← Geschiedenis der Europeesche Volken

Geschiedenis der Europeesche Volken (part 2 of 3)

Part 2 of 3 · Johann Georg Kohl · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #19774, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (3)

Continue:

Geschiedenis der Europeesche Volken (part 2 of 3)

Wel dansen ook onze boeren overal, bij hunne bruiloften, op hooge feestdagen en in hunne danszalen. Maar dit bewijst niet, dat bij hen de dans even populair en inheemsch is als bij de Slawen, en vooral als bij de Russen, bij wie aanleg en lust daarvoor zoo algemeen en altijd zoo groot is, dat er geene voorafgaande afspraken, deftige uitnoodigingen, bijzondere lokalen enz. noodig zijn, om de menschen tot eene symmetrische groepeering, tot gracieuse bewegingen, tot eigenaardige mimiek, tot vroolijke spier-beweging uit te noodigen. De Rus danst zooals hij zingt, als hij er den tijd voor heeft en als hij de ruimte kan vinden, om zijne voeten behoorlijk te kunnen bewegen. Midden in de woeste steppen wordt de reiziger verrast door den aanblik van een Zuid-Russischen schaapherder, die geheel alleen daar in de wildernis, onder den vrijen hemel--danst. De jonge langharige knaap heeft zijn opgeblazen doedelzak voor zich in het gras geworpen en er een steen opgelegd, zoodat het instrument van zelf geluid maakt, en op deze muziek beweegt hij zich met dien vluggen en sierlijken pas, die hem in zoo hooge mate eigen is, door niemand van dichtbij opgemerkt, dan door zijn in den omtrek weidend vee. In de landhuizen der Russische Graven heeft men soms gelegenheid, de bedienden in een nauw hok onder de trap, dikwijls het eenige vrije plekje, dat deze arme duivels ter hunner beschikking hebben, te beloeren en te zien, hoe zij hunne balaleiken slaan en hoe zij in deze, slechts weinige vierkante voeten groote en zwak verlichte ruimte, hunne dansen uitvoeren.

Ook ziet men--en zeker, zeer tot zijne verwondering,--hoe de Russische soldaten, wanneer zij een vermoeienden marsch hebben afgelegd, weldra zingen en dansen en op hunne balaleiken slaan. Het is middag, zij hebben 's morgens met pak en zak vijf uren door bosschen en moerassen gemarcheerd. Hunne officieren geven hun een uurtje rust. De welwillende goedsbezitter en eigenaar van het slot, in welks nabijheid zij rust hielden, heeft ieder man van het regiment een glaasje brandewijn en een stukje brood met kaas laten geven. Met wellust hebben zij deze weldaad genoten. Kort daarna is het geheele regiment, even als het woud na een frisschen regen, verkwikt, heeft het alle ongemakken en vermoeienissen vergeten en, in verschillende groepen verdeeld bewegen zij zich juichende, zingende en op de maat dansende, rondom het bivouac-vuur en de aan rotten geplaatste geweren en zware ransels, die zij binnen weinige minuten weder dragen en omhangen moeten. Zoo iets moet men gezien hebben, in zulke omstandigheden moet men de menschen verrast hebben, om te kunnen beoordeelen, dat het dansen hun werkelijk aangeboren is en hoe zeer het eene nationale behoefte is geworden.

Treedt men een Russisch dorp binnen, dan kan men nog idyllischer tooneelen opmerken. Daar vindt men wel geen herberg of danshuis, maar het geheele dorp is als het ware ééne danszaal. Daar ontmoeten u, om het even of het tegen Paschen of tegen Pinksteren loopt, lange reien jonge, met bloemen versierde meisjes. Het is een "Wesnänka" (een lentedans), dien zij uitvoeren. Zij hebben de handen in elkander geslagen. Het fraaiste meisje voert de anderen aan en bepaalt de figuren en wendingen, die de krans van maagden maken zal. Nu eens vormen zij eene rechte, vooruithuppelende linie, dan weder sluiten zij den kring en blijven, terwijl zij in rondte draaien, een oogenblik op dezelfde plaats. Dan weder vermengt zich de dansende troep tot een knoop, dien zij vroolijk zingende, weder tot een geregelde keten ontvouwen. Het is het poëtische oorspronkelijke type van de zoogenaamde polonaise onzer salons. Het geheele dorp komt op de been. De oude menschen gaan op de banken voor hunne huizen zitten, en verheugen zich in de bevalligheid hunner dochters. Steeds meer en meer jonge meisjes komen lachende uit hare huizen en sluiten zich zingende bij de vorige aan. Ook de kinderen, die in de reien der ouderen geen plaats hebben kunnen vinden, vormen afzonderlijke groepen, en trekken onder gelach en geschreeuw achter de grooteren aan, terwijl zij de bewegingen van deze trachten na te doen. Gewoonlijk voert het vrouwelijke geslacht deze liefelijke tooneelen alleen uit, maar somwijlen komen haar ook van de andere zijde van het dorp, de knapen der plaats in even lange reien te gemoet. Ook zij dansen, zingen en voegen aan de dansenden nog soms iemand toe, die al dansende viool speelt of op de hobo blaast. Vereenigen zij zich ten laatste, dan ontstaat de grootste vroolijkheid, en het vormen van figuren neemt eerst bij het maanlicht een einde.

Even als overal, zoo ontwikkelen de Russen ook bij hunne dansen een niet gering talent tot mimiek, en menige hunner dansen zijn tegelijker tijd kleine dramatische voorstellingen.

Zoo b.v. de zoogenaamde "kosatschka" die zijnen naam aan de Kozakken ontleend heeft, maar over geheel Rusland verspreid is. Deze dans wordt door een jong paar uitgevoerd. De knaap speelt daarbij de rol van vurigen minnaar die om de hand der schoone, zijne danseres, werft. Hij nadert haar al dansende. Op de maat der muziek maakt hij allerlei gracieuse bewegingen, om haren bijval te winnen, en geraakt, al naar mate hem dit al dan niet gelukt, in poëtische verrukking of, op de maat der muziek, in vertwijfeling.--De danseres speelt de preutsche die hem lang afwijst, hem wel eens koketteerend wenkt maar schertsend--spottend--hem steeds dansende weder ontglipt, maar zich toch eindelijk veroveren laat en ten slotte eene omarming en een zachten kus--op de maat der muziek--ontvangt, waarop zich vervolgens het vereenigde paar met snelle, huppelende achterwaartsche passen, terug trekt.

Het verlangen en de pogingen van den minnaar, het schuchtere en twijfelachtige van de geliefde, de ingeweefde episodes van gehuichelden afkeer en allerlei kleine twisten, zooals die tusschen geliefden voorkomen, worden door de dansers dikwijls met bewonderingswaardig talent uitgedrukt. Natuurlijk dansen daarbij niet alleen beenen en voeten--handen en armen, oogen en gelaats-zenuwen spelen ook mede en bewegen zich ook op de maat der muziek.

Dit alles kan men echter beter bij de Russische solo-dansers waarnemen. Solodansers komen bij ons in het alledaagsche leven niet voor, men ziet ze bij ons niet anders dan op het tooneel. Bij de Russen neemt echter dikwijls één enkele het op zich, een geheel gezelschap te vermaken. Wie zich verveelt, mag zijn Russischen kamerdienaar, zijn loopjongen, den soldaat, dien hij bij zich in kwartier heeft, verzoeken hem dien avond door een solo-dans te amuseeren; deze verschijnt zonder lang te aarzelen, versierd, beschilderd, phantastisch opgetooid met de bonte doeken en lappen die hij bij de hand had, en de viool in den arm--want hij is ook zelf zijn eigen orkest. En als er tusschen stoel en tafel zooveel ruimte is, als een vogel in zijn kooi heeft om te springen, dan krijgt gij zeker wat te zien, wat het zien en ook het nadenken er over waard is. De akteur begint zijne voeten in alle bedenkelijke posities te brengen, op de maat der muziek te bewegen, te kruisen, uit elkander te brengen en bij elkander te voegen. Daaronder zijn passen, zooals een Fransch dansmeester zijnen leerlingen nooit geleerd heeft. Hij smijt zijne beenen vooruit, als wilde hij ze wegwerpen. Hij trekt ze terug en slaat ze weder in elkander. Somwijlen knikt hij plotseling tot op den grond toe, in zijne knieën door. Men meent, dat hij op den grond gevallen is, maar spoedig springt hij juichende weder op. En bij al deze hevige lichaams-bewegingen verlaat hem noch zijne zingende stem, noch het accompagneerende gekras op zijne viool. Alle andere deelen van het lichaam nemen ook aan deze op de maat uitgevoerde beweging deel. De schouders worden op en neder getrokken, het hoofd wordt op zij en achterover geworpen; eene zenuwtrekking gaat door het geheele lichaam. Het is, alsof iedere spier afzonderlijk geoefend moest worden, als voerde de danser op bevel van den dokter gijmnastische toeren uit. Ook het gezicht wordt daarbij niet vergeten--de mond wordt heen en weer, de oogleden op en neder getrokken, de baard kromt en spitst zich als eene levende slang. Het geheel eindigt ten laatste met nogmaals op te springen, met de voeten te stampen, juichen, fluiten, ten slotte een streek over alle snaren der viool, en dan staat de danser voor een oogenblik recht op en stil als een standbeeld, in zich zelven zeer tevreden lachende en uwe bijvals-betuigingen afwachtende.

Dergelijke zaken in hunne details gade te slaan, is voor den etnograaf niet van belang ontbloot. Men leert daarin zeer duidelijk den geheelen, er zich in afspiegelenden geest kennen, van dit vlugge, behendige, naar omstandigheden onvermoeide, dichterlijke, tooneelkunstige, in woord en daad welbespraakte Russische volk, de levenslustigsten onder de Slawen, die vroolijk blijven onder de grootste ontberingen, en zich in de neteligste toestanden weten te helpen. Men begrijpt gemakkelijk, dat men uit zulke duizendkunstenaars, uit zulke gom-elastieke mannen, zonder veel moeite alles maken kan, wat men wil: infanteristen, kavalleristen, trompetters, paukenslagers, of wat ook hunne overheid hun op den rug schuift--sjouwerlieden, handwerkslieden, kooplieden of wat het toeval van hen maken wil,--lakeien, kamerdienaars, en door hunne betrekking van kamerdienaar ook staatsbeamten, en ten laatste zelfs grands-seigneurs, waartoe zoowel geest als fortuin helpen, en waartoe de wil van een rijken groote of van den Czaar zelven hen roepen wil.

Want de Rus van licht, week en taai hout, gevoelt zich, (in tegenstelling met de veel eigenzinniger eikenhoutachtige stof der Germanen) zeer spoedig in alle omstandigheden en kringen te huis. Tallooze Russen hebben zich van den laagsten tot den hoogsten trap der maatschappelijke ladder opgewerkt. Menig met ridderordes versierd en met eerbewijzen overladen generaal, zag het daglicht in de hut zijner ouders, die lijfeigenen waren. Menig uitstekend Russisch dichter werd als boerenzoon onder een rietendak geboren. Lomonosoff was de zoon van een visscher aan de Witte Zee, Koslow de zoon eens herders, en Karamsin het kind van een Tataar aan den Ural.

Gelukt het hem, dan speelt de boeren jongen den edelman, den hoveling, den grooten heer, als had Noach reeds zijne brieven van adeldom gered; en verbant de Czaar een der grooten van zijn hof, of steekt hij hem met geschoren hoofd als gewoon soldaat bij een zijner Kaukasische regimenten, dan weet ook deze afstammeling van Rurik, die rol met eene zelfverloochening en gehoorzaamheid te spelen, die men zou moeten bewonderen, als in zulke zaken niet juist het omgekeerde te prijzen en te wenschen was.

Het is zeer waarschijnlijk, dat deze, allen Russen meer of minder eigene eigenschap, zich overal en onder alle omstandigheden te huis te gevoelen, een gevolg hunner volksopvoeding en geschiedenis, die hen in de zwaarste diensten oefende, geweest is--het geweld hunner lijfheeren, die gewoon zijn alles van hen te verlangen--de hardheid hunner despotische heerschers, naar wier luimen zij leven en zich gedragen moeten.--Aan de andere zijde was hun karakter ook zeker iets van dergelijke Proteus-natuur aangeboren, en deze oorspronkelijke aanleg moest dan ook juist dat alles: heerschappij der Mongolen, lijfeigenschap, Czaren-despotisme, weder in het leven roepen, bevorderen en lichter doen dragen. Autokraten kunnen zich geen beter volk wenschen, dan menschen waaruit men alles maken kan, die niets te moeielijk of voor onmogelijk houden, die bij alle, zelfs de grootste hun in den weg komende hinderpalen, hun lievelingswoord: "Nitschewo!" (het is niets) in den mond hebben, die iedere rol weten te spelen, en bij wie men (men moge naar goedvinden een uit hun midden nemen) altijd nagenoeg denzelfden aanleg en dezelfde talenten vindt, of verwachten kan ze te kunnen opwekken.

Eene dergelijke algemeene begaafdheid is dikwijls, een ongeluk voor een volk, Waar allen evenveel verstand hebben, daar komen, schijnt het, uitstekende talenten, hoogere en grootere genieën niet zoo dikwijls voor. Ofschoon de Russen in den regel geboren mimici zijn, hebben zij toch geen Talma Garrick of Schroder aan het Europeesche tooneel geschonken. Ofschoon zij in den regel meer geschikt zijn voor den dans dan wij, zoo is toch nog eerder onder de Duitschers dan onder hen eene Elszler gevonden. Wanneer ook al ieder van hen een tamelijk handwerksman is, die met bijl en beitel, met de naald en met de draaibank weet om te gaan, zoo is nog nooit van hen eene belangrijke mechanische uitvinding uitgegaan. Wel schijnt de minste onder hen meer algemeene oorspronkelijke scherpzinnigheid, meer dichterlijk talent te bezitten, dan het meerendeel onzer prozaïsche landgenooten, en toch hebben zich deze gaven bij hen niet zoo in scheppende vernuften geconcentreerd, die zich boven de massa verheffende, de wereld geïmponeerd hebben. Het schijnt dat zij de eerste moeielijkheden gemakkelijk, al te gemakkelijk overwinnen, maar zich dan geene moeite meer geven, en het eens begonnene laten loopen. Even als in hunne door de zon nooit ticheel verlatene zomernachten, even als in hunne door het noorderlicht beschenene winteravonden, rust ook op de landschappen van hunnen geest eene alom verspreide schemering, maar treft men er weinige krachtige schaduwen en heiderstralende lichtpunten aan. Zelden verdicht zich de lichtstof tot diamanten, zelden verzamelt zich het water tot diepe meren. Overal heeft men eene even groote overstrooming. In Rusland zijnde, verbeeldt men zich soms, dat deze geheele massa van vele millioenen menschen, in denzelfden trog gebakken en gelijkmatig gekneed en gevormd is. Het Russische volk schijnt het grootste aantal gelijksoortige, gelijk begaafde, gelijk gestemde en gelijk gezinde menschen, dat in Europa aangetroffen wordt. Deze groote een- en gelijkvormigheid van de Russische volksstof, toont zich in hunne lichamelijke ontwikkeling--(dezelfde physionomieën ontmoet men zoowel in de eeuwenoude wouden als aan het hof van den Keizer, hier slechts geschoren en met van goud blinkende uniformen versierd), evenals in hunne oorspronkelijke scherpzinnigheid,--(dezelfde sarkastische, bijtende, scherpzinnige en luimige soort van gevatheid, merkt men zoowel in de hut van den boer, als in Petersburg op, alleen is zij hier in het Fransch vertaald)--zoo ook in hunne maatschappelijke toestanden. Want aangeborene en uit de geschiedenis ontstane standen en scherp verschil van maatschappelijke klissen, bestaan eigenlijk niet in een land, waar een Kalmuck even gemakkelijk tot geheimraad en tot edelman van den eersten rang verheven kan worden, als een vorstenzoon tot een naamloozen Siberischen kolonist gedegradeerd worden kan--waar burgervrijheid nooit ontstond--waar hij, dien de lijfeigene zijn heer noemt, in het rijk slechts weder een knecht is,--waar het maatschappelijk gebouw niet, naar het model eener Gothische kerk, met vele afdeelingen, trappen en spitsen gebouwd is, maar waar veeleer alles op een populier of denneboom gelijkt, een top, een stam en voor de rest niets anders dan kleine korte takjes.

Dit gebrek aan groepeering, aan hoogte en diepte dezer gelijke kleur, die eene in het Russische wezen diep ingewortelde natuurlijke aanleg en oorspronkelijke neiging schijnt te zijn, toont zich eindelijk ook daarin, dat de Russen als natie en ras, reeds van den beginne af, in zoo weinig onderdeden verbrokkeld zijn, zich zoo weinig in zelfstandige, scherp afgeteekende neventakken gesplitst en afgescheiden hebben. In het groote vaderland van het Russische volk, bestaat lang zoo veel onderscheid in op zich zelf staande stammen niet, noch zooveel nuancen in het dialect, als in de andere Europeesche landen.

Welke contrasten zouden wij niet in het zooveel kleinere Duitschland vinden, binnen de grenzen van dezelfde taal en van denzelfden stam. Men plaatse slechts den langen Oost-Fries naast den kleinen bewoner van het Erz-gebergte, den prozaïschen Neder-Duitscher naast den poëtischen Schwaab, den lompen Beier naast den welgemanierden Sakser, den gemoedelijken Oostenrijker naast den phlegmatischen Pommeraan. Welke groote verscheidenheden treft men niet in alle onze provinciën, steden en stadjes aan! alle zijn het variaties op hetzelfde thema, maar toch variaties, die zeer van elkander afwijken. Vergelijkt men de Russen daarmede, dan schijnt bij hen altijd hetzelfde thema, of ten minste slechts nauw merkbare variaties er op te bestaan.

Onderscheid bestaat echter bij hen wel; Russische ethnographen, meer echter de vroegere dan de tegenwoordige, onderscheiden de Rood- Wit- en Zwart-, de Klein- en Groot-Russen, de Nowgoroder- de Kriwitscher- en de Susdaler-Russen en meer dergelijke.--Slechts ten deele waren deze dialect- en stamnuancen, als wijd uitgestrekte heidevelden over groote gebieden, in lange liniën uitgestrekt, deels was er zoo weinig onderscheid tusschen hen, dat, als men ze door kleuren op de kaart wilde aanduiden, men, om niet te overdrijven, grijs op grijs zou moeten kleuren, en nu en dan slechts eene verschillende nuance van grijs zou moeten kiezen, terwijl men de vertakkingen van andere volken door alle kleuren van den regenboog zou kunnen aangeven. Eindelijk zijn ook die kleine verschillen nu gedeeltelijk geheel verdwenen. Het eenige, wat in deze eenvormige massa, van oude tijden heen en ook nu nog, eenigzins sterk in het oog valt, is het onderscheid tusschen de zoogenaamde Ruthenen of Klein-Russen en de Moskoviters of Groot-Russen. Dit onderscheid kan men het best vergelijken met het verschil tusschen de Noord-Duitschers en Zuid-Duitschers.

De Klein-Russen treft men aan in het geheele zuidelijk gedeelte van Europeesch Rusland, van de Karpathen tot aan den Don. De Groot-Russen vindt men in het geheele grootere midden der noordelijke en oostelijke helft van het rijk, tot aan de IJszee. De eerst genoemden sluiten zich meer bij de Westelijke en Zuidelijke Slawen van Oostenrijk en Turkije aan, en hebben in hunne taal vele oud-Slawische vormen en beelden bewaard, die bij de Groot-: Russen verloren gingen. Hun taaleigen is meer verwant met de oude Russisch-Slawische Kerktaal. De Groot-Russen werden door de Ruthenen als een nieuw ontstaan, gemengd volk beschouwd, en hunne geleerden mochten zij slechts voor geslawiseerde Finnen uitgeven. De Klein-Russen stichtten het heilige Kiew, de oudste wieg van de Russischen Staat, de Groot-Russen het nieuwere Moskou, waar nu de hoofdwortelen van het land liggen. Zoo is dan ook de Klein-Rus over het geheel wat ouderwetscher en stijver dan de Groot-Rus, op wien hetgeen ik boven aanmerkte, aangaande de vlugheid der Russen in het algemeen, inzonderheid betrekking heeft: De Klein-Rus houdt meer van den landbouw. Hij verlaat niet gemakkelijk zijne geboorteplaats, hem ontbreken handelsgeest en industrieele talenten. Het reizen en trekken bevalt, hem niet. Heiden onderscheiden zich ook zeer door hun uiterlijk voorkomen. De Klein-Russen hebben iets meer Zuidelijks, donkere oogen, bruinachtige gezichten en zwart haar. De Groot-Russen daarentegen hebben eene frisschere gelaatskleur, meestal blauwe of grijze oogen en even als de Finnen; blond haan Hoe sterk de verwijdering en de ongenegenheid dezer twee, met elkander in contrast staande hoofdstammen is, bewijzen de Klein-Russische spreekwoorden, die zij dikwijls gebruiken, wanneer er over een Groot-Rus gesproken wordt: "Ja! hij mag een goed mensch zijn, maar hij is toch een Moskoviet." Met het oog op dezen, zeggen zij ook: "Sluit als gij wilt, vriendschap met een Moskoviet, maar houd een steen bij de hand."

Over het algemeen genomen geeft de bijzonder werkzame en levendige Groot-Rus in het rijk den toon aan. Zij vormen in Rusland den hoofdstam Zij hebben hunne Klein-Russische broeders onderworpen, en zij overstroomen het land en de steden van deze, niet hunne overal welig voortwoekerende koloniën. Hun adel behoort bij voorkeur tot de grooten van het rijk. Terwijl het Klein-Russisch de taal der boeren geworden is, is de taal der Groot-Russen die der literatuur, wetgeving en van gezelligen omgang geworden.

In geheel Europa bestaat wel geen volkstam, die in de laatste eeuw zich zoo uitgebreid heeft, in aantal en macht zoo toegenomen is, als de Groot-Russische. Eene nauwkeurige bekendheid zijner numerieke sterkte op verschillende tijden, zou van groot belang zijn voor de philosophie der geschiedenis. Toen in 1722 Peter de Groote eene volkstelling in zijn rijk liet houden, telde het geheele toenmalige Europeesch Rusland slechts 12 millioen zielen. De Russische statisticus Arseniew, berekent de getalsterkte van den Groot-Russischen stam in het jaar 1850 op 35 millioen.

Van deze Moskovitische of Groot-Russische centraal-massa van het geheele volkslichaam, ging en gaat nog voortdurend, de merkwaardige volken-beweging vooral, uit, die binnen de grenzen van het Russische rijk circuleert, die het geheele Noordelijk Azië met Russische steden en koloniën bezaaid heeft, die ook iedere Duitsche stad van de Oostzee, en eiken stam, elk dorp der talrijke Finsche volken, Russische kolonisten bezorgd heeft, en die eindelijk ook bewerkt heelt, dat zoo menige streek en vreemde natie binnen de grenzen van het groote rijk, in zoo korten tijd geheel Russisch geworden zijn.

De merkwaardige, vooral den Groot-Russen eigene neiging tot reizen en trekken, wordt nog in de hand gewerkt deels door de regeering, die nu hier, dan daar, in eene afgelegene streek van het rijk, militaire- of strafkoloniën sticht of nieuwe steden bouwt; deels door de grondbezitters en grooten, die nu hier, dan daar, nieuw land ontginnen, nieuwe bergwerken exploiteeren of industrieele etablissementen oprichten willen, en op wier bevel de Groot-Russische boeren hunne dorpen verlaten, en op honderde mijlen van hunne oude woonplaats zich gaan nederzetten. Eindelijk wordt of werd deze bewegelijkheid der Groot-Russen, door het zoogenaamde "Obrok" (erfcijns) bevorderd of eerst mogelijk gemaakt. Dat wil zeggen daardoor, dat de grondheeren de gewoonte aannamen, hunne Glebae adscriptis tegen eene kleine, jaarlijksch in te zenden geldsom, de vergunning te geven de wijde wereld in te gaan, te doen wat zij goed vonden, en in hun onderhoud te voorzien waar en hoe zij dat konden.

De werkzame Groot-Russen, die spreekwoordelijk van zich zelven zeggen: "zet mij, als gij wilt, in de steppe op een steen; geef mij bovendien een paar centen in den zak, dan zal ik mijn weg door de wereld wel weten te vinden," maken gretig van deze vergunning gebruik, om zich aan wat zij "promysl" noemen over te geven. Met het echt Russische woord "promysl," dat even onvertaalbaar is, als onder anderen ook het Engelsche "sport," worden alle mogelijke soorten van handwerken en bedrijven bedoeld, voornamelijk echter kramerij, warenvervoer en kleinhandel. Zij, die zich op deze "promysl" toeleggen, de "promyslenniks" maken eene den Groot-Russen geheel eigenaardige klasse van industrieelen uit, die, verlangende iets te verdienen, de wijde wereld ingaan, om zich met hunne bijl, geweer, net of spade hier of daar werk en een verder vooruitkomen te verschaffen. Dikwijls zouden zij dit zeer goed bij zich te huis kunnen vinden, als zij voor hunne tuinen en landerijen behoorlijk zorg droegen, maar de vermoeiende tuin- en landbouw valt niet in den smaak der Groot-Russen. De "promysl" is hun hartstocht.--Zij beginnen eerst in het klein, verhuren zich als bedienden of koetsiers, of als knechten bij timmerlieden of andere bazen, van wier werk zij eenig verstand hebben, of dat zij zich spoedig weten eigen te maken. Hebben zij zich zoo een kapitaaltje verworven, dan richten zij een winkeltje van allerlei snuisternijen op, dat zij spoedig nu in deze, dan in gene provincie opslaan, of begeven zich met hunne waren naar de uiterste einden van Siberië. Hun geluk met en hunne geschiktheid voor den handel, zijn meestal even groot als die der Joden, wien Peter de Groote daarom ook aanbeval zich niet onder zijne Groot-Russen te vermengen, daar zij in deze hunne meesters zouden vinden. En zulke Russische kramer-nomaden eindigen niet zelden daarmede, dat zij zich ten slotte als millionairs in Moskou, Petersburg, Nowgorod of Kasan voor goed vestigen.

Anderen van hen, verliezen hun leven in het oosten, in de Siberische wouden, of in het zuiden in de Kirgisische steppen, waar deze "Promyslenniks" even zulke pionniers of voorloopers der Russische macht zijn, als de strikken-spanners en bevervangers der Vereenigde-Staten. Door rustelooze begeerte om te verdienen, en door avontuurlijke lust om te reizen gedreven, begeven zij zich ook in het hooge Noorden des rijks op zeer slechte booten, en wagen zij zich tot diep in de IJszee, terwijl zij de witte beeren en pelsdieren tot aan Spitsbergen en Nova-Zembla vervolgen.--Deze Promyslenniks, die ook de kostbare zeeotters in de Zuidzee opsporen, hebben voor Rusland, Kamschatka en het Noord-Westelijk uiteinde van Amerika ontdekt, en hebben ook de grenzen van den Russischen invloed tot in China uitgebreid. Het is, alsof daarbij nog iets van den ouden Skandinavischen Wikinger-geest [4] bij de Russen nawerkt.

Het opmerkelijkst heeft zich deze oude Wikinger-geest bij de Russische Kozakken geopenbaard, en in de omstandigheden die de ontwikkeling van dezen volkstam der Russen vergezelden. Het schijnt daarbij op dezelfde wijze toegegaan te zijn, als bij de afstamming van de IJslandsche, Engelsche, Fransche en Italiaansche Noormannen van den ouden Skandinavischen grondstam. Evenals in Skandinavië de Wikinger of zeekoningen de zee doorkruisten, zoo trokken de ondernemende jonge ruiters der Russen de steppen door, vereenigden zich daar, onder den naam Kozakken (d.i. "ongeregelden") tot oorlogzuchtige, dikwijls slechts roofzuchtige ondernemingen tegen de Tataren en andere naburige volken, en maakten ook strooptochten tot zelfs aan de andere zijde van de Zwarte Zee, geheel op dezelfde wijze, als de oude Skandinavische Wikinger die vóór hen gemaakt hebben. Daar zij met den val der heerschappij van de Tataren, in aantal en invloed wonnen, zoo werden zij, onder door hen zelve gekozen Hetmans, voor al hunne naburen gevaarlijk. Zelfs vele Tataren en overloopers van andere volken verbonden zich met hen, en uit deze vermenging ontstond weder, een in velerlei opzicht eigenaardig volk. Daar de Kozakken echter de taal en den godsdienst der Russen, behielden, zoo bleven zij in hoofdzaak een volk van Slawische en vooral van Russische type.

Zoowel de Klein- als de Groot-Russen hebben hunne Kozakken gehad. De zoogenaamde Saporogische of Waterval-Kozakken, ontstonden uit het hart van Klein-Rusland, aan den Dniepr. Op gelijke wijze ontsproten de zoogenaamde Donsche Kozakken uit het hart van Groot Rusland, aan den Don. In den loop der tijden werden deze laatsten, even als de Groot-Russen zelven de voornaamsten. Van hen verspreidden zich naar het Oosten weder verscheidene andere eigenaardige Kozakken-stammen. Vooreerst reeds omstreeks het einde der 16de eeuw, als eene roover-kolonie, de Uralische Kozakken die nu, vermengd met Tscherkessen, Tataren, Perzen, een schoon en krachtig slag van menschen en een klein gegoed volkje vormen, dat geene bedelaars bezit, maar daarentegen menschen onder zich telt, die 10 à 20,000 schapen bezitten en den Czaar trouw dienen.--Vervolgens de Siberische Kozakken, die als gewapende Promyslenniks, onder hunnen aanvoerder Yermak, het eerst Siberië binnendrongen en, daar zij over de geheele uitgestrektheid, van den Don tot aan den Amur in Mandschoerije, zich met vele volken vermengden, velerlei nuancen in zeden en gewoonten vertoonen.

Zeer merkwaardig echter is het, dat die lust tot reizen, die binnen de grenzen van het Russische rijk de kramers en boeren, de visschers, jagers en kozakken, als de sappen in een boom, zoo levendig heen- en weergedreven heeft en nog drijft, dat deze overal nomadiseerende volksverhuizing bijna nooit de grenzen van het Russische rijk overgetrokken is. Bijna nergens vindt men Russen dan in hun eigen land. Even als de Romein, koloniseert hij slechts de Aarde, zoover hij haar veroverd heeft. Overal, waar de adelaars van zijnen Keizer heerschen, al ware het ook aan de grenzen van China, gevoelt hij zich te huis. Maar buiten dit zijn groote Keizerlijke vaderland gaat hij niet. Slechts enkele, door fanatieke vervolgingen verstrooide sekten maken daarop eene uitzondering. Eenige weinige Russische "Raskolniks" of sektenmakers, hebben zich bij tijden ook in Turkije, Zweden en eenige andere naburige landen gevestigd.

Voor het overige vertoont zich, zoowel in de nieuwe wereld, waar anders toch alle volken van Europa elkander ontmoeten, als in de talrijke staten van West-Europa, de Rus nergens als kolonist; in onze steden baart de Oostersche tulband of kaftan en zelfs de neger, minder opzien dan het Russische nationale kostuum, dat bij ons iets geheel ongewoons is, doen zou.--De oorzaken dezer verschijning zijn menigvuldig. Deels staat den Rus in zijn eigen land, dat de halve wereld omspant, nog voor langen tijd een ruim veld voor nieuwe ondernemingen open; deels zouden hunne autokraten en grondheeren, even zeer als zij de beweging hunner ondergeschikten binnen de grenzen toestaan, den lust deze te overschrijden spoedig tegengaan; deels zijn alle handwerken, kunsten en talenten der Russen, zoo geëigend als die voor hun eigen land zijn, ergens anders van weinig waarde.

De Russen en hun vaderland maken in groote mate eene wereld op zich zelve uit, en hangen deze hunne vaderlandsche wereld, met eene groote liefde en met patriotisme aan.--Zij noemen hun Moskovitisch vaderland, dat even goed in politieken en nationalen, als in godsdienstigen zin, eene zoo groote eenheid vormt als er geen tweede bestaat, het "heilige Rusland."--Zij beminnen dit heilige Rusland met al zijne eigenaardigheden, voordeelen en gebreken. Zij zijn zelfs verliefd op zijn klimaat, en zij hebben medelijden met de landen, waar niet evenals bij hen, sneeuw en winter aangetroffen worden. Even zoo zijn zij schier hartstochtelijk ingenomen met de grootheid en de onbeperkte heerschappij van hunnen Czaar, en zij gevoelen zich zelven groot in hunnen grootschen heerscher.--Eene constitutie, die de macht zijner Czaren beperkte, zou den echten Moskoviter een vermindering van zijn eigen gewicht toeschijnen.

En deze vaderlandsliefde, deze zucht in het vaderland te blijven, dit sterke nationale gevoel, doordringt in Rusland alle standen der maatschappij in zoo hooge mate, als men wel bij gelijke rechten bezittende Romeinsche burgers verwacht te vinden, maar als men bij den eersten blik op zulk een volk, bij zoo despotisch geregeerde onderdanen, zeer zelden zal aantreffen.

LITAUERS EN LETTEN.

Midden tusschen de Duitschers in het Westen, de Finsche stammen in het Noorden, de Slawische Polen in het Zuiden en de Russen in het Oosten, woont sedert overoude tijden in Europa een volkstam, dien men, naar den naam zijner beide meest bekende onderafdeelingen, den Litauischen of ook wel den Lettischen genoemd heeft. "Litwa" of "Ljetuwa" (Letland), schijnt wel de oude en inheemsche naam van hun land te zijn. Onder andere namen is waarschijnlijk land en volk, reeds in de vroegste eeuwen der geschiedenis, bekend geweest.

Nu bewonen deze Litauers en Letten het beneden-gebied der groote rivieren Duna en Niemen, langs de Oostzee het geheele schiereiland Koerland, een gedeelte van Oost-Pruissen tot dicht bij Koningsbergen, de zuidelijke helft van Lijfland, noordelijk tot bij Dorpat, bijna de geheele naar hen genoemde provincie Litauen, en een stukje van het Koningrijk Polen tusschen den Niemen en de Pruissische grenzen tot aan Augustowo. Het is een groot, met wouden, moerassen, heiden en zandvlakten, nu en dan door vruchtbare weiden afgewisseld, bedekt gebied, dat nagenoeg even groot is als het Koningrijk Hongarije en eene bevolking van iets meer dan drie millioen menschen telt.

De Litauers en Letten zijn, ofschoon zij van al hunne bovengenoemde naburen, waarmede zij dikwijls in oorlog of vrede zich vermengden, waardoor zij somwijlen beheerscht werden maar die zij ook af en toe beheerschten, veel in taal en zeden aangenomen hebben--toch een van hen zeer verschillend en zeer eigenaardig volk gebleven. Dat zij van Indo-Germaanschen oorsprong zijn, en dien ten gevolge met de Slawen, Grieken, Latijnen en Duitschers tot een en denzelfden grooten, oorspronkelijken stam behooren, is door niemand in twijfel getrokken. Hunne taal, die in bouw en wortels al het wezenlijke met de talen van den Indo-Germaanschen stam gemeen heeft, duidt zulks voldoende aan. Ook is het nagenoeg even zeker, dat zij, onder al die stammen het nauwst aan de Slawen verwant zijn, ofschoon wij ons weder die verwantschap niet zoo denken mogen, dat wij ons daardoor gerechtigd zouden achten, de Litauers op dezelfde wijze als de Tschechen tot de Slavoniërs of de Kroaten tot de Slawen te rekenen. De Litauers zijn niet in den nieuweren tijd, en ook niet op Europeeschen bodem, uit het Slawendom ontstaan. Het is eene overoude en scherpe scheiding, die reeds in het Aziatische moederland moet gebeurd zijn, en waaromtrent geen onderzoek meer valt in te stellen.

Van hunne Duitsche naburen in het Zuiden, weken de Litauers echter stellig meer af dan van de Slawen, en eene nog grootere klove scheidt hen van hunne naburen in het Noorden, de Finnen, ten minste in den oorspronkelijken stam, in taal en wezen; want hetgeen zij, wat hun uiterlijk betreft, in hunne zeden en ook in hunne denkwijze en zielsstemming met de Finnen gemeen hebben, is in hoofdzaak eene uitwerking van het gemeenschappelijk klimaat en van het harde lot, dat sedert oude tijden al die volken van het Noorden met elkander deelden, ten deele echter zeker ook tengevolge van plaats gevonden hebbende vermenging, en van het lang neven elkander wonen.

Hoe en wanneer die Litauers, uit het Indo-Germaansche Azië naar hun tegenwoordig vaderland aan de Oostzee gevoerd zijn, is eveneens een ondoordringbaar geheim. Dat zij zich onder heldhaftige aanvoerders daar heen doorgeslagen hebben, is niet waarschijnlijk, want hunne sagen en gedichten hebben zoo weinig heroïsch, en wijzen even weinig naar een grootschen voortijd heen, als het tegenwoordig niet hoog strevende karakter dier menschen, die reeds door een der oude schrijvers als een "pacatum hominum genus omnino" (een uiterst vreedzaam menschengeslacht) geschetst worden. Zij werden wel door andere volken, op groote vóór de geschiedenis plaats gehad hebbende volksverhuizingen, daarheen gedrongen waar zij nu zitten, en waar zij vervolgens op wonderbare wijze, trots al verdere voortstuwingen, sedert eeuwen zijn blijven zitten en hunne eigendommelijkheid bewaard hebben. Zij liggen daar, als een van elders overgekomen rotsblok, alleen en afgescheurd, midden tusschen louter vreemde, maar toch in de verte verwante stoffen. Wij herkennen wel het afgelegene gebergte, waaraan dit blok ontnomen werd, maar de zonderlinge wegen waar langs het in den chaos der volken-stroomen hier heen kwam, verraadt ons zelfs de sage nauwelijks met eene vingerwijzing.

De Litauers en Letten hebben, zooals dikwijls met onderdrukte en in hunne ontwikkeling tegengehouden volken het geval is, het oorspronkelijke en oude in menig opzicht zuiverder bewaard, dan andere volken van een krachtiger leven en meer energieken drang tot ontwikkeling. Hunne taal duidt nog heden ten dage hunnen Hoog-Aziatischen oorsprong duidelijker aan, dan die der Germanen en Slawen. Zij heeft de vroegere vormen en wortels der oude Indo-Germaansche oorspronkelijke taal, veel meer onveranderd bewaard, dan bij voorbeeld het tegenwoordige Duitsch of Russisch. De Godheid, de zon, de elementen, de deelen van het menschelijk lichaam, en vele andere wezenlijke en over de geheele Aarde gelijke zaken, worden door de Litauische en Lettische boeren nog heden ten dage door namen aangeduid, die bijna geheel dezelfde zijn als wij ze in de heilige schriften der Brahminen vinden. En over het geheel genomen, bestaat er in Europa wellicht geene taal, die de oude oorspronkelijke moeder meer nabij staat, dan die der Litauers en Letten. Vele klanken en woorden dier moeder heeft de dochter nagenoeg geheel onveranderd bewaard. "Esmi" (ik ben) zegt de Lette, "asmi" (ik ben) zegt de Himalaya-bewoner; "eimi," (ik wandel) heet het aan de Oostzee, "aimi" (ik ga) luidde het in Indië; "Diewas" (God), "sunus" (zoon), "wissa" (alles), klinkt het aan den Niemen, "dewas" "sunis." en "wiswa" hoort men wederom aan den Ganges.

Ja! men heeft zelfs getracht, eenige Sanskritische spreekwijzen samen te stellen, die een Litauisch Duna-bewoner, toen men ze hem voorlegde, zonder veel moeite even goed verstond als de taal van zijn buurman. Er bestaat een verwonderlijk verband tusschen de vorming der talen, die in ruimte door vele honderde mijlen, en in tijd door eeuwen gescheiden zijn. Het is een verschijnsel, waaruit menigeen het bewijs heeft trachten af te leiden, dat de Litauers en Letten, later dan alle andere Europeanen, hunne Aziatische woonplaatsen verlaten hebben, en onder de Indo-Germanen de laatste betreders van den Europeeschen bodem geweest zijn, maar dit bewijs is fout; wellicht laat zich de zaak gedeeltelijk daaruit verklaren, dat de Litauische taal nooit geschreven werd, en dat zij dientengevolge even als alle andere talen, die geene literatuur bezitten, die zich niet verder ontwikkelden, onveranderd en verstijfd--meer dan het Slawische en het Duitsche--op het aanvankelijk standpunt bleef staan. Ook bij de literatuur-looze Vlaamsche taal, [5] zien wij de oude vormen der Nederduitsche moeder meer bewaard, dan in het Hollandsch, dat zich grammaticaal, in proza en poëzie meer ontwikkelde, en door de veranderingen die het onderging, zijne jeugdige kracht behield.

Wanneer ook al iets minder onzeker, zoo toch nagenoeg even duister als de allereerste tijd van hun bestaan, is de latere geschiedenis der Letten en Litauers, dezer "inter septentrionales populos obscurissimi" (de allerduisterste onder de noordelijke volken) zooals een oud Slawisch schrijver hen noemt, in hunne woonplaatsen in de moeras- en boschachtige steden aan de Oostzee. Zij schijnen van oudsher een landbouwend volk geweest te zijn, want reeds de eerste Grieksche en Romeinsche berichten over hen, uit den tijd van Christus geboorte, maken melding van hunne korenschuren, "die zij met groote ovens verwarmen, om het koren van hunnen altijd vochtigen bodem, spoediger te droogen," en de Romeinen beschrijven deze graanovens ongeveer op dezelfde wijze, als men ze heden ten dage nog in Koerland, Lijfland en Litauen zien kan.

Zij leefden, naar het schijnt, onder de heerschappij van een gemeenschappelijken opperpriester, een soort van paus "Kriwe of Kriwe-Kriweito" (d.i. de rechter der rechters) genoemd, die met zijne "Weideloten" (onder-priesters) de zaken van het volk regelde--Oude, eerwaardige eikenbosschen, de beroemde van "Romowe" in het tegenwoordig Oost-Pruissen en andere, worden als de verblijfplaatsen van zulke Lithauische priesters en der heidensche godheden, in wier naam zij regeerden, genoemd. "Waidawut", een soort van Lithauische Mozes, zou de eerste dier opperpriesters en de stichter der priesterheerschappij geweest zijn. De "Kriwe-Kriweito" was de vertrouwde der goden, die in donder en onweder bij voorkeur tot hem spraken.--Hij verkondigde het volk hunnen wil en stond in zoo groote eer, dat een mensch, dien hij met zijn opperpriesterlijken staf ergens heen zond, als een heilig persoon beschouwd werd. Misschien kwam oorspronkelijk ook deze priesterheerschappij, evenals de taal der Litauers, regelrecht uit het land der Brahminen.

Ook hunne godsdienst en hunne mythen, voor zoover die ons bekend zijn, ademen een geheel Indischen geest. Daar de Litauers zoo laat tot het Christendom bekeerd werden, hunne oude heidensche beschouwingen nu nog bij hen eene niet onbeduidende rol spelen, en nog veelvuldig in de phantasie en de dichtkunst der landskinderen voortleven, zoo schijnt een vluchtige blik op hunne mythologie, hier op zijn plaats te zijn. Evenals de Slawen en andere Indo-Germanen vergoodden de oude Litauers en Letten de natuur. De hemel, de zon, de maan, de sterren, de bliksem en alle in het oog vallende natuurverschijnselen, werden door hen aangebeden; hunne phantasie schiep uit al deze, levende en persoonlijke gedaanten.

Zij schijnen vooral eene algemeene moeder der natuur, onder den naam "Karaluni" (Godin des lichts), waarin zich de geheele hemel en al zijne verschijnselen verlichamelijkte, vereerd te hebben. Zij stelden zich deze "Karaluni" voor als eene schoone maagd, wier hoofd met den diadeem der zon versierd was. Zij droeg den blauwen met sterren bezaaiden hemel-mantel aan den schouder, door de maan, bij wijze van broche, vastgehecht. De veelkleurige regenboog was haar gordel. Haar lachen was het morgenrood. Als het echter bij zonneschijn regende, dan "schreide Karaluni."--Bij verdere ontwikkeling hunner godsdienstige denkbeelden, werden ook de afzonderlijke verschijnselen aan den hemel, afzonderlijke godheden; zon, maan en sterren, werden op zich zelf staande goden. De zon was eene godin, die over de wereld heenreed in een wagen met drie paarden bespannen, een gouden, een zilveren en een diamanten. Haar paleis lag in het oosten, in het land waarheen de zielen der deugdzame menschen na den dood terugkeeren, om, nadat zij den hoogen, gladden hemelsberg beklommen hebben, eene eeuwige gelukzaligheid te genieten. Twee sterren, "Anschrinne" en "Wakarinne" (morgen- en avondster) staken de zon aan, maakten haar bad in orde en spreidden haar bed:

"Schoone zon! dochter van God! hoor mij aan! Wie steekt des morgens het vuur bij U aan? Wie moet des avonds uw bedje weer spreiden? De morgen- en de avondster beiden. De morgenster stookt het vuurtje goed heet, En d' avondster maakt mij het bedje gereed. Gij hebt dan ook zulk een kinderstoet! En van schatten zulk een overvloed!"

Zoo wordt nog heden ten dage in de Lettische volksliederen gezongen. De Zon was de gemalin van de Maan. Als deze ontrouwe echter de rooskleurige Morgenster het hof maakt, dan grijpt "Perkronos", de god van den donder, het zwaard, en verminkt de volle Maan tot straf het gelaat, terwijl hij hem toeroept:

Waarom hebt gij de zon verlaten? Waarom bij 't morgenrood vertoefd? Waarom des nachts alleen gedoold?

De sterren waren de kinderen van de Zon en de Maan, die slechts een weinig licht ten huwelijk mede kregen. Deze karig uitgeruste zonnedochters huwden met zonnezonen, en daaruit ontstonden dan weder de kleinste en allerkleinste sterren, wier uitzet nog geringer was. De sterren werden door de mythologie der Litauers ook met de menschelijke ziel, die zij zich als eene vonk van het goddelijke licht voorstelden, in verband gebracht. Met de geboorte van ieder kind op Aarde, geloofden zij, verscheen ook eene nieuwe ster aan den hemel. Eene Parce hing deze ster aan het hemelgewelf op en bevestigde daaraan de levensdraden van den jonggeborene. De Parce of schikgodin, door hen "Laima" genoemd, spint den levensdraad, en weeft daaruit voor den mensch een kleed, dat hij na zijn dood, ter herinnering aan de vreugde en de smart van zijn aardsch leven, dragen moet. Van de "Laima maminga" (het noodlots-moedertje) zingen zij nog ten huidigen dage in hunne liederen, waarin wij somwijlen spreekwijzen als: "gisteren zat ik in den nacht met Laima te praten", ontmoeten.

Merkwaardig, maar zeker niet onnatuurlijk is het, dat de zonnegodheid bij de Letten, even als Helios op Sicilië, ook de hoeder en beschermer der veekudden is:

O! Godheid met uw gouden lokken! Wil mijne koe doen weiden, Zoo ook mijn ossen, schapen, bokken, En hun der wolven bloeddorst mijden! Dit smeek ik U! o Zonne!

Op deze wijze zingen de herders in Litauen en in het Lettenland nog heden ten dage.

Behalve de "kudden beschermende" zonnegodheid, en de het leven leidende "noodlot-moeder", hebben zij ook nog eene "woud-moeder", eene "bloemen-moeder", eene "tuin-moeder", eene "wind-moeder". Het meest echter hoort men hen over eene "Semmes-Mathe" (het aard-moedertje) praten. Deze heerscht op en onder de oppervlakte der Aarde. Hare helpsters heeten "Swehtas meitas" (de heilige maagden), die bij hen de plaats onzer Elfen bekleeden, en die, zonder toedoen van den mensch, bij nacht alles in de natuur klaarmaken; van de aard-moeder zeggen de Lettische boerenmeisjes nog heden, als zij iets verloren hebben, b.v. eene naald, schertsenderwijze: "aardmoedertje geef mij mijne naald terug".

Een hunner machtigste goden, hun "donderaar", hun Zeus, heette "Perkun". Hij speelde bij hen ongeveer dezelfde rol als Thor bij de Skandinaviërs. Hem was de eik toegewijd, en ieder voorwerp dat door zijnen bliksem getroffen werd, gold eveneens voor heilig. Ook hij, die door zijnen bliksem gedood werd, kon van zijne zaligheid zeker zijn. Perkun hadden de Litauers met de Slawen gemeen, en even als deze, offerden zij hem paarden. Anders waren hunne offers in den regel noch zeer bloedig, zooals b.v. de offers der Celten, noch waren hunne godheden wreed en verschrikkelijk, als die van vele Oost-Aziatische volken. Slechts één bij hen gebruikelijk offer, verdient bijzondere opmerkzaamheid, daar het bewijst, tot welke heldhaftige vaderlandsliefde deze menschen toch ook in staat moeten geweest zijn. Wanneer een oorlog of eenige andere ramp het volk bedreigde, dan wijdde een hunner zich als zoenoffer ten dood. Hij stortte zich te midden der vijandelijke gelederen of doodde zich op eene andere wijze. Wanneer zich niemand anders daartoe voordeed, dan trad een priester in plechtgewaad te voorschijn, en wijdde zich tot heil van het vaderland, openlijk aan den dood in de vlammen. Deze trek herinnert aan dergelijke gebeurtenissen uit de geschiedenis der Romeinen en der Zwitsers.

Deze en andere overleveringen en mythen aanklevende en bovengenoemde goden vereerende, kunnen de Litauers zich waarschijnlijk gedurende onmetelijke tijdruimten in vele, door geene geschiedschrijvers beschrevene, gevechten en oorlogen, met hunne Slawische, Finsche en Duitsche naburen gemeten hebben. Alleen de met wapens en doodsbeenderen gevulde grafheuvels, die men hier en daar in de bosschen en langs de rivieren van hun land aantreft, getuigen van dergelijke gebeurtenissen.

Ofschoon zij hunne heilige wouden, hunne vaderlijke akkers, somwijlen dapper en hardnekkig genoeg verdedigden, zoo toont de geschiedenis hen ons toch, nu eens onderworpen aan dezen, dan aan genen nabuur. Zelfs de Finsche stam, de Koeren, Lijflanders en Esthen, hebben bij tijden het Lettische land en volk overheerd, en de beide eersten hebben zelfs, aan de hoofdzakelijk Lettische provinciën Koerland en Lijfland, hunne namen opgedrongen.

Veel hadden zij van oudsher te dulden van hunne naburen aan de andere zijde van den Oceaan, van de Gothen of Germaansche Skandinaviërs, wier groote koning Hermanrich hen reeds in de 4de eeuw na Christus, even zoo onderwierp en bij zijn groot rijk inlijfde, als hij zulks met hunne naburen, de Finnen en Slawen deed. Reeds toen zullen waarschijnlijk menige arme Letten op de slagvelden der Gothen gesleept geworden zijn, en als gedwongen recruten aan de volksverhuizing en de verovering van Rome deel genomen hebben, even als zij nog heden ten dage in de regimenten van den keizer van Rusland, bij Austerlitz en Leipzig, aan den Donau en bij den Kaukasus, hun bloed moesten vergieten, voor eene zaak die hun niets aanging.--Menig geleerde heeft de metgezellen van Odoaker, die een einde maakte aan het Romeinsche Keizerrijk, "de Herulers", voor Litauers of Letten willen houden.

Een tweede Hermanrich, de Noorman Rurik, versmolt hen, of ten minste een gedeelte van hen, op gelijke wijze in de 9de eeuw, met het door hem gestichte Russische rijk, en reeds van dien tijd af hebben de Russen deze Litauers en Letten en hun land als hunne onderdanen beschouwd, ofschoon zij volstrekt niet, sinds dien tijd altijd in het bezit der opperheerschappij geweest zijn. Skandinavische in- en aanvallen op Litauen en Lettland zijn tot op de jongste tijden herhaald.

Veel beslissender voor den tegenwoordigen toestand van dezen volkstam, dan al die ontelbare en voorbijgaande Zweedsche invallen van over de zee, zijn zijne aanrakingen met de Duitschers en Slawen, van wie hen geene zee scheidde, geweest. Reeds in de oudste tijden schijnen de Litauers meermalen, onder den invloed en de heerschappij van Duitsche en Slawische volken gestaan te hebben,--maar wij willen over de vroegere duistere en twijfelachtige gebeurtenissen heenstappen. Sedert den aanvang den 13de eeuw echter, drongen de Duitsche ridders en kolonisten van twee zijden op hen in, eens van af den Duna en eens van den Weichsel af, bij wier mondingen deze zich aan de Oostzee nederzetten.

Hier in het zuid-westen, roeiden zij in een langdurigen en bloedigen oorlog een ouden stam der Litauers, die der "Porussen", tot op eenige nu nog bestaande overblijfselen na, uit, en germaniseerden verscheidene streken van het land, tot aan den Niemen toe, waarin van de oude Litauers weinig meer over bleef dan de beroemde naam der tenondergegane Porussische vaderlandsverdedigers, die in "Pruissen" veranderd op hunne doodsvijanden overging, en nu nog als de naam van een grooten Duitschen staat bloeit.

Dáár in het noord-oosten van den Duna, maakten zich de Duitschers den stam in engeren zin, de par exellence zoo genaamde, "Letten", onderdanig, en verdeelden zijn land onder de ridders der zwaard-orde, wier opvolgers daar nog tot op den huidigen dag de grondbezitters zijn. Het geheele Litauische volk werd op die wijze, toen in de 13de en 14de eeuw, om zoo te zeggen aan twee kanten door de Duitschers aangevallen, en het schijnt, dat juist daardoor ten minste de kern en het hoofdlichaam van den stam--het in het midden liggende eigenlijke Litauen--tot eene vereeniging gedrongen werd en zich, hoewel slechts van korten duur, een historisch gewicht verwierf. Er ontstond ten gevolge van dien druk van buiten, in de 13de eeuw, hartstocht tot oorlog voeren en landen veroveren onder dit "pacatum genus". Het tot dien tijd--ten minste als aanvallers (waarlijk niet als het de verdediging van het vaderland gold) slaperige geslacht der Litauers, vermande zich en begon te steigeren, als een paard dat men de sporen in de beide zijden drukt.

Daar de Russische aangelegenheden toen ten tijde, onder de heerschappij der Mongolen, zeer in verval waren, breidde de machtig opdoemende heerschappij der vertoornde Litauers zich voornamelijk in die richting uit. Zij maakten veroveringen ten koste van Rusland; Litauische legers drongen tot aan den Dniepr, tot aan Kiew door, ja streden zelfs tegen Tataren en Russen aan de oevers van de Zwarte Zee. En zoo bestond dan, in het begin der 14de eeuw, een groot, zeer gebiedend Litauisch rijk, wiens woeste vorsten Gedemin, Olghard, Witoft en Jaguel (Jagello,) in geheel Europa beroemd en bij de Russische geschiedschrijvers maar al te bekend geworden zijn; zoo heeft dus ook deze "duisterste" en vroeger altijd onderdrukte stam der Europeesche familie, ten minste eens een tijd van roem gehad of eene invloedrijke rol gespeeld, wel is waar echter slechts ééne maal en ook slechts voor korten tijd, want reeds sedert het jaar 1386, nadat zij door het huwelijk van Koningin Hedwig en den Groot-Vorst Jagello met Polen verbonden werden, verloren de Litauers langzamerhand weder hunne nationale zelfstandigheid, en werden zij door eene andere, en wel krachtiger nationaliteit in de schaduw gesteld.

Eigenaardige bloesems van hoogere ontwikkeling, bracht het volk, ook ten tijde zijner politieke macht en zelfstandigheid, niet voort. De Litauers bleven zelfs heidenen tot aan het begin der 15de eeuw. In het land "Smudz" of "Samogitië" werden zij zelfs eerst in het begin der 16de eeuw gedoopt. Van alle grootere Europeesche volken zijn de, zon-, maan- en sterren aanbiddende, Litauers het laatste tot het christendom bekeerd. Genoemde Litauische Groot-Vorst Jagello gold zelfs in Polen voor een heidensch barbaar. Hoe donker het daar, zelfs ook in de oogen der Russen, moet uitgezien hebben, bewijst onder anderen de naam, dien zij van oudsher aan de, door de Litauers bevolkte bosschen en moerassige landschappen gaven, aan die wildernissen, die nooit de zetel eener beschaving geweest zijn, waarin zich nog heden ten dage, kudden der elders overal uitgestorvene wilde ossen ophouden. De Russen noemden die oorden: Zwart-Rusland.

In die vereeniging met een meer ontwikkeld, krachtiger en reeds sedert lang christelijk volk, werden de voornaamste klassen onder de Litauers gedenationaliseerd, gepoloniseerd en, ten minste in naam, Katholieke christenen. Sedert dien tijd zijn adel en stadbewoners in dat voornaamste gedeelte van Litauen, in zeden, denkwijze en taal geheel Poolsch geworden, en zijn ook, zelfs na de uitbreiding der Russische heerschappij over het geheele land, tot nu toe Poolsch gebleven.

Even als in het eigenlijke Litauen, vele in dat land te huis behoorende geslachten in het Polendom opgingen, zoo zijn in het Letten-land, dat is in Koer- en Lijfland, ten minste menigen in het Duitschdom opgegaan. Het Duitsch sprekende burgerlijke gedeelte der bevolking van de steden dezer Lettische landstreek, is gedeeltelijk van Lettische afkomst. Ja! ook onder den Lijflandschen adel, wiens voorouders anders meestal in Westphalen, in het Bremensche en andere streken van Noord-Duitschland gezocht moeten worden, bevinden zich eenige oorspronkelijk inheemsche geslachten. Zoo b.v. zouden de Vorsten Liesen van een Lettischen aanvoerder "Kaupo" afstammen.

Alleen de oorspronkelijke plattelandsbevolking in de genoemde streken is de oorspronkelijke taal en gewoonten van den stam onveranderd trouw gebleven, en leeft nog, ofschoon zij in strenge afhankelijkheid gehouden wordt, en van den eenen kant met het Duitsch overtrokken, aan de andere zijde door Poolsche en Russische nationale elementen overdekt is, een geheel eigenaardig en in Indië zijn wortel hebbend leven; niet ongelijk aan dat der bijen, spinnen en andere dieren van lagere orde, die onder eene op haar nedergestorte rots, hun leven leiden. Trots het bij hen ingevoerde christendom, vindt men in hunne zeden en gebruiken nog veel heidensch. Ook hierin herinneren de Litauers en Letten aan Indië. Even als de Hindoe's, hebben zij altijd onder vreemde opperheerschappij gestaan, en toch even als deze, ten minsten in de lagere volksklassen, aan hunne zeden en hun voorvaderlijk geloof, met eene hardnekkige taaiheid eeuwen lang vastgehouden, ofschoon zij wederom geene geestkracht bezaten, en het hun daardoor ook nooit gelukte, hun nationaal-type ook op eenige andere natie te drukken. Ten gevolge van dit gebrek aan énergie, hadden ook de hoogere klassen der Litauers, en hunne Vorsten en hun hof, reeds gedurende, den tijd der staatkundige grootheid van hun stam, Russische taal en zeden aangenomen, die zij later weder tegen de Poolsche omruilden.

Ofschoon zij in Litauen zelf den Katholieken godsdienst, in Pruissen, Koer- en Lijfland echter het protestantisme omhelsden, en ofschoon onder hen zelven menige stam-verscheidenheid en tallooze variaties in tongval, kleeding en gebruiken bestaan, zoo zijn toch nog heden ten dage alle opmerkingen, die men over hen gemaakt heeft, zoowel over de Litauers, die voor de poorten van Koningsbergen wonen, als over die aan den Duna en aan het Peipus-meer, alsook over die bij Wilna en aan den Niemen, zoo bijzonder overeenstemmend, dat men wel inziet, dat men overal splinters van hetzelfde blok, een en dezelfde nationaliteit voor oogen heeft.

De nuancen hunner taal zijn niet grooter, dan die onder de verscheidene Duitsche dialekten. Hunne poëzie heeft overal een gelijksoortig gronddenkbeeld, behandelt gelijksoortige onderwerpen op gelijksoortige wijze, en Duitsche letterkundigen, die hunne tradities in Gumbinnen in Oost-Pruissen opzamelden, stieten op letterlijk dezelfde verdichtingen en sagen, ja dikwijls op letterlijk dezelfde verzen, uitdrukkingen en gedachten, als de Russische literatoren, die aan het meer Peipus dergelijke Lettische of Litauische bloemlezingen vervaardigden.

In hunne kleeding, ofschoon deze dikwijls in kleinigheden bijna in iedere landstreek verschilt, hebben zij toch in de hoofdzaak overal dezelfde voorliefde voor zekere kleuren en vormen, denzelfden nationalen smaak en snit, die van dien der Russen, Polen, Finnen en Duitschers merkelijk afwijkt. In de wijze waarop zij hunne huizen bouwen, hunne gereedschappen vervaardigen, is overal een gelijksoortige stijl, welke van dien der Russen en andere naburen zoo zeer afwijkt, dat men b.v. met een enkelen oogopslag, een Russisch huis of dorp van een Lettisch of Litauisch onderscheiden kan. Ditzelfde valt omtrent hunne gebruiken en gewoonten bij bruiloften, begrafenissen en andere gebeurtenissen in het leven op te merken.

Wat hun lichamelijk voorkomen aangaat, verschijnen de Litauers en Letten als een goedgevormd slag van menschen. Zij zijn over het geheel genomen grooter dan hunne naburen de Finnen, en men vindt vele lange, hooge gestalten onder hen. Hun gelaat draagt schier geene sporen van het Mongoolsche type, dat bij de Russen zoo duidelijk spreekt. Ook bezitten zij niet die vlugheid en lenigheid, die den Russen en anderen Slawen eigen is. Hunne vrouwen bezitten in den regel, een frissche vroolijke gelaatskleur en eene zachte liefelijke schoonheid. Naar hun geheelen lichaamsbouw is men eerder genegen de Letten tot de Germanen, dan tot de Slawen te rekenen.

In hunne kleeding zijn ze vermoedelijk even ouderwetsch als, naar hetgeen hierboven vermeld is, in hunne taal. Wat de Duitsche kroniekschrijvers, voor 500 jaren, over de kleeding der oude Litauische Pruissen mededeelden, geldt nog heden ten dage van hen. Dit is trouwens zeer natuurlijk bij een volk, dat op het gebied van kleeding geene kunstenaars bezit, bij hetwelk niet alleen het winnen en de eerste toebereiding der stof, maar ook hare fatsoeneering en vervaardiging eene familie-aangelegenheid is; waar de dochter des huizes zingende, als Penelope het weeftouw in beweging brengen, en de vrouwen zelve, evenals de echtgenoote van Odijsseus, die fraaie kleederen vervaardigen, de broeders en vaders eigenhandig de pelzen bereiden, en de knapen hunne schoenen zelf snijden en maken. Konden wij maar onze kleermakers afschaffen, en wilden onze zusters, dochters en vrouwen voor ons weder spinnen, weven en naaien, dan zouden wij ook weldra een vast nationaal kostuum hebben.

Men heeft bij de naakte, wilde natiën opgemerkt, dat die, welke zich bijzonder prachtig tatoueeren, gewoonlijk ook een trotschen en koenen geest hebben. Bij de van kleeding voorziene volken, kan met betrekking tot hunne kleedij eene dergelijke opmerking gemaakt worden. De moedige Hongaren, de ondernemende Russen, de levendige Polen, hebben allen een zeer opgeruimd en schitterend nationaal kostuum. De nationale kleederdracht van het "pacatum genus" der Litauers en Letten, heeft, zoo oud zij is, niets bijzonder in het oog vallends, niets elegants of zwierigs in kleur en snit. Hunne lievelingskleur is nu nog, evenals in de heidensche oudheid, wit en lichtgrijs. Niet alleen de mannen, maar ook de vrouwen kleeden zich meestal met flauwe kleuren. Zij vormen daarin een groot contrast met de levendige Russen, die in den regel veel van bonte kleuren houden, en zelfs liever groene en roode dan witte hemden dragen. Dit gemis aan scherpte, dit gebrek aan kleuren, schijnt eene weerkaatsing te zijn van den lauwen, weekelijken, weinig levendigen en weinig hartstochtelijken zin der Letten. Als iets van het vúúr, dat zijne naburen bezitten, hem éigen was, dan zou hij daarvan wel iets in de kleur en de manier van kleederdracht toonen, evenals de tijger dat in zijne gevlekte huid doet.

In de vervaardiging van hun schoeisel zijn zij niet meer vooruitgegaan, dan de Indianen van Canada; het bestaat gewoonlijk slechts uit een zacht stuk leder, dat door eene lis om den voet vastgesnoerd wordt, of ook wel uit een vlechtsel van linden- en wilgen-bast, dat zij "passeln" noemen. Met lichten tred loopen zij daarmede over de moerassen van hun land heen, waarin de zwaar gelaarsde Pool of Duitscher dikwijls zou blijven steken. Daarentegen zorgen zij meer voor eene stevige bedekking der hand, dan zij zulks voor den voet doen, en men zal moeielijk een volk op aarde aantreffen, waar de handschoen eene zoo groote rol speelt dan bij de, in dit opzicht zeer bijzondere, Letten en Litauers. De herdersknapen, die achter de ossen en paarden loopen, de houthakker in het bosch, ja, zelfs de staljongen, zijn allen altijd "bien ganté." Waar zich de eene Lette aan een anderen verhuurt, daar wordt telkens het aantal der te leveren handschoenen vastgesteld, vier paar 's jaars voor den ganzenhoeder, acht paar voor den eersten knecht enz. Handschoenen zijn dientengevolge bij hen ook vaste feestgeschenken geworden. Zoo worden zij den gasten als een geschenk, als eene ridderorde, aan den jas vastgespeld, gewoonlijk tegelijkertijd met een eveneens ruim versierden, met rood garen omzoomden handdoek, het symbool der zindelijkheid. Eene bruid moet voor haren huwelijksdag wel eenige honderd paar handschoenen en handdoeken gereed hebben.

In hunne woningen zijn zij vermoedelijk niet minder primitief dan in hunne kleeding. Boven is reeds opgemerkt, dat, bij de schrijvers der ouden, eenige aanduidingen over hunne gebouwen voorkomen, die nog heden geldig zijn. Zij huizen gewoonlijk in op zich zelf staande, verstrooide boerderijen. Want de weinige lust tot gezelligheid dezer menschen, liet hun niet eens tot het vormen van dorpen en dorps-gemeenten geraken, zooals die bij de Russen en bij alle Slawen van oudsher schijnen bestaan te hebben.

Ver van de sloten en lusthoven, die de Poolsche, Russische en Duitsche edellieden bij hen gebouwd hebben, ter zijde van de wegen, die de vreemde veroveraars aanlegden, daar, waar de wegen en paden van het land, slechts aan de in het mos nauw zichtbare sporen van wagens en paardenhoeven, te herkennen zijn, en zich in de bosschen en moerassen verliezen, daar begint het eigenlijke vaderland der landskinderen, daar liggen hunne kleine, onaanzienlijke landhoeven, beschut door eenige oude eiken of berken, of in plaats van door vruchtboomen, door hooge pijnboomen omgeven.--Even als overal in het Noorden, ook bij de Russen en Zweden, zijn hunne huizen uit over elkander liggende en in elkander ingelatene balken gebouwd, maar zij zijn weder geheel anders geconstrueerd dan deze.

Al de gebouwen der boerderijen liggen in een cirkel, waarbinnen zich eene ronde binnenplaats bevindt. Alles is even eenvoudig, even klein, met stroo gedekt, naar buiten zonder eenige versiering en zonder vensters, maar ook van binnen zijn er deze slechts weinige. Het geheel ziet er uit, als een kleine houten burgt voor bange menschen, die zich tegen de ruwheid van het klimaat (en der menschen?), evenals de slakken zoo diep mogelijk in hunne woning verbergen. Langs een smallen, hobbeligen weg, aan weerszijden met hooge heggen beplant, komt men tot de uit balken in elkander geslagen deur der boerderij. Daar binnen ziet het er bont genoeg uit, en alles is, evenals bij de Lilliputters, zeer in het klein.

Het gebouw bestaat uit eene menigte kleine afdeelingen, kamertjes en hokken. Daar is het gemeenschappelijke woonhuisje, dat door een paar vensters wat in het oog valt; daaraan sluit een ander huisje "Kleete" genaamd, voor de kleederen, het lijnwaad, den voorraad boter, vlas en koren van den huisheer; een andere "Kleete" voor het huisraad van den knecht, een derde voor de meiden; dan is er nog een klein schuurtje voor de sleden en wagentjes, voor de lompe ploegen en landbouw-gereedschappen; een afzonderlijk huisje, dat wij het best met een duiventil kunnen vergelijken, voor het droogen van kaas; vervolgens nog een koren-droogoven, eene zoogenaamde "rige" voor het droogen en het dorschen van het koren; gewoonlijk ook nog een vertrek voor stoombaden in de koude winters, zooals men die bij de Finnen en Russen aantreft, en somwijlen ook een ijskelder voor den heeten zomer. Bovendien nog eene massa andere kamertjes en hokjes, die zich naast elkaar bevinden als de kajuiten in een schip; een stalletje voor de schapen, een ander voor de kleine, magere, meest horenlooze koeien, en wederom andere voor de even kleine en ongelooflijk geplaagde en daarbij duurzame paarden; een afzonderlijk stalletje voor het rijpaard van den huisvader, een ander voor de paarden van den knecht, en nog een ander voor andere paarden, want de paarden en het rijden, zoo te paard als in een rijtuig, speelt bij deze menschen nog eene even groote rol, als waren zij pas van Azië naar Europa heengereden. Naar hun werk op het veld gaan zij òf te paard, òf in rijtuigen en sleden; naar de kerk gaan alleen zij die er het dichtst bij wonen te voet, de meesten echter te paard of op wagens. Wanneer hier of daar eene boodschap moet gedaan worden, zetten zich de knapen, en ook de meisjes die hier bijna evenveel rijden als de mannen, in den zadel, en rijden daarheen waar wij, die veel van te voetgaan houden--reeds Tacitus duidt ons als voetgangers aan--als Merkurius, de sandalen of waterlaarzen zouden aantrekken. Schuifkarren, draagkorven, handwagens, en dergelijke Duitsche uitvindingen, komen in de huishouding der Letten niet voor, terwijl men bij de Duitschers, de menschen met kruiwagens en draagkorven dikwijls verre reizen maken, en als het ware geheele winkels op hun rug dragen ziet.

De Letten transporteeren zelfs de kleine hoeveelheden melk, die hunne magere koeien geven, het pondje boter, het hoopje vlas, het bundeltje hout, dat zij als "houtdieven" uit het bosch van hunnen heer haalden, op den wagen, en om een paar hazen naar de markt te brengen, spannen zij twee hunner paardjes in. Vroeger--zoo gaat de sage onder dit volk--waren de menschen veel grooter, waren het ware reuzen en daarbij verschrikkelijk sterk, en "zij torschten zulke zware lasten, als men nu nauwelijks durft te zeggen". Later echter werden de menschen van jaar tot jaar zwakker en "wij zullen nog zoover komen, dat wij in dwergen veranderen en met ons zevenen aan een stroohalm moeten trekken". Dergelijke sagen treft men, wel is waar, ook wel bij andere volken aan, maar bij de tegenwoordige Letten komen zij recht te pas en schijnen zij reeds half in vervulling gekomen te zijn.

Ook hunne dooden dragen zij niet als wij ten grave, zij zetten ze op een met paarden bespannen slede, en rijden zoo met den doode in snellen draf over de sneeuwvlakte en door de wouden naar het kerkhof heen. Treurende mannen en vrouwen jagen er te paard, onder het prevelen van klaagliederen, achter aan. Veelvuldig en bij allerlei gelegenheden ziet men dus karavanen sleden en wagens door het land trekken, en bereden mannen, knapen en vrouwen over de velden jagen. En dit is niet alleen van toepassing op Koer- en Lijfland en op de Russische Litauers, maar dergelijke tooneelen en zeden neemt men ook in Oost-Pruissen waar.

Even als het paard onder de dieren, zoo speelt de berk onder de boomen de voornaamste rol in de huishouding en den landbouw der Litauers en Letten. Hunne tafels, hunne kroezen, emmers, vaten, kortom het grootste gedeelte hunner gereedschappen zijn vervaardigd van het taaie berkenhout, dat zich zoo fraai en gemakkelijk op de draai- en schaafbank laat bewerken. Hunne sleden loopen over lijsten van berkenhout, de velgen der raderen zijn van hetzelfde hout vervaardigd. Aan de elastieke berkentakken worden ook de schommelende kinderwiegen opgehangen.

De schors en de bast van den berkenboom zijn zeer taai en laten het water niet door. Zij nemen daarom dikwijls de plaats van het leder in, korven, goten, flesschen en drinknappen worden er van gemaakt. En bij het vervaardigen van daken op de huizen, wordt de schors der berken in even groote hoeveelheden verbruikt, als bij de Indianen van Noord-Amerika. Ook bevat zij die krachtige looistof, die het Noordsche juchtleder zijne beroemde eigenschappen geeft. De ziekelijke uitwassen van den berk, zijne zwammen, knoesten en de verharde vlechtingen zijner plantenvezels dienen dikwijls de industrie van het land. Tonder, kurken, sleutels en verscheidene andere kleinigheden worden er uit vervaardigd. De lentesap uit den berk, wordt ook wel bij ons uit den boom gehaald, maar meer slechts uit aardigheid. Bij deze Noordlanders echter word de zaak ernstiger behandeld. Want in de lente is het zoetachtige berkenwater niet alleen hun gewone drank, maar zij vervaardigen er ook hunnen azijn van, en weten het ook weder hier en daar tot eene stroop te verdikken, die hun tot suiker dient. In Maart of April, als de sappen uit de wortelen opstijgen, worden in alle krachtige berkenboomen gaten geboord, en met groote emmers, vaten en bakken begeven de meisjes en knapen zich naar het bosch om het begeerde vocht naar hunne voorraadkamers te halen. Zij hebben het daarmede even druk als de wijngaardeniers bij den druivenoogst. Door het bijvoegen van kruiden weten zij het berkensap een tijdlang goed te houden, en tegen Paschen en Pinksteren hebben dan de armen, wien mede of bier te kostbaar is, geen anderen feestdrank dan dezen palmwijn van het Noorden.

De berk gaat, om zoo te zeggen met bloed en been, in de huishouding dezer Noordsche volken over. Uit de vette wortelen van den boom winnen zij hun teer,--zijne eerste, jonge, eenigzins bitter smakende knoppen verzamelen zij, om met hun heilzaam planten-aroma de ledematen hunner jichtigen te versterken,--uit de frissche, licht groene, juist ontvouwde bladeren bereiden zij eene fraaie, gele verf,--en in den herfst verzamelen zij weder de drooge bladeren van dezen boom, om hunne divans of althans hunne bedkussens er mede te vullen.

Bovendien is de berk het voornaamste sieraad van een Lettisch landschap. Hij omzoomt als een dunner voorhout overal de dichte dennenbosschen, en is de meest voorkomende boom in de tuinen van het Noorden, waar men haar gaarne kweekt, omdat zij in de lente het eerste gewas is, dat tot het nieuwe leven ontwaakt, en reeds spoedig na het smelten der sneeuw met zijn liefelijken, frischgroenen bladerensluier getooid, daar staat. Ook in den herfst nog, voor de bladeren geheel verbleeken en wegwaaien, verheugt zijn loof het oog door zijne violette-, weerschijnende-, bruinroode-, goudgele kleuren. Even als de berk in den tuin de boom der vreugde is, zoo is hij als treurberk op de Noordsche graven, de met de menschen sympathiseerende boom van den rouw.--Hier en daar vormen de berken op zich zelf staande groote, vroolijke bosschen, door de Letten "Behrsen" genoemd, waar een Ruysdael de liefelijkste gezichten voor zijne schilderijen zou kunnen vinden. Zij hebben dikwijls veel van door de natuur aangelegde parken. Deze "behrsen" zijn de geliefkoosde schuilplaatsen voor de talrijke zangvogels van het land, die zich in de donkere eeuwenoude wouden niet wagen. In hen huist de berkhaan en dikwijls ook de ree en het reuzenhert van het Noorden, de eland, die gaarne het jonge loof van den boom afknauwt.--De Letten zelven houden niet minder van hunne "behrsen". In hunne liederen bezingen zij dikwijls den lof der berkenbosschen, die in de lente en in den zomer op zon- en feestdagen hunne gewone plaatsen zijn, waarin zij zich vermaken, dansen, en waar zij ook aan de boomen hunne schommels hangen. Voor deze schommels, die in het voorjaar even regelmatig als de bladeren zelve, in de Noordsche berkenbosschen verschijnen, hebben de Letten eene even groote voorliefde als de Russen. Als er niets te doen is, dan brengen de meisjes, gedurende de heldere zomernachten, er uren lang zingende en tusschen de boomen op- en nederzwevende, in door. Wellicht hebben hunne voorouders op gelijke wijze in de palmbosschen van Indië geschommeld.

Even als in alle bovengenoemde zaken, in hunne kleeding en hunne huiselijke inrichtingen, zoo hebben zij ook verder in hunne gewoonten, in hunne levensbeschouwingen, in hun bijgeloof, in hunne gebruiken bij begrafenissen, bruiloften en andere plechtigheden, veel overouds en zeer eigendommelijks.

Hunne gebruiken bij bruiloften vooral, worden door de eerste en oudste Duitsche schrijvers over het heidensche "Pruissen", in hoofdtrekken juist zoo beschreven, als men ze nog heden ten dage in Koerland en Litauen mede beleven en zien kan. Ik zal ze hier, als voorbeeld, wat meer in bijzonderheden mededeelen. De jonge dochters der Letten en Litauers beginnen reeds bij tijds, zich voor hun huwelijk, eene gebeurtenis die haar allen dreigt en waarnaar zij allen in stilte wenschen, voor te bereiden. In haar vrijen tijd, spinnen, naaien en weven zij vlijtig, en verschaffen zich in den loop der jaren een kleinen bruidschat van handschoenen, doeken en ander nuttig huisraad. Hoort nu een jonge, trouwlustige knaap van een vlijtig, zedig en niet zelden ook mooi meisje, heeft hij geinformeerd hoeveel ponden wol zij bijeengegaard, hoeveel warme sokken enz. zij klaar, hoeveel lammeren zij groot gebracht heeft, en voor alles, of daar ook een paar koeien bij zijn, en heeft hij zich vervolgens, nadat hij dit alles overwogen heeft, van de gevoelens zijner geliefde verzekerd, dan zendt hij eerst naar het huis zijner uitverkorene een bruidwerver, die onder allerlei ceremonieel met hoesten, kuchen en verlegene complimenten, eene toespraak tot den huisvader richt. Met veel omwegen vertelt hij vervolgens, dat hij voor een vriend een meisje, een goed vlijtig meisje noodig heeft om te spinnen, te weven, te bleeken, te wasschen, te breien en te naaien, te melken en te karnen. Hij heeft nog nergens de rechte kunnen vinden, hij gelooft echter in dit hoog geachte en zeer geroemde huis te moeten zijn. De huisvader of woordvoerder der bruid bedankt voor het vertrouwen en de eer, en stelt vervolgens den bruidwerver de meisjes van het huis voor. "Hier zijn meisjes genoeg, zoek de uwe en neem haar!"--Daar de ware, om wie het te doen is, maar die zich gewoonlijk even als Asschepoestertje beschaamd verscholen heeft, niet onder haar is, zoo prijst de bruidwerver allen, die hem voorgesteld zijn geworden. "Maar," zegt hij, "zij, naar wie ik verlang, is er niet bij." Hij heeft gehoord, dat er nog een teeder wezen in huis is, een ander lieftallig duifje, een vreedzaam lammetje, een vroolijke ree, een sierlijk betooverend kindje, en die bedoelt hij eigenlijk. Na vele verontschuldigingen, dat men niets van haar weet, en nog verscheidene dringende pogingen en bemoeiingen van den bruidwerver, wordt vervolgens de gezochte eindelijk, uit den eenen of anderen hoek, voor den dag gehaald. Ontdekt en overwonnen, treedt zij eindelijk bedeesd en beschaamd te voorschijn, en nadat zij het jawoord gegeven heeft, en nog eenige andere punten vastgesteld zijn, geven vervolgens alle partijen elkander de hand, en drinken zij elkander toe met een glas mede of brandewijn, waardoor het verdrag bezegeld wordt.

Eenigen tijd daarna, verschijnt de vrijer zelf op een bontgetooid paard, en legt zijn bezoek af, om de bekrachtiging te halen en te geven.--Staat eindelijk de bruiloft voor de deur, dan noodigt de bruid in persoon al hare verwanten daartoe uit en evenzoo de bruidegom de zijne. Tot de trouwplechtigheid komen beiden, door hunne beredene bloedverwanten omgeven, in twee afzonderlijke treinen aan, die elkander bij de kerk ontmoeten, en na de plechtigheid zich het eerst naar de woning der bruid begeven.

Het bruiloftshuis is met dennentakken, in den zomer ook met berkenloof en met allerlei phantastische sieraden, die veel overeenkomst met kroonlichten en kransen hebben, versierd. Dergelijke zaken weten zij uit gras en stroohalmen zeer sierlijk te vervaardigen, en roode, gele en witte bessen nemen daarbij de plaats in van edelgesteenten, glas-kristallen of bloemen, die men in het Lettenland niet aantreft. In het bruidshuis, treedt de bruidsjonker, waartoe een der vlugste knapen gekozen is, op, en houdt eene aanspraak tot haar, en vervolgens nemen de feesten en maaltijden een aanvang, iets wat niet zelden drie dagen en drie nachten duurt.

Bij dit feest speelt de bruid zelve wel de voornaamste, maar ook de treurigste rol. Op haar mooist aangekleed, gaat zij aanhoudend, en zooals zulks haar plicht is de aangename gastvrouw spelende, tusschen de gasten door. Maar, terwijl zij hun de mede toedient, vergiet zij menigen traan, tracht hun medelijden in te boezemen, en toont zich zoo treurig als wachtte haar het zwaarste lot. De smart, dat zij haar moederlijk huis, de plaats waar zij hare jeugd doorgebracht heeft, nu verlaten zal, doet zich nu veel meer bij haar gevoelen dan de vreugde, dat zij nu haren geliefde toebehooren zal.--De ongetrouwde meisjes, hare vriendinnen, houden zich intusschen druk met haar bezig en trachten haar te troosten. Door de getrouwde vrouwen worden zij daarover bespot in verzen, die zij improviseeren en in koor zingen. De meisjes antwoorden de vrouwen ook weder in verzen, die zij eveneens in koor zingen, en op die wijze ontspinnen zich formeele zang-gevechten en poëtische wedstrijden, die zij elkander, aan lange tafels zittende, leveren.

In de verzen der eene partij wordt het huwelijk en de stand der huisvrouwen geprezen, en met nadruk geëischt, dat de bruid door de meisjes uitgeleverd zal worden. In de liederen der andere partij daarentegen, wordt de jeugd en de maagdelijke staat geprezen, worden de ruwe getrouwde mannen voor hard en wreed uitgescholden en de vrouwen berispt. Somwijlen komen de zangeressen daarbij zoo in vuur, dat zij van hare plaatsen opspringen en staande peroreeren, terwijl zich dan de geheele rei op de maat van het lied op en neder beweegt, of heen- en weerschommelt. Om de kracht te vermeerderen en de maat voor het gezang duidelijker aan te duiden, slaan zij daarbij met een klein met ijzer beslagen instrument, dat met schellen en kletterende metalen plaatjes behangen is, op de tafel.

Slaat eindelijk het bittere uur, waarin de bruid het moederlijke huis moet verlaten en naar dat van den bruidegom gevoerd zal worden, dan bereikt de droefheid den hoogsten graad. Zij mijdt dan de gasten, trekt zich terug, verschuilt zich; staat de reisslede eindelijk gereed, dan ontdekt men haar ten slotte in de slaapkamer harer moeder, op wier bed zij ligt te schreien. Slede en paard zijn met doeken, bonte linten en pluimen versierd, en de schelklinkende bellen en de het geheel omgevende ruiterschaar, verkondigen iederen voorbijganger, dat het eene bruid is, die men ontvoert.

Even als de bruiloften, zoo worden ook andere gebeurtenissen in het leven, even als alledaagsche zaken door de Letten in liederen ("Dainos" genaamd) verheerlijkt. Het hoofdthema voor alle dichters en van alle liederen is meestal, de aan de bruiloft voorafgaande liefde.

De Letten behandelen dit thema met groote gevoeligheid en poëtischen tact. Uit hunne "Dainos" spreekt eene zuivere zedelijkheid, eene hooge achting voor betamelijkheid en voegzaamheid, die, vooral wanneer men in aanmerking neemt het weinige, wat kunst en opvoeding daaraan voor deel hebben, iemand werkelijk met bewondering vervult. "Ook geen enkel lied," zoo luidt de merkwaardige uitspraak van den bekenden professor Rhesa, die 13 jaren lang bij de Litauers liederen verzameld heeft. "Geen enkel," zegt hij, "vindt men er onder, dat men ruw zou kunnen noemen, dat ook maar in het allerminst de grenzen, door tucht en zedelijkheid voorgeschreven, te buiten gaat. Veeleer komen daarin overal trekken van het fijnste zedelijk gevoel voor, die even vele waarborgen zijn voor de edele gezindheid van het volk, en den reinen grondtoon zijner bestemming. De liefde is bij hen niets minder dan een wilde hartstocht, veeleer een zeer teeder en kuisch gevoel. Eene zachte melancholie, een treffende weemoed geeft eene eigenaardige, weldadige tint aan al hunne liefde-liederen. Levendige schilderingen der bekoorlijkheden van de geliefde, zooals bij de Zuidelijke dichters, komen in de 'Dainos' dezer schuchtere en beschaamde minnaars van het Noorden in het geheel niet voor. 'Vurige' of 'smachtende blikken,' of zelfs 'een kus van roozeroode lippen,' zooals onze poëten zulks in hunne verzen zeggen, zouden hun al te sterke uitingen van hun gevoel toeschijnen, en zij laten dat alles uit hunne liederen weg; evenals de Grieksche treurspeldichters alle, het zedelijk gevoel en de oogen kwetsende zaken, van het tooneel verwijderden. Ja! de liefde zelve heeft ter nauwernood een naam bij hen, en is nog dat heilige geheim der natuur, dat hij, die het gevoelt, ter nauwernood durft uit te spreken. En toch is alles in hunne gedichten even waar gedacht, als diep gevoeld en zedelijk gehouden." (Rhesa.)

Ten bewijze van het hierboven medegedeelde, zal ik eenige proeven van zulke bescheidene en gracieuse "dainos" of liefdeliederen der Letten, die ik zelf eens bij dat volk verzameld heb, mededeelen. Ik merk hierbij echter op, dat de geliefden elkander in deze liederen gewoonlijk "zustertje" of "broertje" noemen. Ook de naam "geliefde" schijnen zij dus te sterk te vinden. Hunne genegenheid is zoo zacht als broeder- en zusterliefde.

"Zustertje! zustertje!" zoo zucht een Lettisch minnaar in een vers:

"Kom in mijne woning en zie nu, Hoe ik mij wakend en slapend steeds kwel, In tranen steeds baad en--dit alles om U.--"

Dat zij echter, even als andere menschen, zeer goed een onderscheid tusschen broeder- en zusterliefde en dat andere gevoel kennen, blijkt ons onder anderen uit het volgende vers, waarin een minnaar zijne eigenlijke zuster en zijne geliefde met elkander vergelijkt:

"Zoet is de boschbezie, Maar zoeter nog de aardbezie. Mijn zuster heb ik schrik'lijk lief, Maar meer toch nog mijn hartedief!"

Even als ook andere dichters, leggen zij dikwijls gevoelens, waardoor zij zelve bezield zijn, voorwerpen in de natuur waarmede zij omgaan, bloemen en boomen waaronder zij eenzaam wandelen, in den mond:

"Ik beluisterde mijn appelboom, toen hij 't volgende bad: Als de herfstmaand komt, dat dan een meisjelief moge Van mijn takken plukken, heel de appelenschat; Daarna haar garen aan mijn takken doe droogen."

Eigenaardig en teeder--maar psychologisch zeer natuurlijk--is de oorzaak en de grond tot de liefde, die een meisje in de volgende verzen aangeeft:

Ik breide onlangs een handschoenenpaar! Zal ik ze aan mijn broedertje geven? Neen! ik schenk ze dien goeden jongling maar, Die mijn moeder zoo roemt om zijn leven.--

Zij laten in hunne "dainos" veel raden, wat zij niet bepaald uitdrukken, zooals b.v. in de volgende verzen geschied is, waarin een meisje, dat ziek is van liefdesmart en verlangen, door het bezoek van den geliefde en de eindelijke toestemming en verloving genezen wordt:

Door berkenboschjes, door pijnboomenwoudjes droeg mij mijn paardje, mijn bruintje, naar het huisje van mijn schoonvader. "Een fraaie dag, een fraaie avond, geliefde schoonvader! Hoe maakte het mijn zusje? wat doet mijn jong meisje?"--"Ziek is het meisje, ziek, ach! zeer ziek! ginds boven in de nieuwe kamer, in haar wit bedje!"--Daar, in den tuin! en voor de deur weenende, wischte ik de tranen uit mijne oogen; ik greep hare hand en stak er het ringetje aan. "Gaat het u zoo niet beter, mijn liefje?" "Ha! zal uw hart u nu niet genezen?"

De vele in die verzen telkens voorkomende diminutiva zijn bij de Letten bijzonder in trek. Deze weekelijke, eenigzins vervrouwelijkte menschen, die, zooals ik boven reeds opmerkte, ook in hunne huishouding, zooveel Lilliputachtigs hebben, bij wie alles, gedachtengang, gezichtskring, phantasie en gevoel om zoo te zeggen van kleinen stijl is, die van alles hier op Aarde slechts een klein weinig bezitten, bij wie ook in natuur en land alles zoo armoedig en niets in overvloed is, die ook naar hun bedeesden aard, zoo gaarne vleien en liefkoozen, zijn de grootste vrienden van verkleiningswoordjes. Zij hebben eene menigte aanhangsels in hunne taal ontwikkeld, om verkleinings-vormen te maken en zij verkleinen daarmede alles: zelfstandige naamwoorden, werkwoorden, bijvoegelijke naamwoorden en bijwoorden.--Als men hen hoort spreken, is het, of zij alles door een verkleinglas bezien. Zij verkleinen zelfs nog die woorden, die reeds uit en op zich zelve iets kleins aanduiden, en hunne bedelaars b.v. bidden niet, om "een stuk brood" maar om "een klein stukje broodje." Zij verkleinen ook nog weder de verkleinwoorden zelf, en hebben zooveel dubbel-verkleinwoorden, als men moeielijk in eene andere taal zal aantreffen. Zoo b.v. beteekent "Matte" bij hen "moeder", en daarvan maken zij door verschillende aanhangels de verkleinwoorden: "Mahtite", "Mahminja" (moedertje) en "Mahmulite" (klein moedertje). Van dit laatste vormen zij weder het uiterst vleiende drievoudige verkleinwoord "Mahmulinga" (heel klein moedertje). Hetzelfde is ook het geval met "Meita", "Meitscha" en "Meitschinga" (meid, meisje en klein meisje).

Dit nu over de verkleinwoorden der Letten. Ik keer tot de "Dainos" terug. Ik sprak boven over het verdriet der Lettische bruid bij het afscheid van haar ouderlijk huis. Dit thema is door hen natuurlijk in vele roerende verzen behandeld. Als proeve daarvan diene het volgende:

Waarom toeft gij meisje! hier zoo alleen? Waarom 't hoofdje in de hand, schatjelief! spreek? Zijt ge niet prettig gestemd of tevreên? Is ook uw hartje soms ietwat van streek? 'k Ben zeer vrolijk en tevreên bovendien, Ook mijn hartje is kalm en vol van de vreugd! Maar toch kan ik wel eens bedrukt om mij zien, Want heden toch eindigt mijn jeugd. O! mijn kransjelief! schoone bruidskrans! Steeds zal 'k U bewaren zorgvuldig en goed. Leef wel, moederlief! 'k neem afscheid thans, Vaartwel, broeders, zusters, 't ga U allen goed!

In de volgende verzen wordt de smart der bruid nog onbestemder, algemeener en daardoor nog poëtischer uitgedrukt:

Wat huilt de wind, wat zucht het woud! Wat zwaait de lelie op en neêr! Doch de wind, zij huilt noch loeit in 't woud Noch zwaait de lelie op en neêr! De teedere maagd, het meisje weent, Haar bruidskrans slingert heen en weer. Hebt ge over uw moeder geweend? Of treurt ge om uw zuster zoozeer? Of kindlief, betreurt g'uw maagdelijken tijd? Ik beween mijn goede moeder niet, En betreur mijn lieve zuster niet, Maar ik beween, betreur mijn maagdelijken tijd!--

In tallooze verzen van dit soort en met menigerlei variatie, mengen zich de snaren treurende onder het vroolijke huwelijksfeest. In de ziel van dit altijd zoo ongelukkige volk, dat altijd zoo'n hard lot te verduren had, wortelt een diep melancholisch element. Hunne halve literatuur bestaat uit zoogenaamde "Raudas" of klaagliederen, afscheidsliederen, grafgezangen en in verzen gebrachte verzuchtingen. Zij schijnen zich zoo recht te goed te doen in de poëtische beschouwing der weemoedige en smartelijke zijden en gebeurtenissen van het leven.

In de aan hunne afgestorvenen gewijde verzen, zijn zij gewoon deze complimenteus aan te spreken en hun vele verwijtingen te doen, dat zij de hunnen in den steek gelaten hebben.

Waarom gestorven, moedertjelief? Hadt ge geen levend dochtertje meer? Waarom vertrokken, moedertjelief? Was mijn verpleging niet zorgzaam en teêr? Sta op! sta op toch! moedertjelief! Ik zal uw graf van zijn zoden ontdoen.

En dan ontwaken de dooden uit het graf en trachten de achtergeblevenen te troosten:

Wie beweent mij boven op aarde? Wie knielt op mijn grafheuvel neêr? Dochterlief! ga naar huis, mijn waarde! Waar een ander' moeder toch weêr, 't Haar van uw hoofd zal opmaken willen, Waar een jongling zal spreken van liefde, En daarmêe uw tranen zal stillen.

Tot eene zeer rijke verzameling treurdichtcn onder de Letten heeft voornamelijk eene nu regelmatig van tijd tot tijd terugkeerende ramp, de Russische recruten-lichting, aanleiding gegeven. Ofschoon zij zich, zooals reeds opgemerkt is, in geval van nood en wanneer het hun vaderland gold, dapper genoeg geweerd hebben, zoo is toch dit herders- en landbouwersvolk, van nature en uit eigen beweging, zeer weinig oorlogzuchtig en ondernemend. Zij hebben, zooals reeds ter loops aangemerkt is, zelfs geene overleveringen van vroegere helden. Hunne poëzie is zoo weinig heroïsch, zoo zuiver idyllisch als die der Arkadische herders. Als natuurkinderen, zonder eenigen zin voor politiek, zijn deze geheel onstaatkundige menschen aan den zeer beperkten kring van hunne geboorteplaats en hunne familie gehecht. Wanneer derhalve de Russische werver zijne trom roert, om de landskinderen onder de keizerlijke vanen te verzamelen en hen de wijde wereld in te voeren, dan rilt, om zoo te zeggen, het geheele land. Het geheele volk baadt in tranen, en overal hebben de treffendste en hartroerendste tooneelen plaats, welke hij, die ze eens zag, nimmer weder vergeet.

Het einde der treurliederen bij het afscheid van de tegen hun zin ten oorlog trekkende jongelingen, is gewoonlijk, dat de zusters klagende naar den tuin gaan, om den hoed van hunnen broeder voor het laatst met bloemen te versieren. Terwijl zij dien tooien, vragen zij hem weenend: wanneer hij terugkomen wil? en de wanhopende broeder antwoordt haar in troostelooze beelden: dan zal hij terugkeeren,--als de palen der omheining bloeien,--als de steenen verrotten--als de keien op het water drijven--en als de veeren naar den bodem van het water zullen zinken. Hij neemt dus afscheid voor eeuwig.

Als proeve van een dergelijk lied, moge den lezer het volgende dienen, waarvan echter het beloop eenigzins anders is, waarin de zusters het lot van den broeder profetisch vooruitzien, en al het verschrikkelijke van den slag, als zagen zij alles in een droombeeld, uitschilderen. Ik moet nog opmerken, dat de in dit vers voorkomende "mees" dikwijls de profetische vogel der Letten is.

Klagend klinkt der meezen gefluit, Dicht onder 't raam van den broeder: Zuslief! ga en hoor toch eens uit Wat zij wel zegt van dien broeder?-- Dit liedje zingt het meesje ons voor: Ten oorlog moet de broeder gaan!-- O! zuslief! pluk dan bloemen, hoor! Steek die op broeders hoed, vooraan.-- Zingend, maar ook weenend, smeekt hij: Zuslief! wil niet droevig wezen! Mij zult gij weerzien goed en blij. Mocht uw wachten vruchtloos wezen, 't Paardje zult gij wederzien! Het paardje komt, helaas! wel weer, Maar broeder is er niet te zien. Toen het teruggekeerd was, weer Met stof bedekt zeer bovenmate, Vroeg ik het paardje vleijend af: Waar hebt ge uw ruiter nu gelaten? Ginder ligt de ruiter in 't graf, Waar men niets dan bloed zag stroomen, Waar de beenderen bruggen maken, Waar gelijk gevelde boomen, Vele lijken hopen maken.--

Ook de dagelijksche taal der Letten is vol klagende tusschenvoegsels, zuchten en jammerkreten, rijk aan uitdrukkingen voor ellende, zorg, verdriet, weemoed, kommer en gebrek, zoomede aan woorden om verzoeken en smeekbeden uit te drukken. Daar zij altijd een treurig nationaal-lot hadden, daar zij ten allen tijde vreemde gestrenge Heeren boven zich zagen, wier genade en medelijden zij afsmeeken moesten, zoo is onder anderen het gezegde: "Erbarm u!" bij hen stereotiep geworden, en wordt het zelfs daar gebruikt, waar van medelijden volstrekt geen sprake is, en waar anderen eene andere uitdrukking zouden gebruiken. Zij zeggen b.v. "Erbarm u! wat regent het van daag!" of ook "Erbarm u! gij zoudt iemand zich dood doen lachen!"

Ja zelfs de zoogenaamde jubelliederen der Letten, die vreugde moeten uitdrukken, zijn door min of meer melancholieke melodiën vergezeld, die als treurmuziek klinken. In de heldere zomernachten, omstreeks St. Johannes, wanneer op alle heuvels en aan de oevers van alle rivieren, de zingende maagdenscharen zitten; wanneer de herders al zingende het vee naar de weiden drijven; wanneer de paardenhoeders, zich tegen middernacht, rondom hunne wachtvuren, zingende aan den zoom van het woud verzamelen, dan klinken deze murmelende melodiën over het geheele landschap heen, even als in het land der Kozakken het klaaggeschreeuw der krekels en kikvorschen, en de geheele landstreek schijnt dan hem, die dit geneurie--onbewust, dat het hier eene uitdrukking van vreugde is--hoort, als gehuld in een somber treurwaas van muzikale klaagtoonen.

Zekerlijk mag men dit alles slechts over het geheel en in het algemeen aannemen. Ik geef hier natuurlijk slechts den grondtoon, die in het geheel merkbaar is, en de meest in het oog vallende kleur aan. Want geen een volk is zoo door God en de natuur verlaten, dat hem geheel alle vroolijkheid van gemoed ontbreekt. Tusschen hun nachtelijk geneurie heen, hoort men somwijlen zeer vroolijke, zeer aangename en zeer bekoorlijke wijzen en melodiën, die echter--vreemd genoeg--nog niemand op noten gebracht heeft. Ook in hunne spreekwoorden en in hunne puntdichten, waarvan zij er zoovele bezitten, toonen de Letten genoeg, dat het hunnen geest niet aan kernachtigheid, hun verstand niet aan scherpte en Attisch zout ontbreekt.

Zij merken de zwakheden, ondeugden en belachelijkheden hunner medemenschen zeer duidelijk op; bezitten even als alle onderdrukten, zooals b.v. ook de Joden, eene besliste neiging tot satirieke bonmots, tot het bespotten en uitlachen van anderen, en zijn daarbij uiterst vindingrijk, zinrijk, somwijlen zeer bijtend. In het volgende vers b.v. bespot een Lettisch meisje een jongen man, die haren vader beleedigde, op pikante, lakonieke en treffende wijze:

Met de stoute achterpootjes Sloeg een haasjen eens mijn vader, Gaarne had ik hem gewroken, Maar--door 't lachen ging het niet.

Vele hunner spreekwoorden zijn ook vol scherpe en bijtende satire en zijn even vele bewijzen eener gezonde levens-philosophie. Uit honderden, die voor de hand liggen, neem ik slechts enkele:

"Laat den duivel maar eerst in de kerk, dadelijk wil hij ook den kansel bestijgen," luidt een hunner, dat de brutaliteit van een Mephistopheles, die in dienst van de hel zich zelfs vermeet Gods woord te prediken, zeer treffend aangeeft.--Een eenvoudigen sukkel zonder eenige ondervinding kan men moeielijk beter uitduiden, dan in de volgende spreekwoordelijke uitdrukking der Letten geschiedt: "de goede man schijnt in eene ton grootgebracht en door het spongat gespijsd te zijn."--In eene andere spreekwijze drukken zij zeer naïef en duidelijk ons "schoenmaker blijf bij uw leest," uit. Zij zeggen: "het schaap wenscht zich hoorns, maar het hert geeft ze hem niet."--Het Lettische "met een gouden hengel visschen" herinnert ons aan het Duitsche "met een zilveren spinnewiel spinnen."--Dat men den duivel niet op den muur uitteekenen moet, leeren zij in de volgende spreuk: "roep den wolf maar, en hij is er al." Ons "van den regen in den drup," is bij hen niet minder veelbeteekenend en eigenaardig uitgedrukt in: "hij vluchtte voor den wolf en liep den beer in den muil."

Het Duitsche: "schrijf de schuld in den schoorsteen" heet bij hen: "dat betale de spade" (namelijk de grafspade, de dood). Vergelijkt Salomo de spraak bij een tweesnijdend zwaard, de Letten zeggen van haar: "de tong hakt om zich heen als eene bijl, de tong hangt op als een strik."--Hem, die eene oude verbintenis lichtvaardig breken wil, waarschuwen zij met het zeer begrijpelijke en uit het dagelijksch leven gegrepene beeld: "afgesneden brood plakt gij moeielijk weder aan een." Niet weinig pikant zijn nog de volgende spreekwijzen der Letten:

"Toon hem uw open hart, hij zal u den rug toonen," (van iemand, die zijn hart bij een hardvochtig mensch uitstort).

"Vraag den wolf om het lam," (bij een vergeefsch verzoek, dat men tot een onbarmhartig mensch richt).

"Hij zoekt het paard, waarop hij rijdt," (van een ontevredene, die zijn geluk miskent).

"Daar blijft de goudberg der rijken, daar blijft de bedelzak der armen," zeggen zij van het alles gelijkmakende graf.

Bestudeert men dezen door de Litauers en Letten in woorden gebrachten schat van levenswijsheid,--beschouwt men het fijne, dat hunne taal aanbiedt, fijnheden, die niet anders dan de uitdrukking van een even fijnen volks-geest kunnen zijn, overweegt men de vele echt dichterlijke gedachten in hunne liederen en "Dainos," die echter als membra disjecta, (verstrooide ledematen) als verstrooide steenen over het land verspreid liggen--ontdekt men ook de talrijke talenten en gaven, wier kiemen duidelijk bij deze menschen zichtbaar zijn, hunnen in kleinigheden zoo vindingrijken geest, hun buigzaam wezen, dat zoo gemakkelijk het een of ander opneemt, dan mag men zich wel met recht afvragen, hoe het toch gekomen is, dat bij dit volk zulk een aanleg nooit tot een krachtige ontwikkeling gekomen is, dat die membra disjecta nooit tot een samenhangend geheel vereenigd geworden zijn.--Vele hunner lessen van wijsheid zijn een Uilenspiegel of een Esopus, ja zelfs een Sokrates niet onwaardig. Verscheidene hunner dichterlijke beelden en uitdrukkingen zijn zoo treffend en dichterlijk, dat geen Ovidius of Tibullus zich hun gebruik had behoeven te schamen. Meer dan één groot dichter schijnt om zoo te zeggen in deze geheele massa opgelost voorhanden, even als de parel in den beker van Cleopatra. En toch is nooit, noch een Shakespeare, noch een Goethe, noch een Tibullus of een Ovidius bij hen uit die massa geconcentreerd en nedergeslagen geworden. Bij de Duitschers vindt men nu eens een paar millioen prosaïsche boersche zielen, en dan weder een Uhland of een Schiller als een Blocksberg in de vlakte. Bij de Letten schijnt het dichterlijk bloed overal verspreid, bijna ieder heeft er min of meer talent voor, maar men treft er geene boven allen uitmuntende, geene opzien barende geniën. Het is alles als van een gereten en verbrokkeld. Een jachtsneeuw van vlokken en toch geen gletscher. Het is een uitgebreid veld met kleine boschjes, waarin de vinken slaan. Nergens echter verheffen zich hooge boomen waarin adelaars nestelen.

De Koerlandsche, Lijflandsche en Poolsche heeren zijn, in hunne dagelijksche gesprekken, altijd vol aardige anekdoten over hunne Litauische en Lettische boeren; vertellen veel van schrandere invallen en scherpzinnige opmerkingen, die deze gemaakt hebben; van de vindingrijke wijze en kunstgrepen, waarmede zij zich spoedig uit de verlegenheid geholpen hebben, en waarbij onze boeren om zoo te zeggen, de handen en voeten in den weg zouden staan; van roerende trekken, waarin zij de grootste aanhankelijkheid, trouw en liefde en andere schoone eigenschappen van hun hart openbaarden. Ja, menig bewonderaar van het Lettendom is tot de conclusie gekomen, dat dit volk door de natuur tot de ontwikkeling der heerlijkste humaniteit en beschaving bestemd schijnt geweest te zijn. Dit neemt echter niet weg, dat trots deze veelzijdige begaafdheid, die hoogere humaniteit en beschaving bij hen nooit doorgebroken of tot uitbotting gekomen is. Het volk is altijd in Europa een obscuur en laag, zwak, rank gewas gebleven.

Niettegenstaande de vele wijze ouden, die men, evenals de leerlingen van Plato, sprekende onder de Letten gevonden heeft, is toch nooit een Plato onder hen opgestaan. Niettegenstaande hunne fraaie spreuken en leefregels, hebben zij nooit een Lycurgus of Solon voortgebracht, die hun eene vaste en zelfstandige nationaliteit gegeven en een staatsgebouw opgetrokken heeft.--Bij al hunne bekwaamheid en hun vindingrijk genie, is toch nooit iets blijvends, iets van ingrijpenden aard bij hen gevonden. Ongeacht hunne neiging tot vrijheid en onafhankelijkheid, die hun even als allen menschen eigen is, trots de verwonderlijke hardnekkigheid, waarmede zij in oude tijden somwijlen hunne vrijheid tegen Slawen en Duitschers verdedigd en ook later nog dikwijls getracht hebben te herwinnen, hebben zij toch geen Mozes en Jozua, die het volk een eigen en duurzaam huis gebouwd of veroverd had.--Daartoe heeft hun een hoogere vlucht, een sterk geconcentreerde energie, eene groote neiging zich met elkander te vereenigen, kortom, een zeker iets ontbroken, wat eerst elken schoonen aanleg eener natie ontwikkelt, en wat de groote en machtige volken vormt. Hoe zich dit laat verklaren en waardoor dit komt, valt moeielijk te zeggen. Op de vraag: waarom één volk machtig, rijk en groot wordt, en waarom het andere zich nooit uit zijne moerassen en wouden tot het daglicht opwerkt? vinden wij dikwijls geen meer voldoend antwoord, dan op die: waarom de eene plant in de natuur een bloemrijke heester blijft, terwijl de andere tot een eik of een vruchtdragenden boom opgroeit?--Een Lettisch spreekwoord zelf zegt: "wie zich tot een lam maakt, die wordt door den wolf verscheurd." Hebben zij begrepen, dat dit woord op hun geheele volk past, en dat het daarom den buit van anderen werd, omdat het niet, zooals de duigen van een goed wijnvat, van ijzeren hoepels voorzien was?

Even als dat spreekwoord, zoo zou men ook de vele poëtische klaagtoonen en treurliederen, die de Letten aan de arme weeskinderen wijden, zeer goed op het geheele volk kunnen toepassen. "Arme verlatene weeskinderen, tot wie niemand woorden van liefde richt, die niemand hebben die hun tot voorspraak kan dienen; die in storm en sneeuwjacht weenen en klagen, wier tranen alleen door de zon gedroogd worden," zijn beelden en tooneelen, die in hunne, boven door mij aangehaalde, elegische "Raudas" zeer dikwijls voorkomen. Dit volk schijnt in zijne weeskinderen eveneens zich zelven te bezingen. Eene dier Lettische weeskinderen-Raudas luidt als volgt:

"Wij arme weeskinderen, aan den oever van een snelvlietend beekje toevende, wachten onze moeder. O! wij treurende meisjes, verlatene weezen, gewoon in bittere ellende te ontberen: niemand weet, hoe droevig wij schreien. Alleen de zon weet het, die onze tranen met hare warme stralen droogt. Alleen ons doekje weet het, waarmede wij onze oogen afwisschen. Ach! zullen de moeders niet met den stroom komen aandrijven?--Eeuwig stroomt het, eeuwig ruischt het. Maar de kinderen wachten te vergeefs en snikken. Zuchtend en klagend gaan zij hunnen weg."

Met die weeskinderen, welke zij zoo dikwijls bezingen, zeg ik, is dit in geheel Europa vergetene, verweesde, onderdrukte en werkelooze volk der Litauers en Letten te vergelijken. Zij verwachten de reddende moeders van den stroom der tijden. Maar nimmer komen deze aandrijven.

FINNEN, LAPPEN EN SAMOJEDEN.

Door de onmetelijke wouden, aan de tallooze meren, over de uitgestrekte, moerassige en dorre vlakten van het Noorden van Europa--in de heuvel- en bergketenen, die ons werelddeel van Azië scheiden en in de uiterste einden der Skandinavische Alpen, zoomede aan de kusten van de Yszee, zijn eene menigte merkwaardige volken en overblijfselen van volken verbreid, die allen in lichaamsbouw, taal, zeden en ontwikkeling met elkander meer of min verbroederd, en evenzoo van hunne zuidelijke naburen verschillend zijn, en die men daarom kan beschouwen als tot eene en dezelfde volkengroep te behooren.

Reeds Herodotus, de vader der geschiedenis, schijnt een oppervlakkig bericht aangaande het bestaan van deze kinderen van het Noorden, misschien door tusschenkomst der in verre streken handeldrijvende Grieksche kooplieden aan de Zwarte Zee, gekregen te hebben. Want hij zegt, "dat aan gene zijde der akkerbouwende Scythen (Slawen), in de landen waar de zon niet meer schijnt, geheel wilde, geheel vreemdsoortige volken leefden die hunne eigene taal spraken, die niets met de 'Scythen' gemeen hadden, die zonder de minste gezellige orde, jagende in de bosschen rondzwierven, en waarvan hij onder anderen een stam aangeeft, die door hem de 'Melanchlänen' (de zwartmantels) genoemd worden."

Ook wat Tacitus in zijne beschrijving van Germanië ons van zijne "uiterste Europeanen" mededeelt, en wat dezen Romein door tusschenkomst der Germanen ter oore kwam, is slechts weinig en fabelachtig.--Toch noemt Tacitus voor het eerst den naam der "Fennen" of Finnen, en zegt van hen, dat zij van kruiden leefden, zich met dierenhuiden kleedden, geene paarden bezaten, geen ijzer kenden en dat zij in "verwonderlijke wildheid, in de allergrootste behoeftigheid" (mira ferocitas, foeda paupertas) levende, geene Goden schenen te vereeren.

De naam Finnen, die van het Germaansche "Fenn" (broekland, moerassig land) afgeleid schijnt te zijn, is dien ten gevolge waarschijnlijk eene overoude benaming der Duitschers voor hunne, in de noordelijke moerassige streken wonende, naburen geweest. Wij hebben dien naam tot op den huidigen dag blijven gebruiken, en op den geheelen ver verbreiden Finschen volkstam overgebracht.

Van alle Germanen zijn van oudsher de Skandinaviërs dezen Finnen, die ook gedeeltelijk met hen hetzelfde schier-eiland bewoonden, het meest nabij gekomen. De oudste Skandinavische overleveringen maken van hen melding als van een ruwen, elkander over en weer beoorlogenden stam, als "zonen der rotsen," als het "volk der bergkloven" en duiden hun land aan met den naam "Jötunheim," het vaderland der "Jötunen" of "Jätten"--der "bergwolven" en "der het licht schuwende toovenaars." In latere geschiedkundige geschriften geven de Zweden en Noorwegers, even als de Duitschers, hun ook den naam Finnen of Fennen.

Behalve de Duitschers en Skandinaviërs, kennen wij in den historischen tijd geen ander Europeesch volk, dat met deze Finnen in zoo groote aanraking gekomen is, dan de Oostelijke Slawen, de tegenwoordige Russen, wier woonplaatsen sedert onheugelijke tijden over eene lange, groote uitgebreidheid, naast die der Finnen zich uitstrekten. Ook zij schijnen in deze hunne naburen, het den Slawen vreemde en het hun onder elkander eigenaardige, reeds vroeg opgemerkt te hebben. Want zij hadden en hebben voor hen eene overoude, veelbeteekenende benaming. Zij noemen hen "Tschuden", een woord, waarvan de afleiding duister is, maar dat vermoedelijk zooveel beteekent als "vreemden," "niet-Slawen."

Toen de Russen bij de uitbreiding hunner veroveringen tot aan den Ural doordrongen, vonden zij daar ook overal deze vreemdsoortige ("Tschudische") stammen, en daar men nu dit geheele, lange gebergte, dat de Finnen "Ogur" d.i. "de hoogten" noemden, door hen bezet vond, en omdat men meende, dat zij uit de dalen van dit Aziatische grensgebergte, als van uit hunne oorspronkelijke woonplaatsen, even als de daar ontspringende rivieren, zich over het Noordelijk Europa verspreid hadden, zoo heeft men hun daarna ook wel den naam van "Ogurischen, Ugrischen of Uralischen volkstam" gegeven.

Bij de Finnen zelven, zijn natuurlijk al deze hun gegevene namen onbekend. Daar zij, verspreid als zij waren over eene groote uitgestrektheid, al hunne stambroeders nooit hebben leeren kennen; daar zij nooit eene tot gemeenschappelijke daden, en onder hetzelfde staatsbestuur verbondene natie gevormd hebben, zoo bezitten zij ook geen naam, die op hen allen van toepassing is.--Iedere kleine stam heeft zijn eigen naam. Toch keert bij velen hunner den naam "Suomalaiset" of iets dergelijks, terug, dat naar de meening van Duitsche onderzoekers, even als het Duitsche woord "Finnen" zooveel als "watermannen of moerasbewoners" beteekenen moet, en men zou dien in zekeren zin als den echten inheemschen, en met de moerassige natuur van hun vaderland zamenhangenden, nationalen naam der Finnen kunnen beschouwen.

De tijd, waarin de verbreiding der "Finnen" of "Tschuden" of "Suomen," van den Ural plaats mag gevonden hebben, moet vóór den oorsprong der geschiedenis, ja vóór al de sagen van ons werelddeel, gezocht worden; hij heeft zich noch door taalonderzoek, noch door andere gevolgtrekkingen laten bepalen. Wijl wij intusschen in den historischen tijd, de Slawen zoowel als de Germanen, altijd van het zuiden af, tegen de Finnen zien optrekken, en deze, steeds voorwaarts gaande, naar het noorden zien terugdrijven, zoo is het aan te nemen, dat de Finnen als de allereerste binnentrekkers, als de eigenlijke oorspronkelijke bewoners van Europa, of ten minste van een groot gedeelte van Europa te beschouwen zijn, en dat, zoowel de Germanen als de Slawen, als latere indringers binnen hun gebied moeten aangemerkt worden.

Diensvolgens zullen, naar de zienswijze van verscheidene Duitsche en Skandinavische geleerden, deze moeras-menschen zich eens veel verder zuidwaarts hebben begeven, niet slechts het grootste deel van Rusland en het Skandinavische schier-eiland bewoond hebben, maar dat men ook in Denemarken en Duitschland, ja zelfs in Engeland en Frankrijk, zooals ook in den nieuweren tijd in Zwitserland, in de zoogenaamde "paalwoningen", sporen en monumenten van het bestaan der "Fennen" ontdekt en aangewezen meent te hebben. Naar dit oordeel moeten zij daar als de eigenlijke voor-historische, oorspronkelijke bewoners beschouwd worden, wier kleine rookerige hutten in onze bosschen en moerasachtige streken en langs onze rivieren verspreid waren, en op wier graven wij Indo-Germanen, wij Duitschers, Celten, Slawen, later onze steden bouwden en onze beschaafde staten oprichtten.

Deze zienswijze wordt onder anderen ook ondersteund door de opmerking, die eenige taalonderzoekers gemaakt hebben, dat namentlijk de Finsche taal met die der in Europa ook overoude Iberiërs en Celten, met welke de Finnen het bezit van het wereldeel deelden, veel meer overeenkomst heeft dan met de talen der jongere Germanen en Slawen. Ook Engelsche taalonderzoekers hebben in het idioom der Britten eenige Finsche elementen ontdekt.--Ook aan gene zijde van den Ural, in de onmetelijke landstreken van Noordelijk en Midden-Azië, heeft men de sporen van ten ondergegane Finsche volken gevolgd.--Tusschen den Ural en de grensgebergten van China, vindt men ontelbare gedenkteekenen van verschillende soort: grafheuvels, aarden wallen, ruïnen, overblijfselen van mijngrotten en bergwerken, waarvan de daar nu wonende Tataarsche volken zeggen, dat zij noch van hen, noch van hunne voorouders, maar veeleer van een ten ondergegaan ras afkomstig zijn. Men beschouwt daarom deze werken als zoovele getuigenissen voor de aanwezigheid van een daar wijd verspreid volk, en de Russen die nu die streken beheerschen, gelooven, dat ook dit volk een "Tschudisch" of "Finsch" volk moet geweest zijn. Zij noemen al die bovengenoemde overblijfselen uit een over-ouden tijd "Tschudengraven", "Tschuden-vestingen" en "Tschuden-putten."

"Er is of was dus", zegt reeds de Duitsche Schlözer, "eene groote Finnenwereld, die, met betrekking tot hare uitgebreidheid, een der grootste in de geschiedenis der menschheid is, en in vergelijking waarmede zelfs de groote Slawenwereld, zoo ver wij hare oorspronkelijke grenzen kennen, eens eene kleinigheid was."--Nu ligt deze eens zoo bloeiende Finnen-wereld in duigen, en is zij niets meer dan eene ruïne, en wanneer eenig volk in Europa recht heeft, eene gouden eeuw, een verloren Arcadië te beklagen, dan zijn het de Finnen, die dan ook dikwijls de levendige frischheid van hunnen lang verdwenen levensmorgen, "den tijd, waarin ieder Fin vrij, sterk, wijs en gelukkig was; toen de honig van de takken zijner eiken druppelde, en beken van melk zijn grond bevochtigden", in hunne sagen afschilderen. Er zijn nu nog slechts eenige schrale loten in 't leven van den eens zoo breed getakten boom, en ofschoon zij nu van eene geringe politieke beteekenis zijn, zoo blijkt uit het boven aangevoerde toch voldoende, van hoe groot belang in andere opzichten, de studie en de poging eene karakterbeschrijving te vervaardigen van deze Finsche volkenoverblijfselen, voor ons Europeanen zijn moet.

Hoe in Azië de vroegere Finsche volken te gronde gingen, en welke overblijfselen van hen, daar in Siberië en aan den Altaï misschien nog te vinden zijn, hebben wij hier niet te onderzoeken. Volgens ons aanvankelijk plan, blijven wij met onze beschouwing aan de westelijke zijde van den Ural. In de zuidelijke gedeelten van dit woud-gebergte, aan de midden- en boven-Wolga en hare nevenrivieren, hebben in oude tijden die Finsche stammen gewoond, wier namen in de wereld-geschiedenis het meest bekend zijn geworden. In die streken waren de woonplaatsen der "Spalen", "Skamaren", "Sabiren" en na hen die der meer beroemde Avaren, Bulgaren, Chasaren en Magyaren, die men allen in hoofdzaak voor volken van Finschen oorsprong houdt.--Ik zeg in hoofdzaak, want daar de Zuid-Finsche stammen zich allen in de nabijheid van die breede volken-poort tusschen den Ural en de Kaspische Zee, en bij den grooten Nomaden-weg uit Azië naar Europa ophielden, zoo werden zij vermoedelijk reeds van den oudsten tijd af, door de langs dezen weg binnentrekkende, hun naar taal en afstamming meer of minder verwante, Mongolen en Tataren, in hunne woonplaatsen verontrust en in beweging gebracht. Bij alle andere echte en onvervalscht geblevene Finnen, zoover wij hen nu nog kunnen opnemen, merken wij geen grooten lust tot reizen en trekken of tot het maken van veroveringen op. Veelmeer verschijnen zij ons overal als stille, zwakke, verbrokkelde stammen, als duldende offers en onderdanen van vreemdelingen, en niet als de overweldigers en gebieders van dezen.--Misschien namen, zeg ik, de genoemde Zuidelijke Finnen die groote vlucht, alleen door eene vermenging met hunne, uit Azië voorwaarts rukkende bloedverwanten, en wij hebben dus in hen alleen getatariseerde of gemongoliseerde Finnen--bastaardvolken--te zien, die door genen uit den Ural, waar zij woonden, losgescheurd en medegevoerd werden, en die door hen met een grooteren ondernemingsgeest bezield, vervolgens, gedurende een meer of minder langen tijd, zelfstandig eene rol in de geschiedenis van Oostelijk Europa speelden.

Eenige dezer Uralische of Finsch-Tataarsche gemengde volken hebben zich slechts gedurende een korten tijd doen opmerken, zooals de nu nog ter nauwernood bij naam bekende "Spalen", "Skamaren" en "Sabiren". Zij zijn weldra weder verdwenen, en hunne namen staan deels nog slechts in de oudste Russische annalen opgeteekend, deels leven zij nog, maar niet zonder eene slechte nevenbeteekenis, in den mond der Slawische volken, bij welke b.v. "Skamare" zooveel als een schelm, "Sabire" zooveel als knecht, "Spale" zooveel als een lompert of roover beteekent.

Andere van deze gemengde Finsch-Tataarsche volken daarentegen, zijn tot grooter en blijvender macht gekomen.

De Avaren, die wij in Europa het eerst aan de beneden-Wolga en aan den Don zien verschijnen, volgden de Hunnen van Attila op hunnen tocht naar het Westen, en stichtten een machtig rijk aan den midden-Donau in het tegenwoordige Hongarije, van waar uit zij, even als de Hunnen, in vele deelen van Westelijk Europa strooptochten deden. Zij leden echter eene nederlaag tegen de Duitschers onder Pepijn en Karel den Groote, door wie zij in het Westen, en tegen hunne eigene stamgenooten, door wie zij in het Oosten aangevallen werden. De overblijfselen van hun volk in het Donau-land, hebben zich later met de Magyaren vermengd.

De Chasaren stichtten na de Avaren, aan de benedenste gedeelten der Wolga en van den Don, een groot rijk, dat zijne grootste macht en uitgestrektheid ten tijde van Karel den Groote verkreeg.--In deze voor den wereldhandel zoo gunstig gelegene streken waren de Chasaren, die niet onvatbaar voor ontwikkeling waren, een tijdlang de personen die het goederen-verkeer tusschen Europa en Azië bevorderden en in handen hadden; en het natuurlijke handelskanaal der Wolga droeg in het Oosten, naar hen, langen tijd den naam "Chasaren-rivier". In de 9de eeuw werd echter hunne macht door de Russen, die onder hunne Noormansche aanvoerders den eersten bloeitijd hunner geschiedenis intraden, gebroken, en zij verdwijnen daarna midden in de later hier bruisende volken-baren. Zij gingen geheel in de Turksche stammen op, die reeds sedert het begin der 9de eeuw door de Uralisch-Kaspische volken-poort Europa binnenstormende, de keten der Finsche volkstammen aan den Zuidelijken Ural verbroken hadden.

De Bulgaren, die aan de midden-Wolga te huis behoorden, stichtten daar een, ten tijde der kruistochten bloeiend rijk, waarvan het middelpunt in de nabijheid van het tegenwoordige Kasan, aan de vereeniging der Wolga en Kama lag, en waarin zich, behalve landbouw en veeteelt, ook handel en industrie ontwikkelden, maar dat in de 13de eeuw door de Mongolen onder Batu-Chan vernietigd werd. Eene afdeeling dezer Finsch-Uralische Bulgaren aan de Wolga, was reeds tijdens Karel den Groote, door de naar het Westen gerichte volksbewegingen medegesleurd, waarschijnlijk door de Chasaren naar den beneden-Donau gedreven, en had daar op den rug van onderworpene Slawen, het tweede Bulgarenrijk, dat voor langen tijd het Byzantijnsche Keizerrijk lastig en gevaarlijk werd, gesticht. In dit Westelijke Bulgaren-rijk gingen echter de Finsch-Tataarsche nationaliteit, taal en zeden weldra geheel verloren onder de talrijke Slawen. Van hen is daar nu niets meer over dan de naam der provincie "Bulgarije."

De Magyaren eindelijk, wier oorspronkelijke woonplaatsen aan den midden-Ural, aan de bronnen van de Kama zich bevonden, en die hier door de Turksche Petschenegen opgejaagd werden, volgden wederom hunne broeders in den algemeenen tocht naar het Westen en nestelden zich, even als deze, in het midden-Donauland vast. Zij zijn van alle Finsch-Uralische stammen de eenige, die tot op onze dagen als een invloedrijk en historisch belangrijk volk zijn blijven bestaan. De geweldige Tataarsch-Mongoolsche inval onder Dschingis-Chan en zijne opvolgers in het begin der 13de eeuw, die weder zooveel Turken over het geheele Oostelijk Europa bracht, en die, zooals gezegd is, ook het laatste bloeiende Finnen-rijk, dat der Bulgaren aan de Wolga, vernietigde, schijnt aan alle oorspronkelijk Finsche volks-bewegingen in den Zuidelijken Ural een einde te hebben gemaakt. Van nu af hooren wij van geene Avaren of Magyaren, of van andere geheel of half Finsche stammen, die van daar uitgetrokken waren, meer. De geheele landstreek in den Zuidelijken Ural, aan de beneden-Wolga en aan den Don, schijnt nu bijna geheel getatariseerd of gemongoliseerd.--Heden ten dage vinden wij daar nog de Tschuwaschen, Teptjären, Metscherjäken en Baschkiren, allen tot den Islam bekeerde Finnen, die aan alle zijden door echte Tataren omringd zijn, en behalve hunnen godsdienst, ook hunne zeden en hunne taal aangenomen hebben, en daarom bijna even goed tot de Tataren gerekend kunnen worden, als b.v. de gegermaniseerde Slawen in Saksen tot de Duitschers. De meest bekende onder deze, tot Mohamed bekeerde en nu Turksch-Tataarsch sprekende Finnen, zijn de Baschkiren of zooals zij zich zelve noemen de "Baschkurt", die onder den naam "Pascatir" reeds in zeer oude tijden daar bekend waren. Zij wonen in het oude stamland der Magyaren, in de streken die eens "Groot-Hongarije" genoemd werden, aan de bovenste bronnen van den zuidelijken hoofdtak der Kama, in de dalen en op de heuvels der zuidelijke gedeelten van den midden-Ural, ten noorden van Orenburg, waar alle hoogten, alle rivieren en beken Baschkirische namen hebben, en luide verkondigen dat genoemd volk daar lang inheemsch is geweest. Hun tegenwoordige naam "Baschkurt," die ook bij de Arabische schrijvers genoemd wordt, moet zooveel beteekenen als "de bijenhouders" en wijst op hunne lievelings-bezigheid, de verzorging en voortteeling der in den Ural zoo veel voorkomende wilde bijen. Ook doen zij iets aan den akkerbouw, en eenigen van hen hebben vaste woningen. De meesten hunner wonen echter alleen in den winter in huizen, en gebruiken ook alleen in den winter brood. In den zomer leiden zij, met hun vee en hunne paarden een nomadisch leven, en generen zich, even als de Mongolen, van de melk van hun vee.

Ofschoon, zooals reeds gezegd is, oorspronkelijk Finnen, hebben zij nu zelfs hunne oude taal, die nog in de 13de eeuw zeer veel overeenkomst met die der Finsche Magyaren moet gehad hebben,--(Rubruquis, de beroemde reiziger en gezant van den Franschen Koning naar den Chan der Mongolen, merkt op, dat in zijn tijd de Baschkiren nog dezelfde taal als de Magyaren gesproken hebben)--geheel tegen die der Turken of Tataren omgeruild; zijn dezen zelfs ook in gelaatsuitdrukking en in de donkere kleur van het haar gelijk geworden, en hebben van hen eindelijk ook het Mohamedaansche geloof aangenomen.--Een bewijs voor hunnen oorspronkelijk Finschen oorsprong, vindt men onder anderen ook nog daarin, dat zij in oude tijden bij hunne Tataarsche naburen "Sari-Ueschtek" (roodharige Oostjaken) genoemd werden. Zij moeten dus wel, even als de meeste Finnen, vroeger blond of roodharig geweest zijn.

Op de zoogenaamde Metscherjäken en Teptjären, die naast en gedeeltelijk onder de Baschkiren wonen, zijn alle opmerkingen, die wij aangaande laatstgenoemden maakten, van kracht. Met de genoemden te samen, moeten de Baschkiren in staat zijn een leger van 100.000 ruiters op de been te brengen, en de Russen zeggen van hen, dat zij, wat hunne dapperheid en rooflustigen aard aangaat, na de Uralische Kozakken, de eerste plaats onder de volken, der Orenburgsche landstreek innemen.

Aan de Baschkiren en de Metscherjäken, sluiten zich hunne naburen de Tschuwaschen aan, die eveneens oorspronkelijk wel een Finsch volk, maar nu in zoo hooge mate getatariseerd zijn, dat zij door verscheidene ethnologen geheel tot de Tataren gerekend worden. Bij de vermenging met de Tataren schijnen zij hunne oude Finsche taal geheel verloren te hebben. Bij eenige hunner stammen moet deze voor drie-vierde Turksch-Tataarsch zijn. Een Duitsch taalonderzoeker, Schott, die eene grammatica dezer taal uitgegeven heeft, houdt haar in haren geheelen bouw voor wezenlijk Tataarsch. De Tschuwaschen hebben ook, even als de Baschkiren, en anders dan de andere echte, zooals gezegd is, meestal blondharige Finnen, donkere haren en een donkeren baard gekregen, en ook in hunnen geheelen lichaamsbouw en levenswijze veel van de Tataren overgenomen, die zij zelfs in hunne liederen, hunne "broeders" noemen. Varkensvleesch is hun, even als den Tataren een gruwel, ofschoon zij ten deele Christenen geworden zijn en nooit Mohamedanen waren. Niettemin echter onderscheiden zij zich toch weder zeer merkbaar van de echte en eigenlijke Turk-Tataren. Zij hebben de Tataarsche kleederdracht niet. Zij wonen schuw en afgezonderd in hunne eigene dorpen, en hebben niet, zooals de Tataren, de gewoonte, te samen met de Russen in vlekken en dorpen te wonen. "Steden," zegt een Russisch schrijver, "schuwen de Tschuwaschen als de pest." Zij zijn ook veel koeler en ongevoeliger, dan de veel levendiger, nieuwsgieriger en weetgieriger Tataren, die, als zij maar een vreemdeling zien, allen klein en groot, voor de deur gaan staan en hem met duizend vragen lastig vallen. Geheel anders de Tschuwaschen, die, als zij een vreemdeling ontmoeten, hem nauwelijks met een blik verwaardigen. Zij laten zich verder ook nog gemakkelijk van de geheel verturkte Baschkiren en echte Tataren onderscheiden, redenen waarom Russische geleerden hen nog altijd tot de Finsche volken rekenen.

De Tschuwaschen maken nu nog een tamelijk volkrijke stam uit, en moeten bij de 400.000 hoofden tellen, die in den omtrek van Kasan, Simbirsk en Pensa, in de wouden en weiden aan de Wolga, als vreedzame akkerbouwers en bijenhouders wonen.

Zoo gewichtig de rol was, die de "door de Tataren geïnspireerde," door hen in beweging gebrachte en met hen vermengde Zuidelijke en Oostelijke Finnen in ouden tijd speelden, zoo weinig schitterend was het lot hunner meer Noordelijke broeders. Over al de oorspronkelijke stammen dier moeras- en boschmenschen, waarop de Skandinaviërs, Slawen en ook andere Indo-Germanen, bij hun eerste binnendringen in Europa gestooten zijn, en die zij waarschijnlijk uitgeroeid hebben, zwijgt de geschiedenis. Zij zijn door den stroom der gebeurtenissen weggevaagd, zonder eenig--behalve misschien de boven vermelde "paalwoningen"--belangrijk spoor van hun bestaan, of eenig opschrift op hunne graven achtergelaten te hebben. In den tijd van de eerste schemering der authentieke geschiedverhalen, vinden wij hunne overblijfselen reeds ver naar het Noorden teruggedrongen, en hunne Indo-Germaansche naburen met hen, over eene lange grenslijn, aanhoudend in aanraking en strijd. Daar de Skandinaviërs vroeger dan de Slawen, in het Noorden van Europa eene groote politieke macht ontwikkelden, zoo ontvangen wij ook eerst van deze zijde de eerste stellige berichten aangaande hen. De voorgangers der Noormannen en Zweden zien wij van den beginne af, op hun schiereiland aanhoudend voorwaarts schrijden, in een voortdurenden veroveringsoorlog tegen de Finsche "Jötunen," die zij voet voor voet altijd verder naar het noordelijk uiteinde van hun schiereiland terug- en zamendrongen.

Zelfs de allernoordelijkste Finnen aan de oevers der Witte- en der IJszee werden reeds vroegtijdig door Noormansche zeevaarders bezocht. In de 9de en 10de eeuw dreven zij in den omtrek van het tegenwoordige Archangel een bloeienden handel, bij welken voornamelijk een Finsch volk, de "Biarmiërs" of "Termiërs," als tusschenpersonen diende. Naar hunnen eens zoo beroemden naam, draagt nog tegenwoordig het Russisch gouvernement "Term" zijn naam.

Sedert het midden der 12de eeuw, tijdens de kruistochten, begonnen de Zweden onder hunnen koning Erik, door den bekeeringsgeest der kruisvaarders aangetast, die gedeelten van het Finsche Oostland, die het dichtst bij gelegen waren, namelijk het groote schier-eiland tusschen de Bothnische en de Finsche golf te veroveren, blijvend te bezetten en van kolonisten te voorzien. Sinds oude tijden woonden hier de Finsche stammen der "Tawasten," "Cajanen" of "Quanen," "Carelen" of "Karjalaiset" (d.i. kudden-mannen) en der "Inger," naar wie nog heden de provinciën Tawasteland, Quäneland, Ingermanland, en Karelië genoemd worden. De Zweden behielden het land 500 jaren, maakten zijne bewoners tot Christenen, en onder hunne niet zeer harde kolonie-wetten, is daar in dit par excellence zoogenaamde Finland, nog heden ten dage de grootste massa der eigenlijke Finnen blijven bestaan. Ook in de koloniën die de Denen en de Duitsche ridders aan de Oostzee vestigden, werd een Finsch volk, de zoogenaamde "Esthen", onder de Germaansche heerschappij gebracht.

Vóór allen echter drongen, sedert de stichting van een grooten Russischen staat, onder Rurik, de Slawen het gebied der Uralisch-Finsche stammen binnen, alles vernielende en onderwerpende. Zij streden met de "Wessen," met de "Meezen," de "Muronen" en andere volken van dezen stam. Voornamentlijk waren de ver om zich henen grijpende burgers der Russische republiek Nowgorod, van wier jongen staat de "Meezen" een hoofdbestanddeel uitmaakten, verderfelijk voor de Finnen, en van de zooeven genoemde Finsche volken bestaat nu niets meer, dan hunne in de Russische annalen van Groot-Nowgorod opgeteekende namen. De Russen bezetten en koloniseerden hunne landen, en namen de oorspronkelijke Finsche bewoners in den schoot hunner eigene nationaliteit op. Zij drongen op deze wijze veranderend, van Nowgorod uit in noordelijke richting naar de Witte Zee door, en vernietigden op dezen tocht, gelijk een lawa-stroom, langs de Dwina, schier alle oorspronkelijk Finsche bewoners. Als eene breede wig dringt het Slawische land zich hier, langs de rivieren Dwina en Onega, tusschen de onder de Zweden staande Finnen en de oorspronkelijk Finsche stammen, naar den Noordelijken Ural in.

Deze decimeering, opname en slawiseering van Finsche stammen door Russische kolonisatie, heeft tot op de nieuwste tijden geduurd, en heeft bij de toenemende vergrooting van het Russische rijk, ook in noord-oostelijke en oostelijke richting om zich heen gegrepen.--Hier zijn de eens zoo beroemde Finsche volken, b.v. de genoemde oude "Permiërs" bijna geheel verdwenen. De Wogulen, Sirjänen, Permiërs, Wotjäken, Tscheremissen en Modwinen, zijn tot op eenige ver verstrooide bewoners van woeste streken saamgesmolten.

De Groot-Russen zonden niet alleen soldaten en handelaren naar hen, maar ook ijverige zendelingen en bisschoppen, die in de Russische annalen als apostelen en martelaren der heidensche Finnen geprezen worden. Bijna alles, wat zij doopen en tot de Grieksche kerk bekeeren konden, nam ook langzamerhand de Russische taal, kleeding en zeden aan. En dien ten gevolge is daar een groot gedeelte van hen die wij nu Russen noemen, niets anders dan bekeerde en geslawiseerde Finnen, even als een groot deel der tegenwoordige "Duitschers," als verduitschte Slawen moeten beschouwd worden.

Sedert de verovering van Siberië door de Russen in de 16de eeuw, sedert de annexeering van verscheidene Oostzee-provinciën onder Peter den Groote, en eindelijk sedert het verkrijgen van Finland in het begin dezer eeuw, zijn nu schier alle Finsche stammen, met uitzondering alleen der Magyaren en een gedeelte der van de Zweden afhankelijke Lappen, onder het opperbestuur der Russen gekomen.--Om nu een gemakkelijk overzicht te hebben, over hetgeen na al deze gebeurtenissen, van de eens zoo groote volkenfamilie op Europeeschen bodem nog overgebleven is, kunnen wij na het boven opgemerkte het geheel in drie groepen verdeelen, en de volgende drie afdeelingen aannemen:

1. De overblijfselen der Finsche volken op het Skandinavische schiereiland, die door de Baltische zee van hunne broeders in het Oosten gescheiden zijn.

2. De overblijfselen van Finsche stammen, aan het noordelijke en middelste gedeelte van den Ural en aan de Kama en de Wolga, die door eene breede geheel Slawische landstreek aan de Dwina, gescheiden zijn van hunne broeders in het Westen.

3. De Finsche volken in het midden tusschen die beide gedeelten, die in het westen door de Baltische zee en in het oosten door de breede Slawische landen-wig, van hunne broeders gescheiden zijn.

De overblijfselen der Finsche bevolking in Skandinavië, of Westelijke Finnen, zijn van deze drie groepen tegenwoordig de zwakste en minst belangrijke.

Door het geheele binnenste gedeelte van het Zweedsche schiereiland tot aan het Wener-meer, gaat in zuidwaartsche richting een streek, wier bevolking nog min of meer met Finsche elementen doortrokken is, en gedeeltelijk ook nog de Finsche taal spreekt. Zelfs in eene der zuidelijkste provinciën van Zweden, in Gothland, vindt men nu nog verscheidene zoogenaamde "Finnenheiden" of "Finnenwouden," waarin enkele overblijfselen van Finsche bevolking uit de oudste tijden, zouden zijn blijven bestaan. De Zweedsche Koningen hebben ook nu en dan deze oude Finsche bevolking van hun rijk, door nieuwe versterkt, doordien zij Finsche landlieden van gene zijde der Bothnische golf, uit het eigenlijke Finland haalden en in Zweden zich lieten nederzetten. In den ouden Skandinavischen tijd, waren de Finsche bewoners van het schiereiland bijzonder beroemd om de vervaardiging van smidswerk. Finsche zwaarden spelen eene hoofdrol bij de Zweedsche helden. Ook moeten, zoo luidt ten minste de sage, de belangrijkste bergwerken in Zweden, door Finnen ontdekt geworden zijn. Nu echter hebben deze Zweedsche Finnen niet meer het karakter van eigendommelijke stammen of volksgroepen. Zij bezitten geene nationale stamnamen meer, leven verspreid onder de Zweedsche boeren, zijn reeds sedert lang Luthersche Christenen en verstaan meestal ook de Zweedsche taal.

Ook de in het hooge Noorden van Skandinavië, als Bedouïnen rondtrekkende Lappen, worden door de Noorwegers en Zweden gewoonlijk Finnen genoemd, en ofschoon de Lappen zich van de eigenlijke Finnen, zoowel door lichaamsbouw, als door levenswijze en karakter zeer onderscheiden, zoo schijnen toch de onderzoekingen naar hunne taal en andere omstandigheden, het bewijs geleverd te hebben, dat zij slechts een verschillend ontwikkelde tak van één en denzelfden wortel zijn. De Lappen zijn over het algemeen klein van stuk; de eigenlijke Finnen daarentegen even groot als andere Europeesche volken. De Lappen hebben in den regel zwart haar, eene sterk geelachtige lichaamskleur, een hoekig gezicht, platten neus, lange oogen, hooge bakbeenderen, breeden mond, spitse, baardelooze kin, dik hoofd, pyramidale schedelvorm, en schijnen in dit alles het Aziatisch-Mongoolsche type in zeer hooge mate te naderen. Hunne naburen en broeders daarentegen, de eigenlijke Finnen, hebben meestal blond haar, ronde gelaatstrekken, eene frissche gelaatskleur, en dragen over het algemeen in mindere mate de kenteekenen van het Mongoolsche ras. Beiden hebben een zeer van elkander afwijkend temperament. De eigenlijke Fin heeft in den regel iets beslissends, iets krachtigs, een rijp verstand, een dikwijls somberen ernst en diepe melancholie. "De Lap daarentegen is een ten eenemale wild, zorgeloos natuurkind, een wonderlijk mengsel van wantrouwen en kinderlijke luimen en gemoedsaandoeningen." Eindelijk is de Lap met hart en ziel een nomade, trotsch op zijne kudden rendieren, heeft eene echte Bedouïnen-natuur, en laat zich volstrekt niet in een rustigen kolonist veranderen. Kan hij als eigenaar van kudden niet meer bestaan, dan grijpt hij in zijn nood naar het visschers- en jagers handwerk, letterlijk nooit naar den akkerbouw.

Zijn buurman, de eigenlijke Fin daarentegen, is in den regel een rustig landman, en als zoodanig wordt hij door de Lappen verafschuwd. Deze gaan voor de nederzettingen der Finnen overal op de vlucht. En dat de antipathie, deze nationale weerzin tusschen Lappen en Finnen reeds van zeer ouden datum is, wordt daardoor bewezen, dat het beroemde oude, Finsche nationale-heldendicht "Kalewala" hoofdzakelijk de tegenkanting en den strijd tusschen de oude Goden en helden der Finnen en die der Lappen tot onderwerp heeft.

Dat echter, trots al deze sterke verschillen, de Lappen toch met de Finnen tot één en denzelfden volkstam gerekend moeten worden te behooren, wordt, zooals opgemerkt is, uit verscheidene verhoudingen en omstandigheden duidelijk. Ten eersten daaruit, dat beide stammen sedert onheugelijke tijden naast elkander gewoond hebben. De Lapsche taal heeft denzelfden bouw en wortelen als de Finsche, en het is niet aan te nemen, dat den Lappen deze Finsche taal met geweld opgedrongen zou zijn, omdat wij er niets van hooren, dat de Finnen ooit de gebieders en leermeesters der Lappen geweest zijn. De sagen en mythen der Lappen zijn, trots den strijd tusschen hunne Goden en helden, innig met die der heidensche Finnen samen geweven. Men heeft, kort geleden, ook bij hen, epische gedichten ontdekt, die zeer overeenkomen met die der Finnen. Dat de Skandinaviërs beide volken onder denzelfden naam "Finnen" samenvatten, moge te dien opzichte niet veel bewijzen, wel echter de omstandigheid, dat de Lappen zich zelven een nationalen naam geven, die in vorm en beteekenis geheel overeenstemt met dien, welken ook de Finnen op zich toepassen. Deze noemen zich, zooals reeds opgegeven werd, "Suomalaiset," gene "Saomelad" en beide beteekenen hetzelfde, "moerasmenschen." Daarenboven zijn ook alle zooeven aangegevene afwijkingen en contrasten tusschen de beide natiën niet zoo groot, dat zij eene nauwe verwantschap zouden uitsluiten. De kleinere gedaante der Lappen kan hare oorzaak hebben in het ruwere klimaat en in het verschil van levenswijze. Het leven der Lappen wisselt veel meer af dan dat der Finnen, tusschen den grootsten overvloed en het bitterste gebrek, tusschen groote hitte en scherpe koude, tusschen groote inspanning en volslagene werkeloosheid. Door muskieten vervolgd, vluchten zij sedert eeuwen in den zomer naar de zee, om zich en hunne kudden in zeelucht en zout water te baden, en door honger gedreven snellen zij in den herfst terug naar de bergen, waar hun rendiermos groeit. Dat van verschillende takken van denzelfden stam, zich de eene aan landbouw, de andere aan een nomadisch leven wijden, en er scherpe contrasten en groote antipathiën tusschen hen zijn ontstaan, is eene verschijning die in de geschiedenis der volken meermalen voorkomt. Ja! onder de onderafdeelingen en de verschillende gedeelten der Lappen zelven, bestaat eene bijna even zoo sterke, ten deele onverklaarbare tegenzin voor elkander. De "Lappen van Umea" b.v. hebben een zoo diepen afschuw voor de "Lappen van Lulea," dat zij, ofschoon beiden nomadische bloedvrienden zijn, volstrekt niet met elkander om gaan en nooit onder elkander trouwen.

Het in aantal zwakke volk der Lappen is, als op zich zelf staande familiën, verstrooid in de wilde dalen en kloven, aan de tallooze meren en fjorden van een uitgestrekt en onvruchtbaar, maar aan natuurwonderen rijk en weinig bekend gebied, dat zich door noordelijk Zweden en Noorwegen, en door een gedeelte van Rusland tot aan de Witte Zee uitstrekt. De kale rotsen en ijsbergen hunner marken, en de ontembare natuur van deze, geven voor het vervolg niet de minste hoop, dat ook akkerbouw, beschaving en sterke bevolking zich tot in dezen uithoek van Europa zullen uitstrekken. Rendieren en Lappen is het beste wat het daar geven, kan, het eenige wat daar bestaan kan. Echter moet hierbij nog opgemerkt worden, dat eene zekere langzame germaniseering bij de aan de Zweden en Noorwegers onderworpene Lappen, schijnt plaats te grijpen. Taalkundige onderzoekingen ten minste hebben doen zien, dat reeds een derde der woorden van hunnen taalschat van Skandinavischen oorsprong, of wel eene bloote overzetting van het Zweedsch en Noorweegsch is. Bij de aan de Russen onderworpene Lappen kan een dergelijk proces van langzame slawiseering plaats hebben.

De tweede of Oostelijke groep overblijfselen van Finsche volken, aan den Noordelijken en Midden-Ural en aan de Wolga, biedt eene groote verscheidenheid van zeer verschillende stammen en namen aan. Tot hen behooren de van het Zuiden naar het Noorden naast elkander wonende Tscheremissen, Mordwinen, Wotjäken, Permiërs, Wogulen, Ostjäken, Sirjänen, en in velerlei opzicht ook nog de aan de IJszee hun kommerlijk bestaan rekkende Samojeden.

De Zuidelijkste van deze Oostelijke Finnen zijn de Tscheremissen. Zij hebben de meeste overeenkomst met de Tschuwaschen, zoowel wat betreft hunne woonplaatsen als met betrekking tot hunne stamverhoudingen. Even als de Tschuwaschen wonen zij in den omtrek van Kasan, maar meer noordelijk dan deze, en aan de oevers der beneden-Kama. Daar zij, even als Tschuwaschen, dikwijls en lang onderworpen waren aan de Tataren, zoo hebben ook zij veel, ofschoon veel minder dan gene, van dezen overgenomen. Zij zijn een overoud Finsch volk, van wier namen wij, reeds sedert duizend jaren, eenige sporen in de Russische annalen vinden. De meeste der Tscheremissen zijn nu christenen, maar even als onder andere dezer Noord-Oostelijke Europeanen, vindt men onder hen ook nog heidenen, die echter tegelijk met hunne afgoden, de Russische heiligen even als ook Mahomed aanroepen, en zoowel mahomedaansche als christelijke feestdagen en heidensche gebruiken waarnemen. Hunne lichamelijke gesteldheid, hun blond haar, hun dunne baard, hun eerlijk maar stuursch karakter, hun schuw wezen, dit alles kenmerkt de Tscheremissen als Finnen. Ook zijn de bij hen gebruikelijke kleederen, even als de inrichting hunner woningen en hunner huishouding, geheel op Finschen voet geschoeid.

De heidensche Tscheremissen noemen hun oppersten God, "Juma" wat een onder de Finsche volken zeer algemeen verspreide naam is. Want "Juma" of "Jumala" of "Jummal" of "Ibmel" is bijna bij alle Finnen de naam der Godheid of van den Hemel. Deze "Juma", zeggen de Tscheremissen, is de schepper der natuur en der menschen en regeert het wereldgebouw.

Zij gelooven ook aan een boozen geest, dien zij "Keremet" of "Keremiet" noemen. Bij de schepping der wereld, en der menschen, hielp deze Keremiet Juma. Maar hij werd hoogmoedig en wilde Juma evenaren. Daar hij echter in kracht bij dezen ten achter stond, zoo bedierf hij Juma's scheppingen. Toen deze b.v. het drooge land scheppen wilde, en Keremiet beval in de gedaante van eene eend op de wateren rond te zwemmen, en in het water duikende de aarde op te halen, toen deed Keremiet dit wel, maar hij gaf niet alle aarde, die hij opgedoken had aan Juma af, maar hield er een gedeelte van in zijn bek, en toen de schoone oppervlakte van het landschap klaar was, toen spuwde hij de achtergehoudene aarde uit, en waar die nederviel ontstonden wilde bergen en andere nadeelige zaken.

Onder denzelfden breedtegraad met de Tscheremissen, maar meer westelijk, aan de rechterzijde van de Wolga, zijn de overblijfselen der Mordwinen verstrooid. Zij werden in deze streken, dus in den grooten landencirkel tusschen de Oka en de midden-Wolga, reeds door Byzantynsche schrijvers en als onderdanen der West-Gothen genoemd. Hoe lang zij reeds in deze streken te huis behooren, blijkt onder anderen reeds uit de omstandigheid, dat zij nog heden ten dage de Wolga met denzelfden naam noemen, waaronder zij den Grieken en Romeinen bekend was. Zij noemen haar "Ràwa", wat eigenlijk met den naam der ouden: "Rha" tamelijk wel overeenkomt.

Als zeer dicht bij de hoofdmassa der Slawische bevolking van Rusland, hebben zij nu reeds meer van de levenswijze van het Russische landvolk aangenomen, en komen zij ook in lichaamsbouw en in hun geheele wezen den Russen meer nabij dan de andere Finnen.

Men heeft al de zooeven genoemde Finnen-stammen, ook wel samengevat onder den naam Wolga-Finnen, omdat zij zich allen langs den oever en de vertakkingen van deze rivier groepeeren. En de Wolga zelve, aan wier machtige polsader het leven der Finnen, zich eens zoo belangrijk en voor de wereldgeschiedenis zoo gewillig ontvouwde,--aan welke de dikwijls door mij genoemde Bulgaren en Chasaren hunne bloeiende en niet geheel onbeschaafde rijken stichtten--van waar de Finsche Avaren en Magyaren naar Westelijk Europa trokken,--deze Wolga zelve, zeg ik, heeft men wel de groote "nationale rivier der Finnen" genoemd, evenzoo als men den Dnieper bij voorkeur de Slawen-rivier, en den Rijn de Germanen-stroom genoemd heeft. Even als naar het reeds opgemerkte, de den Grieken bekend geworden naam voor de Wolga "Rha", zoo moet ook de bij de Tataren gebruikelijke naam voor deze rivier, "Itil" niet van Tataarschen of Slawischen, maar van Finschen oorsprong zijn. De Tataren namen den Finnen de Wolga af, en nu is zij, nadat ook de macht dezer Tataren onderging, de hoofd-levensbaan der Groot-Russen en Kozakken geworden, en heeft daarom ook algemeen den Slawischen naam Wolga aangenomen.

Noord-Oostwaarts van de Wolga en van Kasan, aan de door hen zoogenoemde Wiatka, komen het eerst de Wotjäken die zich zelven "Udmurdi" d.i., "mannen" noemen. Zij zijn in de meeste zaken den Finnen in het tegenwoordige Finland zeer gelijk. Zij moeten sedert de heerschappij der Russen, dus sedert 300 jaren, hunne nomadische levenswijze hebben laten varen en tegen een meer rustig leven verruild hebben. Zij worden als zeer vlijtige en bekwame landbouwers geroemd.--"Nauwelijks is de winter voorbij, of de Wotjäk verlaat zijne warme, vol rook staande 'Isba' (houten hut), waarin hij in gezelschap zijner ganzen, eenden en kalveren het koude jaargetijde zeer genoegelijk heeft doorgebracht, betrekt geheel doorrookt en met zieke oogen de luchtige zomerstroohut, en begint zijn werkzaam leven, ploegt, zaait en egt, evenwel niet eerder voor dat hij daarvoor de noodige gunstige voorteekens gehad heeft, voor hij den hemel nauwkeurig gadeslagen en den raad der grijsaards ingewonnen heeft." Zij zijn bij de Russen beroemd om hunne huishoudelijke bekrimping, maar ook om hunne eerlijkheid. Wat zij eenmaal bij wijze van verdrag, beloofd hebben te geven, dat geven zij ook even als alle Finnen. Hunne naburen, de Tataren schijnen zij van oude tijden af te vreezen, want zij hebben een spreekwoord "de Tataar is een wolf, de Wotjäk een hazelhoen." Gedeeltelijk zijn zij nog heidenen en vereeren, even als de meeste nog heidensche Finnen een aardgod (het goede principe) en een watergod (het booze wezen), en boven beiden een oppergod, dien zij "den Ouden" noemen. Hunne vrouwen, die zich even als de vrouwen van alle Finsche volken door eene groote eigenaardigheid in hunne nationale-kleeding van de mannen onderscheiden, dragen hooge uit berkenschors vervaardigde mutsen, die zij met geweven stoffen overtrekken en met zilveren munten versieren.

Noordelijk van deze Wotjäken wonen de Sirjänen en Oostelijk van hen de Permiërs. De 30.000 Sirjänen (grensbewoners) zijn verscholen in de Noordelijke gedeelten der groote wouden van Noord-Oostelijk Rusland, die de grootste naaldhout-magazijnen van geheel Europa vormen. Zij zijn als zeer goede jagers en vooral als koene beerenjagers beroemd. Reeds hunne kleine kinderen vragen hunnen ouders om niets met meer aandrang, dan om "knalspeelgoed" (een geweer). "Van de jeugd af in het jachtwerk geoefend, worden zij zulke volleerde schutters, dat bij hen geen ander schot voor goed geldt, dan in den snuit van het beest, opdat de huid onverlet blijve." Kruit, dat in hunne dichte wouden altijd een zeldzaam artikel is, schijnt hun even kostbaar als stofgoud. Alleen onder de dringendste omstandigheden, deelen zij daarvan aan anderen mede, en stellen dan daarbij als voorwaarde, dat het in natura, kruit tegen kruit, terug betaald moet worden. Als zij het woud binnentrekken, tellen zij zorgvuldig het aantal patronen of schoten die zij medenemen, en berekenen daarnaar het aantal pelzen, die zij mede terugbrengen zullen. Ook de in kruit handelende koopman weet precies, hoeveel otter- of hermelijn- of vossenpelzen hij voor ieder pond kruit, dat hij eenen Sirjän crediteerde, terug verwachten kan.--In hun nationaal-karakter verraden zij nog nu hunne nauwe verwantschap met den Finschen moederstam. Overleg, ernst, eerlijkheid en bedachtzaamheid kenmerken den Sirjän even als de andere Finnen. Voor het overige moeten zij nu ook reeds begonnen zijn, meer overeenkomst te krijgen met de Russische boeren. Rusland verandert of verzwelgt al deze Finsche volken, even als het Anglo-Saksische ras de Indianen van Noord-Amerika.

Hetzelfde laat zich van de niet talrijke Permiërs zeggen, die in den omtrek der naar hen genoemde stad Perm wonen. Eens waren, zooals reeds gezegd is, deze Permïers beroemd, en was hun naam, als die van een bedrijvig Finsch handelsvolk, ver in het Noorden en bij de Skandinavische zeevaarders bekend. Men heeft ook wel de Sirjänen en Wotjäken, en nagenoeg alle Noord-Oostelijke Finnen, onder den gemeenschappelijken naam van den "Permischen Finnen-Stam" saamgevoegd en hen door deze benaming onderscheiden van de Zuidelijke "Wolga-Finnen."--Thans echter, nu de Russen vele houten steden onder hen gebouwd hebben, is de glans van den naam "Permiërs" verdwenen, hunne getalsterkte tot 30,000 koppen ingesmolten en hunne nationaliteit met die der Slawen vereenzelvigd.

Nauwelijks hebben zij van de, in de oude annalen der Skandinaviërs en Russen zoo dikwijls besproken tijd, toen de Permiërs, als een half beschaafd volk, den handel van het Europeesche Noorden met het Oosten in aanraking brachten, toen zelfs Arabische en Indische waren hier doorgevoerd werden, eenige overleveringen bewaard.

Nog verder Oostwaarts van de Permische Finnen, wonen de Wogullen en naast hen de Ostjäken, wier met elkander verwante talen bewijzen, dat zij eveneens tot den Finschen stam behooren.

Al deze volken echter, vallen in hoofdzaak reeds buiten den kring onzer beschouwing, want zij staan, om zoo te zeggen, nog slechts met éénen voet op Europeeschen bodem. Het gebied, waarover zij verspreid zijn, strekt zich grootendeels aan de andere zijde van den Ural uit, langs de Westelijke nevenrivieren der Irtisch en Ob. Ook gaan zij, aan de Ob, Siberië diep in tot aan Tomsk en verder.

Noordelijk van de Wogulen en Sirjänen, in het allerwoestste en door de natuur het schraalst bedeelde gedeelte van ons werelddeel, op kale, boomlooze gebieden, en in zelden ontdooide moerassen, de akelige zoogenaamde "Tundren" aan de oevers eener bijna altijd met ijs gevulde zee, houdt zich eindelijk de armzalige stam der Samojeden op. Wel behooren zij in hoofdzaak tot Azië, en hebben daar (aan den Altai) ook hun oud stamland, van waar uit zij, door onbekende gebeurtenissen en omwentelingen, naar de uiterste, noordelijke uiteinden der wereld gedreven zijn.

Hunne jachten en hun heen en weer trekken brengen hen echter ook op Europeesch gebied, zelfs tot in de nabijheid van Archangel, waar zij somwijlen dat andere, Europa geheel toebehoorende, trekkende volk, de Lappen, ontmoeten.--Even als de Lappen, en in nog hoogere mate dan die, verschillen de Samojeden in taal en wezen van hunne Finsche naburen. Volgens Pallas behooren zij naar de vorming van hun hoofd, naar hunne breede platte gezichten, "die echter bij hunne jonge vrouwen somwijlen zeer aangenaam kunnen zijn," naar hunne opgetrokken lippen, hun zwart, borstelig haar, het meest tot de Tungusen, den grootsten volksstam van Noord-Oostelijk Azië. Desniettemin zijn zij ook weder aan hunne Finsche naburen verwant, zooals dit een nieuw, onvermoeid onderzoeker dezer streken en volken, de uitstekende geleerde en reiziger Castrèn, aangetoond heeft.

Even als de Finsche Ostjäken kleeden zij zich in rendiervellen. Hunne taal toont in hare wortelwoorden eene groote overeenstemming met de Finsche dialekten aan de Wolga. Ontelbare eeuwen lang hebben zij met deze Finsche volken in nabuurschappelijke, landbouw- en familie-betrekkingen gestaan. Ook in hunne zeden en gebruiken hebben zij dikwijls eene groote mate van overeenstemming met die der Finnen. Zoo, om één voorbeeld uit velen aan te roeren, b.v. bij verlovingen. Bij de Samojeden rijdt de trouwlustige met dengeen die zijne aanstaande voor hem vragen zal, naar het huis der uitverkorene. De bruidwerver gaat binnen en brengt den vader of voogd der bruid, de aanvrage over. Gedurende dien tijd, moet de minnaar zelf daarbuiten in de koude bij de slee en de paarden blijven wachten, tot men hem de toestemming komt mededeelen. Dit en alle verdere, daarbij voorkomende details van het gedrag en handelwijze, vindt men juist zoo ook bij de 500 mijlen verwijderd wonende Finsche Esthen in de Duitsche Oostzee-provinciën weder.

Zelfs de naam Samojeden of Samogieten, waaronder zij van oudsher bij alle volken, ook bij de Mongolen bekend waren, schijnt van Finschen oorsprong. Deze naam komt ons, onder de meest verschillende vormen, in de geheele Finsche wereld, tot aan de grenzen van Duitschland tegen. Ik heb reeds opgemerkt, dat de Lappen zich "Samelads" de Finnen "Suomalaiset" noemen. In Litauen vinden wij eene oude provincie "Samogitie" en zelfs in Pruisen nog een "Sameland." Het zijn allen woorden, die een gemeenschappelijken Finschen oorsprong schijnen te hebben.

Het duidelijkst openbaart zich de verwantschap der Samojeden en Finnen, in den verwanten geest hunner taal en nationale-poëzie. Tot in het midden der vorige eeuw had men, in het dikwijls laatdunkende Europa, zulke grove en onphilosophische voorstellingen van de arme Samojeden, dat men meende, dat dit volk zich in plaats van eene taal, bediende van "een zeker dierachtig knorren en sissen." Het is eerst een resultaat van nieuwe onderzoekingen, waarover men zich zeer te verheugen heeft, dat ook de Samojeden niet alleen eene zeer kunstige en ontwikkelde taal met verschillende dialecten bezitten, maar in deze taal, ook allerlei sprookjes, aardige vertellingen en liederen gedicht hebben.

Een groot kenner der Finsche volkeren zegt, dat zelfs het beroemde Finsche heldendicht "Kalewala," waarvan wij hier beneden het een en ander zullen mededeelen, alleen te beschouwen is als eene ontwikkeling der zaadkorrels, die ook in de Samojeedsche volkswijze verborgen liggen. De rapsodiën van het Finsche heldendicht Kalewala en der Samojeedsche heldenliederen, schijnen uit dezelfde bron voortgekomen te zijn.--"Heldenzangen van dit soort staan bij de Samojeden in hoog aanzien. Met bijna godsdienstige aandacht luisteren de toehoorders naar ieder woord, dat over de lippen van den zanger komt." Zij laten hem gewoonlijk midden in het vertrek plaats nemen en de toehoorders plaatsen zich in een kring om hem heen. "De zanger zelf is niet zelden gedurende zijne voordracht zoo geroerd, dat bij zeer aangrijpende passages zijn lichaam trilt en zijne stem beeft." De toehoorders zitten meerendeels stom om hem heen. Bij opwekkende passages en momenten van het verhaal echter--wanneer de held van het gedicht, die nog in de wieg liggende er reeds aan denkt dat het tijd is zich eene huisvrouw te kiezen, vervolgens, even als Herkules, als een krachtig mensch uit de wieg opstaat, en uittrekt om de koningsdochter op de met koper bedekte burgt te winnen--als hij na eene avontuurlijke reis van zeven weken, onder de aarde door, het doel bereikt,--daar in eene hermelijn verandert en op de muren en boomen huppelende alles afloert--als hij met zijne minnaars in strijd geraakt,--zijn tooverpijl op hen afschiet, die nog krachtiger dan de snorrende pijl van Odysseus, op den aftocht 20 dezer medeminnaars doodt, en op den terugweg, terwijl hij tot zijnen heer gehoorzaam terugkeert, weder 20 doorboort--wanneer dan echter ook de strijder zelf òf valt en sterft, òf triumfeerend met zijne veroverde geliefde op een adelaar rijdende opstijgt--bij al zulke passages van de vertelling, drukken die Samojeedsche toehoorders luide en eenstemmig hunnen bijval uit.

Overigens houden de Samojeden--zoo zegt ten minste de heer Castrèn--het voor eene gemakkelijke zaak een lied te dichten, want ieder hunner rekent zich daartoe in staat. Maar een lied goed te kunnen zingen, roerend te kunnen voordragen, dat geldt bij hen voor een zeldzaam en hooggeschat talent. Men zou hier kunnen zeggen: Tout comme chez nous. Want ook bij ons zijn de zangers en acteurs er beter aan toe dan de dichters.

Nadat wij zoo de wereld der Finnen tot hare uiterste Noord-Oostelijke voorposten en stamverwanten gevolgd hebben, willen wij ons naar het Westen keeren, waar wij midden tusschen de overblijfselen der Finnen van het Skandinavische schier-eiland, en tusschen de gedeeltelijk verturkte of verrussischte Finnen van den Ural, het verreweg grootste getal echte Finnen langs de Oostelijke kusten van de Baltische zee in eene hoofdmassa dicht bijeengedrongen vinden. Dit zijn ten eersten de Finnen in de nu bij voorkeur "Finland" genoemde Russische provincie, vervolgens de Kareliërs in het Oosten en Noorden, de Ingern ten Zuiden van Petersburg, en eindelijk de Esthen in Esthland.

Al deze stammen waren als oorspronkelijke bewoners aan weerszijden en rondom de groote golf, die met veel recht naar hen de Finsche genoemd is geworden. Te zamen tellen zij meer dan twee millioen zielen, en zij overtreffen in aantal verreweg alle andere bovengenoemde zwakke en dun gezaaide Finnenstammen in het Oosten, Noorden en Westen, die gezamenlijk wel niet meer dan een millioen zielen zullen tellen.

De Zuidelijke grens, tot waar deze Baltische Finnen de grondbevolking uitmaken, loopt nu tot eene lijn, welke van het Zuidelijk uiteinde van het meer Peipus, westwaarts door het midden van Lijfland kan getrokken worden.--Vroeger gingen ook hier de Finnen veel verder Zuidelijk, in voorgeschiedkundige tijden waarschijnlijk, zooals reeds gezegd is, tot diep in Duitschland en het Westen van Europa; evenwel zijn zij zelfs nog in historische tijden--nog buiten geheel Lijfland en Koerland aan te wijzen.

Even als door de Skandinaviërs in het Westen, door de Slawen en Tataren in het Oosten, zoo schijnen ook hier in de Oostzee-provinciën de Letten door hunne naburen, de Indo-Germaansche Letten of Litauers, die zich aan den Niemen en aan de Duna vastgenesteld hadden, aangevallen, overweldigd, uit hunne woonplaatsen verdreven of van hunne nationaliteit beroofd te zijn geworden, en wellicht duidt op deze gebeurtenis nog de tegenwoordige naam, die de Letten den Finnen geven, de naam "Iggaunis," dat zooveel als "de verdrevenen" beteekent. Deze naam staat in eene zeer beteekenisvolle tegenstelling tot dien, welken deze Finnen zich zelven geven, namelijk met den naam "Tallopoig" "zonen der aarde," of "Maamees," "mannen des lands." Het is, alsof deze oorspronkelijke Europeanen, met dergelijke nationale-namen als "het volk," "de mannen," "de lieden," "de menschen," die herhaaldelijk bij verscheidene hunner stammen als nationale-namen voorkomen, en die er op schijnen te wijzen, dat zij zich als het eigenlijke ware, oorspronkelijk Europeesche menschen-geslacht, beschouwen, hebben willen protesteeren tegen de invallen der binnendringende Indo-Germanen.

Men vindt in de Noordelijkste punten van Koerland, en ook in het Zuidelijke of Lettische gedeelte van Lijfland, eenige kleine districten, in welke, midden onder de Letten, overblijfselen der oude Finsche Koeren en Liven tot op den nieuweren tijd toe leefden. Doch ook bij deze Finsche overblijfselen krijgen Lettische taal en zeden de overhand. In hoofdzaak bestaat hier niets meer van hen dan de landnamen Koerland en Lijfland, die niet van de Letten ontleend, maar van Finschen oorsprong zouden zijn.

De Finnen, die nu nog de grond-bevolking van het Noordelijke Lijfland en van de provincie Esthland uitmaken, worden door de Duitschers gewoonlijk Esthen of Oesthen (dat is Oostlanders) genoemd.

Het is een overoude naam, dien de Germanen voor alle Oostwaarts van hen wonende kustvolken der Baltische zee gebruikten, die bij Tacitus reeds bekend was en die nu, in de zooeven aangegevene nauwe grenzen, nog in zwang is gebleven. De zoogenaamde Esthen kennen hem natuurlijk niet.

Zij tellen wel bij de 600,000 zielen. Vroeger waren zij een koen en vrij jagers-, visschers- en zeeroovers volk, maar sedert lang hebben zij onder eene harde dienstbaarheid der Duitsche ridders en kolonisten gezucht, die hun land onder elkander verdeelden, en nu nog in vele heerlijkheden, steden en vlekken onder hen, of liever gezegd over hen wonen. Veel van de hun aangeborene nationaliteit zal in deze dienstbaarheid verloren gegaan zijn, veel is waarschijnlijk juist door haar behouden gebleven. Als "gegermaniseerd" kan men hen niet beschouwen.

Zij spreken nog altijd hunne oude Finsche taal, die tot de Finsche idiomen in dezelfde verhouding staat, als het Saksisch tot het Beiersch. Zij hebben hunne oude sagen, verhalen, overleveringen, spreekwoorden, gedichten met de overige Finnen gemeen.

Ook schijnen zij eene overoude Finsche volkskleeding van oudsher trouw gebleven te zijn. Daar zij bij deze hunne nationale-kleeding gewoonlijk donkere, zwarte kleuren kiezen, zoo hebben Duitsche geleerden gemeend, dat deze Esthen, de vroeger vermelde "Melanchlänen" (zwartmantels) van Herodotus zouden zijn.--Men heeft opgemerkt, dat in zeker distrikt van Esthland, de menschen witte en in eene andere streek zwarte kousen dragen, en men heeft gevonden, dat in de oudste, reeds voor 500 jaren geschrevene kronieken van het land, deze districten "Mustjalla" (het land der zwarte kousen) en "Waldjalla" (het land der witte kousen) genoemd werden. Toont zich in de kousen eene zoo groote 500 jarige bestendigheid, dan is het niet zonder grond, als men voor de zwarte mantels een duizendjarig bestaan waarschijnlijk vindt.

Het land der Ingren en Kareliërs, Ingermannland en Karelië, ten Zuiden en Noorden van Petersburg, was zoo lang een twistappel tusschen Russen en Zweden, dat van hun aantal en hunne nationaliteit niet veel meer is overgebleven.

De Finnen eindelijk in het par excellence zoogenaamde Finland, zitten nu eigenlijk, om zoo te zeggen in het centrum der wijd verspreide overblijfselen der Finnenwereld. Zij overtreffen ook al de overige stammen in getalsterkte en vormen bijna de helft van alle Finnen. Reeds vroegtijdig werden zij door de Zweden tot het Christendom bekeerd, daarna werden zij Luthersch, en door den invloed van Zweedsche scholen verkregen zij eene hoogere mate van beschaving. Ook hebben al de nieuwere levens-uitingen, die sedert den aanvang dezer eeuw, even als bij alle volken van Europa, zoo ook bij de Finnen ontwaakten, zich nergens met meer energie doen kennen dan bij de Finnen in Finland. Van dit Finland zijn de meeste patriotische bemoeiingen tot redding van het Finsche volksleven, tot het instellen van een onderzoek naar hunne talen en zeden, tot herstel en ontdekking hunner poëtische schatten, uitgegaan.

Uit dit alles is het duidelijk, dat de Finnen in Finland zelf de beste gelegenheid geven, om aan hen de eigenaardigheden, en vooral de lichtzijden van het nationaal karakter der Finnen in het algemeen, op te merken. In Finland vindt men de Zweden in grooten getale alleen aan de zeekusten, waar zij talrijke havensteden gebouwd hebben, en waar daarom de Finnen ook meer onder hen verdwenen of tot Zweden veranderd zijn. In het binnenste van het aan rotskloven en meren overrijke land, hebben zich de oorspronkelijke bewoners in grootere zuiverheid bewaard.

Daar kan men hen nog in hunne oude "zwarte" of "rookkamers," die uit ruwe balken, zonder vensters en schoorsteen, getimmerde woningen zien, die op donkere houten holen gelijken, waarin als Noordsch hoofd-meubel zich een groote oven, als rustplaats der familie, verheft, waaruit den binnentredende een altijd vochtige en warme damp tegenslaat, en waarin altijd tot op 3 voet van den zolder een dikke rooksluier afhangt.

Daar kan men ook nog het oorspronkelijke type der beruchte Noordsche zweetbaden vinden, in wier heete en bedwelmende dampen de Finnen de beste uren van den dag wegzweeten, waarin zij een niet gering deel van hun leven doorbrengen, die ook bij alle Noordsche, Finsche en Mongoolsche volkeren der Aarde, zelfs bij de Indianen van Noord Amerika, op dezelfde wijze gebruikelijk zijn en wier gebruik van de Finnen eerst later op de Russische Slawen overging.

Daar kan men eveneens nog de eigenaardige kleederdrachten der Finsche vrouwen bestudeeren, op wier opvallende en origineele sieradiën zoo menig reiziger opmerkzaam gemaakt heeft, die hooge uit berkenschors vervaardigde en met munten en banden versierde mutsen,--verder de kolossale, zoogenaamde "Preesen" of zilveren gespen, waarmede de vrouwen hunne mantels vastmaken, die echter door toevoeging van allerlei versierselen van munten, crucifixen, koralen, stukjes barnsteen, gouden schilfers en bellen, tot zulk eene grootte aangegroeid zijn, dat zij de borst als met een harnas bedekken, en die later als pronk-erfstukken in de familie van moeder op dochter overgaan--eindelijk ook de sierlijk met roode draden afgezette en omgeboorde hemden, die op dergelijke wijze, ofschoon in de menigvuldigste modellen en variaties, bij alle Finsche natiën, tot zelfs bij de Samojeden, teruggevonden worden. Daar, in dat oude Finsche kernland, geldt ook nog het oude Finsche spreekwoord: "aan den hoorn den os, bij het woord den man", dat het vaste, eerlijke en tegelijk halsstarrige karakter der Finnen zeer juist aangeeft. Finsche eigenzinnigheid is bij de Zweden even als bij de Slawen spreekwoordelijk geworden, en deze hoekige stuurschheid, deze afstootende wijze van in zich zelven gekeerd te zijn, moet een grondtrek zijn, die in de geheele Finnenwereld opgemerkt wordt, want men zou verscheidene door Duitsche, Russische en andere schrijvers gemaakte beschrijvingen der genoemde Tscheremissen, Mordwinen, Wotjäken enz. kunnen aanhalen, die overal, ook bij deze stammen, "hunne schuwe ontoegankelijkheid, hunne onbuigzaamheid en eigenzinnigheid," als eene in het oog vallende eigenaardigheid opgeven.

Ditzelfde is ook het geval met het den Finnen zoo algemeen toegeschrevene, "droefgeestige temperament." Zelfs de zich in Skandinavië met der woon gevestigd hebbende Finnen worden door de Zweden voor melancholici uitgemaakt, en zelfs de Russen, die langeren tijd onder de Finnen woonden--er bestaan midden in Finland eenige oude Russische gemeenten--"hebben niet meer" (zooals Rühs, een vroegere aardrijksbeschrijver van Finland, zegt) "de Russische vroolijkheid". Aan de melancholieke tint die zij gekregen hebben, herkent men hunnen omgang met de Finnen.

Het is zeer gemakkelijk te begrijpen, dat zulk eene droefgeestige tint, als grondtrek diep in de ziel van een volk zetelen moest, dat een vroege buit van ondernemende naburen geworden is, geen anderen strijd gestreden heeft dan den strijd van vertwijfeling, en nimmer vroolijke zegepralen behaald heeft.

Mijn ziel is zwart gelijk koolteer, Mijn hart niet blanker dan houtskool.

zoo klaagt een Finsch poëet in een gedicht.

Uit slechte tijden werd mijn hemd geweven, Uit nijd en boosheid mijn hoofddoek gemaakt.

zoo hoort men in een ander volkslied der Finnen, wier gedichten men bijna alle: "uitvloeisels van weemoedigheid en zwaarmoedigheid" zou kunnen noemen. Zelfs bij die, welke een vroolijker inhoud hebben, is zielesmart als omkleeding niet te miskennen:

"Harpan ar of sorgar bildad, Och ut af bekümmer danad, Kupan ut af harda dager. Strängarne af smärter spunna, Og af andra widrigheter, Skrufvarna in harpens ända."

Mijn harp ontstond uit zorgen, Uit verdriet werd zij geschapen, In droeve dagen kreeg zij haar vorm, De snaren zijn uit pijnen gesponnen En de schroeven aan haar hals Zijn uit ellende gedraaid.

De liederen, die aan eene dusdanige Noordsche harp ontlokt werden, zijn droefgeestig en kunnen met die nevelachtige herfstdagen vergeleken worden, wanneer een zonnestraal slechts zelden door de wolken henendringt. Welk zwart treurfloers somwijlen het gemoed der Finnen omhult, wordt op zeer pikante wijze duidelijk in den inval, dien een hunner dichters in een lied bezingt. Daar hij zijn innerlijk verdriet, zijn aan zijn hart knagende "vogel des verdriets" niet kwijt kan raken, zoo komt hij op de gedachte hem in de zee te werpen. De gedachte komt daarbij echter bij hem op, dat zijne droefheid zich dan aan de vroolijke visschen zoude mededeelen, en dat zoodoende de geheele natuur zou kunnen aangestoken worden.

Alle visschen zullen treuren, Op den bodem zakken baarsen, Groote snoeken zullen barsten, Pijnlijk sterven de forellen, En de roodoog zal bedrukt zijn. Ieder vischsoort zal vergaan, Door de smart des diepbedroefden Door des zwarten vogels woede.--

Tot deze melancholie en tot die halsstarigheid der Finnen, heeft hun diep ingeworteld bijgeloof en hun sedert de oudste tijden bekend geloof aan wonderen, waarschijnlijk veel bijdragen. De Finnen gaan bij al hunne naburen door voor heksenmeesters. Zelfs in Stokholm wendt men zich tot de eerste de beste Finsche meid, als men meent eenige hulp uit het geestenrijk noodig te hebben. Hoe Noordelijker de Finnen wonen, des te grooter is hun roep te dien opzichte. Maar zelfs de beproefdsten onder hen gelooven, dat de Lappen hen allen nog verre overtreffen. Van een beoefenaar der zwarte kunst, die in zijn vak goed te huis is, zijn zij gewoon te zeggen: die is door en door een Laplander. In iederen vreemden dwarrelwind, meenen zij, huist eene Laplandsche heks. Evenzoo worden in het Oosten de daar wonende Finnen beschouwd als in die kunsten ver boven de Tataren verheven, en zoo ook gelooft men dat de Noordelijk Samojeden weder de Zuidelijke Finnen overtreffen.

Het is merkwaardig genoeg, dat de Finnen in hunne bijgeloovige gezichten en voorstellingen, en zelfs in de dit bijgeloof vergezellende verschijningen--de geestdrift--de vervoeringen hunner door de geesten bezielde toovenaars en in de daarbij op te merken gewoonten--met vele andere Noordsche volken eene groote gelijkheid in tooverformules en toovermiddelen verraden. De wonderdoeners der Finnen, de "Schamanen" der Tunguzen, de "Angeköko" der Groenlanders, ja zelfs de "Jongleurs" der Canadezen in Amerika, gaan bij hunne offerhanden en bezweringen allen naar de zelfde methoden en principes te werk.

Daaruit zijn zelfs--dit moet ik hier nog opmerken--bij ver afgelegene volken geheel gelijksoortige benamingen, voor deze verschillende toovernaars ontstaan. Wijl de Canadasche "Jongleurs" de reliquiën, toovermiddelen, medicamenten en gereedschappen, die zij voor hunne bezweringen meenen noodig te hebben, in een van dierenhuiden vervaardigden zak met zich dragen, hebben de Franschen hun den naam, medicijn-zak-mannen of medicijn-mannen (Gens de médicine) gegeven. Omdat de toovenaars in Zweedsch Finland een dergelijken zak met zich dragen, hebben zij ook daar den naam "Kockoromies" dat is "zak-mannen" ontvangen.

Er was en is nu gedeeltelijk nog door het geheele Noorden der wereld, van Amerika door Azië naar Europa, eene zekere godsdienstige wijze van beschouwing, die zich over een grootere aardruimte verspreidt dan zelfs het Budaïsme, en die men wellicht nog niet scherpzinnig genoeg onderzocht heeft, om bepaald te kunnen zeggen, of eene haast wonderbaarlijke gelijksoortigheid zich bloot psychologisch laat verklaren, of dat men daarbij tot de geschiedenis en ethnologie zijne toevlucht moet nemen.

Even als bij de Indianen van Amerika en bij de Siberische volken, zoo vindt men ook bij de Finnen, de helft en het oudste gedeelte hunner nationale-poëzie, in hunne zoogenaamde "toover-Runot" (toover-gezangen). Vroeger was eene meer algemeene neiging voor de dichtkunst over het geheele volk verbreid, en zij verfraaiden daarmede ook andere zaken en verhoudingen van het leven. Ieder Finsch moeras-bewoner dichtte liederen en gezangen. Uitstekende dichters droegen bij hen den eerenaam Runo-niekat (lieder-kunstenaars), en stonden algemeen in aanzien. Hunne poëzie bestond meestal uit lyrische gedichten, die zij Runot (Runen) noemden.--Kort geleden is echter ook een groot episch gedicht uit het land der Finnen tot ons gekomen, het in korten tijd beroemd gewordene, uit niet minder dan 50 gezangen en 20,000 verzen bestaande heldendicht "Kalewala," dat men de Finsche Edda of Iliade zou kunnen noemen.

Dit gedicht schijnt sedert oude tijden, even als door de Grieken de verzamelingen van Homerus, door de Barden der Kareliërs, aan de Tawasten en Esthen voorgedragen te zijn, en lang in den mond des volks bestaan te hebben. De een kende het eene, de andere een ander gedeelte, weinigen het geheel. Enkele gedeelten werden reeds in de vorige eeuw, bij verschillende gelegenheden opgeteekend en door den druk aan het overig Europa bekend gemaakt. Maar eerst in nieuweren tijd heeft een ijverig Finsch geleerde, de zeer verdienstelijke Lönnrot, alle brokstukken van dit bewonderingswaardige gedicht, als de scherven van een fraai standbeeld, te samengebracht en het geheel onder onze oogen gebracht.

Dit bijzonder merkwaardige Finsche heldendicht heeft zijn naam ontleend aan "Kalewa," den God van het gezang. "Kalewala" beteekent zooveel als: land van Kalewa of land van het gezang, waardoor Finland bedoeld wordt: "het schoone land, dat uit duizend zeeën de zon op haren loop vriendelijk toelacht."

Het bezingt hoofdzakelijk de avonturen en krijgstochten van Kalewa, van zijn zoon Wainämoinen en de heldendaden van andere Finsche halfgoden en helden. Vele interessante schilderingen der oude tijden en zeden zijn daarin bewaard. De kruistochten dier Finsche helden gaan bijna allen naar het Noordland, "Pohjola" genoemd, waardoor Lapland bedoeld wordt, en daarbij is het meestal te doen om eene schoone Prinses te winnen, (even als het doel van den Trojaanschen oorlog Helena was) alsmede om de verkrijging van een zekeren kostbaren schat of talisman, "Sampo" genoemd, die in het Finsche epos ongeveer hetzelfde schijnt te zijn, als het gulden vlies in de sage der Argonauten, of de "Nibelungen-Hort" in het Duitsche nationale-heldendicht. Ook worden daarbij den helden dergelijke taak opgelegd of dergelijk werk gegeven, als aan Herkules bij de Grieken. Zoo moet b.v. de geweldige "Lemminkainen," die in zekeren zin de Ajax of Achilles dezer Finsche Iliade is, het vuursnuivende ros van Heisi beteugelen, het vlugge hert van Pohjola opvangen, de zwaan, die op den vloed van Tuonela (de onderwereld) zwemt, dooden. Bij deze laatste onderneming wordt hij wel gedood, in stukken gehouwen en in de rivier der onderwereld geworpen, maar zijne moeder, die van de zon bericht ontvangt aangaande het lot dat haren zoon wedervaren is, haalt met eene lange hark alle stukken van het lijk haar zoons uit het water op, voegt ze weder bijeen, maakt hem met zalven en tooverspreuken weder levend, en reist met hem naar huis, om hem na eenige verzorging, tot het verrichten van nieuwe daden weder te laten vertrekken.

Het is merkwaardig, hoe behalve het genoemde, ook nog verscheidene andere poëtische thema's en opvattingen in dit Finsche heldendicht voorkomen, die men ook in de gedichten der Grieken en andere volken aantreft. Zoo b.v. brengt Wainämoinen met zijn gezang de geheele natuur in verrukking, even als Orpheus zulks ook doet, en even als deze, verzamelt hij alle dieren des wouds om zich. Zoo betoovert hij de vijanden en doet hen door zijn spel op zijne "Kantele" (harp) inslapen, even als Oberon met zijn tooverhoorn.

Over het geheel echter is de geest van het Finsche nationale-heldendicht veel zachter, dan die in de Oud-Noordsche sagen der Germanen, waarin het bloed bij stroomen vergoten wordt en al wat wreed en verschrikkelijk is, opeengehoopt is. Alle familie-verhoudingen worden er met bijzondere voorliefde in behandeld. Man en vrouw, ouders en kinderen, broeders en zusters, bruid en bruidegom, in een woord alle personen en gedaanten, waarin zich het huiselijk en zedelijk leven openbaart, worden er met de fijnste penseelstreken in afgemaald. Zeer merkwaardig is het slot van het gedicht. Het maakt aan het geheele avontuurlijke doen en streven een einde, door eene onberispelijke jonkvrouw "Mariatta" (Maria) te doen optreden. Zij is met haar pas geboren kind uit een ver land door den wreeden Koning Ruotas (Herodes) verdreven geworden. Zij gaat daarop naar "Tapiomäki" in Finland, waar zij in een stal wonen moet en haar kind in eene krib laat slapen. Toen zij wenscht het te laten doopen, verzet zich Wainämoinen, de Finsche God van het gezang daartegen, en beweert hij dat men, naar eene oude Finsche wet, den kleinen vreemdeling het hoofd splijten moet. Maar het kind, dat pas twee weken oud is, doet den mond open, spreekt met Wainämoinen, bewijst hem, dat hij eene valsche uitlegging aan de wet geeft, laat zich doopen en blijft met zijne moeder Mariatta in het land. Wainämoinen, hierover beschaamd en verschrikt, gaat in een koperen schip zitten en zeilt voor eeuwig weg naar het uiterste einde der wereld, terwijl hij zijne onvergetelijke gezangen en zijne "Kantele" aan de Finnen achterlaat.

Het slot van het gedicht zou ons reden geven om te veronderstellen, dat het tijdens de eerste invoering van het Christendom in Finland, in de 13de eeuw, ontstaan is. Het is echter ook zeer goed mogelijk, dat alleen het laatste gedeelte van het gedicht toen ontstond, en dat zijne eerste, bepaald heidensche gezangen, reeds vroeger bestonden.

De neiging en het talent voor de dichtkunst en wat daarmede samenhangt, zijn onder de Finnen ook nu nog niet uitgestorven. Bij de Esthen, even als bij de Tawasten, bij de Quänen, en ook wel bij andere Finsche volken, geldt nog heden ten dage het oude spreekwoord: "de dag wordt verlengd door den er bij gevoegden nacht, en evenzoo verdubbelen gezangen het karige maal," en nog tegenwoordig leeft bij al deze volken het verlangen, zich op de vleugelen der phantasie uit de treurige werkelijkheid op te heffen, een verlangen, dat in de schoone inleidende verzen van het zoo even vermelde gedicht Kalewala, zeer lief uitgesproken wordt, wanneer de dichter zingt:

Altijd ben ik vol verlangen, En ik denk steeds naar behooren, Om legenden in gezangen, Of te zingen of te hooren. Gouden broertje, is 't niet waar? Ed'le metgezel in 't dichten! Zelden spraken wij elkaar; Laat ons in dit woeste land, In deez' noordsche barre streken, Plaatsen samen hand in hand Gelijk men haak in haak zal steken. Laat ons bezingen goede dâan, En verhalen beste werken, Dan hooren deze braven 't aan, Deez geliefden zal dat sterken, Ook deez' jeugd, die nu al opgroeit, En dit volkje, dat vooruitgaat. En men alzoo een ieder boeit, Met dien zegen, met die weldaad, Die men vindt in 't hooge Noorden Bij Kalewala's barre oorden.

Ter verklaring der toespraak in deze karakteristieke verzen, aan het "gouden broertje," aan den "ed'len metgezel" en "het plaatsen hand in hand, gelijk men haak in haak zal steken," moge deze opmerking dienen: de Finsche dichters improviseeren meestal twee aan twee, en zitten daarbij met in elkander geslagen handen knie aan knie, als aan elkander geketend, tegen elkander over. Terwijl de een zijne strophe zingt, bedenkt de ander wat hij antwoorden zal, en beiden herhalen daarna--terwijl zij op de maat voor- en achterover buigen--het laatste vers van hunnen "ed'len metgezel in het dichten."

Dit zijn zeer merkwaardige en zeer in het oog vallende dichterlijke gebruiken. Ook eigent zich de Finsche taal uitstekend voor de dichtkunst; zij is uiterst melodieus en zeer klankrijk. Zelden komen bij haar twee medeklinkers en vele sissende en ruischende klanken, zooals in het Duitsch en Russisch, bij elkander, en de meeste woorden eindigen in eene volklinkende vocaal. Nooit komen bij haar zulke opeenhoopingen van consonanten voor als b.v. in ons "schelmsch," of "herfststorm." Als harde Germaansche woorden door de Finnen in hunne taal worden opgenomen, dan ondergaan zij in hunnen mond een verfraaiings-proces. De korte Zweedsche naam "Olof" verandert tusschen hunne lippen tot "Wuolaba." Het harde Zweedsche "Konge" (Koning) maken zij tot "Kunigu." Ons "Petersburg," verzacht zich bij hen tot "Pietapori." Van ons "vaandrig" maken zij "wänteriki." De welluidende namen der bekende Russische meeren "Onega" en "Ladoga," ook die der "Newa," zijn van Finschen oorsprong. Hoe lieflijk klinken ook niet, de door mij reeds genoemde namen der zang- en luchtgoden "Wainämoinen" en "Ilmarinen."

De Finsche taal heeft, als zij goed gesproken wordt, eene zekere deftige volheid. Zij is rijk aan tweeklanken en vocalen en is daarin wel met het Italiaansch vergeleken. Men heeft dikwijls verhaald, hoe een Russisch gezant uit Esthland eens aan het Spaansche hof, toen er van welluidende talen sprake was en men het welluidende van het Portugeesch, het Italiaansch en het Spaansch geciteerd had, de volgende Esthnische of Finsche woorden uitsprak: "pois ssaïda tassa ülla sülla," en den aanwezigen verzocht hem te willen zeggen tot welk genre zij den inhoud dezer woorden rekenden te behooren, Zij dachten dat het het begin van een episch of lyrisch gedicht was en stonden niet weinig verbaasd, toen de Noor hun den volzin vertaalde, die niets meer of minder beteekent dan: "hallo! domme knaap, rijd langzaam over de brug."--eene phrase, die men men op de slechte wegen dier landen zich dikwijls genoeg genoodzaakt ziet, den postillon toe te roepen.

Dat de Finnen zelven ook in hooge mate overtuigd zijn van de voortreffelijkheid hunner taal, bewijst de oude sage van het koken der talen, die zij te pas brengen, en waarin zij zich en hunne taal als lievelingen van Wainämoinen voorstellen. Toen deze Finsche Apollo, zoo heet het in die sage, wenschte, dat de menschen zich op aarde in verscheidene nationaliteiten verbreiden en ieder volk zijne eigene taal hebben zou, plaatste hij op een hoogen berg een tooverketel, en maakte er een vuur onder aan, om de talen voor de volken, die hij bijeenriep, te kooken. De gehoorzame Finnen volgden de roepstem van hunnen God zoo spoedig mogelijk, en verschenen zelfs zoo bijtijds, dat Wainämoinen nog niet eens met zijne toebereidselen klaar was. Verheugd over hunne buitengewone stiptheid, zeide de God hun daarom, dat hij, daar de taalmassa nog niet goed door elkander gemengd was, hun, dezen Finnen, zijne eigene goddelijke taal wilde geven en dat zij op Aarde zijn eerste en uitverkoren volk zouden zijn. Hij liet hen, vereerd door deze tijding, naar huis gaan. De talen der andere later komende volken echter werden uit het sissen, ruischen, knetteren, flikkeren en uit het schuim van het taal-brouwsel in den ketel, gevormd.--De Italianen zelve hadden geen treffender satire op de harde en met consonanten overvulde talen der Germanen en Slawen kunnen uitdenken.

Met den Wainämoinen, hunnen Musagetes, dien zij zich echter niet, zooals de Grieken, eeuwig jong en schoon, maar van zijne geboorte af met grijzen baard, wit hoofd, maar tevens met een jong hart, hooge wijsheid en dichterlijke geestdrift begaafd, voorstellen,--(het is zeer karakteristiek, dit moet hier nog ter loops opgemerkt worden, dat, terwijl de Hellenen zich alle Goden jong dachten, deze Noordsche volken zich de hunnen als oud en grijs voorstelden,)--met dien Wainämoinen zeg ik--houden zich, behalve het gedicht Kalewala, nog vele andere Finsche sagen en gezangen bezig, waarin verhaald en soms uitvoerig en dichterlijk beschreven wordt, hoe hij de Kantele, de Finsche cither, uitvond en vervaardigde; hoe hij aan de vogelen, aan de echo en de menschen de muziek leerde; hoe hij zelf zong, hoe hij door zijne eigene melodiën geroerd en in geestdrift ontstoken, dikke tranen schreide, die hem als dauwdroppels langs zijn baard vielen--en van den baard op de knie--en van de knieën in de zee--waar zij echte paarlen werden.

Ook de indrukken der natuur, de moeder van alle wezens, aan wier boezem deze stille volken zich zoo veel inniger vastprangen dan de naar heldendaden beluste, politieke en gezellige natiën van het Zuiden, waaraan zij zich voor de over hen heen bruisende stormen verbergen, vinden bij hen in die sagen en gezangen hunne zuiverste uitdrukking.

Het gemoed dezer eenzame, over uitgebreide streken spaarzaam verstrooide kinderen van het Noorden, gevoelt zich sterk aangetrokken tot den omgang met de natuur, en dicht aan alles, zelfs aan de geringste voorwerpen, ziel en leven, gedachte en taal toe. De Finnen, zooals ook hunne naburen, de Letten, beiden door de menschen zoo dikwijls mishandeld, zoeken hun troost in vertrouwelijke gesprekken met vogels, visschen en andere dieren, met bloemen en boomen, ja, met rivieren, meren en vijvers. Uit de, ieder mensch ingeschapene, behoefte en zucht naar gezelligheid, die zij, omdat bij hen de menschen zoo dun gezaaid zijn, zelden bevredigen kunnen, knoopen zij zelfs met boomstronken, steenen en granietblokken, die zij dikwijls aanspreken, eene dichterlijke vriendschap aan. Waar en bij welke gelegenheden zij nog heden ten dage hunne liederen componeeren en zij zich die over en weer overleveren, daarvan geeft weder de dichter van hunne Kalewala zelf, de trouwste schildering in een soort van inleiding, waarin hij op zeer aardige en naïve wijze allegorisch aangeeft, op welke wijze hij zijn schat van sagen samenbracht:

Vader leerde mij er menige, Als hij zich een bijlsteel kapte: En mijn moeder ook nog sommige, Als zij aan haar spinwiel trapte. Velen heb ik ook vernomen, Zoo al gaande langs den weg, Of ook zittend onder boomen, In de hei of bij een heg, Of wel midden in het groen, Of al loopende in de wei. Voorts als herder heb ik toen Op heuvels vol van bosch of hei, Op schoone bergen, ongestoord, Vele liederen ook verzonnen, Vele sagen ook gehoord.

Even als de natuurschilderingen, zoo speelt vooral ook de liefde in die Finsche volksgedichten eene groote rol. Ouder-, kinder-, broeder- en zusterliefde, riepen bij hen een gedeelte der bekoorlijkste lyrische producten in het leven. Eene zuivere, diepe en hartelijke innigheid ligt in hunne liefdeliederen. Zoo, om een uit duizend voorbeelden te nemen, in het volgende liedje, waarin eene Finsche vrouw hare smart over de scheiding van haren geliefde uitspreekt:

O! beste vriend, hoort gij 't wel. O! hartelief, merkt gij 't wel! Als ik zingend om u klaag? Scheiden moeten wij van daag!-- Wachtend moet ik naar u uitzien Schriklijk ver trekt g'hier van daan! Ik blijf terug bij vreemde lien, 't Is wel hard zoo weg te gaan. Pijnlijk is--het afscheid geven, Smartelijk tevens het vertrekken,-- Altijd blijf ik met u leven: Altijd zie ik uwe trekken Droomend, etend, zonder falen! Kunt g' de mijne voor u halen? Zullen w'elkander wedervinden? In 't dal of bij de linden? Bij den oever of in 't gras? In het koren, onder bloemen? Of als 't in den hemel was? Of bij vaders schoone bloemen? Ja! daar vinden wij elkaar, Om te sâam altijd te leven.--

Wel komt men bij de kennismaking van zulke liederen in de verzoeking, het gevoelen van een beroemd kenner en beminnaar der Finsche poëzie te beamen, wanneer hij, vol geestdrift over zijn onderwerp, beweert, "dat de echte innerlijke gloed en sterkte van gevoel niet in het warme Zuiden, maar in het koude Noorden bij de Finnen te huis behoort, en dat den Noorschen literator, alles wat hem van Zuid-Europeesche volken-stammen ter oore komt, in vergelijking met dergelijke producten van het Noorden, koud moeten toeschijnen."

Eindelijk zijn de Finnen, even als de Arabische Bedouïnen, groote vrienden van woordspelingen en poëtische aardigheden. Hunne taal en literatuur zijn zeer rijk aan spreekwoorden.--Een Duitsch geleerde heeft kort geleden onder de Finnen aan het meer Peipus, bij Dorpat en in verscheidene deelen van Esthland, eene menigte merkwaardige Finsche spreekwoorden bijeen verzameld, en eenige uit deze verzameling, die ik hier wil mededeelen, zullen voldoende zijn, om zoowel de scherpzinnigheid als den wijsgeerigen geest dezer menschen, te doen uitkomen:

"Eerst zaaien, dan maaien."

"Zit het geluk met iemand in het schuitje, dan behoeft hij niet naar het kompas te zien."

"De man schudt de dobbelsteenen, het geluk geeft de oogen."

Aan een zeer zwijgzaam mensch: "Spreek toch zoontje, de lippen vallen u immers niet af."

Aan de grootsprekers: "Ook de hoogste berg kan niet boven zijn top uitsteken."

In plaats van ons: "paarlen voor de zwijnen" zeggen zij: "geeft den ezel rozen, hij verlangt naar distels."

"De gierigaard zou wel eerst den molen en dan nog den wind willen verkoopen."

"Die een ongeluk houden moet, die zal ook wel den spiegel breken, als hij er maar in ziet."

"Voor de gelukkigen zijn de bergen vlakker, dan voor de ongelukkigen het dal."

"Braad den beer niet, voor gij hem geveld hebt."

"Dank God voor het stroo, als Hij u het koren ontzegd heeft."

"Dien runderen ontbreekt, die prijze zijne kat."

"Spring niet, voor gij bij de sloot komt."

"Wie bij windstilte slaapt, moet bij storm roeien."

"Ook de slimste slang, zal het nooit zoover brengen, dat zij rechtop loopt."

"Ver klinkt het klokje der vromen, maar nog veel verder het woord van den booze."

"Die zonder reden boos is, verzoent zich zonder zelfvoldoening."

"Ver ziet de verstandige, maar verder nog denkt hij."

"De tijd vraagt niet naar den man, als de man niet naar den tijd vraagt."

"Heeft de muis tijd tot geeuwen, als hij reeds in den bek van de kat zit?"

Wanneer bij een volk een schat van levenswijsheid gevonden wordt, waarvan het opgegevene slechts enkele proefjes zijn, dan mag men met recht beweren, dat niet moreele zwakte en slechtheid, maar alleen gebrek aan politiek verstand en aan staatkundige degelijkheid, zijn treurig lot heeft teweeg gebracht.

Ook de woordspelingen en raadsels, waarop de Finnen zich, ter oefening van het verstand, zoo gaarne toeleggen, zijn zeer origineel.

Het ei wordt daarin bestempeld als een "tonnetje met tweeërlei bier," een sluitkool als "een klein, rond, rimpelig vrouwtje, die haar hoofd in honderd doeken gewikkeld heeft." "De vader is nog niet geboren en de zoon zit reeds op het dak" beteekent de rook, voor dat de vlam nog te zien is. "Een rood hondje blaft door eene uit beenderen vervaardigde heg," is de booze tong tusschen de tanden. "Zij hebben geene voeten en loopen toch tot aan het einde der wereld," dat zijn de wolken, de schippers der lucht.

Slechts vluchtig kon ik hier op al deze interessante en karakteristieke dingen wijzen, die men overigens ook tot nu toe, nog slechts in hare bijzonderheden bij twee Finsche volken, bij de veelbesprokene Esthen en bij de Finnen in Finland, meer en détail nagegaan heeft.

Waarschijnlijk echter zijn deze raadselen, deze spreekwoorden, die lyrische "Runot," even als de Wainëmoinen, sagen en gedichten, tot hoog in het Noorden, door alle heide-, bosch- en moeraslanden der Tscheremissen, Wotjäken, Wogulen en Samojeden verspreid, en daar al die zaken gedeeltelijk met zeer oude heidensche mythen in verband staan, zoo is het eveneens waarschijnlijk, dat ook de vroeger genoemde nu verdwenen Koeren, Liven, Wessen, Mezen en andere talrijke verdwenen Finnen-stammen, van welke ons niet eens de naam overgebleven is, door een dergelijken geest bezield zijn geweest, en dat dus, als ik over eene onder onze voeten verdwenen Finnen-wereld sprak, daaronder niet alleen verwoeste paalwoningen, visschershutten en "rookkamers" verstaan moeten worden, maar ook, wat nog belangrijker is te vernemen, een geheel rijk van oorspronkelijke gedachten, eigendommelijke sagen, mythen, gedichten, zeden en gewoonten, over wier bouwvallen wij nu wandelen.

DE JODEN.

De Israëlieten verhalen ons in hunne eeuwen-oude geschriften en overleveringen de geschiedenis van hunnen oorsprong nagenoeg op de volgende wijze:

Niet geheel "2000 jaren na de schepping der wereld" (nagenoeg 2000 jaren voor de geboorte van Christus) leefde aan gene zijde van den Jordaan, op de steppen van Mesopotamië, onder het bestuur van zijnen Emir Abraham ("de vader der menigte"), een kleine nomadenstam, zooals men in Arabië tallooze aantrof. De herdersvorst Abraham en de zijnen, onderscheidden zich aanvankelijk noch door hunne zeden, noch door hunne taal, noch ook in hun physisch type van de overige Arabische herdersvolken. Hunne taal werd in vele dialecten, takken van den tegenwoordig zoogenoemden Semitischen stam, in groote gedeelten van het Westelijk Azië gesproken, en met hen verwante nationaliteiten waren over alle landen tusschen Perzië, de Indische- en de Middellandsche Zee verspreid.

Alleen met betrekking tot hunne godsdienstige beschouwingen en gewoonten, waren Abraham en de zijnen begonnen, zich van hunne naburen te onderscheiden en af te zonderen. Hij moet een vroom en nadenkend man, met een innig godsdienstig gemoed en met een voorspellenden geest geweest zijn, en verhief zich daardoor boven zijne landslieden en tijdgenooten. Hij erkende een eenigen en onzichtbaren God. "Hij verbond zich met Hem", verwierp het veelgodendom en alle lichamelijke voorstellingen der Godheid. Hij bekeerde ook de medeleden van zijn stam tot dit geloof, en voerde bij hen, als teeken van hun geloof, zekere plechtigheden of eene soort doop in.

Dit maakte echter de Israëlieten oorspronkelijk niet zoozeer tot een afzonderlijk volk, veel meer slechts tot eene godsdienstige secte onder de Arabieren. Was Abraham, evenals Mohamed, heldhaftig en overwinnend uitgetrokken, en had hij met woord en zwaard ook de andere heidenvolken van zijn vaderland bekeerd, dan zouden wij geen eigendommelijk afgezonderd Israëlitisch volk gekregen hebben. Maar het was hem genoeg, bij zich en de zijnen de monotheïstische godsdienstbeschouwing in hare zuiverheid te bewaren, en de hemelsche vonken op zijne eigene nakomelingen en stamgenooten over te brengen. Daardoor vormden deze al ras een contrast met de overige Semitische stammen, sloten zich van hen uit, leerden op hen, als niet tot het uitverkoren geslacht behoorende, met trotschheid neder te zien, werden door dezen op hunne beurt vijandig behandeld, en daar hun, die een op zich zelven afgesloten geheel vormden, ook afzonderlijke lotgevallen ten deel vielen, zoo ontstonden bij hen langzamerhand een eigen physisch type, eene afzonderlijke taal, andere zeden, en een eigenaardig nationaal-karakter. De nakomelingen en stamgenooten van Abraham werden, ten gevolge hunner godsdienstige overtuigingen, van eene secte, een van al hunne Semitische verwanten, (Arabieren, Pheniciërs, Chaldeërs) verschillend volk, dat eerst den naam "Hebreërs" (de van de andere zijde gekomenen) ontving, omdat zij eerst aan gene zijde van den Jordaan gewoond hadden.

Zeker was dit natuurlijk een zeer langzaam en langdurig proces. Want langen tijd na Abraham leefden zij nog, naar voorouderlijke gewoonte, als een herdersstam in het aan weiden rijke dal van den Jordaan, en ook naar Egypte trokken zij nog als Nomaden; daar werd hun door de Pharao's in het land Gosen aan de Roode zee een afzonderlijk weide-district aangewezen. De tocht der Hebreërs naar Egypte en hun vierhonderdjarig verblijf aldaar, heeft er in de eerste plaats zeer veel toe bijgedragen, om dit volk van zijn Arabisch vaderland en van de daar te huis behoorende nomadische gewoonten, te vervreemden. Toen later Mozes hen daarheen terugvoerde, voelden zij zich onder de Bedouïnen niet meer te huis, kregen zelfs heimwee naar het stillere en burgerlijke leven in Egypte, en gaven kort daarop het nomadisch leven geheel op, terwijl zij onder aanvoering van Jozua, het Zuidelijke deel van Syrië, het land Kanaän bezetten. Zij verdeelden dit onder elkander, vermengden zich meermalen met de, na de bloedige verovering nog overgeblevene oorspronkelijke inwoners, en legden zich daar toe op landbouw, wijnbouw, kunsten en handwerken, die zij gedeeltelijk in Egypte geleerd, gedeeltelijk van de in het land aangetroffene Kanaäniten afgezien hadden. Van Mozes, na Abraham hun grootste geloofsheld, hun godsdiensthervormer en wetgever, ontvingen zij eene staatsregeling, berekend naar den nieuwen toestand waarvoor hij hen bestemde; van deze staats- en godsdienstwetten, was de kern de oude monotheïstische godsdienst-beschouwing van Abraham, en daaruit ontwikkelde zich eene vaste hiërarchie, met verscheidene zeer eigenaardige grondstellingen.

Bijna 400 jaar lang, leefden zij in het land Kanaän onder wakkere krijgshaftige hoofden, die gewoonlijk "richters" genoemd worden, en namen toe in aantal, macht en rijkdom. Het was het eerste heroïsche tijdperk van het volk. Omtrent het jaar 1080, kozen zij zich--ten gevolge van een opstand tegen de priesters--"Koningen", die zich al ras, even als de gebieders van andere Oostersche volken, met glans, onbeperkte macht en wapenroem omgaven. Onder de Koningen David en Salomo, nagenoeg 1000 jaren na Abraham, bereikte het Israëlitische volk het toppunt van macht en bloei. Toenmaals heerschte het over een groot gedeelte van Syrië en Arabië, oostwaarts tot aan den Eufraat en westwaarts tot aan Egypte en tot aan de kusten der Middellandsche- en Roode Zee. Op beide zeeën hadden zij hunne vlooten, en wedijverende met de Pheniciërs, werden zij voor de eerste maal van gewicht in den wereldhandel. Uit de rijke steden van Phenicië vonden luxe en schoone kunsten ingang bij hen, en met behulp van Phenicische werklieden bouwde Salomo zijn tempel in Jeruzalem, een der wonderen van het Oosten. Onder David en Salomo maakten de Israëlieten zich beroemd en gevreesd in geheel Westelijk Azië, en onder aanvoering dezer beide uitstekende Vorsten die zelfs door God in geestdrift ontstokene dichters en wijzen waren, heeft hunne taal en literatuur den grootsten rijkdom en hare klassieke zuiverheid ontvouwd.

Vermoedelijk heeft dus toen ook de geest en het karakter van het volk het hoogste gestaan. Deze periode van bloei duurde echter niet lang,--nagenoeg 60 of 70 jaar. Die tijd is de korte zonneschijn van het leven van dit naderhand zoo ongelukkige en altijd zoo hard behandelde volk. Want nooit heeft het, ofschoon nog tijden van roem en vrijheid terugkeerden, weder eene zoo groote mate van nationale zelfstandigheid genoten. De roemrijke tijd van David en Salomo, is in zekeren zin het verloren paradijs der Israëlieten geworden, waarnaar zij steeds, maar te vergeefs, terugverlangden, met de herinnering waaraan zich hunne phantasie steeds bezig hield, en wiens terugverkrijging, naar zij meenden, de taak van den door hen verlangden Messias zijn zou.

Reeds dadelijk na Salomo, splitste het rijk zich in twee deelen, in dat van Israël en dat van Juda, die met elkander dikwijls in bloedige twisten en burgeroorlogen leefden, en die ten laatste, de een na den ander, de buit werden hunner machtiger naburen (de zich aan den Eufraat bevindende monarchiën der Assyriërs en Babyloniërs). Niettegenstaande de inwendige verdeeldheid van het volk, viel het den veroveraar uit Ninive en Babylon niet gemakkelijk, dit vaderlandslievende, door God in geestdrift ontstokene en stijfhoofdige volk te onderwerpen. Zij voerden daarom na iedere overwinning geheele geslachten en stammen van dit volk, van hunnen vaderlandschen bodem weg, en verplaatsten ze naar de landstreken aan den Eufraat en de Tigris. Ook hadden zich bij de verovering van Jeruzalem door Nebukadnezar (in het jaar 585 voor Christus geboorte) verscheidene gedeelten der bevolking naar Egypte begeven, en zich in de steden van dat land nedergezet.

Hiermede is dus de merkwaardige verstrooiing der Israëliten begonnen, die later bij herhaalde omwentelingen zich nog veel verder zou uitstrekken, en hen ten laatste als vluchtelingen uit Palestina over de geheele wereld verspreiden zou. Natuurlijk troffen die verdrijvingen of de zoogenaamde Assyrische en Babylonische gevangenschappen, alleen de hoofden van het volk, de patriotten, de aanvoerders, de hardnekkigste stijders. Eene massa rustig levende landbouwers bleef altijd in het land achter. Maar evenzoo bleef dan ook weder een aanzienlijk gedeelte der uit hun vaderland medegevoerden, in den vreemde terug, toen de Persische Koning Cyrus hun, omstreeks het jaar 500, verlof gaf naar hun vaderland terug te keeren en den ombouw van den tempel te hervatten. De nationale en politieke eenheid van alle stammen des volks, die na David en Salomo geheel verbroken was, werd niet weder hersteld. Daar alleen in het koningrijk Juda,--niet echter in dat van Israël, welks inwoners (de zoogenaamde tien verlorene stammen) zich geheel in de overige massa der Oostersche bevolking opgelost hadden--eene soort wedergeboorte plaats had, zoo heetten de Hebreërs van nu af aan Joden.

De Koningen van het Oosten hadden de weggevoerden in den regel niet met hardheid behandeld. Zij waren niet gedwongen geworden, de zeden van hun vaderland tegen de zeden van het land te verruilen, of de vreemde Goden te aanbidden. Ja! verscheidene kundige Joden waren door de veroveraars zelfs in staatsdienst genomen en tot hooge betrekkingen benoemd.--De schoonheid der Joodsche vrouwen evenals het talent der mannen, heeft hen dikwijls tot invloed en rijkdom gebracht, en velen hunner vergenoegden zich daarom, bij den wederopbouw des tempels ten tijde van Cyrus, hun steentje daartoe bij te dragen, maar gingen voort, den vreemden bodem die hen voedde, als hun vaderland te beschouwen.

Dientengevolge dus--zeg ik--bleef sedert de Assyrische en Babylonische verovering, de massa van het Joodsche volk, voor altijd in hooge mate verstrooid. In het vaderland bleef nog geruimen tijd een min of meer aaneengesloten kern bestaan, en geraakte onder gunstige omstandigheden bij tijden ook weder tot politieke onafhankelijkheid.

Het groote handelsgenie en de harstochtelijke lust tot speculeeren, die de Joden in zoo hooge mate kenmerken, zal hun waarschijnlijk reeds eigen geweest zijn, toen zij nog als herders langs den Jordaan hun nomadisch leven leidden. Alle Arabische en Semitische stammen munten door dit talent en door dezen hartstocht uit, die zij toonen zoo ras hun daartoe maar eene gunstige omstandigheid zich aanbiedt. De Pheniciërs, de naaste bloedverwanten en broeders der Joden, die ook met de Joden tot de "Hebreën" gerekend worden, hadden reeds lang de grootste geschiktheid voor den handel van den toenmaligen tijd ontwikkeld. Maar ook worden, geloof ik, alle volken, wanneer zij met geweld aan hunnen vaderlandschen bodem ontrukt en in den vreemde verstrooid worden, altijd met voorliefde voor handel en speculeeren bezield. Den akkerbouw en het grondbezit vinden zulke verdrevenen in het vreemde land reeds in handen van anderen, en het valt hun moeielijk zich daar in te werken. De over uitgestrekte landstreken verbreide koloniën of factorijen hunner stamgenooten, die zij kennen en aan wie zij krediet geven, met wie zij door correspondentie of door elkander over en weer te bezoeken, in verbinding blijven, bieden een groot gerief aan, om de produkten van vreemde landen te ontbieden en ze den inboorlingen van het land toe te voeren. Zulke onder verscheidene volken verstrooide volkplanters moeten daarom, zeg ik, bijna van zelf de tusschenpersonen voor het verkeer der menschen, waaronder zij leven, worden. Er moet zich bij hen eene neiging voor den handel ontwikkelen. Even als bij de Joden, zien wij dat b.v. ook bij de Armeniërs, oorspronkelijk een berg-herders-geslacht, die na hunne verstrooiing een der merkwaardigste handelsvolken van Azië en Europa geworden zijn. Wij zien het, om een voorbeeld uit den nieuweren tijd te kiezen, aan de Hernhutters, die oorspronkelijk slechts ten gevolge hunner godsdienstige verschillen, her- en derwaarts verstrooid werden, en die later begonnen zijn van uit hunne zendingsplaatsen een zeer merkwaardigen ruilhandel te drijven, en zich nevens hunnen godsdienstijver tegelijk een grooten en uitstekenden koopmanszin eigen te maken.

Uit de enge kringen van hun klein vaderland, waar zij tot nu toe alleen wijn-, olie- en graanbouwers, herders en veefokkers, priesters en krijgslieden geweest waren, werden naar hetgeen boven gezegd is, de Joden in den vreemde en op de banen van het groote wereldverkeer, noodzakelijk gedwongen zich op de handwerken en op de koopmanschap toe te leggen.--En was deze neiging eenmaal ontwaakt, dan moesten diezelfde invloeden ook natuurlijk verder om zich heen grijpen. Ook zonder nieuwen dwang greep vervolgens de toenemende speculatiegeest om zich heen, en was de aanleiding tot verdere vrijwillige reizen, nederzettingen en de stichting van factorijen.

Zoo is het dus geen wonder, dat wij reeds tijdens de groote Persische monarchie, en niettegenstaande de vergunning van Cyrus om naar hun vaderland terug te keeren, in alle Medische en Persische steden Joden zich blijvend zien vestigen,--dat wij hunne koloniën reeds in de Oostelijke provinciën van dit uitgestrekte rijk waarnemen,--ja, dat zij toen, 500 jaren voor Christus geboorte, zonder nieuwen dwang, waarschijnlijk ook reeds in Indië en niet lang daarna ook in China binnengedrongen waren. Ons wordt bericht, dat reeds lang voor Christus geboorte, Joden-koloniën in China bestonden. Toen reeds stonden de Joden bij de Chineezen in hoog aanzien, en verscheidene hunner moeten zich onder de Keizers van het Hemelsche rijk tot mandarijnen en stadhouders hebben weten op te werken.

Met de Europeanen kwamen de Joden, het eerst door de Macedonïërs en Grieken, op belangrijke wijze in aanraking. Het behoeft wel geen betoog, dat, reeds lang voor Alexander den Groote, enkele Joden den Europeeschen bodem betreden hadden. Koning Salomo immers moet reeds zijne vloot met die der Pheniciërs vereenigd, en aan hunne handels-verrichtingen in het Westen deel genomen hebben, en er zullen dus toen in de Phenicische koloniën van Afrika en Spanje, ook wel Joodsche agenten geweest zijn.--Ook is het tamelijk waarschijnlijk, dat onder de 100 volken, waarmede de Persische Koningen Darius en Xerxes Griekenland binnenvielen, zich ook krijgslieden uit het land Kanaän bevonden hebben. Al deze verschijningen der Joden in Europa zijn deels in hunne geschiedenis zeer duister, deels waren zij van zeer voorbijgaanden aard en hadden geene blijvende gevolgen. Eerst de inval der Macedoniërs en Grieken in Azië, die onder anderen het Phenicische handelsvolk vernietigde, bracht de Joden ons werelddeel eene goede schrede nader.--Zij sloten zich bij de Grieken aan, leerden even als andere Aziaten hunne taal, en namen bij de Grieken de plaats der Pheniciërs in. Voornamelijk bevolkten zij met hen de groote, sterk bloeiende stapelplaats van den Egyptischen handel, het door de Macedoniërs gestichte Alexandrië, de opvolgster van Tyrus, waar zij onder de Ptolomeën eene zeer talrijke kolonie stichtten, en van waar uit zij met de overige wereld in verbinding traden. Van daar uit kregen zij punten van aanraking over Cyrene door Noordelijk Afrika heen, waar hunne geloofsgenooten, stamverwanten en handelsvrienden zich verspreidden. Van Egypte uit, gingen zij naar Nubië en Abessinië, en zuidwaarts door de woestijn van Sahara tot in het binnenste van Afrika, waar naar men zegt, nu nog zwarte Joden-stammen bestaan.--Ja! wij zien in die tijden ook reeds in de Grieksche kuststeden van Klein-Azië, eene reeks bloeiende handelsfactorijen der Joden. Men kan dus zeggen, dat door de Grieken en Macedoniërs, de Joden, die reeds lang in grooten getale in Azië werden aangetroffen, in zekeren zin tot aan de poorten van Europa werden vooruitgeschoven.

Het tweede groote Europeesche veroveraars-volk, de Romeinen, zouden hen eindelijk ons werelddeel geheel binnen halen. Onder de opvolgers van Alexander had, behalve de verspreide handels-koloniën, nog altijd in het oude vaderland een aanzienlijke kern Joden, bewoners der steden, grond-bezitters, landbouwers bestaan, die bij tijden nog eene bewonderenswaardige, heldhaftige vaderlandsliefde, moed in den strijd, en zucht tot onafhankelijkheid ontwikkelden en b.v. onder hunne nationale helden, de Makkabeërs ("strijdhamers"), in de tweede eeuw v. Chr., tijdelijk een roemrijk, gevreesd rijk herstelden, dat veel overeenkomst met dat van Salomo had, meestal echter door stadhouders en onderkoningen der machtige naburige rijken geregeerd werd.

De heldendaden, welke die inheemsche, met heldhaftige geestdrift voor vrijheid en vaderland strijdende Joden, bij alle aanvallen van buiten verrichtten--de blijmoedigheid waarmede zij zich allerlei opofferingen getroostten, om bij de herhaalde verwoestingen van hun heilig Jeruzalem, telkenmale hunnen Jehovahtempel te herstellen,--de onvernietigbare geestkracht waarmede zij, wanneer zij inwendig verdeeld waren, wanneer tijdelijk losbandigheid en zedeloosheid bij hen de overhand verkregen,--wanneer zelfs, zooals zulks eenmaal gebeurde, de oude Mozaïsche boeken en bepalingen geheel verloren en vergeten waren--zich toch weder uit zich zelven verjongden, en den tempel, zoowel uiterlijk als ook in zich, op nieuw opbouwden,--de ongewone energie, waarmede zij weigerden de Romeinsche Goden aan te nemen,--de verschrikkelijke veldslagen die zij den legioenen der meeste gevreesde Romeinsche veldheeren, eenen Pompejus, eenen Crassus, eenen Vespasianus leverden,--de aard en de wijze van hunnen eindelijken ondergang, de laatste opflikkering hunner kracht tegen Keizer Titus, voor wiens overmacht zij slechts voet voor voet en tot aan den laatsten man en huis weken,--dit alles vervulde de wereld steeds, en telkens weder op nieuw, met bewondering voor hen, en moest vooral bij hunne in het buitenland verstrooide stamgenooten de vaderlandsliefde zeer versterken, terwijl het hun medelijden voortdurend wakker hield, hunnen gemeenschappelijken nationalen trots steeds opwekte, en hen overal, waar zij ook zijn mochten, een verheffend gevoel van eigenwaarde inboezemde.

De verwoesting van Jeruzalem onder Titus, in het jaar 70 n. Chr., en ten slotte na vernieuwde opstanden, de ontzettende bloedbaden, en de geheele verwoesting van Palestina onder Trajanus en Hadrianus, moesten diepe en onvergetelijke herinneringen in het gemoed van alle Joden achterlaten. De laatste der oude tempelsteenen werden toen uit hunne fundamenten gescheurd. Op de heilige stad liet men ploegen en deed men boomen planten. Het afgodsbeeld van Jupiter werd op de plaats der wet-tafelen van Jehovah geplaatst, het oude heilige Hierosolyma tot op zijnen naam uitgeroeid, met nieuwe kolonisten bevolkt en ter eere van Keizer Aelius Hadrianus "Aelia" genoemd, tot welk "Aelia" zelfs aan alle Joden den toegang verboden werd.

De door Jozua eens voor 1500 jaren onder de Israëlieten verdeelde akkers van het beloofde land, werden door de Romeinen verkocht en kwamen in vreemde handen. De meeste der na de slachtingen nog overige inwoners bracht men aan boord der schepen en voerde hen naar het Westen. In het land zelf bleef maar een klein hoopje, dat echter van nu af, trots al zijne droomen van herstelling der oude Joodsche heerlijkheid, en ook enkele zwakke pogingen daartoe, tot op onzen tijd nooit weder als eene gebiedende natie optreden kon. Dat bij deze, door de Romeinen veroorzaakte, geheele verstrooiing der Joden door de wereld, ook de Joodsche koloniën in het geheele Oosten weder nieuwen toevoer ontvingen, spreekt van zelf. Voor ons echter is het van meer gewicht te vernemen, hoe de oude Joodsche factorijen in Macedonië en Griekenland daardoor aanzienlijk versterkt werden, en dat nu de Joden met de Romeinen ook in eenige andere landen van Europa, in Italië, Spanje, Gallië, ja zelfs in de Germaansche Rijnlanden, die zij met de Grieken en Macedoniërs nog niet hadden kunnen bereiken, binnentrokken.

De heidensche Romeinen bereidden den Joden, die zich in hunne provinciën met der woon hadden nedergezet, een tamelijk dragelijk lot. Zij vervolgden hen niet--ten minste niet zoo hardnekkig en tot op het uiterste toe, als zulks later b v. in het Christelijke Spanje geschiedde [6]--wegens hun geloof; zij lieten hun hunnen godsdienst, zij stonden hun zelfs ten laatste het Romeinsche burgerrecht toe. Verscheidene Joden kwamen bij de Romeinen tot aanzien, betrekkingen en waardigheden. Een Joodsch dichter, Fucus Aristäus, is door zijn omgang met Horatius onsterfelijk geworden. Een Romeinsch stadhouder van Sicilië was een Jood enz. Dat nam echter niet weg, dat de Joden zich met de Romeinen even weinig versmolten als met andere volken. Hunne godsdienstige grondstellingen, hunne onveranderlijke trouw aan den God van Abraham en Mozes, hunne oude gebruiken, waaraan zij onder alle omstandigheden vasthielden, hunne eigenaardige voorschriften aangaande spijzen en kleeding, waren oorzaak, dat zij ook bij de Romeinen, even als overal elders, als eene afzonderlijke kaste bleven bestaan.--Zij waren daardoor ook reeds in het oog der Romeinen, die dikwijls het hoofd over hen schudden, eigenzinnige, altijd gelijkhebben willende, op zich zelf staande en onverbeterlijke menschen, en werden als zoodanig, even als bij ons, dikwijls het voorwerp van spot en het onderwerp der geestigheden bij Keizers, schrijvers en volk.

Toch zouden wellicht de Joden bij de onbeperkte burgerlijke vrijheid, die zij onder de Romeinen genoten, ten laatste, even als zoo menig ander Oostersch volks-element, dat door de Romeinen naar hunne Europeesche bezittingen overgeplant was, in den loop der tijden geheel in Europa verloren gegaan zijn, en zich met de landskinderen vermengd hebben, als niet het Christendom tusschen beide gekomen was. Het Christendom, wiens stichter in den schoot van het Joodsche volk geboren was, welks gezuiverde ideeën het eerst in de harten van vrome mannen in Juda weerklank vonden, en welks voorschriften het eerst door Joodsche apostelen in de kleine, in de Romeinsche wereld verstrooide, Joden-koloniën verkondigd werd--deze nieuwe godsdienst verscheen aanvankelijk als eene scheuring onder de Joden zelven, als een vervormd Jodendom.--Overal streden de oude Mozaïsten met de aanhangers der nieuwe leer, met de ijverzucht van tegenover elkander staande secten, en weldra met de verbittering van als vijanden tegen elkander over staande broeders. Toen het Christendom buiten de enge grenzen der Joodsche gemeenten trad, werd deze vijandige sectengeest ook op de bekeerde heidenen, die nu vooral die leer verbreidden, overgebracht, En toen de geheele beschaafde wereld, en eindelijk de Romeinsche Keizers zelven, tot de nieuwe leer overgingen, toen kwamen de Joden daardoor in eene veel gedruktere positie, dan ten tijde der heerschappij van den ouden heidenschen godendienst.--Pogingen tot bekeering begonnen, en toen deze mislukten ontstonden hevige vervolgingen, waardoor de in het nauw gebrachte Joden nog meer verstrooid en versnipperd werden. Huwelijken tusschen Joden en Christenen werden verboden en andere beperkende bepalingen werden ingevoerd, door welke alle vermenging der Joden geheel onmogelijk gemaakt werd, zoodat zij nog meer van de wereld buiten hen werden afgesneden, en te vaster beperkt werden in den toestand, waarin zij zelven tengevolge hunner innerlijke neiging zich gebracht hadden.

Niet lang na de aanneming van het Christendom, ging het rijk der Romeinen door tweedracht en innerlijke verdeeldheid te gronde, onder het zwaard der invallende barbaren. De heerschappij over de wereld werd hun ontnomen. In menige streek, zooals b.v. in het Grieksch-Byzantynsche rijk, verdwenen zij zelfs nagenoeg geheel. Overal echter bleven de taaie en volhardende Joden zich aan de uit de overblijfselen gevormde nieuwe rijken hechten, gelijk de buigzame, moeielijk te vernietigen en vele loten schietende klimop-rank, aan de deelen van een in elkander stortend gebouw. Ja, trots onderdrukking en gebrek, wiessen zij zelfs hier en daar zeer welig op en schoten zij nieuwe loten, uit duizend wonden bloedende en toch onbeschadigd; over de geheele wereld verspreid en toch als rotsen aan elkander bevestigd; verschrikkelijk onderdrukt en als het zwakke vrouwelijke geslacht getyranniseerd, en toch even als veerkrachtige vrouwen heerschappij uitoefenende, midden door het vreeselijke gewoel der volksverhuizing heen.

Het allereerst traden zij in het Pyreneesche schier-eiland, het oude kolonieland hunner broeders, de Pheniciërs, dat den West-Gothen ten deel was geworden, als een volk van invloed en gewicht op. Hun aantal en hun aanzien nam in Spanje toe onder de barbaarsche Koningen der West-Gothen, wien zij zich door hunne uitgebreide ontwikkeling, door hunne uitgebreide relatiën, door hunne buigzaamheid en slimheid, nuttig maakten, en door wie zij dikwijls in den staat en in het burgerlijk leven voortgeholpen werden. Eerst toen de West-Gothen van de Arianische [7] leer tot het orthodoxe Katholicisme overgingen, kwamen de Joden daar in eene meer gedrukte positie en werden vervolgens, tegen het einde der 7de eeuw, voor de eerste maal in Spanje in den ban gedaan, vervolgd en door de hardste maatregelen tot eene schijnbare aanname van het Christendom gedwongen. Het vermogen van alle Joden in Spanje moest ten voordeele der koninklijke schatkist worden verbeurd verklaard. Zij zelven moesten als slaven over het land verdeeld worden; maar hunne kinderen moesten hun worden afgenomen, om in de Christelijke leer te worden opgevoed.

Van deze katholieke West-Gothische verdrukking, werden zij bevrijd door de Mooren, die sedert 711 Spanje--gedeeltelijk door de hulp der Joden--veroverden. Onder de heerschappij der meer verdraagzame Moorsche Koningen, verspreidden zij zich weldra weder over het geheele Pyreneesche schier-eiland, en namen toe in aantal en ontwikkeling. Spanje werd toen in de 9de en 10de eeuw het toevluchtsoord van vele, in andere rijken onderdrukte Joden. Zij waren daar welgesteld, hadden hunne zelfstandige gemeente-inrichting, beslisten zelf hunne burgerlijke en godsdienstige geschilpunten, stonden niet zelden den Moorschen Koningen als raadgevers ter zijde, streden in de Arabische legers en beoefenden met de Mooren de wetenschappen. Vele der zoogenaamde Arabische geleerden en dichters waren geboren Joden. De grootste der Arabische geleerden in Spanje, de beroemde Avarroes, en het grootste licht onder de Spaansche Joden, de hooggeprezene en wereldberoemde Maimonides waren tijdgenooten en persoonlijke vrienden (in het midden der 12de eeuw). Met de door laatstgenoemden nagelatene werken, houden de denkende Joden zich nu nog onledig, even als wij met die van Aristoteles.

Toen de nieuw gestichte Christelijke Koningrijken, Castilië en Arragon om zich henen grepen, en den Mooren langzamerhand de door hen bezette landstreken, de eene voor de andere na--en daarmede tegelijk ook eene menigte Joodsche onderdanen die daar veel invloed en grondbezit hadden--afnamen, waagden hunne Spaansche overheerschers het niet, deze al dadelijk naar Oud-Gothische wijze te onderdrukken en te verdringen. Zoolang in Spanje naast het Christelijk element zich het Moorsche nog deed gelden, zou de onderdrukking tot niets anders geleid hebben, dan dat de verdrukten zich naar de legerplaats van den nabijzijnden vijand begeven hadden. Hoe groot het aantal der Joden in beide legers geweest moet zijn, bewijst het best de omstandigheid, dat toen eens Spaansche en Moorsche legers op een sabbath op elkander stieten, de slag uitgesteld werd, omdat de talrijke Joodsche strijders in beide legers zulks verlangden.

Even als bij de Mooren, zoo bloeiden de Joodsche aangelegenheden gelijktijdig ook bij de Christelijke Koningen van het schiereiland, wier finantiën gewoonlijk in de handen der Joden waren, en die somwijlen moeielijke wetenschappelijke opgaven (b.v. Koning Alphons de Wijze van Castilië zijne beroemde astronomische tafels) door Joodsche geleerden moesten laten oplossen. Vooral echter verhief het grondbezit, dat hun toegestaan was, de Spaansche Joden overal tot vaderlandslievende en weerbare zonen van het land. Zelfs van de ridderlijke oefeningen der Spanjaarden waren zij niet uitgesloten, en schenen zij in wezen, taal en houding aan de Spanjaarden gelijk. Hoe verder het gebied der Christelijke Koningen zich uitbreidde, hoe minder de Mooren te vreezen waren, hoe grootere overwinningen het kruis behaalde, des te meer ook veranderde dit. Met het aantal van anders geloovende onderdanen, die men met de nieuwe veroveringen opnemen moest, nam ook de angst voor en de strengheid tegen hen toe. De geestelijkheid verlangde hunne bekeering, en toen zij tegenstand boden, ontstonden reeds tegen het einde der 14de eeuw eenige bloedige vervolgingen. Wel hebben in zulke omstandigheden de Joden in Spanje soms, in groot aantal hun geloof verloochend en het Christendom aangenomen, wat zij in andere landen, zelfs bij het hardste lot, nagenoeg nooit gedaan hebben: maar dit laat zich daaruit verklaren, dat zij overigens zoo geheel met de Spanjaarden gelijk gesteld waren en zij bij eene weigering, in dit hun zoo gunstige vaderland zooveel te verliezen hadden. Het meerendeel echter bleef ook in Spanje het geloof hunner vaderen trouw, en tegen dezen slingerde nu, toen de zaken langzamerhand tot rijpheid gekomen waren--nadat de verschrikkelijke en snoode inquisitie diepe wortels geschoten had--in hetzelfde jaar, waarin de laatste Moorsche staat in Granada onderdrukt was (1495), Koning Ferdinand zijne vreeselijke verbannings-dekreten.

Deze Koning meende dat hij den Schepper zijn dank voor de op de Mooren behaalde overwinning niet beter bewijzen kon, dan door òf de Joden te noodzaken het geloof hunner vaderen af te zweren òf hen uit Spanje te verdrijven. Driemaal honderdduizend Spaansche Israëlieten verlieten het land, waarin zij langer dan de voorvaderen van Koning Ferdinand gewoond hadden, en waarin hun leven hoopvoller en schitterender geweest was dan ergens anders in Europa. Zij verkochten hunne fraaie bezittingen voor spotprijzen, de een zijn wijnberg voor een pakpaard, de ander zijn huis voor een reismantel aan de geldgierige Spanjaarden. Velen vluchtten onder onnoembare kwellingen over de zee, en zochten in Afrika, in Italië en in het Oosten een nieuw vaderland. Twintig duizend familiën vonden een tijdelijk toevluchtsoord in Portugal. Daar echter de Portugeesche Koningen en geestelijkheid weldra de Spaansche politiek volgden, doordien ook daar de Spaansche inquisitie ingevoerd was, werden ook daar de Joden door bekeerings-bevelen en verbannings-decreten getroffen, en moesten zij weldra hun zwaar kruis weder op zich nemen, en hunnen met doornen voorzienen wandelstaf weder ter hand vatten. Verscheidene Joden lieten zich, in Lissabon achterblijvende, doopen. Maar ook deze verstrooiden zich bij latere verontrustingen, die hun om hun geloof aangedaan werden (want in het geheim plantten zij het Jodendom op kinderen en kindskinderen voort) naar Bordeaux en Bayonne, naar Frankrijk, en vooral naar de tegen de elementen en tyrannen kampende Nederlanden, waar in de 16de eeuw, de Voorzienigheid voor alle vervolgden en onderdrukten eene haven geopend had, en later naar Hamburg en andere Noordsche steden.

Deze sedert de tijden van Karel V en Philips, in het Noorden en het Oosten verspreide, zoogenaamde Portugeesche Joden, die nu nog overal hunne Spaansche zeden en taal, als eene herinnering aan het land hunner vaderen, getrouw blijven, maken een bijzonder geachten tak van het Joodsche volk uit. Zij munten boven de Duitsche en Poolsche Joden uit, door hun manlijk en rechtschapen karakter en door eene edele houding. Men meent het hun te kunnen aanzien, dat zij eens eene onafhankelijke stelling genoten en eigen grond onder hunne voeten gehad hebben.

In het land ten noorden van Spanje, in Frankrijk, hebben de Joden nooit zooveel gewicht in de schaal gelegd als in het Pyreneesche schier-eiland, ofschoon zij ook daar sedert de tijden der Romeinen, in de steden woonden. Lyon was een hunner belangrijkste plaatsen. Zij maakten zich door hunne kennis, waarin zij de toenmalige Christenen overtroffen, en door hunne uitgebreide relatiën dikwijls zeer nuttig bij de eerste Koningen der Franken. Karel de Groote zond een Jood als afgezant naar den Kalif Harun-al-Raschid. Lodewijk de Vrome verzette, ter wille der Joden, den marktdag in vele plaatsen van Frankrijk van sabbath op een anderen dag der week. Karel de Kale maakte de belasting der Joden nagenoeg gelijk aan die der Christenen. Maar hoe meer het leenstelsel veld won, hoe meer de macht der Bisschoppen en der Kerk zich uitbreidde, des te meer werd den Joden de bescherming der Koningen onthouden, en moesten zij voor het geweld van een hen vervolgenden clerus onderdoen. Zij werden door de in Frankrijk zeer hierarchische en invloedrijke geestelijkheid bestreden, en door de somwijlen opflikkerende geestdrijverij der Franschen zeer in het nauw gebracht. Na de tijden der Karolingers herhaalden zich de Joden-vervolgingen in alle plaatsen van Frankrijk. Meer dan eens werd nu ook, door de onder den invloed van den clerus staande Koningen, het gezamenlijke vermogen hunner Joden verbeurd verklaard; zij overvielen en plunderden ze in het geheele rijk en verdreven hen. Eens deed dit Philips Augustus in het jaar 1182, en eene andere keer Philips de Schoone, dezelfde ijdele en hebzuchtige despoot, die de wreede vervolging der tempelheeren in het jaar 1306 beval. De Joden spreken over de vervolgingen onder dezen laatsten Koning, als over de verschrikkelijkste die zij door te staan hadden. Al hunne synagogen werden in Christelijke kapellen veranderd. De Parijsche synagoge schonk de Koning aan zijn koetsier Jean Truvin. Na dien tijd verheugden de Joden zich in Frankrijk, ofschoon zij nog eens weder teruggeroepen werden, nimmer weder in een rustig bestaan. Het eigenlijke Koningrijk Frankrijk was toen nog klein, en zij vonden somwijlen bescherming in de min of meer onafhankelijke, naast Frankrijk gelegene landen. Maar af en toe werden zij toen ook van het eene naar het andere Hertogdom verjaagd. In het jaar 1320 hadden zij in Zuidelijk Frankrijk de groote zoogenaamde herders-vervolging te verduren. Geïnspireerde schaapherders waren in Zuidelijk Frankrijk als profeeten opgestaan, en hadden het volk tot een kruistocht naar het beloofde land opgewekt. Volgens de spreuk: "het hemelrijk behoort den eenvoudigen," geloofden en stelden zij vast, dat het Heilige land, dat zoovele Koningen en Keizers vergeefs getracht hadden te veroveren, slechts door eenvoudige menschen kon teruggewonnen worden. Zij brachten eene massa herders, boeren, landloopers en boeven op de been, die zich in beweging stelden, maar niet eens kundigheden en middelen genoeg bezaten, om uit Frankrijk te kunnen komen. De tocht liep uit op eene algemeene plundering en gedeeltelijke uitroeiing der Joden, in de steden van Languedoc en Provence. Karel VI, dezelfde meestal diepzinnige Koning, die op een beroemd gemaskerd bal als satyr verkleed in brand geraakte en in levensgevaar verkeerde, tengevolge waarvan hij zijn verstand verloor, maakte het den Joden eindelijk geheel onmogelijk in Frankrijk te vertoeven, doordien hij hen in het jaar 1394 voor altijd uit Frankrijk verbande.

Eerst met het verkrijgen der Duitsche provincie Elsasz, onder Lodewijk XIV, kreeg Frankrijk weder een aanzienlijk getal Joden. Onder Hendrik II, in het jaar 1550 waren slechts eenige weinige dier zoogenaamde Portugeesche Joden in Bayonne en Bordeaux opgenomen, en deze, zooals nog eenige andere sedert dien tijd weder in het land gekomene Joden, zijn eindelijk ten gevolge der nieuwere Fransche politieke hervormingen, en voornamelijk door de hulp van hunnen grooten beschermer Napoleon, hunnen weldoener en bevrijder, geheel met de overige burgers gelijk gesteld en als Franschen erkend.

Het Engelsche Jodendom was schier altijd een tak van het Fransche, want uit Frankrijk kreeg Engeland vermoedelijk, tegelijk met het Christendom, zijne eerste, nog weinig talrijke Joden, en later met de Noormannen onder Willem den Veroveraar een aanzienlijker aantal. Zij verwierven zich aanvankelijk onder de Engelschen, door hunne industrie en voornamelijk, even als overal elders, door hunne geschiktheid tot het leiden van geldzaken, welstand en rijkdom, werden echter door de Koningen weldra zoo gebrandschat, en door het volk, ten tijde der kruistochten, zoo dikwijls geplunderd, mishandeld en gedecimeerd, dat ook daar hunne zaken in verval kwamen en hunne hardverdrukte gemeenten verarmden. Koning Eduard I, een groot krijgsman en held, de veroveraar van Wales en Schotland, beval in het jaar 1290 plotseling, dat alle ellendige en geheel beroofde Joden het Koningrijk moesten ruimen; vermoedelijk omdat hij het nut, dat hij van hen trekken kon, niet groot genoeg vond, om deswege den Jodenhaat zijner Christelijke onderdanen, en de ophitsingen zijner geestelijkheid nog langer te wederstaan. Zestien duizend arme vluchtelingen verlieten daarom met schepen het groene eiland, waarop zij niets dan de oorkonde hunner ellende, eenige plaatsnamen en hunne grafsteenen achterlieten. Zoo ontstond er in de 16de en 17de eeuw eene periode, waarin tengevolge der verbannings-edicten van de Koningen van Spanje, Frankrijk en Engeland, in het geheele Westen van Europa bijna geene Joden meer te vinden waren. Cromwell, in wien menige Jood een Messias zag, en zijne Independenten, die zich geloofsvrijheid wisten te verwerven, begonnen intusschen de Joden weder naar Engeland terug te voeren, en sedert dien tijd hebben zij, in het nu gaandeweg verdraagzamer wordende land, van den fanatieken haat en van de talrijke, in andere landen nog voortgezette, Jodenkwellerijen minder geleden, en men heeft daar nu tot op onze dagen, aan hunne steeds grooter wordende vrijheid en gelijkstelling met de andere staatsburgers, met zeer veel gevolg gewerkt.

Misschien heeft geen volk zich in de midden-eeuwen minder door bloedige Joden-vervolgingen bevlekt dan de Italianen, die den Paus zelf in hun midden hadden, en die zich misschien juist daarom minder schuldig maakten aan godsdienstige onverdraagzaamheid en fanatisme, dan de meer verwijderde natiën der Christenheid. De oude Romeinsche geest, de Joden te dulden, is in Italië nooit geheel verloren gegaan--noch in Sicilië, zoolang het niet onder Spaansche heerschappij kwam, waar de Joden zich beroemen Palermo tot eene bloeiende stad gemaakt te hebben,--noch in Napels, waar zij sedert de tijden van het Romeinsche Keizerrijk in alle landschappen woonden, waar zij in de middeneeuwen te Bari eene beroemde hoogeschool hadden, en van waar zij eerst door de Spaansche heerschappij verdreven werden--noch zelfs in Rome, waar de Joden, even goed als de Christenen, als er een nieuwe Paus gekozen was, met groote vreugde, onder het zingen van lofliederen, met hunne vaandeldragers, schrijvers en rechters--naar het oude gebruik hunne Thora (wetboek) onder den arm dragende,--het nieuwe opperhoofd der kerk tegemoet gingen en hem in de Hebreeuwsche taal toespraken, terwijl de Paus hun in het Latijn genadig antwoordde. Zeker echter verhinderde dit niet, dat menige Paus zich den Joden ongenadig betoonde, en hen soms bij geheele scharen verdreef, ja soms zelfs verbrandde.

In de 13de en 14de eeuw stonden de Joden in innigen samenhang met alle Italiaansche geestes-werkzaamheden, en vooral was Rome de zetel van een levendig, zelden verhinderd Joodsch gemeente-leven. Toen ten tijde kregen de Joden in Duitschland, even als die in Frankrijk, hunne ontwikkeling en hunne letterkundige werken van de Italiaansche Joden, en de uit Duitschland even als uit Frankrijk voorvluchtige Joden, werden meermalen in Italië opgenomen. Den uit Spanje verdrevenen bereidden de Medici een asyl, en voornamelijk door hen, maakten zij hun Livorno tot eene wereldberoemde zeehandelstad. Livorno was altijd, even als later Amsterdam, een centraalpunt van het Joodsche leven.

Van het, in de Venetiaansche landen heerschende bedrijvige en ongestoorde leven der Joden, hebben wij de onloochenbaarste bewijzen. Er bestonden in Venetië drie klassen van Joden, de zoogenaamde "Ponentini" (de Westelijke) uit Spanje, de "Levantini" (de Oostersche) en de Duitsche uit het Noorden, welke laatsten het armst waren. Zij stonden daar aan het hoofd der geldzaken, hadden echter somwijlen ook hunne eigene zeeschepen. Zij werden door de regeering der republiek altijd op dezelfde wijze behandeld, benuttigd en in hunne--hoewel zeer beperkte--rechten ook tegen de inquisitie beschermd. De zusterstad Genua toonde zich echter den Joden veel minder gunstig gezind, en heeft hen ook nooit in grooten getale binnen hare muren toegelaten.

In latere tijden liet zich Italië, even als in andere zaken, ook met betrekking op den vooruitgang die de zaak der Joden-bevrijding maakte, door andere landen overtreffen. Het tegenwoordig Italia Unita zal daar echter ook wel beter voor zorgen.

Een zeer treurig schouwspel biedt ons de geschiedenis der Joden in Duitschland aan, waar zij zich ook reeds sedert de tijden der Romeinen in de Rijn- en Donausteden nedergezet, en zelfs hunnen handel op schepen langs deze rivieren gedreven hadden. Bij het ontstaan van een op zich zelf staand Duitsch rijk, na Karel den Groote, werden zij onder dezelfde omstandigheden en door dezelfde middelen, als eens ten tijde der Assyrische Koningen, namelijk door vervolgingen en door gewelddadige verplaatsingen verder naar het Noorden en het Oosten verbreid. Gedurende de middeneeuwen zijn zij nu eens in deze, dan weder in gene Duitsche stad, waarin zij wortel geschoten hadden, uitgeroeid, nu hier dan daar, werden zij uit het land gezet en in gevangenschap weggevoerd. Zij begaven zich dan naar meer afgelegene landschappen, en daar, naar den wankelmoedigen geest der Vorsten en der volksstemming, op een verbannings-edict (zooals onder Nebukadnezar) meermalen weder eene terugroeping (zooals onder Cyrus) volgde, en daarbij ook altijd, zooals bij Esra en zijnen terugkeer, een gedeelte in den vreemde achterbleef, zoo gevoelden zij zich langzamerhand in alle kreitsen en marken van Duitschland te huis.

Den verschrikkelijksten en voor hunne verspreiding de grootste gevolgen hebbenden tijd, beleefden zij in Duitschland, even als elders, gedurende de kruistochten, toen de geheele bodem van Midden-Europa, en vooral het zeer godsdienstige en zeer opgewondene Duitschland, van Christelijken ijver gloeide. De kruisridders meenden hunne buitenlandsche roeping tegelijk met het werk eener binnenlandsche roeping, tegen de niet-Christenen in het vaderland te moeten beginnen. Men verdacht de Joden, (deels omdat zij Christenvijanden, deels ook omdat zij Aziaten waren) van met het Oosten te heulen. Zij waren beschuldigd geworden de Mooren naar Spanje geroepen te hebben, zij werden aangeklaagd het met de ongeloovige Saracenen te houden, zij zouden zelfs later ook de Mongolen naar Spanje gelokt hebben. De kruisvaarders begonnen daarom de verovering van Jeruzalem reeds aan den Rijn en aan den Donau, waar wreedheden tegen de arme kinderen Israëls werden uitgeoefend, zooals hunne voorvaderen die nauwelijks van Salmanassar geleden hadden, en bij welke gelegenheid de vertwijfelde Israëlieten, bij de verdediging van hunne Jodenkwartieren, van hunne synagogen en van hun geloof, een heldenmoed en eene gelatenheid aan den dag legden, als vroeger de Makkabeën bij de verdediging hunner heilige oorspronkelijke woonplaatsen. Sedert den tijd der kruistochten waren bloedige vervolgingen der Joden in Duitschland eene zeer gewone verschijning, en zij keerden in den loop der tijden zoo dikwijls terug, als onweder en hagelslag in den loop van het jaar.

Het gewichtigste gevolg van al het lijden, dat met de kruistochten in Duitschland over de Joden kwam, en hun gedurende de 12de, 13de en 14de eeuw bleef drukken, was ongetwijfeld de gedurige beweging der Duitsche Joden naar het Oosten, naar de Slawische landen, naar Moravië, Silezië en Polen, waar, onder de daar aanvankelijk zeer gunstige verhoudingen, hunne gemeenten beduidend vermeerderden. Reeds vroeger met de eerste overwinningen der Duitschers op de Slawen, en met het binnendringen van Duitsche burgers, waren ook Joden in Slawische steden gekomen. Duitschland was eene groote Joden-kweekschool voor de Oostelijk gelegene landen, en daaruit laat het zich verklaren, dat nu nog, in bijna alle Joden-koloniën in Hongarije en Polen, overal de Duitsche taal heerscht.

Maar ook Duitschland zelf moest een der voornaamste Joden-landen van Europa blijven, want het ontving steeds nieuwen toevoer uit het Westen, waar zooals reeds gezegd is, de inquisitie en de machtig gewordene monarchen de Joden geheel verdreven. In Duitschland, waar noch de inquisitie, noch den doortastende wil van eenigen erfelijken souverein zoo veel vermocht, waar zich, zoo zij uit de eene plaats verdreven werden, eene andere plaats hun weder een toevluchts-oord was, kon men de Joden niet, zooals in Frankrijk, Engeland en Spanje, door één enkele pennestreek verdrijven. Dien ten gevolge zien wij nog altijd verreweg het grootste gedeelte der Joden van het christelijk Europa, onder de Duitschers en Slawen verstrooid. Voornamelijk echter, zooals reeds opgemerkt is, bij de laatsten en bij voorkeur in al de uitgebreide provinciën, die eens tot het Koningrijk Polen behoorden.

Nagenoeg de helft der Joden van ons werelddeel wonen onder de Polen aan den Weichsel, aan de Duna en aan den Dniepr, even als vroeger het grootste gedeelte van alle Aziatische landverhuizers uit Palestina, aan den Euphraat en den Tigris. Naast de reeds vermelde aanleidingen van buiten, hebben ook de innerlijke omstandigheden der Polen en van eenige hunner naburige volken er het hunne toe bijgedragen, de Joden bij hen in zoo groote massa bij elkander te brengen. Noch het Christendom zelf, noch de macht der Christelijke hiërarchie, vierde bij deze laat bekeerde volken zulke zegepralen, als het Romanische en het Germaansche Westen gezien had, en de antipathie tegen het Joodsche wezen had daar haren oorsprong meer in de eigenaardige nationale verscheidenheden, dan in het verschil van geloof. Godsdienstig fanatisme heeft zelden in Polen geheerscht. Van kruisridders en consorten hebben de Joden in Polen minder te lijden gehad, ofschoon zij ook in dit hun paradijs, niet van enkele op zich zelf staande vervolging en van verachting vrij gebleven zijn. De maatschappelijke en staatkundige verhoudingen van Polen waren den Joden bijzonder gunstig. Daar bestond geen derde stand, en de industrieele en werkzame Joden konden de plaats van dezen in zekeren zin innemen. Zij zijn de kooplieden, handwerkslieden en kunstenaars der Polen geworden, en hebben zich overal als klissen aan hen vastgehecht. Zeer spoedig kwam Polen daardoor in een toestand, die het dit land onmogelijk maakte de Joden te verdrijven, wilde het zich zelf niet verwoesten.

De hoogere Poolsche standen vormden eene soort republikeinsche adels-aristokratie. Ieder edelman kon tot Koning gekozen worden, en ieder leefde, ook zonder gekozen te zijn, op zijne bezittingen zoo onafhankelijk als een Koning, en even als de Spaansche Monarchen eens het liefst de Joden tot hunne ministers van finantiën maakten, deels omdat zij voor de behandeling der moeielijke en gecompliceerde geld-zaken de fijnste vingers hadden, deels omdat zij als vreemdelingen geene partijen of standen behoefden te ontzien, en tegenover de onderdanen trouwe aanhangers hunner Heeren waren, zoo hebben, om dezelfde redenen, de Poolsche edellieden dit ook altijd gedaan, en hunne Joden dikwijls met nadruk tegen hunne boeren, tegen de geestelijkheid, tegen de regeering in bescherming genomen.

Naar Hongarije kwamen de Joden reeds vroegtijdig met het Christendom uit Italië en Duitschland. Koning Lodewijk de Groote, wilde hen eens allen weder verdrijven. Maar over het geheel genomen, zijn zij ook daar niet zoo stelselmatig en hardnekkig vervolgd en geplaagd geworden, als in de Westelijke Europeesche landen. In de vele politieke stormen van het land hebben zij zich meestal aan de zijde van het Oostersche element der bewoners geschaard. Zij streden dapper aan de zijde der Turken, toen deze uit Ofen verdreven werden. En gewoonlijk voegden zij zich bij de Magyaren tegen de Duitschers.

Geheel anders was dit alles weder bij de Oostelijke naburen der Polen, de Russen. De Joden hebben ook eens op den bodem van het tegenwoordige Russische rijk, eene gouden eeuw Beleefd. In het, gedurende de 9de en 10de eeuw, bloeiende rijk der Chazaren aan de Wolga, waren de het land binnengetrokkene Joden, eens tot zoo groot aanzien gekomen, dat zij zelfs den Koning van het land tot het Mozaïsme bekeerd hadden. Uit het Joodsche Chazarenrijk in Rusland, verschenen zelfs in het jaar 1000, afgezanten, voor Wladimir, den heidenschen Groot-Vorst der Russen, en beproefden hem eveneens voor het Jodendom te winnen. Maar Wladimir verwierp hunne voorstellen, even als die der voor hem verschenen Mahomedaansche en Katholieke zendelingen, en verklaarde zich voor de Grieksche Kerk, die vervolgens de nationale Kerk der Russen werd. Deze oude Grieksche Kerk echter is van oudsher, zoowel in Byzantium als in Rusland, de gewone vijandin der Joden geweest. De eerste strijden der Grieksch gewordene Russen, hadden met de Joodsche Chazaren, en later met de den Joden vriendschappelijk gezinde Polen plaats. De Joden drongen altijd met de Polen Rusland binnen; zoover deze, met het zwaard in de hand, Rusland binnengetrokken zijn, zoo ver hebben gene er zich met hunne kunsten en handwerken genesteld. Maar de eigenlijke Kern-Moskowieten hebben, terwijl zij hunnen Polen-haat ook op de met dezen verbondene Joden overdroegen, de laatsten steeds van zich gestooten. Daarbij hadden de edellieden en Vorsten, die de Joden noodig hadden, in Rusland nooit zooveel vrijheid als in Polen en Duitschland. Er heerschte daar altijd een onbeperkte autokraat, die vervolgens tegelijk het hoofd der kerk werd. De monarchale en kerkelijke eenheid van den Staat, moest derhalve den Joden even verderfelijk en hinderlijk worden, als in Spanje ten tijde van Ferdinand en Isabella.

De Russische Kozakken vervolgden, in hunnen beroemden opstand tegen hun Poolschen gebieder in de 17de eeuw, de Joden met dezelfde verbittering als de Polen, daar de Poolsche Koningen Joden als inners der belastingen aangesteld hadden; ook eenige der Russische landschappen, die toen ten tijde den Polen afgenomen werden, gingen tegelijkertijd ook voor de Joden verloren, die nu, naar Polen teruggeworpen, daar nog meer samengedrongen werden. Daardoor is het gekomen, dat de kern van het Moskowitische land van Joden vrijgebleven is, waartoe zeker ook nog, hetgeen eens te Amsterdam door Peter den Groote tegen de Joden gezegd is, het zijne zal bijgedragen hebben, dat namelijk de Groot-Russen in alle handwerken en handelszaken, waarin de Joden uitmuntten, eene even groote bekwaamheid als dezen bezitten, en zij dus de Joden niet zoo noodig hadden, als de zich voornamelijk op den landbouw toeleggende Polen. Zelfs de vrijheden, die in lateren tijd Keizer Alexander den Joden in geheel Rusland gaf, hebben weinig tot de vermeerdering van hun aantal bijgedragen.

In Zuidelijk Rusland echter heeft zich met de Tataren eene zeer merkwaardige, ofschoon helaas! weinig talrijke sekte der Joden, namelijk de zoogenaamde "Karaër" of "Karaïten" verbreid. Een zekere "Anan," moet omstreeks het midden der achtste eeuw, dus kort na het optreden van Mohamed, deze sekte gesticht hebben. Zij hebben zich ook, naar het schijnt, te gelijk met en door het Mahomedanisme in de wereld verspreid, zijn met de Muzelmannen naar Egypte, naar Spanje, naar Turkije en, zooals gezegd is, ook naar Rusland gekomen. Op Europeeschen bodem treft men ze in beduidend aantal alleen nog aan in Constantinopel en in Zuidelijk Rusland, voornamelijk in de Krim. Deze Karaïten zijn onder de Joden, wat de Protestanten zijn onder de Christenen. Want zij verwerpen de toevoegsels en overleveringen van den Talmud, en beroepen zich, even als de Protestanten, alleen op den letter en den geest der Schrift. Daarom hebben zij ook aan een Semitisch woord, dat zooveel als "Schrift" beteekent, en waarvan ook het Arabische woord "Koran" afstamt, hunnen naam "Karaïm", dat is "de getrouwen aan de Schrift," te danken. Zij zijn dientengevolge vrij van de opeenstapeling van stellingen en van de geheimzinnigheden der talmudistische of rabbinistische Joden, eenvoudig in hun geloof en wezen. Dit was het wellicht, wat hen achtingswaardig maakte in de oogen der Mahomedanen, en hun daarom bij dezen overal eene hoogere mate van burgerlijke vrijheid verschafte. Dientengevolge toonen zich de Karaïtische Joden overal, in tegenstelling met de andere Joden, zeer gezellig, eerlijk, ordelijk en zindelijk, en hebben zij een afkeer van den woekerhandel en den handel in oude kleeren hunner broederen. Slechts zeer zelden zou het voorkomen, dat een Karaït wegens diefstal of bedrog een lijfstraffelijk vonnis opliep. Armen en bedelaars treft men bij hen niet aan, zij komen allen op eerlijke en fatsoenlijke wijze aan den kost. Zij staan in zekeren zin tegen de talmudistische Joden over, als de Protestantsche Ieren tegenover de Katholieke, en zij schijnen te bewijzen, dat vele der onaangename eigenschappen, die wij den Joden als aangeboren toeschrijven, hun slechts door hunne wet en hunne gedrukte stelling eigen geworden zijn, en dat deze door hervormingen het best kunnen weggenomen of ten minste verzacht worden.

Naast Groot Rusland heeft geen Christelijk rijk in Europa zich zoo vrij van de Joden gehouden als Skandinavië. Enkele uit Duitschland gevluchte, of om handels- of andere belangen daar heentrekkende Joden, zijn daar natuurlijk ook altijd geweest. Zelfs hebben soms Zweedsche Monarchen (b.v. Koningin Christina) geschikte Joden in hunnen dienst gehad en hen tot diplomatieke doeleinden gebezigd. Maar eene eigenlijke geschiedenis der Skandinavische Joden begint eerst daar, waar de geschiedenis der Joden in het Westen, in Spanje en Portugal, eindigt. Even als de Nederlanden, Engeland en Hamburg, zoo is ook Denemarken voor de voortvluchtige zoogenaamde Portugeesche Joden eene schuilplaats geworden, en hebben zij daar, van Hamburg uit, in eenige steden van Jutland verspreid, altijd vele vrijheden genoten, maar zijn zij toch altijd weinig in getal gebleven. Zweden heeft--eerst sedert korten tijd--slechts een gering aantal Joden in Stokholm en Gothenburg opgenomen. Verder moet ook nog Zwitserland genoemd worden als een land; waarin de Joden van oudsher slechts weinig geluk gehad hebben. Ook in alle Helvetische staten vindt men slechts zeer weinig Joden. Noorwegen durfde echter tot nu toe een Jood niet betreden.

Over het geheel kan men zeggen, dat het geheele Noorden van Europa door de Joden slechts weinig geëxploteerd is geworden. Misschien ook gevoelden zij, als een Zuidelijk volk, zich daarheen slechts zeer weinig getrokken.

In Griekenland, dat eens ten tijde der apostelen, de eerste talrijke Joden-koloniën ontvangen had, waren bij slot van rekening toch niet vele overgebleven. De "rechtgeloovige" Byzantynsche Keizers en de Grieksche Patriarchen zijn hun daar even weinig genegen geweest, als de Czaren-Pausen in Rusland. Nieuwe krachten verkreeg daar het ingesluimerde leven der Joden, door het ontstaan van het Rijk der Osmanen.

Ofschoon de Joden bij de Turken, in maatschappelijken zin, niet in hoogere achting stonden dan bij de Christenen, zoo bleven zij toch, als zij slechts de hun opgelegde schatting betaalden en de hun bevolene blauwe kleederdracht droegen, voor het overige, in zaken hunne gemeente rakende, tamelijk onafhankelijk. Wel voerde de nationale antipathie meermalen tot het plegen van gewelddadigheden jegens hen, maar nooit heeft onder de Turken de doos van Pandora, het in haar bevatte lijden en zorgen, zoo geheel over de Joden geledigd en uitgeschud, als in het overig Europa tijdens de kruistochten. Nooit zijn zij door de Turken zoo geplaagd, gebrandschat, getergd en mishandeld geworden, als bij wijlen in Duitschland, in Spanje en door de Byzantynsche Keizers.--"De geheele geschiedenis van het Osmanische rijk in Europa" zegt een Joodsch schrijver, "is, in vergelijking met de midden-eeuwen van het Christendom, eene bloeiende oase in de Joodsche herinneringen." Verscheidene Turksche Sultans bedienden zich in staatszaken bij voorkeur van de Joden. Hunne ambtenaren bij de munt waren gewoonlijk Joden, even als ook bijna altijd hunne lijfartsen. Sultan Selim benoemde een Jood tot Hertog der Cykladische eilanden. En de groote Joden-gemeenten in de steden van het rijk, waren, wat hun innerlijk bestuur aanging, in hoogen graad onafhankelijk. De halve maan, die het overige Europa een onheilspellend meteoor toescheen, ging derhalve boven de Joden als eene verwarmende zon op. Van vele zijden stroomden, na de verovering van Constantinopel door de Turken, rabbijnen naar de groote steden van het Turksche rijk. Zij vluchtten uit de Christelijke landen, voor de Spaansche inquisitie, voor het uitjouwend "Hepp-Hepp" der Duitschers, voor de piek der Russische Kozakken naar Turkije, waar zij zich nu nog naar de landen, waaruit zij afkomstig zijn, in zoogenaamde "Aschkenaren" of Duitsch sprekende Joden, in Spaansch sprekende, in Hongaarsche, Italiaansche, Poolsche en oud-Grieksche Joden verdeelen. Joodsche drukkerijen werden reeds vroegtijdig in Konstantinopel, Salonika, Damaskus aangelegd, in een tijd toen den Mahomedaanschen Turken zelven het drukken nog verboden was.

Bij den strijd van het Christendom tegen het Mahomedanisme, vinden wij dan ook de Joden gewoonlijk aan de zijde der Turken en Saracenen. Zij stonden b.v. met de Muzelmannen op de muren van Jeruzalem, toen de kruisridders die stad aanvielen, en werden door dezen tegelijk met de Muzelmannen afgemaakt. Ook in het jaar 1686 bij de belegering van Ofen door de Duitschers, streden de Joden naast de Turken en leden met hen. Ook zijn in den nieuwen tijd de in Turksche steden opgehoopte Joden zeer achterlijk gebleven, als men de toenemende ontwikkeling hunner Westersche broeders, en de wijze waarop deze zich van oude vooroordeelen vrij maakten, in aanmerking neemt, terwijl dat gedeelte der Joden, dat onder Turksche Pascha's in het beloofde land hunner vaderen woont, tot de ongelukkigste Joden van den aardbol behoort.

Het overig Europa ontwaakte eindelijk uit zijn langen, middeneeuwschen nacht, en zijn geest begon zich langzamerhand van de oude knellende banden te bevrijden. Het ondermijnde de macht zijner ruwe ridders en leenvorsten; het riep de wetenschappen en de beschaving uit de graven der Grieken en Romeinen weder op; het verwerkte de staatsregelingen; het arbeidde aan de hervorming der kerk en eindelijk ook aan de emancipatie der Joden, een vraagstuk, dat echter eerst sedert de Fransche omwenteling overal eene bevredigende oplossing nabij gebracht is.--De grootste zwarigheden, de grofste vooroordeelen, de diepst ingewortelde antipathieën moesten daarbij overwonnen worden, oude wetten moesten worden afgeschaft, de tegenstrijdigste belangen vereffend en de sedert de oudste tijden bestaande gewoonten afgelegd worden. Eeuwen lang was men gewoon geweest de Joden als de moordenaars van den Heiland, als de doodsvijanden der Christenen te beschouwen en te behandelen.--Sedert den tijd der kerkvaders, op wie men zich beriep, had men hen van misdaden beschuldigd, die zij denkelijk nooit begaan hadden.

Opdat iedereen zich reeds in de verte voor hen hoeden kon, had men hen overal genoodzaakt, zekere kenteekenen te dragen, zoo b.v. in Duitschland puntig toeloopende hoeden, in Spanje en Italië gele vlekken op het overkleed. Op andere plaatsen, moesten het groene, of ook wel blauwe vlekken zijn. Een oud-Egyptisch tyran (Ptolomäus Philopator) had eens bevolen, alle Joden, de figuur van het aan Bacchus gewijde klimopblad, voor het voorhoofd te branden. Een ander Oostersch despoot, had hen eens allen in de hand laten brandmerken. Weder een ander had bevolen, dat zij allen het beeld van een kalfskop, ter herinnering van het gouden kalf, om den hals moesten dragen. Slechts door groote geldsommen, konden de Joden zich deze hun opgedrongene schandteekenen afkoopen. Even als den vreeselijken inval der Mongolen in de 13de eeuw, zoo schreef men ook iedere ramp die de Christenheid trof, aan de Joden toe en strafte hen daarvoor, als waren zij er inderdaad schuldig aan. Sedert de kruistochten, werd bijna iedere gebeurtenis, die allen met schrik vervulde of enkelen schade berokkende, epidemiën, branden enz. op de Joden door roof en moord gewroken. Toen de pest uit het Oosten ons werelddeel binnentrok, schreeuwde men, dat de Joden de melk der aarde, de bronnen, vergiftigd hadden. Uit hostie en christenbloed, zoo zeide men, wisten zij een vreeselijk elixer te bereiden. Als ergens een hevig onweder, gepaard met hagelslag en wolkbreuk losbarstte, dan heette het, dat de Joden gedurende dien tijd een wassen beeld van den Verlosser in hunne synagogen gekruisigd hadden, en met een vreeselijk Hepp-Hepp-geroep viel dan het razende gepeupel op de Joden-kwartieren aan. Eene Konings-krooning of eenige andere plechtigheid, die vele Christenen te samen bracht, ging gewoonlijk met een "Joden-spektakel" gepaard, als behoorde dit mede tot de Christelijke feesten. Als zelfs Koningen in hunne, in het parlement gehoudene redevoeringen, over de Joden als over een "verpestend, volk" spraken, waardoor zij hun land bevlekt beschouwden; dan was het geen wonder, dat buiten het parlement en de residentiën der Koningen, zulke mannen als de beruchte ridder Rindfleisch in het jaar 1290, zich verhieven, en terwijl zij verklaarden, door God gezonden te zijn om den aardbodem van de pest dezer christenvijanden te zuiveren, de landen aan het hoofd van woeste horden doortrokken, de Joden als wilde dieren doodden en hen op de marktpleinen bij groote hoopen verbrandden.

Afschuwelijke misdaden zijn daarbij, door hen die zich Christenen noemden, gepleegd. De geest der kinderen Israëls echter ontvlamde zich tot roerende, bewonderingswaardige en heldhaftige daden.--Men zette hun het mes op de keel en riep hun toe: "zweer uw geloof af, Jood, of sterf!" Zij riepen uit: "Hoor ons, God Israëls!" en stierven als vrome martelaars. Om hun geloof te redden gaven zij dikwijls zelf zich den dood. Vaders stieten hunne dochters neder, en deze bliezen haren laatsten adem uit, terwijl zij zuchtten: "goed gedaan, vader!" "Zulke den dood verachtende menschen," roept een christen-geschiedschrijver van den toenmaligen tijd uit, "kan men met recht met de meest geprezene helden der geschiedenis vergelijken."

Van de christelijke scholen waren de Joden natuurlijk in den regel uitgesloten. Eveneens waren hun sedert de kruistochten de gilden gesloten en hun alle ambten, iedere eereplaats in den staat, ja! bijna ieder fatsoenlijk handwerk ontzegd. Zij behoorden bijna niet meer tot de maatschappij. Midden onder de burgers, leefden zij als paria's, als bannelingen. Onroerend goed mochten zij in bijna geen een land bezitten, en het roerende liet men hun slechts een tijd lang, om het hun ter gelegener tijd te kunnen ontrooven. In de meeste landen hadden de Joden geen ander grondbezit, dan het plekje grond, waarop zij hunne dooden begroeven, hunne begraafplaats. Bij de wreedheid voegde men nog de ergste hoon en bespotting. Overal waren oude, als wetten heilig gehoudene misbruiken, om de Joden te vernederen. In de rijksstad Worms in Duitschland was het de gewoonte, dat ieder jaar op zekere dagen een aantal Joden als muilezels opgetuigd, voor een rosmolen gespannen en door drijvers voortgezweept werden, en zoo lang de machine bewegen moesten tot er 8 malder tarwe gemalen was; hiervan liet de Christelijke overheid zich koeken bakken, om ze terwijl zij zich tevens aan wijn te goed deden, intusschen te verorberen. In de stad Toulouse in Frankrijk heeft een geruimen tijd de gewoonte bestaan, dat op zekere Christelijke feestdagen de syndicus der Joden, op het marktplein moest verschijnen, om eene plechtige oorvijg te ontvangen. En deze gewoonte werd dikwijls met zooveel barbaarschheid nageleefd, dat eens bij een dergelijke plechtigheid, de kapelaan der Christenen den hoogsten magistraatspersoon der Joden tegen den grond sloeg. Toch waren de vrome Joden bij zulk eene plechtigheid in grooten getale aanwezig om als martelaars in deze beleediging--die zij als eene eer beschouwden--te kunnen deelen.

Als schapen dreef men deze gesmade, gehate, geschandvlekte Joden, overal in nauwe, sombere, van de Christenen afgescheidene wijken der stad, samen, die men in Duitschland "Jodenstraten," in Italië "Ghettis," in Spanje "Juderias" noemde, die op Christelijke Zon- en feestdagen en ook verder iederen avond, met grendels en ketens gesloten werden. Even als het slachtvee moesten de Joden bij de poort van iedere Christelijke plaats, per hoofd tol betalen, welke vernederende tol hier en daar zelfs in Duitschland, naast vele andere drukkende misbruiken, tot op den nieuwsten tijd bestaan heeft. In die Ghettis, in de Jodenbuurten, waarin zij slechts onder elkander leefden, slechts onder elkander huwden, waarin zij met hunne steeds in angst verkeerende familiën ingesloten waren, en waarin zij gemeenschappelijke en stille wraakgebeden ten hemel zonden, moesten natuurlijk de Joden dat worden wat zij geworden zijn; zij moesten versuffen en verstompen. Zelfzucht, verstoktheid, christen- en menschenhaat moesten zich van hen meester maken. "Strenge afzondering even als groote mate van in zich zelve gekeerd zijn," zoo zegt een Duitsch schrijver, "schijnt een hoofdkaraktertrek der Joden in het algemeen te zijn. Nooit ziet men hen vroolijk en onbevangen de genoegens des levens genieten of die rondom zich verspreiden. Nooit ontleenen zij liefelijke woorden aan de phantasie, nooit maken zij al stoeiende kunstige verzen, nooit geven zij zich vroolijk en juichend over aan dans en spel. Alleen het beredeneerde verstand meent men bij hen aan te treffen. Een diepe ernst, een sombere angst ligt over hun geheele zijn uitgespreid." Misschien zeer waar, mijnheer! maar zeker zeer natuurlijk!--Want als dit alles al niet reeds van oudsher zoo bij de Oostersche Joden geweest is, hoe zou het bij de Joden der midden-eeuwen anders hebben kunnen zijn! Daar zij zich in den omgang met hunne medemenschen niet konden verheugen, daar zij zich met geene, ook niet met den laagsten stand der Christenen op gelijken voet konden bewegen, daar zij om zoo te zeggen, de paria's van Europa waren, was het gewis niet wèl mogelijk, dat zij anders dan verdrietig en bekrompen van geest werden?

Het Jodendom zelf en zijne voorschriften moesten wel de voornaamste onderwerpen der studie worden, waarin zij zich verdiepten, waarover zij steeds redekavelden, uit wier bronnen zij hun geestelijk voedsel putten. Daardoor kwam het, dat zooveel geleerde rabbijnen en leerlingen van rabbijnen, zich op zoo verwonderlijk veel onnutte wetenschappen toelegden, zulke groote woordenzifters en spitsvondige uitleggers voortbrachten. Grootsche vrij denkende menschen, die òf door verstand òf door kunst uitblonken, konden zich, zoo als gemakkelijk te begrijpen is, uit die Ghettis niet ontwikkelen, hoeveel talenten ook in hen sluimeren of telken jare afsterven of vernietigd worden mochten. Daar hun honderd andere wegen, waarlangs de Christen zich verdienstelijk of beroemd kon maken, afgesloten waren, zoo moesten zij zich wel met het eenige bezig houden wat hun nog over bleef, en waarop de Christenen zich niet mochten toeleggen, op de geringste en verachtelijkste handwerken, op geldwisselarij, woekerhandel, en op vele andere, winst beloovende en het lieve leven rekkende kruis- en dwarswegen. Door nood gedrongen moesten zij wel, kramers, oud-kleerenkoopers en schacheraars van het werelddeel worden of blijven.

Daar zij gedwongen werden, hoon en smaad te verdragen, gewenden zij er zich aan, zich daaraan zonder tegenspraak te onderwerpen en konden zij niet anders dan ongevoelig worden voor de eischen der eer. Daar zij zich overal voor de overmacht moesten terugtrekken, daar zij reeds als kinderen zagen hoe hunne vaders al het hunne verborgen, en zich zelven eene schuilplaats zochten, zoo werden ook deze afstammelingen der heldhaftige Makkabeën angstig en lafhartig, gedrukt en kruipend. Zij maakten zich al die talenten eigen, waarmede de zwakke en dienstbare zich alleen verdedigen of wreken kan, listige veinzerij, geslepene welbespraaktheid, voorzichtig en spitsvondig verstand, en een hun in hooge mate eigen sarcasme en satyrieken zin, die hen in staat gesteld heeft op het gebied van literatuur en kunst zeer pikant voor den dag te komen. Het is dien ten gevolge zeer natuurlijk, dat de Joden, wanneer zij ook al van den beginne af reeds eenigzins zoo waren, toch niet anders worden konden dan zooals zij zijn.

Het is veeleer zeer te verwonderen, dat bij den onmenschelijken druk, waaronder zij eeuwen lang zuchtten, zij niet ten prooi zijn geworden aan volslagen ongodsdienstigheid, verwildering en zedeloosheid. Maar zoo zeer was de oude eerwaardige wet van Abraham en Mozes dit volk ingeprent, dat zij even als in Egypte en Babylon, zoo ook in hun duizendjarig martelaarschap aan den Rijn en aan den Weichsel, hun vromen zin, hun geloof aan eene verlossing, aan hunnen God nooit verloren.--Bijna alle volken van den aardbodem zijn sedert de tijden van Abraham, eens of meermalen van godsdienst veranderd,--heidenen zijn Christenen of Mahomedanen geworden; geheele groote en schitterende godsdienststelsels, zooals dat der vuuraanbidders, die der Grieken en Romeinen, zijn binnen die tijdruimte onder de geesten der menschheid opgekomen en weder verdwenen. Het geloof der Joden alleen, heeft zich onder onnoembare verwoestingen, stuiptrekkingen en rampen onveranderd en ongedeerd, even als de piramiden van Egypte, weten staande te houden. En even onverwoestelijk zijn onder hen de oude patriarchale zeden gebleven, die hun door die begenadigde, persoonlijk met God en de engelen omgaande menschen, gegeven waren. Ouderliefde, kinderlijke eerbied, kuischheid en reinheid van omgang, innig familie-verband, verder barmhartigheid en hulpvaardigheid, zijn zoovele prijzenswaardige eigenschappen, die de Joden onder alle omstandigheden hebben weten te bewaren. Overal, waarheen zij getrokken zijn of waarheen het noodlot hen slingerde, hebben zij alles wat hen naar lichaam en geest kenmerkte, verwonderlijk goed weten te bewaren.

Ik zeg: "ook wat hen naar het lichaam kenmerkte", want niet zonder verwondering kan men de Joden-physionomiën beschouwen, die vele eeuwen voor de geboorte van Christus, Egyptische kunstenaars op hunne monumenten afbeeldden, en die in vorm, uitdrukking en alle détails volkomen gelijken op die der Joden, die wij dagelijks om ons henen zien. Men zou de Joden in hunne oude ommuurde Ghettis, met de Prinses onzer vertelseltjes kunnen vergelijken. Als rozen bloeiden zij in die schuilhoeken, als in een bosch van allerlei struikgewas en onkruid. Als door een tooverslag leven om zich verspreidende, zijn de ridders van den nieuweren tijd, de voorstanders der Joden-emancipatie, eerst de Nederlanders en Engelschen, bij wie alle bevrijding der Europeanen uit de hen kwellende politieke banden een aanvang nam, daarna Frederik II en Jozef de Goede, vervolgens de Fransche revolutie en Napoleon, deze schuilplaatsen bevrijdend binnengedrongen, hebben op den geest der Joden ingewerkt, en hebben verstomptheid en dofheid plaats doen maken, voor leven en levendige deelname in hetgeen rondom hen gebeurde. Als nieuwgeboren is het onverwoestbaar Israël opgetreden, en talenten en krachten hebben zich onder hen ontwikkeld, wier ongedachte macht ons nu schier overweldigt. En thans, nu dit werk in alle landen reeds groote vorderingen gemaakt heeft, kan men slechts weinige takken van het menschelijke weten noemen, aan welke dit merkwaardige volk geene uitstekende vernuften geleverd heeft.

Aan de philosophische wetenschappen hebben zij mannen als Spinoza, de groote denker van Amsterdam, en Mendelsohn, de welwillende, zoo vast van karakter zijnde philosoof van Berlijn, gegeven, wier onsterfelijke namen naast die van een Des Cartes en Kant genoemd worden. De mathematische wetenschappen ontvingen van hen vele heldere en scherpzinnige koppen, en als rechtsgeleerden hebben onder hen een Asser in Nederland, Cremieux in Frankrijk en vele in Duitschland geschitterd. De artsenijkunde was van oudsher het erfdeel der Joden, en men zou eene eindelooze lijst kunnen maken, als wij al hunne Esculapen van ouderen en nieuweren tijd wilden opnoemen. De Israëliet Block is als natuurvorscher algemeen bekend. Friedländer is de naam eener Israëlitische familie, waarvan zich vele leden als geneesheeren, philosofen en schrijvers beroemd hebben gemaakt. Voor staatslieden en diplomaten hebben de Joden ten allen tijde getoond groote geschiktheid te bezitten, zoodra men hen daartoe maar wilde gebruiken. Zelfs toen zij zeer onderdrukt werden, hebben, in het Oosten zoowel als in het Westen, altijd eenige Joden, van uit de kabinetten der Koningen de lotgevallen der volken bestuurd en hunne betrekkingen geregeld. Joodsche Groot-Vizieren, die even als Jozef in Egypte, de rechterhand van machtige heerschers waren, wijst de oude geschiedenis ons in menigte aan. In den nieuweren tijd, sedert den vooruitgang der emancipatie, hebben wij de spreekgestoelten, de presidents-zetels onzer parlementen, ja! zelfs de minister-zetels in Engeland, even als in Frankrijk en Duitschland, door welsprekende, behendige, voorzichtige, vaderlandslievende afstammelingen van den stam Israëls bezet gezien.

Even als de pen, zoo hebben zij ook met ijver en goed gevolg de lier ter hand genomen, en wij behoeven ons slechts te herinneren, dat de dichter Michael Beer in Berlijn, dat Heinrich Heine, dat de componisten Meijerbeer en Moscheles, die de harten van het volk wisten te treffen, van dien stam waren, om ons van het talent te overtuigen, waarmede zij de Muzen wisten te dienen. Voornamelijk de muziek behoorde, sedert de tijden van den ouden Koninklijken harpspeler, tot de kunsten, waarvan de Joden hartstochtelijk veel hielden; en nu, sedert hunne banden geslaakt zijn, is er letterlijk geen instrument te vinden, waarop Israëlieten ons niet, even als David eens Saul deed, in verrukking hebben gebracht.

Minder hebben de Joden, even als al de Oosterlingen, op het gebied der beeldende kunsten gepresteerd. Er is in Duitschland een tijd geweest--en het is nog niet lang geleden--toen slechts ééne beeldende kunst, namelijk het graveeren, bij voorkeur door de Joden beoefend werd. Schilders en beeldhouwers hebben zij bijna niet voortgebracht, maar ook hierin bracht de nieuwere tijd verandering. Ik behoef onder anderen slechts aan een Bendemann, wiens "treurende Joden" en andere werken algemeen bekend zijn, te herinneren. Met goed gevolg hebben de Joden ook het tooneel betreden, en eenige acteurs en actrices, die in den laatsten tijd in Frankrijk en Duitschland het meest bewonderd werden, b.v. Rachel, Dawison, zijn uit de geopende poorten der Joden-wijken van de Duitsche steden te voorschijn getreden.

Wat in de toekomst nog voor gelukkige talenten en vreugde verspreidende gaven, uit deze aan genie en geest rijke wijken verder moge opbloeien, laat zich niet bepalen. Verscheidene volken van Europa zijn, om zoo te zeggen, pas begonnen de oude banden te slaken, waarin hunne voorvaderen de Joden sloegen; de diepe duisternis, waarin men hen liet versmachten, weg te nemen.

Het zou te ver voeren, wanneer wij wilden beproeven den graad van bevrijding en den stand der vorderingen van de zoogenaamde Joden-emancipatie, met andere woorden, der wettelijke bepalingen, waardoor zij tot de uitoefening van burgerlijke rechten en plichten, tot deelneming aan het algemeene recht en tot het bezit van een vaderland toegelaten zullen worden, in ieder land aan te geven. Wanneer wij een blik terugslaan op het weinige dat hier boven gezegd is, en ons oog laten weiden over de weldadige resultaten, die dat werk van den nieuweren tijd reeds hier en daar verkregen heeft, dan mogen wij hoop koesteren, dat het langzamerhand overal gelukken zal, de moeielijke kwestie in het belang van beide partijen, zoowel der Christenen als der Joden op te lossen. In ieder geval echter is, naar het ons toeschijnt, niets meer geschikt ons met liefde te vervullen voor onzen grootmoedigen nieuwen tijd, die zich tot taak gesteld heeft de Joden en naast hen nog andere dienstbaren uit Babylonische slavernij te verlossen, dan een terugblik op de schandelijke en wreede onderdrukking, die de Joden in de harde, door menigeen nog zoozeer bewonderde midden-eeuwen, te verduren hadden.

DE ARMENIËRS.

De Armeniërs hebben zich ten gevolge,--of ten minste grootendeels ten gevolge--der hun door de Turken gegevene impulsie zoover in Europa verstrooid, en hebben zich in menige streek van ons werelddeel, even als de Joden zoo ingenesteld, dat zij onder ons waarschijnlijk nog den val van het Osmanische rijk overleven zullen; wij kunnen, na de Osmanen en Joden geschilderd te hebben, gevoegelijk tot eene beschouwing der Armeniërs overgaan.

Het vaderland der Armeniërs in Azië, ten Zuiden van den Kaukasus, is een hoog gelegen bergland vol prachtige weiden, dat zich om den heiligen berg der arke Noachs, om den Ararat, groepeert. De oorsprong van dit volk verliest zich in de grijsste oudheid, maar de berichten aangaande eenen vroegtijdigen bloei, macht en onafhankelijkheid van het door hen gestichte rijk, zijn zeer mythisch en zeer fabelachtig. De geschiedenis toont ons hen schier nooit anders dan in afhankelijkheid en verbrokkeld. Zij zelven noemen zich "Haik," naar hunnen stamvader, die, even als Abraham, uit de vlakten van Mesopotamië de bergen binnentrok, en daar de wieg van zijn volk in gereedheid gebracht zou hebben. Ontelbare malen tot op den tegenwoordigen tijd, werd hun land door naburige veroveraars onderworpen en verdeeld.

Met zekerheid kennen wij slechts ééne periode van groote Armenische nationale macht en bloei. "Tigranes de Groote," een Armenisch Vorst ten tijde van Pompejus, onderwierp zich een aanzienlijk gedeelte van Westelijk Azië. Sedert deze groote Tigranes door de Romeinen overwonnen werd, is Armenië bijna altijd, ofschoon af en toe nog zelfstandige en inheemsche regenten-familiën voor korten tijd bij hen optraden, een speelbal der naburige machten, een schouwplaats van Aziatische harrewarrerijen en oorlogen geweest, en weldra geheel of gedeeltelijk door Byzantynsche, Egyptische of Perzische Satrapen, Arabische of Turksche Pascha's en Russische gouverneurs beheerscht geworden. Even als de Joden werden de Armeniërs nu eens door dezen, dan door genen machthebber uit het land verdreven, of in gevangenschap weggevoerd, of wel ter kolonisatie naar afgelegene provinciën gezonden. Dit treurige lot, even als de armoede hunner eigene bergen, die zij dikwijls, even als onze Alpenbewoners, vrijwillig verlieten, heeft hen zeker tot datgene gemaakt, wat zij geworden zijn, tot een even als de Joden overal verspreid, overal speculeerend handelsvolk.

Reeds vroegtijdig hadden zij handelsverkeer met Babylon, waarheen zij langs den bij hen ontspringenden Eufraaat, de producten hunner berg-dalen voerden.--Ook naar Tyrus en andere Phenicische steden zouden zij reeds in de oudste tijden, de muildieren en paarden, die zij op de in hunne bergen gelegene weiden aanfokten, gebracht hebben, even als zij ook aan het hof der oude Perzische Koningen, jaarlijks 20,000 veulens van hunne edele en beroemde paarden-rassen leverden.

Hoe meer zij hunne zelfstandigheid en hun oorlogzuchtig karakter verloren, des te handeldrijvender werden zij, zoodat zij zich ten laatste als handelscommissarissen over geheel Azië verspreid hebben. Men vindt ze reeds vroegtijdig tot in Hindostan toe, van waar ons reeds in de midden-eeuwen door hunne bemiddeling, de rabarber, de zijde, de edelgesteenten, kruiden en andere kostbare waren toegevoerd en in het Westen verdeeld werden. Zij waren en zijn, in deze takken van Oosterschen handel, in zekeren zin de mededingers eerst der Joden en Arabieren en later van het andere, reeds dikwijls genoemde en nog verder oostwaarts verspreide volk, de Tadschiks of Bucharen. Later heeft de handelsgeest hen zelfs in het Oosten naar China en in het Zuiden naar de bronnen van den Nijl gevoerd, waar de geschiedenis ons bij wijlen in Abessinië invloedrijke Armeniërs toont.

Ook reeds in Europa zelve moeten deze Aziatische industrie-ridders, reeds vroegtijdig bezoeken hebben afgelegd; enkele wellicht reeds met de oude Pheniciërs, Grieken en Romeinen. De Byzantijnsche Keizers verplantten sedert de 8ste eeuw vele uit hun land verdrevene Armeniërs, die reeds vroegtijdig ijverige aanhangers van het Christendom waren geworden, naar Europa, en ruimden hun wijken in Thracische en Grieksche steden in. In de midden-eeuwen, ten tijde der kruistochten, zullen waarschijnlijk ook de Venetianen en Genueezen hen hebben leeren kennen, en naar hunne Europeesche markten gebracht hebben.

Evenwel zijn zij eerst hoofdzakelijk en in grootere massa's tot ons gekomen, na de veroveringen der Polen, Russen en Turken in het Oosten,--en sedert hebben zij zich dan ook op verscheidene Noord- en West-Europeesche punten nedergezet. Eene der eerste, vaste Armenische gemeenten, die ons bekend zijn, heeft zich in het midden der 13de eeuw in Lemberg in Gallicië gevormd, waar zij van de Gallicische Vorsten zelfs een eigen magistraat verkregen, en waar zij nog heden ten dage onder een afzonderlijken bisschop staan. Van daar uit hebben zij zich in kleine genootschappen of factorijen over alle steden van Polen verspreid. Ofschoon zij daar hunne Armenische taal vergeten hebben, en ofschoon daar ook hunne Kerk zich aan die der Katholieken aangesloten heeft, zoo herkent men hen daar nu nog overal aan hun eigenaardige Oostersche gelaats- en lichaamsbouw, zoo als ook aan hunnen ouden speculatieven zin.

Even als in hunne Aziatische berglanden, zoo leggen zij zich ook in Polen hoofdzakelijk op den veehandel toe, en trekken zij met de kudden rundvee en paarden uit Podolië en Ukraine naar Warschau, Krakau en ook naar Breslau in Duitschland.--Ook hebben zij in deze landen buitendien nog altijd een groot deel van den handel in Turksche en Perzische waren in hunne handen, en deden zij daarvoor weleer dikwijls groote reizen van de Duitsche grenzen tot naar Perzië en tot diep in het Oosten.

De Turken, die sedert het einde der 15de eeuw den Perzen bijna geheel Armenië afnamen, brachten het volk weder in grooten getale naar Constantinopel, waar sedert dien tijd de Armeniërs naast de Joden, Italianen en Grieken tot de aanzienlijkste en ondernemendste kooplieden behooren.--Men vindt ze nu ook als kramers, beambten, pachters van tollen en in de meest verschillende betrekkingen in alle steden van Europeesch Turkije, waarin zij naast de Grieken en Osmanen de derde rol spelen.

Voornamelijk zijn zij de bankiers der Pascha's, en men kan zeggen, dat bijna alle inkomsten der Turksche provinciën door hunne handen gaan. Zij crediteeren hunne Pascha's in Constantinopel bij de regeering, zenden dan echter ook hunne agenten mede naar de provinciën, om op de inning der belasting het oog te houden. De handel in edelgesteenten en paarlen in Turkije is bijna geheel in hunne handen; zij zijn de voornaamste juweliers en geldwisselaars der Turksche hoofdstad.

Van uit het Turksch-Grieksch schier-eiland, verspreidden zij zich vervolgens met de Turken ook over de Donau-Vorstendommen Moldavië en Walachije. In Zevenburgen bezitten zij eene eigene stad: "Armenopolis" genoemd, waarin 400 Armenische familiën wonen, die handel drijven in hoornvee en in fabriekswaren. In Hongarije wordt de geheele stad Neusatz bijna uitsluitend door Armeniërs bewoond, en in de vlakten tusschen Donau en Theiss pachten zij gewoonlijk de groote Keizerlijke püsten of weiden, om er stoeterijen op te richten en waar zij, even als eens ten tijde der oude Perzen-Koningen in hun vaderlandsch bergland aan den Ararat, paardenhandel drijven. Zij zijn overal ook in Hongarije even als in Polen, de grootste pachters, vee-fokkers en rundvee-handelaars. Als zoodanig zijn zij dikwijls rijk en aanzienlijk geworden en somwijlen in den adel van Hongarije, Walachije, Moldavië en Bukowina opgenomen. Ook onder den Poolschen adel vindt men somwijlen familiën van Armenischen oorsprong, even als men eens onder den Spaanschen adel vele familiën van Joodsche afkomst aantrof.

In verbinding met de Turken, heeft de toenemende macht der Russen het meest tot de verbreiding der nijvere Armeniërs bijgedragen. Reeds onder de Tataren hadden zij zich aan de Wolga in Astrachan nedergezet. Toen de Russen deze stad in het midden der 16de eeuw veroverden, begonnen de Armeniërs, even als de Bucharen, den handel van Rusland met dien van het Oosten, in het bijzonder met dien van Perzië, te verbinden. Vooral Peter de Groote stelde veel belang in hen en verleende hun, in het einde der 17de eeuw, vele privilegiën voor hun verkeer in en door Rusland. Daar de Perzen zelven hun vaderland niet gemakkelijk verlaten, en nog minder gaarne tot groote reizen in Noordelijke landen besluiten, zoo werden de Armeniërs zoowel in Europa als in Azië hunne zaakvoerders. Zij zetten zich nu niet alleen in grooten getale in Astrachan, maar ook in andere Zuid-Russische steden neder, en maakten zich langzamerhand grootendeels meester van den Perzischen handel aan de Kaspische Zee; daar hebben zij in beide werelddeelen hunne kantoren, aan de eene zijde ver naar Iran toe, aan de andere zijde even ver Rusland in.

Daar de Czaren gaandeweg in die streken eene vaste orde van zaken in het leven riepen, en begonnen hunne banieren over de Christenen van het Oosten te laten waaien, zoo namen de Armeniërs ook bij verscheidene gelegenheden, als zij in de oorlogen tusschen de Turken en de Perzen in het nauw gebracht werden, met geheele scharen de wijk naar Rusland. In de tachtigste jaren der vorige eeuw vluchtten eens niet minder dan 15000 Armeniërs, onder aanvoering van hunnen aartsbisschop Argutinsky Dolgoruky, over den Kaukasus naar Europa. Catharina II wees hun verscheidene woonplaatsen aan, van waar uit zij zich verder verspreidden. Onder anderen stichtten zij, in de moerassen en steppen van den Don, de niet onbelangrijke en wel bekende stad Nachitschewan, van waar uit door hen de wijnbouw en zijdeteelt over Zuidelijk Rusland verbreid werd. In Astrachan, de stad aan den mond der Wolga, waren reeds tegen het einde der 18de eeuw, nagenoeg alle fabrieken en industrieele etablissementen in het bezit der Armeniërs. Zij hebben nu ook hunne factorijen en kleine koloniën tot aan Moskou, en tot aan de Oostzee in Petersburg vooruitgeschoven.

Nadat Rusland den Kaukasus overschreden was, werd dan ook een aanzienlijk gedeelte van het oude Armenië, en met dit gedeelte ook de heilige berg Ararat zelve, de oude hoofdstad Eriwan en het beroemde klooster Edschmiadzin, de zetel van het opperhoofd der Armenische kerk, van deze Europeesche macht afhankelijk, en hiermede werden voor dit Aziatische volk weder vele nieuwe wegen en poorten naar Europa geopend. Men ziet hen nu ook dikwijls, soms zelfs als officieren, in het Russische leger, ook zijn zij in den Russischen adel binnengeslopen, en eenige der bij ons meest bekende namen van Russische Grooten--ik wil slechts de beroemde familie der Graven Lazareff noemen--zijn van Armenischen oorsprong.

Ook in Westelijk Europa heeft dit merkwaardige Oostersch handelsvolk, zich in lateren tijd verder verspreid. Zij ontbreken natuurlijk niet op de wereldmarkt te Londen. Men vindt ze in Amsterdam en in Marseille, en eveneens in de Keizerstad Weenen. In de lagunen van Venetië, op het kleine eiland San Lazaro, dat de senaat in het jaar 1717 aan eene, door den Armenischen hervormer Mechitar gestichte, en door de Turken uit Morea verdrevene gemeente schonk, hebben zij een door zijne literarische werkzaamheid, zijne Armenische drukkerij en opvoedingsgesticht beroemd klooster gebouw, "het Mechitaristen klooster van S. Lazaro," van waar uit de gezamenlijke Armenische koloniën van Europa en ook het Aziatische vaderland zelf, gedurende anderhalve eeuw, van boeken en geletterde zendelingen en priesters voorzien geworden is.

Dergelijke Armenïsche drukkerijen en instellingen voor geleerdheid, hebben ook bij tijden in Marseille, Rome, Amsterdam, Livorno, Moskou en in andere plaatsen bestaan. Want trots hun treurig nationaal-lot zijn de Armeniërs van oudsher,--en ook hierin komen zij met de Joden overeen--zeer ijverige navorschers geweest, en hebben zij overal eene levendige belangstelling voor de literatuur van hun vaderland en van hunnen godsdienst bewaard. Nadat zij--reeds in de 2de eeuw na de geboorte van Christus--tot het Christendom bekeerd werden en den bijbel in hunne taal overzetten, hebben zij eene massa theologen en kroniekschrijvers voortgebracht, en hunne geschiedschrijvers worden, boven alle historici der Oosterlingen, als kritisch en als mannen van smaak geroemd. Hunne literatuur is eene rijke bron voor de geschiedenis der West-Aziatische volken, waarmede die der Armeniërs steeds innig samenhing.

De taal, waarin zij schreven, is wel rijk en beschaafd, maar even als hun bergachtig vaderland, uiterst hard, vol opeenhoopigen van lastige consonanten en schier nooit gehoorde klank-samenstellingen. En daarin vormen de Armeniërs een opvallend contrast met hunne gebieders, de Osmanen. Zij, een zacht en buigzaam handelsvolk, bezitten een hard en ruw orgaan en tongval. Deze daarentegen, de Turken, een oorlogzuchtig heerschersvolk, hebben eene uiterst zachte, melodieuse en welluidende taal, wier accenten men met het gekabbel van het water vergeleken heeft.--Men heeft er lang over gestreden, tot welken grooteren stam die Armenische taal en het haar sprekende volk, gerekend moeten worden. Wegens groote overeenkomst met het Syrisch en Oud-Phrygisch, heeft men de Armeniërs met de Joden en Arabieren tot de Semitische stammen willen tellen. Vele geleerden waagden het echter niet, hen bepaald onder de Semiten of eenige andere groote groep te rangschikken. En de Duitsche taal-vorscher Adelung meende te mogen beweren, dat het Armenische volk en hunne taal, die zoovele, nergens anders te vinden eigenaardigheden bezit, eene natie en een tongval op zich zelve waren en dat zij geheel op zich zelven stonden. Eerst in lateren tijd is men het daarover eens geworden, dat de Armeniërs met hunne naburen, de Perzen en Kurden, als ook met de Slawen en Duitschers, een tak van den grooten Indo-Germaanschen volks- en taalstam uitmaken. Men heeft in hunne taal de wezenlijkste elementen en karakter-kenmerken van dezen grooten stam weder herkend, ofschoon in haar, in de laatste vier eeuwen, tengevolge van het voortdurend verkeer van het volk met de Turken en Arabieren, niet alleen vele Turksche en Arabische woorden ingedrongen zijn, maar ook zelfs de geheele Armenische bouworde der volzinnen, zich naar de wetten der taalkundigen dezer beide volken veranderd heeft.

Met het aannemen van de Indo-Germaansche afkomst der Armeniërs, stemmen de opmerkingen, die men over hun lichamelijk voorkomen maken kan, zeer goed overeen. De Armeniërs zijn een welgemaakt slag van menschen, zij hebben zeer regelmatige en volle gelaatstrekken en, bij donker haar en zwarte oogen, eene fraaie, blanke Kaukasische tint, en hebben onder alle Oosterlingen de meeste overeenkomst met de Perzen, de echte broeders der Indo-Germanen. Merkwaardig is het, hoezeer alle Armeniërs op elkander gelijken, en hoe bij hen schier iedereen even fraai en even welgemaakt is, als waren zij allen van dezelfde familie. Veel in hun uiterlijk en in hunne manier van doen, en zelfs in hunne wetten en gewoonten, herinnert echter ook aan de Joden. Zoo hebben zij b.v. verscheidene Joodsche verordeningen aangenomen, zooals de Joodsche gebruiken bij het slachten van vee, bij het vasten, en de Mozaïsche beschouwingen over reine en onreine spijzen. Misschien wijst dit op eenen vroegeren historischen en ethnischen samenhang beider volken. Misschien echter ook hebben de Armeniërs deze dingen eerst met het Christendom, en met den daardoor bij hen bekend wordenden bijbel overgenomen. Het beroemde Koningsgeslacht der Bagratiden, dat Armenië in de 9de en 10de eeuw regeerde, zou van Joodsche afkomst geweest zijn. Ook vindt men bij de Armeniërs, even als bij de Joden, en daarin verschillen zij, even als andere Oosterlingen, zeer van de Indo-Germanen--geene standen, geene geboorterechten, geen adel, geene onderhoorigheid of lijfeigenschap. Hunne gemeenten hebben een zeer democratisch bestuur, terwijl bij hen, even als bij de Joden, eene groote patriarchale macht uitgeoefend wordt. De familie-band is bij hen even sterk als bij de Joden. Zoolang de hoofden van het gezin, vader en moeder, leven, zoolang blijft steeds de geheele familie één, en blijven alle leden, zonder dat er boedelscheiding plaats heeft, onvoorwaardelijk gehoorzaam aan het hoofd. In hun vaderland zelf, komt het niet zelden voor, dat bij een 80 jarigen patriarch drie geslachten bij elkander leven en met elkander huishouden, vier à vijf gehuwde schoonzonen en dochters in den ouderdom van 50 tot 60 jaar, en dan nog kleinkinderen van 30 jaar en hunne kinderen, de achterkleinkinderen. Even als de Joden, zoo houden ook de Armeniërs den gemeenschappelijken band van den godsdienst in eere. Deze band is bij hen sterker dan taal, afkomst en alle andere kenmerken van nationaliteit. Men heeft hen dikwijls de Christelijke Joden genoemd. Daarom wil de Armeniër liever naar zijn geloof "Katholiek" dan naar zijne nationaliteit "Armeniër" genoemd worden. Alleen zij, die de oude Armenische kerk trouw gebleven zijn, noemen zich gaarne "Armeniërs," evenwel niet omdat zij tot het Armenische volk, maar omdat zij behooren tot de Christelijk-Armenische kerk, waaraan zij hunne beschaving en het geheele bestaan hunner nationaliteit te danken hebben.

Nergens zijn de Armeniërs in Europa tot zoo diepe ellende verzonken, als op vele plaatsen de Joden, met wier lot het hunne anders bijzonder veel overeenkomst heeft. Men treft hen bijna overal aan als welhebbende, dikwijls rijke en invloedrijke burgers. Dit laat zich ten deele daaruit verklaren, dat aan deze zeer intelligente en voor hunne zaken zeer geschikte menschen, als oude Christenen nergens een zoo hard lot bereid werd als den Joden--ten deele ook daaruit, dat zij zich nooit zooals de Joden, uitsluitend op den kleinhandel toelegden. Zij zetten zich ook goedschiks als landbouwende kolonisten op eene of andere plaats neder, en hier en daar werden zij zeer goede kunstenaars en fabrikanten.

Overal toonen zij zich een stil en ernstig, volhardend, onverdroten en onvermoeid volk, alleen verzot op geld verdienen. Matig in eten en drinken, houden zij weinig van pronk en publieke vermakelijkheden. Zij zijn het best in hun schik, als zij met de hunnen, in hunne gewoonlijk zeer zindelijke en zorgvuldig versierde huizen opgesloten, hunne winst berekenen kunnen. Niet oorlogzuchtig maar bang van aard, trekken zij zich van alle twistpartijen, onrust en oploopen terug, en tevreden hunne zaken te mogen drijven, toonen zij zich loyale onderdanen. Zij koesteren niets minder dan lust tot veroveringen en gedachten voor eene nationale onafhankelijkheid, geen naar grootsche zaken strevenden zin, geen geestdrift pour l'honneur! Zoo lang hunne zaak goed gaat, zijn zij de onderdanigste menschen der wereld. Daarom zijn zij door de Turksche Ulema's ook wel de "paarlen der ongeloovigen" genoemd geworden.

Het geheele getal der in Europa levende Armeniërs zal nagenoeg een millioen personen bedragen. In Azië zullen er wellicht wel dubbel zooveel zijn. Van veel meer gewicht echter zou zich dit onder ons Europeanen verstrooide volk voordoen, wanneer wij de kapitalen en waarden, die zij bij ons in omloop brengen, konden begrooten.

DE ZIGEUNERS.

De wilde Nomaden-horden uit Azië, die met het zwaard in de vuist hunne invallen in Europa zoo dikwijls herhaalden, zijn ook allen (met uitzondering alleen der voor de beschaving gewonnene Magyaren) door het zwaard bij ons omgekomen. Nadat de Europeanen hunne macht gebroken hadden, hebben zij later geen last meer van hen gehad. Geene troepen, die van de horden van Attila of van Dschingis-Chan waren afgeraakt, hebben zich in de bosschen en op de vlakten van ons werelddeel verstrooid, en hebben daar getracht zich, als aanhoudende plagen der volkeren, staande te houden. Zij hebben niet getracht, in de landen, die zij niet als dappere ruiterstammen konden innemen, als sluipende dievenbenden voor altijd te blijven. Zij verschenen bij ons als een onweder en verdwenen als een nevel.

Maar dikwijls is het gemakkelijker, zich tegen leeuwen te verweren, dan de verbreiding van kleine plaaggeesten tegen te gaan. Wat aan de strijd- en rooflustige ruiter- en herdersvolken, volgens hunnen aard niet gelukken mocht in Europa, waar zij niet alle bergen en steden in weidelanden vervormen konden, dat heeft een stam, die alles behalve heldhaftig was, die volstrekt niet talrijker noch door eendracht machtiger was--de Zigeuners--tot stand gebracht.

Nauwelijks laat zich eenig spoor van verwantschap tusschen deze vreemdsoortige schepsels en de Europeanen ontdekken, en toch hebben zij zich om alle volkeren van ons werelddeel als eene woekerplant--die tegen den eikenboom opklimt en zich om al zijne takken henen vlecht--heengeslingerd. In hooge mate onvatbaar voor ontwikkeling, hebben zij zich vrijwillig en met eene soort voorliefde aan de beschaafdste wezens der Aarde aangesloten, en al onze steden, de altaren en zetels der Muzen, omfladderd als nachtuilen het licht. Door de zon verbrande, half naakte kinderen van het Zuiden, zijn zij zelfs tot in de Noordelijkste uiteinden van ons werelddeel doorgedrongen, en hebben, zelfs in de koude landen der Moskowieten en Finnen, nauwlijks geleerd hunne naaktheid te bedekken. Door niemand uitgenoodigd, zooals de Magyaren door keizer Arnulph, of zooals de Turken door de Byzantynsche Keizers, zijn zij toch, als ongenoode gasten overal binnengedrongen. Zonder dappere aanvoerders, zonder wapens, voor ieder geweld terugwijkende, schuw als de vogelen van het woud, hebben zij zich allerwege in de kleine wildernissen, die zij tusschen onze akkervelden vonden en waarin zij hun verblijf zochten, gehandhaafd. En toch is bij al deze zonderlingheden ten slotte deze niet de geringste, dat de Zigeuners zich daar nog niet reeds lang bevonden, maar dat zij, die menschen zonder wet, ons werelddeel eerst binnentrokken, juist toen het zich uit den toestand van middeneeuwsche ruwheid tot de hoogte der moderne staatsregeling begon op te werken. In de ongeordende en politie-looze middeneeuwen, zou voor hen bij ons veel meer ruimte geweest zijn. En aan zulke aanleidingen tot landverhuizing uit Azië, als die was, welke hen omstreeks het einde der 14de en het begin der 15de eeuw van daar verdreven zou hebben, heeft het ook vóór dien tijd niet ontbroken.

Men zegt, en dit is wel de waarschijnlijkste onder de vele hypothesen over het begin der volksverhuizing der raadselachtige Zigeuners, dat de vreeselijke invallen der Mongolen in Hindostan onder Timur en zijne opvolgers, het land zoo zwaar getroffen hebben, dat vele leden der meest onderdrukte en geplaagde onder de Indische volksklassen, zich weeklagende opgemaakt hebben en westwaarts de wereld ingetrokken zijn. De taal, die de Zigeuners naar Europa brachten, hunne huidkleur en hun lichaamsbouw, hunne neigingen en hunne lievelings-bezigheden, de hun zoo ingedrukte stempel van geringschatting der zedelijkheid, dit alles leidt ons naar Hindostan, en wel voornamelijk naar de geringste kasten van dit land, zooals ook hunne verschijning in Europa naar die gebeurtenissen heenwijst, die toen de geheele menschheid in rep en roer brachten. Vele der uitdrukkingen voor de eenvoudigste zaken, de namen voor de ledematen van het menschelijke lichaam, voor de tijdsverdeeling zijn in het Hindostansch (Sanskriet) en in het Zigeunersch bijna geheel dezelfde. Met betrekking tot hunnen lichaamsbouw schijnen zij, om zoo te zeggen, den Hindoe uit de ribben te zijn genomen. Zij hebben de ronde gelaatstrekken, de gebogen neus, het donkere oog, de kleur van haar en huid der Indische volken. Hun beenderenbouw is, even als die der Hindoe's, sierlijk en fijn. In den strijd met ontberingen zijn zij bijzonder taai, ofschoon zij niet op groote lichaamskracht kunnen bogen. Dikke Zigeuners vindt men niet. Hunne handen en voeten zijn klein en goed geëvenredigd.

Verscheidene zeer onbeteekenende afdeelingen der Indische kaste der Sudras (de klasse der handwerkers), worden ons als het uitvaagsel der maatschappij geschilderd, die door alle anderen als onrein veracht worden. Zij voeren daar een zwervend leven in woeste streken, buiten de steden en bewoonde plaatsen, die door de hoogere kasten in bezit genomen zijn. Zij houden zich onledig met handwerken, die niemand anders beoefenen wil. Voornamelijk zijn zij de dienders en scherprechters van het land, dikwijls de rij- en stalknechten der rijken. Verder zijn zij smeden, welk edel handwerk, vreemd genoeg, in Indië tot de minst in tel zijnde behoort.

Daar zij altijd van de godsdienstige gebruiken en plechtigheden hunner landslieden uitgesloten waren, zoo hebben zij bijna geenen godsdienst. "Zij hebben eene in het oog vallende neiging, alles wat andere menschen voor verheven houden, te bespotten. In de plaats van den godsdienst is bij hen het allergrofste bijgeloof getreden, en daar zij steeds onder een ongelukkig lot gebukt gingen, zoo hielden zij zich van oudsher veel bezig met het lezen in de toekomst, en met het voorspellen der zoo vurig verlangde verbetering van hun hard lot."

Zij treden in Indië overal als waarzeggers op en voornamelijk houden zij zich onledig met de "chiromantie" (kunst om de toekomst uit de lijnen der hand te voorspellen). Verder wordt van hen gezegd, dat zij eene groote voorliefde voor muziek hebben, en daarvoor, even als voor den dans, eene groote geschiktheid bezitten. De beroemde Indische danseressen, de Bajadères (ten minste de geringste en rondreizende klassen onder hen), komen meestal uit hun midden te voorschijn.

Ik behoef er nauwelijks op te wijzen, in hoe hooge mate dit alles, wat van de laagste klasse der Indische Sudras gezegd is, ook op onze Zigeuners van toepassing is.--Noch bij de Tataren, noch bij de Kopten in Egypte, noch bij de Arabische Bedouïnen, noch bij de tien verlorene stammen Israëls, noch bij eenig ander verwilderd of laag gezonken volk der wereld, waarvan men de Zigeuners wel heeft willen afleiden, ontdekken wij het portret van een stam of eene volksklasse, dat in alle bijzonderheden zóó op de Zigeuners gelijkt.

De rondtrekkende klassen der genoemde Sudras hielden zich, naar het schijnt, van overoude tijden af, binnen de grenzen van Hindostan op. Ofschoon daar altijd onderdrukt en vervolgd, trokken zij, voor zooverre ons bekend, nooit, of ten minste nooit in aanzienlijken getale, voor dien inval der Tataren het land uit. Noch den overwinnenden aanval der Macedoniërs onder Alexander den Groote, noch de talrijke latere invallen der Arabieren, Perzen en andere naburige volken, schijnen hen in aanhoudende en zich ver uitstrekkende beweging gesteld te hebben, ofschoon wel eenige sporen, die wij reeds vroegtijdig van hen in Perzië en in eenige andere landen van het Oosten vinden, ook op, bij deze gelegenheden plaats gehad hebbende volksverhuizingen wijzen.

Dat zij nu plotseling bij den inval der Mongolen, tegen het einde der 14de en het begin der 15de eeuw, van gedachten veranderden, op eens de vleugels uitbreidden en vervolgens, tegelijkertijd in zoo groote hoeveelheid en ook zoo ver naar het verre Westen, de vlucht namen, hebben eenigen als een bewijs der onvergelijkelijke wreedheid, waarmede die aanval gepaard ging, bij welken de menschen bij honderdduizenden geslacht werden, willen beschouwen. Daar de inval der Mongolen hoofdzakelijk uit het Noorden en het Noord-Oosten plaats had, zoo hadden de opgejaagde Sudras de beste gelegenheid om weg te komen, in Westelijke richting over den Indus.--In het Westen van Indië, in de delta van den Indus, waarin zij, waarschijnlijk kort voor zij hun land verlieten, samengedrongen werden, vinden wij ook nog den naam der provincie "Sind," naar welken de Zigeuners een der bij hen gebruikelijke namen "Sinti", d.i. "menschen van Sind" schijnen ontleend te hebben.

Daar aan den Indus, moet ook nog een oude Indische volksstam "de Ziganen" bestaan, van welken verscheidene zich, bij hen die het land verlieten, aansloten, Van hen zal de bij de Westersche volken gebruikelijke benaming dier vluchtelingen afkomstig zijn. Bij de Perzen, Turken, Walachyers, Hongaren, Italianen, Duitschers, heeten zij Tschingenáhh, Chyganis, Cigaris, Zincalis, Czigánys, Zigeuners, wat niet anders dan wijzigingen van dien voor Oud-Indisch gehouden naam schijnen te zijn.

Langs oude, door de natuur aangegevene wegen, verstrooiden zich de Zigeuners als het zand der woestijn, eenerzijds over de landengte van Suez naar Egypte, en door het geheele Noordelijke Afrika tot naar Marokko,' anderzijds door Klein-Azië over den Hellespont en langs de Zwarte Zee tot aan den Donau, en van daar uit midden door de woonplaatsen van alle Europeesche volken heen.

Als "wildvreemde menschen van donkere tint, met ravenzwarte haren, golvende als paardenstaarten, met een onaangenaam morsig uiterlijk, zooals men in Europa nog nooit gezien had, bekleed met lappen grove wol, die met banden en strikken over de schouders vastgebonden waren, gezeten op magere paarden als ruige beeren, aangevoerd door opperhoofden, die zich als Hertog van Egypte en Graaf van Babylonië betitelden, en met brokken van gouden tressen en passementwerk behangen waren,"--zoo verscheen den zeventienden Augustus 1427, de eerste bende Zigeuners voor de stad Parijs. En, in opschudding gebracht, als ware een meteoorsteen uit den hemel gevallen, liepen de nieuwsgierige bewoners der Fransche hoofdstad naar de legerplaats der wonderlijke vreemdelingen, om deze te bekijken. Zij vertelden aan deze goede burgers, dat zij Christenen uit het Oosten, uit Egypte waren, waar zij ter wille van hun geloof vervolgd en verdreven waren, en dien ten gevolge oogstten zij al dadelijk menig fraai geschenk en menige almoes.

Even als bij Parijs, in een dergelijken optocht en met de zelfde klachten en vertellingen als daar, "een onbeschaafd, zwart, vreemd, woest en ellendig volk," zooals een oud Kroniekschrijver zegt, waren zij toen ook voor de poorten van Bazel, Zurich en vele andere Europeesche steden verschenen. En over het algemeen vallen nagenoeg alle datums, waarop in de oude kronieken der Westelijke landen van ons werelddeel, van hen melding gemaakt wordt, in de korte tijdruimte tusschen de jaren 1416 en 1430. In het Oosten, aan de Beneden-Donau in Hongarije en in Walachye, wil men hen reeds vroeger bespeurd hebben. In het jaar 1422 trokken zij over de Alpen en brachten zij ook de Italianen in verwondering, en niet lang daarna ontdekten ook de Spanjaarden hen in hunne bergkloven, en bij hunne schaapherders op de heidevelden der bergvlakten van Castilië. Ja! zelfs in Engeland en Skandinavië zijn niet zeer lang daarna de jaarboeken des lands vol opmerkingen over deze geheimzinnige gasten.--Als kwikzilver schijnen zij door alle schiereilanden en landen, door alle bosschen en woeste streken van dit werelddeel heengegaan te zijn. Geene andere ons bekende volksverhuizing, is met zulk eene snelheid over Europa heengegaan. Zij waren zoo snel, als zat de schrik voor de Mongolen hen nog op de hielen.

Het boven medegedeelde verzinsel, dat zij verdrevene christen-pelgrims uit Egypte (misschien van de sekte der Kopten) waren, dat hun in de oogen der Christenen een waas van heiligheid geven moest, had bij Parijs even als overal elders eene goede uitkomst opgeleverd, en zij herhaalden het vertelsel, overal waar zij kwamen. Zij moeten dit den Paus te Rome ook verteld en geloofwaardig gemaakt hebben, en van dezen dan ook passen en een begeleidend schrijven ontvangen hebben, waarin de Heilige Vader, den Vorsten der Christenheid aanmaande, deze lieden ongehinderd in hunne landen te laten rondtrekken, zoo lang de hun door den hemel toegedachte jaren van pelgrimsschap en boete duren zouden, eene boete, die hun opgelegd was geworden als straf, dat hunne voorvaderen de heilige Maria en het kind Jezus op hunne vlucht naar Egypte, meedoogenloos water en brood geweigerd hadden.--Dit, zoomede de nieuwsgierigheid die zij overal opwekten, zal den Zigeuners wel het voordeeligst geweest zijn, en hunne verbreiding door de Christenheid bevorderd hebben.

Toen men deze "boete doende" pelgrims, over wie men aanvankelijk alleen hoogelijk verwonderd was, wat nauwkeuriger in het gelaat en in het hart zag, toen men hun roofzuchtigen aard, hun zedeloos en ontoegankelijk, schuw karakter, hun hart dat geenen godsdienst bezat, leerde kennen, toen begon men weldra hen anders te beoordeelen. "Niet, martelaars en slachtoffers van den Koning der Mongolen," zeide men, "waren zij, maar zijne dienaren en spionnen, die gekomen waren om de landen van Europa op te nemen, om een nieuwen inval der Tataren voor te bereiden." Veelvuldig verspreidde zich nu het denkbeeld, dat zij "Kaïniten," kindskinderen van den broedermoorder Kaïn, waren; die sedert de dagen der schepping, door den vloek van hunnen stamvader getroffen, rusteloos en voortdurend op Aarde moesten rondwandelen. Men noemde hen ook, "zonen van den Booze," terwijl men hunnen naam "Gitanos" van het Arabische Sheitan (of Satan) afleidde. En eindelijk gaf men hunnen naam "Zigeuners" of "Zigauners," ingekort tot "Gauner" (dief), in Duitschland aan alle dief- en roofgespuis.

Op den korten gulden tijd der Zigeuners, waarin hun overal de wegen geopend waren, volgde dien ten gevolge al spoedig een ijzeren, waarin zij door verboden, straffen, onderdrukking, slavernij en plagen van allerlei aard vervolgd werden, en dat tot in den nieuweren tijd geduurd heeft. In Spanje trad reeds Koning Ferdinand, de vriend van Columbus, tegen hen op, en beval het geheele Pyreneesche schiereiland van het schadelijke gespuis te zuiveren. Maar ofschoon het dezen gekroonden jurist werkelijk gelukte, millioenen nuttige Mahomedanen en Israëlieten uit zijn rijk te verdrijven, zoo ontsnapten toch de vlugge Zigeuners aan zijne ruwe handen. Zij fladderden, als opgejaagde vleermuizen, nu naar dezen, dan naar genen schuilhoek, en waren na eenigen tijd in Spanje weder in even grooten getale aanwezig als te voren.--Ook de machtige Keizer Karel V, vaardigde in al zijne Europeesche Staten, verschrikkelijke decreten tegen de Zigeuners uit. Maar, ofschoon hij groote legers der Franschen vernietigde en hunnen Koning gevangen nam, was hij toch machteloos tegen de kleine troepjes der onverdelgbare Zigeuners, die overal als hagedissen voor zijne jagers en gensd'armes vluchtten naar afgelegene plaatsen, en langs omwegen weder uit deze te voorschijn kwamen.

In Frankrijk gaf Koning Frans de eerste bevelen tot hunne verdrijving, en op een rijksdag te Orleans werd aan alle overheden der stad bevolen, de Zigeuners te vuur en te zwaard te vernietigen. Maar hunne verdelging moest in Frankrijk even dikwijls als in Spanje bevolen worden, en was even dikwijls zonder de minste uitwerking als daar en in andere landen.

Noch de verbannings-edicten der Koningen, noch de regelmatig van tijd tot tijd herhaalde besluiten der Fransche en Engelsche parlementen, noch de talrijke landdags-besluiten in Duitschland, noch ook de Pauselijke banbullen, die de eerste aanbevelingsbrieven vervingen, konden hen verslaan. Evenmin de harde verordeningen der Nederlandsche overheden, die, om zich van de Zigeuners te ontdoen, bevalen, dat ieder "heiden" (zoo noemde men ze hier)--die zich betrappen liet, na gegeeseld te zijn, uit het land moest verdreven worden.--Ook niet het nog hardere bevel der Zwitsersche republiek, waarbij ieder Zigeuner die, nadat de verbannings-wet uitgesproken was, op Zwitserschen bodem gevat werd, aan den dood vervallen verklaard en aan den scherprechter overgeleverd werd. Zelfs Sultan Bajazeth fronste te vergeefs het voorhoofd, terwijl hij beval, dat deze zwarte kinderen van Indië zijn grondgebied in beide werelddeelen onverwijld verlaten moesten. Zij spotten ook met dezen maatregel, dachten: "ubi bene ibi patria" [8] en bleven tot op den huidigen dag talrijk in Syrië, Klein-Azië en in Europeesch Turkije, als onkruid dat niet vergaat. Ofschoon de minachting en de woede waarmede men de Zigeuners vervolgde, in verscheidene landen van Europa zoover ging, dat men als op wilde dieren jacht op hen maakte, zooals de Noord-Amerikanen zulks tegenwoordig op de arme Californiërs doen, ofschoon men deze ongelukkige menschenkinderen letterlijk met de wolven op ééne lijn stelde, zoo bleven zij toch overal en plantten zich voort, als de vossen in de zandholen onzer heidevelden.

Daar men met gedurende eeuwen uitgeoefende strengheid en geweld, met de zweep, met kerker en met galg, van de Zigeuners, wien toegevendheid en achteloosheid overal toegang verschaft had, niet meer bevrijd kon worden, besloot men eindelijk in nieuweren tijd in verscheidene landen, ze te behouden en hen door goedheid, scholen en opvoeding te beschaven, en zoo langzamerhand tot nuttige leden der maatschappij te maken.

Juist die harde vervolging, zoo begon men nu te redeneeren, had de Zigeuners, zooals ook andere vervolgden, slechts nog weerspanniger en brutaler gemaakt; zij hadden zich in dat vuur verhard. Juist die drijfjachten waren voor hen de beste school voor allerlei streken en knepen, waardoor zij zich aan de macht van den staat wisten te onttrekken. Hun ingeboren haat tegen de Europeanen werd nog heftiger, hun gehecht zijn aan en blijven bij hunnen eigen stam nog eigenzinniger. Even als bij de Israëlieten, werd onder het lijden hunne taaie nationaliteit nog taaier, de kloof tusschen hen en de Europeanen nog dieper. In plaats van die kloof nog dieper te maken, begon men er nu aan te denken, er een brug over te slaan. Koning Karel III van Spanje, Maria Theresia, Jozef II, Katharina van Rusland, en andere Vorsten van de "eeuw der humaniteit," vaardigden bijna gelijktijdig zeer wijdloopige, welwillende en grootmoedige verordeningen uit ter kolonisatie, verandering en gelukkigmaking der Zigeuners in hunne rijken. In al die Staten werden hun landerijen aangewezen, vaste huizen, dorpen en scholen voor hen gebouwd. Dergelijke verordeningen werden tot op den jongsten tijd ook in vele andere landen uitgevaardigd, meermalen hernieuwd en nu op deze dan op gene manier gewijzigd.

In Nederland en Groot-Brittanje trokken de zendeling- en bijbelgenootschappen zich de zaak aan, en in Engelsche steden (b.v. in Southampton) vormden zich "comités voor de verbetering van den toestand der Zigeuners." Men stichtte in Engeland een opvoedings-gesticht voor Zigeuners. Hetzelfde deed men ook te Friedrichslohr bij Nordhausen in Pruissen. Hier en daar traden ook eenige particulieren, die het lot der Zigeuners bijzonder ter harte namen, hunne behoeften en hun karakter bestudeerden, en aan het publiek voorstellen ter hervorming deden, als apostelen op. Ofschoon het wel geen twijfel lijdt, of deze in den nieuweren tijd ingeslagen weg ter bedwinging van het bij ons ingenestelde Zigeuner-element, is niet alleen de meest Christelijke, maar ook de eenige die eenig uitzicht op goede resultaten geeft,--want alle stemmen zijn het daarover eens, dat vervolging de Zigeuners doet blijven bestaan, dat verdraagzaamheid hen over het algemeen verzwakt--zoo moet men aan de andere zijde ook erkennen, dat tot nu toe aan die vreemde en tegenstribbelende menschen, ook zachtheid bijna altijd te vergeefs beproefd, en ook goedheid bijna altijd zonder het minste gevolg aan hen verspild werd. Onze pogingen om hen te verbeteren dateeren eerst uit de laatste eeuw, hunne barbaarschheid echter wortelt in den oorspronkelijken bodem van voor-historische tijden.

De geschenken van landerijen, die hun in Spanje, Oostenrijk en Rusland gedaan werden, wisten zij niet naar waarde te schatten, en slechts weinigen van hen namen eene meer kalme en landbouwende levenswijze aan. In stede van de woonhuizen, die Katharina in Rusland voor hen liet bouwen, te gebruiken, leefden zij liever, als zij nu toch eens in het dorp blijven moesten, in hunne eigene tenten die zij in de tuinen of op de erven der boerenhuizen oprichtten. De kinderen der Zigeuners in Oostenrijk, die Jozef de weldaden van het onderwijs wilde doen genieten, moesten zijne beambten, als Alpenjagers de gemzen, opvangen en dikwijls met touwen gebonden naar den schoolmeester brengen. Hunne moeders, die men te vergeefs de goede bedoelingen trachtte begrijpelijk te maken, liepen schreeuwende mede, als wilde men hunne kleinen ter slachtbank voeren, en noemden den goedhartigen Keizer een tweede Herodes. Anderen zagen in deze pogingen om beschaving onder hen te verspreiden, den ondergang van hun volk, gaven hunne have en goed weg, en doodden soms zelfs, om den school- en woondwang te ontkomen, zich zelven, even als Cato, die den ondergang van zijn volk niet overleven wilde. Niet veel meer succes hebben de menschenvrienden in andere landen gehad, noch in Pruissen, waar de school in Friedrichslohr in 1837 weder verliep, noch in het zoo dicht bevolkte Engeland, dat zoo weinig plaats voor het wilde Zigeuner-leven schijnt aan te bieden. Hier werden de zoogenaamde verchristelijkte en hervormde Zigeuners, die de genoemde zoo werkzame maatschappij in Southampton in verscheidene burgerlijke betrekkingen bij Christenen gebracht had, nog ongelukkiger dan die hunner kameraden, die in een toestand van onbeteugelde vrijheid gebleven waren. Eenige Engelsche wijsgeeren hebben daarom het Zigeuner-ras met het ei van een koekkoek vergeleken, waarover zelfs een broedende paradijsvogel te vergeefs hare vleugels uitbreiden zou.

Zelfs de zorgvuldigste en liefderijkste privaat-opvoeding, heeft dikwijls den wilden zin bij de Zigeuners niet meester kunnen worden, zelfs als men begon hun reeds in hunne vroegste jeugd goede zeden in te prenten. Daarvan worden vele merkwaardige voorbeelden verhaald, zoo b.v. het volgende:

Een klein Zigeuner-meisje, dat in het beroemde door Willem den Veroveraar bij Southampton aangelegde woud, tot aan haar tiende jaar met de haren rondgetrokken had, beviel eene voorname en kinderlooze dame in zoo hooge mate, dat deze zich over de kleine wees ontfermde, haar onderwijs liet geven en haar eindelijk geheel bij zich in huis nam en als hare dochter hield. Charlotte Stanley--zoo heette de kleine, lieftallige wilde--werd als eene voorname Engelsche dame opgevoed en groeide tot eene schoone, talentvolle en goed onderrichte jonkvrouw op.--Een rijk jonge heer, een zeer beminnelijk bloedverwant harer pleegmoeder, vatte liefde voor haar op en was voornemens haar te trouwen. Hoe meer dit plan echter zijne uitvoering naderde, des te stiller en melancholischer werd de schoone Hindostansche bruid, en op een goeden dag was zij, tot niet geringe ontsteltenis der geheele familie, verdwenen. Dien zelfden dag hadden zich Zigeuners in de nabijheid van het slot opgehouden. Men ging hen na en vond de gezochte, de door allen beminde Charlotte, midden onder de kinderen des wouds, aan den arm van een langen, zwartharigen man, het hoofd der bende. Zij verklaarde, dat zij zijne vrouw geworden was en dat niemand het recht had haar van hem af te scheuren. Hare goedhartige pleegmoeder en haar voorname bruidegom waren daarover ontroostbaar. Later kwam Charlotte, in hare geheel veranderde kleeding, nog eens een vertrouwelijk bezoek bij hen op het slot maken, en toen vertelde zij: hoe het haar in de kamers van het kasteel langzamerhand te benauwd was geworden, hoe een onweerstaanbare trek naar haar vrij, omzwervend leven zich hoe langer hoe meer bij haar deed gevoelen, naar mate het oogenblik naderde, dat haar voor altijd aan die hooge muren zou vastkluisteren.--De man, dien zij onder hare halfwilde landgenooten voor zich uitgekozen had, moet een der losbandigste knapen geweest zijn, en zijne teedere en verwende echtgenoote op brutale wijze behandeld hebben. Zij echter beantwoordde zijne mishandelingen met toewijdende liefde, die hij als de schatting eener slavin ontving. Zij bleef hem echter trouw bij al de lotwisselingen van zijn stormachtig leven, dat hem nu eens naar de gevangenissen van Londen, dan voor de crimineele rechtbank van Schotland voerde.--Zij gevoelde geen verlangen naar haar vroeger luxueus leven en naar het paleis harer pleegmoeder. Daar bleef niets van haar over, dan haar steeds met een sluier behangen portret, waarnaar haar verlaten Engelsche vriend dikwijls treurend en zuchtend opkeek, en dat daar ook eens voor mij onthuld werd, om de heerlijke trekken dezer capricieuse schoonheid te bewonderen.

Vele dergelijke verhalen en schilderingen van eene dergelijke, aan alle verandering weerstand biedende, en steeds tot haren oorspronkelijken vorm terugspringende natuur, treft men ook in andere landstreken aan, en het is daarom begrijpelijk, dat na zoovele pogingen tot gewelddadige verdrijving of tot langzame beschaving, wij nog heden ten dage de Zigeuners weinig veranderd vinden, in alle landen die zij reeds voor 400 jaren als pelgrims uit het Oosten binnentrokken en waarin zij zich genesteld hebben.--In de beneden-Donau-landen, waar zij zich bij voorkeur ophouden, heeft men hun aantal op meer dan 300.000 geschat; in Zevenbergen alleen op 75.000, in Moldavië en Walachije op 150.000. De heer Borrow, de beroemde beschrijver en waarnemer der Spaansche Gitanos, rekent hun aantal aldaar op 20.000. De heer Grapp, de vriend der Engelsche Gipsies, gelooft dat op de Britsche eilanden hun aantal 18.000 bedraagt. Waarschijnlijk zullen zich evenveel in Duitschland en Frankrijk ophouden. In Europeesch Turkije en Rusland is hun aantal ongetwijfeld aanzienlijk grooter. Bedenkt men, dat ook in Italië, waar zij in het Patrimonium Petri [9] het talrijkst zijn, en dat ook in Zwitserland, Nederland, Denemarken en Zweden, zelfs in Finland nog overal eenige Zigeuner-geslachten aangetroffen worden, dan mag men wel aannemen, dat het gezamenlijk getal Zigeuners in geheel Europa wel bijna een half millioen bedraagt. Grooter schat men ook niet het aantal van alle in Noord-Amerika woonachtige Indianen, en daardoor wordt aangetoond, dat ons oud, beschaafd werelddeel nog altijd een bijna even sterk element van nog niet aan de beschaving onderworpen nationaliteiten in zich omdraagt, als dat groote gedeelte der nieuwe wereld, zelfs als wij daarbij niet eens de Lappen, de Samojeden en welke heiden- en jagerstammen nog meer op onzen bodem mogen rondkruisen, in rekening brengen.

In genoemde Donau-landen, waarover zij, uit het Oosten komende, zich het eerst verspreidden en waar men hen nooit met strenge wetten geplaagd heeft, hebben de Zigeuners zich ook het aanzienlijkst vermeerderd en hunne diepste wortelen geschoten. Zij hebben de politieke instellingen en den aard dezer landen en hunner gastvrije volken, zoo overeenkomstig hunne eigene neigingen gevonden, dat deze om zoo te zeggen een nieuw vaderland, een beloofd land voor hen geworden zijn, even als de Poolsche provinciën zulks voor de Israëlieten werden. De genealogie van vele Zigeuners in de meer Westelijke landen, wijst naar die Donau-landschappen, als de bakermat van hunnen Europeeschen oorsprong, heen. En wij zien daarin in zekere mate eene naäping of een naklank van die geruchtmakende en oorlogzuchtige ondernemingen der Hunnen, Magyaren en van andere uit dezelfde middelpunten naar dezelfde streken trekkende volken.

In die landen zijn zij zoo zeer met het leven der inheemsche volken samengeweven en saamgegroeid, dat zij er een niet onwezenlijk deel van uitmaken. Verscheidene broodwinningen worden daar bij voorkeur door Zigeuners beoefend, en verscheidene takken van industrie zijn geheel in hunne handen. In Moldavië b.v. zijn zij in de huizen der grooten de huisslaven, de kamerdienaars en lakeien; zooals ook de Bojaren meestal aan de borst en met de moedermelk der Zigeuner-vrouwen groot gebracht worden, want deze zijn de gewone minnen bij de voornamen.

Verscheidene onaangename rollen in het drama van het burgerlijke leven, hebben daar de Zigeuners op zich genomen. Zoo waren zij b.v. van oudsher in Hongarije scherprechters en beulsknechten, en als zoodanig muntten zij in de sombere dagen der martelingen van de arme aangeklaagden, door hunne, vindingrijke wreedheid uit. Ook wordt daar verder al het moeielijke en onaangename, wat niemand anders gaarne ten uitvoer wil brengen, aan een Zigeuner opgedragen, die gewoonlijk, als hem slechts eene geringe winst wacht, door vuur en water zou loopen.

Eene zeer moeielijke en weinig winstgevende taak valt hun in Zevenburgen en Hongarije ook algemeen ten deel, namelijk het asschepoesters-werk, de glimmende stofjes edel metaal, uit de goud bevattende rivieren en beken van die landstreken, te zoeken. Men ziet hen in de Donau-landen, vooral in den ergsten tijd van het jaar, in het begin der lente, wanneer de sneeuw smelt en de regen bij stroomen nedervalt, wanneer de bodem door de wilde elementen doorploegd en nieuw goudzand opgewoeld wordt, langs de oevers der rivieren rondtrekken, hunne tenten opslaan, en nu hier dan daar beproeven, of niet iets van het blinkende stof in hunne schaapsvellen, die hun tot zeven dienen, hangen blijven wil.

Het verlangen naar een stuk gouden treswerk, dat zij aan hun hoed hangen, naar een briljanten ring voor hunne vingers en ooren, naar het een of ander zilveren of vergulden voorwerp, dat zij honderd malen onder hun haardvuur begraven, bij het verwisselen van legerplaats weder voor den dag halen, in hunne lompen verborgen met zich omdragen, en dat zoo van overgrootvaders tijden op hunne kinderen overgaat,--deze den Zigeuners aangeborene blijdschap over alles wat maar schittert, wat zij even als de eksters in hunne nesten bijeenbrengen, is zeker er de oorzaak van geweest, dat zij, zooals gezegd is, ook de goudzoekers en goudwasschers van die streken geworden zijn.

Wonderlijk is het, dat ook het edelste aller metalen, op welks bearbeiding onze ontwikkeling in zoo hooge mate berust, het ijzer, algemeen in de handen van dit onontwikkelde volk gekomen is. "Zoo veel smeden, zoo veel Zigeuners," zegt een Hongaarsch spreekwoord. Ditzelfde spreekwoord is ook in Zuidelijk Rusland, in geheel Europeesch Turkije, zoomede in Azië en Egypte in zwang. Waarschijnlijk werd den Zigeuners deze kunst en die last reeds te beoefenen en te dragen gegeven in Indië, waar, zooals ik reeds aanmerkte, ook rondtrekkende en verachte Sudra's ze reeds van oudsher uitoefenden, daar toch in andere landen, b.v. bij eenige volken van Afrika, de ijzersmid de werkzaamste persoon en de eerste na den Koning is.

In al die landen vindt men in de voorsteden der groote en kleine plaatsen, de talrijke kleine vuurhaarden der dubbel zwarte Zigeuner-smeden. Als aanbeeld sleepen zij een steen aan, tot blaasbalg gebruiken zij een geitenvel, als brandstof dikwijls niets anders dan gedroogden mest. Naast den steen graven zij een diep gat in den grond, om er hunne beenen in te steken, ten einde het werk zoo gemakkelijk mogelijk te verrichten. De moeder met de tabakspijp in den mond, brengt den blaasbalg in beweging, de vuile knapen reiken den vader het armzalige gereedschap toe, en daar naast ligt, om het beeld te voltooien, een magere, levenszatte hond met stoïcynsche gelatenheid in het gras. En zoo zittende en onophoudelijk door rookende, smeedt de meester dagen lang uit den kuil weg, terwijl hij dikwijls zijn weinig geregeld werk afbreekt, nu eens uit zijn kuil springt, om zich zoo lang hij is in het gras uit te strekken, dan weder er in springt en tusschen de bedrijven door, nog dit en dat op hunne ongedurige wijze afdoet en in orde brengt. Zij moeten overigens menigen moeielijken kunstgreep van hun handwerk verstaan, b.v. betere en hardere zeissen kunnen vervaardigen dan andere smeden. Een Zigeuner, die zich eene oude, verdraaide tang, eene vijl, een hamer verschaft en een goed steenblok voor aanbeeld gevonden heeft, kan trouwen en zich als huisvader vestigen.

Er zijn nog vele andere kleine bezigheden, die den zich aan zijne kudden, akkers en wijnbergen wijdenden Magyaar, Walachyer of Turk te nietig schijnen, en die dien ten gevolge den, naar het schijnt in alles wat gering is lust hebbenden, Zigeuner ten deel vallen. De bezembinders, zeefmakers, ketellappers, zwamsnijders, mandenmakers, vervaardigers van houten lepels in die landen, zijn bijna altijd Zigeuners; zooals zij ook altijd rondtrekken met apen, beren en andere dieren, om die te laten kijken en wier dans zij met gezang begeleiden.

Vooral echter is de muziek van een groot gedeelte van Oostelijk Europa in de handen der Zigeuners. Zij hebben een in het oog vallenden aanleg en hartstocht voor deze schoone kunst. Bij de Turken, even als bij de Tataren, bij de Walachyers en Hongaren, zijn zij de nationale-muzikanten. Even als naar de godsdiensten dezer verschillende volken, weten zij zich ook bijzonder goed te schikken naar den nationalen smaak wat muziek betreft, luisteren hunne lievelingswijzen af en reproduceeren deze, terwijl zij er iets van hun eigen smaak bijvoegen, op eene allezins bevredigende wijze. De hof-kapellen der Tataren-clans waren, en die der Moldavisch-Walachysche Vorsten bestaan nog heden ten dage, uit Zigeuner talenten. Krassende violen met cymbalen en trommels, door half naakte, harige gezellen bespeeld, geblazen en geslagen, vallen den reizigers nog heden ten dage in de schoone dalen der Krim, even als in die der Karpathen, bij iederen voetstap als het ware op het lijf, en vorderen schatting in naam der Muzen. In Hongarije heeft ieder dorp, ieder comitaat een orkest van Zigeuners, waarop het zich beroemt. Hun hoofd-instrument is de violine, en hierop hebben zij in Hongarije, waar hunne talenten het meest gewaardeerd werden, vele zeer bewonderde virtuozen voortgebracht.

De Magyaar is met de muziek zijner Zigeuners niet weinig ingenomen. Zij vroolijkt bij hem den dans op, en brengt de treurende patriotten tot tranen. Zelfs de beroemde Hongaarsche volks-hymne, de Rakoczy-marsch, kan alleen door Zigeuners zoo gespeeld worden, dat zij een Hongaar electriseert. Even als onze voorvaderen door hunne barden, zoo zijn de Hongaren bij hunne nationale-oorlogen bijna altijd door blazende en vioolspelende Zigeuners vergezeld geworden. Den componist van het zooevengenoemde muziekstuk kent men niet, evenmin als men de geschiedenis van bijna geen der fraaie Zigeunerstukken op authentieke wijze kan aantoonen. "Zij ontstaan onder het volk, men weet niet hoe, worden als toonen uit de geestenwereld beluisterd, worden als eene goede vondst beschouwd, ruischen over de velden als de toonen eener Eolus-harp, steeds sterker en sterker klinkende, worden ten laatste door iedereen met verrukking vernomen, en zetten zich eindelijk in alle hoeken des lands en in de ooren en harten van het volk vast."

De Zigeuner-virtuozen zijn dikwijls ook de componisten der door hen voorgedragen stukken. En ofschoon zij niet bekend zijn met de theorie der muziek, ter nauwernood de noten kennen, ook nooit iets nederschreven, en ofschoon zij hunne geheele kunst als bij inspiratie leeren kennen, zoo worden zij toch af en toe niet zelden door de geleerdste musici en muziekkenners bezocht, die vol bewondering en ten zeerste bevredigd naar de voortbrengselen hunner scheppende phantasie luisteren. In de opvatting der compositiën van anderen, toonen zij een bijzonder sterk muzikaal geheugen te bezitten. Zij zijn in staat eene sonate van Mozart, eene symphonie van Beethoven die zij eenmaal hoorden, van het begin tot het einde te onthouden en na te spelen. De heer Kogaleitschan, de Walachysche geschiedschrijver der Zigeuners, verhaalt, dat hij eens in den Franschen schouwburg te Jassy een dezer, geene opleiding ontvangen hebbende musici gadesloeg, hoe hij op zijne violine zacht en langzaam de ouverture en andere gedeelten der opera "la dame blanche" volgde, en hoe hij, toen het stuk afgespeeld was, naar buiten ging en de geheele muziek aan zijne vrienden, in de kroegen der stad, met meer gevoel en volharding voordroeg, dan de violisten in het orkest, die hij afgeluisterd had, gedaan hadden. Gevierde geboren kunstenaars van dit soort, worden in de Hongaarsche annalen reeds voor 300 jaren genoemd. In de vorige eeuw was een dezer natuurkunstenaars hof-musicus van den Kardinaal Czaky, de Zigeuner Michaël Barnu, die in een door dezen prelaat in het leven geroepen Wartburgs-kampstrijd, onder twaalf der eerste violisten van het rijk den prijs won, en wiens melodiën, door de kenners op papier gebracht, nu nog in het land in zwang zijn,--zoo ook de even zeer geprezene violinpeelster Czinka Panna, die gedurende haar leven door de Hongaarsche Magnaten, dikwijls op 30 à 40 mijlen afstands, geroepen en met gejuich binnen hunne sloten gevoerd en met goud en kostbaarheden begiftigd werd. Een Hongaarsch bisschop zette op haar grafsteen als opschrift: "De Orpheus der Magyaren," terwijl men tevens ontelbare Latijnsche en Magyaarsche verzen in het graf schudde. Maar de beroemdste Coryphee dezer halfwilde Muzen-zonen was Johan Bihary, een der musici van het Weener Congres en van het Oostenrijksche Keizerlijke hof, dien Keizer Frans in den adelstand wilde verheffen, maar die echter, origineel genoeg, deze genade slechts wilde aannemen onder voorwaarde, dat zijne geheele bende en zijne verwanten in dit voorrecht zouden deelen. Ook in de tegenwoordige dagen, ofschoon de bloeitijd der Zigeuner-muziek voorbij schijnt te zijn, ontbreekt het niet aan zulke in het oog vallende talenten, die in Pesth en ook in Weenen gezocht en bewonderd worden.

Ofschoon de muzikale composities der Zigeuners zoo eigendommelijk van aard en kleur zijn, dat men er slechts twee maten van behoeft te hooren, om ze dadelijk als zoodanige te herkennen, zoo laat zij zich toch niet gemakkelijk in woorden kenschetsen. Zij zijn even moeielijk na te teekenen, als de phantastische dessins der Brabantsche kanten. Men meent er het evenbeeld van het wonderlijke volk, dat ze vervaardigde, zich in te zien afspiegelen. De maat en de melodie dezer muziek wisselen even dikwijls af, als de luimen van den beweeglijken Zigeuner. Zij maakt sprongen en beweegt zich zigzags-gewijze als eene elektrieke vonk. Zij is arabeske-achtig vol van teneenenmale onverwachte wendingen en afwisselende tempo's. Zij murmelt en stoeit als de beek des wouds, aan welker oevers de Zigeuners hunne hutten opslaan; zij huilt, loeit en piept, als stormen op de heidevelden en püsten, waar zij zich in aardholen verbergen. Zij bedriegt, boezemt u belangstelling in en verrast u door hare schoonheden, zooals gij niet zelden door den aanblik van een schoon Zigeunermeisje verrast wordt, door wier wild kapsel en armoedige lompen de schoonste lichaamsvorm, de liefelijkste gestalte en twee vurige oogen u tegenblinken. Zij kermt en klaagt, als ware zij ten prooi aan de grootste vertwijfeling, en dadelijk daarop juicht en jubelt zij, even als de zoo veranderlijk van aard zijnde Zigeuner-kinderen, die altijd klaar staan om te huilen en te lachen, en door zeer heftige, maar tevens zeer kort van duur zijnde hartstochten, beheerscht worden. Als in geestdrift ontstokene Korybanten, razen de zwartgelokte musici op hunne violen en cimbalen:

En rondom in wijde kringen Hoort het moedig volk ons aan. Laat de vedels wilder zingen! Wilt de bekkens harder slaan! Woester en niet zachtkens meer Klinkt der instrumenten strijd; D'oude krijgszang ruischt ook weer, Die te voren met veel macht Flinke knapen en ook grijsaards Tegen Turken samenbracht.

In Engeland komen, even als in Hongarije, dikwijls muzikale talenten onder de Zigeuners voor. En in Rusland gaf de groote Catalini eens aan eene Zigeuner kunstenares, die zij beluisterd had, een shawl, die, zooals zij zeide, door den Paus voor de "grootste zangeres van dien tijd" bestemd was geweest.

De dans, die met de muziek hand aan hand gaat, is eveneens geen kunst onder de Zigeuners, maar een hun aangeboren talent. Hunne lenige en van der jeugd af geoefende ledematen, die zij van hunne Hindostansche voorvaderen erfden, maakt hen bijzonder geschikt voor alle gymnastische oefeningen. Hunne dansen zijn aan den Donau, even als in Spanje en Rusland, beroemd. Zij zijn levendig en gracieus en daarbij bijna overal van dezelfde soort. Wat de Russen de "Ziganka" noemen, is bijna hetzelfde, wat bij de Spanjaarden de "Gitana" genoemd wordt, en die dansen zijn in de Russische steppe even gezocht als op het Spaansche tooneel.

Ook als dichters en sprookjes-vertellers komen de Zigeuners niet zelden voor. In Walachye zijn zij de voornaamste beoefenaars dier kunst, en zij dragen daar hunne verzen, die even als hunne muzikale voortbrengselen meestal geheel geïmproviseerd zijn, even als de Seguidillas-zangers in Estramadura, begeleid met muziek en zang voor.

In de poëtische vertellingen ontwikkelen zij, naar de staaltjes die ons laatstelijk daarvan geworden zijn, eene groote mate van gemakkelijkheid en verbeeldingskracht. Zelfs de heilige sagen en christelijke legenden van de wandeling op Aarde van den Heiland, en van de wonderen en reizen der apostelen, verhalen zij somwijlen met hunne eigenaardige bonte kleuren, op zoo bespottelijke en phantastische wijze, dat zij in originaliteit, verrassende avontuurlijkheid en fee-achtigheid, voor de sprookjes uit den duizend-en-één nacht volstrekt niet behoeven onder te doen.

Men moet de Zigeuners, niettegenstaande hun tegenzin in onderwijs en school, een zeer bekwaam en talentvol volk noemen. Bijzonder geborneerde wezens, domme menschen en kretins, treft men zelden onder hen aan. De fijne list en de slimheid, waarmede zij zich alle moeilijke plannen--dikwijls ook die voor diefstal en bedrog--weten gemakkelijk te maken, is door velen, die in de gelegenheid waren hier nauwkeuriger mede in kennis te komen, bewonderd geworden. En toch gaat het hun met zooveel gunstigen aanleg, als met andere begaafde maar wankelmoedige--schandere maar lichtzinnige--poëtische maar zinnelijke karakters--, zij komen niet zoover in de wereld als zij, die met geringere talenten eene grootere volharding, soliden ernst en hoogeren zedelijken zin verbinden.--Hunne onbestemdheid laat geene moeielijke onderneming bij hen tot rijpheid komen. Men moet zich over hunne wankelmoedigheid, over hunne onbedachtzaamheid verwonderen. Zij leven, als bestond er geen verleden en geene toekomst. Zij schijnen altijd slechts met den wensch, die juist in het tegenwoordige oogenblik hun gemoed in beweging brengt, vervuld. Hunne stormachtige en teugellooze wijze van zijn, herinnert dikwijls aan de manieren der apen. Het geschenk, dat zij van u met heftigheid, smeekende en biddende, op hunne knieën begeeren, pakken zij, als gij het hun geeft, weg als roofvogels hunnen buit, en vervolgens als er niets meer te verwachten valt, gaan zij verder, de aalmoezen doorbrengende en den gever ondankbaar vergetende.

Slechts op één punt vindt men hen bijna altijd voorzichtig, bedachtzaam en spaarzaam. Namelijk met betrekking tot hunne kleeding, waarop zij zooals reeds opgemerkt is, zeer gesteld zijn. Men ziet hen daarom bij hun werk meermalen met een naakt bovenlichaam, terwijl zij hunne kleeding zorgvuldig op zij leggen. Ja! als twee Zigeuners ernstig met elkander in strijd geraken, zoodat die met de vuist moet beslecht worden, dan zullen zij toch nooit vergeten, voor het begin der vijandelijkheden een wapenstilstand van eenige minuten te sluiten, om te voren hunnen gegaloneerden rok en met treswerk voorzienen hoed in zekerheid te brengen.

Daar zij geen wrok blijven behouden en voorzichtigheid hun in groote mate ontbreekt, zoo kennen zij verder kommer noch zorg. Even als de vogels leven zij bij den dag, zich niet bekommerende over het "vanwaar" en "waarheen"; over het gisteren en morgen, zijn zij altijd vroolijk, luimig, lichtzinnig, buitengewoon praatachtig en snoevend. Ofschoon schijnbaar de meest behoeftigen en de meest geplaagden onder de levenden, zijn zij toch altijd op de meest benijdenswaardige wijze vergenoegd, en altijd tevreden met hun lot. In de Hongaarsche, Slavische en Walachysche gedeelten van het Oostenrijksche leger, is zeer dikwijls de potsemaker van het regiment een Zigeuner, die zijne kameraden met zijne onuitputtelijke grappen opvroolijkt. Ook in de sagen en sprookjes der Zevenburgers, valt den Zigeuners gewoonlijk de rol van "Hans Lustig" ten deel, en zij zouden ieder Christen, die te vergeefs tracht het gebod "zorg niet voor den dag van morgen" na te leven, tot voorbeeld dienen.

Evenmin als hunnen geestelijken zin lijdt aan droefgeestigheid of ontevredenheid, zoo ook zijn zij lichamelijk minder onderhevig aan ziekten en ongesteldheden, dan men naarmate van hun lichamelijk lijden en van de ontberingen, waarmede zij van hunne geboorte af tot aan den dood rijkelijk bedeeld zijn, zou verwachten. De harde, dikwijls ter nauwernood met gras of hooi bedekte schoot der moederaarde, is het bed waarop zij geboren worden. Kinderwiegen, die zelfs de Indianen van Amerika even zorgvuldig weten te vervaardigen als de zwaluwen hunne nesten, zijn voor de Zigeuners onbekende meubels. Zoo lang zij op eigen voeten niet kunnen staan, kruipen zij op den rug hunner moeder, even als de jonge beren op den rug der beerin, en van hunne geboorte af zijn zij even als dezen aan alle weer en wind blootgesteld. Zonder mantel of omkleedsel groeien zij tot jonge meisjes en jonge, mannen op, en verkrijgen ook dan slechts het allernoodzakelijkste. In onmatig eten hebben zij het, even als andere natuurkinderen, tot eene soort van virtuositeit gebracht. En hoe gemakkelijk zij te voldoen zijn op het punt van kleeding, blijkt uit het volgende voorval, dat door een reiziger verhaald wordt. Een kleine, naakte Zigeunerknaap schreeuwde, in het hartje van den winter, van de koude. "Daar, neem dat!" riep zijne moeder hem toe, terwijl zij hem een eind touw over den schouder wierp. "Bind het je om het lijf. Hul er je in zoo goed je kunt. Warm je er mee en troost je."

De armoedige leem- en stroo-hutten, waarin zij in de afgelegenste wijken der Hongaarsche en Walachysche steden wonen, de holen, die zij in de Krim en ook in de Zevenburgsche Alpen bewonen, zijn de armoedigste en onhuiselijkste menschelijke woningen, die men zich denken kan, en de zoogenaamde tenten, waarin zij, in de voorsteden van Kiew en Odessa, bij Bucharest of Szegedin, de stormen en de regenstroomen trotseeren, en die zij, nu eens hier dan eens daar, in de slooten of onder beschutting der ruïne van den een of anderen muur, opgeslagen hebben, zijn niets anders dan een oude en van gaten doorzichtige lap zeildoek, die over een doornstruik gehangen is en met de vier hoeken (bovendien nog zeer onoplettend en los) aan waggelende stokken gebonden is.--Deze woningen, met welke vergeleken de tent van den Baschkir, zelfs de Wigwam van den Indiaan een kunstig gebouw is, moesten, naar men gelooven zou, de broeinesten van ontelbare kwalen en gebreken, de zetels van rheumatiek, jicht, catharale en andere kwalen zijn. De waarheid echter is, dat de Zigeuners zelden last hebben van deze en andere kwalen, en dat zij tot het gezondste slag menschen behooren, dat men op de wereld aantreft. Zij hebben geene volksziekten. Uit de spichtige, dun gebeende, dik gebuikte, dikwijls half verhongerde, altijd kou lijdende, zelden gewasschene, nooit gekamde kleine Zigeuner-kinderen, groeien gezonde, sterke en welgemaakte mannen en vrouwen. "Hun geheele leven door, lijden zij schier nooit aan eene aanstekelijke ziekte, tot de natuur het hare terugvraagt en de machine in den ouderdom plotseling stil staat." Men beweert zelfs, dat de giftige adem der pest en van andere besmettelijke ziekten, in de Zigeuner-koloniën dikwijls zonder de minste uitwerking wegsterft.

Gebrekkigen, krommen of dwergen komen bij hen zelden voor. Veel meer daarentegen ziet men onder hen, die toch zoo weinig werk van lichamelijke schoonheid maken, de fraaiste vrouwengestalten, met de slankste taille en den sierlijksten lichaamsbouw, ware modellen voor eene Preciosa of Esmeralda,--meisjes, die haar leven lang door alle mogelijke guurheid en veranderlijkheid van weer en wind mishandeld werden, en die een dichter wel met eene in den tuin opgekweekte hyacinthe--in snit en glans met de oogen der Indische Princes Damajantie zou kunnen vergelijken--die nooit anders dan grof werk verrichten, en die toch het water en het voeder voor de paarden van haren vader en andere lasten met een natuurlijke bevalligheid dragen, als deden zij het op het tooneel op de maat der muziek, zooals de geoefende koorzangsters in de opera "la Muette de Portici." Zoo vond ik het ten minste niet zelden in de Krim en in de Donau-Vorstendommen. Zelfs wanneer zij in den ouderdom, die bij haar reeds vroeg invalt, leelijk worden, dan heeft die leelijkheid altijd nog een zekeren stijl. "Het voorkomen van oude Zigeuner-vrouwen is somwijlen afschrikwekkend, heksachtig, hoogst phantastisch, maar bijna nooit gemeen."--Worden die jeugdige Zigeuner-schoonheden, zooals zulks in Rusland, b.v. in Moskou, somwijlen geschiedt, door voorname en rijke vrijers op de steppe ontdekt, als echtgenooten aan haar nomaden-leven onttrokken en in de hoogere kringen der maatschappij verplaatst, dan leeren zij, zoo zij niet als die Charlotte Stanley hunnen minnaar ontloopen, zich ook daar spoedig te huis gevoelen, en ontwikkelen zij, nu zij geen water meer behoeven te dragen, de haar aangeborene lieftalligheid in den beschaafderen gezelligen omgang der hoogere standen.

Dat eenerzijds in Turkije en anderzijds ook in Duitschland, de Zigeuners op die in de Donau-provinciën gelijken, alsof zij tweelingbroeders waren, is gemakkelijk te begrijpen uit de nabijheid dezer landen, die, zooals reeds gezegd is, dikwijls onderling van bewoners en koloniën verwisselen.--Merkwaardiger echter is het, dat zij ook in zulke afgelegene eilanden en schier-eilanden, zoo als b.v. in Skandinavië, Jutland, Schotland en Spanje, hunne eigendommelijkheid zoo zeer bewaard hebben.--De Zweden brachten in den dertigjarigen oorlog met hunne legers een geheel korps Zigeuners mede, en de Denen hadden, bij de belegering van Hamburg, niet minder dan drie kompagniën Zigeuners, waarvan zij gebruik maakten op dezelfde wijze als de Russen van hunne Baschkiren en Kozakken, namelijk tot het doen van strooptochten, tot spionnendienst, tot het doen van fourageeringen, tot het uitplunderen en verwoesten der vijandelijke landen.

Volgens de mededeelingen van een Deensch schrijver, trekt nog heden ten dage, op de onbebouwde heidevelden van Jutland een landloopersvolk rond, dat door de Jutsche boeren de "Natmänds" genoemd wordt, en waarin moeielijk iemand echte Zigeuners miskennen kan.--Alle pogingen, om deze half wilde Jutsche "Natmänds" tot een ordelijk, kalm leven te brengen, zijn tot nu toe mislukt. Zij hebben donkere gezichten en scherpe trekken, die hoegenaamd geene gelijkenis hebben met die der Jutsche boeren. Familiesgewijze trekken zij bij troepjes van plaats tot plaats rond. Zij verstaan allerlei kleine handwerken, het slijpen van messen, het ketellappen, het ruiten inzetten, en hunne vrouwen het voorspellen en door tooverij aan den dag brengen van gestolen voorwerpen. Stelen en bedelen is hun voornaamste handwerk. Ook nemen zij menige verrichting op zich, die de Jut beneden zich acht. Deze beschouwt hen in even hooge mate voor onrein, als de Bramien de Hindostansche paria's.--"Een apart vaatwerk, nap of bak, die buiten hem alleen nog door den hofhond gebezigd wordt, is goed genoeg voor den armen 'Natmänd' die den Jutschen boer op zijne hoeve opzoekt, en de Jut zou liever honger lijden dan gebruik te maken van eene schaal, die door een Natmänd gebruikt is." Zij bezigen eene taal, die in Jutland "potjes-latijn" genoemd wordt, dat misschien echter niet anders is dan de oude verbasterde Sanskrietsche Zigeuner-taal.--Even als in andere landen, worden ook daar de kinderen dezer heide-Nomaden gedoopt, doch even als elders nemen zij ook daar, behalve het doopwater, weinig van het Christendom over.

Want de Zigeuners betoonen zich overal zoo onverschillig voor godsdienstzaken, als geen tweede volk van Europa. Zij zweren, om vervolgingen te ontgaan, bij de Turken op den Koran, en zij kussen, als zij zich in een Christelijk land bevinden, het kruis. In ieder nieuw dorp, waar zij komen en waarin zij een anderen godsdienst aantreffen, hebben zij een ander geloof; nu eens zijn zij Katholiek, dan Luthersch, hier behooren zij tot de Gereformeerde, daar tot de Anglikaansche kerk. Voor het overige blijft hun zoowel de leer van Mohamed als die van Christus, zoowel de grondstellingen van den Paus als de catechismus van Luther even onbekend; dat is waarschijnlijk ook de reden dat de Nederlanders hun geen beteren nationalen naam wisten te geven, dan dien van "heidens".

Daar er bij hen niet eens mythen bestaan, die zouden kunnen bewijzen, dat hunne gedachten zich met bovenaardsche dingen hebben bezig gehouden, dat ook slechts hoop op een leven na dit leven bij hen is opgekomen, zoo is dien tengevolge ook hunne liefde voor dit aardsche leven en hunne vrees voor het einde van hun bestaan, veel grooter dan zij bij eenig ander der geplaagde, onderdrukte en vervolgde volkeren zijn; deze toch beschouwen den dood wel eens als hun verlosser.

Op de Britsche eilanden zijn de Zigeuners,--die door Sir Walter Scott in eenige zijner uitstekende romans even meesterlijk geteekend zijn als door Cervantes in Spanje, door Puschkin in Rusland, Spindler in zijn "Jood" in Duitschland, Victor Hugo in zijn "Notre dame de Paris" in Frankrijk,--even rustelooze omzwervers geweest, als overal elders, en hebben daar ook, even als overal, hunnen stam zuiver bewaard. Ja! naar het oordeel van een Engelsch schrijver, hebben zij zich daar zelfs onvermengder bewaard, dan ergens anders. Zij hebben daar zelfs in het reeds door mij genoemde Koninklijke woud van Southampton, eene soort rendez-vous gehad, en verdeelen zich daar even als elders in verscheidene tribus of clans, die hunne bijzondere opperhoofden hebben en bijzondere namen dragen. Een dezer Engelsche Zigeuner-stammen heet "de Stanleys", een andere "de Levells" enz.

In Schotland hebben zij in eene wild-romantische landstreek van het Cheviot-gebergte, hun hoofdkwartier bij een dorp dat Kirk-Yetholm heet, en schertsenderwijze ook wel "the Metropolis of the Gipsy-kingdom of Scotland (de hoofdstad van het Zigeuner-koningrijk in Schotland)" genoemd wordt. Van de Schotsche Zigeuner-vrouwen zegt een presbyteriaansch priester, die haar in een werkje beschreven heeft: "zij zijn in hare bewegingen zoo natuurlijk, liefelijk en gracieus, en hebben dikwijls zulke goede manieren, dat men bijna meenen zou, dat zij aan een Europeesch hof opgevoed zijn." En dit is ongeveer hetzelfde, wat ik zelf reeds aangaande de Tataarsche Zigeuners in Zuid-Rusland opgemerkt hebt.--Van de mannen onder de Schotsche Zigeuners zegt dezelfde autoriteit: "zij zijn bij hunne onderlinge twisten, waartoe men dikwijls geene aanleiding ontdekken kan, boven mate wild en heftig, geven daarbij aan de belachelijkste woede toe, en bedienen zich daarbij van de meest phantastische verwenschingen. Zelden echter komt het, niettegenstaande hunne hartstochtelijkheid, tot ernstige kloppartijen. Het blijft bij een krabben, knijpen, plukharen."--Ook dit stemt buitengewoon overeen met hetgeen men bij de Zigeuners aan den Donau en aan den Pontus kan opmerken, waar men, wanneer in een tent twist ontstaat, onwillekeurig aan het krijschende geschreeuw denkt, dat naar de beschrijving der reizigers dikwijls door de apen der Zuid-Amerikaansche wouden, ook zonder merkbare aanleiding, aangeheven wordt, en dat ook zonder zichtbare oorzaak, als eene plotselinge windstilte en verzoening weder gaat liggen.

Ook bij de onbegrensde en dikwijls roerende liefde der Zigeuners voor hunne kinderen, moet men weder aan de zooeven genoemde woudbewoners denken. De Zigeuner-moeders troetelen hare zuigelingen zoo en houden zich zoo onophoudelijk met hen bezig, als waren deze wichtjes het eenige wat zij aanbidden. Kindermoord is bij hen, evenals bij de Indianen van Amerika, iets ongehoords, en even als dezen beantwoorden zij slechts met liefkozingen en vleierijen, zelfs den uitgelatensten moedwil dezer kleine zwarte kobolds, die nimmer met de heilzame roe kennis maken.

Deze liefde jegens hunne eigene afstammelingen, strekken zij echter tot hun geheele ras uit, wier leden, even als de kinderen Israëls, als klissen aan elkander hangen. Zij verloochenen hunne natuur nooit. Terwijl zij over het geheel genomen niets hebben, van hetgeen men sociaal instinct noemt, blijven zij in hunne familiën als met ijzeren banden aan elkander gebonden. Zij noemen elkander broeder en zuster. Zij ondersteunen elkander over en weer, en een Zigeuner is nooit in nood, zoolang hij nog bloedverwanten en stamgenooten in zijne nabijheid heeft, die helpen kunnen.

Ook sluiten zij zeer zelden huwelijken met menschen die niet van het "echte," van hun eigen volk zijn. Zij bezitten--merkwaardig genoeg--een diep verborgen nationalen-trots en zijn, wat men bij deze "verworpelingen" het allerminst verwachten zou, in zeldzaam hooge mate ingebeeld en trotsch. Iedereen verwerpt hen en hunnerzijds wreken zij zich daardoor, dat zij zich boven allen stellen. Even als de Osmanen betitelen zij alle andere volken met den scheldnaam: "Gadschi" of "Giaur". Zij zelf echter zijn de "Rannitschel" (de kinderen der ware moeder of menschen). Het is, als wilden zij daarmede tegen allen hun door anderen aangedanen smaad, in naam van het ook in hunnen boezem niet gestorven gevoel van menschenwaarde, protesteeren.

Van het leven der Zigeuners onder elkander en hoe zij als broeders voor elkander partij kiezen, verhaalt men overal zeer treffende voorbeelden; in Spanje b.v. het volgende:

In Cordova werd eens een Zigeuner, die eenen Spanjaard bij eene kloppartij doodgeslagen had, ter dood veroordeeld. De geheele "Gitaneria" (het Zigeunerdom) van Cordova kwam in beweging, en deed de grootste moeite om hunnen broeder te redden. Verzoekschriften werden aan invloedrijke personen gezonden, petities werden onderteekend, welsprekendheid en geld werden aangewend, om het verschrikkelijke doodvonnis in eene eenvoudige verbanning naar Ceuta in Afrika te veranderen. Een rijk Zigeuner bood den Spanjaarden 5000 kroonen, als losprijs voor den gevangene. Alle trouwe stamgenooten droegen naar hun vermogen er toe bij om dezen losprijs te vermeerderen. Maar te vergeefs! De vermoorde Spanjaard had machtige vrienden, en men was besloten een voorbeeld te stellen. Het zwarte schavot werd op het marktplein opgeslagen, het zwaard was gescherpt en getrokken. Toen, toen zij zagen dat alles te vergeefs was en nog eer de slag viel, maakten alle Zincalo's der voorsteden van Cordova zich op, om het bloed van hunnen broeder niet te zien vloeien, sloten hunne hutten en trokken met paarden en muildieren en al hun roerend goed heen, terwijl zij de stad voor eeuwig in den ban deden en besloten haar nooit weder te betreden.

Langs welken weg de Zigeuners naar Spanje gekomen zijn, is niet bekend. Het volk daar, houdt hen voor afstammelingen der "Morisco's" of Mooren. Dit, zoomede de omstandigheid, dat zij in de dalen van het Pyreneesche schiereiland, die het langst in handen der Mooren bleven, in Andalusië en Grenada het meest verbreid zijn, en vervolgens ook de bij de Spanjaarden gebruikelijke benaming "Gitanos," d.i. Egyptenaren, schijnt er op te duiden, dat zij, even als de andere Oostersche volken, misschien over Egypte en Noord-Afrika naar het Pyreneesche schiereiland gekomen zijn. Hadden de Spanjaarden hen langs Noordelijken weg, uit Duitschland en over Frankrijk gekregen, dan zouden zij wel den bij de Franschen gebruikelijken naam "Bohemiens" (Bohemers) voor hen aangenomen hebben.

De eigendommelijkheden in het karakter die den Spaanschen Gitanos worden toegeschreven, zijn daarom ter vergelijking, bijzonder belangrijk en opmerkenswaardig.--Zij stemmen in alle deelen overeen met die, welke men bij hunne broeders aan het tegenovergestelde einde van Europa ontdekt, en bewijzen, dat dit volk ook bij zijn tocht door Afrika, en tot aan de uiterste punten die het bereikte toe, geheel hetzelfde gebleven is. Hunne taal heeft in Spanje dezelfde Sanskritische elementen als elders, en de physionomie dezer oude, eerwaardige taal komt ook bij hen, "als een in lompen gekleed wijsgeer, uit de hun eigen geworden fragmenten van vreemde taaleigens te voorschijn."

Hunne bezigheden en neigingen zijn daar dezelfde als elders. Huwelijken tusschen Spanjaarden en Zigeuners vinden uiterst zelden plaats, en het ras bestaat, volgens getuigenis van Borrow, den geschiedschrijver der Spaansche Zigeuners, zeer zuiver en onvermengd, even als in Engeland, in Schotland en aan den Donau. Het is in Spanje den welwillenden Karel III even weinig gelukt, hen te beschaven en aan een rustiger leven te gewennen, als in Oostenrijk den humanen Jozef II. Het aankweeken van paarden, bedriegelijke paardenhandel en paardenroof is daar, even als in Hongarije, in zoo hooge mate hunne liefhebberij, dat de Spanjaarden, om deze bezigheid uit te drukken, het woord "Gitaneria" (zigeunerij) gebruiken. "De Spaansche Gitano" zegt Borrow, "is het lichtzinnigste, ongeloofwaardigste, wankelmoedigste en ondankbaarste schepsel ter wereld. Zijn weldoener verraadt hij, zonder zich er het minste gewetensbezwaar van te maken, en wat hij in den morgen verdient, verkwist hij reeds voor den avond."

Dit alles en in één woord ook alles anders, wat men bovendien nog aangaande de Spaansche Gitanos aangemerkt vindt, komt zoozeer overeen met wat wij van de Zigeuners in andere landen hoorden, dat het nauwelijks noodig zijn zal, de portretten nog eens in al hunne bijzonderheden te vergelijken, om de stelling te bevestigen, dat dit Aziatische volk door geheel Europa heen, en men kan er aanstonds bijvoegen, ook in Brazilië en in andere gedeelten der nieuwe wereld, waarheen hen het noodlot in den nieuweren tijd eveneens gevoerd heeft, op eene hoogst wonderbare en op even beklagenswaardige wijze zich zelven trouw is gebleven.

Ook bij de Joden heeft men dikwijls deze zelfde buitengewone taaiheid en onveranderlijkheid van het nationaal-karakter opgemerkt. Bij de Zigeuners echter is zij toch nog veel merkwaardiger en onverklaarbaarder dan bij de Israëlieten, Turken, Armeniërs of bij alle andere Aziaten.--Bij de Turken, wien eene zoo groote politieke macht ter zijde staat, en die in geconcentreerde massa te samen leven, laat zich de zaak gemakkelijk begrijpen. Het andere onder de geheele Europeesche familie verspreide volk, de Israëlieten, heeft zijne nationaliteit op stevige fundamenten opgetrokken. Zij hebben grootsche overleveringen, eene heldhaftige en geloofwaardige geschiedenis. Zij bezitten eene zeer beschaafde taal en rijk ontwikkelde literatuur. Hun geheele huiselijk en innerlijk leven wordt door eene aaneenschakeling van oude, zeer duidelijke bepalingen geregeld en bijeengehouden. Zij zijn eindelijk een door en door godsdienstig volk. Hun godsdienst, die hun geheele leven doordringt, is hoogst eigenaardig. Zij beschouwen zich als Gods uitverkoren volk, en ieder individu is even als het geheel, door dit geloof bezield. Hoe geheel anders is zulks het geval met hunne lotgenooten, met den even als zij, in de wereld rondgeworpen en voorttrekkenden stam uit Hindostan. De Zigeuners hebben niet eens Goden gehad. Zij hebben geene vaste grondstellingen en gebruiken, geene geschiedenis, zelfs geene overlevering, ja nauwelijks een hun eigenaardig bijgeloof: want ook de verschillende soorten van bijgeloof der volken, tot welke zij zich begeven, nemen zij even gemakkelijk aan, en laten zij even gemakkelijk weder varen, als hunne godsdiensten. Zij hebben ook geene bijzondere, hen van anderen onderscheidende, uiterlijke kenteekenen behouden, geene nationale kleeding, geen bijzondere soort van doop of eenige andere het volk eigene kenteekenen. Bij de Tataren kleeden zij zich Tataarsch, bij de Spanjaarden Spaansch, en overal hebben zij zich in de lompen gekleed, die de andere volken hun toewierpen. Hun woordenboek heeft, zooals de geleerde Pott aantoont, geene uitdrukking voor het begrip "hebben" en "bezitten", ook geen voor "moeten" of "plicht" of "wet". Zij hebben hunne geheele "zaak op niets gesteld." Zij zijn onder ons opgegroeid, zooals luchtplanten, zonder wortelen, zonder bodem, zonder vaderland. Zij vormen ook nergens zulke talrijke en compacte gemeenten, als de Israëlieten. Zij leven luchthartig en los, nauwelijks stamsgewijze, maar overal alleen familiesgewijze, en deze Zigeuner-familiën zijn als het onkruid dat men op de steppen van Rusland aantreft, dat daar "de windsbruid" genoemd wordt, en dat, zijne zaadkorrels en bloesems met zich medevoerende, van den grond losgerukt, door den wind, door de lucht en over de heuvels gevoerd,--als het water in droppels en atomen over Europa verbreid wordt. Hun ontbreekt in één woord alles, wat eene duurzame en blijvende nationaliteit verzekert. En niettegenstaande dat alles, zijn toch die atomen onder het gewicht der andere op hen drukkende nationaliteiten, tot nu toe nog niet verdrukt; niettegenstaande dat alles bezit, zooals ik reeds trachtte aan te toonen, ieder droppeltje uit die bron tot op den huidigen dag geheel en al de kleur, de temperatuur en het karakter van het geheel, als waren het niet schuim en bellen, maar ontelbare harde granietblokken. Hun geheele bestaan en behoud is in de geschiedenis van het Europeesche menschengeslacht een raadsel, dat wij alleen bewonderen maar niet voldoende verklaren kunnen.

DE ITALIANEN.

Van de groote bergkern van Midden-Europa, de Alpen, scheidt Zuidwaarts de lange tak van het Apennynsche kalk-gebergte zich af, dat in Zuidelijke richting voortloopende, in de Middellandsche Zee zich uitstrekt.--Met de talrijke kleine plateau's en dalen, waarmede zijne Oostelijke en Westelijke hellingen voorzien zijn, met de grootere vlakten, die aan weerszijden tegen hem aansluiten als spieren tegen den ruggegraat, vormt hij een grooten en breeden landendam, die als een slinger midden in de zee neêrhangt, en door een driehoek van groote, naburige eilanden omgeven is.--Het is de "Bella Italia, de l'Apennin divide é l'mar circonda" [10].

De natuur heeft dit schoone land, als een eigenaardig lid van ons vasteland, met een scherp uitgedrukt en, trots alle verschil in enkele zaken, met een in algemeene hoofdtrekken, gelijk karakter en wezen voorzien. Nauwelijks heeft men den Alpenmuur, die dit schiereiland in het Noorden omslingert en het van het middelste hoofdlichaam van Europa scheidt, overschreden, of men meent zich in eene andere wereld te bevinden. Eene zachtere lucht waait den reiziger uit de met duizend bekoorlijkheden getooide tuinen van het Po-land tegen. De lucht heeft zich ontdaan van hare Noordsche nevelen en dampen. De geheele natuur, de atmosfeer en het gansche landschap openbaren een nieuw karakter.--En dit karakter blijft over de geheele lengte van dien vulkanischen dam, met menigerlei wijziging in zoo hooge mate hetzelfde, dat al zijne Zuidelijke en Noordelijke, Westelijke en Oostelijke gedeelten veel minder met elkander een contrast vormen, dan het geheele schiereiland met andere gedeelten van het vaste land, aan gene zijde der Alpen of aan gene zijde der zee.

Met betrekking tot zijne gedaante, is het Apennynsche schiereiland veel minder compact dan het land der Pyreneën of dan Frankrijk in het Westen; niet zoo verbrokkeld als Griekenland in het Oosten, en veel slanker gevormd en veel meer opengesteld aan de invloeden der zee, dan de tot dit land neigende gedeelten van Afrika in het Zuiden. En bovendien vormt het met al deze zijne naburen in vele andere betrekkingen een contrast.

Het vormt daardoor een zeer scherp afgeteekend op zich zelven staand gedeelte van ons vasteland--een door de natuur afgeperkten tuin, die bestemd scheen, het vaderland van een bijzonder en op zich zelven staand menschengeslacht te zijn.

De van het Noord-Westen naar het Zuid-Oosten loopende keten der Apennijnen, deelt het land in twee deelen. Eene reeks kleine dalen en smalle vlakten wordt aan de Oostzijde aangetroffen. Zij is naar de Adriatische zee gekeerd, maar aan den invloed van Noorde- en Oostewind blootgesteld; ligt in het gezicht van Illyrië en Albanië, en hare zuidelijkste uiteinden loopen geheel uit in de naburige wateren van Griekenland.--Eene andere reeks dalen, berghellingen, rijk met allerlei kruiden begroeid, vruchtbare vlakten en fraaie golven en baaien slingeren zich langs de westzijde heen. Zij staan meer open voor de warme Zuide- en zachte Westewinden. Zij hebben een grooteren rijkdom aan dalen en eilanden. Aan dezen kant is het aangezicht van Italië, de beteekenisvolle en geschiedkundige glanszijde van dit lichtland, dat naar het Oosten zijne schaduw- en rugzijde heeft.

Daar in het Westen liggen hare bekoorlijkste landschappen, de liefelijke dalen van den Arno en den Tiber, het vroeg beschaafde Etrurië; verderop het hoofd-middenpunt der beschaving en macht-ontwikkeling, Rome; vervolgens het weelderige Campanië, het paradijs van Napels en andere brandpunten van het Italiaansche leven. De kust loopt langs de binnenzee, die gewoonlijk de Toscaansche genoemd wordt. Even als het hoofdlichaam van het schiereiland zelf, zoo slingeren zich ook de groote Italiaansche eilanden om deze binnenzee heen, en sluiten haar als het ware in: slechts door vier groote straten of waterpoorten heeft deze groote binnenzee met het hoofdlichaam der Middellandsche Zee gemeenschap. Men zou deze binnenzee de Westelijk-Italiaansche kunnen noemen, even goed als men den Archipelagus, het wezenlijke Grieksche levens-bekken genoemd heeft.--De schiereilanden van Griekenland en Italië staan in geographischen zin in omgekeerde rede tot elkander. Het eerste sluit zich tegen het Oosten aan open en heeft zijn rug in het Westen in de bergen van Albanië en Epirus. Dit daarentegen opent zich tegen het Westen, en keert den rug naar het Oosten. De beide elkander anders zoo verwante en naburige landen keeren het gezicht dus van elkander af. In deze verhouding is dan ook de oorzaak te zoeken, dat de Italianen altijd meer met het Westen, de Grieken--hetzij als overheerschers, hetzij als onderworpelingen--meer met het Oosten verbonden waren.

Aan water heeft Italië geen gebrek. De hoeveelheid regen en dauw, die in den loop van een jaar op haar oppervlakte nedervalt, is veel grooter dan in de naburige schiereilanden, Griekenland, Spanje en Afrika. Het is het rijkelijkst bevochtigde land aan de Middellandsche Zee. Van de Alpen-gletschers stroomen nimmer opdroogende rivieren in zijne lachende dalen neder, en in de hellingen der Apennijnen ontspringen tallooze bronnen, beken en watervallen. Vele grond-verdiepingen aan den voet der Alpen en langs de bergketen der Apennijnen, zijn dientengevolge met prachtige meren--in het drooge Spanje eene zeldzaamheid--voorzien.

De stroomen hebben overal vette laaggelegen landen en vochtige landstreken tusschen de rots-gewelven gevoegd, en overal wordt derhalve de gelegenheid aangeboden, de dalen op natuurlijke en kunstmatige wijze te bevochtigen en vruchtbaar te maken.--Daarentegen verhindert de geringe breedte des lands eene grootsche vorming van groote rivieren. Behalve den Po, den Arno en den Tiber heeft Italië geen in eenigzins belangrijke mate bevaarbaar water; het bezit alleen bergstroomen, die naar alle richtingen heenstroomen, en de rivier-stelsels hebben daarom hier ter verbreiding en tot de eenheid van een eigendommelijk volk veel minder kunnen bijdragen, dan b.v. in Hongarije, Polen en Rusland, waar de volkeren bijna altijd langs de stroom-aderen heengeslingerd zijn, en waar eenige van hen zich tegelijk tot dit of tot dat riviergebied bepaald hebben. Ook heeft de hooge en ruwe rug der Apennijnen steeds veelvuldige afzondering en afscheiding veroorzaakt. Slechts met moeite en op enkele punten heeft hij de vorming van gemakkelijke land- en volkenwegen, van het Oosten naar het Westen toegelaten. Door hare veelvuldige vertakkingen, verdeelen de Apennijnen het land in eene menigte kleine, dikwijls zeer scherp afgeteekende onderdeelen.

Thans is het geheele weefsel dezer fraaie, Italiaansche landschappen, van de hellingen der Alpen in het Noorden tot aan de Zuidelijkste punten van Calabrië en Sicilië, door een en hetzelfde geslacht bewoond, dat in al zijne onderdeden als broeders leeft en zich bloedverwanten gevoelt, en door eene groote gelijksoortigheid van physische en psychische eigenschappen geschikt was één volk uit te maken. Zij noemen zich allen met denzelfden naam "Italianen", zij spreken allen dezelfde taal. Zij schijnen allen door dezelfde gedachten, door dezelfde sympathieën bezield te zijn.

Zooals het nu is of ten minste worden wil, het geheele Italië, van af de Alpen tot aan Malta, één lijf en ééne ziel, één geest en één polslag, in een woord één vaderland, zoo is het bijna nooit geweest. Immers, wij zien het land, als de eerste ochtendstralen der geschiedenis er op vallen, bewoond door kleine volken van zeer verschillend type, die, noch door vreemden, noch door zich zelven, onder een algemeenen naam samengevat werden. Zij weken zoozeer van elkander af, dat zij zich niet eens door hunne talen aan elkander verstaanbaar konden maken. Zij leefden onder elkander, zonder den minsten onderlingen band, in aanhoudenden krijg. Toch waren zij, ten minste het grootste gedeelte, in Midden- en Zuid-Italië, wat hunne oorspronkelijke afstamming betreft--nieuwere onderzoekingen hebben zulks bewezen--aan elkander verwant. De wortelen hunner talen, de vormen hunner verschillende staatsregelingen en hunner zeden bewijzen, dat zij oorspronkelijk het dichtst stonden bij die Indo-Europeanen, die ook het groote schiereiland in het Oosten bevolkt hebben, de voorvaderen der Grieken, de zoogenaamde Pelasgen.

In alle gebieden van het menschelijk doen en werken, laat zich deze van eeuwen her dateerende verwantschap van den hoofdstam der Italianen en Grieken nawijzen. De namen hunner Goden zijn gelijk en hunne rollen zijn eveneens verdeeld. De volks- en stamsagen van beide volken zijn dezelfde. De wijn- en landbouw draagt bij beiden hetzelfde type. De lengte- en vlaktematen zijn ook bij beiden dezelfde. In de stedelijke wetgeving, in het muntwezen, in de burgerlijke standen zien wij, trots alle verscheidenheid in bijzonderheden, bij beiden zeer gelijke algemeene verhoudingen en vormen. Het oude Grieksche woonhuis, zóóals het door Homerus beschreven wordt, verschilt weinig van die, welke men in het hart van Italië altijd vond. "Zelfs in de eenvoudigste elementen der zeden en der kunst, in de volksfeesten, in den wapendans, in het minnespel, overal treft men de nauwe verwantschap der voorvaderen van de Hellenen en der stammen van het oude Italië aan."--Zij schijnt zich ook daarin te openbaren, dat, toen later de Hellenen als handelaars en ontwikkelde stedenstichters naar Italië kwamen, deze oude Italianen zoo gemakkelijk en als ware het door sympathie gedrongen, met hen samensmolten, en dat ten laatste zelfs de helft van Italië den naam "Groot-Griekenland" ontving.

De talrijke bloeiende steden en staten, die de Grieken in de Zuidelijke uiteinden van het schiereiland en op Sicilië stichtten, bewerkten, dat de inheemsche volken hunne eigene talen en dialekten ten deele verleerden en in zeden en ontwikkeling half en half Grieken werden.--Op Sicilië kreeg de Grieksche taal geheel het burgerrecht, werd zij wijd verbreid en bleef het ten deele ook gedurende de heerschappij der Romeinen, ja zelfs tot diep in de midden-eeuwen. Toen de Romeinen met hunne veroveringen in deze Zuidelijke streken doordrongen, namen zij zelven zeer spoedig veel van de Grieksche zeden en beschaving aan.--De Grieken zijn in verschillende tijden naar deze, het dichtst bij hen gelegene streken van Italië, teruggekeerd. Zulks gebeurde ook weder na den val van het West-Romeinsche rijk. Sicilië, Calabrië en verscheidene andere gedeelten van Zuid-Italië, waren nog tot in de 11de eeuw in de handen der Grieksche Keizers. Zelfs thans nog is in eenige oorden van Zuid-Italië eene Grieksch-sprekende bevolking overgebleven. Ja! de Italiaansche geschiedschrijver Botta beweert, dat het geheele karakter der hedendaagsche Napolitanen eigenlijk nog Grieksch is. "Hunne volksfeesten, hunne dansen, hunne vroolijkheid, hunne lichtzinnigheid, hunne neiging tot het gebruik maken van sophismen, dit alles" zegt hij, "is geheel Grieksch." De Lazzaroni in Napels zouden de directe afstammelingen zijn der oude Grieken van Cumae en Neapolis, twee Grieksche koloniën, die reeds 1000 jaren voor Christus geboorte aan de golf van Napels gesticht werden.

Verscheidene der volken, die op den bodem van Italië, in oude tijden eene rol gespeeld hebben, zijn ons tot op den huidigen dag, wat hunne afstamming betreft, raadselachtig gebleven. Zoo vooral een der meest belangrijke hunner, de oude "Etruskers," die reeds lang voor den bouw van Rome in het land der Medicis, een staat gesticht hebben, waarin landbouw, steden en kunsten bloeiden. Hoe veel onderzoek men ook in het werk gesteld en hoeveel men ook geschreven heeft, toch weten wij nog niet uit welke bronnen hunne beschaving, die gelijktijdig met de Grieken bestond, en deze ten deele nog vooraf ging, voortgesproten is.--Hunne ruwe taal, die rijk aan consonanten is, week ver van die der Italianen en Grieken af. De mond der Romeinen en Grieken kon haar niet uitspreken.--De Etruskische muziek was, even als hunne overige kunsten, van zeer eigendommelijken aard. Zij kenden het gieten van erts, het graveeren en het drijven op metalen, en bewerkten het goud en zilver tot de fraaiste versierselen, in een tijd, toen de andere Italianen van dat alles nog weinig wisten.--Even zoo muntten zij uit als boetseerders in klei, en de elegante vorm hunner vazen wordt nog heden bewonderd en gevolgd. De Toskaansche of Etrurische zuil, die ouder dan de Dorische is, heeft van hen haar naam ontleend. Hun godsdienst, hunne godenleer en hunne mythen hadden slechts weinig met die der overige Italianen en Grieken gemeen. Het bestuur hunner steden en staten was even eens eigendommelijk en afwijkend, en diende den Romeinen bij hunne burgerlijke inrichtingen tot model. Hunne koloniën waren vóór den bloeitijd der Romeinen zoo ver in Italië verspreid, en hun volk was zoo machtig, dat het grootste gedeelte van het schiereiland aan hunnen invloed onderworpen zou geweest zijn.

Etrurië was eens naast Griekenland, de plaats waaruit de beschaving zich over ons werelddeel verspreidde. En niettegenstaande dat alles zijn wij, zooals gezegd is, in het onzekere over de afkomst van dit volk. Volgens eene oude sage zouden zij eene uit Lydië in Klein-Azië gekomene, en aan de kusten van Italië zich nedergezet hebbende kolonië zijn.--De nieuweren echter, hebben hen nu eens voor Celten, dan voor Iberen, ook wel eens voor een uit het Oosten met vaartuigen overgekomen Semitisch volk, of ook wel voor Pheniciërs gehouden. Daar zij zelven zich "Rasenen" noemden, en die naam met dien der "Rhaeters" of "Rhaetiërs," in de hooggebergten van Grauwbunderland, gelijkluidend is, zoo hebben wederom anderen hen over deze bergen uit het nevelachtige Noorden laten afzakken. Hiermede komt de nu nog bestaande traditie der heden ten dage zoogenaamde Romaenen in Grauwbunderland, overeen, die beweren, dat de oude Etruskers van hunnen stam afkomstig zijn; anderen weder beschouwen hen slechts als overblijfselen der naar de bergen gevluchte Etruskers.

Ofschoon zij, nadat de macht der Romeinen gebroken was, in de massa der overige bewoners van Italië versmolten, zoo kan men toch den geest der Etruskers, als nog tot op den huidigen dag voortwerkende, beschouwen. Daar zij bij de Romeinsche verovering, hunne staatsinrichtingen en godsdienstige gebruiken aan de Romeinen mededeelden, en het geheele politieke leven der Romeinen hielpen grondvesten, zoo werken zij, middellijk en op grooten afstand, ook nog op ons. Nog dichter naderen zij ons in de later in het land der Medicis weder opbloeiende kunst en beschaving. Want waarschijnlijk was dit niets dan een tweede oogst op den ouden, door de verdwenen Etruriërs bemesten bodem. Met recht voerde men daarom ook ten tijde van Napoleon, den naam "Etrurië" weder in, welke naam trouwens altijd voortgeleefd heeft in den naam der Etrurische of Toscaansche Zee.

Gelijk het verband als naburen, van Italië met zijne tweeling-zuster, het Grieksche schiereiland, zoo heeft ook de nabuurschap met Afrika en met het vaderland der Semiten, in den loop der jaren herhaalde malen vreemdelingen aan Italië toegevoerd.--De Pheniciërs, de voorgangers der Grieken in de heerschappij over de Middellandsche Zee, hadden reeds vroegtijdig koloniën rondom Sicilië en Sardinië gesticht. Na hen overmeesterden hunne zonen, de Karthagers, al de groote Italiaansche eilanden, en behielden ze geruimen tijd in hunne macht. Deze Afrikanen streden zelfs tegen de Romeinen om de heerschappij over geheel Italië'. Onder den naam Saraceenen kwamen de kinderen van Sem, in het begin der middeneeuwen weder, en verbreidden hunne heerschappij en koloniën over dezelfde gedeelten van Italië die de Karthagers bezeten hadden; zelfs nog in de 13de eeuw marcheerden Afrikanen, als hulptroepen van Keizer Frederik II, door het geheele schiereiland, en lagen, even als eens de troepen van Hannibal of van Genserik, overal in kwartier.

Ook in latere tijden heeft eene omruiling van bevolking tusschen Italië en Afrika onder verscheidene vormen meermalen plaats gegrepen, en men kan dus gemakkelijk nagaan, dat eenige sporen daarvan in het karakter en de zeden der Italianen achter gebleven zijn.--In hunne taal vinden wij nog verscheidene uitdrukkingen, die betrekking hebben op handel en scheepvaart, van Arabischen oorsprong. Eene gemengd Italiaansche-Saraceensche taal en ras, bestaat nog op het eiland Malta. Ook in Calabrië, op Sicilië en op de andere Italiaansche eilanden, verraadt het dialect en de het volk eigene keeltoon, de inmenging van Arabisch bloed. En eene overeenkomst met het karakter der Mooren, met hun hartstochtelijk en wraakzuchtig temperament, dat ook het Spaansche volks-karakter uitmaakt, laat zich, zooals de Italiaan Mariotti zegt, gemakkelijk bij de Italiaansche eiland-bewoners waarnemen, even als ook hunne olijfbruine huidkleur, en hun bleek gelaat aan de Pheniciërs, Karthagers en Saracenen herinneren.

Doordien Italië zuidwaarts diep vooruitdrong in het aloude kanaal der beschaving, de Middellandsche Zee, kwam het in aanraking met de Oostersche, Afrikaansche en Grieksche zeevarende volken; en daar het noordwaarts als ineengegroeid was met het vaste land van ons werelddeel, bracht zulks het in verband met de Noordelijker volken, de Celten, de Germanen en ook eenigermate met de Slawen. De eersten, de Celten, de voorvaderen der Franschen, spelen daarbij de oudste rol. Zij hebben zich reeds in de vroegste tijden in een aanzienlijk gedeelte van Italië inheemsch gemaakt. Zij hebben als grondbevolking het geheele fraaie land tusschen de Alpen en Apennijnen bezet. Het duurde lang, voor dat dit ook onder den naam "Italië" begrepen werd. Het heette voor de geboorte van Christus Gallië en wel, ter onderscheiding van het groote Gallië aan gene zijde der Alpen, het Gallië aan deze zijde der Alpen "Gallia Cisalpina." Van uit de Alpen en van af den Po drongen deze Galliërs meermalen Midden-Italië binnen, en verwoestten Rome en andere bloeiende steden. Daarentegen waren zij de eerste stichters van Milaan en van andere beroemde plaatsen van Boven-Italië.

De Celten hebben, naar men zegt, reeds van den beginne af aan, in het type van hun ras meer gelijkheid met de oude Italianen gehad, dan de Germanen en de andere Noordsche naburen. Nadat het echter den Italianen onder Cesar gelukte, de Galliërs in hooge mate te romaniseeren of te italianiseeren, werd gedurende den vierhonderdjarigen duur der Romeinsche opperheerschappij, eene geestelijke verbroedering tusschen beide Romeinsch gewordene natiën tot stand gebracht, die tot op onze dagen toe de bron geweest is van veelvuldige verwisseling en van gemeenschappelijke neigingen en eigenaardigheden. Wel zijn de Galliërs en hunne opvolgers, de Franken en Franschen, de verwoesters van Rome geweest; even als vroeger onder hunnen Brennus, zoo ook later nog dikwijls onder Karel den Groote, onder de Anjou's, onder Karel VIII, en in den lateren tijd onder hunne Napoleons, zijn zij onder den naam van bevrijders, als beheerschers en onderdrukkers Italië binnengedrongen, en hebben de Italianen, in bloedige slagen en Siciliaansche vespers, zich tegen hen trachten te beschermen, maar dat neemt niet weg dat er, over het geheel, buiten den door de Alpen gevormden ringmuur, geen volk is, waarmede de Italianen als natie, zooveel overeenkomst in geaardheid hebben, waarvoor zij zooveel sympathie gehad en waarmede zij zulke nauwe betrekkingen aangeknoopt hebben, als met de Franschen. Even als de Provençaalsche dichtkunst, even als in eene latere periode, ten tijde van Lodewijk XIV, de zoogenaamde klassieke literatuur der Franschen, zoo vonden ook alle andere voorbeelden van Frankrijk, in Italië steeds een open oor en hart. De Fransche revolutie in het einde der vorige eeuw, gaf aan Italië eene nieuwe gedaante. De door Napoleon I weder aangeknoopte nauwere verbinding van Italië met Frankrijk, bracht de politieke denkbeelden der Franschen daar in omloop, en liet bij het volk een zoo groot gistings-proces achter, dat men bijna zeggen kan, dat de tegenwoordige geestelijke ontwikkeling der Italianen op Trans-Alpijnschen bodem gewassen is. "Zij denken Fransch over staat, godsdienst en wijsbegeerte; en zoo al niet hunne poëzie, dan is toch hun proza in hooge mate op Fransche leest geschoeid."--Het oude land der Gallische Allobrogen, Savoye en de Ligurische grensmarken van Nizza, landstreken, die eene Fransch sprekende, Celtische grondbevolking hebben, zijn tot op de nieuwste tijden, nu eens met de Franschen dan met de Italianen, onder dezelfde heerschappij verbonden geweest.

Hét provinciaal-dialect der Piemonteezen en Lombarden, heeft nog nu veel Fransch of Gallisch; zij hebben b.v. iets van den Gallischen neusklank en de voor het Toscaansche oor zoo onaangename uitspraak der "oe" als "u". Een Engelschman, de heer Edwards, die zich in den nieuweren tijd door zijne phrenologische onderzoekingen een naam maakte, heeft bij de tegenwoordig aan den Po wonende menschen, zelfs dezelfde schedel- en gelaatsvorming gevonden, welke men bij hen, die langs de Rhone en de Loire wonen, aantreft; hij heeft gemeend, daardoor te kunnen bewijzen, dat deze zoogenaamde Italianen, met betrekking tot hun bloed en hunnen lichaamsbouw, nog heden tot de Galliërs of Celten behooren.

De verbinding der Italianen met de Galliërs dateert van onheugelijke, vóór-historische tijden. Hunne eerste aanraking met de Germanen laat zich iets beter nawijzen. Het was niet lang voor de geboorte van Christus, toen zij, onder den naam van "Cimberen en Teutonen," hunne oorspronkelijke woonplaatsen in het Noorden verlieten, en voor het eerst ten Zuiden der Alpen verschenen.--Sinds dien tijd echter, zijn de Italianen om zoo te zeggen altijd met hen in strijd geweest, zonder dat echter noch de Duitschers in massa in Italië, noch de Italianen bij de Germanen op die wijze inheemsch geworden zijn, als de hun nader staande Galliërs.--Een diep gewortelde afkeer voor elkander schijnt de naturen dezer beide, zoo sterk met elkander contrasteerende, landen en stammen eigen te zijn. De Italianen vermochten het Rijn- en Donauland nooit in die mate te romaniseeren als het Celten-land; zij werden daaruit door meer dan één Varus-slag verdreven.--Omgekeerd hebben ook de onbeschaafde Noordlanders, hoe dikwijls zij ook het fraaie Zuidland binnentrokken, daar nergens op den duur hun ras, hunne taal en zeden heerschend kunnen maken.--"Italië, ofschoon overwonnen, stond tegen hunne betrekkelijk weinig talrijke scharen altijd over, met eene dichte bevolking, met eene oude beschaving en met eene weelderige natuur. Het slikte de binnenrukkende Duitschers altijd naar lichaam en ziel op." Het was aan weerszijden spreekwoordelijk, dat Welschland bestemd was het graf der Teutonen te worden. En bij dezen bleef altijd het oude spreekwoord in zwang: "Graecia capta ferum cepit victorem." Het onderworpene beschaafde volk ving de wilde overwinnaars in zijne zijden netten.--De Herulers, de Gothen, de Vandalen zijn, ofschoon zij lang in Italië den baas speelden, allen weder spoorloos verdwenen en weggevaagd.

Alleen de Longobarden maken daarop eene uitzondering. Deze Germanen oefenden inderdaad een zeer merkwaardigen en blijvenden invloed op Italië uit. Zij worden ons als de wijste, koenste en dapperste van alle Italië binnenrukkende Duitsche stammen geschilderd, en men vergelijkt hunne inmenging op volk en land met die der Franken in Frankrijk en met die der Anglo-Saksen in Engeland. Zij verspreidden zich bijna over het geheele schiereiland; zelfs in het Zuiden stichtten zij de lang bestaan geblevene Hertogdommen Spoleto en Benevento, die het grootste gedeelte van Midden-Italië en van het tegenwoordige Napels bevatten. In het Po-dal echter schoten zij het diepst wortel, en smeedden daar de ijzeren kroon, den diadeem der latere zoogenaamde Koningen van Italië, die nog op de plaats ligt, waar de Longobarden dien, eens nederlegden.--Daar zij zich er geheel inheemsch maakten, zoo smolten zij ten laatste geheel met de bewoners van het land samen, en oefenden zij een niet geringen invloed uit op de vervorming der oude Romeinsche taal tot de nieuwere Italiaansche. Zelfs nadat zij zelven reeds in Italianen vervormd waren, bleef nog de door hen ingevoerde staatsvorm, het Duitsche recht en het leenstelsel bestaan. In den beroemden Lombardischen stedenbond, en in de nog heden gebruikt wordende Germaansche benaming "Lombardye" voor het Po-dal, heeft hun volksnaam zich evenzeer behouden, als die der Angelen in "Engeland" en die der Franken in "Frankrijk". Ook verraden de bewoners van dit dal, van Turyn tot aan Ravenna en Rimini, nog heden niet onduidelijke sporen eener vermenging met Germaansche bestanddeelen. "Daar kenmerken de menschen zich" volgens de getuigenis van een Italiaanschen ethnograaf, "nog heden door eene lichtere kleur van haar, blankere gelaatskleur, groote levendige oogen, slanke deftige maar zelden fijne gestalte, van de andere Italianen.--Ook is daar de taal ruwer en rijker aan consonanten, dan daar waar de Germaansche invloed onbeduidend of in het geheel nièt geweest is, zooals in Rome, Toscane en nog meer in Zuidelijk Italië". "Zij munt uit," zegt een Italiaan, "door kracht en kortheid."

Even als de Noordsche spraakklanken, zoo is ook de krijgshaftige geest van het Noorden hier meer te huis gebleven. Napoleon en na hem Oostenrijk en later Victor Emanuel, recruteerden in Noordelijk Italië aan den Po hunne beste Italiaansche regimenten.

Eindelijk vinden wij daar ook nog, op de weide-plateau's en in de boschachtige schuilhoeken van eenige schoone bergen bij Vicenza en Verona, eenige nog heden tamelijk onvervalschte overblijfselen van Duitsch volk, midden in den schoot van den Italiaanschen stam, de herdersdorpen der zoogenaamde Tredeci en Sette Comuni, die nog heden ten dage een Duitsch dialekt spreken, en die er roem op dragen afstammelingen der oude Germanen te zijn.

Na de Germaansche volkenbeweging in de de 5de en 6de eeuw, zijn nog ontelbare malen Duitschers over de Alpen Italië binnengetrokken. De Frankische Koningen en de Duitsche Keizers uit het Saksische, Salische en het Hohenstaufsche huis, hebben door kracht van wapenen een dikwijls bestreden heerschersrecht in Italië geldig gemaakt.--Door deze van tijd tot tijd wederkeerende en als de noordewind invallende, zoogenaamde "Romeinen-tochten" der Duitsche Keizers, werden echter geene nieuwe Germaansche bestanddeelen in de massa van het Italiaansche volk gebracht, het waren geene volksinvallen. De Duitsche Keizers verschenen slechts voorbijgaande aan het hoofd hunner krijgshaftige oorlogscharen.--Dikwijls streden zij met Italiaansche troepen tegen de Italianen, die eeuwen lang door tweespalt in partijen verdeeld waren, en onder wie de Duitschers zich, slechts zoo lang hunne tegenwoordigheid duurde, gehoorzaamheid en aanhang verschaften; eene germaniseering van Italië bewerkten zij niet. De Duitsche Keizers, zooals b.v. Frederik II, werden daarbij eerder zelven Italianen. Ook lieten zij het land meermalen door Italiaansche staatslieden en raadgevers besturen, en namen deze ook wel mede naar Duitschland. "Telken male echter," zegt een Italiaansch geschiedschrijver, "waschte de eerste lenteregen het bij deze "Romeinen-tochten" vergoten bloed weer weg. De eerste oogst, rijk gevoed door een bodem, bemest door de lijken der Noordlanders, maakte de schatting weder goed, die de verkwisting der soldaten noodig gemaakt had, en de zonen van het Zuiden wischten zich de tranen uit de oogen, grepen weder naar de lier en begonnen weder op hunne eigenaardige wijze te zingen als een zwerm vogels wanneer de stormwind voorbij is."--Dat deze voorstelling over het geheel de ware is, bewijst onder anderen de Italiaansche taal. Want het is verwonderlijk, hoe weinig Duitsche woorden, trots al die scharen van duizend en nog eens duizend Duitschers, die naar Italië gekomen zijn, aan haar bleven hangen. Uitdrukkingen als: "guerra" (weer), "arnese" (harnas), "stivali" (stevels), "caccia" (jagt), "fiasci" (flesch), "bicchiere" (beker), hebben alleen op jagt, oorlog en drinkgelagen en dergelijke zaken betrekking.--Overigens zijn, naar men zegt, in de locale dialecten van enkele bergdalen, zelfs in de Apennijnen, zulke Duitsche spraakbrokken meer bewaard, dan in de Italiaansche spreek- en schrijftaal.

Even als met de Celten en Germanen, zoo zijn eindelijk de Italianen ook met de derde groote Indo-Germaansche volkengroep, met de Slawen, in aanraking gekomen.

In den Noord-Oostelijken hoek van Italië woonde reeds lang een volk, dat de geographen der ouden voor Illyriërs (Albaneezen?) hielden, en dat zij "Venetiërs" noemden, van welken naam hun land ten Noorden der Adriatische zee, den zijnen "Venetia" ontleende. Wegens de overeenkomst van dezen naam met dien onzer Slawische "Wenden", en op andere gronden hebben verscheidene historici vermoed, dat deze oude Venetiërs, van wie de stad Venetië haren naam ontleende, oorspronkelijk Slawen geweest zijn, die eerst later geitalianiseerd geworden zijn.--De nog heden den Venetiaanschen mond eigene zachtheid van toon, vooral in tegenstelling met den harden toon der Lombarden, zouden een gevolg dezer Slawische verwantschap zijn. Ook hebben verscheidene namen der, nu Italiaansche, steden in de nabijheid van Venetië, zooals "Triest", "Pola", "Grado" en andere, een Slawisch karakter.

Dat ten tijde der volksverhuizing, met de Germanen, vooral ook met de uit Hongarije hier binnenrukkende Longobarden, ook vele Slawen naar Italië kwamen, even als in onze dagen met de Oostenrijksche legers, is aan geen twijfel onderhevig. Hunne elementen zijn daar echter onder Germaansche namen verborgen.--Even zoo uitgemaakt zeker is het, dat de Noord-Oostelijke uiteinden van Italië, reeds in de 7de eeuw door Slawen omsingeld waren. De Slawische taal was toen zelfs aan het hof van den Hertog van Friaul in gebruik, en de Slawen trokken dikwijls over de Isonzo op Italiaanschen bodem, en stichtten daar steden, burchten en dorpen, die nu nog bestaan en waar beide talen, het Italiaansch en het Slawisch nog heden gesproken worden. Op eene tamelijk uitgestrekte lijn, langs de grenzen van Karinthië, Kroatië en Istrië, zijn Slawische en Italiaansche elementen met elkander vermengd, en deze grens is, door de veroveringen en volkplantingen der Italianen in Illyrië en Dalmatië, nog verder uitgebreid geworden. Daardoor werd Venetië zelve een middelpunt voor de Slawen, die als matrozen en soldaten daar heen gingen, wier voorname geslachten niet zelden in de Venetiaansche aristocratie werden opgenomen, en wier heldere geesten somwijlen deelnamen aan het streven der Italianen om kunst en beschaving te ontwikkelen.

Uit dit overzicht der vroeger Italië binnengedrongene volken, blijkt dus, dat dit land in oude tijden,--vóór Rome--door de meest verschillende stammen, men kan zeggen door gedeelten van alle in Europa en om de Middellandsche Zee wonende rassen, bewoond was, en dat het ook in het vervolg van tijden meermalen weder door al deze stammen, die daarheen als tot een geographisch middelpunt samenliepen, aangegrepen werd. Vraagt men nu, hoe al deze op het schiereiland van de vroegste tijden af voorhandene, en steeds op nieuw binnendringende vreemde elementen, zich tot één volk gevormd hebben dat in aanhoudenden strijd met hen eene gelijkvormige nationaliteit ontwikkeld en behouden heeft? Het is vrij wel uitgemaakt dat de eerste, en ook voor alle tijden voornaamste grondvesters van een "Italia Unita," de Romeinen geweest zijn.--Zij waren van oud-Italiaanschen stam en bewoonden het midden van het lange land, waar zich altijd de echte Italiaansche natuur zuiverder bewaard heeft, dan in de naar het Oosten gekeerde Zuidelijke punt, en in de, het Noorden de hand reikende, Po- en Alpendalen. Van uit het midden veroverden de Romeinen het eene der Italiaansche landschappen na het andere, het eerst die der met hen verwante Latijnen, Umbriërs en Samnieten, en ook die der zeer van hen verschillende Etruskers.--Hunne veroveringen sleepten niet alleen eene omverwerping van de oude staatsregelingen der onderworpene steden en staten na zich, maar ook eene vereenzelving in bloed, zeden en taal. Burgerlijke- en militaire koloniën trokken buiten de muren der stad Rome, en maakten het geheele land, waarover zij zich verbreidden, gelijkvormig. De groote land- en militaire wegen, die de Romeinen in de Apennijnen in verschillende richtingen aanlegden, brachten er het hunne toe bij, om het geheele schiereiland in een maatschappelijk geheel te hervormen. De scherp in het oog vallende volkseigenaardigheden verminderden allengs overal. De oude, zeer van elkander verschillende Oscische, Etrurische, Ausonische tongvallen, werden overal op den achtergrond gedrongen, de Romeinsche of Latijnsche taal werd overal de heerschende.

Op die wijze overal omwentelingen en volksplantingen aanbrengende, drongen de Romeinen ook het Grieksche Beneden-Italië en Sicilië binnen. Ook daar moesten Grieksche taal en zeden het onderspit delven voor de Romeinsche. Daar de Romeinen hier echter het gebied eener meer ontwikkelde en oudere beschaving binnenrukten, zoo konden zij er wel niet buiten, hier veel van aan te nemen, en van toen af aan ging derhalve ook de toenemende Latiniseering van het schiereiland, met de toenemende Helleniseering der Romeinen hand aan hand.

Van dit Zuiden, niet uit de muren hunner stad, waaruit zij anders alles van daan haalden, ontleenden de Romeinen den naam van het door hen tot één gemaakte en veranderde land en volk. Geene benaming zou er natuurlijker voor geweest zijn, dan de naam "Romania" (het land der Romeinen), want de Romeinen waren zijne scheppers.--In stede van dien duldden zij het, dat uit de zuidpunt van het land, wij kunnen niet meer nagaan hoe, de ten eenemale onbekende naam van een arm herdersgeslacht, zich als eene slingerplant uitbreidde en het geheele schiereiland overtoog. In de landpunt aan de zeeëngte van Messina, die wij heden ten dage Calabrië noemen, moet volgens de legende in oude, gouden tijden een Koning "Italus" geheerscht hebben, wien ter eere de menschen daar, die tot dien tijd toe "Oenotri" (d.i. de wijnbouwers) heetten, zich "Itali" en hun land "Italia" noemden.--Volgens anderen zouden de Calabriërs dezen naam, uit hoofde hunner schoone weidevelden, van oudsher gevoerd hebben; want "Italia" van oudsher verwant met het Latijnsche "Vitulus" (jong rund) moet zooveel als het runder- of weiland beteekenen. Nog tijdens den bloei van het oude Syracuse strekte zich echter deze naam, die voor zoo grooten roem bestemd was, niet Noordwaarts van het Calabrische schier-eiland uit. Langzamerhand sedert de 4de eeuw voor Christus geboorte, omvatte hij reeds het Zuidelijk Italië.--Tegen het einde dezer eeuw namen de Romeinen hem aan, toen zij Zuidelijk Italië veroverden; zij brachten hem verder Noordwaarts, aanvankelijk echter niet aan gene zijde der Toscane omgevende Apennijnen.--Daar scheidde de Rubico, eene kleine rivier in het Zuiden van Ravenna, nog lang dat wat men "Italië" noemde, van de Noordelijke Po-vlakte, die nog onder den naam "Gallië" begrepen werd. Eerst na de Punische oorlogen drongen de Romeinen ook als overwinnaars, koloniseerende en de oude Cis-Alpijnsche Galliërs hunne nationaliteit ontnemende, het Po-land binnen. Zij verbreidden hunne taal en zeden en die der nu met hen verbondene Italianen, van het Zuiden tot aan den voet der Alpen, die hun eene zeer natuurlijke grens van hun verruimd vaderland toeschijnen moest. Deze italianiseering van het Po-land was echter reeds lang half voltooid, voor men het den naam Gallië officieel ontnam. Eerst Keizer Augustus volgde de publieke opinie, die reeds toen algemeen tot aan de Alpen reikte, dat is, hij breidde den naam Italië zoover uit als die later bijna altijd gegolden heeft, tot aan den Varus of Var bij Nizza tegen Gallië, tot naar Istrië in het Oosten en tot aan de gletschers in het Noorden. Men mag dus Keizer Augustus als den schepper van het idee "Italië" en "Italianen" beschouwen.

De geheele bedwinging en verovering van Italië door de Romeinen, kan men beschouwen als eene vereeniging der Italianen tot één staat onder echt Italiaansche banier, als eene gelijkmaking en samensmelting van al het vreemde op Italiaanschen bodem tot één volk.--De Italianen hebben door de Romeinen onder alle volken in Europa, het eerst het voordeel behaald, dat zij, als een, wat taal, zeden, sociale en politieke inrichting betreft, vereenigd volk daar stonden, in een tijd, toen nog alle andere rassen van ons werelddeel in stammen en clans opgelost, door elkander lagen. Zulk eene nationale vereeniging was zelfs den zoo hoog beschaafden, maar altijd in tweespalt levenden Grieken nooit gelukt.

Het werk der, om zoo te zeggen voor de eeuwigheid bouwende Romeinen, heeft alle wisselvalligheden der volgende eeuwen overleefd. De door hen gelegde grondslagen voor de Italiaansche eenheid, vormen nu nog de basis der Italiaansche nationaliteit. Hunne, in het verloop der tijden gewijzigde taal, den door hen aan het volk, tusschen de Alpen en Sicilië, gegeven toon, en de herinnering aan hunne heldendaden, zijn in alle eeuwen tot op den huidigen dag, het patriotische cement geweest, dat de Italianen tot één volk verbond en verbindt.--Alleen de voorbereidselen der Romeinen maakten het mogelijk dat de liederen, in lateren tijd door een Dante of Petrarca aan den Arno gezongen, in het geheele land als uit het gemoed des volks voortgekomen, weerklonken.

De stempel, dien zij op het volk, tot aan den Var en tot aan den bovensten rand der Alpen, drukten, was zoo onuitwischbaar en vast, dat die altijd weder, door alle later daarover uitgeschudde elementen heen, te voorschijn kwam en zich overwinnend naar boven werkte, en dat Italië ten allen tijde daarnaar streeft, zich politiek binnen dezelfde grenzen te vereenigen, die Keizer Augustus het afbakende.--Deze vroeger door de Romeinen tot stand gebrachte vereeniging van geheel Italië tot ééne gelijksoortige natie, gaf den Italianen het groote overwicht over Europa, waardoor zij in staat waren ons werelddeel te veroveren. Italië werd onder de Romeinen in zoo hooge mate en in zoo uitgebreiden zin het levens-centrum van geheel Europa, als na hem geen ander Europeesch land en volk weder geweest is.--Het bloed en de denkbeelden van het geheele beschaafde Orbis terrarum, culmineerden en centraliseerden een vijfhonderdtal jaren in Italië.--"Rome ontving bij zich alle vreemdelingen, drukte hun zijn stempel op het voorhoofd en zond hen als Romeinen weder de wereld in."

Daar zij een zoo krijgshaftig, krachtvol, ernstig, consequent, gedisciplineerd, politiek en wetkundig volk waren, als men nauwlijks eenig ander in de geschiedenis aantreft, zoo hebben zij dien ten gevolge ook meer dochter-volken en dochter-talen in de wereld gebracht dan eenig ander volk.--Zij brachten eene min of meer algeheele romaniseering of italianiseering van alle landen en volken, van af Schotland tot aan Afrika, van het Pyreneesche schiereiland tot aan den Eufraat, tot stand. De in verschillende landen gesprokene talen werden, door de wereld veroverende Latijnen, niet alleen uit de gerechts-zalen en bestuurs-bureau's van het rijk, maar grootendeels ook uit de bijeenkomsten der beschaafde maatschappijen verdrongen; de Grieksche taal was bijna de eenige die naast die der Latijnen bleef bestaan. De bijzondere rechtspraak en de oude staats- en maatschappelijke instellingen der verschillende rijken, weken overal voor de algemeen in zwang komende rechtspraak en toestanden der Romeinsche monarchie.

Overal waar de Romeinsche soldaat zijn kwartier opsloeg, de Romeinsche kolonist zijne akkers omheinde, aan de Theems, aan den Donau, aan de Tigris en den Nijl, zetten zich ook de Romeinsche bankier en de Romeinsche koopman neder, begaven zich ook uit Italië de landmeters en de architecten, de opperpriesters en de advokaten, de schoolleeraars, de kunstenaars en de handwerkers heen. Overal werden de tegenstellingen uit den weg geruimd, die vroeger de nationaliteiten zoo streng van elkander scheidden, en naast de uiterlijke gelijkheid in de officieele taal, in het geld, de rechtspraak en de administratie, werd het geheele leven, denken en wezen der volken met Romeinsche elementen doordrongen. "Onder alle hemelstreken" zegt Prudentius, "leefden de menschen op Romeinsche wijze, als ware de geheele wereld slechts ééne Italiaansche stad."

Trots de later volgende eindelooze omwentelingen en volksverhuizingen is deze stempel, dien de Romeinen een groot gedeelte van Europa op het voorhoofd drukten, in den loop der eeuwen niet weder verloren gegaan. Waarheen wij ons ook wenden, overal ontmoeten wij nog heden ten dage hunne machtige en onvergelijkelijke inwerkingen. Zij lieten in ons werelddeel, de ver verbreide groep der naar hen genaamde Romaansche volken, achter.--Evenals de nationale geest en de taal der Italianen zelve, zoo rusten ook die der Spanjaarden, der Portugeezen, der Franschen, der Belgen, der ver langs den Donau verspreide Walachyers op de, door de Romeinen door romaniseering gelegde fundamenten.

Maar hun invloed op de beschaving van Europa steekt verre uit boven het bestaan hunner politieke macht en bloei. Zelfs nadat hun lichaam reeds lang dood was, waarde de door hen in het leven geroepen geest in Europa nog rusteloos rond, groote daden verrichtende en bijna nog meer volken bindende, dan hunne legioenen zulks vermocht hadden.

De met de Romeinen opgegroeide en door hen zeer ontwikkelde taal, bleef nog, bijna een duizendtal jaren na de ontbinding van het Romeinsche rijk, de taal van den beschaafden stand, der dichters, der diplomaten, der wetgeving en van het algemeen verkeer in ons werelddeel.--Zij verwierf zich zelfs het burgerrecht in landstreken, waarin Romeinsche krijgslieden nooit gekomen waren, b.v. ook in het geheele uitgestrekte land der Sarmaten en in Skandinavië.--Zij is nog heden ten dage naast hare zuster, de Grieksche taal, de taal der wetenschappen in zoo hoogen graad, dat men zelfs geene nieuwe uitvinding, geen aan de uiteinden der wereld gevonden plantje, gelooft wetenschappelijk geplaatst te hebben, wanneer men er geen Latijnschen naam aan gegeven heeft.--Nog omstreeks het einde der midden-eeuwen werden de dichters vóór Petrarca, niet voor dat wat zij in hunne eigene taal gezongen hadden, maar voor hunne Latijnsche gedichten op het Kapitool gekroond, zooals ook nu nog onze geleerden, alleen door in het Latijn geschrevene verhandelingen, den graad van doctor verwerven kunnen. [11]

Ofschoon de Romeinen geen oorspronkelijken naam voor den eeuwig bloeienden aanvoerder der Muzen uitgedacht, maar den naam "Apollo" onveranderd van de Grieken overgenomen hebben, ofschoon hunne poëzie niet oorspronkelijk was, maar er de "geestdrift der Grieken luide in weerklonk", zoo hebben zij toch alles, wat zij van Griekenland ontvingen, met eene zoo groote politieke macht gestut, dat zij en hunne taal de dragers en verbreiders ook der Grieksche ontwikkeling in Europa geweest zijn.

"Voor de schoone kunsten hebben de stijve, harde, punctueele, dappere, geheel door heerschzucht vervulde Romeinen het minst gedaan." Zij waren vreemdelingen op dit gebied, en bedienden zich hierop van bijna niets anders dan van het hoofd en de armen der Grieken. Niet ten gevolge eener warme geestdrift voor de kunst, maar ter opsiering hunner Keizerstad, plunderden zij de veroverde landen en voerden zij de kunstschatten naar Italië.

"Ook in de wijsbegeerte waren zij slechts napraters der diepzinnige Grieken. Men bemerkt dit het best in hunne taal, die zoo arm schijnt aan philosophische uitdrukkingen en kunstwoorden, dat Plato en Aristoteles moeielijk in goed Latijn kunnen vertaald worden."--Daarentegen hebben zij, als eene door en door tot heerschappij voeren geborene en gevormde natie, in hunne taal even als in hunnen geest en hunne wetgeving, alle bont geschakeerde rechtstoestanden en rechts-vragen van het burgerlijke leven beter doorschouwd, bewerkt en de taal daarvoor beter bruikbaar gemaakt, dan eenig volk te voren.

Hun recht heeft tweemalen de wereldkwestiën geregeld, eens, zoolang hunne Keizers nog den schepter zwaaiden, door den steun van hun overwinnend zwaard, en een tweede maal langs vreedzameren weg, ten gevolge der hulde, die men aan hunne juiste inzichten, principes en definities vrijwillig toebracht.--Het Romeinsche recht was reeds eens, ten gevolge van de stormen der volksverhuizing, buiten gebruik gekomen. Ja! de Justiniaansche codex, de quintessence van dit recht was, even als eens ten tijde der Makkabeën bij de Joden de Mozaïsche canon, verloren gegaan. Hij moest uit het puin der verwoesting weder voor den dag gehaald worden, even als de Laokoon-groep, de Venus van Medici en andere antieke standbeelden; en even als aan deze uitgegravene Grieksche kunstscheppingen zich een nieuw tijdperk der kunstgeschiedenis vastknoopte, zoo kwam ook uit het weder ontdekte Romeinsche wetboek, eene nog veel machtiger, laat geborene heerschappij der burgerlijke wetgeving der Romeinen te voorschijn.--Deze merkwaardige tweede verovering der wereld door de Romeinsche wet, ging in de midden-eeuwen van eene der voornaamste en oudste leer-inrichtingen in Italië, van Bologna, uit. Een geleerde, Irnerius, begon in de 15de eeuw de pandecten te lezen, te bestudeeren en te verklaren. Op zijn aandrang werden daarop Romeinsche recht-scholen gegrondvest, en toen weldra haar roem zich verbreidde, zonden de volken van allerwege hunne weetgierige afgezanten over de Alpen, werden de geduldige scholieren der, uit den mond der Italiaansche professoren tot hen sprekende, Romeinen, en staken nog eenmaal geheel vrijwillig hun nek in het Romeinsche juk.

De rechtsgeleerden der Romeinen brachten langzamerhand de onderwerping tot stand van geheel Germanië en van vele andere volken, die hunne veldheeren niet hadden kunnen bedwingen; de verhoudingen en toestanden van iedere stad, van ieder dorp in Europa, werden naar de uitspraken en besluiten der oude, reeds lang verstomde Romeinsche praetoren en Keizers geregeld.

Staten blijven niet eeuwig bestaan, Ook zijn reeds geheele geslachten Door der tijden wisseling vergaan, En dus als vergeten te achten. Maar aan den hoogsten bergtop gelijk, Door Aurora omkranst steeds met licht Is slechts de Vorst, aan schranderheid rijk, Die zoo veel goeds daardoor heeft gesticht.

Dit woord van den grooten Schiller, dat hij tot lof der groote mannen zong, mag men in nog hoogeren zin van toepassing beschouwen, op den geest van zulke krachtig optredende en verstandige volken, als de Grieken en de Romeinen. Even als de Montblanc werpen zij breede schaduwen over de landen heen; zij verlichten nog lang het landschap, als hun voet reeds lang in duisternis begraven is.--Zij zijn onsterfelijk, en zelfs als zij schijnen te sterven, is het eigenlijk geen dood, maar slechts eene verpopping en een weder opleven in anderen vorm.

Reeds terwijl hun door de barbaren het zwaard afgenomen was, hadden de Italianen zich een anderen schepter der wereldheerschappij gevormd. Rome had de zaden van het christendom in haar boezem opgenomen, en de uit dit zaad ontkiemende wijnstok, de macht van den Romeinschen bisschop, had zich ongemerkt en langzamerhand tegen den boom van het Keizerschap aangeklemd en was met hem opgewassen.--Nadat de barbaren den Keizerlijken eik geveld hadden, bleef de moeielijker op te ruimen rank der Kerk bestaan. Daar zij den wereldlijken schepter niet meer zwaaien konden, grepen de Romeinen naar den bisschoppelijken staf, en met dezen hebben zij langzamerhand in den loop der midden-eeuwen, door zachtere kunsten, door zachtere middelen en wegen, door woord en overreding, weder alle volken van Europa in hun net vastgesponnen.

Onder de vele gaven, die wij uit de handen van Rome en Italië ontvingen, is de gewichtigste: het Christendom. Het groote werk der verchristelijking, dat in Rome begonnen werd, werd van daar uit, door Italië's zonen, trots de stoornissen door het ongunstige politieke lot van hun vaderland, verder gebracht.--Er is een tijd in Europa geweest,--en die tijd duurde lang--toen Italianen, als zendelingen der nieuwe leer, door alle landen van ons werelddeel trokken, om het barbarendom en heidendom te bezweren, en toen Italianen aan de hoven der Koningen en in de hoofdsteden der volkeren, als kerkvorsten aan het hoofd der geestelijke zaken stonden. Daar zij als soldaten en praetorianen niet meer de Keizerskroon vergeven konden, begonnen zij nu het als priesters te doen. Sedert Karel de Groote, omstreeks het jaar 800, deze kroon uit de handen van Leo III had ontvangen, was Rome, de eeuwige stad, weder de hoofdstad der wereld. Het groote overwicht der door de Italianen gevormde, onderhoudene en grootgebrachte macht der christelijke kerk bewerkte, dat in de midden-eeuwen even als in de oudheid, de geschiedenis van Europa, Italië weder tot brand- en middelpunt verkreeg, waarop alle kampstrijden, de geestelijke zoowel als die van den krijg, gestreden werden.

"De Roomsch-Christelijke kerk, haar indrukwekkende ritus, de pracht en het betooverende van haar cultus, die den geest op verheven zaken leidt en de ziel tot godsdienstigheid opwekt, hare liefelijke aria's, hare indrukwekkende kooren, hare schitterende versierselen, de groote, majestueuse ruimte harer Godshuizen, het bekoorlijk poëtische waas, dat haren geheelen godsdienst een zoo verheerlijkt uiterlijk geeft, hare aantrekkende geheimzinnigheid, die het gemoed naar hoogere sfeeren brengt"--dat alles is een werk van Italiaansche vinding en kunst.--In alle landen van Westelijk- en Midden-Europa, noordelijk tot aan de Noordkaap, en oostelijk over de grenzen van Sarmatië, verbreidde zich deze door de Italianen geregelde godsdienst en de door hen georganiseerde kerkelijke heerschappij. Overal diende men God op Italiaansche wijze en in de door de Italianen over de wereld verspreide taal. "Italië was de opperheerscheresse in het rijk der hoogste geestes-aangelegenheden."--In de 11de eeuw, toen den geweldigen Benedictijner-monnik Hildebrand de driedubbele kroon op het hoofd gezet werd, bereikte deze theocratische monarchie der Italianen, die bijna geheel Europa omvatte, even als eens onder Augustus hunne militaire monarchie, hare voltooiing.

Even als die jonge Mongoolsche paardenhoeder, en nog met meer recht dan Dschingis-Chan, kon de geniale zoon van een Italiaanschen handwerker zeggen, "de geheele wereld draait zich om mij, als om haar middelpunt."--De Keizers hielden de stijgbeugels der hoogepriesters van Italië, en de Koningen van Europa kwamen om hun den pantoffel te kussen. De macht dezer Romeinsche Kerkvorsten heeft nog langer geduurd dan die der Romeinsche consuls, en hunne reeks is langer dan die der Romeinsche Imperatoren. En ofschoon later ook deze wijze van Italiaansche suprematie, even als die welke zij door hunne Imperatoren over Europa uitgeoefend hadden, door een nieuwen geestelijken Arminius in de wouden van Duitschland gebroken werd, zoo is toch nog heden ten dage een groot gedeelte van ons werelddeel, met betrekking tot hun werkelijk leven en godsdienstig denken, als geitalianiseerd, of als onder den invloed van Italië staande, te beschouwen.

Ja, het terrein, dat in Duitschland en in het Noorden van Europa voor het Pausdom verloren ging, werd rijkelijk vergoed door de provinciën, die zijne zendelingen, zijne jezuïten en bedelmonniken aan gindsche zijde van den oceaan in de nieuwe wereld veroverden.

En dit Pausdom, deze door Italië voortdurend uitgeoefende geestelijke wereldheerschappij, heeft een zoo onverwoestbaar leven, dat ook tot nu toe, al de groote volksstormen van den nieuweren tijd, de Fransche revolutie, de Napoleontische oorlogen, de volksbewegingen van 1848 en de nieuwste omwentelingen in Italië zelve, die allen het, als Luther in Duitschland, met wortel en tak dreigden uit te roeien, het slechts weinig geschaad hebben. Het zwenkte door al die stormen heen, werd wel heen en weer geslingerd, maar bleef voor anker liggen en gebiedt nog heden, even als vroeger.

De Katholieke kerk en het Pausdom zijn wel de meest grootsche en de invloedrijkste scheppingen, die uit den geest van het moderne Italië te voorschijn getreden zijn, maar het zijn niet de eenige.--Tegelijk met den opbouw der Kerk en ten deele onder hare bescherming, die zij hun in den strijd met de Duitsche Keizers verleende, bloeiden in Italië eene menigte andere staten en republieken, zetels der beschaving.--Eene voorliefde, als ik het zoo noemen mag, voor een stedelijk, burgerlijk en republikeinsch volksbestaan, schijnt van oudsher den geest der Italianen eigen geweest te zijn. Wellicht heeft zij haren oorsprong te danken aan het karakter van hun vaderland, dat in zoo vele afgesloten deelen is afgeperkt. Reeds in de oude tijden zien wij het land met steden bedekt, en het volk niet zooals de Duitschers, in onderlinge betrekkingen die door het boerenbedrijf of het landbezit in het leven waren geroepen; niet zooals de Slawen vereenigd door den band van het familieleven, van stam- of bloedverwantschap, maar in stedelijke gemeenten of stedelijke staten vereenigd. Eene stad noemen de Italianen "una nazione".

Reeds ten tijde der Etruskers ging in Italië alles van de steden uit. Alle oorlogen der oude Italianen onder elkander waren oorlogen van stad tegen stad. Niet door een machtig geslacht van volken-vorsten, zooals het later de Karolingers waren, maar door de burgers eener stad, werd de Romeinsche wereld-verovering doorgezet. Ten tijde der Romeinen scheen, zooals ik reeds opmerkte, geheel Italië, ja! geheel de wereld, slechts eene enkele stad te zijn. Geheel Italië verkreeg van hen burgerlijke stadsrechten, het geheele rijk der Orbis terrarum, om zoo te zeggen eene stedelijke inrichting. Door den inval der Duitsche Koningen en adellijke geslachten, werd deze in Italië diep-gewortelde neiging tot eene stedelijke huishouding een tijd lang verbroken. Want de Germanen waren, om zoo te zeggen, een volk bestaande uit herders en landlieden. Zij gaven den door hen veroverde rijken eene Koninklijke familie- en huisgezin-regeling, die haar model aan de inrichting van den zetel van een landerijen bezittend edelman schijnt ontleend te hebben. In de latere middeneeuwen echter, nadat de barbaren zich geitalianiseerd hadden, en de Trans-Alpijnsche Keizers in de Pausen machtige tegenpartijen hadden leeren kennen, kwam het oud-Italiaansche stadswezen weder te voorschijn. Het geheele land en volk, loste zich als een paarlsnoer in eene menigte stedelijke republieken op, weder even als vroeger tijdens de Etruriërs en Groot-Griekenland, met talrijke bloeiende en schitterende burger-gemeenten. De door de Duitschers ingevoerde land- en leenadel verdween. In geen land van Europa werd het feudaal-systeem en de landbouwstaat zoo vroeg afgeschaft als in Italië. Alleen Zuidelijk Italië en Sicilië, maken daarop eene uitzondering. De ridderschap ging in de stedelijke republieken, en zelfs in de kleine monarchieën, waarin na eenigen tijd vele deze kleine republieken veranderden, ten onder. Want deze nieuwe monarchieën, hunne Heeren en Hertogen waren, zooals de Medici's in Florence, de Dogen en de patriciërs in Venetië en Genua, bijna overal voortgesproten uit den burgerstand en, om zoo te zeggen opperhoofden van steden.--Reeds in de 14de eeuw was de, uit den vreemde overgekomen riddergeest in Italië, waar zij bovendien nimmer diepe wortels schoot, geheel verloren. "Deze overwegende invloed der steden in de midden-eeuwen," zegt de Italiaansche geschiedschrijver Sismondi, "is de oorsprong van het moderne Italiaansche karakter. Dientengevolge is bij hen alle landeigendom nagenoeg alleen in handen der steden, en de bebouwer van den grond is geen onafhankelijk land-edelman met zijne slaven, ook geen vrije burger die een eigen bezit heeft, maar slechts een pachter van den stedelijken burger." Daaraan is ook de minder scherpe afscheiding der maatschappelijke standen in Italië toe te schrijven. De hoogere standen, de adel, zijn in Italië met den burgerstand veel meer saamgewassen dan in Duitschland of Frankrijk. Men heeft hun de overmoedige aanmatigingen, van den ouden Duitschen en Franschen hof- en heeren-adel, nooit kunnen verwijten. Ook is in Italië de adel nooit met zoo hevigen haat vervolgd geworden als in Frankrijk, omdat hij in bloed, gezindheid en werkzaamheid veel nauwer verbonden was met de burgerlijke standen en de steden."--Uit hetgeen ik gezegd heb, mag men echter al die eigenschappen niet alleen aan de nu moderne Italianen toeschrijven. Integendeel vindt men ze, zooals ik reeds aantoonde, reeds bij de vroegste Italianen, en men kan daarom ook dat, wat Sismondi een gevolg van het overwicht der steden noemt, omgekeerd als de oude, sedert duizende van jaren werkende oorzaak van dit overwicht beschouwen.

Even als een welige oranjeboom, met een menigte gouden vruchten en bloesems, zoo staat ook het met bloeiende steden rijkversierde Italië der midden-eeuwen daar. Daaronder waren machtige republieken, zooals Venetië en Genua, die somwijlen tegen eene heilige alliantie van Europeesche Vorsten stand hielden, en gedurende bijna duizend jaren zelfstandig in de wereldgebeurtenissen en lotgevallen der volken ingegrepen hebben.--Ging de ridder- en feudaalgeest in deze Italiaansche steden te gronde, zoo ontwikkelden zich daarentegen des te schooner de stedelijke bedrijven. Hunne republikeinsche staatsregeling bevorderde de talenten; veelzijdige ontwikkeling en plaatselijk patriotisme vermeerderde de bevolking en rijkdommen, en deed kunsten en wetenschappen bloeien.--Wanneer wij de heerlijke schilderingen der Italiaansche toestanden, tijdens den grootsten bloei van deze hunne stedelijke republieken, dus in de 14de en 15de eeuw, lezen, en daarbij een blik slaan op de toenmalige toestanden in andere landen, dan kunnen wij moeielijk gelooven, dat beiden gelijktijdig waren. "Daar, voornamelijk in Frankrijk en Engeland, een treurig schouwspel van armoede, barbaarschheid en onwetendheid, overal gewelddadigheden van onbeschaafde Heeren en door ellende verbitterde boeren. Met welgevallen wenden wij ons oog van hen af en slaan het op de rijke, verlichte staten van Italië,--naar de Apennijnen, die tot aan hunne hoogste kruinen met rijke bouwlanden bedekt zijn,--naar hare groote, prachtige steden, met hare levendige havens, hare arsenalen, villa's, museums, bibliotheken, hare markten, opgepropt met allerlei voorwerpen van genot en smaak, en naar hare werkplaatsen, wemelende van kunstvaardige arbeiders."

Handel en scheepvaart waren de bronnen van den wasdom dezer Italiaansche steden. Zij waren de drijfveeren harer daden en het doel van al haar streven.

Zij legden zich met zooveel talent op den handel toe, dat zij daarin de onderwijzers voor ons allen geworden zijn. De meeste kunsttermen die op den handel betrekking hebben, zijn even als het boekhouden van den Europeeschen koopman, het bank- en wisselwezen, van Italiaanschen oorsprong.--De Italianen gaven aan de wereld de eerste proeve van een zeewetboek. Op hunne zoogenaamde "consolato's" berust de, nu natuurlijk veel beter ontwikkelde, rechtspraak der zeevarende volken. Er is een tijd geweest, van de 12de tot de 15de eeuw, toen de wetten van Amalfi, Pisa, Genua en Venetië op alle Zeeën geëerbiedigd werden. Geen kruistocht kon zonder behulp dezer Italiaansche steden tot stand komen. Bij de verovering van het Heilige land en later bij die van Constantinopel, speelden zij eene groote rol en trokken ook van deze veroveringen het meeste nut.--Hunne koloniën en kustbezittingen breidden zich over alle havens en voorgebergten der Middellandsche- en Zwarte Zeeën uit. Genueezen en Venetianen hadden overal, ook in Spanje, in Barcelona, Sevilla en Lissabon, hunne bloeiende factorijen en zelfs in Egypte en Syrië hunne kantoren.--In Zuidelijk Rusland, zelfs in het binnenste van Klein-Azië, vindt men de torens, die zij vroeger ter bescherming hunner magazijnen of hunner handelswegen bouwden. Daaraan is het toe te schrijven, dat de Italiaansche taal tot op den huidigen dag, zelfs onder de heerschappij der Turken, de voornaamste handels- en zakentaal der geheele zoogenaamde Levant is geworden. Ook is na dien tijd menige handelstak in het overige Europa in de handen der Italianen gebleven, zoo b.v. de handel in Oostersche en Zuidelijke kruiderijen. In Hongarije noemt men nog heden de handelaars in specerijen in den regel "Walsche," dat is, Italianen of vreemden, in Duitschland ronduit "Italianen".

Hunne Marco Polo's reisden in de 13de eeuw, handeldrijvende en zaken doende door geheel Azië, tot aan het hof van den Keizer der Mongolen, tot aan China en Japan. Hunne zeevaarders, sterrekundigen en cosmographen waren de kundigste in geheel Europa, en zonder hunne hulp zou men het omzeilen der wereld niet op touw gezet hebben. Een Del Cano, een Columbus, een Vespucci, de meeste pioniers der groote ontdekkingen op den Oceaan, waren Italianen of waren in de Italiaansche school gevormd.

Even als handelsgeest en handelsdeugden, moesten de Italianen in hunne steden met zoo verschillende besturen, met hartstochtelijk tegen elkander over staande partijen, tusschen welke politieke gebeurtenissen bestendig verhandeld en bepleit werden, ook diplomatische eigenschappen en politieke talenten verkrijgen. Ook in dit opzicht doorliepen zij eene hen zoo veelzijdig ontwikkelende school, dat Italië daardoor voor langen tijd het land der politici werd. Zelfs in hunne slechtste tijden en toen zij het meest in verval waren, hebben zij aan de meeste groote staten van het overige Europa heerschers gegeven, in de gedaante van ministers, staatslieden en afgezanten. Vooral in de 17de en 18de eeuw hadden Italiaansche staatslieden aan bijna alle hoven de teugels in handen. In Spanje de Orsini's en na hen de beroemde kardinaal Alberoni. In Frankrijk de verstandige, uiterst slimme, ja! men mag wel zeggen, de groote kardinaal Mazarin, wien Richelieu zijnen Koning als den eenigen aanbeval, die in staat was de leiding der zaken te kunnen voortzetten. In Oostenrijk de Prins Eugenius, de grootste staatsman en veldheer van zijn tijd, en Montecuculi, de eenige, die den Franschen Turenne het hoofd kon bieden. Er was een tijd, toen men zulke invloedrijke Italianen in alle kabinetten, zelfs der kleinste staten, vond. En was het in den nieuwsten tijd ook niet weder een Italiaan, om zoo te zeggen een Romeinsche Cesar, die 20 jaren lang Europa beheerschte.

Waren de Italianen inderdaad, zooals ik zeide, van oude tijden her echte stadsmenschen, zoo moesten zij even als den handel, ook voor alle dingen de voornaamste stedelijke, de echt burgerlijke kunst, de bouwkunst, beoefenen. En inderdaad, deze kunst heeft onder hen ook het langst, ja altijd gebloeid, heeft geene afwisselende tijden van bloei en van verval gekend, als andere kunsten, zooals b.v. de schilderkunst of muziek.--De Italianen zijn in verschillende tijden de architecten van Europa geweest. Het was de eenige kunst, waarin de oude Romeinen van den beginne af uitmuntten, waarin zij anderen niet navolgden. Vele takken der bouwkunst, b.v. de weg-, de brug- en de vestingbouw, waren dezen wereldveroveraars bijzonder noodzakelijk. Zij overstroomden de geheele beschaafde wereld met hunne voor de eeuwigheid gebouwde werken, wier bouwvallen nu nog luide getuigen van hunnen verheven smaak en hunne bekwaamheid in dezen tak der kunst. "Een Romeinsch bouwstuk" is eene spreekwoordelijke beteekenis van een solied bouwwerk.--Zelfs uit den lateren Keizertijd, toen poëzie en literatuur reeds de ijzeren eeuw beleefden, hebben wij nog zulke grootsche Romeinsche bouwstukken. Ja! zelfs te midden der volksverhuizing, toen de lier volkomen verstomde, zijn, onder Gothische en Lombardische Koningen, in Italië bewonderenswaardige werken gebouwd.

En de architectuur is ook weder de eerste kunst geweest, die zich na de tijden der barbaarschheid, reeds in de 10de eeuw, in de steden van Italië weder ontwikkelde, toen de andere Muzen nog langen tijd sluimerden. Wij mogen haar dientengevolge dus bij voorkeur als eene echte, als eene aangeborene dochter van Italië beschouwen.--Even als de steden- en wegenbouwende oude Romeinen, zoo hadden ook de, als christelijke zendelingen en afgezanten van den Paus, de wereld ingaande en altaren wijdende nieuwere Romeinen, in de allereerste plaats weder de bouwkunstenaars noodig. De zich in Rome opbouwende kerk moest bij voorkeur door schoone godshuizen indruk maken. Zij werd de voedstermoeder der bouwkunst. Er ontstond een prachtige en ver verbreide Italiaansche kerkbouwstijl.--Deze doorliep in den loop der eeuwen verscheidene phasen. Over het geheel echter sloot hij zich in zijne zuilen, zijne ronde bogen en zijne koepels, aan verscheidene reeds lang in Italië inheemsch zijnde bouwstijlen aan. Hij contrasteerde in alle opzichten sterk met den door de Germaansche volken later beoefenden, hoekigen-, spitsen- en torenrijken bouwstijl, die de hoekige, ruwe en hoogdravende Noordsche barbaren uit het lichaam schijnt gesneden te zijn, maar die onder de, het liefelijke meer huldigende, om zoo te zeggen meer ronde Italianen altijd, ofschoon zij ze somwijlen navolgden, iets vreemds gebleven is. Brunneleschi, de bouwmeester van het paleis Pitti in Florence, Bramanter, de man die de St. Pieterskerk in Rome haren vorm gaf, Palladio, de architect van ontelbare dommen en vorstelijke residenties, zijn eenige der vele Italiaansche bouwmeesters, die door de geheele wereld in hun vak beroemd zijn geworden. Ja! men trof in Italië geheele familiën en geslachten van bouwmeesters aan, waarin deze kunst, en de daarvoor noodige talenten van vader op zoon overerfden. En ook nu nog treft men daar geheele distrikten of dalen aan, waaruit alle inwoners als bekwame huis- en wegbouwers de wereld intrekken, om de steden- en straatwegen in Duitschland of Frankrijk te helpen maken.

Even als in Indië, Egypte en Griekenland, zoo heeft de godsdienst, de geestdrift voor het goddelijke en voor zijne zinnebeeldige voorstelling, overal onder de menschen ook aan de andere kunsten geest en leven gegeven.--Sloegen de christelijke kerk en godsdienst, de ouders der kunsten, hunnen hoofdzetel in Italië op, zoo moest Italië, het land van kerken- en stedenbouw, ook het hoofdland voor alle andere kunsten worden.--De uit den schoot der kerk en der steden ontstane bouwkunst, die de hulp dier andere kunsten zoo zeer noodig had, daar zij slechts de ruwe omtrekken en het omhulsel levert, die de beeldhouwer met beeldhouwwerk moet opsieren en zoo moet voltooien, die de schilder met kleuren-poëzie moet versieren, die aan gezang en muziek in hare zalen en gewelven den schoonsten weergalm geeft, moest daarom ook spoedig de keur dezer kunsten tot zich trekken.

Het eerst kwamen de echt christelijke, de echt godsdienstige kunsten, de muziek en de schilderkunst, in beoefening, en riepen heerlijke scheppingen in het leven. Beiden hebben zich bij de Italianen zoo inheemsch gemaakt, als bij geen ander ons bekend volk ter wereld, zelfs niet bij de Grieken van Pericles en van Alexander den Groote, ofschoon deze in de beeldhouwkunst aan de Italianen den palm betwisten.--Want het is opmerkelijk, hoe in Italië het plastische, en men kan er bijvoegen, in de poëzie het epische, steeds ondergeschikt was aan het pittoreske. Reeds de Romeinen--ten minste hunne dichters, b.v. Virgilius--waren het grootst in het beschrijvende, schilderachtige genre. In nieuweren tijd hadden Venetië, Milaan, Florence, Rome, ja bijna alle steden van Italië, hare eigene schilderscholen, ieder met haar afzonderlijk karakter en met hare eigene onvergelijkelijke meesters aan het hoofd. In den kunstenaar bij uitnemendheid echter, dien men "den goddelijke" genoemd heeft, in Rafaël Sanzio, bracht Italië het onovertreffelijkste te voorschijn, wat de geheele menschheid ooit ten deel gevallen is, "een genie, in wiens werken zich de geestelijke adel der menschelijke natuur het duidelijkst openbaart, dien ooit een man bezeten heeft, en die zich in al zijne voortbrengselen op de hoogte der plechtigste en meest kuische schoonheid gehouden heeft."--Ten tijde van Rafaël, den vlekkelooze, den volkomene, in de periode van het zoogenaamde Cinque cento, van de 15de en 16de eeuw, bereikte de kunst in Italië haar zenith. Toen hadden de macht en de rijkdom van alle Italiaansche steden hun toppunt bereikt. Toen schiepen, even als hare kunstenaars, zoo ook hare dichters, hunne voor eeuwig bewonderde werken. Dit was zulk een roemrijke tijd, als behalve de Italianen nog slechts één volk, het Helleensche--ten tijde van Pericles--doorleefd heeft.

Er bestaan, merkwaardig genoeg, in de wereldgeschiedenis geene perioden van volkenbloei, die in alle opzichten zooveel overeenkomst met elkander hebben, als bij de Grieken de vijfde eeuw voor de geboorte van Christus, en bij de Italianen het Cinque cento na Christus geboorte. Deze beide perioden, die eene tusschenruimte van 2000 jaren hebben, schijnen naar elkander gecopieerd te zijn. In beiden treft men een overvloed van schitterende steden en Vorstendommen, in beiden bloeien kunsten en poëzie op eene onvergelijkelijke wijze. In beide perioden ontmoet men karakters en mannen, die somwijlen als broeders op elkander gelijken. In beide perioden "eene verovering der geestenwereld, eene weergalooze bestorming van den Olympus."--Het schijnt bijna, alsof zich toenmaals de Italiaansche geest zelfs inniger gekeerd heeft naar dien der Grieken, die hem van vóór-Romeinsche tijden verwant was, als tot dien der de werkelijke wereld veroverende Romeinen, Italië's eigene, maar in zekeren zin eene andere geaardheid hebbende kinderen. Inderdaad, de moderne Italianen hebben in velerlei opzicht meer overeenkomst met de Hellenen, dan met die pedante, niet beminnelijke, oorlogzuchtige, stijfkoppige, onbuigzame Romeinsche landgenooten.

Sedert twee eeuwen zijn nu wel de beeldende kunsten en kunstscholen bij de Italianen aan het afnemen; "maar desniettegenstaande is een zeer algemeene en fijne kunstzin, het geheele volk als een blijvend erfdeel van dien tijd overgebleven. Bijna ieder Italiaan, zelfs de minst beschaafde, heeft eene levendige voorliefde voor het voltooide en voor het schilderachtige, en zelfs onbeduidende zaken weet hij een smaakvol uiterlijk te geven."

In verscheidene geringere takken der beeldende kunsten, b.v. in de mozaïkschildering, in het werken in gips, in het vervaardigen Van smaakvolle vazen, urnen en kannen van albast, zijn de Italianen nog steeds niet geëvenaard, en de ateliers voor het vervaardigen van figuren uit gips zijn bijna overal bij ons in hunne handen.--"Alleen door het aanhoudend zien der oude, in hunne steden zoo talrijk voorhandene meesterwerken, door de aanhoudende oefening van oog en oordeel, met één woord door het opgroeien in de armen der kunst, laat zich, even als vroeger in Griekenland, ook nu in Italië, het kunst-instinct verklaren, dat bij hen alle standen der maatschappij bezielt, die zelfs den minsten man zijn gescheurden mantel in schilderachtige plooien doet dragen, of hem, bij het spel of in het gesprek met zijne kameraden, gracieuse groepen doet vormen, en die ook maakt, dat op hunne straten, in hunne dorpen, in hunne huizen, waar netheid en orde anders niet opvallend zijn, alles een schilderachtig aanzien heeft."

Veel daarvan is zelfs in hunne lichamelijke hebbelijkheden en in hun persoonlijk optreden overgegaan, en kenmerkt zich in hunne lichamelijke gestalte en physionomie. In plaats van de onbeschaafde gelaatstrekken, de hoekige gezichten, het ruwe karakter en de slecht gebouwde, maar dikwijls harde en gespierde lichamen, die aan deze zijde der Alpen meer voorkomen, vinden wij reeds dadelijk aan gene zijde van het gebergte, reeds bij de Noordelijke Italianen, een eleganter en lichter vorm, eene slankere gestalte, meer verhevene en schoon gevormde trekken, met eene meer verstandige en levendige uitdrukking in het gelaat. Waarschijnlijk echter zijn dit allen zaken, die men, ten deele althans, meer oorspronkelijken aanleg en oorzaak dan uitwerking noemen moet, en die zeker bovendien ook nog meer of minder als een oud erfdeel van alle inboorlingen van Zuid-Europa, deze, in tegenstelling met de meer Noordelijke bewoners van ons werelddeel, karakteriseert.

Hoe zouden wij echter over den, den Italianen aangeboren en eigen smaak en kunstzin kunnen spreken, zonder in de allereerste plaats van de muziek te gewagen? Zij schijnt op den Italiaanschen bodem reeds even oud te zijn als de bouwkunst. Ten minste reeds in voor-Romeinsche tijden werden, zooals reeds gezegd is, de Etruskers als uitstekende musici geprezen.--Door de heerschappij der niet-muzikale Romeinen, die in dit opzicht als een ver van den stam gevallen appel, als een onkundige zoon in eene talentvolle familie, beschouwd kunnen worden, werd ook de verdere ontwikkeling van deze kunst tegengehouden.--"Met de christelijke kerk echter, met de den eenigen God toe- en den engelen nagezongene lofliederen en psalmen, trok ook de muziek Italië weder binnen," zij heeft daar verscheidende, zeer scherp afgeteekende, tijdperken van bloei beleefd, en tot op onzen tijd--en daarin verschilt zij van andere kunsten--voortdurend de heerlijkste vruchten opgeleverd. Nadat zij langen tijd bijna uitsluitend de kerk gediend had, deed zij sedert de 17de eeuw ook pogingen om het tooneel te betreden, en eindelijk ontsproot een eigenaardige tak der muziek, een product van Italië, de "opera," die de Italianen geschapen en ontwikkeld hebben, en die nu met behulp hunner zangers en componisten zoo zeer in den smaak en den geest van alle Europeanen valt, dat men bijna zeggen kan, dat het onzen tegenwoordigen kunstsmaak kenmerkt."

De Italiaansche opera-dichters Rossini, Donizetti, Spontini en vele andere zijn nog onze tijdgenooten geweest; en men kan wel zeggen, dat de Italianen den hoogsten rang in dezen tak der kunst nog niet afgestaan hebben. Zij hebben in dit vak geene andere mededingers dan de Duitschers, welke laatste hen echter in de instrumentale muziek overtreffen.

De karakters der musici van deze beide voornaamste muziek-natiën van Europa, staan ongeveer op dezelfde wijze tegen elkander over, als de Gothische en Italiaansche bouwkunst. In de Duitsche muziek is, even als in het geheele wezen van dit volk, alles diepzinnig en hoogvliegend, "in de Italiaansche daarentegen vindt men als grond-element de zuivere welluidendheid; in haar is de harmonie ondergeschikt aan de zuivere, zinnelijk-schoone melodieën. Men zou de Italiaansche muziek, even als het Italiaansche volk zelf, bij voorkeur pittoresk kunnen noemen. Hunne trillers, roulades en toonrollers schijnen aan de rondbogen, koepels en colonnaden der Italiaansche gebouwen te herinneren."

Voor weinige volken is muziek en vooral zang eene zoo werkelijke behoefte geworden als voor de Italianen, wien de natuur daarvoor de gelukkigste organisatie gegeven heeft, de schoonste stem, het fijnste gehoor en eene bijzonder melodieuse taal. Het gezang vergezelt in Italië niet alleen alle levensverrichtingen, maar het duidt ook alle gemoeds-aandoeningen aan en accentueert ze, zoowel vroolijke en aangename als treurige en hartstochtelijke. "Vooral bij het vrouwelijke geslacht der lagere klassen" zegt een reiziger, "vindt men in Italië slechts weinige individuen, die niet in een wild gezang losbreken, als haar toorn den hoogsten graad bereikt heeft."--Is deze opmerking waar, dan laat zich daaruit verklaren, hoe een dergelijk volk opera's vervaardigen kon, en hoe naar het leven geteekend en natuurlijk, alle de in dit drama-soort in gezang uitgedrukte hartstochten zijn, waarin den nuchteren Noordlander zooveel gedwongen en gemaakt toeschijnt.

Is de kunsttaal van den handel in Europa, minstens gedeeltelijk Italiaansch, die der muziek is het, door de geheele wereld heen, geheel. De andere volken hebben de Italiaansche muziektaal zoo geheel aangenomen, dat zij zich niet eens de moeite geven, in hunne talen goede woorden te kiezen, die het onderscheid uitdrukken tusschen eene "andante" en een "adagio," "een allegro" en een "allegretto," en honderd andere muzikale kunstuitdrukkingen meer, en dat onze muziekminnende jeugd met die Italiaansche woorden, tegelijkertijd eene voorliefde voor de Italiaansche taal ingeboezemd wordt.

Deze liefelijke, welluidende taal zelve, is het schoonste monument, dat de den Italianen aangeboren schoonheidszin zich opgericht heeft. Bijna elk hunner honderdduizend woorden, bevat in zijne constructie bewijzen, voor de fijnheid van hun gehoor, voor de rondheid van hunnen mond, de gladheid hunner tong en het melodieuse hunner stem.--Het is echter merkwaardig, dat al deze Italiaansche taal-muziek zich eerst in den loop der eeuwen meer en meer ontwikkeld heeft. Want in de vroegste tijden schijnen bij de oude Italianen niets minder dan muzikale en zachte talen in gebruik geweest te zijn; de overblijfselen die van de oude Oscische en Umbrische talen in Zuid- en Midden-Italië tot ons gekomen zijn, schijnen veeleer, voor zoover wij uit opschriften over den klank kunnen oordeelen, naar zeer harde tongvallen te wijzen.--Van de oude Etrurische taal zeiden de Romeinen zelven, dat die zoo hard en ruw was, dat zij haar nauwelijks konden uitspreken. Zeer goed klinkende Romeinsche namen kregen in den mond dezer kunstlievende Etruriërs, een zeer onaangenamen en doffen toon, zoo werd Tarquinius b.v. "Tarchnas," Alexandros "Elschentre," Minerva "Menrva," Polydeuktus "Pultuke" enz. En dit geschiedde in die streken (de Florentijnsche) waarin later de zoozeer geprezene "lingua Toscana" bloeide.--Ook het oude Celtische in Noord-Italië was, naar de tegenwoordige overblijfselen der Celtische taal te oordeelen, niets minder dan eene ronde, welluidende taal.

Het later de overhand krijgende Romeinsche of Latijnsche, schijnt in dezen zin boven alle andere spraakvormen de voorkeur gehad te hebben, want al mag het dan ook al niet eene bijzonder zachte taal genoemd worden, en moet men het veeleer als een bepaald mannelijk, krachtig, volklinkend taaleigen van een de wereld beheerschend volk beschouwen, zoo is het toch ook merkbaar verschillend van die onaangename en het oor zeer doende opeenstapeling van consonanten, die den Zuidlander zoo zeer in de Germaansche en Slawische talen verschrikt.--Zij schijnt het midden te houden tusschen de nieuwe zachte Italiaansche en de oude harde Italische talen, en is wellicht de oorspronkelijke bron en moeder van het welluidende in de hedendaagsche Romaansche dialecten, alleen dat deze in den loop der eeuwen de majestueuse mannelijkheid van die taal van wereldgebieders, lieten varen, en eindelijk het welluidende als de hoofdzaak bewaarden en verder ontwikkelden.

De kort met scherpe consonanten eindigende woorden van het Latijn, doet de Italiaansche mond door bijgevoegde vokalen zacht eindigen, b.v. in "madre" in plaats van mater, "imperatore" in plaats van imperator. De scherpe t verzachten zij in de zachtere d, b.v. "lido" in plaats van litus, "podesta" in plaats van potestas. De l in consonant-samenstellingen, versmelt bij hen in eene i b.v. fiamma in stede van flamma, "piangere" in stede van plangere. Evenzoo worden de gehemelte-letters meermalen door gladde sisklanken vervangen, b.v. vox tot "voce", occidere tot "uccidere". De vermoeiende geadspireerde h aan het begin der woorden, klinkt bij hen zeer gemakkelijk als u, b.v. "uomo" in plaats van homo. Zulk een verzachtende u wordt ook dikwijls in het midden der woorden voor de volle en scherpe o geplaatst b.v. "suono" in plaats van sonum. De zachte v vervangt dikwijls de plaats der harde p of b, b.v. "tavola" in plaats van tabula, "avere" in plaats van habere. Dit zijn slechts weinige der tallooze voorbeelden, die iedere pagina van een Italiaansch woordenboek aanbiedt, waaraan ik echter hier herinneren wilde, om te doen gevoelen, dat het Italiaansch bijna overal eene verfraaiing, opsiering en versmelting van het Latijn is, en in zekeren zin het vrouwelijke van dezen mannelijken tongval vormt.

Het mag vreemd schijnen, dat deze afronding, verstomping en verzachting van het Latijn, juist na den inval der Germaansche barbaren in Italië, onder terugwerking dezer ruw sprekende menschen, en gedurende de vermenging met hen plaats had. Het is als hebben de Italianen, tengevolge van deze bij hen binnendringende ruwe toonen uit het Noorden, zich uit een soort oppositie des te meer op het welluidende toegelegd. Veel echter daarvan zal uit den daardoor ontstanen strijd tusschen beide talen ontstaan zijn. Verzachting en afronding moesten het natuurlijke gevolg van een dergelijken strijd zijn. Even als de rolsteenen allen afgerond zijn, hoe hoekig en verschillend zij ook oorspronkelijk naar de natuur der bergsoorten mogen geweest zijn, zoo werden ook in dien strijd der talen, de scherpe kanten van de woorden afgeslepen.--Daar de Italianen onder de heerschappij der Gothen en Lombarden, hun krijgsgeest verloren en een zwak geslacht werden, zoo schijnt het dien ten gevolge natuurlijk, dat zij ook de majestueuse, krachtige, rijke taal der wereldgebieders in hunnen mond wijzigden. Ook de kerk zal waarschijnlijk bij hen, even als op de kunst, de muziek en het gezang plaats vond, ook op de vorming eener welluidende, aan vokalen rijke taal, sterk ingewerkt hebben. De zetel der kerk en van den Paus is nu nog, als de zetel der klassieke Italiaansche uitspraken der "Bocca Romana," beroemd.

Men heeft de liefelijke, melodieuse taal der Italianen de vlucht van den leeuwerik toegekend, men heeft haar den zwaai van den adelaar ontzegd. Dat dit oordeel eene waarheid bevat, dat daarmede gewezen wordt op den oorspronkelijken aanleg van den Italiaanschen geest, bewijst ook weder het karakter van de literarische producten, die in deze taal geleverd werden, het karakter der Italiaansche poëzie.--Is de poëzie, in even hooge mate als de taal zelve, de uitdrukking van den innerlijken geest eener natie, het oog van haar gelaat, de spiegel van haar leven, is hare geschiedenis de geschiedenis van den volksgeest met zijne geheele ontwikkeling, zijn vreugde, lijden, hoop en herinneringen, dan is het iets zeer karakteristieks bij de zanglustige kunstlievende Italianen, dat bijna hunne geheele poëzie in meerdere of mindere mate binnen den kring van het lyrische gebleven is.--In dit genre hebben de Italianen, even als de Spanjaarden in het drama, de meeste dichters, de grootste en minst geëvenaarde meesters aan te wijzen, waaronder Petrarca eene eerste plaats inneemt. Zij hebben een dichter Dante, die de hooge vlucht eens adelaars genomen heeft. Deze echter heeft geen opvolger gehad, zijne navolgers zijn allen verongelukt.--Petrarca daarentegen heeft bij de Italianen een talloos heer gelukkige scholieren gevonden. In het lyrische en erotische bereikte hunne literatuur en taal de hoogste trap. Onnoembaar vele waren dien ten gevolge onder hen de pogingen ter verfijning hunner taal, ter vermeerdering der liefelijke uitdrukkingen en tot eene harmonische samenvoeging der woorden. Als een kunstenaars-volk hebben zij daarbij hoofdzakelijk op den vorm gelet, en de taal heeft met de stof kunstig gewerkt, even als hunne Benvenuto Cellini's met de edele metalen, juweelen en paarlen. Al hunne gedichten en liederen schijnen er minder op berekend, het hart en den geest van den lezer te treffen, dan wel het oor der toehoorders te verrukken, of tot de gezellige vroolijkheid mede te werken; vandaar de lichte inhoud en karakter der Italiaansche poëzie en ook hare menigvuldige kunstige en dikwijls uiterst ingewikkelde vormen, waarop zich toe te leggen, zelfs hunne grootste dichters niet beneden zich achtten.--Bijna alle vormen der lyrische dichtsoorten, en de namen die wij nu nog voor deze gebruiken: "sonnette", "ballade", "canzone", "pasquil" enz. enz. zijn evenzeer uitvindingen der Italianen, als de vormen en namen onzer menigvuldige muzikale kunst-producten.

Het treurspel ging den meer vroolijken dan tragischen Italiaanen, die daarin een scherp contrast met de ernstige Spanjaarden en Engelschen vormen, slecht af; daarentegen hebben zij in het blijspel vele uitstekende producten geleverd, en als een levendig, in zijne geheele manier van doen theatraal volk, zich vooral ook op de pantomime met groote voorliefde toegelegd, ja hebben zij, het eerst van alle Europeesche volken, haar tot een bijzonderen kunsttak gemaakt.

Overal zijn bij hen de zachtere en lichtere, en ook lichtzinniger dichtsoorten, de echt nationale geweest en gebleven. Vooral ook in de satire munten zij uit, en hierin vooral staan zij in scherpe tegenstelling met de eerlijke en hierin arme Duitschers.--"De neiging om te schertsen, om jeux d'esprit te spelen, ook sarkastisch te zijn en te bespotten, ligt reeds oorspronkelijk diep in de natuur van het vroolijke volk, en deze neiging vond rijkelijk voedsel in de verdeeldheid der Italiaansche staten, en in de onophoudelijke oorlogen om de suprematie, die een algemeenen trek van nijd en ijverzucht zeer in de hand werkten.--Er is bijna geen Italiaansch dichter, die dit genre niet beproefd heeft. Reeds den ouden Romeinen was deze neiging eigen en zij brachten den grootsten satyricus der wereld voort, Juvenalis, die een oorspronkelijk Italiaansch dichter, en niet, zooals Virgilius en Ovidius, een naäper der Grieken was. Geheel Europa heeft dan ook de uitdrukkingen "satire", "caricatuur", "travestie" en de daarmede verwante woorden en denkbeelden: "charlatan", "harlekijn", "bajazzo" en dergelijke van de Italianen ontvangen.

De langzame vorming dezer satirieke, geestige, scherpe, fraaie, muzikale, nieuw-Italiaansche taal en poëzie, is een zeer langdurig proces geweest, en dat zij eindelijk een gemeen goed van alle Italianen, een hen allen vereenigende vaste nationale band werd, is een betrekkelijk, pas tamelijk nieuw resultaat.--Het hoogste punt van hare liefelijkheid, van haren glans en hare algemeene literarische, kerkelijke, diplomatieke waarde en hare verbreiding over geheel Italië, verkreeg zij in de 16de eeuw, en sedert dien tijd heeft zij zich op hare hoogte weten te handhaven, en dus heeft zij reeds omstreeks 300 jaren achtereen tot de daarstelling van een Italia Unita medegewerkt.--Dit neemt echter niet weg, dat zij zelfs op de hoogte, waarop zij nu staat, nog op verre na niet zulk een krachtig element is, als de algemeene, langzamerhand opgekomen spreek- en schrijftalen in Duitschland, Frankrijk of Engeland. Want in geen land van Europa verschillen de provinciale dialekten zoozeer als in Italië, en in geen land hebben zij zich zoo zeer bij alle standen ingedrongen. Dit gaat zoo ver, dat men niet zelden bemerkt, dat zelfs voor den ontwikkelden Venetiaan, Lombard of Napolitaan, het Italiaansch iets ongemakkelijks is, en hoe deze Italianen zich verheugen, als zij na een "Italiaansch" discours, zich weder kunnen ontspannen, door hun met de moedermelk ingezogen stads- of dal-dialect te gebruiken.

Deze stads- of dal-dialecten zijn in Italië, alle met schier denzelfden ijver als eigenlijke talen aangekweekt geworden. Ieder van hen bezit zijne eigene, rijke literatuur, niet alleen poëtische en prozaïsche belletrie, maar ook menig ernstig werk, philologische geschriften, woordenboeken, grammatica's. Vooral zijn deze plaatselijke literaturen rijk aan satires, spotgedichten en volks-comedie's, waarin de naburige steden en gebieden belachelijk gemaakt worden.--Dit scherp afgeteekende particularismus in taal, zeden en gewoonten is in Italië overoud, en is een gevolg van het lang uitgestrekt, weinig compact en afgerond land, dat door de Apennijnen en hare armen in vele dalen en natuurlijke districten verdeeld is. Van dal tot dal, van rivierbekken tot rivierbekken, treft men in levenswijze, physionomie, afkomst, karakter en neiging veel grootere contrasten aan, dan men gewoonlijk denkt. Vele dezer taal- en karakter-verscheidenheden berusten misschien nog op die oude, reeds voor de Romeinen in Italië wonende, volksstammen en rassen, op het verschil tusschen de "Umbriërs", "Liguriërs", "Samnieten", "Celten", en hoe zij ook heeten mogen, want ofschoon ik boven zeide, dat de Romeinen, door eene romaniseering van het geheele schiereiland, den eersten grond tot een Italia Unita legden, zoo mag toch niet beweerd worden, dat het hun gelukt is, alle overoude en met de natuur der provinciën overeenstemmende eigenaardigheden te doen verdwijnen. De Italiaan Lucchesini beweert zelfs, dat de verschillende Italiaansche dialecten geene kinderen van eene en dezelfde Romeinsche moeder zijn, maar oude, uit den tijd der Romeinen afstammende en door dezen slechts eenigzins gewijzigde, volkstalen zelve zijn.

Dit overwicht der volks-dialecten, was in Italië altijd de ernstigste hinderpaal, voor de verbreiding van een gemeenschappelijk nationaal-type der taal. En even lang hebben het daarmede samenhangende, scherp afgeteekende plaatselijke patriotisme, de hartstochtelijke aanmatiging der eene stad of provincie tegenover de andere, het opkomen van eene algemeene volks-opvoeding en eenen eenigen nationalen geest bemoeilijkt.

Sedert de laatste halve eeuw heeft langzamerhand een groot verlangen om een eenig, op zich zelven staand volk te zijn, een eigen vrij, machtig vaderland te bezitten, zich van alle patriotische en denkende Italianen meer en meer meester gemaakt. Weinigen wilden aan den duur dezer beweging gelooven. Spot en klachten over het zedelijk verval der Italianen, over hunne verdeeldheid, hun gebrek aan krijgshaftigen geest, aan krachtige mannen en aanvoerders, waren dikwijls algemeen. Reeds sedert den inval der oude Galliërs in het oude Rome, heeft men ontelbare malen den ondergang van Italië voorspeld en beklaagd, maar even dikwijls hebben de Italianen de wereld met eene onverwachte wedergeboorte verrast. Zij hebben niet, zooals zoo menig ander beroemd volk, slechts één bepaald toppunt van bloei bereikt, maar, om zoo te zeggen, eene geheele reeks perioden waarin zij zich verhieven, gehad. "De polsslag van het geestelijk leven in Italië heeft, sedert het eerste begin der Europeesche geschiedenis, nooit geheel stilgestaan. Wanneer er ook al af en toe zijne zon met wolken bedekt was, zoo is zij toch nooit zooals b.v. die der Hellenen, voor lange eeuwen van den horizon verdwenen. Zelfs in de dikwijls lange perioden van diepe staatkundige ellende hebben de Italianen zich nog altijd in de eene of andere richting groot getoond en roem verworven, en men mag dit wel als het grootste bewijs hunner verwonderlijke, innerlijke levensvatbaarheid beschouwen, terwijl het ons sterkt in het geloof, dat ook die zelfverheffing en vereeniging van dit volk, waarvan wij getuigen geweest zijn en waaraan de Duitschers zoo krachtig medegewerkt hebben, een langdurig bestaan en steeds toenemenden bloei hebben zal.

DE SPANJAARDEN.

Als uit den romp van Europa gesneden, van haar door een hoogen bergmuur gescheiden, aan alle zijden door den Oceaan omringd, het uiterste punt van ons werelddeel, met eene zeer eigenaardige physionomie, ligt het wonderbare land daar, dat de ouden, wijl het hun toescheen dat de avondster er boven schitterde, Hesperia (het Westland) noemden. Even als met Europa, was het vermoedelijk vroeger, door de eerst in eene latere geologische periode doorgebrokene straat van Gibraltar, ook aan Afrika verbonden, en in wezen en karakter heeft het veel dat aan beide vaste landen gemeen is.--Dezelfde omwentelingen der aardoppervlakte, die de terrassen van den Afrikaanschen Atlas vormden, hebben ook op de groote rotsen-plateau's van het Pyreneesche schiereiland ingewerkt, en dikwijls schijnt het, als hadden zij naar hetzelfde model gewerkt, en in Spanje een Afrika in het klein, een Europeesch Afrika willen vormen. Eerst toen de Oceaan in de eens geheel afgeslotene Middellandsche Zee binnendrong en de poort van Herkules uitgroef, kwam dit miniatuur-Afrika, wat de samenhang met het vaste land betrof, aan de zijde van Europa, kwam het, in physikalischen, ethnographischen en anderen zin, onder haren invloed, maar bleef toch steeds ook in velerlei opzichten in gemeenschap met het naburige Zuidland, waarnaar het, om zoo te zeggen, voortdurend zijne hand uitstrekte.--De geheele natuur van het Pyreneesche schiereiland schijnt dientengevolge een mengsel van het Zuiden en het Noorden.

Het heeft warmere en droogere landstreken dan eenig ander gedeelte van Europa. Zijn klimaat brengt hier een daar het suikerriet, den palm en andere zuidvruchten tot rijpheid, en op zijn zuidelijkst punt hebben zelfs, wat hun anders nergens mogelijk was, de koude-schuwende dieren der keerkringen, de apen, en naast hen de Afrikaansche kameleons, hunne woonplaatsen kunnen opslaan.--In het scherpste contrast daarmede, vindt men ook Spaansche bergstreken van zoo ruwe temperatuur, dat zelfs onze Noordsche woudbewoner, de beer, er zich te huis gevoelt.--Uitgestrekte streken van dit groote schiereiland zijn even woest en dor, als de melancholische woestijn van Sahara of de Duitsche heidevelden van Lüneburg. En ook weder treft men er gedeelten aan, die, in liefelijkheid en natuurschoon, alles overtreffen wat ons werelddeel aanbiedt.

De Sierras, die getakte, onregelmatig getande rots-zagen van Andalusië en Grenada, waarop nauwlijks ooit een boom wortels geschoten heeft, zijn bedekt met reusachtige granietblokken en marmer-massa's van allerlei kleur, en hare ontoegankelijke kruinen hebben veel overeenkomst met puntige kegels, die zich in het altijd helder blauwe hemelsgewelf schijnen in te boren.--In den schoot dezer Sierra's echter, zijn vruchtbare dalen verscholen, wier plantengroei en weelderige schoonheid zich de levendigste verbeelding niet tooverachtiger droomen kan.--Deze heerlijke dalen, waarin de welriekendste Flora de lucht met hare geuren doortrekt, schijnen, naar de poëtische volks-uitdrukking der Spanjaarden, door de engelen des hemels als hunne wiegen, in den boezem der rotsen ingelaten te zijn.

Het ernstige, treurige, sombere echter heeft over het algemeen den boventoon. Onmetelijke boomlooze, verbrande vlakten, eenzaam en doodstil, "als geschapen voor het gebed van boetedoende anachoreten," breiden zich wijd en zijd door het binnenste van Spanje uit.--De lucht is daar scherp en droog, verschrikkelijk heet gedurende het eene jaargetijde, en snijdend ruw gedurende het andere. Te vergeefs zoekt men daar de zachte velden, de steeds door luwe, zachte westenwinden beademde tuinen van Italië, te vergeefs de frissche heerlijkheid, het zachte groen der Duitsche wouden met hun vroolijk vogelengekweel. Die zachte, rustige vroolijkheid van het groene woud- en weidentapijt, ligt over Spanje niet uitgespreid, wiens natuur wel--zelfs in zijne sombere gedeelten--verheven, maar niet altijd tot het gevoel sprekende, wel hier en daar prachtig, maar slechts zelden bewoonbaar en gemoedelijk is.--Zij hult zich, om zoo te zeggen, in een schilderachtig gedrapeerd overkleed, dat wel uit een grof weefsel bestaat, maar met gouden treswerk, edelgesteenten en paarlen bezet is.

De beroemde "Vega" (beemden) van Grenada--het bekoorlijke weidebloemen-plateau van La Serena, dat nu de Merinos-schapen beweiden,--het weelderige Andalusië, waarover de hoorn des overvloeds zijne natuurgaven uitgestrooid heeft, dat reeds de ouden roemden,--de rijk bevochtigde "Huerta" (tuin), in wier schoot Valencia ligt,--zijn eenige dezer paradijzen, die den voet der berg-plateau's van het Pyreneën-land bijgevoegd of aangehangen zijn, met welke ook het binnenland hier en daar doorweefd is, en in welke de zuivere lucht, de krachtige zonnestralen en de rijkelijke dauw van deze hemelstreek, alle planten en producten eene weelderige fijnheid en zachtheid van kleuren, een glans geven, die de zinnen bekoort.

Wanneer men deze weinige, zoo scherp tegen elkander overstaande, grondtrekken van hun vaderland, bij elkander voegt, meent men reeds het portret der bewoners zelven geteekend te hebben, en de in het oog loopende eigenschappen van hun karakter, zoomede de wisseling der lotgevallen die daartoe de aanleidende oorzaak waren, te herkennen.--Even als in het klimaat en in de natuur, zoo openbaart zich ook in de geschiedenis van het land een aanhoudende strijd, eene voortdurende vermenging van Zuidelijke of Oostersche en Noordsche of Europeesche invloeden en elementen.--Als de koude Noordenwinden, zoo stormen Noordsche volken over de Pyreneën het land binnen, en even als de heete "Solano", trekken uit het Zuiden Afrikaansche volken tegen de natie op.--En het Spaansche volks-karakter, dat uit deze vermenging ontstaan is, is even als het land, een zeer scherp geteekend beeld zonder halflichten en schaduwbeelden, in de hoogste plaats phantastisch, vol hoogen zin; vol gloeienden trots, vol koude koenheid,--op al wat gemeen of middelmatig is minachtend nederziende--rustig en onverschrokken aan het grootste ongeluk het hoofd biedende,--haat en liefde vereenigende,--rijk aan de scherpste contrasten, even als die woeste Sierra's met de daar aan, als het ware, hangende paradijzen,--in staat tot de bitterste wraak en tot de schoonste deugd, grootmoedig en toch wreed,--uit onverschillige gevoelloosheid tot stormachtige uitgelatenheid, uit trage rust en stijve onbeweeglijkheid tot de onstuimigste werkzaamheid overslaande,--geestig en onwetend, vrijmoedig en achterhoudend, lichtgeloovig en tegelijkertijd wantrouwend, zooals veranderlijke, dweepachtige phantastici zulks gewoonlijk zijn.

De eerste menschen van dit soort, die de geschiedenis ons in Spanje aanwijst, zijn onder den naam "Iberiërs" bekend. Vóór hen schijnt geen ander volk in Spanje gewoond te hebben, zij schijnen de oorspronkelijke inwoners, de vroegste die het land in bezit namen, geweest te zijn, waarvan nog slechts een gering gedeelte, de zoogenaamde "Basken," bestaat.

Deze oude Iberiërs zijn niet alleen in Spanje, maar naast de Finsche stammen wellicht ook in geheel Europa het oudste volk. Daarvoor spreekt onder anderen de omstandigheid, dat zij het uiterste, westelijk gedeelte van ons vasteland bewoonden, waarheen zij door de hen later natrekkende Indo-Germanen, de voorvaderen der Grieken, Romeinen, Celten en Germanen, gedrongen werden.

Wijl men eenige gelijkheid der Iberische taal met de talen van Afrikaansche volken ontdekte, heeft men somwijlen gemeend, dat Spanje ook deze vroege bevolking uit Afrika gekregen heeft. Dit was voornamelijk eene hypothese van den grooten Duitschen philosoof Leibnitz. Maar veel meer omstandigheden wijzen daarheen, dat de Iberiërs, even als andere Europeesche volken, langs de Middellandsche zee uit het Oosten gekomen zijn.--Want ook op Sicilië en de andere Italiaansche eilanden, ook in Zuidelijk Frankrijk, worden ons Iberiërs als de allereerste elementen der bevolking aangewezen. Daar werden zij door hun nakomende en het land binnentrekkende vreemdelingen overstroomd, en nu waren zij wel genoodzaakt zich in massa verder Westwaarts te begeven. De overblijfselen, die onder vreemde opperheerschappij zijn achtergebleven, geven nog den weg aan, langs welken zij trokken. Behalve deze richting uit het Oosten, dien oorsprong uit Azië, die gemeenschappelijke moeder der Europeesche menschheid, kan men anders weinig ontdekken, wat de Iberiërs met de overige Europeanen gemeen hadden.

Hunne taal, die wij nog heden ten dage bij de Baskiërs in de Pyreneën hooren, is zoo eigenaardig, volgens de nieuwste onderzoekingen onzer taalvorschers, zoo geheel verschillend van alle andere taaleigens van Europa, dat men noch eenige verwantschap met die der Celten, noch met die der Germanen of Grieken ontdekken kan.--Men heeft in de verwijderdste oorden der Aarde naar eenige verwantschap met dit zoozeer geïsoleerde ras en taal gezocht. Eenigen hebben gelijkenis bij de Finnen, anderen zelfs bij de Indianen van Noord-Amerika willen vinden.

De Iberiërs hadden het geheele Pyreneesche schiereiland in bezit, maar reeds toen de geschiedenis gewag van hen begon te maken, woonden zij daar niet meer alleen.--Reeds een ander groot volk had zich over hen heengestort. Hunne oostelijke naburen en opdringers, de "Celten," de voorvaders der Franschen, die hen uit Azië naar het Westen gevolgd waren, die hen reeds uit Italië en Zuid-Frankrijk verdreven hadden, waren van uit het tegenwoordig Frankrijk over de Noordelijke grensbergen getrokken, en hadden groote gedeelten van het Pyreneesche schiereiland betrokken. Deze eerste verdrukking van Spanje, van de zijde der bewoners van Frankrijk, dit vroegste spoor der door de geheele geschiedenis merkbare, en de tot op den huidigen dag voortdurende ijverzucht tusschen Spanjaarden en Franschen, verliest zich eveneens buiten den tijd der geloofwaardige geschiedenis.--Dit moet een overoud iets zijn, want toen de Romeinen deze verhoudingen leerden kennen, waren de gasten uit Gallië, in zeden en taal, reeds in hooge mate Iberisch, dat wil zeggen Spaansch geworden.--Zij verschilden reeds geheel en al van de Celten in Gallië, en werden daarom ook "Celto-Iberiërs" of Iberisch gewordene Celten genoemd.--Nevens hen woonden nog in grootere massa de oude onvermengde oorspronkelijke bewoners, zoowel in de gebergten van het Noorden en het Oosten, als ook langs de kusten der zee, in vele volkssoorten verdeeld, waarvan eenige, b.v. de heldhaftige Cantabriërs en de Basconen, (de tegenwoordige Baskiërs) in het Noorden, en de Lusitaniërs, de voorvaderen der Portugezen, in het Westen, hunnen naam bijzonder beroemd gemaakt hebben.

Het is niet weinig te betreuren, dat een Tacitus ons niet de zeden dezer Iberische voorouders der Spanjaarden, even als die der Germanen, geschilderd heeft.--Het weinige echter, wat wij van hen hooren, wijst daarheen, dat wij hun karakter en hun gansche wijze van zijn, als de ware bron en grondoorzaak der nationale eigenaardigheden onzer hedendaagsche Spanjaarden moeten beschouwen; dat wij den oorsprong en het begin der meeste eigenschappen van de moderne Spanjaarden, te zoeken hebben bij de oude Iberiërs, wier oorspronkelijke natuur, trots alle daarop door latere volksverhuizingen uitgeoefende invloeden, om zoo te zeggen, altijd weder boven kwam drijven.

De oude Iberiërs leefden, ten gevolge van de gesteldheid van hun door bergen doorsneden land en hun nationaal karakter, verbrokkeld in tallooze scherp van elkander afgescheidene stammen. Zij kenmerkten zich door eene diep gewortelde en hartstochtelijke liefde voor hun geboorteland, dat zij met hardnekkigheid verdedigden.--Zij waren echter weinig geneigd, zich te plaatsen onder de vanen van machtige aanvoerders, en groote ondernemingen in den vreemde uit te voeren. Het patriotisme, waarmede zij een hunner steden, Numantia, tegen de Romeinen verdedigden, is door hunne tijdgenooten algemeen geprezen geworden, en men heeft deze verdediging van het oude Numantia, dikwijls vergeleken met die van Saragossa tegen de Franschen, die door onze grootouders bewonderd werd.--Als men de geschiedenis dezer beide, tijdelijk zoo ver van elkander verwijderde, handelingen leest, meent men dikwijls juist denzelfden gang van gebeurtenissen waar te nemen;--dezelfde verschijnselen doen zich voor, ja men zou zeggen, dezelfde persoonlijkheden treden op.

De oude Iberiërs gebruikten tot het oorlogvoeren geene groote legers, maar kleine, zeer beweegbare benden "op de manier der roovers," zooals reeds de Griek Strabo zegt, terwijl hij er bijvoegt: "de Iberiërs waren alleen geschikt tot het doen van kleine ondernemingen" (wij zouden zeggen tot het voeren van guerilla-oorlogen).--Wanneer men hetgeen de Romeinen over deze wijze van oorlogvoeren zeggen, vergelijkt met hetgeen wij in deze eeuw, bij de gevechten van Don Carlos en bij verschillende andere gelegenheden hebben kunnen waarnemen, dan is men geneigd te gelooven, dat nog nu in Spanje in hoofdzaak weinig veranderd is in de oude, het volk kenmerkende manier van vechten en oorlogvoeren.--De veldtochten van Don Carlos tegen de nieuwe monarchie, die van den ouden Spaanschen held Viriathus tegen de Romeinen; later die van den vluchteling Pelayo tegen de Arabieren, gelijken, niet alleen wat de hoofdgebeurtenissen betreft, maar ook in de bijkomende episodes, in zoo hoogen graad op elkander, dat men in de verzoeking komt te gelooven, dat dit alles niets anders is dan de herhaling van hetzelfde feit, naar hetzelfde beraamde drama. Wij herkennen in de Iberische patriotten en krijgslieden die Plutarchus beschrijft, de Spaansche soldaten der midden-eeuwen en ook die van den nieuweren tijd.

Maar ook de geschiedenis van zulke weinig wezenlijke zaken, als b.v. nationale-dansen zijn, schijnt zich in Spanje in den grijsten voortijd te verliezen.--De schilderingen, die Romeinsche schrijvers van de kunst der Iberische danseressen, van hare levendige bewegingen en gesticulaties bij den klank der castagnetten, van hare lenigheid en hare uitdrukkingvolle muziek geven, pleiten ten voordeele der stelling, dat die Iberische dansen niet anders geweest zijn dan de tegenwoordige "Fandango's" en "Boleros," in de uitvoering waarvan de Spanjaarden heden ten dage nog evenzeer bewonderd worden, als hunne voorouders ten tijde der Romeinen.

Even als met de dansen en de guerilla-oorlogen, zoo staat het ook met de overeenkomst van vele andere zaken, die de oude en de nieuwe Spanjaarden met elkander gemeen hebben, en die over het algemeen bewijzen, dat de gezamenlijke bevolking van Spanje, trots alle vreemdsoortige toe- en bijvoegsels, die zij in den loop der tijden gekregen heeft, nu nog in haar wezen berust op de primitieve, nog niet vergane Iberische elementen; dat men haar in hoofdzaak als Iberisch beschouwen mag, en men haar land nog zeer te recht met den ouden naam "Iberisch schiereiland" benoemen mag.

Volkomen zuiver en onveranderd is het oude beeld der Iberiërs nog heden ten dage, zooals gezegd is, bewaard gebleven in de interessante blauwoogige en blondharige bewoners van den noordwestelijken bergachtigen hoek van Spanje, de zoogenaamde Baskische provinciën, waarheen slechts de uiterste voorposten der Romeinsche, Arabische en andere volken, die het land overstroomden, gekomen zijn.--Deze Baskiërs geven ons nog heden ten dage het echte beeld van die "wilde, stijfkoppige, onbuigzame, trotsche, maar tegelijkertijd ook vroolijke, goedhartige en vergenoegde oudste Spanjaarden," en zij beroemen zich, in hunne dalen de oudste adellijke geslachten van het schiereiland te bezitten.--Als op zich zelve staande klippen rondom door andere volken-baren omspoeld en waarvan hier en daar stukken afgeslagen zijn, steken deze oude geslachten boven de stroomen uit, die over hunne andere Spaansche medebroeders heenstroomden. Van den naam der Iberiërs getuigt heden ten dage nog zeer duidelijk de naam van de bekende rivier Ibero of Ebro. Ook bestaat nog in de tegenwoordige Spaansche taal menig Iberisch element, zooals ook nog vele namen van beroemde Spaansche steden niets dan later gewijzigde oud-Iberische namen zijn.

Het is hoogst waarschijnlijk, dat de Iberiërs, even als in het Noorden met de Galliërs of Celten, zoo ook in het Zuiden met hunne naburen in Afrika, van ouds aanhoudend in twist leefden, en dat zij van daar reeds invloeden en koloniën ontvingen, waarvan onze overleveringen niet meer gewagen.

Als den eersten bekenden inval van daar kan men de stichting van koloniën in Zuidelijk Spanje, door de Pheniciërs en Carthagers, de stamgenooten en voorgangers der Arabieren, beschouwen. De Pheniciërs bouwden daar Cadix, Malaga en eenige andere beroemde steden. Toch schijnen zij als zeelieden, even als de Grieken, die ook in Spanje eenige koloniën, zooals Saguntum, stichtten, hunne havens en den kustrand slechts zelden verlaten te hebben, en het binnenste gedeelte van het land niet diep binnengedrongen te zijn. Zulks neemt echter niet weg, dat nog heden ten dage, verscheidene zaken in Spanje aan de aanwezigheid der Pheniciërs herinneren, zooals b.v. de naam "Spanje" zelf, die naar men meent van Phenicischen oorsprong is.

De Carthagers, die de voetstappen der Pheniciërs, hunne vaders, volgden, verbreidden zich verder in het land, stichtten daar talrijke koloniën, ontginden meer de zilvermijnen van het schiereiland, en besloten eindelijk, ten einde tegen hunne aartsvijanden, de Romeinen, met wie zij om de wereldheerschappij streden, een vaste burcht te winnen, geheel Spanje aan zich te onderwerpen.--Zij zonden hunne beste veldheeren, de Hamilkars, de Hasdubrals en Hannibals daar heen, en deze veroverden, in eene reeks merkwaardige veldtochten, het grootste gedeelte van Spanje.--Daar de Carthagers zelven reeds sedert lang halve Afrikanen geworden waren, en zij als soldaten en begeleiders dezelfde volken naar Spanje overbrachten, die later weder met de Arabieren kwamen, voornamelijk de Mooren, Barbarijers enz. zoo kan men dit als den eersten, door de geschiedenis eenigzins nauwkeurig bekenden groooten Moorschen of Afrikaanschen inval in Spanje beschouwen.

De naam der door den Carthager Hasdrubal gestichte stad Carthagena, getuigt onder anderen van de aanwezigheid der Karthagers in Spanje. Het is een Punische naam, die zelfs in zijn Afrikaansch geboorteland nu verdwenen is.

Na eenigen tijd echter, moesten de Carthagers op het Pyreneesche schiereiland voor de Romeinen wijken, die vervolgens na hunne verdrijving, trachtten het geheele land te onderwerpen.

Daar de Iberiërs even hardnekkig en heldhaftig waren in de verdediging van hun vaderland, als de Romeinen zulks waren in hunne pogingen om de wereld te veroveren, zoo duurde de strijd tusschen deze beide hardnekkige volken bijna twee eeuwen.--De veroverings- en bestrijdingsoorlogen in Spanje hebben zich, onder steeds hernieuwde guerilla-oorlogen, bijna bestendig op die wijze door de eeuwen heengeslingerd. Romeinsche schrijvers bejammeren het dikwijls, dat geene onderwerping hunnen veldheeren moeielijker gevallen is, dan die van Spanje. De onderwerping van Gallië door Cesar was, in vergelijking met die van Spanje, om zoo te zeggen een: "veni, vidi, vici!" (Ik kwam, zag en overwon.)

Natuurlijk echter was ook de door de Romeinen doorgezette verovering, van langeren duur, van ingrijpender aard en meer doordringend, dan al de van de Celten, Pheniciërs en Carthagers uitgegane invallen.--Zij lijfden het geheele Iberische schiereiland stukswijze bij hun rijk in, en maakten het tot eene provincie, die langen tijd een der bloeiendste en volkrijkste gedeelten van het geheele groote Keizerrijk was.--Even als overal, zoo ook in Spanje, beschaafden en onderrichtten zij de inboorlingen op Romeinsche wijze, en beheerschten hen meer dan vier honderd jaren lang. Maar deze wijziging der nationaliteit ging niet zoover, dat men daardoor de Iberiërs tot in hart en nieren, naar geest en lichaam, tot volslagen Romeinen of Italianen maken kon. Het oude ras bleef veeleer in hoofdzaak hetzelfde, de naar het land overgeplante werkelijk Romeinsche kolonisten, waren natuurlijk betrekkelijk altijd slechts weinig talrijk. Alleen de schoolmeester, de korporaal, de advocaat, de gouverneur, waren Italiaansch.--De andere bleven Romeinsch sprekende, Romeinsch gekleede, met het Romeinsche burgerrecht begenadigde, maar voor het overige Iberisch of Spaansch denkende en gevoelende menschen.--De Spaansche legioenen, die de Romeinen op het Iberisch schiereiland aanwierven, behoorden lang tot hunne beste troepen, en nooit zijn, vóór de ontdekking van Amerika, de Spanjaarden de wereld verder ingetrokken, dan onder de Romeinsche vanen.

Dat de Spanjaarden niettegenstaande de Romeinsche opleiding en ontwikkeling, naar den geest en het hart altijd Spanjaarden bleven, en dat zij reeds toen dezelfde eigenschappen bezaten of verkregen, die zij vroeger of later geopenbaard hebben, laat zich tamelijk goed aantoonen. Zelfs bij eene vluchtige vergelijking is het b.v. onzen historici niet ontgaan, hoe zeer vele Spaansche eigenaardigheden in de werken, den schrijftrant en de gedachten der beroemde Romeinsche schrijvers en dichters: Seneca, Quinctilianus, Lucanus, Columella, Martialis, die op het Pyreneesche schiereiland geboren werden, te vinden zijn. Misschien ligt er ook iets bepaald Spaansch in de houding, het karakter en de wijze van zijn, der beide groote Keizers Trajanus en Theodosius, die geboren Spanjaarden waren, en die dit land aan den Romeinschen staat schonk.

Een later Romeinsch, in Spanje geboren, dichter Prudentius, is volgens een historicus door en door Spaansch. "De hoogste dweeperij van het gevoel, moeielijk volgehoudene afleidingen, gewaagde sprongen en koene allegorische beelden," zegt de heer von Schack, "vindt men overal in de gedichten van Prudentius even dicht bij elkander, als b.v. in de treurspelen van den modernen Calderon. Bij beiden dezelfde innigheid van gevoel en dezelfde verhevene beeldenpracht, naast de vervelendste langdradigheid en eindelooze herhalingen,--de fraaiste en schitterendste plaatsen naast uiterst vermoeiende en krachtelooze zinnen," die overal op de velden der Spaansche poëzie voor en na te voorschijn treden, even als in de natuur van het land de uitgestrekte dorre berg-plateau's en heidevlakten tusschen die "door de engelen toebereide dalen."--Deze Prudentius was zelfs, even als zijn landsman Quinctilianus, in dezelfde Spaansche provincie geboren, waaruit later de grootste dichters dier natie, een Calderon, een Cervantes, een Lopes de Vega ontsproten, namelijk in Castilië, het hart des lands.

De inwerkingen der Romeinen op de Spanjaarden zijn duurzamer en van meer beslissenden aard geweest, dan die van eenig, ander voor of na hen, op het schiereiland verschenen volk.--Zij hebben de Iberiërs voor het vervolg van tijd aan dien tak van het Indo-Germaansche ras, dat men den Celto-Romaanschen noemt, verbonden, hebben hun eene Romaansche taal en beschaving gegeven, die de oude Iberische bijna geheel verdrong, en hebben hen daardoor tot broeders der Italianen en Franschen gemaakt.

Op eene vreemde en nog weinig verklaarbare wijze, heeft zich deze welluidende, edele, rijke en trotsche Romaansche taal over alle deelen des lands,--met uitzondering van den Baskischen hoek--in verscheidene dialecten verbreid, en heeft zij zich later, zelfs onder de heerschappij der Gothen en Mooren, natuurlijk een weinig gewijzigd door den invloed van dezen, weten te bewaren en verder te ontwikkelen; zij is tot een boom met rijke vruchten van poëzie en literatuur opgegroeid, zooals geen der andere op Spaanschen bodem overgeplante of daar inheemsche tongvallen.--Zij is in woordvorming en buiging echt Romaansch, ja! in menig punt zelfs het Latijn nader gebleven, dan zulks met het Italiaansch het geval is.

Even als hunne taal, zoo hebben de Romeinen ook hunne oude overleveringen, hunne mythen en hunne godenleer aan de Iberiërs medegedeeld. En even als bij andere Romaansche volken, zoo is ook bij de Spanjaarden de herinnering aan de Grieksch-Romeinsche oudheid levendig gebleven. "Nog heden ten dage moet de reiziger er zich over verwonderen, als hij hoort hoe de Spaansche landlieden in het binnenste van het land, de namen van Venus, Amor, Bacchus, Herkules en andere Grieksch-Romeinsche goden-namen in den mond hebben en dezen, even als de Sicilianen, nevens hunne heiligen aanroepen." Ook putten de oude en nieuwe dichters van Spanje, zoowel hunne allegoriën als de thema's voor hunne treurspelen, met zoo groot gemak uit de stoffen die de oude mythologie, de Trojaansche oorlog, de tocht der Argonauten enz. hun aanbieden, dat men wel ziet, hoe dit alles uit de tijden der Grieken en Romeinen bij hen populair en eigen geworden is, en niet, zooals bij ons, eerst door philologen en oudheid-onderzoekers onder het volk verspreid is.

Even als in andere landen, zoo werd ook na de vijfde eeuw in Spanje, de heerschappij der Romeinen gevolgd door die der zich over geheel Europa verspreidende Germanen.--Het eerst trokken de Sueven en Vandalen, als voortroepen der Gothen, over de Pyreneën en wisten daar eene tijdelijke heerschappij te voeren; een gedeelte der Vandalen namelijk zette zich in de rijkste en zuidelijkste provincie van Spanje, in het dal van den Guadalquivir neder, maar weldra trokken zij van daar naar Afrika.--Deze Duitsche Vandalen lieten in Spanje weinig meer achter dan hunnen naam, die van toen af voor altijd aan dat paradijs "Vandalitia" of "Andalusia" eigen gebleven is.

Op de Sueven en Vandalen volgden de West Gothen, die door onstuimige aanvallen te midden der Spaansche Romanen, hunne heerschappij in het land grondvestten en een Koningrijk stichtten, dat twee eeuwen bleef bestaan.--Daar deze Gothen zich door huwelijk als anderszins spoedig met de inboorlingen van het land vermengden, de taal en de zeden en na eenigen tijd ook den rechtgeloovigen katholieken godsdienst van dezen aannamen--daar zij dus mede Spanjaarden werden en zij verder hun onafhankelijk Koningrijk over het geheele Pyreneesche schiereiland, en ook over Lusitanië of Portugal uitbreidden, zoo mag men het zoogenaamde Gothische tijdperk als het eerste tijdvak beschouwen, waarin de Spanjaarden een eenig vereenigd volk, een staat onder een opperhoofd uitmaakten--als een volk optraden.

Want in de Iberische oudheid bestonden, zooals boven reeds opgemerkt is, slechts eene menigte naast elkander wonende stammen van hetzelfde ras--later waren vele dezer stammen min of meer afhankelijk van de Pheniciërs, Carthagers, Grieken, en vermengden zij zich met dezen. Nog later was geheel Spanje niets meer dan eene Romeinsche provincie. Onder de Gothen echter had het geheele land één geloof, vormde het éénen staat, was het één volk. Aan hen moet men de schepping der politieke onafhankelijkheid en het aanzien der Spaansche nationaliteit toeschrijven.

Van hunnen tijd dagteekenen wellicht ook vele der eigenaardigheden en neigingen, die de geaardheid van het Spaansche karakter eigen geworden en gebleven zijn, b.v. hunne ernstige godsdienstigheid, hunne strenge rechtgeloovigheid en hun haat tegen allen, die zij ketters noemen; eene eigenschap, die reeds de Gothische Koningen, in eene wreede verdrijving der Joden en in andere maatregelen, openbaarden.--Hun oud Gothisch Koningrijk te herstellen, was ook later in de oorlogen met de Arabieren, om zoo te zeggen het ideaal, dat de Spaansche natie voor den geest zweefde, en toen zij dat ideaal eindelijk onder Ferdinand en Isabella bereikten, toen was onmiddellijk dezelfde daad, waarmede de oude Gothische Koningen van het tooneel der geschiedenis waren afgetreden--eene vreeselijke Jodenvervolging--weder een der eerste maatregelen, waarmede de katholieke Koningen de herstelling en de hereeniging van het oude rijk vierden. De geest der ketter-rechtbanken heeft zich dus, in het nationaal-karakter der Spanjaarden, lang voor men den naam "inquisitie" kende, geopenbaard.

Zeer weinig Gothisch of Germaansch is in hunne taal overgebleven. Toch beschouwt men, als uit dien tijd afstammende: den harden klank die aan de Spaansche uitspraak eigen is, hunne harde gehemelte-letters, vooral ook de harde uitspraak der "G" voor "e" en "i", en zekere den Duitschers en Spanjaarden eigene wijzigingen der klinkletters, b.v. de verwisseling van de Latijnsche "O" in een tweeklank; Latijnsch: corpus, Spaansch cuerpa, Duitsch Körper; Latijnsch populus, Spaansch puebla, Duitsch Pöbel enz.

Iets meer Germaansch is in hunne staatsregeling, hunne zeden, hunne rechts- en maatschappelijke toestanden gebleven, wat zich gemakkelijk uit de omstandigheid laat verklaren, dat de Gothen langen tijd de machthebbers, de wetgevers en de overmachtige adel des lands bleven, terwijl hunne Romaansche onderdanen, de Romeinsche beschaving, de scholen en de literatuur in handen hadden.--De staatsregelingen der latere Koningen van het schiereiland, behielden nog lang een Gothischen grondslag en eene Germaansche tint, die eerst in den loop der tijden langzamerhand verminderde, en in onze negentiende eeuw geheel verdwenen schijnt te zijn.

Sommigen gelooven, dat ook de wereldbekende adeltrots der Spanjaarden, hun door Germaanschen geest ingeboezemd is. "Ser Godo" (een Gothe zijn) heeft in eenige provinciën van Spanje nog de beteekenis: "van goeden adel zijn."

Duitsche schrijvers en reizigers hebben ook het Duitsche ras, de hooge Germaansche gestalte en andere Duitsche eigenaardigheden, nu eens hier, dan daar, in Spanje willen terugvinden. Zoo verklaart b.v. de een alle Castilianen voor echte Gothen-zonen, en gelooft zelfs, dat de Spanjaarden en Portugeezen slechts ten gevolge van den hun door de Gothen aangebrachten avontuurlijken geest, de nieuwe wereld ontdekt hebben, en met behulp van hetgeen zij van de Duitschers ontvingen, nog lang na dien de voornaamste en koenste zeevaarders gebleven zijn.--Zoo ziet een ander in Catalonië niets dan Germaansch en Gothisch, terwijl men bij een derde leest, dat Asturië en Galicië en het Noordelijk gedeelte van Portugal, waaruit de flinke, sterk gebouwde menschen, de in Spanje zoo genaamde "Gallegos" (Galiciërs), voortkomen, "om overeenkomstig de Duitsche lust tot reizen, de Zuid-Spaansche en Zuid-Portugeesche streken als rustige, vlijtige arbeiders door te trekken, en later, even als de Duitsche handwerksgezellen, met de verkregene winst en ervaring naar het geliefde geboorteland terug te keeren, het meest wezenlijk Germaansche gedeelte van geheel Spanje is," en dat ook bij voorkeur van daar uit, het verwonderlijke, poëtische en phantastische waas van het Germaansche en Gothische Noorden, over de overige Spaansche landen bezielend heengewaaid is.

Inderdaad! deze laatste bewering vooral, kan iets waars tot grondslag hebben; want in dien Noord-Westelijken hoek hebben zich, bij den inval der Mooren, de meeste overblijfselen der Germaansche elementen opgehoopt. De Mooren hebben daar slechts ter loops bezoeken gebracht, en de geheele herbouwing van het Nieuw-Gothische rijk en de Spaansche nationaliteit, is ook van daar uitgegaan. Ook droeg juist dit gedeelte van het Pyreneesche schiereiland, in de middeneeuwen nog lang den naam "Gothia" (Gothenland), en zelfs nog tot op den huidigen dag noemt men in Zuid-Amerika, de Spaansche landverhuizers en kolonisten uit Asturië en Galicië "Godos" (Gothen).--Over het geheel echter mag men niet te veel waarde hechten aan de voorstelling, dat nog vele Germaansche, aan het bloed en de afstamming klevende, geestelijke en lichamelijke eigenaardigheden in Spanje te vinden zijn,--ofschoon somwijlen de Spanjaarden zelven, als zij in hun land een Duitscher ontmoeten, indachtig aan hunne oude Gothische voorvaderen, zeer vriendelijk plegen op te merken: "Somos Hermanos" (wij zijn immers broeders).

De Duitschers hebben zich, als ras, nooit en nergens zoo hardnekkig en vast bewezen, als b.v. de Romeinen of als vele Aziatische stammen. Voornamelijk in de warme klimaten van Europa zijn zij spoedig geabsorbeerd geworden, minder in het Noorden, b.v. in Engeland. Ook kwamen zij niet in zoo grooten getale en niet zoo frisch en direct uit Duitschland naar Spanje, als zij b.v. naar Engeland gekomen zijn, maar eerst nadat zij reeds in andere Romeinsche provinciën rondgetrokken en woonachtig geweest waren, nadat zij daar waarschijnlijk reeds veel van hun oorspronkelijk Duitsch wezen verloren hadden.--Van Duitsche vrouwen hooren wij bij de Spaansche Gothen nooit iets. Hunne Koningen en voornamen trouwden al ras met voorname Spaansche vrouwen. Hieruit laat het zich gedeeltelijk verklaren, dat het Duitsche element in de Spaansche taal zoo zwak vertegenwoordigd is.

Op den inval der Gothen uit het Noorden, volgde na eenigen tijd, in het begin der achtste eeuw, nogmaals eene hoogst belangrijke overstrooming uit het Zuiden, uit Afrika, langs den weg vroeger door de Pheniciërs en Carthagers genomen.--De toen ter tijd in Afrika en Azië machtige Arabieren trokken over de straat van Gibraltar, en vernietigden, tot op een klein gedeelte na, het Gothische rijk.--Even als de Carthagers, brachten zij vele stammen van het Noord-Afrikaansche stamvolk, de Barbaryers, met zich mede. Door de Spanjaarden en Portugeezen werd dit Afrikaansch-Aziatische, tot den Islam bekeerde volkenmengsel "Mooren" genoemd, omdat zij het laatst kwamen uit de, het dichtst bij het schiereiland gelegene Barbarysche provincie, die sedert oude tijden het "Moorenland" (Mauritanië) heette.--Zoo lang de Mahomedaansch-Arabische wereld een machtig, wanneer ook al niet altijd staatkundig, een eenig lichaam vormde, dat door dezelfde sappen gevoed werd, kwamen met de Arabieren ook gedeelten van andere Aziatische volken naar Spanje. Zij voerden er Syriërs en Perzen, en gedurende den laatsten tijd dat zij er vertoefden, ook Turken heen.--Al die Oostersche volken trokken eeuwen lang uit het binnenste van Marocco en uit Westelijk Azië naar Spanje, als ware dit land een tot hun Oosten behoorend gebied, en de prachtige steden, die zij daar bouwden, bevolkten en opsierden: "Korthoba" (Cordova), "Ischbilia" (Sevilla) enz. waren bij de patriotten van Egypte of Yemen, even zoo gevierd als Kaïn, Aleppo of Damascus.

Nadat deze verschillende, met de Arabieren overgewaaide buiten-Europeesche rassen daar een tijd lang gewoond hadden, nadat zij daar een eigen, volkrijk en van het groote Kalifaat afgezonderd Koningrijk gesticht hadden, toen onder hen op Europeeschen bodem eene bloeiende beschaving wortel geschoten had, versmolten zij in meerdere of mindere mate tot een volk, waarvan het hoofdkarakter en de taal wel Arabisch waren, maar dat zich ten langen laatste van zijne landslieden in Afrika en Azië evenzeer onderscheidde, als nu de Europeesche Turken van hunne Aziatische broeders in de steppen.--Er ontstond eene afzonderlijke Spaansch-Arabische nationaliteit, die trots de taaiheid, die aan alle Aziatische en Afrikaansche rassen eigen is, meer of minder van de Europeesche natuur, en de volkenfamilie waarin en waarmede zij leefde, moest aannemen.

In het noordelijke, bergachtige Spanje, in de Pyreneën en hare voortzettingen, in het oude, schier niet veroverde land der Cantabriërs en Baskiërs, dat door de Carthagers slechts ter loops aangeraakt was, waarin de Romeinen zich nooit recht te huis gevoeld hadden, verschenen ook de Arabieren niet anders dan als trekvogels. Eene lijn, die men van daar naar Gibraltar trekt, doorsnijdt het eerst streken, die de Mooren slechts nagenoeg 40 of 50 jaren in hun bezit hadden;--vervolgens gedeelten, waarin zij langer dan eene eeuw woonden,--eindelijk geheel in het zuiden, dicht bij Afrika, streken, die zij bijna 800 jaar als hun vaderland beschouwden. In al de schoone provinciën van het Pyreneesche schiereiland, die van Lissabon uit door de straat van Gibraltar tot aan Barcelona toe, hare dalen en hare kusten naar Afrika gekeerd en geopend hebben, zijn zij in de grootste getalsterkte gekomen, en daar hebben zij zich, eerst als onafhankelijke heeren van het land, daarna als onderdanen der Spaansche Koningen, het langst staande gehouden.

Daar zij gedurende den tijd hunner heerschappij steeds meer en meer kolonisten uit Afrika aanvoerden; daar zij zich in het vruchtbare land zelf aanzienlijk vermeerderden, zoo maakten zij ten langen laatste in deze provinciën, met name in Andalusië, Grenada, Murcia en Valencia, niet alleen het meerendeel uit der in de steden wonende burgers, maar bewoonden zij ook overal als landbouwers naast de inboorlingen het land. Door de vlijtigste industrie en ontginning, gaven zij aan de vruchtbare dalen dezer streken eene zoo dichte bevolking, eene zoo zorgvuldige bebouwing, een zoo lachend uiterlijk, als geen volk voor of na hen in staat is geweest ze te verleenen.--Verscheidene hunner met de prachtigste moskeeën, sierlijkste paleizen, talrijke inrichtingen voor onderwijs en ter bevordering van het volks-welzijn, met tuinen en waterwerken versierde steden, telden hare inwoners bij honderdduizenden.

Het aanvankelijk zoo heftige fanatisme, waarmede de Arabieren hun vaderland in Azië verlaten hadden, en waarmede zij Egypte en Noord-Afrika verwoestend waren binnengevallen, was bij hunne aankomst in Spanje reeds merkelijk getemperd. In Spanje hebben zij aan de voorschriften van den Koran, met betrekking tot de hun daar ontmoetende vreemdgeloovigen, eene zoo zacht mogelijke uitlegging gegeven. De Spaansche Christenen, wier landen zij daar veroverden, werden niet te zwaarde verwoest, maar alleen tot schatplichtige onderdanen gemaakt, die slechts eene matige belasting behoefden op te brengen. Zij bleven in massa naast en onder de Arabieren wonen. De Moorsche heerschers belemmerden de godsdienstoefeningen der overwonnenen door geene wreede dwangmaatregelen. Den Christenen werd de uitoefening van hunnen godsdienst en de vervulling hunner geestelijke betrekkingen vrijgelaten. Zij behielden aanvankelijk in alle steden, zelfs in de residentie van het rijk, Cordova hunne bisschoppen en kerken, zij mochten zich in de kerken zelfs van de klokken bedienen, wat, zooals bekend is, tot in den laatsten tijd niet eens aan de Duitsche protestanten, in eene groote residentie van een Duitsch vorst toegestaan was,--De meeste Spaansche onderdanen der Mooren leerden de Arabische taal, die veel fijner beschaafd en wetenschappelijker was dan hun Gothisch-Romaansch patois,--namen hunne Arabische zeden en gewoonten aan, en werden dikwijls de leerlingen der meer beschaafde en meer wetenschappelijk ontwikkelde Arabieren.--Vele van deze Spaansche Christenen, de Katholieke heiligen-aanbidding en martelaars-vergoding moede, gingen tot den Islam over. Vele der Mahomedanen ook, ofschoon zulks veel zeldzamer voorgekomen is, lieten zich doopen. Huwelijken tusschen Christenen en Mooren, onder voornamen en geringen, waren veelvuldig.--En zoo waren al ras eene menigte draden gesponnen, waardoor beide rassen zich met elkander verbonden en vermengden; vele bruggen, wegen en kanalen gevormd, waardoor het Arabische bloed in het lichaam van het Spaansche volk, zoover dit door Arabieren beheerscht was, binnenvloot.

De Mooren zelven werden, zooals boven gezegd is, gedurende hun oponthoud in Spanje, reeds een weinig gehispaniseerd. Evenzoo werden hunne christelijke onderdanen, niettegenstaande zij hun geloof behielden, veelvuldig gearabiseerd, hadden zelfs ook onder zich in hunne eigene kerkelijke gemeenten, menschen van Moorsche afkomst. Evenzoo ontstond er weldra eene burgerklasse van gemengden, die uit de, niet zelden voorkomende, huwelijken tusschen Mooren en Spanjaarden ontstond. Reeds de tweede stadhouder der Califen in Spanje huwde met eene Gothische Prinses. Deze gemengden werden aanvankelijk "Moz-Arabieren" genoemd. En ten slotte noemde men alle onder de Arabieren wonende Spanjaarden "Moz-Arabieren", dat is: gearabiseerde Christenen.

Hadden de Arabieren zich voor altijd in het bezit van het geheele Pyreneesche schiereiland weten te handhaven, dan zou op gezegde wijze, waarschijnlijk een eigendommelijk volk, met sterk in het oog springenden Arabischen toon op het Romaansch-Iberisch fundament ontstaan zijn. Daar zij echter een gedeelte van het land onveroverd lieten, en daaruit langzamerhand het oorspronkelijke volk weder te voorschijn trad, zoo ontstond het omgekeerde, een volk met oud-Spaanschen grondtoon en hier en daar iets Arabisch.

De bevrijdingsoorlog dien de Spanjaarden, van uit Asturië en het oude land der Cantabriërs, tegen de Arabieren begonnen, en dien zij, met eene in de geschiedenis zelden zoo aangetroffene volharding en energie, gedurende vijf eeuwen volhielden, tot zij eindelijk hun doel bereikt hadden, was even als alle nationale oorlogen der Europeanen met de Aziaten en Afrikanen, der Christenen met Mahomedanen, een strijd op leven en dood. Even als de over hunnen godsdienst in geestdrift ontstokene Koningen van Leon, Castilië, Arragon, en hunne door ras-haat bezielde Spanjaarden, voet voor voet, stad voor stad, dal voor dal, hun gebied naar het zuiden vergrootten, zoo werden ook voet voor voet de Moorsche bewoners dier streken, deels met het zwaard verdelgd, deels uit den grond waarin zij wortelden, als onkruid uitgeroeid.--Uit ieder streepje grond dat zij den Arabieren ontnamen, werden deze verdreven; zij moesten dan zuidwaarts trekken en hunne plaatsen werden door christelijke kolonisten uit het noorden ingenomen.--Evenals men een oranje-appel schilt, zoo werd Spanje langzamerhand stuk voor stuk ontdaan en gezuiverd van de over haar heengegroeide schil. Maar, wie met een molenaar vecht, die behoudt, zelfs al doet hij hem de vlucht nemen, sporen van het meel aan zich.--Het is eene tamelijk algemeene verschijning, dat een paar elkander als doodvijanden vervolgende natiën, zelfs midden in den strijd, onwillekeurig en tegen hunnen wil, op elkander beginnen te gelijken.--Reeds om tegen zijne tegenpartij opgewassen te zijn, moet de een veel van de wijze van oorlogvoeren van den ander, van zijne wapens en listen leeren kennen en aannemen, en moet hij zich met hem, wat betreft oefening, geest, list en kracht, op dezelfde lijn stellen.

Dit geschiedde met de Spanjaarden in hunnen verdelgingsoorlog tegen de Arabieren. Beide partijen waren met denzelfden godsdienstijver bezield, ieder voor haar geloof, beide gloeiden van hetzelfde patriotisme,--de een voor het land, dat hunne voorvaderen sinds onheugelijke tijden bezaten,--de andere voor den grond, dien zij lief hadden. Daar beide partijen, al waren zij ook verbitterde vijanden, toch een edel slag van menschen waren, zoo bewonderde men elkander dikwijls van weerszijden, en had er dikwijls een strijd van grootmoedigheid tusschen hen plaats, en in de, echter altijd slechts korte, tijden van vrede, werden somwijlen zelfs banden van vriendschap en huwelijk gesloten.--Zoo al geene geloofsstellingen, zoo werden toch Arabische liederen, muziek en dergelijke naar de Spaansche legerplaats overgeplant. Natuurlijk liepen ook gedurig, nu en dan, soldaten uit het eene leger naar het andere over.

Niet zelden verbonden de Christen-Koningen zulke Arabische overloopers aan zich, en verdedigden met hen hunne grenssloten. Omgekeerd hadden Mahomedaansche Vorsten soms christelijke ridders in hunnen dienst. De gevierdste aller Spaansche volkshelden uit dien tijd, vocht zelfs aan de zijde der Mahomedanen, en hij is ons zelfs onder zijn Arabischen eeretitel "El Cid" (de heer), nog heden ten dage beter bekend dan onder zijn Spaanschen naam: Roy Diaz, el Campeador (Roderik Diego's zoon, de strijder). Arabische geleerden en kunstenaars, wiskunstenaars, sterrekundigen en geneesheeren, waren aan de hoven der Christen-Koningen eene nog meer voorkomende verschijning. Bij de gebouwen die zij in hunne steden daarstelden, maakten zij dikwijls gebruik van Arabische bouwkunstenaars, en er ontstond onder de Spaansche Christenen, naast den meest in zwang zijnden Gothischen bouwstijl, eene lichtere, meer elegante architectuur, die zij "Obra Morisca" (Mooren-werk) noemden. De Arabische gedichten, waarmede de Emirs van Grenada zich den tijd verdreven, werden door de Spanjaarden met welgevallen opgenomen, naverteld en vervolgens vrijer nagevolgd, en zoo ging ongemerkt menige trek der Arabische helden in het karakter der Castiliaansche ridders over.

In plaats der verdrevene Arabische bevolking, namen de Spanjaarden de ietwat gearabiseerde Christenen, de "Moz-Arabieren" op, die zij in de Arabische steden vonden, als wier bevrijders zij verschenen, en deze werden aldra beschouwd als tot de massa van het volk te behooren. Door deze werd aan het Spaansche volk eene menigte menschen toegevoegd, die gewoon waren geweest Arabisch te spreken, en min of meer op Arabische wijze te leven en te denken.--Men begrijpt gemakkelijk, dat op deze wijze, terwijl zij van Asturië, Leon enz. uit, de verovering voltooiden van Oud- en Nieuw Castilië, Arragon, Valencia en Murcia, Toledo en Andalusië, allen landen waarin de Arabieren korter of langer gewoond hadden; terwijl zij steeds dieper in het, om zoo te zeggen Afrikaansche Spanje binnendrongen, ook hun geest steeds dieper in den Arabischen geest gedoopt werd.

Eene volledige uitroeiing en verbanning van het Arabisch element scheen ten laatste niet meer mogelijk, als men niet het geheele land ontvolken en het zijne waarde ontnemen wilde. Ook vreesde men aanvankelijk, door hunne verdrijving naar Afrika, de daar aanwezige nationale vijanden te versterken.--In de Zuidelijke provinciën liet men daarom dikwijls de Arabische bevolking, vooral de boeren, met rust, terwijl men hen alleen, evenals de Arabieren het eens de Christenen gedaan haden, schatplichtig maakte en aan eenige beperkingen onderwierp.--Op deze wijze woonden dan ook weder, onder de Christelijke Koningen van Castilië en Arragon, de Spanjaarden en Arabieren nevens elkander. Vooral lieten langen tijd de christelijke grooten en grondbezitters der Koningrijken Valencia, Murcia, Andalusië enz., hunne akkers door Arabische boeren en tuiniers bebouwen. Men noemde deze midden onder de Christenen levende Arabieren "Morisco's" of Moorsche Spanjaarden.--Na de verovering van Grenada, het laatste Moorsche Koningrijk, in het einde der 15de eeuw, werden vervolgens zelfs, om de daar sterk opgehoopte Arabische bevolking te verminderen en hunnen oproerigen geest te verzwakken, vele Arabieren naar het binnenste van Spanje overgebracht, op dezelfde wijze als in den laatsten tijd hunner steeds meer verdrongene heerschappij, de Moorsche Koningen dikwijls vele christelijke Spanjaarden, om zich van dit steeds lastiger wordend element te ontdoen, naar Afrika overgeplant hadden, waardoor dan ook op die wijze Spanje weder met Afrika samengroeide.

De laatste stuiptrekkingen van Moorsche onafhankelijkheid en nationaliteit in Spanje, en de laatste gevechten der Spanjaarden met hen, hadden een uiterst bloedig karakter.--De Mooren verdedigden iederen voet van den hun dierbaar geworden bodem, streden om ieder dorp, iedere hut--om ieder hol, waarin een mensch, al was het dan ook als een wild dier, wonen kon.--De Spanjaarden echter vervolgden hen in iedere schuilplaats, verdelgden hen in iederen schuilhoek, en verstikten hen met vuur en rook in de rotsholen der Sierra-Morena en der Alpujarras, het zuidelijkste gebergte van Spanje, waarin bij onderscheidene gelegenheden, de laatste overblijfselen der kampvechters voor de Moorsche onafhankelijkheid, gevlucht waren.

Ten laatste vatten de Spanjaarden ook de onzalige gedachte op, zich te ontlasten van de Moorsche elementen, die zij vroeger in hunne Koningrijken begenadigd, en als hunne onderdanen en arbeiders tot nu toe geduld hadden. Deze in hun staatswezen opgenomene afstammelingen van Mooren, waren reeds lang met geweld tot het christendom bekeerd geworden. Zij leefden onder hunne christelijke heeren, in eene steeds harder geworden afhankelijkheid, in eene ten laatste ongehoorde inkorting. Het leven der christenen onder de Arabieren was, naar de getuigenis van een christen-schrijver, eene te verdragen ondergeschiktheid geweest, maar het leven der Mahomedanen onder de christenen was eene hel. Niettegenstaande alle plagen, die door de Spanjaarden op die arme Moriscos, ter wille van hun geloof en hunne nationaliteit, werden opgehoopt, waren dezen toch aan hunne vaderlijke gewoonten, hunne taal en, onder het hun opgelegde masker des christendoms, ook hun geloof trouw gebleven. Daar de Spanjaarden zagen, dat zij de Moriscos op geene wijze tot ware christenen maken konden, besloten zij eindelijk zich geheel van hen te ontdoen, en hen geheel en al naar Afrika te verdrijven.

Sedert de vereeniging der Koningrijken Castilië en Arragon onder één hoofd, onder Ferdinand en Isabella, en later na de verovering van Portugal onder Filips II, behoorde alles wat op het Pyreneesche schiereiland huisde, tot een en hetzelfde staatslichaam. Het denkbeeld, dat alles één bloed, één gelijksoortig volk, met dezelfde zeden en met hetzelfde zuiver christelijk geloof moest vormen; dat het geheele land der Iberiërs een heilige bodem was, die door niets onchristelijks mocht bevlekt worden; dat men ook de laatste Arabische vonken vertrappen, en de laatste Mahomedaansche ziektestof uitdrijven moest, maakte zich met steeds meer kracht van het volk meester. Deze langzaam wortelschietende nationale-overtuiging bij de Spanjaarden, had zich reeds lang daarin geopenbaard, dat zij de invoering van eene zoo vreeselijke, aanvankelijk alleen tegen andersdenkenden gerichte instelling, als de inquisitie was, deelden, en dat zij aan de, door hunne Koningen en priesters in het jaar 1492 bevolene verdrijving der Joden, hunnen bijval schonken. In het jaar 1610, onder den zwakken Koning Filips III, voerde dit denkbeeld eindelijk tot de beklagenswaardige algeheele uitroeiing der Moriscos. De Koninklijke officieren en de inquisiteurs der kerk, gingen in Arragon, Castilië, Catalonië, Andalusië, in alle landschappen van Zuidelijk en Midden-Spanje rond, en rukten als tuiniers, overal dat wat zij onkruid noemden, uit den bodem.--Een millioen der beste onderdanen van den Koning, die ook reeds lang (tot op één enkel vreemd druppeltje in hun bloed en tot op de in hun hart glimmende godsdienstige overtuiging na,) zeer goede Spanjaarden geworden waren, werden bij deze gelegenheid onbarmhartig te samen gedreven, in schepen gepakt en in verscheidene transporten naar Afrika overgebracht.

Dikwijls woedden daarbij de Spanjaarden tegen hun eigen, of tegen innig met hen verbonden bloed. De wonden, die zij zich zelven toen sloegen, zijn heden ten dage nog niet ten volle geheeld. Nog liggen verscheidene vruchtbare streken, die onder de Mooren met bloeiende dorpen en tuinen bezaaid waren, geheel braak en dienen zij der natie tot niets.

Verscheidene dezer vroegere tuinen worden nu, even als de steppen van Rusland, alleen door kudden schapen, half wild vee, beweid.

Dat echter die hardvochtige verdrijving der Moriscos, die strenge veroordeelingen der Arabische taal, en zelfs de scherp in het bloed en in de harten dringende inquisitie, al het Moorsche, wat in de taal en de geaardheid der Spanjaarden binnengeslopen was, niet meer wegnemen kon, zal naar het boven medegedeelde, gemakkelijk begrepen worden.

De Spaansche taal, niet alleen de verschillende provinciale tongvallen, maar ook het in de literatuur algemeen heerschend klassieke dialect, dat even als het volk en het rijk der Castilianen, van het Noorden uit, over Arabische gebieden en bouwvallen heen, zich van het geheel meester maakte, is vol Arabische uitdrukkingen. Van geene andere niet Romaansche taal, hebben de Spanjaarden zooveel elementen en eigenaardigheden aangenomen. "Hunne poëzie, vooral hunne lyrische, en hunne poëtische gewoonten hebben zij aan de Arabieren ontleend."

Ook de omstandigheid, dat de Spanjaarden, een zoo historisch volk, zoo rijk aan geschied- en kroniekschrijvers geworden zijn, zoo mede, dat zij zich na de lyrische poëzie, op geen tak der poëzie en literatuur meer toegelegd hebben, dan op het drama, laat zich gedeeltelijk verklaren, zoo al niet uit eene vermenging met de Arabieren, dan toch uit den langdurigen strijd met hen, die, om zoo te zeggen, een, over een tijdsverloop van 500 jaren loopend drama, met duizend hoogst tragische tusschengebeurtenissen en episodes was. Het is dien ten gevolge geen wonder, dat de Spanjaarden in alles zoo ridderlijk, zoo ernstig en zoo dramatisch geworden zijn; dat hunne grootste en uitstekendste dichters zich geheel aan het treurspel gewijd hebben; dat, even als Klio de stof der Spaansche geschiedenis uit louter drama's geweven had, zoo nu Thalia haar alleen in treurspelen naschilderde, dat een Molina niet minder dan 300, een Calderon 700, de nog vruchtbaarder Lopez de Vega anderhalf duizend tooneel- en treurspelen, over de tooneelen die de wereld voorstellen, uitschudden; en dat, zooals een patriotisch Spanjaard zegt, het drama voor zijne landslieden dat werd, wat de bijbel voor de Hebreërs, de Iliade en Odyssea voor de Grieken geweest waren, dat wil zeggen: een "archief voor het historische, staatkundige en godsdienstige weten en zijn van het volk, die de levendig en met hartstochtelijkheid geschrevene annalen der afwisselende lotgevallen, van den roem en de ongelukken van het Spaansche volk bevatte."--"De beeldspraak en het figuurlijke in de gedichten der Spanjaarden, hunne voorliefde voor verfijnd spelen met denkbeelden en tegenstellingen, de ver gezochte gelijkenissen en toespelingen, zoo innig met het wezen van het Spaansche taal-eigen verwant" herinneren in hooge mate aan de Arabieren.--Wie ook, die ooit met de Spanjaarden omgegaan heeft, zou niet de vreemde en hoogdravende, aan het Oosten herinnerende uitdrukkingen opgevallen zijn, die ieder oogenblik zoowel in hunne poëzie als in hun dagelijksch gesprek voorkomen, b.v. wanneer een jongman het voorwerp zijner liefde "Clavel de mi alma" (gij anjelier mijner ziel) noemt, of wanneer een vroolijk meisje zich door hem gevleid gevoelt, die haar als een "zoutvat vol geest" prijst, of wanneer iemand opgetogen over een heerlijk glas wijn, uitroept: "dat het hem een voorsmaak van het paradijs geeft."--Is dit niet alles, als ware het aan Hafis [12] en aan de dichters van Schiras ontleend? Ook in het hoogdravende pathos, in de vreemde gelijkenissen, de bloemrijke uitdrukkingen in het proza der Spanjaarden, of in hunne staatkundige gesprekken, meent men in hen afstammelingen van de Oosterlingen te herkennen.

In de zeden van het volk, in de dansen, spelen en in de kleeding der Spanjaarden is eveneens, in de eene provincie minder, in de andere meer, veel Oostersch of Arabisch achtergebleven. De mantille en de sluier, waarmede de Andalusische schoonen zoo gracieus weten te coquetteeren, zijn b.v. geheel aan Afrika ontleend.--In de zuidelijkste gebergten van Spanje, in de Alpujarras, in het gezicht van Afrika, zooals ook in de Sierra Morena, moeten naar men zegt, nog heden ten dage directe afstammelingen der Mooren gevonden worden, die hunne natuur zuiver bewaard hebben. (Hun Mohamed en den Koran hebben zij echter geheel verleerd, terwijl zij de Spaansche taal geleerd hebben.) Alleen moet men hier, naar hetgeen boven opgemerkt is, de vraag stellen, of dit alles alleen en uitsluitend van die Arabieren en Mooren, die in het jaar 711 met Musa en Tarik over de straat van Gibraltar kwamen, en van hunne opvolgers moet afgeleid worden, dan of wij niet veeleer aan nog veel vroegere, de geschiedenis ten deele ontgane vermenging der volken van weerszijden dezer straat, moeten gelooven, of daar ook niet misschien eene oorspronkelijke verwantschap van het nationaal-karakter der oude Iberiërs en Mauritaniërs ten grondslag ligt; of in één woord bij de Spanjaarden niet iets Oostersch wordt aangetroffen dat van vóór de tijden der geschiedenis dagteekent?--In alle geval men heeft dit vermoeden geopperd, en men heeft zelfs een bewijs voor dit vermoeden daarin willen zien, dat die Iberiërs (Spanjaarden) zich al het latere Arabische zoo gemakkelijk en spoedig eigen maakten. Daar de geschiedenis ons hierbij niet met de noodige feiten bijstaat, zoo kan dit niets meer dan een vermoeden of vraag blijven.

Na de overwinning der Mooren heeft Spanje geene zoo diep ingrijpende overstrooming van vreemde volksstammen weder beleefd.--De Spaansche nationaliteit is na dien tijd in hoofdzaak derwijze voltooid, als wij haar heden ten dage zien, en heeft zich in taal, zeden en staatkunde, hoofdzakelijk slechts in en door zich zelve verder ontwikkeld.

Wel hebben de Spanjaarden na dien tijd nog meerdere malen weder vreemdelingen bij zich gezien. Met den te Gent geboren Karel V kwamen, zooals bekend is, vele Belgen in het land. De naburen ten Noorden der Pyreneën, de Franschen, keerden het meest terug; eens op eene belangrijke wijze, die rijk aan gevolgen was, in het begin der 18de eeuw met de Bourbons; later eens in het begin der tegenwoordige eeuw met de Napoleoniden, en tusschen beiden door en later nog enkele malen, in alleen voorbijgaande krijgstochten.--Hoe invloedrijk deze en andere aanrakingen met hunne Noordelijke naburen ook op de staatkundige toestanden der Spanjaarden, en zelfs ook op het karakter hunner ontwikkeling, van hun bestuur, hunne kunsten en literatuur geweest zijn,--na Lodewijk XIV b.v. "nam bijna geheel de Spaansche literatuur een Fransch gewaad aan"--zoo waren het toch geen volks-overstroomingen meer, die op het bloed, het ras, de taal en het grond-karakter der volks-nationaliteit zoo ingewerkt hebben, als eens de Celtische, die de Celt-Iberiërs in het leven riep,--de Romeinsche, die de Spanjaarden met de Romanen verbond,--de Moorsche, die hen weder met Afrika deed samensmelten, geweest waren.

Nadat nu op deze wijze in het kort aangetoond is, welke elementen het Spaansche volk van buiten ontving, hoe het deze in zich opnam, blijft ons nog over een blik te slaan, op hetgeen de Spanjaarden aan de wereld en voornamelijk aan ons Europa terug gaven, en welke inpulsies en volks-elementen zich van hen uit bij ons verbreid, welke rol zij in de geschiedenis der ontwikkeling onder ons gespeeld hebben.

Even als het land Spanje een geheel afzonderlijk gedeelte van Europa vormt, dat in zich zelf afgesloten is door breede zeeën en bergmuren, aan het Westelijk einde van ons werelddeel, waarmede het slechts door een bergachtige landengte verbonden is, zoo heeft ook het volk in de geschiedenis van Europa eene in hooge mate geïsoleerde stelling ingenomen.--Veel meer dan de volken van Midden-Europa is het zijn eigen gang gegaan. Het is in het binnenste zijner bergen, zijne eigene revolutiën waaraan het overige Europa betrekkelijk weinig aandeel nam, en waarvan het gewoonlijk even weinig voordeel trok als het er van leed, te boven gekomen.

Nooit is het Pyreneesche schiereiland het brandpunt geweest eener ver om zich heengrijpende beschaving, die in haren duurzamen invloed en hare verre verbindingen, bij voorbeeld met de zon der beschaving, die eens uit het kleine Griekenland over Europa opsteeg, vergeleken kon worden.--Nooit is eene verovering van daar uitgegaan, gelijk aan die der Romeinen uit het Italiaansche schiereiland.--Nooit is daar aan het uiteinde van ons werelddeel, noch in oude tijden noch in de midden-eeuwen, een zoo machtig middelpunt van het Europeesche leven geweest, als in Italië tweemaal door hare de wereld gebiedende Keizers en Pausen geruimen tijd plaats had. Ook geene dergelijke steden verwoestende en landen bevolkende stroomen zijn van de Spanjaarden uitgegaan, zooals die der Germanen en Slawen uit het midden en het oosten van ons werelddeel.

Nooit was Spanje, zooals Duitschland, eene onuitputtelijke werkplaats voor natiën en staten, ter gedaante-verandering der Europeesche landen. Ook hebben de trotsche, weinig mededeelzame Spanjaarden nooit duurzaam en herhaaldelijk, zooals hunne naburen, de Franschen, de wereld met hunne taal, hunne zeden, modes, hunne staatkundige beschouwingen trachten voor te lichten. Hunne edele taal is nooit--slechts een korten tijd uitgenomen--zooals die der Franschen, Latijnen, Grieken, in aller mond geweest. Zelfs de rijke producten hunner literatuur zijn betrekkelijk slechts bij weinigen bekend geworden. Ook de schoone kunsten hebben bij hen, zonder navolging te vinden, dikwijls onopgemerkt gebloeid. In het geheel en in het groot genomen, en in hunne betrekking tot Europa, zou men nu nog van de Spanjaarden kunnen zeggen, wat de ouden van de Iberiërs zeiden, namelijk dat zij, als men hen in hun huis niet stoorde, een vergenoegd volk waren. Eene nagenoeg gelijke isoleering en afgeslotenheid als bij de Spanjaarden, vindt men ook bij de bewoners der beide andere eilanden en schiereilanden, waarmede Europa in den Oceaan uitloopt, bij de Engelschen en Zweden.--Ook Groot-Brittanje ontving meer van Europa dan het haar gaf, en ook Skandinavië heeft zich gewoonlijk in zijne afgezonderde stelling buiten 't spel gehouden. Slechts voorbijgaande, en alleen nu en dan als hulptroepen, rukten al deze eiland- en schiereiland-bewoners van ons werelddeel, uit hunne in de zee uitstekende landpunten naar de oorlogs- en zedelijke kampplaatsen van Midden-Europa.

In de oudste tijden was Spanje een kolonie-land der Pheniciërs en Carthagers, het was hun Peru.--Later werd het eene provincie van Rome.--Gedurende de volksverhuizing zuchtte het onder de van Duitschland uitgaande stormen.--Onder de Arabieren ontviel het bijna geheel en al aan Europa en werd het om zoo te zeggen, een stuk van Afrika.--Daarna, toen de Arabieren weken, had het weder eeuwen lang zoo zeer met de innerlijke weeën zijner wedergeboorte te kampen, dat het ook toen gewoonlijk het overig Europa den rug toekeerde, en noch aan de kruistochten, noch aan andere grootsche vragen, die de volken-familie van ons werelddeel bezig hielden, deel kon nemen. Spanje had zijne eigene kruistochten tegen den Islam, en bleef nog diep in dit kruistochttijdperk vertoeven, toen het overig Europa reeds boeken drukte, zich reeds in de studie der Grieksche oudheid verdiepte, midden in het tijdperk zijner wedergeboorte was, en reeds de hervorming naderde.

De gelukkige beëindiging van den nationalen-strijd met de Arabieren, de daardoor gevolgde vereeniging van alle bewoners van Spanje, "het land der heiligen en der helden," zooals het toen ter tijd dikwijls genoemd werd, tot één staat en volk, gaven de natie in de 16de eeuw zulk een stoot, dat zij nu ook, en nu voor de eerste en eenige maal--over de grenzen van haar schiereiland stroomde, buiten de Pyreneën landen in bezit nam, kolonisten naar den vreemde zond, andere volken door veroveringen en erfenissen aan hare zegekar ketende, dikwijls invloed op hunnen geest en zeden uitoefende, en eindelijk ook een zoo grooten Europeeschen staat vormde, dat een tijd lang het geheele werelddeel voor haar bevreesd was, en voor zijne onafhankelijkheid tegen de Spanjaarden streed, zooals de Spanjaarden zelven voor de hunne tegen de Mooren gekampt hadden, en dat Spanje, om zoo te zeggen, gedurende een gedeelte van de zestiende en zeventiende eeuw, het hoek- en draaipunt van de staatkunde der Europeesche volken werd.

De blikken en schreden der Spanjaarden richtten zich toen bij voorkeur, evenals later die der Engelschen, buiten Europa, naar de andere zijde van den Oceaan, naar de door hen ontdekte nieuwe wereld, in welke richting de stroom hunner landverhuizing en van hunnen ondernemingsgeest verreweg het sterkst was, waar zij vele volken deden verdwijnen en nieuwe volken en staten stichtten, wier lotgevallen wij echter, daar wij ons tot Europa bepalen, niet te beschrijven hebben.

Deze uitbreiding van macht naar het Westen (naar Amerika) kon echter niet zonder terugwerking op het Oosten (Europa) blijven; daarom alreeds niet, omdat de Spaansche Koningen zich met het machtigste Keizershuis van dien tijd, door huwelijken verbonden en vereenzelvigden.--Zooals hun Columbus en hun Cortes zich naar de nieuwe wereld begaven, zoo kwamen ook de heldhaftige Gonzalvo de Cordova, de veroveraar van Italië, de vreeselijke Hertog van Alva, die de Nederlanden tot onderwerping trachtte te brengen, de edele Juan d'Austria, de schrik der Turken, en talrijke andere in Europa wereldberoemde veldheeren, uit den schoot der Spaansche natie te voorschijn. Zooals eens Griekenland beefde voor de phalanxen der Macedoniërs, zoo beefde nu, wat nooit te voren gebeurd was, Europa onder de voetstappen der Spaansche regimenten, wier dapperheid en discipline ten voorbeeld genomen werden.

Geheel Napels, Sicilië, Sardinië, het Hertogdom Milaan, de Zuidelijke Nederlanden werden voor langeren tijd,--Duitschland en de Oostenrijksche bezittingen aan den Donau en die aan de Rhone, in Franche-Comté, slechts voor korten tijd--onder de heerschappij, of ten minste onder den machtigen invloed der Spanjaarden gebracht. Spaansche troepen overwonnen toenmaals bij Mühlberg in Noord-Duitschland, dat de Romeinen niet hadden kunnen overwinnen.--Spaansche vlooten zeilden op den Oceaan waar zij Engeland bedreigden, en op de Middellandsche Zee waar zij in den slag bij Lepanto de Turksche macht de spits afbeten.--De Spaansche monarchie werd toen de grootste en schitterendste in Europa, en bleef zulks tot aan het midden der 17de eeuw; en daar kunsten en literatuur als trouwe afschijnsels van het geheele gehalte eener natie, achter de wapens zelden wegblijven, zoo verhieven zich toen ook de taal, de poëzie en de Musen der Spanjaarden, trots de inquisitie en trots despotische Koningen, tot hun toppunt.

De Cervantes vochten zelfs mede in die veldslagen der veldheeren; de Vegas, de Calderons, die zooveel gedichten vol phantasie vervaardigd hebben; de Velasquez, de Murillos en hunne talrijke scholieren, die zooveel bleeke heiligen- en monnikengezichten geschilderd hebben; al deze waren tijdgenooten dier ruwe Cordovas en Alvas, en verschenen in hun gevolg.--Het volk passeerde toen het Zenith zijner beweging en doorliep de gouden eeuw, het rijkste tijdperk zijner ontwikkelings-periode.--In dien tijd van zeer bewonderde en zeer gevreesde Spaansche grootheid, werd de Castiliaansche taal voor een groot gedeelte van Europa tijdelijk bijna hetzelfde, wat later de Fransche meer blijvend geworden is, de modetaal der voorname wereld.--Daar de aanzienlijke Spaansche familiën, zich evenals hunne Koningen, door huwelijken, met de familiën van Italië, Duitschland, de Nederlanden verbonden, daar men overal Spaansche grandes, militairen, diplomaten, hovelingen, gouverneurs ontmoette, zoo werd het eindelijk aan de hoven van Weenen, Milaan, Napels, Brussel, Londen, zelfs ook in Parijs, goede toon, Spaansch te spreken.

Even als de welluidende, majestueuse en hoogdravende Spaansche taal, zoo verbreidden zich in dien tijd ook de Spaansche modes en zeden in kleederdracht en gedragswijze over geheel Europa.--Vooral in de residenties behaalde het deftige, statige en stijve kostuum en hofwezen der Spanjaarden de overhand. Het scheen een oogenblik alsof geheel Europa zich geheel op Spaansche wijze inrichten wilde, eerst de hoogere standen, en later ook de burgerklassen. Duitschland zuchtte lang onder den druk der Spaansche halskragen en Spaansche poffen. Zelfs de Engelsche heeren, de overwinnaars der Spaansche Armada "droegen hun baard en knevel op Spaansche wijze". En alle pronkers van Europa trachtten zich voor te doen, sierlijk van het hoofd tot de voeten, onnatuurlijk geregen, afgemeten en beredeneerd in gedrag en bewegingen, solide en kostbaar versierd, over zich zelven tevreden en trotsch als een Spaansch Hidalgo.

Men kan deze Spaansche invloeden zelfs tot in het Skandinavische Noorden, en door Hongarije en Zevenburgen heen, tot in Rusland naspeuren. Een en ander daarvan, b.v. in de kleeding der patriciërs en raadsheeren der Duitsche vrije steden, zijn tot op onzen tijd bewaard gebleven.--Natuurlijk aapte men in dien tijd de Spanjaarden ook in gewichtiger zaken na, vooral in hunne militaire organisatie en de discipline bij hunne legers. Veel ouds in de Engelsche marine is van de Spaansche schepen afkomstig, zelfs verscheidene technische scheepstermen.

Ook de Spaansche dichters vonden bewonderaars en naäpers zoowel in Italië als in Frankrijk. De Franschen vooral waren, nadat zij de rijke poëtische goudmijnen aan gene zijde, der Pyreneën ontdekt hadden, zooals eens de Pheniciërs de minerale, onvermoeid in de benuttiging en uitbreiding er van.--Natuurlijk geschiedde zulks, op gemakkelijk te begrijpen gronden, wel wat te laat, omdat de eigenlijke bloei in Spanje reeds voorbij was, Kleederenpronk en uiterlijkheden deelen zich altijd sneller en onmiddelijker mede dan literarische producten, voor welker genot en goed begrip menige voorbereiding noodig is. Duitschland had reeds lang Spaansche mantels gedragen en weder afgelegd, eer zijn zin voor de voortbrengselen van den Spaanschen geest ontwaakte. Maar toen hebben de Duitschers zich met bijzondere voorliefde op de edele, ernstige, kuische en gevoelvolle Spaansche Muze toegelegd, als zagen zij in zekere mate in haar eene halfzuster van hun eigen geest.

In die niet-Spaansche landen van Europa, welke de Spanjaarden het langst beheerschten, zijn nog tot op den huidigen dag eenige sporen hunner aanwezigheid te herkennen. Het zuivere en ijverige Katholicisme, dat bij de Belgen in waarde is gebleven, is ten deele een voortbrengsel der heerschappij van de Spanjaarden, wier Koningen, veldheeren en priesters met taal, vuur en zwaard zich beijverden, de Vlamingen voor de nieuwe leer hunner Hollandsche broeders te bewaren. De trotsche Belgische adel, wiens afstammelingen zich dikwijls door huwelijk met de Spaansche adellijke geslachten verbonden, werd in hoogen graad voor Spaansche zeden en denkwijze gewonnen, en men ontdekt nog heden ten dage menig overblijfsel daarvan bij hen, zooals men ook nog in de Belgische steden op enkele zaken en gewoonten stuit, die van den Spaanschen tijd dagteekenen.--Aan het Oostenrijksche hof bleven Spaansche geest, taal en zeden tot diep in de 18de eeuw bestaan. Ook vindt men in Oostenrijk nog hier en daar Spaansche familienamen, die van de onder Karel V en Ferdinand I het land binnengetrokken Spanjaarden afkomstig zijn.--Ook in Sicilië, eene bakermat der oude Iberiërs, dat de nieuwere Spanjaarden langen tijd in hun bezit hadden, treft men nog menige overeenkomst met Spanje aan. Spaansche adellijke familiën, sedert eeuwen met die van dit eiland verbonden, hebben daar nog heden ten dage een niet onaanzienlijk grondbezit, en menige Spaansche rechterlijke gewoonte is daar ook nog heden ten dage van kracht.--Van alle Cis-Pyreneesche volken van Europa zijn echter de Spanjaarden het meest met de bewoners van Zuidelijk Frankrijk verbroederd. Met deze hunne naburen hebben zij van oudsher meer te doen gehad, dan met eenig ander Europeesch volk.--Het Zuidelijk Frankrijk, door Languedoc en Provence om den Noordelijken boezem van de Middellandsche Zee heen, is altijd een overgangsland voor Italië of Frankrijk naar het Pyreneesche schiereiland geweest. Van daar rukte gewis eens het Iberische volk het Pyreneënland binnen, en Iberisch bloed stroomt gedeeltelijk nog door de aderen dezer heetbloedige Zuidelijke Franschen.--De West-Gothen heerschten geruimen tijd zoowel over het eigenlijke Spanje als over dit Iberische gedeelte van Gallië, en de Spaansche Souvereinen van Catalonië bezaten daar geruimen tijd het landschap Roussillon en andere streken van het land.

Het gebied van den eens zoo bloeienden tuin der Provençaalsche dichtkunst en taal, strekte zich zoowel door Noord-Oostelijk Spanje als door Zuidelijk Frankrijk uit, en nog heden wordt daar, zoowel aan deze als gene zijde der Pyreneën, het Catalonische dialect gesproken, zooals zich, van Spanje uit over Narbonne en Marseille, eene reeks verwante dialecten, in zachte toon afwijkingen, langs de kust der Middellandsche zee tot naar Italië uitstrekt.--Nergens binnen de grenzen van zijn eigen land, voelt de Noordelijke Franschman zich minder te huis, dan bij deze Zuid-Fransche grensbewoners van de Pyreneën en de Middellandsche Zee, bij wie zich daarentegen de Spanjaard meer te huis gevoelt, dan ergens anders aan deze zijde der Pyreneën.

Voor het overige ontmoet men nu, nadat zij zich weder achter hunne Pyreneën teruggetrokken hebben, den eigenlijken Spanjaard zelden onder de Europeesche volken. Zij hebben zich hier nergens als landbouwende kolonisten verstrooid.--Men kan geen tak van industrie opnoemen, waarin hun in de Europeesche steden de voorkeur gegeven wordt, zooals de Italianen, de Franschen, de Duitschers overal op ons vasteland, vele hebben. En terwijl men in bijna iedere hoofdstad van Europa, in meerdere of mindere mate, Duitschers, Franschen en Italianen aantreft, kan men in de minste ook slechts een klein Spaansch element in hare gezamenlijke bevolking ontdekken.--Er bestaan niet zulke in geheel Europa bekende en populaire persoonlijkheden uit Spanje, als b.v. de Italiaansche handelaars in lekkernijen, de Savoiaardsche musici, de Toscaansche gipswerkers of de cantatrices uit het Romeinsche schiereiland, die bij ons om zoo te zeggen inheemsch zijn geworden. Ook hebben verder de Spanjaarden noch geleerden, noch handwerkslieden, noch ambtenaren met ons geruild, terwijl de Midden-Europeesche volken dat meermalen met elkander gedaan hebben. De Russen, die in nieuweren tijd gaarne van alle Europeesche volken voordeel trokken, namen dikwijls Duitsche, Italiaansche, Fransche, Engelsche, Hollandsche generaals, admiraals en ministers bij zich in dienst. Een Spaansche naam treft men onder hen, die sedert Peter den Groote, Rusland voor de beschaving gewonnen hebben, niet aan. Evenmin ontmoeten wij noch in Italië, noch aan den Rijn, Spaansche grand-seigneurs, of Spaansche natuurbewonderaars, zooals Rusland, Engeland, Nederland en Skandinavië die aanhoudend derwaarts zenden. Zij vallen ons met niets lastig, zij verheugen ons met geen talent, zij brengen ons niets. Men ziet op de markten van het Europeesche binnenland en in de havens, schier meer Turksche dan Spaansche kooplieden, ofschoon men ze zoo gaarne zien zou, daar zij gewoonlijk zeer eerlijke en geschikte handelaren zijn. Zij zijn in het Europeesche dagelijksch verkeer schier onbekende verschijningen. Alleen de vlijtige Cataloniërs, de eenige Spanjaarden die de werkzaamheid en de industrie huldigen, maken daarop eene uitzondering. De Spaansche taal, die zich zeewaarts over geheel vreemde vaste landen verspreidde, is in Europa maar op enkele weinige plaatsen door verdrevene Spaansche Joden inheemsch geworden, zooals ook in nieuweren tijd staatkundige vluchtelingen, in Londen en eenige andere plaatsen, kleine Spaansche koloniën gevormd hebben.

DE PORTUGEEZEN.

Veel van hetgeen wij over de Spanjaarden gezegd hebben, is ook van toepassing op hunne buren en tweelingbroeders, de Portugeezen, die den uitersten rand, of zooals Portugeesche dichters zich uitdrukken, "het voorhoofd van Spanje", van Europa's hoofd bewonen, en die op ons vasteland slechts een enkelen nabuur, de Spanjaarden, hebben.

Onder de zelfstandige volken van ons werelddeel, die eene eigene taal, ontwikkeling en literatuur hebben, is het Portugeesche volk een der jongsten. Zijne losmaking van het overige lichaam van het Pyreneesche schiereiland, dateert eerst van den aanvang der 12de eeuw, en de wasdom dezer nationaliteit is dien ten gevolge nauwelijks zoo oud, als die der oude eiken in onze wouden.

Gedurende de lange tijdruimte, die dat tijdstip voorafging, maakten de bewoners van het tegenwoordig Portugal slechts een gedeelte van Spanje uit. Ook viel het hunnen voorouders niet in, zich zelven van het begrip Spanjaard en Spanje uit te sluiten. Zij deelden in alle lotgevallen van het overige Spanje, waarmede zij achtereenvolgens onder de opperheerschappij der Puniërs, Romeinen, Germanen en Arabieren geraakten.

De door de Romeinen zoogenaamde Lusitaniërs, die door de dichters en patriotten van het land, als de Portugeezen van den ouden tijd verheerlijkt worden, bewoonden slechts een gedeelte van het tegenwoordige Portugal, en waren ook over een gedeelte van het overige Spanje verbreid. Zij waren een tak van den grooten Iberischen stam, zooals men nog andere in Spanje aantrof, en er vormde zich bij hen een tongval, die niet anders dan als een dialect van den Iberisch-Romaanschen stam beschouwd kan worden, die niet meer zelfstandige eigendommelijkheden had, dan de Arragonische en Catalonische dialecten ook bezaten. Als een staatkundig en nationaal geheel trad het land, dat wij nu Portugal noemen, in die tijden nooit op. Het had altijd slechts eene provinciale beteekenis, en zoowel de Romeinen als de Gothen en de Arabieren smolten het land, terwijl zij het verschillend verdeelden, met de districten en provinciën van het binnenste gedeelte van het Pyreneesche schiereiland samen.

In het jaar 1095 behoorde de Noordelijke helft van het tegenwoordige Portugal tot het Koningrijk Castilië en Leon, de Zuidelijke helft onder den naam Algarvië (d.i. het Westland) tot het Arabische Kalifaat van Cordova.

Eerst door het in genoemd jaar plaats hebbend huwelijk eener Castiliaansche Prinses Theresia, met een Franschen Prins, Hendrik van Bourgondië, begon dit anders te worden.

Alphonsus VI, Koning van Castilië, verleende aan deze zijne kinderen, als een stadhouderschap, den omtrek van het tegenwoordige Oporto, dat sedert oude tijden den naam "Portus Cale" (de haven van Cale) droeg. Daarom noemde zich genoemde Hendrik van Bourgondië Comes Portugalensis (de Graaf van de haven Cale), en reeds zijn zoon Alfonso I, die den omtrek van dit Graafschap vergrootte, nam den titel Koning aan, verdedigde zijne zelfstandigheid tegen Castilië, en moet als de eigenlijke stichter der Portugeesche natie beschouwd worden.

Hij en zijne opvolgers breidden, van uit die Noordelijke wieg des volks, van uit het land bij Oporto, tusschen den Minho en Duero, waar ook nog tot in den nieuweren tijd de lotgevallen der natie zoo dikwijls beslist werden, hunne heerschappij en den naam "Portugal" verder naar het Zuiden uit. Zij marcheerden en veroverden langs de kusten van den Atlantischen Oceaan, aan welks strand deze heerschappij ontstaan was, van de eene haven naar de andere, van de eene riviermonding tot de andere, naar beneden toe, terwijl zij de Arabieren eerst uit Coïmbra, daarna uit Santaren, vervolgens met behulp van Vlaamsche en Duitsche kruisvaarders uit het Koninklijke "Lischbuna" (Portugeesch Lisbona) en eindelijk uit Algarvië verdreven, en tegelijkertijd aan de bevrijde volken hunnen, uit het Noorden afkomstigen en met de Galliciërs verwanten, en nu ook weldra gevierden naam "Portugal" mededeelden.

Reeds na niet veel meer dan 100 jaren, stond het vaderland dezer Portugeezen reeds kant en klaar zoo daar, als wij het nog in dit oogenblik kennen. Van toen af aan, gingen de Portugeezen zich over zee in de andere werelddeelen uitbreiden. In Europa hebben zij zich sedert dien tijd, dus sedert meer dan 600 jaren niet verder uitgebreid, maar hebben zij,--terwijl zij hun gebied met eene keten van sterke vestingen omgaven en met hunne eenige naburen, de Spanjaarden, daarover een, om zoo te zeggen, nooit eindigenden verdedigingsoorlog voerden,--met buitengewone hardnekkigheid het eens genomen grondgebied weten in bezit te houden. Deze omstandigheid is wellicht eenig in de geschiedenis van Europa. Want omstreeks dien zelfden tijd hebben schier alle andere nationaliteiten en staten van ons werelddeel, zelfs de Britsche eiland-bewoners, hunne grenzen en het gebied waarover zij zich verbreidden, zeer dikwijls veranderd gezien.

Deze omstandigheid is daarom des te merkwaardiger, omdat eigenlijk geene zeer scherp afgeteekende natuurlijke grenzen tusschen Portugal en Spanje bestaan. Dezelfde gebergten, hooge plateau's en rivieren treft men in beide landen aan. Beiden hebben hetzelfde klimaat en brengen dezelfde producten voort, en daar nog bovendien Portugal in het vierhoekige figuur van het Pyreneesche schiereiland geheel invalt, zoo schijnt het, dat de natuur, zoo ergens dan hier, beide landen voor eene eenheid in nationaliteit en heerschappij bestemd heeft.

Niettemin bieden beide landen ook eenige natuurlijke contrasten aan, waarop waarschijnlijk dan ook de zedelijke contrasten van beide volken berusten.

De Portugeezen hebben zich uitsluitend aan den zoom van den Atlantischen Oceaan opgehouden. Zij hebben alle mondingsgebieden der grootere Spaansche rivieren bezet, en langs dezen zijn zij maar zoover landwaarts ingedrongen, als zij bevaarbaar zijn, terwijl zij den Spanjaarden het bronnengebied en de diep tusschen de bergen ingeslotene bergstroomdalen overlieten.

Daar hun land openstaat voor de zee, zoo is ook het klimaat gematigder en vooral vochtiger dan dat van Spanje; Portugal is, geheel anders dan Spanje, een groot regenland. Zijne wijnen hebben dien ten gevolge eene wat mindere natuurlijke hitte dan de Spaansche. Zelfs de Koninklijke wijn van Oporto verkrijgt zijn gloed het meest door de spiritus, die aan het druivensap wordt toegevoegd. De Portugeesche wijnen hebben in het algemeen meer vet, hangen meer aan het glas en zijn zwaarder, dan de drooge, van nature vurige Spaansche wijnen, en ook dit wijst op een karakteristiek verschil tusschen beide landen en volken.

Over het algemeen zou men de Portugeezen, de Nederlanders van het Pyreneesche schiereiland kunnen noemen. Zij staan in allerlei opzicht tot de rots- en bergvolken van Spanje, als de Vlamingen en Batavieren tot de Duitschers. Zij zijn, hun oorsprong uit eene haven getrouw--men zou den naam Portugeezen in havenlieden kunnen vertalen--groote schippers en handelaars geweest. Zij hebben dien ten gevolge ook meer het burgerlijke en neringdoende element in zich opgenomen, dan de ridderlijke Spanjaarden. Zij zijn werkzamer dan deze. Als oude handelsvolken openbaren zij in hun geheele wezen iets weeks en buigzaams, in tegenstelling met de Spanjaarden, die door het harder, hooghartiger, ruwer wezen eens bergvolks bezield schijnen te zijn. Het is een min of meer dergelijk contrast, als men aantreft bij den Skandinavischen stam, in de Denen en Zweden.

Veelvuldig openbaart zich die grootere weekheid van het Portugeesche wezen, in hunne taal en literatuur, waarin b.v. de bij de Spanjaarden zoo nationale dramatische en historische voortbrengselen ontbreken, terwijl de herder-dichten door geen volk in zoo hooge mate beoefend werden als door de Portugeezen. Even als de Italianen weinige dichters gehad hebben, die niet iets satirieks hebben voortgebracht, zoo tellen de Portugeezen bijna geen dichter, die niet in eclogen, idyllen, bukolische en erotische gedichten ruimschoots het zijne heeft gedaan. "Elegische sentimentaliteit en droefgeestige zwerving van gedachten, is een hoofdtrek van hun karakter. Zelfs hunne edele ridders en Koningen, die in oude tijden bijna altijd in geestdrift ontstokene dichters waren, zongen in den regel het liefst van Amynthas, Chloë en Daphnis, en in geheel Portugal was bijna iedere berg een Parnassus, iedere bron een Castiliaansche bronwel."

Daardoor verschijnen zij ook overal als de lievelingen van Venus, en in hun groot heldendicht, de Lusiade, treedt in den raad der goden, de godin der liefde op als beschermster en voorspraak van Vasco de Gama en zijne Portugeezen, terwijl Bacchus, de god des wijns, de rol van hunnen tegenstander en verderver speelt, welk laatste, zooals ik hier ter loops opmerk, voor de in het eten en drinken zoo uiterste matige Lusitaniërs, even veel beteekenend is.

Even als in de keuze der geliefkoosde onderwerpen hunner dichters, zoo ontmoet men ook in de klanken en in den bouw der Portugeesche taal, iets ongemeens, weeks en zelfs iets zoets, zij begunstigt in hooge mate de uitdrukking van zachte en teedere gevoelens. Zij verwisselt overal de keel- en gehemelteklanken der Spaansche taal in sis- en tongklanken, en brengt meer klinkers bijeen dan de Spaansche.

In stede van den ruwen klank, die aan de Spaansche taal eigen is, bezit de Portugeesche meer de gladheid van het Fransch. Zij heeft met deze ook den eigenaardigen neusklank gemeen, die aan het Spaansch geheel vreemd is. Men schrijft dit en veel meer Fransch in het Portugeesch--gedeeltelijk ten minste--aan de eerste grondvesting der Portugeesche zelfstandigheid door bovengenoemden Franschen Prins toe, die met vele Fransche ridders en zangers in het land kwam. De Portugees heeft minder Germaansch of Gothisch, en ook minder Arabisch dan de Spanjaarden behouden.

Het Spaansch klinkt indrukwekkender en voornamer dan het Portugeesch, dat b.v. eene menigte volklinkende woorden,--die uit het fraaie land der welluidendheid, uit Italië en uit de taal van Rome, afkomstig zijn en aan wie de Spanjaarden hun Romeinsch karakter lieten--afgekort, verminkt en uitgewischt heeft. Wie zou niet het Spaansche color, palacio, pueblo, madre, padre, poner veel welluidender vinden, dan de Portugeesche veranderingen cor, paço, povo, may, pay, por! Het Spaansche oor zijn dergelijke Portugeesche woorden onhoorbaar en zij schijnen hem bedorven, verminkt, plat Spaansch.--Ook in dit opzicht, verhoudt zich het Portugeesch weder nagenoeg tot het Spaansch als het Nederlandsch tot het Opper-Duitsch, welk laatste eveneens zoowel ruwer en volklinkender, als ook voornamer, deftiger en trotscher is dan het weekere en plattere Nederlandsch. Even als het een Duitscher zelden inviel Nederlandsch te leeren en zijne gedachten in die taal in te kleeden, zoo hebben ook de Spanjaarden zich bijna nooit op het Portugeesch toegelegd, terwijl omgekeerd bijna geen Portugeesch dichter genoemd kan worden, die het ook niet in den mannelijken, Castiliaanschen tongval beproefd heeft. Verscheidene Portugeesche classici behooren tot de literatuur van beide volken, wat men zeker van geen Spaanschen dichter zeggen kan.

Even als de taal der Spanjaarden, zoo was ook hun geheele leven en hun zijn, oorspronkelijker en rijker ontwikkeld, als zijnde dat van een grootscher, machtiger en talrijker volk. De Spanjaarden hebben in alle soorten der dichtkunst, in alle soorten van kunst en wetenschap uitgemunt. Bij de Portugeezen, die dikwijls slechts naäapten, vindt men menig geheel onbebouwd veld. In het satirieke en komieke genre b.v., waren zij zeer zwak en bewogen zij zich moeilijk. Een zoo fijne en scherpe geest als die van Cervantes werd nooit bij hen geboren. Ook in de schoone kunsten, de architectuur uitgezonderd, hebben de Portugeezen zelden iets groots voortgebracht. Hunne schilders en beeldhouwers kennen wij niet, terwijl die der Spanjaarden in de wereld algemeen geprezen worden.

Over het geheel is, na al wat wij boven opgemerkt hebben, de moreele invloed der Portugeezen op de Spanjaarden gering geweest, terwijl omgekeerd die der Spanjaarden op de Portugeezen zoo groot was, dat men zeggen kan, dat zij hunne naburen aan den oever der zee, meestal op sleeptouw hebben.

De Portugeezen hebben in de ontwikkeling hunner beschaving bijna altijd met de Spanjaarden gelijken tred gehouden. De perioden der poëzie en literatuur zijn bij beide volken geheel dezelfde, en evenzoo ook de tijdperken van bloei en verval hunner staatkundige macht. Werden in Spanje de troubadours, de Italianen of de Franschen nageaapt, gelijktijdig geschiedde zulks in Portugal. Had Spanje wijze, poëtische, de wetenschap hooge eischen stellende Koningen, dan had Portugal die ook. Stond in Spanje een Peter de Wreede aan het hoofd, dan had Portugal ook dergelijke despoten met dergelijke bijnamen. De beroemde Koningen van Portugal, Johan II, Emanuel en Johan III, waren tijdgenooten van de grootste Spaansche monarchen Ferdinand, Karel I en Filips II, en gewoonlijk hadden beide volken gelijktijdig hunne groote mannen en hunne groote omwentelingen.

Werd bij de Spanjaarden het Romeinsche recht of de inquisitie of eenige andere heilzame of onheilzame hervorming ingevoerd, zoo duurde het ook niet lang of zij werden ook bij de Portugeezen aangenomen. Hadden de Moriscos of Joden in Spanje vervolgingen der Christenen te lijden, zoo konden zij kort daarna in Portugal op hetzelfde rekenen, ofschoon het hier meestal zachter toeging, daar de Portugeezen zich, als alle handelsvolken, over het algemeen verdraagzamer getoond hebben dan de hooghartige en sombere Spanjaarden.

Binnen hetzelfde tiental jaren begaven zich de voornaamste zeehelden der beide volken scheep, en zeilden den aardbol rond, de eenen langs den Oostelijken, de anderen langs den Westelijken weg, ofschoon ter zee, van den beginne af aan, de Portugeezen iets op de Spanjaarden voor hebben gehad. Beide volken gingen, als eene dubbelster, bijna in hetzelfde oogenblik door het zenith hunner macht. En toch vindt men naast al die overeenkomsten in de geschiedenis hunner ontwikkeling, in hun karakter en hunne neigingen, en naast alle opgesomde aesthetische en literarische overeenkomst het merkwaardige, dat zij daarbij altijd in aangeborene vijandschap leefden, steeds de grootste antipathie tegen elkander koesterden, en even als een paar broeders of naburen, die vijandig tegen elkander over staan, alleen door de omstandigheden gedrongen met elkander gelijken tred hebben gehouden, om zoo te zeggen tegen wil en dank, dezelfde melodie, op slechts weinig van elkander verschillende instrumenten, gespeeld hebben.

In de oorlogen, die beiden--dikwijls met vreemden verbonden--tegen elkander voerden, hebben de Spanjaarden meestal het overwicht gehad. Ontelbare malen zijn zij Portugal als overwinnaars binnengetrokken, en hebben het nu en dan beheerscht, eens (van 1580 tot 1640) langer dan eene halve eeuw. Niettemin hebben zij het nooit blijvend kunnen verbreken, overmeesteren of met hun land ineensmelten, ofschoon het tot den huidigen dag een lievelingsidée der Spaansche patriotten is, alle stammen van het Pyreneesche schiereiland, ook de Portugeezen, tot één groot rijk en volk te vereenigen.--En dit is een idée, welks verwezenlijking onze tegenwoordige eeuw met hare handelsvrijheid, hare spoorwegen, kanalen, bevaarbaar gemaakte rivieren, waarmede, de Spanjaarden zoowel als de Portugeezen, de scheidsmuren die tusschen hen bestaan, trachten omver te werpen, misschien bewerken zal.

Hebben de Portugeezen reeds in hunne betrekking tot hunne buren, de Spanjaarden, meer eene lijdende of verdedigende, dan eene werkdadige en voorlichtende rol gespeeld, zoo is hunne inwerking op de beschaving van het overig Europa nog van veel minder beteekenis geweest. Van hoe veel meer gewicht zijn niet de Zwitsers en Nederlanders (ook slechts, even als de Portugeezen, kleine volken) voor Europa geworden. Onder de regeering van Koning Emanuel, in de 16de eeuw, was wel bij hen het middenpunt van den Europeeschen handel, was Lissabon wel eene wereldmarkt, waar men alle zeevarende volken aantrof; maar dit duurde niet lang, en van nog korteren duur was de roem van hun Coïmbra, als schitterendste Muzen-zetel van ons werelddeel. Hunne taal heeft men in het overig Europa even weinig geleerd en er even weinig notitie van genomen als b.v. van het Nederlandsch. Hunne taal is bijna even eng begrensd gebleven, als b.v. de tongval der Denen tot Jutland.--Van al hunne talrijke dichters heeft slechts één zich een Europeeschen naam, in de geschiedenis der Europeesche ontwikkeling eenig gewicht verworven. Wij bedoelen den, door een hoogst ongelukkig noodlot vervolgden, door zijne tijdgenooten niet gewaardeerden, ja geplaagden armen soldaat, dien men later, opdat hij in zijn levensonderhoud zou kunnen voorzien, de hoogst ondichterlijke betrekking van lijkbezorger te Macao, in China gaf; dien men later, wegens eene vergissing in de administratie aan zijne betrekking eigen, in de gevangenis wierp, en ten laatste in een hospitaal als bedelaar liet verkwijnen en sterven. Onder al die mishandelingen en kwellingen, werkte die geestige man steeds aan zijne kunstrijke, prachtige verzen, waarin hij op onsterfelijke wijze den roem zijner landslieden, zijner Koningen en hunner voorvaderen bezong, de Portugeesche dichtervorst Camoëns, wiens Lusiade een bij alle volken bekend en bewonderd, in alle talen der wereld overgezet heldendicht geworden is.

Even als deze Camoëns van hunne dichters, zoo is van hunne geschiedschrijvers nagenoeg alleen Barros,--van hunne zeehelden alleen Magellaan, de eerste die een vaart om de wereld deed,--van hunne Vorsten, de groote Emanuel, die zich er op beroemde dat in zijn rijk de zon nooit onderging,--van hunne veldheeren Albuquerque, de veroveraar van Indië,--van hunne staatslieden Pombal, de verdrijver der jezuïten, bij alle Europeanen bekend geworden. Algemeen bekende Spaansche, Italiaansche of Fransche celebriteiten zijn er ontelbaar velen.--

Het voornaamste veld van de grootheid en de in de geschiedenis der ontwikkeling bekende werkzaamheid, der aan den uitersten rand van ons werelddeel geborene Portugeezen, ligt buiten Europa, aan gene zijde van den Oceaan, in Afrika, in Indië, in de nieuwe wereld, waar zij aan vele volken hunne taal leerden, hunne beschaving mededeelden; waar zij groote staten, Koningrijken en Keizerrijken stichtten; waar zich hunne geheele nationale neerlijkheid overmachtig ontvouwde; waar zij zich echter, tegelijk met de gemakkelijk verworvene rijkdommen en de steeds toenemende luxe, ook de lust tot pronk en den tegenzin in den arbeid eigen maakten, die eene groote verslapping hunner energie ten gevolge gehad hebben, en waaruit zij zich eerst nu weder, na vele vergeefsche omwentelingen, tot nieuwe nationale werkzaamheid en bloei beginnen te verheffen.

GALLIË EN DE FRANSCHEN.

Ten Noord-Oosten van Spanje wordt door de elkander dicht naderende zeeën, het lichaam van ons Europa weder aanzienlijk verengd, en als ineengeregen. Het vormt om zoo te zeggen, den hals van het groote standbeeld van ons werelddeel.

Even als bij de buste van het menschelijk lichaam, zoo is ook bij ons werelddeel deze halsvernauwing van geen langen duur. Aan weerszijden vindt men de breede schouders. De borst van het "schoone Frankrijk," dat zijne armen, Italië en Groot-Brittanje, rechts en links uitbreidt, welft zich hier.

Bijna even scherp en duidelijk als het Spaansch hoofdgedeelte, heeft de natuur ook dit gedeelte van ons vasteland, als geheel op zich zelf staande gevormd en van de andere landen-massa's gescheiden; zij schijnt dit land oorspronkelijk reeds tot de woonplaats van een eigenaardig geslacht, tot het schouwtooneel van invloedrijke gebeurtenissen, tot wieg en bakermat van één volk, en tot het goed voorbereide fundament van een machtigen staat bestemd te hebben.

De Pyreneën is het als een parelsnoer om den hals gestrengeld. Als eene muur scheidt die keten het van het Iberische schiereiland. Zijne beide schouders worden door de zee bespoeld en zijn in scherpe kust-lijnen duidelijk afgeteekend. Op de hoogte der taille echter slingert zich de vaste gordel der Alpen, van den Jura, der Vogesen, der Ardennen, die het van Italië en Duitschland scheidt, waarbij echter in het midden (ter hoogte van Midden-Duitschland) het slot en de sluiting vergeten is.--Van de hooge grensomwallingen in het Oosten en Westen, loopt het land vlak naar binnen en naar het westen, alwaar het een bassin vormt, af.

De stroomen van dit bassin vormen een samenstelsel van eigenaardig tot elkander behoorende en door elkander gevlochten aderen, die allen als stralen uit een zelfde middenpunt loopen.--Geen van hen maakt zulke excentrische en afwijkende banen, als b.v. de Duitsche Donau naar het Oosten. Daar zij allen in hunne hoofdtakken in hooge mate bevaarbaar zijn, veel meer dan b.v. de kleine, korte bergstroomen van Italië, of de arm aan water zijnde stroomaderen van Spanje, zoo zijn zij zeer geschikt om bij wijze van band, de bevolking te zamen te houden en in elkander te versmelten. Zij worden door onbeduidende hoogte-ketens, dikwijls slechts geheel vlakke en kleine plateaus, nergens door zulke steile rotsgebergten als de Italiaansche Apennijnen, of als de Spaansche Sierra's, van elkander gescheiden, en zij konden alzoo, door handelswegen van den eenen stroom tot den anderen en door kanalen, tot een zeer nauw verbonden scheepvaart- en verkeerstelsel vereenigd worden. Strabo heeft gezegd, dat het schijnt alsof de Voorzienigheid de stroomstelsels van Gallië, volgens een vastgesteld plan, ter bevordering van het verkeer en ten gerieve der bewoners aangelegd heeft.

De geheele figuur van dit scherp afgeteekende gedeelte van Europa, is noch zooals Italië zeer in de lengte uitgestrekt, noch zooals Rusland overmatig breed, of als het Grieksche schiereiland verkorven en versnipperd. Het is veeleer een in hooge mate aaneengesloten, goed geëvenredigd geheel, en laat zich binnen den omtrek van een regelmatig vierkant of wel binnen dien van een cirkel vatten. Het strekt zich ook niet over zoo aanzienlijk verschillende luchtstreken uit, maar valt veeleer midden in den schoot van den gematigden aardgordel, en heeft daardoor ook in al zijne deelen een meer gelijkmatig klimaat, dan misschien eenig ander der grootere onderdeelen van ons werelddeel. Frankrijk maakt met betrekking tot zijn klimaat een overgang uit tusschen het Zuiden en het Noorden, en staat midden tusschen het Oosten en Westen. Het is veel minder droog dan Spanje, niet zoo heet als Italië, op verre na niet zoo vochtig als Groot-Brittanje, en gemiddeld vriendelijker en zachter dan Duitschland of zelfs het verre Oosten.

Even als met betrekking tot klimaat en vorming der oppervlakte, zoo heeft het ook nog in andere opzichten niet die veelvuldige verscheidenheid zijner naburige landen, en is het eenvormiger dan deze. Het is over het geheel zeer geschikt tot de verbouwing der Europeesche granen, overal redelijk vruchtbaar en productief, en slechts bij uitzondering staan onoverwinbare hinderpalen de bebouwing van den grond in den weg. Nergens groeien de Europeesche vrucht- en ooftboomen beter dan daar. Ook valt bijna het geheele land nog in de streek van den wijnstok, wat, voor het karakter van klimaat en luchtgesteldheid, misschien van meer beteekenis is dan alles, wat men nog meer over zijne gemiddelde of zomer- en wintertemperatuur-graad zou kunnen zeggen.

Het is gemakkelijk te begrijpen, dat in eene landstreek van dergelijke gesteldheid, die in zoo hooge mate met alle naburige landstreken in contrast staat, die daarentegen in zich zelve eene zoo groote eenheid vormt, ook een bepaald volken-geslacht zich vastzetten en verbreiden, en in den loop der tijden eene bijzondere en eenige natie zich vormen moest.

Toch heeft men ook in Frankrijk, bij alle gelijkvormigheid in het geheel, verscheidene natuurlijke afscheidingen en geledingen, die zich in de geschiedenis van het volk van veel invloed getoond hebben, en op deze wil ik thans de aandacht vestigen. In de eerste plaats verbergt het land, trots die nagenoeg overal heerschende gelijkvormigheid in de verhoudingen van zijn klimaat, in zijn schoot een Zuiden en een Noorden. De Zuidelijke helft is merkbaar warmer dan de Noordelijke en nadert een weinig de natuur van Italië en Spanje, midden tusschen welke landen het gelegen is. Het Zuiden vormt ook daardoor een contrast met het Noorden, dat het bergachtiger is. Het bevat het eenige, tamelijk hooge en echt Fransche bergstelsel, de Cevennen, met zijne vertakkingen.

Het Noorden is een breeder vlakte- en heuvelland, en neigt zich, zoowel wat zijn klimaat betreft als uit een geologisch oogpunt, tot de natuur van Engeland en Duitschland. Daar beide deelen, het Zuiden en het Noorden, door geheel verschillende zeeën bespoeld worden, gene door de Middellandsche, deze door de Atlantische Zee, zoo zijn ook daardoor hunne belangen, en hunne punten van aanraking met de buitenwereld, verschillend. Eene lijn, die Oostwaarts door het midden van Frankrijk, van Genève over Lyon naar den mond der Gironde gaat, mag ongeveer beschouwd worden het Fransche Noorden en Zuiden van elkander te scheiden.--Langs deze lijn loopt in Auvergne en in Limousin, eene reeks met bosschen bedekte bergen. Daar bestonden sedert de 12de eeuw groote kastanjebosschen, die hier eveneens de plantengroei-grens tusschen Noord en Zuid vormden.

Beide deelen van het groote land hebben, ten gevolge hunner contrasten, meermalen geheel verschillende lotgevallen gehad. Het Zuiden heeft in den loop der geschiedenis dikwijls bevolking en heerschappij met Italië en Spanje gedeeld, en is herhaaldelijk een tusschenlid, een doortrekkings-gebied tusschen deze beide naburige landen geweest. Het Noorden daarentegen is meermalen, zoowel ethnographisch als staatkundig, met het naburig Engeland, met de Nederlanden en met Duitschland vereenigd geweest. Nog tegenwoordig toonen Zuidelijke- en Noordelijke Franschen, in ras, zeden en taal een aanmerkelijk verschil, dat zoo groot is, dat zij zich dikwijls nog ternauwernood onder denzelfden naam begrijpen. De Zuidelijke-Franschen in Provence noemen zich b.v. liever alleen "Provençalen", en laten den naam "Franschen" bij voorkeur aan de Noordelijke Franschen. Het verschil tusschen Noord en Zuid toont zich, zoowel in de natuur des lands als in de geheele geschiedenis van het volk, van de oudste tijden af tot op de jongste tijden toe.

Ofschoon verder, zooals ik zeide, de deelen van Frankrijk ook door de figuur en den omtrek van het land, tot een in hooge mate compacten en in zich zelven besloten landenkring samengeweven zijn, zoo maken zich toch eenige dier deelen meer of minder van het hoofdlichaam los, zooals zulks bij voorbeeld zeer in het oogvallend het geval is met het lange schiereiland in het Westen, dat wij nu Bretagne noemen, en verder ook met het daarmede zeer veel overeenkomst hebbende Normandische schiereiland. Niet alleen geographisch, maar ook ethnographisch en staatkundig, hebben zich deze beide schiereilanden van het overige lichaam des lands gescheiden gehouden, hebben eene eigene bevolking gehuisvest, of somwijlen tot grondslag gediend voor afzonderlijke staten, als waren zij niet anders dan eilanden, die aan het hoofdlichaam van Frankrijk werden toegevoegd.

Iets dergelijks laat zich aangaande eenige riviergebieden van het land opmerken, vooral dat der Rhône, die, ofschoon met andere naburige Fransche stroomen verbonden, toch een zeer exceptioneelen loop heeft. Al de andere rivieren in Frankrijk loopen naar het Westen, en alleen de Rhône is van het Noorden naar het Zuiden gericht, en vormt daarom met haar een dergelijk contrast, als in Spanje het zoo exceptioneele Ebro-gebied ten opzichte der overige rivieren van het Pyreneesche schiereiland.--Meermalen heeft zoowel het Rhônegebied in Frankrijk als het Ebro-bekken in Spanje, een rijk en een volk op zich zelf gevormd.

Met uitzondering dezer meest opvallende natuur-verschillen en van zooveel andere kleine verscheidenheden, zooals die in ieder land voorkomen, staat Frankrijk echter--ik herhaal het--in hoofdzaak als een uiterst gelijkmatig geographisch, klimatisch, hydro- en orographisch geheel daar.

Nieuwere onderzoekingen hebben het waarschijnlijk gemaakt, dat de Noordelijke helft van dit land, even als geheel het overige midden- en westelijk Europa, oorspronkelijk door wilde jagersvolken van Finschen oorsprong bewoond is geweest, die noch de zee, noch de rivieren op grootsche wijze bevaren hebben, die ook, in kleine barbaarsche stammen verdeeld, niet in staat waren, een zoo grooten gemeenschappelijken staat, een zoo groot gebied als Frankrijk, tot een vaderland te stempelen of te benuttigen. Alle menschenschedels uit de oudste graven van Frankrijk dragen, naar de meening van Prichard en andere geleerden, een "Finsch" of "Mongoolsch" karakter.

Tijdens het eerste begin der Grieksche en Italiaansche ontwikkeling, was dit echter reeds een lang vervlogen voortijd. Toen had zich reeds in geheel Frankrijk die groote volksstam met der woon nedergezet, die men als de voorhoede der Indo-Germaansche familie beschouwen kan, en die vroegtijdig den naam "Celten" verkreeg. Deze Celten verdreven geheel en al, tijdens zij het binnentrokken, de Finsche stammen die zij in het Noorden van het land vonden. In het Oosten bleven zij met hen, voor de aankomst der Duitschers, langen tijd buren. Misschien dateeren van deze aanraking der Celten met de Finnen, nog menige klanken, elementen en wortels van woorden, die de Celtische en zelfs de moderne Fransche taal--naar de meening van enkele taalonderzoekers--nog met de taal der Finnen en zelfs met die der Samojeden gemeen heeft.

De Iberische stammen, die zich in duisteren voortijd, even als in Spanje, ook in de Zuidelijke helft van Frankrijk vastgenesteld hadden, en op welke nu de Celten, bij hunne uitbreiding door het land stieten, konden zij niet zoo gemakkelijk vernietigen, omdat deze reeds eene dichtere en meer aan elkander gesloten volkenmassa vormden. Zij drongen deze gedeeltelijk over de Pyreneën naar Spanje en onderwierpen ze anderdeels, terwijl zij hunne overblijfselen met hun eigen volkslichaam deden samensmelten. Iberisch bloed en geaardheid heeft zich bij de Zuid-Franschen ten allen tijde geopenbaard.--Zelfs Napoleon heeft nog gezegd, dat hij in de Zuidelijke Franschen, die in het jaar 1793 even heftige Jakobijnen, als in het jaar 1815 hartstochtelijke royalisten geweest zijn, "de oude heetbloedige Iberiërs" erkende.

Dat de Celten, die zoowel de oude Finsche als Iberische oorspronkelijke bewoners overstroomden, even als alle Indo-Europeanen uit het Oosten, uit Azië naar Europa gekomen zijn, wordt onder anderen uit hunne taal bewezen, die hare naaste verwanten bij de Westelijke-Aziaten heeft. Fransche en Duitsche geleerden hebben over de verwantschap van het Celtisch met het Sanskriet, in den nieuweren tijd werken geschreven, waarin zij dit punt in een helder licht gesteld hebben.

Ook vinden wij sporen der Celten op den weg van het Oosten door Zuid-Duitschland en langs de Donau-landen, waar eens overal Celtische stammen schijnen gewoond te hebben. Door de Germanen echter en door de Slawen, die na hen langs dienzelfden weg kwamen, zijn zij op die breede baan weder bemoeielijkt en verdreven, en hunne hoofdmassa is binnen het vierkant van Frankrijk samengedrongen geworden.

Dit vierkant nu namen de Celten als hunne Europeesche hoofdburcht in bezit, en hieruit zijn zij, ofschoon somtijds door vreemden onderworpen en verscheidene malen gewijzigd, sedert dien tijd niet meer verdreven.

Van uit dit hun centraalpunt hebben zij zich op verscheidene tijden, op de door de natuur aangegeven banen, over al de hen omringende groote Europeesche landen verspreid, en hebben zij op de ontwikkeling van alle naburige nationaliteiten meer of minder invloed uitgeoefend.--De Pyreneën overtrekkende, vielen zij Westelijk eerst Spanje binnen. Dit moet ongeveer 1600 jaren voor de geboorte van Christus gebeurd zijn. Zij vonden daar eene sterke Iberische bevolking. Zij vermengden zich met een gedeelte van dat volk en daaruit ontstonden de zoogenaamde "Celtiberiërs" dat wil zeggen geceltiseerde of, als men wil, verfranschte Iberiërs. Een zuiver Gallisch ras vestigde zich daar echter niet, en de "Celtiberiërs" zijn later weer, zooals bij de beschouwing der Spanjaarden reeds opgemerkt is, in het zich ontwikkelende Spaansche wezen opgegaan, waarbij de Pyreneën reeds vroegtijdig de grenzen tegen de eigenlijke Celten in Frankrijk uitmaakten.

Op dezelfde wijze begaven de Celten zich ook over de Alpen naar Italië, bezetten de bovenste dalen en vlakten van dit land, Piemont en Lombardije, die nog door de Romeinen Cisalpynsch Gallië of Celtenland genoemd worden. Het bloed en het ras van het volk hebben daar, zooals reeds bij de beschouwing der Italianen opgemerkt is, veel Celtisch of Fransch, ofschoon zij, in taal, zeden en nationale gevoelens, in den loop der tijden, even als de Celtiberiërs in Spanje, aan hun moederland geheel vervreemd, en bijna geheel Italiaansch geworden zijn.

Ook naar den ouden, hun welbekenden Oostelijken weg, langs welken de Celten uit Azië gekomen waren, keerden zij dikwijls weder terug. Op hunne woeste krijgstochten onder aanvoering hunner "Brennus" (Koningen), trokken zij langs den Donau tot naar Griekenland en zelfs tot Klein-Azië.--Zij verwoestten in die richting--het was dezelfde weg, dien later de Fransche kruisridders ook volgden--eens zelfs het Helleensche heiligdom te Delphi. Maar desniettemin gelukte het hun niet, daar eenig gebied duurzaam te kunnen blijven beheerschen en met hun ras te bevolken. Al het Celtische is daar later in het Slawische en Germaansche verloren gegaan.

Men wil echter in het ras, in de physionomie en zelfs ook in de Duitsche taal van verscheidene der Alpenbewoners, b.v. der Tyrolers en Opper-Beieren, veel Celtisch opmerken. In hoofdzaak echter werden de Celten door de Germanen, over den Jura, de Vogesen en de Ardennen, en ook uit het geheele Rijndal verdreven.

Even als de Celten de bergen, die hen aan alle zijden insloten, overtrokken, zoo trokken zij ook den zee-arm, die hen van Groot-Brittanje scheidde, over, en hebben zij zich in den oudsten tijd in alle richtingen over deze groote eilandengroep verspreid.--Hunne stammen verbreidden zich over alle heuvellandschappen, schuilhoeken, aanhangsels en bijgelegene eilandjes van die landen. En Groot-Brittanje is tot op heden (behalve Frankrijk), het belangrijkst gedeelte gebleven van het gebied, waarover zich de Celten verspreidden. Nu nog ontmoet men daar in vele Westelijke bergachtige streken, de Celtische taal, de zeden en denkwijze van het Celtische ras. Ook leverden de Celten een wezenlijk element ter vorming der later hier, met Germaansche hulp, ontstane Engelsche natie.

Ofschoon de Galliërs na deze vroegtijdige en voorhistorische bewegingen buiten de grenzen van hun eigenlijk vaderland, zich nog dikwijls en zelfs nog in de jongste tijden, langs dezelfde, zoo even aangegevene natuurlijke wegen bewogen hebben; ofschoon zij schier in iedere eeuw een of meermalen langs den Donau afzakten, of over de Pyreneën Spanje, of over de Alpen Italië binnenmarcheerden, of over het Kanaal naar Groot-Brittanje voeren, of wel over de Vogesen aan den Rijn verschenen; en ofschoon zich de invloed en de sterke inwerkingen dezer natie, om zoo te zeggen, aanhoudend deden gevoelen, zoo heeft toch wezenlijk geen verdere uitbreiding van hun ras plaats gevonden, en zijn zij in het geheel met hun nationaal type altijd tot het aangegevene landen-vierkant tusschen Spanje en Duitschland, beperkt gebleven.

Toen de Celten uit Azië Europa het eerst binnentrokken, zullen zij waarschijnlijk een even onbeschaafd en zwervend nomaden-volk geweest zijn, als alle andere stammen, die van daar kwamen om ons werelddeel te koloniseren. Nadat zij echter in het zachte, vruchtbare en vriendelijke Gallië meer vaste woonplaatsen gekregen hadden, schijnen zij zich vroegtijdig, daar de Oceaan, de Pyreneën en de naburige volken hunnen verderen voortgang stuitten, eenige meerdere ontwikkeling eigen gemaakt te hebben. Zoo lang de geschiedenis de Galliërs kent, toont zij ze ons als landbouwers en bewoners van steden. Hunne steden waren reeds, toen de Grieken en Romeinen het land onderzochten, talrijk en voor een deel sterk bevolkt, sommige waren van steen zeer stevig gebouwd en ter verdediging door muren omgeven. Dit alleen reeds toont eene grootere mate van beschaving bij de Galliërs, dan wij zelfs in een lateren tijd, oostelijk van den Donau, bij de Germanen, Slawen enz. vinden.--De Romeinsche berichten over Gallië spreken ook reeds van verscheidene standen bij het volk, aan een zeer machtigen priesterstand, die der zoogenaamde Druïden, van een hoogeren en lageren adel, van een stand van boeren en stedelingen, van Koningen en Vorsten, die dikwijls over zeer groote gedeelten van het land heerschten.

En als ook de organisatie en de vereeniging van het volk, vóór de tijden der Romeinen niet zoo ver schijnt gegaan te zijn, dat het geheele Gallië één staat onder één Koning uitmaakte, zoo kwamen toch bij groote, algemeene ondernemingen der natie, bij veroveringstochten naar Italië of naar de Donaulanden, enkele machtige legeraanvoerders, de bovengenoemde "Brennus" aan het hoofd, die men in zekeren zin als de eerste Vorsten van Frankrijk kan beschouwen.

Daar, waar zij tegen den rand van de Middellandsche Zee, het beschavings-bassin der oudheid, stieten, kwamen de Galliërs het eerst met de beschaving in aanraking. Reeds de Pheniciërs hebben daar waarschijnlijk invloed op uitgeoefend, maar deze was niet zoo groot als die hunner opvolgers de Grieken. Evenals overal langs de kusten der Middellandsche Zee, stichtten de Grieken ook in Zuidelijk Gallië, verscheidene belangrijke koloniën, waaronder Massilia (Marseille) reeds 550 jaren voor Christus geboorte, de bloeiendste was. Uit deze sterk bevolkte en rijke stad drong Grieksche beschaving Zuidelijk Gallië binnen. Van de Grieken ontvingen de Galliërs de schrijfkunst. Bijna alle oude Gallische inscripties zijn met Grieksche letters geschreven. De voorname Galliërs die in Marseille, in de daar aanwezige Grieksche scholen, hunne opvoeding ontvingen, leerden zelfs de Grieksche welsprekendheid en poëzie.

Daar de Grieken echter alleen op de zee en langs den kustzoom van het groote land bleven, is hun invloed op de verandering van het ras en de natuurlijke geaardheid van het volk, niet bijzonder groot geweest. Men kan niet zeggen, dat die invloed op de Galliërs in die mate plaats had als later die der Romeinen; maar opmerkenswaardig is het, dat men nog heden ten dage in de stad Marseille, een havenwijk aantoont, waar de arme visschers en matrozen als afstammelingen der Grieksche Phoceërs beschouwd worden, en die nog in taal en zeden niet onduidelijke sporen, dezer afstamming uit het Hellenen-land, moeten aan den dag leggen.

Even als de Grieken, zoo bezetten ook de Romeinen aanvankelijk alleen de kuststreek van Gallië langs de Middellandsche Zee, een gedeelte van Zuid-Frankrijk, dat zij "Provincia" (Provence) noemden, en in welk gedeelte zij overal reeds vroegtijdig koloniën aanlegden en hunne beschaving en taal invoerden. Daar heeft ook later, het Romeinsche en Italiaansche karakter zich het langst gehandhaafd, en nog heden ten dage verkondigen in die streek, de meest grootsche ruïnes van Romeinsche werken, die Frankrijk aan te wijzen heeft, de eens zoo diep en vroegtijdig hier wortelende macht der Romeinen.

Kort voor de geboorte van Christus, onder hun machtigen Imperator Julius Cesar, veroverden de Romeinen, in eene reeks buitengewoon gelukkige en snel uitgevoerde ondernemingen, geheel Gallië tot aan het Ryndal in het Oosten en tot aan den Oceaan in het Noorden en Westen, organiseerden het naar hunne wijze, en behielden het nu langer dan 400 jaar als een wezenlijk deel van het rijk, tot dat eindelijk dat rijk zelf ten onder ging.

Cesar, de Romeinsche veroveraar en beschaver van Gallië, is ook in de beroemde beschrijvingen, die hij ons van zijne reizen en oorlogen nagelaten heeft, de eerste die eene uitvoerige en zorgvuldige schildering van het land en het volk gegeven heeft. Door hem leeren wij voor het eerst de ras-eigendommelijkheden, het nationale-karakter en de zeden der voorvaderen onzer Franschen iets nader kennen. En uit zijne geschriften spreekt duidelijk eene lands- en volks-physionomie tot ons, zooals in hoofdtrekken nog heden ten dage in Frankrijk bestaat.

De Galliërs, zegt Cesar, zijn, in vergelijking met hunne naburen de Duitschers--dit is eene vergelijking, waarop oude en nieuwe schrijvers, om zeer nabijliggende redenen dikwijls terugkomen--menschen van eene stevige natuur. De Germanen verschillen van hen, door hunne groote gestalte en sterken lichaamsbouw. De gezichtsvorm en het hoofd van het Gallische ras is opvallend rond, terwijl bij de Duitschers, die nog heden ten dage door de Franschen voor "têtes quarrées" uitgescholden worden, alles meer hoekig en meer langwerpig schijnt.--De gelaatstrekken der Galliërs zijn, volgens Cesar, levendiger en hebben meer uitdrukking dan die der Germanen. Zij hebben krulhaar, en groote, zeer beweeglijke oogen. Met betrekking tot de grondtrekken van hunnen inborst, merkt Cesar op, dat zij een gemakkelijk op te winden, spoedig besloten en bijzonder lichtzinnig, spraakzaam en geestig volk zijn, terwijl hij de Germanen als meer ernstige, bedachtzame, bedaard overleggende en tevens tragere en langzamer barbaren tegen hen overstelt. Van de "subita et repentina consilia Gallorum" (de plotselinge besluiten en oogenblikkelijke opwellingen der Galliërs) maakt Cesar dikwijls melding.--"In consiliis mobiles, plerumque de novis rebus student" (In hunne beraadslagingen zijn zij wankelmoedig en zij haken altijd naar veranderingen.)--"Levem auditionem habent pro re comperta." (Het minste gerucht nemen zij dadelijk voor eene uitgemaakte zaak aan).--Zij zijn zoo verlangend naar nieuwigheden, zegt Cesar verder, dat zij de reizigers op de wegen aanhouden en hen dwingen stil te staan, om van hen te hooren wat ergens anders voor verwonderlijks plaats gegrepen heeft. Volgens hem zijn zij een bijzonder gezellig volk. Zij zijn vroolijk en genieten het oogenblik.

Eene der voornaamste genoegens hunner gezellige bijeenkomsten, bestaat in de bij hen ontstane discussies. Bij deze disputen en gesprekken toonen zij zich altijd hevig en grillig. Hunne stemmen zijn bijna altijd dreigend en levendig, zij mogen bedaard of opgewonden zijn. Zij openbaren daarbij niet de minste vastheid van karakter of zelfbeheersching, die een man zoo goed staan. "Avidi jurgiorum" (zij zijn begeerig naar twist), en toonen daarbij eene hoogmoedige aanmatiging.--Hunne ongeloofwaardigheid is zoo groot, dat zij spottend en lachend hunne beloften breken. (Ridendo fidem frangunt). En hunne lichtzinnigheid gaat zoover, dat zij onder elkander hun leven voor geld of voor een paar bekers wijn veil hebben. "Somwijlen schijnen zij bezield door een dollen waanzin," voegt de verbaasde Romein er bij, "die aan het ongelooflijke grenst."

Zij zijn zeer moedig en strijdlustig, en zelfs een grijsaard onderscheidt zich bij den wapendienst met dezelfde doodsverachting, als een jong man in den bloei zijner jaren. Als zij in den oorlog overwinningen behalen, dan zijn zij onverdragelijk trotsch; worden zij overwonnen, dan laten zij den moed spoedig geheel zinken. Iets dergelijks constateert ook Cicero, die de Galliërs zeer kort in de volgende woorden teekent. Plerumque Gallia duas res industriosissime persequitur, rem militarem et argute loqui; wat men zou kunnen vertalen door: "op twee dingen stellen de Galliërs (Franschen), bijzonder veel prijs, op het krijgswezen en op vernuftig te spreken."

Zij hebben eene opvallende voorliefde voor opschik en pronk. "Niet alleen vrouwen, maar ook de mannen versieren zich gaarne den hals en de armen, met gouden kettingen, ringen en gespen. En zij, die eene betrekking bekleeden, hebben bontgekleurde en met goud geborduurde kleedingstukken. De Gallische Sagum (mantel) is zelfs bij de mindere standen bijzonder bontgekleurd en geborduurd. De wispelturigheid die zij in den dagelijkschen omgang ten toon spreiden, openbaart zich ook, zegt Cesar verder, in hunne politieke geschiedenis; zij zijn bijzonder geneigd tot omwentelingen en eene plotselinge ommekeer van zaken, en verwisselen gaarne van bestuur, "mobilitate et levitate animi novis imperiis student."

Een ander groot land- en volken-beschrijver der ouden, Strabo, schrijft iets dergelijks. Maar hij voltooit de schildering door er aan toe te voegen, dat de Galliërs bij dat alles toch recht goedhartige menschen (bons enfans) zijn. "Zij zijn," zegt hij, "zeer gemakkelijk tot een goed plan over te halen." "Als zij meenen, dat een hunner buren onrecht geleden heeft, komen zij spoedig bij elkander en dan kent hun toorn geen perken." Ook stemt Strabo daarin met andere Romeinsche schrijvers overeen, dat zij zeer ontvankelijk zijn geweest voor onderricht en verstandelijke ontwikkeling, dat zij een zeer scherp oordeel en nog menige andere uitstekende geestesgave bezaten.--Met betrekking tot hunne zedelijkheid echter, worden de Galliërs door alle oude schrijvers niet zoo gunstig beschreven als de barbaarsche Germanen, wien zij eene hoogere mate van zedelijkheid en kieschheid toeschrijven.

Naar dit alles mag men wel zeggen, dat reeds voor 2000 jaren het grondkarakter der bewoners van Gallië, in hoofdtrekken juist zoo was, als het zich den vreemdeling ook in latere tijden geopenbaard heeft.--Alle latere nederzettingen en veroveringen schijnen in de hoofdkaraktertrekken van deze, ons reeds uit de oudste berichten tegenblikkende volks-physionomie, niet veel veranderd te hebben.

Even als het zedelijk karakter, zoo is ook het physische type der oude Galliërs nu nog in het wezenlijke hetzelfde gebleven. De heer Edwards, een fijn kenner en scherp opmerker der lichamelijke nationale eigenaardigheden der Europeanen, heeft de oude Gallische schedelvorming, het niet-hoekige hoofd met het smalle voorhoofd en met groote en opene oogholten, met afgeronde neus en kin, overal in Frankrijk wedergevonden en heeft aangetoond, dat de tegenwoordige Franschen ook, wat bloed, ras en lichamelijke gesteldheid aangaat, in hoofdzaak nog altijd de oude Celten zijn.

Het meest is later de taal der Galliërs veranderd, maar toch heeft ook het tegenwoordige Fransch nog veel Celtisch; het bevat eene menigte woorden, die noch uit het Romeinsch, noch uit de later ingedrongene Germaansche dialecten afgeleid kunnen worden.

Ook zijn alle later uit vreemde talen overgekomene woorden in den Gallischen mond aanmerkelijk veranderd. Bij velen is hun Romaanschen, Germaanschen of anderen oorsprong nauwlijks meer te herkennen. Vooral de toon, de stem, de "timbre" waarmede het hedendaagsche Fransch uitgesproken wordt, is oud-Gallisch of Celtisch, zooals ook vermoedelijk veel in de samenstelling en den bouw der taal. Ja! verscheidene taalkenners hebben dikwijls beweerd, dat ons tegenwoordig Fransch, in zijne physionomie, meer gelijkenis heeft met het oude Celtisch, dan met eenige andere vreemde taal, die er haren invloed op liet gelden.

Ook de maatschappelijke en staatkundige instellingen van het latere Frankrijk, berusten wellicht in nog hoogere mate op oude Celtische grondslagen, dan men dit op historische gronden duidelijk aantoonen kan. Velen hebben beweerd, dat de machtige Fransche geestelijkheid der middeneeuwen, die zulk een wezenlijk aandeel gehad heeft in de centralisatie van den Franschen staat en het Fransche volk, in den grond niets geweest is dan een nieuwe christelijke vorm dier zoo invloedrijke priesterkaste der Celtische "Druïden," die ook in het oude Gallië de verschillende stammen van het volk zoo sterk en duurzaam bij elkander hield. Immers deze Druïden reeds waren gewoon, evenals later de christelijke aartsbisschoppen en bisschoppen, ongehoorzamen en weerbarstigen met een geestelijken ban te straffen, die, zooals Cesar zegt, bij de Galliërs eene zeer gevoelige en zware straf was.

Ook de troubadours der Franschen uit de middeneeuwen, hebben wellicht in de Barden der Galliërs, die met de Rhapsoden der Hellenen en de Skalden van het Noorden vergeleken kunnen worden, hunne voorvaderen en gedeeltelijk hunne modellen gehad. Zij bedienden zich bij hunne gezangen van eene harp, in het Gallisch "Kruit" geheeten, die in hare oude gedaante en vorm, nog tot in de nieuwere tijden, bij de Celten in Ierland en Wales in gebruik is gebleven.

Velen gelooven dat het veelvuldig voorkomende bijgeloof bij de mindere klassen van het volk in het tegenwoordig Frankrijk, schier geheel van het oude Celtisch afkomstig is, en op overoude Celtische overleveringen berust. Ook vele wondergeschiedenissen van het hedendaagsche Frankrijk, mogen met recht beschouwd worden als uit den ouden Celtischen grond voortgekomen te zijn. Volgens de meening van sommigen, zou de mystieke geestvervoering der maagd van Orleans, meer "Druïdisch" dan christelijk geweest zijn.

Om eenigermate aan te toonen, hoeveel overigens ook nog in de zeden, in de maatschappelijke verhoudingen en in de levenswijze der tegenwoordige Franschen, uit de voortijden der oude Galliërs overgekomen is, wil ik, bij wijze van voorbeeld, iets zeer bijzonders mededeelen. De oude aardrijkskundige Strabo, die 18 eeuwen geleden Europa beschreef, gedenkt reeds de Bayonner-hammen, die zooals bekend is nog heden hunnen roem handhaven. Hij bericht ook, dat de wijnen der Galliërs uit het Rhône-dal naar pik smaakten, wat met den Bourgogne-wijn nog heden ten dage het geval is. Blijven zulke kleinigheden, als de Bayonner-hammen en de pik-smaak der Rhône-wijnen, dezelfde, dan zouden wij, als wij bij machte waren een volkomen beeld der Galliërs, met een even volkomen beeld der tegenwoordige Franschen te kunnen vergelijken, nog zeer veel onveranderd vinden.

Geheel zuiver, of in hooge mate onvermengd, heeft zich echter dat oude Gallische menschenslag in taal, zeden en bloed, nog slechts in een zeer klein gedeelte van Frankrijk bewaard, in de kloven en aan de versplinterde kliprijke kusten, van het afgelegen en bergachtig westelijk uiteinde van het land, in het zoogenaamde Cornu Galliae (den hoorn van Gallië), dat vroeger "Armorica" (het land aan de zee) en later Bretagne genoemd werd. Daarheen reikte de alles vereffenende invloed der Romeinsche beschaving niet, en daar hebben, merkwaardig genoeg, ook alle andere veranderingen en vereffeningen, die in het binnenste van het land plaats grepen, tot op den nieuwsten tijd toe, hunne macht evenzeer verloren als in het Basken-land in Spanje.--De mindere menschen in Bretagne, de zoogenaamde Breizards of Bretons spreken nog heden ten dage geen Fransch. Hunne taal is het oude Celtisch of Gallisch, en is met het nog in Wales in Engeland gesprokene Gallisch zoo nauw verwant, dat somwijlen boeken, die in Bretagne in Frankrijk gedrukt worden, daar, in de gebergten van Wales in Engeland, hun grootste debiet en hunne meeste lezers gevonden hebben. Ook is bij deze nog tegenwoordig weinig beschaafde, bijgeloovige "Bretons", evenals bij de Gaelen in Hoog-Schotland, naast de harp, de doedelzak het voornaamste en het nationale lievelingsinstrument. Hunne muziek is eenvoudig, ongekunsteld, vol uitdrukking en aangrijpend, evenals die der Hoog-Schotten en Italianen.

Evenals bij de bewoners der Schotsche-Hooglanden, evenals bij de oude Baskiërs in Spanje, bij wie ieder zich een edelman verbeeldt te zijn, evenals bij alle overblijfselen der eerste volkenrassen van Europa, vindt men ook bij hen veel adeltrots. Verscheidene der voornaamste geslachten van Frankrijk behooren oorspronkelijk in Bretagne te huis, zoo b.v. de Rohans, wier brieven van adeldom reeds door Noach in de ark werden gered. In dit oude dichterlijke Bretagne, hebben de Fransche dichters en letterkundigen, tot aan de "Kruisvaart van Ploërmel" toe, meermalen de onderwerpen voor hunne novellen, romans en opera's opgedaan. Een treurige, droefgeestige toon heerscht, evenals bij alle overwonnene, sedert eeuwen onderdrukte volken, door alle gedichten der Bretons. "Deze langzaam verdwijnende en uitstervende stammen," zegt een Franschman van hen, "gebruiken hunne laatste ademtochten, om hunne herinneringen op te sieren, om zich zelve hunne ongelukken te verhalen. Zij tellen de dooden op, die in hunne veldslagen gevallen zijn, zij wijzen op de oude graven en ruïnes, op de verwoeste woningen van hun land, die nu met gras begroeid zijn, waar, zooals zij zich uitdrukken, de klaver bloeit, rood van het bloed der Bretonsche krijgers."--Verscheidene oude volksfeesten zijn nergens in Frankrijk zoo plechtig, en zoo overeenkomstig het karakter van het volk, als in Bretagne. Zoo b.v. het Kerstfeest, dat waarschijnlijk niets anders dan eene Christelijke opsiering van een druïdisch winterfeest is. De zoogenaamde Kerstmis-zangers spelen daarbij eene belangrijke rol, en zijn om hunne liederen, die zij, van huis tot huis trekkende, zingen, overal welkom. Zij moeten, naar gezegd wordt, in hun geheugen de schoonste proeven der oude Celtische dichtkunst bewaard hebben.

Deze merkwaardige volken-oase in het bergachtig Westelijk uiteinde van Frankrijk, kreeg nog herhaalde malen uit Engeland toevoer van Gallisch bloed, wanneer het Celtische ras daar door vreemden in het nauw gebracht werd. De voor de Pikten en Skoten en later voor de Angelsaksers vluchtende Britten, gingen bij scharen naar hunne oude broeders in "Armorica", en van dezen ontving later het land, in tegenstelling met Groot-Brittanje, den naam Britania Minor (Klein Brittanje).

Tot op de jongste tijden toe, hebben de Britten in Frankrijk, en die in Engeland, met elkander op vriendschappelijken voet geleefd en zich met elkander omgewisseld. Nog voor eenige jaren, vereenigden zich de patriotten van beide takken van den ouden Celtischen volkstam, tot een feest in Wales, om gezamenlijk in hunne volkstaal het oude Bretagnische lied te zingen: "neen, Arthur is niet dood!" waaraan zij ongeveer eene zelfde beteekenis gaven als de Polen aan hun: "Polen is nog niet verloren!"--Lodewijk Filips begon het krachtigste middel ter ondermijning van deze oude volks-ruïne aan te wenden. Hij liet de Vendée en Bretagne, het vaderland der Celtische Chouans, met straatwegen doorsnijden. En onze spoorweg-eeuw zal hen nu wel geheel medesleuren in den draaikolk der wereldgeschiedenis, en hunne taal en gewoonten geheel doen verdwijnen.

Zooveel van de volksstammen, die de tegenwoordige bewoners van Frankrijk en hunne nationaliteit tot voornaamsten grondslag dienden. Ik ga nu over tot de elementen, die op deze oorspronkelijke Celtische stammen van buiten af geënt zijn, en zich met hen vermengden.

De geschiedenis is niet bij machte de groote tijdruimten te meten, waarin de oude woeste Galliërs, onvermengd en onveroverd, door hunne inheemsche Druïden en Vorstengeslachten bestuurd, in hun vaderland huisden. De Romeinen waren, nadat zij in den loop der jaren tot macht geklommen waren, geheel Italië aan zich onderworpen en Carthago's macht gebroken hadden, de eerste buitenlanders, die het geheele land en volk der Galliërs onderwierpen, en hen eene even zoo wezenlijke verandering deden ondergaan, als zij zulks ook met de Iberiërs in Spanje hadden gedaan.

De door Cesar bewerkstelligde vernietiging van de wilde onafhankelijkheid der Galliërs, is tot op heden de gewichtigste gebeurtenis in het leven der bewoners van Frankrijk geweest. Door haar werd de oude versnippering in stammen, de bij alle Celten gebruikelijke indeeling in Clans, opgeheven, en werd eene grootere gelijkheid in taal en zeden ingevoerd.

Door de Romeinen allen op gelijke wijze behandeld, smolten de Gallische stammen als onderdanen, inniger samen tot een volk van dezelfde physionomie. De Romeinen verzachtten hunne zeden, schaften den somberen godsdienst der Druïden, die zelfs menschen-offers verlangde, af, en voerde de beschaving van het Zuiden en Oosten in het geheele land in.--Zij bereidden daardoor de Galliërs ook voor tot de aanneming van het Christendom, dat even als de beschaving en eene rijke literatuur, uit Italië tot hen overgebracht werd.

Geen Europeesch volk, behalve Italië, hebben de Romeinen in zoo hooge mate geromaniseerd als de Galliërs. De Celtische taal werd overal, tot op genoemden engen kring in Armorica, verdrongen, en de Romeinsche taal kwam langzamerhand bij alle klassen van het volk in het Noorden en het Zuiden, in hare plaats.

Toen de Romeinen begonnen, hunne armen nog verder over het Noorden van den Orbis terrarum uit te strekken, werd Gallië, zooals door de boven opgegevene geographische ligging als het ware van zelf aangegeven werd, hunne hoofdburcht in Westelijk Europa. Zij voerden de geromaniseerde Galliërs, onder wie zij hunne legioenen rekruteerden, langs alle wegen, waarlangs zij reeds vroeger als zuivere Celten, gemarcheerd waren.

Reeds Cesar trok met behulp zijner Gallische legioenen den Rubicon over, en veroverde met hen weder Rome, dat hunne voorouders reeds eens onder "Brennus" door storm genomen hadden. Van uit Gallië en met de Gallische legioenen werd in het Westen de onderwerping van Spanje voltooid, en in het Oosten de Rijn beheerscht. Ook deze nu beschaafde Galliërs, drongen onder de vanen der Romeinen het land der Britten, hunne voormalige barbaarsche broeders, weder binnen.--De gelatiniseerde Galliërs namen, even als aan de krijgstochten der Romeinen, ook aan hunne werkzaamheden deel. Zij werden Romeinsche burgers. Vele der "Romeinsche" dichters en schrijvers waren van Celtisch bloed, en vele der tot den troon verhevene Imperatoren waren uit Gallië geboortig.--Eenige Romeinsche Keizers hadden daar hunne gewone residentie en regeerden van daar uit de wereld, en een overblijfsel van het Romeinsche Keizerrijk bestond zelfs in Gallië iets langer dan in Italië zelf.

Daar veel van hetgeen de Romeinen in Gallië op den ouden Celtischen bodem geplant en in het leven geroepen hebben, evenals de door hen uit Italië daarheen gevoerde olijf- en wijnbouw, door alle eeuwen heen tot op den tegenwoordigen tijd daar voortgewoekerd en voortgewerkt heeft, zoo is het niet te verwonderen, dat de Franschen Cesar, die dit en zooveel anders invoerde, in zoo hooge waarde houden en hem als den eersten souverein van Frankrijk, als den grooten schepper of stichter hunner nationaliteit, den grondvester hunner beschaving, den Mozes of Jozua van hun volk vereeren.

Ten slotte moet ik hier nog opmerken, dat opmerkzame waarnemers nog heden ten dage, een tamelijk belangrijk onderscheid willen zien, in den graad van romaniseering der verschillende deelen van Frankrijk. Zoo wil men in het algemeen een opvallend verschil opgemerkt hebben, tusschen het type der stedelingen en dat der landlieden in Frankrijk. Deze laatsten zijn veel Celtischer gebleven. "In de grootere provincie-steden wordt eene ontwikkeling waargenomen, die het door de Romeinen opgedrukte stempel nader komt, dan in de kleine landstadjes." Maar ook daar, waar de bevolking het meest met de Romeinen vermengd werd, is, zooals reeds gezegd werd, het Celtische type niet verdwenen.

Na den ondergang van het Romeinsche rijk, volgde de tweede invloedrijke en gewichtige overstrooming der Celten door eene vreemde volken-stof. De Germanen drongen over den Rijn, overstroomden even als het geheele Romeinsche Europa, zoo ook Gallië.

Hier verdeelden zich aanvankelijk drie verschillende Duitsche stammen over het land. De Bourgondiërs nestelden zich in het Zuid-Oosten vast. Hun rijk omvatte het geheele gebied en het stroomstelsel der Rhône, het oude Provincia. De West-Gothen bezetten het Zuid-Westen en beheerschten het stroomgebied der Gironde, met het Pyreneesche schiereiland, dat zij eveneens veroverden, en van waar uit zij het genoemde gedeelte van Frankrijk regeerden. Men kan zeggen, dat beide stammen gezamenlijk het geheele Zuiden innamen.--De Franken eindelijk onderwierpen de Noordelijke vlakten, het stroomgebied der Seine en het geheele land tusschen den Rijn en de Loire of het Noorden.

Deze laatsten, de Franken, muntten boven alle Duitsche stammen uit, door hunne staatkundige énergie en bekwaamheid. Hun opgewonden karakter maakte hen er geschikt voor, om aan het zich uit den chaos der volksverhuizing op nieuw gevormd hebbende Gallië tot kern te dienen, en ook tot centrum van het kristallisatie-proces, en aan het in den loop der eeuwen daaruit voortkomende nieuwe volk en rijk hunnen naam mede te deelen.--Zij sloegen van het Noorden af, eerst de West-Gothen uit het veld, en verdreven vervolgens de Bourgondiërs tot aan de Alpen.--En tegelijk bewaarden zij Frankrijk, door de roemrijke overwinningen onder aanvoering van hunnen Karel Martel, voor een onder de bedrijven dreigenden, ten eenen male anti-Europeeschen inval, voor dien der Arabieren namelijk, die in de 8ste eeuw de West-Gothen in Spanje hadden overwonnen, en weldra ook aan deze zijde der Pyreneën in Zuidelijk Frankrijk verschenen waren. Daar hebben deze Oosterlingen zelfs nog na de overwinningen van dien Frankischen Martel, eene streek aan de zeekust, namelijk den omtrek van Narbonne, bezeten, van waar uit zij hunne strooptochten naar het binnenste gedeelte van Frankrijk geruimen tijd herhaalden. Ofschoon de Arabieren in Zuid-Frankrijk niet geheel zonder invloed bleven op de vorming der nationaliteit aldaar, ofschoon vooral de Zuidelijke Franschen, even als de Spanjaarden, vele poëtische indrukken van de Arabieren ontvangen hebben, en men ook in de Fransche taal eenige sporen van het Arabisch ontdekt heeft, zoo kan in de geschiedenis der Fransche nationaliteit, deze Arabische inmenging, die zich bij de Spanjaarden zoo diep doet gevoelen, als van weinig belang beschouwd worden, en mag hier slechts ter loops er melding van gemaakt worden.

Onder de Karolingers beheerschten de Franken Gallië over zijne geheele uitgestrektheid; aanvankelijk omvatte wel het Frankenland ook nog vele andere landen, bijna geheel Duitschland en Italië; maar in het jaar 843 werd dit groote rijk, door het beroemde verdrag van Verdun, tot hare door geographische en ethnographische betrekkingen aangewezene natuurlijke grenzen teruggebracht. Het wezenlijk Celtisch-Romanische Westelijke land, scheidde zich van het wezenlijk Duitsche Oostelijke land af, en vormde nu, als een, den gang zijner eigene ontwikkeling volgend volk, een rijk onder den bij voorkeur blijvenden naam "Francia" of "Frankrijk," en dat wel min of meer binnen de grenzen en den omtrek van het oude Gallië.--Ik zeg, min of meer; want zeker ontbrak er gedurende geruimen tijd nog veel aan, voor dit raam, door een eenig en eensgezind nationaal- en rijkslichaam, was ingevuld. Het gedeelte in het Oosten, het Rhône-dal, bleef nog langen tijd een op zich zelf staand land en volk, dat als oud- en nieuw-Bourgondisch rijk, eenigen tijd zelfstandig bestond en later met het Duitsche Keizerrijk verbonden was. Verscheidene Celtisch-Romanische landstreken in het Rijngebied, waren bij het zoogenaamde Lotharingsche rijk ingelijfd, dat, even als Bourgondië, dikwijls eene twijfelachtige positie tusschen Galliërs en Germanen innam, maar grootendeels met het Duitsche Keizerschap verbonden bleef.--De oude "hoorn van Gallië," dat lange en breede schiereiland, Bretagne, leefde onder eigen Vorsten nog lang een staatkundig afgezonderd leven, en het andere, het ten Noord-Oosten aangrenzende schiereiland, werd spoedig na de Carolingers weder door een nieuwen Germaanschen volkenstroom uit Skandinavië van het hoofdlichaam afgescheurd, en bestond eenigen tijd als een op zich zelven staand Vorstendom, het zoogenoemde Hertogdom Normandië.--Ook stonden, toen deze Hertogen van Normandië, Koningen van Engeland geworden waren, gedurende de middeneeuwen somwijlen groote gedeelten van Frankrijk, onder den invloed en de heerschappij der Engelschen. Daar verder ook bovendien hier en daar aanzienlijke Vorstengeslachten, in sommige gedeelten van het lichaam des lands, als Souvereinen regeerden, zoo ontbrak er, zooals reeds gezegd is, veel aan, dat overal de invloed van eene eenige normale taal, ras, nationaliteit en gebruiken, spoedig overal alles gelijkmakende, had kunnen doordringen.

Overal in Frankrijk groeiden en woekerden gedurende de midden-eeuwen, op den ouden bodem, provinciale eigenschappen en gewoonten, lokale dialecten en literatuur, welig voort.--Het eenige, wat dit geheel midden-eeuwsche Frankrijk ethnographisch voortdurend vereenigde, was die van de Romeinen afkomstige, vast gelegde oud-Celtisch-Latynsche ondergrond, die, zooals gezegd is, echter menigvuldige bijkleuren en nuances aannam.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us