← De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut

De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut (part 2 of 3)

Part 2 of 3 · Stowe, Harriet Beecher · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #41503, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (3)

Continue:

De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut (part 2 of 3)

"Wat bedoelt de advokaat hiermede? Wil hij zeggen, dat waarschijnlijk alle gezworenen zich aan dergelijke daden hebben schuldig gemaakt, en daarom, in deze zaak, niets hadden in te brengen? nam geen der gezworenen de partij voor hen op! gevoelde niemand die aantijging? Uit dat alles blijkt dat de jury er in berustte als in een algemeen erkend iets; en de Charleston Courier neemt het over zonder commentarie, in het verslag van een regtsgeding, dat, naar het voorgeeft "de wereld zal leeren hoe de wet met haar schild der bescherming den blanke zoowel als den nederigen slaaf beschut."

Eindelijk, letten wij wel op de uitspraak van den regter, die wet is geworden in Zuid-Carolina. Welk punt wordt er door beslist? Dat de eenvoudige eed van den meester, tegenover alle omstandigheden, waaruit het tegendeel blijkt, hem kan zuiveren van schuld, wanneer er sprake is van een moord op een slaaf gepleegd. En dit regtsgeding wordt als eene proeve van onpartijdigheid en billijkheid der regtspleging uitgebazuind! "Indien het licht dat in u is, duisternis is, hoe groot is dan die duisternis!"

HOOFDSTUK VIII.

DE GOEDE OUDE TIJD.

Een vooruitgang van beschaving, die zeer twijfelachtig is.

B. F. Hunt.

Hoewel de schrijfster slechts met tegenzin de stuitende bijzonderheden van het volgende proces aan hare lezers mededeelt, acht zij het toch noodzakelijk aan te toonen, hoe de vroegere wet van Zuid-Carolina werkte, die hier gekenschetst werd als eene wet, "overeenstemmende met onze staatkunde en goedgekeurd door de "wijsheid" van de grondleggers van dien Staat, en waarvan de wijziging genoemd werd "een vooruitgang van beschaving, die zeer twijfelachtig is."

Wij gelooven daarbij te moeten voegen de uitspraak van den regter Wilds, deels om hare innerlijke waarde en de edele gevoelens, die er in worden uitgedrukt, maar vooral, omdat daarin zulk een sterk contrast wordt gevonden tusschen des regters diep en verontwaardigd gevoel van regt en de schandelijke onmagt en onvolledigheid der wetten, die hij moest toepassen.

Het gebeurde werd ter kennisse van de schrijfster gebragt door een brief van een vriend in Pennsylvanië, waarvan het volgende een uittreksel is.

Tusschen 1807 en 1810 lag er in de haven van Charleston een schip, onder bevel van een zekeren Slater. De bemanning bestond uit slaven: een hunner beging eene misdaad, die in het verhaal niet genoemd wordt. De kapitein beval dat men hem gebonden op het dek brengen zou; en daar, in de haven van Charleston, op klaarlichten dag, deed hij hem door een anderen slaven-matroos het hoofd afhouwen. De zaak werd publiek en van algemeene bekendheid. Er werd eene vervolging tegen den kapitein ingesteld; de misdaad werd bewezen, en welligt niet eens ontkend,--en de regter gaf in eene schoone en treffende toespraak tot den beschuldigde zijn opregt leedwezen te kennen, dat hij, onder de heerschende slavenwetten, geene straf kon opleggen.

Ik studeerde in de regten toen ik die zaak opgenomen vond in Hall's American Law Journal, deel I. Ik heb het boek sedert vijf-en-twintig of dertig jaar niet onder de oogen gehad; in de namen enz. kan ik mij dus bedriegen, maar de feiten hebben te diepen indruk op mij gemaakt, om mij die niet juist te herinneren.

De toespraak, hierboven bedoeld, was van den regter Wilds uit Zuid-Carolina; wij hebben haar woordelijk overgenomen uit het tijdschrift zoo straks genoemd.

John Slater! Door eene jury uit uwe landgenooten is het als bewezen aangenomen, dat gij moedwillig uw slaaf vermoord hebt; en het doet mij leed het te moeten verklaren, het korte, stellige en onwederlegde getuigenis, waarop die uitspraak gegrond is, laat naauwelijks eenigen twijfel over.

De geschiedenis der menschelijke boosheid levert misschien geen tweede voorbeeld op van zulk eene wreede, bloeddorstige, helsche, wraakoefening.

Gij bevaalt dat uw weerloozen slaaf, die niets kwaad had bedreven, aan handen en voeten zou gebonden worden, en, door eene alles overtreffende wreedheid, dwongt gij zijn medgezel, misschien zijn boezemvriend, om zijn hoofd met eene bijl af te houwen en zijn nog stuiptrekkend ligchaam in het water te werpen! En die daad dorst gij schaamteloos volbrengen, op klaar lichten dag, in de haven zelve van Charleston, op weinig afstands van den wal. Hadt gij uw moordenden arm opgeheven tegen uwe gelijken, die het regt tot zelfverdediging en de nog krachtiger wetten van het land beschermen, dan zouden uwe misdaden niet zonder voorbeeld en minder afschuwelijk wezen. Het gevaar, dat gij zelf liept, zou getoond hebben dat, hoewel een moordenaar, gij geen lafaard waart. Maar gij wist maar al te goed, dat die ongelukkige man, die het lot in uwe magt gebragt had, niet als gij heilige regten bezat, die hem de natuur had geschonken en de wetten des lands handhaafden; en dat eene strenge, maar noodzakelijke maatregel hem het regt van zelf-verdediging had ontnomen. Maar al te wel wist gij, dat hij bij u alleen bescherming kon vinden, en dat uw arm alleen hem tegen verdrukking kon hoeden of zijne misdrijven straffen; en toch dien arm hebt gij wreedaardig opgeheven om hem te vernietigen!

De raadsman, die edelmoedig en vrijwillig zijne hulp u aanbood, werd getroffen door het afschuwelijke uwer daad, en trachtte eene verschooning te vinden, zoowel voor zijn eigen gevoel als voor het gevoel van allen, die het geding bijwoonden, door u voor krankzinnig te doen doorgaan. Verscheidene getuigen werden verhoord om dit feit te bewijzen, maar hunne verklaringen deden, vrees ik, hem evenveel leed als de jury. Vurig had ik gewenscht dat die reden van verschooning gegrond ware, niet omdat ik zou verlangen u aan de straf te onttrekken, die u wacht, en die gij in zoo hooge mate verdient, maar uit zucht om mijn land het bittere verwijt te doen ontgaan, dat het zulk een monster in zijn boezem heeft gedragen.

Bijzondere omstandigheden van dit land regtvaardigen het in onze vaderen, dat zij hem, die een slaaf vermoordt, slechts met eene geringe straf bedreigden. Of de tegenwoordige toestand der maatschappij eischt dat wij die staatkunde blijven volgen, die schijnbaar zoo lijnregt in strijd is met de regten van den mensch, blijve aan eene volgende wetgeving over te beslissen. Hare aandacht zou zich reeds vroeger tot dit onderwerp bepaald hebben, maar, tot lof der menschheid zij het gezegd, booswichten als gij worden er slechts zelden gevonden. De hoogste jury van dit district, diep getroffen door uwe drieste inbreuk op de wetten van God en menschen beiden, heeft op eene nadrukkelijke wijze hare zienswijze ten aanzien der daad waaraan gij u hebt schuldig gemaakt, aan de wetgeving kenbaar gemaakt, en van de wijsheid en regtvaardigheid van dat ligchaam mogen de vrienden der menschheid hopend vertrouwen, dat zij weldra die zwartste in de rij der menschelijke misdaden door eene evenredige straf zullen zien verdwijnen.

En thans, nu ik overga tot het uitspreken van het vonnis, dat de wet op uwe misdaad stelt, moet ik verklaren nimmer in zoo hoogen graad het gebrek aan magt te hebben gevoeld, om de wet te kunnen handhaven, waarvan ik de dienaar ben. Gij hebt reeds de majesteit dier wetten ontheiligd. Gij hebt de wet durven aanroepen, waarin uwe beschuldiging staat geschreven, als eene regtvaardiging uwer misdaad. Gij hebt die wet in de eene hand gehouden en in de andere de bloedige bijl, en hebt schandelijk durven beweren, dat de eene het onbeperkt gebruik der andere veroorloofde.

Maar, ofschoon uw persoon niet gedeerd wordt door dit vonnis, verwacht daarom niet dat gij alle straf zult ontgaan. Het bloed, dat gij vergoten hebt, heeft u gebrandmerkt, en dat brandmerk kan, vrees ik, door geene beterschap in het vervolg worden uitgewischt. Gij zult geschuwd worden door eene onpartijdige wereld, en door iederen brave als een monster worden nagewezen. Op uwe onschuldige nakomelingen zal uw misdrijf drukken, door de schande dat zij het nageslacht zijn van een gevoelloozen moordenaar. Uwe dagen--en zij zullen slechts weinige zijn--zult gij in ellende doorbrengen; en, indien uw gemoed niet geheel onvatbaar is voor edeler aandoeningen, indien gij niet geheel in de magt blijft van uwe verharde boosheid, zal het verminkte en misvormde lijk van uw vermoorden slaaf gedurig voor uwe verbeelding oprijzen, te midden van de woelingen des levens en u vervolgen in de uren van rust en kalmte.

Maar, mogt gij ook de verwijten niet tellen eener gehoonde maatschappij, mogt gij met onvermurwbare gevoelloosheid de knagingen van uw schuldig geweten ondergaan, bedenk, dat er een vreeselijker tijd voor u zal aanbreken, en weldra voor u zal ingaan, wanneer gij voor een regterstoel moet verschijnen, wiens onmagt u geene straffeloosheid kan doen verwachten; wanneer gij uwe met bloed bevlekte handen zult moeten toonen voor den regterstoel van een onpartijdigen alwetenden Regter. Bedenk dat, roep ik u toe, bedenk, zoolang het nog tijd is, dat God is regtvaardig, en dat Zijne vergelding niet eeuwig zal uitblijven!

De boete, welke den schuldige, die hier zoo plegtig werd ten toon gesteld, werd opgelegd, bedroeg zeven honderd pond, of, bij wanbetaling, eene gevangenisstraf van zeven jaren.

En toch schijnt het dat er mannen waren, die de wijziging dezer wet een zeer twijfelachtig en vooruitgang der beschaving noemden!" Tot staving van dit gevoelen, wordt als autoriteit aangehaald, zoo als de lezer in de redevoering van den advokaat Hunt in het vorig hoofdstuk kan zien, de meening van den kanselier Harper. En, zoo als in zulke pleidooijen gewoonlijk het geval is, wordt de oude wet genoemd als eene wet die den slaaf beter beschermt dan de nieuwe. De uitslag der twee processen zou ook waarlijk die meening eenigermate aannemelijk maken, want onder de oude wet werd Slater ten minste veroordeeld tot eene boete van zeven honderd pond, terwijl onder de nieuwe Eliza Rowand er afkomt met een "naauwkeurig onderzoek."

Op die wijze straft de wet den moord van een slaaf. Hoe straft zij nu den moord van den eigenaar door zijn slaaf?

Wij willen als eene proeve daarvan een kort verslag geven van een regtsgeding van dien aard, dat niet lang geleden in Virginia gevoerd werd en medegedeeld werd in de Alexandria Gazette van den 23sten October 1852, als uittreksel uit den Charleston Free Press.

Zaak van den Neger Henry.

Het geding van dezen slaaf, die beschuldigd werd van eene poging tot moord op den Heer Harrison Anderson, ving aan des maandags en werd ten einde gebragt des donderdags avonds. De opperregter in Braxton, County Davenport Esq. met vier hem toegevoegde regters maakten de regtbank uit.

De Staat werd vertegenwoordigd door zijn attorney Charles B. Harding, Esq., en de beschuldigde werd met zeer veel bekwaamheid en zeer welsprekend verdedigd door de Heeren Wm. C. Worthington en John A. Thompson Esqrs. Het bewijs der schuld was overtuigend. De meerderheid der regters oordeelde dat op hem de hoogste straf van toepassing was; maar met eenparigheid werd besloten, dat hij veroordeeld zou worden tot het ontvangen van vijfhonderd geeselslagen, niet meer dan negen en dertig achter elkander. De geneesheer van het gevangenhuis werd gelast toe te zien, dat zij niet te spoedig na elkander zouden gegeven worden, en alleen dan, wanneer, naar zijn oordeel, de beschuldigde ze verdragen kon.

In een ander blad vinden wij dat de Free Press zegt:

De meerderheid der regters oordeelde, dat op hem de hoogste straf van toepassing was; maar met eenparigheid werd besloten, dat hij veroordeeld zou worden tot het ontvangen van vijfhonderd geeselslagen, niet meer dan negen en dertig achter elkander. De geneesheer van het gevangenhuis werd gelast toe te zien, dat zij niet te spoedig na elkander zouden gegeven worden, en alleen dan, wanneer, naar zijn oordeel, de beschuldigde ze verdragen kon. Dit moge welligt eene harde en wreede straf schijnen, maar wanneer wij in aanmerking nemen, dat zij in overeenstemming is met de wetten van het land, en dat de oproerigheid onder de slaven van dezen staat inderdaad zorgwekkend wordt, mogen wij de billijkheid dier straf niet in twijfel trekken.

Wil iemand beweren, dat, omdat het leven van den meester aan meer gevaar is blootgesteld van de zijde van den slaaf, dan dat van den slaaf van de zijde des meesters, deze evenredigheid in de straf bestaat? Zij die zulk eene wet verdedigen, zullen wel doen eens na te denken over de ernstige woorden van een oud boek, dat ingegeven werd door Een, die geen aanzien des persoons kent:

"Zoo ik het regt versmaad heb van mijn dienstknecht of van mijne dienstmaagd, als zij zich over mij beklaagden;

"Wat zoude ik dan doen als God opstond? en als Hij bezoeking deed wat antwoord aan hem geven?

"Heeft niet, die mij in 's moeders ligchaam vormde, ook hem gemaakt? en ons in éénen moederschoot gekoesterd?"

HOOFDSTUK IX.

MATIGE KASTIJDING EN TOEVALLIGE DOOD.

De Staat tegen Castleman.

Korten tijd voor zij den dood van den slaaf Tom schetste, las de schrijfster het verslag van het volgende regtsgeding. De treurige feiten, daarin voorkomende, zweefden haar voor den geest toen zij schreef:

"Welk mensch durft het doen, maar durft het niet aan hooren. Wat onze mede-broeders en mede-christenen moeten lijden, kan ons niet verhaald worden, zelfs niet in onze binnenkamer, zoo snijdt het door de ziel. En toch, o, mijn vaderland! geschiedt dat alles onder de schaduw uwer wetten! en o Christus, uw kerk ziet het bijna zwijgend aan!"

Het wordt geheel wedergegeven zoo als het opgesteld was door Dr. G. Bailey, den menschlievenden en kundigen redacteur van de National Era.

Uit de "National Era," Washington 6 November 1851.

Moord-aanslag in Clarke County, Virginia.

Sedert eenigen tijd bevatten de nieuwspapieren van Virginia mededeelingen omtrent een schrikkelijk treurspel, dat in Clarke County van dien Staat heeft plaats gehad. Een slaaf van den kolonel James Castleman, werd, zoo als men zegt, met een keten om den hals vastgelegd, en door zijn meester doodgegeeseld, omdat hij gestolen had. De geheele nabuurschap van de plaats, waar dit geschiedde, geraakte in een staat van spanning; de bladen van Virginia deelden om strijd die wreede daad mede; en de inwoners der Noordelijke Staten werden opgeroepen, om als getuigen op te treden voor den regter, opdat aan den slaven-eigenaar loon naar werken zou worden gegeven. De daad was dan ook vreeselijk; zij was, wij durven het zeggen, bijna en zonder wederga, en ze mag niet als proeve worden aangevoerd van de behandeling der slaven in het algemeen. Wij deelden het gebeurde niet mede; wij wilden liever met de mededeeling er van wachten, tot de regtbank vonnis zou hebben geveld, en wij de misdaad te gelijk met de straf konden mededeelen, wanneer de Staat zich op den misdadiger zou gewroken hebben.

Zij, die door dat gruwelstuk diep getroffen waren, zullen zeker verrast en teleurgesteld zijn, wanneer zij vernemen, dat de bedrijvers er van verhoord en vrijgesproken werden; en wanneer zij het volgende verslag van het regtsgeding en de uitspraak lezen, dat, op verlangen der vrienden van den beschuldigde openbaar werd gemaakt, zal hunne teleurstelling in bittere verontwaardiging overgaan.

Het volgende verslag, dat men veronderstelt opgemaakt te zijn door den advokaat, na het regtsgeding, is door de vrienden van den kolonel ons ter hand gesteld, met verzoek het openbaar te maken.

Uit den "Spirit of Jefferson."

"Voor het Hoog Geregtshof van Clarke County, aanvangende den 13den October, onder voorzitterschap van den regter Samuels, verschenen James Castleman en zijn zoon Stephen D. Castleman, beiden beschuldigd van moord op den neger Lewis, eigendom van den laatste. Op raad van hun advocaat, verlangden de partijen, dat hunne zaak afzonderlijk zou worden behandeld, en de attorney voor den Staat bepaalde, dat James Castleman het eerst zou worden verhoord.

"Uit dat geding bleek, dat verscheidene maanden voor dat het feit gepleegd was, de geldlade in de herberg van Stephen Castleman, en de sterke dranken, die in groote hoeveelheid in den kelder waren, van tijd tot tijd bestolen waren geworden, en dat die diefstallen zeer aanmerkelijk waren toegenomen. Uit verschillende omstandigheden had men verdenking opgevat tegen Lewis en een anderen neger, Reuben, een hoefsmid, het eigendom van James Castleman; maar door behulp van twee der huisbedienden waren zij tot nog toe aan alle waakzaamheid ontsnapt.

"Op den 20sten Augustus laatstleden, in den achtermiddag, ontdekte S. D. Castleman toevallig eene spleet, waardoor hij, met behulp van een der huisbedienden, volkomen in staat werd gesteld de dieven te zien, en de wijze te ontdekken, waarop de diefstallen waren gepleegd. Hij liet terstond zijn vader roepen, die niet ver van hem af woonde, en nadat hij dezen zijne ontdekking had medegedeeld, besloot men, dat men de misdadigers plotseling zou straffen en vóór dat zij wisten dat hunne daad aan het licht was gekomen.

"Lewis werd het eerst gestraft, en op eene wijze, zoo als ten duidelijkste blijkt, die hem geen ernstig letsel kon geven, namelijk door eene geeseling met een breed lederen riem. Hij werd streng gestraft, evenwel slechts in verhouding tot zijne misdaad; niemand kon dan ook beweren, dat die straf zijn leven of zijne gezondheid in gevaar bragt. Hij bekende het misdrijf en verklaarde, dat hij het gepleegd had met behulp van valsche sleutels, die de smid Reuben hem had geleverd.

"Deze werd onmiddellijk daarna gestraft. Men geloofde, dat hij de voornaamste misdadiger was, en hij toonde zich verharder en weerspanniger dan Lewis zich getoond had. Het bleek dan ook, zoowel uit de aanklagt als uit de verdediging, dat hij met grooter gestrengheid werd gestraft dan zijn medepligtige. Er volgde evenwel ook van zijne zijde eene bekentenis, en hij gaf de valsche sleutels, een waarvan hij zelf gesmeed had, door middel van welke de diefstal was gepleegd, over.

"Verder bleek bij de behandeling dezer zaak, dat Lewis gegeeseld werd in een bovenvertrek van het magazijn, dat grensde aan het pakhuis van Stephen Castleman, en aan de straatzijde lag; de slaaf werkte daar gewoonlijk; dat, nadat hij de straf had ondergaan, de neger Lewis, omdat hij niet weg zou loopen, terwijl zij Reuben haalden, met een ketting rond zijn hals werd vastgemaakt aan een balk boven zijn hoofd. De lengte van den ketting, de breedte en dikte van den balk, zijne hoogte boven den grond en de lis, die zijn hals omsloten had, waren naauwkeurig gemeten, en daaruit was gebleken, dat de ketting, zonder de lis en den balk, anderhalf voet langer was dan de afstand tusschen de schouders van den slaaf en den balk daarboven, dat de ketting dus verre van gespannen kon geweest zijn; dat de lis (die zoodanig was gelegd, dat zij niet verder kon digtgehaald worden) rustte op de schouders en de borst, en slechts zooverre was toegehaald, dat zijn hoofd er niet door kon, en dat er geene andere gelegenheid in het vertrek was om den ketting vast te maken, dan aan gezegden balk. Zijne handen werden vóór hem gebonden; een blanke, die met Lewis dien dag gewerkt had, werd door de Castlemans bij hem gelaten, om te zorgen, dat hij niet ontsnapte, terwijl zij met Reuben bezig waren. Uit de verklaring van dezen man (die als getuige door den Staat werd opgeroepen) bleek, dat Lewis gevraagd had om een bankje om op te staan, of om iets waarop hij steunen kon; dat nadat de Castlemans hem verlaten hadden, de vrees door hem werd te kennen gegeven, dat hij nogmaals gegeeseld zou worden, wanneer zij terug kwamen, en dat hij zeide zich den hals te willen afsnijden, indien hij maar een mes had en eene hand kon loswringen. De getuige verklaarde, dat de neger "ferm op zijn beenen stond"; dat hij zich vrij naar alle zijden kon bewegen, en dat hij zich volstrekt niet beklaagd had over de wijze, waarop hij geboeid of vastgemaakt was. Getuige verklaarde ten slotte, dat hij een half uur met Lewis geweest was en hem toen verlaten had, om naar huis te gaan.

"Nadat zij Reuben hadden gestraft, keerden de Castlemans met dezen naar het magazijn terug, daar hun voornemen was de twee mannen tegen elkander te hooren, in de hoop dat zij, door een verhoor van beiden te zamen, alle medepligtigen zouden ontdekken.

"Zij waren niet langer dan een half uur weg geweest. Toen zij het vertrek binnen traden vonden zij Lewis aan zijn hals hangende met de voeten naar achteren en met de knieën eenige duimen van den grond. Zijn hoofd hing voorover en het ligchaam was nog zacht (verslapt), maar het leven was er uit.

"Uit de verklaring der heelkundigen, die op verlangen van den coroner eene lijkbeschouwing hielden, bleek, dat de dood veroorzaakt was door verworging; en andere kundige geneesheeren bewezen dat, uit den toestand der hersenen en bloedvaten na den dood (welke toestand gebleken was door de lijkschouwing) de gestorvene niet bezweken kon zijn vóór de verworging.

"Nadat het geheele getuigen-verhoor was afgeloopen, verklaarden de gezworenen, van hunne plaats in de regtszaal, uit eigen beweging, vóór dat nog door een der advokaten het woord was gevoerd, dat zij het eens waren omtrent het vonnis. De raadslieden der beschuldigden vereenigden zich er mede, dat dit terstond zou worden uitgesproken, en dat vonnis luidde "onschuldig." De attorney van den Staat verklaarde toen aan het Hof dat alle feiten, die tot verdere vervolging zonden kunnen leiden, aan de jury waren medegedeeld; en daar geen nieuwe getuigen in het geding van Stephen D. Castleman konden gehoord worden, stelde hij aan het Hof voor het nolle prosequi uit te spreken. De regter antwoordde dat de zaak door het getuigen-verhoor duidelijk en volledig aan de jury bekend was gemaakt; dat het Hof niet enkel genoegen nam met het vonnis, maar dat, indien er een ander vonnis was geveld, appel zou zijn aangeteekend; dat, daar er geene meerdere getuigen in de zaak van Stephen konden gehoord worden, de attorney voor den Staat teregt een nolle prosequi ten zijnen aanzien voorstelde, en dat het Hof daarmede genoegen nam. Dien overeenkomstig werd een nolle prosequi uitgesproken en de beide beschuldigden in vrijheid gesteld.

"Wij moeten hier nog bijvoegen, dat er twee dagen heengingen met het getuigen-verhoor, en dat de zaak behandeld werd door eene jury uit Clarke County. Men had voor beide beschuldigden borg gesproken bij hunne arrestatie, en ook voor den tijd, dat het proces hangende was."

Aangenomen dat, volgens de wet, de moord niet bewezen was; wie kan toch, na deze eenzijdige mededeeling, er nog aan twijfelen, dat de slaaf stierf ten gevolge van de straf door hem ondergaan?

In criminele zaken, waarborgt de Grondwet van den Staat aan den beschuldigde het regt, dat zijne zaak door eene onpartijdige jury in het openbaar zal behandeld worden; het regt om bekend te worden gemaakt met den aard en de oorzaak der beschuldiging; om gehoord te worden tegenover de aanklagers; om getuigen à décharge te dwingen hunne verklaring af te leggen, en het regt op den bijstand van een regtsgeleerde. Dit zijn waarborgen, die volstrekt vereischt worden om de onschuld tegen een haastig of partijdig oordeel te beschermen; volstrekt vereischt om onregtvaardigheid te voorkomen. Daar die waarborgen niet voor slaven bestaan, moest elke slaven-eigenaar gevoelen, dat er op hem zooveel te grooter zedelijke verpligting rustte. Hij is de eenige regter; hij alleen beoordeelt het misdrijf, de feiten, waardoor het bewezen is, en de grootte der straf. Wanneer de slaaf van eene misdaad verdacht wordt, eischt de menschelijkheid, dat hem de beschuldiging worde medegedeeld; dat hij tegen zijn aanklager gehoord worde, dat het hem veroorloofd zij, feiten tot bewijs zijner onschuld aan te voeren.

En hoe werd de arme Lewis behandeld? De zoon van Castleman zeide, dat hij den dief van het geld ontdekt had; en terstond wordt besloten dat de misdadigers onverwacht zullen gestraft worden, en vóór zij wisten dat hunne misdaad ontdekt was. Gestraft zonder gehoord te worden? Gestraft op het getuigenis van een huisbediende, en naar den aard van welk getuigenis het Geregtshof niet schijnt onderzocht te hebben! Geen enkel woord billijkt de veronderstelling dat er een zorgvuldig onderzoek naar hunne schuld was ingesteld. Lewis en Reuben werden op lossen grond, zonder verder onderzoek, voor de schuldigen gehouden; en toen, zonder dat het hun toegestaan werd het tegendeel welligt te bewijzen, werden zij gegeeseld tot hun, door ligchaamspijn eene bekentenis ontperst werd.

Is dit de regtvaardigheid van Virginia?

Lewis werd gestraft met een "breed lederen riem"; hij werd "streng gestraft"; dit behoefde men ons niet te zeggen. Een "breed lederen riem" is wel geschikt voor eene strenge straf. "Maar niemand heeft beweerd", zegt het verslag, "dat deze straf het leven of de gezondheid in gevaar brengt." Dat is onwaar; het werd destijds nadrukkelijk in de nieuwsbladen gezegd, en het was ook de meening van alle bewoners uit den omtrek, dat die straf het leven in zeer groot gevaar stelt. Maar straks hierover nader.

Lewis werd achtergelaten. Een ketting werd om zijn hals vastgemaakt, zoodanig dat hij zich niet kon verworgen, en aan een balk boven hem bevestigd, eene speling latende van anderhalf voet. Zoolang hij regt op bleef staan, was hij zeker zich niet te zullen worgen, maar hij kon niet zitten noch knielen; en viel hij flaauw, dan werd zijn keel digtgeknepen. Het verslag zegt, dat zij hem zoo vastmaakten, opdat hij niet zou kunnen wegloopen. Als dit het eenig doel was, kon het op beter en minder wreede wijze bereikt worden, zoo als elke lezer zelf inziet. Die manier om zich van hem te verzekeren, werd waarschijnlijk gevolgd om hem vrees aan te jagen, en gaf te gelijkertijd eenige genoegdoening aan de wraakzucht van hen, die deze daad bedreven. De man, dien zij achterlieten om op Lewis te passen, zeide, dat hij, na een halfuur bij hem te zijn gebleven, naar huis was gegaan; en dat Lewis toen nog leefde. De Castlemans verklaarden, dat zij, na Reuben gestraft te hebben, terug waren gekomen, na eene afwezigheid van niet meer dan een half uur, en zij vonden hem hangende en dood. Wij vestigen de aandacht op dit gedeelte van het verhoor, om aan te toonen hoe los de verklaringen daar heen werden geworpen, waaruit het bewijs zou moeten worden opgemaakt.

Waarom werd Lewis geketend en toch een man bij hem achtergelaten? "Om zeker te zijn dat hij niet zou ontsnappen," zeggen de Castlemans. Is het de gewoonte slaven op die wijze te ketenen en een wachter bij hen te plaatsen, om hunne ontsnapping te voorkomen? Indien de straf van Lewis niet buitengewoon geweest ware, en indien hij niet bedreigd ware geworden met eene nieuwe straf na hunne terugkomst, zou het overbodig geweest zijn hem te ketenen.

De verklaring van den man, die op hem passen moest, doet hem voorkomen als een wanhopende, ter prooi aan vrees en smart. "Lewis vroeg een bankje om op te zitten." Waarom? Was hij niet lijdend en uitgeput en verlangde hij niet te rusten, zonder gevaar te loopen zich te verworgen? Verder, vroeg hij iets om op te steunen; nadat de Castlemans hem verlaten hadden, gaf hij de vrees te kennen, dat, wanneer zij mogten terugkomen, hij nogmaals gegeeseld zou worden, en zeide zich den hals af te willen snijden, als hij een mes had en eene hand kon loswringen. De kastijding, die hem tot zulk eene wanhoop bragt, moet wel vreeselijk geweest zijn!

Hoe lang zij afwezig waren, weten wij niet, want de verklaringen zijn, omtrent dit punt, met elkander in strijd. Zij vonden hem hangende en dood; zijne voeten achter het lijf, zijne knieën eenige weinige duimen van den grond, en zijn hoofd voorover gebogen; juist in de houding, waarin hij natuurlijk moest zinken, wanneer hij zich niet meer staande kon houden. Zij wilden het doen voorkomen dat hij zich-zelven verhangen heeft. Al kon dit bewezen worden (wij behoeven naauwelijks te zeggen dat het niet bewezen is) zou het toch slechts in geringe mate hunne schuld verminderen. Het waarschijnlijkst is, dat hij in elkander zakte door smart, vermoeijenis en vrees uitgeput. Wat de verklaring der heelmeesters betreft, die op eene lijkschouwing zijn gegrond, van den toestand der hersenen en bloedvaten, dat de overledene niet gestorven kon zijn vóór de verworging, deze is naauwelijks de aandacht waardig. Wij kennen het feilbare en onzekere van zulk een onderzoek.

Voor zoo ver wij het konden nagaan, was de eenige getuige, die voor hun onschuld kon pleiten, de man, dien de Castlemans tot bewaker hadden aangesteld. Maar hij hing, als werkman, geheel van hen af. Er zouden andere getuigen hebben kunnen optreden; waarom die niet opgeroepen zijn, zal de attorney moeten verantwoorden. Om onze beweringen te staven, en te bewijzen, dat in deze het regt zijn loop niet heeft gehad, roepen wij de volgende getuigenis in van een zeer achtenswaardig inwoner dezer stad, die op verre na geen abolitionist is. De slavenhouders, die door hem genoemd worden, zijn hier zeer goed bekend, en zouden terstond aan de oproeping hebben voldaan, indien zij, die met de behandeling der zaak belast waren en hunne bereidvaardigheid kenden, die oproeping hadden gedaan.

"Aan den Uitgever van de Era.

"Ik zie dat de Castlemans, wien een proces werd aangedaan wegens het doodgeeselen van een slaaf in Virginia, zegepralend werden vrijgesproken"--zoo als velen verwachtten. Er zijn drie personen in deze stad, met wie ik bekend ben, die met de Castlemans waren gedurende den nacht, waarin dat schriktooneel plaats had. Zij hoorden de vreeselijke geeselslagen en oorverscheurende kreten en jammerklagten van den lijder. Zij verzochten den eenigen blanke, dien zij toen vinden konden, en die niet in het bloedige werk betrokken was, tusschen beiden te treden; maar langen tijd weigerde hij, op grond dat hij van de Castlemans afhing en hun toorn vreesde, wanneer hij een woord zeide, dat niet naar hun genoegen was, vooral nu zij beschonken waren; hij zou zijn eigen leven welligt daardoor in gevaar stellen. Hij waagde het evenwel en gaf bij zijne terugkomst verslag van de wreedaardige wijze, waarop de slaven geboeid, gegeeseld en vastgebonden waren in het bovengedeelte van de werkplaats. Des morgens, toen die personen vernamen dat een der slaven gestorven was, waren zij zoozeer getroffen en verontwaardigd, dat zij niets in het huis wilden gebruiken, en Castleman zijne wreedheid verweten. Deze betuigde zijn leedwezen dat de slaaf was gestorven, en vooral, zoo als hij verzekerde, omdat hij daaraan onschuldig was; men meende dat hij door afmatting in zwijm was gevallen, en door den ketting, die om zijn hals was geslagen, geworgd was. De personen, die ik hier op het oog heb, houden zelf slaven, maar zij waren zoo zeer getroffen en aangedaan, dat zij niet hadden kunnen slapen (twee hunner zijn dames) en vele nachten daarna sliepen zij zeer onrustig en werden hunne droomen gedurig door die vreeselijke herinnering benaauwd.

"Die personen zouden belangrijke getuigen zijn geweest en gaarne in het geding zijn opgetreden. Dat zij van de zaak kennis droegen, werd aan de betrokken autoriteiten medegedeeld, en toch werd hunne getuigenis niet ingeroepen. De eenige getuige was die afhankelijke persoon, die het voor zijn eigen leven gevaarlijk achtte tusschen beiden te treden."

De uwe, etc. J. F.

Het verslag, zoo als dat door de vrienden der beschuldigden werd medegedeeld, toont dat er eene afschuwelijk wreede daad is gepleegd. De mededeelingen van onzen correspondent leveren het bewijs, dat de waarheid niet in haar geheel is aan het licht gekomen, en dat het regt in zijn loop is gestuit. Uit den uitslag van het geding kan men zien, hoe onverantwoordelijk de magt van den meester over den slaaf is, en dat de eenige bescherming van dezen te zoeken is in de menschlievendheid van den meester, niet in de waarborgen der wet.

Onze handelwijze, met betrekking tot deze zaak, onze weigering om van eenige mededeeling daaromtrent in ons blad op te nemen, alvorens de regtbank uitspraak had gedaan, kan doen zien, dat wij niet vijandelijk zijn gezind jegens onze slavenhoudende landgenooten. Wij hebben dan ook zonder vooroordeel deze betreurenswaardige zaak nagegaan, maar wij moeten, met het oog op de regtspleging, het slavenstelsel ten hoogste afkeuren. De nieuwsbladen in Virginia nemen over het algemeen het verslag over uit den Spirit of Jefferson, zonder commentariën. Zij zijn blijkbaar niet tevreden, dat er geen regt is gepleegd; ongetwijfeld zullen zij ontkennen, dat de beschuldigden, volgens de wet, een moord hebben bedreven; maar zij zullen niet ontkennen, dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan eene gruweldaad, die hen voor altijd in eene Christen-maatschappij brandmerkt.

HOOFDSTUK X.

AANGENOMEN BEGINSELS.--DE STAAT TEGEN LEGREE; EEN GEVAL DAT NIET IN DE WETBOEKEN VOORKOMT.

Uit een overzigt van al de gedingen, die wij tot dusver mededeelden, en van de beginsels die in de regterlijke uitspraken doorstralen, moet de lezer de volgende feiten afleiden:

Vooreerst, dat de meesters nu en dan hunne slaven doodmartelen.

Ten tweede, dat het dooden op die wijze van een slaaf op zich zelf, door de slaven-regtspleging, niet als moord wordt aangenomen.

Ten derde, dat de slaaf, wanneer hij zijn meester weerstand biedt, altijd mag gedood worden.

Uit dit alles volgt, dat, wanneer de omstandigheden bij Toms dood volkomen waren bewezen door het getuigenis van twee blanken, Legree, bij eene consequente toepassing der slavenwet, nog niet als moordenaar zou beschouwd worden, want Tom bood weerstand aan den wil van zijn meester. Zijn meester had hem iets bevolen in tegenwoordigheid van andere slaven. De meester begon met eene kastijding om hem tot gehoorzaamheid te dwingen. En bij den eersten oogopslag moet iedereen inzien, dat, wanneer de wet hem geen magt geeft, om, in zulk een geval, tot gehoorzaamheid te dwingen, alle magt over de slaven denkbeeldig is. Geene regtbank in het Zuiden zou durven staande houden, dat Legree onregt had om de kastijding te doen aanhouden, zoo lang Tom in zijne ongehoorzaamheid volhardde. Legree stond gedurende al dien tijd bij hem, maande hem aan om zich te onderwerpen, en beloofde hem, zoodra hij zich onderwierp, hem vrij te laten. Toms verzet was oproerigheid. Het was een voorbeeld, dat op geene plantage in het Zuiden mogt geduld worden. Volgens de uitdrukkelijke bewoordingen der grondwet van Georgia en volgens de gewone uitlegging en toepassing der slavenwet, berust, in buitengewone gevallen als dit, het regt over leven en dood in de handen van den meester. Het geldt hier geene daad als die van Souther in zijn proces tegen den Staat. Het slagtoffer van Souther maakte zich aan geen verzet of oproer schuldig. De straf was in dat geval niet meer dan eene wraakoefening over eene gepleegde misdaad, en geene poging om den dader tot gehoorzaamheid te brengen.

Er is geen enkel beginsel in de slaven-regtspleging, volgens hetwelk een man, die, in den toestand van Legree als deze handelende, voor moord zou kunnen vervolgd worden. Iedereen moet erkennen, dat, wanneer dit het geval mogt wezen, de grondslag van het gansche slavenstelsel in duigen moet vallen. Wel is waar, Tom verzette zich ter wille van zijn geweten. Maar de wet erkent niet en kan niet erkennen, dat de neger een van zijn meester onafhankelijk geweten bezit. Wanneer men aannam dat de neger gehoorzaamheid kon weigeren aan zijn meester, in geval hij diens bevel in strijd met zijn geweten mogt achten, zou er eene algemeene anarchie ontstaan. Zoo het Tom in dit geval veroorloofd werd zijn meester ongehoorzaam te zijn, omdat zijn geweten hem dat beval, zou Sambo morgen en Quimbo overmorgen, om eene gewetenszaak, gehoorzaamheid weigeren. Velen hunner mogen dan teregt gedacht hebben, dat het zonde was te handelen zoo als zij deden. De mulattin moge gevoeld hebben, dat het in strijd was met Gods bevel dat zij een anderen echtgenoot nam. Moeders mogen begrepen hebben, dat het meer haar pligt was om te huis te blijven en te zorgen voor hare jonge en zwakke kinderen, dan in het veld te gaan werken voor Legree. De schade zou niet te voorzien zijn, die aan katoenplantages zou worden berokkend, wanneer den neger het regt werd toegekend naar de inspraak van zijn geweten te luisteren. Indien het slavenstelsel een regtvaardig stelsel is en gehandhaafd moet worden, mag men het gedrag van Simon Legree in deze niet laken; want hij deed niet meer dan volstrekt noodig was om het stelsel te handhaven, en Tom stierf ten gevolge eener dweepzieke en dwaze volharding in zijn verzet tegen de magt die bestond, die gesteld was door God. Hij volgde de ziekelijke inspraak van zijn onverbeterlijk verdorven hart, en verzuimde die "wijze lessen van het geschreven woord," die, zoo als wij hebben doen zien, zoo schoon zijn voorgekomen aan voortreffelijke regtsgeleerden.

HOOFDSTUK XI.

DE ZEGEPRAAL VAN HET REGT OVER DE WET.

Na mij dus verpligt gezien te hebben op zoovele regtsgedingen te wijzen, waarin de regtvaardigheid heeft moeten onderdoen voor de wet, en de billijkheid en menschenliefde zijn teruggedrongen door de grendels en sluitboomen der logica, rekenen wij ons gelukkig ook van een regtsgeding te kunnen spreken, in Noord-Carolina gevoerd, waarin de edeler aandoeningen van het menschelijk hart de grenzen der wet hebben doen overschrijden, en waarvan de behandeling blijkt plaats gehad te hebben door mannen, die zich niet schaamden in hun boezem die gevaarlijke en onafhankelijke beweegkracht te voelen kloppen, die men het menschelijke hart noemt; ofschoon, bij de mededeeling van dat proces, treurige maar onvermijdelijke gewaarwordingen zich van onze ziel zullen meester maken, omdat daaruit de publieke opinie blijkt, die toestond dat op klaarlichten dag, in de hoofdstad van Noord-Carolina, zulke mishandelingen op eene ongelukkige vrouw gepleegd werden. Het publiek scheen zoo geheel doordrongen en overtuigd van de waarheid der leerstellingen door den regter Ruffin verkondigd, dat de magt van den meester absoluut moet zijn, dat het niet durfde tusschen beiden treden, toen het arme schepsel, barrevoets en bloedend, aan den hals van een paard werd voortgesleept, dat door de straten van Raleigh draafde en vijf (engelsche) mijlen in het uur aflegde. Het scheen ook dat de schrikkelijkste mishandelingen en gruweldaden, die men zich denken kan, of waarvan men getuige kan zijn, aangezien werden zonder dat men poogde ze te doen ophouden, door een aantal inwoners, waaronder wij de namen der achtenswaardigste mannen aantreffen. Maar het troost ons hier den procureur-generaal te hooren spreken, zoo als het een mensch betaamt, want waarlijk er bestaat geene reden om de vreeselijke werking van het slavenstelsel te ontveinzen en te miskennen, of de weinig troostrijke en lenigende bepalingen er van, zoo gering en onbeduidend die leniging is, op te vijzelen.

Wij nemen het verslag van het geding over, zoo als het medegedeeld werd door den redacteur der National Era Dr. Bailey, een man, wiens opregtheid en goede trouw boven alle verdenking verheven zijn, zoo als iedere regel die hij schrijft reeds zelf getuigt.

De lezer moge bij den eersten aanblik verwonderd zijn, dat hij hier het getuigenis van slaven vindt opgenomen, maar hij neme in aanmerking, dat een slaaf de hoofdpersoon in het proces is, en het getuigenis van slaven slechts van onwaarde is, wanneer het blanken geldt.

Een belangrijk regtsgeding.

Wij vinden in een der dagbladen van Raleigh (Noord-Carolina) van den 5den Junij 1851 het verslag van een belangrijk geding, in de voorjaars zitting van het Hoog-Geregtshof gevoerd. Mima, eene slavin, werd aangeklaagd van moord gepleegd op haar meester William Smith uit Johnstons County in den nacht van den 29sten November 1850. De aanklager was Sidney, een slaaf van twaalf jaren, die verklaarde dat in dien nacht hij en eene jonge slavin, Jane genaamd, uit den slaap gewekt waren door het roepen van hun meester, Smith, die juist t' huis was gekomen. Zij stonden op en vonden Mima aan den hals van een paard gebonden, met twee koorden, een om haar hals en een om hare handen. De verslagene bragt haar in huis rukte het koord van haren hals en bond haar aan een balk. Hij vroeg iets te eten, wierp haar een stuk brood voor en na dit gedaan te hebben, sloeg hij haar op haar blooten rug met een dik stuk hout, en bragt haar verscheidene slagen toe. Korten tijd daarna begaf zich de verslagene naar buiten, om eene zekere reden; getuige vergezelde en lichtte hem met eene toorts en hoorde hem toen zeggen, dat hij "het met die gevangene wel uit zou maken." Het licht woei uit en hij ging in huis om het weder aan te steken. Hij vond daar Jane, maar de gevangene was los geraakt en bevond zich daar niet meer. Terwijl hij de toorts aanstak, hoorde hij buiten slagen vallen, en den verslagene twee of drie malen roepen: "O Leah! o Leah!" Getuige en Jane gingen naar buiten, zagen den verslagene in zijn bloed badende, werden zeer bevreesd, liepen in huis en sloten zich op. Leah blijkt de moeder van den verslagene te zijn geweest, en had hem twee jaren geleden verlaten, omdat hij haar gedurig mishandelde.

Smith lag sprakeloos en buiten bewustzijn tot dat hij den volgenden morgen aan zijne wonden stierf.

Uit het proces bleek, dat Carroll, een blanke, die op ongeveer eene mijl afstands van het huis des verslagenen woonde, en wiens vrouw doorging voor een onecht kind van Smith, den morgen na den moord in zijn bezit had eene door den Sheriff High, den vorigen dag aan den verslagene ter hand gestelde kwitantie van gevangeniskosten en eene nota van vijf en dertig dollars, die een zekere William Price aan den verslagene verschuldigd was, en die Carroll korten tijd later inde; zoo ook de gouden sleutels en cachetten van den verslagene, terwijl nergens uit bleek op welke wijze Carroll in het bezit van een en ander gekomen was.

De volgende verklaringen uit het getuigenverhoor bevatten zulke verschrikkelijke feiten, die tevens zoo onteerend zijn voor hen, die ze op klaar-lichten dag aanzagen, dat wij ze overnemen, zoo als zij in het nieuwsblad van Raleigh vermeld zijn.

"De verdediging ving thans aan; de getuigen à décharge werden gehoord (volgen de namen). Hunne verklaringen kwamen in substantie hierop neder. In den voormiddag van vrijdag den 29sten November ll., haalde de verslagene de beschuldigde uit de gevangenis te Raleigh, en bond haar een koord om haar hals en vuisten; die koorden werden vastgemaakt aan den hals van het paard. De verslagene vloekte hevig op de beschuldigde, besteeg toen zijn paard en reed weg. Toen hij op de hoogte van het Telegraphisch-bureau in Fayettestreet was, beval hij de beschuldigde schoenen en kousen uit te trekken, vloekte weder op haar en reed voort in snellen draf; hij reed de fabriek van Peck voorbij, de beschuldigde scheen zeer onderworpen en gedwee; hij sloeg daarop de straat ten oosten van het kapitool in, met eene snelheid van vijf (engelsche) mijlen in het uur. Hij zette zijn rit voort tot hij den hoek van Rock bereikt had, ongeveer eene halve of drie kwart mijl van het kapitool. Verder bleek, dat hij omstreeks vier ure na den middag het huis van Cooper een van de getuigen bereikte, dat dertien mijlen van Raleigh ligt; dat het zeer hard regende; dat de verslagene van zijn paard steeg; dat hij het los liet staan en de beschuldigde met zich voerde; dat getuige het paard van den verslagene naar stal bragt; hij hoorde groot gedruisch in zijne woning; snelde daarheen, zag zijn dochtertje, zeer beangst, buiten in den regen loopen; ging naar binnen; de verslagene stak de beschuldigde in de oogen en deze schreeuwde luid; hij deed hem ophouden; werd toornig en verlangde dat hij heen zou gaan; verslagene verliet hem na eene korte poos, een uur voor zons ondergang ongeveer; toen hij hem verliet was de gevangene weder gebonden als vroeger; hare armen en vingers waren zeer gezwollen; de touwen om hare polsen waren dun, en diep in het vleesch gedrongen, dat ze bijna geheel bedekte; dat, hetwelk als een lis om haar hals was geslagen, dikker; de verslagene rukte bij tusschenpoozen aan die lis, die dan de keel der beschuldigde digtkneep; zij was barrevoets en bloedde; de verslagene werd, na het vallen van den avond, ongeveer zes mijlen van zijn huis gezien, op een afstand van vier en twintig of vijf en twintig mijlen van Raleigh."

Waarom velde men het monster niet neder, en strafte men hem niet voor zijne helsche wreedheid?

De Procureur-Generaal behandelde de zaak blijkbaar met tegenzin. De verdediger toonde in de eerste plaats aan, dat de bewijzen onvoldoende waren om de beschuldigde van de misdaad te verdenken; ten tweede dat, wanneer het bij de jury boven allen twijfel vast stond, dat de beschuldigde de daad volbragt had, er nog slechts sprake kon wezen van manslag.

"Een enkele slag door den eenen gelijke aan den ander toegebragt, gaf aan moord het karakter van manslag. Volgens de wet kon de misdaad geen ander karakter hebben, wanneer zij gepleegd was in eene plotselinge opwelling van toorn; maar voor dezelfde daad gold, wanneer de betrokken personen meester en slaaf waren, een andere regel. Dit was noodzakelijk om de tucht onder de slaven te handhaven. De raadsman der beschuldigde beriep zich daarna op autoriteiten en toonde aan, dat deze zaak geheel overeenkwam met die, waarin vroeger uitspraak was gedaan, van den Staat tegen Will."

Het beginsel, daarin uitgedrukt door den regter Gaston, luidt:

"Wanneer een slaaf, tot zelfverdediging, en onder omstandigheden, die in hooge mate geschikt zijn om zijne vrees en woede op te wekken, zijn opzigter of meester doodt, krijgt de moord, door zulke omstandigheden, het karakter van manslag. De wreedheden van den verslagene, ten aanzien der beschuldigde, waren tergend en langdurend; zij zouden een barbaar getroffen hebben. De wilde dorst naar bloed; maar de beschaving had hem niet die verfijnde marteling geleerd, die hier gepleegd was."

Nadat de Procureur-Generaal de wet had toegelicht, maande hij de jury aan het vooroordeel niet te omhelzen, dat de raadsman der beschuldigde getracht had tegen den verslagene op te wekken (wiens handelwijze hij als menschonteerend voorstelde) en zich daardoor niet te laten leiden bij de beslissing, of de daad der beschuldigde misdaad was, ja, dan neen, en welk karakter aan die misdaad moest worden toegekend. Hij hoopte, dat de beschuldigde eene regtbank zou vinden, die ter goeder trouw en onpartijdig te werk ging. Hij hoopte, dat iedere redelijke twijfel in haar voordeel zou worden uitgelegd. Het was haar regt, welk een nederigen rang zij ook bekleedde; hij vertrouwde in zich evenmin de neiging te gevoelen, als zijne betrekking hem daartoe het regt gaf, om voor de beschuldigde iets meer te vragen, dan hij voor den rijkste en aanzienlijkste uit het gansche land van zijne regters vragen zou; dat de jury zou oordeelen naar de bewijzen, en de geschonden wet zou wreken.

Dit waren zeker edele gevoelens.

Na eene krachtige aanspraak van den regter Ellis, zonderde de jury zich af, en keerde, na eene afwezigheid van verscheidene uren terug, met de uitspraak: onschuldig. Wij zien zelfs niet, hoe zij nog konde aarzelen, om terstond tot deze uitspraak te komen.

De correspondent, die dit verslag levert, zegt verder:

"Dit regtsgeding bragt de gemoederen van al de bewoners van den omtrek in beweging, en hoewel het eene menigte menschonteerende feiten aan den dag brengt, levert de uitslag van het proces toch een bewijs voor de menschlievendheid en regtvaardigheid onzer wetten, ten aanzien van die klasse der bevolking, wier toestand dweepers in de Noordelijke Staten zoo ijverig trachten verkeerd en overdreven voor te stellen, uit zelfzucht, woelziekte en kwade oogmerken."

Dit misleidt het algemeen ten opzigte der wezenlijke reden, waarom het slavenstelsel is af te keuren. Naar veler woorden te oordeelen, zou men meenen, dat, wanneer in ééne week, geen twee of drie dozijn negers gegeeseld of levend verbrand werden, de slavernij zooveel aanstoot niet zou geven. Zij schijnen in het stelsel niets verkeerds te zien dan de grove mishandelingen van het ligchaam. Zoo deze niet plaats vonden zou het stelsel zoo erg niet zijn. Zij begrijpen niet dat eene marteling gedurende twaalf uren van een arm slagtoffer, dat onder de handen van een Souther doodbloedt, slechts het zinnebeeld is van die oneindig wreeder marteling, waardoor de verhevene, onsterfelijke ziel, verminkt, gebrand, gekneusd, ter neêr geworpen, vertrapt en gesmoord wordt door de helsche magt der onverbiddelijke slavernij. En wanneer die marteling heeft opgehouden en de ziel opwaarts is gestegen naar den Troon des Gerigts, om daar als eene vreeselijke getuige op te treden, zal er geen spoor in dat ligchaam zijn overgebleven, waaraan het als mensch te herkennen is, niets dat zegt: "zie, dit was een mensch!"--Zoo zal ook, wanneer de slavernij haar door de wet gebillijkte magt ten einde toe heeft uitgeoefend op de ziel, en iedere sprank van menschheid, eergevoel, eigenwaarde, liefde, geweten en godsdienstig gevoel heeft uitgebluscht, er niets in de ziel zijn overgebleven, dat u toeroept: "Dit was een mensch!" en het zal hoe langer zoo meer noodig zijn, dat de regter gewigtige bewijsgronden aanvoert, om aan te toonen, dat de slaaf een menschelijk wezen is.

Zulke buitengewone mishandelingen van het ligchaam, zulk misbruiken van de magt, die de slavernij geeft, zijn betrekkelijk zeldzaam. Misschien worden zij opgewogen door feiten, door de criminele regtspleging bij andere volken aan het licht gebragt; maar in welke streek ter wereld werden ooit zulke regtsgedingen gevoerd, door een volk dat zegt vrij en christen te wezen. Hij, die de geschiedenis van Engeland kent, zal ons welligt verwijzen naar de regtsgedingen, die daar onder Jeffreys gevoerd werden. Een oogenblik nadenken zal hem overtuigen, dat die regtsgedingen niet gelijk staan met de Noord-Amerikaansche slavenprocessen. De vonnissen van Jeffreys waren de vonnissen van een monster, dat gewelddadig de wetten verkrachtte en het regt stuitte, om aan zijne eigene helsche inborst te voldoen. De bepalingen der Amerikaansche slavenwet zijn, voor het grootste gedeelte, de uitspraken van eerlijke en menschlievende mannen, die hun beter gevoel in den boezem gesmoord hebben, om eene wreede wet toe te passen.

Onder Jeffreys werden de heiligste waarborgen bij de regtspleging geschonden. Bij de Amerikaansche regtsspraken zijn alle vormen in acht genomen. Hoe stuitend voor ons menschelijk gevoel die regtsspraken ook zijn, zij waren slechts logische toepassingen der wet.

Nog eens, vragen wij dus, in welke streek ter wereld werden ooit zulke regtsgedingen gevoerd, door een volk, dat zegt vrij en Christen te wezen? Wanneer werden ooit zulke argumenten aangevoerd? Waar werden ooit zulke regtsbeginselen erkend? Werd er ooit in Engeland een proces gevoerd als in Virginia dat van Souther tegen den Staat? Was het ooit noodig in Engeland, dat een regter verklaarde, in strijd met de meening van een lager geregtshof, dat de dood van een werkman, ten gevolge eener marteling van twaalf uren, hem door zijn meester aangedaan, moord was? Ging zulk eene uitspraak, indien zij ooit mogt gevallen zijn, vergezeld van eene erkenning van het beginsel, dat eene marteling, die niet met den dood eindigde, niet strafbaar was? De schrijfster kent de Engelsche wetten niet genoeg, om dit te durven beweren, maar eene stem in haar binnenste zegt haar, dat zulk eene uitspraak geheel Engeland in oproer zou gebragt hebben; en dat een proces als dat van Souther tegen den Staat nimmer zou zijn vergeten. Maar het is waarschijnlijk, dat zeer weinigen slechts in de Vereenigde Staten van dat proces ooit iets hoorden, of er ooit van zouden gehoord hebben, ware het niet door den New-York Courier and Enquirer als eene onbetwistbare proeve van de menschlievendheid der wet aangehaald.

Het verschrikkelijkste der gansche zaak is, dat meer dan ééne proeve van dien aard in een land moet plaats vinden, om de gansche maatschappij, als één man, te doen gevoelen, dat zulk eene magt niet in de handen der slavenhouders mag gelaten worden. Hoe vele wenscht men nu, dat er nog gevoerd zullen worden? Hoe vele moeten er gevoerd worden, vóór zij doen inzien, dat die grenzenlooze despotische magt niet mag toevertrouwd worden aan een ieder? Indien de zoon of broeder van één blanke op die wijze ware behandeld geworden, onder eene wet, die voor werklieden gemaakt was, het geheele land van Louisiana tot Maine zou niet gerust hebben, vóór die wet was veranderd. Men vergeet, dat ook de zwarte een Vader heeft: Hij, die boven de wolken troont, bij Wien de vorsten der aarde niets zijn, en bij Wien de regtvaardigheid der wereld ijdelheid is. Hij heeft gezegd, dat, "wanneer Hij den bloedvergieter straffen zal, ook het gejammer der verdrukten niet door Hem vergeten zal worden." Dat bloed, dat met zoo veel achteloosheid vergoten is, dat bloed, waardoor de regters gewaad hebben, onverschillig en kalm, toen zij, in koelen bloede beraadslaagden of er moord of manslag gepleegd was, Hij zal het eenmaal in rekening brengen als het bloed van zijn eigen kind. Hij "vergeet Zijne belofte niet, al is Hij geduldig en lankmoedig; maar de dag der wrake zal komen en het uur der vergelding zal aanbreken."

Dan zal een andere Regter vonnis vellen, wanneer de Zoon des menschen zal nedergedaald zijn in Zijne heerlijkheid. Dan zullen niet enkel Souther en wezens als deze teregt staan, maar geheel het volk, Noord en Zuid, zal voor Zijnen troon verschijnen, die het stelsel hebben gehandhaafd en de wetten uitgevaardigd, die Souther maakten wat hij was. Voor dien Regter zal ook het getuigenis van negers gelden, al is het nu van onwaarde; en de regters, en de raadslieden, en de magtigen en aanzienlijken, wanneer zij gedaagd worden voor dien vreeselijken regterstoel zullen uitroepen: "Bergen valt op ons, heuvelen bedekt ons voor het aangezigt van Hem, die op den regterstoel zit en voor de vergelding des Lams."

De vergelding des Lams! Denk daaraan! denk dat Jezus Christus tegenwoordig was, dat hij getuige was--een zwijgende getuige bij ieder regtsgeding, die met kalmte de bewijzen toetste en de uitspraken woog! En denk hoe lankmoedig Jezus was en met welk een onverstoorbaar geduld Hij geleden heeft! Welk eene vreeselijke beteekenis heeft dat woord lankmoedig! Wat zal de vergelding zijn, wanneer, na jaren van lankmoedigheid, al dat onregt en al die verdrukking eindelijk door Hem zal geoordeeld worden!

HOOFDSTUK XII.

VERGELIJKING VAN DE ROMEINSCHE SLAVENWET MET DE AMERIKAANSCHE.

De schrijfster heeft als hare meening te kennen gegeven dat de Amerikaansche slavenwet, over het algemeen, strenger bepalingen bevat dan die van eenig ander volk, uit den ouden of nieuwen tijd, met uitzondering welligt van die der Spartanen. Zij is niet in de gelegenheid om met die wet de Fransche en Spaansche te vergelijken; maar, daar men algemeen van oordeel is, dat de slavernij bij de Romeinen zwaarder was dan zij ooit in Amerika geweest is, willen wij deze beide slavenstelsels tegen elkander beschouwen. Te dien einde laten wij hier een overzigt volgen der romeinsche slavenwet, getrokken door William Jay uit de "Nasporing naar den aard der slavernij bij de Romeinen" van Blair, met de verwijzing naar de bepalingen in de Amerikaansche slavenwetten, om den lezer in staat te stellen, zelf de vergelijking te maken en de gevolgtrekkingen af te leiden.

I. De slaaf werd niet beschermd tegen gierigheid, woede of de lusten van den meester, wiens gezag gegrond was op algeheelen eigendom; en de lijfeigene werd minder beschouwd als een menschelijk wezen, aan eene willekeurige heerschappij onderworpen, dan wel als een dier van lageren rang, geheel afhankelijk van den wil van zijn eigenaar.

Vergelijk over de wet van Zuid-Carolina Stroud's "Schets der Slavenwetten," p. 23, waar wij lezen:

Slaven zullen behandeld, verkocht, in bezit genomen, geschat en toegewezen worden volgens de wet, en roerende eigendommen zijn in de hand van hunne eigenaars en bezitters persoonlijk en van de executeurs, administrateurs en gevolmagtigden van deze, in ieder opzigt en beteekenis.

Een slaaf is iemand, die in de magt is van den meester aan wien hij behoort.

Zulk eene gehoorzaamheid is alleen het gevolg eener onbeperkte magt over het ligchaam. Niets anders kan dien invloed uitoefenen. De magt van den meester moet absoluut zijn, om de onderwerping van den slaaf volkomen te doen wezen.

II. In de eerste plaats bezat de meester het oppermagtige regt over leven en dood.

In vroeger tijden werd in Virginia het regt over leven en dood der slaven bij de wet verleend.

III. Hij mogt zijne slaven dooden, verminken, pijnigen voor ieder vergrijp of zonder dat er een vergrijp had plaats gehad; hij kon hen dwingen worstelaars of publieke vrouwen te worden.

Het regt om een slaaf te dooden is nu eenigzins gefnuikt; wat verminking en pijniging aangaat, men zie het proces van Souther tegen den Staat, in Hoofdstuk III aangehaald, en het proces tegen Mann, in hetzelfde hoofdstuk te vinden.

IV. Tijdelijke verbindtenissen van slaven en slavinnen werden op zijn bevel aangegaan en verbroken; huisgezinnen en vrienden werden gescheiden wanneer het hem goeddacht.

Men zie de uitspraak van den regter Mathews in de zaak van Girod tegen Lewis, p. 199.

Het staat vast, dat de slaven geene wettige magt bezitten om eenige verbindtenis aan te gaan. Onder toestemming van hun meester mogen zij trouwen, en hunne morele magt om eene verbindtenis of overeenkomst, als zulk een huwelijk, goed te vinden, kan niet in twijfel worden getrokken; maar in den toestand van slavernij kan het in burgerregterlijken zin, geen gevolgen hebben, omdat slaven van alle burgerregten zijn verstoken.

Men zie ook later over de scheiding van huisgezinnen en de aanhaling uit een nieuwsblad uit het Zuiden.

V. De wetten erkenden de vepligting niet van den meester om zijn slaven voedsel en kleeding te geven of voor hen, in geval van ziekte, te zorgen.

Op welk eene wijze de Amerikaansche wet die verpligting oplegt, hebben wij reeds vroeger gezien bij de behandeling der beschermende wetten [11],

VI. Slaven konden geen eigendom bezitten, dan met goedkeuring van hun meester, van wien zij alles kregen, en met wien zij geene overeenkomsten konden sluiten, die voor hem verbindend waren.

Het volgende hoofdstuk zal doen zien, hoever in dit opzigt de Amerikaansche wetgeving de Romeinsche vooruit is: zij houdt het zelfs voor een beboetbaar misdrijf van de zijde van den meester den slaaf het bezit van eenig eigendom te veroorloven, en voor eene misdaad in den slaaf, dat hem dit veroorloofd wordt. Wij bepalen ons thans slechts bij een uittreksel uit het Burgerlijk Wetboek van Louisiana, zoo als de regter Stroud het mededeelt:

Een slaaf is iemand, die in de magt is van den meester, aan wien hij behoort. De meester mag hem verkoopen, over zijn persoon, zijne vermogens, zijn arbeid beschikken; hij kan niets doen, niets bezitten, niets verkrijgen, dan hetgeen aan zijn meester toekomt.

Volgens den regter Ruffin, is een slaaf "iemand, wiens persoon en nakomelingschap gedoemd is te leven in onkunde, onmagtig iets tot zijn eigen te maken, en veroordeeld tot arbeid, op dat een ander de vruchten plukke."

Met betrekking tot de verbindende kracht van overeenkomsten tusschen meester en slaaf halen wij uit de regterlijke uitspraken in de Vereenigde Staten gevallen, de volgende aan:

Al wat de slaaf verkrijgt is het eigendom van zijn meester, ondanks de belofte van den meester, dat de slaaf er een gedeelte van erlangen zal.

Een slaaf stelde aan B. geld ter hand, dat hij boven zijn loon verdiend had, om daarvoor zijne kinderen te koopen. B. kocht die kinderen voor dat geld. De meester van dien slaaf had het regt om van B. het geld terug te eischen.

VII. De meester kon zijne regten verkoopen of wegschenken of ze bij testament vermaken.

Slaven zullen behandeld, verkocht in bezit genomen, geschat en toegewezen worden volgens de wet, en roerende eigendommen zijn in de hand van hunne eigenaars en bezitters persoonlijk en van de executeurs, administrateurs en gevolmagtigden van deze, in ieder opzigt en beteekenis.

VIII. Een meester, die zijn slaaf verkocht, wegschonk of vermaakte, stelde somtijds de voorwaarde, dat hij nimmer buiten 's lands zou gevoerd worden, of dat hij op een bepaalden tijd zou in vrijheid worden gesteld; of dat hij, integendeel, nimmer zou worden vrijgelaten of levenslang in ketenen zou blijven geklonken.

Wij gelooven niet dat de voorwaarde, dat een slaaf nimmer in vrijheid zal worden gesteld, of dat hij levenslang in ketenen zal blijven geklonken, ooit gesteld werd. Maar de voorwaarde dat een slaaf niet buiten 's lands zou worden gevoerd, of verkocht, of dat hij bij eene zekere gebeurtenis, vrij gelaten zou worden, is ook bij ons geenszins zonder voorbeeld.

Het overige van Blairs overzigt der slavernij bij de Romeinen is meer gewijd aan hetgeen de meesters deden dan aan de wet zelve. De schrijfster acht zich niet geroepen tot het geven eener vergelijking tusschen hetgeen, in de negentiende eeuw, in de beschaafde en Christelijke Staten van Noord-Amerika voorvalt, en de wreedheden in het heidensche Rome gepleegd onder den scepter der onmenschelijke Keizers, toen het worstelperk de geliefkoosde uitspanning was der aanzienlijkste burgers en de "school" voor de menigte. Eenige weinige aanhalingen zullen reeds toonen, zoo ver wij dit noodig achten, met hoeveel meer gerustheid men thans den eenen mensch eene onbeperkte magt kan geven over den ander, dan toen.

IX. Wanneer de slaven den handmolen draaiden, waren zij gewoonlijk geboeid, en droegen zij eene breede houten plank om den hals, om hun te beletten van het graan te eten. Onder Furca, dat later galg beteekende, verstond men in de oudste tijden een houten vork of kraag, die gemaakt was om door hen op de schouders of om den hals te worden gedragen, als een schandteeken of om hun een zwaren last op te leggen.

De lezer heeft reeds in Hoofdstuk V gezien, dat dit vernederend voorwerp ook in onzen tijd in zwang is in sommige slavenhoudende Staten, en dat het in bescherming genomen is door de Wetgevende Magt; hoewel de stof verschillend is en de vorm door den tijd eenige verandering heeft ondergaan.

X. Boeijen en ketenen werden dikwijls gebruikt als straf en in sommige gevallen levenslang door de slaven gedragen, op louter gezag van den meester. Portiers aan de deuren der woningen van aanzienlijken waren gewoonlijk geketend. Zij, die veldarbeid verrigtten, werkten, in later tijden, meestendeels geboeid.

De wetgeving van Zuid-Carolina wettigt bijna al dezelfde gebruiken, door ze onder de beschermende bepalingen op te nemen, waarbij eene boete van slechts honderd pond wordt opgelegd aan hem, die opzettelijk een slaaf de tong uitsnijdt enz., of eenige andere straf uitoefent dan geeselen, of slaan met eene rijzweep, riemen, takken of dunne stokken, of door den slaaf in boeijen te klinken of hem op te sluiten.

XI. Sommige personen maakten er hun bestaan van weggeloopen slaven op te sporen.

Dat zulk een middel van bestaan, door de hoogste Wetgevende Magt ingesteld, en achtenswaardig gemaakt door de uitdrukkelijke of ingewikkelde aanbeveling van Staatsmannen en geestelijken, en van staatkundige en godsdienstige nieuwsbladen, onder ons bestaat, vooral in de vrije Staten, is een feit, dat elken dag blijkt en waarvoor wij dus geen getuigenis behoeven in te roepen. In Alabama schijnt echter die zaak op eene meer opene en officiële wijze behandeld te worden dan ergens elders. De heer Jay neemt de volgende aankondiging uit de Sampter County over:

Negerhonden.

De ondergeteekende berigt dat hij eene groote menigte negerhonden heeft aangekocht, en beveelt zich aan tot het opsporen van weggeloopen negers. De kosten zijn drie dollars voor een dag jagen, en vijftien dollars voor het terug brengen van een neger. Hij woont drie en eene halve mijl ten noorden van Livingston, nabij den Jones' Bluff-weg.

6 November 1845. William Gambel.

De volgende is woordelijk overgenomen uit The Dadeville (Alabama) Banner van 10 November 1852. De Dadeville Banner is een blad, gewijd aan staatkunde, letterkunde, opvoeding, landbouw, enz.

Let wel.

De ondergeteekende heeft een uitnemenden troep Honden voor het zoeken en vangen van weggeloopen slaven. Hij berigt het Publiek, dat de prijzen voor het gebruik maken zijner hulp voortaan zullen zijn:

Dollars. Voor elken dag met het jagen en opsporen doorgebragt 2.50 Voor het vangen van elken slaaf 10.00 Voor het afleggen van een afstand van meer dan tien mijlen om een slaaf te vangen 20.00

De betaling is contant. De ondergeteekende woont anderhalve mijl van Dadeville.

Dadeville, 1 September 1852. B. Black.

XII. De weggeloopen slaaf werd, wanneer hij gevangen was, streng gestraft op bevel van zijn meester of, wanneer deze het verlangde, op last van den regter; somtijds door kruisiging, het afzetten van een voet, of door hem naar het worstelperk te zenden om met wilde dieren te vechten; maar gewoonlijk door hem boven de wenkbraauw te brandmerken met letters die zijn misdaad uitdrukten.

Ieder zal uit de onbeperkte magt van den meester afleiden, dat die strenge straf iederen weggeloopen slaaf ten deel viel. Dat zij in menig geval werd toegepast is ligt te bewijzen, maar dat bewijs is overbodig. De bijzondere wijzen van strafoefening, die hierboven vermeld staan, zijn nu buiten gebruik, maar de volgende aankondiging van den advokaat Micajah Ricks in de Raleigh (Noord-Carolina) Standard, van den 18den Julij 1838, bewijst, dat nog iets van dien klassieken smaak in het pijnigen ook in onze verbasterde dagen heerscht.

Weggeloopen eene negerin met twee kinderen. Weinige dagen voor zij wegliep, brandde ik haar met een gloeijend ijzer op de linker wang. Ik trachtte de letter M te maken.

Hij is waarlijk opmerkingswaardig, die naïve trots van den heer Ricks over zijne poging om eene letter te schrijven. Hij wilde niet, dat men die letter M voor een staaltje zou aanzien van zijn bedrevenheid in de schrijfkunst. De ongelukkige zou misschien niet stilstaan, en hij vreesde, dat de M onleesbaar zou wezen.

Maar het slechts eene uit de lange lijst van aankondigingen over verminkte, gesneden en gebrande negers in het werk van den heer Weld, getiteld: De slavernij in Amerika, zoo als zij is.

XIII. Wreede meesters huurden soms menschen, die martelaars waren van beroep; of hadden zulke personen in hun dienst om hen in straffen van slaven bij te staan. De neuzen, ooren en tanden van een slaaf waren dikwijls niet veilig tegen een vertoornden eigenaar; en wanneer het misdrijf zeer groot was, werden somtijds zijne oogen uitgestoken. Kruisiging was zeer dikwijls het lot van een ongelukkigen slaaf, voor een klein wanbedrijf of somtijds zelfs uit loutere willekeur.

Ter regtvaardiging van zulke daden, beroepen wij ons alweder op die schrikkelijke lijst van verminkte en gekneusde menschen, door de slavenhouders zelf beschreven, die wij in Weld's "De slavernij in Amerika, zoo als zij is" aantreffen. Wij herinneren ook den lezer aan hetgeen wij hierboven van den gruwelijken Caphart verhaalden. Wat de kruisiging aangaat, wij veronderstellen, dat er wezens zijn, die om redenen van godsdienstigen aard weerhouden worden, om van zulk een middel van marteling gebruik te maken, maar die niet zouden terug deinzen voor even groote pijnigingen door andere middelen; even als de Grieksche zeeroover, die in de vasten een gewetensbezwaar voelt een droppel bloed te vergieten. Meent men, dat wij slechts eene gissing uiten? Men herleze, indien men er lust toe gevoelt, de schrikkelijke bijzonderheden van die urenlange pijniging, die Souther zijn slaaf aandeed, en men zegge hoeveel menschelijker de Amerikaansche slavernij is dan de Romeinsche.

De laatste aanhaling, die wij nog in Blairs werk over de slavernij bij de Romeinen aantreffen, is de volgende:

XIV. Volgens een senatus consultus werd, wanneer een slaveneigenaar vermoord was en zijne slaven hem welligt hadden kunnen beschermen, geheel zijn huishouden, dat binnen bereik viel, als medepligtig beschouwd en ter dood veroordeeld. Tacitus verhaalt ons, dat bij zulk eene gelegenheid eens vierhonderd slaven ter dood werden gebragt.

Van alle wreedheden in het heidensche Rome op slaven gepleegd missen wij alleen deze in Noord-Amerika.

Maar in andere opzigten heeft de Noord-Amerikaansche wetgeving hooger trap van verfijnde wreedheid bereikt, dan de wreedaards in die dagen zich ooit konden voorstellen. Gibbon zegt daaromtrent het volgende:

De hoop, de beste troost in onzen onvolmaakten toestand, werd aan een Romeinschen slaaf niet ontnomen; en indien hij mogelijkheid zag om zich nuttig of aangenaam te maken, mogt hij hopen dat zijn ijver en getrouwheid, gedurende weinige jaren, beloond zouden worden met het onschatbare geschenk der vrijheid....

Zonder dat daarom het verschil in stand werd weggenomen, beidde eene toekomst, waarin hij vrij zou zijn en regten genieten, ook hem, wien trots en vooroordeel meestal te gering achtten om hem als menschelijk wezen te beschouwen [12].

De jongelingen van veelbelovenden aanleg werden in de kunsten en wetenschappen opgeleid en hunne belooning hing af van de mate hunner bekwaamheid en talenten. Bijna iedere kunst, vrije zoowel als mechanische, werd beoefend onder de dienstbaren van een aanzienlijk lid van den Senaat [13].

Het volgende hoofdstuk zal doen zien hoe "die beste troost," dien Gibbon in den menschelijken tegenspoed kent, aan den slaaf in Amerika ontnomen is; hoe hij verstoken is van de voorregten der opvoeding en zedelijke beschaving, die een ieder bijna ten deel vallen, en hoe de gansche strekking van dat rampzalige stelsel, dat hem tot lijfeigene maakt, is hem zelfs den troost der godsdienst te ontnemen, en hem uit te werpen uit het menschdom en de broederschap met den Zoon van God.

HOOFDSTUK XIII.

DE MENSCHEN BETER DAN HUNNE WETTEN.

Daarom is het regt achterwaarts geweken en de gerechtigheid staat van verre: want de waarheid struikelt op de straat, en wat regt is kan er niet ingaan.

Ja, de waarheid ontbreekt er, en wie van het booze wijkt, stelt zich tot eenen roof.

Jesaja LIX : 14, 15a.

Wij hebben nog eene bijzondere klasse van wetten te beschouwen.

Zoo vol wreedheid en meedoogenlooze gestrengheid is de slavenwet,--zoo gruwzaam is de instelling, die daarin omschreven wordt,--dat er eene menigte personen zijn, te edel en te regtvaardig om den slaaf alles te ontnemen wat de wet hem onthoudt en ontsteelt.

Een edelaardig mensch is--in plaats van den armen slaaf te beschouwen als een roerend eigendom, dood en zonder regten--geneigd in hem een hulpeloozen jongeren broeder te zien of een weerloos kind, en hem, op eigen gezag, die bescherming en die regten te geven, die de wet hem ontkent. Een godsdienstig mensch, die, door zijne geloofsleer, dat alle menschen broeders zijn, zijn Christen slaaf met hem als één lid van Jezus Christus beschouwt--gelijk van ligchaam, gelijk van ziel en beiden door Hem uitverkoren--kan hem niet gedoemd zien om in onkunde te leven, buiten staat het geschreven woord te lezen, en veroordeeld zijne kinderen te zien opgroeijen in dezelfde onkunde.

Van daar dat individuele menschlievendheid, in vele gevallen, de slavenwet practisch van onwaarde zou doen zijn. Individuele menschlievendheid zou den slaaf leeren lezen en schrijven, zou scholen oprigten voor zijne kinderen, en in zeer, zeer vele opzigten hem vrijmaken.

Men heeft voorzien waar dit toe leiden zou. Men heeft voorzien dat het gevolg der opvoeding zou wezen algemeen verspreide kennis; dat het gevolg dier kennis zou zijn, een bewustzijn van de regten als mensch; en dat een onderzoek naar die regten als mensch noodlottig zou wezen voor het stelsel. Men heeft ook voorzien, dat het voorbeeld van belangeloosheid en edelmoedigheid in de vrijmaking, eene heilzame besmettelijkheid zou bezitten, en eindelijk algemeen zou worden; dat het voorbeeld van wel opgevoede en vrijgelatene slaven een gevaarlijken naijver zou opwekken bij hen, die nog slaven waren.

Daarom heeft de slavenwet, die, zoo als wij reeds gezien hebben, in de hoofdzaak al de barbaarschheden van die van het oude Rome omvat, eene reeks van bepalingen, die wreeder zijn dan eenige bepaling, die het oude en heidensche Rome ooit heeft gekend, bepalingen die strekken om den slaaf de laatste bron van hoop af te sluiten--de menschlievendheid van zijn meester. De meester in het oude Rome kon zijn slaaf de opvoeding geven, die hem goeddacht, of hem vrij laten wanneer hij wilde en de Staat trad niet tusschen beiden [14].

Maar in Amerika verbieden de wetten in al de slavenhoudende Staten ten strengste, in de eerste plaats, de opvoeding van den slaaf. Wij zijn niet voornemens al de bepalingen van dien aard mede te deelen, maar eenige weinige treffende voorbeelden willen wij er uit aanvoeren. Onze zegsman is weder de regter Stroud, onze bron, zijne schets van de slavenwetten.

De Wetgeving van Zuid-Carolina nam in 1740 het volgende besluit.

"Vermits het leeren lezen aan slaven of het toestaan, dat zij zich in het schrijven oefenen groote moeijelijkheden kan na zich slepen, zoo wordt besloten, dat de misdaad om slaven te leeren schrijven of hen als schrijvers te gebruiken, zal gestraft worden met eene boete van honderd pond. Indien de lezer nu het schandelijke "beschermende" besluit opslaat, dat in hetzelfde jaar door dezelfde Wetgevende Magt genomen werd, zal hij zien dat dezelfde boete is opgelegd voor het uitsnijden der tong, het uitsteken van een oog, het wreedaardig schroeijen enz. van eenigen slaaf, als voor het onderwijs geven in het schrijven! Hieruit volgt dus dat het onderwijs geven in het schrijven en het uitsteken der oogen van een slaaf als even berispelijk moet worden aangemerkt.

Opdat er toch geen twijfel overblijven zou omtrent de groote hoofdbeginselen van het Amerikaansche staatsregt, en men ten eenemale gevrijwaard zou wezen tegen de "groote moeijelijkheden" die er zouden ontstaan, wanneer slaven lezen konden, werd in 1800 bepaald, dat bijeenkomsten van slaven, vrije negers enz..... ten doel hebbende "verstandelijk onderwijs," op eene afgesloten of geheime plaats geacht werden te zijn vergaderingen in strijd met de wet, "de Ambtenaren van het openbaar gezag werden bevolen zulke afgesloten plaatsen binnen te gaan, en de ongeoorloofde vergadering uiteen te drijven, en naar goedvinden zulk eene ligchamelijke straf, mits niet meer dan twintig geeselslagen, aan zulke slaven, vrije negers enz., te doen ondergaan als zij noodig oordeelden om hen voor het vervolg van zulke ongeoorloofde bijeenkomsten af te schrikken."

Het Wetboek van Virginia wordt door eene gelijkluidende bepaling als wij hier aanhalen versierd.

Het misdrijf een slaaf te leeren schrijven werd vroeger in Georgia en Zuid-Carolina met eene geldboete gestraft. Maar de stad Savannah schijnt die boete onvoldoende te hebben geacht om haar te beschermen tegen die "groote moeijelijkheden," en eene aanhaling in het werk van den regter Stroud, uit een nommer van The Portfolio leert ons, dat "die stad een besluit genomen heeft, waarbij ieder die een kleurling, slaaf of vrije, leert lezen of schrijven, of hem dit doet leeren, gestraft wordt met eene boete van dertig dollars voor iedere overtreding; en elke kleurling die eene school houdt, waarop men lezen en schrijven leeren kan, gestraft wordt met eene boete van dertig dollars of eene gevangenisstraf gedurende tien dagen en negen en dertig geeselslagen."

Ten tweede. Met betrekking tot de regten op het stuk van godsdienst:

De Staat Georgia heeft eene wet uitgevaardigd, "tot bescherming van godsdienstige genootschappen, in de uitoefening hunner godsdienstige pligten." Die wet eindigt, nadat zij verschillende zware boeten gesteld heeft voor het verwekken van stoornis in eene bijeenkomst van blanken, met de volgende woorden:

"Geene bijeenkomst of zamenscholing van negers zal, onder voorwendsel van godsvereering, mogen plaats hebben, in strijd met het besluit betreffende de patrols."

Dat besluit betreffende de "patrols," zoo als het medegedeeld is door den redacteur van Prince's Digest, magtigt iederen vrederegter, elke vergadering of elke bijeenkomst van slaven uit een te doen gaan, die de rust verstoort van Zijner Majesteits onderdanen, en staat toe, dat iedere slaaf in zulk eene bijeenkomst gevonden, onmiddellijk zal gestraft worden, zonder verder proces, met vijf en twintig slagen op den rug met eene zweep, een boomtak of een riem.

De geschiedenis der wetgeving op dit punt in Zuid-Carolina is zeer belangrijk. In 1800 werd een besluit genomen, waarin gezegd werd:

Geene slaven, vrije negers, mulatten of mestizen mogen, zelfs in gezelschap van blanken, vergaderen en bijeenkomen voor verstandelijk onderwijs of godsdienstoefening, noch vóór zonsopgang, noch na zonsondergang. Alle overheidspersonen, sheriffs, enz., enz. worden hierbij gemagtigd enz. om zulke vergaderingen uit een te drijven enz.

Deze bepaling schijnt min of meer nadeelig te hebben gewerkt op de zedelijke belangen van de "slaven, vrije negers enz.," die daarin worden genoemd; want, drie jaren later, werd op verzoek van sommige godsdienstige genootschappen, eene "beschermende wet" uitgevaardigd, die hun deze groote voorregten op het stuk van Godsdienst verleende, waarbij bepaald werd dat het ongeoorloofd zou wezen vóór negen ure eene vergadering te verstoren, waarin de leden van eene godsdienstige gezindte van den Staat bijeen waren, onder dien verstande, dat de meerderheid uit blanken bestond, of op andere wijze hunne godsdienstoefening te belemmeren, "ten zij hij, die dit deed.... daartoe gemagtigd ware, enz."

Ten derde. Het schijnt, dat vele meesters, die geneigd waren hunne slaven beter te behandelen, hun hebben toegestaan, dat zij eenige bezitting hadden, huisdieren voor eigen gebruik aankweekten, en, wanneer zij eenige bekwaamheden bezaten, uit te gaan, zich te verhuren en te arbeiden voor eigen rekening. Dit alles verbiedt de wet met onverbiddelijke gestrengheid. Eene boete wordt den eigenaar opgelegd, maar, met eene gestrengheid, die geheel in overeenkomst is met het gansche beginsel der slavenwet, wordt die overtreding meer beschouwd als eene overtreding van den slaaf dan wel van den meester; zoo dat, wanneer de meester al edel genoeg is om zich niet te bekommeren om de boete, die hem wordt opgelegd, hij toch terug gehouden wordt door de vrees, dat hij zijn ondergeschikte daardoor nog grooter kwaad zal berokkenen. Voor sommige gevallen zijn die wetten zoodanig ingerigt, dat de diepst gezonkene en ellendigste wezens der maatschappij er belang bij hebben haar te handhaven, daar zij hun de helft belooft der waarde van hetgeen zij aanbrengen. Als een voorbeeld nemen wij hier de volgende bepaling uit de wet van Zuid-Carolina over:

Het is den slaaf verboden eenige bezitting te koopen, te verkoopen, te verhandelen, enz., zonder bevel van den eigenaar; en het is hem niet geoorloofd eene boot, kano als anderzins te bezitten; noch ten zijnen behoeve op te voeden of aan te fokken paarden, hoornvee, schapen of varkens, op straffe van verbeurdverklaring van al die bezittingen, enz. en van alle booten, kano's, paarden, hoornvee, schapen en varkens. En aan ieder, wie ook, is het veroorloofd aan zulk een slaaf al zulke bezittingen te ontnemen en die over te leveren in handen van den vrederegter, die het digtst bij de plaats woont, waar hij die bezittingen in beslag genomen heeft. Die vrederegter zal zulk een persoon den eed afnemen, dat hij waarlijk op de wijze, door hem verklaard, in het bezit daarvan is gekomen; en indien gezegde vrederegter overtuigd is, dat de in beslag neming geschied is overeenkomstig de wet, zal hij het in beslag genomene verbeurd verklaren en het in het openbaar verkoopen; zullende de helft der opbrengst dier verkooping vallen aan den Staat en de andere helft aan hem of hen, die het in beslag genomen heeft of hebben.

In vele andere Staten zijn de wetten gelijkluidend met deze, maar de Staat Georgia telt nog een maatregel meer tegen dat geven van verlof aan slaven, om zich tot eigen voordeel aan anderen te verhuren. Eene boete van dertig dollars wordt den eigenaar opgelegd voor iedere week, dat de verhuring geduurd heeft, ten zij het arbeidsloon voor hem werd verdiend. De steden Savannah, Augusta en Sunbury maken eene uitzondering.

In Virginia wordt, "wanneer de meester dan slaaf veroorlooft zich uit te huren," de eerste beboet, de laatste gekastijd.

In een vroeger besluit der Wetgeving van het orthodoxe en presbyteriaansche Noord-Carolina, is het merkwaardig te zien, hoe men door eene getrouwe handhaving dier wet tevens de Christelijke liefdadigheid uitoefent. In één enkel, vernuftig uitgedacht, besluit wordt het vergrijp tegen de maatschappij gestraft, de vaderlandslievende aanbrenger beloond en de arme en noodlijdende gevoed:

Alle paarden, hoornvee, varkens of schapen, die, ééne maand na de uitvaardiging van dit besluit, aan een slaaf behooren of het bewijs dragen dat zij het eigendom van een slaaf in dezen Staat zijn, worden in beslag genomen en verkocht door County wardens en door hen verdeeld, zijnde de eene helft voor de armen der County en de andere voor den aanbrenger.

In Mississippi wordt de meester, die zijn slaaf toestaat katoen voor eigen gebruik te kweeken, beboet met vijftig dollars; evenzoo hij, die zijn slaaf laat uitgaan en arbeiden als een vrijgeborene, of van wien het bewezen is, dat hij zijn slaaf heeft veroorloofd eenigen eigendom, van welken aard ook, te bezitten.

Om te doen zien, hoe deze wet is uitgelegd door het hoogste regtscollegie in den Staat Mississippi, herhalen wij hier een gedeelte van eene uitspraak van den regter Sharkey, die wij elders (zie pag. 135) meer in haar geheel hebben gegeven.

Onafhankelijk van de beginselen in vroegere regtspraken gelegd, verbieden onze wetten den slaaf eenige soort van eigendom te bezitten; en men mag aannemen, dat de bedoeling der wetgeving was dat aan die bepaling de ruimste uitgebreidheid zou worden gegeven, daar zij zelfs die eigendommen uitsluit, die hun waarschijnlijk het eerst zouden worden geschonken, als: varkens, paarden, hoornvee enz. De wet verbiedt het bezit van zulke eigendommen niet, omdat zij gevaarlijk of schadelijk zijn, maar omdat zij het onstaatkundig oordeelt dat slaven eenig eigendom, van welken aard ook, zullen bezitten.

Wij hebben reeds gezegd, dat het verlof van den meester aan den slaaf om zich te verhuren, door de wet beschouwd werd als eene misdaad van den laatste; want de slaaf staat aan de straf bloot, niet de meester. Dit blijkt uit den inhoud van eenige der bepalingen hierboven medegedeeld of aangestipt. De volgende uitspraken van geregtshoven in Noord-Carolina zeggen dit ook uitdrukkelijk.

139. Een vonnis, waarbij eene zekere negerin veroordeeld werd, die zich verhuurde, in strijd met de bepaling der wet, enz., is vernietigd, omdat niet in het oog was gehouden, dat haar meester haar veroorloofd had uit te gaan, hetgeen een groot deel van het misdrijf uitmaakt.

140. Volgens het eerste artikel der een-en-dertigste afdeeling van Hoofdstuk V der Herziene Wetten, waarbij den meesters verboden wordt slaven te huren, kan de meester niet vervolgd worden; hem wordt slechts eene boete van veertig dollars opgelegd. Ook volgens het tweede artikel kan hij niet worden vervolgd; daar regtsingang verleend wordt tegen den slaaf, niet tegen den meester.

142. Om het misdrijf daar te stellen, in afdeeling 32 (Herziene Wetten CCXI, § 32) genoemd, is het geen vereischte dat de slaaf zijn tijd werkelijk verhuurt; het is genoeg, dat de meester hem veroorloofd heeft te arbeiden als een vrijgeborene.

Dit is waarlijk wel het beginsel tot in zijne grootste uitgebreidheid en verste gevolgtrekkingen gehandhaafd, dat de meester niet misdoen kan. Maar het is in volkomen overeenstemming, zoowel met de letter als met den geest en met de gansche strekking der slavenwet, die in alles de magt van den meester op den voorgrond stelt en in alles den slaaf verdrukt.

Ten vierde. Belemmerende bepalingen bestaan er bijna in alle Staten tegen de vrijmaking van slaven.

In vier Staten--Zuid-Carolina, Georgia, Alabama en Mississippi--kan de vrijlating niet plaats hebben dan bij een speciaal besluit der wetgeving van den Staat.

In Georgia wordt het misdrijf, bestaande in het vrijlaten van een slaaf of van slaven op andere wijze en in anderen vorm dan voorgeschreven is, strafbaar verklaard, volgens de wet van 1801, met eene boete van twee honderd dollars, bij vonnis op te leggen; terwijl de slaven in ieder opzigt en beteekenis even goed in den toestand van slaven blijven als zij waren vóór zij werden vrijgelaten.

Voor hen, die gelooven aan maatschappelijken vooruitgang is het niet van belang ontbloot te weten, dat eene wijziging in die wet van 1801 is gebragt door de Wetgevende Magt van Georgia. In 1818 werd eene nieuwe wet uitgevaardigd, die zoo als men zien zal, allezins de misbruiken voorkomt, waartoe de oude aanleiding gaf. Daarin werd bepaald, met een oneindigen omhaal van omschrijvingen en gelijkluidende termen, als om den toegang ten eenemale af te sluiten tegen alle mogelijke verkeerde uitleggingen, dat "elke uiterste wil, testament of acte van erflating, zonder uitzondering, hoe ook ingerigt, overeenkomst, contract, voorwaarde of welke andere acte ook geschreven of mondeling medegedeeld, die gemaakt is en strekt tot het in vrijheid-stellen van eenigen slaaf of slaven, of tot pogingen om in vrijheid te stellen, middellijk .... of onmiddellijk, of zooveel mogelijk, zal verklaard worden, te zijn van nul en geener waarde. En de schuldige, die dit vergrijp tegen de rust van den Staat, in zulk eene acte vervat, pleegt enz., en elk en een iegelijk, die daarbij betrokken is en haar ten uitvoer legt of wil leggen, op eenige wijze of door eenig middel wat ook, zullen onverbiddelijk gestraft worden met eene boete, niet hooger dan duizend dollars."

Het zou ook eene groote onregelmatigheid in eene slavenwet zijn, en strijdig met "de groote grondbeginsels" van slavenhoudende Staten, wanneer de negers, die niet de vreeze Gods voor oogen hadden maar aangezet en verleid waren door de inspraken des duivels [15], zich schuldig maakten aan de misdaad, dat zij zich lieten vrijmaken, ongestraft bleven; dienovereenkomstig bepaalt de wet dan ook zeer juist en billijk, dat "elke slaaf of alle slaven ten wiens of wier behoeve zulk een uiterste wil of testament enz. gemaakt is, in hechtenis zal of zullen genomen worden, en wanneer zijne of hunne schuld bewezen is, in het openbaar als slaaf of slaven zal of zullen worden verkocht; de opbrengst van zulke slaven zal strekken," enz.

De regter Stroud geeft de volgende mededeeling van de wet in Mississippi.

De vrijmaking moet geschieden bij eene geschrevene acte, een laatsten wil of testament, enz., bezegeld en onderteekend door ten minste twee geloofwaardige getuigen, of ter kennis gebragt van de regtbank in de County of het district waar de vrijlater woont. Aan de Algemeene Vergadering (General Assembly) moet het voldoende bewijs geleverd worden, dat de slaaf eenige verdienstelijke daad heeft verrigt ten voordeele van zijn meester, of zich in eenig opzigt jegens den Staat verdienstelijk heeft gemaakt; al hetgeen slechts tot het voorloopig onderzoek behoort, en niet van waarde is voor dat een speciaal besluit van de Vergadering de vrijlating bekrachtigd heeft; waarbij in aanmerking moet worden genomen, zoo als reeds bepaald is, de regten der schuldeischers, en het verpligte derde voor de weduwe.

Hetzelfde voorloopig onderzoek naar verdienstelijke daden, die beoordeeld en erkend moeten worden door de County-regtbank, wordt vereischt volgens eene wet der Algemeene Vergadering van Noord-Carolina; en alle slaven die in vrijheid zijn gesteld in strijd met de bepalingen dier wet, worden in de gevangenis van den Staat opgenomen, om later aan den meestbiedende te worden verkocht.

Maar de wet van Noord-Carolina stelt ook de deur open voor een berouwvollen terugkeer, zelfs nadat de misdaad bewezen is: daarom

wordt den Sheriff gelast, vijf dagen vóór de verkooping van den vrijgelaten neger, schriftelijk berigt daarvan te geven aan den persoon die vrijgelaten had,

en, in de hoop, dat zulk een persoon door de knaging van zijn geweten en het besef zijner schuld jegens God en de menschen, tot inkeer zal zijn gebragt,

mag zulk een persoon, wanneer hij dit wil, zijne aanspraak op den vrijgelaten neger doen gelden; bij gebreke daarvan, heeft de verkoop door den Sheriff plaats, en een vijfde gedeelte der netto-opbrengst wordt ter hand gesteld aan hem, die de aanklagt gedaan heeft, en vier vijfden gestort in de Staatskas.

Wij moeten hier bijvoegen, dat wij slechts de wetten van die Staten, wier wetgeving in dit opzigt het strengst is, als voorbeeld hebben aangehaald. De wetten van Virginia, Maryland, Missouri, Kentucky en Louisiana zijn veel minder belemmerend.

Een treffend voorbeeld, hoe onverbiddelijk de wet is tegenover de edele voornemens van den een of anderen slavenhouder, zien wij onder de regtspraken van den Staat Mississippi. De New-York Evening Post, onder redactie van Mr. William Bryant, deelt de zaak zelve aldus bekort mede. De omstandigheden, die daarbij voorkomen, vormen reeds op zich zelf een roman.

Een zekere Elisha Brazealle, planter in Jefferson County in Mississippi, werd door eene zware ziekte aangetast. Gedurende zijne ziekte werd hij met de meeste zorg opgepast door eene mulattin, zijne slavin, aan wier onverpoosde zorg hij gevoelde zijn leven te danken te hebben. Hij was zoo zeer getroffen door hare opofferingen, dat hij ze kort na zijn herstel naar Ohio zond en haar eene goede opvoeding geven liet. Zij was bevattelijk en maakte zulke snelle vorderingen, dat hij, na een tweede bezoek, besloot haar te huwen. Hij liet de acte opmaken, waarbij hij haar in vrijheid stelde, liet die registreren, zoowel in Ohio als in Mississippi, en huwde haar.

Brazealle keerde met haar naar Mississippi terug, en na verloop van tijd schonk zij hem een zoon. Slechts korten tijd daarna werd hij ziek en stierf. Hij liet een testament na, waarin hij, na de acte van vrijmaking vermeld te hebben, zijn voornemen te kennen gaf, om de verdere stappen voor die vrijmaking vereischt te doen, en schonk al zijne bezittingen aan zijn zoon, dien hij bij zijn testament in vrijheid stelde.

Eenige arme verre bloedverwanten in Noord-Carolina, die hij niet kende, en om wie hij zich niet bekommerd had, kwamen, bij het vernemen van zijn dood, naar Mississippi en eischten in het bezit te worden gesteld van zijne nalatenschap. Er werd eene vordering ingesteld, en de zaak kwam voor den regter Sharkey, onzen nieuwen consul te Havanna. Hij sprak daarin regt, en verklaarde in zijne uitspraak de acte van vrijmaking een vergrijp tegen de zamenleving en een verderfelijk en laakbaar voorbeeld. Hij verklaarde het testament van onwaarde; wees de nalatenschap van Brazealle aan de verre bloedverwanten toe, veroordeelde Brazealles zoon en zijne vrouw, de moeder van dien zoon, weder tot slavernij en maakte hen, als een deel der nalatenschap van den overledene, tot slaven van de bloedverwanten uit Noord-Carolina.

De opperregter Sharkey verklaarde, na blootlegging der feiten, dat de waarde der acte van vrijmaking het eenige punt ter beslissing was. Hoewel, zeide hij, volgens de beginselen van regt, verbindtenissen geldig zijn, wanneer zij zijn aangegaan, overeenkomstig de wetten van het land, waar zij gesloten werden, behoeven die beginselen niet gevolgd te worden, wanneer zij tot gevolgtrekkingen leiden in strijd met de groote grondbeginselen van staatsregt. Wat die groote grondbeginselen van staatsregt in Mississippi zijn, zal men kunnen zien uit den inhoud der uitspraak, die wij hier in haar geheel laten volgen.

Passen wij die beginselen toe op de acte van vrijmaking. Wanneer men daaraan waarde toekende, zou men in de eerste plaats handelen in strijd met de erkende staatkunde en de stellige wet van den Staat schenden.

De beginselen van een Staat blijken uit de wetgeving omtrent een zeker onderwerp, en wij vinden, dat vrije negers schadelijk geoordeeld worden, omdat het hun niet veroorloofd is, zich te begeven naar of te blijven in den Staat. Slechts weinige regten zijn hun toegestaan, en hunne misdrijven zijn aan strenge straffen onderworpen. Zij moeten den Staat binnen dertig dagen, nadat zij daarvan kennis hebben gekregen, verlaten, en in dien tusschentijd borgstellen voor een goed gedrag: en diegenen van hen, die de wet veroorlooft te blijven, moeten de bewijzen daarvan bij zich dragen, of worden in hechtenis genomen. Men zou dus eene stellige wet door de wetgeving uitgevaardigd, bepaaldelijk met het doel de bestaande staatkundige beginselen te handhaven en de vrijmaking tegen te gaan, schenden. Geen eigenaar kan zijn slaaf in vrijheid stellen, dan door eene acte of testament, dat behoorlijk ter kennisse is gebragt van het Geregtshof, en door aan de wetgeving het bewijs te leveren, dat de betrokken slaaf eenige verdienstelijke daad aan zijn meester heeft bewezen, of zich jegens den Staat verdienstelijk heeft gemaakt; terwijl de acte geene waarde kan hebben, dan wanneer zij door eene speciaal besluit der wetgeving is geratificeerd. Wij gelooven, dat deze wet en dit beginsel van staatsregt van te groot gewigt is voor de belangen onzer burgers, dan dat men de niet naleving daarvan mag veroorloven.

Deze zaak toont onbetwistbaar aan, dat het contract zijn oorsprong heeft in een vergrijp tegen de maatschappij en een verderfelijk en laakbaar voorbeeld stelt. Maar bovenal schijnt het te zijn ontworpen en ten uitvoer gebragt met het bepaalde oogmerk om de gestrengheid der wetten van den Staat te ontduiken. De handelwijze van partij om naar Ohio te gaan met de slaven en daar de acte te passeren, en zijn onmiddellijke terugkeer naar dezen Staat, bewijst dat doel op eene onloochenbare wijze. De wetten van dezen Staat mogen niet in hare werking belemmerd worden door een der burgers. Indien wij daaromtrent eenigen twijfel konden koesteren, zou het regtsgeding aangehaald in I. Raudolph, 15, ons de zekerheid daarvan geven.

Wanneer wij aannemen, dat de waarde der acte afhangt van de wetten in dezen Staat vigerende, dan behoeven wij niet meer te vragen of zij van kracht is volgens de wetten van Ohio. Zoo zij daar geldig is, zij kan hier toch van onwaarde zijn. De conclusie moet dus wezen dat de neger John Monroe en zijne moeder nog slaven zijn en een gedeelte uitmaken der nagelaten bezittingen van Elisha Brazealle. Zij zijn niet in vrijheid gesteld door het testament; want, zelfs wanneer de bepaling in dat testament voldoende daartoe ware, is toch hunne invrijheid-stelling niet bekrachtigd door een besluit der wetgeving. John Monroe, slaaf zijnde, kan de bezitting niet als erfgenaam aanvaarden; en ik vrees dat het even duidelijk is, dat men die niet voor hem kan besturen. Onafhankelijk van de beginselen in vroegere regtspraken gelegd, verbieden onze wetten aan slaven eenige soort van eigendom te bezitten, en men mag aannemen, dat de bedoeling der wetgeving was, dat aan die bepaling de verste uitgestrektheid zou worden gegeven, daar zij zelfs die eigendommen uitsluit, die hun waarschijnlijk het eerst zouden worden gegeven, als varkens, paarden, hoornvee enz. De wet verbiedt het bezit van zulk een eigendom niet, omdat het gevaarlijk of schadelijk is, maar omdat zij het onstaatkundig acht dat slaven bezittingen van eenigen aard zullen hebben. Daaruit volgt dat zijne erfgenamen regt hebben op de nalatenschap.

Daar de acte van onwaarde was, en de erfgenaam volgens testament niet in het bezit der nalatenschap kon treden, zouden de erfgenamen welligt aanspraak hebben op eene schadevergoeding, voor den tijd dat zij haar niet bezeten hebben; maar als zoodanig kan worden gerekend de renten en voordeelen, en het in bezit komen der gansche nalatenschap; en ik zie dus geene reden waarom zij weder eene vordering zouden instellen. De schadevergoeding is ongetwijfeld grooter, dan de wet haar zou toekennen."

De opperregter Sharkey die dit vonnis velde, wordt door de Evening Post als een der voornaamste mannen genoemd, die de strenge wet tot stand bragten, waaronder deze gruwelijke wreedheid bedreven werd.

Niets toont krachtiger het onbeperkte despotisme aan van de slavenwet over de edelste neigingen en oogmerken van den meester, en de standvastigheid der geregtshoven om die gestrengheid tot hare uiterste gevolgtrekkingen te handhaven, dan dit wreede vonnis, waardoor een jongeling, die was opgevoed in de overtuiging dat hij vrij was, en zijne moeder, eene vrouw die eene beschaafde opvoeding genoten had, weder in de grondelooze diepte der slavernij gestort werden. Wanneer men dit voorval als onderwerp van een roman of van een treurspel genomen had, zou de wereld het uitgekreten hebben als het toppunt van onwaarschijnlijkheid. Nu het in de geschiedenis der regtspleging staat opgeteekend, is het slechts eene proeve van die verschrikkelijke waarheid, verschrikkelijker dan de verdichting, die ten allen tijde het noodzakelijk uitvloeisel zal moeten zijn, in dezen vorm of in een anderen, van de werking van het slavenstelsel.

Deze beschouwing van het onderwerp is hoogst gewigtig en mag wel ernstig overdacht worden door hen, die in den vreemde hun oordeel en afkeuring slechts gronden op den persoon van den slavenhouder, meer dan op het afschuwelijke van het stelsel zelf, dat de wet erkent. In sommige slavenhoudende Staten schijnt het alsof de slavenhouder slechts zeer weinig anders doen kan dan zijne slaven doorgaans goed behandelen, tenzij hij trachtte de wetten te veranderen. Maar juist daarin ligt de heiligste pligt van elken Christen in het Zuiden. Want de wereld zoo min als God zal hem schuldeloos achten, die, met de vrije verkiezingen tot zijne dienst, en de kracht om te spreken, te schrijven en te beraadslagen, dat gedrochtelijke stelsel van wettelijke gruwzaamheid van jaar tot jaar blijft dulden.

HOOFDSTUK XIV.

DE ISRAËLITISCHE SLAVENWET VERGELEKEN MET DE AMERIKAANSCHE.

Wij hebben de Amerikaansche wet vergeleken met de Romeinsche, wij willen haar thans met eene andere slavenwet vergelijken, namelijk met de Israëlitische.

Die vergelijking is te belangrijker, omdat de slavernij in Amerika steeds verdedigd is op grond, dat God de slavernij onder de Joden veroorloofde.

De vraag is nu slechts welke soort van slavernij was onder de Joden geoorloofd? Want bij verschillende volken zijn verschillende stelsels met den algemeenen naam van slavernij betiteld.

Dat de aartsvaderlijke lijfeigenschap, die in den tijd van Abraham bestond, iets geheel anders was dan de slavernij in Amerika, kunnen eenige weinige bijbelteksten doen zien. Wij lezen toch, dat toen de engelen Abraham bezochten, hij, zoo als het verhaal luidt, ofschoon hij drie honderd dienstbaren in zijne woning had, terstond een kalf haalde en slagtte, en het aan een knecht gaf om het toe te bereiden; en dat Sara drie maten meel nam en daarvan koeken maakte; en dat hij, toen dit alles gedaan was, zelf het aan zijne gasten voorzette.

Uit verschillende andere omstandigheden, die in de geschiedenis der aartsvaderen worden medegedeeld, blijkt, dat de betrekking van de tot dienstbaarheid geborenen tot hun heer meer was die van een Schotschen clan tot zijn feodalen heer, dan van een Amerikaanschen slaaf tot zijn meester. Zoo schijnt het ook, dat, indien Abraham zonder kinderen gestorven ware, de eerste dienstknecht zijn erfgenaam zou zijn geweest. Gen. XV: 3.

Van welken aard dan was de slavernij, die God onder de Joden veroorloofde? Door welke wetten was zij geregeld?

In het Nieuwe Testament wordt van het geheele stelsel der Joodsche wetten, als betrekkelijk zeer onvolkomen gesproken, en als verviel het door het Christendom. Hebr. VIII, 13.

Wij moeten dus het Joodsche stelsel als een stelsel van opvoeding beschouwen, waardoor een verbasterd half beschaafd volk, dat, door de slavernij in den ergsten zin onder de Egyptenaren, diep gezonken was, weder trapsgewijze tot beschaving werd opgevoerd.

Toen zij Egypte verlaten hadden, schijnt het, dat de afschuwelijkste gewoonten, de ongehoordste en onnatuurlijkste onreinheden onder hen heerschten; zoodat het noodzakelijk was wetten te stellen voor zaken, waarvan het Christendom zelfs den naam niet meer noemt.

Bovendien waren veelwijverij, oorlog en slavernij de heerschende gewoonten onder de volken.

In het Nieuwe Testament wordt gezegd, dat God, bij de opvoeding van zijn volk, trapsgewijze te werk ging, even als een wijs vader met zijne kinderen.

Hij bepaalde zich tot eenige der hoofdzonden en verbood hun die door eene stellige wet en onder bedreiging van strenge straffen.

Het dienen van andere goden, werd bij de Joodsche wet gelijkgesteld met landverraad bij ons, en onverbiddelijk met den dood gestraft.

Daar de kennis van den waren God en godsdienstig onderwijs niet door boeken kon geleerd en bevorderd worden, werd er één dag in de week afgezonderd om in het hart des volks het aandenken aan Hem en de pligten, die zij jegens Hem hadden, levendig te houden. Hij, die dien dag aan iets anders wijdde, werd met den dood gestraft; blijkbaar was de heiligheid van dien dag een der middelen, om den band van het volk tot zijnen God in stand te houden, en de schending van den Sabbath leidde dus noodzakelijk tot hoogverraad jegens het hoofd van den Staat.

Met betrekking tot andere misbruiken, die onder de Joden, even als onder de heidensche volken heerschten, zien wij dat God denzelfden weg volgde als alle wijze wetgevers hebben ingeslagen.

Toen Lycurgus het geld en de weelde, die er het gevolg van was, uit Sparta wenschte te zien verdwijnen, verbood hij het niet door eene stellige wet, maar voerde eene munt in, zoo grof en zwaar dat, zoo als Rollin ons zegt, men eene kar met een paar ossen noodig had, om den prijs van een zeer eenvoudig voorwerp naar huis te brengen.

Zoo beperkte God ook de veelwijverij, den oorlog, de bloedwraak en de slavernij door bepalingen, die trapsgewijze en onvermijdelijk tot de algeheele afschaffing moesten leiden.

Niemand zal beweren, dat de wetten, die God gaf ten aanzien der veelwijverij, vrijplaatsen, enz., bij de Christenvolken van eenige toepassing zijn.

De volgende opgave van eenige dier voorschriften uit de Mozaïsche wet, werd ons ter hand gesteld door Dr. C. E. Stowe, professor in de Bijbelsche letterkunde aan het Andover Theological Seminary.

1. De Israëliet moest, al was hij getrouwd en al had hij vrouw en kinderen, de weduwe van zijn overleden broeder tot zich nemen en kinderen bij haar verwekken. Deut. XXV, 5-10.

2. Het was den Israëlieten, onder zekere omstandigheden veroorloofd, bijwijven te nemen, of vrouwen gedurende een zekeren tijd, of vrouwen die krijgsgevangenen waren. Deut. XXI, 10-19.

3. Een Israëliet, die reeds eene vrouw had, mogt eene tweede vrouw nemen, onder dien verstande, dat hij den omgang met de eerste als echtgenoot niet staakte, en haar liefderijk en goed behandelde. Exod. XXI, 9-11.

4. Volgens de Mozaïsche wet, mogt de naaste bloedverwant van een vermoorden Israëliet den moordenaar vervolgen en dooden, tenzij deze eene vrijplaats kon bereiken; hetzelfde verlof gold wanneer de daad toevallig was. Num. XXXV, 9-39.

5. Aan de Israëlieten werd bevolen de Kanaäniten, mannen, vrouwen en kinderen uit te roeijen. Deut. IX, 12; XX, 16-18. Elk dezer daden werd door de Mozaïsche wet geregtvaardigd, zoowel als het houden van slaven.

Ieder dezer wetten, ofschoon zij in dien tijd verbeteringen invoerden, die eene barbaarsche gewoonte moesten doen ophouden, en den overgang uitmaken tot een hoogeren trap van beschaving, behoort ongetwijfeld tot dat stelsel, hetwelk volgens Paulus verouderd was. Zij, maakten een deel uit van het verbond, dat verdwijnen moest, omdat het verkeerd en nadeelig was, en dat, in den tijd dat hij schreef, verouderd en zijne verdwijning nabij was. En Christus zelf zegt, met betrekking tot zekere veroorloofde handelingen volgens dat stelsel, dat die veroorloofd waren geworden om "hunne verhardheid in het kwade" omdat eene poging om wetten in te voeren, die hen meer aan banden legden, slechts grootere misbruiken zou ten gevolge hebben gehad.

De volgende beschouwing der Joodsche slavenwetten is getrokken uit het werk van Barnes over de slavernij en een manuscript van professor Stowe.

In de eerste plaats maakt die wetgeving de grootste en meest algemeene bron der slavernij, het stelen van kinderen, tot eene misdaad, waarop de doodstraf staat.

Dat verbod luidt als volgt: "die een mensch steelt, hetzij dat hij dien verkocht heeft, of dat hij in zijne hand gevonden wordt, zal zekerlijk gedood worden."

De bronnen, waaruit dus slaven voortsproten, waren tot twee beperkt: vooreerst door den vrijwilligen verkoop van zich-zelven, dat zeker niet kan aangemerkt worden als gedwongen dienstbaarheid, en ten tweede door de toeëigening van krijgsgevangenen en het koopen van heidenen.

Wat de slavernij betreft, die de Israëliet zich vrijwillig oplegde door zich te verkoopen, deze eindigde, krachtens de wet, na zeven jaren; zoo dat de ergste beteekenis die er aan te geven is, deze is, dat het eene verbindtenis was om gedurende een zekeren tijd te arbeiden.

De dienstbaren van de heidenen gekocht, of de vreemdelingen in het land, werden, volgens eene bepaling der wet, na vijftig jaar ontslagen.

Door het uit zijn verband rukken van eenige voorschriften uit de Mozaïsche wet, heeft men wel eens afgeleid, dat God bepaaldelijk beval den slaaf die vreemdeling was, met meer gestrengheid dan den Israëlitischen te behandelen. Dat dit niet zoo was blijkt uit de volgende teksten, die uitsluitend betrekking hebben op vreemdelingen.

De vreemdeling, die als vreemdeling bij u verkeert, zal onder u zijn als een inboorling van ulieden; gij zult hem lief hebben als u-zelven: want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypteland: Ik ben de Heer uw God! (Lev. XIX, 39.)

Gij zult ook den vreemdeling geenen overlast aandoen, noch hem onderdrukken: want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypteland. (Exod. XXII, 21.)

Gij zult ook den vreemdeling niet onderdrukken: want gij kent het gemoed des vreemdelings, dewijl gij vreemdelingen geweest zijt in Egypteland, (Exod. XXIII, 9.)

Want de Heer, uw God, is een God der Goden, en een Heer der Heeren; die groote, die magtige, en die vreeselijke God, die geen aangezigt aanneemt, noch geschenk ontvangt;--die het regt van den wees en van de weduwe doet, en den vreemdeling lief heeft, dat Hij hem brood en kleeding geve.--Daarom zult gijlieden den vreemdeling lief hebben, want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypteland. (Deut. XI, 17-19.)

En ik gebood uwe regters te zelfder tijd, zeggende: hoort de verschillen tusschen uwe broederen, en rigt regt tusschen den man en tusschen zijnen broeder, en tusschen deszelfs vreemdeling. (Deut. I: 16.)

Vervloekt zij, die het regt van den vreemdeling, van den wees en van de weduwe buigt! en al het volk zal zeggen: Amen. (Deut. XXVII, 19.)

In plaats van de slavernij ten aanzien van den vreemdeling tot een stelsel van verdrukking te maken, deed God het een stelsel zijn, waardoor de Heidenen opgenomen werden in den Joodschen staat, opgevoed en onderwezen in de dienst van den waren God en ter geschikter ure vrijgelaten.

In de eerste plaats werden zij door de wet beschermd tegen persoonlijk geweld. Het verlies van een oog of een tand, door geweld van den meester, stelde den slaaf geheel buiten zijne magt en gaf hem zijne vrijheid weder. Voorts, wanneer het gedrag van den meester zoodanig was, dat dit hem tot de vlugt aanzette, mogt niemand den meester bijstaan om hem weder in diens magt te brengen, en mogt hij wonen in dat gedeelte van het land waar hij wilde, zonder dat hij eenigen overlast behoefde te vreezen. Ten derde verzekerde de wet aan den slaaf veel tijd, dien hij naar eigen goedvinden kon doorbrengen. Elk zevende jaar stond ter zijner beschikking. Lev. XXV, 4. Ook elke zevende dag was hem gelaten. Exod. XX, 10.

De dienstbare had het voorregt de drie groote nationale feesten mede te vieren, wanneer alle mannen onder het volk te Jeruzalem voor God moesten verschijnen. Exod. XXXIV, 23. Met elk dezer feesten berekent men, dat drie weken heengingen.

De slaaf was ook gast bij de familiefeesten. In Deut. XII, 12 wordt gezegd: "En gij zult vrolijk zijn voor het aangezigt des Heeren, uws Gods, gijlieden, en uwe zonen, en uwe dochteren, en uwe dienstknechten, en uwe dienstmaagden, en de Leviet, die in uwe poorte is; want hij heeft geen deel noch erve met ulieden."--

D. Barnes schat den gezamenlijken tijd, dien een slaaf voor zich-zelven had, op omstreeks drie-en-twintig jaren van de vijftig, of ongeveer op de helft van den tijd zijner dienstbaarheid.

Nog had de slaaf volkomen gelijke regten met zijn meester, ten aanzien zijner godsdienstpligten.

Wanneer wij nu in aanmerking nemen, dat in den tijd van Mozes God en de koning van het volk één en dezelfde persoon waren, en dat de burger- en godsdienstpligten één en dezelfde waren, volgt daaruit, dat de slaaf en zijn meester op gelijk standpunt stonden, met betrekking tot hunne pligten jegens den Staat.

Zoo wordt ons in Deut. XXIX een plegtig volksfeest beschreven, dat voor den dood van Mozes plaats had, toen het gansche volk werd bijeen geroepen, om, na een plegtig overzigt hunner nationale geschiedenis, den eed van getrouwheid te hernieuwen aan hunne hoogste overheid en God.

Bij die gelegenheid spreekt Mozes hun aldus toe:

"Gij staat heden allen voor het aangezigt des Heeren, uws Gods: de Hoofden uwer stammen, uwe Oudsten en uwe Ambtslieden, alle mannen van Israël! uwe kinderkens, uwe vrouwen en uw vreemdeling, die in het midden van uw leger is, van uwen houthouwer tot uwen waterputter toe; om over te gaan in het verbond des Heeren, uws Gods, en in zijnen vloek, hetwelk de Heer, uw God, heden met u maakt."

Hoe verschillend is dit van de onverschillige en koelbloedige verklaring omtrent den toestand der slaven in Amerika; bijzonder in Zuid-Carolina! "Een slaaf wordt in den regel, volgens de wet, niet geacht iets te maken te hebben met de rust van den Staat. Hij is geen burger en heeft als zoodanig geen aanspraak op de bescherming van den Staat."

Ten aanzien van al de godsdienstpligten, die, zoo als wij uit de Staatsregeling van de Israëlieten gezien hebben, burgerpligten waren, stonden de slaaf en de meester gelijk. Er bestond geen dier onderscheidingen, die eene bijzondere klasse of kaste kenschetsten. Er bestonden geene bijzondere werkzaamheden voor hen; er waren voor hen geene bijzondere zitplaatsen, om het besef bij hen levendig te houden, dat zij tot eene lagere klasse behoorden. Evenmin werd hun het onderwijs, dat God gegeven had, ten opzigte der gelijke regten van den mensch, onthouden.

Ten vijfde. Het werd, bijna buiten twijfel, aangenomen, dat de slaaf de Joodsche godsdienst en de dienst van Jehova zou aannemen en gewillig al de verpligtingen vervullen, die aan de Israëlieten waren opgelegd.

Mr. Barnes haalt de woorden van Maimonides aan, om te doen zien hoe dit gewoonlijk onder de Israëlieten begrepen werd. In de "Nasporing naar de slavernij volgens den Bijbel," lezen wij:

Het zij een slaaf geboren was in de magt van een Israëliet, of dat hij gekocht was van de Heidenen, de meester moest hem, in ieder geval, in het verbond doen opnemen.

Maar die in huis geboren was, moest er den achtsten dag heengebragt worden, en hij, dien hij voor geld gekocht had, den dag dat hij hem ontving, ten zij de slaaf weigerde. "Want indien de meester een verharden slaaf ontving, die onwillig was, moest de meester hem trachten te overtuigen en te winnen door onderwijs en door eene zachte behandeling gedurende een jaar. Wanneer hij dan nog weigerde, mogt de meester hem niet langer houden. Dan zou de meester hem terugzenden naar de vreemdelingen van wie hij gekomen was; want de God van Jakob kon slechts gediend worden door een gewillig harte." Maimon, Hilcoth Miloth.

Eene zesde voorname bepaling ten opzigte van den Israëlitischen slaaf was, dat hij nimmer kon verkocht worden. Hieromtrent merkt Barnes aan:

Een Israëliet mogt, onder zekere omstandigheden, een man koopen, maar was hij eenmaal gekocht, dan was de zaak ten einde. Er bestaat niet het geringste bewijs dat de Israëliet ooit een slaaf verkocht; en eenige bepaling te dien aanzien was in de staatsregeling van het Joodsche volk niet te vinden. Van Abraham wordt verhaald dat hij "dienstknechten voor geld gekocht had;" maar nergens staat dat hij er een verkocht heeft, en nergens wordt ook vermeld, dat dit door Izaäk of Jakob gedaan werd. Het eenige voorbeeld van eene verkooping van dien aard in de geschiedenis der aartsvaders, levert de daad van Jozefs broeders, die hem aan de Ismaëlieten verkochten, maar die daad wordt dan ook zeer streng gelaakt. In de wetten van Mozes wordt verlof gegeven tot het koopen van slaven, maar niet tot het weder verkoopen; en de omstandigheid dat dat verlof nooit gegeven is, bewijst genoeg dat het niet in aanmerking kwam. Wanneer iemand slaaf werd, kon hij niet van meester veranderen dan vrijwillig (Exod. XXI : 5, 6), of wanneer de meester hem zijne vrijheid gaf en hij zich weder dienstbaar maakte tot den tijd, dat hij, krachtens de wet vrij zou zijn. Geene bepaling in de Mozaïsche wet zegt, dat met slaven de schulden van een meester konden betaald worden; noch dat zij in gijzeling konden worden gegeven; noch dat zij konden worden overgedaan aan anderen, noch dat zij als geschenken konden worden weggegeven. De gansche geschiedenis der Joden levert hiervan ook geen enkel voorbeeld. Hunne wet was zeer stellig met betrekking tot den Joodschen slaaf, en het beginsel der wet was op alle andere slaven toepasselijk, Lev. XXV : 42. "Zij zullen niet als dienstbaren worden verkocht." In al deze opzigten was er een zeer groot verschil--en dat verschil was ook ongetwijfeld bedoeld--tusschen de bepalingen omtrent den eigendom en die omtrent de dienstbaren.

Wat de werking van het stelsel aangaat, zoo als die zich voordoet in de gebeurtenissen, welke de gewijde geschiedenis beschrijft, zij is juist zoo als wij haar van zulk een slavenstelsel zouden verwachten. Zoo vinden wij bij voorbeeld in het negende hoofdstuk van het eerste boek Samuël, dat, toen Saul en zijn dienstknecht Samuël bezochten, deze, omdat hij wist, dat Saul eenmaal gezalfd Koning zou worden, een groot feest voor hem aanlegde. In vers 22 wordt gezegd: "Samuël dan nam Saul en zijnen jongen, en hij bragt ze in de kamer; en hij gaf hun plaats aan het opperste der genoodigden."

Wij lezen ook in II Samuël IX : 10, van een dienstknecht van Saul, die vele bezittingen had, en twee-en-twintig dienstknechten van zich-zelven.

Wij vinden in I Kronijken II : 34, het volgende voorval vermeld:

"En Sesan had geene zonen, maar dochteren. En Sesan had eenen Egyptischen knecht, wiens naam was Jarha. Sesan nu gaf zijne dochter aan zijnen knecht Jarha tot eene vrouw;"

Gelijkt dit naar de Amerikaansche slavernij?

Wij vinden bovendien, dat die verbindtenis volstrekt niet als vernederend werd beschouwd, want de zoon dierzelfde dochter werd opgenomen onder de dapperste mannen van Davids leger.

Kortom, het verwondert ons niet te bespeuren, dat de instelling van Mozes al de grondvesten der slavernij zoodanig ondermijnt, dat zij lang voor de geboorte van Christus opgehouden had onder de Israëlieten te bestaan. Barnes vraagt dan ook:

Welk feit zou men kunnen aanhalen om te bewijzen, dat er eenige zweem van slavernij bestond in dat land, ten tijde der Maccabeërs of bij de komst van Jezus? Er zijn tallooze bewijzen, zoo als wij weten, dat zij in Griekenland en Rome bestond; maar, waar is het bewijs, dat zij in Judea heerschte? Voor zoo ver ik in staat ben dit te weten, is nooit beweerd, dat zij te vinden zou zijn in de kanonieke boeken van het Oude Verbond of in Josephus. Nergens wordt gezinspeeld op wetten of gebruiken, die haar doen veronderstellen; er zijn geene feiten, die niet gemakkelijk kunnen worden uitgelegd in de veronderstelling, dat de slavernij had opgehouden te bestaan.

Twee tegenwerpingen zijn er ingebragt tegen de uitlegging van twee der bepalingen hier aangehaald.

Io. zegt men, dat de bepaling: "Gij zult aan zijn meester den slaaf die ontsnapt is niet teruggeven," enz., alleen betrekking heeft op slaven, die van Heidensche meesters naar het Joodsche volk vlugtten.

De volgende opmerkingen hieromtrent zijn getrokken uit het werk van professor Stowe:

Deut. XXIII: 15, 16. Deze woorden stellen een voorschrift daar, dat, als elk ander, streng moet worden toegepast. De bewoordingen geven geen regt om de beteekenis er van te beperken; ook het verband, waarin het voorkomt, geeft daartoe geene aanleiding; evenmin is er iets in de geschiedenis der Mozaïsche wetgeving, dat de toepassing van dit voorschrift zou beperken tot slaven, die aan vreemde meesters ontvlugtten. Die veronderstelling is geheel willekeurig en, zoo ver den Bijbel betreft, zonder het minste bewijs. Men heeft gezegd, dat het dwaas zou zijn van Mozes om zulk eene wet uit te vaardigen, wanneer de slavernij bij de Israëlieten bestond. Het zou zeker dwaas geweest zijn, wanneer het oogmerk der Mozaïsche wetgeving geweest ware de slavernij in stand te houden en van blijvenden duur te maken; maar, wanneer het oogmerk van Mozes was, de slavernij te beperken, aan banden te leggen en eindelijk te doen ophouden, dan beantwoordde die wet waarlijk allezins aan dat oogmerk. Elke slaaf moest de godsdienstige regten en het onderwijs genieten, waarop de kinderen van zijn meester aanspraak hadden. Elk zevende jaar stelde den Israëlitischen slaaf in vrijheid, en elk vijftigste jaar bragt eene algemeene vrijmaking met zich. Indien de meester, door een toevalligen of kwaadaardigen slag, zijn slaaf een oog of een tand ontnam, was deze door die daad vrij. En volgens die wet mogt ook de slaaf, wanneer hij verdrukt werd, ontsnappen, en, ofschoon het den eigenaar niet verboden was zich, wanneer hij kon, weder meester van hem te maken, was het toch aan ieder ander verboden hem daarin behulpzaam te zijn. Die wet maakte daadwerkelijk de slavernij vrijwillig, en dit beoogde Mozes ook.

Mozes regelde de slavernij zoo als hij de veelwijverij en den oorlog regelde; zonder ze uitdrukkelijk te verbieden, beperkte hij ze zoodanig, dat zij verdween; in plaats van den vergiftigen boom om te hakken, stak hij de wortels af en liet hem uit zich-zelven sterven. Er bestaat een voorschrift ten opzigte van krijgsondernemingen, die geheel en al in overeenstemming is met die wet omtrent gevlugte slaven. Ware het Mozes doel geweest een oorlogzuchtigen geest onder de Israëlieten te onderhouden, dan zoude wet voorbeeldeloos dwaas zijn geweest; maar hij wilde dien geest fnuiken, en de oorlogen met vreemde volken bijna onmogelijk maken. Daartoe was de wet inzonderheid geschikt. De krijgsdienst werd daadwerkelijk geheel vrijwillig gemaakt, even als de wet op de vlugtelingen de huisdienstbaarheid daadwerkelijk vrijwillig maakte.

Die uitvoerige wet wordt gevonden in Deut. XX: 5-8. Wanneer men haar naauwlettend leest, zal die overeenkomst met de wet op de vlugtelingen terstond in het oog vallen. Juist wanneer het volk gereed stond om slag te leveren,--juist op het oogenblik, dat de moed, van braven zelfs, min of meer wankelt,--waren de legerhoofden verpligt aldus hunne soldaten aan te spreken:

Deut. XX: 5-8. "Dan zullen de Ambtslieden tot het volk spreken, zeggende: wie is de man, die een nieuw huis heeft gebouwd, en het niet heeft ingewijd? die ga henen en keere weder naar zijn huis; opdat hij niet misschien sterve in den strijd en iemand anders dat inwijde.

En wie is de man, die eenen wijngaard geplant heeft, en deszelfs vrucht niet heeft genoten? die ga henen en keere weder naar zijn huis; opdat hij niet misschien in den strijd sterve en iemand anders dien geniete.

En wie is de man, die eene vrouw ondertrouwd heeft, en haar niet tot zich heeft genomen? die ga henen en keere weder naar zijn huis; opdat hij niet misschien in den strijd sterve, en een ander man haar neme.

Daarna zullen de Ambtslieden voortvaren te spreken tot het volk, en zeggen: wie is de man, die vreesachtig en week van hart is? die ga henen en keere weder naar zijn huis; opdat het hart zijner broederen niet smelte, gelijk zijn hart."

Nemen wij nu in aanmerking, dat de Israëlieten bij uitsluiting een landbouwend volk waren, dat krijgszuchtige partijen voornamelijk bestaan uit jonge menschen, en dat door die wet ieder, die een huis gebouwd had, dat hij nog niet had bewoond, of een wijngaard geplant had, waarvan hij nog geene vruchten genoten had, of eene vrouw had ondertrouwd, die hij nog niet tot zich had genomen, en ieder die vreesachtig en week van harte was, naar huis mogt en moest gaan,--hoe velen zullen er dan waarschijnlijk nog zijn gebleven? En wanneer nu aan de legerhoofden, in plaats van hun krijgsmansvuur op te wekken, door het voorspiegelen van eer en roem, bevolen werd nog eens en nog eens te herhalen, dat zij waarschijnlijk zouden sneuvelen in den strijd en nimmer huiswaarts keeren, en hun het vóór te houden, als of dit hun eenig doel ware--moet men dan de geheele wet, als krijgswet, beschouwd, niet belagchelijk achten--even belagchelijk als de bepalingen omtrent weggeloopen slaven, in haar verste gevolgtrekkingen toegepast, als slavenwet beschouwd, belagchelijk zijn?

Het is blijkbaar het doel dier krijgswet om een eind aan alle oorlogen te maken; want, onder de heerschappij van zulk eene wet, moesten alle oorlogsbenden uit vrijwilligers bestaan. Even duidelijk is het dat de slavenwet strekte om de gedwongen dienstbaarheid te doen eindigen; want, onder de heerschappij van die wet, moest de slavernij, in zeer uitgebreiden zin, vrijwillig zijn--en dit was het juist wat de Wetgever beoogde. Het is niet mogelijk dat men, om die verkeerde werking anders uit te leggen, aan de wet eene meer beperkte beteekenis geeft, zonder te gelijk aan te nemen dat het doel der Mozaïsche wetgeving was de slavernij te doen voortduren, niet haar te beperken; en dit kan zeker niet bewezen worden; want het tegendeel blijkt uit iedere letter.

Ik herhaal het dus nogmaals, noch uit de bewoordingen der wet, noch uit het verband waarin zij voorkomt, noch in de geschiedenis der Mozaïsche wetgeving op dit punt, is er iets dat de toepassing er van zou kunnen beperken tot slaven, die van Heidensche meesters zijn weggeloopen; maar elke overweging, elke wettige bron, leidt ons tot een lijnregt tegenovergesteld besluit. Zulk eene beperking is de willekeurige, ongegronde stet-voluntas-pro-ratione-veronderstelling van den uitlegger en niets anders. De eenige zweem slechts voor eenig argument, dien ik inzie, om die wet te beperken, ligt in het gebruik van het woord tot u in het vijftiende vers. Men kan beweren, dat het voornaamwoord u gebruikt is in een nationalen, niet in een individuelen zin, en doelt op het ontvlugten van een ander volk naar de Israëlieten. Maar men zie het voorschrift, dat onmiddellijk voorafgaat, en ga de beteekenis na van het voornaamwoord u in het dertiende vers. Zeer blijkbaar hebben de voornaamwoorden in deze voorschriften uitsluitend betrekking op personen en moeten zij niet in collectieven of nationalen zin opgevat worden; zeer zelden, zoo ooit, kan hun die beteekenis gegeven worden, die volgens het argument verlangd wordt.

IIo. Men heeft gezegd dat het bevel: "gij zult de vrijheid verkondigen door het geheele land aan al zijne inwoners," alleen betrekking had op Joodsche slaven. Die veronderstelling is geheel gegrond op de meening, dat de slaaf, volgens de Joodsche wet, niet beschouwd werd als persoon, als een inwoner van het land en een burger van den Staat; maar wij hebben juist bewezen, dat tot het heiligste verbond de houthakker en waterdrager bepaaldelijk werden aangeduid, als even goed te zullen ingaan als de meester; en het zou dwaas zijn te veronderstellen, dat deze in eene wet die gerigt is tot alle inwoners van het land, niet onder die inwoners begrepen werden.

Barnes staaft nog die meening door eenige bladzijden met aanhalingen uit Joodsche schrijvers, die allezins den lezer van zijn werk overtuigen zullen.

Uit een overzigt dus van al wat de Israëlitische slavenwet betreft, blijkt dat de slavernij daar was een wijs en wel doordacht stelsel van opvoeding en trapsgewijze vrijmaking. Geen redelijk mensch kan er aan twijfelen of, wanneer dezelfde bepalingen van kracht werden verklaard op de slavernij in Noord-Amerika, de Amerikaansche slavernij weldra in ieder opzigt daadwerkelijk afgeschaft zou kunnen beschouwd worden. Indien hieromtrent eenige twijfel bestaat--en nog gelooft men dat de slavernij bij de Israëlieten de slavernij in Amerika wettigt--welnu, men neme de proef om het Amerikaansche stelsel aan het Israëlitische gelijk te maken, en dan zullen wij zien wat er het gevolg van is.

HOOFDSTUK XV.

SLAVERNIJ IS DESPOTISMUS.

Het is altijd van het hoogste belang, bij de beschouwing eener zaak, juist voor oogen te hebben wat zij is.

Het eenige middel om juist te weten, wat deze of gene burgerlijke instelling is, bestaat in het onderzoek van de wetten, waardoor zij geregeld wordt. In verschillende tijden en bij verschillende volken, werden verschillende instellingen met den naam van slavernij bestempeld. De dienstbaarheid onder de aartsvaders was iets anders dan de dienstbaarheid bij de Israëlieten, en deze weder iets anders dan de dienstbaarheid bij de Grieken en Romeinen; al deze instellingen verschillen zeer veel van elkander. En wat is nu de Amerikaansche slavernij, zoo als wij die leeren kennen uit de wet en uit de regtspleging?

Laat ons beginnen met te zeggen wat zij niet is:

1. Zijn de slaven niet wat de arbeidende klasse is. 2. Is zij geene voogdij. 3. Is het in geenen deele een stelsel van opvoeding van een zwakker geslacht door een sterker. 4. Is het geluk van den slaaf in geen opzigt haar doel. 5. Is evenmin de tijdelijke welvaart of het eeuwig geluk van den slaaf hare strekking.

Haar doel wordt zeer bepaaldelijk aangegeven in een vonnis van den regter Ruffin. "Het doel is het voordeel van den meester, zijne zekerheid en de publieke veiligheid."

Slavernij, dus, is onbeperkt despotisme, in den ruimsten vorm.

Het zou echter eene onregtvaardigheid zijn jegens het despotismus in een beschaafden Staat, wanneer wij daarmede de Amerikaansche slavernij vergeleken. De absolute regeringen in Europa beweren geen van allen gegrondvest te zijn op het eigendomsregt van den heerscher over de personen en vermogens van den beheerschte.

Dit is een vorm van het despotismus, zoo als slechts in de meest barbaarsche streken der wereld bestaat, zoo als, bij voorbeeld, in Dahomey.

Het absolutismus of despotismus in Europa erkent tot zekere hoogte het geluk en de welvaart van den onderdaan, als den grondslag van het gouvernement; en de wetgever wordt geacht zijne magt te bezitten tot bevordering van het volksgeluk; zijn regt als wetgever wordt verondersteld eenigzins voort te spruiten uit het denkbeeld, dat hij beter het geluk van het volk begrijpt, dan het volk zelf. Geene regering in de beschaafde wereld omhelst meer dat zuiver despotische beginsel, dat bestond in de dagen der Persische en Assyrische heerschappij.

De argumenten, die de slavernij verdedigen, moeten in hoofdzaak dezelfde zijn als die, welke het despotismus van een anderen aard verdedigen; en de bezwaren, die er zijn tegen in te brengen, zijn ook juist van dezelfde soort als die, welke tegen het despotismus van anderen aard zijn aan te voeren. De gewoonten en daden waarvan zij oorzaak zijn, komen eveneens geheel overeen met die, waartoe despotismus ten allen tijde aanleiding heeft gegeven.

Wordt de slaaf van misdaad verdacht, zijn meester heeft het regt om zijne schuld te onderzoeken door pijniging (zie de Staat tegen Castleman). Zijn meester heeft, door de daad, meestal magt over leven en dood, ten gevolge der uitsluiting van het getuigenis van een slaaf. Hij heeft de magt den slaaf, ten allen tijde, te verbannen, zonder daarvoor aan iemand rekenschap te zijn verschuldigd, naar eene plaats, nog verschrikkelijker dan Siberië, en hem te veroordeelen tot een arbeid, zwaarder dan op de galeijen. Hij heeft ook eene onbeperkte magt over de eer van zijn slaaf; hij kan hem beschuldigen van elke misdaad, en toch hem alle onderzoek of verhoor onthouden, en eindelijk hem verkoopen, terwijl zijne eer door eene lasterlijke aantijging, die hij niet van zich heeft kunnen werpen, bezoedeld is.

Dit zijn ook allen misbruiken, die men in eene despotische regering gelaakt heeft. Het zijn regten, waarvan goede despoten geen misbruik hebben gemaakt, maar onder bescherming van iederen slaven-houdenden Staat, en onder bescherming van al de Vereenigde Staten, worden zij zonder gewetensbezwaar door achtenswaardige menschen misbruikt.

Maar, wij hebben het reeds gezegd, het ergste despotismus is dat, hetwelk zich ook over de ziel uitstrekt, die de vrijheid van het geweten aan banden kan leggen, en den mensch berooft van het regt om God te leeren kennen en te dienen, zooals hij verlangt. In vroeger dagen sidderden de koningen op hun troon en de landman aan zijn haard evenzeer voor een despotismus, dat zich bevoegd verklaarde, te binden en los te maken, het Koningrijk der Hemelen te openen en te sluiten.

En toch, die magt om het geweten te dwingen, om de regten te loochenen die de godsdienst geeft, en al de middelen, die een mensch ten dienste staan om zijn Maker te leeren kennen, en naar Zijn wil te leeren handelen, hem te onthouden, die magt is onder bescherming van iederen Staat en van al de Vereenigde Staten geplaatst in handen van een ieder, van welk karakter ook, die daarvoor kan betalen.

Het is eene treurige maar ernstige waarheid, dat de grootste Republiek der wereld, onder hare nationale bescherming het drukkendste stelsel van despotismus heeft genomen, dat met mogelijkheid bestaan kan.

Met betrekking tot een der punten, die wij hier opnoemden, namelijk het regt van den meester om zijn slaaf, dien hij van misdaad beschuldigt, een regterlijk onderzoek te onthouden, vinden wij een krachtig voorbeeld in hetgeen voor ongeveer twee jaren in het district Columbia voorviel. Het gebeurde komt, zooals het in verschillende nieuwsbladen van dien tijd werd medegedeeld, hoofdzakelijk hierop neder. Een aanzienlijk man te Washington, de hoofdstad van onze gansche Republiek, ouderling der presbyteriaansche gemeente, bezat eene slavin die voor eenige jaren hare belijdenis bij de Doopsgezinden had afgelegd. Hij beschuldigde haar van eene poging om zijn gezin te vergiftigen, en leverde haar terstond in handen van een slavenhandelaar, die haar met zich zou nemen naar Alexandria en in een slavenhuis gevangen zette, tot dat het schip waarmede hij vertrekken wilde, reisvaardig zou zijn. Het arme meisje had eene moeder, die leed als elke natuurlijke moeder lijden moest.

Toen zij het lot van hare dochter vernam snelde zij naar het slavenhuis, en smeekte met tranen in de oogen dat haar een onderhoud met hare dochter werd toegestaan; maar zij werd onbarmhartig teruggestooten en weggejaagd! Toen trachtte zij een onderhoud te hebben met den ouderling; maar ook dit gelukte haar niet. Genoeg geld was haar toegezegd om hare dochter te koopen, maar de eigenaar wilde naar geene belofte luisteren.

Wanhopend begaf zich de moeder naar een advokaat te Washington, en verzocht hem voor haar een brief op te stellen. Zij vertelde hem wat zij verlangde dat er in gezegd zou worden, en hij kweet zich van zijne taak, zooals zij-zelve het zou gedaan hebben, wanneer zij niet van het voorregt om onderwijs te genieten ware verstoken geweest. Haar brief luidde als volgt:

Washington, 25 Julij 1851.

Mijnheer,

Ik wend mij tot u, als tot een rijk Christen, vrijgeborene en vader, ofschoon ik-zelve slechts eene arme slavenmoeder ben. Ik wil met u spreken over een eenig kind, dat ik lief heb, die de Christen godsdienst, even als gij-zelf, belijdt, en lidmate is der Christelijke kerk, en die door de uitoefening van uw regt van eigendom, nu wegkwijnt als gevangene in een hatelijk mannen-slavenhuis, waar zij blijven moet tot zij verkocht zal zijn. Ik kom om vóór u te bepleiten de toepassing dier heilige wet: "Wat gij wilt dat u de menschen doen zullen, doe dat alzoo."

Met groote moeite heb ik vrienden gevonden, die mij willen helpen mijn kind te koopen, om ons voor die wreede scheiding te bewaren. Gij, als vader, kunt begrijpen wat ik voelde, toen men mij zeide, dat gij besloten hadt haar verre heen te bannen, en mij dus de hoop ontnomen hadt haar ooit weder te zien.

Bijna zes jaren lang heeft mijn kind slavenarbeid bij u verrigt, van haar zestiende tot haar twee-en-twintigste jaar heeft zij hard gewerkt in uwe woonkamer, uwe keuken, uw kelder en uw stal. Bij dag en bij nacht was uw wil en uw bevel voor haar de hoogste wet; maar dit alles was te vergeefs. Indien haar zelfs in al dien tijd een weinig koffij of thee gegeven is, dan was het op kosten van hare slavenmoeder, niet op uwe kosten.

Gij zijt een voorganger in de gemeente en een man des gebeds. Als zoodanig en als de oppermagtige eigenaar van mijn kind, vraag ik ootmoedig, of zij die zachte en liefderijke behandeling genoten heeft, dat schoone voorbeeld heeft gezien, die haar in haar treurigen toestand konden bemoedigen? Heeft zij uit uwe handen, door een waarachtig godsdienstig onderwijs in het woord van God, eene volkomene en goede voldoening gehad voor al haren arbeid? Het is niet aan mij alleen dat gij die vragen moet beantwoorden. Gij erkent het gezag der wetten van Hem, die vrijmaking aan den gevangene verkondigde, en die u beveelt uwe dienstmaagd te geven "wat regt en billijk is." O! ik bezweer u, onthoud in deze bange ure mijn kind niet datgene, wat haar laatste hoop zal wegnemen, en dat uwe eigene ziel in het verderf zal storten.

Men zegt mij dat gij mijne dochter van misdaad beschuldigt. Kan dit waarlijk zoo zijn? Kan het zijn dat gij uwe pligten als eerlijk man en goed burger vergeet; dat gij liever de schuldige voor geld verkoopt, dan haar voor den regter te dagen, waar gij weet dat zij gaarne zou verschijnen? Wat zoudt gij zeggen, indien men u van eene misdaad beschuldigde, en weigerde u voor de regtbank te roepen? Is haar goede naam niet evenveel waard aan haar, in de Gemeente, waartoe zij behoort, als uw goede naam aan u dierbaar kan wezen?

Denk, voor een oogenblik, dat uwe dochter, die gij liefhebt, in plaats van de mijne in deze heete dagen in eene slavengevangenis zat, gevoed werd met het ellendigste voedsel, geheel overgegeven was aan den wil van een slecht mensch en van het regt verstoken was, dat zelfs den moordenaar niet ontzegd wordt, om het gelaat zijner vrienden te zien. O! dan zoudt gij ook lijden! Och! heb dan ook medelijden met eene arme slavenmoeder en haar kind, en doe voor ons wat gij zoudt willen dat men voor u deed, wanneer gij verschijnen zult voor den Hoogsten Regter, en wanneer uwe grootste vreugde zal zijn te kunnen zeggen: "Ik heb de verdrukten vrijgemaakt."

Ellen Brown.

Maar het meisje werd naar het Zuiden gezonden en daar verkocht.

De schrijfster heeft deze mededeelingen ontvangen van hem, die den brief schreef. Of de handelwijze van den eigenaar stipt wettig was, is iets waarvan wij niet geheel overtuigd zijn. Dat het eene daad was, waarin de wet zich niet kon mengen, is zeker, maar even zeker is het, dat het eene daad was, waartegen de publieke geest niet opkwam. De man, die zijne magt aldus uitoefende, stond bekend als een godsdienstig man, bekleedde eene belangrijke betrekking bij de Christelijke kerk; en geene enkele handeling der Christen-gemeente, waartoe hij behoorde, toont aan, dat men zijne daad niet als zeer te regtvaardigen beschouwde.

En is niet juist deze uitoefening van magt hetgeen ons het meest schokt, wanneer wij ze van vreemde despoten zien?

Lezen wij niet met siddering, dat in Rusland of Oostenrijk een man, die van eene misdaad verdacht wordt, wordt opgeligt, van zijne vrienden wordt gescheiden, geene gelegenheid wordt gelaten om voor den regter zich te verdedigen, maar naar Siberië of eenige andere vreeselijke plaats van verbanning wordt gevoerd?

Waarom is het despotismus in eenig opzigt erger wanneer het door een Staat, dan wanneer het door een persoon gepleegd wordt?

Er bestaat tegenwoordig een heftige strijd tusschen het despotisch en republikeinsch beginsel. Alle argumenten, die ter verdediging van de slavernij worden aangevoerd, zijn evenzeer geldig voor de verdediging der despotische regering, en er gelden zelfs enkele argumenten ten gunste der laatste, die niet voor de eerste van kracht zijn.

Er zijn argumenten, en zeer tastbare, ten gunste van eene despotische regering. Niemand kan ontkennen dat zij door despotismus eene zekere kracht, eenheid, snelheid van werking erlangt, die uit den aard der zaak eene republiek niet kan bezitten. Het despotismus heeft meer deugdelijke stelsels van staatkunde tot stand gebragt en in stand gehouden dan eenige republiek. De vorige Koning van Pruisen was door zijne absolute magt in staat een beter stelsel van volksopvoeding in te voeren, dan ons ooit gelukt is in Amerika tot stand te brengen. Hij stelde districten naar goedvinden in en verpligtte ieder ouder, of hij wilde of niet, zijne kinderen te doen schoolgaan.

Indien wij hierop antwoorden--zoo als wij ook doen--dat het geven van absolute magt aan iemand, die er een regtmatig gebruik van zal maken, ongetwijfeld gunstig werken moet op den Staat, maar dat er zóó weinige menschen zijn, van wie dat rigtig gebruik is te veronderstellen, dat deze regeringsvorm niet als veilig mag beschouwd worden, dan hebben wij een argument aangevoerd, dat veel meer tegen de slavernij gerigt is dan tegen eene despotische regering, want zeker is de kans oneindig grooter om in een tijdvak van vijftig jaar één man te vinden, die in staat is om een wijs gebruik van die magt te maken, dan om iederen dag, in ons land, duizenden te vinden, die met zulk een magt kunnen bekleed worden. Het is eene treurige en zeer ernstige waarheid, dat Amerika zoowel in de handen van de slechtsten als van de besten uit het land, die despotische magt legt, die zij onveilig acht zelfs in de handen van den verlichten, wel opgevoeden en beschaafden keizer van Rusland.

Met al onze republikeinsche vooroordeelen, kunnen wij niet ontkennen dat Nikolaas een man van talent, en door zijne opvoeding een zeer liberaal man is; wij weten ook dat hij een man is van een ernstig en godsdienstig karakter; hij voorzeker, die steeds handelen moet voor het oog der gansche wereld, wordt door de publieke opinie zeer aan banden gelegd, en moet zijne handelingen wel wegen. Maar wie zijn zij, aan wie de Amerikaansche wetten eene magt verleenen, onbeperkter nog dan die van den Keizer van Rusland of den Keizer van Oostenrijk? Hij kan een zeeroover geweest zijn; hij kan een dronkaard wezen; hij kan, als Souther, teregtgestaan hebben voor eene daad, waarvoor de menschheid terugdeinst; maar niet te min schenkt hem de Amerikaansche slavenwet eene onverantwoordelijke magt--magt over het ligchaam, en magt over de ziel.

Aan welke zijde dan staat Amerika in dien grooten strijd, die thans tusschen zelfregering en despotismus gestreden wordt? Aan welke zijde moet Amerika staan in dien grooten strijd voor de vrijheid van geweten?

Verbieden die despoten in andere rijken hun onderdanen het lezen van den Bijbel? De slaaf in Amerika is daarvan door de krachtdadigste middelen uitgesloten. Zeggen wij: "ja, maar wij lezen den Bijbel voor onze slaven en verkondigen hun het Evangelie mondeling"? Dit is juist wat het kerkelijk despotismus in Italië zegt. Zeggen wij, dat wij er niets tegen hebben, dat onze slaven den Bijbel lezen, indien het daarbij blijft; maar dat te gelijk daarmede een stroom van algemeene kennis zal binnendringen, die de bestaande orde van zaken verbreken zal--welnu, ook dat is juist wat in Italië gezegd wordt.

Zeggen wij, dat wij het wenschelijk zouden achten, dat de slaaf zelf den Bijbel las, maar dat hij, in zijne onkunde, er valsche gevolgtrekkingen en dwaalbegrippen uit putten zou, en dat wij er daarom de voorkeur aan geven hem die waarheden mondeling te verkondigen--ook dit is juist wat het kerkelijke despotismus in Europa zegt.

Zeggen wij in onzen hoogmoed, dat eene despotische regering alles weert wat het volk kan opvoeden en verheffen--bestaat diezelfde vrees dan niet in al de despotische slaven-Staten van Amerika?

Aan welke zijde dan zal Amerika staan in dien grooten en gewigtigen strijd?

DERDE GEDEELTE.

HOOFDSTUK I.

WORDT DE SLAAF DOOR DE OPENBARE MEENING BESCHERMD?

De volstrekte ontoereikendheid van de wet, om den slaaf in eenig opzigt te beschermen, hebben wij in het licht gesteld.

Men zegt evenwel, dat, juist dewijl de wet den slaaf geene bescherming verleent, de openbare meening des te krachtiger in zijn voordeel spreekt.

Bij het doorloopen van de verhandelingen der geregtshoven in de slavenhoudende Staten, treft niets veelvuldiger het oog, dan bewijzen van het verregaande onvermogen der wet, om de onbillijkheid jegens dat rampzalige geslacht te lenigen, gepaard aan lofspraken over dien prijzenswaardigen staat van het gevoel des algemeens, dat die erkende onvolledigheid der wet geheel moet aanvullen.

Te dezen opzigte is het welligt genoegzaam, zoo wij den lezer, hetzij hij wone in het Noorden of in het Zuiden, verzoeken, bij zich-zelven de geregtelijke documenten na te gaan die wij bijgebragt hebben, en zich af te vragen, welk gevolg, met betrekking tot den staat van dat gevoel des algemeens, getrokken moet worden uit de aangevoerde stukken, uit de pleidooijen der regtsgeleerden, de uitspraken der regters, de door getuigen bezworene feiten en den algemeenen loop en geest van de geregtelijke verhandelingen.

Ten einde dit des te beter te kunnen waarderen, willen wij een geding in een vrijen Staat vergelijken met een ander in een slavenhoudenden Staat.

In den vrijen Staat Massachusetts bragt een man van aanzien, geleerdheid en voorname betrekkingen een ander man om het leven. Hij martelde hem niet, maar zond hem met één slag de eeuwigheid in. De moordenaar had elk denkbaar voordeel van stand en vrienden; ja, men kan zeggen, dat hij de sympathie van ons geheele Gemeenebest bezat; en toch, hoe kalm, met welk eene onverstoorbare en ontzagwekkende bedaardheid, werd het geregtelijk onderzoek voortgezet! De moordenaar werd ter dood veroordeeld--ontroering kwam over het Land! Zelfs souvereine Staten traden op als smeekelingen ten zijnen behoeve.

Er verhief zich van Maine tot New-Orleans eene stem om genade. Er werden vertoogen geopperd, bedreigingen geuit; en evenwel, hoe vastberaden, maar zonder hartstogt, vervolgde de wrekende geregtigheid haar weg! Ofschoon de mannen, die de uitvoerders waren van hare bevelen, aangedaan waren en van barmhartigheid bewogen, moesten zij zich toch zwijgend buigen voor haar hoogeren wil. In weêrwil van al wat invloed en rijkdom vermogen, onderging een beschaafd en verstandig man dezelfde straf, welke ieder ander moest treffen, die de heiligheid des levens zou durven aanranden.

Stel hier nu tegenover een regtsgeding in een slavenhoudenden Staat. In Virginia heeft iemand, dien wij Souther zullen noemen, ook een mensch vermoord; doch hij bragt hem niet om het leven door één genadeslag, maar door twaalf uren van eene zoo vreeselijke marteling, dat weinig lezers de loutere beschrijving zouden kunnen verduren. Het was eene wijze van sterven, die, om de woorden te gebruiken, welke Cicero in zijn tijd op de kruisiging toepaste, "voor altijd diende verwijderd te worden uit het gehoor, het gezigt, ja zelfs uit de gedachten van het menschdom." En van dit afgrijselijk tooneel waren twee blanken getuigen geweest!

Let nu wel op de wijze waarop beide gevallen behandeld werden en de mate van aandacht die zij trokken. Hoor de advocaten, in de zaak van Souther, koeltjes bespreken of hier zelfs wel aan eene misdaad te denken viel. Hoor de uitspraak van de regtbank van eersten aanleg, dat het moord is met verzachtende omstandigheden, waarop eene gevangenisstraf van vijf jaren moet toegepast worden. Geef acht, hoe de menschenslagter met de houding van een verongelijkt man voor het hoog geregtshof verschijnt! Het proces wordt in de dagbladen eenvoudig vermeld als dat van "Souther contra de Republiek:" en nu willen wij vragen aan elk verstandig man, in het Noorden of in het Zuiden, welk gevoel het algemeen voor zulk eene zaak aan den dag legt?

Blijkt er het geloof uit, dat een neger een mensch is? Bewijst het niet bepaaldelijk, dat hij niet beschouwd wordt als een mensch? Let eens verder op het afgrijselijke beginsel, hetwelk, in dit geval weder bevestigd, de wet is van Virginia: Met opzigt tot de verhouding tusschen meester en slaaf, en ten einde voor eene behoorlijke ondergeschiktheid van de zijde van dezen laatste te zorgen, is de strekking der wet, den meester te beschermen tegen vervolging in alle zoodanige gevallen, zelfs indien de geeseling en bestraffing kwaadwillig, wreed en overdreven geweest is!

Wanneer de beschaafdste en verstandigste mannen in den Staat, bepaald en bedaard en schijnbaar zonder te bemerken dat zij iets onmenschelijks zeggen, zulk eene verbazingwekkende uitspraak doen, wat moet men dan daarvan denken? Indien zij dit niet als wreedaardig beschouwen, wat is dan wreedaardig? En, indien hun gevoel zoo verstompt is, dat zij in zulk eene uitspraak geene wreedheid zien, welke hoop kan men dan nog koesteren op eenigerhande bescherming voor den slaaf?

Deze wet is eene onbewimpelde en duidelijke vergunning voor zulke ellendelingen als Souther, om den hulpeloozen slaaf elke pijniging te doen ondergaan, die zij goedvinden, zonder blootgesteld te zijn aan eene beschuldiging van misdaad. Zij verklaart hem, en de blanken die van zijne daad getuigen waren en elke andere lage ziel, dat de strekking der wet is, hem te handhaven in de toepassing van zijne kwaadwillige, wreede en overdrevene straffen.

Welke opleiding geven de verstandige en beschaafde mannen van een Staat daardoor aan de lagere en minder beschaafde klasse? Veronderstel, dat in Massachusetts plegtig wordt afgekondigd, met opzigt tot de vrije arbeiders of leerjongens, dat, om de ondergeschiktheid te bevorderen, de wet de strekking heeft om den meester te beschermen wanneer hij straf toepast, hoe kwaadwillig, wreed en overdreven dan ook, mits de dood er maar niet op volge. Wij kunnen ons de openbaarmaking van zulk een beginsel niet voorstellen, zonder een opstand en eene uitbarsting van volkswoede, waarbij die van Bunkers Hill onbeduidend zou schijnen; doch, gesteld, de Staat Massachusetts ware zoo ontzenuwd, dat zulk een besluit kon doorgaan zonder tegenstand van de zijde der arbeidende klasse,--gesteld, het ging door en werd eene tastbare wezenlijkheid, welk een invloed zou het hebben op de volksopvoeding in het Gemeenebest? Welke schatting van de arbeidende klasse zou het aanduiden in de gemoederen van hen, die de wet maken en uitvoeren?

Hoezeer zou eene dergelijke wet, blijkbaar opgesteld om de menschen in hunne wreedheid te stijven, onmiddellijk ruimen teugel geven aan laagheid en woestheid! Bezitten de menschen niet reeds wreedheid genoeg, zonder dat de majesteit der wet noodig zij om haar te bekrachtigen en eervol te maken?

En zoo men ter verdediging van zulk eene wet wilde zeggen: "O! natuurlijk zal nimmer eenig achtenswaardig of menschelijk man er zich van bedienen!" zouden wij dan den ouden Staat Massachusetts niet zeer diep gezonken moeten achten, dat zij in haar wetboek regtstreeksche verzekeringen van bescherming opgenomen had voor daden, die geen man van eer immer zou willen bedrijven?

En wanneer deze stuitende vergunning ter toetse gebragt zal worden voor den regterstoel van Christus, en de ontzaggelijke regter aan hare ontwerpers, uitvoerders en verdedigers zal vragen: "Waar is uw broeder?"--wanneer al de zielen, die van onder het altaar hebben geroepen: "Hoe lang, o Heerscher, oordeelt en wreekt gij ons bloed niet," zich rondom dien regterstoel zullen scharen als eene wolke van getuigen, en het oordeel wordt aangevangen en het boek geopend,--welk antwoord zal dan kunnen gegeven worden voor wetten en uitspraken als deze?

Zal men den grooten Regter te gemoet voeren, dat zij noodig waren om de slavernij in stand te houden,--dat deze anders niet had kunnen gehandhaafd worden?

Zal men, met zulk eene bekentenis op de lippen, die oogen durven ontmoeten, die als vuurvlammen flonkeren?

Zal Hij dan niet, als met eene stemme des donders, antwoorden: "Gij hebt den arme en den nooddruftige omgebragt, en vergeten dat de Heer zijn toeverlaat was"?

De doodzonde der slavernij is, dat zij de menschelijkheid verloochent. Dit is de zonde geweest, die der verdrukking door alle tijden heen aankleefde. Het vertreden, schenden en verbrijzelen van Gods beeld in den persoon der armen en geringen is de groote zonde der menschen geweest sinds de grondlegging der wereld. Tegen deze zonde hebben al de profeten van den ouden tijd zich met krachtige stem verheven. Nog sterker getuigenis werd tegen deze zonde ingebragt, toen God in Jezus Christus de menschelijke natuur aannam en elk menschelijk wezen tot een broeder des Heeren maakte. Doch de laatste en meest verhevene getuigenis zal worden geleverd ten dage als een mensch de geheele aarde zal oordeelen,--een Mensch, die den geringsten slaaf, evenzeer als den fiersten meester, als broeder zal erkennen.

In hoogst merkwaardige en treffende bewoordingen wordt in den Bijbel gemeld, dat de Vader het geheele oordeel heeft opgedragen aan den Zoon, omdat deze de Zoon des Menschen is. Die menschelijke natuur, welke, in den persoon van den armen slaaf, is veracht en verworpen, bespot en verguisd, gegeeseld en gemarteld, zal te dien dage verheerlijkt worden; en het zal de vreeselijkste zonde blijken te zijn, zoo men ligtvaardig heeft gehandeld ten aanzien van het geheiligde karakter der menschheid, gelijk deze slavenwetten en instellingen hebben gedaan; want het geheele stelsel der wetgeving, in zake van slavernij, de praktijk van het slavenhouden, en de denkbeelden, welke zich dienaangaande bij het algemeen vormen,--dit alles berust op de grootste der ketterijen, de verloochening van het begrip dat alle menschen broeders zijn. Een geheel geslacht is uit de rij van het menschdom geworpen, zijne onsterfelijkheid voorbijgezien;--hunne waardigheid als kinderen Gods wordt bespot, hunne betrekking als broeders van Christus voor eene fabel gehouden; wet en openbare meening en praktijk ten hunnen aanzien zijn zoodanig, dat men het alleen zou kunnen begrijpen indien zij een ras van redelooze dieren waren.

En juist omdat de neger beschouwd wordt als een redeloos dier en geener betere behandeling waardig, houdt men de gedragslijn, die ten zijnen opzigte gevolgd wordt en de behandeling, die hem ten deel valt, voor menschelijk.

Neem eene klasse van blanken, hoe onbeschaafd ook, plaats hen onder hetzelfde stelsel van wetten en maak hun civielen toestand in alles gelijk aan dien van den neger: zou dit niet als het toppunt van de onverantwoordelijkste wreedheid beschouwd worden?

Stel, bijv., dat de slaven-wetten in ons land van toepassing werden gemaakt op al de Ieren en dat zij verklaard werden tot eigendom van ieder, die geld genoeg had om hen te koopen. Stel dat hun regt om te stemmen, om regtsgedingen in te stellen, om getuigenis in regtszaken af te leggen, om een wettig huwelijk te sluiten, om eigendommen te bezitten of overeenkomsten van allen aard aan te gaan, door ééne pennestreek werd uitgeschrapt. Onderstel al verder, dat het verboden ware hun lezen en schrijven te leeren, en dat hunne kinderen gedoemd waren om tot in de lengte der dagen zonder kennis te blijven voortleven. Onderstel, dat in de geregtszaal verklaard werd, dat het enkel slaan van een Ier, "zonder gepaard te gaan met wreedheid of met eenigerhande toeleg om een moord te plegen," geene overtreding kan geheeten worden. Onderstel, dat er verklaard werd, dat, tot bevordering van de ondergeschiktheid bij hen, de wet den meester zou beschermen, al bleek het ook dat de straf, die hij uitgeoefend had, kwaadwillig, wreed of overdreven was geweest; en onderstel, dat monsters, gelijk Souther, van die vergunning gebruik makende, nu en dan Ieren doodmartelden, doch dat dit van niet genoegzaam belang gerekend werd om den meester eenigen dwang op te leggen. Onderstel dat men koeltjes zeide: "O ja, wij weten wel, dat Ieren wel eens worden doodgemarteld, doch dit is geen doorgaande regel; niemand, van eenigen stand in de maatschappij, zou het doen, en zoo dergelijke gevallen zich voordoen, wekken zij algemeene verontwaardiging."

Onderstel, dat als reden waarom de wet, die de magt van den meester afbakent, niet strenger kan gemaakt worden, werd opgegeven, dat het algemeene stelsel niet in stand kan gehouden worden, zonder die ruimte van magt aan den meester te verleenen.

Onderstel, dat, wanneer men al de Ieren in dit land tot dien toestand gebragt had, deze verzekerden, dat het algemeen gevoel van menschelijkheid ten hunnen opzigte zich zoo krachtig deed kennen, dat het ruimschoots opwoog tegen het gemis van alle wettelijke regten en hun toestand over het geheel gelukkiger maakte dan wanneer zij vrij waren. Zouden wij niet moeten zeggen, dat een "algemeen gevoel", hetwelk geene wreedheid zag in het ontnemen aan een geheel geslacht van alle regten, die der menschheid dierbaar zijn, dan niets als wreed kan beschouwen en bewezen had geheel onbevoegd te zijn om over dit onderwerp eenig oordeel uit te spreken? Wie zou niet liever zijne kinderen in het graf dan in slavernij zien? Wie, zoo hij morgen ontwaakte als Amerikaansch slaaf, zou zich niet op de rustplaats der dooden wenschen? En toch gaan alle verdedigers van de slavernij uit van de stelling, dat deze wettelijke toestand op zich-zelf geene wreedheid is! Zij zouden het voor zich of voor eenigen blanke als de uiterste grenspaal van wreedheid beschouwen; waarom beschouwen zij het dan in het geheel als geene wreedheid, wanneer het een neger geldt?

De schrijver, die de slavernij in Fraser's Magazine verdedigt, poogt deze ontzetting van eene geheele klasse van hare wettige regten te regtvaardigen door de bewering: "dat het goede, dat in den menschelijken aard ligt, aan de gebreken van de menschelijke wetgeving zal te gemoet komen." Deze opmerking is een veelbeteekenende maatstaf van den staat der begrippen, die zelfs in een edelaardig gemoed door het slavernij-stelsel te weeg gebragt worden. Die schrijver denkt dat het goede, hetwelk in den menschelijken aard ligt, voorzien zal in het gemis van wettige regten bij duizenden en millioenen menschelijke wezens. Hij zou niet aarzelen hun ligchaam en hunne ziel toe te vertrouwen aan het goede, dat in den menschelijken aard ligt; maar toch zou diezelfde man geen bankbiljet van vijftig dollars in een onverzegelden omslag en vertrouwende op "het goede, dat in den menschelijken aard ligt", over den post willen verzenden.

Zou die man zijne kinderen in den toestand van slaven geplaatst willen zien en hen overlaten aan "het goede, dat in den menschelijken aard ligt?"

Zou hij van den achtenswaardigsten zijner vrienden een huis of een landgoed koopen, zonder wettige bewijsstukken op te maken, zich alleen verlatende op "het goede, dat in den menschelijken aard ligt?" En zoo "het goede dat in den menschelijken aard ligt" niet alles-afdoende is voor hem en zijne kinderen, hoe zal het dan genoegzaam zijn voor zijn broeder en zijns broeders kinderen? Is zijn geluk in de oogen van God van zooveel hooger waarde dan dat zijns broeders, dat het zijne moet verzekerd worden door wettige banden, sloten en grendels, en dat van zijn broeder zoo maar kan worden overgelaten aan "het goede, dat in den menschelijken aard ligt?" Nooit gevoelen wij zoo diep de volslagene ongenoegzaamheid van het algemeen gevoel om den slaaf te beschermen, dan wanneer wij zulke stellingen hooren verkondigen door menschen, die van nature edel en gevoelig zijn.

De eerwaarde C. C. Jones, een onvermoeid arbeider voor de slaven, laat zich als volgt uit over de waardij van ééne ziel onder die ongelukkigen:

Ware het ons geopenbaard, dat het uitgebreidste stelsel van onderwijs, hetwelk wij bedenken kunnen, al vorderde het een reusachtigen en eeuwen lang voortgezetten arbeid, onder de genadige ontferming van onzen Heer zou uitloopen op de behoudenis van één armen Afrikaan, wij zouden er aanleiding in vinden, om, tot welken prijs en met welke opofferingen ook, met blijmoedigheid die taak aan te vangen.

Welk een edele en verheven ziel spreekt uit deze woorden! Duiden zij niet een geest aan, die tot de hoogste dingen in staat is?

En toch, zoo wij al zijne werken doorloopen, zullen wij er met smart uit ontwaren, hoe het zedelijk gevoel van de reinste ziel verstompt kan worden door voortdurende aanraking met zulk een stelsel.

Wij vinden van hem eene raadgeving aan de meesters om hunne slaven mondeling te doen onderrigten in de Godsdienst. Op vele plaatsen spreekt hij van het mondeling onderrigt als een onbetwistbaar gebrekkig onderwijs, verre staande beneden datgeen, hetwelk voortvloeit uit het persoonlijk lezen en onderzoeken van Gods Woord. Hij zegt ergens, dat dit, om nut te stichten, vroeg begonnen moet worden, daar menschen van gevorderde jaren het er zelden ver in brengen; en toch geeft hij als zijne bepaalde meening te kennen, dat de slavernij eene aangelegenheid is, waarin geen Christen zich behoeft te mengen.

Volgens zijne eigene aanwijzing wordt den slaven het beste middel tot behoudenis hunner zielen benomen en beperkt men hen tot een van verreweg mindere hoedanigheid. Deze beperking maakt hunne zielen tot het verkrijgen van geestelijk voedsel even afhankelijk van anderen, als een mensch zonder handen van anderen afhankelijk is voor stoffelijk voedsel. Hij erkent--hetgeen zijne eigene ondervinding hem ook moet geleerd hebben--dat de slaaf elk oogenblik kan overgaan in handen van personen, die de moeite niet zullen nemen om hem aldus van geestelijk voedsel te voorzien; ja, zoo wij dit gevolg mogen trekken uit zijn dringend beroep op de meesters, dan heeft hij velen gezien, die, in geestelijken zin de handen hunner slaven afgesneden hebbende, thans weigeren hun het voedsel toe te dienen. Hij ontwaart, dat duizenden geplaatst zijn in omstandigheden, waar de ziel schier onvermijdelijk moet verloren gaan, en toch zegt hij, zich niet geroepen te gevoelen om zich in het minst met hun civielen toestand in te laten!

Doch, indien de ziel van iederen armen Afrikaan van die onschatbare waarde is, welke de heer Jones er aan toekent, volgt daaruit dan niet, dat hem het beste middel moet verschaft worden om den hemel in te gaan? En verkeert hij, die den Bijbel zelf kan lezen, niet in een beteren toestand dan degeen, die afhankelijk is van het voorlezen van een ander? Zoo men zegt, dat zulk onderwijs niet kan verleend worden, omdat de slaven dan geene veilige bezitting meer zouden zijn, behoorde dan niet een geestelijke als de heer Jones, van wien wij zoo even zulke treffende woorden hebben aangehaald, den meesters onder het oog te brengen dat het hun beter ware, alle wereldsch goed te verliezen, dan zich bloot te stellen aan het gevaar van eenig verderf te brengen over die zielen? Al de beweeggronden, welke de heer Jones zoo welsprekend heeft aangevoerd om de meesters te overreden, dat zij hunne slaven mondeling onderrigt zouden geven, pleiten met dubbele kracht voor hunne verpligting om den slaaf in staat te stellen, persoonlijk den Bijbel te lezen.

Verder hooren wij den heer Jones gewagen van de magt, die de meesters hebben over de zielen hunner ondergeschikten, waaromtrent hij zich aldus uitlaat:

Wij kunnen, krachtens de in onze handen gestelde magt, Godsdienstige bijeenkomsten en Godsdienstig onderrigt op onze eigene plantagiën verbieden; wij kunnen onze onderhoorigen geheel verbieden ter kerk te gaan, of hun bevelen alleen die kerken te bezoeken, die wij voor hen kiezen zullen. Letterlijk kunnen wij het Koningrijk der Hemelen voor menschen sluiten en hen, die op den drempel staan, het binnentreden beletten.

En wanneer wij den heer Jones dit alles hooren zeggen, en daarbij in aanmerking nemen, dat hij moet weten en gezien hebben, dat deze ontzaggelijke magt dikwijls berust in handen van menschen zonder Godsdienst, in handen van menschen van het verwerpelijkste karakter, dan kunnen wij zijne goedkeuring van zulk een stelsel alleen toeschrijven aan den verblindenden en verdoovenden invloed, dien de gewoonte der slavernij op de achtenswaardigste karakters uitoefent.

Noch de heer Jones noch eenig ander Christenleeraar zou het behoorlijk achten, dat de eeuwige gelukzaligheid zijner eigene kinderen aldus gesteld werd in de magt van iemand, die geld zou hebben om hen te betalen. Hoe kunnen zij het dan regtvaardig rekenen, dat die magt verleend worde waar het hun Afrikaanschen broeder betreft?

Bewijst dit alles niet, dat, zelfs bij de meest menschelijk en Christelijk-gezinde lieden, die theoretisch gelooven aan de gelijkheid van alle zielen voor God, eene voortdurende aanraking met de slavernij eene practische ontrouw in dit opzigt te weeg brengt; zoodat zij hunne toestemming schenken aan wetten, die in werkelijkheid verklaren dat de behoudenis der ziel van den dienaar van minder gewigt is dan het behoud van den eigendom?

Men houde ons niet voor afgunstig of liefdeloos, wanneer wij zeggen, dat, waar de slavernij bestaat, zoovele oorzaken noodwendig zamenloopen om de openbare meening met opzigt tot den slaaf te verstompen, dat zelfs de edelaardigste gemoederen dikwerf aan het dwalen geraken. In de noordelijke en vrije Staten was de openbare meening (en is zij nog heden) rampzalig bezoedeld door den invloed van het vroegere en de nabijheid van het tegenwoordige slavernij-stelsel. Van daar de onregtvaardigheid waarmede de neger in menigen onzer Staten behandeld wordt. Van daar ook die verdediging der slavernij, waarmede de drukpers in het Noorden zich soms belast, ja welke men daar zelfs wel van den predikstoel hoort. Indien de overblijfselen der slavernij de openbare meening zelfs in het Noorden zoo kunnen bederven, hoeveel te meer moet dit dan niet het geval zijn ter plaatse waar die instelling nog in volle kracht aanwezig is!

In zekere mate is het gevoel van de geheele Amerikaansche natie op dit punt verstompt. Een heidensch schrijver zeide, dat de Goden ons een schrikwekkend vermogen geschonken hadden, toen zij ons de gave verleenden om aan iets gewoon te worden. Met volle regt kan dit op Amerika toegepast worden. Wij hebben ons gewend aan dingen, die in staat zouden zijn de dooden uit hunne graven te doen verrijzen.

Toen slechts een gering gedeelte van hetgeen hier dagelijks voorvalt, in Engeland en Frankrijk en Italië en Duitschland bekend werd, ging een algemeene kreet van verontwaardiging op. Amerika alleen blijft koel en vraagt: "Wat is er gaande?"

Europa antwoordt: "Wat? wij hebben gehoord, dat de menschen gelijk vee in uw land verkocht worden."

"Natuurlijk geschiedt dat," zegt Amerika; "maar wat verder?"

"Wij hebben vernomen," zegt Europa, "dat het millioenen menschen in uw land verboden is te leeren lezen en schrijven."

"Dat weten wij wel," hervat Amerika: "maar wat beteekent nu dit wraakgeroep?"

"Nog hebben wij vernomen," zegt Europa, "dat Christenmeisjes op uwe markten verkocht en zoo aan de schande ter prooije geleverd worden!"

"Dat is niet geheel zoo als 't behoort," geeft Amerika ten antwoord: "maar nog eens, waarvoor zoo veel beweging gemaakt?"

"Wij hooren dat drie millioenen onder u geen wettig huwelijk kunnen aangaan," roept Europa terug.

"Zeer waar," is het antwoord van Amerika: "maar gij verhieft zulk een kreet, dat wij dachten dat gij eene of andere gruweldaad hadt zien begaan."

"En gij beweert een vrij land te zijn!" roept Europa in verontwaardiging uit.

"Wij zijn ook inderdaad het meest vrije en verlichte land ter wereld. Waar maakt gij u toch moeijelijk over?" herneemt Amerika weder.

"Gij vaardigt uwe zendelingen af om ons tot Christenen te maken," zegt Turkije: "en onze godsdienst heeft evenwel dat afschuwelijke stelsel afgeschaft."

"Wat gaat het u aan? Gij zijt maar heidenen!" zoo besluit Amerika.

Menigeen schijnt inderdaad gedacht te hebben, dat alleen verschrikkelijke overdrijving van het slavernij-stelsel de sensatie kon hebben te weeg gebragt, die zich in geheel Europa onlangs heeft doen gevoelen. Zij weten niet, dat de zaak waar aan zij gewend geraakt zijn en die zij met zooveel onverschilligheid bij allerlei gelegenheden behandeld hebben, aan andere volkeren als het toppunt van laaghartigheid voorkomt. Terwijl het nieuwere Europa de oogen opent en een blik werpt op de wettelijke theorie van het slavernij-stelsel en op de wetten en wetsuitlegging waardoor deze zaak geregeld wordt, voegt het met de woorden van den verontwaardigden Othello aan Amerika toe: "Zoo gij iets dergelijks wilt regtvaardigen,

Bid dan niet meer, laat wat u wroeging baarde Slechts varen; hoop met onvermoeide hand, Meer euvlen nog den berg op van de schand En gruwzaamheên; pleeg daden, waarvan de aarde Verbaasd staat en waarom de hemel schreit; Want gij kunt deez verdoemnis niet verzwaren, Die reeds zoo zwaar is door de onmenschelijkheid."

Er bestaat een vreeselijke toestand van gemeenzaamheid met het kwade, hetwelk de Apostel noemt, "dood zijn in overtredingen en zonde," een toestand waarin men aan de waarheid weêrstand geboden en het kwade hardnekkig verdedigd heeft, waarin men de toespraak des gewetens heeft gesmoord en voor de stem van Gods Heiligen Geest de ooren gesloten. Er bestaat eene vreeselijke ontzenuwing van het zedelijk gevoel, bij welke de meest goddelooze handelingen en de ontzettendste misdaden den geringsten indruk falen te maken. Die ontzenuwing, die steeds een vreeselijke voorbode is van den dood en de ontbinding der natiën, is eene dubbel gevaarlijke kwaal in een Gemeenebest, welks eenige magt gelegen is in doorzigt, geregtigheid en deugd.

HOOFDSTUK II.

HOE DE OPENBARE MEENING DOOR DE OPVOEDING GEVORMD WORDT.

In het belangrijk werk van den eerwaarden C. C. Jones, over het Godsdienstig onderrigt aan de negers te geven, komen eenige zinsneden voor, die zoo bijzonder den invloed der openbare meening, welke wij hebben getracht in het licht te stellen, omschrijven, dat wij niet kunnen nalaten ze over te nemen:

Bepaalde begrippen of vooroordeelen ten aanzien van zekere onderwerpen ontspruiten doorgaans uit onze opvoeding of omstandigheden. Ieder kent hun grooten invloed op oordeelvellingen en gedragslijn, alsmede hoe dikwijls zij gevormd worden zonder dat men er zich van bewust is; zoodat zij, terwijl wij hun bestaan niet vermoeden, opwassen met onzen groei en in kracht toenemen met onze sterkte. Dagelijksche omgang doet mismaaktheid voorkomen als eene gewone leelijkheid. Daarom zijn wij ook niet altijd de beste beoordeelaars van onzen eigen toestand. Een ander kan er bezwaren, of zelfs onbetwistbare gebreken in opmerken, waarvan wij gezegd kunnen worden ons levenslang te naauwernood bewust geweest te zijn. Zoo maakt de gewoonte ook, dat wij euvelen, die bij het eerste aanschouwen onze geheele natuur in opstand bragten en die ons onverdragelijk voorkwamen, zoodanig vergeten, dat wij ze schier niet meer zien. Menschen, die uit den eenen maatschappelijken stand in den anderen overgaan, treffen duizende zaken aan, waaraan zij gelooven zich nimmer te zullen kunnen gewennen; en evenwel, binnen korten tijd verstompt hunne gevoeligheid; zij ondergaan eene verandering, bijna zonder zelven te weten hoe. Zij hebben zich geschikt naar hunne nieuwe omstandigheden en betrekkingen--te Rome zijn zij Romeinen.

Thans zullen wij onderzoeken welken invloed eene gedurige aanraking met het slavernij-stelsel op de opvoeding heeft.

Neem een kind van een ontvankelijk gemoed en een edel hart, en geef het zijne opvoeding onder den invloed van dat stelsel: en op welke wijze zal nu zijn karakter gevormd worden? Eene anecdote, die schrijfster dezes uit den mond eener dame vernam, zal zeker niet ten onpas gerekend worden. Onder de redenen die haar genoopt hadden om haar huisgezin te vestigen op eene plaats, waar het buiten den invloed van het slavenstelsel zou zijn, gaf zij het volgende voorval op: Op zekeren dag een blik uit het raam der kinderkamer naar buiten werpende zag zij haar driejarig dochtertje in haar wagentje zitten, dat met zes of acht jonge negerkinderen, als paarden getuigd, bespannen was. Twee of drie der oudere slaven stonden rondom hunne kleine meesteres, en een van hen gaf haar eene zweep in de hand en voegde haar toe: "Sla er maar goed op, Misse; laat ze draven! 't Zijn allemaal uwe negers!"

Welk eene les van Godsdienst en zedekunde voor dat jeugdige gemoed! De moeder was eene verstandige vrouw, die haar kind nimmer iets dergelijks geleerd zou hebben; maar de staat van slavernij had het in de ziel van elken slaaf gebrand en zoo werd het weder overgeplant op het kind.

Zoodra een kind oud genoeg is om de nieuwsbladen te kunnen lezen, ziet het in elke kolom advertentiën als de volgende uit den Richmond Wigh en andere bladen:

Groote verkoop van Negers, Paarden, Muilezels, Rundvee, enz.

Volgens last van het ommegaande hoog-geregtshof van Fluvanna County, zal de ondergeteekende op Dingsdag 30 November en Woensdag 1 December aanstaande, des morgens ten elf ure, ten sterfhuize van wijlen William Galt, bij openbare veiling verkoopen de negers, voorraad enz. van allerlei aard, tot de hoeve behoorende; bestaande in 175 negers, waaronder eenige timmerlieden en smeden,--10 paarden, 33 muilezels, 100 stuks rundvee, 100 schapen, 200 varkens, 1500 vaten koorn, haver, veevoeder enz.; de plantage, en werkgereedschappen van allerlei aard.

De negers zullen à contant verkocht worden; de overige artikelen op negen maanden crediet, mits tegen acceptatie en goede borgen.

19 October. James Galt, Administrateur van wijlen William Galt.

Uit de Nashville Gazette, 23 November 1852:

Groote verkoop van Negers, Muilezels, Rundvee, enz.

Op Dingsdag 21 December aanstaande zullen wij op de plantage van wijlen N. A. McNairy, aan den Franklin Turnpike, voor rekening van mevrouw C. B. McNairy, executrice, in openbare veiling aanbieden

Vijftig kostbare Negers.

Zij zijn goede plantage-negers en zullen bij huisgezinnen verkocht worden. Gegadigden kunnen die negers den dag vóór de veiling bezigtigen.

Alsmede, tien sterke werk-muilezels, eenige melkkoeijen en kalven, varkens, 1200 vaten koorn, haver, hooi, veevoeder, enz., twee wagens, eene kar, bouwgereedschappen, enz.

Uit den Newberry Sentinel:

Verkooping.

De ondergeteekende zal den 15den dezer verkoopen op de plantage waar hij resideert, gelegen op elf mijlen afstands van de stad Newberry en nabij den Laurens-spoorweg,

Twee en twintig jonge, fiksche Negers,

waaronder goede landbouwers, huisbedienden en een uitmuntende smid;--ongeveer 1500 bushels koorn, eene hoeveelheid veevoeder, varkens, muilezels, schapen, runderen, huis- en keukengereedschap en andere goederen. Op den dag der veiling zullen de verkoopsvoorwaarden ter lezing liggen.

1 December. M. C. Gary.

Uit den South Carolinian, 21 October 1852:

Verkoop van aanzienlijke Goederen.

De ondergeteekende, als administrateur op het landgoed van wijlen kolonel T. Randell, zal op Maandag 20 December aanstaande verkoopen al de goederen, tot die bezitting behoorende, bestaande in 56 negers, vee, koorn, voeder, enz., enz. De verkoop zal geschieden ten sterfhuize, aan de Sandy River, 10 mijlen ten westen van Chesterville.

Voorwaarden: De negers op een crediet van 12 maanden, met intrest van den dag der verkooping, mits twee goede borgen. Het overige wordt à contant verkocht.

2 September. Samuel J. Randell.

Men zie ook de New-Orleans Bee, van 28 October. Op de aankondiging van den verkoop der plantage van wijlen Madeline Lanoux, volgt de lijst der losse goederen:

Twaalf slaven, zoo mannen als vrouwen; een kleine, geheel nieuwe schoener; een veerpont; eenige koeijen, kalven, ossen en schapen; eene partij huisraad; een winkelvoorraad bestaande in ijzer- en aardewerk, kruidenierswaren enz.

Onderstel nu, dat alle ouders zoo Godsdienstig en welgezind zijn als de heer Jones (iets, dat bij den tegenwoordigen staat van zaken zeker niet te verwachten is), en dat zij hun best doen om het kind in te prenten, dat alle zielen voor het oog van God van gelijke waarde zijn; dat de ziel van den neger evenzeer bemind wordt door Christus en vrijgekocht door zijn bloed, als de ziel van zijn meester: zal men dat kind kunnen nopen, dit te gelooven of er naar te handelen? Zal het gelooven kunnen, dat datgeen, hetwelk hij iedere week geadverteerd ziet met varkens en paarden en veevoeder en oude meubelen, ledikanten, tafels en stoelen, werkelijk een zoo Goddelijk iets is? Wij willen onderstellen, dat het kleine kind een of anderen Godvruchtigen slaaf kent; dat het hem aan de Avondmaalstafel op eene afgezonderde wijze het sacramentele brood en den wijn ziet gebruiken. Het ziet zijn vromen vader en moeder den slaaf als een Christenbroeder bejegenen; zij verzekeren hem dat hij "een erfgenaam van God is, mede-erfgenaam van Jezus Christus;"--en de volgende week ziet het denzelfden man in de courant geadverteerd met varkens, runderen en veevoeder. Kan het kind, dit ziende, bij mogelijkheid geloof slaan aan hetgeen zijne Christelijke ouders hem hebben medegedeeld?

Wij hebben tot nog toe alleen gesproken van de gewone advertentiën; maar stel, dat het kind in zekere bepaalde districten woont waar zijn oog moet vallen op aankondigingen van nog meer verlagenden aard. In den Staat Alabama bevat een nieuwsblad, dat aan politiek, letterkunde en opvoeding gewijd is, iedere week de volgende advertentie:

Let Wel!

De ondergeteekende, een uitmuntend stel honden te zijner beschikking hebbende tot het opsporen en achterhalen van ontvlugte slaven, berigt aan het publiek, dat bij vervolg zijne prijzen voor diensten van dien aard zullen zijn:

Voor elken dag jagen of nasporen. 2 dollars 50 cents. Voor het achterhalen van elken slaaf 10 dollars Voor een togt van meer dan tien mijlen en het achterhalen van slaven 20 dollars

Zoo hij ontboden wordt zullen de bovenstaande prijzen contant gevorderd worden. De ondergeteekende woont anderhalve mijl ten zuiden van Dadeville in Alabama.

Dadeville, 1 September 1852. B. Black.

Deze advertentie valt aan het kind iedere week in het oog. Het blad, waaruit wij haar hebben overgenomen, bevat in zijne mengelingen stukken uit de Household Words van Dickens, uit professor Feltons opstel in den Christian Examiner, over de wederzijdsche verhouding der seksen, en een treffend en ridderlijk beroep van den welsprekenden senator Soulé, op de wettige regten der vrouwen. Laten wij nu mogen vragen, daar dit blad ook aan de zaak der opvoeding gewijd is, welke soort van invloed op de opvoeding zoodanige advertentiën hebben? En natuurlijk kan zulk eene inrigting niet bestaan zonder begunstigers. Waar negerjagers advertentiën plaatsen in de bladen, worden ook negerjagten gehouden en honden op het negerzoeken afgerigt; en dit alles geschiedt onder het oog der kinderen. Welke opvoeding is dit nu?

Schrijfster dezes heeft een overzigt van de wijze waarop de honden tot dit bedrijf worden afgerigt, ontvangen van een heer, die het op zijne beurt gekregen had van een neger, voor wien dit eene zoo gewone zaak schijnt geweest te zijn, dat hij er met even weinig gevoel over uitweidt, als hadde hij gesproken van eene jagt op wild. De bedoelde opgave is vervat in een brief uit het zuiden der Vereenigde Staten, en luidt aldus:

Men moet zeer jonge honden nemen, schier onverschillig van welke soort, want bijna alle zijn er geschikt voor; zij moeten opgesloten worden en mogen geen neger zien, eer zij groot genoeg zijn om onderwezen te worden. Dan leere men ze, een neger na te loopen; hebben zij hem bereikt, dan geve men ze vleesch. De neger moet zoo hard loopen als hij kan en dan in een boom klimmen, ten einde de honden te leeren den vlugteling in een boom te ontdekken; neem dan de schoen van een neger en leer hen den neger vinden, die er eigenaar van is; dan een stuk zijner kleederen, en zoo verder. Men moet vooral zorgen, den neger in een boom te laten klimmen, en den hond te leeren wachten onder den boom en blaffen tot men hem zijn vleesch geeft.

Men leze ook de volgende advertentie in het Ouachita Register, gedateerd: "Monroe, Dingsdag avond, 1 Junij 1852":

Negerhonden.

De ondergeteekende berigt aan het geëerde publiek van Ouachita en omstreken, dat hij zich gevestigd heeft ongeveer 2 1/2 mijl beoosten John White, aan den weg van Monroe naar Bastrop, en dat hij een fraai stel honden heeft om negers te vangen. Personen, die negers wenschen te doen opvangen, worden uitgenoodigd hem te bezoeken. Hij is steeds aan zijn huis te spreken, zoo hij niet op de negerjagt is, en zelfs dan nog kan men doorgaans in zijne localen informatiën nemen waar hij zich bevindt.

Voorwaarden: Vijf dollars per dag wanneer geen spoor aangewezen is. Zoo er wel een spoor is aangewezen, worden vijf en twintig dollars voor het vangen van den slaaf in rekening gebragt.

Monroe, 17 Februarij 1852. M. C. Goff.

Welnu, maken de in dit hoofdstuk gegevene tafereeltjes niet een goed stelsel van opvoeding uit voor de kinderen van een Christelijk volk? En moet het ons verwonderen, wanneer aldus gevormde kinderen geene wreedheid zien in de slavernij? Kunnen kinderen zich voorstellen, dat wezens, waarop men aldus jagt maakt, even als zij, kinderen van één Hemelschen Vader zijn?

Maar stel, de knaap groeit op tot man en woont de zittingen der geregtshoven bij, en hoort schrandere, geleerde mannen van den regterzetel verklaren, dat "het enkel slaan van een slaaf, wanneer het niet vergezeld is gegaan van wreedheid of van poging tot moord, geene overtreding kan genoemd worden." Stel, dat hij ter zelfder plaatse hoort beslissen, dat geene beleediging of hoon jegens een slaaf vatbaar is voor eene geregtelijke behandeling, tenzij zijne waarde als verhandelbaar eigendom er door mogt verminderd zijn. Stel, dat hij hoort--gelijk in Virginia gebeuren zou--dat de wet de strekking heeft den meester te beschermen, al past hij ook eene wreedaardige, kwaadwillige of overdrevene straf op den slaaf toe. Stel, dat een slaaf vermoord is, en hij nu de regtsgeleerden hoort betoogen, dat dit voor geen moord gehouden kan worden, dewijl een slaaf, in het oog der wet, geen menschelijk wezen is; en dat hij, als de zaak voor een hooger hof gebragt wordt, den regter al zijn talent hoort besteden aan eene uitgewerkte en sierlijke verhandeling, ten bewijze, dat de slaaf een menschelijk wezen is, ten minste evenzeer als een waanzinnige, een onnoozele of een ongeboren kind, en dat hij dus vermoord kan worden. (Zie de redevoering van den regter Clarke, blz. 175). Stel, dat hij ziet, dat de geheele werking der wet, met opzigt tot den slaaf, uitgaat van het denkbeeld, dat deze volstrekt niets anders is dan een baal koopwaren. Stel, dat hij zulke taal hoore als de volgende, die in het proces van Brazealle voorkomt en die een niet onaardig staaltje is van de wijze waarop zoodanige onderwerpen doorgaans besproken worden: "De slaaf heeft geen meerdere politieke regten, geen meerder regt om eigendommen te koopen, te bezitten of over te dragen, dan de muilezel regt heeft op den ploeg; hij zelf is niets dan roerend goed, dat altijd iemand tot eigenaar moet hebben." Stel, dat hij in de wets-verzamelingen bepalingen vinde als de volgende, voorkomende in het burgerlijk wetboek van Louisiana:

Art. 2500. De gebreken van slaven en dieren worden verdeeld in twee soorten,--gebreken van het ligchaam en gebreken in het karakter.

Art. 2501. De ligchaamsgebreken worden onderscheiden in volstrekte en betrekkelijke.

Art. 2502. De volstrekte gebreken der slaven zijn: melaatschheid, krankzinnigheid en vallende ziekte.

Art. 2503. De volstrekte gebreken van paarden en muilezels zijn: aamborstigheid, de droes en kreupelheid.

De indruk van deze taal op het jeugdige gemoed is te sterker, omdat het niet is de uitbarsting van drift, of de taal der minachting, maar eene kalme, regt op de zaak afgaande wettelijke bepaling.

Welk een gevoel moet het te weeg brengen bij den jongman, wanneer hij ontwaart dat, hoe afgrijselijk en welbewezen de moord van een slaaf ook zij, de moordenaar zonder uitzondering zijne straf ontgaat; en dat, ofschoon de gevallen, waarin een slaaf het slagtoffer is geworden van een blanke, veelvuldig zijn, het voorbeeld van eene teregtstelling wegens zulk eene misdaad, in den lande bijna onbekend is. Komt dit alles niet juist neder op de schatting der waarde van het leven en geluk eens negers, hetwelk Frederik Douglass zegt, dat door de blanke knapen, bij welke hij groot gebragt werd, uitgedrukt werd met het spreekwoord: "'t Kost zes stuivers om een neger te dooden, en nog zes stuivers om hem te begraven!"

De soort van openbare meening, die door deze wijze van opvoeding gevormd wordt, blijkt uit het volgende artikeltje, hetwelk wij uit den Cambridge Democrat, van 27 October 1852, overnemen. Dat blad had het aan den Woodville Republican, van Mississippi, ontleend. Het schijnt, dat zekere Josua Johns een slaaf gedood had en daarvoor tot twee jaar cellulaire gevangenis veroordeeld was. De Republican betreurt zijn droevig lot in de volgende bewoordingen:

De Staat tegen Josua Johns.

Dit geding is uitgeloopen op de veroordeeling van Johns tot twee jaar cellulaire gevangenis. Ofschoon alle leden der jury, de balie en velen van het publiek eene petitie aan den gouverneur gezonden hebben om Johns vrij te stellen, was evenwel geene feil te vinden in het verdict van de jury. De jeugdige jaren van Johns en de omstandigheden onder welke hij den manslag bedreef, wekten de algemeene sympathie voor hem op. Er is geen twijfel, dat de neger door onbeschaamde taal hem tot de daad tergde; maar hoe dikwijls moet gezegd worden, dat woorden geene dadelijkheden kunnen verontschuldigen? Met leedwezen moeten wij zeggen, dat er velen zijn, die denken, dat zij evenzeer regt hebben om een neger, die hen beleedigt of ontvlugt, dood te schieten, als om een hond neder te vellen; doch er bestaan wetten ter bescherming van den slaaf, evenzeer als van den meester, en hoe eerder de bovengemelde dwaling uit den weg wordt geruimd, des te beter zal het voor de betrokkenen zijn.

De ongelukkige jongman, die thans den arm der wet over zich gebragt heeft, had ongetwijfeld geen begrip van het bestaan van zulk eene straf; en al ware hij er ook van bewust geweest, dan moeten de herhaalde beleedigingen en tartingen van den neger gewis als verzachtende omstandigheden in zijn voordeel aangemerkt worden. Johns werd verdedigd door den heer I. D. Gildart, die voorzeker al het mogelijke voor hem gedaan heeft.

De Democrat laat er op volgen:

Met bijzonder genoegen vernemen wij van den heer Curry, onder-sheriff van Wilkinson County, dat de gouverneur aan Johns kwijtschelding van straf verleend heeft.

Wij geven gaarne toe, dat Johns niet al te streng kan gegispt worden voor de bovengemelde dwaling, van te denken, dat men even straffeloos een neger als een hond mag nederschieten. Hij is opgevoed in een stand van zaken, waarvan eene dergelijke meening het noodwendig gevolg moet wezen; en hij, persoonlijk, is verreweg minder schuldig, dan diegenen, die het stelsel van wetten en de wijze van opvoeding handhaven, die de jongelieden uit de zuidelijke Staten regtstreeks tot deze gevolgtrekking brengen. Johns kan even edel van hart en van nature even regtvaardig-gezind zijn als eenig jongman ter wereld; maar het afgrijselijke stelsel, onder hetwelk hij is groot gebragt, heeft hem onbekwaam gemaakt om te onderscheiden wat edelmoedigheid en regtvaardigheid met betrekking tot een neger is.

De openbare meening in de slavenhoudende Staten is de meening van lieden die aldus zijn opgevoed, een gevoel dat in alles, wat den neger betreft, verstompt is en ontzenuwd. Wat hun, wanneer het blanken gold, een verschrikkelijk onregt zou toeschijnen, is eene zaak die van zelf schijnt te spreken, wanneer slaven er mede gemoeid zijn.

Naarmate deze strekking der opvoeding van geslacht op geslacht afdaalt, wordt het zedelijk gevoel bij voortduring stomper, en het vermogen om regt van onregt, waar het onderworpen ras in het spel komt, te onderscheiden, meer en meer verzwakt.

Zoo wij een blik slaan in de geschriften van de uitstekende mannen, die omstreeks den tijd onzer Amerikaansche omwenteling slavenhouders waren, welke opgeklaarde denkbeelden vinden wij daar dan niet over de onregtmatigheid der slavernij, welke krachtige woorden van afkeuring passen zij er niet op toe! Bij mogelijkheid zou men zich niet sterker over de kwade werking van het stelsel kunnen uitlaten, dan door de woorden aan te halen van mannen als Washington, Jefferson en Patrick Henry. In die dagen waren er geen mannen van hun verheven verstand, die er aan dachten, de slavernij uit beginsel te verdedigen; thans is er een overvloed van uitstekende lieden, in het Noorden en Zuiden, staatslieden, ambtenaren, letterkundigen, zelfs geestelijken, die het stelsel in verschillende mate pogen voor te staan, te verzachten of openlijk te verdedigen. En welke andere oorzaak is hiervoor te bedenken, dan dat de opvoeding de openbare meening bedorven en die mannen beroofd heeft van het vermogen om een onbevangen oordeel te vellen? De openbare meening zelfs van het vrije Amerika staat, met opzigt tot de slavernij, achter bij die van alle andere beschaafde natiën.

Wanneer de slavenhouders beweren, dat de slaven, over het algemeen, menschelijk behandeld worden, wat bedoelen zij dan daarmede? Niet dat zij zulk eene behandeling menschelijk zouden vinden, wanneer zij hun-zelven en hunnen kinderen werd aangedaan--neen, waarlijk niet!--maar dat zij menschelijk is voor slaven.

Zij plaatsen inderdaad den neger beneden de lijn der menschheid en gelijk met die der redelooze dieren, en plooijen dan al hunne begrippen van menschelijkheid in overeenstemming daarmede.

Zonder noodzaak zouden zij geen hond of neger een schop geven of hem mishandelen. Zij kunnen een hond vertroetelen en doen het dikwerf een neger. Er zijn menschen geweest, die goedvonden hunne paarden weelderig te huisvesten in marmeren stallen en ze te laten eten uit gebeeldhouwde troggen, maar zij bleven hen desniettemin als paarden beschouwen; en bij al de gemakken, waarmede welgezinde meesters soms den slaaf omringen, is hij voor hen altijd maar een neger, en geen mensch.

Hetgeen in dit hoofdstuk gezegd is, en overigens incidenteel blijkt uit al de in dit deel aangehaalde feiten, levert overvloedige bewijzen, dat, niettegenstaande er vele en edele voorbeelden van edelmoedigheid jegens de negers bestaan, en ofschoon het gevoel van den man van eer en de stem der Christelijke liefde allerwege protesteert tegen hetgeen men gevoelt eene onmenschelijkheid te zijn, evenwel de openbare meening, die uit het stelsel geboren wordt, noodwendig jammerlijk te kort moet schieten in eenigerhande bescherming der regten van den slaaf. De volgende hoofdstukken zullen aantoonen, gelijk gewis reeds opgekomen is in denkende hoofden, dat de geheele loop der opvoeding het gemoed van den slavenhouder moet verstompen voor den kreet die uit den mond des negers opgaat als zijn medemensch en broeder.

HOOFDSTUK III.

DE VERSTROOIJING DER HUISGEZINNEN.

"Welk een onderscheid tusschen Isabella en hare onderhoorigen!" riep Dr. Worthington met kracht uit. "Voor haar is het een verlies van rang, van fortuin, van de schoone uitzigten des levens, misschien zelfs van de gezondheid; want onvermijdelijk zal zij bezwijken onder de ongewone werkzaamheden en ontberingen, die zij zal moeten ondergaan. Doch voor hen is het niets dan eene verandering van meesters."

"Ja, want de buren willen niet gedoogen dat een der huisgezinnen verstrooid worde."

"Natuurlijk niet. Van zoo iets leest men wel eens in romans; maar in het werkelijke leven heb ik het nooit gezien, dan in zeldzame gevallen, of als de slaaf zich aan eene overtreding of misdaad had schuldig gemaakt, voor welke hij in het Noorden gevangen gezet zou zijn, misschien wel levenslang.--Cabin and Parlour, door J. Thornton Randolph, blz. 39.

"Maar ik zeg u, zij zullen ons allen naar Georgia verkoopen. Hoe ontkomen wij daaraan?"

"Daarin zult ge u wel vergissen," antwoordde Oom Peter zeer bepaald. "In deze streken heb ik nog nooit van zoo iets gehoord, tenzij als een neger zich buitengewoon slecht gedragen had."

Door zulke penseeltrekken als de bovenstaande, geeft de heer Thornton Randolph ons eene schets van de aartsvaderlijke bestendigheid en veiligheid van den toestand van den slaaf in de oude Staten. Dat een slaaf buiten den Staat verkocht werd, heeft Dr. S. Worthington nooit gehoord, behalve in zeldzame gevallen voor eenigerhande misdaad; en Oom Peter heeft daar zelfs nooit iets van vernomen.

Is dit eene trouwe schets?

Het ergste kwaad van de slavernij is haar noodlottige invloed op het huisgezin; en, naar het inzigt van schrijfster dezes, is het een kwaad, dat blijkbaarder en onweêrsprekelijker is dan eenig ander.

't Is evenwel juist op dit punt, dat de voorstellingen, vervat in de Negerhut, de sterkste tegenspraak ondervonden hebben, hetzij zijdelings als door den bovenaangehaalden romanschrijver, hetzij meer regtstreeks in de nieuwsbladen, zoowel van het Noorden als van het Zuiden. Die van het Noorden verraadt, om het minst te zeggen, de grootste onbekendheid met de zaak, die van het Zuiden doet gewis groot onregt aan den roem van waarheidsliefde en eerlijkheid der zuidelijke burgers. Alle streken des lands hebben gebreken, die daar eigenaardig zijn. De feil van het Zuiden, in het algemeen genomen, is geene bloohartige ontwijking en misleiding. Met groote verbazing las de schrijfster de volgende zinsneden in een artikel in Fraser's Magazine, afkomstig van iemand, die zegt in Zuid-Carolina te wonen:

Mevrouw Stowe's geliefdkoosd voorbeeld van de magt der meesters ten nadeele van den slaaf, is de scheiding der familiën. Men spreekt ons van kinderen van tien maanden, die uit de armen hunner moeders verkocht worden, en van mannen, wier bedrijf bestaat in het opkweeken van kinderen, om van de zijde der moeder verkocht te worden, zoodra zij oud genoeg zijn om de scheiding te kunnen doorstaan. Zoo wij onze kennis van dit punt der slavernij uit mevrouw Stowe's boek moesten putten, zouden wij de slavengezinnen als uiterst onbevestigd en zwervend moeten beschouwen.

En verder:

Wij gelooven met vertrouwen, dat, indien statistieke opgaven te verzamelen waren, om over dit punt licht te verspreiden, daaruit blijken zou dat onder de negers veel minder scheiding in de gezinnen plaats vindt dan bij eenige andere klasse van personen.

Daar de schrijver van dat artikel echter blijkbaar een man van eer is en vele edele en lofwaardige gevoelens aan den dag legt, kan men niet onderstellen dat deze beweringen werden nedergeschreven om te verdraaijen of te misleiden. Zij zijn dus slechts te beschouwen als bewijzen van de gemakkelijkheid, waarmede een vooringenomen oog dikwijls de onmiskenbaarste feiten over het hoofd ziet, wanneer zij indruischen tegen een geliefkoosd denkbeeld of stelsel, of wanneer zij in hunne strekking ongunstig zijn voor iemands land of familie. Zoo zullen de bewoners van eene plaats, wier ongezondheid algemeen bekend is, gelooven en beweren,--en dit met de meeste opregtheid--dat er in hunne stad minder ziekte heerscht, dan in eene andere, van dezelfde uitgebreidheid, in de geheele wereld. Zoo houden ook ouders hunne kinderen dikwijls voor onberispelijk, juist in die punten, waarin anderen hen het gebrekkigst vinden. De oplossing van dit verschijnsel is natuurlijk en prijzenswaardig, en doet ons achting koesteren voor onze zuidelijke broeders.

Er is nog eene andere omstandigheid, waarop men, bij het lezen van zulke beweringen, acht moet geven. Uit het aangehaalde geschrift blijkt, dat de schrijver tot de weinigen behoort, die het bezit van eene volstrekte en onverantwoordelijke magt beschouwen als de krachtigste beweegreden om er een matig gebruik van te maken. Zulke menschen zijn doorgaans door vriend- en bloedverwantschap verbonden met anderen van soortgelijke inborst, waardoor zij zeer ligt in de dwaling vervallen van ieder volgens henzelven te beoordeelen en te denken, dat eene zaak voor de geheele wereld dienstig kan zijn omdat zij goed werkt in hun onmiddellijken kring. Het kan dan ook niet anders, of de velerlei omstandigheden, die sedert de dagen der kindschheid zamenwerken om den neger te verlagen en als minder te doen voorkomen in de oogen van een inboorling van het Zuiden,--het bestendige gebruik om van hen te spreken en te hooren spreken en hen geadverteerd te zien in vereeniging met paarden, muilezels, veevoeder, varkens, enz., gelijk in de zuidelijke nieuwsbladen dagelijksch werk is,--dit alles moet, zelfs bij de regtschapenste menschen, eene zekere verwarring te weeg brengen met opzigt tot de belangen, smarten, genegenheden, van degenen die niet bepaaldelijk tot hun eigen kring behooren, waardoor zij ten hoogste ongeschikt worden om hun toestand juist te beoordeelen. De schrijfster is hierdoor dikwijls bijzonder getroffen geworden bij het lezen van brieven van vrienden uit het Zuiden, die, op dezelfde bladzijde, het een of ander melden betrekkelijk den toestand van de negers in het Zuiden, en dan voortgaan, en, in verband met andere onderwerpen, feiten aanvoeren, die alles weder schijnen tegen te spreken. Wij allen kunnen nagaan hoe die vermenging van het eene met het andere op ons zou werken. Werden wij genoopt op te geven hoe dikwijls de koeijen onzer buren van hare kalven gescheiden zijn, of hoe dikwijls hun huisraad en overige bezitting verspreid en uiteengerukt is geworden door geregtlijke verkoopingen, wij zouden ons geneigd vinden te verklaren, dat het een ongeluk was, dat niet dikwijls plaats vindt.

Doch slaan wij een paar nieuwsbladen van Zuid-Carolina open, uitgegeven in denzelfden Staat waar die heer woont, en gaan wij de advertentiën van ééne week na. De schrijfster heeft er eenige verkortingen in gebragt, die in de zaak zelve geene verandering maken.

Geregtelijke verkoop van twaalf fraaije Negers.

Fairfield District.

R. W. Murray en echtgenoote c. s. contra in Equity. William Wright en echtgenoote c. s.

Ingevolge bevelschrift van het "Court of Equity," in bovenstaande zaak uitgevaardigd in de Julij-zitting van 1852, zal ik op den eersten Maandag in Januarij aanstaande, vóór het Geregtsgebouw te Winnsboro', in het openbaar aan den hoogstbiedende toewijzen,

12 zeer fraaije Negers,

behoorende tot de plantage van wijlen Micajah Mobley, van Fairfield District.

Deze Negers bestaan voornamelijk in jonge knapen en meisjes en zijn zeer aan te bevelen.

De verkoopsvoorwaarden, enz.

Commissioners' Office, W. R. Robertson. Winnsboro', 30 November 1852.

Vrijwillige Verkoop.

In openbare veiling zullen op Dingsdag 21 December aanstaande, ten sterfhuize van mevrouw M. P. Rabb, aan den hoogstbiedende worden toegewezen hare nagelatene goederen, gedeeltelijk bestaande in omstreeks

2000 bushels koorn, 25000 ponden veevoeder, tarwe, katoenzaad, paarden, muilezels, rundvee, schapen, varkens.

Waarschijnlijk zullen tenzelfden tijde en plaatse verscheidene fraaije jonge negers geveild worden.

De verkoopsvoorwaarden zijn: Alle sommen beneden vijf en twintig dollars contant. Alle sommen van vijf en twintig dollars en daarboven, op twaalf maanden crediet, met intrest van den dag der veiling, op acceptatie en met twee soliede borgen.

William S. Rabb. 11 November. Administrateur.

Geregtelijke verkoop van Landerijen en Negers.

Fairfield District.

James E. Caldwell, Administrateur van wijlen Jacob Gibson, contra in Equity. Jason D. Gibson c. s.

Ingevolge order van verkoop in het bovengemelde proces, zal ik op den eersten Maandag in Januarij aanstaande en den volgenden dag, vóór het Geregtsgebouw te Winnsboro', in openbare veiling aan den hoogstbiedende verkoopen, de volgende goederen, nagelaten door wijlen Jacob Gibson van Fairfield District, te weten:

De plantage waarop de overledene gewoond heeft, beslaande nagenoeg 661 acres, gelegen aan de Wateree Creek, en belendende aan de landerijen van Samuel Johnston, Theodore S. du Bose, Edward P. Mobley en B. R. Cockrell. Deze plantage zal geveild worden in twee koopen, waarvan de teekeningen op den verkoopdag ter bezigtiging zullen liggen.

Voorts:

46 prima fraaije Negers,

bestaande in voerlieden, smeden, keukenmeiden, huisbedienden, enz.

Commissioners' Office, W. R. Robertson. Winnsboro', 29 November 1852.

Vijftig prima Negers.

Den eersten Maandag in Januarij aanstaande, zal ik vóór het Geregtsgebouw te Columbia, vijftig zulke fraaije negers verkoopen, als ooit ten verkoop zijn aangeboden; zij zijn afkomstig van de plantage van A. P. Vinson. De negers zijn in elk opzigt met zorg behandeld. Gegadigden kunnen verzekerd zijn, dat zij geene betere gelegenheid kunnen vinden om zich te voorzien.

18 November. J. H. Adams, Executeur.

Vrijwillige Verkoop.

Den 15 December aanstaande zullen ten sterfhuize van wijlen Samuel Moore, in York District, al diens nagelaten goederen verkocht worden, bestaande in

35 fraaije Negers;

Eene hoeveelheid katoen en koorn, paarden en muilezels, bouwgereedschappen, huis- en keukenvoorwerpen en vele goederen meer.

18 November. Samuel E. Moore, Administrateur.

Vrijwillige Verkoop.

Op Dingsdag 14 December aanstaande zullen ten sterfhuize van Robert W. Durham, in Fairfield District, in openbare veiling aan den hoogstbiedende worden toegeslagen, alle de nagelaten goederen van den overledene; gedeeltelijk bestaande uit het volgende:

50 prima fraaije Negers. Omstreeks 3000 bushels koorn. Eene hoeveelheid veevoeder. Tarwe, haver, paardeboonen, rogge, katoenzaad, paarden, rundvee, varkens, schapen.

23 November. C. H. Durham, Administrateur.

Verkooping op last der Sheriffs.

Krachtens onderscheidene aan mij gerigte bevelschriften zal ik op den eersten Maandag in December en den volgenden dag, in het Geregtsgebouw van Fairfield, op de gebruikelijke uren aan den hoogstbiedende à contant verkoopen: de volgende goederen van Allen R. Crankfield, als: 2 negers, in beslag genomen voor Alexander Brodie c. s.; 2 paarden en 1 ezel, in beslag genomen voor Alexander Brodie; 2 muilezels, 1 paar karwielen, 1 latafel en 1 ledekant, in beslag genomen voor Temperance E. Miller en J. W. Miller;

1 neger, de eigendom van R. J. Gladney, in beslag genomen op verzoek van James Camak;

1 neger, de eigendom van Geo. McCormick, in beslag genomen op verzoek van W. M. Phifer;

1 rijdzadel, te verkoopen onder eene toewijzing van G. W. Boulware aan J. B. Mickle, in de zaak van Geo. Murphy jr. contra G. W. Boulware.

Sheriffs Office,

19 November 1852. R. E. Ellison,

Geregtelijke Verkoop.

John A. Crumpton c. s. contra in Equity. Zachariah C. Crumpton.

Krachtens bevelschrift in dit proces, zal ik op den eersten Maandag in December aanstaande vóór het Geregtsgebouw te Winnsboro' in openbare veiling aan den hoogstbiedende verkoopen, drie perceelen land, behoorende tot de bezittingen van wijlen Zachariah Crumpton.

Tenzelfden tijde en plaatse zal ik, krachtens bevelschrift als boven, vijf of zes fraaije jonge negers verkoopen, mede de eigendom van Zachariah Crumpton.

De verkoopsvoorwaarden, enz.

Commissioners' Office,

Winnsboro', 8 November 1852. W. R. Robertson.

Aanzienlijke Verkooping.

De ondergeteekende, als administrateur der nalatenschap van wijlen kolonel T. Randell, zal op Maandag 20 December aanstaande, alle goederen tot dien boedel behoorende verkoopen, bestaande in:

56 Negers, Vee, Koorn, Voeder, enz. enz.

Verkoopsvoorwaarden, enz.

2 September. Samuel J. Randell.

De Tri-Weekly South Carolinian, die het licht ziet te Columbia, draagt het volgende motto aan het hoofd: Doe wel en zie niet om; het doel van uw streven zij uw land, uw God, de waarheid.

In het nommer van 23 December 1852 leest men een "Antwoord van de vrouwen van Virginia aan de vrouwen van Engeland," waarin de volgende zinsnede opmerking verdient:

Geloof ons, diep en in den gebede onderzoeken wij Gods heilig woord; wij zijn innig overtuigd, dat onze instellingen daarmede overeenstemmen.

In andere kolommen van dat blad nu komen de volgende advertentiën voor:

Verkooping op last der Sheriffs, 2 Januarij 1853.

Krachtens onderscheidene bevelschriften zullen vóór het Geregtsgebouw van Columbia, op de gebruikelijke uren, op den eersten Maandag en Dingsdag in Januarij verkocht worden:

Ongeveer vier en zeventig acres land, in Richland District, belend ten noorden en oosten door Lorick, ten zuiden en westen door Thomas Trapp.

Alsmede, tien stuks rundvee, vijf en twintig stuks varkens en twee honderd bushels koorn, in beslag genomen van M. A. Wilson, op verzoek van Samuel Gardner contra M. A. Wilson.

Zeven negers, genaamd Grace, Frances, Edmund, Charlotte, Emuline, Thomas en Charles, in beslag genomen als eigendom van Bartholomew Turnipseed, op verzoek van A. F. Dubard, J. S. Lever en de Bank van den Staat c. s., contra B. Turnipseed.

Ongeveer 450 acres land, in Richland District, belend enz. enz.

Groote Verkoop van Goederen.

Op Maandag 7 Februarij aanstaande zullen in openbare veiling voetstoots verkocht worden op de plantage nabij Linden, al de paarden, muilezels, wagens, bouwgereedschappen, koorn, voeder enz.

En op den volgenden Maandag, 14 Februarij, in het Geregtsgebouw te Linden, in Marengo County, in Alabama, bij openbare veiling voetstoots aan den meestbiedende:

110 prima fraaije Negers,

behoorende tot de plantage van wijlen John Robinson, van Zuid Carolina.

Onder deze negers zijn vier knappe timmerlieden en een zeer uitstekend smid.

Verkooping van Negers.

Op magtiging van den heer Peter Wylie, directeur van Chester District, zal ik op den eersten Maandag in Februarij aanstaande, vóór het Geregtsgebouw te Chesterville, in openbare veiling verkoopen:

Veertig fraaije Negers,

behoorende tot de plantage van F. W. Davie.

23 December. W. D. de Saussure. Executeur.

Verkoop van Huisraad, enz., door J. & L. T. Levin.

Op Donderdag 6 Januarij aanstaande zullen wij ten onzen huize verkoopen, al het huisraad en de keukengereedschappen, nagelaten door wijlen B. L. McLaughlin, gedeeltelijk bestaande in:

Met hair bekleede stoelen, sopha's en wiegstoelen, piano, mahonie eet- thee- en speeltafels; karpetten, haarden en haardstellen, schoorsteensieraden, klokken, buffetten, bureaux, mahonie ledikanten, vederen bedden en matrassen, waschtafels, gordijnen, glas- en aardewerk en nog vele voorwerpen voor huiselijk gebruik, alles à contant;

alsmede

Een neger, genaamd Leonard, tot dienzelfden inboedel behoorende.

De voorwaarden, enz.;

Als ook

eene hoeveelheid nieuwe metselsteenen, afkomstig uit den boedel van wijlen A. S. Johnstone.

21 December.

Groote verkoop van Negers en van de Saluda-fabriek, door J. & L. T. Levin.

Donderdag 30 December ten 11 ure, zullen in het Geregtsgebouw in Columbia verkocht worden:

Honderd kostbare Negers.

Zelden doet zich eene gelegenheid op als de tegenwoordige. Er zijn onder hen slechts vier boven de 45 jaren, en niet één boven de 50. Men telt onder hen vijf en twintig prima jonge lieden, tusschen 16 en 30 jaren, veertig van de knapste jonge vrouwen, en eene zoo fraaije reeks kinderen als men met oogen zien kan!!

Voorwaarden, enz.

18 December 1852.

Veiling van Negers, door J. & L. T. Levin.

Op Maandag 3 Januarij aanstaande zullen in het Geregtsgebouw verkocht worden, ten 10 ure precies:

22 fraaije negers, meerendeels jong en sterk. Men vindt onder hen landbouwers, stalknechten en wagenvoerders, huisbedienden enz. De respective ouderdom is: Robinson 10 jaar, Elsey 34, Yanaky 13, Sylla 11, Anikee 8, Robinson 6, Candy 3, Infant 9, Thomas 35, Die 38, Amey 18, Eldridge 13, Charles 6, Sarah 60, Baket 50, Mary 18, Betty 16, Guy 12, Tilla 9, Lydia 24, Rachel 4, Scipio 2.

Bovengemelde negers worden verkocht ten einde het geld op eene andere wijze te beleggen: de verkoop zal daarom onherroepelijk voortgang hebben.

Voorwaarden: Een crediet van een, twee of drie jaren, op acceptatiën betaalbaar bij eene der banken, voorzien van twee soliede endossementen en met intrest van den dag der veiling.

8 December 1843.

Arme kleine Scipio!

Een schoon en knap Meisje uit de hand te koop.

Een knap meisje, omstreeks zeventien jaar (grootgebragt in de Bovenstreken), eene goede kinder-oppasseres en huismeid; zij kan wasschen en strijken, een gewonen pot koken, en er wordt voor ingestaan dat zij gezond en sterk is. Zij is te zien op ons kantoor, waar zij blijven zal tot dat zich een kooper opdoet.

15 December 1849. Allen & Phillips, Vendumeesters en Commissionnairs.

Plantage en Negers te koop.

De ondergeteekende, zich in Columbia gevestigd hebbende, biedt ter overneming aan: zijne plantage, gelegen in St. Matthew's Parish, zes mijlen van den spoorweg, beslaande 1500 acres, thans in vollen bouw, met woonhuis en de noodige bijgebouwen; alsmede

50 sterke Negers, met Provisien, enz.

Men zal het den koopers gemakkelijk maken. Gegadigden gelieven zich te vervoegen bij den ondergeteekende in Columbia, of bij zijn zoon op de plantage.

6 December 1841. T. J. Goodwin.

Te Koop.

Een fiksche neger-jongen, ongeveer een en twintig jaren oud, een goed voerman en veld-arbeider. Adres aan het bureau dezer courant.

20 December 1852.

Nu is het bijna niet mogelijk, dat iemand, die van kindsbeen aan gewoon is geweest zulke advertentiën te zien en ze met zoo veel onverschilligheid te doorloopen als wij advertentiën van canapé's en stoelen doen, er zoodanig door zou getroffen worden, als degeen die geheel ongewoon is aan zulk eene wijze om menschelijke wezens te beschouwen en te verhandelen. Zij maken op hem geen indruk. De bedienden van zijne eigene familie of die zijner vrienden worden niet geveild, en hij weet ook niet dat het met iemand daarvan gebeurd is. Onder de advertentiën kunnen er honderde geweest zijn, die in zijne nabijheid zulke tooneelen te weeg bragte, als in de Negerhut geschetst zijn. Toen Charles Dickens tafereelen ophing van het gebrek en de ellende te Londen, is welligt eene soortgelijke ongeloovigheid achter de damasten staatsie-gordijnen van menig schitterend salon aan den dag gelegd. Zij hadden nooit iets dergelijks gezien en toch altijd te Londen gewoond. Doch evenwel deed Dickens in menige adellijke en aristocratische borst het menschelijk medegevoel voor de ongelukkigen ontwaken, en leerde hij hen gevoelen, hoeveel rampspoed in hunne onmiddellijke nabijheid bestaan kon, waarvan zij volslagen onbewust waren. Men heeft hem nooit als een verguizer van zijn land beschouwd, ofschoon hij veel van het daarin aanwezige lijden, verdriet en misbruik aan den dag bragt. De schrijfster moet ernstig verzoeken, dat de schrijver dier verhandeling eens de moeite wille nemen om de "statistiek" van den Amerikaanschen binnenlandschen slavenhandel na te gaan; dat hij een of ander nieuwsblad eens geregeld doorloope en een paar maanden aanteekening gelieve te houden van het aantal menschelijke wezens, met harten, hoop en aandoeningen gelijk de zijnen, die geregeld onderworpen worden aan al de onzekerheden en veranderingen van roerend goed. De schrijfster houdt zich verzekerd, dat hij het niet lang zou kunnen doen, zonder in zijn boezem den wensch te voelen oprijzen, om, niet de verdediger, maar de hervormer der instellingen zijns lands te worden.

De nieuwsbladen van Zuid-Carolina staan in dit opzigt niet alleen; zij zijn gelijk aan honderde andere bladen uit elken anderen Staat.

Dat de lezer een oogenblik stil sta, en nog eens de aangehaalde advertentiën van twee weken doorzie. Dit is geen romanschrijven,--dit zijn feiten. Zie die menschelijke wezens, voor het publiek uitgestald, te gelijk met paarden, muilezels, karren, katoenzaad, ledekanten enz.,--terwijl Christelijke dames in hetzelfde blad zeggen, dat zij, "in den gebede Gods Woord onderzoeken," en gelooven dat de instellingen van haar land Zijne goedkeuring wegdragen! Zou hij denken, dat hier, in deze twee weken, geene tooneelen van lijden geweest zijn? Verbeeld u de droefenis dezer gezinnen, de angstige nachten van deze moeders en kinderen, vrouwen en mannen, als de veilingen gehouden zullen worden! Stel u de tooneelen bij den verkoop voor! Eene jonge dame, vriendin van schrijfster dezes, die een winter in Carolina doorbragt, gaf haar eene schets van den verkoop van eene vrouw en hare kinderen. Toen een zevenjarig meisje op de tafel van den verkooper geplaatst werd, viel het kind van vrees en zenuwachtigheid in flaauwte. Zij werd weggenomen, kwam weder bij en werd teruggebragt; de flaauwte kwam terug,--drie malen werd de proef met denzelfden uitslag herhaald, en eindelijk werd de verkoop van het kind uitgesteld!

Men leze ook het volgende, dat Dr. Elwood Harvey, redacteur van een blad in een der westelijke Staten, in den Pennsylvania Freeman van 25 December 1846 plaatste:

Wij woonden eene verkooping van landerijen en andere goederen in den omtrek van Petersburg, in Virginia, bij, en zagen onvoorbereid tevens slaven in openbare veiling verkoopen. Men had den slaven, die, voor het huis geschaard, de vergaderde menigte aanzagen, gezegd, dat zij niet verkocht zouden worden. Toen de landerijen verkocht waren, riep de vendu-meester op luiden toon: "Breng de negers voor!" Eene uitdrukking van verbazing en schrik vertoonde zich op hun gelaat, terwijl zij eerst elkander aanzagen en toen den drom van koopers, die thans het oog op hen gevestigd hield. Toen hun de vreeselijke waarheid klaar voor den geest stond dat zij verkocht zouden worden en van bloedverwanten en vrienden voor eeuwig gescheiden, werd het tooneel boven beschrijving hartbrekend. Vrouwen grepen hare zuigelingen op en ijlden gillende in de hutten. De kinderen verborgen zich achter de hutten en huisjes, en de mannen stonden in stomme vertwijfeling. De verkooper stond voor den ingang van het huis, en de "mannen en jongens" werden op het plein ter bezigtiging gerangschikt. Er werd aangekondigd, dat men voor de gezondheid niet instond, en dat de koopers zelven behoorden te onderzoeken. Eenige oude mannen werden verkocht tot prijzen tusschen dertien en vijf-en-twintig dollars, en het was pijnlijk om aan te zien hoe bejaarde mannen, gebogen onder den last van werk en leed, zich moesten oprigten om de spot van onbeschofte dwingelanden te zijn, en hen hunne ziekelijkheid en onnutheid te hooren vertellen, uit vreeze, dat zij door slavenhandelaars zouden opgekocht worden voor de zuidelijke markten.

Een blanke knaap van ongeveer vijftien jaren, werd op do tafel geplaatst. Zijn hair was bruin en glad, zijne huid van dezelfde kleur als die van andere blanken, en er was geen merkbare negertrek in zijn gelaat waar te nemen.

Er werden eenige laffe aardigheden gezegd over zijne kleur, en twee honderd dollars werden voor hem geboden; doch uit den hoop werd geroepen, dat "dit geen genoegzame inzet was voor zulk een fikschen jongen neger." Sommigen zeiden, dat zij hem "niet om niet" zouden willen hebben. Eenigen merkten aan, dat een witte neger meer last gaf dan voordeel. Eén man zeide, dat het onbetamelijk was, blanken te verkoopen. Ik vroeg hem, of dit slechter was dan zwarten te verkoopen, waarop hij geen antwoord gaf. Eer de knaap verkocht werd, snelde zijne moeder uit het huis, en riep met waanzinnige smart: "Mijn zoon, o mijn jongen, wegnemen willen zij mijn dierbaren...." Hier verstomde hare stem, daar zij op eene ruwe manier weggeduwd en de deur gesloten werd. De verkoop werd geen oogenblik afgebroken, en niemand onder de menigte scheen door dit tooneel in het minst aangedaan. De arme jongen, die niet van harte durfde uitweenen in het bijzijn van zoo veel vreemden, die niet het geringste medelijden aan den dag legden, beefde en veegde met zijne mouw de tranen van zijne wangen. Hij vond voor ongeveer twee honderd vijftig dollars een kooper. Gedurende den verkoop weêrgalmde de plaats zoodanig van geween en gekerm, dat het mij eng om het hart werd. Eene vrouw werd daarop bij name geroepen. Alvorens haar kind aan eene oude vrouw over te geven, omhelsde zij het met een woesten druk, en spoedde zich toen werktuigelijk om aan de oproeping te voldoen; doch plotseling bleef zij staan, hief hare armen omhoog, gaf een gil en was buiten staat een stap verder te doen.

Een mijner reisgenooten stiet mij aan en zeide: "Kom, laten wij heen gaan; ik kan het niet langer aanzien." Wij verlieten die plaats dus. De man, die ons rijtuig van Petersburg had gereden, bezat twee zonen, kleine jongens, die tot de plantage behoorden. Hij had de belofte verkregen, dat zij niet verkocht zouden worden. Wij vroegen, of zij zijne eenige kinderen waren. "De eenige overgeblevene van acht," was zijn antwoord. Drie waren naar het Zuiden verkocht, van wie hij nimmer meer iets zou zien of hooren.

Daar de menschen in het Noorden zulke dingen niet zien, is het noodig dat zij er dikwijls genoeg van hooren, ten einde aandachtig te blijven op het lijden van de slagtoffers hunner onverschilligheid.

Dit zijn de gewone omstandigheden, niet de vergunde wreedheden, van een stelsel, hetwelk de menschen zich-zelven hebben wijs gemaakt, dat in overeenstemming is met Gods Woord!

Laten wij aannemen, dat "de familie-betrekking ontzien wordt, voor zoover dit mogelijk is." Dan doet zich de vraag op: Tot hoever is het mogelijk? Advertentiën van zulke verkoopingen doen zich week aan week in bijna hetzelfde aantal voor in dezelfde nieuwsbladen, in denzelfden omtrek; en handelaars van beroep maken er hun werk van, ze bij te wonen en slagtoffers op te koopen. Indien nu de bewoners van eene bepaalde streek zich belasten met de zorg om toe te zien dat in dezen stroom van veilingen geene gezinnen gescheiden worden, dan moet men tot de overtuiging komen, dat zij weinig anders te doen zouden hebben. Het is eene waarheid--en die onze menschelijke natuur in het algemeen eere aandoet--dat de smart en zielsangst der arme, hulpelooze schepsels, dikwijls vrienden voor hen doet opstaan onder de edelen van harte. Er zijn menschen in het Zuiden, die al het mogelijke doen en zelfs boven hunne krachten gaan om de wreede operatiën van den slavenhandel te stuiten en in afzonderlijke gevallen verligting aan te brengen. Er zijn er in het Zuiden, die zouden kunnen vertellen, indien zij wilden, hoe hun, wanneer zij den laatsten dollar besteed hadden, waarover zij in eene week konden beschikken, in de volgende week juist even zulk een geval voorkwam, waaraan zij niet konden voldoen. Er zijn meesters in het Zuiden, die zouden kunnen mededeelen, indien zij wilden, hoe zij hebben staan bieden tegen een slavenhandelaar, om een of anderen hunner eigene arme slaven te bevrijden, totdat het bod al hooger en hooger steeg en de gebiedende noodzakelijkheid hun eindelijk den mond sloot. Goedhartige verkoopers weten zeer wel, hoe dikwijls zij worden aangezocht om medewerking, ten einde een armen man buiten de klaauwen van den slavenhandelaar te houden, en hoe zij daarin soms slagen, soms falen.

Juist de strijd, dien regtschapene mannen in het Zuiden voeren om den geregelden slavenhandel te knakken, doet hun de hopeloosheid hunner pogingen zien. Wij geven gaaf toe, dat velen hunner evenveel of meer doen, dan wij in soortgelijke omstandigheden doen zouden; maar toch weten zij, dat, wat zij uitrigten, niets meer dan eene beuzeling is.

Doch wij zullen verder redeneren op getuigenis van advertentiën. Wat moet men opmaken uit het onderstaande, voorkomende in den Memphis Eagle and Inquirer, van Zaturdag 13 November 1852? Onder het motto aan het hoofd van dat blad: "Vrijheid en eenheid, thans en immer," vinden wij het volgende fraais:

No. I.

Vijf en zeventig Negers.

Ik heb zoo even uit de oostelijke streken ontvangen 75 gesorteerde A No. 1 negers. Kom spoedig, zoo gij keuze wilt hebben.

Benj. Little.

No. II.

Contant geld voor Negers.

Ik zal zoo hooge contante prijzen voor eenige fiksche jonge negers betalen als eenig handelaar in deze stad;--ook in commissie ontvangen en verknopen op Byrd Hill, de oude plaats, in Adamsstreet, te Memphis.

Benj. Little.

No. III.

Vijf honderd Negers benoodigd.

Wij betalen den hoogsten contanten prijs voor alle goede negers, die ons te koop geboden worden. Ieder, die negers te koop heeft, noodigen wij uit zich te vervoegen aan ons kantoor. Wij zullen eerlang ook eens aanzienlijke partij Virginia-negers te koop hebben. Onze gevangenis is zoo sterk als eenige andere in het land, en wij kunnen er negers, die men zou wenschen te doen opsluiten, veilig bewaren.

Bolton, Dickins & Co.

Laten wij onderdanig mogen vragen wat in de eerste advertentie bedoeld wordt met gesorteerde A No. 1 negers? Is het waarschijnlijk, dat het beteekent, negers die bij geheele gezinnen verkocht worden? Wat meent de uitnoodiging: "Kom spoedig, zoo gij keuze wilt hebben?"

Zoo veel wat de eerste advertentie betreft. Laten wij nu den ingewijden eenige vragen aangaande No. II mogen doen. Wat bedoelt mijnheer Benjamin Little met te zeggen: "Ik zal zoo hooge contante prijzen voor eenige fiksche jonge negers betalen als eenig handelaar in deze stad?" Bestaan huisgezinnen doorgaans alleen uit fiksche jonge negers?

Ook aangaande de derde advertentie zouden wij gaarne eenige inlichtingen bekomen. De heeren Bolton, Dickins & Co. melden dat zij "eene aanzienlijke partij Virginia-negers" verwachten.

Ongelukkige heeren Bolton, Dickins & Co.! Zoudt gij denken, dat familiën in Virginia hare negers zullen verkoopen? Hebt gij dan mijnheer J. Thornton Randolph's laatsten roman niet gelezen, en daaruit gezien dat oude familiën in Virginia nimmer aan slavenhandelaren verkoopen? en--nog meer--dat zij zich altijd vereenigen en de negers opkoopen, die in de nabuurschap geveild worden, en de slavenhandelaars, als zij zich durven vertoonen, met weinig omslag weggejaagd worden? Men zou waarlijk gaan denken, dat gij uwe begrippen omtrent de zaak uit de Negerhut geput hadt. Want in het meermalen aangehaalde, artikel uit Fraser's Magazine wordt verzekerd, dat allen, die hunne denkbeelden omtrent de slavernij aan dat boek ontleend hebben, "de slavengezinnen als uiterst ongevestigd en zwervend beschouwen."

Doch eer wij terugkomen van onze verbazing, nemen wij den Natchez (Mississippi) Courier van 20 November 1852 ter hand en lezen daar:

Negers.

De ondergeteekende neemt de vrijheid het publiek te berigten, dat hij voor den tijd van verscheidene jaren gehuurd heeft de plaats aan den Driesprong nabij Natchez, en dat hij aldaar het geheele jaar door eene aanzienlijke hoeveelheid negers in voorraad zal hebben. Zijne prijzen zullen even laag of lager zijn dan die van eenig ander handelaar alhier of te New-Orleans.

Hij is juist uit Virginia gearriveerd met eene zeer bezienswaardige partij veld-arbeiders en arbeidsters; ook huisbedienden, drie keukenmeiden en een timmerman. Komt en ziet.

Tevens zijn bij hem drie paarden te koop.

Natchez, 28 September 1852. Thos. G. James.

Waar ter wereld heeft die gelukkige mijnheer James dit fraaije "assortiment" Virginia-negers opgedaan? Waarschijnlijk in een of ander graafschap, dat de heer Randolph nooit bezocht heeft. En heeft men geene gezinnen behoeven te scheiden, om dat assortiment tot stand te brengen? Waar zijn hunne kinderen? Wij hooren van eene partij huisbedienden, van drie keukenmeiden en een timmerman, zoowel als van drie paarden. Hadden die ongelukkige keukenmeiden en die timmerman geene betrekkingen? Vloeiden geene droevige tranen langs hunne donkere wangen, toen zij "gesorteerd" werden voor de markt van Natchez? Rijst uit geen dier treurige harten het lied op:

O voer mij naar 't oude Virgienje terug?

Al verder ontmoeten wij in hetzelfde blad het volgende:

Slaven! Slaven! Slaven!

Wekelijks versche aanvoer.--Daar wij ons gevestigd hebben aan den Driesprong, nabij Natchez, bij een contract voor verscheidene jaren, hebben wij thans voorhanden, gelijk wij het heele jaar zullen hebben, een uitgebreiden en goed gesorteerden voorraad negers, bestaande in veld-arbeiders, huisbedienden, ambachtslieden, keukenmeiden, naaisters, waschvrouven, strijksters, enz., welke wij even laag of lager dan eenig ander huis alhier of te New-Orleans kunnen en willen verkoopen.

Personen, die aankoopen wenschen te doen, worden aangemaand ons te bezoeken, alvorens zich elders te verbinden, daar onze geregelde aanvoer ons steeds voorziet van een goed en aanzienlijk assortiment. Wij geven den koopers vele faciliteiten. Komt en ziet!

Natchez, 15 October 1852. Griffin & Pullam.

Inderdaad! De heeren Griffin en Pullam schijnen even gelukkig te zijn! Zij hebben elke week verschen aanvoer en zullen "een uitgebreiden en goed gesorteerden voorraad negers" gereed houden, "bestaande in veld-arbeiders, huisbedienden, ambachtslieden", enz.

Laten wij eerbiedig mogen vragen op welke wijze een slavenhandelaar een goed gesorteerden voorraad bijeenkrijgt. Hij gaat naar Virginia om hen uit te zoeken. Men heeft hem order gegeven, b. v. voor een dozijn keukenmeiden, een half dozijn timmerlieden, zooveel huisbedienden, enz., enz. Elk van deze personen heeft zijne eigene betrekkingen; behalve dat zij keukenmeiden, timmerlieden en huisbedienden zijn, zijn zij ook vaders, moeders, mannen en vrouwen: maar wat doet er dat toe? Zij moeten uitgezocht worden, er is een assortiment noodig. De heer, die eene keukenmeid bestelde, heeft natuurlijk niets te maken met hare vijf kinderen; en de planter, die order gaf op een timmerman, heeft de keukenmeid, zijne vrouw, niet noodig. Een timmerman is bovendien een kostbaar voorwerp, dat duizend tot vijftien honderd dollars geldt; en een man, die zulk eene som moet betalen, kan zich niet altijd de weelde veroorloven van aan zijne menschlievendheid toe te geven. Wat de kinderen betreft, die moeten in den slavenkweekenden Staat gelaten worden. Want, indien het reeds volwassene product wekelijks te Natchez of New-Orleans aangevoerd wordt, is het dan denkelijk dat de inwoners zich zullen bezwaren met den last van het opkweeken van kinderen? Neen, in elk welingerigt bedrijf moet verdeeling van arbeid in acht genomen worden. De noordelijke Staten kweeken het artikel aan, de zuidelijke consumeren het.

Wij hebben tot nu toe meer bepaald uittreksels gemaakt uit de nieuwsbladen van de zuidelijke Staten. Zoo de lezer nieuwsgierig is om te weten hoe het "sorteren" gaat in de noordelijke Staten, dan zal de dagbladpers hem verder op de hoogte stellen. In den Daily Virginian van 19 November 1852 geeft de heer J. B. McLendon volgenderwijze te kennen dat hij zich gevestigd heeft voor die zaak:

Negers benoodigd.

De ondergeteekende, zich te Lynchburg gevestigd hebbende, geeft de hoogste contante prijzen voor negers tusschen 10 en 30 jaren. Zij, die Negers te verkoopen hebben, zullen in hun belang handelen door zich mondeling of schriftelijk tot hem te wenden in het Washington-Hotel te Lynchburg.

5 November. J. B. McLendon.

De heer McLendon berigt in duidelijke woorden, dat hij geene kinderen beneden tien jaren neemt, noch volwassenen boven dertig. Fraaije jonge negers zijn wat hij begeert:--gezinnen worden natuurlijk nimmer gescheiden.

In hetzelfde blad wenscht de heer Seth Woodroof de goê gemeente te herinneren, dat ook hij aan de markt is, gelijk vroeger reeds. Ook hij heeft negers tusschen de tien en dertig jaren noodig; maar hij verlangt bij voorkeur ambachtslieden, smeden en timmerlieden,--getuige zijne eigene advertentie:

Negers benoodigd.

De ondergeteekende blijft steeds aan de markt tot den aankoop van negers van de beide seksen, tusschen 10 en 30 jaren; zoo er ambachtslieden onder zijn, zoo als smeden en timmerlieden, zal hij de hoogste contante marktprijzen geven. Zijne inrigting is een nieuw steenen gebouw in de Lynchstreet, onmiddellijk achter de "Farmers Bank", waar hij tevens bijgebouwen opgerigt heeft, strekkende om negers in den kost te nemen, die ten verkoop naar Lynchburg verzonden worden, of anders om hen zoo veilig te bewaren als of zij in de stadsgevangenis waren geplaatst.

15 Augustus. Seth Woodroof.

Er valt geen twijfelen aan of deze mijnheer Seth Woodroof is een menschelijk man en wenscht de scheiding van gezinnen zooveel mogelijk te vermijden. Gewis wenscht hij vurig, dat al zijne smeden en timmerlieden toch zoo verstandig zullen zijn van geene kinderen beneden de tien jaren te hebben; doch indien de onbedachtzame kerels ze toch hebben, wat staat een menschlievend man dan te doen? Hij moet aan de bestelling van mijnheer die of die voldoen, dat is duidelijk; en daarom moeten John en Sam maar een laatsten blik werpen op hunne kinderen, zoo als Oom Tom op de zijnen wierp toen hij aan hun bedje stond en er groote maar vruchtelooze tranen op neêr liet droppelen.

Neen, vrienden, duidt het dien armen heer Seth Woodroof niet euvel, dat hij het afgrijselijke, walgelijke werk van het verscheuren van het levend menschelijke hart verrigt ten uwen dienste! 't Werk is soms onaangenaam genoeg, zoo als hij u zou kunnen vertellen; en zoo gij verlangt, dat hij het voor u blijve waarnemen, behandel hem dan vriendelijk en beweer niet, beter te zijn dan hij.

Maar die voordeelige handel bepaalt zich niet uitsluitend tot de oude Staten. Zie de volgende advertentiën uit een blad van Tennessee, de Nachville Gazette van 23 November 1852, waarin de heer A. A. McLean, algemeen agent voor deze soort van zaken, zijne begeerten en voornemens te kennen geeft:

Benoodigd.

Ik wensch onmiddellijk vijf en twintig fiksche negers,--mannen en vrouwen, tusschen 15 en 25 jaren,--te koopen, waarvoor ik de hoogste contante prijzen betalen zal.

9 November. A. A. McLean, Algemeen Agent.

De heer McLean schijnt alleen negers tusschen de vijftien en vijf en twintig jaren te kunnen gebruiken. Deze advertentie komt twee malen in hetzelfde nommer van genoemd blad voor, waaruit wij moeten opmaken dat de behoefte van dien heer zeer groot is, en hij stellig vertrouwt, dat iemand geneigd zal zijn om te verkoopen. Iets verder geeft dezelfde heer eene andere behoefte te kennen.

Benoodigd.

Ik wensch onmiddellijk te koopen een neger-timmerman. Ik zal een goeden prijs betalen.

29 September. A. A. McLean, Algemeen Agent.

De heer McLean doet geene aanvraag om zijne vrouw en kinderen, noch berigt waarheen die timmerman zal gezonden worden,--of het zal zijn naar de markt van New-Orleans, of de Roode Rivier op, of benedenwaarts naar eenige plantage aan den Mississippi, waar hij vrouw of kind nooit weêr zal zien. Maar zie, altijd in hetzelfde blad, komt de heer McLean weer met eene nieuwe behoefte voor den dag.

Terstond benoodigd.

Eene Min; welke ook de prijs zij--hij zal betaald worden voor eene vrouw van goed humeur, gezond gestel enz. Men vervoege zich bij

A. A. McLean, Algemeen Agent.

En wat moet er worden van het kind van deze min? Misschien op den oogenblik, dat de heer McLean aanvrage om haar doet, zit zij het aan hare borst te wiegen en te denken, gelijk zoo menige andere moeder doet, dat het haast het mooiste en aardigste kind is, dat ooit het licht aanschouwde; want, hoe vreemd het ook klinke! zelfs zwarte moeders hebben soms dat gevoel. Maar dat alles doet er niet toe, men heeft haar noodig als min! Tante Prue kan haar kind overnemen, en moet het dan maar opbrengen met pap en zoo meer. Weg met haar naar mijnheer McLean!

Men sla ook een blik op de volgende advertentie, welke doet zien hoe levendig de handel is in den goeden Staat Alabama. De heer S. N. Brown zegt namelijk het volgende in den Advertiser and Gazette, van Montgomery in Alabama:

Negers te koop.

S. N. Brown neemt deze gelegenheid waar, om zijne oude begunstigers en anderen die slaven willen koopen, te verwittigen, dat hij thans voorhanden heeft eene zelf door hem uitgezochte en gekochte partij fiksche jonge negers, bestaande in mannen, jongens en vrouwen, veld-arbeiders en bekwame huisbedienden, die hij aanbiedt tot den laagsten prijs, welken de tegenwoordige koersen toelaten. Zijn kantoor is in de Market-street voorbij de Montgomery Hall, bij de oude plaats van Lindsay, waar hij voornemens is slaven ten verkoop te houden voor zijne eigene rekening en niet in commissie, waardoor hij vermeent allen, die hem zullen willen begunstigen, naar genoegen te kunnen bedienen.

Montgomery, 13 September 1852.

Wij wenschen te vragen waar die jongens en meisjes door dezen heer Brown uitgezocht zijn geworden? Wat gevoelden hunne vaders en moeders toen zij werden uitgezocht? Emmeline is uit het eene gezin genomen, George uit het andere. De knappe handelaar heeft uitgestrekte streken doorreisd en op zijn spoor allerwege geween en hartzeer achtergelaten. Een klein voorval, dat onlangs de ronde door de nieuwsbladen gemaakt heeft, kan misschien strekken tot verduidelijking van de tooneelen, die hij veroorzaakt heeft:

Eene slavenhistorie.

In den nacht van Donderdag den 2den dezer vermoordde eene negerin, behoorende aan Geo. M. Garrison, in Polk County, vier van hare kinderen, door hen in den slaap de halzen af te snijden, en bragt daarop zich-zelve op de zelfde wijze om het leven. Haar meester kent geene aanleiding tot deze afgrijselijke daad, tenzij die daarin mogt gelegen zijn, dat zij hem er van had hooren spreken om haar en twee harer kinderen te verkoopen en de overigen te behouden.

Hoe beminnelijk naïf is de onzekerheid van den meester in dit geval! Hij weet, dat men bij de negers het gevoel van wel-opgevoede lieden niet verwachten kan; maar hier doet zich een geval voor, waarin het schepsel werkelijk onverklaarbaar handelt, en hij kan geene andere reden bedenken, dan dat hij voornemens was haar van hare kinderen te scheiden.

Doch bedaar, lieve lezer! het ongeluk was zoo groot niet. Hier waren het altemaal kinderen van arme lieden, en sommige, ofschoon niet alle, waren zwart, en dat, weet gij, maakt een hemelsbreed onderscheid!

Maar de heer Brown is de eenige niet in Montgomery. Ook de heer Lindsey wenscht het publiek te herinneren aan zijn depôt.

Honderd Negers te koop

in mijn depôt, in Commerce-street, tusschen het "Exchange Hotel" en het magazijn van F. M. Gilmer Jr., waar ik van tijd tot tijd gedurende den loop van het saisoen groote partijen negers ontvangen en die tot zoo billijke prijzen als eenig ander huis in de stad verkoopen zal. Beleefdelijk noodig ik mijne oude begunstigers en vrienden uit, mijn voorraad te komen bezigtigen.

Montgomery, 2 November 1852. Jno. W. Lindsey.

De heer Lindsey zal gedurende heele saisoen negers ontvangen en die zoo billijk als iemand verkoopen; er bestaat, dus geene vrees, dat de voorraad te kort zal schieten. Maar zie, in hetzelfde blad maken ook de heeren Sanders en Foster aanspraak op de aandacht van het publiek.

Negers te koop.

De ondergeteekenden hebben het welbekende etablissement van Eckles & Brown aangekocht, zoodat zij thans te koop hebben eene aanzienlijke partij sterke jonge negers, bestaande in mannen, vrouwen, jongens en meisjes, allen goede veld-arbeiders. Als ook, verscheidene goede huisbedienden en ambachtslieden van allerlei aard. De ondergeteekenden zullen steeds een groot assortiment negers voorhanden hebben, waaronder van alle soorten. Gegadigden zullen in hun belang handelen, met zich eerst bij hen te vervoegen en te zien, eer zij elders koopen.

13 April. Sanders & Foster.

De heeren Sanders & Foster zullen dus ook een "assortiment" in voorraad houden. Al hunne negers zullen jong en sterk zijn; de nuttelooze oude vaders en moeders zullen weggeworpen worden, zoo als men na het wieden van een tuin het onkruid op een hoop werpt.

Eene vraag: Zijn de heeren Sanders & Foster, en J. W. Lindsey, en S. N. Brown, en A. A. McLean, en Seth Woodroof en J. B. McLendon, werkelijk lidmaten van de Kerk? Ergert die vraag u? Waarom? Waarom zouden zij dat niet zijn? De eerwaarde Dr. Smylie, van Mississippi, zegt toch zeer bepaald in een door twee consistoriën goedgekeurd geschrift, dat de Bijbel verlof geeft om slaven te koopen en te verkoopen. [16]

Zoo de Bijbel dit regt verleent en dezen handel wettigt, waarom zou het u dan ergeren, den slavenhandelaar aan de Avondmaalstafel te zien? Gevoelt gij, dat er bloed aan zijne handen kleeft, het bloed van menschenharten die hij heeft vaneen gereten? Siddert gij als hij het gezegende brood aanraakt, en als hij den beker aan de lippen zet, "uit wien hij, die dien onwaardig drinkt, zich-zelven een oordeel drinkt?" Maar wie maakt den slavenhandel? Immers gij? Denkt gij, dat zijn bedrijf heilzaam is voor de ziel? Denkt gij, dat de tooneelen waarmede hij gemeenzaam moet zijn, en de daden die hij verrigten moet om een "assortiment" negers ten uwen gerieve bijeen te houden, dingen zijn, die de goedkeuring van Jezus Christus wegdragen? Denkt gij, dat zij zijne vordering in de genade begunstigen en de behoudenis zijner ziel verzekeren zullen? Of is het voor u zóó onvermijdelijk noodig, gesorteerde negers te hebben, dat de handelaars niet alleen in dit leven uit de fatsoenlijke kringen verbannen, maar ten uwen gerieve aan het gevaar van voor eeuwig ter helle te varen, moeten blootgesteld worden?

Wij zullen de papieren uit het Zuiden nog eens doorloopen en zien of wij niet eenige blijken kunnen vinden van die menschelijkheid, die de scheiding der gezinnen zooveel mogelijk vermijdt. In den Argus, die het licht ziet te Weston, in Missouri, vinden wij den 5den November 1852 het volgende:

Eene Negerin te koop.

Ik wensch te verkoopen een zwart meisje, omstreeks 24 jaren oud, eene goede kookster en waschvrouw, handig met de naald en ervaren in het spinnen en weven. Ik wensch haar te plaatsen in de nabijheid van Camden Point; zoo zich niet binnen korten tijd een kooper opdoet, zal ik de beste markt zoeken, of haar verruilen tegen twee kleinen, een jongen en een meisje.

M. Doyal.

Een verstandig man, die mijnheer Doyal! Hij is afkeerig van de scheiding der gezinnen, en wenscht die vrouw daarom te verkoopen in de nabijheid van Camden Point, waar hare betrekkingen zijn,--misschien haar echtgenoot en hare kinderen, of hare broeders en zusters. Hij zal haar niet van hare familie scheiden, zoo het bij mogelijkheid vermeden kan worden; dat wil zeggen, indien hij zonder die scheiding even veel voor haar kan krijgen; doch, zoo dat niet gaat, zal hij "de beste markt zoeken." Wat zou men van den heer Doyal meer kunnen vergen?

En hoe bloeit die heerlijke handel in den Staat Maryland? Wij nemen de Baltimore Sun van 23 November 1852 ter hand. De heer J. S. Donovan geeft daarin aan het Christelijk publiek volgenderwijze inlichtingen over de inrigting van zijne gevangenis:

Contant geld voor Negers.

Ik ondergeteekende blijf op de oude plaats, No. 13, Camden-street, voortgaan met den hoogsten prijs voor negers te betalen. Personen, die negers per spoortrein of stoomboot aanvoeren, zullen gemak ondervinden indien zij zich tot bewaring dier negers aan mij rigten, daar mijne gevangenis gelegen is nabij het spoorwegstation en de aanlegplaats der stoombooten. Ik belast mij met het veilig bewaren van negers.

J. S. Donovan.

Daarop volgt weder eene andere advertentie:

Slaven benoodigd.

Wij koopen ten allen tijde slaven tot de hoogste contante prijzen. Personen, die wenschen te verknopen, adresseren zich No. 242, Pratt-street (oude firma Slatter). Op brieven wordt geantwoord.

B. M. & W. L. Campbell.

In eene andere kolom heeft de heer John Denning eene advertentie doen opnemen, wier bewoordingen aan het verhevene grenzen:

Vijf duizend Negers benoodigd.

Ik zal de hoogste contante prijzen betalen voor 5000 negers, voorzien van goede certificaten, 'tzij slaven voor levenslang of voor eene bepaalde reeks van jaren, in groote of kleine gezinnen, of afzonderlijke negers. Ik zal ook negers, die in den Staat moeten blijven, koopen, mits zij van goed gedrag zijn. Gezinnen worden nimmer gescheiden. Personen, die slaven te koop hebben, adresseren zich aan mij, daar het geld steeds voorhanden ligt. Op orders zal prompt acht geslagen, en eene ruime commissie betaald worden door John N. Denning, No. 18, South Frederick-street, tusschen de Baltimore en Second-streets, te Baltimore, in Maryland. Er staan boomen voor de deur.

Ook de heer John Denning is een menschlievend man. Hij rukt nimmer gezinnen uiteen. Ziet gij het niet uit zijne advertentie? Zoo iemand hem eene vrouw aanbiedt zonder haar man, zal de heer John Denning haar niet koopen. O neen, zeker niet! Zijne vijf duizend negers bestaan allen uit ongesplitste familiën; andere neemt hij nimmer; en hij doet ze weêr heel en ongebroken over. Dit is zeker troostrijk om te overdenken.

Men zie ook den Democrat van 8 December 1852 in, een blad dat te Cambridge, in Maryland, verschijnt. Daarin berigt zeker heer aan de slavenhouders van Dorchester en de omliggende graafschappen, dat hij weder aan de markt is.

Negers benoodigd.

Ik wensen den slavenhouders van Dorchester en de omliggende graafschappen te berigten, dat ik weder aan de markt ben. Personen, die negers bezitten, welke voor hun leven slaven zijn, zullen in hun belang handelen, met mij te spreken, alvorens zij verkoopen, daar ik voornemens ben de hoogste contante prijzen te betalen, waartoe de koers der zuidelijke markt regt geeft. Men kan mij vinden in het hotel van A. Hall, te Easton, waar ik zal vertoeven tot 1o Julij aanstaande. Brieven, die aan mij te Easton, of aan Wm. Bell, te Cambridge, gerigt worden, zullen ten spoedigste worden beantwoord.

Wm. Harker.

Met den heer Harker is zeer goed te handelen. Hij houdt zich op de hoogte van den staat der zuidelijke markt, en zal de hoogste prijzen betalen waartoe die markt gelegenheid zal geven. Bovendien zal hij te vinden zijn tot Julij, en zal hij alle brieven, die men tot hem rigten mogt, beantwoorden. Over één punt moeten wij hem echter onderhouden. Hij heeft niet geadverteerd, dat hij geene familiën scheidt. 't Is wel is waar slechts eene kwestie van smaak; maar sommige welmeenende lieden staan er op, om het in de advertentie van een slavenhandelaar te zien; het geeft er een beter oog aan; en als mijnheer Harker er een oogenblik over nadenkt, zal hij het er gewis eene volgende maal invoegen. Het neemt weinig plaats weg en staat goed.

Nu en dan brengen de advertentiën wegens ontvlugte slaven ons voor den geest, in hoe geringe mate het mogelijk bevonden is, om de scheiding der gezinnen te vermijden; zoo als b. v. bij het lezen van het volgende in den Richmond Whig van 5 November 1852:

Tien dollars belooning.

Wij zijn gemagtigd door Henry P. Davis, om eene belooning van 10 dollars uit te loven voor het vatten van een neger, genaamd Henry, die van de plantage van gezegden Davis, nabij Petersburg, ontvlugt is op Donderdag, 27 October. Gemelde slaaf, afkomstig uit de nabijheid van Lynchburg, in Virginia, was gekocht van Cock, en heeft eene vrouw in Halifax County, in Virginia. Hij was laatstelijk werkzaam aan den Zuider-spoorweg. Welligt houdt hij zich op in de nabijheid zijner vrouw.

Pulliam & Davis, Houders van Verkoopingen te Richmond.

De steller der advertentie schijnt het voor mogelijk te houden, dat Henry in de nabuurschap zijner vrouw is. Wij zouden er ons in het geheel niet over verwonderen, indien dit het geval ware.

Thans is de lezer in het bezit van eenige der statistieke opgaven waarvan de bewoner van Zuid-Carolina spreekt, in zijne zinsnede, die wij hiervoren, op bladz. 27, hebben aangehaald.

Ten einde eenig verder begrip te krijgen van den uitgebreiden handel, die in deze soort van eigendom plaatsvindt, ga men het volgende overzigt na, dat opgemaakt is uit vier en zestig nieuwsbladen uit het Zuiden, voor de hand genomen. Al die bladen hebben het licht gezien in de beide laatste weken van November 1852.

De negers worden geadverteerd bij naam, soms in bepaalde getallen en soms in "partijen", "assortimenten" en andere onbepaalde uitdrukkingen. Hoezeer deze opgemaakte lijst verre zijn moet beneden de waarheid, geven wij haar niettemin in den vorm eener tabel.

Hier is aangekondigd in slechts elf bladen, de verkoop van acht honderd negen en veertig slaven, in twee weken, in Virginia; de Staat, waar de heer J. Thornton Randolph schrijft, dat de scheiding van gezinnen eene zaak is "waarvan men soms in romans leest."

STATEN waar Aantal der Aantal Getal Getal der de Bladen het geraadpleegde geadverteerde partijen, geadverteerde licht zien. Bladen. Negers. enz. Vlugtelingen.

Virginia 11 819 7 15 Kentucky 5 238 1 7 Tennessee 8 385 4 17 Zuid-Carolina 12 852 2 7 Georgia 6 98 2 .. Alabama 10 549 5 5 Mississippi 8 669 5 6 Louisiana 4 460 4 35 === ===== === === 64 4,100 30 92

In Zuid-Carolina, van waar de schrijver in Fraser's Magazine dateert, zien wij binnen den tijd van twee weken in een enkel dozijn bladen, acht honderd twee en vijftig negers ten verkoop aangekondigd. Waarlijk, wij behoorden op de nieuwsbladen van zijnen Staat toe te passen, wat hij zegt van de Negerhut: "Zoo men zijne begrippen van de slavernij aan deze papieren ontleende, zou men de slavengezinnen wel als uiterst ongevestigd en zwervend moeten beschouwen."

Het totaal, in vier en zestig nieuwsbladen in onderscheidene Staten, voor den tijd van slechts twee weken, is vier duizend een honderd, behalve nog dertig "partijen" gelijk men ze noemt.

En wie zou nu de hopelooze, nimmer hersteld wordende scheiding des negers van zijn gezin durven vergelijken met de vrijwillige scheiding van den vrije, wien noodzakelijke bezigheden eene poos van zijne betrekkingen verwijderd houden? Is het lot van den slaaf niet reeds bitter genoeg, zonder deze uiterste bespottingen berispelijksten hoon? Wel mogen zij uitroepen in hun zielsangst: "Onze ziele vloeit over van den smaad dergenen die in weelde gezeten zijn, en van de verachting der trotschaards!"

De jaloersche wet ontneemt den armen neger, die reeds blootgesteld is aan de bitterste scheiding, het vermogen om te schrijven. Voor hem is de gapende klove zwart en hopeloos diep, zonder een enkel troostrijk baken. Onbekend met de aardrijkskunde, weet hij niet werwaarts hij gaat, noch hoe hij een brief moet adresseren. In alle opzigten is het eene scheiding, zoo hopeloos als die, welke de dood veroorzaakt, en even beslissend.

HOOFDSTUK IV.

DE SLAVENHANDEL.

Waarin is de levenskracht der slavernij hier te lande gelegen? De slavernij, die een onnatuurlijke en ziekelijke toestand der maatschappij is, en eene verkwistende en uitputtende wijze van bebouwing van den grond, zou reeds lang van zelve te niet gegaan en in onbruik geraakt zijn, ware zij niet in stand gehouden door deze of gene onnatuurlijke oorzaak.

Welke is in Amerika die onnatuurlijke oorzaak geweest? Waarom heeft de heelkracht der natuur, welke die ijselijke wonde in al de noordelijke Staten genas, gefaald aan de grensscheiding van het Zuiden? In Delaware, Maryland, Virginia en Kentucky heeft de slavenarbeid reeds sedert lang den grond bijna onherstelbaar verarmd, en is ten slotte geheel nadeelig geworden. 't Is welbekend, dat de kwestie der emancipatie in al die Staten breedvoerig is behandeld. Zij is besproken in de wetgevende vergaderingen, en mannen van het Zuiden hebben over de instelling der slavernij den banvloek uitgesproken in bewoordingen, zoo als alleen het Zuiden ze kan ingeven. Al wat er ooit in het Noorden van gezegd is, is met viervoudige kracht aangevoerd bij deze discussiën in het Zuiden. De wetgevende vergadering van den Staat Kentucky heeft eenmaal op het punt gestaan om maatregelen te nemen tot trapsgewijze emancipatie; de Staat Virginia is nagenoeg even ver gekomen, en Maryland heeft lang op den drempel staan weifelen. Er was een tijd toen niemand twijfelde, dat al deze Staten spoedig vrije Staten zouden zijn. En welke is nu de reden, waarom zij het niet geworden zijn? Waarom zijn die beraadslagingen thans verstomd, en gaat men rugwaarts op den weg van geregtigheid? Het antwoord is met één woord te geven. Het is de uitbreiding van het slavenhoudend gebied, en de openstelling van eene groote zuidelijke slavenmarkt, die den voortgang van de emancipatie gestuit heeft.

Terwijl deze Staten den slaaf begonnen te beschouwen als een wezen, dat toch mogelijk een mensch zou kunnen worden en terwijl zij voornamen om hem en zijne vrouw en kinderen den onschatbaren zegen der vrijheid te schenken, werd die groote zuidelijke slavenmarkt geopend. Het begon met de aanhechting van Missouri als een slavenhoudenden Staat, en het waren de uitgebragte stemmen van twee mannen uit het Noorden, die deze belangrijke zaak beslisten. Vervolgens vond door de toestemming en medewerking van mannen uit het Noorden, die onmetelijke toevoeging van slavengebied plaats, welke thans eene zoo onbegrensde markt oplevert, om de hebzucht van de noordsche slavenkweekende Staten te verlokken.

Deze uitbreiding van grondgebied zal de emancipatie van een menschenras misschien eeuwen lang vertragen. Honderdduizende slavengezinnen zijn daardoor gedoemd tot droefenis en hartverscheurende scheiding, tot kermen en geween; in al de zuidelijke Staten heeft zij slaven-magazijnen doen verrijzen met hunne akelige martelwerktuigen; zij heeft ontelbare slavenkaravanen doen geboren worden, die hunne ketens rammelen en in beklagelijken optogt dit land der vrijheid doortrekken.

Deze aanwinst van Slavenstaten heeft het hart van den meester verstaald en hetgeen te voren, vergelijkender wijze gesproken, eene vriendschappelijke betrekking was, doen veranderen in den afschuwelijksten en onmenschelijksten handel.

De planter, wiens slaven rondom hem opgewassen waren en die hij bijna als mannen en vrouwen had leeren beschouwen, zag thans op elk zwart voorhoofd niets dan den marktprijs. Deze man gold duizend dollars en gene acht honderd. De zwarte zuigeling in de armen zijner moeder was een biljet van honderd dollars en niets meer. Al de edeler hoedanigheden van hart en ziel, die den slaaf tot een broeder hadden moeten maken, gaven slechts eene hoogere waarde aan de koopwaar. Is de slaaf verstandig? Goed! dat maakt zijn prijs twee honderd dollars hooger. Is hij trouw en eerlijk? Goed! zet het in zijn certificaat; het is twee honderd dollars meer waard. Is hij Godsdienstig? Heeft die Heilige Geest Gods, wiens naam wij met eerbied en vreeze noemen, die verachte gedaante tot Zijn tempel verkozen? Laat ook dat in rekening gebragt worden bij den marktprijs, en de gave van den Heiligen Geest zal verkocht worden voor geld. Is hij een leeraar? 't Doet er niet toe; ook dat heeft zijn prijs op de markt. Uit de Kerk en van de Avondmaalstafel worden de Christen-broeder en zuster genomen om de slaven-karavaan te vergrooten. En de vrouw, met hare teederheid, zachtheid, schoonheid; de vrouw aan wie het gemengde bloed van zwarte en blanke, bekoorlijkheden heeft gegeven, die voor eene slavin een gevaarlijk geschenk zijn,--wat is haar rampzalig lot bij dien vreeselijken handel? De volgende hoofdstukken zullen, dien betreffende, bijzonderheden mededeelen, die het hart zullen toenijpen van elke Christelijke moeder, zoo zij inderdaad dien heiligen naam waardig is.

Maar wij zullen het niet bij beweringen laten. Wij hebben de kwestie geopperd, ten einde de bewijzen te leveren. Laten wij er toe overgaan.

Het bestaan van dezen afschuwelijken handel is aan velen bekend, de bijzonderheden en de ontzaggelijke uitbreiding daarvan slechts aan weinigen.

Wij zullen dit eenigzins in bijzonderheden nagaan. De Staten, die slaven uitvoeren, zijn: Maryland, Virginia, Kentucky, Noord-Carolina, Tennessee en Missouri. Dit zijn de slaven-kweekende, de overige de slaven-verbruikende Staten. In vorige hoofdstukken hebben wij de soort van advertentiën doen kennen, welke in die Staten gebruikelijk is; doch daar wij in de ziel des lezers iets van den indruk wenschen over te storten, die op ons-zelve gemaakt is door hare veeltalligheid en overvloed, zullen wij er hier nog eenige overnemen.

Uit den Staat Virginia:

Kanawha Republican, van Charleston in Virginia, 20 October 1852. Dat blad draagt aan het hoofd het motto Vrijheid, met eene banier: Drapeau sans tache.

Contant geld voor Negers.

De ondergeteekende wenscht te koopen eenige jonge negers, van 12 tot 25 jaren, voor welke de hoogste marktprijs contant zal betaald worden. Aan eenige regelen, hem over de post toegezonden, of aan een persoonlijk bezoek, zal dadelijk gevolg gegeven worden.

20 October 1852. Jas. L. Ficklin.

Alexandria Gazette, 28 October:

Contant geld voor Negers.

Voor het Zuiden wensch ik onverwijld zooveel negers, van 10 tot 30 jaren, te koopen als ik krijgen kan; ik wil den hoogsten contanten prijs betalen. Aan alle berigten wordt ten spoedigste voldaan.

West-End, te Alexandria in Virginia, 26 October. Joseph Bruin.

Lynchburg Virginian, 18 November:

Negers benoodigd.

De ondergeteekende, zich te Lynchburg gevestigd hebbende, geeft de hoogste contante prijzen voor negers, tusschen 10 en 30 jaren. Zij, die negers te koop hebben, zullen in hun belang handelen door zich mondeling of schriftelijk tot hem te wenden in het Washington-Hotel te Lynchburg.

5 November. J. B. McLendon.

Rockingham Register, 13 November:

Contant geld voor Negers.

Ik wensch een aantal negers van beiderlei sekse en van elken ouderdom te koopen voor de zuidelijke markt; ik zal de hoogste contante prijzen betalen. Op brieven, die aan mij te Winchester, in Virginia, gerigt worden, zal ik onverwijld antwoorden.

24 November 1846. H. J. McDaniel, Agent voor Wm. Crow.

Richmond Whig. 16 November:

Pulliam & Davis,

Houders van verkoopingen van Negers.

D. M. Pulliam. Hector Davis.

Bovengenoemden blijven voortgaan met het verkoopen van negers, aan hunne inrigting in Wall-street. Door hunne ervaring in deze zaken kunnen zij instaan, dat voor al de aan hen toevertrouwde negers de hoogste prijzen zullen erlangd worden. Zij komen ook verkoopingen van negers houden op plantagiën, en wenschen alle curatoren, executeurs en administrateurs opmerkzaam te maken, dat zij voor hunne verkoopen gunstige voorwaarden stellen. Zij zijn ook ingerigt om negers behoorlijk te huisvesten en te voeden, à 25 cents per dag.

Let wel.--Contant geld voor slaven.

Degenen, die in het graafschap Buckingham en de omliggende graafschappen in Virginia, slaven willen verkoopen, zullen, door zich te wenden tot Anderson D. Abraham, Sr., of tot zijn zoon Anderson D. Abraham, Jr., tot de hoogste contante prijzen plaatsing vinden voor honderd vijftig à twee honderd slaven. Een van de bovengenoemden zal gedurende de eerstvolgende acht maanden altijd aan hunne woning in bovengenoemd graafschap en Staat te vinden zijn. Men adressere zich aan Anderson D. Abraham, Sr., Postkantoor te Maysville, White Oak Grove, Buckingham County, Virginia.

Winchester Republican, 29 Junij 1852:

Negers benoodigd.

De ondergeteekende, zich gevestigd hebbende te Winchester in Virginia, wenscht een groot aantal slaven van beiderlei sekse te koopen, waarvoor hij den hoogsten contanten prijs zal betalen. Personen, die zich van hunne slaven willen ontdoen, zullen in hun belang handelen door zich tot hem te wenden, alvorens die te verkoopen.

Alle aanvragen, die aan hem gerigt worden in het Taylor-Hotel, te Winchester, in Virginia, zullen onverwijld worden beantwoord.

27 December 1851. Elijah McDowel, Agent voor B. M. & Wm. L. Campbell, van Baltimore.

Voor den Staat Maryland nemen wij de volgende advertentiën over:

Port Tobacco Times, van October 1852:

Slaven benoodigd.

De ondergeteekende is bij voortduring gevestigd te Middleville, in Charles County (vlak aan den weg van Port Tobacco naar Allen's Fresh), waar hij al de slaven blijft koopen, die te verkrijgen zijn. Steeds wordt de uiterste prijs betaald, en ruime commissie gegeven voor inlichtingen, die tot een aankoop leiden. Men adressere zich persoonlijk of schriftelijk aan hem te Allen's Fresh, Charles County.

Middleville, 14 April 1852. John G. Campbell.

Cambridge (Maryland) Democrat, 27 October 1852:

Negers benoodigd.

Ik wensch den slavenhouders van Dorchester en de omliggende graafschappen te berigten, dat ik weder aan de markt ben. Personen, die negers bezitten, welke voor hun leven slaven zijn, zullen in hun belang handelen met mij te spreken, daar ik voornemens ben de hoogste contante prijzen te betalen, waartoe de koers der zuidelijke markt regt geeft. Men kan mij vinden in het hotel van A. Hall te Easton, waar ik zal vertoeven tot 1o. Julij aanstaande. Brieven, die aan mij te Easton of aan Wm. Bell te Cambridge gerigt worden, zullen ten spoedigste worden beantwoord.

Elken Maandag zal ik mij in het hotel van John Bradshaw te Cambridge bevinden.

6 October 1852. Wm. Harker.

Westminster Carroltonian, 22 October 1852:

Vijf en twintig Negers benoodigd.

De ondergeteekende verlangt 25 fiksche jonge negers te koopen, voor welke de hoogste prijzen zullen betaald worden. Alle aanvragen, die men aan hem te Baltimore zal rigten, zullen stipt beantwoord worden.

2 Januarij. Lewis Winters.

Wat Tennessee aangaat vinden wij het volgende:

Nashville True Whig, 20 October 1852:

Te koop.

21 fraaije negers, van onderscheiden leeftijd.

6 October A. A. McLean, Algemeen Agent.

Benoodigd.

Ik wensch onmiddellijk te koopen een neger-timmerman. Ik zal een goeden prijs betalen.

6 October A. A. McLean, Algemeen Agent.

Nashville Gazette, 22 October:

Te koop.

Verscheidene zeer aardige meisjes van 10 tot 18 jaren, eene vrouw van 24, en een zeer geschikte vrouw van 25, met drie zeer lieve kinderen.

16 October 1852. Williams & Glover.

Benoodigd.

Ik wensch vijf en twintig fiksche negers,--mannen en vrouwen, tusschen 18 en 25 jaren--te koopen, waarvoor ik de hoogste contante prijzen betalen zal.

20 October A. A. McLean, Cherry Street.

Memphis Daily Eagle and Enquirer:

Vijfhonderd Negers benoodigd.

Wij zullen de hoogste contante prijzen betalen voor alle goede negers, die ons aangeboden worden. Allen, die negers te koop hebben, noodigen wij uit ons te komen spreken aan ons kantoor, tegenover de beneden-aanlegplaats der stoombooten. Wij zullen ook eene groote partij Virginia-negers in voorraad hebben. Wij hebben eene gevangenis, die even veilig is als eenige andere in het land en waar wij de negers, die men zou willen doen opsluiten, veilig kunnen bewaren.

Bolton, Dickins & Co.

Land en Negers te koop.

Voor een prijsje wenscht men ongeveer 400 acres land over te doen, waarvan 200 in goeden staat van bebouwing, gelegen bij den spoorweg, omstreeks tien mijlen van Memphis. Alsmede 18 of 20 fraaije negers, bestaande in mannen, vrouwen, jongens en meisjes. Voor de betaling van een gedeelte van den koopprijs zal uitstel gegeven worden.

17 October J. M. Provine.

Clarksville Chronicle, 3 December 1852:

Negers benoodigd.

Wij wenschen 25 geschikte negers te huren voor eene stoombootdienst tusschen New-Orleans en Louisville. Wij zullen zeer hooge prijzen betalen voor het saisoen, beginnende omstreeks 15 November.

10 September. McClure & Crozier, Agenten.

Uit Missouri:

Daily St. Louis Times, 14 October 1852:

Reuben Bartlett,

wonende nabij de Stadsgevangenis, zal de hoogste contante prijzen betalen voor alle goede negers, die hem aangeboden worden. Aan zijn kantoor zijn ook andere gegadigden bekend, die gaarne koopen en de hoogste contante prijzen betalen zullen.

Negers worden bij hem tot den laagsten prijs in den kost genomen.

Negers.

Blakely en McAfee hunne vennootschap met wederzijdsch goedvinden ontbonden hebbende, zal de ondergeteekende blijven voortgaan met ten allen tijde de hoogste contante prijzen te betalen voor negers van iedere soort. Hij zal zich ook belasten met den verkoop van negers in commissie, daar hij eene gevangenis heeft, ingerigt om hen in den kost te nemen.

Steeds zijn bij hem negers te koop.

A. B. McAfee, 93, Olive Street.

Honderd Negers benoodigd.

Juist van Kentucky teruggekeerd zijnde, wensch ik, zoo spoedig mogelijk, honderd fraaije negers te koopen, bestaande in mannen, vrouwen, jongens en meisjes, waarvoor ik steeds vijftig à honderd dollars per stuk meer zal geven dan eenig ander handelaar te St. Louis of in den Staat Missouri. Men kan mij steeds vinden in "Barnum's City Hotel," te St. Louis.

John Mattingly.

Uit een ander blad van Missouri:

Negers benoodigd.

Ik betaal steeds de hoogste contante prijzen voor alle goede negers, die mij te koop geboden worden. Ik koop voor de markten van Memphis en Louisiana, en kan en zal zoo hooge prijzen betalen als eenig handelaar in dezen Staat. Allen, die negers te koop hebben, zullen wel doen zich tot mij te vervoegen aan mijne woning, no. 210, hoek van de Sixth en Wash-streets, te St. Louis.

Thos. Dickins, van de firma Bolton, Dickins & Co.

Honderd Negers benoodigd.

Juist van Kentucky teruggekeerd zijnde, wensch ik zoo spoedig mogelijk, honderd fraaije negers te koopen, bestaande in mannen, vrouwen, jongens en meisjes, waarvoor ik steeds vijftig à honderd dollars per stuk meer zal geven dan eenig ander handelaar te St. Louis of in den Staat Missouri. Men kan mij steeds vinden in "Barnum's City Hotel," te St. Louis.

John Mattingly.

B. M. Lynch,

No. 104, Locust-street, te St. Louis in Missouri, is bereid de hoogste contante prijzen voor goede en fiksche negers te betalen; of voor anderen op eene goede plaats en onder eene veilige bewaring negers in den kost te nemen. Hij belast zich ook met den koop en verkoop van negers in commissie.

Steeds zijn bij hem negers te koop.

Wij bidden u, Christelijke lezer, te overwegen, welke soort van tooneelen in Virginia onder die advertentiën plaats grijpen. Gij ziet uit hare met zorg gekozene bewoordingen, dat alleen jongelieden genomen worden; en zij zijn slechts een proefje van de advertentiën, die maanden achtereen in de bladen van Virginia voorkomen. In een volgend hoofdstuk zullen wij den lezer het inwendige van die slaven-gevangenissen laten zien en hem het een en ander mededeelen van de dagelijksche voorvallen in deze soort van handel. Wij willen thans nog een blik werpen op de soortgelijke advertentiën in de zuidelijke Staten. De neger-karavanen, die in Virginia en de andere Staten gevormd worden, vindt men als volgt aangekondigd op de zuidelijke markt.

Uit den Natchez (Mississippi) Free-Trader, 20 November:

Negers te koop.

De ondergeteekenden zijn zoo even aangekomen, regtstreeks van Richmond in Virginia, met een nieuwen en fraaijen voorraad negers, bestaande in: veld-arbeiders, huisbedienden, naaisters, keukenmeiden, waschvrouwen en strijksters, een uitstekend metselaar en andere ambachtslieden, die zij nu te koop bieden aan den Driesprong nabij Natchez in Mississippi, tot de billijkste prijzen.

Zij zullen gedurende het saisoen verschen toevoer van Richmond in Virginia blijven ontvangen en aan alle orders voor elke soort van negers, die te Richmond verkocht worden kunnen, voldoen.

Gegadigden zullen weldoen, onzen voorraad te komen bezigtigen, alvorens elders te koopen.

20 November. Matthews, Branton & Co.

Aan het Publiek. Koop en Verkoop van Negers.

Robert S. Adams en Moses J. Wicks hebben heden eene vennootschap aangegaan onder de firma Adams & Wicks, voor den koop en verkoop van negers in de stad Aberdeen en elders. Zij hebben een agent aangesteld, die in de beide laatste maanden negers voor hen in de oude Staten heeft opgekocht. Een lid der firma, Robert S. Adams, vertrekt heden naar Noord-Carolina en Virginia en zal daar een groot getal negers voor deze markt aankoopen. Zij zullen gedurende het aanstaande najaar en den winter in hun depôt te Aberdeen een ruimen voorraad uitgezochte negers voorhanden hebben, die zij verkoopen zullen tot lage prijzen à contant, of voor wissels op Mobile.

Aberdeen in Mississippi, Robert S. Adams. 7 Mei 1852. Moses J. Wicks.

Slaven! Slaven! Slaven!

Wekelijks versche aanvoer.--Daar wij ons gevestigd hebben aan den Driesprong, nabij Natchez, bij een contract voor verscheidene jaren, hebben wij thans voorhanden, gelijk wij het geheele jaar door zullen hebben, een uitgebreiden en goed gesorteerden voorraad negers, bestaande in veld-arbeiders, huisbedienden, ambachtslieden, keukenmeiden, naaisters, waschvrouwen, strijksters, enz., welke wij even laag of lager dan eenig ander huis alhier of te New-Orleans kunnen en willen verkoopen.

Personen, die aankoopen wenschen te doen, worden aangemaand ons te bezoeken alvorens zich elders te verbinden, daar onze geregelde aanvoer ons steeds voorziet van een goed en aanzienlijk assortiment. Wij geven den verkoopers vele faciliteiten. Komt en ziet!

16 October 1852. Griffins & Pullam.

Negers te koop.

Ik ben zoo even aan den Driesprong teruggekeerd met vijftig fraaije jonge negers.

22 September R. H. Elam.

Let wel!

De ondergeteekende berigt het geëerde publiek, dat hij zijne plaats aan den Driesprong voor eenige jaren gehuurd heeft en voornemens is gedurende den loop van het jaar aldaar eene aanzienlijke partij negers in voorraad te houden. Hij zal die even laag of lager verkoopen dan eenig handelaar alhier of te New Orleans.

Hij is juist van Virginia teruggekeerd met eene fraaije partij veld-arbeiders en arbeidsters en huisbedienden, drie keukenmeiden, een timmerman en drie paarden. Komt en ziet.

Thos. G. James.

Daily Orleanian, 19 October 1852.

W. F. Tannehill, No. 159, Gravier-street. Slaven! Slaven! Slaven!

Zij zijn steeds in voorraad, en worden gekocht en verkocht tot de billijkste prijzen. Veld-arbeiders, keukenmeiden, waschvrouwen, strijksters en in het algemeen alle huisbedienden. Er kunnen informatiën gegeven worden.

14 October.

(De volgende advertentie was in het Fransch gesteld.)

Slavendepôt te New Orleans, No. 68, Rue Baronne.

Wm. F. Tannehill & Co. hebben steeds een compleet assortiment met zorg gekozene slaven te koop. Ook koopen en verkoopen zij slaven in commissie.

Zij hebben thans in voorraad een groot getal negers, die per maand verhuurd worden, en waaronder zich bevinden jonge knapen, huisbedienden, keukenmeiden, waschvrouwen, strijksters, minnen, enz.

Inlichtingen te verkrijgen bij:

Wright, Williams & Co. Moon, Titus & Co. Williams, Phillips & Co. S. O. Nelson & Co. Moses Greenwood. E. W. Diggs.

New-Orleans Daily Crescent, 21 October 1852:

Slaven!

James White, No. 73, Baronne-street, te New Orleans, zorgt met naauwgezetheid voor de ontvangst, het onderhoud en den verkoop van aan hem geconsigneerde slaven. Hij koopt en verkoopt ook in commissie. Inlichtingen te verkrijgen bij de heeren Robson & Allen McRea, Coffman & Co.; Pregram, Bryan & Co.

23 September.

Negers benoodigd.

Er worden vijftien of twintig goede mannelijke negers gevraagd voor eene plantage. Het beste loon zal gegeven worden tot 1 Januarij 1853.

Men adressere zich aan

11 September. Thomas G. Mackey & Co. 5, Canal-street, hoek van het Magazijn, bovenverdieping.

Uit een ander nommer van den Natchez Free Trader nemen wij het volgende over:

Negers.

De ondergeteekende berigt aan het geëerde publiek, dat hij thans eene partij van vijf en veertig negers in handen heeft, daar hij heden eene bezending van vijf en twintig heeft ontvangen regtstreeks uit Virginia, twee of drie goede keukenmeiden, een wagenvoerder, een goede huisknecht, een vioolspeler, eene keurige naaister, en een fiksch partijtje veld-arbeiders en arbeidsters; al dewelke hij met eene kleine winst zal van de hand doen, daar hij wenscht uit te verkoopen en naar Virginia terug te keeren om een partijtje voor den najaarshandel uit te zoeken. Komt en ziet.

Thomas G. James.

De slavenkweekerij der noordelijke Staten is meermalen aangetoond, besproken en erkend, zoo in de handelstatistiek dier Staten, als in de redevoeringen van regtschapene mannen, die dit teregt betreurd hebben als eene vernedering huns vaderlands.

In 1811 rigtte de "British and Foreign Anti-Slavery Society" eenige vragen betreffende den binnenlandschen Amerikaanschen slavenhandel aan de "American Anti-Slavery Society". Ter voldoening daaraan werd een veelzijdig onderzoek in het werk gesteld, welks resultaten te Londen het licht zagen, en uit dat boekdeel nemen wij het volgende over:

De Virginia Times (een weekblad dat te Wheeling in Virginia verschijnt) schat in 1836 het aantal slaven, die ten verkoop uit dien Staat alleen uitgevoerd zijn gedurende de voorafgegane twaalf maanden, op veertig duizend, wier gemiddelde waarde op vier en twintig millioen dollars berekend wordt.

Zoo men wil aannemen, dat Virginia alleen de helft van den uitvoer in het genoemde tijdvak heeft geleverd, dan komen wij tot het ontzettende cijfer van tachtig duizend slaven, die in één enkel jaar uit de slavenkweekende Staten zijn vervoerd. Wij kunnen niet met zekerheid bepalen in welke evenredigheid door de andere Staten tot den uitvoer bijgedragen is; maar Maryland komt ten aanzien der getallen het naast bij Virginia, Noord-Carolina volgt op Maryland, Kentucky op Noord-Carolina en dan komen Tennessee en Delaware.

De Natchez (Mississippi) Courier zegt, "dat de Staten Louisiana, Mississippi, Alabama en Arkansas gedurende 1836 twee honderd en vijftig duizend slaven uit de meer noordelijk gelegene Staten ingevoerd hebben."

Dit zou volstrekt ongeloofelijk schijnen; maar vermoedelijk zijn hierin al de slaven begrepen, die met hunne meesters medegekomen zijn toen deze zich hier nedergezet hebben. De volgende zinsneden uit den Virginia Times schijnen die stelling te bevestigen:

"Door deskundigen hebben wij het getal slaven, die in de laatst verloopen twaalf maanden van Virginia uitgevoerd zijn, hooren schatten op honderd en twintig duizend, makende, elken slaaf gemiddeld ten minste op zes honderd dollars gerekend, eene som van twee en zeventig millioen dollars. Van het getal uitgevoerde slaven is niet meer dan een derde gedeelte verkocht, zijnde de andere medegenomen door hunne meesters die verhuisd zijn."

Zoo men een derde gedeelte als het getal der verkochten beschouwt, zijn er meer dan tachtig duizend ten verkoop ingevoerd in de vier Staten Louisiana, Mississippi, Alabama en Arkansas. Onderstelt men dat de helft van tachtig duizend verkocht zijn in de overige aankoopende Staten, Zuid-Carolina, Georgia en het gebied van Florida, dan komt men tot de conclusie, dat eenige jaren vóór de groote financieele crisis van 1837, meer dan honderd en twintig duizend slaven van de aankweekende naar de verbruikende Staten werden uitgevoerd.

De Baltimore American neemt het volgende over uit een blad van den Staat Mississippi, van het jaar 1837:

"Uit het rapport over de bestaande financieele crisis, opgemaakt door de in eene bijeenkomst der burgers van Mobile benoemde commissie, blijkt, dat er een zoo uitgestrekt gebruik is gemaakt van slaven-arbeid, dat Alabama sedert 1833 jaarlijks voor ongeveer tien millioen dollars van die soort van eigendom van andere Staten gekocht heeft."

"Het handelen in slaven," zegt het Baltimore (Maryland) Register van 1829, "is een veel omvattend bedrijf geworden; op verscheidene plaatsen in Maryland en Virginia zijn etablissementen opgerigt, waar zij als vee verkocht worden. Deze bewaarplaatsen zijn stevig gebouwd en ruim voorzien van ijzeren duimschroeven en mondproppen, en opgetooid met allerlei soorten van lederen zweepen, waaraan men dikwijls het bloed ziet kleven."

Professor Dew, thans president van de "University of William and Mary", in Virginia, zegt op blz. 120 van zijn overzigt van de debatten, in 1831 en 1832 in de wetgevende vergadering van Virginia gehouden:

"Aangezien een volkomen equivalent in de plaats van den slaaf gelaten wordt (de koopprijs), is deze emigratie een voordeel voor den Staat, en vermindert de zwarte bevolking niet zoo veel als bij den eersten oogopslag zou schijnen, dewijl de meester hierin alle aanleiding vindt, om goed voor de negers te zorgen, hunne vermeerdering te bevorderen en er het grootst mogelijke getal van aan te kweeken." En iets verder zegt hij: "Virginia is inderdaad eene slavenkweekschool voor de andere Staten."

De heer Goode zeide in 1832 in eene redevoering, die hij in de wetgevende vergadering van Virginia hield:

"Het overgroote nut der slaven in het Zuiden zal daarnaar zooveel vraag doen ontstaan, dat zij er door van onze grenzen verwijderd zullen worden. Wij zullen hen uit onzen Staat zenden, dewijl ons belang dit zal medebrengen; maar er zijn leden, die vreezen, dat de markten van andere Staten voor den invoer onzer slaven gesloten zullen worden. Mijne heeren, de vraag naar slavenarbeid moet toenemen," enz.

Bij de debatten van de Conventie van Virginia in 1829, zeide de regter Upshur:

"De waarde der slaven, als eigendom, hangt veel af van den toestand der buitenmarkt. Uit dit oogpunt beschouwd, is het de waarde van land in andere Staten, niet hier, die den maatstaf aan de hand geeft. Niets is wisselvalliger dan de waarde der slaven. Eene onlangs in Louisiana aangenomene wet, deed, twee uren nadat hare aanneming bekend was geworden, hunne waarde vijf en twintig percent dalen. Zoo, gelijk ik ook vertrouw, de aanwinst van het landschap Texas ons beschoren ware, zal hun prijs weder vooruitgaan."

De heer Philip Doddridge zeide in de zoo even genoemde Conventie (blz. 89 der debatten):

"De aanwinst van Texas zal de waarde van den bedoelden eigendom (de slaven) grootelijks vermeerderen."

Door Dr. Graham, van Fayetteville, in Noord-Carolina, werd in eene bijeenkomst van belanghebbenden bij de kolonisatie, gehouden in het najaar van 1837, gezegd:

"In den afgeloopen winter werden ongeveer zeven duizend slaven op de markt van New-Orleans te koop geboden. Alleen van Virginia werden jaarlijks zes duizend naar het Zuiden gezonden, en uit Virginia en Noord-Carolina waren in de laatste twintig jaren drie honderd duizend slaven naar het Zuiden gevoerd."

De heer Henry Clay, van Kentucky, zegt in de rede, die hij in 1829 voor de "Colonisation Society" uitsprak:

"Het is te gelooven, dat nergens in de landbouwende streken der Vereenigde Staten van slaven-arbeid algemeen gebruik zou gemaakt worden, indien de grondeigenaren niet verlokt werden om slaven op te kweeken, door hun hoogen prijs op de markten in het Zuiden."

In het New-York Journal of Commerce, van 12 October 1835, komt een brief voor van een Virginiër, wien de redacteur "een achtenswaardig en gevoelig man" noemt, en die daarin opgeeft dat in genoemd jaar, hetwelk nog slechts voor drie vierde gedeelten verstreken was, twintig duizend slaven uit Virginia naar het Zuiden waren vervoerd.

De heer Gholson zeide in eene rede, welke hij den 18 Januarij 1831 in de wetgevende vergadering van Virginia uitsprak (zie den Richmond Whig):

"'t Is er door lieden van den ouderwetschen stempel altijd voor gehouden (misschien ten onregte), dat de eigenaar van een land een beslist regt heeft op de jaarlijksche opbrengst; de eigenaar van boomgaarden, op de jaarlijksche vruchten; de eigenaar van merries op hare veulens, en de eigenaar van slavinnen op hare kinderen. Wij bezitten het fijn geslepene verstand niet, noch de regtskennis, om het technische onderscheid te kunnen zien, dat door sommigen gemaakt is," (namelijk het onderscheid tusschen merriën en slavinnen.) "De regtsregel partus sequitur ventrem is te gelijk ontstaan met het eigendomsregt-zelf, en gegrond op wijsheid en regtvaardigheid. Het is uithoofde van de regmatigheid en onschendbaarheid van dezen stelregel, dat de meester zich berooft van de diensten der slavin, haar laat verplegen en oppassen en haar hulpeloos kind opvoedt. De waarde der bezitting regtvaardigt de kosten, en ik aarzel niet te zeggen, dat in de vermeerdering daarvan veel van onzen rijkdom bestaat.

Kan eenig vertoog over den toestand, waarin de openbare meening door het stelsel der slavernij gebragt wordt, zooveel zeggen als deze woorden, wanneer wij bedenken dat zij in de wetgevende vergadering van Virginia uitgesproken zijn? Zou men niet gelooven, dat Washington moet blozen in zijn graf, dat de Staat, waar hij het levenslicht aanschouwde, zoo diep gevallen is? Dat er echter nog harten in Virginia klopten, die gevoelig voor de schande waren, blijkt uit het volgende antwoord van den heer Faulkner aan den heer Gholson, in de Virginische kamer van afgevaardigden in 1832 (zie den Richmond Whig):

"Maar hij (de heer Gholson) heeft trachten aan te toonen, dat de afschaffing der slavernij onstaatkundig zou zijn, dewijl uwe slaven den geheelen rijkdom van den Staat uitmaken, het geheele productief vermogen vormen, dat Virginia bezit; en, mijne heeren, zoo als de tegenwoordige stand van zaken is, geloof ik dat hij gelijk heeft. Hij zegt, dat de slaven den geheelen beschikbaren rijkdom van oostelijk Virginia uitmaken. Is het waar, dat gedurende twee honderd jaren de eenige vordering in den rijkdom en de middelen van Virginia een gevolg geweest is van de natuurlijke toeneming van dat rampzalige geslacht? Kan het zijn, dat deze Staat geheel afhankelijk is van dien aanwas? Vóór dat ik deze verklaringen hoorde; had ik de afgrijselijke diepte van dit kwaad niet volkomen gepeild. Deze heeren voeren een feit aan, dat door de geschiedenis en den tegenwoordigen toestand der Republiek maar al te zeer bevestigd wordt. Hoe, mijne heeren, hebt gij twee honderd jaren zonder persoonlijke inspanning of productieve nijverheid geleefd, in buitensporigheden en vadsigheid, alleen staande gehouden door de opbrengst van den verkoop der vermeerdering van de slaven en slechts die behoudende, welke uwe thans verarmde landerijen kunnen onderhouden als voortkweekers?"

De heer Thomas Jefferson Randolph voerde de volgende taal in de wetgevende vergadering van Virginia (Liberty Bell, bLz. 20):

"Ik ben het met de heeren eens, aangaande de noodzakelijkheid om den Staat voor de binnenlandsche verdediging te wapenen. Ik zal met hen medewerken tot alle middelen om het vertrouwen bij het algemeen te doen herleven en onze vrouwen en kinderen een gevoel van veiligheid in te boezemen. Blaar toch, mijneheeren, moet ik vragen, op wie de last van deze verdediging drukken zal? Niet op de weelderige meesters van hunne honderd slaven, die nimmer zullen uittrekken dan om met hunne gezinnen te vlugten als het gevaar dreigt. Neen, mijne heeren, hij zal drukken op de minder rijke klasse onzer burgers, voornamelijk op hen die geene slavenhouders zijn. Ik heb patrouilles gezien waaronder niet één slavenhouder was, en dit is het doorgaande gebruik des lands. In tijden van beroering heb ik rustig geslapen, zonder door eenige zorg gekweld te zijn, terwijl die personen, die niets van al dien eigendom bezaten, door dwang genoodzaakt, voor de kleinigheid van vijf en zeventig cents in de twaalf uren, rondom mijn huis patrouilleerden en dien eigendom bewaakten die even gevaarlijk was voor hen als voor mij. In allen gevalle is dit ook slechts een hulpmiddel. Naarmate deze bevolking talrijker wordt, is zij minder voortbrengend. Uwe wacht moet vermeerderd worden, tot eindelijk de voordeelen niet meer opwogen tegen de kosten om haar in toom te houden. De slavernij heeft de vermindering der vrije bevolking van een land tot gevolg.

"Mijnheer heeft de kinderen van de slavinnen als een gedeelte van het voordeel opgenoemd. Dit wordt toegegeven; maar geen groot kwaad kan uit den weg geruimd, geen goed tot stand gebragt worden, zonder dat er eenige bezwaren uit voortvloeijen. 't Is nu de vraag in hoe verre het wenschelijk is, dezen tak van voordeel te bevorderen en aan te moedigen. Het is in sommige gedeelten van Virginia eene practijk, en wel een toenemende practijk, slaven voor de markt op te kweeken. Hoe kan een man van eer, een vaderlander, een beminnaar van zijn geboortegrond, het gezigt dulden, dat de oude Staten, verheerlijkt door de zelfopoffering en vaderlandsliefde hunner zonen in den kamp der vrijheid, veranderd worden in ééne groote menagerie, waar menschen voor de markt worden gefokt gelijk runderen voor de slagtbank? Is het beter, neen, is het niet nog slechter dan de slavenhandel, een handel die slechts door de vereenigde pogingen van alle deugdzamen en verstandigen van elk geloof en elke hemelstreek kan afgeschaft worden? De handelaar ontvangt den slaaf, die door taal, voorkomen en zeden voor hem een vreemdeling is, van den koopman, die hem uit het binnenland gehaald heeft. De banden van vader, moeder, echtgenoot en kind zijn alle vaneen gerukt; eer hij hem ontvangt, is zijne ziel verstompt. Maar hier, mijne heeren, worden personen, die de meester van kindsbeen aan gekend heeft, die hij heeft zien dartelen in de onschuldige buitelingen der kindschheid, die zich gewend hebben tot hem op te zien om bescherming, door hem ontrukt aan de armen der moeder en verkocht in een vreemd land, onder vreemde menschen en neêrgebogen onder de zweep van wreede opzigters.

Hij heeft de slavernij hier pogen te verdedigen op grond dat zij bestaat in Afrika, en voorts beweerd, dat zij over de geheele wereld bestaat. Op denzelfden grond kon hij het Mahomedaansche geloof voorstaan, met de veelwijverij, de voortdurende strooptogten en rooverijen en moorden, of eenige andere afschuwelijkheid van de wilden. Bestaat de slavernij in eenig gedeelte van het beschaafde Europa? Neen, mijne heeren, nergens.

De berekeningen in het boekdeel, waaruit wij onze aanhalingen overgenomen hebben, dagteekenen van het jaar 1841. Sedert dien tijd is de oppervlakte van de zuidelijke slavenmarkt verdubbeld en heeft de slavenhandel eene daarmede gelijken tred houdende uitbreiding ondergaan. De bladen in het Zuiden wemelen van advertentiën dienbetreffende. Het is, om de waarheid te zeggen, de groothandel van die streken. Alleen uit de haven van Baltimore zijn in de twee laatste jaren duizend en drie en dertig slaven verscheept naar de zuidelijke markt, zoo als blijken kan uit de volgende opgave van het tolkantoor.

LIJST van het aantal schepen met slaven aan boord, die van 1 Januarij 1851 tot 20 November 1852 in het district Baltimore naar zuidelijke havens uitgeklaard zijn:

DATUMS. SOORT. NAMEN. BESTEMMING. GETAL SLAVEN. 1851. Jan. 6 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 16 Jan. 10 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 6 Jan. 11 Bark, Elizabeth, New Orleans, 92 Jan. 14 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 9 Jan. 17 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 6 Jan. 20 Bark, Cora, New Orleans, 14 Feb. 6 Bark, E. A. Chapin, New Orleans, 31 Feb. 8 Bark, Sarah Bridge, New Orleans, 34 Feb. 12 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 5 Feb. 24 Schoener, H. A. Barling, New Orleans, 37 Feb. 26 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 3 Feb. 28 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 42 Maart 10 -- Edward Everett, New Orleans, 20 Maart 21 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 11 Maart 19 Bark, Baltimore, Savannah, 13 April 1 Sloep, Herald, Norfolk (Virg.), 7 April 2 Brik, Waverley, New Orleans, 31 April 18 Sloep, Baltimore, Arquia Creek 4 (Virg.), April 23 -- Charles, New Orleans, 25 April 28 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 5 Mei 15 Sloep, Herald, Norfolk (Virg.), 27 Mei 17 Schoener, Brilliant, Charleston, 1 Junij 10 Sloep, Herald, Norfolk (Virg.), 3 Junij 16 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 4 Junij 20 Schoener, Truth, Charleston, 5 Junij 21 -- Herman, New Orleans, 10 Julij 19 Schoener, Aurora, Charleston, 1 Sept. 6 Bark, Kirkwood, New Orleans, 2 Oct. 4 Bark, Abbott Lord, New Orleans, 1 Oct. 11 Bark, Elizabeth, New Orleans, 70 Oct. 18 -- Edward Everett, New Orleans, 12 Oct. 20 Sloep, Georgia, Norfolk (Virg.), 1 Nov. 13 -- Eliza F. Mason, New Orleans, 57 Nov. 18 Bark, Mary Broughtons, New Orleans, 47 Dec. 4 -- Timoleon, New Orleans, 22 Dec. 18 Schoener, H. A. Barling, New Orleans, 45 1852. Jan. 5 Bark, Southerner, New Orleans, 52 Feb. 7 -- Nathan Hooper, New Orleans, 51 Feb. 21 -- Dumbarton, New Orleans, 2 Maart 27 Sloep, Palmetto, Charleston, 36 Maart 4 Sloep, Jewess, Norfolk (Virg.), 34 April 24 Sloep, Palmetto, Charleston, 8 April 25 Bark, Abbott Lord, New Orleans, 36 Mei 15 -- Charles, New Orleans, 2 Junij 12 Sloep, Pampero, New Orleans, 4 Julij 3 Sloep, Palmetto, Charleston, 1 Julij 6 Sloep, Herald, Norfolk (Virg.), 7 Julij 6 Sloep, Maryland, Arquia Creek 4 (Virg), Sept. 14 Sloep, North Carolina, Norfolk (Virg.), 15 Sept. 23 -- America, New Orleans, 1 Oct. 15 -- Brandywine, New Orleans, 6 Oct. 18 Sloep, Isabel, Charleston, 1 Oct. 28 Schoener, Maryland, New Orleans, 12 Oct. 29 Schoener, H. M. Gambrill, Savannah, 11 Nov 1 -- Jane Henderson, New Orleans, 18 Nov. 6 Sloep, Palmetto, Charleston, 3 1033

Zoo wij nog een blik slaan op de advertentiën zullen wij zien, dat de handelaars alleen de jonge slaven nemen, tusschen de tien en dertig jaren. Maar hier betreft het slechts ééne haven en slechts ééne wijze van uitvoer; want groote getallen worden in karavanen over land verzonden; en evenwel vindt de heer J. Thornton Randolph goed, de negers van Virginia voor te stellen als levende in landelijke rust, vreedzaam hunne pijp rookende onder hunne eigene wijnstokken en vijgenboomen, terwijl de patriarch van den troep verklaart, "dat hij in zijn heele leven niet gehoord heeft van het verkoopen van een neger naar Georgia, tenzij die neger zich uiterst slecht gedragen had."

De commissie tot de opstelling van het boek, dat wij boven hebben aangehaald, geeft eene treffende schets van den invloed van dien handel op meester en slaaf beide, die wij niet kunnen nalaten over te nemen:

Dit stelsel drukt met ontzettende zwaarte op den slaaf. Het houdt hem onder voortdurende vrees van aan den zieldrijver [17] verkocht te zullen worden, hetwelk voor den slaaf de verwezenlijking is van alle denkbare jammer en ellende en door hem erger gevreesd wordt dan de dood. Een ontzettend voorgevoel van dit lot hangt den rampzalige dag en nacht, van de wieg tot aan het graf, boven het hoofd. Hij weet, dat er geen uur voorbijgaat, hetzij hij slape hetzij hij wake, dat niet het laatste welligt zal zijn, hetwelk hij bij vrouw en kinderen doorbrengt. Elken dag of week wordt een bekende van zijne zijde weggerukt, en zoo blijft de herinnering aan zijn eigen gevaar voortdurend bij hem levendig. "Eerlang zal gewis de beurt aan mij komen," is zijne folterende gedachte; want hij weet, dat hij daarvoor opgekweekt is, als een os voor het juk, als een schaap voor de slagtplaats. In dezen staat van zaken is de toestand van den slaaf waarlijk onbeschrijfelijk. Wachten, al betreft het geene zaak van gewigt en al duurt het slechts een nacht, is moeijelijk te verduren. Maar wanneer iets vreeselijks hangt boven alles, volstrekt boven alles wat dierbaar is, en over het tegenwoordige zijne schaduw en over de toekomst eene sombere tint werpt, dan waarlijk moet het hart er onder breken. En dat is het zwaard, dat iederen slaaf in de slavenkweekende Staten, voortdurend boven het hoofd hangt. Zijn gering deel van geluk wordt er door vergiftigd. Zoo hij vader is, kan hij niet naar den arbeid gaan zonder in gedachten zijne vrouw en kinderen vaarwel te zeggen. Hij kan niet aêmechtig en afgemat van het veld terugkeeren, met de zekerheid dat hij zijne stulp niet beroofd en ledig zal vinden. Evenmin kan hij zich neêrstrekken op zijn bed van stroo en lappen zonder de snerpende vrees, dat zijne vrouw vóór den morgen uit zijne armen gescheurd zal worden. Nadert een blanke zijns meesters huis, hij vreest dat de zieldrijver gekomen is en verwacht met schrik des opzigters bevel: "Gij zijt verkocht; volg dien man." Er is geen wezen op aarde, die den slaven in de slavenkweekende Staten zooveel schrik inboezemt als de handelaar. Hij is hun wat de roofzuchtige ronselaar voor hunne minder beklagenswaardige broederen in de wildernissen van Afrika is. De meester weet dit, als ook dat er geene zoo krachtige straf is om eenig werk verrigt te krijgen of hen van slecht gedrag af te houden, dan de bedreiging dat hij hen aan den zieldrijver zal overleveren.

"Een ander gevolg van dit stelsel is de aanmoediging van losbandigheid. Deze is inderdaad overal eene der zwartste vlekken op de slavernij; doch voornamelijk heeft zij onbeteugeld de bovenhand waar het aankweeken van slaven als een bedrijf wordt uitgeoefend. Zij is eene der regtstreeksche gevolgen van het stelsel en onafscheidelijk daarvan.

De geldelijke verlokking tot een algemeen zedenbederf moet zeer sterk zijn, daar de winst van den meester met de vermeerdering der slaven stijgt, en voornamelijk sedert voor het gemengde bloed een aanmerkelijk hoogere prijs besteed wordt dan voor het zuiver zwart."

Het overige van deze beschouwing treedt in bijzonderheden, die te schrikkelijk zijn om hier overgenomen te worden. Men vindt ze in het bedoelde boekdeel op blz. 13.

De dichters van Amerika, getrouw aan hunne heilige roeping, hebben over sommige der ontzettende realiteiten van den slavenhandel het zachte licht der poëzij uitgestort. Longfellow en Whittier hebben in verzen, zoo schitterend als paarlen, doch tevens zoo smartelijk als de tranen eener moeder, eenige voorvallen uit dit onnatuurlijk en akelig bedrijf geschetst. Laten wij, om de wille der menschheid, hopen dat in het eerste gedicht geen alledaagsch voorval beschreven wordt.

DE QUARTERONNE. [18]

Des slavenhalers schip lag daar Voor anker op de reê; Hij wachtte nog op 't maanlicht maar En de avond-eb der zee.

Zijn boot lag aan den wal en 't volk Joeg met een driesten moed, Den alligator uit zijn kolk Naar 't midden van den vloed.

Oranjegeur woei keer op keer Hun tegen van het strand, Als aâmde er een uit beter sfeer Een wereld toe vol schand.

De planter rookte kalm en zoet In schaaûw van 't rieten dak; De slavenhaler maakte spoed, De hand aan 't hek, en sprak:

"Mijn schip ligt ginder kant en klaar Voor anker op de reê; Ik wacht nog op het maanlicht maar En de avond-eb der zee."

Vòòr hen, met opgeheven blik, Maar toch door schroom geplaagd, Zat, half nieuwsgierig, half vol schrik, Een Quarteronne-maagd.

Haar groot schoon oog--het glansde als git, Haar arm en hals was bloot, Zij droeg een rok slechts, blinkend wit, En 't hair, dat haar omvloot.

En om haar mondje speelde een lach, Zoo als uw oog misschien Ter kerk in 't beeld van marmer zag, En heilgen dacht te zien.

"De grond wordt schraal, de hoeve is oud," Zei toen de planter weêr, En sloeg nu eens het oog op 't goud En dan op 't meisje neêr.

Er kampte een tweestrijd in zijn ziel Om winst, zoo laag als snood; Hij wist van wien ze 't leven hiel, Wiens bloed haar borst doorvloot.

In 't eind--zijn beter ik bezweek; Hij nam het blinkend goud. Toen werd het meisje doodlijk bleek, Haar hand als ijs zoo koud.

De slavenhaler greep die hand, En bragt, bij maanlichtschijn, Ze aan boord, om in het vreemde land Hem ter boelin te zijn.

H. W. Longfellow.

KLAGT

Eener slavenmoeder van Virginia over hare dochters, naar het Zuiden als slavinnen verkocht.

Ach, verkocht of 't slagtvee was, Naar het vunzig rijstmoeras, Waar de slavenzweep staâg prest. Waar 't insect venijnig kwetst, Waar de koorts haar gift in 't bloed Met den nachtdauw vloeijen doet, Waar het zieklijk zonlicht kampt Met den pestwalm die er dampt!-- Ach, verkocht of 't slagtvee was, Naar het vunzig rijstmoeras, Weggevoerd door beulenhand Uit Virgienje's heuv'lig land. Wee mij! van zijn waterstroomen, Zijn mijn kindren weggenomen!

Ach, verkocht of 't slagtvee was, Naar het vunzig rijstmoeras! Daar hoort 's moeders oor haar nooit, Ziet geen moederoog haar ooit; Nooit, wanneer de geeselriem 't Lijf haar voort met striem bij striem, Streelt een moederhand haar teêr, Vlijen ze aan haar borst zich neêr. Ach, enz.

Ach, verkocht of 't slagtvee was, Naar het vunzig rijstmoeras! Als zij 's avonds, God weet hoe! 't Veld verlaten, loom en moê, Flaauw van pijn, en uitgeput Keeren naar heur sombre hut,-- Snelt geen broeder ze in 't gemoet, Brengt geen vader haar zijn groet. Ach, enz.

Ach, verkocht of 't slagtvee was, Naar het vunzig rijstmoeras! Verre van den boom waar 't paar Speelde en stoeide met elkaâr; Van de bronwel, aan wier rand Zij vaak dwaalden hand aan hand; Van de woning van 't gebed, Waar zij hoorden van Gods wet. Ach, enz.

Ach, verkocht of 't slagtvee was, Naar het vunzig rijstmoeras! Over dag geen oogwenk rust, 's Nachts ter prooi aan 's planters lust. Och, greep nu de dood ze maar! Rustten zij slechts naast elkaâr, Waar geen dwing'land haar meer pijnt, En de boei niet langer schrijnt! Ach, enz.

Ach, verkocht of 't slagtvee was, Naar het vunzig rijstmoeras! Om 't gekrookte riet, dat Hij Spaart uit Vadermedelij', Zij Hij, die alleen maar weet Wat mijn dierbaar kroost al leed, Steeds haar toevlugt in de smart, Met een meer dan moederhart! Ach, verkocht of 't slagtvee was,

Naar het vunzig rijstmoeras, Weggevoerd door beulenhand Uit Virgienje's heuv'lig land. Wee mij! van zijn waterstroomen Zijn mijn kindren weggenomen!

John G. Whittier.

Het volgende uittreksel uit een brief van Dr. Bailey, voorkomende in de Era van 1817, behelst een overzigt nopens deze zaak, dat sommige Virginische familiën meer eer aandoet. Moge het getal van hen, die weigeren om anders dan door emancipatie van hunne slaven afstand te doen, meer en meer toenemen!

De verkoop van slaven naar het Zuiden is zeer uitgebreid. Zoo ver ik heb kunnen vernemen, kweeken de slavenhandelaars hen niet opzettelijk met dat doel aan. Maar er is b. v. een man, met een twintigtal slaven, gevestigd op eene uitgeputte plantage. Deze moet het onderhoud voor allen opleveren; maar dit neemt af naar mate zij vermeerderen. Het gevolg is, dat hij hen moet emanciperen of verkoopen. Maar hij is in schulden geraakt, en verkoopt hen om zijne schuld te kwijten, als ook om zich van een aantal monden te ontslaan. Of hij heeft geld noodig om zijne kinderen eene opvoeding te geven; of eindelijk worden de slaven verkocht op regterlijk gezag. Door deze en andere oorzaken verdwijnen voortdurend aanzienlijke getallen slaven uit den Staat, zoodat de eerstvolgende census ongetwijfeld eene groote vermindering in de slavenbevolking zal aanwijzen.

Het saisoen voor dezen handel duurt gemeenlijk van November tot April; en sommigen berekenen, dat het gemiddeld getal slaven, dat gedurende zes maanden wekelijks langs den zuidelijken spoorweg vervoerd wordt, ten minste 200 bedraagt. Een slavenhandelaar verhaalde mij, dat hem een voorbeeld bekend was, dat er 100 op éénen avond vervoerd waren. Doch dit is slechts één weg. Er worden ook groote getallen westelijk gezonden, of over zee langs de kust. De Davises, te Petersburg, zijn de groote slavenhandelaars. Zij zijn Joden, die vele jaren geleden daar kwamen als arme marskramers; en thans, verneem ik, zijn zij leden van eene familie, die hare vertegenwoordigers te Philadelphia, New-York en elders heeft. Deze lieden zijn altijd aan de markt en geven den hoogsten prijs voor slaven. Gedurende den zomer en het najaar echter koopen zij die allerwege op voor lage prijzen, kleeden, scheren, wasschen hen, maken hen vet zoodat zij een goed voorkomen hebben, en verkoopen hen met aanzienlijke winst. Het zou niet onaardig zijn eens te weten hoeveel kapitaal en welke firma's van sommige steden in het Noorden, in dezen verfoeijelijken handel betrokken zijn.

Er zijn hier vele planters, die niet bewogen kunnen worden om hunne slaven te verkoopen. Zij hebben er verreweg meer dan zij aan het werk kunnen zetten, en zij zouden er ten allen tijde goede prijzen voor kunnen bedingen. De verzoeking is sterk, want zij hebben meer geld en minder onderhoorigen noodig. Maar zij bieden er weêrstand aan en niets kan hen overhalen om afstand te doen van een enkelen slaaf, ofschoon zij weten, dat zij eene aanmerkelijke winst zouden maken als zij maar de helft wilden verkoopen. Zulke lieden zijn te goedhartig om slavenhouders te wezen. Gave de hemel, dat zij het van hun pligt begonnen te rekenen, nog één stap verder te gaan en bevrijders hunner slaven te worden! Deze klasse van planters bestaat meerendeels uit Godsdienstige mannen, en van hen zijn grootendeels de emancipatiën bij testament afkomstig, waarvan wij nu en dan hooren.

HOOFDSTUK V.

VOORVALLEN UIT EEN WETTIGEN TAK VAN HANDEL, OF WAARHEID DIE VREEMDER KLINKT DAN VERDICHTING.

Het afschuwelijke en heiligschennende gebruik om menschelijke wezens ten verkoop aan te fokken en als vee ter markt te verkoopen, maakt op de ziel niet dien diepen indruk dien het behoorde te maken, omdat het zich in veel te algemeenen vorm voordoet.

't Is er mede als met het berigt van een grooten veldslag, waarvan wij in ronde getallen vernemen, dat tien duizend man gedood en gewond zijn, waarop wij het nieuwsblad, zonder er verder iets bij te denken, ter zijde werpen.

Evenzoo, als wij lezen, dat zestig of tachtig duizend menschelijke wezens jaarlijks worden aangekweekt en op de markt verkocht, gaat ons dit door het hoofd zonder een bepaalden indruk na te laten.

Sterne zegt, dat, toen hij zich de jammeren der kerkerstraf wilde voorstellen, hij zijne gedachten moest afwenden van de honderdduizenden die in kerkerholen verkwijnen, en zich bepaaldelijk één verlaten gevangene, neêrgezeten in zijne cel, moest voorstellen. Daarom kunnen wij ook geen denkbeeld geven van de verschrikkelijke, wreede en demoraliserende werking van dezen handel, zonder de feiten in bijzonderheden voor te stellen, en elk feit te geven als een staaltje van eene bepaalde klasse.

Als een proefje van het gevoel en de soort van zedelijkheid, die dit stelsel van aanfokken en opkweeken zoo bij slaven als eigenaren te weeg brengt, deelt schrijfster dezes de onderstaande uittreksels mede van een brief, onlangs aan haar gerigt door eene vriendin in een der zuidelijke Staten.

Lieve Mevrouw.

De zwarte godin, die over onze bedden en waschtafels het toezigt houdt, is zulk een wonderlijk staaltje van haar ras, dat ik wenschte, dat gij haar zien kondt. Haar geheele voorkomen, als zij daar zoo schaterend en neigend rondtrippelt, is in den hoogsten graad lachverwekkend en zou een vreemde al ligt op het denkbeeld brengen, dat het haar aan het verstand haperde. Dit is echter in geenen deele het geval. Gedurende de twee maanden, dat wij met haar bekend zijn, hebben wij verscheidene blijken van gezond verstand bij haar waargenomen, die zelfs lof zouden verdienen bij een blanke die tienmaal meer voorregten had dan zij.

Zij is zeer spraakzaam en schijnt te gevoelen, dat zij aanspraak heeft op onze belangstelling, alleen reeds omdat wij uit het Noorden komen, en wij zouden ongetwijfeld geene geringe kennis van de "fraaije instelling" opdoen, zoo wij het raadzaam oordeelden, eenigzins lange gesprekken met haar te houden. Dit zou ons echter een bezoek van de overheden op den hals halen en eene aanmaning om de stad met den eerstvolgenden trein te verlaten. Wij moeten ons dus vergenoegen met, onder den schijn van zeer onverschillig te wezen, nu en dan iets op te vangen, en er een einde aan maken door haar om eene of andere kleinigheid uit te zenden; wij zorgen echter, hare eigenaardige uitdrukkingen ten papiere te brengen zoodra zij zich verwijderd heeft. Ik heb gedacht, dat eene copie daarvan u aangenaam zou wezen, vooral wegens de daarin voorkomende merkwaardige bijzonderheden aangaande de instelling des huwelijks, een noodwendig gevolg van het in zwang zijnde stelsel.

"Eene dame uit het Zuiden, welke vermeent dat het gevoel van den neger in de Negerhut wat al te hoog opgevijzeld is, verzekert ons, dat de gehechtheid niet zeer sterk kan zijn bij een man die twee of drie vrouwen en gezinnen op even zoo vele plantagiën heeft (!). En de meesteres van ons hotel berigt ons, dat hare keukenmeid met de volmaaktste onverschilligheid de tijding van haar man ontvangen heeft, dat hij eene andere vrouw bezit en zij een ander man mag nemen; zij had eenvoudig het voornemen te kennen gegeven "om er voor het oogenblik geen te nemen, daar zij in de volgende maand aan haar eigenaar in Georgia moest teruggezonden worden en het vertrek haar dan moeijelijker zou vallen." En toch zijn beide die dames Godsdienstig en achten zich beleedigd door het minste vermoeden, dat de zedelijkheid hunner slaven niet hooger zou zijn dan die van de vrije negers in het Noorden.

Bij de geschiedenis van Violet zal ik ook die voegen van een onzer oppassers, waarin gij zeker wel belang zult stellen.

Violet's vader en moeder stierven beiden, zoo als zij zegt, "vóór ik eenig begrip had,""--elf kinderen nalatende, die overal verstrooid waren. "Al kon ik er schatten meê winnen, Missis, zou ik niet kunnen zeggen waar een van allen is. Massa woont te Charleston. Mijn eerste echtgenoot was een knap man; hij had zeven kinderen; toen werd hij verkocht naar Florida; ik heb nooit meer van hem gehoord. De ouders sterven; o, dat is het verschrikkelijkste; als die dood zijn worden wij overal heen verstrooid. Ik werd in deze streken verkocht; nu heb ik een ander man en vier kinderen. Ik leefde heel genoegelijk met mijn eersten man en wij kregen vele kinderen. Maar hier is het schraal. Massa wil niet toelaten, dat wij iets hebben, geen varken, geen geit, geen hond; ja hij geeft ons zelfs geen weinigje koorn. Wij moeten maar rondkomen zoo als wij kunnen. Het eenige wat wij krijgen, zijn twee eigengeweven kleedjes.

"Ik kan niet naar de meeting gaan, omdat Missis te veel werk te doen heeft. 's Zomers ga ik elken Zondagavond; maar bij deze korte dagen is de dag te snel om. Ik ga meestal naar de Doopsgezinde kerk."

"Gaan de uwen daar gewoonlijk?"

"Zij zijn van drie soorten: Methodisten, Doopsgezinden en Episcopalen. Verleden zomer hebben wij Zondags avonds heel dikwijls meetings in onzen "yard" gehad. Massa Johnson preêkte voor ons. Maar toen zeî hij, dat hij niet tweemaal preken kon: wij moesten maar naar de kerk komen."

"Waarom?"

"Dat weet de hemel. Ik ga gaarne naar de meeting, vooral als er mooi gepreêkt wordt. Ik hoor het gaarne, als de menschen goed tot mij spreken. Ook ben ik blij als men mij voorleest. Waarom zou dat ook niet, al behoor ik niet tot de Kerk?"

"Laat uw meester toe, dat anderen u voorlezen?"

"Hij zal het mij niet beletten; ik behoef hem niet te vertellen, dat een ander mij voorleest. Ik moet mijne ziel, hij de zijne trachten te behouden. Onze eigenaars willen niet een paar minuten besteden om ons voor te lezen; dat zou eene te groote eer voor ons zijn; zij behandelen ons zeer hard. Sommige predikanten spreken ons wel eens vriendelijk toe en bidden met ons, en voor zichzelven heel wat er bij."

"Ik heb zoo even een groot geschil gehad met Dinah in de keuken en haar gezegd: "Dinah, de weg dien gij opgaat, bederft den goeden naam van de vrouwen." Zij antwoordde, dat zij er zich niet om bekreunde en dat zij zou doen wat haar goeddacht. Dinah is van haar eersten man weggeloopen en heeft een kind gehad bij Sambo (die aan Massa D. behoort), zoodat zij en haar eerste man van elkander afgeraakt zijn. De mannen, Missis, zien zulke dingen nooit met een goed oog aan.

"Gij weet, Missis, als wij van iets houden, willen wij niet dat een ander het hebben zal. Zoo iets, Missis, al laat men 't niet merken, foltert iemand dood. Als mijn man mij op die wijze wilde ontloopen, Missis, 'k zou er bij zijn. Ik zou ook zoo niet handelen met mijn man. Al kan ik het hier verbergen, voor God zal het geopenbaard worden en de heele wereld zal het vernemen.

"Dinah's tweede man zeî, dat het hem niets aanging, hoe zij met haar eersten man gehandeld had. Zoo denkt mijn man er niet over. Hij zegt, dat hij niet doen zou wat Daniel doet; hij zou geen speelgoed koopen voor de andere kinderen; wiens ze waren, mogt dat doen. Nu, hoe het zij, Dinah's eerste man komt, zoo dikwijls hij kan, over, om zijne kinderen te zien, en Sambo komt ook om zijn kind te zien, en geeft daarvoor aan Dinah snuisterijen.

"Massa had geene slaven dan een geel meisje, toen hij mij en mijne vier kinderen kocht. Nu wilde Massa kinderen van mij hebben; dus zeî hij: "Violet, gij moet een of anderen neger hier te G. nemen."

Daarop antwoordde ik: "Neen, Massa, ik kan er hier geen nemen."--"Gij moet, Violet," hernam hij. Gij ziet, hij verlangde dat ik ook slaven zou opkweeken, en daarom zei hij, dat hier een overvloed van jonge kerels was, maar ik hervatte, dat ik geen van allen kon nemen. Nu dan, Missis, toen ging hij naar Virginia en bragt twee negers mede, reeds vrij oude lieden, en Missis zeî: "Een daarvan is voor u, Violet;" maar ik zeî: "Neen, Missis, ik kan geen van beiden nemen, omdat ik niet van hen houd, en ik kan niemand nemen, dien ik niet bemin." Toen riep Massa: "Gij moet een van dezen nemen,--of, zoo gij hem niet lief kunt hebben, dan moet gij iemand anders vinden dien gij bemint." Ik zeî: "O neen, Massa, dat kan ik niet doen,--ik kan niet elken dag een anderen nemen." Na eenigen tijd kocht Massa er nog drie bij en toen zei Missis: "Nu, Violet, een daarvan is voor u." Ik herhaalde: "Ik kan niet; misschien bemin ik van hen ook geen;" maar zij antwoordde: "Gij moet een van dezen nemen." Zoo dan leefden Sam en ik twee jaren; hij ging mijne gangen na en ik de zijne.

"Eindelijk, op een avond, stonden wij zamen bij den houtstapel, en de maan scheen zeer helder, en hoe het kwam weet ik niet, Missis, maar hij zeî mij, dat hij eene vrouw wenschte te hebben, doch niet wist waar eene te krijgen. Ik antwoordde, dat er knappe meisjes genoeg in G. waren. "Ja," zeî hij, "maar ik vind er misschien niet ééne, die mij zoo wel bevalt als gij." Ik zei hem toen dat ik hem misschien zou tegenvallen, want dat ik reeds oud begon te worden, en dat ik vier kinderen van mijn eersten man had; en dat iemand, die mij trouwde, zoo goed voor de kinderen moest wezen als voor mij; dat ik hem anders niet kon lief hebben. Toen zei hij: "al ware het ook dat eene vrouw kinderen had (let op, dat hij mij niet noemde) zoo zou hij toch zoo vriendelijk zijn voor de kinderen als voor de moeder, en dat zou er veel van afhangen hoe zij hem behandelde." Zoo kwamen wij van het eene ding op het andere, tot wij eindelijk verklaarden dat wij elkander namen, en zoo hebben wij sedert geleefd, en ik heb vier kinderen bij hem, en hij ontloopt mij nooit noch ik hem."

"Hoe trouwt gij in uw "yard"?"

"Wel, wij vragen de blanken verlof en dan nemen wij elkander. Sommigen worden met het boek getrouwd, maar waar dient het toe? Daar hebt ge mijn eersten man: wij zijn met het boek getrouwd, en toch werd hij naar Florida verkocht en ik ben hier. Men doet met ons wat men wil, en zoo bevalt het hun niet dat wij voor vast getrouwd zijn. Het kan hun niet schelen wat wij doen, als wij maar geld voor hen verdienen.

"Mijn eerste man was jong en zeer vriendelijk voor mij, o Missis, inderdaad zeer vriendelijk. Hij werkte nacht en dag om mij gemakken te bezorgen. o Het ging ons zeer goed zoo lang ik hem had; maar hij werd naar Florida verkocht, en sedert, Missis, ben ik dezelfde niet meer. Deze blanken hier vergunnen ons niets, in het geheel niets; zij geven ons eten en twee kleedjes in een jaar, een breede streep en een smalle streep; ik zal ze u eens laten zien, Missis."

En wij hebben ze gezien; want Violet bragt mij de "breede streep" met verzoek dat ik het voor haar maken zou. Er was juist genoeg om haar te bedekken, maar geene haken of oogen, geen garen, geene voering, dat moest zij zelve maar zien te krijgen; en toch ontvangt haar meester van onzen kastelein acht dollars 's maands voor hare diensten. Wij vroegen hoe zij dan hare kleedjes gemaakt kreeg.

"o Missis, mijn man werkt nu buiten de hoeve, zoodat hij vier pond spek en eene hoeveelheid meel iedere week krijgt; hij zuinigt het zoo uit, dat hij mij de vier pond spek geeft om de onkosten voor mijn kleedje uit te vinden. (Eene vraag: Zijn er ook echtgenooten in de beschaafde kringen die meer zouden doen dan deze man?)

Toen Violet ons eens alle drie druk aan het schrijven vond, stond zij eenige oogenblikken in stilte de geheimzinnige bewegingen onzer pennen aan te staren, en zeide toen op den toon der diepste droefheid:

"o Wat is dat toch een groote troost, Missis. Gij kunt aan uwe vrienden alles schrijven en ook aan u laten schrijven. Ons volk kan dit niet. Of zij levend of dood zijn, kunnen wij nimmer vernemen; soms, ja, hooren wij dat zij dood zijn."

Kon er krachtiger aanmerking gemaakt worden op de wreede wetten, die den slaaf verbieden te leeren schrijven?

De geschiedenis van den oppasser luidt aldus:

George's vader en moeder behoorden aan iemand in Florida. Gedurende den oorlog gingen twee oudere zusters aan boord van een Engelsch schip en kwamen te Halifax. Zijne moeder zou gaarne met haar geheele gezin medegegaan zijn, doch haar man haalde haar over, om te wachten tot het volgende schip zou zeilen, als wanneer hij ook meende te zullen kunnen gaan. Door dit uitstel ging de gelegenheid van ontvlugting verloren en het geheele gezin werd kort daarna voor schuld verkocht. George, eene zuster en zijne moeder werden door éénzelfden persoon gekocht. Hij zegt: "Mijn oude meester was buiten zichzelven toen moeder stierf en zeî dat hij liever duizend dollars had willen verliezen. Zij was half eene Indiaansche met hair zoo regt als het uwe, en zij was blank als die peluw." George huwde eene vrouw van eene andere plantage. Hij gaf daarvoor de volgende reden op: "Als een man zijne vrouw ziet mishandelen, trekt hij het zich onwillekeurig aan. Als hij hoort dat zijne vrouw mishandeld is, is het nog niet hetzelfde als wanneer hij het ziet. Zoo kon ik beter voor haar zorgen, dan wanneer zij op mijne plantage was. Deze vrouw nu werd hooger op verkocht, doch werd na eenige jaren lam en ziek en kon niet veel doen; daarom gaf Massa haar verlof en betaalde hare vracht tot G." (Gij weet, voor de zieken en gebrekkigen wordt altijd gezorgd.) "Ik had haar in drie jaren niet gezien," zeide George, "maar zoodra ik het hoorde, haalde ik haar terstond af, huurde een huisje en nam iemand om op haar te passen, en ging haar zoo dikwijls zien als ik kon." Hij is een ambachtsman en werkte dikwijls nachten door ten einde dit alles te bekostigen. Zijn meester vraagt twintig dollars per maand voor zijne diensten en legt hem wekelijks vijftig cents toe voor kleederen en andere benoodigdheden. George zegt dat als hij, door 's nachts ook te werken, maar geld genoeg bijeen kon zamelen om zich vrij te maken, hij wel iemand zou weten te vinden dien hij vertrouwen kon om hem te koopen. "Dan zou ik zoo hard als ooit werken om mijne kinderen los te koopen en van hier weg te komen."

"Waarheen?"

"O, naar Philadelphia, New-York of ergens anders in het Noorden."

"Wel, daar zoudt gij doodvriezen!"

"O neen, Missis, ik kan de koude wel verdragen. Maar ik heb behoefte om mij-zelven toe te behooren en te doen wat ik noodig reken."

De volgende mededeeling is aan de schrijfster gedaan door den heer Austin Bearse, koopvaardij-kapitein te Boston en geboortig van Barnstable aan Cape Cod. Hij is wel bekend bij de burgers en kooplieden van Boston.

Ik ben afkomstig uit den Staat Massachusetts. Tusschen 1818 en 1830 voer ik als stuurman aan boord van verschillende schepen, die de kustvaart aan de stranden van Zuid-Carolina dreven.

Het is bekend, dat vele schepen van Nieuw-Engeland de gewoonte hebben om den winter aan de zuidelijke kust met deze bezigheid door te brengen. Onze schepen plagten de rivier op te varen om de ruwe rijst en katoen van de plantages te halen, die wij dan naar Charleston bragten.

Wij voerden dikwijls troepen negers naar de plantagiën, wier eigenaren hen ontboden hadden. Deze slaven waren door de slavenhandelaren doorgaans bijeen gezocht uit de slavenmagazijnen te Charleston, alwaar zij door verschillende oorzaken heengebragt waren, zooals door den dood hunner eigenaren of door boedelscheiding die hen deed verkoopen. Sommigen waren er heen gezonden tot straffe voor ongehoorzaamheid, of doordien het aantal slaven te groot was, of omdat personen die naar het Noorden of Westen verhuisden liever hunne slaven verkochten dan zich met de moeite te belasten van ze mede te nemen. Van tijd tot tijd hadden wij die slaven in aanzienlijke getallen aan boord, soms slechts twee of drie, maar soms ook wel zeventig of tachtig. Zij waren van hunne gezinnen en betrekkingen gescheiden met even weinig omslag, als men in acht neemt bij het uitzoeken van eene partij varkens of schapen.

Onze schepen lagen gewoonlijk op eene plek genaamd Arme Mans Kreek, niet ver van de stad. Wij plagten de betrekkingen en vrienden van de slaven verlof te geven, om aan boord te komen en den geheelen nacht bij hunne vrienden te blijven, eer het schip onder zeil ging. Des morgens was het mijne taak de luiken open te doen en hen te waarschuwen, dat de tijd van scheiden was gekomen, en op zulk een oogenblik waren de gillen en hartverscheurende kreten genoegzaam om iemand de bezinning schier te doen verliezen.

In het jaar 1828, toen ik stuurman was op de brik Milton van Boston, bestemd naar New-Orleans, vond het volgende plaats, dat mij nimmer uit het geheugen zal gaan: De slavenhandelaars bragten aan boord vier quarterons, met handboeijen voorzien, en die naar New-Orleans vervoerd moesten worden. Eene oude negerin, gewis meer dan tachtig jaren oud, liep hen handenwringend na, uitroepende: "Mijn zoon, o mijn zoon, mijn zoon!" Zij scheen bijna uitzinnig en toen wij reeds eene mijl buiten de haven waren konden wij haar gillen nog hooren.

Toen wij in zee waren ging ik naar de vier mannen en ontdeed hen van hunne handboeijen. Zij waren vastberadene kerels en zeiden mij, dat ik zien zou, dat zij nimmer levend te New-Orleans slaven zouden zijn. Een hunner was timmerman, een ander smid. Wij bragten hen te New-Orleans aan en leverden hen uit aan den agent. Later verhaalde deze aan den kapitein, dat zij allen binnen acht en veertig uren na hunne aankomst te New-Orleans dood waren. Zij hadden zich allen omgebragt, zoo als zij gedreigd hadden. Een hunner weet ik, werd voor stoker op de stoomboot Post Boy gekocht; doch hij sprong over boord en verdronk. Van de anderen werd een verkocht aan een smid en een aan een timmerman. De bijzonderheden van hun dood zijn mij niet ter oore gekomen.

Achter Charleston, te Coosahatchie, lag eene plantage, welke aan eene weduwe behoorde, die tachtig negers hield. Zij ontbood van Charleston een jonge quarteronne voor haar zoon; het meisje was nagenoeg geheel blank. Wij voerden haar derwaarts. Daar zij veel delicater was dan de andere slaven, werd zij niet bij hen, maar in de kajuit geplaatst.

Ik ben op de rijstplantagiën aan de rivier geweest en heb daar den rijstbouw gezien. In het najaar werken al de plantage-arbeiders, zoo mannen als vrouwen, in de rijstgreppels met het water tot boven de knieën en trekken het gras uit, om den grond voor het zaaijen van de rijst geschikt te maken. De slaven, die hier uit de stad gebragt worden, vinden dit een bijna ondoenlijken arbeid, daar zij meestal tot huiswerk zijn opgeleid. Het verblijf op de plantagiën is zoo doodelijk, dat de blanken daar in zomertijd niet vertoeven kunnen dan met gevaar van hun leven. De eigenaars en hunne familiën bevinden zich daar alleen 's winters en de slaven zijn zomers geheel aan de opzigters overgelaten. Ik heb gezien, dat die opzieners meestal een brutaal slag van menschen zijn, die zich aan dronkenschap en dobbelspel overgeven.

In den loop mijner togten heb ik de slavernij in bijna alle landen der wereld gezien. Ik ben in Algiers geweest en heb daar de slavernij aanschouwd. Ik heb de slavernij te Smirna gezien, bij de Turken. Het was te Smirna, toen onze Amerikaansche consul een schoon Grieksch meisje vrijkocht. Ik zag haar aan boord van de brik Suffolk komen, toen zij naar Amerika overgevoerd werd om hare opvoeding te erlangen. Ik heb de slavernij gezien in de Spaansche en Turksche havens, ofschoon ik daar niet op de plantagiën geweest ben.

Mijn gevoelen is, dat de Amerikaansche slavernij, gelijk ik die gezien heb bij den binnenlandschen slavenhandel, op de rijst- en suiker-plantagiën en in de stad New-Orleans, ten volle een slecht is als in eenig land ter wereld, heidensch of Christelijk. Menschen, die voor bezoeken of vermaak de zuidelijke Staten doorreizen, kunnen onmogelijk die dingen te weten komen, die door varensgezellen gezien worden, welke de rivieren opzeilen naar de ver achter af gelegene plantagiën en die de slaven en de producten der plantagiën vervoeren.

In mijne jonge dagen werd over de slavernij niet veel gesproken. Ik zag haar even als anderen, zonder mij er aan gelegen te laten liggen. Doch daar ik het niet meer voor goed houd, die dingen in stilte aan te zien, vaar ik tegenwoordig niet meer op de zuidelijke Staten.

Het volgende verslag is aan de schrijfster gegeven door Lewis Hayden, een slaaf, die uit Kentucky ontsnapte door de medewerking van eene jonge dame, geheeten Delia Webster, en een man, genaamd Calvin Fairbanks. Beiden hebben er voor gevangen gezeten. Lewis Hayden heeft zich een geachten naam verworven als vrij burger van Boston, waar vele personen bereid zijn, nopens hem de gunstigste getuigenis af te leggen.

Ik behoorde aan den eerwaarden heer Adam Runkin, een Presbyteriaansch predikant te Lexington in Kentucky.

Mijne moeder was van gemengd bloed,--blank en Indiaansch. Zij huwde mijn vader, toen hij in eene naburige fabriek werkte. Na eenigen tijd verhuisde mijns vaders eigenaar en nam hem mede, hetwelk het huwelijk verbrak. Zij was eene schoone vrouw. Mijn meester hield een groot melkhuis en daar was zij de melkster. Lexington was in die dagen een klein plaatje en het melkhuis lag in de stad. Achter de school was de vrijmetselaarsloge. Een man, die tot de loge behoorde, zag mijne moeder terwijl zij aan haar werk was. Hij deed haar oneerlijke voorslagen. Toen zij hem niet te woord wilde staan, voegde hij haar toe, dat zij geen hoogen toon moest voeren, want dat hij haar zou hebben indien zij voor geld te krijgen was. Mijne moeder vertelde het aan de oude mevrouw en smeekte dat de meester haar toch niet zou verkoopen. Desniettemin verkocht hij haar. Mijne moeder was hooghartig, hetgeen zij aan haar Indiaansch bloed te danken had. Zij verkoos met dien man niet te leven zoo als hij wenschte, waarop hij haar naar de gevangenis zond, haar liet geeselen en haar op zoo onderscheidene wijzen strafte, dat zij vlagen van krankzinnigheid kreeg. Toen ik in de Negerhut van Cassy las, kwam al het gebeurde met mijne moeder mij weêr voor den geest en wilde ik het mevrouw Stowe melden. Verscheidene malen beproefde zij, zich om het leven te brengen, eens met een mes en eens door ophanging. Zij had lang, regt hair, dat na deze voorvallen grijs werd, als of zij eene oude vrouw ware. In hare vlagen sprak zij altijd van hare kinderen. De houder van het gevangenhuis bragt haar eigenaar onder het oog, dat zij misschien herstellen zou, zoo hij haar bij hare kinderen liet. Men liet haar dus eens uit en zij kwam op de plaats waar wij waren. Ik was welligt zeven of acht jaren oud, ofschoon ik het juiste er niet van weet. Ik was van huis toen zij verscheen. Toen ik terug kwam vond ik haar in eene der hutten nabij de keuken. Zij sprong op, greep mij bij mijne armen als of zij die breken wilde en riep uit: "Ik zal u zoo toetakelen, dat zij nooit iets aan u zullen hebben!" Ik schreeuwde, want ik dacht dat zij mij wilde vermoorden, waarop personen binnenkwamen, die mij wegbragten. Men bond haar en voerde haar weg. Soms, als zij bij hare zinnen was, verhaalde zij mij het kwaad, dat men haar had aangedaan. Eindelijk verkocht haar eigenaar haar voor eene geringe som aan iemand, met name Lackey. Daar gaf men haar een anderen man en kreeg zij verscheidene kinderen. Na eene poos stierf deze man of werd hij verkocht,--het regte herinner ik mij niet meer. Lackey verkocht haar daarop aan zekeren Bryant. De eigenaar van mijn eigen vader vestigde zich nu in de nabijheid van dien man, en bragt mijne moeder weder bij hem. Mijn vader had op de plaats, waar hij vertoefd had, weder eene andere vrouw en een aantal kinderen gehad. Hij en mijne moeder kwamen dus nu weder bijeen en bragten hunne dagen met elkander ten einde. In de laatste tijden had mijne moeder haar verstand nagenoeg weder geheel teruggekregen.

Ik heb in Kentucky nooit eenig blijk gezien, dat de bedienaren of leeraren der Godsdienst het voor iets ergers beschouwden, dat men slaven, dan dat men dieren van elkander scheidde. Er kunnen leeraren zijn die het voor ongeoorloofd houden, maar ik ben nooit met dezulken in aanraking geweest. Mijn meester was een predikant, en toch verkocht hij mijne moeder, gelijk ik verhaald heb. Toen hij uit Kentucky naar Pennsylvania vertrok, verkocht hij al mijne broeders en zusters bij veiling. Ik stond er bij en zag hen verkoopen. Toen ik ook ter tafel gebragt zou worden, verruilde hij mij tegen een paar koetspaarden. Ik zag met zonderlinge gevoelens die paarden aan. Ik had de hoop gekoesterd, dat mijn meester mij zou medenemen naar Pennsylvania, en dat ik daar de vrijheid zou erlangen. Wat zag ik die paarden aan en wandelde er rond, overdenkende, dat ik tegen die beesten geruild was!

De spraak ging, dat mijn meester op den predikstoel gezegd had, dat er even weinig kwaad in stak, een gezin van slaven, als een nest biggen te scheiden. Ik voor mij heb het hem niet hooren zeggen, en kan dus niet verzekeren of het al dan niet waar is.

Hoe zonderling het schijne, is het toch waar, dat ik, bij mijne pogingen om tot de vrijheid te geraken, meer medewerking en goeden raad ondervond van dobbelaars en zulk soort van menschen, dan van Christenen. Sommigen hunner bejegenden mij zelfs buitengemeen vriendelijk.

Ik heb nog nooit een slavenhandelaar gezien, die niet in den grond zijns harten overtuigd scheen te wezen, dat het een slecht bedrijf was. Ik heb er velen gekend, als b. v. Neal, McAnn, Cobb, Stone, Pulliam en Davis, enz. Zij waren gelijk Haley,--zij hadden het voornemen om zich te bekeeren als zij goed af waren.

Over het algemeen voelden de kleurlingen van mijne kennis niet de geringste mate van gerustheid, met opzigt tot hunne familiebetrekkingen. Wel is waar, meenden sommigen, die tot rijke familiën behoorden, eenigzins gerust te kunnen zijn; doch diegenen onzer, die dieper doorzagen en wisten, hoevelen niet zoo rijk waren als zij schenen, als ook, hoe snel het geld door de vingers druipt, waren altijd zeer ellendig. De handelaar sloop altijd rond, de slavenmagazijnen waren in de nabijheid en wij wisten niet wanneer iemand onzer er soms in kon geraken. Dan waren er nog de rijstmoerassen en de suiker- en katoen-plantagiën; ons leven lang werden zij ons door onze meesters en meesteressen als schrikbeelden voorgehouden. Wij wisten daar alles van; en als een vriend werd weggevoerd, wel nu, dat was zoo goed als zijn dood, want wij konden hem niet schrijven, noch van hem hooren, en verwachtten niet hem immer terug te zien.

Ik heb een kind gehad, dat in Kentucky begraven ligt, en het doet mij genoegen aan dat graf te denken. Ik heb er nog een gehad, dat verkocht is zonder dat iemand weet waarheen, en waaraan ik niet denken kan zonder het grievendste hartzeer.

De volgende geschiedenis is lang en een gedeelte er van is openbaar bekend geworden.

In dat verhaal is het geheele verslag vervat van de gedenkwaardige aanhouding van de Pearl, welke ten jare 1848 zulk eene sensatie te Washington verwekte. De schrijfster zal er echter eene korte historie aan vooraf doen gaan van eene slavin van welke zes kinderen betrokken waren in die noodlottige onderneming.

HOOFDSTUK VI.

GESCHIEDENIS DER EDMONDSONS.

Milly Edmondson is eene bejaarde vrouw, van diep in de zeventig. Zij heeft het slaven-erfdeel van volslagen onwetendheid ontvangen. Zij kan geen brief of boek lezen, noch haar eigen naam zetten; maar de schrijfster moet bekennen, dat zij nooit zoo getroffen is geworden door eenige voorstelling van de Christelijke godsdienst, als door die haar gedaan werd in de taal en met het voorkomen dezer vrouw tijdens de weinige keeren dat zij haar ontmoette. De bijzonderheden dezer ontmoetingen zullen in den loop van het verhaal aan het licht gebragt worden.

Milly is iets meer dan van middelmatige grootte, en breed en gezet van omvang. Zij gaat met de grootste zorgvuldigheid, tot op netheid af, gekleed. Een eenvoudige Methodistische halsdoek is haar dwars over de borst gespeld. Een goed onderhouden stoffen japon en helder wit voorschoot, met een witten zakdoek op zijde er aan vastgehecht, voltooit den inventaris van het costuum waarin de schrijfster haar gewoonlijk zag. Zij is eene mulattin en moet eens zeer schoon zijn geweest. Hare oogen en glimlach zijn nog ongemeen schoon, maar er liggen diepe voren van geduldige lijdenssmart en afmattende lijdzaamheid op haar gelaat, die verraden dat deze beminnelijke en edelaardige vrouw haar leven lang slavin is geweest.

Milly Edmondson werd door hare eigenaars in dienst gehouden en het was haar vergund bij haar man te wonen, onder uitdrukkelijk beding en voorwaarde, dat hare dienst en waarde bestaan zou in het opkweeken harer eigene kinderen, om deze op de slavenmarkt te doen verkoopen. Hare wettige eigenares was eene ongehuwde dame van bekrompen geestvermogens, die door een vonnis van de regtbank voor onbekwaam was verklaard om hare eigene zaken te besturen.

De bezitting--dat wil zeggen Milly Edmondson en hare kinderen--was aan de zorg van een voogd toevertrouwd. Het schijnt, dat Milly's arme, zwakke meesteres zeer veel van haar hield en dat Milly vrij wat overwigt op haar bezat, zoo als een krachtige geest meestal eene magt over een zwakkeren uitoefent. Milly's echtgenoot, Paul Edmondson, was een vrij man. Wij zullen nu een weinig van hare geschiedenis, zoo als zij die aan de schrijfster mededeelde, met hare eigene woorden laten volgen.

"Hare meesteres," zeide zij, "was altijd vriendelijk jegens haar, het arme schepsel!" maar zij had geen moed om voor haar-zelve te spreken, en hare vrienden wilden niet dat zij haar eigen weg ging. "Het lag mij altijd op het hart," zeide zij, "dat ik eene slavin was. Toen ik even veertien jaar oud was, was Missis op zekeren dag met iets bezig, dat zij meende mij niet te kunnen toevertrouwen, en zeide zij tot mij: "Milly, nu ziet gij dat ik slavin ben en gij niet." Ik antwoordde haar, "Ach, Missis! ik ben met dat al toch maar eene arme slavin." Ik was later bedroefd, dat ik dit gezegd had, want het kwam mij voor dat het haar gevoel scheen te kwetsen.

"Toen ik een poos later met Paul verbonden werd, hield ik zeer veel van Paul; maar ik dacht, dat het niet goed was kinderen ter wereld te brengen om slaven te zijn, en ik zeide tot de onzen, dat ik nooit zou trouwen, schoon ik veel van Paul hield. Maar dat werd mij niet veroorloofd," zeide zij met een geheimzinnig voorkomen.

"Wat bedoelt gij?" vroeg ik.

"Wel, zij zeiden mij dat ik moest trouwen, of dat ik anders buiten de kerk zou worden gesloten,--dat was het;" voegde zij er met een beteekenisvollen knik met het hoofd bij. "Nu dan, Paul en ik, wij trouwden, en wij waren gelukkig genoeg, als het daarom niet geweest was; maar toen ons eerste kind geboren was, zeide ik tot hem: "Daar hebt gij 't nu, Paul; onze ellende heeft een aanvang genomen; dit kind is ons kind niet." En met ieder kind dat ik kreeg, werd het hoe langer hoe erger. "O, Paul!" zeide ik, "wat is het toch een vreeselijk ding kinderen te hebben, die niet de onze zijn!" Paul zeide tot mij: "Mijn beste Milly, als het kinderen van God zijn, doet het er weinig toe of zij al of niet zijn van ons; zij kunnen daarom toch erfgenamen van het Koningrijk zijn, Milly." Wel, toen Paul's meesteres stierf, gaf zij hem de vrijheid, en hij kreeg voor zich een klein plaatsje, omstreeks veertien mijlen van Washington; en zij lieten mij daar met hem wonen, en ik nam mijn werk meê naar huis; want zij stelden dat vertrouwen in mij, daar zij altijd wisten, dat, wat ik zeide te zullen doen, even goed gedaan was alsof zij het hadden zien doen. Ik had doorgaans naaiwerk: soms een geheel hemd op een dag te maken--gij weet het was grof,--of een paar lakens of iets van dien aard; maar wat het ook was, ik kreeg het altijd gedaan. Dan had ik nog al mijn huiswerk te doen en voor de kleinen te zorgen; en dikwijls heb ik na tienen, de kleederen van mijne kinderen genomen en ze gewasschen en gestreken laat in den nacht, omdat ik niet dulden kon dat mijne kinderen er slordig uitzagen,--altijd wilde ik dat ze helder en schoon voor den dag kwamen, en ik bragt hen groot en leerde hen zoo goed ik maar kon. Maar niemand kan nagaan wat ik leed; ik zag nooit een blanke op de plaats komen of ik dacht: kijk, die komt om naar mijne kinderen te zien; en wanneer ik een blanke voorbij zag gaan, heb ik mijne kinderen naar binnen geroepen en ze weggestopt, uit vrees dat hij ze zou zien en willen koopen. O mevrouw, ik heb zoo veel, o zoo veel uitgestaan! Ik heb dit zware kruis jaren lang gedragen!"

"Maar," zeide ik, "de Heer is met u geweest."

Zij antwoordde met grooten nadruk: "Mevrouw, als de Heer mij niet ondersteund had, zou ik op dit oogenblik niet meer in leven zijn. O, mijn hart is dikwijls zoo bezwaard geweest, dat het scheen alsof ik moest sterven; en dan heb ik mij voor den troon der genade geworpen, en als ik daarvoor geheel mijn hart had uitgestort, brak er het licht in door, en gevoelde ik, dat ik nog een beetje langer leven kon!"

Dit zijn hare eigene woorden. Zij had dikwijls eene krachtige en bijzonder fraaije manier om zich uit te drukken, waardoor alles wat zij zeide een sterken indruk naliet.

Paul en Milly Edmondson bezochten beide getrouw de Methodische Bisschoppelijke kerk te Washington, en allen die hen kenden getuigen eenparig van hen, dat zij een vlekkeloos leven leidden en innig godsdienstig waren. In hunne eenvoudige hut, door netheid en orde opgeluisterd, en des morgens en avonds door het gebed geheiligd, bragten zij, naar hun beste vermogen hunne kinderen op, in de kennis en vereering van den Heer, om op de slavenmarkt verkocht te worden. Zij achtten zich slechts al te gelukkig, als het een na het ander den ouderdom bereikte om verkocht te worden, dat zij aan familiën in de nabijheid verhuurd werden, en niet in handen vielen van den handelaar, om naar de zuidelijke markt gedreven te worden.

De moeder, die met gestadigen maar onderdrukten angst den bitteren last der slavernij, die op haar lag, gevoelde, was gewoon om, zoo als zij aan de schrijfster verhaalde, hare dochters op deze wijze te waarschuwen:

"Nu, meisjes, zorgt dat gij nooit de smart kent die ik lijd. Trouwt nooit voor dat gij in vrijheid zijt. Trouwt nooit om moeders te worden van kinderen die de uwe niet zijn."

Als een gevolg van deze opvoeding, bragten enkele van hare oudste dochters, in vereeniging met de jonge mannen, waarmede zij verbonden waren, de noodige gelden bijeen om zich vrij te koopen eer zij gehuwd waren. Eene dezer jonge vrouwen was, op het oogenblik dat zij het geld voor hare vrijheid betaalde, van zulk een zwakke gezondheid, dat de doctor haar zeide, dat ze nog maar enkele maanden te leven had, en ried haar aan, haar geld te behouden en het aan te wenden om het zich zoo gemakkelijk mogelijk te maken. Zij antwoordde:

"Al had ik nog maar twee uren te leven, zou ik het betalen om vrij te sterven."

Indien dit een buitensporige waarde aan vrijheid hechten was, zoo behoeft dit toch daarom door geen Amerikaan gezegd te worden.

Al de zonen en dochteren van dit gezin onderscheidden zich zoo wel door hunne ligchamelijke als zedelijke ontwikkeling, en golden dus buitengemeen hoog op de markt. De geheele familie, berekend naar de marktprijzen die er voor enkele leden van besteed waren, kon op eene waarde van 15,000 dollars geschat worden. Zij kenmerkten zich door verstand, eerlijkheid en getrouwheid, maar bovenal door eene innige gehechtheid aan elkander. Deze kinderen, zoo vol bevatting, werden alle als slaven gehouden in de stad Washington, de hoofdstad waar ons nationaal bestuur is gevestigd. De hooge waarde die hunne eigene moeder hen in de vrijheid leerde stellen, moest natuurlijk aangewakkerd en versterkt worden door allerhande aanspraken, plegtigheden en redevoeringen, die, gelijk bekend is, gedurig bij deze en gene gelegenheid in onze nationale hoofdstad gehouden worden.

Op den 13den April kwam de kleine schoener de Parel, onder bevel van Daniel Drayton, in de Potomak-rivier te Washington voor anker.

De tijding van eene omwenteling in Frankrijk, en de vestiging eener democratische regering was juist aangekomen en geheel Washington was in rep en roer om de zegepraal der Vrijheid te vieren.

Tusschen de boomen in de allée waren fantastische veelkleurige lantaarnen gehangen; de trommels werden geroerd, de muziekcorpsen lieten zich hooren, de woningen van den President en andere hooge staatsbeambten waren verlicht, en mannen, vrouwen en kinderen waren allen op de been om den optogt te zien en deel te nemen aan het gejubel der vrijheid, waar de lucht van weergalmde. Al de slaven van de stad, levendig, fantastisch, gevoelig en ligt opgewonden als ze zijn door muziek en verblindende schouwspelen, luisterden, keken en verlustigden zich natuurlijk overal vol onwetende blijdschap. Al de hoofden van de departementen, senatoren, vertegenwoordigers en grootwaardigheidbekleeders van allerhanden aard, togen in optogt naar een opengebleven plek van Pennsylvania Avenue, en hielden daar toespraken vol gelukwenschingen over den voortgang der algemeene vrijheid. Met ongehoorde onvoorzigtigheid ontboezemden daar de krachtigste verdedigers van de instelling der slavernij voor de luisterende menigte, zoowel zwarten als blanken, lijfeigenen als vrijen, de oproerigste en meest ophitsende gevoelens. Zulke bij voorbeeld, als de volgende taal van den honorable Frederik P. Stanton van Tennessee:

"Wij planten inderdaad onze beginselen niet voort door middel van het zwaard; maar in éénen zin zijn wij propagandisten. Het is niet onze schuld, dat wij zoo bestaan. Ons voorbeeld is besmettelijk. In de afdeeling van dit groote land, waar ik woon, aan de oevers van den magtigen Mississippi, bezitten wij het ware zinnebeeld van den boom der vrijheid. Daar ziet gij hoe het reusachtige katoenbosch zijne takken naar al de hemelstreken uitspreidt. Somtijds woelt de stroom zijne wortels bloot, en gij ziet hoe hij ze ver in de rondte uitstrekt en ze tot eene onmetelijke diepte in den grond laat binnendringen. Wanneer de tijd der rijpheid gekomen is, is de lucht met vezelen vervuld, die naar iedere rigting henenstuiven, en op hare ligte wieken de levende zaden van den magtigen boom met zich voeren. Aldus zijn de zaden der vrijheid uit den boom onzer vrijheden voortgesproten; zij vervullen de lucht; zij zijn naar alle deelen van den bewoonden aardbodem verspreid; en zelfs zijn zij bestemd om in de barre zandwoestijnen der dwingelandij wortel te schieten. De boom der vrijheid zal alom opwassen en de volkeren zullen zich in zijne schaduw ter ruste leggen."

Senator Foote, van Mississippi, gebruikte eveneens de volgende woorden:

"Zoodanig is de buitengewone loop der gebeurtenissen in Frankrijk en Europa, gedurende de beide laatste maanden geweest, dat, hoe oplettender wij het tooneel overzien, hetwelk zich voor onze blikken uitbreidt, en hoe strenger wij het gedrag van de acteurs die er optreden onderzoeken, des te vaster onze overtuiging gegrondvest wordt, dat het niet falen kan of het roemvolle werk, hetwelk zoo heerlijk is aangevangen, moet even heerlijk voleindigd worden; dat de tijd der DWINGELANDEN EN DER SLAVERNIJ haastig ten einde spoedt; en dat het gelukkige tijdperk, hetwelk door de algemeene bevrijding der menschen uit de ketens der burgerlijke verdrukking, en de erkenning in alle landen van de groote beginselen der volks-souvereiniteit, gelijkheid en BROEDERSCHAP, gekenmerkt wordt, blijkbaar is aangebroken."

Kan het iemand na dit alles verwonderen, dat zeven en zeventig der verstandigste jonge slaven, zoo mannen als vrouwen, in de stad Washington, den heer Foote en zijne medesenatoren eerlijk bij hun woord houdende, en geloovende dat de tijd van dwingelandij en slavernij ten einde spoedde, zich vereenigden en eene poging aanwendden om hun deel te erlangen in dit rijk van algemeene broederschap?

De schoener de Parel lag in de haven en men bevond, dat kapitein Drayton een menschelijk hart bezat. Misschien had ook hij de redevoeringen in Pennsylvania Avenue aangehoord en in de onschuld van zijn hart geloofd, dat iemand, die werkelijk iets deed om algemeene gelijkheid te bevorderen, niet slechter was dan zij die er enkel redevoeringen over hielden.

Drayton was er toe overgehaald om dezen zeven en zeventig slaven te vergunnen, zich in het ruim van zijn vaartuig te verbergen, en onder deze bevonden zich zes kinderen van Paul en Milly Edmondson.

Wat er verder geschiedde zal nu worden medegedeeld volgens het verhaal van Mary en Emily Edmondson, door de dame bij wier familie de schrijfster haar ter opvoeding geplaatst had.

Eenige voorafgaande inlichtingen zullen echter noodig zijn tot goed begrip van het verhaal.

Een achtingswaardige kleurling, Daniel Bell genaamd, die zich-zelf had vrij gekocht, woonde te Washington. Zijne vrouw en hare acht kinderen waren door haar meester op zijn doodbed in vrijheid gesteld. De erfgenamen trachtten het testament te verbreken, op grond dat hij, op het oogenblik toen het gemaakt werd, niet bij zijn volle verstand was. De overheidspersoon, voor wien het was verleden, was echter door zijne persoonlijke bekendheid met den toestand van den man op dat tijdstip, in staat hun voornemen te verijdelen; het huisgezin leefde dus eenige jaren in volkomene vrijheid. Bij den dood van dezen overheidspersoon, bragten de erfgenamen de zaak op nieuw voor het geregtshof, en daar het scheen dat de zaak ten nadeele van het gezin zou worden uitgewezen, zoo besloten zij, zich van hun wettig regt te verzekeren door de vlugt, en bestelden plaatsen aan boord van kapitein Drayton's vaartuig. Een aantal hunner makkers en vrienden, waarschijnlijk aangespoord door de plaats gehad hebbende demonstratiën ten voordeele der vrijheid, vroegen verlof hen op hunne vlugt te vergezellen. De zaden van het katoenbosch verspreidden zich overal, en ontloken in aller harten; zoodat in den aan gebeurtenissen rijken avond van den 15den April 1848, niet minder dan zeven en zeventig mannen, vrouwen en kinderen met kloppende harten, en in het diepste geheim, zich verscholen in het ruim van den kleinen schoener, en kapitein Drayton was zoo goddeloos, dat hij, al ware er zijn leven meê gemoeid, tot niemand hunner "neen" kon zeggen.

Richard Edmondson had reeds lang getracht zich vrij te koopen; had er van 's morgens vroeg tot 's avonds laat voor gearbeid, maar de daarvoor gestelde prijs was zoo hoog, dat hij wanhoopte dien ooit te zullen verwerven. Dezen avond meenden hij en zijne drie broeders, dat, als het rijk van algemeene broederschap aangevangen, en dat der tirannen en der slavernij geëindigd was, zij voor zich en hunne zusters dat heilige geschenk der vrijheid konden aannemen, waarvan aan geheel Washington, twee avonden te voren, was verkondigd, dat het de bijzondere bestemming van Amerika was, het aan alle natiën te verschaffen. Hunne beide zusters, zestien en veertien jaar oud, waren aan familiën in de stad verhuurd. Dezen avond begaf zich Samuel Edmondson naar het huis waar Emily woonde, en deelde haar het voorgenomen plan mede.

"Maar wat zal moeder wel denken?" zeide Emily.

"Houd u niet op met aan haar te denken; zij zal veel liever zien dat wij vrij zijn, dan dat wij tijd verspillen met er haar over te spreken."

"Nu dan, als Mary wil, wil ik ook."

De meisjes geven als eene reden van haar verlangen om te vlugten, op, dat, ofschoon zij nooit mishandelingen ondergaan hadden of onvriendelijk behandeld waren, het haar echter bekend was, dat zij den een of anderen dag tot harde slavernij konden verkocht en gescheiden worden van al wat haar lief was.

Zij begaven zich dus allen aan boord van de Parel, die op eenigen afstand van de plaats, waar de schepen gewoonlijk aanleggen, geankerd lag. Daar troffen zij een gezelschap van slaven, zeven en zeventig in getal, aan. 's Nachts ten twaalf ure werden de zeilen van den kleinen schoener in stilte geheschen en gleed het vaartuig, met zijne vreesachtige en geheimzinnige vracht, den stroom af. Eene frissche koelte verhief zich en ten elf ure van den volgenden nacht, was men twee honderd mijlen ver van Washington verwijderd en begon men te gelooven dat men de vrijheid verkregen had.

Zij ankerden in een plaats, Cornfield-Harbour geheeten, met het voornemen, om het aanbreken van den morgen af te wachten. Allen lagen vredig en wel te rusten, door het geschommel van het vaartuig en het gekabbel van het water, in slaap gewiegd.

Maar 's nachts ten twee ure werden zij gewekt door een geweldig geschermutsel, geschreeuw, gevloek en gesteun op het dek. Een stoomboot was hen nagezonden en had hen ingehaald, en de kleine schoener was door een woedenden hoop gewapenden aan boord geklampt.

In één oogenblik waren de kapitein, de stuurman en al het volk gegrepen en gekneveld, onder de vreeselijkste vloeken en bedreigingen. Toen zij, razende en vloekende de luiken van de weêrlooze gevangenen beneden openrukten, trad Richard Edmondson naar voren, en sprak hun op een bedaarden toon toe: "Mijne heeren, maakt geen ongelukken; wij zijn allen hier." Allen onder de slaven, uitgezonderd deze, waren zoo stil als de wanhoop hen maar maken kon; er werd door niemand hunner een enkel woord geuit. De mannen werden allen gebonden en op het stoomschip overgebragt, de vrouwen werden aan boord van den schoener gelaten, die op sleeptouw werd genomen.

De aanleiding tot hunne gevangenneming werd op de volgende wijze verklaard.--Den morgen nadat zij waren uitgezeild, misten een aantal familiën in Washington hunne slaven, en dit voorval verwekte niet minder opschudding, dan twee dagen vroeger de bevrijding van Frankrijk had te weeg gebragt. Dien tijd hadden zij op de vriendelijkste wijze geluisterd naar de verdediging, dat het rijk der slavernij ten einde spoedde, omdat zij niet het geringste denkbeeld hadden, dat die taal iets te beteekenen had; en zij waren ten sterkste getroffen door de practische toepassing er van. Over de honderd mannen stegen te paard, om in den omtrek deze nieuwe leerlingen van het leerstelsel der algemeene emancipatie na te zetten. Maar een kleurling, Judson Diggs geheeten, verried den geheelen aanleg. Hij was toornig geworden, omdat, toen hij eene arme vrouw met haar goed naar de boot had gebragt, zij niet in staat was geweest hem de vijf en twintig centen te betalen, die hij geëischt had. Daarom verhaalde hij deze bewonderaars van algemeene broederschap, dat zij niet naar buiten behoefden te rijden, daar hunne slaven de rivier waren afgezakt, en op dit oogenblik toch ver genoeg waren. Terstond werd een stoomboot met twee honderd soldaten bemand en uitgezonden om hen na te zetten.

Toen het schip met de gevangen slaven aan wal kwam, greep er eene geweldige opschudding in de stad plaats. De mannen werden, twee aan twee gebonden, door de stad gedreven. Van alle kanten werden zij bespot, beschimpt en uitgejouwd. Iemand vroeg aan een van de meisjes: "of zij het niet prettig vond om gevat te worden als zij was weggeloopen?" en een ander vroeg haar: "of het haar niet speet?" Zij antwoordde: "Neen, als ik het morgen weêr doen kon, zou ik hetzelfde doen." De man keerde zich tot een der omstanders en zeide: "Heeft ze geen courage?"

Maar het meest was men op Drayton en Sayres gebeten, den kapitein en den stuurman van het vaartuig. Booswichten met dolken en pistolen gewapend, schoolden rondom hen bijeen en braakten de hevigste bedreigingen uit. Een van hen drong zoo digt bij Drayton, dat hij hem in het oor sneed, hetwelk Emily zag dat bloedde. Intusschen mengden zich onder de menigte een aantal betrekkingen der gevangenen, die, daar zij hen als zoo vele veroordeelde slagtoffers beschouwden, over hen weenden en jammerden. Een schoonbroeder der Edmondsons werd zoo van smart overweldigd toen hij ze ontwaarde, dat hij op de straat in zwijm viel en bewusteloos naar huis werd gedragen. Het droevige nieuws drong tot de hut van Paul en Milly Edmondson door, en wetende dat al hunne kinderen nu waarschijnlijk voor de zuidelijke markt zouden bestemd worden, lieten zij den vrijen teugel aan hunne smart. "O, welk een dag was dat!" zeide de oude moeder, toen zij dat tooneel voor de schrijfster beschreef. "Ik kon geen enkele bete meer over mijne lippen brengen. Paul en ik, wij vastten en riepen den Heer nacht en dag aan, om den wille onzer arme kinderen!"

De algemeene opinie van de stad sloeg tot de innigste verontwaardiging over. Het ging van mond tot mond, dat zij zacht waren behandeld en nooit eene mishandeling ondergaan hadden; en wat kon er hen toe gebragt hebben, om te trachten hunne vrijheid te erlangen? Alles wat de heer Stanton gezegd had van den langzaam voortgaanden invloed dor Amerikaansche instellingen en al zijne aardige vergelijkingen van de zaden der katoenbosschen, schenen geheel en al aan het geheugen der burgers ontsnapt te zijn, en zij konden in de poging van dit volk om zich te bevrijden, niets anders dan de verregaandste snoodheid zien. Een aantal raadde hunne eigenaren aan dat zij hun geen vergiffenis schenken zouden--dat er geen genade moest bewezen worden, maar dat zij op staanden voet moesten worden overgegeven in handen der handelaars, om naar de zuidelijke markt te worden gebragt--dat Siberië der onverantwoordelijke dwingelanden van Amerika. Toen al de gevangenen in de gevangenis waren geworpen, kwamen de eigenaars derwaarts, om onder eede te verklaren dat zijn hun eigendom waren, en de eigendom werd ook opgeroepen om onder eede te verklaren, wie hunne meesters waren. Met hen kwamen ook de gehuwde zusters van Mary en Emily; maar het werd haar niet toegestaan een voet in de gevangenis te zetten. De meisjes gluurden door de ijzeren traliën der vensters van de derde verdieping en zagen hare zusters beneden, die op de plaats stonden te weenen.

De voogd der Edmondsons, die voor den wettigen eigenaar optrad, oogenschijnlijk door hunne smart getroffen, beloofde hunne familie en vrienden, die, zoo mogelijk, hen wenschten te koopen, dat zij den volgenden morgen daartoe gelegenheid zouden hebben. Misschien was hij op dat oogenblik voornemens ze hem te geven; maar, toen Bruin en Hill, de houders van het groote slavenkoophuis in Alexandria, hen vier duizend vijf honderd dollars voor de zes kinderen boden, waren zij onherroepelijk vóór den volgenden morgen verkocht. Bruin wilde naar geene voorslagen hooren, door eenige hunner vrienden gedaan. De dame, bij wie Mary gewoond had, bood duizend dollars voor haar, maar Bruin sloeg het aanbod af, zeggende: dat hij het dubbel van die som op de markt van New-Orleans van haar maken kon. Hij zeide, dat hij al twaalf jaar lang het oog op die familie gehad had, en beloofd had ze te zullen koopen, als ze maar te koop kwamen.

Terwijl de meisjes in de gevangenis waren, hadden zij bedden noch stoelen, en slechts ieder een deken, schoon de nachten verstijvend waren; maar vernemende dat de vertrekken beneden, waar hare broeders waren opgesloten, nog kouder waren, en dat men hun daar geen dekens gegeven had, zonden zij er de hare heen. Des morgens werd het haar vergund eenige oogenblikken op de plaats te wandelen, en van dat oogenblik maakten zij gebruik om naar het venster van het vertrek harer broeders te snellen, hun goeden morgen te wenschen en door de traliën heen te kussen.

Donderdag avond ten tien ure deed men hare broeders handboeijen aan, en werden zij met hunne zusters door hunne nieuwe eigenaars op wagens geplaatst, naar Alexandria vervoerd en in eene gevangenis, een "Georgia Pen" genaamd, geworpen. De meisjes werden alleen in een groot vertrek gelaten, waar eene volslagene duisternis heerschte, zonder bed of deken, waar zij den nacht weenende en zuchtende doorbragten, in volslagene onbekendheid met het lot harer broeders. 's Morgens ten acht ure werden zij geroepen om te ontbijten, toen zij tot hare groote vertroosting ontdekten, dat hare vier broeders met haar in deze zelfde gevangenis waren opgesloten.

Hier bleven zij ongeveer vier weken, terwijl het haar doorgaans vergund werd over dag bij hare broeders te verblijven en des nachts naar haar eigen vertrek terug te keeren. Hare broeders waren ten hoogste bezorgd over haar, daar zij bevreesd waren, dat zij in het Zuiden zouden worden verkocht. Samuel vooral was zeer neêrgedrukt, daar hij de hoofdbewerker van haar ongeluk was. Hij zeide menigmalen, dat hij met blijdschap voor haar wilde sterven, als dit haar redden kon van het lot, dat hij duchtte. Hij weende bijna den ganschen tijd, schoon hij in hare tegenwoordigheid zijne tranen zocht te bedwingen.

Inmiddels werden zij in de gevangenis gebezigd om voor dertien man te wasschen, ofschoon hare broeders een groot deel van haar werk op zich namen. Eer zij de gevangenis verlieten, werden zij gemeten en hun signalement opgemaakt door hunne eigenaars. Eindelijk werden zij naar buiten gebragt, den broeders de handboeijen aangedaan, en alle aan boord van een stoomboot gebragt, waarop zich ongeveer veertig slaven, meest mannen, bevonden, die naar Baltimore werden vervoerd. De reis duurde een etmaal. Toen zij te Baltimore aankwamen, werden zij in een slaven-schuthok geworpen dat aan een compagnon van Bruin en Hill toebehoorde. Hij was een ruwe, lompe kerel, die gewoonlijk de goddeloosste taal uitsloeg, en verschrikkelijk gemeen en beleedigend in zijne aanmerkingen omtrent vrouwen was. Hier werd het hun verboden met elkander te bidden, zooals zij tot nu toe waren gewoon geweest. Maar door des morgens zeer vroeg op te staan, maakten zij zich een oogenblik ten nutte, waarin zij hunne gewoonte ongestoord konden opvolgen. Zij, en vier of vijf andere vrouwen, in de gevangenis, kwamen voor het aanbreken van den dag bij elkander om hare harten uit te storten voor de Toevlugt van iederen bedrukte van ziel; en in deze gebeden gedacht men de hardvochtige slavenhandelaars iederen dag. De broeders van Mary en Emily gedroegen zich zeer lief en hartelijk jegens hunne zusters, hetgeen een grooten invloed uitoefende op de andere mannen die met hen waren.

In deze plaats werden zij bekend met Tante Rachel, eene zeer godvreezende vrouw van middelbaren leeftijd, die men van haar man gescheiden, verkocht en in de gevangenis geworpen had. Haar echtgenoot kwam menigmalen naar de gevangenis en den handelaar smeeken haar aan zijne meesters te verkoopen, die hij meende dat genegen waren haar te koopen, als de prijs niet al te hoog was. Maar hij werd met vreeselijke bedreigingen en vloeken weggejaagd. Zij bleven ongeveer drie weken in Baltimore.

De vrienden in Washington, ofschoon tot nog toe niet geslaagd in hunne pogingen om het gezin te bevrijden, waren nog altijd ten hunnen behoeve werkzaam; en op zekeren avond werd er een berigt met de telegraaf overgebragt, inhoudende, dat den volgenden morgen met den spoortrein iemand zou komen om een bod te doen voor het gezin en dat een gedeelte van het geld gereed lag. Maar de handelaar was onverbiddelijk; en den volgenden morgen, één uur vóór de aankomst van den trein, werden zij allen ingescheept aan boord van de brik de Unie, die onder zeil lag naar New-Orleans. De bode kwam en bragt negen honderd dollars in klinkende specie mede, het geschenk van een kleinzoon van John Jacob Astor. Deze som was bepaaldelijk bestemd voor den aankoop van Richard Edmondson, daar zijne vrouw en kinderen in Washington ziek lagen; en de handelaar wilde de meisjes op geenerhande voorwaarde verkoopen, ja wilde zelfs niet dulden, dat Richard van de brik werd teruggebragt, die nog voor anker lag. De koop was evenwel gesloten en het geld in Baltimore gedeponeerd.

Op deze brik werden de elf vrouwen in een zeer eng verblijf geplaatst en de dertig of veertig mannen in een daaraan grenzend. Emily was gedurende den geheelen overtogt geweldig zeeziek en hare broeders vreesden dat zij bezwijken zou. Zij droegen haar gewoonlijk naar boven en naar onder, kochten eenige kleine versnaperingen voor hare zusters en droegen alle mogelijke zorg voor haar.

Aanhoudende tegenwinden voerden hen gedurig terug; en in hunne bijeenkomsten tot het gebed, die zij iederen avond hielden, waren zij gewoon te bidden, dat de tegenwinden hen naar New-York mogten wederbrengen, en een van de matrozen verklaarde, dat indien zij tot op honderd mijlen afstands van New-York konden komen, en de slaven hen wilden bijstaan, hij den kapitein van kant zou maken, en hen in New-York-zelve binnen brengen.

Toen zij digt bij Key West kwamen, seinden zij om een loods, daar de kapitein bevreesd was voor de blinde klippen van die plaats en hij niet wist hoe ze te ontkomen. Toen de loodsboot naderde, werden al de slaven beneden opgesloten en een zwaar zeildoek over het groote luik gespannen, waardoor zij van alle lucht verstoken werden, en bijna stikten. De kapitein en de loods onderhandelden een geruimen tijd over den prijs en er volgde eenig krakeel, daar de kapitein ongeneigd was de door den loods gevraagde som te geven; gedurende al dien tijd was het lijden beneden ondragelijk. De vrouwen geraakten zoo uitgeput, dat zij meest allen buiten kennis waren, en de toestand der mannen was niet veel beter, schoon zij beproefden met een stuk hout eenige gaten aan hunnen kant in het zeildoek te maken, ten einde eenige lucht in te laten, maar slechts een paar van de sterksten mogt het gelukken hierin te slagen. Eenigen hunner schreeuwden om hulp zoo lang hunne krachten het toelieten; en eindelijk, na hetgeen hun een schier eindelooze zamenkomst toescheen, vertrok de loods, die weigerde hen bij te staan; het zeildoek werd weggenomen, en de brik verpligt te wenden en een anderen koers te nemen. Daarop kroop de een na den ander, toen hij weder was bijgekomen en genoegzame kracht had, op het dek. Mary en Emily werden door hare broeders zoo spoedig zij daartoe maar in staat waren, naar boven gedragen.

Kort hierop begon de voorraad van levensmiddelen te verminderen, en kwam er gebrek aan water, zoodat de slaven op rantsoen van een maatje daags werden gesteld. De matrozen kregen ieder een kwart en gaven dikwijls een pint er van aan de Edmondsons voor hunne zusters, die het met de andere vrouwen deelden, zoo als zij altijd met iedere kleinigheid deden, welke zij op dergelijke wijze ontvingen.

Den dag toen zij aan den mond van den Mississippi kwamen, stak er een geweldige storm op en verhieven zich de golven bergenhoog, zoodat, toen de loodsboot naderde, het nu en dan was of zij door den afgrond verzwolgen en dan weder opgeworpen werd om op nieuw door de diepte verslonden te worden. Eindelijk werden zij in en op de rivier door eene stoomboot geboegseerd en zagen daar voor het eerst katoenplantages, waarin geheele troepen slaven aan den arbeid waren.

Zij kwamen in den nacht te New-Orleans aan, en omstreeks tien ure van den volgenden morgen werden zij ontscheept en moesten zij zich naar de zoogenaamde uitstalkamers begeven; op de plaats komende, vonden zij daar een aantal mannen en vrouwen in de rondte zitten met zulke droevige gezigten, dat Emily weldra begon te schreijen, waarop een opzigter haar te gemoet trad en haar onder de kin streek en haar verzocht "met huilen op te houden, of dat hij haar anders iets geven zou waarom zij huilen kon." Vervolgens haar naar iets heen wijzende, zeide hij "dat daar de Calaboos was, waar diegenen die zich niet goed gedroegen gegeeseld werden." Niet zoo ras was hij verdwenen of een slavin kwam naar haar toe en ried haar een vrolijk gezigt te zetten, als zij het maar eenigzins kon, daar dit verre weg het beste voor haar zijn zou. Spoedig kwam een van hare broeders haar vragen wat de vrouw haar gezegd had, en toen zij het hem had verhaald, ried hij Emily aan, haren raad op te volgen, en wenschte hij er zelf voordeel mede te doen.

Dien eigen avond werd het hair der vier broeders kort geknipt, hunne knevels afgeschoren, en hunne gewone kleeding verwisseld met een blaauwe buis en broek, door al hetwelk zij zulk eene verandering ondergingen, dat hunne zusters hen op dat gezigt niet herkenden. Daarop werden zij drie achtereenvolgende dagen genoodzaakt zich in een open portaal voor aan de straat te vertoonen, om door de voorbijgangers te worden opgemerkt; uitgenomen als er een afgemat was, wanneer zij voor een poosje naar binnen mogten gaan, en een ander hunne plaats innemen. Wanneer er echter koopers kwamen, werd zij in de verkoopzaal op rijen ten toon gesteld en aan ruwe scherts en schimp prijs gegeven. Als iemand gading had in een of ander meisje uit den hoop, riep hij haar tot zich, pakte hij haar beet, deed haar mond open, bezag hare tanden en betastte haar op eene ruwe wijze, terwijl hij over het algemeen smerige aanmerkingen maakte; en zij moest ze aanhooren en verduren zonder den minsten tegenstand. Mary en Emily beklaagden zich bij hare broeders, dat zij zich aan zulk eene behandeling niet konden onderwerpen. Zij spraken er met Wilson over, een der compagnons van Bruin en Hill, die met het opzigt over de slaven in deze gevangenis belast waren. Zij werden hierop met meer kieschheid behandeld.

Een ander broeder der meisjes, Hamilton genaamd, was slaaf geweest in of bij New Orleans en had zich juist voor duizend dollars vrijgekocht; dat geld had hij reeds vroeger eens voor zich verdiend, maar men had het hem toen afgenomen. Daar Richard nu werkelijk vrij was dewijl het losgeld voor hem in Baltimore was gedeponeerd, vond hij hem daags na hunne aankomst te New-Orleans uit en bragt hem naar de gevangenis om zijne broeders en zusters te bezoeken. De ontmoeting was boven alle beschrijving aandoenlijk.

Hij had zijne zuster Emily vroeger nooit gezien, daar hij voor hare geboorte uit het huis zijner ouders verkocht was.

In het verblijf der meisjes bevonden zich 's nachts tusschen de twintig en dertig vrouwen, die allen op den blooten vloer sliepen, ieder slechts met een deken. Eenige dagen later kwam er tijding (die eigenlijk onjuist was) dat de helft van het geld was bijeengebragt om Mary en Emily vrij te koopen. Daarop werd het haar, op dringend verzoek harer broeders, vergund, naar het huis harer vrije broeders te gaan, om den nacht door te brengen, en des morgens terug te keeren, daar zij veel van de moskieten en andere insecten geleden hadden en hare voeten gezwollen en vol builen waren.

Terwijl zij in deze gevangenis vertoefden, vernamen zij een aantal voorvallen van vreeselijke wreedheid, ja vielen er zelfs onder hunne oogen voor. Twee slaven, een vrouw en een jongen, werden, terwijl zij er in waren, dood gegeeseld, ofschoon zij niet in hetzelfde schuthok waren, of aan denzelfden handelaar als zij toebehoorden.

Niemand van de slaven was het vergund, op den dag een oog te luiken, en somtijds werden kleine kinderen die den geheelen dag ledig zaten of stonden, zoo slaperig, dat zij hunne oogen niet konden openhouden; maar als de opzigter hen daarop betrapte, werden zij onbarmhartig geslagen. Mary en Emily hielden hen gewoonlijk in het oog, en lieten hen slapen tot dat zij de opzigters hoorden aankomen, en dan maakten zij ze wakker en deden hen in een oogenblik overeind springen.

Eene jonge vrouw, die door de handelaars tot het ergste doel verkocht was, was teruggekeerd, daar zij niet gelukkig genoeg was geweest haar kooper te bevallen; en, gelijk in dergelijke gevallen de gewoonte is, werd zij zoo gruwelijk gegeeseld--dat er versterving in een gedeelte van haar vleesch ontstond, en men aan haar leven wanhoopte. Toen Mary en Emily voor het eerst te New-Orleans aankwamen, zagen en spraken zij haar. Zij was toen juist begonnen op te zitten, zag er zeer tenger en mooi uit, met fraai regt hair, dat eertijds lang was geweest, maar door hare onbeschofte pijnigers was afgesneden.

De opzigter, die haar gegeeseld had, zeide, ten hunne aanhooren, dat hij een ander meisje nooit zoo geeselen zou, want het was te veel voor iemand om te zeggen. Zij veronderstelden, dat de reden waarom hij dit beloofde, daarin gelegen was, dat hij verpligt was haar op te passen en daardoor getuige was van haar lijden. Zij was van Alexandria, maar zij hadden haar naam vergeten.

Een jonge man en vrouw, die met hen in de gevangenis waren, en die met elkander verbonden waren om te trouwen, en aan verschillende meesters verkocht werden, waren zoo ter neêrgeslagen bij hunne scheiding, dat zij niet goed werkten of konden werken, en de jonge man werd spoedig teruggezonden met de klagt, dat hij niet aan het doel beantwoordde. Natuurlijk moest het geld teruggegeven en hij gegeeseld worden. Hij werd veroordeeld om een week lang iederen avond te worden gegeeseld, en, nadat hij twee honderd slagen van den opzigter had ontvangen, werd ieder der mannelijke slaven die in de gevangenis waren, gedwongen om hem uit al zijne magt vijf slagen toe te brengen, op straffe van zelf te worden gegeeseld. De jonge vrouw werd eveneens teruggezonden met een briefje van hare nieuwe meesteres, waarin zij verzocht, dat haar een zeker getal slagen zou worden toegediend, en tevens het geld was gesloten, dat daarvoor stond; aan welk verzoek op staanden voet voldaan werd.

Terwijl zij in New Orleans waren, zagen zij reeksen van aan elkander geketende vrouwen de straten schoonmaken, waarvan sommige een zwaren ijzeren kogel aan haar keten medesleepten; eene soort van straf, over het algemeen in zwang voor werkmeiden, die hare meesteressen mishaagd hadden.

Hamilton Edmondson, de broeder die zich-zelf had vrijgekocht, wendde alle mogelijke pogingen aan om zijne broeders en zusters in New Orleans een goed huis te bezorgen, zoodat zij niet ver van elkander behoefden gescheiden te worden. Op zekeren dag nam Mr. Wilson, de opzigter, Samuel met zich mede in een rijtuig en keerde zonder hem terug. De broeders en zusters bemerkten spoedig, dat hij verkocht en de Hemel wist waarheen gegaan was; maar het was hem op straffe van zware kastijding verboden te weenen, of zelfs een droevig gezigt te vertoonen. Tot hunne groote vreugde kwam hij echter den volgenden dag bij hen in de gevangenis, en verhaalde hun, dat hij een goed huis in de stad bij een Engelschman had gekregen, die duizend dollars voor hem besteed had.

Nadat zij drie weken in deze gevangenis hadden doorgebragt, deelde men de Edmondsons mede, dat door het toenemen van de gele koorts in de stad, en doordien zij nog niet geacclimateerd waren, het voor hen gevaarlijk werd om hier langer te blijven; en dat daarenboven door dit alles de koopers weinig lust hadden om hooge prijzen te besteden. Sommige slaven in het schuthok waren reeds ziek; eenige hunner oud, arm en morsig, en daardoor grootelijks vatbaar voor ziekte. Richard Edmondson was reeds vrijgekocht en moest dus worden teruggezonden, en alles wel bezien oordeelde men het best om zonder dralen een troep te maken en naar Baltimore te zenden.

De Edmondsons ontvingen dit berigt met groote blijdschap, want het was hun niet onbekend gebleven dat het geld, hetwelk bijeen gebragt werd om hen vrij te koopen, al vrij wat geklommen was. Hun broeder, die in vrijheid was, voorzag hen van menig gemak voor dezen togt, zoo als een matras, dekens, lakens en allerhande soort van eet- en drinkwaren; en, door hunne vrienden naar het schip uitgeleide gedaan, werden zij juist met den avond aan boord van de brik de Unie ingescheept en buiten de rivier geboegseerd. De brik had bijna een volle lading van katoen, siroop, suiker, enz. in, en derhalve was de ruimte voor de slaven al zeer beperkt. De plek, die der vrouwen was toebedeeld, was een klein, naauw, smerig vertrek, misschien acht of tien voet in het vierkant, van binnen opgepropt met katoen, dat op twee of drie voet van den zolder reikte, met uitzondering van de plek, die vlak onder het luik was. Richard Edmondson hield zijne zusters bij zich op het dek, hoewel zij daar zonder eenige beschutting waren: bereidde hun eten zelf, maakte hun bed boven op de katoenbalen, of waar hij slechts een plekje vinden kon, en legde zich dan nevens haar te slapen. Somtijds als er een storm opstak in het holle van den nacht, sprong hij op en wekte haar, en haar bed en beddegoed opnemende, geleidde hij haar naar een kleine soort van voorraadkast, waar zij juist alle drie in staan konden tot de storm over was. Somtijds wist hij hun uit stukken van planken of iets anders op het dek een tijdelijke beschutting te bezorgen.

Na eene reis van zestien dagen, kwamen zij te Baltimore aan, in de zekere verwachting dat de dagen hunner slavernij waren geteld. Hier werden zij weder naar dezelfde oude gevangenis gebragt, waaruit zij eenige weken geleden genomen waren, ofschoon zij veronderstelden dat het slechts voor een uur of wat wezen zou. Mr. Bigelow, van Washington, kwam terstond om Richard. Toen de meisjes ontwaarden dat ook zij niet in vrijheid gesteld werden, was hunne smart en teleurstelling onuitsprekelijk. Maar zij werden gescheiden--Richard om naar zijn huis, zijne vrouw en kinderen te gaan, en zij om in de slavengevangenis achter te blijven. Er verliepen allerverdrietigste dagen en nachten. Des morgens waren zij genoodzaakt om de plaats op de muziek van vedels, banjoes, enz. in het rond te loopen; op den dag waschten en streken zij voor de mannelijke slaven, en versliepen of bragten het overige gedeelte met weenen door. Na eenige weken kwam haar vader haar bezoeken, vergezeld door hare zuster.

Het was gedeeltelijk zijn doel om zich te vergewissen wat de laagste prijs was waarvoor hun eigenaar de meisjes zou willen verkoopen, daar hij eene flaauwe hoop koesterde, dat op de eene of andere wijze het geld zou worden bijeen gebragt, als men er den noodigen tijd maar voor liet. De handelaar verklaarde, dat hij ze spoedig naar eene andere slavenmarkt zenden zou, maar dat hij twee weken wilde wachten en, als de vrienden in dien tijd het geld konden magtig worden, zij haar zouden hebben.

Den nacht, dien haar vader en zuster met haar in de gevangenis doorbragten, lag hij in het vertrek boven haar; en zij konden hem den ganschen nacht hooren kermen; terwijl hare zuster aan hare zijde zat te weenen. Geen hunner kon dien nacht een oog luiken.

Den volgenden morgen begon op nieuw de verdrietelijke routine van de slavengevangenis. De oude Paul wandelde bedaard over de plaats, en zette zich neder om de arme slaven, die daar rondliepen, te beschouwen. Hij had zijne dochters vroeger nooit in zulk een toestand gezien, en hij werd door zijn gevoel overweldigd. De plaats was niet groot, en de meisjes, als zij langs hem henen wandelden, raakten hem bijna met hare kleederen aan, en konden hem in zich-zelven hooren jammeren. "O mijne kinderen, mijne kinderen!"

Na het ontbijt, hetwelk geen van haar in staat was te nuttigen, scheidden zij van elkander, terwijl de vader den handelaar smeekte, om haar naar New Orleans te zenden, als het geld niet kon worden bijeengebragt, dewijl hare broeders haar daar misschien goede meesters konden bezorgen.

Twee of drie weken later bezochten Bruin en Hill de gevangenis, ontbonden hunne compagnieschap met den handelaar, sloten de rekening met elkander en namen de Edmondsons op nieuw in hun bezit.

De meisjes werden 's nachts ten elf ure, toen zij pas in slaap waren geraakt, gewekt en gelast zich terstond gereed te maken om naar huis te gaan. Zij hadden geleerd, dat het woord van een slavenhouder niet te vertrouwen is, en vreesden dat zij naar Richmond of Virginia zouden gezonden worden, omdat zij daarvan hadden hooren praten. Zij waren spoedig met den spoortrein op weg met Bruin, en kwamen een weinig na middernacht te Washington aan.

Hare harten klopten van vreugde, toen zij, na deze maanden-lange bittere gevangenschap, zich weder in dezelfde stad bevonden, waar hare broeders, zusters en bloedverwanten woonden. Maar het werd haar niet toegestaan iemand der haren te zien; zij werden in een rijtuig geplaatst en terstond naar de slavengevangenis van Alexandria overgebragt, waar zij, omstreeks twee uren in den nacht, zich op nieuw in hetzelfde ellendige oude vertrek geworpen zagen, waar haar gevangenis-tijdperk een aanvang had genomen.

Dit gebeurde op het einde van Augustus. Andermaal werden zij gebezigd om over dag te wasschen, te strijken en te naaijen, terwijl zij des nachts werden opgesloten. Nu en dan werd het haar toegestaan in het huis van Bruin te naaijen en er zelfs te eten. Toen zij een week of drie in Alexandria geweest waren, kwam hare oudste gehuwde zuster, die sedert geruimen tijd niets van haar gehoord had, bij Bruin, om zoo mogelijk iets van haar te vernemen, en hare verrassing en vreugde waren niet gering, toen zij haar nog eens en zelfs daar zag. Eenige weken later kwam haar oude vader haar op nieuw bezoeken. Hoe hopeloos het denkbeeld van hare bevrijding ook mogt schijnen, toch bleef hij er aan vasthouden. Hij had eenige aanmoediging en bijstand te Washington ontvangen, en was voornemens naar het Noorden te gaan om te zien of hij daar iets kon gedaan krijgen; en hij verlangde vurig van Bruin te hooren, wat wel de laagst mogelijke prijs was, waarvoor hij zijne dochters kon inkoopen. Bruin stelde zijne voorwaarden op in het volgende document, hetwelk wij hier laten volgen:

Alexandria, (Virginia) 5 Sept. 1848.

Houder dezes is Paul Edmondson, de vader van twee meisjes, Mary Jane en Emily Catharina Edmondson. Deze meisjes zijn door ons gekocht en ééns naar de zuidelijke markt gezonden, en op de stellige verzekering dat het geld voor haar zou zijn bijeen gebragt, als zij terug gevoerd werden, waren zij terug gekeerd. Naar het schijnt is in dit opzigt tot nog toe niets door hen, die het beloofden, verrigt, en wij zijn op het punt om haar andermaal naar de zuidelijke markt te zenden, en wij verklaren het opregtelijk, dat, als zij er weder heengaan, wij niet het minste acht zullen slaan op beloften, die in betrekking tot haar mogten gedaan worden. De vader wenscht het geld, dat voor haar betaald moet worden, bijeen te brengen, en is voornemens een beroep te doen op de milddadigheid van de menschlievenden en goeden om hem bij te staan, en heeft ons verzocht de voorwaarden, waarop wij zijne dochters willen verkoopen, in schrift te stellen.

Wij zijn voornemens onze bedienden binnen weinige dagen naar het Zuiden te zenden. Als de som van twaalf honderd (1200) dollars binnen veertien dagen aan ons wordt ter hand gesteld, of wij zekerheid voor dit bedrag ontvangen hebben, zullen wij haar nog vijf en twintig dagen langer ophouden, om gelegenheid te geven tot het verkrijgen der andere duizend en vijftig (1050) dollars, anders zullen wij genoodzaakt zijn haar met onze andere bedienden te verzenden.

Bruin en Hill.

Paul nam zijne papieren en scheidde met een beklemd gemoed van zijne dochters. Van dat oogenblik af leefden zij in de grootste onzekerheid. Gedurig zagen zij naar een brief of een bode uit en baden God, dat Hij haar ergens een bevrijder mogt verwekken. Maar dag op dag en week op week ging voorbij, en de gevreesde tijd kwam al nader en nader. De voorbereidende werkzaamheden tot het gereed maken van een troep voor Zuid-Carolina namen een aanvang. Kleurig katoen werd voor haar gekocht om er pronkkleederen van te vervaardigen, waarin zij ten verkoop zouden worden aangeboden. Zij maakten ze met vrij wat bitterder smart op dan waarmede zij hare eigene doodshemden zouden vervaardigd hebben. De hoop was bijna in haar binnenste gestorven. Eenige dagen voor dat de troep zou worden afgezonden, bragt hare zuster haar een droevig afscheidsbezoek. Zij vermengden hare gebeden en tranen met elkander, en de meisjes maakten kleine souveniers, die zij als afscheidsgeschenken aan hare broeders en zusters en haar bejaarde vader en moeder zonden, en met een vaarwel, veel smartelijker dan dat van een sterfbed, scheidden de zusters.

De avond, voor dat de troep vertrekken zou, naderde. Mary en Emily begaven zich naar het huis om afscheid van Bruins familie te nemen. Bruin had een dochtertje dat een speelpopje en lievelinge van de meisjes geweest was. Zij klemde zich aan haar vast, huilde en bad, dat men haar niet zou laten vertrekken. Emily zeide haar, dat als zij wilde dat zij zouden blijven, zij het aan haar vader moest gaan vragen. Vervuld met hare boodschap, huppelde de kleine pleitster henen, en plaagde hem zoo geducht en hield zoo sterk aan, dat hij, om haar te vrede te stellen, er in bewilligde om haar te laten blijven, als zijn compagnon Hill er in toestemde. Op dit oogenblik ging Bruin, die Mary overluid in de gevangenis hoorde kermen, naar haar toe. Met al de kracht der wanhoop deed zij een laatste beroep op zijn hart. Zij smeekte hem, zich in hare plaats te stellen, te denken aan zijne eigene kleine dochter; zij stelde hem voor wat het zijn zou, als zij werd ontrukt aan alles wat zij op aarde bezat, en alle hoop van bevrijding voor haar verloren ging, op het eigen oogenblik, dat zij de vrijheid verwachtte! Bruin was niet bepaald van steen, en dit vreeselijke beroep bragt hem de tranen in de oogen. Hij gaf haar eenige hoop, dat, als Hill er in wilde toestemmen, zij niet met den troep zou worden verzonden. Een slapelooze, in tranen, gebeden en zuchten doorgebragte nacht volgde. Eindelijk brak de morgen aan, en, overeenkomstig de bevelen die zij den vorigen dag ontvangen hadden, maakten zij zich gereed om te vertrekken, zetten zelfs hare mutsen op, sloegen hare doeken om en stonden te wachten tot het sein zou worden gegeven. Toen de laatste traan der hoop was gedroogd en zij naar buiten waren gekomen om zich bij den troep te voegen, werd Bruins hart tot zachtheid geneigd. Hij riep haar tot zich, en zeide haar dat zij mogten blijven! O! wat werden hare harten hierdoor verblijd, daar zij nu een weinig langer mogten hopen! Of de smeekingen van de kleine Martha òf Mary's aandrang, hadden de overwinning behaald.

Spoedig vertrok de troep te voet; mannen, vrouwen en kinderen, twee aan twee, de mannen allen met handboeijen aan elkander vastgehecht, de regtervuist van den een tegen de linkervuist van den ander, terwijl een keten, die tusschen de handboeijen doorliep, het eene paar aan het andere verbond.

De vrouwen en kinderen liepen aldaar op dezelfde wijze, met handboeijen of ketens aan. Drijvers liepen vooraan en op zijde, om diegenen op te nemen, die ziek of gebrekkig waren; zij waren verpligt zich zingende in beweging te stellen! begeleid door vedels en banjoes!--"Want zij, die ons als gevangenen wegvoerden, eischten van ons een lied, en zij, die ons aan de ellende prijs gaven, eischten vrolijkheid van ons." En dit is een tooneel dat men dagelijks kan zien in een Christelijk land!--en verkondigers van Christus zeggen, dat het regt om zulke dingen te bedrijven, door God zelven gegeven is!!

Intusschen trok Paul Edmondson naar het Noorden om daar hulp in te roepen. Iemand die in die dagen met den spoortrein reisde, moet er een eerwaardigen zwarten man in hebben aangetroffen, wiens geheele voorkomen en houding den geduldigsten ootmoed verried en die een zwaren last van verpletterend lijden met zich scheen om te dragen, als iemand die lang de smart had gekend. Die man was Paul Edmondson.

Alleen, zonder vrienden, onbekend, en wat nog het ergste van allen is, zwart van huid, kwam hij in de uitgestrekte, woelige stad New York, om te zien, of er ook iemand zijn mogt, die hem vijf en twintig honderd dollars kon geven, om daarmede zijne dochters vrij te koopen. Kan iemand beschrijven wat een arm man gevoelt, die, met dat doel, eene bedrijvige, rijke stad, alleen en onbekend, binnentreedt? De schrijfster bezit nu in den brief eens slavenvaders en echtgenoot, die naar Portland was gekomen met een dergelijke boodschap, eene roerende uitdrukking van dat gevoel:--

Ik liep den ganschen dag, tot dat ik uitgeput van vermoeijenis en ontmoedigd was. O! mevrouw S.--als ik zoo veel menschen zie, die zoo veel meer dingen schijnen te bezitten dan zij noodig hebben, of weten wat zij er meê doen zullen, en dan indenk, dat ik tot boven mijn veertigste jaar, mijn geheele leven door hard gewerkt heb, en zelfs mijne eigene vrouw en kinderen niet tot mijn eigendom kan maken, voel ik mij, o, zoo krank en neêrslagtig!

Zoo krank van ziel en terneêrgeslagen gevoelde zich Paul Edmondson. Hij begaf zich naar het anti-slavernij-kantoor, en zeide wat er hem henen dreef. Het was zulk een groote som en ze scheen zoo geweldig hoog, dat, ofschoon men den armen vader beklaagde, men den moed niet had, om te trachten die bij elkaâr te krijgen. De beambten schreven naar Washington, om zich van de waarheid van onderscheidene punten te overtuigen, en schreven aan Bruin en Hill, om te beproeven of zij niet iets van den prijs wilden laten vallen. Intusschen ging de arme oude man van den eenen raadsman naar den ander. Men had hem aanbevolen naar den eerwaarden H. W. Beecher te gaan, en dien zijne geschiedenis te verhalen. Hij vroeg den weg naar zijn huis--klom de trappen van het bordes op om aan te schellen, maar zijn hart ontzonk hem--hij bleef schreijende op de trappen zitten.

Daar werd hij door Mr. Beecher gevonden. Hij nam hem met zich naar binnen, en vroeg hem naar zijne geschiedenis. Dien avond zou er een openbare vergadering zijn ter inzameling van gelden. De rampzalige vader smeekte hem er heen te gaan en de zaak zijner kinderen te bepleiten. Hij ging er heen en sprak, alsof hij voor zijn eigen vader en zusters sprak. Andere geestelijken gingen op dezelfde wijze met spreken voort,--de vergadering werd enthousiastisch, en het geld werd op de plek ingezameld, en de arme Paul legde dien avond zijn hoofd tot dankbaarheid neêr op zijn kussen--niet om te slapen, maar om te danken!

Inmiddels hadden de meisjes vreeselijk lange dagen in de gevangenis doorgebragt. Daar werden zij gebezigd om voor Bruin's huisgezin te naaijen, terwijl ze nu eens in de gevangenis en dan weder in het huis werkten.

Het verdient vermeld te worden dat Mr. Bruin van geheel anderen aard is dan een aantal mannen van zijn beroep. Hij is iemand dien men nooit onder de slavenhandelaars zou hebben aangetroffen, indien niet het achtingswaardigste gedeelte der maatschappij het regt verdedigd had, om te koopen en te verkoopen, als eene instelling van God zelven. Waar is het, dat Mr. Bruin een van de eerste inteekenaars op de National Era in het district Columbia was, en toen een zeker iemand zich daar in groot gevaar bragt, door het bijstaan van slaven in hunne vlugt, en er niemand te vinden was die voor hem wilde borg blijven, kwam Mr. Bruin te voorschijn en was zoo vriendelijk zich borg te stellen.

Terwijl wij het afschuwelijke stelsel en dien afschuwelijken handel met geheel ons hart verfoeijen, gelooven wij, dat er geen kwaad in gelegen is, te wenschen, dat zoo iemand een beter bedrijf had om uit te oefenen. Toch kunnen wij niet nalaten al de zoodanigen te herinneren, dat, wanneer wij voor den regterstoel van Christus geroepen worden, iedereen voor zich-zelf alleen zal verantwoorden, en dat Christus niet als eene verontschuldiging der zonde, de woorden van al de geestelijken en al de synoden des lands zal aannemen. Hij heeft ons de schoone les geschonken: "Wacht u voor de valsche profeten;" en als de menschen er zich niet voor willen wachten, komt hun bloed over hunne eigene hoofden.

Terwijl de meisjes onder Mr. Bruin's bewaring waren, werden zij met zoo veel vriendelijkheid en onderscheiding behandeld, als maar bij eenige mogelijkheid bestaan kon, met het voornemen om ze te verkoopen. Het valt niet te betwijfelen, of Bruin voor zich, behandelde haar vriendelijk, en wenschte opregtelijk dat zij mogten worden vrij gekocht; maar dan zag hij geen reden om twee duizend vijf honderd dollars te verliezen. Hij was, met betrekking tot dit punt, juist in dezelfde moeijelijkheid geplaatst als sommige leden van verschillende kerken te New York, toen hun slaven als onderpand voor gelden, die men in het Zuiden schuldig was, waren toebedeeld. Het speet hem om harent wille en hij wenschte wel en hoopte, dat de Voorzienigheid voor haar zoude zorgen, wanneer zij verkocht waren, maar toch kon hij er niet toe overgaan om zijn geld te verliezen, en zoo lang zulke lieden ouderlingen en avondmaalgangers in kerken van New York blijven, moeten wij ons niet verwonderen dat er in Alexandria slavenhandelaars blijven bestaan.

Het is een der groote kunstgrepen van den vijand der zielen menschen te verlokken om hunne deelneming in ééne soort van zonde te vergoeden, door hun godvreezende afschuw van eene andere soort. De slavenhandelaar is de algemeene zondebok, waarop al de partijen hare verontwaardiging geladen hebben, terwijl zij van hem kochten of aan hem overdeden.

In den vijftigsten Psalm wordt eene geduchte waarschuwing gegeven aan allen, die met woorden hun geloof hebben beleden, maar wier daden getuigen, dat zij de ongeregtigheid goedkeuren, en waar Christus wordt voorgesteld als hen van Zijnen regterstoel aldus toesprekende:--"Wat hebt gij mijne inzettingen te vertellen en neemt mijn verbond in uwen mond, dewijl gij de kastijding haat, en mijne woorden achter u henenwerpt? Indien gij eenen dief ziet, zoo loopt gij met hem; en uw deel is met de overspelers."

Één ding is zeker, dat al degenen die deze dingen, hetzij openlijk, hetzij in het geheim bedrijven, ten laatste hunne rekening moeten vereffenen met een regter die geen aannemer des persoons is, en die even spoedig een ouderling van de kerk zal veroordeelen wegens slavenhandel als een slavenhandelaar van beroep; ja hij zal het verdragelijker maken voor het Sodom en Gomorra der slavenhandels, dan voor hen;--want men kan veilig aannemen dat de handelaar, als hij de middelen der genade gekend had zoo als zij, er reeds lang berouw over zoude gehad hebben.

Maar keeren wij tot onze geschiedenis terug. De meisjes zaten voor het open raam van haar kamertje te naaijen, toen Emily tot Mary zeide: "Zie eens, Mary, daar hebt ge dien blanken man, dien wij uit het Noorden hebben zien komen." Zij zagen beiden naar buiten en een oogenblik later ontwaarden zij haar eigen dierbaren vader. Zij sprongen en vlogen door het huis en het kantoor de straat op, en huppelden terwijl zij liepen, gevolgd door Bruin, die zeide op dat oogenblik gemeend te hebben dat de meisjes krankzinnig waren. In één oogenblik lagen zij in haars vaders armen, maar bemerkten dat hij ongemeen beefde en zijne stem zwak was. Zij vroegen hem daarbij of hij het losgeld voor haar gekregen had. Bevreesd om al te spoedig hare verwachtingen op te wekken eer de papieren van hare vrijverklaring geteekend waren, zeide hij dat hij weldra met haar hoopte te spreken, en begaf zich in het kantoor met Mr. Bruin en Mr. Chaplin. Mr. Bruin verklaarde dat hij innig verheugd was, zoo als hij ook inderdaad was, dat zij het geld hadden meêgebragt; maar scheen zeer getroffen over de wijze, waarop de eerwaarde H. W. Beecher van hem had gesproken op de "liberation meeting" te New-York, daar hij het hard oordeelde, dat er geen onderscheid werd gemaakt tusschen hem en andere handelaars, daar hij zich zooveel inschikkelijker en menschlievender had getoond dan het grootste deel onder hen. Hij telde echter het geld na, teekende de papieren van ganscher harte en nam er voor elk van de meisjes een goud vijf dollarsstuk af tot een afscheidsgeschenk.

De zaak duurde langer dan zij zich hadden voorgesteld en de tijd scheen de arme meisjes eene eeuw toe, die in de grootste onrust nu eens naar binnen dan weder naar buiten liepen, in het onzekere welk lot haar boven het hoofd hing. Zou haar vader het geld hebben gebragt? Waarom beefde hij zoo? Zou hij het geld toch niet gekregen hebben? Of zou hare moeder ook soms gestorven zijn, want zij hadden gehoord dat zij zeer ziek was!!

Eindelijk kwam er een bode die haar toeriep:

"Gij zijt vrij, gij zijt vrij!" Emily gelooft dat zij bijna tot aan den zolder sprong. Zij danste, klapte in de handen, lachte en schreide overluid. Weldra kwam haar vader bij haar, omhelsde haar en beproefde haar tot bedaren te brengen en zeide dat zij zich gereed moesten maken om naar hare moeder te gaan. Dit deden zij, zonder zelve te weten hoe, maar trouw geholpen door het geheele gezin, dat van ganscher harte in hare blijdschap scheen deel te nemen. Haar vader liet een rijtuig komen om haar naar de werf te brengen, en met eene vreugde die alle beschrijving te boven gaat, namen zij een allerteederst afscheid van geheel het huisgezin en gingen daarin zelfs Bruin niet voorbij. Het goede dat in de menschelijke natuur is, had in een oogenblik de overhand en allen waren tot tranen van deelnemende blijdschap geroerd. Haar vader, die zijne vreugde zelf geweld aandeed, wendde al het mogelijke aan, om hare opgewondenheid tot bedaren te brengen, en ten langen laatste gelukte hem dit gedeeltelijk. Toen zij te Washington aankwamen stond er een wagen gereed om haar naar het huis harer zuster te brengen. Lieden van allerlei rang en stand liepen te hoop om haar te zien. Hare broeders namen haar in hunne armen en liepen met haar rond, bijna krankzinnig van blijdschap. Hare bejaarde en eerbiedwaardige moeder, van hare ziekte bevrijd door den tegenprikkel van het blijde nieuws, was daar en weende en dankte den Almagtige. Ververschingen werden in het huis harer zuster gereed gemaakt voor die haar kwamen bezoeken, en onder gegroet en gejuich, tranen en blijdschap, gebeden en dankzeggingen, maar zonder den minsten slaap, werd de nacht gesleten, en de morgen van den 4den November 1848 lichtte over haar als over vrijen en gelukkigen.

Met de vorige lente en wel in de maand Mei, zoo als de schrijfster reeds heeft te kennen gegeven, kwam de bejaarde moeder der Edmondsonsche familie te New York, en de reden van hare komst kan kortelijk worden medegedeeld. Zij had nog eene dochter, de steun en de hulp van hare grijsheid, of, zoo als zij zich in hare eigenaardige taal uitdrukte "de laatste droppel bloed in haar hart." Zij had ook nog den zoon van een en twintig jaren, die nog slaaf was op eene naburige plantage. Men hield het er voor, dat de ziekelijke vrouw, in wier naam de bezitting werd beheerd, haar einde nabij was, en de arme ouders waren door de vrees beklemd, dat wanneer zij stierf, hunne beide overblijvende kinderen bij de scheiding van den boedel verkocht en dus naar de gevreesde zuidelijke markt zouden gezonden worden. Niemand kan het beschrijven welk een altoosdurende vrees de slavengevangenissen en de slavenhandelaars aan al de ongelukkige familiën in den omtrek inboezemen. Alles waarvan andere ouders op hunne kinderen met vreugde en trots neêrzien, is voor deze arme schepsels eene bron van onrust en verdriet, omdat het het kind slechts zoo veel te meer tot een verkoopbaar artikel maakt. Het is dus geen wonder, dat het licht in Paul's en Milly's hut door het verschrikkelijke denkbeeld verduisterd werd.

Zij die over deze kinderen gesteld waren, hadden haar vader een schriftelijke belofte gegeven, dat zij ze hem voor eene zekere som zouden verkoopen, en door langdurig smeeken hadden zij honderd dollars laten zakken van de twaalf honderd die hij behoefde. Maar hij was nu door ziekte aan zijn bed gebonden. Na een vurig gebed te hebben opgezonden, tot den Helper der hulpeloozen, zeide Milly op zekeren dag tot Paul: "Ik zal u eens wat zeggen, Paul; ik zal zelf naar New York gaan, om te zien of ik dat geld niet kan oploopen."

Paul antwoordde: "Maar beste Milly, hoe zoudt gij dat kunnen? Gij moet eigenlijk in bed blijven, en gij zijt nog nooit van uw leven op den spoortrein geweest?"

"Wees maar niet bang, Paul," zeide ik: "ik zal gaan vol vertrouwen op den Heer; en de Heer zal mij in Zijne hoede nemen en Hij zal mij geleiden, dat weet ik."

Ik ging dus naar den trein en nam een blanke aan, die mij er inhielp en, waarlijk, daar vond ik twee Bethel-predikers, en de een zat hier en de andere daar naast mij den geheelen weg over; en zij zorgden voor mijn briefjes en goed en zagen alles voor mij na, en deden alles voor mij. Den geheelen weg over gebeurde er niets niet mij. Somtijds als ik afstapte in de koffijkamers, zagen de menschen mij aan en schoven met zulk een verachtelijken blik op! Wel, dacht ik, ik hoop dat de Heer u tot betere gedachten brengen zal."

Emily en Mary, die ergens in New York naar school waren gezonden, kwamen in de stad om hare moeder te bezoeken en zij bragten haar terstond naar het huis van den eerwaarden Henry W. Beecher, waar de schrijfster zich toen juist bevond. Schrijfster dezes stelt zich het tooneel nog levendig voor den geest, toen zij het eerst deze moeder en dochters ontmoette. Het dient vermeld te worden, dat zij elkander toen in geen vier jaren gezien hadden. Zij zaten aan weêrskanten van hare moeder, ieder met een harer handen in de hare, en de blik van trots en liefde, waarmede zij haar aan de schrijfster voorstelden, was roerend om te zien. Nadat zij was voorgesteld aan de schrijfster, ging zij op nieuw tusschen haar zitten, nam eene hand van ieder, en sloeg eerst op de eene en toen op de andere een ernstigen blik, en opziende, zeide zij met een glimlach:

"O, die kinderen! hoe zij ons aan het harte liggen!"

Zij beschreef toen aan de schrijfster al haar kommer en angst omtrent hare jongste kinderen. "Nu, mevrouw," zeide zij, "die man door wien het groote handelshuis te Alexandria gehouden wordt, die man," en zij drukte hierop met innige verontwaardiging, "heeft laten vernemen of er nog meer kinderen van me waren, die verkocht konden worden. Die man zeide dat hij mij verlangde te zien. Ja, mevrouw, hij heeft gezegd twintig dollars te willen geven om mij te zien. Ik zou hem niet willen zien, al gaf hij er mij honderd. Hij heeft mij laten vragen om bij hem te komen en hem te zien, toen hij mijne dochters in zijne gevangenis had opgesloten. Ik wilde niet gaan om hem te zien; en ik had geen behoefte om haar daar te zien."

Hare beide dochters Emily en Mary werden hierop zeer boos en uitten eene zeer natuurlijke maar bittere taal jegens alle slavenhouders. "Stil kinderen! gij moet uwe vijanden vergeven," zeide zij. "Maar zij zijn zoo goddeloos," zeiden de meisjes. "Ach kinderen de zonde moet gij haten, maar den zondaar liefhebben." "Nu, moeder," zeide een van de meisjes, "als ik op nieuw eene slavin moest worden, zou ik mij van kant maken." "Dat geloof ik niet, kind; dat zou goddeloos zijn." "Maar moeder, ik zou het toch doen; ik weet dat ik het nooit meer zou kunnen verdragen." "Draag het, mijn kind!" was haar antwoord, "want de heerlijkheid zal hiernamaals des te grooter zijn, naarmate men hier meer heeft verdragen."

Terwijl zij deze woorden sprak, was er iets onbeschrijfelijk gevoeligs in hare stem en voorkomen, eene plegtigheid en kracht, maar gepaard met zachtheid, die nooit uit mijn geheugen zullen worden gewischt.

Deze arme slavenmoeder, wier geheele leven eene lange beleediging van hare heiligste gevoelens geweest was; wie men de gelegenheid ontnomen had om Gods Woord te lezen; wier edele pelgrimstogt door de ongeregtigheid eener Christelijke natie tot een dag van ellende gemaakt was; zij had toch geleerd het grootste raadsel der Christelijke zedeleer op te lossen en te doen wat zoo weinig hervormers doen kunnen--de zonde te haten, maar den zondaar lief te hebben!

Door deze geschiedenis was eene groote belangstelling onder de dames in Brooklyn ontstaan. Er werden verscheidene groote meetings in verschillende salons gehouden, waarin de oude moeder hare geschiedenis met groote eenvoudigheid en diep gevoel mededeelde, en spoedig werd er eene inteekening geopend tot loskooping van de twee overgeblevenen harer familie. Het zal misschien niet zonder belangstelling vernomen worden, dat aan het hoofd der inteekenlijst de naam prijkte van de beminnelijke en weldadige Jenny Lind Goldsmidt.

Eenige dames, die deze roerende geschiedenis hoorden verhalen, stelden zooveel belang in miss Edmondson-zelve, dat zij verlangden eene daguerreotype van haar te laten maken, opdat zij zoo wel gesterkt mogten worden door haar rustig gelaat als de schoonheid van waarachtige deugd, die daarvan afstraalde, er in te bewonderen. Overeenkomstig dat verlangen vergezelde zij haar naar het atelier, met al den eenvoud van een klein kind. "O," zeide zij tot eene der dames, "gij kunt niet nagaan hoe gelukkig ik ben, dat ik hier ben gekomen, waar iedereen zoo vriendelijk jegens mij is!" Toen ik den vorigen avond naar huis ging, was ik zoo gelukkig, dat ik er niet van slapen kon. Ik moest het gedurig aan mijn Heiland zeggen, hoe gelukkig ik was."

Eene dame sprak met haar om dit of dat te lezen. "God zegene u, mijn liefje! Ik kan geen letter lezen."

"Hoe hebt gij dan," vroeg haar eene andere dame, "zooveel van God en van de hemelsche dingen geleerd?"

"Wel, het gelijkt eene gift van boven."

"Kan men den Bijbel dan voor u lezen?"

"Wel zeker, Paul kan een beetje lezen; maar hij heeft over dag zoo veel te werken, en als hij laat in den avond t'huis komt, is hij zoo vermoeid! en zijne oogen zijn slecht. Maar dan onderwijst mij de Geest."

"Gaat gij dikwijls naar de kerk?"

"Niet zeer veel; wij wonen zoo ver af. 's Winters kan ik het nooit. Maar o! hoe dikwijls ben ik als 't ware ter kerk geweest, en heb ik gebeden--en had ik gemeenschap met mijn Zaligmaker!" Nooit zal ik den glimlach vergeten die haar onder het uiten dezer woorden om den mond speelde. Een klein meisje van eene der dames maakte een paar allerscherpste aanmerkingen over iets in het atelier van den daguerreotypist en werd daarover door hare moeder bestraft.

De oude vrouw zag haar met haar rustigen glimlach aan.

"Dat herinnert me," zeide zij, "wat ik eens een predikant hoorde zeggen. "Vrienden," zeide hij, "als gij dit of dat weet, hetwelk het hart van uwen broeder kan verheugen, haast u dan om het te zeggen; maar als het iets is dat hem slechts een zucht zal kosten, houdt het dan voor u! houdt het dan voor u!" O, wat heb ik mijne kinderen dikwijls gezegd: "Houdt het voor u, houdt het voor u!""

Toen schrijfster dezes van de oude vrouw afscheid nam, zeide zij tot haar. "Nu, vaarwel, mijne waarde vriendin; blijf mijner gedenken en bid voor mij."

"Voor u bidden!" zeide zij op ernstigen toon. "Zeker zal ik dat, ik kan het niet helpen." En haar vinger opheffende zeide zij op een nadrukkelijken toon, bijzonder eigen aan ouden van haar stam: "Ik zal u wat zeggen, wij hebben zelf nooit goed brood totdat wij beginnen het eerst voor onze broeders te vragen."

De schrijfster maakt van deze gelegenheid gebruik om al de vrienden dezer vrouw, in verschillende County's, die zoo bereidwillig en edelmoedig iets hebben bijgedragen tot de bevrijding dezer kinderen, te berigten, dat zij eindelijk zijn vrijgekocht.

Het volgende uittreksel uit den brief eener dame in Washington zal door hen gewis niet zonder belangstelling worden gelezen.

Ik heb de oude lieden Edmondson--Paul en zijne vrouw Milly--gezien. Ik heb de vrije Edmondsons gezien--moeder, zoon, dochter--den eigen dag nadat het groote tijdperk van hunne vrijheid was begonnen, terwijl zij nog onder den indruk daarvan waren, en het gelaat der moeder enkel licht en liefde was, het oog des vaders nat en glinsterende van tranen, de zoon rustig en vol mannelijke bewustheid van de verantwoordelijkheid die er op hem rustte, de dochter (als ik mij niet bedrieg naauwelijks boven de vijftien jaar) vol zoete waardering van de vreugde van het tegenwoordige, en vol hoop op de toekomst, die zoo eensklaps en geheel en al voor haar oprees.

Wij hebben verslag gedaan van het lot van eene der familiën, die aan boord van de Parel gevat waren. Wij hebben nog eene andere geschiedenis te verhalen, waarvan wij niet durven beloven, dat het einde zoo gelukkig wezen zal.

HOOFDSTUK VII.

GESCHIEDENIS VAN EMILY RUSSELL.

Onder deze ongelukkigen, die maar al te zeer verzot waren op de liefde voor de vrijheid, bevond zich eene jonge quadrone, Emily Russell geheeten, wier moeder tegenwoordig in New York woont. De schrijfster heeft haar gezien en met haar gesproken. Zij is eene vrome vrouw, die zeer geacht en gezien is, en lidmaat eener Christelijke kerk.

Zij had zich-zelve vrijgekocht met hetgeen zij door eigen arbeid had opgegaard en ook op die wijze een paar van hare kinderen uit de slavernij verlost. Emily was een inwoonster van Washington, eene plaats die tot geen enkelen Staat, maar tot de Vereenigde Staten behoort; en daar, onder de wetten der Vereenigde Staten, leefde zij als slavin. Zij was van een teeder gestel en zacht van aard; vroegtijdig had men haar gevoel voor de Godsdienst ingeboezemd, en zij was juist op het punt om belijdenis van haar geloof af te leggen; maar haar hart verlangde vurig naar hare moeder, die eene weduwe was en smachtte niet minder naar vrijheid, en dus voegde dit kind zich op dien noodlottigen avond bij de arme slagtoffers, die aan boord van de Paarl hun heil zochten.

Hoe zij achterhaald werden hebben wij reeds medegedeeld. De zonde van dit meisje was onverzoenbaar. Omdat zij naar hare moeder en naar de vrijheid had verlangd, kon zij geene vergiffenis erlangen. Voor zulk eene zonde kon men niet anders doen, dan haar overgeven in de handen van een handelaar. Zij werd dus eveneens in het kerkerhol van Bruin en Hill, in Alexandria, geworpen. Hare arme moeder in New York ontving van haar het volgende schrijven. Christelijke moeder, lees dit, en stel u voor, dat uwe dochter het u geschreven had!--

Alexandria, 22 Januarij 1850.

Lieve, beste Moeder!

Ik neem deze gelegenheid waar om u een paar regels te schrijven en u te berigten, dat ik in Bruin's gevangenis ben, en tante Sally en al hare kinderen, en tante Hagar en al hare kinderen, en dat grootmoeder bijna krankzinnig is. Lieve, beste moeder, wilt gij zoo goed zijn, en zoo spoedig gij kunt herwaarts komen? Ik verwacht dat ik heel spoedig elders heen zal gaan. Och, moeder, lieve, beste moeder! kom om nog eenmaal uwe ongelukkige en van hartzeer vergaande dochter te zien. Moeder, lieve, beste moeder! Verlaat mij niet, want ik ben zoo mistroostig en voel mij zoo verlaten! Och, kom toch spoedig.

Uwe dochter,

Emily Russell.

Aan Ms. Nancy Cartwright, New York.

P.S. Als gij niet zoo ver als Alexandria komen kunt, kom dan naar Washington en doe wat gij kunt.

Met dezen brief, die alom de sporen droeg van tranen, ging deze arme waschvrouw naar eenige Christelijke vriendinnen in New York, aan wie zij dien liet lezen. "Wat denkt gij wel, dat zij voor haar eischen zouden?" was hare vraag. Alles wat zij bezat,--haar huisje, hare weinige meubelen, haar geringe opgespaarde verdienste--dit alles was Nancy bereid op te offeren; maar dit alles was slechts een druppel in den emmer.

Het eerste dat er dus gedaan moest worden was, zekerheid te hebben, voor hoeveel Emily te koop was; en daar het eene belangrijke bijdrage oplevert tot den Amerikaanschen slavenhandel, laten wij hier het antwoord der handelaars in zijn geheel volgen.

Alexandria, 31 Januarij 1850.

Geachte Heer,

Toen ik uw brief ontving, waren de negers, waarvan gij spraakt, nog niet verkocht, maar sedert dien tijd heb ik ze aan een ander overgedaan. Het eenige wat ik u omtrent de zaak kan zeggen, is, dat wij grof geld voor de negers betaald hebben, en ik dit meisje Emily niet minder kan geven dan achttien honderd dollars. Dit zal u een hooge prijs toeschijnen, maar, daar de katoen zeer geldig is, zijn bij gevolg de slaven ook hoog in prijs. Wij hebben van twee of drie boeren uit het Zuiden, een bod op Emily ontvangen. Zij wordt voor de mooiste vrouw van dit land gehouden. Wat Hagar en hare zeven kinderen betreft, wij vragen voor haar twee duizend vijf honderd dollars. Sally en hare vier kinderen, zijn voor twee duizend acht honderd dollars te koop. Het zal u misschien een weinig verwonderen, dat de prijzen zoo uit elkander loopen, maar het verschil dat er tusschen de negers bestaat, brengt ook het verschil in den prijs te weeg.

Wij zijn voornemens den 8sten Februarij met de negers naar het Zuiden te vertrekken, en als gij van plan zijt iets te doen, is het beter dat gij het hoe eer hoe liever bewerkstelligt.

Met alle achting,

Bruin & Hill.

Deze brief kwam te New York aan, eer de zaak der Edmondsons de algemeene aandacht op dit onderwerp gevestigd had. De verschrikkelijk hooge prijs maakte, dat men moedeloos werd om veel moeite aan te wenden, en eer er nog iets van belang verrigt was, vernam men dat de troep, en daarbij Emily, naar het Zuiden was verzonden.

Hoort gij hemelen, en gij aarde, verneem het! Laat het bekend worden onder alle hemelstreken, dat de prijs van een schoon Christenmeisje in Amerika, wanneer zij bestemd is om verkocht te worden voor een leven van schande, tusschen de achttien honderd en twee duizend dollars bedraagt; en echter hebben wetgevers in de kerk van Christus, in een algemeene vergadering verklaard, dat de Amerikaansche slavernij, zoo als zij is, geen kwaad is! [19]

Uit de kerk en van de nachtmaalstafel des Heeren werd dus dat meisje geweerd, omdat hare schoonheid op de slavenmarkt te New Orleans een gewild en winstgevend artikel was.

Misschien zal de een of andere apologist in het Noorden zeggen, dat zij hier zacht behandeld werd--niet met een keten was vastgeregen aan de andere, terwijl men haar geen handboeijen aangedaan had, en zij niet genoodzaakt was om te loopen, zoo als artikelen van minder waarde, dat men voor haar een wagen had laten komen en dat zij reed; dat haar genoegzaam voedsel werd gegeven, dat zij warm en naar behooren gekleed was, en dus geen ongemak leed. Wij hebben het herhaaldelijk hooren beweren, dat er in slavernij niets kwaads is, als men maar warm genoeg gekleed en goed gevoed wordt en het overigens welletjes heeft. Maar waar is het, dat de slavin niets heeft om zich te beschermen tegen de grootste vernedering en de diepste beleediging, die eener vrouw kan worden aangedaan,--hetzij door de wet, of in het Evangelie; maar zoo lang zij genoeg heeft om te eten en zich te kleeden, zeggen onze Christelijke vaders en moeders, dat zij het niet zoo kwaad heeft!

Zoo dacht de arme Emily niet. Er was niemand die medelijden met haar had, niemand die haar bijstand verleende. Het voedsel dat zij in haar jammervollen toestand ontving, voedde haar niet; de warmste kleeding kon haar voor de koude niet beveiligen, die de slavernij haar om het hart sloeg. Ziek, mistroostig en gebroken van harte, legde het kind zich halverwege de reis, die zij over land deed, neder en stierf. Bij die eenzame peluw stond geene moeder, maar er was een Vriend bij, Wiens liefde nimmer verkoelt, en die hartelijker liefheeft dan een broeder. Indien het mogelijk ware, dat onze oogen konden aangeraakt worden met het zegel des geloofs, zouden wij, waar anderen slechts de eenzame wildernis en het stervende meisje zien, er misschien een zien, bekleed met hemelsche schoonheid, wachtende tot dat de korte doodstrijd gestreden zou zijn, dat Hij haar van alle ongeregtigheid verlossen en haar vlekkeloos brengen zou, vol onuitsprekelijke blijdschap, in de tegenwoordigheid van den God der Genade!

Zelfs de hardvochtige slavenhandelaar was geroerd door haar droevig lot, en men heeft ons voor zeker verhaald, dat hij gezegd heeft, dat het hem zeer speet haar genomen te hebben.

Bruin en Hill schreven naar New York, dat het meisje Emily dood was. De kwaker William Harned begaf zich met den brief naar hare moeder, om haar het noodlottige nieuws mede te deelen. Sedert zij alle hoop had opgegeven, om hare dochter te verlossen van het vreeselijke lot waarvoor zij bestemd was, had de rampspoedige moeder gekwijnd als iemand, wier krachten vervlogen zijn. Zij kon bijna niet meer met opgeheven hoofd daarheen gaan, en het was haar of het leven haar niet het minste belang meer inboezemde.

Toen Mr. Harned bij haar kwam, vroeg zij met ongeduld:

"Hebt gij iets van mijne dochter gehoord?"

"Ja, ik heb tijding," antwoordde hij, "Bruin en Hill hebben een brief geschreven."

"En wat schrijven zij?"

Hij oordeelde het verkieslijk, haar terstond te antwoorden:--

"Emily is dood."

De arme moeder sloeg de handen in een en het oog ten hemel en zeide: "God zij geloofd! Hij heeft ten laatste mijne gebeden verhoord!"

En zal men nu zeggen, dat dit een bijzonder geval is, en het eens van de duizend keeren gebeurt? Ofschoon wij weten dat dit de grofste onwaarheid is, en het verhaalde slechts tot eene proeve strekt van hetgeen iederen dag in Amerika gebeurt, willen wij echter ter wille van het argument, ditmaal eens aannemen dat dit waar is. Maar indien slechts eens onder onze natie en onder de bescherming der wet een Christenmeisje van het altaar en de tafel des Heeren weggerukt en voor de diepste schande verkocht was, zou dat voor eene ligte zonde worden gehouden? Zegt Christus niet: "Voor zoo ver gij dit aan den minste van deze broederen gedaan hebt, zoo hebt gij het Mij gedaan." O woorden des jammers voor u, Amerika!--woorden des jammers voor u, Kerk van Christus! Hebt gij hen zoo lang met den voet getreden en vertrapt in het stof, dat Christus hen vergeven heeft? In den dag des oordeels, zal ieder dezer woorden levend en brandend voor u opstaan, als een beschuldigende engel, om tegen u te getuigen. Kerk van Christus, bidt gij dagelijks: "Uw koningrijk kome!" Durft gij bidden: "Kom, Heere Jezus! kom haastelijk"? O, wat zou het zijn als Hij kwam? Wat, indien de Heer, dien gij zoekt, haastelijk in Zijn tempel kwam? Indien Zijne ziel in Hem bewogen werd toen Hij in den tempel van God de zoodanigen aantrof, die geld wisselden en schapen, ossen en duiven verkochten, wat zal Hij dan nu zeggen, als Hij er vindt, die ligchaam, bloed en beenderen van Zijn eigen volk verkoopen? En is de Christelijke kerk, die aan dit vreeselijke stelsel hare goedkeuring hecht,--die den heiligen naam van haar Verlosser gebezigd heeft in het koopen, verkoopen en handeldrijven met de zielen van menschen--is die kerk de bruid van Christus? Is zij een met Christus, zoo als Christus een is met den Vader? O bittere spotternij! Gelooft deze kerk dat ieder ligchaam eens Christens, een tempel is van den Heiligen Geest? Of gelooft zij, dat deze plegtige woorden slechts een ijdele klank zijn, wanneer duizend malen van iedere dag en week, in haar midden deze tempel wordt opgezet en te koop geboden, om door een of ander goddeloos en godslasterend man verkocht te worden, die maar geld heeft om haar te betalen!

Wat de arme Daniel Bell en zijne familie betreft, wiens betwiste zucht naar vrijheid de oorzaak van al deze ellende was, enkele lieden er van werden vrijgekocht en de overige vervielen tot den laagsten trap van slavernij. Het scheen alsof dit voorval, even als het zinken van een schip, in zijn maalstroom het lot van ieder ongelukkig schepsel, dat in zijne nabijheid was, medesleepte. Een arme, eerlijke, hardwerkende slaaf, Thomas Ducket genaamd, had eene vrouw, die aan boord was van de Paarl. Men veronderstelde, dat Tom de lieden kende, die de onderneming hadden op touw gezet, en daarom besloot zijn meester hem te verkoopen. Met dit doel bragt hij hem naar Washington. Deze en gene in Washington betwijfelde het, of hij wel regt had om een slaaf van Maryland derwaarts te brengen, met het doel om hem te verkoopen, en deden hem daarover een geregeld proces aan. Toen het proces nog hangende was, verhaalde de advokaat van den meester aan diegenen welke een actie tegen zijn cliënt hadden ingesteld, dat Tom verlangde verkocht te worden; dat hij liever aan den man verkocht wilde worden, die zijne vrouw en kinderen gekocht had, dan zijne vrijheid verkrijgen. Men wist dat Tom, niet van zijne familie en de vrienden die hij hier had, wenschte gescheiden te worden, en vertrouwende op de voorstellen die men hem gedaan had, stemde hij er in toe, dat men het proces zou staken.

Eenigen tijd daarop ontvingen zij brieven van den armen Tom Ducket, negentien mijlen boven New Orleans geschreven, waarin hij vreeselijk over zijn toestand klaagde, en hun dringend verzocht, hem toch het een of ander van zijne vrouw en kinderen te berigten. Toen er naar gevraagd werd, kon men niets van hen te weten komen. Zij waren verkocht en vertrokken, niemand wist aan wie en waarheen, en tot straf voor Tom, dat hij hardnekkig in zijne weigering volhardde om den man te noemen, die den togt van de Paarl ontworpen had, werd hem het voorregt ontzegd om een voet buiten de plantage te zetten, en het hem niet vergund, met de andere bedienden te spreken, daar zijn meester voor eene zamenzwering beducht was. In een zijner brieven schrijft hij: "ik heb hier in één dag meer ellende gezien, dan ik nog in mijn geheele leven gezien heb." In een ander: "Het zou mij pleizier doen iets van haar (zijns vrouw) te vernemen, maar ik zou nog veel blijder zijn, als ik hoorde dat zij dood was, dan dat zij hier heen zou komen."

In zijne ellende schreef Tom een brief aan Mr. Bigelow te Washington. Menschen, die niet in de gelegenheid zijn om zulke documenten te ontvangen hebben er geen denkbeeld van. Wij voegen hier een facsimile bij van Toms schrijven, juist zoo als hij gesteld is, als een bewijs van zijne diepe onwetendheid, verlatenheid en ellende. [20]

Mr. Bigelow. Waarde Mijnheer!

18 Februarij 1852.

Ik schrijf u om u te laten weten hoe ik het alzoo maak. Het is hier zeer hard. Ik heb nog geen uur gehad om buiten de plantage te gaan, zoo lang ik er op ben geweest. Ik stel mijn vertrouwen op den Heer om mij te helpen. Ik ben zeer verlangend iets van u te hooren. Ik heb geschreven om iets van u allen te hooren. Mr. Bigelow, ik hoop dat gij mij niet vergeten zult. Gij weet dat het mijne schuld niet is, dat ik hier ben. Ik hoop dat gij over mij zult spreken, met Mr. Geden, Mr. Chaplin, Mr. Bailey, om mij er uit te helpen. Ik geloof, dat, als zij maar een weinig hun best er toe deden, het gaan zou. Ik ben zeer verlangend van mijn familie te hooren hoe zij het maken. Gij zult mij pleizier doen, om mij precies te schrijven hoe zij het maken. Gij kunt aan mij schrijven.

Ik blijf uw onderdanige dienaar.

Thomas Ducket.

Gij kunt regelregt schrijven aan Thomas Ducket, in dienst van Mr. Samuel T. Harrison, Louisiana nabij Bayou Goula. Laat mij om Gods wil toch iets van u allen hooren. Mijne vrouw en kinderen zijn mij nacht noch dag uit de gedachte.

HOOFDSTUK VIII.

MENSCHENROOF.

Het beginsel, hetwelk verklaart dat een menschelijk wezen wettig door een ander in eigendom kan gehouden worden, leidt regelregt tot den handel in menschen en aan dien handel is, behalve de overige afschuwelijke gevolgen, nog de verzoeking verbonden van menschenroof.

De handelaar is over het algemeen iemand van ruwen aard en uit den laagsten stand gesproten, hardvochtig en ongevoelig; voor regt en eer. Degeen die niet zoo is, maakt veeleer eene uitzondering op den regel. Als er nog eenig goed in hem is als hij zijne zaken begint, zal het spoedig blijken dat hij op weg is, het te verliezen.

Gedurig ziet de handelaar mannen en vrouwen bij zich voorbijgaan, die hem in zijn handel duizend dollars waard zouden wezen,--die tot eene klasse behooren, wier regten door niemand worden geëerbiedigd en die, als zij tot slavernij konden gebragt worden, niet ligt hun woord tegen het zijne zouden kunnen doen gelden. Het is waarschijnlijk, dat honderden vrije mannen en vrouwen en kinderen op die wijze gedurig tot slaven worden gemaakt.

Het volgende geval dat met Northrop plaats had en waarover in Washington een proces is gevoerd, verspreidt over dit verschrikkelijke onderwerp een treurig licht. Het volgende verhaal is verkort geput uit den New York Times:

Salomo Northrop is een vrije kleurling en burger der Vereenigde Staten; hij werd geboren in de provincie Essex, New York, omstreeks het jaar 1808; werd vroeg een inwoner van de provincie Washington, en huwde daar in 1823. Zijn vader en moeder hebben in de provincie Washington ongeveer vijftig jaren, tot aan hun overlijden, gewoond en waren beiden vrij. In den winter van 1841 hield hij zijn verblijf te "Saragota Springs", en terwijl hij daar vertoefde, was hij in dienst van twee heeren, voor een dollar daags.

Voor zijn beroep ging hij naar New York, en na daar zijne papieren als vrij man geligt te hebben, om te bewijzen dat hij burger was, begaf hij zich naar de stad Washington, waar hij den 2den April van hetzelfde jaar aankwam, en zijn intrek nam in Godsby-Hôtel. Kort daarop gevoelde hij zich ongesteld en begaf hij zich naar bed.

Terwijl hij daar zware pijnen leed, kwamen er een aantal lieden binnen, en ziende in welk een toestand hij verkeerde, boden zij aan hem medicijnen te brengen, hetgeen geschiedde. Dit is het laatste waarvan hij zich iets te binnen weet te brengen, totdat hij bemerkte dat hij geketend lag in het Williams' slavenschuthok, en handboeijen aan had. Na verloop van eenige uren kwam James H. Burch, een slavenhandelaar, binnen, en de kleurling vroeg of hij hem van die ketens wilde ontdoen, en verlangde te weten waarom men hem die had aangedaan. Burch zeide hem, dat het hem niet aanging. De kleurling zeide, dat hij vrij was, en noemde de plaats op, waar hij geboren werd. Burch riep iemand binnen, Ebenezer Rodbury geheeten, waarop zij den man uitkleedden en hem over een bank legden, terwijl Rodbury hem bij de handen vasthield. Burch sloeg hem met eene roeispaan, totdat die brak, en vervolgens met een bullepees, totdat hij hem honderd slagen had toegebragt, en bezwoer hem dat hij hem zou vermoorden, als hij er ooit tegen iemand van kikte, dat hij een vrij man was. Van dat oogenblik af, zegt de man, dat hij aan niemand meer durfde verhalen noch dat hij een vrij man was, noch hoe hij heette. Eerst dezen zomer overwon hij die vrees. Ongeveer tien dagen bleef hij in het slavenschuthok opgesloten, toen hij, met een aantal anderen, midden in den nacht door Burch er uitgehaald werd. Men deed hem de handboeijen aan, en op een stoomboot werd hij de rivier af en vervolgens naar Richmond gevoerd, waar hij, met acht en veertig anderen, aan boord van de brik Orleans werd ingescheept. Daar verliet Burch hem. De brik zeilde naar New Orleans, en daar aankomende kwam, eer zij nog aan de werf aanlegde, Theophilus Freeman, een andere slavenhandelaar, in de stad New Orleans t'huis behoorende, en die in 1833 compagnon van Burch in den slavenhandel was, op de werf, en nam de slaven in ontvangst, toen zij aan land waren. Northrop werd terstond door Freeman in zijn schuthok te dier stede opgesloten. Zoodra hij daar gekomen was, kreeg hij de kinderpokken en werd naar een hospitaal gezonden, waar hij twee of drie weken lag. Toen hij genoegzaam hersteld was om het hospitaal te verlaten, was het Freemans voornemen, hem aan iemand in den omtrek te verkoopen. Northrop werd dan ook aan den heer Fard verkocht, die in "Rapides Parish" (Louisiana) woonde, bij wien hij ruim een jaar bleef en als timmerman werkte, daar zijn meester dat beroep uitoefende. Fards ging bankroet en moest hem verkoopen. Een zekere Tibaut kocht hem. Na verloop van een poosje deed deze hem over aan Edwin Eppes, in Bayou Beouf, ongeveer honderd dertig mijlen van den mond der Roode Rivier, waar Eppes hem tot in het jaar 1843 op een katoenplantage bezigde.

In Junij van het jaar 1841,--om even een stap terug te doen in ons verhaal--schreef de man een brief aan Henry B. Northrop, in den Staat van New York, met het postmerk van New Orleans, waarin hij meldde dat men hem geroofd had, en zich aan boord van een schip bevond, maar buiten magte was om te zeggen wat men met hem vóór had; maar waarin hij den heer N. verzocht, hem zoo mogelijk behulpzaam te zijn in het herkrijgen van zijne vrijheid. De heer N. was buiten staat iets ten zijnen behoeve te doen, dewijl hij niet wist waarheen hij gegaan was, en onmogelijk eenig spoor van hem kon ontdekken. Zijne verblijfplaats bleef onbekend tot in de maand September van het vorige jaar, toen zijne vrienden den volgenden brief ontvingen:

Bayou Beouf, Augustus 1852.

Mijne Heeren!

Het is reeds lang geleden, sedert ik iets van u gezien of gehoord heb, en niet wetende of gij nog in leven zijt, schrijf ik u met onzekerheid; maar het dringende van mijn toestand moet mijne verontschuldiging zijn. Daar ik juist aan den anderen kant van de rivier, tegenover u geboren ben, houd ik er mij van overtuigd, dat gij mij kent; en hier word ik nu als slaaf gehouden. Ik hoop dat gij mijne papieren van vrij man voor mij zult kunnen krijgen, en ze aan mij overmaken te Marksville, in Louisiana, kerspel van Avovelles, en verpligten uw

Salomo Northrop.

Aan Mr. William Penny of Mr. Lewis Parker.

Op het ontvangen van bovenstaanden brief, wendde de heer N. zich tot den heer Hunt, gouverneur van New York, want er was niet minder dan zulk een regeringspersoon noodig, om een agent naar Louisiana te zenden, ten einde de bevrijding van Salomo uit te werken. Het bewijs, dat hij een vrij man was, werd door den gouverneur Hunt, en door verscheidene geregtelijk beëedigde verklaringen van een aantal heeren, waaronder generaal Clarke behoorde, geleverd. Derhalve werd, overeenkomstig de wetten van New York, Henry B. Northrop tot agent benoemd, om de noodige stappen te doen, zoo als getuigen bij te brengen, voor advokaten te zorgen, enz., die vereischt werden om de vrijheid van Salomo te bewerken, en alles te doen wat tot zijn agentschap behoorde.

De uitslag van Mr. Northrop's bemoeijingen was, dat Salomo's eisch tot in vrijheidstelling hem werd toegewezen, en hij naar zijn geboorteland mogt terugkeeren.

Zeer opmerkelijk en toevallig is het, dat deze man ook naar eene plantage aan de Roode Rivier werd gevoerd, dezelfde streek waar het tooneel van Tom's gevangenhouding geplaatst was, en dat zijn verhaal van deze plantage, zijne manier van leven en enkele voorvallen die hij beschrijft, een treffende overeenkomst met die geschiedenis opleveren. Wij deelen ze hier mede, getrokken uit een artikel van den Times:

De toestand van dien kleurling, gedurende de negen jaren dat hij in de magt van Eppes was, komt bijna overeen met dien, welken Mevrouw Beecher Stowe beschrijft als de toestand van "Oom Tom", toen hij in die streek woonde. Al dien tijd was in zijn hut geen vloer, geen stoel, geen bed, ja zelfs geen matras, noch iets voor hem om op te liggen, uitgenomen eene brits, ongeveer twaalf duim breed, met een stuk hout tot kussen, en met één enkele deken om zich te dekken; terwijl de wanden van zijne hut hem niet beschutten voor de ruwheid van het weder. Hij was somwijlen gedwongen daden te bedrijven, waartegen de menschelijke natuur in opstand komt, en in den hoogsten graad barbaarsch. Bij zekere gelegenheid ging een gekleurd meisje van ongeveer zeventien jaren, dat aan Eppes toebehoorde, op een Zondag, zonder daartoe van haar meester verlof gevraagd te hebben, naar de naastbijgelegen plantage, op ongeveer een halve mijl afstands, om een ander gekleurd meisje van hare kennis te bezoeken. Zij kwam binnen twee of drie uren terug, en omdat zij dit had bestaan, werd zij gedagvaard om gestraft te worden, welke straf Salomo haar moest toebrengen. Eppes dwong hem om vier staken op zulk een afstand in den grond te steken, dat de handen en enkels van dat meisje er aan konden worden vastgebonden, terwijl zij voorover op den grond lag; en nadat hij haar dus had uitgestrekt, dwong hij hem, terwijl hij er bij staan bleef, haar op het bloote lijf--want zij was geheel ontkleed--honderd slagen toe te brengen. Toen hij haar de honderd slagen had toegebragt, weigerde Salomo er één enkele meer te geven. Eppes trachtte hem er toe te dwingen om voort te gaan, maar hij tartte hem opzettelijk en weigerde het meisje te vermoorden. Daarop greep Eppes zelf de zweep en sloeg haar zoo lang tot hij niet meer kon. Het bloed vloeide van haar hals tot aan hare voeten, en in dezen toestand was zij verpligt den volgenden dag naar het land te gaan om veldarbeid te verrigten. Nog zijn de likteekens er van zigtbaar, ofschoon de kastijding haar jaren lang geleden was toegebragt.

Toen Salomo door de zorg van Mr. Northrop op het punt stond van te vertrekken, schoot dit meisje van achter hare hut uit, waar haar meester haar niet zag, en wierp zich om Salomon's hals, wenschte hem geluk met zijne bevrijding van de slavernij en met zijn terugkeer naar de zijnen; terwijl zij op hetzelfde oogenblik met de diepsten wanhoop uitriep: "Maar, o God! wat zal er van mij worden?"

Deze opgaven omtrent Salomo's toestand, terwijl hij bij Eppes was, en de kastijding en onbeschofte behandeling van de gekleurde meisjes, hebben wij uit den mond van Salomo-zelven. Het is zeker dat de naastbijgelegene plantage op een halve mijl afstands van die van Eppes lag, en er kon dus van den kant der buren geen tusschenkomst plaats hebben bij de eene of andere afstraffing, hoe wreed die ook ware, en hoe geneigd deze buren ook zijn mogten om tusschenbeiden te treden.

Als Northrop niet in staat geweest was om te schrijven zoo als slechts met weinige vrije zwarten in de slavenstaten het geval is, zou hij gedoemd zijn geweest zijn geheele leven in dit hol van ellende te slijten.

Twee voorvallen die onlangs in Baltimore aan den dag zijn gekomen, zijn van gelijken aard.

Het volgende is uit:

Het gebeurde met Rachel Parker en hare zuster.

Men zal zich herinneren dat, meer dan een jaar geleden, eene jonge gekleurde vrouw, Mary Elisabeth Parker geheeten, uit Chester County naar Baltimore werd vervoerd, waar men haar als slavin verkocht en vervolgens naar New Orleans opzond. Eenige dagen later werd hare zuster, Rachel Parker, op dezelfde wijze ontvoerd, te Baltimore achterhaald en daar aangehouden ten gevolge van de tusschenkomst harer Chestersche vrienden. Wat Mary Elisabeth aangaat, deze werd door eene schikking met den kerel onder wiens opzigt zij gesteld was, naar Baltimore teruggebragt om daar den uitslag van haar verzoek tot in vrijheidstelling af te wachten. Dit was evenzeer het geval met Rachel. Beide werden, na een geregtelijk onderzoek--daar de bewijzen ten haren voordeele zoo overtuigend spraken--in vrijheid gesteld en bevinden zich nu bij hare Chestersche vrienden. Wij laten hier het verhaal van de beide vrouwen volgen, dat na hare bevrijding door ons is ontvangen.

Verhaal van Rachel Parker.

"Ik werd des Woensdags (30 December 1851), omstreeks twaalf ure uit het huis van Joseph C. Miller ontvoerd door twee mannen, die door de achterdeur de woning waren binnengedrongen. De een kwam naar binnen en vroeg aan Miss Miller waar Jesse McGreary woonde, en greep mij toen bij den arm en trok mij met zich naar buiten. Miss Miller riep om haar echtgenoot, die in het voorportaal was. Deze vloog naar buiten, greep den man bij zijn kraag en trachtte hem tegen te houden. Maar toen riep de ander met een geduchten vloek hem toe, dat hij hem zou loslaten, en hij hem zou vermoorden als hij mij aanraakte. Hij zeide toen aan den heer Miller, dat ik aan eene Schoolfield in Baltimore toebehoorde. Zij sleepten mij toen naar een wagen, waar nog een andere groote kerel bij was, wierpen mij er op en reden heen.

"De heer Miller liep dwars over het veld om den wagen tegen te houden, en nam een groote spaak op om in het wiel te steken, toen een der mannen een sabel trok (ik geloof dat het een sabel was, want ik had er nooit een gezien) en dreigde des heeren Miller's arm er mede af te slaan. Daar Pollock's wagen in den weg stond en hij weigerde ruimte te maken, sloegen wij links in. Nadat wij waren weggereden maakte een van de mannen eene opening in het rijtuig, om te zien of men ons ook achtervolgde, en zij zeiden dat het hun speet Miller en Pollock geen houw te hebben toegebragt.

"Wij hielden voor een herberg, digt bij den spoorweg, op, en ik verhaalde aan den herbergier (want ik geloof dat hij het was), dat ik vrij was. Dit zeide ik ook aan een aantal menschen in het bureau van den spoortrein en iemand in het bureau van den spoortrein, die er zeer knap uitzag, sprak aan de deur en zeide dat hij het er voor hield, dat ze mij liever maar terug moesten brengen. Een van de mannen ging niet verder mede dan tot aan de herberg. Ik werd naar Baltimore gebragt, waar wij dien eigen avond ten zeven ure aankwamen, en ik in de gevangenis gezet werd.

"Den volgenden morgen nam mij een man met ligtgekleurde bakkebaarden alleen en vroeg mij of ik niet de slavin van de heer Schoolfield was. Ik zeide hem van neen, maar hij zeide van ja, en dat als ik niet zeide dat ik het was, hij mij zou geeselen en inzouten en mij in een onderaardsch hol stoppen. Ik zeide hem, dat ik vrij was en niets anders zou zeggen dan de waarheid."

Verhaal van Mary Elisabeth Parker.

"Ik werd weggevoerd uit het huis van Matthew Donelly en wel Zaturdags avonds (6 of 13 December 1851) en werd door twee mannen opgepakt, terwijl ik een oogenblik buiten stond, kort nadat ik de tafel voor het avondeten had gedekt, en in een wagen geplakt. Een van hen kwam bij mij in den wagen en reed naar Elkton, waar men mij tot Zondags middags twaalf ure deed vertoeven, toen ik van daar in den spoortrein naar Baltimore werd overgevoerd, waar ik vroeg in den morgen van maandag aankwam.

"Te Elkton werd door een der mannen iemand bij mij gebragt die zeide, dat ik zijns vaders slavin niet was. Daarop, terwijl ik op weg naar Baltimore in den trein zat, zeide mij een van de mannen, dat ik zeggen moest de slavin van den heer Schoolfield te zijn, of dat hij mij anders zou doodschieten en dit zeggende haalde hij een pistool uit zijn zak, liet het mij zien en dreigde mij te zullen geeselen.

"'s Maandags 's morgens kwam de heer Schoolfield in de gevangenis naar mij kijken, en Woensdag daarop kwam hij terug en bragt zijne vrouw en een aantal andere dames meê. Ik zeide dat ik hem niet kende, en toen nam M. C. mij met zich uit het vertrek, en zeide mij wie zij waren, en nam mij weder naar binnen, omdat het den schijn zou hebben, dat ik hen reeds gekend had. Den volgenden dag werd ik naar New Orleans ingescheept.

"Er verliep ongeveer eene maand eer wij in New Orleans aankwamen. Toen ik daar eene week geweest was, verkocht M. C. mij aan madame C., die er een grooten bloemtuin op nahoudt. Zij zendt met bloemen naar de schouwburgen, verkoopt melk op de markt, enz. Ik werd uitgezonden om klontjes en bloemen voor haar te verkoopen, toen ik bij haar woonde. Op zekeren avond, toen ik uit den schouwburg t'huis kwam, hield een nachtwacht mij aan en ik zeide hem, dat ik geen slavin was. Hij bragt mij naar de calaboose en den volgenden morgen moest ik voor den magistraat komen, die madame C. liet roepen, welke haar zeide mij gekocht te hebben. Er werd dus om M. C. gezonden, wien men beduidde dat hij rekenschap moest geven, hoe hij in mijn bezit gekomen was. M. C. zeide dat mijne moeder en mijne geheele familie vrij waren, met uitzondering van mij. Mij werd bevolen naar madame C. terug te keeren, en hij zeide madame C., dat zij mij des avonds niet uit moest laten gaan, en hij zeide M. C. dat hij bewijzen moest, hoe hij aan mij gekomen was. De magistraat kwam vervolgens bij M. C. aan huis en had in de voorkamer een lang gesprek met haar. Ik weet niet wat hij zeide toen zij onder vier oogen waren. Ongeveer eene maand later werd ik naar Baltimore teruggezonden. Ik woonde bijna zes maanden bij madame C.

"Er waren zes slaven met mij in het schip naar Baltimore gekomen, die aan M. D. toebehoorden, en werden teruggezonden omdat zij zeer ziekelijk waren.

"Er kwam iemand in de gevangenis om mij te zien, toen ik weer te Baltimore was teruggekomen, die mij zeide dat ik moest zeggen, eene slavin van den heer Schoolfield te zijn, en dat, als ik het niet deed, hij mij de eerste keer de beste, dat er kans op was om hals zou brengen. Hij zeide dat Rachel (hare zuster) gezegd had, dat zij van Baltimore kwam en de slavin was van den heer Schoolfield. Daarna kwamen er eenige heeren bij mij (regter Campbell en regter Bell van Philadelphia en William Horris, Esq. van Baltimore), en ik zeide hun, dat ik de slavin van den heer Schoonfield was. Zij zeiden dat zij vrienden van mij waren en ik hun de waarheid moest zeggen. Ik zeide hun dus wie ik was, en verhaalde dus alles van stukje tot beetje.

"Toen ik in New Orleans was, geeselde Mc C. mij omdat ik gezegd had, dat ik vrij was."

Volgens haar eigen hierboven meêgedeeld verhaal, werd Elisabeth gevat en van Pennsylvanië weggevoerd, op den 6den of 13den December 1851, hetwelk door andere getuigschriften bevestigd werd.

Het is bekend dat zulke zaken, als zij voor de hoven van het Zuiden gebragt worden, over het algemeen met groote naauwgezetheid en onpartijdigheid worden onderzocht. De agent die Northrops zaak behandelde getuigt dit, en het is een algemeen aangenomen feit; maar waarschijnlijk is het, dat een van de honderd gevallen slechts voor de regtbank kunnen worden gebragt,--want van de tallooze, die door den altoos grooter wordende maalstroom worden verslonden, komt er slechts nu en dan een enkel boven, dat er aan ontsnapt.

Het volgende hoofdstuk van advertentiën zal den lezer het bewijs leveren, hoe veelvuldig zulke slagtoffers waarschijnlijk zich daar opdoen.

HOOFDSTUK IX.

DE SLAVEN ZOO ALS ZIJ VOLGENS DE GETUIGENIS HUNNER MEESTERS ZIJN.

Het onderzoek naar den werkelijken staat der slavenbevolking in het Zuiden gaat met vele moeijelijkheden gepaard. Er zijn zoo vele zaken voor en tegen aangevoerd--zoo vele met betrekking tot het eene gestaafd en met betrekking tot het andere ontkend, dat de uitkomst tot niet veel helders heeft geleid.

Door sommigen wordt ons verhaald, dat het leven der slaven een leven vol gezegende tevredenheid is; dat zij niet naar vrijheid wenschen; dat men slechts nu en dan hunne dierbaarste banden van bloedverwantschap verbreekt; dat zij een dom geslacht zijn, bijna tot den staat van redelooze dieren gezonken; dat zij gewoonlijk goed behandeld worden, enz.

Bij het doorlezen van eenige honderde nieuwsbladen uit het Zuiden, werd schrijfster dezes getroffen door de zeer naauwkeurige en omslagtige beschrijvingen van weggeloopen slaven, die er in voorkomen. Uit deze beschrijving kunnen wij zeer vele zaken vernemen; de schrijfster geeft hier eenige voorbeelden van.

Als een bewijs van den tevreden staat waarin de slavenbevolking leeft, dient dat men in elk van die honderde zuidelijke nieuwsbladen, twee of drie advertentiën voor weggeloopen slaven aantreft.

Bij het lezen der volgende schets van "slaven zoo als zij zijn," lette de lezer vooral op:

1. De kleur en gelaatstrekken van het meerendeel hunner.

2. De gewoonte van òf de slaven te beschrijven door eenig likteeken, òf te zeggen, "men herinnert zich geen likteekens."

3. De opgave van het verstand der vlugtelingen.

4. Het getal dat voorgeeft vrij te zijn, en dat verkocht moet worden om de onkosten te betalen.

Ieder dezer slaven heeft zijne geschiedenis,--eene geschiedenis van ongeluk, misdaad, onteering, lijden en onregt. Last ons beginnen.

South-side Democrat, 28 October 1852. Petersburg, Virginia.

Vijf en twintig dollars belooning,

Met teruggave van alle mogelijke voorschotten, zullen gegeven worden voor de aanhouding en uitlevering van mijn neger Karel, zoo hij gevat wordt op de Appomattox rivier of in de omstreken van Petersburg. Hij ontvlugtte eene week geleden en zal, als hij den omtrek verlaat, ongetwijfeld naar Farmville vertrekken; hij is een mulat, beneden de gewone lengte, maar goed geëvenredigd, zeer werkzaam en gevoelig, zoo wat 27 jaar oud, met een zachtaardig en gedwee uitzigt, en zal ongetwijfeld de teekenen eener pas ondergane geeseling behouden hebben. Men vertrouwe hem aan de zorg toe van Peebles, White, Davis & Co.

25 October. R. H. de Jarnett. Lunenburg.

Arme Karel!--mulat!--heeft een zachtaardig, gedwee uitzigt, en zal waarschijnlijk de teekens vertoonen eener pas ondergane geeseling!

Kosciusko Chronicle, 24 November 1852.

Gevangen gezet

In de gevangenis van Attila County, op den 8sten dezer maand een negerjongen, zich Green noemende en voorgevende aan James Gray, van Winston County toe te behooren. De jongen voornoemd is 20 jaar oud, geel van kleur, rond van gelaat, met een likteeken op zijn gezigt, een op zijn linker dij en een in zijn linkerhand. Hij is ongeveer 5 voet 6 duim lang. Toen hij gevat werd, droeg hij een katoenen hemd, nieuw lakenschen pet en bereed een groot mager bruin paard van 12 á 14 jaar oud. De eigenaar wordt verzocht op te komen, zijne aanspraak te bewijzen, de kosten te betalen, en hem meê te nemen, daar hij anders verkocht wordt om de onkosten te dekken.

12 October 1852. E. B. Sanders, Cipier.

Capitolian, Vis-à-Vis, West Baton Rouge, 1 November 1852.

Honderd dollars belooning.

Weggeloopen van den ondergeteekende in Randolph County, op den 18den October, een geelkleurige jongen, Jim genaamd. Hij is 19 jaar oud, een mulat, met door de zon verbrand, doch geen wollig haar, juist 5 voet 7 duim lang, en van zwakken ligchaamsbouw. Bij zijn vertrek droeg hij een zwart lakenschen pet en broek, een mantel en lederen schoenen. Honderd dollars zullen betaald worden voor de uitlevering van dien jongen zoo hij buiten, en vijftig zoo hij binnen den Staat gevat wordt.

4 November 1852. Mrs. S. P. Hall, Huntsville.

American Baptist, 20 December 1852.

Twintig dollars belooning voor een Prediker.

De volgende advertentie verscheen in een vorig nummer van de New Orleans Picayune:

Van de plantage van den ondergeteekende ontvlugt een neger, Shedrick geheeten, een prediker, 5 voet, 5 duim lang, omtrent 40 jaar oud, maar slechts het voorkomen hebbende van 23, met een brandmerk, N. E. op de borst, en afgesneden teenen. Hij is zeer donker; heeft kleine flikkerende oogen en een onbeschoft uitzigt; is zeer goed gekleed en reeds eens voor drie jaren, als weggeloopene gevangen genomen te Donaldson-ville. De bovenstaande belooning zal voor zijne arrestatie betaald worden, bij aanmelding aan de heeren gebroeders Armant, St. James parish, of A. Miltenberger & Co., 30 Carondelet-street.

Dit is een prediker, op de borst gebrandmerkt en de beide pinken afgesneden,--die er toch nog onbeschoft uitziet! Dat gaat waarlijk te ver!

Jefferson Inquirer, 27 November 1852.

Honderd dollars belooning.

Weggeloopen van mijne plantage, in Bolivar County (Mississippi), een neger, May genaamd, 40 jaar oud, 5 voet, 11 duim lang, koperkleurig; met goede wijduitstaande tanden, breede schouders en eenige likteekens op zijn rug, die nog al door geeseling ontveld is; als hij geen water bij de hand heeft, heeft hij gewoonlijk den hik; hij werd nagejaagd tot in Ozark County, en daar werd de vervolging gestaakt. Ik ben bereid de bovengenoemde belooning voor zijne gevangenneming uit te betalen, wanneer ik hem in handen krijg.

13 November. James H. Cousar. Victoria, Bolivar County, Mississippi.

Welk een prettig meester om tot terug te keeren!

De Alabama Standard heeft voor motto:

"Verzet tegen tirannen is gehoorzaamheid aan God."

In dat blad van den 29sten November treft men de volgende advertentie aan:

Gevangen gezet

In Choctaw County, door den regter Young, van Marengo County, een weggeloopen slaaf, Billy genaamd, en voorgevende het eigendom te zijn geweest van William Johnson en nu in dienst te zijn van John Jones, bij Alexandria, Louisiana. Hij is omtrent 5 voet, 10 duim lang, zwart, 40 jaar oud, heeft een aantal likteekens op zijn gelaat en hoofd en is zeer verstandig.

De eigenaar wordt verzocht op te komen met de noodige bewijzen en hem uit de gevangenis te halen, daar hij anders, volgens de wet, als slaaf verkocht wordt.

1 December 1852. S. S. Houston, Cipier.

Wordt gevraagd: of deze zeer verstandige Billy niet door het schoone motto van den Standard is verleid geworden?

Knoxville (Tennessee) Register, 3 November.

Onderzoek naar Vlugtelingen! Vijf en twintig dollars belooning!

Weggeloopen van den ondergeteekende in den nacht van 26 Julij, eene negerin, Harriët genaamd. Deze vrouw is 5 voet, 5 duim lang, met uitstekende kaken, grooten mond en goede voortanden, nog al mager en 26 jaar oud. Wij veronderstellen dat zij door eenige negers, niet ver van John Mynatt in Knox County, geherbergd wordt, van waar zij waarschijnlijk naar een vrijen Staat poogt te komen; ook kan zij verborgen zijn door eenige negers (hare bloedverwanten) in Anderson County, nabij Clinton. De bovenstaande belooning zal uitbetaald worden, wanneer zij in eene of andere gevangenis, binnen den Staat, wordt vastgezet, of 50 dollars, ingeval zulks buiten den Staat geschiedt.

3 November. H. B. Goens, Clinton, Tennessee.

De Alexandria Gazette van den 29sten November 1852, met het vignet der vrijheid, die een tiran vertrapt, en tot motto, "sic semper tyrannis" bevat het volgende:

Vijf en twintig dollars belooning.

Weggeloopen van den ondergeteekende in Rappahannock County, op Dingsdag jl., Daniel, een mooije mulat, omstreeks 5 voet, 8 duim lang, omstreeks 35 jaar, zeer verstandig; hij was gedurende een aantal jaren koetsier en is vrij goed bekend van Richmond tot Alexandria. Hij noemt zich Daniel Turner; zijn hair krult, zonder wollig te zijn, hij heeft een likteeken op de wang en zijn linkerhand is erg bezeerd door een pistoolschot; hij was schraaltjes gekleed toen men hem het laatst zag. Ik zal de bovenstaande belooning geven, als hij buiten dit graafschap gevat en in de gevangenis gebragt wordt, of 10 dollars, als hij binnen dit graafschap wordt gegrepen.

Rappahannock Co., Virginia, 29 November. A. M. Willis.

Al weder een "zeer verstandig man" met krulhaar. Wie was zijn vader?

De New Orleans Daily Crescent, kantoor No. 93. St. Charlesstreet; Dingsdag morgen, 13 December 1852.

In de gevangenis van dit district gebragt:

Nancy, ongeveer 34 jaar oud, 5 voet, 1 3/4 duim lang, een likteeken in de linker borst en voorgevende aan Mad. Wolf te behooren.

Karel Hall, een zwarte, omstreeks 15 jaar oud, 5 voet, 6 duim lang; geeft voor vrij te zijn, maar is vermoedelijk een slaaf.

Philomonia, eene mulattin, 10 jaar oud, 4 voet, 3 duim lang; zij zegt dat zij vrij is, maar men vermoedt dat zij eene slavin is.

Columbus, omtrent 21 jaar oud, 5 voet, 5 3/4 duim; geeft voor vrij te zijn, maar is vermoedelijk een slaaf.

Seymour, een zwarte, omstreeks 21 jaar, 5 voet, 1 3/4 duim; geeft voor vrij te zijn, maar is vermoedelijk een slaaf.

De eigenaars zullen de goedheid hebben, met hen overeenkomstig de wet te handelen.

New Orleans, 14 Dec. 1852. J. Worrall, Warden.

Welk een vooruitzigt voor deze arme schepselen, die voorgeven vrij te zijn?

Vijftig dollars belooning.

Weggeloopen van den ondergeteekende, te Unionville, Frederik County, op Zondag morgen, den 17den dezer, een donker mulatten-meisje, van 18 jaar, 5 voet, 4 à 5 duim lang, van een nog al bevallig uiterlijk, zeer vlug sprekende, vrij goed iemand kunnende onderhouden en ervaren in het lezen. Men denkt dat zij eene roode merinos japon, zwarten doek en een purperen muts droeg, daar deze zaken vermist worden.

Eene belooning van vijf en twintig dollars zal voor haar worden betaald, als zij binnen den Staat gevat, of vijftig dollars, zoo zij elders achterhaald en in eene gevangenis gezet wordt, zoodat ik haar terug kan krijgen.

13 October. G. R. Sappington.

Kosciusko Chronicle, Mississippi.

Twintig dollars

Zullen ter belooning worden gegeven, voor de uitlevering van mijn slaaf Walker, 28 jaar oud, 5 voet, 8 of 9 duim lang en zwart van kleur; hij glimlacht als men tot hem spreekt, heeft eene zachte, welluidende stem, en mooije tanden.

Adres in Tehoupitoulas-street, no. 26, op de eerste verdieping.

Walker is naar het schijnt weggeloopen; hij trekke in vrede!

Vijf en twintig dollars belooning.

Weggeloopen van den ondergeteekende te White's Store in Anson County, op den 5den Mei een lichte mulat, Bob genaamd; hij is vijf voet lang, 130 pond zwaar en 22 jaar oud, met een korten baard en lang hair, zijn linker been is iets langer dan zijn regter, waardoor hij min of meer hinkt; hij heeft een groot gezigt, en ziet er bijna als een blanke uit. Misschien is hij met een voerman of koopman meêgeloopen of heeft hij vrijbrieven en tracht hij voor vrij door te gaan.

Ik zal vijf en twintig dollars geven voor de uitlevering van dien jongen, of voor zijne gevangenzetting, zoo ik hem terug kan bekomen.

30 Junij 1852. Clara Lockhart, bij Adam Lockhart.

Southern Standard, 16 October 1852.

Vijftig dollars belooning.

Weggeloopen, of gestolen, van den ondergeteekende nabij Aberdeen, eene lichte mulattin, klein van gestalte en omtrent 28 jaar oud; zij heeft lang zwart haar, dat zij gewoonlijk goed in orde houdt. Toen zij wegliep droeg zij of een witte, of eene bruin calico japon, en een roode muts. Zij kleedt zich zeer netjes. Doorgaans noemt zij zich Mary Ann Poing, en kan gedrukt schrift lezen; zij heeft sproeten op haar gelaat en handen; en had eenige ringen aan hare vingers en schoenen van no. 4. De bovenstaande belooning zal voor haar gegeven worden, als zij buiten den Staat, en 25 dollars als zij binnen den Staat gevat wordt.

6 October 1852. U. Mcallister.

Deze beschrijving van Mary Ann levert veel stof tot overweging op. Het lang, zwart haar, gewoonlijk goed in orde, de doorgaans nette kleeding, en de ringen aan hare vingers, de kennis van het lezen, het feit dat zij verstandig is en goed kan praten, verdienen wel te worden opgemerkt.

Twintig dollars belooning.

Weggeloopen op den 9den Augustus, mijn slaaf Hendrik, 14 of 15 jaar oud, een lichte mulat met donkere oogen; hij loopt een weinig gebogen, en stottert als hij verlegen is. Hij droeg, bij zijne vlugt, een witte broek, een lange zomerjas en een hoed van palmbladen. Ik zal de bovenstaande belooning geven, als hij in Virginia gevat wordt, of 30 dollars zoo dit in een der naburige Staten geschiedt, maar in beide gevallen moet hij zoodanig verzekerd worden dat ik hem terug kan bekomen.

7 October. Edwin C. Fitzhugh.

Arme Hendrik! slechts 14 of 15 jaar.

Gevangen gezet

In Lowndes County, Mississippi, op den 9den Mei door J. K. Peirce Esq., een weggeloopen slaaf, Roland genaamd, die voorgeeft aan Miss Cathey van Marengo County, Alabama, te behooren, en aan dezen door Hendrik Williams, een slavenhandelaar uit het Noorden, te zijn verkocht.

Genoemde neger is omtrent 35 jaren, 5 voet, 6 à 8 duim lang, van eene donkere gelaatskleur, 150 pond zwaar; zijn middelste vinger van de regterhand is bij het tweede lid afgesneden; toen hij gevat werd was hij gekleed in een zwarten jas van zomerlaken en had een zwarten zijden hoed op.

De eigenaar wordt verzocht met voldoende bewijzen op te komen, de onkosten te betalen en hem meê te nemen, of men zal met hem handelen overeenkomstig de wet.

6 Junij 1852. L. H. Willeford, Cipier.

Richmond Semi-weekly Examiner, 29 October 1852.

Vijftig dollars belooning.

Weggeloopen van den ondergeteekende in Halifax, omtrent het midden van Augustus, een neger, Ned, 30 of 40 jaar oud, van middelbare gestalte, koperkleurig, met een groot voorhoofd en vooruitstekende kaken.

Men kan zich geen likteekens herinneren, behalve dat een van zijne vingers stijf en krom is. De man is in Richmond van den heer Robert Goodwin gekocht, en heeft eene vrouw in dien omtrek. Men heeft hem in de buurt gezien, en vermoedt dat hij over de bergen ontvlugt is, en nu als vrij man in eene of andere fabriek arbeidt, daar hij van iemand vrijbrieven ontvangen moet hebben. De bovenstaande belooning zal betaald worden voor het aanhouden en uitleveren van dien slaaf aan R. H. Dickinson en broeders in Richmond, of aan den ondergeteekende in Halifax, en vijf en twintig, als bij in eene of andere gevangenis der republiek gezet wordt, zoodat ik hem kan terugkrijgen.

Jas. M. Chappell, (Firma Chappell en Tucker.)

Het schijnt dat dit ongelukkig koperkleurig meubel naar zijne vrouw is om gaan zien.

Kentucky Wigh, 22 October 1852.

Twee honderd dollars belooning.

Weggeloopen van den ondergeteekende, nabij Mount Sterling, Kentucky, in den nacht van den 22 October, een neger, Porter genaamd. Hij is zwart van kleur, 22 jaar oud, zeer forsch en werkzaam, 165 of 170 pond zwaar, en een knappe kerel, die duidelijk spreekt, zonder eenige negeruitspraak, en bijzondere likteekens. Hij had een paar halfversleten schoenen aan, zijne overige kleeding is men vergeten; hij is te Sharpsburg, in Bath County opgevoed door Harrison Caldwel en zal waarschijnlijk in dien omtrek ronddwalen, als hij Ohio niet kan bereiken.

Ik zal de bovenstaande belooning geven, als hij binnen den Staat gevat wordt; 50 dollars, wanneer dit binnen een of anderen Staat aan de Ohio geschiedt, en 25, wanneer hij hier achterhaald en in verzekerde bewaring gesteld wordt.

Men gelooft dat hij een geelachtig paard bereed, 15 handen en 1 duim hoog, met geel hair en manen, vijf jaar oud en een goede harddraver.

21 October 1852. G. W. Proctor.

Men herinnert zich geen bijzondere likteekens!

St. Louis Times, 14 October 1852.

Bekendmaking.

Gevangen gezet te Rockbridge, in Ozark County, op den 31sten Augustus ll., een weggeloopen slaaf, Mozes genaamd; bij zijne gevangenneming droeg hij een bruine broek, een oud katoenen hemd, een blaauwe jas, en een oud prul om zijn hoofd gewonden; hij is 6 voet lang, zwart van kleur, heeft een likteeken over het linkeroog, en is vermoedelijk omstreeks 27 jaar oud.

De eigenaar wordt verzocht op te komen, zijn regt op den neger te bewijzen, en alle wettige kosten te betalen, of de neger zal op Maandag, 10 December, volgens de wet in die gevallen bepaald, aan het Raadhuis in de stad Rockbridge, publiek verkocht worden.

9 September 1852. Robert Hicks, Sheriff.

Charleston Mercury, 15 October 1852.

Vijftig dollars belooning.

Weggeloopen op Zondag den 6den dezer, van de Zuid-Carolina Spoorweg-maatschappij, de hier onlangs aangekochte neger Sam; hij is in Cumberland opgevoed, en laatst van Richmond gebragt; hij is 5 voet, 6 3/4 duim lang, koperkleurig, met eenige likteekens op den linkerarm en het regter been, en ziet er overigens goed uit. De bovengenoemde belooning zal voor zijne aanhouding en gevangenzetting in een of ander slavenhuis van den Staat, zal betaald worden door

12 Junij. J. D. Petsch.

Kosciusko Chronicle, 24 November 1852.

Gevangen gezet

In Attila County, den 7den October 1852, een neger, Hambleton geheeten, voorgevende aan den predikant Willem Young te behooren; hij is 26 of 27 jaar oud, omtrent 5 voet, 8 duim lang, donker van kleur, met twee of drie likteekenen op den rug en eene kleine snede op de linker heup. Hij droeg, toen hij gevat werd, een blaauw katoenen broek, een witte onderbroek en nieuw hemd van dezelfde stof, een paar laarzen en een wollen hoed.

De eigenaar wordt verzocht op te komen, zijn regt van eigendom te bewijzen, de onkosten te betalen en hem meê te nemen, of er zal overeenkomstig de wet met hem gehandeld worden.

12 October 1852. E. B. Sanders, Cipier.

Frankfort Commonwealth, 21 October 1852.

Gevangen gezet

Een negerjongen, Adam, te Muhlenburg, op den 26sten Julij 1852; genoemde jongen is zwart van kleur, 16 à 17 jaar oud, 5 voet, 8 à 9 duim lang en 150 pond zwaar. Hij heeft een gedeelte van zijn regterhand en de groote teen van zijn linkervoet verloren. Hij beweert dat hij aan Wm. Mosley toebehoort, die men zegt dat van Mississippi naar Virginia verhuisd is, en geeft voor, verloren en niet weggeloopen te zijn. Zijn eigenaar wordt verzocht op te komen, zijn eigendom te bewijzen, de onkosten te betalen en hem meê te nemen, of er zal overeenkomstig de wet met hem worden gehandeld.

24 Augustus 1852. Samuel Adwell, Cipier.

In hetzelfde blad zijn twee nog armer kerels aangekondigd, die nu waarschijnlijk reeds verkocht zijn om de onkosten te betalen.

Bekendmaking.

Door M. H. Brand is, den 22sten dezer, als weggeloopen slaaf aangehouden een neger, Karel Warfield, omtrent 30 jaar oud, maar van een veel ouder uitzigt, 6 voet lang, geen bijzondere teekens, heeft geen vrijbrieven, maar geeft voor vrij te zijn, en is van Pennsylvanië geboortig, en in Fayette County.

Gezegde neger is den 22sten gevat, en de eigenaar wordt verzocht op te komen, zijn regt te bewijzen, de onkosten te betalen en hem meê te nemen.

3 Augustus 1852. C. W. Hull, Cipier. Kentucky County.

Gevangen gezet

In Graves County, op den 4den dezer, een neger, Dave of David genaamd, die voorgeeft vrij te zijn en vroeger aan Samuel Brown van Prince William County, Virginia, behoord te hebben; hij is zwart van kleur, 5 voet, 10 duim lang, omtrent 180 pond zwaar, en vermoedelijk 45 jaar oud; hij droeg een bruine broek en een gestreept hemd en had een oud geweer, een pistool en eenige oude kleêren bij zich. Hij heeft mij ook gezegd aan eene gevangenis te Dyersburg ontsnapt te zijn, waar hij 9 maanden was opgesloten geweest. De eigenaar wordt verzocht op te komen; enz.

28 Junij 1852. L. B. Holefield, Cipier.

Charleston Mercury, 29 October 1852.

Twee honderd dollars belooning.

Weggeloopen van den ondergeteekende, in Maart jl., zijne dienstmaagd Lydia, die zich vermoedelijk te Charleston ophoudt. De bovenstaande belooning wordt uitgeloofd aan degenen, die haar aanhouden, of eenig berigt geven waar zij zich ophoudt, en 50 dollars aan hem die haar in eene of andere gevangenis zet, zoodat ik haar kan krijgen. Lydia is eene mulattin, 25 jaar oud, 4 voet, 11 duim lang; met een rond gelaat en lang, zwart krullend hair; haar voorste tand is valsch, hetwelk men bemerkt in haar spreken, daar men dan het goud waarmede hij is ingezet, goed kan onderscheiden: zij heeft een likteeken onder haar kin, en 2 vingers der eene hand zijn stijf, van het eerste lid.

16 Junij. C. T. Scaife.

Vijf en twintig dollars belooning.

Weggeloopen van den ondergeteekende, op 1 Mei jl., zijn negerjongen, George, 18 jaar oud, 5 voet lang, van sterken ligchaamsbouw en welbespraakt. Hij behoorde vroeger aan den heer J. D. A. Murphy, te Blackville, en heeft eene moeder, die het eigendom is van den heer Lorrick, in Lexington; Vermoedelijk heeft hij een paspoort, en zal in den omtrek van Branchville of Charleston ronddwalen.

De bovenstaande belooning zal betaald worden aan hem, die George in eene of andere gevangenis zet, waaruit ik hem kan krijgen.

Orangeburg, 7 Augustus 1852. J. J. Andrews.

Bekendmaking.

In Colleton District is als weggeloopen slaaf gevangen genomen een neger, Jordan, omtrent 30 jaar oud, voorgevende aan Dobson Coely van Pulaski, Georgia County, te behooren. De eigenaar wordt verzocht, zijn regt te bewijzen en hem meê te nemen.

Waterboro, 7 Sept. 1852. L. W. Molants, Regter.

De volgende advertentiën zijn door de Commonwealth meestal uit New Orleansche couranten getrokken. De karakteristieke beschrijvingen der negers zijn opmerkenswaardig.

Vijf en twintig dollars belooning

zullen door den ondergeteekende betaald worden voor de uitlevering der negerin Maria, die omstreeks den 15den Oct. jl. van Phoenix Huis is weggeloopen. Zij is omtrent 45 jaar oud, 5 voet, 4 duim lang, van een sterken ligchaamsbouw en spreekt goed Fransch en Engelsch; zij is gekocht van Chass. Deblanc.

H. Bidwell & Co.

Vijf en twintig dollars belooning.

Weggeloopen den 25sten dezer, een lichte mulat, Allen, ongeveer 22 jaar oud, 6 voet lang, goed gekleed, van zwakken ligchaamsbouw en zeer onachtzaam in het loopen. Toen hij ontvlugtte droeg hij een paar snorren. Hij behoort aan J. P. Harrison, van deze stad; nadere inlichtingen te bekomen op Bank Place, No. 10.

Honderd dollars belooning

voor de aanhouding van onzen lichten mulat, Seabourn, 20 jaar oud, 5 voet, 4 duim lang, sterk, welgemaakt en bij uitstek bedrijvig. Hij is min of meer geschikt voor tooneelspeler in een paardenspel, waardoor hij gemakkelijk herkend kan worden, daar hij altijd zijne gymnastische oefeningen vertoont. Hij liep weg op den 3den dezer; behalve deze belooning zullen alle redelijke onkosten betaald worden.

W. & H. Starkhouse. No. 70, Tchoupitoulas.

Vijf en twintig dollars belooning

voor de aanhouding van mijn mulat, Severin, 25 jaar oud, 5 voet, 6 of 8 duim lang; de meeste zijner voortanden zijn uitgeslagen, en op beide zijne armen zijn de letters C. V. met O. I. inkt geteekend. Hij spreekt Fransch, Engelsch en Spaansch en behoorde eertijds aan Mr. Courcell, in het derde District. Behalve de bovenstaande belooning zullen 5 dollars uitbetaald worden voor informatie, die er toe leiden de personen te ontdekken, welke hem verbergen.

John Ermon.

Vijf en twintig dollars belooning.

Weggeloopen van den ondergeteekende in New Orleans, in Februarij jl., een negerjongen, Stephen genaamd. Hij is omtrent 5 voet, 7 duim lang, een zeer lichte mulat met blaauwe oogen en bruin haar; hij gaat een weinig voorover, slaat meestal zijne oogen naar den grond en is sterk van ligchaamsbouw. Hij zal zijn naam en eigenaar niet noemen, daar het zijne gewoonte is weg te loopen, en werd ergens in den enkel geschoten, toen hij uit Baton Rouge-gevangenis ontvlugtte. De bovenstaande belooning zal met alle uitgaven bij zijne uitlevering betaald worden, of voor zijne gevangenzetting, zoodat ik hem in handen krijg.

A. L. Bingaman.

Vijf en twintig dollars belooning

zal gegeven worden aan hem, die de slavin Sarah aan Mr. Guisonnet, hoek van St. John Baptiste- en Racestreet, behoorende, in eene of andere gevangenis zal zetten. Gezegde slavin is 28 jaar, 5 voet lang, heeft een goedaardig gelaat en fraaije tanden en spreekt Fransch en Engelsch. Scheeps- en stoomboots-kapiteinen worden gewaarschuwd haar niet aan boord te ontvangen, onder de bij de wet bepaalde straf.

Gebroeders Avet, Hoek Brenville en Old Leveestreet.

Lynchburg Virginia, 6 Nov:

Twintig dollars belooning.

Weggeloopen van den ondergeteekende, aan den Virginia-Tennessee-spoorweg, den 20sten Junij, een neger, Karel, 6 voet lang, koperkleurig, verscheidene tanden missende, omtrent 25 jaar, een weinig langzaam in zijn antwoorden, doch van een voorkomend uiterlijk. Bij zijn vertrek droeg hij een lakenschen pet en een blaauwe jas; hij is in Tennessee gekocht en daar heen gebragt door Mr. M. Connell, van Lynchburg, waar hij bleef tot ik hem 4 maanden geleden kocht. Het is meer dan waarschijnlijk dat hij naar Tennessee vlugten zal, dewijl zijne vrouw daar tegenwoordig woont, of misschien keert hij naar Lynchburg terug, waar hij bekenden heeft. De bovenstaande belooning zal voor hem betaald worden, als hij binnen den Staat, of 40 dollars als hij buiten den Staat gevat wordt.

George W. Kyle.

Winchester Republican (Virginia), 26 Nov.:

Honderd dollars belooning.

Weggeloopen van den ondergeteekende, bij Culpepper, Ct. House (Virginia) omstreeks den 1sten October, een neger, Alfred, 5 voet, 7 duim lang, 25 jaar oud, buitengewoon sterk en werkzaam, donker van kleur, doch niet zwart, met een zachtaardig, voorkomend uiterlijk. Hij heeft zich verleden winter in het tweede lid van zijn tweeden of middelsten vinger gebrand, zoodat deze nog stijf is. Hij heeft eene vrouw, die bij den heer Thomas G. Marshall, niet ver van Farrowville, woont, in welke streek hij verkocht wenscht te worden, en waartoe ik niet ongenegen ben hem te verkoopen.

De bovenstaande belooning zal uitbetaald worden, als hij buiten den Staat, of 50 wanneer hij daar binnen gevat wordt.

29 Oct. 1852. W. B. Slaughter.

Uit het Louisville Daily Journal, 23 Oct. 1852;

Honderd dollars belooning.

Van den ondergeteekende in deze stad is op Vrijdag, den 28sten Mei, een negerjongen, Wyatt genaamd, weggeloopen. Gezegde jongen is 25 of 26 jaar oud, omstreeks 5 voet 11 duimen groot, van een breeden ligchaamsbouw en langzaam en zwaar van gang; hij heeft zeer groote handen en voeten, kleine bakkebaarden, en een hoofd met zwaar haar, dat hij op zijde kamt; een zeer prettig voorkomen, en voldoet algemeen. Ik kocht hem onlangs van Mr. Garrett, en zijne vrouw is het eigendom van Thomas G. Rowland Esq., alhier wonende. Ik zal bovengenoemde som voldoen als men hem aanhoudt en mij overlevert buiten, of 50 dollars als men hem binnen den Staat achterhaalt.

2 Junij. David W. Yandell.

Twee honderd dollars belooning.

Een neger en eene negerin zijn van den ondergeteekende ontvlugt. De man heet Meles. Hij is omtrent 5 voet, 8 duim lang, donkerbruin van kleur, met een groot likteeken op zijn voorhoofd, als van eene brandwond, 25 jaar oud, en heeft twee reiszakken bij zich, een linnen en een lederen; ook een paspoort van Louisville naar Owenton, Owenton County (Kentucky) en terug. De negerin heet Julia, zij is lichtbruin van kleur, klein en zeer gezet, nog al van een goed uiterlijk, met een likteeken op haar voorhoofd; bij haar vertrek droeg zij een zijden kleed en nam andere kleederen mede; zij ziet er uit alsof zij 16 jaar is.

De bovenstaande belooning zal betaald worden, voor den man als hij buiten den Staat gevat wordt, of 100 dollars voor het meisje; 100 dollars voor den man, als hij binnen den Staat wordt gevat, en 50 voor het meisje. In beide gevallen moeten zij zoo verzekerd worden, dat ik hen kan krijgen.

5 October. John W. Lynn.

De volgende advertentiën zijn allen uit Shelby County, in Kentucky, gedateerd:

Cipiers-kennisgeving.

Er is in Shelby gevangen gezet eene negerin, zich Juda noemende, zwart van kleur, 20 jaar oud, 5 voet lang, 120 pond zwaar, zonder likteekens, en voorgevende aan James Wilson, in Denmark, Tennessee, te behooren. De eigenaar dier slavin wordt verzocht op te komen, zijn regt te bewijzen, onkosten te betalen en haar meê te nemen; of er zal overeenkomstig de wet met haar gehandeld worden.

27 October. W. H. Eanes, Cipier, Shelby County.

Cipiers-kennisgeving.

In Shelby gevangen gezet, op den 28sten Oct., een neger die zich John William Loyd noemt, licht van kleur, 25 jaar oud, 150 pond zwaar, 5 voet 9 of 10 duim lang, met drie likteekens op zijn linkerbeen, door den beet eens honds veroorzaakt. Gezegde jongen zegt vrij te zijn. Als hij een meester heeft, wordt deze verzocht op te komen, zijn regt van eigendom te bewijzen en hem mede te nemen, of men zal volgens de wet met hem handelen.

3 November.

Alsmede--terzelfder tijd hier gevangen gezet een negerjongen, Patrick, van eene lichte kleur, omstreeks 30 jaar oud, 140 pond zwaar, 6 voet lang, zijn gelaat is vol likteekens, welke hij zegt dat door eene klierziekte ontstaan zijn. Deze ziekte is de oorzaak van het verlies van zijn neus- en kakebeen. Hij geeft voor aan Dr. Wm. Cheathum in Nashville te behooren. De eigenaar van dien slaaf wordt verzocht op te komen, zijn regt te bewijzen, de onkosten te betalen en hem meê te nemen, of men zal volgens de wet met hem handelen.

3 November.

Alsmede--terzelfder tijd nog gevangen gezet een neger, zich Claiborne noemende, zwart van kleur, 22 jaar oud, omtrent 140 pond zwaar, 5 voet lang, geen likteekens te zien; hij geeft voor aan kolonel Rousell, in de Soto te behooren. De eigenaar wordt verzocht op te komen, zijn regt van eigendom te bewijzen, of men zal volgens de wet met hem handelen.

3 November. W. H. Eanes, Cipier van Shelby County.

Cipiers-kennisgeving.

In de gevangenis van Shelby gezet een neger, die zich George noemt, zwart van kleur, omtrent 25 of 30 jaar oud, 5 voet, 9 à 10 duim lang, 140 pond zwaar, geen likteekens, en aan Malley Bradford, in Issaquena, Mississippi, behoorende. De eigenaar wordt verzocht op te komen, de onkosten te betalen en hem meê te nemen, of men zal overeenkomstig de wet met hem handelen.

10 November. W. H. Eanes, Cipier van Shelby County.

Cipiers-kennisgeving.

In de gevangenis van Shelby gezet op den 30sten October eene negerin, die zich Nancy noemt, licht van kleur, 20 of 21 jaar oud, 140 pond zwaar, ongeveer 5 voet lang, zonder likteekens, en voorgevende aan John Pittman in Memphis te behooren. De eigenaar wordt verzocht op te komen, zijn regt te bewijzen, de onkosten te betalen, en haar meê te nemen of er zal volgens de wet met haar gehandeld worden.

10 November. W. H. Eanes, Cipier van Shelby County.

De ontvlugting der slaven gaat hier zeer sterk!

Natchez (Mississippi) Free Trader, 6 November 1852.

Vijf en twintig dollars belooning.

Van den ondergeteekende weggeloopen op den 17den October een neger, Allen, 23 jaar oud, 6 voet lang, een donkere mulat, geen likteekens, behalve één door den beet van een hond veroorzaakt; hij droeg, toen hij wegliep, een katoenen hemd en broek; leest stotterend, kan goed rekenen en is in het bezit van een paspoort. Hij spreekt ongemeen levendig en snel en lacht als hij spreekt.

Ik ben bereid de bovenstaande belooning uit te reiken aan dengenen, die hem in eene of andere gevangenis zet, waaruit ik hem kan krijgen.

6 November. Thos. R. Cheatham.

Newberry Sentinel (Zuid-Carolina), 17 November 1852.

Kennisgeving.

Ontvlugt van den ondergeteekende, den 9den Julij, mijn jongen Willem; een fraaije mulat, 26 jaar oud, 5 voet 9 of 10 duim lang, zwak van ligchaamsbouw, zeer verstandig, vlug van spraak en gang. Gezegde jongen werd van Virginia gebragt en zal er nu waarschijnlijk terug gekeerd zijn. Eenige onderrigting aangaande dien jongen zal in dank ontvangen worden door

3 November. J. M. Mars.

Het Raleigh Register en Richmond Enquirer zullen 4 maal in de week deze advertentie plaatsen en brieven aan dit bureau zenden.

Greensboro' Patriot (Noord-Carolina), 6 November.

Tien dollars belooning.

Uit mijne dienst ontvlugt, in Februarij 1851, een neger, Edward Winslow, klein, nog al gezet, een Indiaan, en een eerste tooneelspeler. Gezegde Winslow was uit Guilford-gevangenis verkocht, om de onkosten van vijf jaar gevangenhouding te betalen, en werkt nu waarschijnlijk op den spoorweg ergens in Davidson County als vrij man. De bovenstaande belooning zal gegeven worden voor zijne gevangenzetting in Guilford; of voor zijne uitlevering aan mij in het Zuiden van dien Staat. Mijn adres is Long's Mills, Randolph, Noord-Carolina.

27 October 1852. P. C. Smith.

De True Delta van New Orleans van den 11den Januarij 1853, bevat de volgende kennisgeving:

Groote verloting van een harddraver en eene Negerslavin.

De ondernemende kolonel Jennings zal eene verloting houden, die al zijne vroegere ondernemingen in dit opzigt zal overtreffen. De prijzen zijn: de beroemde harddraver Star met sjees en gareel, en eene negerin van meer dan 900 dollars waarde. Zie de onderstaande advertentie in eene andere kolom.

Verloting. Mr. Joseph Jennings

heeft de eer aan zijne vrienden en aan het publiek bekend te maken, dat hij op verzoek van een aantal zijner bekenden, van den heer Osborn van Missouri een paard gekocht heeft; het is de vermaarde harddraver Star, 5 jaar oud, met eene nieuwe ligte sjees en gareel; ook de goede Mulattodeerne Sara, 20 jaar oud, en eene flinke werkmeid, op 900 dollars geschat. Zij zullen verloot worden des middags ten 4 ure van den 1sten Februarij 1853, in welk logement de inteekenaren zullen goedvinden.

Diegenen, welke verlangen mogen aandeelen in deze verloting te nemen, zullen ongetwijfeld volmaakt met de regeling dezer zaak genoegen nemen.

Vijftien honderd loten, een dollar het lot.

Het geheel wordt juist op 1500 dollars geschat.

Deze verloting zal bestuurd worden door heeren, die door de inteekenaren zullen worden gekozen; en de verloting zal gedurende 5 avonden plaats hebben. Beide artikelen zijn in mijn magazijn, no. 78 Common-Street, de tweede deur van Camp, te bezigtigen van des morgens 9 tot des namiddags 2 uur.

Het hoogste lot kan kiezen; het laagste lot krijgt het overblijvende artikel, en de gelukkige winners moeten twintig dollars voor ververschingen betalen.

9 Januarij. J. Jennings.

Daily Courier (Natchez, Mississippi), 20 November 1852.

Vijf en twintig dollars belooning

zal betaald worden voor de aanhouding en gevangenzetting mijns negers Hardy, op den 9den Augustus jl. van den ondergeteekende, wonende aan het meer St. John, bij Rifle-Point, ontvlugt. Hardy is een bijzonder schoone neger, geheel vrij van teekens, likteekens of beschadigingen; 6 voet lang, zwart van kleur, schoon van gelaatstrekken, met mooi hair en fraaije oogen en tanden.

Adres aan den ondergeteekende te Rifle-Point.

30 October. Robert Y. Jones.

Welk een ongelukkige meester--een artikel te verliezen geheel vrij van "teekens, likteekens of beschadigingen." Zoo iets is zeldzaam!

Savannah Daily Georgian, 6 September 1852.

Gearresteerd

omstreeks 3 weken geleden, onder verdachte omstandigheden eene negerin Phebe of Phillis, voorgevende vrij te zijn, en van Beaufort (Zuid-Carolina) komende. Zij is 50 jaar oud, sterk van ligchaamsbouw, minzaam in het spreken, 5 voet, 4 duim lang en 140 pond zwaar. Na een vlijtig onderzoek, vermeen ik dat zij weggeloopen is. De eigenaar kan haar terug krijgen, indien hij zich met grondige bewijzen aanmeldt.

Savannah, 25 October 1852. Waring Russell, County Constable.

Twee honderd dollars belooning.

Omstreeks het begin van verleden jaar is van Sparta ontvlugt mijn neger George. Hij is een goed timmerman, 35 jaar oud, een lichte mulat, lang, en van een goed uitzigt. Hij is omtrent 3 jaar geleden uit St. Mary's gebragt, en had, toen hij wegging, aldaar eene vrouw, die het eigendom van een zekeren heer Holzendorff was; ik geloof van hem gehoord te hebben, dat hij in den omtrek van Macon geweest was en een broeder in Savannah had. Hij is zeer verstandig, en ik zal de bovenstaande belooning geven voor zijne gevangenzetting, zoodat ik hem krijg. Nadere inlichtingen zijn te bekomen bij Rabun en Whitehead, Savannah (Georgia).

Oxford (Georgia), 13 Aug. 1852. W. J. Sassnet.

Uit deze en honderd soortgelijke advertentiën kan men het volgende opmaken:

1o. Dat de drangredenen tot het in slavernij houden der negers niet toepasselijk zijn op het meerendeel hunner. 2o. Dat het slavenras niet, zoo als de meesters zeggen, een dom geslacht is. 3o. Dat zij niet over-tevreden zijn. 4o. Dat zij geene redenen daartoe hebben. 5o. Dat vele menschen, die zeggen vrij te zijn, als slaven verkocht worden.

Met betrekking tot de gelaatskleur dezer slaven, zijn eenige punten onze beschouwing overwaardig. De schrijfster voegt er de volgende advertentiën bij, uitgegeven door Wm. I. Bowditch, in zijne brochure getiteld: "Slavernij en de Grondwet."

Uit de Richmond (Virginia) Whig.

Honderd dollars belooning

Voor de aanhouding van mijn neger (?) Edmund Kenney. Hij heeft lang haar en is zoo blank van kleur dat een vreemdeling niet zou vermoeden, dat hij Afrikaansch bloed in de aderen heeft; hij was met mijn jongen Dick eenigen tijd geleden in Norfolk, en bood deze daar te koop aan; hij werd echter aangehouden, doch ontvlugtte onder voorwendsel dat hij een blanke was.

6 Januarij 1836. Anderson Bowles.

Uit de Republican Banner en Nashville Whig, van den 14den Julij 1849.

Twee honderd dollars belooning.

Weggeloopen van den ondergeteekende, op den 23sten Junij jl., eene lichte mulattin Julia, omtrent 25 jaar oud. Zij is van middelbare lengte, bijna blank en ziet er goed uit. Zij is eene goede naaister, kan een weinig lezen, en zal zeker trachten voor een blanke vrouw door te gaan. Zij heeft haar kind Anna meêgenomen, van acht of negen jaar, dat zij netjes kleedt, en dat veel donkerder is dan hare moeder. Eens is zij het eigendom van den heer Helin, van Columbia, Tennessee, geweest. Ik zal eene belooning geven van 50 dollars voor de negerin en haar kind, als zij mij uitgeleverd, of in eene gevangenis binnen den Staat aangehouden worden, zoodat ik ze kan krijgen; 100 dollars indien zij in een anderen Staat gevat worden, en 200 als zij in een of anderen vrijen Staat gevat en in eene goede gevangenis in Kentucky of Tennessee worden gezet.

Nashville, 9 Julij 1849. A. W. Johnson.

De drie volgende advertentiën zijn uit Alabama nieuwspapieren getrokken.

Weggeloopen

Van den ondergeteekende, op de plantage van kolonel H. Tinker, een lichte mulat, Alfred, 18 jaar oud, welgemaakt, met blaauwe oogen, vlasblond haar, en eene sproetachtige huid. Hij zal voor een vrijgeborene trachten door te gaan.

Green County, Alabama. S. G. Stewart.

Honderd dollars belooning.

Van den ondergeteekende ontvlugt een lichte mulat, Sam genaamd. Licht lang haar, blaauwe oogen, een roode kleur, en zoo blank, dat hij zeer goed voor een vrijen blanke kan doorgaan.

22 April 1837. Edwin Peck.

Weggeloopen

Op den 15den Mei eene negerin Fanny, zij is 20 jaar oud, groot van gestalte, kan goed lezen en schrijven, en heeft vermoedelijk een valsch paspoort voor zich gemaakt. Zij heeft een paar oorringen en een roodmarokijnen bijbel meêgenomen, is zeer vroom, bidt zeer dikwijls, en was, zoo het scheen, tevreden en gelukkig. Zij is even wit als de meeste blanke vrouwen, met lang licht haar en blaauwe oogen. Ik zal 500 dollars voor hare aanhouding en uitlevering geven. Zij is zeer verstandig.

Tuscaloosa, 29 Mei 1845. Jan Black.

Uit den Newbern (Noord Carolina) Spectator:

Vijftig dollars belooning.

Zal voor de aanhouding en uitlevering der volgende slaven betaald worden. Samuel en Judy zijne vrouw met 4 kinderen, die aan wijlen Sacker Duberly hebben behoord.

Ik zal 10 dollars geven voor de aanhouding van William Duberly, mijn slaaf, omtrent 19 jaar oud, en geheel blank, zoodat men hem niet voor een slaaf zou aanzien.

13 Maart, 1837. John J. Lane.

De twee volgende advertentiën zijn uit de New Orleans Picayune, van den 2den September 1846.

Vijf en twintig dollars belooning.

Van de plantage van Mevr. Fergus Duplantier, is op den 27sten Junij 1846 ontvlugt, een lichte mulat Ned, van een sterken ligchaamsbouw, 5 voet 11 duim lang, Engelsch en Fransch sprekende, omtrent 35 jaar oud, en hinkende in zijn gang. Hij zal zeker trachten voor een blanke door te gaan, daar hij blank van kleur is. De bovenstaande belooning zal uitgereikt worden aan dengenen, die hem terug brengt op de plantage van Mevr. Duplantier in Manchae, of hem in eenige gevangenis zet waaruit men hem gemakkelijk kan krijgen.

Twee honderd dollars belooning.

Weggeloopen van den ondergeteekende een witte neger, ongeveer 35 jaar oud, 5 voet, 8 of 9 duim lang, met blaauwe oogen, wollig haar, en zeer schoone huid.

Dit zijn de kenmerken van drie rassen. De koperkleurige huid duidt het Indiaansche bloed aan. De andere zijn de gemengde rassen van negers en blanken. Het is bekend, dat de arme overblijfselen van Indiaansche geslachten meerendeels gedwongen zijn geworden, om slaven te zijn. Het is niet minder zeker dat blanke kinderen nu en dan gestolen en als slaven verkocht worden. De eerwaarde heer George Bourne, uit Virginia, een Presbyteriaansch predikant, die reeds in 1816 tegen de slavernij heeft geschreven, verhaalt ons van een jongeling, die op zijn zevende jaar van zijne ouders gestolen en verkocht werd, nadat zijne kleur door traan veranderd was, en wien het na veertienjarige slavernij gelukte te ontsnappen. De verandering van gelaatskleur is thans niet meer noodig, want verscheidene slaven hebben eene schoone blanke huid. Er bestaat reden te gelooven, dat de grootmoeder der arme Emily Russell een blank meisje was, door zieldrijvers gestolen. Dat zieldrijvers kinderen kunnen stelen en verkoopen, is uit het voorgaande genoegzaam gebleken.

De schrijfster heeft eene quadrone-moeder zien vlugten, met hare twee kinderen, een jongen van tien maanden en een meisje van drie jaar. Beide waren uitstekend schoon, het meisje had blaauwe oogen en goudgeel haar. De moeder en hare kinderen zouden juist verkocht worden, en dit was de reden hunner ontvlugting.

Als de geest eenmaal gemeenzaam is geworden met den loop der slavernij, om eerst negers, dan Indianen, vervolgens mulatten en eindelijk quadronen tot slaaf te maken; en als blaauwe oogen en goudgeel haar, als eigenschappen van negers beschouwd worden,--welke bescherming blijft er dan over voor het arme blanke volk, daar het vooral onder de tegenwoordige wet op de slavernij meêgevoerd en verkocht kan worden, zonder eenig regtsgeding?

Een gouverneur van Zuid-Carolina, verklaarde in 1835 openlijk, dat de arbeidende klasse, blank of niet blank, een gevaarlijk bestanddeel uitmaakt, zoo het niet tot slaven gemaakt werd. En zal dit dan niet het onvermijdelijk gevolg er van worden?

HOOFDSTUK X.

HET ARME BLANKE UITSCHOT.

Als de algemeene opinie van Europa zich in bewoordingen vol verontwaardiging over het Amerikaansche slavenstelsel uitlaat, heeft men gewoonlijk geantwoord: "Let op uwe eigene mindere volksklassen."

De voorstanders der slavernij hebben Engeland op zijne eigene armen gewezen. Zij hebben gesproken van de heidensche onwetendheid, de ondeugd, de ellende van zijne overbevolkte steden,--ja, zelfs van zijne landbouw-districten.

Nu moest, in de eerste plaats, een land, hetwelk niet overbevolkt is, waar de voortbrengselen van den grond meer dan voldoende zijn voor de inwoners, een land dat slechts kort geleden een oorsprong nam, onbelast met de afgesletene instellingen van verloopene eeuwen, niet te vreden zijn met slechts even zoo goed te zijn als landen, die tegen dat kwaad te worstelen hebben.

Het is eene armzalige verdediging voor Amerika, tot andere volkeren te zeggen: "wij zijn niet slechter dan gij." Het moest oneindig veel beter zijn.

Maar het zal blijken, dat de instelling der slavernij niet alleen heidensche, ellendige, diep gezonken slaven heeft voortgebragt, maar het geeft ook het aanzijn aan eene klasse van blanken, die, zoo als algemeen erkend wordt, nog heidenscher, ellendiger en dieper gezonken te zijn. De instelling der slavernij heeft in Amerika het dubbele feit veroorzaakt, dat het niet alleen zijne zwarte arbeidende klasse heeft doen ontaarden en verlagen, maar ook, dat, in weerwil van een vruchtbaren grond en overvloedige ruimte, de arme blanke bevolking even ontaard en verlaagd gemaakt is, als ergens in de meest bevolkte districten van Europa.

De wijze waarop dit geschiedt, kan met weinige woorden worden verklaard. 1o. De verdeling van het land in groote plantages, en de hieruit voortvloeijende verspreiding der gemeenten, maakt een of ander stelsel van gewone schoolopvoeding onmogelijk. 2o. Dezelfde oorzaak geldt met betrekking tot de prediking van het Evangelie. 3o. Het denkbeeld, dat arbeid vernederend is, hetwelk onmiddellijk voortvloeit uit het tot slaven maken der werkende klasse, is een der grootste oorzaken, die geschikte werklieden der middenklasse terughouden, om zich in Slavenstaten neêr te zetten. Waar men iedere week advertentiën vindt voor weggeloopen timmerlieden, smeden en metselaars, met hun gereedschap, of met paarden, schapen en ander vee, bestaat er noodzakelijk een denkbeeld onder de arbeidende klasse, hetwelk verstandige, welgestelde ambachtslieden, zoo als er in de vrije Staten een aantal worden aangetroffen, tegen de borst stuit en onaangenaam is. Zij mogen het eenigen tijd verdragen, maar met veel ongerustheid, en zij zijn verheugd als zij de eerste gelegenheid tot landverhuizing kunnen aangrijpen om naar elders te trekken.

Ook verdringen de slaven, die voor alle takken van landbouw en fabriekwezen overvloedig gebezigd worden, noodwendig den arbeid der vrijen. Verbeeld u nu eens een huisgezin van arme blanken in Carolina of Virginia, en dat zelfde huisgezin in Vermont of Maine; hoe verschillend is de toestand waarin zij verkeeren! In Vermont of Maine zijn de kinderen in de gelegenheid om hunne opvoeding in publieke scholen te erlangen, en doen zich voor hen in de maatschappij een aantal goede vooruitzigten op, die slechts vlijt eischen om verwezenlijkt te worden. De jongens hebben de keus tusschen al de verschillende handelsvakken, waaraan de zamenstelling der vrije maatschappij behoefte heeft. De meisjes, bezield door den geest van het land waarin zij geboren zijn, achten nuttigen arbeid geen schande, en vinden, met waarlijk vrouwelijke vindingrijkheid, honderde zaken uit, om iets bij te brengen tot de schatkist van het huisgezin. Als er een lid van het huisgezin is, in hetwelk eene goddelijke gift van hoogere talenten schijnt te vragen naar eene volmaakte opvoeding, vereenigt het geheele huisgezin zich gaarne en wendt zijne winstgevende vlijt aan, om dien eenen die hoogere opvoeding te geven, welke zijn hooger genie vereischt; en aldus is de wereld begiftigd met mannen als Roger Sherman en Daniel Webster.

Maar verplaatst dit zelfde huisgezin in Zuid-Carolina of in Virginia--hoe geheel anders is hier de uitslag! Geene publieke school opent des morgens hare deuren voor de kinderen; de eenige kerk ligt misschien op 15 mijlen afstands, en is slechts langs een bijna onbegaanbaren weg genaakbaar. De lucht zelfs, die zij inademen, doet hen het denkbeeld van slavernij en ontaarding, met dat van nuttigen arbeid verbinden; en de maatstaf van het fatsoen, is het vermogen om te leven zonder te arbeiden. Welke tak van nuttigen arbeid is daar voor de jongens geopend? Kan hij een smid worden? De planters in de nabuurschap koopen liever hunne smeden in Virginia. Kan er een timmerman uit hen worden? Ieder planter heeft er een of twee in bezit, en zoo is het eveneens met metselaars en kuipers gesteld. Kan hij schoenmaker worden? De schoenen voor de plantages worden in Lynn en Natrick, twee steden in New Engeland, gemaakt. Inderdaad, tusschen den vrijen arbeid van het Noorden, en den slavenarbeid in het Zuiden, is er niets voor de arme blanken te doen. Zonder scholen of kerken, groeijen deze ellendige huisgezinnen in een Christenland op als Heidenen, in luiheid, ondeugd, onzindelijkheid en ongemak van allerhanden aard. Zij zijn de pest van den geheelen omtrek en voorwerpen van verachting, beschimping of medelijden, zelfs van de slaven. De zoo uitdrukkingsvolle zin, zoo algemeen in den mond der negers, van "arm blank uitschot," zegt alles, wat van dit ongelukkige geslacht gezegd kan worden. Uit dit geslacht komt eene soort van brandewijn-verkoopers voort, die met de negers handel drijven in goederen, van de plantagiën gestolen. Knappe en veelbelovende jongelingen kunnen misschien hopen om slavenhandelaars, en van dezen post nog tot opzigters van plantages verhoogd te worden. Het hoogste doel dat de eerzucht kent, is om door allerlei goede of slechte middelen, geld genoeg bijeen te brengen, om "een neger of twee te koopen," en te beginnen te leven zoo als andere menschen. Wee! den ongelukkigen neger of negerin, die, zorgvuldig in een ander goed, godsdienstig huisgezin opgevoed, door den dood hunner eigenaars te koop komen, en dan door zulk een meester of meesteres gekocht worden! Dikwijls is de slaaf oneindig veel beter, en in alle opzigten beschaafder in voorkomen, manieren, opvoeding en zeden; maar niettegenstaande dit, beschermt de wet toch de tirannieke meerderheid van den eigenaar.

Volgens al hetgeen men in de zaak van Souther, die wij hebben medegedeeld, kan opmaken, is hij iemand van deze klasse geweest. Wij hebben de zekerste bewijzen, dat de twee blanke getuigen, die den geheelen dag doorbragten met lijdelijk zijne duivelsche handelingen aan te gapen, menschen van deze klassen waren. Het schijnt, dat de misdaad van het arme slagtoffer daarin bestaan heeft, dat hij dronken is geweest en met deze twee menschen gehandeld had, en dat zij waarschijnlijk geroepen werden, om hen te doen zien "wat een neger er bij won om met hen handel te drijven." Deze omstandigheid toont ons aan, dat deze twee ook tot de handelaars in contrabande behoorden, die uit de gemeene blanken voortkomen, en den slaven-eigenaars zooveel last veroorzaken door met hunne slaven te handelen. Kunnen woorden zoo krachtdadig uitdrukken, welk soort van blanken deze menschen zijn, als het denkbeeld, dat zij een geheelen dag in hunne domme, onbescheidene nieuwsgierigheid, getuigen konden zijn van zulk eene duivelachtige handelwijze?

Verbeeld u de ellende van den slaaf, die in zulke handen valt! Een nu overleden geestelijke deelde schrijfster dezes het volgende mede:--Toen hij in een der zuidelijke Staten reisde, nam hij zijn nachtverblijf in eene ellendige hut, die aan iemand van deze klasse toebehoorde. Onzindelijkheid heerschte er, en zij droeg het kenmerk van gebrek aan welvaart en beschaafdheid. De man en zijne vrouw met hunne woeste, verwaarloosde kinderen dronken whiskey en speelden den dwingeland over den ellendigen man en de vrouw, die al het werk deden en al de grillen van het geheele huisgezin te verdragen hadden. Hij (de geestelijke) ontdekte weldra, dat deze slaven in persoon, taal en in ieder opzigt, de meerderen hunner eigenaars waren: en alles wat hem in deze ellendige woning gemakkelijks verschaft werd, was hij juist aan de slaven verschuldigd. Voor dat hij weg ging, trachtten zij hem alleen te spreken, en baden hem hen te koopen; zij verhaalden hem dat zij zeer fatsoenlijk waren opgevoed in een achtenswaardig en beschaafd huisgezin, en dat hunne slavernij hen thans des te erger smartte. De arme schepselen hadden hem opgepast met de grootste zorgvuldigheid, zijn paard gevoederd, zijne laarzen gepoetst, en al zijne wenschen voorgekomen, in de hoop, van hem te zullen overhalen hen te koopen. De geestelijke zeide, dat hij nooit zoo naar geld had verlangd, als toen hij de ontmoedigde gezigten zag, waarmede zij naar zijne woorden luisterden, dat hij te arm was om aan hunne wenschen te voldoen.

Deze ellendige klasse van blanken maakt in al de zuidelijke Staten een deel uit van het ellendigste en wreedaardigste gepeupel. Volkomen onkundig, en onbegrijpelijk onbeschoft zijn zij, gelijk een blind, wild monster, dat, als het opgewekt is, zonder iets te verschoonen, alles wat het in den weg komt, onder den voet treedt. Hoe zonderling het schijnen moge, zoo zijn zij, ofschoon de slavernij de oorzaak is van de ellende en verdierlijking dezer klasse, toch de hevigste en wreedste voorstanders der slavernij. Hiervan is dit de reden: Zij gevoelen de verachting der hoogere klassen, en hun eenig troostmiddel is, dat zij eene klasse onder zich hebben, die zij op hunne beurt kunnen verachten. Het in vrijheid stellen der negers zou hen van dezen laatsten troost berooven; en daarom ook pleit geene klasse van menschen met zulk eene woedende en redelooze hevigheid vóór de slavernij, of haat de afschaffers met zulk een helschen haat. Laat de lezer zich een gepeupel verbeelden van mannen, even woest en ongevoelig, als de twee mannen uit het verhaal omtrent Souther, geleid door menschen gelijk Souther zelven, en hij zal zich een gering denkbeeld kunnen vormen van hen, waaruit het zuidelijk gepeupel is zamengesteld.

De aanvoerders dezer gemeente, die menschen die met andere menschen spelen, even achteloos als een harpspeler op zijne harp speelt, houden dit blinde, wreede monster van het gepeupel er op na, even als een opzigter zijn plantage-honden er op nahoudt, als schepselen, die zij kunnen loslaten tegen iedereen, dien zij uit den weg willen ruimen.

Deze aanvoerders hebben den kreet "afschaffing" voor het gepeupel gebezigd, even als de jager zijn "voort" aan zijne honden toeroept. Wanneer zij een plan ten uitvoer te brengen, of iemand uit den weg te ruimen hebben, heffen zij dezen kreet aan en het monster is wakker, gereed om zijn sprong te doen, als zij het willen.

Wanneer een predikant zijne stem verheft ten voordeele der slaven, laat dadelijk de een of andere uitgever het geheele gepeupel op hem, als op een afschaffer, los. Wanneer iemand zijn negers leert lezen, dan schiet het gepeupel op hem toe; hij moet beloven het op te geven, of den Staat verlaten. Drukt een man aan tafel in een logement zijne goedkeuring uit over een of ander werk tegen de slavernij, dan komt de policie terstond opzetten en houdt hem aan wegens het spreken van oproerige taal [21]; en op de hielen der policie, die het geregtshuis omringt, komt het altijd gereede gepeupel, mannen met knodsen en groote dolkmessen, en zweert dat zij zijn bloed zullen hebben. De fatsoenlijker burgers trachten te vergeefs hen terug te houden; men kan even goed met een troep honden redeneren, en de eenige manier is, de beschuldigde persoon uit den Staat te doen ontvlugten, zoo geheimzinnig en snel mogelijk. Dit alles zijn zaken die zeer dikwijls in het Zuiden gebeuren. Ieder mensch uit het Zuiden weet dat het zoo is, en hij kent er de redenen van; maar zoo zeer vreezen zij dit monster, dat zij niet durven zeggen wat zij weten.

Dit redelooze monster gaat somwijlen de magt zijner meesters te buiten, en dan zijn de gevolgen doodelijk voor de vaderlandsliefde van achtenswaardige zuidelijke menschen, die ze echter niet kunnen stuiten. Dit was het geval met den raadsheer Hoar, uit Massachusetts, die met zijne dochter Charleston bezocht. De raadsheer werd door den souvereinen Staat Massachusetts aangesteld, om onderzoek te doen naar den toestand der vrije kleurlingen, die in de gevangenissen van Zuid-Carolina worden opgesloten. Wij kunnen niet veronderstellen, dat mannen van eer en opvoeding, in Zuid-Carolina, zonder smart de zaak kunnen beschouwen, dat deze achtbare man, de vertegenwoordiger van een Zusterstaat en door zijne dochter vergezeld, genoodzaakt was te vlugten uit Zuid-Carolina, omdat men hun verhaalde, dat het aangestelde bestuur hen niet tegen de woede van het gepeupel kon beschermen. Dit is niet het eenige geval, waarin deze magt van het gepeupel de hand harer leiders ontglipt is, en bedroevende resultaten heeft opgeleverd. De tooneelen van Vicksburg en de opeenvolging van volksstormen, die toen in de zuidelijke Staten gewoed hebben, zijn zeer sterk afgemaaid door den schrijver van "de blanke Slaaf."

Zij, die deze volksvlagen nuttig oordeelen, als zij hen dienen, worden somtijds met kracht herinnerd aan de gevolgen:

"Wanneer men roof en moord een wijl den teugel laat, Opdat hij juist zoo ver, maar ook niet verder gaat; En heel het land in vuur gaat zetten, om zoo hoog Maar ook niet hooger op te rijzen naar den boog."

Het bovengemelde kan door verschillende bewijsstukken gestaafd worden--meestendeels door de getuigenis van menschen die in Slavenstaten wonen, en door uittreksels uit hunne couranten.

Wat de klasse van arme blanken aangaat, de heer William Gregy, van Charleston, in Zuid-Carolina, zegt in eene brochure, genaamd: Verhandelingen over inlandsche nijverheid, of een onderzoek naar de onderneming om katoen-fabrieken in Zuid-Carolina te vestigen, 22 Julij 1845:

Zullen wij onopgemerkt die duizende arme, ontaarde blanken voorbijgaan, die in dit land van overvloed, in betrekkelijke naaktheid, honger en ellende leven? Menigeen is in het trotsche Zuid-Carolina van jongs af aan opgevoed, voor wien geen maand is voorbij gegaan, zonder een groot gedeelte van den tijd van vleesch verstoken te zijn geweest. Menige moeder zal u zeggen, dat hare kinderen slechts zeer schraaltjes van brood en nog schraler van vleesch voorzien worden; en als zij een tamelijk goede kleeding hebben, is het ten koste van dit weinigje voedsel. Dit zijn misschien verschrikkelijke dingen, maar zij zijn echter waar, en zoo men ze in Charleston niet gelooft, kunnen onze regeringsleden, die den Staat doorkruist hebben, de waarheid er van bevestigen.

De eerwaarde heer Hendrik Duffner, doctor in de godgeleerdheid, voorzitter van Lexington-College (Virginia), zelf een slaven-eigenaar, gaf in 1847 een adres aan het volk van Virginia uit, waarin hij aantoonde, dat de slavernij het algemeene welzijn benadeelde, en tevens den invloed aanwees, dien de slavernij uitoefende op de vermindering der blanke bevolking. Hij zegt:

Het is gebleken dat in tien jaren, van 1830 tot 1840, Virginia door landverhuizing niet minder dan 375,000 menschen verloor; waarvan Oost-Virginia 304,000 en West-Virginia 71,000. Op deze wijze voorziet Virginia het Westen iedere tien jaren van eene bevolking, even zoo groot als die van den Staat Mississippi ten jare 1840. Zij heeft van haren grond ten minste een derde van al de verhuizers verdreven, die van de oude Staten naar de nieuwe zijn gegaan. Velen van deze duizenden, die de Slavenstaten hebben verlaten, hebben zich in de vrije westelijke streken neêrgezet. Deze zijn voornamelijk vlijtige en ondernemende menschen, die door droevige ondervinding ervoeren, dat een Slavenstaat geen Staat voor hen was. Het is eene waarheid, eene zekere waarheid, dat de slavernij vrije werklieden--landlieden, pachters, ambachtslieden,--ja allen verdrijft, en wel de beste van hen, en hunne plaats door negers aanvult.... Zelfs het gewone fabriekwerk wordt in een Slavenstaat niet verrigt. Eenige weinige fabriek-voortbrengselen moeten wel is waar in ieder beschaafd land vervaardigd worden, maar de algemeene regel in het Zuiden is, om van buiten 's lands alle mogelijke fabriekzaken aan te voeren, die maar in schepen kunnen vervoerd worden, zoo als meubelen, booten, kasten, ploegen, tafels, draaibanken, bijlen en steelen van bijlen, behalve nog een ontelbaar aantal andere dingen, die vrije gemeenten gewoonlijk zelve maken. Het wonderlijkste van alles is, dat de bosschen en ijzermijnen uit het Zuiden al die artikelen opleveren, waaruit deze dingen vervaardigd worden. De vrije menschen uit het Noorden komen met hunne schepen, nemen het timmerhout en het ijzer meê, bewerken dit, voorzien met een gedeelte in hun eigene behoeften, en verkoopen het overige met eene goede winst in het Zuiden. Hoewel nu werklieden, door hunne winkels in het Zuiden te openen, al deze onkosten en voordeelen voor zich konden behouden, is het echter eene waarheid, dat de werklieden uit het Noorden zich niet in het Zuiden willen neêrzetten, en de prijzen der zuidelijke hooger blijven dan die hunner noordelijke concurrenten.

Wat de opvoeding betreft, geeft de eerw. heer Theodore Parker het volgende op in zijne "Brieven over de slavernij," pag. 65:

In 1671 zeide sir William Berkeley, gouverneur van Virginia: "Ik dank God dat er hier (in Virginia) geene vrije scholen of drukpersen zijn, en ik hoop dat wij die hier in geen honderd jaar zullen hebben." In 1840 waren er in de vijftien Slavenstaten op de verschillende hoofd-scholen 201,085 scholieren; op de hoofd-scholen in de vrije Staten 1,626,028. In den Staat Ohio alleen waren er op de hoofd-scholen 17,524 meer dan in de 15 Slavenstaten te zamen, te New York waren er 301,282 meer.

In de Slavenstaten zijn 1,368,325 vrije blanke kinderen tusschen 5 en 20 jaar; in de vrije Staten 3,536,689 zulke kinderen; in de Slavenstaten op scholen en collegiën zijn 301,172 leerlingen; in de vrije Staten 2,212,444. Alzoo gaan in de Slavenstaten uit de 25 kinderen tusschen de 5 en 20 jaar, niet eens vijf op eene of andere school of collegie; terwijl uit 25 zulke kinderen in de vrije Staten, meer dan 15 op eene of andere school of collegie zijn.

In de Slavenstaten kan een tiende gedeelte van de vrije blanke bevolking boven de 20 jaar noch schrijven, noch lezen; terwijl er in de vrije Staten naauwelijks één op 150 gevonden wordt die dit niet kan.

In Nieuw Engeland zijn maar weinig vrijgeborenen boven de 20 jaren, die niet lezen en schrijven kunnen, maar vele vreemdelingen komen daar aan zonder eenige opvoeding, en deze vermeerderen het getal onbekwame menschen, en verminderen blijkbaar het effect der vrije instellingen. In het Zuiden zijn weinig zulke vreemdelingen; daar moet dus de domheid der bevolking aan andere oorzaken worden toegeschreven. De menschen uit het Noorden, die zich in het Zuiden neêrzetten, zijn goed opgevoed, en het Zuiden wint dus daardoor in opvoeding wat het Noorden er door verliest.

Onder de Staten in het Noorden is Connecticut, en onder die in het Zuiden Zuid-Carolina vrij van dezen verstorenden invloed. Eene vergelijking tusschen deze beide Staten, zal de betrekkelijke gevolgen doen zien der instellingen van het Noorden en Zuiden. In Connecticut zijn 163,843 vrije lieden boven de 20 jaar; in Zuid-Carolina slechts 111,663. In Connecticut zijn slechts 526 personen boven de 20 jaar die niet kunnen schrijven en lezen; terwijl er in Zuid-Carolina 20,615 vrije blanken boven de 20 jaar zijn, die dit niet kunnen. In Zuid-Carolina zijn onder 626 vrije blanken meer dan 58 die niet kunnen lezen en schrijven; op dit aantal in Connecticut nog geen twee! Meer dan het zesde deel van de vrije volwassen bevolking in Zuid-Carolina kan het stembriefje voor de volgende stemming niet lezen, en ten minste een derde deel kan niet eens een courant verstaan. Inderdaad, in een der Slavenstaten is dit geen bloote gevolgtrekking, want in 1837 verklaarde gouverneur Clarke, van Kentucky, dat "een derde der volwassen bevolking onbekwaam was haar naam te zetten"; en echter heeft Kentucky een "school-fonds" op 1,221,819 dollars geschat, terwijl Zuid-Carolina er geen bezit.

Een bewijs van dit gebrek aan bekwaamheid in de Slavenstaten, is te treffend om voorbij gegaan te worden. Zelfs de minst ontwikkelde Amerikanen lezen de courant, een der minste letterkundige journalen; in de Slavenstaten worden 377 nieuwsbladen uitgegeven; in de vrije Staten 1135. Deze twee getallen maken het verschil nog niet uit, want in het algemeen worden de couranten in het Zuiden in dezelfde verhouding gelezen tot die van het Noorden, als 50 tot 75. Stellen wij nu dat de zuidelijke twee derde maal meer gelezen worden dan de noordelijke, dan blijven er 225 couranten voor de Slavenstaten. De maandwerken van meer waarde worden bijna uitsluitend in de vrije Staten uitgegeven.

Het aantal kerken en geestelijken levert nog een maatstaf op, betrekkelijk den zedelijken en verstandelijken toestand van het volk. Over het wetenschappelijk karakter der geestelijkheid in het Zuiden, hebben wij reeds gesproken: laten wij nu de uitwendige feiten beschouwen.

In 1830 was in Zuid-Carolina eene bevolking van 581,185 zielen; in Connecticut 297,075. In 1836 waren in Zuid-Carolina 364 predikanten, in Connecticut 498.

In 1834 waren er in de Slavenstaten slechts 82,532 scholieren in de Zondags-scholen; in de vrije Staten 504,835; in den enkelen Staat van New York 161,768.

De gedurige landverhuizing uit de Slavenstaten wordt ook door verschillende nieuwsbladen aangetoond. De National Era haalt uit de Raleigh-Register (Nieuw Carolina) het volgende aan:

Zij zullen Noord-Carolina verlaten.

Onze oplettendheid werd Zaturdag ll. opgewekt, door een lange reeks van wagens, die onze straten doorreden en welke wij bevonden dat aan eenige landverhuizers toebehoorden, die uit Wayne County in dezen Staat naar het "verre Westen" gingen. Dit is slechts eene herhaling van een aantal soortgelijke tooneelen, waarvan wij gedurende de laatste jaren getuigen zijn geweest, en wij zullen ze nog veel meer aanschouwen, als er niets gedaan wordt om het ongelukkig lot dezer uitwijkenden te verbeteren.

Als er eenige "wenschelijke verbetering" te maken is, dan is het zeker, onze jonge lieden te verhinderen, hun vaderland te verlaten. Sedert de eerste vestiging van Noord-Carolina, is de geest van landverhuizing, die zoo sterk alle zuidelijke Staten aantast, de groote verhindering van haar geluk geweest! Hare zonen, tot nu toe verwaarloosd (wij moeten dat toegeven) door een zorgeloos bestuur, hebben, bij honderden, den weg ingeslagen uit het land hunner vaderen, ten einde hun gebeente te laten rusten in het land der vreemdelingschap. Wij gelooven stellig, dat deze landverhuizing veroorzaakt wordt door de traagheid van ons volk, wat binnenlandsche verbetering betreft, want de mensch is er van nature niet op gesteld zijne geboorteplaats te verlaten.

De uitgever van de Era haalt ook het volgende aan uit de Greensboro' (Alabama), Beacon:

Een buitengewoon groot aantal verhuizers is gedurende de laatste twee of drie weken hier doorgetrokken. Op éénen dag der verloopene week zijn bijna 30 wagens en andere voertuigen, meestal aan landverhuizers behoorende, uit Georgia en Zuid-Carolina, hier doorgetrokken, op hun togt naar Texas en Arkansas.

Deze zucht naar landverhuizing spruit niet voort uit eene al te overvloedige bevolking. Verre van daar. Het duidt eer een verlaten van den grond aan, die, uitgeput door onoordeelkundige bebouwing, het werk om dien te beploegen niet meer beloont. De landverhuizer verlaat, als hij zich van zijn geboortegrond verwijdert, eene ontvolkte streek, en bevindt dat hij zich slechts met den kans om te verhongeren, aan zijne gevoelens van plaatselijke gehechtheid kan overgeven.

Hoe zullen de andere Staten van het Zuiden hunne bevolking kunnen behouden? Wij spreken niet van vermeerdering, maar hoe moeten zij houden wat zij hebben? Het is te vergeefs van bepaalde wetten, Staatsregten of Wilmotvoorwaarden te praten. Wat kunnen al die dingen baten voor eene onvruchtbare woestenij, waar men niet bestaan kan?

In de kolommen van de National Era, van den 2den Oct. 1851, luidt het volgende artikel van den uitgever aldus:

"Een burger van Guilford County, in Noord-Carolina, drukt zich in een brief aan de True Wesleyan, van den 20sten Aug. 1851, aldus uit:

"Gij kunt voorloopig met mijne courant ophouden, daar ik van plan ben Westwaarts te gaan, waar ik godsdienstvrijheid genieten, en mijn huisgezin in een vrijen Staat onderhouden kan. De wil van het gepeupel is hier de eerste en eenige wet. Broeder Wilson had eene kerkelijke bijeenkomst op Liberty-Hill, Zondag den 24sten dezer. Het gemeen liep er gewapend te hoop, en begon het gebouw, waar wij bijeen kwamen, te vernielen. Zij sloegen al de planken stuk, braken deuren, ramen, preêkstoel en banken op; en ik geloof niet, dat, als een uit het gemeen een Wesleyan doodsloeg, hij opgehangen zou worden.

"Er is ditmaal meer verhuizing naar het verre Westen dan waarvan men ooit in één jaar gehoord had. De menschen houden er niet van tot slaven gemaakt te worden, en hebben besloten ergens heen te gaan, waar het géén misdaad is, de zaak der armen en verdrukten voor te staan. Zij zijn verontrust geworden toen zij de wetten van God straffeloos met voeten hebben zien treden, en dat wel door wetgevers en ambtenaren, die gezworen hebben de instandhouding van den vrede te bevorderen, en hoogleeraren in de Godsdienst; en zelfs (zoogenaamde) predikanten regtvaardigen de overheersching van het gepeupel. Zij denken dat zulk eene gedragslijn tot eene ontbinding der vereeniging zal leiden, en dat iedereen dan zal moeten strijden om de slavernij te bevestigen, of vermoord worden. Het is een vreeselijke stand van zaken, en als het volk nog geen Bijbel en andere middelen van onderrigting had, zou men nog op verandering kunnen hopen. Maar onder de tegenwoordige omstandigheden is er weinig hoop op."

Wij hopen dat de schrijver zijn plan nog eens overwegen zal. In zijne afdeeling van Noord-Carolina zijn een aantal menschen tegen de slavernij, en het meerendeel van het volk heeft geen belang bij den slaven-eigendom. Laten zij pal staan, en het regt van vrije beraadslaging niet opgeven. Hoe kan de dwingelandij der slavernij vernietigd worden, als zij, die er zich tegen aankanten, hunne regten overgeven en hun land ontvlugten? Laten zij doen even als de ontembare Clay in Kentucky doet, en men zal hen eerbiedigen.

Het volgende wordt in de National Era, van 1851, aangehaald, als overgenomen uit de kolommen van de Augusta Republic (Georgia).

Vrijheid van spreken in Georgia.

Warrenton (Georgia), Donderdag, 10 Julij 1851.

Heden hebben de burgers uit de stad en van het land eene bijeenkomst gehad, ten 8 ure des avonds, op het Raadhuis. De heer Thomas F. Parsons werd tot voorzitter en de heer Wm. H. Pilcher tot secretaris benoemd.

De voorzitter begon met te zeggen, dat het doel der bijeenkomst bestond in het volgende:

Daar onze Maatschappij in verwarring is gebragt door de tegenwoordigheid van een zekeren Nathan Bird Watson, die van New Haven in Connecticut komt, en afschaffingsgevoelens heeft verspreid onder ons volk--gevoelens, in strijd met onze instellingen, en onduldbaar in eene slavenmaatschappij--en die ook gezien is in negerhuizen, met het doel, zoo als wij gelooven, om onze slaven en vrije neger-bevolking op te zetten tot opstand en weêrspannigheid.

Nadat de bijeenkomst geregeld was, bood de heer Wm. Gibson het volgende besluit aan, hetwelk, na verscheidene discussiën met algemeene stemmen werd aangenomen.

Besloten, dat er eene commissie van tien leden, door den voorzitter aan te wijzen, zal gevormd worden, om den heer Nathan Bird Watson, die hier omstreeks een week of drie vier heeft doorgebragt, van daag ten 12 uur op den Georgia-spoorweg uit te zetten; en dat het de pligt zal zijn van die commissie, om gezegden Watson naar Cumak te voeren, ten einde hem naar zijn geboorteland in te schepen.

De volgende heeren werden tot leden dier commissie benoemd:

William Gibson, E. Cody, J. M. Roberts, J. B. Huff, E. H. Pottle, E. A. Brinkley, John C. Jennings, George W. Dickson, A. B. Rogers en Dr. R. W. Hubert.

De voorzitter werd, op een daartoe gedaan voorstel, aan hen toegevoegd.

Er werd, op een voorstel,

Besloten, dat de besluiten dezer bijeenkomst, benevens een juist signalement van gezegden Watson, naar de uitgevers der Augusta nieuwsbladen gezonden zouden worden, met verzoek, dat zij en alle andere uitgevers van couranten in Slavenstaten, ze een geruimen tijd zullen overnemen.

Beschrijving.--Gezegde Nathan Bird Watson is een man van eene donkere gelaatskleur, licht bruine oogen, zwart haar, en draagt een zwaren baard; hij is vijf voet, elf en drie kwart duim lang, loopt zeer snel en een weinig gebogen; zegt, dat hij drie en twintig jaar is, maar kan voor vijf en twintig of dertig doorgaan.

Hierna werd de bijeenkomst gesloten.

Thomas F. Parsons, Voorzitter.

William H. Pilcher, Secretaris.

Dit kan beschouwd worden als een staaltje van die soort, welke bestemd is om de bloedhonden uit het gemeen op te wekken, ter vervolging van een mensch.

Het volgende is uit den Richmond Times door de National Era overgenomen.

Lynch-wet!

Op den 13den dezer heeft het "Vigilance Committee", uit Grayson, in dezen Staat, aangehouden een man, Jan Cornutt (een vriend en volger van Bacon, den afschaffer uit Ohio), en na tegen hem de getuigen gehoord te hebben, heeft men van hem geëischt, dat hij van zijne afschaffings-gevoelens zou afzien. Deze Cornutt weigerde dit, waarop men zijn rug ontblootte, hem aan een boom bond en geeselde. Na een dozijn slagen te hebben ontvangen, gaf hij het op, en beloofde, niet alleen zijne woorden te zullen herroepen, maar ook zijne bezittingen (uit land en negers bestaande) te verkoopen en den Staat te verlaten. Eene groote opgewondenheid heerschte in den Staat, en de Wytheville Republican van den 20sten dezer, geeft op, dat het "Vigilance Committee" van Grayson sterk aan het vervolgen van andere berispelijke personen was.

Over dezen hoon, maakt de Wytheville Republican de volgende aanmerkingen:

Den blanke op zijde stellende, vereischt de menschelijkheid jegens den negerslaaf, dat men gestreng met deze afschaffers en boven de wet met hen handele.

Op Zaturdag den 13den dezer hebben wij vernomen dat het "Committee of Vigilance" van dit County, uit ongeveer twee honderd leden bestaande, voor zich had gedagvaard den burger Jan Cornutt, een vriend en aanhanger van Bacon, en een verspreider van afschaffings-beginselen. Zij eischten van hem de afschaffing op te geven en gehoorzaamheid aan de wetten. Hij weigerde. Zij ontblootten zijn rug, bonden hem aan een boom, en eischten weder van hem dat hij van zijne beginselen zou afzien, en gehoorzaamheid aan de wet beloven. Hij weigerde. De roede werd gebragt; een, twee, drie, tot twaalf toe, op den naakten rug, en hij schreeuwde het uit; hij beloofde en meer; hij zeide dat hij wilde verkoopen en het land verlaten.

Deze heer Cornutt bezit landerijen, negers en geld, zegge 15 à 20,000 dollars. Hij heeft eene vrouw, maar geen blanke kinderen. Hij heeft onder zijne negers eenige op zijne boerderij geborenen van gemengd bloed. Hij wordt verdacht een vriend der negers te zijn, zelfs tot kruising van het ras toe. Hij is van plan zijne negers te bevrijden, en hen tot zijne erfgenamen te maken; men hoopt dat hij naar Ohio zal gaan, om dáár zijne plannen van kruising en bevrijding voort te zetten.

De "Vigilance Committee's" waren aan het vervolgen van een anderen van Bacon's aanhangers; wij hebben niet gehoord of zij hem gevangen hebben, en wat er het gevolg van is geweest. Er zijn niet meer dan zes van zijne aanhangers die standvastig blijven; de anderen hebben zijne gevoelens verzaakt, en zijn zeer beleedigd over zijn bedrog.

De heer Cornutt beriep zich op de wet. De uitslag van dit beroep is als volgt, uit den Richmond Times (Virginia) door de National Era overgenomen:

Meer moeijelijkheden in Grayson.

Daar de klerk van het geregtshof in Grayson County op den 1sten dezer zijn beroep opgaf, en er geen ander was die zich hiervoor aanmeldde, en het algemeen bekend was dat niemand dit zou aannemen, zoo achtte regter Brown zich onbevoegd om met zijne bezigheden voort te gaan, en sloot hij het hof tot den eersten dag van de volgende maand.

Dadelijk na de sluiting had er eene algemeene bijeenkomst plaats, waarbij eenige besluiten aangenomen werden die het besluit van het volk uitdrukten, om zich te houden bij hun vroeger plan; zij wekten de "Vigilance Committee's" op tot verdubbelden ijver, om het standpunt vol te houden, en alle personen, met afschaffings-gevoelens behebt, op te sporen, en eene belooning van honderd dollars aan te bieden voor de aanhouding en uitlevering van een zekeren Jonathan Roberts aan een der genoemde Committee's.

Wij bezitten een brief van een geloofwaardigen correspondent in Carroll County, die over de zaak een nog ernstiger licht verspreidt. Vertrouwende dat er eenige vergissing heeft plaats gegrepen, hebben wij geene aanmerkingen te maken voor dat de feiten met zekerheid bekend zijn. Onze correspondent, wiens brief van den 13den dezer is, zegt:

"Ik hoor uit geloofwaardige bronnen, dat het "Circuit Court", hetwelk in Grayson County een zitting zou houden, door geweld werd uiteen gejaagd. De omstandigheden waren de volgende: Na de ter dood brenging der negers, die tot opstand waren opgewekt door zekeren methodistischen predikant, Bacon genaamd, hielden de burgers eene bijeenkomst, en stelden eene soort van inquisitie in, om zoo mogelijk uit te vinden wie Bacons medepligtigen waren. Men verdacht een man, Cornutt genaamd, die, toen hij als aanhanger beschuldigd was, het feit bekende en zijn plan te kennen gaf om hierbij te volharden; waarop hij streng gegeeseld werd. Cornutt klaagde zijne geeselaars aan, die naderhand eene bijeenkomst hielden en besluiten namen, waardoor het hof en de regtsgeleerden gewaarschuwd werden, de zaak niet onder handen te nemen, op straffe van een pak van teer en veêren. Het hof echter kwam op den bepaalden tijd bijeen; en getrouw aan de afgelegde belofte, rukte er een troep gewapenden naar het huis waar het hof vergaderde, en vuurde hunne geweren in pelotons af, en jaagde het hof in verwarring uiteen; er werd geen bloed vergoten. Deze Staat en die van Wythe hebben meetings gehouden en besluiten genomen, tot ondersteuning der burgers van Grayson.

Is het te verwonderen, dat de menschen uit den Staat verhuizen, waar zulke dingen plaats grijpen? Het volgende zal aantoonen wat predikers van het Evangelie te wachten hebben, die getrouw ondernemen hunne gevoelens in Slavenstaten uit te drukken. Het eerste is een artikel door Dr. Bailey, van de Era, van den 3den April 1852:

Lynching in Kentucky.

De American Baptist, van Utica (New York), behelst brieven van Eduard Matthews, die eene beschrijving geven van de wreede behandeling, welke hij in Kentucky ondergaan heeft.

Mr. Matthews is, zoo het schijnt, een agent van de American Free Mission Society; hij bezocht dien Staat, in de uitoefening van zijn agentschap, en nam de gelegenheid waar, om van den kansel zijne tegen de slavernij geuite beginselen te verkondigen.

Niet lang geleden vroeg hij in het dorp Richmond, in Madison County, aan verscheidene kerken verlof, om eene lezing te houden over den geestelijken en godsdienstigen toestand der slaven, maar slaagde daar niet in. In den avond van den 1sten Februarij preêkte hij voor de gemeente van kleurlingen uit die plaats, waarop hij door het gemeen overvallen en uit de stad gejaagd werd.

Na verloop van eenigen tijd terugkomende, gaf hij kennis van het gebeurde aan het bureau van den Richmond Chronicle, en vertrok weêr; maar hij was nog niet ver gegaan, toen hij door vier mannen ingehaald, gegrepen en naar eene onbezochte plaats gebragt werd, waar zij met elkander beraadslaagden wat ze met hem zouden aanvangen. Zij besloten hem in het water te werpen, na zich eerst verzekerd te hebben dat hij zwemmen kon. Twee van hen namen hem op en wierpen hem in den vijver, zoo ver zij konden, en toen hij weder boven kwam, geboden zij hem er uit te komen; hij deed dit, doch toen hij weigerde te beloven ooit weêr in Richmond terug te komen, werd hij andermaal in het water geworpen; dit werd tot driemaal toe herhaald, wanneer hij eindelijk toegaf. Nu eischte men van hem eene belofte, dat hij Kentucky zou verlaten en er nimmer terug keeren; hij weigerde die af te leggen en zij wierpen hem nog zesmaal in het water; toen, daar hij geen kracht meer over hield en men hem dreigde te zullen geeselen, gaf hij de geëischte belofte, en verliet den Staat.

Wij zijn onbekend met het gedrag van den heer Matthews, in betrekking tot de verspreiding van afschaffings-gevoelens. De wetten in Kentucky, die ter bescherming dienen van wat men "slaveneigendom" noemt, zijn streng genoeg, en niemand kan de vaardigheid der algemeene opinie betwijfelen, om de afschaffers zwaar te straffen. Zoo de heer Matthews tegen de wet gehandeld heeft, had hij door de wet moeten geoordeeld worden; en dit zou zoo geweest zijn, als hij eenige onwettige daad bedreven had, en niets daarvan wordt tegen hem aangevoerd.

Hij was dus het slagtoffer der Lynch-wet, op eene boosaardige wijze en zonder oorzaak toegepast; en de partijen, in deze zaak betrokken, zijn, zonder hunnen rang in de maatschappij in aanmerking te nemen, schuldig aan een even lafhartig als onbeschoft gedrag.

Wat de wijze aangaat waarop de heer Matthews zich in Kentucky gedragen heeft, daar weten wij niets van. Wij nemen in onze kolommen het volgende uittreksel op uit de Journal and Messenger van Cincinnati, eene Baptisten-courant, die zich zeer verstandig hierover uitlaat:

"De heer Matthews is insgelijks eene Baptisten-prediker wiens roeping zigtbaar eene zending van liefde is; zoo hij die roeping geschonden heeft, is hij daarvoor aansprakelijk vóór God en de wet, maar niet voor onwettig geweld. Zijne komst in Kentucky is een gewetenszaak, die hij echter kon ten uitvoer brengen of niet, zoo als hij wilde. Vele goede menschen, die tegen de slavernij zijn, zouden de wijsheid van zulk een stap afkeuren, niemand zal zijn regt er toe betwijfelen. Velen kunnen de wijze, waarop hij te werk gaat, niet goed vinden, maar zij gelooven dat hij braaf is, en weten, dat "onderdrukking zelfs een wijs man gek maakt." Wij gelooven niet, dat hij, ingevolge het bevel van Christus, de kosten genoeg berekend heeft. Want niemand, in zijn toestand, kan naar Kentucky gaan, om de slaven-kwestie te behandelen, tenzij hij er verwacht te zullen sterven. Geen mensch, in den toestand waarin de heer Matthews zich bevindt, kan het doen, zonder als martelaar te vallen. Vrijheid van spreken en denken, kan in een Slavenstaat niet bestaan. De slavernij zou niet meer bestaan als zij er bestond. Het is ongetwijfeld de pligt eens Christens, zijn leven niet ligtelijk over te geven, om een martelaar te zijn; dit zou een onheilige drangreden wezen. Het is zijn pligt het te behouden tot het laatste oogenblik; dat is het bevel van Christus; het is geen teeken van lafheid om te vlugten; "als zij u in de eene stad vervolgen, vlugt dan naar eene andere," zeide de Zaligmaker. Maar Hij zeide niet: Leg eene belofte af, dat gij uwe regten niet zult uitoefenen; hiervan komt het, dat Hij, noch een Zijner leerlingen, het ooit deden. Maar het is de vraag, of hij, na eenmaal overdacht te hebben, en in eene gemeente te zijn gekomen ter uitoefening van zijne grondwettige en godsdienstige regten, eene belofte zou afleggen om nooit terug te keeren, ten einde zijn leven te redden. Een Christen moet er eene even groote gewetenszaak van maken, om plegtig te beloven, niet te doen wat ontegenzeggelijk zijn regt is, als hij er eene gewetenszaak van zou maken, om te arbeiden aan de gelijkstelling der slaven.

Het volgende is uit de National Era van den 10den Julij 1851.

De heer McBride wenschte eene gemeente te vormen van menschen, die geen slavenhouders zijn.

Gebeurde met den Eerw. Jesse McBride.

Men zal zich herinneren, dat deze zendeling onlangs uit Noord-Carolina verjaagd is.

Wij laten hier achter zijn brief van den 6den Mei, over het gedrag van het gepeupel, volgen. Na geschreven te hebben dat hij aan eene tijdelijke ziekte leed, gaat hij aldus voort:

"Ik zoude te huis gebleven zijn, als ik niet gevreesd had dat het gepeupel er op uit zou zijn om mijne gemeente te verstoren, ofschoon ik er van niemand iets van gehoord had. Omstreeks zes uur des morgens, klom ik in mijn rijtuig en reed 18 mijlen ver, naar mijne "meeting", 8 mijlen beoosten Greensboro', waarvan ik u voor eenige weken eene beschrijving gaf, alwaar zeven of acht personen hunne namen opgaven, om opgenomen te worden in eene Weslyaansche Methodisten-kerk. Juist voor het uur der bijeenkomst (twaalf uur), werd ik onderrigt dat een troep volk op de been was en gezworen had, dat ik mijne roeping niet zou vervullen. Daar zij hier niets van gehoord hadden, waren eenigen mijner vrienden over dit nieuws zeer verwonderd: zij wisten naauwelijks wat zij deden. Ik zeide hun dat ik gaan zou, en als "goede soldaten" volgden zij. Even voor dat ik in het huis der bijeenkomst kwam, zag ik een man den troep volks verlaten en mij naderen. Toen ik hem voorbij ging, zeide hij:

"Mr. McBride, hier is een brief voor u."

Ik nam den brief, stak dien in mijn zak, en zeide: "Ik heb geen tijd om dien te lezen, dan na afloop der "meeting."

"Neen, gij moet dien nu lezen."

Daar hij zag dat ik niet stil hield, zeide hij: "Ik moet u spreken," en wenkte met zijne hand, in de meening, dat ik hem volgen zou.

"Ik zal later met u spreken," zeide ik, mijn horologie uithalende; "gij ziet dat ik nu geen tijd heb, het is juist twaalf ure."

Toen ik naar binnen wilde gaan, stond een man, die bij de deur zat, op, legde zijne hand op mijn schouder en zeide, op zeer gejaagden toon:

"Mr. McBride, gij kunt hier niet binnen gaan!"

Zonder eenigen tegenstand te bieden, of een woord te zeggen, knielde ik buiten het huis, en bad mijnen "Vader", pleitte op Zijne beloften, zoo als: "Wanneer de vijand komt gelijk een vloed, zal Ik een standaard tegen hem opzetten; Ik ben een helper in den nood" enz. en stond volkomen rustig op. Middelerwijl zwoeren en vloekten eenigen mijner vijanden, maar meestentijds waren zij stil. Mr. Hiatt, een slaveneigenaar en koopman uit Greensboro', zeide:

"Gij kunt hier van daag niet preêken; wij zijn gekomen om het u te beletten. Wij gelooven dat gij kwaad doet en onze wetten schendt."

"Met welk regt gebiedt gij dus en wilt gij beletten te prediken? Zijt gij door eenig burgerlijk gezag gemagtigd, om mij dit te beletten?"

"Neen, mijnheer."

"Heeft God u gezonden, en heeft Hij het u als pligt voorgeschreven mij tegen te houden?"

"Ik ben onbekend met Hem."

"Wel, maak u dan nu bekend met Hem, en leef in vrede, en Hij zal u eene meer prijzenswaardige bezigheid geven, dan den menschen het prediken van Hem te beletten. De jongste dag nadert, en ik daag u dan voor Zijn regterstoel, om rekenschap te geven van het gedrag van dezen dag. En nu, heeren, als ik de wetten van Noord-Carolina heb geschonden, dan wil ik voor die wetten teregt staan, er door veroordeeld en gestraft worden; ik wil dan naar de geeselpaal, gevangenis, of zelfs naar den brandstapel gaan. Maar heeren, gij zijt over het algemeen geen troep onkundigen; uw gezond verstand leert u het ongepaste van uw gedrag; gij weet dat gij misdrijf pleegt; gij weet dat het niet regt is, alle menschelijke en goddelijke wetten met voeten te treden, gij moet zien dat uw gedrag tot volkomene regeringloosheid en verwarring zal leiden. Er kan een tijd komen, dat Jacob Hiatt tot de minderheid zou kunnen behooren, waarin zijne beginselen even gehaat zullen zijn als die van Jesse McBride nu. En wat zal het dan? Wel, als uw gedrag gevolgd wordt, moet hij gegeeseld, gesteenigd, uit zijn huis gesleept, of zijn huis boven zijn hoofd afgebrand worden, en hij in de puinhoopen omkomen. De personen werden de prooi der beesten, wien zij Daniël voorwierpen. Hetzelfde vuur, dat aangestoken was voor de "kinderen Israëls," verteerde degenen die het aanstaken. Haman werd in denzelfden strik verwurgd, dien hij voor Mordechaï had gereed gemaakt. Uw gedrag is gevaarlijk, en het zal u hier of hier namaals vergolden worden. Wij zullen een gezang aanheffen!" zeide ik.

"O ja," zeide Hiatt, "gij kunt zingen."

"De gemeente zal wel zoo goed zijn mij daarin bij te staan, daar ik zeer ziek ben," en ik begon het gezang: "Vader, ik hef mijne handen naar u op," alles zong mede, en scheen in de beste stemming, en ik vergat bijna wie zij waren. Toen ik ophield, zeide ik, "Laat ons bidden."

"G--d ver....e, dat is geen zingen!" zeide een uit het gezelschap achteraan.

"Terwijl wij den Goddelijken zegen afsmeekten, geloof ik, dat velen konden zeggen, "het is ons goed dat wij hier zijn." Voor dat ik oprees, nadat mijne vrienden opgestaan waren, sprak ik eene vermaning, die 10 à 15 minuten duurde, uit, waarin ik hen tot standvastigheid, gebed enz., aanmaande, terwijl eenigen uit het volk riepen: "Pakt hem aan!" "Sleept hem er uit!" "Brengt hem tot zwijgen!"

Daar mijne stem bijna gesmoord werd door het rumoer, hield ik op. Ik werd toen geroepen om eenige minuten met Hiatt te praten, die alles herhaalde wat hij vroeger tegen mij had in het midden gebragt, zeide dat ik opstand en onrust veroorzaakte, en wenschte dat ik den Staat zou verlaten; hij zeide dat hij eenige slaven had, en hij-zelf het meest slaaf was en het erger had dan zij, en dat hij mijn ware vriend was.

"Wat uwe vriendschap aangaat, mijnheer H., gij hebt zeer vriendschappelijk en hoogst opmerkenswaardig gehandeld, even als Judas toen hij den Heiland kuste. Wat uwe bewering betreft dat gij zelf een slaaf zijt, het spijt mij zeer, maar gij moest waarlijk vrij gemaakt worden. Ik ben een volstrekte tegenstander van opstand, en heb daar in het minst geen lust in, en wat het verlaten van den Staat aangaat, moet ik u zeggen, dat ik eene kleine, moederlooze dochter in Ohio heb nagelaten, en ik niet van plan was langer dan een jaar in Noord-Carolina te blijven, maar het volk sleepte mij voor het geregtshof, beschuldigde mij van zware misdaden, sloeg mij in ketenen en hield mij vast, en wilt gij nu hebben dat ik mijne borgstellers in ongelegenheid brengen en het geregtshof bedriegen zal?"

"O! als gij den Staat verlaten wilt, zal uw borg daardoor niet lijden; dat kan zonder veel moeite geregeld worden."

"Zij zullen niet door mij lijden," zeide ik.

Na eenigen tijd met H. en een of twee anderen over persoonlijke Godsdienstigheid te hebben gesproken, ging ik weêr naar het huis en in de deur zitten, stond toen weêr op, haalde eenige bijbelteksten aan om te toonen, dat al die Goddelijk willen leven vervolging moeten ondergaan, en vroeg: 1o. Wat is vervolging? 2o. de woorden "moeten ondergaan"; alstoen gaf ik een kort overzigt van vervolging, terwijl ik begon met aan te toonen dat Abel de eerste martelaar is geweest. De profeten werden gesteenigd, van een gereten, tot kwaad aangezet, met het zwaard vermoord, moesten in woestijnen, bergen en holen ronddwalen, werden uit hunne woningen gedreven, aan verscheurende dieren prijs gegeven, aan den geeselpaal gebonden of op andere wijzen vermoord. Ik sprak ook van Johannes den Dooper, toonde aan hoe en waarom hij vervolgd werd; en dat Christus vervolgd werd omdat Hij datgene deed; waarom men Johannes vervolgde omdat hij het niet deed. Ik sprak van het lijden en den dood der Apostelen; van Luther en zijne helpers; van de Wesleyns en vroegere Methodisten; van Fox en de Kwakers, en van hen, die zich eerst in de Vereenigde Staten hadden gevestigd; zeide waarom de regtvaardigen vervolgd werden, en het voordeel daarvan voor de regtvaardigen zelf, en hoe zij hunne vervolgers met goedheid moesten behandelen. Eenigen van hen letten goed op hetgeen ik zeide. Tegen het einde werden anderen kwaad en schreeuwden: "Houdt hem tegen! Werpt hem er uit! De regtvaardigen werden nooit vervolgd voor verd--e afschaffing." En alzoo bragten wij den tijd door tusschen 12 en 3 uur, en de bijeenkomst eindigde.

Waarde broeder! Ik word meer en meer bevestigd in de regtvaardigheid onzer zaak, en zou veel liever voor goede beginselen sterven, dan toejuiching en eer inoogsten voor het uitstrooijen van valsche afgodische stelregels. Gij wilt weten hoe ik mij gevoel? Meestentijds gelukkig; eene Godsdienst, die geen vervolging kan lijden, zal ons niet ten Hemel voeren. God zij gedankt, dat ik tot dusverre nog niet gedwongen ben Hem te verloochenen. Somtijds dacht ik digt bij huis te zijn. Over het algemeen gevoel ik eene zielekalmte, maar somtijds zijn mijne genietingen verrukkend. Ik heb veel voor mijne gemeente te bidden gehad; help mij voor haar bidden. God zij gedankt, ik heb nog niet gehoord dat een van hen het opgegeven heeft, en ik geloof dat eenigen, zoo niet allen, eer den brandstapel zouden beklimmen, dan terugtreden. Ik vergat u te zeggen, dat ik een gedeelte van het 5de hoofdstuk, bij het 17de vers beginnende, van de Handelingen der Apostelen aan het gepeupel heb voorgelezen. Ik zeide hun, dat, zoo hunne instellingen van God waren, ik hen niet kon benadeelen; dat, zoo onze zaak van God was, zij die niet konden tegenhouden--dat zij mij konden vermoorden, maar niet de waarheid dooden. Ofschoon ik duidelijk genoeg redeneerde, gevoelde ik mij goed gezind jegens hen.

Ik heb in haast moeten schrijven, en daar ik vermoeid en niet wel was, is mijn brief zeer uiteenloopend. Hier is eene copie van den brief van het gepeupel:

Mr. McBride!

Wij ondergeteekenden verzoeken u eerbiediglijk, hier heden uwe bestemming niet te vervullen. Als gij het doet, zult gij gehinderd worden.

6 Mei 1851. (Geteekend door 32 personen.)

Eenigen waren professors in de Godsdienst,--Presbyterianen, Methodisten en Protestanten. Een der laatste was een "vermaner", en ik heb gehoord dat sommigen slavenhandelaars waren. Vaarwel!

J. McBride."

VIERDE GEDEELTE.

HOOFDSTUK I.

DE INVLOED DER AMERIKAANSCHE KERK OP DE SLAVERNIJ.

Er is geen land in de wereld, waar de godsdienstige invloed een grooter gezag uitoefent, dan in Amerika. Er is geen land, waar de geestelijkheid eene grootere magt bezit. Dit is te opmerkelijker, omdat in Amerika de godsdienst geheel van den Staat is afgescheiden, en de geestelijken geen dier kunstmatige middelen bezitten, om eenen invloed, die uit rang en rijkdom ontstaat, te doen gelden. Als eene klasse van menschen beschouwd, is de Amerikaansche geestelijkheid, over het algemeen, arm. De aan hare leden toegelegde bezoldigingen leveren niets meer dan het gewone levens-onderhoud op, en verschaffen hen geene middelen tot verkrijging van eigendom. Hunne levenswijze kan welvoegelijk en fatsoenlijk, doch ook niet meer zijn. De daadzaak dat, onder deze omstandigheden, de Amerikaansche geestelijkheid waarschijnlijk de vermogendste klasse van menschen in het land is, doet van zelve reeds een zeer gunstig vermoeden van haar opvatten. Als klasse beschouwd, mag men haar dan ook een zoowel verstandelijk als zedelijk overwigt toekennen.

Het is eene welbekende daadzaak, dat de invloed der geestelijkheid, door onze staatsmannen als een zeer gewigtig bestanddeel bij de vorming hunner staatkundige berekeningen beschouwd wordt; en die invloed is zoo groot, dat geen staatsman het ooit wagen zoude, een maatregel door te drijven, waartegen de geheele geestelijkheid des lands zich aankantte. Zulk een graad van magt, al is zij ook enkel eene magt van opinie, redenering en voorbeeld, is niet zonder gevaar voor de reinheid van eenige klassen van menschen. Door staatkundige hoofden gevleid te worden, is altoos iets gevaarlijks voor de regtschapenheid en geestelijke gezindheid van menschen, die betuigen door grondbeginselen bestuurd te worden, welke niet van deze wereld zijn. Ook sluit het bezit eener zoo aanzienlijke magt, als wij beschreven hebben, eene zeer gewigtige verantwoordelijkheid in; dewijl, wanneer de geestelijkheid het vermogen bezit, om de eene of andere groote nationale onzedelijkheid te doen ophouden, de daadzaak, dat zij zulks niet doet, de zonde der nalatigheid in zeker opzigt op haar schijnt te doen nederkomen.

Wij hebben, tot dusverre, van de geestelijkheid alleen gesproken; doch in Amerika, waar de geestelijke, in de meeste gevallen, door de Kerk verkozen, en door hare vrijwillige bijdragen onderhouden wordt, is de invloed van de Kerk, en die van de geestelijkheid, voor een zeer groot gedeelte, ééne en dezelfde. De geestelijkheid is het wezenlijk ideaal en de uitdrukking van de Kerk. Zij kiest en behoudt hem, omdat hij volkomener dan eenig ander, dien zij zou kunnen bekomen, hare denkbeelden van regt en waarheid uitdrukt. In allen gevalle moet de geestelijke door zijne Kerk onderhouden worden, zal hij zijne stelling in haar kunnen bewaren. De daadzaak, dat hij die bewaart, is over het algemeen een bewijs van beider eenheid van gevoelens, dewijl zij, zoo hij tot op eene aanmerkelijke hoogte van haar verschillen mogt, de magt heeft om hem te ontslaan, en een' anderen te verkiezen.

De invloed van een geestelijke, die op deze wijze door de vrije bewilliging van het verstand en hart zijner Kerk behouden wordt, is in sommige opzigten grooter, dan zelfs die van een Roomschen priester. De priester kan slechts door eene blinde geestelijke oppermagt heerschen, waartegen, zeer dikwijls, de rede haren twijfel inbrengt, terwijl zij eene uitwendige toestemming geeft; doch de gelukkige vrije leeraar maakt zich van de neigingen des harten door zijne eigene neigingen meester; overreedt het verstand door sterkere redeneerkracht; en terwijl hij aldus neiging, rede, geweten, en den geheelen mensch te baat neemt, ontleent hij uit de vrijheid der organisatie zelve, het bezit eener magt, grooter dan ooit uit een blind geestelijk despotismus kan voortvloeijen. Als een predikant hierin niet eenigermate in zijne gemeente slagen kan, noemt men hem onvoorspoedig; en hij die aan de verwezenlijking dezer beschrijving het meest nabij komt, bezit de hoogste en volkomenste soort van magt, en drukt het denkbeeld van een voorspoedig' Amerikaansch' predikant uit.

Over dit onderwerp sprekende, zullen wij derhalve de Kerk en de geestelijkheid als vereenzelvigd beschouwen; het woord "Kerk," in den Amerikaanschen zin van dat woord, bezigende voor die klasse van menschen, van alle benamingen, die, van naam-christenen onderscheiden, als betuigende werkelijk door de voorschriften van Christus geregeerd te worden, in ligchamen georganiseerd zijn.

Welke is dan de invloed van de Kerk op deze groote slavernij-kwestie?

Zekere dingen laten zich reeds op de oppervlakte der zaak bespeuren. Die invloed namelijk heeft:

1o. de slavernij niet doen ophouden; 2o. er de toeneming niet van verhinderd; 3o. de herroeping der wetten niet veroorzaakt, die de opvoeding der slaven verbieden; 4o. geene daarstelling van wetten beproefd, die de scheiding der familiën verhinderen, en het huwelijk der slaven wettigen; 5o. geen einde gemaakt aan den binnenlandschen slavenhandel; en 6o. de uitbreiding van dit systeem, met alle zijne onregtvaardigheden, over nieuw aangewonnen landstreken niet verhinderd.

Ten opzigte van deze stellingen zal er wel geen verschil van gevoelen kunnen bestaan.

Wat is er dan gedaan?

In antwoord hierop kan worden bevestigd:

1o. Dat nagenoeg alle hoofdsecten of benamingen, te dezen of genen tijde, als zedelijke ligchamen beschouwd, eene besliste afkeuring van het systeem hebben uitgedrukt, en aangedrongen, dat er iets tot zijne afschaffing gedaan wierd.

2o. Dat ééne benaming van christenen inzonderheid dat doel als uitsluitend ter harte genomen, en elk harer leden van eenig aandeel in slavenbezit getracht heeft te bevrijden. Wij bedoelen de kwakers. De wijze, waarop dat doel bereikt is geworden, zal de inhoud van een vlugschrift uitmaken, dat weldra door een lid hunner gemeente, den dichter J. G. Whittier, zal worden in het licht gegeven.

3o. Dat individueele leden van alle benamingen, door den geest des Christendoms bezield, op verschillende wijzen tegen de slavernij hebben geprotesteerd.

Thans zal het niet ongepast zijn, de door sommige der voornaamste kerkelijke ligchamen, nopens dit onderwerp uitgedrukte gevoelens meer bepaaldelijk en in de bijzonderheden te beschouwen.

Het is regtmatig, dat door de schrijfster de bronnen worden aangewezen, waaruit de aanhalingen geput zijn. Dezulke, die betrekking hebben tot de handelingen van kerkelijke ligchamen in de Zuidelijke Staten, zijn voornamelijk getrokken uit een vlugschrift van den heer James G. Birney, getiteld: "De Kerk, het bolwerk der slavernij." De schrijfster vervoegde zich bij een brief aan den heer Birney, waarin zij opgaven der door hem gebezigde bronnen verzocht. Zijn antwoord was, hoofdzakelijk, als volgt: dat het vlugschrift zoowel uit oorspronkelijke documenten was zaâmgesteld, als uit de kolommen der nieuwspapieren, die de gebeurtenissen vermeld hadden, tijdens zij waren voorgevallen. Het werd, in 1842, in Engeland vervaardigd en uitgegeven, met het doel, om het publiek aldaar een juist begrip te doen opvatten van den toestand der Amerikaansche Kerk en geestelijkheid. Mr. Birney zegt, dat het hem niet bewust is, dat ééne enkele der aangevoerde stellingen, hoezeer ook al zulk een geruimen tijd voor het oog der wereld geweest, ooit betwist is geworden; en dat hij, bewust van haren buitengewonen aard, zich de uiterste moeite getroost heeft, om er de authenticiteit van buiten twijfel te stellen.

Wij beginnen met die der Zuidelijke Staten.

1. De Presbyteriaansche Kerk. "Harmony Presbytery" van Zuid-Carolina.

Nademaal vele personen in Schotland en Engeland, en andere in het noorden, oosten en westen onzes lands, de slavernij hebben aangeklaagd, als strijdig met Gods wetten, en sommigen hunner aan de Algemeene Vergadering onzer Kerk, en aan het Congres van de natie, memoriën en verzoekschriften hebben ingediend, met het erkende doel, om de slavenhouders in ongunst te brengen, en de betrekking tusschen meester en slaaf te vernietigen; en dewijl het uit de voormelde handelingen, zoowel als uit de daartoe betrekkelijke grondstellingen, redeneringen en omstandigheden, ten duidelijkste blijkt, dat deze personen "niet weten wat zij zeggen, noch waarvan zij getuigen;" en benevens die onwetendheid een geest van eigengeregtigheid en uitsluitende heiligheid openbaren, enz.

1. Is besloten, dat, dewijl het koningrijk onzes Heeren niet van deze wereld is, Zijne kerk, als zoodanig, geen regt heeft, om eenige staatkundige of burgerlijke wet of instelling van menschen te vernietigen, te veranderen of te wijzigen, enz.

2. Is besloten, dat de slavernij bestaan heeft van de dagen dier goede oude slavenhouders en aartsvaders, Abraham, Isaäc en Jacob (die nu in het koningrijk der hemelen zijn) af aan, tot op den tijd, wanneer de apostel Paulus een weggeloopen slaaf tot zijnen meester Philemon terug zond, en een Christelijken en broederlijken brief, die in den canon der Schriften vervat is, aan dien slavenhouder schreef; en dat de slavernij ook na de dagen des apostels bestaan heeft, en nog bestaat.

3. Is besloten, dat aangezien de wederzijdsche pligten van meester en slaaf in de Schriften geleerd worden, op dezelfde wijze, als die van ouder en kind, en van echtgenoot en vrouw, het bestaan der slavernij zelve niet tegen den wil van God gekant is; en dat hij die een te teeder geweten bezit, om deze betrekking als wettig te erkennen, "al te regtvaardig" en "wijs is boven hetgeen geschreven staat;" en dat hij den hals onder het juk van menschen gebogen, zijne christelijke vrijheid des gewetens opgeofferd, en Gods onfeilbaar Woord voor de meeningen en gevoelens der menschen verlaten heeft.

"The Charleston Union Presbytery."

Het is in het oog dezer vereeniging een uitgemaakt beginsel, dat de slavernij, zoo als zij bij ons bestaat, eene staatkundige instelling is, waarmede aan kerkelijke overheden geen het minste regt van bemoeijenis toekomt; en dat in betrekking tot dezen, elke zoodanige bemoeijenis, voornamelijk onder de thans aanwezige crisis, een zedelijk kwaad zijn zoude, met de gevaarlijkste en noodlottigste gevolgen bezwaard. De door ons gehandhaafde gevoelens, in gemeenschap met christenen van alle benamingen in de Zuidelijke Staten, zijn gevoelens, die door ons geweten zoo volmaakt worden goedgekeurd, en zoo vereenzelvigd zijn met onze heiligste gevoelens van pligt, dat wij die onder alle omstandigheden zouden volhouden.

Is besloten, dat naar het gevoelen van deze "Presbyters", het houden van slaven, wel verre van eene ZONDE in Gods oog te zijn, nergens in Zijn heilig woord veroordeeld wordt; dat het in overeenstemming is met het voorbeeld, of bestaanbaar met de voorschriften van aartsvaders, apostelen en profeten; en dat het even zoo min in strijd is met de broederlijkste beschouwing van het welzijn dier dienstknechten, welke God aan onze zorgen heeft aanbevolen.

De New School Presbyteriaansche kerk in Petersburg (in den staat van Virginië) nam, den 16 November 1838, het volgende besluit:

Nademaal de Algemeene Vergadering, in den jare 1818, eene wet heeft doen doorgaan, bepalingen opzigtelijk de slaven behelzende welke onbestaanbaar zijn met onze burgerlijke instellingen, en daarbij plegtig verklaard wordt dat de slavernij eene zonde jegens God is; eene wet, evenzeer honende als beleedigende voor de geheele zuidelijke gemeente:

1. Is besloten, dat wij, als slavenhouders, niet langer in betrekking kunnen blijven met eenige kerk, waar eene wet bestaat die aan slaven het regt toekent om hunne meesters voor het kerkelijk regtsgebied te betrekken, al ware het ook voor de handeling van hen, zonder hunne vooraf gevraagde en verkregene toestemming, te verkoopen.

2. Is besloten, dat, aangezien het Groote Opperhoofd der Kerk de betrekking van meester en slaaf erkend heeft, wij naar ons geweten gelooven, dat de slavernij geene zonde jegens God is, zoo als door de Algemeene Vergadering is verklaard geworden.

Dit zal genoeg zijn om het gevoelen der Zuidelijke Presbyteriaansche Kerk te doen blijken. De volgende uittreksels raken de gevoelens van de Kerken der Baptisten. In 1835 bood de Vereeniging der Baptisten te Charleston aan de Wetgevende Vergadering van Zuid-Carolina een memorie aan, waarin het volgende voorkomt:

Wijders geven de ondergeteekenden te kennen, dat gezegde Vereeniging niet van gevoelen is dat de Heilige Schriften de zaak der slavernij in het geheel tot een zedelijk vraagstuk gemaakt hebben. De Goddelijke Stichter onzer heilige godsdienst, in het bijzonder, vond de slavernij, als een gedeelte der bestaande maatschappelijke instellingen aanwezig, waarin het zijn doel niet was zich te mengen wanneer zij niet zondig waren, maar ze ten eenemale aan het bestuur der menschen over te laten. Zulks dan als eene vrijgelatene maatschappelijke schikking beschouwende, betrok hij tot het gebied zijner godsdienstleer alleenlijk de voorschriften der wederzijdsche verpligtingen dezer betrekking. De vraag, zoo als wij gelooven, is eene zuivere vraag van staats-economie. Zij bepaalt zich inderdaad tot deze: "Of de leden der arbeidende klasse van een land gekocht en verkocht, en, zoo als in dezen Staat het geval is, zelve een eigendom zullen worden; dan wel of zij huurlingen, en alleen hun arbeid eigendom zal worden, zoo als in sommige andere Staten." Met andere woorden: Of een gebruiker den geheelen tijd der arbeiders op eenmaal koopen mag van hen die regt hebben om daarover te beschikken, met eene voortdurende betrekking van bescherming en verzorging over die arbeiders; dan wel of het hem slechts vergund zal zijn, dien tijd bij zekere gedeelten te koopen, met onderwerping aan hunne beoordeeling, en met geene zoodanige voortdurende verpligting van bescherming en verzorging. Het regt der meesters om over den tijd van hunne slaven te beschikken, is door den Schepper aller dingen uitdrukkelijk erkend, die voorzeker de vrijheid heeft om aan zulk eenen als Hem behaagt, het regt van eigendom over zeker voorwerp te schenken. Dat de wettige bezitter dit regt naar willekeur behoude, strijdt niet meerder tegen de wetten der maatschappij en goede zeden, dan dat hij de persoonlijke gaven behoude waarmede zijn Schepper hem gezegend heeft, of het geld en de landerijen, van zijne voorouders geërfd, of door eigene vlijt verkregen; en noch maatschappij noch ondeelbaren hebben in het eene geval een meerder regt om een afstand zonder vergoeding te eischen, dan in het andere.

En nademaal de vraag zuiver staathuishoudkundig is, en eene zoodanige welke in dit land tot de kennisneming der onderscheidene Staatsbesturen behoort, gelooven wij wijders dat de Staat van Zuid-Carolina alleen het regt heeft om het bestaan en den toestand der slavernij binnen de grenzen van haar grondgebied te regelen; terwijl wij aan elke inbreuk op dat regt, van waar of onder welk voorwendsel dan ook, den uitersten tegenstand zullen bieden.

De Methodistische kerk bevindt zich, in sommige opzigten, met betrekking tot dit onderwerp, op een eigenaardig standpunt, omdat hare verordening en regelen van kerkelijke tucht de hevigste beschuldigingen tegen de slavernij bevatten, waarvoor de taal vatbaar is, met de dringendste eischen dat alle hare leden, die slaven houden, gecensureerd zullen worden; en deze aanklagten en eischen zijn door hare Algemeene Conferentie bevestigd geworden.

Het scheen derhalve noodzakelijk dat de Zuidelijke Conferentie eenige kennis van deze daadzaak nam; hetwelk zij dan ook, met groote koelheid en duidelijkheid, op de volgende wijze deed:

De Jaarlijksche Conferentie van Georgia:

Heeft eenstemmig besloten, dat, nademaal er een artikel in onze kerkelijke verordening is, waarin gezegd wordt dat wij zoo zeer als ooit overtuigd zijn van het groote kwaad der slavernij; en nademaal het gezegde artikel door sommigen verdraaid, en op zoodanige wijze gebezigd is als om het begrip te doen ontstaan dat de Methodistische Episcopale kerk de slavernij als een zedelijk kwaad beschouwde;

Is, dien ten gevolge, besloten, dat het gevoelen der Jaarlijksche Conferentie van Georgia medebrengt, dat de slavernij, zoo als zij in de Vereenigde Staten aanwezig is, geen zedelijk kwaad is.

Is besloten, dat wij de slavernij als eene burgerlijke en huiselijke instelling beschouwen, en als eene zoodanige, waarmede wij, als dienaars van Christus, niets anders te doen hebben, dan den toestand van den slaaf te verbeteren, door te trachten hem en zijn meester met den heilrijken invloed der godsdienst van Christus te doordringen, en beiden op hunne weg ten hemel behulpzaam te zijn.

Op het gedane voorstel is eenstemmig besloten, dat de Jaarlijksche Conferentie van Georgia met gevoelens van diepen eerbied en goedkeuring de door onze onderscheidene superintendenten, of bisschoppen, gevolgde waardige handelwijze beschouwt, in het onderdrukken der pogingen, die door velen zijn aangewend om in kerk en staat eene beweging ten gunste van het abolitionismus te wekken.

Is, wijders, besloten, hen onze hartelijke en ijverige ondersteuning in de door hen opgevatte taak, toe te zeggen.

Conferentie van Zuid-Carolina.

De eerwaarde W. Martin heeft gelijksoortige besluiten als die van de Conferentie van Georgia voorgesteld.

De eerwaarde W. Capers, na zijne overtuiging te hebben uitgedrukt dat "het in de besluiten geopenbaarde gevoelen niet alleen door de leeraars van deze Conferentie, maar door het geheele Zuiden algemeen omhelsd wordt;" en na beweerd te hebben dat de eenige ware leer deze was: "het gaat Caesar, en niet de kerk aan" stelde hij het navolgende als een plaatsvervangend besluit voor:

Nademaal wij van gevoelen zijn dat het onderwerp der slavernij in deze Vereenigde Staten niet tot de handelingen der Kerk, maar uitsluitend tot die der burgerlijke besturen behoort;

Hebben wij, derhalve, besloten, dat deze Conferentie zich niet verder met de zaak bemoeijen zal, dan om ons leedwezen te betuigen dat zij ooit, onder welken vorm ook, tot eenig kerkelijk regtsgebied is betrokken geworden.

Broeder Martin heeft het plaatsvervangend besluit goedgekeurd.

Broeder Betts heeft gevraagd of het plaatsvervangend besluit kon geacht worden te bedoelen dat de slavernij, zoo als zij onder ons bestaat, geen zedelijk kwaad was? Hij beschouwde het als met zulk eene verklaring gelijk staande.

Broeder Gapers antwoordde, dat het zijne meening was, dat gevoelen volledig en ondubbelzinnig uit te drukken; en dat hij den vorm van een besluit gekozen had, niet alleen met het doel om eenige onregelmatige handelingen in het Noorden te bestraffen, maar ook met betrekking tot de Algemeene Conferentie. Indien de slavernij een zedelijk kwaad (dat is, zondig) ware, alsdan zou de Kerk verpligt zijn er kennis van te nemen; doch onze overtuiging is, dat dit geene zaak is die tot haar regtsgebied behoort, maar dat zij uitsluitend aan het burgerlijk gezag toekomt, en bijgevolg niet zondig is.

Het plaatsvervangend besluit werd dus eenstemmig aangenomen.

In 1836 hield een Episcopaalsch geestelijke in Noord-Carolina, Freeman geheeten, in tegenwoordigheid van zijnen bisschop (de eerwaarde Levi S. Ives, Theol. Dr., een inboorling van een der vrije staten) twee leerredenen over de regten en pligten der slavenhouders. In dezen beproefde hij de slavernij, van blanken en zwarten beide, uit den Bijbel te regtvaardigen, en beweerde dat "zonder eene nieuwe openbaring uit den hemel, niemand bevoegd was om de slavernij ONREGT te noemen." De leerredenen werden in een vlugschrift gedrukt, voorafgegaan door een brief aan Mr. Freeman van den Bisschop van Noord-Carolina, waarin hij betuigde dat hij "met ongeveinsd en bijzonder genoegen" de leerredenen had aangehoord, en de openbaarmaking er van aanried, "als thans hoogst noodzakelijk."

"Het Protestantsche Episcopaalsche genootschap tot bevordering van het Christendom (!) in Zuid-Carolina" achtte een herdruk van Mr. Freeman's vlugschrift nuttig, als een godsdienstig tractaat!

Toen naderhand de aanwinst van den nieuwen Staat van Texas de organisatie der Bisschoppelijke kerk aldaar noodzakelijk maakte, werd deze Mr. Freeman tot Bisschop van Texas benoemd.

Nu zou de vraag kunnen ontstaan--en bij elken verstandigen denker onder het Christendom moet zij wel ontstaan:--kan het mogelijk zijn dat de slavernij in Amerika, zoo als zij door de wetten van dat land, en door de beslissingen zijner geregtshoven omschreven, alle de vreeselijke misbruiken insluit die de wetten erkennen en bekrachtigen;--kan het mogelijk zijn, dat zij als eene regtmatige en gepaste instelling beschouwd wordt? Beschouwen deze Christenen alleenlijk de slavernij in het afgetrokkene, als eene instelling, die, onder eene gepaste wetgeving, goed zou kunnen worden, of verdedigen zij haar, zoo als zij thans in Amerika bestaat?

Het is eene daadzaak, dat er in het Zuiden eene groote partij bestaat, die niet alleen de slavernij in het afgetrokkene verdedigt, maar ook de slavernij, zoo als zij in Amerika bestaat, in haar geheel en in hare deelen, de ergste misbruiken zelfs daarbij ingesloten.

Uit het systeem kunnen vier gedeelten of gevolgen wettig worden afgeleid, die ten uiterste snood en afschuwelijk zijn.

Het zijn deze:

1. Het verbod van het getuigenis der kleurlingen in regtszaken.

2. Het beletten der opvoeding.

3. De binnenlandsche slavenhandel.

4. De daaruit voortvloeijende scheiding der familiën.

Wij zullen de bewijzen aanvoeren dat elk dezer punten, òf als grondstelling verdedigd, òf zonder afkeuring erkend is geworden, het zij door beslissingen van kerkelijke vergaderingen, het zij door schriften van invloedrijke geestelijken, zonder dat, door de ligchamen waartoe zij behooren, eenige afkeurende uitdrukking nopens hunne gevoelens is gebezigd geworden.

In de eerste plaats, de uitsluiting van het getuigenis der kleurlingen in kerkelijke zaken. In 1810 werd door de Algemeene Conferentie van de Methodistische Episcopale kerk, het volgende besluit genomen:--"Dat het voor elken predikant onvoegzaam en onverdedigbaar is, aan kleurlingen het geven van getuigenis tegen blanken te vergunnen, in eenigen Staat waar hen dat voorregt door de wet ontzegd is."

Dit geschiedde alvorens de Methodistische kerk, zoo als zij later deed, zich ten gevolge der slavernij-kwestie, in Noordelijke en Zuidelijke Conferentiën gescheiden had. Zoowel Noordelijke als Zuidelijke leden stemden vóór het besluit.

Nadat zulks was voorgevallen, ontwaakte het geweten van vele noordelijke predikanten, en verlangden zij eene nadere overweging. De zuidelijke leden daarentegen eischten op gebiedenden toon dat het besluit vast en onveranderd zou blijven. De geest der discussie moge uit het volgende uittreksel blijken.

Mr. Peck, uit New-York, die de nadere overweging van het besluit had voorgesteld, drukte zich aldus uit:

Dat besluit (zeide hij) was onder eigenaardige omstandigheden, in een tijdstip van opgewekte hartstogten, genomen, en hij had er vóór gestemd als een vrede-offer jegens het Zuiden, zonder de kracht der gebezigde bewoordingen naauwkeurig genoeg te overwegen; maar, na een weinig nadenkens was hij droevig geworden; en hij was maar eenmaal droevig geweest, en dat was den geheelen tijd; hij was overtuigd dat, zoo dat besluit in het register bleef, het voor de geheele noordelijke Kerk noodlottig zou worden.

De Eerwaarde Dr. J. A. Few, van Georgia, de voorsteller van het oorspronkelijke besluit, stond nu op. Wat ik thans laat volgen, zijn uittreksels uit zijne rede. De onderhalingen zijn van mij.

Ziet wat gij doet! Wat verklaart gij ons daar, zoo gij dezen weg op wilt! Wel, eenvoudig, zoo veel als: "wij kunnen u niet handhaven in den toestand dien gij niet vermijden kunt!" Wij kunnen u niet handhaven in de noodzakelijke voorwaarden van het slavenbezit; één dier noodzakelijke voorwaarden de verwerping van het getuigenis der kleurlingen zijnde! Zoo het niet zondig is slaven te houden, onder alle omstandigheden, dan is het ook niet zondig, ze onder de eenigste voorwaarde en onder de eenigste omstandigheden te houden, waaronder het mogelijk is ze te houden. De verwerping van het getuigenis der kleurlingen is een der noodzakelijke voorwaarden waaronder het slavenbezit bestaan kan; zoo als het dan ook, inderdaad, volstrekt onmogelijk is, dat het zonder dezelve besta; weshalve het niet zondig is, slaven te houden onder de voorwaarden en omstandigheden waaronder zij in het Zuiden gehouden worden, in zooverre zij onder geene andere omstandigheden kunnen gehouden worden. *** Zoo gij gelooft dat het slavenbezit noodzakelijk zondig is, dan gelooft gij ook noodwendig dat wij zondaars zijn; en, is dit zoo, verklaar het dan rond en openlijk, en laten wij van u scheiden. *** Wij behooren duidelijk, naauwkeurig en rondborstig de stelling te weten die gij nemen zult. Wij kunnen ons niet langer aan uwe bemoeizucht onderwerpen. Wij hebben er genoeg van gekregen. Uwe ziekelijke sympathieën vervelen ons. *** Zoo gij niet gekant zijt tegen de grondbeginselen die er in liggen opgesloten, vereenigt u dan met ons, als eerlijke lieden, en gaat huiswaarts, en ziet de gevolgen onbeschroomd onder de oogen. Wij zeggen het nogmaals, gij zijt voor dezen staat van zaken verantwoordelijk; want gij zijt het die ons tot het verontrustende punt gedreven hebt, waar wij ons bevinden. *** Gij hebt dat besluit volstrekt noodzakelijk gemaakt voor de rust van het Zuiden! Maar thans herroept gij dat besluit! En gij trekt den Rubicon over! Laat ik niet misverstaan worden. Ik zeg, gij trekt den Rubicon over! Zoo gij herroept, dan herroept gij ook het grondbeginsel dat het besluit medebrengt, en gij stelt het geheele Zuiden tegen u in slagorde, en wij moeten scheiden! *** Zoo gij de beginselen toestemt, die het in zich sluit, en noodwendig in de zaak liggen opgesloten, houdt ze dan ook vast, "al zouden de hemelen vergaan!" Maar, zoo gij op herziening blijft aandringen, dan vraag ik, in welk een daglicht uwe handelwijze in het Zuiden zal beschouwd worden? Welk besluit zal men er ginds uit trekken? Wel, dat gij ons niet dulden kunt, zoo lang als wij slaven houden! Voor het aangezigt der zon zal het besluit verklaren: "wij kunnen u niet dulden, mijne heeren, dewijl gij uwe slaven behoudt!" Uw verzet tegen het besluit is gegrond op uw verzet tegen de slavernij; gij kunt, derhalve, uwe stelling niet bewaren, tenzij gij u onder de abolitionisten schaart, en ons eenmaal en voor altoos veroordeelt, of tenzij gij de herziening van het besluit weigert.

Het besluit bleef derhalve in kracht, met een ander besluit als aanhangsel, hetwelk de onverminderde belangstelling der Algemeene Conferentie voor de bevolking der kleurlingen uitdrukte.

Het is allerduidelijkst dat zij onverminderd was, om de beste der redenen. Dat de bevolking der kleurlingen juist niet zeer van dankbaarheid over deze inschikkelijkheid doordrongen was, blijkt uit de daadzaak dat "the official members of the Sharpstreet and Ashby Coloured Methodist Church in Baltimore," tegen de motie protesteerden en petitioneerden. Het navolgende is een uittreksel uit hun adres:

De aanneming van zulk een besluit door onze hoogste kerkelijke regtbank--eene regtbank, zamengesteld uit de wijste en ervarenste broederen in de kerk, de uitverkoren bloem van acht en twintig Conferentiën,--heeft, zoo wij vreezen, eene onherstelbare schade gedaan aan 80,000 zielen waarvoor Christus gestorven is;--zielen die, door deze daad uwer vergadering, van de waardigheid van Christenen beroofd, op den trap der menschheid vernederd, en als misdadigers behandeld zijn geworden, om geene andere reden dan de kleur hunner huid! Uw besluit heeft, naar ons nederig gevoelen, krachtig verklaard, dat eene bloot natuurkundige eigenaardigheid, het handenwerk van onzen alwijzen en weldadigen Schepper, op het eerste aanzien een blijk oplevert van onbekwaamheid om de waarheid te spreken, of een onfeilbaar teeken is van onwaardigheid om getuigenis tegen een medeschepsel te geven, welks huid wit genoemd wordt. ***

Broeders, uit den overvloed van ons hart hebben wij gesproken. Onze kwelling is voor u! Zoo gij eenig belang stelt in de verlossing van de 80,000 onsterfelijke zielen, die aan uwe zorg zijn toevertrouwd; zoo gij vijf en twintig honderd zielen in deze stad, met den wil bezield om de Kerk die hen gekoesterd en opgevoed heeft, nooit te verlaten, niet buiten die Kerk wilt stooten; zoo gij ons als kinderen van éénen en denzelfden Vader beschouwt, en, na rijpe overweging, met ons als leden van het ligchaam van Christus sympathiseren kunt;--zoo gij de vreeselijke, de geduchte verantwoordelijkheid niet op u laden wilt van niet slechts één, maar vele duizenden dezer "kleinen" te ergeren,--zoo smeeken wij u om het hatelijke besluit dat ons volk verwoest, uit het register uwer handelingen weg te schrappen.

"Een Baltimoorsch kleurling", aan den uitgever van den Wachter Sions schrijvende, zegt:

Dit adres werd aan een der secretarissen, een afgezondene van de Baltimoorsche Conferentie, overhandigd, en gevolgelijk door hem aan de bisschoppen ter hand gesteld. Hoe velen der leden van de Conferentie het gezien hebben, weet ik niet. Eén ding is zeker: het werd niet aan de Conferentie voorgelezen.

Met betrekking tot het tweede punt--de verdediging der wetten, die den slaaf verbieden lezen en schrijven te leeren--hebben wij het volgende voorbeeld:--

In den jare 1835 rigtte de "Chillicothe Presbytery, Ohio," een Christelijk vertoogschrift aan de Presbytery van Mississippi, waarin uitdrukkelijk de oogpunten vermeld worden, waaruit zij de slavernij als onchristelijk beschouwt. Het achtste dier punten luidde als volgt:

Dat eenig lid onzer kerk, die ten voordeele zal spreken of pleiten van zoodanige reeds bestaande of nog in te voeren wetten, die ten doel hebben de slaven in onwetendheid te houden, en hen te beletten het woord Gods te leeren lezen, zich schuldig maakt aan eene zware zonde, en daarvoor, als voor andere schandelijke misdaden, behoort gestraft te worden.

Dit vertoogschrift werd door den eerw. James Smylie, gevestigd geestelijke van de Mississippi Presbytery, en later van de Amity Presbytery van Louisiana, in een vlugschrift van zeven en tachtig bladzijden beantwoord, waarin hij de slavernij in het algemeen en in het bijzonder verdedigt, op dezelfde wijze waarop alle andere misbruiken altoos zijn verdedigd geworden--met het woord van God. De tiende afdeeling van dit vlugschrift is aan de verdediging dezer wet gewijd. Hij wijdt zeven klein gedrukte bladzijden aan dit onderwerp. Hij zegt (pag. 63):

In de beide Staten, Mississippi en Louisiana, bestaan er wetten, met zware strafbedreigingen vergezeld, die verbieden de slaven te leeren lezen, en die de goedkeuring wegdragen van het Godsdienstige gedeelte der denkende ledematen.

Iets verder voegt hij er bij:

De wetten die den slaven verbieden te leeren lezen, zijn eene vruchtbare bron van veel onwetendheid en onzedelijkheid onder de slaven. Het drukken, uitgeven en verspreiden van abolitie- en emancipatie- ademende grondbeginselen in deze Staten, was de oorzaak van het doorgaan dier wetten.

Nu gaat hij verder, en zegt dat de onwetendheid en zedeloosheid die het gevolg dier wetten zijn, eigenlijk niet ten laste komen van hen die de wetten gemaakt hebben, maar van hen wier leerstellingen van emancipatie ze noodzakelijk gemaakt hebben. Over deze gevolgen van onwetendheid en ondeugd sprekende, zegt hij:

Op wien komen zij neder? Zoo gij mij vergunnen wilt deze vraag te beantwoorden, dan beantwoord ik haar aldus: Op zulke groote en goede mannen als John Wesley, Jonathan Edwards, Bisschop Porteus, Paley, Horsley, Scott, Clark, Wilberforce, Sharpe, Clarkson, Fox, Johnson, Burke, en andere groote en goede mannen, die, zonder het woord Gods te onderzoeken, besloten hebben dat het een ware grondregel is, dat de slavernij in zich-zelve zondig is.

Voorts heldert hij de noodzakelijkheid dier wetten door de volgende vergelijking op. Hij veronderstelt dat de leer verkondigd was geworden, dat het ouderlijke gezag eene onregtvaardige inbreuk was, die de maatschappij in banden sloeg; dat er genootschappen gevormd waren ter emancipatie van kinderen uit het gezag hunner ouders; dat alle boeken van dat beginsel doordrongen waren; en dat onder al deze invloeden, de kinderen onrustig en wederspannig geworden waren. Hij veronderstelt dat, onder deze omstandigheden, de ouders de zaak voor de wetgevers bragten, en aan dezen ter beoordeeling lieten. En nu beschrijft hij aldus het dilemma van de wetgevers:

Deze vatten de zaak aan, en nemen het onderwerp ernstig en plegtig in overweging. Aan de eene zijde begrijpen zij, dat, zoo hunne kinderen den toegang hadden tot deze leerstellingen, zij voor altoos ongelukkig zouden zijn. Hun dien toegang te laten, was nogtans onvermijdelijk, zoo zij hen leerden lezen. Hun het leeren lezen te beletten, was wreed, en zou hun beletten die kennis der Goddelijke wetten te verkrijgen, waarin zij zich anders zouden mogen verblijden. Bij deze treurige keuze tusschen twee kwaden als wetgevers nederzittende, moesten zij van die twee kwaden het minste kiezen. Met gevoelens van verontwaardiging jegens dezen bezield, die, onder den invloed van "verleidende geesten," "leeringen der duivelen" onder hen gezonden hadden, en nog zonden, maar met bloedende harten over hunne kinderen, besloten zij dat hunne kinderen geen onderwijs in het lezen zouden ontvangen, tot dat de storm zou zijn overgewaaid; hopende dat de satan slechts voor een korten tijd zou zijn losgelaten. En gedurende dien tijd zullen zij hen mondeling onderwijzen, en daardoor verhinderen dat zij met die booze leerstellingen besmet worden.

Zoo veel wat die wet betreft.

Gaan wij thans over tot den binnenlandschen slavenhandel. Deze handel bestaat in het koopen en verkoopen van menschelijke wezens, alleen met oogmerk om winst te doen.

Een meester die slaven verkrijgt, of een meester die slaven koopt met oogmerk om ze op zijne plantaadje of in zijne familie te houden, kan verondersteld worden nog eenig ander doel te hebben dan alleenlijk winst te doen. In zekere gevallen mag hij verondersteld worden eenig belang te stellen in het geluk of welzijn van den slaaf. De slavenhandelaar koopt en verkoopt slechts met het eenige doel om winst te bejagen.

Met betrekking tot dit misbruik, heeft de Chillicothe Presbytery in het door ons aangehaalde document, het volgend besluit genomen:

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us