen grond met blauw-zwartachtige vlekjes en krulletjes geteekend zijn.
Reeds bij de oude Romeinen was het smakelijke, malsche vleesch van den Ortolaan als een buitengewone lekkernij bekend; zij mestten hem in bepaaldelijk hiervoor ingerichte kooien, die des nachts door lampen verlicht werden. Naar het voedsel, dat zij dezen Vogel gaven (gierst = "mil"), noemden zij hem "Miliaria". Op dezelfde wijze heeft, naar gezegd wordt, het mesten nu nog plaats in Italië, het zuiden van Frankrijk en vooral op de Grieksche eilanden. Daar worden de Ortolanen in menigte gevangen, gedood, nadat zij den gewenschten graad van vetheid bereikt hebben, vervolgens geplukt en schoongemaakt, gekookt, en bij 200 of 400 stuks met azijn en kruiderijen in kleine vaatjes ingemaakt, die daarna verzonden worden. Voor Ortolanen, die op deze wijze toebereid zijn, worden door fijnproevers hooge prijzen betaald.
In het zuidoosten van Europa, vooral in Griekenland voorts in Klein-Azië, Palestina, West-Azië en Noord-Afrika, vindt men, behalve de Ortolaan, ook de Roestgors (Emberiza caesia), die zich van dezen, zijn naasten verwant, onderscheidt door de grijze kleur van den kop, de grijze dwarsbanden over den krop, de licht kaneelroode keel, de donker kaneelroode onderdeelen, de kleinere, witte vlek aan het uiteinde van de buitenste staartpennen en den koraalrooden snavel. Soms worden Vogels van deze soort in Zuid-Duitschland en op Helgoland geschoten.
Een van de fraaiste leden van dit geslacht is de in ons vaderland nog niet waargenomen Tsiepgors (Emberiza cia); zij is 18 cM. lang (staartlengte 7.6 cM.). De kop en de nek zijn aschgrauw, de zijden van den kop, de keel en de krop iets lichter, een breede streep boven de oogen, de wangen en de kin witachtig grijs; twee strepen, die de wenkbrauwstreep van boven en van onderen begrenzen en een derde, die, van den mondhoek uitgaande, om de wangen heen zich met de onderste der beide reeds genoemde strepen verbindt, zijn zwart; de mantel en de schouders zijn roestroodbruin, alle veeren met donkere schaften, de staartwortel, de bovendekveeren van den staart en de onderdeelen kaneelroestrood, op het midden van den buik lichter, de slagpennen zwartbruin, de achterste armpennen en hare dekveeren met roestbruinen zoom; de bovendekveeren van den vleugel zijn donkergrijs, de groote zwart met vaal roestkleurige eindzoomen, die een dwarsband op den vleugel vormen; de staartveeren zijn, met uitzondering van de beide middelste, donkerbruinzwart, de tophelft van de beide buitenste is op de binnenvlag wit, de buitenhelft van de buitenste ook. Het oog is donkerbruin, de bovensnavel zwart-, de ondersnavel lichtbruin, de poot lichtgeelachtig.
In Duitschland bewoont de Tsiepgors, die haar gebied al verder en verder noordwaarts uitbreidt, de Rijnstreken en ook het zuidoosten van Baden, hier beperkt tot de hoogste dalen van het gebergte, ginds tot de wijnbergen van den rechter Rijnoever; niet minder zelden komt zij in Oostenrijk voor. Veelvuldig daarentegen is zij in Zuid-Europa, n.l. in Spanje, Italië en Griekenland, bovendien in West-Azië. Van hier uitgaande doorreist zij het grootste deel van Azië tot aan den Himalaja, in welks westelijke gedeelten zij geregeld voorkomt. Zij is een bewoner van het gebergte, en vermijdt de vlakten. Het liefst bewoont zij berghellingen met het grootst mogelijk aantal rotsspleten. Hier zwerft zij op de wijze van de overige Gorsen tusschen en op de steenblokken rond.
Het nest vindt men aan den Rijn, waar zij in sommige streken niet zelden nestelt, in de spleten en holen van de muren, die de wijnbergen omgeven. De 3 of 4 eieren vertoonen op witachtig grijzen grond een teekening bestaande uit zwartachtig grijze draden met eenige grijze daartusschen; deze draden vormen dikwijls in het midden van het ei gordels; daar zij niet kort afgebroken zijn, verschilt de teekening dezer eieren aanmerkelijk van die der Geelgorsen. Ook de Tsiepgors broedt waarschijnlijk tweemaal per jaar.
Een niet minder fraaie Vogel is de Wilgengors (Emberiza aureola). De meeste leden van deze soort broeden in het noorden van Azië, de overige bevolken in groote getale het noordoosten van Europa. Van deze dwalen op den trek niet zelden eenige exemplaren naar West-Europa af, in plaats van met de meerderheid in het zuiden van China, Cochinchina, Assam, Birma en de overige landen van het westelijke Himalaja-gebied te overwinteren. Eénmaal is er een op een vinkenbaan te Harderwijk gevangen (Albarda). De Wilgengors is 18 cM. lang en heeft een 4.5 cM. langen staart. De hoofdkleur van haar vederenkleed is roestbruin.
Zuidoost-Europa, te beginnen bij Italië (namelijk Dalmatië en Griekenland benevens vele eilanden van de Adriatische Zee), en een groot deel van Zuidwest-Azië (van de Levant tot aan de noordelijke en westelijke provinciën van Indië) worden bewoond door de hierneven afgebeelde Kapgors (Emberiza melanocephala); nergens is deze soort echter sterker vertegenwoordigd dan in Perzië. Zij is 18.5 cM. lang en heeft een 8 cM. langen staart. Met uitzondering van den zwarten bovenkop is de hoofdkleur van alle bovendeelen helder kaneelroodbruin, van alle onderdeelen hooggeel; de vleugels en de staart zijn donkerbruin, de pennen met vaalbruinen, de kleine vleugeldekveeren met geelgrijzen, de groote met witten eindzoom. De oogen zijn donkerbruin, de pooten bruinachtig geel, de snavel is vuilblauw. Het wijfje mist de zwarte kap; haar bovenkop is even als de overige bovendeelen grijsachtig roestrood, de onderdeelen zijn met uitzondering van de witte keel roestgeelachtig wit.
Uit hare winterkwartieren terugkeerend, komt de Kapgors tegen het einde van April in Griekenland, een weinig later in Istrië aan. Op een fraaien lentemorgen zou men in Griekenland alle struiken aan het zeestrand, waar den vorigen dag geen enkele van deze Vogels te vinden was, letterlijk bedekt kunnen zien met Kapgorsen, die hier gedurende den nacht zijn aangekomen. Onmiddellijk begeeft ieder paar zich naar zijn broedplaats, de soms in een van de wijnbergen der vlakte, soms op een nog onbebouwden met salie- en doornstruiken (Paliurus) begroeiden heuvel gelegen is; het bouwt een nest, broedt, voedt de jongen en verlaat het vaderland weer tegen het einde van Juli of in Augustus om zich te begeven naar het land, waar het overwinteren zal. De Kapgorsen trekken echter niet naar het zuidwesten, maar naar het zuidoosten. Waarschijnlijk is Perzië het brandpunt van haar verbreidingsgebied; van hier zijn zij uitgegaan en hebben Klein-Azië en het Balkan-schiereiland eerst later gevonden; door Perzië, waar zij nog altijd en (tot op een hoogte van bijna 3000 M.) overal veelvuldig zijn, reizen zij naar hare winterverblijven. Weinige weken na haar vertrek uit Europa verschijnen zij in Dekhan en in de noordelijke provinciën van Hindostan, vereenigen zich hier tot ontzaglijke zwermen, richten groote verwoestingen aan in de graanvelden en verlaten dit land eerst weder in Maart.
Het nest staat op den bodem in of naast stekelig struikgewas, gewoonlijk zeer verborgen; het is slordig gebouwd: droge stengels van kruiden en bladen vormen den wand, die van binnen met fijne worteltjes, halmpjes, bladvezels en paardehaar gevoerd is. In de eerste helft van Mei worden er 5 à 7 eieren ingelegd, die op bleek blauwachtig groenen grond met duidelijk begrensde of uitvloeiende, aschgrauwe, groenachtige of roodachtig grijze vlekken geteekend zijn. In Perzië verzamelen de Kapgorsen zich na den broedtijd tot zwermen van duizenden en tienduizenden individuën, die van de eene plaats naar de andere zwerven en nog meer gevreesd worden dan de Sprinkhanen, daar zij reeds lang voordat de tijd van trekken daar is, de akkers beginnen te plunderen.
De Wevervogels (Ploceidae) behooren tot de aantrekkelijkste eigenaardigheden van de dierenwereld in het Ethiopische faunistische Rijk. In deze familie, die buiten Afrika alleen in Zuid-Azië en Indië vertegenwoordigd is, worden omstreeks 300 zeer verschillende, voor 't meerendeel Afrikaansche soorten van Zangvogels vereenigd. Deze hebben met elkander gemeen den meer of minder dikken, doch steeds kegelvormigen snavel, welks rug naar achteren afgeplat, aan den wortel breed en daar als 't ware tusschen de veeren van den voorkop verborgen is, den van voren met kleine plaatjes, aan de zijden met een doorloopende plaat bekleeden loop en de samenstelling van het handgedeelte van den vleugel, dat steeds tien pennen bezit.
De Wevervogels worden zoo genoemd, omdat vele soorten van deze groep een groot, kunstig geweven nest vervaardigen. Deze nesten verschaffen aan sommige boomen van Middel-Afrika en Zuid-Azië een prachtigen opschik. De gevederde kunstenaars geven de voorkeur aan boomen, die met een deel van hun kroon een water overschaduwen; soms zijn deze letterlijk bedekt met nesten. Koloniën van Wevervogels kunnen als een in 't oog loopende eigenaardigheid van Middel-Afrika, Indië en de eilanden van den Indischen Archipel beschouwd worden. Een kenmerkende eigenschap van deze aanvallige bouwmeesters is, dat zij bij 't broeden steeds tot groote gezelschappen vereenigd zijn. Het is een zeldzaamheid aan een boom niet meer dan één Wevervogelnest aan te treffen, gewoonlijk vindt men er 20, 30, zelfs 100 of meer bijeen. De buitengewone stevigheid van deze nesten maakt, dat zij jaren lang aan weer en wind weerstand bieden. Het komt daarom wel voor, dat men aan den boom, die nu door een kolonie van Wevervogels in beslag genomen is, nog de nesten van drie of vier vroegere jaren ziet hangen. Boomen, die op deze wijze versierd zijn, ontmoet men binnen het verbreidingsgebied van de bekwaamste Wevervogels overal, in het gebergte zoowel als in de vlakte, in het woud zoowel als onmiddellijk boven het huis van den dorpeling.
De werkzaamheden van sommige soorten van Wevers in Neder-Guinea worden door Pechuel-Loesche op de volgende wijze beschreven: "In of bij de dorpen of factorijen nestelen vooral de Zware Wever (Ploceus nigerrimus) en de Halsbandwever (Ploceus cinctus) op oliepalmen en nog liever op afgezonderd staande wolboomen (Bombax). In het dichte gebladerte van de wolboomen blijven de stevig en kunstig gevlochten, buidelvormige nesten, die men er niet bij honderden, maar bij duizenden in vindt, gedeeltelijk verborgen; op de oliepalmen, die door de handige bouwmeesters gewoonlijk geheel beroofd worden van hunne gevinde of vedervormig samengestelde bladen, vallen de nesten des te meer in 't oog. Daar het den inboorlingen niet in de gedachten komt de rusteloos werkzame Vogels lastig te vallen, bekommeren deze zich in het geheel niet om de handelingen der menschen. Zij zijn even argeloos als bedrijvig en vlijtig en maken bij den strijd om de beste nestelplaatsen, bij het broeden en voederen der jongen en bij hunne pogingen om als zangers op te treden een groot, maar toch gezellig geraas. De buigzame en taaie grondstof voor 't weven ontleenen zij bij voorkeur aan de naburige oliepalmen; in den regel kiezen zij echter een van deze hiervoor uit, die er derhalve slecht aan toe is. Zij gaan bij dezen arbeid volgens een bepaalden regel te werk. Fladderend vatten zij met den snavel den rand van een der blaadjes aan op de plaats, waar dit aan den algemeenen bladsteel gehecht is, en scheuren hiervan over de geheele lengte een strook af, door zich te laten vallen; op dezelfde wijze halen zij een tweede en een derde strookje enz., totdat er van het blaadje alleen de dunne middelnerf is overgebleven. Daarna verscheuren zij het naastbij liggende en de daarop volgende blaadjes en eindelijk, als er aan het eene reusachtige blad geen spoor van groen meer overgebleven is, vallen zij op het volgende aan. Als er zeer vele Vogels aan den arbeid zijn, worden verscheidene bladen tegelijkertijd verscheurd. Met rusteloozen ijver zwieren de kleine bouwmeesters om den boomstam heen; in grooten getale vliegen zij af en aan, bij hun vertrek lange, fladderende strookjes medevoerend; zij gaan hun gang zonder zich te laten afschrikken door de menschen, die van beneden naar de groote, hier aangerichte verwoestingen kijken. Na verloop van korten tijd is de volle kroon van den fieren palm verdwenen; wat er van overblijft, gelijkt op bezemrijsjes. Dan wordt een tweede en vervolgens een derde palm op dezelfde wijze behandeld; dikwijls moeten er een dozijn geplunderd worden, voordat de nestenstad voltooid is.
De Wevers (Ploceinae) zijn de grootste leden van de naar hen genoemde familie, waarvan zij de kern uitmaken. Meestal slank gebouwd, kenmerken zij zich bovendien door hun betrekkelijk langen en slanken, maar toch altijd krachtigen, kegelvormigen snavel, door hunne pooten, die een langen loop met lange teenen hebben en met harde, sterk gekromde nagels gewapend zijn, door hunne lange, maar stompe vleugels, van welker slagpennen gewoonlijk de vierde de langste is en door hun korten, zwak afgeronden staart; zij kunnen dus niet licht met andere leden van dezelfde familie verward worden. Geel of roodachtig geel en zwart zijn de kleuren, die bij hen de overhand hebben; er zijn echter ook grootendeels zwarte, roode, muschachtig grijze en witachtige Wevers. Gewoonlijk is de kop, of althans het aangezicht, donker van kleur; de rug is meestal groenachtig of roodachtig geel, terwijl de onderdeelen een zuiver gele, lichtroode of donkerroode kleur hebben.
Alle Wevers zijn op de plaatsen, waar zij voorkomen, veelvuldig, vooral omdat bij hen een buitengewone neiging tot gezelligheid bestaat, die zelfs gedurende den voortplantingstijd niet vermindert. Na den broedtijd vereenigen zij zich tot vluchten, die zeer dikwijls aangroeien tot zwermen van vele duizenden, welke soms groote verwoestingen op de akkers aanrichten. Nadat zij geruimen tijd rondgezworven en intusschen geruid hebben, keeren zij terug naar den boom, die hun of hunne jongen tot wieg heeft gediend, of althans naar het oord, waar deze boom staat of gestaan heeft. Hier neemt men nu eenige maanden lang een groote bedrijvigheid waar, veroorzaakt door het bouwen van de nesten, dat veel tijd vereischt. Dat de Wevers met grooten ijver en een waren hartstocht voor het bouwen bezield zijn, blijkt o.a. uit het feit, dat zij dikwijls een nest, dat nagenoeg gereed is, weer afbreken om aan een nieuw te beginnen. Hunne nesten zijn, zonder uitzondering, kunstig gebouwd van plantaardige vezelstoffen of van buigzame grashalmen, waaraan zij, naar het schijnt, door hun speeksel een nog grootere buigzaamheid verschaffen; deze bouwstoffen worden laagsgewijs opeengestapeld of dooreengeweven. Waarschijnlijk broeden alle Wevervogels meermalen per jaar; zóó althans wordt het verklaarbaar, dat er in verschillende maanden van het jaar versche nesten en eieren gevonden zijn in weinig van elkander afwijkende gewesten, die deel uitmaken van hetzelfde land. Door de plaats, waar het nest gebouwd wordt, is de veiligheid der jongen goed verzekerd. Zoomin de Meerkatten als de andere op het berooven van nesten beluste Zoogdieren, durven zich vasthouden aan de zwiepende twijgen, die deze nesten dragen: ieder, die ze met roofzuchtige bedoelingen nadert, loopt gevaar op den grond of in het water te vallen. Sommige soorten van Wevers, b.v. de Mahalis (Ploceus mahali), beveiligen hun nest bovendien nog tegen een aanval door er doornen, met de spits naar buiten gekeerd, in te vlechten. Zoowel oude als jonge Wevers kunnen in hunne nesten iederen gewonen vijand trotseeren.
De bewoners van Oost-Afrika beschouwen de merkwaardige kunstwerken van hunne gevederde landgenooten met een onverschillig oog; andere volken hebben er wel degelijk acht op geslagen, zij het dan ook op de wijze van een sprookjesdichter. Zoo hebben de kluitjes leem, die in sommige nesten voorkomen, aanleiding gegeven tot het verhaal, dat de Wevervogel des nachts van Glimwormpjes gebruik maakt om zijn nest te verlichten en dat het leem moet dienen als blaker voor deze kaarsen. Volgens Bernstein berust op de stevigheid van het nest van den (o.a. op Java levenden) Baya-wever (Ploceus baya) de Maleische sage, dat hij, die zoo gelukkig is één van deze nesten los te pluizen zonder er een halm van te breken, daarbinnen een gouden bal zal vinden.
Zaden van allerlei soort, vooral van grassen en zeggen, vormen het liefste voedsel van de Wevers. Bovendien maken zij ijverig jacht op Insecten; hiermede brengen zij hunne betrekkelijk talrijke jongen groot. Tot ontzaglijk groote zwermen vereenigd, ondernemen zij, hoofdzakelijk na den broedtijd, plundertochten op de bebouwde velden. Dan zijn de menschen, en wel vooral de bewoners van arme gewesten, die geen andere bezittingen hebben dan hunne korenakkers, genoodzaakt ernstige maatregelen te nemen tot verdediging van hun eigendom. Behalve van de menschen hebben de Wevers ook veel te lijden van de Edelvalken en Sperwers, die in hun vaderland zoo talrijk zijn.
Verscheidene soorten van Wevervogels, doch vooral West-Afrikaansche, komen op onze vogelmarkt tamelijk overvloedig voor; omdat zij een taai leven hebben en goed bestand zijn tegen de bezwaren, ontberingen en kwellingen van den overtocht. Wanneer men ze op een eenigszins doelmatige wijze verzorgt, kan men ze zeer goed in de kooi in 't leven houden; zij beginnen hier spoedig te weven, wanneer men hun de gelegenheid verschaft deze kunst uit te oefenen; niet zelden planten zij zich in de gevangenschap voort. Om deze redenen kan men ze rekenen onder meest aanbevelenswaardige kooivogels, die de familie der Vinken oplevert. Hun gezang is niet veel waard, toch is het een lust naar hen te kijken, daar zij steeds buitengewoon ijverig bezig zijn met het weven van hunne kunstige woningen.
De Veewevers (Textor) onderscheiden zich door hun aanzienlijke grootte, hun dikken, kegelvormigen snavel, die aan den wortel een gezwollen rand heeft, hunne zeer stevige pooten en de afgeronde vleugels, welker spits door de vierde of vijfde slagpen wordt gevormd.
Tot dit geslacht behoort de Alekto-wever (Textor albirostris), die 25 cM. lang is, waarvan 9 cM. op den staart komen. Zijn vederenkleed is effenkleurig, dofglanzig zwart, de kleine veeren echter zijn aan den wortel wit, welke kleur op sommige plaatsen zichtbaar wordt; sommige slagpennen (de 2e tot de 5e) hebben in 't midden van de buitenvlag een smallen witten zoom; het oog is bruin, de snavel vuilgeel, aan de zijranden en aan de spits blauwachtig, de poot vuilgrijs.
Aanmerkelijk kleiner, 20 cM. lang, is de Veewever (Textor Dinemelli). De kop en de onderdeelen zijn wit, de mantel, de slagpennen en de staart chocoladebruin, alle veeren met lichteren zoom, een vlekje bij het polsgewricht, de staartwortel en de dekveeren van den staart zijn karmijnrood, de teugel is zwart. De snavel is vuil zwartblauw, de poot donkerblauw.
De Alekto-wever bewoont geheel Middel-Afrika, de Veewever het binnenland van dit werelddeel en Abessinië. De eerstgenoemde wordt in Zuid- en Oost-Afrika vervangen door nauw verwante vormen, door den Buffelwever of Roodbekwever (Textor erythrorhynchus) en den Middelsten Wever, die hier vermeld worden, omdat de nu volgende levensbeschrijving gedeeltelijk op hen betrekking heeft.
De Veewevers behooren tot de meest in 't oog vallende leden van hun familie. Zij verloochenen de zeden en gewoonten van hunne verwanten niet, maar herinneren toch in meer dan een opzicht aan de Lijsters. Hoewel zij Wevervogels zijn, hebben hunne nesten meer overeenkomst met die van onze Eksters dan met de sierlijke woningen, die door hunne verwanten gebouwd worden. Alle soorten leven bij voorkeur op weiland, waar vee graast, het liefst in de nabijheid van kudden, meestal in gezelschap van Purperspreeuwen en Ossenpikkers. Van den Buffelwever zegt A. Smith het volgende: "Eerst toen wij ten noorden van den 25en graad Z. B. gekomen waren, ontmoetten wij dezen Vogel; volgens de verzekering der inboorlingen komt hij zelden verder zuidwaarts voor, om de eenvoudige reden dat daar de Buffels zeldzamer zijn. Overal, waar wij hem aantroffen, vonden wij hem steeds in gezelschap van deze dieren, op welker rug hij zat en waartusschen hij rondvloog. Hij trippelde op hun lichaam rond als een Ossenpikker en was voortdurend bezig hier zijn voedsel te zoeken, dat hoofdzakelijk bestaat uit de Tieken, die zich aan den huid der Buffels vastgehecht hebben en uit hetgeen hij op den grond op den drek van deze dieren vindt. Dit bleek voldoende uit het onderzoek van den maaginhoud van den Vogel. Deze bewijst door het wegpikken van woekerdieren een groote dienst aan de Buffels, die bovendien door hem gewaarschuwd worden, zoodra zich het een of ander verdachte verschijnsel voordoet. Alle Buffels steken dan den kop omhoog en vluchten. De Buffelwevers bezoeken alleen de Buffels en deze hebben geen andere schildwachten; de Ossenpikkers daarentegen behooren bij het Neushoorndier." Hoewel ik de Alekto-wever niet op vee heb zien zitten, komt het mij niet twijfelachtig voor, dat zij aan de Runderen van Oost-Soedan nu en dan dezelfde diensten bewijzen. Hunne nesten, waarvan ik er soms achttien op denzelfden boom aantrof, zijn voornamelijk van de doornachtige twijgen van den garat-mimosa gebouwd en hebben minstens één Meter middellijn. Een opening ter grootte van een vuist, waarop een veel nauwere gang volgt, leidt naar de nestholte. Volgens Heuglin zijn sommige nesten 2 à 3 M. lang en 1 à 1 1/2 M. breed en hoog. Deze bevatten dan ieder 3 à 8 broedplaatsen, ieder afzonderlijk met gras en veeren gevoerd. Iedere nestendragende boom wordt in een bepaalden tijd van het jaar door een buitengewoon luidruchtig gezelschap bewoond en is hieraan reeds op een afstand kenbaar. In de nabijheid van Khartoem merkte ik op, dat de Zwarte Wever in het begin van het regenseizoen, dus omstreeks het einde van Augustus, broedt. In de Samhara nestelt hij in April.
De Wielewaalwever (Ploceus galbula) is een van de kleinste soorten van het geslacht der Boomwevers (Ploceus), daar zijn lengte ongeveer 13 cM. bedraagt. De voorkop tot aan den voorrand van het oog, de teugel, de zijden van den kop en de kin zijn kastanjekleurig roodbruin, de bovenkop, de hals en de onderdeelen geel, de bovendeelen olijfkleurig geel, de slagpennen olijfbruin, de buitenvlag met een olijfgelen, de binnenvlag met een breederen, zwavelgelen rand; de gele spitsen van de grootste bovendekveeren vormen op den vleugel een dwarsband; de staartveeren zijn bruinachtig olijfgeel, aan de buitenvlag en aan de spits met olijfgelen zoom. De iris is rood, de snavel zwart, de poot vleeschkleurig.
De Wielewaalwever bewoont Abessinië van de kust van de Roode Zee tot in het hooge gebergte, bovendien echter geheel Oost-Soedan; op voor hem geschikte plaatsen is hij zeer talrijk.
Bij de Boomwevers komen als 't ware de eigenschappen van verschillende Vinken vereenigd voor. Dit is aan geheel hun uiterlijk zichtbaar. Karakteristiek is hun onverminderde neiging tot gezelligheid in alle omstandigheden. Des morgens en des avonds verschijnen zij in troepen op bepaalde boomen, gedurende den broedtijd natuurlijk op die, welke de nesten dragen. De mannetjes zitten zingend op de toppen der hoogste twijgen. Dit gezang, hoewel in 't geheel niet fraai, is zeer gezellig en onderhoudend. Het is een mengelmoes van spinnende, smakkende, ratelende en fluitende geluiden, waaruit men niet recht wijs kan worden. Nadat het gezelschap zich op deze wijze bezig heeft gehouden tot een paar uur na zonsopgang, gaat ieder voedsel zoeken. In de middaguren komen verscheidene vluchten, soms duizenden individuën, in boschjes rondom poelen of bij een ondiepte van de rivier bijeen; zij schreeuwen en krioelen in de struiken op de wijze van onze Musschen; plotseling vliegen zij alle tegelijk naar den waterkant, nemen hier een teug en snellen zoo schielijk mogelijk weer in het struikgewas terug. Voor dit haastig drinken hebben zij goede redenen, want boven de boomen loeren hunne ergste vijanden, de Sperwers en kleine Valken, die pijlsnel op de Wevers neerschieten, zoodra deze hunne veilige zitplaatsen in het struikgewas verlaten. Gewoonlijk blijven de Wevervogels uren lang op zulk een plaats en vliegen in dien tijd misschien tien- of twintigmaal naar den waterkant. In den namiddag zoeken zij opnieuw voedsel, om zich des avonds weer op denzelfden boom als 's morgens te verzamelen en er hetzelfde lied te zingen. In den ruitijd, die in Oost-Soedan in de maanden Juli en Augustus plaats vindt, zijn de zwermen nog grooter dan gewoonlijk.
Het bouwen van het nest vangt aan met het vervaardigen van een geraamte van lange grashalmen, dat aan de uiterste spits van lange, buigzame twijgen bevestigd is en reeds duidelijk den vormt vertoont, dien het nest zal krijgen; men kan er echter nog overal doorheen zien. Vervolgens worden vooral de wanden der nestholte zeer zorgvuldig waterdicht gemaakt, door er in de eerste plaats zooveel mogelijk halmen van boven naar onderen door te steken; later worden ook in dwarse richting halmen ingevoegd. Een cirkelrond vlieggat wordt gewoonlijk aan de zuidzijde opengelaten. Het nest heeft nu den vorm van een stompen kegel, die op een halven bol rust. Om het te voltooien, wordt de opening aan het boveneind verlengd tot een buis, die bij den geheelen wand langs naar beneden loopt en er stevig mede verbonden is, zoodat nu het vlieggat zich onderaan bevindt. Eerst daarna wordt het nest ook van binnen afgewerkt en met een legplaats van uiterst fijne grashalmen voorzien. Het mannetje is de eenige bouwmeester van het nest, het wijfje bepaalt zich tot het aanbrengen van eenige verbeteringen van het inwendige. Als één twijg niet voldoende wordt geacht, worden twee twijgen aaneen verbonden door een brug, die nu als aanhechtingspunt dient voor het schommelend gebouw. Soms begint het wijfje te leggen reeds voordat de woning geheel gereed is. In den tusschentijd en zelfs gedurende het broeden bouwt het mannetje nog steeds ijverig voort. Het broedsel bestaat uit 3 à 5 eieren, die op groenen grond bruin gevlekt zijn.
De Boomwevers en hun nest leveren in dezen tijd een aardig schouwspel op. Hun bedrijvigheid, die reeds gedurende den broedtijd buitengewoon groot is, neemt nog toe, nadat de jongen geboren zijn. Bijna iedere minuut ziet men het wijfje naar binnen gaan om haar hongerig kroost te voederen. Daar het eene nest dicht bij het andere hangt en vele Vogels af en aan vliegen, herinnert de geheele boom levendig aan een bijenkorf.
Wanneer in het zuiden van Nubië de doerra, die iedere voor bebouwen geschikte strook gronds van den Nijloever bedekt, rijp begint te worden, kan men een prachtig tafereel aanschouwen. Een eenvoudig, tjilpend gezang maakt, dat men de oogen vestigt op een bepaald deel van het veld; hier ziet men op een van de hoogste vruchtdragende halmen een prachtigen Vogel zitten, die op een flikkerend vlammetje gelijkt, terwijl hij zich onder vroolijke bewegingen heen en weer draait. Hij is de zanger, wiens lied men hoorde. Het eenvoudige wijsje vindt weldra weerklank in de hartjes van andere vuurvlammetjes; hier en daar komt er een te voorschijn, over het geheele veld zijn zij verdeeld; bij dozijnen, bij honderden misschien, klauteren de vuurroode schepseltjes omhoog en vormen een wonderbaarlijk schoonen tooi voor den groenen akker. Het is, alsof iedere uit de diepte oprijzende zanger zich er op toelegt om zijn prachtig gekleurd vederenkleed van alle zijden te laten bewonderen. Hij richt de vleugeldekveeren omhoog, maakt wendingen en buigingen en zet zelfs een hooge borst te midden van het felle zonlicht. Even snel als hij gekomen is, verdwijnt hij weer, maar alleen om weinige minuten later opnieuw naar boven te klimmen.
De hier bedoelde Vogel is de Oranjewever (Euplectes franciscanus). Alle dieren van deze soort, mannetjes, wijfjes en jongen, dragen buiten den paartijd een buitengewoon bescheiden, muschkleurig kleed; het wijfje behoudt dit voortdurend; bij het mannetje verandert het tegen den broedtijd geheel en al, niet alleen wat de kleur, maar ook wat de gesteldheid der veeren betreft. Deze zijn dan zacht en fluweelachtig; de onder- en de bovendekveeren van den staart, welker baarden geen samenhangende vlag vormen, hebben zich aanmerkelijk verlengd, zoodat zij de stuurpennen nagenoeg geheel bedekken; deze zoowel als de slagpennen hebben haar bruine kleur behouden; de bovenkop, de wangen, de borst, de zijden en de buik zijn fluweelachtig zwart, de overige lichaamsdeelen vermiljoenrood met karmijnkleurige tint, behalve de mantel en de schouders, welker tint bruinachtig is; de slagpennen en vleugeldekveeren zijn aan haar rand aanmerkelijk lichter gekleurd dan in het midden, waardoor op den donkerbruinen vleugel een vaalbruine teekening ontstaat. De snavel is zwart, de oogen zijn bruin, de pooten bruinachtig geel. Totale lengte 12, de staartlengte 4 cM.
De Oranjewever bewoont alle doerra- en dohhenvelden van de waterrijke gewesten, die zich van het midden van Nubië tot diep in het binnenland van Afrika uitstrekken. Steeds geeft hij aan bebouwde streken de voorkeur boven onbewoonde; alleen in geval van nood kiest hij rietvelden tot woonplaats. Een doerra-veld is het paradijs, waaruit hij zich moeielijk laat verdrijven. Hier leeft hij meer op de wijze van de Rietzangers dan op die der overige Wevervogels. Behendig klimt hij, evenals gene, bij de halmen op en neer, vlug sluipt hij op den bodem tusschen het rietgras door, en evenals de Rietzangers verbergt hij zich in tijd van gevaar te midden van dicht bijeengroeiende halmen. Eerst nadat het koorn, dat hem gedurende den broedtijd een schuilplaats verschafte, van de velden is binnengehaald, begint de Oranjewever, evenals de andere leden zijner familie, in het land rond te zwerven.
De nesten zijn op kunstvolle wijze geweven, maar toch veel slordiger gebouwd dan die der andere Wevervogels. De jongen zijn reeds uitgevlogen vóór den doerra-oogst; daar de ouden en de jongen zich tot groote zwermen vereenigen, worden zij dikwijls tot een plaag voor het land. Dan zijn de arme Nubiërs, die ieder strookje vruchtbaren slikgrond moeten gebruiken en bebouwen, genoodzaakt om tot afwering van de Vogels, die tot dusver het prachtigste sieraad van hunne velden vormden, wachten uit te zetten, die door de plunderaars voortdurend bezig worden gehouden.
De Oranjewever komt bij ons dikwijls levend op de vogelmarkt; zij die dezen Vogel niet kennen, zien hem echter licht over het hoofd, daar hij slechts gedurende weinige maanden zijn prachtkleed draagt. In de kooi kan men hem met gewoon vogelvoer gemakkelijk in 't leven houden.
De Weduwen (Vidua) behooren in Afrika thuis; de meeste soorten van dit geslacht hebben in het donkere werelddeel een uitgestrekt verbreidingsgebied; toch vindt men in het zuiden zoowel als in het oosten en het westen karakteristieke soorten. Meer dan de andere Wevervogels herinneren zij aan de Gorsen. Gedurende den broedtijd leven zij paarsgewijs; zoodra het broeden en het ruien afgeloopen zijn, vereenigen zij zich tot talrijke vluchten. De mannetjes wijzigen hunne gewoonten in verband met het kleed dat zij dragen. Als zij in hun bruiloftskleed prijken, dwingt de lange en zware staart hen tot eigenaardige standen en bewegingen. Bij het zitten laten zij hem eenvoudig naar beneden hangen; bij het gaan moeten zij hem hoog dragen en wippen er daarom een weinig mede, wat zij in andere tijden van 't jaar niet doen. Een zeer grooten invloed oefent de staart op hun wijze van vliegen uit. De snelle bewegingen, die zij anders maken, worden er door verhinderd; met zichtbare inspanning sleepen zij hem door de lucht, vooral bij eenigszins vermeerderde windkracht. Na het ruien bewegen zij zich gemakkelijk en vlug op de wijze van de andere Wevervogels.
De meeste soorten zoeken, naar het schijnt hun voedsel, dat grootendeels uit afgevallen grasvruchten, doch ook uit Insecten bestaat, voornamelijk op den grond. Vooral de mannetjes zitten gedurende den broedtijd meestal op boomen en zoeken hun voedsel, daar de lange staart de beweging op den grond bemoeielijkt. "De Weduwen," schrijft Pechuel Loesche uit West-Afrika, "bezoeken ook gedurende den broedtijd dikwijls bij paren dorpen en boerenerven. Op open terreinen pikt het eenvoudig gekleede wijfje haar voedsel van den grond, terwijl het met lange, zachte staartveeren pronkende mannetje van tijd tot tijd om haar heen dartelt en op het gebied der vliegkunst kunstjes verricht, die door sierlijkheid en bevalligheid iedereen tot bewondering nopen. Zij en andere Vogels, die voor 't meerendeel in Europa genoegzaam bekend zijn en dikwijls in kooien gehouden worden, bezoeken op deze wijze zonder schroom de door menschen bewoonde oorden; zij worden hier beschouwd als geliefde gasten, in welker kleurenpracht en bewegingen men telkens weer behagen schept. Om hun een groot genoegen te bereiden, worden soms eenige paddestoelvormige woningen van Termieten uit de naburige vlakte gehaald en voor hen stukgeslagen. Dan snellen zij van alle kanten toe en smullen heerlijk; op zulk een feest gaat het zeer vroolijk toe; in het bonte gewemel van allerlei Vogels, ziet men dikwijls ook zeldzame bezoekers verschijnen."
De broedtijd valt samen met de lente van hun vaderland, kort nadat het mannetje zijn bruiloftskleed voltooid heeft. In Soedan heeft het broeden plaats in het laatst van Augustus, in de Abessinische gebergten in onze lentemaanden. De nesten gelijken op die van de Wevervogels.
Het mannetje van de Paradijsweduwe (Vidua paradisea) is grootendeels zwart van kleur; een breede halsband, de zijden van den hals en de krop zijn oranjekleurig kaneelrood, de overige onderdeelen bleek roestgeel, de slagpennen donkerbruin, aan de buitenzijde vaalbruin gezoomd. De iris heeft een zwartachtig bruine, de snavel een zwarte, de poot een bruine kleur. Het wijfje komt in kleur eenigszins met een Musch overeen. De lengte van dezen Vogel bedraagt, zonder de 15 cM. lange staartveeren, 15 cM.
De Paradijsweduwe bewoont Midden-Afrika en wel bij voorkeur de ijle bosschen der steppe. Zij komt niet gaarne in de nabijheid van bewoonde plaatsen, ofschoon zij geen reden heeft om den mensch en zijn bedrijf te mijden. In boomrijke gewesten van Midden-Afrika treft men haar overal, gedurende den voortplantingstijd paarsgewijs, in andere tijden van 't jaar in kleine gezelschappen of zelfs in groote vluchten aan. Haar prachtkleed draagt zij gedurende het regenseizoen, ongeveer 4 maanden lang.
Gevangen Paradijsweduwen worden geregeld naar Europa gebracht: zij kunnen als kooivogels verscheidene jaren in 't leven blijven, zijn gemakkelijk te onderhouden, maar planten zich in de gevangenschap niet of uiterst zeldzaam voort.
Om ook een voorbeeld te geven van een dunsnaveligen Wevervogel, geven wij een korte beschrijving van het Vuurvogeltje, ook wel Kleine Amaranthe of Kleine Roode Astrilde (Estrelda) genoemd (Habropyga minima). Het geslacht der Prachtvinken (Habropyga), waarvan deze soort een vertegenwoordiger is, omvat de kleinste Wevervogels. Het 10 cM. lange Vuurvogeltje is purperkleurig wijnrood, op den mantel en de schouders reebruin, iedere veder aan de spits met purperkleurigen zoom, de borstzijde met witte stippeltjes geteekend. De slagpennen en de staartveeren zijn bruin, op de buitenvlag met purperrooden zoom. Het reebruine wijfje is alleen op den teugel en den staartwortel purperrood, op de borst echter eveneens wit gestippeld. Het oog is donkerbruin, de snavel rood, de poot roodachtig.
Het Vuurvogeltje bewoont geheel Middel-Afrika van de westkust tot aan de oostkust en van 22° NB tot 25° ZB. In bepaalde tijden van 't jaar ontbreekt het in geen enkel dorp van Zuid-Nubië en van Oost-Soedan; men vindt het dan zelfs bij iedere hut midden in 't woud. Het is een der eerste Vogels van de keerkringslanden, die men opmerkt, als men van Egypte naar Soedan reist. Gewoonlijk ziet men het in de nabijheid van de dorpen met andere leden derzelfde familie tot zwermen vereenigd, die dikwijls uit tallooze individuën bestaan; het woont echter ook ver van den mensch in de eenzame steppe en zelfs in het gebergte tot op een hoogte van 1500 M., ofschoon het hier zeldzamer voorkomt.
Aan het Vuurvogeltje kan men niet slechts wegens zijn sierlijke kleuren, maar ook wegens zijn aanvalligheid en lieftalligheid veel genoegen beleven. Hoogstens in de middaguren zoekt het in het schaduwrijke loover der altijd groene boomen beschutting tegen de drukkende zonnehitte. Overigens is het bezig, zoolang de zon boven de kim staat en vliegt onverpoosd van twijg tot twijg, of trippelt met groote bedrijvigheid op de takken, op de huizen en ook op den bodem rond. Wat de snelheid van 't vliegen betreft, wordt het slechts door zeer weinige verwanten overtroffen, ongetwijfeld is geen hunner echter met een zoo rusteloozen ijver bezield. In de laatste maanden van het droge seizoen is het ruien afgeloopen; zoodra de eerste lenteregen valt, ongeveer in het begin van September, begint de voortplantingsperiode. Tot dusver waren de Vogels tot zwermen vereenigd; deze verdeelen zich nu in paren, die onbeschroomd in de dorpen en steden komen en uitzien naar een geschikte nestelplaats onder het dak van een der kegelvormige, van stroo vervaardigde huizen of van een der dobbelsteenvormige leemen hutten der inboorlingen. Hier wordt op den een of anderen geschikten grondslag een verwarde hoop van droge halmen bijeengebracht, die, een goed afgeronde, maar toch volstrekt niet zorgvuldig bekleede nestholte bevat. Ingeval van nood broedt het Vuurvogeltje op boomen of zelfs dicht bij den bodem. Het nest bevat 3 à 7 witte, nagenoeg bolvormige eieren met gladde schaal, die door beide ouders in 11 à 13 dagen worden uitgebroed.
Wegens zijne fraaie veeren en lieftalligen aard heeft men getracht het Vuurvogeltje in Cayenne te acclimatiseeren; voor zoover ons bekend, hebben deze pogingen echter geen gunstige uitkomst opgeleverd. Op de vogelmarkt komt dit diertje veelvuldig voor. Wanneer het eerst de vermoeienissen van de reis te boven is gekomen, kan men er lang genoegen van hebben; het zal allicht in de gevangenschap broeden en jongen grootbrengen.
De Bandvogel of Halsbandvink (Spermestes fasciata), mag beschouwd worden als de meest bekende vertegenwoordiger van de Amadinen (Spermestes). Zijn snavel is zeer dik, de lengte overtreft de breedte en de hoogte slechts weinig; de bovensnavel is bij het begin van den snavelrug plat en aan de zijden door een boogvormig naar achteren gerichte lijn van den voorkop afgescheiden; de ondersnavel is zeer breed; de vleugels zijn middelmatig lang, de staart is kort en afgerond. Dit sierlijke vogeltje is ongeveer zoo groot als een Kanarie, 12.5 cM. lang. Bij het mannetje is de hoofdkleur fraai vaalbruin; de rug is donkerder, de onderdeelen zijn lichter, iedere veer is met een zwarte, dwarse zigzaglijn geteekend of (op de bovenborst) zwart gezoomd; enkele veeren van de borst en van de zijden vertoonen een zwarte, V-vormige, de bovendekveeren van den vleugel aan de spits een groote, grijsroodachtige vlek, die door een ervoor gelegen, zwarte halvemaan bijzonder in 't oog valt; de slagpennen zijn bruin met valen zoom, de staartveeren dofzwart, van onderen grijsachtig, de buitenvlag der buitenste stuurpennen is gedeeltelijk wit, de overige hebben aan 't einde een witte vlek, met uitzondering van de beide middelste, die geheel zwart zijn. Het mannetje onderscheidt zich van het wijfje door fraaiere kleuren en door een breeden, prachtig karmijnrooden halsband, die van het eene oog naar het andere loopt en een witten zoom heeft, waardoor het beter uitkomt. Het vogeltje ziet er uit, alsof men het in de keel gesneden had; vandaar zijn Fransche naam, Cou-coupé, en de Engelsche, Cut-throat. De oogen zijn donker-, de snavel en de pooten lichtbruin.
Sedert eenige eeuwen is de Bandvogel als bewoner van West-Afrika in Europa bekend; zijn verbreidingsgebied is echter volstrekt niet tot de westelijke landen van het donkere werelddeel beperkt, maar reikt van hier tot aan de oostkust. In de Nijllanden ontmoet men hem bezuiden den 16en graad N. B. overal in de ijle wouden der steppen. Hij vermijdt de eigenlijke woestijn; aan de grens van den regengordel begint hij zich te vertoonen; daar, waar hij aangetroffen wordt, is hij niet zeldzaam. In de oerwouden ontbreekt hij; wanneer hij ze al eens bezoekt, blijft hij er slechts korten tijd. Deze wouden missen de zaadrijke grassen en andere laag bij den grond groeiende planten, waaraan hij zijn voedsel ontleent. De Bandvogels in de kooi pikken graag in fruit; vermoedelijk zullen zij dus dergelijk voedsel in de vrije natuur niet versmaden. Hun hoofdvoedsel blijft echter altijd zaad.
In het noordoosten van Afrika ontmoet men ze gewoonlijk in gezelschappen van 10 à 40 stuks. Zulke zwermen naderen onbeschroomd de hutten der dorpelingen. In de voormiddaguren ziet men ze op den grond rondloopen, waar zij ijverig bezig zijn met het oppikken van voedsel; nooit klimmen zij echter in de lage grashalmen; gedurende de middaguren zit het gezelschap, in een halve sluimering verzonken, in de twijgen van een schaduwrijken boom. Des namiddags vliegen zij nogmaals uit om voedsel te zoeken.
De broedtijd valt, in Oost-Afrika althans, in de maanden September en October, dus in een deel van 't jaar, dat met onze laatste lentemaanden vergeleken kan worden. De in gevangenschap levende dieren brengen de bouwstoffen, die men hen verschaft, tot een meer of minder geregeld gebouwd nest bijeen en leggen hierin 6 à 9 witte eieren, de beide ouders broeden om beurten gedurende 13 dagen; gemeenschappelijk brengen zij hunne jongen groot, die, zoodra hunne veeren zich ontwikkeld hebben, in kleur met de ouders overeenstemmen.
In de landen van den Boven-Nijl maakt niemand, in West-Afrika bijna iedereen jacht op den Bandvogel om hem aan de vogelhandelaars in de kustplaatsen te verkoopen. Door tusschenkomst van deze lieden komen ieder jaar duizenden van Bandvogels naar Europa, daar zij de bezwaren van de reis zeer goed te boven komen. Zij zijn zeer gemakkelijk te verzorgen en planten zich, wanneer zij paarsgewijs in de kooi worden gehouden, geregeld voort. Aanvankelijk bekoren zij hun eigenaar door de fraaiheid van hunne veeren en de bevalligheid van hunne bewegingen mettertijd begint men ze echter even vervelend te vinden als al hunne verwanten.
De meest bekende van de Aziatische Amadinen is de Rijstvogel (Spermestes oryzivora). Deze soort is gemakkelijk te herkennen aan de fraai grijze kleur der bovendeelen, den zwarten, meestal wratten-dragen den kop, de licht wijnroode onderdeelen, den zwarten staart met bovendekveeren van gelijke kleur, terwijl de onderdekveeren wit zijn; de snavel is helder rozerood, aan de spits en aan de randen parelwit. De iris is bruin, het ooglid echter rood, de poot roodachtig. Het verbreidingsgebied van dezen Vogel, die ongeveer zoo groot is als een Putter, omvat Malakka en de Soenda-eilanden. Zijn eigenlijk vaderland is echter Java. In sommige werken leest men, dat de Rijstvogel in zijn vaderland "padda" wordt genoemd, omdat hij aan de rijstvelden als woonplaats de voorkeur geeft, en de rijst in de landstaal "padda" heet. Dat men hem hoofdzakelijk in de rijstvelden aantreft, is waar, de rijst heet echter niet "padda" maar "padi" en de Vogel in 't geheel niet "padda", maar Gladdik.
"Evenals onze Europeesche Musch," schrijft Bernstein, "bewoont de Rijstvogel uitsluitend bebouwde landstreken; hij is hier zeer veelvuldig. Zoo lang de rijstvelden of sawahs door het water bedekt zijn, d. i. van November tot Maart of April, zoo lang de rijst groeit en allengs geschikt wordt voor den oogst, houden de Rijstvogels zich bij paren of kleine familiën in de tuinen en hakhoutboschjes der dorpen en in het struikgewas op, waar zij, behalve verschillende zaden en velerlei kleine vruchten, ook wel Insecten en Wormen als voedsel gebruiken. Menigmaal althans heb ik ze op de wegen enz. den bodem zien afzoeken, waar moeielijk iets anders te vinden geweest kan zijn dan dierlijk voedsel; bovendien kwam het mij voor bij 't onderzoeken van den maaginhoud van verscheidene dezer Vogels, dat zich hierin overblijfselen van zulke voedingsstoffen bevonden. Zoodra echter de rijstpluimen een gele kleur beginnen aan te nemen en de sawahs door het laten afvloeien van het water drooggelegd worden, begeven de Rijstvogels zich, dikwijls in groote zwermen, naar de voor hen zoo aanlokkelijke akkers. Zij richten hier niet zelden een aanmerkelijke schade aan, zoodat men allerlei middelen aanwendt om ze te verdrijven. In de gewesten, die het meest van deze bevederde dieven te lijden hebben, bouwt men te dien einde in de sawah een op vier hooge bamboespalen rustend, klein wachthuisje, op een groot rijstveld meer dan één. Van hier gaan naar alle richtingen een groot aantal draden uit, die verderop vastzitten aan dunne bamboesstokken, welke op bepaalde afstanden van elkander in den grond gestoken zijn. Aan deze draden hangen groote, droge bladen, bonte lappen, poppen, houten kleppers en dergelijke voorwerpen. Zoodra nu de inboorling, die, als een spin te midden van haar web, in het wachthuisje zit, aan de draden trekt, zullen gelijktijdig alle droge bladen beginnen te ratelen, terwijl de poppen zich bewegen, de klepperhoutjes geluid geven, enz.; vol schrik vluchten nu de ongenoode gasten. Ook nog na den oogst vinden de Vogels op de sawahs, die tot aan het begin van het regenseizoen, d. i. tot omstreeks November, braak blijven liggen, rijkelijk den kost, niet alleen omdat er vele rijstpluimen achtergelaten zijn, maar ook omdat tusschen de stoppels in ongeloofelijk korten tijd allerlei soorten van onkruid welig opschieten, waarvan de weldra rijpende zaden den gragen gast een gewenscht voedsel verschaffen. In dezen tijd zijn zij tamelijk vet en dik; vooral de jonge Vogels leveren dan een smakelijk gerecht op; op hen wordt daarom ijverig jacht gemaakt. De gevangen rijstvogels worden alleen door de vogelhandelaars, die ze naar Europa zenden, in 't leven gehouden."
Het nest vond Bernstein in de kroon van verschillende soorten van boomen of tusschen de talrijke woekerplanten, die de stammen der arenga-palmen bedekken, De grootte en vorm van het nest verschillen in overeenstemming met de plaats waar het gebouwd wordt. De nesten op de boomen zijn meestal groot en hebben over 't algemeen een tamelijk regelmatige, half bolvormige gedaante; die, welke tusschen de slingerplanten van de palmenstammen voorkomen, zijn kleiner en hebben een minder bepaalden vorm. In 't eene zoowel als in 't andere geval, worden zij bijna uitsluitend vervaardigd van de halmen van verschillende grassen; daar deze niet zeer stevig ineengevlochten zijn, kan het nest niet veel weerstand bieden. Het broedsel bestaat uit 6 à 8 glanzig witte eieren.
Op Zanzibar is de Rijstvogel inheemsch geworden. In Japan, waar hij sinds overouden tijd gefokt wordt, heeft men een zuiver wit ras verkregen, dat in den laatsten tijd geregeld op de Europeesche vogelmarkten komt. De Witte Japansche Rijstvogel is geen albino, maar het product van een langdurige, moeitevolle teeltkeus. Hij heeft donkere oogen en krijgt soms eenige donkere veeren. Niet zelden ontmoet men bonte exemplaren.
De Troepiaal-vogels (Icteridae) hebben een slank, maar toch krachtig gebouwd lichaam, met een langwerpig kegelvormigen snavel; deze is soms iets korter, soms een weinig langer dan de kop; het achterste gedeelte van den bovensnavel is min of meer schildvormig tusschen de veeren van den voorkop verlengd; de pooten zijn krachtig, de vleugels en de staart middelmatig lang. Onder de kleuren van het tamelijk zachte en glanzige vederenkleed hebben zwart, geel en rood de overhand. De grootte wisselt af tusschen die van een Kraai en die van een Vink.
De Troepiaal-vogels leven uitsluitend in Amerika. Alle soorten van deze familie zijn gezellig, opgewekt, beweeglijk van aard en tot zingen bekwaam. Zij bewonen en verlevendigen de wouden; hun voedsel bestaat uit kleine Gewervelde en Gelede dieren en uit Schelpdieren, uit vruchten en zaden; sommige halen zich den haat van den mensch op den hals door de schade, die zij aanrichten; andere zijn zeer nuttig. Hunne nesten, welke dikwijls, wat sierlijkheid betreft, voor die van de Wevervogels niet behoeven onder te doen, zijn soms koloniesgewijs aan de boomen opgehangen; de leden van één ondergeslacht bouwen echter geen nesten en broeden niet, maar vertrouwen hunne eieren aan den zorg van vreemde Vogels toe.
Onder de Noord-Amerikaansche soorten van de familie verdient de Baltimorevogel of Baltimore-troepiaal, door de Anglo-Amerikanen Hangnest genoemd (Icterus galbula), als de meest bekende, in de eerste plaats vermelding. Hij vertegenwoordigt het soortenrijke geslacht der Troepialen (Icterus). De kop, de hals, de kin en de keel, de mantel, de schouders, de vleugels en de beide middelste staartveeren zijn donkerzwart, de bovendekveeren van vleugels en staart, de staartwortel en de onderdeelen (met uitzondering van de reeds genoemde) zijn hoog oranje; de armpennen hebben een breeden, de handpennen (doch alleen aan 't topgedeelte) een smallen, witten buitenzoom; de witte eindhelften van de dekveeren der handpennen vormen gezamelijk een breeden dwarsband over den vleugel; de staartpennen, met uitzondering van de beide middelste, zijn oranjekleurig, op het wortelgedeelte met breede, zwarte dwarsstreepen. Het oog is bruin, de snavel zwartachtig loodgrijs, de poot loodgrijs. Totale lengte 20, staartlengte 8 cM. De kleuren in het wapen van Lord Baltimore, den vroegeren eigenaar van Maryland, zijn zwart en oranje, evenals die van dezen, o.a. in Maryland levenden Vogel; vandaar zijn naam.
Het broedgebied van den Baltimorevogel omvat de oostelijke staten van Noord-Amerika, van Canada tot aan de hoogvlakten in 't westen. Van hier trekt hij in den winter naar West-Indië en Midden-Amerika. Volgens Audubon is hij op de voor hem geschikte plaatsen zeer veelvuldig, terwijl hij andere slechts op den trek bezoekt. Heuvelachtige landschappen behagen hem, naar 't schijnt, het meest. In het eerstgenoemde gebied is hij een zomervogel, die in 't begin van de lente bij paren in 't land komt en dan zeer spoedig voor de voortplanting begint te zorgen. Zijn nest is verschillend ingericht, al naarmate het door hem bewoonde land heeter of kouder is; altijd echter is het zeer kunstmatig gebouwd en aan een slanke twijg opgehangen. (Vandaar de Engelsche naam van dezen Vogel.) In de zuidelijke staten van Noord-Amerika bestaat het eenvoudig uit zoogenaamd "Spaansch mos" en is het zoo los gebouwd, dat de lucht er overal gemakkelijk doorheen kan dringen; zelfs wordt het van binnen niet met slechte warmtegeleiders gevoerd en aan de noordzijde van de boomen opgehangen. In de noordelijke staten daarentegen wordt het bevestigd aan twijgen, die aan de zonnestralen blootgesteld zijn en van binnen met de warmste en fijnste bouwstoffen gevoerd. De nestbouwende Vogel vliegt naar den grond, zoekt hier geschikte materialen op, hecht ze met het eene einde aan een twijg vast en vlecht alles op zeer kunstmatige wijze dooreen. De Baltimore-vogel kan, terwijl hij bezig is met het bouwen van een nest, soms last veroorzaken aan de menschen in de buurt, o. a. door het wegnemen van het garen van de bleek. Dikwijls heeft men kluwens zijden draden in den wand van zijn nest aangetroffen.
Als het nest gereed is, legt het wijfje er 4 à 6 eieren in, die op lichtgrijzen grond een uit donkerder vlekken, stippels en strepen bestaande teekening vertoonen. Nadat zij veertien dagen lang bebroed zijn, komen de jongen uit; 3 weken later kunnen zij vliegen. Waarschijnlijk broedt, althans in de zuidelijke staten, het paar nog eens in denzelfden zomer. Vóórdat de jongen uitvliegen, kruipen zij vaak als jonge Spechten uit en in het nest en gaan er dikwijls buiten op zitten. Hierna volgen zij ongeveer 14 dagen lang hunne ouders, die hen intusschen voederen en terechtwijzen. Zoodra de moerbeien en de vijgen rijp beginnen te worden, bezoeken zij de plaatsen, waar deze vruchten groeien; hier kunnen zij tamelijk groote verwoestingen aanrichten, zooals vóór dien tijd in de kerse- en andere vruchtboomgaarden. In de lente daarentegen voeden zij zich bijna uitsluitend met Insecten, die zij van de twijgen en bladen afzoeken of met groote behendigheid in de vlucht vangen.--Reeds vroeg beginnen zij hun reis naar het zuiden. Over dag vliegen zij hoog, meestal ieder afzonderlijk, onder luidklinkend geschreeuw en met grooten spoed. Eerst tegen zonsondergang strijken zij op de boomen hunner keuze neer, zoeken haastig eenig voedsel, slapen, ontbijten, en zetten vervolgens de reis voort.
De bewegingen van den Baltimore-vogel zijn sierlijk en gelijkmatig. Hij vliegt rechtuit zonder op te houden; op den bodem loopt hij tamelijk goed. In zijn volle kracht toont hij zich te midden van de twijgen der boomen, hier wedijvert hij met de Meezen in behendigheid.
Wegens zijn schoonheid wordt deze Vogel dikwijls in een kooi gehouden. Zijn gezang, hoewel eenvoudig, is zeer aangenaam door de volheid, kracht en welluidendheid van de 3 of 4, hoogstens 8 of 10 tonen, waaruit het bestaat.
Tot het geslacht der Hordevogels (Agelaeus) behooren de kleinste soorten van de geheele familie. Hun snavel heeft een rechten rug, de zijrand is aan den mondhoek hoekig naar beneden gebogen. De achterteen draagt een spoorvormigen klauw. Het vederenkleed van de jongen herinnert dikwijls aan dat van de Gorsen; de oude Vogels zijn zeer verschillend van kleur en teekening.
Een der veelvuldigste en meest gehate Vogels van Noord-Amerika, de Bobolink, ook wel Rietvogel, Rijsttroepiaal of Paperling geheeten (Agelaeus oryzivorus), verdient in de eerste plaats vermelding, omdat hij half Vink, half Troepiaal schijnt te zijn.
Het ondergeslacht der Rijsttroepialen (Dolychonyx), dat door hen vertegenwoordigd wordt, onderscheidt zich door den middelmatig langen, dikken, kegelvormigen, zijdelings samengedrukten snavel, welks bovenste deel smaller is dan het onderste en welks kaakranden op soortgelijke wijze binnenwaarts gebogen zijn als bij de Gorsen; de loop is tamelijk lang en krachtig, de romp gedrongen, de kop groot, de vleugel middelmatig lang. Totale lengte 18, staartlengte 6 cM. In het prachtkleed van het mannetje zijn de voor- en de bovenkop, alle onderdeelen en de staart zwart; de nek is bruinachtig geel; de veeren van den bovenrug zijn zwart met breeden, gelen zoom. De schouder- en staartwortelveeren zijn wit met gelen weerschijn, de slagpennen en vleugeldekveeren zwart, alle met gelen zoom. Het oog is bruin, de bovensnavel donkerbruin, de ondersnavel blauwachtig grijs, de poot lichtblauw.
De Bobolink is in Noord-Amerika een zomervogel, die zeer geregeld komt en vertrekt. Op zijn reis naar 't zuiden doet hij Middel-Amerika en vooral West-Indië aan, misschien ook de noordelijke landen van Zuid-Amerika; naar het schijnt, dringt hij echter niet tot Brazilië door. Het nest wordt op of kort boven den bodem zonder groote zorg, maar toch altijd tusschen gras- of graanhalmen aangelegd; het is, zooals van zelf spreekt, het middelpunt van het woongebied van een paar. Terwijl de wijfjes met het leggen of broeden bezig zijn, vliegen de mannetjes stoeiend en elkander najagend, boven het halmenwoud rond. Nu en dan verheft een hunner zich al zingend in de lucht en dartelt hier met eigenaardige rukken op en neer. Door dit lied tot navolging geprikkeld, stijgen de mannetjes weldra in menigte omhoog, onder het zingen van dezelfde liefelijke en vroolijke melodie. Met recht roemen de Noord-Amerikanen het gezang van den Bobolink; het bevredigt zelfs het verwende oor van den liefhebber van Europeesche Zangvogels. Met grooten ijver wordt het zingen volgehouden; de tonen zijn rijk aan afwisseling, maar volgen zeer snel en schijnbaar in bonte verwarring op elkander; dit maakt dat men soms het gezang van een half dozijn Vogels meent te hooren, hoewel er in werkelijkheid slechts één zingt.
In de laatste dagen van Mei vindt men in het nest 4 à 6 eieren, die op bruinachtig gelen of blauwachtigen grond met zwartbruine vlekken en krullen geteekend zijn. De jongen worden hoofdzakelijk met Insecten gevoederd, hebben een snellen wasdom en vereenigen zich na het verlaten van het nest met andere van hun soort tot vluchten. Nu vooral bedrijft de Bobolink de daden, die hem door de landbouwers zoo kwalijk genomen worden. Kolossale zwermen van deze Vogels strijken op de graanvelden neer, eten de nog weeke zaden met evenveel smaak als de reeds rijpe en veroorzaken door hun ontzaglijk aantal den boer groote schade. Alle geweren zijn in gebruik tot het verdrijven van de plunderaars, die bij duizenden en honderdduizenden gedood worden; dit baat echter niet veel; de verwoesting duurt toch voort. Hoogstens laten de Vogels zich van het eene veld naar het andere drijven. Zoodra zij hun vernielingswerk in 't noorden volbracht hebben, trekken zij op de plantages der zuidelijke staten los. Zoo gaat het verscheidene weken achtereen; over dag houden de roovers zich in de graanvelden op, des nachts slapen zij in de rietbosschen. Daarna trekken zij langzamerhand verder zuidwaarts.
In de kooi eet de Bobolink dadelijk met smaak den gevangeniskost; na korten tijd is hij hier even vroolijk en onbezorgd als in de vrije natuur; hij klimt, gymnastiseert en zingt zóó, dat het een lust is hem te zien en te hooren; om hem eenige jaren lang in 't leven te houden, moet men hem vooral niet overdadig voeren.
Van het ondergeslacht der Veetroepialen (Molobrus) is de beroemde of beruchte Cow-bird of Koevogel (Agelaeus pecoris) de meest bekende soort. Zijn kop en hals zijn roetkleurig bruin, alle overige veeren bruinachtig zwart, op de borst met blauwachtigen, op den rug met groenen en blauwen glans; de oogen zijn donkerbruin, de snavel en de pooten bruinachtig zwart. Totale lengte 19, staartlengte 8 cM.
De Koevogel is eveneens over het grootste gedeelte van Noord-Amerika verbreid en, in eenige gewesten althans, zeer veelvuldig. Hij bewoont hoofdzakelijk moerassige oorden, vooral die, waar vee wordt geweid, daar hij gaarne te midden van de Runderen en Paarden vertoeft. Zijne slaapplaatsen zoekt hij in het struikgewas of in de rietbosschen aan de oevers der rivieren. In kleine vluchten verschijnt hij in het laatst van Maart of in het begin van April in het noorden van de Vereenigde Staten. Tegen het einde van September verlaat hij dit land weer, gewoonlijk in gezelschap van andere Vogels. Zijn voedsel is in hoofdzaak hetzelfde als dat, waarmede zijne verwanten zich verzadigen. Hij gelijkt op onze Spreeuwen in zoover, dat ook hij van den rug van het vee dikwijls de woekerdieren afzoekt, die zich hier hebben vastgehecht.
De Koevogels en andere leden van zijn ondergeslacht onderscheiden zich door de belangrijke eigenaardigheid, dat zij niet zelf broeden, maar hunne eieren aan den zorg van andere Vogels toevertrouwen; bovendien is bij hen de huwelijksband even los als bij onzen Koekoek. "Als men," zegt Potter, "een vlucht Koevogels gedurende den broedtijd nagaat, zal men zien, dat het wijfje op een gegeven oogenblik haar gezelschap verlaat, onrustig rondvliegt en ten slotte geruimen tijd blijft zitten op een plaats, van waar zij de bewegingen van andere Vogels kan bespieden. Toen ik eens een wijfje op deze wijze zag zoeken, besloot ik, zoo mogelijk de reden van haar gedrag na te sporen en reed haar langzaam achterna. Ik verloor haar soms uit het oog, maar zag haar telkens spoedig weder. Zij vloog naar iedere met struikgewas dicht begroeide plek, onderzocht met groote zorg alle plaatsen, waar de kleine Vogels gewoon zijn hunne nesten te bouwen, schoot ten slotte pijlsnel neer op een dicht boschje van elzen en doornstruiken, bleef hier 5 of 6 minuten en keerde vervolgens naar haar gezelschap op het veld terug. In de struiken vond ik het nest van een Grondwoudzanger of Geelborstje (Geothlypis trichas) en hierin het ei van een Koevogel. Het komt mij zeer waarschijnlijk voor, dat deze parasiet met geweld in het nest van andere Vogels doordringt en hen uit hun rechtmatig eigendom verdrijft. Alleen wanneer dit niet mogelijk is, tracht hij langs sluipwegen zijn doel te bereiken."
Het ei is, evenals dat van den Koekoek, kleiner dan men, op de grootte van den Vogel afgaande, vermoed zou hebben; het is op lichtgrijzen grond met omberbruine vlekken en strepen geteekend, die in de nabijheid van het dikste uiteinde het dichtst opeengehoopt zijn. Volgens Audubon legt de Koevogel nooit meer dan één ei in hetzelfde nest, ongetwijfeld legt hij er echter verscheidene gedurende ieder voortplantingstijdperk. Na een bebroeding van 14 dagen komt de jonge Vogel te voorschijn en wordt op dezelfde wijze grootgebracht als de jonge Koekoek.
Bijna even veelvuldig als de Bobolink is de Roodvleugel, de Redwinged Blackbird (Roodvleugelige Zwartvogel) der Amerikanen, ook wel Epaulettenspreeuw genaamd (Agelaeus phoeniceus). Het bruiloftskleed van het mannetje is donkerzwart, over de schouders loopt een breede, prachtig karmijnroode band, die van onderen door een bruinachtig gele strook begrensd wordt. Totale lengte 22, staartlengte 8 cM.
Ook de Roodvleugel is over geheel Noord-Amerika verbreid en overal, waar hij voorkomt, veelvuldig; in het noorden van de Vereenigde Staten broedt hij geregeld; in het zuiden komt hij slechts in den winter, tijdelijk in zeer grooten getale voor. De eerste jongen vliegen in 't begin van Juni uit, die van het tweede broedsel in de eerste dagen van Augustus. In dezen tijd is het graan in de middelste staten nagenoeg rijp; de landbouwers moeten dan ernstige maatregelen nemen om de verwoestingen te keer te gaan van de uit tallooze individuën bestaande zwermen Roodvleugels, die hunne akkers komen plunderen. Gewoonlijk echter is zelfs hun grootste ijver vruchteloos; het ontzaglijk aantal Vogels verijdelt hun streven.
Wegens zijn schoonheid wordt de Roodvleugel dikwijls in de kooi gehouden; hij is niet veeleischend, zingt vlijtig, is voortdurend opgewekt en bedrijvig, steeds blijmoedig en, althans in het verkeer met Vogels, die tegen hem opgewassen zijn, verdraagzaam. Hij is een sieraad voor een volière.
Nauw verwant met de Hordevogels zijn de Frontvogels (Cassicus), de grootste leden van hun familie. Zij zijn slank gebouwd, hebben een langen, spits kegelvormigen snavel, die van boven schildvormig tusschen de veeren van het voorhoofd verlengd is; aan hun breed, halfrond voorhoofd danken zij hun naam. De pooten zijn sterk en met lange teenen voorzien, de vleugels tamelijk lang en toegespitst; de staart is lang en uit breede veeren samengesteld; het zwartachtige vederenkleed is glanzig en met geel en rood afgezet.
De Frontvogels, die in Amerika tot op zekere hoogte de plaats van onze Raven innemen, zijn fraaie, levendige en beweeglijke dieren, die in de wouden en steeds op de boomen leven. Als de granen en vruchten rijp zijn, komen zij onbeschroomd in de nabijheid van woningen en plantages, waar zij soms lastig worden. In het woud maken zij jacht op Insecten, de grootste soorten ook op kleine Gewervelde Dieren; bovendien eten zij vruchten en zaden. Hun stem is niet zoo welluidend als die van de Hordevogels, maar klinkt toch in 't geheel niet onaangenaam en onderscheidt zich door groote buigzaamheid. Volgens Schomburgk worden sommige soorten door de Europeesche bewoners van Guyana "Spotvogels" genoemd. Zij bootsen niet alleen de geluiden van alle om en naast hen zingende en schreeuwende Vogels, maar ook die van Zoogdieren na.
Bijna even merkwaardig als hun stem is hun nestbouw. Zij vormen broedkolonies en hangen hunne buidelvormige, tamelijk kunstige nesten gemeenschappelijk aan denzelfden boom op, niet zelden in broederlijke eendracht met verwante soorten, die na hun broedtijd hun eigen gang gaan en zich om de medebewoners der kolonie niet meer bekommeren. De nesten zijn langwerpig fleschvormig en zoo doorluchtig, dat men den licht gekleurden staart van den broedenden Vogel door den nestwand heen zien kan. Het bouwen van deze nesten vordert veel tijd, behendigheid en moeite. Enkele soorten gebruiken geen andere grondstof dan de op naaigaren gelijkende strooken of vezels, die zij van de bladen der palmen afschillen.
Een merkwaardige vertegenwoordiger van dit geslacht is de Sjapoe (Japoe) of Kuiftroepiaal (Cassicus cristatus). Hij is 40 à 45 cM. lang en heeft een 18 à 19 cM. langen staart. Op het midden van den bovenkop zijn de veeren smal en vormen een kuif. De vijf buitenste paren stuurpennen hebben een citroengele kleur; de staartwortelveeren en de dekveeren van den staart zijn licht kastanjebruin; overigens is de geheele Vogel glanzig zwart. Het wijfje is aanmerkelijk kleiner dan het mannetje.
Met uitzondering van de westelijke districten van Zuid-Brazilië, is de Sjapoe over de geheele oostelijke helft van Zuid-Amerika verbreid, noordwaarts tot in Guatemala. Hij is een woudbewoner en wordt alleen dan op plantages of bij menschelijke woningen aangetroffen, wanneer deze dicht bij het woud gelegen zijn. Zijn gezellige aard verloochent hij zelfs gedurende den broedtijd niet; op een kleine ruimte ziet men dan dikwijls 30, 40 of meer paren van deze Vogels bezig met het bouwen van hunne merkwaardige nesten, die soms alle te zamen aan de twijgen van één enkelen hoogen of wijd getakten boom van het oerwoud hangen.
Het nest van den Sjapoe is een smalle, lange, van onderen afgeronde, 1 à 1.5 M. lange buidel, welks onderste gedeelte, dat de ligplaats voor de jongen bevat, een wijdte heeft van 13 à 17 cM.; het bovenstuk is geslingerd om, en hierdoor stevig bevestigd aan een tamelijk slanke twijg, die ongeveer zoo dik is als een vinger. De langwerpige, volkomen onbeschutte opening voor het in- en uitvliegen bevindt zich aan het dunne gedeelte van den uit een los vilt samengestelden buidel, die wegens zijn vorm en buigzaamheid in hooge mate blootgesteld is aan de werking van den wind en reeds door een zwakke luchtstrooming in beweging wordt gebracht. Dit nest, dat op zeer kunstige wijze vervaardigd wordt van ineengevlochten en tot vilt verwerkte vezels van tillandsia's, gravatha's en andere planten, is zoo stevig, dat het moeite kost het te verscheuren. Op den bodem van den diepen buidel liggen de eieren (1 of 2) en later de jonge Vogels op een laag mos, droge bladen en boombast. De met nesten beladen boom, de groote, fraaie Vogels, die af- en aanvliegen en ijverig werkzaam zijn, leveren voor den natuuronderzoeker en den jager een zeer aantrekkelijk schouwspel op. Het grootst en het fraaist zijn de mannetjes; als zij hun stem zullen laten hooren, spreiden zij den prachtigen staart uit, lichten op de wijze van een Zwaan hunne vleugels een weinig op, houden den kop omlaag en verwijden den krop. In plaats van den kort afgebroken, heeschen, eenigszins krassenden loktoon, brengen zij dikwijls een zonderling, doch niet onaangenaam klinkend, fluitend keelgeluid voort, dat met den loktoon en andere klanken vereenigd wordt tot een vreemdsoortig, niet onbehagelijk gezang.
Gevangen Sjapoes kunnen jaren achtereen in 't leven gehouden worden; zij toonen ook in de kooi hun opgewekten en bedrijvigen aard. Binnenshuis zijn zij echter hinderlijk door de onaangename lucht, die zij verbreiden.
De Spreeuwvogels (Sturnidae) zijn middelmatig groot, hebben een gedrongen lichaamsbouw, een korten staart en tamelijk lange vleugels; hun snavel is langer dan de kop en even lang als deze: hij is recht en slank, en neemt in de richting van de spits gelijkmatig in breedte en hoogte af; de pooten zijn middelmatig lang en tamelijk forsch, de veeren tamelijk overvloedig, maar hard; haar kleur is zeer ongelijk.
Evenals de Troepialen voor Amerika, zijn de Spreeuwvogels voor de Oude Wereld in hooge mate karakteristiek; beide familiën zijn ongeveer even rijk aan soorten; die van de Spreeuwvogels heeft in ieder deel van het oostelijk halfrond vertegenwoordigers, in 't geheel ongeveer 150. Evenals de genoemde, in hooge mate gezellige Vogels, vormen ook zij, zoowel in als buiten den broedtijd, meer of minder groote gezelschappen en verrichten hunne bezigheden gemeenschappelijk. Hun gang is stappend, een weinig waggelend, maar toch vlug en goed; zij vliegen gemakkelijk, met behendige vleugelslagen, snel en met gedruisch; te midden van de twijgen en in de rietvelden weten zij zich flink te bewegen. Alle soorten van Spreeuwen hebben een levendigen en onrustigen aard: zij zijn onophoudelijk werkzaam en houden zich ook gedurende den korten rusttijd vaak met eenigen arbeid bezig. Hun voedsel bestaat uit Insecten, Wormen en Slakken, bovendien ook uit vruchten en plantendeelen; zij worden echter niet schadelijk voor den mensch. Hun nest is groot en onregelmatig gebouwd; het wordt in holten van boomen, rotsen, muren enz. gevonden. Het aantal eieren, waarop de Vogel broedt, wisselt van 4 tot 7 af. Alle soorten verdragen de gevangenschap licht en gedurende langen tijd; sommige van hen kan men tot de vermakelijkste kooivogels rekenen.
Onze algemeen bekende Spreeuw (Sturnus vulgaris), wordt in Groningen Sproa of Sprotter, in Friesland Sprotter, in Overijsel Sproa, in Gelderland Spraan, te Amsterdam Panlijster, in het land van Kuik Sproon genoemd. De jongen heeten in Groningen Kale Dotter, in Overijsel Doddekonte. De kleur is in verband met leeftijd en jaargetijde verschillend. Het kleed van het oude mannetje is in de lente zwart met groenen en purperkleurigen weerschijn; de kleur van de vleugels en van den staart schijnt lichter wegens de breede, grijze randen der veeren; enkele veeren van den rug hebben geelachtig grijze eindvlekken. De oogen zijn bruin, de pooten roodbruin; de snavel is zwart. Geheel anders is het kleed kort na het ruien. Dan zijn de spitsen van alle veeren van den nek, den bovenrug en de borst witachtig van kleur; het geheele dier ziet er dan gestippeld uit. Tevens wordt de snavel donkerder. Het wijfje gelijkt op het mannetje, maar is ook zelfs in het lentekleed sterker dan hij. Totale lengte 22, staartlengte 7 cM.
In het zuiden van Europa wordt onze Spreeuw vervangen door den Eénkleurigen of Zwarten Spreeuw (Sturnus unicolor). Deze onderscheidt zich door den eigenaardigen vorm van de kop-, borst- en nekveeren, die zeer lang en smal zijn, en ook door de teekening; daar het leikleurige kleed, dat een zwakken metaalglans vertoont, bijna geheel vrij van vlekken is.
Bij IJsland en de Fär-öer te beginnen, wordt de Gewone Spreeuw in 't grootste deel van Europa, althans gedurende een deel van 't jaar, aangetroffen, zoo ook in de voor hem geschikte gewesten van Middel-Azië, o. a. in het zuidwesten van Siberië en in Klein-Azië. In Europa is hij volstrekt niet overal standvogel. In alle zuidelijke provinciën van Spanje, in Zuid-Italië en in Griekenland b. v., vertoont hij zich slechts gedurende de wintermaanden, hoewel hij in de Pyreneeën en de Zuidelijke Alpen broedt. Hij geeft de voorkeur aan vlakke gewesten en bewoont hier het liefst boschrijke weidegronden, maar blijft ook in de streken, die hij anders alleen op den trek bezoekt, wanneer men hier doelmatige broedkasten voor hem plaatst. Lenz heeft op deze wijze gemaakt, dat hij in het Thüringer-woud inheemsch werd. In de meeste koude en gematigde gewesten is hij een trekvogel; intusschen blijven in zachte winters vele exemplaren hier, evenals ook in Groot-Brittannië en zelfs in het zuiden van Zweden. Op de Fär-öer, waar hij in de nabijheid van de talrijke schapenkudden een overvloed van voedsel vindt, is hij standvogel, hoewel hij vele streken van Middel-Europa, die veel verder zuidwaarts liggen, tegen den winter verlaat. Bij ons komt de Spreeuw vroeger terug dan de meeste andere trekvogels, soms reeds in Februari, gewoonlijk in Maart; hij blijft tot laat in den herfst. Zijn reis strekt zich hoogstens tot Noord-Afrika uit; in Algerië en Egypte komt hij iederen winter geregeld voor. Het hoofdleger blijft echter in Zuid-Europa achter en zwerft hier met allerlei andere Vogels, vooral Raven en Lijsters, het land rond. Zoodra hij meent, dat zijn geboortegrond hem weer voedsel kan verschaffen, begeeft hij zich op den terugweg; men ziet hem daarom bij ons in den regel reeds vóór het smelten van de sneeuw. Vooral daar, waar de menschen hem gedurende den winter het blijven gemakkelijk maken, vertrekt hij niet naar 't zuiden; op vele plaatsen, waar hij vroeger niet overwinterde, is hij in den laatsten tijd begonnen dit wel te doen.
Er bestaat misschien geen opgewekter, blijmoediger, vroolijker Vogel dan de Spreeuw. Als hij bij ons terugkomt, is het weer dikwijls nog zeer ongunstig, de sneeuwvlokken dwarrelen door de lucht, het voedsel is nog schaarsch, kortom, de geboortegrond heeft den reiziger geen vriendelijke ontvangst bereid. Toch laat hij reeds van den eersten dag af zijn lied hooren en plaatst zich daartoe, als gewoonlijk, op de hoogste punten, waar hij van alle kanten aan weer en wind is blootgesteld. Hij beschouwt de omstandigheden met de kalmte en de gelijkmoedigheid van een wijsgeer en verliest er in geen geval zijn onveranderlijk blijde gemoedsstemming door. Ieder, die hem kent, moet van hem houden en wie hem nog niet kent, kan ik ten sterkste aanbevelen, zich met hem te bemoeien. Hij wordt voor den mensch een lieve vriend, die de aan hem besteede zorg duizendvoudig vergeldt.
Onmiddellijk na hun terugkomst in de lente, vertoonen de mannetjes zich op de hoogst gelegen plaatsen van het dorp of van de stad, op den kerktoren of op oude boomen, om hier onder levendige bewegingen met de vleugels en den staart te zingen. Hun gezang is niet veel bijzonders, meer een gekweel dan een lied, het bevat ook eenige onaangename, krassende tonen; maar, daar het met zooveel vuur en vroolijkheid wordt voorgedragen, hoort men het toch zeer gaarne. Het buitengewoon talent van nabootsing, dat den zanger eigen is, verhoogt zeer de onderhoudendheid van zijn gezang. Alle geluiden, die in een streek gehoord worden, het ingehouden gefluit van den Wielewaal zoowel als het krijschen van de Vlaamsche Gaai, het luide geschreeuw van den Buizerd zoowel als het kakelen van de Hoenderen, het klapperen van een molen, het knarsen van een deur of van een windvaan, het slaan van den Kwartel, het neuriën van den Boomleeuwerik, geheele strophen uit het gezang van Rietzangers en Lijsters en van het Blauwborstje, het gekweel van de Zwaluwen, al deze en dergelijke klanken worden met een geoefend oor aangehoord, met grooten ijver bestudeerd en daarna op de vermakelijkste wijze weergegeven. Zelfs het gefluit van den mensch bootst hij zeer getrouw na, zooals blijkt uit het volgende bericht van G. Dieck: "Een van mijne Spreeuwen gaf aanleiding tot een zeer grappig voorval. Daar ik aan een keelaandoening lijd, ben ik gewoon, mijne tuinlieden te roepen door te fluiten. Nu was het reeds meermalen gebeurd, dat een van hen snel kwam aanloopen, zonder dat ik gefloten had en zelfs, terwijl ik in 't geheel niet thuis was. Wij konden hiervoor geen verklaring vinden. Ten slotte bleek het, dat een van de Spreeuwen, die in de nabijheid van mijn woonhuis nestelen, mij dit gefluit had afgeluisterd en het dikwijls nauwkeurig en luid liet hooren."--Des morgens vroeg begint de Spreeuw te zingen, hij zwijgt gedurende een deel van den dag en geeft 's avonds nogmaals een langdurige voordracht ten beste.
In het begin van Maart wordt het nest gebouwd. In bosschen van breedbladige boomen kiest de Spreeuw hiervoor holle stammen; wanneer hij zulke door de natuur gevormde broedplaatsen niet tot zijn beschikking heeft, vestigt hij zich in gebouwen; het liefst maakt hij echter gebruik van de broedkastjes, die door den mensch voor hem vervaardigd zijn. Dit zijn uitgeholde stukken van boomstammen van 50 à 60 cM. hoogte en 20 cM. middellijn, die van boven en van onderen met een plankje gesloten en op korten afstand van het bovenste plankje met een opening van 5 cM. middellijn voorzien zijn, of kistjes, die uit aaneengespijkerde plankjes bestaan en overigens ongeveer dezelfde inrichting hebben. Zij worden in de boomen gehangen, op palen geplaatst of aan den gevel van het huis bevestigd. De onderlaag van het slordige nest bestaat uit stroo en grashalmen; van binnen is het bekleed met veeren van Ganzen, Hoenderen en andere groote Vogels; des noods behelpt de Spreeuw zich echter ook wel met stroo of hooi en in het woud met verschillende korstmossen. Tegen het einde van April is het eerste broedsel compleet: 5 à 6 langwerpige eieren, welker eenigszins oneffen schaal een fraaien glans en een lichtblauwe kleur bezit. Met het broeden houdt alleen het wijfje zich bezig. Zoodra de jongen uit het ei gekomen zijn, hebben de beide ouders het zoo druk met het aandragen van voedsel dat de vader weinig tijd voor 't zingen overhoudt; een enkel uurtje weet hij echter hiervoor nog wel te vinden. In dezen tijd ziet men daarom de eerwaardige familievaders tegen den avond bijeenkomen en zich met gezang vermaken.
Wanneer de jongen 3 à 4 dagen lang onder de leiding van hunne ouders in de buitenwereld hebben verkeerd, zijn zij in staat om zichzelf te redden. Zij voegen zich bij andere jongen van hun soort en vormen nu reeds tamelijk talrijke vluchten, die zonder bepaald doel rondzwerven. Intusschen beginnen de ouders met hun tweede broedsel en zoeken, als ook deze jongen ver genoeg ontwikkeld zijn, door hen vergezeld, de jongen van het eerste broedsel op. Van nu te beginnen slapen zij niet meer op de broedplaatsen, maar in het bosch en later ook in de rietvelden aan den kant van 't water. "Van mijlen ver," zegt Lenz, "trekken zij naar zulke plaatsen; van alle zijden komen zij iederen avond opzetten en verzamelen zich tot troepen. Tegen het einde van Augustus zijn de riethalmen en de lischdodden in de rivieren, poelen en meren hoog en sterk genoeg om hen te dragen; zulke plaatsen zoeken zij op; des daags over een gebied van vele mijlen verspreid, vereenigen zij zich des avonds tot zwermen van duizenden, ja zelfs honderdduizenden stuks, die uren lang, soms bijeengevoegd, soms gescheiden, als wolken door het luchtruim zwieren, nu eens op de weiden, dan weer op het riet neerstrijken en zich eindelijk, als de nacht invalt, snorrend, kweelend, fluitend, zingend, krijschend, twistend te ruste begeven, nadat ieder hunner voor zich een plaatsje uitgekozen of vechtend veroverd heeft op een halm, die door zijn zwaarwichtigen persoon naar beneden gebogen wordt. Als de halm onder den last bezwijkt, vliegt de daarop gezeten Vogel met geraas omhoog en neemt op even luidruchtige wijze een nieuwe rustplaats in bezit. Als een schot of een andere even ernstige rustverstoring een panischen schrik heeft teweeggebracht, stijgt het geheele leger onder hevig gesuis en gebruis in het luchtruim omhoog en zwiert hier een tijdlang rond, voordat het weer nederstrijkt. Als het einde van September naakt, zetten de zwermen hun gezellig, vroolijk leven nog een tijdlang voort; de oude paren evenwel gaan naar hunne nesten terug en zingen hier 's morgens en 's avonds, alsof er in 't geheel geen winter in aantocht is; zij verdwijnen echter uit onze gewesten en trekken met de lieve jeugd naar het zuiden, zoodra de eerste strenge vorst invalt of de eerste sneeuw de velden overdekt. Als het weer gunstig is, blijven zij tot de laatste week van October of tot de eerste week van November; daarna zijn zij door geen enkele reden te bewegen om hun reis tot later uit te stellen." In hunne winterkwartieren leiden zij hetzelfde leven als bij ons. Men kan ze in Januari van de torens van de Domkerk van Toledo en in Egypte van den rug van de Buffels hun lied hooren voordragen.
Hoewel onze Spreeuwen in de wijnbergen een belangrijke, in de kersenboomgaarden en groentetuinen nu en dan een niet onaanzienlijke schade aanrichten, hoewel zij in de rietvelden, waar zij in grooten getale overnachten, door het breken der halmen aanzienlijke verliezen kunnen veroorzaken, is overigens hun nut zoo buitengewoon groot, dat men ze als de beste vrienden van den landman kan aanmerken. "Bij geen Vogel," zegt Lenz, "kan men zoo gemakkelijk als bij den Spreeuw waarnemen, hoe nuttig hij is. Als de jongen van het eerste broedsel uitgekomen zijn, brengen de ouders in den regel des voormiddags om de drie minuten voedsel naar het nest, des namiddags alle vijf minuten: in 't geheel dus iederen voormiddag in 7 uren 140 vette Slakken (of in plaats van deze hun equivalent aan Sprinkhanen, rupsen enz.), des namiddags 84. Voor de twee ouders te zamen reken ik per uur minstens 10 slakken; dus in 14 uren 140, in 't geheel worden dus door de familie dagelijks 364 vette Slakken verorberd. Na het uitvliegen dezer jongen gebruikt het gezin nog meer voedsel; later komen ook de jongen van het tweede broedsel om hun portie; door hen vermeerdert het aantal leden der familie tot 12; indien ieder familielid per uur 5 Slakken eet, verdelgt het Spreeuwengezin dagelijks 840 Slakken. Ik heb nesthokjes voor Spreeuwen aan mijne gevels, onder de lijsten en aan de boomen, die dicht bij mijne gebouwen staan, te zamen 42. Als deze alle bezet zijn, breng ik, ieder gezin op 12 stuks rekenend, ieder jaar van mijn woning uit een troep van 504 Spreeuwen in 't veld, die per dag een leger van 35.280 groote, dikke, vette Slakken om 't leven brengen en verzwelgen."
Een fourageerende Spreeuw levert een alleraardigst schouwspel op. Bedrijvig loopt hij op den bodem rond, rusteloos keert hij zich nu eens naar den eenen, dan weer naar den anderen kant, zorgvuldig doorzoekt hij ieder kuiltje, ieder boschje gras. Bij deze gelegenheid wordt de snavel met zooveel behendigheid en op zoo verschillende wijzen gebruikt, dat het een lust is om te kijken naar den kunstenaar, die met zulk een eenvoudig werktuig zoo velerlei werkzaamheden kan verrichten. Wat aan het oog ontgaat, wordt met de tong opgespoord; met de prooi, die heden niet gevangen wordt, wordt morgen de disch voorzien.
Onze groote soorten van Valken, vooral de Haviken en Sperwers, voorts de Kraaien, Eksters en Vlaamsche Gaaien, bovendien de Edelmarters, Wezels, Eekhoornen en Zevenslapers, zijn erge vijanden van de Spreeuwen. De eerstgenoemde brengen de voor 't vliegen geschikte Vogels in gevaar, de laatstgenoemde de nog hulpbehoevende jongen, die zij uit de nesten halen, hoe dapper de ouders zich ook tegen de roovers verzetten. De sterke vermenigvuldiging van onze Vogels vergoedt echter weldra alle verliezen, die geleden mochten zijn; bovendien wordt het gevaar verminderd door de schranderheid van den Vogel. Deze houdt zich b.v., wanneer hij in 't veld voedsel zoekt, in gezelschap van Kraaien en Roeken op, maakt zich aanhoudend hun waakzaamheid te nutte en vlucht bij de nadering van een roofdier, vooral van een Roofvogel, terwijl deze door de moedige Kraaien aangevallen wordt. Tegen vervolging door den mensch is hij gelukkig gevrijwaard door zijn lieftalligheid en in hoogere mate nog, doordat zijn vleesch onsmakelijk, ja zelfs bijna oneetbaar is. In de kooi wordt hij minder dikwijls gehouden, dan hij verdient. Hij is niet veeleischend, zeer schrander, buitengewoon leerzaam, vroolijk, opgeruimd, tot spelen en stoeien geneigd, leert wijsjes nafluiten en woorden naspreken, sluit een innige vriendschap met zijn verzorger, kan bijna een menschenleeftijd lang in de kooi blijven leven en vereenigt zoo vele goede eigenschappen in zich als nagenoeg geen andere kamervogel van dergelijk slag.
De naaste, in Europa wonende verwant van onze Spreeuw is de Roséspreeuw (Pastor roseus), een vertegenwoordiger van het geslacht der Steppenspreeuwen (Pastor). Zijne veeren hebben aan den kop, waar zij een lange, hangende nekkuif vormen, en aan den hals, van voren tot aan de borst, van achteren tot daar waar de mantel begint, een zwarte kleur met donkervioletten, metaalachtigen weerschijn; zwart met groenen weerschijn zijn de vleugels, de staart, de dekveeren van den staart; de overige veeren zijn licht rozerood; de snavel is rozerood, de poot roodachtig bruin. Totale lengte 21 à 23, staartlengte 7 cM.
De Roséspreeuw behoort tot de "Zigeunervogels", daar hij in sommige jaren in grooten getale voorkomt in bepaalde streken, waar hij in andere jaren in 't geheel niet gevonden wordt, hoewel naar allen schijn de omstandigheden in hoofdzaak dezelfde zijn gebleven. De steppen van Centraal-Azië moeten als het brandpunt van zijn verbreidingsgebied beschouwd worden; van hier te beginnen vindt men de plaatsen, waar hij geregeld broedt, aan den eenen kant tot in Zuid-Rusland en de Donau-laagvlakte, aan den anderen kant tot in Klein-Azië en Syrië, oostwaarts bovendien tot in Mongolië en China. Op den trek begeeft hij zich iederen winter naar Indië; ook bezoekt hij, hoewel niet ieder jaar, Griekenland en Italië, zeer zelden soms ook Afrika. Bovendien komt het nu en dan voor (en wel gewoonlijk des zomers, ongeveer in den broedtijd), dat hij de grenzen van zijn verbreidingsgebied ver overschrijdt en niet alleen in de richting, die hij op den trek volgt, maar ook straalsgewijs naar verschillende zijden reist. Hij vertoont zich dan in alle deelen van Italië en Griekenland, voorts in de andere gewesten van het Balkan-schiereiland, in de Donau-laagvlakte en in Hongarije, ook wel in alle overige kroonlanden van Oostenrijk, voorts in Duitschland, Zwitserland, Frankrijk, Nederland, België, Denemarken, Groot-Brittannië, ja zelfs op de Fär-öer. In Nederland werden in 1856, 1874, 1885, 1886 en 1893 exemplaren van deze soort gevangen, in 't eerstgenoemde jaar in Juli, in de overige jaren in September of October.
De Roséspreeuw is veel onrustiger dan onze Spreeuw: iederen dag doorkruist hij een zeer uitgestrekt gebied, herhaaldelijk vertoont hij zich in den loop van den dag op dezelfde plaatsen, houdt zich hier echter steeds slechts korten tijd op, doorzoekt een streek, stijgt omhoog en vliegt weg, om misschien eerst verscheidene kilometers verder hetzelfde spel te hervatten. Van tijd tot tijd, vooral in de middaguren, zwerft de geheele vlucht een kwartier uurs of langer hoog in de lucht rond, waar deze Vogels op de wijze van de Bijeneters Insecten vangen, om vervolgens weer op den bodem neer te strijken en hier zoo ijverig te zoeken, alsof zij hoog boven den grond in 't geheel niets gevonden hadden.
Het gezang van deze Vogels is slechts een tamelijk heesch gesnap, waarin de loktonen nog de welluidendste, alle overige geluiden echter ratelend en krijschend zijn, zoodat het geheel ongeveer weergegeven kan worden door de syllaben "etsj retsj rietsj riets sjerr tsierr tswie sjierr kier" enz.; "rietsj" en "sjierr" zijn de veelvuldigst voorkomende klanken.
Insecten van allerlei slag, vooral groote Sprinkhanen en Kevers, bovendien bessen en vruchten zijn het voedsel van de Roséspreeuwen. Met het verdelgen van de terecht gevreesde Treksprinkhanen houden zij zich zoo ijverig bezig, dat de Tartaren en Armeniërs ook thans nog tot afwering van het dreigende gevaar processies houden bij het verschijnen van deze Vogels, omdat zij hen als de voorloopers van de Sprinkhanenzwermen beschouwen.
Bij de keuze van een broedplaats legt de aanwezigheid van water groot gewicht in de schaal; in de steppe vindt men daarom de Roséspreeuwen in den broedtijd zoo goed als uitsluitend in de nabijheid van rivieren, beken of meren. Ook thans nog even gezellig als in de andere jaargetijden, zijn zij op de broedplaatsen meestal tot ontzaglijk groote zwermen van duizenden en nogmaals duizenden exemplaren vereenigd, zoodat er weldra evenzeer gebrek is aan geschikte gelegenheden om te nestelen, als aan slaapplaatsen. Het nest wordt gebouwd in door hen zelf gegraven holen, in allerlei spleten en gaten van gesteenten en van muren, ook wel, ofschoon zeldzamer, in holle boomen. Daar echter de goede nestplaatsen weldra bezet zijn, moeten vele zich behelpen met de tusschenruimten van houtstapels, steenhoopen of afgevallen takken; vele nesten worden zelfs op de eerste de beste plaats gebouwd en zijn niet eens beschut of overdekt.
De Ossenpikkers (Buphaga) onderscheiden zich van alle overige Spreeuwen hoofdzakelijk door het maaksel van den snavel en van de pooten, in niet geringe mate echter ook door hun levenswijze. De snavel is korter dan de kop, aan den wortel breed en afgerond, volgens de ruglijn eerst een weinig neergedrukt, verder naar voren gewelfd, de spits een weinig voor die van den ondersnavel gelegen en naar beneden gebogen, terwijl de voorhelft van de onderkaak stomphoekig naar boven klimt. De pooten hebben een dikken, korten loop en lange teenen met sterk gekromde, spitse, zijdelings samengedrukte nagels.
De Roodsnavelige Ossenpikker (Buphaga erythrorhyncha), de meest bekende van de beide soorten van dit geslacht, is van boven olijfbruin; de zijden van den kop, de kin en de keel zijn lichter van kleur, de overige onderdeelen licht roestgeelachtig vaal, de slagpennen en de onderdekveeren van den vleugel donkerbruin. De iris en een naakte ring om het oog zijn goudgeel, de pooten bruin; de snavel is lichtrood. Totale lengte 21, staartlengte 9 cM. Het verbreidingsgebied van dezen Vogel omvat geheel Middel-Afrika. De andere, iets grootere soort--de Geelsnavelige Ossenpikker (Buphaga africana)--bewoont Senegambië en Zuid-Afrika en wordt ook op sommige plaatsen nevens zijn verwant aangetroffen.
Men ontmoet de Ossenpikkers in kleine gezelschappen van 6 à 8 stuks, steeds in de nabijheid van groote Zoogdieren, zonder welke zij, naar het schijnt, in 't geheel niet zouden kunnen bestaan. Zij volgen de kudden van grazende Runderen of Kameelen, maar worden ook bij afgezonderd levende exemplaren aangetroffen en strijken gewoonlijk op één dezer dieren neder. Uit de berichten van reizigers in Zuid-Afrika blijkt, dat zij aan de Olifanten en Neushoornen dezelfde diensten bewijzen als aan het vee. Volgens Levaillant zoeken zij ook de Antilopen, waarschijnlijk dus alle groote Zoogdieren op. Vooral op dieren, die open wonden hebben, waarop de Vliegen azen, zijn zij werkzaam. Hierdoor hebben zij zich de haat van de Abessiniërs op den hals gehaald, die in de meening verkeeren, dat het pikken met den snavel de gewonde plaatsen prikkelt en de genezing verhindert; deze Vogels worden echter voornamelijk aangelokt door de Horzellarven, die zich onder, en door de bloedzuigende Teeken, die zich op de huid van de Zoogdieren hebben gevestigd. De eerstgenoemde halen zij uit hunne schuilhoeken te voorschijn, de laatstgenoemde zoeken zij van alle lichaamsdeelen hunner vrienden af. Gezonde Zoogdieren, die sinds hun jeugd aan deze Vogels gewoon zijn, laten nooit blijken, dat het pikken hun lastig is, integendeel zij gaan met de Buphaga's steeds zeer vriendschappelijk om en laten hen begaan, onverschillig hoe zij ook bezig zijn, zonder ooit met den staart naar hen te slaan: daarentegen gaan de dieren, die met de Ossenpikkers niet bekend zijn, op onzinnige wijze te keer, als zij plotseling een bezoek krijgen van deze met de beste bedoelingen verschijnende Vogels. Zoo verhaalt Anderson, dat eens des morgens de ossen van zijn wagen met de komiekste sprongen, in wilde wanorde wegrenden, omdat zij een bezoek kregen van een zwerm Ossenpikkers.
Een Paard of Kameel, dat met deze Vogels bedekt is, levert een grappig schouwspel op. Ehrenberg merkt zeer terecht op, dat zij op het vee rondklauteren evenals de Spechten op de boomen. Zij houden zich onder aan den buik tusschen de pooten vast, klimmen hierlangs met den kop naar boven of naar beneden op en af, gaan op den rug of op den neus zitten, kortom zij zoeken in den letterlijken zin van 't woord het geheele lichaam af. De Vliegen en de Dazen pikken zij behendig van het vel op, de maden pluizen zij uit de door hen opengepikte huid weg. Hoe zij ook werken, de dieren waarop zij zitten, houden zich volkomen rustig, omdat zij weten, dat de pijn, die hun wordt aangedaan, met een voor hen heilzame operatie gepaard gaat.
De Ossenpikker van zijn kant stelt alleen in de dieren vertrouwen; voor den mensch neemt hij zich zeer in acht. Zoodra deze nadert, vooral als het een vreemdeling is, klimt het geheele gezelschap schielijk op den rug van het dier, waarop het zich bevindt, en blijft hier zitten, om voorzichtig naar den naderenden persoon uit te kijken. Dat de in 't wild levende dieren langzamerhand de gewoonte aannemen om op de waarschuwing van den Ossenpikker te letten, is zeer licht te begrijpen.
De prachtigste leden van de familie zijn die, welke het geslacht der Glans-, Pracht- of Purperspreeuwen (Lamprotornis) vormen; deze Vogels zijn van gedrongen lichaamsbouw, hebben een middelmatig langen, krachtigen, zijdelings samengedrukten snavel met gewelfden rug, lange pooten met tamelijk lange teenen, middelmatig lange vleugels, een staart van verschillende lengte en een prachtig, glanzig kleed.
De Purperspreeuwen bewonen Afrika, bevolken de meest verschillende oorden, zijn hoogst gezellig, levendig, opgewekt, driest en snapachtig; zij voeden zich zoowel met plantaardige als met dierlijke stoffen; hun gang is snel, meer stappend dan huppelend; zij vliegen zonder inspanning en behendig, maar op eenigszins slepende wijze; zij zingen ijverig, maar slecht en broeden in holten of in groote, slordig samengestelde, koepelvormige nesten op 5 of 6 gevlekte eieren.
De meest bekende soort is waarschijnlijk de Langstaartige Glansspreeuw of Glansekster (Lamprotornis aeneus), wiens totale lengte 50 cM. bedraagt en die een 30 cM. langen staart heeft. De kop, de kin en de bovenkeel, zijn zwart met een goudkleurigen weerschijn, de bovendeelen en de slagpennen donker metaalachtig groen; elke bovendekveer van den vleugel is met een kleine, dof fluweelzwarte vlek versierd: het midden van de keel, de staartwortel, de bovendekveeren van den staart, de onderdeelen en de stuurpennen zijn donker purper-violet: iedere staartpen is met meer of minder duidelijk zichtbare, donkerder dwarsbanden geteekend, de veeren van het midden van de borst hebben een meer koperroode tint. Het geheele vederenkleed heeft een prachtigen glans. De oogen zijn lichtgeel, de pooten zwart.
West-, Middel-, Oost- en Zuid-Afrika zijn het vaderland van deze prachtige Vogels. Levaillant verhaalt, dat zij, tot groote vluchten vereenigd, op boomen leven, maar ook op den grond afdalen om Wormen en Insecten te zoeken, dat zij zich op den bodem bewegen als Eksters en onophoudelijk schreeuwen, maar weet overigens niets van hen te berichten. De paren of vluchten begeven zich vaak op den grond en bewegen zich hier geheel op de wijze van onze Eksters; de overeenkomst valt te meer in 't oog, omdat, de Purperspreeuw zijn prachtigen staart geheel als de Ekster naar boven gericht draagt. Al wat vreemd is, boezemt dezen Vogel argwaan in; hij is ook daar schuw, waar hij den mensch alleen van zijn goede zijde heeft leeren kennen. Zijn stem is heesch en krijschend, maar zoo eigenaardig, dat men haar niet licht met die van een anderen, ons bekenden Vogel verwarren zal; zijn gezang, dat men, behalve in den ruitijd, tot vervelens toe hoort, is niets anders dan een in 't oneindige voortgezette herhaling en vervorming van de gewone stemgeluiden of een voortdurend gekrijsch, gekras, geratel en gekwiek.
Zijn voedsel bestaat uit Insecten, zaden en vruchten van allerlei soort. De Insecten worden van den grond opgezocht en in de vlucht gevangen, en zelfs uit doode dieren losgepeuterd.
Omdat het niet moeilijk is de gevangen Langstaartige Glansspreeuwen met voedsel te voorzien, komen zij niet zelden levend in Europa. Bij goede verzorging houden zij zich jaren lang goed in de kooi, waar zij zich ook wel voortplanten.
In Noordoost-Afrika ontmoet men tamelijk veelvuldig den Groenstaartigen Glansspreeuw (Lamprotornis chalybeus), wiens totale lengte 27 cM. bedraagt en die een 9 cM. langen staart heeft. Zijne veeren zijn, met uitzondering van een onduidelijke vlek in de oorstreek en van de dekveeren van den onderarm, donker metaalglanzig groen; de armpennen en de grootste bovendekveeren van den vleugel zijn ieder aan de spits met een roodachtige fluweelzwarte vlek versierd. De veeren hebben een bewonderenswaardigen glans en weerschijn; al naar het licht valt, wijzigen zich de kleuren; het geheel maakt een indruk, die nauwelijks met woorden weer te geven is. Tusschen het mannetje en het wijfje bestaat in dit opzicht geen verschil.
De Groenstaartige Glansspreeuwen bewonen de dichte wouden der rivierdalen zoowel als de meer ijle bosschen van de steppe of van het gebergte. Gewoonlijk leven zij paarsgewijs, alleen na den broedtijd vormen zij kleine vluchten. Deze ontmoet men zoowel in het dichtste struikgewas als op de rotsblokken, die over den bodem verspreid zijn. De Groenstaartige Glansspreeuwen zijn opgewekt en bedrijvig, evenals alle leden van hun familie; zij verkeeren veel op den bodem en in lage struiken, maar houden zich tegen den avond in hooge boomen op. Hun eigenaardige wijze van vliegen, die hen voor een deskundige op iederen afstand kenbaar maakt, is volkomen in overeenstemming met hunne fluweelen vleugels; deze veroorzaken een zachte beweging, die betrekkelijk weinig moeite kost, maar niet snel is. Zij loopen zeer snel, meer springend dan stappend, komen goed vooruit en zijn rusteloos in beweging. Op hunne andere begaafdheden valt niet te roemen. Hun gezang mag ternauwernood dezen naam dragen, omdat het niet veel anders is dan een voortdurende herhaling van den wanluidenden en krijschenden loktoon met een daartusschen ingevoegd geratel en gekras. Toch vergeeft men den Vogel al deze wanklanken met het oog op zijn voorkomen, dat gewoonlijk schranderheid, levendigheid, zelfbewustzijn en zelfs behaagzucht verraadt; hij houdt zich steeds zorgvuldig rein, gaat niet met andere Vogels om, is (met uitzondering alleen van de middaguren) onophoudelijk in de weer en tracht steeds zijne eigenschappen en begaafdheden goed te doen uitkomen. Hierdoor reeds wekt hij belangstelling, die echter tot bewondering stijgt, wanneer men op de pracht van zijn vederenkleed let. De reiziger, die de duistere wouden van Afrika doorkruist, zal menigmaal plotseling een helder schijnsel waarnemen, alsof ergens in de omgeving een zonnestraal wordt teruggekaatst door een spiegelend voorwerp van metaal of glas. Dit schijnsel is inderdaad niets anders dan de weerkaatsing van het zonlicht door het vederenkleed van den Glansspreeuw; als men den Vogel gevonden heeft, kan men opmerken, dat hij bij iedere beweging een zonnestraal weerspiegelt. Onmiddellijk na den dood verliezen de veeren grootendeels haar schoonheid; in haar volle pracht vertoonen zij zich alleen, zoolang de Vogel leeft.
Bij de Abessinische zangers en dichters speelt de Groenstaartige Glansspreeuw een belangrijke rol; want, meer lettend op den ijver dan op het resultaat, schrijven zij aan hem de uitvinding van het gezang toe. Toch wordt deze Vogel in Noordoost-Afrika door niemand in de kooi gehouden; men ziet hem minder dikwijls dan zijne verwanten levend in Europa.
De Prachtige Glansspreeuw (Lamprotornis superbus) wordt in 't geheel 21 cM. lang en heeft een 6.5 cM. langen staart. De bovenkop en de nek zijn zwart met zwakken, goudkleurigen weerschijn, de bovendeelen metaalachtig groen, de keel, de voorhals en de krop blauwgroen; de overige onderdeelen, die door een smallen, witten dwarsband van de donkere bovenborst gescheiden zijn, hebben een fraaie, kaneelbruine kleur; de beide onderste reeksen van bovendekveeren van den vleugel en de dekveeren van den staart zijn, zooals bij de meeste Glansspreeuwen, met ronde, fluweelachtige vlekken versierd, die twee dwarsbanden vormen. De oogen zijn wit, de snavel en de pooten zwart.
Het verbreidingsgebied van dezen prachtigen Vogel is, voor zoover men het kent, beperkt tot Oost-Afrika van den 8en graad N.B. tot den 7en graad Z.B. Over zijn levenswijze ontbreken uitvoerige berichten; uit hetgeen men er van weet, valt af te leiden, dat zij in hoofdzaken overeenstemt met die van een verder noordwaarts, in Abessinië levende verwant, de Goudbuikige Glansspreeuw (Lamprotornis chrysogaster). Beide soorten volgen zooveel mogelijk de kudden van Runderen en Schapen of houden zich op daar waar dit vee gegraasd heeft.
Door een sierlijken, eenigszins gebogen snavel, tamelijk zwakke pooten met lange teenen, betrekkelijk korte vleugels, een middelmatig langen staart en veeren, die als 't ware een schubbenkleed vormen, onderscheidt zich de Geschubde Glansspreeuw (Lamprotornis leucogaster) van zijne verwanten. Alle bovendeelen en de hals tot aan de borst zijn purperblauw met een prachtigen, violetten weerschijn, de borst en de buik daarentegen wit, de slagpennen zwartachtig bruin, aan de buitenzijde met violetten rand. Alle donkere gedeelten van het kleed schitteren bij een bepaalde wijze van verlichting met een koperkleurigen metaalglans. De kleur van de iris is fraai bruin; de snavel en de pooten zijn zwart.
De Geschubde Glansspreeuw is over geheel Middel-Afrika en een deel van West-Arabië verbreid; hij bewoont bij voorkeur bergachtige streken en komt in Abessinië nog voor op een hoogte van 2500 M., op sommige plaatsen misschien nog hooger. Zelfs in Abessinië, dat zoo rijk is aan fraai gekleurde Vogels, valt de Geschubde Glansspreeuw wegens de kleurenpracht van zijne vederen in 't oog. Vooral als hij vliegt, maakt het zonlicht op het heerlijke blauw van zijn rug een bewonderenswaardig effect.
De Beo's (Eulabes) [18] kenmerken zich door een zeer gedrongen lichaamsbouw, door een dikken, hoogen, van boven afgeronden, op den rug sterk gewelfden snavel, die ongeveer zoo lang is als de kop, door krachtige en tamelijk korte pooten, een zacht, als zijde glanzend vederenkleed en meer of minder uitgebreide, naakte plekken en huidlappen (lellen) aan den kop.
De volksnaam van dit geslacht is ontleend aan dien van een soort, welke, omdat zij gewoonlijk uit Java tot ons komt, ook wel Java-Beo (Eulabes javanensis) wordt genoemd. (De Maleische naam is Tiseng.) Zij heeft de grootte van een kleine Duif, bewoont de Soenda-eilanden en Bangka, maar komt ook op Malakka en de Nicobaren voor. Aan weerszijden van den achterkop heeft deze Vogel een zeer groote, naakte, gele lel, die zich over de oorstreek tot aan het oog uitstrekt. Weinig grooter is de veelvuldig in dierentuinen voorkomende Groote Beo (Eulabes intermedius), die van Nepal tot Bengalen verbreid is en zeer kleine lellen heeft. Beide soorten zijn zwart van kleur. De hals, de krop, de buik en de staart zijn daarentegen hooggeel bij een soort, die op de westkust van noordelijk Nieuw-Guinea werd aangetroffen (Eulabes pectoralis); deze heeft in plaats van lellen, eenvoudig een naakte plek achter het oog.
De Meinate, Meino of Mino (Eulabes religiosus) heeft een totale lengte van 26 cM., terwijl de staart 7 cM. lang is. Haar kleed is donkerzwart; de toppen van de veeren, die den kop en den hals bedekken, hebben een donkere viooltjeskleurige tint, die van de andere kleine veeren een metaalachtig groenen weerschijn. De worteleinden van de handpennen zijn wit en vormen een dwarsstreep over den vleugel. De schel oranjegeel gekleurde lellen, die zich van achter het oog over de oorstreek tot den achterkop uitstrekken, verdikken zich hier en vormen een smalle, overlangsche kruinstrook, die bij de vroeger genoemde soorten niet voorkomt. Een andere naakte plek bevindt zich onder het oog. De snavel is oranjekleurig, de pooten zijn geel, de oogen donkerbruin.
De Meinate bewoont de met dichte bosschen bedekte bergstreken van het zuiden van Indië en van Ceylon. Zij is een levendige, schrandere en beweeglijke Vogel, die, wat aard en gewoonten betreft, nog het meest tot onze Spreeuwen nadert. Haar gezang is zeer rijk aan tonen en vol afwisseling; het maakt een aangenamen indruk, hoewel het eenige wanluidende klanken bevat. Evenals de Beo, bezit de Meino in hooge mate de gave om klanken na te bootsen. Deze Vogels worden daarom dikwijls getemd. Voor een uitmuntend afgericht exemplaar wordt zelfs in Indië of op Java niet zelden twee honderd gulden betaald (de gewone prijs is f 15). Vooral de Meino geraakt snel aan haar gebieder gewoon; men kan haar vrij door het geheele huis, of uit en in laten vliegen; grootendeels zoekt zij haar voedsel zelf; zij sluit vriendschap met de huisdieren en vermaakt ieder door haar vroolijken aard, haar leerzaamheid en haar talent van nabootsing. De liefhebbers beweren, dat zij in dit opzicht alle Papegaaien ver overtreft. Zij kan niet slechts den klank van de menschelijke stem trouw navolgen, maar onthoudt bovendien, evenals de best sprekende Papegaai, geheele volzinnen, leert liedjes fluiten en zelfs zingen, terwijl de onaangename eigenschappen van de Papegaaien haar vreemd zijn.
De Spitsvogels (Artamus), zoogenaamd wegens hunne lange, spitse vleugels, houden het midden tusschen de Spreeuwen, de Zwaluwen en de Klauwieren en heeten daarom ook wel Zwaluwspreeuwen of Zwaluwklauwieren. De Australiërs noemen ze Wood-Swallows (Boschzwaluwen). De meeste leden van dit geslacht, dat ongeveer 20 soorten omvat, bewonen het Australische faunistische Rijk, dat zich, gelijk bekend is, uitstrekt tot de zeeëngten, die Celebes van Borneo en Bali van Java scheiden. Enkele soorten komen in Indië voor. Zij hebben een korten, kegelvormigen snavel, korte, krachtige pooten, een korten, of middelmatig langen, recht afgeknotten of ondiep uitgesneden staart en een donkerkleurig kleed. Zij voeden zich met Insecten, bewonen bij voorkeur boschrijke gewesten tot op een hoogte van 1000 M. en meer en hebben hierin bepaalde lievelingsboomen. Zoo komt één soort hoofdzakelijk voor op plaatsen, waar de Palmyra-palm groeit; zij wordt daarom door de inboorlingen Palmyra-zwaluw genoemd.
Bij den Bruinen Spitsvogel (Artamus fuscus) zijn kop, kin, keel en staartwortel dof bruinachtig aschgrauw, de mantel en de schouders donkerder, de teugel zwart, de vleugels en stuurpennen leikleurig zwart, deze aan 't einde wit gezoomd, de onderdeelen isabelroodachtig bruin, de oogen bruin, de pooten en de snavel loodkleurig blauw, deze aan de spits zwart. Totale lengte 17, staartlengte 5 cM. Hij wordt in verschillende gewesten van Britsch-Indië min of meer veelvuldig aangetroffen, komt ook op Ceylon voor en is tot in Birma, Siam en China verbreid.
Het gunstigst doet deze Vogel zich voor, als hij vliegt; op den bodem komt hij zelden, gelijk duidelijk blijkt uit zijne bewegingen bij een toevallige neerdaling. Als het fraaie weder de Insecten naar de hoogere luchtlagen heeft gelokt, ziet men daar steeds een zwerm Spitsvogels met sierlijke zwenkingen rondzwieren. Dikwijls blijven zij lang op deze hoogte vliegen en herinneren dan levendig aan onze Zwaluwen. Dit is ook het geval, wanneer zij dicht langs den waterspiegel heen en weer schieten, om hier en daar een Insect uit het water op te nemen; vervolgens rusten zij eenige oogenblikken op het struikgewas aan den oever, en hervatten daarna hun jacht. Bij dezen arbeid zijn zij soms tot troepen vereenigd, die zoo talrijk zijn, dat het water "door hun spiegelbeeld verduisterd wordt," gelijk Gould zegt. De geluiden, die men van hem hoort, gelijken op den loktoon van de Zwaluwen, maar zijn heescher en eentooniger. Een eigenlijk gezang hebben zij, naar 't schijnt, niet.
Een op Java en Sumatra levende soort, de Bleekbuikige Spitsvogel of Kapeh-kapeh (Artamus leucogaster), kiest tot woonplaats landstreken, waar uitgestrekte, met gras begroeide vlakten of velden met kleine boschjes of tuinen afwisselen, waar althans enkele alleenstaande boomen hem de gelegenheid verschaffen om op de gewone wijze zijn gemak te nemen. Op deze boomen, die als verzamel- en rustplaatsen dienen en daarom het middelpunt van het jachtgebied vormen, kan men, naar Bernstein bericht, de Spitsvogels gemakkelijk nagaan; zij laten er zich niet licht uit verdrijven; zelfs naar boomen, waar zij aan vervolging bloot staan, keeren zij telkens weer terug. Na den broedtijd vindt men gewoonlijk de geheele familie op denzelfden boom vereenigd; wanneer één van de leden van het gezelschap door een schot gedood wordt, vliegen de overige wel is waar oogenblikkelijk weg en gaan ook wel voor een tijdje op een andere plaats zitten, maar keeren toch altijd zóó spoedig naar hun lievelingsboom terug, dat het mogelijk is er nog een tweede en later nog zelf een derde exemplaar van te schieten. Als de broedtijd voorbij is, vormen zich in gunstig gelegen oorden soms talrijke troepen; dan levert de lievelingsboom een aantrekkelijk schouwspel op. Onder de leden van den zwerm heerscht de meest volledige vrijheid. Iedere Vogel handelt, naar het schijnt, onafhankelijk van het overige gezelschap en doet datgene, waaraan hij voor 't oogenblik behoefte heeft. Zoo verlaat gedurig nu eens de eene, dan weer een andere Spitsvogel den tak, waarop hij tusschen zijne dicht opeengepakte metgezellen zat, huppelt op en neer, maakt jacht op een Insect en keert daarna weer op zijn vorige zitplaats terug. Niet altijd bestaat de zwerm uit dieren van één soort; de Spitsvogels vereenigen zich zeer dikwijls met andere Vogels, vooral met familieverwanten of met Zwaluwen; verschillende soorten van de Spreeuwen-familie broeden op denzelfden boom eendrachtelijk bijeen.
De meest verbreide soort in Nieuw-Holland en Tasmanië (Artamus sordidus) onderscheidt zich door een hoogst zonderlinge gewoonte: deze vogels vereenigen zich n.l. op de wijze van zwermende Bijen tot één massa. Aan de onderzijde van een dorren tak, klemmen eenige zich vast, andere hechten zich aan deze, enz.; soms zijn zij in zoo grooten getale dicht opeengedrongen, dat de geheele kluit de ruimte van een schepelsmaat inneemt.
De Wielewaal, in Friesland Gelegouw geheeten (Oriolus galbula), is de eenige Europeesche vertegenwoordiger van de familie der Kortpoot-spreeuwen (Oriolidae), die ongeveer 75 soorten omvat; welke voor het meerendeel de keerkringsgewesten van het oostelijk halfrond bewonen. De kenmerken van deze familie zijn: een betrekkelijk lange, krachtige, bijna kegelvormige snavel met flauw gekromden, afgeronden rug, de bovensnavel steekt een weinig voorbij den nagenoeg even dikken ondersnavel uit; de pooten hebben een korten loop; de vleugels zijn lang en tamelijk spits; gewoonlijk is de derde handpen de langste; de staart is middelmatig lang en recht afgesneden; het kleed is dicht en meestal prachtig gekleurd; de kleur verschilt al naar het geslacht en den leeftijd.
Onze Wielewaal (die het geslacht van denzelfden naam vertegenwoordigt, het soortenrijkste van de geheele familie) is prachtig hooggeel (licht oranje of guttegomkleur); de teugel, de schouders en de vleugeldekveeren zijn zwart, de eveneens zwarte slagpennen hebben aan de buitenzijde en aan de spits een smallen, witten of (aan de achterste armpennen) geelachtigen rand; de eindhelft van de bovendekveeren der handpennen is geel; de staartpennen zijn zwart, de beide middelste met gelen eindzoom; van de overige heeft het laatste derde of vierde gedeelte deze kleur. De wijfjes, de jongen en de éénjarige mannetjes zijn van boven geelachtig groen, van onderen grijsachtig wit, op den buik zuiver wit; de schenkels en de onderdekveeren van den staart zijn hooggeel, de slagpennen zwartachtig olijfkleurig, de staartpennen geelachtig olijfgroen, met gele vlek op de spits aan de binnenvlag. Het oog is karmijnrood, de snavel vuilrood, bij de wijfjes en de jongen zwartachtig grijs; de pooten zijn loodkleurig grijs. Totale lengte 25, staartlengte 9 cM.
De Wielewaal broedt in geheel Europa (met uitzondering van het hooge noorden) en in het grootste deel van West-Azië. Hij blijft hier slechts gedurende korten tijd, n.l. van de eerste helft van Mei tot half Augustus. Nergens wordt hij in grooten getale aangetroffen, bij ons overal, waar kreupelhout en hooge boomen staan, ook in groote tuinen. Naaldhoutbosschen worden evenwel door hem vermeden. Bij voorkeur houdt hij verblijf in eiken of berken; kleine bosschen, die uit deze beide boomsoorten bestaan, vallen het meest in zijn smaak, vooral wanneer zij in de vlakte gelegen zijn; in het hooge gebergte en binnen in uitgestrekte wouden houdt hij zich weinig op. Op den trek bezoekt hij geheel Afrika, ook Madagaskar.
De Wielewaal herinnert zoowel aan de Lijsters als aan de Vliegenvangers, in sommige opzichten ook aan de Scharrelaars. "Hij is," zegt Naumann, "een schuwe, wilde en onrustige Vogel, die zich steeds aan de blikken der menschen tracht te onttrekken, hoewel hij dikwijls in hun nabijheid woont. Hij huppelt en fladdert altijd in de dichtst bebladerde boomen rond, blijft zelden lang achtereen in denzelfden boom en nog minder op denzelfden tak; zijn onrustige aard drijft hem nu eens naar de eene, dan weer naar een andere plaats. Slechts zelden houdt hij zich in laag struikgewas op, nog zeldzamer komt hij op den grond. Als dit een enkele maal gebeurt, blijft hij er niet langer dan noodig is om een Insect of een dergelijke prooi te grijpen. Niet dan bij uitzondering doet hij in dit geval eenige zeer onbehendige, plompe sprongen; want hij gaat nooit stappend. Zijn moed en vechtlust openbaart hij niet alleen in 't verkeer met zijne soortgenooten, die hij voortdurend met snavelhouwen vervolgt, maar ook jegens andere Vogels, zoodat er aan zijn getwist geen einde komt. Hij vliegt met gedruisch en schijnbaar niet zonder inspanning, toch komt hij tamelijk snel vooruit; als zijn weg over een groot, open terrein leidt, schiet hij op de wijze van de Spreeuwen volgens een groote, zwak gekromde booglijn of volgens een lijn met kronkels van geringe hoogte voort. Over een korten afstand volgt hij een rechtlijnigen weg, nu eens zwevend, dan weer fladderend. Hij houdt veel van vliegen, zijne veelvuldige zwerftochten strekken zich over een groot terrein uit; dikwijls ziet men hem een anderen Vogel van zijn soort een kwartier lang opjagen en onophoudelijk vervolgen."
Zijn loktoon is een schel klinkend "jèk jèk" of een heesch "krek", zijn angstkreet een leelijk, ratelend "kwer" of "krr"; een teeder gevoel geeft hij te kennen door een zacht geluid, dat als "bulow" klinkt. Het gezang van het mannetje is vol van toon, luid en zeer welluidend. Klanknabootsingen hiervan zijn de volksnamen en de wetenschappelijke naam van dit dier. Naumann omschrijft het gezang door de klanken "dietleo" of "giedadietleo"; de boeren in Noord-Duitschland hooren er uit: "Pfingsten Bier hol'n; aussaufen, mehr hol'n", of "Hest du gesopen, so betahl och", en scheppen, naar het schijnt, wegens de beteekenis van deze gezegden, een buitengewoon behagen in den Wielewaal, die door hen "bierezel" genoemd wordt. In Thuringen is deze vertaling van het gezang onbekend, toch heeft men ook hier en overal elders veel met den Wielewaal op. Hij is een van de vlijtigste zangers van het woud, begint reeds vóór zonsopgang te zingen en gaat er met weinige tusschenpoozen mede voort tot tegen den middag, om zich opnieuw te laten hooren, als de zon aan 't dalen is. In tegenstelling met andere Vogels laat hij ook op zwoele dagen zijn stem hooren. Een enkel paar Wielewalen brengt leven in een geheel woud.
Weinige dagen na zijn aankomst begint de Wielewaal zijn kunstig nest te bouwen. Steeds hangt het in een gaffel van een slanken tak. Het wordt vervaardigd van half droge grasbladen, halmen, ranken, bastvezels van brandnetels, heede, wol, berkenschors, mos, spinnewebben, spinsels van rupsen en dergelijke materialen; het heeft den vorm van een diepen nap en wordt van binnen met fijne graspluimen of met wol en veeren bekleed. In den regel kiest de Wielewaal een hoogen boom als drager van zijn nest; het gebeurt echter ook wel, dat het op manshoogte boven den bodem is opgehangen. Pechuel-Loesche zag een dergelijk laag gebouwd nest in den tuin voor een houtvesterswoning in Anhalt op een afstand van 15 schreden van de huisdeur; de Vogels waren in 't geheel niet schuw, lieten zich door de voorbijgangers niet storen en trachtten al te nieuwsgierige bezoekers door schijnaanvallen en geschreeuw van hun nest af te houden. Het paartje bouwde drie jaren achtereen zijn nest op dezelfde plaats. In de eerste plaats worden lange draden door middel van speeksel aan den tak vastgeplakt en verscheidene malen er om heen gewikkeld, totdat de grondlaag van het nest gereed is, de overige stoffen worden dan hiertusschen ingevlochten en ingeweven. Het mannetje en het wijfje zijn beide even ijverig met het bouwen bezig. In het begin van Juni heeft het wijfje 4 of 5 eieren gelegd; deze zijn op helderwitten grond met aschgrauwe en roodachtig zwartbruine stippels en vlekken geteekend. Nu begint zij ijverig te broeden. Gedurende de middaguren wordt zij door het mannetje afgelost. De broedende Vogels verdedigen hun nest met grooten moed tegen iederen vijand en laten zich moeielijk verjagen; beide ouders toonen groote liefde voor hun kroost. Na 14 of 15 dagen komen de jongen uit het ei. Zij groeien schielijk en ruien reeds in het nest, zoodat zij dit niet in het eigenlijke jeugdkleed verlaten.
Insecten van allerlei soort, vooral echter Rupsen en Vlinders, Wormen en, zoodra de vruchten rijp zijn, ook kersen en bessen maken het voedsel van den Wielewaal uit. Daar zijn eetlust bijzonder groot is, richt hij in kersenboomgaarden en vooral in tuinen met slechts enkele vruchtboomen soms schade aan, die echter ruimschoots wordt opgewogen door het voordeel, dat hij door het dooden van schadelijke Insecten aanbrengt. Hij verdient daarom bescherming in plaats van de vervolging, die hij niet zelden, vooral wegens zijn fraaie kleur, heeft te verduren.
De meest zorgvuldige verzorging is noodig om den Wielewaal in de kooi verscheidene jaren in 't leven te behouden; den ruitijd komen zij moeilijk door, meestal is het kleed, dat zij daarna krijgen, veel minder fraai dan het vorige; zij worden daarom alleen bij kundige vogelliefhebbers gevonden.
De Drongo's (Dicrurus) bewonen Afrika, Zuid-Azië en Australië; zij zijn gekenmerkt door hun zijdelings samengedrukten en daarom hoogen, stevigen, van voren eenigszins haakvormigen snavel, die aan zijn breeden wortel, bij den mondhoek van lange, stijve, borstelige baardveertjes voorzien is. Dit geslacht bestaat uit ongeveer 32 soorten, waarvan wij er slechts één zullen noemen. Deze, de Vlaggendrongo (Dicrurus paradiseus), heeft, evenals de meeste van zijne verwanten, een langen, gegaffelden staart; van de 5 paar staartpennen is het buitenste veel langer dan de overige; deze twee veeren loopen ter hoogte van de gaffelspitsen ieder in een langen draad uit, daar hier de schaft de vlag mist tot dicht bij haar einde, waar zij weder met een langwerpige vlag voorzien is. De veeren van den voorkop vormen een kuif. Haar kleed is goed gevuld, effen zwart van kleur met metaalachtig blauwen glans; de oogen zijn bruin, de snavel en de pooten zwart. Zonder de buitenste staartpennen, die ongeveer 25 cM. ver achter de overige uitsteken, is de totale lengte van dezen Vogel 36, de staartlengte 19 cM. Hij bewoont Java, Sumatra en het Indische vasteland.
De Drongo's behooren tot de meest opmerkelijke Vogels van hun vaderland. Van de zeekust tot op een hoogte van 2500 M. vindt men ze in voor hen geschikte oorden overal, sommige in 't open veld, andere te midden van de bosschen. Eenige soorten zijn zeer veelvuldig, andere zeldzamer vertegenwoordigd. Men ziet ze op den uitkijk zitten op de dorre twijgtoppen van een hoogen boom, op den nok van een huis, op telegraafpalen, op lage struiken, omtuiningen, muren en mierenhoopen. Niet zelden ontmoet men enkele bovendien als trouwe begeleiders van het vee, op welks rug zij even onbeschroomd neerstrijken als op hare gewone uitkijkplaatsen. De meeste zijn gedurende den geheelen dag werkzaam; eenige echter jagen, evenals onze Gierzwaluwen, nog lang na zonsondergang en zijn zelfs, naar het schijnt, als de volle maan aan den hemel staat, gedurende den ganschen nacht, zoo niet werkzaam, dan toch wakker en opgewekt; want men hoort dan op ieder uur haar druk gesnap, dat niet licht met andere geluiden verwisseld kan worden. Levaillant en andere onderzoekers noemen de Drongo's hoog begaafde dieren, die niet alleen door de eigenschappen van hun lichaam, maar ook door hare geestvermogens uitmunten. Haar wijze van vliegen houdt het midden tusschen die van een Vliegenvanger en die van een Zwaluw, verschaft haar geen bijzonder groote snelheid op de golvende lijn, die zij daarbij volgen; na eenige weinige vleugelslagen laten zij zich gedurende geruimen tijd door de lucht glijden. Zoodra echter de Drongo door de een of andere oorzaak opgewonden is, beweegt zij zich zoo snel, dat zij bijna iederen vijand inhaalt. Op den bodem begeeft zij zich niet anders dan om van hier een buit op te nemen; tot een behoorlijken gang is zij niet in staat. Zij drinkt en baadt al vliegend. Te midden van de twijgen toont zij geen grootere bekwaamheid dan andere Vogels, die ongeveer dezelfde levenswijze hebben. Zij kiest een gemakkelijk bereikbaren tak, zet zich hierop neder en doet haar best het evenwicht te bewaren; tot andere bewegingen is zij niet in staat.
Onder hare zintuigen nemen de groote, altijd vurige oogen ongetwijfeld den eersten rang in. De Drongo bespeurt een vliegend Insect reeds op een grooten afstand; haar gezichtsvermogen begeeft haar zelfs gedurende de schemering niet, gelijk uit de bovengenoemde feiten blijkt. Dat het gehoor weinig minder scherp is, toonen deze Vogels door hun geschiktheid tot zingen en bovendien door het talent van nabootsing, dat men bij haar, bij eenige soorten althans, heeft waargenomen. Het gewone stemgeluid van de Drongo is een luid, onaangenaam, heesch gefluit of een eigenaardig gekras, dat moeielijk omschreven kan worden, maar zoo vreemdsoortig is, dat ieder die het eens gehoord heeft, het gemakkelijk herkennen zal. Als de broedtijd nadert, zingen de mannetjes van nagenoeg alle soorten op een hoogst aangename wijze.
De Drongo's hebben echter nog andere goede eigenschappen. Zij zijn niet alleen snapachtig, maar ook beweeglijk, bedrijvig en in sommige gevallen zeer moedig. De Koningskraai, een der meest bekende Indische soorten, dankt haar naam aan de gewoonte om alle Kraaien, en ook alle Valken, die door haar gebied vliegen, aan te vallen en te vervolgen. Vooral gedurende den broedtijd, van Mei tot Juli, als het wijfje op de eieren zit, legt het mannetje een zeer groote waakzaamheid en bovendien een bewonderenswaardige stoutmoedigheid aan den dag. De koenheid van de Drongo bereikt den hoogsten graad, als zij een Uil of een andere, in 't oog vallenden en oogenschijnlijk onbeholpen Vogel ontdekt. De brutale dwerg verheft zich in zulk een geval snel in de lucht en schiet, terwijl hij den staart beurtelings uitbreidt en opvouwt, onder luid en heesch geschreeuw van boven met geweld op den vijand neer.
Alle Drongo's voeden zich uitsluitend met Insecten en maken hoofdzakelijk jacht op Bijen en verwante dieren. De groote soorten eten ook Sprinkhanen en Krekels, Waterjuffers, Vlinders en dergelijke wezens; aan stekende Insecten geven zij echter, naar het schijnt, in alle gevallen de voorkeur. Bij de Hollandsch sprekende Zuid-Afrikanen zijn zij daarom bekend onder den naam van Bijeneters (ook wel onder dien van Duivelvogels). Volgens de berichten van Levaillant verdienen zij dezen naam met volle recht. "In den regel" dus verhaalt de genoemde reiziger, "maken de Drongo's des avonds vóór zonsondergang en des morgens vóór zonsopgang jacht op de nijvere Insecten. Met dit doel vereenigen alle Drongo's van een woud zich op een afgezonderd staanden boom, het liefst op een dooden, of althans op zulk een, die vele doode takken heeft; zij wachten hier de terugkomst of het uitvliegen van de Bijen af, die met honig beladen naar de door haar bewoonde boomen in het woud terugkeeren of van hier komen. Van het tafereel vol gedruisch en beweging, dat deze boom oplevert, kan men een denkbeeld verkrijgen, door zich voor te stellen, dat omstreeks 30 Vogels onverpoosd om den boom heenvliegen en daarbij alle zwenkingen uitvoeren, alle "haken slaan", welke noodig zijn bij de vangst van de Bijen, die voor hare welbekende vijanden vluchten. De weinige Drongo's, die haar buit misten, gaan dadelijk op een andere Bij los; zij maken soms achtereenvolgens 5 of 6 prachtige zwenkingen, naar rechts, naar links, naar boven, naar onderen, tot de vangst heeft plaats gehad of tot zij te veel vermoeid zijn. Bijna iedere beweging gaat vergezeld van een luid geschreeuw; alle jachtgezellen roepen tegelijkertijd en op verschillenden toon. Op den grond vindt men tallooze overblijfselen van het hierboven gehouden feestmaal: Bijen, die de eene helft van 't lichaam missen en toch nog leven, afgerukte vleugels en pooten, enz. Eerst in het uur, waarin de Nachtroofvogels hun jacht beginnen, neemt de arbeid van de Drongo's een einde."
Het broeden heeft, althans bij eenige soorten, in verschillende tijdperken van het jaar plaats. Het nest wordt tamelijk hoog boven den bodem gebouwd, in den regel op gelijke wijze als dat van onzen Wielewaal aan een takgaffel opgehangen; gewoonlijk is het niet verborgen en derhalve aan weer en wind blootgesteld; op een zeer slordige wijze wordt het van eenige weinige, opeengehoopte takjes en worteltjes vervaardigd, dikwijls van binnen niet eens bekleed, hoogstens met eenige haren gevoerd. Het broedsel bestaat uit 3 of 4, soms uit 5 eieren, die op witten of roodachtig witten grond met lichte of donkere, roode en bruine stippels geteekend zijn.
Alle in Indië levende soorten van Drongo's worden door de inboorlingen gaarne in de kooi gehouden. Zij geraken weldra aan de gevangenschap en aan eenvoudig voedsel gewoon, worden tam en gehoorzaam, zingen vlijtig en vermaken hare huisgenooten buitengemeen door het nabootsen van zeer verschillende stemmen van Vogels, ook van uitmuntende zangers. Bij ons worden zij zeldzamer in de kooi gehouden, dan zij verdienen.
Eerst in de laatste dertig jaren zijn ons nauwkeuriger berichten geworden over de betooverend schoone Vogels van Nieuw-Guinea en omringende eilanden, welker gedeeltelijk verminkte huiden reeds sinds eeuwen bij ons ingevoerd werden en aanleiding gaven tot wonderlijke verhalen. Paradijsvogels noemde en noemt men ze, op grond van de onderstelling, dat zij regelrecht uit het paradijs afkomstig zouden zijn en zich door een eigenaardige wijze van leven onderscheiden. Zij kwamen zonder pooten in den handel: men dacht er niet aan, dat zij door de inboorlingen verminkt konden zijn, en meende, dat hun van nature de pooten ontbraken. De eigenaardige ontwikkeling en de prachtige kleuren van het vederenkleed in deze groep, waarvan de wederga, zoo al, dan toch bezwaarlijk te vinden zal zijn, lieten vrije speelruimte aan de phantasie en maakten, dat de ongeloofelijkste fabelen in omloop kwamen. "Men kan zich voorstellen," zegt Pöppig, "welk een verbazing de bewoners van het Europeesche vasteland, die met zulk een klein deel van de overige wereld in verkeer waren, vervulde, toen zij van Pigafetta, den in 1522 te Sevilla teruggekeerden metgezel van den op reis overleden Magelhaes, de eerste berichten over de hier bedoelde Vogels ontvingen. Niet zonder eenige aandoening leest men, hoe eenige van de ijverige, maar met uiterst bekrompen hulpmiddelen arbeidende natuuronderzoekers van de 16e eeuw, het een van de belangrijkste gebeurtenissen van hun leven, de vervulling van een sinds lang te vergeefs gekoesterden wensch, noemden, dat zij eindelijk de huid van een Paradijsvogel (verminkt als zij was) te zien kregen. Het is dus verklaarbaar, dat er in dit tijdperk fabelen ontstaan zijn, die een buitengewoon langen tijd geloof vonden. Men beschouwde de bedoelde Vogels als "sylphen", als wezens, die alleen in de eindelooze luchtzee verblijf houden, alle voor hun levensonderhoud vereischte werkzaamheden vliegend verrichten en slechts gedurende eenige vluchtige oogenblikken rusten, door met de lange draadvormige staartveeren aan boomtakken te gaan hangen. In zekeren zin vergelijkbaar met wezens van hoogeren rang, zouden zij van de noodzakelijkheid om met de aarde in aanraking te komen, ontheven zijn en zich alleen met etherisch voedsel, met morgendauw, voeden. Het baatte niets, dat Pigafetta zelf het afwezig zijn van pooten bij deze wondervogels een fabel noemde, dat Marcgrave, Clusius en andere onderzoekers uit dien tijd de ongerijmdheid van deze meening aantoonden: het volk volhardde in zijn eens opgevatte meening."
Eeuwen gingen voorbij, zonder dat de levenswijze van de Paradijsvogels ons bekend werd. Verscheidene reizigers leverden meer of minder belangrijke bijdragen tot de kennis van deze dieren; bijna geen hunner bleef echter vrij van het nu eenmaal heerschende wondergeloof. Lesson, die gedurende zijn reis om de wereld zich 13 dagen op Nieuw-Guinea ophield, is de eerste geweest, die op grond van eigen aanschouwing mededeelingen over levende Paradijsvogels heeft gedaan. Na hem zijn in de laatste jaren belangrijke berichten over het leven van deze geheimzinnige Vogels gegeven door Bennett, Wallace en Von Rosenberg.
De Paradijsvogels (Paradiseida) zijn prachtige, aan onze Raven verwante Vogels, welker grootte afwisselt tusschen die van een Vlaamsche Graai en die van een Leeuwerik. De snavel is bij de verschillende soorten ongelijk van lengte, recht of gebogen, aan den wortel niet, zooals bij de Raven, met borstels bedekt: de neusgaten liggen dus vrij. De loop is langer dan de snavel, de poot krachtig en met groote teenen voorzien, die met stevige en scherpe, sterk gekromde nagels gewapend zijn. De vleugels zijn middelmatig lang en zeer afgerond, daar hun spits gevormd wordt door de zesde en de zevende handpen. De recht afgesneden, uit twaalf pennen samengestelde staart is middelmatig lang en valt dikwijls door draadvormig verlengde veeren zeer in 't oog, òf hij is zeer lang en eenvoudig van vorm. Bij verscheidene soorten zijn de veeren van de flanken buitengewoon lang en hare baarden niet tot een vlag aaneenverbonden. De wijfjes en de jongen zijn steeds eenvoudiger van kleur dan de mannetjes.
De Paradijsvogels, waarvan ongeveer 50 soorten bekend zijn, bewonen het Australische faunistische Rijk; slechts één soort wordt op Madagaskar gevonden. Niet alleen van hen, maar ook van andere prachtig bevederde Vogels wordt het vel sedert eeuwen in den handel gebracht; vooral de Nederlanders hebben zich met het inruilen van deze huiden tegen andere waren bezig gehouden. De wijze, waarop de inboorlingen ze toebereiden, wordt door Wallace op de volgende wijze beschreven: "Nadat de vleugels en pooten afgesneden zijn, wordt de huid tot aan den snavel afgetrokken en zelfs de schedel weggenomen. Tot steun van de huid dient een stevige stok, die aan den staart beginnend, vóór den hek uitkomt. Om dien stok heen worden eenige bladen in de huid gestopt; het geheel wordt gewikkeld in de bloemscheede van een palm en gedroogd in de rookerige hut van den inboorling. Op deze wijze verschrompelt de kop, die inderdaad groot is, tot bijna niets en wordt het lichaam klein en kort, zoodat het wapperend gedeelte van den vederendos des te sterker uitkomt. Vele van deze door inlanders bereide huiden zijn zeer zuiver; niet zelden vindt men er eenige bij, waaraan de vleugels en de pooten niet ontbreken; andere daarentegen zijn vreeselijk zwart van den rook; alle geven een geheel verkeerd denkbeeld van de proportiën van den levenden Vogel." "De inboorlingen van Misool," zegt Von Rosenberg, "laten de pooten en slagpennen aan het vel; de van daar afkomstige huiden zijn om die reden het best geschikt om naar behooren opgezet te worden. Ook de Aroeneezen zijn, toen zij bespeurden, dat ongeschonden exemplaren meer gevraagd en beter betaald worden dan defecte, langzamerhand begonnen af te wijken van de oude gewoonte om de pooten en de vleugels af te snijden, zoodat thans ook van de Aroe-eilanden goede huiden ter markt komen. De Paradijsvogelhuiden worden voornamelijk door handelaars van Makassar, Ternate en Oost-Ceram opgekocht en vervolgens onder den naam van Boerong-Matie (doode vogels) naar Ternate, Makassar en Singapoer gebracht, van waar zij verder naar Europa en China worden uitgevoerd. Volgens het zeggen dezer lieden komen de fraaiste huiden van de noordkust van Nieuw-Guinea en van de gewesten, die in de nabijheid van het verst van zee gelegen deel van de Geelvinkbaai voorkomen. De sultan van Tidore, aan wien het onder Nederlands oppergezag staande gedeelte van Nieuw-Guinea schatplichtig is, ontvangt jaarlijks van daar bij wijze van schatting een onbepaald aantal huiden, welker geldswaarde op de plaats zelf 25 cents à 1 gulden bedraagt." Deze huiden worden, gelijk bekend is, ter versiering van de hoofdbedekking gebruikt en, met uitzondering van de Indische volken, alleen door vrouwen gedragen. De Indische grooten gebruiken ze sedert eeuwen als optooisel voor hunne tulbanden.
De Paradijsvogels worden verdeeld in drie onderfamiliën: de Eigenlijke Paradijsvogels (Paradiseinae), de Speelvogels (Chlamydoderinae) en de Lelvogels (Glaucopinae).
Het meest typische geslacht van de eerste dezer groepen is dat der Paradijsraven (Paradisea). Het kenmerkt zich door de sierpluim van lange veeren met onsamenhangende (niet tot een vlag vereenigde) baarden, die bij het mannetje aan elke zijde van 't lichaam voorkomt, in een huidplooi onder het eerste vleugelgewricht ontspringt en door een hiervoor bestemde spier uitgespreid en bijeengevoegd kan worden. Een andere eigenaardigheid van dit geslacht is de buitengewone lengte van de beide middelste staartpennen, welker vlag niet of zeer weinig ontwikkeld is.
Het grootste lid van dit geslacht is de Groote Paradijsvogel, door de Maleische kooplieden Manoek dewata of Godenvogel, op de Aroe-eilanden Faneam genoemd. Om het oude sprookje te vereeuwigen gaf Linnaeus hem den naam van Pootlooze Paradijsvogel (Paradisea apoda). Totale lengte ten naasten bij 45, staartlengte 18 cM. Hij is dus ongeveer zoo groot als onze Kauw. De bovenkop, de slapen, de achterhals en de bovenste gedeelten van de zijden van den hals zijn donkergeel, de voorkop, de zijden van den kop, de oorstreek, de kin en de keel donker goudgroen, de teugel groenachtig zwart, de overige deelen, de vleugels en de staart donker kaneelbruin, welke kleur in de kropstreek in zwartbruin overgaat; de lange, fijne veeren, die aan weerszijden van de borst een sierpluim vormen, zijn hoog oranjegeel, in de nabijheid van het losbaardige eindgedeelte in vaalwit overgaande; de kortere, stijve veeren te midden van het wortelgedeelte van de pluim zijn donker kastanjebruinzwart. De beide middelste staartveeren hebben geen vlag of althans slechts een spoor daarvan bij den wortel en aan de uiterste punt; zij vertoonen zich als draadvormige ranken van 60 à 90 cM. lengte, die zich met een sierlijke, dubbele kromming naar achteren richten. De iris is zwavelgeel, de snavel groenachtig grijsblauw, de poot vleeschbruinachtig. Het wijfje mist alle lange veeren, haar kleur is doffer, op de bovendeelen bruinachtig vaalgrijs, aan de keel grijsachtig violet, aan den buik vaalgeel.
Tot dusver werd de Groote Paradijsvogel uitsluitend op de Aroe-eilanden aangetroffen.
De Gewone Paradijsvogel, te Doreh aan de noordkust van Nieuw-Guinea Mambefoor, ook wel Tsiankar en Woembi genaamd (Paradisea minor), is aanmerkelijk kleiner dan de vorige soort, ongeveer zoo groot als een Tortelduif. Totale lengte 38, staartlengte 16 cM. De mantel en de schouders, benevens twee dwarsbanden op de bovendekveeren van den vleugel zijn olijfgeel, de keel, de krop en de overige onderdeelen donker kastanjebruin, de sierpluimvederen aan haar wortelgedeelte hoog oranje, aan de eindhelft zuiver wit; alle overige lichaamsdeelen hebben dezelfde kleur als bij den Grooten Paradijsvogel.
Volgens Wallace bewoont de Tsiankar naar alle waarschijnlijkheid het geheele groote eiland Nieuw-Guinea, alsook de naburige eilanden Misool, Jobie, Salawatti, Biak en Soak; hij is hier de meest gewone soort.
De Roode of Bloedparadijsvogel, de Seboem der inboorlingen (Paradisea sanguinea), is nog kleiner dan de vorige soort (totale lengte 33, staartlengte 14 cM.); van de beide reeds genoemde vormen onderscheidt hij zich bovendien door de betrekkelijke kortheid der middelste staartpennen en door het bezit van een dwarse kuif, gevormd door de metaalachtig groene, schubvormige voorhoofdsveeren; deze zijn in het midden gescheiden en zoo als 't ware in twee horens verdeeld; zij kunnen opgericht en tegen den kop aangedrukt worden. De rug is vaal geelachtig grijs, welke kleur zich in den vorm van een borstband ook over de onderzijde uitstrekt; de keel is smaragdgroen; de borst en de vleugels zijn roodbruin, de snavelwortelstreek en een vlek achter het oog fluweelzwart; de vederpluimen aan de zijden, die zich 8 à 10 cM. ver voorbij den staart uitstrekken, zijn prachtig karmijnrood, met de einden, die in witte punten uitloopen, naar beneden en naar binnen omgekruld. De lange, middelste staartveeren zijn spits, eenvoudig verlengd en van vlag verstoken, maar hebben schaften van ongeveer 13 mM. breedte en gelijken op half cilindervormige, zwarte strooken hoorn of balein van omstreeks 57 cM. lengte; zij zijn eenigszins schroefvormig gedraaid en vormen bij het levende dier een op zeer sierlijke wijze dubbel gebogen lijn. De oogen zijn lichtgeel, de snavel en de pooten blauwachtig aschgrauw. Bij het wijfje zijn de voorkop en de keel fluweelachtig bruin, de bovendeelen en de buik roodbruin, de hals en de borst helderrood. Tot dusver werd deze soort uitsluitend op de eilanden Waigioe en Batanta bij de noordwestkust van Nieuw-Guinea aangetroffen.
Waarschijnlijk komen de drie genoemde soorten in de meeste opzichten overeen, wat levenswijze en gewoonten betreft. Hare vertegenwoordigers zijn levendig, opgewekt en schrander, maar behaagziek van aard en vermoedelijk wel bewust van hun schoonheid en van het gevaar, dat deze voor hen oplevert. Alle reizigers, die hen in hun vaderland hebben nagegaan, zijn vol verrukking over 't geen zij zagen. "De Paradijsvogel," zegt Von Rosenberg, "is een zwerfvogel, die zich nu eens naar de kust, dan weer naar het binnenland begeeft, al naar hier of daar rijpe boomvruchten te vinden zijn. Tijdens mijn verblijf te Doreh waren de vruchten van de Laurineën, die op korten afstand achter de dorpen groeiden, juist rijp. Met krachtige vleugelslagen kwamen de Vogels, voor 't meerendeel wijfjes en jonge mannetjes, op deze boomen af; zij waren zoo weinig schuw, dat zij, zelfs nadat eenige malen op hen geschoten was, toch nog terugkeerden. Overigens zijn de Paradijsvogels, vooral de oude mannetjes, vreesachtig en moeilijk onder schot te krijgen. Hun geschreeuw klinkt heesch, maar is op grooten afstand hoorbaar en kan het best weergegeven worden door de lettergrepen "woek woek woek", waarop dikwijls een krassend gedruisch volgt."
Voortdurend in beweging, van den eenen boom naar den anderen vliegend, blijven de Paradijsvogels nooit lang op denzelfden tak zitten en verbergen zich reeds bij een gering gedruisch in de dichtst bebladerde boomkronen. Reeds vóór zonsopgang zijn zij wakker en houden zich bezig met het zoeken van hun voedsel, dat uit vruchten en Insecten bestaat. Des avonds vereenigen zij zich tot troepen, om in de kroon van den een of anderen hoogen boom den nacht door te brengen.
De tijd van de paring hangt af van den moesson. Op de oostkust en op de noordkust van Nieuw-Guinea valt hij in de maand Mei, op de westkust en op Misool in de maand November. De mannetjes vereenigen zich tegen dezen tijd tot troepen van 10 à 12 stuks (die door de inboorlingen "dansgezelschappen" worden genoemd) op bepaalde, gewoonlijk zeer hooge, stijf getakte en dun bebladerde boomen van het Woud, vliegen in een toestand van groote opgewondenheid van twijg tot twijg, rekken den hals uit, verheffen en schudden de vleugels, draaien den staart heen en weer en laten intusschen een vreemdsoortig, kwakend geluid hooren, dat de wijfjes aanlokt. De nesten en de eieren heeft men nog niet waargenomen.
"Om den Paradijsvogel machtig te worden," verhaalt Von Rosenberg verder, "gaan de inboorlingen van Nieuw-Guinea op de volgende wijze te werk. In den jaagtijd, die in het midden van den drogen moesson valt, trachten zij de boomen op te sporen, waarop de Vogels den nacht doorbrengen; hierin geslaagd zijnde, klimmen zij in de toppen, die gewoonlijk de hoogste van het woud zijn, en maken tusschen de bladen een loofdak of hutje, uit bladen en takjes samengesteld. Omstreeks een uur vóór zonsondergang klimt een geoefend schutter, gewapend met boog en pijlen, naar boven, verschuilt zich in het hutje en wacht hier de komst van de Vogels af, zich intusschen zoo stil mogelijk houdend. Naarmate de Vogels komen aanvliegen, schiet hij ze één voor één op zijn gemak neder. Zoo zij met scherp gepunte pijlen geraakt worden, vallen zij dood ter aarde, waar zij door een der makkers van den jager, die aan den voet van den boom gebleven is, worden opgeraapt. Deze krijgt ze ongedeerd in handen, wanneer zij geschoten zijn met pijlen, die verscheidene uitsteeksels hebben, welke te zamen een drievlakkenhoek vormen, waarin het lichaam van den Vogel door de kracht van het schot beklemd geraakt." Volgens Lesson vangen de inboorlingen de Vogels echter ook wel met lijm, bereid uit melksap van den broodboom. Wallace verhaalt, dat de bewoners van de Aroe-eilanden "de Vogels schieten met boog en pijlen en dat deze pijlen aan het uiteinde voorzien zijn van een kegelvormigen, houten knop, zoo groot als een theekopje, zoodat de Vogels gedood worden door de hevigheid van den schok zonder wond of bloedverlies." "De Roode Paradijsvogels worden op een zeer vernuftige wijze gestrikt. Zekere groote, tot de Aroïdeeën behoorende klimplant draagt roode, als met een net bekleede vruchten, waarvan deze Vogels groote liefhebbers zijn. De jagers steken deze vruchten op een stevigen, vorksgewijs vertakten stok en voorzien zich van een dun, maar sterk touw. Daarop zoeken zij in het bosch een boom uit, waarop deze Vogels gewoon zijn zich neer te zetten, klimmen in dien boom, maken den stok aan één der takken vast en leggen op zóó behendige wijze een strik in het touw, dat de pooten van den Vogel, wanneer hij van de vrucht komt snoepen, er in verward raken, waarna de jagers, door aan het afhangende eind van het touw te trekken, den stok losmaken, zoodat hij met Vogel en al naar beneden komt. Wanneer de Vogels elders overvloed van voedsel vinden, gebeurt het soms, dat de jager van den morgen tot den avond met zijn touw in de hand onder den boom zitten, ja zelfs twee of drie dagen achtereen wachten moet, eer in het lokaas gebeten wordt; maar aan den anderen kant gebeurt het ook wel, indien hij zeer gelukkig is, dat hij op één dag twee of drie Vogels bemachtigt."
Op Amboina en Makassar, te Batavia, Singapoer en Manila heeft men den Tsiankar reeds herhaaldelijk in gevangenschap gehouden. Een Chineesch koopman op Amboina bood Lesson twee Paradijsvogels te koop, die reeds een half jaar in de kooi geleefd hadden en met gekookte rijst gevoederd werden. De goede man eischte echter 250 gulden per stuk en deze kon de natuuronderzoeker destijds niet missen. Volgens een mededeeling van Von Rozenberg betaalde de gouverneur-generaal van Nederlandsch Indië, Sloet van de Beele, voor twee volwassen mannetjes de som van 150 gulden. Deze Vogels werden door Von Rozenberg zelf van Makasser naar Java overgebracht. Bennett zag een gevangen Tsiankar in China, die 9 jaren lang in de kooi geleefd had. Wallace heeft in 1862 twee exemplaren, die hij onderweg met pisangs en Kakkerlakken voedde, levend naar Europa overgebracht; de eene heeft één jaar, de andere twee jaren in den zoölogischen tuin te Londen geleefd. Ook te Berlijn zijn Groote en Kleine Paradijsvogels jaren lang in 't leven gebleven.
Over het leven van deze dieren in de kooi geeft Bennett de volgende berichten: "De Paradijsvogel beweegt zich op een gemakkelijke, speelsche en lieftallige wijze. Hij kijkt schelmsch en uitdagend rond en beweegt zich als 't ware met danspassen, wanneer een bezoeker zijn kooi nadert; hij toont duidelijk behaagzucht en wil, naar het schijnt, bewonderd worden. Op zijne vederen duldt hij niet de geringste smet; hij baadt zich tweemaal daags en breidt dikwijls de vleugels en den staart uit met de bedoeling zijn pronkgewaad te overzien. Het is waarschijnlijk, dat hij slechts uit ijdelheid, om zijne veeren te sparen, zoo zelden op den bodem komt. Vooral des morgens tracht hij zich in zijn volle pracht te vertoonen; hij is dan bezig zijn veeren in orde te brengen. De korte vleugels worden zoo ver mogelijk geopend en trillend bewogen; de prachtige, lange zijdeveeren uitgespreid en zachtjes door den snavel getrokken; daarna verheft hij ze ook wel boven den rug, maar breidt ze ook in dit geval uit, zoodat zij als dons in de lucht schijnen te zweven. Nadat dit pronken eenigen tijd geduurd heeft, begint hij zich met vlugge sprongen en wendingen op en neer te bewegen. Ook dan geven zijne handelingen op onmiskenbare wijze ijdelheid en verrukking over zijn eigen schoonheid te kennen. Hij bekijkt zich achtereenvolgens van boven en van onderen; intusschen openbaart hij zijne gewaarwordingen dikwijls door geluiden, die evenwel geen aangenamen indruk maken. Na elke vertooning van een gedeelte van zijn prachtigen tooi, acht hij het noodig zijne veeren te ordenen; deze arbeid schijnt hem echter te behagen, want telkens zet hij, als een ijdele vrouw, opnieuw zijne veeren op. Niet voordat de begeerte om te eten bij hem levendig geworden is, vergeet hij zijn coquetterie. De zonnestralen zijn hem blijkbaar zeer hinderlijk; hij tracht ze zooveel mogelijk te ontgaan."
Hoewel zijn stem aan het gekras van Raven herinnert, biedt zij echter meer verscheidenheid van intonatie aan. Ieder afzonderlijk geluid wordt met een zekere hevigheid uitgestooten en dikwijls herhaald. Soms gelijkt zijn geschreeuw wel eenigszins op blaffen; elke toon is hooger dan de vorige en zoo luid, dat men er met het oog op de grootte van den Vogel over verwonderd is. Als men beproeft, ze door lettergrepen weer te geven, kan men de zwakkere klanken ongeveer door "hi ho hei hau", de sterkere door "hok hok hok hok" aanduiden.
Het voedsel, dat hem gedurende de gevangenschap gegeven wordt, bestaat uit gekookte rijst, gemengd met harde eieren en verschillende plantaardige stoffen, bovendien uit levende Sprinkhanen. Doode Insecten versmaadt hij. Een levenden buit van de genoemde soort weet hij met groote behendigheid te vangen, waarna hij hem op zijn zitstok legt, met de klauwen vasthoudt, den kop stuk pikt, de voor 't springen dienende achterpooten er afrukt en het overige verslindt. Hij is volstrekt niet gulzig en gebruikt zijn voedsel op een bedaarde, zindelijke wijze, het eene rijstkorreltje na het andere. Ook bij 't eten gaat hij niet op den grond zitten; hier komt hij niet anders dan als hij baden wil.
Het geslacht der Borstelvogels (Lophorina) wordt vertegenwoordigd door den Koningsparadijsvogel (Lophorina regia). Deze is, volgens Von Rosenberg, de meest algemeen verbreide vertegenwoordiger van de onderfamilie, aanmerkelijk kleiner dan de vroeger genoemde soorten, ongeveer van de grootte van een kleine Lijster. Hij verschilt er bovendien van door zijn zwakken snavel, door de niet bijzonder lange zijdeveeren, alsook door de beide, 15 cM. lange, middelste staartveeren. Deze missen de baarden tot aan de spits, maar zijn hier aan de buitenzijde met een vlag voorzien, die tot een rondachtig schijfje spiraalvormig naar binnen opgekruld is; men noemt den Vogel daarom ook wel Cicinnurus (Krulstaart). Met uitzondering van een kleine, vierhoekige, zwarte plek aan den bovenrand van het oog, zijn de bovendeelen, de kin en keel kersrood met prachtigen glans; de bovenkop en de bovendekveeren van den staart zijn lichter, de onderdeelen wit, met uitzondering van een over den kop gerichten, donker smaragdgroenen dwarsband, deze is van boven door een smallen, roestbruinen zoom begrensd; de sierpluimen, die aan de zijden van den krop ontspringen, zijn roestbruin, de verbreede en afgeknotte uiteinden van deze zijdeveeren donker en glanzig goudgroen, de vleugels kaneelrood, de staartveeren olijfbruin, naar buiten met roestkleurigen zoom; de schroefvormig naar binnen opgerolde buitenvlag van de beide middelste, draadvormige stuurpennen is donker goudgroen. Het oog is bruin, de snavel hoorngeel, de poot lichtblauw. Het wijfje heeft roodbruine bovendeelen, terwijl de onderdeelen roestgeel zijn met smalle, bruine dwarsstrepen.
De Prachtige Paradijsvogel (Lophorina superba) kenmerkt zich door den betrekkelijk korten, krachtigen snavel en door twee breede vederschilden, die opgericht en neergelegd kunnen worden; in uitgespreiden toestand hebben zij ongeveer den vorm van pijlpunten, die met de spits in de huid zouden zijn doorgedrongen. Het eene ontspringt aan den nek en is zoo groot, dat de toppen der buitenste veeren nog ruim 1 cM. verder reiken dan de spitsen der 12 cM. lange vleugels in den rusttoestand. Het bestaat uit breede veeren, fluweelachtig zwart van kleur met brons- en purperkleurigen gloed. Het andere schild komt uit het bovenste deel van de borst voort en is samengesteld uit smallere, stijve veeren van prachtige, metaalachtig groene kleur en aan de spits met goud- en koperkleurigen weerschijn. Het mannetje is in 't geheel 23 cM., zijn staart 10 cM. lang. De hoofdkleur van de veeren is fluweelachtig zwart met zwakken, purperbruinen gloed; de veeren van de teugels en om de neusgaten verheffen zich bij wijze van een kam en zijn glansloos; die van bovenkop, nek en achterhals daarentegen hebben een metaalachtig blauwen glans en zijn vóór de spits met een purperen dwarsstreep versierd; de bovendekveeren van den vleugel zijn glanziger dan de rugveeren; de vleugels en de staartveeren vertoonen een metaalachtig blauwen, de veeren van het aangezicht een donker koperachtig bronskleurigen, die van de onderdeelen een purperzwarten weerschijn. De bovendeelen van het wijfje zijn donkerbruin, de kop en de nek zwartbruin, de onderdeelen vuil geelachtig wit met bruine golflijnen. Deze prachtige Vogel bewoont de gebergten van Nieuw-Guinea op een hoogte van minstens 2000 M.
De Paradijsekster (Lophorina nigra), onderscheidt zich van de vroeger genoemde Paradijsvogels, behalve door den vorm van den snavel, ook door den staart, welks lengte (45 cM.), die van het overige lichaam (25 cM.) ver overtreft, en door den tooi van den kop. Als het mannetje pronkt, vormen de verlengde veeren aan weerszijden van den bovenkop twee overlangsche, waaiervormige pluimen.
Volgens Lesson en andere onderzoekers is het onmogelijk den glans van het kleed van dezen Vogel naar behooren te beschrijven. Zijne veeren schitteren, al naar de wijze waarop het licht invalt, met allerlei gloeiende kleuren; die van de bovendeelen zijn purperzwart met prachtigen, metaalachtigen weerschijn. De veeren van den bovenkop zijn hyacintrood met metaalachtig smaragdgroene spitsen, de onderdeelen zijn malachietgroen. Van den hoek van het oog gaat een hyacintroode streep uit, die, na een halven cirkel beschreven te hebben, aan de zijden van den hals eindigt. De bek is zwart, de pooten zijn geel.
De Paradijshoppen (Epimachus) zijn gekenmerkt door een dunnen, sabelvormig gekromden snavel. Een van de prachtigste soorten van dit geslacht is de Twaalfdradige Paradijshop (Epimachus nigricans), die een lengte van 32 cM. heeft, waarvan er 8 op den staart komen. De fluweelachtige veeren van kop, hals en borst zijn zwart met donkergroenen en purpervioletten weerschijn; dezelfde kleur hebben de verlengde veeren van de zijden van de borst, met uitzondering van haar glanzenden of iriseerenden, smaragdgroenen zoom. De lange, langen losbaardige zijdeveeren zijn prachtig goudgeel, welke kleur echter verbleekt en in vuilwit overgaat, wanneer de huid, al is het slechts gedurende korten tijd, aan de werking van lucht en rook is blootgesteld. De vleugels en de staart zijn violet en hebben een prachtigen glans; bij een bepaalde verlichting vertoonen zij dwarsbanden. Het merkwaardigste verschijnsel leveren echter de lange zijdeveeren op; de langste reiken tot voorbij den staart, de laatste en onderste loopen uit in een langen, baardeloozen draad, die de dikte heeft van een paardehaar; deze is bij zijn oorsprong goudgeel, maar verderop bruin gekleurd. De oogen zijn karmijnrood, de pooten vleeschkleurig geel, de snavel is zwart. Deze Vogels worden alleen aan de oost- en westkust van Nieuw-Guinea en op het eiland Salawatti aangetroffen; hier echter zijn zij in de bergstreken volstrekt niet zeldzaam.
Bij den Gekraagden Paradijshop (Epimachus speciosus) is de snavel lang, boogvormig, de staart zeer lang en trapvormig. Aan weerszijden van de borst komt een groep van breede pluimveeren voor: de achterste zijn puntig, terwijl de voorste zich aan hun uiteinde nog meer verbreeden en gedeeltelijk zeisvormig uitloopen. Deze pronkveeren, die een soort van waaier vormen, welke opgericht kan worden, maar in den toestand van rust over den vleugel heenligt, iriseeren prachtig. De Vogel is 65 cM. lang; hiervan komen 42 cM. op den staart. De kop is met rondachtige, schubvormige veertjes bedekt, die bronsgroen zijn, maar een blauwen en metaalachtig groenen weerschijn vertoonen. De lange, losbaardige veeren van den achterhals zijn fluweelachtig en zwart; de rug heeft dezelfde kleur; onregelmatig verspreide, langwerpige, spadevormige veeren met dikke baarden, die een blauwachtig groenen weerschijn hebben, brengen echter afwisseling in deze kleur; de onderdeelen zijn zwartachtig violet. De snavel en de pooten zijn zwart.
Ook van dezen merkwaardigen Vogel wordt in geen der Europeesche verzamelingen tot dusver een ongeschonden huid aangetroffen. Volgens Von Rosenberg is hij over het geheele noordelijke deel van Nieuw-Guinea verbreid, maar ontbreekt op de naburige eilanden.
Misschien is het juist gezien, een kleine groep die ongeveer tien soorten van uitsluitend in Australië inheemsche Vogels omvat, hier een plaats te geven.
Zij heeten Speelvogels of Priëelvogels (Chlamydoderinae), bereiken ongeveer de grootte van onze Kauw en kenmerken zich door een dikken snavel met weinig gekromde bovenspits, middelmatig hooge, dikke pooten, tamelijk lange vleugels en een middelmatig langen, recht afgesneden staart.
De meest bekende soort van deze onderfamilie is de Satijnvogel of Atlasvogel (Chlamydodera holosericea). De donker blauwzwarte veeren van het oude mannetje hebben den glans van atlas; de hand- en armpennen, vleugeldekveeren en stuurpennen zijn fluweelachtig zwart, aan de spits blauw. Het oog is lichtblauw, met uitzondering van een smallen, rooden ring rondom de pupil, de snavel lichtblauwachtig hoornkleurig, aan de spits geel; de pooten zijn roodachtig. De lengte bedraagt ongeveer 36 cM., waarvan er 12 op den staart komen.
Gould heeft ons tamelijk nauwkeurig op de hoogte gebracht van de levenswijze van dezen Vogel. Zijn vaderland is het grootste deel van het Australische vasteland, zijn lievelingsverblijf het weelderig groeiende, dicht bebladerde struikgewas der met wijd uiteenstaande boomen begroeide districten van het binnenland en der kustlanden.
De merkwaardigste bijzonderheid uit de levensgeschiedenis dezer Vogels is, dat zij voor hun vermaak een overwelfde galerij van takjes, een soort van priëeltje, bouwen, waarin zij spelend met elkander verkeeren. Gould zag zulk een priëeltje voor 't eerst te Sydney, waar het door een reiziger gebracht was; hij nam zich voor, de zaak grondig te onderzoeken en ging nu gedurende geruimen tijd deze dieren bij hun arbeid na. "Toen ik de cederbosschen van het Liverpool-district doorkruiste," zoo verhaalt hij, "vond ik verscheidene van deze priëeltjes of speelplaatsen. Zij worden gewoonlijk in de schaduw van overhangende boomtakken in het eenzaamste deel van het woud en altijd op den grond aangelegd. Hier wordt van dicht ineengevlochten rijsjes een grondslag gevormd, waarin de fijnere en buigzamere rijsjes en twijgen, die het eigenlijke priëel uitmaken, vastgestoken worden. De bouwstoffen zijn zóó gericht en gebogen, dat de toppen en gaffels der twijgen van boven samenkomen en met elkander vereenigd kunnen worden. Aan weerszijden blijft een ingang open. Op een eigenaardige wijze worden deze priëelen met schitterend gekleurde voorwerpen van allerlei aard versierd. Men vindt hier de bontgekleurde staartveeren van verschillende soorten van Papegaaien, mosselschelpen, slakkenhuisjes, gebleekte beenderen, enz. De veeren worden tusschen de twijgen gestoken, de beenderen en schelpen aan den ingang neergelegd. De inboorlingen zijn zoo goed bekend met de neiging van deze Vogels om allerlei kleine, glinsterende voorwerpen weg te sleepen, dat zij, indien zij iets dergelijks missen, b. v. een pijlspits, deze altijd het eerst bij de bedoelde priëeltjes gaan zoeken. Ik vond bij den ingang van een dezer speelplaatsen een fraai bewerkten steen van 4 cM. lengte, benevens verscheidene lapjes van een blauw katoenen stof, die de Vogels waarschijnlijk in een afgelegen nederzetting hadden opgeraapt."
Nog altijd verkeert men in 't onzekere omtrent het doel van deze priëeltjes. Stellig zijn het niet de eigenlijke nesten, maar alleen uitspanningsplaatsen voor de dieren van beiderlei geslacht, die er, elkander liefkoozend en onderling spelend, door en omheen loopen. Naar het schijnt, worden de priëeltjes gedurende den tijd van paren en broeden, als plaatsen van samenkomst gebruikt; waarschijnlijk dienen zij verscheidene jaren achtereen voor dit doel.
De Vogels gaan ook in de gevangenschap op deze wijze aan 't bouwen. Strange, een vogelliefhebber te Sydney, schrijft aan Gould: "Ik heb tegenwoordig in mijn volière een paar Satijnvogels; ik hoopte, dat zij broeden zouden, daar zij in de beide laatste maanden onophoudelijk bezig waren priëeltjes te vervaardigen. Beide geslachten werken er aan; het mannetje is echter de eigenlijke bouwmeester."--Van het broeden is, naar het schijnt, niets gekomen.
De Kraagvogel (Chlamydodera maculata) bereikt een lengte van 28 cM. (staartlengte 12 cM.). De veeren van den bovenkop en van de gorgelstreek, de geheele bovenzijde, de vleugels en de staart zijn bruin met bruingele vlekken, de onderdeelen grijsachtig wit met vele fijne, zigzagvormige dwarslijnen. De mannetjes hebben aan den nek een fraaien, waaiervormigen kraag, bestaande uit verlengde, smalle, zijdeachtige veeren van perzikbloesemroode kleur. De oogen zijn donkerbruin, de snavel en de pooten bruin.
De Kraagvogels bewonen uitsluitend het binnenland van Australië en zijn hier talrijk in de strooken laag struikgewas aan de randen der vlakten; wegens hun groote schuwheid worden zij echter door de reizigers gewoonlijk niet opgemerkt. Op deze plaatsen vindt men ook hunne priëeltjes; deze zijn nog kunstiger gebouwd en nog meer opgesierd, langer en meer gebogen dan die van de vroeger beschreven soort, sommige zijn meer dan 1 M. lang, van buiten is de uit rijsjes samengestelde wand met lange grashalmen fraai belegd, van binnen is de gang buitengewoon rijk en met zeer verschillende voorwerpen opgesierd. Men vindt er allerlei schelpen van Weekdieren, schedels en beenderen van kleine Zoogdieren en soortgelijke zaken. Tot het vasthouden van de grassen en twijgen dienen steenen, die zeer kunstig gerangschikt zijn. Zij liggen van den ingang af aan weerszijden zóó, dat daartusschen voetpaden overblijven. De ter versiering bestemde voorwerpen zijn vóór elken ingang op een hoop geworpen. Waarschijnlijk worden deze gebouwen verscheidene jaren achtereen gebruikt. Uit den afstand tusschen de priëeltjes en de rivieren, waaruit de schelpen afkomstig zijn, kon de onderzoeker afleiden, dat de Vogels den opschik voor hunne gaanderijen soms wel van mijlen ver aansleepen. Bij het uitzoeken van deze zaken zijn zij, naar het schijnt, zeer kieschkeurig; zij nemen alleen zulke, die wit gebleekt of kleurenrijk zijn. Gould heeft zich er van overtuigd, dat de priëeltjes door verscheidene Kraagvogels als plaatsen van samenkomst worden gebruikt; want eens, toen hij in de nabijheid van een dezer gebouwen op den loer lag, schoot hij schielijk achtereen twee mannetjes, die uit dezelfde gang naar buiten waren gekomen.
Tot de familie der Paradijsvogels rekent men ook de onderfamilie der Lelvogels (Glaucopinae), gekenmerkt door het bezit van meer of minder groote lellen--bontgekleurde, onbevederde uitwassen van de huid, die bij den snavelwortel ontspringen.
Een vertegenwoordiger van deze groep is de op Nieuw-Zeeland thuis behoorende Ellia of Hoplelvogel (Creadion acutirostris), die zich van zijne naaste verwanten en van alle bekende Vogels onderscheidt door het groote verschil, dat tusschen den snavel van het mannetje en dien van het wijfje bestaat. Bij het mannetje is dit orgaan ongeveer zoo lang als de kop, met bijna rechten, in de richting van de breedte flauw afgeronden rug, aan den wortel hoog, zijdelings sterk samengedrukt, over 't geheel genomen echter gelijkmatig in hoogte afnemend tot aan de spits. De snavel van 't wijfje daarentegen is minstens dubbel zoo lang als die van het mannetje, neemt gelijkmatig in breedte en hoogte af, is aanmerkelijk gekromd en loopt in een fijne spits uit, die gevormd wordt door den bovensnavel, welke den ondersnavel in lengte overtreft. Het mannetje is 48 cM. lang en heeft een snavel van 40 mM.; het wijfje heeft een lengte van 50 cM., waarvan 96 mM. op den snavel komt. Het vederenkleed is glanzig zwart met groenen weerschijn, de uiteinden van de staartpennen zijn echter wit; de iris is donkerbruin, de snavel ivoorwit, de groote, hoekige lel aan den mondhoek oranjekleurig; de pooten zijn donker blauwachtig grijs.
De berichten over het leven van de Ellia in de vrije natuur zijn nog zeer onvolledig, hoezeer ook alle vogelkenners en kolonisten van Nieuw-Zeeland hun aandacht op dezen Vogel, de Hoeïa der Maoris, gevestigd hebben gehouden. Hij leeft meer op den bodem dan in de twijgen, doet groote sprongen en beweegt zich op deze wijze buitengewoon snel, neemt bij het geringste gedruisch of bij het zien van een mensch snel de vlucht naar dicht struikgewas of naar boschstreken en onttrekt zich hierdoor in den regel aan alle nasporingen. Wel heeft men dieren van deze soort levend naar Londen gebracht; voor zoover mij bekend is, zijn echter over hunne gewoonten nog geen mededeeling gedaan; ik kan hiervan daarom niets anders vermelden dan hetgeen Buller bericht over de exemplaren, die hij eenige dagen lang verzorgd heeft. Hunne bewegingen op den grond en in de twijgen waren bevallig en onderhoudend; het was zeer aardig om te zien, hoe zij den staart bij wijze van een waaier uitspreiden en in verschillende houdingen onder zacht en teeder gekweel elkander met den ivoren snavel liefkoosden. Met dezen onderzochten, behakten en bebeitelden zij alles. Zoodra zij ontdekt hadden, dat het behangsel van hun kamer niet ondoordringbaar was voor hun snavel, maakten zij de eene strook na de andere er van los en hadden in zeer korten tijd den muur geheel blootgelegd.
Daar men onderscheidene in den grond levende maden en engerlingen, benevens zaden en bessen in de maag van gedoode exemplaren gevonden had, bracht Buller een halfvergaan blok hout met groote, vette larven van een Insect, dat "Hoe-hoe" wordt genoemd, in hun verblijf. Dit blok trok onmiddellijk de aandacht van de Vogels; zij onderzochten de zachtere gedeelten met hun snavel en togen daarna onmiddellijk aan den arbeid; zij hakten in het vermolmde hout om, tot de hierin verborgen larven of poppen van het genoemde Insect zichtbaar werden en er uit getrokken konden worden. Het mannetje was hierbij steeds het ijverigst werkzaam en gebruikte zijn snavel op de manier van de Spechten; het wijfje daarentegen onderzocht met haar langen, buigzamen snavel alle gangen, die wegens de hardheid van het omgevende hout door het mannetje niet geopend konden worden en haalde er de prooi uit. Meermalen merkte Buller op, dat het mannetje, nadat het zich tevergeefs had uitgesloofd om een larve uit een opengehakte plaats op te pikken, door het wijfje werd afgelost en haar het hapje, dat zij zich gewoonlijk toeëigende, ook gewillig afstond.
Van de voortplanting van de Hoeïa weet Buller niets anders mede te deelen, dan hetgeen hij van de inboorlingen vernam, n.l. dat de Vogel in holle boomen nestelt en weinige eieren legt.
De naaste verwanten van de Paradijsvogel zijn de Raafvogels (Corvidae), krachtige Zangvogels van ineengedrongen lichaamsbouw met een betrekkelijk grooten, dikken snavel, die bij sommige een weinig gekromd, bij andere recht is, maar ook in dit geval een gekromden rug heeft: de bovensnavel is meestal iets langer dan de ondersnavel en vertoont aan den zijrand vóór de spits soms een ondiepe inkerving; zijn wortel is in den regel met lange, stijve borstels bekleed, die de neusgaten overdekken; de pooten zijn groot en dik, de vleugels middelmatig lang; de staart is verschillend van lengte, recht afgesneden of trapvormig, het vederenkleed dicht, éénkleurig of bont.
Vertegenwoordigers van deze familie, waarvan ongeveer 160 soorten bekend zijn, komen voor in alle werelddeelen, op alle breedte- en hoogtegordels. Het aantal soorten neemt aanmerkelijk toe in de richting van den evenaar; het is echter ook in de gematigde gewesten groot en eerst in de koude luchtstreek eenigszins beperkt. Verreweg de meeste blijven als standvogels op één plaats of althans in een bepaald gebied, waarin zij echter gaarne rondzwerven. Enkele soorten trekken, andere begeven zich in den winter uit hooge bergstreken naar lager gelegen gewesten.
De Raafvogels brengen geen welluidend gezang voort; voor 't overige echter vindt men bij hen om zoo te zeggen alle begaafdheden vereenigd, die bij de leden hunner orde voorkomen. Zij bewegen zich goed over den grond, vliegen zonder inspanning en lang achtereen, doen dit tamelijk vlug, bezitten zeer gelijkmatig ontwikkelde zinnen, vooral een uitstekenden reuk, en staan, wat hun verstand betreft, bij geen van de andere leden hunner orde, misschien bij geen enkelen Vogel achter. Zij zijn alleseters in den eigenlijken zin van 't woord en dus in sommige gevallen even schadelijk, als over 't geheel genomen nuttig.
De Raven in engeren zin (Corvinae) kenmerken zich door een krachtigen, middelmatig langen, aan den wortel betrekkelijk breeden, langs den rug meer of min gebogen, zwarten snavel, welks wortel met stijve, borstelige veeren bedekt is, voorts door krachtige, zwarte pooten en lange of middelmatig lange vleugels; de staart is verschillend van lengte, recht afgesneden, afgerond of trapvormig; het vederenkleed is tamelijk goed gevuld, min of meer glanzig en meestal grootendeels zwart van kleur.
Onder de inheemsche Raafvogels komt aan de Raaf (Corvus corax) een eereplaats toe. Zij is de Raaf bij uitnemendheid, een vertegenwoordiger van het geslacht der Veldraven (Corvus), dat tot kenmerken heeft: een lange snavel met gekromden rug en gaafrandige spits, cirkelronde neusgaten, de mondspleet ongeveer even lang als de loop, lange, spitse vleugels, welker spits gevormd wordt door de vierde handpen, hoewel de derde bijna even lang is; de snavel en de pooten zijn zwart. Bij de Raaf bedekken de vleugels den middelmatig langen, sterk afgeronden staart geheel; zwart zijn alle lichaamsdeelen met uitzondering van de oogen, die een bruine iris hebben. Deze soort is 64 à 66 cM. lang, waarvan 26 cM. op den staart komen.
Van alle Raven heeft, naar het schijnt, de Gewone, die trouwens in ieder opzicht als het type van de geheele familie kan gelden, het uitgestrektste verbreidingsgebied. Zij bewoont geheel Europa van de Noordkaap tot aan Kaap Tarifa en van het schiereiland Finistère tot aan den Oeral, wordt bovendien aangetroffen in het grootste deel van Azië, oostwaarts tot in Japan en van de IJszee tot aan den Himalaja (tot Pendsjab en Sind), komt verder in geheel Noord-Amerika voor, naar 't zuiden tot in Mexico. In de noordelijke gewesten van Siberië en in Skandinavië, alsmede op de Fär-Öer en op IJsland komen tamelijk geregeld ook witte Raven voor.
In ons vaderland behoort deze boschbewoner in de meeste provinciën tot de zeldzaamheden en wordt dit al meer en meer. In Duitschland is de Raaf slechts in sommige streken menigvuldig, in andere reeds uitgeroeid; in die, waar dit lot haar nog niet getroffen heeft, gaat zij den mensch en zijn bedrijf zooveel mogelijk uit den weg. Om deze reden huist zij uitsluitend in gebergten of aaneengeschakelde, hooggelegen bosschen, op rotsachtige zeekusten en dergelijke toevluchtsoorden, waar zij zoo weinig mogelijk gestoord wordt. Nader bij de grenzen van ons werelddeel leeft zij in een betere verstandhouding met den beheerscher der aarde; in Rusland en Siberië schuwt zij dezen zoo weinig, dat zij met de Bonte Kraai en de Kauw niet slechts de straten en wegen, maar ook de dorpen en steden bezoekt, ja zelfs hier in de kerktorens even vaak nestelt als bij ons de Kauw of Torenkraai. In deze gewesten kan zij dus ook thans nog algemeen worden genoemd. Ook in Spanje en Griekenland, alsmede in Skandinavië komt zij veelvuldig voor.
De verblijfplaats van het paar is steeds uitmuntend gekozen. De Raaf bewoont een uitgestrekt gebied en is er bijzonder op gesteld, dat het velerlei producten oplevert. Aan streken, waar bosch en akker, weide en water met elkander afwisselen, geeft zij de voorkeur, omdat zij hier het meeste voedsel vindt.
"De Raven," zegt mijn Vader, "leven gewoonlijk, dus ook in den winter, bij paren. Als men er één hoort, behoeft men niet lang te zoeken naar de andere; deze is niet veraf. Als een paar gedurende het vliegen een ander paar ontmoet, vereenigen beide zich en zweven eenigen tijd met elkander rond. De afgezonderd levende en rondzwervende exemplaren zijn jongen, die nog niet gepaard hebben. De Raaf is een van die Vogels, welke den eens gesloten huwelijksband levenslang in eere houden.--Haar wijze van vliegen is verwonderlijk schoon, bijna volgt zij een rechte lijn. Wanneer een groote snelheid vereischt wordt bewegen de vleugels zich sterk; dikwijls echter zweeft de Raaf geruimen tijd en beschrijft dan met sterk uitgebreide vleugels en staart zeer fraaie kringen. Duidelijk toont zij, dat het vliegen haar geen moeite kost en dat zij dikwijls alleen voor haar vermaak verre reizen onderneemt. Bij zulk een gelegenheid komt zij in bergstreken dikwijls op korten afstand van den bodem; over de dalen trekt zij echter op groote hoogte heen. Op hare pleizierreisjes schiet zij dikwijls eenige meters ver naar beneden, vooral als men op haar geschoten heeft, zoodat de schutter, die met deze gewoonte onbekend is, in de meening moet verkeeren, dat hij haar getroffen heeft en haar weldra naar beneden zal zien tuimelen. Gedurende den winter brengt zij het grootste deel van den dag vliegend door. Meer dan van andere Kraaivogels gelijkt haar wijze van vliegen op die van Roofvogels; zij is zoo karakteristiek, dat de vogelkenner haar hieraan op iederen afstand van de verwante soorten van Kraaien kan onderscheiden.
"Op den grond stapt de Raaf met een geaffecteerd schijnende, potsierlijke deftigheid rond, houdt dan het voorste gedeelte van het lichaam een weinig hooger dan het achterste, knikt met den kop en beweegt bij elken stap het lichaam heen en weer. Als zij op een tak zit, geeft zij aan het lichaam soms een horizontalen, soms een zeer steilen stand. De veeren liggen bijna altijd zoo glad tegen het lichaam aan, alsof dit van metaal gegoten is; alleen bij gemoedsaandoeningen worden de veeren op den kop en van den geheelen hals opgericht. De vleugels houdt zij gewoonlijk een weinig van het lichaam af. In deze opzichten heeft zij niets met hare verwanten gemeen; ook heeft zij geen deel aan de soort van genegenheid, die de andere soorten van Kraaivogels voor elkander toonen. De gewone Kraai verkeert zeer vriendschappelijk met de Bonte Kraai en met den Ekster, de Kauwen vermengen zich met de Roeken; geen dezer soorten doet de andere eenig leed: de Raven echter worden door hunne verwanten gehaat en vijandig behandeld. Men mag echter niet vergeten, dat op dezen regel ook uitzonderingen bestaan. Zoo zag Pechuel-Loesche in Anhalt een Raaf gedurende geruimen tijd en zonder dat zij ooit lastig werd gevallen, met een grooten zwerm Kraaien rondzwerven, met hen de akkers bezoeken en op dezelfde boomen slapen, totdat zij door een ijverigen vervolger geschoten werd.
"De Raaf onderscheidt zich ook nog van de andere soorten, doordat zij schuwer is. De voorzichtigheid van dezen Vogel is ongeloofelijk. Zij zal eerst dan ergens neerstrijken, als zij herhaaldelijk om de plaats heen gevlogen is en zoo min met de oogen als door den reuk een verdacht verschijnsel heeft opgemerkt. Als een mensch haar nest met eieren nadert, verlaat zij het onmiddellijk; hoe groot haar moederliefde ook is, toch neemt zij na zulk een ontmoeting de grootst mogelijke voorzichtigheid in acht, voordat zij naar hare jongen terugkeert. Haar haat tegen den Ooruil is buitengewoon groot, haar voorzichtigheid echter nog veel grooter; daarom kan deze schuwe Vogel zelf van uit den kraaienhut niet dan zeer moeielijk geschoten worden. De geluiden, die men gewoonlijk van een paar Raven hoort, klinken als "kork kork kolk kolk" of als "rabb rabb rabb", hieraan is haar naam (in 't Duitsch Kolkrabe) ontleend. Deze geluiden worden op verschillende wijze geïntoneerd en zoo met andere gemengd, dat er een zekere verscheidenheid ontstaat. Bij nauwkeurige waarneming is het zeer goed te begrijpen, hoe het komt, dat de waarzeggers der oudheid in het ravengekras zulk een groot aantal verschillende aanduidingen hoorden."
Er is misschien geen enkele Vogel, die evenveel aanspraak kan maken op den naam alleseter, als de Raaf. Men mag zeggen, dat zij werkelijk niets wat eetbaar is, versmaadt en in verhouding tot haar grootte en kracht op dit gebied ongeloofelijke dingen doet. Zij houdt van vruchten, zaden en andere eetbare, plantaardige stoffen, van welken aard dan ook, maar is ook een roofdier van de ergste soort. Het zijn niet alleen Insecten, Slakken, Wormen en kleine Gewervelde dieren, waaraan zij den oorlog verklaart; zij valt stoutmoedig Zoogdieren en Vogels aan, die haar grootte overtreffen, en plundert op de onbeschaamdste wijze de nesten, niet alleen van weerlooze Vogels, maar ook die van de krachtigste Meeuwen, die zich en haar kroost wel weten te verdedigen. Van den Haas tot de Muis en van het Auerhoen tot den kleinsten Vogel, is geen enkel dier veilig voor hare aanslagen. Koenheid en list, kracht en behendigheid komen bij haar vereenigd voor en stempelen haar tot een gevaarlijken roofvogel. In Spanje bedreigt zij de Huishoenderen, in Noorwegen de jonge Ganzen, Eenden en alle overige huisvogels; op IJsland en Groenland maakt zij jacht op Sneeuwhoenderen, hier te lande op Hazen, Fazanten en Patrijzen; aan het strand maakt zij gebruik van hetgeen de zee uitwerpt; in de noordelijke landen betwist zij aan de Honden het afval vóór de woningen. "De Raaf," schrijft Olafsson, "zoekt in den winter haar voedsel te midden van de Honden en Katten op de boerenerven, tracht in 't warme jaargetijde aan 't strand de Visschen te verschalken, verslindt in de lente de pasgeboren lammeren, die zij met snavelhouwen gedood heeft, jaagt de Eiderganzen van het nest, drinkt de eieren uit en verbergt die, welke zij niet meer op kan, ieder afzonderlijk in den grond. In kleine troepen volgen de Raven den Arend; zij durven hem niet aan, maar trachten zich van de overblijfselen van zijn buit meester te maken. Waar ook zieke of doode, oude Raven liggen, of jonge, die uit het nest gevallen zijn, in de maag van één harer soortgenooten vinden zij haar bestemming. In den winter wordt ieder huis bewaakt door een gezelschap van 2 à 10 Raven en deze nemen geen bentgenooten meer in hun kring op."
De Raaf volgt in Zwitserland den jager om van de door hem geschoten Gemzen partij te trekken; volgens verscheidene overeenstemmende mededeelingen neemt zij Schelpdieren met harden schelp met zich mede omhoog, om ze op een harden steen of op een rotsblok te laten vallen en zoo te verbrijzelen; den Heremietkreeft weet zij behendig te grijpen en uit het slakkenhuis, dat hem als woning dient, te trekken: als dit niet dadelijk gelukt, omdat de Kreeft zich geheel in de schelp terugtrekt, beklopt zij deze zoolang, dat de Heremiet er uit te voorschijn komt. Groote dieren gaat zij met onvergelijkelijke list en sluwheid, maar ook met grooten moed te lijf en weet ze te overmeesteren; Hazen b.v. vangt zij zonder eenig bezwaar, niet alleen zieke of aangeschotene, maar ook gezonde exemplaren.
Niet minder groote bewijzen van stoutmoedigheid geeft de Raaf bij het plunderen van nesten; Wodzicki heeft er zelfs één het ei van een paar Schreeuwarenden zien wegsleepen. In het noorden is zij de afschuwelijkste nestenvernielster, die men zich voorstellen kan. In Noorwegen bevonden zich op een rots, waarop een jonge Ravenfamilie zat, die nog door de ouders gevoederd werd, omstreeks 60 ledige eischalen van Eiderganzen, Meeuwen en Wulpen te midden van beenderen van Hoenderen, vleugels van Eenden, vachten van Lemmingen, ledige mosselschelpen, overblijfsels van jonge Meeuwen, Strandloopers, Plevieren enz. Daar de vier jongen onophoudelijk om voedsel schreeuwden, brachten de ouden hun voortdurend nieuwen buit. Geen wonder, dat alle Meeuwen uit de buurt, zoodra een der roovers zich vertoonde, dezen woedend aanvielen en naar den maatstaf harer krachten bevochten; geen wonder ook, dat de bewoners van de naastbijgelegen boerderijen de Raven verwenschten en hevig haatten!
Er valt ongelukkig niet aan te twijfelen, dat de Raaf door haar roofzucht zeer schadelijk is en niet geduld mag worden. Evenals de overige Veldraven, is ook zij wel eens nuttig werkzaam, maar de schade, die zij aanricht, overtreft ver alle diensten, die zij aan akkers en tuinen bewijst. Wel is het daarom opmerkelijk, dat deze Vogel door enkele volken geliefd en vereerd wordt. Vooral de Arabieren achten hem hoog en vereeren hem bijna als een godheid, daar zij hem voor onsterfelijk houden.
Van alle inheemsche Vogels, met uitzondering misschien van den Kruisbek, paart de Raaf het vroegst in 't jaar; zij bouwt in Februari haar nest en legt eieren in de eerste dagen van Maart. Het nest is groot, heeft meestal wel 60 cM. middellijn en 30 cM. hoogte; het wordt gebouwd op rotsen of, zooals bij ons, op den top van een hoogen boom, die moeilijk of in 't geheel niet beklimbaar is. De grondlaag bestaat uit een opeenstapeling van dikke takken, de nestwand uit fijnere twijgen; de nestholte wordt met strookjes bast, korstmossen van boomen, stukjes gras, schapenwol en dergelijke materialen warm bekleed. Gaarne gebruikt de Raaf haar oud nest nogmaals, nadat zij het een weinig opgeknapt heeft. Ook bij het bouwen van het nest toont zij haar schranderheid en schuwen aard. Zeer voorzichtig vliegt zij er heen, als zij bouwstoffen aanvoert; zij verlaat het voor goed, wanneer er dikwijls menschen in de nabijheid komen. Zij broedt op 5 of 6 tamelijk groote eieren, die op groenachtigen grond bruin en grijs gevlekt zijn. Volgens eenige berichten broedt het wijfje alleen, volgens andere om beurten met het mannetje. De jongen worden door de beide ouders met Wormen en Insecten, Muizen, jonge Vogels, eieren en aas voldoende verzorgd; hun honger is echter, naar het schijnt, zelfs door de rijkelijkste voedering niet te stillen, daar zij voortdurend om voedsel schreeuwen. De beide ouders houden veel van hun kroost en verlaten het nooit voor goed. In gunstige omstandigheden verlaten de jonge Raven tegen het einde van Mei of in het begin van Juni het nest, maar niet de streek, waar het zich bevindt; zij keeren er iederen avond in terug en houden zich nog weken lang in de omgeving op, waar zij de weiden en akkers, onder de hoede van hunne ouders bezoeken, van deze voedsel ontvangen, maar tevens leeren, hoe zij het zelf kunnen verkrijgen. Eerst tegen den herfst zijn de jonge dieren zelfstandig geworden.
Jong uit het nest genomen Raven worden na een korte verzorging bijzonder tam; zelfs oud gevangen Vogels schikken zich in de gewijzigde omstandigheden. In den omgang met den mensch wordt het verstand van de Raaf op een bewonderenswaardige wijze gescherpt. Zij laat zich africhten als een Hond en kan zelfs op dieren en menschen aangehitst worden; zij voert allerlei grappige en schelmsche streken uit, verzint aanhoudend iets nieuws en wordt wijzer met het klimmen harer jaren, niet altijd echter tevens beminnelijker in de oogen van de menschen. Gemakkelijk kan men de Raaf leeren vrij uit en in de kooi te vliegen; in den regel echter toont zij zich weldra deze groote vrijheid onwaardig: zij steelt en verbergt haar roof, doodt jonge huisdieren, Hoenderen en Ganzen, bijt menschen, die barrevoets gaan in de voeten en wordt soms zelfs gevaarlijk, daar zij ook jegens kinderen baldadigheden pleegt. Met Honden sluit zij soms een innige vriendschap, maakt zich verdienstelijk jegens hen door hunne Vlooien te vangen en hen ook in andere opzichten te helpen; ook aan Paarden en Runderen geraakt zij gewoon en wint hun genegenheid. Zij leert zeer goed spreken, zegt de woorden met een juiste intonatie na en gebruikt ze met verstand, blaft als een Hond, lacht als een mensch, bootst de stem van de Duiven na, enz. Het zou te veel ruimte vereischen, hier alle merkwaardige verhalen mede te deelen, die mij over getemde Raven ter oore gekomen zijn; ik moet mij bepalen tot het oordeel, dat deze Vogels een "echt menschelijk verstand" toonen en hunne meesters niet minder vermaak verschaffen dan zij andere menschen ergernis geven. Ieder die aan de dieren het verstand ontzegt, zal van meening veranderen, door gedurende geruimen tijd de handelingen van een Raaf na te gaan.
De Kraaien verschillen van de Raaf door den minder sterk gekromden rug van den snavel, die iets korter is dan de loop en door het lossere, niet zeer glanzige vederenkleed; de vleugelspitsen bereiken de afgeronde spits van den staart niet. Twee soorten van Kraaien stemmen in grootte, verhoudingen van lichaamsdeelen, gewoonten enz. zoo volkomen overeen, dat zij, behalve aan de kleur van de veeren, moeielijk te onderscheiden zouden zijn. Deze--de Kraai, Zwarte Kraai of Boschkraai (Corvus corone) en de Bonte Kraai, Winterkraai, Grijze Kraai of Schierroek (Corvus cornix) worden daarom door sommige onderzoekers als plaatselijke rassen van dezelfde soort beschouwd. De eerstgenoemde is zwart met een viooltjeskleurigen of purperen weerschijn en een bruine iris, in de jeugd dofzwart met een grauwe iris. De Bonte Kraai daarentegen heeft den kop, den voorhals, de vleugels en den staart zwart, alle overige lichaamsdeelen echter licht aschgrauw (bij de jongen vuil aschgrauw). De totale lichaamslengte bedraagt bij beide 47 à 50 cM., de staartlengte 20 cM.
De Zwarte Kraai komt in ons land gedurende het geheele jaar meer of minder algemeen voor; zij is over een groot gedeelte van Europa verbreid, vooral talrijk in Midden- en Zuid-Duitschland en in Frankrijk; in Noord-Duitschland is zij minder algemeen; in Lijfland, Denemarken en in het zuiden van Zweden treft men haar zeer zelden aan, in het overige gedeelte van Skandinavië in het geheel niet, evenmin in Groot-Brittannië en in Noord-Duitschland ten oosten van de Elbe; in kleinen getale bewoont zij Illyrië, Hongarije, Oostenrijk en de overige gedeelten van Oost-Europa; ook komt zij voor in de oostelijke districten van Siberië tot aan Kamtschatka en in Japan, op de Kaapverdische Eilanden (St. Vincent), op Madera, in Algerië, zelfs in Afghanistan en in het Himalajagebergte (Kasjmir). Bijna overal is zij standvogel, slechts bij uitzondering zwerfvogel, nooit trekvogel.
In den regel broedt de Bonte Kraai in streken, welke de Zwarte niet bewoont. De eene soort vervangt de andere, zonder dat klimaatverschillen hierop invloed oefenen.
De Bonte Kraai is verder verbreid dan haar verwante; haar ontmoeten wij als broedvogel niet alleen in Skandinavië, het grootste deel van Rusland en Noord-Duitschland, maar ook in Galicië, Hongarije, Stiermarken, Italië (Toscane, Sardinië, Sicilië), Dalmatië, Griekenland en geheel Egypte (van de zee tot aan de Nubische grens), alsmede in geheel Middel-Azië (van den Oeral tot Japan) en door Syrië, Toerkistan, Perzië, Afghanistan tot in het noordwesten van Indië. Naar de kleur van de veeren kunnen in dit ontzaglijk groot verbreidingsgebied ongeveer drie rassen van Bonte Kraaien onderscheiden worden. De in het noorden (West-Siberië, geheel Skandinavië, Denemarken, Schotland, het grootste gedeelte van Rusland, het noorden van Duitschland, vooral noordoostelijk langs de Elbe) broedende koloniën verspreiden zich in het najaar over de overige gematigde gedeelten van Europa om er te overwinteren en in Maart of half April naar hare broedplaatsen terug te keeren. De Bonte Kraai komt op deze wijze van September tot in het midden van October bij ons aan en is dan overal gemeen. In de duinen aast zij in menigte op de bessen van den kattendoorn. De exemplaren, die in Zuid-Europa en in de andere genoemde, warme of gematigde gewesten broeden, zijn daar standvogels. Enkele malen heeft men ook in de zomermaanden exemplaren van deze soort in Nederland aangetroffen; deze hebben hier vermoedelijk gebroed; eenige malen is dit broeden hier werkelijk waargenomen, o.a. in Friesland en Utrecht. Met het voorkomen van de bonte Kraai in Nederland gedurende den zomer staat het feit, dat deze soort en de Zwarte Kraai op de grenzen van beider gebied dikwijls paren en vruchtbare nakomelingen voortbrengen, in verband.
"Onjuist" schrijft A. A. van Bemmelen, "is het algemeen heerschende denkbeeld, in de wetenschappelijke werken steeds neergeschreven, dat de Bonte Kraai en de Zwarte geheel en al overeenstemmen in voedselkeus en levenswijze; de Bonte Kraai is veel meer een liefhebber van dierlijk voedsel dan de Zwarte en gebruikt hoogst zelden plantaardig voedsel; zij verslindt een zeer groot aantal Muizen, rooft Visschen, scheurt het vleesch af van allerlei doode dieren, pikt hun de oogen uit, in een woord, gedraagt zich daarbij als een roofvogel; de Zwarte Kraai daarentegen, hoewel eieren en zeer jonge Vogels roovende, leeft bij voorkeur van plantaardig voedsel, zooals pas ontkiemde graanplantjes, koolspruiten, jonge boonen en erwten, enz. De Bonte Kraai vertoeft veel meer op den grond; wil men haar in haar waren aard zien, dan bespiede men haar langs de zeestranden, waar zij dikwijls aan de Groote Zeemeeuwen doode en verrotte dieren betwist. De Zwarte Kraai bewoont bij voorkeur de bosschen, zet zich neder op hooge boomen en is veel schuwer van aard. De Bonte Kraai vliegt langzamer dan de Zwarte; als zij te zamen opvliegen en zich op kleineren of grooteren afstand weer neerzetten, komt de Bonte Kraai altijd het laatst aan."--Boschjes in de vlakte zijn de liefste verblijfplaatsen van de Kraaien; zij vermijden echter ook de grootere bosschen niet en vestigen zich, als zij zich veilig achten, zelfs in onmiddellijke nabijheid van den mensch, b.v. in boomgaarden. De Kraaien zijn in hooge mate gezellig, in lichamelijk zoowel als geestelijk opzicht begaafd en hierdoor in staat om een zeer belangrijke rol te spelen. Zij gaan goed, stappen wel eenigszins waggelend, maar toch zonder eenige inspanning; zij vliegen gemakkelijk en lang achtereen, hoewel minder behendig dan de grootere Raven; hare zintuigen zijn uitmuntend; vooral het gezicht, het gehoor en de reuk zijn scherp; zij staan, wat geestesgaven betreft, weinig of niet bij de Raaf ten achter. Op kleinere schaal doen zij ongeveer hetzelfde, als wat de Raaf op grootere kan verrichten; daar zij echter in den regel alleen voor kleine dieren gevaarlijk worden, heeft het nut, dat zij stichten, waarschijnlijk de overhand boven het kwaad, dat zij bedrijven.
Ongetwijfeld verdienen zij een plaats onder de belangrijkste Vogels van ons vaderland, zonder haar zouden de overal menigvuldige en op alle plaatsen aanwezige, schadelijke Gewervelde Dieren en verderfelijke Insecten op zeer bedenkelijke wijze de overhand nemen. Wel is waar plunderen zij ook vogelnesten en overvallen zieke Hazen en Patrijzen, ook kunnen zij in den tuin en op het erf allerlei last veroorzaken en eindelijk aan het rijpende graan, meer bepaaldelijk aan de gerst, een belangrijke schade toebrengen: wat beteekent echter het nadeel, dat zij teweegbrengen door gedurende eenige maanden op een voor ons onaangename wijze te rooven en te stelen, tegenover het voordeel, dat de mensch trekt uit haar werkzaamheid gedurende alle overige maanden van het jaar!
De Kraaien hebben ongeveer de volgende dagverdeeling: Vóór het aanbreken van den dag verlaten zij haar slaapplaats om zich in oorden, waar zij geen vervolging hebben te verduren, op een bepaald gebouw of op een grooten boom te vereenigen. Van hier uit verspreiden zij zich over de velden en zijn tot omstreeks den middag ijverig bezig hun kost te winnen. Zij loopen de akkers en de weiden af, volgen den ploegenden landman om de door hem blootgelegde engerlingen op te pikken, loeren voor muizegaten, kijken rond naar vogelnesten, onderzoeken de oevers van beken en rivieren, doorsnuffelen de tuinen, kortom, zijn overal druk in de weer. Intusschen komen zij nu en dan met andere dieren van haar soort samen en arbeiden gedurende eenigen tijd gemeenschappelijk. Als er iets bijzonders gebeurt, zijn zij ongetwijfeld de eerste, die het bemerken en aan andere wezens te kennen geven. Een Roofvogel wordt met luid geschreeuw begroet en met zooveel ijver vervolgd, dat hij dikwijls onverrichter zake moet aftrekken. Te recht noemt Snell deze handelwijze een van de nuttige zijden van de werkzaamheid der Kraaien; want het valt niet te betwijfelen, dat zij het bedrijf van de schadelijke Roofvogels aanmerkelijk bemoeielijken zoowel door den Roofvogel direct aan te vallen, als door zijn aanwezigheid aan de menschen en dieren te verraden. Tegen den middag vliegen de Kraaien naar een dichte boomkroon en verbergen zich tusschen de bladen om een middagslaapje te houden. Des namiddags gaan zij ten tweeden male om voedsel uit en verzamelen zich des avonds in grooten getale op bepaalde punten, als 't ware om elkander de gebeurtenissen van den dag mede te deelen. Daarna begeven zij zich naar haar slaapplaats, naar een bepaald deel van het bosch, waar alle Kraaien van een uitgestrekt gebied zich verzamelen. Hier gaan zij met zeer groote voorzichtigheid heen, gewoonlijk eerst, nadat zij verspieders uitgezonden hebben. Na het invallen van den nacht komen zij hier aan en maken bij het vliegen en neerstrijken zoo weinig geraas, dat men niets anders hoort dan het ruischen van hare vleugels. Door vervolgingen worden zij uiterst schuw. Zij leeren den jager zeer spoedig van een voor haar ongevaarlijk persoon onderscheiden en vertrouwen over 't algemeen geen andere menschen dan die, welker welwillende bedoelingen haar duidelijk gebleken zijn.
Het nest, dat zij tegen het einde van Maart of in het begin van April op hooge boomen aangebracht, of, indien het reeds in vroegere jaren gebouwd werd, voor het nieuwe broedsel geschikt gemaakt hebben, gelijkt op dat van de Raaf, maar is aanmerkelijk kleiner; het heeft hoogstens 60 cM. middellijn en 4 cM. diepte. In de eerste helft van April legt het wijfje 3 à 5, hoogstens 6 eieren, die op groenachtig blauwen grond met olijfkleurige, donkergroene, donker aschgrauwe en zwartachtige stippels en vlekken geteekend zijn. Het wijfje broedt; het mannetje laat haar slechts dan alleen, als het uit moet vliegen om voor zich en zijn gade voedsel te halen. De jongen worden met de grootste liefde door de beide ouders opgepast en gevoederd, tegen gevaar met moed verdedigd."
Beide soorten van Kraaien, kunnen zonder eenige moeite jaren lang in de gevangenschap in 't leven gehouden worden en laten zich gemakkelijk temmen; ook kunnen zij leeren spreken, wanneer het haar onderwijzer maar niet aan geduld ontbreekt. Toch verdienen zij als kamer- of huisvogels geen aanbeveling. In de kamer behooren zij niet wegens haar onzindelijkheid of, juister gezegd, wegens den reuk, dien zij ook dan verbreiden, als haar eigenaar de kooi zoo goed mogelijk tracht schoon te houden; op het erf of in den tuin mag men ze ook niet vrij laten rondloopen, omdat zij, evenals de Raven, allerlei kattekwaad uitvoeren. De zucht om glinsterende voorwerpen op te nemen en te verstoppen hebben zij met hare zwakkere verwanten, de roof- en moordzucht met de Raaf gemeen. Ook zij overvallen kleine Gewervelde Dieren, zelfs jonge Honden en Katten, hoofdzakelijk echter Vogels, om ze te dooden of althans te martelen. De nesten van de Hoenderen en Duiven worden door deze gauwdieven spoedig ontdekt en onmeedoogend geplunderd.
In den Vos en den Boommarter, in den Slechtvalk, den Havik en den Ooruil hebben de Kraaien vijanden, die voor haar gevaarlijk kunnen worden. Bovendien worden zij lastig gevallen door velerlei parasieten, die zich in hare veeren nestelen. Waarschijnlijk heeft de Ooruil zich den buitengewoon grooten haat, dien de Kraaien hem toedragen, op den hals gehaald door zijne aanvallen op deze Vogels, die des nachts weerloos zijn; zeker is het althans, dat hij bijzonder veel van hun vleesch houdt. De Kraaien zetten hem zijne nachtelijke moordaanslagen betaald, zooveel zij kunnen. Zoomin de Ooruil als eenige andere Uil mogen zich over dag laten zien. Zoodra zulk een nachtvogel ontdekt wordt, komt de geheele streek in opstand. Alle Kraaien snellen toe en stooten met voorbeeldelooze woede op dezen duisterling in vogelgestalte. Op soortgelijke wijze als den "koning van den nacht," plagen de Kraaien ook alle overige roofdieren, welker wraak zij voorloopig niet behoeven te vreezen wegens haar bekwaamheid in 't vliegen of haar groot aantal.
Van den mensch hebben zij tegenwoordig niet zoozeer onmiddellijk als wel middellijk last. Vroeger meer dan nu maakte men om ze te dooden gebruik van de "kraaienhut" een jachtbedrijf, dat gedurende het geheele jaar kan plaats hebben en waarvoor meestal duinstreken gekozen worden of andere, liefst oneffene, opene en eenzame gronden, waar Roofvogels en Kraaien zich gewoonlijk vertoonen. Schlegel beschrijft de toebereidselen hiervoor op de volgende wijze: "De hut zelve plaatst men veelal onder den grond in een heuveltje en het mansdiepe, met planken of steenen omkleede gat, waaruit zij in dit geval bestaat, wordt ook van boven met planken gesloten, die wederom met een dikke laag aarde of zand bedekt worden. Onder het dak maakt men eenige openingen van ongeveer een halven vierkanten voet grootte en de deur der hut plaatst men tegenover deze schietgaten. Tot zitplaats van den tammen Ooruil neemt men een paal van 3 tot 4 voet hoogte, van boven met een ijzeren kram, ten einde de riemen te kunnen vastbinden, waarmede de pooten van den Ooruil voorzien moeten zijn. Deze paal werd in vroegere tijden op den top der hut bevestigd; het is echter beter hem op 10 à 15 pas afstand tegenover de schietgaten in den grond te rammen om uit de verschillende bewegingen van den Ooruil dadelijk te kunnen afleiden of er Vogels op hem afkomen en van welke soort zij zijn. Indien men de hut niet in de nabijheid van een enkelen, vrij staanden boom (dien men echter zoo snoeien moet, dat hij niet dicht met takken en loof begroeid is) kan plaatsen, plant men op 30 of 40 pas afstand van de hut een of eenige doode boomen in den grond." De jagers die in de hut verborgen zijn, schieten de Vogels, die om den Ooruil vliegen, op hem stooten of zich op de naburige boomen zetten. De Vogels bekommeren zich in dit geval niet om het vuren, al zien zij hunne kameraden dood of gewond op den grond vallen.
Veel meer nadeel dan door de jacht en door het uithalen en vernielen van de nesten met eieren en jongen lijden de Kraaien door het uitstrooien van vergiftigd graan op de door Muizen geteisterde velden. In muizenjaren vindt men hare lijken bij dozijnen en bij honderden en kan men gemakkelijk een aanmerkelijke vermindering van haar aantal aantoonen. Door haar langen levensduur en vruchtbaarheid worden dergelijke verliezen echter altijd spoedig weer aangevuld; het is daarom evenmin noodig maatregelen ter harer bescherming aan te bevelen als een verdelgingsoorlog tegen haar te prediken.
De Roek (Corvus frugilegus) is nuttiger dan de drie reeds beschreven soorten van inheemsche Raven. Hij onderscheidt zich van deze door een slankeren lichaamsbouw; de iets rechtere snavel is zoo lang als de loop; de betrekkelijk lange vleugels bedekken den sterk afgeronden staart; voorts kenmerkt hen het nauw aansluitend, prachtig glanzend vederkleed en de kaalheid van het aangezicht, welks korrelige, lichtgrijze huid tot aan de oogen en de keel blootligt. Aanvankelijk is dit lichaamsdeel bedekt met veeren; deze komen bij het ruien telkens terug om kort daarna te verdwijnen; het kaal worden van deze plek moet niet toegeschreven worden aan het afslijten der veeren door het wroeten in den grond, want het komt ook voor bij exemplaren, die in de kooi niet in de gelegenheid zijn om den bek in den grond te boren of de bedoelde veeren op een dergelijke wijze af te schuren (Mr. H. W. de Graaff en Mr. H. Albarda). De totale lengte bedraagt bij deze soort 47 à 50, de staartlengte 19 cM. De veeren van de oude Vogels zijn zwart met violet-blauwen weerschijn, die van de jongen dof zwart.
Het verbreidingsgebied van den Roek is beperkter dan dat van zijne beide laatstgenoemde verwanten. Het omvat een groot deel van de Europeesche vlakten en het zuiden van Siberië, Toerkistan, Afghanistan, het westelijk deel van het Himalaja-gebied en Pendsjab worden uitsluitend in den winter door den Roek bezocht. In de koudste gedeelten van Europa komt hij niet voor; reeds in Zweden is hij zeldzaam; in Zuid-Europa komt hij niet anders dan op den trek. In tegenstelling met de Bonte en de Zwarte Kraai, trekt hij geregeld en in ontelbare scharen naar Noord-Afrika. Vruchtbare vlakten met kleine bosschen zijn de meest geliefde verblijfplaatsen van de Roeken. In het gebergte broeden zij in 't geheel niet; in het binnenste van het woud evenmin. Een uit hoogstammige boomen samengesteld boschje van geringen omvang wordt in den regel als broedplaats gekozen door een troep van deze Vogels, die zich van uit dit middelpunt over de naburige velden verspreiden. In zulk een kolonie treft men dikwijls honderden nesten aan, soms 12 of 15 op één boom. Mijlen ver in den omtrek worden dan gewoonlijk geen nesten van Roeken meer gevonden.
In aard en gewoonten komt de Roek in vele opzichten met zijne vroeger beschreven verwanten overeen; hij is echter veel vreesachtiger en minder tot kwaaddoen geneigd dan zij. In 't gaan evenaart, in 't vliegen overtreft hij haar; zijne zintuigen zijn niet minder, zijne geestvermogens even goed ontwikkeld. Hij onderscheidt zich echter door zijn veel gezelliger aard; gaarne voegt hij zich bij troepen Kauwen en Spreeuwen, in 't algemeen bij Vogels van gelijke of geringere lichaamskracht. Hij mijdt reeds het gezelschap van de Bonte en Zwarte Kraaien; de Raaf vreest hij zoozeer, dat hij een sinds lang door hem bewoond gebied, waaruit de mensch hem bijna niet verdrijven kan, verlaat, zoodra een Raaf zich hier vestigt. Zijn stem is een zwaar, heesch geluid, dat als "kra" of "kroa" klinkt; gedurende het vliegen laat hij dikwijls een scheller geluid hooren, dat met "gir" of "kwerr" overeenkomt, in den regel ook het "jek jek" van de Kauw. Het nabootsen van allerlei geluiden kost hem geen moeite; hij kan zelfs eenigermate leeren zingen; voor het leeren spreken toont hij niet veel aanleg.
Ieder, die zonder vooroordeel de levenswijze van den Roek nagaat, zal dezen Vogel leeren achten. Wel is hij soms zeer lastig, doordat hij gedurende den voortplantingstijd de wegen en wandelpaden van de tuinen en plantsoenen, waar hij nestelt, allerafschuwelijkst bevuilt; ook martelt hij door zijn geschreeuw de gehoororganen van de bewoners der naburige huizen, wat te meer hinderlijk is, omdat hij zich van plaatsen, waar hij zich eens gevestigd heeft, zeer moeielijk laat verdrijven. Wel zal hij nu en dan het leven van eenige jonge Hazen en Patrijzen verkorten, den landbouwer boos maken door het rooven van graan, den tuinman door het stelen van vruchten. Alle schade, die hij aanricht, wordt echter duizendvoudig door hem vergoed; daar hij tal van Meikevers, engerlingen en naakte Slakken verdelgt en een der beste muizenvangers is, die ons vaderland bewonen. "Ik heb," zegt Naumann, "jaren beleefd, waarin een verschrikkelijk aantal Veldmuizen de groene en gele graanvelden met vernieling bedreigden. Ik schoot in die jaren geen enkele Kraai of Buizerd, die niet den krop met muizen gevuld had. Dikwijls heb ik er 6 of 7 in één Vogel gevonden. Dit in overweging nemend, zal men, geloof ik, de gehate Kraaien met meer rechtvaardigheid leeren behandelen en genegenheid voor hen gevoelen." Men zou kunnen meenen, dat deze waarheid, die reeds voor 60 jaren is uitgesproken, bij de menschen, voor wie ze meer bepaaldelijk bestemd was, vooral bij onze groote grondeigenaars, eindelijk ingang zal hebben gevonden, en toch is dit niet het geval. Ook thans nog wordt de Roek, die als een weldoener van onze akkers de meest mogelijke bescherming verdient, juist door de bedoelde grondeigenaars op de meest onmeedoogende wijze vervolgd.
Als de broedtijd nadert, vereenigen zich duizenden Roeken op een zeer kleine ruimte, bij voorkeur in een boschje te midden van het veld. Het eene paar nestelt hier naast het andere; op iederen boom vindt men zooveel nesten, als er maar geplaatst kunnen worden. Een onverpoosd gekras en geschreeuw vervult dit oord, terwijl een zwarte wolk van Kraaien de lucht in de nabijheid van deze nestboomen verduistert. Eindelijk bedaart deze drukte eenigszins. Elk wijfje heeft hare 4 of 5 lichtgroene, aschgrauw en donkerbruin gevlekte eieren gelegd en is bezig ze uit te broeden. Weldra echter komen de jongen uit en wordt het gedruisch nog twee- of driemaal zoo erg, want de kleintjes willen voedsel hebben en weten hun verlangen op zeer duidelijk waarneembare wijze door allerlei leelijke geluiden te kennen te geven. Dan kan men het werkelijk in de nabijheid van zulk een broedkolonie niet uithouden.
Hoe groot ook het aantal Vogels is, die zulk een kolonie bevolken, met de zwermen die zich vormen, als de reis naar 't zuiden zal aanvangen, zijn zij niet te vergelijken. Duizenden voegen zich bij duizenden en het leger groeit aan, naarmate het verder trekt. Niet alleen soortgenooten, maar ook de Kauwen, die uit sommige landen van Middel-Europa wegtrekken, worden er in opgenomen.
In het Zuiden van Europa en in Noord-Afrika ziet men zelden zulke groote vluchten Roeken als bij ons. Het ontzaglijk groote leger, dat allengs bijeenkwam, heeft zich langzamerhand weer in benden verdeeld, die van de verschillende terreinen zoo goed mogelijk partij trachten te trekken. Het gaat hun echter in den vreemde, vooral in Afrika, dikwijls ver van voorspoedig. Het vruchtbare Nijldal biedt, naar het schijnt, geen ruimte en voedsel genoeg aan alle Roeken, die hier den winter komen doorbrengen. Zij begeven zich dan naar de nabijgelegen woestijnen om voedsel te zoeken, vinden het niet en bezwijken bij honderden van gebrek.
In de gevangenschap zijn de Roeken minder gezellig en vermakelijk dan de Raven en Kauwen; zij worden daarom niet zoo dikwijls als deze in de kooi gehouden.
Jonge Kraaien van allerlei soorten worden in verscheidene streken door de arme lieden gaarne gegeten; zij leveren over 't algemeen een niet onsmakelijk gerecht.
Ten zuiden van den 18en graad N.B. ontmoet men voor 't eerst een over Afrika en Madagaskar verbreide, kleine Raaf met zwakken snavel, die zich door de eigenaardige kleur van hare veeren onderscheidt: de Schildraaf (Corvus scapulatus); de Hollanders van Zuid-Afrika noemen haar "Bonte Kraai". Met uitzondering van de geheele borst, een deel van den buik en een breeden band over den mantel, die schitterend wit zijn, is zij glanzig zwart. De donkere veeren iriseeren, de lichte hebben den glans van satijn. De oogen zijn lichtbruin, de snavel en de pooten zwart. Totale lengte 45 à 50, staartlengte 16 cM. Deze aan de Kaap zeer menigvuldige Vogel houdt zich hier en in de andere deelen van zijn verbreidingsgebied bij voorkeur in de nabijheid van menschelijke woningen op. In levenswijze komt zij met de gewone Kraai overeen.
Een andere Afrikaansche vertegenwoordiger van het Ravengeslacht is de Krengraaf (Corvus crassirostris). De reusachtige, buitengewoon dikke snavel, die langer is dan de kop, de lange vleugels en de tamelijk sterk trapvormige staart, zijn de belangrijkste kenmerken van deze soort, die 70 cM. lang wordt, waarvan 24 cM. op den staart komen. De koolzwarte veeren van de zijden van den hals hebben een donker purperkleurigen weerschijn, de overige veeren zijn blauwzwart, met uitzondering van de kleine dekveeren van het handgewricht, waar kastanjebruin en zwart dooreengemengd voorkomen, terwijl de achterkop en de nek ieder een peervormige, witte vlek vertoonen. De oogen zijn kastanjebruin, de pooten zwart, de snavel is aan de spits wit, overigens zwart.
Deze Vogels bewonen de gebergten in het noorden van Oost-Afrika, vooral die van Abessinië en van het Somali-land; waarschijnlijk strekt hun verbreidingsgebied zich westwaarts tot diep in de binnenlanden van Afrika uit; zij zijn echter alleen te vinden op hoogten van minstens 1200 M. tot aan de sneeuwgrens. Hier, op hoogvlakten en bij voorkeur in de nabijheid van veeperken en slachtplaatsen, leven zij paarsgewijs of tot kleine gezelschappen vereenigd, zonder de menschen te mijden of te vreezen. Gezellig en verdraagzaam, evenals de meeste andere Raven, leven zij in goede verstandhouding met de krengen-etende Vogels, maar laten zich door hen niet van het aas verdrijven. In geval van nood eten zij Kevers en andere Insecten, waarschijnlijk ook allerlei vruchten; hun voornaamste voedsel bestaat echter uit afval van vleesch en beenderen. Om deze te verkrijgen, bezoeken zij de plaatsen, waar menschen wonen, volgen zij de kudden en ook de legers. Waarschijnlijk gelijkt de Krengraaf in ieder opzicht en dus ook door haar rooversbedrijf op haar verwante, de Zuid-Afrikaansche Ringhalskraai (Corvus albicollis), welker levenswijze door Levaillant beschreven is. Deze Vogel eet wel bij voorkeur krengen, maar valt ook levende dieren, vooral Schapen en jonge Gazellen aan, die hij de oogen en de tong uitpikt, om ze vervolgens te dooden en te verscheuren. Bovendien volgt hij de kudden van Buffels, Runderen en Paarden, zelfs den Neushoorn en den Olifant, die hem eveneens voedsel moeten verschaffen. Hij zou voor deze dieren gevaarlijk worden, als hij er de noodige kracht voor had; nu echter moet hij zich bepalen tot het hakken met den snavel in de wonden, die door Teeken en maden veroorzaakt zijn. Vele der genoemde Zoogdieren worden zoo erg gekweld door parasiteerende Gelede Dieren, dat zij de Halsbandkraai gaarne in hun rug laten pikken, zelfs als deze van het haar verleende verlof misbruik maakt en hun bloed laat vloeien, door behalve de Insecten ook de hun als woonplaats dienende etterende wonden uit te vreten.
De kleinste van de inheemsche Raven is de Kauw, Kerkkauw of Torenkraai, in Friesland Ka, Akke of Torenkraai genoemd (Colaeus monedula). Zij is 33 cM. lang en heeft een 18 cM. langen staart. Wegens haar korten en dikken, van boven weinig gebogen snavel wordt zij als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht beschouwd; de mondspleet is veel korter dan de loop. De veeren zijn op den bovenkop en de kruin donkerzwart, op den achterkop en den nek aschgrauw, op de overige bovendeelen blauwzwart, op de onderdeelen leikleurig of grijsachtig zwart; de iris is zilverwit, de snavel en de pooten zijn zwart. Witte en isabelkleurig witte Kauwen zijn niet al te zeldzaam.
Ook de Kauw komt niet slechts in het grootste deel van Europa, maar ook in vele landen van Azië voor; naar 't noorden strekt haar verbreidingsgebied zich minstens zoover uit, als de graanbouw reikt. In het zuiden van Europa is zij zeldzamer dan in Nederland en Duitschland, nergens echter ontmoet men haar zoo veelvuldig als in Rusland en Siberië. Hier te lande en in Duitschland broedt zij volstrekt niet overal, waar men haar op grond van de aanwezigheid van geschikte nestelplaatsen zou kunnen verwachten; zij vestigt zich in het eene oord wel, in het andere niet, zonder dat men hiervoor een geldige reden weet aan te wijzen. Waar zij bij ons voorkomt, is zij met den Spreeuw en de Musch als 't ware een huisvogel geworden; zij nestelt in onze dorpen en steden in menigte in schoorsteenen, op kerken of bouwvallen; bovendien ontmoet men haar in bosschen met breedbladige boomen, vooral in boschjes, die te midden van het veld staan, voor zoover hier holle boomen te vinden zijn. In Rusland en Siberië bevolkt zij alle dorpen in grooten getale, vestigt zich op de blokhuizen en nestelt onder de met hout bekleede daken, achter de vensterluiken en in alle andere eenigszins beschutte ruimten, waar plaats genoeg is voor het bouwen van een nest.
De Kauw is een wakkere, levendige, behendige en schrandere Vogel. In alle omstandigheden weet zij haar goede luim te behouden en de door haar bewoonde streek op een werkelijk aardige wijze te verlevendigen. Haar buitengewoon gezelligen aard toont zij niet slechts door zich met andere Vogels van haar soort tot groote zwermen te vereenigen, maar ook door zich te voegen bij vluchten van andere Kraaien, vooral van Roeken; zij trekt zelfs met deze mede naar 't zuiden en vliegt om harentwil zoo langzaam mogelijk, want zij zelf is ook in 't vliegen zeer bekwaam en gelijkt in dit opzicht meer op een Duif dan op een Kraai. Het vliegen kost haar zoo weinig inspanning, dat zij zich zeer dikwijls door allerlei koene wendingen tracht te vermaken, zonder doel of reden stijgt en daalt en allerlei bevallige bewegingen maakt. Zij is even schrander als de Raaf, maar toont alleen de beminnelijke eigenschappen van dezen Vogel. Haar lokstem klinkt als "jek" of "djer" en is werkelijk welluidend; in andere gevallen roept zij "krè" en "krie-jè. Haar loktoon "jek jek" gelijkt sprekend op dien van den Roek; dit zal er ook wel toe bijdragen om de beide soorten zoo nauw met elkander te verbinden. Terwijl zij aan 't minnekoozen is, snapt zij allerliefst; haar stem is trouwens buigzaam en vol afwisseling. Hierdoor is het verklaarbaar, dat zij zonder groote moeite het napraten van woorden of het nabootsen van andere geluiden, b.v. van hanengekraai, kan leeren.
Door de wijze waarop zij zich voedt, komt de Kauw nog het meest met den Roek overeen. Het lijdt geen twijfel, dat allerlei Insecten, Slakken en Wormen, het hoofdbestanddeel van haar maal uitmaken. De Insecten zoekt zij op de weiden en akkers bijeen of pikt ze van den rug der groote huisdieren af; vol vertrouwen volgt zij den ploegenden landman; op de straten wroet zij in den mest, bij de huizen in het afval; behendig vangt zij Muizen en jonge Vogels; eieren zijn voor haar een lekkernij. Niet minder graag is zij op allerlei plantaardige stoffen, vooral graankorrels, jonge spruitjes van graangewassen, knolvormige plantendeelen, jonge plantjes en uitspruitsels van groenten, bessen en ander ooft enz.; zij kan op deze wijze in groente- en oofttuinen een zoo niet groote, dan toch merkbare schade aanrichten; in Rusland en Siberië plundert zij ook wel de graanschoven en de dorschvloeren. Toch komt het mij voor, dat de diensten, die zij op de velden en akkers bewijst, niet minder groot, zoo niet van grooter belang zijn dan de door haar veroorzaakte schade.
De Kauw is in ons geheele land standvogel, ook in sommige gewesten van Duitschland, vooral in de zeeplaatsen; zelfs in Rusland en Siberië blijven vele Kauwen den winter over, hoe streng de koude hier ook zij. Uit vele streken van Duitschland trekken zij met de Roeken weg en keeren ter zelfder tijd als deze in 't vaderland terug. Haar winterreis strekken zij uit tot het noordwesten van Afrika, het noordwesten van Azië en Indië. Zoodra de winter ons voor goed verlaten heeft, hebben alle paren hunne gewone broedplaatsen weer ingenomen, waar nu veel drukte en beweging heerschen. Enkele Kauwen nestelen te midden van de Roeken, verreweg de meeste echter hebben hiervoor gebouwen uitgekozen. Hier vindt elke spleet in den muur hare bewoners, zelfs zijn er gewoonlijk meer liefhebbers dan plaatsen. Dit geeft aanleiding tot vele twisten; iedere bouwlustige Kauw tracht hare mededingers zooveel mogelijk te verschalken. Het broedsel bestaat uit 4 à 6 eieren, zwartbruin gevlekt op licht groenachtig blauwen grond. De jongen worden door hunne ouders met Insecten en Wormen grootgebracht, met groote liefde behandeld en in geval van nood met grooten moed verdedigd. Zoodra een Uil, een Wouw of een Buizerd zich vertoont, wordt deze onder vreeselijk geschreeuw door een geheel leger van Kauwen aangevallen en uren ver vervolgd.
Geen der Raven wordt veelvuldiger in gevangenschap gehouden dan de Kauw. Haar vroolijke aard, behendigheid en schranderheid, gehechtheid aan haar meester, goedaardigheid en nabootsingsgave zijn wel geschikt om haar vrienden te verschaffen. Zonder moeite kan men haar, als zij jong gevangen is, aan het uit- en invliegen gewennen. Weldra heeft zij zich aan het huis van haar meester zoozeer gehecht, dat zij het zelfs in den herfst niet verlaat, of, zoo zij al met hare soortgenooten in zuidelijk gewesten gaat overwinteren, niet zelden in de volgende lente naar de woning, die haar dierbaar geworden is, terugkeert.
In Duitschland is op vele plaatsen de meening verbreid, dat de Kauwen bij 't naderen van de cholera de steden verlaten, die het eerst aan de beurt zijn om door de gevreesde ziekte bezocht te worden. Het is volkomen waar, dat de Kauwen nu en dan voor een tijd weggaan; zij vluchten dan echter niet voor de cholera, maar begeven zich eenvoudig naar de akkers, zoodra de veldvruchten rijp zijn.
De Eksters (Pica) zijn langstaartige Raven, welker snavel over 't geheel genomen denzelfden vorm heeft als die der Kraaien, hoewel de snavelrug sterker gekromd is; zij staan hoog op de pooten, hebben korte, afgeronde vleugels, welker spits gevormd wordt door de vijfde handpen, een sterk trapvormigen staart, die langer is dan het overige lichaam, en een goed gevuld vederenkleed.
De Ekster, bij Breda Atzel, in Friesland Bonte Ekster genoemd (Pica rustica) [19], bereikt een lengte van 45 à 48 cM., waarvan 26 cM. op den staart komen. De kop, de hals, de rug, de keel, de gorgel en de bovenborst zijn glanzig donkerzwart, op den kop en den rug met groenachtigen weerschijn; de schouders, en een meer of minder volledige, dikwijls slechts flauw aangeduide dwarsband over den rug zijn, evenals de nog niet genoemde onderdeelen en de binnenvlag der handpennen, wit; de slagpennen zijn overigens blauw, haar buitenvlag en de dekveeren van de hand groen, alleen aan de spits donker, de stuurpennen donkergroen, aan de spits zwart, overal met metaalachtigen, meestal koperkleurigen weerschijn. De oogen zijn bruin, de snavel en de pooten zwart.
Het verbreidingsgebied van de Ekster omvat Europa en Azië, van den noordelijken woudgordel tot Perzië en Kasjmir. In de meeste landen en gewesten komt zij veelvuldig voor, in andere ontbreekt zij bijna geheel; zoo ziet men haar in vele provinciën van Spanje in 't geheel niet, terwijl zij in andere gemeen is; bovendien vermijdt zij in den regel hooge gebergten, boomvrije vlakten en uitgestrekte bosschen. Boschjes te midden van het veld, boschranden en boomgaarden zijn hare eigenlijke woonplaatsen. Gaarne vestigt zij zich in de nabijheid van menschelijke woningen; overal, waar men haar duldt, wordt zij buitengewoon gemeenzaam of liever gezegd indringerig. In Skandinavië, waar men haar in zekeren zin als de heilige Vogel van het land beschouwt, slaat zij niet in den tuin, maar in de hofstede zelf haar woning op en bouwt op bepaaldelijk voor haar aangebrachte uitbouwsels onder de daken haar nest. Overal, waar zij voorkomt, is zij standvogel in den volsten zin van 't woord. Haar eigenlijk woongebied is klein en zij verlaat het nooit. Als zij in een dorp uitgeroeid wordt, duurt het vele jaren, voordat zij van de grenzen af er weder binnenkomt. Alleen in den winter zwerft zij, hoewel steeds nog in beperkte mate, verder rond dan gewoonlijk.
De levenswijze en gewoonten van de Ekster herinneren wel is waar in vele opzichten aan die van de Kraaien, maar verschillen er toch in andere niet onbelangrijk van. Zij gaat stappend als een Raaf, maar heeft daarbij een andere houding; want zij heft den langen staart omhoog en beweegt hem wippend, zooals de Lijsters en de Roodborstjes doen. Haar logge wijze van vliegen, welke geheel anders is dan die van de eigenlijke Raven, vereischt veelvuldige vleugelslagen en wordt reeds bij eenigszins krachtigen wind onzeker en langzaam. De Raaf vliegt voor haar vermaak uren lang rond; de Ekster gebruikt hare vleugels alleen, als zij moet. Zij begeeft zich van den eenen boom naar den anderen of van den eenen struik naar den naastbijzijnden, nooit echter zonder noodzaak. Hare zintuigen zijn, naar het schijnt, even volkomen als die van de Raaf; ook door haar verstand staat zij volstrekt niet bij deze achter. Zij weet zeer goed ongevaarlijke menschen en dieren van gevaarlijke te onderscheiden: jegens menschen is zij steeds op haar hoede, jegens dieren, die zij niet behoeft te vreezen, driest en in sommige gevallen wreed. Gezellig van aard, evenals alle leden van haar familie, mengen de Eksters zich gaarne onder de Raven en Kraaien en zwerven ook wel met de Notenkrakers rond; zij vereenigen zich echter bij voorkeur met andere dieren van haar soort tot kleine of groote vluchten, welker leden gemeenschappelijk jagen en over 't algemeen innig deelnemen aan elkanders vreugde en leed. Gewoonlijk ziet men ze familiesgewijs. Haar heesche stem klinkt als "sjak" of "krak", welke beide klanken dikwijls verbonden worden tot "sjakerak". Deze geluiden dienen als loktoon en waarschuwingsroep; de intonatie verschilt, al naar de beteekenis, die er aan gehecht wordt. In de lente, vóór en gedurende den paartijd, babbelt zij uren achtereen en laat een verbazingwekkend aantal gelijksoortige en toch verschillende geluiden hooren. Te recht is haar gesnap spreekwoordelijk geworden.
Insekten en Wormen, Slakken, allerlei kleine Gewervelde Dieren, bessen, kersen en andere saprijke vruchten, graankorrels en allerlei zaden maken het voedsel van de Ekster uit. In de lente richt zij groote schade aan; daar zij de nesten van alle Vogels, die zich tegen haar niet kunnen verweren, zonder mededoogen uitplundert en een sterk bevolkten tuin in den letterlijken zin van 't woord uitmoordt. Ook de hoenderparken, eendenfokkerijen, fazantentuinen, de kweekerijen van pluimvee in 't algemeen, hebben veel van haar te lijden; zij vangt zelfs oude Vogels en doet dit, gelijk Naumann zegt, dikwijls geheel onverwachts; daar hare slachtoffers, omdat zij voortdurend met hen in gezelschap is, jegens haar geen argwaan toonen en zich dus, terwijl zij veilig meenen te zijn, door haar laten verschalken. Hoewel zij zich bovendien ijverig met de muizenjacht bezig houdt en vele schadelijke Insecten, Slakken en dergelijk ongedierte vangt en verslindt, moet zij zonder eenigen twijfel tot de schadelijke dieren gerekend worden, daar zij minder bij deze, dan bij de nuttige dieren haar roofzucht openbaart.
De Noren beweren, dat de Ekster op Kerstmis het eerste takje brengt naar de plaats, waar zij nestelen zal; bij ons en in Duitschland gebeurt dit gewoonlijk niet voor het einde van Februari. Zij nestelt veelal in de toppen van hooge boomen, alleen daar, waar zij zich volkomen veilig acht, in hakhout of lage struiken, b.v. in de groote doornstruiken van onze duinen. Dorre rijsjes en doornen vormen de grondlaag van haar nest; hierop volgt een dikke laag leem, dan eerst komt de eigenlijke nestholte, die uit haren van dieren en fijne wortelvezels bestaat en zeer zorgvuldig bewerkt is. Het geheele nest wordt van boven, op een zijdelingsche opening na, met een dak van doornen en droge rijsjes voorzien, dat wel doorzichtig is, maar den broedenden Vogel toch volkomen tegen mogelijke aanvallen van Roofvogels beveiligt. Het broedsel bestaat uit 7 of 8 eieren, die op groenachtigen grond met olijfbruine streepjes en vlekjes bedekt zijn. Na een bebroeding van drie weken komen de jongen uit; deze worden vervolgens door de beide ouders met Insecten, Regenwormen en slakken gevoederd, totdat zij zelfstandig zijn. Zoowel de vader als de moeder toonen veel liefde voor hun kroost en verlaten het nooit. Het is ons gebleken, dat een Ekster, waarop wij geschoten hadden, nog voortging met broeden met een hagelkorrel in zijn lichaam. Weinige Vogels naderen hun nest met grooter voorzichtigheid dan de Ekster, die alle mogelijke listen in toepassing brengt, om de plaats waar zij broedt, geheim te houden.
Jong uit het nest genomen Eksters worden buitengewoon tam, kunnen met vleesch, brood, gestremde melk, versche kaas gemakkelijk grootgebracht worden, geraken zoozeer gewoon aan de gevangenschap, dat men ze naar vrije verkiezing kan laten rondvliegen, laten zich tot het verrichten van kunstjes africhten, leeren liedjes fluiten en enkele woorden spreken en verschaffen hare verzorgers hierdoor veel genoegen, door haar zucht tot het wegnemen van schitterende voorwerpen trouwens ook last.
De mensch, die de kleine vogeltjes tracht te beschermen, wordt vroeger of later een beslist vijand van de Ekster en verdrijft haar zonder medelijden uit het aan zijn zorg toevertrouwde gebied. Door haar slimheid en sluwheid weet zij zelfs den geoefendsten jager in spanning te houden en hem te nopen van verstand en list gebruik te maken. Behalve den mensch, heeft deze schrandere en moedige Vogel waarschijnlijk alleen van de sterkste Roofvogels vervolgingen te verduren. Het meest heeft zij den Havik te vreezen, tegen wiens aanval alleen dicht struikgewas haar beveiligen kan.
De Blauwraven (Cyanocorax) behooren in Middel- en Zuid-Amerika thuis. Een van de meest verbreide soorten van dit geslacht is de Kapdragende Blauwraaf (Cyanocorax chrysops), zoo genaamd, omdat de opstaande, fluweelzwarte veeren van den bovenkop en den voorkop duidelijk te samen één geheel uitmaken en een soort van kap vormen. Bovendien hebben ook de teugels, de zijden van den hals, de keel en de voorhals tot aan de borst een koolzwarte kleur; de nek, de rug, de vleugels en de staartveeren (voor zoover deze niet door de vleugels bedekt worden) zijn ultramarijnblauw, aan den wortel zwart; de onderdeelen, van de borst tot aan de stuit, de onderdekveeren van den vleugel en de spits van den staart zijn geelachtig wit; boven en onder het oog komt een hemelsblauwe, breede, halvemaanvormige vlek voor; een dergelijke vlek versiert den wortel van den ondersnavel; de eerstgenoemde is van boven zilverkleurig gezoomd. De oogen zijn geel, de snavel en de pooten zwart. Deze 35 à 37 cM. lange Vogel (staartlengte 17 cM.), bewoont alle warme gewesten van Zuid-Amerika, van Paraguay af noordwaarts.
De Kitta's (Cissa) zijn slank gebouwde, voor 't meerendeel Indische Vogels, met schitterend gekleurde veeren. De Langstaartige Chineesche Kitta (Cissa erythrorhyncha), een der fraaiste soorten van dit geslacht, heeft een lengte van 58 cM., waarvan 42 cM. op den staart komen. De kop, de hals en de borst zijn, met uitzondering van een witte, overlangsche vlek, die zich over den kop en den rug uitstrekt en langzamerhand in blauw overgaat, donkerzwart; de rug en de mantel zijn licht kobaltblauw; de bovendekveeren van den staart hebben dezelfde kleur, maar zijn met een breede, zwarte spits voorzien; de onderdeelen, bij de borst te beginnen, zijn witachtig met een roodachtig aschkleurige tint, de vleugels schitterend kobaltblauw, de binnenvlag van de slagpennen echter zwart; alle vleugelveeren hebben witte spitsen. De oogen zijn karmijnroodbruin, de pooten bleek vermiljoenrood, de snavel is koraalrood.
De Langstaartige Chineesche Kitta komt voor in het westelijk gedeelte van den Himalaja. In China, vooral in de bosschen om Hongkong, wordt zij veelvuldig aangetroffen. In Oost-Indië (o.a. op Sumatra) ontmoet men een meer groenblauwe, langstaartige soort (Cissa venatoria). De Javaansche (Cissa thalassina) draagt, evenals de vorige, een kleine kuif op den kop, maar heeft een korteren staart. De Chineesche Kitta is een schrander, waakzaam dier, dat andere Vogels waarschuwt tegen loerende Roofdieren. Vooral den Luipaard volgt zij dikwijls mijlen ver en maakt, dat hem menige buit ontgaat. Als loktoon en waarschuwend sein laat zij een schel "pienk pienk pienk" hooren, dat door een luid gesnater wordt gevolgd. Haar voedsel bestaat uit Insecten en vruchten.
In China wordt deze soort soms in de kooi gehouden en met rauw vleesch, jonge of kleine Vogels, Insecten en dergelijke stoffen gevoederd. Van hier worden soms enkele van deze prachtige Vogels naar Europa overgebracht.
De Gaaien (Garrulus) onderscheiden zich van de tot dusver genoemde Raafvogels door den korten en stompen snavel, met of zonder haakvormig omgebogen spits aan de bovenkaak, door de zwakke pooten, de zeer korte, sterk afgeronde vleugels, den betrekkelijk langen, nagenoeg recht afgesneden of zwak trapvormigen staart en het goed gevulde, zachte, losbaardige, bontgekleurde vederenkleed.
Alle leden van deze onderfamilie leven veel meer op boomen en veel minder op den grond dan de Eigenlijke Raven. Hoogst zelden vereenigen zij zich tot talrijke vluchten; meestal vormen zij kleine troepen of familiën, die den geheelen dag in het bosch rondzwerven, van den eenen boom op den anderen overgaande. Wegens hunne korte vleugels is hun wijze van vliegen meer wankelend, minder vast dan die van de Raven; zij zijn niet in staat zich tot aanzienlijke hoogten te verheffen en denken er nooit aan zich, evenals de leden der vorige onderfamilie, met vliegoefeningen te vermaken. Ook op den bodem zijn zij niet goed thuis, hun gang is gewoonlijk een gebrekkig huppelen. In de boomkronen zijn zij op hun plaats; hier bewegen zij zich in meerdere of mindere mate behendig. Hunne zintuigen zijn ongeveer even volkomen als die der Raven; slechts bij uitzondering echter bereiken hunne verstandelijke vermogens den trap van ontwikkeling, waardoor de Raven zich over 't geheel genomen onderscheiden. Hun aard komt eenigermate overeen met dien van de Klauwieren; even wreed en roofgierig als deze, bezitten zij echter niet hun moed en evenmin de stoutmoedigheid der Raven. Hun voedsel ontleenen zij zoowel aan het plantenrijk als aan het dierenrijk. Gedurende een deel van 't jaar voeden zij zich bijna uitsluitend met vruchten, terwijl in een ander seizoen de nesten van allerlei Vogels door hen op de onmeedoogendste wijze geplunderd worden. Wegens deze eigenschappen zijn zij over 't algemeen niet bemind, hoewel zij door sommige begaafdheden, vooral door hun groote geschiktheid voor het nabootsen van verschillende stemmen, den mensch voor zich weten in te nemen.
Onze Vlaamsche Gaai, in Gelderland Eikelaakster, in Overijsel Merklouw, in Friesland Houtekster genoemd (Garrulus glandarius), kenmerkt zich door den korten, krachtigen, langs den rug weinig gebogen snavel, den middelmatig langen loop, de korte, sterk afgeronde vleugels, den middelmatig langen, zacht afgeronden staart en het zeer ruim voorziene, zachte, losbaardige, op den kop kuifvormig verlengde vederenkleed, welks fraaie, wijnroodachtig grijze hoofdkleur aan de bovendeelen donkerder, aan de onderdeelen lichter is; de witte veeren van de kuif zijn ieder op 't midden met een lancetvormige, zwarte, blauwachtig gerande vlek geteekend; de teugel is geelachtig wit met donkerder overlangsche strepen; de keelveeren zijn wit; een breede en lange baardstreep aan weerszijden en de schouderveeren zijn fluweelachtig zwart, de handpennen bruinzwart, aan de buitenzijde grijsachtig wit gezoomd; de witte wortelhelften van de (overigens fluweelachtig zwarte) armpennen vormen op den vleugel een spiegel, die dicht bij den wortel blauw geschubd is; de bovendekveeren van den vleugel hebben een zwarte binnenvlag en een hemelsblauwe buitenvlag; zij zijn met witte en zwarte dwarsstreepjes voorzien, waardoor een prachtig schild ontstaat; de staartpennen eindelijk zijn zwart, aan haar wortelhelft met meer of minder duidelijke, blauwe, dwarse teekening. De oogen zijn parelkleurig, de pooten bruinachtig vleeschrood; de snavel is, evenals bij alle overige inheemsche Raafvogels, zwart. Van de 34 cM. lengte komen 15 cM. op den staart.
In ons land is de Vlaamsche Gaai overal te vinden, waar bosschen zijn; zelfs bewoont hij het houtgewas om buitenplaatsen of groote tuinen. Men treft hem hier het geheele jaar door aan; reeds van verre verraadt hij zijn aanwezigheid door zijn schelle, krijschende stem. Hij bewoont alle bosschen van Europa, met uitzondering van die der noordelijkste gewesten. In Duitschland is hij algemeen, in de dichtste bosschen zoowel als in boschranden en in de door velden omgeven boschjes, in het naaldhout bijna even veelvuldig als in de breedbladige boomen. In 't voorjaar leeft hij paarsgewijs, gedurende de overige gedeelten van het jaar in familiën en troepen; hij zwerft door een beperkt gebied. Streken, waar geen eiken groeien, worden soms voor weken, ja zelfs voor maanden door hem verlaten; over 't algemeen echter blijft hij jaar in, jaar uit zijn woonplaats getrouw. Rusteloos, beweeglijk, listig, ja zelfs buitengewoon schuw van aard, verschaft hij den mensch door zijn werkzaamheid veel genoegen, maar ook veel ergernis. Hij neemt tot tijdverdrijf allerlei standen aan en bootst de meest verschillende geluiden voortreffelijk na. Zijne bewegingen te midden van de twijgen zijn zeer behendig; tamelijk goed weet hij zich op den grond te redden; het vliegen gaat hem niet goed af, hij ziet er daarom zeer tegen op over uitgestrekte, open terreinen te vliegen. Zoolang mogelijk houdt hij zich in de struiken op; bij het vliegen over vrije ruimten maakt hij gebruik van iederen boom om zich te dekken. Hij leeft in aanhoudende vrees voor Roofvogels, die hem alleen in 't woud niet kunnen bereiken, maar hem gedurende een eenigszins langduriger vlucht onmiddellijk pakken.
Hoogst vermakelijk is het waarlijk uitmuntende talent voor nabootsing van den Vlaamschen Gaai, die ongetwijfeld een der meest begaafde en onderhoudende, inheemsche "spotvogels" is. Zijn gewoon geschreeuw is een krijschend, afschuwelijk "retsj" of "rè", zijn angstroep een weinig minder onwelluidend "kè" of "krè". Soms schreeuwt hij als een Kat "miau"; volstrekt niet zelden zegt hij, wel eenigszins op de wijze van een buikspreker, maar toch volkomen duidelijk, het woord "markolf". Behalve deze klanken, die hem van nature eigen zijn, bootst hij alle tonen en geluiden na, die hij in zijn gebied kan hooren. Het op miauwen gelijkende geschreeuw van den Buizerd bootst hij op de meest volkomen wijze en zoo geregeld na, dat men in twijfel blijft verkeeren, of hij op deze wijze vreemde, dan wel eigen waren aan de markt brengt. Voor de eerstgenoemde meening pleiten verscheidene andere feiten van denzelfden aard. Men heeft hem het gedruisch, dat bij 't scherpen van een zaag ontstaat, hooren nadoen; Naumann hoorde een dezer Vogels onverbeterlijk hinniken als een veulen; andere hebben zich met goed gevolg geoefend in het kraaien als een haan en het kakelen als een hen. De verschillende, hier en daar afgeluisterde tonen worden soms tot een zonderling gesnap of gezang saamgevoegd, dat al of niet welluidend kan zijn. "In den herfst," verhaalt Rosenhein, "ging ik eens, vermoeid van de jacht, in het woud onder een hoogen berk zitten en dacht na over de gebeurtenissen van den dag. Hierin werd ik op een niet onaangename wijze gestoord door het gekweel van een Vogel. Zoo laat in 't jaar, dacht ik, en nog gezang in het reeds winterachtige woud? Wie en waar zou de zanger zijn? Ik keek naar alle naburige boomen, maar vond den virtuoos niet, wiens tonen toch nog altijd krachtig weerklonken. Hun groote overeenkomst met die van den Lijster brachten mij op het denkbeeld, dat deze mij zijn wijsje voorzong. Kort daarna vernam ik echter in kort afgebroken coupletten ook minder volle tonen dan die van den Lijster. Het was, alsof een onzichtbare kring van zangers mij omgaf. Ik hoorde n.l. volkomen duidelijk zoowel het gepik van den Specht als het gekras van de Ekster, iets later weerklonk de stem van de Klauwier, toen die van den Lijster, van den Spreeuw, ja zelfs van den Scharrelaar. Eindelijk zag ik op aanzienlijke hoogte boven mij--een Vlaamschen Gaai! Hij was het, aan wien ik al deze navolgingen te danken had."
Ongelukkig bezit de Vlaamsche Gaai andere eigenschappen, waardoor hij de gunst van den mensch, die hij door zijn talent verwerft, spoedig weer verliest. Hij is alleseter in de uitgestrekte beteekenis van het woord en de afschuwelijkste nestenroover, die onze bosschen bewoont. Alle levende wezens, die niet grooter zijn dan een Muis of een jong Vogeltje, brengt hij in gevaar; hij rooft ook eieren, zonder evenwel bessen en andere saprijke en droge vruchten te versmaden. In den herfst leveren eikels, beukenootjes en hazelnoten dikwijls weken achtereen de hoofdschotel van zijn maal. De eikels laat hij weeken in zijn krop, spuwt ze daarna uit en spalkt ze open; de hardschalige noten hamert hij met zijn krachtigen snavel stuk, hoewel dit niet zonder moeite geschiedt. Terwijl hij eikels plukt, verricht hij een nuttig werk, daar hij door het laten vallen van sommige dezer vruchten tot de verspreiding van den eik bijdraagt. Voor 't overige richt hij alleen schade aan.
Lenz houdt hem voor een hoofdverdelger van de Adder en beschrijft uitvoerig, hoe deze Vogel jonge Adders, zoo vaak hij ze ontmoet, zonder schroom den kop opensplijt en ze daarna met veel smaak opeet; zelfs de volwassene overmeestert hij, zonder zich aan hare vergiftige beten bloot te stellen, daar hij in den kop van den Slang zoo ijverig met den snavel pikt, dat het dier weldra het bewustzijn verliest en door eenige snel opeenvolgende pikken binnen weinige minuten gedood wordt. De genoemde onderzoeker schat den Vlaamschen Gaai wegens deze heldendaden hoog en heeft hem zelfs in een zeer aardig gedicht verheerlijkt: de roofzucht van onzen Vogel is echter niet alleen tegen het vergiftige gedierte, maar ook, en in nog veel hoogere mate, tegen de nuttige, kleine Vogels gericht. Door zijn roofzucht wordt hij gevaarlijk voor ouden en jongen. Naumann's broeder vond een Vlaamschen Gaai bezig met het dooden van een oude Zanglijster, de moeder van een talrijke kinderschaar, die haar leven, naar het scheen, gewaagd had bij het beschermen van haar kroost; dezelfde waarnemer zag later den Vlaamschen Gaai ijverig en behendig jacht maken op jonge Patrijzen. Trinthammer en A. von Homeijer veroordeelen den Vlaamschen Gaai even sterk, als Lenz hem prijst. "Wat doet deze dolende ridder," vraagt de eerstgenoemde, "deze doortrapte gauwdief, de keurigst opgeschikte vertegenwoordiger van de geheele galgenvogelbende, gedurende den geheelen broedtijd! Van boom tot boom, van struik tot struik zwervend, overrompelt hij de nesten, slurpt de eieren uit, verslindt de al of niet vederlooze nestvogels met huid en haar, pakt en verscheurt de reeds uitgevlogen geelsnavel, die, onbeholpen en onervaren, hem niet gauw genoeg uit den weg gaan. De Sperwer en de drie Klauwieren van onze wouden zijn ook wel booze rakkers; zij alle met elkander richten echter op lange na niet zulk een vernieling aan onder de zangers van het woud als de Vlaamsche Gaai. Hij is de "Negenmaal negen dooder", de "Wurger" in de eigenlijke beteekenis van het woord en als zoodanig versierd met vederpluim en epauletten. Waar deze struikroover de overhand neemt, kan er van toeneming van het aantal Zangvogels geen sprake meer zijn. Mijn beschuldiging is zeker niet te hard."
De broedtijd van den Vlaamschen Gaai valt in de eerste lentemaanden. In Maart begint het paar met den bouw van het nest; in het begin van April is het broedsel gewoonlijk voltallig. Het nest staat zelden hoog boven den grond, soms in den top van een lagen boom, soms in de kroon van een hoogeren, hetzij in 't midden van deze dicht bij den stam, of aan den buitenkant in de twijgen. Het is niet bijzonder groot; de onderste laag bestaat uit fijne, dunne rijsjes, de daarop volgende uit heide of dorre stengels van kruiden, de binnenbekleeding eindelijk uit fijne worteltjes, die zeer netjes gerangschikt zijn. De 5 à 9 eieren zijn op vuil geelwitten of groenachtig witten grond overal met grijsbruine vlekken en stippels geteekend, die aan het stompe einde gewoonlijk kranswijs bijeenstaan. Na een bebroeding van ongeveer 16 dagen verlaten de jongen de eischaal; zij worden aanvankelijk met rupsjes en andere larven, met Kevers, Wormen en dergelijke diertjes, later echter hoofdzakelijk met jonge Vogels gevoederd. Tenzij het paar gestoord wordt, broedt het slechts éénmaal per jaar.
Van oud gevangen Vlaamsche Gaaien beleeft men weinig genoegen, omdat zij zelden tam worden; jong uit het nest genomen exemplaren, die men zelf heeft grootgebracht, kunnen echter hun meester veel voldoening verschaffen. Ook zij leeren soms eenige woorden naspreken en dikwijls korte wijsjes nafluiten. Dat zij in een volière met andere zangvogeltjes niet geduld kunnen worden, spreekt van zelf, want hun roofzucht verloochent zich nooit.
Aan de noordelijke en oostelijke grenzen van het verbreidingsgebied van onzen Vlaamschen Gaai begint dat van den Ongeluksgaai (Garrulus infaustus). Van zijn zooeven beschreven stamgenoot onderscheidt hij zich vooral door den zeer slanken, langs den kinrand (de plaats van vereeniging der beide ondersnavelhelften) sterker gekromden snavel, voorts door den zeer korten loop, den eenigszins trapvormigen staart en het zeer zachte, losbaardige, op den kop niet verlengde vederenkleed. De veeren van bovenkop en nek zijn roetkleurig bruin, die van rug en mantel dof loodgrijs, die van den achterrug en den staartwortel vosrood; de slagpennen hebben een roetbruine binnenvlag, een bruinachtig grijze buitenvlag; de stuurpennen, met uitzondering van de beide middelste loodkleurig grijze, zijn helder vosrood. De oogen zijn donkerbruin, de snavel en de pooten zwart. Totale lichaamslengte 31, staartlengte 14 cM.
Het verbreidingsgebied van den Ongeluksgaai strekt zich uit van Finnmarken tot aan het eiland Sachalin en van de noordelijkste grens van den boomgroei tot 60° N.B., in Siberië waarschijnlijk nog wel iets verder zuidwaarts. Van hier uit bezoekt hij nu en dan lagere breedten en heeft zich bij deze gelegenheid herhaaldelijk ook in Duitschland vertoond.
Zijne bewegingen zijn zeer sierlijk; hij vliegt geheel anders dan onze Gaai, buitengewoon gemakkelijk en zacht, meestal glijdend; de roode veeren van vleugels en staart komen dan goed uit. Bij zijn beweging in de twijgen maakt hij telkens van de vleugels gebruik; hij doet dit zeer snel en behendig: soms klauterend met groote sprongen, soms letterlijk schuivend langs den tak. Om de omgeving te bespieden, hecht hij zich behendig op de wijze van de Spechten aan den stam, meestal echter niet evenwijdig aan de as van den boom, maar in schuinsche richting. De klagende geluiden, die hij soms voortbrengt, hebben aanleiding gegeven tot zijn naam.
Volgens het eenstemmig oordeel van alle onderzoekers is de Ongeluksgaai een zeer gemeenzame en nieuwsgierige Vogel, die zich, zooals Nilsson verhaalt, soms op den hoed van een houthakker neerzet, en die, naar Schrader bericht, met de Rendier-Lappen op den vertrouwelijksten voet verkeert en met hen of hunne kudden medegaat, als zij zich naar hunne rustplaatsen begeven. Zij weet echter zeer goed de voor haar onschadelijke herders te onderscheiden van de jagers. In den herfst en den winter vormen bessen en zaden, vooral die van de arve en andere naaldboomen, waarschijnlijk een hoofdbestanddeel van haar voedsel. Als de sneeuw zoo hoog ligt, dat zij de bessen voortbrengende struiken bedekt, neemt hij zijn toevlucht tot de kegels van de naaldboomen. Gedurende den broedtijd van de kleine Vogels wordt hij een even wreede nestenberoover als de Vlaamsche Gaai; hij verslindt alle volwassene Vogeltjes en kleine Zoogdieren, die hij krijgen kan, vergast zich op het te drogen hangende rendiervleesch of op de in strikken gevangen Ruigpoothoenders en versmaadt, naar men zegt, zelfs geen krengen.
Bewoners van de noordelijke helft van Amerika zijn de Blauwgaaien (Cyanocitta).
De meest bekende vertegenwoordiger van dit soorten-arme geslacht is de Kuifgaai (Cyanocitta cristata). De hoofdkleur van de bovendeelen is glanzig blauw; de staartveeren zijn door smalle, donkere banden en de vleugelveeren door enkele zwarte topvlekken geteekend; de uiteinden van de armpennen en van de groote dekveeren van den vleugel zijn echter, evenals de buitenste stuurpennen en de onderdeelen beneden de borst, wit of grijsachtig wit, de zijden van den kop lichtblauw; een ringvormige band, die van den achterkop over de oogen naar den bovenhals loopt en een smalle voorhoofdsstreep, die zich tot aan de oogen uitstrekt, zijn donkerzwart. De oogen zijn grijsachtig bruin, de snavel en de pooten zwartbruin. Totale lengte 28, staartlengte 13 cM.
Alle berichten stemmen hierin overeen, dat de Kuifgaai, de Blue Jay, zooals de Amerikanen hem noemen, een sieraad van de Noord-Amerikaansche wouden is. Toch heeft deze Vogel zich hier niet vele vrienden gemaakt. Hij is allerwege bekend en overal gemeen, in de meeste gewesten standvogel, alleen in de noordelijke staten zwerf- of trekvogel. Zijn levenswijze komt in vele opzichten met die van onzen Vlaamschen Gaai overeen. Hij geeft de voorkeur aan dichte en middelmatig hooge bosschen, zonder echter de hoogstammige wouden te mijden, komt af en toe in de vruchtentuinen, zwerft voortdurend van de eene plaats naar de andere, let op alle verschijnselen, waarschuwt door een luid geschreeuw andere Vogels en zelfs Zoogdieren, rooft naar verhouding van zijn grootte op zeer uitgebreide schaal allerlei dieren, kortom, hij is in alle opzichten een waardige plaatsvervanger van zijn bij ons levenden stamgenoot. Hij is dit ook, wat zijn talent van nabootsing betreft. Zijn stemgeluid is zeer verschillend al naar de aandoeningen, die hij te kennen wil geven: zacht, wanneer hij zijn wijfje liefkoost, piepend als het geluid voortgebracht door het wiel van een slecht gesmeerden kruiwagen, wanneer hij het wijfje roept. Hij maakt, als hij zijn stem laat hooren, allerlei zonderlinge gebaren, bootst de manieren en de geluiden van andere Vogels na, schreeuwt, wanneer hij een Valk ziet, als een Vogel die door een Valk gegrepen is. Hij is een groot vijand van de Uilen, die hij gedurende hun dagslaap zoolang verontrust, totdat zij wegvliegen.
Jong uit het nest genomen Kuifgaaien worden spoedig tam, maar moeten in een afzonderlijke kooi gehouden worden, daar zij andere Vogels bloedgierig overvallen en dooden. Een gevangen Kuifgaai, die met andere Vogels in een volière was opgesloten, doodde achtereenvolgens al zijne metgezellen. Oude Vogels van deze soort leeren zich eveneens gemakkelijk schikken in het verlies van hun vrijheid. In den laatsten tijd worden de Blauwe Gaaien dikwijls naar Europa overgebracht en zijn daarom bijna in iederen dierentuin te vinden. Tot dusver heeft nog niemand eenige Vogels van deze soort in onze bosschen laten vliegen. Zij zouden deze ongetwijfeld niet weinig opsieren; verdienstelijk voor de houtteelt zouden zij echter evenmin worden als hunne Europeesche verwanten.
Een van de fraaiste Europeesche Vogels--de Spaansche Blauwekster (Cyanopolius Cookii)--vertegenwoordigt het geslacht der Blauweksters, dat zich door zijn zwakkeren snavel en eigenaardige kleuren van de Eksters onderscheidt. De kop en het bovenste deel van den nek zijn fluweelachtig zwart, de rug en de mantel licht bruinachtig grijs, de keel en de wangen grijsachtig wit, de onderdeelen licht vaalgrijs, de vleugels en de staart licht blauwachtig grijs, de handpennen aan de buitenzijde wit gezoomd. De oogen zijn koffiebruin, de snavel en de pooten zwart. Totale lengte 36, staartlengte 21 cM.
Men ontmoet de Blauwekster in alle deel en van Zuid- en Middel-Spanje, waar de altijd groene Eiken samenhangende wouden vormen. Men kan zich haar bijna niet voorstellen zonder dezen boom, wiens dichte kroon haar bedekking en bescherming verleent, wiens donker lommer haar, ondanks haar prachtig gewaad, verbergt en aan het oog onttrekt. In Noordwest-Afrika, vooral in Marokko, ontmoet men haar eveneens; in Oost-Siberië wordt zij door een nauw verwante soort (Cyanopolius cyanus) vervangen. Overal, waar zij voorkomt, is zij veelvuldig. Zij leeft gezellig en vormt talrijke benden, maar mijdt de nabijheid van den mensch en komt daarom slechts bij uitzondering in de buurt van bewoonde gebouwen voor. Hare gewoonten gelijken veel op die van de Gewone Ekster; haar stem is echter geheel anders; deze klinkt ongeveer als "krrih" of "prrih", lang gerekt en afgebroken; haar gesnap ("klikklikklikkli") herinnert eenigszins aan het vroolijke geluid van den Groenen Specht.
De broedtijd begint eerst in het midden van de lente: in de omstreken van Madrid niet vóór het begin van Mei. Het nest gelijkt op dat van onzen Vlaamschen Gaai, nog meer op dat van een Klauwier. Het broedsel bestaat uit 5 à 9 eieren, op geelachtig grijzen grond geteekend met donkerder wegsmeltende vlekken, waarover olijfbruine stippels en vlekjes, die aan het dikkere einde soms kranswijs bijeenstaan, verstrooid zijn. Gevangen Blauweksters zijn zeldzame, maar allerliefste bewoners van onze volières, zij houden zich zeer goed en worden, bij vriendelijke behandeling, even tam als andere Raafvogels.
De Notenkraker (Nucifraga caryocatactes), is de eenige inheemsche vertegenwoordiger van het geslacht der Notenkrakers (Nucifraga), waarvan zes soorten over Noord-Europa, Noord- en Middel-Azië (tot Japan en het Himalaja-gebergte) en het westen van Noord-Amerika verbreid zijn. Dit geslacht kenmerkt zich door den kegelvormigen, gelijkmatig versmalden, in een wigvormige, horizontale spits uitloopenden snavel, die een weinig langer dan de kop en nagenoeg recht is. Bij onze soort is de hoofdkleur donkerbruin; met uitzondering van den kop en den nek, die ongevlekt zijn, hebben nagenoeg alle kleine veeren aan de spits een zuiver witte, langwerpig ronde vlek; de slagpennen en stuurpennen zijn glanzig zwart, de laatstgenoemde met witten top, de snavel en de pooten zwart. Totale lengte 36, staartlengte 12 cM.
De Notenkraker bezoekt ons vaderland gedurende den winter van sommige jaren (o. a. 1847, 1864, 1886-1889, 1893, 1895), terwijl hij in andere jaren hier in 't geheel niet wordt waargenomen. Standvogel is hij daarentegen o. a. in de Beiersche Alpen, in de Hartz en in het Reuzengebergte. Ook in Oost-Pruisen wordt hij gevonden. Veelvuldiger dan hier broedt hij in de Zwitsersche en Oostenrijksche Alpen, in Skandinavië en in de Russische Oostzeeprovinciën. De aaneengeschakelde naaldboombosschen van de Middel-Europeesche hooge bergstreken en de uitgestrekte naaldboomwouden van het noorden der Oude Wereld dienen hem tot woonplaats; zijn verbreiding staat in verband met die van den arve-den of Russische ceder (Pinus cembra), een naaldboom, die eetbare zaden levert; in oorden waar dit voedsel gevonden wordt, houdt de Notenkraker zich gedurende het geheele jaar op. In de genoemde gebergten van Middel-Europa komt hij even geregeld voor als in het hooge noorden, het veelvuldigst steeds daar, waar arven groeien. In de andere streken van Duitschland vindt men hem, evenals bij ons, gedurende de wintermaanden van sommige jaren allerwege; in den regel volgen hierop verscheidene jaren, waarin slechts enkele exemplaren zich vertoonen. Ook in het hooge Noorden strekken zijne zwerftochten in den herfst zich niet altijd even ver uit. Hier bezoekt hij de gewesten buiten zijn broedgebied wel geregelder, maar niet ieder jaar in gelijken getale; want alleen het mislukken van de arve-noten drijft hem van het noorden naar het zuiden of van het gebergte naar de vlakte.
De Notenkraker vertoont met den Vlaamschen Gaai niet veel meer overeenkomst dan met een Specht. Hij ziet er onbehendig, ja zelfs onbeholpen uit. Toch is hij een vlugge, wakkere Vogel, die zich op den bodem goed weet te redden en met zeer groote vaardigheid op de boomtakken en in de struiken rondhuppelt, of zich, evenals de Meezen, aan den stam hecht, zoodat men wel mag zeggen, dat hij in 't klimmen ervaren is. Evenals een Specht gaat hij aan stammen en takken hangen, om met zijn scherpen, beitelvormigen snavel in de schors te hakken, totdat er stukken van losraken en hij den hieronder verscholen buit bemachtigen kan. Hij vliegt zonder inspanning, maar tamelijk langzaam met sterk uitgebreide en snel bewogen vleugels. Zijn stem, een op grooten afstand hoorbaar gekrijsch, bestaat uit de klanken "krek krek krek", die in 't voorjaar dikwijls gevolgd worden door den vele malen herhaalden klank "körr." Wanneer men zich gedurende den broedtijd in de onmiddellijke nabijheid van den Vogel bevindt, hoort men van hem soms een eigenaardig, zacht, half ingehouden, aan buikspreken herinnerend gezang. De Notenkraker heeft, naar het schijnt, goed ontwikkelde zintuigen. Waarschijnlijk staat hij bij enkele leden van zijn familie achter, wat het verstand betreft; ten onrechte wordt hij echter voor dom gehouden. Zoodra de hazelnoten rijpen, verzamelen zich alle Notenkrakers uit de buurt op de plaatsen, waar hazelaars groeien. Na den morgen aan het zoeken van 't voedsel te hebben besteed, verdwijnen zij tegen den middag in het bosch, om laat in den namiddag weder in de struiken terug te keeren, hoewel in minder grooten getale dan 's morgens. In de morgenuren komt er aan hun geschreeuw en getwist geen einde. Ieder oogenblik komen eenige van deze Vogels op dit geschreeuw aanvliegen, terwijl andere, den rekbaren krop volgepropt met noten, zwaar beladen en met zichtbare inspanning zich naar het woud terug begeven om hunne schatten daar in voorraadschuren voor den winter te bewaren. In de bergstreken en de naaldhoutbosschen van het hooge noorden dienen dergelijke uitstapjes tot het verkrijgen van arve-noten. Behalve hazelnoten en arve-noten eet de Notenkraker eikels, beukels, zaden van dennen, zilversparren en sparren, graankorrels, lijsterbessen, hagedoornvruchten, rhamnusbessen, aardbeien, boschbessen en andere zaden en vruchten, allerlei Insecten, Wormen, Slakken, kleine Gewervelde Dieren van alle klassen, kortom hij is geen lekkerbek en lijdt daarom zelfs in den winter geen honger. Een tijdlang maakt hij gebruik van den opgespaarden voorraad; als deze uitgeput is, moet hij elders zijn dagelijksch brood ophalen, dan bezoekt hij de dorpen van het gebergte of verlaat tijdelijk zijn geboortegrond.
De ontoegankelijkheid van de oorden, waar de Notenkrakers nestelen, bemoeielijkt het nagaan van hun voortplanting. In de bergstreken van Middel-Europa is hun nest moeielijk te bereiken, nog veel bezwaarlijker gaat dit in hun eigenlijk vaderland, in de wouden van Noord-Europa: wildernissen, die zelfs in den zomer ternauwernood doordringbaar zijn en die derhalve in den voortplantingstijd van den Notenkraker nog veel minder goed bezocht kunnen worden. In gewone omstandigheden is het noodige aantal eieren (3 of 4) omstreeks het midden van Maart in het nest aanwezig, in het noorden misschien eerst in het begin van April. De eieren zijn langwerpig eirond, op lichtblauwachtig groenen grond met viooltjeskleurige, groenbruine en lederbruine vlekken geteekend, die over de geheele oppervlakte gelijkmatig verdeeld zijn en aan het stompe einde soms tot een krans ineenvloeien. Het wijfje broedt met veel zelfverloochening, zooals noodig is wegens het gure jaargetijde; het mannetje zorgt voor haar veiligheid en draagt haar voedsel toe; zij neemt dit gretig in ontvangst, waarbij zij uit vreugde de vleugels trillend beweegt.
Het is niet bijzonder moeielijk den Notenkraker gedurende zijne omzwervingen in den winter te vangen onder slagnetten of in knippen, die met een lokaas voorzien zijn. Spoedig geraakt hij aan de kooi en aan den gevangeniskost gewoon; hij neemt al wat eetbaar is, voor lief, hoewel hij aan vleesch boven al het overige voedsel de voorkeur geeft.
Raafvogels met een betrekkelijk korten, langs den rug sterk gebogen snavel worden in de onderfamilie der Staartkraaien (Dendrocittinae) vereenigd. Zij bewonen de wouden van de warme landen van de Oude Wereld, vooral van Zuid-Azië en komen over 't algemeen door hun levenswijze met onze Eksters en Gaaien overeen.
De meest bekende leden van deze groep zijn de Boomeksters (Dendrocitta), tamelijk groote Vogels met korten, zijdelings samengedrukten, sterk gebogen snavel, middelmatig krachtige of korte pooten, korte, sterk afgeronde vleugels en langen, wigvormigen staart, welks beide middelste veeren ver voorbij de overige uitsteken.
Een vertegenwoordiger van dit geslacht is de Zwerfekster, de Kotri der bewoners van Indië (Dendrocitta rufa). Zij heeft met den 26 cM. langen staart een lengte van 41 cM. De kop, de nek en de borst zijn roetkleurig of zwartachtig bruin, de onderdeelen beneden de borst roodachtig of vaal geelachtig, de schouderveeren, de rug en de bovendekveeren van den staart donkerroodachtig, de dekveeren van den vleugel en de buitenvlag van de armpennen lichtgrijs, bijna wit, de overige slagpennen zwart, de middelste stuurpennen aschgrauw met zwarte spitsen, de overige stuurpennen wit met zwarte eindhelft. De oogen zijn bloedrood, de pooten donker leikleurig, de snavel is zwart.
De Kotri is over geheel Indië verbreid en komt bovendien voor in Assam, Tenasserim, China en Kasjmir (in den Himalaja trouwens overal tot op 2000 M. hoogte). In al deze landen is zij veelvuldig, vooral in boschrijke vlakten.
In een vierde onderfamilie vereenigen wij de Steenkraaien (Pyrrhocoracinae), slank gebouwde, langvleugelige en kortstaartige Raafvogels met tamelijk zwakken, spits eindigenden en eenigszins gebogen, meestal levendig gekleurden snavel, sierlijk gekleurde pooten, betrekkelijk lange vleugels en iriseerende veeren.
De Roodsnavelige Steenkraai of Alpenkraai (Pyrrhocorax graculus), onderscheidt zich door zijn dunnen, tamelijk sterk gekromden bek, die langer is dan de kop en, evenals de middelmatig hooge, kortteenige pooten, een fraaie, koraalroode kleur heeft. De vleugels zijn lang en reiken in rust tot voorbij den staart. Het vederenkleed is effen zwart met groenen en violetten weerschijn. De oogen zijn donkerbruin. Totale lengte 40, staartlengte 15 cM.
De Europeesche Alpen in hun geheele uitgestrektheid, de Karpathen, de Balkan, de Pyreneën en bijna alle overige gebergten van Spanje, voorts eenige bergen van Engeland en alle gebergten van den Oeral en den Kaukasus tot aan de Chineesche landruggen en den Himalaja, bovendien de Kanarische eilanden, de Atlas en de hooge bergtoppen van Abessinië verschaffen een woonplaats aan dezen in alle opzichten aantrekkelijken en merkwaardigen Vogel. In de Zwitsersche Alpen is hij zeldzaam, in Spanje echter, op vele plaatsen althans, buitengewoon talrijk. Hij bewoont in Zwitserland alleen het eigenlijke hooggebergte, een gordel op korten afstand van de sneeuwgrens, en dwaalt dikwijls tot aan de hoogste toppen der Alpen af; in Spanje daarentegen ontmoet men hem reeds op rotswanden, die zich tot hoogstens 200 à 300 M. boven den zeespiegel verheffen. In de Rhetische gebergten nestelde hij nog voor 70 jaren in de klokkenstoelen en torendaken van nagenoeg alle hooggelegen bergdorpen, terwijl hij tegenwoordig, meestal tengevolge van de veranderingen, die de torens dezer dorpen ondergaan hebben, door den nood gedwongen, naar de wildernissen der rotsen teruggekeerd is. In den hoogsten gordel van het gebergte overwintert hij niet, maar begeeft zich in October naar lager gelegen rotswanden of zuidelijker gewesten. In dezen tijd vertoonen zich, naar men zegt, zwermen van 400 à 500 van deze Vogels bij de hospitiën, om echter weldra weer te verdwijnen.
Volgens ons oordeel herinnert de Alpenkraai sterk aan de Kauw; zij vliegt echter gemakkelijker en sierlijker, ook is zij schranderder en voorzichtiger dan deze. Als men geruimen tijd de Alpenkraaien nagaat, bemerkt men, dat zij met een zekere regelmatigheid op bepaalde plaatsen verschijnen en deze met dezelfde regelmatigheid weer verlaten. In de vroegste morgenuren vliegen zij uit om voedsel te zoeken en keeren omstreeks 9 uur des voormiddags naar hare woonplaatsen terug; zij houden zich hier slechts korten tijd op, gaan drinken en zoeken opnieuw voedsel, voordat zij naar haar rotswand terugkeeren. In de schaduwrijke rotsholen, waar zij zich gedurende de middaghitte verborgen houden, geven zij nauwkeurig acht op hetgeen er in haar onmiddellijke nabijheid voorvalt, en laten niets verdachts voorbijgaan, zonder het met luid geschreeuw te begroeten. Voorbijvliegende Arenden worden door de geheele bende over een zekeren afstand vervolgd en moedig aangevallen; er wordt echter wel degelijk onderscheid gemaakt tusschen de eene soort en de andere; voor den behendigen Havikarend zijn de schrandere Vogels zeer op hun hoede; zij verbergen zich zelfs voor hem nog dieper in hunne rotsholen, terwijl zij zich om den Lammergier volstrekt niet bekommeren. In de namiddaguren vliegen zij nogmaals om voedsel uit en keeren eerst, als de zon ondergaat, na nogmaals gedronken te hebben, naar de gemeenschappelijke woon- en slaapplaatsen terug.
Eigenaardig is het, dat de Alpenkraai slechts oorden van een bepaalde gesteldheid bewoont en in andere, die schijnbaar even gunstig gelegen zijn, ontbreekt.
Als men nagaat, welk voedsel de Alpenkraai hoofdzakelijk gebruikt, blijkt het, hoe behendig zij haar gekromden snavel weet te gebruiken. Zij eet namelijk meestal Insecten en slechts in enkele gevallen andere stoffen. Sprinkhanen en Spinachtigen, o.a. Scorpioenen, zijn in Spanje waarschijnlijk de hoofdbestanddeelen van haar maal; deze dieren weet zij zeer behendig te overmeesteren. Zij werpt met haar langen snavel steentjes om en pikt de daaronder verborgen dieren op; ook boort zij wel met haar snavel in den grond om Insecten te vangen, of steekt hem onder groote steenen, die te zwaar zijn om opgetild te worden, en zoekt op deze wijze haar lievelingsspijs.
De broedtijd valt in de eerste maanden van de lente. Volgens Girtanner bestaan de bovenbouw en de onderbouw van het nest uitsluitend uit dunne, naar boven steeds fijner wordende worteltjes, grootendeels van dezelfde plantensoort afkomstig; de nestholte evenwel is bekleed met een buitengewoon dichte en stevige, niet minder dan 6 cM. dikke laag vilt, welks grondstoffen aan nagenoeg alle Zoogdieren van het gebergte zijn ontleend. Vlokken schapenwol worden met haren van Geiten en Gemzen, groote bossen witte hazenharen met haren van Runderen zorgvuldig dooreengewerkt. "Op plaatsen, waar het nest onmiddellijk tegen de rots aanligt, is de viltwand tamelijk hoog bij het gesteente opgebouwd, om de moeder en de kinderen zooveel mogelijk tegen vochtigheid en koude te vrijwaren. De 4 of 5 eieren zijn op witachtigen of vuil grijsgelen grond met lichtbruine vlekken en stippels geteekend. Hoe lang het broeden duurt, is niet bekend. Waarschijnlijk broedt het wijfje alleen; aan den moeilijken arbeid van de voedering der jongen wijden echter de beide ouders zich onder groot geschreeuw en misbaar. Tegen het einde van Juni verlaten de jongen het nest; zij worden echter nog lang door hunne ouders geleid en onderricht.
Ook in den broedtijd bestaat er tusschen de Alpenkraaien van een gewest dezelfden innigen band als in de overige maanden van het jaar. Zij zijn gezellige Vogels in den volsten zin van het woord. Geheel zonder plagerijen verkeeren zij trouwens niet met elkander; ook is het zeer wel mogelijk, dat de leden van hetzelfde gezelschap elkander bestelen, zooveel zij kunnen en durven; dit is echter bij de Raafvogels niets vreemds; de goede verstandhouding wordt er in 't geheel niet door verstoord. In oogenblikken van gevaar staan de leden van den zwerm elkander trouw bij; elk hunner toont in sommige gevallen een werkelijk verheven moed. Zoo zagen wij, dat gezonde Alpenkraaien zich onder luid geschreeuw om gewonde leden van haar gezelschap heenbewogen en duidelijk de bedoeling te kennen gaven om hare in 't ongeluk verkeerende soortgenooten behulpzaam te zijn.
Hoewel alle Raafachtigen aantrekkelijke kooivogels zijn, is geen harer dit in die mate als de Alpenkraai. Zij wordt bij eenigszins zorgvuldige behandeling weldra buitengewoon tam en gemeenzaam. Zeer gehecht aan haar verzorger, luistert zij naar den naam, dien hij haar gegeven heeft en gehoorzaamt, als zij geroepen wordt. Men kan haar gerust toestaan zich naar eigen verkiezing in en buiten de kooi te bewegen. Bij doelmatige verzorging zal zij in een hiervoor geschikte kooi ook eieren leggen en uitbroeden. Haar sierlijke gedaante, de fraaie kleur van snavel en pooten, haar bevallige houding, levendigheid en bedrijvigheid, nieuwsgierigheid en leerlust, haar zelfbewustzijn, geschiktheid tot het aanleeren van kunstjes en nabootsingsvermogen zijn een onuitputtelijke bron van vermakelijke en leerzame waarnemingen. Mettertijd wordt zij een huisdier in de beste beteekenis van het woord, maakt onderscheid tusschen bekenden en vreemdelingen, tusschen volwassenen en kinderen, en toont belangstelling in alle gebeurtenissen, die in den huiselijken kring voorvallen; men zou bijna kunnen zeggen, dat zij medegevoel toont voor vreugde en droefheid; bovendien sluit zij vriendschap met andere huisdieren, doet langzamerhand een schat van ervaringen op, wordt steeds schranderder, hoewel tevens listiger en neemt om al deze redenen ten slotte een belangrijke plaats in onder de bewoners van het huis.
Het is niet moeielijk de Alpenkraai in 't leven te houden. Hoewel zij zich hoofdzakelijk met vleesch voedt, gebruikt zij bijna alle spijzen, die de mensch eet. Wittebrood is voor haar een lekkernij, versche kaas niet minder; kleine Gewervelde Dieren worden niet versmaad, hoewel het haar veel moeite kost een Muis of een vogeltje te dooden en te verscheuren. Zwakkere Vogels valt zij vol woede aan, maar ook Vogels van gelijke grootte, zooals Gaaien en Kauwen, worden door haar afschuwelijk mishandeld. Genegenheid toont zij alleen aan menschen.
De nauw verwante Geelsnavelige Steenkraai of Alpenkauw (Pyrrhocorax alpinus), verschilt van de Alpenkraai door haar kleed, dat eer op dat van een Merel dan op dat van een Kraai gelijkt, en door den snavel: deze is korter dan de kop, hoewel slank, toch dikker dan bij de vorige soort, heeft een gekromden rug, doch weinig gebogen zijranden en is geel van kleur. De oude vogels hebben fluweelachtig zwarte veeren en roode pooten, de jongen dofzwarte veeren en gele pooten. Beide soorten zijn nagenoeg gelijk van grootte; ook in levenswijze en gewoonten komen zij in hoofdzaken overeen.
"Evenals de Leeuwerik bij het korenveld, de Meeuwen bij de zee, de Gors en de Zwarte Roodstaart bij den stal en de weide, de Duif en de Musch bij de graanschuur, de Winterkoning bij de groene haag, de Mees en het Goudhaantje bij het jonge lorkenwoud, de Kwikstaart bij de beek, de Vink bij het beukenbosch, de Eekhoorn bij de met kegels beladen sparren behoort," zegt Tschudi, "zoo behoort bij de rotskammen onzer bergen de Alpenkraai. De reiziger of jager moge overigens in de bergen zoomin twee- als vierpootige bewoners vinden, een troep Steenkraaien, die twistend en schreeuwend op uitstekende rotspunten zitten, bij zijn nadering onder schel gefluit met weinige vleugelslagen opvliegen, met spiraalvormige zwenkingen omhoogstijgen, daarna wijde kringen om de rotsen beschrijven en zich weldra weer op een daarvan neerzetten, van waar zij den vreemdeling bespieden, vindt hij er ongetwijfeld altijd, hetzij op de weiden boven de grens van den boomgroei, òf op de doodsche, met rolsteenen bedekte hellingen der hooge Alpen, niet minder veelvuldig ook op de naakte rotsen bij en in de eeuwige sneeuw. Zelfs in het sneeuwveld, de "firnzee", die den hoogsten top van den Tödi, meer dan 3500 M. boven den zeespiegel, omgeeft, vond von Dürrler nog twee zulke Kraaien; ook Meyer ontmoette bij de bestijging van den Finsteraarhorn verscheidene exemplaren van deze diersoort op een hoogte van meer dan 4000 M. Zij komen dus op nog grooter hoogte voor dan de Sneeuwvinken en Sneeuwhoenderen; hier vervangt hun schel, eentonig geschreeuw het kwinkeleeren van den Alpen-bastaardnachtegaal en van den Citroenvink, dat den reiziger op een ongeveer 1000 M. geringere hoogte zoo vriendelijk begeleidde. En toch doet het dezen aangenaam aan, dat hij te midden van de eeuwigdurende ijs en sneeuw althans deze vlugge Vogels nog ziet rondzwerven en zich beijveren om met den snavel de in de "firn" gezakte Insecten op te sporen.
"Evenals bijna alle Alpendieren, worden ook de Alpenkauwen als weeraankondigers beschouwd. Hare dikwijls dicht bij elkander gelegen nesten worden in de spleten en holen van de moeielijkst toegankelijke bergtoppen gebouwd. Het van grashalmen vervaardigde nest is ondiep en groot; het bevat in den broedtijd vijf eieren, zoo groot als die van de Kraai, met donkergrijze vlekken op licht aschgrauwen grond. Sommige rotsholen worden door vele opeenvolgende geslachten van Alpenkauwen bewoond, die den bodem met een dikke laag drek bedekken."
"Deze Vogel," zegt Savi, "kan zeer gemakkelijk getemd worden en is innig gehecht aan zijn verzorger. Men kan hem jaren lang in 't leven houden en vrij laten loopen of vliegen. Hij springt op de tafel en eet vleesch, vruchten (vooral druiven, vijgen en kersen), zwart brood, droge kaas en eidooier. Hij houdt van melk en geeft soms aan wijn de voorkeur boven water. Evenals de Raven houdt hij de spijzen, die hij verscheuren wil, met de klauwen vast, verstopt het overige en bedekt het met papier, houtsplinters en dergelijke voorwerpen, blijft soms naast dezen voorraad staan en verdedigt hem tegen Honden en menschen. Hij heeft een merkwaardige liefhebberij voor vuur, trek dikwijls de brandende pit uit de lamp en slikt deze in, haalt 's winters gloeiende stukjes kool uit het haardvuur, zonder dat dit hem eenigszins schaadt. Hij vindt het zeer prettig den rook omhoog te zien stijgen; zoodra hij een test met vuur ziet, zoekt hij een stuk papier, linnen of hout, werpt dit er in en gaat er dan voor staan om naar den rook te kijken. Zou het niet kunnen zijn, dat deze Alpenkauw de "brandstichtende Vogel" (avis incendiaria) van de Ouden is?
"Als zij een Slang, een Kreeft of een dergelijk dier ziet, slaat zij met de vleugels en den staart en krast als een Raaf; als een vreemdeling in de kamer komt, schreeuwt zij, zoodat men er bijna doof van wordt; wanneer een bekende haar roept, snatert zij daarentegen zeer vriendelijk. Als zij stil zit, zingt zij wel eens; buiten de kooi fluit zij soms bijna al een Merel; zelfs kan men haar een kleinen marsch leeren fluiten. Als een harer vrienden na lange afwezigheid terugkeert, gaat zij hem met half geopende vleugels tegemoet, begroet hem met geschreeuw, vliegt hem op den arm en bekijkt hem van alle zijden. Als zij na zonsopgang de deur gesloten vindt, gaat zij naar de slaapkamer, roept eenige malen, gaat onbeweeglijk op het hoofdkussen zitten en wacht, tot haar vriend ontwaakt. Zoodra dit geschied is, heeft zij geen rust meer; zij schreeuwt zoo luid mogelijk, vliegt van de eene plaats naar de andere en toont op allerlei wijzen haar vreugde over het gezelschap van haar meester. Haar genegenheid wekt werkelijk verbazing; zij ontaardt echter niet in slaafsche onderworpenheid; de Alpenkauw laat zich niet gaarne in de hand nemen; er zijn altijd eenige personen, die zij niet lijden mag en met den snavel bedreigt."
De laatste onderfamilie van de Raafvogels omvat de Orgelvogels (Streperinae), die misschien een overgang vormen tot de familie der Klauwiervogels. Hunne kenmerken zijn: de langwerpig kegelvormige, aan den wortel breede, zijdelings samengedrukte snavel, welks rug op het voorhoofd in een breed, half cirkelvormig schild eindigt en van hier tot aan de haakvormig over den ondersnavel heengebogen spits nagenoeg recht is; de spleetvormige neusgaten zijn niet door borstelige veeren overdekt, zooals bij de echte Raafvogels steeds het geval is; de pooten zijn volkomen raafachtig, de vleugels lang en spits; de staart is middelmatig lang, recht afgesneden of flauw afgerond.
De Orgelvogels bewonen het Australische faunistische Rijk. Zij loopen buitengewoon goed op den grond en bewegen zich niet minder behendig in de twijgen; zij vliegen echter op onvaste wijze en niet zonder inspanning. Kleine dieren van verschillende klassen, vooral Sprinkhanen en kleine Gewervelde Dieren, voorts vruchten en zaden maken hun voedsel uit.
De Fluitvogel (Strepera tibicen), die in den laatsten tijd een bewoner van alle dierentuinen geworden is, komt in grootte nagenoeg met den Roek overeen. (Totale lengte 43, staartlengte 14 cM.) Zijn vederenkleed is grootendeels zwart; de nek, de benedenrug, de boven- en onderdekveeren van den staart en de voorste vleugeldekveeren zijn echter wit. De oogen zijn roodachtig nootbruin, de pooten zwart; de snavel is bruinachtig aschgrauw.
De Fluitvogel is, volgens Gould, vooral veelvuldig in Nieuw-Zuid-Wales, waar hij sterk in 't oog loopt en het land zeer tot sieraad strekt; overal, waar men hem niet vervolgt of verdrijft, bezoekt hij de tuinen der kolonisten en zelfs hunne woningen, als hij er heengelokt wordt; de hem verleende bescherming beantwoordt hij met een zeer groote gemeenzaamheid. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Sprinkhanen, die hij in ontelbare menigte verslindt.
Toen Gould in Australië reisde, waren gevangen Fluitvogels bij ons zeldzaam; tegenwoordig worden zij dikwijls levend naar Europa gebracht. Zij zijn zeer gezocht door vogelliefhebbers en mogen in geen dierentuin ontbreken. Reeds wanneer hij zich stil houdt, trekt deze Vogel de aandacht, voor iedereen aantrekkelijk wordt hij echter door zijn zonderling gezang. Iedere klank op zich zelf is vol en zuiver van toon, de eindstrophe echter is gewoonlijk meer een soort van gebrom dan gefluit. Deze Vogels kunnen wel muzikale geluiden voortbrengen, maar ze niet tot een lied samenvoegen; bovendien bederven zij vaak hun spel door allerlei kuren, die hen toevallig in den kop komen. Daar zij buitengewoon leerzaam zijn, nemen zij zonder moeite wijsjes over, zoowel van een Vogel als van een draaiorgel of ander muziekinstrument. Alle tamme Fluitvogels, die ik heb leeren kennen, mengden met hun gezang bekende wijzen, vooral straatdeuntjes, die zij, naar het schijnt, gedurende de overvaart van de matrozen afgeluisterd hadden. In den regel onthalen zij hunne bekenden op een lied en begroeten hunne vrienden met een zekere teederheid. Hun vriendschap kan men echter gemakkelijker verspelen dan winnen; zij zijn volgens mijne ervaringen zeer hartstochtelijk en oploopend, ja zelfs wraakzuchtig en verweren zich bij de geringste opwelling van toorn, dikwijls op gevoelige wijze met den snavel. Zij zetten dan hunne veeren op, breiden de vleugels en den staart uit en gaan als een booze Haan op den rustverstoorder af. Ook met hunne soortgenooten hebben zij dikwijls ruzie; andere Vogels vallen zij met moordzuchtige bedoelingen aan.
Het is niet moeilijk hen in de kooi in 't leven te houden. Hoewel zij dierlijk voedsel noodig hebben, nemen zij ook plantaardige stoffen voor lief. Vleesch, brood en vruchten maken het hoofdbestanddeel van hun voedsel uit. Voor weersveranderingen zijn zij niet bijzonder gevoelig; zonder gevaar kan men ze 's winters in de open lucht laten blijven.
De familie van de Klauwiervogels (Laniidae) is in bijna 300 soorten over de geheele wereld verbreid. Hare kenmerken zijn gelegen in den krachtigen zijdelings samengedrukten snavel, welks bovenste helft achter de haakvormig omgebogen spits aan weerszijden voorzien is met een inkerving en een daarachter voorkomend, hoekig uitsteeksel ("tand" genaamd),--in de korte, breede, afgeronde vleugels, welker derde of vierde handpen gewoonlijk alle overige slagpennen in lengte overtreft,--in den tamelijk of zeer langen, trapvormigen, uit twaalf pennen samengestelden staart. Het vederenkleed is goed gevuld, min of meer los en zacht, op aangename en afwisselende, bij sommige soorten echter op nagenoeg gelijke wijze geteekend.
De Klauwiervogels bewonen boschjes te midden van akkers en weiden, hagen en struiken op bouwland, tuinen en alleenstaande boomen, welker hoogste twijgspitsen hun gewone zitplaats zijn. De meeste, in 't noorden broedende soorten trekken geregeld naar 't zuiden en strekken hare reizen tot in Middel-Afrika uit. Door levenswijze en gewoonten herinneren de Klauwiervogels evenzeer aan Roofvogels als aan sommige Raafvogels. Ondanks hun geringe grootte, zijn zij zeer moedig, roofzuchtig en moordgierig. Zij onderscheiden zich niet door den omvang, maar wel door de menigvuldigheid hunner talenten. Ondanks hun slechte en onregelmatige wijze van vliegen en hun huppelenden gang, overvallen en vangen zij dikwijls Vogels, die behendiger zijn dan zij zelf. Hun eigen, eentonig gezang verbeteren zij aanmerkelijk, door op het lied van andere Vogels te letten en hieruit, blijkbaar met de grootste inspanning en nauwgezetheid, althans enkele strophen en tonen af te luisteren, die zij later, op zonderlinge wijze vereenigd en versmolten, weergeven. Enkele soorten zijn wegens deze gewoonte de vreugde en de trots van vele vogelliefhebbers.
De Klauwiervogels zijn eigenlijk insecteneters, de meeste soorten maken echter ook jacht op kleine Vogels, die hen meestal niet vreezen en met een ongerechtvaardigd vertrouwen vereeren en voor wie zij hierom des te gevaarlijker zijn. Rustig zitten zij eenige minuten te midden van andere Zangvogels, die geen argwaan koesteren voor de vreemdelingen, welke hen soms zelfs bij hun gezang begeleiden, maar zich later als Roofvogels gedragen, door onverwachts een van de naastbijzittende leden van het gezelschap aan te grijpen en te dooden. Zij hebben de vreemde gewoonte om den gevangen buit aan spitse doornen te steken. Op plaatsen, die door een paar van deze Vogels bewoond worden, zal men zelden tevergeefs zoeken naar Insecten, of zelfs vogeltjes en kleine Reptiliën, die zij op deze wijze voor later bewaard hebben. Deze gewoonte heeft aanleiding gegeven tot den naam van "Negendooder", dien het volk aan deze roovers heeft gegeven.
Hun nest is meestal met niet geringe kunstvaardigheid te midden van dichte twijgen of althans te midden van dicht bijeengroeiende takken gebouwd en gewoonlijk met groene plantendeelen versierd. Het wijfje broedt op 4 à 6 eieren en wordt intusschen door het mannetje van voedsel voorzien. De beide ouders wijden zich met teedere liefde aan de voedering van hun kroost, dat zij in tijd van gevaar met grooten moed verdedigen; de jongen blijven nog lang nadat zij het nest verlaten hebben, onder de hoede hunner ouders, die hen leiden en onderrichten en hen eerst laat in den herfst, waarschijnlijk niet vóór hun aankomst in de winterkwartieren, aan zich zelf overlaten.
De Europeesche Klauwiervogels behooren allen tot de onderfamilie van de Wurgers (Laniinae), welker vertegenwoordigers zich o.a. door de meerdere grootte van den tand aan den bovensnavel van hunne verwanten onderscheiden en tot het typische geslacht van de Klauwieren (Lanius), o.a. gekenmerkt door den zeer krachtigen snavel, de stevige pooten en de vleugels, welker spits gevormd wordt door de derde en de vierde handpen, die nagenoeg even lang zijn.
De grootste, inheemsche Klauwier is de Klapekster, Wachter, Blauwe Klauwier, Negendooder, Waldheer of Vinkenbijter, in Groningen Blauwe Tuinvalk, Kleine Valk, Grauwe Doorndraaier, in Friesland Tuinekster genoemd (Lanius excubitor); zij is 26 cM. lang, waarvan 12 cM. op den staart komen. De veeren van de bovendeelen zijn (op een lange, witte schoudervlek na) gelijkmatig licht aschgrauw, die van de onderdeelen zuiver wit; een breede, zwarte, wit gerande teugelstreep strekt zich tot achter de oogen uit. In den vleugel zijn de wortelhelft der handpennen, een plek aan den wortel der armpennen, de spits en de binnenvlag der schouderveeren wit; overigens zijn de slagpennen en hare bovendekveeren zwart. Zwart zijn ook de beide middelste staartveeren; bij de overige treedt deze kleur meer en meer op den achtergrond en wordt door zuiver wit vervangen; de op één na buitenste is, met uitzondering van een groote, zwarte vlek op het midden van de binnenvlag, en de buitenste, op een zwarte schaftstreep na, geheel wit. De oogen zijn bruin, de pooten loodkleurig grijs, de snavel is zwart. Het wijfje en de jongen onderscheiden zich door minder zuivere kleuren en flauw golvende, zwartachtige dwarslijnen aan de onderdeelen, die vooral op de borst duidelijk uitkomen.
Nevens de Klapekster komen in Europa verwante vormen voor, die soms als verscheidenheden van de genoemde soort worden beschouwd, maar, voor een deel althans, afzonderlijke soorten mogen heeten; zij onderscheiden zich door een iets geringere grootte en de meerdere of mindere uitgebreidheid van het wit aan de vleugels en den staart.
De Klapekster leeft in alle landen van Europa (misschien met uitzondering van het allerzuidelijkste gedeelte) en in een groot deel van Azië als stand- of zwerfvogel, in Noord-Afrika en Zuid-Azië als trekvogel. In ons land wordt zij nergens in groote getale aangetroffen. In Groningen, Gelderland en Noordbrabant heeft men haar zien broeden; in de overige provinciën wordt zij zeer zelden en alleen gedurende hare zwerftochten in het najaar waargenomen. Sommige overwinteren bij ons, de meeste verhuizen echter. In den winter komen zij gaarne in de nabijheid van dorpen, in den zomer bewonen zij paarsgewijs boschranden of afgezonderd in het vrije veld staande boomen. Boschjes, die door velden omgeven zijn, of boschranden, die aan weiland grenzen, zijn haar lievelingsverblijf; gewoonlijk vindt men hier hare nesten. Zij is, naar het schijnt, in het gebergte even veelvuldig als in de vlakte en ontbreekt slechts in de hoogste gedeelten der Alpen en in moerassige gewesten. Wie haar eens heeft leeren kennen, zal haar met geen harer inheemsche verwanten verwarren; zij onderscheidt zich van deze zoowel door haar aard als door haar grootte. Gewoonlijk ziet men haar tamelijk bewegingloos zitten op den hoogsten top van een boom of struik, die een ruim uitzicht veroorlooft, soms rechtop met recht afhangenden staart, soms met horizontaal gericht lichaam. Hare onverpoosd rondwarende blikken ontdekken iederen voorbijvliegenden Roofvogel, ieder op den bodem zich bewegend Insect, vogeltje of muisje. De groote Vogels, vooral de Valken, worden met geschreeuw begroet, moedig aangevallen en plagend vervolgd. Door haar geschreeuw waarschuwt zij alle overige Vogels voor het naderende gevaar en draagt daarom niet ten onrechte den naam van "Wachter".
Bij het zien van een klein dier, schiet zij naar beneden en tracht het te vatten; een vluchtende Muis loopt zij soms een eind weegs op den bodem na. Niet zelden blijft zij met snelle vleugelbeweging gedurende geruimen tijd op één plaats in de lucht staan, om bij het opmerken van een buit als een Valk naar beneden te schieten. In den winter zal men haar dikwijls te midden van de Musschen op een zonnig plekje zien zitten; plotseling pakt zij één van deze niets kwaads vermoedende Vogels van ter zijde aan, wurgt hem met de klauwen en doodt hem met den snavel, draagt haar prooi nu eens in den snavel, dan weer in de pooten naar een veilige plaats, waar zij haar dadelijk verscheurt of, als de honger niet groot is, voorloopig op doornen of spitse takken of ook wel op het uiteinde van een dunnen stok spietst. De door honger gekwelde Klapekster laat zich, hoe voorzichtig zij overigens is, door de aanwezigheid van menschen niet van haar roofgierig plan weerhouden en gedraagt zich met zulk een vermetelheid, dat men haar met de hand kan vangen. Indien zij even behendig was als moedig en driest, zou zij de vreeselijkste van alle roovers zijn. Hoewel hare aanslagen zeer dikwijls mislukken, is zij een hoogst gevaarlijke vijand voor alle zwakkere Vogels.
Van hare zintuigen zijn, naar het schijnt, vooral de oogen buitengewoon goed ontwikkeld; ook haar gehoor is voortreffelijk, zelfs een zeer zwak gedruisch trekt haar aandacht. Haar schranderheid blijkt duidelijk, nog meer echter haar hartstochtelijke aard. In de hoogste mate twistziek, vecht zij gaarne met andere Vogels, tracht iederen bezoeker uit haar gebied te verdrijven en toont zich tegen Roofvogels zeer vijandig gezind; vooral den Ooruil vervolgt zij met fellen haat.
Het gewone geschreeuw van de Klapekster, waarmede zij iedere aandoening, van vroolijken zoowel als van onaangenamen aard, te kennen geeft, is het dikwijls herhaalde "gè gè gè gè". Haar loktoon is het zachte "troe-u troe-u"; op mooie winterdagen, vooral bij 't naderen van de lente, hoort men van haar een echt gezang, dat uit verscheidene tonen bestaat; het is bij verschillende individuën ongelijk; dikwijls maakt het een zeer vreemdsoortigen indruk, daar het uit een nabootsing van de geluiden der in haar gebied wonende, kleine Zangvogels schijnt te bestaan. Dit aan allerlei bronnen ontleende gezang wordt niet alleen door het mannetje, maar ook door het wijfje voorgedragen. Soms verneemt men van beide een schel, piepend geluid, zooals dat van vogeltjes, die in groot gevaar verkeeren. Intusschen blijft de Klapekster rustig zitten; het is, alsof zij door hare klaagtonen nieuwsgierige Vogels tot zich wil lokken; het zou kunnen zijn, dat zij dit doet om op deze wijze een prooi te bemachtigen.
In April vangt de voortplantingstijd aan. Het paar kiest in boschranden, in boschjes te midden van het veld, in tuinen of plantsoenen een geschikten boom uit, bij voorkeur een hagedoornstruik of een wilden ooftboom; hier bouwt het van droge halmen, rijsjes en mos een tamelijk kunstig, betrekkelijk groot nest, welks half bolvormige holte met stroo en grashalmen, wol en haren dicht bekleed is. Het broedsel bestaat uit 4 à 7 eieren, die op groenachtig grijzen grond olijfbruin en aschgrauw gevlekt zijn en 15 dagen lang bebroed worden. In 't begin van Mei komen de jongen uit; de beide ouders voorzien hen met een menigte Kevers, Sprinkhanen en andere Insecten, later met vogeltjes en Muizen, verdedigen hun kroost zonder zich te bekommeren om het gevaar, dat zij zelf loopen; zij voederen dit ook nog lang na het uitvliegen; tot in het laatst van den herfst duurt hun zorg.
De Havik en de Sperwer, die in wreedheid voor de Klapekster niet onderdoen, zijn hare gevaarlijkste vijanden. Zij kent hen wel en neemt zich zooveel mogelijk voor hen in acht, hoewel zij het niet altijd laten kan hen te plagen en bij deze gelegenheid dikwijls den buit van de sterkere roovers wordt. Bovendien wordt zij door velerlei parasieten gekweld. De mensch vangt haar vóór de kraaienhut en met het slagnet. Op plaatsen, waar over een grooten afstand geen boomen groeien, kan men haar gemakkelijk vangen, door op een middelmatig hoogen paal een met lijmroeden voorzienen struik vast te binden; ook legt men wel lijmroeden op hare gewone zitplaatsen.
In de gevangenschap wordt de Klapekster weldra tam; dat zij haar verzorger goed heeft leeren onderscheiden, toont zij door het vroolijke geschreeuw, waarmede zij hem begroet; zij zingt haar grappig lied met tamelijk grooten ijver, maar houdt zich in de kooi niet zoo goed als hare verwanten. Vroeger werd zij, naar men zegt, voor de vogelvangst (voor het "vluchtbedrijf") afgericht. Beroemd was zij wegens haar onmisbaarheid bij de vangst van Valken; de valkeniers noemden haar "handwerk".
Zeer zelden ontmoet men in ons land den Kleinen Klauwier (Lanius minor): slechts éénmaal is zijn aanwezigheid goed geconstateerd, hoewel er meermalen sprake van is geweest. In Duitschland daarentegen vindt men hem in alle vlakke gewesten, waar bosschen met breedbladige boomen de overhand hebben. Hij is een van de fraaiste leden zijner familie. De veeren van de bovendeelen zijn licht aschgrauw, die van de onderdeelen wit, aan de borst als 't ware overtogen met een rozenrood waas; zwart zijn het voorhoofd en de teugels en het grootste gedeelte van de vleugels; een witte vlek strekt zich uit over de wortelhelft der negen eerste handpennen; de armpennen hebben een smallen, witten eindzoom.
De meest bekende, inheemsche Wurger is de Grauwe Klauwier, Schataakster, Steenekster of Negendooder, in Groningen Roode Tuinvalk, Vinkenbijter of Bruine Doorndraaier genoemd (Lanius collurio). De kop, de achterhals, de staartwortel en de bovendekveeren van den staart zijn licht aschgrauw, de overige bovendeelen fraai bruinrood. Een smalle voorhoofdsrand en een van boven en van onderen wit begrensde teugelstreep zijn zwart; de wangen, de kin, de keel en de benedendekveeren van den staart wit, de overige onderdeelen licht rozerood. De hand- en armpennen zijn bruinachtig grauwzwart, met smalle, lichtbruine kanten, de schouderveeren bijna geheel roestbruin; aan den wortel van iedere armpen bevindt zich een klein, lichtkleurig vlekje; deze vlekjes vormen, als de vleugel uitgespreid is, een duidelijk zichtbare streep. De middelste veeren van den staart zijn bruinzwart, de volgende aan den wortel wit en overigens zwart, de buitenste voor drie vierde gedeelte wit en slechts aan de spits zwart. De oogen zijn bruin, de pooten grauwzwart; de snavel is zwart. Het wijfje is van boven roestgrauw; de onderdeelen zijn op witachtigen grond met bruine golflijnen geteekend. Totale lengte 18, staartlengte 7 cM.
Van alle inheemsche Klauwieren heeft de Grauwe het uitgestrektste verbreidingsgebied. Hij bewoont bijna geheel Europa, van Finland en Rusland tot het zuiden van Frankrijk en Griekenland, bovendien Siberië voor zoover het tot de gematigde luchtstreek behoort. In Spanje broedt hij alleen in de noordwestelijke districten, in Griekenland alleen in de hoogste gebergten. Op zijn winterreis doorkruist hij geheel Afrika. Bij ons vindt men hem broedend in droge streken van de grensprovinciën en langs den duinkant; in Friesland o. a. in de woudstreken, b.v. in het bosch te Kuikhorne (Albarda). Hij komt hier in April, houdt verblijf op boomen en doornstruiken, vooral van boschzoomen, doch ook in groote boomgaarden, en vertrekt weder in September. Dicht struikgewas is, naar het schijnt, onmisbaar voor zijn welvaren. Als men deze struiken uitroeit, verlaat de Grauwe Klauwier de streek, zelfs wanneer hij er vroeger veelvuldig voorkwam. Hij is echter spoedig tevreden, want reeds een enkele dichte struik te midden van het veld bevredigt hem volkomen. Het paar nestelt dan vele jaren achtereen altijd op dezelfde plaats en verdedigt het nest hardnekkig tegen iederen Vogel, vooral tegen een tweede paar Vogels van zijn soort.
Ook de Grauwe Klauwier is een drieste, moedige, wakkere, onrustige Vogel. Zelfs wanneer hij zit, draait hij den kop voortdurend naar alle zijden en wipt intusschen den staart op en neer. Op deze wijze laat hij van de hoogste toppen van struiken en boomen zijne blikken zwerven over zijn jachtgebied; na elk uitstapje keert hij naar deze uitkijkplaatsen terug. Als hij opgejaagd wordt, laat hij zich vallen tot dicht bij den bodem en schiet er op korten afstand bij langs, om eerst, als hij wil gaan zitten, weer omhoog te stijgen. Ook hij vliegt niet graag lang achtereen; liefst rust hij op elke geschikte zitplaats even uit en gaat daarna eerst verder. Zijn loktoon is een tamelijk duidelijk hoorbaar "gek gek gek" of een moeielijk te omschrijven "see" of "grè". Deze beide geluiden worden op verschillende wijzen geïntoneerd en geven soms vreugde, soms angst te kennen. Dergelijke tonen dienen tot het waarschuwen van de onervaren jongen. Van enkele mannetjes hoort men bijna geen andere geluiden, terwijl andere uitmuntende zangers zijn. Ook de Grauwe Klauwier heeft een waarlijk verrassend talent voor het nabootsen van de stem van andere Vogels. "Eens," zegt mijn vader, "heb ik dezen Vogel bewonderenswaardig fraai hooren zingen. Een mannetje, dat geen wijfje bij zich had, zat in den top van een struik en zong geruimen tijd achtereen op uiterst aangename wijze. Het droeg strophen uit het gezang van den Veld- en den Boomleeuwerik, van de Grasmusch en andere Zangers voor. De melodiën van de drie eerstgenoemde Zangers werden dikwijls herhaald; zij waren zoo vol van toon en dooreengemengd, dat zij een buitengewoon liefelijk geheel vormden."
Hoe ouder een mannetje wordt, des te grooter is zijn muzikaal talent. "Zoo één Vogel den naam Spotvogel verdient," schrijft Graaf Gourcy, "dan is het deze. Voor zoover ik kon nagaan, hebben de Klauwieren, behalve eenige heesche tonen, geen eigen gezang; daarom zingen de Grauwe Klauwieren, die in den kooi zijn grootgebracht, tamelijk slecht, wanneer zij niet te midden van andere, goed zingende Vogels opgroeien. Die, welke in volwassen toestand gevangen zijn, worden niet dadelijk tam; zijn zij het echter eenmaal en werden zij gevangen op een plaats, waar geen andere, dan goed zingende Vogels in hun nabijheid voorkwamen, dan kan men geen aangenamer zanger in de kamer hebben dan deze Klauwier; met steeds vernieuwden ijver hoort men hem in bonte afwisseling de gezangen van de hem bekende Vogels, die hij merkwaardig getrouw nabootst, voordragen. Wel is het jammer, dat hij bijna elk zijner fraaie liederen door toevoeging van eenige wanklanken ontsiert! Vooral het geschreeuw van de Pad wordt door bijna alle Grauwe Klauwieren nagebootst. Het exemplaar dat ik bezit, is een uitmuntende Vogel, die op een verrukkelijke schoone wijze en volkomen nauwkeurig den zang van Nachtegaal, Leeuwerik, Boerenzwaluw, Gestreepte Grasmusch, Zwartkop en Geelgors, de stem van de Merel en van den Patrijs nabootst en zoo fijn met elkander verbindt, dat men volstrekt geen overgang bemerkt. Bovendien blaft hij als een Hond. Hij zong soms in September en begon reeds den 16en November weer."
Ongelukkig maakt deze wegens zijn opgewektheid en zangerstalend beminde Vogel door andere eigenschappen zich zeer gehaat. Hij is een van de afschuwelijkste vijanden van de kleine Zangvogels. Wel is waar maken Insecten zijn voornaamste voedsel uit; vooral Kevers, Sprinkhanen en Vlinders, ook wel Rupsen, worden ijverig door hem vervolgd en zelfs dan nog gedood, als hij reeds verzadigd is; hij maakt echter ook jacht op alle kleine Gewervelde dieren, die hij op de eene of andere wijze overmeesteren kan, vangt Muizen, Vogels, Hagedissen en Kikvorschen, en richt vooral onder de bevederde zangers van onze tuinen en boschjes een groote slachting aan. Op plaatsen, waar een paar Grauwe Klauwieren zich gevestigd heeft, verdwijnen langzamerhand alle kleine Grasmusschen, Hofzangers en Boschzangers, ja zelfs de in holen broedende Zangvogels. Zij verlaten de streek, waar zij voortdurend in gevaar verkeeren, of worden door den Klauwier gepakt en opgegeten. Deze weet de nesten zeer knap op te sporen en haalt, als hij er een gevonden heeft, hieruit het eene jong na het andere weg. Naumann heeft opgemerkt, dat de Negendooder jonge Grasmusschen, Gele Kwikstaarten, Graspiepers en Boompiepers doodde en voortsleepte, dat hij de in strikken gevangen Vogels begon te verslinden, dat hij Vinken uit een kooi trachtte te halen enz. Andere onderzoekers hebben soortgelijke ervaringen opgedaan. "Ik heb," zegt Lenz, "reeds eenige malen de volgende proeven genomen: 1) In een grooten, met een dikke doornheg omgeven tuin schoot ik eenige jaren achtereen iederen Klauwier dood, zoodra hij zich er vestigde. Toen konden de nuttige vogeltjes in de door mij opgehangen broedkastjes en in de door hen zelf gebouwde nesten broeden; zij roeiden het ongedierte uit en ik kreeg een groote hoeveelheid ooft. 2) In een op dezelfde wijze ingerichten tuin liet ik de Klauwieren ongehinderd hun gang gaan. Deze tuin werd verlaten door alle andere vogeltjes, zelfs door die, welke gewoon waren in de hier hangende broedkastjes te nestelen; mijne boomen werden op eene bedroevende wijze kaalgevreten door de rupsen en ik kreeg in 't geheel geen ooft. 3) In den nog grooteren tuin van een mijner buren beschermde ik de Klauwieren in een hoek, waar een groote doornstruik stond. Daarentegen vernielde ik ieder ander Klauwierennest, dat in dezen tuin gebouwd werd en schoot de oude Vogels dood. Weldra bleek het, dat in de nabijheid van den bedoelden hoek alle vruchtboomen kaalgevreten werden en geen vruchten droegen, terwijl zij op andere plaatsen zich welig ontwikkelden."
Meer nog dan andere soorten van zijn familie heeft de Grauwe Klauwier de gewoonte om elken buit, dien hij vangt, op een doorn of anderen scherpen tak te spietsen, voordat hij hem verslindt. "Op deze wijze," zegt Naumann, "vergaart hij, na zich verzadigd te hebben, voedsel voor een volgend maal, om het achtereenvolgens te gebruiken, zoodra de honger hem opnieuw kwelt. Bij mooi weder vindt men bijna niet anders dan Kevers en andere Insecten en kleine Kikvorschen, bij koud, stormachtig weer daarentegen dikwijls geheele broedsels van jonge Vogels aan doornen gestoken; dikwijls heb ik daarbij Grasmusschen en Zwaluwen gevonden, die het nest reeds verlaten hadden en reeds vliegen konden. Hersenen zijn, naar het schijnt, voor den Klauwier een lekkernij; van de meeste Vogels die ik opgeprikt vond, had hij voorloopig alleen de hersenen verslonden. Als men den Klauwier bij zijn maal stoort, vlucht hij met achterlating van zijn geheelen voorraad, die dan verdroogt. De kleine Kikvorschen, die men er zeer dikwijls onder aantreft, zijn zonderlingerwijze alle in den bek gespietst."
Wanneer het paartje bij zijne werkzaamheden niet gehinderd wordt, broedt het slechts éénmaal per jaar. Het nest is altijd in dicht struikgewas, bij voorkeur in doornstruiken gebouwd, van buiten van stevige wortelstokken en halmen van grassen, mos en dergelijke materialen vervaardigd, verder binnenwaarts afgewerkt met fijnere bouwstoffen van dezelfde soort, die zorgvuldig bijeengelegd en door elkander gevlochten zijn. De nestholte is gevoerd met zachte grashalmen en fijne worteltjes. Het wijfje broedt op 5 of 6 eieren, die, wat grootte en kleur betreft, verschillen kunnen. Zij zijn langwerpig, soms eenigszins buikig of zelfs rondachtig, op geelachtigen, groenachtig grijsgelen, lichtgelen of vleeschroodachtig gelen grond met aschgrauwe, olijfbruine, bloedroode en roodbruine vlekken geteekend. Het broedende wijfje blijft zoo standvastig op de eieren zitten, dat men het lijmroeden op den rug leggen en op deze wijze vangen kan. De jongen worden door de beide ouders gevoederd; deze zijn buitengewoon gehecht aan hun kroost en verdedigen het met moed.
In de gevangenschap blijft de Grauwe Klauwier slechts bij zeer goede verpleging verscheidene jaren in 't leven. In gezelschap van andere Vogels kan men hem evenmin brengen als eenig ander lid van zijn familie; in de volière valt hij Vogels aan, die dubbel zoo groot zijn als hij; zelfs Lijsters en Spreeuwen, die zich zoo goed mogelijk trachten te verweren, worden langzamerhand door hem doodgeplaagd. Naumann's vader hield soms verscheidene Grauwe Klauwieren in een klein tuinhuisje, waarin hij een kleine galg, d. w. z. een met puntige naalden en spijkers voorzien dwarshout, aangebracht had. Musschen en andere Vogels, die hij met de Klauwieren opsloot, werden door deze zeer spoedig gevangen, daarna steeds aan de spijkers gestoken en afgeplozen. Ten slotte hing de geheele galg vol geraamten.
De vierde inheemsche soort van Wurgers--de Roodkoppige Klauwier (Lanius senator),--wordt 19 cM. lang (staartlengte 8 cM.) en overtreft dus onzen Gewonen Leeuwerik in dit opzicht. Bij het mannetje zijn de voorkop, een breede teugelstreep, de mantel, de vleugels en de staart zwart, de bovenkop en de nek roestroodbruin; wit zijn een vlek aan de zijden van het voorhoofd, een vlekje achter het oog, de schouder, de staartwortel en de bovendekveeren van den staart, alle onderdeelen, het wortelgedeelte der handpennen, het topgedeelte der armpennen en der handdekveeren, het onderste derde gedeelte en de spits van de vier buitenste paren staartpennen.
In Nederland werd deze soort slechts enkele malen (in de provinciën Gelderland, Noordbrabant en Noord-Holland) broedend aangetroffen. Zij vertoeft bij ons van April tot September, bewoont bij voorkeur boschzoomen, heggen en boomgaarden en houdt zich minder dan de Klapekster in hoog geboomte op. Zij nestelt op middelmatig hooge boomen en legt 5 of 6 groenachtig witte eieren, waarop zich blauwgrijze stipjes en (meestal alleen aan het dikke einde) olijfbruine vlekken vertoonen.
In Duitschland komt de Roodkoppige Klauwier in eenige gewesten (o.a. in Thuringen, het Rijndal, de Mark, Meckelenburg, Holstein) in geringen getale, in het zuidwesten daarentegen veelvuldig voor; in de andere Duitsche landen en provinciën ontbreekt hij geheel. In Zuid-Europa, vooral in Spanje en Griekenland, voorts in Klein-Azië, Syrië en Palestina, is hij de algemeenste van alle Wurgers. Zijn winterreis strekt hij uit tot in de groote wouden van Middel-Afrika; hier is hij gedurende den regentijd en kort daarna buitengewoon veelvuldig.
In Griekenland, maar veel meer nog in Egypte en Nubië, vindt men, nevens de genoemde, een andere soort van hetzelfde geslacht, de Maskerklauwier (Lanius nubicus). De bovendeelen, de teugels, de vleugels en de staart zijn blauwachtig zwart, de onderdeelen roestgeelachtig, de zijden roestroodachtig; wit zijn het voorhoofd en een wenkbrauwstreep, de schouders, de keel en de staartwortel, het wortelgedeelte der handpennen, een smalle eindzoom van armpennen en van de kleine dekveeren van de hand; de zes middelste staartpennen zijn geheel zwart, de buitenste zuiver wit met zwarte schaft, de overige wit en zwart. Totale lengte 16, staartlengte 8 cM.
Een andere Afrikaansche Klauwier is de Fiskaal (Lanius collaris); door de voorouders van de Hollandsche bewoners van Kaapland werd deze Vogel, die tot in de tuinen van Kaapstad aangetroffen wordt, zoo genoemd, omdat hij met zijne patiënten even kort proces maakte, als hun fiskaal deed, ofschoon deze niet tevens, zooals de bedoelde Vogel, de functiën van beul waarnam. In moordzucht doet hij voor geen zijner verwanten onder. Zijn kop is, met uitzondering van de keel, tot over den mantel bruinzwart. Zijn verbreidingsgebied strekt zich tot Abessinië uit.
In Afrika, Indië en Australië leeft de soortenrijke onderfamilie van de Struikwurgers (Malaconotinae), gekenmerkt door den slanken snavel, die een korten haak en een onduidelijken tand heeft, de tamelijk zwakke pooten, middelmatig lange vleugels, den korten, nagenoeg niet trapvormigen staart en de zeer overvloedige, vooral op den staartwortel sterk ontwikkelde, dikwijls prachtig gekleurde bevedering.
Bij de Tsjagra (Malaconotus erythropterus), zijn de veeren van den bovenrug bruinachtig grijs, die van de onderdeelen licht aschgrauw; een breede streep, die, aan het voorhoofd beginnend, zich over 't midden van den geheelen kop uitstrekt, en een tweede, smalle streep, die door het oog gericht is, zijn zwart; tusschen deze beide bevindt zich een van voren witte, van achteren meer lichtgele band; de buitenvlag van de slagpennen is grijs met breeden, roestbruinen zoom; in den toestand van rust treedt de laatstgenoemde kleur op den voorgrond; hieraan dankt deze Vogel zijn wetenschappelijken soortnaam. De oogen zijn roodbruin, de pooten loodkleurig grijs met groenachtigen weerschijn; de snavel is zwart. Totale lengte 21, staartlengte 9 cM.
Het verbreidingsgebied van de Tsjagra omvat geheel Afrika, het uiterste noordwesten alleen uitgezonderd. In de gebergten van Abessinië komt zij nog voor op een hoogte van ongeveer 2000 M. Hare gewoonten verschillen aanmerkelijk van die harer verwanten. Zij houdt zich uitsluitend op in de dichtste struiken, kort boven den grond, maar niet boven in de boomkronen, ofschoon zij bij felle vervolging hier een schuilplaats zoekt. Op den vlakken grond pleegt zij hare rooverijen. Hier beweegt zij zich met een behendigheid, die men bij geen tweeden Wurger aantreft. Ook deze Vogels leven paarsgewijs of afzonderlijk en vereenigen zich eerst na den broedtijd tot kleine gezelschappen, waarschijnlijk familiën.
Bij den Karmijnwurger (Malaconotus erythrogaster) is de bovenzijde glanzig zwart, de onderzijde, met uitzondering van den lederkleurigen stuit, prachtig karmozijnrood, het oog geel, de snavel zwart, de poot loodkleurig. Totale lengte ongeveer 23, staartlengte 10 cM.
Bij den Fluitwurger (Malaconotus aethiopicus) zijn de bovendeelen, met uitzondering van een witte streep over de vleugels, zwart, de onderdeelen zuiver wit met rozeroode tint, de oogen roodbruin, de pooten blauwachtig grijs; de snavel is zwart. Totale lengte 35, staartlengte 9 cM.
De Karmijnwurger komt voor in het geheele oosten van Middel-Afrika, hoewel meer in de oerwouden van de vlakten dan in het gebergte. Hij is een sieraad van de bosschen. Zijn hoogroode borst is reeds op een afstand zichtbaar te midden van het dichte groen der weelderig bebladerde boomen; hij is niet slechts fraai van kleur, maar ook vlug van beweging en met een fraaie stem begaafd. In het gebergte wordt hij, naar het geluid te oordeelen, vervangen door den Fluitwurger, die nog op hoogten van 2000 à 3000 M. voorkomt. De leden van beide soorten leven altijd paarsgewijs. In oorden, die voor hen geschikt zijn, komen zij zeer veelvuldig voor; het eene paar woont er naast het andere; hun schel gefluit, dat men in 't eerst verrukkelijk vindt, hoort men er zoo vaak, dat het bijna een kwelling wordt. Elk paar moet leven van de opbrengst der jacht in een klein gebied, welks middellijn misschien 150 schreden bedraagt; het stelt zich tegen iederen indringer te weer en moet dit wel doen uit zucht tot zelfbehoud; daar wegens de veelvuldigheid dezer Vogels iedere geschikte plaats bezet is. In den regel hoort men de Fluitwurgers veel eerder dan men hen ziet; want hun liefste verblijfplaats is het dichtste struikgewas; zij vliegen alleen dan naar hooge boomen, als deze een gesloten kroon hebben en dus een uitmuntende dekking opleveren. Hoewel zij op dicht bebladerde takken verblijf houden, zijn zij hier eigenlijk niet verborgen; want hunne in 't oog vallende kleuren schemeren toch nog door het dichte gebladerte heen; wanneer zij niet meer zichtbaar zijn, wordt hun aanwezigheid weldra verraden door hun stem. Deze is het meest opmerkelijke verschijnsel in hun levenswijze. Een eigenlijk lied brengen zij niet voort, maar slechts enkele tonen, die door volheid van klank uitmunten en zeer dikwijls herhaald worden. Het geluid van den Karmijnwurger gelijkt op het (als 't ware ingezogen) fluiten van onzen Wielewaal; de roepstem van den Fluitwurger bestaat uit drie (zeldzamer twee) volkomen zuivere klanken. Op den eersten (middelmatig hoogen toon) volgt een lageren en daarna een aanzienlijk hoogeren. De afstand tusschen de beide eerste bedraagt ongeveer een terts, die van de beide laatste een octaaf. Deze drie tonen worden, evenals het gefluit van den Karmijnwurger, alleen door het mannetje voortgebracht; onmiddellijk daarna antwoordt het wijfje met een onaangenaam gekrijsch of gekras, dat moeielijk nagebootst en nog moeielijker beschreven kan worden. Als men het wijfje door een schot uit den boom laat tuimelen, houdt het gekrijsch natuurlijk terstond op; het mannetje herhaalt dan angstig verscheidene malen zijn gefluit. Als het mannetje gedood wordt, krijscht of krast het wijfje. Het bespieden en beluisteren dezer Vogels verschaft den waarnemer in den beginne veel genoegen; hij krijgt echter weldra zijn bekomst van deze geluiden en vindt ze ten slotte, wegens hun regelmatigheid en onveranderlijke gelijkheid, onuitstaanbaar vervelend.
In Australië treft men eenige soorten van Struikwurgers aan, die door voorkomen, kleur en levenswijze eenigszins aan de Meezen doen denken en te zamen het geslacht der Valksnavelwurgers (Falcunculus) vormen, dat zich onderscheidt door den zeer stevigen, korten, samengedrukten en van een grooten haak voorzienen snavel, door een kleine kuif op het voorhoofd en door den staart, die niet langer is dan de romp.
De Gewone Valksnavelwurger (Falcunculus frontatus) is een krachtig gebouwde, fraai geteekende Vogel, iets grooter dan onze Musch (totale lengte 16 cM.). Hij herinnert aan onze Koolmees, maar is dadelijk kenbaar aan zijn zeer krachtigen snavel, welke veel op dien van een Valk gelijkt, hoewel de haak en de tand aan den bovensnavel minder sterk ontwikkeld zijn. De kleur van de veeren is bij beide geslachten nagenoeg gelijk. De bovendeelen zijn olijfkleurig, de onderdeelen hooggeel; wit zijn, behalve een streep over het voorhoofd, ook de zijden van den kop, met uitzondering van een bij het oog beginnenden, zwarten band, die zich tot in den nek uitstrekt; eveneens zwart zijn de kuif, de keel en een deel van den voorarm; de zwartbruine hand- en armpennen hebben een breeden, grijzen zoom; dezelfde kleur als de slagpennen, met uitzondering van de buitenste en van de spitsen der overige, die zuiver wit zijn. De iris is roodachtig bruin, de poot blauwachtig grijs, de snavel zwart.
Het voedsel van dezen bewoner van Nieuw-Zuid-Wales bestaat hoofdzakelijk uit bessen, doch ook uit Insecten, die van de bladen afgezocht of van onder de schors van dikke takken opgepikt worden. De snavel, die met goed gevolg als verdedigingsmiddel dienst doet, is een buitengewoon krachtig wapen voor een Vogel van deze grootte.
De Menievogel (Pericrocotus speciosus) vertegenwoordigt de familie der Rupsvogels (Campephagidae), welker leden (ongeveer 100 soorten) over Australië, de Maleische eilanden, Zuid-Azië en Afrika verbreid zijn en zich hoofdzakelijk met Insecten voeden, die zij van de bladen der boomen afzoeken of in de lucht vangen. Bij 't mannetje van de genoemde soort zijn de bovendeelen, de vleugels en de beide middelste stuurpennen glanzig blauwzwart; de onderrug, een breede band over den vleugel (gevormd door een vlek op de buitenvlag van iedere slagpen en van eenige dekveeren), de overige stuurpennen en de geheele onderzijde (te beginnen bij de borst) zijn prachtig karmijnrood. Totale lengte 23, staartlengte 11 cM.
Een groot deel van het noorden van Indië (het Himalaja-gebied, de noordwestelijke en centrale provinciën en Bengalen), Assam, het noorden van Birma en het zuiden van China zijn het vaderland van dezen prachtigen Vogel; hij bewoont voornamelijk de wouden tot op een hoogte van bijna 2000 M. Voor de kooi is hij niet geschikt.
De romp der Vliegenvogels (Muscicapidae) is slank, de hals kort, de kop breed, de snavel dik en kort, aan den wortel breeder en hier van boven naar onderen samengedrukt, op den rug kantig, de spits van de bovenkaak naar beneden gebogen en aan weerszijden ingekorven; de pooten kort en zwak (de buitenste teen met den middelsten vergroeid), de vleugels tamelijk lang (de derde slagpen de langste); de staart is middelmatig lang, recht afgeknot of flauw uitgesneden; de veeren zijn los en zacht, om den snavel heen borstelig; de kleur is in den regel bij mannetjes, wijfjes en jongen ongelijk.
De Vliegenvogels, waarvan men meer dan 300 soorten kent, die voor 't meerendeel in het oostelijk halfrond (slechts voor een klein deel in Amerika) thuis behooren en vooral talrijk zijn in de tropische gewesten, bewonen de wouden en boomaanplantingen, leven meer op de boomen dan in de struiken en komen zelden op den bodem. Op een tak zittend, die zoo vrij mogelijk uitsteekt en een ruim uitzicht veroorlooft, kijken zij uit naar Insecten, vliegen hen behendig na, grijpen ze met den snavel en keeren hierna gewoonlijk naar hun zitplaats terug. Bij slecht weer, vooral wanneer zij jongen te verzorgen hebben, plukken zij ook bessen. Bijna gedurende den geheelen dag zijn zij werkzaam, opgewekt, onrustig en bij de hand, in tegenwoordigheid van den mensch niet zeer schuw, jegens Roofvogels koen en driest. In tegenstelling met de Vogels van verwante familiën, laten zij hun stem zelden hooren; het veelvuldigst nog geschiedt dit uit den aard der zaak gedurende den voortplantingstijd, zelfs inspireert deze de mannetjes tot een zeer eenvoudig en zacht gezang. Het nest, dat los en ruw ineengevoegd, maar van binnen warm bekleed is, wordt in holle boomen of tusschen takgaffels, gewoonlijk dicht bij den stam, gebouwd. Het bevat 4 of 5 eieren. Beide ouders broeden, zwerven na het uitvliegen van de jongen met deze nog een tijdlang rond en vangen daarna zeer vroeg in 't najaar hun winterreis aan, die zich tot in de oerwouden van Centraal-Afrika uitstrekt, van waar zij eerst laat in de lente terugkeeren.
De eerste onderfamilie, die der Zijdestaarten (Bombycillinae), omvat een tiental soorten, die (op grond van den afwijkenden vorm van den snavel) door sommige onderzoekers als een afzonderlijke familie worden beschouwd. Hiertoe behoort een Vogel, die, blijkens de talrijke namen, die hij bij ons draagt, welbekend is. Men noemt hem Pestvogel, Sneeuwvogel, Wijnstaart, Zijdestaart, Beemer, Zwartemantel en in Groningen Lakvogel (Bombycilla garrula). Zijne veeren zijn tamelijk gelijkmatig roodachtig grijs, die van de bovendeelen gewoonlijk donkerder dan die van de onderdeelen, waar de kleur in witachtig grijs overgaat; het voorhoofd en de stuitstreek zijn roodachtig bruin, de kin, de keel, de teugels en een streep boven het oog zwart, de handpennen grijsachtig zwart, de spits van de buitenvlag licht goudgeelachtig gevlekt, de binnenvlag met witten rand; de schaften der armpennen loopen uit in breede hoorn- of perkamentachtige plaatjes van roode kleur; de stuurpennen zijn zwartachtig, aan den top licht goudgeel en (vooral bij zeer oude mannetjes) versierd met hoornplaatjes van soortgelijken vorm en van dezelfde kleur als die der armpennen. Totale lengte 20, staartlengte 6 cM. Bij de wijfjes zijn de hoornplaatjes minder ontwikkeld.
Onze Pestvogel bewoont het noorden van Europa, Azië en Amerika. De uitgestrekte wouden in het noorden van ons werelddeel, die uitsluitend uit sparren of uit sparren en berken bestaan, moeten als het eigenlijke vaderland van dezen Vogel aangemerkt worden; hij verlaat ze alleen dan, wanneer buitengewoon hevige sneeuwbuien hem er toe noodzaken. Eigenlijk is hij een Zwerfvogel, die zich 's winters beweegt binnen een beperkt gebied, welks grenzen hij wegens gebrek aan voedsel soms overschrijdt, waardoor hij dan op een trekvogel gelijkt. In alle verder noordwaarts gelegen landen komt hij veel geregelder voor dan in Nederland en Duitschland. Reeds de Russische en Poolsche wouden en de bosschen van het zuiden van Skandinavië bezoekt hij bijna iederen winter. Hier te lande en in Duitschland vertoont hij zich zoo ongeregeld, dat het volk een getal, waaraan het een geheimzinnige beteekenis toekent, ook op hem heeft toegepast: men beweert, dat hij slechts om de zeven jaren verschijnt. De jaren, waarin hij bij ons in zeer grooten getale overwintert, zijn echter vaneengescheiden door tijdperken van zeer ongelijken duur, waarin slechts enkele voorwerpen tot ons overkomen. Zoo was hij zeer menigvuldig in 1847, 1849 en 1851, zeer zeldzaam in alle volgende jaren. In December 1892 verscheen hij voor 't eerst weer in kleine vluchten in de oostelijke provinciën. In Januari en Februari 1893 kwam hij zeer algemeen voor in nagenoeg alle gewesten van ons land: niet zelden werden vluchten van 30 à 40 stuks waargenomen. In het begin van Maart verminderde hun getal sterk en in het laatst van deze maand waren alle verdwenen. In 't volgende jaar werd slechts van één enkel exemplaar (Maart 1894) melding gemaakt (Albarda). In den regel komen de Pestvogels, die de winter uit het noorden verdrijft, eerst in de laatste helft van November bij ons aan en blijven hier tot in de eerste helft van Maart; bij uitzondering worden zij hier vroeger aangetroffen of blijven zij langer. Dit heeft aanleiding gegeven tot de bewering, dat enkele paren in Duitschland genesteld zouden hebben; het is thans echter uitgemaakt, dat de Pestvogel eerst in 't laatst van de lente broedt.
Gedurende hun verblijf in den vreemde zijn de Pestvogels steeds vereenigd tot meer of minder talrijke troepen, die, al naar de hoeveelheid voedsel, welke in een streek te vinden is, hier langer of korter blijven. In sommige winters ontmoet men ze op plaatsen, waar zij anders zeer zelden verschijnen, weken en zelfs maanden achtereen in grooten getale; dat dit niet veel vaker gebeurt, is waarschijnlijk te wijten aan de meedoogenlooze vervolging, die zij maar al te dikwijls ondervinden van onbeschaafde menschen; het is, alsof deze hen zoo onbegrijpelijk schoon, zoo begeerlijk achten, dat zij het niet laten kunnen hen uit te roeien. Het is trouwens ook wel mogelijk, dat de arme Vogels lijden onder de nawerkingen van een veroordeel uit vroegere eeuwen; toen wist men het ongeregeld verschijnen van de Pestvogels niet beter te verklaren, dan door ze te beschouwen als voorboden van vreeselijke oorlogen, duurte van levensmiddelen, pest en andere besmettelijke ziekten, kortom, van algemeene rampen, en vond hierin aanleiding om ze te haten en te vervolgen.
De Pestvogel verlaat ongaarne een eens gekozen woonplaats; omdat hij niet veel van beweging houdt, zich alleen bij 't eten dapper weert, maar overigens traag en lui is. Overal waar voedsel te vinden is, gedraagt hij zich zeer driest of liever onnoozel, b. v. door te midden van dorpen (of zelfs van steden) in tuinen en plantsoenen te verschijnen, ondanks het gewoel der menschen. Hij is echter meer onervaren dan dom; door voortdurende vervolging wordt hij voorzichtig en schuw. Uit onverdraagzaamheid of onverschilligheid bekommert hij zich om andere Vogels niet. In de winterkwartieren houdt hij trouw gemeenschap met zijne soortgenooten: gewoonlijk zit het geheele gezelschap 's middags op één boom, alle zoo dicht mogelijk bij elkander, verscheidene op dezelfde twijg; de mannetjes, die aan den top van den boom de voorkeur geven, houden zich onbeweeglijk, zoolang zij hier blijven. Meer bedrijvigheid toonen zij in de morgen- en avonduren; dan wordt het voedsel gezocht op alle boomen en struiken, die bessen dragen. Alleen om te drinken komen zij op den grond, waar zij onbeholpen voorthuppelen en zich niet lang ophouden. Het op- en neerklauteren in de twijgen bij het eten valt hun gemakkelijk. Zij vliegen zonder groote inspanning, fraai en betrekkelijk snel volgens wijde booglijnen, waarbij de vleugels beurtelings zeer snel bewogen en uitgebreid worden.
Hun gewone lokstem is een zonderling sissende triller, die niet door letters omschreven kan worden. Het gefluit, dat zij soms laten hooren, klinkt, volgens Naumann, als het blazen in de pijp van een sleutel; het schijnt, dat zij hierdoor een teeder gevoel te kennen geven. Hun gezang is zacht en onbeduidend; het wordt echter met ijver en oogenschijnlijk met inspanning voorgedragen. De wijfjes doen het weinig minder slecht, maar minder lang achtereen dan de mannetjes, die in den winter ieder zonnestraaltje met hun lied begroeten en bijna het geheele jaar door zingen.
Het voornaamste, zoo niet het eenige voedsel, dat de Pestvogels gedurende den zomer, in hun vaderland gebruiken, wordt hun verschaft door de muggenzwermen, die hier zoo onbeschrijfelijk talrijk zijn; in den winter daarentegen moeten zij zich met andere voedingsmiddelen, vooral met bessen, behelpen. De Insecten jagen zij geheel op de wijze van de Vliegenvangers; de bessen zoeken zij zonder moeite van de twijgen af, soms ook wel van den bodem op. Opmerkelijk is het, dat de gevangen Vogels de Insecten, die hun voorgeworpen worden, niet willen eten. "Lijsters, die in een kooi zijn opgesloten," zegt Naumann, "kan men geen grooter genoegen doen dan door hen af en toe een Insect te geven. Zij zijn er gretig naar en vangen de Vliegen, die op hun etensbakje gaan zitten. Met den Pestvogel is het geheel anders gesteld. De Vliegen zetten zich vaak genoeg op hun snavel neder. Geen van de Pestvogels, die ik getemd heb, heeft ooit een Insect of een insectenlarve of een Regenworm willen aanraken." Er kan tegenwoordig geen twijfel meer over bestaan, dat zij in de vrije natuur geheel anders handelen. De buitengewone gulzigheid van den Pestvogel is waarlijk stuitend. Iederen dag verzwelgt hij een hoeveelheid voedsel, die bijna even zooveel weegt, als hij zelf. In de kooi blijft hij altijd in de nabijheid van het etensbakje zitten en verdeelt den dag tusschen eten en rusten om het voedsel te verteren.
Tot in den laatsten tijd verkeerde men geheel in 't onzekere over de voortplanting van den Pestvogel. Eerst in het jaar 1858, den 12en Juni, slaagde Wolley er in, een nest en een ei te vinden, een jaar nadat zijn jachtgezel zoo gelukkig was geweest. Toen de eerste nesten gevonden waren, ging, naar het schijnt, de halve bevolking van Lapland aan 't nesten zoeken; in den zomer van 1858 waren, zegt men, reeds meer dan 600 eieren ingezameld. De nesten zijn in den regel goed verborgen tusschen de twijgen van sparren, niet bijzonder hoog boven den grond; de buitenwand bestaat grootendeels uit korstmossen, die op boomen groeien, doorweven met eenige dorre sparretwijgen; van binnen is het nest gevoerd met grashalmen en eenige veeren. Het broedsel bestaat uit 4 à 7, gewoonlijk echter uit 5 eieren, en is in de tweede week van Juni voltallig. De eieren zijn op blauwachtig of roodachtig blauwwitten grond spaarzaam bestrooid met donker- en lichtbruine, zwarte en violette vlekken en stippels, die aan het uiteinde dichter, kransgewijs, bijeengeplaatst zijn.
Zonder moeite kan men de Pestvogels in slagnetten of strikken vangen. In de kooi schikken zij zich in hun lot, beginnen dadelijk te eten en verschaffen hun verzorger genoegen zoowel door hun fraaie kleur als door hun zachten aard; in een ruime kooi, die op een koele plaats staat, kunnen zij jaren lang in 't leven blijven. Dat enkele van deze Vogels in een kooi gehouden worden, is niet af te keuren, wel dat men ze in grooten getale nutteloos, alleen ten behoeve van de keuken doodt; omdat zij in de vrije natuur ons geen schade veroorzaken, maar ons integendeel door het verslinden van schadelijke Insecten een dienst bewijzen en in den winter een pronksieraad zijn voor de ontbladerde boomen.
Een tweede onderfamilie, die der Vliegenvangers (Muscicapinae), bij ons vertegenwoordigd door het gelijknamige geslacht (Muscicapa), verschilt o. a. van de vorige door den platteren snavel, welke eenigszins aan dien van de Zwaluwen herinnert.
De Grauwe of Grijze Vliegenvanger, bij Haarlem Kersenpikkertje, in Gelderland Plaatvink, in Groningen Muggensnapper genoemd (Muscicapa grisola), onderscheidt zich van de andere soorten van zijn geslacht door den eenigszins slankeren snavel en het (bij beide seksen voorkomende) gevlekte kleed. De bovendeelen zijn donkergrijs, de bovenkop is zwartachtig grijs met eenigszins lichtere vlekken; elke veer heeft witte of donkergrijze randen, waardoor een lichte vlekkenteekening ontstaat; de geheele onderzijde is vuilwit, aan de zijden van de borst met roestgeelachtig waas, aan de zijden van de keel en over de borst met donkergrijze, uitvloeiende, overlangsche vlekken geteekend; de lichtgrijze eindzoomen van de vleugeldekveeren vormen twee weinig uitkomende strepen op den vleugel. De oogen zijn bruin, de snavel en de pooten zwart. Het mannetje is 14 cM. lang, waarvan 6 cM. op den staart komen.
Met uitzondering van de noordelijkste landen van Europa, bewoont de Grauwe Vliegenvanger alle breedte- en hoogtegordels van ons werelddeel. In Zuid-Europa is hij gemeen; oostwaarts strekt zijn gebied zich uit tot den Kaukasus en den Altaï; op zijn winterreis begeeft hij zich tot in de wouden van Centraal-Afrika. Hij is volstrekt niet kieschkeurig, maar neemt iederen struik voor lief, die slechts eenigermate voldoet aan de door hem gestelde eischen. Hooge boomen, vooral zulke, die aan den waterkant staan, bieden hem al wat hij voor zijn leven noodig heeft. Hij schuwt het gewoel van de menschen niet, vestigt zich daarom dikwijls te midden van dorpen, ja zelfs op het erf van een hofstede; even lief zijn hem echter de oorden, die de mensch slechts zelden bezoekt. Al naar het weer gunstig is of niet, verschijnt hij bij ons in het laatst van April of in het begin van Mei, gewoonlijk paarsgewijs; kort na zijn aankomst begint hij zijn nest te bouwen. Dit geschiedt op een afstand van 2 à 6 M. van den bodem, op zeer verschillende plaatsen, al naar het gebied waarin de Vogel woont, liefst op afgeknotte, lage boomen, vooral oude knotwilgen, ook wel op kleine twijgen dicht bij den stam, in het latwerk van leiboomen, onder veranda's, op den kop van een balk onder het dak, in een wijde holte van een boomstam, in gaten van muren aan, volgens Liebe ook in zwaluwnesten. Het halfbolvormige nest is op zeer eenvoudige wijze uit mos en wortelvezeltjes samengesteld en van binnen met haren, veeren en wol belegd. In het begin van Juni bevat het 4 of 5 eieren (groenachtig blauw of lichtblauw met licht roestkleurige vlekken), die afwisselend door het mannetje en het wijfje gebroed worden. Binnen 14 dagen komen de jongen uit. Het paartje broedt slechts éénmaal per jaar. Het verlaat ons weer in het laatst van Augustus of in het begin van September; enkele exemplaren worden hier nog in 't laatst van September en zelfs in 't begin van October waargenomen.
De Grauwe Vliegenvanger is een zeer wakker en bedrijvig vogeltje, dat den geheelen dag naar buit uitkijkt. Boven in een boom of struik, op een dorren tak of op de spits van een uitstekende twijg gezeten, laat hij zijne blikken over den geheelen omtrek gaan, wipt af en toe met den staart en wacht, totdat een vliegend Insect in zijn nabijheid komt. Zoodra hij het heeft waargenomen, vliegt hij het na, vangt het met groote behendigheid, waarbij men duidelijk het dichtklappen van den snavel kan hooren, en keert terug naar de plaats, van waar hij is uitgevlogen. Als het weder fraai is, verkrijgt hij zijn voedsel gemakkelijk, spelenderwijs; bij regenachtig weer moet hij, evenals de Zwaluwen, dikwijls gebrek lijden.
Van de liefde van den Vliegenvanger voor zijn kroost verhaalt Naumann een treffend voorbeeld: "Eens ving een knaap een oud wijfje bij haar nest, waarin vier nauwelijks halfwassen jongen lagen en droeg alle te zamen in de kamer. Zoodra de oude Vogel door het onderzoeken van de vensters tot de overtuiging was gekomen, dat hier geen gelegenheid om te vluchten bestond, schikte hij zich in zijn lot, ving Vliegen, voederde de jongen er mede en deed dit met zooveel ijver, dat de kamer in uiterst korten tijd in 't geheel geen Vliegen meer bevatte. Om het vogelgezin niet te laten verhongeren bracht de knaap het naar een buurman, hier werd de kamer eveneens spoedig gezuiverd. Nu kreeg een andere buurman de Vogels in zijn kamer; ook hier werden de Vliegen weldra uit den weg geruimd. Nogmaals werd het nest met zijne bewoners vervoerd en zoo ging de Vliegenvangerfamilie in het dorpje van de eene kamer naar de andere en bevrijdde de bewoners van hun lastig gezelschap, van de gehate Zwarte Vliegen. Ook ik kwam aan de beurt; uit dankbaarheid wist ik later te bewerken, dat de geheele familie in vrijheid werd gesteld. De jongen groeiden bij het nooit ontbrekende voer zeer schielijk en leerden spoedig zelf Vliegen vangen."
De Zwartkop-vliegenvanger of Zwart-grauwe Vliegenvanger (Muscicapa atricapilla) is in 't bruiloftskleed op de geheele bovenzijde donker zwartgrauw, soms effen, soms meer of minder duidelijk zwart gevlekt; het voorhoofd, de geheele onderzijde en een schild op de vleugels zijn wit. De oogen zijn donkerbruin, de snavel en de pooten zwart. Totale lengte 13, staartlengte 5 1/2 cM.
De aanmerkelijk grootere Witgehalsde of Bonte Vliegenvanger (Muscicapa collaris) werd dikwijls met de vorige soort verward; de wijfjes van beide zijn inderdaad moeilijk van elkander te onderscheiden. Het oude mannetje herkent men aan den breeden, witten nekkraag, het wijfje aan het ontbreken van den witten zoom aan de drie achterste armpennen. Totale lengte 16 1/2, staartlengte 5 1/2 cM.
De Zwartkop-vliegenvanger bewoont alle landen van Europa, die zuidelijker dan Groot-Brittannië en het midden van Scandinavië gelegen zijn; in den winter trekt hij door Klein-Azië, Palestina en Noord-Afrika tot aan het woudgebied aan gene zijde van den woestijngordel. De Witgehalsde Vliegenvanger daarentegen behoort meer tot het zuiden van ons werelddeel, vooral Italië en Griekenland, is ook over het zuidoosten van Duitschland verbreid, komt in het noorden van dit rijk zeldzaam, in Scandinavië in het geheel niet voor, maar broedt wel in Schotland; hij begeeft zich 's winters even ver zuidwaarts als zijn naaste verwant. Beide soorten bezoeken ons land geregeld ieder jaar op den trek, de meeste exemplaren zoowel in 't najaar als in 't voorjaar; enkele houden zich ook gedurende den zomer in ons land op: een paar malen werd de Zwartgrauwe, zoowel als de Witgehalsde Vliegenvanger hier broedend aangetroffen.
In levenswijze komen deze beide, nauw verwante soorten overeen. Overal, waar de Zwartkop-vliegenvangers geregeld broeden, kan men ze door doelmatig ingerichte nesthokjes in bepaalde tuinen of plantsoenen houden; zij worden dan dikwijls merkwaardig tam. Baldamus verhaalt, dat zulk een Vogel, die in een nesthokje van zijn tuin broedde, door het herhaaldelijk kijken naar het nest, zoozeer aan dergelijke storingen gewoon was geraakt, dat hij rustig op het nest bleef zitten, wanneer het kastje in de kamer gebracht en het deksel er afgenomen werd.
De Zwartkop-vliegenvangers worden vaak in de kooi gehouden; zij behooren tot de prettigste kamervogels, die zoowel door hun gemeenzaamheid als door hun gezang genoegen verschaffen. Als men ze vrij in de kamer laat rondvliegen, bevrijden zij deze volkomen van Vliegen en Muggen en worden zoo tam, dat zij hun verzorger de Vliegen, die hij hun voorhoudt, uit de hand nemen.
Bij ons worden deze nuttige Vogels gelukkig door niemand vervolgd; in Italië is het helaas anders gesteld. Gedurende den najaarstrek staan de netten en vallen van vogelvangers van allerlei stand ook voor hen gereed; ongelukkig levert deze vangst een rijken buit. Op iedere markt ziet men gedurende den trektijd honderden van deze Vogels, die verraderlijk vermoord werden om een afschuwelijke begeerte naar lekkernijen te bevredigen.
Enkele malen zijn in ons land (Haagsche bosch, Lisse, Amersfoort) sedert 1888 exemplaren waargenomen van een vierde soort van hetzelfde geslacht, van den Kleinen Vliegenvanger (Muscicapa parva) die zich door een betrekkelijk dikken snavel en pooten met langen loop onderscheidt. Het oude mannetje gelijkt in 't voorjaar door de kleurverdeeling op ons Roodborstje. De bovendeelen zijn roodachtig bruingrijs; de veeren van bovenkop en bovenrug zijn, evenals de bovendekveeren van den staart, iets donkerder van kleur; de groote vleugeldekveeren en de achterste slagpennen hebben lichter gekleurde randen; de kin, de keel, de gorgel, de krop en de bovenborst zijn roestroodachtig, de overige onderdeelen vaalwit, de handpennen zwartachtig bruingrijs met lichteren zoom. Bij jonge mannetjes is het roodgeel van de keel bleeker dan bij de oude. De oogen zijn donkerbruin, de snavel en de pooten zwart. Totale lengte 12, staartlengte 5 cM.
De geheele uitgestrektheid van het verbreidingsgebied van den Kleinen Vliegenvanger is nog niet met zekerheid bekend. Hij komt zelden in 't westen, veelvuldiger in 't oosten van Europa voor, bewoont geheel Middel-Azië tot Kamtschatka en bezoekt op zijn winterreis het zuiden van China, Formosa en Indië, misschien ook Noord-Afrika; in vele landen, waar hij naar alle waarschijnlijkheid ook leeft, werd hij tot dusver nog niet gevonden. De enkele exemplaren, die in alle gewesten van Duitschland aangetroffen zijn, werden steeds als groote zeldzaamheden beschouwd; vermoedelijk is hij hier echter veelvuldiger dan men meent. In 't zuidoosten en oosten werd hij vaker gevonden dan in het westen.
De Vliegensnappers (Myiagrinae) vormen een derde onderfamilie, die in de keerkringsgewesten van de Oude Wereld thuis behoort. Hare vertegenwoordigers onderscheiden zich gunstig door hun rusteloozen en levendigen aard; van eenige mag men zeggen, dat zij veel bijdragen tot het opvroolijken en verfraaien der door hen bewoonde wouden.
In de wouden van Oost-Afrika heb ik dikwijls den Paradijsvliegensnapper (Rhipidura melanogastra, afgebeeld op p. 183) ontmoet. Als deze fraaie en beweeglijke Vogel zijn bruiloftskleed aan heeft, zijn kop, hals en krop zwart met metaalachtig groenen glans, de bovendeelen, met inbegrip van de vleugels en den staart, wit, de onderdeelen, met uitzondering van de witte onderdekveeren van den staart, leikleurig grijs, de handpennen zwart, de armpennen aan de buitenzijde wit. De iris is bruin, de poot grijsachtig blauw, de snavel blauwachtig. In het winterkleed zijn de bovendeelen en de beide middelste staartveeren kaneelkleurig kastanjebruin; de overige veeren daarentegen hebben de kleuren van het prachtkleed behouden. De totale lengte is 37 cM., de lengte van de beide middelste staartveeren 28, die van de volgende pennen van den wigvormigen staart 9 cM.
In het voorkomen van den Paradijsvliegensnapper is veel, wat aan de echte Vliegenvangers, doch ook veel, wat aan de Bijeneters herinnert. Gedurende het zitten speelt hij met zijn kuif en laat zijn staart langzaam heen en weder slingeren. Hij heeft een zonderlinge wijze van vliegen: snel en gemakkelijk zal hij op de wijze van een Vliegenvanger een Insect vervolgen of een indringerigen soortgenoot uit zijn gebied verjagen; langzaam zwevend, bij rukken en schijnbaar log daarentegen beweegt hij zich over een grooten afstand. In zijn prachtkleed levert hij een buitengewoon aantrekkelijk schouwspel op; nu toont hij zich in zijn volle kracht. Vol achterdocht bewaakt hij het gebied, dat hij in dezen tijd met het broedende wijfje bewoont; moedig valt hij iederen Vogel aan, die de grenzen van zijn rijk overschrijdt en noodzaakt zelfs de Raaf het te verlaten. IJverzuchtig vervolgen de mannetjes elkander met groote woede en volharding, soms wel een kwartier lang zonder verpoozing. In snelle vlucht jaagt de eene Vogel den anderen door de kronen der boomen en door de dichtste struiken na; de witte staartveeren wapperen, door de lucht gedragen, als een prachtige sleep achter hen aan. Slechts gedurende weinige maanden (of zelfs weken) behouden zij dezen tooi, de lange pennen slijten te midden van de twijgen schielijk af, vallen daarna uit en worden door minder lange vervangen.
De Zwaluwen (Hirundinidae) zijn klein, slank gebouwd, breed van borst, kort van hals en plat van kop. De snavel is kort en plat, aan den wortel breeder dan aan de spits, dus bijna driehoekig; de spits van den bovensnavel is een weinig over die van den ondersnavel heen gekromd; de mondspleet strekt zich tot bij de oogen uit; de pooten zijn kort, zwak en met kleine nagels voorzien, de vleugels lang, smal en scherp; de hand en de voorarm dragen ieder negen slagpennen, van welke de eerste alle overige in lengte overtreft; de staart is altijd gaffelvormig, soms zeer diep uitgesneden; de veeren zijn kort, liggen dicht tegen het lichaam aan en hebben aan de bovendeelen meestal een metaalachtigen glans. Het mannetje en het wijfje verschillen weinig in kleur; de jongen dragen gedurende eenigen tijd een ander kleed dan hunne ouders.
De Zwaluwen, waarvan men ongeveer 120 soorten kent, zijn over alle werelddeelen en alle hoogte- en breedtegordels verbreid, hoewel zij aan gene zijde van den poolcirkel slechts bij uitzondering voorkomen en waarschijnlijk niet broeden. Vele nestelen aan of in menschelijke woningen, andere tegen rotswanden of steile hellingen, nog andere in boomen. Alle soorten, die haar broedgebied hebben in landen, waar de winter aanmerkelijk verschilt van den zomer, zijn trekvogels, terwijl de bewoners van gewesten, waar de jaargetijden in meerdere of mindere mate aan elkander gelijk zijn, hoogstens in een beperkt gebied rondzwerven. Herhaaldelijk heeft men beweerd, dat de Zwaluwen in koude gewesten zouden overwinteren, in het slijk verborgen den winter slapend doorbrengen; zelfs bekwame onderzoekers hebben dit mogelijk geacht; toch zijn alle berichten hierover volkomen onbetrouwbaar. Alle inheemsche Zwaluwen trekken naar de binnenlanden van Afrika, sommige zelfs naar het zuiden van dit werelddeel. Dat enkele Zwaluwen bij plotseling invallende koude in de lente of in den herfst, in holen een toevlucht zoeken, hier min of meer verstijven en wegens de taaiheid van haar gestel weer opleven, als zij in de warme kamer worden gebracht, wil ik niet geheel tegenspreken; een winterslaap is dit echter niet: deze komt bij haar niet voor.
Te recht worden de Zwaluwen edele dieren genoemd. Zoowel naar het lichaam als naar den geest zijn zij goed ontwikkeld. Voor het vliegen zijn zij uitmuntend geschikt; op den bodem bewegen zij zich zeer onbeholpen, hoewel haar gang beter is dan het onbeschrijfelijk gebrekkig kruipen van de Gierzwaluwen, die schijnbaar zoo nauw met haar verwant zijn. Zij rusten gaarne op boomen en kiezen hiervoor dunne, weinig bebladerde takken en twijgen uit, die voor het zitten gaan en wegvliegen gunstig gelegen zijn. Alle echte Zwaluwen zingen. Haar gezang is een liefelijk gesnap, dat iedereen behaagt, die het lied en den Vogel zelf hebben leeren kennen. Meer nog dan door haar gezang hebben de Zwaluwen door haar inborst en hare gewoonten de genegenheid van den mensch verworven. Zij zijn vroolijk, gezellig en verdraagzaam, maar ook schrander en loos; behalve stoutmoedigheid, bezitten zij ook moed. Steeds nauwkeurig lettend op 'tgeen in haar omgeving voorvalt, leeren zij vrienden en vijanden onderscheiden en geen vertrouwen stellen in hen, die onbetrouwbaar zijn. Hare bewegingen en werkzaamheden bekoren ons; haar gemeenzaamheid maakt zelfs op niet zeer fijngevoelige gemoederen zooveel indruk, dat zij op ieders bescherming en gastvrijheid kunnen rekenen.
Alle Zwaluwen zijn insectenjagers. Vooral Tweevleugeligen, Vliesvleugeligen en Netvleugeligen worden door haar vervolgd en gevangen; den meesten buit behalen zij onder de Muggen en Vliegen, hoewel zij ook op kleine Kevers en dergelijke Insecten jacht maken. Zij doen dit uitsluitend in de vlucht; voor het inzamelen van zittende dieren zijn zij niet geschikt. De prooi wordt zonder eenige voorbereiding verzwolgen, niet vooraf verscheurd.
Voor het leven in de gevangenschap zijn de Zwaluwen niet geschikt.
Onze Boerenzwaluw, in Groningen Zwaalfje, in Friesland Swel of Swjel genaamd (Hirundo rustica), is een vertegenwoordiger van het geslacht der Zwaluwen in engeren zin. Totale lengte 18, vleugellengte 12, staartlengte 9 cM. De bovendeelen en een breede gordel op den krop zijn metaalglanzig blauwzwart, het voorhoofd en de keel hoog kastanjebruin, de overige onderdeelen licht roestgeel; de vijf buitenste paren stuurpennen hebben op de binnenvlag rondachtige, witte vlekken.
Het broedgebied van de Boerenzwaluw omvat geheel Europa aan deze zijde van den poolcirkel, benevens West- en Middel-Azië; op den trek bezoekt zij bovendien Afrika, Zuid-Azië en de groote eilanden ten zuiden van dit werelddeel. Sedert overouden tijd heeft zij zich vrijwillig bij den mensch aangesloten en in zijn woning huisvesting gezocht; als de mensch het haar veroorlooft, neemt zij zoowel in paleizen als in hutten haar kwartier; alleen daar, waar alle geschikte woningen ontbreken, nestelt zij onder uitstekende punten van steile rotswanden, die zij echter verwisselt met het eerste het beste, vaststaande huis, dat in zulk een wildernis wordt gebouwd; zelfs zoekt zij huisvesting in de "joerte" (of van beestenvellen vervaardigde, verplaatsbare hut) van den nomadischen herder. Door haar gehechtheid aan de woning van den mensch heeft zij diens liefde gewonnen; in de noordelijke landen werd zij wegens haar komen en gaan van oudsher als een voorbode van goede of slechte dagen beschouwd.
Gemiddeld komt de Boerenzwaluw tusschen 1 en 15 April, bij uitzondering vroeger, zelden later bij ons aan; zij blijft in haar vaderland tot het einde van September of het begin van October. Gedurende haar reis naar 't zuiden vliegt zij over landstreken, die jaar in jaar uit verwante Zwaluwen herbergen en haar dus alles bieden, wat zij voor haar leven noodig heeft; toch denkt zij er niet aan om hier, hoe kort dan ook, te rusten. Hoogst zelden komt het voor, dat een Boerenzwaluw zich nog in 't midden van den zomer in 't binnenland van Afrika ophoudt. Onmiddellijk na haar terugkomst op den geboortegrond, zoekt zij het oude nest weer op, of begint een nieuw te bouwen. Daarmede begint haar zomerleven met al zijn vreugde en zijne zorgen. Geen enkele Zwaluw zoekt haar "vaderland" op, als zij ons verlaat, al wordt in een bekend lied het najaar den tijd genoemd,
"Wenn die Schwalben heimwärts ziehn";
integendeel zij begeeft zich, door den nood gedwongen, in een vreugdelooze ballingschap; geen enkele zingt en jubelt in den vreemde, geen enkele mint en broedt daar.
Terecht noemt Naumann de Boerenzwaluw een buitengewoon flinken, koenen, wakkeren, aardigen Vogel. Altijd ziet zij er netjes uit; haar vroolijke stemming wordt slechts door zeer slecht weder en het daaruit voortvloeiende gebrek aan voedsel verstoord. Hoewel teer of weekelijk van aard, blijkt uit sommige van hare handelingen een groote overvloed van kracht. Kracht toont zij door haar wijze van vliegen, door haar werkzaamheid gedurende deze beweging, door haar stoeien met andere Zwaluwen en door den ijver, waarmede zij roofdieren vervolgt. Van al onze Zwaluwen heeft zij de snelste, behendigste, meest afwisselende vlucht; zij drijft of zweeft en schiet dan steeds snel vooruit, of vliegt fladderend, maakt bliksemsnelle zwenkingen zijwaarts, naar boven en naar beneden, daalt volgens een korte booglijn bijna tot den grond of tot den waterspiegel naar beneden, of verheft zich op gelijke wijze tot een aanzienlijke hoogte; zij doet dit alles met een vaardigheid, die verbazing wekt; zelfs kan zij onder het vliegen over den kop buitelen. Met groote behendigheid vliegt zij door nauwe openingen heen, zonder zich ergens tegen te stooten; ook verstaat zij de kunst al vliegende te baden, door dicht bij den waterspiegel langs te schieten, schielijk haar lichaam in te dompelen, een oogenblik in 't water te blijven en zich vervolgens onder het verder vliegen af te schudden. Eenige malen achtereen dompelt zij zich in 't water, het vliegen wordt er slechts weinige oogenblikken om gestaakt.
Als rustplaats maakt zij gebruik van uitstekende punten, waar niets haar bij het zitten gaan en weer wegvliegen hindert; zij komt hier om zich in de zon te koesteren, hare veeren in orde te brengen en te zingen. "Zij ziet er dan altijd slank en levendig, bijna listig uit; de romp wordt bijna horizontaal gehouden. Niet zelden draait zij heen en weer, beweegt in vroolijke stemming, kweelend en zingend, de vleugels op en neer of rekt hare leden." Op den vlakken bodem gaat zij niet graag zitten; gewoonlijk doet zij dit alleen om bouwstoffen voor haar nest op te nemen, of in haar eerste jeugd; hare pootjes zijn niet geschikt voor het zitten op den bodem en nog minder voor 't gaan: zoolang zij op den grond blijft, "ziet zij er uit, alsof zij ziek is en hulp behoeft, geheel anders dus dan gedurende haar koene rustelooze vlucht."
Het zacht klinkende "wiet", dat niet zelden tot "wiede wiet" verlengd wordt, is een bewijs van een prettige stemming, of wordt als loktoon gebruikt; tot waarschuwing en uit strijdlust schreeuwt zij helder en luid "biewiest"; een dreigend gevaar wordt aangekondigd door de klanken "deewieliek"; in doodangst roept zij "tsetsj" met sidderende stem. Het mannetje zingt met veel ijver; de tonen, die het voortbrengt, onderscheiden zich zoomin door welluidendheid als door afwisseling; toch heeft dit gezang iets aanvalligs; het brengt bij den hoorder een weeke gemoedsstemming teweeg, waartoe trouwens het jaargetijde, het uur en andere omstandigheden het hunne bijdragen. "Nauwelijks heeft een grijze streep in het oosten den komenden dag aangekondigd," zegt Naumann, "of het voorspel van het gezang van de pas ontwaakte Boerenzwaluw trekt onze aandacht. Alle Vogels op het erf zijn nog door den slaap bevangen, geen hunner laat zich hooren, overal heerscht diepe stilte, alle voorwerpen zijn nog nevelachtig grijs, als plotseling van verschillende zijden het "wierb werb" weerklinkt; dit voorspel, dat als 't ware stamelend voorgedragen en door vele pauzen afgebroken wordt, gaat weldra over in een samenhangend liedje; de zanger herhaalt het vele malen achtereen zonder van plaats te veranderen, verheft zich eindelijk in de lucht en zwiert, vroolijk zingend, boven het erf. Hierover is een klein kwartier voorbijgegaan; ook de andere slapers ontwaken: op den nok van het dak kweelt het Roodstaartje zijn morgenzang, de Musschen laten zich hooren, de Duiven kirren en weldra is het geheele vogelenheer tot een nieuw leven ontwaakt. Ieder, die dikwijls een mooien morgen op het land heeft doorgebracht, zal mij toestemmen, dat de Zwaluw veel heeft bijgedragen tot het op dien morgen gesmaakte genot door haar wel eenvoudig, maar toch vroolijk en opwekkend gezang." Het vangt aan met "wierb werb wiedewiet", gaat in een lang gekweel over en eindigt met "wied waid woidè tserr". Het volk heeft het nagebootst in de woorden:
"Ich wollte meinen Kittel flicken Und hatte kein Zwerrr .... n, Hatte nur ein kurzes End' Da muszt' ich lange Zerrr ... n."
(Ik wilde mijn kiel lappen En had geen garen, Ik had maar een kort stuk, Ik moest dus lang trekken.)
Rückert's "Schwalbenlied" vertolkt het gezang van de Zwaluw op meer dichterlijke wijze:
"Aus der Jugendzeit, aus der Jugendzeit Klingt ein Lied mir immer dar, O, wie liegt so weit, o, wie liegt so weit, Was mein einst war!
Als ich Abschied nahm, als ich Abschied nahm, War'n Kisten und Kasten schwer, Als ich wieder kam, als ich wieder kam, War alles leer."
De oogen nemen de eerste plaats in onder de zintuigen van de Zwaluw, zij laat zich bij haar jacht alleen door hen leiden; de kleine Insecten van velerlei soorten (vooral Tweevleugeligen, Netvleugeligen, Vlinders en Kevers), die haar voedsel uitmaken, ziet zij reeds op grooten afstand vliegen; Vliesvleugeligen met gifangels eet zij niet. Zij jaagt niet anders dan vliegend en is ongeschikt voor het opnemen van een zittenden buit. Zij geraakt daarom dikwijls in grooten nood door het lang voortduren van een regenachtige weersgesteldheid, die de Insecten in hunne schuilhoeken terughoudt; zij slooft zich dan af om de zittende diertjes op te jagen, door dicht bij hen langs te vliegen. Al naar de gesteldheid van het weer en den tijd van den dag vangt zij haar prooi in meer of minder hooge luchtlagen; hierop is haar reputatie als weerprofetes gegrond. Bij goed weder is haar disch ruim voorzien en verkeert zij in een zeer opgewekte stemming; bij slecht weder lijdt zij gebrek en is stil en treurig. Wegens haar groote bedrijvigheid heeft zij zeer veel voedsel noodig; zij eet, zoolang zij vliegt. Haar spijsvertering heeft zeer schielijk plaats; de onverteerbare overblijfselen van haar maal (dekschilden, pantserplaten en pooten van Insecten) spuwt zij, tot ballen vereenigd, uit.
Door de plaatsing en den bouwtrant van haar nest onderscheidt de Boerenzwaluw zich van hare inheemsche verwanten. Overal waar het mogelijk is, bouwt zij haar nest binnen een gebouw en wel zóó, dat het van boven door een ver er overheen reikend dak beschut wordt. Een draagbalk aan het dak van den koestal of van de graanschuur der boerderij, een vliering, die zelden bezoek krijgt van bezem of ragebol, ruimten, die eerder het schoonheidsgevoel van den schilder, dan dat van de huisvrouw bevredigen, kortom, allerlei oude, meer of minder vuile, in verval geraakte, maar toch tegen weer en wind beschutte lokalen, zijn de plaatsen, waar zij het liefst nestelt. Soms ontstaan hier formeele broedkoloniën. Het nest zelf wordt vastgehecht aan een balk of aan een muur, bij voorkeur aan een oneffene oppervlakte met latten, pluggen en dergelijke middelen tot herstelling van gebreken, die nu het nest van onderen moeten steunen. Het gelijkt ongeveer op één stuk van een in vieren gedeelden, hollen kogel, dat de grootste wanddikte heeft op de plaats, waar het vastgehecht en waar bovendien de (grootendeels horizontale) rand een weinig hooger opgetrokken is. De breedte van het nest bedraagt ongeveer 20, de diepte 10 cM. Het bouwmateriaal is klei, of althans een kleihoudende grondsoort, die bij kluitjes opgezocht, met speeksel bedekt en zorgvuldig vastgeplakt wordt. Andere bouwstoffen gebruikt de Zwaluw zelden. Fijne, met de klei gemengde halmen en haren, dragen tot de stevigheid van den nestwand bij; het eigenlijke bindmiddel is echter het speeksel. Bij gunstige weersgesteldheid is het opmetselen van de nestwanden door het paar in minder dan acht dagen afgeloopen. Van binnen moet de holte nu nog bekleed worden met fijne halmpjes, haren, veeren en dergelijke zachte stoffen, om voor kinderkamer geschikt te zijn. Een nest, dat op een goed beschutte plaats gebouwd is, doet gedurende een lange reeks van jaren dienst, misschien niet alleen voor de bouwmeesters, maar ook voor hun nageslacht. Beschadigde gedeelten worden zorgvuldig hersteld, voordat het broeden begint; de binnenbekleeding wordt geregeld vernieuwd; overigens echter wordt er aan het nest niets veranderd, zoolang het in stand blijft.
In Mei legt het wijfje 4 à 6 dunschalige eieren, die op zuiver witten grond met aschgrauwe en roodbruine stippels geteekend zijn en broedt ze zonder hulp van het mannetje uit. De jongen komen bij gunstig weder binnen 12 dagen uit den dop. Bij slecht weer, vooral als het nat en koud is, moet het wijfje de eieren uren lang verlaten om de noodige hoeveelheid voedsel te verzamelen; in dit geval verloopen er wel eens 17 dagen, voordat het broeden is afgeloopen. De pas geboren jongen zijn zeer leelijk; zij hebben een platten kop en een zeer breeden bek. Door de beide ouders ijverig gevoederd, groeien zij in gunstige omstandigheden spoedig, kijken weldra over den rand van het nest heen naar buiten en kunnen, indien alles goed gaat, reeds in de derde week na het verlaten van het ei hunne ouders in de vrije natuur volgen. Deze voorzien hen nog gedurende eenigen tijd met voedsel, brengen hen aanvankelijk iederen avond in het nest terug, wijzen hun later daarbuiten een slaapplaats aan en laten hen eindelijk aan zichzelf over. Vervolgens, meestal in de eerste dagen van Augustus, begint het paar zich met een tweede broedsel bezig te houden. In sommige jaren wordt het broeden door allerlei omstandigheden zoozeer vertraagd, dat de ouden en de jongen gevaar loopen te verhongeren; in noordelijke landen moeten de jongen soms werkelijk verlaten worden. In gunstiger jaren zijn ook de laatste jongen reeds lang uitgevlogen, als de herfst alle Zwaluwen tot de winterreis noopt. Onder de hoede van hunne ouders verzamelen zij zich nu met andere gezinnen van dezelfde soort, met Kwikstaarten en Spreeuwen in het rietland, bij poelen en meren en rusten hier uit, totdat de tijd aanbreekt, waarin deze lieve gasten ons verlaten. Op een avond, kort na zonsondergang verheft het tallooze heer der Zwaluwen, dat men in de voorafgaande namiddaguren misschien op het hooge dak van de kerk verzameld zag, zich op een teeken, dat door verscheidene oude dieren gegeven wordt, in de lucht en is binnen weinige minuten uit het oog verdwenen.
Niet onbelangrijk is het verschil tusschen de Boerenzwaluw en de Meelzwaluwen (Chelidonaria): bij deze is de snavel betrekkelijk kort en heeft een sterk gebogen rug; de pooten zijn in vergelijking met die van de andere leden der familie buitengewoon krachtig en op de teenen zoowel als op den loop bevederd; de buitenste en de middelste voorteen zijn vergroeid tot aan het eerste gewricht; voorts lette men op de stevigheid van de slagpennen, de kortheid van den ondiep gegaffelden staart en het glad aanliggende vederenkleed. Dit geslacht wordt bij ons vertegenwoordigd door de Huiszwaluw, ook wel Melkstaartje en hier en daar Witgatje genoemd (Chelidonarie urbica). Totale lengte 14, vleugellengte 10, staartlengte 7 cM. De bovendeelen zijn blauwzwart, met uitzondering van den staartwortel, die, evenals de onderdeelen, wit is. De oogen hebben een donkerbruine, de pooten, voor zoover zij niet bevederd zijn, een vleeschroode kleur; de snavel is zwart.
De Huiszwaluw heeft ongeveer hetzelfde vaderland als de Boerenzwaluw, maar begeeft zich verder noordwaarts dan deze. In Nederland en Duitschland geeft zij aan dorpen en steden de voorkeur; men vindt hier hare nesten onder de vooruitstekende gedeelten van de buitenzijde van groote, oude gebouwen. Even veelvuldig als in Europa, is zij in het grootste gedeelte van Siberië. Zij trekt vóór den winter deels naar het binnenland van Afrika, deels naar het zuiden van Azië. Meestal komt zij eenige (bij ons gemiddeld veertien) dagen later in haar vaderland terug dan de Boerenzwaluw; zij blijft daarentegen in den herfst iets langer in Europa, vooral in de zuidelijke landen. Men ziet deze dieren op haar reis naar Afrika echter geregeld in gezelschap van hunne verwanten. In de lente komen zij hier één voor één of bij kleine troepjes terug; in 't najaar echter vereenigen zij zich vóór den trek tot groote gezelschappen, die soms tot ontzaglijk talrijke zwermen aangroeien, op de daken van hooge gebouwen gaan zitten en vervolgens, gewoonlijk kort na zonsondergang, de reis aanvangen.
In haar voorkomen vertoont de Huiszwaluw veel overeenkomst met de Boerenzwaluw; bij nadere beschouwing is zij echter gemakkelijk van deze te onderscheiden. Haar loktoon klinkt als "sjer" of "skruu"; vrees geeft zij te kennen door "ski-er"; haar gezang bestaat uit tonen, die volstrekt niet aangenaam klinken en gedurende langen tijd telkens weer herhaald worden; als zanger staat deze Vogel op een zeer laag peil.
Van 't voedsel van de Huiszwaluw kan ongeveer hetzelfde gezegd worden als van dat van de Boerenzwaluw; wij kennen echter slechts voor een zeer klein deel de Insecten, die zij vervolgt; vooral de soorten, waarop zij in de hooge luchtlagen jacht maakt en die zij hier, naar het schijnt, in grooten getale vangt, zijn ons volkomen onbekend. Evenmin als de Boerenzwaluw vangt zij stekende Insecten; een steek met den gifangel zou voor haar doodelijk zijn. "Een zeer flinke, hongerige, voor 't vliegen geschikte, jonge Zwaluw van deze soort," verhaalt Naumann, "hield ik een levende Honingbij voor; nauwelijks had zij deze in den snavel of zij kreeg een steek in de keel, spuwde de Bij uit, begon te kwijnen en bezweek in minder dan 2 minuten."
Hier te lande bouwt de Huiszwaluw haar nest bijna uitsluitend tegen de gebouwen van steden en dorpen; in minder dicht bewoonde landen vormt zij talrijke broedkoloniën op de rotswanden; dit geschiedt o.a. in Spanje, op de krijtrotsen van het eiland Rugen en op hiervoor geschikte rotswanden van de Zwitsersche Alpen. Steeds kiest zij een plaats, die van boven bedekt is, voor het bouwen van haar nest, zoodat dit niet door den regen getroffen kan worden, bij voorkeur dus friezen onder kroonlijsten en zuilen, nissen van vensters en deuren, kranslijsten van daken, opboeisels enz. Soms maakt zij gebruik van een holte in een muur en metselt den ingang op een vlieggat na dicht. Het nest verschilt van dat van de Boerenzwaluw hierdoor, dat het altijd op een vlieggat na gesloten, van boven dus niet open is. Half bolvormige nesten komen het veelvuldigst voor; de vorm van het nest verschilt echter zeer en staat in verband met de plaats waar het gebouwd wordt. Hoewel de bouwmeesters ijverig werkzaam zijn, duurt de arbeid lang, zelden korter dan 12 à 14 dagen, gewoonlijk worden vele nesten naast en dicht bij elkander gebouwd.
Het legsel bestaat uit 4 à 6 dunschalige, sneeuwwitte eieren, die in 12 of 13 dagen door het wijfje uitgebroed worden. Bij goed weder voorziet het mannetje zijn wederhelft met het noodige voedsel; bij slecht weder is het wijfje echter genoodzaakt hare eieren tijdelijk te verlaten, hetgeen een langeren duur van den broedtijd ten gevolge heeft. Als de omstandigheden gunstig zijn, verlaten de jongen na ongeveer 16 dagen het nest en oefenen nu onder toezicht van de ouders hunne ledematen, totdat zij krachtig en behendig genoeg zijn om zelf voor hun onderhoud te zorgen. In den eersten tijd keeren zij iederen avond naar het nest terug, dat tot dusver ook de slaapplaats van de ouders was. "Vader, moeder en kinderen," schrijft Naumann, "dikwijls 7 of 8 stuks in 't geheel, zijn in 't nest dicht opeengedrongen; de ruimte is zoo beperkt, dat het lang duurt, voordat zij behoorlijk verdeeld is; vaak moet men zich er over verwonderen, dat het nest zonder naar beneden te vallen of te barsten hunne veelvuldige kibbelarijen kan doorstaan. Dikwijls heeft er een ernstige twist plaats, wanneer de jongen, gelijk in groote broedkoloniën dikwijls geschiedt, bij vergissing in een vreemd nest geraken; door de oude en jonge rechtmatige eigenaars, die hun recht dapper verdedigen, worden zij dan steeds, na een hevige afstraffing met den snavel, naar buiten gesmeten."
De Torenvalk en het Smelleken zijn de ergste vijanden van de Huiszwaluw. De nesten worden door den Kerkuil, soms ook door Wezels, Ratten en Muizen geplunderd. Bovendien hebben zij nog slechts met één Vogel een hardnekkigen strijd te voeren, met de Musch namelijk, en deze strijd ontaard dikwijls in moord en doodslag. "Gewoonlijk," zegt Naumann, "neemt de mannetjesmusch, zoodra de Zwaluwen haar nest gereed hebben, dit in bezit, door er zonder complimenten in te kruipen en brutaal door het vlieggat naar buiten te kijken; het eenige, wat de Zwaluwen tegen deze daad van geweld kunnen doen, is, in gezelschap van verscheidene harer buren, angstig schreeuwend, om het nest heen te fladderen en naar den indringer te happen, zonder hem echter ooit werkelijk te durven pakken. Het duurt dan dikwijls toch nog eenige dagen, voordat zij haar zaak geheel als verloren beschouwen en de Musch in het rustig bezit laten van het wederrechtelijk verkregen huis; deze richt het echter weldra naar haar eigen smaak in, door het met vele zachte stoffen warm te voeren; de lange draden en halmen, die buiten het vlieggat uitsteken, leveren dan het bewijs, dat de verwisseling van eigenaars haar beslag heeft gekregen.
"De Zwaluwen hebben vaak last van nestroovers, daar hare nesten zeer in den smaak vallen van de Musschen; wanneer een paartje tweemaal in den zomer door zulk een ramp wordt getroffen, komt er van het broeden niets. Zelfs heb ik eens een oude mannetjesmusch zien doordringen in een zwaluwennest, waarin reeds jonge Zwaluwen waren; deze werden door den roover aangevallen, die ze één voor één den schedel openpikte en uit het nest smeet, om er zelf bezit van te nemen, daarna een hooge borst opzette en door een lang aanhoudend, luid getsjilp zijn blijdschap toonde. Ook de Ringmusschen nestelen gaarne in een zwaluwennest, als zij hiertoe de kans schoon zien. Dat de Zwaluwen uit wraak de Musch inmetselen, is een dwaas sprookje. Waarschijnlijk zou zij dit niet afwachten. Het eenige voorbehoedmiddel, waarover de Zwaluw beschikt, is, de ingang van haar nest zoo nauw te maken, dat zij zelve er slechts met moeite door kan, terwijl dit voor de dikkere Musch in 't geheel niet mogelijk is; werkelijk wordt dit middel door de Zwaluw toegepast."
Ook van de Huiszwaluw is ons het leven heilig, evenals van de Boerenzwaluw; in Italië en Spanje echter scheppen de jongens er vermaak in, haar aan een fijne haak te vangen, die met een veer als lokaas is voorzien. De Zwaluw tracht deze veer voor haar nest op te zoeken, blijft aan den haak hangen en wordt daarna door de laaghartige knapen op afschuwelijke wijze mishandeld.
Tot de groep der Bergzwaluwen (Clivicola) behoort de Oeverzwaluw, ook wel Aard-, Tuin- en Waterzwaluw, in Friesland Zandzwaluw of Grijze Zwaluw genoemd (Clivicola riparia), een van de kleinste soorten der familie. Totale lengte 13, vleugellengte 10, staartlengte 5 cM. Hare bovendeelen zijn aschgrauw of grijsachtig bruin, de onderdeelen wit, in de borststreek met een aschgrauwbruinen dwarsband geteekend.
Geen enkele Zwaluwensoort bewoont een even uitgestrekt gebied als de Oeverzwaluw, die, behalve in Australië, Polynesië en Zuid-Amerika, in alle deelen van de wereld broedt. Zooals haar naam aanwijst, houdt zij bij voorkeur verblijf in oorden, waar zij steile oevers vindt; dit behoeven echter niet altijd oevers van rivieren of beken te zijn, dikwijls wordt een steil afhellende aardhoop voldoende geacht. "Bij ons is zij niet zoo algemeen als de beide andere soorten. Zij komt slechts op bepaalde plekken voor, die terstond weer verlaten worden, als zij voor broedplaatsen in meerdere of mindere mate ongeschikt geworden zijn. Deze geliefkoosde plekken zijn b.v. zanderijen in de duinen, glooiingen van dijken, hellende boorden van wateringen, steil afgegraven slootwallen, groote aschhoopen enz. Men treft op zulke plaatsen dikwijls 6 à 10 broedende paren vereenigd aan." (Schlegel). Waar zij voorkomt, is zij gewoonlijk veelvuldig, nergens ziet men haar echter in zulke buitengewoon talrijke zwermen als aan den middelloop en den benedenloop van den Ob, waar zij kolonies vormt van meer dan duizend paren. In Duitschland vindt men zelden minder dan 5 à 10, gewoonlijk 20 à 40, bij uitzondering wel 100 en meer paren als bewoners van één aarden wand aan. Ieder paar krabt met groote inspanning een diepe nestholte in den harden grond, in den regel zoo hoog, dat zelfs de hoogste waterstand er geen nadeel aan kan doen, het liefst echter dicht bij den bovenrand van de helling.
"Het is bijna niet te gelooven," zegt Naumann, "en het moet in de hoogste mate onze bewondering wekken, dat een zoo zwak vogeltje met zulke zwakke werktuigen een dergelijk reuzenwerk kan volvoeren; het doet dit in zeer korten tijd: in 2 of 3 dagen graaft het paar een gang, die aan het begin een middellijn van 4 à 6 cM. heeft, aan het achterste uiteinde, waar het nest gebouwd zal worden, nog wijder is, minstens 1, dikwijls echter wel 2 M. diep in horizontale of eenigszins stijgende richting regelrecht in den oever doordringt. De ijver en de bedrijvigheid van de Oeverzwaluwen bij zulk een vermoeienden arbeid grenzen aan het potsierlijke, vooral wanneer men ziet, hoe zij den losgekrabden grond met groote inspanning met de pootjes achter zich aan uit het binnenste van het hol naar buiten werken en hoe beide echtgenooten elkander daarbij behulpzaam zijn. Raadselachtig is het echter voor ons, waarom zij het uitgraven van een gang dikwijls halverwege staken, een andere gang wel gereed maken, maar er toch niet in nestelen en dit misschien eerst in een derde doen; voor slaapplaats n.l. gebruikt het geheele gezin gewoonlijk slechts de gang, waarin zich het nest bevindt. Bij 't graven zijn zij zeer vlijtig; het is, alsof de geheele zwerm uit de streek verdwenen is, daar alle in de holen aan 't werk zijn. Indien men nu op den grond boven de holen met de voeten stampt, ziet men oogenblikkelijk alle gravers te voorschijn komen en weer in de lucht rondzwieren. Het broedende wijfje laat zich niet zoo licht verjagen; zij zal eerst vluchten voor een stoornis in haar hol en kan dus gemakkelijk gevangen worden. Aan het achterste uiteinde van de gang, op een afstand van ongeveer 1 M. van de opening, bevindt zich het nest in een verwijding, die den vorm heeft van een bakkersoven. Het bestaat eenvoudig uit een laag fijn stroo en hooi en dunne worteltjes; de holte is zeer zacht en warm gevoerd met veeren, haren of wol."
De Oeverzwaluw is een zeer aanvallige, wakkere, beweeglijke Vogel, die in vele opzichten aan de Huiszwaluw herinnert, o.a. door haar zachte en zwevende wijze van vliegen. Gewoonlijk houdt zij zich in de benedenste luchtlagen op; meestal scheert zij heen en weer, dicht bij den waterspiegel langs; zelden stijgt zij tot een aanzienlijke hoogte op. Zij vliegt zoo schommelend, dat men haar beweging met die van een Vlinder vergeleken heeft; hoewel minder vlug en behendig dan hare verwanten, bereikt zij zonder bezwaar haar doel, ook wanneer hiervoor zwenkingen noodig zijn. Haar loktoon klinkt als "sjerr" of "tser"; in haar gezang worden deze klanken, door andere aaneenverbonden, veelvuldig herhaald. De Oeverzwaluw verwijdert zich niet graag ver van haar broedplaats bij het uitoefenen van haar jachtbedrijf, dat een prettige levendigheid verschaft aan een water, waar men weinige andere Vogels ziet en waar de openingen van hare nestholen in den eenvormigen oever ieders aandacht trekken.
Een grootere soort van hetzelfde geslacht is de Rotszwaluw (Clivicola rupestris). Totale lengte 15, vleugellengte 14, staartlengte 6 cM. Alle bovendeelen zijn dof grijsachtig bruin, de vleugels en de staartveeren zwartachtig, deze, met uitzondering van de middelste en buitenste, met eivormige vlekken van fraaie, geelachtig witte kleur geteekend, de kin en de keel, de krop en de bovenborst vuil bruinachtig wit met fijne, zwarte, overlangsche streepjes, de overige onderdeelen grijsbruinachtig. De oogen zijn donkerbruin, de pooten dof roodachtig; de snavel is zwart.
Hoewel de Rotszwaluw herhaaldelijk in Duitschland waargenomen werd, behoort zij eigenlijk in Zuid-Europa, in Spanje, Griekenland en Italië, thuis. Bovendien bewoont zij het noordwesten van Afrika en Middel-Azië tot in China, Perzië en Indië.
De nesten van de Rotszwaluw zijn aan rotswanden bevestigd, dikwijls op geringen afstand van den voet, steeds echter in holen, of althans op plaatsen, die door vooruitstekende rotspunten van boven beschut zijn. Zij gelijken het meest op die van onze Boerenzwaluw, maar zijn aanmerkelijk kleiner en met wol van dieren en planten of ook wel met eenige veeren gevoerd.
De meest bekende soort van het geslacht der Boomzwaluwen is de Purperzwaluw (Progne purpurea). Deze Vogel, die de warme gewesten van Noord-, Middel- en Zuid-Amerika bewoont en soms naar Europa afdwaalt, is 19 cM. lang, heeft vleugels van 14 en een staart van 7 cM. Haar kleed is effen donker zwartachtig blauw met sterken purperglans; de slagpennen en staartveeren zijn zwartachtig bruin. De oogen zijn donkerbruin, de pooten purperzwart; de snavel is zwartbruin. Bij 't wijfje is de kop bruingrijs met zwarte vlekken, de overige bovendeelen als bij het mannetje, hoewel eenigszins meer grijsachtig met overlangsche, zwarte strepen.
De Purperzwaluw is in Noord-Amerika algemeen geliefd; men spaart haar steeds en tracht haar bovendien in de nabijheid van de woningen te houden, door broedkastjes of uitgeholde pompoenen in de boomen op te hangen. Evenals de overige Zwaluwen verricht zij hare werkzaamheden voor 't meerendeel vliegend; zij komt echter ook wel op den grond en kan zich hier en op de takken beter bewegen, dan men wegens de kortheid van hare pooten zou verwachten. Niet minder vermetel dan onze Boerenzwaluw, valt zij Katten, Honden, Kraaien, Valken en Gieren aan; hen tracht zij op deze wijze verwijderd te houden van haar nest, dat in holle boomen wordt gebouwd.
De Muschvogels, die nu beschreven zullen worden, behooren tot de afdeeling van de Schreeuwvogels (Clamatores). De belangrijkste eigenschap, die zij met elkander gemeen hebben, is de bouw van het onderste strottenhoofd, dat slechts twee zijdelingsche of in 't geheel geen spieren bezit. Van de twee handpennen is de eerste slechts bij uitzondering verkort. De loop is van voren steeds met hoornplaten bekleed.
Pitta's, Grondlijsters of Prachtlijsters (Coloburis) noemen wij een geslacht van verwonderlijk schoon gekleurde Vogels, die door hun lichaamsbouw aan de Waterspreeuwen en Winterkoningen herinneren en met hunne verwanten de familie der Wolruggen (Eriotoridae) vormen. Hun lichaamsbouw is gedrongen;. de middelmatig lange, maar bijzonder krachtige snavel heeft een flauw gebogen ruglijn; de pooten zijn slank en hebben een langen loop; de vleugel, welks spits gevormd wordt door de vierde en de vijfde slagpen, reikt tot aan het uiteinde van den zeer korten staart.
De Pitta's zijn het talrijkst in het Indische faunistische Rijk, vooral echter op de Maleische eilanden; ook komen zij voor in West-Afrika, Australië en de tropische gewesten van Amerika.
Als voorbeeld van dit geslacht kiezen wij de Negenkleurige Pitta, den Noerang der Hindoes (Coloburis bengalensis). De rug, de schouders en de vleugeldekveeren zijn blauwgroen, de verlengde bovendekveeren van den staart lichtblauw, een wenkbrauwstreep, de kin, de borst en de zijden van den hals (onder de ooren) wit, de onderdeelen, met uitzondering van een karmijnroode vlek aan den onderbuik en den aars, bruinachtig geel, een overlangsche streep boven op den kop en een teugelstreep die door het oog gericht is, zwart, de slagpennen zwart met witachtige spits, de eerste handpennen bovendien wit gevlekt, de armpennen aan den buitenzoom met blauwgroenen rand, de stuurpennen zwart, aan de spits dof blauw. De oogen zijn nootbruin, de pooten roodachtig geel, de snavel is zwart. Totale lengte 18, staartlengte 4 cM.--De Noerang is over geheel Indië en Ceylon verbreid en hier op ieder voor haar geschikt terrein veelvuldig.
Alle Grondlijsters geven de voorkeur aan gedeelten van het woud, die zoo dicht mogelijk met struiken begroeid zijn; enkele soorten bewonen echter ook steenachtige, met laag heestergewas pover bedekte berghellingen. Verreweg de meeste houden zich op in de voor Europeanen nagenoeg ontoegankelijke oerwouden van de Oost-Indische eilanden. Hierdoor wordt het hoogst moeielijk deze Vogels te vangen en hun levenswijze na te gaan. "Mijn beste jager," zegt Wallace, "had gedurende mijn tweemaandelijksch verblijf op Boeroe de daar voorkomende Pitta" (Coloburis rubrinucha) "dikwijls gezien, maar was nooit in de gelegenheid geweest er een van te dooden. Eerst nadat hij een nacht in een bouwvallige hut in het woud had doorgebracht, gelukte het hem er twee te schieten; deze jacht gaf echter aanleiding, dat ik geruimen tijd zijne diensten moest missen, daar hij zich aan de doornen zoo gekwetst had, dat hij veertien dagen lang niet kon jagen. De eenige plaats, waar het mij zelf gelukt is Grondlijsters waar te nemen en te schieten, was op het eiland Lombok, waar een soort van Pitta" (Coloburis concinna) "op droge zandvlakten, die dicht met laag struikgewas bedekt en met een kleed van dorre bladen overspreid waren, zeer veelvuldig voorkwam. Zij zijn zoo schuw, dat het hoogst moeilijk is ze onder schot te krijgen; eerst na een lange oefening leerde ik een middel kennen om ze te naderen. Deze Vogels zijn gewoon om over den grond rond te huppelen, terwijl zij Insecten oppikken; maar loopen bij het minste geritsel weg of vliegen langs den grond naar de dichte struiken, waarin zij zich verbergen. Af en toe hoort men hun zeer eigenaardige stem, die men niet licht vergeet, als men haar eens gehoord heeft; zij bestaat uit twee opeenvolgende, gefloten tonen, één korte en één lange. Als de Vogel zich veilig acht, herhaalt hij zijn geschreeuw met één of twee minuten pauze; bovendien blijkt zijn aanwezigheid uit het ritselen van de droge bladen, terwijl hij zich beweegt. Zoo stil en voorzichtig mogelijk wandelde ik langs de smalle voetpaden, die hier zoo talrijk zijn; zoodra ik uit eenig teeken de nabijheid van Pitta's opmaakte, bleef ik roerloos staan en floot nu en dan zachtjes, mijn best doende om hare tonen na te bootsen. Na een half uur ongeveer werd veeltijds mijn geduld beloond door het zien van den in 't struikgewas rondtrippelenden Vogel. Hoewel ik hem daarna niet zelden weer uit het oog verloor, legde ik toch mijn geweer aan, om gereed te zijn, zoodra ik hem opnieuw bespeurde. Ik was dan in de gelegenheid het zachte, dikke vederenkleed en de prachtige kleuren van den Vogel te bewonderen. De bovendeelen zijn fraai groen; de kop is gitzwart met een blauwe en een bruine streep boven ieder oog; op den staartwortel en over de schouders loopen banden van helder zilverachtig blauw; de onderdeelen zijn fijn bruinachtig geel met een prachtig karmijnroode, op den buik zwart gezoomde streep. De meest eigenaardige karaktertrek van de Lomboksche kreupelbosschen is hun doornigheid; de struiken zijn doornig, de slingerplanten en zelfs de bamboesgrassen zijn het ook. Alle planten zijn hier met haken en tanden bezet en op een onontwarbare wijze dooreengegroeid. Doorgaans was het niet wel mogelijk zich met een geweer, met een net of zelfs met een bril voor de oogen een weg door de struiken te banen. Dikwijls waren de Pitta's juist in zulke struiken verscholen, zoodat men na het treffen van den Vogel nog lang niet zeker kon zijn, hem te zullen bemachtigen; dikwijls werd dit doel eerst na het opdoen van menigen prik en schram en van scheuren in de kleeren bereikt."
Naar men zegt, zijn de bewegingen van de Pitta's zeer bevallig. Zij huppelen met groote sprongen over den bodem en gaan af en toe op een boomstomp of een struik zitten; alleen wanneer zij zich vervolgd zien, vliegen zij over een eenigszins grooteren afstand in rechte richting voort. Bij enkele soorten bestaat de lokstem uit drie tonen: naar men zegt, hoort men van den Noerang de klanken "ewietsj eia" en roept de Australische Schreeuwpitta duidelijk de woorden "want a watch" (ik heb een horloge noodig). Een werkelijk gezang brengen de Indische soorten, naar het schijnt, niet voort. De Poelih, een West-Afrikaansche soort, laat daarentegen, volgens Thomson, een buitengewoon liefelijk lied hooren. "Deze Vogel," zegt hij, "is wegens zijn begaafdheid bij de inboorlingen van het Timnehgebied zoo beroemd, dat zij den naam Poelih gebruiken als een eeretitel voor een dichterlijk, welsprekend man."
Verschillende Insecten, vooral Kevers en Netvleugeligen, voorts Wormen en dergelijke kleine dieren maken het hoofdvoedsel van de Grondlijsters uit. Aan de Lijsters herinneren de Pitta's, doordat zij haar buit uitsluitend van den bodem opzoeken, aan de Waterspreeuwen, doordat zij dikwijls tot aan het spronggewricht in het water rondwaden om hier te jagen.
Hodgson zegt van de in Nepal voorkomende soort, dat zij zeer gemakkelijk gevangen kan worden. Op de Aroe-eilanden maken de Papoea-jongens met zeer goed gevolg jacht op de daar levende Grondlijsters; behendig kruipen zij tusschen de struiken door en weten hunne kleine bogen zeer goed te hanteeren. De geoefende jager wordt van de aanwezigheid van een Pitta het eerst verwittigd door het ritselen der bladen; hij ziet telkens als de Vogel van stand verandert een door de veeren teruggekaatsten lichtbundel komen of verdwijnen. Een onvoorzichtige beweging van den jager wordt gevolgd door een op weerlicht gelijkend geflikker, waaruit blijkt, dat het gezochte wild vliegend een veiliger standplaats heeft opgezocht.
Voor zoover mij bekend, zijn tot dusver slechts van twee soorten van dit geslacht levende exemplaren naar Europa gebracht.
"Ongetwijfeld," schrijft Schomburgk, "waren mijne reisgezellen, die tot dusver met gelijkmatigen pas achter elkander voortschreden, op een onverwachte hindernis gestuit, want hun beweging hield op. Niet vrij van bezorgdheid spoedde ik mij naar de manschappen, die in het voorste gelid stonden; vóór zich hadden zij een bruinen, 4 à 5 M. breeden band, want zoo en niet anders was de indruk, dien men kreeg van het leger van Trekmieren, die dicht opeengedrongen ons pad kruisten. Het zou ons te lang opgehouden hebben, zoo wij hadden willen wachten, totdat dit mierenheir voorbijgetrokken was; wij moesten ons dus met versnelden pas en met groote sprongen een doortocht banen. Tot aan de knieën bedekt met de verwoede Insecten, braken wij door de dichte drommen heen, zonder ons evenwel geheel te kunnen vrijwaren tegen de pijnlijke beten van de getergde dieren, die wij in grooten getale met de handen vermorzelden en met de voeten vertraden. Hoewel zulk een leger, welks punt van uitgang en plaats van bestemming niemand kan aangeven, alles aanvalt, wat het op zijn weg ontmoet, heeft het toch ook machtige vijanden. Vooral de Vogels, die het in grooten getale vergezellen, richten er een groote slachting in aan." Tot de bedoelde Vogels behooren de leden van het geslacht, welks beschrijving nu aan de beurt is.
Het Zuid-Amerikaansche geslacht der Mierenvangers (Formicivora), dat ongeveer 70 soorten omvat, herinnert evenzeer aan onze Lijsters als aan de Zangers en de Klauwieren. Een eigenaardigheid van deze groep is, dat, zooals de Prins Von Wied het uitdrukt, "de pooten zich ontwikkeld hebben ten koste van de vleugels.
Het voornaamste voedsel van de Mierenvangers bestaat uit Insecten; sommige versmaden echter ook plantaardige stoffen niet. Gene pikken zij hoofdzakelijk van den bodem op, waar zij met den snavel de afgevallen bladen omkeeren; enkele krabben echter vaak als Hoenderen in den grond, wanneer zij schielijker hun doel willen bereiken. Zij houden veel van Mieren, hoewel er geen reden is voor de meening, dat zij aan dezen buit de voorkeur geven boven iederen anderen.
Een van de meest bekende Mierenvangers is het Vuuroog (Formicivora domicella), wiens rechte, tamelijk dikke, bijna kegelvormige snavel een haakvormig gebogen spits heeft en vóór deze een ondiepe inkerving vertoont; de pooten hebben een langen, dikken loop en stevige, maar niet zeer lange teenen; de vleugels zijn middelmatig lang; de staart is tamelijk lang en afgerond. Bij het mannetje zijn de snavel, de pooten en het grootste deel van de veeren zwart, de vleugeldekveeren aan 't polsgewricht wit en de groote dekveeren met witten rand voorzien. De oogen zijn, zooals de soortnaam aanduidt, donker vuurrood en steken scherp af bij het koolzwarte kleed; hieraan is deze Vogel gemakkelijk te herkennen. Het wijfje is olijfbruin; de keel en de nek zijn lichtgeel. Totale lengte 18, vleugellengte 8, staartlengte 7 cM.
Het Vuuroog is in geen der Braziliaansche wouden zeldzaam; het houdt zich hier in het dichte en donkere struikgewas op, waar het vaardig overal doorheen sluipt. Zijn stem is een fluitend gekweel.
Dat deze bevallige Vogel een ijverig mierenjager is, blijkt uit de berichten van den Baron Von Kittlitz. "Ik ontmoette," verhaalt hij, "in een dicht begroeid deel van het woud een ontzaglijken zwerm van groote, zwarte Mieren, die bij de overblijfselen van dikke bamboesstengels ijverig bezig waren en intusschen een heerlijk maal leverden aan mannelijke en vrouwelijke Vuuroogen, die zeer gretig en behendig jacht op haar maakten. Hoewel deze Vogels schuw van aard zijn en zeer listig een schot weten te ontwijken, was toch hun trek in Mieren zoo groot, dat zij zelfs door het schieten slechts voor eenige oogenblikken verjaagd werden. Ik kon, terwijl ik op den bodem op de loer lag en telkens schielijk opnieuw laadde, achtereenvolgens zesmaal vuren."
De tweede onderfamilie van de Wolruggen, die der Sluipers (Pteroptochinae), wordt vertegenwoordigd door de Ralsluipers (Hylactes), waarvan wij een der meest bekende soorten, den Turkenvogel, den Turco of Tapacolo der Chilenen (Hylactes megapodius), als voorbeeld kiezen. Zijne bovendeelen zijn donker olijfbruin, een streep over de slapen, de kin en het onderste gedeelte van de wangstreek zijn wit, de overige onderdeelen olijfkleurig roestbruin; de buik- en schenkelveeren zijn met smalle, zwartachtige en breede, witte, de onderdekveeren van den staart met vaal-roestkleurige, het midden van de borst en de buik met donkerbruine dwarsbanden geteekend; de staartveeren zijn donkerbruin. Ook het oog is donkerbruin, de poot bruinachtig zwart, de snavel zwartachtig bruin. Totale lengte 27, vleugellengte 10, staartlengte 9 cM. Aan den hoog opgerichten staart dankt hij den naam "Tapacolo," die "bedek uw achterste" beteekent.
"Deze merkwaardige Vogel," zegt Von Kittlitz van den Turkenvogel, die hij in de nabijheid van Valparaiso leerde kennen, "leeft gewoonlijk zeer verborgen op berghellingen, die met een eigenaardig soort van bamboesgrassen overwoekerd zijn. Hij verraadt zijn aanwezigheid door de stem, welker wonderbaarlijk krassende en krijschende tonen met onregelmatige tusschenruimten opeenvolgen en langzamerhand zwaarder worden. Evenals zijne verwanten levert hij een zeer verrassend schouwspel op, als hij, zijn snellen loop bespoedigend door de beweging van de korte, voor 't vliegen ongeschikte vleugels, eensklaps uit de wildernis te voorschijn komt en, met een houding als die van ons Winterkoninkje, een oogenblik vertoeft op een vooruitstekende rotspunt, die hij plotseling door een verbazenden sprong bereikte en op dezelfde wijze even onverwachts verlaat."--Uitvoeriger berichten geeft Darwin: "Onder de Vogels van Chiloë trekken twee Ralsluipers het meest de aandacht. De eene, die door de Chiloëzen "Turco" wordt genoemd, is niet zeldzaam. Hij leeft op den grond, beschut door de struiken, waarmede de droge en kale heuvels hier en daar bedekt zijn. Met opgewipten staart en op stelten gelijkende pooten kan men hem zeer dikwijls met buitengewone snelheid van den eenen struik naar den anderen zien sluipen. Hij doet dit op de wijze van iemand, die zich schaamt over zijn potsierlijke gestalte; op het eerste gezicht zou men zich n.l. kunnen voorstellen, dat een slecht opgezette Vogel weer levend geworden en het museum ontvlucht is. Men kan hem slechts met de grootste moeite aan 't vliegen brengen. Bovendien loopt hij niet, maar huppelt slechts. Het nest wordt, naar men zegt, in een diep hol onder den grond gebouwd. In de zeer gespierde maag vond ik Kevers, plantenvezels en steentjes. Met het oog op dit feit en wegens de lengte van de pooten, de geschiktheid van de teenen voor 't woelen in den grond en de vliezige bekleeding van de neusgaten zou men geneigd zijn dezen Vogel een plaats aan te wijzen tusschen de Lijsters en de Hoenderachtigen. Een aan den Turco nauw verwante soort, de Gid-Gid der inboorlingen (Hylactes tarnii), heeft van de Engelschen den zeer toepasselijken naam van Blaffenden Vogel gekregen, omdat zijn geluid niet met zekerheid te onderscheiden is van het geblaf van een Hondje in het woud."
Onze Meezen en Boomloopers worden in Zuid- en Middel-Amerika vervangen door de Stijgvogels (Anabatidae), een familie, die ongeveer 300 soorten omvat. Hiertoe behooren de Ovenvogels (Furnarius), die aan sommige Lijsters herinneren, hoewel zij eigenlijk met geen enkele groep van Europeesche Vogels vergeleken kunnen worden.
"Wanneer men," zegt Burmeister, "na het overschrijden van de hooge bergketens van Brazilië (die het woudrijke kustgebied scheiden van de Campos, de grasvlakten van het binnenland) in het heuvelachtige dal van den Rio des Velhas afdaalt, treft men overal aan den weg op de hooge boomen, die naast de woningen van de kolonisten afgezonderd groeien, groote, meloenvormige leemkluiten aan, die op horizontale, armdikke takken rusten. Zij zijn in 't oog vallend gelijk van vorm en grootte en hebben aan de eene zijde een opening. De Termietennesten, die ook wel op boomen voorkomen, zijn zeer verschillend van vorm en worden nooit midden op een tak, maar steeds voorzichtigheidshalve in een gaffel gebouwd. Als men de groote, eivormige opening goed in 't oog houdt, ziet men hier nu en dan een kleinen, roodachtig gelen Vogel in- en uitgaan. Dit is de bouwmeester van het zonderlinge vogelnest, dat wij hier aanschouwen, de Ovenvogel, aan iederen Mineiro onder den naam Joao de Barro (Leemhans) welbekend en door hem met bijzondere welwillendheid beschouwd."
De Ovenvogel (Furnarius rufus) is aan de bovenzijde roest- of kaneelkleurig bruinrood; de kop en de mantel zijn doffer van kleur, de slagpennen bruin, de onderdeelen lichter; het midden van de keel is zuiver wit; een levendig roodgeel gekleurde streep loopt van het oog naar achteren; de zoom van de slagpennen is grijs, die van de handpennen aan den wortel ten deele lichtgeel; de stuurpennen zijn roestgeelachtig rood. De iris is geelbruin, de snavel bruin, de ondersnavel aan den wortel witachtig, de voet bruin. Totale lengte 19, lengte van den vleugel 10, van den staart 7 cM.
De Ovenvogel leeft ongeveer op de wijze van onze Lijsters zoowel op de twijgen als op den bodem. In de twijgen is hij zeer opgewekt en vroolijk, hetgeen hij o. a. openbaart door dikwijls zijn wonderbaarlijke stem te laten hooren. Men vindt deze Vogels altijd bij paren en meestal ieder paar afzonderlijk. Hun voedsel bestaat uit Insecten en zaden; volgens Burmeister zoekt hij de Insecten uitsluitend van den bodem op; in de twijgen ziet men hem er nooit jacht op maken, nog minder doet hij dit vliegend. Op den grond beweegt hij zich zeer behendig; hij huppelt met groote sprongen; in verband met de kortheid zijner vleugels vliegt hij nooit ver en niet bijzonder snel.
Zijn stem moet wel zeer eigenaardig zijn, daar alle beschrijvers haar uitdrukkelijk gedenken: sommige met welwillendheid, andere op minder gunstige wijze. "Gewoonlijk," zegt Burmeister, "laten de beide echtgenooten, terwijl zij ergens op een huis of op een boom zitten, te gelijker tijd hun gegil en gekrijsch hooren; zij doen dit echter op verschillende tonen en toonladders: het mannetje sneller, het wijfje langzamer en een terts lager. Opmerkelijk is deze wijze van schreeuwen zonder twijfel, n.l. wanneer men er voor de eerste maal op let; aangenaam is zij echter niet, vooral omdat de beide Vogels iemand altijd in de rede vallen, d. w. z. beginnen te schreeuwen, zoodra men ergens staan blijft en een luid gesprek voert."
Spoedig blijkt het, dat er voor de driestheid van den Ovenvogel, die aanvankelijk bevreemding wekt, voldoende redenen bestaan. De Brazilianen beschouwen hem als een heiligen, christelijken Vogel en beweren, dat hij aan zijn groot nest des Zondags niet werkt en het vlieggat steeds aan de oostzijde plaatst.
"Het nest zelf is een verbazingwekkend werkstuk voor zulk een kleinen Vogel. Hij bouwt het gewoonlijk op een volkomen horizontaal, soms echter op een zwak stijgend deel van een boomtak, die 8 of meer cM. dik is. Zeer zelden ziet men het nest op andere plaatsen, op daken, hooge balken, het kruis van een kerk enz. De beide echtgenooten bouwen gemeenschappelijk: het eerst vervaardigen zij den waterpas liggenden vloer uit de leemachtige grondsoort, welke na de eerste regenbuien, die gedurende hun paartijd vallen, in ieder dorp in grooten overvloed de rijwegen bedekt. De Vogels vormen hiervan ronde, op geweerkogels gelijkende kluiten en brengen deze in den boom, waar zij ze met den snavel en de pooten uitspreiden. Gewoonlijk worden er ook stukgereden plantendeelen doorheen gekneed. Als de vloer een lengte van 20 à 22 cM. heeft bereikt, wordt daarop van de beide einden af een bovenwaarts gerichte rand aangebracht, die aan de zijden een weinig naar buiten overhelt, aan het uiteinde het hoogst (soms wel 5 cM. hoog) is en naar het midden der zijden lager wordt, zoodat de zijwanden een hollen boog vormen. Als deze rand gereed en behoorlijk droog geworden is, wordt er een tweede, soortgelijke bovenop gezet, die reeds een weinig meer naar binnen gebogen is. Ook dezen laat de Vogel eerst weer drogen en bouwt later op dezelfde wijze voort, totdat de beide zijden samenkomen en een gewelf vormen. Aan de eene lange zijde blijft een ronde (later halfcirkelvormige) opening over. Dit is het vlieggat. Als het nest gereed is, gelijkt het op een kleinen bakkersoven; gewoonlijk is het 15 à 18 cM. hoog, 20 à 22 cM. lang en 10 à 12 cM. breed. De leemen muur heeft een dikte van 2.5 à 4 cM.; binnenwerks is het nest dus 10 à 12 cM. hoog, 12 à 15 cM. lang en 7 à 10 cM. breed. Een nagenoeg voltooid gebouw, dat ik medenam, woog 4.5 K.G. In dit hol bouwt de Vogel het eigenlijke nest door tegen den vertikaal geplaatsten rechterrand van de opening loodrecht naar binnen een half dwarsschot aan te brengen, vanwaar een kleine drempel uitgaat, die zich tot aan den tegenovergestelden wand uitstrekt. Op deze wijze wordt de broedruimte begrensd; zij wordt zorgvuldig met droge grashalmen belegd, welke laag van binnen bekleed is met daarin gevlochten hoenderveeren, bundeltjes katoen enz. In dit leemen huis legt het wijfje 2 à 4 witte eieren; beide echtgenooten broeden ze uit en voederen hunne jongen. Het eerste nest komt tegen het einde van Augustus gereed; het broeden heeft in het begin van September plaats. Een tweede broedsel wordt in een later tijdperk verzorgd."
De Tirannen of Amerikaansche Vliegenvogels (Tyrannidae), die zoowel met de Klauwieren als met de Vliegenvangers kenteekenen gemeen hebben, vormen een uit meer dan 450 soorten bestaande, voor Amerika karakteristieke familie, die zoowel in de noordelijke als in de zuidelijke helft van dit werelddeel vertegenwoordigers heeft. Deze trekken den aandacht van den mensch, in wiens onmiddellijke nabijheid zij zonder schroom hunne werkzaamheden verrichten, zoowel door hunne handelingen als door hun stem.
De Pipra's (Pipra) behooren in Zuid- en Middel-Amerika thuis. De grondkleur van het kleed der mannetjes is zwart; sommige lichaamsdeelen prijken echter met schitterende kleuren. De wijfjes van nagenoeg alle soorten zijn effenkleurig grijsachtig groen; deze kleur hebben ook de jongen van beiderlei geslacht.
De levenswijze en gewoonten van de Pipra's herinneren nog het meest aan die onzer Meezen. Zij leven bij paren of tot kleine familiën en gezelschappen vereenigd, huppelen van de eene twijg op de andere en vliegen zoomin ver als hoog; door hun opgewektheid en levendigheid zijn zij echter wel in staat de wouden te verlevendigen. Evenals vele andere Vogels van het oerwoud, geven zij aan vochtige wouden de voorkeur en vermijden als 't ware angstvallig alle onbeschaduwde plaatsen, o. a. ook de niet met houtgewas begroeide rivieroevers. In de morgenuren ziet men ze tot kleine troepen vereenigd, soms in gezelschap van Vogels van andere soorten; omstreeks den middag zoeken zij ieder afzonderlijk eenzame en schaduwrijke plaatsen op.
Hun gezang is onbeduidend: "een zacht, maar zeer aangenaam gekweel"; hun lokstem is een gefluit, dat vele malen herhaald wordt. Zij eten Insecten en vruchten. Sommige Pipra's voeden zich, naar het schijnt, grootendeels met bessen en zoeken deze niet zelden in de nabijheid van menschelijke woningen, hoewel zij gewoonlijk zeer voorzichtig zijn.--Het tamelijk eenvoudige en kunstelooze nest is van mos vervaardigd en van binnen met plantenwol bekleed; het legsel bestaat, naar men meent, altijd uit twee eieren; deze zijn langwerpig van vorm, op lichtkleurigen grond fijn gestippeld, gewoonlijk echter aan het stompe einde met een krans van vlekken voorzien.
Het Manneke of de Monnikpipra (Pipra manacus) is een der meest bekende, hoewel niet een der schoonste soorten van zijn geslacht. De kruin, de rug, de vleugels en de staart zijn zwart, de staartwortel en de stuit grijs, de keel, de hals, de borst en de buik wit. De oogen zijn grijs, de pooten licht vleeschkleurig; de snavel is loodkleurig, aan de onderkaak witachtig. Totale lengte 12, staartlengte 2.8 cM.
"Deze lieve vogeltjes," zegt de Prins Von Wied, "zijn over een groot deel van Zuid-Amerika verbreid. Men ontmoet ze in Guyana; ten zuiden van de gewesten die ik doorreisde, zijn zij gemeen. Zij bewonen aaneengeschakelde oerwouden en struikbosschen, die met open plekken afwisselen; buiten den paartijd vereenigen zij zich tot kleine, dikwijls ook tot talrijke troepen, die evenals onze Meezen, de struiken doorkruisen en zich meestal dicht bij den bodem of althans op middelmatige hoogte ophouden. Zij zijn zeer levendig en voortdurend in beweging, vliegen niet lang achtereen, maar buitengewoon snel en brengen hierbij een luid, vreemdsoortig gesnor voort, dat met het gedruisch van een spinnewiel overeenkomt." Dit snorren wordt veroorzaakt door de beweging van het handgedeelte der vleugels en kan zelfs na den dood van den Vogel door snelle beweging van het bedoelde deel van den vleugel voortgebracht worden.
"Als de Monnikpipra in beweging is, hoort men dikwijls zijn stem: een geluid als het kraken van een hazelnoot, waarop een knarsende en eindelijk een zware, brommende toon volgt. Ieder zal bij 't hooren van deze vreemdsoortige geluiden, die plotseling uit de wildernis opkomen en dikwijls herhaald worden, meenen, dat de zware bastoon van een groot dier afkomstig is, en met verbazing het kleine, zonderlinge vogeltje als de voortbrenger van deze klanken leeren kennen. Dikwijls hoorde ik in de dichte, schilderachtig dooreengegroeide planten van het donkere woud, de hoogst eigenaardige stem van het kleine Manneke, dat al krakend in onze onmiddellijke nabijheid rondfladderde, zonder dat wij het zagen."
De naam Mono of Monnik, wordt door de Brazilianen aan dit dier gegeven wegens zijn gewoonte om de keelstreek op te blazen, waardoor de lange veeren van de keel als een baard te voorschijn komen. De naam "Manneke", dien de Nederlandsch sprekende bewoners van Suriname geven aan de Pipra's, welker keelvederen verlengd zijn en door haar losheid op zijden draadjes gelijken, heeft dezelfde beteekenis. Het voedsel van deze Vogels bestaat, naar het schijnt, zoowel uit bessen als uit Insecten.
Een van de beroemdste soorten van de familie, de Koningsvogel of Tiran, de King-bird of Field-Martin der Anglo-Amerikanen (Tyrannus carolinensis), is van middelmatige grootte: zijn lengte bedraagt 21 cM. (staartlengte 9 cM.). De zachte en glanzige veeren zijn aan de bovenzijde donker blauwachtig grijs, aan de zijden van den kop het donkerst; op den kop verlengen zij zich tot een kuif, welker smalle veeren prachtig vuurrood zijn met gele randen; de onderdeelen zijn grijsachtig wit, op de borst met aschgrauwe tint, aan den hals en de keel zuiver wit; de slagpennen en stuurpennen zijn bruinachtig zwart, de laatstgenoemde naar de spits donkerder en, evenals de vleugeldekveeren, met witten eindzoom. De oogen zijn donkerbruin, de pooten grijsachtig blauw; de snavel is zwart. Bij het wijfje zijn alle kleuren minder levendig.
"De Koningsvogel," verhaalt Audubon, "is een van de bekoorlijkste zomergasten van de Vereenigde Staten. Hij komt in Louisiana omstreeks het midden van Maart. Vele blijven hier tot het midden van September, de meeste echter begeven zich langzamerhand verder noordwaarts en verbreiden zich over ieder deel van het rijk. De eerste dagen na zijn aankomst schijnt de Vogel vermoeid en treurig te zijn; hij houdt zich dan althans volkomen stil. Weldra echter herkrijgt hij zijn natuurlijke levendigheid en hoort men zijn schel, trillend geroep over ieder veld en langs de zoomen van alle bosschen. In het binnenste van de wouden komt hij zelden voor; veeleer geeft hij de voorkeur aan boomgaarden, velden, rivieroevers en aan tuinen, die de huizen der planters omgeven. Hier kan men hem het gemakkelijkst waarnemen."
Als de broedtijd nadert, merkt men bij deze Vogels een andere wijze van vliegen op. Het mannetje en het wijfje vliegen op een hoogte van 20 of 30 M. boven den grond, terwijl zij voortdurend de vleugels fladderend bewegen en bijna onverpoosd luid schreeuwen. Het wijfje volgt het spoor van het mannetje; beide schijnen rond te kijken naar een geschikte plaats om te nestelen, maar letten intusschen ook op de Insecten, die zich in hun nabijheid bevinden en waardoor zij zich nu en dan van hun weg laten afbrengen; die welke hun aandacht trekken, happen zij met een behendige wending op. Het einde van dit spel is, dat beide dicht bij elkander op een boomstam gaan zitten rusten. Na het kiezen van de nestplaats begint het gelukkige paar droge twijgen op den bodem bijeen te zoeken en ze vervoeren van den horizontalen tak, waar zij den grondslag zullen vormen van de wieg der kinderen. Vlokken katoen, heede of wol en dergelijke stoffen, die het nest een aanzienlijken omvang, maar ook een tamelijk groote stevigheid verschaffen, worden op dit fondament opgehoopt; de binnenwanden krijgen een tamelijk dikke bekleeding van fijne worteltjes en paardehaar.
Het wijfje broedt op 4 à 6 eieren, die op roodachtig witten grond onregelmatig bruin gestippeld zijn. Het mannetje is in dezen tijd vol moed en ijver. In de nabijheid van zijn geliefde gade zit hij op een twijg en schijnt geen andere gedachten te koesteren dan haar voor ieder gevaar te beschutten en te verdedigen. De opgerichte en uitgespreide veeren van den bovenkop schitteren in 't licht der zon; de witte borst valt op grooten afstand in 't oog. Zoo zit hij op zijn uitkijkpost en laat zijn waakzaam oog over den omtrek waren. Zoodra een Kraai, een Gier, een Arend zich vertoont, hetzij van verre of in de nabijheid, stijgt hij plotseling omhoog, nadert den vijand, hoewel deze soms voor hem recht gevaarlijk kan zijn en valt hem vol woede aan. Met schetterend krijgsgeschreeuw van boven af op zijn tegenstander neerschietend, tast hij hem herhaaldelijk in den rug aan en tracht hier vasten voet te krijgen. Hij acht het zijn plicht den minder behendigen roover op deze wijze over een grooten afstand, soms wel een kilometer ver, te vervolgen en intusschen voortdurend met den snavel lastig te vallen. Eerst dan verlaat hij den vluchteling en vliegt, als naar gewoonte met trillende vleugels en voortdurend kwinkeleerend, naar het nest terug.
Er zijn niet vele Valken, die het nest van den Koningsvogel durven naderen; zelfs de Kat blijft zooveel mogelijk thuis; mocht zij zich al eens vertoonen, dan wordt zij door den kleinen held, die even onbevreesd is als de stoutmoedigste Arend, zoo snel en krachtig bestookt, en door telkens herhaalde aanvallen, die van alle zijden komen, zoozeer in 't nauw gebracht, dat haar niets anders overblijft dan de vlucht te nemen en naar huis terug te keeren.
De Tiran vreest geen zijner medeheerschers in het rijk der lucht met uitzondering van de Purperzwaluw. Deze helpt hem dikwijls bij het beschutten van huis en hof, maar weet hem op andere tijden door een forschen aanval tot den terugtocht te dwingen. De Purperzwaluw vliegt veel sneller en behendiger dan de sterkere Koningsvogel en kan daarom diens aanval licht ontwijken.
De Koningsvogel is de vriendschap en de gunst van den mensch ten volle waardig. Hij beveiligt de eieren van het kippenhok tegen de diefachtige Kraai, behoedt een groot aantal kuikens voor de klauwen van den roofgierigen Valk en verdelgt tallooze Insecten; door deze diensten vergoedt hij ruimschoots de weinige bessen en vijgen, die hij opeet. Toch worden vele van deze nuttige dieren gedood, niet om hen te straffen voor het dooden van Bijen (zooals vroeger beweerd werd), maar wegens hun malsch en smakelijk vleesch.
Een van de meest bekende Tirannen van Brazilië is de Bentevi (Tyrannus sulfuratus), zoo genoemd naar den klank van zijn stem. Zijn lengte bedraagt 26 (staartlengte 8 cM.). De bovendeelen zijn groenachtig olijfbruin, de kuif op 't midden van den bovenkop en de onderdeelen, met uitzondering van de witte keel en borst, zijn zwavelgeel; het voorhoofd en een wenkbrauwstreep zijn wit, het overige gedeelte van den bovenkop, de teugel en de wangen zwart; de vleugeldek- en staartveeren hebben een roestrooden, de slagpennen op de buitenvlag een roestrooden, op de binnenvlag een breeden, roestgelen zoom.
De Bentevi, een van de meest bekende Vogels van Zuid-Amerika, bewoont het noorden van Brazilië, Guyana en Trinidad; hier komt hij bijna overal in grooten getale voor, vooral in oorden, waar open vlakten met kreupelhout afwisselen.
Het mannetje en het wijfje schreeuwen om 't hardst; hun voortdurend getier trekt de aandacht van iederen bezoeker dezer streken; reeds sinds lang werd het door de volkplanters in hun eigen taal nagebootst. In Brazilië heeft men het door "ben-te-vii", in Montevideo en Buenos-Ayres door "bien-te-veo" ("ik zie je wel") vertaald, in Guyana door "qu'est ce qu'il dit?" ("wat zegt hij?"). Deze wegens zijn geschreeuw algemeen bekende Vogel is echter ook nog in andere opzichten merkwaardig; ook hij gedraagt zich als een echte "tiran" en kan geen Roofvogel laten voorbijtrekken zonder hem te plagen.
Men beschuldigt den Bentevi, dat hij niet met Insecten tevreden is, maar ook kleine Vogels uit het nest haalt; dit wordt bevestigd door Schomburgk, die dezen Tiran door kleinere Vogels onder woedend geschreeuw zal vervolgen.
Ook in Europa worden de Bentevis in den laatsten tijd niet al te zelden in de kooi gehouden; men roemt hen zeer wegens hun fier zelfvertrouwen, hun ongeloofelijke vaardigheid in 't vliegen, die door een buitengewoon scherp gezicht ondersteund, geleid en geregeld wordt, en wegens hun weerstandsvermogen.
Reeds door Molina, aan wien wij de eerste natuurhistorische beschrijving van Chili te danken hebben, worden zonderlinge feiten medegedeeld uit de levensgeschiedenis van den zeer merkwaardigen Zuid-Amerikaanschen Vogel, die bij ons Zaagvink heet. "De Zaagvink," zegt hij, "voedt zich met kruiden, maar heeft de slechte eigenschap, den stengel dicht bij den wortel af te zagen, voordat hij begint te eten. Dikwijls snijdt hij de planten eenvoudig tot tijdverdrijf af, zonder er iets van te gebruiken. De inwoners vervolgen hem daarom zooveel mogelijk en geven aan de knapen die zijne eieren uithalen, een goede belooning. Om deze vervolging te ontgaan, bouwt hij zijn nest in de dichtste boomen en op schaduwrijke, weinig bezochte plaatsen. In weerwil van dezen voorzorgsmaatregel is het aantal van deze Vogels zeer verminderd; de ijver waarmede de inwoners hen trachten uit te roeien, leidt tot de gevolgtrekking, dat zij niet lang zullen blijven bestaan, tenzij hunne nakomelingen van levenswijze veranderen."
De Zaagvinken (Phytotominae) vormen een onderafdeeling van de familie der Pronkvogels (Ampelidae); zij kenmerken zich vooral door den bouw van hun snavel. Deze is kort en dik, even breed als hoog, naar de spits langzamerhand samengedrukt, op den rug gewelfd; de zijranden zijn van achteren ingetrokken, aan de voorste snavelhelft echter ieder met een dubbele reeks van fijne zaagtandjes voorzien, die door een groeve vaneengescheiden zijn; in deze groeve past de rand van de onderkaak, die van voren eveneens fijn getand is.
Molina beschreef de Rarita of Rara (Phytotoma rare), door de Chilenen aldus genoemd wegens haar geschreeuw. Totale lengte 17, staartlengte 6 cM. De bovendeelen zijn donker olijfgroen; elke veer is met een zwartachtige schaftstreep en een breeden, geelachtig groenen rand versierd; de onderdeelen zijn geelachtig groen met donkerder strepen langs de schaften der veeren; het voorhoofd is roestrood, de kop donkerder met zwarte schaftstrepen; de keel en de buik zijn geel; roestrood zijn de bovenborst en de staartveeren van onderen gezien tot aan het bij den top gelegen derde gedeelte, dat een donkerder kleur heeft; de slagpennen zijn donkergrijs, bijna zwart, met lichte randen; de vleugel heeft twee witte, door de uiteinden der dekveeren gevormde banden; de staartveeren zijn op de buitenvlag en aan den top donkerder, op de binnenvlag roestrood.
"Wij hebben," zegt d'Orbigny, "de Rarita op de oostelijke hellingen van de Boliviaansche Andes dikwijls gevonden, altijd in droge, woeste gewesten van den gematigden hoogtegordel, op heuvels en vlakten, nooit echter in de warme, vochtige, heesterrijke dalen, waarin zij naar het schijnt, niet afdaalt. Men kan zeggen, dat zij in den graangordel leeft, want wij hebben haar nooit, zoomin boven, als beneden de grenzen van den graanbouw waargenomen. Zij houdt zich altijd in de nabijheid van bewoonde en bebouwde streken op en is hier zeer algemeen. Men ziet haar gedurende het geheele jaar alleen, bij paren of in kleine gezelschappen onder de Papegaaivinken." (Pitylus, zoowel aan de Zaagvinken als aan de Kardinalen verwant). "Met deze bezoekt zij de wijnbergen en tuinen en vernielt de aanplantingen, door de jonge uitspruitsels af te snijden, de vruchten te beschadigen enz. Zij doet dit zonder eenigen schroom; daar men zich tot dusver goedwillig door dezen tafelschuimer heeft laten plunderen, zonder naar middelen te zoeken om hem te verdrijven. Zij vliegt laag bij den grond, niet lang achtereen en nooit over groote afstanden. Op den bodem hebben wij haar nooit zien afdalen. Haar geschreeuw, dat dikwijls herhaald wordt, klinkt onaangenaam; het gelijkt op het knarsend gedruisch van een zaag." Boeck vestigt eveneens de aandacht op de schadelijkheid van de Rarita. "Haar getande snavel," zegt hij, "is een vreeselijk vernielingswerktuig voor alle jonge spruitjes; de hieraan toegebrachte schade is buitengewoon groot, vooral omdat de plundering in den regel 's morgens en 's avonds gedurende de schemering plaats vindt. De Rarita voedt zich hoofdzakelijk met jonge planten, die zij dicht bij den bodem afmaait en van welker sap haar snavel dikwijls groen gekleurd is. Geen wonder, dat zij gehaat, gevreesd en vervolgd wordt. Over dag zit zij vaak op toppen van struiken en boomen of op palen van de omrastering; zij kan dan zonder groote moeite onder schot gebracht en gedood worden. Op den bodem verbergt zij zich gaarne in een vore van den akker. Indien deze dieren in zulke talrijke zwermen voorkwamen als de Vinken, zou geen enkele groenteplant in de geheele provincie verschoond blijven. Door de wijze waarop zij zich voeden, zijn zij genoodzaakt in de nabijheid van bebouwde gronden te wonen. In den winter zwerven zij naar andere plaatsen; waar zij zich dan ophouden, heb ik nog niet kunnen nagaan."
Gay velt een zachter oordeel dan de genoemde onderzoekers. "Deze Vogels," zegt hij, "richten in de tuinen eenige schade aan, die echter op verre na niet zoo erg is, als zij wordt voorgesteld. Op het veld zal er van een eenigszins belangrijke, door haar veroorzaakte schade wel geen sprake zijn."
Tot de tweede onderfamilie, die der Vruchtvogels (Ampelinae), behooren de grootste vertegenwoordigers van de familie; hun grootte wisselt af tusschen die van een Kraai en die van een Lijster. Zij hebben een krachtigen romp, een korten hals, een grooten kop, middelmatig lange, tamelijk spitse vleugels, welker derde handpen de overige pennen in lengte overtreft; de uit twaalf pennen bestaande staart is tamelijk kort en recht afgesneden. De afmetingen van den snavel zijn verschillend. De gewrichtsverbinding van de beide snavelhelften met den schedel is ver naar achteren gelegen, de bek is dus diep gespleten en herinnert aan dien van de Rakvogels of Scharrelaars. De pooten zijn dik en kort, alleen voor 't zitten, nagenoeg niet voor 't gaan geschikt. De veeren zijn stijf, niet bijzonder groot en nauw aansluitend. Bij de ontleding van deze Vogels merkt men aan het onderste gedeelte van het strottenhoofd eigenaardige inrichtingen op. Hij is bij sommige bedekt door groote, klokvormige vleeschklompen; bij andere zijn de daarboven gelegen luchtpijptakken tot een groote holte uitgezet, die door bepaaldelijk hiervoor bestemde spieren nog meer vergroot kan worden. Hierdoor is het mogelijk, dat het stemorgaan de luide tonen voortbrengt, die de leden dezer groep kenmerken.
Deze Vogels bewonen de oerwouden van Zuid-Amerika, voeden zich uitsluitend of bijna uitsluitend met saprijke vruchten, leven in den regel eenzaam, slechts bij uitzondering gezellig, zijn traag en dom, maar tevens schuw en vreesachtig. Enkele soorten laten zelden een geluid hooren; de meeste echter onderscheiden zich door een zeer indrukwekkende stem en zijn hierdoor aan de inwoners van hun vaderland wel bekend.
De Schermvogel (Cephalopterus ornatus) heet zoo, omdat de veeren van den bovenkop opgericht kunnen worden tot een dikke, parasolvormige pluim; het mannetje is bovendien kenbaar aan den krop, die tot een ronde, geheel met veeren bedekte lel verlengd is. Zijn kleed is tamelijk gelijkmatig zwart, de kuif zwartachtig blauw; de veeren van den mantel hebben donker groenachtig zwarte zoomen; de slag- en stuurpennen zijn effen donker zwart. De schaft van alle kleine veeren is dicht bij den wortel wit. De oogen zijn grijs, de pooten dofzwart; de bovensnavel is zwartachtig bruin, de ondersnavel grijsachtig bruin. Totale lengte 51, staartlengte 18 cM.
De Schermvogel bewoont de oostelijke hellingen van de Peruaansche Cordilleras tot op een hoogte van 1000 M. Zijn voedsel bestaat, volgens Tschudi, uit vruchten van verschillende boomen, volgens Bates ook uit Insecten, vooral Kevers en Spinnen. Vruchten van de grootte van een pruim worden geheel doorgeslikt en de steenen later weer uitgebraakt, de Insecten vóór het verzwelgen eerst stukgemaakt. Terwijl bij den buit op deze wijze voorbereidt en over 't algemeen gedurende het eten en vliegen legt de Schermvogel de veeren van de kuif naar achteren en het kwastvormig halsaanhangsel zoo dicht tegen den romp aan, dat men het van de daar aanwezige veeren niet kan onderscheiden. Wanneer hij daarentegen rustig op een tak zit, richt hij de kuif tot haar volle hoogte op en laat den kwast hangen. Als hij op een tak neergehurkt gaat slapen, buigt hij den kop achterwaarts tot op het midden van den rug, zoodat de kop, de hals en de pooten geheel verborgen zijn; alleen het scherm en de kwast steken dan nog buiten de overige veeren uit.
Het geschreeuw, dat hij vooral 's morgens vroeg en tegen zonsondergang laat hooren, en dat hem den naam "Stiervogel" heeft verschaft, is een afschuwelijk geluid, dat op het brullen van een stier in de verte gelijkt. Aan het voortbrengen van dit gebrul neemt het vleezig aanhangsel van den hals deel. Vóór het schreeuwen spreidt de Vogel zijn kuif uit, blaast de holle lel op, zwaait haar heen en weer en buigt den kop voorover. Het gelijktijdig gebrul van verscheidene dezer virtuozen doet eerder aan een rundveekudde dan aan een troep Vogels denken. Het kunstelooze, van rijsjes gebouwde nest, staat op den top van een der hoogste boomen en bevat twee witte eieren.
Nauwkeuriger berichten hebben wij over de Klokvogels (Chasmarhynchus). Zij behooren tot de kleinste leden van de onderfamilie en zijn hoogstens zoo groot als een Duif. Kenmerkend zijn voor hen de huidwoekeringen rondom den snavel, die, evenals bij onze Kalkoenen, verlengd en verkort kunnen worden.
De Klokvogel of Smid (Chasmarhynchus nudicollis) is sneeuwwit; de teugel en de keel zijn onbevederd en helder groen van kleur. Het oog is zilverwit, de snavel zwart, de poot vleeschkleurig. Het eenigszins kleinere wijfje heeft de kruin en de keel zwart; de bovendeelen zijn geelachtig groen, de onderdeelen geel met zwarte, overlangsche vlekken, aan den hals met witachtige en gele streepjes. Totale lengte 26, staartlengte 7 cM.
Van deze soort verschilt de Klokluider (Chasmarhynchus carunculatus) in zoover, dat het eveneens zuiver witte mannetje aan den snavelwortel een hol, zwart, gespierd aanhangsel draagt, dat met eenige witte veertjes bedekt is, naar verkiezing uitgestrekt en ingetrokken kan worden, in 't eene geval als een hoorn omhoog steekt, in 't andere, als de zoogenaamde "neus" van den Kalkoen, aan de zijde van den snavel naar beneden hangt.
Bij een derde soort, die wij den in Zuid-Amerika gebruikelijken naam Araponga zullen laten behouden en die de Portugeezen in Brazilië Averano (saamgetrokken uit Ave-de-verano = Zomervogel) noemen (Chasmarhynchus variegatus), is het naakte keelveld bij het mannetje met talrijke, wormvormige huidaanhangsels voorzien. Bij den Hamerling of Bruine Averano (Chasmarhynchus tricarunculatus) eindelijk ontspruiten op het midden van het voorhoofd en aan weerszijden van den snavelwortel drie weeke, draadvormige aanhangsels van 5 à 7 cM. lengte.
De Klokvogels bewonen Zuid-Amerika: de Smid komt voor in Brazilië en is hier in de wouden zeer veelvuldig, de Klokluider behoort in Guyana, de Araponga in het noorden van Zuid-Amerika, de Hamerling in Costarica thuis.
"Deze vreemdsoortige Vogel," zegt de Prins Von Wied van den Smid, "is zoowel door zijn schitterend wit kleed als door zijn luide, helder klinkende stem een merkwaardigheid van de prachtige, Braziliaansche wouden en trekt in den regel onmiddellijk de aandacht van den vreemdeling. Hij is overal verbreid, waar oerwouden voorkomen en houdt zich, naar het schijnt, bij voorkeur in de donkerste en ondoordringbaarste gedeelten dezer wouden op. Hij wordt echter niet overal even veelvuldig aangetroffen, maar bewoont het liefst het bergachtige woud. Zijn stem gelijkt op het geluid van een helder klinkenden klok; hij laat dezen eenigen tijd aanhoudenden klank met tusschenpoozingen hooren en herhaalt hem ook vaak eenige malen achtereen. Dan gelijkt het geluid op het getik van een hamer. Men hoort deze stem op alle uren van den dag zeer veel en op grooten afstand. Gewoonlijk bewonen verscheidene Vogels hetzelfde gewest en wekt de eene den anderen tot schreeuwen op. Het geluid van den eenen weerklinkt luid en helder en wordt lang aangehouden; de andere laat vele opeenvolgende klokketonen hooren; gezamenlijk brengen zij een hoogst zonderling concert voort."
"Uit het naburige woud," verhaalt Schomburgk, "kwamen geluiden, verwonderlijker dan ik ooit gehoord had. Het was, alsof verscheidene harmonisch gestemde, glazen klokjes gelijktijdig aangeslagen werden. Kort daarna hoorde ik ze opnieuw en na pauzen van eenige minuten telkens weer. Toen volgde een iets langere tusschenruimte van 6 à 8 minuten, voordat de volle, harmonische tonen opnieuw weerklonken. Geruimen tijd bleef ik verbaasd staan luisteren, in de hoop dat de betooverende klanken nogmaals zouden beginnen: zij zwegen echter. Van mijn broeder, dien ik hierover ondervroeg, vernam ik, dat dit de stem van den Klokluider was. Geen gezang, geen stem van eenigen gevederden bewoner van Guyana, zelfs niet de zoo duidelijk uitgesproken woorden van den Geitenmelker hadden mij zoozeer verbaasd als de klokketonen van dezen Averano. Dat sommige Vogels van Guyana de gave van de spraak bezitten, had ik reeds ervaren; tonen als die van zooeven, waren mij echter tot dusver nog niet bekend; niets kon mijn aandacht van dezen verwonderlijken zanger afleiden.
"De Klokluider laat zijne betooverende, kristalheldere tonen meestal van den hoogsten top van een reusachtigen mora-boom weerklinken; bijzonder graag zit hij hier op een dorren tak. In den toestand van rust hangt het snavelaanhangsel zijwaarts naar beneden; het wordt opgeblazen, zoodra het dier zijn stem laat hooren en draait dan tevens met de spits om zijn eigen wortel. Wanneer slechts één enkele toon wordt voortgebracht, gaat het aanhangsel onmiddellijk overeind staan; het valt, zoodra het geluid ophoudt, weer neder, om zich bij het volgende geschreeuw opnieuw op te richten."
Naar het schijnt, maken bessen en vruchten het gewone voedsel van deze Vogels uit. In den laatsten tijd worden zij niet al te zelden levend naar Europa overgebracht; in de kooi kunnen zij met eenvoudigen kost (gekookte rijst, wortels en aardappels) verscheidene jaren lang in 't leven worden gehouden.
Het geslacht van de Rotshanen (Rupicola), dat uit drie betrekkelijk groote, Zuid-Amerikaansche Vogels bestaat, is o. a. gekenmerkt door de waaiervormige, overlangsche kuif op den bovenkop.
De meest bekende soort is de Gewone Rotshaan (Rupicola crocea). Het rijk voorziene vederenkleed van het mannetje is schel oranjerood; de veeren van de kuif zijn donker purperrood; de veeren van den schouder eindigen draadvormig, die van rug en staartwortel daarentegen zeer breed; de slag- en stuurpennen zijn bruin met witachtigen rand en aan den wortel met breede, witte vlekken geteekend. De wijfjes en de jongen Vogels zijn effen bruin; de onderste dekveeren van den vleugel zijn bij hen oranjerood, de staartwortel- en staartveeren licht roodgeelachtig bruin; de kam op het voorhoofd is kleiner. Het oog is oranjerood, de snavel licht hoornkleurig geel, de poot geelachtig vleeschkleurig. Het mannetje is 31 cM. lang (staartlengte 10 cM.); het wijfje is aanmerkelijk kleiner.
De met rivieren doorsneden bergstreken van Guyana en van het noordoostelijke deel van Brazilië zijn het vaderland van den Rotshaan; in bergwouden en bergdalen, die rijk zijn aan rotsen, houdt hij zich bij voorkeur op. In de vlakte treft men hem nooit aan. Bijzonder gaarne vestigt hij zich in de nabijheid van watervallen; hoe meer rotskloven een rivierdal bevat, des te beter schijnt het hem te behagen. In Juni en Juli komt hij van zijne rotspunten naar beneden in het woud, om zich te verzadigen met de in dezen tijd rijp wordende vruchten van sommige boomen.
Over de levenswijze van dezen zonderlingen Vogel hebben vele reizigers berichten gegeven. A. von Humboldt heeft hem nagegaan aan de oevers van den Orinoko. De gebroeders Schomburgk vonden hem in twee verschillende districten van Britsch Guyana: het steenachtige Kanoekoe-gebergte en de zandsteenrotsen van de Wenamoe; op beide plaatsen is hij veelvuldig en leeft hij gezellig, maar vermijdt beslist alle betrekkingen met andere Vogels. "Nadat wij nogmaals een steile hoogte bestegen hadden," zegt Richard Schomburgk, "die door reusachtige, met mos en varens begroeide granietblokken bijna onbegaanbaar werd gemaakt, bereikten wij een kleine, bijna volkomen vlakke plek, waarop geen gras of struiken groeiden. Op een door de Indianen gegeven teeken zweeg ik en verborg mij in het naburige struikgewas, waar ook zij zich verscholen, zonder eenig gedruisch te maken. Nauwelijks hadden wij hier eenige minuten rustig gelegen, toen ik op een tamelijk grooten afstand een geluid hoorde, dat veel overeenkomst had met het geschreeuw van een jonge Kat, waardoor ik begon te vermoeden, dat het doel van onze tocht de vangst van een viervoetig dier zou zijn. Pas was dit geluid weggestorven, toen ik het in mijn onmiddellijke nabijheid door een van mijne Indianen volkomen nauwkeurig hoorde herhalen. De Vogels, die dit geroep in de verte beantwoordden, kwamen steeds nader, totdat eindelijk rondom ons aan alle zijden hetzelfde geschreeuw weerklonk. Hoewel de Indianen mij gewaarschuwd hadden, dat ik mij gereed moest houden om te vuren, werd ik door het zien van den eersten Rotshaan zoo verrast, dat ik vergat hem te schieten. Zoo snel als houtsnippen kwamen de fraaie Vogels door de struiken op ons afvliegen; zij gingen een oogenblik zitten om uit te kijken naar den kameraad, die hen naar deze plaats had gelokt en verdwenen weer even vlug, nadat zij hun dwaling hadden ingezien. Wij waren zoo gelukkig geweest intusschen zeven exemplaren te dooden. De Vogels bezat ik nu, maar was nog niet in de gelegenheid geweest tot het bespieden van hunne dansen, waarover ik zoo vaak had hooren spreken, zoowel door mijn broeder als door de Indianen, die mij begeleidden.
"Na verscheidene moeitevolle, maar zeer belangwekkende dagreizen bereikten wij eindelijk een streek, waar ons dit schouwspel ten deel zou vallen. Gedurende een pauze, waarin wij adem schepten, hoorden wij zijwaarts van ons de loktonen van verscheidene Rotshanen; dadelijk slopen twee met geweren gewapende Indianen er heen. Kort daarna keerde een van hen terug en gaf mij door gebaren den raad hem te volgen. Over een afstand van ongeveer duizend schreden kropen wij met de grootste voorzichtigheid door de struiken, intusschen werd mijn nieuwsgierigheid in hooge mate gespannen; op eens zag ik den anderen Indiaan plat op den bodem liggen en tevens het schitterende, oranjekleurige kleed van den Rotshaan door de struiken schemeren. Voorzichtig vleide ik mij naast den Indiaan neer en werd nu getuige van een zeer aantrekkelijk schouwspel. Een geheel gezelschap van de prachtige Vogels, die wij zochten, was juist op een kolossaal rotsblok met den dans bezig. Op de struiken, die het blok omgaven, zaten een twintigtal toeschouwers, mannetjes en wijfjes, blijkbaar met bewondering vervuld over de werkzaamheden van een mannetje, dat op den vlakken top van de rots met de zonderlingste passen en bewegingen in allerlei richtingen heen en weer liep. Soms spreidde de speelsche Vogel zijne vleugels half uit en bewoog intusschen den kop naar alle zijden, krabde met de pooten het harde gesteente, sprong meer of minder snel altijd op 'tzelfde punt omhoog, om kort daarna den staart uit te spreiden en in behaagzieke houding weder het terras rond te wandelen. Eindelijk scheen het vermoeid te zijn, maakte een geluid, dat van zijn gewone stem verschilde en vloog op de naastbijgelegen twijg. Het werd vervangen door een ander mannetje, dat eveneens zijn bevalligheid en bekwaamheid in 't dansen toonde, om na verloop van eenigen tijd, vermoeid, voor een nieuwen danser plaats te maken." Robert Schomburgk vermeldt bovendien nog, dat de wijfjes, die tusschen de uitrustende mannetjes zitten, onverdroten naar deze vertooning kijken en bij de terugkomst van het vermoeide mannetje een geschreeuw aanheffen, dat bijval te kennen geeft.
De Indianen zijn, naar het schijnt, groote liefhebbers van gevangen Rotshanen. In Pararoema boden zij Von Humboldt zulke Vogels aan. Deze werden hem gebracht in nette kooitjes, die van bladstelen van palmen gemaakt waren. Schomburgk trof dikwijls getemde jongen, nooit echter een mannetje in het prachtkleed in de kooi aan en meent hieruit te mogen afleiden, dat de Rotshanen niet lang tegen de gevangenschap bestand zijn. Dat deze onderstelling niet juist is, blijkt uit de oude Vogels, die men nu en dan in onze diergaarden ziet. De prachtige vellen zijn overal zeer gezocht; de Indianen vervaardigen er een opzichtigen feesttooi van; de Keizer van Brazilië droeg bij buitengewone feestelijkheden een mantel, die uit vellen van Rotshanen samengesteld was. Het oranjekleurige vleesch van dit dier smaakt goed.
De familie der Hapvogels (Eurylaemidae) omvat een aantal Vogels van gedrongen lichaamsbouw, met korten en breeden snavel, tamelijk krachtige tredvoeten, middelmatig lange vleugels en een korten of tamelijk langen staart. De snavel is korter dan de kop, aan den wortel zeer breed, neemt naar de spits schielijk in breedte af, heeft een duidelijke kiel op den bovensnavel en een haakvormig gekromde spits; de snavelranden zijn naar binnen omgeslagen. De mondspleet reikt tot onder het oog: de mondopening is derhalve bijna even groot als bij de Geitenmelkers. Het kleed vertoont fraaie kleuren, welker verdeeling en teekening bij de mannetjes en wijfjes nagenoeg gelijk schijnen te zijn.
Indië en de Maleische eilanden zijn het vaderland van de Hapvogels. De weinige soorten, die men tot dusver heeft leeren kennen, bewonen donkere wouden en, naar het schijnt, bij voorkeur zulke, die ver buiten het menschelijk verkeer gelegen zijn.
Bij de gewone soort van de Soenda-eilanden en de Molukken, bij den Javaanschen Hapvogel (Eurylaemus javanicus), is het vederenkleed grijsachtig purperkleurig met een donkeren band over den krop; de rug en de vleugels zijn zwart met gele vlekken. Hij houdt zich aan de oevers van rivieren en meren of bij moerassige plaatsen in de bosschen op, voedt zich met Insecten en Wormen en bevestigt zijn groot nest aan een boven het water hangenden tak. Horsfield vond hem op Java in een van de ontoegankelijkste deelen van het land, in uitgestrekte, rijk met rivieren en moerassen voorziene wouden. Van een verwante soort bericht Helfer, dat zij in gezelschappen van 30 à 40 stuks op de hoogste boomen van het woud leeft en zoo onbevreesd of dom is, dat men alle leden van den troep, het eene na het andere kan schieten.
De Liervogels (Menura) worden (met nog een ander geslacht van Australische Vogels) tot de familie der Schijnzangers (Pseudoscines) gebracht; deze verdienen hun naam, daar zij wel met de Muschvogels vergeleken, maar wegens hun eigenaardige gestalte niet met hen tot één groep vereenigd kunnen worden. In grootte en lichaamsbouw aan onze Fazanten herinnerend, maar met langeren en dunneren loop dan deze, met korte vleugels en langen staart, vormen zij een afzonderlijke groep van de onderorde der Spechtmuschvogels. Hun snavel is recht, aan de spits gebogen, hiervóór een weinig uitgerand, aan den wortel breeder dan hoog; de neusgaten zijn in 't midden gelegen, groot, eivormig en door een vlies half gesloten. De middelste voorteen, die slechts half zoo lang is als de slanke loop en de beide andere voorteenen slechts weinig in lengte overtreft, is met den buitensten tot aan het eerste gewricht door een smal spanvlies verbonden; elke teen is met een krommen, doch stompen nagel gewapend, die even lang is als de teen. In den zeer bollen vleugel nemen de vijf eerste handpennen trapsgewijs in lengte toe; de zesde tot negende zijn de langste en aan elkander gelijk. De zeer lange staart is samengesteld uit veeren van verschillenden vorm. Twaalf van de zestien lange aanhangsels, die de plaats van de eigenlijke stuurpennen innemen, kunnen ternauwernood nog den naam van pennen dragen; omdat zij bestaan uit een as met niet samenhangende, wijd uiteenstaande baarden en dus op de haarvormig gebaarde pronkveeren van sommige soorten van Reigers gelijken. De beide middelste en de beide buitenste stuurpennen zijn met samenhangende baarden bezet: de eerstgenoemde sabelvormig buitenwaarts gebogen met zeer smalle vlag; de laatstgenoemde hebben een smalle buiten en een zeer breede binnenvlag en zijn als een lange S gekromd, zoodat zij samen een lier vormen. Een staart van deze gestalte komt trouwens alleen bij het mannetje voor; hij is het schoonste sieraad van dezen Vogel. De staart van het wijfje bestaat uit 12 trapvormig in lengte afnemende stuurpennen van gewonen vorm. De veeren zijn overvloedig en los, op den romp en de rug bijna haarvormig, op den kop tot een kuif verlengd, rondom den snavelwortel in borstels veranderd.
De hoofdkleur van den Liervogel (Menura superba) is donker bruingrijs, op den staartwortel met roodachtig waas; de keel en de gorgelstreek zijn rood, de onderdeelen bruinachtig aschgrauw, aan den buik bleeker, de armpennen en de buitenvlag der overige slagpennen roodbruin; de staart is aan de bovenzijde zwartachtig bruin, van onderen zilvergrijs; de buitenvlag van de beide liervormige veeren is donkergrijs; hare spitsen zijn fluweelachtig zwart en met witte franje omzoomd; de binnenvlag is met afwisselende, zwartbruine en roestroode banden geteekend; de middelste staartveeren zijn grijs, de overige zwart. De totale lengte van het mannetje bedraagt 130 cM., zijn staart is 70 c.M. lang. Het wijfje is aanmerkelijk kleiner; hare veeren hebben een vuilbruine kleur, die op den buik in grijs overgaat.
Aan Gould danken wij de uitvoerigste berichten over de levenswijze van den Liervogel. Zijn vaderland is Nieuw-Zuid-Wales en strekt zich oostwaarts uit tot aan de Moretonbaai zuidwestwaarts tot bij Port-Philipp; zijne verblijfplaatsen zijn dichte struikbosschen op heuvelachtigen of rotsachtigen grond. "Het rondklauteren in deze bergen," zegt een liervogeljager, "is niet slechts moeilijk, maar ook hoogst gevaarlijk. De spleten en kloven zijn met ontzaglijke massa's half vergane plantaardige stoffen bedekt, waarin men, evenals in een sneeuwlaag, tot aan de knieën wegzinkt. Een enkele misstap en men zakt in den afgrond weg of blijft als een wig in een rotsspleet vastgeklemd. Gelukkig hij, die in een dergelijken toestand zijn wapen nog kan gebruiken en zich door een schot door 't hoofd voor het langzaam versmachten kan vrijwaren; want hulp is hier onmogelijk." Op zulke plaatsen hoort men den Liervogel overal, maar wordt hem niet op andere wijze gewaar. Gould bleef dagen lang te midden van de struiken, was door de Liervogels omgeven, hoorde hun luide, heldere stem, maar slaagde er niet in één van hen te zien te krijgen; met buitengewone volharding en de grootst mogelijke voorzichtigheid moest hij zijn onderzoek nog geruimen tijd voortzetten, voordat zijn streven met een goeden uitslag bekroond werd.
Daar het zoo veel moeite kost dezen voorzichtigen Vogel te naderen en als 't ware met hem te verkeeren, kan het geen verwondering wekken, dat men door alle jachtverhalen van de reizigers in deze gewesten nog geen duidelijk beeld van de levenswijze, handelingen gewoonten en eigenaardigheden van den Liervogel heeft kunnen verkrijgen. Volgens het getuigenis van alle onderzoekers brengt hij het grootste deel van zijn leven op den grond door en maakt slechts hoogst zelden van de vleugels gebruik. Loopend doorkruist hij de ontzaglijk groote wouden en snelt over liggende boomstammen heen of zelfs tusschen hunne twijgen door; hij klimt bij harde, oneffene rotswanden omhoog, verheft zich door een plotselingen sprong tot een hoogte van 3 of meer meter boven zijn uitgangspunt, gebruikt zijne pooten om zich van den bovenrand der rotsen naar beneden te laten zakken en neemt alleen dan zijn toevlucht tot de vleugels, wanneer hij den bodem van een rotsspleet onderzoeken wil. Bartlett, die een gevangen Liervogel verzorgd heeft, noemt hem een zeer onrustige en beweeglijke Vogel en zegt, dat hij gedurende zijn verbazingwekkend snellen loop, vlug en behendig alle hinderpalen te boven weet te komen. Zijn houding bij snellen loop is met die van een Fazant te vergelijken: de romp is dan zeer gestrekt, de kop voorovergebogen, de lange staart samengevouwen en waterpas gericht: alleen op deze wijze is het hem mogelijk door wildernissen heen te dringen zonder zijn prachtigen tooi te beschadigen. Des morgens en des avonds is hij het ijverigst in de weer; gedurende den broedtijd beweegt hij zich echter ook in de middaguren op plaatsen, die hij hiervoor opzettelijk ingericht heeft. Ieder mannetje werpt, met de voeten gravend, heuveltjes op en maakt op deze standplaatsen soortgelijke gebaren als de mannelijke Hoenderen gedurende den voortplantingstijd. Onophoudelijk stapt hij hier heen en weer, houdt intusschen den staart omhoog, spreidt hem uit en geeft bovendien aan zijn opgewondenheid door zeer verschillende geluiden lucht. Zooals met het oog op zijne goed ontwikkelde zangspieren te verwachten is, heeft de Liervogel een buitengewoon buigzame stem. Zijn gewone loktoon is luid, ver klinkend en schril. Al naar de plaats, waar hij zich bevindt, is zijn gezang verschillend; daar het een mengsel is van eigen en geborgde of gestolen klanken. Zijn eigen gezang schijnt een vreemdsoortige buiksprekerij te zijn; om het te kunnen hooren, moet men den zanger tot op een afstand van eenige schreden naderen. Iedere strophe op zichzelf beschouwd is opgewekt van toon, maar verward; de strophen worden dikwijls afgebroken en krijgen dan een zwaren, hollen, ratelenden slottoon. "Deze Vogel," zegt Becker in volkomen overeenstemming met andere waarnemers, "bezit waarschijnlijk meer dan eenige andere het talent om allerlei geluiden na te bootsen. De volgende feiten zullen een denkbeeld kunnen geven van de uitgestrektheid van dit vermogen. In Gippsland staat dicht bij de zuidelijke helling van de Australische Alpen een houtzaagmachine. Daar hoort men op stille Zondagen tal van geluiden in het woud: hondengeblaf, kindergeschreeuw, het gelach van menschen en het zingen en krijschen van verschillende Vogels, alle nu en dan afgewisseld door het oorverscheurende gekras, dat door het scherpen van de zagen wordt veroorzaakt. Een Liervogel, die niet ver van de houtzagerij zijn rustplaats heeft, is de voortbrenger van al deze klanken en geluidcombinaties." Tegen den broedtijd is zijn liefhebberij voor het nabootsen van geluiden het grootst; dan kan men van hem, evenals van den Amerikaanschen Spotvogel, zeggen, dat hij een geheel leger van Zangvogels vervangt. Buitengewoon voorzichtig zijn de Liervogels, in de nabijheid van vreemde dieren; nog angstvalliger, naar het schijnt, ontvlieden zij den mensch. Nooit vereenigen zij zich tot troepen, steeds leven zij paarsgewijs. Op een ontmoeting tusschen twee mannetjes volgt steeds een hevige strijd.
Het voedsel van den Liervogel bestaat grootendeels uit Insecten en Wormen. In de maag van de door hem onderzochte exemplaren vond Gould vooral Duizendpooten, Kevers en Slakken.
Becker bericht, dat deze Vogel in Augustus broedt. Volgens Ramsay echter begint hij reeds in Mei zijn nest te bouwen en legt in Juni, uiterlijk in Juli, één ei. Bij voorkeur nestelt hij in het dichte struikgewas op de hellingen van de diepe en steile kloven, waaraan de Australische gebergten zoo rijk zijn, doch ook wel op de kleine vlakten aan den voet van het gebergte tusschen de krommingen der rivieren. Hier zoekt hij jonge boomen uit, die zoo dicht bijeenstaan, dat hunne stammetjes gezamenlijk een soort van trechter vormen; tusschen deze, doch ook wel in een hollen stomp of op een niet al te hooge boomvaren, in een rotsnis of in een door het vuur gedeeltelijk vernielden boomstam, wordt het nest gebouwd, meestal op geringe, bij uitzondering soms op aanzienlijke hoogte boven den beganen grond. De wijze waarop het is samengesteld, verschilt al naar de standplaats en den aard van de bouwstoffen, die hier het gemakkelijkst verkrijgbaar zijn; het is met een dak voorzien, langwerpig eivormig, ongeveer 60 cM. lang en 30 cM. hoog. De grondslag bestaat in den regel uit een laag grove rijsjes, stukjes hout en dergelijke materialen; het eigenlijke nest is bolvormig, van fijne, buigzame wortels vervaardigd en van binnen met de zachtste veeren van het wijfje gevoerd. De bovenste helft, die niet stevig met de onderste verbonden is en er gemakkelijk van afgescheiden kan worden, dient als dak en bestaat, evenals het onderste gedeelte, uit stevige takjes, gras, mos, varenbladen en dergelijke stoffen. Op een afstand kan men geen verschil zien tusschen dit nest en een hoop doode takken. Een zijdelingsche opening dient als ingang tot de holte van dit schijnbaar slordig gebouwd, maar in werkelijkheid zeer duurzaam verblijf, dat dikwijls verscheidene jaren achtereen gebruikt wordt.
De Liervogel broedt slechts éénmaal per jaar en legt slechts één ei, dat ongeveer de grootte heeft van een eendenei en op licht aschgrauwen grond met onduidelijke, donkerbruinachtige vlekken geteekend is. Het wijfje wordt bij het broeden nooit door het mannetje afgelost, ook niet gevoederd en, naar het schijnt, niet eens bezocht. Door den vader van haar kroost veronachtzaamd, is de moeder genoodzaakt dikwijls, en wel in de middaguren, het nest te verlaten om voedsel te zoeken; waarschijnlijk wordt hierdoor de broedtijd zoo verlengd, dat het wel een maand duurt, vóórdat het jong uit den dop komt. Dit is minstens 8 à 10 weken oud, voordat het zich buiten het nest waagt. Een door Becker waargenomen jong kwam met gesloten oogen uit het ei, hoewel de oogleden goed vaneengescheiden waren; het was bijna onbevederd: slechts hier en daar had het eenige op paardenharen gelijkende beginsels van veeren. Een ander jong, dat reeds tamelijk groot en op den kop en den rug met dons bedekt was, lokte, toen het uit het nest genomen werd, door zijn luid geschreeuw onmiddellijk zijn moeder tot zich. Telkens als het jong zijn op "tsjing tsjing" gelijkende stem liet hooren, hetwelk dikwijls geschiedde, en de oppasser dit geschreeuw met "boellan boellan", de loktoon van de moeder, beantwoordde, kwam het diertje oogenblikkelijk naar hem toeloopen; door deze klanken liet het zich volkomen leiden. Na korten tijd was het zeer tam geworden. Ongelukkig stierf het op den achtsten dag van zijn gevangenschap. Later is het grootbrengen van jong uit het nest genomen Liervogels verscheidene malen gelukt; toch is in den Londenschen dierentuin de eerste levende Liervogel niet vóór 1867 aangekomen.
Gould en andere onderzoekers noemen den Liervogel den schuwsten Vogel, die er bestaat. Het kraken van een twijg, het rollen van een steentje, kortom het geringste gedruisch noopt hem tot een onmiddellijke vlucht en verijdelt de moeite van den jager. Zeer veel dienst kan deze hebben van een goed gedresseerden Hond, die den Vogel opspoort en diens opmerkzaamheid van den jager afwendt. Oude, ervaren vogelvangers verbergen zich in de struiken met een completen staart van een mannetjes-Liervogel op den hoed; wanneer zij nu op een bepaalde wijze het hoofd en hierdoor hun ongewone hoedversiering bewegen, zal de Liervogel, die deze verschijnselen opmerkt, meenen, dat er een mededinger in zijn gebied is doorgedrongen; zoodra hij, door ijverzucht gedreven, nadert, kan de jager hem gemakkelijk dooden.
Als de naaste verwanten van de Muschvogels en de Schijnzangers beschouwt Fürbringer de Spechtvogels (Pici), tot welke groep hij, behalve de Spechten, ook nog de Honigwijzers, Pepervreters en Baardvogels rekent. De verwantschap tusschen de vertegenwoordigers van deze vier familiën blijkt vooral uit hun inwendig maaksel. Hun levenswijze biedt niet veel punten van overeenkomst aan.
De Spechten (Picidae) hebben de volgende kenmerken gemeen: De romp is langwerpig, de snavel dik, meestal recht, kegel- of beitelvormig, de scherpkantige snavelrug eindigt aan de spits in een verticalen, snijdenden rand. De pooten zijn kort, dik en binnenwaarts gebogen, de teenen lang en bij paren geplaatst; die van het voorste paar vergroeien onderling tot op de helft van het eerste lid. Bij den eigenlijken achterteen, de kortste van alle vier, heeft zich de buitenste voorteen, de langste van alle teenen, gevoegd; het komt echter ook wel voor, dat de achterteen rudimentair is of geheel ontbreekt, zoodat de poot slechts drie teenen heeft [20]. Alle teenen zijn met zeer groote, dikke, scherpe, halvemaanvormige klauwen gewapend. De vleugels zijn middelmatig lang en een weinig afgerond, de 10 handpennen smal en spits, de 9 à 12 armpennen iets breeder, maar gewoonlijk niet veel korter dan de eerstgenoemde. Van deze is de eerste handpen zeer klein, de tweede middelmatig lang, de derde of de vierde is de langste. Zeer eigenaardig is meestal de staart. Hij bestaat uit 10 groote en 2 zijdelings geplaatste kleine pennen, die echter niet onder, maar boven de eerste groote liggen. De beide middelste staartpennen zijn de langste en dikste. Hare schaften nemen naar de spits in dikte af, zijn zeer buigzaam en toonen een groote veerkracht. De baarden van deze veeren zijn aan de wortelhelft dicht bijeengeplaatst en saamverbonden; nader bij de spits zijn zij vrij, nemen in dikte toe en verkrijgen een andere richting, daar zij van weerszijden naar onderen wijzen, zoodat de veer met een dak te vergelijken is, waarvan de schacht de nok voorstelt. Onder dit dak ligt het tweede paar middelvederen, die dezelfde samenstelling vertoonen, onder deze het derde. De veeren van het vierde paar gelijken op die van het derde; het vijfde of buitenste paar groote veeren heeft den gewonen vorm; de kleine pennen eindelijk trekken, behalve door haar ligging, ook nog door grootere hardheid de aandacht. Het kleed bevat nagenoeg in 't geheel geen donsveeren; de contourveeren hebben verreweg de overhand. De kleur biedt ondanks alle verscheidenheid toch één punt van overeenstemming aan: de kop pronkt n.l. steeds met prachtig roode veeren. De mannetjes en wijfjes zijn het best te onderscheiden aan de meerdere of mindere uitgebreidheid en aan de aanwezigheid of het gemis van het rood op den kop. De kleursverdeeling levert bij de Spechten betrouwbaarder grondslagen op voor de rangschikking dan bij eenige andere groep van Vogels; het is daarom gebruikelijk van Zwarte, Groene, Bonte Spechten enz. te spreken.
Even karakteristiek als het uitwendig voorkomen is het inwendig maaksel van deze Vogels. Vooral de tong heeft een merkwaardigen vorm. Zij is smal, hoornachtig, zeer langwerpig en aan iedere zijde met 5 of 6 korte, stijve stekels of borstels bezet, die op de weerhaken aan een pijlpunt gelijken. Met deze eigenaardige inrichting van de tong gaat de buitengewoon sterke ontwikkeling gepaard van een paar klieren, die zich aan beide zijden van de onderkaak tot onder de gehooropeningen uitstrekken; zij scheiden een kleverig slijm af, dat den langen hals van de tong op soortgelijke wijze bedekt, als dit bij den Miereneter geschiedt.
Door den karakteristieken bouw van pooten, snavel tong en staart, is de Specht buitengewoon geschikt voor zijn eigenaardige levenswijze. Met zijn scherpe, diep doordringende nagels, die een uitgestrekte oppervlakte omklemmen, houdt hij zich zonder moeite vast aan vertikale stammen. De staart verschaft hem daarbij steun en verhoedt het naar beneden glijden. Dit doen niet alleen de spitsen van de acht voornaamste stuurpennen, maar ook bijna alle aanhangsels van deze veeren. De stijve baarden van de drie paar middelste pennen zijn, als 't ware, zelfstandig geworden en ieder afzonderlijk tegen den stam aangedrukt; zelfs de kleinste oneffenheden van den stam doen nu, wegens het groot aantal dezer baarden, als steunpunten dienst. De stevige, scherpe snavel is voor het hakken en beitelen uitmuntend geschikt; ook bij dezen arbeid vervult de staart een belangrijke rol, daar zijn veerkracht het vooroverwippen van 't lichaam gemakkelijker maakt. De dunne, draadvormige tong eindelijk kan in alle gaten doordringen en wegens haar buitengewoon groote beweeglijkheid iedere kromming van den door een Insect gegraven gang volgen.
Met uitzondering van het Australische rijk en van het eiland Madagaskar, zijn de Spechten over alle werelddeelen verbreid; ook in het noorden zijn zij volstrekt niet zeldzaam.
Alle Spechten leiden in hoofdzaak dezelfde levenswijze. Zij houden zich gedurende het grootste deel van hun leven met klimmen bezig en gaan zelfs om te slapen in de houding, die zij gedurende het klimmen aannemen, aan een loodrechten wand hangen, n.l. aan de binnenste oppervlakte van een holte in een boom. Op den bodem dalen zij zelden af; wanneer zij het doen, huppelen zij hier met onbeholpen sprongen rond. Zij vliegen niet gaarne ver; waarschijnlijk echter moet men dit niet toeschrijven aan tegenzin in de inspanning, die voor het vliegen vereischt wordt, maar wel aan de hen kenmerkende onvermoeidheid en onrust, die hen noopt om zoo mogelijk iederen boom op hun weg te onderzoeken. De Specht beschrijft bij 't vliegen een aaneenschakeling van bogen van groote hoogte en diepte. Hij klimt als 't ware met snel bewogen vleugels bij het stijgende gedeelte van de bocht omhoog, legt plotseling de vleugels dicht tegen den romp aan en schiet nu langs het dalende deel van den boog even ver omlaag, waarna het stijgen opnieuw begint. Zoodra hij bij een boom komt, schiet hij gewoonlijk ver naar beneden, hecht zich aan den stam op een afstand van weinige meters van den bodem, klautert vervolgens met groote, snel opeenvolgende sprongen omhoog, dikwijls ook zijwaarts of volgens een schroeflijn vooruit en naar boven, soms ook wel een weinig terug, waarbij echter nooit de kop naar onderen wordt gericht. Zelden volgt hij horizontale takken; wanneer dit een enkele maal geschiedt, loopt hij er niet over heen, maar klautert steeds in hangende houding bij de onderzijde langs. Terwijl hij zich vastklemt, worden de borst, de hals en de kop ver naar achteren gebogen; bij het springen knikt hij met den kop.
Door het kloppen of hakken met den snavel worden, al naar de kracht die hij aanwendt, meer of minder groote stukken schors losgemaakt; op deze wijze opent hij de schuilhoeken der Insecten, waarna de tong ze opzoekt, te voorschijn brengt en naar 't keelgat stuurt.
Verreweg de meeste Spechten voeden zich bij voorkeur met allerlei Insecten op alle trappen van ontwikkeling; het liefst echter eten zij die, welke in de boomen, hetzij in of onder de schors of in het hout van den stam, verborgen leven. Eenige Spechten gebruiken bovendien verschillende bessen en zaden als voedsel en leggen zelfs voorraadschuren aan, die zij met zaden vullen. Van verscheidene Amerikaansche soorten van Spechten wordt beweerd, dat zij nu en dan een vogelnest plunderen, om de eieren en jongen te verslinden of naar hun kroost te brengen.
Schijnbaar zijn de Spechten ernstig en afgemeten, in werkelijkheid echter opgewekt en vroolijk van aard. Dit blijkt bij 't nagaan van alle soorten, die men in de kooi gehouden en zoover getemd heeft, dat zij hun verzorger volkomen vertrouwen. Ieder die hen heeft leeren kennen, zal getuigen, dat zij schrander zijn; hij zal hun ook een zekere snaakschheid toeschrijven, wanneer hij ze gedurende langen tijd, in de kamer of in de kooi, in gevangenschap gehouden heeft. Hetzelfde geldt ook voor de Spechten in de vrije natuur. Wie zou ze willen missen? wie zou wenschen, dat zij onze bosschen niet verlevendigden? Reeds door hun stem vervroolijken zij den bezoeker van hun gebied; vooral hun luid, lachend geschreeuw, dat op grooten afstand door de bosschen en over de velden weerklinkt, is zulk een onmiskenbare uiting van vroolijkheid, dat het een zeer aangenamen indruk maakt.
Behalve door hun stem brengen zij in het woud nog een andere eigenaardige muziek voort: aan een dooden tak hangend, deelen zij hieraan door het snel herhaalde kloppen of hakken met den snavel een trillende beweging mede, waardoor een eentonig, ver hoorbaar geluid ontstaat, dat men "snorren" noemt. Het is, al naar de dikte van den tak, nu eens hooger, dan weer lager van toon; soms kan men het in het bosch op een afstand van 1000 à 1500 M. hooren. Door het nabootsen van dit geluid kan men sommige soorten tot zich lokken.
Het nest bevindt zich steeds in een door den Specht zelf uitgehouwen holte van een boom; het bestaat eigenlijk eenvoudig uit den met eenige spaanders bedekten bodem van deze holte. Elk legsel bevat 3 à 8 zeer glanzige, zuiver witte eieren, die door het mannetje en het wijfje gezamenlijk uitgebroed worden. De jongen zijn buitengewoon leelijk en gelijken aanvankelijk al zeer weinig op hunne ouders, welker voornaamste wijze van beweging, het klimmen, door hen echter reeds in praktijk wordt gebracht, lang voordat zij hun definitieve gestalte en bekleeding bezitten. Na het verlaten van het nest blijven de jongen nog eenigen tijd onder de hoede van vader en moeder, die later niets meer van hen willen weten.
Men kan het niet vaak genoeg herhalen en niet uitdrukkelijk genoeg verzekeren, dat de Spechten voor ons nuttig zijn en niet als schadelijke Vogels moeten worden beschouwd. Als men het nut en de schade van de Spechten nauwgezet en onbevooroordeeld tegenover elkander plaatst, kan de beslissing niet twijfelachtig zijn. Enkele Spechten kunnen ons zelfzuchtige menschen last veroorzaken en misschien ook een onbeduidend nadeel berokkenen; zoomin die last als dit nadeel kan echter opwegen tegen de buitengewoon groote diensten, die deze vogels ons bewijzen. Het zijn niet de ongevaarlijkste, maar juist de ergste woudvernielers, die door de Spechten worden tegengewerkt. Hoe groot het voordeel is, dat zij hierdoor aan de bosschen brengen, laat zich niet berekenen en zelfs niet schatten. Behalve direct, door het verslinden van Insecten, zijn zij ook indirect zeer nuttig; de Spechten zijn nl. de eenige bouwmeesters van de woningen der nuttige in holen broedende Vogels.
Deze Vogels, de nuttigste en belangrijkste van al onze boschwachters, verdienen dus bescherming en vrijgeleide; men moet ze niet alleen sparen, maar ook behulpzaam zijn. Zij hebben toch al vijanden genoeg. Op hen wordt niet slechts door vele roovers uit de klassen der Zoogdieren en Vogels, maar ook door onverstandige menschen jacht gemaakt: kinderachtige schutters van allerlei leeftijd gebruiken maar al te vaak den Specht als doelwit van hun werptuig.
Als de meest bekende vertegenwoordiger van de onderfamilie der Groene Spechten (Picinae) kan men den Groenen Specht (Picus viridis) beschouwen; daar hij, zoowel in ons land als in ons werelddeel, menigvuldiger is dan zijn eenige inheemsche stamgenoot--de Kleine Groene Specht (Picus canus). Bij den eerstgenoemden zijn de bovenzijde van den kop, de nek en een breede, door een smalle, zwarte lijn omzoomde vlek aan den mondhoek karmijnrood, de bovendeelen van den romp olijfkleurig grasgroen, de vleugels meer bruinachtig getint, de staartwortel en de bovendekveeren van den staart glanzig olijfgeel, de oorstreek, de kin en de keel wit met vuil groenachtig waas; de zijden van den hals en de onderdeelen zijn geelgroenachtig wit: de zijden van de schenkels en de onderdekveeren van den staart met donkere dwarsbanden versierd; de handpennen zijn op de buitenvlag met 6 à 7 roestwitachtige dwarsvlekken, alle slagpennen op de binnenvlag met breede, witachtige randvlekken, de zwarte staartveeren met 5 à 7 olijfbruine, uitvloeiende dwarsbanden geteekend. Het wijfje heeft aan den mondhoek geen roode, maar een zwarte vlek. Bij de jongen zijn de onderdeelen gevlekt. De oogen zijn bij de volwassen Vogels blauwachtig wit, bij de jongen donkergrijs; de snavel is vuil loodkleurig grijs, met zwartachtige spits; de pooten zijn groenachtig loodkleurig grijs. Totale lengte 31, staartlengte 12 cM.
De Groene Specht komt, met uitzondering van Spanje en van den noordelijken rand van ons werelddeel, die door de toendra wordt ingenomen, in alle landen van Europa voor. In sommige gewesten ontmoet men hem dikwijls, in andere nooit of hoogstens gedurende de zwerftochten, die hij in den winter onderneemt. Deze beginnen, zoodra de jongen zelfstandig zijn geworden en eindigen eerst in de volgende lente, als de broedtijd nadert; een vaste regel is hierin echter niet op te merken: in sommige winters zwerven de Vogels in 't geheel niet, in andere vliegen zij tamelijk ver het land rond. In Nederland wordt de Groene Specht in Holland en Zeeland zeer schaarsch, in de overige provinciën menigvuldiger broedend aangetroffen.
De Groene Specht is geen echte boschbewoner. In bosschen, die uitsluitend uit naaldboomen bestaan, is hij zeer zeldzaam; in wouden van breedgebladerde boomen komt hij veelvuldiger voor; het liefst echter bewoont hij gewesten, waar boomgroepen met open terreinen afwisselen. Gedurende den broedtijd houdt hij zich in de nabijheid van zijn nest op. In den winter doorkruist hij, ook wanneer hij de streek niet verlaat, een grooter gebied dan in den zomer; hij is echter gewoon iederen avond een holte op te zoeken, die als slaapplaats dient. Dan verschijnt hij maanden achtereen in tuinen, die onmiddellijk naast woningen gelegen zijn en zelfs in de gebouwen.
De Groene Specht is even opgewekt en vroolijk, even listig en voorzichtig, even onrustig en beweeglijk als zijne verwanten. Hij klimt even goed als zij, maar kan beter gaan dan de andere inheemsche vormen; hij beweegt zich veel op den bodem en huppelt hier met groote behendigheid rond. Bij 't vliegen beschrijft hij bogen van veel grooter hoogte dan de overige Spechten en veroorzaakt bij het bewegen der vleugels veel gedruisch. Zijn heldere, ver hoorbare stem klinkt als "gluuk" en gelijkt, wanneer de klanken snel opeenvolgen, op een schaterend gelach; teedere aandoeningen worden te kennen gegeven door de welluidende klanken "guuk", "gek" of "kiep". Het "snorren", dat aan zoovele andere Spechten eigen is, komt naar het schijnt, bij den Groenen Specht niet voor.
De wijze, waarop deze Vogel den dag besteedt, blijkt uit het volgende: Zoodra de morgendauw eenigermate verdampt is, verlaat de Groene Specht zijn nachtkwartier, laat vergenoegd zijn stem weerklinken en begint zijn gebied te doorkruisen. Hij vliegt van den eenen boom naar den anderen, bezoekt ze in een zekere volgorde, hoewel niet zoo geregeld, dat men hem met zekerheid op een bepaalde plaats zou kunnen opwachten. Hij zoekt de boomen steeds van onderen naar boven af en gaat niet dikwijls op de takken over. Als men een boom nadert, waarop hij aan 't werk is, begeeft hij zich schielijk naar de zijde van den stam, die van den waarnemer is afgekeerd, kijkt soms met vooruitgestoken kop bij den stam langs, klimt verder omhoog en verlaat plotseling onbemerkt den boom; gewoonlijk geeft hij daarna door een luid, juichend geschreeuw blijdschap over het gelukken van zijn vlucht te kennen. Tot omstreeks den middag is hij onverpoosd in de weer. In de voormiddaguren onderzoekt hij stellig meer dan honderd boomen en tevens iederen mierenhoop. Boomen met hart hout beklopt hij veel minder dan andere Spechten, daarentegen hakt hij niet zelden diepe gaten in het houtwerk van woningen of in leemwanden. Als in den zomer de weiden afgemaaid zijn, loopt hij vaak op den bodem rond en pikt hier Wormen en larven op; in den winter vliegt hij op de hellingen, welker sneeuwbedekking door de zon is weggevaagd en kijkt naar de hier verborgen Insecten uit. Hij is niet kieskeurig, maar geeft toch aan de Roode Mieren de voorkeur boven ieder ander voedsel; om ze te verkrijgen vliegt hij ver op de velden rond. Het vangen van Mieren verstaat hij beter dan alle overige Spechten, omdat zijn tong naar verhouding langer is en wegens haar kleverige oppervlakte op dezelfde wijze als door den Miereneter gebruikt kan worden.
Tegen het einde van Februari komt de Groene Specht op zijn broedplaats aan; eerst in April echter maakt het wijfje toebereidselen voor het nestelen. De Vogels kiezen hiervoor een boom, die inwendig vergaan of reeds hol is. Hier zoeken zij een plaats op, waar een afgestorven tak was aangehecht en verwijden deze opening. De beide echtgenooten werken gemeenschappelijk en zeer vlijtig, zoodat de holte reeds binnen 14 dagen voltooid is. De ronde opening is zoo klein, dat de Vogel er juist door kan; de holte in den stam is 25 à 50 cM. diep en ongeveer 15 à 20 cM. wijd. Als de hardheid van het hout grooter is dan verwacht werd, laat de Groene Specht den begonnen arbeid rusten. Liever dan zelf dit werk te verrichten, maakt hij gebruik van een reeds aanwezige holte, die door een soortgenoot uitgehakt werd. Wanneer het bezit van deze woning hem niet betwist wordt, neemt hij hier in het volgende jaar opnieuw zijn intrek. Het legsel bestaat uit 6 à 8 langwerpige eieren met gladde, glanzig witte schaal. De beide ouders broeden beurtelings 16 à 18 dagen lang: het mannetje van 10 uur 's morgens tot 3 of 4 uur 's namiddags, het wijfje gedurende het overige deel van den dag. Ook bij het warm houden van de teere jongen, lossen de beide ouders elkander af; beiden verzorgen hun kroost ijverig met voedsel. De jongen zijn even leelijk als de kinderen van de andere Spechten, ontwikkelen zich even snel en kijken reeds in de derde week van hun zelfstandig leven door de opening van het nesthol naar buiten. Later klauteren zij, van hier uitgaande, in den boom rond en doorkruisen eindelijk met hunne ouders het gebied, dat zij als hun eigendom beschouwen; in den eersten tijd keeren zij echter iederen avond naar het nest terug. De zwerftochten worden nu al verder en verder uitgestrekt; ten slotte zoekt de familie, die nog altijd vereenigd is gebleven, de broedplaats niet meer op, maar overnacht hier of daar in een andere dergelijke schuilhoek. In October gaat elk lid van het gezelschap zijn eigen gang: de jongen zijn geheel zelfstandig geworden en ieder zoekt nu zijn dagelijksch brood, zonder zich om de anderen te bekommeren.
De Groene Specht laat zich niet gemakkelijk vangen. In strikken of slagnetten komt er slechts bij toeval een terecht; meer kans van slagen bestaat, als men er achter is gekomen, in welke holte hij den nacht doorbrengt en vervolgens vóór den ingang strikken plaatst. Dat er geen sprake van kan zijn een ouden Vogel van deze soort te temmen, is wegens zijn driftigen en onhandelbaren aard te verwachten. Men heeft het beproefd en hem aan een kettinkje vastgelegd, zonder echter eenige andere uitkomst te bereiken, dan een spoedigen dood van den onstuimigen gevangene. Dat jong gevangen Spechten gemakkelijker getemd kunnen worden, is wel mogelijk.
De Kleine Groene Specht (Picus canus) gelijkt door voorkomen en levenswijze veel op de vorige soort, maar is iets kleiner (totale lengte 30, staartlengte 11 cM.). De kop en de hals zijn grauw; de vlek aan den mondhoek is ook bij het mannetje zwart; het rood van den bovenkop is bij het mannetje tot het voorhoofd en de kruin beperkt; het wijfje heeft in 't geheel geen rood op den kop. Het verbreidingsgebied van deze soort is uitgestrekter dan dat van de vorige; het omvat, met uitzondering van Groot-Brittannië, het grootste deel van Europa, zoover hier boomen groeien, in Azië geheel Siberië tot aan Japan en de zuidelijkere landen tot aan Perzië. In Nederland werd deze Vogel slechts enkele malen--in Gelderland (in het Groesbeeksche bosch), in Noordbrabant en in Noord-Holland--broedend waargenomen. In Duitschland is hij over 't algemeen zeldzamer dan de Groene Specht; hij bewoont nagenoeg dezelfde plaatsen als deze. Van jaar tot jaar neemt trouwens het aantal van deze beide soorten en van de Zwarte Spechten in dezelfde reden af, als de exploitatie van den bodem in 't algemeen en van de bosschen in 't bijzonder toeneemt.
Een Amerikaansch geslacht van de onderfamilie der Groene Spechten is dat van de Kromsnavelige Spechten (Colaptes); het omvat een veertigtal soorten, die zich door een tamelijk dunnen en platten, meestal duidelijk gebogen snavel onderscheiden.
De meest bekende soort is de Goudspecht, de Flicker of High-holer van de Anglo-Amerikanen (Colaptes auratus). Zijn kleur is tamelijk bont, o. a. doordat de schaften van de slagpennen en staartveeren hoog geel of rood zijn. Totale lengte 32, staartlengte 12 cM.
De Goudspecht is over het geheele oosten van de Vereenigde Staten, van Texas tot aan het allernoordelijkste deel van Nieuw-Schotland, verbreid en werd, naar men zegt, ook op Groenland waargenomen. In alle door hem bewoonde gewesten is hij zoo buitengewoon talrijk, dat geen andere Specht, althans geen der Noord-Amerikaansche soorten, hem in dit opzicht evenaart.
Geen enkele mij bekende Specht verdraagt de gevangenschap zoo goed als deze, die niet zelden ook bij ons in de kooi wordt gehouden. Het is volstrekt niet moeielijk voedsel voor hem te vinden; de moeite is althans niet grooter dan voor eenigen anderen insecteneter, daar hij met het gewone lijstervoer tevreden is; dit moet echter met meer mierenpoppen gekruid zijn, dan voor de Lijsters noodig is. Voor den vogelliefhebber is een door een Goudspecht bewoonde volière een bron van groot genoegen. Hier is hij in de gelegenheid om op zijn gemak de zoo eigenaardige bewegingen waar te nemen, waardoor de Spechten in 't algemeen gekenmerkt zijn, te zien hoe snel en behendig zij bij de boomstammen in de kooi naar boven klauteren, hoe krachtig zij hunne klauwen in de schors slaan, hoe stevig zij zich weten vast te hechten, welk een veelomvattend gebruik zij van hun snavel maken; men kan zelfs hun wijze van vliegen leeren kennen; want niet zelden doen zij in de kooi pogingen om hunne vleugels voor dit doel te gebruiken.
In de zuidelijke en westelijke staten ontmoet men den Koperspecht (Colaptes mexicanus), die gedeeltelijk hetzelfde gebied bewoont als de Goudspecht, op wien hij zoowel door grootte en kleur als door de rangschikking der teekening gelijkt; alle kleuren zijn bij hem echter donkerder; de schaften der vleugelvederen zijn niet goudgeel, maar oranjerood.
Verreweg de meeste Spechten zoeken hun voedsel uitsluitend of althans hoofdzakelijk op de boomen; eenige echter jagen op den bodem. Dit doet o. a. de Veldspecht (Colaptes campestris), die de open weidegronden van Zuid-Amerika bewoont. Hij voedt zich voornamelijk met Termieten en Mieren, die in deze vlakten ongeloofelijk veelvuldig voorkomen. De Termieten bouwen groote, kegelvormige heuvels van geel leem, die in het woud dikwijls wel 2 M. hoog, maar in open landstreken gewoonlijk meer afgeplat zijn. Soortgelijke nesten, van roodachtigen vorm en zwartachtig bruine kleur, hangen aan dikke boomtakken; iedere cactusstam draagt er één of meer. Gewoonlijk zit de Veldspecht op zulk een nest en hakt hierin om. Voor Brazilië en andere gewesten is hij zeer nuttig daar de genoemde Insecten hier de voornaamste vijanden van den landbouw zijn. Voor het overige gelijkt de Veldspecht volkomen op zijne verwanten. Hij vliegt en loopt geheel op de wijze van onzen Groenen Specht.
Slechts weinig gebogen is de snavel van den Roodkopspecht (Colaptes erythrocephalus); bij dezen zijn de kop en hals hoog rood, de mantel, de handpennen en de staart zwart, de staartwortel en de onderdeelen zuiver wit. Totale lengte 24, staartlengte 6 cM.
"Waarschijnlijk is geen Vogel in Amerika," zegt Wilson, "meer algemeen bekend dan de Roodkop. Hij komt hier zoo veelvuldig voor, zijn driekleurig kleed is zoo eigenaardig en zijn roofzuchtige aard heeft zoozeer ieders aandacht getrokken, dat elk kind iets van hem weet te vertellen." Hij is over de geheele noordelijke helft van Amerika verbreid. Het is opmerkelijk, dat hij, behalve Insecten, ook allerlei soorten van vruchten, vooral kersen en bessen, gaarne eet. Volgens Wilson heeft het kroost van den Roodkop veel te lijden van de Zwarte Slang (Coryphodon constrictor). Deze kronkelt zich dikwijls langs de hoogste boomstammen op, dringt in de vreedzame kinderkamer van den Specht door, verslindt hier de eieren of de weerlooze jongen voor de oogen van de angstig schreeuwende en om hun woning heenfladderende ouders en gaat daarna, als de ruimte groot genoeg is, ineengekronkeld in het nest liggen om rustig zijn maal te verteren. De schooljongen, die den nek er aan waagt om een nest van dezen Specht uit te halen, is niet weinig teleurgesteld, als hij, de hand in de holte stekend, in plaats van de jonge Vogels de griezelige Slang aanvat. Het is te begrijpen, dat hij na deze ontmoeting in den regel met groote haast den terugtocht aanvaardt, zich zonder eenige consideratie voor zijne ledematen en voor zijn broek bij den stam naar beneden laat glijden en vol schrik den boom verlaat.
In Californië en Mexico wordt de Roodkop vervangen door een verwanten vorm (Colaptes formicivorus), dien wij Zamelspecht zullen noemen. In grootte evenaart deze Vogel onzen Bonten Specht. De rand van het voorhoofd, de teugels, de kin, een smalle oogrand, de slapen, de oorstreek en een breede streep aan de zijden van den hals benevens de geheele bovenzijde zijn zwart; de voorkop heeft een geelachtig witte kleur; de kruin en de achterkop zijn zooals bij de Spechten regel is, karmijnrood; de wangen tot onder de oorstreek zijn wit, evenals de zijden van den hals en het onderste deel van de keel, het laatstgenoemde lichaamsdeel met stroogelen tint; de krop en de borst zijn zwart, met witte, overlangsche vlekken versierd, de overige onderdeelen wit, aan de zijden en op de onderdekveeren van den staart met smalle, zwarte schaftstrepen geteekend; de staartwortel en de bovendekveeren van den staart, benevens de wortelgedeelten van alle handpennen (met uitzondering van de eerste) zijn eveneens wit. De oogen zijn bruin, de pooten geelachtig grijs; de snavel is hoornzwart.
Deze Vogel bewoont de kuststreken van de Stille Zuidzee, van Californië en Mexico tot Middel-Amerika. "De Zamelspecht," zegt Heermann, "is de veelvuldigste en bedrijvigste van alle Californische Spechten. De hoogste tak van een boom is zijn gewone zitplaats; bij 't vervolgen van een Insect begeeft hij zich plotseling naar den voet van den stam; na het vangen van de prooi, keert hij naar zijn uitgangspunt terug en begint weinige oogenblikken later een dergelijke jacht. In den herfst houdt hij zich zeer ijverig bezig met het opbergen van eikels, waarvoor hij gaatjes boort in de schors van eiken en sparren. In ieder gat wordt een eikel gestopt, die er zoo vast in zit, dat het moeite kost hem er uit te trekken. Soms krijgt de schors van een reusachtigen naaldboom hierdoor het voorkomen, van met dicht bijeen geplaatste bronzen spijkers beslagen te zijn. Een zeer groot aantal eikels wordt op deze wijze opgeborgen en gedurende den winter door den Specht als voedsel gebruikt; ook door Eekhoorntjes, Muizen, Gaaien enz. wordt deze voorraad sterk geplunderd." Saussure ontmoette tot zijn verwondering dezen fraaien Vogel in talrijk gezelschap aan den voet van den vulkaan Pizarro te midden van een dorre woestenij, waar in 't geheel geen boomen, doch alleen agaven, artisjokken en yuccas groeiden. Zijn verwondering nam echter toe, toen hij den arbeid van deze Spechten nauwkeuriger naging en zag, dat zij zich bezig hielden met het opbergen van voorraad voor de zes regenlooze maanden, waarin alles uitdroogt. De Vogel gebruikt hiervoor de holte, die bij de uitgebloeide agaven in de as van den bloemendragenden stengel ontstaat; hij hakt eerst met zijn snavel in het onderste deel van de schaft een rond gat en maakt van deze opening gebruik om eikels in de binnenste, buisvormige holte te schuiven. Hij boort vervolgens in hoogere gedeelten van de schaft een tweede, een derde gat enz., totdat de geheele buis met opeengestapelde eikels gevuld is. Opmerkelijk is het, dat de eikels door hem aangevoerd moeten worden van plaatsen, die mijlen ver verwijderd zijn. Tegen het einde van het droge seizoen, ziet men de Spechten eikels uit hunne voorraadschuren nemen; zij steken ze met het eene einde in een gat, dat zij in de schors van een yucca geboord hebben, om ze hier met den snavel stuk te hakken en voor het inslikken geschikt te maken.
De onderfamilie van de Bontspechten (Dendrocopinae) omvat ongeveer 150 soorten met typischen Spechtensnavel.
De grootste en krachtigste soorten van de geheele familie behooren tot het geslacht der Zwarte Spechten (Dryocopus); bij deze heeft de zwarte kleur de overhand en zijn de veeren van den kop dikwijls tot een kuif verlengd. De meeste zijn bewoners van Amerika.
Onze Zwarte Specht (Dryocopus martius) heeft een effen, dofzwart kleed; donker karmijnrood is bij het mannetje de geheele bovenkop, bij 't wijfje een deel van den achterkop. De oogen zijn dof zwavelgeel, de pooten loodkleurig grijs; de snavel is paarlkleurig, aan de spits leikleurig blauw. Totale lengte 47 à 50, staartlengte 18 cM.
Europa, voor zoover het met bosschen bedekt is, Azië tot aan de noordelijke helling van den Himalaja zijn het vaderland van den Zwarten Specht. In ons land heeft men hem slechts zeer enkele malen, n.l. bij Twello en Groesbeek en in de Meierij van 's-Hertogenbosch, broedend waargenomen of geschoten. In Duitschland bewoont hij tegenwoordig nog de Alpen en alle Middelgebergten, namelijk het Bohemer Woud, het Reuzen-, Erts- en Fichtelgebergte, het Frankische en Thuringer Woud, den Rhön, Harts, Spessart en Taunus, het Schwarzwald en de Vogesen, bovendien echter alle uitgestrekte wouden van de Noordduitsche vlakte.
De Zwarte Specht houdt zich op in groote, aaneengeschakelde wouden, die zoo weinig mogelijke door menschen verontrust worden en waar althans eenige hooge boomen van voldoende dikte staan. Zijn lievelingsvoedsel is de Reuzenmier of Paardenmier (Camponotus herculeanus), die in dikke stammen van dennen en sparren haar nest bouwt. Daarom geeft hij aan naaldhoutbosschen de voorkeur; toch vindt men hem ook wel in bosschen met breedbladige boomen, vooral in beukenwouden. Hoe meer het woud verwilderd is, des te liever kiest hij het tot woonplaats; hoe ordelijker en regelmatiger het geëxploiteerd wordt, des te minder gaarne zal hij er blijven. Ook op dezen regel zijn echter uitzonderingen.
Zoowel in het zuiden als in het noorden van ons werelddeel vertoont de Zwarte Specht zich hoogst zelden in de nabijheid van bewoonde plaatsen. Toch is het eenige malen gebleken, dat ook hij erkentelijk is voor hem verleende bescherming, en dat zijn betrekking tot menschen, die hem genegen zijn, buitengewoon vriendschappelijk kan worden. Wegens een enkelen hollen boom hecht hij zich soms aan een bepaald gebied en verhuist naar elders, wanneer deze boom wordt omgehakt. Hij komt echter weer terug, zoodra andere boomen dik genoeg geworden zijn, om er een behoorlijke woning in te bouwen.
Onze Zwarte Specht is een buitengewoon opgewekte, beweeglijke, schuwe, behendige en sterke Vogel. Nu eens hier, dan weer daar werkzaam, doorkruist hij zijn gebied vele malen in zeer korten tijd. Dit kan men zeer goed afleiden uit zijn geschreeuw, dat in een tijdsverloop van weinige minuten op zeer verschillende plaatsen gehoord wordt. Vooral drie tonen brengt hij voort: twee gedurende het vliegen en één, terwijl hij zit. De eerstbedoelde klinken als "kier kier" en "kluuk kluuk", de laatste als "kluu", eenlettergrepig, lang gerekt en zeer doordringend, of als "kliehè kliehè kliëe". In de nabijheid van het nest laat hij echter ook nog andere geluiden hooren. Hoewel hij op den bodem tamelijk onbeholpen rondhuppelt ontmoet men hem hier zelden, meestal in de buurt van mierennesten. In het klauteren en beitelen is hij de behendigste van alle Europeesche Spechten. Bij het klimmen verzet hij altijd beide pooten tegelijk, evenals al zijne verwanten. Hij huppelt dus eigenlijk bij de boomen op; daar dit met groote kracht geschiedt, kan men het doordringen van de klauwen in de schors duidelijk hooren. Bij struiken klimt hij zeldzamer omhoog, nooit met het doel hier te hakken, zooals in de wormstekige boomen, die Paardenmieren of larven van Reuzenhoutwespen bevatten. Bij het klimmen houdt hij de borst van den boomstam verwijderd en buigt den hals achterover.
De groote Paardenmieren en hare poppen, benevens alle soorten van houtwormen en meer bepaaldelijk de Keverlarven, die het naaldhout vernielen, ook de Kevers zelve, vormen het voedsel van den Zwarten Specht. Om de larven en de Houtkevers te kunnen bereiken, hakt hij groote stukken uit de boomen en palen; de Mieren vangt hij op dezelfde wijze als de Miereneters, met de kleverige tong.
Al naar de weersgesteldheid gunstig is of ongunstig, heeft de paring in de eerste of in de tweede helft van Maart plaats. In het begin van April maken de Zwarte Spechten toebereidselen voor het bouwen van hun nest. Zij kiezen hiervoor een inwendig vermolmden boom uit. Het wijfje begint den arbeid op de plaats waar zich een "gepijpte kwast" of een afgebroken, van binnen vervuurde tak bevindt. Zij opent of verwijdt in de eerste plaats den ingang, totdat deze ruim genoeg is om haar lichaam door te laten. Daarna wordt de holte binnen in den stam afgewerkt, waarbij zij grooten ijver en veel vaardigheid toont. Het uithollen van den boom is een moeielijk werk, omdat de Vogel geen voldoende ruimte heeft voor zijne slagen. Dikwijls is er zoo weinig plaats, dat hij slechts 2 cM. ver kan uithalen. Dan klinken de slagen dof en zijn de naar buiten geworpen spaantjes zeer klein. Zoodra de ruimte eenigszins vergroot is, maakt hij veel grootere spanen los. Bij het bouwen van een nest in een eenigszins vervuurden dennestam waren de grootste spanen, die een Zwarte Specht naar buiten wierp, 15 cM. lang en 3 cM. breed. Het wijfje is slechts in de voormiddaguren op deze wijze werkzaam; des namiddags zoekt zij haar voedsel. Wanneer eindelijk, na een vermoeienden arbeid van 10 à 14 dagen, de holte gereed is, heeft deze, van den benedenrand van den ingang gemeten, een diepte van ongeveer 40 en een middellijn van 15 cM., soms eenige cM. meer, soms minder. Van binnen is zij zoo glad bewerkt, dat nergens een splinter zich boven de oppervlakte verheft. De bodem vormt een deel van een bol, maar geen halve bol en is met fijne houtspaantjes bedekt. Hierop worden, in den regel vóór het midden van April, 3 of 4, zeldzamer 5, bij uitzondering 6 betrekkelijk kleine eieren gelegd. Deze zijn zeer langwerpig, aan het eene einde sterk afgerond, in het midden buikig, aan 't andere einde met stompe spits; de zeer gladde schaal is zuiver wit en fraai glanzig als email.
Het nest wordt verscheidene jaren gebruikt, hoewel men de jongen gedood, ja zelfs een van de ouders geschoten heeft. Een nieuw nest is reeds op een afstand kenbaar aan de spanen, die over een oppervlakte van 3 vierkante meter verstrooid liggen en op den grond een dichte laag vormen; ook na het schoonmaken en vernieuwen van het nest, dat ieder jaar geschiedt, worden eenige spaanders onder den boom gevonden.
Het mannetje, dat iederen morgen het wijfje bij het broeden aflost, komt soms iets vroeger, soms iets later bij het nest. Men weet echter zeker, dat het mannetje gedurende eenige voor- en namiddaguren, het wijfje den geheelen nacht en in de morgen- en avonduren op de eieren of jongen zit. De pas uit den dop gekomen jongen zien er zeer wanstaltig uit. Zij zijn alleen op het bovenlichaam (en ook hier zeer schaars) met zwartachtig grijs dons bekleed; hun kop schijnt zeer groot en hun snavel onevenredig dik. Zij worden door de beide ouders uit den krop gevoerd met de poppen van de Paardenmier en van de Bruinroode Mier.
Jong uit het nest genomen Zwarte Spechten kunnen, wanneer men ze behoorlijk verzorgt, gedurende geruimen tijd in 't leven gehouden en tot op zekere hoogte getemd worden.
Grooter dan de Zwarte Specht is de Heerenspecht of Ivoorsnavel der Noord-Amerikanen (Dryocopus principalis), wiens lengte 55 cM. bedraagt (staartlengte 19 cM.). Zijn kleed is glanzig zwart; een smalle streep, die op het midden van de wang begint en zich langs de zijden van den hals en van de schouders uitstrekt, benevens de armpennen en de achterste handpennen, zijn wit; de slapen, de spitse, lange kuif op den achterkop en de nek zijn vurig karmijnrood. De iris heeft een gele, de snavel een geelachtig witte, de poot een donker loodkleurig grijze kleur. Het verbreidingsgebied van den Heerenspecht is beperkt tot de zuidelijke Vereenigde Staten en het eiland Cuba. Deze prachtige Vogel, welks levenswijze op die van onzen Zwarten Specht gelijkt, wordt ijverig vervolgd, daar zijn roode kuif en ivoorwitte snavel door de Indianen als versierselen en amuletten gedragen worden.
Wilson trachtte een Ivoorsnavel in gevangenschap te houden, maar vond, dat dit bezwaren oplevert. De bedoelde Specht was een oude Vogel, die, na gewond te zijn, gegrepen werd. Hij schreeuwde als een klein kind en maakte daardoor Wilson's Paard zoo schichtig, dat het zijn berijder in levensgevaar bracht. Toen deze met zijn schreeuwenden Vogel door de straten van Wilmington reed, snelden alle vrouwen angstig naar de deur of het venster, om de oorzaak van dit ontzettend gejammer te leeren kennen; bij de herberg gekomen, moest onze onderzoeker zich aan een kruisvuur van vragen onderwerpen. Ten slotte bracht hij den Ivoorsnavel op zijn kamer en verliet deze om voor zijn Paard te zorgen. Toen hij ongeveer een uur later terugkeerde, vond hij, dat de kolossale Vogel bijna reeds zijn vrijheid herwonnen had. Hij was bij de vensterluiken omhoog geklauterd en had zich bijna door de wanden van het vertrek heen een weg naar buiten gebaand. Om een tweede poging tot vluchten te voorkomen, legde Wilson, die den Vogel uitteekenen wilde, hem met een ketting aan den dikken poot van een mahoniehouten tafel vast. Vervolgens verliet hij de kamer nogmaals om voedsel voor zijn gevangene te halen. Terugkomende, hoorde hij reeds op de trap, dat de Specht weder aan het werk was; toen hij de kamer binnentrad, zag hij tot zijn schrik, dat de tafel op slechts drie van hare vier pooten rustte. Terwijl hij teekende, bracht de weerbarstige Vogel hem verscheidene wonden toe en toonde ook op andere wijzen zulk een edele, vrijheidslievende gezindheid, dat de onderzoeker meer dan eens er aan dacht hem naar zijn woud terug te brengen. Daar de Specht het voedsel, dat hem geboden werd, versmaadde, kwam er reeds op den derden dag een einde aan zijn lijden.
De grootste soort is de eveneens in Noord-Amerika inheemsche, ruim 6 dM. lange Keizerspecht (Dryocopus imperialis), die voornamelijk door het gemis van de witte streep aan de zijden van den hals en aan de schouders van de vorige verschilt.
De Bonte Spechten (Dendrocopus) worden als de volkomenste leden van de familie beschouwd, omdat zij bijna uitsluitend op boomen leven en slechts bij uitzondering op den bodem komen. Zij zijn van middelmatige grootte of klein; hun lichaamsbouw is gedrongen.
De Bonte Specht, die in sommige streken van Noord-Holland ook wel Eksterspecht wordt genoemd (Dendrocopus major), mag als de meest bekende soort van dit geslacht beschouwd worden. Hij draagt zijn naam te recht, want zijn kleed is werkelijk buitengewoon bont. De bovenkop en de overige bovendeelen benevens een smalle teugelstreep zijn zwart; de teugels en de zijden van den kop tot aan de slapen, een langwerpige dwarsvlek op de zijden van den hals achter de zooeven genoemde benevens een breed, overlangs gericht veld op de schouders zijn wit; ook de onderdeelen, hoewel meestal door vuil verdonkerd, hebben deze kleur; een breede vlek aan den achterkop, de aarsstreek en de onderdekveeren van den staart zijn donker karmijnrood, de handpennen geteekend met vijf, de armpennen met drie witte dwarsvlekken, die op den opgevouwen vleugel vijf dwarsbanden vormen. Over de witte eindhelft van de beide buitenste paren staartveeren loopen twee zwarte dwarsbanden, terwijl de derde stuurpen slechts één zwarte dwarsvlek vertoont. Het wijfje is op den achterkop niet rood. De oogen zijn bruinrood, de snavel is loodkleurig. Totale lengte 23 à 25, staartlengte 8.5 cM.