← De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut

De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut (part 3 of 3)

Part 3 of 3 · Stowe, Harriet Beecher · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #41503, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (3)

Continue:

De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut (part 3 of 3)

Is besloten, dat het koopen, verkoopen of houden van een slaaf, om winstbejag, eene afschuwelijke zonde en aanstoot is, waarvan de kerkelijke regtbanken behooren kennis te nemen.

In het antwoord waaruit wij reeds eenige zinsneden aanhaalden, zegt de heer Smylie (pag. 13):

Als het koopen, verkoopen of houden van een slaaf, om winstbejag, eene afschuwelijke zonde en aanstoot is, zoo als gij beweert, dan, inderdaad, zijn drie-vierden van alle Episcopalen, Methodisten, Baptisten en Presbyterianen in de elf Staten der Unie, uit den duivel.

En verder:

Te vragen of slavenhouders of slavenkoopers uit den duivel zijn, schijnt mij toe zoo veel te zijn als te vragen of God al dan niet een waarachtige getuige is; dat is, voor zoo veel het Gods getuigenis, en niet enkel het getuigenis van de Chillicothe Presbytery is, dat het koopen, verkoopen en houden van slaven "eene afschuwelijke zonde en aanstoot is."

En wederom (pag. 21):

Als de taal slechts in staat is om duidelijke en bepaalde begrippen te geven, dan weet ik niet hoe zij duidelijker en ondubbelzinniger eenige gedachte of denkbeeld aan den geest zou kunnen voorstellen, dan het vijf en twintigste hoofdstuk van Leviticus duidelijk en ondubbelzinnig het feit daarstelt, dat de slavernij door God-zelven werd goedgekeurd, en dat het koopen, verkoopen, houden en schenken van slaven, als eigendom, handelingen zijn, door Hem-zelven geregeld.

****

Welke taal kan uitdrukkelijker aantoonen, niet dat God de slavernij slechts oogluikende toeliet, maar dat Hij, om het minste te zeggen, een geschreven verlof aan de Hebreën, destijds het beste volk in de wereld, gaf, om tot voortdurende dienstbaarheid, mannen en vrouwen te koopen, te houden en te geven? Wat wordt er nu van de bewering der Chillicothe Presbytery? *** Is het wezenlijk een feit, dat God eenmaal eene geschrevene toelating aan zijn eigen dierbaar volk gaf ("gij zult koopen") om datgene te doen wat in zichzelve zondig is? Ja om datgene te doen wat de Chillicothe Presbytery zegt eene "afschuwelijke zonde en aanstoot" te zijn?

God besluit dat zijne eigene kinderen mogen, of liever "zullen," "koopen, bezitten en houden" slaven en slavinnen, in dienstbaarheid, voor altoos. Maar de Chillicothe Presbytery besluit dat "het koopen, verkoopen of houden van slaven, om winstbejag, eene afschuwelijke zonde en aanstoot is."

Het is onze meening niet, te zeggen dat Mr. Smylie, onder het schrijven van deze uitspraken, den binnenlandschen slavenhandel bepaaldelijk voor den geest had; maar wij zeggen dat geen slavenhandelaar eene duidelijker en meer regtstreeksche verdediging van zijnen handel zou kunnen verlangen, dan deze.

Ten opzigte, eindelijk, van de ontbinding der huwelijksbetrekking, die het noodzakelijk gevolg is van dit soort van koophandel, zijn door regterlijke overheden van de kerk de volgende beslissingen genomen.

In 1835 gaf de "Savannah River (Baptist) Association" op de vraag:

Of, in een geval van onvrijwillige scheiding van zulk eenen aard dat alle vooruitzigt op hereeniging in het vervolg daardoor zou worden uitgesloten, aan de partijen kan vergund worden andermaal te huwen?

het volgende antwoord:

Dat zulk eene scheiding, tusschen personen in den toestand als waarin onze slaven verkeeren, burgerlijk eene scheiding door den dood is, en zij gelooven dat zulks, in Gods oog, mede aldus zou beschouwd worden. Tweede huwelijken, in zoodanige gevallen, te verbieden, zou zijn de partijen niet slechts aan harderen dwang en sterkere verzoeking, maar ook aan de kerkelijke censuur bloot te stellen, wegens de daad van aan hunne meesters te hebben gehoorzaamd, wier toestemming niet te verwachten is in een maatregel, strijdig met de regtvaardigheid jegens de slaven, en met den geest van dat gebod, hetwelk het huwelijk onder de Christenen regelt. De slaven hebben geene vrijheid van daad, en eene ontbinding door den dood ligt niet meer ten eenemale buiten hunne toestemming en medewerking, dan eene ontbinding door zulk eene scheiding.

Aan de "Shiloh Baptist Association," die, eenige jaren geleden, te Gourdvine vergaderde, werd, volgens den Religious Herald, door "Hedman Church" de volgende vraag voorgesteld:

Mag aan een' dienstbare, wiens echtgenoot of vrouw door zijnen of haren meester verkocht is geworden, een tweede huwelijk vergund worden?

Het vraagstuk werd aan eene commissie in handen gesteld, die het volgende antwoord gaf, dat, na beraadslaging, werd aangenomen:

Dat, de omstandigheden in aanmerking genomen, waaronder in dit land de dienstbaren zich bevinden, de commissie eenstemmig van gevoelen is, dat het beter is, den dienstbaren onder zulke omstandigheden te vergunnen een anderen man of vrouw te nemen.

De Eerwaarde Charles C. Jones, die ernstig en onvermoeid voor het welzijn der slaven arbeidde, iemand van wien het redelijkerwijze te vermoeden is, dat hij, zoo iemand, dit onderwerp zeer ter harte neemt, maakt, bij zijne schatting van den zedelijken toestand der negers, eenvoudig de opmerking, dat, nademaal echtgenoot en vrouw aan al de wisselvalligheden van het eigendomsregt onderworpen zijn, en door verdeeling van bezittingen, verrekening van schulden, en dergelijke, gescheiden kunnen worden, de huwelijksbetrekking natuurlijkerwijze veel van hare heiligheid verliest, en zegt wijders:

Het is een contract van welvoegelijkheid, voordeel of genoegen, dat naar den wil van partijen kan aangegaan of ontbonden worden, en dat zonder afschuwelijke zonde, of benadeeling der eigendomsbelangen van iemand ter wereld.

In deze uitspraak drukt hij, naar wij veronderstellen, het algemeene denkbeeld van slaven en meesters over den aard dezer instelling uit, en niet zijn eigen. Wij leiden zulks af uit het feit dat hij, in zijnen catechismus, den slaaf de heiligheid en voortdurendheid der betrekking poogt in te prenten. Maar, wanneer de vroomste en godsvruchtigste mannen die het Zuiden bezit, en die hun leven wijden aan de bevordering van het welzijn der slaven, zoo kalm, en zonder eenige afkeuring, dezen staat van zaken beschouwen als een staat waarmede het Christendom hen de roeping niet oplegt zich te bemoeijen, wat is er dan van de wereld in het algemeen te verwachten?

Ten aanzien der in het vlugschrift van Mr. Smylie uitgedrukte gevoelens, moet worden opgemerkt dat zij, in het aanhangsel, door een document in naam van twee Presbyteries ondersteund worden, welk document, hoewel het minder tot kleine bijzonderheden afdaalt, zich op hetzelfde grondgebied plaatst als Mr. Smylie. Deze Eerwaarde James Smylie was een dergenen, aan wien, in vereeniging met den Eerwaarden John L. Montgomery, door de synode van Mississippi, in 1839, de last werd opgedragen om een catechismus tot onderwijs der negers te schrijven of te compileren.

Mr. Jones zegt, in zijne "Geschiedenis van het Godsdienstig Onderwijs der negers," (pag. 83). "De Eerwaarde James Smylie en de Eerwaarde C. Blair houden zich met dit goede werk (het onderwijs der negers) systematisch en op den duur in Mississippi bezig." De eerstgenoemde geestelijke wordt gekenschetst als een "bejaarden en onvermoeiden vader." In het onderwijs der negers is hij uitnemend geslaagd. Een groot gedeelte der negers in zijne oude gemeente kan zoowel den catechismus van Williston als den Westminsterschen, zeer juist opzeggen." Gaarne wenschte de Schrijfster, wijdloopige uittreksels van Mr. Smylie's vlugschrift te kunnen mededeelen. Er zou veel uit te leeren zijn met betrekking tot de wijze waarop zulk een onderrigt op de rigting van geest, de hebbelijkheid van denken, en de beschouwingswijze van geestelijke zaken, werken moet. De man is ontwijfelbaar en hartelijk opregt in zijne gevoelens, en schijnt die met de overvloedigste en triomferendste blijdschap, als de allerlaatste verbetering der theologische wetenschap, te willen volhouden. Wij kunnen aan de verzoeking geen weêrstand bieden om een gedeelte zijner Inleiding af te schrijven, al ware het enkel om het daardoor geworpene licht op de denkwijze, die aan onze Zuidwestelijke wateren wordt aangetroffen.

Het volgende overzigt onder het oog des publieks brengende, arbeidde de schrijver niet geheel, of voor een goed gedeelte, onder den invloed eener hoop of begeerte om de inzigten der Chillicothe Presbytery te verbeteren. Hij hoopte met de uitgave eene wezenlijke dienst te bewijzen aan anderen, zoowel als aan de Presbytery.

Door zijn verkeer met godsdienstige genootschappen van allerlei benamingen, was het hem duidelijk geworden dat het beginsel der abolitionisten, namelijk, dat de slavernij in zich zelve zondig is, veld had gewonnen, en zich met de godsdienstige en gewetensbezwaren van velen in de gemeente zoo zeer had ineen geweven, dat zij er zich niet slechts ongelukkig door gevoelden, maar dat zelfs hunne aandacht van de groote en gewigtige pligten eens huisvaders jegens zijn huisgezin werd afgetrokken. Het oog des geestes, op de slavernij zelve gevestigd als op eene verdorvene bron, waaruit, noodwendig, geene andere dan verdorvene wateren konden vloeijen, werd onophoudelijk ingespannen met het opzoeken van eenig plan, door hetwelk, in den een of anderen toekomstigen tijd, de bron ten eenemale kon worden opgedroogd; terwijl men nooit overwoog, of zelfs maar droomde, dat de slavernij, op zich zelve beschouwd, eene onschadelijke betrekking was, en dat de gansche dwaling berustte in het verzuim der pligten, welke die betrekking met zich brengt.

Zoo er eene bewustheid van schuld op het gemoed blijft rusten, dan is het, wat de uitwerking betreft, volmaakt hetzelfde of het geweten al dan niet in dwaling verkeert. Al behoort Gods woord alléén de gids van het geweten te zijn, is zulks echter niet altoos het geval. Van daar, dat er somtijds gewetensbezwaren bestaan over het nalaten van datgene, wat door Gods woord veroordeeld wordt.

De wilde van het eiland Borneo, die nalaat zijn vader te dooden, en hem met zijne dadels op te eten, wanneer hij oud geworden is, wordt jammerlijk door de wroegingen van een beschuldigend geweten gefolterd, wanneer zijne kinderlijke teederheid en medelijden het overwigt bekomen hebben op zijn gewaanden pligt van zijn vader te dooden. Op dezelfde wijze lijdt menig slavenhouder, wiens geweten niet door het woord van God, maar door de leeringen van menschen geleid wordt, de geeselslagen van een schuldig geweten, zelfs wanneer hij, overeenkomstig de Schrift, met zijnen slaaf "regtvaardiglijk handelt," eenvoudig omdat hij zijn slaaf niet emancipeert, zonder betrekking tot het goede of kwade dat zulk eene daad ten gevolge zou hebben.

"Hoe liefelijk op de bergen" zouden--naar de schatting van den schrijver--"de voetstappen van hem zijn, die"--aan den wilde van Borneo--"de blijde boodschap verkondigde" dat zijn gedrag, in het sparen van het leven zijns teederen en geliefden vaders, geene zonde was! *** Even zoo liefelijk en behagelijk, vertrouwt de schrijver, zal het voor een eerlijken, schroomvalligen en naauwgezetten slavenhouder zijn, uit het woord van God de blijde boodschap te vernemen dat de slavernij zelve niet zondig is. Thans van eene nachtmerrie ontheven die zijne krachten tot volvoering van zijnen pligt jegens zijne slaven verlamde, gaat hij opgeruimd tot krachtige handeling over. Het is thans niet meer zoo als vroeger, toen hij de slavernij als zondig in haar zelve beschouwde. Thans kan hij, met de hoop van verhoord te worden, bidden dat God zijne pogingen zegene om zijne slaven op te kweeken in de tucht en in de vreeze des Heeren; terwijl hij voorheen werd terug gehouden door de bedenking--"zoo ik onregtvaardigheid in mijn harte overleg, de Heere zal mij niet hooren." In plaats van, zoo als vroeger, druilende en mijmerende over zijnen toestand, het hoofd te laten hangen, heft hij thans het hoofd op, en volgt vrolijk het gebaande pad zijner pligten.

Hij wordt niet meer in verzoeking gebragt om Gods woord van ter zijde in te zien, en te zeggen: "Hebt gij mij gevonden, o mijn vijand," gekomen om mij mijne slaven te ontrooven, en mij arm te maken, zonder hen te verrijken? In plaats van, zoo als vroeger, het woord van God te beschouwen als met geesels en scorpioenen gewapend om hem in den hemel te zweepen, gevoelt hij dat "zijne wegen wegen van vrolijkheid, en zijne paden vrede zijn." Thans onderscheidende tusschen het wezenlijke woord van God, en datgene wat blootelijk de leeringen en geboden van menschen zijn, is het raadsel opgelost dat voorheen onoplosbaar geschenen had, namelijk: "De wet des Heeren is volmaakt, bekeerende de ziele." [22]

Zoo gij het ondernemen wildet zulk een man te beantwoorden door te zeggen dat zijn argument te veel bewijst; dat noch Christus, noch zijne Apostelen eenig uitdrukkelijk verbod hebben uitgesproken tegen de worstelingen der zwaardvechters, of de spelen in de renbanen, en het, derhalve, regtmatig zijn zou, ze in Amerika in te voeren;--het is zeer waarschijnlijk dat hij er van harte zijne toestemming aan geven zou, en van oordeel zijn dat het eene goede speculatie zou opleveren. Als een verder staaltje van de ongegeneerde opgeruimdheid die een hoofdtrek van dit voortbrengsel schijnt, zie men op pag. 58, waar het Latijnsche motto: Facilis descensus Averni, sed revocare, etc., de volgende zeer vrije en echt Westersche vertaling erlangt, die, zoo als hij goedhartig zegt, ten dienste dergenen gegeven wordt die geen Latijn verstaan:--"Het is gemakkelijk naar den duivel te gaan, maar het heeft van den duivel in om weêr terug te komen."

Sommige liefdelooze menschen zullen misschien hierop zeggen, dat de predikers van zulke leerstellingen al den schijn hebben van op dit punt eene op ondervinding gegronde kennis te bezitten. Het denkbeeld van dezen jovialen ouden vader, eene klasse van zwarte "Sams" en jonge "Topsys" in de geheimenissen van den Assembly's Catechismus onderwijzende, is inderdaad schilderachtig!

Dat Mr. Smylie's gevoelens ten opzigte der slavernij, door voorname geestelijken van alle godsdienstige benamingen ruimschoots ondersteund en uitgebreid zijn geworden, zouden wij met boekdeelen vol aanhalingen kunnen bewijzen.

Er blijft, echter, nog een tweede hoofdpunt, met betrekking tot den invloed der zuidelijke Kerk en geestelijkheid, ter beschouwing over.

Het is welbekend, dat de zuidelijke staatkundige vereeniging op haar gekozen standpunt van de stelling uitgaat, dat de instelling der slavernij geen onderwerp van beraadslaging mag uitmaken. In de meeste der slaven-staten bestaan er gestrenge wetten, die aan een ieder die zich verstouten mogt iets over het onderwerp te spreken of te schrijven, tenzij in zijn voordeel, met boete, gevangenis, ja met den dood bedreigen. Dit heeft niet enkel jegens burgers van slaven-staten plaats gehad, maar men heeft de sterkste neiging aan den dag gelegd om met de burgers van vrije Staten eveneens te handelen; en waar deze discussiën niet door regelmatige wetten konden verhinderd worden, heeft men het bezigen van onwettige middelen aangemoedigd. In de uitgegevene brieven en redevoeringen van Horace Mann, worden er de volgende voorbeelden van aangetroffen (pag. 467). In 1831 loofde het Wetgevend Ligchaam van Georgië vijf duizend dollars uit aan een iegelijk, die zekeren burger van Massachusetts, met name William Lloyd Garrison, in Georgië gevangen nemen, en geregtelijk overtuigen zoude. Deze wet werd door den Gouverneur, W. Lumpkin, den 26sten December 1831, bekrachtigd. Bij eene "meeting" van slavenhouders te Sterling, in denzelfden Staat, den 4den September 1835 gehouden, werd den Gouverneur vormelijk aanbevolen, om bij openbare aankondiging vijf duizend dollars belooning te bieden voor de gevangenneming van den een' of anderen uit tien personen, alle, op één na, burgers van New-York en Massachusetts, wier namen werden opgegeven. Het dagblad Milledgeville Federal Union van den 1sten Februarij 1836, behelsde eene uitloving van tien duizend dollars voor het vangen of rooven van den Eerwaarden A. A. Phelps, van New-York. Het Committé van Waakzaamheid der parochie van East-Feliciana bood, in het Louisville Journal van den 15den October 1835, vijftig duizend dollars aan een ieder die Arthur Tappan, van New-York, in zijne handen zou leveren. Op eene openbare bijeenkomst, te Mount Meigs, in den Staat Alabama, den 13den Augustus 1836 onder voorzitting van Mr. Bedford Ginress gehouden, werd eene belooning van vijftig duizend dollars uitgeloofd voor de gevangenneming van denzelfden Arthur Tappan, of van Le Roy Sunderland, een Methodistisch geestelijke van New-York. Bijgevolg--dewijl niemand dier personen kon gegrepen worden dan met schending der wetten van den Staat welks burgers zij waren--was dit een openbaar aanbod van belooning voor een schelmstuk. In al de Zuidelijke Staten werden vereenigingen, onder den naam van Committés van Waakzaamheid, gevormd, het nemen van maatregelen tot onderdrukking van abolitionistische gevoelens, en het doen straffen van verdachte personen door de Lynch-wet beoogende. Te Charleston, in Zuid-Carolina, drong een troep van deze lieden gewelddadig in het postkantoor, en hield, naar genoegen, eene algemeene inspectie der aanwezige brieven; en van alles wat door hen beschouwd werd als eene gevaarlijke en tegen de slavernij gekante strekking te hebben, werd een openlijk vreugdevuur op de straat gemaakt. Eenige dagen later werd eene groote openbare bijeenkomst gehouden, tot voltooijing der voorloopige maatregelen om de verspreiding van anti-slavernijgezinde grondbeginselen te beletten, en tot aanduiding van personen die men van abolitionismus verdacht hield, ten einde zij onder het bereik der Lynch-wet mogten geraken. Gelijksoortige volksbijeenkomsten werden in al de Zuidelijke en Westelijke Staten gehouden. Op een van deze, in 1835 te Clinton, Staat Mississippi, gehouden, werden de volgende besluiten genomen:

Is besloten, dat, in het Zuiden en Westen, de slavernij niet als een zedelijk of staatkundig kwaad beschouwd, maar, in betrekking tot den werkelijken, en niet dezen of genen Utopischen toestand der slaven, als een zegen, beide voor meester en slaaf, gehouden wordt.

Is besloten, dat het ons bepaald gevoelen is, dat iedereen, die, met oogmerk om de bedoelingen der abolitionisten te verwezenlijken, zich verstouten durft om eenige der opruijende tractaten of nieuwspapieren te verspreiden, die men thans in dit land poogt in te voeren, in het oog van God en menschen de doodstraf regtvaardiglijk verdiend heeft; en dat wij niet twijfelen dat deze ook de straf zijn zoude van zulk een misdadiger, in welk gedeelte van den Staat Mississippi hij ook gevonden mogt worden.

Is besloten, dat aan de geestelijkheid van den Staat Mississippi zal worden aanbevolen om zich ten aanzien van dit onderwerp openlijk te verklaren; en dat haar verder stilzwijgen met betrekking tot hetzelve, in dezen tijd van crisis, naar ons gevoelen, eene ernstige censuur waardig zijn zoude.

De behandeling waaraan personen waren blootgesteld, die, als van anti-slavernijgezinde gevoelens verdacht, het ongeluk hadden van een dier Committés van Waakzaamheid in handen te vallen, kan uit het volgende verhaal worden opgemaakt. Schrijfster dezes kan er zich al de omstandigheden nog duidelijk van te binnen brengen, dewijl het slagtoffer dezer onregtvaardigheid een lid van het seminarium was, hetwelk destijds onder het opzigt van haren vader stond.

Amos Dresser, thans zendeling in Jamaïca, was theologisch student aan het seminarium te Lane, nabij Cincinnati. In de vacantie (Augustus 1835) ondernam hij in den Staat Tennessee bijbels te verkoopen, met oogmerk om middelen bijeen te brengen tot voortzetting zijner studiën. Zich aldaar bevindende, viel hij onder verdenking van een abolitionist te zijn; werd, onder het bijwonen eener godsdienstige zamenkomst in de nabuurschap van Nashville, de hoofdstad van den Staat, door het Committé van Waakzaamheid gearresteerd, en, na een inquisitoriaal onderzoek, dat een ganschen namiddag en avond duurde, veroordeeld om twintig zweepslagen op het naakte ligchaam te ontvangen, tusschen elf en twaalf uren op Zaturdag avond werd het vonnis, in tegenwoordigheid der meeste leden van het Committé, en van een woedend en vloekend gepeupel, aan hem voltrokken. Het Committé van Waakzaamheid (eene onwettige vereeniging) bestond uit zestig personen. Onder deze bevonden zich zeven-en-twintig kerkelijken; één hunner was een catechiseermeester; een ander, de ouderling, die, slechts weinige dagen te voren, in de Presbyteriaansche kerk, aan Mr. Dresser het brood en den wijn van 's Heeren Avondmaal had uitgereikt.

Het valt spoedig in het oog dat het grondbeginsel, in behandelingen als deze opgesloten, meer omvat dan de slavernijkwestie. Het vraagstuk was inderdaad dit: of het van zoo veel belang is, Afrikaansche slaven te houden, dat het, ter handhaving daarvan, regtmatig zij, vrije Amerikanen van de vrijheid van geweten, de vrijheid van spreken, en de vrijheid der drukpers te berooven? Het is ligtelijk te ontwaren, dat de toelating van dit grondbeginsel zeer ernstige veranderingen in het bestuur van een land zou na zich slepen; omdat het zeer duidelijk is, dat, wanneer al deze beginselen van onze vrije regering voor de eene zaak mogen worden opgegeven, zij het ook voor de andere mogen worden; en dat dit noodwendig de strekking zou hebben tot vernietiging dier vrijheid van gevoelens en denkbeelden, die als het uitmuntendste der Amerikaansche instellingen beschouwd wordt.

De vraag is thans deze: heeft de kerk zich met de wereld vereenigd in het gevoelen dat de instelling der slavernij zoo gewigtig en begeerlijk is, dat zulks eene goedkeurende beschouwing der Lynch-wet en de opoffering der regten van een vrij onderzoek zou kunnen wettigen? Wij antwoorden den lezer met de volgende daadzaken en aanhalingen:

Bij gelegenheid der boven beschrevene groote bijeenkomst te Charleston in Zuid Carolina, berigt ons de Charleston Courier "dat de in één ligchaam vereenigde geestelijkheid van alle godsdienstige benamingen de handeling bijwoonde, er hare goedkeuring aan schonk, en door hare tegenwoordigheid het indrukwekkende van het tooneel aanmerkelijk verhoogde." Er valt wel niet aan te twijfelen dat de tegenwoordigheid der in één ligchaam vereenigde geestelijkheid van alle godsdienstige benamingen, bij eene vergadering tot zulk een doel gehouden, waarlijk een indrukwekkend tooneel was!

Op deze bijeenkomst werd besloten:

Dat de vergadering haren dank verschuldigd is aan de eerwaarde heeren der geestelijkheid in deze stad, die zoo vaardig en doelmatig aan het algemeene gevoelen hebben beantwoord, door het sluiten hunner scholen, waarin de bevolking der vrije kleurlingen onderwezen werd; en dat deze vergadering zulks beschouwt als eene vaderlandlievende daad, allen roem waardig, en wier navolging door andere onderwijzers van soortgelijke scholen in den Staat, wenschelijk ware.

Hier doet zich de vraag op, of hun Heer, ten dage des oordeels, er zich op dezelfde wijze over uiten zal.

De ongerustheid der slavenhouders in Virginië was niet gering; terwijl de geestelijkheid in de stad Richmond, de hoofdplaats, niet minder vaardig was dan die van Charleston om "aan het algemeen gevoelen" te beantwoorden. Dienvolgens vergaderden hare leden den 29sten Julij, en besloten, eenstemmig:

Dat wij de ongeroepene en hoogst ongepaste bemoeijing des volks van eenigen anderen Staat met de huiselijke betrekkingen tusschen meester en slaaf, ten ernstigste afkeuren.

Dat het door onzen Heer Jezus Christus en zijne Apostelen gegeven voorbeeld, door zich in de slavernij-kwestie niet te mengen, maar eenparig de betrekkingen van meester en dienstknecht te erkennen, en aan beiden een volledig en liefderijk onderwijs te schenken, de navolging van alle dienaren des Evangelies waardig is.

Dat wij geenerlei vlugschrift of nieuwspapier van abolitionistische genootschappen beschermen of ontvangen willen, en dat wij den omloop van alle zoodanige papieren onder de gemeente zullen tegengaan.

De Eerwaarde J. C. Postell, een Methodistisch leeraar in Zuid-Carolina, besloot den volgenden zeer hevigen brief aan den uitgever van Zion's Watchman, een te New-York uitgegeven Methodistisch anti-slavernij gezind nieuwsblad, op de navolgende wijze: (De lezer zal zien dat de daarin vervatte beschimping eene toespeling is op den prijs van vijftig duizend dollars, dien men in het Zuiden op zijn lijf gesteld had, zoo als wij straks verhaald hebben.)

Maar, als gij verlangt de slaven op te voeden, dan zal ik u zeggen hoe gij het geld er voor krijgen kunt, zonder Zion's Watchman uit te geven. Kom gij met den ouden Arthur Tappan dezen winter naar het Zuiden, en men zal er honderd-duizend dollars voor u ligten. New-Orleans zelve zal er voor verpand worden. Geene verdere kennis met u begeerende, en nooit verwachtende u in tijd of eeuwigheid meer dan eenmaal te zien, dat is ten dage des oordeels, onderschrijf ik mij, de vriend des Bijbels en de vijand der abolitionisten,

J. C. Postell.

Orangeburgh, 21 Julij 1836.

De Eerwaarde Thomas S. Witherspoon, een lid der Presbyteriaansche kerk, zegt, aan den uitgever van den Emancipator schrijvende:

Ik bewijs mijne bevoegdheid om den slaaf in dienstbaarheid te houden, uit de Schriften des Ouden en Nieuwen Testaments. Het beginsel om den Heiden in dienstbaarheid te houden, is door God erkend. *** Als de trage voortgang der wetten te talmachtig is om onze grieven te herstellen, dan hebben wij hier in het Zuiden het onfeilbare middel van Regter Lynch aangenomen; en inderdaad, ik acht dit een der krachtigste en heilzaamste geneesmiddelen voor de ziekte van het noordelijk fanatismus, dat er kan bedacht worden, terwijl ik niet twijfel of mijn vriend de uitgever van den Emancipator and Human Rights zou er de uitwerking zeer goed van ondervinden, zoo het hem slechts door een zuidelijken doctor werd toegediend. In alle zedelijke aangelegenheden beroep ik mij op den Bijbel. *** Laten uwe zendelingen het eens durven wagen om Potomac te doorkruisen, en ik kan u niet beloven dat hun een beter lot zal te beurt vallen dan Haman. Wacht u derhalve wel van een gehoond doch grootmoedig volk tot daden van wanhoop te drijven!

De Eerwaarde Robert N. Anderson, insgelijks een lid der Presbyteriaansche kerk, zegt, in een brief aan de zittingen der Presbyteriaansche vereenigingen binnen de grenzen van de "West-Hanover Presbytery."

Bij de naderende vastgestelde bijeenkomst, ben ik voornemens eene voorafspraak en reeks van besluiten betreffende het onderwerp van het gebruik van wijn bij 's Heeren Avondmaal aan te bieden; als ook eene voorafspraak en reeks van besluiten betreffende het onderwerp der verraderlijke en afschuwelijk slechte bemoeijenis der noordelijke en oostelijke geestdrijvers met onze staatkundige en burgerlijke regten, ons eigendom en onze huiselijke zaken. Het is u bekend dat onze geestelijkheid, te regt of ten onregte, meer dan de geestelijkheid van andere benamingen door het publiek wordt verdacht gehouden. Nu, waarde Christen broeders, druk ik nederig mijn ernstigen wensch uit, dat gij u kwijten moogt als mannen. Zoo er het een of ander afgedwaald schaap van een leeraar onder u wezen mogt, besmet met de bloedhonds-beginselen van het abolitionisme, laat hij uitgedreven, den mond gestopt, geëxcommuniceerd, en aan het publiek overgeleverd worden, om op andere wijze met hem te werk te gaan.

Uw toegenegene broeder in den Heere,

Robert N. Anderson.

De eerwaarde William S. Plummer, Theol. Dr. van Richmond, een lid van de "Old School" der Presbyteriaansche kerk, levert een ander voorbeeld van dezelfde soort op. Hij was van Richmond afwezig, toen de geestelijkheid dier stad zich gemeenschappelijk zuiverde van de beschuldiging dat zij jegens de abolitie gunstig gezind was. Bij zijne terugkomst liet hij geen tijd verloren gaan om aan den voorzitter van het committé van briefwisseling zijne overeenkomst van gevoelens met zijne ambtsbroeders kenbaar te maken. De aangehaalde zinsneden zijn uit zijnen brief aan den Voorzitter getrokken.

Ik heb deze aangelegenheid, van haren eersten aanvang af, zorgvuldig gadegeslagen, en alles wat ik, zoowel van hare voorstanders als van hare vijanden, nopens haren aard gezien of gehoord heb, heeft mij onberouwelijk in de overtuiging bevestigd, dat, laat het karakter der abolitionisten in het oog van den Regter der gansche aarde wezen wat het wille, dit de bemoeiziekste, onbeschaamdste, roekeloosste, wreedste en slechtste opruijing is, die ik immer gezien heb.

Als de abolitionisten het gansche land in gloed willen zetten, dan is niets billijker dan dat zij de eerste warmte van het vuur krijgen.

Ten slotte. De abolitionisten zijn, even als de ongeloovigen, ten eenemale onbekwaam tot het martelaarschap om hunne gevoelens. Laten zij slechts weten dat zij gegrepen (lynched) zullen worden, zoo zij zich onder ons begeven, en zij zullen wel zorg dragen om ons uit den weg te blijven. Er is geen enkele onder hen, die meer voornemens is om voor deze zaak zijn bloed te storten, dan om oorlog met den grooten Turk te beginnen.

In de vergadering der gemeente van de "New School" zeide de Eerwaarde Dr. Hill, uit Virginië:

De abolitionisten hebben de dienstbaarheid van den slaaf harder gemaakt. Zoo ik u eenige der vuile streken, door deze abolitionisten bedreven, verhalen konde, zoudt gij u niet verwonderen. Eenigen hunner zijn gegrepen (lynched) geworden, en het was goed aan hen besteed.

Dit alles toont genoegzaam hoe de betrekkelijke waarde van slavernij en van het regt van vrije nasporing, door de zuidelijke kerk en geestelijkheid opgevat en uitgedrukt wordt. Het toont insgelijks, dat zij de slavernij als zoo gewigtig beschouwen, dat zij daden van onwettig geweld kunnen toelaten en aanmoedigen, en zich om harentwille aan al de gevaren van het aanmoedigen eener janhagel regering blootstellen. Deze aanhalingen en beschouwingen toonen op voldoende wijze het standpunt, waarop de zuidelijke kerk, met betrekking tot het behandelde onderwerp, zich geplaatst heeft.

Voor velen dezer gevoelens, hoe stuitend zij ook mogen voorkomen, zou eenige verdediging kunnen gevonden worden in die verblindende kracht der gewoonte, en in alle die met de opvoeding ingezogene, onderdrukkend werkende invloeden, die altoos het gevolg zijn van het slavernijstelsel, en die noodwendig eene zekere verstomping van het zedelijk gevoel in de ziel van zulk eenen moet te weeg brengen, die van de kindschheid af aan onder die invloeden werd opgekweekt.

Er ligt dan ook in de hebbelijkheden van den geest, onder een stelsel gevormd hetwelk door eene aanhoudende toevlugtneming tot kracht en geweld ondersteund wordt, eene noodzakelijke neiging tot dooding des gevoels, met opzigt tot het misdadige van kracht en geweld, op den medemensch toegepast. De geheele manier van beschaving, onder zulk eene instelling gevormd, is door een populairen schrijver, niet onaardig, "de dolkmes-manier" genoemd geworden; en het behoeft ons niet te verwonderen dat godsdienstig karakter en denkbeelden er een eigenaardigen, strijdzuchtigen tint door aannemen, zeer ver van den geest des Evangelies. Een godsdienstig man, in het Zuiden geboren en opgevoed, heeft met al deze moeijelijkheden te kampen, wanneer hij zich tot den waren geest des Evangelies zoekt te verheffen.

Zeker schrijver heeft gezegd, dat, na de Hervorming, de beste mannen, als opgevoed onder een stelsel van magt en despotismus, en van kindsbeen af gewoon geraakt om door kracht, en niet door rede, te zien bewijzen, al ligtelijk de vraag: of men ketters verbranden moest, deden overgaan in de vraag: wie van hunne tegenstanders er verbrand moesten worden.

Het slavernij-systeem is een eenvoudige teruggang der maatschappij tot de ergste misbruiken der middeleeuwen. Wij moeten er ons, derhalve, niet over verwonderen, de gevoelens en daden der middeleeuwen nopens burgerlijke en godsdienstige verdraagzaamheid te zien heerschen.

Hoe sterk wij de hier aangevoerde onwaardige beschouwingen van God en godsdienst, in zulke verklaringen als wij hebben aangehaald, ook verfoeijen en betreuren mogen; hoe godslasterlijk en ongerijmd zij ons ook mogen toeschijnen; toch is het blijkbaar dat zij door hare auteuren met opregtheid geuit werden; en ziedaar juist het treurigste van de zaak. Zij zijn even zoo opregt als Paulus toen hij dreiging en moord blies, en bij zichzelven overtuigd was dat hij tegen den naam van Jezus vele wederpartijdige dingen doen moest. Zij zijn even zoo opregt als de Bramin en Hindoe, die gewetenshalve een bloed- en wreedheidademende godsdienst ondersteunt. Zij zijn evenzoo opregt als vele verlichte, geleerde en Christelijke mannen in Europa, die, onder stelsels van burgerlijk en godsdienstig despotismus geboren en opgevoed, waarmede al hunne dierbaarste huiselijke en burgerlijke verbindtenissen ten naauwste verknocht zijn, en wier invloed al hunne gewoonten en denkbeelden beheerscht, die stelsels, uit opregte gemoedelijkheid, ten sterkste verdedigen.

In de gemoedelijke overtuiging, zelfs wanneer zij de ergste soort van gevoelens betreft, ligt iets waaraan men eene zekere mate van eerbied niet weigeren kan. Dat de godsdienst, in de door ons aangehaalde verklaringen uitgedrukt, zoo echt Antichristisch is als de godsdienst der Roomsche kerk, zal wel door geen enkel gevoelig mensch die zich buiten het bereik van Amerikaanschen invloed bevindt, ontkend worden. Dat er onder dit godsdienststelsel, met al zijne valsche grondbeginselen en schadelijke invloeden, zeer opregte Christenen zijn kunnen, zal een onbevangen oordeel moeten toestemmen. De kerk van Rome heeft haren Fénélon, haren Thomas à Kempis gehad; en de zuidelijke kerk, die deze grondbeginselen heeft aangenomen, heeft ook mannen opgeleverd die zich boven het peil van hun systema hebben weten te verheffen. Ten tijde der hervorming, zoowel als thans, telde de Roomsche kerk duizenden van biddende, godvruchtige, nederige Christenen in haren schoot, die, gelijk bloemen in de rotskloven, alleen door Gods oog geteld konden worden. En zoo hopen wij dat te midden der rotsen en ijsbergen van deze afschuwelijke geestelijke en tijdelijke dwingelandij, ook paradijsbloemen van geduldige, biddende en zelfverloochenende Christenen bloeijen; terwijl het, onder eenen aanval op het verschrikkelijke systeem waaronder zij zijn geboren en opgevoed, de diepste smart veroorzaakt, dat daarbij ook hunne geliefkoosde gevoelens en verbindtenissen geweld moet worden aangedaan. In eene andere en betere wereld zullen zij misschien de beweegredenen van hen die zulks deden, weten te schatten.

Doch nu doet zich eene andere beschouwing aan den geest voor. Deze zuidelijke Christenen zijn in kerkelijke betrekkingen met Christenen uit de noordelijke en vrije Staten verbonden geweest, waarmede zij, door hunne afgevaardigden, in hunne verschillende kerkelijke vergaderingen, jaarlijksche bijeenkomsten hielden. Ingeval van zulk eene vereeniging, mogt men hopen dat die verlagende beschouwingen van het Christendom, en die levenloosheid van het openbare gevoelen, die de onvermijdelijke gevolgen eener opvoeding onder het slavenstelsel zijn, door aanraking met Christenen in de vrije Staten gewijzigd zouden worden, van welken het toch, als onder vrije instellingen opgevoed, natuurlijkerwijze te veronderstellen was dat zij met den sterksten afschuw van zulke gevoelens vervuld zouden zijn. Men zou gemeend hebben dat de kerk en de geestelijkheid der vrije Staten natuurlijk de krachtigste pogingen zouden hebben aangewend, om, door alle middelen die onder hun bereik waren, hunne broeders van dwalingen te overtuigen, zoo onteerende voor het Christendom, en tot zulke vreeselijke practische gevolgen leidende. Men zou ook gedacht hebben dat, zoo zij er al niet in slagen mogten hunne broederen te overtuigen, zij het als pligt jegens het Christendom beschouwd zouden hebben, zich-zelven, door de ernstigste, plegtigste, en onophoudelijkste protesten, van alle medepligtigheid met deze gevoelens te zuiveren.

Laat ons thans onderzoeken wat, in wezenlijkheid, door de noordelijke kerk te dezen aanzien verrigt is.

Alvorens tot dat onderzoek over te gaan, zullen wij de door de zuidelijke kerk gedane verklaringen overzien, en beschouwen welke beginselen door haar zijn gehuldigd. Het zijn, namelijk, deze:

1. Dat de slavernij eene onschuldige en wettige betrekking is, evenzeer als die van ouder en kind, echtgenoot en vrouw, of eenige andere wettige maatschappelijke betrekking. ("Harmony Presbytery" van Zuid-Carolina).

2. Dat zij bestaanbaar is met de broederlijkste beschouwing van het welzijn der slaven. ("Charleston Union Presbytery.")

3. Dat meesters niet gecensureerd behooren te worden voor het verkoopen van slaven zonder hunne toestemming. (New School, Presbyteriaansche kerk in Petersburg).

4. Dat het regt om, uit winstbejag, menschen te koopen, te verkoopen, en in slavernij te houden, door Gods uitdrukkelijke toelating gegeven is. (James Smylie en zijne "Presbyteries.")

5. Dat de wetten, die de opvoeding van den slaaf verbieden, regtmatig zijn, en door het denkende gedeelte der Christelijke gemeenschap worden goedgekeurd. (Dezelfden).

6. Dat de zaak der slavernij in het geheel geen zedelijk, maar slechts een zuiver staathuishoudkundig vraagstuk is. (Baptisten-Vereeniging te Charleston).

7. Dat het regt der meesters om over den tijd hunner slaven te beschikken, door den Schepper aller dingen uitdrukkelijk erkend is. (Dezelfde).

8. Dat de slavernij, zoo als zij in de Vereenigde Staten aanwezig is, geen zedelijk kwaad is. (Conferentie van Georgië, Methodisten).

9. Dat, zonder eene nieuwe openbaring uit den hemel, niemand bevoegd is de slavernij onregt te noemen.

10. Dat de scheiding der slaven door verkoop, moet beschouwd worden als eene scheiding door den dood, en het aan de partijen vergund mag worden te hertrouwen. ("Shiloh Baptist Association" en "Savannah River Association.")

11. Dat het getuigenis van kleurlingen onder de gemeenteleden tegen eenen blanke, niet zal worden aangenomen. (Kerk der Methodisten).

Ten slotte is het, door de uitgedrukte grondbeginselen en handelingen van Christenen uit verschillende benamingen, duidelijk erkend, dat zij het als regtmatig en billijk beschouwen, alle onderzoek nopens dit onderwerp door de Lynch-wet te smoren.

Men zou gemeend hebben dat deze beginselen, als van belijders des Christendoms afkomstig, vreemd genoeg waren om bij hunne noordelijke broeders zeer veel aandacht te wekken. Ook valt het in het oog dat zij, als beginselen, beginselen zijn van eene zeer uitgebreide toepassing, die op de ondermijning van alle godsdienstige en zedelijke grondslagen uitloopt. Behelzen zij geene waarheid, dan zijn zij voorzeker ketterijen die een gewonen maatstaf verre te buiten gaan, en gevolgen insluiten die niet minder buitengewoon zijn. Keeren wij thans tot ons onderzoek, naar de handelwijze der noordelijke kerk met betrekking tot die beginselen terug.

HOOFDSTUK II.

In de eerste plaats dan: zijn eenige dezer gevoelens ooit door de kerk als ketterijen beschouwd, en zijn de verbreiders er van aan de kerkelijke straffen onderworpen geworden, waarmede de ketterij gestraft wordt?

Na een tamelijk wijdloopig onderzoek op dit punt, heeft de schrijfster niet meer dan één voorbeeld van dien aard kunnen opsporen. Het is niettemin mogelijk dat er zulke gevallen in andere kerkelijke afdeelingen bestaan hebben, die aan de nasporing ontsnapt zijn.

Een geestelijke in de "Cincinnati New school Presbytery," predikte de leer, dat het houden van slaven door den Bijbel gebillijkt werd; en om zijne volharding in het handhaven van dat gevoelen, werd hij door die "Presbytery" in zijn dienstwerk geschorst. Hij beriep zich op de Synode, en de beslissing werd door de Synode van Cincinnati bekrachtigd. De "New School General Assembly" vernietigde nogtans deze beslissing der "Presbytery," en herstelde den geestelijke in zijn ambt. Van hare zijde weigerde nu de "Presbytery" hem weder te aanvaarden, en men ontving hem in de "Old School Church."

De Presbyteriaansche kerk heeft waarschijnlijk alle andere kerken in de Vereenigde Staten door haren ijver voor leerstellige gevoelens overtroffen. Deze kerk is tot in hare grondvesten toe door kettertwisten geschokt en bewogen geworden; maar, dit enkele geval uitgezonderd, weet men niet dat eenige dier beginselen, welke door zuidelijke Presbyteriaansche ligchamen en individuën beweerd zijn geworden, ooit als onderwerpen van ketterij in hare Algemeene Vergadering zijn ter sprake gebragt.

Omstreeks den tijd dat Smylie's vlugschrift het licht zag, werd de Presbyteriaansche kerk geschokt door het regtsgeding, den Eerwaarden Albert Barnes om zekere door hem verdedigde kettersche gevoelens aangedaan. Deze ketterijen raakten het werkverbond, in Adam, als ons hoofd, gevestigd; de toerekening zijner zonde aan zijne gansche nakomelingschap; en de vraag of de mensch op eenigerlei wijze bekwaam is om Gods geboden te bewaren.

Om de voorstelling van zekere gevoelens nopens deze onderwerpen, werd aan Mr. Barnes, door de Synode waartoe hij behoorde, het stilzwijgen opgelegd, en zijn regtsgeding over deze punten in de Algemeene Vergadering bleef een tijd lang het hoofd-onderwerp, waarvoor, in de Presbyteriaansche kerk, al het overige op den achtergrond geraakte. Ook de Eerwaarde Dr. L. Beecher werd in gelijksoortige gevoelens in een regtsgeding gewikkeld. Gedurende al dien tijd werd er geene notitie genomen van de ketterij (zoo zij dit is) dat het regt om, uit winstbejag, menschen te koopen, te verkoopen, of in slavernij te houden, uitdrukkelijk door God verleend werd; alhoewel die ketterij, in dezelfde Presbyteriaansche kerk, door Mr. Smylie en de Presbyterianen waarmede hij verbonden was, in het openbaar verbreid werd.

Wilde men de reden daarvan hierin zoeken, dat de slavenkwestie eene vraag van praktikale zedekunde, en niet van dogmatische godgeleerdheid is, dan moeten wij doen opmerken dat zedekundige vraagstukken van veel minder belang met den vurigsten ijver zijn behandeld geworden.

De Presbyteriaansche kerk der "Old School," tot wier gemeente de meeste der slavenhoudende Presbyterianen in het Zuiden behooren, heeft nooit het voornemen aan den dag gelegd om hare leden eenige kerkelijke straf op te leggen voor de handhaving van een stelsel dat het wettig huwelijk aan alle slaven ontzegt. En toch werd deze kerk tot in hare grondvesten geschokt door de behandeling eener zedekundige vraag, die aan een onpartijdig opmerker waarschijnlijk veel minder belangrijk zal voorkomen; de vraag namelijk, of het een' man vrijstaat, met de zuster zijner overledene vrouw te huwen. Voor een tijd lang scheen al de sterkte en aandacht van de kerk zich als in één brandpunt op dit belangrijk onderwerp te vestigen. De twistvraag werd door de "Presbytery" voor de Synode, en door deze voor de Algemeene Vergadering getrokken, en eindigde hiermede, dat een zeer achtenswaardig leeraar om deze misdaad van zijnen post ontzet werd.

De Eerwaarde Robert J. Breckenridge, Theol. Dr., een lid der "Old School Assembly," beschrijft den toestand der slavenbevolking met betrekking tot het huwelijk aldus: "het slavenstelsel ontzegt aan eene geheele klasse van menschelijke wezens de heiligheid des huwelijks en des huisgezins, terwijl het hen dwingt om in een staat van onwettige gemeenschap (concubinage) te leven; want in het oog der wet is geen gekleurde slaaf de echtgenoot van eenige bijzondere vrouw, noch eenige slavin de vrouw van eenigen bijzonderen man; is geen slaaf de vader van eenig bijzonder kind, en geen slavenkind het kind van eenigen bijzonderen vader of moeder."

Had deze kerk nu het feit, dat drie millioenen mannen en vrouwen, door de wetten des lands, verpligt waren om op deze wijze te leven, als niet minder gewigtig ter harte genomen, dan is het uit de opregtheid, de betoogkracht, de hevigheid, het Bijbel-onderzoek, en den onvermoeiden ijver, door haar aan het regtsgeding van Mr. Mac Queen te koste gelegd, klaarblijkelijk, dat zij ook met betrekking tot dit feit, zeer veel zou hebben kunnen verrigten.

De geschiedenis van de eenstemmige handelwijze der kerken van alle benamingen, zoowel in de vrije als in de slaven-Staten, levert aan een nadenkend gemoed een treurig, door feiten opgehelderd voorbeeld op van die trapsgewijze verbastering des zedelijken gevoels, die het gevolg is van met eene erkende zonde in eenige, ook nog zoo geringe, schikking te treden. De beste gemoederen van de wereld kunnen zulk eene gemeenzaamheid niet doorstaan, zonder schade te lijden aan hun zedelijk gevoel. De feiten van het slavenstelsel en van de slavenwetten, aan belangelooze regters in Europa voorgesteld, hebben eene algemeene uitbarsting van afgrijzen te weeg gebragt; en toch zijn deze dingen, in vergaderingen uit de wijste en beste geestelijken van Amerika zaâmgesteld, telken jare beredeneerd geworden, zonder eenige uitkomsten op te leveren die het euvel slechts in het allerminste verzacht hebben. De reden daarvan is deze: een gedeelte der leden van deze ligchamen hadden zich verbonden om het stelsel vol te houden, en alle discussiën daarover stellig te weigeren en af te snijden; en het andere gedeelte van het ligchaam beschouwde de zaak niet als zulk eene levensvraag, dat zij eene afscheiding om harentwille zou kunnen wettigen.

Niemand zal er aan twijfelen dat, indien de zuidelijke leden zich ten aanzien der Godheid onzes Zaligmakers op zulk een standpunt geplaatst hadden, de scheiding onmiddellijk en eenparig zou hebben plaats gehad; maar toch wordt door de Zuidelijke leden het regt gehandhaafd om menigten van mannen en vrouwen te koopen en te verkoopen, te huren, te verhuren en te verpanden, die zij, in denzelfden adem, verklaard hebben ledematen hunner kerken, en echte Christenen te zijn. De Bijbel verklaart van die allen, dat zij tempelen des Heiligen Geestes, dat zij leden van Christus ligchaam, dat zij Zijn vleesch en been zijn. Is nu niet de leer dat men de leden van Christus, Zijn ligchaam, Zijn vleesch en been, om winstbejag regtmatig verkoopen mag, eene zoo wezenlijke ketterij als de verloochening der Godheid van Christus; en wordt er Hem die over allen is, God, te prijzen in eeuwigheid, geene oneer door aangedaan, dit vreeselijk gevoelen, met zijne nog vreeselijker gevolgen, te dulden, terwijl de geringste ketterijen nopens de toerekening van Adam's zonde met de grootste hevigheid vervolgd worden? Als het vervolg van de geschiedenis der handelingen van al de aldus vereenigde ligchamen eenmaal geschreven zal kunnen worden, dan zal het blijken dat, uit hoofde van deze dulding eener erkende zonde, het getuigenis tegen de slavernij van jaar tot jaar zwakker geworden is. Als wij de geschiedenis van alle kerkelijke afdeelingen overzien, dan zal het ons in het oog vallen dat zij in den beginne eene zeer sterke taal tegen de slavernij hebben doen hooren. Dit is inzonderheid het geval met de Methodistische en Presbyteriaansche ligchamen, om welke reden wij deze beide tot voorbeelden zullen kiezen. Het genootschap der Methodisten inzonderheid, als door John Wesley georganiseerd, was een anti-slavernij-gezind genootschap, en zijn Boek van kerkelijke tucht bevatte de stelligste wetten tegen het houden van slaven. De geschiedenis der achtereenvolgende besluiten van de Conferentie dezer kerk is zeer treffend. In 1780, eer de kerk nog wettig in de Vereenigde Staten geordend was, besloot zij het volgende:

De Conferentie erkent dat de slavernij met de Goddelijke en menschelijke wetten en met die der natuur in strijd is; als ook dat zij schadelijk is voor de maatschappij; dat zij gekant is tegen de inspraken des gewetens en van de ware godsdienst; en dat zij aan anderen doet wat wij niet wenschen zouden dat anderen aan ons deden.

In 1784, toen de kerk volkomen georganiseerd was, werden er maatregelen genomen, de tijdstippen voorschrijvende waarop leden die reeds slavenhouders waren, hunne slaven zouden emanciperen. Hierop volgden wederom deze:

Een iegelijk wien het aangaat, en zich niet aan deze regelen wenscht te onderwerpen, zal volkomen vrijheid hebben om ons genootschap te verlaten binnen de twaalf maanden, volgende op de bovengemelde, hem gedane waarschuwing; zullende hij anders door de opzieners buiten het genootschap gesloten worden.

Niemand die slaven houdt, zal in het vervolg tot het genootschap of tot 's Heeren Avondmaal worden toegelaten, tenzij hij zich vooraf aan deze regelen, de slavernij betreffende, onderwerpe.

Zij die slaven koopen, verkoopen, of wel er zich van ontdoen, anders dan om ze te bevrijden, zullen onmiddellijk worden uitgesloten.

In 1801:

Wij verklaren meer dan ooit overtuigd te zijn van het groote kwaad der Afrikaansche slavernij, die nog in deze Vereenigde Staten wordt aangetroffen.

Ieder lid des genootschaps die een slaaf verkoopt, zal, na voldoend bewijs, terstond uit het genootschap worden verwijderd.

De jaarlijksche Conferentiën zullen belast worden met het stellen van adressen aan de Wetgevende Magt, strekkende tot de trapsgewijze emancipatie der slaven. Door de jaarlijksche Conferentiën zullen speciale commissiën uit de achtenswaardigste onzer vrienden benoemd worden, tot leiding dier aangelegenheid; terwijl de voorzittende ouderlingen, diakenen, en reizende predikers zoo vele handteekeningen als mogelijk op de adressen zullen inwinnen, en al den bijstand zullen verleenen die hun in allen opzigte ten dienste staat, om de commissiën te helpen, en de gezegende onderneming te bevorderen. Dit zal van jaar tot jaar worden voortgezet, tot dat het beoogde doel bereikt is.

Welk eene verandering in 1836! De Algemeene Conferentie hield hare jaarlijksche zitting te Cincinnati, en nam het volgende besluit:

Door de afgevaardigden der jaarlijksche Conferentie, in Algemeene Conferentie vereenigd, is besloten, dat zij besliste tegenstanders zijn van het moderne abolitionismus, en dat zij alle regt, wensch of voornemen tot tusschenkomst in de burgerlijke en staatkundige betrekking tusschen meester en slaaf, zoo als zij in de slavenhoudende Staten dezer Unie bestaat, ten eenemale ontkennen of afwijzen.

Deze besluiten gingen met eene zeer groote meerderheid door. Er kwam een adres in van de Wesleyaansch-Methodistische Conferentie in Engeland, dat zich over de zaak der slavernij ernstig, doch vriendbroederlijk uitliet. De Conferentie weigerde het openbaar te maken. In den herderlijken brief aan de kerken komen de volgende zinsneden voor:

Het kan u niet onbekend zijn dat de slavernijkwestie in de Vereenigde Staten, door het constitutioneel verdrag hetwelk ons als natie vereenigt, aan de regeling van de Wetgevende Vergaderingen der afzonderlijke Staten zelven overgelaten, en alzoo buiten het toezigt der algemeene regering, zoowel als dat van alle kerkelijke ligchamen gebleven is; waaruit volgt dat in de slavenhoudende Staten de geheele verantwoordelijkheid wegens het al dan niet bestaan der slavernij, op de Wetgevende Vergaderingen dier Staten blijft rusten. **** Deze feiten, welke hier alleen vermeld worden als aanleiding tot de vriendschappelijke vermaning welke wij u wenschen te geven, leggen ons, als uwe herders, aan wie het opzigt over uwe zielen, waarvan zij eenmaal rekenschap moeten geven, is aanbevolen, de verpligting op, om u van alle abolitionistische bewegingen en vereenigingen af te manen, en u te verbieden eenige hunner schriften te beschermen of aan te moedigen, enz. ***

De ondergeschikte Conferentiën leiden denzelfden geest aan den dag.

In 1836 besloot de New-Yorksche jaarlijksche Conferentie dat niemand tot diaken of ouderling zou gekozen worden, ten ware hij zich jegens de kerk wilde verbinden om zich van alle discussie nopens dit onderwerp te onthouden. [23]

In 1838 besloot de Conferentie,

dat dezulke harer leden, of aankomelingen, die den "Zions Watchman" mogten voorstaan, hetzij door tot lof van dat blad te schrijven, door het te verspreiden, aan te bevelen, er inteekenaars aan te verschaffen, of gelden ervoor in te zamelen, als schuldig aan onbedachtheid beschouwd, en als zoodanig gestraft zullen worden.

Men zal zich herinneren dat "Zions Watchman" door Le Roy Sunderland werd uitgegeven, voor wiens gevangenneming de Staat van Alabama vijftig duizend dollars had uitgeloofd.

In 1840 nam de Algemeene Conferentie te Baltimore het reeds door ons aangehaalde besluit, hetwelk den predikanten verbood, kleurlingen tot het geven van getuigenis in hunne kerken toe te laten. Men heeft berekend dat door deze daad omstreeks tachtig duizend menschen van het regt van getuigenis beroofd zijn geworden. Deze Methodistische kerk splitste zich naderhand in eene noordelijke en zuidelijke Conferentie. De zuidelijke Conferentie is geheel en al vóór de slavernij gestemd, terwijl de noordelijke nog altoos slavenhoudende Conferentiën en leden telt.

Van de noordelijke Conferentiën nam eene der uitgebreidste, die van Baltimore, het navolgende besluit:

Is besloten, dat deze Conferentie alle deelneming in het abolitionismus afkeurt. En dewijl zij, integendeel, besloten heeft hare welbekende en lang gevestigde stelling te handhaven door de tot hare gemeenschap behoorende reizende predikanten buiten de slavernij-kwestie te houden, zoo is ook besloten geene betrekking te onderhouden met eenig kerkelijk ligchaam dat het niet houden van slaven tot voorwaarde van het lidmaatschap der kerk maakt, maar de kerkelijke tucht, zoo als zij bestaat, te ondersteunen en te handhaven.

Het volgende uittreksel is genomen uit een adres van de Philadelphische jaarlijksche Conferentie aan de onder haar opzigt staande gemeenten, gedagteekend uit Wilmington (Staat Delaware) den 7den April 1847:

Zoo het plan van scheiding ons met de herderlijke zorg over u belast, dan blijft er te onderzoeken of wij, als Conferentie of als menschen, iets hebben gedaan, waardoor wij uwe liefde en vertrouwen verbeurd zouden hebben. Het is ons niet bekend dat wij, zelfs in de groote woeling die u, eenige maanden geleden, bedroefde, door iemand wien het ook zij, van eenige fout in ons zedelijk gedrag, van ongezondheid in de leer, of wel van dwingelandij of omkoopbaarheid in de handhaving der kerkelijke tucht beschuldigd zijn. Doch wij vernemen dat de oorzaak der ongelukkige spanning onder u alleen deze is, dat sommigen ons verdenken, of veinzen te verdenken, van abolitionisten te zijn. Doch geene bijzondere daad van de Conferentie, noch van iemand harer afzonderlijke leden, wordt als bewijs aangevoerd voor deze ongegronde en onregtvaardige verdenking. Wij mogen het vragen, broeders, of de loop onzer zestigjarige bediening onder u ons niet voor zulk eene beschuldiging behoorde te vrijwaren? Of de vraag, die wij sinds eenige jaren gewoon zijn den candidaten voor te leggen, namelijk, zijt gij een abolitionist? zonder wier ontkennende beantwoording geen hunner onder ons werd toegelaten, ons niet voor zulk eene beschuldiging behoorde te vrijwaren. Of de daad der laatste Conferentie met betrekking tot deze bijzondere zaak niet elken opregten en waarheidlievenden behoorde te overtuigen dat wij geene abolitionisten zijn, en het ook niet begeeren te zijn? *** Wij kunnen niet bevroeden hoe wij voor abolitionisten kunnen worden aangezien, ten ware men de predikanten der Methodistisch-Episcopaalsche kerk in het Zuiden in hetzelfde licht wilde beschouwen.

Onder toewensching van alle hemelsche zegeningen, blijven wij, waarde broeders, de uwen in Christus Jezus,

J. P. Durbin. J. Kennaday. Ignatius T. Cooper. William H. Gilder. Joseph Castle.

Deze feiten mogen volstaan ter kenschetsing van de gevoelens der Methodistische kerk. De geschiedenis is treurig, doch leerzaam. Die der Presbyteriaansche kerk is evenzeer belangrijk.

In 1793 werd de volgende verklarende noot op het achtste gebod bij het Boek der kerkelijke tucht ingelascht, als de leer der kerk met betrekking tot het houden van slaven uitdrukkende:

1 Tim. I: 10. De wet is gemaakt tegen MENSCHENDIEVEN. Deze misdaad stelde hen die zich daaraan schuldig maakten, aan de zwaarste straf bloot, Exodus XXI: 16; en de Apostel plaatst hen hier onder de zondaars van den eersten rang. Het door hem gebezigde woord omvat, in zijne oorspronkelijke beteekenis, allen die medepligtig zijn aan het in slavernij brengen of houden van eenig menschelijk schepsel. Hominum fures, qui servos vel liberos, abducunt, retinent, vendunt, vel emunt. Menschendieven zijn zij alle, die slaven of vrije lieden wegleiden, en ze HOUDEN, KOOPEN of VERKOOPEN. Een vrij mensch te stelen, zegt Grotius, is de ergste soort van diefstal. In andere gevallen stelen wij slechts menschelijk eigendom; doch wanneer wij menschen stelen of in slavernij houden, dan maken wij ons meester van hen, die, gemeenschappelijk met ons, tot heeren over de aarde gesteld zijn.

Aan geene regelen der kerkelijke tucht werd kracht bijgezet, en leden die door de aangehaalde woorden aan deze misdaad schuldig verklaard werden, bleven ongestoord, als predikanten of ouderlingen, tot de gemeente behooren. Deze onbestaanbaarheid werd in 1816 uit den weg geruimd, door het aangehaalde uit het Boek der kerkelijke tucht te schrappen. In 1818 gaf zij eene verklaring harer inzigten nopens de slavernij. Dit document is zeer uitgebreid, in een echt christelijken geest gedacht en geschreven, en werd eenstemmig aangenomen. Het navolgende is zijne belijdenis opzigtelijk den aard der slavernij:

Wij beschouwen het moedwillig in slavernij brengen van een gedeelte des menschelijken geslachts door een ander, als eene zware schending der kostelijkste en heiligste regten der menschelijke natuur; als ten uiterste onbestaanbaar met de wet Gods, die eischt dat wij onzen naasten zullen liefhebben als ons zelven; en als ten eenemale onvereenigbaar met den geest en de voorschriften van het Evangelie van Christus, die ons inscherpen: "alles wat gij wilt dat u de menschen doen zullen, doet gij hen ook alzoo." De slavernij schept eene tegen de zedeleer aandruischende stelling (paradox); zij brengt zedelijke, voor hunne daden verantwoordelijke, en onsterfelijke wezens in eenen toestand, die hen naauwelijks het vermogen tot zedelijke werkzaamheid overlaat. Zij doet het van den wil van anderen afhangen of zij godsdienstig onderwijs zullen ontvangen; of zij den waren God zullen kennen en vereeren; of zij in de zegeningen des Evangelies zullen deelen; of zij de pligten en genoegens van echtgenooten, ouders en kinderen, betrekkingen en vrienden, zullen volbrengen en genieten; of zij hunne kuischheid en zuiverheid zullen bewaren, of de voorschriften van regtvaardigheid en menschelijkheid zullen opvolgen. Deze zijn eenige der gevolgen van de slavernij; gevolgen, niet denkbeeldig, maar die in haar bestaan zelve liggen opgesloten. De rampen waaraan de slaaf altoos is blootgesteld, hebben dikwijls werkelijk plaats, en wel in hun ergsten trap en gedaante; en waar zij alle geen plaats hebben--zoo als wij met blijdschap zeggen, dat dikwijls, door den invloed der beginselen van Godsdienst en menschelijkheid op het gemoed der meesters, het geval is--is de slaaf niettemin beroofd van zijn natuurregt, als menschelijk wezen verlaagd, en aan het gevaar blootgesteld van in handen van een meester over te gaan, die hem alle ongemakken en beleedigingen kan doen ondergaan, die onmenschelijkheid en gierigheid hem kunnen doen uitdenken.

Deze taal was voorzeker duidelijk en beslissend, en werd, door slavenhouders en niet-slavenhouders, eenparig goedgekeurd. Men zou zonder twijfel gedacht hebben, dat nu de tijd der verlossing nabij was. De verklaring gaat nog verder, en zegt:

Wanneer de onbestaanbaarheid der slavernij met de uitspraken van Godsdienst en menschelijkheid bewezen is, en algemeen ingezien en erkend wordt, dan is het duidelijk de pligt van alle Christenen, die zich in het licht der tegenwoordige bedeeling verheugen mogen, om eerlijke, ijverige, onvermoeide pogingen aan te wenden tot verbetering der dwalingen van vorige tijden, en zoo spoedig mogelijk deze vlek op onze heilige Godsdienst af te wisschen door de VOLKOMENE AFSCHAFFING der slavernij onder het Christendom en door de geheele wereld.

Hier zien wij dan de geheele, slavenhoudende en niet-slavenhoudende, Presbyteriaansche kerk, daadwerkelijk tot een groot abolitie-genootschap gevormd, zoo als wij gezien hebben dat de Methodistische insgelijks was.

De "Assembly" zegt verder dat de slaven voor tegenwoordig nog niet tot de vrijheid zijn voorbereid; dat zij (de "Assembly") treurig is aangedaan over het op kerk en vaderland overgeërfde aandeel in dit kwaad; doch dat "een groot en het deugdzaamste gedeelte der gemeente DE SLAVERNIJ VERAFSCHUWT en HARE VERNIETIGING wenscht." Wijders vermaant zij om het werk van het onderwijs der slaven onverwijld aan te vangen, met het doel om hen tot de vrijheid voor te bereiden; om geen langer uitstel te nemen dan "met betrekking tot het openbare welzijn onvermijdelijk gevorderd wordt;" en om zich "door geene andere inzigten te laten beheerschen dan "eene eerlijke en onpartijdige beschouwing van het welzijn der onderdrukte partij, op welke beschouwing de nadeelen en ongelegenheden die zij mogt medebrengen, geen invloed mogen uitoefenen." Zij waarschuwt tegen eene "noodelooze uitbreiding dier redenen van noodzakelijkheid" als dekmantel voor de zucht tot instandhouding der slavernij. Zij eindigt met de bedreiging eener onmiddellijke censuur en schorsing jegens een ieder die een mede-Christen, zonder diens toestemming, verkoopen mogt.

Wanneer wij in aanmerking nemen dat dit alles, zoowel door slavenhouders als anderen, eenstemmig werd aangenomen, en toestemmen, zoo als wij ongetwijfeld doen, dat het eerlijk en ter goeder trouw geschiedde, dan zullen wij er voorzeker iets van verwachten. De onmiddellijke daarstelling en organisatie van scholen voor de slavenkinderen; een doelmatig godsdienstig onderrigt; eene volkomene staking van den handel in Christenslaven; wetten, die de familie-betrekkingen heiligen; dit alles zouden wij er van verwachten. En is er iets van dat alles gedaan of beproefd? Helaas! Twee jaren later kwam de admissie van Missouri tot de Unie, en de toenemende vraag op de Zuidelijke slavenmarkt, en de binnenlandsche slavenhandel. In plaats van school-onderwijzers had men slaven-handelaars; in plaats van scholen te verzamelen, verzamelde men slaven-hoopen; in plaats van schoolhuizen te bouwen, bouwde men slavenhokken, slavengevangenissen, factorijen, of hoe de handel ze verkiest te noemen; en dit was de geschiedenis van het plan van trapsgewijze emancipatie!

Zestien jaren later, in 1834, gaf eene speciale commissie uit de synode van Kentucky, in welken Staat, naar het algemeen gevoelen, de slavernij in haren zachtsten vorm bestaat, de volgende schildering van den toestand der slaven. In de eerste plaats zegt zij, met betrekking tot hunnen godsdienstigen toestand:

Na alles wat billijk is te hebben laten gelden, kan onze bevolking van kleurlingen, op zijn best, nog maar als half-heidensch beschouwd worden.

Wreede geeselingen en alle de verschillende soorten van persoonlijke vernederingen, zijn niet de eenige soort van wreedheid, die de slavernij medebrengt. De familie-betrekkingen van den slaaf worden niet door de wet erkend, terwijl zij hare bescherming van het genot des huiselijken geluks niet tot hem uitstrekt. De leden eener slavenfamilie mogen gewelddadig gescheiden worden, zoodat zij elkander vóór den oordeelsdag nooit wederzien. En de begeerlijkheid prikkelt den meester niet zelden, om te doen wat de wet veroorlooft. Broeders en zusters, ouders en kinderen, echtgenooten en vrouwen, worden van elkander afgerukt, en mogen elkander nooit wederzien. Deze dingen hebben dagelijks onder ons plaats. Het gegil en de doodsangsten, bij zulke gelegenheden dikwijls bijgewoond, verkondigen met de stem eener bazuin de onregtvaardigheid en wreedheid van ons stelsel. De noodkreten dezer lijders klimmen op tot het oor des Heeren Zebaoth. Er is geen vlek, waar deze hartverscheurende tooneelen geen plaats hebben. Er is geen dorp of landweg, waar de treurige optogten niet gezien worden van geboeide ongelukkigen, wier ketenen en nedergebogene houding verhalen, dat zij door geweld zijn weggerukt van allen, die aan hunne harten dierbaar zijn. Jaren geleden verhief onze kerk hare stem van plegtige waarschuwing tegen deze in het oog loopende schending aller beginselen van barmhartigheid, regtvaardigheid en menschelijkheid. Maar wij blozen, dat wij voor u en voor de wereld betuigen moeten, dat die waarschuwing dikwijls is verwaarloosd geworden, door de zoodanigen zelfs, die van onze gemeente zijn. In onze eigene kerkelijke afdeeling hebben er gevallen plaats gehad, dat belijders van de godsdienst der barmhartigheid de moeder van hare kinderen hebben afgescheurd, en haar in eene onbarmhartige, eeuwigdurende ballingschap hebben gezonden. Maar zelden heeft men de kerkelijke tucht voor zulk een gedrag jegens hen uitgeoefend.

De Eerwaarde James G. Birney, die eenige jaren in Kentucky woonde, verbetert, in zijn vlugschrift het woord zelden, door er nooit voor in de plaats te stellen. Wat kon nu duidelijk de uiterste ondoelmatigheid der laatste verklaring van de "Assembly," en de noodzakelijkheid van meer krachtdadige maatregelen aantoonen? In 1835 werd uit dien hoofde door de Algemeene Vergadering op de zaak aangedrongen, terwijl de leden dringend gesmeekt werden, om de in 1818 door hen beledene beginselen en voornemens ten uitvoer te leggen.

In eene door Mr. Stuart, uit Illinois, gehouden redevoering over dit onderwerp, zeide hij:

Ik hoop, dat deze Vergadering bereid is, om onbewimpeld voor haar gevoelen uit te komen, en rondborstig hare meening te verklaren, dat het houden van slaven eene uiterst snoode en verfoeijelijke ZONDE is. Laten wij hier geene zijpaden inslaan, terwijl zoo vele duizenden en tienduizenden onzer medeschepselen onder de zweep krimpen, die zelfs door leeraars en ouderlingen van de Presbyteriaansche kerk gezwaaid wordt.

In deze kerk mag iemand een vrijgeboren kind grijpen, het van zijne ouders afrukken, aan wien God het toevertrouwde, zeggende: "voedt het voor mij op," het als een dier verkoopen of in altoosdurende slavernij houden--en niet alleen ligchamelijke straf ontgaan, maar nog daarenboven voor een uitmuntend Christen gehouden worden. Ja, zelfs bedienaars des Evangelies en doctoren in de Godgeleerdheid mogen zich met dezen snooden handel inlaten, en niettemin hunne verhevene en heilige roeping handhaven.

Ouderlingen, leeraars en doctoren in de Godgeleerdheid, zijn, met beide handen, in dezen handel werkzaam.

Men zou gedacht hebben, dat daadzaken als deze, in eene Vergadering van Christenen uitgesproken, genoeg zouden zijn om de dooden te wekken: maar helaas! men kan aan zeer afschuwelijke dingen gewoon worden. Op deze voorstellingen volgde niets anders dan dat men ze eene commissie in handen stelde, die op de volgende bijeenkomst, in 1836, haar verslag daarover zou uitbrengen.

De bestuurder van de Vergadering in 1836 was een slavenhouder: Dr. T. S. Witherspoon, dezelfde die aan den uitgever van den Emancipator schreef: "Ik bewijs mijne bevoegdheid, om den slaaf in dienstbaarheid te houden, uit de Schriften des Ouden en Nieuwen Testaments. Het beginsel om den Heiden in dienstbaarheid te houden, is door God erkend. Als de trage voortgang der wetten te talmachtig is, om onze grieven te herstellen, dan hebben wij hier in het Zuiden het onfeilbare middel van Regter Lynch aangenomen."

De meerderheid der speciale Commissie bragt een Verslag uit als volgt:

Nademaal het onderwerp der slavernij onafscheidelijk verbonden is met de wetten van vele Staten in deze Unie, waarin het een kerkelijk regtsgebied geenszins vrijstaat, zich te mengen, en vele beschouwingen insluit nopens welke het bekend is, dat eene groote verscheidenheid van meeningen en gevoelens in de door deze Vergadering vertegenwoordigde kerken wordt aangetroffen: en nademaal er vele redenen bestaan, om te gelooven, dat eenige daad van wege deze Vergadering, met betrekking tot dit onderwerp strekken zoude, om onze kerken onderling te verwijderen en te verdeelen, en ongetwijfeld op geenerlei wijze diegenen bevoordeelen zoude, wier welzijn door de ingeleverde memoriën regtstreeks bedoeld wordt:

Is uit dien hoofde besloten:

1. Dat de Vergadering het niet oorbaar acht, eenige verdere maatregelen in deze zaak te nemen.

2. Dat, dewijl de ophelderingen (notes), die uit onze openbare formulieren zijn weggeschrapt, en wier herstelling door eenige der ingediende memoriën verlangd wordt, op eene onregelmatige wijze zijn ingevoerd, nooit door de kerk zijn bekrachtigd, en derhalve nooit eenig gezag hadden, de Algemeene Vergadering geene magt heeft, en het ook niet voegzaam acht, er eene plaats in de gewettigde kerkformulieren aan toe te wijzen.

De minderheid der Commissie, de Eerwaarde heeren Dickey en Beman, bragten het volgende verslag uit:

Is besloten:

1. Dat het koopen, verkoopen of in eigendom bezitten van een menschelijk wezen, in het oog van God eene afschuwelijke zonde is, en hij, die er zich aan schuldig maakt, aan de kerkelijke censuur behoorde onderworpen te worden.

2. Dat het de pligt is van een ieder, maar inzonderheid van elken Christen, die zich aan deze zonde mogt hebben schuldig gemaakt, zich zonder uitstel uit hare strikken los te maken.

3. Dat het de pligt is van iedereen, maar inzonderheid van elken Christen, om in de kracht en in de liefde des Evangelies de zaak der armen en behoeftigen te bepleiten, door tegen het beginsel en de daad der slavernij te getuigen, en zijne beste pogingen aan te wenden, om de kerk des Heeren van dit euvel te bevrijden, en de emancipatie der slaven in deze Vereenigde Staten en over de geheele wereld te bevorderen.

De slavenhoudende afgevaardigden, ten getale van acht-en-veertig, vergaderden afzonderlijk, en besloten:

Dat, ingeval de Algemeene Vergadering ondernemen mogt, nopens het onderwerp der slavernij eenig gezag uit te oefenen, door haar b. v. eene onzedelijkheid te noemen, of op eenigerlei wijze te verklaren, dat Christenen, die slaven houden, zich aan misdaad schuldig maken, alsdan door de afgevaardigden uit het Zuiden eene verklaring zal worden ingeleverd, waardoor de regtsbevoegdheid der Vergadering ten deze ontkend, en ons voornemen uitgedrukt wordt, om ons aan zoodanige beslissing niet te onderwerpen.

Ten aanzien dezer strijdige rapporten, besloot de vergadering als volgt:

Nademaal de constitutie der Presbyteriaansche kerk, in hare aanleidende en grondwettige beginselen, verklaart dat geene kerkelijke overheden zich het regt mogen aanmatigen van wetten te maken om uit krachte van hun gezag het geweten te binden; en nademaal de spoedvorderende aard der bezigheden van de vergadering, en de kortheid des tijds dien zij aan hare zittingen kan besteden, het onmogelijk maken om met een rijp overleg over het onderwerp der slavernij in betrekking tot de Kerk te beraadslagen en te beslissen, is, derhalve, besloten, dat dit geheele onderwerp onbepaald zal worden uitgesteld.

Het beloop van den slavenhandel,--tijdens de Algemeene Vergadering weigerde men het geheele onderwerp der slavernij te behandelen,--kan uit de volgende items worden afgeleid. In een artikel van den Virginia Times uit dat zelfde jaar 1836, wordt het getal der ten verkoop uitgevoerde slaven, uit dien staat alleen, gedurende de laatste twaalf maanden, op veertig duizend geschat. De Natchez Courier (Mississippi) zegt, dat door de staten van Alabama, Missouri en Arkansas, in datzelfde jaar, twee honderd en vijftig duizend slaven uit de meer noordelijke Staten zijn ingevoerd. Zoo wij daar nu diegenen van aftrekken die men vermoeden kan dat met hunne meesters geëmigreerd zijn, welk een onmetelijke handel blijft er dan toch nog over!

De Eerwaarde James H. Dickey, de voorsteller der bovengemelde besluiten, had eenige omstandigheden bijgewoond die hem natuurlijkerwijze den wensch moesten inboezemen dat de Vergadering de zaak ter harte name, zoo als blijkt uit het volgende, door hem geschrevene verhaal zijner ontmoeting van een slaventroep:

In den zomer van 1822, toen ik met mijne familie van een bezoek naar de vlakten van Kentucky terugkeerde, was ik ooggetuige van een tooneel zoo als ik nog nooit te voren gezien had, en ook nooit weder hoop te zullen zien. Nadat wij Parijs, in Bourbon County (Staat Kentucky) waren doorgetrokken, werd mijne aandacht geboeid door de klanken eener muzijk, die van achter een eenigzins oprijzenden grond scheen voort te komen. Ik rigtte het oog derwaarts, en zag de vlag van mijn vaderland wapperen. In de meening van eene militaire parade te zullen ontmoeten, spoedde ik mij naar de zijde van den weg; en, de hoogte beklommen hebbende, ontdekte ik, naar gissing, omstreeks veertig zwarten, alle op de volgende wijze aan elkander geketend: zij waren in rij en gelid geplaatst, terwijl ieder afzonderlijk met een handboei gekluisterd was. Tusschen de twee rijen door, liep een keten van misschien veertig voet lang, waaraan kortere ketenen gehecht waren, die weder tot aan de handboeijen liepen. Achter hen waren, naar gissing, omstreeks dertig vrouwen, paarsgewijze met de handen aan elkander gebonden. Eene diepe droefheid lag op aller gelaat, en de akelige stilte van dezen wanhopigen optogt werd alleen door den klank van twee violen afgebroken; ja, alsof men beschimping bij het lijden had willen voegen, had men aan ieder van het voorste paar eene viool in handen gegeven; het tweede paar was met kokarden opgeschikt, en omtrent in het midden waaide de republikeinsche vlag, door eene hand gedragen die letterlijk in ketenen was. Ik kon mij niet bedwingen, den opziener, die, op zijn gemak, naast den troep reed, toe te roepen: "'s Hemels vloek ruste op den man die zulk een handel drijft, en op de regering die hem daarbij beschermt!" Ik zette mijne reis tot aan den avond voort, en maakte mijn nachtkwartier gereed, terwijl ik het tooneel verhaalde, waarvan ik getuige geweest was. "Ach!" riep mijne hospita, "dat is mijn broeder!" Van haar vernam ik dat hij Stone heette, uit Bourbon County (Kentucky), in compagnieschap met zekeren Kinningham, uit Parijs (Kentucky), en dat hij, weinige dagen te voren, van een man uit Nicholas County eene negerin gekocht had. Zij weigerde met hem mede te gaan; hij beproefde haar te dwingen, doch zij verdedigde zich. Zonder verdere pligtpleging trad hij achteruit, wierp haar, door een slag op het hoofd met den knop zijner zweep, op den grond, boeide haar, en nam haar mede. Verder vernam ik, dat behalve den troep dien ik gezien had, er omstreeks dertig, veiligheidshalve, in de gevangenis te Parijs waren opgesloten, om bij den troep gevoegd te worden, en dat zij voor de slavenmarkt van Orleans bestemd waren. En daartoe zijn zij om geene andere misdaad veroordeeld dan die eener zwarte huid en gekroesde lokken. Zou ik over die dingen geene bezoeking doen? spreekt de Heere. Of zou mijne ziele zich niet wreken aan zulk een volk als dit is?

Het kan niet mogelijk zijn, dat deze Christelijke mannen deze dingen ter harte namen; of, op zijn hoogst, zij namen die juist op die wijze ter harte als wij de ernstigste waarheden van de godsdienst doen, flaauw en oppervlakkig.

Twee jaren later nam de Algemeene Vergadering, door eene plotselinge en zeer onverwachte beweging, een besluit, waarbij, zonder vorm van regtsgeding, vier synoden, de werkzaamste en meest beslist anti-slavernijgezinde gedeelten van de Kerk bevattende, van de gemeenschap der Kerk werden uitgesloten. De aangevoerde redenen waren, leerstellige verschillen en kerkelijke handelingen, onbestaanbaar met het Presbyterianisme. Door deze daad werden omstreeks vijf honderd leeraars en zestig duizend ledematen van de Presbyteriaansche kerk afgesneden.

Dat gedeelte der Presbyteriaansche kerk, dat de "New School" genaamd wordt, deze handelwijze als onregtmatig beschouwende, weigerde er hare toestemming aan, voegde zich bij de uitgeslotene synoden, en vormde zich met dezen tot de "New School General Assembly." In deze gemeenschap bleven slechts drie slaven-houdende "presbyteries." In de oude waren er tusschen de dertig en veertig.

Het gedrag der "Old School Assembly," na de scheiding, met betrekking tot het onderwerp der slavernij, zal het best kunnen blijken door de aanhaling van een harer besluiten, in 1845 genomen. Daar zij eenige besliste tegenstanders der slavernij in haar midden telde, en daar, bovendien, door eenige vereenigde ligchamen, adressen over dit onderwerp aan haar waren ingediend, openbaarde zij, in dat jaar, haar gevoelen deswege op de volgende wijze:

Is besloten, 1. Dat de Algemeene Vergadering der Presbyteriaansche kerk oorspronkelijk was georganiseerd, en, vervolgens, den band van vereeniging in de kerk heeft vastgehouden, op het erkende beginsel, dat het bestaan der huishoudelijke slavernij, onder de omstandigheden, waarin zij in het zuidelijke gedeelte des lands wordt aangetroffen, geen hinderpaal stelt aan de Christelijke gemeenschap.

2. Dat de verzoekschriften, die van de Vergadering verlangen, dat zij het houden van slaven op zich zelve tot een onderwerp van kerkelijke tucht make, uit den aard der zaak van dit ligchaam vorderen zich zelve te ontbinden, en de organisatie te laten varen, waaronder het, door den Goddelijken zegen, zoo lang gebloeid heeft. De strekking is blijkbaar om het Noordelijke van het Zuidelijke gedeelte der Kerk af te scheiden,--een gevolg, hetwelk ieder goed Christen betreuren moet, als leidende tot de ontbinding der Unie van ons dierbaar vaderland, en waartegen ieder verlicht Christen zich verzetten zal, als eene verderfelijke en noodelooze scheuring met zich brengende tusschen broeders, die een gemeenschappelijk geloof belijden.

Voor dit besluit stemden honderd acht en zestig leeraars en ouderlingen, en daar tegen slechts dertien.

Het zal naauwelijks noodig zijn, eenige woorden bij deze zoo duidelijke verklaring te voegen. Zij is de onbewimpeldst mogelijke verloochening van ieder protest tegen de slavernij; de rondborstigst mogelijke betuiging, dat het bestaan der kerkelijke organisatie van meer belang is dan al de zedelijke en maatschappelijke beschouwingen, die in eene volkomene verdediging en uitoefening der Amerikaansche slavernij liggen opgesloten.

In het volgende jaar werden een groot aantal verzoek- en vertoogschriften ingediend, waarbij de Vergadering verzocht werd eene nadere getuigenis tegen de slavernij te uiten.

In antwoord op deze verzoekschriften, bevestigde de Algemeene Vergadering op nieuw alle hare vroegere getuigenissen tegen de slavernij, van over zestig jaren herwaarts; waardoor zij derhalve vaststelde, dat de verklaring des vorigen jaars niet als eene intrekking dier vroegere getuigenissen moest beschouwd worden. Met andere woorden: zij verklaarde, in de woorden van 1818, van gevoelen te zijn, dat de slavernij "TEN EENENMALE IN STRIJD IS MET DE GODDELIJKE WET," en "VOLSTREKT ONVEREENIGBAAR MET DE VOORSCHRIFTEN DES EVANGELIES VAN CHRISTUS;" en toch niettemin "dat zij hare kerkelijke organisatie gevestigd had op het erkende beginsel, dat het bestaan der slavernij, onder de omstandigheden, waarin zij in de Zuidelijke Staten der Unie wordt aangetroffen, geen hinderpaal stelt aan de Christelijke gemeenschap."

Eenige leden protesteerden tegen deze handeling.

In den beginne vatte men groote hoop op van het ligchaam der "New School." Als ligchaam bestond het voor het grootste gedeelte uit anti-slavernijgezinden. Het had die synoden in zich opgenomen, wier anti-slavernijgezinde gevoelens en daden, om het minste te zeggen, eene voorname oorzaak harer uitsluiting van de kerk geweest waren. Het had slechts drie slaven-houdende "Presbyteries." Het had de volle magt in handen. Nu, zoo ooit, was het de tijd, om dezen verfoeijelijken last geheel af te werpen, en, in deze eeuw van inwilliging aan en gelijkvormigheid met de wereld, als eene zuiver protesterende Kerk op te staan, vrij van alle medepligtigheid aan deze allervreeselijkste nationale ongeregtigheid.

Bij de eerste zitting der Algemeene Vergadering werden deze maatregelen, door vele verzoek- en vertoogschriften, ten sterkste aangedrongen. Deze stukken werden aan eene commissie van besliste anti-slavernijgezinden in handen gesteld. Van de eene zijde werd beweerd, dat de tijd nu gekomen was om beslissende maatregelen te nemen tot afsnijding van alle medepligtigheid ten voordeele der slavernij, en om rondborstig voor zijne gevoelens uit te komen, al zou men ook alle kerken van de gemeenschap moeten afsnijden, die niet gereed waren om in eene onmiddellijke emancipatie te bewilligen.

Van den anderen kant werd de meerderheid der commissie door tegenovergestelde beschouwingen geleid. De broeders uit slaven-Staten opperden bedenkingen, nagenoeg als deze: "Broeders, onze harten zijn eenstemmig met de uwe. Wij vereenigen ons met u in geloof, in liefde, in gebeden. Wij namen deel in den u aangedanen smaad door de uitsluiting. Wij stonden toen aan uwe zijde, en zijn er ook nu nog gereed toe. Wij sympathiseren niet met de partij die u heeft uitgedreven, en wenschen ook niet tot haar terug te keeren. Wat de zaak der slavernij betreft, hebben wij geen verschil met u. Wij beschouwen haar als een kwaad. Wij treuren en klagen er over. Wij stellen pogingen in het werk om haar van lieverlede en door vreedzame middelen uit onze kerken te bannen. Wij komen het gevoelen onzer kerken zoo verre te gemoet als ons doenlijk is. Wij kunnen tot geene meer doortastende maatregelen overgaan, zonder onzen invloed op haar te verliezen, en, naar ons oordeel, de zaak der emancipatie achteruit te zetten. Zoo gij op deze beslissende manier begint, kunnen wij onze kerken niet vereenigd houden; zij zullen zich van elkander scheiden, en tot de "Old School" overgaan."

Hier had men een zeer sterk pleit, door goede en opregte mannen uitgebragt. Daarenboven hield het een beroep in op de edelste gevoelens des harten. Het zeide inderdaad zooveel als: "Broeders, wij hebben u bijgestaan, en uwe zaak verdedigd, toen alles tegen u gekant was; en thans, nu gij de magt in handen hebt, zoudt gij haar bezigen om ons buiten te werpen?"

Deze mannen, hoe sterk anti-slavernijgezind ook, konden niet onbelemmerd te werk gaan. Een lid der commissie voorzag en vreesde er de uitkomst van. Hij was van gevoelen, en gaf zulks te kennen, dat de voorgeslagene maatregel de geheele zaak zou doen schipbreuk lijden. De meerderheid was, ten slotte, van gevoelen, dat het best ware haar uit te stellen. De commissie rapporteerde dat de verzoekers, om voor hen voldoende redenen, hunne papieren hadden terug genomen.

Het volgende jaar, in 1839, werd het onderwerp wederom opgevat, en bij vernieuwing werd er op aangedrongen dat de Vergadering op eene beslissende en onmiskenbare wijze er zich over uiten mogt; en voorzeker, wanneer wij in aanmerking nemen dat gedurende al dien tijd niet eene enkele kerk hare slaven geëmancipeerd had, en dat de magt der "instelling" allerwege was toegenomen en uitgebreid, dan zal het wel in het oog loopen dat er iets anders noodig was dan eene algemeene verklaring dat de Kerk met het in 1818 gegevene getuigenis overeenstemde. Het werd haar ten sterkste voorgehouden dat het tijd was om iets te doen. Dit jaar besloot de Vergadering den "Presbyteries" de zaak in handen te geven, om er in te doen wat zij raadzaam zouden achten. De gebezigde woorden waren deze: "De geheele zaak plegtiglijk aan de lagere regtskringen (judicatories) overgevende, om eene zoodanige beslissing te nemen, als naar hun gevoelen met de regtvaardigheid strookt, en geschikt is om het kwaad te verwijderen." De Eerwaarde George Beecher stelde voor om het woord: zedelijk vóór het woord: kwaad in te lasschen; dan, zulks werd van de hand gewezen.

In 1840 werd een nog veel grooter aantal vertoog- en verzoekschriften ingeleverd; en door de abolitionisten werden zeer sterke pogingen gedaan om eenige bepaalde daad te verkrijgen.

De commissie beriep zich dit jaar op hetgeen in het vorige jaar gedaan was, en verklaarde het onraadzaam, iets verder te doen. De zaak werd onbepaald uitgesteld. Thans werd besloten dat de Vergadering slechts eenmaal in de drie jaren zou bijeenkomen. Gevolgelijk kwam zij niet bijeen vóór 1843. In dat jaar werden wederom verscheidene memoriën ingediend, en eenige besluiten werden der Vergadering voorgelegd, waartoe ook het volgende behoorde:

Is besloten, dat wij de met deze Vergadering verbondene leeraars, "Presbyteries" en Synoden, minzaam en ernstig vermanen, deze zonde even als alle andere zware zonden te behandelen; en door eene vlijtige, minzame en getrouwe aanwending der hen door God verleende middelen, door onderwijzing, vermaning, berisping en daadwerkelijke tucht, de kerk van deze groote ongeregtigheid trachten te zuiveren.

Dit besluit werd van de hand gewezen, en men nam het volgende:

Nademaal in deze Vergadering eene groote verscheidenheid van gevoelens bestaat met betrekking tot de geschiktste en beste handelwijze in de zaak der slavernij; en nademaal, onder zulke omstandigheden, deze of gene uitdrukking van gevoelen slechts weinig gewigt zou aanbrengen wanneer zij met eene geringe meerderheid doorging, maar veeleer verwijdering en verdeeling zou veroorzaken; en nademaal de Vergadering van 1839, met groote eenstemmigheid, deze geheele zaak aan de lagere regtskringen heeft overgegeven, om eene zoodanige beslissing te nemen als naar hun gevoelen geschikt is om het kwaad te verwijderen;--is besloten, dat de Vergadering het tot stichting der Kerk ondienstig acht, in dezen iets te verrigten.

Niettemin ging het volgende besluit door:

Is besloten, Dat het fatsoenlijk vermaak van gemengde dansen zoo geheel onschriftmatig, en voornamelijk en uitsluitend dat der "wereld" is "die in het booze ligt," en zoo geheel onbestaanbaar met den geest van Christus, met het den Christen voegende gedrag, en met die reinheid des harten, welke zijne volgelingen verpligt zijn te bewaren, dat het niet slechts onvoegzaam en schadelijk voor Christenbelijders is er deel in te nemen, of hunne kinderen daartoe in staat te stellen, door hen de kunst te onderwijzen, maar ook eene getrouwe en regtmatige uitoefening der kerktucht van de zijde der kerkelijke opzieners vordert, wanneer eenig lid der gemeente zich daaraan heeft schuldig gemaakt.

Drie jaren later, in 1846, openbaarde de Algemeene Vergadering de volgende verklaring harer gevoelens:

1. Het slavernijstelsel, zoo als het in deze Vereenigde Staten aanwezig is, hetzij uit het oogpunt der wetten van de verschillende Staten, die het goedkeuren, of uit dat zijner tegenwoordige werking en gevolgen in en voor de maatschappij beschouwd, is uit zijnen aard onregtvaardig en verdrukkend; terwijl het evenzeer gekant is tegen de voorschriften van Gods wet, den geest en de leeringen des Evangelies, en de hoogste belangen der menschheid.

2. Het getuigenis der Algemeene Vergadering, van de jaren 1787 tot 1818 ingesloten, heeft het veroordeeld, en blijft nog altijd het opgeschreven getuigenis der Presbyteriaansche kerk dezer Vereenigde Staten, hetwelk wij niet terug nemen.

3. Wij kunnen, derhalve, de uitdrukking van ons grievend leedwezen niet achterhouden, dat de slavernij door eenige der leden van onze kerken wordt volgehouden en verdedigd; en wij vermanen zoowel dezen, als de kerken, waaronder zij bestaat, met den meesten ernst, tot het aanwenden van alle in hunne magt staande middelen, ten einde dit kwaad uit hun midden worde weggedaan. De voortduring er van kan niet missen, bij eene menigte menschen, door den invloed van hun voorbeeld geleid, het begrip te doen ontstaan, als of door dat voorbeeld het daarin zigtbare en door de verordeningen der slaven-houdende Staten, waarin zij wonen, gehandhaafde stelsel, werd gewettigd. Daarenboven kan geene bloote verzachting zijner gestrengheid, door de menschelijkheid en het Christelijk gevoel van eenigen die voortgaan met hunne medemenschen in slavernij te houden, aangebragt, als een getuigenis tegen het systeem, of als in het geringste zijn wezenlijk karakter veranderende, beschouwd worden.

4. Maar, hoezeer wij gelooven, dat vele van het stelsel onafscheidelijke boosheden het noodzakelijk en verpligtend maken, om er tegen te getuigen, nogtans ondernemen wij niet, den graad van zedelijke verdorvenheid te bepalen van de zijde der individuën, die er in betrokken zijn. Ongetwijfeld zal deze, in het oog van God, afhangen van de mate van het geschonken licht, en van andere omstandigheden, tot elk in het bijzonder betrekkelijk. Wanneer wij het oog vestigen op al de hinderpalen en belemmeringen der emancipatie, door de verordeningen der slaven-houdende Staten, en door den maatschappelijken invloed op de zienswijze en het gedrag der bedoelde personen in den weg geworpen, dan kunnen wij geen vonnis van algemeene en onbepaalde veroordeeling uitspreken, dat gemis van Christelijke beginselen en gevoelens medebrengende, waardoor allen, die in de wettige betrekking van meesters tot slaven staan, van des Heeren tafel geweerd zouden worden, of ons regtvaardigen, wanneer wij hen onze kerkelijke en Christelijke gemeenschap onttrekken wilden. Veeleer hebben wij medelijden met hunne gemoedelijke bezwaren, en zouden hen daarin wenschen te hulp te komen, als van oordeel zijnde, dat scheiding en verwijdering tusschen de kerken en hare leden, niet de door God goedgekeurde en bekrachtigde middelen tot de hervorming Zijner kerk zijn.

5. Terwijl wij ons, derhalve, verpligt achten, ons getuigenis tegen de slavernij in te brengen, en onze geliefde broederen te vermanen haar zoo spoedig mogelijk, door alle gepaste en voegzame middelen, uit hun midden weg te doen, veroordeelen wij te gelijkertijd alle verdeelende en scheuring veroorzakende maatregelen, strekkende om de eenigheid onzer kerk te ontbinden en haren vrede te verwoesten, en schromen wij den geest van beschuldiging en straf-opleggende gestrengheid, die dezulken buiten de kudde zou drijven, welke wij veeleer, om den geest des Evangelies en de pligten onzer belijdenis, gehouden zijn te onderwijzen, te raden, te vermanen, en aldus in de wegen Gods te leiden; en jegens welken, ofschoon zij dwalen mogen, wij geduld en broederlijke liefde behooren te oefenen.

6. Als eene regtbank van onzen Heer Jezus Christus, bezitten wij geene wetgevende magt; en als de Algemeene Vergadering der Presbyteriaansche kerk, bezitten wij geene regterlijke magt. Wij hebben geen regt om een toetssteen van het Christelijk karakter en lidmaatschap der kerk in te stellen en voor te schrijven, die in de Heilige Schriften, en in de belijdenissen, waarnaar wij beloofd hebben, onzen wandel te rigten, niet erkend en bekrachtigd is. Wij moeten, derhalve, deze zaak overlaten aan de kerkbesturen (sessions), "Presbyteries" en Synoden, als de regtskringen (judicatories), aan welken het oordeel toekomt in de besturing der kerkelijke tucht naar pligt en geweten, als aan de Algemeene Vergadering alleen bij wege van algemeen op- en toezigt ondergeschikt zijnde.

Wanneer eene boot op een effen doch sterken stroom onmerkbaar afdrijft, dan kunnen wij haren voortgang slechts door vergelijking met andere voorwerpen op het strand bespeuren.

Wanneer men deze verklaring der Algemeene Vergadering van de "New School" met die van 1818 vergelijkt, dan zal men bevinden, dat zij veel minder rondborstig en beslissend van toon is dan deze laatste, terwijl inmiddels de slavernij viervoudig in magt is toegenomen. In 1818 verklaart de Vergadering, dat het deugdzaamste deel der gemeente in de slaven-Staten de slavernij verafschuwt en hare vernietiging wenscht. In 1846 betuigt de Vergadering met leedwezen, dat de slavernij door eenige leden onzer kerken nog altoos volgehouden en verdedigd wordt. Het getuigenis van 1818 heeft het openhartig en stoutmoedig voorkomen van een eenstemmig document, waaruit slechts één gevoelen spreekt. Dat van 1846 heeft het behoedzaam aanzien van een onzijdigen grond tusschen twee strijdende legers; het is uitziftend, behoedzaam vreesachtig en zorgvuldig.

Doch wanneer men, met dat alles, het document op zich zelven beschouwt, dan is het zekerlijk een zeer goed stuk te noemen; en het zou eene zeer gepaste uitdrukking van Christelijk gevoel zijn, zoo het betrekking had tot eenig ander gewoon groot kwaad, en in deze of gene algemeene crisis ware geuit geworden; doch laat ons zien, wat het aangegrepen kwaad, en wat de crisis was. Beschouwen wij het door de Synode van Kentucky opgehangen tafereel van den tegenwoordigen staat van zaken ten harent: "De leden van slaven-familiën gescheiden, om elkander niet weder te zien vóór den oordeelsdag; broeders en zusters, ouders en kinderen, echtgenooten en vrouwen, dagelijks van elkander afgerukt, zonder elkander ooit te mogen wederzien; het gegil en de doodsangsten, die als met de stem eener bazuin de onregtvaardigheid en wreedheid van het stelsel verkondigen; de kreten der lijders, die opgaan tot het oor des Heeren Zebaoth; geen gehucht waar deze hartverscheurende tooneelen niet gezien worden; geen dorp of landweg zonder den treurigen optogt van geboeide ballingen, wier ketenen en gebogene houding verhalen, dat zij met geweld zijn afgerukt van alles, wat hunnen harten dierbaar is; Christenleeraars, de moeder van haar kind afscheurende, om haar in eeuwigdurende ballingschap te verkoopen."

Dit was de taal der Synode van Kentucky, veertien jaren te voren; en die tooneelen zijn sedert dien tijd altoos voorgevallen, en vallen nog dagelijks voor, zoo als de berigten van elk zuidelijk nieuwspapier aantoonen; en toch heeft de kerk van Christus sedert 1818 niets anders gedaan dan haar leedwezen te betuigen, en deftige bovennatuurkundige beraadslagingen te houden of de slavernij eene zonde per se was, en de voorbarige handelwijze te berispen van mannen, die, de onmogelijkheid ziende om het kwaad op eenige andere wijze te doen ophouden, zulks beproefden door de slavenhouders van de gemeenschap der kerk uit te sluiten. Alsof het niet beter ware dat één slavenhouder op de honderd, wanneer het hem meer in het bijzonder betreft, buiten de kerk zou staan, dan dat al die vreeselijke foltering en ongeregtigheid bij voortduring de wettiging van het voorbeeld der kerk ontvangen zoude! Zou een edelmoedig Christen niet zeggen: "Als de kerkban dit verschrikkelijke kwaad kan ten onder brengen, laat hij komen, al zou hij ook zwaar op mij drukken! Het is beter, dat ik eene geringe onregtvaardigheid lijde, dan dat deze afschuwelijke ongeregtigheid steeds op de rekening der Kerk van Christus blijve! Zal ik de geheele Kerk met mijne bezwaren belasten? Wanneer ik in de behandeling mijner slaven liefderijk en zorgvuldig te werk ga; wanneer ik de slechte leerstelling, dat zij mijn eigendom zijn, uit mijn hart verworpen heb, en ze als mijne broeders behandel--wat doe ik dan? Al het gewigt van mijn voorbeeld zet het systeem kracht bij. De Kerk moet deze vreeselijke ongeregtigheid bestraffen, en de bestraffer behoort zuivere handen te hebben; en als ik mij niet ten volle van dit kwaad kan losmaken, dan is het beter dat ik buiten de Kerk blijve, totdat ik het kan."

Laat ons nu ook de geduchte verschansingen en de sterkte van het kwaad beschouwen, waar tegen dit zeer gematigd besluit gerigt was. "Eene geldmagt van twee duizend millioenen dollars, in handen eener kleine vereeniging van bekwame en wanhopige lieden; die vereeniging door bijzondere wettelijke bepalingen tot eene staatkundige aristocratie verheven; het katoen, het voortbrengsel van den slaven-arbeid, de grondslag uitmakende van onzen geheelen buitenlandschen koophandel, en de handelsklasse alzoo bevoorregt; de drukpers omgekocht; de zuidelijke kansel tot vasal vernederd; het hart der lagere klasse door een bitter vooroordeel tegen het zwarte menschenras verkild, en onze hoofdleiders door eerzucht óf tot stilzwijgen óf tot openbare vijandschap verleid." [24] En nu, in dezen staat van zaken, wordt de slavernij door het gansche gewigt dezer kerken ondersteund, omdat zij slavenhouders bevatten. Dat zij geen deel hebben aan de misbruiken van het stelsel, doet niets ter zake; het wordt haar door niemand gevergd. De slavenmagt wenscht niet dat belijders van de godsdienst familiën scheiden, of hunne slaven bovenmatigen arbeid opleggen, of eenige schanddaad bedrijven: dat is haar belang niet. De slavenmagt behoeft vrome, teederhartige, edelmoedige en menschelijke meesters, en behoeft ze, om het systeem tegen het toenemend zedelijk gevoel der wereld staande te houden; en hoe vromer en edelmoediger zij zijn, des te beter. Zonder deze lieden zou de slavernij geen uur lang kunnen staande blijven. Wat is het derhalve? Deze lieden houden het systeem, en dat groote anti-slavernijgezinde ligchaam van leeraars houdt deze lieden staande. Dit is het slot van de geheele zaak.

Paulus zegt, dat wij aan diegenen moeten gedenken, die in banden zijn, als met welke ook hij gebonden is. Verondersteld eens, dat deze Algemeene Vergadering uit mannen bestaan had, die vlugtelingen geweest waren. Verondersteld dat een hunner zijne dochters naar de slavenmarkt van New-Orleans had zien wegvoeren, zoo als Emily en Mary Edmondson; dat de dochter van een' ander' op dezen overlandstogt in een slaventroep gestorven was, met geene andere oppassing dan die van een slavendrijver, zoo als de arme Emily Russell; dat de vrouw van een' derden met een gebroken hart gestorven was, toen men haar hare kinderen van de borst rukte om ze te verkoopen; en dat een vierde eene half krankzinnig gemaakte moeder had, wier haren door zielsangst vóór den tijd waren grijs geworden. Verondersteld dat die hartverscheurende tooneelen van scheiding, met gillen en snikken, waarvan de Synode van Kentucky zegt zoo langen tijd getuige geweest te zijn, in de familiën dier leeraars hadden plaats gehad, en dat zij tot deze beraadslaging waren opgegaan met harten, zoo doorpriemd en verscheurd als het hart van den armen ouden Paul Edmondson, toen hij naar New-York ging om voor zijne dochters te bedelen. Verondersteld dat zij het afschuwelijk stelsel, waaronder dit alles was voorgevallen, nog ieder uur zagen uitbreiden; dat leeraars onder de Christenen van alle gezindheden in het Zuiden het voor eene door God bekrachtigde instelling verklaarden; dat al de rijkdom, al de rang en al de fashion des lands te zijnen gunste vereenigd waren; en dat zij, zoo als Aäron, gezonden waren om tusschen de levenden en de dooden te staan, opdat de pest mogt ophouden.

En laat het nu zoo nederig en zoo ernstig mogelijk aan de Christenen dezer natie, en aan de Christenen van alle natiën, gevraagd mogen worden, of op zulk een tijdstip, en onder zulk eene crisis, deze handeling voldoende was? Heeft zij iets uitgewerkt? Heeft zij ook maar het minste te weeg gebragt om het kwaad te stuiten? En behoorde er in zulk een vreeselijken tijd niet iets gedaan te worden wat die uitwerking kan hebben?

Laat ons de geschiedenis voortzetten. Men zal hebben opgemerkt dat het besluit eindigt met het onderwerp aan ondergeschikte regtskringen over te laten. De "New School Presbytery" van Cincinnati, waarin de hoogleeraars van het seminarium van Lane zitting hadden, schorsten Mr. Graham in zijne bediening, om zijne leerstelling, dat de Bijbel de slavernij regtvaardigde; bij dit vonnis de stelling voegende, dat zulks eene ketterij was, onbestaanbaar met de Christelijke gemeenschap. De Synode van Cincinnati bevestigde deze uitspraak. De Algemeene Vergadering wierp deze beslissing omverre, en herstelde Mr. Graham. De afgezondene van die "Presbytery" zeide, dat zij nooit op hare schreden zou terugkeeren, en zoo gebeurde het ook. De "Presbytery" van Cincinnati weigerde hem terug te ontvangen. Haar zij er alle eer voor toegebragt! Hier, ten minste, werd een beginsel vastgesteld, voor zoo veel de "New School Presbytery" van Cincinnati, en een beginsel voor zoo veel de Algemeene Vergadering betreft. Door deze daad stelde de Algemeene Vergadering het feit vast, dat de Presbyteriaansche kerk der "New School" niet beslist had, dat de verdediging der slavernij uit den Bijbel eene ketterij was.

De leer te verkondigen, dat er geene drie Personen in de Drieëenheid zijn, is ketterij.

De leer te verkondigen, dat al deze drie Personen een systeem bekrachtigen, hetwelk zelfs door Mahomedaansche vorsten uit louter natuurlijke schaamte en gewetenshalve is vernietigd, is geene ketterij!

De Algemeene Vergadering ging voort met te bewijzen, dat zij deze leer niet als ketterij beschouwde, door in 1846 de Algemeene Vergadering der "Old School" tot gemeenschappelijke viering van 's Heeren Avondmaal uit te noodigen. Onder die Vergadering behoorden niet alleen Dr. Smylie, en al die ligchamen onder haar, die niet alleen de slavernij in het afgetrokkene, maar zelfs eenige harer ergste misbruiken, uit Gods woord hadden verdedigd; maar het ligchaam der "New School" hield deze gevoelens voor geene ketterij, die de Christelijke gemeenschap zou verhinderen!

In 1849 verklaarde de Algemeene Vergadering, dat bij haar geene berigten waren ingekomen ten bewijze, dat de leden in Slavenstaten niet alles deden wat zij konden om, onder opzien tot God, den slaven het bezit en genot der vrijheid te bezorgen. Dit is eene merkwaardige verklaring, wanneer wij in aanmerking nemen, dat in Kentucky geene strenge wetten tegen de emancipatie bestaan, en dat, in Kentucky of in Virginia, de slaaf kan worden in vrijheid gesteld door hem eenvoudig een paspoort te geven om de grenslijn van den naburigen Staat te overschrijden.

In 1850 werd door den Eerwaarden H. Curtiss, van Indiana, een voorstel aan de Vergadering gedaan, ten volgenden einde: "Dat het tot slaven maken of als eigendom bezitten van menschen, een vergrijp is, zoo als in ons Boek van kerkelijke tucht, hoofdstuk 1, afdeeling 3, bepaald is; en als zoodanig onderworpen aan onderzoek, bestraffing en afsnijding, op de wijze, door onze regelen voorgeschreven; en dat het met behoorlijke inachtneming van alle verzwarende of verzachtende omstandigheden voor ieder bijzonder geval behoort behandeld te worden." Een ander voorstel was van een ouderling uit Pennsylvanië, en stelde vast, dat de slavernij, prima facie, een vergrijp was in de bedoeling van ons Boek van kerkelijke tucht, en den slavenhouder den last oplegde van zulke omstandigheden aan te voeren, als strekken konden om hem van de schuld der overtreding te ontheffen.

Beide deze voorstellen werden verworpen. Het volgende werd aangenomen: "Dat de slavernij met vele en groote boosheden beladen is; dat men de uitwerkselen van het geheele slavernijstelsel betreurt; dat het houden onzer medemenschen in den staat van slavernij, uitgezonderd in die gevallen, waarin het uit hoofde der wetten van den Staat, de pligten van voogdijschap, of de eischen der menschelijkheid onvermijdelijk is, een vergrijp (offence) is, naar de eigenlijke meening dier uitdrukking, zoo als zij in het Boek der kerkelijke tucht gebezigd wordt, en op dezelfde wijze als andere vergrijpen te beschouwen en te behandelen is; en dat dit onderwerp derhalve aan de kerkbesturen (sessions) en "presbyteries" wordt overgelaten." De stemmen waren acht-en-veertig tegen zestien, onder een schriftelijk protest van de minderheid, die in den tegenwoordigen toestand des lands alle handeling afkeurde. Laat de lezer deze handeling wederom met die van 1818 vergelijken, en hij zal zien dat de boot nog altoos afdrijft--inzonderheid dewijl zelfs deze gematigde verklaring niet eens met algemeene stemmen gegeven werd. Op nieuw, in dit jaar 1850, verklaart men zich bereid om in den geest van broederlijke en Christelijke liefde, eenige voorslagen tot hereeniging te ontvangen, die het ligchaam der "Old School" voornemens was te doen.

In 1850 kwam de verschrikkelijke wet tegen de weggevlugte slaven. Welke daden werden toen bedreven? Toen werden de tooneelen van schrik en doodsangst, die te voren slechts op den slavenbodem aanschouwd werden, naar onze vrije Staten overgebragt. Kerken werden open gebroken. Bevende Christenen vloden. Echtgenooten en vrouwen werden gescheiden. Toen werd aan den armen Afrikaan het vreeselijk doemvonnis voltrokken, over den wandelenden Jood uitgesproken: "Gij zult geene rust vinden, en uwe voetzolen zullen geene rust hebben; maar uw leven zal altoos in gevaar zijn, en gij zult dag en nacht vreezen, en geene veiligheid voor uw leven hebben." De gansche maatschappij ging toen éénen weg op--al de rijkdom, al de magt, al de fashion. Nu, zoo ooit, was het tijd voor de Kerk van Christus om op te staan en voor de armen te spreken.

De Algemeene Vergadering kwam bijeen. Zij was ernstig aangemaand om zich te uiten. Nooit bestond er eene schitterender gelegenheid om te toonen, dat het koningrijk van Christus niet van deze wereld is. Een protest derhalve van een zoo talrijk en achtenswaardig ligchaam zou de Amerikaansche Kerk voor de schande bewaard hebben, die zij thans in het oog van alle natiën draagt. O, dat zij eenmaal gesproken had! Wat zeide de Presbyteriaansche Kerk? Zij zeide niets, en oogstte er den dank der staatkundige leiders voor in. Zij had alles gedaan, wat zij verlangden.

Intusschen was onder dezen gang van zaken het getal der "Presbyteries" in slaven-houdende Staten van drie tot twintig geklommen! en deze kerk had nu van vijftien- tot twintigduizend leden in Slavenstaten onder hare hoede.

Genoeg over de handelwijze van een beslist anti-slavernijgezind ligchaam, in vereeniging met eenige weinige slavenhoudende Kerken. Genoeg over eene bescheidene, voorzigtige, liefderijke en broederlijke poging om de zaak door ondervinding te toetsen. Welke gemeenschap heeft het licht met de duisternis, en welke overeenstemming heeft Christus met Belial? Het slavensysteem is de duisternis--het slavensysteem is Belial! en elke poging om het met de belijdenis des Christendoms overeen te brengen, zal denzelfden uitslag hebben als deze. Het behoort nogtans hier gezegd te worden, dat een klein ligchaam van de meest besliste tegenstanders der slavernij in de Presbyteriaansche Kerk zich afscheidde, en de vrije Presbyteriaansche Kerk vormde, wier voorwaarde van gemeenschap eene volkomene verzaking van het slaven-houden is. Ook moet het worden opgemerkt, dat deze grondregel door de Kwakers aangenomen en ten uitvoer gebragt werd--het eenige met dit kwaad besmette ligchaam van Christenen, wien het ooit gelukt is er zich van te bevrijden.

Het zij nu dat censuur en kerktucht al dan niet geschikte middelen zijn om zulke zedeloosheden en ketterijen bij individuën tegen te gaan,--genoeg is het, dat zulks het verklaarde en in uitoefening gebragte gevoelen van de Presbyteriaansche Kerk geweest is.

Wanneer men de redenering van Charles Summer overweegt, dan zal het in het oog vallen dat de geschiedenis dezer Presbyteriaansche Kerk aanmerkelijke punten van overeenkomst oplevert met die onzer Vereenigde Staten. In beide was, in den beginne, anti-slavernij de heerschende invloed, zelfs onder slavenhouders. In beide was er geen verschil van gevoelen omtrent de wenschelijkheid van de volkomene vernietiging der slavernij; beide gaven iets toe, zoo weinig als men zich met mogelijkheid verbeelden kan; beide deden dit volkomen ter goeder trouw, met het doel eener spoedige verwijdering en vernietiging van het kwaad; en beider geschiedenis is dezelfde. Het kleine punt van toegeving breidde zich uit, won meer en meer veld, en ging, van jaar tot jaar, verslindende voort, tot dat èn de Vereenigde Staten, èn de Presbyteriaansche Kerk, het standpunt bereikt hadden waarop zij zich thans bevinden. Nog erger was de geschiedenis der Methodistische Kerk. Die van de Kerk der Baptisten toont hetzelfde beginsel; en, wat de Episcopaalsche kerk zoowel in het Noorden als in het Zuiden betreft, deze heeft nooit iets anders gedaan dan toegeven. Zij verschilt hierin van al de overige, dat zij nooit eenig tegenstandbiedend element had, met uitzondering nu en dan van een Protestant, zoo als William Jay, een waardige zoon van hem, die de Verklaring van Onafhankelijkheid onderteekende.

De slavenmagt is een wel zamenhangend, vast, stevig, onwrikbaar stelsel geweest, dat van geen schikken of toegeven wist. De wederstand biedende magt was, vele jaren lang, wankelend, toegeeflijk, met zich zelve in tegenspraak. Er heeft, wel is waar, eene diepe en steeds toenemende vijandschap jegens de slavernij, bij eene besliste meerderheid van leeraars en ledematen in vrije staten bestaan, als individuën beschouwd. Doch ongelukkigerwijze zijn de opregte tegenstanders der slavernij onderling verdeeld geweest nopens grondstellingen en maatregelen, daar de tot uitersten gedrevene grondstellingen en maatregelen van sommigen eene schadelijke terugwerking bij anderen te weeg bragten. Daarenboven hebben andere groote plannen van weldadigheid hun tijd en aandacht gevorderd; en de uitslag is geweest dat zij alle zich onjuiste begrippen gevormd hebben van de uitgebreidheid des gevaars, waarmede de zaak van God op aarde door de Amerikaansche slavernij bedreigd wordt, en van den pligt des Christens onder zulk eene crisis. Zij hebben hieromtrent nooit zulk eene overtuiging gehad als die, welke in andere groote aangelegenheden hunne geestkracht gewekt, aangevuurd en vereenigd heeft. Intusschen hebben groote organische invloeden in Kerk en Staat, zeer tegen hunnen wensch, hunnen invloed tegen de slavernij opgewogen--ja somwijlen in haar voordeel doen werken. De volslagene onwrikbaarheid van het slavernij-systeem, en zijne volstrekte weigering om eenige beraadslaging er over toe te laten, hebben alle diegenen, die gemeenschap met slaven-houdende Kerken wenschen, slechts de keuze gelaten om òf de ondersteuning van het Zuiden in deze zaak, òf hun protest tegen de slavernij te laten varen.

Dit is eene sterke verzoeking geweest voor menschen die weldadige en loffelijke zaken behartigden, doch niet genoeg doordrongen waren van het volle gevaar van het slavensysteem, noch de zedelijke kracht van het Christelijke protest daartegen wisten te schatten. Wanneer er zich, dien ten gevolge, gevallen voordeden waarin hun slechts de keuze bleef tusschen de opoffering van hetgeen zij voor de belangen eener goede zaak hielden, en tusschen het opgeven van hun regt van protest, hebben zij algemeen het laatste gekozen. De beslissing had altoos op deze wijze plaats: De slavenmagt wil niet toegeven,--wij moeten het. Het Zuiden zegt: "Wij willen geen godsdienstig boek nemen dat anti-slavernijgezinde grondstellingen bevat." De Vereeniging der zondagsscholen heeft Mr. Gallaudet's geschiedenis van Joseph afgewezen. Waarom? Omdat zij de slavernij begunstigt? Volstrekt niet. Zij verafschuwt de slavernij. Waarom dan? "Het Zuiden wil onze boeken niet lezen, als wij niet toegeven. Zij willen niet toegeven, en wij moeten. Wij kunnen meer goed doen door de verspreiding van Evangelische waarheid, wanneer wij onze Protestantsche magt ongebruikt laten, dan wanneer wij haar aanwenden." Dit werd, waarschijnlijk, ter goeder trouw gedacht en gezegd. Het argument laat zich wel hooren, maar de zaak wordt er niet te minder om toegegeven. De slavenmagt heeft de overwinning behaald, en heeft ze juist door de beste menschen, en juist door den invloed van de beste beweegredenen behaald; en zoo zij slechts de overwinning verkreeg, is het haar om het even hoe zij ze verkreeg. En al moge het ook gezegd kunnen worden dat hetgeen in ieder bijzonder geval wordt toegegeven, op zich zelve slechts gering is, toch zal, wanneer wij alles bij elkander nemen wat van tijd tot tijd door iedere kerkelijke gezindheid, en door iedere afzonderlijke weldadige inrigting is afgestaan, het beloop inderdaad verbazend zijn. En waar zijn wij, ten slotte van dat alles, nu toe gekomen?

Hier zijn wij, in deze crisis,--hier, in deze negentiende eeuw, terwijl de geheele wereld grondstellingen van algemeene vrijheid om verre werpt en weder opbouwt,--wij, Amerikanen, die onze Bijbels en zendelingen uitvaardigen om Mahomedaansche landen tot Christelijke te maken, wij, al onze magt en invloed aanwendende tot instandhouding van een stelsel van afgesleten heidendom, dat zelfs door den Bey van Tunis verworpen wordt!

De zuidelijke Kerk heeft het gedoopt in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. Dit afgesletene, verouderde, verjaarde stelsel van Romeinsche slavernij, eenmaal, langzaam maar zeker, door het Christendom vernietigd, is uit zijn eerloos graf opgedolven; eenige weinige wetten van buitensporige wreedheid, zoo als Rome ze nimmer kende, zijn er aan toegevoegd; en thans, door de geheele zuidelijke Kerk gedoopt en geheiligd, gaat het uit, overwinnende en om te overwinnen! De eenige magt, die der noordelijke Kerk, is overgebleven, is de protesterende magt, en zal zij daar gebruik van maken? Vraag het Traktaatgenootschap of het een traktaat over het zondige der slavernij wil uitgeven, al zou zulk een traktaat maar alleen uit de schriften van Jonathan Edwards of Dr. Hopkins worden zamengesteld! Vraag de Vereeniging der zondagsscholen of zij de feiten betrekkelijk dit heidendom wil openbaar maken, zoo als zij de feiten betrekkelijk Burmah en Hindostan geopenbaard heeft! Willen zij? O, dat zij ja mogten zeggen!

Nu zal het wel niet betwijfeld worden dat al deze treurige uitkomsten de gevolgen zijn van de voorstellen en beraadslagingen van goede mannen, die het goede bedoelden; doch men heeft met waarheid gezegd dat, in gevaarlijke tijden, wanneer één misstap de noodlottigste gevolgen te weeg brengt, eene goede bedoeling niet genoeg is.

In de crisis eener ziekte het goede te bedoelen en den lijder te doen sterven; onder het woeden van een storm het goede te bedoelen en het schip te doen stranden; in een grooten zedelijken strijd het goede te bedoelen en den strijd te verliezen;--dit zijn betreurenswaardige zaken. Door onze schuld gaat het schip te gronde--door onze schuld wordt de strijd verloren. Een weinig meer slapens, een weinig meer sluimerens, een weinig meer handenvouwens al nederliggende, en wij zullen in de draaijing van dien maalstroom ontwaken die slechts één uitgang heeft--naar den afgrond!

Er is nog één ligchaam van Christenen, welks invloed wij niet beschouwd hebben, en dat wel van een zeer aanzienlijk,--de Congregationalisten van Nieuw-Engeland en van het Westen namelijk. Uit den aard zelve van het Congregationalisme kan het geen zoo eenstemmig getuigenis geven als het Presbyterianisme; maar toch heeft het Congregationalisme zich tegen de slavernij geuit. Individuëele ligchamen hebben zeer sterk gesproken, en individuëele geestelijken nog sterker. Zij hebben vertoogen bij de Algemeene Vergadering ingeleverd, en hebben zeer sterke anti-slavernijgezinde bladen. Doch, den geheelen staat van het openbaar gevoelen, den dringenden aard der zaak, en de geweldige kracht en drang van al de slavernij begunstigende oorzaken in aanmerking genomen, mag men vragen of de hevigheid en kracht van het getuigenis van het Congregationalisme, als ligchaam beschouwd, wel gelijk stond met de vreeselijke dringende noodzaak? Het heeft zeer volledige en duidelijke getuigenissen opgeteekend over de rampen der slavernij; doch er is meer noodig dan getuigenissen. De Presbyteriaansche Kerk bezit een overvloed van opgeteekende getuigenissen, even zoo goed en even zoo sterk als die het Congregationalisme heeft doen hooren. De Presbyteriaansche Kerk der "New School" heeft voor het minst even zoo vele anti-slavernijgezinde mannen, even zoo vele sterk anti-slavernijgezinde nieuwspapieren gehad als de Congregationale; en de Presbyteriaansche Kerk heeft eene beproeving voor deze zaak doorgestaan, waaraan de Congregationale nooit was blootgesteld. Zij heeft slavenhouders in hare gemeenschap gehad, en van deze proef is de Congregationale, tot nog toe, zoo goed als vrij gebleven. Had het Congregationalisme, van dit vrije standpunt, niet een getuigenis moeten geven dat meer dan gelijk stond? Had het niet meer moeten doen dan betuigen?--had het niet voor de zaak moeten strijden? Had het, zoo als de drie honderd dapperen in Thermopylae, alleen gelaten om Griekenlands vrijheid te verdedigen, toen al de anderen gevloden waren, niet hart en ziel, ligchaam en geest, voor de goede zaak moeten over hebben? Heeft het zulks gedaan?

Breng den ijver door het Congregationalisme aan andere vraagstukken te koste gelegd, eens in vergelijking met den ijver aan deze zaak besteed. Dr. Taylor leerde dat alle zonde in zondigen bestaat, en dat er daarom geene zonde kon zijn, tot dat een persoon gezondigd had; en Dr. Bushnell opperde eenige wijzigingen van het leerstuk der Drieëenheid, die niemand regt scheen te begrijpen. De "Presbyteries" van Zuid-Carolina leeren dat God de slavernij goedgekeurd, en door het voorbeeld van patriarchen en profeten gewettigd heeft. Verondersteld nu dat dit altemaal ketterijen zijn, welke daarvan is dan wel de ergste?--Welke daarvan zal de ergste praktikale gevolgen te weeg brengen? En, zoo het Congregationalisme deze ketterij bestreden had zoo als sommige zijner leiders Dr. Bushnell en Dr. Taylor bestreden hebben, zou de strijd dan niet met meer ijver gevoerd zijn? Zijn deze beide mannen niet als gevaarlijke ketters ten toon gesteld, als leeringen predikende die tot ongeloof leiden? En, eilieve, waartoe leidt dan die andere leerstelling? Zoo zeker als er een God in den hemel is, zoo zeker is het, dat, zoo de Bijbel inderdaad de slavernij verdedigde, ieder eerlijk en gevoelig mensch al sedert vijftig jaren herwaarts een ongeloovige zou geweest zijn.

Is derhalve de invloed van het Congregationalisme geëvenredigd geweest aan den aard en de dringende gewigtigheid der zaak? Maar de laatst gehoudene bijeenkomst van Congregationalisten te Albany, waarop leeraars uit Nieuw-Engeland en uit de westelijke Staten verschenen, drukte zich stelliger en beslissender uit. Zie hier haar besluit:

Is besloten, dat, naar het gevoelen dezer Vergadering, het doel des Evangelies, waar het in zijne zuiverheid gepredikt wordt, daarheen strekt om alle maatschappelijke gebreken te verbeteren, en de zonde in alle hare vormen te dooden; en dat het de pligt der Zendeling-genootschappen is, de kerken in slaven-houdende Staten behulpzaam te zijn in de ondersteuning alleen van zulke leeraars, die het Evangelie alzoo zullen prediken, en de regelen en de aanwending der Evangelische tucht alzoo zullen inscherpen, dat zulks, onder den Goddelijken zegen, zijne volle uitwerking hebbe tot opwekking en leiding van het zedelijk gevoel met betrekking tot de slavernij, en tot bevordering der spoedige vernietiging van dat verbazende kwaad; en dat daar, waar het een leeraar niet geoorloofd is alzoo te prediken, hij, overeenkomstig de vermaning van Christus, "uit die stad vertrekke."

Dit besluit geeft in vele opzigten stoffe tot hoop en blijdschap. Het werd door eene zeer groote kerkelijke vergadering genomen, de grootste, die ooit in dit land bijeen kwam, en die het gansche Congregationalisme der Vereenigde Staten vertegenwoordigde; terwijl de aanleiding tot hare bijeenkomst, in zeker opzigt als de aanvang een nieuw tijdperk in het bestaan dezer gezindheid mogt beschouwd worden.

Het besluit werd met eenparige stemmen genomen. Het is zeer bepaald in zijne uitdrukking, en beoogt practische werkzaamheid, die juist behoefte is. Het zegt, dat het geene leeraars in Slavenstaten ondersteunen wil, wier prediking niet strekt tot vernietiging der slavernij; en dat, zoo hen geene vrije prediking daartegen vergund wordt, zij vertrekken moeten.

Dat het alzoo gewonnen terrein krachtdadig zal verdedigd worden, is af te leiden uit het feit, dat de "Home Missionary Society," die het orgaan van dit ligchaam, zoowel als van de "New School" der Presbyteriaansche Kerk is, in hare instructiën voor de zendelingen in Slavenstaten, eene bepaalde stelling ten opzigte van dit onderwerp genomen heeft. In hun verslag van Maart 1853 worden die instructiën met bekwaamheid op den voorgrond gesteld. Toen zij, in 1850, door een der Slavenstaten werden aangehaald ten gunste van zendelingen, die de slavernij wilden daarlaten, werd er, in de beslissendste bewoordingen, op geantwoord, dat men daar niet in treden konde; dat men, integendeel, begrijpen moest, dat een voornaam doel in de afvaardiging van zendelingen naar de Slavenstaten, is, de maatschappij, zoo veel zulks mogelijk is, van de zonde onder alle gedaanten te bevrijden, en dat, "zoo men het stilzwijgen over de slavernij naar buiten bewaren wilde, een der grootste beweegredenen om zendelingen naar de Slavenstaten af te vaardigen, of ze daarin te houden, zou zijn weggenomen."

Wijders gebood de Maatschappij haren zendelingen om, zoo men hen in de eene stad of dorp niet over dit onderwerp hooren wilde, naar eene andere te gaan; terwijl zij hare overtuiging uitdrukte, dat hare zendelingen er aanvankelijk in geslaagd zijn om de gewetens der menschen wakker te maken. Zij zegt, dat zij de zaak steeds levendig houden, dat zij ze niet laten rusten, omdat het een teeder onderwerp is, maar dat zij hunne conscientiën kwijten, hetzij dan dat hunne boodschap een goed onthaal vindt, of dat zij hen, zoo als in sommige gevallen, aan tegenstand, verdrukking of persoonlijk gevaar blootstelt; en dat, waar men hunne pogingen niet heeft willen toelaten, zij, in herhaalde gevallen, als eene groote opoffering, hunne stelling verlaten hebben, en naar andere streken vertrokken zijn. In hun verslag van dit jaar deelen zij ook brieven mede van leeraars in slaven-houdende Staten, waaruit blijkt, dat zij, ondanks veel tegenstand, zich het regt verzekerd hebben, om hunne gevoelens over dit onderwerp openlijk te prediken en te verbreiden.

Een dier zendelingen, van de slavernij sprekende, zegt: "Wij zijn vast besloten, om dit groote struikelblok uit onzen weg te ruimen, of onder de poging te bezwijken. Als Christenen en als vrijmannen willen wij deze schandvlek op onze godsdienst en wetten niet langer dulden."

Dit is een edel standpunt.

Doch, terwijl wij de protesterende magt beschouwen, mogen wij ook de Schotsche afgescheidenen en "Covenanters" niet vergeten, die, met eene standvastigheid en vastbeslotenheid, het kroost der oude Schotsche belijders waardig, zich van de zonde der slavernij rein gehouden, en er eenparig tegen geprotesteerd hebben. En laat ons niet minder opmerken, dat de Kwakers een maatregel volgden, die hun gansche ligchaam van de zonde der slaven-houding bevrijd hield; aldus aan al de andere gezindheden toonende, dat wat eenmaal gedaan werd, weder gedaan kan worden. Alzoo zijn er, onder alle kerkelijke gezindheden, individuëele leeraars en Christenen, in uren die der menschen zielen beproefden, met hun getuigenis opgetreden. Albert Barnes, in Philadelphia, te midden eener groote, rijke gemeente op de grenzen van een Slavenstaat gevestigd, en onder al de verlokkingen tot medepligtigheid, die er zoo menigeen tot zwijgen bragten, is in kalme getrouwheid opgestaan, en heeft den geheelen raad Gods in deze zaak verkondigd. Ja, nog meer: hij teekende zijn plegtig protest aan, dat "GEENE INVLOEDEN BUITEN DE KERK DE SLAVERNIJ EEN UUR LANG KONDEN STAANDE HOUDEN, ZOO ZIJ ZELVE ZE NIET STAANDE HIELD;" en in de laatste zitting der Algemeene Vergadering, die te Washington bijeen kwam, hield hij, in spijt van alle staatkundige inblazingen, de Presbyteriaansche Kerk de sterkte harer laatste verklaringen voor, en verklaarde het haar pligt, de volkomen vernietiging der slavernij door de geheele wereld te beproeven. Zoo leide, in het donkerste uur, Dr. Channing te Boston een edel getuigenis af, dat zijn naam onsterfelijk zal maken. Zoo vormden, in Illinois, E. P. Lovejoy en Edward Beecher, met hunne vrienden, de "Illinois Anti-slavery Society" onder zamenrottingen van het gemeen, en met gevaar van hun leven, terwijl, weinige uren later, Lovejoy, bij de verdediging der twee malen vernielde drukpers der abolitionisten, doorschoten werd. In de Presbyteriaansche kerk der "Old School" hebben William en Robert Breckenridge, de President Young, en anderen, ten voordeele der emancipatie in Kentucky gepredikt. In de Methodistische Kerk hield Le Roy Sunderland zijn dagblad onder den ban zijner superieuren staande, terwijl eene premie van vijftig duizend dollars op zijn lijf gesteld was. De zachtmoedige, geduldige Torrey stierf in eene gevangenis, zeggende: "Zoo ik een misdadiger ben, ben ik een groot misdadiger, want ik heb vier honderd slaven aan de vrijheid geholpen, die, zonder mij, als slaven zouden gestorven zijn." Dr. Nelson werd door het gepeupel uit Missouri verdreven, om zijne moedige prediking der waarheid op slavenbodem. Deze allen behoorden tot de leeraars, en zij zijn niet de eenige. Jezus Christus heeft ons nog niet geheel verlaten. Er zijn er, die de vreugde hebben leeren kennen van voor eene goede zaak schande te lijden en den dood te trotseren.

Er zijn dus ondeelige Christenen geweest, die voor deze heilige zaak niets te dierbaar geacht hebben. Getuige Richard Dillingham en John Garette, en eene schare anderen, die met vreugde de berooving hunner goederen hebben aangezien.

Maar niettegenstaande dit alles blijft het de vreeselijke waarheid, dat alles, wat tot dusverre door de kerk gedaan is, het kwaad niet merkbaar heeft doen verminderen. Het groote systeem is sterker dan ooit. Het is, zoo als algemeen bekend is, de heerschende magt der natie. De geheele magt van het gouvernement, en de geheele magt van den rijkdom, en de geheele magt van de fashion, en de practisch-organische werking der groote kerkelijke ligchamen, zijn alle denzelfden weg opgegaan. De Kerk wordt gemeenzaam genoemd, als aan de zijde der slavernij te staan. Staatslieden vóór en tegen het vraagstuk hebben dit als een bewezen feit vermeld. De ongeloovigen wijzen er met triomferenden blik op; en Amerika aanschouwt nog eene andere klasse van ongeloovigen--eene klasse, die alleen onder zulk een invloed ontstaan kon. Mannen, wier geheele leven slechts ééne studie en praktijk van weldadigheid is, worden nu onder de ongeloovigen gerangschikt, omdat de gesteldheid der kerkelijke organisatiën het Christendom valschelijk voorstelt, en zij zich van de kerk afscheiden. Wij willen geene verdediging inbrengen voor zoodanige ongeloovigen, die bloot anti-slavernijgezinden ijver voor hunne Godsdienst houden, en onder dit masker een boosaardigen haat jegens het ware Christendom verbergen. Maar zulke verdedigingen van de slavernij uit den Bijbel, als waarmede sommige leden der Amerikaansche geestelijkheid zijn opgetreden, zijn juist geschikt om alle eerlijke en regtschapene lieden tot ongeloovigen te maken. De ongeloovigen uit vroegere tijden waren niet veel te duchten, maar zulke ongeloovigen als deze, zijn niet te verachten. Wee der kerk, wanneer het zedelijk allooi van den ongeloovigen beter is, dan dat van den Christenbelijder! want het eenigste harnas, dat voor het ongeloof altoos onverwinnelijk was, is het harnas der regtvaardigheid.

Laat ons zien welke practische uitwerking thans door de kerkelijke organisatiën wordt te weeg gebragt. Waarop vertrouwen Bruin en Hill, Pulliam en Davis, Bolton, Dickens & Co., en Matthews, Branton & Co., om hunne slavenfokkerijen en slavenloodsen vol, en hun vertier levendig te houden? Is het te veronderstellen dat zij geene menschen zijn zoo als wij? Beven zij niet somtijds bij de geduchte uitwerkselen van vrees, en wanhoop, en zielsangst, waarvan zij getuige zijn wanneer zij, in de diepten dier vreeselijke slavengevangenissen, levende harten van een scheuren? Wat onderdrukt dan de gewetens dier handelaars? Het is het algemeen gevoelen van de maatschappij waarin zij leven; en dat algemeen gevoelen wordt door leeraars en ledematen der Kerk gevormd. De handelaar bespeurt duidelijk genoeg een logisch verband tusschen de verklaringen der kerk en de praktijk van zijn handel. Hij ziet duidelijk genoeg dat, zoo de slavernij door God wordt goedgekeurd, en het regtmatig is haar in een nieuw grondgebied op te rigten, het ook regtmatig is de middelen te bezigen die daartoe strekken; en, daar de slaven in Texas niet aan de struiken groeijen, het noodig is dat er handelaars zijn om er troepen van te vergaderen en ze derwaarts te brengen; en, daar zij niet altoos geheele familiën kunnen nemen, het noodig is dat zij ze van elkander scheiden; en, daar de slaven door geene zedelijke overreding daartoe te krijgen zijn, het noodig is dat zij er toe gedwongen worden; en, waar zachte dwang niet helpen wil, zij gegeeseld en gepijnigd moeten worden. Van daar mondproppen, duimschroeven, ketenen, bloed,--alles als noodzakelijke middelen ter uitvoering van hetgeen Christenen zeggen dat God goedkeurt.

Ziedaar de eene zijde van de redenering. Bezien wij nu ook de andere. De "Presbyteries" van Zuid-Carolina en Mississippi houden gevoelens staande, die, bij wettige gevolgtrekking, den slavenhandelaar stijven. De Algemeene Vergadering der "Old School" houdt, zonder tucht of protest, met deze "Presbyteries" gemeenschap. De Vergadering der "New School" betuigt hare bereidvaardigheid tot hereeniging met de "Old School," terwijl zij te gelijker tijd het slavernij-systeem eene verfoeijelijkheid, eene zware schending der heiligste regten, en zoo voorts noemt. Welnu, dan is de keten zoo juist gesloten, als hij behoort. Alle schakels zijn er in; ieder vindt er zijne plaats, en zegt juist wat noodig is, en niets meer. De handelaar verrigt den stuitenden arbeid, de zuidelijke Kerk verdedigt hem, en de noordelijke Kerk verdedigt de zuidelijke. Ieder doet zoo veel voor de slavernij als hij kan, naar mate van de ruimte, waarin hij zich beweegt. Ziedaar de practische uitkomst van de zaak.

Het treurigste van de zaak is, dat, terwijl een groot ligchaam van mannen der "New School," en ook vele der "Old School," besliste anti-slavernijgezinden zijn, deze tot de kerkelijke gezindheid betrekkelijke stelling hun invloed naar de andere zijde overbrengt. Hun invloed volgt dien der Algemeene Vergadering. De volgende aandoenlijke brief werd door dien uitmuntend vromen man, Dr. Nelson, geschreven, wiens werk over het ongeloof een der krachtigste populaire stemmen is, die ooit verschenen zijn:

Ik heb meer dan veertig jaren in Noord-Carolina gewoond, ben met het stelsel gemeenzaam bekend, en kan naauwelijks aan zijne uitwerkselen denken, zonder tranen te storten. Het veroorzaakt mij eene grievende smart, aan mijne eigene arme slaven te denken, voor welke ik reeds jaren lang gepoogd heb een vrij verblijf te zoeken. Het treft mij met even zoo veel verbazing als afschuw, te hooren, dat lieden uit het Noorden zoo ligt over de slavernij denken. Hadden zij er zoo veel van gezien en ondervonden als ik, zij zouden er zoo niet over spreken, ten ware zij ongevoelig mogten zijn voor de diepste ellende en vernedering der menschheid, en dood voor de Godsdienst en menschlievendheid des Evangelies. Doch vele hunner doen juist wat de onbarmhartigste tirannen van het Zuiden het meest verlangen. Deze dwingelanden zouden hen volstrekt niet als advocaten of verdedigers der slavernij begeeren op eene ongeschikte wijze. Dit zou eene slechte staatkunde met het Noorden zijn. Het verwondert mij dat Gerrit Smith de slavernij zoo veel beter verstaan zou, dan de meeste lieden uit het Noorden. Hoe waar was zijne opmerking bij zekere gelegenheid, dat het Zuiden in zijne vuist lacht, bij het denkbeeld, welke dupes, met betrekking tot het ware karakter der slavernij, zij onder de bevolking van het Noorden maken! Wel maakte Mr. Smith de opmerking, dat het systeem, in zijn grondbeginsel logisch voortgezet, even zoo goed den blanken arbeidsman tot slaaf zou maken, als den Afrikaan. Maar, zoo het niet door het Noorden ondersteund wierd, zou het bloedige stelsel op eenmaal instorten; en van alle pogingen van openbare ligchamen in het Noorden om de slavernij staande te houden, is die van de "Connecticut General Association" de beste. Ik heb in dat soort nooit iets beters bewerkt gezien, dan hare besluiten van Junij 1836. Voorzeker zou het Zuiden nooit iets doelmatigers hebben kunnen wenschen; maar onder alle noordelijke periodieke bladen, komt aan den New-York Observer de voorkeur toe, als een krachtige steun der slavernij. Ik twijfel bijna of dat blad niet meer doet dan al het overige te zamen, om het verschrikkelijke stelsel in leven te houden; het is juist de hulp, die het Zuiden verlangt. Zijne mishandeling der abolitionisten is muziek in zuidelijke ooren, die als een toovermiddel werkt; maar niets evenaart zijn gerevel over de "Godsdienstige voorregten en het onderwijs" der slaven in het Zuiden, en niets kon (voor de zaak van vrijheid en Godsdienst) valscher en honender zijn, dan de indruk, dien het nopens dat onderwerp maakt. Ik zeg, wat ik weet, wanneer ik over deze zaak spreek. Ik ben met den Godsdienstigen toestand der slaven van nabij bekend geweest, dewijl het mijne vaste gewoonte was, de leerredenen te hooren, die tot hen gehouden werden; en ik verklaar plegtig, dat ik, gedurende de veertig jaren van mijn verblijf en opmerking in deze streken, geene enkele dier leerredenen hoorde, die niet met de verpligtingen en pligten der slaven jegens hunne meesters was opgevuld. Inderdaad, nooit hoorde ik eene leerrede tot slaven, waarin de gehoorzaamheid der slaven aan hunne meesters niet tot de grond- en hoofdwet van de Godsdienst gemaakt werd. Ieder opregt en verstandig mensch moge beslissen, of zulk eene prediking, wat het Godsdienstige betreft, niet erger is, dan in het geheel geene.

Nog eens: het is wonderbaarlijk hoe de ligtgeloovigheid van het Noorden voor misleiding bloot staat met betrekking tot de zachte behandeling der slaven. Ik voor mij kan de schijnbare tegenstrijdigheden ophelderen, bij schrijvers te vinden, die het Zuiden bezocht of daar vertoefd hebben. De "meerderheid der slaven-houders, zeggen sommige, "behandelen hunne slaven met zachtheid." Dit moge in sommige Staten en districten waarheid zijn, wanneer men alle kwestiën van behandeling, uitgezonderd zulke, die het ligchaam betreffen, ter zijde stelt. En toch zal, in een district waar de "meerderheid der slaven-houders" goedaardig is, de meerderheid der slaven in dat district met wreedheid behandeld worden. In vele zulke gevallen is dit de waarheid, dat, terwijl daar dertig menschen kunnen zijn, die ieder maar één slaaf hebben als huisbediende, één enkel man in hunne buurt honderd slaven, alle veld-arbeiders, kan hebben, die, slecht gevoed, bovenmatig werken moeten, en op de wreedste wijze gegeeseld worden. Dit is het, wat ik dikwijls heb bijgewoond. Om een voorbeeld te geven van den vreeselijken invloed der slavernij op den meester, zal ik een Presbyteriaansch ouderling aanhalen, die voor een der beste menschen in dien omtrek gehouden werd--een zeer goedaardig meester. Ik werd bij zijn sterfbed geroepen om zijn testament te schrijven. Hij had eene huis-slavin, waar hij veel werk van scheen te maken. Nadat al de overige beschikkingen gemaakt waren, hield de ouderling eene poos op, als in twijfel staande, wat hij met "Su" doen zoude. Ik was in de aangename verwachting, dat hij den mond zou openen tot het woord "vrijheid;" maar wie schetst mijne verbazing, toen ik den meester hoorde uitroepen: "Wat zal ik met "Su" aanvangen? Ik ben bevreesd, dat zij nooit onder een meester zal geraken, die streng genoeg voor haar is." Zal ik zeggen, dat beide, de stervende ouderling en zijne "Su," ledematen van dezelfde kerk waren, en dat de laatste nog onlangs de zinnebeelden van de stervende liefde eens Zaligmakers uit handen van den eersten ontvangen had!

Al dit temporiseren en toegeven heeft verschooning gevonden onder den dekmantel van broederlijke liefde. Welk eene verschooning voor ons, noordelijke vrije lieden! Denken wij, dat het slavernij-systeem zulk eene gelukkige, begeerlijke zaak voor onze broeders en zusters in het Zuiden is? Kunnen wij op onze algemeene scholen, onze nette, welvarende steden en dorpen, onze deftige, verstandige, hunne waarde gevoelende pachters en handwerkslieden, telgen van den vrijen arbeid, den blik vestigen, en de slavernij als een zegen voor onze zuidelijke broeders beschouwen? Dat systeem, dat de geheele lagere klasse der blanken tot bedelaars maakt, dat als een vloek op den grond zelven drukt, dat, zoo als de kever, de rups en de sprinkhaan, alles verteert, wat het vóór zich vindt--dat algemeene scholen onmogelijk maakt, zoo als bijkans ook de prediking des Evangelies--dit systeem zou een zegen zijn! Zou de broederlijke liefde van ons eischen het Zuiden in de ondersteuning er van te helpen?

Beschouwen wij eens den invloed der opvoeding, waaronder zulke kinderen als Eva en Henry daar moeten opgroeijen! Wij spreken van wat menige zuidelijke moeder gevoelt, van wat het hart van menigen zuidelijken vader bedroeft. Er is over den invloed der slavernij op de familie van den slaaf gesproken. Er zijn er, die, zoo zij wilden, van haren invloed op de familie van den meester zouden kunnen spreken, maar die daar altoos het stilzwijgen over bewaren. Het doet het harte wee, geslachten bij geslachten van beminnelijke, edelaardige kinderen aan zulke invloeden te zien blootgesteld. Welk een land zou het Zuiden niet zijn, zoo het zich onder dezen vloek ontwikkelen konde! Zoo het zuidelijk karakter, zelfs onder al deze nadeelen, zooveel edels behoudt, en zooveel, dat zelfs tot in zijne gebreken schittert, wat zou het dan niet onder vrije instellingen zijn?

Wie zijn de echte, de trouwe, de edele beminnaars van het Zuiden? Zij, die het met al deze gebreken en bezwaren liefhebben, of zij, die de oogen vestigen op het schitterend ideaal van wat het zou kunnen zijn, en die zeggen, dat deze gebreken het niet van nature aankleven? Is het ware liefde jegens een vriend, het geraaskal zijner koortsige ijlhoofdigheid voor een echt staal van zijnen geest aan te nemen? Is het ware liefde, zijne ziekelijke misvorming een staal van zijne gezondheid te noemen? Is het geene betere liefde, te zeggen: "Deze vloek is geen deel van onzen broeder; hij onteert hem; hij doet hem onregt; hij doet hem voor het oog van alle natiën in een valsch daglicht verschijnen. Wij beminnen zijn beter deel, en willen met zijnen verrader geene gemeenschap hebben. Zoo handelt de ware, regtschapene, Christelijke liefde."

Maar welligt zal men zeggen: "De onderneming der abolitie werd in een verkeerden geest, door roekelooze, bemoeizieke, onbeschaamde geestdrijvers begonnen?" Welnu, veronderstelt dat dit zoo ware, hoe kwam het zoo? Zoo de Kerk van Christus haar op de regte wijze had aangevangen, dan zouden deze zoogenaamde geestdrijvers haar niet verkeerd hebben aangevat. Als, onder eene doodelijke pestziekte, de regte geneesheeren geene artsenijen voorschrijven, dan zal iedereen--mannen, vrouwen en kinderen--ze voorschrijven, omdat er iets moet gedaan worden. Zoo de Presbyteriaansche Kerk, in 1818, den maatregel van de Kwakers gevolgd had, zou er nooit eenige geestdrijverij hebben plaats gehad. De Kwakers hebben alles door broederlijke liefde gedaan. Zij hebben de ketenen van den Mammon in het vuur eener Goddelijke liefde doen smelten. Toen Christus, na al de krachtige daden, die Hij verrigt had, Jerusalem binnentrok, hieuw de menigte palmtakken af, en juichte: Hosanna! terwijl al de zoogenaamde betere klassen onverschillig of vijandig waren. Er was een alleronwelvoegelijkst geweld. Tot zelfs de kinderen deelden in de geestdrift, en riepen hunne Hosanna's in den tempel. Dit was in strijd met alle kerkelijke regelen. Het was een hoogst ongepaste staat van zaken. De opperpriesters en schriftgeleerden zeiden tot Jezus: "Meester, bestraf uwe discipelen." Maar zijn zachtmoedig oog bliksemde, terwijl Hij antwoordde: "Ik zegge u, dat zoo deze zwegen, de steenen haast roepen zouden."

Neem eens, dat er in de straten van Boston een brand uitbarstte, en dat zij, aan wie de sleutels der brandspuit-bewaarplaats en het bevel over de spuitgasten is toevertrouwd, in een afgelegen gedeelte der stad vergaderd zijn, om over het algemeene welzijn te beraadslagen. De kreet van "brand!" bereikt hen, maar zij houden dien voor een valsch alarm. De brand is er daarom niettemin. Hij slaat voort, en woedt, en knettert, en kraakt, tot dat ieder in de buurt ziet, dat er iets gedaan moet worden. Eenige weinige stoute aanvoerders breken de deuren der brandspuithuizen open, halen de spuiten er uit, en beginnen, geregeld of ongeregeld, in het vuur te spuiten. Maar de brand wint gestadig veld. Boden vliegen met hijgenden spoed de vergaderzaal dier beraadslagers binnen, en berispen hen in de weinig uitgezochte bewoordingen van schrik en angst, over hunne werkeloosheid.

"Mijn hemel!" zegt een deftig lid der Vergadering, "welk eene afschuwelijke taal durven die menschen gebruiken!"

"Zij verraden een zeer slechten geest," merkt een ander op; "wij kunnen ons in zulk een staat van zaken onmogelijk met hen vereenigen."

Hier spoeden de ijverigste leden van de Vergadering naar buiten, om te zien of de zaak inderdaad zoo is; en binnen weinige minuten komen zij terug, zoo mogelijk nog ernstiger dan de overigen.

"O! er is brand!--een ontzettende, vreeselijke brand! De stad staat in vlammen,--mannen, vrouwen, kinderen, alles verbrandt en vergaat! Komt naar buiten, naar buiten! Zoo waarachtig als de Heere leeft, er is maar ééne schrede tusschen ons en den dood!"

"Ik ga niet naar buiten; ieder die het doet, wordt krankzinnig," zegt er een.

"Ik heb opgemerkt," zegt een ander, "dat, zoodra iemand naar buiten gaat, om te zien, hij even zoo opgewonden geraakt;--ik wil niet gaan zien."

Maar onder dit spreken is de woedende brand tot in hunne buurt zelve doorgedrongen. De roode weêrschijn kleurt hunne vensters. En nu, geheel wakker gemaakt, staan zij op, en beginnen uit te zien.

"Wel, er is brand, dat lijdt geen twijfel," zegt er een.

"Er moet iets gedaan worden," zegt een ander.

"Ja," zegt een derde; "zoo ik mij maar niet onder zulk een janhageltroep mengen moest, zou ik meê helpen."

"Op mijn woord," zegt een vierde, "er zijn vrouwen onder de menigte, die emmers water aandragen! Ziedaar, eene vrouw klimt op een ladder, om die kinderen te redden. Welk eene onwelvoegelijkheid! Zoo zij fatsoenlijk met de zaak te werk gingen, zouden wij hen bijstaan."

En nu komen uit Charlestown de brandspuiten en bluschcompagniën aanrukken.

"Welk eene onbeschaamdheid van Charlestown," zeggen deze mannen, "om die dingen hier naar toe te sturen, even alsof wij onzen eigen brand niet blusschen konden! Er is ten hunnent even zoo goed brand, als bij ons."

En nu razen en woeden de vlammen, en slaan van weêrskanten der straat in elkander. Zij tasten de torens aan, en schitteren met helschen gloed door de kerkvensters.

"Om 's Heeren wille, DOET IETS!" is de kreet. "Rukt die huizen omver! Laat dat geheele blok pakhuizen met buskruid in de lucht vliegen! Iets om te stuiten!"

"Zie nu eens aan, welke ultra-radicale maatregelen zij willen te werk stellen," zegt iemand van die toeschouwers.

Brave lieden, die in het heetste van den brand gevlogen zijn, komen er uit, en vallen dood op de straat neder.

"Het zijn onhandelbare enthousiasten. Zij hebben in vermetele driestheid hun leven weggeworpen," zegt een ander.

Zoo, o Kerk van Christus, brandt dat verschrikkelijke vuur! Altoos brandt, brandt, brandt het over kerk en altaar; brandt het over markt en raadhuis; verteert het de vrijheid, verteert het de Godsdienst! Geene aardsche handen hebben dat vuur ontstoken. Uit zijne breede vlammen en wolken van zwavelachtigen rook, staart het oog van dien VIJAND u aan, die een moordenaar was van den beginne. Het is een vuur, dat BRANDT TOT IN DE ONDERSTE HEL.

Kerk van Christus, er was eens een uur, dat gij dien brand zoudt hebben kunnen dempen. Nu--staat gij daar als een verslagene sterke; als een sterke, die niet helpen kan. Maar de hope Israëls is niet dood. Zijn redder in den nood leeft nog.

Als iedere Kerk in ons land met rouwfloers behangen ware; als ieder Christen zich in rouwgewaad hulde; als "de priester weenen zoude tusschen het voorhof en den altaar," en zeggen: "Spaar uw volk, o Heere, en geef uw erfdeel den Heidenen niet over!"--dan zou dit alles geen te groote rouw zijn voor zulk een tijd als deze.

O, Kerk van Jezus! laat het u ter harte gaan, wat in uw midden gezegd is. Welk eene ketterij hebt gij in uwen boezem toegelaten! Uw God de verdediger der slavernij!--uw God de beschermer der slavenwet! Gij hebt toegelaten, dat men den naam uws Gods lasterde. Gij hebt valsch getuigenis toegelaten tegen uwen Verlosser en Heiligmaker. De Heilige Drieëenheid in den hemel is in uw midden snood gelasterd geworden; en die God, wiens Troon geducht is in geregtigheid, is tot hoofd en leidsman der onderdrukking gemaakt.

Dit is eene zonde jegens elken Christen op de gansche aarde.

Waarom beminnen en aanbidden wij boven alle dingen onzen God? Waarom zeggen wij tot Hem, uit de diepte onzer ziele: "Wien heb ik nevens U in den hemel; nevens U lust mij ook niets op aarde?" Is dit eene loondienst?--Is het eene slaafsche en kruipende eerbetooning, omdat Hij groot en rijk en magtig is, en wij niet anders durven? Zijne oogen zijn als vuurvlammen; Hij leest in het binnenste der ziel, en wil zulk eene vereering niet aannemen. Uit den grond onzer harten aanbidden en beminnen wij Hem, omdat Hij heilig, regtvaardig en goed is, en den schuldigen niet onschuldig houdt. Wij beminnen Hem, omdat Hij de Vader der weezen, de Regter der weduwen is; omdat Hij de gevallenen doet opstaan en de nedergebogenen verheft. Wij beminnen Jezus Christus, omdat Hij het onbevlekte Lam, de gansch beminnelijke is. Wij beminnen den Heiligen Trooster, omdat Hij komt om de wereld te overtuigen van zonde, van geregtigheid en van oordeel. O, heilige Kerk, algemeen, door alle landen en natiën! O, gij groote wolke van getuigen, uit alle volkeren, talen en tongen!--in vele leeringen onderscheiden, maar vereenigd in den jubel: het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de lof, de eer, de aanbidding, want Hij heeft ons van alle ongeregtigheid verlost!--ontwaakt!--staat op!--zwijgt niet! Getuigt tegen deze ketterij der latere tijden, die, zoo het mogelijk ware, zelfs de uitverkorenen verleiden zoude. Uw God, uwe eere is gelasterd. Antwoordt met de stem van vele wateren en van magtige donderslagen! Antwoordt met de hemelsche schare, die niemand tellen kan, die dag en nacht uitroept: Heilig, heilig, heilig! regtvaardig en waarachtig zijn uwe wegen, Gij Koning der heiligen!

HOOFDSTUK III.

MARTELAARSCHAP.

Tijdens de Methodistische en Presbyteriaansche Kerken de tegen de slavernij gerigte besluiten namen, die wij hebben opgeteekend, zou de kerk het slavernij-systeem met betrekkelijk geringe moeite hebben kunnen ten onder brengen. Dit was de ondervinding der Kwakers, die er toenmaals de proef van namen, en in die proef slaagden. De maatregel dien zij volgden, was de eenvoudigst mogelijke. Zij verdeelden hunne Kerk in ringen of districten, en benoemden geregelde commissiën, wier taak het was van huis tot huis te gaan, en de regelen der Kerk op elken slavenhouder, een voor een, toe te passen. Dit werd in zulk een geest van eenvoudigheid en broederlijke liefde bewerkstelligd, dat slechts weinigen aan die stem geen gehoor gaven. Zij gaven zich rustig over, gehoorzaam aan de inspraak van hun geweten en den invloed hunner broederen. Deze handelwijze, hoe zacht ook, oefende dezelfde kracht uit, als de kalme zomerzon, die, door weinige uren geduldig schijnens, den ijsberg doet smelten, waarop al de winterstormen hunne krachten te vergeefs verspild hadden. O, mogten al de andere gezindheden dien zoo gelukkigen maatregel bedacht en gevolgd hebben! Maar de dag is voorbij, dat dit gedrochtelijke kwaad door zachte middelen van overreding zoo gemakkelijk te overwinnen was.

Toen de Kwakers hunne poging in het werk stelden, was deze Leviathan in het riet en de biezen van Amerika jong en kaal, en had zijne krachten nog niet leeren kennen. Toen zou men hem "met een angel hebben kunnen trekken;" toen zou men "een verbond met hem hebben kunnen aangaan, en hem tot een eeuwigen slaaf maken;" maar nu is de Leviathan volwassen. "Ziet, zijne hope zal feilen; niemand is zoo koen, dat hij hem opwekken zoude; hij zal voor zijn gezigte nedergeslagen worden. Zeer uitnemende zijn zijne sterke schilden; elk een gesloten als een naauwdrukkend zegel. Het eene is zoo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tusschen komen. De stukken zijns vleesches kleven te zamen; elk een is vast in hem, het wordt niet bewogen. Zijn hart is vast, gelijk een steen, ja vast gelijk een deel des ondersten molensteens. Raakt hem iemand met den zwaarde, dat zal niet bestaan. Hij acht het ijzer als stroo en het staal voor verrot hout. De pijl zal hem niet doen vlieden: de slingersteenen worden hem in stoppelen veranderd. Hij belacht de drilling der lans. Op aarde is niets met hem te vergelijken: hij is een Koning over alle jonge hoogmoedige dieren." [25]

Er zijn er, die zich nog altoos aan de herschenschim vasthouden, dat, op de eene of andere wijze, zonder eenige bijzonder sterke poging of tegenstand, door eene zachte, inschikkelijke, redenerende handelwijze, de Leviathan bekeerd, gedoopt, en tot Christen gemaakt zal worden. Laten zij het beproeven. Zulk eene manier heeft men al sedert lang als niets beteekenend leeren beschouwen. Maar zoodra Leviathan begint te zien, dat het hun ernst wordt, zullen zij de gevolgen er van ondervinden. De beraadslagingen van alle Synoden in de Vereenigde Staten, die bewijzen, dat hij een kwaad is per se, zullen hem niet wekken. Hij beschouwt ze veeleer als vermakelijke domheden. Ook zullen geene besluiten, dat men hem "met leedwezen beschouwt," hem bijzonder verontrusten, even zoo weinig als de uitgedrukte verwachting, dat hij omstreeks de vestiging van het duizendjarige Rijk wel sterven zal. Ondanks al de vermaningen van Synode en "Conferentiën," heeft Leviathan zelve maar een zeer gering gevoelen van zijne Christelijkheid, en eene soort van indruk, dat hem de algemeene Christus-regering op aarde wel wat ongemakkelijk zal vallen; doch hij bekommert zich nog niet veel om het vooruitzigt van op een zoo ver verwijderd tijdstip den geest te moeten geven.

Maar laat iemand, uit het Noorden of uit het Zuiden, het zwaard des Geestes nemen, en er hem mede tusschen de schilden slaan, dan zal hij ondervinden welk eene soort van strijd Christianus met Apollyon had. Laat niemand, uit het Noorden of uit het Zuiden, wiens goede naam, of welvaart, of rijkdom, hem te dierbaar zijn om ze er aan op te offeren, dien krijg beginnen! Laat niemand hem ondernemen, die niet bereid is, zijn goeden naam, ja des noods zijn leven, te haten. Om deze redenen zullen wij hier het voorbeeld van een martelaar aanvoeren, die voor deze zaak gestorven is; want men heeft naar waarheid gezegd, "dat het bloed der martelaren het zaad der Kerk is."

De Eerwaarde Elijah P. Lovejoy was de zoon eener vrouw uit Maine, een inboorling van dien Staat, die dor en bar in alle andere dingen, vruchtbaar is in edele gevoelens en heldhaftige daden. Van zijne jongelingsjaren zeggen wij niets; waarschijnlijk waren deze zoo als die van andere jonge lieden uit Maine. Wij vatten zijne geschiedenis op, waar wij hem als geestelijke in St. Louis vinden, en als uitgever van een Godsdienstig nieuwsblad. Al beleed hij ook niet ronduit een abolitionist te zijn, zoo liet hij zich evenwel openlijk en bepaald tegen de slavernij uit. Dit verwekte grooten haat en lokte gewelddadigheden uit. Kort daarna werd, in de straten van St. Louis, door eene zamenrotting, uit de aanzienlijkste lieden van die plaats bestaande, een neger, die de tot zijne gevangenneming uitgezondene beambten gewond had, levendig verbrand. Dit tooneel eener langzame marteling duurde tot dat de euveldaad volbragt was, terwijl men de gillende smeekingen van het slagtoffer om een spoedigen dood in den wind sloeg. In zijn last aan de jury beweerde de regter Lawless, dat er geene wettige straf op dit misdrijf viel toe te passen, omdat het, het bedrijf eener woedende menigte zijnde, boven de wet was. In rondborstige taal gaf Elijah Lovejoy zijn afschuw van de bemiddeling en van de beslissing te kennen. Om die reden werd zijne werkplaats door het gepeupel omver gehaald en vernield. Toen hij zich in St. Charles bevond, werd het huis door een hoop van zulke lieden, als de slavernij alleen daartoe kon aanhitsen, aangevallen, met oogmerk, om hem het leven te benemen. Zijne tot krankzinnigheid toe opgewondene vrouw hield de wacht aan zijne deur, tegen mannen strijdende, die met knodsen en dolkmessen gewapend waren, en zwoeren, dat zij zijn hartebloed wilden. De uiterste wanhoop eener vrouw en de hulp van vrienden, dreven den eersten aanval terug; maar toen de troep terugkeerde, wist hij te ontsnappen. Lovejoy kwam te Alton, in den Staat van Illinois, en begon daar zijn nieuwspapier uit te geven. De menigte volgde hem. Zijne pers werd tot tweemaal toe vernield, en dagelijks werd hij met den dood gedreigd.

Eer zijne pers ten derden male vernield werd, verscheen in zijn nieuwspapier eene oproeping tot eene bijeenkomst der vijanden van de slavernij en vrienden des vrijen onderzoeks in Illinois, ten einde onder de bestaande crisis geschikte maatregelen te beramen en uit te voeren. Deze oproeping werd door omstreeks twee honderd en vijftig personen uit verschillende gedeelten van den Staat onderteekend, waaronder ook de Eerwaarde E. Beecher, destijds Voorzitter van het "Illinois College." Zij bragt een groot aantal menschen bijeen. Toen de beraadslagingen begonnen, drongen ook de volksleiders zich onder hen; er ontstond eene groote gisting, en ten slotte werd de bijeenkomst door de kwalijk gezinden overschreeuwd en uit elkander gedreven. Toen werd besloten een anti-slavernij-genootschap op te rigten, en eene verklaring van gevoelens, benevens een adres aan het volk van den Staat, in het licht te zenden. Er werden bedreigingen gedaan, dat, zoo Mr. Lovejoy met het drukken van zijn blad voortging, het gepeupel zijne drukpers zou vernielen. In dezen staat van spanning sprak Mr. Beecher, op verzoek van het genootschap, twee leerredenen uit, die de gevoelens en voorgenomene handelwijze er van in het licht stelden. Zij werden achtervolgens openbaar gemaakt, terwijl het volgende uittreksel den lezer een denkbeeld zal geven van hetgeen zij waren.

1. Wij zullen trachten onze medeburgers te overreden om zich boven alle eigenbatige, geldzuchtige, staatkundige en plaatselijke belangen te verheffen; en, uit een diep gevoel van Gods tegenwoordigheid, alleen de eeuwige en onveranderlijke grondbeginselen van waarheid in het oog te houden, die door geene menschelijke wetten of volksgevoelens veranderd of vernietigd kunnen worden.

2. Wij zullen trachten het geschil voor te stellen als een geschil tusschen deze gemeente en God; als een onderwerp dat Hem diep ter harte gaat, en waaromtrent groote en gewigtige pligten jegens Hem en onze medeburgers op ons rusten.

3. Wij zullen trachten, zoo veel in ons vermogen is, de hevigheid van den strijd der partijen te verzachten, alle onheilige drift te vermijden, en wederkeerig vertrouwen en welwillendheid aan te kweeken, zoowel als innige belangstelling in de welvaart van alle gedeelten onzer natie, en eene sterke begeerte om hare Unie te bewaren en haar hoogsten bloei te bevorderen.

Ons gansche vertrouwen rust op waarheid en liefde, en op de invloeden des Heiligen Geestes. Wij begeeren niemand door eene onderdrukkende magt van het algemeen gevoelen te noodzaken om tegen zijn geweten of overtuiging te handelen; maar een iegelijk tot onbevooroordeeld nadenken en onpartijdig onderzoek in de vreeze Gods op te wekken, is alles wat wij verlangen.

En, om dit doel te bereiken, zullen wij ons van dezelfde middelen bedienen als die gebezigd worden om den openbaren geest nopens alle andere groote zedelijke onderwerpen te verlichten en te verheffen:--persoonlijken invloed, openbare adressen, den kansel en de drukpers.

4. Wij zullen trachten een nieuw en grondig onderzoek der grondbeginselen van menschelijk regt, en van het verband van alle regtvaardige wetgeving daarmede, te bevorderen; terwijl wij onze beginselen zullen afleiden uit de natuur van den menschelijken geest, uit de betrekkingen van den mensch tot God, en uit den geopenbaarden wil van den Schepper.

5. Wij zullen vervolgens trachten de slavenwetten van ons land bij het licht dier beginselen te toetsen, en te bewijzen dat zij uit haren aard zondig zijn, en dat zij zoowel met den wil van God als met al de belangen van den meester, den slaaf, en de geheele maatschappij in strijd zijn.

6. Wij zullen wijders trachten aan te toonen op welke wijze gemeenten, waar zulke wetten bestaan, zich te gelijk, in volmaakte veiligheid en vrede, van de schuld zoowel als van de gevaren van het systeem zullen kunnen bevrijden.

7. En, zoo lang de gemeenten in haar geheel niet mogten te overreden zijn om hare pligten te betrachten, zullen wij pogingen aanwenden om de individuëele slavenhouders in zulke gemeenten hunne verpligtingen voor te houden en op het hart te drukken.

Tegen doeleinden, in dezen geest en op die wijze voorgesteld, zou men denken dat redelijkerwijze niets ware in te brengen. De eenige zwarigheid die zij medebragten was deze, dat zij, hoe kalm en minzaam ook, bleken ernstig gemeend te zijn; en op eenmaal werd Leviathan volkomen wakker.

De eerste praktikale vraag was: Zal de derde drukpers verdedigd worden, of zal men ook deze laten vernielen?

Er was eene vreeselijke spanning en eene groote volksbeweging. De schroomvallige, voorzigtige, rustlievende meerderheid, die in alle steden te vinden is, die zich om geen triomf van eenig beginsel bekommert, zoo zij slecht haar eigen belang kan bevorderen, was kleinmoedig en weifelachtig, en moedigde alzoo de kwalijkgezinden aan. Alle drangredenen werden te hulp geroepen om Mr. Beecher en Mr. Lovejoy van hunne pogingen om de drukpers te herstellen, te doen afzien. Den eerstgenoemde zeide men dat er in Missouri eene premie op zijn hoofd gezet was--eene fatsoenlijke manier van overtuigen in de slavenhoudende gedeelten van dit land. Mr. Lovejoy had men al sinds zoo langen tijd, dag en nacht, gedreigd te zullen vermoorden, dat het argument bij hem al wat afgesleten geraakt was. Aan Mr. Beecher zeide men, dat de belangen van het collegie, welks voorzitter hij was, zouden worden opgeofferd, en dat, zoo hij al verkoos zijne eigene veiligheid te wagen, hij geen regt had om die belangen in de waagschaal te stellen. Maar Mr. Beecher en Mr. Lovejoy gevoelden beide, dat het hier het hoofdbeginsel, dat der vrije inrigtingen gold, hetwelk te dier tijd, over het geheele land, door opoffering van het regt van vrije beraadslaging aan de kreten van het gepeupel, ernstig bedreigd werd; en dat zulk een antecedent tot zeer ver uitziende en zeer gevaarlijke gevolgtrekkingen zou kunnen leiden.

In eene openbare bijeenkomst rigtte Mr. Beecher eene toespraak tot de burgers over het regt tot handhaving van het vrije onderzoek, en van ieders regt tot vrije uiting zijner gemoedelijke overtuiging. Hij las hun eenige dier welsprekende zinsneden voor, waarin Dr. Channing, onder gelijksoortige omstandigheden, die zelfde regten te Boston had verdedigd.

Hij las hen uittreksels voor uit buitenlandsche nieuwspapieren, waaruit bleek, hoe het Amerikaansch karakter in vreemde landen miskend werd door den invloed der Lynch-wet en de gewelddadigheden der menigte. Hij verdedigde het regt van Mr. Lovejoy, om zijne gemoedelijke overtuiging door de drukpers openbaar te maken; en eindelijk las hij uittreksels uit eenige zuidelijke dagbladen voor, waarin de handelwijze van den grooten hoop strengelijk veroordeeld, en het regt van Mr. Lovejoy om zijne gevoelens te openbaren, verdedigd werd. Ten slotte stelde hij het nemen der volgende besluiten voor:

Dat de vrije mededeeling van gevoelens een der onschatbaarste regten van den mensch is; en dat ieder burger over alle onderwerpen vrijelijk spreken, schrijven of drukken mag, behoudens zijne verantwoordelijkheid voor het misbruik dier vrijheid.

Dat de handhaving dezer beginselen onafhankelijk behoort te zijn van alle inschikkelijkheid jegens personen of gevoelens.

Dat zij inzonderheid behooren gehandhaafd te worden ten aanzien van impopulaire gevoelens, dewijl geene andere de bescherming der wet behoeven.

Dat wij alleen op deze gronden, en zonder aanzien van staatkundige en zedelijke verschillen, gezind zijn de drukpers en eigendommen des uitgevers van den Alton Observer te beschermen, en hem in zijn regt te ondersteunen om openbaar te maken wat hem goeddunkt, hem alleen verantwoordelijk stellende jegens de wetten des lands.

Deze besluiten, aldus voorgesteld, zouden in eene laatste bijeenkomst der burgers, die den volgenden dag moest plaats hebben, in overweging genomen worden.

Die bijeenkomst had plaats. Hun eerste stap was, Mr. Beecher en allen, die geene burgers van dat district waren, van het regt van beraadslaging over het aan te bieden rapport uit te sluiten. De commissie rapporteerde dan, dat zij de bestaande spanning ten hoogste betreurde; dat zij nogtans de sterke overtuiging koesterde, dat de burgers zich van alle onwettige daden zouden onthouden; dat de eischen des tijds gematigde en verzoenende maatregelen wenschelijk maakten; en dat men, alhoewel niet gezind om de vrije mededeeling in het algemeen te belemmeren, het met dat al noodig voor de openbare rust hield, dat Mr. Lovejoy geen openbaar nieuwsblad in die stad uitgaf; zonder daarmede in het allerminst iets nadeeligs voor het karakter of de bedoelingen van Mr. Lovejoy te willen zeggen. Alles wat de Vergadering voor dit oogenblik verlangde, was te hooren of Mr. Lovejoy gezind was zich aan haar verlangen te onderwerpen.

Een lid der Commissie stond op, en betuigde zijne sympathie voor Mr. Lovejoy, dien hij voorstelde als iemand, die onder rampspoeden gebukt ging, terwijl hij hoopte, dat men indachtig zoude zijn, dat hij vrouw en kinderen te verzorgen had, en vertrouwde dat men hem zoo weinig schande zou willen aandoen als mogelijk was; doch dat hij, en zijne geheele partij met hem, de noodzakelijkheid zouden inzien van in eene schikking te treden, en Alton te verlaten. Wat daarop volgde, wordt hier met de woorden van Mr. Beecher verhaald, die in de Vergadering tegenwoordig was.

Toen broeder Lovejoy opstond om op de bovengemelde redevoering te antwoorden, lette ik met belangstelling, om niet te zeggen met angst, op zijn gelaat. Met eene kalme, rustige houding naderde hij het gestoelte van den Voorzitter, en sprak in den toon van een diep, teeder, en naauwelijks wederhouden gevoel, het volgende:

"Ik gevoel, mijnheer de Voorzitter, dat dit het plegtigste oogenblik in mijn leven is. Ik vertrouw eenigermate de verantwoordelijkheid te gevoelen, die er in dit oogenblik op mij rust jegens deze mijne medeburgers, jegens de Kerk, waarvan ik een dienaar ben, jegens mijn vaderland en jegens God. En laat ik, eer ik voortga, u mogen verzoeken, om niets van hetgeen ik zeggen zal, als oneerbiedigheid jegens deze Vergadering te beschouwen. Ik koester geen zoodanig gevoelen, dat zij verre. En zoo ik niet altoos overeenkomstig hare wenschen spreek of handel, dan is het, omdat ik dit gewetenshalve niet doen kan.

"Het is noodig dat ik de geheele zaak, zoo als ik haar begrijp, voor deze Vergadering bloot leg. Ik sta hier niet om over de zaak te redetwisten, zoo als zij door het rapport van de Commissie is voorgesteld. Het eenige, wat mij verwondert, is, dat de achtenswaardige gentleman, de Voorzitter van die Commissie, wiens karakter ik zeer hoogacht, hoewel de eer niet hebbende van hem persoonlijk te kennen,--het eenige wat mij, zeg ik, verwondert, is, hoe die gentleman er toe heeft kunnen besluiten om zulk een rapport in te leveren.

"Mijnheer de Voorzitter, ik stem niet toe dat het de taak dezer Vergadering is, te beslissen of ik al dan niet een openbaar nieuwspapier in deze stad zal uitgeven. De heeren zijn, zoo als de regtsgeleerden zeggen, van een verkeerd punt uitgegaan. Ik heb het regt om het te doen. Ik weet, dat ik het regt heb om mijne gevoelens vrijelijk uit te spreken en openbaar te maken, alleen onderworpen aan de wetten des lands voor het misbruik van dat regt. Dat regt is mij door mijn Schepper gegeven, en is mij door de grondwet der Vereenigde Staten en van dezen Staat, plegtig gewaarborgd. Wat ik van u wensch te weten, is, of gij mij wilt beschermen in de uitoefening van dat regt, dan wel of ik, zoo als tot nog toe, voor persoonlijke beleedigingen en aanrandingen zal moeten blootstaan. Er wordt van deze besluiten en van de daarbij voorgestelde maatregelen gesproken als van eene schikking--eene schikking tusschen twee partijen. Dit is niet zoo, mijnheer de Voorzitter. Er is hier slechts ééne partij. Het is eenvoudig de vraag of de wet zal gehandhaafd worden, dan of het gepeupel de vrijheid zal hebben om haar, zoo als het thans doet, met voeten te blijven treden, door de regten van een onschuldig mensch ongestraft te schenden.

"Mijnheer de Voorzitter, wat valt hier van mijne zijde te schikken? Hen te vergeven, die mij zoo grootelijks beleedigd hebben; voor hun tijdelijk en eeuwig welzijn te bidden; het heil van stad en staat te blijven wenschen, ondanks al het leed en den smaad, die ik er in ondergaan heb;--zoo men dit alles onder de bedoelde schikking verstaat, dan ben ik van harte genegen haar te maken. Mijne regten zijn schandelijk en baldadig gehoond; dit weet ik, gevoel ik, en kan het nimmer vergeten. Maar hen te vergeven, die dit gedaan hebben, dat kan ik en doe ik.

"Maar zoo men door eene schikking verstaat, dat ik zal ophouden datgene te doen wat mijn pligt van mij vordert, dan kan ik haar niet maken. En de reden daarvoor is, dat ik God meer vrees dan de menschen. Geloof niet dat ik mij ligtvaardig tegen het algemeene gevoelen zou willen aankanten. De goede meening mijner medemenschen is mij dierbaar, en om hunne gunst te verkrijgen zou ik veel opofferen, alleen geene grondbeginselen. Wanneer mij gevergd wordt deze te laten varen, dan wordt mij meer gevergd dan ik geven mag. Men heeft het feit aangevoerd dat ik, eenige dagen geleden, heb aangeboden de uitgave van den Observer aan anderen over te laten. Dat is waar. Ik deed zulks, omdat sommigen dachten of zeiden dat dat blad in andere handen betere bescherming zou vinden. Mijn aanbod werd nogtans van de hand gewezen, en sedert hebben wij berigten van de vrienden en begunstigers van het blad in alle gedeelten van den Staat ontvangen. Allen hadden maar één gevoelen, en dit was, dat het blad door niemand anders dan mij kon worden staande gehouden. Het is derhalve eene zeer verschillende vraag, of ik vrijwillig, of op verzoek van vrienden, mijn post zal overgeven, dan wel of ik dien op den eisch van het gepeupel verlaten zal. Tot het eerste ben ik ten allen tijde bereid, wanneer de omstandigheden zulks vorderen, dewijl ik mijne persoonlijke wenschen of belangen nooit in strijd wil brengen met de zaak van dien Meester, wiens dienaar ik ben. Maar het laatste, wees daarvan verzekerd, zal ik NOOIT doen. God--zoo zeggen alle mijne broederen, en zoo denk ook ik--heeft mij in den weg Zijner Voorzienigheid de verantwoordelijkheid opgelegd van mijnen grond hier te verdedigen; en, mijnheer de Voorzitter, ik ben er toe besloten, dit te doen. Uit Maine, uit Massachusetts, uit Connecticut, uit New-York, uit Pennsylvanië,--ja, uit Kentucky, uit Mississippi, uit Missouri--komt eene stem tot mij, die mij in naam van alles, wat in den hemel of op aarde dierbaar is, toeroept, om standvastig te blijven; en, met Gods hulp, ZAL IK STANDVASTIG BLIJVEN. Ik weet, dat ik alleen sta, en dat uwer vele zijn. Mijne kracht zou tegen u allen weinig kunnen baten. Gij kunt mij verpletteren zoo gij wilt: maar ik zal op mijn post sterven, want ik kan noch wil hem verlaten.

"Waarom zou ik uit Alton vlugten? Is dit geen vrije Staat? Toen ik te St. Louis door het gepeupel werd aangevallen, kwam ik herwaarts, als naar de woonplaats van wet en vrijheid. Het gepeupel heeft mij ook hier vervolgd, en waarom zou ik op nieuw vlugten? Waar kan ik veilig zijn, zoo het hier niet is? Heb ik geen regt om de bescherming der wetten in te roepen? Wat zou ik elders meer kunnen hebben? Sir, mijne vlugt zelve zou het gepeupel nog des te stouter maken, om mij overal te vervolgen, waar ik henen ging. Neen, Sir, er is geen middel, om aan het gepeupel te ontsnappen, dan het spoor van mijnen pligt te verlaten; en dat zal ik, met Gods hulp, nimmer doen.

"Het is hier gezegd geworden, dat mijne hand tegen allen is, en de hand van allen tegen mij. Het laatste gedeelte van dat zeggen is eene maar al te smartelijke waarheid. Ik vind inderdaad bijkans elke hand tegen mij opgeheven; maar tegen wien in deze plaats is mijne hand opgeheven geweest? Ik beroep mij op allen hier aanwezig: wien uwer heb ik beleedigd? Wiens karakter heb ik belasterd? Wiens familie heb ik overlast aangedaan? Met wiens zaken heb ik mij bemoeid? Zoo daar iemand is, dat hij opsta en tegen mij getuige.--Niemand antwoordt.

"En zeggen uwe besluiten zelve niet, dat gij tegen mijn bijzonder of persoonlijk karakter niets weet in te brengen? En kan iemand gelooven, dat, zoo daar iets tegen in te brengen ware, het niet geschieden zoude? Zoo ik mij in eenig opzet tegen de wet vergrepen heb, ben ik in deze gemeente niet zoo bemind, dat het bezwaarlijk vallen zou mij te overtuigen. Gij hebt geregtshoven, regters en jurys; zij vinden niets tegen mij. En nu komt gij bijeen met het doel, om een man, wiens onschuld algemeen bekend is, te verbannen, om geene andere oorzaak, dan dat hij denken en spreken durft, zoo als God en zijn geweten hem ingeven. Zal zulk eene handelwijze den toets van uw vaderland, van uwe nakomelingschap, en, bovenal, van den oordeelsdag kunnen doorstaan? Want bedenkt, dat de Regter, die op dien dag zal vonnissen, geen aannemer des persoons is. Ik smeek u, staat stil en overweegt! De tegenwoordige spanning zal weldra voorbij zijn; de stem des gewetens zal zich eindelijk doen hooren. En wanneer gij, op een of ander tijdstip van onbevooroordeeld nadenken, zelfs nog in deze wereld, u de tooneelen van dit uur te binnen brengt, dan zult gij genoodzaakt zijn te zeggen: "Hij sprak de waarheid; hij sprak de waarheid!"

"Maar men heeft u tot zachtmoedigheid en medelijden vermaand, en om den rampspoed mijner uitbanning niet noodeloos met schande te verzwaren. Sir, ik verwerp zulk een medelijden. Gij kunt mij niet schandvlekken. Oneer, valschheid en laster hebben hun vermogen reeds uitgeput. Mijne schouders hebben den last gedragen, tot dat zij er aan gewoon zijn geworden. Gij kunt mij ophangen, zoo als het gepeupel de lieden uit Vicksburg ophing! Gij kunt mij aan een staak verbranden, zoo als het Mac Intosh te St. Louis deed, of gij kunt mij van lid tot lid van elkander scheuren, of mij in den Mississippi werpen, zoo als gij dikwijls gedreigd hebt, maar gij kunt mij niet schandvlekken. Ik, en ik alleen, kan mij schandvlekken; en de onuitwischbaarste schande zou zijn, in een tijd als deze, mijn Meester te verloochenen door Zijne zaak te verlaten. Hij stierf voor mij, en ik zou ten hoogste onwaardig zijn Zijn naam te dragen, wanneer ik weigerde, om, des noods, voor Hem te sterven!

"Verder heeft men u gezegd, dat ik een huisgezin heb, dat op mijne zorg steunt, en dit heeft men als eene reden doen gelden, dat ik zoo zachtzinnig mogelijk wierde uitgebannen. Het is waar, mijnheer de Voorzitter, ik ben echtgenoot en vader; en dit is een der bitterste inmengsels in den lijdensbeker, dien ik geroepen word, om te drinken. Ik ben er toe gebragt, om de wijsheid van den raad des Apostels te gevoelen: "Het is beter niet te trouwen." Ik weet, Sir, dat ik in dezen strijd niet alleen mijn eigen leven, maar ook dat van anderen waag. Ik geloof niet, dat mijne vrouw ooit weder van den schok zal bekomen der verschrikkelijke tooneelen, die zij te St. Charles heeft doorgestaan. En wat gebeurde nog onlangs, toen ik mij naar huis begaf? De vrees voor het gepeupel, dat rondom de woning bijeen schoolde, had haar naar de vliering gedreven; en naauwelijks was ik in huis, of mijne vensters werden door de steenworpen van het graauw verbrijzeld, en zij zoo verschrikt, dat het haar dien geheelen nacht onmogelijk was te slapen of te rusten. Ik word gejaagd als een veldhoen op de bergen; ik word als een uitvaagsel in uwe Staten vervolgd, en de beschermende magt der wetten tegen gewelddadigheid, die zelfs door den snoodsten misdadiger mag worden ingeroepen, roep ik te vergeefs in.

"Denk echter niet, dat ik ongelukkig ben. Denk niet, dat mijne gedane keuze mij berouwt. Terwijl alles rondom mij oproer en geweld is, is het vrede in mijn binnenste. Een goedkeurend geweten en de beloonende glimlach van God is eene volkomene vergoeding voor alles, wat ik verliet, en voor alles, wat ik onderga. Ja, Sir, ik geniet een vrede, dien niets kan verstoren. Ik slaap zacht en ongestoord, alleen dan uitgezonderd, wanneer de steenworpen van het graauw mij doen ontwaken.

"Neen, Sir, ik ben niet ongelukkig. Ik heb de kosten berekend, en ben volkomen bereid, om al het mijne in de dienst van God op te offeren. Ja, Sir, ik gevoel het gansche gewigt van het door mij aangeboden offer, terwijl ik mij hier verbind, om dezen strijd tot het uiterste vol te houden. (Vergeef deze tranen--zij vloeijen onwillekeurig, en niet om mij-zelven, maar om anderen). Maar ik word geroepen, om vader en moeder, en vrouw en kinderen, om Jezus wille te verzaken; en als Zijn verklaarde belijder ben ik daartoe gereed. Naar het mij toeschijnt is thans de tijd daar, om die verbindtenis na te komen, Sir, ik durf niet uit Alton wegvlugten. Zoo ik het beproefde, zou ik ondervinden, dat de Engel des Heeren, met zijn vlammend zwaard, mij overal vervolgde, waar ik henen ging. Omdat ik God vrees, vrees ik niemand van allen, die zich in deze stad tegen mij stellen. Neen, Sir, de strijd is hier begonnen, en moet hier voleindigd worden. Voor God en voor u allen verbind ik mij hier, om hem voort te zetten, zoo het noodig is, tot den dood toe. Zoo ik val, dan zal mijn graf in Alton gedolven worden."

Lovejoy was welgemaakt van persoon, hoogst beschaafd in stem en manieren; en het pathos van deze laatste verklaring, met den edelsten eenvoud uitgesproken, roerde alle aanwezigen, en bragt een diep stilzwijgen te weeg. Het was een dier oogenblikken, waarin de gevoelens van een auditorium in de balans trillen, en één korrel ze naar deze of gene zijde kan doen overslaan. Zoo er in dat oogenblik een voorstel gedaan ware, om hem bijstand te verleenen, zou het zijn doorgegaan. De betoovering werd vernietigd door een anderen dienaar des Evangelies, die opstond en eene homilie uitsprak over de noodzakelijkheid eener schikking, terwijl hij Mr. Lovejoy aanbeval op het voorbeeld van Paulus te zien, die in eene mand uit een venster te Damascus was nedergelaten; alsof Alton eene heidensche stad onder eene despotische regering geweest ware! Nu de begoocheling eenmaal verbroken was, werd de Vergadering woelig en driftig, terwijl het alle mogelijke beschuldigingen op de abolitionisten regende. De Vergadering nam de door de commissie voorgestelde besluiten aan, en weigerde hare hulp tot handhaving der wet tegen wettelooze gewelddadigheid; en het gepeupel begreep zeer goed, dat men het zou laten begaan, ook wanneer het alles deed, wat het wilde. Daar het nu gebleken was, dat Mr. Lovejoy niet wijken zoude, was de ontwikkeling van de crisis der zaak te voorzien, wanneer zijne drukpers aan wal zou worden gebragt.

Gedurende de volgende drie dagen scheen er eene soort van reactie te komen. Men had een der invloedrijkste leiders van de menigte hooren zeggen, dat het vernielen van drukpersen nergens toe diende, en dat er geld genoeg in het Oosten was, om er zich nieuwe te bezorgen, en dat men de dweepers even zoo goed kon laten loopen.

Dit gaf de besluitelooze stedelijke autoriteiten eenigen moed, en de vrienden van de drukpers meenden, dat, zoo zij haar eenmaal aan wal, en veilig in het pakhuis van de heeren Godfrey en Gilman konden krijgen, de crisis ongemerkt zou voorbijgaan. Zij zonden derhalve eene expresse aan den kapitein om de landing der boot uit te stellen tot drie uren in den morgen, en na een vervelend wachten gingen de aanvoerders van het gepeupel naar huis; de pers kwam veilig aan land, en ieder dacht dat de onrust gelukkig voorbij was. Onder dien indruk verliet Mr. Beecher Alton, en keerde huiswaarts.

Wij zullen eenige uittreksels mededeelen uit het verhaal van Mr. Beecher, zijne laatste ontmoeting met Mr. Lovejoy in dien nacht vermeldende, waarin de pers aan land gekomen en geborgen was.

Kort na het bepaalde uur voor de landing der boot, stond Mr. Lovejoy op, en verzocht mij met hem te gaan zien wat de uitslag was. De maan was ondergegaan en het was nog donker, doch de dag begon aan te breken; en hier en ginds scheen een licht door het venster van de eene of andere ziekenkamer, of van iemand die zeer vroeg was opgestaan. De straten waren ledig en stil, en het geluid onzer voetstappen kaatste van de wanden terug die wij voorbij gingen. Weinig vermoedde hij op dat uur den strijd waarvan de volgende nacht getuige zou zijn; dat deze zelfde straten de kreten zouden weergalmen van een razend gepeupel, en met zijn hartebloed geverfd zouden worden.

Wij vonden de boot aan wal, en de pers in het pakhuis, terwijl men bezig was met haar naar de derde verdieping te hijschen. Wij verheugden ons allen dat er geene volksbeweging had plaats gehad, en de pers in veiligheid was; en allen meenden nu, dat het gevaar voorbij was. Wij waren verzekerd, dat het pakhuis door zoo weinige menschen als wij persoonlijk in volksoploopen hadden bezig gezien, niet stormenderhand kon overweldigd worden; en al wilde de meerderheid der burgers de pers dan ook al niet helpen verdedigen, zoo vreesden wij toch niet, dat zij in een aanval op haar zouden mededoen. Die meening was zoo sterk, dat men zeer weinige menschen genoegzaam achtte, om de pers voortaan te bewaken; en men kwam overeen, dat het gezelschap in sectiën van zes man zou verdeeld worden, om bij toerbeurten des nachts de wacht te houden. Daar zij den ganschen nacht niet geslapen hadden, boden Mr. Lovejoy en ik ons aan, om ons tot aan den morgen met de bewaking der pers te belasten; en zij gingen huiswaarts.

Weldra begon de morgen aan te lichten; en dien morgen zal ik nooit vergeten. Wie, die ooit aan de oevers van den magtigen stroom gestaan heeft, die toenmaals voorbij mij heenrolde, kan de verhevene aandoeningen vergeten, die zijn hart deden kloppen, terwijl hij in zijne verbeelding de kanalen van gemeenschap trok, door hem en zijne takken door de onbegrensde gewesten dezer westelijke wereld geopend? Ik dacht aan toekomstige eeuwen, en aan de ontelbare millioenen, die aan dezen trotschen stroom zouden wonen; en dat niets dan de waarheid hen zou vrij maken. Nimmer gevoelde ik zoo zeer de waarde van het regt, waarvoor wij streden, om die waarheid onbelemmerd te onderzoeken en onbevreesd te verkondigen. O, hoe verheven is de zedelijke magt! Door haar is het, dat God het heelal bestuurt. Door haar zal Hij de natiën bevrijden.

Ik begaf mij naar het dak en beklom het hoogste punt van den muur. De naderende dag begon den hemel en de rivier te bepurperen, en de bedrijvige woeligheid van den ambachtsman begon zich reeds te laten hooren. Met vreugde staarde ik op de tooneelen beneden mij. Ik gevoelde, dat er zonder bloedstorting een veldslag voor God en de waarheid gewonnen was, en dat Alton van eeuwige schande bevrijd was. En toen de langs hoe meer naderende dag den geheelen omtrek begon te verlichten, toen dacht ik aan die veel heilrijker zon, die thans aan de wereldkim begon te rijzen, en haar weldra in stroomen van schitterend licht zou doen baden.

Ook broeder Lovejoy was gelukkig. Hij was niet in verrukking; hij was rustig en bedaard, doch zijn gelaat drukte het gevoel zijner ziel uit. Het was eene kalme en rustige vreugde, want Hij vertrouwde van God, dat de strijd gewonnen was, en dat de banier eener ontboeide drukpers over dien trotschen stroom golven zoude.

IJdele hoop! Hoe spoedig zou zij in het graf eens martelaars begraven worden! IJdel, zeide ik? Neen: zij is niet ijdel. Hij spreekt nog, al is hij gestorven; en eene vereenigde wereld kan zijne stem nooit tot zwijgen brengen.

Het einde van het treurspel is spoedig verhaald. Eene vrijwillige compagnie, waartoe Lovejoy behoorde, vormde zich onder den mayor, tot bescherming der wet. Den volgenden avond, om tien uren, bestormde het gepeupel het gebouw. Het pakhuis bestond uit twee steenen gebouwen in één blok, met deuren en vensters aan beide einden, maar zonder vensters aan de zijden. Het dak was van hout. Gilman opende de eind-deur van de derde verdieping, en vroeg wat men verlangde. Zij eischten de pers. Hij weigerde haar over te leveren, en verzocht hen ernstig, zich zonder gewelddadigheden te verwijderen, met de verzekering dat, nadien het eigendom aan hunne bewaring was toevertrouwd, zij het met gevaar van hun leven zouden verdedigen. Na eenige vruchtelooze pogingen, schreeuwde het gepeupel, dat men het dak zou in brand steken. Mr. Lovejoy begaf zich met eenige anderen naar buiten, om het voor dien aanval te beveiligen, en werd door iemand uit den hoop voorbedachtelijk ter neder geschoten. Na deze verwonding behield hij nog naauwelijks kracht genoeg, om naar het pakhuis terug te keeren, klom ééne verdieping op, viel, en blies den adem uit.

Die binnen waren, beproefden nu te capituleren, doch dit werd al vloekende door het graauw geweigerd, dat het pakhuis dreigde te verbranden, en hen neder te schieten, zoo zij er uit kwamen. Ten laatste werd het gebouw werkelijk in brand gestoken, en zij vlugtten naar buiten, terwijl het gepeupel op hen vuurde. Zoo eindigde het Altonsche treurspel.

Toen de edele moeder van Lovejoy zijn dood vernam, zeide zij: "Het is wel. Liever had ik, dat hij zóó stierf, dan dat hij zijne beginselen verzaakte!" Zoo lang het zulke moeders bezit, is Amerika nog niet verloren. Was zij niet gezegend, die zulk een zoon op dusdanige wijze kon afstaan? Wie was die vrouw, welke God voor de gezegendste onder de vrouwen verklaarde? Was zij het niet, die haren dierbaarste zag kruisigen? Zoo geheel anders ziet God, dan de menschen!

HOOFDSTUK IV.

DE DIENSTBAARHEID IN DE EERSTE CHRISTENKERK, MET DE AMERIKAANSCHE SLAVERNIJ VERGELEKEN.

"Look now upon this picture!--and on this."

Hamlet.

Het is de standvastige bewering van die belijders der Godsdienst in het Zuiden, die de slavernij volhouden, dat zij, met betrekking tot deze, op dezelfde wijze te werk gaan, als Christus en zijne Apostelen. Beschouwen wij derhalve de handelwijze van Christus en zijne Apostelen, zoowel als den aard van het koningrijk door hen gegrondvest, en zien wij wat er van de zaak is.

Napoleon zeide eens: "Alexander, Cæsar, Karel de Groote, en ik, hebben rijken gesticht; doch waarop steunde de schepping van ons genie? Op geweld. Jezus Christus alleen stichtte zijn Rijk op LIEFDE."

De begeerte om in magt, rang en vermogen boven anderen te zijn, is eene der diepste in de menschelijke natuur. Zoo er iets is wat den mensch van andere schepselen onderscheidt, dan is het dat hij een onderdrukkend dier par excellence is. Op dit beginsel, zoo als Napoleon opmerkte, zijn alle Rijken gegrond geweest; en aan het denkbeeld om op eenige andere wijze een Rijk te grondvesten, was zelfs nog nimmer gedacht geworden, toen Jezus van Nazareth verscheen.

Toen de rustige Galileër, door den nederdalenden Geest gekroond en verheerlijkt, uit de wateren van den Jordaan opsteeg, en begon te prediken, zeggende: "Het Koningrijk Gods is nabij gekomen," welke verwachtingen wekte Hij toen niet? De hoofden der menschen waren vol van legers die er te gebieden, van landstreken die er te veroveren, van kabinetten die er te vormen, van staatsambten die er uit te deelen zouden zijn. Er viel niet aan te twijfelen dat Hij hen dat alles bezorgen konde, want bezat Hij geene wonderkracht?

Het was daarom, dat Jezus van Nazareth zeer populair was, en geheele scharen tot zich trok.

Uit dezen koos Hij zich, uit de geringste standen, twaalf mannen van de beste en eerlijkste karakters die hij vinden konde, die Hij tot zijne onafscheidelijke medgezellen maken, en, door zijne symphatie en vriendschap, tot de geschiktheid vormen wilde om zijne denkbeelden te ontvangen en aan de menschen mede te deelen.

Maar ook zij, hoe opregt en eenvoudig van harte zij ook wezen mogten, waren door de algemeene ondeugd des menschdoms verblind en betooverd; en, al beminden zij Hem ook uit den grond hunner ziel, toch sloegen zij altoos nog het oog op de ambten en rangen die Hij zou uitdeelen, wanneer, volgens hunne verwachting, dat wonderdadig koningrijk in zijn luister verschijnen zou.

Terwijl zijn hart worstelde en arbeidde, en zich door nachten vol gebeden sterkte om verlating, verraad, verloochening, verwerping en een schandelijken dood te gemoet te gaan--al hetwelk zijn geliefd volk hem zou aandoen--voerden zij steeds dwaze twisten over de ambten in het nieuwe koningrijk. Andermaal en nogmaals zeide hij hen met de duidelijkste woorden, dat zoo iets volstrekt niet te verwachten was; dat er geen ander onderscheid in zijn koningrijk zijn zoude dan het onderscheid van smart, lijden en zelfverloochening, tot heil der menschen vrijwillig te ondergaan.

Zijne woorden schenen hen een ijdel verhaal toe. Inderdaad beschouwden zij Hem als eene soort van mythe,--eene verborgenheid,--een vreemd, bovennatuurlijk, onverklaarbaar wezen, dat altoos in gelijkenissen sprak, en dingen zeide die zij niet verstaan konden.

Aan ééne zaak nogtans kleefden zij vast: Hij was een koning--Hij zou een koningrijk hebben; en Hij had hen gezegd dat zij zitten zouden op twaalf troonen, rigtende de twaalf geslachten Israëls.

En toen Hij nu opging naar Jeruzalem om te sterven; toen de zielsangst, waarmede Hij reeds lang van verre geworsteld had, bijkans rakelings genaderd was, en Hij stil en afgetrokken voor hen uitging, tusschenbeide afgebrokene gezegden tot hen rigtende, naar wier beteekenis zij schroomden te vragen--toen bragten zij, die achter hem wandelden, den tijd te loor met den gewonen twist "wie hunner de grootste zou zijn."

De moeder van Jacobus en Johannes kwam tot Hem, en brak zijne treurige mijmering af door eene zekere zaak van hem te begeeren--dat, namelijk, hare beide zonen, de een aan zijne regter- en de ander aan zijne linkerhand zitten mogten, als eerste staatsdienaars in het nieuwe koningrijk. Met het treurige, verreziende oog nog steeds op Gethsémané en Calvarië gevestigd, zeide Hij: "Gij weet niet wat gij begeert. Kunt gij den drinkbeker drinken dien Ik drinken zal, en met den doop gedoopt worden waarmede Ik gedoopt word?"

Jacobus en Johannes waren beide ten volle verzekerd dat zij dit konden. Zij waren gewillig om voor de zaak des koningrijks te strijden. De andere tien namen zulks zeer kwalijk. Waren zij er niet even gewillig toe als Jacobus en Johannes? En zoo streden zij onder elkanderen.

Maar Jezus riep hen tot zich, en zeide: "Gij weet dat de oversten der volkeren heerschappij voeren over hen, en de grooten gebruiken magt over hen. Doch alzoo zal het onder u niet zijn; maar zoo wie onder u zal willen groot worden, die zij uw dienaar, en zoo wie onder u zal willen de eerste zijn, die zij uw dienstknecht. Gelijk de Zoon des menschen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen."

Laat ons nu tot eene andere week in deze geschiedenis overgaan. De discipelen hebben hunnen meester in triomf Jeruzalem zien binnen trekken, onder de vreugdekreten der menigte. Een onbeschrijfelijk iets in zijn voorkomen en wijze van doen, overtuigt hen dat er eene groote crisis op handen is. Hij wandelt onder de menschen als een nedergedaalde God. Nooit waren zijne woorden zoo krachtig en doordringend geweest. Nooit waren er woorden op aarde gesproken, zoo vol geest en gloed als die van de laatste week uit het leven van Christus. Al de ijver, al de vurigheid en beeldrijkheid der oude profeten schenen uit den dooden verrezen te zijn, verhemeld en verheerlijkt in den persoon van dezen Jezus. Zij durven Hem niet vragen, doch zijn er nu van verzekerd dat het koningrijk zal worden opgerigt. Zij voelen, in de schokken van die krachtige ziel, dat een groote tijdkring geëindigd is, en eene nieuwe periode in de wereldgeschiedenis aanvangt. Misschien zal op dit zelfde Paaschfeest de tijd gekomen zijn dat de wonderdadige banier ontplooid, en het nieuwe, onsterfelijke koningrijk zal worden uitgeroepen. Op nieuw worden de eerzuchtige verlangens wakker. Dit nieuwe koningrijk zal rangen en waardigheden hebben. En wie zullen er mede bekleed zijn? Terwijl alzoo hun Heer in gepeinzen verdiept zit, en in Zijnen geest dat eenvoudige gebod van liefde overdenkt, dat Hij als grondwet van Zijn koningrijk zal vaststellen, wordt er wederom verhaald: "En daar werd ook twisting onder hen, wie van hen scheen de meeste te zijn."

Ditmaal berispt Jezus niet. Hij laat geen ongeduld, geen tegenzin, geen misnoegen blijken. Wat doet hij dan? Hoor wat Johannes zegt:

"Jezus, wetende dat de Vader Hem alle dingen in de handen gegeven had, en dat Hij van God uitgegaan was, en tot God henen ging, stond op van het avondmaal, en leide zijne kleederen af, en nemende een linnen doek, omgordde zichzelven. Daarna goot Hij water in het bekken, en begon de voeten der discipelen te wasschen, en af te droogen met den linnen doek, waarmede hij omgord was." "Als Hij dan hunne voeten gewasschen, en zijne kleederen genomen had, zat Hij wederom aan, en zeide tot hen: Verstaat gij wat Ik ulieden gedaan heb? Gij heet mij Meester en Heer, en gij zegt wel, want Ik ben het. Indien dan Ik, de Heer en de Meester, uwe voeten gewasschen heb, zoo zijt gij ook schuldig elkanders voeten te wasschen; want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gelijkerwijs Ik u gedaan heb, gijlieden ook doet."

"Voorwaar, voorwaar zeg ik u, een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer, noch een gezant meerder dan die hem gezonden heeft. Indien gij deze dingen weet, zalig zijt gij zoo gij dezelve doet."

Hier dan hebben wij den Koning, en de grondwet van het Koningrijk. De koning op de knieën, aan de voeten zijner dienaren, den laagsten huiselijken dienst verrigtende, met de aankondiging: "Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gelijkerwijs Ik u gedaan heb, gijlieden ook doet."

En toen, na de uitstorting des Heiligen Geestes, al deze onsterfelijke woorden van Christus, die als een dood zaad in de harten hadden gelegen, leven en wasdom ontvingen, en tot een hemelschen bloei zich ontwikkelden, toen werden deze twaalf mannen, elk in het zijne, een andere Jezus, vervuld met den geest van Hem die ten hemel gevaren was. De eerste Kerk, als door hen geordend, was eene broederschap van strikte gelijkheid. Er was geen strijd meer wie de meeste zijn mogt; de eenige strijd was, wie het meeste dienen en dulden zou. De Christelijke Kerk was een imperium in imperio; zich voor het uitwendige aan de wetten des lands onderwerpende, doch inwendig een hooger burgerschap belijdende, en aan hoogere wetten gehoorzamende. Zij waren dood voor de wereld, en de wereld voor hen. Hare gebruiken waren niet hunne gebruiken, hare betrekkingen niet hunne betrekkingen. Al de gewone betrekkingen des levens, zoodra zij in de Kerk van Christus overgingen, ondergingen eene plotselinge, onsterfelijke verandering; zoodat de herschapene betrekking niet meerder naar de oude en heidensche geleek, dan het verheerlijkte, in onverderfelijkheid opgewekte ligchaam naar het sterfelijke dat in verderfelijkheid gezaaid was. De betrekking des huwelijks was van eene tirannische heerschappij van de sterkere sekse over de zwakkere, in eene teedere vereeniging overgegaan, die ten zinnebeeld strekte van de betrekking van Christus tot de Kerk. De betrekking van ouder en kind, van de ruwe trekken der heidensche wet gezuiverd, werd een gepast zinnebeeld van de liefde des hemelschen Vaders; en de betrekking van meester en dienaar werd op dezelfde wijze tot eene vrijwillige betrekking tusschen twee gelijke broederen verfijnd, waarin de dienaar zijne pligten, als jegens den Heer, getrouw vervulde, en de meester hem eene redelijke vergelding voor zijne diensten gaf.

Niemand heeft er ooit aan getwijfeld dat eene betrekking zoo als deze, eene onschuldige betrekking was. Zij bestaat in alle vrije Staten. Het is de in de verschillende afdeelingen des levens algemeen bestaande betrekking tusschen hem die eenen anderen bezigt, en hem die gebezigd wordt. Het is waar, dat de wettige daad van bevrijding nooit van den meester gevergd werd; en waarom? Omdat de aard van het koningrijk zelve, waarin meester en slaaf waren overgegaan, dezen laatsten reeds bevrijdde. Een meester behoeft geene schriftelijke akte van bevrijding te geven, wanneer hij zijne slaven in Canada, of zelfs maar in New-York of Pennsylvanië brengt. Het oogenblik waarin meester en slaaf te zamen op dien bodem staan, verandert hunne geheele betrekking jegens elkander. De meester moge meester blijven, en de dienaar dienaar; maar, volgens de grondwet van den Staat dien zij betreden hebben, moet de dienst eene vrijwillige dienst van de zijde des dienaars zijn, en de meester is er eene billijke vergelding voor schuldig. Toen het water des doops meester en slaaf besprengde, kwamen zij beide te zamen onder de groote grondwet van Christus' koningrijk, welke is deze:

"Zoo wie onder u zal willen groot worden, die zij uw dienaar, en zoo wie onder u zal willen de eerste zijn, die zij uw dienstknecht." Onder zulk eene wet ontving de dienstbaarheid waarde, en werd eervol gemaakt, doch de slavernij werd eene onmogelijkheid.

Dat de Kerk in haar wezen, en uit hare eigene natuur, zulk eene instelling van gelijkheid, broederschap, liefde en vrijheid was, die het bestaan van den slaaf, als zoodanig, tot eene tegenstrijdigheid en onmogelijkheid maakte, is blijkbaar uit de algemeene strekking en bedoeling van al de apostolische schriften, inzonderheid die van Paulus.

En deze beschouwing is niet het gevolg eener drooge ontleding van Grieksche woorden, of kleingeestige uitpluizing der beteekenis van het woord doulos, maar van een wegslependen stroom van dien hemelschen, onwederstaanbaren geest van leven en liefde, die uit elke beschrijving der Christelijke Kerk ademt.

Tot allen, hetzij slaven of vrijen, rigt de Apostel deze bezielende woorden: "Één ligchaam is het, en één Geest, gelijkerwijs ook gij geroepen zijt tot ééne hope uwer beroeping: Één Heer, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die daar is boven allen, en door allen, en in u allen." "Want door Hem hebben wij alle den toegang door éénen Geest tot den Vader." "Zoo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen, en huisgenooten Gods: gebouwd op het fondament der Apostelen en Profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen." "Want gij zijt allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus. Daarin is noch Jood noch Griek: daarin is noch dienstbare noch vrije: daarin is geen man en vrouw; want gij allen zijt één in Christus Jezus." "Want gelijk het ligchaam één is en vele leden heeft, en al de leden van dit ééne ligchaam, vele zijnde, maar één ligchaam zijn, alzoo ook Christus. Want ook wij allen zijn door éénen Geest tot één ligchaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen: en wij zijn allen tot éénen Geest gedrenkt. En indien één lid lijdt, zoo lijden al de leden mede; en indien één lid verheerlijkt wordt, zoo verblijden zich al de leden mede."

Het was de theorie van deze gezegende en goddelijke eenheid, dat welke gave, of meerderheid, of voordeel, door één lid bezeten werd, deze ook door elk lid werd bezeten. Daarom zegt Paulus tot hen: "Want alles is het uwe. Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Céfas, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen; zij zijn allen uwe; doch gij zijt van Christus, en Christus is van God."

Na de Kerk dus als een levend, onafscheidelijk vereenigd ligchaam te hebben voorgesteld, bezigt de Apostel een nog sterker en indrukwekkender zinnebeeld. De Kerk, zegt hij, is één ligchaam, en dat ligchaam is de volheid van Hem, die alles in allen vervult. Dat is, Hij die alles in allen vervult, wil deze Kerk als tot deelgenoot en wederhelft van zich-zelven maken, zoo als eene vrouw van haren echtgenoot. Van dat ligchaam van geloovigen wordt gesproken als van eene geestelijke bruid; in de wereld, doch niet van de wereld; onbevlekt, goddelijk, onsterfelijk; uit den dood der zonde opgewekt tot nieuwheid des levens, vrijgekocht door het bloed haars Heeren, en die Hem, ten laatsten dage, zal worden voorgesteld als eene verheerlijkte Kerk, zonder vlek of rimpel, of iets dat verontreinigt.

Een teeder en geheimzinnig medegevoel (sympathie) wordt verondersteld deze Kerk te doordringen, zoo als dat teeder en geheimzinnig zenuwenweefsel dat over het menschelijk ligchaam is uitgebreid; het geringste lid kan niet lijden, zonder dat het geheele ligchaam smartelijk wordt aangedaan. Zoo zegt Paulus, die zelf eene volkomene verwezenlijking van deze schoone theorie was: "Wie is er zwak, dat ik niet zwak ben? Wie wordt er geërgerd, dat ik niet brande?" "Denwelken gij vergeeft, dien vergeef ik ook."

Maar meer nog, individuëele Christenen ontvingen op ernstigen, plegtigen toon, de herinnering: "Of weet gij niet dat uw ligchaam een tempel is des Heiligen Geestes, die in u is, dien gij van God hebt, en dat gij uwes zelfs niet zijt?" En wederom: "Want gij zijt de Tempel des levenden Gods: gelijkerwijs God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen." En deze zoo verhevene taal werd in die dagen niet als loutere praal van welsprekendheid beschouwd, maar was de altoos aanwezige innerlijke bewustheid der ziel.

Iedere Christen werd jegens zijne broederen tot een voorwerp van geheiligden eerbied gemaakt, als de tempel des levenden Gods. De ziel van elken Christen werd in eerbiedige stilte gesust, en tot waakzaamheid, zorgvuldigheid en heiligheid aangespoord, door de bewustheid van een inwonenden God. Daarom bezigde Ignatius, die om zijne uitnemende vroomheid, par excellence, door zijne Kerk "Theophorus, de God-drager" genoemd werd, toen hij voor keizer Trajanus stond, de volgende merkwaardige taal: "Niemand kan Theophorus een boozen geest noemen, want, daar ik Christus, den Koning des Hemels, in mijn hart draag, breng ik de listen en kunstgrepen der booze geesten ten onder."

"Wie is dan de God-drager?" vroeg Trajanus.

"Hij, die Christus in zijn hart draagt," was het antwoord.

"Meent gij Hem, wien Pontius Pilatus heeft doen kruisigen?"

"Er is er maar één, en dien meen ik," hernam Ignatius.

"Draagt gij dan den gekruisigde in uw hart?" vroeg Trajanus.

"Zoo is het," zeide Ignatius; "want er is geschreven: Ik zal in hen wonen en in hen blijven."

Zoo volkomen was de vereenzelviging van Christus met den individuëelen Christen in de Eerste Kerk, dat het eene gemeenzame wijze van uitdrukking was, van eene den geringsten Christen aangedane beleediging te spreken als van eene beleediging, Christus zelven aangedaan. Zoo zegt Paulus: "Doch gijlieden, alzoo tegen de broeders zondigende, en hunne zwakke conscientie kwetsende, zondigt tegen Christus." En van zich-zelven zegt hij: "Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij."

Lees ook het volgende uit een brief, door Cyprianus, Bisschop van Carthago, aan eenige arme Numidische Kerken geschreven, die zich tot hem gewend hadden met de bede om eenige hunner leden uit de slavernij onder de aangrenzende stammen der barbaren te verlossen. (Neander, Gedenkwaardigheden, 1ste deel, bladz. 100 der Nederduitsche vertaling.)

"Wij konden de gevangenschap der broeders niet anders aanzien dan als onze eigene, hun lijden niet anders dan als ons eigen, daar wij met elkander tot één ligchaam verbonden zijn, en daar niet alleen de liefde, maar ook een eigenaardig godsdienstig belang ons moet aansporen en in staat stellen, om de broeders, die leden van ons eigen ligchaam zijn, los te koopen. Want daar de Apostel zegt: "Weet gij niet dat gij Gods tempel zijt, en de Geest van God in u woont," zoo moesten wij, als de liefde ons niet genoeg kon aansporen om de broeders te helpen, in dit geval toch bedenken dat er tempelen Gods gevangen zijn, en wij mogten deze tempelen Gods door ons dralen niet langer in de gevangenschap laten; wij moesten met al onze krachten door onze gehoorzaamheid ons het welgevallen van Christus, onzen Regter, onzen Heer en God, zoeken te verwerven. Want daar de Apostel Paulus zegt: zoo velen uwer gedoopt zijn, die hebben Christus aangedaan, zoo moeten wij in onze gevangene broeders dien Christus voor ons zien, die ons uit het gevaar van gevangenschap losgekocht, en ons uit gevaar des doods verlost heeft. Wij moesten ons gedrongen gevoelen om Hem, die ons uit de kracht des Satans bevrijd heeft, en die nu in ons blijft en woont, uit de handen der barbaren te verlossen, om voor eene kleine som gelds Hem los te koopen, die ons door zijn kruis en bloed losgekocht heeft; en die dit daarom laat gebeuren, opdat ons geloof beproefd worde.

En omdat nu het Grieksche woord doulos een slaaf kan beteekenen, en omdat het blijkt dat er in de Christelijke Kerk menschen waren, douloi genaamd, zal deze of gene, in strijd met den geheelen geest dezer schoone instelling, misschien willen beweren dat deze lieden werkelijk als slaven beschouwd werden in den zin der Romeinsche en Amerikaansche wet? Van alle lompe, averegtsche, moedwillige domheden, is deze wel de domste. Toegegeven dat Christelijke meesters bedienden hadden die men douloi noemde, zoo als het duidelijk genoeg is dat men zulks deed, is het dan niet blijkbaar dat het woord douloi de beteekenis gekregen had van iets, dat in de Christelijke Kerk zeer verschilde met hetgeen het in de Romeinsche wet beteekende? Het was de taak der Apostelen niet, nieuwe woordenboeken te maken; zij veranderden geene woorden--zij veranderden zaken. De gedoopte, herborene, nieuw geschapene doulos, van één ligchaam en éénen geest met zijnen meester, met dezen één gemaakt, zoo als Christus één is met den Vader, en, met zijnen meester, een lid van die Kerk welke de volheid van Hem is die alles in allen vervult:--was zijne betrekking tot zijn Christelijken meester gelijk aan die van den Amerikaanschen slaaf tot zijn meester? Zou hij, die zijn zwaksten broeder als één met Christus beschouwde, zijn broeder als een roerend goed bezitten? Kon hij Christus als roerend goed bezitten? Kon hij Christus voor geld verkoopen? Kon hij den tempel des Heiligen Geestes als zijn eigendom bezitten, en in goeden ernst zijn regt verdedigen om dien naar welgevallen te verkoopen, te verpanden of te verhuren, zoo als dat regt in de slaven-houdende Staten van Amerika op den kansel beweerd wordt?

Wat zou men bij zulk eene leer gezegd hebben, wanneer zij in de Christelijke Kerk ware voorgedragen geworden? Elk der leden zou zijne ooren toegestopt, en uitgeroepen hebben: "Judas!" Zoo de vloek over hem werd uitgesproken, die meende dat de gave des Heiligen Geestes voor geld te koop was, wat zou er dan van hem gezegd zijn geworden, die meende dat de tempel des Heiligen Geestes zelve gekocht en verkocht, en Christus de Heere eene koopwaar kon worden? Er was nimmer sprake van zulk een denkbeeld. Het kon niet wederlegd zijn geworden, want het heeft nooit bestaan. Het was een ongehoord ja ondenkbaar werk des duivels, hetwelk Paulus zelfs niet eenmaal als mogelijk beschouwde, dat de eene Christen een regt kon beweren om den anderen Christen als koopwaar te bezitten, en handel te drijven in de "leden des ligchaams, het vleesch en been" van Christus. Zulk een afgrijselijk denkbeeld heeft de onschuld der Christenkerk zelfs niet in hare gedachten bevlekt.

De vermaningen, door Paulus aan Christelijke meesters en dienstknechten gegeven, toonen genoegzaam welk eene heiligende verandering de instelling ondergaan had. In den eersten brief aan Timotheus geeft Paulus de volgende vermaningen, eerstelijk aan hen die heidensche, en vervolgens aan hen die Christelijke meesters hebben. Die met betrekking tot heidensche meesters wordt aldus uitgedrukt: "De dienstknechten, zoo velen als er onder het juk zijn, zullen hunne heeren aller eere waardig achten, opdat de naam Gods en de leer niet gelasterd worde." In het volgende vers wordt aan de dienstknechten van Christelijke meesters de vermaning gegeven: "En die geloovige heeren hebben, zullen ze niet verachten, omdat ze broeders zijn: maar zullen ze te meer dienen omdat zij geloovig en geliefd zijn, als die dezer weldaad mede deelachtig zijn."

Let nu eens op het contrast tusschen deze vermaningen. De dienstknecht van den heidenschen meester wordt gezegd onder het juk te zijn, hetwelk klaarblijkelijk insluit dat de dienstknecht van den Christelijken meester niet onder het juk was. De dienstknecht van den heidenschen meester was onder de strenge Romeinsche wet; de dienstknecht van den Christelijken meester is een gelijke, en een broeder. Onder deze omstandigheden wordt den dienstknecht van den heidenschen meester gehoorzaamheid bevolen, ter aanbeveling van de Christelijke godsdienst. Aan de andere zijde wordt den dienstknecht van den Christelijken meester bevolen zijnen meester niet te verachten omdat hij zijn broeder is; maar hij behoort hem te gehoorzamen omdat zijn meester een geloovige en geliefde is, een deelgenoot van dezelfde heerlijke hoop als hij zelf. Verondersteld nu eens dat een geestelijke, op eene katoen-plantaadje gebezigd, waar de meeste leden der plantaadje--zoo als wij onderrigt zijn dat somtijds het geval is--leden zijn van dezelfde Christelijke Kerk als hun meester, de slaven tot zich zou roepen, en hen aldus toespreken: "Nu, jongens, ik wil niet dat gij uw meester verachten zult omdat hij uw broeder is. Het is waar dat gij allen één zijt in Christus Jezus; daar is hier geen onderscheid; daar is Jood noch Griek, neger noch blanke, slaaf noch vrije, maar gij alle zijt broeders,--alle te zamen ledematen van Christus, en erfgenamen van hetzelfde Koningrijk; maar gij moet uw meester uit dien hoofde niet verachten, gij moet hem als een broeder beminnen, en gewillig zijn om alles te doen wat gij kunt om hem te dienen, omdat gij ziet dat hij een deelgenoot is van dezelfde weldaad als gij, en de Heer hem even zeer bemint als u." Zou zulk eene toespraak niet eene zekere mate van verbazing, zoo wel bij den meester als bij de slaven wekken; en doet het feit dat zij ongerijmd schijnt, het niet in het oog vallen dat de betrekking van den slaaf tot zijnen meester onder de Amerikaansche wet zeer onderscheiden is van hetgeen zij in de Christelijke Kerk was? Doch laat ons een anderen tekst aanhalen, dien slaven-eigenaars zoo gaarne in hun voordeel trekken. In Colossensen III: 22-24 en IV: 1 staat geschreven: "Gij dienstknechten, zijt in alles gehoorzaam uwen heeren naar den vleesche, niet met oogendiensten als menschenbehagers, maar met eenvoudigheid des harten, vreezende God, en al wat gij doet, doet dat van harten als den Heere, en niet den menschen; wetende dat gij van den Heere zult ontvangen de vergelding der erfenis; want gij dient den Heere Christus." "Gij heeren, doet uwen dienstknechten regt en gelijk, wetende dat ook gij eenen Heer hebt in de Hemelen."

Nu is er in deze vermaningen aan dienstknechten toch wel niets, hetwelk bewijzen zoude dat zij slaven waren in de beteekenis der slaven-wet, als roerend goed namelijk; want zij zijn even zeer toepasselijk op elken bediende in Oud en Nieuw Engeland; maar in de vermaning aan hunne meesters is iets hetwelk bewijst dat zij door de Kerk niet als roerend goed beschouwd werden, omdat den meester bevolen wordt hen te geven wat regt en gelijk is, als eene belooning voor hunne diensten. Van de woorden "regt en gelijk" beteekent "regt" datgene wat hen wettig toekomt, en "gelijk" datgene wat op zichzelve regtmatig is, ook al wordt het niet door de wet voorgeschreven.

Maar nu bezitten wij het onbetwijfelbare getuigenis van alle wettige autoriteiten over de Amerikaansche slavenwet, dat de Amerikaansche slavernij geene aanspraak maakt van gegrond te zijn op hetgeen "regt" of op hetgeen "gelijk" is. Zoo zegt de regter Ruffin: "Het kan alleen in het afgetrokkene gevraagd worden of deze of gene magt van den meester met het regt overeenkomstig is. Het antwoord zou waarschijnlijk de eene met de andere wegvegen;" en dit beginsel, zoo ondubbelzinnig door den regter Ruffin uitgesproken, is, zooals wij gezien hebben, in alle redeneringen over de slavernij en de slavenwet, reeds voorlang volkomen toegegeven. Er wordt maar zeer weinig regtsgeleerde scherpzinnigheid vereischt, om te zien dat de invoeging dezer woorden van Paulus in de wet van den eenen of anderen Staat, eene practische vernietiging der slavernij in dien Staat zou medebrengen.

Maar, zegt men, Paulus heeft Onesimus aan zijn meester terug gezonden. Het is waar! maar hoe? Toen, tot onze eeuwige schaamte en schande, de verschrikkelijke wet tegen de gevlugte slaven in Boston ten uitvoer gebragt werd, en de Wieg der Vrijheid zelve van het gekerm der slaven weêrgalmde, en menschen, hardvochtiger dan Saulus van Tarsus, de Kerk ten plunderbuit maakten, in de huizen drongen, mannen en vrouwen grepen en ze in de gevangenis wierpen, toen geheele kerken van onschuldige Christenen opgebroken, en deze als kudden van sidderende schapen verstrooid werden; toen echtgenooten en vaders van hunne huisgezinnen werden afgerukt, en moeders, met arme hulpelooze kinderen, te middernacht, met bloedende voeten, door sneeuw en ijs, naar Canada vloden;--te midden van deze tooneelen, die Amerika tot een spreekwoord en eene uitfluiting onder alle natiën gemaakt hebben: toen heeft men mannen, Christenen, dienaren zelfs van Jezus' Evangelie gevonden, die--helaas, dat dit ooit moest worden opgeteekend!--op den kansel staande, in den naam en uit het gezag van Christus, deze gruwelen goedkeurden en regtvaardigden, en dezen allerbeminnelijksten en allereenvoudigsten brief van Paulus misbruikten om deze ongehoorde afgrijselijkheden te verdedigen!

Hij die zeide: "Wie is er zwak, dat ik niet zwak ben? wie wordt er geërgerd, dat ik niet brande?"--hij, die den bekeerden slaaf zijne ingewanden, zijnen zoon noemde, dien hij in zijne banden geteeld had, en die hem tot den broeder zijner ziel terug zond met de vermaning: "Neem hem aan als mij zelve, nu voortaan niet als een dienstknecht, maar meer dan een dienstknecht, namelijk een geliefde broeder,"--deze schoone brief, deze uitstorting van teederheid en liefde, meer dan liefde der vrouwen, werd open geslagen om door de vuile grijpvogelklaauwen van slavenkoopers en slavengeeselaars, als hun in naam van Christus en zijne Apostelen geteekende en gezegelde lettre de cachet, naar zich gehaald te worden, als volle magt verleenende om slaven terug te voeren om gepijnigd en gegeeseld, en in eeuwige slavernij verkocht te worden, zoo als Henry Long en Thomas Sims! Even zoo goed zou de brief eener moeder, waarin zij, met tranen en gebeden, haar eerste en eenigste kind aan de teedere liefde en het medegevoel van een vertrouwden vriend aanbeveelt, door een Inquisiteur als volmagt gebezigd kunnen worden om dat kind in den kerker te werpen en te folteren. Ware niet het laatste overblijfsel van 's Apostels ligchaam reeds lang tot stof vergaan, dan zouden zijne beenderen zich nog in hun graf bewogen hebben, om tegen zulk eene belastering van den Christelijken naam en het Christelijk geloof te protesteren. En is het hiertoe gekomen, O Jezus Christus! heeft men zulke dingen in Uwen naam gedaan, en zwijgt Gij nog? Voorwaar, Gij zijt een God die u verbergt, o God Israëls, de Verlosser!

HOOFDSTUK V.

VERVOLG.

Maar waarom hebben de Apostelen niet tegen de wettige betrekking der slavernij gepredikt, en haar in den Staat zoeken te vernietigen? Men heeft deze vraag dikwijls opgeworpen, alsof de Apostelen zich in denzelfden toestand hadden bevonden als de geestelijkheid der zuidelijke kerken; alsof zij leden van republikeinsche instellingen, alsof zij wetgevers geweest waren, en in het bezit van alle republikeinsche vermogens om de herroeping van onregtvaardige wetten te weeg te brengen.

Wel verre daar vandaan, zal eene oppervlakkige lezing van het Nieuwe Testament ons doen zien dat de Apostelen zich bijkans in den toestand van buiten de wet gestelde ballingen bevonden, onder een gestreng en despotisch bestuur, welks geest en wetten zij als onchristelijk afkeurden, en waaraan zij zich onderwierpen even zoo als zij den slaaf tot onderwerping vermaanden, als aan een noodzakelijk kwaad.

Men hoore slechts den Apostel Paulus de staatkundige voorregten opsommen, aan het dienaarschap van Christus verbonden. In de gemeente te Corinthe waren valsche leeraars opgestaan, die zijne prediking tegenspraken, terwijl zij verzekerden grootere aanspraken op gezag in de Christelijke bediening te hebben dan hij. Terwijl Paulus nu zijn apostolisch ambt verdedigt, spreekt hij aldus: "Zijn zij dienaars van Christus? (ik spreek onwijs zijnde,) ik ben boven hen; in arbeid overvloediger, in slagen uitnemender, in gevangenissen overvloediger, in doodsgevaar menigmaal. Van de Joden heb ik veertig slagen min één, vijfmaal ontvangen. Driemaal ben ik met roeden gegeeseld geweest, eens ben ik gesteenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, eenen ganschen nacht en dag heb ik in de diepte overgebragt. In het reizen menigmaal, in gevaren van rivieren, in gevaren van moordenaars, in gevaren van mijn geslacht, in gevaren van de heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren in de zee, in gevaren onder de valsche broeders, in arbeid en moeite, in waken menigmaal, in honger en dorst, in vasten menigmaal, in koude en naaktheid."

Welke opsomming der ongemakken van een Amerikaanschen slaaf kan de ongemakken van den grooten Apostel der Heidenen meer dan evenaren? Hij kwam in geene andere aanraking met de wetten, dan om hare straffen te lijden. Zij waren gemaakt en werden gehandhaafd zonder zich aan hem te bekreunen, en de slaaf had er niets meerder van te lijden dan hij.

Het valt in het oog dat de geestelijken van het Zuiden, wanneer zij, in navolging van den Apostel, de burgerlijke betrekking van den slaaf geheel buiten de zaak houden, het groote onderscheid voorbijzien tusschen den toestand van een' Amerikaansch geestelijke, in een republikeinsch bestuur, waar hij zelf de wetten helpt maken en in stand houden,--en dien van den Apostel, onder een heidensch despotismus, met welks wetten hij niets kon te doen hebben.

Een buiten de wet gestelde slaaf kan zeer gevoegelijk tot andere buiten de wet gestelde slaven vermaningen rigten om zich aan een bestuur te onderwerpen, hetwelk hij noch zij eenige de minste magt hebben om te veranderen.

In predikatiën, door geestelijken in het Zuiden tot slaven gerigt, lezen wij vermaningen tot onderwerping, en geduld, en ootmoedigheid, in hunnen toestand van slavernij, die uitnemend gepast zouden zijn in den mond van een Apostel, waar hij en de slaven gelijkelijk onder den druk stonden van een despotismus welks wetten zij niet konden veranderen; maar die een geheel ander karakter aannemen, wanneer zij tot den slaaf gerigt worden door de eigen lieden die de wetten maken welke hen in slavernij brengen.

Als iemand bij den weg afgezet en van al het zijne beroofd was geworden, zou het zeer gepast en voegzaam zijn wanneer zijn leeraar hem met zijn toestand poogde te verzoenen, als, in zeker opzigt, eene beschikking van de Voorzienigheid; maar zoo de man die hem beroofd had bij hem kwam, en dezelfde vermaningen tot hem rigtte, dan zou hij toch wel van gedachten zijn dat de zaak een geheel ander aanzien kreeg.

Een geestelijke van hoogen rang in de Kerk, sprak de negers, in eene predikatie, aldus aan:

Het heeft God Almagtig behaagd u hier slaven te doen zijn, en u in deze wereld niets dan arbeid en armoede te beschikken; en gij zijt verpligt u daaraan te onderwerpen, dewijl het Zijn wil is, dat het zoo zijn zoude. En gaat eens bij u-zelven na, hoe verschrikkelijk het zijn zoude, wanneer gij, na al uwen arbeid en lijden in dit leven, in het volgende leven ter helle verwezen wierd; en, na uwe ligchamen hier in dienstbaarheid te hebben afgesleten, in eene nog veel ergere slavernij te geraken, wanneer uwe arme zielen in het bezit des duivels zouden worden overgegeven, om voor eeuwig zijne slaven te blijven, zonder de minste hoop van bevrijding. Wanneer gij, derhalve, Gods vrije lieden in den hemel zijn wilt, dan moet gij trachten goed te zijn, en Hem hier op aarde te dienen. Uwe ligchamen, zoo als gij weet, zijn niet uwe eigene; zij staan ter beschikking van hen, aan wien gij toebehoort; doch uwe kostelijke zielen zijn altoos de uwe, en niets dan uwe eigene schuld kan haar u ontrooven. Overweegt dus wel, dat zoo gij door hier een lui en zondig leven te leiden, uwe zielen doet verloren gaan, gij er in deze wereld niets mede wint, en in de toekomende alles door verliest; want uwe luiheid en verkeerdheid komt, over het algemeen, aan den dag, en uwe ligchamen moeten er hier voor lijden; en, wat nog veel erger is, zoo gij geene boete doet en u bekeert, zullen uwe ongelukkige zielen er hiernamaals voor lijden.

Welnu, deze geestelijke was ontwijfelbaar ter goeder trouw. Hij had het Nieuwe Testament gelezen, en opgemerkt dat Paulus aan de slaven van zijnen tijd gelijksoortige vermaningen voorhoudt.

Maar hij vergat geheel te bedenken, dat Paulus de regten niet had van een republikeinsch geestelijke; dat hij de wetten, die de slaven in hunnen toenmaligen toestand bragten, gemaakt had noch verdedigde, maar slechts een deelgenoot van hun lijden was. Een voorbeeld zou deze stelling aan onzen geestelijke kunnen ophelderen. Neem eens dat hij langs den grooten weg reisde, met al zijne wereldsche bezittingen, in den vorm van banknoten, bij zich. Hij wordt door eene bende struikroovers aangevallen, aan een boom gebonden, en van al zijne bezittingen beroofd. Deze struikroovers zouden voor dit bedrijf juist hetzelfde regt kunnen aanvoeren, als dat van den geestelijke en zijne republikeinsche broeders, om al de verdiensten en bezittingen hunner slaven tot zich te nemen. Het eigendom zou aan de struikroovers uit krachte van juist denzelfden regtstitel toebehooren: niet omdat zij het gewonnen of verdiend, maar eenvoudig omdat zij het genomen hebben, en in staat zijn om het te behouden.

De hoofdman der bende, eenig misnoegen op het gelaat van den geestelijke bespeurende, begint hem eene godsdienstige vermaning tot geduld en onderwerping voor te houden, nagenoeg in dezelfde bewoordingen waarmede hij voorheen de slaven had toegesproken. "Het heeft God Almagtig behaagd, u uwe gansche bezitting te ontnemen, en u in deze wereld niets dan arbeid en armoede te geven, waaraan gij u behoort te onderwerpen, dewijl het Zijn wil is dat het zoo zijn zoude. Gaat nu eens bij u-zelven na, hoe verschrikkelijk het zijn zoude, wanneer gij, na het verlies van al uwe wereldsche bezittingen, nog daarenboven, door murmureerzucht en gebrek aan onderwerping, uwe ziel moest verliezen; en, na hier beneden van al uwe bezittingen beroofd te zijn, uwe arme ziel in het bezit des duivels zoudt moeten zien overgaan, om voor altoos zijn eigendom in de hel te worden, zonder eenige hoop van bevrijding. Uw eigendom is thans niet langer het uwe; wij hebben er bezit van genomen; doch uwe kostelijke ziel is nog altoos de uwe, en niets dan uwe eigene schuld kan haar u ontrooven. Overweeg dus wel, dat, zoo gij door opstand en murmurering tegen deze beschikking der Voorzienigheid, uwe ziel doet verloren gaan, gij er in deze wereld niets mede wint, en in de toekomende alles door verliest."

En als nu deze geestelijke, zoo als zeer waarschijnlijk is, tot de roovers zeggen zoude: "Er bestaat geene noodzaak, dat ik in deze wereld arm zou moeten zijn, zoo gij mij slechts mijn eigendom terug wildet geven, dat gij mij ontnomen hebt," dan zegt hij juist datgeen, wat de slaven tot welken hij gepredikt heeft, tot hem en zijne mede-republikeinen zouden kunnen zeggen.

HOOFDSTUK VI.

HOE WERKTE HET CHRISTELIJK BEGINSEL OP DE SLAVERNIJ?

Maar nog altijd kan men zeggen, dat de Apostelen de meesters, die Christenen waren, hadden kunnen bevelen om in allen gevalle tot eene wettige emancipatie over te gaan. Gewisselijk hadden zij het kunnen doen, en dat zij het niet gedaan hebben is blijkbaar.

De geloovige Christen uit den eersten tijd beschouwde en behandelde zijn slaaf als een broeder; doch in het oog der wet bleef deze altijd zijn eigendom; hij was een voorwerp, maar geen mensch. Waarom bragten de Apostelen dan geen schok toe aan dien wettelijken stand van zaken? Waarom bevalen zij niet ieder Christen, dien band te verbreken? In antwoord daarop mogen wij doen opmerken, dat elke hervorming, die van God uitgaat, onveranderlijk dezen weg volgt: eerst doodt zij den geest van een misbruik, en laat alsdan den vorm van-zelven vervallen; zij ontdoet den giftigen boom van zijn bast en laat hem dan op zijn eigen tijd sterven.

Deze wijze om misbruiken uit den weg te ruimen heeft dit voordeel, dat zij stelselmatig en algemeen werkt en doeltreffend is in alle tijden en onder alle omstandigheden. Indien de Apostel in dien tijd van uiterlijkheden en geweld eenvoudig de wettelijke betrekking had aangetast, dan ware het bedorven en zelfzuchtige beginsel welligt overgegaan in andere even slechte vormen van verdrukking en weggescholen achter het voorwendsel dat het van de wettelijke slavernij afstand had gedaan. Daarom bragt God een doodelijker slag toe aan het monster, door juist de plek te kiezen waar zijn hart klopte en Zijnen Apostelen te bevelen: "Slaat dáár!"

In stede dus van den slavenhouder toe te voegen: "Laat uw slaaf vrij," zeide het Christendom tot hem: "Behandel hem als uw broeder," het overlatende aan het geweten van den slavenhouder om uit te vinden hoe veel in dit gebod opgesloten lag.

Uit de voorschriften, die Paulus omtrent de slavernij geeft, is het duidelijk, dat hij de wettelijke betrekking met evenveel onverschilligheid aanzag als een tuinman gevoelt ten aanzien van een onoogelijk stuk bast, dat hij een jongen boom op het punt ziet door de ontwikkeling zijner groeikracht af te werpen. Hij beschouwde het als een deel van een verouderd heidensch stelsel en behoorende tot een stel wetten en gebruiken, die eerlang zouden verdwijnen.

Er is een schoonschijnend argument, dat men in deze zaak menigmaal gebruikt heeft, namelijk dat de Apostelen de slavernij beschouwden als eene der wettige betrekkingen des levens, gelijk die van ouders en kind, van man en vrouw.

Men wil het argument versterken door te zeggen: de Apostelen vonden alle betrekkingen des levens zeer bezoedeld door verschillende misbruiken.

Zij tastten de betrekkingen niet aan maar verwijderden de misbruiken, en bragten dus alles tot een gezonden toestand terug.

De vergissing schuilt daarin, dat men de slavernij als eene wettige betrekking aanneemt. Zij is de ontaarding van eene wettige betrekking. De wettige betrekking is de dienstbaarheid, en de slavernij is de verbastering van de dienstbaarheid.

Toen de Apostelen optraden waren alle betrekkingen des levens in het Romeinsche rijk doortrokken met den geest der slavernij. De verhouding van het kind tot de ouders was slavernij. De verhouding van de vrouw tot haar man was slavernij. De verhouding van den dienaar tot den meester was slavernij.

De magt van den vader over den zoon, volgens de Romeinsche wet, was nagenoeg dezelfde als die van den meester over den slaaf. Hij kon hem naar zijn welbehagen doen geeselen, gevangen zetten of ter dood brengen. De zoon kon niets bezitten dan hetgeen de eigendom zijns vaders was; en deze onbeperkte magt bleef gedurende het geheele leven des vaders voortduren, tenzij hij zijn zoon uitdrukkelijk vrij maakte door eene driemaal herhaalde acte van manumissie, terwijl dit tot vrijmaking van den slaaf slechts eenmaal behoefde te geschieden. Er bestond echter geene wet, die den vader tot manumissie verpligtte; zoo hij het goed vond kon hij zijne magt levenslang behouden.

De toestand der Romeinsche vrouw was ongeveer dezelfde. Werd zij van eenigerhande misdrijf beschuldigd, dan riep de echtgenoot een raad van hare betrekkingen bijeen en velde vonnis in hunne tegenwoordigheid, waarbij hij de straf uitsprak die hij verdiend achtte.

Wegens ontrouw of wegens het drinken van wijn mogt haar echtgenoot, volgens het door Romulus gegeven verlof, haar ter dood brengen. De toestand der vrouw verschilde daarin van dien des zoons, dat zij nooit kon gemanumitteerd worden; daarvoor behelsde de wet geene bepalingen.

Dezelfde geest van gewelddadigheid en slavernij heerschte in de betrekking van meester en dienaar en deed die strenge slavenwetten ontstaan, die het Christelijke Amerika, na er nog eenige trekken van wreedheid bijgevoegd te hebben, in de negentiende eeuw heeft doen herleven.

Ten aanzien nu van al deze ontaardingen van wettige betrekkingen volgde het Evangelie eene zelfde en onveranderde handelwijze. Het beval den Christenvader niet, zijn zoon volgens de wet te emanciperen; maar het bragt zulk een Goddelijken geest in de vaderlijke betrekking door die te vergelijken niet de betrekking van den hemelschen Vader, dat de Christelijke Romein het gebruik van zijne barbaarsche, doch wettelijke magt als geheel onbestaanbaar met zijne Christelijke belijdenis beschouwd zou hebben. Zoo veredelde het ook de huwelijksbetrekking door die te vergelijken bij de betrekking tusschen Christus en Zijne Kerk, en den echtgenoot te gebieden zijne vrouw te beminnen, even als Christus Zijne Kerk beminde en er zich-zelven voor ten offer bragt. Het riep hem toe: "Niemand heeft ooit zijn eigen vleesch gehaat, maar onderhoudt het en heeft het lief gelijk de Heer de Kerk;"--"ieder moet zijne vrouw beminnen, gelijk zichzelven." Niet de minste toespeling wordt gemaakt op de barbaarsche en onregtvaardige magt die de wet den man verleende. Men begreep, dat een Christelijk gemaal zich er niet van bedienen kon zonder de voorschriften van het Evangelie te schenden.

Op dezelfde wijze werden de Christen-meesters vermaand hunnen knechten te geven wat regt was, en, wel verre van hen door geweld tot den arbeid te dwingen, zich zelfs van bedreigingen te onthouden. Den Christen-meester werd bevolen zijn gedoopten slaaf te ontvangen, "voortaan niet als een dienstknecht maar meer dan een dienstknecht, namelijk een geliefden broeder;" en in dit geval even als in de andere werd niets gezegd van de barbaarsche magt, die de Romeinsche wet hem schonk, daar men duidelijk inzag dat hij hem niet te gelijker tijd kon behandelen als een beminden broeder en als een slaaf in den zin der Romeinsche wet.

Wanneer dus gevraagd wordt waarom de Apostelen de afschaffing der slavernij niet beoogden, geven wij ten antwoord, dat zij die werkelijk beoogden. Zij streefden er naar langs den zekersten, kortsten en meest regtstreekschen weg, die bij mogelijkheid had kunnen ingeslagen worden.

HOOFDSTUK VII.

HET CHRISTENDOM HEEFT DE SLAVERNIJ FEITELIJK AFGESCHAFT.

Maar heeft het Christendom de slavernij feitelijk afgeschaft? Wij antwoorden, ja.

Laat ons een blik werpen op den stand van zaken. Toen Christus op aarde verscheen, strekte de slavernij zich uit over de geheele beschaafde wereld. De krijgsgevangenen werden steeds tot slavernij gedoemd; daar de oorlogen zeer veelvuldig waren, kregen de gelederen der slaven voortdurend nieuwen toevoer; en dewijl de slavernij erfelijk en eindeloos was, bestond er alle reden om te gelooven, dat het getal der slaven onbegrensd zou hebben toegenomen, zoo niet deze of gene invloed er eene grens aan gesteld had. Dit is één feit.

Vestigen wij thans den blik op een tweede. Ten tijde van de Hervorming had de eigenlijke slavernij, waarbij de slaven gekocht en verkocht konden worden, in alle beschaafde landen der wereld geheel opgehouden. Niet door eenig bijzonder edict, door geene bepaalde emancipatie-wetten, maar door den voortgaanden invloed eener langzaam werkende, onzigtbare magt, was dit geheele uitgebreide systeem weggesmolten als sneeuw voor de lente-zonnestralen.

Zoo deze beide feiten toegegeven zijn, rijst de vraag: Wat bragt die verandering te weeg? Indien wij tot de overtuiging komen dat de magtigste instelling van de beschaafde wereld ten dien tijde, een stelsel van maatregelen uitvoerde, welke de regtstreeksche strekking hadden om zulk een uitslag voort te brengen, dan moeten wij het natuurlijk aan die instelling toeschrijven.

De Spaansche schrijver Balmes wijdt in zijn werk, dat getiteld is: Het Protestantismus vergeleken met het Catholicismus, een hoofdstuk aan het tegen de slavernij gerigte streven der Kerk, waarin hij al de maatregelen uiteenzet, welke de Kerk te dien aanzien in het werk stelde, en naar volgorde al de daartoe betrekkelijke decreten der Conciliën aanhaalt. Die decreten zelve, geeft hij in een Aanhangsel voluit in hun oorspronkelijk Latijn. Wij moeten onze sympathie uitdrukken voor den edelen geest waarin hij dat gewigtige onderwerp behandeld heeft, en voor de hooge gedachten die wij ons daardoor vormen kunnen van den verheven en eerbiedwekkenden aard van het Christendom. Het is het geschrift van een man van verlichten en edelaardigen geest, in staat om zulke inzigten te waarderen,--een achtbaar, ernstig en innig Godsdienstig man, ofschoon blijkbaar ten diepste overtuigd van de waarheid van zijne eigene, bijzondere belijdenis.

Uit het werk van Balmes zullen wij een kort overzigt geven van het streven der Kerk in de eerste tijden. Men zal wel doen, daarbij het bijzondere karakter van die tijden in het oog te houden.

Zij begon haar arbeid in het onstuimige en verwarde tijdperk van de maatschappij, dat op de ineenstorting van het Romeinsche rijk volgde. Alle gebruiken waren toen ruw en barbaarsch. Ofschoon het Christendom, als stelsel, in naam zeer algemeen omhelsd werd, drong het echter niet, gelijk bij de eerste bekeerlingen, tot het hart door, noch deed hen eene andere natuur aannemen. Geweldoefening was aan de orde van den dag; en het Christendom van de woeste Noordsche volken, die omstreeks dezen tijd de meesters van Europa werden, was verontreinigd met de barbaarschheden van hun voormalig heidensch geloof. De instelling der slavernij in zulk een maatschappelijken toestand uit te roeijen, vereischte natuurlijk geheel andere middelen dan noodig zouden zijn bij de meerdere verlichting der nieuwere tijden.

Geene magt dan welke van dien aard was als de Christelijke Kerk toen bezat, zou in dezen iets hebben kunnen uitwerken. Wel verre van vervolgd en geminacht te worden, gelijk in de tijden der Apostelen, was de Kerk thans een ligchaam van groot vermogen,--een vermogen, dat bijzonder geschikt was voor die ruwe en onbeschaafde eeuwen. Zij beschikte over al die elementen van vrees, geheimzinnigheid en bijgeloof, welke evenzeer de meeste kracht hebben in barbaarsche tijden, als tegenover barbaarsche personen, en zij wreekte de overtreding van hare geboden door straffen, die te meer gevreesd werden, omdat zij betrekking hadden op eene schrikwekkende toekomst, die zooveel verborgens bevatte en slechts onvolkomen begrepen werd.

Toen de Kerk de slavernij aantastte, begon zij niet met het afkondigen van eene algemeene emancipatie, omdat zij den barbaarschen en ongevestigden staat der maatschappij, de gewelddadigheden en de verdeeldheid niet wilde vermeerderen door de toevoeging van dit nieuwe element. Zelfs verbood een zeker Concilie, onder bedreiging van kerkelijke straffen, het prediken dat de slaven terstond hunne meesters moesten verlaten.

De Kerk begon met de beperking van de magt des meesters en met het beschermen van den slaaf. Het Concilie van Orleans, schonk in 549 den slaaf, die met straf bedreigd werd, het voorregt om de vlugt te mogen nemen in eene kerk, en verbood den meester hem daaruit te halen, zoo hij niet een plegtigen eed aflegde, dat hij hem geen leed zou doen; en zoo hij den geest van dien eed schond, werd hij verstoken van de gemeenschap der Kerk en van de Sacramenten,--eene straf, welke in die dagen met zulk een bijgeloovigen schrik werd beschouwd, dat de meest barbaarschen zich daaraan te naauwernood durfden blootstellen. Later voerde men het gebruik in, om bij zulke gevallen een eed te vorderen, niet alleen dat de slaaf vrij zou zijn van ligchaamsstraf, maar tevens dat hij niet gestraft zou worden door het opleggen van meerderen arbeid of door eenig schandeteeken. Toen hierover klagten rezen, als zijnde dit eene te groote gunst voor den slaaf, was het uiterste wat men van de Kerk bij wege van inschikkelijkheid kon verwerven, dat in gevallen van zeer afschuwelijke misdrijven, de meester niet verpligt zou zijn, de beide laatste beloften af te leggen.

Er was onder de Gothen eene straf in zwang, die erger gevreesd werd dan de dood. Zij bestond in het afscheren van het hoofdhaar. Dit werd als eene eeuwigdurende schande beschouwd. Was eenen Goth eenmaal het haar afgeschoren, dan was voor hem alles voorbij. De 15de canon van het Concilie van Merida, in 666 gehouden, verbood den geestelijken hunne slaven deze straf aan te doen, alsmede de uitoefening van elke andere soort van geweld; er werd bij bepaald, dat, zoo een slaaf zich misdroeg, hij niet blootgesteld zou zijn aan bijzondere wraakneming, maar overgeleverd zou worden aan den wereldlijken regter, en dat de bisschoppen hun invloed alleen zouden aanwenden, om eene verzachting van de straf te verwerven. Hier werd de openbare regtspraak in de plaats gesteld van persoonlijke regtverschaffing,--inderdaad, eene belangrijke schrede voorwaarts. De Kerk bepaalde verder, in twee Conciliën, dat de meester, die op eigen gezag zijn slaaf van het leven beroofde, twee jaren lang verstoken zou blijven van alle gemeenschap met de Kerk,--eene straf, welke in de schatting van die tijden een mensch aan de ijselijkste gevaren blootstelde, daar zij hem in het oog der maatschappij van al wat heilig was verwijderd hield, en hem aan zich-zelven en aan anderen deed voorkomen als met de ontzettendste zonde beladen.

Behalve de bescherming voor lijf en leven, die de Kerk verleende, strekte zij haar behoedend schild ook over de familie-betrekking van den slaaf uit. Volgens de oude Romeinsche wet kon de slaaf geen wettig, onverbreekbaar huwelijk aangaan. De Kerk van die tijden bediende zich, tot bestrijding van dat heidensche denkbeeld, van de Catholijke stelling, dat het huwelijk een sacrament is. Paus Adriaan I zeide: "Daar wij, overeenkomstig de woorden van den Apostel, in Jezus Christus, noch slaaf noch vrijman, verstoken mogen laten van de sacramenten der Kerk, zoo is het in geen opzigt geoorloofd, het huwelijk der slaven te beletten; en zoo zij hun huwelijk hebben aangegaan trots den weêrstand en het misnoegen hunner meesters, behoort het toch niet ontbonden te worden." De H. Thomas was van dezelfde zienswijze, want hij houdt openlijk vol, dat slaven, met opzigt tot het aangaan van een huwelijk, niet verpligt zijn hunnen meesters te gehoorzamen.

't Valt gemakkelijk, in te zien, welk eene werking dit moest doen, toen de veiligheid van den slaaf en van zijne familie-betrekking aldus geheiligd was door een gezag, hetwelk geen mensch durfde betwisten. Het plaatste den slaaf in de oogen zijns meesters hooger, verwekte hoop en achting voor zich-zelven in zijn eigen boezem en droeg krachtig bij om hem geschikt te maken tot het ontvangen van die vrijheid, tot welke de Kerk, langs verschillende wegen, hem steeds had trachten te voeren.

Een ander middel waarvan de Kerk gebruik maakte, om de emancipatie te bevorderen, was eene naijverige zorg voor de vrijheid van degenen, die reeds vrij waren.

Ieder weet hoe in onze zuidelijke Staten de grenzen der slavernij zich voortdurend uitbreiden bij ontstentenis van eene magt, die daar dezelfde menschlievende taak op zich kan nemen. Wanneer de vrijgelatene zonder zijne papieren reist, verkeert hij in blijvend gevaar van opgepakt, in de gevangenis geworpen en tot voldoening der gevangeniskosten verkocht te worden. Hij heeft geen bisschop om hem uit zijne ongelegenheid te redden. Geene Kerk levert hem eene vrijplaats. Honderden en duizenden hulpelooze mannen en vrouwen worden jaarlijks op deze wijze in slavernij gedompeld.

De Kerk nam in hare tijden van magt de vrijgelatene slaven onder hare bijzondere hoede. De vrijlating werd plegtig in de Kerk verrigt; en dan nam de Kerk den nieuwelings vrije onder hare beschutting en zorgde met hare geestelijke wapenen voor zijne nieuw verworven regten. Het eerste Concilie te Orange, in 441, stelde vast in zijn 7den canon, dat kerkelijke straffen zouden toegepast worden op hen, die geëmancipeerde slaven weder in slavernij zouden willen dompelen. Eene eeuw daarna werd hetzelfde gebod herhaald in den 7den canon van het vijfde Concilie te Orleans, in 549. De bescherming, welke de Kerk aan vrijgelatenen verleende, was zoo openbaar en zoo algemeen bekend, dat de gewoonte werd ingevoerd om hen, nog bij het leven of anders bij testament, in hare hoede aan te bevelen. Het Concilie te Agde, in Languedoc, nam een besluit, waarbij de Kerk gelast werd, om des noodig, de verdediging op zich te nemen van diegenen, aan wie hunne meesters op wettige wijze de vrijheid geschonken hadden.

Een andere tegen de slavernij gerigte maatregel, welken de Kerk met ijver bevorderde, had de strekking, om de uitbreiding der slavernij tegen te gaan. Dit was het loskoopen van gevangenen. Daar de krijgsgevangenen, tenzij er rantsoen betaald werd, tot slaven gemaakt werden en de oorlogen, bij den ongewissen toestand der maatschappij, talrijk waren, zou de slavernij nog tot in het oneindige hebben kunnen voortduren, hadde de Kerk zich in dat opzigt niet de grootste inspanning getroost. Het loskoopen van slaven bekleedde toenmaals in de aandacht der vromen dezelfde plaats, welke thans de bekeering der heidenen inneemt. Aanzienlijke Christenen verkochten dikwijls in hun overmatigen ijver zich-zelven, om anderen vrij te maken. Chateaubriand spreekt van een priester in Frankrijk, die zich gewillig in slavernij begaf, om een Christen-soldaat te bevrijden, en aldus een echtgenoot aan eene ontroostbare vrouw en een vader aan drie rampzalige kinderen teruggaf. Door zulke daden verwierf men toenmaals de heiligverklaring. Dat was ook de geschiedenis van den H. Zacharias, welke tranen aan menig oog ontlokte en menigeen bewoog, om zulk eene verhevene Christelijke liefde na te volgen. Zij volgden hierin slechts den geest der eerste Christenen; want de apostolische Clemens zegt: "Wij weten hoe velen onzer zich in slavernij begeven hebben, opdat zij er anderen uit mogten bevrijden" (Eerste Brief aan de Corinthiërs, § 55, of Hoofdstuk XXI, vs. 20). Een der lofwaardigste van de Frankische bisschoppen was St. Eligius (St. Eloi). Aanvankelijk was hij een zeer bekwaam goudsmid en won door zijne regtschapenheid de bijzondere achting en het vertrouwen van koning Clotarius I, aan wiens hof hij in hoog aanzien stond. Van hem spreekt Neander als volgt: "De zaak des Evangelies was hem het dierbaarste, waaraan hij al het overige ondergeschikt maakte. Terwijl hij zijn beroeps-arbeid verrigtte, had hij altijd een opengeslagen Bijbel voor zich liggen. De overvloedige winst van zijn bedrijf besteedde hij tot Godsdienstige doeleinden en aan daden der liefde. Wanneer hij van slaven hoorde, welke in die dagen dikwijls in troepen voorbijgedreven werden, gelijk slaven, die bij opbod verkocht moesten worden, haastte hij zich daarheen en betaalde hun prijs." Helaas voor onze slaven-karavanen! Zulke bisschoppen zijn er niet meer! "Door zijn toedoen verkregen soms honderd slaven te gelijk, mannen en vrouwen, hunne vrijheid. Alsdan liet hij het aan hunne keuze om naar hunne haardsteden terug te keeren, of als vrije Christenbroeders met hem te leven, of monniken te worden. In het eerste geval gaf hij hun reisgeld; in het laatste, dat hem het meest verheugde, trachtte hij hun eene goede ontvangst in een of ander klooster te verschaffen."

Zoo groot was de ijver der Kerk voor het loskoopen van ongelukkige gevangenen, dat zelfs de sieraden en heilige vaten der Kerken verkocht werden, om het geld bijeen te krijgen; Uit den 5den canon van het in 585 te Macon gehouden Concilie blijkt, dat de priesters kerkegoederen tot dat doel aanwendden. Het Concilie van Rheims, van 625, bedreigt de straf van schorsing tegen den bisschop, die de heilige vaten zal verduisterd hebben met eenig ander doel dan het loskoopen van gevangenen; en uit den 12den canon van het Concilie van Verneuil, in 844 gehouden, zien wij, dat de kerkegoederen nog steeds voor dat weldadig doel gebruikt werden.

Wanneer de Kerk aldus den gevangene gelost had, bleef zij hem nog verder hare bijzondere bescherming verleenen en gaf hem aanbevelings-brieven, die zijne vrijheid tegen alle aanranding moesten waarborgen. Het Concilie van Lyon, van 583, schrijft voor, dat de bisschoppen in de aanbevelings-brieven, die zij aan de vrijgekochte slaven uitreiken, de koopsom en den dag hunner bevrijding zullen opteekenen. De ijver was zoo groot, dat sommige geestelijken zelfs gevangenen aanspoorden om de vlugt te nemen. Een in Ierland gehouden Concilie, genaamd het Concilie van St. Patrick, gispt deze overdrijving en verklaart, dat de geestelijke, die gevangenen wenscht te bevrijden, zulks moet doen met zijn eigen geld, daar anders oneer over de Kerk gebragt wordt. De onbaatzuchtigheid der Kerk in dit opzigt blijkt uit de omstandigheid, dat, wanneer zij hare beschikbare gelden had uitgegeven tot rantsoenering van gevangenen, zij nooit eenige terugbetaling vorderde, al waren de bevrijden daartoe ook bij magte. De H. Gregorius geeft in zijne brieven geruststellende verzekeringen aan eenige personen, die door de Kerk waren losgekocht en nu vreesden, dat zij zouden aangesproken worden tot terugbetaling van het geld, dat voor hen uitgegeven was. De paus beveelt, dat niemand hen of hunne erfgenamen zal moeijen, vermits de canons het gebruik der kerkegoederen tot bevrijding van gevangenen veroorloven (L. 7, Ep. 14). Ten einde nog meer te waken tegen de vermeerdering van het getal slaven, excommunieerde het Concilie van Lyon, in 566, allen, die vrije personen onregtmatig in slavernij hielden.

Indien er zulke wetten in de zuidelijke Staten bestonden en allen geëxcommunieerd werden, die dit doen, dan zou er eene voorbeeldelooze sensatie verwekt worden, gelijk eenige onlangs gedane ontdekkingen bewijzen.

In 625 bedreigde het Concilie van Rheims met excommunicatie allen, die aan vrije personen lagen legden, ten einde hen in slavernij te brengen. De 27ste canon van het Concilie van Londen, gehouden in 1102, verbood het barbaarsche gebruik, om in menschen koopmanschap te drijven, gelijk in dieren; en de 7de canon van het Concilie van Coblentz, in 922, verklaart dengeen, die een Christen wegrooft om hem te verkoopen, aan manslag schuldig. Het Concilie, in 616 te Verneuil gehouden, stelde vast, dat de personen, die wegens armoede of schuld als slaven verkocht waren, hunne vrijheid zouden terug erlangen door het betalen van den voor hen gegeven prijs. Men zal gereedelijk inzien, dat dit een ruim veld opende tot herkrijging der vrijheid in een tijd, toen een zoo onbeperkte Christelijke ijver blaakte voor het lossen van slaven, daar de Christenen zich verdienstelijk maakten door het vereischte rantsoen bijeen te zamelen.

In die eeuwen besloegen de Joden eene zeer bijzondere plaats onder de natiën. De handel werd schier uitsluitend aan hen overgelaten, het grootste gedeelte van den rijkdom was in hunne handen, en, natuurlijk, ook vele slaven. De bepalingen, welke de Kerk maakte ten opzigte der slaven van de Joden, strekten nog meer om het beginsel der vrijheid in kracht te doen winnen. Zij verboden den Joden, Christen-slaven te dwingen tot dingen, die met de Godsdienst van dezen in strijd waren, en veroorloofden, dat Christen-slaven, die eene schuilplaats zochten in de Kerk, losgekocht werden door den voor hen gegeven prijs te betalen.

Dit had zeer gunstige gevolgen voor de zaak der vrijheid, daar de Christen-slaven hierdoor gelegenheid kregen, om naar de Kerken te vlugten en daar de liefdadigheid van hunne broederen in den geloove in te roepen. Er werd ook bepaald, dat een Jood, die een Christen-slaaf afvallig maakte, al zijne overige slaven zou verliezen. Dit was een nieuwe steun voor het geweten van den slaaf en eene nieuwe gelegenheid om bevrijd te worden. Eenigen tijd later werd den Joden verboden, Christen-slaven te hebben, en die, welke in hun bezit waren, konden voor twaalf sous losgekocht worden. Daar de Joden onder de grootste slavenhandelaars van dien tijd behoorden, was dit verbod eene reuzenschrede naar eene algemeene emancipatie.

Een ander middel om de gelederen der slavernij te dunnen werd aan de hand gegeven door een decreet, aangenomen in een Concilie te Rome, in 595, hetwelk voorgezeten werd door paus Gregorius den Groote. Daarbij werd de vrijheid aangeboden aan allen, die monniken wilden worden. Men zegt, dat dit decreet tot groote ongeregeldheden aanleiding heeft gegeven, daar de slaven in grooten getale de huizen hunner meesters ontvlugtten en eene schuilplaats in de kloosters zochten.

Nog bepaalde de Kerk, dat ieder slaaf, die neiging gevoelde om priester te worden en daartoe de noodige geschiktheid scheen te bezitten, vrijelijk zijne roeping moest volgen; en zij gelastte zijn meester, hem vrij te laten, vermits de Kerk niet kon veroorloven, dat hare dienaren het juk der slavernij droegen. Het vroeger door ons aangehaalde voorbeeld van een predikant, met twee teenen afgesneden en een brandmerk op de borst, in de nieuwspapieren als vlugteling geadverteerd, zou niet wel bestaanbaar zijn geweest met het Christendom van dien tijd.

Het kan ons dus geene verwondering baren, dat er documenten bestaan, door den heer Balmes aangehaald, die, als gevolgen van deze bepalingen, het navolgende aantoonen: "Vooreerst, dat het aantal der aldus bevrijde slaven zeer groot was, aangezien er algemeen over geklaagd werd. Ten tweede, dat er bij voortduring geklaagd werd, dat de bisschoppen altijd in het belang der slaven waren, daar zij hunne bescherming zeer verre uitstrekten en op alle wijze de stelling, dat alle menschen gelijk zijn, poogden te verwezenlijken; en uit de bedoelde documenten blijkt de klagt, dat er schier geen bisschop was, die niet beschuldigd kon worden van berispelijke oogluiking ten gevalle van de slaven, en dat de slaven bewust waren van dien geest van bescherming en steeds gereed stonden hunne ketenen af te werpen en eene toevlugt te zoeken in den boezem der Kerk."

Het is onnoodig over dit onderwerp verder uit te weiden. Het is zoo duidelijk, werwaarts zulk een streven zich rigt, als waarheen de Amerikaansche geestelijkheid in de zuidelijke Staten streeft. Wij verwonderen ons niet, dat bij den weg, die aan den eenen kant ingeslagen werd, het aantal slaven allengs verminderde, tot dat er in het nieuwere Europa geene meer gevonden werden. Evenmin verwondert het ons, dat bij de handelwijze, die men in het andere geval gevolgd heeft, hun getal is aangewassen, tot dat er, gelijk thans, drie millioen in Amerika zijn.

De arme slaaf! Welke Kerk is zijn vriend? Welk bedehuis is hem eene vrijplaats? Welke heilige mannen staan op om hunne afkeuring uit te spreken over de booze wet, die hem een wettig huwelijk ontzegt? Welke vrome bisschoppen wenden zich tot de slaven-karavanen, om mannen, vrouwen en kinderen in vrijheid te stellen? In welke Kerken hoort men vurige vermaningen om rampzalige gevangenen los te koopen? Wanneer zijn kerksieraden verkocht en de avondmaals-bekers gesmolten, om slaven te bevrijden? Waar zijn de van Jezus' liefde bezielde herders, die zich-zelven in slavernij begeven hebben, om gescheidene gezinnen te hereenigen? Waar zijn die klagten der wereld, eene eerekroon voor de betrokkenen, dat de Kerk altijd aan de zijde is van de verdrukten? Dat de slaven het kloppen van haar edelmoedig hart hooren, en reikhalzen, om zich in hare armen te werpen? Broedermin, heilig menschelijk gevoel, liefde van Jezus,--waar zijt gij? Zijt ge voor eeuwig heengevloden?

HOOFDSTUK VIII.

IS DE SLAVERNIJ MET HET EVANGELIE OVEREEN TE BRENGEN?

Gij Heeren, doet uwen dienstknechten wat regt en billijk is.

Uit hetgeen in het vorige hoofdstuk gezegd is gelooven wij, dat blijken zal, dat de Christelijke Kerk in Amerika tot de slavernij geenszins in die verhouding staat, als waarin de Apostelen, of de Kerk in de eerste tijden, tot haar stonden.

Hoe men de taal der Apostelen ook verkieze uit te leggen, onbetwistbaar is het, dat de kerkelijke inrigting, welke na die heilige vermaningen verrees, de afschaffing der slavernij op het oog had en ook verwezenlijkte.

Maar wij willen nog eens stil blijven staan bij een denkbeeld, dat dikwijls op den voorgrond wordt gesteld door degenen, die de Amerikaansche slavernij verdedigen; dit namelijk: dat de instelling niet uit zich-zelve zondig is, en dat de eenige zonde bestaat in de veronachtzaming van de daartoe betrekkelijke verpligtingen. Al wat noodig is, zeggen zij, is die instelling overeen te brengen met de voorschriften van het Evangelie; en zij geven toe, dat geene slavernij te verdedigen is, die niet aldus is geregeld.

Indien het dan blijkt, dat de Amerikaansche slavenwetten niet zijn overeen te brengen met de voorschriften van het Evangelie, ten minste zonder zulke veranderingen, die het geheele stelsel den bodem inslaan, dan zal daaruit blijken, dat het eene onchristelijke instelling is, tegen welke ieder Christen moet opkomen en waaraan hij zich geheel moet onttrekken.

De Romeinsche slavenwet was opgesteld door heidenen,--bovendien door een geslacht, welks barschheid en gevoelloosheid tot een spreekwoord geworden is. Zij werd vervaardigd in de donkerste eeuwen, eer de dageraad van het Evangelie aangebroken was. Het Christendom schafte haar trapsgewijze maar zonder falen af. Eenige eeuwen later gaat eene bende Christenen naar het vaste land van Afrika, stookt daar oorlogen aan, zaait verdeeldheid, zet met duivelenwoede den eenen stam tegen den anderen op, steekt dorpen in brand en rooft en vervoert te midden van al die verwarring, van tijd tot tijd, honderden en duizenden beklagenswaardige gevangenen. Zij, die niet van ontzetting, smart, verstikking, koorts of andere afgrijselijkheden sterven, worden op de kusten van Amerika gebragt. Zij zijn hier. En nu komt eene schare Christelijke wetgevers bijeen om voor deze rampzaligen een wettelijk stelsel van slavernij te maken, dat later beschouwd moet worden als eene Christelijke instelling.

Om eenige geldige aanspraak op zulk een naam te hebben, moet die instelling natuurlijk bestuurd worden door de beginselen, die Christus en Zijne Apostelen gesteld hebben voor degenen, die met de betrekking van meesters bekleed worden. Het Nieuwe Testament legt die beginselen in eene enkele zinsnede neder: "Gij Heeren, doet uwen dienstknechten wat regt en billijk is."

Doch, daar er altijd eenige verwarring van begrippen bestaat ten opzigte van hetgeen voor onzen buurman regt en billijk is, heeft de Heer ons nog deze aanwijzing gegeven, waardoor wij tot onfeilbare zekerheid kunnen komen: "Wat gij wilt dat u geschiede, doe dat ook aan anderen."

Het is dus blijkbaar, dat indien Christelijke wetgevers een Christelijk stelsel van dienstbaarheid willen invoeren, zij het gronden moeten op deze beide voorschriften, van welke het eene de bepaalde verduidelijking is van het andere.

Laten wij nu eens eenige bijzondere punten nagaan van het wetboek, dat zij opgesteld hebben, en zien of het dit karakter draagt.

Vooreerst beginnen zij met te verklaren, dat hun broeder niet langer zal beschouwd worden als een mensch, maar gewaardeerd, verkocht, afgeleverd en te boek gesteld als een roerend goed.--Dit is "regt en billijk!"

Uit dezen grondslag van het stelsel vloeijen de hieronder beschreven gevolgen voort:

1. Dat hij geen regt zal hebben om eenigen eigendom hoegenaamd te bezitten.--Regt en billijk!

2. Dat hij geen regt zal hebben om een wettig huwelijk aan te gaan, noch om eenige vrouw in het bijzonder als zijne echtgenoote aan te merken.--Regt en billijk!

3. Dat hij geen regt zal hebben om zijne kinderen te beschermen, te straffen, voor te lichten of op te voeden.--Regt en billijk!

4. Dat de magt van den meester over hem, eene volstrekte magt zal wezen, zonder mogelijkheid van beroep of herstel wegens eenige mishandeling, hoe ook genaamd.

Om hiervoor goed te zorgen, hebben zij bepaald, dat hij onbevoegd is om eenig regtsgeding, van welken aard ook, aanhangig te maken.--Regt en billijk!

Dat hij geene getuigenis mag afleggen voor de regtbank, wanneer een blanke in de zaak betrokken is.--Regt en billijk!

Dat de eigenaar van een slaaf niet vervolgd kan worden "wegens het baldadig, wreedaardig en overdreven slaan van dien slaaf."--Regt en billijk!

Verder is bepaald, dat geen slaaf door eene zijdelingsche wijze van procederen, bijv. door een voogd, vergoeding voor mishandeling kan verkrijgen (Proces van Dorothea contra Coquillon c. s., 9 Martin La., Rep. 350).--Regt en billijk!

5. Er is bepaald, dat de slaaf niet alleen op den weg van regten geen verhaal heeft op zijn meester wegens mishandelingen, die hij van dezen heeft ondergaan, maar dat hij evenmin regt zal verkrijgen voor die, welke een ander persoon hem heeft aangedaan, tenzij hierdoor zijne waarde als verhandelbaar artikel is verminderd.--Regt en billijk!

Onder die rubriek staat duidelijk het volgende te lezen:

"Het eenvoudig slaan van een slaaf, zonder daarmede gepaard gaande wreedheid of poging tot moord, is geen vergrijp tegen de rust van den staat. De rust van den staat wordt daardoor niet verstoord." (De Staat contra Maner, 2 Hill's Rep. S. C.).--Regt en billijk!

Indien een slaaf een blanke slaat moet hij ter dood veroordeeld worden; doch indien een meester zijn slaaf door pijnigingen doodt, terwijl geene blanke getuigen aanwezig zijn geweest, kan hij zich door zijn eigen eed zuiveren (In Louisiana).--Regt en billijk!

De wet bedreigt boete en gevangenisstraf tegen dengeen, die eens anders slaaf bevrijdt van de straf van den ijzeren halsboei. (Louisiana).--Regt en billijk!

Zij bedreigt eene veel geringere boete, zonder gevangenzetting, tegen den man, die zijn slaaf met gloeijende ijzers gepijnigd, de tong uitgesneden, de oogen uitgestoken, hem verschroeid of lam geslagen zal hebben. (Louisiana).--Regt en billijk!

Zij bedreigt dezelfde straf tegen dengeen die hem leert schrijven, als tegen dengeen die hem de oogen uitsteekt.--Regt en billijk!

Daar het te begrijpen is, dat alleen zeer domme en onbeschaafde menschen in zulk een toestand gehouden kunnen worden, vooral in een land waar ieder boek en nieuwsblad overkropt is met vertoogen over de regten van den mensch, zoo beveelt de wet, dat hij noch zijne kinderen, door alle geslachten heen, zullen mogen leeren lezen noch schrijven.--Regt en billijk!

En daar de slaven, wanneer zij tot het houden van Godsdienst-oefeningen bijeen mogten komen, plannen zouden kunnen smeden om te ontvlugten of om herstel van grieven te vorderen, zoo zegt de wet: "Geene negers mogen, onder voorwendsel van de Godsdienst, bijeenkomsten houden; elke slaaf, op zulke vergaderingen aangetroffen, zal zonder proces, terstond gecorrigeerd worden met vijf en twintig zweep- of bullepeesslagen op den blooten rug." (Wet van Georgia, Prince's Digest, blz. 447.)--Regt en billijk!

Ofschoon de dienstbare aldus in onwetendheid wordt gehouden, wordt hij voor gelijke misdrijven zwaarder gestraft dan de vrije.--Regt en billijk!

Bij maniere van bescherming tegen overmatig werk bepalen zij, dat hij hoogstens vijf uren langer mag arbeiden dan de tot dwangarbeid veroordeelden!

Ook schrijven zij voor, dat de meester of opzigter, niet hij-zelf, beslissen zullen wanneer hij te ziek is om te werken.--Regt en billijk!

Indien een meester, medelijden hebbende met het lot van den slaaf, daarin verbetering wil brengen, ontneemt de wet hem daartoe het vermogen door de volgende bepalingen:

1. Dat al zijne verdiensten aan zijn meester zullen behooren, niettegenstaande zijns meesters beloften ter contrarie; zoodat hij aansprakelijk wordt voor de schulden van zijn meester.--Regt en billijk!

2. Dat, indien zijn meester hem veroorlooft vee te houden voor zijn eigen gebruik, iedereen dit weg zal mogen nemen en de helft van het in beslag genomene zal genieten.--Regt en billijk.

3. Indien zijn meester hem op vrije voeten stelt, zal hij opgepakt en weder verkocht worden.--Regt en billijk!

Indien een man of vrouw aan dezen toestand ontvlugt en na indaging niet terugkeert, kunnen twee vrederegters hem of haar buiten de wet stellen, en dan staat het ieder in de gemeente vrij de vlugteling te dooden op de wijze die men zal goedvinden.--Regt en billijk!

Zoodanig zijn de wetten van dat slavenstelsel, hetwelk laat in den Christelijken tijd opgemaakt is door Christelijke meesters, en thans verdedigd wordt door Christenleeraars als eene bijzonder weldadig werkende instelling.

Aldus hebben Christelijke wetgevers doen blijken, dat zij den tekst verstaan: "Gij Heeren, doet uwen dienstknechten wat regt en billijk is;" als ook dezen: "Wat gij wilt dat u geschiede, doe dat ook aan anderen."

Er blijken voorzeker de meest ongewone begrippen van regt en billijkheid uit en het is de merkwaardigste verwezenlijking van het beginsel om aan anderen te doen wat wij wenschen dat ons geschiede, hetwelk de beschaafde wereld ooit het genoegen heeft gehad te aanschouwen. Als dit nu de instelling is, dan ga ieder na wat hare misbruiken moeten zijn; want eerwaarde predikanten betuigen ons met een ernstig gelaat, dat zij zich niet geroepen achten om zich met het stelsel te bemoeijen, maar alleen met zijne misbruiken. Wij zouden wel eens willen weten welk misbruik men kan aanwijzen, dat niet bij de wet voorzien en uitdrukkelijk door haar in bescherming genomen is.

En toch beweren Christelijke republikeinen (die, ofschoon de magt hebbende om die wetten in te trekken, haar elken dag handhaven), dat er geen kwaad in de slavernij ligt, indien men die instelling regelt naar de voorschriften der Apostelen en den onderhoorigen geeft wat regt en billijk is. Denken zij dan, dat, indien de Christen-meesters van Rome en Corinthe zulk een stel van regelen gemaakt hadden voor het bestuur hunner slaven, Paulus die zou erkend hebben als eene juiste toepassing van hetgeen hij met regt en billijk bedoelt?

Maar de Presbyterijen van Zuid-Carolina en alle andere Godsdienstige genootschappen van het Zuiden zeggen, dat de Kerk van onzen Heer Jezus Christus geen regt heeft om zich met burgerlijke instellingen te bemoeijen. Wat is die Kerk van onzen Heer Jezus Christus, waarvan zij spreken? Is zij niet eene vereeniging van republikeinen, die de constitutioneele magt hebben om die wetten te veranderen, wier pligt het is ze te veranderen, en die aan de voorschriften van den Apostel ongehoorzaam zijn elken dag wanneer zij er geene wijziging in brengen? Elk predikant in het Zuiden is stemgeregtigde zoowel als predikant; elk lidmaat is stemgeregtigde zoowel als lidmaat; en predikanten en ledematen behooren onder de meesters die dit afgrijselijke stelsel in stand houden, terwijl zij de volle magt hebben om het te veranderen: en nog durven zij er van spreken, hunnen dienstknechten te geven wat regt en billijk is! Indien zij hunnen onderhoorigen willen geven wat regt en billijk is, dat zij hun dan hunne menschenwaarde terugschenken; zij zijn de wettenmakers en kunnen het doen. Laten zij den slaaf het regt geven om iets in eigendom te bezitten, om een wettig huwelijk aan te gaan, om Gods woord te lezen, en om zulk eene opvoeding te erlangen dat zijn verstand en zedelijk gevoel er volkomen door ontwikkeld worde; het regt van gewetensvrijheid en van vrije eeredienst; het regt om zaken voor de regtbanken te kunnen aanbrengen en getuigenis te mogen afleggen; het regt om eenige stem te hebben in het bestuur, waardoor zijne belangen behartigd worden. Dit zal meer gelijken naar het geven van hetgeen "regt en billijk" is.

De eerwaarde Smylie, van Mississippi, zegt, dat de planters van Louisiana en Mississippi, terwijl zij twintig à vijf en twintig dollars voor een vaatje spek betalen, hunnen slaven drie à vier pond spek per week toeleggen; en geeft daarbij te verstaan, dat, indien dit de menschen niet overtuigt dat er regt en billijk gehandeld wordt, hij niet meer weet hoe hij het hun aan het verstand zal brengen.

De heer C. C. Jones, na op verschillende plaatsen te kennen gegeven te hebben dat hij niet voornemens is zich immer met den civielen toestand van de slaven te bemoeijen, brengt den negers in zijn Katechismus onder het oog, dat de meester zijnen dienaar geeft wat regt en billijk is, wanneer hij hem voorziet van goede huisvesting, goede kleeding, voedsel, oppassing en Godsdienstig onderrigt.

Dit is even als een man, die eene erfenis verduisterd heeft, welke aan weezen toebehoort. Uit zijne rijke inkomsten verschaft hij den weezen voedsel, kleederen enz., terwijl hij het overige voor zijn eigen gebruik houdt en verklaart dat hij hun geeft wat regt en billijk is.

Indien de wetten op het stuk van slavernij gemaakt waren door een despotisch vorst, op wiens handelingen de meesters geen invloed konden uitoefenen, dan kon deze handelwijze misschien regt en billijk genoemd worden; maar daar zij gemaakt zijn en in werking gehouden worden door die Christelijke meesters, die predikanten en die ledematen, in vereeniging met menschen die dat niet zijn, zoo onthoudt ieder zijnen slaven wat regt en billijk is, zoo lang hij niet streeft naar de intrekking dier wetten; en indien zij die afschaffing niet kunnen verwerven, is het hun pligt de slaven daaraan te ontrukken, daar die wetten met zulk eene duivelsche arglistigheid zijn zamengesteld, dat zij al wat de meester tot verheffing en welzijn van zijne slaven beproeft, volkomen krachteloos maken.

Niemand zou begeeren zijne eigene kinderen als slaven onder de magt te laten van den zachtzinnigsten meester die ooit het levenslicht aanschouwde; en wat hij zijnen eigenen kinderen niet aangedaan zou wenschen te zien, behoorde hij ook niet te doen aan de kinderen van anderen.

Maar men zal zeggen, dat het der Christelijke Kerk niet past, zich in staatszaken te mengen. Nogmaals vragen wij: wat is de Christelijke Kerk? Is zij niet eene vereeniging van republikeinsche burgers, van welke ieder zijne regten en pligten als wettig stemgeregtigde heeft?

Stel eens, dat eene wet werd aangenomen, die de waarde van de katoen of de suiker met drie cents per pond verminderde; zouden deze menschen de omstandigheid dat zij ledematen zijn, dan beschouwen als eene reden om niet aan te dringen op de intrekking van die wet? Gewis niet. Zulk eene wet zou weggevaagd worden als een spinneweb, schier eer zij nog bestond. Iedere wet waarmede de meerderheid der burgers niet instemt, is in dit land terstond vernietigd.

Waarom blijft dit monsterachtig stelsel dan van eeuw tot eeuw voortduren? Omdat de meerderheid der burgers er in toestemt. Door hunne stilzwijgende goedkeuring vernieuwen zij die wetten elken dag.

Het rijk van onzen Heer Jezus Christus is niet van deze wereld, zeggen de Presbyterijen in Zuid-Carolina; daarom heeft de Kerk geen regt om zich met eenigerhande burgerlijke instelling te bemoeijen; maar toch is de geheele geestelijkheid van Charleston en corps opgekomen om hare goedkeuring te hechten aan de handelingen van het groote "Vigilance Committee." Zij kon niet voegzaam den minsten invloed uitoefenen tegen de slavernij, maar wel al het gewigt van haar invloed in de schaal werpen ter gunste daarvan.

Maakt men door het voorstaan van den verdrukker, het rijk van onzen Heer Jezus Christus niet evenzeer van deze wereld, als door het beschermen van den verdrukte?

HOOFDSTUK IX.

KOMT HET GODSDIENSTIG ONDERRIGT, DAT MEN DEN SLAAF GEEFT, MET HET EVANGELIE OVEREEN?

De Vrouwen van Engeland hebben in haar adres aan de Vrouwen van Amerika in het bijzonder er van gewaagd, dat den slaaf het Evangelie onthouden wordt. Men heeft zich daarover hier te lande zeer verontwaardigd betoond, en beweerd, dat het Evangelie ruimschoots ter kennisse van de slaven wordt gebragt.

Wie het werk van den heer C. C. Jones, betreffende het Godsdienstig onderrigt der negers, leest, zal geen twijfel koesteren aangaande de volgende punten:

1. Dat er jaar op jaar, sedert den invoer van negers in dit land, door verscheidene vrome en welgezinde personen pogingen voor hun geestelijk welzijn zijn aangewend.

2. Dat die pogingen van jaar tot jaar talrijker zijn geworden.

3. Dat de belangrijkste poging plaats vond omstreeks den tijd toen de heer Jones zijn werk schreef, in 1842, en dat zij eenige uitbreiding kreeg in de Vereenigde Staten. Zij heeft vermoedelijk hare grootste ontwikkeling gehad in den Staat Georgia, den kring van de onmiddellijke bemoeijingen van den heer Jones, waar zeer goede resultaten verkregen zijn en van de zijde der meesters veel loffelijk Christelijk gevoel is aan den dag gelegd.

4. Van tijd tot tijd zijn ten dienste der slaven katechismussen, gezangen, korte preken, enz. enz. opgesteld, bestemd om hun door hunne meesters voorgelezen of mondeling onderrigt te worden.

5. Het zal bij het lezen van het werk van den heer Jones aan ieder blijken, dat, ofschoon het geschreven is door een man, die het slavernij-stelsel door God goedgekeurd acht, er een geest uit spreekt van opregte welwillendheid en van hartelijke belangstelling in de taak, waaraan hij zich gewijd heeft, die niet genoeg geprezen kan worden.

Het is een pijnlijke en onaangename pligt, wanneer men een oordeel of een verschil van gevoelen moet uitdrukken, ten aanzien van pogingen, die met een goed doel ondernomen zijn en in menig opzigt goede vruchten gedragen hebben; doch bij het lezen van het bedoelde werk van den heer Jones, en van zijne katechismussen en preken, die een denkbeeld geven van het Godsdienstig onderrigt der slaven, is schrijfster dezes smartelijk getroffen geworden door de meening, die bij haar oprees, dat, hoeveel goeds hier ook voorkomt, het niet het ware en zuivere stelsel van het Evangelie is, dat den slaaf gegeven wordt. Voor zoo ver de schrijfster, hetgeen haar wordt medegedeeld, heeft kunnen nagaan, komt het hierop neder: dat zijns meesters gezag over hem en regt op hem, zoover de slavenwet het uitstrekt, erkend en gehandhaafd wordt door de ontzagwekkende autoriteit van God zelf. Men zegt hem, dat zijn meester de opzigter van wege God is; dat hij hem blinde, onvoorwaardelijke en onbegrensde gehoorzaamheid is verschuldigd; dat hij niet mag morren of misnoegd zijn over iets, dat deze hem aandoet; en, in geval hij er zich toch aan overgeeft, dat hij dan niet murmureert tegen zijn meester maar tegen God. Men leert hem, dat het Gods wil is, dat niets dan zwoegen en armoede op deze wereld zijn doel zal wezen; en dat, indien hij daarover ontevreden is, hij daardoor niets zal winnen in dit leven, maar in het volgende voor eeuwig naar de hel gezonden worden. De meest levendige schilderingen van de hel en hare pijnen en hare wormen die nimmer sterven, worden hem voorgehouden; en men dringt hem op, dat die eeuwige pijniging het gevolg zal zijn van ongehoorzaamheid hier beneden. Het verwondert mij nu gansch niet, dat een slavenhouder eenmaal aan Dr. Brisbane van Cincinnati verklaarde, dat de Godsdienst op zijne plantage hem van meer nut was dan eene geheele wagenvracht bullepezen.

Verder zegt men den slaaf, dat de poging om zijn meester te ontvlugten, of het helpen en herbergen van een slaaf, die ontvlugt is, dingen zouden zijn die hem blootstellen aan den toorn van dat alomtegenwoordige Wezen, welks oog tot elken schuilhoek doordringt.

Daar de slaaf een roerend en verhandelbaar voorwerp is, onderhevig, gelijk de heer Jones kalm aanmerkt, "aan al de wisselingen van den eigendom," moet dit stelsel van onderrigt, naar men denken kan, verwarring geven, wanneer het de Christelijke pligten van het huisgezin in den geest van den slaaf prent.

Bij het nemen van een overzigt van het veld, dat hij bearbeiden wil, verhaalt de heer Jones ons--hetgeen ieder verstandig mensch reeds moet begrepen hebben--dat hij bij de negers in dit opzigt zeer berispelijke handelwijzen opgemerkt heeft; dat de veelwijverij algemeen onder hen in zwang is, en dat de huwelijksverbindtenis bij hen eene bloot tijdelijke vereeniging is, gesproten uit zucht naar belang, voordeel of genoegen, aangegaan zonder bedachtzaamheid en ontbonden zonder het geringste spoor van schuldgevoel.

Ieder zal bevroeden, dat deze stand van zaken het noodwendig gevolg moet wezen van het wetten-stelsel, dat die Christelijke menschen gemaakt hebben en nog voor hunne slaven in kracht houden; en ieder zou het, om met eenige vrucht het Godsdienstig onderrigt te kunnen toedienen, voor onvermijdelijk houden, dat de neger verplaatst wierde in een toestand, waarin hij een wettig huwelijk kan aangaan en hieraan trouw kan blijven nadat het gesloten is.

Doch de heer Jones en zijne medestanders begonnen met de verklaring, dat zij niet voornemens waren zich in het geringste met den wettelijken toestand van den slaaf te bemoeijen.

Wij zouden daarom niet gedacht hebben, dat, indien de meesters besloten hunne slaven te houden in den toestand van roerend goed, onderworpen aan eene herhaalde verbreking van de familie-banden, zij hen zouden hebben durven doen onderrigten van de strenge zedeleer van het Evangelie met opzigt tot de huwelijksbetrekking.

Evenwel is dit het geval. Zoo wij den Katechismus van den heer Jones doorloopen, zullen wij bevinden, dat men den slaaf mondeling laat opzeggen, dat één man de echtgenoot van slechts ééne vrouw kan zijn en dat, indien hij gedurende haar leven eene andere huwt, God hem daarvoor eeuwigdurende straf in de hel zal doen lijden.

Stel dat eene Godsdienstige vrouw, onderwezen uit dien Katechismus, ten gevolge van den dood haars meesters wegens boedelscheiding aan de markt gebragt wordt,--gelijk in vele gevallen plaats vindt, waarvan wij de advertentiën elke week in de nieuwsbladen van Georgia lezen. Zij wordt ontrukt aan man en kinderen en naar het andere einde der Vereenigde Staten verkocht, waar zij hem nimmermeer zal ontmoeten, en haar meester beveelt haar een ander echtgenoot te nemen. Wat moet die vrouw nu doen? Zoo zij er een neemt, begaat zij, volgens haar Katechismus, overspel, en stelt zich bloot aan de straffe des eeuwigen vuurs; neemt zij hem niet, dan is zij haar meester ongehoorzaam, die, gelijk men haar geleerd heeft, haar opzigter van wege God is, en stelt zij zich ook om die reden aan het eeuwige vuur bloot;--zooveel is zeker, dat zij in allen gevalle hier beneden met vreeselijke martelingen bedreigd wordt.

Nu vragen wij of een onderrigt, hetwelk dit arme schepsel in zulk een doolhof van afgrijselijkheden verwart, het Evangelie kan genoemd worden?

Is dit het Evangelie, de Blijde Boodschap, in eenigerhande beteekenis van het woord?

Op dezelfde wijze beveelt die Katechismus den ouders, hunne kinderen op te voeden volgens de voorschriften en in den geest des Heeren, en ze te leiden, te raden, te tuchtigen en te besturen.

Nog leeren die onderwijzers hen, dat zij de Schrift naarstig en onophoudelijk moeten onderzoeken, doch verklaren te gelijkertijd, dat het hun voornemen niet is, zich te bemoeijen met de wetten, die verbieden dat den slaven het lezen geleerd worde. De Schrift onderzoeken, zegt men den slaven, beteekent, zich te wenden tot menschen, die genegen zijn hen daaruit voor te lezen. Ja, maar indien niemand hiertoe genegen is, wat dan? Iemand, dien de Katechismus dus onderwezen is, wordt bijv. verkocht naar eene plantaadje aan de Roode Rivier, gelijk die, waar Northrop vertoefde; geen Bijbel vergezelt hem derwaarts; zijne Christelijke onderwijzers hebben hem, in hunne zorg om zich met zijn burgerlijken toestand niet te bemoeijen, verstoken van het vermogen om te lezen; en in dat land der duisternis is het mondeling onderrigt slechts eene hersenschim. Laat iemand ons eens vragen, voor welken prijs wij verstoken zouden willen zijn van het vermogen, om ooit den Bijbel zelven te lezen en geheel afhankelijk te moeten zijn van het voorlezen van anderen,--vooral wanneer wij gevaar liepen van in zulke handen te vallen als met de slaven het geval is,--en dan kunnen wij nagaan of een stelsel van Godsdienstig onderrigt, hetwelk begint met te verklaren, dat het geen voornemen heeft zich met die wreede wettelijke berooving te bemoeijen, het Evangelie is!

Verder wordt de arme slaaf, die reeds aan alle kanten verblind, verward en in duisternis gehuld is door de strikken, die de wet voor zijne voeten legt, stiptelijk onderwezen in een volkomen zamenstel van zedeleer. Hij mag niets begeeren wat zijnen meester behoort; hij mag niet morren of ontevreden zijn; hij moet zijns meesters belangen behartigen als zijne eigene en gereed zijn, zich er voor op te offeren; en zoo moet hij, gelijk men hem leert, zich niet alleen gedragen jegens den vriendelijken en den welwillenden, maar ook jegens den barschen meester. Hij moet alle beleedigingen vergeven en onder alle beproevingen naar regt handelen. Zoodanigerwijze worden hem zijne verpligtingen voorgehouden, terwijl de wederkeerige verpligtingen van den meester slechts bestaan in het verschaffen van goed huisdak, kleeding, voeding, enz., terwijl daarbij aan de willekeur van elken meester wordt overgelaten, te bepalen wat met opzigt tot deze zaken goed is.

Het kan geene verwondering baren, dat, wanneer men zulk een stelsel van de verregaandste ongeregtigheid voor den neger wil regtvaardigen door het gezag der Godsdienst, nu en dan een sterke geest zich daartegen verzet. Onder eene zwarte huid hebben wij scherpzinnige hoofden, onmisleidbare gemoederen gevonden, wier geprikkeld gevoel van regt door zulke voorstellingen in het geheel niet van het spoor gebragt kon worden.

Dat de heer Jones dezulken ook ontmoet heeft, is blijkbaar; want, sprekende van de bezwarenissen, waaraan een zendeling in hun midden onderworpen is, zegt hij op blz. 127:

Hij treft deïsmus, scepticismus, universalismus onder hen aan, alsmede verschillende verbasteringen van het Evangelie en alle mogelijke tegenwerpingen tegen de Goddelijke waarheid,--tegenwerpingen, die hij misschien alleen gezocht zou hebben bij beschaafde lieden, ervaren geleerden of scherpzinnige critici en wijsgeeren! Die uitersten ontmoet men hier op het gemeenschappelijk terrein van een beneveld verstand en een verstokt hart.

Verder zegt hij in het tiende jaarlijksche verslag van de "Vereeniging voor het Godsdienstig onderrigt der negers in Liberty County, in Georgia:"

Veroorlooft mij, een voorval mede te deelen, dat in de lente van dit jaar gebeurde en strekken kan om een inzigt te geven in het karakter en de gevoelens der negers. Ik predikte voor eene groote vergadering uit den Brief van Philemon; en toen ik uitweidde over de trouw en gehoorzaamheid als Christelijke deugden bij dienaren, en op gezag van Paulus het ontvlugten sterk veroordeelde, vertrok de helft mijner toehoorders zonder bedenken, en de overgeblevenen schenen gansch niet ingenomen met den predikant of zijne leer. Na den afloop heerschte er eene groote beweging onder hen; sommigen beweerden stellig, dat zulk een brief niet in den Bijbel stond; anderen "dat dit het Evangelie niet was;" nog anderen "dat ik predikte om hunnen meesters te behagen," weder anderen "dat het hun onverschillig was of zij mij immer weder hoorden prediken."--Blz. 24 en 25.

Lundy Lane, een verstandig vlugteling, die ook Gedenkschriften heeft uitgegeven, zegt dat de slaven bij zekere gelegenheid bijzonder ingenomen waren met een predikant, totdat hij hun begon te betoogen, dat zij door God opzettelijk tot slaven bestemd en geschapen waren. Allen, zegt hij, lieten hem alleen staan, omdat zij met de Joden dachten: "Dit is een hard woord; wie kan het aanhooren?"

Door deze opmerkingen omtrent de verdraaijing van het Evangelie, zoo als men het den slaven leert, willen wij niet beweren, dat hun niet veel nuttigs en prijselijks onderwezen wordt. Wij willen alleen betoogen, dat, voor zoo verre hetgeen men hen onderwijst de slavernij regtvaardigt, het noodwendig de gronddenkbeelden van geregtigheid en zedelijkheid schendt. Het is, gelijk wij reeds vroeger zeiden, eene poging, om de duisternis met het licht en Christus met Belial te verzoenen. Zulk eene poging kan niet geregtvaardigd of geduld worden op grond dat zij in een welwillenden geest door welwillende menschen wordt ondernomen. Wij koesteren hooge bewondering voor sommige der arbeiders, die dit stelsel ingang hebben doen vinden, even als voor vele der zendelingen uit de Jezuïten, die het Roomsch-Catholijke geloof onder de inheemsche stammen van dit land gebragt hebben. De opoffering en onbaatzuchtigheid kan niet verder gedreven worden dan door sommigen uit deze beide klassen van menschen geschied is.

Doch, terwijl onze eerbied voor deze lofwaardige mannen ons als Protestanten niet moet verleiden tot het bewonderen van het stelsel, dat zij onderwezen hebben, zoo moet onze achting voor onze zuidelijke broeders ons ook niet verlokken om te erkennen, dat een stelsel, hetwelk de slechtste soort van geestelijke en wereldlijke dwingelandij regtvaardigt, in overeenstemming is met het Evangelie van Hem, die den gevangene verlossing kwam aankondigen.

Ten bewijze dat wij den geest van het onderrigt niet verkeerdelijk hebben voorgesteld, zullen wij eenige uittreksels uit onderscheidene predikatiën en redevoeringen mededeelen.

Om te weten hoe onbewimpeld de Godsdienst-onderwijzers iedere bedoeling om zich met de wettelijke betrekking te bemoeijen, van zich afwerpen, zie men het werk van den heer Jones op blz. 157:

Door wetten en gebruiken zijn zij uitgesloten van de voordeelen der opvoeding en gevolgelijk van het lezen van Gods woord; en dit ontelbare aantal onsterfelijke wezens is voor Godsdienstig onderrigt geheel afhankelijk van mondelinge mededeelingen. En van wie? Van hunne meesters. En hunne meesters beweren, voornamelijk in de laatste jaren, de uitsluitende bestierders van hun Godsdienstig onderrigt te zijn en de uitdeelers van de Goddelijke barmhartigheid ten hunnen aanzien, zoodat zij de verantwoordelijkheid van hunne geheele bekeering op zich nemen!

Er wordt streng gewaakt tegen alle toenadering van buiten, en geene Evangelie-dienaren mogen hun het brood des levens toereiken dan die, welke zich in het vertrouwen hunner meesters hebben weten te dringen. Ik veroordeel dezen maatregel van zelfbehoud van de zijde onzer medeburgers niet; ik maak er slechts gewag van om hunne geheele afhankelijkheid van ons-zelven aan te toonen.

Bij het beantwoorden van de bedenkingen der meesters tegen het Godsdienstig onderrigt der negers, stelt hij de navolgende tegenwerping en beantwoordt die volgenderwijze:

Indien wij onze negers laten onderrigten zal er een streven naar eene verandering in de burgerlijke betrekkingen der maatschappij uit voortvloeijen.

Wij antwoorden daarop: dat wij hun Godsdienstigen en hun maatschappelijken toestand geheel van elkander afscheiden, en beweren dat voor den eenen kan gezorgd worden zonder zich met den anderen te bemoeijen. Ons beginsel is dat, hetwelk gesteld is door den Heilige en Regtvaardige: "Geef den keizer wat des keizers, en Gode wat Godes is." En Christus en Zijne Apostelen zijn onze voorbeelden. Achtten zij het bestaanbaar met de goede maatschappelijke orde, den dienaren het Evangelie te prediken? Ja. Bemoeiden zij zich daarbij met hun maatschappelijken toestand? Neen.

De volgende beschrijving van de gelukzaligheid in den hemel en van de pijnigingen in de hel, is ontleend aan den Katechismus van den heer Jones, blz. 83, 91 en 92:

Vraag. Wordt er in den Bijbel slechts van twee plaatsen gesproken werwaarts de zielen der menschen na den dood heengaan?--Antwoord. Slechts van twee.

V. Welke zijn die?--A. Hemel en hel.

V. Naar welke plaats gaan de regtvaardigen na het oordeel?--A. Naar den hemel.

V. Welke soort van plaats is de hemel?--A. Eene allerheerlijkste en gelukzalige plaats.

V. Zullen de regtvaardigen in den hemel hongeren, of dorsten, of naakt, of heet, of koud zijn? Zullen zij daar zonde, of smart, of geween, of pijn, of dood kennen?--A. Neen.

V. Zeg op: "En God zal alle tranen van hunne oogen wisschen."--A. "En God zal alle tranen van hunne oogen wisschen, en daar zal geen dood, noch smart, noch geween meer zijn; ook zal daar geene pijn meer wezen; want de vroegere dingen zijn te niet gedaan."

V. Zal de hemel hunne eeuwigdurende woonplaats zijn?--A. Ja.

V. En zullen de regtvaardigen daar altijd in kennis en heiligheid en gelukzaligheid toenemen?--A. Ja.

V. Naar welke plaats moeten wij, meer dan naar eenige andere, wenschen en pogen heen te gaan?--A. Naar den hemel.

V. In welke plaats zullen de goddeloozen geworpen worden?--A. In de hel.

V. Zeg op: "De goddeloozen zullen geworpen worden."--A. "De goddeloozen zullen geworpen worden in de hel, en alle natiën die God vergeten."

V. Welke soort van plaats is de hel?--A. Eene plaats van vreeselijke pijnigingen.

V. Wat brandt daar?--A. Een eeuwigdurend vuur.

V. Wie worden, behalve de goddelooze menschen, nog in de hel geworpen?--A. De duivel en zijne engelen.

V. Wat zullen de pijnen der hel den goddeloozen ontlokken?--A. Geween en knarsinge der tanden.

V. Om wat smeekte de rijke toen hij door de vlammen gefolterd werd?--A. Om een droppel water, ten einde zijne tong te verkoelen.

V. Zullen de goddeloozen iets goeds in de hel hebben? het minste genoegen? de minste verligting hunner folteringen?--A. Neen.

V. Zullen zij immer uit de hel komen?--A. Neen, nimmer.

V. Kan iemand van den hemel naar de hel, of van de hel naar den hemel gaan?--A. Neen.

V. Wat bevindt zich tusschen den hemel en de hel?--A. Een groote afgrond.

V. Hoe wordt de straf der goddeloozen in de hel genoemd?--A. Eeuwigdurende straf.

V. Zal deze straf hen beter maken?--A. Neen.

V. Zeg op: "Het is vreeselijk."--A. "Het is vreeselijk, te vallen in de handen des levenden Gods."

V. Hoe wordt God voor de goddeloozen genoemd?--A. Een verterend vuur.

V. Welke plaats moeten wij boven alle andere trachten te vermijden?--A. De hel.

De eerwaarde Alex. Glennie, predikant van het All-Saints kerspel, te Waccamaw, in Zuid-Carolina, is vele jaren gewoon geweest, bijzonder met het oog op de slaven te prediken. In 1844 gaf hij te Charleston eene keur van die preken in het licht, onder den titel van: Leerredenen, gepredikt op plantaadjen voor vergaderingen van negers. Er komen zes en twintig leerredenen in voor, en in twee en twintig daarvan vindt men een meer of minder groote uitweiding over de hel als een spoorslag tot pligtsbetrachting. Volgenderwijze beschrijft hij het laatste oordeel (Vijftiende leerrede, blz. 90):

Wanneer allen voor Hem staan, zal Hij ze afzonderen, gelijk een herder zijne schapen van de bokken afzondert; en de schapen zal hij plaatsen aan Zijne regterhand en de bokken ter linkerhand. Die afzondering, mijne broederen, zal een vreeselijk iets zijn; wanneer de heilige engelen, op bevel van den grooten Regter, al de gehoorzame volgelingen van Christus bijeen zullen vergaderen en hen zullen plaatsen aan de regterzijde van den regterstoel, en al de overigen aan de linkerhand. Bedenkt, dat ieder uwer tegenwoordig moet zijn; bedenkt, dat bij den grooten Regter geene vergissing mogelijk is; en dat gij aan de eene of aan de andere zijde zult geplaatst worden, naar mate gij in deze wereld in Hem geloofd en Hem gehoorzaamd zult hebben, of niet. Hoe vol van vreugde en dankzegging zult gij zijn, indien gij u aan de regterhand ziet plaatsen! maar ook hoe vol van rampzaligheid en wanhoop, wanneer de linkerzijde u als plaats aangewezen wordt!

Maar wat zal Hij zeggen tot de goddeloozen aan Zijne linkerhand? Hun zal Hij toevoegen: "Gaat weg van mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, dat bereid is voor den duivel en zijne engelen." Hij zal hen gebieden te vertrekken; hier op aarde zochten zij Hem niet door boetvaardigheid en geloof; zij gehoorzaamden Hem niet en thans zal Hij hen uit Zijne tegenwoordigheid verdrijven. Vervloekten zal Hij ze noemen.

(Eerste Leerrede, blz. 42). De dood, die de bezoldiging is der zonde, is dat eeuwige vuur, hetwelk voor den duivel en zijne engelen bereid is. Het is een vuur, dat altijd zal branden; en de duivel en zijne engelen, en alle menschen, die God niet willen liefhebben en dienen, zullen daar eeuwige straf lijden. De Bijbel zegt: "De walm hunner pijniging stijgt in eeuwigheid op." Het vuur wordt niet gebluscht, het dooft nimmer uit, de worm sterft niet; want van hunne straf wordt gesproken als van een worm, die altijd aan hen knaagt, maar hen nimmer verslindt; het kan niet eindigen.

Met opzigt tot de volstrekte heerschappij van den meester kan dienen het volgende extract uit eene leerrede van bisschop Meade (Brook's Slavery, blz. 30-32):

Na u aldus de noodzakelijkste verpligtingen te hebben geschetst, die gij jegens uw grooten Meester in den Hemel hebt te vervullen, ga ik nu over tot hetgeen gij verschuldigd zijt aan uwe meesters en meesteressen hier op aarde; hiervoor bestaat een algemeene regel, dien gij altijd in gedachten behoort te houden, en die is: verrigt voor hen alle dienst, als of gij het voor God-zelven deedt. Arme schepsels! weinig bedenkt gij, wanneer gij lui zijt en de zaken uwer meesters veronachtzaamt, wanneer gij steelt of iets wat het hunne is verspilt of bederft, wanneer gij eigenzinnig of onheusch zijt, wanneer gij liegt en hen misleidt, wanneer gij norsch zijt en niet dan met slagen en straffen tot het werk gedreven kunt worden,--weinig bedenkt gij dan, zeg ik, dat de misdrijven, aan welke gij u schuldig maakt jegens uwe meesters en meesteressen, misdrijven zijn, welke gij begaat jegens God-zelven, die uwe meesters en meesteressen over u gesteld heeft in Zijne eigene plaats, en die verwacht, dat gij voor hen stipt hetzelfde zult doen, wat gij voor Hem zoudt verrigten. En ik bid u, denk toch niet, dat ik u misleid, wanneer ik u zeg, dat uwe meesters en meesteressen opzigters zijn van wege God; en dat, indien gij u jegens hen vergrijpt, God er u strengelijk voor zal straffen hier namaals, tenzij gij er berouw over hebt en er voor poogde te boeten door trouw en ijver in den vervolge; want God-zelf heeft dat verklaard.

Uit dezen algemeenen regel nu,--namelijk, dat gij voor uwe meesters en meesteressen alles doen moet, alsof gij het voor God-zelf deedt,--ontspruiten verscheidene andere verpligtingen jegens uwe meesters en meesteressen, die ik in geleidelijke orde voor u zal trachten te ontwikkelen.

In de eerste plaats dan, moet gij uwen meesters in alle dingen gehoorzaam en onderdanig zijn.... En den Christelijken leeraars wordt bevolen: "de dienstknechten te vermanen om gehoorzaam te zijn aan hunne eigene meesters, en hen in alle dingen, zonder tegenspraak of morren te wille te zijn." Gij ziet hoe streng God van u vordert, dat gij, wat uwe meesters en meesteressen u bevelen, terstond verrigt en getrouw uitvoert, zonder tegenspreken of morren, en dat gij zorgt hen in alles te wille te zijn. En tot uwe aanmoediging verzekert Hij u, dat Hij er u in den hemel voor zal beloonen, dewijl, wanneer gij eerlijk en trouw de belangen van uw meester hier beneden waarneemt, gij uw Heer en Meester in den hemel dient. Gij ziet alzoo, dat gij geen verschil moet maken in uw gedrag ten aanzien uwer meesters en meesteressen, en dat gij gehoorzaam en onderworpen moet zijn, niet alleen aan degenen die goed en minzaam en zachtmoedig jegens u zijn, maar ook aan degenen, die hard en norsch jegens u mogten wezen. Want gij zijt niet vrij om uwe eigene meesters te kiezen; maar daar, waar God u geplaatst heeft, moet gij uw pligt doen en God zal er u voor beloonen.

Gij moet trouw en eerlijk voor uwe meesters en meesteressen zijn, niet lui wezen of hunne bezittingen verwaarloozen, maar in alle opzigten u betamelijk jegens hen gedragen.... Zijn het niet uwe meesters, die, naast God, voor u zorgen? En hoe zullen zij hiertoe bij magte zijn, hoe u kunnen voeden en kleeden, zoo gij niet behoorlijk zorgt voor al wat het hunne is? Herinnert u, dat God dit van u vordert; en zoo gij niet bevreesd zijt voor straf hier beneden, bedenkt, dat gij niet kunt ontkomen aan de tuchtiging van den Almagtigen God, die oordeelen zal tusschen u en uwe meesters, en die u in de andere wereld strengelijk zal doen boeten voor al hetgeen gij hier jegens hen misdreven hebt. En zoo gij het zoo loos kondt overleggen, dat gij hier aan de oogen en handen der menschen ontkwaamt, bedenkt hoe vreeselijk het is te vallen in de handen des levenden Gods, die in staat is, om beide ligchaam en ziel in de hel te werpen!

Dient uwen meester met blijmoedigheid, eerbied en onderdanigheid. Verrigt uws meesters werk goedwillig en van ganscher harte als de wil Gods, zonder misnoegen of tegenspraak. Hoe velen uwer handelen geheel anders, en kijven en knorren, in stede van goedwillig en van harte aan het werk te gaan, en geven norsche antwoorden en gedragen zich onwillig! Er is iets zoo innemends in een zedig, blijmoedig en voorkomend gedrag, dat een weinig werks aldus verrigt, beter gedaan schijnt te wezen en meer genoegen geeft, dan een veel grootere arbeid, die met dwang en zweepslagen van u moet verkregen worden. Gij wint daardoor de achting en welwillendheid van uwe eigenaren en zult uw eigen leven met meer gemak en genoegen slijten. Bovendien moet gij in aanmerking nemen, dat uw wrevel en kwade wil uwe meesters en meesteressen niet alléén treft. Zij bezitten de middelen om u goed- of kwaadschiks tot uw werk te dwingen. Maar uw murmureren en grommen geschiedt tegen God, die u in die betrekking geplaatst heeft en die u in de andere wereld strengelijk zal straffen voor het in den wind slaan Zijner geboden.

Hier doet zich eene schrikwekkende vraag op: Indien de arme, onwetende slaaf, die zijns meesters wereldsche goederen tot zijn eigen voordeel aanwendt, zulk eene strenge straf te gemoet gaat, wat zal dan het lot zijn van die welopgevoede lieden, die voor hun tijdelijk belang wetten maken en handhaven, door welke opvolgende geslachten niet alleen van hunne dagelijksche verdiensten, maar van al hunne aanspraken en voorregten als onsterfelijke wezens beroofd worden?

De eerwaarde heer Glennie verzekert zijnen hoorders, in een zijner predikatiën (aangehaald door Bowditch, blz. 137), dat niemand hunner in den oordeelsdag grond zal hebben, om te zeggen: "Ik had geene gelegenheid om van mijn God en Verlosser te hooren."

Bisschop Meade (aangehaald bij Brooke, blz. 34 en 35) weidt aldus voor de slaven uit, over de voordeelen van hun toestand. Men zou, dit lezende, waarlijk van gevoelen worden, dat ieder zich haastiglijk als slaaf moest gaan verkoopen, als de zekerste weg naar den hemel.

Weest niet wrevelig of morrend, klaagt of gromt niet over uw toestand; want dit zal niet alleen uw leven onaangenaam maken, maar hoogelijk beleedigt gij God daarmede. Bedenkt dat gij het niet zelven zijt, noch de menschen aan wie gij behoort, waardoor gij in dezen toestand zijt gebragt, maar dat het de wil van God is, wiens Voorzienigheid u tot dienstknechten gemaakt heeft, dewijl Hij ongetwijfeld wist, dat dit zou strekken tot uw welzijn in deze wereld en om u te zekerder in den hemel te brengen, indien gij uwe pligten in deze betrekking trouw vervult. Misnoegen, dat gij niet vrij of rijk of voornaam zijt, gelijk anderen, die gij ziet, is opstaan tegen uw hemelschen Meester, en God berispen, die u gemaakt heeft tot hetgeen gij zijt, en u een even groot deel van Zijn koningrijk beloofd heeft, als den aanzienlijksten man, die op aarde leeft, als gij u naar behooren gedraagt en eerlijk en blijmoedig den arbeid verrigt, die u op aarde opgedragen is. Rijkdom en magt is menige rampzalige ziel ten verderve geweest, door haar hart van God af te trekken en aan ijdele en zondige vermaken te doen hangen; zoodat, wanneer God, die onze harten beter kent dan wij-zelven ze kennen, ziet dat die gaven ons schade zouden doen en ze ons daarom onthoudt, dit de grootste genade en gunst is, die Hij ons bewijzen kan.

Misschien verbeeldt gij u, dat gij, rijkdom en vrijheid bezittende, uwe pligten jegens God en de menschen beter zoudt kunnen vervullen, dan thans. Maar ik bid u, bedenkt, dat indien gij door Gods genade uwe zielen redden kunt, gij uw tijd in deze wereld tot het best mogelijke doeleinde zult besteed hebben; en hij, die eindelijk den hemel mag bereiken, heeft eene heerlijke reis afgelegd, hoe bezwaarlijk en doornig het pad ook geweest zij. Bovendien bezit gij inderdaad een groot voorregt boven de meeste blanken, die niet alleen belast zijn met hun dagelijkschen arbeid, maar nog te meer met het bezwaar, om te zorgen voor de behoeften van morgen en overmorgen, en het kleeden en groot brengen hunner kinderen en het opwinnen van voedsel en andere levensbehoeften voor allen, die tot hun gezin behooren, hetgeen hen dikwerf in groote ongelegenheden brengt en hun geest zoo zeer vervult, dat hunne gedachten daardoor van de andere wereld afgeleid worden. Daarentegen zijt gij van al die zorgen bevrijd, en hebt op niets te letten, dan op uw dagelijkschen arbeid, waarna gij de vereischte rust kunt nemen. Evenmin behoeft gij er aan te denken, iets voor den ouden dag op te leggen, gelijk de blanken verpligt zijn: want de wetten des lands hebben er voor gezorgd, dat gij niet verjaagd zult worden, wanneer gij niet meer werken kunt, maar onderhouden, zoo lang gij leeft, door degenen, aan wien gij behoort, hetzij gij werken kunt of niet.

Bisschop Meade vertroost verder de slaven over zekere onaangenaamheden, die aan hun toestand eigen zijn, en waarover zij waarschijnlijk meer reden van klagen meenen te hebben, dan over eenig ander bezwaar. De lezer zal toestemmen, dat de bisschop de zaak zeer philosophisch beschouwt.

Er is nog ééne schijnbaar onaangename zaak, waarover ik nu handelen zal, en dat is de straf.

Nu, wanneer gij straf ontvangt, verdient gij die, of gij verdient die niet; maar hoe het zij, het is uw pligt, en God eischt dat van u, er u lijdzaam in te schikken. Misschien acht gij dit eene harde leer; maar zoo gij de zaak goed inziet, moet gij er noodwendig anders over beginnen te denken. Gesteld dat gij straf verdient, dan kunt gij niet anders zeggen dan dat zij u naar regt en billijkheid toekomt. Gesteld gij verdient geene of ten minste niet zoo strenge straf voor hetgeen gij bedreven hebt, dan hebt gij misschien weten te ontkomen aan menige verdiende straf en ten slotte voor die allen geboet. Of, gesteld dat gij geheel onschuldig zijt aan hetgeen u te laste gelegd wordt, en dat gij in dat bijzondere geval ten onregte lijdt; is het dan niet mogelijk dat gij eenig kwaad bedreven hebt hetwelk nooit aan het licht is gekomen, en dat de almagtige God, die het u zag bedrijven, u niet van straf wilde vrij doen blijven? En moet gij niet, in zulk een geval, Hem eere geven en dankbaar zijn, dat Hij u liever in dit leven voor uwe boosheid wilde straffen, dan uwe ziel daarvoor verderven in het volgende leven? Maar stelt, dat zelfs dit het geval niet ware (ofschoon het moeijelijk te denken valt), en dat gij op geenerlei wijze, bekend of onbekend, de straf verdiend hadt die gij ondergaan hebt,--is het dan niet een groote troost, dat, indien gij het met geduld verduurt en uwe zaak in handen van God overlaat, Hij er u voor in den hemel beloonen zal en dat de straf, die u hier onregtvaardiglijk toebedeeld is, u hier namaals tot overgrooten roem zal verstrekken?

Dat bisschop Meade geene hooge gedachten koestert van de tegenwoordige genoegens van het slavenleven, mag gewis afgeleid worden uit de volgende opmerkingen, die hij tot de slaven rigt:

Uwe bekrompene omstandigheden in dit leven moeten u bijzondere zorg doen dragen voor uwe ziel, want gij kunt de genoegens van dit leven niet genieten gelijk de vrije lieden die bezittingen en geld hebben om te besteden zoo als zij goedvinden. Zoo anderen hunne zielen in gevaar willen stellen, hebben zij de kans om rijkdom en magt te verkrijgen, om schatten op te stapelen en al het gemak, de weelde en de vermaken te genieten waarnaar hun hart haakt. Maar gij kunt van dit alles niets verwerven, zoodat indien gij uwe ziel op het spel zet voor de armzalige dingen, die gij in deze wereld verkrijgen kunt, gij inderdaad een zeer slechten koop doet.

Deze ophelderingen zijn ontegenzeggelijk zeer ter zake dienende. Aldus gaat hij voort:

Het heeft den almagtigen God behaagd, u hier slaven te maken en u niets dan arbeid en armoede in deze wereld toe te deelen, waaraan gij verpligt zijt u te onderwerpen, daar het Zijn wil is. En overlegt eens bij u zelven, hoe verschrikkelijk het wezen zou, na al uw werk en lijden in dit leven, in de hel geworpen te worden, en, na uwe ligchamen in de dienst alhier afgezwoegd te hebben, te geraken in eene nog veel erger slavernij en uwe zielen aan den duivel overgeleverd te zien om voor eeuwig zijne slaven in de hel te worden zonder hoop van immer vrij te komen. Indien gij derhalve vrije lieden in Gods hemel wilt worden, moet gij u beijveren om braaf te zijn en Hem hier op aarde te dienen. Uwe ligchamen, dat weet gij, zijn uw eigendom niet; zij behooren aan uwe meesters; maar uwe kostbare zielen zijn uw eigendom, hetwelk niemand u buiten uwe schuld kan ontnemen. Bedenkt dus wel, dat, indien gij uwe zielen verliest door hier een lui en boos leven te lijden, gij er niets door gewonnen hebt in deze en in tegendeel alles verloren in de toekomende wereld.

Want uwe luiheid en boosheid worden doorgaans ontdekt en uwe ligchamen lijden er hier voor; en wat verreweg erger is, zoo gij niet tot inkeer komt en u betert, zullen uwe ongelukkige zielen er hier namaals voor lijden.

De heer Jones onderstelt in dat gedeelte van zijn werk waar hij de tegenwerpingen der meesters tegen het Christelijk onderrigt der slaven wederlegt, dat de meester de volgende aanmerking maakt:

Gij leert hun, dat God "geen aannemer des persoons" is; "dat Hij alle geslachten der volkeren van éénen bloede gemaakt heeft;" "gij zult uwen evennaaste als u-zelven beminnen;" "wat gij wilt dat u geschiede, doe dat ook aan anderen." Laat ik mogen vragen, welk gebruik zij van deze spreuken uit het Evangelie kunnen maken?

De heer Jones zegt dan vervolgens:

Het antwoord hierop is, dat het gevolg, waarop in de tegenwerping gezinspeeld wordt, zou kunnen voortvloeijen uit een onvolkomen en onverstandig Godsdienstig onderrigt; het zou inderdaad mogelijk zijn, dat door den onderwijzer het Godsdienstig onderrigt gegeven wierde met het opzettelijke doel om het bedoelde gevolg te weeg te brengen, waarvan voorbeelden bestaan.

Maar wie zal zeggen, dat pligtverzuim en ongehoorzaamheid de noodwendige gevolgen van het Evangelie zijn, wanneer het den dienaren zuiver en opregtelijk wordt medegedeeld? Is het Evangelie niet door alle eeuwen heen beschouwd als de grootste beschaver van het menschelijk geslacht?

Hoe de heer Jones de Blijde Boodschap aan den slaaf zoo zou kunnen mededeelen, dat de regtvaardiging van het slavernijstelsel er uit volgde, kunnen wij bij geene mogelijkheid nagaan. Echter zijn wij in staat om een proefje te geven, hoe zij uitgelegd wordt in de predikatiën van bisschop Meade, blz. 116 (Brook's Slavery, blz. 32 en 33):

"Wat gij wilt dat u geschiede, doet zoo ook aan anderen;" dat is, handelt jegens ieder, gelijk gij zoudt wenschen, dat zij ten uwen aanzien handelden, wanneer gij u bevondt in hunne plaats en zij in de uwe gesteld waren.

Om dezen regel nu toe te passen op uwe bijzondere omstandigheden moet gij veronderstellen, dat gij meesters en meesteressen waart en bedienden onder u hadt; zoudt gij dan niet wenschen, dat uwe bedienden hun werk trouw en eerlijk verrigtten, zoowel buiten uw gezigt als onder uwe oogen? zoudt gij niet verwachten, dat zij acht sloegen op hetgeen gij hun zeidet? dat zij u en de uwen met eerbied behandelden en voor alles wat u toekwam zoo zorgvuldig zijn zouden als gij-zelven het zoudt wezen? Gij zijt thans ondergeschikten; handelt dus zoo als gij zoudt wenschen behandeld te worden, dan zult gij goede dienaren zijn van uwe meesters en goede dienaren van God, die dit van u eischt en er u wèl voor beloonen zal, wanneer gij het van ganscher harte doet uit gehoorzaamheid aan zijne geboden.

De eerwaarde heeren, die de Schrift aldus uitleggen, doen aan het gezond verstand hunner zwarte leerlingen groot onregt, wanneer zij dezen onbekwaam achten om dit dunne webbe van drogredenen te verbreken en overtuigend te bewijzen dat "menig mes aan twee kanten snijdt." Een of ander schrander oud man (van den stempel dergenen, die opstonden en heengingen onder de bewuste predikatie over den brief aan Philemon, en die zoo veel scherpzinnigheid aan den dag legden bij het aanvoeren van tegenwerpingen tegen de Goddelijke waarheid, zoo als men die alleen gezocht zou hebben bij beschaafde lieden) zou welligt, had hij het durven onderstaan, op zulk eene uitlegging der Schrift hebben kunnen antwoorden: "Onderstel dat gij een slaaf waart,--dat gij uw leven lang geen penning van uwe eigene verdiensten genieten kondt, geen wettig regt op uwe vrouw en uwe kinderen hadt, uwe kinderen niet naar school mogt zenden, en dat, gelijk gij ons toegevoegd hebt, arbeid en armoede in dit leven uw deel moest zijn,--hoe zou dit u bevallen? Zoudt gij niet wenschen, dat uw Christelijke meester u uit dien toestand bevrijdde?" Wij vragen ieder, die geen aannemer des persoons is, of deze uitlegging van Sambo niet even goed is als die van den bisschop? Zoo niet, waarom niet?

Bij onze gevoelens en denkbeelden komen leerredenen als die van bisschop Meade ons als hoogst hardvochtig en gevoelloos voor. Wij zouden den man echter groot onregt doen, zoo wij daaruit afleidden, dat zijn karakter hiermede in overeenstemming was. Het is alleen een nieuw bewijs hoe de gewoonte beminnelijke en achtenswaardige menschen zoo gemeenzaam maakt met een stelsel van onderdrukking, dat zij ten slotte alle gevoel verloren hebben voor het onregt, dat er in opgesloten ligt.

Dat de redeneringen van bisschop Meade hem-zelven niet ten volle overtuigd hebben, kan daaruit blijken, dat hij, na al zijne schilderingen van de bijzondere voordeelen van de slavernij als een middel van Godsdienstige opleiding, eindelijk zijne eigene slaven emancipeerde.

Doch, bij al hetgeen reeds gezegd is, wordt het geheele stelsel van Godsdienstig onderrigt verduisterd door eene afgrijselijke schaduw,--door den slavenhandel. Wat doet de zuidelijke Kerk met hare catechisanten en lidmaten? Lees de advertentiën maar eens in de zuidelijke nieuwsbladen, en oordeel. Aanschouw in elke stad van de slavenkweekende Staten, die magazijnen, welke men bij voortduring gevuld houdt met gesorteerde negers van tien tot dertig jaren! Zie in elken slavenverbruikenden Staat de kosthuizen, waarheen deze beklagenswaardige overblijfselen van huisgezinnen onophoudelijk heengevoerd worden! Wie predikt het Evangelie aan de slaven-karavanen? Wie predikt het in de slaven-gevangenissen? Zoo wij de vreeselijke uitgebreidheid van dien binnenlandschen handel nagaan,--zoo wij kolommen advertentiën lezen van menschelijke wezens, die zoo veelvuldig van eigenaar verwisselen als of zij bankbilletten waren in stede van menschen,--dan zullen wij ons een begrip kunnen vormen hoe de invloed van het Godsdienstig onderrigt volkomen te niet gedaan moet worden doordien men de voorwerpen van dat onderrigt blootgesteld laat "aan al de wisselvalligheden van den eigendom."

HOOFDSTUK X.

WAT BEHOORT ER GEDAAN TE WORDEN?

Wat gedaan behoort te worden en wat ik hoofdzakelijk zal bespreken, is, dat de geheele Amerikaansche Kerk, van alle gezindheden, zich niet in naam maar met der daad moet vereenigen met het edele voornemen, dat de Presbyteriaansche Vergadering in 1818 opperde, om te trachten naar de volkomene afschaffing der slavernij in Amerika en in de geheele Christenheid.

De gemeenschappelijke stem der Christenen in alle andere landen roept met aandrang de Amerikaansche Kerk hiertoe op. Betuigingen van die meening zijn ingekomen van Christenen van alle gezindheden in Engeland, Schotland, Ierland, Frankrijk, Zwitserland, Duitschland, Perzië, de Sandwich Eilanden en China. Allen schijnen door éénen geest bezield. Zij hebben die Amerikaansche Kerk bemind en vereerd, zich verheugd in den luister van hare opkomst. Haar voorspoed en welslagen hebben zij beschouwd als hunne eigene, en zij hadden gehoopt, dat God door haar onschatbare zegeningen op alle natiën zou uitstorten. Hun is de Amerikaansche Kerk voorgekomen als de opgang van eene schitterende zon, die neveldampen verdrijven zoude en vreugde bragt en vrede. Maar helaas! op die blinkende zonneschijf is eene donkere plek waargenomen, die, voortgaande, in omvang toeneemt en algeheele duisternis dreigt te verwekken. Kan het verwondering baren, dat eene waarschuwende stem tot ons komt van hen, die zoo veel belang hebben bij ons welvaren en welslagen? Wij hebben zendelingen doen uitgaan naar alle oorden der wereld; maar hoe kunnen deze hunnen heidenschen bekeerling openbaren, wat er in het Christelijk Amerika omgaat? Hoe zullen onze zendelingen in de Mahomedaansche gewesten hun hoofd durven opheffen en de voortreffelijkheid van onze Godsdienst kunnen verkondigen, wanneer wij barbaarschheden dulden, die zij verworpen hebben?

Een zendeling onder de Karens in Azië schrijft, dat hij in zijn dienstwerk zeer belemmerd wordt door een gerucht, hetwelk onder dien volksstam in omloop is, dat de Amerikanen voornemens zijn hen te komen rooven om hen te verkoopen. Hij zegt het volgende:

Ik zie met beduchtheid den tijd te gemoet, wanneer de Karens in staat zullen zijn onze boeken te lezen en tot de volle kennis te komen van hetgeen in ons land omgaat. Sommigen zijn reeds nu zeer nieuwsgierig en doen mij dikwijls vragen, wier beantwoording mij zwaar valt.

Er is geen andere uitweg. Gods Voorzienigheid heeft de Kerk der Vereenigde Staten tot één werk bepaald. Zij kan niet verder gaan eer dit verrigt is. Zoo lang zij het blijft veronachtzamen zal het een hinderpaal zijn tegen al hetgeen zij verder aanvangt.

Zij moet het nog om eene andere reden ondernemen,--namelijk omdat zij alleen dien arbeid op vreedzame wijze kan verrigten. Indien dit angstwekkende vraagstuk zijn loop moet hebben als eene louter staatkundige aangelegenheid, welke de politieke partijen moeten uitmaken, hoe zullen dan beroeringen, betreurenswaardige botsingen, de van-een-scheuring der Unie voorkomen kunnen worden? Neen, het is alleen veilig uit te voeren door er eene Godsdienstzaak van te maken en die te bevorderen in een Christelijken geest en door Godsdienstige middelen.

Zoo men ons vraagt, welke middelen de Kerk dan in het werk moet stellen, luidt ons antwoord, dat dit kwaad moet afgeschaft worden door dezelfde middelen, welke de Apostelen aanwendden voor de uitbreiding van het Christendom en de uitroeijing van alle maatschappelijke euvelen, welke toen eene in boosheid gedompelde wereld vervulden. Hoor hoe de Apostel ze beschrijft: "In reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in den Heiligen Geest, in ongeveinsde liefde, door de wapenen der geregtigheid aan de regter- en aan de linkerzijde."

Wij zullen kortelijk elk dezer middelen nagaan.

Vooreerst in reinheid. De Christenen in de noordelijke vrije Staten moeten zich-zelven en hun land trachten te zuiveren van verscheidene noodlottige uitvloeisels van de slavernij: in het bijzonder moeten zij het meest zondige gevolg daarvan trachten uit te roeijen,--het onchristelijk vooroordeel tegen de kleur.

In Hindostan vindt men de klasse der Pariahs, met welke geene andere klasse van Hindoes wil eten, drinken of omgaan. Onze zendelingen verklaren den bekeerden Hindoe, dat dit vooroordeel onchristelijk is; want God heeft allen, die op aarde wonen, van éénen bloede gemaakt en alle menschen zijn broeders in Christus. Maar hoe zal de zendeling zich houden, wanneer de Hindoe in staat is te antwoorden: "In uw eigen Christelijk land bestaat eene klasse van Pariahs, die gij niet beter behandelt, dan wij de onze. Gij-zelven gelooft de dingen niet, die gij ons leert."

Laten wij een blik werpen op de behandeling van den vrijen neger in het Noorden. In de Staten Indiana en Illinois zijn de meest tirannieke en onregtvaardige wetten tegen hem uitgevaardigd. Uit geene wet in een slavenstaat kan een wreedaardiger geest spreken, dan heerschende is in eene onlangs in Illinois uitgevaardigde wet, volgens welke iedere vrije neger, die in den Staat komt, gevat en voor een bepaalden tijd als slaaf verkocht wordt, terwijl hij, wanneer hij na afloop van dien tijd zich niet verwijdert uit het gebied van den Staat, op nieuw wordt verkocht.

Hoe kunnen wij onze zuidelijke broederen vermanen hunne slaven vrij te laten, indien wij niet het geheele zedelijke gewigt van de Kerk in het Noorden in de schaal leggen tegen dergelijke gruwelen? Worden zulke handelwijzen geregtvaardigd door te zeggen, dat de neger boosaardig en lui is? Zoo doende voegt men smaad bij mishandeling.

Wat doen deze Christelijke Staten? Meerendeels sluiten zij de kleurlingen uit van het school-onderwijs; door beleedigende uitzonderingen schrikken zij hen af van het bezoeken der Kerken; in het algemeen sluiten zij hen uit van de werkplaatsen, waar zij een nuttig beroep zouden kunnen leeren; zij verdrijven hen uit de meer geachte vakken, waarin zij met eere hun brood zouden kunnen winnen; en na hen dus van elk hooger streven ontmoedigd en tot onkunde, luiheid en ondeugd gedwongen te hebben, maken zij de maat der ongeregtigheid vol door het vervaardigen van wreedaardige wetten, om hen uit hunne Staten te verdrijven en vergaderen zich aldus toorn tegen den dag des toorns.

Wanneer wij zeggen, dat elk Christen in het Zuiden, die zijne uiterste krachten niet inspant tegen de onregtvaardige slavenwetten, als republikeinsch burger schuldig is aan de handhaving dier wetten,--zoo is het niet minder waar, dat ieder Christen in het Noorden, die niet doet al wat in zijn vermogen ligt om de intrekking van zulke wetten in de noordelijke Staten te bewerken, in zoo verre schuldig is aan haar bestaan. In de laatste jaren heeft het niet ontbroken aan aanhalingen uit het Oude Testament, om allerlei soort van verdrukking te regtvaardigen. Een Hindoe, die niets van dat edele en schoone boek kende dan hetgeen hij vernomen had uit vlugschriften gelijk dat van den heer Smylie, zou kunnen meenen, dat het eene verhandeling over het stelen en eene doorloopende regtvaardiging van allerlei roof was. Doch laat het ons geoorloofd zijn de voorschriften na te gaan, die God geeft voor de behandeling van den vreemdeling: "Wanneer een vreemdeling in uw land verkeeren zal, zult gij hem niet verdrukken; de vreemdeling, die bij u verkeert, zal onder u zijn als een inboorling van ulieden; gij zult hem liefhebben als u-zelven." Van hoeveel meer kracht is dit gebod nog, wanneer de vreemdeling in ons land gebragt is door de onregtvaardigheid en wreedheid onzer vaderen!

Met genoegen vermelden wij echter, dat het aantal Staten slechts gering is waar zulk eene tirannieke wetgeving bestaat. Het is tevens een grond van bemoediging en hoop, dat het onwijsgeerige en onchristelijke caste-vooroordeel in vele gedeelten van ons land meer en meer plaats maakt voor een Christelijker geest.

Vele onzer scholen en akademiën zijn bereid om den kleurling op gelijken voet met den blanke te ontvangen. Sommige der noordelijke vrije Staten verleenen den vrijen kleurling volkomene politieke gelijkheid en voorregten. Onder dat stelsel zijn verscheidene kleurlingen rijk en beschaafd geworden. Men begint allengs een belangrijk getal goed opgevoede lieden onder hen te tellen. Onder hen zijn talentvolle redacteurs, welsprekende redenaars, ijverige en kundige predikanten. Het doet ons genoegen te kunnen melden, dat die menschen onder verstandige en Christelijk-gezinde lieden behandeld worden met de achting die zij verdienen; en zoo hun smaad of mishandeling bejegent, komt dit meerendeels van de zijde der min beschaafde klassen, die, minder verlicht zijnde, altijd langer onder den invloed der vooroordeelen blijven. Bij eene onlangs plaats gehad hebbende bevestiging in eene der grootste en aanzienlijkste kerken te New-York, was de predikant, die bevestigde, een zwart man, welke zijn levensloop ingetreden was als slaaf; en het was ongetwijfeld een grond van verblijding voor al zijne Christelijke broederen hem thans als hoofdpersoon te zien bij zulk eene indrukwekkende plegtigheid. Hij deed de vragen aan den nieuwen predikant in het Duitsch, daar de hoorders meerendeels Duitschers waren. Onze Christen-vrienden in Europa kunnen daaruit ten minste afleiden, dat, zoo wij in vroegere tijden onze gebreken hadden, sommigen onder ons die hebben opgemerkt en ze trachten te verbeteren.

Om dit gedeelte terstond tot een practisch besluit te brengen wenscht de schrijfster toe te voegen aan ieder Christen in het bijzonder, die iets doen wil tot afschaffing der slavernij: Begin met voor de kleurlingen in uwe nabijheid, te doen wat binnen uw bereik ligt. Worden kinderen ten gevolge van onregtvaardig vooroordeel van het bezoeken der school uitgesloten? Poog dat vooroordeel te bestrijden door regtmatige beweeggronden, met liefderijkheid voorgedragen. Kunt gij daarin niet slagen, tracht dan op eenige andere wijze voor het onderwijs dier kinderen te zorgen. Tracht, voor zoo ver dit in uw vermogen staat, in elken kring des levens voor hen de gewone voorregten van een Amerikaansch burger te verkrijgen. Zijn zij ter plaatse waar gij woont van het gebruik van omnibus en spoorwagen uitgesloten, poog dan diegenen, die daarover het bestuur voeren, tot meerdere regtvaardigheid en rede te bewegen. De Christenen, die aan het hoofd staan van werkplaatsen, kunnen veel doen tot het aannemen van jonge kleurlingen als leerlingen. Vele meesters verontschuldigen zich over het uitsluiten van de kleurlingen, door te zeggen, dat, wanneer zij het deden, alle andere knechten hen verlaten zouden. Hierop kan geantwoord worden, dat, indien zij dit doen in een Christelijken geest en met een Christelijk doel, het waarschijnlijk is, dat, indien hunne gezellen aanvankelijk vertrekken, zij later wel weder terug zullen komen,--allen ten minste op wier behoud zij prijs stellen.

Eene aanzienlijke modemaakster in eene onzer steden heeft, uit beginsel, gekleurde meisjes als leerlingen aangenomen, en ze aldus in staat gesteld om op eene eerlijke wijze haar brood te verdienen. Ik noodig de Christelijke werkbazen, van alle ambachten, uit, deze zaak met ernst te overwegen, en na te gaan of zij, door die arme menschen de hand te reiken en hen te brengen tot zedelijkheid, kennis en een stuk broods, niet eene dienst verrigten zullen, die de Heer aanmerken zal als Hem-zelven bewezen.

Eene andere zaak, die ik den Christenen ernstig op het hart druk, is het herstellen en in stand houden van die kerkelijke gemeenten van kleurlingen, die ontmoedigd en verbrokkeld zijn door de vlugtelingen-wet. In de stad Boston bevindt zich eene gemeente, die thans onder schulden en bezwaren zucht, doordien zij genoodzaakt is geweest hare eigene diakenen in te koopen, ten einde hen tegen de verschrikkingen van die wet te beveiligen.

Eindelijk: wij behoeven schier niet te zeggen, dat de Christenen in het Noorden zich onthouden moeten van alle regtstreeksche of zijdelingsche bemoeijing met den slavenhandel, hetzij door deelgenootschap in zuidelijke handelhuizen, hetzij door onsterfelijke wezens als onderpand voor schulden te aanvaarden. Het is noodeloos over dit punt verder uit te weiden: het spreekt krachtig genoeg.

Door al deze middelen moet de Christelijke Kerk in het Noorden zich zuiver houden van alle medepligtigheid aan de zonde der slavernij, en van de onchristelijke gebruiken en vooroordeelen, die er uit voortgevloeid zijn.

Het tweede middel, dat tot afschaffing der slavernij in het werk kan gesteld worden, is de kennis.

Ieder Christen behoort aandachtig en met biddenden geest dit slavernij-stelsel te onderzoeken. Hij moet het beschouwen als een onderwerp waaromtrent hij zich juiste begrippen en inzigten verschaffen en de openbare meening, die het krachtigste middel is, vormen moet. Menigeen onthoudt zich van het nagaan der statistiek van deze aangelegenheid, omdat hij niet gestemd is voor de menschen, welke die opgaven bijeengezameld hebben. Zij zeggen, dat zij niet van het gevoelen zijn der Abolitionisten, en willen daarom geen acht slaan op de bijgebragte cijfers en feiten. Dit is voorzeker verstandig noch redelijk. In alle andere omstandigheden waar het onze belangen betreft zijn wij zeer gretig in het opzamelen van inlichtingen, hetzij wij al dan niet overeenstemmen met de personen die ze ons verschaffen.

Ieder Christen behoort ernstig na te gaan in hoe verre ons nationaal gouvernement verbonden is en gebruikt wordt tot handhaving der slavernij. Oplettend speure hij na de slavenstatistiek van het district Columbia, en bovenal de statistiek van dat gewettigde stelsel van roof en verdrukking, waardoor honderden en duizenden jaarlijks aan huis en magen en al wat dierbaar is ontscheurd en naar het Zuiden gesleept en daar als beesten op de markten verkocht worden. De walm, opstijgende uit dien bodemloozen afgrond der ongeregtigheid, verduistert onze zon voor de oogen van alle volkeren; het gekerm en geween overstemt den galm onzer psalmen en stichtelijke liederen. Alle natiën weten hoe het met onze zaak gelegen is; zal die dan voor ons alleen verborgen blijven? Zullen wij den moed, het geduld niet hebben onze eigene kwaal grondig te onderzoeken en de diepte van de wond te peilen?

Het derde middel tot afschaffing van de slavernij is de lankmoedigheid.

Het gemis van die eigenschap is het gebrek geweest van de tot nu toe in het werk gestelde pogingen. De vrienden der goede zaak zijn niet eensgezind geweest en hebben geen vrede gehad met elkanders meeningen. In de vroegere geschiedenis van dit onderwerp komt menige donkere bladzijde voor; maar is het niet inderdaad tijd, dat de vrienden der slaven het gebeurde vergeten en met vereende pogingen streven naar hetgeen in het verschiet ligt? De voorstanders van onmiddellijke afschaffing moeten de bevorderaars van eene trapsgewijze emancipatie niet met de namen van talmers en verraders bestempelen; de laatsten moeten ook de eersten niet drijvers en onruststokers noemen. Er is gewis een liefderijker weg tot wederzijdsche overtuiging te vinden. Waarheid in liefde gesproken zal steeds dieper doordringen dan waarheid in toorn geuit; voorshands is het groote doel, onze zuidelijke broederen te overreden, dat zij ten minste tot eenige emancipatie overgaan. Wanneer wij eerst zoover zijn, dat zij de overtuiging hebben iets te moeten doen, dán zal het de tijd zijn om het vraagstuk te behandelen of dit onmiddellijk of trapsgewijze zal moeten geschieden. Laten wij tot onze spreuk kiezen: "Daar wij toe gekomen zijn, laat ons daarin naar denzelfden regel wandelen, laat ons hetzelfde gevoelen; en indien gij iets anderzins gevoelt, ook dat zal God u openbaren."--"Laten wij aannemen zelfs hem die zwak is in den geloove maar niet tot ijdele zamensprekinge." Wij moeten het goede, dat in sommigen is, niet wegwerpen, omdat het door eenige vlekken ontsierd wordt.

Gaan wij thans over tot de beschouwing van eene magt, zonder welke alle andere magten falen moeten: den Heiligen Geest.

De belijdenis van elke Christelijke Kerk, Roomsch, Grieksch, Episcopaalsch of Protestant, houdt in: "Ik geloof in den Heiligen Geest." Doch hoe dikwijls leven en handelen Christenen van al die gezindheden, zelfs in Godsdienstige aangelegenheden, alsof zij nooit van een Heiligen Geest gehoord hadden. Zoo wij ons op onze eigene rede, op onze verbijsterde hartstogten, op onzen blinden zelfwil verlaten om de misbruiken uit den weg te ruimen, zullen wij hierin volstrektelijk falen. Er is eene in stilte werkende, overtuigende en onweêrstaanbare magt, die over het duistere en beroerde hart van den mensch zweeft gelijk zij vroeger zweefde over de duistere en beroerde wateren van den chaos, en licht uit de duisternis en orde uit de verwarring te voorschijn bragt.

Is het niet duidelijk voor ieder, die een vrijen blik werpt op de maatschappij, dat het menschelijk geslacht onderworpen is aan een zachten maar onweêrstaanbaren invloed, die te gemoet komt aan het geroep en verlangen naar eene aanstaande eeuw van welzijn? Wereldschgezinde menschen lezen in de teekenen der tijden en noemen het Geest der Eeuw; maar moet de Kerk het niet erkennen voor den Geest van God?

Men vergete echter niet, dat het geschenk van Zijn magtigen vernieuwenden invloed verbonden is aan de voorwaarde van het gebed. De krachtige werking, die met den Pinksterdag een aanvang nam, was voorafgegaan door vereenigde, vurige en onverpoosde gebeden. Even zulk een geest des gebeds moet voorafgaan aan de komst van den Heiligen Geest, om eene zoo groote omwenteling te bewerken als hier bedoeld wordt. Het vermogendste werktuig, dat God in 's menschen hand gesteld heeft en waaraan al Zijne heerlijke beloften verknocht zijn, is het gebed. Alle vroegere vooroordeelen en veten hieromtrent moeten ter zijde gesteld worden en de geheele Kerk moet zich als één man vereenigen in ernstige, vurige gebeden. Hebben wij de belofte van den Heiligen Geest vergeten? Hebben wij vergeten, dat Hij ons eeuwig nabij zou wezen? Hebben wij vergeten, dat Hij de wereld zal oordeelen? o Goddelijke en Heilige Vertrooster! belofte des Vaders! gij, eenige Almagtige om op te klaren, te overtuigen en herboren te doen worden! keer weder, bidden wij, en bezoek dezen wijngaard, dien Gij geplant hebt! Bij U is niets onmogelijk; wat wij in onze zwakheid te naauwernood bevatten, kunt Gij verwezenlijken!

Nog een middel tot afschaffing der slavernij is gelegen in ongeveinsde liefde.

Bij elken zedelijken strijd moet die partij, welke onder allen tegenstand en vervolging een Goddelijken, onwrikbaren geest van liefde weet te bewaren, ten slotte zegevieren. Zoo zijn de onveranderlijke wetten der zedelijke wereld. Toorn, baatzucht, naijver hebben allen zekere levenskracht. Dikwijls veroorzaken zij meer vertooning, gedruisch en tijdelijken indruk dan de liefde. Maar al die hartstogten dragen de kiem van zwakheid in haar boezem. De liefde, de liefde-alleen, is onsterfelijk; en wanneer reeds alle andere grovere uitingen der ziel zich-zelven vernietigd hebben, straalt de liefde steeds door als de poolster met een gloed die nimmer sterft.

Zoo wij dit werk ondernemen, moeten wij èn den slaaf èn den slavenhouder lief hebben. Wij moeten nimmer uit het oog verliezen, dat beiden onze broeders zijn. Wij moeten ons voorbereiden miskend, belasterd, gehaat te zullen worden. Hoe zouden wij zonder die onaangenaamheden een zoo magtig belang kunnen aantasten? Het moet onze voldoening zijn, trouwe vrienden te wezen, terwijl wij als bittere vijanden behandeld worden.

Deze heilige twiststrijd moet een kamp zijn van beginselen, niet van partijhaat. Wij moeten zorgen, dat hij in onze handen niet ontaarde in een afkeer van het Zuiden; en te dien einde behooren wij de beminnelijker hoedanigheden en loffelijker eigenschappen voor oogen te houden van degenen wier beginselen wij verpligt zijn te bestrijden. Belasteren zij ons, wij moeten in aanmerking nemen, dat wij hen in groote verzoeking brengen door instellingen aan te tasten, waarmede zij door duizende banden van belang en gewoonte verbonden zijn, zoodat zij grootendeels ongevoelig zijn geworden voor dat kwaad. De Apostel geeft ons voorschriften hoe wij met broederen, die ons smaden, handelen moeten: "Geeft acht, opdat ook gij niet in verzoeking komet." Wij mogen dit op onszelven toepassen en bedenken, dat, indien wij blootgesteld waren geweest aan de verzoekingen die onze vrienden in het Zuiden omringen en wij dezelfde opvoeding ontvangen hadden, wij welligt zouden gevoelen, denken en handelen zoo als zij. Doch bij al die overwegingen moeten wij tevens bedenken, dat het geene ware liefde voor het Zuiden is, wanneer wij een verderfelijk stelsel handhaven en verdedigen; een stelsel, dat even nadeelig is voor den meester als voor den slaaf; een stelsel dat vruchtbare velden in woestenijen verandert, en dat schadelijk is voor opvoeding, zeden, Godsdienst en maatschappelijken vooruitgang; een stelsel, dat vele verstandige en achtenswaardige mannen in het Zuiden moede zijn, waaraan zij zich wenschen te onttrekken en ook jaarlijks door verhuizing werkelijk onttrekken. Evenzeer moeten wij niets laten afdingen op de regten van den slaaf; want ook hij is onze broeder en er is in zijn toestand eene reden om voor hem te spreken, die niet in het geval van zijn meester bestaat. Hij is arm, onbeschaafd, onwetend en kan niet voor zich-zelven het woord voeren. Wij moeten daarom des te naijveriger zijn op zijne regten. Wat wij ook afstaan,--nimmer moet dit geschieden met de regten van de hulpeloozen noch met de eeuwige beginselen van regt en zedelijkheid.

Nimmer moeten wij toegeven dat het eerlijk is, den werkman van zijn loon te berooven, ofschoon het, gelijk vele andere schandelijkheden, gebruikelijk en algemeen is, en zelfs achtenswaardige menschen onder den invloed van oude vooroordeelen zich daaraan schuldig maken. Nimmer moeten wij, zelfs maar voor een oogenblik, plaats geven aan de gedachte, dat een erfgenaam van het Godsrijk verkocht mag worden, al zij het ook een oud gebruik. Strengelijk moeten wij de heiligschennende leer verwerpen, dat menschelijke wezens voorwerpen van eigendom kunnen zijn.

Sommigen hebben het ongerijmd genoemd, beginselen en personen te scheiden, of aan te nemen, dat hij die eene slechte zaak voorstaat een goed mensch kan wezen. De ondervinding bewijst het tegendeel. De onregtvaardigste en tiranniekste stelsels zijn verdedigd door lieden, die persoonlijk regtvaardig en menschlievend waren. Het is treurig maar niet minder waar, dat er bijna geen kwaad of onregt bestaat, hetwelk niet ten eenigen tijde den steun der talenten van een achtenswaardig man genoten heeft.

Dit is een deel der beproevingen in onzen staat van onvolkomenheid hier beneden; zoo kwade stelsels hun eenigen steun ontleenden aan de slechten, onze zedelijke tucht zou veel minder streng en de aanval meer krachtig en openlijk kunnen zijn.

Wij voor ons zien hooge Christelijke wijsheid in de vroeger door ons opgeteekende aanmerking van eene arme slavin, wier heele leven verwoest was door dit stelsel, namelijk "dat wij de zonde moeten haten, maar den zondaar liefhebben."

De laatste middelen tot afschaffing der slavernij zijn de wapenen der geregtigheid aan de regter- en aan de linkerzijde.

Hiermede bedoelen wij een ernstig gebruik van alle regtstreeksche, eerlijke en regtvaardige middelen, die tot de afschaffing van het slavernij-stelsel kunnen leiden. Iedereen in zijne betrekking moet zich daartegen verzetten. Al de drogredenen moeten beantwoord, de uit den Bijbel geputte verdedigingen door gezonde redenering en verklaring wederlegd worden. Iedere moeder behoorde haren kinderen het kwaad van dat stelsel te doen inzien. Ieder predikant moet zijne gemeente rondborstig en onverpoosd waarschuwen tegen medepligtigheid aan die zonde. Men zegt, dat dit zou zijn de politiek op den predikstoel brengen. Wij antwoorden, dat, aangezien de menschen in den oordeelsdag rekenschap zullen te geven hebben van hunne politieke handelingen, het niet ongepast kan gerekend worden, dat de predikant hen eenigzins van hunne politieke verantwoordelijkheid inlichte. Te dien dage zal Christus niemand vragen of hij tot deze of gene partij behoorde; maar wel, of hij zijne stem uitgebragt heeft in de vreeze Gods en tot uitbreiding van het rijk der geregtigheid.

Dikwijls heeft men aangemerkt, dat de slavernij eene zonde is, die op een afstand gepleegd wordt en waarmede wij niets te maken hebben. Zoo een predikant hiervan de proef wil nemen, hij predike daarover eens onomwonden en geloovig. Dan zal hij denkelijk bevinden, dat de wortelen van den giftigen boom uitgeschoten zijn tot onder de grondslagen der woningen van de Christenen in Nieuw-Engeland en dat zijne eigene gemeente in de zonde deelt.

Het aantasten van eene instelling waarin zoo veel van de politieke magt en den rijkdom dezer natie opgesloten ligt, is geen kinderspel, en zij die het ondernemen zullen spoedig ontwaren, dat zij niet alleen met vleesch en bloed te kampen hebben. Geene rusting is in dezen strijd proefhoudend dan de wapenrusting der geregtigheid.

Onzen broederen in het Zuiden heeft God een doorniger pad ter bewandeling toegewezen. Het hart krimpt ineen bij de gedachte wat de geloovige Christen zal te verduren hebben, die deze instelling op haar eigen gebied aantast; maar het moet geschieden. Hoe ging het in het Noorden? Men stelde pogingen in het werk om door behulp van het graauw de zaak te smoren. Drukpersen werden verbrijzeld, huizen neêrgerukt, bezittingen vernield. Brave mannen hielden echter moedig stand; martelaarsbloed heeft gestroomd voor de vrijheid van spreken, en zoo is die vrijheid ook verworven. Tegenwoordig stelt niemand meer dergelijke argumenten in het werk: die dagen zijn voorbij. Ook in Kentucky heeft men op die wijze de discussie trachten te onderdrukken. Het oproerige graauw sloeg drukpersen in stukken en bedreigde het leven van sommige personen. Maar ook daar waren braven, die geen geweld of doodsbedreigingen vreesden; en het staat thans vrij in Kentucky, de emancipatie te bespreken. Het is een feit, dat het Zuiden thans de zaak der slavernij moet behandelen. Het kan dat vraagstuk niet weren, ten zij beslag gelegd worde op de litteratuur van de geheele beschaafde wereld. Indien het eene Goddelijke zaak is, waarom vreest men dan zoo zeer haar aan te roeren? Wat uit God is kan door de vrije bespreking der geheele wereld niet weggecijferd worden. Er moet en zal discussie komen; men heeft daartoe alleen onversaagde mannen als aanvoerders noodig.

Broeders in het Zuiden! Velen uwer hebben de innige overtuiging dat de slavernij eene zonde, een vreeselijk kwaad is; doch gij zijt beducht, dat, indien gij voor uwe gevoelens uitkomt en die tracht te bevorderen, vervolging, verdriet en zelfs de dood u te wachten staan. Hoe kunnen wij dan van u vergen, dat gij op den voorgrond zult treden? Wij vergen het ook niet. Hoe zullen wij, die zwak, besluiteloos en wereldschgezind zijn, van u vergen hetgeen wij-zelven welligt niet zouden durven verrigten? Maar wij zullen bidden, dat Hij tot u spreke, die meer dan dit ondernam en verduurde om uwentwille en die u sterkte geven kan om dit nu om Zijnentwille te ondernemen en te verduren. Hij kan u verheffen boven alle tijdelijke en wereldsche begrippen. Hij kan u bezielen met die liefde voor Hem, die u gewillig vader en moeder en vrouw en kind doet verlaten, om zelfs het leven voor Zijne eer te verliezen. En zoo Hij u immer brengt tot die plaats waar gij en deze wereld elkander een laatst vaarwel zeggen, waar gij u voorbereidt om alles voor Zijne dienst te wagen, waar leven noch dood, verledenheid noch toekomst u in dit besluit kunnen doen wankelen,--dan zult gij eene blijdschap kennen die elke andere blijdschap te boven gaat, en een vrede zoo bestendig en onveranderlijk als de eeuwige Godheid waaruit zij ontspringt.

Dierbare broederen! moet dit stelsel ten eeuwigen dage in uw land blijven bestaan? Kunt gij deze slavenwetten beschouwen als iets anders dan als een gruwel voor den regtvaardigen God? Kunt gij dien binnenlandschen slavenhandel voor iets anders houden dan voor een doorn in Zijn oog?

Wij bidden u, werpt een blik in die verschrikkelijke slavengevangenissen in uwe steden; volgt het bloedige kielspoor van de schepen langs uwe kusten. Hoe onderstelt gij, dat het Lam Gods over al die dingen denkt? Wat denkt Hij van al dat gekerm, die hartverscheuring en dien zielsangst,--Hij wiens hart zoo teeder was, dat Hij aan het graf van Lazarus tranen stortte over eene smart, die Hij zoo spoedig weder in blijdschap zou doen verkeeren? Wat denkt Hij van Christelijke vrouwen die aan hare mannen, mannen die aan hunne vrouwen ontscheurd worden? Wat denkt Hij van Christendochters, welke Zijne Kerk eerst doopt, onderwijst en opvoedt en dan als een handels-artikel verkoopen laat?

Denkt gij dat gebeden, als die van den armen Paul Edmondson, sterfbedden als dat van Emily Russell, zonder aandoening gezien worden door dien goedertieren Verlosser, die, hetgeen Zijn minsten dienstknecht aangedaan wordt, beschouwt als Hem-Zelven aangedaan?

Is, o Christen! wanneer gij het verhaal van Jezus' lijden laast, nooit het denkbeeld bij u opgekomen, dat gij gaarne met Hem zoudt geleden hebben? Is het u nooit voorgekomen als bijna oneerlijk, dat gij het eeuwige leven zoudt aannemen als prijs van de smarten, die Hij voor u verduurd heeft, terwijl gij geenerlei kruis voor Hem draagt? Hebt gij ooit gewenscht, dat gij met Hem hadt mogen waken in die bittere ure in den hof van Gethsemané, toen zelfs Zijne uitverkorenen sliepen? Hebt gij ooit gewenscht, dat gij bij Hem hadt mogen zijn toen allen Hem verzaakten en vloden,--dat gij Hem hadt mogen erkennen toen Petrus hem verloochende,--dat gij Hem hadt mogen vereeren toen Hij bespot en aangespuwd werd? Zoudt gij het als te groote eere rekenen, wanneer gij, gelijk Maria, Hem hadt kunnen volgen naar het kruis, en daar had kunnen staan als een lijdzaam deelgenoot in dien doodstrijd, die geen medelijden vond? Dat kunt gij niet doen. Die ure is voorbij gegaan. Christus is thans verheven, gekroond, verheerlijkt; ieder spreekt wèl van Hem; rijke Kerken rijzen op ter Zijner eere en kostbare offeranden worden Hem opgedragen. Welke kans hebt gij onder de menigte om uwe liefde te bewijzen, om te doen zien dat gij Hem zoudt bijblijven wanneer hij onttroond, veracht, verzocht, verraden en lijdende was? Kunt gij het door iets anders toonen dan door de zaak der arme verworpelingen te omhelzen? Zoo er een volk is binnen uwe landpalen dat door de menschen veracht en verstooten wordt, dat gebogen gaat onder de verdrukking en grijs is in de smarte, terwijl de geheele magt van rijkdom en gebruiken, van politieken en van wereldlijken invloed tegen hunne zaak te velde trekt,--Christenen, dáár kunt gij Christus verheerlijken!

Zoo gij u met onverschilligheid van deze zaak afwendt: "zoo gij verzuimt te bevrijden die in de kaken des doods zijn, en die verslagen dreigen te worden; zoo gij zegt: Zie, wij wisten het niet; zal dan Hij, die het harte beproeft, dit aannemen? en Hij, die de ziel in Zijne hand heeft, weet Hij het niet? Zal Hij niet een iegelijk vergelden naar zijne werken?"

Zal Hij niet in den oordeelsdag tot u zeggen: "Ik ben geweest in de slaven-gevangenis, in de slaven-karavaan. Ik ben verkocht op uwe markten; Ik heb om niet gezwoegd op uwe velden; in uwe geregtshoven heeft men Mij den mond toegewrongen; Mij is geweigerd Mijne eigene kerkdienst bij te wonen, en gij hebt u des niet aangetrokken. Gij gingt, de een naar zijne hoeve, de andere naar zijne koopwaren." En indien gij zult vragen: "Wanneer, o Heer, is dit geschied?" dan zal Hij u antwoorden: "Voor zoo veel gij dit gedaan hebt aan den minste van deze Mijne broederen, hebt gij het Mij gedaan."

EINDE.

AANTEEKENINGEN

[1] Het hoofd van den opstand in Beneden-Virginië, waarbij boven de honderd blanken, meest vrouwen en kinderen, in koelen bloede werden vermoord.

[2] R. D's vader overleefde hem slechts weinige maanden.

[3] Wij zonderen hiervan Louisiana uit. Dank zij den invloed der Fransche wet, heerschen daar meer menschlievende wetten. Hoeveel die wetten aan de zaak zelve afdoen, zullen wij later doen zien, wanneer wij tot dat gedeelte van ons werk genaderd zijn.

[4] De regter Fields omschrijft op de volgende wijze de straf:

De neger werd aan een boom gebonden en met boomtakken gegeeseld. Toen Souther het slaan moede was, riep hij een zijner negerslaven en deed Sam met eene lat beuken. Ook beval hij eene negerin hem bij te staan. Na dat slaan en geeselen brandde hij het ligchaam van den slaaf.... Toen deed hij hem wasschen met warm water, waarin Cayene peper afgetrokken was. Daarna werd de neger vastgebonden aan eene plank en aan de deurpost met koorden, die zijn keel digtknepen, terwijl Souther hem sloeg en trapte. Op deze wijze duurde de strafoefening voort tot de neger den geest gaf.

[5] Die neger werd levend verbrand.

[6] De vroegere wet van 1741 bevat nog eene meer treffende bepaling. Zij beveelt dat gezegde proclamatie zal worden afgekondigd op Zondag, aan de deur van iedere Kerk of Kapel, of, bij gebreke daarvan, op de plaats waar, in bedoelde county godsdienstoefening wordt gehouden door den klerk of voorlezer, onmiddellijk na de godsdienstoefening. Welke stuitende tegenstrijdigheid moet de afkondiging dier proclamatie opleveren, wanneer zij volgt op eene leerrede over de liefde van Christus, of over den tekst: "Gij zult uw naaste liefhebben als u zelven."

[7] Voorts wordt bepaald, dat, wanneer eenige slaaf, krachtens de wet, vogelvrij verklaard is in eene der county's, en gezegde slaaf gedood wordt ten gevolge dier vogelvrij-verklaring, zal de waarde van zulk een slaaf bepaald worden door de jury, in de county's, waar bedoelde slaaf is gedood, en het certificaat dier waardering door den griffier der regtbank, waarbij de jury den eed heeft afgelegd, aan den eigenaar van den slaaf worden uitgereikt, die dan twee derden van de waarde daarin uitgedrukt zal kunnen bekomen bij den sheriff der county's, binnen welke de slaaf werd gedood (Thans is dit besluit niet meer van kracht).

[8] Gen. 4, vs. 14, "En het zal geschieden, dat al wie mij vindt mij zal doodslaan."

[9] De ijzeren halsband was ook in Noord-Carolina in gebruik, zoo als het volgende uittreksel uit het wetboek aantoont. Zij die gedwongen werden dien band te dragen, hebben zeker wel eenige reden om zich over de "tyranny der mode" te beklagen.

"Wanneer de cipier van gezegde staats-gevangenis een weggeloopen neger laat uitgaan naar den persoon of de personen, bij wie hij, op last van het Geregtshof voornoemd, verhuurd is, zal de cipier, bij het uitgaan een ijzeren band om den hals moeten doen van zulk een neger of weggeloopene met de letters P.G. (Public Gaol) daarop gestempeld; wanneer hij dit gedaan heeft, is de cipier niet verantwoordelijk voor het ontsnappen van gezegden neger of weggeloopene."

[10] Slavernij zoo als zij is; Verklaringen van een duizendtal getuigen.

[11] In eene regtspraak in een ander proces van den Staat tegen Abram komt met betrekking hiertoe nog de bepaling voor, dat de meester of opzigter en niet de slaaf zelf beoordeelt of hij te ziek of onbekwaam is voor den arbeid. Hij moet dus, wanneer de meester het beveelt, aan het werk gaan.

[12] Gibbons ondergang en val, hoofdst. I.

[13] Ibid.

[14] Gedurende en na de regering van Augustus werden eenige beperkende maatregelen genomen om de al te groote toename van onwaardige burgers, door vrijmaking, tegen te gaan. Zij geleken echter in geen opzigt naar de knellende banden der Amerikaansche wetten.

[15] Men herinnere zich dezen term uit de Amerikaansche regtpleging, reeds voorkomende in het proces van Eliza Rowand. Zie pag. 74.

Vertaler.

[16] Hij zegt in een werk over de slavernij: "Zoo de taal in staat is een helder en bepaald begrip van iets te geven, weet ik niet hoe zij iets duidelijker of ondubbelzinniger zou kunnen uitdrukken dan in Leviticus XXV geschiedt, welk Hoofdstuk duidelijk en ondubbelzinnig verklaart, dat God-zelf de slavernij of lijfeigenschap heeft goedgekeurd; en dat het "koopen, verkoopen, houden en vererven" van slaven als eigendommen, inrigtingen zijn, die Hij-zelf heeft vastgesteld."

[17] Aldus wordt de slavenhandelaar door de ongelukkigen in de slavenkweekende Staten algemeen genoemd.

[18] Quarteronne is de Fransche, gelijk Quadrone de Engelsche benaming is eener kleurlinge, die een vierde gekleurd bloed in hare aderen omdraagt.

Vertaler.

[19] "Woorden, op de jaarlijksche Conferentie te Georgia; Aangenomen, dat de slavernij, zoo als zij bestaat in de Vereenigde Staten, geen zedelijk kwaad is."

[20] Het facsimile, voor den Hollandschen lezer van geen belang, laten wij in deze uitgave achterwege.

Vertaler.

[21] De schrijfster beschrijft hier een toneel, dat onlangs in een Slavenstaat heeft plaats gehad en waarvan zij de bijzonderheden maar al te goed kent. Het bedoelde werk was Uncle Tom's Cabin.

[22] Ps. XIX: 8, alwaar de Engelsche vertaling heeft: "rejoicing" (verheugende) "the heart" (het hart, of: de ziele.)

Vertaler.

[23] Dit besluit wordt door Burney in zijn vlugschrift medegedeeld.

Schrijfster.

[24] Redevoering van W. Phillips, te Boston.

De Schrijfster.

[25] Deze zoo schoone dichterlijke beschrijving van den "Leviathan" is getrokken uit het 40ste en 41ste hoofdstuk van Job.

Vertaler.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us