← Geschiedenis der Europeesche Volken

Geschiedenis der Europeesche Volken (part 3 of 3)

Part 3 of 3 · Johann Georg Kohl · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #19774, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (3)

Continue:

Geschiedenis der Europeesche Volken (part 3 of 3)

Het was een groot geluk voor de Fransche nationaliteit, dat bij alle splitsing, toch een eenige politieke kern, een meer of min machtig en erfelijk Koningsgeslacht, in eene vaste nooit verplaatste hoofdstad, in het te midden van alle harrewarrerijen steeds groot wordende en in bloei toenemende Parijs, dat reeds in de 5de eeuw de Merowinger Clovis tot zijne residentie uitgekozen had, is blijven bestaan. Hoe langzamerhand van deze kern uit, alle deelen van het land samenkwamen, hoe de eene onafhankelijke provinciale-vorst na den anderen door zulke machtige onbeperkte heerschers, als een Filips Augustus, een Lodewijk XI, een Karel VIII en later door de sterke hand van een Richelieu gebogen werden,--hoe de vreemdelingen, de Noormannen, de Engelschen, de Duitsche Keizers, de Spaansche Vorsten van Navarre en Catalonië, weder van den ouden Gallischen bodem verdrongen werden,--hoe van het steeds schitterender, steeds meer om zich heen grijpende, steeds meer alles vereffenende Parijs, ten slotte een eenige spraakvorm, een eenig zedenstempel, een gemeenschappelijk patriotsch nationaal-gevoel het geheele land en volk aangreep, en hoe ten gevolge daarvan de oude Galliërs in de gedaante van een der machtigste en meest eensgezinde natiën, die der nu zoogenaamde "Franschen" weder opleefden, dat is de geschiedenis van een 1000 jarig proces, vol van de meeste afwisselingen geweest.

De verovering van Gallië door de Duitschers, die het begin van dit proces vormt, heeft zich, hoe stormachtig zij ook was, op verre na niet zoo doortastend, veranderingen aanbrengend en voordurend bewezen, als de vroegere, die der Romeinen.--Duitsch bloed, Duitsche wijze van zijn, Duitsche taal, dit alles is met der tijd weder uit Frankrijk verdwenen. Daar de Duitschers wel als dappere maar onbeschaafde veroveraars en meesters, en niet zooals de Romeinen tegelijkertijd ook als leermeesters en zedepredikers, en als deze met den geheelen toestel van beschaafde, gezellige toestanden, kunsten en handwerken, maar eenvoudig alleen met het zwaard kwamen; daar zij bovendien uit een zwakker bevolkt in een dicht bewoond, bebouwd en stedenrijk land overgingen, zoo moest wel hun type voor dat van de ingezetenen des lands wijken, zooals bij alle vermengingen van de volken der wereld, altijd verstand en beschaving per slot van rekening de overwinning behaald hebben op physiek geweld. Daarbij moet men echter opmerken, dat de Duitsche Franken in Frankrijk, niet zoo snel wegsmolten als de Duitsche Gothen in Spanje of de Longobarden in Italië; Frankrijk betoonde zich ook daarbij als een tusschen- of overgangsland tusschen het Germaansche Noorden en het Romaansche Zuiden.

Van de vijfde eeuw af, toen de Duitschers Frankrijk veroverden, tot aan den tijd van Karel den Groote en tot aan het verdrag van Verdun, en nog iets later tot na het midden der 9de eeuw, dus meer dan 200 jaren langer dan in Spanje, hebben in Frankrijk Duitsche taal en zeden naast de Celto-Romaansche geheerscht.--De heeren van het land, de gebiedende grondbezitters, de adellijke geslachten waren allen blondharige blauwoogige Germanen. De wetten en bevelen werden in Duitsche taal gegeven. Het Duitsch zou zelfs ten tijde van Karel den Groote nog de hoftaal geweest zijn. Nog in het begin der 9de eeuw werd op de kerkvergadering in Tours bevolen, het godsdienstonderwijs in beide talen te geven. En toen ten tijde zong men nog in Frankrijk, ter eere der Koningen Duitsche lof- en zegeliederen, zooals b.v. het beroemde Lodewijkslied, ter eere der overwinning van Koning Lodewijk III op de Noormannen in het jaar 881, een kostbaar oud monument der Duitsche taal, dat door een gelukkig toeval voor ons bewaard is gebleven, en waaraan nieuwere Fransche en Duitsche geleerden op even patriotsche wijze hunne opmerkzaamheid gewijd hebben.

Beide naast elkander bestaande talen onderscheidde men in Frankrijk, de Duitsche onder den naam "lingua francica" of "francisca" (de taal der Franken) en die der onderworpene inboorlingen onder den naam "lingua Romana." Bij de samensmelting van beide rassen behield deze ten slotte de overwinning, ofschoon gene aan het nieuwe product den naam gaf.--Met deze samensmelting ging het na het verdrag van Verdun, door meer dan eene oorzaak snel voorwaarts; daar geen nieuwe toevoer van Duitsch bloed van gene zijde van den Rijn meer plaats vond; daar de huwelijken onder elkander steeds talrijker geworden waren; daar de oude Germaansche geslachten uitstierven; daar de aanvankelijk ter nedergeworpene en gedecimeerde Romaansche provincie-bewoners, langzamerhand weder op hun verhaal kwamen, krachtiger werden en zich weder vermeerderden.

Reeds omstreeks het midden der 9de eeuw moesten de jonge Fransche geestelijken, om Duitsch te leeren, waarvan de kennis hun hier en daar van nut kon zijn, naar abdijen in Duitschland reizen. En omstreeks het einde der 9de eeuw was de Duitsche taal in Frankrijk nergens meer in gebruik. Zelfs de Noormannen in Normandië hadden toen reeds hun Noord-Germaansch tegen het Romaansch omgeruild. De overwinning van het Romanisme op het Germanisme was toen reeds overal beslist.

Op het nieuw ontstane volkswezen, dat nu sedert de 10de eeuw de geschiedschrijvers den naam Franschen gaven, behield, ten minste wat taal, zeden en gezindheid aangaat, de Duitsche geest een tamelijk beperkten invloed. Al de dialecten en patois, die nu in Frankrijk ontstonden, zijn niet zoozeer te beschouwen als ontstaan uit eene verbinding van het Romaansche met het Germaansche element, maar veeleer als weder voortgekomen uit den Latijnschen en Celtischen ondergrond.

Ook tot de nieuwere Fransche taal, die langzamerhand eene algemeene heerschappij over al deze patois verkreeg, schijnt het Germaansch slechts weinig toe- of afgedaan te hebben. De Frankische, Bourgondische, Gothische en Noormansche krijgers, hadden zich van den beginne af, bij de vorming van dit Fransch uiterst passief gedragen. De innerlijke bouw en geest der taal is, naar het oordeel der kenners geheel anti-Duitsch, geheel Romeinsch-Celtisch gebleven. Ook in het fond der woorden vindt men in het Fransch niet veel overblijfselen van Duitsche uitdrukkingen. Slechts een zeer gering aantal Fransche woorden, en wel zulke, die op verschillende standen der maatschappij, op openbare ambten, op militair-, zee- en jachtwezen betrekking hebben, kan men tot Duitsche wortels terugbrengen.

Daarentegen laat zich in de behandeling der van de Romeinen en Celten overgekomene spraakstof, in de formatie en uitspraak der woorden, Duitsche invloed niet miskennen. In Italië en Spanje is de welluidende volle Latijnsche klank gebleven. In het Noordelijk gedeelte van Gallië echter heeft daarin, Duitsche taal en uitspraak meermalen den doorslag gegeven: De Franken en Noormannen hebben de Latijnsche woorden overal de karakteristieke eindsyllaben, die in de Germaansche taal onbekend zijn, ontnomen, of hebben ze tot doffe, toonlooze Germaansche halfvocalen verzwakt. Zoo b.v. het Romaansche uno, una in un en une, vino in vin, Roma in Rome. De fraaie, eenvoudige, welluidende vocalen veranderen zij in de onaangename, doffe nevenklanken; a in ä, o in ö, u in ü b.v. clarus tot clair, luna tot lune, boves tot boeufs. Dikwijls trokken zij, iets wat de Engelschen nog meer deden, de lange Romaansche woorden tot kortere te samen b.v. brevis tot bref, crudeli tot cruel, spiritus tot esprit, profundus tot profond, aurum tot or, Johannes tot Jean (geheel ons "Jan"). In plaats der eenvoudige, scherp geteekende Romeinsche consonanten, voerden zij dikwijls Germaansche ruischklanken in, b.v. in stede van calore, chaleur, in plaats van cavallo, cheval, bouche in plaats van bocca. De Duitschers ontnamen op die wijze in Frankrijk veel welluidends en muzikaals aan de Romaansche taal, die zij aannamen.

Ofschoon volgens dit alles de aard der taal der Franschen wel iets, maar over het geheel toch slechts weinig van het Germaansch element in zich bewaard heeft, zoo heeft toch in andere opzichten de Fransche verovering op de natie een langdurigen invloed uitgeoefend, en moeten de Franken eenigermate, naast de Romeinen en naast de Celten, als de voorouders der tegenwoordige Franschen beschouwd worden.--Vooral bleef, even als in Spanje en elders, in het staats- en rechtswezen der Franschen veel Germaansch bestaan. "De Duitsche overwinnaar heeft in velerlei opzicht den overwonneling (wiens taal, zeden en vaderlandsliefde hij aannam) de publieke inrichtingen, die bij hem van kracht waren, aangebracht. In Noord-Frankrijk waren de zoogenaamde "coutumes," die op het Duitsche recht gebaseerd waren, zelfs tot in de 18de eeuw van kracht.--Het leenstelsel, de militaire-inrichting, het Frankische Koningschap, de geest der ridderschap, dit alles was en bleef langen tijd Germaansch. De onafhankelijke Fransche Koningstroon was oorspronkelijk eene Duitsche stichting, en de Franschen hebben het daarom oorspronkelijk, even als de Spanjaarden, alleen aan de Duitschers te danken, dat zij als een eigen en eenig volk, in de Europeesche familie hun hoofd verheffen. Want te voren, zoo lang zij enkel Celten waren, was bij hen, zooals ik zeide, eene groote versnippering in clans en stammen. Toen zij Romeinen werden, kwam er wel eene vereeniging, maar alleen door inlijving in een grooten, de wereld omvattenden staat. Eerst toen de Duitsche statenstichters onder de Galliërs optraden, verkregen zij het zuurdeeg, met behulp waarvan een brood gebakken werd--het hekwerk langs welke de Fransche wijnstok zich uit de verslapte Romeinen-wereld omhoog kon heffen, en tot eene groote en zelfstandige Europeesche volkenplant kon opwerken.

Tot aan het jaar 1792 vernieuwde, gedurende 1281 jaren, dagelijks een priester aan het graf van Chlodwig, in de dikwijls gerestaureerde en verbouwde kerk, later het Pantheon genaamd, in de mis het aandenken aan den Duitschen stichter en voorvader der Frankische monarchie, aan den oudsten aller Europeesche souvereinen.--Eerst met het genoemde jaar, met de Fransche revolutie hield ook dit huldebetoon op, door de Franschen aan hun Germanendom gebracht. Men heeft deze omwenteling zelve en alle innerlijke veranderingen en allen strijd in Frankrijk, die ten slotte tot de revolutie voerden, beschouwd als een streven van het oude Celtische en Romaansche element, om zich van het Germaansche element te ontdoen en er zich van te zuiveren.--"Met hunne groote, het geheele land op zijne grondvesten schuddende omwenteling, werd onder de Franschen de gedachte weder levendig dat zij niets dan geromaniseerde Galliërs, Celten waren. Zij spreken nu van de Franken en de Frankische Koningen, als van vreemde barbaren. Zij nemen zelfs de oud-Romeinsche kleeding aan. Ook kiezen zij zich vervolgens een staats-opperhoofd, dien zij den Romeinschen titel "Imperator" (Empereur) geven, en die, even als vroeger Cesar met de Galliërs, naar Rome marcheert. "La blonde Germanie", zegt een Fransch schrijver van dien tijd, "a eu beau nous envoyer ses Francs, ses hommes du Nord: notre temperament n'a rien perdu de ses tendances originelles. C'est que malgré les revolutions et les siecles nous sommes toujours l'ancienne Gaule avec ses emportements et ses impatiences." [13]

De groote Napoleon zelf heeft de geschiedenis der Fransche revolutie in twee merkwaardige woorden vervat: "Les Gaulois secouèrent le joug des Francs (De Galliërs schudden het juk der Franken [der oude feodalen] af).--Ook van de nieuwere Fransche taal heeft men opgemerkt, dat zij het Latijn weder nader gekomen is, dan het oud-Fransch. En zoo heeft waarschijnlijk dan ook de Paus gelijk, die tot op dit oogenblik voortgaat, in zijne bullen Frankrijk niet "Francia," maar even als ten tijde van Cesar "Gallia" te noemen.

Na het, slechts korten tijd durende, herstel van het oude Frankische Koningshuis, keerden de Franschen, in het midden onzer tegenwoordige 19de eeuw, tot het Imperatorendom terug, en hun Napoleon III vergeleek zich met niemand liever dan met den Romeinschen Cesar, wiens leven hij ijverig bestudeerde, en die onder hem in Frankrijk oneindig meer gehuldigd werd, dan die andere voorvader, de Duitsche Chlodwig.

Overigens is het opmerkingswaardig, dat er onder de Fransche historici, om zoo te zeggen, schier altijd twee partijen, eene Celtisch-Romeinsche en eene Germaansche bestaan hebben, van welke de eene (b.v. Thiers, Thierry) gestreden heeft voor het denkbeeld, dat de Franschen niets anders zouden zijn, dan door de Romeinen eenigzins gewijzigde Celten, terwijl de andere (b.v. Montesquieu, Guizot en andere) meer gewicht hechtten aan den invloed van het Germaansche element. Het is echter natuurlijk, dat dit altijd slechts een strijd over het hoeveel, over het meer of minder zijn kan.

Dat namelijk in de zeden en gebruiken der Noord-Franschen, nog heden ten dage menig erfstuk uit den tijd der Franken aangetroffen wordt, hebben Duitsche schrijvers meermalen aangetoond. Op het punt "nationaal costuum" wil ik twee kleine voorbeelden aanvoeren, die even merkwaardig zijn, als met het oog op de Celtische overblijfselen, de Bajonner hammen en de naar pik smakende wijn van Strabo. De klompen onzer Neder-Saksische boeren, zijn bij den landman in Frankrijk even ver het land in, in gebruik, als de oorspronkelijke heerschappij der Franken ging. Ook heeft de Duitsche onderzoeker Clement, een zeker kleedingstuk der vrouwen, een hoofddoek gevonden, dat hij het Friesche of Frankische noemt, en dat volgens hem in geheel Noordelijk Frankrijk, tot aan Parijs toe, in alle oudste en voornaamste bezittingen der Franken, het gewone hoofdtooisel der vrouwen gebleven is.

De beschaving door de Romeinen en de verovering door de Duitschers, zijn de beide grootste en invloedrijkste gebeurtenissen in de geschiedenis der Fransche nationaliteit geweest. Wel zijn na en behalve deze nog andere vreemdelingen het land binnengerukt, maar òf zij verschenen slechts als doortrekkende legers, òf in zoo gering aantal, dat zij geen blijvenden invloed op het karakter der natie en van het ras konden uitoefenen.

De moderne Spanjaarden zijn slechts zelden in massa hunne Pyreneën overgetrokken, om Frankrijk binnen te rukken, ofschoon wel, in tijden van innerlijke beroerten, b.v. toen de Saracenen Spanje veroverden, vele Spanjaarden naar Zuid-Frankrijk trokken.

De Engelschen hadden, tijdens zij groote streken van Frankrijk beheerschten, toen eens zelfs een hunner Koningen (Hendrik V) te Parijs tot Koning van Frankrijk geproclameerd werd, en daar met Engelsche en Fransche Baronnen zijn hof hield, veel meer overeenkomst met de Franschen dan zij nu hebben. Hunne Koningen en hun adel waren toen Noormansch-Fransch en spraken Fransch. Ook streden en regeerden zij in hunne Fransche bezittingen meestal door middel der inboorlingen.--Anglo-Saksische koloniën werden door hen niet naar Franschen bodem overgeplant, en de Engelschen dachten er niet aan hunne Fransche onderdanen te angliseeren. Zij werden slechts hunne leenheeren. In het inwendig bestuur hunner Fransche landschappen, in de wetgeving, de zeden en inrichtingen der bevolking, werd niets veranderd. De overwonnenen wisselden alleen van bewind en bleven voor het overige Franschen. De Engelschen brachten toenmaals meer uit Frankrijk over naar hunne eilanden, dan de Franschen van hen ontvingen. In den nieuwsten tijd, nadat zij op het vasteland van Frankrijk niet meer gebieden willen, hebben de Engelschen daar een veel sterkeren invloed op de beschaving uitgeoefend, en zijn zij in hunne zeden en gebruiken, in hunne taal en literatuur, door de Franschen veel meer bewonderd en nagevolgd dan te voren.

Slawen en andere Europeesche Oost-volken, Joden, Turken, Armeniërs, Zigeuners heeft Frankrijk altijd slechts in zeer gering aantal bij zich gezien, en men kan al zulke toevallige landverhuizers in Gallië, beschouwen als droppels die in de zee verloren gingen, iets wat men ten aanzien van andere Europeesche landen, b.v. van Duitschland, niet in gelijke mate beweren kan.

Vraagt men nu, waarin de eigenaardige geest en het karakter dezer, uit de door mij vluchtig aangegevene elementen bestaande, Fransche natie, dezer uit zoovele bestanddeelen gevormde, groote, uit veertig millioenen menschen samengestelde persoonlijkheid bestaat--en zal ik deze karakter-schildering dadelijk aanvangen, met de beschrijving van een der meest in het oog springende kenteekenen van den Franschen volksaard, dan begin ik met de uitspraak van Arndt, dat de Franschen--in den ruimsten zin des woords--de gezelligste onder de menschen zijn. Daarmede heeft men een der hoofdpunten in het zijn der Franschen aangegeven, en daaruit laten zich de meeste hoedanigheden, waardoor de Franschen zich kenmerken, verklaren of afleiden, even als rivieren uit hare bron.

De Franschen hebben het verkeer met hunne medemenschen, in bijna al hunne betrekkingen en bij alle soorten hunner werkzaamheid noodig. Zeer duidelijk leert ons dit het karakter hunner volksliederen. De volksliederen der Franschen, hunne "Chansons" zijn in den regel gemaakt om door meerdere tegelijk gezongen te worden. "Liederen, die door een enkel persoon gezongen worden, treft men bij hen lang niet in die mate aan, als bij de Slawen, Duitschers of Engelschen." Daar de eenzaamheid meestal tot melancholie leidt, zoo zijn de volksliederen bij de laatst genoemde natiën in den regel zwaarmoedig, terwijl het Fransche volkslied in den regel vroolijk is. "Omdat men," zegt Arndt, "zich in gezelschap liever aan scherts en vroolijkheid, dan aan weemoed en treurigheid overgeeft, bestaat de inhoud van het Fransche volkslied, uit allerlei geestige toespelingen, kluchten, potsen, satyren, luchtigjes in elkander geweefde vriendelijke beelden, alles bijeengehouden door een refrein dat uit ieders mond klinkt.--Voor zich zelven te gevoelen, te droomen, aan het innerlijk gevoel toe te geven, zelfs wanneer men er zich geene rekenschap van weet te geven, de phantasie, de luim doelloos en vrij te laten werken, de stemming der natuur in zich op te nemen, zonder te weten waar men hare oorzaak moet zoeken, dat alles zal den gezelligen Franschman maar zelden in het hoofd komen."--Dat zijn zaken, die men meer zoeken moet bij zijn buurman aan den Rijn, die in zoo velerlei beteekenis zijn antagonist is, die, zooals Tacitus opmerkte, zich zoo gaarne isoleert, en die zich van oudsher, in een groot gezelschap zoo weinig op zijn plaats gevoelde.

Gezelligheid is den Franschman voor alle zaken noodig, even als bij zijne gezangen zoo ook bij zijne heldendaden.--"Evenmin als hij iemand is, die op zijn eentje zingt, is hij iemand die op zijn eentje vecht." Men heeft de opmerking gemaakt, dat de Franschen het dapperst zijn als zij in groote massa's vechten; dat het tweegevecht, ofschoon het tegenwoordig bij de Duitschers den Franschen naam duel draagt, oorspronkelijk niet bij hen inheemsch was, maar eerst door de Duitschers tot hen overgebracht werd. Ook in den slag willen zij door anderen in werking gebracht, door hen gezien en aangevuurd worden. Van daar dat zij, als hunne gezellige gelederen (hunne regimenten) eens opgelost en geslagen waren, somwijlen geheel den moed verloren. De geslagen legers der Franschen hebben zelden zulke bewonderenswaardige terugtochten uitgevoerd, als die der Duitschers. Ook hebben de Franschen in den oorlog niet zoo dikwijls beroemde partijgangers gehad, als die bij de volken van Germaansch ras, bij de Duitschers, Zweden, Noormannen, Engelschen, Zwitsers, ten allen tijde aangetroffen zijn.

Even als ten opzichte hunner militairen in het veld, zoo merkt men ook ten opzichte hunner schrijvers vrij algemeen aan, dat zij zich bij het schrijven om zoo te zeggen, altijd in het gezelschap hunners lezers denken, dat zij bij den arbeid hunner gedachten, geen oogenblik het oordeel of den spot of bijval der maatschappij, van het publiek, uit het oog verliezen.--En wat Madame de Stael van de Duitsche geleerden zeide, "dat zij als kluizenaars leefden," dat kan van de Franschen volstrekt niet gezegd worden.--"Wat zich eene berisping der maatschappij op den hals kan halen, wordt door hen meer dan door eenig ander volk geschuwd, en de heerschappij der despotische mode, strekt zich dientengevolge bij hen over veel meer en belangrijker zaken uit dan bij ons.--Niet alleen de kleeding en dergelijke uiterlijkheden, maar ook wetenschappen en kunsten, ja zelfs de politieke inrichting en de belangrijkste zaken, schijnen bij de Franschen in hooge mate onderworpen te zijn aan de gezindheid, die op het oogenblik in de maatschappij den boventoon voert.

Het ontbreekt den Franschen aan die innerlijke persoonlijke zelfstandigheid en individueele vastberadenheid, die de Germanen kenmerkt. Op zich zelven staande of in kleinen getale, gaan zij gemakkelijk te loor, verbrokkelen zij, om zoo te zeggen. Zij moeten, als zij iets beteekenen zullen, met anderen, met Franschen te samen zijn. Daaruit laat zich ook de sterke concentreering van het leven der Franschen in eene enkele stad, de buitengewone voorkeur die zij aan hunne hoofdstad Parijs geven, verklaren.

Een naar bijval, naar een publiek verlangend, gezellig volk als de Franschen, moest wel een druk bevolkt en domineerend centrum in de wereld roepen. Zij moesten zich een groot tooneel met talrijke toeschouwers, eene groote schouwplaats voor hunnen roem wenschen. Vele kleine residenties, en kleine stille plaatsen, waar men zich op ontwikkeling en beschaving toelegde, konden den Franschen niet voldoen. Zij stichtten daarom reeds vroegtijdig eene hoofdstad, waarin zij al hunne schatten, al hunne talenten, hun gansche vernuft concentreerden. "Zij lieten geheel Frankrijk," zooals een Franschman zich eenigzins sterk uitdrukt, "eene woestijn worden, om in het midden er van eene schitterende oase, hun Parijs te scheppen."

Tot op onzen tijd toe, heeft Europa geen volk bezeten, welks geheele leven zoo binnen de muren eener stad bevat is, als dat der Franschen binnen Parijs. Geheel Frankrijk was in Parijs vertegenwoordigd. Van daar uit bouwde het zich voortdurend op; daarheen stroomden al zijn krachten. Parijs vormde het hoofd en het hart der natie; hare zeden en denkwijzen waren Parijsch. Ieder van hunne dichters, hunne redenaars, hunne kunstenaars, beijverde zich de goedkeuring uit den boezem dezer stad te verwerven; ontvingen zij die, dan waren zij zeker van den bijval van het overige Frankrijk.--Voor alles moesten ook hunne regenten trachten de goedkeuring van Parijs te ontvangen, even als Alexander streefde naar die van Athene, en zij voelden zich in hunne heerschappij over het geheele land en volk verzekerd, als zij die stad in handen hadden, van welke madame de Stael gezegd heeft: "dat het leven er zoo schitterend, zoo aangenaam en zoo behagelijk was, dat men daar alle verder geluk en ook de vrijheid ontberen kon."

Aan de uit Parijs verbannen, op zich zelven in het buitenland wonende Franschen, heeft men iets zonderlings opgemerkt.--Zij leeren de taal en de gewoonten der vreemdelingen moeielijk aan, en sluiten zich niet zoo gemakkelijk en gaarne bij dezen aan, als de Duitschers.--"De Germaansche plant kan men deelen en scheuren, en ieder takje er van in een vreemden bodem planten; zij groeit daar tot een boom op en blijft in leven. De Franschen kan men niet als stekken verplaatsen. Zij zijn gezaaid geworden, en bloeien, zooals verschillende soorten van zaaiplanten, slechts bij massa's."--Zoodra zij uit den inheemschen kring hunner vaderlandsche maatschappij verbannen zijn, schijnen zij de kracht te verliezen, even als bijen die van den zwerm afgeraakt zijn. Zij hebben dientengevolge ook niets van den Germaanschen lust tot reizen en zich te verplaatsen over zich, maar bezitten veeleer eene sterk in het oog vallende neiging, voor goed zich neder te zetten binnen den tooverkring van hun vaderland, waarheen zij ook meestal, zoo spoedig mogelijk, uit den vreemde weder terugkeeren.

Over het algemeen, hebben zij in de wereldgeschiedenis deze eigenaardigheid daardoor bewaarheid, dat zij buiten hun vaderland nergens in staat zijn geweest, machtige koloniën en dochter-volken te stichten. Waar de oude Duitsche Longobarden, de Gothen, de Saksers, zich nederzetten, daar ontstond een staat, een politiek gebouw, waarin de geslachten eeuwen lang woonden. Waar later de Germaansche zeeroovers uit het Noorden vasten voet kregen, daar schoot weldra een gemeenschappelijk samenleven wortel. Datzelfde is in nieuweren tijd het geval geweest met de Germaansche Britten, die overal, waar zij hun anker nederwierpen, naar het model van hun vaderland, een nieuw nest voor een nieuw volk bouwden.--Op iets dergelijks kunnen de Franschen zich niet beroemen, hoe dikwijls zij ook uit hun vaderland marcheerden of zeilden; dikwijls hebben zij de wereld geschokt, maar nergens met frissche koloniën, waarvan iets te hopen was, voorzien. Niet eens in de Nieuwe wereld, waar dit betrekkelijk zoo gemakkelijk scheen, is het den Franschen gelukt iets duurzaams tot stand te brengen, zooals de Spanjaarden, de Nederlanders en zelfs het kleine Portugal zulks deden. In Brazilië, Florida, Canada, aan de Mississippi, overal hebben zij met hun "Nieuw-Frankrijk," schipbreuk geleden, dat, naar men zou kunnen zeggen, altijd als zand verstoof, terwijl de nederzettingen der andere volken, "Nieuw-Spanje," "Nieuw-Holland" en "Nieuw-Engeland" wortel vatten en zware spruiten uitschoten.

Men vindt in de geschiedenis van Frankrijk, slechts eene merkwaardige volksverhuizing en koloniestichting, die heilzame gevolgen had. Het is de eenige Fransche emigratie, die, ofschoon zij Frankrijk zeker vele wonden sloeg, voor de andere volken weldadig was, en die in de geschiedenis der Europeesche ontwikkeling van niet onbelangrijken invloed geweest is. Ik bedoel de gewelddadige verstrooiing der Fransche, zoogenaamde Refugié's of Hugenoten, die voor de dragonders en jezuïten van Lodewijk XIV vluchtten. De wreede en gedwongene uittocht dezer Franschen, die veel overeenkomst heeft met die der Morisko's uit Spanje, schonk aan Duitschland, de Nederlanden, Zwitserland, Denemarken en Engeland, vele bloeiende nederzettingen van nijvere en ontwikkelde burgers, en bracht naar onze steden velerlei producten van Fransche kunstvlijt. Want genoemde slag trof gedeeltelijk juist de vlijtigste en met den ernstigsten en godsdienstigsten zin vervulde klassen der natie.--Vandaar hebben nog heden ten dage Berlijn, Dresden, Frankfort, Londen, Kopenhagen, Amsterdam en verscheidene andere steden van Europa hunne Fransche gemeenten, die aan de staten, wier gastvrije bescherming zij erlangden, van onze Ancillon's en Savigny's af, vele uitstekende mannen, geleerden, beambten en officieren gegeven hebben.--In menige dezer vreemde staten, in Denemarken en Pruissen, dagteekent gedeeltelijk van deze Fransche emigratie, het begin van hunnen tegenwoordigen industrieelen bloei.

Even als, niettegenstaande al hunne omwentelingen en oorlogzuchtige ondernemingen, de Franschen, met betrekking tot het stichten van staten, weinig scheppend geweest zijn, zoo hebben zij zich ook, trots den hun eigen kritischen geest en fijnen kunstzin, in poëzie en kunst weinig scheppend betoond.

Men heeft hen, sedert de tijden van Cesar, wel als bijzonder heldere en scherpe, als zeer logische en wiskunstige koppen geroemd, maar zij hebben weinig idealisch of enthusiastisch over zich. Het ontbreekt hun aan diepen ernst. Hunne natuur brengt mede, dat zij zich met het zekere en stellige bezig houden. Bezielde dichter- en kunstenaars-naturen, zijn echter juist op het bovenzinnelijke, op het ontastbare, op dat, wat men niet weet maar alleen denkt, gericht.--In alle kleine kunsten van het leven zijn zij onovertreffelijk. Vooral zijn zij sedert lang voor geheel Europa de meesters geweest, in al wat dienen kan, om alles bekoorlijk te tooien en de menschelijke persoon een aangenaam uiterlijk te geven. Een oud Germaansch spreekwoord zegt van de Franschen: "fraai van kleed maar licht van zin." Reeds tijdens de kruistochten, was het nieuwe kostuum, dat toen voor geheel Europa ontstond, grootendeels van Franschen oorsprong, en wat later ook nog in dit vak uitgevonden werd, de schoenen met lange punten der 14de eeuw, of de torenvormige kapsels en allonge-paruiken der 17de, of de, door de Fransche Jakobijnen en terroristen het eerst ingevoerde, zwaluwstaart-achtige rokken, en heeren hooge hoeden van onzen modernen tijd, of de dames "Garibaldi" en "Hongaarsche" hoedjes der laatste dagen,--de Franschen hebben al deze en tallooze andere fatsoenen en snitten onzer kleedingstukken zoo weten uit te denken, zoo netjes weten te maken en zoo in den smaak weten te doen vallen, dat zij daarin steeds alle andere volken van Europa tot model hebben gediend, en ten slotte bijna alle eigendommelijke nationale-kleederdrachten dezer volken opgeruimd hebben. Zij zijn 500 jaren lang tot op den jongsten tijd de tyrannen der mode geweest. Geheel Europa had zich gewend, op een wenk van Frankrijk, van tot tijd tot tijd, als eene rups, zijn verouderd omkleedsel af te leggen en zich in een nieuw hulsel van Fransche vinding te steken.--"Frankrijks hoofdstad, waar onder de vlugge vingers der Fransche arbeiders ieder klein produkt der industrie, iedere schoen of handschoen, een licht en gracieus meesterstuk werd, was eene onuitputtelijke broeikas geworden, die met ieder nieuw saisoen een frisschen overvloed van mode-bloesems over de wereld uitschudde, die door deze begeerig werden opgevangen, en even als de van een Vorst ontvangene ridderorden, als geschiedde het op hooger bevel, aan hoofd en borst werden gehecht."

Maar deze meesters in het maken van bevallige kleedingstukken, deze wetgevers van den smaak in kleine zaken, zijn in de hoogere kunst meestal slechts navolgers, zelden vruchtbare uitvinders en oorspronkelijke scheppers geweest. "Vooral de liefelijke toonkunst had in Frankrijk geen recht natuurlijken bodem." De vriendelijke zang was het Fransche volk nooit zoo van nature eigen, als dat bij andere volken het geval was. Alle Fransche aria's, liederen, zangstukken hebben voor ons iets opvallends, onmuzikalisch. "Zij zijn bijna niet anders dan een gezongen gesprek, even als het deklamatorische recitatief, dat men het proza der muziek genoemd heeft." Een zoo harmonisch, verkwikkend en verheffend koorgezang, als de Duitschers hebben, bezitten de Franschen niet. In het ernstigste en verhevenste genre van muziek, in de kerk-muziek hebben zij het minst geleverd. De opera daarentegen hebben zij vlug van de Italianen geleerd, en in de Opera comique zijn zij rijk en onuitputtelijk. In den regel zijn zij betere instrumentalisten dan vocalisten geweest, en hebben zij meer uitoefenende kunstenaars dan dichterlijke componisten voortgebracht. De meeste der groote virtuozen en meesters, die in Frankrijk de Vorsten der toonkunst geweest zijn, waren Italianen of Duitschers of hunne leerlingen.

Als leerlingen der Italianen hebben de Franschen ook steeds goede schilders voortgebracht, en hebben zij alle genres dezer beeldende kunst met geluk beoefend. Desniettegenstaande is er geene eigenlijke karakteristieke nationale Fransche schilderschool, die men, wat oorspronkelijkheid en rijkdom betreft, met de Duitsche, Nederlandsche, Italiaansche of Spaansche scholen op ééne lijn stellen kan. Kenmerkend is het weder voor hen, voor de zuiverheid en juistheid van al hunne voortbrengselen, voor hunnen smaak en hunne geschiktheid voor het sierlijke, dat zij ten allen tijde, reeds sedert Karel den Groote, de smaakvolste miniatuur-schilders gehad hebben. Dante stelt in zijne goddelijke comedie, de Fransche miniaturen boven de Italiaansche. Ook hebben zij steeds in het graveeren in koper uitgemunt, iets wat zij intusschen even min uitgevonden hebben, als de lithographie of typographie of eenige andere gewichtige kunstsoort. Bijna al deze en andere uitvindingen, ontstonden het eerst bij hunne naburen, de Duitschers, bij wie men altijd meer oorspronkelijke denkers en peinzers aangetroffen heeft, terwijl de verfijnende, beschavende Franschen later den smaak en de talenten er bijvoegden, die de uitvinding verder ontwikkelden, beter deden voorkomen, recht genietbaar maakten, in vele opzichten op het leven toepasten, in de wereld brachten en haar populariseerden.

Daar de Franschen in den regel meer handige, smaak- en talentvolle navolgers en verfijnende voltooiers, dan geniale voortbrengers geweest zijn, zoo hebben zij dien ten gevolge vermoedelijk ook juist die kunst, die louter navolging is, het tooneelspel, met voorliefde en bijzonder goed gevolg beoefend. Intusschen viel hun ook hierin de bijval der overige wereld, hoofdzakelijk slechts ten deel in lichtere soorten, in de blijspelen, in de opéra comique, in luimige conversatie-stukken, in het kluchtspel. Hunne hoogere Cothurn [14], hunne klassieke drama's en treurspelen, imponeeren ons niet.--Meer dan iets anders verwierf in den nieuweren tijd een product van lichter, minder dramatisch genre, de grappige, onderhoudende, vermakelijke, luimige vaudeville, eene merkwaardige populariteit, wat van evenveel beteekenis voor de Franschen zelven, als voor den modernen smaak en tijdgeest heeten mag. Aan deze, met gezang en gesprekken vermengde compositiën, die zoowel kleine als groote zaken, anekdoten, vermakelijke voorvallen uit het dagelijksch leven, geschiedkundige gebeurtenissen enz. van den vroolijken kant beschouwen, waren in het vroolijke Parijs eene geheele reeks schouwburgen bijna uitsluitend gewijd. Er waren daar goede dichters, zooals Scribe, die dergelijke voortbrengselen bij honderden schiepen. En de vaudeville, dit echt Fransche dramatische speelgoed, dit letterkundig windvlaagje maakte de reis om de wereld. Londen, Weenen, Petersburg, New-York en Brazilië verheugden zich er in. Misschien is er geen tweede dichtsoort geweest, dat door alle volken zoo geëxploiteerd en toegejuicht is geworden, als de vaudeville en het blijspel der Franschen.

"Even als het den Franschen in de kunst ontbreekt aan idealiteit, zoo ontbreekt het hun in de wetenschap aan universaliteit." Er is letterlijk geene wetenschap te noemen, waarop deze geestige en levendige menschen zich niet met ijver hebben toegelegd. En toch stelt men hen niet aan de spits in de eigenlijke wetenschappelijkheid der volken.--Zij hebben wel altijd zoogenaamde philosophen gehad, zij hebben zelfs, waarop zij zich beroemen, eene philosophische eeuw gehad, en toch heeft bij hen de philosophie nooit zoo diep wortel geschoten, nooit zoo welig gebloeid als bij de Duitschers, die Voltaire reeds "de grijsaards van Europa" noemde, terwijl hij zijne eigene landgenooten als "kinderen" betitelde. "Het ligt niet in het karakter der Franschen, het geheele rijk der gedachte en der schepping in zijnen samenhang en in zijn geheel op te vatten." Het enkele vatten zij beter en daaraan moet het ook toegeschreven worden, dat zij, wat men eene Universitas literarum noemt, bijna volstrekt niet kennen. Zij bezitten in hun land slechts afzonderlijke faculteiten, collegie's en bijzondere scholen, geene universiteiten in algemeenen zin. Slechts één universeele philosoof en werkelijk groot meta-physicus is uit hunnen boezem voortgekomen, hun bewonderenswaardige Des Cartes, die echter even eenzaam in hun midden staat, als Dante bij de Italianen. Daarentegen overtreffen de Franschen in de zoogenaamde wereld- en menschenkennis, die men door een onbevangen en geoefenden blik in het gezelllige leven, en door waarneming der moreele variëteiten der menschelijke natuur verkrijgt, alle philosophen en dichters van den vroegeren en lateren tijd. De lijst hunne zoogenaamde "moralisten," hunne Montaigne's, la Bruyère's, Pascal's, is lang en rijk aan geestige schrijvers en geschriften.

Daar zij meer verstand dan vernuft bezitten, zoo hebben ook bij hen geene wetenschappelijke stelsels meer geluk gehad, dan die, waarbij boven alles een scherp oog, een berekenend verstand noodig zijn, en waarbij geene sprake is van algemeene beschouwingen, maar van bepaalde feiten en duidelijk bewezene zaken, zooals de wiskunde, sterrekunde, natuurkunde, werktuigkunde, met één woord alles, wat zij zelven de "sciences exactes" noemen.

Ofschoon de lier in Frankrijk nooit voor eeuwen lang verstomde, zooals b.v. in Duitschland, ofschoon herhaalde malen, eens ten tijde der troubadours en later voor en na Lodewijk XIV, andere volken dichterlijke opwekkingen en impulsies van Frankrijk ontvingen, en de Fransche verzen-kunstenaars in hunne vormen navolgden, zoo wil toch de publieke opinie den Franschen evenmin een diep gevoelend dichterlijk gemoed, als een diepen philosophischen zin toekennen. Vooral valt het den Duitschers moeielijk, een werkelijk genot te vinden in de producten der Fransche poëzie. De Engelsche dichters, een Shakespeare, Byron, Moore, Burns enz. staan den Duitschers in hunne wijze van gevoelen zoo na, dat zij gelooven met hen, als met gelijk-gevoelenden, gelijk-denkenden te doen te hebben. Ook gevoelen zij zich nauwer verwant aan de groote Spaansche en Italiaansche zangers, aan een Cervantes, een Calderon of Dante, dan aan de Fransche dichters. Ja! zelfs wat in overoude tijden een Homerus of een Anakreon bij de heidenen zongen, gaat hun meer ter harte dan de zoogenaamde classieke--zij zijn geneigd te zeggen: koude--composities van een Racine of Voltaire.

Zonder een diep godsdienstig gevoel, zonder een gevoelen, een leven met de natuur, met Gods schepping, met alle schepselen en geesten, kan men zich geene ware dichters denken. En van dezen innigen samenhang met de wereldziel, van deze vervuldheid met God, van dit enthusiasmus, zooals de Grieken het zoo schoon noemden, van deze oudste eigenschap en oudste voorwaarde voor het dichterlijk gemoed, hebben de zich alleen om het tegenwoordige bekommerende, schitterende, geestige Franschen juist niet veel. Voltaire zelf heeft dit gevoeld en erkend. Deze scherpzinnige vriend der waarheid heeft de merkwaardige uitspraak gedaan, dat van alle beschaafde natiën de Fransche de minst dichterlijke is. De toutes les nations polies la notre est la moins poëtique.

"De sierlijke spelen en kunstjes van den zoogenaamde esprit, verstikken bij de Franschen ieder sterk gevoel. Eene fijne, behendige wending schatten zij boven alles, terwijl zij den stillen maar sterk aangrijpenden natuurklank van het hart minachten. Eene eenigzins stoute en wijze vlucht der phantasie, ieder krachtig woord van het overstroomende dichterlijke gevoel wordt door hen zelfs al spoedig "smakeloos" genoemd. Hunne dichters zijn vernuften, en dichtten van oudsher meer voor den gezelligen kring en voor het salon, dan voor het volk. Een waar dichter echter wil vrije lucht, eene breede straat, en daarenboven in de allereerste plaats, eene rijke, levendige, ontwikkelde, beeldrijke, oorspronkelijke taal, en ook daaraan ontbreekt het den Franschen maar al te zeer. "Hunne taal is uiterst scherp, duidelijk en zakelijk. Voor iedere gedachte heeft zij eene bepaalde uitdrukking. Maar zij bezit weinig oorspronkelijke volheid. Alles is bij haar zoo schraal, zoo conventioneel, zoo kunstmatig geregeld, zoo correct en dien ten gevolge ook zoo beperkt, zoo weinig vrij, als de aanleg der oude Fransche tuinen en de boomen die zij zoo stijf afsnoeiden. Een zoo schoolsche, conventioneele, geacademiseerde, onvrije taalgeest, staat echter lijnrecht over tegen den dichter-geest, die zelf stempelen, leveren, zelf vormen en gevoelen wil en moet, even als de geheele afronding, geslotenheid en vlugheid, die den Franschen eigen is, hunne poëtische opvatting der dingen schaadt.

Dezelfde verhoudingen, omstandigheden en aanleg echter, die bij een volk de poëzie schaden, zijn somwijlen het proza nuttig, en dit maakt het begrijpelijk, dat de Franschen om dezelfde redenen in de poëzie zwakker zijn, in het proza daarentegen meer uitgemunt en meer invloed uitgeoefend hebben. Schijnt hunne poëzie ons somwijlen proza in verzen, hunne vocale muziek een gezongen discours toe, hun proza daarentegen heeft somwijlen een poëtisch waas. Frankrijk is het land van het beste proza. Hare literatuur bestaat voor drie vierde uit fraaie proza, redekunst en rhetoriek. De poëzie spreekt gaarne voor zich zelve, de welsprekendheid gedijt slechts in gezelschap. Een gezellig, roemlustig en met zich zelven ingenomen volk, moest in zijn wezen wel een volk van redenaars en prozaïsten worden.

Een der Duitsche aesthetikers zegt in zijne geschiedenis der Fransche poëzie: "dat in geene literatuur van den nieuweren tijd het zoo moeielijk is, de geschiedenis der prozaïsche welsprekendheid van de geschiedenis der poëzie af te scheiden en te onderscheiden, als in de Fransche." Er kan geen twijfel bestaan over den oorsprong dezer moeielijkheid. De vernuften en de geleerden stonden bij de Franschen altijd dichter bij elkander, dan bij de Duitschers, waar de geleerden dikwijls in een erg prozaïsme verzonken waren. Bij de Franschen hebben beiden steeds van elkander geleerd, en de proza-literatuur heeft dien ten gevolge bij hen eene levendiger tint aangenomen. Dezelfde in het oog vallende helderheid, luchtigheid en netheid van uitdrukking, dezelfde opwekkende, levendige en dramatische wijze van voorstelling, die men van den dichter verlangt, is bij de Franschen ook den geleerden en prozaïsten eigen geworden.

"Zij hebben beter dan eenige andere natie de kunst verstaan, den inhoud van het gezond menschenverstand, eene pikante, vernuftige, bepaalde en tegelijk geestige uitdrukking, een duidelijken en tevens liefelijken vorm te geven." "De Franschman," zegt madame de Stael, "schrijft en spreekt, zelfs als hij geen ideeën heeft. De Duitscher echter," zegt zij, "heeft, zooals meestal het geval is met dichterlijke, dweepachtige gemoederen, altijd meer denkbeelden, in het hoofd dan hij uitdrukken kan." De Fransche taal is een ware wetsteen van het oordeel en het zich duidelijk uitdrukkend verstand. Vertaalt iemand verwarde Duitsche begrippen, onduidelijke Duitsche volzinnen in het Fransch, dan lossen zij zich van zelf in hunne bestanddeelen op, of toonen het gebrek aan onderling verband. Op het Duitsch, even als op alle beschaafde talen van Europa, heeft ten gevolge daarvan in nieuweren tijd het Fransch, doordien men zijne duidelijkheid, netheid en helderheid algemeen begreep, een niet geringen invloed gehad. De lange volzinnen der Italianen, Spanjaarden, Duitschers, heeft het ontbonden; de slepende voordracht, die men vroeger bij de schijvers dezer volken zonder tusschenpunten aantrof, heeft het verlevendigd. Dat heden ten dage over het algemeen in Europa zooveel bondiger, zooveel duidelijker en ook natuurlijker geschreven en gesproken wordt dan vroeger, is eene verdienste der Franschen, die hierin natuurlijk waren en aan andere volken den weg wezen. Als zij de poëzie hunner naburen, de Italianen, Spanjaarden, Portugeezen somwijlen waterachtig maakten, zij hebben daarentegen in geheel Europa in het proza den goeden smaak en het gezond menschenverstand bevorderd.--Een der Duitsche literatoren zegt: "men mag er niet aan denken, hoe donker het in dit opzicht nog in onze hoofden, hoe onbeholpen onze sprekende lippen en schrijvende vingers zijn zouden, als er in de Europeesche volken-familie geen Frankrijk geweest was, als het heldere hoofd van den Franschman ons niet voorgelicht had." Dit zal het ook duidelijk maken, hoe in geheel Europa geene andere nieuwere taal, noch de muzikale der Italianen, noch het pathetische en edele Spaansch, noch het kernachtige Engelsch of het rijke en degelijke Duitsch, in die mate invloedrijk geworden is als het Fransch. Tot aan het einde der 17de eeuw was het Latijn de algemeene taal der Europeesche geleerden, der diplomaten en politici. Bij den vrede van Rijswijk 1697 stelde Lodewijk XIV het Fransch in de plaats van het Latijn. Na dien tijd verhandelden alle volken van Europa hunne zaken met elkander in deze taal, omdat zij vonden, dat men in die taal het nauwkeurigst uit kon drukken wat men zeggen wilde.--Later waren er geheele landen en groote rijken, waarin de hoogere maatschappelijke klassen het bevallige, elegante Fransch als hunne dagelijksche spreektaal aannamen. Als een geleerde of een of ander vernuft zijne werken aan de geheele groote beschaafde wereld nuttig en verstaanbaar wilde maken, moest hij 200 jaren geleden Latijn schrijven. Van dien tijd tot op onze dagen, kon hij om het zelfde doel en dezelfde uitwerking te verkrijgen, geene betere taal kiezen dan de Fransche.

Even als in taal en literatuur, hebben de Franschen ook in hun dagelijksch leven, vooral in tegenstelling met de in dit opzicht vrijere en plattere Duitschers, iets zeer kenmerkends en formeels.--In hunne conversatie en in hunnen omgang schijnt bij hen alles in hooge mate geregeld. Ieder schijnt daar eene goed bestudeerde en beoefende rol te spelen. Men zou meenen geoefende tooneelspelers in hen te zien, die begaafd met eene groote tegenwoordigheid van geest en een goed geheugen, nooit in gebreke blijven een antwoord te geven, en ter juister tijd het gehoorde en het passende aan den man weten te brengen. Dat, wat men "goeden toon" noemt, is hun meer aangeboren dan den Duitschers, die het eerst leeren moeten. De Franschen werden dien ten gevolge, even als zij de stichters der beste gezelschapstaal en van het proza waren, ook de vaders van den goeden gezelschapstoon in Europa.--Reeds tijdens de kruistochten waren "galanterie" en "courtoisie" woorden en zaken, die in Europa algemeen aangenomen en van Frankrijk afkomstig waren. In den nieuweren tijd echter, sedert het schitterend tijdperk van Lodewijk XIV, werd het voor de geheele beschaafde Europeesche wereld eene gewichtige zaak, op Fransche wijze te leven, zich te bewegen en met elkander om te gaan. Zelfverloochening is de hoogste wet van het verkeer, en deze wordt te aangenamer, naar mate ieder zijne eigene kleur laat varen, hoe meer hij zich onderwerpt aan al wat algemeen bevalt. Den Franschen, die minder gevoel van ingenomenheid met zich zelven hadden dan anderen, moest het veel gemakkelijker vallen deze, voor een gemakkelijken omgang met menschen, zoo noodige zelfverloochening, die aan allen gelijk moet geven, te beoefenen, dan den Duitschers, bij wie ieder zijn eigen zin heeft en een geheelen mikrokosmus van eigen gedachten met zich omdraagt.

Bij dit alles echter en niettegenstaande hun veel geprezen "goeden toon," vallen de bewegelijke Franschen maar al te gemakkelijk dikwijls geheel uit hunne rol. "Zij dalen," zooals Herder zegt, "zoo snel mogelijk van het kookpunt tot het vriespunt." De stemming springt bij hen, meestal niet met een zachten overgang, maar somwijlen met geheel onverwachte sprongen, over tot heftige en geweldige uitdrukkingen. Uit den luchtigen conversatie-toon slaan zij plotseling tot een geheel anderen over, en onvoorbereid vervallen zij uit onschuldige vroolijkheid tot teugellooze hartstochtelijkheid.

Even als in het dagelijksch leven, zoo zijn ook in de staatkundige geschiedenis der Franschen, zulke plotselinge overgangen als Herder ze ons schildert, of zulke repentina consilia, zooals Cesar het noemde, meermalen voorgekomen. Ofschoon zij gewoonlijk menschen van veel "bonhommie" geweest zijn, zoo heeft toch ook dikwijls bij hen, wanneer de leeuw wakker werd gemaakt, een teugelloos botvieren aan de hartstochten plaats gegrepen. Zulke hoog-tragische en vreeselijke gebeurtenissen, als de St. Bartholomeus-nacht tijdens Karel IX, of als het schrikbewind gedurende de eerste revolutie, of nogmaals gedurende de Commune in het jaar 1871, zijn bij ons bijna eene onmogelijkheid.

Daar het geheele volk, even gemakkelijk als de individuen, van de eene stemming in eene andere, en somwijlen in eene geheel tegenovergestelde overslaat, zoo laat zich daaruit ook de heftigheid verklaren der golven en stroomen, die het geheele volk in massa, en wel binnen een zeer kort tijdsbestek, uit de monarchie in den afgrond eener republiek geslingerd, en uit deze weder op de kruinen van een militair Imperatoren-dom getild hebben, deze "wervelorkanen, waarin het Fransche schip van staat zich snel, door alle richtingen der windroos heen, bewogen heeft."

Sedert bijna honderd jaren, sedert zij het oude, door den Duitschen Chlodwig onder hen gestichte Koningschap op zijde hebben gezet, zijn de Franschen een vulkaan geweest, die door plotselinge uitbarstingen, den geheelen omtrek heeft doen beven, en door de stroomen lava, die hij uitstortte, gedeeltelijk verwoest, gedeeltelijk waarschijnlijk ook vruchtbaar gemaakt heeft. Zij hebben daarbij in Duitschland, in Italië en elders vele middeleeuwsche treurige toestanden opgeruimd, verscheidene nieuwe en vruchtbare denkbeelden over het werelddeel uitgestrooid, het Duitsche en Italiaansche volk tot nationale en politieke vereeniging opgewekt. Voor zich zelven echter hebben zij, door herhaalde omwentelingen en staatkundige proefnemingen, weinig gewonnen. Zij gelijken nu een uitgewoeden en ingestorten krater. De laatste "wervel-orkaan," dien wij in onze dagen bij de Franschen beleefd hebben, heeft nog niet uitgewoed, en men herkent nog de haven niet, waarin dit onrustige en door zijne lichtzinnigheid en te groot gevoel van eigenwaarde zoo ongelukkig geworden volk, binnenloopen zal.--

DE ENGELSCHEN EN HUNNE EILANDEN.

De beide groote, rijk bedeelde eilanden met hunne kleine naburige eilanden, die wij onder den naam Groot-Brittanje en Ierland samenvatten, zijn het centraal-lichaam van ons vasteland, als een lang uitstekende arm, op dezelfde wijze in Noord-Westelijke richting bijgevoegd, als het Italiaansche schiereiland in Zuid-Oostelijke richting.--Het is een der schoonste landen, die de natuur den Europeanen tot woonplaats gegeven heeft. De voordeelen van een gematigd klimaat, van een dankbaren bodem, en een overal openstaan voor de zee, dat men als iets kenmerkends voor geheel Europa, in tegenstelling met de andere werelddeelen aangemerkt heeft, bezit Groot-Brittanje in vergelijking met het overig Europa in hooge mate.

Men zou zijne natuur eene bij uitstek Europeesche kunnen noemen. De eilanden liggen midden in de zachte aanademing der uit de tropische gewesten terugkeerende Zuid-Westen winden, even als ook midden in de branding van de deze winden vergezellende groote zeestrooming, die wij golfstroom noemen en die, Zuidelijke vruchten en verwarmde lucht met zich voerende, zich aan de kusten van Schotland en Ierland verdeelt.--Deze wind- en zeestrooming ontnemen zoowel aan den winter als aan den zomer, hunne onaangename zijde, en zijn oorzaak, dat bijna het geheele jaar door een klimaat heerscht, dat noch door te drukkende hitte verslapt, noch door te scherpe koude verstijft, en dat de geheele oppervlakte des lands, met een altijd bevochtigd, altijd frisch en altijd groen planten-tapijt bedekt doet schijnen.--Tacitus heeft met een paar woorden, het klimaat van Engeland zeer treffend geschetst. Hij zegt er van, dat zijn wezen is: "vroeg ontkiemen, laat rijpen." Het schijnt, dat Tacitus daarmede tegelijkertijd, op fijne profetische wijze, ook den geheelen geest van de nationaliteit had willen aangeven, die zich in den loop der tijden op deze koele eilanden ontwikkelde.

De oppervlakte van den bodem is overal matig boven het niveau der zee verheven. Zij zinkt noch zoo diep, dat de mensch zich, als in Nederland, door een langdurigen strijd met de elementen, woonplaatsen moest verwerven, noch verheft zij zich zoo hoog in de ruwe luchtlagen, dat, zooals in Skandinavië, door sneeuw en gletschers, aan geheele aanzienlijke gedeelten des lands alle bewoonbaarheid ontnomen werd. Ook hebben hier (gedeeltelijk om dezelfde redenen) nooit zulke uitgestrekte moerassen als in Polen, zulke dichte bosschen van naald-boomen, zulke groote woeste zandvlakten als in Noordelijk-Duitschland bestaan. Alles is van nature om zoo te zeggen, met een evenredigen en netten snit bewerkt. De bosschen, meestal vriendelijk loofhout zijn, liefelijk tusschen de van nature bestaande weiden verstrooid; vruchtbare landstreken zijn overal rijkelijk verspreid. Wel treft men, bij wijze van uitzondering, hier en daar een naakten rotsbodem of een onbegaanbaar turfveen, of een melancholiek en dor heideveld aan, maar nergens vindt men zulke groote, dorre vlakten, als b.v. op de plateau's van Spanje, nergens zulke treurige, woeste, eindelooze rotslabyrinthen als in het Illyrisch-Grieksche schiereiland. Zeer spoedig daalt men, zelfs in Schotland, van den smallen rug van het onhuiselijk bergland, weder in den boezem der vriendelijkste dalen neder.

Ook de rivieren van Groot-Brittanje bezitten dit uitnoodigende, vriendelijke, alles behalve Titansche karakter. Zij gaan bijna nergens in wilde en woeste watervallen over. Veeleer hebben zij nagenoeg allen een zeer kalmen loop, zonder te groote snelheid, wel zonder schilderachtige en hoog-romantische oevers, maar ook zonder rotsige ondiepten, die door de schippers zoo gevreesd worden. Ook voeren zij niet zooveel van de bergen afgerolde steenen en zand met zich, en vormen daarom ook nergens zulke onherbergzame steenvelden, als b.v. de Alpenstroomen van Beieren, of zooals de Rhône aan hare monding. Zij zijn redelijk diep ingesnedene en liefelijk kronkelende natuurlijke kanalen, die (bijna altijd tot aan den rand gevuld) de weiden en beemden doorstroomen. In den zomer droogen zij nooit zoo geheel uit als de berg-stroomen van Italië, en in den winter en het voorjaar zijn zij nooit zoo bovenmatig gezwollen, zoo gevaarlijk en verwoestend, als de groote stroomen van verscheidene andere landen van Europa.--Zij doorstroomen in één woord het lichaam des lands, zonder bijzonder hevige opbruisingen en toch met een meestal vollen ader, even als het bloed in het organisme der koudbloedige schepselen. Zij zijn allen in hooge mate bevaarbaar, en de meesten vereenigen zich met den Oceaan, op eene den handel zeer voordeelige wijze. De zee komt de rivieren tegemoet, dringt overal met diepe, havenachtige bochten het land binnen, en neemt daar in den kalmen boezem, de binnenwateren en de schepen gemakkelijk in zich op.

Tweemaal daags stort de zilte vloed de boezems, mondingen en kanalen binnen, zuivert deze en komt hunne verzanding en verslikking voor. Er is geen tweede land in Europa, dat door het water der zee, zoo van alle kanten tot in zijn hart toe, doorspoeld en verfrischt wordt, als Groot-Brittanje. De geringe hoogte zijner bergen, de vele dalen, insnijdingen en verzakkingen, die geheel anders dan b.v. in het door eene enkele steile, hooge rotsmuur, verdeelde schiereiland Italië, van oceaan tot oceaan het land in de breedte doorloopen, hebben het maken van kanalen en wegen in alle richtingen mogelijk gemaakt.

De natuurlijke producten van het land zijn niet zulke schitterende zaken, dat zij de hebzucht of de phantasie der menschen in den regel bijzonder opwekken. Albion, dat weinig of in het geheel geen zilver, of goud bezit, heeft nooit, zooals eens Andalusië, de rol van een Europeesch Peru gespeeld. Daarentegen, als men zich eens zoo mag uitdrukken, munten al zijne producten uit door nuttigheid en bruikbaarheid. Het bezit een grooten overvloed van ijzer, lood, koper en andere mineralen, die de industrie bij voorkeur noodig heeft. Het is zeer rijk aan tin en werd daardoor het eerst met de beschaafde wereld in verbinding gebracht. Steenkolen noemt het zijne "zwarte diamanten." De Europeesche weidekruiden en graansoorten groeien voortreffelijk tot in de verst afgelegene punten der eilanden.

Even als zijne mineraliën en planten, hebben ook zijne dieren over het algemeen weinig treffends. Van oudsher heeft het weinig wild, geene kostbare pelsdieren, zooals Skandinavië en Rusland, gehad: Nu moet het zelfs de vossen voor zijne jacht aankweeken of uit het overig Europa aanvoeren. Daarentegen is het van oudsher beroemd geweest, door de voortreffelijkheid zijner runderen, paarden en schapen, en in nieuweren tijd heeft het deze den landbouw dienstige dieren, in grootere volkomenheid en meerder verschil van soorten aangekweekt, dan eenig ander land ter wereld. In de richting van het Europeesche vasteland, in het Zuid-Oosten heeft het zijne fraaiste weiden en bouwlanden, zijne grootste en bevalligste vlakten en het zachtste klimaat. In Westelijke en Noord-Westelijke richting, dus gekeerd naar den grooten Oceaan, bevindt zich alles wat het aan gebergten, rotspartijen en woestenijen bezit.

Het lijdt wel geen twijfel, of een zoo gevormd eiland moest, als het eens ontdekt was--en zijne ontdekking was zeer gemakkelijk--alras en spoedig bevolkt worden, en dus moet het begin van de geschiedenis van de Britsche bevolking in het duister der voortijden gezocht worden. Het is zelfs niet onwaarschijnlijk, dat de eersten die het land binnentrokken er droogvoets binnen marcheerden. Het hoofd-lichaam van Groot-Brittanje is namelijk nu op ééne plaats (tusschen Dover en Calais) slechts weinige mijlen van het vasteland verwijderd. De geringe diepte der zee op die plaats, de gelijkheid in geologischen bouw der tegenover elkander liggende kusten en andere omstandigheden, maken het bijna zeker, dat beide landen hier eens, door een vasteland-brug, verbonden waren.

Het is zelfs waarschijnlijk dat deze brug, even als de landengte tusschen Spanje en Afrika in de straat van Gibraltar, in eene betrekkelijk late periode, misschien eerst, nadat reeds dier- en menschengeslachten van het vastland er over heen getrokken waren, door de zee weggespoeld werd. Maar ook, als dit niet het geval geweest is, dan nog ligt de geheele kustzoom van Zuidelijk Engeland langs "het kanaal" zoo dicht bij het vasteland van Europa, dat zijn wit en groen schijnende rand, zonder moeite van uit Frankrijk en Nederland gezien, ontdekt en zelfs door een barbaarsch volk bereikt kon worden. Daar het in het Oosten door eene grootere zee (de Noordzee) en in het Noorden en Westen door den onmetelijken Oceaan begrensd wordt, zoo is het bijna aan geen twijfel onderhevig, of de vroegste bevolking is in massa uit het Zuiden, uit de naburige streken van Gallië en de Nederlanden gekomen.

Hier, waar Groot-Brittanje het dichtst het vaste land nadert, is het einde eener lijn, die in het Rijndal het Noord-Oostelijk van het Zuid-Westelijk Europa scheidt. Dit was van oudsher eene grens- en scheidingslijn van vijandelijke bevolkingen. In de alleroudste duistere tijden hebben hier waarschijnlijk de Finsche stammen, de oorspronkelijke bevolking van het Noord-Oosten, en de Iberische volkeren, de oorspronkelijke bewoners van het Zuid-Westen, als naburen, nevens elkander gewoond. Later, in historischen tijd, stonden hier Celten en Germanen, Romeinen en Duitschers tegen elkander over.

Groot-Brittanje, dat in de voortzetting dezer strijd-linie, als aan de monding dezer volken-bewegingen en wrijvingen lag, zal dus weldra in dien maalstroom zijn getrokken en van den beginne af, even als de andere langs deze linie opgestelde gemengde gebieden (België, Lotharingen, Helvetië) zijne bevolking van twee kanten ontvangen hebben. Misschien ontving het oorspronkelijk reeds even als Skandinavië Finsche stammen, tegelijk misschien ook, als Spanje en Frankrijk, Iberiërs.

Reeds Tacitus heeft opgemerkt, dat de bevolking van Groot-Brittanje in het Zuiden en Westen, iets Iberisch heeft, en het is overbekend, dat over de Biskaïsche zee ook steeds (reeds sedert de tijden der Pheniciërs) tamelijk intieme betrekkingen tusschen dit gedeelte van Groot-Brittanje en het Iberische schiereiland bestonden. Ierland heeft veel betrekkingen met Spanje gehad. Ptolomaeus beschrijft dit eiland als "tegenover de Spaansche kusten liggende." Van de visschers aan hunne Westkust beweert men nog heden, dat zij van Spanjaarden afstammen.

Dat echter in menige streek van Engeland, Finsche stammen de primitieve bevolking uitmaakten, is door de nieuwere kranioskopische onderzoekingen zeer waarschijnlijk geworden. De schedels uit de oudste grafsteden van Engeland toonen het Finsche of Mongoolsche type, dat eerst in latere graven geheel verdwijnt.

Toen de woeste Celten, die de Iberiërs volgden, naar Europa kwamen en de nabijgelegen Fransche kusten bezetten, toen moesten zij ook weldra het smalle kanaal oversteken en het groene eiland overstroomen, en al wat reeds voor hen aan Finsche of Iberische bewoners aanwezig mocht geweest zijn, verdringen, vernietigen en verdrijven.

In hoofdzaak kwamen naar Engeland, even als naar Frankrijk, twee verschillende groote Celtische stammen. Ten eerste de zoogenaamde "Gaelische" of "Gadhelische" Celten, en vervolgens na hen als hunne veroveraars en onderdrukkers de "Kymrische" of "Britsche" Celten, die hen uit het vlakke Oosten van het land naar de Westelijke bergen en eilanden verdreven. Tot de "Gaelische" Celten behooren de tegenwoordige Ieren en de Hoog-Schotten, tot de "Kymrische of Britsche," de bewoners van Wales en Cornwallis. Daar de Britten, toen de Romeinen aankwamen, in geheel Engeland de bovenhand hadden, zoo kreeg het land naar hen den naam "Brittania." Zij worden als een naar lichaam en geest boven de andere Celten uitmuntend volk geschilderd. Hunne druïden moeten in dien tijd zoo beroemd geweest zijn en zoo hoog in aanzien gestaan hebben, dat jongelieden uit Gallië naar Brittanje reisden, om te studeeren.

Even als in geheel midden-Europa, voornamelijk langs genoemde Rijn-linie, zoo kwamen de Celten vermoedelijk ook reeds spoedig in Groot-Brittanje, dat zooals reeds gezegd is het hoofd dezer linie vormt, met de na hen Europa binnentrekkende Germanen in botsing. Met Kymrische Celten vermengd, stonden de Germanen reeds lang voor de tijden der Romeinen, in België even nabij het Britsche eiland, als de Galliërs zelven. Ook bewoonden zij reeds lang de oevers der niet zeer breede Noord-Zee, die gemakkelijk overgevaren kon worden. De Romeinsche schrijvers (ten tijde voor Christus geboorte), beweren ook vrij stellig, dat niet alleen in Zuidelijk en Westelijk Engeland onder de Celten "Belgen," dat wil zeggen met Germanen vermengde Celten, maar ook in Schotland menschen met blauwe oogen en blond haar, met Germaansche zeden en gewoonten gewoond hebben.--Daaruit, en uit andere omstandigheden, wordt het dus vrij waarschijnlijk, dat reeds lang vòòr de Romeinen, van Nederland, Jutland en Skandinavië, Germanen te scheep naar Engeland gekomen zijn, en dat wij het begin van dat merkwaardige vermengings-proces, waaruit de tegenwoordige Engelschen onstaan zijn, ver vòòr de aankomst der zoogenaamde Anglo-Saksers in de 4de eeuw na Christus geboorte moeten dagteekenen. Zeker had daarbij aanvankelijk het Celtische element nog de bovenhand, even als later het Germaansche.

Even als de Celten, zoo staken ook de Romeinen van Gallië uit (onder Cesar) het Kanaal over. Zij onderzochten, veroverden en bebouwden in het verloop van 300 jaren, een groot deel van het eiland-rijk, en voeren het tot zijne uiterste uiteinden om. Daar zij echter dit afgelegene land, deels later bereikten dan de andere streken van Europa, deels ten gevolge van het verval van hun rijk, weder vroeger verlaten moesten, zoo hebben zij daar niet zulke diepe en onuitwischbare sporen hunner aanwezigheid achtergelaten, als elders.--Zij hebben in Engeland verscheidene fraaie steden gebouwd, Londen, York, Chester en andere, die gedeeltelijk nu nog voorzien zijn van de door de Romeinen opgetrokkene muren, en nog dezelfde, slechts eenigzins veranderde, namen dragen. Zij hebben wegen en verschansingen, dwars door het geheele land heen, aangelegd, en hebben uit de Britten meermalen rekruten getrokken, die zij in hunne Britsche legioenen inlijfden en somwijlen buitenslands voerden. Ook is daarbij Romeinsche taal, zeden en beschaving, en ten laatste ook het Christendom, in de Zuid-Oostelijke vlakke streken van Engeland onder de Celtische grond-bevolking verbreid geworden.--Niettemin is dit alles echter niet zoover gegaan, dat daaruit, zooals in Spanje, Frankrijk of in de landen der Walen in België, en der Walachyers aan den Donau, een geromaniseerd volk met romaansche taal ontstaan zou zijn. Verreweg de meeste nu nog waar te nemen Romaansche elementen, die het volk en de taal van Engeland ontvingen, zijn hun niet door de Romeinen zelven, maar eerst ten gevolge van latere gebeurtenissen toegevoerd geworden.

De Romeinen lieten, toen zij het land ruimden, de ras-verhouding er tamelijk even zoo achter als zij die bij hunne aankomst gevonden hadden. In het door hen nooit veroverde Ierland, in Wales en de grootste helft van Schotland, hebben zij de Celtische nationaliteit ter nauwemood aangeroerd, en zelfs in Engeland kon het vertrek der Romeinen niet plaats grijpen, zonder vergezeld te worden door opstanden en een weder opkomen der nu bevrijde Celtische grondbevolking. Niet de Romeinen, die zoovele Zuidelijker volken hun stempel voor eeuwige tijden opdrukten, maar hunne doodsvijanden, de Germaansche barbaren, die anders in zoovele der door hen veroverde landen weder verloren gegaan zijn, waren bestemd, aan de bewoners van Albion, hunne, tot op onze dagen geblevene physionomie te geven.

Gedurende de, op de Romeinsche heerschappij volgende "volksverhuizing", toen alle stammen van het groote Germanen-volk, naar verschillende streken West- en Zuidwaarts trokken, kwamen ook de in het Noord-Westelijke punt en aan de uiteinden van het oude Germanië wonende Jüten, Angeln en Saksers in beweging en wilden hun aandeel hebben aan de overblijfselen van het samenstortende wereldrijk. Eerst zeilden zij, op goed geluk af, slechts met weinige schepen, onder aanvoering van hunne door de sage dus genaamde aanvoerders Hengist en Horsa, over de zee. Vervolgens kwamen zij, daartoe uitgenoodigd door de Britten, die door onderlinge tweedracht en oorlogen in het nauw gebracht waren, en ook op eigen aandrang meermalen en met meer manschappen terug.--Zoo verzamelde zich ten slotte in de geheele naar Duitschland gerichte Oostelijke helft van Groot-Brittanje, eene talrijke Duitsche bevolking, waartoe intusschen de eerste grondslag, zooals ik boven zeide, waarschijnlijk reeds in vroegeren tijd gelegd was.

In den bloedigen strijd, dien de Duitsche kolonisten met de Celtische inboorlingen begonnen, behielden gene overal de overhand. Het eene gedeelte van Engeland vóór, het andere nà, werd naar Duitsche wet, in een Saksisch, Anglisch of Jütisch Koningrijk veranderd, en daarbij verdween een groot gedeelte der Celtische grondbevolking. Op hunne overblijfselen ontstond een ander volk. Onder alle vreemde landen, die de Germanen met de "volksverhuizing" binnentrokken, is Engeland het eenige, waarin hun de schepping eener nieuwe en voor alle tijden blijvende nationaliteit, in groote mate gelukt is. In Frankrijk, even als in Spanje, in Lombardije, in het Grieksche schiereiland en in Afrika, hebben zij wel langer of korter durende heerschappijen gesticht, maar deze zijn in de grond-bevolking weder opgegaan. Overal is daar het Romaansche, of Celtische of Thracische element, onder hunne voeten weder uit den grond opgekomen en heeft het Germaansche element weder verdrongen.--Dat het in Engeland anders was, mag men gedeeltelijk uit de eigenaardigheden der hier op elkander stootende nationaliteiten, gedeeltelijk uit andere omstandigheden verklaren. In Italië, Spanje en Afrika, was het warme klimaat den kinderen van het Noorden van oudsher zeer verderfelijk. In Engeland bevonden zij zich, om zoo te zeggen, op hun eigen breedtegraad, en als wij ook al niet gelooven kunnen, dat de Angel-Saksers in veel grooter getal over de zee kwamen, dan de Gothen over de Alpen en Pyreneën, of de Franken over den Rijn, zoo kon zich hun aantal in het met hun vaderland zoo overeenkomende land toch beter handhaven en vermeerderen.--De hoofdzaak echter lag wel in het verschil der ontwikkelings-toestanden, die de Germanen in de verschillende landen aantroffen. In Italië, in Frankrijk enz. stieten zij op eene dichte bevolking van hoog beschaafde maar ontzenuwde Romeinen, die zich gemakkelijker en in massa onderwierpen. Daar werden de barbaren door de beschaving hunner talrijke onderdanen aangestoken en overvleugeld. Zij namen sneller hunne buigzame zeden, en wat het wezenlijkste was, hunne ontwikkelde taal aan.--In Groot-Brittanje daarentegen was, zooals gezegd is, de Celtische grondbevolking nooit in hooge mate gebroken en geromaniseerd geworden. Verscheidene gedeelten van het land hadden de Romeinen in het geheel niet volkomen veroverd of gekoloniseerd. De Britten boden, nadat zij zich van de Romeinen bevrijd hadden, den nieuwen indringers nieuwen wederstand op leven en dood. Na een enkelen verloren slag, gaven zij het land niet zoo maar op, als de Italianen en Galliërs. Zij weken slechts voet voor voet. De veroveringsoorlog was langduriger, schier eindeloos, en dien ten gevolge verwoestender en verdelgender. Er ontbrandde een rashaat, die nog heden ten dage in de harten der Celtische volksoverblijfselen in Engeland tegen de "Saksers" gloeit, en die zich zoo onverzoenlijk in de Franken- en Gothenlanden niet getoond heeft.

Eindelijk worden ook die Duitsche stammen, die naar Engeland kwamen, voornamelijk de Neder-Duitsche [15] uit Holland door Friesland tot aan de Westphaalsche streken, die zelfs Karel de Groote slechts na veeljarige moeiten vermocht aan banden te leggen, boven andere Duitschers geschetst als bijzonder hardnekkig, als menschen die steeds hunne gewoonten trouw bleven, en als met koppigheid gehecht aan de zeden hunner vaders. Zij brachten deze eigenaardigheden naar Engeland over en verzekerden blijvende kracht aan hunne wetten en hunne taal. Aanvankelijk echter gelukte hun dit slechts in de naar de Duitsche Zee gelegene, opener, effener en breedere Oostelijke helft van Engeland, en ook daar nog zeer langzaam. De geheele bergachtige Westelijke helft in het Noorden (Cumberland), in het Zuiden de lange tong van Cornwallis, in het midden het bergachtige schiereiland van Wales, bleven nog lang in het bezit der Celtische oorspronkelijke bewoners, die hunne onafhankelijkheid, met een in de sagen aangaande den Britschen Koning Arthur verheerlijkten heldenmoed, verdedigden. Algemeen meent men, dat hierbij, in de Angel-Saksisch geworden Oostelijke helft, de Britsch-Celtische oorspronkelijke stam geheel opgegaan is en dat een geheel nieuw, zuiver Duitsch Saksendom ontstaan is.--Dit denkbeeld grondt zich vermoedelijk op eene overdrevene en valsche voorstelling van de gevolgen "der verdelging van al het inheemsche."

Als men den oorlog der Saksers tegen de Britten een bloedigen verdelgingsoorlog noemt, dan moet men dit waarschijnlijk zoo verstaan, dat zij het zeker wel in hooge mate geweest is, maar dat daarbij toch altijd nog eene menigte oud-Britsche of Celtische elementen onder de Saksers bleven bestaan, die met hen samensmeltende er veel toe bij brachten, om het Saksische wezen, karakter, ras, taal, van den beginne af te wijzigen, en het eigenaardige product, dat wij in de tegenwoordige Engelschen voor ons zien, hielpen voorbereiden.

De toestand van halve beschaving, waarin wij de Saksers, spoedig na hunne verovering in Engeland zien, en waardoor zij uitmuntten boven hunne oude vaderen en broeders in Duitschland, die Karel de Groote 300 jaren later nog als geheel heidensche barbaren aantrof; deze toestand alleen zou reeds voldoende zijn om dit te bewijzen. Zij ontvingen uit de handen hunner Britsche tegenstanders het Christendom. Zij trokken daar, zoo al niet vele, toch eenige der door de Romeinen gebouwde en goed georganiseerde steden binnen, zooals zij in hun vaderland nog nooit bezeten hadden. Ook was het geheele land in den regel beter ontwikkeld dan hun vaderland. De rest der Britten, die zij na hun bloedbad genade geschonken hadden, leefde op de akkers en in die steden voort, al ware het dan ook in dienstbaarheid, en bij eene langzamerhand plaatshebbende vrijwording, versmolt zij met de Saksers, en gaf aan de nationaliteit van dezen eene van de oude Britten uitgaande tint.

Dat deze terugwerking niet zoo geheel zwak moet geweest zijn, laat zich onder anderen uit eene opmerking opmaken, die van een geleerd Engelschman en van den beroemdsten Europeeschen taalkenner, den grooten Mezzofanti, afkomstig is. Deze beide heeren houden zich overtuigd, dat zekere merkwaardige onregelmatigheden in de uitspraak, die het Engelsch in zoo hooge mate van alle andere Europeesche talen onderscheidt, eene eigenaardigheid der Celtische of oud-Britsche taal is, en dat die uitspraak der Engelschen dus niet van Duitschland herkomstig, maar door de oorspronkelijke bewoners van het land hun eigen geworden is. Verscheidene voor de Duitschers moeielijk uit te spreken woorden, hebben de Engelschen met de Celtische Britten gemeen. Ook spreken de hedendaagsche Celtische inwoners van Wales, het Fransch of andere vreemde talen met hetzelfde accent en denzelfden toon als de Engelschen. Het schijnt dien ten gevolge, dat de tegenwoordige Engelschen eene taal spreken, die van die der Celtische Britten verschilt, maar dat zij dezelfde uitspraak, denzelfden "timbre" hebben als deze. Men meent Celten te hooren, die wel Duitsch (Anglo-Saksisch) spreken, maar het met de hun eigene tong, gehemelte en lippen voordragen, en die niemand, wien deze organen niet aangeboren zijn, hen zoo kan naspreken. Zij hebben zich, om zoo te zeggen, dus de spreekwerktuigen der oude Britten eigen gemaakt. Men begrijpt gemakkelijk, dat zoo iets niet geschieden kon, zonder dat aan het Anglo-Saksische ras, eene aanzienlijke hoeveelheid van het inheemsche bloed medegedeeld werd.

Waarschijnlijk zouden wij, even als in de uitspraak der taal en in de spraakwerktuigen, ook in den overigen lichaamsbouw, in de physionomie en in het karakter der hedendaagsche Engelschen, nog veel oorspronkelijk Celtisch kunnen aanwijzen, wanneer de oude Britten in der tijd reeds door physiologen en phrenologen scherp waargenomen en door goede schilders geportretteerd waren geworden. In stede van een zoodanig ons ontbrekend schilderij, kunnen ons echter eenige gezegden van oude schrijvers van dienst zijn.--In een tijd, toen nog geene "Anglo-Saksers" naar Engeland gekomen waren, vervaardigde de Romein Martialis een epigram op eene schoone Britsche dame Claudia Rufina, die hij bij deze gelegenheid ook "blauwoogig" noemt. Men meent in zijne schildering eene Engelsche schoone van onzen tijd te herkennen. Ook Seneca noemt de Britten blauwoogig. En de Griek Strabo deelt mede, dat hij in Rome jonge lieden uit Brittanje gezien heeft, die zoo lang en slank van lichaamsbouw waren, dat zij wel een halve voet grooter waren dan de grootste Romein. Hun geheele lichaamsvorm, en hunne lange armen en beenen zijn niet fraai gevormd geweest. Daarnaar te oordeelen schijnt het, dat zij het zelfde slag van menschen geweest zijn, waarvan Keizer Frederik II, die met eene Engelsche Prinses gehuwd was, een duizendtal jaren later zong: "zij zijn van zuiver bloed geboren: hunne handen zijn wit, hunne vingers lang." De eigenaardige groote lichaamsgestalte, de lange ledematen, de blauwe oogen en blonde haren, zijn dus wel niet eerst met de Saksers naar Engeland gekomen. Veeleer onderscheidden zich daarin, naar het schijnt, de oude reeds met vroeger het land binnengetrokkene Germanen vermengde Britten, van de overige Celten. "En dien ten gevolge," zegt een geleerd Engelschman terecht, "is menigeen onder ons, die zich voor een afstammeling der Saksers houdt, inderdaad minstens voor de helft, niets dan een spruit der oude Celtische Britten." Ook vele zeden en gebruiken der hedendaagsche Engelschen zijn nog van het oude Celtendom afkomstig, b.v. de vereering der op oude eiken groeiende, bij de oude Druïden heilige, misteltakken, en de daarop betrekking hebbende bijgeloovige gebruiken en spelen. Naar dit alles kunnen wij het dan ook onder anderen aanwijzen, hoe, trots de hun aangeborene vijandschap met de Celten, het oude Britsche patriotisme nog heden somwijlen onder de Engelschen te voorschijn komt, hoe zij zich niet zelden met hunne Celtische voorgangers identificeeren, en zich b.v. in hunne volksliederen dikwijls met voorliefde niet "Saksers", maar "Britten" noemen: "Britons never will be slaves"--of "Rule Britannia, rule the waves" wat zij even dikwijls in den mond hebben, als hun "Old England for ever."

Ook in hunne taal namen de Anglo-Saksers veel Celtisch op. Zoo behielden zij onder anderen bijna al de oude Celtische uitdrukkingen voor plaatsnamen, namen van steden, rivieren, bergen, velden en bosschen. De aardrijkskunde van Groot-Brittanje bleef grootendeels Celtisch, evenals bijna de geheele geographie van Spanje tot op den huidigen dag Iberisch gebleven is. Nog heden ten dage noemen de Engelschen hunne Cheviot-heuvels, hunne Pennigants-toppen meest met Celtische namen. Ook hunne rivieren "Theems", "Severn", "Trente", "Ouse" hebben oude Celtische namen, die zoowel de Romeinsche en Anglo-Saksische, als alle latere veroveringen en omwentelingen van het land, overleefd hebben. Gelijken oorsprong hebben de namen van vele hunner steden en graafschappen: Canterbury, Devon, Cambridge, Kent en vele anderen. Zij verschijnen op de Romeinsche landkaarten slechts met Romeinsche eindsyllaben, en op de Anglo-Saksische slechts met Duitsche stembuiging.

Eindelijk is ook een niet onbeduidend gedeelte van het Celtische volk, zelfs tot op onzen tijd, op het eiland blijven bestaan. Uiterst langzaam, stuksgewijze--ieder eeuw om zoo te zeggen een stukje--zijn de oude Celtische stammen in den Anglo-Saksischen smeltkroes gevallen. Lang nog bleven zij in het Noorden (in "Cambria" of "Cumberland") onafhankelijk, langer nog in het Zuid-Westelijk uiteinde van "Cornwallis", en het langst weerstonden zij de Saksers in het voor een gedeelte van de zee geïsoleerde en door bergen doorsneden Wales.

De Celtische Kimren of Britten in Wales, waarmede de strijd voor anderhalf duizend jaren begon, hadden nog tot de 13de eeuw hun eigene Vorsten, hun zelfstandig leven. Eerst in het jaar 1284 onder Koning Eduard I, werden zij eene Engelsche provincie. Maar ook onder Engelsche opperheerschappij en na den ondergang hunner politieke zelfstandigheid, hield het Celtische ras van Wales noch op te bestaan, noch ook op de beschaving van Engeland, ja van geheel Europa in te werken. Hun langdurige, heldhaftige strijd tegen de Anglo-Saksers, schijnt in het overig Europa deelneming en bewondering, en daardoor ook hunne poëzie en traditiën navolging gevonden te hebben. Wales was de zetel der sage van dien heldhaftigen Koning Arthur en zijne mythische tafelronde, en deze sage, die zich ver verspreidde, werd de bron van tallooze verhalen, heldendichten, balladen en romances in Engeland, Frankrijk, Duitschland enz. Al de beroemde, bij ons zoo populaire namen der Koningin Génevra, van Percival, Lancelot, Titurel, Lohengrin, Tristan en Isolde, zijn Celtische namen van helden, die het wegstervende Wales aan onze phantasie overgeleverd heeft.

En ook heden te dage staan de Kymren van Wales nog altijd als een zeer eigendommelijk volkje daar, met eene eigene taal en als menschen van groote werkzaamheid, als een kernachtig ras van krachtigen lichaamsbouw en zeer scherpe gelaatstrekken. Hunne gevoelens zijn, als bij alle Celten, levendig, hunne verbeeldingskracht ongemeen groot, hunne gedachten snel. Dien ten gevolge zijn zij ook van nature spraakzaam, even als de Franschen. Zij hebben hunne taal ook veel meer in hunne macht dan de Engelschen.--In menig dorp en in menigen schuilhoek hunner dalen, verstaan zij nog heden het Engelsch niet. Hunne ontwikkelde klassen hebben nu nog onder elkander zekere poëtische gezelschappen en bijeenkomsten, waarin alleen Walisch of Kymrisch gesproken en de oude Arthur-harp getokkeld wordt [16]. Boven de Celtische Ieren en Hoog-Schotten munten zij uit door eene groote wetenschappelijke en literarische vlugheid. Jaarlijks worden nog honderde boeken in de Britsche landtaal gedrukt. Men vindt daar Celtische geschriften, die elk kwartaal of elke maand verschijnen, als ook week- en dagbladen, waarvan een, "de Walische Times," voor 20 jaren eene oplage van 100.000 exemplaren moet gehad hebben. Werken, die den Engelschen geleerden tot eer zouden verstrekken, zijn daar het werk van ijverige dilettanten geweest. Een Walische boer, Owann Jones genaamd, gaf in het jaar 1801 onder den titel "Gälische archeologie van Mywyr," eene verzameling verhandelingen uit, die "een waar arsenaal van Kymrische oudheden" bevatten moeten.

In het Noorden (in Cambrië) en in het Zuid-Westelijke uiteinde (in Cornwallis) heeft het Celtisch een sneller en een nu volledig einde genomen. In Cornwallis is het in het jaar 1778, onder de regeering van Koning George III, met eene, nog Cornisch sprekende, in haar 102de jaar gestorvene vrouw, ten grave gedaald.

De nieuwe Anglo-Saksische en de oude Britsche nationaliteit hadden bijna 400 jaren lang, zonder van buiten eenige stoornis van gewicht te ontvangen, het proces van hun wederzijdsche strijd en samensmelting voortgezet; toen, tegen het einde der 8ste eeuw, uit het Noord-Oosten eene nieuwe volksoverstrooming, het land en zijne beide vijandig tegen elkander overstaande volksstammen, kwam bestormen. De laat in beweging gekomene Noordsche Germanen uit Denemarken en Skandinavië scheepten zich, even als eens de Duitschers uit het land der Saksers, naar het Zuiden in, om het toen overal in tweedracht verkeerende Europa te plagen.--Zij vonden Groot-Brittanje op hunnen weg, dat als een Zuidelijk gelegen naburig land hunne roof- en veroveringszucht bijzonder opwekte.

Daar zij zich hoofdzakelijk, en meer dan ooit eenig Europeesch volk voor hen, op den Oceaan versterkten, zoo grepen zij het overal door de zee omgevene Groot-Brittanje, dat zij van iedere zijde konden aanvallen, om zoo te zeggen aan alle kanten aan. Het werd gedurende meer dan 200 jaren het voornaamste doel van de rooftochten der Deensche en Noorweegsche Zee-Koningen of Wikinge, en toen vervolgens deze avonturiers zich in hun eigen vaderland, aan de opperheerschappij van een algemeenen Koning onderwierpen, werd zelfs Engeland tijdelijk eene provincie van het Skandinavische rijk der groote Koningen Sven en Kanuth.

De Anglo-Saksers waren bij het verschijnen der Deensche Zee-Koningen reeds niet meer de ouden. Zij waren, door de beschaving en door de volheid van levensgenot, die hun deel was geworden, verweekelijkt. De roofzuchtige, op buit beluste, heidensche mannen uit het Noorden, vielen met nog onvermengde Germaansche kracht, als wolven op hen aan, en nu ontstond er tusschen de beide verwante rassen een dergelijke langdurige strijd, als vroeger tusschen de Anglo-Saksers en de Celten.

Dat het resultaat van dezen nieuwen volkenstrijd intusschen niet gelijk was aan dat van den vroegeren, dat daarbij geen oud ras geheel veranderd, dat Groot-Brittanje nu niet in dezelfde mate geskandinaviseerd werd, als het vroeger Anglo-Saksisch geworden was, dat het in wezen ook voor vervolg van tijd Anglo-Saksisch gebleven is, laat zich gemakkelijk uit de volgende omstandigheden verklaren: ten eerste hadden de zeevarende Skandinaviërs den geheelen Oceaan tot veld hunner werkzaamheid. Zooals reeds gezegd is, bepaalden zij zich niet alleen tot Engeland, maar trokken zij ook tot naar de Middellandsche Zee en elders.--Bij de geringe bevolking van hun vaderland zullen zij, voor een enkel land hunner groote roof-domeinen, niet veel krachten beschikbaar hebben gehad. De Anglo-Saksers hadden in hunnen tijd niet verder dan Engeland kunnen komen, omdat toen de overige wereld reeds door andere sterke broeder-barbaren weggenomen was. Hunne oogen waren dus uitsluitend op Engeland, als op een nieuw vaderland gevestigd gebleven, en dat land had hen in eene compacte massa bijeen gehouden. Tijdens den inval der Denen maakten zij reeds een talrijk volk uit.

Het doel der Noordsche Wikinge, bepaalde zich aanvankelijk alleen tot het najagen van allerlei avonturen en het verkrijgen van buit. Even als de Saksers de akkers, zoo beploegden zij alleen den Oceaan. Ingevolge hunne neiging bleven zij bijna overal in de nabijheid der kusten, bij de havens, waar hunne schepen, die den behaalden buit inhielden en wegvoeren konden, ankerden, Zij hebben zich dus ongetwijfeld in vele kuststeden blijvend genesteld, en eenige plaatsen en kleine eilanden van Groot-Brittanje, zelfs geheel met Skandinavische bevolking gevuld.

In het binnenste des lands echter is hunne nationaliteit niet in massa doorgedrongen. Trots hunne barbaarsche en vijandelijke vernielingszucht, en al het wreede wat tusschen Saksers en Denen in Engeland voorgevallen is, werkten beide verwante natiën toch niet geheel afstootend en vernielend op elkander. En waar zij zich slechts aan de Denen onderwierpen, konden de Anglo-Saksers gemakkelijker nevens hen blijven bestaan, dan de zoo geheel verschillende Celten naast de Anglo-Saksers. Beide volken woonden onder den Anglo-Saksischen Alfred en zoo ook onder den Deenschen Kanuth (ten minste in de laatste zegenrijke helft zijner regeering) vreedzaam naast elkander. Daarbij namen de Denen zeker meer van de Saksers aan dan dezen van genen. Want de Anglo-Saksers vormden het, door zijne grootere beschaving, bovendrijvend element. Zij waren meermalen de onderwijzers der woeste Denen in Engeland even als in Duitschland, en deelden hun het Christendom mede.

Toen dus de Noordsche woede uitgeraasd had, toen de Noorwegers en Denen in hun eigen vaderland christenen geworden waren; toen zulke in geestdrift ontstokene Odins-helden, die door een soort fatalitisch Turkengeloof bezield geweest waren, niet meer als in ouden tijd opgevoed werden; toen later de Engelsche natie zich weder verhief, toen toonde zij zich als in wezen Anglo-Saksisch gebleven. Het Skandinavisme was, zonder een zeer overwegenden invloed uit te oefenen, in het wezen der Engelsche nationaliteit opgegaan.--Dit neemt echter niet weg, dat men dien invloed niet te gering mag schatten.

Wat den Engelschen nog tot op den huidigen dag van de Noorwegers en Denen is bijgebleven, laat zich in hoofdzaak in het volgende samentrekken:

In de Noordelijke gedeelten van Engeland, die het meest tegenover Denemarken liggen en die door de Noormannen het meest bezocht zijn, in Northumberland, York, enz., waar zij zich de grootste en meest blijvende bezittingen verwierven, verraadt het volk nog nu vele Skandinavische eigenaardigheden. Het provinciale dialect heeft daar zoowel in zijn woordenschat, als ook in zijne wendingen niet weinig Skandinavische bestanddeelen. Zelfs het orgaan toont zich half Deensch, b.v. in de eigenaardige weeke uitspraak van de zoo karakteristieke "r". Ook zijn in het Noorden van Engeland steeds meer vrije en zelfstandige landeigenaars en boeren blijven bestaan, die overeenkomst hebben met die in Noorwegen--zelfs tijdens het latere leenwezen van een Willem den Veroveraar.

Daar de Noorwegers en Zweden, ook in het Zuiden van Engeland, als dienstknechten der Anglo-Saksische Koningen, als verwanten der Anglo-Saksische aristokraten, als vluchtelingen en binnendringers, dikwijls eene sporadische verbreiding vonden, en daar zij zelfs, zooals bereids opgemerkt is, eens onder hunne Koningen Kanuth en Sven, het geheele land verscheidene tientallen van jaren beheerschten, zoo heeft zich ook aan geheel Engeland, en aan geheel het Engelsche volk, veel Skandinavisch medegedeeld.

Niet zelden vinden wij op de Engelsche kaarten, even als in de Engelsche woordenboeken, plaatsnamen, die van Noorweegschen en Deenschen oorsprong zijn. Veel ook in de Engelsche uitspraak van Germaansche woorden, schijnt niet Saksisch of Duitsch, maar Skandinavisch te zijn. Zoo b.v. zeggen de Engelschen, niet zooals onze Neder-Saksers, de woorden "uhs" (ons) en "bloht" (bloed) op eene gerekte wijze uit, maar scherp, zooals de Skandinaviërs "oss" en "blodd".

Verscheidene Skandinavische zeden hebben zich in het Engelsche familie- en huisselijk leven, het burgerrecht weten te verzekeren. Zoo wordt, om onder verscheidene voorbeelden één te kiezen, tijdens de kerstmis, in Engeland even als in Noorwegen het "Yule-blok" aangestoken, en ook de wilde-zwijnskop, die nog op den eersten Kerstdag met kruiden versierd in menige Engelsche huishouding 's middags wordt opgedragen, moet iets gemeens hebben met het everzwijn der Noordsche Odin-helden in Walhalla.

Of gewichtiger gebruiken, die nu bij de Engelschen geheel inheemsch zijn geworden, en die zij onder de bolwerken hunner politieke vrijheid tellen, b.v. het rechtspreken door gezworenen, door de Skandinaviërs of door de Duitsche Anglo-Saksers het land der Britten binnengebracht zijn, wordt bestreden. Deze vraag wordt door Duitsche onderzoekers--en met recht--geheel anders beantwoord dan door de patriotsche Denen.

In het algemeen mag ik opmerken, dat de Engelschen zelven er somwijlen een zeer verschillend oordeel over uitspreken, of hunne nationaliteit meer politieke kracht en vrijheid aan den nationalen geest der Skandinaviërs, dan wel aan den Anglo-Saksischen zin en wezen ontleend hebben. Terwijl Sir Edward Bulwer Lytton den Noorwegers en Denen veel verdienste toekent, daar hij er met lof van gewaagt, hoe die deelen van het Koningrijk, waarin zij de grootere massa der bevolking uitmaakten, zich vooral door onafhankelijkszin en weerstandskracht tegen onderdrukking kenmerkten, en in hen het duidelijkst het krachtig beeld der oude Germanen te herkennen is,--heeft Sir Robert Peel, in zijne in het Parlement uitgesprokene redevoeringen, herhaaldelijk als zijne meening te kennen gegeven, dat de Denen in het algemeen, na al hunne verwoestings-tochten, bijna in het geheel niets nieuws, groots en duurzaams in Engeland gegrondvest en achtergelaten hebben.--Aan de overdrevene eischen van Deensche schrijvers, mag men in dit opzicht wel de beschouwing van een onpartijdigen Franschman tegenoverstellen, die in de Revue des deux mondes tegen de Denen optreedt: "Les Danois n'ont point conquis l'Angleterre," zegt hij, "leur invasion n'était qu'un déluge et ce déluge n'a fait que glisser sur la société Saxonne [17]."

Een van de merkwaardigste gevolgen der ondernemingen van de Denen en Noorwegers was, dat zij voor de eerste maal, de uiterste Noordelijke en Westelijke gedeelten der Groot-Brittanje'sche eilandgroep, het oude Caledonië en Erin (Schotland en Ierland), mede in den kring van het Germaansche volkenleven trokken.--De allereerste grondslag tot een gegermaniseerd volk in het Noorden der Britsche eilanden, tot de tegenwoordige Schotten, werd wellicht reeds voor de tijden der Romeinen gelegd. Want, zooals gezegd is, hebben vermoedelijk reeds toen, invallen van Germanen naar Schotland plaats gehad, welke echter van geen beslissenden aard waren. Wezenlijk, bleef Schotland, tot aan de Skandinavische of Deensche Wikinger-tochten na den tijd van Karel den Groote, een Celtisch land. Zijne Celtische grondbevolking, door de Romeinen Caledoniërs genoemd, behoorde even als de oude Ieren tot den Gaelischen stam, en waren dus van de Celtische Britten of Kymren in Engeland en Wales, ofschoon aan hen verwant, zeer verschillend. Even als zijne inwoners, zoo had ook vroeger Schotland, vóór, gedurende en nog langen tijd na de heerschappij der Romeinen, veel met Ierland gemeen en deelde, als een afgelegen bergachtig Noord-Westelijk gebied, zijne lotgevallen. Van daar uit, van Ierland, ontving het zijne tegenwoordige namen. Een stam der Iersche Celten, de Scoten, verwierf zich in de 5de eeuw een groot overwicht over alle andere Celten in Erin, en ook in Caledonië (Schotland), dat het onderwierp. Naar dezen stam, werd zoowel dit land als ook Ierland zelf, gedurende langen tijd "Scotia" (het land der Scoten) genoemd. Later echter verloor zich deze naam in Ierland weder, en bleef voor eeuwige tijden alleen op Schotland rusten. Met deze Scoten ontving Schotland ook zijne oudste beschaving en poëzie uit Ierland. Want het schijnt nu vrij wel uitgemaakt te zijn, dat de oude zoo dikwijls bewonderde, door een Schot aan het licht gebrachte en door hem op vele plaatsen vervalschte Ossian'sche gezangen, oorspronkelijk op Ierschen bodem groeiden, op Iersche omstandigheden en gebeurtenissen betrekking hadden, en eerst van daar naar Schotland overgebracht werden. Insgelijks kregen in de 6de en 7de eeuw de Schotten het Christendom uit Ierland, van waar de zendelingen kwamen om de Caledoniërs te doopen, en op hunne rots-eilanden (Jona en andere) beroemde kloosters, en scholen voor oude monnikengeleerdheid, te stichten.--Door deze verchristelijking werden de Schotten voor het eerst eenigzins beschaafd en ook vereenigd. Want spoedig daarna in de 10de eeuw, schijnt het geheele land onder inlandsche Koningen gestaan te hebben, van welke Koning Duncan en zijn moordenaar en opvolger Macbeth, door nieuwere dichters de meeste bekendheid hebben verkregen.

Misschien zijn ook toen reeds, deels als krijgsgevangenen, deels als vrijwillige gasten, enkele Anglo-Saksers uit Engeland naar Schotland gekomen; in alle geval echter slechts in gering aantal en in ondergeschikte betrekkingen. Eerst toen de Denen Engeland begonnen te plagen, gingen de Anglo-Saksers herhaalde malen in groote massa's naar Schotland, en verzamelden zij zich voornamelijk in de zoogenaamde Lowlands. Intusschen was bij de Anglo-Saksers het zeewezen niet zoo goed ingericht, dat zij gemakkelijk in al de eilanden en schiereilanden, waaruit Schotland samengesteld is, met eenig gevolg hadden kunnen binnendringen. Alleen de Denen, die op iedere baar een schip hadden, konden hier den ouden strijd tusschen het Celtische en het Germaansche ras, tot aan de uiterste uiteinden van het land voortzetten. Zij omspanden het geheele land der Pikten en Scoten met koloniën. Op de eilanden ten noorden van Schotland, de "Orkneys" en de woeste, zwak bevolkte "Shetlands" roeiden zij de oorspronkelijke Celtische stammen grootendeels uit, en zetten in hunne plaats Skandinavische kolonisten, die echter heden ten dage weder, sedert zij voor 400 jaar met Groot-Brittanje verbonden werden, in meerdere of mindere mate met Engelsche en Schotsche elementen vermengd zijn geworden.

Op den geheelen eilanden-krans, die Schotland ten Westen omgeeft, op de Hebriden, zuidwaarts tot aan het eiland Man, stichtten de Denen eene reeks kleine Koningrijken, die meer of minder lang bestaan hebben. Later verdwenen deze Koningrijken en zelfs de Noorweegsche taal en rassen gedeeltelijk weder. Op de Hebriden heeft, van uit het Schotsche hoogland, het Celtendom weder voet gevat, echter zeer vermengd met het Engelsche element. "Men kan bij deze eilanders dikwijls niet onderscheiden, wat Celtisch, Skandinavisch of Engelsch is." Zij maken een arm, een ongelukkig leven leidend, volk uit, dat door de Engelsche regeering zeer verwaarloosd wordt, ofschoon het louter menschen van talent en energie zijn, en ofschoon men berekend heeft, dat, onder anderen een dezer Hebridische eilanden, het eiland Skije, dat door nauwelijks 25,000 menschen bewoond wordt, aan het Vereenigde Koningrijk sedert 50 jaren 10,000 man voettroepen, 600 majoors en kapiteins, 48 luitenant-kolonels, 21 generaals, 5 gouverneurs en gouverneurs-generaal van koloniën en verscheidene opper-rechters aan Engeland geleverd heeft. Zelfs is op het meest Zuidelijke van al die eiland-groepen nog menige instelling uit den Skandinavischen tijd overgebleven, zoo, om maar een enkel aan te roeren, op het eiland Man, het beroemde zoogenaamde Man-Parlement. Even als ten tijde toen dit eiland nog door eigene Vorsten van Skandinavische afkomst geregeerd werd, verzamelt zich ook nu nog de bevolking, volgens de Ständen, even als de Zweedsche Storething of Rijksdag, in een zoogenaamd "Thing" of eilandparlement, wiens leden het recht hebben, de besluiten van het groote Engelsche parlement te bediscussieeren en voor het eiland Man òf aan te nemen òf te verwerpen. Ook moet nog veel in het bestuur en het rechtswezen van het eiland Man, in het bloed, in de zeden en in het bijgeloof zijner bewoners, een mengelmoes van Celtische en Skandinavische elementen zijn.

Wat eindelijk het zoo geprezene smaragd-eiland Erin betreft, dit heeft tot op den tijd der Denen-tochten eigenlijk buiten alle betrekking met de Germaansche wereld gestaan. Noch Romeinen noch Anglo-Saksers hadden dit Celtische Westland bereikt. Zijne in verschillende deelen verdeelde stammen, behielden ontelbare eeuwen, hunne wilde, door de zee beschermde zelfstandigheid, en de vrijheid elkander onderling te bestrijden.

Geene volksverhuizing, geene nieuwe taal en ras schijnt dezen toestand tot op de Deensche periode gestoord te hebben. Zelfs het Christendom kwam zonder vreemde verovering en geweld, op zeer vreedzame wijze tot de Ieren, door stille zendelingen die uit Gallië overkwamen. Toen de Anglo-Saksers het geromaniseerde Engeland veroverden, vluchtte eene menigte beschaafde Celten, en vooral een groot deel der Latijnsch-Celtische geestelijkheid naar Ierland, en door dezen werd Ierland, namelijk in tegenstelling met het door de Anglo-Saksers weder heidensch gewordene Engeland, een bloeiende zetel der beschaving, een groot Christelijk zendelingsland, van waar uit nu geleerde en vrome zendelingen doopende en predikende naar Schotland, Engeland, België, Duitschland en Zwitserland togen. In dien tijd, toen het geheele overige Europa onder de invallen der Germanen zuchtte, had het door hen niet verontruste Ierland de glansperiode zijner onafhankelijkheid en ontwikkeling, en verwierf het zich den naam van het "eiland der Heiligen".

De heidensche zeevaarders uit Denemarken en Noorwegen, die Ierland ontdekten, het aan alle zijden omvoeren en in ieder zijner golven binnendrongen, waren, zeide ik, de eersten, die aan dezen overouden toestand van politieke onafhankelijkheid van Ierland een einde maakten. Even als in Engeland en Schotland, nestelden zij zich in de kuststeden van Ierland vast, veroverden en koloniseerden van uit de havens, kleine landstreken, onder bestuurders, die met de zoogenaamde Koningen der ingeborene Celten, in verbinding en familiebetrekking traden. Daar de Denen hier, even als overal waar zij verschenen, ook kooplieden medebrachten en handel dreven; daar zij van Ierland naar Schotland, naar Engeland en naar Normandye in Frankrijk zeilden, zoo namen zij op deze wijze de Ieren, die even als de meeste Celten van oudsher weinig lust of geschiktheid voor zeevaart en handel hadden, om zoo te zeggen, in het verkeer-net van het overig Europa op.

Ofschoon de Denen en Noorwegers zich op den duur in Ierland niet konden staande houden, kan men toch wel zeggen, dat zij zich daar, in zekeren zin aan de spits van het Germanendom gesteld, en hunne andere Germaansche stamgenooten den weg daarheen gebaand hebben. De Engelschen volgden hen later op den voet; zij veroverden Ierland voor de eerste maal, slechts honderd jaren na de vernietiging der heerschappij der Denen. Eenige sporen van Deensche familienamen, geslachten en volksgebruiken, heeft men onder de Ieren nog tot op den jongsten tijd gevonden.

Zoover over den invloed der Denen en Noorwegers, op de geschiedenis der ontwikkeling en beschaving der Britsche eilanden.

Beide met elkander wedijverende en in geheel Groot-Brittanje met elkaar worstelende nationaliteiten, de Denen en de Anglo-Saksers, werden plotseling te midden van hunnen strijd, van uit Frankrijk andermaal door een inval getroffen. In het jaar 1066 kwamen onder Willem den Veroveraar, de Fransche Noormannen. Deze wonnen,--geheel anders dan de Saksers en Denen--geheel Engeland zoowat met éénen slag, door den vernielenden slag bij Hastings, en verdeelden het onder elkander.

Ofschoon aanvankelijk slechts een klein leger soldaten vormende, volgden toch gedurende vele jaren, een reeks van binnentrekkingen met vrouw en kind, van uit Normandye. De voorvaderen dezer zoogenaamde Noormannen, waren wel voor 300 jaren ook uit Skandinavië gekomen, maar hadden zich, vooral daar zij geene Noorweegsche vrouwen medebrachten en met Fransche vrouwen trouwden, in het Zuidelijke land snel veranderd. In den tijd, toen zij Engeland veroverden, hadden zij reeds lang Fransche taal en zeden aangenomen.

Hun ridderlijke geest, hun avontuurlijk, heldhaftig en ondernemend karakter, was wel nog een erfstuk uit het Germaansche Noorden, maar dit mocht slechts voor de officieren, den adel en de hovelingen van Willem den Veroveraar gelden. De massa zijner in Frankrijk gerekruteerde troepen, en de hun nakomende emigranten, waren zulke geromaniseerde Galliërs, als overal in Noordelijk Frankrijk woonden, Walen, Picardiërs, Bretons, dus met andere woorden, echte Franschen.--De uitbreiding dezer door den Noordschen geest bezielde Franschen en verfranschte Noormannen in Engeland, onder Willem den Veroveraar, is van ingrijpender en blijvender gevolgen voor de Engelsche natie geweest, dan de eveneens van uit Gallië bewerkstelligde Romeinsche verovering. De vroeger door de Romeinen zelven ingevoerde Romeinsche elementen hadden de Anglo-Saksers, toen zij het land binnentrokken, bijna geheel weder vernietigd. Het hun door de Fransche Noormannen ingeënte en aangebrachte Romanisme daarentegen, is den Engelschen voor alle tijden gebleven. Het heeft diepe wortelen in hun wezen geschoten, en uit de, in den loop der eeuwen tot stand gekomene, innige samensmelting van beide elementen, is hoofdzakelijk het tegenwoordige nationale karakter der Engelschen te voorschijn getreden. Een Engelsch schrijver zegt kort en veelbeteekenend: "The Norman conquest was the Making of England" (De verovering der Noormannen was de geboorte van Engeland).

Geen land is zoo dikwijls veroverd geworden als Engeland; aan geen volk is door toevoeging van buiten zoo lang gewerkt en veranderd geworden. Eerst sedert de verovering der Noormannen is het op eigene voeten gebleven. Van toen af aan heeft het geene nieuwe immigratie meer ontvangen, en de geheele vorming zijner nationaliteit is vervolgens, tot op onze tijden toe, een inwendig proces geweest, dat van buiten af geen wezenlijken invloed meer ontving. De gezamenlijke vreemde bijmengingen en toevoegsels, die Engeland in den loop der tijden ontving, behoorden tot het edelste bloed van Europa. Door de minder manhaftige en minder geniale stammen der Slawen is het nooit verontrust; door de Hunnen, Mongolen en Magyaren, die hunne strooptochten zelfs tot in Frankrijk uitbreidden, is het nooit bereikt geworden. Israëlieten of andere Aziatische stammen hebben bij hen nooit grooten invloed gekregen. Ook is het--en in dit opzicht kan het met zijn nabuur Skandinavië vergeleken worden--ontkomen aan verscheidene andere bewegingen en verontrustingen, die het overig Europa eeuwen lang kwelden, door invallen van Saracenen, Tataren en Turken.

In het begin der Noorman'sche of Fransche heerschappij, woonden nog alle in Engeland binnengedrongene elementen tamelijk onverwerkt naast elkander; verscheidene sedert onheugelijke tijden bestaande Celtische volken in Wales, Ierland en Schotland in geheele onafhankelijkheid; de rest der Denen in het Noorden van Engeland en elders verstrooid, ten deele nog langen tijd zelfstandig; de Anglo-Saksers in het Zuiden en Oosten de massa der bevolking uitmakende; en over hen allen was als heerschende stam nu die vreemdsoortige Fransche Noormannen als uitgeschud. Het waren meer dan een half dozijn verschillende volken, ieder met eigene taal, gewoonten en staatsregeling.--Uit de samensmelting der Noormannen met de Anglo-Saksers, moest eindelijk een heerschende toon, een domineerende kleur te voorschijn komen, die ten slotte bestemd was, het geheel tot staan te brengen en te vereenigen.

Eerst scheen het wel, als zou daarbij Engeland geheel verfranscht worden. De Anglo-Saksische adel werd door de hardvochtige Noorman'sche Koningen niet alleen van hunne bezittingen beroofd, maar zelfs gedeeltelijk uitgeroeid. Het onderworpene, vernederde en tot dienstbaarheid gebrachte Anglo-Saksische volk, zijne zeden en taal werden door de trotsche Noormannen in hooge mate geminacht. Voor de rechtbanken en in de wetgeving, zelfs in de scholen, werd de Fransche taal met geweld ingevoerd. Zij heerschte aan het hof, onder den geheelen het land binnengetrokken adel en bij alle hoogere standen van het rijk. Overal werd het Anglo-Saksisch onderdrukt en vernederd op zij gezet. Wie niet Fransch leeren en spreken wilde, werd tot het plebs gerekend. Er ontstond in Engeland eene eigene--de Fransch-Noorman'sche--poëzie, als ook een eigen Noorman'sche bouwstijl. Beiden ontvingen hunne bezieling uit Frankrijk. Want ofschoon beide volken, Franschen en Engelschen, toenmaals in het veld bloedig met elkander streden, was hunne literatuur- en kunstontwikkeling toch geheel dezelfde. En zelfs werden de toenmalige Engelsche helden, b.v. een Richard, Coeur de lion (Richard Leeuwenhart), die Fransch sprak en dacht, door de Fransche historie bijna geheel als Franschen beschouwd.

Daar niet alleen Normandye, maar nu eens een grooter dan weder een kleiner gedeelte van het overige Frankrijk, langen tijd met Engeland in politieke verbinding bleef; daar aanhoudend Fransche familiën naar Frankrijk, als ware het alles een en het zelfde land, trokken; daar de legers, om zoo te zeggen, jaar in jaar uit, in Frankrijk te velde waren, en in vredestijden ook de Engelsche ridders dikwijls aan het hof der Fransche Koningen verkeerden, zoo werden twee eeuwen lang steeds nieuwe Fransche elementen en zeden naar Engeland gebracht.

Dat deze elementen daar geene beslissende heerschappij verkregen, maar veeleer het Germaansche element bleef bestaan, is gedeeltelijk te danken aan de omstandigheid, dat de hebzuchtige en naar onbeperkte macht strevende Koningen, die van de Noormannen afkomstig waren, weldra hunne oude Fransche baronnen evenzeer onderdrukten, als de onderworpene Anglo-Saksers. Bij hunne oppositie tegen de heerschappij der Koningen, begonnen dien ten gevolge langzamerhand beide partijen gemeene zaak te maken. De vreemde Fransche adel bediende zich van de inboorlingen van het land tegen hunne Souvereinen. Daardoor kwam het Anglo-Saksische element, dat bij den eersten stoot bijna ter neder geworpen was, weder omhoog en geraakte het op nieuw in aanzien. In den loop der tijden verminderden de vooroordeelen der Noormannen, die het nieuwe land als vaderland even lief kregen als de Anglo-Saksers zelve. Verbroederingen, verbintenissen en huwelijken bouwden bruggen tusschen beide volken. Toen later ook nog, in verloop van tijd, de Engelsche bezittingen in Frankrijk, de eene na de andere verloren gingen, en eindelijk het Noormansch-Saksische volk geheel tot zijn eiland beperkt bleef, hield ook de vermeerdering en versterking van het Romaansch-Fransche element op, en zoo smolten langzamerhand beide volken samen.

Koning Eduard III schafte in het midden der 14de eeuw, het gebruik der Fransche taal bij de rechtspraak en in het parlement af. Echter zijn enkele Fransche phrasen tot op den huidigen dag, zoowel in het Engelsche parlement als in het rechtswezen in gebruik gebleven. Ook zekere protocollen over enkele bepaalde zaken, en benoemings-patenten bij het verkrijgen van zekere waardigheden, worden nu nog in denzelfden oud-Franschen kanselarijstijl als voor jaren, opgesteld. Ook de beroemde wapenspreuk der Engelsche Koningen "Dieu et mon Droit", en ook het "Hony soit qui mal y pense", zijn nog kleine Fransche overblijfselen of ruïnen uit dien Noorman'schen tijd.

Hoe langzaam echter die samensmelting van het Fransch met het Engelsch in zijn gang ging, kan men daaruit opmaken, dat de Engelschen nog zeer lang hunne taal met een Fransch accent spraken. Zoo b.v. legden zij nog ten tijde van Shakespeare, op Fransche wijze, den klemtoon op de eindsyllabe der woorden, en zeiden zij b.v. niet, zooals zij heden ten dage doen, afféction, maar affectión, niet afflíction maar afflictión.

Zeer veel hebben tot deze amalgameering, die eerst ten tijde van Koningin Elizabeth tot die hoogte gekomen is waarop zij nu nog staat, vermoedelijk ook de eindelooze binnenlandsche onlusten, de groote familie-oorlogen der Engelsche grooten en Konings-geslachten bijgedragen, die als het ware den bodem van het land openreten, de elementen tot gisting brachten en de oude Anglo-Saksische grondstof weder naar boven werkten.

Het opvallendst openbaren zich de soort en wijze dier reiniging van beide in het tegenwoordige Engelsche nationaal-wezen innig verbondene nationaliteiten, in de taal. Met behulp harer analyse kan men het aandeel van ieder bestanddeel tamelijk goed aangeven en, om zoo te zeggen, afwegen. Engelsche taalvorschers hebben berekend, dat onder de 100 Engelsche woorden, plus minus 60 van Anglo-Saksischen of Duitschen, 30 van Romeinschen of Franschen, en slechts 10 van Celtischen of anderen oorsprong zijn. Daarnaar te oordeelen, is het Duitsche element in de taal dubbel zoo sterk vertegenwoordigd als het Romaansche, en deze verhouding mag over het geheel voor de vraag, in hoeverre het Duitsche of Romaansche wezen bij de Engelschen de bovenhand heeft, als maatstaf dienen.

Verder is daarbij niet alleen de quantiteit van het uit beide bronnen geputte, maar vooral ook de qualiteit, voor de verhouding en het gewicht der beide elementen, zeer karakteristiek. De Engelsche taal heeft uit de Duitsche bron eene geheel andere soort van woorden en denkbeelden gehouden, dan zij aan de Fransch-Romaansche ontleende. Alles wat het huiselijk- en familieleven betreft, alle uitdrukkingen voor nauwe betrekkingen onder de menschen, voor liefde, vriendschap en bloedverwantschap, verder al de benamingen voor de meeste voorwerpen, die nauw verwant zijn aan het huiselijke en het volksleven, voor weide en veld, voor bosch, akker en tuin die de woning omgeven, voor de geheele natuur, voor het hart en de ziel van het volk, zijn Duitsch.

Alles daarentegen, wat beschouwd moet worden als een product van den geest en het verstand, van de kunst en eene hooge mate van ontwikkeling, wordt door Romaansche woorden aangegeven.--Aan den Staat gaven de veroverende Noormannen zijnen vorm. De onderwerpen van de politiek, de namen der verschillend bevoorrechte standen der maatschappij en der plaats-inrichtingen, even als deze inrichtingen zelve, (b.v. het parlement), stammen uit het geromaniseerde land, uit Frankrijk af. Maar op de onderste trappen van het groote maatschappelijke gebouw, in de dorpen, velden en beemden, bleven Duitsch karakter, Duitsche wetten en zeden wortelen.

Even als de nieuwe staatsvorm, zoo kwamen ook kunsten en wetenschappen met de Noormannen uit Frankrijk. Daaraan is het toe te schrijven, dat, terwijl alle ruwe zaken, alle inheemsche boomen, dieren en levenlooze stoffen, de oude Duitsche namen behouden hebben, en daar waar deze zaken door kunst veranderd en vervormd zijn, het Romaansche element in de plaats van het Duitsche treedt. Dit geldt b.v. zelfs van de meest materiëele aller kunsten, de kookkunst. De schapen, de koeien, de ossen blijven Duitsch--"sheep", "cow", "oxen"--zoolang zij onder de hoede der Anglo-Saksische herders op de weide grazen. Zoodra zij echter geslacht en in de handen der koks, die de Fransche Baronnen medebrachten, overgegaan zijn, verruilen zij hunne Duitsche namen tegen Fransche en worden "mutton" (mouton), "beef" (boeuf), "porc" (porc).--Men heeft met betrekking hierop de Engelsche taal en even als deze, ook het karakter der geheele Engelsche nationaliteit met een weefsel vergeleken, waarbij de grove grondstof of het haren doek Duitsch, het sierlijke borduursel er op echter Romaansch is. Men zou beiden ook met een gebouw kunnen vergelijken, waarvan het fundament en de hoofdmuren Duitsch, de koepels, torens, het beeldhouwwerk, de hoek- en randsteenen echter Romaansch zijn.--Het geheele beendergestel der taal, hare zenuwen en banden, de lidwoorden, voornaamwoorden, en alle kleine woorden die de groote tot volzinnen verbinden, zijn Duitsch; de bonte, gladde, het organismus bekleedende huid echter, de geheele ornamentiek, is Romaansch.

De Fransche Noormannen maakten, om zoo te zeggen, de Engelsche taal haar toilet; zij verfijnden en beschaafden haar. En even als de taal hebben zij ook in zekeren zin het geheele volk gekostumeerd, beschaafd en verfijnd. Ter nauwernood vindt men in Europa, behalve het Engelsch, een tweede taalmengsel, waaruit zich op eene tevens gemakkelijke en leerrijke wijze, de geheele geschiedenis van het volk laat lezen.--"De Fransche of Latijnsche woorden," zegt een Duitsche taalvorscher, "staan naast de Duitsche, als trotsche Baronnen, geleerde bisschoppen en bekwame artisten, naast eenvoudige landlieden en herders." En men zou er bij kunnen voegen, "ook naast kooplieden en schippers." Want even als de uitdrukkingen bij den scheepsbouw en bij het geheele zeewezen, bij het handelsverkeer en op de markten gebruikelijk, zoo was en bleef bij de Engelschen ook de zeemans- en handelaarsondernemingsgeest, geheel en al een deel van het Germaansche wezen.--De oorlog en het militaire wezen daarentegen werden weder Fransch.

De Duitsche eik toont zich in de taal der Engelschen, nauw omslingerd door het Romaansche klimop. Maar niet overal is de slingerplant niets anders dan een uitwendig toevoegsel gebleven. Nu en dan heeft zij hare sterk kronkelende massa met het hout van den eik verbonden, en is in zekere mate zelf stam geworden. Het minst heeft zij hem in de hartader getroffen, maar zij stijgt met tallooze vertakkingen hoog in zijne kruin op. Dáár, in zijne kroon, neemt zij somwijlen de plaats der doode takken van den hoofdboom in. Meestal begeleidt zij ieder Duitsch takje met een duidelijk Romaansch twijgje, zoodat men dikwijls van den een op den ander overgaan, en zich in vele gevallen op tweeërlei wijze uitdrukken kan, òf door alleen oud-Saksische stamwoorden te gebruiken, òf door zich alleen van de Fransche en Latijnsche te bedienen.

Echter--en dit is het allermerkwaardigste--hebben de beide vreemdsoortige stoffen en naturen in haar wezen zich zoo innig doordrongen en vermengd, dat daaruit niet iets zwaks en verdeelds, maar een volstrekt geheel, ja zelfs, zooals bij een in elkander gedraaid ankertouw, iets nog sterkers ontstaan is.--Ook zijn beide volkselementen in Engeland nooit tot eene volkomene gelijkheid, tot eene bepaalde rust gekomen. Veelmeer hebben zij tot op de nieuwste tijden, zoowel op het gebied der taal als op dat der politiek, met elkander geworsteld en hard gestreden.--Uit deze omstandigheid, uit het nimmer rustende leven in den tweehoofdigen geest der natie, laat het zich verklaren, dat de Engelsche taal nog voortdurend met zoo groot gemak, zoowel uit de Romaansche talen, uit het Latijn, het Fransch enz., als uit het Duitsch, Nederlandsch, Skandinavisch, nieuwe woorden aanneemt en zich eigen maakt. Daardoor zijn haar van oudsher vele fijn genuanceerde uitdrukkingen, en niet weinige geheel eigenaardige poëtische schoonheden toegevloeid. En evenzoo laat zich daaruit het verschijnsel verklaren, dat de bloesems der Engelsche literatuur bijna altijd, om zoo te zeggen, eene tweevoudige kleur hadden. Er zijn namelijk Engelsche dichters geweest, die geheel en al uit de Duitsche ziel, andere die meer uit den Noormaansch-Franschen geest schijnen voortgekomen te zijn. In de aderen van den grooten Byron bijvoorbeeld, heeft wel gedecideerd Noormansch bloed gevloten. De natuurdichter Burns daarentegen is naar taal en gevoel een Duitscher. In Shakespeare herkent men, zooals Gervinus zegt, beide elementen even sterk. In de keus zijner groote romantisch-historische schilderingen, zoowel als in de drieste energie en kernachtige kortheid zijner uitdrukkingen, verraadt bij den Romaanschen Noorman, terwijl uit de vormloosheid, uit den breeden, dikwijls gekronkelden bouw zijner stukken, die eenige gelijkenis hebben met den Gothischen kerkbouw-stijl, de Duitscher tot ons spreekt. Over het geheel echter heeft bij hem, even als bij alle echte Engelsche volks- en nationaal-dichters, het Germaansch de overhand, hetgeen daardoor bevestigd wordt, dat nooit een buitenlandsch dichter in den vreemde zoo inheemsch is geworden als Shakespeare in Duitschland.

Even als bij afzonderlijke geniën en individuën, zoo heeft zich ook in verschillende perioden der Engelsche literatuur, nu eens eene voorliefde tot den Duitschen geest, dan weder eene neiging tot het Romanismus geopenbaard. Er zijn tijden geweest, waarin de Romaansche elementen der taal bij de Engelschen, om zoo te zeggen meer in de mode waren, waarin de dichters en schrijvers alles zooveel mogelijk met woorden aan den Franschen taalschat ontleend, uitdrukten; andere, waarin zij liever gebruik maakten van de kracht, in de Saksische taalwortelen liggende. En bijna altijd is er--even als in den strijd om het bestuur tusschen eene Noormansche adels- en eene Saksische volkspartij--ook op het veld der literatuur eene Romanistische en eene Germanistische schrijvers-coterie en richting geweest.

Even als de taal, zoo kreeg ook, door de zoo gelukkige Noormansche-Saksische samensmelting, de zoogenaamde nationale geest van het volk, eene gemakkelijkheid zich het bruikbaarste uit beide nationaliteiten eigen te maken. Zoo heeft men het, om behalve een voorbeeld uit de taal ontleend een ander aan te voeren, ook in de politieke wetgeving der Engelschen geroemd, dat zij eene eigenaardige toegevendheid en ontvankelijkheid verkreeg, waardoor zij in staat gesteld werd aan verschillende stelsels, aan het Koningschap, aan het leenwezen, de aristocratie en democratie, het beste en degelijkste te ontleenen en met elkander harmonisch te vereenigen.

Ten slotte echter mag men wel zeggen, dat even als de Spanjaarden sedert Ferdinand en Isabella steeds meer Iberisch, de Franschen sedert Hugo Capet steeds meer Celtisch, zoo ook de Engelschen nadat zij den eersten stoot der Noormansch-Fransche verovering te boven waren gekomen, weder meer Anglo-Saksers of Duitschers geworden zijn. Fransche historici beschouwen den langdurigen strijd der mindere klassen of van den derden stand in Frankrijk, tegen de Fransche Koningen en tegen den van Germaansche tijden dateerenden adel en zijn leenstelsel, als een strijd van de onderdrukte Romano-Celten tegen den Germaanschen nationalen geest. Volgens hunne meening drong van beneden, uit de Celtische boerenhutten en uit Celtisch-Romanische steden, in den loop der tijden het oude oorspronkelijk element van Gallië steeds invloedrijker naar boven, en in de Fransche revolutie, zooals ook in het door deze nivelleerende beweging voorbereide Imperialisme, zien wij eene laatste en volkomene overwinning van het Celten- en Romanendom over het Germanendom in Frankrijk.--Geheel gelijk hiermede, maar in omgekeerden zin, schijnt de voortgaande ontwikkeling der zaken, de gang der nationaliteits-verhouding in Engeland gebeurd te zijn.--Hier werd het feudaalwezen door Romanen gesticht, in een tijd, waarin zij het in Frankrijk pas van de Germanen ontvangen hadden. Het werd den onderworpen Duitschers (den Anglo-Saksers) op den hals geworpen, even als in Frankrijk den Celto-Romanen. De langdurige strijd der mindere standen tegen den adel, de leenheeren en de Koninklijke macht,--hunne eindelijke overwinning ten tijde van Cromwell, en vervolgens hunne latere overwinningen in onzen nieuweren tijd,--mogen eveneens als een worstelen en eene langzame overwinning der eene nationaliteit op de andere, der Anglo-Saksers op de Romanen beschouwd worden. De demokratische zoogenaamde rondhoofden uit de tijden van Cromwell, kwamen meest uit het Zuiden en Zuid-Oosten van Engeland opdagen, waar van oudsher de Anglische en Saksische bevolking de bovenhand gehad had. De ridders en Koningsvrienden waren meer uit het minder Duitsche Westen en Noorden afkomstig. Men zou misschien kunnen zeggen, dat Engeland des te vrijer en vrijzinniger geworden is, naar mate de oude Duitsche gedeelten van het volk, namelijk de burgerstand, weder naar boven kwamen, zooals Frankrijk steeds meer revolutionair en imperialistisch werd, hoe meer het oude Celto-Romanismus zich van het Germanendom afscheidde. Hoe zelfs in de uitspraak en in het accent van hun taaleigen, de Engelschen steeds meer Duitsch geworden zijn, daarop is boven reeds gezinspeeld.

Ook in de voorzichtige en langzame manier der sociale hervormingen, in het conservatieve, van alle plotselingheden en van het radikalismus afkeerige Engeland, die daar zelden tot uitersten oversloegen, is het duidelijk zichtbaar dat hier de voorzichtige, bedaarde en verstandige vrijheidsgeest der Germanen de banier droeg; terwijl omgekeerd in de hevigheid der, het op vernietiging en volkomene gelijkheid aanleggende, omwentelingen in Frankrijk de reeds door Cesar berispte teugelloosheid der Galliërs zich voldoende openbaart.

Bijzonder duidelijk heeft de dubbele aard van den Engelschen geest, als ook de bovenhand van het Duitsche zijn in hem, zich ook in de hervorming der kerk geopenbaard. Nauwelijks had Luther in Duitschland godsdienstige- en geloofsvrijheid geproclameerd, of zulks vond bij de Engelschen, even als bij andere Germaansche volken, den meesten weerklank. Even als het geheele Germaansche Noorden, zoo maakte zich ook met betrekking hiertoe, Engeland van de Romaansche wereld los.

Wel is Engeland in zijne kerkelijke hervorming--karakteristiek genoeg voor zijn half-Germanismus en voor zijne plaatsing op de scheidslinie van beide groote stammen--halverwege blijven staan. Evenals het Engelsche volk, als zijne taal, als zijne wetgeving, nevens den Duitschen grondtoon ook de bijgevoegde Romaansche tint in zich verwerkt en bewaard heeft, zoo heeft ook zijn godsdienst en kerk, om zoo te zeggen, een dubbel uiterlijk gekregen. Aan de eene zijde heeft zij zich sterk, ja beslissend tot de Duitsche beweging laten medetrekken, en heeft de nieuwe brug, die Dr. Martin uit het moederland naar de Saksers oversloeg, aangenomen. Maar zij heeft ook de oude verbinding met de Roomsche wereld niet geheel afgebroken, heeft veel van den Katholieken vorm en van het Romaansche priesterdom behouden.

Vele Engelschen gelooven dientengevolge zelfs, dat hunne Kerk ten gevolge dezer dubbele natuur, nog eens eene groote rol te spelen zal hebben bij de verzoening en vereeniging der verdeelde Christenheid die eens plaats zullen vinden, en dat zij, gemakkelijker dan eenige andere christelijke gemeente, deze zal kunnen tot stand brengen.

Het grootste en breedste stuk vlak land van het Britsche eilanden-lichaam, namelijk de uitgestrekte, heuvelachtige vlakte, rondom welke men met een straal van 40 mijlen een cirkel kan beschrijven, was de landstreek, waarin zich na tallooze oorlogen en omwentelingen, die Normanno-Saksische volksgeest met zijne dubbele natuur,--die Romaansch-Duitsche literatuur,--die aristo-demokratische staatsregeling--die Roomsch-Protestantsche kerk,--welke nu de kern der Engelsche nationaliteit uitmaken, vormde en vastzette.

Even als de innerlijke vorming van het Engelsche nationaal-karakter zelf, zoo heeft ook zijne, langzamerhand van de genoemde vlakte van het Zuid-Oosten uitgaande, verbreiding door het geheele eiland-rijk,--de manier en wijze, waarop het de andere vreemde hem in den weg staande nationaliteiten boven het hoofd gekomen is en met zich vereenigd heeft, eene zeer langzaam rijpende natuur.

Men gevoelt zich bij eene beschouwing der Engelschen steeds geneigd, zich de beide woorden van Tacitus, die boven reeds vermeld werden: "vroeg ontkiemen, laat rijpen" te herinneren. Deze woorden schijnen zoowel te gelden voor de niets minder dan vroegrijpe individuën, als ook voor de langzame wijze waarop de geheele natie tot rijpheid en eenheid kwam, en voor de bemoeiingen van ieder hunner in het bijzonder. Overal in de Engelsche geschiedenis stoot men op langwijlige, diep wortelende en zich slechts langzaam baanbrekende processen. Men meent overal, waar men bij de hardnekkige rassen van dit eiland een dier werkingen nagaat, in het inwendige eener machinerie te zien, waarin de oude sterke raderen, slechts los in elkander grijpen, met moeite omdraaien, slechts langzaam op elkander werken, en dien ten gevolge ook niet zoo gemakkelijk afslijten en uitloopen.

Het duurde, zeg ik, zeer lang, voor het, in het Zuiden van Engeland gevormde Engelsche nationaal-type, van die genoemde vlakte uit in alle nabij- en afgelegene berglanden, en in alle min of meer geïsoleerde gedeelten van het eilanden-rijk, was binnengedrongen, en zich overal als heerschende en den boventoon voerende, had doen gelden.

Van de verandering bij het Celtendom in Wales en Cornwallis heb ik reeds, bij gelegenheid dat over de Anglo-Saksische verovering gesproken werd, het noodige gezegd. Het is hier de plaats, in het kort aan te toonen, op welke wijze en in welke mate het oude Celtische ras in Ierland en Schotland, door de nieuwgeborene Normanno-Saksische (Engelsche) nationaliteit aangetast werd.

Op het eiland der Erinach of Ersen werd, zooals reeds opgemerkt is, de strijd der Celten met de Germanen, door de Denen begonnen. Op hen volgden sedert het midden der 12de eeuw de Engelschen, wier Koning Hendrik II, tegen het einde der 12de eeuw, bijna geheel Ierland veroverde, het met het Groot-Brittanje'sche rijk vereenigde en het voor de Anglo-Saksische immigratie openzette.

Van dien tijd af, leven beide rassen in een 600 jarigen, nog niet geëindigden ras-strijd. Eene reeks van vreeselijke stuiptrekkingen, opstanden en reactiën heeft tot op onze dagen, in het met bloed en tranen gedrenkte land gewoed. Niettegenstaande de gruweldaden, de verschrikkelijke uitmoordingen, de overplantingen en verdrijvingen, die de ijzeren Cromwell, en zoowel nà als vòòr hem andere Engelsche Vorsten in het land hebben geroepen, niettegenstaande de voortdurende immigratie van Anglo-Saksische elementen, is deze brand nog niet geheel gebluscht.

In eenige streken van het land, de noordelijke en middelste, is de oude Celtische stam, door eene zuiver Anglo-Saksische en protestantsche bevolking vervangen. Deze immigratie uit Engeland duurt nog steeds voort, en grijpt nu nog telken jare meer om zich. Daarentegen wordt de Westelijke helft, al de vele land-armen en lang uitgestrekte rots-ruggen, waarin de Oceaan het land verdeeld heeft, nog bewoond door de oude, Celtische Ersen,--door die poëtische en bewegelijke, maar zonderlinge en onverstandige,--die talentvolle en geestige, maar wankelmoedige, onzelfstandige en weinig doortastende,--die grootmoedige maar verkwistende en achtelooze Ieren, die nagenoeg even zoo tegenover de koele, overleggende, nadenkende, werkzame en ver vooruitziende Anglo-Saksers staan, als de Franschman met wien zij--zoowel om de Celtische afstamming, als om den Katholieken godsdienst dien zij met dezen gemeen hebben, sympathiseeren--tegenover den Duitscher.

Hunne eigene oorspronkelijke taal, die voor 300 jaren in den tijd van Koning Hendrik VIII nog in het Iersche parlement gesproken werd, leeft ook nu nog, maar slechts in de armoedige aarden hutten van het Westen, waar zij nog door de boeren en visschers gesproken wordt. Er zullen nu zoowat een millioen menschen zijn, die het oude Celtische Iersch, of het Gaelische-Ersisch verstaan, en slechts nagenoeg 300.000, die zich uitsluitend van dit dialect bedienen. De Iersche O'Connel moest zijne philippica tegen Engeland in de taal zijner doodsvijanden inkleeden. Zelfs zingen de Ieren hunnen lievelingsdichter Thomas Moore, zijne Iersche melodiën, waarin hij zoozeer tot hun hart sprak, in de Engelsche taal na. De eigenaardige nationale geest van het volk daarentegen, leeft nog op het grootste gedeelte van het geheele groote eiland. Veel daarvan is zelfs op de geïmmigreerde Engelschen, die meermalen in Ieren ontaardden, overgegaan. Deze Celtische natïonale-geest der Ieren heeft ook buiten hun vaderland, zich van zeer grooten invloed getoond op de geschiedenis der ontwikkeling van andere moderne volken. Want sedert de vlucht der Israëlieten uit Egypte, heeft de wereld weinig emigraties beleefd, die zoo rijk aan gevolgen waren, als de uittocht der Ieren, uit hun altijd groene smaragden-eiland, naar alle deelen der wereld. Tot op den overwinnaar van Magenta toe, die van eene Iersche familie afstamt, hebben tallooze verbannen Ieren uitgemunt in de legers en in den staatsdienst der Spanjaarden, Franschen, Oostenrijkers en andere landen. Ieren, die hun land verlieten, hebben zich in groote menigte over de steden van Engeland en Schotland verdeeld, waar zij, bij de lagere volksklassen en ultra-demokraten, eene zeer opmerkelijke partij vormen.

In de nieuwe wereld, in de Vereenigde Staten, in Australië, waarheen zij in den nieuweren tijd bij massa's met vrouw en kind verhuisd zijn, vormen zij een aanzienlijk deel der bevolking. Hunne talrijke nakomelingen, die over schier alle steden dier landen verspreid zijn, deelen de daar te huis behoorende bevolking in zekere mate hunne kleur, hunne gezindheid, hunne antipathie tegen Engeland mede. Men treft daar overal eene zeer sterke Iersch-Katholieke partij aan.

Wanneer men dit alles nagaat, mag men wel zeggen, dat deze Celtische Ieren nog altijd, en nu misschien nog meer dan vroeger, een hoogst opmerkelijk volk uitmaken, wiens merkwaardige eigendommelijkheden de geschiedschrijver der beschaving moet bestudeeren en nauwlettend gadeslaan. Waar zij in massa optreden en het overwicht hebben, heeft hunne onrustige, ongeduldige en overmoedige natuur, helaas! zelden veel goeds bewerkt. Daarentegen heeft men het algemeen erkend, dat zij daar waar zij zich met enkele personen onder de Engelschen nederzetten, waar zij in ondergeschikte betrekking zijn en de minderheid uitmaken, waar zij den toon niet aangeven maar ontvangen, waar zij door de Engelschen geleid worden, tot de beste planters en kolonisten behooren.

In Schotland heeft de ontwikkeling van de onderlinge betrekkingen der beide rassen van Groot-Brittanje, een nagenoeg dergelijk en toch ook weder ander verloop dan in Ierland genomen. Het wezenlijk onderscheid bestaat daarin, dat zich in Schotland onder de oude Celtische bevolking een geheel eigenaardig Germaansch kernvolk gevormd heeft, waartoe het in Ierland, dat verder van alle Germaansche volken verwijderd, en ook van Engeland door eene zee gescheiden is, nooit gekomen is.

Dit Germaansche volk in Schotland, kan men eigenlijk niet enkel en geheel als een dochter-volk der Engelschen aanzien, even als ook zijne Germaansche taal (het Schotsch) niet geheel als een dialect van het Engelsch beschouwd kan worden, ofschoon zij er veel overeenkomst mede heeft. De Schotsche nationaliteit ontwikkelde zich buiten en naast de Engelsche en gelijkloopend met deze. Zij berustte, zooals reeds gezegd is, waarschijnlijk op geheel eigenaardige en zeer oude Germaansche fundamenten. Hun Germanisme was zeer versterkt geworden door de binnendringende Denen, die als dappere houwdegens natuurlijk altijd eene groote rol speelden bij de Schotsche Koningen, als aanvoerders bij hunne onderlinge twisten. Toen de Noormannen tegen het einde der 12de eeuw Engeland veroverden, vluchtten weder vele Anglo-Saksers naar Schotland, en vermeerderden daar het aantal der Germanen. Ook haalden de Schotsche Koningen, die vervolgens eveneens oorlog voerden met de Noordsche beheerschers van Engeland, als vroeger met de Anglo-Saksische, vele krijgsgevangenen uit Engeland, die zij naar het Zuidelijke gedeelte van Schotland, de zoogenaamde Lowlands, overbrachten, en die met de oude Germaansche elementen die zij daar aantroffen, samensmolten. Daar de Schotten met de Engelschen--de eenige naburen die zij hadden--onophoudelijk twist hadden, daar hunne invallen in Engeland en vice versa de invallen der Engelschen in Schotland, eeuwen lang, om zoo te zeggen telken jare terugkeerend waren, daar verder ook de binnenlandsche onlusten in beide landen er meermalen aanleiding toe gaven, dat Engelschen in Schotland en Schotten in Engeland zich nederzetten en invloed verkregen, daar ook huwelijksverbintenissen tusschen beide naburige volken, zelfs tusschen hunne Vorsten-huizen meermalen plaats vonden, zoo was het natuurlijk, dat beiden met der tijd overeenkomst met elkander kregen. En vooral de Schotten moesten zich daarbij naar het voorbeeld der veel ontwikkelder, veel nader bij den zetel der Europeesche beschaving wonende, talrijker en machtiger Engelschen vormen.--De Schotten stonden in eene eenigzins gelijke verhouding tot de Engelschen als de Portugeezen tot de Spanjaarden. En evenals bij de Portugeezen, niettegenstaande de eeuwige vijandschap met hunne Spaansche naburen, zich toch door de macht der omstandigheden, alle betrekkingen naar het Spaansche model vormden, zoo hielden ook de Schotten meestal tegen wil en dank gelijken tred met de Engelschen.

Vooral werden zij, sedert het Noorman'sche tijdperk, dat zooals reeds gezegd is, de eigenlijke schepper van een machtig Engelsch nationaal-karakter was, steeds meer gelijk aan de Engelschen. Langzamerhand maakten zij alle ontwikkelingsphasen met hen door. Wat in Engeland mode was, kwam ook weldra in Schotland in zwang. De Romaansche poëzie, de Noorman'sche bouwstijl, die onder de nakomelingen van Willem den Veroveraar bloeiden, schoten ook in Schotland op. Wij lezen niets van uitdrukkelijke bevelen, waardoor in Schotland, even als in Engeland, de Fransche taal ingevoerd zou geworden zijn. Maar weldra sprak men aan het Schotsche Koningshof, even als aan het Engelsche, Fransch, en de Schotsche landstaal nam vervolgens, gelijktijdig met de Engelsche, Fransche woorden in zich op, reeds langen tijd vòòr dat de Engelschen als opperheeren naar Schotland kwamen.

Al die processen hadden echter bij de Schotten toch een eenigzins ander verloop dan bij de Engelschen, zoo b.v. werd het Schotsche volks-dialect niet in die mate geromaniseerd als de Engelsche taal, maar behield het veel meer een oud-Germaansch uiterlijk en stempel. Eenige der belangrijkste verschillen tusschen het Schotsche en Engelsche nationaal-karakter ontstonden daardoor, dat het Germaansch element zich in Schotland meer aan het inheemsch Celtische aansloot.

Het Celtisch element was in alle tijden in Caledonië het overwegende geweest. Zelfs de Romeinen hadden het niet, als in Engeland, gedecimeerd en gebroken. De aanvankelijk zeer weinig talrijke Anglo-Saksers konden er in Schotland niet aan denken, de oorspronkelijke bewoners, hoeveel antipathie zij ook tegen hen gevoelden, even als in Engeland uit te roeien. Zij hadden hunne vriendschap altijd tegen hunne vijandelijke broeders en naburen in Engeland noodig. Zij verbonden zich daarom met hen tot gemeenschappelijke ondernemingen. Zij leefden met hen op gelijken voet, met dezelfde rechten, onder dezelfde Koningen in eene gelijke staats-gemeenschap.

Onwillekeurig namen zij op deze wijze veel van de zeden en gewoonten der Gaelische landskinderen aan. Vooral ging, wat in Engeland niet gebeurd is, de oude Celtische verdeeling in Clans, meermalen op de Anglo-Saksische Schotten over. Zij leerden somwijlen ook hunne taal, ofschoon in meerdere gevallen de taal der sterkere Germanen, die sedert den tijd der Noormannen, de kern en het hart van den staat vormden, op de Gaelen overging.--Zoo is dus in Schotland eene soort verzoening tusschen het Celtische en Germaansche element tot stand gekomen, terwijl in Engeland het Germaansche tot uitsluitende heerschappij kwam, maar in Ierland het Celtische steeds vijandig de bovenhand bleef behouden.

Lang hebben de Engelschen vergeefs naar eene politieke annexeering van dit hun Schotsche broeder-volk gestreefd. Meermalen hebben zij de invallen der barbaarsche Pieten en Schotten, met even barbaarsche invallen beantwoord. Somwijlen gelukte het hun, in de tweespalt der Schotsche partijen een dergelijken invloed te verkrijgen, als de Spanjaarden in de Portugeesche wisten machtig te worden, en soms waren de Schotsche Koningen een tijdlang de vazallen der Engelsche.

Eindelijk (maar eerst voor 270 jaren) kwamen Schotten en Engelschen voor altijd onder één Vorst. Maar zelfs daarna duurde het nog lang, voor de verschillen tusschen beide nationaliteiten zich vereffenden, voor beide volken tot een harmonisch en verzoend geheel samengroeiden.

De verheffing van den Schotschen Koning Jacobus VI op den Engelschen troon, was aanvankelijk slechts eene vereeniging van beide kroonen op hetzelfde hoofd. Ook bewerkte zij, dat de Schotsche taal, die tot dien tijd hare eigene literatuur had gehad, tot eene lingua rustica, tot een patois afdaalde, terwijl nu het Engelsch de taal van het hof, der voornamen en geleerden werd. Toch was dit geene volledige samensmelting der beide natiën. Schotland behield nog langen tijd zijn eigen bestuur, zijn afzonderlijk parlement. Alle nationale ontwikkelingen, de hervorming der kerk, die niet zooals in Engeland door de Koningen, maar door mannen uit het volk tot stand gebracht werd, de vervorming van den staat en der sociale verhoudingen, geschiedde in Schotland langs een anderen weg dan in Engeland. Over het geheel kan men zeggen, werden daar kerk, staat en maatschappij demokratischer dan hier.

Verscheidene malen nog moesten de Engelschen de vereeniging der kroonen, door oorlog en geweld in stand doen blijven, en herhaalde keeren verklaarden zich de Schotten, ter liefde hunner oude zelfstandigheids-ideën, voor die kroonpretendenten, die in Engeland onttroond waren. Eene volledige vereeniging van beide volken, eene vereeniging hunner beide parlementen en bestuur, kon eerst onder de Koningin Anna in het jaar 1707 doorgezet worden, en een algeheele vrede tusschen Schotten en Engelschen bestaat eerst sedert nagenoeg eene eeuw, vooral nadat in het jaar 1745 de Engelschen, de overoude indeeling der Schotten in Clans, die deze uit de primitiefste toestanden der Europeesche volken overgehouden hadden, verbraken.

Er bestaat echter tusschen beide nationaliteiten ook nog ten huidigen dage een nagalm der oude ijverzucht. Thans nog gevoelt de Schot voor zijn bergland een geheel bijzonder, geheel particularistisch, vaderlandslievend gevoel, dat hij niet op het geheele Groot-Brittanje overdraagt. Ook ontdekken de Engelschen in de Schotten, in het hun eigenaardig oud-Frankisch dialect, in hunne neigingen en in hun geheele wezen, iets vreemds. De Schot maakt zoowel op den Engelschman als op den Ier, die beide ten Zuiden van hem wonen, den indruk van een Noordlander. Hij heeft eenige gewoonlijk voor algemeen Noordsch gehoudene eigenschappen, in nog hoogere mate dan de Engelschman. Zoo heeft bij hem het verstand en het nadenken nog meer de overhand op het gevoel en de phantasie, dan zulks bij den Engelschman het geval is. Alle bezigheden en zelfs vermaken, hebben bij de Schotten, in nog hoogere mate dan bij de Engelschen, betrekking op studie, wetenschap, handwerk. Hij heeft in zijn wezen en gedrag nog meer uiterlijke koele bedaardheid dan de Engelschman.

Bij den minderen man in Engeland geldt de Schot voor bijzonder listig en eigenwijs, schraapzuchtig, hebzuchtig, en als neringziek op alle mogelijke wijzen zijn geluk te beproeven, en dat niet altijd op zoo eerlijke, groothartige en edele wijze als de zuidelijke Brit. Die kalmte van de geaardheid des volks, blijkt bij de Schotten het duidelijkst uit den bij hen ingevoerden Puriteinschen godsdienst die, om zoo te zeggen, door de strengheid van het noordsche klimaat bij hen geheel ingevroren is. Meer dan ergens elders heeft het protestantisme bij de Schotten de kunsten achteruit gezet. Zij leveren daarin nog minder dan de Engelschen en zijn, trots hunne beroemde volksliederen, zoo mogelijk nog minder muzikaal dan de Engelschen. De tooneelspelers en over het algemeen de kunstenaars in Schotland, waren altijd Engelschen of Ieren, die daar niet zelden dezelfde rol speelden, als vroeger wel de Franschen en Italianen bij ons.

Door hunnen ijver voor de wetenschappen, hebben daarentegen de Schotten, voor verbreiding van het volks-onderwijs, in nieuweren tijd meer gedaan dan de Engelschen. De scholen zijn bij hen in beteren toestand, en naar evenredigheid vindt men bij hen meer goed onderrichte personen dan bij dezen. Eenige der scherpste denkers en philosophen kreeg Groot-Brittanje uit het Caledonische Noorden. In de philosophie bestaat eene afzonderlijke Schotsche school. Verscheidene der gewichtigste uitvindingen werden door de Schotten bedacht en volmaakt. De groote geschiedschrijvers David Hume, Robertson en Macaulay hadden Schotsche vaders en moeders. Ook werden verscheidene der uitstekendste nieuwere dichters van Groot-Brittanje, Walter Scott, Burns en andere aan den voet der Schotsche Hooglanden geboren. Geniën wier invloed zich zoo ver uitstrekte als die van Shakespeare, Milton, Byron, heeft Schotland echter niet opgeleverd.

In ieder geval heeft de Schot niet minder gereisd en getrokken en den vreemde gezocht als de Engelschman. Hij heeft altijd eene groote rol gespeeld in de geschiedenis der kolonisatie en veroveringen der overzeesche wereld door de Britten. Menige kolonie van Groot-Brittanje mocht, naar de haar leidende en aan haar hoofd staande talenten, eer als eene Schotsche dan als eene Engelsche schepping beschouwd worden. Zoo hebben, b.v. in Engelsch Indië en ook in de staten der Hudsons-Bay-Company de Schotten de overhand.--"Trots alle aanmerkingen en steken op de Schotten, beschouwen de Engelschen hen daarom (en dit kan niet ten opzichte der Ieren gezegd worden) als huns gelijken, en de ijverzucht, die het den Schotten mogelijk gemaakt heeft, in alle bemoeiingen der Engelschen, zoo in hunne literarische, als in hunne industrieele en commercieele werkzaamheden, ijverig in te grijpen, is van geheel anderen aard, dan de hartstochtelijke oppositie der weerspannige Ieren." Terwijl deze dikwijls de verzwakkende uitwerking van een remtoestel hadden, op den voortgang van den Engelschen zegewagen, is gene even als de wedijver van twee om denzelfden prijs worstelende strijders, veeleer bevorderlijk voor het geheel geworden. De daarstelling eener volkomene gelijkvormigheid in manier en denkwijze, werkt in den schoot van eene en dezelfde nationaliteit waarschijnlijk evenmin gunstig, als in de borst van een denkend mensch, een geheel ophouden van den strijd der hartstochten en begeerten.--Het zou wel mogelijk zijn, dat, wanneer het Anglo-Saksisch element alle onderscheid van ras, taal, zeden en streven volkomen weggenomen en gelijk gemaakt, en het eene geheel gelijksoortige nationaliteit in het vereenigde Groot-Brittanje hersteld had, dat dan dit hoogste toppunt zijner zegepraal ook het begin van zijn achteruitgang zijn zou.

De rest der Celtische bewoners van de Schotsche Hooglanden, de Schotsche "Highlanders," heeft, ofschoon een broederstam der Ieren, in den nieuweren tijd veel minder van zich doen spreken dan deze. Zij waren van oudsher minder talrijk dan de Ieren. Zij plaatsten zich reeds vroegtijdig, met hunne Schotsche naburen van Germaanschen stam in de Lowlands, onder dezelfde Koningen, en werden later gelijktijdig met hen, en op dezelfde wijze en met dezelfde rechten, bij het groote Britsche staatslichaam ingelijfd.--De voornaamste reden tot het bieden van wederstand, verviel bij hen daardoor, dat zij, even als hunne Germaansche landslieden, aan het katholicisme onttrokken en, even als deze, voor het protestantisme gewonnen werden, ofschoon dit bij hen, even als alle nieuwe hervormingen, wat moeielijker en later ingang vond, dan bij gene.

Zij leven nu nog als vreedzame herders en visschers, naar voorvaderlijke gewoonte, in rookerige hutten, verstrooid op de met wolken bekranste rotskammen, in turf-moerassen gevormde en met heideplanten en eeuwigen nevel bedekte hoogten, in onherbergzame woestenijen van hun land, en aan de kustranden der door storm en oceaan gezweepte Hebridische eilanden, die gezamenlijk een nooit geheel bedwongen toevluchts-oord voor hen geweest zijn. Menschen, die uitsluitend de oude Gaelische taal spreken, zouden er nu nog nagenoeg 100.000 zijn. En waarschijnlijk gaat de geheele volksstam een totalen ondergang te gemoet, want de menschen van Germaanschen oorsprong die hen omgeven, zijn een voortwoekerend en om zich heengrijpend element; zij zijn door hunne vlijt en volharding in staat, zelfs daar nog voort te leven waar de Gaelen, niettegenstaande hun kommervol leven, zich niet meer staande kunnen houden. De oude, eens zoo schrikwekkende clans- of geslachtsverbroederingen, zijn voor de Hoog-Schotten nog slechts een speelgoed, dat in hunne handen eerder iets komieks dan iets verschrikkelijks heeft, zoo onder anderen hunne belachelijke aristokratische eischen, die zij met de Ieren, de Bretons in Frankrijk en de Basken in Spanje gemeen hebben, en hunne ver gerekte familie-betrekkingen, ten gevolge waarvan er bij hen 6000 Cambell's zijn, die elkander neef, oom en tante noemen.

Nadat ik getracht heb den oorsprong, de ontwikkeling en den voortgang der Britsche nationaliteit op haren eigen bodem en haren tegenwoordigen toestand in zwakke trekken te schetsen, wil ik nu een blik werpen op de contrasten en verhoudingen dezer nationaliteit met die der overige volken van Europa, op haren invloed op dezen en op de plaats die zij nu, tengevolge der eigenaardigheid van haar karakter, in de geschiedenis van de ontwikkeling der Europeesche volken inneemt.

Over het geheel, kan men zeggen, hebben de Engelschen zich tegenover de andere volken van Europa tamelijk passief gedragen. Sedert zij hunne oude Noorman'sche bezittingen in Frankrijk opgaven, sedert zij zich geheel tot hunne groote eilanden bepaalden, maar deze dan ook geheel onder de banier van een eenige heerschende nationaliteit, en van een en hetzelfde staatslichaam vereenigd hadden, hebben zij als veroveraars of koloniestichters den bodem van ons vasteland nimmer weer betreden. Zij hebben nergens op het vasteland, zooals de Russen in Polen, de Zweden in Finland, de Franschen in den Elsasz, de Denen in Schleeswijk, de Duitschers in Hongarije en in vele Slawische landen, de Turken in Griekenland, de Italianen in Dalmatië, eene aan Europa vreemde nationaliteit binnen den kring hunner ontwikkeling getrokken.

Al de ingewikkelde en moderne Europeesche nationaliteits-vragen van het vasteland, raken daarom de koude kleeren van het Engelsche volk niet. Zij hebben op hunne eilanden hunne eigene innerlijke nationaliteits-vragen voor zich, en alleen buiten Europa, aan gene zijde van den Oceaan in de nieuwe werelddeelen, bezitten zij koloniën, waarin zij hunne wetten, zeden, taal en beschaving van heerschende kracht doen zijn.

Met betrekking tot ons Europa, doen de Engelschen zich als eilandbewoners voor, die een in zich gesloten geheel maken en zich met hun eiland tevreden stellen. Hierop echter is eene uitzondering, namelijk dààr, waar sprake is van de heerschappij ter zee. Want deze hebben zij zich in de laatste twee eeuwen zoo zeer toegeëigend, dat zij gewoon zijn den Europa omgevenden Oceaan als hun domein, als een deel van hun "home" te beschouwen. Zij verlangen naar geene bezittingen op het vaste land van Europa zelf. Alleen dat willen zij bezitten, wat noodig is om hunne heerschappij op den Oceaan te verzekeren, en daartoe zijn eenige kleine eilanden, havens, landpunten voldoende. Van Helgoland, over de eilanden langs de Fransche kusten, naar Gibraltar, Malta en de Jonische eilanden, hebben zij daarom geheel Europa met een keten van scheeps-stations en eiland-veroveringen omgeven.

Even als de Oceaan, de drager der Engelsche waren, vloten en belangen, het geheele vasteland bespoelt, zich aan ieder land aansluit en de vaderlanden der Europeesche volken binnendringt, zoo doet dit daarom ook de politiek der Engelschen en zij zijn op deze wijze, hoewel afkeerig van directe inmenging in de zaken van vreemde natiën, indirect in alle politieke vragen, waar zij zich ook mogen voordoen, hetzij in Constantinopel, aan den Donau, in Sicilië, aan den Sond of de Finsche golf, in meerdere mate betrokken dan eenige andere natie.

Toch geschiedt, overeenkomstig het gezegde, deze deelneming, als zij noodig wordt, op geheel andere wijze dan bij de andere volken. Zij treedt slechts op, als het eigene nationaal- en staats-belangen geldt. Zij ontspringt niet uit vrije impulsiën, uit nationale hartstochten, sympathiën en antipathiën, die de Engelschen niet bezitten. Zij trekken niet, als hunne naburen de Franschen, voor fraaie ideeën of uit medelijden voor een onderdrukt broeder-volk, de wereld in. Zij hebben voor de overige volken meer overmoed of onverschilligheid, dan haat of sympathie.

Daar zij hun nationaal-lichaam buiten hunne eilanden niet vergroot hebben, en met hun scherp afgesloten gebied, nergens aan de verbreidings-gebieden van andere Europeesche volken aansluiten of er door beperkt worden, zoo is hunne ziel ook niet door zulke nationale smart van een gereten, als zulks bij de Duitschers het geval was, toen zij hunne Rijn-provinciën of hun Schleeswijk-Holstein verloren, of bij de Italianen toen zij Venetië moesten afstaan. [18]

Overeenkomstig hun eilandachtig karakter en wezen, houden zij zich altijd meer onledig met zich zelven dan met vreemden. Door buitengewone krachtsinspanning en in het verloop van eeuwen lang durenden strijd, hebben zij den geheelen grooten Gothischen dom-bouw hunner staatsregeling, die trots eene reeks onbeduidende of zelfs slechte regenten, uit den schoot der krachtige natie opsteeg, in het leven geroepen. Zij hebben dezen bouw alleen tot geluk van zich zelven doorgevoerd; of hij door vreemden nageaapt werd daarover bekommerden zij zich niet. Zij hebben nooit propaganda voor hunne toestanden gemaakt.

Toen hunne staatsregeling gereed was, vond zij echter bij de andere Europeanen zooveel bijval, dat deze er in den nieuweren tijd naar streefden iets dergelijks tot stand te brengen. De politieke constitutie van Engeland werd gelijktijdig het model en het ideaal, waarnaar alle anderen begonnen te werken. Daar zij naar het Britsche eiland-land, als naar de eenige schouwplaats, waar de vrijheid van spreken en handelen een vast en duurzaam asyl had, blikten, zoo werd ook het Engelsche parlement als 't ware het raadhuis der Europeesche maatschappij. Pitt sprak het eens uit, toen Engeland het toppunt zijner macht genaderd was, dat in de toekomst aan de Theems geen kanon meer gelost zou kunnen worden, dat men niet overal in de wereld vernemen zou. Men zou echter nog sterker dan Pitt kunnen zeggen, dat in dat raadhuis aan de Theems door een man van gewicht geen woord zou gesproken worden, dat niet in geheel Europa zijn echo vond, en dat niet evenveel of nog meer gewicht had, dan het gedonder der kanonnen.--Terwijl de Romeinen hunne politieke instellingen, hunne taal, hunne zeden, ja! hunne toga op de vleugelen der adelaars hunner gewapende legioenen over de wereld verbreidden, en op den tijd met ijver en geweld hun stempel drukten; terwijl ook hunne opvolgers, de Franschen, somwijlen, naar zij meenden tot heil der volken, iets dergelijks op dergelijke wijze beproefden, hebben de Engelschen datzelfde tot stand gebracht alleen door het schitterende voorbeeld, dat zij den anderen brachten, en door de bewondering en navolging, die hun daarvoor ten tol betaald werden. Zonder nauwelijks een voet breed lands onder ons te bezitten, hebben zij toch weten te bewerken, dat men wellicht de afdeeling der politieke-ontwikkelings-geschiedenis der Europeesche staten, gedurende de eerste helft der 19de eeuw, naar hen en naar hunnen op ons uitgeoefenden invloed, het "Engelsche tijdperk" noemen zal.

In nog hoogere mate verdient die tijdsafdeeling dezen naam, wanneer men vermeldt, wat zij voor handel en scheepvaart, voor de commercieele en internationale verbindingen der landen van ons werelddeel, onder zich en met de andere werelddeelen gedaan hebben.

De Merkurius der Britten heeft zijne bedrijvige boden naar alle markten van Europa gezonden. Zij hebben hunne factorijen in Petersburg, Riga, Odessa, Archangel en in bijna alle andere Russische havens. Eenige er van vinden wij in de meeste Duitsche handelsplaatsen, zooals in de Oostzee-havens. Ook op menige Duitsche handelsmarkt, b.v. te Hamburg, maken zij een invloedrijk gedeelte van den handelstand uit. Bijzonder talrijk zijn zij in de kust-stapel-plaatsen van Noordelijk Frankrijk, het oude vaderland hunner Noorman'sche voorvaderen. Zij zijn domineerend in Oporto, Lissabon en de andere zeeplaatsen van Portugal, maar ook in Cadix, de oude kolonie der Pheniciërs, en verder in de voormalige kantoren der Carthagers, in Carthagena, Barcelona en overal langs de kusten van Sicilië te vinden. Hunne agenten hebben zich evenzoo in Livorno, Napels en andere zeesteden van Italië nedergezet, en ook in Griekenland en Turkije vindt men geene plaats, waarin niet Britsche oorlogschepen zijn, om Britsche belangen, individuën en waren te beschermen.

Men kan zeggen, dat sedert eene eeuw de Engelschen, met hun dochter-volk, de Amerikanen, aan het hoofd van alle nieuwe handelsondernemingen stonden. Wij anderen zijn slechts op hunne vleugels om den aardbol gevoerd geworden. Indië, China en Japan, door Portugeezen en Hollanders langen tijd gebarricadeerd, zijn door de Engelschen voor het overige Europa opengezet.

Ook zijn zij het eerst begonnen de ketenen van midden-eeuwsche handelsbeperkingen en monopoliën te breken, en eene verstandige handelsvrijheid baan te maken. Zonder de voorafgegane opheffing der privilegiën van de Oost-Indische kompagnie, zonder de opheffing der belasting op de granen, zonder den vrijdom van scheepsvaart-akten, en, met één woord, zonder te breken met het geheele oude protectioneele stelsel, wat, voor zoover den handel betreft, de Engelschen na veel strijds inleidden, waren vermoedelijk ook de slagboomen aan den Sond, de Elbe en de Wezer nog niet gevallen.

Men heeft onzen tijd bij voorkeur eene industrieele, op materieele voordeelen bedachte, aera genoemd. En dat zij dit geworden is, is vooral aan de Engelschen toe te schrijven. Zij leidden haar reeds vroegtijdig dien weg op. Reeds hunne oudste groote philosophen, de beide Baco's, de een in de 13de en de andere in de 16de eeuw, waren scherpzinnige waarnemers der natuur, hielden zich zelfs met de mechanica, met de physische en chemische onderzoekingen en uitvindingen onledig, en wanneer men de geschriften van Lord Baco van Verulam, den grondvester der nieuwe natuur-philosophie leest, is men geneigd te gelooven, dat de Engelschen van dien tijd af, voortdurend in de door hem aangewezene en gebaande wegen en richtingen verder gegaan zijn. Het heeft al het voorkomen, alsof de kiem tot al hunne latere industrieele en mechanische uitvindingen, reeds in dat praktisch, echt Engelsch philosophisch brein en zijne geschriften gelegen heeft.

Een, veel overeenkomst met Baco hebbenden, misschien nog grooteren geest, kweekten de Engelschen in de 17de eeuw in Isaac Newton, die de mechaniek des hemels ontdekte, en waarop zijne landslieden zich bijna nog meer verheffen dan op hunnen Shakespeare. Sedert Newton's tijd hebben de Engelschen eene geheele reeks der prachtigste en invloedrijkste uitvindingen en hervormingen, in het leven der Europeanen ingevoerd.

In de doelmatigste bewerking en vervorming van ruwe stoffen, in de verbetering van al onze handwerksgereedschappen, in de verhooging der menschelijke kracht en bekwaamheid, hebben zij veel meer dan eenig ander volk geleverd. Zij zijn de vaders van ons modern fabriek- en manufactuur-wezen. Zij hebben het eerst den waterdamp aan onzen dienst onderworpen gemaakt, wat na het temmen en onder het juk brengen van het paard, en na de aanwending der kracht van water en wind, de grootste omwenteling in onze wijze van van arbeiden gebracht heeft. De meeste verbeteringen en geheimen van den machine-bouw moesten wij van hen leeren of afzien. De Watts en andere zulke kinderen van arme Engelsche arbeiders, staan in de geschiedenis der ontwikkeling van de moderne, zoo zeer industrieele volken van Europa, als groote veldheeren en Koningen.--En even als hunne Watts, zoo ook hunne Stephensons. Want alle hervormingen in den wegbouw, de straatwegen, de macadamiseering, de spoorwegen, de verwonderlijke telegraphische inrichtingen zijn van de Engelschen, of van hunne afstammelingen, de Engelsche Amerikanen, uitgegaan. Door hen hebben wij geleerd onze waren, onze personen, onze gedachten met duizelingwekkende snelheid te bewegen en te verplaatsen. Den spoorwegbouw, die gevolgenrijke uitvinding van onzen tijd, hebben van Engeland uitgezondene meesters, in alle landen georganiseerd en het eerst aan den gang gebracht. En datzelfde kan men ook van den brugbouw zeggen, die in nieuweren tijd met te voren ongekende koenheid en veiligheid, de wildste, tot nu toe nooit overbrugde stroomen, ja! breede zeearmen, als tot staan gebracht heeft. Aan den Donau in Pesth, aan den St. Lawrence in Canada, aan den Dniepr in Kiew, en aan ontelbare andere plaatsen, heeft men Engelsche ingenieurs te hulp geroepen om die bouwwerken te vervaardigen, waardoor onze eeuw evenzeer uitmunt, als de midden-eeuwen door hare Gothische kerken.

Men kan zeggen, dat even als de Italianen door hun gloeiend enthousiasme voor het schoone, de Franschen door hunne fijne gezellige taal en hunnen smaak, zoo de Engelschen door hunne industrieele bedrijvigheid, en door hunne voortdurende werkzaamheid, de wereld vooruitgeholpen hebben. Zij zijn eene wezenlijk industrieele, ijverige, werkzame, ernstige natie, wier zin meer op het nuttige, dan op het idealische en schoone gericht is.

"Het hoofdgenot huns levens vinden zij in werken, in het te voorschijn roepen, niet in de vroolijke spelen en beuzelarijen der phantasie." Zij hebben het beroemde vers van hunnen Milton tot hunne leuze gemaakt: "to scorn delights and live laborious days" (vermaken te versmaden om hunne dagen aan den arbeid te wijden). Zelfs hunne genoegens hebben het karakter van werkzaamheden. Zij hebben allen hunnen oorsprong in het hoofd, niet in het bloed. Bij hen is geen spoor van de hemelsche uitgelatenheid der Romanische of Slawische volken, zooals die zich in hunne dansen duidelijk openbaart, of van de onschuldige tijdverdrijven der Duitschers. De Engelschen hebben de "useful pleasures" (nuttige genoegens) uitgedacht. Al hunne nationale-spelen en sports zijn leerrijk en gaan tevens met krachtsinspanning gepaard. Het zijn de uitspanningen van een mannelijk en energiek volk. Het overig Europa beproeft hen ook daarin eenigzins na te volgen, en Engelsche wedrennen en dergelijke zaken zijn in de andere landen bijna even algemeen geworden, als eens ten tijde der Romeinen de bloedige gladiatoren-spelen en dierengevechten.

Dat de zin der Engelschen wezenlijk op het nuttige en bruikbare gericht is, blijkt op eene bijzonder duidelijke wijze uit de omstandigheid, dat zij, niettegenstaande alle overige gebrek aan aesthetischen zin, een zeer beslist talent bezitten om alle producten van mechanische kunstvlijt een zeldzaam sierlijken vorm te geven, terwijl zij in het geven van een sierlijken vorm aan datgene wat slechts sieradiën zijn, ver bij de Franschen ten achter staan. De inrichting hunner huizen, hunne meubelen, hunne werktuigen en gereedschappen zijn niet alleen zoo doelmatig, maar ook zoo net en elegant gemaakt, dat men ze overal tot model kiest. Het huiselijke comfort der Engelschen werd in den nieuweren tijd, zelfs in Parijs, mode.

De hoogere kunstzin, het scheppende talent, dat het schoone om zich zelf in het leven roept, gaat den Engelschman echter zeer slecht af. In alle alleen schoone en vrije kunsten, staan zij bij de andere natiën ten achter. Vooral voor de muziek schijnt hun iets wezenlijks geheel te ontbreken. De geschiedenis der Engelsche muziek bestaat bijna geheel uit ledige bladen. Hunne krachtige, sissende, lispelende taal met hare vele kortklinkende, afgebetene woorden, de meestal eenigzins harde, zeemansachtige toon hunner stem, moest hen van zelfs reeds verhinderen, in de zangkunst uit te munten. Het half droomerige behagen en de verrukking, het gevoel waarmede de Duitschers de muziek genieten, zal den nuchteren Engelschman altijd vreemd blijven. Voor een harmonisch te samen spelen in het orkest, hebben zij veel te veel gevoel van eigenwaarde. "In een door Engelschen bezet orkest" zegt een geestig Franschman, "schijnt ieder op zijn eigen houtje, om zoo te zeggen, zijne bijzondere lievelings-aria te spelen," "avec cette noble indépendance qui caractérise l'artiste anglais." Dat zal voor eene "symphonie" wel eenigzins storend zijn.

Ook in de beeldende kunsten hebben zij niet uitgemunt. Bijna geene natie van Europa is van oudsher zoo arm, als de Engelsche, aan talenten voor de plastische kunsten geweest. Te vergeefs zoekt men naar een Engelschen beeldhouwer, dien men een Duitschen Rauch, een Franschen David, een Italiaanschen Canova, een Deenschen Thorwaldsen tegenover stellen kan.

In de schilderkunst hebben zij, overeenkomstig hunnen smaak, alleen slechts eenige goede dier- en landschapschilders aan te wijzen. Ook heeft het portretschilderen bij hen eenig geluk gehad. De dieren die, zooals een Italiaan eens opmerkte, bij de Engelschen alle mede in den hemel komen, hebben hunne Landseers bezield, en hunne waterverf-schilders hebben veel talent getoond, in het schilderen van eene pachtershut met een korenveld, of van een ouden molen en een in het bosch verborgen kerktoren. Zulke bescheidene takken der kunst, als het geliefkoosde "watercolourpainting," bloeien bij hen welig. De grootste schilder, dien zij gehad hebben, Hogarth, leverde niets idealisch, bijna niets dan karakterbeelden, die daarenboven dikwijls zeer overladen waren en veel karrikatuur-achtigs hadden. Waar hunne phantasie zich, als eene slingerplant, aan iets dat voor de hand lag, aan iets wezenlijks, iets nuttigs, b.v. aan de natuur, aan de dieren, aan uitdrukkingvolle gezichten kon aansluiten, daar gelukte haar iets. Waar zij zich echter vrij, als een ballon in de lucht, verheffen moest, daar verloor zij het evenwicht. Alle bloot phantastische producten der Engelsche kunstenaars, hebben iets overdrevens of plomps.

Datzelfde laat zich ook van den bouwstijl hunner architecten zeggen. Terwijl deze overal daar, waar voor eene nuttige levens-behoefte gezorgd moest worden, bij voorbeeld in hunne bekoorlijke cottages, de volkomenste doelmatigheid en eenvoudigheid met den bevalligsten vorm en de liefelijkste elegance weten te verbinden, is voor het overige hunne ornamentiek plomp en log. Alle Engelsche praal-gebouwen van Wren, de beroemde St. Paulskerk, en ook de nieuwe parlements gebouwen, missen naar het oordeel van kenners het wezenlijk aesthetische, en alle publieke kunstmonumenten dezer groote natie, met de standbeelden van hunne Koningen en van Wellington aan het hoofd, maken een armzalig figuur.

Wanneer men nagaat wat zij in deze en andere schoone kunsten voortgebracht hebben, wanneer men hen, waarvoor zij in den nieuweren tijd eene zoo groote neiging opgevat hebben, zelf zingen en musiceeren hoort, dan zou men het bijna betreuren, dat John Bull zich ooit met deze zaken heeft ingelaten, en dat hij niet liever alleen voortgegaan is, door zijn solide geld, door bezoldiging der talenten en den aankoop der producten van andere volken, den bloei der kunsten op zijne wijze te bevorderen.

Vele grootschere monumenten dan in metaal en marmer, die in den hun klimaat eigen vochtigen nevel en in den steenkolendamp hunner steden zoo gemakkelijk roesten en zwart worden, hebben de Engelschen in eene lichtere stof, die echter Horatius aere perennius (duurzamer dan metaal) noemt, opgericht. Hunne taal en literatuur geven het ondubbelzinnigste bewijs voor de kracht van hunnen geest. Ofschoon de Engelsche taal niets minder dan eene oude taal is, veel meer in nog hoogere mate dan het volk zelf, uit de bontste, vreemdste elementen ontstond, zoo is zij toch eene der rijkst ontwikkelde en dichterlijkste idiomen van het nieuwere Europa.

Men verwijt den Duitschers het opnemen van vreemde woorden, en vindt de schoonheid hunner taal daardoor benadeeld. De Engelsche taal bestaat, even als de Markuskerk in Venetië, bijna uit louter samengeroofde en in elkander gevloeide Germaansche, Romeinsche, Grieksche, Fransche en Celtische elementen, en toch heeft de energieke geest der natie, deze elementen zoo versmolten en verwerkt, dat, even als bij de Markus-kerk, een verwonderlijk fraai gebouw ontstaan is.

Zij imponeert ons door hare energie en kortheid, en door de uitdrukking van mannelijkheid die aan ieder woord eigen is, en ook bij hunne uitspraak aangetroffen wordt. Daar zij uit vele andere talen en dialecten schepte, zoo heeft zij voor bijna ieder begrip verschillende woorden, en is zij in staat, ter aanduiding der fijne nuancen dezer begrippen, nu van den eenen dan van den anderen taalschat te leenen. "Alles wat Duitschers, Franschen en Romeinen in hunne talen kunnen uitdrukken, staat, om er bij gelegenheid gebruik van te kunnen maken, nauwlijks ergens gelukkiger bij elkander dan in het Engelsch woordenboek."

Daar de Engelsche taal ook tegenwoordig nog altijd voortgaat, zich gemakkelijk vreemde uitdrukkingen toe te eigenen--zij bezit die, om zoo te zeggen uit alle streken der Aarde--daar zij in hare woordvoeging en in haren grammaticalen bouw zeer eenvoudig is, zoo schijnt zij meer dan eenige andere taal geëigend eene wereldtaal te worden.

Inderdaad heeft zich ook in de laatste eeuw geene tweede taal zoo over de Aarde verbreid als deze. Zij is de taal van groote, nieuw ontstane beschaafde volken, aan de uiteinden van den aardbol geworden. Zij heerscht op beide oceanen. Ook in Europa heeft geene taal de vroeger hier algemeen heerschende Fransche taal meer afbreuk gedaan, dan de Engelsche. Niet alleen zijn in den laatsten tijd eene menigte Engelsche uitdrukkingen in alle Europeesche talen overgegaan, maar de kennis der Engelsche taal is ook bijna algemeen op de scholen en bij de opvoeding, een tak van het onderwijs geworden.

Even als de Engelschen in de trans-oceanische wereld, de buitengewone bloei hunner rijke literatuur te danken hebben aan hunne zeevaarders, kooplieden en kolonisten, zoo hebben de Engelschen bij ons, deze gunstige uitkomst aan hunne uitstekende dichters en schrijvers te danken.--Ook deze literatuur is in hare verschillende takken weder eene afspiegeling van den geest, die de natie bezielt. Zij is een prachtig ontwikkelde boom, vol sappige, genietbare en voedzame vruchten.

Maar de tuinier-schaar der kunst heeft aan dien boom weinig gearbeid. Hij is tamelijk onregelmatig en geheel uit eigene natuurkracht opgegroeid. Noch de dramatische, noch de lyrische gedichten der Engelschen, hebben zich aan zoo strenge regelmaat en vorm onderworpen, als die der Franschen en Italianen. "Vrij en ongedwongen vliet de stroom hunner dichterlijke geestdrift, zelfs op het gevaar af, de grenzen van den goeden smaak somwijlen te overschrijden." Daarentegen waren zij gevrijwaard voor de kunstenarijen en spelingen, waarin de vers-kunstenaars der Italianen, Spanjaarden en andere Romanen zich zoo gemakkelijk verloren. In meer dan één opzicht zijn de Engelschen natuurdichters. "Geen dichter heeft de natuur onvervalschter in zich opgenomen en getrouwer voorgesteld, geen het werkelijke leven, met meer vrijheid van geest en meer oorspronkelijkheid, binnen den tooverkring der poëzie gevoerd, dan de Engelsche Shakespeare, bij wien de innerlijke waarheid even bewonderenswaardig is, als de diepte en de kracht van gevoel, en de groote mate van phantasie, waarvan zijne werken overvloeien, ofschoon hij zooals bijna alle Engelsche dichters, zeer ver verwijderd is van hetgeen men klassieke correctheid en kunstsmaak noemt.

"Krachtig en vrij, als de geest en het vernuft van een Shakespeare en andere Engelsche dichters, is ook de natie zelve. Fijne toespelingen, zooals men in Frankrijk kent, worden in Engeland in het leven, even als in de poëzie en in de literatuur bijna niet verstaan. De Britten houden niet van sierlijke zwakheid. Hardheid, als zij van een geestig hoofd uitgaat, vindt bij hen bijval. Veel, wat de Engelschen, om de kracht die er in gelegen is, bewonderen, noemen de Franschen plomp. En het oorspronkelijke, het vreemde, dat in het schoolsche, correcte Frankrijk niet bevalt, maakt dikwijls in Engeland zijn fortuin, zoowel in de literatuur, als in het dagelijksche leven."

De waarheidlievende Engelschen billijken het, wanneer men zich geeft voor hetgeen men is; de Franschen en Duitschers verlangen bescheidene zelfverloochening en schikking. De Engelschman stelt er somwijlen eene eer in, bij zekere gelegenheden met een zekeren overmoed te toonen, dat hij als een vrij man dicht, denkt en leeft, en dat het verwijt van zonderlingheid en vreemdheid hem weinig schelen kan. Dezelfde eigenaardigheden en belachelijkheden, die iemand in Engeland soms tot het voorwerp eener algemeene opmerkzaamheid, tot een lieveling bij het fashionable publiek en bij het hof gemaakt hebben, zouden voldoende geweest zijn om hem in Frankrijk en in Duitschland, als een gek uit alle goede gezelschappen te verbannen.

In Frankrijk dienen beleefdheid en voorkomendheid dikwijls ter verontschuldiging van vele fouten en gebreken. In Engeland staat de waarheid zoo hoog aangeschreven, dat zelfs grofheid en ongemanierdheid, als iets pikants, dikwijls in den smaak valt. Den hoffelijken en voorkomenden mensch behandelen de Engelschen zelfs met een zeker wantrouwen, den brutalen daarentegen dikwijls met toegevendheid.

Als een krachtig, gezond en kernachtig volk met vrije staats-instellingen, gevoelen de Engelschen zich aan de oude Grieken en Romeinen verwant. Vandaar het verschijnsel, dat de oude classici bij geen modern volk meer populair geworden zijn dan bij hen. De geleerde Duitschers hebben wel die schrijvers der oudheid het beste verklaard en geëmendeerd; de Franschen hebben zeer ijverig hunne kunstscheppingen nagebootst, maar de Engelschen hebben Homerus, Thucydides, Tacitus en Juvenalis het meest in vleesch en bloed opgenomen. Reeds vroeg begonnen zij de werken dezer schrijvers te vertalen, en ze in gemoderniseerden vorm, zelfs onder hunne nationale schrijvers op te nemen. Zelfs den staatslieden en den redenaars in het parlement, ja dezen minder dan anderen, vergeeft men niet, weinig vertrouwelijk te zijn met de mannelijke, krachtige, frissche ouden, waarmede de Engelschen intusschen toch slechts, om zoo te zeggen, eenerzijds, namelijk bij voorkeur door karakter, verstand en politiek, saamgegroeid zijn, en bij wie zij, zooals reeds aangemerkt is, wat kunst en smaak betreft, zeer verre achter staan.

Het naastebij zijn zij hun gekomen door hunne staatsregeling en door hunne daden, die de wereld deden dreunen, en op het gebied der literatuur met hunne historici, bij wie reeds sedert de vroegste tijden van het bestaan dezer literatuur, een bijzonder gezonden zin, een opvallend duidelijke voorstelling en begrip te bespeuren is. Even als zulks bij de Romeinen en Grieken het geval was, hebben ook deze Engelsche historici bij voorkeur zich bezig gehouden met de beschrijving der geschiedenis van hun eigen land. En van alle buitenlandsche geschiedenissen, hebben zij geene meer en beter behandeld dan de Grieksche en de Romeinsche. En als in de schilderkunst hun smaak viel op de karakterbeelden en het portret, zoo ook hebben zij op het gebied der geschiedenis, dikwijls en met voorkeur de biographie behandeld. Hunne historische literatuur is overrijk aan uitstekende levensbeschrijvingen.

Maar hun historische zin, hunne voorliefde voor karakterschildering, heeft als 't ware niet genoeg aan de werkelijkheid. Om aan dien zin te voldoen, ontstond bij hen de verdichte geschiedenis, de historische roman en de familie-roman, beide om zoo te zeggen soorten van wezenlijk Engelsche vinding. Er zijn volken, die in dit soort van literatuur opvallend arm gebleven zijn. De Engelschen echter overtreffen daarin allen. Hunne roman-schrijvers Fielding, Smollet, Scott, Boz, Thackeray, hebben de wereld met hunne even leerrijke als onderhoudende voortbrengselen overstroomd, en hebben nevens hunne Shakespeare's, Gibbons en Macaulay's er het meeste toe bijgedragen, om de Engelsche taal, de Engelsche zeden en beschouwingen in het buitenland bekend en populair te maken. Men heeft ze in Duitschland zoowel als in Italië, in Rusland zoowel als in Spanje ijverig gelezen en nagevolgd.

Napoleon heeft de Engelschen voor een bekrompen kramersvolk uitgescholden, maar dit was wel zeer ten onrechte. Wanneer zij tot in hart en nieren kooplieden zijn, zij zijn toch ook door en door poëtische naturen gebleven. Eenige hunner kooplieden hebben, naast hunne lords, de eerste plaatsen op den Engelschen Parnassus ingenomen. Ten bewijze daarvan herinner ik aan den in geestdrift ontstoken schilder van Italië, den koopman Rogers, en aan den koenen onderzoeker van Griekenlands geschiedenis, den Londenschen bankier Grote. Niet weinig beroemde politici en staatslieden zijn uit hunne, in ieder geval grootsche koopmanschap voortgekomen. Langen tijd waren Britsche kooplieden de regenten van een der grootste rijken der wereld, van geheel Engelsch-Indië. Een hunner handels-corporatiën, de zoogenaamde Hudsons-Bay-Company, regeert nog heden het geheele Noorden van Amerika. George Canning en Sir Robert Peel waren zonen en kweekelingen van kooplieden.

De oude Romeinen, die zoo weinig aanleg voor den handel hadden, dat zij zich bij hunne zaken meestal van de Grieken bedienden, waren hartstochtelijke landbouwers. De Engelschen, die zoo'n groote voorliefde hebben voor het aan de steden geketende handelsverkeer en de in haar welig tierende industrie, hebben zich toch niet minder ijverig dan de Romeinen toegelegd op de ontwikkeling van den grond, en op het landleven. Bij al hunne voorliefde voor fabriek- en handelspeculatiën, zijn zij toch tegelijk echte landbouwers, en verscheidene zaken in hun karakter en hunne zeden laten zich uit hunne voorliefde voor het landleven verklaren; zooals zich bij andere volken, vooral bij de gezellige Franschen en moderne Italianen, vele eigenaardigheden als steedsche gewoonten en eigenschappen laten beschouwen. Van de Engelschen kan men zeggen, dat zij in de steden alleen hunne zaken doen, maar dat zij, als warme vrienden der natuur, op het land wonen en het leven genieten. Geen volk vóór hen, heeft eene zoo innige samensmelting van stad- en landleven gehad. Ook in dit opzicht zijn wij begonnen hunne zeden na te volgen, en dat wij met onze familiën, meer en meer uit de oude pakhuizen en magazijnen in de vrije natuur gekomen zijn, is grootendeels eene verdienste en het werk van de ons daarin voorgegane Engelschen. Al onze steden hebben sedert eene halve eeuw eene hervorming ondergaan, aan welke de steden en de manier van wonen der Engelschen tot model schijnen gediend te hebben.

De practische landbouw staat nergens hooger dan in Engeland, en zij is het voorbeeld en het model van den landbouwkundigen vooruitgang voor geheel Europa geworden. "Zij hebben ieder landbouw-werktuig, iederen ploeg, ieder tuinmes de doelmatigste gedaante gegeven."--Het glanspunt hunner landhuishoudkunde is de veeteelt. Er valt nauwlijks een nuttig dier te noemen, waarvan de aankweeking door hen niet met voorliefde werd beproefd. Zij hebben de zoo ongeschikte en ruwe dieren, het paard, het rund, het schaap, het hoen, de duif enz., zooals de natuur ze leverde, ter hand genomen en hebben ze door kunst, om zoo te zeggen, zoo verwerkt, als het meest geschikt was voor het doel, dat de menschen er zich mede voorstelden, en van Engeland uit, worden voortdurend eene menigte dier veranderde rassen, over ons geheel vasteland verspreid.

Van even grooten invloed zijn zij op onzen, met de landhuishoudkunde nauw samenhangenden tuinbouw geweest. Vóór hen, werd deze kunst hoofdzakelijk door de Italianen en Franschen, dat is, door stadsche volken beoefend, en dien ten gevolge had zij iets stadsch, iets architectonisch. Ik herinner slechts aan de Italiaansche tuin-terrassen, aan de Fransche boom-poorten, loof-pyramiden en bladen-wanden. De Engelschen voerden de natuur in den tuin terug, en bevrijdden de sierlijke gewassen van de pijnbank der tuin-messen en scharen. Een Engelsch landschapschilder Kent was de schepper der moderne tuinbouwkunst. Na hem namen de boomen, de koninklijke eiken, de majestueuse linden en beuken der Engelsche parken, die natuurlijke bevalligheid, die ongekunstelde schoonheid en vrijheid van wasdom aan, die alleen een Engelsche tuinman aan de gewassen te geven of te laten wist, en die met de zeden en de vrije instellingen van dit krachtige volk in zoo groote harmonie staan. De Engelsche smaak in het aanleggen van tuinen heeft zich in den laatsten tijd over geheel Europa uitgebreid, en de Engelschen, wier vaderland op een natuurlijken tuin gelijkt, zijn oorzaak, dat nu ook de vriendelijke natuur met hare licht- en kleurenpracht, met hare Dryaden en Najaden, in onze vroeger zoo sombere steden binnengedrongen is.

Er bestaat in Noordelijk Europa geen land, waarvan het zoo gematigde, om zoo te zeggen neutrale klimaat, voor zoo velerlei soort van planten zoo gunstig is, en waarheen het zoo gemakkelijk valt, de kinderen der Flora uit het afgelegenste Zuiden, naast de planten van het hooge Noorden te plaatsen. Dien ten gevolge--en ook ten gevolge zijner uitgebreide connecties--is Engeland de stapelplaats van alle planten der wereld, en voor ons Europeanen het land van aankomst en doortocht dier planten geworden. Van daar uit worden onze broeikassen gevuld, en er zijn weinige in den laatsten tijd beroemd geworden bloemen, sierplanten of planten van nut, wier verbreidingsgeschiedenis door Europa, ons niet naar de Engelsche tuinen en broeikassen, als tot hare bron, terug voert.--Met de planten zijn ook Engelsche tuiniers, onder wie vooral de Schotsche uitmunten, de wereld doorgetrokken. Men treft ze tot in de verste deelen van Rusland en Amerika aan, en zelfs bij ons staan zij dikwijls aan het hoofd van tuinbouw en bloemkweekerij.

Eene zoo eminente natie als de Engelschen, die door haar vast karakter, hare macht, haren rijkdom, hare literatuur geheel Europa ontzag inboezemde, moest ten slotte ook wel in andere minder wezenlijke zaken geacht en nagevolgd worden, en zoo kwamen langzamerhand niet alleen hare taal, hare dichtwerken, maar ook hare kleeding en keuken bij ons in de mode, en in beiden is haar invloed een zeer weldadige geweest.

Even als bij andere zaken, zoo hebben de Engelsche ook bij hunne kleeding altijd het doelmatige en tevens het nette voor oogen gehad. Van oudsher zijn hunne nationale-kleederdrachten minder sierlijk en prachtig, dan wel gemakkelijk en met het menschelijk lichaam overeenkomende geweest. Hunne gemakkelijke overjassen, hunne wijde, breedschouderige wandeljassen van solide stoffen, die wij bijna algemeen aannamen, hebben ons ten deele uit de ketenen der engsluitende Fransche kleeding bevrijd.

Er zijn volken in Europa, die in het geheel geen of slechts een geringen invloed op de kleedij der bewoners van ons werelddeel gehad hebben, zooals bijvoorbeeld de Duitschers, die nooit recht wisten, hoe zij zich kleeden wilden of moesten. De Engelschen hebben na de Franschen den meesten invloed op modezaken. Wij dragen verscheidene kleedingstukken, die, zooals de "Macintosh," het "Spencer," hunne namen aan Engelsche individuën ontleenden, die ze het eerst in zwang brachten.

Denzelfden geest, hetzelfde streven naar het natuurlijke, naar het substantieele en voedzame, die uit het wezen der Engelschen overal tot ons spreken, ontmoeten wij ook in hunne keuken. Hier, even als in de inspiratiën hunner Muzen, verwaarloozen zij den smaakvollen vorm, maar letten zij des te meer op kracht van stof en goede hoedanigheid van het voedingsmiddel.

De producten hunner kookkunst hebben geheel het solide en krachtige, soms eenigzins kolossale, dat ook de scheppingen hunner bouwkunst en men kan zeggen alle openbaringen van hunnen geest eigen is. Hunne vleeschspijzen, die zij, om er maar weinig van de natuurlijke kracht aan te onttrekken maar zeer kort aan den verterenden invloed van het vuur blootstellen, is een soort heroën-kost, hun drank, bij voorbeeld het porter-bier, is een vloeibaar voedsel.

In nieuweren tijd is ook van deze kracht en natuurlijkheid der Engelsche kookkunst veel in onze keukens overgegaan, en misschien zou het voor ons zeer heilzaam wezen, wanneer wij (met eenige beperking) nog meer aan dien invloed toegaven.

Met deze opmerking ben ik dus, in eene vluchtige schets van den Engelschen nationalen-geest, tot het laagste departement hunner nationale huishouding, in keuken en kelder afgedaald. En ofschoon ik den lezer nog door talrijke andere afdeelingen van een zoo uitvoerig labyrinth, als het wezen van een onzer grootste ontwikkelde volken aanbiedt, zou kunnen voeren, wil ik hiermede besluiten, en door een achterdeur van dit souterrain, eene verdere uitweiding van dit onuitputtelijk thema trachten te ontkomen.

DE ZWEDEN, NOORWEGERS EN DENEN.

Uit steen en erts gebouwd, om zoo te zeggen één enkel kolossaal van vele kloven voorzien graniet- en ijzerblok--strekt zich het groote Skandinavische schiereiland ver in het ijs en het schemerlicht der poolstreken uit.--Zich in de gedaante eener groote halve maan van ons werelddeel losmakende, zweeft zij als een getrokken zwaard over het middelste lichaam van Europa heen.--Aan alle zijden is het door zeewater omgeven, en slechts een gedeelte is door uitgestrekte sneeuwvelden met het overige vasteland verbonden, zooals zulks gedeeltelijk ten Zuiden bij Denemarken, gedeeltelijk ten Oosten bij Finland, door eilanden groepen, die als bruggen zouden kunnen beschouwd worden, geschiedt.

Van het Zuiden naar het Noorden gaande--in tegenstelling met het van het Oosten naar het Westen loopende hoofdgedeelte van ons vasteland--gaat het door 20 breedtegraden, 300 mijlen opwaarts tot in die streken, waar men aardappelen en erwten in bloempotten moet aankweeken, en strekt zich tot hoogere parallellen uit, dan zelfs het land der Samojeden, waar men alleen onder den grond bescherming vindt tegen koude en orkanen. Met recht noemen wij Europeanen het dus, bij voorkeur "het Noorden" van ons werelddeel, en zeer opmerkelijk is het, dat de Romeinen, toen zij dat zoo eigenaardige land het eerst leerden kennen, het "eene andere wereld" noemden.

Even als een oude, knoestige en rimpelige eik boven het lage hout der elzen- en hazelnooten-boschjes uitsteekt, zoo steekt dit Noordsche gletscherrots- en Alpengebied, boven de lage vlaklanden uit, die aan gene zijde der zee er in het Zuiden en Oosten om heen gelegen zijn. En als een eik heeft het van oudsher in zijne geïsoleerdheid, vrij, eigenaardig en onafhankelijk daar gestaan, zelden lijdende van de volksoverstroomingen en veranderingen, die het hoofdlichaam van Europa doorwoelden, en daarvan slechts de laatste golfslagen gevoelende; daarentegen heeft het van zijn hoogen zetel, dikwijls op de lotgevallen van het Zuiden ingewerkt en genoemde stormen zelfs aangeblazen.

Even als door het geheele Oosten van ons werelddeel heen, zoo hadden ook de eerste herders- en jagersvolken van den Finschen stam, reeds in overoude tijden, den weg naar de bosschen en bergkloven van Skandinavië gevonden en daar hunne rookerige hutten gebouwd. Nog heden ten dage beroemen de Lappen, de broeders der Finnen, er zich op, dat zij het oudste volk in het Zweedsche rijk zijn, en dat het geheele land hun eens toebehoord heeft. Deze Lappen zijn waarschijnlijk de overblijfselen der merkwaardige Aborigines, van die oorspronkelijke bevolkingsstof, waarop de sagen der tegenwoordige Germaansche Skandinaviërs wijzen, en wier met gras begroeide grafheuvelen wij overal in het land, naast de heldengraven hunner nakomelingen, verstrooid vinden. De latere Germanen, die het land binnentrokken, roeiden die Finnen of Lappen ten deele uit, of dreven hen naar het hoogste Noorden terug.

Dat daarbij ook een deel der oorspronkelijke bewoners met de Germaansche stammen versmolt, bewijst de Zweedsche taal, die een groot getal uitdrukkingen voor huisraad en visschers gereedschap, aan het Finsch en Lapsch ontleend heeft. Ook merkt men hier en daar in het Noorden van Skandinavië, dal-bevolkingen op, die in lichaamsbouw en gelaat duidelijk het Finsche of Lapsche type hebben, ofschoon zij nu Noorweegsch of Zweedsch spreken. Ook de Loffodische eilanden, bij Noorwegen, zijn, naar men meent, nog heden door zulk een Germaansch-Finsch volk bewoond. De tijd, waarin deze zaken voorbereid werden, ligt buiten het bereik der geschiedenis. Wij weten noch wanneer, noch hoe en langs welken weg die Germaansche inval plaats had. De eigenaardigheid van het afgelegene en door zeeën afgescheidene groote land, waarin zij kwamen, moest de daarheen trekkende Germanen, wanneer zij het van nature niet reeds waren, tot een bijzonder, van de overige Germanen verschillend volk maken.

Men kan zeggen, dat al het in Europa door Germanen bewoonde land, geographisch uit twee hoofddeelen bestaat, uit het groote in het midden van Europa tusschen de Noordzee en de Middellandsche zee ingewrongene stuk (Duitschland) en uit het even groote door de zee daarvan gescheidene, Noordsche schiereiland. Dat in deze beide groote, zulk een scherp contrast met elkander makende, gedeelten van het Germaansch Europa, zich ook twee groote takken van den volksstam, een Noord-Germaansche (of zooals de Skandinaviërs zelven liever zeggen Gothische) en een Zuid-Germaansche of Duitsche tak, òf vormen moesten, òf moesten blijven bestaan, was, zeg ik, zeer natuurlijk.

Behalve de oorspronkelijke Lappen of Finnen en de het land binnengetrokkene Germanen, weten wij van geen ander eenigzins gewichtig volk af, dat zich blijvend op het groote schiereiland nedergezet of uitgebreid heeft. De ethnographische geschiedenis der Skandinaviërs is daarom vrij eenvoudig. Al die ontelbare volken-vermengingen in al de overige gedeelten van Europa, hebben het, buiten de bewegings-richting liggende, Skandinavië niet aangedaan. Nooit is het, na die eerste Germaansche verovering, andermaal door vreemden bezet of zelfs gekoloniseerd geworden.

Phenicische zeevaarders zouden echter, naar de meening van een nieuweren Zweedschen onderzoeker, tot naar Skandinavië doorgedrongen zijn, en daar menig spoor hunner aanwezigheid achtergelaten hebben. Hunne inwerking was echter in alle geval noch van zoo ingrijpenden aard, noch zoo langdurig, als b.v. in Spanje. De Grieken hebben hier geene handelskantoren of factorijen gehad. Romeinsche soldaten of kolonisten hebben het land nooit onderworpen. Vooral ook is het schier van alle latere Aziatische en Oostersche invallen bevrijd gebleven. Nooit is het--zooals Duitschland en zelfs Frankrijk somwijlen--door de invallen der Hunnen, Mongolen, Turken en Tataren verontrust geworden. Ook de Slawen, die bij massa's tot in het hart van Duitschland doordrongen, deden dit Noorden slechts even terloops aan. Zelfs van de overal zijne vertakkingen hebbende immigratie der Israëlieten, en de door hen veroorzaakte harrewarrerijen en vermengingen, is dit land vrij gebleven. En in dit, evenals nog in menig ander opzicht, is dit land eenig in Europa.

Bezwaarlijk zal men ergens anders een minder vermengd oud ras, een oorspronkelijker Indo-Germaansch volk vinden, dan in Skandinavië, in welks granietrotsen en gebergten ook, even als in zijne bevolking, de oorspronkelijke vormingen zichtbaar zijn, terwijl deze, in zuidelijker gelegene landen, door vele jongere vervormingen bedekt zijn. Vooral is dit Noorden, in menigerlei opzicht, de oud-Germaansche geaardheid trouwer gebleven, dan het Duitsche hoofdland zelf, en is het in verscheidene opzichten de bewaarplaats en beschermer der traditiën van den geheelen grooten Duitschen stam geworden. Dààr bleven de mythen van den ouden Odins-dienst zeer lang bestaan. Dààr weerklonken nog langer de vroegste helden-liederen en sagen, die misschien nog zinspelen op de daden der Germanen onder de Asen [19] en in Azië, en die naar de getuigenis van den Gooth Jornandes, [20] eens ook in den mond der stammen van Duitschland zelf leefden. Dààr ook, aan gene zijde van de Belten en van den Sond, vindt men nog onveranderder dan ergens anders, de goudgele lokken, de helder blauwe oogen, de slanke taille, de hooge gestalte der oude Germanen, die eens door Tacitus geschilderd werden.

Hoe ongedeerd, volgens dit alles, dit land van buiten gebleven is, zoo weinig rust heeft het van vroege tijden af inwendig genoten. Reeds zijne oudste geschiedenis is zoo rijk aan omwentelingen, aan bloedige burger- en broederoorlogen, als eenig ander land. De verschillende stammen, waarin de Skandinaviërs verdeeld waren, waren over en weer dikwijls met elkander in oorlog, en hebben meer dan één vreeselijken Brawalla-slag [21] onder elkander gevochten, waarvan het aandenken en de helden die er in uitmuntten, in hunne liederen gevierd werden, als waren het zegepralen over vreemdelingen. Deze inwendige, van de vroegste tijden af dagteekenende, wijzingen en vijandelijkheden,--de rustelooze en ondernemende zin van het volk--de karige en armelijke natuur van het land, die de bewoners wel verstaalde en verhardde, maar dikwijls met hongersnood en ellende plaagde, hebben dien ten gevolge dikwijls tot verhuizingen en krijgstochten naar den vreemde aanleiding gegeven.

Af en toe hebben zich de onrustige onweerswolken van het Noorden ontladen en zich, van uit het machtige schiereiland, naar alle zijden heen doen gevoelen, en tengevolge daarvan hebben de Skandinaviërs, in het overig Europa veel meer verwoestingen aangericht en er veel meer koloniën heen gezonden, dan zij van daar ontvingen.

Deze tochten der Skandinaviërs naar het buitenland waren vermoedelijk overoude, dikwijls herhaalde gebeurtenissen. Want reeds Tacitus vermeldt in de eerste eeuw na de geboorte van Christus, dat Suionen (Zweden, Skandinaviërs) sterk door hun getal, door hunne wapens en vloten waren. De Germaansche kolonisten, die de Romeinen, reeds lang voor de Anglo-Saksers het land binnentrokken, in Schotland vonden, zijn misschien wel uit Skandinavië overgekomen. Ook zou voor Christus geboorte, de beroemde tocht der Cimbren en Teutonen,--die, zooals het heet, door overbevolking, honger en watersnood veroorzaakt werd,--in Skandinavië zijn oorsprong gevonden hebben.

Even als de tocht der Cimbren en Teutonen, zoo willen de Skandinavische patriotten, de geheele verdienste en ook de geheele verantwoording der zoogenaamde volks-verhuizing op zich nemen. Zij beweren, dat niet alleen de Oost- en West-Gothen, maar ook de Longobarden en de Vandalen, ja zelfs ook de Franken en de Saksers, of toch ten minste de Koningen, stichters en helden dezer volkenbonden uit Skandinavië, deze, zooals zij het noemen, wieg en werkplaats van tallooze volksstammen, af te leiden zijn. Zij hebben zelfs het portret van den Oost-Gothischen Koning Theodorik, te Upsala onder de rij portretten van Zweedsche Koningen opgenomen, en hebben daar ook den beroemden zilveren codex, het kostbare met zilveren letters op purperkleurig perkament geschreven brokstuk, van het oude in Duitsche (Gothische) taal opgestelde boek, als iets wat hun het meest aanging, bewaard; ofschoon juist dit boek, waarvan de taal veel meer met het Hoog-Duitsch dan met het Skandinavisch gemeen heeft, het best bewijst, dat de Gothen der volks-verhuizing die het schreven, niets minder dan Gothen uit Skandinavië of minstens dit zeker niet uitsluitend en in hoofdzaak waren.

De volksverhuizing, die de oorzaak van den ondergang van het Romeinsche rijk was, was veeleer een uitspruitsel der groote beweging van het geheele Germaansche Europa, en waarschijnlijk had hierop,--niet, zooals de Zweden en Denen meenen, op het altijd slechts schaars bevolkte Skandinavië alleen,--dikwijls herhaalde uitdrukking van een Romeinschen schrijver, als hij spreekt over de wieg en de werkplaatsen der volkeren, betrekking. Bezwaarlijk zal zich nu nog het aandeel, dat de Skandinaviërs aan die, de wereld in rep en roer brengende gebeurtenissen hadden, laten onderscheiden van het aandeel dat de eigenlijke Duitschers daaraan namen.

Veel meer uitsluitend Skandinavisch en veel belangrijker in hare gevolgen en voor ons onderwerp, was eene tweede reeks van onweersbuien en volks-ontladingen uit het Noorden, die eerst begon, nadat de stormen in het hart van Europa waren gaan liggen, al de door elkander woelende natiën hare vaste woonplaatsen reeds ingenomen en duurzame Christelijke rijken gegrondvest hadden.

Een geheele stilstand en volkomen vrede, zal bij de Skandinaviërs tot op de groote, zoogenaamde Wikinger- of Nooren-tochten, die ten tijde van Karel den Groote een aanvang namen, wel nooit geheerscht hebben.--Hongersnood, inwendige verdeeldheid en andere oorzaken tot tochten op den Oceaan, vond men daar voortdurend. Ook was het in het Noorden een oud gebruik, dat het jongere volk, daartoe door het lot aangewezen, zijn geluk als "Vikinger" (krijgslieden) in vreemde landen zoeken moest. Maar in rustige tijden bepaalden die zich tot de nabuurschap.

Waardoor deze, van oudsher dagteekenende Wikinger-tochten, in het aangegevene tijdperk, een zoo grooten sprong en uitbreiding namen, dat zij, om zoo te zeggen, het geheele werelddeel als eene algemeene branding bestormden, is ten deele uit den toenmaligen toestand van Europa, ten deele uit bijzonder sterke innerlijke bewegingen in Skandinavië zelf, te verklaren.--Het Christendom, dat bij zijne aankomst overal stormen verwekte, drong toen ten tijde het Noorden binnen en te gelijk de vorming eener overwegende, vereenigende, koninklijke- en staatsmacht.--Dit nu dreef de kleine stamhoofden of zeekoningen en hunne zonen, die noch hun oud Odinsgeloof, noch hunne even zoo oude persoonlijke onafhankelijkheid wilden opgeven, meer dan ooit naar de zee, en wel met het bepaalde doel, niet zooals vroeger alleen om te plunderen, maar ook om hun oud, door die nieuwigheden aangetast vaderland te verlaten, en zich in het overig Europa nieuwe vaderlanden te veroveren.

Dit overig Europa echter was toen, na de oplossing van het groote Karolingische huis, in een toestand van erge ontbinding.--Vooral was het zwak ter zee; alle staten waren zonder vloten, de kusten zonder verdediging. Op de geheele Middellandsche Zee heerschten de Arabieren, de vijanden van het Christendom, en even als deze in het Zuiden, zoo vulden de zeevaartkundige Noormannen weldra de geheele Noordzee met al hare zeeboezems en kusten.--Tuk op schatten, voeren zij in kleine, onder het kommando van stoute zeekoningen vereenigde eskaders, door alle wateren, en vonden zij den waterweg naar Spanje en tot naar de Middellandsche Zee. Als eene eeuwig dreigende onweerswolk, waaruit men ieder oogenblik hagel en bliksem verwachten kon, verbreidde zich het woeste Skandinavendom over den Oceaan. "Als zee-monsters stortten zij uit de golven op de landen, drongen de mondingen der stroomen van Duitschland, Frankrijk, Engeland, ja! van alle andere landen binnen, en rukten, overal roovende en verwoesting aanbrengende, diep landwaarts in.

Verscheidene landstreken plunderden en verwoestten zij slechts, herhaalde malen in den loop van tweehonderd jaren, zonder daar blijvende koloniën te stichten. In andere streken echter kregen zij vasten voet en stichtten zij--zooals in Groot-Brittanje, Frankrijk, Rusland en eindelijk in Zuid-Italië--nieuwe en zeer merkwaardige rijken.

In Rusland hadden zij reeds zeer vroeg, duurzame en dikwijls bezochte handels-koloniën. Zij--daar "Waräger" (bondgenooten) genoemd,--marcheerden onder hunnen "Rürik" en zijne broeders en strijdmakkers, in herhaalde tochten dwars door de geheele breedte van het groote land, zeilden uit de mondingen zijner rivieren Zuidwaarts naar de Zwarte zee, en grepen van die zijde herhaalde malen Constantinopel aan, waar zich aan het hof der Byzantijnsche Keizers, ten slotte een blijvende lijfwacht van Noormansche trawanten vormde. Zij bouwden in Rusland ook steden, en de oudste Russische staat dien zij stichtten, schijnt zijne kracht en levensduurzaamheid aan den geest der bestuurders, wetgevers en veldheeren van Noormanschen oorsprong ontleend te hebben.--Niettemin is de Skandinavische nationaliteit, in het hart van Rusland, spoedig in de Slawische weder ondergegaan. Alleen hebben eenige oude Russische familiën zich nog lang, op hunne Noormansche afstamming uit de familie van Rürik, beroemd; ook dragen de "Russen" en "Rusland" zelf nu nog een naam, die van Skandinavisch-Germaanschen oorsprong is.

De Britsche eilanden, die zeer dicht bij hen aan de andere zijde van hunne West-Zee lagen, behandelden de Skandinavische zee-koningen gedurende twee eeuwen, om zoo te zeggen, als een deel hunner domeinen, die zij ieder jaar een onafgebroken schatting afpersten.--In schier alle kuststeden van Schotland, Ierland en Engeland nestelden zij zich vast, en hadden zij hunne legerplaatsen overal in de rondte aan de oevers. Eindelijk veroverden de groote Denen-Koningen Sueno en Kanut zelfs het geheele eilanden-rijk, en beheerschten het een tijdlang, tot zij het weder aan de dikwijls in opstand gekomene Anglo-Saksers verloren.

Van dien Deenschen tijd zijn vele gewoonten en eigenaardigheden afkomstig, die de Engelschen met de Skandinaviërs gemeen hebben. Ook vindt men sedert dien tijd in de Noordelijke provinciën van Engeland, b.v. in Northumberland en in het noordelijk Schotland, nog heden in de gebruiken, de taal en het uiterlijk type van het landvolk veel Skandinavisch.--De tot Engeland behoorende Orkneys en Shettlands-eilanden zijn sinds dien tijd bijna geheel door een volkje van Skandinavische afkomst bewoond geweest, waarbij ook nu nog een Noorweegsch dialect van het zoogenaamde "Norse" ten deele in gebruik is. Hetzelfde geldt ook van de kleine groep der 25 Schapen-eilanden of Färoër, in wier nevelrijke bergdalen en steeds bedauwde weiden, een eenvoudig, flink, Noorweegsch menschenslag van vischvangst en schapenteelt leeft.

Even als in Rusland en Groot-Brittanje, zoo is ook in Frankrijk de naam der Noormannen groot geworden.--Bij hunne dikwijls herhaalde invallen in de monden der Seine, die naar de rijke, dikwijls door hen geplunderde stad Parijs voert, hadden zij zich daar eindelijk vastgenesteld, en dat merkwaardige Hertogdom gesticht, waarin hun krachtige Noorsche geest grootere dingen gewrocht heeft dan ergens anders, en dat nog heden naar hen Normandië heet.--Ofschoon, wat taal en zeden betreft, zij spoedig in Franschen veranderd werden, bleef de heldhaftige ondernemingsgeest der ridders van Normandië, nog langen tijd geheel Noordsch-Germaansch en was dat zelfs nog, toen zij onder Willem den Veroveraar Engeland binnentrokken. Ook veel later nog, openbaarde het Germaansche karakter in deze Fransche provincie, zich nog in vele zaken. En zelfs nog heden ten dage, lacht den Germaanschen reiziger in Normandië, om zoo te zeggen, iets vaderlandsch tegen. Industrie, ontwikkeling, landbouw en de physionomie door hen aan het land gegeven, zijn in hooge mate Germaansch. Dat de bewoners van het Fransche Normandië nog heden, om hunnen strijdlust en om hunne zucht tot processen te voeren bekend zijn; dat zij, ten tijde der Hugenoten, het protestantisme bijzonder toegenegen waren, is volgens sommigen een naklank uit het Germanendom. Ook dat Frankrijk van oudsher uit Normandie zijne uitstekendste en meest volhardende zeelieden kreeg, en dat zijne beroemdste admiraals en vlootvoogden inboorlingen van Normandie waren, schrijft men aan hunne afstamming van de landslieden der "Zee Koningen" toe. Ook hoort men nog heden meermalen de Franschen hunne landgenooten uit Normandie, als wilden zij aan hunnen oorsprong uit het Noorden herinneren, les froids Normans (de koude Noormannen) noemen.

Ook tot in het hart van Duitschland drongen toen de koene en ruwe mannen uit het Noorden door. De Rijnsteden brandschattende, voeren zij herhaalde malen den Rijn op, zoover als zij met hunne kleine schepen komen konden.--Bij die tochten kregen zij zelfs het verhevene Gletscher- en Alpenland, Zwitserland, in het gezicht en daar dit hun eenige gelijkenis scheen te hebben met hun vaderland, zoo besloten de aanvoerders van een hunner strooptochten, zich daar neder te zetten. Zij kozen daartoe, het nu zoogenoemde "Ober-Hasli-dal, eenige nevendalen van het Berner-Oberland en de landstreken aan het Vierwaldstädter-meer. Daar leeft nog heden ten dage een bijzonder fraaie en flinke Noordsche volksstam, die, zooals ik bij het behandelen der Zwitsers opmerkte, tot op den huidigen dag de sage zijner afstamming van de Noormannen bewaard heeft. De beste Zweedsche geschiedschrijver, Geyer, gelooft aan deze sage. Ook den naam van het kanton Schwijz en die van het geheele land Zwitserland ("Schweiz") heeft men van den naam "Zweden" (Suita) afgeleid. Zoo heeft men ook de omstandigheid, dat de sage van Willem Tell in Skandinavië eveneens, met hetzelfde appelschot, met denzelfden voor een tyran bestemden pijl, verhaald wordt als in Zwitserland, met dit indringen der Noormannen in de Alpendalen in verbinding gebracht. Oorspronkelijk zou deze mythische Willem Tell (daar "Palnatoke" geheeten) in de bergen tusschen Zweden en Noorwegen te huis behooren.

Dat in de Alpen, in het zoo nabij het Hasli-dal gelegen Wallis, ook de Noordelijkste sporen der aanwezigheid van de Saraceenen of Arabieren uit het Zuiden gevonden worden, is boven reeds medegedeeld, en zoo hebben dus deze ver verspreide tijdgenooten, de Noormannen en de Arabieren, in de binnenste kern van het Centraal-gebergte, waaruit onze rivieren ontspringen, elkander even zoo ontmoet als op de Middellandsche Zee.

De zonderlingste ondernemingen echter, die de Noormannen omstreeks dezen tijd in het Noord-Westen van Europa uitvoerden, golden het ver afgelegene Thule, het groote door vulkanen gekliefde en met ijs bedekte eiland IJsland.--Daar schiepen zij, om zoo te zeggen, een geheel nieuw land en volk, stichtten en bevolkten eene hoogst merkwaardige republiek, wier burgers door heldenzin, poëzie en ontwikkeling, boven alle Skandinaviërs der 10de eeuw bijzonder uitmuntten.--Ofschoon deze eens onafhankelijke Skandinavische vrijstaat op IJsland, later aan de Noorweegsche en vervolgens aan de Deensche Koningen onderworpen geraakte, en onder hunne heerschappij tot onbeduidendheid verzonk, zoo zijn toch in taal, sagen, gezangen en in de oude geschriften van die afgelegenste aller Europeesche landen, de oudste overleveringen, de edelste taalschatten en historische heiligdommen van de Skandinavische volken beter bewaard gebleven dan ergens anders; eerst in lateren tijd zijn zij weder van onder het stof te voorschijn gebracht, om zoo te zeggen van onder sneeuw en ijs voor den dag gehaald [22] om menig duister punt in de geschiedenis van den geheelen Germaanschen volksstam op te helderen.--De IJslanders, die niet alle latere omwentelingen en veranderingen der Skandinaviërs medemaakten, spreken nog heden de primitieve Noordsche taal het zuiverst, verstaan gemakkelijk het oude, harde, ruwe Lapidair-schrift [23] der Edda (d.i. stammoeder) en lezen daarin, in den walm en het schemerdonker hunner houten hutten zittende, met den meesten ijver de heldendaden hunner voorouders.

Van uit IJsland bereikten reeds toen de Noormannen ook Groenland, en oogstten zelfs den roem in, eener ontdekking en betreding van het nieuwe vasteland van Amerika, lang voor Columbus [24].

De tijd, waarin zich dit schilderij van den grooten invloed der Skandinavische Noormannen ontvouwde, mogen wij in ronde cijfers, omstreeks het jaar 1000 n. Chr. vaststellen.

Toen hadden zij ons geheele vasteland in hunne netten ingesponnen, en waren er, om zoo te zeggen alom tegenwoordig, even als hun element, de overal in het land binnenkijkende Oceaan.--Zij trokken Europa om van de tundra [25] der Samojeden, tot de straat van Gibraltar en van deze Oostwaarts tot het Heilige land en tot den Pontus Euxinus, en vervolgens van dezen, zooals gezegd is, dwars door het breede Rusland weder terug tot hun Noordsch vaderland.--Als gebieders zetelden zij overal op de uiterste punten van het werelddeel, bij de Noordkaap en bij het Zuidelijk uiteinde van Italië, en hadden zij bovendien vele eilanden en punten van Groot-Brittanje en Gallië in hun bezit.--Wanneer ook al niet overal als land-heeren, zoo mochten zij toch alle havens van het werelddeel, als zee-heeren vrij binnenloopen, en op alle punten der kusten, als de schrik der bevolking, ongehinderd hunnen voet zetten.

Nooit heeft voor hen en, met uitzondering der Engelschen, ook nooit na hen, een zeevolk het geheele water om Europa op zulk eene wijze, om zoo te zeggen, in handen gehad.--Waren zij niet de membra disjecta [26] van een reus geweest, had een vereenigend organisme, een enkele staatswil ze allen bestuurd, dan zouden zij waarschijnlijk, even als eens de Romeinen, op den duur gevaarlijk voor de onafhankelijkheid van Europa geworden zijn.--Langzamerhand echter verminderde de kracht en de massa van het volk van het toch slechts spaarzaam bewoonde vaderland. Toen de andere staten en volken--ten deele zelfs met behulp dezer, van hun vaderland afstand gedaan hebbende Noordsche emigranten en van hunnen frisschen geest--zich weder vermanden; toen de omstandigheden ook in Skandinavië veranderden; toen daar het christendom overwinnend binnengedrongen was, machtige monarchiën--het eerst in Denemarken, dat in alle opzichten wat de geschiedenis der beschaving aangaat, meestal het overige Noorden voorging, vervolgens in Noorwegen en ook in Zweden,--zich bevestigd en den wilden zin der stamhoofden of Zee-Koningen gebreideld hadden; toen werden de talrijke bronnen en kraters dier tallooze uitbarstingen en kruisvaarten naar het Zuiden, verstopt. De plunderings- en veroveringstochten hielden op.--Als eene slak trok Skandinavië zich in zijn eigen huis terug. En eene dergelijke grootsche periode van roem en grooten invloed, heeft het Noordsche volk nimmer weder beleefd.

Wel is de stroom ook later nog herhaalde malen buiten zijne oevers getreden, maar deze overstroomingen bepaalden zich tot een kleiner gebied. Het meest ontmoeten wij na den tijd der Wikinger, de Skandinaviërs aan de overzijde der Baltische zee, op den sedert overoude tijden door hen bewandelden weg naar het Oosten, waar hunne voorvaderen het groote Rusland gesticht hadden.--Hunne nationale oorlogen tegen de Finsche stammen voortzettende, veroverden en bevolkten de Zweden daar, in de 12de eeuw, het geheele groote schiereiland Finland, dat zij met Skandinavische kolonisten vulden, en bijna 600 jaren lang als een integreerend deel van hun eigen rijk beheerschten.--Zij verloren deze groote provincie eerst in het begin dezer eeuw aan Rusland, maar tot op den huidigen dag zijn Zweedsche wetten, taal en zeden daar nog van kracht.--De kusten van het nu Russische Finland, zijn overal in de rondte door Zweedsche steden en Zweedsche bevolking omzoomd, terwijl het binnenste gedeelte, ofschoon door de Zweden voor de Luthersche kerk gewonnen, nog door de Finnen bewoond wordt.

Ook de andere, nu Russische Oostzee-provinciën, zijn door de Skandinaviërs, zooals vermoedelijk dikwijls in oude tijden, zoo ook in de latere eeuwen nog herhaalde malen meer of minder lang beheerscht geworden; zoo Esthland het eerst door de Denen in de 13de eeuw, later weder door de Zweden in de 16de en 17de eeuw tot op Peter den Groote; en even zoo ook Lijfland (maar niet zoo lang) in de 17de eeuw door de Zweden. Ja! in het begin der 18de eeuw, scheen het een oogenblik, alsof een tweede Rurik, een karakter dat zeer veel overeenkomst had met dat der oude Wikingers en Warägers, de avontuurlijke en heldhaftige Karel XII, die langs de oude wegen der Noormannen, Rusland diep binnendrong, zich gereed maakte, daar een nieuw Noormannenrijk te stichten. In de stamlijsten van den Duitschen adel der Russische Oostzee-provinciën, vindt men sedert dien tijd nog menige familie van Zweedschen naam en oorsprong, opgeschreven. Ook bevinden zich langs de kusten van Esthland, even als langs die van Engeland, eenige kleine eilanden, waar nog ten huidige dage, onder Russischen schepter, Zweedsche visschers en boeren wonen, die Zweedsche gewoonten huldigen en Zweedsche taal spreken.

Ook in de Zuidwaarts gelegene landen, in Polen en Duitschland, zijn in latere tijden de Skandinaviërs meermalen binnengedrongen.--Van Oldenburg, oostwaarts over Pommeren tot naar Koerland, is nauwelijks ééne Noord-Duitsche stad of provincie te noemen, waarin niet een of meermalen Denen of Zweden geheerscht, en die zij niet sedert de 12de eeuw tijdelijk in bezit gehad hebben.--Daar behoorden ook de Polen tot de erfvijanden der Zweden, waarmede zij dikwijls hunne zwaarden kruisten, wier landen hunne legers meermalen binnen marcheerden, en met wie zij ook eens, voor een korten tijd, in het einde der 16de eeuw, onder denzelfden koning vereenigd waren.

Het gewichtigst echter waren hier in het Zuiden, van oudsher de verwikkelingen hunner aangelegenheden met die hunner oude Duitsche stambroeders. Ja! van alle aanrakingen die zij met vreemden gehad hebben, is van oudsher geene voor de Skandinaviërs van meer invloed geweest, dan die met de Duitschers.

Van Duitschland kregen zij het eerst het oude katholieke en later ook het hervormde christendom. Door Duitschland werden zij, door het Hanze-verbond, dat reeds in de 14de en 15de eeuw geheel Skandinavië met koloniën en handelskantoren vulde, in den verkeers-kring van het Zuiden getrokken, en werden hunne oude zeeroovers langzamerhand in vreedzame, zegen aanbrengende handelaars veranderd.

Ook hunne Koningen hebben zij dikwijls aan Duitsche familiën te danken; de Zweden alleen vijf of zes maal. Vele adellijke geslachten werden hun van Duitschland toegevoerd en steeds, tot op den jongsten tijd, ontvingen zij van daar, meer steden-bewonende burgers, handwerkslieden en kolonisten, dan uit eenig ander land van het werelddeel. De weinige steden, die het aan steden arme Skandinavië bezit, werden met Duitsche hulp gebouwd. Ook hebben ten gevolge van dit alles, in het geheele Noorden, van oudsher de zeden, de ontwikkeling, de literatuur en de omgangs-taal der Duitschers, zich meer aanzien en invloed verschaft, dan die van eenig ander volk.

Met betrekking tot kunsten en wetenschappen, maakten de Skandinaviërs in zekeren zin slechts eene provincie van Duitschland uit, welks bewegingen zij altijd gevolgd zijn.--De geschiedenis van de poëzie en literatuur der Zweden, Noorwegers en Denen, heeft bijna geheel dezelfde tempo's, perioden en afdeelingen als die der Duitschers, en sluit zich aan deze op gelijke wijze aan, als de geschiedenis van de ontwikkeling der Portugeezen aan die der Spanjaarden, of als die der Schotten aan die der Engelschen. Met de Duitschers dommelden zij nog in de 14de en 15de eeuw, toen de muzen der Romeinen reeds lang ontwaakt waren. Met de Duitschers ontwaakte hun geest tijdens de kerkhervorming. Even als bij de Duitschers, ontstonden ook bij de Noord-Germanen, hunne moderne schrijf- en literatuur-talen, uit de kerkelijke beweging, uit de bijbelvertaling. Even als de Duitschers zongen zij aanvankelijk in de 16de en 17de eeuw, niet anders dan godsdienstige liederen en psalmen. Gelijktijdig met de Duitschers, werd hun Parnassus, omstreeks het einde der 18de eeuw, bezield en verlevendigd door talenten en bloesems van anderen aard. Hunne nationale en lievelingsdichters, de Denen Ewald, Baggesen, Oehlenschläger, de Zweden Bellmann, Tegnér en Geijer, waren de tijdgenooten en gedeeltelijk de vrienden van de Duitsche Schiller en Goethe. Iets dergelijks laat zich van hun Thorwaldsen en Byström, en van hun Linnaeus en Berzelius, met betrekking tot Duitsche mannen van kunst en wetenschappen zeggen.

Van minder gewicht is van oudsher, de terugwerking der Skandinaviërs op de Duitschers geweest. Slechts eens hebben zij in latere tijden weder krachtig in de geschiedenis der Duitschers ingegrepen, in de treurige perioden van den dertigjarigen oorlog, toen hun edele koning Gustaaf Adolf (die door Napoleon zelfs naast Hannibal, Cesar en Alexander den Groote, als een der grootste veldheeren der wereldgeschiedenis werd geplaatst) het Noordelijk Duitschland voor de overmacht van het huis Habsburg, en voor het bijna reeds overwinnende Katholicisme redde, en toen Zweedsche soldaten, Zweedsche nationale kleederdrachten en zeden, in Duitschland even algemeen werden, als eene eeuw te voren de Spaansche geweest waren. Maar ook deze zoogenaamde Zweedsche tijd in Duitschland, heeft in de ontwikkeling en de taal van het volk slechts weinige sporen achtergelaten die nog aangewezen kunnen worden.

Nadat de Zweden in het begin dezer eeuw, hunne laatste uit den dertigjarigen oorlog afkomstige bezitting ten zuiden der Oostzee, het eiland Rügen en een gedeelte van Pommeren, verlaten hebben, zijn daar van hen geene kolonisten en afstammelingen, geene taal overblijfselen, overgebleven, wel misschien nog iets in de gebruiken dier streek, en den hier en daar spreekwoordelijk geworden schrik voor den Zweedschen naam, waarmede men nog heden ten dage in Pommeren de kinderen naar bed jaagt. Skandinaviërs en Duitschers hebben zich hier overal duidelijk en scherp van elkander afgescheiden, en hebben zich naar hunne natuurlijke grenzen aan deze en gene zijde der zee teruggetrokken.

Zooveel, wat betreft de punten van aanraking der Skandinaviërs met vreemde volken, hunne koloniën, staat-stichtingen en zijtakken, en hunne voetstappen, sporen en overblijfselen buiten hun vaderland. Beschouwen wij hen nu in hun vaderland zelf, dan kan men beginnen met te zeggen, dat het geheele Skandinavië, in hoofdzaak ten gevolge van geographische- en historische verhoudingen, in drie groote hoofd-landen en volken-groepen, die der Zweden, der Noorwegers en der Denen, gesplitst is.

Even als door de zee en de noordelijke ligging, van het overige der wereld afgescheiden, zoo is het Skandinavische schiereiland over zijne geheele lengte door een groote bergstreek in twee deelen gesplitst, Oostelijk Zweden en Westelijk Noorwegen.

Zweden is veel bergachtiger, hooger, boschachtiger dan het vlakke Denemarken, maar vergeleken met Noorwegen schijnt het een laag heuvel- en rotsplateau-land, dat vóór de groote Noorweegsche bergruggen gelegen is.

Terwijl Noorwegen en zijne kusten naar den Westelijken Oceaan gekeerd zijn, is Zweden gekeerd naar het binnen-bekken der Oostzee, en dit heeft een beslissenden invloed op de natuur der beide groote helften van het schiereiland, en op de lotgevallen zijner bewoners uitgeoefend. De eene helft, de Noorweegsche, is overal toegankelijk voor de nevelen, de wolken, de gematigde winden der wereldzee, die zich aan hare bergen legeren en die haar een zachten regenrijken winter en vochtigen zomer, een eiland-klimaat geven.--De andere helft daarentegen, de Zweedsche, ontvangt met open armen alle invloeden van het Oosten, meer zonneschijn, meer helderheid, zeer koude en scherpe winters en korte, heete zomers. Noorwegen is een der grootste regenlanden van Europa, op Zweden daarentegen valt slechts een vierde der Noorweegsche regenmassa.

Het is gemakkelijk te begrijpen, dat wanneer ook al niet, beide zoo opvallend van elkander verschillende streken, van den beginne af aan door twee verschillende stammen bewoond werden, zich toch ten slotte een groot verschil in karakter en nationaliteit vormen moest.--De Noorwegers vooral waren het, die de groote daden der Skandinaviërs, op de door hen zoo dikwijls bezongene zeeën, verrichtten. Van hen zijn de meeste dier trans-oceanische Skandinavische koloniën in IJsland, Groot-Brittanje enz. uitgegaan.--De Zweden daarentegen hebben zich altijd in het breede, dicht voor hen liggende Oosten verdiept. Van hen vooral waren de Waräger afkomstig, die tot Constantinopel doordrongen en aan Rusland zijnen naam gaven. De koloniseering van het groote Finland is hun werk.

Aan de Denen kan men in dit opzicht onder de Skandinavische volken, eene middel- en dubbele plaats toekennen. Aan de vereeniging van de Oostzee met den Oceaan gevestigd, namen zij aan de beide richtingen der werkzaamheden hunner stamgenooten deel. Zij voeren met de Noorwegers in Westelijke richting den Oceaan in, en werden daar, even als deze, machtig--en aan de andere zijde in Oostelijke richting gingen hunne ondernemingen dikwijls parallel met die der Zweden, soms tot diep in Rusland, Polen en Duitschland.

Dat de Zweden, ten gevolge der aangegevene omstandigheden, tot een door ligging en gesteldheid van hun land verbonden geheel te samensmelten, en zich van de Noorwegers en Denen scheiden moesten, is natuurlijk.--Maar uit eene verdere onderverdeeling van het land ontstaat op even natuurlijke wijze eene verdere onderverdeeling van het volk.--In het Zuiden maakt zich het Zweedsche vasteland van zijne aaneengroeiing met Noorwegen los. Het loopt Zuidwaarts in een breeden landentop uit, die zoowel eene Oostzeekust heeft, als voor een gedeelte door den Oceaan begrensd wordt.--Deze Zuidelijke helft van Zweden is van het Noordelijke hoofdlichaam van het land, verder door eene reeks groote zeeboezems, en eindelijk nog door een breede streek van vroeger ondoordringbare en eerst in lateren tijd gedunde wouden gescheiden.

Er ontstaat op die wijze een Zuidelijk Zweden, dat zich bijna als een groot eiland voordoet, en een Noordelijk, dat meer met het Noorden van het vasteland vastgegroeid is.--Deze verdeeling van het land in twee deelen heeft ook van de oudste tijden af, eene verdeeling in twee deelen van het Zweedsche volk veroorzaakt, die nog heden ten dage uit een ethnologisch oogpunt eene meerdere of mindere waarde heeft.

In de Zuidelijke breede landenpunt, woonden de zoogenaamde Gothen of Guthen, die lang hier hun eigen koningrijk "Gothland" of "Götarike," hadden; in het Noorden der bosschen en merenrij daarentegen, de in naam, zeden en dialect van genen afwijkende, eigenlijke Zweden. De wieg en oorspronkelijke woonplaats van laatstgenoemden, is in de vlakke en vruchtbare landschappen rondom den grooten fiord, die men het Meler-meer noemt.

Hier vormde zich het oude koningrijk en volk "Suithiod" of "Swearike," het eigenlijke Zweden, dat langzamerhand echter verder om zich heengreep en ook het Zuidelijk land en volk der Gothen, ten deele door geweld en bloedige oorlogen, met zich vereenigde.--De veel bezongene Brawalla-slag, die op de grens van het land der Zweden en dat der Gothen plaats vond, mag als een dezer gevechten tusschen de Zuidelijke en Noordelijke Skandinaviërs beschouwd worden. Die vijandelijkheden en verschillen tusschen Zweden en Gothen, waren dergelijke als die tusschen Noord- en Zuid-Duitschland, en meestal was het de vraag of de "Gothen" dan wel de "Zweden," aan het geheele rijk een opperhoofd zouden geven.

Eerst in nieuweren tijd hebben de Denen hunne uiterste en laatste bezitting op het Skandinavische vasteland, in het oude land vanwaar zij herkomstig zijn, het landschap Schonen opgegeven.--En eerst sedert dien tijd, sedert de Roeskilder-vrede in het jaar 1658, omvat de Zweedsche naam het geheele tesamenhangende en natuurlijk begrensde land ten Oosten van den Noorweegschen bergrug.--Desniettemin echter is er nog tot op den huidigen dag, altijd een onderscheid tusschen de Zuidelijke Zweden aan deze zijde van het groote woud en de meren--de Gothen--en de eigenlijke Zweden in het Noorden, in het stamland aan het Meler-meer. En nu nog verdeelt men de Zweedsche taal in twee hoofd-dialecten, het Gothische en het Zweedsche, het Zuidelijke en het Noordelijke.

De oude en de nieuwe koninklijke residenties der Zweden, Sigtuna (de Odins-stad), Upsala, Stockholm, liggen om het Meler-meer. Daar is nog heden het hart van het volk, even als dat van het Deensche volk rondom Kopenhagen. Daar zijn de hoofdzetels van den Zweedschen adel. Niet ver van daar ligt het oude IJzerland, de woonplaats der dappere Dalekarliërs (dalkerels), van uit wier dalen in nieuwere tijden Gustaaf Wasa, een tweede Sigurd Ring, het oude Noordsche Zweden van de opperheerschappij der Denen bevrijdde, en het moderne Zweden grondvestte. Daar ook, aan het Meler-meer, wordt het dialect gesproken, dat zich tot de hoofdtaal van het volk en van de literatuur in Zweden verheven heeft.

Het laat zich begrijpen, dat er buiten de beide genoemde hoofdafdeelingen der Zweedsche natie (de Gothen en de eigenlijke Zweden) nog vele andere plaatselijke schakeeringen van den volkstam en zijne taal bestaan. Men treft b.v. binnen het Gothische gedeelte alleen, nog een half dozijn meer of minder verbreide dialecten.--Ja! men kan zeggen dat in al de tallooze dalen van Zweden, die als smalle strooken bewoonbaar en bebouwd land uit het dichte oorspronkelijke woud uitgesneden zijn, even zoo vele kleine eigenaardige volks-zeden en taal-gebieden bestaan, als er sporten aan eene ladder zijn.

Laten wij echter deze fijnere schakeeringen rusten en bepalen wij ons er bij, de kleur van het geheele volk in het groot te beschouwen, dan zien wij in het Zweedsche nationaal-karakter en type wel vele trekken, die het met alle stammen der groote Germaansche familie gemeen heeft, maar aan de andere zijde ook niet weinig eigenaardigheden, die het van zijne andere verwanten zeer doen verschillen.

In de reislust, die zijn borst ontgloeit, die de Zweedsche dichters even veel bezingen als de Duitsche, zoo mede in de innige en warme liefde voor de natuur, die bij hen, even als bij andere Germanen, eene reeks der uitstekendste natuurvorschers deed ontstaan, hebben de Zweden overeenkomst en verwantschap met de Germanen.--Even als het wezen en de geest der Germanen, zoo zijn ook die der Zweden in hooge mate vormbaar en vlug. Vreemde manieren, zeden, taal en gewoonten leeren zij, even als de Duitschers, gemakkelijk aan, en maken zij zich nog gemakkelijker eigen dan deze.--Even als vele andere Germanen, hebben zij ook altijd eene groote neiging gehad, voor het tot de vizioenen- en geestenwereld behoorende, en Swedenborg en consorten hebben bij de Zweden evenveel aanhangers gevonden, als bij de Duitschers Stilling, de zienster van Prevorst enz. En even als bij andere Germanen ligt ook bij de oud-Luthersche Zweden, eene groote vroomheid, eene diep ernstige godsdienstigheid, tot grondslag dezer neiging.

Daarentegen springen ons weder vele andere eigenaardigheden bij de Zweden in het oog, die met het ernstige grond-karakter der Germanen in tegenspraak schijnen te zijn. "Naast zijn Germaanschen ernst in godsdienstzaken, bezit de Zweed eene zekere onbestendigheid en eene groote neiging tot glans en praal, eene soort van lust tot pronken en schitteren, die hem niet alleen van den Duitscher, maar ook van den Noorweger en den Deen onderscheidt. Hij heeft eene bepaalde voorliefde voor uiterlijke vormen, voor het ceremonieele, en spreidt die gaarne ten toon. In dit opzicht kon men de Zweden, de Spanjaarden van het Noorden noemen." Zijn streven naar het liefelijke openbaart zich zelfs in zijne taal, die de welluidendste en muzikaalste onder alle Germaansche tongvallen is, even als het Italiaansch zulks is onder de Romaansche, als ook daarin dat aesthetische ontwikkeling in Zweden altijd hooger stond, dan wetenschappelijk onderzoek en werkzaamheid. "Zij zijn meer geniale kunstenaars en dichters, dan ijverige geleerden. En ook weder in hunne poëzie toonen zij, nevens het bedaarde en bedachtzame karakter en den rijkdom van gedachten, die zij met den Duitscher gemeen hebben, tegelijkertijd iets dartels, iets phantastisch, een zich overal openbarende pracht en gloed, die men genegen zou zijn als Zuidelijk te beschouwen, wanneer niet juist dat vuur in het hoogste Noorden ontgloeide."

In hoogere mate en met meer lust en behendigheid dan de adel van eenig ander Germaansch land, heeft de Zweedsche zich de gladde taal en de buigzame zeden der Fransche eigen gemaakt, en aan deze omstandigheid--de vertrouwelijkheid en gehechtheid van Zweedsche militairen met den generaal Bernadotte--hebben de Zweden het onder anderen ook te danken, dat zij in den nieuweren tijd eene dynastie van Franschen oorsprong op hunnen Vorsten-troon kregen.

Bijzonder opvallend openbaart zich onder anderen de groote neiging der natie tot blinkenden glans en klank, ook in de Zweedsche familie-namen.--"Alles, wat men melodieus en schitterends aan metalen, sterren, bloemen, vogelen vindt," zegt Arndt--"wat er ridderlijks en roemrijks in de menschelijke zaken aangetroffen wordt, schijnt het ridderhuis van den dapperen en oorlogzuchtigen Zweedschen adel geplunderd te hebben, om namen te vinden voor zijne heeren von Güldenstern en Silbersparre, zijne Baronnen von Goldgranat, von Sternen- of Liliënkrone, zijne Graven von Rosenzweig of Lorbeerkranz, von Adlersklaue en Löwenhelm. Men vindt in de gulden adels-boeken van geen land van Europa, eene tweede dergelijke vreemde verschijning.

Misschien zijn hiermede ook andere tegenstrijdigheden verbonden, die men in het Zweedsche nationaal-karakter ontdekt. Zoo b.v. de avontuurlijke, heftige, belachelijke, ruwe manier van doen, die alle Koningen en groote mannen van Zweden gekenmerkt heeft; eene kenmerkende eigenschap, die met de ook den Zweden toegeschrevene Germaansche bedachtzaamheid, zoo weinig schijnt te harmonieeren.--Er is nauwelijks in Europa nog een land, waarin nog gedurende de laatste eeuwen--om van vroegere avontuurlijke tijden niet eens te spreken--middel-eeuwsche geschiedenissen, hevige staatkundige woelingen, onttrooningen, voorgekomen zijn, als in Zweden, dat zich in dit opzicht als een tweede Hoog-Schotland aan ons voordoet.

Even als de werkdadig optredende mannen, even als ook de heldhaftige vrouwen, waaraan de Zweedsche geschiedenis zoo rijk is, zoo hebben ook de gebeurtenissen zelve, in dit land altijd iets krampachtigs, iets losbarstends en hoog-tragisch gehad, wat alles ook met het scherpe verschil der standen, het ijverzuchtig streven naar glans en onderscheiding, en hunne aristokratische bemoeiingen samenhangt.

Een in het oog vallend contrast vormt de Zweed in bijna al die opzichten, trots eenige gelijksoortigheid in ras, taal en bloed, met zijn Noorweegschen broeder.--De Noorweger bewoont het Skandinavische Zwitserland. In de lange en enge dalen dezer groote klippen en gletschers, waarin het bebouwbare aardrijk slechts schaars vertegenwoordigd is, was geene ruimte voor groot grondbezit, voor adellijke landheeren met een uitgestrekt gebied, zooals in in Zweden. In de natuur van dit Noordsche Alpenland, heeft het democratische principe diepe wortels geschoten. Alleen zoolang zij als zeeroovers de overige wereld plunderden en den roof naar hunne rotshavens sleepten, konden de Noorwegers inheemsche hofhoudingen, Zee-Koningen, aristokraten, ridders in hun land onderhouden. Maar toen de Wikinger-tochten, de aanhoudende oorlogen ter zee ophielden, ging de adel langzamerhand te niet, zonder dat men met zekerheid zeggen kan, hoe en wanneer. De Noorwegers werden weer een eenvoudig en vrij boeren-, visschers- en schippers-volk, wat zij in hoofdzaak altijd geweest waren en gebleven zijn.

Op de Noorwegers is nog altijd van toepassing, wat Tacitus gezegd heeft van den aard der Germaansche wijze om zich hier of daar neder te zetten. Zij leven verstrooid over het geheele lang uitgestrekte land aan de rivieren, fjorden, en de hellingen der bergen op afzonderlijke landhoeven, in zoogenaamde "Gards." Ter nauwernood hebben zij dorpen. Van de verdere wereld gescheiden, in hunne rust sedert onheugelijke tijden door vreemde invloeden nog minder gestoord dan de Zweden, hebben zij hunne oude manier van zijn, nog onveranderder dan deze voortgeplant. Dat afgesloten leven heeft den Germaanschen stam in zeldzame zuiverheid bewaard. In ieder der diep ingesnedene dalen, volgt op groote afstanden het eene gehucht op het andere. Ieder dal vormt op zich zelf een district, en staat slechts in geringe gemeenschap met de naburige districten. Dikwijls zijn de scheidende bergruggen, dagreizen ver, woest en onbewoond.

De bewoners dezer elkander naburige dalen, die ieder genoeg aan zich zelf hebben, onderscheiden zich onder elkander zeer in zeden, gewoonten en taal, welk onderscheid dikwijls niet minder scherp en in het oogvallend is, dan dat der Zweden, Denen en Noorwegers onder elkander.

Eene Noorweegsche taal, die men naast de Zweedsche of Deensche zou kunnen plaatsen, is er nog niet. Even als in het Duitsche Zwitserland, zoo bestaan ook in dit Skandinavische, alleen patois en dialecten, die echter gedeeltelijk nog oude eigenaardige leden van de oorspronkelijke Noordsche taal zeer trouw bewaard hebben. Even als in Zwitserland de taal van Luther, zoo is in Noorwegen die der Denen de spreek-taal der beschaafde klasse, en de schrijf- en literatuur-taal geworden. De verstandelijk veel werkzamer Denen, die alles wat invloed had op de beschaving, uit het Zuiden, uit de eerste hand ontvingen, die aan het hoofd der meeste wetenschappelijke bewegingen van het Noorden stonden, en die Noorwegen zelf lang overheerschten, hebben de hoogere standen van het volk in menigerlei opzicht verdeenscht. Ten opzichte van literatuur, kunst, geleerdheid en poëzie, vormt Noorwegen nog heden eene provincie van Denemarken; evenwel hebben de Noorwegers, sedert zij staatkundig van de Denen onafhankelijk werden, al het mogelijke gedaan om hunne Deensche literatuur-taal eene eigenaardige en zelfstandige tint te geven, ze uit de bronnen der inheemsche dialecten te versterken, en eene eigene Noorweegsche nationaal-poëzie en redekunst te vormen.

Het lange schiereiland eindelijk en de groep vriendelijke eilanden, welke de Denen bewonen, staan met Duitschland in het innigste physisch verband. Zij hebben het klimaat, den plantengroei, de heiden, de wouden, het landschapskarakter van Noordelijk Duitschland. Zij zijn, even als dit, vlak en wijd en zijd bebouwbaar, en vormen in al deze opzichten een opvallend contrast met het groote, rotsachtige Skandinavische schiereiland in het Noorden; van den beginne af aan, hebben daarom waarschijnlijk de Duitschers het geheel, als een hun van nature toekomend gebied beschouwd.--Geheel Jutland en de naburige eilanden waren in den tijd, toen de geschiedenis haar eerste schemerlicht over deze streken wierp, niet door Skandinaviërs, maar door Duitsche Angeln en Saksers bewoond.--Eerst sedert de 5de eeuw, nadat de Angeln en Saksers een groot deel van hun volk naar Engeland overgeplaatst hadden, drongen de Denen uit het Noorden, en wel uit het Zuidelijk Skandinavië, hunne verlatene woonplaatsen binnen, geheel op dezelfde wijze, als in denzelfden tijd en om dezelfde redenen, de Slawen van het Oosten uit, in andere streken van Duitschland, die eveneens gedurende de groote volksverhuizing door de Duitschers verlaten waren, binnen trokken.

Vele kenteekenen bevestigen de door de Duitsche historici aangenomene bewering, dat de tegenwoordige Denen niet vóór de Duitschers, in het land, dat zij thans het hunne noemen, te huis behoorden, maar dat zij het veeleer eerst in een lateren tijd, van uit het Noorden binnengetrokken zijn.

In het binnenste gedeelte van Zweden ten noorden van het Meler-meer, treft men nog heden hunnen naam aan, onder anderen in het kerspel "Danmark," en in het gehucht "Danemora". Daar zullen zich waarschijnlijk de oorspronkelijke woonplaatsen der Denen bevonden hebben. Van het Meler-meer zegt ook nog de sage, dat daar eens een hunner halfgoden geploegd heeft. Zijne vier ossen hadden zoo sterk aangetrokken, dat zij een groot stuk land uit den bodem scheurden. Dit uitgescheurde stuk land hadden de zonen van Odin in het Westen van den Sond in de zee gelegd, en daaruit zou het fraaie eiland Seeland ontstaan zijn. De ontstane kuil vulde zich met water en zoo ontstond het Meler-meer.--Ook deze sage wijst naar eene verplaatsing van het Denendom, uit Zweden naar zijne tegenwoordige Zuidelijke ligging.

Zij zelven ook beschouwen algemeen het zuidelijke Zweden, het land "Schonen" of "Skone" of "Scandia", waarvan de naam "Skandinavië" afgeleid is, als hun oudste vaderland aan den Sond, van waar uit zij hunne godensteden en offerplaatsen, eerst Leire, daarna Roeskild, later Kopenhagen, naar Seeland verplaatsten.

Toen de Denen naar het schoone weide- en beuken-eiland der oude Saksers en Angeln kwamen, brachten zij uit het Zuidelijk Zweden een anderen, met hen verbroederden Skandinavischen volksstam mede, de Jüten of Güten, vermoedelijk identiek met de Zuid-Zweedsche Gothen, die zich bij voorkeur langs de met bosschen omgroeide fiorden, en over de wouden van het Cimbrische of Anglische schiereiland verbreidden, en aan het land den naam "Jutland" gaven.

Dat deze, het land binnengetrokken Jüten, daar nog vele Duitsche Angeln en Saksers aantroffen, zich met dezen vermengden en vele Germaansche invloeden van hen ondergingen, bewijst onder anderen de physionomie hunner taal, die veel eigenaardigheden bezit, die bepaald Duitsch, en niet Deensch of Skandinavisch zijn. Deze Jütische taal plaatst, bij voorbeeld, om slechts eene zaak aan te roeren, even als alle Duitsche talen, het lidwoord voor het zelfstandige naamwoord en niet, zoo als alle Skandinavische talen, er achter.

Reeds iets voor den tijd van Karel den Groote, hadden de Denen en Jüten hunne veroveringen, koloniën en politieke grenzen tot aan den Eider voortgeschoven, maar ook reeds toen bleven binnen deze grenzen, verscheidene kleine streken van het land, midden onder de Denen, door hunne oude Duitsche bewoners bevolkt, zooals bij voorbeeld het kleine land Angeln, waarin zich nu de eens zoo ver verspreide stam en naam der Angeln terugtrokken, zoo ook de Marsch-eilanden ten westen van Jutland, die van oudsher door Duitsche Friezen bevolkt waren, en die nu ook onder Deensche heerschappij bleven. Ook werd de Deensche grond-bevolking in Zuidelijk Jutland, door den uit het Zuiden terugkeerenden vloed van Duitsche nationaliteit, beschaving en taal weder Noordwaarts teruggedrongen. Het land binnentrekkende Duitsche Vorsten, adellijke geslachten, landbouwers, zendelingen, kooplieden en kunstenaars, die de steden Schleeswijk, Flensburg en andere bouwden, hebben dit Zuid-Jutland grootendeels weder Duitsch gemaakt, zonder dat echter de Denen ooit geheel geweken waren, en het is dien ten gevolge sedert Karel den Groote, aanhoudend een twistappel tusschen beide nationaliteiten geweest tot op onze dagen toe, toen de Duitschers hun oud nationaalgebied weder tot aan de Königsau vooruitgeschoven hebben.

Niet alleen de Zuidelijke gedeelten van Jutland echter, maar ook de geheele Deensche stam, zijn in den langen strijd met hunne Duitsche naburen, nog meer aan Duitsche invloeden blootgesteld geweest, dan hunne overige Skandinavische broeders, de Zweden en Noorwegers.

Bijna ten allen tijde waren Duitsche provinciën, òf ten gevolge van erfenissen òf ten gevolge van oorlogen, met het Deensche rijk verbonden. Deze hunne veroveringen strekten de Denen somwijlen, zooals b.v. eens in de 13de eeuw, toen de Duitsche kracht in de oorlogen om het Zuiden zich naar Italië verloor, zoover in Noord-Duitschland uit, dat hun staat meer Duitsche dan Deensche landstreken en onderdanen had. Hunne Koningen waren dien ten gevolge vasallen of bondgenooten der Duitsche Keizers, en zijn ook in lateren tijd, om hunne Duitsche provinciën, leden van den Duitschen bond geweest.

Het Deensche volk, zijne zeden, zijne ontwikkeling en literatuur hebben, ten gevolge van al deze menigvuldige vermengingen hunner aangelegenheden met die der Duitschers, een veel meer Duitschen stempel verkregen, dan die der Noorwegers en Zweden.

Ook van de, den Duitschers naburige, Slawen heeft de Deensche stam meer ontvangen dan zijne Noordsche broeders. Tijdens de Deensche zeerooverstochten, werden de kusten der Slawische Obotriten en Pommeranen voortdurend door de Denen opgezocht. Eeuwen lang trokken zij van daar hunne slaven en krijgsgevangenen. Geheele scheepsladingen tot dienstbaarheid gebrachte Wenden, werden van daar naar de Deensche eilanden gevoerd en moesten zich daar nederzetten.--Zoo hadden ook de Deensche Koningen in hunnen titel het attribuut: "Koningen der Wenden en Slawen."

Ook van deze Slawische inmengingen ontdekken wij nog heden onder de Denen der eilanden, menig duidelijk spoor. Het menschenslag op Seeland en de naburige eilanden is kleiner dan de Skandinaviërs gewoonlijk zijn. Het blonde Germaansche haar treft men daar weinig aan. Even als bij de Slawen, heeft het gevoel bij deze Seelanders de overhand, en even als in de Slawenlanden, heeft nergens de macht van den grondbezittenden adel meer de bevolking gedrukt dan op dit hoofdeiland der tegenwoordige Denen.--"Ook op het aan de Denen toebehoorende eiland in het midden der Oostzee, op Bornholm, vertoont zich eene inmenging der Slawische elementen. Het noordelijk gedeelte van dit eiland is door een krachtig, groot, sterk, ernstig en weinig woorden gebruikend menschenslag bewoond, dat alle echte trekken van den Skandinavischen stam bezit, terwijl in het Zuiden kleinere, luchtiger, beweeglijker menschen met bruine oogen en donker haar leven, die nu wel Deensch spreken, maar voor het overige vele karakteristieke eigenaardigheden der Slawen bezitten.

Voor de oudste en zuiverste Denen beschouwen zich de bewoners van Fünen. Zij beschouwen zich als het hart van Denemarken. "Wij Denen," hoort men hen somwijlen zeggen, niet in tegenstelling met de Duitschers of Franschen, maar met de "Jüten" en "Seelanders."

Overigens zou men de bevolking van elk der vele Deensche eilanden, even als in Noorwegen die van elk dal, een eigen karakter kunnen geven. Op ieder schijnt zich een bijzondere stam van eiland-bewoners gevormd te hebben.

Het meerendeel en de hoofdkracht (ten minste de physische) van den Deensche stam, wordt gevormd door de Jüten. Uit hen rekruteeren de Denen de kern hunner nationale troepen. "De Jüten zijn in tegenstelling met de Deensche Seelanders en Fünen langzaam en omslachtig in hunne bewegingen, maar volhardend en ijverig in alles wat zij ondernemen. En met al hunne gemakkelijkheid, weten zij toch het gebrek uitstekend van de deur te houden. Men vindt nergens in Denemarken zulke welgezetene, nette en knappe boerenplaatsen als bij de Jüten, terwijl men bij de boeren op Seeland somwijlen een weinig aan hetgeen wij eene Poolsche huishouding noemen, herinnerd wordt.

Deze Jüten zijn in Denemarken beroemd om hun handels-talent en om hunne huishoudelijke spaarzaamheid. Daarin kan men ze met de Schotten in Engeland vergelijken. Het "iets met iets, geeft iets," is bij de volhardende Jüten een zeer geliefd spreekwoord. De aankweeking van rundvee is naast den handel, hunne meest geliefkoosde bezigheid.

Ook zijn zij de bewaarders der oudste zeden en traditiën der Denen. Bij hen worden ook oude volksfeesten gevierd, waarvan de sporen op de eilanden en bij Kopenhagen verdwenen zijn. Ook leven in het Noordelijk en Westelijk gedeelte van het land tot aan het, met de beenderen en ribben van walvisschen en het wrakhout van gestrande schepen altijd bezaaide voorgebergte Skagen toe, in den mond der bewoners nog oude volksliederen en heldensagen, even als op IJsland. Gewoonlijk is de Jüt niet weinig ingenomen met zijn, in het overig Europa zoo onbekende en geignoreerde, schiereiland.

De magere grond der bruine heide Ziet hij altoos het liefst. Bij de voorvaderlijke, met heide begroeide grafplaatsen, Wil ook hij zijn grafstee hebben.

"Bij dit alles, is toch de lang uitgegroeide en lichamelijk krachtig gebouwde Jüt, in het politieke en ontwikkelingsleven der Denen, slechts een nevenpersoon, zonder eene beslissende stem in den raad van het rijk. De kleinere Deen, uit het midden des rijks, de Seelander, de lichamelijk zwakkere, geestelijk echter meer opgewekte eiland-bewoner, leidt de politieke en moreele beweging van het volk." Hij vormt en vult de bevolking der hoofdstad Kopenhagen, van het Skandinavisch Athene, aan. Hij levert ook de beste ambtenaren aan de regeering, aan het Deensche parlement de staatslieden en redenaars. Op Seeland werden de Oehlenschläger, de Ewalds, de Baggesen's, bijna alle groote Deensche dichters en literatoren geboren. En de, in Denemarken en Noorwegen heerschende taal der literatuur en beschaving, heeft zich ten gevolge van dien, ook het meest uit het dialect der Seelanders ontwikkeld.

"Deze Seelanders zijn vooral die prikkelbare, die met zich zelven ingenomene Denen, met een ras besluit en brutalen moed, wier eigenaardige nationale-ijdelheid zelfs bij hunne broeders in Zweden berucht is." Het is een gebrek, dat wel zeer opvallend en onaangenaam is, maar zeer natuurlijk bij een klein volk, dat eens ver gebood, dat eene niet arme literatuur ontwikkelde, dat lang aan het hoofd der beschaving en somwijlen ook der politieke macht van het geheele Skandinavische Noorden stond, maar nu daarentegen zich tot enge grenzen moet bepalen, en zich, even als alle kleine volken, bijzonder gevoelig toont bij de gedachte, dat het eenmaal met taal, zeden en politieke zelfstandigheid in het lichaam van een grooteren nabuur zou kunnen opgaan.

DE NEDERLANDERS. [27]

Het geheele middelste gedeelte van het hoofd-lichaam van het Europeesche schiereiland, bestaat met betrekking tot de grondsgesteldheid, uit twee deelen, uit eene met bergen doorsnedene Zuidelijke helft en uit eene ver uitgestrekte vlakte in het Noorden. Deze Noord-Europeesche vlakte begint met een breed Oostelijk uiteinde in Siberië en Rusland, gaat door Polen en Duitschland, terwijl zij hoe langer zoo smaller wordt, en eindelijk in het Noorden van Frankrijk en het Ardenner-woud ophoudt, waar zij zoo laag gelegen is, dat zij gedeeltelijk zelfs onder het niveau der zee ligt.--Verscheidene groote rivieren, de Rijn, de Maas, de Schelde stroomen naar deze lage streken toe. Duitschers en Franschen hebben haar daarom den naam "Nederlanden" gegeven, en deze naam is niet alleen in alle overige Europeesche talen vertaald opgenomen "Netherlands," "Pays-Bas," "Paeses-Baxos," maar zelfs ook door de bewoners van het land, als de nationale naam (zij noemen zich zelven "Nederlanders") aangenomen geworden.

Bij den eersten aanblik schijnt het, dat de natuur weinig voor dit land gedaan heeft. Natuurlijke bekoorlijkheden, zoogenaamde romantische schoonheid bezit het niet. De deels zandige, deels moerassige vlakten, strekken zich in groote eenvormigheid uit. Bijna al het vriendelijke, dat het land nu bezit, is het door kunst en menschenhanden gegeven [28]

Nauwelijks scheen de, den choas ordenende schepping, hier geheel ten einde gebracht te zijn geworden. De slijkerige grond en het water vermengden zich nog zoo, dat men, zooals de Romein Tacitus zeide, in de meeste gevallen nauwelijks durfde zeggen, of men vastland dan wel water voor zich had, of dat, volgens een geestigen Nederlander, den beroemden Hugo de Groot, "alle zaken die een land constitueeren, in de Nederlanden slechts aangeduid, slechts bij wijze van schets aanwezig schijnen te zijn."

Het water slechts eene schets, zich verliezende in en vermengende met zand en veen; niet, zooals in een bergland, in diep uitgegravene vaarten besloten, of in stevig gebouwde zeeboezems verzameld. Het land ook slechts eene schets, nauwelijks boven het water uitkomende, overal druipende, ten gevolge van overstroomingen [29] zelfs de hemel slechts eene schets, niet een schoon, scherp geteekend, aetherisch gewelf, zooals in Italië, maar met nevelen en dampen opgevuld en bijna altijd met wolken bedekt [30]. De mensch eerst moest met scheppende hand in deze vormlooze massa ingrijpen, om er een bewoonbaar vaderland uit te vormen. Ook eenige waarde hebbende en den mensch welkome natuurvoortbrengselen kan men bijna niet opnoemen, die het land van den beginne af in overvloed gehad heeft. Om van goud en zilver en andere dergelijke kostbare zaken niet te spreken, die sommige landen beroemd hebben gemaakt, heeft het zelfs geene streken, waar men wouden of steengroeven aantreft, om door hout of bouwsteenen of door metalen zich bij zijne naburen bemind te maken [31].

Alles, wat den menschen nuttig is en wat eene maatschappij, die rijk aan behoeften is, vordert, moest hier eerst met moeite aangeplant of uit de verte aangevoerd worden.

Ja! zelfs de havens voor de schepen, moesten de bewoners eerst kunstmatig aanleggen. Want merkwaardig genoeg bezitten de Nederlanders, die eene zoo groote rol in de handelswereld spelen zouden, nauwelijks een of twee door de natuur eenigzins goed gevormde havens.--Ook in dit opzicht, zijn zij van eersten af aan stiefmoederlijker bedeeld, dan de meeste andere landen van Europa, en bezit het land niet dan zandige, vlakke, bochtenlooze kusten, met ondiepe en gevaarlijke toegangen, zonder bescherming of beschutting voor de vaartuigen.

Er gebeuren echter geen wonderen in de geschiedenis. En wij ontdekken daarom ook in de Nederlanden menige gunst en gave der natuur, die een evenwicht vormen met die misdeelingen. De mensch ontwikkelt zich immers even weinig dáár, waar de natuur geheel ondankbaar en karig alles ontzeide, als dáár, waar zij welig alles van zelf opleverde; het best echter ontwikkelt zij zich daar, waar zij den hoogsten prijs voor de grootste werkzaamheid uitloofde. En dit vooral was in de Nederlanden het geval.

Zeer veel hebben de Nederlanders in de eerste plaats te danken aan de omstandigheid, dat hun land het mondingsgebied der boven genoemde rivieren vormt. Deze komen met kalmen loop, uit de berglanden, als bevaarbare, breede kanalen het land binnen. Zij voeren den detritus der hoogere streken, als vet slijk met zich mede [32], en vormen in de Nederlanden, waar zij in de zee uitstroomen, eene delta, wier bodem, als men hem tegen de elementen wist te beschermen, alle moeiten even rijkelijk beloonde als Egypte, en vervolgens de schoonste weiden en krachtigste kudden, en alle producten van land- en tuinbouw in de grootste volkomenheid opleverde. De rivieren brengen tevens de waren en voortbrengselen der hoogere streken van een groot, heerlijk, en wel voorzien gedeelte van Europa mede, die hier een uitweg in den Oceaan en een middel om aan het wereldverkeer deel te nemen, zoeken. De rivieren verdeelen zich verder in verscheidene armen, die als aderen door het geheele land heen loopen, en die, terwijl zij overal zijne door de natuur of kunst gevormde kanalen spijzigen, in alle hoeken des lands tot verkeer en scheepvaart uitnoodigen.--Reeds als het natuurlijke mondingsland, als het hoofd en het doel, waarheen Rijn, Maas en Schelde afsnellen, moet Nederland dus als een zeer bevoorrecht land beschouwd worden.

Van even groot gewicht echter is het, dat de uitwatering dezer rivieren juist plaats heeft op een punt welks geographische ligging, ten gevolge der gedaante van het geheele Europeesche vastland, van zeer groot belang is. Alle groote rivieren van het oostelijk Europa aan gene zijde van den Rijn en de Elbe, de Donau, de Weichsel, de Oder enz. verliezen zich in meer of minder geslotene of verborgene zeebekkens. De rivieren der Nederlanden zijn in westelijke richting de eerste, die den vrijen Oceaan bereiken, en wèl in de nabijheid van het groote zee-kanaal, dat de Noordelijke en Zuidelijke zeeën van ons vaste land verbindt. Hare mondingsgebieden (de Nederlanden) liggen juist op de grenzen van het Noorden en het Zuiden van ons werelddeel, in het midden der lange kusten van het Europeesche schiereiland. Het verkeer en de onderlinge ruiling van Noord en Zuid, ontmoetten elkander hier op het natuurlijkst. Het is deze zelfde gelukkige ligging, die aan de andere zijde van dit kanaal (de Noordzee) ook Engeland en vooral Londen groot gemaakt heeft.

Hieruit laat het zich gemakkelijk begrijpen, dat bij zoo groote aansporing tot werkzaamheid, als de natuurlijke gesteldheid, naast al het boven aangegeven gemis, den bewoners gaf, zich hier een degelijk volk vormen moest. Merkwaardig genoeg hebben ook de omstandigheden en gebeurtenissen, hier een menschengeslacht aangevoerd, dat reeds van nature vele eigenschappen bezat, die wenschenswaardig waren, zoowèl ter benutting der natuurlijke voordeelen, als ter overwinning der natuurlijke hinderpalen dezer streken.--De ernstige, geduldige, volhardende, praktische, vrijheidlievende stam der Neder-Duitschers, die zich over de geheele Westelijke helft der Noord-Europeesche vlakte uitbreidde, heeft ook alras het in vele opzichten belangrijkste stuk dier vlakte, haar Westelijk uiteinde aan Schelde en Rijn, in bezit genomen en heeft eenige zijner krachtigste takken daarheen verplant.

De Romeinen, wier schrijvers het eerste licht op de bevolking der Nederlanden werpen, stieten hier op Germaansche volken [33], die hun bijzonder dapper en flink toeschenen. Onder de vele namen, die zij noemen, zijn die der "Friezen" en der "Batavieren" [34] de voornaamste. Deze, die de Noordelijke helft der Nederlanden bewoonden, worden door de Romeinen als zuivere, onvermengde Germanen aangegeven. Van de Batavieren hoorden zij, dat die van de landstreken aan den Wezer afkomstig waren [35]. In de Zuidelijke helft van het land echter, vonden reeds de Romeinen zulk eene vermenging van Germaansche en Celtische stammen, als wij daar nu nog aantreffen, en die den ouden naam "Belgen" behouden hebben.

Waarschijnlijk streden dus de Celten (de bewoners van Frankrijk) en de Germanen, reeds lang voor den tijd der Romeinen om de heerschappij over het land. En ook lang na hen, tot op den nieuweren tijd toe, is deze strijd voortgezet, zoodat men schier de geheele ethnographische geschiedenis der Nederlanden als een, nu en dan afgebroken, strijd tusschen Germanen en Celto-Romanen, om het bezit der zoo gewichtige mondingen van Schelde en Rijn beschouwen kan.--Het is een strijd, die wel vele wisselvalligheden heeft, maar waarbij toch meestal het beste, wat in die streken verricht werd, van Germaansche zijde uitging.

Het eerst verschaften de Romeinen de overhand aan het Zuiden. Zij maakten het Zuidelijk gedeelte der Nederlanden tot eene Romeinsche provincie, en dwongen zelfs de dappere Batavieren en de vrije Friezen, ten Noorden van den Rijn, door kracht van wapenen en staatkunde, tot een bondgenootschap [36].--Even als later Napoleon, gebruikten zij de Nederlanden en de monden van den Rijn, als operatie-basis tegen Noordelijk-Duitschland. Maar zij hadden daar de opstanden der vrijheidlievende bevolking onder den beroemden Batavier Claudius Civilis te bestrijden, die in zeer veel opzichten overeenkwamen met den lateren opstand en oorlog der Hollanders onder Willem van Oranje tegen de Spanjaarden.

De Romeinen, die het kanaal- en dijkwezen, in het Nijl-dal hadden leeren kennen, hebben, naar men meent, deze kunsten, die later door de landskinderen zulk eene hooge mate van volkomenheid bereikten, het eerst in de Nederlanden ingevoerd [37].

Op den terugtocht der Romeinen volgde in de Nederlanden, even als overal, een overwicht van het Duitsche ras. Uit dezelfde streken, waaruit aan de Nederlanden hunne eerste Germaansche bevolking toegestroomd was, van den Wezer en van den midden-Rijn, uit het land der Katten en Brukteren, kwam een nieuw Duitsch volk, de zoogenaamde Salische Franken, dat de Friezen, de Batavieren en de andere Duitsche stammen der Nederlanden van het juk der Romeinen bevrijdde en ze in eene Duitsche monarchie, de Frankische, vereenigde.--Deze "Franken" zelven waren, even als de oude Batavieren, oorspronkelijk een Nederduitsch volk-mengsel. Zij smolten gemakkelijk met de inboorlingen samen, en brachten de oude Germaansche wetten en zeden van dezen, die met hunne eigene overeenstemden, weder in zwang. Even als de Romeinen tegen Noord-Duitschland, zoo maakten nu de Franken bij hunne voorwaartsche bewegingen naar het Zuiden, tegen Gallië, de Nederlanden tot hunne operatie-basis.

Men kan de stichting der groote Frankische monarchie in Frankrijk, als van de Nederlanden uitgegaan, in zekeren zin als eene Nederlandsche verovering beschouwen. Merwig, de stichter van het Merowingische Koningsgeslacht, is een Nederlandsche naam, zooals ook de naam der zoogenaamde Salische Franken in de Nederlanden (aan den "Isala") te huis behoort. "Heristall"--"Landen" zijn Nederlandsche plaatsen, waaraan Pepijn van Heristall en Pepijn van Landen, de stichters der Karolingische dynastie, hunne namen ontleend hebben, zooals dan ook de Koningen van dit geslacht, zelfs Karel de Groote, hunne residentiën en hunne huis- en familiegoederen in of nabij de Nederlanden bezaten.--In het Frankische tijdperk werd de grond tot den tegenwoordigen toestand en geest der Duitsche Nederlanden gelegd. Duitsche grondbevolking verspreidde zich langs de zijtakken der Schelde tot diep in het Gallische gebied en langs de kusten tot naar Calais toe. In dien tijd heeft zich de eenheid der Germaansche taal gevormd, die de inboorlingen nu met de woorden "Neder-Duitsch" bestempelen, en die men nu in twee, zeer weinig van elkander verschillende deelen, den Vlaamschen en den Hollandschen tak, splitsen kan, alsook de volkssoort uit eene versmelting der oude Batavieren met de Franken, Friezen en Neder-Saksers.

De germaniseering van het land onder de Franken, ging echter slechts zoo ver, als het eigenlijke vlak- of Nederland reikte. Zij stootte haar hoofd aan de wouden en bergen der Ardennen. In deze Ardennen, in hare rotskloven en in de diep ingesnedene rivierdalen der Sambre en Midden-Maas bleef een gedeelte der door de Romeinen geromaniseerde Celtische bevolking bestaan, het volk der zoogenaamde "Walen", die wel meestal in de politieke lotgevallen hunner Duitsche naburen deelden en van hen menigen wijzigenden invloed erlangden, maar zich in hoofdzaak nog altijd als een Romano-Gallisch volk van bijzonderen aard en eigenaardige zeden vertoonen; zij hebben een gedrongen, middelmatigen lichaamsbouw, zwart hoofdhaar, zijn levendiger en bewegelijker, maar minder gestadig dan de Duitsche Nederlanders en bezitten eene taal, die slechts eene onderafdeeling van het dialect van Noord-Frankrijk is.

Deze Walen, van wie de Vlamingen het oude spreekwoord hadden: "wat Walsch is, valsch is," of van wie zij ook wel zeggen: "de Vlamingen mogen den Walschman met zout noch smout," hebben meermalen storend op de ontwikkeling der Nederlanden gewerkt, en het zou voor hen heilzaam geweest zijn, als zij dezen vreemdsoortigen druppel hadden kunnen kwijt raken. Tijdens de kerkhervorming waren zij de steunpilaren van het katholicisme, en hielpen zij de Jezuïten de hervorming in het Zuidelijke gedeelte der Duitsche Nederlanden tegenwerken. De Waalsche regimenten hebben zich, in Spaanschen en Oostenrijkschen dienst, op eene den Noord-Duitschers zeer onwelkome wijze, beroemd gemaakt. Ook in den nieuweren tijd waren het hoofdzakelijk weder de Walen, die als aanvoerders de toestanden der Belgische zaken op Fransche leest schoeiden, en die daar met de leiders der Vlaamsche of Duitsche beweging streden en nu nog strijden, ten behoeve van Fransche taal en zeden. [38]

Even als de groepeering van de beide hoofd-massa's der bevolking van de Nederlanden, zoo stammen ook uit dien Frankischen, en vooral uit den Karolingischen tijd, de nu nog bestaande vele onder-afdeelingen van het land, af. De Koningen der Franschen plaatsten aan het hoofd van verscheidene districten, Stadhouders en Graven, wier betrekkingen weldra in de door hen gegrondveste Vorstengeslachten erfelijk werden. Op deze wijze ontstonden de graafschappen Vlaanderen en Holland, de hertogdommen Brabant en Gelre, zoo ook het bisdom Luik, het aartsbisdom Utrecht en al die andere kleine, merkwaardige landjes, die nog heden als provinciën der Koningrijken Nederland en België bestaan.

Ten tijde van den bloei der Duitsche macht, onder de Saksische en Hohenstaufische Keizers, waren bijna al die Nederlandsche Vorsten vazallen van het Duitsche Rijk, maakten er op dezelfde wijze een deel van uit als Schwaben of Saksen, en werden onder den naam Neder-Lotharingen samengevat. Ook namen toen alle Nederlanders deel aan alles, wat het Duitsche volk aanging. Graven van Holland trokken onder de banier der Duitsche Keizers naar het Heilige land, en Hertogen van Brabant worden in de geschiedenis der Duitsche literatuur, onder de Duitsche minnezangers genoemd.

Gedurende de geheele middel-eeuwen, traden de Zuidelijke- of Belgische Nederlanden het meest op den voorgrond. Van de Noordelijke Nederlanders was toen weinig sprake. Vooral de aan de zeekust wonende, dappere, manhaftige Vlaanderen of Vlamingen stonden aan het hoofd. Aan hen is daarom ook de volksnaam voor alle Zuidelijke Nederlanden van Duitschen stam ontleend.--De Vlaamsche steden Gent, Brugge en andere, werden vroegtijdig door den handel rijk aan volk en goed. Bij hen begonnen handwerken en kunsten zulk een hoogen trap van bloei te bereiken, als buiten Italië, toen in geen ander land yan Europa aangetroffen werd. In hunne oorlogen met de Koningen van Frankrijk, brachten zij legers op de been die zoo talrijk waren, en leverden zij hun overwinnende veldslagen, die zoo bloedig waren, dat men met recht over zulke reusachtige krachtsinspanning verbaasd staat, en dat zelfs de in den slag der gouden sporen en andere ontmoetingen, door hen dikwijls geslagen Koning van Frankrijk, Filips de Schoone, eens uitriep: "dat het scheen alsof het in dat kleine Vlaanderen krijgslieden spuwde en regende."

De Graven van Vlaanderen behoorden tot de aanzienlijkste en rijkste Vorsten van Europa. Zij, zooals alle Belgische Nederlanders, speelden eene groote rol in die merkwaardige expeditiën der Europeanen, die men kruistochten noemt. Godfried van Bouillon en de eerste Koningen van Jeruzalem waren Belgen van geboorte, en een Graaf van Vlaanderen zette zich in Constantinopel de Keizerskroon op het hoofd.

Toen met het verval zijner macht, het Duitsche Keizerrijk ook zijn invloed en zijne bezittingen aan gene zijde der Jura en der Vogesen langzamerhand verloor, verhief zich hier, onder den zoon van den Koning van Frankrijk, het huis der Hertogen van Bourgondië, dat zoo gelukkig was, deels door huwelijken en erfenissen, deels door veroveringen in den loop der 15de eeuw, alle Nederlandsche landschappen, tot aan de grenzen van Oost-Friesland, te verkrijgen en tot één grooten staat te vereenigen.--Het was sedert de tijden der Merowingers voor den eersten keer, dat alle Nederlanden onder één Vorst, de hoofdkern en het gewichtigste deel van een opkomend rijk vormden.--De Bourgondische Hertogen waren, tengevolge van hunnen Franschen oorspong, de Fransche taal en Fransche zeden zeer genegen, en hunne heerschappij heeft het meest er toe bijgedragen, om beiden in de Zuidelijke Nederlanden ingang te doen vinden, vooral bij den adel en de Vorsten van het land, ofschoon het volk zich nog dikwijls en lang daar tegen verzette, en zich het gebruik zijner Neder-Duitsche taal, in openbare verhandelingen liet verzekeren.

Al de, toen 16, Nederlandsche provinciën, werden wel door Keizer Maximiliaan I, aan wien ze door zijne gemalin Maria van Bourgondië, na het uitsterven van den Bourgondischen mannelijken stam, toevielen, onder den naam "Bourgondische Kreits," weder met het Duitsche rijk verbonden [39], maar deze verbinding bestond eigenlijk slechts in naam en was tijdelijk. Want reeds de kleinzoon van dien Duitschen Keizer, Karel V, vereenigde ze 40 jaren later, als een, zooals hij zeide, voor eeuwig onscheidbaar land, met de kroon van Spanje. Onder dezen Keizer, die een geboren Nederlander was [40], die met voorliefde de Nederlandsche taal sprak, en dien daarom de Nederlanders nog heden met trots een hunner grootste landslieden noemen en in zekeren zin als een Belgisch Vorst beschouwen, ("als een der schoonste paarlen," zooals een patriotisch geschiedschrijver uitdrukt, aan den krans van Belgiës roem)--onder dezen Karel V, zeg ik, en ten deele ook nog onder zijn zoon Filips II, bleven alle Nederlanders, even als onder de Hertogen van Bourgondië, onder ééne macht vereenigd.--De duur dezer vereeniging omvat eene tijdruimte van ongeveer 150 jaren [41]. Het was het tijdperk van den hoogsten bloei in het vereenigde land.

Toen was in de Zuidelijke Nederlanden, het eerst, gedurende den Bourgondischen tijd in Brugge, later gedurende den Spaanschen tijd in Antwerpen, de wereldhandel op dezelfde wijze geconcentreerd, als hij het nu in Londen is. Daar waren ook de fabriceerende Manchesters van het toenmalige Europa.--Er waren in België steden, als Yperen, die nu nauwelijks meer genoemd worden, waarin gedurende den Bourgondischen tijd 200.000 handwerkslieden en kunstenaars aangetroffen werden. Niet minder telde men in de stad Leuven. Gent alleen bezat 40,000 weefstoelen. De stad Damme, nu een dorp, was toen zoo sterk, dat Koning Karel VI van Frankrijk, die haar belegerde, daartoe te vergeefs een leger van 80,000 man aanwendde.--De burgers dezer Vlaamsche steden spreidden een zoo groote pracht ten toon, dat eene Koningin van Frankrijk, (Johanna, gemalin van Filips den Schoone), toen zij eens naar Brugge kwam, verwonderd uitriep, dat zij gedacht had hier de eenige Koningin te zijn, maar dat zij door de burgervrouwen der stad zich als door honderd Koninginnen omgeven vond; en toen later de Spaansche soldaten, dit land en zijne zich dicht bij elkander bevindende plaatsen, te zien kregen, meenden zij en berichtten zulks naar Spanje, dat geheel Nederland ééne enkele stad was.

Toen werden ook door de Vlaamsche Nederlanders, eenige der voornaamste en voor de Europeesche beschaving meest belangrijke uitvindingen gedaan of over de wereld verbreid. Laken- en tapijtweverijen vooral, bloeiden nergens zoo sterk als daar, en hebben zich van de Nederlanden naar Duitschland, Frankrijk en Engeland verbreid. De kunst, allerlei figuren in het lijnwaad te weven, heeft in Vlaanderen haren oorsprong gehad.

De Brabantsche kant-fabricatie, was een geheel eigenaardige tak van industrie der Nederlanders, waarin nog geen ander volk het hun afgewonnen heeft, en met wier kostbare en smaakvolle producten zij, sedert het Bourgondische tijdvak, de schoonen van alle landen der wereld versierd hebben.--Lodewijk Berken uit Brugge [42], vond de kunst uit, de diamanten op ijzeren platen met hun eigen stof te slijpen.--Ook de steenkolen, eene stof, die tegenwoordig eene zoo groote rol in de wereld speelt, zijn door de Nederlanders het eerst ontdekt [43], gegraven en gebruikt, en de Vlaming Willem Beukelszoon, heeft door zijne uitvinding van het haringkaken, de nu in alle Europeesche huishoudingen zooveel gebruikte haringen, het eerst tot algemeen nut gemaakt, en aan de haringvisscherijen haar, zelfs in de politiek niet te miskennen, gewicht gegeven.--Door Vlaamsche kooplieden werden de in Italië uitgedachte wissels het eerst in den Noord-Europeeschen handel ingevoerd.--Zij hadden reeds in het begin der 14de eeuw kamers van verzekering, de eerste die in Europa ontstonden [44]. Ook moet de handels "beurs" van eene Vlaamsche familie, de heeren "van Beurse", in wier huis de handelsheeren van Brugge hunne bijeenkomsten hielden, haren overal in Europa in zwang zijnden naam ontvangen hebben.

Uit de bronnen van den rijkdom des lands ontsprong een opgewekt leven op het gebied der kunst. De fraaiste kerken verhieven zich op den bodem des lands. De bouwkunst, de schilderkunst, de muziek hebben aan de Schelde en aan den Neder-Rijn een hunner voornaamste wiegen en zetels gehad.--De Hertogen van Bourgondië, die toen gedurende eenigen tijd de Europeesche mode beheerschten, die in de 15de eeuw den toon gaven in alles wat kleederdracht, kunst en industrie betrof, waren ook groote liefhebbers der muziek, die gedurende hunne heerschappij door de Vlaamsche Belgen met meer succès dan door andere natiën beoefend werd [45]. Het waren Neder-Duitsche of Vlaamsche Belgen, die in Frankrijk en Italië de muziek als eene wetenschap invoerden, en als kapelmeesters aan de hoven der Koningen, zelfs aan het hof der zoo ver van hun land verwijderde Vorsten van Arragon schitterden.--Jan van Eyk, een tijdgenoot van den Bourgondischen Hertog Filips den Goede, een der grootste schilders uit de oudere Vlaamsche school, vond het schilderen met olieverf uit of voerde die kunst ten minste algemeen in, en gaf daardoor aan de kleuren, die men vroeger met gomwater, eiwit of was aanmengde, dien frisschen gloed, dien wij nu niet gaarne bij haar zouden ontberen. Ook verbeterde hij de kunst om op glas te schilderen in die mate, dat zij eene geheel nieuwe kunst werd [46].

Even als in de, in de steden te huis behoorende, kunsten en handwerken, bereikten de Nederlanders ook reeds vroeg eene groote volkomenheid in den landbouw en werden daarin reeds in de 12de eeuw zoo beroemd, dat men hen dikwijls naar vreemde landen riep. Ten gevolge van de oorspronkelijke natuur van hun land, werden zij vooral zeer bekwaam in het bruikbaar maken van waterige of moerassige landstreken. Het ontbrak in hun stormachtig en door partijschappen verdeeld land nooit aan vervolgde en onderdrukte klassen der maatschappij, die gaarne zulke uitnoodigingen naar het buitenland aannamen.--Reeds in de meergemelde 12de eeuw, gingen Hollanders, Zeeuwen en Vlamingen in grooten getale naar de Havel en de Spree. Hunne kolonisten namen een groot deel van de tegenwoordige Pruissische Altmark in bezit, waar zij Tangermünde, Seehausen, Stendal, en andere steden stichtten [47]. Ook zouden door hen Keulen aan de Spree en andere gedeelten van Berlijn, gebouwd zijn.--Van grooten invloed waren deze Nederduitsche kolonisten op de lage streken aan de Eems, Wezer en Elbe. Men kan zeggen dat de geheele Noord-Duitsche vlakte tot aan Pommeren en Kopenhagen toe met hunne nederzettingen doorweefd werd. Vele der Noord-Duitsche broeklanden brachten zij tot den bloei, waarin wij ze nog heden ten dage zien. In het Noord-Duitsche dijk- en kanaalwezen, in de Noord-Duitsche veen- en turfkoloniën, hebben de Duitschers zich hen tot model gekozen. Bij den Noord-Duitschen weg- en waterbouw, zijn zij in den nieuweren tijd nagevolgd en heeft men zich van hunne hulp bediend.--Toen de Spanjaarden de vrijheid en levenskracht der Zuidelijke Nederlanders braken, ging een groot deel hunner fabrikanten en handwerkslieden naar Engeland, waarheen zij hunne kunsten en handwerken overbrachten, en eerst van dien tijd af begon Engeland in stede der Nederlanden, aan het hoofd der Europeesche industrie te staan. Meermalen zijn de Engelschen de scholieren en leerlingen der Nederlanders geweest.

De, tot op den Spaanschen tijd, staatkundig vereenigde Nederlandsche volksstam werd tengevolge der Kerkhervorming, in eene Zuidelijke of Belgische, en eene Noordelijke of Hollandsche helft gesplitst.--Aanvankelijk schenen alle Nederlanders van Duitschen stam, uit oude sympathie, de van hunne Noord-Duitsche naburen en broeders uitgaande beweging te willen volgen. Ook in Vlaanderen en Brabant werden, evenals in Holland en Friesland ten tijde van Luther, de beelden op zij gezet en de godsdienst gezuiverd; maar de Koning van Spanje herstelde, met behulp der Walen en een deel van den geromaniseerden adel, zijne macht en die van den Paus in de Zuidelijke provinciën. Na dien tijd bleven deze ook onder de, den Spanjaarden opvolgende Oostenrijkers, de Romeinsche wereld toegedaan, en van hunne Neder-Duitsche broeders in het Noorden, die hunne kerkhervorming doorzetten en hunne vrijheid handhaafden, afkeerig.

Aanzienlijke gedeelten van het oude land van Vlaanderen, werden in de bloedige oorlogen, die Lodewijk XIV om hun bezit vernieuwde, zelfs geheel van de Nederlanden gescheiden, van het Germaansche lichaam losgemaakt en onder Fransche heerschappij bijna geheel verfranscht. Maar ook de rest der Zuidelijke, zoogenaamde Spaansche of Oostenrijksche Nederlanden, werd nu in hoogere mate dan in het Bourgondische tijdperk geschied was, in het net van Fransche taal en zeden getrokken, gedeeltelijk ten gevolge der vrijwillige bewondering, die de bloeiende literatuur en kunst hunner hierin uitmuntende naburen hun afdwong, gedeeltelijk tengevolge van het veelvuldige verkeer met de Fransche ambtenaren en legers, die het geheele land herhaalde malen veroverden en op Fransche leest schoeiden, zooals b.v. in den Oostenrijkschen successie-oorlog van 1744 tot 1748, en later weder eens ten tijde van Napoleon van 1794 tot 1814.

Sedert dien tijd is het Zuidelijke Nederland of België weder bijna in dezelfde mate geromaniseerd als ten tijde der oude Romeinen zelven. In geloofszaken ontvangt het de bevelen van Rome. Zijn wetboek is het door den Gallischen Imperator gegeven Code. De hoogere en beschaafde standen van het volk bedienen zich in den regel van de Fransche taal, die ook de taal der wetgeving, van het parlement en der gerechtshoven geworden is.--In het karakter van de hoofdmassa des volks, vertoonen zich wel overwegend de eigenaardigheden van den Germaanschen Nederlander, maar ook bij hen merkt men een sterke Fransche tint op. Een Engelschman zegt van de hedendaagsche Belgen: "zij hebben het oppervlakkige van den Franschman maar niet het bevallige;--den trots en de bigotterie van den Spanjaard maar niet de ridderlijkheid;--het uiterlijke gebrek aan vormen van den Duitscher, maar niet de trouwhartigheid."--Wanneer men de scherpe kanten van dat te harde oordeel wat afrondt, verkrijgt men misschien een goed portret der Belgen [48].

Het Nederlandsch-Vlaamsche Duitsch, waarin vroeger zooveel groots gewrocht werd, en dat het volk, zooals aangemerkt is, eens zelfs zoo lief was, dat zijne Koningen het leeren en spreken moesten, daalde tot eene illiterarische boerentaal af, waarin alleen nog de Brabantsche kantwerksters hare oude liederen zongen. Tot hare herleving is echter in den nieuwsten tijd eene kleine schaar, voor al wat Germaansch is in geestdrift ontstokene Vlaamsche patriotten, opgestaan, die nu weder met de Nederlanders het algemeen Nederlandsche volkslied zingen:

Wien Neerlandsch bloed door de adren vloeit, Van vreemde smetten vrij, Wiens hart voor land en Koning gloeit Verheff' den zang als wij. Hij stell', met ons vereend van zin, Met onbeklemde borst, Het Godgevallig feestlied in Voor Vaderland en Vorst.

en die zelfs ook met de Duitschers, in den lof op de "Brüdertreue aller Deutschen Stämme" en "des groszen Vaterlandes" instemmen, zooals de Vlaamsche patriotten dat, op het groote Vlaamsch-Duitsche zangersfeest te Brussel in het jaar 1846 gedaan hebben [49].

Tegenover het, op gezegde wijze door de Spanjaarden en Franschen in Zuid-Nederland zegevierende Romanendom, stonden in het einde der 16de eeuw de Hollanders onder hunnen Prins van Oranje op, even als vroeger hunne voorvaderen, de Batavieren, onder Claudius Civilis. Het is zeer opmerkingswaardig, dat de Romeinen reeds bij die oude Batavieren menige eigenschap prezen, waarom nog heden ten dage de Nederlanders geprezen worden [50]. Zij schenen hun zeer achtenswaardige menschen toe, van meer passieven dan actieven moed, die zich tot eene dappere verdediging hunner grenzen en hunner vrijheid bepaalden. In een vijftigjarigen [51], met afwisselend geluk gevoerden oorlog tegen de Spanjaarden, de toenmalige heeren der wereld, waarin zij zegevierend hunne onafhankelijkheid bewaarden, bewezen de nakomelingen dier Batavieren, hoe sterk de patriottische, dezen edelen Neder-Duitschen stam aangeborene, vrijheidsliefde is.--De geheele heerlijkheid en kracht van dezen stam vertoonde zich nu in even heerlijke bloesems en vruchten, als eens in het oude Vlaanderen in den strijd tegen Frankrijk. Al het echt Nederlandsche verzamelde zich onder de vanen der Hollanders. De Vlaamsche dichters en vrijheidsmannen, hunne geleerden, hunne kooplieden en de kapitalen van deze laatsten, vluchtten van Gent, Brugge en Antwerpen naar het Noorden, dat nu de opvolger van het Zuiden werd. De Hollanders werden nu (nadat zij den Spanjaarden en Portugeezen een groot deel hunner koloniën afgenomen hadden), wat hunne Zuidelijke broeders, de Vlamingen, vroeger geweest waren, "de handelaars en scheepvaarders van Europa", en maakten hun land tot het groote magazijn van het werelddeel. Men kan zeggen, dat de handels-aangelegenheden driemalen in handen der Nederlanders geweest zijn: eens in de 14de en 15de eeuw, het Bourgondische tijdperk, binnen Gent en Brugge; een tweede maal in de 16de eeuw onder Karel V en Filips II te Antwerpen; een derde maal in de 17de en 18de eeuw, in het op palen in een moeras gebouwde Amsterdam.

De Hollanders staken de banier der onafhankelijkheid niet alleen voor zich zelven op, zij lieten veeleer de vrijheidskleur hoog door geheel Europa wapperen. Alle door despoten vervolgden vluchtten (even als eens de Venetianen naar de Lagunen de wijk namen voor Attila) onder de machtige bescherming der Hollandsche moerasbewoners. Evenals hunne eigene landgenooten uit Antwerpen en Brabant, zoo namen zij ook de door dezelfde harde Koninklijke decreten gedrukte Israëlieten uit Portugal en Spanje op, die sedert eene zeer belangrijke kolonie onder hen gesticht hebben. De dertigjarige oorlog bracht hun ook grooten toevloed van krachten uit het toenmaals zoo ongelukkige Duitschland. En toen Lodewijk XIV in Frankrijk het edict van Nantes ophief, stroomde eene zoo groote menigte Fransche protestanten, kunstenaars en geleerden naar Holland, dat deze immigratie zelfs een weinig het Duitschdom der Hollanders schaadde, en het Fransche wezen bij hen het burgerrecht verkreeg. Vele beroemde Fransche geleerden en aanzienlijke mannen, vonden bescherming en erkenning hunner verdiensten bij hen. Een der grootste Fransche denkers, Des Cartes, schreef te midden der Hollanders zijne scherpzinnige en door de wereld bewonderde werken, die zijn naam onsterfelijk gemaakt hebben [52].--Ook de godsdienst-onlusten in Engeland dreven talrijke vervolgden naar Holland, en van hier uit en met Hollandsche schepen zeilden die Engelsche pelgrims uit, die de merkwaardige staten van Nieuw-Engeland in Amerika stichtten. Zelfs de grondvesting der nieuwe vrijheid in Oud-Engeland, kwam niet zonder medewerking der Hollanders tot stand. Het was een Hollander van geboorte en van karakter, Willem III, die met Hollandsche troepen aan de willekeur der Stuarts een einde maakte, en aan wien de Engelschen hunne "revolution", de eindelijke vaststelling hunner kerkelijke en staatkundige vrijheid, te danken hebben.

Zoo kan men dus zeggen, dat de Nederlanders dikwijls, vooral echter tweemaal, de voorvechters der politieke onafhankelijkheid voor geheel Europa geweest zijn, eens in oude tijden onder de Vlamingen, wien de eer toekomt, reeds in de midden-eeuwen den grondslag tot de burgerlijke en stedelijke vrijheid in Noordelijk Europa gelegd te hebben; en een tweede maal onder de Hollanders, wier vrijheidsoorlogen tegen de Spanjaarden en later tegen Lodewijk XIV, zooveel overeenkomst hebben met de oorlogen der Vlamingen tegen de oude Koningen van Frankrijk.

De inrichtingen, die de Hollanders ter bewaring hunner herkregene vrijheid, in het leven riepen, gingen uit van een bewonderenswaardigen geest van orde en omzichtigheid. Niet alleen was hunne vloot, toen ter tijd, een der best georganiseerde, maar ook, wat men van een handels- en zeevolk niet verwachten zou, in de kunst landtroepen te werven, discipline onder hen te brengen en te bewaren, werden zij een voorbeeld voor andere volken.--Hunne verstandige opwekkingen, hunne punctueele uitbetaling der soldij, verschafte hun de beste officieren en soldaten. Zij verwierven zich den roem, ook in militaire zaken, het eerst eene goede orde gebracht te hebben.--De organisatie hunner zee- en landmacht was zoo voorbeeldig, dat Christiaan V van Denemarken, Gustaaf Adolf van Zweden en andere Koningen, vele grondstellingen over krijgs- en legerzaken van de Hollanders overnamen. Zelfs Peter de Groote, de groote despoot van het Noorden, begaf zich, opgetogen van bewondering over dit vrije volk, naar de Hollanders, om hun leerling te worden; hij riep ze vervolgens naar zijn land, om met hunne hulp zijne vloot en zijne nieuwe residentie te bouwen.

In andere zaken, vooral in hunne financieele- en handelsinrichtingen, hadden zij reeds lang vóór dien grooten Czaar, vreemde Koningen en staatslieden ten voorbeeld gediend. Reeds Hendrik IV van Frankrijk was een bewonderaar der Hollanders geweest, en zijn groote minister Sully had hen bij zijn weg-, kanaal- en havenbouw, en bij zijne andere inrichtingen en hervormingen in Frankrijk dikwijls, even als later Peter de Groote, te hulp geroepen.

Men heeft de Nederlanders, wat betreft hunne orde op hunne zaken, met het oog op hunne handels-grondbeginselen, hunne militaire- en maritieme inrichtingen, en in menig ander punt, dikwijls met de Karthagers vergeleken. Zoo heeft men onder anderen opgemerkt, dat de Hollanders naast de Karthagers, het eenige volk in de geschiedenis geweest zijn, waaronder rijkdommen hunne gewone uitwerking, om eens weelde, verkwisting en verval van zeden te bewerken, niet gehad hebben. Een geest van spaarzaamheid, onthouding en bedachtzaamheid, is den Hollanders steeds eigen gebleven, zelfs toen zij de heeren van een groot deel van Indië waren, even als die geest den Karthagers steeds eigen gebleven is, zelfs toen hun uit de bergwerken van Spanje, de edele metalen bij massa's toevloeiden.

Met betrekking tot hetgeen zij op het gebied van kunsten en wetenschappen geleverd hebben, staan de Hollanders echter ver boven die oude Puniërs. Aan groote geleerden heeft het hun, sedert hunne zelfstandigheid, nooit ontbroken. Klassieke vorming was tot in den nieuwsten tijd bij de Hollanders bijzonder gezien. Als philologen hebben zij lang aan het hoofd gestaan der Europeesche geleerden.

Het meest echter hebben de natuur-wetenschappen te danken aan de Hollanders, aan wie, even als aan alle Neder-Duitschers, eene groote liefde voor de natuur eigen is. Hunne Swammerdams, hunne Boerhave's, hunne Huygens, hebben zich door geheel Europa beroemd gemaakt. En zelfs de grootste natuur-onderzoeker der vorige eeuw, Linnaeus, studeerde en leefde in Holland en schreef daar een gedeelte zijner beste werken.--Men zal moeielijk een land aanwijzen, waar men, zelfs in particuliere huizen, zooveel verzamelingen voor natuurlijke-historie aantreft als in Holland. Ook mag het in dit opzicht karakteristiek genoemd worden, dat eenige der uitvindingen, die het meeste nut voor de natuur-wetenschappen hadden, die van den telescoop, den microscoop en van den thermometer, in Holland gedaan zijn [53].

In geene kunst hebben niet alleen de Hollanders, maar alle Nederlanders meer geleverd, dan in de schilderkunst [54]. Zij nemen in dit vak de tweede plaats na de Italianen in, die zij, wat rijkdom aan talenten en menigte van voortbrengselen betreft, bijna evenaren, maar met wie zij, wat betreft het karakter der schilderscholen, een opmerkelijk contrast vormen.--De zachte bevalligheid, de hooge idealiteit en het poëtisch schilderachtige der in geestdrift ontstokene Italianen, hebben de strenge Hollanders niet kunnen bereiken. In het teruggeven der natuur en van het werkelijke, hun omgevende leven, toonden zij hunne hoofdkracht. Hunne groote meesters van Veen [55], van Dijck, Rembrandt waren in de opvatting van het individueele, als nabootsers van natuurverschijnselen, als portretschilders het grootst. Zelfs van Rubens zegt men in dit opzicht, kenmerkend genoeg, dat hij zijne schoone echtgenooten, die dikwijls voor hem zaten, veel beter terug gaf, als hij ze alleen portretteerde, dan wanneer hij ze idealiseerde.--Aan dier- en landschapschilders hebben de Nederlanders, even als aan stille natuurvorschers, een grooten rijkdom. Het bij hen zoo beminde, zoogenaamde "stilleven", is eene der voor hen meest karakteristieke kunsttakken, en op het schilderen van bloemen hebben deze bedaarde, natuurkundige, vlijtige menschen zich, even als op de bloemkweekerij, met eene voorliefde als geen ander volk, toegelegd. Het origineel dier geschilderde stillevens, bloem- en boomstukken, ziet men nog in duizend bevallige vormen bij hunne landgoederen, hunne geliefde buitenplaatsen, die, wat hunnen omvang betreft slechts hutten, maar inwendig paleizen zijn, waarin een geest van reinheid en nette sierlijkheid ieder voorwerp verfraait.

Het minst hebben de Nederlanders in de poëzie uitgeblonken, waarin trouwens alle Neder-Duitschers niet alleen bij de andere volken, maar in het bijzonder ook bij de Hoog-Duitsche stammen ten achter stonden [56]. Zij bezitten wel, even als andere volken, hunne oude volksliederen, en ook hunne "Maerlants", "Cats", "Tollens" en andere aan de Schelde en den IJssel gevierde muzen-jongeren [57], maar geen hunner heeft als een Portugeesche Camoëns, als een Italiaansche Petrarca, of als een Engelsche Shakespeare, de lier zoo luid en schoon getokkeld, dat men de echo zijner gezangen, ook in andere landen, krachtig en op den duur vernomen heeft. Ik zeg krachtig en op den duur, want wij Duitschers mogen niet vergeten, dat toch een korten tijd (in de 17de eeuw) onze Duitsche poëzie zoo laag en de Hollandsche zoo hoog stond, dat toen onze Opitz, en de andere eerste grondleggers onzer moderne literatuur, naar de Nederlanden gingen, om daar aan de Hollandsche hippokrene te putten.

In den aanhoudenden strijd met de elementen, waartoe hen de natuur van hun land, zijne vochtige dampen, die, als men niet aanhoudend poetst en schuurt, alles met roest en schimmel bedekken, zijne wateren, die, als men niet aanhoudend graaft en plaveit, alles in slik doen verzinken, waren de Nederlanders genoodzaakt met verstand, overleg, omzichtigheid en bedachtzaamheid te rade te gaan. Tucht, ordelievendheid, zindelijkheid, helderheid van oordeel, zijn op die wijze eene eigenaardigheid van hun karakter geworden. "Daarom haat deze berekenende en practische Nederlandsche mensch, al het vervloeiende en onbepaalde in gevoel en gedachten," wat hij, even als de Engelschman, den Duitschers verwijt. Maar niet zelden vervalt hij daarbij tot kleingeestigheid en middelmatigheid, even als wij Duitschers tot dweeperij en verwardheid.

Alle neigingen en begeerten zijn bij de Hollanders ietwat mat en koel, wat hun bij de volken van Europa den roep van groote, zich afzonderende en niet meer dan de hoog noodige woorden gebruikende flegmatici te zijn, gegeven heeft. Gloeiende wraak, jaloezie en andere hartstochten zijn, naar de meening van een Spanjaard, bij hen "onbekend." Hunne liefde vlamt niet, maar glimt slechts. Eer geldt bij hen minder dan geld [58]. Wanneer het echter op geldverdienen aankomt, zijn zij daar even tuk op, als de Romeinen op eene "verovering." Zij hebben meer gezond verstand dan vernuft en geest, meer natuurlijke goedhartigheid dan warm gevoel, en streven meer naar dat, wat zij gemakkelijkheid [59] (een der groote woorden in hunne dictionnaire) noemen, dan naar de vroolijke genoegens, die smaak en gezelligheid opleveren. Hunne genoegens zijn eenvoudig, en bepalen zich grootendeels tot den kring hunner huisgenooten, hunner familie en hunner beste vrienden. Men vindt bij hen meer menschen, die men hoogachten moet, dan menschen waarmee men zou kunnen dweepen, en hun land, dat den opmerker zooveel merkwaardigs en leerzaams aanbiedt, beloont meer de moeite het te bereizen, dan het aangenaam is te bewonen.

Hun nationaal-karakter bestaat uit werkzaamheid, rechtschapenheid en pedanterie. Wanneer men de koelheid van hun bloed, hun stijf, stil en langzaam wezen nagaat, verwondert men er zich over, hoe zulke flegmatische menschen zulke groote dingen tot stand hebben kunnen brengen. Maar de hun zoo eigene volharding, het hun natuurlijke, mannelijk volhouden in het moedig verdragen van ongevallen, en in de standvastige bestrijding van hinderpalen, is hun zoowel in hun privaat- als in hun publiek leven, het meest er bij behulpzaam geweest, dat zij--een volkje, dat nauwelijks ooit meer dan 2 millioen zielen telde--zoo hoog en vast gestaan, zoo diep ingewerkt en zoover om zich heen gewerkt hebben, als weinige der volkrijkste natiën. Als men, zooals de beroemde Sir William Temple mededeelt, in Holland eens menschen vinden kon, die 24 jaren aan eene volkomene herstelling eener aardglobe--of zelfs 30 jaren aan het mozaïkwerk van een tafelblad werkten,--of, zooals de kunstgeschiedenis leert, landschapschilders, die drie dagen bezig waren om een bezemsteel trouw weder te geven--of, natuuronderzoekers, die hun leven en hunne geleerdheid daartoe bezigden (en alleen daarom ook het graveeren in koper leerden), om eene enkele soort rups in al hare inrichtingen en haar geheele organismus te kunnen schilderen en portretteeren, dan begrijpt men gemakkelijk, dat zulke menschen iets solieds en van blijvende waarde moesten in het leven roepen.

In al hunne openbare betrekkingen hebben de Hollanders eene groote liefde voor rechtvaardigheid bewaard, want nauwelijks maakt de geschiedenis gewag van eene regeering, die door hare onpartijdige, onomkoopbare, en voor alle standen der maatschappij gelijke wetgeving en rechtswezen, beroemder geweest zou zijn, dan die der Nederlanders.--De oude Hollandsche bank was er beroemd voor, dat zij nooit meer bankpapier in omloop bracht dan waarvoor zij baar geld bezat. Zich groot voor te doen is nooit een nationaal-gebrek der Hollanders geweest; zij zijn niets minder dan pralers en zwetsers. Zij verachten of belachen het declamatorische bij hunne naburen, de Franschen. Nimmer hebben zij "Magnaten", of "Grandes" gehad. Die namen hebben wij (de Duitschers) uit Hongarije en Spanje ontvangen. De Nederlandsche grooten, rijken en machtigen, muntten steeds uit door eene groote mate van bescheidenheid. Hunne machtigen gebruikten hunne macht alleen daar, waar zij noodig was, maar brachten weinig daarvan in het particuliere leven over. Zelfs, toen zij over de schatten van Indië geboden, zag men hunne staatslieden, wier invloed somwijlen met dien van Koningen gelijk stond, zonder bedienden en te voet wandelen. En ook nu nog leven bij hen de rijken, ofschoon niet zonder eene zeer soliede luxe, toch stiller en gewoonlijk eenvoudiger en spaarzamer dan ergens anders [60].

Den grootsten dank echter is de wereld den Nederlanders daarvoor verschuldigd, dat zij in hunne geschiedenis het bewijs geven voor de waarheid, dat een volk, zelfs het kleinste, door eenstemmigheid in denkwijze onoverwinlijk wordt, en dat bovendien bij alle menschelijke werkzaamheden, standvastigheid en vlijt nooit hun doel missen. Het standpunt der uiterlijke macht der Hollanders staat nu niet meer zoo hoog als vroeger. "Zij gelijken een oud beroemd handelshuis, waarvan de draagbalken broos geworden zijn." Toch echter zijn bij de tegenwoordige vermindering van hun staatkundig gewicht, hunne zeden, hun volks-karakter, hun welstand volstrekt niet tot zulk een verval geraakt, als b.v. bij de Portugeezen, met wie men het lot der Nederlanders in menig opzicht het best vergelijken kan, het geval geweest is. Veeleer hebben zij, evenals toen zij op het toppunt hunner macht waren, toen hunne ster begon te tanen, dezelfde bedachtzaamheid, dezelfde huishoudelijke geest en hunne oude, goede zeden onveranderd bewaard, en de groote rust, die gedurende de laatste politieke stormen in Europa bij hen geheerscht heeft, schijnt een teeken te zijn, dat zij minstens nu niet ongelukkiger zijn, dan in de tijden, toen hunne Trompen en de Ruiters triumfeerend en zegevierend, met den bezem in den mast, op de door hen schoongeveegde zeeën rondvoeren, of toen hunne Oldenbarnevelds en de Witten in den raad der Europeesche Souvereinen veel te zeggen hadden.

DE ZWITSERS.

Van de Nederlanders wend ik mij nu tot de Zwitsersche Alpenbewoners, van de golven aan het strand der zee naar de bergen en hunne hemelhooge toppen. Op het eerste gezicht schijnt dit een enorme sprong te zijn en toch blijkt bij eene nadere beschouwing, dat die niet zoo groot is. Want, vreemd genoeg, hebben niet alleen de politieke toestanden maar ook de aanleg van het volk, in de hooge Alpen en in de lage moerassen, in vele punten zooveel overeenkomst, dat men bijna geneigd is aan eene geheime keurverwantschap tusschen beide landen en volken te gelooven.

Geographisch zijn zij reeds door den Rijn, die bij de Zwitsers ontspringt en bij de Hollanders in zee loopt, verbonden. Zoowel de bronnen als de mondingen van dezen grooten stroom, waren van oudsher de schouwplaatsen van merkwaardige vermengingen en oorlogen van het Celtisch-Romaansche en het Germaansche ras, zoodat wij dien ten gevolge in de Nederlanden, even als in Zwitserland, bijna in alle tijden der geschiedenis, deelen van beide groote stammen, tot een en hetzelfde nationaal of politiek geheel, vereenigd zien.

De vele breede stroom-armen en zeeboezems, die de Nederlanden in eene menigte eilanden en deelen verdeelen, hebben daar dezelfde uitwerking gehad, als in Zwitserland de bergen en bergruggen, die het hooge land evenzoo in onderdeelen splitsen, en in beide landen heeft zich daardoor een veelzijdig leven en werken van kleine vrijstaten, nevens, met en tegen elkander ontwikkeld.--De moerassen en onderwaterzettingen in de lage landen, hielpen de vrijheid der bewoners even zoo verdedigen, als in de hooge bergstreken de ontoegankelijke ijsvelden en ongenaakbare bergtoppen deden, en gene hebben bij de Hollandsche visschers eene even groote zucht tot onafhankelijkheid doen ontstaan, als deze het bij de arme herders der Alpen deden. Ook de natuurlijke gesteldheid des lands, de strijd met de elementen, dààr met de zee, hier met de aan sneeuwvelden en gletschers verbondene bezwaren, heeft in beide landen een volhardend en dapper geslacht doen ontstaan, en tegelijkertijd heeft bij beide volken de oorspronkelijke armoede van het land, de ondernemingsgeest der bewoners opgewekt.--De Zwitsers, aan de grenzen en bergpassen tusschen het Noorden en het Zuiden, aan de uitgangs punten van groote stroomen op post gesteld, werden op het vaste land even ijverige tusschenhandelaars als de Nederlanders op de zee. Ook hebben gene naar hunne bergdalen, even als deze op hunne duinen en heidevelden, verscheidene takken van industrie overgeplant, waardoor zij welgesteld en voor de geschiedenis der ontwikkeling belangrijk geworden zijn.

In de republikeinsche gewoonten, in den godsdienstigen zin, in de kerkelijke zaken van beide volken, vinden wij menigmaal (somwijlen tot in de kleinste bijzonderheden toe) eene verrassende overeenkomst. Beide zoover van elkander verwijderde volken, Nederlanders en Zwitsers, waren eens op gelijke wijze met het Duitsche rijk verbonden, zooals zij zich eens, ook weder op gelijke wijze, er van gescheiden hebben.

Met betrekking tot de allervroegste bewoners van Zwitserland, heeft men in de laatste jaren hoogst merkwaardige ontdekkingen gedaan en onderzoekingen ingesteld.--In eenige zeer drooge zomers, waarin de Zwitsersche meren, ver binnen hunne gewone oevers, zich terugtrokken, heeft men aan hunne randen, eeuwenoude, in het water staande paalwerken, en naast deze palen, op den bodem der meren verzonken, gereedschappen, werktuigen, wapens, huisraad, visschers-booten van de ruwste en eigenaardigste gedaante gevonden. Waarschijnlijk was het toen aan de oevers der fraaie Zwitsersche meren wonende en visschende volk, verwant met en van denzelfden tijd als de primitive rassen, van welke men ook in Denemarken, Frankrijk en Engeland in den laatsten tijd zulke belangrijke sporen ontdekt heeft, en van welke menigeen vermoed heeft, dat het Finsche stammen geweest zijn, die eens (misschien verscheidene duizende jaren voor Christus geboorte) het geheele nog uit moerassen en wouden bestaande Noord- en Midden-Europa bewoond hebben.

Toen de Romeinen (die het eerste licht in de geschiedenis van Noordelijk Europa gebracht hebben) aan gene zijde der Alpen verschenen, was het land even als Gallië en andere naburige landen, door "Celten" bewoond, die waarschijnlijk uit het Oosten langs den Donau over de Bodensee, veroverend het land waren binnengerukt, die oude, Samojeed-achtige oorspronkelijke bewoners vernietigd hadden, en die in Zwitserland den naam "Helvetiërs" droegen. Merkwaardig genoeg vonden reeds de Romeinen, deze oude Celtische Helvetiërs binnen dezelfde grenzen, waarbinnen nu nog de Zwitsersche bondsstaat bevat is, namelijk tusschen het meer van Genève in het Westen, het meer van Constans in het Oosten, de Jura in het Noorden en de Alpen in het Zuiden. Dien ten gevolge kan men dus deze grenzen wel als natuurlijk beschouwen, en Zwitserland in hoofdzaak definieeren als dat groote, fraaie, 40 mijlen lange en 12 mijlen breede dal, dat ten Noorden door de Jura en het Schwarzwald omgeven, in het Zuiden de Alpen tot grensmuur heeft, en in het Westen door beide genoemde meren afgesloten wordt.

Dit dal, dat door den Rijn en zijne takken bevochtigd wordt, en dat men daarom ook het groote Boven-Rijn-bassin zou kunnen noemen, vormt het hoofdlichaam van het vaderland der Helvetiërs of Zwitsers. Zij hebben echter dit hoofdlichaam niet ten allen tijde, als een ethnographisch of politisch geheel bezeten, en hebben ook nu eens dit, dan weder dat der talrijke naburige dalen als leden of deelen er mede verbonden. De Romeinen, onder en na Caesar, veroverden dat groote dal, stichtten daar, even als in de andere Celtische landen, koloniën en steden, voerden hunne taal in en romaniseerden het geheele Helvetië. Bij den ondergang hunner macht echter, drongen, even als de Neder-Duitsche Franken in het Nederlandsche België, de Boven-Duitsche Alemannen (Sueven of Schwaben) Helvetië binnen, verdrongen de geromaniseerde Celten, en brachten er voor het geheele vervolg van tijd, Duitsche grond-bevolking voor in de plaats. Het gelukte hun echter niet, deze germaniseering van Helvetië, geheel en in alle dalen door te voeren. Even als in de Nederlanden, zoo bleef ook hier een deel van den Romano-Celtischen, volksstam bestaan. En zelfs in de Duitsch geworden Oostelijke helft van Zwitserland, dragen vele plaatsen en streken nu nog Romeinsch-Celtische slechts eenigzins op Duitsche wijze veranderde namen, zooals de steden Zürich (Thuricum), Constanz (Constantia), Bregenz (Brigantium), Solothurn (Solodurum), Bazel (Basilea) en andere.

Toen na de stormen der volksverhuizing zich groote Germaansche rijken vormden, werd Helvetië vaneengescheurd. De grootere Oostelijke helft, tot aan eene lijn die van het meer van Neufchatel tot het meer van Genève loopt, bleef sedert de 5de eeuw bijna altijd een deel van het groote Hertogdom Alemannië of Schwaben, en viel met dit onder de macht der Frankische Koningen en later der Duitsche Keizers. Deze lang durende staatkundige vereeniging met het "Schwaben land," deed de Oostelijke Zwitsers hunne Duitsche taal en hunne Alemannische nationaliteit behouden. De kleinere Westelijke helft van Helvetië daarentegen, viel aan het groote Bourgondische rijk toe, dat overal op romanischen bodem stond, en waarin de het land binnengetrokkene Duitsche Bourgondiërs, zeer spoedig weder geromaniseerd werden. Geruimen tijd vormde zich onder den naam "Burgundia Minor" (klein-Bourgondië) een gedeelte van dat rijk, dat wel een tijd lang ook onder de opperheerschappij der Duitsche Keizers stond, maar met betrekking tot taal en bevolking, zich echter steeds als een Romaansch land vertoonde. De Westelijke Zwitsers bleven dien ten gevolge ook, even als de andere "Bourgondiërs," deze nationaliteit toegedaan, en vervormden hunne Romaansche taal en gewoonten, in verbinding met hen, en even als zij verscheidene phasen doorloopende, ten slotte tot een Nieuw-Fransch.

Uit deze gebeurtenissen in haar geheel beschouwd, laten zich de ethnographische verschijnselen en verscheidenheden in Zwitserland zeer goed afleiden, ofschoon daarbij in sommige onderdeelen veel vreemd en onverklaarbaar blijft; zooals b.v. hoe en waarom de groote Duitsche volksvloed het eene dal binnendrong, het andere niet,--hoe en waarom de germaniseering dikwijls midden in eene vlakte staan bleef, en daar, zonder eenige natuurlijke aanleiding, met het Romaansche element eene scherpe afscheiding maakte, ja met dezen zelfs hier en daar dezelfde dalen deelde, en soms zich, b.v. in eenige Monte-Rosa-dalen, sporadisch en eilandachtig vooruitschoof. Eene der merkwaardigste onder deze bijzonderheden, is zeker het zeshonderdjarig samenleven van een Fransch en een Duitsch element binnen de muren der zelfde stad (Freiburg), zonder dat daaruit een ethnographisch geheel ontstaan is. Nog heden ten dage spreekt men in het hoogere gedeelte dezer stad, op hare rotsen, Romaansch, en in de dalhelft, aan de rivier, Duitsch, zonder dat alle inwoners beide talen verstaan.

Na den ondergang van het oude Helvetië, is ook, gedurende de geheele middeneeuwen tot aan de veertiende eeuw, van een eigendommelijk Zwitsersch volk, van eene Zwitsersche natie, geen sprake. De landstreken en bevolkingen, die zich heden ten dage als deelen dezer "natie" beschouwen, gingen toen in andere grootere politieke lichamen op.--Genève, Waadland en het halve Wallis waren afhankelijk van Savoye; Tessin behoorde tot het Hertogdom Milaan; Graubunderland of Rhaetië had zijne eigene ontwikkelings-geschiedenis op zich zelf. Overal trof men kleine dynastiën en Vorsten aan, en nevens hen bloeiden, even als in het geheele Duitsche rijk, vrije steden en bisschops-zetels, tusschen welke verder geene politieke vereeniging bestond, dan de zeer losse die het Duitsche rijksverband aan een sloot. Alleen gedurende de de 11de en 12de eeuw laat zich eene zekere eenheid van Zwitserland daarin herkennen, dat de Hertogen van Zähringen, ten minste in de groote deelen van het land, als erfelijke stadhouders van den Duitschen Keizer regeerden.

Eerst in het begin der 14de eeuw, werd de grondslag tot dat staatswezen gelegd, dat voor en na alle deelen van het oude Helvetië weder tot een geheel vereenigen zou, en toen werd voor het eerst de naam der aanvankelijk zeer kleine landstreek genoemd, die langzamerhand alle medeburgers van dezen staat, als hun nationalen naam aangenomen hebben.--Deze naam zou (zoo beweert eene oude sage) uit Zweden afkomstig zijn, en van eene schaar Noorman'sche avonturiers afstammen, die in de vroegste middeleeuwen, den Rijn opvarende, zich om het Vierwaldstädter meer nederzetten en een daar gelegene landstreek, "Suitia" of "Schwijz" noemden. Schwijz was het grootste van de drie Duitsche ur-kantons, die tegen de despotische landvoogden van Keizer Albrecht opstonden, en door een eed met elkander verbonden waren.

Aanvankelijk noemden zij zich slechts de "eedgenooten" of na de toetreding van Lucern ook wel "den bond der vier woudsteden." Schwijz bleef ook later voor langeren tijd de ziel van dezen bond, en gaf dien ten gevolge eindelijk aan het geheel zijne kleuren, wit en rood, en zijn naam, die echter eerst sedert de 16de eeuw algemeen en aan alle eedgenooten deelachtig geworden is.

In een bijna 200 jarigen oorlog tegen Oostenrijk, die even rijk aan roemrijke daden en overwinningen der vrije Zwitsersche bergbewoners is, als de 80 jarige oorlog der Nederlanders tegen Spanje, handhaafden zij hunne onafhankelijkheid, verwierven zich roem en macht, en daardoor vele bondgenooten onder de landschappen en steden, rondom hunne hooge bergen gelegen.

Na iederen grooten strijd en overwinning vergrootte zich hun bond. Reeds dadelijk bij de eerste overwinning, bij Morgarten [61], nog in het begin der 14de eeuw, traden de steden Lucern, Zürich, Bern en Glarus tot hem toe, en vermeerderden daardoor het aantal "Orten" (of kantons) tot 8, die later de acht "oude Orten" genoemd werden. Weder na een reeks Spartaansche veldslagen, bij Sempach, bij Näfels en bij St. Jacob, [62] in het einde der 14de en het begin der 15de eeuw, waarin zij hunne zelfstandigheid tegen de Oostenrijkers en Franschen handhaafden, breidde zich hun gebied andermaal uit,--over Aargau en Thurgau.--Toen de machtige Hertog van Bourgondië, Karel de Stoute, die midden tusschen Duitschland en Frankrijk eene groote monarchie, door alle Westelijke Rijnlanden heen, stichten, en de Zwitsers met de Nederlanders onder zijn schepter vereenigen wilde, in de heldenslagen bij Grandson, Murten en Nancy [63] bezweek, toen annexeerden de eedgenooten ook Freiburg en Solothurn, en nadat zij andermaal, in eene reeks bloedige overwinningen, tegen Keizer Maximiliaan zich hadden weten te handhaven, werden ook Bazel, Appenzell en Schaffhausen opgenomen [64]. En ook de zoogenaamde "Graue Bündte," der Rhätische dalbewoners, traden toen met de eedgenooten in verbroedering.

Van nu af aan, dus van het einde der 15de eeuw, was er tusschen de Jura en de Alpen,--voor het eerst na den ondergang van het oude Helvetië,--een, zoo ook al niet in hooge mate vereenigd Zwitsersch volk, dan toch een begin er toe, een onafhankelijke staat, die zich van het Duitsche rijk losmaakte, en zich als eene, politisch steeds gewichtiger wordende, Europeesche macht vertoonde.

De roep hunner dapperheid maakte alle Vorsten begeerig naar den bijstand der geharde, en in ontelbare veldslagen ervaring opgedaan hebbende, zonen van het Alpenland. Daar hun vaderland arm was, zoo waren zulke hulptroepen gemakkelijk voor geld te krijgen. Zij hadden bij de deeling van den rijken Bourgondischen buit geleerd, hoe men, aan gene zijde hunner bergen, door het zwaard en de strijdkolven schatten winnen kon. Van dien tijd dateert het beruchte, zoogenaamde, "reislaufen" der Zwitsers, het dienstnemen bij vreemde mogendheden der geldgierige helden en vechtersbazen, dat gedurende twee of drie eeuwen meer Alpen-zonen door de geheele wereld gevoerd, en hier en daar inheemsch gemaakt heeft, dan eenige andere drijfveer. In dit opzicht vormen de Zwitsers een scherp contrast met de Nederlanders, met wie zij in andere punten zooveel overeenkomst hebben. Want deze werden, zooals vroeger reeds opgemerkt is, in denzelfden tijd waarin de Zwitsers, door oorlogszucht gedreven, hunne razzia's in Europa hielden, alleen door vreedzame kunsten, als stadbewoners en landbouwers in verscheidene landen woonachtig.--Waar zich ook de boten (afgevaardigden) der eedgenooten verzamelden, daar verschenen de gelukwenschende gezanten met zakken vol blanke thalers, om voor den Keizer van Duitschland, of voor den Koning van Frankrijk, voor den Paus of voor de Vorsten van Hongarije, voor de rijkstad Neurenburg of voor eenige staat der wereld, als zij maar betalen konden, bondgenootschap en soldaten te zoeken. De boer verliet den ploeg, de kunstenaar zijne werkplaats, en begaf zich in vreemden krijgsdienst, waar steeds op geld en buit te hopen viel. Vrije Zwitsers "Rusticorum mascula militum proles" mannelijke spruiten van boersche soldaten dienden, evenals de Turksche Albaneezen onzer dagen, den Vorst die hen betalen wilde. Zij leverden voor geld de bloedigste veldslagen, veroverden voor geld, op de Franschen het schoone dal van de Po voor den Hertog van Milaan zoolang hij betaalde, en toen deze niet meer betaalde, heroverden zij dat zelfde Po-dal op den Hertog van Milaan ten behoeve der Franschen.

Daar zich somwijlen twee tegen elkander strijdende partijen Zwitsersche bondgenooten hadden verschaft, zoo stonden deze niet zelden op het slagveld tegen hunne broeders over. Daar winzucht en lust om zich buit te verwerven deze onoverwinnelijke berg-troepen bezielden; daar zij ook despoten en tyrannen dienden, als deze maar betalen konden, zoo heeft niets meer, dan deze uit hunne roemrijke vrijheidsoorlogen voortgesprotene buiteniandsche krijgsdienst, de Zwitsers bij de overige volken onbemind gemaakt. Het spreekwoord "point d'argent, point de Suisse" (geen geld, geen Zwitser) werd na dien tijd in alle talen overgebracht. Geldgierigheid en winzucht zijn eigenschappen, die men na dien tijd den Zwitsers meermalen verweten heeft. Ook heeft daaraan misschien eene zekere stuursche hardheid in hunne manier van zijn en in hun gedrag haren oorsprong te danken. Ten deele echter ook, moet deze hardheid, zooals ook hunne uiterst harde en ruwe taal, aan het bergachtige karakter van hun ruw land worden toegeschreven. Mij dunkt, dat zulks zich zelfs in den stijl der Zwitsersche schrijvers afspiegelt. Ik herinner den lezer slechts aan de Tacitanische schrijfwijze van den grooten Zwitserschen geschiedschrijver J. v. Muller. Ook de Zwitser Zschokke heeft, in zijne geschiedenis van Helvetië, iets dergelijks, en het schijnt wel als bespeurde men bij iederen Zwitser, redenaar en schrijver, een weinig, wel niet altijd klassieke Tacitus-manier, gebrek aan vloeiendheid en losheid, iets rots- en lawineachtigs.--De vreemde militaire dienst was een kanker, die op verschillende wijze aan het kapitaal van het nationaal-karakter der Zwitsers teerde, en hun staatsbestuur op gelijke wijze een tijdlang ondermijnde, als eens in Rome de praetorianen deden. Eerst in den allernieuwsten tijd is het, na veel moeite en vele verboden, den wetgevers gelukt deze slechte nationale gewoonte af te schaffen, en hare bronnen te verstoppen.

Trots de scheiding der Zwitsers van het Duitsche, in den aanvang der 14de eeuw, bleven toch de kern en geest van het volk eigenlijk Duitsch. Van de Duitsche Zwitsers uit de zoogenaamde "Urkantonen" ging de eerste grondvesting van het eedgenootschap uit, van hen ging ook de uitbreiding van het grondgebied uit, evenals later ook de kerkhervorming en nog andere dier bewegingen, die aan het Zwitsersche volk zijn eigenlijk karakter gegeven hebben. Met uitzondering der oude Rhaetische Romanen in Graubunderland, en in den omtrek der stad Genève, zijn bijna het geheele niet-Duitsche gebied en volk, door de, van de Duitsche Zwitsers uitgaande inspanningen en veroveringen, tot het eedgenootschap gekomen. Zoo ging het met het Fransche Wallis door de ondernemingen der Duitschers in Ober-Wallis; zoo met het Fransche Waadland, door de krijgshaftige Berners, die het aan de Hertogen van Savoije ontnamen; zoo met het Italiaansche Tessin door de dappere Duitsche herders uit de Ur-kantonen, die het op Milaan veroverden, zoo met meer andere Italiaansche gebieden, door de Duitsche leden van het Godshuis-Bond en van het Grauwe Bond.

Deze vreemde onderdanen werden door de Duitsche Zwitsers, hunne heeren, eeuwen lang door landvoogden even despotiek geregeerd, als zij zelven vroeger door de stadhouders der Oostenrijksche Vorsten geregeerd waren geworden. En buitendien was er ook in de gemeentelijke inrichting der Duitsche Zwitsers zelve, tot op den nieuweren tijd toe, zooveel ongelijkheid in rechtspraak, waren er zoovele onderdrukte onderdanen, zoovele bevoorrechte heeren en stadsburgers, zooveel kleine geheel en al souvereine staten, die, zonder het eedgenootschap te vragen, dikwijls onder elkander, somwijlen zelfs met vreemde machten bondgenootschappen sloten, dat van een eenig Zwitsersch staatswezen, nog steeds geen sprake kon zijn. Iets dergelijks heeft zich eerst in onze eeuw langzamerhand gevormd.

De Fransche revolutie, Napoleon en de hem volgende nationale bevrijdingsoorlogen, hebben ook daartoe, evenals tot de opkomst van andere Europeesche nationaliteiten, den stoot gegeven. Men mag van de Franschen zeggen, dat hun de eer toekomt, de Romaansche onderworpelingen van het oude Zwitserland in Wallis, Waadland, Tessino enz. van hunne Duitsche landvoogden bevrijd te hebben, en hen met de overige Zwitsers in eene en dezelfde staatsregeling, die alle oude voorrechten en ongelijkheden gelijk maakte, op gelijken voet vereenigd te hebben.--Wel moesten de Zwitsers zich later eerst weder, evenals het overig Europa, van de heerschappij der Franschen bevrijden, en daarna zich ook weder opwerken uit de reactie, waardoor bij haar evenals overal elders, alles op middeneeuwschen voet teruggebracht werd; maar in den loop der laatste halve eeuw ontwikkelden zich de door de Franschen ingevoerde hervormingen, en voerden eindelijk, tengevolge der door de Juli-revolutie ontstane werking, vervolgens na de overwinning van den Sonderbond [65] tot eene steeds grootere nationale gelijkheid, verzoening en vereeniging.

Tallooze gehate beperkingen, die Zwitsers van Zwitsers scheidden; de privilegiën der steden, de voorrechten der verschillende burgerklassen, de macht der patriciërs en "heeren," de ketenen der landlieden, de erfrechten van vreemde Vorsten (b.v. van den Koning van Pruissen in Neufchatel), de muren, die het onderling verkeer der verschillende staten belemmerden, zijn gevallen.--Een eenig handelsgebied, eene staatkundige gelijkheid van alle burgers en de deelen van het land en hunne talen, is nu ingevoerd, en eindelijk is het geheele werk in het jaar 1848, door de zoo gelukkig doorgezette verandering van het vroeger zoo losse statenverbond, in een eenigen bonds-staat met krachtig opperbestuur, gekroond geworden.

De in de laatste tijden plaats gehad hebbende veranderingen, de politieke vrijheid en het daardoor voortgebrachte goede, heeft nu in geheel Zwitserland eene groote harmonie in gezindheid, vaderlandsliefde en in wederkeerige sympathiën veroorzaakt, zoodat men hier, niettegenstaande de bonte verscheidenheid in afstamming, bloed en taal, eene eenige, door de staatsregeling te zamen gehoudene nationaliteit, herkent.

De Zwitsers bieden het merkwaardige en in Europa bijna eenige schouwspel aan, dat bij hen op verschil in taal en ras, geen verschil in nationaliteit berust, dat er geene antipathiën, wrijvingen en strijd uit ontstaan. In Pruissen en Oostenrijk staan Slawen, Duitschers en Oostenrijkers vijandig tegen elkander over; in Denemarken Duitschers en Skandinaviërs; in Zweden zelfs de nuances van den grooten Skandinavischen stam, de Noorwegers en Zweden; in Engeland de Anglo-Saksers en de Celtische Ieren. In België bestaat tweespalt tusschen de Vlaamsche en Waalsche of Fransche beweging.--Schier niets dergelijks treft men in Zwitserland aan; daar zijn de brokstukken van stammen van zeer verschillende geaardheid, tot diep in de gebergte doorgedrongen, hebben zich tusschen elkander ingewerkt, en laten zich zeer vreedzaam en geduldig door den zelfden staat tot één samenvoegen. Daar reikt de Celtische bewoner van Genève en Waadland, aan den Germaanschen bewoner van Bern en Bazel de broederhand. Het komt hem niet in het hoofd, tengevolge van het bloed of van de moedertaal, met den bewoner van Frankrijk te sympathiseeren, zooals de Schleeswijk-Holsteiner met den Duitscher deed. Ofschoon zij taal en literatuur met den Galliër deelen, zoo zijn toch deze Fransche Zwitsers, in nationalen en politieken zin, Helvetiërs tot in merg en been.--Daar treedt ook de Italiaansche bewoner van Tessino, gewillig het gebouw van het eedgenootschap binnen. Ofschoon hij van zijn Franschen en Duitschen medeburger in vele opzichten verschilt, ofschoon hij als alle andere Italianen met Petrarca en Tasso dweept, en ofschoon hij alleen meer voor de kunst gedaan heeft, dan alle andere Zwitsers te zamen, zoo wil hij toch sedert lang niets anders dan een "Suizzero" zijn. Wel heeft natuurlijk de smartkreet van Italië bij hem weerklank gevonden, maar dit geval heeft toch geen lust bij hem opgewekt zich van Zwitserland te scheiden. Zelfs reeds in het jaar 1798 protesteerden de bewoners van Tessino, die toch pas het juk hunner Duitsch-Zwitsersche veroveraars ontkomen waren, ijverig tegen eene inlijving in de Transpadinische republiek der Italianen, wat het doel van Frankrijk was, en verklaarden zij eenstemmig dat zij bij Zwitserland blijven wilden.--Even vast is ook de oude Rhaetiër, wiens Ladinische taal niemand in het overige Zwitserland verstaat, en die zich beroemt van het geslacht der oude Etruskers af te stammen, aan den bond en aan het Zwitsersche volk gehecht.

Daar er geene ijverzucht en geen haat tusschen de rassen bestaat, zoo bestaat er ook geen taalstrijd in Zwitserland. Veeleer krijgen de verschillende talen daar, in hooge mate overeenkomst met elkander, en deelen zij zich zonder tegenstreven over en weer aan elkander mede. De Duitsche Zwitsers maken zich gaarne het Fransch eigen, en aan den anderen kant zijn er in Zwitserland meer Franschen die ook het Duitsch geleerd hebben, dan ergens anders in het gebied van het Celtische ras. Vele Zwitsers zijn dubbelsprakig, even als de Belgen in Vlaanderen, b.v. de meeste beschaafden in het Westelijk gedeelte van Duitsch Zwitserland.

De Duitsche Zwitser heeft van oudsher een innig aandeel genomen, aan al de literarische, godsdienstige en wetenschappelijke bemoeiingen van Duitschland.

Reeds in den eersten bloeitijd der Duitsche poëzie, waren eenige der beroemdste minnezangers uit het Alpenland geboortig. En later bij de tweede moderne poëtische vlucht in Duitschland, plaatste zich weder eene Zwitsersche school van dichters en geleerden, naast de zoogenaamde Saksische school, toongevend aan het hoofd dezer Duitsche beweging. De Bodmers en Breitingers in Zurich, baanden de nieuwe Hoog-Duitsche taal en literatuur den weg in de Alpen.--De kerkhervorming in de 16de eeuw, vond bij de Duitsche Zwitsers terstond een even grooten weerklank als in Duitschland zelf, en wekte daar mannen als Zwingli en Oekolampadius op, die dien tak van het protestantisme (de zoogenaamde gereformeerde kerk) in het leven riepen, dien men wel het Zwitsersche protestantisme zou kunnen noemen. Want het draagt in zijn republikeinsch kerkelijk bestuur, en in zijn koelen, nuchteren, bedachtzamen geest, geheel en al den stempel der Duitsche Zwitsers, die misschien door niets wat overigens van hen uitging, zoo invloedrijk in de wereld geweest zijn, als door deze, door hen het eerst georganiseerde, geloofs- en kerkhervorming, die zich van Zürich uit, door Calvijn aan de Fransche Zwitsers mededeelde, en vervolgens door Frankrijk, Holland, Schotland en vele andere landen, toongevend verbreidde.--Ook in de wetenschap en kunst hebben de Zwitsers van oudsher, met de Duitschers hunne groote mannen en denkbeelden omgeruild. Hunne Hallers [66] hebben bij de Duitschers gewoond even als de Duitsche Okens [67] bij de Zwitsers willige opname vonden.

Bij dit alles echter hielden zich deze, dikwijls met de Duitschers verbroederde Zwitsers, in politieken zin scherp van hen gescheiden, en staan zij in dit opzicht geheel aan de zijde hunner medeburgers van Franschen, Italiaanschen of Rhaetischen stam.

Tengevolge van dezen innigen politieken band, die al de verschillende rassen in Zwitserland samen verbindt; ten gevolge hunner gemeenschappelijke herinneringen en republikeinsche staats-regelingen; zoo mede ten gevolge van het lang nevens elkander wonen en hunnen omgang, heeft zich dan ook onder hen in vele andere punten eene zekere gemeenschappelijkheid in wezen, een zeker algemeen nationaal-type gevormd, dat bij hen iets aangetrokkens, van den staat uitgegaans schijnt, terwijl het bij andere volken aangeboren is en in het bloed zit. Vele eigenaardige dagelijksche zeden en gewoonten in het gezellige verkeer, hebben zich over geheel Zwitserland verbreid. Eene zekere republikeinsche ruwheid, stroeve nuchterheid en stijfheid, valt den Franschen bij de Fransche Zwitsers evenzeer op, als den Duitschers bij de Duitsche Zwitsers. De verhouding tusschen de beide geslachten, is in het Oostelijk Graubunderland ongeveer dezelfde als aan het Westelijk uiteinde van het meer van Genève. Bekend is het b.v. dat de jongelui zich, hier even als daar, in een zeer vrijen omgang mogen verheugen, hetgeen met de in Frankrijk ingevoerde kloosterlijke opvoeding en opzicht, een scherp contrast vormt. De spaarzame, voordeel zoekende, industrieele zin, heeft alle stammen van Zwitserland in gelijke mate aangegrepen. In het Fransche Zwitserland vindt men geheele bergstreken vol van de bekwaamste uurwerkmakers, terwijl in het Duitsche Zwitserland de dalen met zeer ijverige houtsnijders, stroovlechters, borduursters en neteldoek-wevers gevuld zijn. Ook de innige vaderlandsliefde, de bekende en treffende Zwitsersche zielsziekte, het heimwee, is aan alle vrije Alpen-zonen, welke taal zij ook spreken mogen, gemeen. Niet alleen bij Duitsche, maar ook bij de troepen uit Fransch-Zwitserland, die in den vreemde dienden, was het onder zware straffen verboden, op den koehoorn te blazen, om bij de soldaten geen ziekelijk verlangen naar het vaderland op te wekken. De naast deze diep gewortelde liefde tot den geboortegrond bestaande lust om te reizen en te trekken, een oud erfdeel aller Schwaben, is ook een erfdeel van alle Zwitsers geworden. De Zwitsersche gouvernante uit Waadland, de koekbakker uit Engadin [68], de kunstenaar uit Tessino, ontmoet men overal in de wereld, en naast deze, tot in China en Oost-Indië toe, den Zwitserschen handelaar uit Zürich, Bazel of Genève. Er is bijna geene stad in Europa, die niet eene kleine kolonie Zwitsers bezit. Zij hebben overal hunne gevolmachtigden, agenten en consuls, en spelen heden ten dage, als bevorderaars van handel en industrie, in onze geheele Europeesche volken-familie eene zeer welkome, vereffenende en vreedzame rol, die een aller-aangenaamst contrast vormt met de krijgshaftige wijze, waarop zij vroeger, als betaalde landsknechten, in de lotgevallen der volken van ons werelddeel ingrepen.

Trots de geringe getalsterkte hunner bevolking (het aantal van alle Zwitsers bedraagt niet veel meer dan 2 millioen, dus evenveel als het getal bewoners van het kleine Duitsche Koningrijk Saksen), hebben de Zwitsers, dank zij hunne geographische ligging in Europa, en ten gevolge hunner patriotische vrijheidsliefde en énergie, zoo mede ten gevolge hunner kerkhervorming, af en toe den invloed eener macht van den eersten rang bezeten en uitgeoefend, en op hunnen grooten, prachtigen Alpenburg, aan de grenzen van Italië, Frankrijk en Duitschland, geplaatst aan de bronnen van Rijn, Po en Röhne, nemen zij ook nu nog eene hoogst belangrijke en invloedrijke stelling in.

DUITSCHLAND EN DE DUITSCHERS.

Spanje, Engeland, Frankrijk, Italië en ook Skandinavië zijn tusschen zeeën en bergen gevatte en scherp van elkander onderscheidene, leden van ons werelddeel, met zeer duidelijk afgeteekende physionomie. Het zijn stevig gebouwde, natuurlijk begrensde volken-gebouwen. Duitschland dat in het midden dier landen geplaatst is, doet zich als het hoofdstuk van den romp van Europa voor, waaraan genoemde leden zich vasthechten.

Terwijl Italië, Spanje, Engeland hunne lichamen in eene en dezelfde zee baden, is Duitschland als tusschen drie verschillende zee-bekkens uitgespannen.

In het Noord-Westen heeft het eenige lucht naar den Oceaan, in het Noord-Oosten omslingert het met een langen arm de Oost Zee, en in het Zuiden stapt het met eenen teen in de Middellandsche Zee.

Terwijl de rivieren van andere landen, b.v. van Frankrijk een compact geheel, een innig in elkander gevlochten systeem vormen, loopen de stroomende wateren van Duitschland, om zoo te zeggen, naar alle windstreken uit een. Behalve de Wezer is er bijna geen een andere, zuiver Duitsche rivier te noemen. De Rijn grijpt met zijne zijtakken, Maas en Moezel, en ook met zijne bronnen in Romaansche gebieden in. De Elbe en Oder reiken met hunne bovenste gedeelten tot in Slawische streken. De Weichsel is alleen bij hare monding Duitsch. En de Donau stroomt met de helft van haren loop ver buiten de Duitsche grenzen in Oostelijke richting, terwijl zij zich in het binnenbekken van den ver verwijderden Pontus verliest.

Laten zich de natuurlijke grenzen van Duitschland, met betrekking tot zeeën en water-afloop, moeielijk bepalen, zoo is het ook, wat de gesteldheid van den bodem en de oppervlakte betreft, ver verwijderd van den eenvoud, dien men bij andere landen waarneemt. Rusland vormt, over het algemeen genomen, eene onmetelijke, samenhangende, zeer gelijkvormige vlakte. Het Illyrisch-Grieksche schiereiland is in al zijne deelen een doolhof van bergen en rotsen; het Italiaansche, eene alleen door eene bergketen gespleten landtong; het Pyreneesche een, overal door dalen en bergruggen doorsneden, vierkant hoogplateau; Frankrijk een door bergen omgevene, golfvormige vlakte; Engeland bijna geheel eene liefelijke heuvelenrij midden in de zee; Skandinavië in hoofdzaak een kolossaal granietblok.

Voor Duitschland is geen zoo eenvoudig, alles omvattend, de natuur van het land zoo duidelijk uitdrukkend beeld te vinden. In het Noorden helt het langzamerhand af, tot het eindelijk eene breede, effene vlakte vormt. In het Zuiden verheft het zich tot hooge bergmassa's. In het midden is het verbrokkeld in verscheidene met elkander verbondene hooggelegen streken, bergketels en berg-plateaux, die, even als die Noordelijke vlakte en die Zuidelijke bergen, zich niet tot Duitschland alleen bepalen, maar zich rechts en links in de naburige landen voortzetten, door de Karpathen naar de Slawen, door de Argonnen en Ardennen naar de Galliërs.

Ook met betrekking tot klimaat, lucht en temperatuur, laat zich in Duitschland moeielijker eene eenheid bepalen, dan bij menig ander land van Europa. Terwijl b.v. Rusland van den Pontus tot aan de Witte Zee, een Noordsch klimaat, dat overal hetzelfde karakter heeft, bezit; terwijl Italië van Sicilië tot aan den Zuidelijken voet der Alpen Zuidelijk, half tropisch is; terwijl Frankrijk zich schier overal als een wijnland met eene gematigde temperatuur voordoet; terwijl Groot-Brittanje zich van het eene eind tot het andere in de, uit den Oceaan opstijgende dampen, doopt, neemt Duitschland in meerdere of mindere mate aan al deze toestanden deel.

In zijne Noordelijke Oostzee-provinciën, heeft het de lange winters en de producten van Sarmatië. In zijne Noord-Westelijke laaglanden, druppelt het even als in Engeland van nevel en regen. In het Zuid-Westen is het even als Frankrijk, een zacht wijn- en ooftland, en in vele zijner Alpendalen dringen zelfs Italiaansche luchten, jaargetijden en vruchten binnen.

Met het oog op al deze geographische en de daaruit ontstane politieke toestanden, hebben de Franschen Duitschland te recht "l'indécise Allemagne" (het onbepaalde, vage, onduidelijk begrensde Duitschland) genoemd, en het heeft lang genoeg geduurd voor de Duitschers dit verwijt konden afwijzen. Zij zijn later dan schier alle andere Europeesche volken, wien de natuur een vaster huis gebouwd had, tot politieke en nationale eenheid gekomen.

Dat dit groote centrale hoofdstuk van den romp van Europa eens, nog voor de Duitschers het bezetten, door andere rassen bewoond werd, is vrij zeker; want daar de geheele bevolking van Europa uit het Oosten kwam, zoo lijdt het geen twijfel, dat de voorouders van alle bewoners van het Westen: van Engeland, Spanje, Frankrijk enz.--ten minste grootendeels--door de bosschen en bergen van Duitschland getrokken zijn.

De steen-monumenten in het Noorden van Duitschland, worden door verscheidene onderzoekers, aan een vroeger hier woonachtigen, geheel vreemdsoortigen, vermoedelijk Finschen stam toegeschreven, en in het Zuiden van Duitschland schijnen nog kort voor de tijden der Romeinen Celtische volken gewoond te hebben. Ook hadden de Celten aan de linker zijde van de Rijn-linie, toen eene nog grootere uitbreiding naar het Oosten, dan nu.

De Germaansche stammen, wier komst in Europa, die der, eene andere geaardheid hebbende, oorspronkelijke bewoners, en ook vooral die der Celten opvolgde, terwijl zij deze langzamerhand naar het Westen drongen, kwamen even als zij, uit Midden-Azië, waar zij bij de Zend-volken, de voorouders der Perzen en der zoogenaamde "Ariërs," hunne oudste stamvaders gehad hebben. Verscheidene geleerden en reizigers hebben nog heden ten dage, verscheidene kenteekenen van het Germanendom: blond haar, blauwe oogen, blanke tint, nu bij dezen, dan bij genen hedendaagschen Aziatischen volksstam meenen te ontdekken, zooals bij de Osseten, in de bergkloven van den hoogen Kaukasus en aan de bronnen van den Tezek, bij de bergbewoners in de Krim en bij andere volken.

Het schijnt, dat de Germanen van Perzië, van den Kaukasus en van den Pontus, het eerst naar de vlakten van Oost-Europa, westwaarts gestroomd zijn, en, de Karpathen en gebergten van Midden-Europa omtrekkende, zich oorspronkelijk over het vlakke Noorden van Duitschland verbreid hebben. Want hunne traditiën wijzen naar de oevers der Oost-Zee, als het door hen aanvankelijk bezette deel van hun nieuw Europeesch vaderland, als naar het oudste Duitschland, van waar uit zij zich het Zuidelijke en Westelijke deel, dat nog langen tijd na hunne eerste komst in Europa, door anderen bezet bleef, veroverden. Even als de overleveringen van het volk, zoo schijnt ook de hooge ouderdom der Duitsche taal in de noordelijke lage streken, datzelfde te bewijzen. De Noord-Duitsche dialecten hebben in hunne woorden en de vorming hunner klanken, meest de oudste vormen, die zich nauwer aansluiten aan die der Perzen en andere oorspronkelijke Indo-Germanen, dan die der Zuid- en West-Duitschers, die meer het kenmerk van nieuw ontstane talen dragen.

Toen de Romeinen Duitschland leerden kennen, en het licht der geschiedenis het eerst op dat land viel, was intusschen ook de Germaniseering van het geheele nieuwe of Zuidelijke en Westelijke Duitschland, hare voltooiing nabij. Den Rijn hadden de Duitschers in zijne middelste en benedenste gedeelten reeds bijna geheel in hun bezit. Alleen ten Zuiden van den Donau, in Zwitserland, in de Alpen en ook in den bergketel van Bohemen, woonden toen nog niet-Duitsche (Celtische) stammen.

De Romeinen, die het geheele Celtenland met hun rijk vereenigden, hielden den voortgang der Duitschers naar het Westen en Zuiden tegen. Zij bezetten de heele linker zijde van den Rijn, van af de bron tot aan de monding, en even zoo ook de geheele Zuidzijde van den Donau; bouwden langs deze beide stroomlijnen vestingen en steden, en maakten zoowel de daar nog wonende Celten, als de ook reeds tot daar doorgedrongene Duitschers, die zij met elkander tot Romeinen vermengden, aan zich onderdanig. Het groote Duitschland, dat zij niet veroveren konden, was het middelste en noordelijke deel van het land, en in de Neder-Duitsche vlakten leden de Romeinen de nederlagen, die het hoofdlichaam van het Duitsche volk van eene romaniseering redden.

Gedurende twee of driehonderd jaren na de veldslagen in het Teutoburgerwoud, bleven de grenzen van het Romeinsche rijk tegen Duitschland, aan den Rijn en den Donau ongeveer dezelfde. Toen, na de 3de en 4de eeuw Rome's macht verminderde, braken de Duitschers in herhaalde aanvallen deze grensliniën en de tegen hen opgerichte wallen door, en zetten hunne, door de Romeinen slechts een tijd lang tegengehoudene veroveringen naar het Zuiden en het Westen voort.

De Franken drongen over den Rijn, de Allemannen en Bojoariërs (Schwaben en Beieren) over den Donau en breidden de grenzen van het oude Duitschland uit. Zij trokken de door de Romeinen gebouwde Rijn- en Donausteden: Keulen, Trier, Mainz, Augsburg, Regensburg en andere, binnen; verjoegen het meeste wat zich daar aan Romeinen of geromaniseerden bevond, maakten een einde aan Romeinsche taal en gewoonten, en vulden het geheele Rijn en boven-Donau-land, tot diep in de Alpendalen toe, met van nu af aan niet meer uitgewischte Duitsche volks-elementen.

Van de Romeinen bleef hier niets meer over, dan de nu nog bestaande namen van verscheidene plaatsen, en misschien ook iets van de stedelijke inrichtingen, die op de Duitsche burgers overgingen. Van de Celten, die nu Duitsche taal en Duitsche zeden aangenomen hadden, bleef veel in de gewoonten en het ras des volks bestaan. In vele, nu Duitsch sprekende Alpenbewoners van Zwitserland en Tyrol, kunnen wij nog heden ten dage de gegermaniseerde Celten herkennen.

De Duitschers werden, toen het machtige gebouw van het Romeinsche rijk, als een uitgebrande krater in elkander zonk, door eene wonderbare zucht tot werkzaamheid en verplaatsing aangegrepen. Zij stormden over het geheele vasteland heen, en losten de Romeinen in de wereldheerschappij af.--Of het bij de oplossing van het vergane, groote rijkslichaam, aan de Westelijke Europeesche volken zou gelukt zijn, door eigene kracht en door hervormingen en omwentelingen in eigen boezem, en met behulp van het christendom, uit de algemeene zwakte en het algemeene zedenbederf zich weder op te richten, en onder zich zelf te voorschijn geroepene, duurzame en bloeiende rijken te stichten, blijft eene vraag, die niet te beantwoorden is. De geschiedenis leert echter, dat hun inderdaad eene dergelijke wedergeboorte, slechts met behulp der Duitschers werkelijk gelukt is.--Deze kernachtige, jeugdig frissche barbaren hebben, schier in iedere provincie van het Romeinsche rijk, een onafhankelijken staat gesticht, en daaruit een zelfstandig volk gemaakt. Van hunne stichtingen dagteekent de oorsprong van bijna alle moderne natiën en rijken van ons werelddeel, die ten getuige daarvan nog ten huidigen dage grootendeels Duitsche namen dragen, zooals de Engelschen, de Franschen, de Russen, zoo ook de Lombarden, de Andalusiërs en andere.

Buiten de Romeinen is er geen volk in Europa te noemen, dat zoo veel gewerkt en uitgevoerd heeft als het Duitsche. Alle politieke scheppingen en werken der Iberische, Celtische, Finsche en Slawische rassen, zijn in vergelijking daarmede onbeduidend en gebrekkig geweest. "Uit het romanisme en het germanisme, verklaren zich in hoofdzaak de Europeesche toestanden en verhoudingen." Wie den geest en de geschiedenis der Romeinen en der Duitschers kent, die heeft de beide uiteinden der as, waarom zich de geheele nieuwere volkengeschiedenis van Europa gedraaid heeft, in zijne hand.

Wat in den zonderlingen tijd, dien men de volksverhuizing noemt, Duitschland aan het buitenland gegeven heeft, welke Duitsche volken daarhenen togen, welke nieuwe rijken en natiën zij daar hielpen stichten, heeft men reeds getracht bij de betreffende landen en volken op te geven en aan te toonen. Hier zullen wij ons dus bepalen tot den voortgang der nationale ontwikkeling, binnen de grenzen van het moederland zelf.

Voor dit moederland was het eerste gevolg dier beweging en verhuizing, eene aanzienlijke verandering zijner grenzen, en een invloedrijk binnentrekken van vreemde stammen en vermenging met deze. Een nieuw Duitschland, zooals ik zeide, werd daarbij gewonnen. De gezamenlijke Rijn- en Donaulanden, die te voren maar half Duitsch, grootendeels Celtisch en Romaansch geweest waren, de Nederlanden, Lotharingen, de Elsaz, de Alpenlanden, Zwitserland, Vindeliciä, Rhaetie en Noricum, werden daarbij bijna geheel Duitsch gemaakt. Gelijktijdig echter ging daarbij een groot stuk van het oude Duitschland, de Noordelijke en Oostelijke gedeelten, voor langeren of korteren tijd verloren.

Het eerst kwamen, door de volksbewegingen in Europa gelokt, de Mongoolsche Hunnen uit het binnenland van Azië. Zij maakten onder hunnen machtigen Attila bijna geheel Oost-Duitschland, maar slechts voor korten tijd, van zich afhankelijk; zeer kort na de overwinning op Attila in de Catalaunische velden, door de West-Gothen, Bourgondiërs, Franken en Saksers onder Aetius behaald, maakte zich geheel Duitschland weder vrij, en ofschoon de opvolgers en stamverwanten der Hunnen, de Avaren, en vervolgens de Magyaren ook in latere eeuwen van uit dezelfde Zuid-Russische en Hongaarsche steppen-landen, nog herhaaldelijk in Duitschland verschenen, en gedeelten er van verwoest of bezet hebben, zoo is toch de invloed van al die Mongoolsche en Finsche indringers, op de Duitsche nationaliteit over het geheel slechts gering te achten.--Menige Mongoolsche en Finsche uitdrukking echter is aan de Duitsche taal blijven kleven, en ook is het bekend, dat de Duitschers aan de aanvallen dezer ruitervolken, en de pogingen die zij deden om ze te wederstaan, de meer algemeene verbreiding van den burchten- en stedenbouw te danken hebben.

Van meer invloed voor de Duitschers was de verschijning van een ander ras, en hunne, tengevolge der groote Germaansche volksverhuizing, plaats vindende uitbreiding, de inval der Slawen, die een groot gedeelte van het oude, door zijne vroegere bewoners verlatene Germanië, niet tijdelijk, zooals de Hunnen, bemachtigden, maar duurzaam als grondbevolking bezetten en met hunne stammen en geslachten vulden.

De Slawische Tschechen trokken de groote Boheemsche en Moravische bergketels binnen, waaruit de Duitsche Markomannen en hunne opvolgers, de Bojoariërs of Beieren vertrokken waren, en verbreidden zich van hier uit naar het Frankenland en in het Mainland. In het Zuiden van Boheme drongen, nadat de Longobarden Pannonië (Westelijk-Hongarije) verlaten hadden, de Slawische Wenden of Slovenzen in de Alpen-streken door, en bevolkten vele dalen van Karinthië, Krain, Stiermarken tot aan Tyrol toe, zoomede het Donau-dal zelfs tot aan de grenzen van Salzburg en Beieren. In het Noorden van Boheme echter grepen aan de Weichsel, Oder en Elbe, en langs den geheelen Zuidelijken rand der Oost-Zee, vele andere Slawische volken om zich heen, en bezetten de oude woonplaatsen der Duitsche Gothen, Bourgondiërs, Vandalen en Longobarden. De Slawische Wagriërs en Obotrieten rukten in het over de Elbe gelegen land der Saksers in Holstein; en de Polaben en Sorben drongen zelfs over de Elbe voorwaarts, tot in de Lünenburgerheide en tot het hart van Thüringen.

Gedurende de drie eeuwen vóór Karel den Groote, was de geheele Oostelijke helft van het land, dat wij nu Duitschland noemen, bijna zonder Duitschers, bijna geheel door Slawen bewoond. De Duitschers moesten later, bij hun terugkeeren uit het Westen, zich hun oud vaderland terug veroveren. Bij de hardnekkigheid en de talrijkheid in bevolking der Slawen, is dit een zeer langdurig proces geweest, waaruit een nieuw of vernieuwd groot Oost-Duitschland, met gedeeltelijk Slawische fundamenten ontstaan is. Alle Duitsche stammen hebben deelgenomen aan dezen nationalen strijd, die als eene gedeeltelijke wedergeboorte van Duitschland, of als eene herstelling zijner oude grenzen beschouwd worden kan. Sedert den tijd van Karel den Groote, hebben zij langs de geheele lange lijn, van de Adriatische Zee tot aan de Oost-Zee, tegen de Slawen gestreden, en hebben zich daarbij zoowel in vredes- als in oorlogswerken hunne meesters betoond. Naast de ineenstorting van het Romeinsche rijk, en de vernieuwde herleving zijner deelen, is deze vervorming, beschaving en verduitsching van het Slawendom, als eene der grootste nationale zaken der Duitschers te beschouwen.

Behalve de Oostelijke Slawische gebieden, ging bij de volksverhuizing en de daaruit volgende uitbreiding van Duitschland naar het Westen, nog een ander land voor de Duitschers verloren, namelijk het Cimbrische schiereiland of Jutland, waaruit de Duitsche Anglen en Saksers naar Engeland trokken, en dat daarna door de Skandinavische Denen tot aan den Eider bezet werd. Ook om de herwinning van dit gebied hebben de Duitschers lang gestreden, somwijlen ook reeds in oude tijden overwinningen behaald, tot het hun eindelijk in den jongsten tijd gelukt is, ook hier hunne oude grenzen te herwinnen, en het verlorene ten minste grootendeels terug te krijgen.

Er worden ons in oude tijden vele Duitsche volkstammen genoemd, wier namen nu verdwenen zijn. De Romeinen spreken over de "Brukteren," de "Angrivariërs," de "Cheruskers," de "Chauken," de "Markomannen" en anderen. Gedurende de volksverhuizing zien wij de "West"- en "Oost-Gothen," de "Longobarden," de "Bourgondiërs," de "Vandalen," de "Gepiden," de "Herulers" en nog vele andere uit de wouden van Duitschland te voorschijn treden. Van verscheidene dezer namen weten wij niet, welke takken van den tegenwoordigen Duitschen eik tot hen behooren. Gedeeltelijk kunnen wij niet eens uitmaken, of door die namen werkelijk verschillende bloed- en taalverwante volks-afdeelingen, dan wel slechts onder een veldheer vereenigde wapengenooten aangeduid worden, die uit de verschillende brokstukken van geheel verschillende oorspronkelijke stammen bestonden en zich daarom onder dezelfde benaming aaneensloten, omdat zij tot eene zelfde onderneming uittrokken, zooals nog heden de volks-benamingen "Hannoveranen," "Baden," "Wurtembergers," "Pruissen," geene Duitsche stamverscheidenheid, maar slechts verschil in regeeringen of Koningen aanduiden. Verscheidene dier namen mogen echter werkelijk bijzondere volkstammen met eigenaardig dialect, gewoonten en bloed aangeduid hebben, en in hen mogen dan ook in der daad eenige gedeelten van het groote kapitaal van taal, karakter en ras der Duitschers afkomstig zijn. De meesten van hen echter zijn naar het wezen, nog wel nu in het Duitsche nationaal-lichaam voorhanden, alleen zijn hunne namen zoo veranderd, en hebben zij zelven door vermenging met anderen zooveel verandering ondergaan, dat wij ze niet duidelijk meer kunnen onderscheiden.

Ten tijde van Karel den Groote, die alle Duitschers onder één bestuur bracht, zien wij de voornaamste Duitsche stammen reeds onder de benamingen welke zij heden dragen, in hunne woonplaatsen zoo verdeeld, als zij ze nu nog in bezit hebben.

Vervolgens echter hebben zich, sedert den tijd van Karel den Groote, in den loop dier eeuwen-durende herwinning van het, door de Slawen en andere vreemde indringers bezette, Oostelijk-Germanië, uit deze oorspronkelijke stammen weder vele andere spruiten der natie ontwikkeld, die met nieuwe namen en nieuw gevormde taal- en karakter-eigenaardigheden, in de plaats dier in de volksverhuizing verdwenenen getreden zijn. Van een "Duitsch-Oostenrijker," een "Tyroler," een "Sileziër," een "Boven-Sakser" of "Meiszner," een "Brandenburger," een "Mecklenburger" of een "Lijflander," wisten noch de Romeinen, noch ook Karel de Groote iets af. Het zijn nieuw ontstane variëteiten van het Duitsche ras.

Wij zullen trachten, deze hoofd-variëteiten van het Duitsche nationaal-wezen, of de verschillende Duitsche volksstammen, vluchtig de revue te laten passeeren, en ze met weinig woorden te schilderen; zoo mede voor zoo veel ons bestek dat toelaat, op eenige hunner hoofdverdiensten voor het geheele volk en land te wijzen.

Om verscheidene redenen, die ik hier niet in het breede ontwikkelen kan, schijnt het mij het beste toe ze allen onder drie groepen, eene Zuidelijke, eene midden en eene Noordelijke groep, te rangschikken, en ze daarbij in die volgorde op te voeren, dat ik met het Zuiden en Westen begin, en zoo van den Rijn uit, naar het Oosten en Noorden ga.

Met den naam "Allemannen" en "Beieren," bestempelt men de beide hoofd-onderafdeelingen der Zuidelijke groep van Duitschers.--Genen bewonen het Westen, dezen het Oosten van het Zuiden.

De Noord-Zuidelijk gerichte Vogesen en de Jura, vormen met de Oost-Westelijk gerichte Alpen een hoek. In dezen hoek werden de Allemannische stammen saamgedrongen, en zij hebben zich daar in de rondte uitgebreid over het geheele bovenste derde gedeelte van het Rijngebied, in de vlakten en dalen van Zwitserland tot in de Jura en de Vogesen, zoomede naar de bronnen van den Donau. In het Oosten, tegen de Beieren, werd de Lech en zijn breed dal, hunne natuurlijke grens, en in het Noorden tegen de Midden-Duitschers, eene lijn, die door het Noordelijk uiteinde van het Schwarzwald en de Vogesen loopt.

Met de Allemannen van den beginne af verwant en tot gemeenschappelijke ondernemingen verbonden, onder dezelfde legeraanvoerders en Hertogen vereenigd, waren de "Sueven" of "Schwaben" een even beroemde Duitsche volksstam. Beide namen, Allemannen en Schwaben, versmolten daardoor in elkander, even als in zekere mate de volken zelven, zoodat Allemannen en Schwaben af en toe hetzelfde beteekent. Daar echter nog altijd tusschen de beide verwante stammen, zoowel met betrekking tot hunne gewoonten, als tot hun eigenlijk woongebied, een niet gering verschil bleef bestaan, zoo scheidden zich ook weder de namen, zoodat ieder van hen eene bijzondere onderafdeeling der geheele groep aanduidt, de Allemannische in engeren zin, het meer Westelijk gedeelte aan den Rijn, en de Schwabische, de meer Oostelijke aan den Boven-Donau.

Van de Allemannen, de voorvechters der Duitschers tegen Gallië, hebben de Franschen den naam "Allemands" voor het geheele volk ontleend. Zelfs nadat zij door verovering bij het groote Frankenrijk, en later in het bijzonder bij de Oostelijke helft er van, die men langzamerhand Duitschland noemde, ingelijfd werden, waren de Allemannen en Schwaben tot een afzonderlijk groot Allemannisch-Schwabisch Hertogdom vereenigd, en speelden zij, als de ontwikkeldste en rijkste volksstam der Duitsche natie, een tijd lang een zeer groote rol in het Duitsche rijk, wiens "banierdragers" zij sedert zeer vroegen tijd genoemd werden.

Zij hebben den Duitschers het zoo gevierde Keizershuis der Hohenstaufen gegeven. Uit hunnen schoot kwamen ook de Habsburgers, en ten slotte ook de Hohenzollern voort. Door hen werden eenige der beroemdste Duitsche steden, de muzenzetel Augsburg, de handelsteden Ulm, Straatsburg, Bazel en andere, zooal niet gesticht, dan toch bevolkt en tot bloei en gewicht gebracht.

De Duitsche minnezangers noemde men de Schwabische of Allemannische dichters, omdat de meesten van hen uit dat Zuid-Westen, tusschen de Vogesen en de Alpen, geboortig waren. Zij maakten hun dialect, voor een niet korten tijd, tot het heerschende in Duitschland. Zelfs de knapsten onder de Neder-Duitschers, leerden in de 13de eeuw het Schwabische dialect en dichtten daarin, evenals in dien zelfden tijd vele Noord-Franschen in het Provençaalsche dialect.

Ook in nieuweren tijd heeft de poëtische ader van dezen volksstam zich weder op uitstekende wijze doen kennen. Want zij gaven aan de Duitschers hunnen Schiller, Wieland, Schwab, Uhland en nog eene geheele reeks uitstekende moderne dichters. Bij hen rijpten ook de uitstekendste koppen en de grootste denkers van Duitschland, zooals een Keppler, een Hegel en Schelling. Onder hunne talrijke kunstenaars zijn Hans Holbein, Martin Schongauer en Adam Krafft wereldberoemd geworden. De heerlijke dommen van Ulm, Freibürg en Straatsburg, zijn de in geheel Duitschland populairste werken der Schwabische kunst, en bijna even beroemd in het geheele rijk zijn de schoone Schwabische vrouwen, Agnes Bernauer en Philippine Welser. De schoonste Schwabenstreek volbrachten de Schwabische vrouwen van Weinsberg.

Kort na den tijd der Hohenstaufen, nam de politieke grootheid der Schwaben, als het voornaamste volk der Duitschers, zoo mede ook de eenheid van het groote, geheel Zuid-Westelijk Duitschland omvattende Schwabische Hertogdom, een einde.

Even als geheel Duitschland, zoo begonnen ook vooral Allemannië en Schwaben, zich in eene menigte kleine staten te versnipperen. Maar ook in deze versnippering bewezen zij nog groote diensten aan Duitschland, door de stichting van het, van hen uitgaande, invloedrijke, zoogenaamde "Schwabische steden-verbond," waartoe ook vele niet-Schwabische steden toetraden, en dat den Keizer Maximiliaan hielp, den landsvrede in het geheele rijk tot stand te brengen, en een einde te maken aan den roofridder-tijd en aan het vuistrecht.

Tot een krachtig politiek geheel, dat den geheelen stam omvatte, kwamen de Allemannen en Schwaben echter niet weder. Hunne Zwitsersche stamgenooten scheidden zich in de 13de en 14de eeuw geheel van hen af, en werden een afzonderlijk volk, dat dikwijls vijandig tegen zijne broeders in Duitschland over stond. Uit de Schwaben aan den Donau en den boven-Neckar ontstond langzamerhand de Wurtembergsche staat, en de Allemannen tusschen het Schwarzwald en den Rijn, werden langzamerhand in het bloeiende Hertogdom Baden samengevat. De Westelijke Allemannen in den Elsasz daarentegen, werden in lateren tijd bijna geheel van hun volk vervreemd. Zij vervielen aan Frankrijk, dat aan hen vele hunner voornaamste mannen, bij voorbeeld hunne veldheeren Kleber, Rapp en Westermann te danken had. Aan de Duitschers hebben zij in denzelfden tijd de dichters Pfeffel, Nicolaï gegeven, alsmede verscheidene dichters, wier vaderlandslievende liederen bewijzen, dat daar nog altijd vele harten warm sloegen voor het oude Duitsche moederland. In de jongste, voor Duitschland zoo roemrijke tijden, is de verlorene dochter weder tot hare moeder, die zoo lang om haar getreurd heeft, teruggebracht, en de geheele Allemanno-Schwabische stam staat nu weder in de schaduw van het Duitsche rijk.

Het "lustige Schwaben," zooals velen het noemen,--anderen zeggen, misschien met meer recht, het "tobberige Schwaben"--eindigt, zooals gezegd is, in het Oosten bij den Lech, waar ook het wijnland ophoudt. En hier beginnen de woonplaatsen van het tweede Zuid-Duitsche hoofdvolk, de van de Allemannen en Schwaben zeer verschillende Beieren. Zij leiden hunnen naam en oorsprong af van de "Bojen" (vandaar Bojariër, Baïern, Beieren), een ouden, òf Celtischen òf Germaanschen stam, die zich met verscheidene andere stammen verbond, en na de verdrijving der Romeinen zich aan het benedenste gedeelte van den boven-Donau, aan den Isar en op het plateau tusschen de Alpen en het Bohemer-woud, woonplaatsen wist te verwerven, en daar langzamerhand tot eene gelijkvormige massa saamsmeltende, het Beiersche Hertogdom stichtte, wiens eerste hoofdstad, het reeds door de Romeinen gebouwde Regensburg werd.

Hunne stelling in het opper-Duitsche Donau-bekken bracht als van zelve mede, dat het de taak der Beieren was, Duitschlands voorposten en beschermers tegen de beneden Donau-volken te zijn. Zij hoofdzakelijk hebben den strijd tegen de Avaren en Magyaren gestreden, en de op dezen en op de Slawen gewonnene landstreken met hunne kolonisten bevolkt. Al deze, nu Oostenrijksche, landen zijn als kweekerijen en koloniën van den Beierschen stam te beschouwen, waarom men ook wel het Duitsche dialect in al deze streken, onder den naam van Beiersch-Oostenrijksch dialect samenvat. De eigenlijke moederstam van het oud-Beiersche volk, heeft zich echter met eene merkwaardige volharding en vastheid, binnen zijne oorspronkelijke grenzen tusschen de Alpen en het Bohemer-woud, tusschen Lech en Inn gehandhaafd, en vormt nog heden ten dage de kern van den, na Oostenrijk en Pruissen, machtigsten Duitschen staat en stam. Terwijl het meerendeel der overige Duitsche stamnamen, die der Allemannen, der Franken, der Neder-Duitschers, geene politieke beteekenis meer hebben, is die der Beieren tot nu toe nog steeds die van souverein Duitsch volk, en is hij, als naam van een staat in Duitschland, veel ouder dan die van het nieuwere Baden, Nassau, Hannover, Pruissen enz.

"De den oud-Beieren kenmerkende eigenschappen, de trots op hunnen stam en eene groote mate van provincialisme, hebben bewerkt dat zij met den vrijen, geestelijken omgang der Duitsche natie, geruimen tijd niet zeer gewillig instemden." Reeds in de middeneeuwen, hebben zij onder zich, minder minne- en meesterzangers gehad dan hunne naburen, de gevoeliger Schwaben, Allemannen en Franken. Ook zijn zij, terwijl bij dezen het protestantisme ingang vond, midden in het katholicisme en pausdom blijven steken. Zij waren altijd, zooals Sebastiaan Frank zegt: "een goed Roomsch, godsdienstig volk, dat gaarne bedevaarten doet,--ook nu is het geen zeer hoffelijk volk, maar ruw in zeden en taal."

Met groote voorliefde zijn zij aan hun provinciaal dialect gehecht gebleven, en daar zij het moderne schrijf-hoogduitsch, dat zij "Lutheraansch Duitsch," noemden, langen tijd niet wilden aannemen, hebben zij ook eerst later dan anderen aan de ontwikkeling der literatuur deelgenomen. Nog in het begin dezer eeuw gold Beieren voor eene der donkerste partijen, op de kaart van Duitsche beschaving en ontwikkeling.

Sedert den tijd van Maximiliaan Jozef, toen in Beieren veel hervormd, en in de kloosters en kerken veel opgeruimd werd, en later vooral ook sedert de regeering van Koning Lodewijk, is dit echter veel veranderd, en de door dezen werkzamen en onvermoeiden regent uit den slaap geschudde Beieren, zijn nu met de vele zich bij hen verzamelende kunstenaars en geleerden, met hunne akademiën en universiteiten, met hunne Münchener praalgebouwen en verzamelingen, brug- weg- en kanaalwerken, met de van hen uitgegane lithographie en stenographie, met hunne bekwaamheid in het vervaardigen van optische instrumenten, zeer roemvol onder de Duitschers opgetreden.

Daarbij echter is, helaas! het streven, meer den Beierschen naam dan den Duitschen te verheerlijken, te levendig op den voorgrond getreden. Ook Koning Lodewijk I was het, in weerwil van zijn beroemd Duitsch patriotisme, vooral daarom te doen, een sterk Beiersch wezen te voorschijn te roepen, en bij al de, in zijn Koningrijk vereenigde Schwabische, Frankische en andere stamdeelen, een Beiersch nationaal gevoel op te wekken.

In den nieuwsten tijd is echter dit Groot-Beiersche nationaal gevoel, nog meer tot een algemeen Duitsch verruimd. "De Beieren, vroeger dikwijls een steen des aanstoots voor het streven naar eene Duitsche eenheid, zijn onder hunne laatste Koningen een Duitsche hoeksteen geworden. Zij hebben, in de roemrijke oorlogen der Duitschers in de laatste jaren, dapper medegestreden, hebben het eerst den Duitschen Keizer geproclameerd, en zijn ook zelfs in godsdienst en geloofszaken de denkbeelden der Duitschers een weinig genaderd.

Van uit het vlakke land aan den Donau, hebben zich stam en taal der Beieren tot diep in de Alpenlanden uitgebreid, het eerst in de Oostelijke deelen van het oude Rhaetië, waar hunne naburen Tyrolers geworden zijn.

Geheel en uitsluitend kan men deze "Tyrolers" wel niet als een dochter-volk der Beieren beschouwen. Want ongetwijfeld bleven gedurende den dikwijls herhaalden doormarsch van Duitsche natiën, in hunne dalen afstammelingen van zeer verschillende stammen achter. Bij dit mengelmoes zullen waarschijnlijk ook nog de oude Rhaetiërs, oorspronkelijk Celtische bewoners, gekomen zijn. Maar de Beieren hebben toch, in de eerste tijden na de volksverhuizing, het land het langst beheerscht en er den meesten invloed op uitgeoefend, en hebben hunne aanspraken daarop ook in lateren tijd niet willen opgeven. Daar intusschen na de verbrokkeling van het groote "Bavaria,"--alle bewoners van dat gedeelte der Rhaetische Alpen, langzamerhand onder de heerschappij van afzonderlijke Graven kwamen, die in het slot Teriolis of Tyrol bij Meran resideerden, zoo vormde zich met behulp der evengenoemde bijmengingen, onder den naam "Tyrolers," een afzonderlijk volk, dat zich aanmerkelijk onderscheidde van de logge Beieren, en ten laatste zoo weinig met dezen sympathiseerde, dat het integendeel voor zijne zelfstandigheid, voor zijne Graven en later voor zijne Oostenrijksche Vorsten, de bloedigste oorlogen tegen hen voerde.

Geen der Duitsche stammen is langs de oude wegen en bergpassen van den Brenner [69] zoover in het Italiaansche land en klimaat vooruitgedrongen als de Tyrolers. Zij zijn tot diep in het schoone Etsch-dal afgedaald en hebben Duitsch sprekende districten en volkjes--Sette en Tredeci communi, zelfs nog tot in nabijheid van Vicenza en Verona vooruitgedreven. In den nieuweren tijd echter zijn Duitschdom en Duitsche taal door de bewegelijke en daar woonachtige Italianen overstelpt en teruggedrongen.

Eenige overeenkomst met de uitbreiding der Duitschers in Tyrol, heeft de geschiedenis der bevolking der meer Oostelijke landschappen Stiermarken, Karinthië en Krain. Ook hier was in oude tijden, in het zoogenaamde Noricum, een Celtischen grondslag. Ook hier trokken verscheidene Duitsche volken door, en lieten velen der hunnen in het land achter. Gedurende de volksverhuizing werden deze landen grootendeels met Slawen opgevuld, bij wier latere germaniseering de Beiersche Hertogen en de Bisschoppen van Salzburg weer werkzaam waren.

Een overblijfsel der Slawen deelt nog heden ten dage met de Duitschers het bezit dezer heerlijke Alpenlanden. Maar ook hier, even als elders, gaven de Duitschers den toon aan, en hebben zij de voornaamste zetels der beschaving dier landen, de fraaie door hen gebouwde steden Gräz, Laibach, Klagenfurt enz. in hun bezit.

Beiersche bisschoppen, vooral die van Passau, hebben eindelijk ook, terwijl zij ijverig Donau-afwaarts koloniseerden, het eigenlijke Oostenrijk, dat vóór hen bijna geheel door Slawen en Avaren bewoond was, Duitsch gemaakt.

Verscheidene overblijfselen van deze niet-Duitschers zullen aanvankelijk wel onder de, het land binnentrekkende, Beiersche planters achtergebleven zijn. En daar later, behalve de Beieren, ook nog vele bewoners uit Schwaben en Franken, langs den Donau naar dat land kwamen, zoo zijn hunne met elkander vermengde nakomelingen, langzamerhand van hunne Beiersche stamvaders meer of minder vervreemd geraakt, en heeft zich daaruit een eigenaardig Oostenrijksch volkswezen gevormd, dat voor het oud-Béiersche ten lange laatste zooveel antipathie koesterde, dat Keizer Maximiliaan eens gezegd heeft, dat wanneer men èn Beiersch èn Oostenrijksch bloed in een ketel wilde laten koken, het een het andere zou doen overkoken.

Zorgeloosheid en natuurlijke vroolijkheid zijn veel geprezene eigenschappen der Oostenrijksche Duitschers, die op verre na niet zoo hard en niet zoo ruw schijnen, als hunne stamvaders, de oud-Beieren. "Gastvrijheid, zooals die in oud-patriarchalen tijd uitgeoefend werd, treft men daar bij de burgers en boeren, in de rijke Donau-sloten en in de kloosters aan. Het is een land waar men genoegen schept in muziek en dans." Van daar uit hebben zich de Duitsche nationale dansen, de tirolienne en de wals, door de wereld verspreid, en de Oostenrijksche Donau- en Alpen-landschappen zijn de eenige streken in Duitschland, waar de danskunst met eene bevalligheid, als bij de Spanjaarden en andere vluggere volken, beoefend wordt.

In de 13de eeuw was het hof der Oostenrijksche Hertogen de verzamelplaats van vele dichters. Walter von der Vogelweide, Heinrich von Osterdingen, de Tannhäuser en andere werden daar zeer gevierd. Ook werd in Oostenrijk het "Nibelungen-lied" zoo bij elkander gevoegd, als wij het nu bezitten. Mozart, de Vorst der toonkunst, en de bijna met hem op gelijke lijn staande componist der "Jahreszeiten" werden aan den voet der Oostenrijksche Alpen geboren, en Strausz, Lanner en dergelijke nieuwere Duitsche componisten gingen van daar uit.

Maar bij alle "zang en muziek, bij al hunne trouwhartige vroolijkheid," bij hunne, zooals men zegt, "geborneerde" naïviteit, moet toch een fond van degelijke, Duitsche kernachtigheid in die Oostenrijkers steken. Want juist dit "land van het Duitsche epicurisme," met zijne prachtige en luxurieuse hoofdstad Weenen, is de kern eener groote Duitsche monarchie geworden, die vele Slawische, Romaansche en Finsche volken, tot een politiek geheel vereenigd en tot nu toe ook gehouden heeft. Duitsche taal, Duitsche wetten, Duitsche beschaving, hebben door de Oostenrijkers invloed verkregen tot aan den voet van den Balkan en tot aan de Zwarte Zee toe.--Oostwaarts van de Alpen, in de uitgestrekte Donau-vlakten en om de Karpathen heen, bloeien nog Duitsche zeden en Duitsche vlijt, in vele honderden, door hen gestichte en opgesierde steden en bekoorlijke dorpen, midden onder de Daciërs en Pannoniërs.

Dat echter behalve de Oostenrijkers en Beieren, wier dialect zij meerendeels aangenomen hebben, ook andere Duitsche stammen, vooral de Westelijke naburen der Beieren, de aan de bronnen van den Donau woonachtige Schwaben, aan de ontwikkeling van Hongarije en Zevenburgen medegewerkt hebben, bewijst alleen reeds de omstandigheid, dat daar overal de naam "Schwaab" de algemeene benaming voor een Duitscher is.

Ook zelfs de Neder-Duitschers hebben aan dit werk deel genomen. Want de beroemde Zevenburgsche Saksers, een kleine tak van den grooten Duitschen eik, die in het Oosten tot een sierlijk boompje opgroeide, stammen oorspronkelijk van den Neder-Rijn af.

Deze Saksische Duitschers in Zevenburgen hangen nog heden, ofschoon door een grooten afstand en sedert 600 jaren van den moederstam gescheiden, nauw met hem te samen, en voeden zich op de Duitsche universiteiten, die zij voortdurend bezoeken, met de melk der Duitsche wetenschap, en hebben ook, als ijverige Lutheranen, de Duitsche kerkelijke hervormingen en onlusten medegemaakt.

Niet alleen uit de talrijke, geheel Duitsche provinciën van Oostenrijk, maar ook zelfs uit het midden dezer in Hongarije en Zevenburgen verstrooide Duitschers, zijn van oudsher, ter vermeerdering van den roem der geheele Duitsche natie, vele uitstekende staatslieden, edele Vorsten en militairen, talrijke dichters, geleerden en kunstenaars voortgekomen.

Uit den nieuweren tijd, noem ik onder de Duitsch-Hongaarsche Muzen-zonen als voorbeeld, den armen Lenau, den dichtenden Hongaarschen aartsbisschop Pyrker, den lyrischen dichter Beek en den grooten musicus Franz Liszt, die allen op de grenzen der "Püsten" geboren zijn, maar hunne groote talenten, uit het met hen verwante Duitschdom geput hebben.

Waar intusschen blijft het, en dat is wel karakteristiek voor het geheele Beiersch-Oostenrijksche Zuid-Oosten, dat van daar geene, zulke groote hervormingen veroorzakende, naam makende denkers, zulke alom licht om zich heen verspreidende Koningen op het gebied der ontwikkeling, voortgekomen zijn, als een Keppler, een Leibnitz, een Kant, een Fichte, een Goethe, een Humboldt waren. Grondige critiek is geen in het oog springende karaktertrek van dit gedeelte van Duitschland. Zij behoort meer in het Noorden van Duitschland te huis, even als muziek, dans en poëzie meer te huis behooren in het Zuiden.

De stambetrekkingen van het Zuidelijk derde gedeelte van Duitschland zijn, zooals reeds gezegd is, onder de beide groote rubrieken "Allemanno-Schwaben" en "Bavaro-Oostenrijkers," gemakkelijk te overzien. De groote vlakten en tafellanden en de groote Donau hebben daar ook, wat staatkundige indeeling betreft, alles meer in groote gedeelten en onderdeelen doen samen vatten.

In Midden-Duitschland daarentegen is alles veel bonter geschakeerd en veel meer ingewikkeld. Dit derde gedeelte van het Duitsche vaderland, vormt van af Lotharingen tot aan Silezië, een groot schaakbord van eene menigte--tot een, met verscheidene mazen voorzien net samengeweefd--bergketenen, heuvellandschappen en daar tusschen gevoegde vlakten en dalen. Het is, zoowel in geographische als in geologische beteekenis, het bontste stuk van Duitschland. Ook de cultuur-planten, koren, wijn enz. wisselen hier menigvuldig op de kleinste oppervlakte af. Daar praedomineert geen groote, alles vereenigende stroom, geen uitgestrekt dal-bekken. Talrijke rivieren hebben daar hare bronnen, en zelfs de groote Rijn is daar in het midden van zijn loop, zich op engere baan en meer verbrokkeld tusschen rotsen door slingerende, dan in zijn verder Zuidelijk bekken en in zijne Noordelijke Nederlanden.

In overeenstemming hiermede zijn de Duitsche stammen en dialecten--hier in het midden nog meer dan ergens anders--uit elkander gegaan, en voor "de vorming van kleine staten en voor particularismus is het hier het ware land." Hier zijn de bergtoppen te vinden, van wier kruinen men tegelijkertijd zes of meer Duitsche staten binnen ziet. Hier is ook het land der kleine of middelmatige Duitsche steden, die er talrijker zijn dan in eenig ander gedeelte van Duitschland. De groote Duitsche steden Berlijn, Hamburg, Weenen, Praag, München enz. vallen in de uitgestrekte vlakten, de groote, hooge plateaux en de breede hoofddalen aan de eene of de andere zijde van dat centraal-gebied.

Trots deze verbrokkeling, laat Midden-Duitschland zich als een geheel samenvatten, en kan men, als iets wat al zijne bewoners met elkander gemeen hebben, aannemen, dat zij allen met elkander tot de groote Hoog-Duitsche familie behooren, maar toch wederom van de Zuidelijke Opper-Duitschers, de Schwaben en Beieren, merkbaar verschillen, en in taal en bloed een overgang en gemengd gebied vormen, tusschen deze en de Neder-Duitschers.

Even als de Duitschers van het Zuiden, zoo hebben ook de stammen van het midden, van den Rijn als hunne basis, naar het Oosten gewerkt. Deze Rijn is de eenige der groote rivieren, die in het leven van alle drie hoofdafdeelingen van het Duitsche volk, dus ook in het hart van allen ingegroeid is. De Donau gaat bijna alleen de Zuid-Duitschers aan. De Wezer, Elbe en Oder zijn in hunne voornaamste gedeelten Noord-Duitsch. Van den Rijn daarentegen hebben de Zuid-Duitschers het bovenste gedeelte, de Neder-Duitschers het onderste gedeelte en de Midden-Duitschers de rest in bezit. Aan zijne oevers hoort men alle Duitsche hoofd-dialecten. En daaruit laat zich gedeeltelijk de liefde van alle Duitschers verklaren voor hunnen "Vader Rijn," wiens gebied de geographische basis hunner geheele ontwikkeling is, en wiens verheerlijking door de ontwikkeling van het volksleven van alle stammen heentrekt.--De Midden-Duitschers bezitten wel het schoonste stuk der rivier, alle bekoorlijke landschappen aan zijne oevers, van af Carlsruhe tot aan Bonn, en aan zijne door natuur, kunst en geschiedenis zoo rijk gesierde voorname zijrivieren Main, Moezel enz.

De Romeinen vonden in deze streken verscheidene Duitsche stammen, die zij ten deele afhankelijk van zich maakten, terwijl zij aan den Rijn de vestingen Mainz, Coblenz en andere bouwden, en ook den Italiaanschen wijnstok daarheen verplantten.

Vroegtijdig, reeds tijdens het begin van het verval van het Romeinsche rijk, ontstond aan den beneden-Rijn, onder den naam van "Franken" ("Vrijen"), een machtig bondgenootschap van Neder-Duitsche volksstammen. Na de 4de eeuw splitsten deze zich in twee groote afdeelingen, de zoogenaamde "Salische" en de "Ripuarische Franken." Gene veroverden, van den Neder-Rijn en de Schelde uit, het Noordelijk Gallië, waarop zij hunnen naam (Frankrijk) overbrachten, terwijl deze naam in Noordelijk Duitschland geheel verloren ging. De Ripuarische Franken zetten hunne veroveringen, aan de oevers van den Rijn, opwaarts voort, vereenigden de volken aan den midden-Rijn, en werden vervolgens met de groote, door hunne Salische broeders gestichte Frankische monarchie vereenigd. Bij de oplossing van het Karolingische wereldrijk, traden zij in het Oost-Frankische of Duitsche Koningrijk als "het Frankische Hertogdom," dat tamelijk wel het voornaamste stuk van het geheele Midden-Duitschland, van den Rijn tot de bronnen van den Main en tot aan het Thuringerwoud, bevatte.

Hieruit trad Koning Conrad I, en later na de Otto's, het geslacht der zoogenaamde "Frankische Keizers," op. De Rhijnsche Franken waren ten tijde dezer Keizers (in de 11de eeuw) weder het eerste volk in Duitschland.--Uit hen werden de Duitsche Koningen gekozen, die ook meestal in hun land, aan den Midden-Rijn, resideerden.

Toen zich het Hertogdom Franken aan den Rijn, in eene menigte kleinere gebieden oploste, trok zich de eens in Duitschland zoo groote naam der Franken enger te samen. Sedert de 14de eeuw ging hij zelfs aan den Rijn geheel verloren. Alleen het Main-land heeft dien ten slotte bewaard. Hiertoe beperkte zich ook in het wezenlijke der zaak, de door Keizer Maximiliaan georganiseerde "Frankische Kreits." Frankisch bloed, Frankische stamverwantschap en taal, zijn daarbij ook de fundamenten van het wezen der bevolking aan den Midden-Rijn, Zuidwaarts tot aan de Neckar, Noordwaarts tot aan de Sieg en Westwaarts aan de Moezel opwaarts tot aan de Saar, en tot in de nabijheid van Metz, gebleven.

De Franken van den Main en van het daartoe behoorende deel van den Midden-Rijn, zijn een der wakkerste, begaafdste en gemoedelijkste Duitsche stammen. Bij hen bloeien de Duitsche wijngaarden. Zij stichtten de, nog heden ten dage groote handelstad Frankfort en bouwden Bamberg, Würzburg en andere steden, die een beroemden naam dragen. De machtige "Rijn-stedenbond" was hun werk. Bij hen kwam in Neurenburg het oudste, meest grootsche tijdperk van Duitschlands industrie tot bloei. Zij hebben den grootsten Duitschen schilder, Albrecht Dürer, en den meest populairen meesterzanger, Hans Sachs, voortgebracht. Door hen is de boekdrukkunst uitgevonden. [70] En in den nieuwsten tijd hebben zij, wat bijna tegen eene nieuwe uitvinding en een stedenbond opweegt, mannen als Goethe en den Vrijheer von Stein, aan het Duitsche volk geschonken.

In het Oosten en het Noorden der Rijn-landen, woonden aan de bovenste takken der Wezer, Fulda, Eder en Werra sedert oude tijden de "Katten" of "Hessen." Ook zij, evenals bijna iedere Duitsche stam, hebben eene periode van ouden roem en vroegere grootheid gehad.

Zij moeten eens ver om zich heengegrepen hebben. Want de Batavieren, de voorvaders der Nederlanders, leiden van hen hunnen oorsprong af, en aan de Romeinen verschaften zij bijna even veel werk, als hunne nakomelingen aan de zee, de Batavieren. Reeds Tacitus prijst de dapperheid van het Hessische voetvolk, dat altijd, even als eens tegen de Romeinen zoo ook in den nieuweren tijd in Amerika, waarheen zij toch slechts door hunne Vorsten verkocht werden, er maar in het blinde op los sloeg en zich dien ten gevolge het roemrijke epitheton, de "blinde Hessen" verwierf.

Staatkundig gingen zij in verschillende tijden, in de door hunne machtige en talrijke naburen, de Franken en de Thüringers gestichte Hertogdommen op, maar hebben zich ten allen tijde met een groote taaiheid en vastheid in hunne oude woonplaatsen gehandhaafd en hunnen naam bewaard; sedert de 14de eeuw brachten zij ook weder hunne eigene Vorsten voort, die echter helaas! in den nieuwsten tijd bijna nooit landsvaders voor hen geweest zijn.

Een oud Duitsch vers zegt van Hessen, "men heeft daar groote schotels maar weinig te eten; hooge kroezen maar zuren wijn: wie zou gaarne in Hessen willen zijn." Den bewoners is ook iets van de schraalheid van het land eigen geworden. Zij zijn ernstiger, nuchterder en achterhoudender van aard, dan de vroolijke bewoners van het Rijn-land en de levenslustige Thüringers, hunne naburen aan weerszijden.

Menig degelijk edel Duitscher, b.v. Ulrich von Hutten, vele vlijtige groote geleerden, b.v. de Grimms, weinige dichters en kunstenaars zijn uit het arme "Hessenland" voortgekomen.

"Zij zijn hunne oude gewoonten zoo trouw gebleven, dat bij hen nog heden ten dage de oude Duitsche haverbrij, in plaats van koffie als morgendrank dient." De weinige behoefte, die zij hebben, blijkt uit het spreekwoord, "waar Hessen versterven, kan niemand voedsel verwerven." Van hun geduld, zoowel als van hunne volharding in vrijheid en recht, hebben zij als hoogst lankmoedige Duitsche leeddragers bewonderingswaardige bewijzen gegeven, door onvermoeiden strijd tegen een Vorsten-geslacht, dat reeds sedert eene eeuw, zoo merkwaardig productief aan despotische en hebzuchtige Vorsten en slechte regenten is geweest, en dat eerst de nieuwste tijd gelukkig op zijde geschoven heeft.

Van het Fichtelgebergte af, gaat in Noord-Westelijke richting de hoofdrug van het Thüringer-woud, schuin door Midden-Duitschland heen, en deelt het in zijne beide hoofdhelften, de Westelijke of Frankisch-Hessische en de Oostelijke of Thüringsch-Saksische.

Reeds de Romeinen kenden, in deze deelen van Midden-Duitschland, het volk der "Duren" of "Hermunduren," waarvan men later "Thüringers" gemaakt heeft. Omstreeks de vijfde eeuw valt de tijd der vroege staatkundige grootheid van dezen stam, die toen, tusschen Elbe en Main, tusschen Bohemen en den Harz, het groote "Thüringsche Koningrijk" stichtte, van welks lotgevallen wij intusschen niet veel weten.

Aan dit Koningrijk maakten de Franken even zoo een einde, als aan het Allemannische, maar gedurende de geheele middel-eeuwen bleef een "Thüringsch Hertogdom," later "Landgraafschap" bestaan: wèl onderging dit gebied menige verandering, maar had toch in hoofdzaak het oude Thüringerland, namelijk de streek tusschen den Harz en het Thüringer-woud, aan de bovenste takken der Saale, tot kern.

Even als geheel Duitschland zijne met elkander mededingende dubbel-Keizers, zijne verbrokkelingen in verschillende rijken, zijne tusschenregeeringen en zijne dertigjarige oorlogen gehad heeft, zoo hadden ook de Thüringers dikwijls hunne dubbel-Hertogen, hunne splitsingen in verschillende stammen, hunne Thüringsche opvolgings-oorlogen, hunne provinciale tienden- en Graven-twisten, die ook dikwijls 30 jaren lang het land verwoestten.--Daarbij kwamen nog de eeuwen lang voortgezette oorlogen met de "Soraben," die het Oostelijk deel van het oude "Hermunduren-land" waren binnengetreden. Grootendeels van Thüringen uit, werden deze Slawen van Midden-Duitschland overweldigd, gedoopt, met Duitsche kolonisten en steden voorzien en ten laatste geheel tot Duitschers gemaakt.

Het Meisznische land, het tegenwoordige Koningrijk "Saksen," ofschoon het zijnen naam ontving van de Neder-Saksische Vorsten, die de mark Meiszen stichtten, kan men in hoofdzaak als eene Thüringsche kolonie beschouwen. Uit deze Thüringsche volkplanting groeide langzamerhand het groote Keurvorstendom Saksen, dat ten slotte bijna het geheele oude Hermunduren-land en al zijne koloniën, aan deze en aan gene zijde der midden-Elbe, omvatte.

Door de beroemde land-verdeeling onder Albert en Ernst, de zonen van den Keurvorst Frederik den Zachtmoedige, en door vele op deze volgende verdeelingen en splitsingen in verschillende Vorsten-liniën, zoomede later in nieuweren tijd door de verbrokkeling van Keur-Saksen, kwam langzamerhand de Thüringsche stam onder eene menigte Vorsten en Staten.

"In hun eigenlijk oud stamland, doen de Thüringers zich als een degelijk, eerlijk, goedhartig en poëtisch Duitsch volk voor." Zij zijn zachter en vroolijker dan de ernstige Hessen, bekwamer dan de Neder-Saksers aan gene zijde van den Hartz, degelijker dan hunne kolonisten in "Meiszen", de tegenwoordige "Opper-Saksers", gematigder dan de levendige Franken aan den Rijn. "Een kostbaar kleinood van den Thüringschen stam is hunne gezonde en levenslustige gemoedelijkheid, hunne vertrouwdheid met poëzie, muziek en zang, die reeds in oude tijden bleek, uit den bij hen gevierden zangerswedstrijd op den Wartburg, en waarvan ook het wijd en zijd bekende spreekwoord: "in twee huizen, drie violen," getuigt.

Uit hunnen schoot is menig Duitsch man van gewicht voortgekomen. In de allereerste plaats Dr. Martin Luther, wiens ouders, even als zijn degelijk karakter en zijn vroolijke zanglust, uit Thüringen afstammen. Ook de Luther der muziek, Sebastiaan Bach, was uit Thüringen geboortig. Lang na den Wartburg-strijd bloeide bij hen nog eens, ten tijde van Karel August, een Duitsch Athene, het onvergelijkelijke muzenhof te Weimar op.--Ook heeft deze stam vele edele Vorsten-geslachten opgeleverd, van welke in nieuweren tijd het Saksen-Coburg-Gotha'sche huis aan buitenlandsche volken, de Belgen, Engelschen en Portugeezen, Vorsten gegeven heeft.

Bij de nakomelingen der uit Thüringen Oostwaarts getrokkene kolonisten, de bewoners van het land Meiszen en van het tegenwoordige Koningrijk Saksen, mist men het flinke hunner stamvaders in Thüringen. Zij zijn oppervlakkiger, zachter en weekhartiger. In geest en in werkzaamheid van het verstand echter, staan zij nog boven de Thüringers, en buitenslands hebben zij zich, zoowel in oorlog als in vrede, door hunne humaniteit en welgemanierdheid bemind gemaakt. Allerlei takken van kunst- en fabriekwezen bloeien door hun geheele, langs den Noordelijken voet van het Ertzgebergte gelegen, land, "met betrekking tot nijverheid het toonbeeld voor Duitschland." Hunne beide groote steden Leipzig en Dresden munten uit, de eene door hare commercieele en industrieele ondernemingen en als middelpunt van de literarische markt der Duitschers, en de andere "het Duitsche Florence", als Vorstelijke residentie door hare kunstschatten, en als verzamelplaats van vele beschaafde kringen uit alle landen.

Wat poëzie en humor betreft staan deze zoogenaamde "Opper-Saksers," die men liever "Nieuw-Thüringers" noemen moest, bij alle andere Duitsche stammen ten achter. Daarentegen hebben zij en hunne vroegere Vorsten zich een blijvenden roem in de Duitsche geschiedenis verzekerd, door den ijver waarmede zij tot de, op hunne hoogescholen het eerst geproclameerde, kerkhervorming van Luther toetraden, en de bescherming die zij haar verleenden, zoo mede door de verstandelijke ontwikkeling en het, in hun land overal verbreide, schoolonderwijs en de algemeen verspreide kennis.

Wanneer al anders niets, dan zou reeds de omstandigheid, dat zulke groote denkers en zulke ontwikkelde koppen, als Leibnitz, Lessing, Fichte, aan den voet van het Ertzgebergte geboren werden, voldoende bewijzen welke groote begaafdheid ook dezen stam eigen is. Een groot gedeelte der Opper-Saksers, is sedert 50 jaren met Pruissen vereenigd, en heeft sedert dien tijd, als met Pruissischen nationalen geest vervuld, meermalen eene tegenstelling gevormd, met zijne oude stamgenooten in Oud-Thüringen en in Opper-Saksen.

Silezië vormt het Oostelijk uiteinde van Midden-Duitschland. Even als Saksen is het grootendeels een kolonie-land van Thüringen, op Slawischen onderbodem, maar ook Neder-Duitschers, Franken, Beieren, Oostenrijkers, zijn toegestroomd om die streken te bevolken. "De Sileziërs deelen met alle Midden-Duitschers, de hoofdtrekken der taal, zeden en denkwijze," ofschoon zich alles bij dit aan den boven-Oder geplante Duitschdom, dat andere lotgevallen deelachtig werd, eerst onder den invloed van Polen, en later van Bohemen en Oostenrijk kwam en door dezen beheerscht werd, naar de eigenaardigheden van het land natuurlijk wijzigde. Zij hebben in taal en wezen iets zuidelijks behouden.

Ofschoon de Silezische Duitschers, nu bijna drie millioen sterk, langen tijd eigenlijk niet tot het Duitsche rijk behoorden, en eerst door Pruissen staatkundig bij den Duitschen bond ingelijfd werden, zoo namen zij toch sedert de 14de eeuw deel aan al het lijden en aan al den vooruitgang van het Duitsche volk. Even als in geheel Midden- en Neder-Duitschland, vond de hervorming hier grooten bijval. Ook is het opmerkingswaardig, dat het deze, aan het einde van het Duitsche vaderland wonende en met Slawen vermengde, Sileziërs geweest zijn, die in hunne beide beroemde dichter-scholen, in de 17de eeuw, de eerste hervorming in den poëtischen smaak der Duitschers te weeg brachten. Dit intelligente en ondernemende volk, maakt nu een hoofdpilaar van het gebouw der Pruissische monarchie uit; om hunne annexeering werden, door de grootste Pruissische Koningen, drie groote oorlogen gevoerd.

Het bovengezegde geldt intusschen vooral voor de bewoners van het benedenste en middelste gedeelte des lands. Want de "Opper-Sileziërs," in de hoogte aan de Moravische en Boheemsche grenzen, in de Sudeten en in het Reuzen-gebergte, vormen een heel ander slag menschen, dat van eene zeer oude, wellicht nog uit de tijden der volksverhuizing dateerende grondbevolking afkomstig is. Men rekent hen en hunne taal, tot het zoogenaamde Opper-Silezische- of Sudeten-dialect, niet tot de Midden-Duitschers, maar tot de Zuid-Duitschers, en wel tot den grooten Beiersch-Oostenrijkschen tak.

In de oudste tijden schijnt het geheele vlakke Noord-Duitschland, van Holland tot Rusland, door Duitsche stammen bewoond te zijn geweest. De Cimbren en Teutonen, die in het Jutsche schier-eiland woonden, zijn waarschijnlijk van dit Noorden uitgegaan, even als de Longobarden, wier oorspronkelijke woonplaatsen men aan de Beneden-Elbe zoekt, alsmede de Vandalen in Mecklenburg en Pommeren, de Gothen in het tegenwoordige Pruissen, de Bourgondiërs, de Herulers en andere aan den Beneden- en Midden-Oder en Weichsel.

Bij de volksverhuizing verlieten deze en andere Noord-Duitschers hun land, om in het Zuiden rijken te stichten, en in hun vaderland, dat door de uit het Oosten opdringende Slawen en Lithauers bezet werd, bleven weinige sporen van hen over. Meer dan de helft van het oude Noord-Germanië, Westwaarts tot aan de Elbe, werd Slawisch. Alleen in het Noord-Westelijk gedeelte, tusschen Elbe en Rijn, bleef het Duitsch. De Romeinen leerden in dien hoek de Batavieren, de Friezen, de Chauken, de Cheruskers, Brukteren en meer andere Neder-Duitsche stammen kennen.

Echter werden de meeste hunner, in den loop der gebeurtenissen, onder één naam, dien der Saksers, vereenigd, welke naam, ten gevolge der onder zijne banier volbrachte daden, ten slotte in het geheele Noorden zoo beroemd werd, dat men (soms nog zelfs wel in de 12de eeuw) met den naam "Sakser-land", de geheele Noordelijke helft van Duitschland betitelde, en dat nog heden ten dage, zoowel de Celtische Ieren in het afgelegen Westen, als de Finnen en Esthen in het verre Oosten, met de woorden "Saksen" en "Saksisch", ongeveer hetzelfde bedoelen, wat wij Germaansch of Duitsch noemen.

Het oorspronkelijk vaderland dezer "Saksers", zou in het Cimbrische schiereiland, in het tegenwoordige Schleeswijk-Holstein en Jutland, gezocht moeten worden. Van daar uit verbreidden zij zich, het eerst naar het Zuiden en Westen en vereenigden de boven opgenoemde, met de hun verwante stammen aan de Wezer, onder hunnen naam. Een gedeelte van hen trok met de Jüten en de Friezen de zee over, en maakte Engeland tot een "Saksisch" land, dat echter zijne eigene lotgevallen volgende, weldra met het moeder-volk (dien ten gevolge ook wel Oud-Saksen genaamd) weinig meer te maken had.

Tot aan de 8ste eeuw, leidden deze Oud-Saksers, onder hunne Vorsten, als heidensche, de vrijheid lievende barbaren, een van de andere Duitschers afgescheiden leven. Deze waren, aan den Rijn en aan den Donau, reeds lang Christenen geworden en met het groote Franken-rijk vereenigd.

In eene reeks bloedige oorlogen temde Karel de Groote gene eerst volkomen. Hij lijfde ze in bij de Frankische monarchie en bij het, zich hier uit vervolgens ontwikkelende, Duitsche rijk. De buitengewone energie, waarmede de Saksers zoolang aan de Franken weerstand geboden hadden, bewerkte, dat zij aanvankelijk eene zeer voorname plaats in dit rijk innamen.

Behalve de Hertogdommen Allemannië en Beieren in Zuid-Duitschland, en naast het door Midden-Duitschland gaande Hertogdom Franken, ontstond ook een groot "Hertogdom Saksen," dat geheel Noord-Westelijk Duitschland, tusschen Elbe en Rijn bevatte. Na het uitsterven der Karolingers en na Konrad I, viel zelfs den Saksers en hunnen Hertogen de Duitsche Keizerskroon toe, die hun Vorstengeslacht gedurende eenige generaties behield. Zij hebben het Duitsche rijk eenige zijner degelijkste en roemrijkste Keizers, Hendrik den Vogelaar en de Otto's gegeven. Maar later is de Duitsche Keizerskroon--tot op den allernieuwsten tijd--niet weder blijvend aan Noord-Duitschland gekomen.

Ook heeft de Saksische of plat-Duitsche taal van dien Keizer-glans geene winst gehad. Hunne Otto's, welke die taal spraken, konden haar den voorrang boven de reeds veel ontwikkelder Opper-Duitsche dialecten niet doen verwerven. Niet Zuid-Duitschland te leiden, maar veeleer het geheele vroegere Noord-Duitschland Oostwaarts weder te herstellen, het daar diep doorgedrongene Slawendom terug te werpen, en langs de Oostzee tot aan Rusland eene reeks nieuwe of vernieuwde Duitsche landen en volken te stichten, werd de eerste taak der Saksers.

Slaat men, bij een kort overzicht dezer scheppingen der Saksers, het eerst den blik op hunne vroegste woonplaats, het land ten Noorden van de Elbe, het zoogenaamde "transalbingsche Saksen," dan mag men wel zeggen, dat de Neder-Saksische stam daar steeds eene bijzondere degelijkheid bewaard heeft, en dat zijne geschiedenis dikwijls roemrijk, ofschoon ook tevens vooral weder in den laatsten tijd, dikwijls vol lijden geweest is.

Tegen de Slawische Wagriërs, die hun land binnendrongen, hebben zij zich met goed gevolg verweerd en hen in Duitschers veranderd. In Dithmarschen [71] hebben zij eene boeren-republiek gesticht, welker roem bijna met die der oude Zwitsersche kantons overeenkomt. Met hunne Noordelijke naburen, de Denen, die steeds op hen instormden, hebben zij meermalen heldhaftig gestreden en tegen hen, in den loop der tijden, roemrijke slagen geleverd. Ofschoon in den nieuweren tijd hunne ondernemingen tegen de Denen ongelukkig waren, en deze met verdeensching en vele, aan de Duitsche nationaliteit vijandige, maatregelen tot hen kwamen, hebben zij altijd aan hunne Neder-Saksische taal en gewoonten vastgehouden, en deze zelfs nog verder in het Denenland, ver over den Eider, de oude Duitsche rijksgrens, tot in Schleeswijk verbreid. Zelfs als zij aan de Denen staatkundig onderworpen waren, toonden zij zich toch zoowel voor de intellectueele als voor de materieele uit- en aanbouw van het Cimbrische schiereiland (Jutland) en van geheel Denemarken, even invloedrijk als b.v. de Duitschers der "Oostzee-provinciën" voor Rusland.--De allernieuwste tijd heeft hen van de Denen, waarmede zij als het ware samengegroeid waren, ook staatkundig weder losgemaakt, en hen weder aan hunne oude Noord-Duitsche stamgenooten, wien zij den ouden naam gegeven hebben, en vervolgens ook aan geheel Duitschland toegevoerd.

De Neder-Saksers, ten Zuid-Westen van de Elbe, waren in drie hoofdstammen verdeeld, de "Engern," de "Oostfalen", en de "Westfalen," wier ligging en woonplaatsen hoofdzakelijk door de Wezer bepaald werden. "Engern" noemden zich de Saksers in het dal van de Wezer zelf, "Oostfalen," die ten Oosten van de Wezer wonende, en de "Westfalen" waren de Saksers ten Westen van de Wezer, tot aan den Rijn en de Eems toe.

De namen Oostfalen en Engern zijn verdwenen. Hunne nakomelingen werden in den loop der tijden onder vele Vorsten en Staten verdeeld. Ten slotte echter vereenigde de Luneburgsche tak van het oude Saksische Hertogelijke huis, het een langen tijd gelukkige "Huis Hannover", het grootste gedeelte der voormalige Neder-Saksische Engern en Oostfalen, door erfenissen en verdragen, tot een staatkundig geheel; zijn Koningshuis trachtte onder de stam-verwante, het toegevallene, bevolkingen, een Hannoveraansch volk en nationaal-gevoel te voorschijn te roepen; gelijk het Beiersche Koningshuis bij de, het toegevallene, Duitsche deelen, een Beiersch volks- en nationaal gevoel trachtte op te wekken. Gelukkig is, ten gevolge der jongste gebeurtenissen, dit proces aan de Elbe en de Wezer evenzoo gestoord geworden als dat aan den Donau, en in beide gebieden hebben ruimere sympathiën en neigingen eene plaats gevonden. Pruissen heeft ze weder in den grooten schoot hunner moeder geplaatst.

De "Westfalen" hebben tot op den huidigen dag in weerwil van alle scheidingen van stammen, en trots de verschillende heerschappijen waaronder ook zij geraakten, hunnen naam en ook in hooge mate hun oud karakter en zin bewaard. Zij wonen aan de Westelijke rivieren van de Midden-Wezer, aan de bronnen der Eems, en aan de groote vlakte tusschen de Rijn- en Wezergebergten, waaruit de Roer en de Lippe naar den Rijn stroomen.

Reeds de vroegste voorouders der Westfalen die ons genoemd worden, de dappere Brukteren boden aan de Romeinen een hevigen wederstand. Op Westfaalsch gebied werden de Varus-slagen gestreden. Later, toen de naam "Hertogdom Saksen" reeds verdwenen was, bestond er nog geruimen tijd een groot "Hertogdom Westfalen," evenals na de verdeeling van het Duitsche rijk in kreitsen, een even groote "Westfaalsche kreits." Ook Napoleon weder, maakte gebruik van den ouden beroemden volksnaam, om zijn, gelukkig slechts kort bestaan hebbend, "Westfaalsch Koningrijk," in het Midden- en Opper-Wezerland te doopen.

"De Oud-Saksische vastheid van karakter, waardoor de Westfalen van oudsher uitmuntten," is zeker de hoofdreden van den langen duur van hunnen naam en roem geweest. Het lange menschenras, heeft nu nog veel overeenkomst met de, door de Romeinen beschrevene Germanen. Hunne manier van wonen en hunne zeden zijn overoud. Bijna de geheele stam is nu bij den Pruissischen staat ingelijfd.

Ook in de landstreek, die het Rijndal van Wezel tot aan Keulen en Bonn vormt, zijn stam, bloed en taal der Neder-Saksers verspreid geworden. Maar het daar gebruikelijke dialect, "het Neder-Rijnsche" bewijst, dat ook afwaarts van den Rijn, reeds Opper-Duitsche elementen uit Franken of Midden-Duitschland, zich met hen vermengd hebben.

Hoe de Neder-Duitsche stammen, nog verder naar het Westen doordringende en zich met de Friezen en Batavieren vermengende, de bevolking van België en Nederland gevormd hebben, heb ik reeds vroeger trachten aan te toonen en ik zal dus nu overgaan tot de behandeling der later gevolgde uitbreiding der Neder-Saksers, over het Oostelijk gedeelte der Noord-Duitsche vlakte.

De oorlogen der Saksers met hunne Oostelijke Slawische naburen hadden vermoedelijk reeds lang geduurd, maar zij begonnen eerst invloed te hebben op de geschiedenis der ontwikkeling, en tot blijvende veroveringen te leiden, toen de Saksers sedert het einde der 8ste eeuw het christendom aangenomen hadden, en nu met den doop, met het stichten van kerken en kloosters, met monniken en kruisridders tegen de Slawen optrokken.

Een gedeelte der Slawen was zelfs Westwaarts over de Elbe in het tegenwoordige Luneburgsche en Maagdenburgsche doorgedrongen, en kwam het eerst met den naar het Oosten terugkeerenden Slawen-vloed in aanraking. Zij werden reeds ten tijde van Karel den Groote onderdanig aan de Saksers, en reeds toen begon de bloei der bij hen gestichte stad Maagdenburg, die het lievelingsoord van den Saksischen Keizer Otto I werd, en die met hare aartsbisschoppen en haar, overal in het Oosten tot diep in Polen nagevolgd, stadsbestuur, een zoo grooten invloed op de Zuid-Baltische Slawenlanden zou uitoefenen.

In het gebied der Slawen, aan deze zijde der Elbe, ontstond onder Hendrik den Vogelaar, de Duitsche kolonie de Altmark, de wieg van den Keur-Brandenburgschen staat. Zoo betrekkelijk snel het Slawische in politiek en heerschappij ineenstortte, zoo langzaam is het--op sommige plaatsen ten minste--in taal en zeden verdwenen. Nog in het einde der vorige eeuw predikte en sprak men aan deze zijde der Elbe, Slawisch; en nog heden ten dage vindt men in het Lüneburgsche, midden in Neder-Saksen, eene streek, het "Wendland" genoemd, waarin Slawische kleeding, bouwtrant en gebruiken nog in zwang zijn.

Ook de Slawische stammen (Sorben), die over de Midden-Elbe tot naar Thüringen doorgedrongen waren, overstelpten de Saksers en hunne Koningen met doop en oorlog, en de Saksische Keizers stichtten hier aan weerszijden der Elbe, verscheidene Markgraaf-schappen en Bisdommen (Merseburg, Meiszen, de Lausitzen enz.) waarmede zij in de 11de eeuw, een beroemden Neder-Saksischen Vorstenstam, de Graven von Wettin, beleenden.

Door dit Saksische Vorstenhuis, dat zijn oorsprong van den ouden Sakser Wittekind afleidde, en het stamhuis aller tegenwoordige Saksische Vorsten-familiën geworden is, werd de naam "Saksen" op dit Duitsche kolonie-land, ten Noorden van het Ertz-gebergte, overgedragen, ofschoon, zooals boven reeds aangemerkt is, de kolonisten dezer streek, de Duitsche edellieden, stad- en landbewoners, voor het meerendeel niet van de Noord-Duitsche Neder-Saksers maar veeleer van de Midden-Duitschers en Thüringers afkomstig waren; hiervan was het gevolg, dat ten laatste de naam "Saksers," die in het eigenlijke vaderland der Saksers uitstierf, ten laatste aan een Midden-Duitsch volk verbleef, dat van de Saksers in hoofdzaak niets dan de eerste Vorsten ontvangen had.

Ook in het Slawenland Oostwaarts van de Midden-Elbe, drongen de Saksers reeds vroeg binnen onder Karel den Groote en Koning Hendrik I. Eerst omstreeks het midden der 12de eeuw grepen zij hier ver en belangrijk om zich heen, onder hunnen Hertog Albrecht den Beer, die van de Altmark uit, de oude Slawische Vorsten-residentie "Brennabor" (Brandenburg) veroverde, of voor altijd heroverde en haar tot het middelpunt van een Markgraafschap maakte, dat in vervolg van tijd de voornaamste provincie en de grondslag van een machtig Koningrijk geworden is, en wier bewoners, als nakomelingen van koene, door zucht tot het verrichten van groote daden en door strijdlust gelokte immigranten, ten allen tijd een krijgshaftigen geest bewaard hebben.

In het midden van het zandige land der oude Slawische Havellers, Wilzen en Ukriers, groeide de hedendaagsche Koninklijke en kerkelijke residentie op, waarin zich het verstandige maar ietwat harde, meer kritische dan poëtische, het heldere, intelligente, bedrijvige, werkzame en scheppende karakter en geest van het "moderne Markerdom," dat zich op het met groote moeite tot groote beschaving gebrachte Brandenburgsche zand, om Berlijn heen ontwikkelde en concentreerde.

Minder oorlogzuchtig en gewelddadig, dan de verduitsching der Brandenburgsche Marken, schijnt die van het land der Obotriten aan de Oostzee, geweest te zijn. De inheemsche Slawische Vorsten hebben zich daar, kort na de bloedige oorlogen van Hendrik den Leeuw, die hunne macht braken, tamelijk goedschiks naar het Duitschdom gevoegd, hebben het Christendom aangenomen, Duitsche geestelijken, burgers en kolonisten tot zich geroepen, en de Duitsche taal bevorderd. Ook zijn zij zelfs reeds vroegtijdig, als Duitsche rijks-vorsten in het rijksverband opgenomen en hebben ook aan het land zijnen tegenwoordigen naam Mecklenburg gegeven, die afkomstig zijn zou van een oud Slawisch Vorsten-slot "Mikilin-burgt."

Hieruit laat het zich verklaren, dat Mecklenburg, ofschoon in den loop der tijden met betrekking tot de taal, geheel verduitscht, nu nog ongeveer denzelfden omvang heeft, als de oude Obotriden-Vorsten het gegeven hebben, zooals ook zijn adel voor een groot deel van Slawischen oorsprong is, alsmede dat de boeren daar nu nog in eene groote afhankelijkheid smachten, en over het algemeen de geheele wetgeving en ook de sociale toestanden van het land, nog zooveel ouderwets bewaard hebben.

Aan de "breitspurigen Mecklenburger" [72] en aan de stramme, hoekige, oorlogzuchtige Markers, sluiten zich in het Noorden en Oosten, de ruwe bewoners van Pommeren aan, wier geschiedenis en verduitsching zeer veel overeenkomst heeft met die hunner Westelijke naburen.

De Pommeranen, een Slawische stam, wiens naam zooveel beteekent als "bewoners van de oevers der zee," leefden aan weerszijden van den Beneden-Oder aan de Oostzee, onder hunne inheemsche Hertogen, die echter reeds omstreeks het einde der 12de eeuw Duitsche rijks-Vorsten werden, tot aan de 17de eeuw toe, toen deze oude Slawische Vorstenstam in Pommeren uitstierf, en zijne rechten en landen door erfenis op de Vorsten van Brandenburg overgingen.

Slawische taal en zeden zijn daar langzamerhand in het Duitsch opgegaan. Reeds in de 14de eeuw, was het, door de het land binnengetrokkene West- en Oostfalen, ingevoerde Neder-Saksisch (plat-Duitsch), de volks- en rijkstaal in Pommeren geworden, en de oude Wendische adel, met de daarheen verplante Duitsche adellijke geslachten, versmolten.

Vele Pommersche steden, Stettin, Colberg enz. schoeiden hun bestuur en hunne wetgeving op denzelfden voet als de Neder-Saksische stad Lubeck, wier wetten langs de zeekusten over eene even groote uitgestrektheid werden nagevolgd, als die van het eveneens Saksische Maagdenburg in het binnenland.

De Duitsche Pommeranen worden door hun ouden kroniekschrijver Kantzow, reeds voor drie honderd jaren met de volgende woorden geschilderd: "zij zijn een oprecht, trouw, stilzwijgend volk, dat alle vleitaal haat; zij zijn meer goedhartig dan vriendelijk, meer eenvoudig dan verstandig, niet lichtzinnig, ook niet vroolijk, maar eenigzins grof en zwaarmoedig. Zij plegen altijd met hunne naburen overhoop te liggen. Zoodra echter de eerste toorn voorbij is, schijnt die zich spoedig weer te stillen. Zij verzoeken gaarne gasten bij zich en komen op hunne beurt ook gaarne weder bij anderen te gast." Hunne "grofheid" heeft zich, in vele veldslagen die zij tegen de Franschen en anderen vochten, goed bewaard, en zij hebben den roem behaald, de kern van het Pruissische leger uit te maken.

Met Pommeren in het Oosten van den Oder, werd de samenhangende uitbreiding van den Neder-Saksischen stam afgebroken; want hier bij de monding van den Weichsel, heeft het langen tijd machtige Polen een dwarsstreep gemaakt. Door het Oostelijke Pommeren of het zoogenaamde "Pomerellen", gaat eene breede strook, nog heden ten dage niet-Duitsch, Slawisch gebied, het land der zoogenaamde Kassuben, dat de Poolsche Koningen, met de geheele Weichselmonding en de stad Dantzig, langen tijd onder hunne macht gehad hebben.

Die Duitsche kolonie, die tamelijk geïsoleerd van het lichaam van het overige Duitschland, aan het Frische en het Kurische Haf in het land der Lithauers gesticht werd, had bij haar eerste ontstaan weinig met het oude land en volk der Neder-Saksers te maken. Zij werd op verzoek van in het nauw gebrachte Poolsche Vorsten, en op aansporing van den Paus, door de orde der Duitsche ridders, die hare bezittingen in geheel Duitschland had, en hare leden zoowel uit Noord-, als uit Midden- en Zuid-Duitschland trok, gesticht.

De edellieden, die deze orde aan de monding van den Memel en het Kurische Haf overbrachten, hadden hunne voorvaderen bij alle Duitsche stammen.--De officieele taal dezer kolonie, werd dus ook niet de Neder-Duitsche, maar de Hoog-Duitsche. Ook altijd zijn daarheen kolonisten en immigranten uit alle deelen van Duitschland, soms uit Thüringen, van het Ertz-gebergte, uit Boheme en later zelfs uit Salzburg, in dit land der ridders van de Duitsche orde gekomen. Wel trok de orde de nieuwe kolonisten, tot wederbevolking van het door haar veroverde land, waarin zij de oude Lithauïsche oorspronkelijke bevolking uitroeide, uit alle landstreken, maar bij voorkeur bezigde zij daartoe de bevolking der dichtbij gelegene Saksische provinciën. Ook kwamen de burgers en kooplieden der Neder-Saksische Hanze-steden langs de zeekusten, en bevolkten de handelsteden der orde, Elbing, Dantzig en andere. En zoo kreeg dan ten slotte ook deze Oost-Duitsche kolonie, langzamerhand eene hoofdzakelijk Neder-Saksische tint en eene plat-Duitsche taal tot heerschend dialect.

Door dezelfde Hanzeatische schippers en kooplieden was het Neder-Saksische kolonie-gebied, reeds sedert het midden der 12de eeuw, nog verder Oostwaarts tot aan de rivier de Duna in het land der Liven vooruitgeschoven. Zij en de aartsbisschoppen van Bremen stichtten hier de Hanzeatische dochterstad Riga, als ook de "Zwaardbroederen-orde" [73] die zijne leden voornamelijk uit Saksen en Westfalen trok, en langzamerhand Lijf-, Esth- en Koerland veroverde en bezette.

Daar deze kleine orde, zich intusschen in het groote land te zwak gevoelde, zoo sloot zij zich bij de orde der Duitsche ridders in Pruissen aan, en erkende het opper-bestuur van deze. In de 14de eeuw was deze Duitsche orde op het toppunt harer macht. Zij beheerschte toen een groot land, dat met Duitsche steden versierd en in het bezit van Duitsche grondeigenaars was; welk land van de Weichsel tot in de nabijheid der Newa reikte, "en een tijdlang een der bloeiendste en best bestuurde rijken van Europa was."

De opperhoofden van dit rijk, de grootmeesters, hadden zitting en stem, in den Duitschen rijksraad, en de politieke invloed van den Duitschen naam strekte zich toen hooger noordwaarts uit, dan ooit vroeger of later. Sedert het midden der 14de eeuw zonk de zedelijke tucht, en daarmede ook de macht der edele orde-ridders. Hun Duitsche kolonie-staat werd verbrokkeld en kwam onder vreemde opperheerschappij.

De Polen, die reeds vroeger met de Duitschers om het bezit dier streken gestreden hadden, veroverden bijna alle aan de orde behoorende landen, eerst West-Pruissen als eigen land en Oost-Pruissen als leen, daarop in de 16de eeuw Lijfland als eigen land en Koerland als leen.

In die provinciën had echter het Duitsche wezen zoo diepe wortelen geschoten, dat bij alle wisselingen van bestuur en bij alle verbrokkelingen, overal, zelfs in Lijfland, waar in de laatste 200 jaren, Poolsche, Zweedsche en Russische opperheerschappen elkander afgelost hebben, het is blijven bestaan.

In Oost-Pruissen, dat in de 16de eeuw, door de keuze van Albrecht van Brandenburg tot grootmeester der Duitsche orde, en daarna door de erfelijk-verklaring van dit Hertogdom, in het Hohenzollernsche huis met Brandenburg verbonden werd, heeft zich eene samenhangende Duitsche grondbevolking over de helft van het land uitgebreid. Niet te min werd of bleef de naam van dit Hertogdom, en van den grooten met hem ten slotte verbonden Duitschen staat "Pruissen", helaas! niet Duitsch; veeleer ontleende men dien aan de oude Lithauïsche bewoners van die streek.

In Oost-Pruissen ("Pomerellen"), dat nog lang Poolsch bleef, en eerst in het jaar 1772 (zijne hoofdstad Dantzig eerst in 1793) met Pruissen verbonden werd, is de Duitsche grondbevolking minder talrijk. In de afgelegene provinciën Lijf-, Koer- en Esthland, waarheen de Duitschers nooit in groote menigte kwamen, heeft zich de vreemdsoortige grondbevolking op het land staande gehouden, terwijl in de talrijke sloten en steden, nog heden Duitsche burgerlijke en adellijke geslachten bloeien.

Daar bij de verovering door de Duitsche ridders, de ingeborene Slawen, Polen, Lithauers, Lyven en Esthen, hunnen oorspronkelijken adel geheel verloren, en Duitsche geslachten het land onder elkander verdeelden, zoo is dien ten gevolge de oorsprong van den adel dezer landen zuiverder Duitsch, dan b.v. die in Pommeren en Mecklenburg, waar zooals reeds aangemerkt is, de Wendische adel door zijne Vorsten in massa, en slechts langzamerhand verduitscht werd. Men vindt daarom noch in de rollen van den adel in Oost-Pruissen, noch in die van Koer- en Lijfland zooveel Slawische "ows", "tzows", "itz" en "plitz", als in de landen, nader bij Duitschland gelegen.

Ook onder de burgers der steden bleef de aangeborene Duitsche nationale geest in hoogen graad bestaan. De Duitsche geest heeft daarom ook daar vele krachten opgewekt, en Duitsche ontwikkeling heeft ook, van die Noord-Oostelijke koloniën, geene geringe opwekking en steun ontvangen.

Wij behoeven ons slechts de philosophische zadelmakers-zoon uit Koningsbergen, den grooten Kant, te herinneren. Ook de groote Herder en later de scherpe denker Arthur Schopenhauer, zijn den Duitschers uit die Noord-Oostelijke provinciën geworden, even als zij reeds vroeger den grooten Copernicus, uit een Westfaalsch geslacht, hebben voortgebracht.

Zelfs Koer-, Lijf- en Esthland hebben aan de Duitsche literatuur en wetenschap, menigen geleerden onderzoeker en dichter geschonken. Ik moet hier ook opmerken, dat de hoogere standen uit die streken, een bijzonder welluidend en aangenaam klinkend Duitsch dialect spreken, daar zij geene onontwikkelde Duitsch-sprekende klassen onder zich hebben, door wier dialect zij hunnen tongval bederven kunnen.

In de steden Riga, Libau, Reval is bij de geringere volksklasse, nog tot op onze tijden toe, een eigendommelijk plat-Duitsch in gebruik geweest.

Ook de meer dan 60.000 zielen tellende Duitsche bevolking der Russische Keizerstad Petersburg, welke stad een Duitschen naam draagt, is vooral uit den schoot van Noord-Duitschland voortgekomen, de kooplieden en burgers uit de Hanze-steden en uit de Pruissische zeeplaatsen, de adel uit de kreitsen der Oostzee-provinciën. Men kan haar eenigermate als de alleruiterste Noord-Duitsche of Neder-Saksische kolonie in het verre Noord-Oosten beschouwen.

Hoe talrijk en menigvuldig naar het boven gezegde, de stammen en stammetjes verschijnen, waarin ten allen tijde de Duitschers verdeeld waren; hoe ver zich de natie ook verbreid en verstrooid heeft, zoo hebben zich toch ten allen tijde zekere karakter- en gemoedseigenschappen geopenbaard, die hun allen van den beginne af eigen waren en gebleven zijn. Reeds de Romeinsche schrijvers hebben veel gemeenschappelijks bij de Duitschers ontdekt, en hebben gezegd dat men daaruit wel de gevolgtrekking kon maken, dat zij allen van denzelfden stam en hetzelfde bloed, dat zij broeders waren.

De Duitsche natie heeft het zeldzame voorrecht gehad, reeds toen zij nog in de wieg lag, door een Tacitus in haren natuurlijken aanleg bestudeerd, met meesterhand geportretteerd te worden. De Duitschers zijn daardoor, wat niet bij alle volken het geval is, in staat, het bestaan en de geschiedenis van dien, al de Duitschers in hooge mate eigen zijnden aanleg, eigenaardigheden in geest en in zeden, tot zeer hoog op na te gaan.

Het beeld, dat Tacitus van die voorvaderen der Duitschers ontwerpt, is nog heden in hoofdtrekken waar. Weinige eigenschappen, die hij hun toekent, zijn bij de Duitschers verloren gegaan. In vele aanduidingen, die in zijn kleinen ethnographischen katechismus voorkomen, erkent men de kiemen en zaden der later daaruit voortgekomene, en ten deele eerst in onze dagen gerijpte vruchten. En ofschoon deze katechismus reeds zoo oud is, kan men den inhoud er van nog steeds zeer goed bezigen, als grondslag eener algemeene karakterschildering der Duitschers.

In de eerste plaats en boven alles, prijst Tacitus de huiselijke gewoonten en het familie-leven der oude Duitschers. "Heilig," zegt hij, "is bij hen de band des huwelijks; hunne vrouwen, afstand doende van alle verdere verwachtingen en hoop, bezitten even als een lichaam en leven, ook slechts één echtgenoot, die het laatste doel harer gevoelens en gedachten is.--Zij zijn de eenige onder de barbaren die slechts ééne vrouw nemen."

Is men niet bijna geneigd te gelooven, dat de oude heiden Tacitus, de grondregels en geloften, waarmede onze jonge christelijke paren zich aan elkander verbinden, in deze woorden geformuleerd heeft. Die opmerking van den Romein alleen, is reeds voldoende om te bewijzen, hoe ontvankelijk deze barbaren van den beginne af aan, voor het christendom en zijne zuiverder zedeleer geweest zijn.

"De vrouw," zegt Tacitus verder, "staat bij de Duitschers in hooge achting. Zij verachten hare raadgevingen niet, en gelooven zelfs, dat er iets heiligs, iets profetisch in de vrouwen woont. Men heeft voorbeelden gehad, dat eenige onder haar, onder anderen de Duitsche Vorstin Veleda, als heiligen vereerd zijn geworden."

Eene dergelijke meening omtrent het schoone of zwakkere geslacht bij barbaren, is eveneens iets zeer ongewoons; het was iets, dat de Duitschers bijzonder kenmerkte. Zelfs te midden der hitte van twisten en oorlogen, luisterden zij naar hunne vrouwen. "Het is wel bij de Duitschers voorgekomen," zegt Tacitus, "dat hunne vrouwen door beden en vermaningen de reeds geslagene mannen naar het tooneel van den strijd terugvoerden, en dat deze, in de vrees dat hunne vrouwen den vijand in handen mochten vallen, de overwinning bevochten."

Deze vereering der vrouwen, is door alle tijden heen, den Germaanschen volken eigen gebleven. Niet zeer lang, nadat zij van het Romeinsche rijk bezit genomen hadden, en tot het christendom toegetreden waren, geraakte in het geheele, in meerdere of mindere mate gegermaniseerde, Europa, de vereering "onzer lieve vrouw", van moeder Maria, tot eene te voren nooit gekende hoogte. Ook ontwikkelde zich bij alle volken, bij welke een oorspronkelijk Germaansche adel de kern uitmaakte, de romantische en ridderlijke vrouwen-dienst, die zich gedeeltelijk met de aanbidding der maagd Maria vermengde. De diep zedelijke hoogachting, die de Engelschen voor de vrouwen hebben, en die ook den Noord-Amerikanen eigen geworden is, hebben zij aan het vaderland van Veleda te danken.

Vooral stonden bij de Duitschers de vrouwen in hoog aanzien, ter wille harer kinderen. Hare zuigelingen brachten zij aan eigen boezem groot, en lieten zij niet, zooals in de Romaansche landen nog heden even als ook reeds ten tijde van Tacitus, dikwijls het gebruik is, aan minnen en bedienden over. "Hare knapen," zoo meldt Tacitus verder, "spelen onder het opzicht der moeders tusschen de huisdieren op de deel en het erve rond, en groeien tot stevige knapen op."

Het huiselijk geluk, de liberale inrichting der huishouding, het daarin ingevoerde stille medebestuur der vrouwen, de vrijere beweging en opvoeding der kinderen, zijn zoovele heerlijke gaven, die de donkere wouden van Germanië aan het nieuwe Europa geschonken hebben, en die ook nog heden ten dage, vooral in de Germaansche landen op hoogen prijs gesteld worden: in Duitschland, waar zooveel over huis, huiselijkheid, familie en opvoeding gephilosopheerd, gedacht en geschreven is, en in Skandinavië en in Engeland, waar de woorden "home", "hjem", even hoog staan als in Duitschland het zooveel zeggende "daheim".

Een der schoonste getuigenissen, die Tacitus van de Duitschers geeft, is vervat in deze weinige woorden: "niemand lacht bij hen om de ondeugd." Dit woord van Tacitus zou men tot tekst kunnen nemen voor eene lange lofrede op het Duitsche wezen, dat zich in den regel afkeerig betoonde van het lichtzinnige, en daarentegen het ernstige gaarne ernstig opvatte; dat een vijand was van vergoelijking, en het woord "frivolité" niet eens in zijne taal teruggeven kon. Den spot te drijven met heilige zaken, is den Duitschers van oudsher eene afkeurenswaardige handeling geweest, en zij verschillen in dezen karaktertrek niet weinig van het spotachtiger en lichtzinniger karakter hunner naburen, de Franschen.

Ook wat Tacitus zegt over de wijze, waarop de Germanen hunne dooden beklagen, schijnt een Duitscher recht uit het hart gesproken te zijn. "Klagen en weenen," zegt hij, "geven zij spoedig op, smart en treurigheid zeer laat,--zij gedenken."--Moet men niet gelooven, dat Tacitus een diepen blik geslagen heeft in het wezen der Germaansche psyche, die niet van hartstochtelijken aard is, die niet verlangt zich naar buiten te openbaren en de gevoelens van het hart openbaar te maken; die haar leed in zich zelve verbergt; die geen "smartkreet" kent, en geene Grieksche of Iersche zich zelve pijnigende klaagvrouwen, maar alleen slechts "leeddragers." "Zij gedenken," zegt Tacitus. Wie eens gelegenheid gehad heeft, de wijze, waarop onze Germaansche broeders, de Engelschen en Nederlanders, treuren--om van ons zelven te zwijgen--gade te slaan, dien zal de waarheid dezer opmerking van den Romein, over het karakter der Germanen niet weinig opgevallen zijn. Reeds alleen de woorden "Eingedenk", "Erinnerung," waaraan de Duitsche dichters zooveel strophen wijdden, doen eene snaar in ons binnenste trillen.

Ook op eenige andere eigenaardigheden der Duitschers, waarvan twijfelachtig zou kunnen zijn, of men ze deugden moet noemen, wijst Tacitus ons. Zoo, bij voorbeeld, is het zeer merkwaardig, dat hij bij zijne ruwe Germanen ook reeds eene hun aangeborene gehechtheid aan hunne Vorsten ontdekt heeft. "Bij hunne Vorsten de eerste plaats in te nemen," zegt hij, "is bij alle Duitschers eene zeer begeerige zaak, waarop zij allen ijverzuchtig zijn. Zij rekenen zich vooral verplicht, hunne Vorsten te verdedigen en te beschermen, ja zelfs hunne eigene daden tot den roem van dezen te rekenen, en het schijnt hun zeer vernederend en voor het geheele leven onteerend toe, na den val van hunnen Vorst levend uit den slag teruggekeerd te zijn."

Als Tacitus gezien had, wat de Duitschers al niet voor hunne Vorsten gedaan en geduld hebben, en welk een machtige spoorslag, zelfs nog bij hunne jongste heldendaden, hunne liefde en toewijding aan hunne Vorsten geweest is, dan zou hij geene redenen gevonden hebben iets van die uitspraak terug te nemen.

Ook op menige der nationale ondeugden en gebreken der Duitschers, die nog heden bij hen opgemerkt worden, op hunne overmaat in het drinken en eten, op hunne speelzucht, op hunne neiging tot bijgeloof, heeft Tacitus reeds gezinspeeld. Van den lust tot drinken der Duitschers spreekt hij bijna op dezelfde wijze, als wij over die der Indianen in Amerika. "Zij zijn daarin," zegt hij, "zoo onmatig, dat, wilden wij deze neiging ondersteunen, en hun zooveel geven als zij begeeren, zij gemakkelijk het onderspit voor ons zouden moeten delven. Geen volk geeft zich hartstochtelijker over aan feestmalen en aan de genoegens van drinkgelagen, dan zij."

Dit gebrek heeft zich bij eene vroegere gelegenheid, reeds vóór Tacitus, bij de Duitschers geopenbaard. Reeds Cesar klaagde er over, dat zijne Duitsche ruiters, die hij mede nam naar den slag van Pharsalus, op den dag van den strijd niet strijdvaardig waren, omdat zij niet nuchter waren. En van af dezen slag bij Pharsalus, hebben de Zuidelijke volken bij al hunne ontmoetingen met de Duitschers, geklaagd over dit gebrek, dat ook Luther veroordeelde, toen hij in zijne aanmerking op den 10den psalm schreef: "daar nu eenmaal ieder land zijn eigen duivel hebben moet, zoo heeft Duitschland als zoodanig een wijnzak gekregen."

Volgens Lichtenberg heeft de Duitsche taal meer dan 50 uitdrukkingen voor de verscheidenheden en graden, van den met behulp van Bacchus verhoogden geestes-toestand, waarvoor de andere talen betrekkelijk arm zijn. De Duitsche taal duidt met die uitdrukkingen zelfs gevoelens en sensaties aan van geheel verschillenden aard, en spreekt b.v. van "een roes van genot", van "dronken van wellust", van "dorst naar daden"; schenkt in stede van waarheid zuiveren wijn in, en verklaart van een mensch met wien niets aan te vangen is, dat "Hopfen und Malz an ihm verloren sei" (dat het met hem den moriaan geschuurd is), in het oorspronkelijke Duitsche spreekwoord heeft men zich de ziel van den onverbeterlijken mensch, als bierstof gedacht. De Duitsche dichters zingen zelfs: "wer niemals einen Rausch gehabt, der ist kein braver Mann" (die nimmer een roes aan gehad heeft, die is geen braaf man), en verklaart hem "für einen Narren, der nicht liebt Wein und Gesang" (voor een gek, die niet bemint wijn en gezang). Inderdaad, geloof ik: het zou te wenschen zijn, dat de helft van alle wijn- drink- en punschliederen uit de literatuur der Duitschers, en de voorliefde tot het daarmede verwante, uit hun wezen kon weggewischt worden.

Eenige andere eigenaardigheden, die Tacitus aan de voorvaderen der Duitschers berispt, schijnen echter eene eigenaardige wending genomen te hebben. Hij schildert hen als ware dagdieven. "In het zweet huns aanschijns iets te verdienen, wat zij door geweld verkrijgen kunnen," zegt hij, "houden zij voor zwakheid. Zij waren bezwaarlijk zoo gemakkelijk te overreden het land te bebouwen als wonden te verdienen. Als zij niet ten oorlog of op de jacht gaan, is bij hen zelfs de dapperste werkeloos. Dan leven zij, geheel overgegeven aan ledigheid en slaap, in trage rust."

Zou men het kunnen gelooven, dat uit die luie beerenhuid-hoeders van Tacitus, met den tijd het werkzaamste volk der wereld geworden is; menschen, die zich door hunne spreekwoordelijk gewordene vlijt in alle landen welkom maken, die meer in de ware beteekenis van het woord dan eenig ander volk, het gebod vervullen: in het zweet uws aanschijns zult gij uw brood verdienen;--bij wie de lust tot den arbeid zelfs tot geluk in arbeid geworden is.

De Duitschers hebben zich, niet moeielijk, zooals Tacitus vreesde, maar veeleer bijzonder gemakkelijk laten overhalen, de ijverigste landbouwers der wereld te worden. Niet alleen hunne eigene Hercynische [74] wouden en vuile moerassen hebben zij in bouwgrond en tuinen veranderd, maar ook overal, waarheen in het buitenland hunne landlieden geroepen werden, in Skythië (Rusland), in Dacië en Pannonië (Hongarije), in Amerika, daar is de woeste natuur vriendelijk en productief geworden.

Niet tevreden met de bebouwing van de oppervlakte der Aarde, hebben de Duitschers ook vlijtig den bodem doorgewroet, en het moeielijkste aller werkzaamheden, de bergbouw, is een echt Duitsch nationaal-handwerk geworden. In alle bergwerken der wereld bedient men zich het liefst van de ijverige, onvermoeide steenbrekers en ertsklovers, en zij zijn in dezen kunsttak overal onontbeerlijk en toonaangevend.

Het bebouwen van het land, het woelen, het kloven, het graven naar schatten voor een karig loon, is zoozeer eene eigenschap der Duitschers geworden, ook bij hunne letterkundigen en geleerden, die overal in verborgen schuilhoeken zoeken, ziften, verzamelen, schrapen, als in bergwerken arbeiden en goudkorrels aan het licht brengen.

Wanneer Tacitus, met betrekking hierop, ook al geen profeet was, zoo merkte hij daarentegen, van de godsdienstige beschouwing zijner Germanen, weder iets op, wat als echt Duitsch bewaard is gebleven. "De Germanen houden het," zegt hij, "de grootheid der Godheid onwaardig, dat men haar binnen muren insluit of haar eene menschelijke gedaante verleent. Zij aanbidden hunne Godheden in bosschen en wouden, die bij hen geheiligd zijn en waarin zij iets geheimzinnigs met eerbied aanschouwen.

Van dezen, door Tacitus met zulke opmerkelijke bewoordingen geschilderden natuur-godsdienst, is den Duitschers, zelfs nadat zij Christenen geworden waren, altijd nog veel eigen gebleven; eene groote liefde voor Gods heerlijke schepping, die ook zeer goed overeenstemt met de godsdienstleer van hem, die sprak: "ziet de leliën op het veld, hoe zij groeien."--Op alle wegen der natuur ziet hij (de Duitscher) het spoor eener Godheid. Meer dan de helft van alle door Duitschers gedichte liederen, bevatten eene verheerlijking der natuur, zijn lente- herfst- of winterliederen, nacht-, morgen- of avondliederen, en bezingen op honderdvoudige wijze den wind, de zee, de rozen, de viooltjes, de vogelen en alles, waarin slechts de wereldziel ademt, geurt, suist of ruischt.--En wat meer in het bijzonder de door Tacitus vermelde geheimzinnige bosschen en wouden aanbelangt, zoo heeft geen volk eene zoo innige vereering en heilighouding voor hen bewaard, dan de Duitschers. Voor "dat, wat het woud vertelt," voor de "eenzaamheid des wouds," voor "droomen des wouds" enz. hebben hunne dichters steeds het meest opene oog en oor gehad. Duizende uitdrukkingen in de Duitsche taal, en tallooze thema's van Duitsche gedichten zijn aan het woud ontleend, en de bosch-cultuur is eene lievelings-wetenschap en kunst der Duitschers.

"De tempeldienst en de vorm der kerken is den Duitschers nooit zoo diep in het vleesch gedrongen, als den Romaanschen volken." Hunne philosofen zijn de universeelste en meest omvattende der wereld geweest. Hunne Keizers hebben altijd tegen de priesters en Pausen gestreden, die daarentegen in Frankrijk verdedigers vonden. De, den Duitschers door Rome opgedrongen, beeldendienst hebben zij laten varen, toen, ten tijde van Luther, hun oude, vrije, godsdienstige geest, "die geene muren en beelden voor de Godheid wilde," die reeds in den heidenschen tijd geene Druïden-kasten, zooals die bij de Galliërs bestonden, duldde, zich weder verhief. Dat deze godsdienstige vrijheid den Duitschers een diepe, nationale ernst was, is wel ten duidelijkste daardoor gebleken, dat hunne kerkhervorming de echte, en voor langen tijd de eenige omwenteling geweest is, die zij vast en duidelijk, zelfstandig en alleen voor zich, en ten bate ook van andere Germaansche stammen, doorgezet hebben, terwijl zij in hunne staatkundige omwentelingen bijna altijd--tot op onze dagen--den spoorslag van buiten ontvangen hebben en bijna niet dan navolgers geweest zijn.

Maar in de menschelijke borst ligt naast ieder goeds, iets kwaads. "Dezelfde ruimhartige, de wereldziel in al hare openbaringen bespiedende Duitscher, neemt niet zelden eene geheele tegenovergestelde richting aan,--wordt erge, ongeneeslijke twijfelaar, die tusschen geloof en ongeloof heen en weer geslingerd wordt, die nu eens met het hart zijne overtuigingen opbouwt, dan weder met het verstand zijn eigen werk verwoest, en bij deze wankelmoedigheid niet tot stellige zekerheid en vastheid komt.--De schrik voor dezen, onder de Duitschers zoo veelvuldig voorkomenden ziels-toestand, is door eene geheele eigenaardige Duitsche sage, op afschuw-inboezemde wijze verzinnelijkt, en Goethe heeft deze stof gekozen tot het onderwerp van zijn meest afgewerkt en meest nationaal Duitsch kunstwerk, waarin het van een geretene van deze zijde van het Duitsche karakter, op klassieke wijze blootgelegd en vereeuwigd geworden is, en waarin duivelbezweringen en heksenkunsten, naast natuur-philosophie en het gevoelen van het bestaan van eenen wereldgeest, eene even groote rol spelen, als zij het in de geheele geschiedenis der ontwikkeling van het Duitsche volk doen.

Wanneer nu de Duitsche schrijvers melding maken van de contrasten, die tusschen hunne landslieden en andere Europeesche volken bestaan, dan hoort men hen meermalen spreken over hetgeen zij "romaansch formalisme" noemen. Zij willen daarmede wijzen op den bepaald aangewezen vorm van het wezen, de scherp afgeteekende nationaal-physionomie der geheele uiterlijke verschijning, der zeden en der denkwijze van de Franschen, Italianen, Spanjaarden enz., zoomede ook op de geneigdheid dezer volken, om den innerlijken inhoud, terwille van den uiterlijken vorm, over het hoofd te zien. In overeenstemming daarmede valt onzen Romaanschen naburen hunnerzijds bij ons Duitschers, in al onze uitingen en uiterlijkheden, eene groote mate van vormloosheid op. Zij vergelijken zich zelven somwijlen met slakken, die zich een hecht en lief huisje bouwden, en ons--ietwat dichterlijk--met weekdieren zonder huis, figuur of schaal.

Een zeer duidelijk bewijs er voor, dat "formalisme" den Duitscher niet in hart en nieren zit, ziet men daarin, dat zij allen zoo weinig overeenstemmen in hunne uiterlijke of lichamelijke gedaante. Het is bij de Duitschers moeielijker dan bij eenig ander volk, eene nationaal-physionomie en een familie-type duidelijk aan te geven. Er zijn volken, waarin ieder individu onmiskenbaar den stempel van den geheelen stam op het gezicht draagt. De Israëlieten zien er allen uit als broeders van een zelfden stam. De Armeniërs, als waren zij gezamenlijk in éénen vorm gegoten. Ook bij de Britten is het bijna onmogelijk zich te vergissen. De Italianen en Spanjaarden hebben zeer scherpe, duidelijk denzelfden stempel dragende, trekken. De uiterlijke nationaal-physionomie daarentegen, heeft even als de geographie van dat "indécise Allemagne", iets zeer onzeker en vaags. Van de Adriatische zee tot aan den Eider, vindt men de meest afwijkende wijzigingen in lichaams-grootte, tint, kleur van het haar, vorm van het gelaat, ja! in iedere Duitsche provincie, in iedere stad en in elk stadje stooten de waarnemers op de meest bonte variëteiten en schakeeringen. Het komt iemand meermalen voor, als had ieder Duitscher zijn eigen individueel uiterlijk voor zich.

Hoe onzeker en onvast de Duitsche vorm is, kan men onder anderen daaraan waarnemen, dat hij zich onder vreemden zoo gemakkelijk verandert. Duitschers, die lang buiten hun vaderland gewoond hebben, of hunne kinderen die in het buitenland geboren zijn, herkent men later dikwijls niet meer. Zij hebben zeer spoedig geheel en al de trekken van het vreemde volk aangenomen. Bij vele andere volken (moet ik weder de Israëlieten noemen--ik kan even goed van de Engelschen of de Franschen melding maken) valt het kenmerk van het ras nog bij de laatste kindskinderen duidelijk in het oog.

Evenals in het lichamelijk omhulsel, zijn de Duitschers ook in hunne zeden, in hunnen omgang, in het geheele gezellig verkeer, veel vormloozer, veel minder gebonden dan andere volken. "Elders, niet alleen in Frankrijk maar ook in Engeland, en zelfs bij de republikeinsche Noord-Amerikanen, treft men eene bepaalde regeling aan in den omgang, het gesprek, den briefstijl, in alle onderdeelen en uiterlijkheden; eene regeling, die den Duitschers dikwijls eene tyranieke keten toeschijnt, ofschoon zij, wanneer men er zich eens aan gewend heeft, veel gemak oplevert."

Ook in de hoogere sfeeren van het menschelijke kunnen en voortbrengen, ook in de voortbrengselen van den geest, der poëzie en literatuur, spreekt bij de andere volken duidelijk hun zoogenaamd "formalisme" evenals bij de Duitschers hun gebrek aan vaste en conventioneele vormen. In de dichtkunst hebben de Romanen zich gewoonlijk meer dan de Duitschers, gehouden aan de wetten der bekoorlijke en kunstrechterlijke vormen. Bijna alle in Europa van kracht zijnde metrische en prosodische soorten en regels, zijn afkomstig van de Grieken, Italianen, Spanjaarden en Franschen. De poëtische voortbrengselen der Duitschers hebben meer hunne zwakke zijde in gebrek aan bevallig uiterlijk, dan wel in het innerlijk gehalte. De treurspelen der Duitsche dichters bezitten zelden het rechte effect, den kunstigen vorm. Hunne verhalen, novellen en romans, ontbreekt het ook maar al te dikwijls aan den bondigen vorm en aan een goed slot. Ook die hebben iets van dat indécise Allemagne, iets breeds, vaags en vervloeiends. De Franschen en Engelschen hebben (echter meer vroeger dan tegenwoordig) aan de Duitsche geleerden verweten, dat zij geene boeken wisten te maken, dat zij hunne werken niet recht wisten te rangschikken en af te ronden. Al de voortbrengselen van hunnen geest, schenen hun toe in zekere eigenaardig nationale wolken te drijven. Ook ontbrak het hun, evenals het Duitsche familie-gelaat, aan duidelijke omtrekken en aan vorm.

Datzelfde gebrek aan figuur, vorm, slot, bondigheid en kenmerkenden stempel heeft zich niet slechts in zulke, diep uit den volks- en menschelijken geest te voorschijn tredende, openbaringen getoond, als gedichten en literarische producten zulks zijn, maar ook in oogenschijnlijk van geen wezenlijk belang zijnde kleinigheden, zooals b.v. in kleeding en nationaal kostuum.--Bij vele Europeesche volken heeft men in den loop der tijden, zoowel voor man als vrouw een, wat snit en maaksel betreft, zeer eigenaardig fatsoen van kleedingstukken gemaakt. De Hongaren, de Polen, de Russen, ja schier alle Slawische stammen, bezitten zeker, dikwijls zeer schilderachtig, nationaal-kostuum, waaraan zij met voorliefde vasthouden, en bij het gebruik waarvan zich hun vaderlandsch gevoel evenzeer opgewekt gevoelt, als het poëtische bij den toon-meester Arion, wanneer hij zegt: "alleen in tooi, verrukt Apollo mij." Verscheidene dezer volken, hebben zelfs aan hunne nationale kleedingen zoo vast gehouden, dat zij daar moeielijker afstand van deden, dan van hunnen godsdienst, hunne taal, zeden en al het overige hunner nationaliteit. Ik herinner, ten bewijze daarvan, slechts aan de Altenburgers in Thüringen, de nakomelingen der Serben, die zich nu nog op zijn Oud-Slawisch kleeden, ofschoon zij voor het overige geheel Duitsch geworden zijn.

Eenige volken hebben zelfs, als zij tot invloed kwamen, aan het geheele overige Europa, meer of minder hunne kleederdracht opgedrongen. Zoo b.v. eens de Spanjaarden, een ander maal de Zweden, het langst de Franschen, ten deele ook de Engelschen. De Duitschers hebben zoo iets nooit tot stand gebracht. Menig kostuum en kleedingsLuk van deze of gene natie, is geheel of gedeeltelijk in de geheele Europeesche wijze van zich te kleeden overgegaan. Wilde men de geheele kostumeering van alle klassen der Europeesche maatschappij analiseeren, zoo zou men vinden, dat bijna alle volken van ons werelddeel nu en dan daartoe een of ander stuk hebben bijgedragen. Op de rekening der van uiterlijkheden weinig werk makende Duitschers, zou daarbij wel het kleinste gedeelte komen.

"Als wij," zegt Falk, "de Duitsche kostumes, van de herders en herderinnen uit het Berner-Hoogland af, tot aan de Friezen en Hollanders toe, van den Rijn tot aan den Memel, onderzoeken, dan zullen wij bijna overal, in de vormen dezer zoogenaamde Duitsche volks- en landsdrachten, niets dan de verboerschte representanten van het kostuum-tijdperk van een Lodewijk XIV en XVI, of misschien ook nog een overblijfsel van den Slawischen volksdracht vinden.

Den Duitscher heeft dus op het veld der kostumeering, en over het geheel in alles, wat op het uiterlijke betrekking heeft, nooit iets recht goed willen gelukken. De kracht van het Duitsche genie was naar eene andere zijde gekeerd.

Een geestig schrijver vergelijkt, terwijl hij eene parallel maakt tusschen de constellatie onzer groote Europeesche volken-groepen en ons planetenstelsel, de Franschen en andere Romaansche volken met Mercurius en Mars, die zich dicht bij de zon bevinden, en langs bepaalde, sluitende, nauwe, duidelijke banen loopen; Engeland, dat zich vooral op het poëtische toelegt, geeft hij het teeken der Aarde. De Slawen vergelijkt hij met Uranus en Saturnus. Zij verspreiden evenals deze sterren een mat licht, zijn schemerdonker, ver verwijderd en bewegen zich slechts langzaam,

De Duitschers echter, deelt hij in bij de kometen, daar zij dikwijls even als deze, ver van de aardsche zon verwijderd, naar de onmetelijke ruimte henen zweven, en dan eens door verlangen gedreven weder naderen, terwijl zij zich krachtig en roerig in het licht dringen. Dit komeetachtige in den Duitschen aard, de in hun geheele wezen ingewevene lust tot reizen, hangt innig met hun geheelen verderen zin en karakter samen. Overal, in hunne geschiedenis zoowel als in hun dagelijksch leven, werken en denken, ontmoet men het.

Evenals dwaalsterren, spatten eens in de jeugd der natie hunne stammen uit elkander, en verspreidden zij zich naar alle uiteinden van ons werelddeel. Als kometen drongen eeuwenlang, hunne Keizers en rijkslegers zuidwaarts Italië binnen, versmolten en verdampten daar in het eene jaar, en zonden in het volgende nieuwe slachtoffers van dien lust naar buiten, waardoor onder anderen bewerkt werd, dat van oudsher in Duitschland eene talrijke menschenklasse, die der zoogenaamde ruiters en voetknechten, bestond, die bereidwillig iederen wenk in de verte gevolgd zijn.

Ook in nieuwere tijden is in geen land een vreemden legioen opgericht, dat men niet juister een Duitsch-legioen had kunnen noemen. Alle naburen hebben steeds bij Duitschland gerekruteerd, de Nederlanders en Engelschen voor hunne Oost-Indische bezittingen, de Franschen voor hunne Afrikaansche veroveringen.

Geen oorlogskreet is in eenig vreemd land geslaakt, waaraan niet de reislustige en avontuurlijke Duitschers deelgenomen hebben, en zelfs niet zelden bij beide tegenover elkander staande partijen.

Aan beweeglijke en op avonturen uitgaande figuren van anderen aard, aan reizende handwerkslieden, rondtrekkende scholieren of speellieden en reizigers van allerlei soort, hadden de Duitschers van oudsher grooten overvloed. Hunne schilders, kunstenaars en geleerden begeven zich allen op reis, niet alleen, zooals de Engelschen en Franschen, om een bepaald nationaal of op hunne zaken betrekking hebbend doel te bereiken, maar uit bloot poëtische lust tot reizen, evenals de trekvogels de onmetelijke ruimte ingedreven worden, alleen ter wille der schoonheid van de groote schepping en om algemeene aesthetische of wetenschappelijke doeleinden na te jagen.

En dergelijk zwerven en dweepen, van even als duiven uitvliegende toeristen, van afwisseling zoekende badgasten, van voetreizen makende jeugd, van over den Rijn en de Belt bedevaarten doende studenten-gezelschappen, zooals men iedere lente in Duitschland ziet ondernemen, kent men noch in Italië, noch in Frankrijk of Spanje.

Zooveel liederen die betrekking hebben op den reislust, zooveel "Oden" aan de wolken, de stuurlieden der lucht, aan de trekvogels, de kraanvogels van Ibicus,--"wandelaars nachtliederen",--lofzangen op eene wandeling, op eene herfstreis of een wintertocht--op herberg--verblijf of tehuiskomst, op scheiden en vertrekken,--zooveel poëtische vragen aan den bruisenden wind, vanwaar hij komt en waarheen hij gaat,--aan de eenig landschap doortrekkende bronnen en rivieren,--als in de Duitsche literatuur voorkomen, vindt men bij geen ander volk. De helderblauwe lucht, de zich bewegende zon, maan en sterren, de groote eindelooze horizon--de schemerende verte--zijn zaken die bij de Duitsche dichters eene niet minder opmerkelijk groote rol spelen.

De reis-novelle is eene nieuwere literatuur-soort, die door de Duitschers en hunne Engelsche broeders met voorliefde beoefend wordt, en bij de Franschen en Italianen nauwelijks bekend is. Reisverhalen hebben de Duitschers met de Engelschen, die als Germanen den lust tot reizen met dezen deelen, meer geproduceerd en gepubliceerd dan alle andere volken te samen. Verzamelingen van nieuwe en merkwaardige reizen te land en te water, heeft geen volk zoo veel en uit zoovele boekdeelen bestaande, als de Duitschers.

En toen de Engelschman Defoe, de lotgevallen van den eiland-bewoner Robinson Crusoë, in zulke aantrekkelijke vormen schilderde, toen werd dit boek in geen land zoo ijverig en zoo algemeen als in Duitschland, 150 jaren lang, bewonderd, in honderde uitgaven gelezen en nagevolgd. Zelfs in de laatste tien jaren, hielden eenige der beste Duitsche teekenaars zich onledig, het met nieuwe teekeningen te versieren. Naar het model van dien wilden Robinson van het eiland Juan Fernandez, ontstonden bij de Duitschers ook Silezische, Thüringsche, Schwartzwalder, Westfaalsche en Harts-Robinsons. De massa's navolgingen van dien roman, bij de Duitschers, wien een ver afgelegen woest eiland, een eenzaam leven in de vrije natuur en in het woud, zoo bijzonder aanlokkelijk toescheen, werd zoo groot, dat de Robinsonaden bij hen een afzonderlijke tak van literatuur uitmaakte.

Ook de pen der Duitsche geleerden toefde altijd gaarne, zoowel in het Oosten en in het Westen, als in het hooge Noorden en het heete Zuiden; zij haalden de stof voor hunne werken van verre af, om partij te trekken van alles wat vreemd was. Even als bijen zijn zij overal heengevlogen en hebben zij van alle kanten honig aangehaald. "De Duitschers doorzoeken de geheele wereld. Zoo ver de zonnestralen schieten en de winden waaien, willen zij naar buiten om alles te zien, te leeren, te begrijpen, en te erkennen; om de talen, gewoonten, eigenaardigheden, kunsten, te leeren en zich toe te eigenen."--Veel vond bij de Duitschers alleen daardoor ingang, dat het "uit de verte" kwam.

In het bijeenverzamelen en het overnemen van alles wat vreemd is, zijn de Duitschers onvermoeid geweest. Er is geene literatuur in Europa, die aan vertalingen uit alle oude en nieuwe talen zoo rijk is als de Duitsche. Geen volk kan zich beroemen, zich de voortbrengselen van den geest van alle landen en volken, zoo eigen gemaakt te hebben als de Duitschers. "Zij hebben zich door hunne literarische veroveringen, de geestelijke rijken der volken van den aardbol ontsloten, de bloesems der poëzie, alsmede de vruchten der wetenschappen van de meest verschillende luchtstreken en uit de meeste verschillende tijden, bij zich inheemsch gemaakt," Het Duitsch is daardoor de sleutel tot groote schatten geworden, en zeker schijnt het, dat als een vreemdeling zich een levend taaleigen zou willen eigen maken, waardoor hij zich in alle overige literaturen het gemakkelijkst te huis zou willen gevoelen, hij geen ander zou moeten kiezen, dan het Duitsche.

"Hierdoor is den Duitscher, bij al zijne uiterlijke stijfheid, eene innerlijke geestelijke vlugheid en buigzaamheid in hooge mate eigen geworden, waardoor hij het niet-Duitsch verstaan, het vreemdste in zich opnemen kan, waardoor hij zich zelven zoo gaarne uitdrukt, vermag te verplaatsen in het wezen van anderen, en het hem mogelijk is zich vreemde gedachten en zienswijzen eigen te maken." "En dit," zegt een Duitsche schrijver (Arndt), "is een onzer kostelijkste gaven."--Zeer waar. Maar merkwaardig is het toch, dat ook hier de uitersten elkander raken en contrasten vormen. "Bij alle ontvankelijkheid hunner borst voor groote gedachten uit het boek van het menschelijke natuurrecht, bij al hunne gemakkelijk op te wekken deelname in de smart en de vreugde dezer wereld, gaan zij toch ook van oudsher mank aan geheel tegenovergestelde kwalen, aan klein-steedschheid en burgerlijkheid.

Wie zou het gelooven "de meest kosmopolitische aller wereldburgers, zijn tegelijkertijd ook dikwijls genoeg de eenvoudigste kleinburgers geweest." De breedvoerigste, Duitsche wandelaars zijn ook de echtste huishennen geweest. Naast de waarachtig meest ruime zienswijzen en de groothartigste gevoelens, die hunnen grooten geesten eigen waren, en die een hunner dichters het vers ingaven: "Seid umschlungen Millionen!" vindt men niet zelden juist onder de Duitschers "de kleingeestigste beschouwingen, de kortzichtigste hoofden, de bekrompenste verstanden, menschen van het meest beperkte begrip."

Duitschland, het land der Leibnitzen en Kanten, is tegelijk het vaderland der echte Schöppenstädter en Schildaër. "Zulke kostelijke botterikken (Einfalts-pinsel)," zegt een geschiedschrijver der Duitsche nationaliteit (Prof. Wachsmuth), "als overal in Duitschland, vindt men nauwelijks bij eenig ander volk, noch bij de Engelschen die daartoe te weinig naïve kinderlijkheid hebben, noch bij de Franschen wien het daartoe aan humor ontbreekt, noch ook bij de Slawische rassen die daarvoor in den regel te veel sluwheid bezitten."

De vertelseltjes van Schwabische of Pommersche staaltjes van eenvoudigheid, zijn volstrekt niet bij de Duitschers afzonderlijk gebleven. Veeleer is het zaad daarvoor in alle Duitsche landen opgekomen. Iedere volkstam, iedere provincie heeft bij hen zijne plaats, die om hare onnoozelheid bekend is.

Ja! bij hen bestaan niet alleen de onbevooroordeeldste en vrijgevigste geesten, naast de meest beperkte verstanden; maar juist hunne burgerluitjes (Philister, Kannegiesser, Spiessburger), die, waar het praktische zaken geldt, op duizend hinderpalen stooten, zijn meestal juist dezelfde menschen, die met betrekking tot het ver van hen verwijderd liggende, een waar wereldburgerschap huldigen.

Men moet daarom gelooven, dat--ten minste gedeeltelijk--juist de Duitsche kleinsteedschheid en kleinstaatschheid de broeikas van het hun ingeplante kosmopolitisme geweest is. Juist omdat zij te veel in eene, tusschen muren eng ingeslotene Schwabische stad, aan een pijnlijk klein Thüringsch hof leven moesten, juist daarom gevoelde hun geest, nog meer dan hij het reeds van nature deed, zich tot eene grootere ideale wereld getrokken, en leed hij dan ook aan wereldsmart, aan Europa-moêheid en dergelijke kwalen. Zoo eenige natie, dan had de Duitsche, om haar van dergelijke kwalen te genezen, en om van hare "kostelijke gaven" gebruik te kunnen maken en ze voor ontaarding te bewaren, behoefte aan verzameling, concentreering en verharding.--Maar ook juist een volk van zoo groote universaliteit, van zoo groote kosmopolitische gezindheid als het Duitsche, dat veel meer humaniteit dan gevoel van eigenwaarde en egoïsme bezat, en dat in Europa een met bijna alle andere volken en machten saamgegroeid gebied bewoonde, moest zijne pogingen, om nationale en politieke eenheid bij zich in het leven te roepen, bijzonder moeielijk vallen.

Zij zijn later met elkander saamgesmolten en hebben later hunne uiterlijke vestiging tot stand gebracht, dan de meeste andere groote volken van Europa. "Het is een opstandings-proces geweest, dat eeuwen geduurd heeft, en met allerlei wisselingen en veranderingen te kampen had."

De gunstige uitslag en de zege, die de pogingen der Duitschers om tot eenheid te komen, eindelijk gehad hebben, werden aanhankelijk door Luther's kerkhervorming voorbereid. Deze groote beweging der geesten, waarbij vele andere Europeesche volken de Duitschers, die de vaan droegen, volgden, gaf hun vrijheid van denken en verschafte aan hunne philosophen een terrein, waarop zij zich vrij bewegen, waarop zij gedijen konden. Bijna alle groote nieuwere denkers en verlichte geesten van Duitschland, die aan het volk roem en kracht verschaften, ontstonden uit het protestantisme, dat, naar te hopen is, in zijne verdere ontwikkeling, in nog hoogere mate dan tot nu toe het geval geweest is, de zuurdeesem van de Duitsche eenheid worden zal.

Door zijne bijbelvertaling en wat haar volgde, gaf Luther aan de Duitschers tegelijk een begin tot eene algemeene schrijftaal, die langzamerhand ook als taal van het dagelijksch verkeer, in het gebied van alle Duitsche stammen binnendrong, en die nu allen als hunne moedertaal, als een dierbaar goed, beschouwen. Daar deze taal ook steeds meer en meer, ook in de laagste klassen van het volk, doordrong, werd zij een machtige hefboom ter versterking van het nationaal gevoel en ter vereeniging. In haar ontbloeide langzamerhand, vooral in de 18de eeuw, eene heerlijke literatuur. Groote dichters en schrijvers, die bij het volk algemeen bijval vonden, en in alle Duitsche landen met steeds toenemende geestdrift bemind werden, stonden op.

Even als in de poëzie en in de fraaie letteren, zoo stonden ook bijna gelijktijdig op het gebied van andere kunsten, vooral op dat van muziek, groote talenten en geesten onder de Duitschers op, die met hunne heerlijke composities het geheele volk aangrepen, en weldra, even als de dichters, als de geestelijke Koningen der Duitschers vereerd werden. Zij spanden en slingerden, even als de dichters, onzichtbare banden om alle stammen van het volk, die op deze wijze vele beroemde mannen verkregen, waarop zij trotsch konden zijn, en in wier bewondering zij allen eenstemmig waren.

Dezelfde beweging, die de algemeene Duitsche schrijf- en literatuur-taal en dichters en denkers in het leven riep, deed ook onder de Duitschers eene sterke staatsmacht, waarom zij zich scharen konden, ontstaan. Het protestantsche Pruissen greep, klein beginnende, steeds verder om zich heen. Reeds in de 17de en 18de eeuw verrichtte het, onder flinke Vorsten en veldheeren, groote daden, die aan de wapens der Duitschers algemeene achting verschaften, en in het begin der 19de eeuw redde het in roemrijke volkenslagen--wel niet zonder de hulp van vreemdelingen,--Duitschlands onafhankelijkheid uit de klauwen van zijn erfvijand aan gene zijde van den Rijn. Steeds toenemende in aanzien, getalsterkte en gebied, werd het van nu af aan, als Duitschlands zwaard gevierd. Daar echter in den, na den val van Napoleon opgerichten, Duitschen Bond, nevens Pruissen nog eene andere groote macht, het slechts half-Duitsche Oostenrijk opgetreden was, zoo ontstond nu tusschen beide machten een langdurig tijdperk, waarin steeds onbeslist, een politieken strijd om de opperheerschappij gestreden werd.

Hoe treurig het er ook, gedurende de geheele eerste helft der 19de eeuw, met die uitwendige of staatkundige eenheid der Duitschers dikwijls uitzag, zoo werkte het volk zelf toch, den eens ontvangen spoorslag volgende, in vele takken en gebieden des levens, aan zijne innerlijke samensmelting voort. Er ontstonden groote vereenigingen en vergaderingen der Duitsche natuur-onderzoekers, de Germanisten, Turners, zangers en later ook de algemeene Duitsche "Schützenbund", die patriotten uit alle klassen en uit alle streken des lands samenbrachten, en niet weinig bijdroegen tot eene inniger verbroedering van alle Duitsche stammen, landen en steden; ook begon de natie al ras, de herinnering aan hunne meest populaire "geestelijke Koningen," in de "Schiller-feesten" en dergelijke, met algemeene deelname te vieren.

Ook de vroeger zoo universeele geleerden en onderzoekers werden steeds patriotischer. Vooral begonnen zij hunne moedertaal, de bron van alle nationale gevoel, hare geschiedenis, hare vorming, hare verbreiding, grondiger dan te voren te bestudeeren. Zelfs de afzonderlijke dialecten der Duitsche taal werden ijverig bestudeerd. En dit geschiedde niet meer, zooals vroeger, met kleingeestige en partikularistische bedoelingen, maar met betrekking tot het geheel, zoodat dan ook schrijvers of dichters in een bijzonderen tongval optraden en veel voortreffelijks voortbrachten, zooals b.v. de Alleman Hebel, of later de Neder-Saksische Fritz Reuter, Klaus Groth enz. of de Beier Kobel en niet alleen in hunne provincie roem inoogstten, maar hunne werken door geheel Duitschland genoten en toegejuicht werden.

Niet minder ijverig legde men zich toe op de studie en de opheldering der geschiedenis van het eigen volk en van het vaderland. Zelfs de Duitsche Bond eischte dien arbeid, doordien hij het, reeds door den grooten Duitschen Stein opgevatte denkbeeld, ter daarstelling eener authentieke verzameling van alle bronnen der Duitsche geschiedenis, hielp verwezenlijken. Ook enkele Duitsche Vorsten, zooals b.v. de Beiersche, werden door dezen ijver bezield en riepen stichtingen in het leven, die datzelfde doel beoogden, het Germaansche museum in Neurenburg, de historische commissie in München enz. "Het veld der Duitsche geschiedenis werd ten slotte," zooals Giesebrecht zich uitdrukt, "mikroskopisch bearbeid." Iedere Duitsche historische vraag, ieder tijdperk der geschiedenis, iedere Duitsche provincie, iedere stad kreeg haren onderzoeker, hare "monumenta", hare beschrijvers. Dit alles was een gevolg van de algemeene patriotische vlucht in Duitschland, die het tegelijkertijd bevorderlijk was.

Evenveel als men deed voor de verduidelijking der politieke geschiedenis van het volk, deed men ook voor die zijner literatuur. Ook daaraan werd "met ijverige miskroskopie" gearbeid, zoodat bijna iederen Duitschen dichter, niet alleen een Lessing, Schiller en Goethe, waar ook bijna iederen ouden minnezanger, eene eigene, door eene menigte lichtjes geïllumineerde kapel gebouwd werd, en dat het geheele volk in de scholen en elders, alle bijzonderheden in het leven en werken hunner dichters en in de wijze waarop de werken van hunnen geest ontstonden, om zoo te zeggen van buiten leerde.

Een nog hechter en sterker band ter vereeniging, brachten echter de practische en handige Pruissen tot stand, namelijk het Duitsche "Zollverein", dat, verscheidene phasen doorloopende, langzamerhand schier alle Duitsche staten en stammen omslingerde, eene menigte oude scheidingsmuren tusschen de staten en stammen afbrak, en ten slotte eene bijna algemeene eenheid in Duitschen handel en verkeer in het leven riep. Het werd, door het zich langzamerhand over geheel Duitschland uitbreidend spoorwegnet, aanzienlijk in de hand gewerkt.

Op deze en andere wijze werden de wegen tot vereeniging, in vele richtingen gebaand. De geest der Duitschers, hun nationaal-gevoel, hunne gezindheid was reeds één geworden. Het kwam er nu nog alleen maar op aan, dien geest den uiterlijken vorm te geven, de staatkundige banden der eenheid te smeden. De gebeurtenissen, die dit bewerkten, volgden slag op slag, en de Pruissen stonden ook daarbij weder als vaandeldragers vooraan. Zij gaven zich eene vrijzinniger wetgeving. Zij schiepen een groot parlement, waarin zich vele politieke talenten ontwikkelden en vormden. Pruissen werd dien ten gevolge weldra zoozeer en algemeen aangezien als het hoofd van Duitschland, dat zijnen Koning reeds in het jaar 1848, door liberaal gezinde en vaderlandslievende mannen, die te Frankfort samenkwamen en poogden een algemeen, eenig Duitsch parlement tot stand te brengen, de Duitsche Keizerskroon aangeboden werd. Maar ter aanneming eener dergelijke opdracht waren de zaken toen nog niet rijp genoeg. Keizerskroonen zijn in de geschiedenis zelden door parlements-besluiten of besprekingen van geleerden en ontwikkelden, in het leven geroepen. Zij kunnen ook niet saamgeschreven of gezongen worden. Meestal worden zij op slagvelden geboren. Zeker was steeds de geboorte gemakkelijker, als zij door zangvereenigingen, dichters en allerlei andere gunstige uitwerking hebbende bemoeiingen, voorafgegaan werd, maar de meeste menschen zijn niet door zingen of door praten, maar door daden te overreden. "Alleen de veldslagen, die voor het bestaan van een volk geleverd worden, wekken de massa, ook de bloodsten, op, en brengen geestdrift en een waas van het hoogere, tot zelfs in de armste hut. Bloed en ijzer moesten Duitschland aaneensmelten.

Het eerst werd dat kleine, vijandige Noordsche volk, dat zoo dikwijls den toorn van Duitschland opgewekt had, met schitterend gevolg binnen zijne grenzen teruggeworpen. Vervolgens nam Pruissen den strijd met de half-Slawische Donau-macht op, voerde dien met gunstig gevolg en maakte een einde aan het, de eenheid meer dan iets anders hinderlijke, dualismus der opperheerschappij in het inwendige van Duitschland. Het met Slawen, Magyaren en Italianen saamgegroeide Oostenrijk, werd in weinige, krachtig gevoerde veldslagen uit Duitschland geschoven, en in dit land gebood nu slechts één wil, eene enkele politieke macht en wèl eene Duitsche. Zeer beslist trad deze echter in midden- en Noord-Duitschland op. De Zuidelijke Duitschers, de Allemannen, Schwaben en Beieren, aarzelden een weinig, en wisten nog niet goed wat zij doen zouden.

Maar tot geluk der Duitschers, maakten hunne oude tegenstanders aan gene zijde van den Rijn, de Franschen, die reeds lang het begin van het vereenigings-werk der Duitschers met bezorgdheid en jaloezie hadden gadeslagen, zich op en vermanden zij zich tot het doen eener poging, om den voortgang van het werk der Duitschers tegen te houden. Plotseling vielen zij Duitschland aan, in de hoop, even als vroeger meermalen, een gedeelte van het volk op hunne zijde te zullen vinden. Tot hun schrik en nadeel bemerkten zij, dat zij te laat gekomen waren, dat door al de boven aangegeven voorvallen en gebeurtenissen, eene niet geringe versmelting en vereeniging in gezindheid en nationaal-gevoel reeds tot stand gekomen was. De Duitsche stammen en Vorsten volgden allen hunnen vaandeldrager Pruissen en bevochten--ditmaal alleen en zonder de hulp van vreemde machten--eene reeks der roemrijkste overwinningen op hunnen Westelijken erfvijand. In een zeer korten, met bewonderingswaardig talent geleiden en door een ongehoord succès bekroonden veldtocht, wierpen zij Frankrijk ter neder en namen het de beide oude heerlijke Duitsche provinciën, die het eens aan het Duitsche rijk en volk ontroofd had, weder af. En nu, nu de oude rijks-grenzen weder hersteld waren en de geheele natie van de ergste der haar dreigende gevaren gered was, nu nam ook Pruissen, de hem door de dankbare Duitsche Vorsten en volken andermaal aangebodene Keizerskroon aan.

Op deze wijze is dus een rijk in het leven geroepen, dat ten minste de verreweg grootste massa der Duitschers, tot een machtig en een vereenigd lichaam samenvat. Wanneer ook al nog niet alles, wat men zou kunnen wenschen, bereikt is, en wanneer het ook al niet op die wijze bereikt is, als velen het verwacht hadden, zoo is ons (den Duitschers) toch meer ten deel geworden, dan de meesten der levenden durfden te droomen, of hoogstens als iets durfden te beschouwen, dat zij misschien in het verloop der tijden zouden kunnen verkrijgen.

De gevolgen en resultaten van den grooten oorlog van 1870 en 1871, zijn niet alleen voor de Duitschers, maar ook voor alle volken van Europa gelukkig. Het vasteland kon zich niet rustig en wel te moede gevoelen, zoo lang zijn hart- en middel-volk zwak was, en tot aanhoudende aanvallen, botsingen en verwikkelingen, van alle zijden uitnoodigde. Nu is dit rustige, dit beschaafde midden-volk van Europa, dat zooveel scholen doorloopen heeft, tot kracht gekomen en heeft het onrustige, vredelooze volk der Galliërs, den ouden Europeeschen rustverstoorder, den schepter uit de hand gewrongen. Dat het Duitsche rijk van heden, niet met zulke ver reikende ideeën van wereld-heerschappij, zooals het vroegere oude "Romeinsche Keizerrijk der Duitsche natie," in den kring der Europeesche machten getreden is; dat het niets wil dan de herstelling der onafhankelijkheid en de bevestiging van het eigenlijke Duitschland; dat het er niet aan denkt, buiten-Duitsche veroveringen te maken; dat het een rijk des vredes is, heeft de tegenwoordige Duitsche Keizer Willem, reeds bij verscheidene gelegenheden geproclameerd. Maar ook het gezamenlijke Duitsche volk heeft het reeds sedert geruimen tijd bewezen, dat het gebroken heeft met de, den vrede van Europa verstorende, neigingen van hun middeneeuwsch Keizerschap. Het dweept niet meer met tochten naar Rome, met Donau-expedities en zulke, ver naar buiten voerende ondernemingen. Door al zijne organen (dichters, staatslieden, patriotten enz.) heeft het verklaard, dat het niets wil, dan hun Duitsch vaderland, den ouden Duitschen bodem, en het oude Duitsche taalgebied. Zeer duidelijk heeft het juist daardoor te kennen gegeven, dat het er reeds sinds langen tijd naaf gestreefd heeft, zich te scheiden van dien staat, dien nog veel van de oude verkeerde Duitsche Keizer-politiek der Otto's en der Hohenstaufens aanhing; die Italië, Hongarije enz. niet wilde laten varen; dat het zich daarentegen liet leiden door dien Noord-Duitschen staat, die, evenals eens de edele Duitsche koning Hendrik de Vogelaar, niets dan Duitschland wil.

Schijnt het na het bovengezegde, dat men de vereeniging en versterking der Duitschers, als eene voor geheel Europa nuttige gebeurtenis beschouwen mag, zoo mag men uit een ethnographisch gezichtspunt ook op al de ontwikkelingsprocessen, die de meeste hoofdvolken van Europa in den loop der laatste drie of vier eeuwen doorgemaakt hebben, en op de resultaten, welke zij met behulp van het, hun meer en meer beheerschende "nationaliteits-principe," en van het steeds krachtiger geworden streven naar het verkrijgen van "natuurlijke grenzen," met eenige bevrediging terugzien.--

De Spanjaarden hebben niet alleen de hun land binnengedrongene Afrikanen van hunnen bodem verjaagd, maar ook al de kleine rijkjes, waarin zij gesplitst waren, tot eene monarchie vereenigd. Zij hebben eene algemeene schrijf- en omgang-taal bij zich ontwikkeld, in Madrid een politiek en nationaal middelpunt, en de door zee en Pyreneën gevormde natuurlijke grenzen gewonnen.--Wel is hun verlangen, ook de Portugeezen, hunne broeders, naburen en medebewoners op het Pyreneesche schiereiland, politiek en nationaal met zich te vereenigen, nog niet tot vervulling gekomen. [75]

De Italianen hebben, nadat bij hen eene gemeenschappelijke taal en literatuur tot bloei en in zwang gekomen is, in den jongsten tijd hun geheele schiereiland, met de er toe behoorende eilanden, van staatkundig particularisme gezuiverd, en van de Alpen tot Sicilië, een, het geheele volk vereenigend, Koningrijk tot stand gebracht.

De Franschen hebben, deels door verovering, deels door gelukkige erfenissen die hunne Koningen deden, alle deelen van het oude Gallië om hun Parijs vereenigd, en zijn nu tusschen de Vogezen, Pyreneën en Alpen, alsmede door de zee, als hunne natuurlijke grenzen, ingesloten.

De Nederlanders hebben eene scheiding der beide hoofdelementen der bevolking van hun land, de Germaansche Nederlanders en de Fransche Walen en Belgen, wier grenzen volgens het nationaliteits-principe over het geheel op bevredigende wijze aangegeven werden, tot stand gebracht.

De Engelschen hebben bijna al hunne vroegere, zoo groote Europeesche veroveringen en bezittingen op ons vasteland opgegeven, hebben zich tot hunne beide groote eilanden bepaald, en hunne bevolkingen, in taalkundige en politieke beteekenis, meer en meer vereenigd, ofschoon Ierland hen altijd slechts met tegenzin volgt.

De Denen zijn uit Noorwegen en Zweden geweken, en het groote Skandinavische schiereiland is tot aan den rand in het politiek bezit hunner oorspronkelijke bewoners, de Zweden en Noorwegers, die beiden binnen hunne natuurlijke grenzen tot een dubbel-staat vereenigd zijn. Ook tegen de Duitschers hebben zich de Denen binnen het natuurlijk gebied van hun eilanden-archipel en het daarmede samenhangende schiereiland Jutland teruggetrokken.

De Duitschers hebben de Zweden uit Pommeren, de Polen uit Pruissen, de Denen uit Schleeswijk-Holstein en onlangs de Franschen uit Elsasz en Lotharingen verdreven, en hun oude Germania tusschen Alpen en zee bijna geheel weder bijeengebracht en het taalkundig, krijgs- en staatkundig in hooge mate vereenigd, ofschoon hun daarbij echter nog veel te wenschen en te voltooien overblijft.

De Russen hebben zich van de opperheerschappij der Tataren bevrijd en tusschen de hun als natuurlijke grenzen gegevene zeeën, een krachtig, in taal en nationaliteit vereenigd, rijk gesticht.

De Magyaren hebben, met behulp der Oostenrijkers, de Turken uit hun land verdreven, en zijn onder het Oostenrijksche Vorstenhuis, tot de herstelling van een nationaal staats-organisme en tot literarische en taalkundige zelfstandigheid gekomen.

De Grieken zijn insgelijks, nadat zij zoo lang onderdrukt en van het schouwtooneel der gebeurtenissen afgetreden waren, als een nieuwgeboren en zelfstandig geworden volk, weder in den kring der Europeesche volken opgenomen.

Zelfs den Rumeenen is het gelukt, zich tusschen den beneden-Donau en de Karpathen een huis te bouwen, en eene soort nationale zelfstandigheid te erlangen.

In elk geval, zeg ik, zijn dit voor een ethnograaf toch eenige zeer merkwaardige, en stof tot dankbaarheid gevende uitkomsten van het, in de natuur als ingeweven, nationaliteits-principe, dat de Europeesche volken sedert meer of minder langen tijd, gehuldigd hebben. Echter hebben geschiedenis en politiek eenige zeer grootsche ethnographische vraagstukken en knoopen, vooral de Poolsche quaestie en mede de zoogenaamde Oostersche vraag, die hoofdzakelijk draait om de grondvesting of het herstel der zelfstandigheid van de Slawische volken van Europeesch Turkije, nog niet opgelost. En zeker zullen in geheel Europa wel nimmer toestanden in het leven geroepen worden, die in staat zijn alle nationale belangen en wenschen en détail te bevredigen, en waarop een ethnograaf en vriend der ongestoorde ontwikkeling van het nationaal-karakter, met onverdeelde vreugde blikken kan. Nog minder kan helaas de vervaardiger der hier medegedeelde proeve van schildering dier toestanden en ontwikkelingen er op hopen, de eischen van zich zelven en van zijne lezers op voldoende wijze bevredigd te hebben. Misschien zal men wel geneigd zijn, hier de spreuk: in magnis voluisse sat est, (In groote zaken is het voldoende, gewild te hebben), een weinig in zijn voordeel te doen gelden. Mocht het hem slechts gelukt zijn, ten minste hier en daar het rechte getroffen, en op aangename wijze tot verder nadenken opgewekt te hebben.

ERRATA.

Pag. 42 tot en met pag. 56, staat aan het hoofd der pagina: Oostelijke naburen van Europa, lees Hellenen en Nieuw-Grieken

Pag. 167 regel 4 v.o. staat: Pac is dit paleis, lees dit paleis behoort aan Pac.

Pag. 488. Onder de plaat staat: Duitschland, Vlieland, lees: Duitschland.

INHOUD.

Europa. 1 Zuidelijke naburen van Europa (Pheniciërs, Arabieren, Mooren, Barbarijers) 10 Oostelijke naburen van Europa (Tataren, Mongoolen) 26 De Hellenen en Nieuw-Grieken 42 De Osmanen 64 De Zuidelijke Slawen en Albaneezen 82 De Bulgaren 84 De Serviërs 90 De Walachyers of Romaenen 103 De Magyaren 124 De Tschechen en Polen 146 De Russen 171 De Litauers en Letten 198 De Finnen, Lappen en Samojeden 222 De Joden 251 De Armeniërs 275 De Zigeuners 282 De Italianen 303 De Spanjaarden 332 De Portugeezen 356 Gallië en de Franschen 363 De Britten en hunne eilanden 393 De Zweden, Noorwegers en Denen 435 De Nederlanders 455 De Zwitsers 477 Duitschland en de Duitschers 488

DE PLATEN MOETEN GEPLAATST WORDEN, ALS VOLGT;

Nederland tegenover den titel. Arabieren en Mooren pag. 10. Polen pag. 146. Spanje pag. 332. Schotland pag. 393. Noorwegen pag. 435. Zwitserland pag. 477. Duitschland pag. 488.

NAAMLIJST DER INTEEKENAREN.

A.

E. van Aalderink, Kampen. J. Aanstoods, Gorinchem. H. P. van den Aardweg, Purmerend. W. C. Abbema, 's Hertogenbosch. Abels, Amsterdam. I. N. Abendrooth, Utrecht. A. Abrahams, Zoutelande. J. Ackema, Rotterdam. J. Acqerlin, Antwerpen. Adelaar, Amersfoort. Dames van Adrichem, Zierikzee. J. C. Alberti, Leeuwarden. van Alderwereldt, Groningen. H. Allan, Nijmegen. D. Allart, boekhandelaar, Amsterdam. 5 J. S. Alma, Schalzum. J. F. Almekinders, Groede. A. van Altena Arnzn., Dordrecht. Altmann & Roosenburg, boekhandelaars, Rotterdam. 2 W. L. van Amerom, Leiden. K. van Ammers, Medemblik. J. Amoreus, Schiedam. W. U. Amweg, Boxtel. Mr. J. v. Andel, Mijnsheerenland. W. A. van Andel, Delft. Wed. van Andel, Rotterdam. H. C. Anderson, Dieren. Andretsch, Amsterdam. Andretsch, » G. A. Anjema, 's Hage. L. Antoni, Dordrecht. W. B. Ansink, Zutphen. J. D. K. Apken, Purmerend. J. A. C. Apol, Leiden. J. Arendse, Opheusden. J. Aris Jr., Amsterdam. C. A. J. Arkesteijn, 's Bosch. J. J. van Arkesteijn, boekh., » 1 J. J. Arnd & Zoon, boekh., Amsterdam. 4

F. Arntzenius, Leiden. G. M. R. Asmus, » Asp. Kweekelingen Armenschool, Culemborg. C. van Asperen, Phillipine. E. van Asperen, Leeuwarden. H. van Asperen, » v. Asperen v. d. Velde & Co., boekhandelaars, Haarlem. 9 C. van Assen, Tjummarum. Augustinus, Rotterdam. I. B. Aukes, Amsterdam. Wed. J. G. Aukes, » Wed. J. G. Aukes, boekh., » 30 J. Avé, Schiedam. A. M. Averes, Hengelo.

B.

J.van Baalen en zonen, boekhandelaars, Rotterdam. 2 P. H. van Baasbank, Vlijmen. J. van Baaren Jr., Apeldoorn. G. Baars, Rotterdam. Baars Jzn., Zwolle. J. F. Backerus, Nijmegen. J. J. Bächer, Wageningen. Baffel, Amsterdam. Wed. C. D. L. Bähler, Leiden. R. F. Bakelman, Dockum. Bakels, Amsterdam. L. van Bakkenes, boekh., » 1 C. G. Bakker, Rotterdam. E. J. Bakker, boekh., Veendam. 1 Jb. Bakker, Haarlemmermeer. H. Bakker, Amsterdam. Hk. Bakker, Leeuwarden. K. Bakker, Hoogwoud. P. K. Bakker, Ee. W. Bakker, Alkmaar. G. J. Bakkes, Gebr. van Bakum, Rotterdam.

B. van Balcen, Vogelenzang. D. A. Balfoort, Utrecht. F. Banning, boekhandelaar, Oldenzaal. 12 J. Banning, Alkmaar. C. Barendrecht, Puttershoek. I. H. Barrelmeijer Jr., Amsterdam. E. M. Batist, Sliedrecht. P. M. Bazendijk, boekh., Rotterdam. 9 T. G. Beekhuis, Leeuwarden. Beckman, Maastricht. Theod. van Beeckum, Antwerpen. J. H. Beek, Utrecht. P. van Beek, Leiden. W. van Beek, Rotterdam. M. Beekhuis, Groningen. L. van Beekhuis Damsté, boekhandelaar, » 9 Dr. W. Beekhuis, Nijland. J. Beekman, Amersfoort. H. Beekman, boekh., Schagen. 4 J. L. F. Beens, Leiden. J. M. van Beest, Deventer. W. Beets, boekhandelaar, Delft. 19 W. Beetsma, Hantum. A. Begeman, Schagerbrug. G. Beins, Zutphen. C. A. Bekker Kzn., Amsterdam. C. C. H. Bekker, » W. Beljers, Puttershoek. M. Belju, Rotterdam. J. van Belkum, Noordlanen. G.W. van Belle, boekh., Rotterdam. 9 G. Belonje Czn., Gouda. C. C. Bender, Leiden. J. van Benten, » J. C. Benteyn, Tholen. van Benthem, Almelo. van Benthem & Jutting, Middelburg. v. Benthum & Jutting, boekhandelaars, » 2 J. v. Bentum & Zoon, boekh, Gouda. 2 Mej. C. Benz, Dordrecht. Bereboom, Amsterdam. J. Berends, Apeldoorn. D.Berends, Harderwijk. H. A. Berends, boekh., » 9 H. v. d. Berg, Alkmaar. C. van der Berg, Schiedam. M. van den Berg, Amersfoort. J. Bergé, Rotterdam. J. Bergé, boekhandelaar, » 12 Dr. T. M. ten Bergen, Amsterdam. P. J. v. Bergen Henegouwen, Heusden. H. J. Bergh, Zierikzee. A. Berghauser, Ried. Berghuis, Almelo. H. Berghuijs, boekh., Kampen. 5 T. Bergman, Amsterdam. H. W. Bergman, boekh., » 1 J. Bergsma, Poppingawier. Wed. H. van Berkel, Ouderkerk a/d. Amstel. Berkhout & Co., boekh., Nieuwediep. 9 P. Berkhout, Hillegom. L. Berkhout, Amsterdam. Berkenkamp, » Dr. Berman, Nieuwer-Amstel.

T. Berrier den Boer, boekh., Middelburg. 5 G. A. Betersen, Zutphen. R. Beukers Jr., Bunschoten. C. J. Beuskamp, Deventer. H. J. Beuskamp, » J. J. Beuzemaker, Leiden. H. W. de Beijl, Nunspeet. I. M. Beyersbergen, Rotterdam. J. Bezemer, Amersfoort. J. E. Bertling, Velp. C. G. J. van der Bie, Utrecht. P. Bier, Haarlemmermeer. Joh. Bierenbroodspot, Hoorn. Bierman, Zalt-Bommel. Bierhorst, Utrecht. G. Bik, Leiden. J. van Binsbergen, Utrecht. A. Bisschop, Dordrecht. A. Bisschop, » A. Bisschop, » R. J. Bisschop, Wageningen. J. W. H. Blaas, Leeuwarden. J. F. de Blaauw, Rotterdam. A. T. Blanche & Co., boekh., Utrecht. 10 B. Blanken, Hoorn. F. P. Blanken, Delfshaven. B. Blankenberg & Zoon, boekhandelaars, Amersfoort. 18 B. Blankenberg, firma Couvée & Cie., Leiden. 98 B. H. Blankenberg Jr., boekh., Amsterdam. 16 J. Blanker, Ysselstein. I. T. van Blaricum, W. Blaupot, Tilburg. S. Bleeker, Wolvega. A. Blenken, Hengelo. B. T. Blenken, boekh., Almelo. 30 H. Bloem, Alkmaar. S. Blok, boekhandelaar, Wormerveer. 11 H. C. Blom, boekh., Utrecht. 5 J. C. Blom, Leiden. P. I. Blom, Bergen. M. J. Blom, Leiden. Blom, Twello. Blom & Olivierse, boekh., Culemborg. 5 Mr. J. G. van Blom, Dragten. Adolf Blomhert, boekh., Nijmegen. 28 H. C. van Blommestein, Apeldoorn. D. W. Blöte, Leiden. Blussé & v. Braam, boekh., Dordrecht. 41 J. J. van der Blij, Leiden. W. J. Blijdenstein, Enschedé. G. Bode, Rheden. Friese van Boekeren, Utrecht. Jos. Boekers, Amsterdam. K. H. te Boekhorst, Gendringen. D. W. A. Boekhorst, Ulft. L. Boekhout, Kralingen. W. G. Boele, Kampen. J. Boelken Bakker, Gasselternijeveen. D. Boer, Amsterdam. H. C. de Boer, Groningen. H. G. de Boer, Leeuwarden. K. de Boer Hzn., Leiden. K. C. de Boer, Krommenie. R. de Boer, Bolswart. A. W. de Boer, Blaauwhuis.

A. Boers, Dordrecht. J. K. Boersma, Garijp. Mej. B. T. de Boevé, Zwolle. P. Boezaardt, Hillegom. Henri Bogaerts, boekh., 's Bosch. Henri Bogaerts, boekh., Amsterdam. F. Bohlander, » Bohres, » I. R. Bok, Ginneken. P. Bokhorst Jr., Schiedam. L. J. W. ten Bokkel, Calumet (Illinois). H. Bokma, boekhandelaar, Leeuwarden. 4 H. Bokma, » D. J. Bokslag, Deventer. J. G. van der Bolch, Wieringerwaard. v. Bolhuis Hoitsema, boekh., Groningen. 14 J. Bolkstijn, Haarlemmermeer. A. Boll Azn., boekh., Coevorden. 2 D. Bolle, boekhandelaar, Rotterdam. 5 A. A. W. Bolland, boekh., Goes. 27 B. Bolleman Kijlstra, Sloten. W. N. Bollen, Amsterdam. B. Boltman, Rotterdam. A. C. Boluijt, Kruiningen. IJ. Bolman, Harlingen. G. Theod. Bom, boekh., Amsterdam. 9 H. G. Bom, boekhandelaar, » 2 A. Bomhoff, boekh., ter Neuzen. 3 A. Bomhoff, Neuzen. W. J. Bomli, Leiden. A. H. van Bon, Assen. J. de Bondt Jzn., Zierikzee. Bonekamp, Heerenveen. W. F. Bonga, Vlissingen. E. de Bont, boekhandelaar, Rotterdam. 7 Wed. H. Bontamps, boekh., Venlo. 1 F. A. Bonté, Utrecht. G. W. de Boo, Dordrecht. Mevr. Boode, Gouda. H. C. Boogaard, Utrecht. Dr. J. A. Boogaard, Leiden. L. Boogerd, Brouwershaven. H. Boom, Amsterdam. M. P. Boom, » Dr. J. M. Boom, Tholen. Boombergen, Geertruidenberg. J. P. Boon, Purmerend. K. Boon, Berkhout. C. Boonacker, Schagen. H. Boonen, Arnhem. J. C. Bootz, Doesborgh. L. G. C. Bopp, Bodegraven. A. N. Borch, boekh., Amsterdam. 2 G. Borg, boekhandelaar, » 5 G. J. Borg, » B. G. Borggreven, Silvolde. Bork, Amsterdam. Dr. J. A. E. Born, Groningen. P. J. Born, Leiden. L. J. de Borst Verdoorn, Ameide. van den Bos, Neuzen. H. Bos, Eethen. Hendrik J. J. Bos, Rotterdam. J. Bos, Amsterdam. J. Bos Azn., Alblasserdam. W. Bos, Hoogwoud. P. Bos, Wierden.

A. M. van den Bosch, Tilburg. Jan F. Bosch, Hallum. P. J. Bosch, Arnhem. J. G. van den Bosch, Wieringerwaard. Wed. P. van den Bosch-van der Werff, Zalt-Bommel. Berns. v. Bösekötter, Arnhem. F. A. Bosman, boekh., Franeker. 30 H. M. Bosman, 's Bergh. J. Bosscha, Wolvega. C. Böten, Zwolle. G. J. Bötger, Bloemendaal. Bots & Jansen, boekh., Helmond. 8 Bottenheim, Amsterdam. R. Bottinga, Leeuwarden. D. R. Bouhuijs, Aalten. G. W. Bouhuijs, » Mevr. D. Bouman, Tilburg. E. C. F. Bouman, Utrecht. Boucher, boekhandelaar, 's Hage. 3 Dr. Bource, Rotterdam. A. v. d. Bout, Zonnemaire. Johs. Bouwman, Wageningen. G. P. F. Bouwman, » P. Bozua, Dordrecht. L. ter Braake, Almelo. G. J. te Braaken, Ulft. Dr. J. Braakenburg, Leiden. K. W. Braakensieck, Haarlem. H. Braakhuis, Gendringen. I. Th. A. Braams, Buren. J. van Braband, boekh., Houtenisse. 4 J. W. von Braband, Brouwershaven. D. Brakel, Berkel. Jac. J. Brakenhof, Castricum. Simon Brandenburg Jr., boekhandelaar, Wolvega. 2 Brandes, Amsterdam. W. A. A. Brands, Deventer. Brands, Bergen-op-Zoom. W. J. Brandt, Dordrecht. B. Braskamp, Tricht. Th. Bray, Utrecht. A. van Breda, Gorinchem. Dr. J. van Breda Kolff, Amsterdam. L. J. Bredenberg, Warmond. J. J. van Brederode, boekh., Haarlem. 2 D. K. Breebaart, Winkel. A. C. Breedveld, Amsterdam. P. Bregman, Scharwoude. P. Breidveld, Venlo. J. W. H. Breitner, Rotterdam. E. Bremer, Amsterdam. H. M. Bremer, boekh., » 5 J. Bremmer, Kampen. E. J. Brill, boekhandelaar, Leiden. 5 H. ten Brink, boekh., Meppel. 14 Ten Brink & de Vries, boekh., Amsterdam. 2 Brinkboek, » Wed. J. Brinkgreve, boekh., Deventer. 14 C. L. Brinkman, boekh., Amsterdam. 5 J. H. Brinkman, boekh., » 8 A. Brinkman, boekh., Gouda. 2 G. Brinks, Leiden. J. H. Broedelet, Zwolle. F. H. L. Broedelet, Rotterdam. J. den Broeder, »

W. J. van den Broek, Rotterdam. v. d. Broek, Amsterdam. I. A. ten Broek, Leiden. E. Broekhuis, boekh., Hengelo. 43 C. Broeksmit, Schiedam. F. Broeksmit, Zwijndrecht. G. Broekstra, Berlikum. G. H. Brokmeier, Amsterdam. J. Broere, 's Hertogenbosch. C. Broers, Maastricht. Dr. J. H. Broers, Hoorn. Broese & Co., boekh., Breda. 9 J. G. Broese, boekh., Utrecht. 5 I. H. Brokmeier, Amsterdam. M. Bron, Gouderak. Brongers, Amsterdam. A. J. Bronswijk, boekh., Oostburg. 5 A. G. Brouwer, Alkmaar. B. Brouwer, Deventer. A. M. M. Brouwer, Renkum. G. Brouwer, boekhandelaar, Deventer. 7 Jan D. Brouwer, boekh., Amsterdam. 1 Brouwer, » Jac. Bruce, Groningen. J. T. C. Bruckwilder, boekh., Vlaardingen. 8 J. C. W. ter Bruggen Jr., Gouda. Aaldt. ten Bruggencate, Almelo. B. ten Bruggencate, » Mej. M. A. Brugsma, Tiel. M. A. Brugsma, » Bruin, Amsterdam. H. Bruin, Groningen. K. de Bruin, Dordrecht. Mej. T. de Bruin, » G. Z. Bruinier, Almelo. G. L. Bruist, Zalt-Bommel. Brummelhof, Amsterdam. H. A. M. Brumstede, Assen. F. Bruning, Alkmaar. H. B. Bruijer, boekh., Arnhem. L. de Bruijn, Beek. D. de Bruijn, Leiden. IJ. de Bruijn, H. W. Bruijns, Amstelveen. W. G. de Bruyn Kops, Leiden. C. Bruynzeel, Rotterdam. H. de Bry, » K. Buchner, Leiden. B. H. Budde, Amsterdam. H. Budelman, » J. J. P. Buhlman, Delft. H. Buirma, Groningen. W. Buis, Bergen. J. C. de Buisonje, boekh., Nieuwediep. 1 P. Buitendijk, Leiden. W. N. Bulleman, » A. B. H. Bulterman, Rotterdam. C. L. Bulthuis, Groningen A. J. C. van Bunge, Sliedrecht. P. Bunkerink, Zwaag. J. Burg, Leeuwarden. J. Burger, Amsterdam. A. Burggraaf, Leidschendam. I. P. Burgerhout, Tholen. J. P. Burgerjon, Zevenhuizen. Ds. J. van der Burght, Tholen. A. v. d. Burght, »

C. A. van Burgt, Tholen. G. Burgraaff, Wons. B. T. Bussemaker, Almelo. Busweiler, Amsterdam. A. D. van Buuren, Niewwendiep. Mejufvr. Buwalda-Delhave, Hilversum. A. J. Buijs Czn., Heusden. C. Buijs, Utrecht. W. A. Buytenhek, Dordrecht. D. Bwik, Amsterdam. M. J. Bijlau, Brouwershaven. J. Bijleveld, boekh., Utrecht. v. Bijlevelt, Rotterdam. A. C. v. d. Bijllaart, Zwolle. Paulus Bijlsma, Burgwerd. J. C. Bijsterbos, Kampen. Jhr. P. J. de Bye, Lunteren. H. W. de la Bye, Leiden.

C.

Caarelsen, boekhandelaar, Amsterdam. 1 Calcar, Zwolle. Ds. H. van Calcar, Veenwouden. C. T. Callenbach, boekh., Nijkerk. 10 C. M. Camauer, Bergen-op-Zoom. W. Cambier van Nooten, boekhandelaar, Alphen. 10 G. Camminga, Leeuwarden. H. C. A. Campagne, boekh., Tiel. 5 J. Campen, boekh., Sneek. 6 Chr. Cannegieter, Franeker. J. Cardinaal, Tilburg. Carpeles, Amsterdam. C. J. Carrière, Willemsdorp. Jhr. S. O. de Casembroot, Tholen. Dr. H. G. Caudi, Doesborgh. Mr. M. L. Celosse, Amersfoort. J. J. Ceulen, boekh., Middelburg. 5 Jhr. F. de Charon de Saint Germain, Oudshoorn. G. D. Châtelain, Amsterdam. E. B. J. Moïse de Chateleux, Leiden. C. Christiaans, boekh., Amsterdam. C. C. C. Christiaans, » 5 Jhr. Mr. C. van Citters, Heinkenszand. Jhr. F. van Citters, Bodegraven. Gebr. van Cleef, boekh., 's Hage. 1 B. Clerk, Heerenveen. P. H. Le Clercq, Delft. A. A. Cluwen, Haarlem. H. J. Cobus, Deventer. J. Cocort, Rotterdam. P. H. Cockuyt, Leiden. Coerman, » C. H. Colenbrander, Varsseveld. D. Colenbrander, Zutphen. J. B. Colenbrander, Dinxperlo. B. H. Colenbrander, boekh., Zutphen. 5 Collin, Zwolle. W. L. Combé, Schiedam. I. I. Comerell, Amsterdam. W. Cool v. Bokma, boekh., Sneek. 1 Mej. Coole, Bloemendaal. Mej. S. L. Coronel, Leiden. Cordes, Amsterdam. C. J. Cornelis, Biervliet.

J. J. H. Cornelisse, Amsterdam. Cornelissen, » J. H. le Cosquino de Bussij, boekhandelaar, Veenendaal. 4 Herm. Coster & Zn., boekh., Alkmaar. 30 H. Cosijn, Gouda. C. Couturier, 's Hage. Couvée & Co., boekh., » 86 G. Couvée, Leiden. M. M. Couvée, boekh., » 3 T. N. Crul. Cramer, Delden. H. J. Crans, Dordrecht. J. Creemer, boekhandelaar, Groningen. 9 A. Crefeld, Alkmaar. A. E. J. Creyghton, Beekbergen. J. W. Cremer, Zwolle. I. F. Croes, Amsterdam. Mr. J. Cromhoff, Ootmarsum. W. A. Croockewit, Amersfoort. B. de Cruijff, Zutphen.

D.

F. van Daal, Amersfoort. Dahne, Amsterdam. Dake, » v. Dalen, » H. van Dalfsen, Steenwijk. G. H. Dalhuizen, Kampen. Dalmeijer, Amsterdam. P. van Dam, Leeuwarden. A. van Dam, Pingjum. J. Damman, boekhandelaar, Goor. 17 Dr. J. H. Damman de Witt, Gieten. A. J. Daniels, Amsterdam. M. Polak Daniëls, Leiden. Dankmeijer, » Dannefelser & Co., boekh., Utrecht. 5 G. A. Dassen, Zwolle. C. Davervelt, Bergen-op-Zoom. J. A. W. den Decker, boekh., Hardenburg. 1 A. A. Deenik M.Lzn., Terwaard. J. W. Deerenkamp, Doetinchem. J. F. G. Deicke, Amsterdam. P. T. Dekema, boekh., Utrecht. 9 G. Dekker, Purmerend. H. Dekker, Rotterdam. J. Dekker Jz., Westzaan. P. A. Dekker, Utrecht. W. J. Dekker, Rotterdam. Dekker & v. d. Vegt, boekh., Utrecht. 5 A. M. Dekkers, Apeldoorn. Mevr. van Delden, Ootmarsum. Mevr. van Delden, Hengelo. Denik, Amsterdam. Denik, » H. Denker Huneman, Dodewaart. M. Derksema, Groningen. J. Desablijn, boekh, Overschie. 2 H. van Deurzen, Haarlem. Deuss, Rotterdam. D. W. van Deventer, Apeldoorn. J. C. Dezens, Nijmegen. L. J. Dhaenens, Middelburg. A. J. M. Dibbits, Gieten. Jhr. Mr. F. W. K. Dibbets, Maastricht. I. H. Diederiks, Amsterdam.

J. P. Diehl, Amsterdam. J. Diehe Chaam, Breda. W. J. Diekhof, Deventer. Gustave Diepen, Tilburg. G. J. O. D. Dikkers, Hengelo. F. H. Dikschei Jzn., Zierikzee. Dirks, Utrecht. C. Dirksen, Rotterdam. A. M. E. van Dishoeck, boekhandelaar, Zierikzee. 25 F. T. J. H. Dobbelmann, Nijmegen. J. T. van Dobben, boekh., Haarlem. 1 P. Doedes, Zutphen. H. C. van Dongen, Rotterdam. P. M. v. Dongen, » Donker, Amsterdam. J. H. Donleben, Hees bij Nijmegen. I. Doon, Rotterdam. E. C. U. van Doorn, Utrecht. J. Doornbos, Assen. A. H. A. Dopheide, Groningen. H. J. Dopheide, » W. A. Dopheide, » H. M. van Dorp, boekh., Zwolle. 1 Ps. van Dorp, Vlaardingen. S. P. van Dorp, Leiden. G. van Dorsser, Dordrecht. L. J. Dorst, Stavenisse. A. van Dorsten Jr., boekh., Utrecht. 5 I. W. D. van Dorth, Bergen-op-Zoom. B. van Dortmond, Hensdenhout. R. Douma, Oostram. A. Draisma de Vries, Achlum. T. Draaisma, boekh., Wormerveer. 2 W. F. Draijer, Amsterdam. M. Dreesen, Helmond. W. Drektraan, Schiedam. Dr. G. Dresselhuis, Voorst. Drevel, Rotterdam. Mr. J. v. d. Drift, Alkmaar. P. A. v. d. Drift, » G. A. v. Driel, Mijnsheerenland. P. C van Driem, boekh., Voorburg. 9 A. W. Driessen, Nieuwendiep. G. C. Drooglever, Gorinchem. L. Droogleever Fortuyn, Rotterdam. Abm. Drop, Vlaardingen. Hk. Drop, » J. Dropper, boekhandelaar, » 14 Hk. Droppert, » H. Drost, Marrum. J. F. Drost, Almelo. H. C. Drove, boekhandelaar, Zwolle. 40 v. Druten-Bleeker, boekh., Sneek. 4 M. J. Duvelaar van Campen, Zutphen. F. Dubel, Klaaswaal. D. Dufour Roelland, Bergen op Zoom. P. J. Duinker, Nieuwendiep. E. J. Duintjer, Veendam. J. H. Duisdeiker, boekh., Amsterdam. 1 D. ten Dulk, Bergen-op-Zoom. H. Dull, boekhandelaar, Borculo. 1 J. H. Dunk, boekhandelaar, Rotterdam. 30 S. Dunk, » H. W. Dusauld, Utrecht. W. H. Dusault, boekh., » 1

W. J. Dusseldorp, Utrecht. M. D. van Duivenbode de Vlugt, Delft. C. B. Duyster Jr., Leiden. Jurrien Dijk, Wolvega. A. M. v. Dijk, boekh., Delft. 4 H. C. Dijk, Alphen. I. P. van Dijk, J. van Dijk, Dinxperlo. Jan van Dijk Hzn., Meppel. J. P. van Dijk, boekh., Zwolle. 2 B. Dijkgraaff, Nunspeet. F. Dijkstra, Wierum. Wed. H. Dijkstra, Assen. R. J. Dijkstra, Leeuwarden. R. Dijkstra, boekhandelaar, Wolvega. 2 Waling Dijkstra, Holwerd. W. Dijkstra, Coinjum. J. van Dijl, Dordrecht. van Dijl, »

E.

Gebr. Ebert, boekhandelaar, Amsterdam. 2 H. Edelman, boekhandelaar, Leeuwarden. 30 W. Eekhoff & Zoon, boekh., » 14 W. D. Eeltjes, Alkmaar. W. Eelkema, boekh., Amsterdam. 5 J. R. v. Eerde, boekh., Winschoten. 9 Ds. J. R. van Eerde, Boyl. J. J. Egbers, boekh., Naarden. 3 J. W. B. Egberts, Kampen. Dr. E. J. Egberts, Zalt-Bommel. D. Eggink, Haarlemmermeer. A. Egmond, boekh., Enkhuizen. 5 van Egmond & Heuvelink, boekhandelaars, Arnhem. 3 P. C. N. Eichholtz, Zierikzee. P. G. C. Eigeman, Leiden. B. Eisendrath, boekh., Amsterdam. 179 C. W. Eisma, Bolsward. Z. A. E. van Eldek, » Ds. W. van Elden, Gouda. K. Elders, Leeuwarden. H. Elemans, Rotterdam. B. T. Elias, Amsterdam. P. v. d. End, Delfshaven. Jb. van der End, Vlaardingen. v. d. Ende, » J. van der Endt, boekh., Maassluis. 5 D. Engelberts, Leiden. v. Engelen, » H. van Engen, Veenhuizen. B. Engelen, boekhandelaar, Meppel. 1 P. Engels, boekhandelaar, Leiden. 2 G. H. Engels, Vriezenveen. Engels, Amsterdam. Engering, » W. Enklaar, Apeldoorn. R. van Enst, Doetinchem. A. van der Ent, Wageningen. W. van der Ent, Amsterdam. L. J. v. Enter, Zwolle. Dr. E. Epkema, Zalt-Bommel. W. S. van Erp, Leeuwarden. C. van Es, Rotterdam. G. van Es, Breda.

H. van Es, 's Gravendeel. D. van Essen, Velzen. E. v. Essen, Deventer. P. Essers, Leiden. J. H. A. M. Essink, Utrecht. H. D. Evelein, Amsterdam. M. van Everdingen, Tiel. I. F. Evers, Amsterdam. B. H. Everts, Bloemendaal. J. W. Eversz., boekh., Zeist 5 Dr. J. Everwijn, Noortwijk. G. J. van Eybergen, Amersfoort. Eyster, Amsterdam. D. H. Ezerman, Zierikzee.

F.

Falk, Amsterdam. W. W. Fasmer, » A. B. Fassmer, Rotterdam. A. J. Feddema, Leeuwarden. G. B. Feekes, G. Feenstra, Heeg (Friesl). H. Feenstra, Bergum. T. E. Feenstra, Leeuwarden. T. S. Feenstra, boekh., Sneek. 6 W. Feenstra, Heerenveen. H. C. Felser, Assen. A. Nicolai Fellinga, Amsterdam. J. G. H. Ferman Jr., » J. D. Ferwerda, » B. Fikkert, Almelo. J. W. Filippo, Leiden. W. Finkelenberg, Nieuwendiep. Abraham Fock, Almelo. J. F. Fleischacker, Amsterdam. M. Fliermans, Arnhem. I. B. van Florenstein, Bergen-op-Zoom. J. A. Foest, Amsterdam. Dames Fockens, Bolsward. G. Fockens, boekhandelaar, Groningen. 3 D. Fokkens, » L. de Fouw, boekh., Goes. 13 C. A. Franchimon, Leiden. C. Francken, » J. J. Francken, » L. J. Francken & Co., boekhandelaars, Schiedam. 6 Frank, Amsterdam. Frantzen, Groningen. Franzen, Amsterdam. H. C. Frautwein, Zwolle. A. Frelier, Middelburg. Cs. Frets, Boskoop. Frielink, Amsterdam. L. Friese, 's Hertogenbosch. W. Fröger, Amersfoort. J. Fröhn, Gorinchem.

G.

J. van Gaal, Helmond. M. Gaasbeek, boekh., Groningen. 1 P. L. de Gaaij Fortman, Leiden. J. H. F. van Gangel Czn., » J. Galema, Hallum. J. A. Gallois, Apeldoorn.

J. Gann Dun, Ommere. J. Garçin, Amsterdam. H. J. v. d. Garde, boekh., Zalt-Bommel. 22 J. A. A. van de Garde, » I. M. Gardenier, Rotterdam. P. Gardin, » L. van Gastel, Schuddebeurs. Mr. P. H. de Gavere, Almelo. G. van Geer, Leiderdorp. D. H. van Geer, » N. A. Geerlofs, Rotterdam. Geffel, Amsterdam. H. van Geffen, H. J. Gelderman, boekh., Meppel. 9 Jhr. P. P. van Gelre van Vryberghe, Rijsenburg. M. L. Gemert, Alkmaar. Joh. Geradts & Co., boekh., Hilversum. 1 J. H. Geraerts Jr., Velzen. P. Gerbrand & Co., boekh., Arnhem. 1 E. Gerdes, Haarlem. L. Gerhardt, Utrecht. S. Geri, Bergen-op-Zoom. A. Gerretsen, Rotterdam. H. J. Gerretsen, boekh., 's Hage. 10 P. Gerrits, Amsterdam. I. Gerritsen, » Gerritsen, Leeuwarden. Gerritzen, Amsterdam. A. H. Gezelle Meerburg, 's Gravendeel. G. Giel Gzn., Meppel. L. van Giffen, boekh., Groningen. 1 A. Giljam, Zierikzee. C. S. Gilhuys, Amsterdam. N. Gillat Jr., » Joseph Dieudonné Gillet, Kampen. Gillieron, Amsterdam. A. M. v. Gils, Rotterdam. J. Giltay, boekhandelaar, Dordrecht. 14 J. van Ginkel, Wageningen. C. Glene, Wehl. J. J. Glinderman, Amsterdam. G. J. A. de Gocq van Herwijnen, Arnhem. H. Godefroi, Leiden. D. Goede, Alkmaar. J. de Goede Czn., Purmerend. Mej. de Goede, Dordrecht. J. Goedeljée, Leiden. J. P. Goedhart, Dordrecht. M. Goedhart, Hellevoetsluis. H. J. de Goeijen, Rotterdam. F. Goedknegt, Vlaardingen. G. J. van der Goes, Rotterdam. Johs. G. D. Goffrée, Amsterdam. J. M. Goldbach, Dinxperlo. J. van Golverdinge, boekh., 's Hage. 1 H. Gonggrijp, boekh., Harlingen. 10 H. Gonggrijp, » J. Gonggrijp, » Tj. Gonggrijp, Sneek. J. de Gooijer, Utrecht. J. G. Gooijer, Zwolle. A. A. van Gool, Zalt-Bommel. B. J. van Goor, Amersfoort. G. B. van Goor Zonen, boekh., » 30 v. Gorcum & Co., boekh., Assen. 9

Willem v. Gorcum, boekh., Assen 9 Maruis J. Gordon, boekh., Gorinchem 16 Willem J. Gordon, boekh., » 4 D. Gorter, Sneek K. S. Gorter, Hollum (Ameland) J. R. P. F. Gouggrijp, Delft. I. L. Gouka, Schiedam. N. K. Gouman, Scherpenzeel. J. F. Graaf, Spijk. A. J. E. J. de Graaf, Zwijndrecht. Wed. C. Graaff, Alkmaar. M. C. de Graaff, Purmerend. R. de Graaff, Leeuwarden. W. C. de Graaff, boekh., Haarlem. 33 J. Graansma, Kampen. W. de Graauw, Heusden. W. van Grafhorst, Kampen. G. Gratama, Leeuwarden. H. L. de Grave, Alkmaar. I. C. M. van Graven, Gouda. G. J. de Greef, Arnhem. Grees, Amsterdam. T. J. Grevelink, Heerenveen. J. Greven, boekhandelaar, Utrecht. 1 A. J. Grey, Rotterdam. P. J. van Griethuysen, Losdorp. I. B. Groenewegen, Amsterdam. J. Groenendaal, Groningen. R. D. Groenhout, St. Anna Parochie. H. J. van Groeningen, Leiden. W. van Groeningen, Soeterwoude. Dr. F. G. Groneman, Groningen. J. Groot, boekhandelaar, Beverwijk . 4 H. de Grood, Nijmegen. H. de Groot, Groningen. J. Groot, Beverwijk. J. de Groot, Akkerwoude. M. Grootes, Nieuwe Niedorp. P. Gruijs, Overschie. P. M. Grijpink, Amsterdam. G. B. Guichard, Rotterdam. J. A. van Gulden, Alphen. F. L. van Gulik, Gurken, Amsterdam. J. P. C. van Gurtzgen, Haarlem. H. van Gijn, boekh., Delft. 5 B. D. van Gijn, Rotterdam. H. J. Gijsbers, Dinxperlo.

H.

J. M. van 't Haaff, boekh., 's Hage. 3 Gebr. Haagens, boekh., Rotterdam. 5 Haak, Amsterdam. A. op de Haak, Alkmaar. de Haan. Leiden. de Haan & Zoon, boekh., Haarlem. 5 A. de Haan, Rotterdam. H. de Haan Jr., » Jan Haan, boekhandelaar, Delfzijl. 1 J. T. de Haan, Wolvega. E. ter Haar, boekh., Dieren. 6 J. G. ter Haar, Arnhem. Haarlem, Amsterdam. C. de Haas, Rotterdam. E. de Haas, boekhandelaar, » 24

G. de Haas, Renkum. H. de Haas, Sliedrecht. S. J. de Haas, boekh., Amsterdam. 1 W. J. de Haas, Kampen. B. H. Habbema, Leiden. F. Haeijen, Heer. Haensbergen, Leiden. Hagdom, Maastricht. Hage, Amsterdam. A. Hagedoorn, Ambt-Almelo. H. K. Hagedoorn, Utrecht. P. Hagedoorn, Amsterdam. Rolandus Hagedoorn, Amersfoort. Dr. H. G. Hagen, Leiden. P. G. C. Hajenius, Amsterdam. J. van Hal, Breda. Wed. I. Halderiet & Zn., Amsterdam. van Halteren, boekh., » 1 A. Ham, Rotterdam. Mr. I. C. Ham, Utrecht. Mr. H. J. Hamaker, Leiden. H. J. Hamer G.Jzn., Zutphen. P. J. Hamers, Amersfoort. Hamming, 's Hage. J. Hansen, Rotterdam. J. J. Hansma, boekh., Dockum. 19 J. H. Harbach, Zutphen. Harfold, Amsterdam. D. R. v. Harinxma, Hallum. E. E. Harmsen, Oldenzaal. J. B. Harperink, Enschedé. L. J. Harri Jr., Amsterdam. ter Hart, » P. Harte, boekhandelaar, Bergen op Zoom. 30 Jacq. de Hartog, Wageningen. Hartsteen, Rotterdam. A. van Haselen, N.-Loosdrecht. L. T. J. Hassels, boekh., Amsterdam. 3 B. van Hattem, Sliedrecht. Hauben, Amsterdam. W. F. L. Haus, Rotterdam. G. L. Hausen, Appingedam. Haye, Amsterdam. J. R. Hazelhorst, Kampen Jac. Hazenberg Czn., boekh., Leiden. 2 H. Hazes, Alkmaar. F. L. Baron van Heeckeren van Brandsenburg, Utrecht. Baron v. Heeckeren v. Molecate, Zwolle. J. Heek, boekhandelaar, Hilversum. 4 T. van Heelsum, Wageningen. Abrm. de Heer, Rotterdam. E. I. de Heer, » G. Heerenga, Franeker. M. Heerens Jr., Delfshaven. J. G. Heesen, Dinxperlo. Ds. G. N. Heessen, Maasdam. C. L. de Heger, Leiden. J. D. van der Hegge Spies, Haarlem. W. C. ter Heide, Wassenaar. Ph. Heidenrijk, Zalt-Bommel. C. H. Hein, Kampen. W. Heinen, Steenwijk. D. Heinrig, Gendringen. P. J. W. L. Hekker, 's Gravenhage.

S. van Helden, boekh., Amsterdam. 9 H. W. Helmig, boekh., » 1 A. Helders, Rotterdam. Hellingman, Amsterdam. J. van der Helm, Vliedorp (Prov. Groningen.) J. G. Helmerhorst, Amersfoort. Hemring, Amsterdam. D. van Hemert, Haarlem. W. A. van Hemert, Dordrecht. J. Hemker, Noordwijk. H. W. Hemmes, Groningen. J. J. Henckel, » J. Hendriks, Amsterdam. Hendriks, » C. H. Hendriksen, boekh., Utrecht. 1 Gebr. Hendriksen, boekh., Rotterdam. 5 H. T. Hendriksen, boekh., » 14 H. J. Hendriksen, Soeterwoude. E. A. van Hengel, Dinxperlo. F. W. van Hengel, Kampen. G. H. van Hengel Jr., boekh., Velp. 5 Hengerer, Amsterdam. B. Hengeveld, Dinxperlo. J. H. Henkes, Delfshaven. H. Hennephof, Kampen. H. P. Henneveld, boekh., Delft. 10 C. D. van der Henst, Leiden. Hennings, Amsterdam. H. D. van Herikhuizen, Arnhem. E. Heringa, Leeuwarden. W. Hermans, Amsterdam. J. G. Herpel, » G. T. Heslinga, St. Anna Parochie. Wed. A. Hess, Alkmaar. F. Hessel, boekhandelaar, Heerenveen. 4 H. C. T. Hesselink, Varsseveld. J. F. Hessels, Amersfoort. G. van Hest, Leiden. J. H. & G. v. Heteren, boekh., Amsterdam. 4 van Heusden, boekh., 's Bosch. 5 A. B. van den Heuvel, boekh., Haarlem. 3 M. J. van den Heuvel, Middelburg. D. Heijdeman Jr., Amsterdam. van der Heijden, Nieuwendiep. J. M. v. d. Heijden, Elburg. H. Heijkamp, Rotterdam. C. J. Heijl, boekhandelaar, Utrecht. 5 H. Heijmanns, Zwolle. J. Heijnis, boekhandelaar, Zaandijk. 3 Dr. G. Heijnitz, Boskoop. A. J. van Heijst, Leiden. P. J. Heyberg, Rotterdam. J. Heyblom, » Ph. van der Heyden, Leiden. K. J. H. Heyen, Amsterdam. Heyinks, » F. Heykoop, Nieuwland. W. H. Heytman, Ned.-Indië. J. Hilarius, boekhandelaar, Leeuwarden. 1 J. H. Hillebrand, Groningen. W. P. Hillen, Rotterdam. G. C. van Hilten, Leiden. G. van Hilten, Amsterdam. F. W. Hincken, Rotterdam. N. A. Hingst, boekh., Heerenveen. 16 Mevr. J. Hingst-Visser, Workum.

Hinloopen Labberton, Doesborgh. R. v. Hinloopen Labberton, boekhandelaar, » 6 D. R. Hinse, boekh., Amsterdam. 9 D. W. Hinse Jr., » J. W. Hissink, » J. Hissink, Kampen. Prof. J. Hissink Jansen, Groningen. Wed. G. J. Hobbelink, Delden. J. Hoebee, Dordrecht. P. Hoebert, Leiden. W. den Hoed, Rotterdam. Z. Hoefnagels, Lent. H. Hoegen, Apeldoorn. T. Hoek, Schiedam. Gebr. van der Hoek, boekh., Leiden. 7 J. Hoekstra, Leeuwarden. Wed. T. J. Hoeksema, boekhandelaar, Winschoten. 9 S. Hoekzema, Franeker. H. L. C. T. Hoen, Zalt-Bommel. H. ten Hoet, boekhandelaar, Nijmegen. 4 D. J. van 't Hoff, Rotterdam. H. T. Hoffmann, Steenbergen. J. Hofs, Westendorp. T. Hofstra, Leeuwarden. J. J. Hofstede, boekh., Brielle. 1 K. Holleman, Leeuwarden. J. Hollmann, Alkmaar. A. Hollestelle, St. Maartensdijk. de Holter, Amsterdam. E. Holthaus, Alkmaar. F. C. Holtz, Purmerend. H. Holtzschu, Noordwijk. H. Hommes, Utrecht. J. J. Honigh, boekh., Schagerbrug. 7 J. Hordijk, Dreischor. A. Horselenberg, Rotterdam. H. ter Horst, Zwolle. H. Hoste, boekhandelaar, Gent. 25 J. O. van Houten, boekh., Assen. 2 W. Houtsma, boekh., Joure. 4 Mej. de Wed. Houtzager, Amersfoort. Höveker & Zoon, boekh., Amsterdam. 6 G. Hovens Greve, boekh., Steenwijk. 11 G. B 't Hooft, boekh., Rotterdam. 2 G. de Hoog Czn., Assendelft. Hoog & Kruijt, boekh., Rotterdam. 5 A. Hoogeboom, boekh., Amsterdam. 3 M. Hoogenboom J.Jz., Noordwelle. C. Hoogermolen, Rotterdam. J. W. Hoogezand, Heusden. H. de Hoogh & Co., boekh., Amsterdam . 1 J. G. Hoogklimmer, Almelo. J. Hoola van Nooten, boekh., Doesborgh. 5 Hoogland, Zeddam. H. Hoogland, Utrecht. Mej. M. C. Hoogvorst, boekh., Alkmaar. 19 A. van Hoogstraten & Zoon, boekhandelaar, 's Hage. 60 G. H. van Hoolwerff, Hoorn. P. de Hoop, Nieuwland. N. A. W. Hoos, Rotterdam. J. Hoosemans, » G. J. Hopkes, Zwolle. P. Hoppen, Rotterdam. van Horn, Franeker.

I. Horre, Leiden. J. ter Horst Gzn., Rijssen. Mej. C. F. ter Horst, Arnhem. H. W. Hortschäfer, Hoorn. E. C. Houbolt, Leiden. P. G. Houthuysen, » Mevr. Wed. J. R. G. Huber, Haarlem. J. B. Huber, boekhandelaar, Groningen. 1 Huckman, Amsterdam. C. A. L. Baron v. Hugenpoth tot Aerdt, 's Bergh. R. C. Huge, boekh., Rotterdam. 11 Huisman, Amsterdam. F. Huizers, Bazendrecht. E. Huizinga, Veendam. J. Huizenga, Groningen. J. Huizinga, Leeuwarden. J. J. Huldij, Schiedam. W. Hulscher G.Jzn., boekh., Deventer. 2 B. Hulshof Jr., Amsterdam. I. Hulselman, Rotterdam. M. Hulshoff, Almelo. D. Hulsinga, Schiedam. J. B. C. Hulsman, boekh., » 5 Hulst, Dordrecht. D. van Hulst, boekh., Nieuwveen. 2 J. H. van Hulst, Kampen. Laurens van Hulst, boekh., » 20 W. Hummelen, Assen. J. A. Huneman, boekh., Kampen. 11 A. van den Hurk, Leiden. D. H. Hus, » W. F. K. Hussem, Boskoop. A. Huysse, Delft.

I.

K. H. Idema, boekh., Medemblik. 1 W. Idema, Hoorn. Ierbroek, Amsterdam. I. Igesz, Hoorn. Imminck, Amsterdam. W. P. Ingenegeren, Utrecht. P. van Iperen, Rotterdam. F. H. G. van Iterson, Leiden. P. E. van Ittersum, Amersfoort.

J.

C. de Jaager, Bodegraven. J. J. de Jaager, Amstelveen. B. Jacobs, Nijmegen. J. F. Jacobs, Zegwaard. N. G. Jacobs, Zutphen. Jacobson, Amsterdam. W. H. Jager, Leidschendam. S. A. Jager, Workum. W. Janmaat, Rinnegom. Jansen, Amsterdam. B. Jansen, Gorinchem. G. Jansen, Rheden. H. B. Jansen, boekh., Arnhem. 7 H. W. Jansen, Veenhuizen. J. J. Jansen, Bloemendaal. J. L. M. Jansen, boekh., Sittard. 6 M. J. Jansen, Winkel. R. Jansen. W. J. Jansen, Rotterdam. G. Jansen van Rijssen, Hallum. H. Janssen, Rotterdam. Karel Janzon, Heusden. G. F. Japikse, Leiden. N. J. C. Jeekel, Gouda. A. van Jelgerhuis, Leeuwarden. H. Jelgersma, Kampen. E. Joël, Tilburg. C. de Jong, Gouda. F. J. de Jong, Leiden. H. de Jong, Lutjebroek. Henri de Jong, Utrecht. J. de Jong, Haarlem. J. de Jong, Voorschoten. J. de Jong, Oudega. J. L. de Jong, Amsterdam. M. de Jong, Hoorn. T. de Jong, boekhandelaar, Westzaan. 1 W. W. de Jong, Deventer. W. F. Jongbloed, Leiden. A. C. de Jonge, boekh., Goes. 1 Corn. de Jonge, Brouwershaven. H. de Jonge, Kampen. J. J. de Jonge, Groningen. Cand. W. de Jonge, » G. I. de Jongh, Amsterdam. Mevr. de Wed. J. W. Jongeling, geb. Beuns, Utrecht. W. Jongeneel, Oudewater. I. de Jongh, Leeuwarden. P. de Jongh, Heusden. J. Jongsma, Achlum. D. Jonk Jr., Middelburg. Jonker, Apeldoorn. P. Jonker, Beverwijk. Js. Jonker Hzn., Purmerend. Jonxis, Heusden. H. v. Joolen, Almelo. G. D. Jordens, Zwolle. G. Jorissen, Heerenveen. N. A. Jorissen, Dinxperlo. Julius, Beverwijk. C. Julsing, Alkmaar. H. Jungblut, Utrecht. Just de la Passières, Bergen-op-Zoom.

K.

H. J. Kaak, Silvolde. H. G. Kaks, Amsterdam. L. van Kalken, Utrecht. J. H. J. Kam, Delfshaven. W. Kamerlingh, Groningen. G. J. A. Kamerman. Utrecht. J. Kamminga Kijlstra, Dragten. P. N. van Kampen & Zoon, boekhandelaar, Amsterdam. 1 J. Kamps, Leeuwarden. J. A. Kannegieser, boekh., Brummen. 2 W. A. Kanters, Gendringen. J. P. Kappel, Heusden. W. J. Kat, boekhandelaar, Haarlem. 10 G. A. de Kater, Brouwershaven. J. A. Kaulen, Helmond. A. Keck, Leeuwarden. Keerens, Maastricht. G. J. G. Kehl, Leiden. H. P. Kelder, » C. F. Kellenbach, Rotterdam. H. Kellevink, Amsterdam. Kemink & Zoon, boekh., Utrecht. 5 J. J. H. Kemmer, boekh., » 5 W. van Kempen, Zierikzee. E. F. Kempers, Groningen. Kepler, Amsterdam. G. L. Kepper, Heusden. M. Kerdel, Schiedam. I. C. van Kerkwijk, Aarlanderveen. J. W. van Kerkwijk, Zalt-Bommel. J. Kersten, Zutphen. H. van Kesteren, Gorinchem. H. J. van Kesteren & Co., boekhandelaar, Amsterdam. 5 J. J. A. Keuchenius, Assen. C. J. Keuker, firma Brandon & Co., Rotterdam. H. Keulen, Westhem. G. J. ter Keurst, Ambt Doetinchem. Harm. Keus H.Bzn., Meppel. J. H. Keusschot, Wageningen. D. Keijzer, Amsterdam. Johs. Keyzer, Amersfoort. J. Kielburger, Rotterdam. A. Kielman, boekhandelaar, Veendam. 1 Kierschberg, Amsterdam. W. der Kinderen, Heusden. Jhr. Mr. A. R. P. v. Kinschot, 's Gravendeel. W. H. Kirberger, boekh., Amsterdam. 1 L. C. Kisteman, Rotterdam. F. Kleeuwens & Zn., boekh., Goes. 2 C. Klaar, Zwolle. W. J. Klaar, Maasdam. Jb. Klaasesz, Steenwijk. C. Klaassen, Utrecht. Klaassen, » A. Kläsener, Alkmaar. J. P. C. van den Klashorst, Noordwijk. A. van Klaveren, Gouda. H. A. van Klaveren, Amsterdam. W. F. M. van Klaveren, » J. A. Klaverweijden, Alkmaar. A. Klein, Amsterdam. I. I. Kleine Azn., Kralingen. A. Kleingeld, Rotterdam. J. de Klerk, » Th. Kley, Harderwijk. H. v. d. Kloet, Dordrecht. Wed. J. T. Kloosterman, boekhandelaar, Nijmegen. 6 M. Kloot, Oudshoorn. P. Kluitman, boekh., Alkmaar. 5 L. Kniepstra, Leeuwarden. U. Knotterus, Franeker. G. W. Kobus, Sinderen. Koch Jr., Arnhem. A. Koedijk, Rijssen. S. M. Koekoek, Rotterdam. Hendrik Koelstra, Tjalbet. B. Koendrink, Almelo. A. Koene, Rotterdam. W. Koens Jr., Almelo. D. Koffijberg, Amsterdam. Kohl, »

A. J. A. de Kok, boekh., Bergen op Zoom. 14 B. Kok, Arnhem. T. H. Kok, Deventer. E. H. Kol, Utrecht. W. Kolthof, Almelo. Komen, Delft. F. Kommers, Maastricht. D. H. Koning, boekh., Deventer. 2 F. H. de Koning, Schagerbrug. I. I. R. Koning, Rotterdam. T. G. Koning, » Ph. de Koning, Alkmaar. Mevr. Wed. Koning-Kuijt, Utrecht. D. Konijnenburg, Alphen. J. Konijnendijk, Heinenoord. Kool, Amsterdam. M. Kool, Bodegraven. H. Koomen, Winkel. H. G. Koopmans, Holwerd. L. M. Koopmans, Fochtelo. W. A. F. Koopman, boekh., Lemmer. 2 Ds. H. Koops, Wons. J. Kooremans, Hooftplaat. C. A. Koorenaar, Bergen-op-Zoom. J. A. Koot, Wilnis. J. Kooij, Beemster. P. Kooij, » C. Kooijker, boekhandelaar, Leiden. 11 J. Kooijman, Dordrecht. W. P. Kooy, boekh., Nieuwediep. 5 J. Th. v. d. Kop, boekh., Vlaardingen. 3 J. G. Koppe, Amsterdam. W. van Koppenhagen, Lienden. Korenblik Reyn, Amersfoort. M. J. de Kort, Keppel. W. Korteweg, Overschie. Jbs. de Korver, Vlaardingen. Anthonie Koster, Boskoop. Wed. P. Koster, » Henry Koster, boekh., Amsterdam. 1 J. Koster, » G. Kotting, » G. Kottner, Leiden. L. Kottner, » L. Kous, . Weesperzijde. T. Kouwenaar, boekh., Amsterdam. 3 J. Kouwenberg, Zalt-Bommel. Wed. Kouwenhoven-Sebbler, Amsterdam. Wed. Kraaijenvanger, Delft. Dr. J. Kraakman, Alkmaar. P. B. Kraakman, » Kraal, Rhenen. M. Kraal, Rotterdam. J. Kraan, boekhandelaar, Amsterdam. 5 H. v. d. Kraan, Ysselmonde. D. Kraaijenbrink, boekh., Woerden. 1 Gebr. Kraay, boekh., Amsterdam. 1 G. A. Kraft, » P. J. Kraft, boekhandelaar, 's Hage. 1 J. Kraijenbelt, Alkmaar. J. A. Kramer, Heusden. N. Kramer, Overveen. H. A. Kramers, boekh., Rotterdam. 5 Kramps, Roermond. F. A. Kramps, boekh., Hoorn. 14 J. J. Krantz, Leiden.

Wed. Krap & van Duijm, boekhandelaars, Rotterdam. 3 H. Kreeftenberg Jzn., Varsseveld. C. Kreet de Virieux, Wageningen. B. Kreft, Rotterdam. H. J. Kremer, Meppel. G. de Kroes, Gorinchem. G. van de Krommestraat, Werkendam. A. Kroon, Amsterdam. T. Kroon, » Dr. J. Kroon, Zutphen. C. Kroon, Sliedrecht. F. Kroon, Hoorn. H. v. d. Kroon, Rotterdam. H. W. F. Kroos, Amsterdam. H. Krop, Aarlanderveen. P. A. Kropff, Leiden. D. Kropholler, Amsterdam. D. Kruit, Zijpe. Krummer, Amsterdam. J. J. Kruseman, Haarlem. de Kruijff, Maastricht. J. de Kruyff, boekhandelaar, Utrecht. 10 J. J. Krijne, boekhandelaar, Amsterdam. 4 A. C. Kubatz, Kampen. J. H. Kuhleman, Amsterdam. Kuhn, » Gebr. Künen, boekh., Delden. 4 P. W. Kühne, Gorinchem. J. Kuiker Jzn., boekh., St. Anna Parochie. 1 C. ter Kuile, Zaandam. J. ter Kuile Lemke, Enschedé. J. B. van der Kuijlen, Utrecht. Kuiper, Amsterdam. H. Kuipers, boekhandelaar, Leeuwarden. 1 J. Kuipers, Groningen. IJ. Kuipers, Harlingen. Kuit, Amsterdam. L. K. Kumpe, Zutphen. J. F. Kuneman, Rotterdam. D. M. Kurz, » H. Kusters, Leiden. P. Kuijlaars, boekh., Breda. 5 J. Kuijper, Baarlo. S. D. Kuijpers, Terwaard. I. L. Kuijper, J. van Kuyk, Amsterdam. B. Kwak, Dordrecht. J. C. Kwant, Amsterdam. P. H. Kwant, » J. Kwinkelenberg, »

L.

A. van der Laan, Haarlem. Mr. J. W. v. d. Laan, Gendringen. M. P. van Laar, Almelo. B. G. J. de Laat, Alkmaar. Mw. D. van Laer, Zwolle. A. Lafors, Vlaardingen. H. Lakenman, boekh., Zierikzee. 1 A. H. de Lamaar, Wassenaar. I. G. Lambers, Meppel. P. A. Lammerts v. Bueren, Utrecht. H. Baron v. Lamsweerde, Wehl. J. Landaal, Wageningen. J. D. Landré, Amsterdam. Landweer, » G. van Lange, Waddinxveen. P. J. H. Lange, Amsterdam. G. Langelaar, Rotterdam. J. W. C. van Langen, Ginneken. C. L. van Langenhuyzen, boekhandelaar, Amsterdam. 1 P. Langerveld, Delft. B. Langeveld, Zuilen. J. G. Lankelma, boekh., Amsterdam. 18 J. V. Lankelma, Purmerend. H. Lankenau, Gorinchem. C. P. J. Lauberheimer, Amsterdam. T. C. Lauberheimer, » H. J. Lauden, Rotterdam. H. Lauer, Arnhem. L. A. Laurey, boekh., Nieuwediep. 3 J. W. Lauthendorffer, Haarlemmermeer. Lavalette, Amsterdam. J. Laverman, boekh., Dragten. 4 H. J. van Lawick, Leiden. Lazonder, Almelo. P. Leautaud, Steenbergen. Lebeau, Amsterdam. Leclerq, » A. van der Lee, Grosthuizen, W. Leembruggen, Frederiksoord. Jan Leendertz, boekh., Amsterdam. 1 J. W. van Leenhoff, Rotterdam. Leesgezelschap "de Eendragt", Oostburg. Leesgezelschap "Onderling Genoegen," Vlaardingen. Leesgezelschap "Stichting", Leiden. Leesgezelschap "Verscheidenheid", Amsterdam. Leesgezelschap van Predikanten, Ylst. Leeskring "Onderzoek", Menaldum. Het Leesgezelschap, Oud-Vossemaer. P. de Leeuw, Wageningen. Adr. van der Leeuw, Delft. D. M. van Leeuwen, Oudshoorn. Ds. E. H. van Leeuwen, Vlaardingen. M. D. v. Leeuwen, boekh., Rozendaal. 3 J. W. van Leeuwen, boekh., Leiden. 5 W. van Leeuwen, Schiedam. A. G. W. van Leeuwen, Arnhem. J. Leeuwenburg, Rotterdam. As. Leeuwenburgh, Heinenoord. P. Leeuwenburgh Jzn., » P. Leeuwenburgh W.Bzn., » L. Leeuwenburgh W.Bzn., » H. Leeuwenhoek, Delfshaven. Leeuwenkuyl, Amsterdam. Louis Legros, boekh., Antwerpen. 150 J. H. Lehmann, Zeist. A. L. Lehr, Rotterdam. L. Leicht, Franeker. Leids, Amsterdam. T. H. Lejay, » J. Lendering, Zutphen. C. Lenfring, boekh., Amsterdam. 1 Lenguis, » Lenting, Neuzen. R. Lentz, Franeker.

P. Leunis, 's Hage. Leupen, Amsterdam. J. Leupen, Haarlem. A. de Leur, Gussendam. S. B. Levelt, Amsterdam. P. H. Lexis, Helmond. J. Leijds, Doetinchem. C. Leijerdorp, Rotterdam. H. W. Leygraaff, Renkum. J. H. Lichtenbelt Jr., Aalsmeer. J. K. de Liefde, boekh., 's Hage. 5 T. J. F. A. Liefrinck, Leiden. Liese, Almelo. C. M. van Limburg, Rotterdam. J. Linchers, Wageningen. W. van der Linde, Spijkenisse. A. W. van 't Lindenhout, Hoorn. J. van der Linden, Kampen. J. van der Linden, Hoevelaken. W. Over de Linden, boekh., Enkhuizen. 3 Paul van der Linge, Utrecht. C. J. Th. Lindgreen, boekh., Amsterdam. 1 August Lindner, » Lindner ten Velthuis, » H. de Lint, Spijkenisse. Dr. J. J. van der Lip, Wijk-bij-Duurstede. W. van Lith, Eindhoven. H. Lobach, Obdam. J. M. Locker de Buijne, Brouwershaven. S. F. Lodewijks Jr., Amsterdam. C. Loeff, Zuidzande. M. J. van der Loeff, boekh., Enschede. 14 Vernier van der Loeff, Eindhoven. A. H. Lohse, Loman & Verster, boekh., Amsterdam. 1 J. van Loo, Zwolle. S. van der Loo, Overschie. G. J. van der Loo de Jong, Amersfoort. A. van Loon, boekh., Tiel. 6 K. van Loon, Harlingen. P. van Loon, boekhandelaar, Utrecht. 1 K. Loos, boekhandelaar, Rotterdam. 5 Erven Loosjes, boekh., Haarlem. 14 C. Lopse Hocker, Brouwershaven. C. H. Looijaard, Rotterdam. L. Looijenga, Leeuwarden. Looijenga, » J. Loretz, boekhandelaar, 's Bosch. 1 A. F. van Lottom, Amsterdam. P. J. Lowis, » O. Lubberts, Leeuwarden. Lucassen, » H. J. P. Lucassen, Amsterdam. P. Luigies, Groningen. W. van der Lugt, Renkum. I. H. Lukken, Amsterdam. D. H. Lunenburg, Gouda. Lutkemeijer, Amsterdam. J. Theod. Luijckx, Gaunder. M. J. Luijks, Rotterdam. D. Luijt, boekhandelaar, Assendelft. 5 Jb. Luijt, boekhandelaar, Sliedrecht. 9 J. Luyt, » F. Luyten de By, Roermond. L. I. Luycx, Alkmaar. J. Lijbaart, Krabbendijke.

J. Lijbering, Dockum. Jhr. Mr. G. W. F. Lijcklama v. Nyeholt, Heerenveen. K. Lybering, Amsterdam. J. H. Lypbardt, Groningen.

M.

A. J. M. de Maak, P. C. Maan, Leeuwarden. I. B. Maandag, Hummelo. P. Maarleveld, Vlaardingen. Charles Maas, Scheveningen. H. A. Maas, Harlingen. J. Maas, Almelo. P. C. Maas Jr., boekh., Gouda. 23 A. C. van der Maas, » T. van der Maas, Rotterdam. Job. Maasdam, Numansdorp. B. H. Maaskant, boekh., Gouda. 1 F. J. Maassen, Dordrecht. Wed. H. Maat, Winkel. P. Maat Pz., Vlaardingen. I. W. Maatman, Amsterdam. A. le Maes, Steenbergen. J. P. Mahlstede, Uithoorn. H. F. Maks Jr., Amsterdam. J. Malefeyt, Rotterdam. W. J. F. J. Malherbe, Haarlem. A. M. Mallée Jr., 's Gravenhage. D. Maltha Jr., Schiedam. Mandemaker, Amsterdam. Ph. M. van der Mandere, Kapelle. A. de Mandt, Aalburg. Mans, Amsterdam. J. W. J. Mans veldt Beck Jr., Loo bij Apeldoorn. van Mansvelt, Steenbergen. M. Maquiné, Venlo. Jonkvrouwe A. A. de Marees van Swinderen, Groningen. C. I. B. Marchés, Rotterdam. Mark & Co., » v. Marken, Amsterdam. H. Martin, Zeist. Maruis, Hengelo. Mason, Amsterdam. Mastal, » J. Mast, Groningen. J. W. Mast, Dordrecht. C. I. Mathies, Amsterdam. P. J. Mathijssen, Rotterdam. Matveld, Amsterdam. A. von Mauw, boekh., Maastricht. 5 C. Maystre, Rotterdam. F. T. Maywald, Amersfoort. Jac. van der Meer, boekh., Deventer. 5 J. van der Meer, Leiden. J. W. van der Meer, Almelo. W. J. van der Meer, Harlingen. A. Gezelle Meerburg, boekh., Heusden. 14 J. W. G. Meerstad, Rijssen. J. Mees Fzn., Groningen. H. J. Meessen, Utrecht. A. C. van Meeteren, Amsterdam. J. Meeussen & Zoon, boekh., 's Hage. 6 B. Meeuwig, Utrecht. Meg, Amsterdam. G. F. Mehlbaum, »

J. C. Mekel, boekhandelaar, Winsum. 5 P. van Meldek, Roermond. H. Melder, boekhandelaar, Utrecht. 2 de Mellet, Maastricht. G. F. Menger, Berkel. Menagé Challa, Amsterdam. Ds. W. Mense, Heeg. M. J. Mensing, boekh., Rotterdam. 3 P. H. W. Menzel, Leiden. Jhr. Ph. E. van de Merwede, Zutphen. G. van Mesdag, Groningen. H. Messink, Tiel. I. H. Metten, Nijmegen. Jan Mettes, Hoorn. Mej. C. C. Metz, Haarlem. J. ter Meulen, Purmerend. F. v. d. Meulen, Barendrecht. J. D. van der Meulen, Irnsum. R. van der Meulen, Franeker. P. C. van der Meulen, Nieuwendiep. J. Meulenbelt, boekh., Rotterdam. 8 J. Meurs, boekhandelaar, 's Hage. 1 H. van Meurs, Assen. P. van Meurs, Schiedam. v. Meurs, Amsterdam. de Meij Mecima, Spijkenisse. Meijer, Amsterdam. Meijer Jr., » D. H. Meijer, Hekendorp. E. Meijer, Groningen. G. L. Meijer, boekh., Lochem. 1 H. A. Meijer, boekh., Amsterdam. 5 H. J. Meijer, Rotterdam. J. G. Meijer, Groningen. J. M. E. & G. H. Meijer, boekhandelaars, Amsterdam. 2 J. W. Meijer, Renkum. P. Meijer Levy, Leeuwarden. C. P. de Meijer, Maurik. W. H. de Meijer, Rotterdam. D. J. D. de Meijere, Ysselmonde. Ph. Meijers, boekh., Amersfoort. 5 Meijes, Amsterdam. D. N. Meijners, Geertruidenberg. H. G. J. L. Meijners, Nijmegen. J. van der Meyden, Haarlem. J. Meynadier, Amsterdam. M. E. Meyneken, Rotterdam. J. H. Michaelis, Vlissingen. S. Middeldorp, Deventer. C. Middelman, Utrecht. C. Miedema, Minnerstga. A. Mielart, Uithoorn. H. I. van Mierlo, Eindhoven. W. Millard, Rotterdam. I. G. Milo Jr., » H. Minkman, Arnhem. L. Mirande, Harlingen. Jhr. E. A. L. Mock, Haarlem. Mr. A. E. I. Modderman, Leiden. W. Moet, boekhandelaar, Dordrecht. 5 C. C. Mohrmann, Leeuwarden. A. Mol, Amersfoort. P. H. Mol, Amsterdam. P. de Mol Moncourt, Garijp. M. S. Molders, Leiden. P. W. Molenaar, Scharnegoutum.

S. H. Molenbroek, Leiden. B. N. I. T. Molkenboer, » G. Molkenboer, Amsterdam. Jhr. Mr. G. W. Mollerus, Heusden. H. I. Molsbergen, Utrecht. Mejufvr. Mom Visch, Haarlem. Monrooij, boekhandelaar, Amsterdam. 1 D. Monsma, Franeker. A. Montagne Izn., Leiden. A. Montauban, Haarlem. H. J. Moojen, boekh., den Burg. 6 A. Moolenaars, Haarlem. J. Moolenburg, Brouwershaven. H. J. Moonen, boekh., Oosterhout. 2 J. M. de Moor, Rotterdam. J. W. Moot, Amersfoort. A. C. de Mooij, boekh., Zierikzee. 4 H. H. Mooy, boekh., Amsterdam. 5 E. Mooyaart, Haarlem. A. Moritz, Rotterdam. A. Moritz, » J. Moritz, » C. Morks Jzn., boekh., Dordrecht. 35 C. Morks D.Wzn., » J. Morks Jzn., » M. C. Morks, Amsterdam. Morriën, » Morriën, » F. Mos, Dwingelo. G. Mosmans, boekh., 's Bosch. 28 B. Mossel, Renkum. Wed. S. H. Most, Nijmegen. S. J. A. du Moulin, Rotterdam. F. J. v. d. Mueren, Oostmahorn. J. F. H. Muhring, Steenbergen. G. Muilwijk, Rotterdam. H. A. Mulder, Groningen. J. Mulder, Amsterdam. Mulder, » P. D. Mullaard, Hellevoetsluis. G. Muller, Amsterdam. I. I. Muller, » J. Muller, » Gebr. Muller, boekh., 's Bosch. 8 Gebr. Muller, boekh., Maastricht. 9 Dr. F. Muller Massis, Aan de Bilt. F. M. Muller, Holter. J. Muller, Eendr. bij Apeldoorn. J. Muller, Maastricht. H. E. A. Muller, Zalt-Bommel. J. V. Münch, Almelo. von Munchen & Rookmaker, boekhandelaars, Haarlem. 10 J. J. Munniks de Jongh, Leeuwarden. van Munster, Rotterdam. A. W. van Munster, boekh., Utrecht. 5 J. P. Munting, Assen. E. W. Mus, Zierikzee. J. Mus, » I. F. Musbach, Amsterdam. J. Musses, boekhandelaar, Purmerend. 19 J. A. Muijzert, Utrecht. G. J. Mijnlieff, Renkum. D. Mijs, boekhandelaar, Tiel. 4 A. P. te Mijtelaar, Amsterdam. Mevr. D. M. geb. van R.,

N.

L. Naaktgeboren, 's Gravendeel. Mevr. de Douairière Nagel, Zwolle. A. J. H. M. A. Baron van Nagell van Nederhemert, Nederhemert. Nagtegal, Amsterdam. Nagtglas, Renkum. Mr. J. Nanninga Uiterdijk, Kampen. V. R. Nederländer, Amsterdam. L. de Neef, Rotterdam. M. Nelemans, Zetten. Neidlinger, Amsterdam. Neomagus, Reeze. O. P. de Nes, Heerenveen. W. J. de Neth, Zalt-Bommel. J. v. d. Neut, Amsterdam. G. P. de Neve, Heen. P. J. Neijt, Vlissingen. G. J. Nibbelink, Varsseveld. J. H. Niemeijer, Vlissingen. Niendieck & Eden, boekh., Amsterdam. 2 A. C. Niermeijer, Deventer. A. van Nieuwbeert Oonk, boekhandelaar, Elburg. 13 J. B. Nieuwenhuis, Deventer. J. G. Nieuwenhuis, » Wed. J. Nieuwenhuis, boekhandelaar, Gorinchem. 2 Wed. J. H. Nieuwenhuis, Utrecht. J. L. Nieuwenhuijsen, Culemborg. R. O. van Nieuwenhuijzen, Zierikzee. W. A. Nieuwenhuijzen, boekhandelaar, Tholen. 7 Nieuwenhuys, Amsterdam. P. B. Nieuwenhuys, boekh., Breda. 16 J. Niewold, Groningen. J. Niezen, » Mr. C. J. R. Nobel, Zwolle. A. Nobel, Rotterdam. G. Noë Lzn., boekh., Leeuwarden. 3 W. Ph. Noë Iz., Amsterdam. J. Noest, Leiden. P. Nol, Alkmaar. R. Nolen, Heurne. G. A. Nolen, Heerjansdam. J. Noomen, Heerde. H. Noordendorp, Oegstgeest. B. van Noordenne, Sliedrecht. A. Noordhoek, Delfshaven. P. Noordhoff, boekh., Groningen. 30 M. Noordtzy, Schiedam. J. Noortveen, Rotterdam. W. van Noortwijk, boekh., Schiedam. 3 H. J. van Noppen, Goes. H. C. Noyen, Leiden. A. Nugteren, Rotterdam. A. Nuijens, boekh., Alkmaar. 17 Is. An. Nijhoff & Zoon, boekhandelaars, Arnhem. 5 Mej. M. W. Nijhuis, Doetinchem. H. Nijland, boekhandelaar, Epe. 5 C. Nijsen, Utrecht. Societeit van Nyveren, Deventer. F. Nijhoff, Almelo.

O.

David Obenhuysen, Amsterdam. G. Ockers, » Jb. Ochtman Johz., Zierikzee. S. Ochtman Jz., boekh., » 9 J. Odé, boekhandelaar, Schiedam 30. W. Odendaal, Ulft. J. K. F. van Oeveren, Aalten. H. J. Offerhaus, Veenhuizen. N. Oldenburg, Rotterdam. G. I. C. van Oldenburgh, » I. Oldigs, Amsterdam. S. C. J. Olivier, » A. J. Olivier, Leiden. Olij, Utrecht. Joh. van Ommen, Amersfoort. R. Ommering, Vlaardingen. Onderw. Leesgezelschap, Samarang (O.-I.) J. J. Oord, Bolswart. W. H. van Oordt. Rotterdam. G. A. Oortenbroek, Haarlem. Oosink, Bloemendaal. R. Oostdam, Arnhem. Oostendorp, Amsterdam. J. van Oostende Az., Zutphen. F. J. Oosterbaen, Dragten. T. Oosterman, Gorinchem. H. J. van Oosterom, Utrecht. Oostwald, Kampen. Opdenheid, Amsterdam. A. Ophorst, boekhandelaar, Wageningen. 30 M. Oppenheim, Rotterdam. W. M. Oppedijk, Ylst. T. Orelio, 's Hertogenbosch. H. van Os, boekhandelaar, Schagerbrug. 5 J. C. van Os, » D. Oskam, Berg-Ambacht. J. Osti, Amsterdam. G. H. Otjens, Bergen op Zoom. P. Otter, Tjalbet. A. A. van Otterloo, Amsterdam. Milar van Otterloo, 's Gravenhage. Otto, Amsterdam. M. Ottevanger, Rotterdam. E. J. de Oude, Tjalbet. J. de Oude, Brouwershaven. I. H. den Ouden, Amsterdam. W. v. Ouwerkerk, Rotterdam. A. Overbeek, Ambt Doetinchem. G. A. Overbeek, Erichem. G. van Overbeek, boekh., Alphen. 10 P. J. van Overbeék, Dordrecht. P. J. Overberg, Amsterdam. P. J. Overberg, » Overbosch, Venlo. S. Overbosch, Epe. J. A. Overdiep, Heerenveen. D. Overeem, Veenhuizen. A. M. Overeijnder, Moordrecht. J. Overweg Wzn., Zwolle. W. Overweg Jzn., Kampen. W. Overweg, Almelo. A. P. van Oijen,

P.

A. C. F. van Paddenburg, boekhandelaar, Amsterdam. 4 Mevr. de Wed. Paets, Amersfoort. E. J. Pannekoek, Keppel. G. H. Pannekoek, Batavia. C. F. J. Pape, Heusden. J. B. Paris, Amsterdam. A. Parmentier, Leiderdorp. J. N. Parrée, Utrecht. G. A. Parser, Amsterdam. J. G. van Parijs, Leiden. Jn. van der Pas, Vlaardingen. Jongenh. J. Pasteur, Doetinchem. Joh. L. v. d. Pauwert, boekh., Delfshaven. 1 J. A. Peekel, Amsterdam. C. M. H. Pel, Bergen-op-Zoom. H. J. Peppink, Spijkenisse. H. H. Penaat, Groningen. W. Perk, Alphen. P. J. Persijn, boekh., Hoorn. 1 J. A. Perlee, Kampen. P. J. Peskens, Leiden. Jhr. V. A. de Pesters, Amersfoort. C. Pet, boekhandelaar, Hoogeveen. 14 M. Peters, Veenendaal. G. A. Peters, Schore. A. E. Petersen, Zutphen. C. Petersen, Dockum. M. G. Petersen, Amsterdam. Ch. Ph. Petit, Breda. I. G. de Petit, Gendringen. Louis D. Petit, boekh., Amsterdam. 9 G. van Peursem, boekh., » 6 J. H. van Peursem, boekh., Utrecht. 1 Peuschgen, Amsterdam. J. Peijer, Heerenveen. P. Pey, Utrecht. H. Pezie, Ambt-Almelo. F. A. I. Pichot, Schiedam. B. Pichsma, Harlingen. Mej. Wed. J. Pieckers, Alkmaar. A. C. Pielanen, Leiden. J. Pieters, 's Hertogenbosch. A. Pieters, Dordrecht. P. Pieterse, Amsterdam. M. F. van Pierre, boekh., Eindhoven. 19 J. G. Piket, Leiden. D. Pinkert, Arnhem. A. Pitaffe, Hoorn. Plaat, Amsterdam. H. Plaizier, Leeuwarden. F. Plantenga, Franeker. Plas, Wateringen. A. J. Plas, Schagerbrug. E. C. Platvoet, Velsen. W. C. Plet, 's Hertogenbosch. J. Plet, Leeuwarden. J. van der Ploeg, Franeker. W. Ploegsma, Akkerwoude. M. J. van der Poel, Almelo. v. d. Poel, Amsterdam. B. W. Poeschmann, » B. W. Poeschmann, » G. B. Poeschmann, boekh., Rotterdam. 5

J. Pogge, Amsterdam. Joh. van der Pol, Wijk bij Heusden. A. R. Polet, Dordrecht. J. v. Poll Suykerbuijk, boekhandelaar, Rozendaal. 5 H. Pollema, Berlikum. R. G. Pollman, Wehl. Guillaume Pollet, Tilburg. J. B. Poort, Amersfoort. J. N. Poort, » A. K. Poortman, Vlaardingen. C. van Poortvliet, Nieuw-Vossemeer. J. van Poortvliet, Nieuwerkerk in Duiveland. Gebr. Poot, boekhandelaar, Rotterdam. 43 P. Poots, Dordrecht. L. van Popering, Dreischor. J. G. Portegeis, Bergen op Zoom. P. Portegies, Alkmaar. W. Pos, Vroomshoop. H. A. Posno, Kampen. L. G. Post, boekhandelaar, Purmerende. 3 H. Post van der Burg, Rotterdam. L. Posthuma Ezn., Oosterwolde. W. Posthuma, Dockum. W. Posthumus, Groningen. N. W. Posthumus, Amsterdam. Posthumus, » Clement Postmus, Heerenveen. F. Postma, Leeuwarden. G. Postma, Hallum. J. Postma, Cornwerd. D. Pot, Franeker. J. Pothof, Silvolde. J. Pottebakker, Breukelen. F. Th. Potter, Utrecht. C. H. A. Poulich, Rotterdam. D. Pouwels, boekhandelaar, Bergen op Zoom. 3 W. F. Pouw, Amsterdam. C. M. Pouwels, Sneek. Mevr. de Wed. van Praag, Leiden. L. van Praag, » G. du Pré, Ambarawe. W. F. Prels, Nijmegen. J. Preuijt, Terheijden. J. H. Prikken, Amersfoort. H. W. Prillewitz, Heusden. J. H. Prillewitz, Wijk (bij Heusden.) A. M. Prins, Wageningen. Maurits Prins, N. Prins, Sliedrecht. P. J. Prins, Rotterdam. S. H. Prins, Bolsward. J. Prins de Bennekom, Bennekom. G. Prinsenberg, Gouda. T. D. H. Pull, boekh., Apeldoorn. 13 C. Pullewitz, Heusden. G. Prümers, Leiden. J. J. F. Thomas van Putt, Brussel. W. van Putten, Kampen. K. v. d. Pijll, Groningen. H. J. Pijlman, Vroomshoop. H. Pyttersen Tzn., boekh., Sneek. 1

Q.

Mr. A. Quaëstuis, Dronrijp. H. Quakkelsteijn, Vlaardingen. Arts J. A. Quanjer, Amsterdam. Quarles van Ufford, Zutphen. C. Quast, Dordrecht. A. W. Quint, boekh., Houtrijk & Polane. 11 H. I. Quint, Amsterdam.

R.

D. de Raad, Puttershoek. W. J. Raadgeep, boekh., Doetinchem. 64 F. Raadman, Kampen. H. Raamaker, Groningen. J. Rademakers, Venlo. B. Radstake, Varsseveld. Jos. Raemaekers, boekh., Roermond. 4 E. C. Rahms, boekh., Oudewater. 1 C. J. Ramann, Amsterdam. Ranning Eylerts, boekh., » 3 B. J. Ras, » Joh. H. Rasël, » Jb. Raven, Groningen. P. van Raven, boekh., de Rijp. 1 F. Rauch, Amersfoort. F. C. G. Graaf v. Rechteren Limpurg, Varsseveld. A. E. J. Reckers, Rotterdam. D. v. Reenen, Amsterdam. J. J. van Reenen, Leiden. W. Reeser, Rotterdam. M. I. Reesse, Delft. H. Regelman, Winkel. P. F. Regnault, Amsterdam. H. de Regt, Rotterdam. J. W. Regtering, Amsterdam. A. Ph. G. Reigersberg, Utrecht. W. Reinders, Kampen. G. J. Reits, boekhandelaar, Groningen. 1 W. A. W. Rengers Hora Siccama, Hoogeveen. M. H. Reterink, boekh., Schiedam. 9 J. P. Revers, boekh., Dordrecht. 1 J. van Reijen, Haarlem. W. J. Reijnders, Utrecht. Franc Reynders, Rotterdam. P. H. J. Reynet de la Rue, boekhandelaar, Amsterdam. 1 C. D. Rezelman, Wieringerwaard. Mevr. Richelle-Swaan, Woerden. J. de Ridder, Wageningen. de Ridder, Amsterdam. de Ridder, » Riebel, » J. Riesberg, boekhandelaar, Nieuwe Niedorp. 11 D. Rietveld de Hondt, Velp. J. Rikkers, Leeuwarden. G. W. Ringeling, Amsterdam. C. W. J. Rink, Oosterhout. J. Rit, Zalt-Bommel. C. M. Ritmeester, Gorinchem. Wed. E. H. Ris, Schiedam.

Robbers & de Haas, boekh., Rotterdam. 30 Mej. Rodbard, Leiden. J. H. de Rode, Zutphen. A. Rodenburgh Mentz, Renkum. Rodenhuis, Amsterdam. H. C. Roeff, » Mr. B. A. Roelvink, Aalten. I. Roer, Alblasserdam. W. Roetman, Schiedam. H. A. M. Roelants, boekh., » 1 Joh. Roem, boekh., Alkmaar. 7 J. W. v. d. Roest, boekh., Nunspeet. 3 C. Rogge, Retranchement. IJ. Rogge, boekhandelaar, Amsterdam. 1 C. van Roggen, Amersfoort. W. Roggenbach, Utrecht. W. Rogghé, boekh., Gent. 70 A. J. M. Roldanus, Wageningen. A. C. Rolff, boekhandelaar, Amsterdam. 7 J. P. Romein, Leeuwarden. J. J. Romeijn, Ouwerkerk. J. Romelingh, boekh., Groningen. 1 H. de Ronde, Delfshaven. B. H. de Ronden, boekh, Amsterdam. 8 J. de Roo, Overveen. H. J. de Roo, Doesborgh. Wed. J. M. Roodenburg-Nolet, Nijmegen. Dr. H. Roodhuijzen, Zalt-Bommel. R. H. de Roodt, Rotterdam. J. Roorda, bij Leeuwarden. J. J. Roos Jr., Wormerveer. Mej. F. W. de Roos, Bloemendaal. J. Rooseboom, Zwolle. A. Roost, Overschie. F. A. Roost, Zalt-Bommel C. J. van Roosendael, Culemborg. I. H. v. d. Roovaart, Vlaardingen. M. van de Roovaart, Rotterdam. H. van Rooijen, » J. J. van Rooijen, Leiden. W. van Rooyen, » Jos. M. Roozenburg, boekh., 's Hage. 4 W. Rosenkranz, boekh,. Maastricht. 10 G. Rosier, Gendringen. Th. Rosier, Leeuwarden. H. Roskam, Sliedrecht. F. van Rossen, boekh., Amsterdam. 1 Dr. A. J. van Rossum, Enschedé. J. v. Rossum Dzn., boekh., Bodegraven. 9 G. Rubbers, Hengelo. C. Ruben Bzn., Westword. Ruhl, Amsterdam. W. Ruitinga, Harlingen. J. C. C. Rupp, boekh., Ede. 1 Vrouwe Douairière Rutgers van Rozenburg, Haarlem. G. Rutter, Amsterdam. F. F. Rüvekamp, Nijmegen. W. J. Ruijs, Haarlem. D. J. Ruijter, Gouda. P. H. de Ruyter, Leeuwarden. A. C. van Ruyven, » W. van Rij, Puttershoek. J. van Rij, Rotterdam. F. D. Rijf, Harlingen. A. Rijken, Dordrecht.

A. G. Rijkens, Groningen. Rijks Hoogere Burgerschool, Winterswijk. Rijks Hoogere Burgerschool, Zwolle. Rijks Normaalschool, Amersfoort. Ph. van Rijn, Berkel. D. Rijnders, Alkmaar. C. A. Rijpost, Groenveld. G. Rijsdijk, 's Gravendeel. A. van Rijs, Zwijndrecht. C. J. F. Ryperman, Velzen.

S.

Gerrit Saager, Wensum bij Apeldoorn. F. Salvezen, Nieuwendiep. J. Samplonius, boekh., Heeg. 10 J. C. Sander, Schiedam. C. J. van Santen C. Jzn., Vlissingen. Mevr. Wed. Saportas, Arnhem. G. J. Sas, Harderwijk. R. Sasburg, Wijdenes. J. G. Sasse, Leiden. H. Sasse, » J. C. Sauerbier, Nieuwerkerk a/d.yssel. R. J. Sauerbier, » D. Schaaf, Leeuwarden. A. Schaafsma, boekh., Dockum. 5 Schaap, Delft Gebr. Schaap, Arnhem. A. Schaap, Winkel. H. A. Schaap, Almelo. Schaap, Amsterdam. Schadd & Schröder, boekh., » 14 Schalekamp, v. d. Grampel & Bakker, boekh., » 10 van der Schalk & v. Dijl, boekhandelaars, Dordrecht. 6 Schaller, Amsterdam. C. W. Schalij, Leerdam. Dr. J. van der Scheer, Assen. Erven D. H. v. d. Scheer, boekhandelaar, Assen. 9 E. Scheepers, Heerlen. Scheltema, Amsterdam. Scheltema & Holkema, boekhandelaars, Amsterdam 17 H. Scheltes, Groningen. J. A. Scheltens, Herwynen. J. Schenk, Rotterdam. P. Schenk, Dordrecht. Scheppers, Maastricht. J. Scheres, Dordrecht. H. Scheringa, Beemster. Mevr. Scherius, Utrecht. W. Schermer, Amsterdam. F. A. Schiebelhout, Rotterdam. R. J. Schierbeek, boekh., Groningen. 9 W. C. Schiff, Nes (Ameland). Schiffelers, Maastricht. I. W. Schimsheimer, Amsterdam. J. F. Schimsheimer, » P. W. A. Schipper, Rotterdam. P. J. Schipperhein, Wageningen. R. Schippers, Middelburg. C. L. Schleijer & Zn., boekh., Amsterdam. 1

J. F. C. Schlimme, Amersfoort. J. P. Schluiter, » F. H. Schmidt, Rustenburg. L. W. T. Schmidt, Leiden. A. Schneidener, Zandpoort. Schneider, Zalt-Bommel. C. F. Schneiders, Zutphen. W. Schof, Dordrecht. J. L. Scholberg, Maastricht. Mej. M. Scholmeijer, Alkmaar. K. L. Schols, Amsterdam. Scholte, » P. Scholtens, Groningen. R. Scholtens, Enschedé. Scholtens & Zoon, boekh., Groningen. 5 H. W. Schonewald, Wageningen. M. Schooneveld & Zn., boekhandelaar, Amsterdam. 6 J. Schoonman, Zutphen. J. Schoonman, boekh., » 9 R. Schoonman, Lochem. Dr. Schoorel, Katwijk aan Zee. R. van der Schoot, Hillegom. A. P. Schotel Gzn., Dordrecht. D. Schotel J.Wzn., boekh., » 5 I. Schotman, Dordrecht. A. Schout Velthuijs, boekh, » 9 J. Schouten, Alkmaar. Mej. de Wed. B. Schouten, Wassenaar. Schouw, Amsterdam. J. van der Schouw, boekh., Leiden. 34 I. Schreuder, Aalzum. A. Schram Jzn., Sliedrecht. W. E. Schravensande, Rotterdam. J. E. Schreiber Jzn., Amsterdam. Schreiner, Arnhem. J. W. Schreurs, Leeuwarden. S. H. Schrik, Zwolle. W. C. Schrikker, Amsterdam. T. Schroder, » Schröder, » Schröder, Amersfoort. J. van der Schroeff, Kampen. D. Schrijver, Nieuwendiep. Schrijver, Amsterdam. A. W. Schuhkrafft, Melbourne. J. Schuitemaker, boekh., Purmerende. 1 N. Schuitemaker, Leeuwarden. L. A. E. Schuller, Renkum. Schulte, Amsterdam. W. Schultz, » J. Schültze, 's Hertogenbosch. G. Schumacher, Heerenveen. E. Schut, Dordrecht. F. Schut, Heilo. I. Schut, Leiden. J. J. Schutte, Amsterdam. Willem Schutte, Zwolle. P. F. Schutz, Hoorn. H. F. Schuurman, Alkmaar. G. J. Schuijt, Amsterdam. N. Schuijt, » H. Schuijten, Leiden. N. Schuyt, Amsterdam. A Schwab, Kampen. J. Schweinzberg, Amersfoort. M. C. Segmond, s'Gravendeel.

A. J. Servaas van Rooijen, boekhandelaar, Utrecht. 34 H. Seubring, Noordlaren. Seyffardt's Boekhandel, Amsterdam. 1 P. C. Sidema, Zalt-Bommel. G. J. Siddré, Amersfoort. Siep, Amsterdam. J. Siemerink Schaap, Alkmaar. J. de Sille, Rotterdam. F. W. Simons, Overveen. W. H. Simons, Middelburg. H. Singer, Rotterdam. Mevr. Wed. W. de Sitter-ten Berge, Glimmen (Prov. Groningen). K. Slikker, Kolhorn. R. Slikker Jr., Almelo. H. J. Slinkert, Utrecht. Mr. A. F. Baron Sloet van Zwanenburg, Apeldoorn. H. J. F. Slinkert, Rotterdam. A. M. Slothouwer, boekh., Amersfoort. 25 A. J. Sloores, Winkel. Sluik, Amsterdam. D. v. d. Sluis, Barendrecht. Dr. A. R. van der Sluis, Oosterwolde. H. Sluiter, Gouda. Jb. van der Sluijs Veer, Alkmaar. E. W. G. Sluyter, Amsterdam. L. van der Sman, Schiedam. J. Smedes Houwerzijl, boekhandelaar, Appingedam. 3 Mej. L. Smeding, Leeuwarden. S. Smeding, boekh., » 6 P. Smeding, Scharnegoutum. F. W. Smets, Almelo. A. J. Smeulders, Breda. Smid, Amsterdam. Smies, » Smirren, » Smit, » Smit, » W. A. Smit, Groningen. J. Smit, Bloemendaal. J. H. H. Smit, boekh., Amsterdam. 1 N. Smit, Purmerend. G. J. A. Smit, Zutphen. K. M. Smith, Rotterdam. H. Smits, boekhandelaar, Ootmarsum. 9 W. H. Smits, Leiden. N. D. Smits, » Ds. F. W. Smits Pzn., Enschedé. P. Smits, Alkmaar. J. C. J. Smits, Bronbeek. J. Smolders, 's Heerenhoek. Mej. M. Snellen, Rotterdam. J. G. Sneltjes, Amsterdam. Persant Snoep, 's Gravenpolder. W. Snijders, Rotterdam. Sodenkamp, Maastricht. A. Soederouw, Amsterdam. C. J. van Soest, boekh., » 6 Soeters, Bergen-op-Zoom. J. Soff, Leiden. Ph. Sollmann Jr., Arnhem. P. N. Sombeek, boekh., Zaandam. 8 A. E. C. v. Someren, boekh., Zutphen. 3 P. Somerwil, boekh., Leiden. 5

J. T. Sommer, boekh., Almelo. 5 G. Sommeling, Amsterdam. P. Sommerling, » D. J. Somsen, Heurne. J. A. Sonne, Hellevoetsluis. G. Sormevelt, Zwolle. Sormani & Co., Groningen. J. B. Soute, Rotterdam. Mej. H. G. P. Spaargaren, Oegstgeest. H. Spanjaard, boekh., Steenwijk. 6 D. J. Spanjaard, Borne. Iz. J. Spanjaard, » N. Spanjaard, » K. T. v. Spanjen Koppenal, boekhandelaar, Zaandam. 5 A. Spek Azn., Gorinchem. N. M. van der Spelt, Steenbergen. Jhr. Th. v. Spengler, Gendringen. W. H. Freule von Spengler, Kampen. J. Sperling, Leeuwarden. D. M. Speyer, Leiden. C. G. Spit, Gouda. P. Splinter, Bodegraven. M. Splinter, Leiderdorp. Spruit, Amsterdam. Spruyt, » Wed. J. C. Spijker, boekh., » 5 J. Spijkman, Alkmaar. A. van der Stadt Jr., boekh, Haarlemmermeer. 1 Stakenburg, Amsterdam. H. G. Stahl, boekhandelaar, 's Gravenhage. 47 D. J. Stam, » A. Stam, Culemborg. N. Stam, Alkmaar. P. Stam, Dordrecht. G. Starink, boekhandelaar, Zutphen. 3 J. Stasse, Werkendam. Staumer, Amsterdam. H. G. van Steeden, boekh, Hellevoetsluis. 4 Mej. C. A. v. d. Steek, Dordrecht. van der Steen, Bergen-op-Zoom. G. R. van der Steen, Zalt-Bommel. H. J. K. van der Steen, Spanbroek. A. A. Steenbergen, Hoogeveen. D. Steenbergen, Kampen. J. Steenmeijer, boekh., Middelburg. 14 H. Steenwinkel, Gorinchem. B. P. P. Steevert, Delft. Steiger, Amsterdam. Wed. R. P. Steltman, Groningen. C. F. Stemler, boekh., Amsterdam 32 v. d. Stempel, » Stein, » Steinberg, » W. Steinmetz, 's Gravenhage. W. H. Stenfert Kroese & v.d. Zande, boekhandelaars, Arnhem. 12 C. J. Stephanus, boekh., Meppel. 5 W. Sterk, boekhandelaar, Den Burg. 15 van Steijn van Hensbroek, Wageningen. G. Stiel, Maastricht. Daniel Stigter, Goes. Wed. Stipriaan Luçius, Enschede. J. H. Stöcker, Wageningen. J. Stoecke, Leiden. W. Stoeder, Amsterdam.

W. L. Stoeller, boekh., Rotterdam. 5 P. J. Stoffers, Amsterdam. H. Stoffels, Leeuwarden. L. Stoffers, Meppel. W. J. Stokvis, Arnhem. W. Stokhuijzen, boekh., » 10 T. Stokhuyzen, Leiden. H. Stol, Haarlem. J. M. Stolk, boekhandelaar, Gorinchem. 6 R. Stolp, Kwadijk. M. C. v. d. Stolpe, Bruinisse. H. Stoof, Voorhout. I. W. Stooker, Nieuwendiep. D. J. P. Storm Lotz, boekh., Rotterdam. 5 A. G. W. van der Straaten, Amsterdam. K. F. Stremming, » K. F. Stremming Jr., » R. Stuffken, Arnhem. H. S. van der Stum, Rotterdam. B. van Stumperen, Amsterdam. J. Sturm, Neuzen. C. H. Sunderman, Dordrecht. F. W. Sunderus, Rotterdam. H. Suringar, Leeuwarden. Hugo Suringar, boekh., » 1 W. Sutorius, Helmond. J. W. & C. F. Swaan, boekh., Arnhem. 15 H. Swagerman Dzn., Amsterdam. H. Swank, Barendrecht. S. A. N. Swart, Amsterdam. W. Swart, Marrum. P. Swart, Almkerk. A. Swartjes, Egmond aan den Hoef. W. J. A. Sweep, Alkmaar. N. K. Swemer, Leiden. W. Swinkels, Helmond. J. Switzer Az., Gouda. J. van der Sijde, Almelo. G. van Sijtveld, Watergraafsm.

T.

J. Taats, Amersfoort. Tabak, Amsterdam. M. Tachi, Zierikzee. S. Tacoma, Baard. J. C. Takke, boekh., Rotterdam. 7 J. Tat, Haarlem. L. C. Teber, Bergen-op-Zoom. van Teefelen, Zalt-Bommel. Wed. P. M. Teenstra, boekh., Bolsward. 7 P. Tegelbeckers, Utrecht. J. C. Tegen, Gendringen. C. Tekes, Harlingen. T. Telenga, boekh., Franeker. 5 W. Tellinga, boekhandelaar, Nijmegen. 5 W. F. van Tellingen, Alkmaar. P. A. Tenenti, Dordrecht. J. G. van Terveen & Zoon, boekhandelaars, Utrecht. 5 D. C. Terveer, Sliedrecht. Mej. Wed. W. C. Tetenburg, Rotterdam. A. Textor, Bloemendaal. G. J. van Thiel, Amsterdam. J. J. van Thiel, Breda. H. C. A. Thieme, boekh., Nijmegen. 14

W. J. Thieme & Co.; boekh., Zutphen. 5 Erven Thierrij & Mensing, boekhandelaars, 's Hage. 5 G. Thomassen, Velp. G. Thomassen Tzn., » Thomson, Bergen-op-Zoom. C. Thömssen, Bloemendaal. A. Thijssen, Zwolle. Gebr. Thijsen, Amsterdam. Tiege, Ede. Th. Tielkens, Rotterdam. J. H. Tielkemeijer, boekh., Amsterdam. 7 Tieman, » Jan Tiemstra, Franeker. K. Tietema, Tzum. Tilburg, Amsterdam. J. Timmer, » G. W. Tinke, Heerenveen. H. A. Tjeenk Willink, boekhandelaar, Zwolle. 1 W. E. J. Tjeenk Willink, boekhandelaar, Arnhem. 1 Tolhuyzer, Amsterdam. Tomassen, Maastricht. Mr. J. Tonckens, Westervelde. F. F. Tönjes, Leeuwarden. H. M. Tonopeus, Uitwierde. D. Tool, Wognum. J. Tool, » W. Toole, 's Hage. W. Toor, boekhandelaar, Krommenie. 1 Tosi Facino, Amsterdam. W. J. Tresling, Kampen. Mevr. van Troijen, Haarlem. J. Turelme, Tol nabij Zierikzee. H. van Tussenbroek, boekh., Wageningen. 16 P. Tuijtel, Zierikzee. Twisk, Amsterdam. Erven J. J. Tijl, boekh., Zwolle. 1 H. F. Tijnje, Aarlanderveen.

U.

V. Uchtman Jr., Middelburg. Uffen, Amsterdam. A. B. Uhl, Oranjewoud. W. J. Uilkens, boekh., Groningen. 5 A. Uit den Boogaard, Heerde. Uitenhoven, Amsterdam. M. J. Uitzinger, boekh., » 2 H. Ulrici, » L. Uunk, Heerde. Wed. H. H. Uyttenbroeck, boekhandelaar, Venlo. 6 H. J. Uytterbroeck, 's Hertogenbosch.

V.

L. J. v. d. Vaart, Deventer. v. d. Valk, Amsterdam. B. W. Vallenduuk, Overveen. J. M. Vallentgoed, Wommels. M. G. Vattier Kraane, boekh., Tilburg. 5 H. J. van der Vecht, boekh., Hasselt. 1 Erven G. Veel, boekh., Alkmaar. 1 Johs. Veen, Wageningen. J. H. Veen, Haarlem. G. H. van Veen, Zwolle. J. J. van Veen, Bergen op Zoom. E. J. van 't Veen, Kampen. I. B. Veenenbos, Dordrecht. L. L. Veenendaal, Hillegom. M. O. Veenstra, Akkrum. J. Veenvalck, Kampen. C. de Veer, Amsterdam. L. de Veer, Gorinchem. L. Veerman, boekhandelaar, Heusden. 14 N. P. van der Veer, Utrecht. A. van der Velde Czn., Hees. A. C. van der Velden, Amsterdam. J. P. Velderman, Hillegersberg. T. Velthuijzen, Haarlem. W. G. van Velsen Coster, Zwolle. S. van Velzen Jr., boekh., 's Hage. 1 S. van Velzen, Kampen. G. van de Ven, Tilburg. Jb. van der Ven, Tiel. M. C. van der Ven, Heusden. A. Venema, Groningen. B. J. Veraart, Bergen-op-Zoom. Veraarts, Amsterdam. B. J. Verbeek, Groningen. J. Verbeek, Dinxperlo. J. Verboon, Krimpen a/d. IJssel. J. J. Verbeek, Rotterdam. Joh. H. Verborne, » Verbruggen, Renkum. L. G. Verburg, Amsterdam. K. Verburgh Jr., Nijmegen. B. Verburgt, Utrecht. D. Verdoes, boekh., Rotterdam. 14 Dk. Verdoes, Vlaardingen. Vereeniging voor Handwerksnijverheid, Olst. P. Vergers, Heemstede. J. Verheij, Gorinchem. J. C. Verheyen, Leeuwarden. G. A. Verhoeff, Soetermeer. N. J. Verhoeff, boekh., Rotterdam. 2 J. J. Verhout, Oudshoorn. J. Verhoole, St. Annaland. J. A. Verkerk, Utrecht. Jacs. Verkerk L.Czn., Culemborg. A. Verlaan, Amsterdam. J. C. Vermaes, Hellevoetsluis. Gebr. Vermande, boekh., Hoorn. 14 Vermeulen, Amsterdam. Alph. Vermin, Maastricht. W. Vermooten, Utrecht. Verney, Amsterdam. P. Vernimmen, Kampen. P. H. Verpoorten, Ysselstein. Verschoor, Amsterdam. P. Verschuur, » C. van Vessem, Bruinisse. J. Versteeg, Zeist. P. Versteeg, Vlaardingen. L. Versteege, Deventer. Mej. A. Verstraten, Ouwerkerk in Duiveland. G. C. Verveer, Soetermeer. Theod. Ververs, Aarlanderveen. E. Verwer, Amsterdam. I. A. Verweij, Gendringen. H. G. J. Verweij, Almelo. P. G. de Vey Mestdag, boekhandelaar, Vlissingen. 5 L. A. van Viegen, Utrecht. E. Vierkant, Deventer. A. J. Viesée van Tuyll, Amsterdam. C. A. Vieweg & Zoon, boekh., Nijmegen. 1 de Vink, Soeterwoude. A. Vinke, Amsterdam. Visser, Bloemendaal. A. Visser Jzn., Franeker. Corn. Visser, Rotterdam. D. Visser, Schiedam. H. Visser, Assen. H. Visser, Leiden. H. C. Visser, Akkrum. I. Visser, Leeuwarden. J. Visser, Groningen. J. Visser Jaczn., Rotterdam. M. J. Visser, boekh., 's Hage. 6 Ph. Visser Lzn., Klaaswaal. W. Visser Azn., Heerjansdam. W. J. Visser, boekh., Sliedrecht. 5 J. de Visser, Stavenisse. N. J. Visscher, Zutphen H. H. Vitringa, Nunspeet. C. Vizjevene, Amsterdam. J. E. Vlaanderen Jr., Leiden. P. van Vlaardingen, Schiedam. M. P. Vlamingh Kiebèrt, Uithoorn. J. W. de Vletter, Rotterdam. J. W. A. de Vletter, » F. F. Vlieland, Leiden. D. Vliegenthart, Zwijndrecht. P. H. van Vliet, Kampen. W. C. van Vliet, Amsterdam. Wed. J. van Vliet, Rotterdam. W. van der Vliet, Amsterdam. J. Vloei, Apeldoorn. H. W. Vlotman, Hillegom. de Vogel, Zwolle. F. Vogel, boekhandelaar, de Rijp. 7 Mej. A. M. Vogel, Doetinchem. C. Vogelaar, Puttershoek. R. Vogelensank, Gouda. A. Volkmaars, Purmerend. Volkland, Amsterdam. R. H. Volmary, » J. Vonk, Leeuwarden. F. Voogel, Amsterdam. G. G. de Voogt, boekh., Breda. 5 J. E. de Voogt, Wageningen. E. van Voorden, Zalt-Bommel. J. Voordendagh, Puttershoek. P. M. van der Vooren, Purmerend. A. v. d. Voort & Zn., boekh., Tilburg. 11 A. v. d. Voort Zonen, Tilburg. J. W. Vorstheuvel la Brand, Zierikzee. J. de Vos, Dordrecht. C. Baron de Vos v. Steenwijk, Zwolle. C. L. C. Voskuil, boekh., Amsterdam. 10 Voskuyl, » J. Voijeman, Spanbroek. A. M. Vreeswijk, Rotterdam. A. de Vries, Groningen. A. de Vries, Amsterdam. C. de Vries, Dordrecht. H. de Vries, Wageningen. J. de Vries, Leeuwarden. P. de Vries, Breda. P. N. de Vries, Amsterdam. D. de Vrieze, Muntendam. J. C. Vrugt, Venlo. Vuurberg, Amsterdam. Dr. J. M. Vuijlsteke, Delfshaven.

W.

Grietje Waal, Spanbroek. J. de Waal, Harderwijk. J. M. W. Waanders, boekh., Delft. 5 J. M. W. Waanders, boekh., Zwolle. 1 Fr. Waem & Lienders, boekhandelaar, Gent. 130 H. van Wageningen, Wageningen. H. W. Wagenaar, Arnhem. P. J. Waha, Schiedam. G. v. d. Wal, Leeuwarden. J. E. v. d. Wal, » P. F. v. d. Wal, Amsterdam. H. A. M. van Walchren, Amersfoort. H. M. van der Walle, L. Wallenga, Schalzum. Mr. P. J. Walrave, Dieren. Ds. J. van Walsem, Apeldoorn. J. Waltman Jr., boekh., Delft. 7 W. C. Wansleven, boekh., Zutphen. 11 Warburg & Co., boekh., Dordrecht. 5 Wark, Amsterdam. C. P. Was, Mijnsheerenland. H. J. Wassen, Delft. K. Wassing, Groningen. H. H. van Waveren, Hillegom. H. L. van Waveren, » G. J. Weber, Rotterdam. Albert Wedding, boekh., Middelburg. 5 J. Wedding, boekhandelaar, Harderwijk. 45 M. van Weddingen, Antwerpen. van Weelden & Mingelen, boekhandelaars, 's Hage. 2 J. ter Weele, Enschedé. J. J. de Weerd, Zierikzee. J. W. van Weerden, Zalt-Bommel. W. van Weeren, Leiden. Rommert Weerstra, Wons. Lolle Weerstra, » de Weert, Amsterdam. Eduard van Wees, boekh., Breda. 1 Weesing, Amsterdam. J. van Weezenbeek, boekh., Rotterdam. 9 H. Wegenbergh, Haarlem. Mejufvr. Wegman, Amsterdam. C. van der Weide, boekh., Vlissingen. 9 J. A. Weinbeck, boekh., Rotterdam. 3 Weiss, Amsterdam. Mr. W. J. van Welderen Baron Rengers, Leeuwarden. H. D. van Welie, Leiderdorp. D. C Wellinghoff, Amsterdam. Weltink, 's Bergh. J. Ph. Wendel, Leeuwarden. W. Wenk, boekhandelaar, Rotterdam. 18 Marcel. Wenmackers, Luik. S. Wenselaar, Huins. W. Wenselaar, Wirdum. J. Wesseling, Amersfoort. H. F. Wensing, Zutphen. Werker, Utrecht. Wed. D. P. Wermeskerken, boekhandelaar, Tiel. 7 J. C. Werner, Ambt Doetinchem. G. Wesseldijk, Leiden. Wesselink, Roozendaal. Jhr. Mr. A. P. Wesselman van Helmond, Helmond. W. Wessels, Groningen. Th. Wessels Boer, Hoogeveen. C. H. Wesser, boekh., Zevenaar. 15 R. Wind, Zwolle. J. Wind, » Winkel, Amsterdam. H. J. Winkel, Nieuwendiep. A. de Winter, Franeker. N. L. W. Winter, Nieuwendiep. J. Ph. Winterwerp, Groningen. C. Wisboom, Gorinchem. G. K. Wissink, Zwolle. J. G. W. Wissink, Donkerbroek. H. de Wit, Groningen. J. de Wit, Steenwijk. C. A. Witte, Ulft. C. J. Witte, Goes. H. G. Wittebol, Aardenburg. A. Wittentrop, 's Gravenhage. N. P. J. Woensdregt, Schiedam. A. A. C. van Woerden, Utrecht. Woerst, Amsterdam. Woerst, » Wed. Woldringh, Groningen. Mr. Th. Woldringh, Hummelo. J. Wolf, Bergen op Zoom. W. J. Wolff, boekh., Amsterdam. 1 Wolmerstett, Oudshoorn. W. Wortelaar, Leeuwarden. J. H. Wolters, Almelo. J. Wolthekker, Groningen. B. H. Wolthuis, Almelo. P. Wonder Azn., Veenhuizen. J. H. Wonn, Rotterdam. A. K. Wouters, Zwolle. C. H. Wubbenhorst, » H. Wust, Dordrecht. Ds. A. W. Wijbrands, Hoorn. J. D. van Wijk, Leiden. v. Wijk, Amsterdam. D. van Wijk, Leiden. I. I. van Wijk, Schiedam. J. J. van Wijk, Hoogwoud. O. Wijma, Leeuwarden. A. K. Wijmenga, Hoorn. B. R. Wijminga, Minterscha. de Wijn, Amsterdam. G. Wijngaarden, Oostermeer. J. Wijnhorst, Vlaardingen. J. C. Wijsman, Leiden. W. Wijsman, Rotterdam. M. Wijt en Zonen, boekh., » 3 A. van der Weste, Leiden. J. G. Wester, boekh., Leeuwarden. 30 B. J. Westerbeek v. Eerten, Doetinchem. C. J. Westerman, Amsterdam. H. Th. Westerman, » M. Westerman & Zn., boekh., » 2 Ds. J. Westrik, Cothen. Wetenschappelijk Leesgezelschap, Culemborg. T. van der Weij, Bolsward. A. v. d. Weijden, Amsterdam. Karl Weijerhorst, boekh., Heerlen. 2 Weytingh & Brave, boekh., Amsterdam. 3 v. Wezel, » B. J. W. Wiebols, Purmerend. M. W. van der Wiel, Rotterdam. G. W. v. d. Wiel & Co., boekhandelaars, Arnhem. 3 IJ. v. d. Wielen, Leeuwarden. W. M. Wientjes, Enschedé. C. P. Wierts van Coehoorn, Werkendam. J. J. Wiesemann, Pekalongan. J. Wigeri Aberson, Oosterhout. Wed. Wiggers, Arnhem. P. J. Wigtman, Alkmaar. H. de Wilde, Tjalbet. J. H. T. Wildenboer, 's Hage. Wildschut, Amsterdam. F. Wilkens, boekhandelaar, Groningen. 2 Willems, Amsterdam. Willems, » H. W. Willems, boekh., » 3 Willemsen, » J. A. Willemsen, boekh., Zutphen. 5 J. H. Willers, Leeuwarden. Willing, Amsterdam. J. Willing, Rotterdam. Mr. J. A. Willinge Gratama, Assen. Johs. Wilmes, boekh., Almelo. 29 D. J. Wilterdink, boekh., Deventer. 1

IJ.

A. C. van IJsseldijk, Rotterdam. Wed. Y. IJske, Hees. Mevr. de Wed. v. IJsselsteijn, Zierikzee.

Z.

J. van der Zaag, Steenbergen. A. P. Zaalberg, Alphen en Aarlanderveen. Dames Zaalberg, Leiden. A. J. van Zadelhoff, Renkum. B. v. d. Zalm, Zierikzee. G. Ph. Zalsman, boekh., Kampen. 6 Dr. J. A. Zeegelaar, Helmond. J. K. Zeehuizen, boekh., Leeuwarden. 1 A. P. Zeilmaker, Alkmaar. D. Zeeuw, Overschie. S. J. Zeevat. Amsterdam. Zerbst, » Zerbst, » G. Zevenbergen, Heerde. I. Zillesen, Rotterdam. Zoest, Amsterdam. F. E. de Zoete Made, Breda. A. Zoot, Amsterdam. W. K. van Zutphen, Gouda. J. Ph. Zuijdam, Franeker. C. Zwaardemaker, boekh., Amsterdam. 1 G. W. A. Zwakenberg, Zwolle. A. G. de Zwart, boekh., Gorredijk. 18 B. C. E. Zwart, Amsterdam. D. Zwart, Leeuwarden. J. Zwart, Schoonhoven. W. van Zwieten, Leiden. J. A. van Zijl, boekh., Haarlem. 3 D. K. Zijlstra, Tjerkwerd. J. ten Zythoff, Ridderkerk.

AANTEEKENINGEN

[1] De trotschen te beoorlogen, den ootmoedigen genadig te zijn. Vert.

[2] Het ellendige, lasten opbrengend gemeen.

[3] Ook Nederlanders, vooral uit Overijssel, vestigden zich, althans tijdelijk, in Rusland. In 1813 stonden de Kozakken niet weinig versteld toen zij te Almelo en Vriezenveen op zijn Russisch toegesproken en behoorlijk op hun plaats gesteld werden. Toen voor weinige jaren de thans overleden onderwijzer van Vriezenveen zijn veertigjarig jubilé vierde, kwam een zijner zonen, ter bijwoning van het feest, uit Rusland over, en bracht een album mede, waarin de portretten waren van circa 40 vroegere leerlingen, toen in Rusland als handelaars gevestigd.

De Heer Scholten te Groningen heeft een zijner fabrieken te Tarnow, die door een Nederlander bestuurd wordt. Vert.

[4] Wikinger, noemden de oude Noorwegers hunne zeehelden. Vert.

[5] Dat de Vlaamsche taal van vroeger literatuurloos is, moge de Schrijver beweren en bewijzen als hij kan. Het tegendeel te bewijzen had meer kans van slagen. Vert.

[6] Echter zijn onder de Romeinen enkele opstanden en vervolgingen der Joden voorgekomen.

[7] De Arianische leer of het Arianismus (ontstaan in de 4de eeuw) ontkende de Godheid van Jezus. Vert

[8] Waar 't goed is, daar is het vaderland. Vert.

[9] Door het Patrimonium Petri verstaat men het gedeelte van den Keizerlijken Staat, waarin Orvieto, Viterbo, Toscanella, Civita Vecchia, en Monte-Fiascone liggen, welke streek gronds door Keizer Constantijn in de 4de eeuw aan den Bisschop van Rome zou gegeven zijn. In de 12de eeuw kwam het eerst aan de Pausen. Vert.

[10] Het schoone Italië, door de Apennijnen doorsneden en door de zee omzoomd. Vert.

[11] Sedert kort is dit in ons land afgeschaft, en mogen zoowel thesis als dissertatie in het Hollandsch geschreven worden. Vert.

[12] Hafis was een der beroemdste Perzische dichters uit het begin der 14de eeuw. Hij was geboren en ligt begraven te Schiras, eens het brandpunt der Perzische wetenschap en poëzie. Vert.

[13] Het blonde Germanie heeft te vergeefs ons zijne Franken, zijne Noormannen gezonden; ons temperament heeft niets verloren van zijne oorspronkelijke neigingen. In weerwil van de omwentelingen en de eeuwen zijn wij nog altijd het oude Gallië met zijne opvliegendheid en zijn ongeduld. Vert.

[14] Bij de oude Grieken werd onder Cothurn verstaan, een hooge tooneelschoen: in het algemeen genomen moet aan dit woord de beteekenis van treurspel gegeven worden. Vert.

[15] De Schrijver bedoelt de bewoners der, in vergelijking van Germania in zijn geheel, lage landstreeken langs de Noordzee, van Schelde tot Elbe, destijds onder den gemeenschappelijken naam "Friezen" samengevat. Vert.

[16] De Kymren achten zich eenigermate beleedigd, wanneer men hen Engelschen noemt, en zeggen: "We are not Englishmen, we are Walishmen."

Als een staaltje der taal van Wales, moge het volgende dienen:

Epistol Paul yr Apostol at yr Hebreaid.

Pennod I.

1. Duw, wedi iddo lefaru lawer gwaith, a llawer modd, gynt wrth y tadau trwy y prophwydi, yn y dyddiau diweddaf hyn a lefarodd wrthym ni yn ei Fab;

2. Yr hwn a wnaeth efe yn etifedd pob peth, trwy yr hwn hefyd y gwnaeth efe y bydoedd;

3. Yr hwn, ac efe yn ddisgleirdeb ei ogoniant ef, ac yn wir lun ei berson ef, ac yn eynnal pob peth trwy air ei nerth, wedi puro ein pechodau ni trwyddo ef ei hun, a eisteddodd ar ddeheulaw y Mawredd yn y goruwchleoedd;

4. Wedi ei wneuthur o hynny yn well nâ'r angelion o gymmaint ag yr etifeddodd efe enw mwy rhagorol nâ hwynt-hwy.

Vert.

[17] De Denen hebben Engeland niet ten onder gebracht. Hun inval was slechts een zondvloed, en deze zondvloed is slechts heengegleden over de Saksische maatschappij.

[18] Bij de Franschen over Elsasz-Lotharingen. Vert.

[19] Volgens oude overleveringen (die echter door velen zeer in twijfel getrokken worden) zou het volk der Asen uit Azië, door Saksen naar Denemarken en zoo naar Zweden en Noorwegen getrokken zijn, onder hun aanvoerder Odin. Vert.

[20] Jornandes, bisschop van Croton, leefde omstreeks 551. Vert.

[21] Later wordt in dit werk melding gemaakt van: "de veel bezongen Brawalla-slag die aan de grens van het Gothen- en Zwedenland geslagen werd." Op eene tamelijk uitvoerige oude kaart van Zweden, wordt de vrij breede uitmonding van het Wettermeer in de Oostzee, "golf de Brawiken" genoemd en een weinig landwaarts in ligt Braborg. Waarschijnlijk is daaromstreeks Brawalla te zoeken. Vert.

[22] Dit werk werd door Arngrim Johnson in 1628 wedergevonden. De Edda is de algemeene titel van twee zeer van elkander te onderscheiden oud-Noordsche werken: de prozaïsche zoogenaamde jongere Edda (Snorra Edda), gedeeltelijk verzameld door Snorri Sturluson (1178-1241) een geleerd IJslander, en de zoogenaamde poëtische Edda of Suemundar Edda, die toegeschreven wordt aan den geleerden priester Suemundar (1133). Vert.

[23] Geschreven letters, die de vormen der letters voorkomende op opschriften van gedenksteenen (lapides), trachten terug te geven, worden lapidair-schrift genoemd. Vert.

[24] Als zeker wordt beschouwd, dat in de 10de eeuw, Noormannen van IJsland uit, de Amerikaansche kusten ontdekt en bewoond hebben. Tot in de 14de eeuw werden tochten naar het vasteland van Amerika ondernomen. Vert.

[25] Tundra is de Russische naam voor de groote vlakten, die in Siberië en Westelijk van het Uralisch gebergte tot aan de Witte zee en de Dwina, in Noordelijk Europa de Ijszee begrenzen. Vert.

[26] Verstrooide ledematen.

[27] De vertaler heeft gemeend, het door den schrijver gestelde, woordelijk terug te moeten geven. Niettemin neemt hij de vrijheid hier en daar in eene noot, eene naar zijne meening gegronde opmerking mede te deelen. Vert.

[28] Had de schrijver het door Karel den Groote geliefde Nijmegen, en de omstreken naar de zijde van Kleef bezocht; was hij van daar naar Duitsche wijze, over Elten naar 's Heerenberg gewandeld, en den zoogenaamden achterhoek van het Zutfensche doorgetrokken; voorts van Zutfen den straatweg gevolgd over Arnhem naar Utrecht--ongetwijfeld had hij zijn vonnis over het gemis aan alle natuurschoon wel gewijzigd.

Wanneer de schrijver zegt: "bijna al het vriendelijke, dat het land nu bezit, is het door kunst en menschenhanden gegeven," dan heeft dit voornamelijk op de mondings-gebieden van Rijn, Maas en Schelde betrekking. De oudere, Oostelijke bodem valt gemakkelijk aan zijne meer ongelijke oppervlakte te kennen. Op vele plaatsen treft men op het oudere diluvium het nieuwe alluvium, waaronder ook alle veenlagen behooren, aan; de schacht van dit alluvium heeft eene dikte van 150 tot 300 voet. Alleen in enkele gedeelten van Overijsel, Gelderland en Limburg wordt de tertiaire vorming aangetroffen.

De kusten van Holland liggen gemiddeld 2 voet boven de oppervlakte der zee; bij Katwijk, waar de zee 1/2 voet, bij Oosten-wind 3 voet beneden de oppervlakte van het land ligt, stijgt de vloed bij sommige winden tot 6 voet boven de oppervlakte van het land, zoodat het gemakkelijk te begrijpen is, hoe Nederland en de Noordzee-kusten vroeger eene andere gedaante zouden hebben dan tegenwoordig. Men wil, dat van af het begin der 6de eeuw tot 1825, Nederland door 190 groote overstroomingen geteisterd is. Ook wordt door sommigen beweerd, dat de Nederlandsche bodem zakt; het eiland Walcheren b.v. zou in 2000 jaren van 28-30 voet gezakt zijn. Als bewijs voor de bewering, dat de bodem van ons land zakkende is (men begroot deze verzakking op 1 voet per eeuw), neemt men, dat de Arx brittanica, die men in 1752 in de zee, in de nabijheid van Katwijk nog opmerkte, nu niet meer gezien wordt. Dijken en duinen (door zandverstuivingen langs onze kusten ontstaan) beschermen ons vaderland tegen de zee. De duinen hebben eene gemiddelde hoogte van 17 à 18 meter; enkelen echter zijn hooger, eene enkele bereikt zelfs een hoogte van 60 meter. Vert.

[29] Land en water mogen voor zeer vele eeuwen in sommige gedeelten van het land slechts schets geweest zijn, zelfs de Zuiderzee, de Biesbosch en de Dollard van land in water zijn veranderd--gedurende de laatste eeuwen is menige vrij uitgestrekte vlakte aan het water ontwoekerd en in vruchtbaar land herschapen, en daarmede wordt nog steeds voortgegaan, zoodat land en water thans behoorlijk gescheiden zijn. Vert.

[30] Aan Nederland te verwijten, dat zijn hemel niet zoo helder was als in Italië, is niet billijk. Thans is hier te lande de hemel wel niet altijd even helder, maar een zoo zware mist als dikwijls in het zuiden van Engeland heerscht, is hier eene zeldzaamheid, vooral in onze Oostelijke grenzen, die niet aan zee liggen. Vert.

[31] Wouden wijken overal voor eene beschaafde bevolking. Dat in oude voortijden, hier te lande houtgewas veelvuldig was, blijkt uit het vele hout dat in den ondergrond der veenen wordt gevonden. Op de Veluwe bestaan nog uitgestrekte bosschen van opgaand geboomte. De heuvelrij, die van Arnhem tot tegenover Zwolle zich uitstrekt, draagt den naam van Woldberg. Ook bij den Haag, Haarlem, Alkmaar en elders zijn nog overblijfselen van overoude wouden.

Edelgesteenten of goud en zilver mochten de naburen te vergeefs uit den bodem van Nederland wachten, maar de Duitschers halen thans ijzererts bij scheepsladingen uit Overijsel, en ook steenkolen uit Limburg. Vert.

[32] Over het ontstaan van het aangeslijkte land en de aanslijking, vergelijke men Dr. R. Westerhoff, de Kwelder-Kwestie bl. 53 en verder. Groningen 1844. Vert.

[33] Tijdens de Romeinen droeg ons vaderland den naam van Germania inferior (Neder-Duitschland), in tegenstelling met de hoogere, bergachtige streken, die Germania superior (Opper-Duitschland) genoemd werden. Vert.

[34] Sommigen zijn van oordeel, dat de Friezen uit Klein-Azië, en wel uit Troje afstammen. Zij gronden hunne bewering op sagen. Een dier sagen vermeldt, dat de Friezen onder zekeren Marcomir uit Phrygië of Troje (433 v. Chr.) herwaarts zouden gekomen zijn. Eene andere sage wil, dat de Petroklers (een stam in Klein-Azië) na den dood van Alexander den Groote, op schepen verhuisd en op de Saksische en Pruissische kusten geland zijn. Friso zou deelgenoot van dezen tocht geweest zijn, hij zou de kusten van de Elve tot aan het Vlie in bezit genomen hebben. Nog eene andere sage doet de drie gebroeders Saxo, Bruno en Friso, 313 j.v. Chr., na lang omzwerven uit Indië, op de kusten der Noordzee landen; zij onderwierpen zich de inwoners, verdeelden het land, en aan Friso viel Friesland ten deel, dus genaamd naar een landschap in Indië, Fresia genaamd.

Volgens "Der Friezen herkomst," naar het boek van Adela (Thet Oera Linda Bok, zie hierachter pag 472 noot) is Friso uit Indië gekomen en wel met de vloot van Nearchus, maar is hij geen Indiër, maar behoort tot Frya's volk. Hij behoorde namenlijk tot eene kolonie Friezen, die na den dood van Nyhellênia, 15 1/2 eeuw v. Chr., onder aanvoering eener priesteres Geert, zich aan den Pangab neergezet hebben en den naam Geertmannen aannamen. Onder dien naam worden ze bij Strabo vermeld.

Aangaande de Batavieren vermeldt Tacitus: "dat de in dapperheid al de door hem reeds vermelde Rijnbewoners overtreffende Batavieren, voornamelijk het Rijneiland, maar toch ook een deel van zijnen oever of den uitersten zoom van Gallië bewoonden; dat zij vroeger geheel over den Rijn hadden gewoond en een deel der Katten hadden uitgemaakt, maar bij een opstand onder dit volk waren verdreven, en zich in die nieuwe woonstreken, die toen nog onbevolkt waren, hadden neergezet, waar zij een deel van het Romeinsche gebied uitmaakten. Vert.

[35] De overeenkomst van het boeren-Friesch met het Engelsch schijnt aan te duiden, dat de Friezen Angel-Saksers waren, dus uit de streken van Wezer en Elbe; terwijl het vestigen van de Batavieren aan den Rijn, en de meening dat zij op vlotten waren gekomen, doet vermoeden, dat zij uit de Rijn-streken afkomstig waren. Vert.

[36] De Friezen brachten aan de Romeinen huiden en hoorns op; de Batavieren daarentegen niets, maar deze versterkten de Romeinsche legers met hunne ruiterij, die de beste onder de Germanen genoemd werd. Gedurende vier eeuwen treffen wij Batavieren bij de Romeinsche legers aan. Nadat de Batavieren uit de geschiedenis verdwenen waren, zijn de Friezen als een vrij volk blijven bestaan. Men mag aannemen dat het oude Bataafsche element in het Friesche is opgenomen Vert.

[37] De Romeinen verbeterden den moerassigen grond, wierpen dijken op, vervaardigden wegen en groeven kanalen. Drusus deed de gracht (Drusus-gracht) graven, die den middelsten arm van den Rijn met den IJssel verbindt, en maakte een begin met het, later door Corbulo voltooide kanaal, dat bovengenoemden arm van den Rijn met den Zuidelijken Rijnmond verbindt.

Sommige schrijvers, o.a. Dr. Acker Strating in zijn aloude staat en geschiedenis des Vaderlands, beweren dat noch de Romeinen de eersten zouden geweest zijn, die in ons land dijken aangelegd hebben, noch Drusus de Drusnsgracht heeft laten graven. Deze laatste bewering grondt de schrijver op eene plaats in Tacitus, waarin uitdrukkelijk gezegd wordt, "dat P. Pompejus (tusschen het jaar 50 en 60) voltooid heeft den dijk, voor 63 jaar door Drusus begonnen, ter beteugeling van den Rijn." Ten bewijze, dat die dijk niet langs den oever van den Midden-Rijn kan gelegen hebben, maar ter plaatse, waar de Waal zich van den Rijn scheidt, en blijkbaar met het doel is aangelegd, om den stroom alleen langs de Waal of den Gallischen Rijnarm te keeren, strekt de geheele samenhang, waarin de vermelding van den dijk met het overige verhaal aldaar (bij Tacitus) voorkomt. De daar vermelde vernieling toch had plaats bij Vetera Castra, toen Civilis naar het eiland der Batavieren terug week. Zoo weinig belang nu de Romeinen er bij hadden, om het eiland der Batavieren te beveiligen tegen het Rijnwater, zoo belangrijk was het voor hen, om zulks te doen ten aanzien van Gallië of hun Rijk. Hier langs stroomde de Waal, en door deze rivier af te dammen van den Rijn, werd zij belet de oevers van den Rijn te overstroomen. Dezen dam vernielde Civilis, die daardoor weer aan den Rijn vrijen loop door de Waal gaf en zoo de Romeinen belette hem te volgen, daar hij, zooals Tacitus er bij voegt, wist dat de Romeinen geen schepen hadden, om eene brug te maken, en dat zij de rivier niet op eene andere wijze konden oversteken. Door het doorsteken van den Rijndijk zou Civilis zijn toevluchtsoord (het eiland der Batavieren) onder water gezet hebben, maar door het doorsteken van den Waaldam stelde hij zich daarmede in verbinding, immers de Rijn liep nu nagenoeg geheel droog, en de Waal nam het weggeloopen water op. (Acker Stratingh: Aloude staat en geschiedenis des vaderlands Dl. 1 bladz. 48).

Ten bewijze verder, dat Civilis en zijne Batavieren even goed dammen wisten aan te leggen als de Romeinen, verwijst Dr. A. S. ons weder naar Tacitus Hist. V. 14 en C. 18 waaruit blijkt, dat Civilis vóór het gevecht van Castra Vetera, een dwarsdam door den Rijn legde, om de naburige oeverstreken onder water te zetten (Dr. A. S. Dl. 1 bladz. 50). Wat meer is, zegt Dr. A. S. "bij denzelfden geschiedschrijver (Tacitus Hist. V. 23) vindt men eene stellige bewijsplaats, dat het eiland der Batavieren in dien tijd niet bedijkt was. Meldende namelijk, dat Civilis eindelijk ook uit het eiland der Batavieren moest wijken en Cerealis dit eiland toen innam en plunderde, voegt Tacitus er bij, hoe intusschen met het invallen van den herfst en ten gevolge van hevige regenbuien, de Rijn het moerassige en lage eiland overstroomde en als in een poel herschiep, waardoor de Romeinen in geene geringe ongelegenheid geraakten, daar hunne legerplaatsen op het vlakke veld met den geweldigen stroom weggerukt werden en zij vloot noch leeftocht hadden, zoodat de Romeinsche legioenen toen gemakkelijk door de Germanen hadden kunnen vernield worden." Ook de door velen voor van Romeinschen oorsprong gehoudene, op verscheidene plaatsen in en aan de Zuiderzee ontdekte muren of steenen wegen, die ook wel voor dijken gehouden worden, beweert Dr. A.S. dat die niet aan de Romeinen moeten toegeschreven worden, (meergemeld werk van Dr. A. S. blad. 55). Vert.

[38] Wanneer men België in twee deelen scheidt, door eene lijn getrokken van Menin naar Tongeren, dan mag men de Noordelijke helft beschouwen als bewoond door de Vlamingen (bijna 2 1/2 millioen zielen), terwijl de Walen (bijna 2 millioen zielen) de Zuidelijke helft tot woonplaats hebben. Het Vlaamsche deel der bevolking tracht de Vlaamsche letterkunde hoe langer zoo meer te ontwikkelen en zoo doende zijne taal te verheffen. Het Waalsch mag als niet veel meer, dan een bedorven Fransch beschouwd worden. Vert.

[39] Dit geschiedde in 1548. De Nederlanden moesten wel aan de rijkslasten deelnemen maar waren overigens aan de macht en de rechtspleging van het Duitsche rijk onttrokken. Vert.

[40] Karel V werd in het jaar 1500 te Gent geboren. Vert.

[41] Hoe telt de Schrijver die 150 jaren? Van 1543 tot 1579 is slechts 36 en telt men tot 1648 dan is het nog weinig meer dan 100 jaren. Mogelijk rekent hij van 1648 tot 1795. Vert.

[42] In het jaar 1476. Vert.

[43] Tegen het einde van de 12e eeuw schijnt men met de steenkool in België bekend geworden te zijn. Volgens sommigen zouden de steenkolenbeddingen het eerst in de nabijheid van Luik op den Mont Public, in het jaar 1198, door een smid van Plenivaux, Houilleux genaamd, ontdekt zijn, waardoor de Fransche benaming van houille zou zijn ontstaan.

In het midden der 14e eeuw was het mijnwezen in België reeds zoo aanzienlijk, dat een groot gedeelte van het Luiksche leger uit kolenmijnwerkers bestond. Vert.

[44] Ofschoon Engeland het vaderland is der levensverzekeringen, zoo mag men toch Nederland beschouwen, als het land, waar de eerste degelijke grond voor de theorie der levensverzekeringen werd gelegd. Huyghens behoorde tot de eersten, die eene studie maakten van de kans-rekening, die er de basis van is. Vert.

[45] Zoo b.v. was Orlando Lasso, eigenlijk Roland Delattre genaamd, in 1520 te Bergen in Henegouwen geboren, naast Palestrina de grootste componist der 16de eeuw. Zijne tijdgenooten geven hem den eernaam van "Vorst der toonkunst." Ook zijne zonen Ferdinand en Rudolf (gestorven in 1609 en in 1625) en zijn kleinzoon Ferdinand (gestorven 1636) waren componisten. Vert.

[46] De geschilderde glazen in de St. Jans-kerk te Gouda, vervaardigd door de gebroeders Crabeth, zijn alom beroemd. Vert.

[47] Sommigen willen, dat het aangeslijkte land in Sleeswijk en Holstein, reeds vóór de 10de eeuw door Friezen, uit ons land afkomstig, zou bedijkt zijn; de Oosterkade aan den Wezer zou zulks in 1020, het Alte-land in 1106 eveneens door de Friezen gedaan zijn. Vergelijk: A. von Wersebe, über die Niederl. Coloniën, welche im Nörd Deutschlande im 12ten Jahrh: gestiftet worden. Vert.

[48] "Misschien" zegt de Schrijver, hij schijnt dus zijn zegsman niet ten volle te vertrouwen; inderdaad, verkeerde hij thans genoegzamen tijd in onderscheiden streken van België, dan zou hij "gewis" de te scherpe kanten aanmerkelijk afronden. Vert.

[49] Sedert het einde der 16de eeuw had het Vlaamsch opgehouden eene schrijftaal te zijn; wel kwam zij onder Maria Theresia weder in eere, maar de Fransche overheersching deed haar geheel voor het Fransch plaats maken. Na de vereeniging van België met Nederland, brak er een tijdperk van herleving voor de Vlaamsche taal aan, maar na de omwenteling van 1830 werd het ten tweede male geheel door het Fransch verdrongen. Na het eindigen der staatkundige verwikkelingen door genoemden opstand in het leven geroepen, werd door den dichter Willems de Vlaamsche beweging van voor 1830 weder in het leven geroepen, de regeering begon meer en meer de wenschen der Vlaamsche bevolking in te willigen. Van het Vlaamsen gezelschap en het Nederduitsch taalverbond, te Gent, ging de oproeping uit tot een taalcongres, dat aldaar, in vereeniging met de letterkundigen van Noord-Nederland zou gehouden worden; dit taal-congres, dat sedert in verschillende plaatsen bijeenkwam, is van grooten invloed geweest op de ontwikkeling der Nederduitsche taal in de Vlaamsch sprekende gewesten. Niet alleen de Vlaamsche taal maar ook de Vlaamsche letterkunde is in de laatste 35 jaren herleefd, en heeft tegenwoordig in hare verschillende takken uitstekende beoefenaars. Vert.

[50] De oude schrijvers beschrijven onze voorouders als menschen van eene rijzige, kloeke gestalte, sterk gespierd en welgebouwd van lichaam, met een krijgshaftig voorkomen en open gelaat, met een voor de beschaafde Romeinen wat woest uitzicht, blauwe oogen en blond of rosachtig sluik haar, dat langs de breede schouders golfde of hing, als het niet opgebonden of afgesneden was; de huidkleur was, voor zooverre zij niet door de zon verkleurd was, blank.

Zij kenmerkten zich door eene onbegrensde liefde voor vrijheid en onafhankelijkheid, door bewonderenswaardigen moed. Tacitus prijst de trouw waarmede hij zijn Vorst in den krijg aanhing en verdedigde: jegens vrienden en vreemden was hem zijn eens gegeven woord heilig; verder was volgens Tacitus geen volk gastvrijer dan onze voorouders; boven alle andere volken der oude wereld muntten zij uit door kuischheid en reinen zin en door hunne groote achting voor het vrouwelijk geslacht. Men vergenoegde zich met ééne vrouw, veelwijverij had slechts bij aanzienlijken en onder zekere voorwaarden en omstandigheden plaats. Ondeugden onzer voorouders daarentegen waren hunne drink- speel- en roofzucht. In het drinken waren zij zoo onmatig, dat, zegt Tacitus, "wilde men hunne neiging tot drinken bot vieren, hun geven zooveel zij verlangen, dan zouden zij gemakkelijker door hunne eigen uitspattingen dan door onze wapenen te overwinnen zijn." Vert.

[51] De Schrijver bedoelt hier blijkbaar den 80 jarigen oorlog van 1568 tot 1648. Vert.

[52] René Des Cartes, meer bekend als Renatus Cartesius, werd in 1596 te Lahaije (Touraine) geboren. Men noemt hem den vader van het individualisme. Na eerst onder Prins Maurits, daarna onder Tilly gediend te hebben, zette hij zich in ons vaderland neder. Hij begon in zijn wijsgeerig denken, met wat hij tot dien tijd wist in twijfel te trekken. In zijn oog staat alleen vast: "ik denk, dus besta ik." Hieruit leidt hij af, dat alles waar is, wat duidelijk en klaar geacht wordt. De vruchten van zijn onderzoek heeft hij nedergeschreven in zijn Meditationes de prima philosophia en Principia philosophiae. Des Cartes heeft de wiskundige wetenschap ten zeerste aan zich verplicht door zijne analytische meetkunde, door zijne ontdekking der ware beteekenis van de negatieve wortels in de vergelijkingen, door zijne nieuwe oplossing der vergelijkingen van den vierden graad; hij was het, die het eerst de exponenten invoerde, en die leerde hoe men tangenten en normaallijnen op ieder punt eener kromme lijn trekken kan en men de natuur en de eigenschappen van iedere kromme lijn door eene vergelijking tusschen twee veranderlijke coördinaten kan uitdrukken.

Descartes stierf in 1650 te Stokholm. Vert.

[53] De verrekijkers en spiegeltelescopen en thermometers werden uitgevonden door Corneles Drebbel, geboren te Alkmaar omstreeks 1572, die van den microscoop wordt toegeschreven door sommigen aan Zacharias Jansen van Middelburg (1590) door anderen aan een Napolitaan Francesco Fontana (1545). Vert.

[54] De Nederlandsche schilderschool dateert van het begin der 15de eeuw. De miniaturen, waarmede men de handschriften van dien tijd versierde, getuigen genoeg van de hoogte, toen reeds door de schilderkunst bereikt. Op de miniatuur-schilderingen volgde sedert het begin der 15de eeuw de Vlaamsche school, met Huibert en Jan van Eyck aan het hoofd. In het midden der 16de eeuw openbaarde zich eene voorliefde voor de Italiaansche school die men dikwijls trachtte met de Vlaamsche school te verbinden. Omstreeks het midden der 17de eeuw, splitste zich het historie-schilderen in twee richtingen, waarvan de eene van de Spaansche Nederlanden (Brabant) uitging, terwijl de andere in Holland ontstond. De eerste richting, die tot hoofdzetel Antwerpen had, boogt en terecht op haren grooten meester P. P. Rubens (1577-1640). Het krachtigste penseel der tweede richting (waarin zich het protestantisme en de vrijheidszin afspiegelde, die na de scheiding van de Spaansche Nederlanden zich in Holland zoo duidelijk openbaarden) was Rembrand van Rijn (1606-1664). Naast deze twee richtingen der Nederlandsch-historische school, was nog eene derde, die zich aan de Italiaansche nationalisten aansloot.

In de 17de eeuw kwamen ook alle andere takken der schilderkunst tot ontwikkeling en bloei, het portret-schilderen, het genre-schilderen van bambocciaden, het schilderen van tooneelen ontleend aan het soldatenleven, den deftigen stand enz. Ook het landschapschilderen werd met gelukkig gevolg beoefend, zoomede het schilderen van voorwerpen tot de dierenwereld behoorende. De Hollandsche schilderschool blonk verder in de 17de eeuw uit door hare bloem- en vruchtenschilders, en door het schilderen van zee-, water- en strandgezichten.

De 18de eeuw was voor de kunst, die eene zoo groote hoogte bereikt had, eene eeuw van verval. Een enkele bloem- of vruchtenschilder treft men in die eeuw aan, maar wat zij overigens opleverde was niets dan navolging. In onze eeuw echter herleeft de schilderschool en heeft zich de tegenwoordig nationale school krachtig ontwikkeld, en zoowel op historieschilders als op kunstenaars die zich met uitstekend gevolg op de andere takken dezer kunst toelegden, kan ons vaderland tegenwoordig weder trotsch zijn. Vert.

[55] De naam "van Veen" als groot schilder is min bekend; mogelijk is hier bedoeld "van de Velde" beroemd als zeeschilder. Vert.

[56] Wij deelen deze bewering van den Schrijver niet. Nederland bezit eene zeer rijke literatuur, maar men moet er eerder de verstandelijke ontwikkeling van een vrij en energiek volk in zoeken, dan meesterstukken, zooals Griekenland en Rome ons aanbieden. Iets karakteristiek in de Nederlandsche literatuur is: de eerbied voor de voorouders, de liefde voor de nationaliteit waartoe zij behoort, de zucht tot onafhankelijkheid, de groote mate van vaderlandsliefde, die er in doorstralen. Weinige volken hebben hunne vaderlandsche geschiedenis op zoo degelijke wijze beschreven gezien, als zulks bij ons het geval is. Voor het overige heeft Nederland dichters en proza-schrijvers van den eersten rang voortgebracht, zooals uit volgend kort overzicht der geschiedenis onzer literatuur moge blijken.

Onze taal heeft zich langzamerhand gevormd uit de samensmelting van verschillende Germaansche tongvallen. De oud-Nederlandsche taal, zooals wij die in de Karolingische Psalmen aantreffen, is het meest aan het oud-Saksisch verwant, b.v. aan dat wat men aantreft in den Heliand (een Angel-Saksisch gedicht uit de 9de eeuw, dat in allitereerende verzen de geschiedenis van Christus naar de Evangeliën verhaalt); het tegenwoordig vrij algemeen als echt erkende "Oera Linda Bok", in het afgeloopen jaar door den heer Kuipers te Leeuwarden door den druk verspreid, welke uitgave tevens eene vertaling in onze tegenwoordige taal bevat is, na Homerus en Hesiodus, het oudste voortbrengsel der Europeesche letterkunde. Het eerste gedeelte is opgesteld in de 6de eeuw voor onze jaartelling, het tweede in het midden der 1ste eeuw. v. Chr. Het is dus aanmerkelijk ouder dan het oudste tot nu toe bekende gedenkstuk der Nederlandsche taal, eene Keure der stad Brussel van 1229. De afscheiding van het Nederlandsch als afzonderlijke tongval, begint omstreeks 1000 n. Chr. In de 13de eeuw komen onze eerste klassieke dichters, waaronder vooral Jacob v. Maerlant. Deze heeft, door de zuiverheid en regelmatigheid zijner spelling, grooten invloed op de vorming der taal uitgeoefend. Onder het Bourgondische stamhuis kwijnde ten gevolge van den Franschen invloed, het Midden-Nederlandsch. Met het verzet tegen de Spaansche overheersching, kwam in het noordelijk gedeelte des rijks, het Nieuw-Nederlandsch of het Hollandsch tot stand. Door Coornhert (1552-1590) en Marnix, heer van St. Aldegonde (1538-1598) werd het tot eene schrijftaal ontwikkeld. Hooft (1581-1647) en Vondel (1587-1679), veredelden, de eerste het proza, de tweede de poëzie. In het einde der 17de eeuw geraakte de letterkunde in verval, waaruit zij zich eerst tegen het einde der 18de eeuw weder oprichtte. Als grondslag voor de wetenschappelijke studie der Nederlandsche taal, noemt men het woordenboek van Kilianus. Zooals gezegd is, was het tijdvak van 1700--1800, niet gunstig voor verdere ontwikkeling; wel brachten een ten Kate en een Huydecoper veel bij tot de kennis en de wetenschappelijke en wijsgeerige behandeling der taal, maar daarentegen vormden zich verscheidene letterkundige genootschappen, die door overdreven zuivering, veelal verderfelijk werkten op de kernachtigheid en sierlijkheid. In het laatste gedeelte dier eeuw begon Bilderdijk zijne taalkundige onderzoekingen, terwijl het bestuur der Bataafsche republiek aandrong op een bepaald stelsel voor het onderwijs in de scholen en voor staatsstukken. Aan den hoogleeraar Siegenbeek en eenige andere taalkenners werd de vervaardiging eener spraakleer opgedragen, ten gevolge waarvan in 1805 van staatswege de Neder-Duitsche spraakkunst van Siegenbeek werd aangenomen, en dus eene eenparige spelling was vastgesteld. Bilderdijk trad op als hevig tegenstander en grondig bestrijder van de werken van Siegenbeek en Weiland. Jonckbloet en M. de Vries staan sedert eenigen tijd bij ons aan het hoofd der nieuwe school van Nederl. taalstudie. De taalregels door laatstgenoemden, in vereeniging met te Winkel, voorgesteld en blootgelegd in het op groote schaal aangelegde Woordenboek der Nederlandsche taal, ofschoon lang niet door alle taalkenners onvoorwaardelijk goed gekeurd, winnen in onze dagen hoe langer zoo meer veld.

De geschiedenis der Nederlandsche taal, kan men verdeelen in 4 tijdperken. Het eerste tijdperk loopt van 1200-1600: het tweede bevat de 17de eeuw; het derde loopt van 1700-1795 en het vierde van 1795 tot op onzen tijd.

De oudste onzer klassieke schrijvers is Jakob v. Maerlandt (1235--1300). De voornaamste van hem bekende dichtwerken (meest vertalingen uit het Latijn) zijn: de rijmbijbel, de Bestiaris of der naturen-bloeme. Een oorspronkelijk gedicht van hem is: verkeerde Martijn. Verder behooren in het 1ste tijdperk te huis: Melis Stoke, Jan van Heelu, Gheraert van Lienhout. In de romantische letterkunde hebben wij oudere voortbrengselen dan de hierboven genoemde, zoo b.v. behoort het 1ste gedeelte van Reinaart de Vos tot de 12de eeuw. Uit de 13de eeuw bezitten wij: de cyklus der Karolingische romans, de cyklus van de romans van Koning Arthur en de ridders van de tafelronde enz.

Als klassieke schrijvers in de 14de eeuw noemen wij Lodewijk v. Velthem, Jan Boendale.

Tot de 15de en 16de eeuw, behooren Erasmus, Agricola, Hanna Byns, Coornhert, Marnix van St. Aldegonde, Roemer Visscher, Spieghel.

Als dichters hebben zich in de 17de eeuw naam gemaakt: Hooft, Maria Tesselschade Visscher, Huygens, Cats, Hugo de Groot, Camphuyzen, v. Heemskerk, Gijsbert Japiks, Jeremias de Decker, Joost van den Vondel. Ook op proza-schrijvers mag deze eeuw boogen, als zoodanige noemen wij: Hooft, Brandt, v. Heemskerk, Hugo de Groot.

Dichters in het 3de tijdperk (1700-1795) waren Rotgans, Poot, Langendijk, Hoogvliet, Smits, Willem en Onno Zwier v. Haren, v. Winter en Lucretia van Merken, v. Alphen, Bellamy, Nieuwland, terwijl in dit tijdperk zich naam als prozaschrijvers verwierven, v. Loon, Wagenaar, Stijl, Justus v. Effen, Elisabeth Wolf, Agatha Deken, Fokke Simons, Lambert ten Cate, Balthasar Huijdecooper.

Ook het vierde tijdperk is niet arm aan dichters of prozaschrijvers, getuige dichters als Rhynvis Feith, Bilderdijk, Helmers, Kinker, v. Hall, Spandaw, Tollens, da Costa, Borger, Staring, v. Lennep, Beets, Bogaers, ter Haar, de Genestet, ten Kate, de Bull, de kinderdichters Gouverneur en Heye; terwijl prozaschrijvers als v.d. Palm, Borger, Bilderdijk, Bosscha, Loosjes, v. Lennep, Oltmans, Mevr. Bosboom-Toussaint, Beets, Hazebroek, Kneppelhout, en anderen, den roem der vaderlandsche letterkunde waardig hebben opgehouden. Vert.

[57] Vreemd is het, dat hier niet gedacht is aan Vondel, wiens "Lucifer," naar men beweert, aanleiding heeft gegeven aan Milton, tot diens wereldberoemd "Paradise lost." Vert.

[58] Menig voorbeeld uit de geschiedenis van ons land geput, zou deze bewering van den schrijver geheel logenstraffen. Vert.

[59] "Gemakkelijkheid" is den Nederlander op verre na niet zoo in den mond bestorven als den Engelschen hun "comfort, comfortable." Het schijnt, dat hier vroegere zeden en gewoonten geschetst zijn. Bejaarde lieden wenschen zeer, dat het met hartelijkheid en huiselijkheid nog zoo ware als in hunne jeugd, en toen en zelfs vroeger klaagde men, dat pracht en kostbare vermaken, de oude eenvoudige gezelligheid hadden verdrongen. Vert.

[60] Wenschelijk ware het dat zulks algemeen kon gezegd worden, maar veeleer tracht elke stand, tot de laagste toe, er naar, in woning, huisraad, kleeding, zich groot voor te doen en de hoogeren op zijde of zelfs voorbij te streven. De moraal van Lafontaine's fabel "de os en de kikvorsch," is ook in Nederland van toepassing. Vert.

[61] In 1315 Vert.

[62] In 1386, 1388 en 1443. Vert.

[63] 1477. Vert.

[64] Beide eerstgenoemde kantons 1501, Schaffhausen in 1513. Vert.

[65] Tengevolge der ontevredenheid, die zich na de Fransche omwenteling van 1830 in sommige kantons openbaarde, werd voorgesteld in het bondsverdrag veranderingen te maken. Op den tot dat einde, in dat jaar gehouden buitengewonen landdag, riepen 8 kantons hunne afgevaardigden terug, welke handeling door binnenlandsche onlusten (waarin zich ook de godsdienst mengde) gevolgd werd. In het jaar 1843 vereenigden zich de Katholieke kantons Lucern, Uri, Schwijz, Unterwalden, Zug, Freiburg en Wallis tot een of- en defensief verbond (Sonderbund). In 1844 werd tegen dezen Sonderbund door den landdag een leger saamgebracht, binnen kort was de rust hersteld, en in 1848, werd de nu nog van kracht zijnde staatsregeling tot stand gebracht. Vert.

[66] Albrecht von Haller in 1708 te Bern geboren, was een beroemd ontleedkundige, physioloog, plantenkenner, geneesheer en dichter. Zijn kleinzoon Karel Ludwig von Haller, in 1768 te Bern geboren, heeft zich beroemd gemaakt door zijn werk: Restauration der Staatswissenschaft. Vert.

[67] De eigenlijke naam van Lorenz Okens, geboren in 1799 te Bohlsbach (Zwaben), was Ockenfusz. Hij was hoogleeraar in de natuurkundige wetenschappen te Jena, en heeft zich vooral bekend gemaakt door zijn doel, een algemeen natuursysteem tot stand te brengen, dat alle rijken der natuur en hare grondstoffen zou omvatten. Vert.

[68] Engadin is het grootste dal van het kanton Graubunderland. Vert.

[69] De Brenner is de spits der Rhaetische Alpen in Tyrol. Vert.

[70] Dit beweren der Duitschers stemmen wij Nederlanders niet als bewezen toe. Vert.

[71] Dithmarschen is de naam van het meest Westelijke der zes landschappen van het Hertogdom Holstein. Het is gelegen tusschen de Elbe, de Noordzee en Westmarschen. Vert.

[72] Wat met dezen bijnaam bedoeld wordt, is mij niet duidelijk. Mogelijk zijn zij wat onbehouwen, en zetten bij het gaan de voeten wat ver van elkander, zoodat zij bij het loopen, over de sneeuw b.v. een breed spoor maken. Vert.

[73] De geestelijke orde der Zwaardbroeders werd omstreeks 1200 door bisschop Albert, ter verspreiding van het Christendom in het Noorden, gesticht. In 1237 vereenigde zij zich met de orde der Duitsche ridders. Vert.

[74] Door de Hercynii Montes, verstaat men de geheele uitgestrekte bergketen, welke bij het Zwarte-woud, aan den Rijn, begint, zich door het Thüringer-woud, den Fichtelberg, het Boheemsche woud en de Karpathen tot door Hongarije uitstrekt. Vert.

[75] De Spanjaarden hadden, sedert hunne vereeniging tot één rijk, niet veel reden zich op hunne Koningen te beroemen. De krachtige verdediging tegen de Franschen in het eerste vierde dezer eeuw, deden de Spanjaarden in veler achting rijzen, ofschoon hunne daartoe gebezigde middelen deden ijzen. Te bejammeren is het, dat sedert dien tijd de nietige Vorsten en Vorstinnen niet in staat waren de partijtwisten te bedwingen en de ruime hulpmiddelen tot bloei te doen benuttigen. De verdrijving van Isabella beloofde eene schooner toekomst, die zich, helaas! tot heden nog niet verwezenlijkt, daar--wel verre van eendrachtig, met den zoo welwillenden Koning Amadeus, samen te werken tot nationale verheffingopstanden en burgeroorlog schatten goed en bloed verspillen, de natie in welvaren doen zinken en in de schatting van Europa doen dalen.

Dat onder zulke omstandigheden de Portugeezen, thans minder dan ooit, genegen zouden zijn zich met de Spanjaarden te verbroederen, behoeft geen betoog. Vert.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us