De schat in het Zilvermeer (part 2 of 3)
Dit was een vraag, die men van den verstandig uitzienden ingenieur niet verwacht zou hebben. Winnetou maakte een kleinachtende beweging met de hand; doch Old Firehand antwoordde: "Wie denkt er aan, dat van u te willen? Maar de tramps moeten in den waan zijn, dat er geld in den trein is. Gij stelt den voornaamste hunner spionnen als klerk op uw kantoor aan, en doet alsof gij hem uw volle vertrouwen schenkt. Gij deelt hem mee, dat hier een trein zal stilhouden, waarin een aanzienlijk geldbedrag vervoerd wordt. Dan zullen zij elkander verdringen om er in te komen; en zitten ze eenmaal in de wagens, dan gaat het full speed (= met vollen stoom) voort met hen."
"Dat klinkt inderdaad niet kwaad, sir! maar het is niet zoo gemakkelijk als gij denkt."
"Zoo? Welke moeilijkheden zijn er dan aan verbonden? Hebt gij geen trein te uwer beschikking?"
"O ja wel! Zooveel wagens als gij maar wilt! En de verantwoordelijkheid zou ik ook met alle pleizier op mij nemen, als ik maar eenigszins aan het welslagen gelooven kon. Maar er komt nog heel wat anders bij kijken. Wie zal den trein besturen? Want de machinist en de stoker zullen terstond door de tramps doodgeschoten worden; daar valt niet aan te twijfelen."
"Pshaw! Een machinist zal er wel te vinden zijn, en voor stoker speel ik zelf. Ik geloof, als ik die rol op mij neem, dat ik dan daardoor voldoende bewijs geef, hoe gering ik het gevaar schat. De bijzonderheden zullen wij nader bespreken; de hoofdzaak is, dat wij niet al te lang moeten wachten. Ik vermoed, dat de tramps vandaag aan den Eagle-tail zullen aankomen; want daar willen zij eerst naar toe. Wij kunnen dus bepalen, dat wij morgennacht onzen slag zullen slaan. Dan is het noodig, dat wij precies weten, waar wij de kerels zullen brengen. Die plaats zullen wij nog voor den middag gaan zoeken, want reeds heden na den middag verwacht ik de spionnen hier. Hebt gij een locomotief voor uw inspectietochten, sir?"
"Natuurlijk."
"Nu, dan rijden wij met ons beiden. Winnetou kan niet mee. Hij moet zich hier schuilhouden; want zijn aanwezigheid zou ons oogmerk kunnen verraden. Ook aan mij moet men niet kunnen zien, dat ik Old Firehand ben. Daar ben ik op voorbereid: daarom heb ik altijd een oud linnen kostuum bij mij, om mij als het noodig is daarin onkenbaar te maken."
De ingenieur zette meer en meer een verlegen gezicht, en zei: "Gij spreekt over de zaak alsof alles van een leien dakje zal gaan. Maar mij komt dat allesbehalve gemakkelijk en natuurlijk voor. Hoe maken wij, dat de tramps te weten komen, dat er geld in den trein is? En hoe krijgen wij hen er in?"
"Zijn dat nu vragen! De nieuwe klerk zal u uithooren; en alles wat gij hem wijsmaakt zal hij hun in het geniep overbrengen als waarheid."
"Nu, goed! maar als zij nu op den inval komen om niet in de wagens te stappen, maar hier of daar de rails op te breken, ten einde den trein te doen ontsporen?"
"Dat kunt gij gemakkelijk voorkomen, als gij maar aan den klerk zegt, dat er aan die geldtreinen zooveel gelegen is, dat er veiligheidshalve altijd een losse locomotief vóór zulk een trein wordt gezonden. Dan zullen zij aan geen opbreken van de rails denken. Als gij het maar oolijk aanlegt, zal alles zoo mooi gaan alsof het met een schaartje geknipt is. De klerk moet gij zóó bezighouden en hem door vriendelijkheid zóó ongemerkt den pas weten af te snijden om de deur uit te komen, dat hij, als hij naar bed gaat, nog geen oogenblik gelegenheid gehad heeft om met iemand buitenshuis te spreken. Gij geeft hem een slaapkamertje boven, met één raam. Het platte dak ligt een halve el boven dat raam; ik klim er op, en zoo zal ik ieder woord kunnen hooren, dat er gesproken wordt."
"Denkt gij dan dat hij het raam open zal maken, om zoo met iemand te spreken?"
"Natuurlijk. Die zoogenaamde Haller heeft in last, om u den wurm uit den neus te halen; en de andere, die met hem meekomt, moet de tusschenpersoon wezen, die alles overbrieft. Alles is mij zoo duidelijk mogelijk; en gij zult al spoedig inzien, dat ik het bij het rechte eind heb. Die andere zal u om werk vragen, ten einde hier te kunnen blijven; maar hij zal onder een of ander voorwendsel niet aan het werk gaan; want hij zal vrij willen blijven, om voor boodschapper te kunnen spelen. Hij zal den klerk trachten te spreken, om te hooren wat die reeds weet; maar hij zal niet met hem in aanraking komen eer de tijd daar is, dat iedereen geacht wordt te slapen. Dan zal hij rondsluipen om het huis heen; de klerk zal zijn raampje opendoen, en ik lig boven op het dak, om alles af te luisteren. Ik begrijp zeer goed, dat gij dit alles voor zeer moeilijk en zeer avontuurlijk houdt, want gij zijt geen Westman; maar als gij de zaak eerst maar aangepakt hebt, zooals ik het u daar heb uitgelegd, zult gij zien, dat alles naar wensch gaat!"
"Howgh!" bevestigde de Indiaan. "Mijn blanke broeders kunnen nu een geschikte plaats gaan zoeken, waar de val gesloten kan worden. Als zij terugkomen, zal ik mij verwijderen, opdat niemand mij zien zal."
"Waar denkt mijn roode broeder zich voorloopig op te houden?"
"Winnetou is overal tehuis, in het bosch en op de prairie."
"Dat weet niemand beter dan ik, maar de hoofdman der Apachen kan gezelschap vinden, als hij wil. Ik heb mijn rafters, en de jagers, die bij hen zijn, naar een plaats gezonden, die ongeveer een uur rijdens beneden Eagle-tail ligt. Daar houden zij het oog op de tramps. Tante Droll is óók bij hen."
"Oef!" riep de Apache, terwijl zijn doorgaans ernstig gezicht in een vroolijke plooi kwam. "Die Tante is een ferm, dapper en verstandig bleekgezicht. Winnetou zal hem gaan opzoeken."
"Mooi zoo! Mijn roode broeder zal daar nog meer degelijke mannen vinden: Zwarten Tom, Humply-Bill, den Gunstick-Uncle, allen, mannen, wier naam hij althans wel zal kennen. Voorloopig echter kan hij in mijn kamer gaan, en daar wachten tot wij terugkomen."
Nog voordat de Apache aangekomen was, had de ingenieur een kamertje aangewezen aan Old Firehand, die nu met Winnetou daarheen ging, om er zijn opvallend jachtkostuum tegen zijn linnen pak te verwisselen, waarin hij door de baanwerkers voor een nieuw aangeworven kameraad gehouden kon worden; want die lieden mochten nog niet weten, dat er iets buitengewoons op til was. Reeds spoedig stond de inspectie-locomotief gereed, Old Firehand en de ingenieur namen op de voorbank plaats. Verder gingen alleen nog maar mee de machinist en de stoker om de machine te bedienen. Weldra rolde nu de locomotief over den weg, waarlangs vlijtige handen druk in de weer waren, en kwam weldra buiten op de vlakke baan, welke reeds tot Kit Karson gelegd was.
De Apache nam middelerwijl zijn gemak. Hij had den ganschen nacht doorgereden, en wilde de gelegenheid om een poosje te slapen niet ongebruikt voorbij laten gaan. Toen de twee anderen terugkwamen werd hij gewekt. Hij vernam nu dat Old Firehand een zeer geschikte plaats had gevonden; en toen men hem die plaats beschreef, knikte hij tevreden, en zei: "Dat is goed! De honden zullen sidderen van angst en huilen van schrik. Het zal een uitkomst voor hen zijn, in onze handen te komen. Winnetou rijdt nu naar Tante Droll, om aan hen en aan de rafters te zeggen, dat zij zich gereed moeten houden."
Hij sloop, om niet opgemerkt te worden, zoo heimelijk mogelijk het huis uit en naar de schuilplaats, waar zijn paarden zich bevonden.
De scherpzinnige hoofdman had zich, ook wat de aankomst der spionnen betrof, niet vergist. Nauwelijks was het middag-schaft-uur voorbij, of men zag twee ruiters langzaam komen aanrijden van de rivier af. Volgens de beschrijving, die den Yankee van hen gegeven had, viel er niet veel aan te twijfelen, of het waren de twee personen, die men verwachtte.
Old Firehand ging gauw naar Hartley, die lag te slapen, maar die dadelijk opstond om te zien, of het wellicht niet twee andere mannen waren. Nadat hij hen stellig en zeker herkend had als de twee bedoelden, spoedde Old Firehand zich naar het vertrek, dat aan het kantoor-lokaal grensde, om door de aanstaande deur getuige te wezen van het gesprek. Op den tocht met de inspectie-locomotief had hij den ingenieur geheel voor zijn plan gewonnen, en dezen zoo nauwkeurig alles ingeprent, dat een vergissing van diens zijde bijna onmogelijk was.
De ingenieur bevond zich in zijn kamer, toen de twee mannen binnentraden. Zij groetten zeer beleefd, en daarop overhandigde de een den aanbevelingsbrief zonder een woord te zeggen over het doel van zijn komst. De ingenieur las den brief, en zei toen zeer vriendelijk: "Gij zijt dus bij mijn vriend Norton op het kantoor geweest? Hoe maakt hij het?"
Nu volgden de bij zulke gelegenheden gebruikelijke vragen en antwoorden; en toen wenschte de ingenieur de redenen te vernemen, die den klerk uit Kinsley verdreven hadden. De gevraagde dischte nu een aandoenlijk verhaal op, dat wel is waar in overeenstemming was met den inhoud van den brief, maar dat hij van a tot z uit zijn duimpje had gezogen. De stations-chef hoorde hem aandachtig aan, en zei toen: "Uw geschiedenis is zoo treurig, dat ik niet anders kan, dan er deernis mee te gevoelen, te meer daar ik uit den brief zie, dat Norton zeer tevreden was en dat gij zijn vertrouwen genoot. Daarom zal ik gaarne voldoen aan zijn verzoek. Ik heb wel reeds een klerk; maar sedert lang heb ik al behoefte gevoeld aan iemand, wien ik ook vertrouwelijke en zeer belangrijke aangelegenheden kan opdragen. Denkt gij, dat ik met u de proef daarvan zal kunnen nemen?"
"Sir!" antwoordde de nagemaakte Haller, op den toon van iemand die blij is, "probeer het met mij! Ik ben overtuigd, dat gij tevreden over mij zult wezen."
"Well, wij zullen het probeeren. Over het salaris zullen wij nu nog niet spreken; ik moet u eerst leeren kennen, en dat zal mij in weinige dagen voldoende blijken. Hoe bruikbaarder gij zijt, des te beter zult gij betaald worden. Ik heb het juist op dit oogenblik zeer volhandig. Kijk de werkzaamheden hier eens rond, en kom dan om vijf uur terug. Intusschen zal ik eenig schrijfwerk opzoeken. Gij woont hier bij mij aan huis, eet met mij mee aan mijn tafel, en hebt u dus te schikken naar de regeling van mijn huishouden. Ik ben er op gesteld, dat gij geen praatjes met het gewone werkvolk houdt. En als de klok tien slaat 's avonds, wordt mijn deur gesloten."
"Dat is alles zeer naar mijn zin, sir! want precies zoo ben ik het tot nu toe gewend geweest," verzekerde de man, die zichtbaar verheugd was, dat hij zoo dadelijk geplaatst werd. En nu voegde hij er bij: "Ik heb nóg een klein verzoek aan u, sir! voor mijn reisgenoot. Zou u ook voor hem misschien eenig werk hebben?"
"Wat soort van werk?"
"Om het even wat, sir!" antwoordde de andere bescheiden. "Ik zal al blij zijn, als ik maar iets te doen krijg."
"Hoe is uw naam?"
"Faller, sir! Ik heb master Haller onderweg aangetroffen en mij bij hem aangesloten toen ik hoorde, dat hier aan den spoorweg gewerkt wordt."
"Haller en Faller. Dat zijn twee namen, die nog al opmerkelijk op elkander gelijken. Ik wil hopen, dat gij ook in andere opzichten op elkander gelijkt. Wat zijt gij tot nu toe geweest, mr. Faller?
"Ik ben lang cow-boy (= koeien-hoeder) geweest op een boerderij hooger op, bij Las Animas. Dat was een ruw, alleronaangenaamst leven, dat ik niet langer kon uithouden, en toen ben ik heengegaan. Daarbij kwam nog, dat ik juist den laatsten dag twist kreeg met een anderen boy, een doldriftigen kerel, die mij met zijn mes een wond aan mijn hand toebracht. Die wond is nog niet geheel genezen; maar ik hoop toch, dat ik over een paar dagen mijn hand wel zal kunnen gebruiken om te werken, als u mij eenig werk geven wilt."
"Nu, werk kunt gij krijgen, zoodra gij uw hand gebruiken kunt. Blijf dus voorloopig maar hier in de nabijheid; en meld u dan nog maar eens aan, zoodra gij in staat zijt om te werken. Nu kunt gij beiden gaan!"
De schavuiten verlieten het kantoor. Toen zij buiten het openstaande raam voorbijkwamen van het vertrek, waar Old Firehand zich bevond, hoorde die, dat een der twee met een half fluisterende stem tegen den andere zei: "All right (= alles in orde)! Als het einde zoo mooi is als het begin...."
Meer kon Old Firehand niet hooren, want de ingenieur kwam binnen, en zei: "Gij hebt goed gezien, sir! Die Faller heeft gezorgd, dat hij niet dadelijk aan het werk gezet kan worden, zoodat hij den tijd zal hebben om naar Eagle-tail te gaan. Hij droeg zijn gezwachtelde hand in een doek.'
"Maar die hand is natuurlijk volkomen gezond als de mijne. Waarom hebt gij den klerk pas tegen vijf uur besteld?"
"Omdat ik hem bezig wil houden tot het tijd is om naar bed te gaan. Als dat langer moest duren zou het zoowel mij als hem te veel vermoeien, en hij zou het misschien ook eenigszins vreemd vinden."
"Ja, dat kon wel. Het zijn in elk geval vijf volle uren, en het zal toch al kunst- en vliegwerk zijn, hem zóó lang buiten aanraking met anderen te houden."
Het eerste gedeelte van het voorstel was dus afgehandeld. Tot het tweede gedeelte kon men eerst dan overgaan, als men het gesprek tusschen de twee spionnen had afgeluisterd. Dat zou dus nog verscheiden uren duren; en Old Firehand, die zich toch niet vertoonen wilde, maakte van dien tusschentijd gebruik, om zich te verkwikken door den slaap. Toen hij ontwaakte was het bijna donker geworden, en de neger bracht hem zijn avondeten. Tegen tien uur kwam de ingenieur hem zeggen, dat de klerk al lang gegeten had, en nu naar zijn kamertje zou gaan.
Old Firehand ging dus naar boven op de vliering, waar hij een vierkant luik vond, om op het platte dak te komen. Daar aangeland, ging hij liggen en kroop zacht naar dien kant van het dak, waar hij wist dat zich daaronder het raam bevond van het slaapvertrekje van den klerk. Het was zóó donker, dat hij het gerust wagen kon eens te voelen hoe ver de bovenkant van het raam van het dak af was. Het was zoo dichtbij, dat hij het gemakkelijk bereiken kon.
Toen hij eenigen tijd rustig wachtende daar gelegen had, hoorde hij beneden het gekras van een open- of dichtgaande deur. Er kwamen voetstappen naar het raam, en uit dat raam viel het schijnsel van een licht naar buiten. Het dak bestond uit een laag dunne planken en daaroverheen gespijkerde bladen blik. Evenals Old Firehand de voetstappen onder zich hoorde, kon hij zelf ook door den klerk gehoord worden; het was dus noodzakelijk de grootst mogelijke voorzichtigheid in acht te nemen.
Nu spalkte de jager zijn oogen zoo wijd hij kon open, ten einde in de nachtelijke duisternis te kunnen doordringen; en dat gelukte. In de nabijheid van het schijnsel, dat uit het raam viel, stond de gedaante van een mensch. Toen kraste het raam; het ging open.
"Ezelskop!" bromde fluisterend een gemelijke stem; "maak dat licht toch uit; het maakt, dat iedereen mij zien kan."
"Een ezelskop, die het mij zegt!" antwoordde de klerk. "Waarom komt gij nu al? Iedereen in huis is nu nog op. Kom over een uur terug."
"Goed! Maar zeg mij ten minste of ge iets te weten gekomen zijt?"
"Ja, en wat goeds ook!"
"Zoo?"
"Ja, òf het iets goeds is! Zóó goed, dat wij nooit zoo iets hadden kunnen denken. Maar ga nu maar gauw heen; ik ben anders bang dat ze u zien zullen."
Het raam ging weer dicht, en de gedaante verdween in de nabijheid van het huis. Nu was Old Firehand genoodzaakt, een uur lang en misschien nog wel langer, te wachten, zonder zich te kunnen verroeren. Maar dat was geen bijzonder moeilijke taak voor hem, want een Westman is aan vrij wat grooter moeilijkheden gewoon. De tijd, zooals gemeenlijk wanneer men wacht, ging zeer langzaam om; maar hij ging toch om. Verder naar beneden in de huizen en hutten brandde overal nog licht. Maar hier, in de woning van den ingenieur, was alles in stikdonkeren nacht gehuld. Old Firehand hoorde, dat het raam weer openging; maar er brandde geen licht meer. De klerk verwachtte zijn kameraad. Het duurde dan ook niet lang meer, of men hoorde het gekraak van voetstappen op den grond.
"Faller!" fluisterde de klerk uit het raam naar beneden.
"Ja," was het gefluisterde antwoord.
"Waar staat gij? Ik zie u niet."
"Ik sta dicht bij den muur, vlak onder uw raam."
"Is alles donker in huis?"
"Alles. Ik ben er een paar keeren omheen geloopen. Er is geen mensch meer op. Welk nieuws hebt gij voor mij?"
"Dat de kas hier de moeite niet waard is, er een hand voor uit te steken. Om de veertien dagen worden hier loonen uitbetaald, en juist gisteren is het weer betaaldag geweest. Wij zouden dus minstens een dag of twaalf moeten wachten, en dat is een onmogelijkheid. Er is op dit oogenblik niet meer in de kas dan een kleine driehonderd dollars; en dat loont de moeite niet."
"En gij hadt zulk verbazend goed nieuws, hebt gij gezegd! Hadt gij dat dan gedroomd?"
"Wacht uw tijd af, Heintje wijsneus! Aan de kas hier hebben wij niemendal, maar morgennacht komt hier een trein langs met viermaal honderd duizend dollars er in!"
"Gekheid!"
"Neen, geen gekheid, maar waarheid! Daar heb ik mij met eigen oogen van overtuigd. Die trein komt van Kansas City en gaat naar Kit Karsen waar dat geld gebruikt moet worden voor het verder doortrekken van de lijn."
"Weet ge dat zeker?"
"Ja. Ik heb den brief gelezen en de telegrammen ook. Die malle ingenieur heeft een blind vertrouwen in mij; hij schijnt mij nog beter te vertrouwen dan zich zelf."
"Goed! Maar wat baat ons dat? De trein gaat immers door hier?'
"Ezel!... De trein houdt hier vijf minuten halt."
"Is het tòch waar?"
"En ik en gij, wij beiden zullen op de locomotief staan."
"Nu geloof ik, dat ge een loopje met mij nemen wilt?"
"Er is geen lid aan mijn lijf, dat daaraan denkt! De trein moet te Carlyle overgenomen worden door een bijzonder daartoe aangewezen ambtenaar. Die man blijft tot hier op de locomotief, en rijdt dan nog mee tot Wallace, om daar den trein over te geven."
"En die daartoe aangewezen ambtenaar, zult gij dat zijn?"
"Ja. En gij moet met mij mee; of juister gezegd gij moogt met mij mee."
"Hoe zoo dat?"
"De ingenieur heeft mij vergund nog een tweede te kiezen, die bij mij moet zijn; en toen ik hem vroeg, wien hij mij daartoe wilde aanwijzen, kreeg ik ten antwoord, dat hij dat geheel aan mij overliet, en dat hij mijn keus zou goedkeuren. Het spreekt dus vanzelf dat ik u gekozen heb."
"Vindt gij zulk een groot vertrouwen, zoo dadelijk, eigenlijk niet een beetje vreemd?"
"Eigenlijk gezegd, ja. Maar ik zie uit alles, dat hij een vertrouwd persoon noodig heeft, en dat hij er nooit een gehad heeft. Nu lijdt het geen twijfel dat die fameuze aanbevelingsbrief ook van grooten invloed is op zijn houding tegenover mij. En buitendien kan dat spoedig vertrouwen-schenken mij toch ook niet zoo bevreemden, want er is een maar bij."
"He! Een maar?"
"Ja; aan de taak, die mij opgedragen wordt, kan nog al gevaar verbonden zijn."
"O, dat verandert, dat stelt mij gerust. Is de aarden baan niet stevig genoeg gelegd?"
"Neen, wat dat betreft, er mankeert niets aan, in weerwil dat het slechts een tijdelijke lijn is, die later door een meer degelijke zal worden vervangen, zooals mij uit de boeken, is gebleken. Maar het gevaar, dat ik bedoel, schuilt in iets anders. Bij een nieuwen spoorweg van zoo groote uitgestrektheid heeft men maar niet dadelijk een overvloed van bekwame en ervaren beambten bij de hand. Er zijn machinisten, die men nog niet kent, en als stoker bieden zich verscheiden personen aan, wier herkomst nu juist niet zoo aanbevelenswaardig is. Stel u nu een trein voor, die een half millioen dollars vervoert, met zulk een machinist en zulk een stoker. Als die twee snuiters de zaak eens zijn, kunnen zij den trein ergens onderweg stil laten staan en zich met het geld uit de voeten maken. Daarom moeten zij een beambte bij zich hebben; en aangezien zij met hun beiden zijn, dient ook de beambte een tweede te hebben, die hem ter zijde staat. Begrepen? Het is een soort van politie-maatregel. Wij, gij en ik krijgen ieder een geladen revolver in ons zak, om de anderen overhoop te schieten, zoodra wij merken dat die iets misdadigs in hun schild voeren."
"Nu maar, dat noem ik allerkoddigst! Wij, om over dat geld te waken! Wij zullen de kerels onderweg dwingen om halt te houden, en dan gaan wij met de dollars schuiven!"
"Jongen neen, dat zou niet gaan; want behalve de machinist en de stoker, is de conducteur er ook nog, en ook een der kassiers van het hoofdkantoor te Kansas-City, die het geld in een koffer over moet brengen. Die twee zijn goed gewapend; en al konden wij de twee anderen dwingen om den trein te doen stoppen, dan zouden die twee dadelijk lont ruiken en hun wagen verdedigen. Neen, neen! dat moet op een andere manier gebeuren. Wij moeten hen met overmacht overrompelen, en wel op een plaats, waar zij op zoo iets volstrekt niet verdacht kunnen zijn ... en dat is hier!"
"En denkt gij, dat dàt gelukken zou?"
"O zeer zeker! daar is geen de minste twijfel aan, en aan niet een der onzen zal een haar gekrenkt worden. Ik ben zoo zeker van mijn zaak, dat ik u nu dadelijk wegstuur om er den kornel van te onderrichten."
"Die rit is bij de volslagen duisternis, die er heerscht, totaal onmogelijk; want deze streek is mij geheel onbekend."
"Welnu, wacht dan tot morgenochtend vroeg. Maar dan is er ook geen minuut meer te verliezen; want ik dien tegen den middag bericht te hebben. Geef dus uw paard goed de sporen--al rijdt gij het dood, dat hindert niet!"
"En wat moet ik zeggen?"
"Al wat gij nu van mij gehoord hebt. De trein zal hier stilhouden precies om drie uur na middernacht. Wij beiden staan op de locomotief en zullen, zoodra die stilhoudt, den machinist en den stoker voor onze rekening nemen. Desnoods schieten wij hen overhoop. De kornel moet met al de onzen heimelijk post gevat hebben langs de baan en oogenblikkelijk de wagens bestormen. Bij zulk een overmacht zullen de bewoners van Sheridan en de drie of vier beambten, met wie wij te doen hebben, zoo verbluft zijn, dat zij geen tijd zullen hebben om aan tegenweer te denken."
"Hum! het plan is niet kwaad. Een verbazende som! Als wij met ons allen gelijk-op deelen, krijgt ieder zoo wat twee duizend dollars. Ik hoop maar dat de kornel uw voorstel zal aannemen."
"Hij zou stapelgek moeten wezen, om dat niet te doen. Mocht dat onverhoopt het geval zijn, zeg hem dan, dat ik mij van hem afscheid, en dat ik besloten ben, den slag op mijn eigen hand te slaan. Het waagstuk zou dan wel veel grooter wezen; maar als het gelukte, had ik dan ook al de dollars alleen."
"Maak u maar niet ongerust! Het kan niet in mij opkomen deze heerlijke gelegenheid te laten ontglippen. Ik zal het den kornel zoo smakelijk maken, dat hij er geen boe of ba tegen zegt. Ik breng u bepaald zijn toestemmend antwoord; maar hoe zal ik dat in uw handen weten te spelen?"
"Ja, dat is nog al een netelige vraag. Wij moeten alles vermijden wat achterdocht gaande zou kunnen maken, wat iemand op het idee zou kunnen brengen, dat wij geheimen samen hebben. Daarom moeten wij volstrekt niet persoonlijk met elkander in aanraking komen. Ook weet ik niet of wij daartoe wel een gunstige gelegenheid zouden vinden. Gij moet mij dus liever schriftelijk het antwoord doen geworden."
"Zou dat niet veel meer nog in het oog loopen? Als ik u iemand met een brief stuur...."
"Iemand met een brief? Wie denkt daaraan?" viel de klerk hem in de rede. "Dat zou de grootste domheid wezen, die wij begaan konden. Ik weet niet eens of ik wel gelegenheid zal hebben een oogenblik het huis te verlaten. Gij moet mij duidelijk het antwoord opschrijven, en dat papier stopt gij, dichtgevouwen, hier of daar weg."
"Goed!"
"Hum laat mij eens even prakkizeeren. Het moet een plaats wezen, waar ik het ongemerkt vandaan kan halen, zonder dat ik ver behoef te loopen. Ik weet reeds, dat ik van morgen heel druk werk zal hebben; er zijn lange loonlijsten in te vullen, heeft de ingenieur mij gezegd. In elk geval zal ik wel een oogenblik kunnen vinden, om ten minste even aan de voordeur te komen. Vlak bij die deur staat een regenton; en daarachter stopt gij het gevouwen papier weg, en gij legt er een steen boven op--daar zal niemand erg in hebben."
"Maar hoe zult gij weten, dat het briefje aldaar ligt? Gij kunt niet te dikwijls vergeefs naar de regenton loopen."
"Daar is gemakkelijk iets op te vinden. Ik zal u immers moeten zeggen, of aan u laten zeggen, dat gij met mij op den geldtrein post vatten moet. Dat zal ik reeds op den voormiddag doen. Ik zal naar u laten zoeken, en dat zullen zij u wel zeggen, zoodra gij terugkomt. Dan komt gij terstond vragen, waarom ik naar u heb laten zoeken; maar eerst verbergt gij het papier achter de ton. En zoodoende weet ik, dat ik het daar vinden kan. Begrepen?'
"Ja. Zijn wij klaar nu, of is er nóg iets?'
"Neen, ik heb niets meer te zeggen. Dring er vooral op aan, dat het plan aangenomen wordt, en zoo mogelijk zonder veranderingen; want anders zouden er weer andere toebereidselen noodig zijn, en daar is geen tijd meer toe. Maak vooral spoed onderweg. En nu, goedennacht!"
De ander zei ook "goedennacht", en spoedde zich weg. Het raam werd zachtkens dichtgemaakt. Old Firehand bleef nog een poosje liggen, en schoof toen zeer voorzichtig terug naar het luik, om naar beneden te klimmen. Nog eer hij de trap af was, vroeg hem een fluisterende stem: "Wie komt daar? Ik ben het, de ingenieur."
"Old Firehand. Kom mee in mijn kamer, sir!"
Zoodra zij zich daar bevonden, vroeg de ambtenaar of het mogelijk geweest was het gesprek af te luisteren. De jager verhaalde hem alles wat hij gehoord had, en sprak de overtuiging uit, dat de zaak uitmuntend van stapel zou loopen. Na nog eenige woorden met elkander gewisseld te hebben, gingen zij van elkander af, om te gaan slapen.
Old Firehand ontwaakte den volgenden morgen reeds in de vroegte. Voor hem, die gewend was aan beweging en bedrijvigheid, was het een zeer moeilijk ding, zich zoo werkeloos schuil te houden in zijn kamer; maar dat kon nu niet anders, en hij moest er zich in schikken. Het moest omstreeks elf uur zijn, toen de ingenieur hem kwam opzoeken, en hem meedeelde, dat de klerk druk aan het hem opgedragen werk was, en alle moeite deed om zich den schijn te geven van iemand, die stipt was in het plichtbetrachten. Er was ook om Faller gezonden, doch dien had men natuurlijk niet kunnen vinden. Dientengevolge was er aan het werkvolk last gegeven, om hem, zoodra zij hem zagen, te zeggen, dat hij bij den ingenieur moest komen. Die mededeelingen waren juist afgeloopen, toen Old Firehand een gebocheld klein kereltje de hoogte zag opkomen, gekleed in een leeren jachtgewaad, en met een geweer dat over zijn schouder hing.
"He, Humply-Bill!" zei hij op een toon van bevreemding. En ter opheldering liet hij er op volgen: "Er is stellig onverwachts iets bijzonders gebeurd, want anders zou hij niet hier komen. Ik hoop, dat het maar niet iets onaangenaams is. Hij weet, dat ik hier om zoo te zeggen incognito ben; en hij zal dus aan niemand anders dan aan u naar mij vragen. Wees zoo goed, Sir! en breng hem dadelijk bij mij."
De ingenieur ging de kamer uit, en op hetzelfde oogenblik trad Bill het huis binnen.
"Neem mij niet kwalijk sir!" zei hij. "Ik lees daar op dat bord, dat hier de ingenieur woont. Zou ik dien eens mogen spreken?"
"O ja wel, ik ben het zelf. Kom binnen."
Hij bracht hem in Old Firehand's kamer, die den kleine ontving met de vraag wat hem genoopt had, zoo tegen alle afspraak hier te komen. "Wees gerust, sir! het is geen doodwond," antwoordde Bill. "Misschien is het integendeel iets goeds; maar het is allen gevalle iets, dat gij dient te weten. Daarom ben ik gekozen, om het u te komen meedeelen. Ik ben dus door niemand hunner gezien. Mijn paard heb ik in het bosch op een veilige plaats geborgen, en ben toen met zooveel omzichtigheid naar hier gekomen, dat zelfs niemand van het werkvolk hier mij kan hebben opgemerkt."
"Goed!" knikte Old Firehand. "En wat is er gebeurd?"
"Gisteren tegen den avond is Winnetou bij ons gekomen, zooals u bekend zal zijn. Zijn komst was voor de Tante een reden tot groote blijdschap, en ook de anderen waren er trotsch op, dien beroemden man in hun midden te zien...."
"Als hij u zoo gemakkelijk heeft kunnen vinden, hebt gij u stellig niet heel goed verscholen?"
"Integendeel, sir! Daar de tramps ons niet mogen zien, hebben wij juist een plaats uitgezocht, waar die kerels ons stellig nooit zullen zoeken. Kort voordat hij bij ons kwam, had hij ook de legerplaats van de tramps opgesnuffeld; en toen het geheel donker was geworden, begaf hij zich daarheen, om hen gade te slaan en zoo mogelijk iets af te luisteren. Toen hij met het aanbreken van den dag nog niet terug was, en zijn uitblijven zelfs nog eenige uren langer duurde, maakten wij ons zeer ongerust: maar dat was onnoodig; er was hem niets wedervaren. Integendeel, hij had weer eens een van zijn meesterstukken ten uitvoer gebracht. Op klaarlichten dag was hij zoo dicht in de nabijheid van de tramps geslopen, dat hij woord voor woord verstaan kon wat er gesproken werd. Of, gesproken is eigenlijk het goede woord niet: er werd veel meer geschreeuwd en gejubeld. Er was een boodschapper van hier aangekomen met een tijding, die de gansche bende als uitgelaten en dol maakte van blijdschap."
"Aha, Faller!"
"Juist, Faller; zoo heette de kerel. Die sprak van een half millioen dollars, dat uit een spoortrein gehaald zou worden."
"Dat is richtig."
"Zoo! De Apache heeft daar ook van gesproken. Dat is dus een valstrik, waarin gij de kerels wilt lokken. Faller heeft de tramps louter meegedeeld, wat gij hem wijsgemaakt hebt. En dus weet gij ook dat hij naar hen toe is, om het hun te vertellen."
"Ja, dat hij het aan hen zou gaan vertellen, maakt natuurlijk een deel van ons plan."
"Maar dan dient gij noodwendig ook te weten, dunkt mij, wat daarop besloten is?"
"Natuurlijk! Daartoe hebben wij een middel bedacht, waardoor wij dat te weten zullen komen, zeer kort nadat Faller hier teruggekeerd zal zijn."
"Nu, daarvoor behoeft gij niet eens op den kerel te wachten, want Winnetou heeft alles afgeluisterd. De schobbers hebben van uitgelatenheid zoo hard geschreeuwd, dat het mijlen ver in het rond wel te hooren was. Faller heeft een slecht paard, en zal dus stellig pas in den namiddag hier terugkomen. Het is dan ook maar goed, dat Winnetou mij naar u toe gezonden heeft."
"Ja, daar heeft hij zeer verstandig aan gedaan; want hoe eer wij weten wat de tramps van plan zijn te doen, des te eer kunnen wij onze maatregelen daarnaar nemen. Ik zal u ons plan in zijn geheel meedeelen."
Old Firehand beschreef den kleine al de bijzonderheden, waarop men bedacht moest zijn, en waarmee men rekening te houden had. Bill luisterde aandachtig, en zei toen: "Uitstekend sir! Ik denk dat alles precies zal gaan, zooals gij het berekend hebt. De tramps hebben het voorstel van den klerk terstond gaaf aangenomen, op slechts één kleinigheid na."
"En dat is?"
"De plaats, waar zij den trein overvallen zullen. Daar hier te Sheridan vele baanwerkers wonen, en zulk een belangrijke geldtrein altoos iets buitengewoons is, waren de meeste tramps van oordeel, dat er waarschijnlijk velen op de been zullen komen om dien trein te zien. Dat kon onvoorziens aanleiding geven tot verzet; en de schavuiten willen het geld hebben, maar liefst niet ten koste van hun bloed. Daarom moet de klerk den trein rustig weer uit Sheridan laten afrijden, maar dan kort daarna den machinist en den stoker dwingen op de openliggende lijn te stoppen."
"Weet gij ook waar?"
"Neen, die plaats is niet bepaald. Maar de tramps zullen op zij van den weg een vuur aanleggen, en daarnaast moet de locomotief stoppen. Willen de machinist en de stoker niet gehoorzamen, dan moeten ze doodgeschoten worden. Misschien is die verandering niet erg naar uw zin, sir?"
"Integendeel, want nu loopen wij ten minste het anders altoos mogelijke gevaar mis, dat het tusschen het werkvolk hier en de tramps tot een gevecht kon komen. Bovendien behoeven wij nu ook niet met twee spionnen naar Carlyle. Het is niet eens meer noodig hen nog langer in hun waan te laten. Heeft Winnetou u ook gezegd, waar gijlieden post moeten vatten?
"Ja, voor den tunnel, die uitloopt aan de andere zijde van de brug."
"Goed! Maar gij moet u schuilhouden tot de trein in den tunnel is. Dan volgt de rest vanzelf."
Nu wist men waaraan men zich te houden had, en kon men een begin maken met de noodige toebereidselen. De telegraaf speelde naar Carlyle en ook naar Fort Wallace: naar eerstgenoemde plaats, dat de bewuste trein in gereedheid gebracht kon worden, en naar de andere plaats om soldaten. Ondertusschen kreeg Humply-Bill eten en drinken, en verwijderde zich toen even ongezien als hij gekomen was.
Omstreeks den middag kwamen van beide stations de antwoorden aan, inhoudende, dat aan het uitgedrukte verlangen voldaan zou worden. En een paar uur later zag men Faller aankomen. Old Firehand zat met den ingenieur in zijn kamer. Beiden hielden ongemerkt den tramp in het oog, en deze hield zich even bij de regenton op.
"Ontvang hem op uw kantoor," zeide Old Firehand, "en houd hem daar aan den praat tot ik u achterna kom. Ik wil eerst even het bericht lezen, dat hij terugbrengt."
De ingenieur ging naar zijn kantoor, en toen Faller daar binnen gelaten was, spoedde Old Firehand zich naar de voordeur. Toen hij zijn blik achter de ton wierp, zag hij daar een steen liggen, Die tilde hij op, en daaronder vond hij het papier zooals hij verwachtte; hij vouwde het open, en las de door den kornel geschreven regelen. De inhoud kwam volkomen overeen met de mededeeling van Humply-Bill. Hij vouwde het papier weer dicht, legde het weer onder den steen, en kwam toen op het kantoor, waar Faller in een onderdanige houding voor den ingenieur stond, de tramp herkende den jager niet, gekleed in zijn linnen kostuum; en hij schrikte dan ook niet weinig, toen deze de hand op een zijner schouders legde, en hem op een dreigenden toon vroeg: "Weet gij wie ik ben, master Faller?"
"Neen," was het antwoord.
"Dan hebt gij bij de boerderij van Butler niet goed uit uw oogen gekeken. Ik ben Old Firehand. Hebt gij wapentuig bij u?"
Meteen trok hij den tramp een mes uit den gordel en haalde een revolver uit zijn broekzak, zonder dat de ontstelde kerel een vinger verroerde om dat te beletten. Toen zei hij tegen den ingenieur: "Wees zoo goed, sir! en ga even aan den klerk zeggen, dat Faller hier geweest is; maar verder niets. En kom dan asjeblieft hier terug."
De ambtenaar verwijderde zich. Old Firehand duwde den tramp op een stoel neer, en bond hem, met een op de schrijftafel liggend stevig touw, aan de leuning van den stoel vast.
"Sir?" sprak de nu eenigszins van zijn schrik bekomen schavuit; "wat beduidt die behandeling? Waarom knevelt gij mij? Ik ken u niet!"
"Zwijg!" gebood de jager, meteen de revolver grijpende. "Als ik uw geluid nog eens hoor, voordat ik u veroorloof te spreken, jaag ik u een kogel door den kop!"
De dus bedreigde werd doodsbleek, en durfde zijn lippen niet meer bewegen. Nu kwam de ingenieur weder binnen. Old Firehand wenkte hem, om aan de deur te blijven staan; hij zelf ging aan het raam staan, maar zoo, dat hij van buiten af niet gezien kon worden. Hij hield zich overtuigd, dat de klerk zijn nieuwsgierigheid niet lang zou kunnen bedwingen. Het duurde dan ook geen twee minuten, of hij zag het voorste gedeelte van een arm achter de ton grijpen; de eigenaar van dien arm kwam niet te zien, want die stond dicht bij den stijl van de deur. Old Firehand knikte den ingenieur toe, en deze opende schielijk de deur, juist toen de klerk daar voorbij wilde.
"Master Haller! wilt gij even binnenkomen?" vroeg hij hem.
De toegesprokene had het papier nog in zijn hand. Hij moffelde het gauw weg, en voldeed aan de hem gedane uitnoodiging met zichtbare verlegenheid. Maar wat zette hij een verschrikt gezicht, toen hij zijn kameraad daar zag zitten vastgebonden aan den stoel! Hij herstelde zich echter dadelijk, en wel zoo goed, dat zijn gelaat geen zweem verried van zijn inwendige ontroering. "Wat is dat voor een papier, dat gij daar in uw zak gestoken hebt?" vroeg Old Firehand.
"Een oud winkelzakje," antwoordde de tramp.
"Zoo? Laat het mij eens even zien!"
De klerk keek hem verwonderd aan, en antwoordde: "Hoe komt het in u op, mij zulk een onbegrijpelijk bevel te willen geven? Eerstens weet ik niet wie gij zijt; ik ken u niet. En overigens ben ik toch baas over mijn eigen zak, geloof ik."
"Gij kent hem wel degelijk," viel de ingenieur in de rede. "Het is Old Firehand!"
"Old Fire...." riep de tramp, letterlijk gillende. De laatste lettergreep bleef hem in de keel steken van schrik. Zijn wijd-opengespalkte oogen waren strak op den grooten jager gericht.
"Ja, ik ben het!" bevestigde deze. "Hier hebt gij mij stellig niet verwacht. En wat den inhoud van uw zakken betreft, daar heb ik stellig meer recht op dan gij zelf. Laat mij eens dat papier zien!"
Dit zeggende nam hij den tramp die niet waagde zich te verzetten, eerst zijn mes af, haalde toen uit zijn zak een geladen revolver, die hij bij zich stak, en eindelijk ook het bewuste papier.
"Sir!" vroeg de schurk nu met kwalijk verbeten woede; "met welk recht behandelt gij mij zoo?"
"In de eerste plaats met het recht van den sterkste en van een eerlijk man; en in de tweede plaats heeft Mr. Charoy, die hier als vertegenwoordiger van de politie fungeert, in deze zaak zijn bevoegdheid aan mij opgedragen."
"In welke zaak? Wat ik bij mij draag is mijn eigendom. Ik heb niets onwettigs gedaan, en verlang bepaald te weten waarom gij mij als een dief behandelt?"
"Als een dief? Pshaw! Gij mocht willen, dat het daarbij bleef! Het betreft hier niet enkel een diefstal, maar in de eerste plaats een moord, namelijk het overrompelen en plunderen van een spoortrein, waarbij onvermijdelijk een aantal menschenlevens het slachtoffer zou worden."
"Sir! versta ik u wel goed?" riep de kerel met een goed gehuichelde verbazing. "Wie heeft u zulk een ongehoorden bonk op de mouw gespeld?"
"Niemand. Wij weten stellig en zeker, dat die ongehoorde bonk beproefd moet worden."
"Door wien dan?"
"Door u!"
"Door mij?" En de tramp schoot in den lach. "Neem mij niet kwalijk, Sir! maar wie zich verbeeldt, dat ik, een arme klerk, die hier geheel alleen staat en die dat stuk dus zou moeten uitvoeren zonder helpers, een trein zou willen overrompelen, die moet wel stapelgek zijn."
"Dat stem ik toe! Maar in de eerste plaats zijt gij geen klerk, en ten andere staat gij niet zoo alleen als gij ons wilt wijsmaken. Gij behoort tot de tramps, die aan den Osage-nook de Osagen overvallen hebben, die daarna een aanslag beproefd hebben op de boerderij van Butler, en nu hier een half millioen dollars uit den spoortrein wilden halen."
Men zag aan beide tramps, dat zij ontstelden; maar toch wist de nagemaakte Haller zich goed te houden, en antwoordde op den toon van iemand, die zoo onschuldig is als een pasgeboren kind: "Van al die dingen weet ik niemendal."
"En toch zijt gij louter daarvoor hier gekomen, om de gelegenheid af te loeren en er bericht van te geven aan uw komplot-genooten."
"Ik? En ik heb hier nog geen voet buiten de deur gezet!"
"Dat is zoo; maar uw kameraad heeft voor boodschapper gespeeld. Wat hebt gij dan gisteravond door het geopende raam met elkander gesproken? Ik heb boven uw hoofd op het dak gelegen en alles woord voor woord afgeluisterd. Op dit papier staat het antwoord, dat de roodharige kornel u zendt. Ik heb het ding nog niet gelezen, maar ik weet toch precies wat er in staat; en dat zal ik u bewijzen. De tramps hebben zich genesteld hooger op, aan den Eagle-tail. Zij willen in den aanstaanden nacht herwaarts komen en zich buiten Sheridan aan de spoorbaan schuilhouden, en daar een vuur aanleggen, dat dienen moet, om u de plaats aan te wijzen, waar gij de machinist moet dwingen, om den trein te doen stoppen; en dan willen zij er het geld uithalen."
"Sir!" stotterde de klerk, nu niet langer in staat om zijn angst te verbergen, "als er werkelijk lieden zijn, die zoo iets van plan zijn, is het louter een mij onverklaarbaar gevolg van omstandigheden, waardoor ik met zulke boosdoeners in aanraking ben gekomen. Ik ben een eerlijk mensch, en....."
"Zwijg!" gebood Old Firehand. "Een eerlijk mensch moordt niet!"
"Wilt gij daarmee zeggen, dat ik gemoord heb?"
"Natuurlijk! Gij zijt moordenaars alle twee. Waar is die rondreizende dokter en waar is zijn famulus, die gij met den roodharigen kornel vervolgd hebt? Is de famulus niet doodgeschoten, omdat gij zijn brief noodig hadt, teneinde u hier, in zijn plaats, te kunnen uitgeven voor den klerk Haller, om u op die manier het werk van spion gemakkelijk te maken? Hebt gij den dokter niet al zijn geld afgenomen?"
"Sir!... ik... ik weet ... geen woord ... van al die dingen," stotterde de tramp.
"Niet? Dan zal ik u dadelijk overtuigen. Maar om te zorgen, dat gij geen poging kunt doen om ons te ontsnappen, zullen wij u eerst den pas daartoe afsnijden. Mr. Charoy! wees zoo goed, dezen kerel de armen eens op den rug te binden. Ik zal hem vasthouden."
Toen de tramp deze woorden hoorde, vloog hij op de deur aan om te ontkomen. Maar Old Firehand was hem te vlug. Die greep hem, trok hem terug en hield hem, in weerwil van zijn wanhopig verzet, zoo stevig vast, dat de ingenieur hem zonder moeite knevelen kon. Toen werd Faller van den stoel losgemaakt, en met den klerk naar de kamer gebracht, waar de gekwetste Hartley lag. Zoodra deze de twee snaken zag, die hij terstond herkende richtte hij zich ter halve op, met den uitroep: "Gud! dat zijn de kerels, die mij mijn geld afgenomen, en die den armen Haller vermoord hebben! Is de derde er ook?"
"Neen, dien hebben wij nog niet; maar dien zullen wij óók wel in handen krijgen!" antwoordde Old Firehand. "De kerels ontkennen alles!"
"Ontkennen? Ik herken hen goed allebei! Daar durf ik duizend eeden op doen. Ik hoop, dat mijn woord geloofwaardiger is dan het hunne?"
"Uw verzekering is volstrekt niet noodig, master Hartley! Wij hebben bewijzen genoeg in handen, om te weten waaraan wij ons te houden hebben!"
"Mooi zoo! Maar hoe is het met mijn arme geldje?"
"Dat zal óók wel terechtkomen. Ik heb hun eerst hun wapentuig maar afgenomen, en dit briefje, dat ik nu eens zal lezen."
Hij vouwde het open, nam kennis van den inhoud en gaf het toen ter inzage aan den ingenieur. Op dat papier stond alles precies, zooals Winnetou het had afgeluisterd, en zooals Old Firehand het reeds aan de twee tramps gezegd had. De twee zeiden nu geen woord meer; zij begrepen, dat verder ontkennen hun toch niets meer baten kon.
Nu werden al hun zakken doorzocht en geledigd. Ook de banknoten, die zij als hun aandeel ontvangen hadden, kwamen nu voor den dag, en werden aan Hartley teruggegeven. Zij bekenden, dat de roodharige kornel het overige gedeelte had. Daarop werden zij ook aan de voeten gekneveld en op den vloer neergelegd. Er was in het huis geen kelder of eenig ander vertrek, waar zij in verzekerde bewaring gebracht konden worden. En Hartley was zóó op hen gebeten, dat zij wel niet onder strengere bewaking gesteld konden worden. Men gaf hem een geladen revolver, met den last om hen terstond dood te schieten, als zij de minste poging deden om hun boeien te verbreken.
Toen men met die twee klaar was, konden de verdere toebereidselen gemaakt worden voor de tenuitvoerlegging van het plan. Het was nu niet meer noodig, de twee tramps op de locomotief te doen post vatten, en daarom behoefde de trein, die te Carlyle gerangeerd werd, niet reeds door Old Firehand overgenomen te worden. Er werd dus opnieuw naar het station getelegrafeerd, dat de trein op het bepaalde tijdstip van daar moest vertrekken, om vóór Sheridan te stoppen op een bepaald punt, waar die zou worden overgenomen.
Iets later in den namiddag kwam er een telegram uit Fort Wallace, dat er tegen den avond een detachement soldaten zou worden afgezonden, om te middernacht ter bepaalde plaatse aan te komen.
TIENDE HOOFDSTUK.
AAN DEN EAGLE-TAIL. [2]
De baanwerkers te Sheridan waren meerendeels Duitschers en Ieren. Zij wisten van al het hiervoren verhaalde nog niets hoegenaamd, daar het zich wel liet vermoeden, dat de kornel twee of meer verspieders zou uitzenden, om hen gade te slaan, en die dan allicht uit de gebaren van het werkvolk konden opmaken en raden, dat men gewaarschuwd was. Toen echter het uur van uitscheiden dien avond op de komst was, deelde de ingenieur aan zijn Overseeer of the workmen (= opzichter over het werkvolk) het noodige mee, en droeg hem de taak op, om zonder veel opzien te verwekken de werklieden er bekend mee te maken en hun op het hart te drukken, dat zij zich vooral moesten houden alsof zij van niets wisten, dat de spionnen, die misschien zouden komen, geen argwaan konden krijgen.
De opzichter was iemand uit New-Hampshire en had een zeer bewogen leven achter den rug. Aanvankelijk voor het bouwkundige vak bestemd, was hij daarin dan ook geen geruimen tijd werkzaam geweest, doch had het niet tot zelfstandigheid daarin kunnen brengen, waardoor hij naar een ander middel van bestaan had omgezien, waarin voor een Yankee geen schande steekt. De fortuin was hem echter ook toen niet gunstig geweest, waarom hij aan het Oosten vaarwel had gezegd en den Mississippi overgestoken was, ten einde daar zijn geluk te beproeven, doch alweer met hetzelfde ongunstige gevolg. Nu eindelijk had hij hier te Sheridan zijn tegenwoordige betrekking gevonden, waarin hij van zijn vroeger opgedane kundigheden partij kon trekken; maar ook hier voelde hij zich niet tevreden. Voor ieder, die eens de lucht der prairie en van het oerwoud ingeademd heeft, zal het moeilijk, zoo niet onmogelijk wezen, weer aan een geregelde levenswijs te wennen.
Deze man, die Watson heette, was uitermate in zijn schik, toen hij hoorde wat er gebeuren zou.
"De hemel zij gedankt, dat er eindelijk eens een kleine afwisseling zal komen in dat alledaagsche zelfde koekoek-éénzang!" zei hij. "Mijn oude geweer heeft al zoolang in een hoek gestaan en er zoo reikhalzend naar verlangd om weer eens een verstandig woord te mogen spreken. Ik denk, dat het vandaag wel gelegenheid daartoe vinden zal. Maar heb ik u goed verstaan? De naam, dien gij mij genoemd hebt, komt mij niet onbekend voor, sir! De roodharige kornel? En noemde u hem niet Brinkley? Ik heb eens een Brinkley ontmoet, die valsch haar droeg, dat rood was; maar zijn natuurlijk haar was donker van kleur. Die ontmoeting heeft mij bijna mijn leven gekost."
"Waar en wanneer is dat geweest?" vroeg Old Firehand.
"Dat is twee jaar geleden; het was hooger op, aan den Grand River. Ik was met een kameraad, een Duitscher, die Engel heette, boven aan het Zilvermeer geweest; wij wilden naar Pueblo, en dan over den Arkansas-weg naar het Oosten, om daar de noodige werktuigen en gereedschappen te halen voor een onderneming, die ons millioenen had kunnen inbrengen."
Old Firehand luisterde met alle aandacht.
"Heette die man Engel?" vroeg hij. "Een onderneming, die u millioenen had kunnen inbrengen? Mag ik ook iets naders daarvan weten?"
"O ja, waarom niet? Wij beiden hadden elkaar wel de stiptste geheimhouding beloofd; maar de millioenen zijn op niets uitgedraaid, doordien het plan nooit tot uitvoering gekomen is. En daarom, dunkt mij, ben ik niet langer tot geheimhouding verplicht. Het betrof, namelijk, het ophalen van een verbazenden schat, die in het water van het Zilvermeer verzonken ligt."
De ingenieur liet een kort, ongeloovig lachje hooren. Daarom vervolgde de opzichter; "Het moge ongelooflijk klinken, sir! maar niettemin is het waar. Gij, Mr. Firehand! zijt een der beroemdste Westmannen, en zult heel wat beleefd en ondervonden hebben, dat, indien u het vertellen wilde, niemand zou willen gelooven. Misschien zult gij althans niet lachen om hetgeen ik vertel."
"Dat kan niet in mij opkomen," antwoordde de jager op een ernstigen toon. "Ik ben gaarne bereid u wel degelijk te gelooven; daartoe heb ik mijn goede redenen. Ik heb zelfs voor de vaste waarheid gehoord, dat er op den bodem van het meer een schat bedolven ligt."
"Is het tòch waar! Nu, dan zal ik ten minste niet door u voor iemand gehouden worden, die zich alles laat wijsmaken, of die anderen sprookjes zoekt te vertellen. Ik zou er, dunkt mij, een eed op durven doen, dat die schat er werkelijk ligt. De man, die het mij verteld heeft, kan niet gelogen hebben."
"Wie was dat dan?"
"Een oude Indiaan. Ik heb nog nooit een tweede gezien zoo stok-, stok-oud. Het was letterlijk een levend geraamte, zoo was hij uitgeteerd, en vertelde ons zelf dat hij ver, ver over de honderd zomers doorleefd had. Hij noemde zich Hawi-kolakatho, maar deelde ons eens in vertrouwen mee, dat zijn naam eigenlijk Itatsjitatli was. Wat die Indiaansche namen beteekenen weet ik niet."
"Maar ik weet het wel," zei Old Firehand. "De eerste naam behoort tot de Tonkawa-taal, de tweede tot de taal der Azteken, en de beteekenis van beide namen is dezelfde, namelijk: de groote vader. Vertel verder, Mr. Watson! Ik ben uiterst verlangend om van u te hooren, hoe gij met dien Indiaan in kennis gekomen zijt."
"Wel, dat is eigenlijk niets bijzonders of avontuurlijks. Ik had mij in den tijd verrekend, en was te lang in de bergen gebleven, zoodat ik door de eerste sneeuw overvallen werd. Ik moest dus boven blijven en hier of daar een plaats trachten te vinden, waar ik, zonder van den honger om te komen, zou kunnen overwinteren. Ik, moederziel alleen, rondom ingesneeuwd, dat was me een toestand! Gelukkig kwam ik nog tot aan het Zilvermeer, en ontwaarde daar een steenen hut, uit welke rook opsteeg; toen was ik gered. De bewoner van die hut was de bedoelde oude Indiaan. Hij had een kleinzoon en een achterkleinzoon, genaamd de Groote Beer en de Jonge Beer, die...."
"O, Nientropan-hawi en Nientropan-homosj?" viel Old Firehand hem in de rede.
"Juist, dat waren hun namen in het Indiaansch. Kent gij die twee, Sir?"
"Ja. Maar vertel verder, vertel verder!"
"De twee Beren waren naar de Wazatej-bergen gegaan, en moesten dus daar het voorjaar afwachten. Door het vroege invallen van den winter was het een volslagen onmogelijkheid voor hen, door de massa's sneeuw heen te komen, en van daar naar het Zilvermeer. Zij verkeerden natuurlijk in de grootste ongerustheid over den ouden man; want zij wisten niet beter of hij was daar moederziel alleen, zoodat hij onvermijdelijk zou moeten omkomen. Gelukkig vond ik, toen ik bij hem kwam, reeds een ander daar, die ook de wijk in zijn hut genomen had, namelijk den straks reeds genoemden Duitscher, die Engel heette. Doch ik zal het maar een beetje kort maken: wij besloten dat wij met ons drieën den ganschen winter maar bij elkander zouden blijven. Voor hongerlijden behoefden wij niet bang te zijn: er was wild in overvloed. Maar de koude had den ouden man zóó aangepakt, dat nauwelijks de eerste zachtere dagen gekomen waren, of wij moesten hem begraven. Hij had ons lief gekregen, om ons zijn dankbaarheid te toonen, deelde hij ons het geheim mede van den schat in het Zilvermeer. Hij was in het bezit van een zeer oud leder, waarop een nauwkeurige afbeelding de plaatsen aanwees, waar de schat bedolven lag, en hij vergunde ons een kopie daarvan te maken. Toevallig had Engel papier bij zich, want anders hadden wij er met geen mogelijkheid een kopie van kunnen maken, en het stuk leder wilde de oude man ons niet geven: dat bewaarde hij voor de twee Beren. Op den dag waarop hij stierf, heeft hij het kort voor zijn dood begraven; maar waar, dat weten wij niet; en uit eerbied voor zijn nagedachtenis hebben wij er ook niet naar willen zoeken. Toen hij onder zijn grafheuvel lag, zijn wij van daar vertrokken. Engel had de kopie-teekening in zijn jachtbuis genaaid."
"Dus hebt gij niet op de terugkomst van de twee Beren gewacht?" vroeg Old Firehand.
"Neen."
"Dat is zeer verkeerd van u geweest."
"Dat zal ik niet tegenspreken; maar wij hadden maandenlang in de sneeuw gezeten, en waren verlangend om weer menschen te zien. Nu, wij kwamen dan ook al spoedig onder menschen; maar welke? Wij werden door een troep Utah-Indianen overvallen en letterlijk van alles beroofd. Zij zouden ons ook stellig vermoord hebben; maar zij kenden den ouden Indiaan, die hoog bij hen in eere stond; en toen zij hoorden, dat wij ons het lot van den ouden man aangetrokken en hem na zijn dood begraven hadden, schonken zij ons het leven, gaven ons althans onze kleeren terug, en lieten ons verder ongemoeid onzen weg gaan. Maar onze wapens behielden zij, waarmee zij ons eigenlijk een grooten ondienst deden, daar wij zonder wapenen aan allerlei gevaren blootstonden, tot zelfs aan het gevaar van honger om te komen, uit gebrek aan voedsel. Gelukkigerwijze, of beter gezegd ongelukkigerwijze, troffen wij den derden dag een jager aan van wien wij wat vleesch kregen. Toen hij hoorde dat wij naar Pueblo wilden, gaf hij voor dat hij ook daar naar toe ging; en hij vergunde ons, ons bij hem aan te sluiten."
"Was dat de roodharige Brinkley?"
"Ja. Hij noemde zich wel anders; maar ik ben later te weten gekomen, dat hij zóó heette. Hij hoorde ons uit, en wij vertelden hem alles; alleen de bijzonderheden van den schat en van de kopie-teekening, die Engel bij zich had, verzwegen wij hem; want zijn uiterlijk boezemde ons eigenlijk niet veel vertrouwen in. Het is misschien gek van mij, maar ik heb altijd een soort van afkeer gehad van menschen met rood haar, ofschoon mijn gezond verstand mij zegt, dat zich onder die lieden waarschijnlijk niet meer schurken bevinden dan onder anderen, wier hoofd met haar van een andere kleur begroeid is. Overigens heeft onze geheimhouding ons niet veel gebaat. Daar hij alleen wapentuig had, ging hij dikwijls uit om te jagen, en dan zaten wij, Engel en ik, alleen, en spraken wij bijna over niets anders dan over den schat. Op zekeren dag is hij tersluiks teruggekomen, en heeft ons gesprek afgeluisterd. Toen hij den volgenden morgen weer uitging om vleesch te maken, zei hij tegen mij, dat ik met hem mee moest gaan, want dat vier oogen meer zagen dan twee. Na verloop van een uur toen wij ons ver genoeg van Engel verwijderd hadden, zei hij mij, dat hij alles afgeluisterd had, en dat hij ons de kopie-teekening zou afnemen, om ons te straffen voor ons wantrouwen. Meteen trok hij zijn mes, en viel op mij aan. Ik verweerde mij als een wanhopige, maar dat was tevergeefs; hij stiet mij het mes in de borst!"
"Schandelijk!" riep Old Firehand. "Zijn plan was, om vervolgens ook Engel te vermoorden, en zoodoende alleen in het bezit van het geheim te komen."
"Juist. Gelukkig had hij mij niet in mijn hart getroffen, maar zich toch verbeeld, dat ik dood was. Toen ik weer tot bezinning kwam, lag ik naast een grooten plas bloed op de knieën van een Indiaan, die mij gevonden had. Dat was Winnetou, de hoofdman der Apachen."
"Wat een geluk! Toen was u in goede handen. Die man schijnt overal te zijn!"
"In goede handen was ik, dat is waar. De Roodhuid had mij reeds verbonden. Hij gaf mij water; en ik moest hem, zoo goed als mijn zwakte toeliet, vertellen wat er gebeurd was. Daarop liet hij mij alleen liggen, en ging het voetspoor van Brinkley na. Toen hij ruim twee uur later terugkwam, vertelde hij mij hoe hij gevaren was. De moordenaar was regelrecht teruggegaan, om ook Engel van kant te maken. Deze had echter, doordien Brinkley mij medegenomen had, achterdocht gekregen, en was ons achternagegaan. Wat er nu gebeurd was, dat zeiden de sporen duidelijk. Hij had het beoogde moordbedrijf van verre gezien; maar hij was te ver van mij af, en de moordenaar was zóó snel te werk gegaan, dat hij den tijd niet gehad had, om mij te hulp te snellen. Hij begreep zeer goed, dat hij nu zelf in gevaar was; en geheel ongewapend zijnde, vond hij het raadzaam, om zonder een oogenblik te verliezen te vluchten. Toen Brinkley mij vervolgens voor dood liet liggen en terugkeerde, vond hij het spoor van den gevluchte, en ging dien achterna. Maar Engel is hem toen toch ontkomen, zooals ik later gehoord heb."
"Ja, hij is het ontkomen," knikte Old Firehand.
"Hoe?" vroeg de opzichter. "Weet gij dat, sir?"
"Ja; maar daarover later. Vertel eerst maar verder."
"Winnetou was op een rit naar het noorden. Hij had geen tijd, om zich weken lang met mij bezig te houden, en hij bracht mij in een legerplaats der Timbabatsj-Indianen, met wie hij op een vriendelijken voet stond. Die hebben mij verpleegd tot ik geheel hersteld was, en toen brachten zij mij naar de dichtstbij gelegen nederzetting, waar ik op de menschlievendste wijs ontvangen werd, en alle mogelijke hulp vond. Ik heb daar een halfjaar lang allen bedenkelijken arbeid verricht, ten einde zooveel te verdienen, dat ik in staat was om naar het oosten te komen."
"Waar wilde u dan naar toe?"
"Naar Engel. Ik ging uit van de vooronderstelling, dat hij ontkomen was. Ik wist, dat hij in Russelville, Kentucky, een broeder had, dien wij van plan geweest waren op te zoeken, om daar de noodige toebereidselen te maken voor onzen tocht naar het Zilvermeer. Toen ik daar aankwam hoorde ik, dat die broeder naar den Arkansas vertrokken was, maar geen mensch wist mij te zeggen naar welke plaats. Bij zijn buurman had hij een brief achtergelaten voor zijn broer, als die naar hem mocht komen vragen. En die was dan ook werkelijk gekomen, en had den brief in ontvangst genomen, waarin natuurlijk wel de nieuwe woonplaats opgegeven was. Daarop was Engel vertrokken; en de buurman was sedert dien tijd gestorven. Ik ging dus naar Arkansas; en ik heb den ganschen staat doorzocht, maar tevergeefs. Doch in Russelville had Engel het avontuur verteld en mijn moordenaar Brinkley genoemd. Hoe en waardoor hij dien naam te weten gekomen was, is mij onbekend. Nu weet gij alles, messieurs! wat ik u te vertellen had. Als het met dien naam Brinkley is zooals ik vermoed, dan zal het een genot voor mij wezen, als ik dien schobbejak in mijn handen krijg. Ik geloof, dat ik met pleizier de rekening met hem vereffenen zal."
"Er zijn er meer, die datzelfde plan hebben," merkte Old Firehand aan. "Maar een ding is mij nog niet duidelijk. Gij hebt daarstraks gezegd, dat het roode haar van dien Brinkley valsch haar was. Hoe kunt gij dat weten?"
"Dat is zeer eenvoudig. Toen hij mij aanviel en ik mij verweerde, greep ik hem bij zijn kop. Ik zou hem stellig op den grond getrokken hebben en overwinnaar gebleven zijn, als de scalp op zijn kop vastgezeten had; maar ik hield het losse pruikje in mijn hand. Van dat vluchtige oogenblik mijner verbazing maakte hij gebruik, om mij het mes in de borst te stooten. Zijn eigen haar, zooals ik nog zien kon, was donker."
"Well! Er valt niet aan te twijfelen; gij hebt te doen gehad met den roodharigen kornel. Het gansche leven en streven van dien kerel schijnt een aaneenschakeling te zijn van misdaden en moorden. Wij willen hopen, dat het ons van nacht gelukt, daaraan voorgoed een einde te maken."
"Dat hoop ik van ganscher harte met u. Maar gij hebt mij nog niet gezegd hoe wij ons bij den ophanden zijnden aanval verweren moeten."
"Dat behoeft gij nu nog niet te weten. Gij zult het vernemen zoodra het tijd is. Voorloopig hebben de werklieden zich rustig te houden; zij kunnen er zich op voorbereiden, dat zij van nacht niet veel zullen slapen. Ook moeten zij vooral hun wapenen in orde brengen. Nog vóór middernacht moeten zij plaats nemen in een trein, die hen naar de plaats der ontknooping zal brengen."
"Well, sir! dan begrijp ik, dat ik verder niets meer behoef te vragen. Uw bevelen zullen stipt ten uitvoer gebracht worden."
Toen de opzichter zich verwijderd had, vroeg Old Firehand aan den ingenieur, of hij niet een paar werklieden had, die, wat lichaamsbouw en voorkomen betrof, eenigszins geleken op de twee gevangen tramps, en die moed genoeg zouden hebben om op de locomotief de plaats van de twee tramps in te nemen. Charoy dacht een oogenblik na, en zond toen zijn neger uit, om de twee personen te halen, die hij voor die taak het geschiktst achtte.
Toen zij kwamen, zag Old Firehand terstond, dat de keus van den ingenieur vrij gelukkig uitviel. Wat grootte en vorm der gestalten betrof geleken zij vrij wel op de twee gevangenen; en wat het gelaat betrof, liet het zich voorzien dat in de nachtelijke duisternis niemand het onderscheid zou opmerken. Het eenige dat nog een bezwaar kon opleveren, was: dat het stemgeluid niet al te veel moest verschillen. Daarom nam Old Firehand de twee werklieden mee naar de kamer van Hartley, en nam voor de leus de twee tramps nog even in het verhoor. De twee werklieden werden daardoor in staat gesteld om de stemmen der gevangenen te hooren en die zoogoed mogelijk na te bootsen.
Toen dit alles afgeloopen was, besloot de jager nu eens op verkenning uit te gaan, om zich te vergewissen of de roodharige kornel wellicht verspieders uitgezonden had. Hij verliet het huis, en zocht op de manier der Westmannen den ganschen omtrek af. Dit geschiedde natuurlijk naar dien kant, van waar dergelijke lieden komen moesten, dus in de richting naar dien kant van Eagle-tail.
Als een ervaren jager iemand besluipen wil, zonder te weten waar die zich bevindt, gaat hij niet aan het zoeken in het honderd, maar hij overlegt bij zich zelf, waar die persoon, de gegeven omstandigheden goed overwogen, hoogst waarschijnlijk zijn oponthoud gekozen zal hebben. Zoo deed ook Old Firehand. Indien er verspieders gekomen waren, bevonden zij zich in allen gevalle op een plaats, van waar de nederzetting der werklieden bij nacht met het minste gevaar en toch voldoende kon worden gadegeslagen. En zulk een plaats was er op slechts geringen afstand van het huis van den ingenieur. Men had het terrein moeten afgraven, en dientengevolge verhief zich vlak naast het spoor een vrij steil opgaand talud, op welks hoogste punt eenige boomen stonden. Van daar naar beneden had men het beste overzicht terwijl men er gedekt was door de boomen. Zoo ergens, dan moesten de spionnen daar gezocht worden.
Old Firehand wist ongezien aan den anderen kant tot aan den voet van die kleine hoogte te komen, en kroop toen behoedzaam naar boven. Zoodra hij daar aankwam, zag hij, dat zijn veronderstelling juist was. Onder de boomen zaten twee mannen, die zoo zacht met elkander spraken, dat zij beneden noch gehoord noch gezien konden worden. De stoutmoedige, onverschrokken jager naderde hen tot op korten afstand. Hij had hen met beide handen kunnen grijpen. Dat hij zich zoo dicht in hun nabijheid durfde wagen, was te danken aan zijn grijze linnen kostuum, dat in de duisternis niet te onderscheiden was van de kleur van den grond. Het was hem echter niet te doen om hen onschadelijk te maken, maar integendeel om te hooren wat zij zeiden. Ongelukkigerwijze was er in hun gesprek juist een pauze ingetreden; en het duurde een goede poos, eer een der twee zei: "Hebt gij bijgeval iets gehoord van hetgeen er gebeuren moet als wij hier klaar zijn?"
"Neen, niets met zekerheid," was het antwoord.
"Er gaan allerlei praatjes; maar het ware, geloof ik, weet niemand, of althans slechts zeer weinigen."
"De kornel is over het geheel niet erg spraakzaam, en vertrouwt om zoo te zeggen niemand. Als er zijn, die zijn eigenlijk plan kennen, zijn het stellig slechts de weinigen, die reeds vóór ons bij hem geweest zijn."
"Bedoelt gij Woodward, die met hem aan de rafters ontsnapt is? Nu, die schijnt met u nog al op een vertrouwelijken voet. Heeft die u niets gezegd?"
"Onbestemde aanduidingen, anders niet."
"Maar uit aanduidingen kan men toch gevolgtrekkingen afleiden."
"Zeer zeker. Zoo maak ik, bij voorbeeld, uit zijn woorden op, dat de kornel geen plan heeft, om onzen geheelen troep bijeen te houden. Zulk een talrijke menigte is hem voor zijn verdere plannen hinderlijk. Waar veel varkens zijn is de spoeling dun, zegt het spreekwoord. Ik denk dat hij er de besten zal uitpikken, en dat hij met die keurbende eensklaps verdwijnen zal."
"Verduiveld! Zouden al die anderen om den tuin geleid worden?"
"Hoe zoo om den tuin geleid?"
"Wel, als de kornel met de weinigen, die hij bij zich behouden wil, morgen verdwijnt?"
"Dat zou volstrekt geen kwaad kunnen. Ik zou er zelfs blij om zijn."
"Zoo! En ik hoop maar, dat hij zoo iets niet doen zal."
"Heb ik ooit zulk een ezelskop gehoord! Ik dacht niet, dat je zoo onnoozel was."
"Hoe zoo dat?"
"Het spreekt immers vanzelf, dat wij, gij en ik, niet onder de velen zullen behooren, die om den tuin geleid worden, en die op hun duim zullen kunnen fluiten."
"Hebt gij daar eenig bewijs van? Zoo niet, dan zal ik mijn oogen goed openhouden, en desnoods alarm maken."
"Het beste bewijs voor hetgeen ik zeg is, dat hij u met mij naar hier heeft gezonden."
"Wat beduidt dat?"
"Zulk een opdracht wordt slechts aan bruikbare mannen gegeven, op wie men zich verlaten kan. Door ons te kiezen om hier een oog in het zeil te houden heeft hij ons het allerbeste bewijs van zijn vertrouwen gegeven. Wat volgt daaruit? Als hij werkelijk plan heeft een der onzen van zich af te schudden, dan zullen wij niet daartoe behooren, maar in elk geval tot hen, die hij meeneemt."
"Hum! Die redeneering is zoo kwaad nog niet en stelt mij eenigszins gerust. Maar als gij denkt, dat ik mee onder de uitverkorenen behooren zal, waarom laat gij mij dan in het onzekere, en zegt gij mij niet, wat gij door Woodward van zijn plannen weet?"
"Omdat ik er zelf het rechte ook nog niet van weet. Zooveel heb ik er echter van begrepen, dat er een tocht ondernomen zal worden naar hoogerop, het gebergte in."
"He! Het gebergte in?"
"Hum! Ik weet niet of het wel raadzaam is daarover te spreken, maar aan u wil ik het toch vertellen. Daar, veel hoogerop, heeft in overoude tijden een zeker volk gewoond--de naam is er mij van ontschoten. Dat volk is of naar het zuiden getrokken of ze hebben het uitgeroeid, nadat het van te voren verbazende schatten in het meer heeft laten zinken."
"Gekheid! Wie schatten bezit, neemt die mee als hij naar elders verhuist."
"Maar ik zeg u immers, dat het best mogelijk is, dat ze dat volk uitgeroeid hebben."
"Waar bestaan die schatten in? In geld?"
"Dat weet ik niet. Ik ben geen geleerde, en kan dus niet zeggen, of vroegere volken reeds geld gemunt of banknoten gedrukt hebben. Zulke banknoten, trouwens, zouden thans natuurlijk hoegenaamd geen waarde meer hebben. Woodward heeft mij gezegd, dat het een heidensch volk geweest is, dat verbazende tempels bezat, met afgodsbeelden van gedegen goud en van massief zilver en ontelbare dito dito gewijde vaten. En al die rijkdom ligt bedolven in het Zilvermeer, dat daarnaar zijn naam draagt."
"Moeten wij dat meer dan leegdrinken, om al die kostbaarheden op den bodem te vinden?"
"Praat toch niet zulken onzin! De kornel zal wel weten hoe hij daarmee aan moet. Hij moet in het bezit zijn van een teekening, waarop de plaatsen, waar die schatten liggen, nauwkeurig zijn aangeduid."
"Zoo? En waar ligt dat Zilvermeer?"
"Dat weet ik niet. Daar zal hij niet mee voor den dag komen, denk ik, voordat hij bepaald heeft wie hij meenemen wil. Het spreekt vanzelf, dat hij zijn geheim en zijn plannen nu niet lang van te voren gaat uitbazuinen."
"Neen, dat spreekt. Maar het ding zal nog al gevaarlijk zijn, vrees ik."
"Hoe zoo dat?"
"Wel, door de Indianen."
"Pshaw! Er wonen daar maar twee Roodhuiden, de kleinzoon en de achterkleinzoon van dien Indiaan, van wien de teekening afkomstig is. En die twee zijn met twee looden knikkers van de baan geknikkerd."
"Als dat zoo is, dan verandert de zaak natuurlijk. Ik ben nog nooit heel hoog het gebergte in geweest, en moet mij dus op hen verlaten, die er verstand van hebben. Maar in de allereerste plaats, dunkt mij, hebben wij nu te denken over de onderneming, die op dit oogenblik voor de deur staat. Zou die gelukken, denkt gij?"
"O, daar is geen twijfel aan! Zie maar eens hoe rustig alles daarbeneden is. Geen mensch daar zal op de gedachte komen, dat wij, gij en ik, hier zitten en wat er eigenlijk broeit. En twee van onze oolijkste en geslepenste snuiters zijn reeds hier, om het noodige voorwerk te verrichten. Er valt dus aan geen mislukken te denken."
"Well! Als dat werkvolk nu maar zoo wijs is, zich niet met de zaak te bemoeien; zij zouden ons anders dwingen, van onze geweren gebruik te maken."
"Daar is volstrekt geen nood voor, want zij weten niets hoegenaamd van hetgeen er op til is. De trein komt hier aan, houdt vijf minuten stil, en rijdt dan weer door. Een uur gaans van hier brandt ons vuur. Daar zetten onze twee kameraden, die op de locomotief staan, den machinist de revolver op de borst en dwingen hem om te stoppen. Wij omsingelen den trein; de kornel stapt er in, en neemt...."
"Wacht even!" viel de andere hem in de rede. "Wie stapt den trein in? De kornel alleen misschien, of althans met slechts weinigen, en stoomt dan op zijn gemak vooruit, en laat een poos later weer stoppen. Dan stapt hij den trein uit, neemt het halve millioen mee, en verdwijnt. Al de anderen zitten hier op hun neus te kijken en hebben niets. Neen, neen! zoo gaat dat niet aan."
"Wat verbeeldt gij u dan?" hernam de andere gemelijk. "Ik heb u immers gezegd, als de kornel werkelijk dat in zijn schild voerde, dat wij, gij en ik, dan onder diegenen zouden behooren, die mee mochten in den trein."
"Als gij dat zoo voor zeker houdt, wil ik het gelooven, en zal ik het afwachten; maar ik heb ook gehoord wat anderen zeggen. Men vertrouwt den kornel niet; en ik ben overtuigd, als de trein stilhoudt, dat dan eensklaps allen elkander zullen verdringen om er in te komen."
"Nu, mij is het wèl! Ik zou geen kameraad willen benadeelen om mij zelf te verrijken, en ik zal den kornel waarschuwen, dat hij dat niet moet probeeren. Als er in dat Zilvermeer zulke verbazende schatten voor ons te halen zijn, is het onnoodig onze kameraden hier oneerlijk te behandelen. Wat wij hier op den kop tikken, moeten wij deelen; en als ieder zijn part heeft, kan de kornel uitzoeken, wie hij wil meenemen naar het gebergte. En daarmee afgepraat! Ik zou nu wel graag weten wat die locomotief moet, die daarbeneden staat, het vuur brandt onder den ketel; dus staat die klaar om af te rijden. Maar waar naar toe?"
"Het is misschien de probeer-machine, die veiligheidshalve vóór den geldtrein uitgezonden zal worden."
"Neen. Die zou niet zoo lang van te voren klaar staan. De trein komt immers pas om drie uur van nacht. Het is met die machine niet kausjer; ik zou wel eens willen weten wat ze daarmee voor hebben."
De kerel uitte daar een argwaan, die niet in den wind geslagen mocht worden. Old Firehand begreep, dat de machine daar niet moest blijven staan. Het was een gewone kleine locomotief voor bouwmateriaal, met wagens er aan vastgehaakt, waarin doorgaans de baan-aarde vervoerd werd. In die wagens moesten de werklieden overgebracht worden. Daarmee kon nu niet gewacht worden tot omstreeks middernacht; maar, om den argwaan van den tramp te verschalken, diende dit hoe eer hoe beter te gebeuren. Old Firehand kroop dus achteruit, en sloop naar het huis van den ingenieur, aan wien hij meedeelde wat hij gehoord had.
"Well!" zei deze, "dan dienen wij hen dadelijk weg te sturen. Maar de spionnen zullen hen in de wagens zien klimmen."
"Neen. Wij zullen aan de werklieden bevel geven weg te sluipen, en even voorbij de bocht, die de weg maakt--dat is ongeveer een kwartier gaans--moeten zij aan den kant van den weg blijven wachten tot de ledige trein komt, die hen zal opnemen. Daar het geluid van de stoomfluit zoo ver niet doordringt, en de baan een kromming maakt, zullen de spionnen niet kunnen hooren en ook niet kunnen zien, dat de trein daar stilhoudt."
"En hoeveel man houd ik hier?"
"Twintig zijn voldoende, om uw huis te beschermen en de twee gevangenen te bewaken. Uw maatregelen kunnen in een half uur genomen zijn; dan vertrekt de bouw-trein. Ik sluip weer naar de spionnen om te hooren wat zij zeggen."
Al spoedig lag hij weer achter de twee tramps, die nu niet met elkander spraken. Hij kon evengoed als zij het terrein overzien, en gaf zich alle moeite om eenige beweging onder de bewoners te ontdekken, doch tevergeefs. De werklieden verwijderden zich zoo in het geheim en voorzichtig, dat de spionnen er hoegenaamd niets van bespeurden. Overigens waren de lichten, die in de woonverblijven en hutten brandden, ten eenenmale ontoereikend om de daarbuiten liggende ruimten zoo te verlichten, dat men de gestalten van menschen duidelijk zou hebben kunnen onderscheiden.
Daar zag men een lantaarn, die een hel schijnsel wierp, uit het huis van den ingenieur op de rails aankomen. De drager van die lantaarn riep, zoo luid dat het ver in het rond duidelijk verstaan kon worden: "De leege bouw-trein naar Wallace af! Men heeft de wagens dáár noodig."
Het was de ingenieur, die deze woorden riep. Hij was, zonder een wenk van Firehand ontvangen te hebben, zelf zoo scherpzinnig geweest na te denken, op welke wijze hij het best de achterdocht van den spion kon ontgaan. Hij had daarom een afspraak gemaakt met den machinist, en deze antwoordde even luid: "Well, sir! Blij dat ik eindelijk weg kan, en niet langer mijn kolen voor niet behoef te verbranden. Hebt u in Wallace nog iets te doen?"
"Neen dank je! De ingenieur zal denkelijk zijn kaartje zitten te spelen, als gij daar aankomt. Zeg hem goedennacht van mij. En nu: Good road (= goede reis)!"
"Good night, sir!"
Eenige keeren schril gefluit van de stoomfluit, en de trein zette zich in beweging. Toen het geraas er van niet meer te hooren was, zei de eene spion tegen den anderen:
"Weet gij nu, waaraan gij u met die locomotief te houden hebt?"
"Ja, nu ben ik gerust. Die brengt leege wagens naar Wallace, die men daar noodig heeft. Mijn achterdocht is ongegrond geweest. Trouwens, alle argwaan is hier onzin. Het plan is zóó goed aangelegd, dat het bepaald gelukken moet. Wij konden eigenlijk nu al wel opkrassen."
"Neen. De kornel heeft order gegeven, dat wij hier moeten blijven tot van nacht twaalf uur, en daaraan hebben wij te gehoorzamen."
"Nu, óók goed! Maar als ik hier tot twaalf uur moet zitten te koekeloeren, begrijp ik niet waarom ik al dien tijd mijn oogen open zou moeten houden. Ik ga lekker een dutje doen."
"Ik ook; dat is het verstandigst. Later zal er niet veel tijd, en misschien ook niet veel trek zijn om rust te nemen."
Old Firehand maakte schielijk dat hij wegkwam; want de twee spionnen stonden op om een plaatsje te zoeken, waar zij hun uiltje zouden kunnen knappen. Hij zocht den ingenieur op, om hem een pluimpje te geven over de manier, waarop hij den bouwtrein had laten vertrekken, en beiden begaven zich in huis, waar zij onder een glas wijn en het rooken van een sigaar het uur verbeidden, waarop zij moesten opbreken. Er waren nu nog twintig baanwerkers hier gebleven, en dat was overvoldoende, want vijandelijkheden had men hier niet te wachten.
De overige werklieden waren, overeenkomstig de hun gegeven bevelen, weggeslopen. Buiten Sheridan wachtten zij op elkander, en begaven zich toen gezamenlijk naar het hun aangeduide punt. Daar bleven zij wachten tot die trein kwam, die hen opnam, en die hen naar den Eagle-tail bracht, waar hij halt hield. Dat de tramps zouden kunnen bespieden wat er nu zou gebeuren, was onmogelijk; want zij waren van daar reeds opgebroken. En de rivier noodzaakte hen bij hun rit op zulk een afstand van de spoorlijn te blijven, dat zij niets gewaar konden worden van hetgeen daarop voorviel.
Old Firehand had met zijn geoefenden scherpen blik een bijzonder geschikt terrein uitgekozen. De spoorweg moest over een rivier, die daar tusschen hooge oevers aan weerszijden doorliep. Daartoe was er een hulpbrug gelegd, voorzien van de noodige spoorstaven, die aan de overzijde terstond aansloten aan de lijn door een tunnel van omstreeks zeventig meters lengte. Eenige schreden vóór die brug stopte die trein, die niet, zooals de twee spionnen gedacht hadden, louter uit de ledige wagens bestond: de twee achterste wagens waren volgeladen met droog hout en met kolen. Nauwelijks was de trein tot staan gekomen, of uit de rondom heerschende duisternis van den nacht kwam een klein, dik kereltje, die er uitzag als een vrouw, op de locomotief aan, en vroeg met een schel fluitstemmetje aan den bestuurder: "Wat komt gij nu reeds hier doen, sir? Brengt gij misschien de werklieden nu al?"
"Ja," antwoordde de gevraagde, terwijl hij de zonderlinge gestalte, die juist in het schijnsel van het vuur stond, verwonderd opnam van het hoofd tot de voeten: "Maar wie zijt gij?"
"Ik?" lachte het dikke ventje. "Ik ben Tante Droll."
"Een tante! Sapper de malle mosterdpot! Wij hebben hier wat anders te doen, dan praatjes te maken met vrouwen en oude tantes!"
"Nu mijn goede man! maak u maar zoo dik niet: dat is niet goed voor uw zenuwen. Tante ben ik maar voor bijzaak; dat zullen ze u later wel vertellen. Op wiens last komt gij nu reeds hier?"
"Op last van Old Firehand, die twee door de tramps afgezonden spionnen beluisterd heeft. Die zouden argwaan gekregen hebben als wij pas later afgereden waren, zooals eerst het plan was. Behoort gij tot de lieden van dien beroemden master?"
"Ja, maar ga maar niet drossen van angst; het zijn altemaal oomes: de eenige tante, die er bij is, ben ik."
"O neen, miss of mistress! Bang voor u ben ik volstrekt niet. Maar waar zijn de tramps nu?"
"Die zijn weg; ruim drie kwartier geleden zijn zij opgebroken."
"Dus dan kunnen wij nu het hout en de kolen lossen?"
"Ja. Laat uw mannen weer instappen; en ik, ik kom bij u op de locomotief staan, om u de noodige wenken te geven."
"Gij? Wenken geven aan mij? Gij zijt toch niet benoemd tot commandant van dit legerkorps?"
"Ja, dat ben ik juist, als gij het niet kwalijk neemt. Ziezoo! hier ben ik. Nu laat gij uw ijzeren paard langzaam over de brug loopen, en dan zoo stoppen, dat de kolenwagens aan den ingang van den tunnel te staan komen."
Toen Droll "Ziezoo, hier ben ik" zei, was hij meteen in een oogwenk op de locomotief geklommen. De werklieden, die toen de trein stopte uitgestapt waren moesten nu weer instappen. De machinist keek het dikke kereltje nog eens aan met een blik, die duidelijk verried, dat het hem moeite kostte om aan de voorschriften van die twijfelachtige tante te gehoorzamen.
"Nu, hoe zit het er mee?" vroeg Droll gebiedend.
"Zijt gij dan werkelijk de man wiens bevelen ik te volbrengen heb?"
"Ja. En als gij dat niet oogenblikkelijk doet, zal ik het u leeren. Ik heb geen trek, om tot op den jongsten dag hier op de brug te blijven plakken."
Hij trok zijn bowie-mes, en richtte het op de maagstreek van den machinist.
"Verduiveld, gij schijnt een lastige kitteloorige tante te zijn," riep deze uit. "Maar juist nu gij uw mes trekt moet ik u niet voor een bondgenoot, maar voor een tramp houden. Kunt gij mij bewijzen wie gij zijt?"
"Praat toch geen verderen onzin," antwoordde de dikzak, nu op een zeer ernstigen toon, terwijl hij het mes weer in zijn gordel schoof. "Wij bevinden ons aan de overzijde, achter den tunnel. Dat ik de brug over en u tegemoet gekomen ben moet u toch bewezen hebben, dat uw komst mij bekend was, en dat ik dus niet tot de tramps kan behooren."
"Ja, nu geloof ik u. Wij zullen voortrijden."
De trein ging de brug over en reed zóó ver den tunnel in, dat de twee achterste wagens daarbuiten bleven staan. Nu sprongen de werklieden weer er uit, en losten den inhoud van een der stortwagens. Daarop reed de trein verder, den tunnel door, zoodat de nog volgeladen wagen vóór den uitgang van den tunnel leeggestort kon worden. Die stortwagens zijn zoo ingericht, dat, terwijl het onderstel met de wielen op den grond blijft staan, de daarop rustende bak neerduikelt, den inhoud leegstort, en dan weer in zijn vorigen stand teruggebracht kan worden. De werklieden stapten uit, om voor en achter den tunnel de kolen en het hout zoo op te stapelen, dat alles gemakkelijk aan het branden gemaakt kon worden, en dat de spoorstaven niet beschadigd konden worden door het vuur. De machinist stoomde nog een eind weegs verder, stopte toen, en reed vervolgens terug.
Zijn wantrouwen was nu geheel verdwenen. Wat hij zag, verschafte hem de zekerheid, dat hij zich in het goede gezelschap bevond. De tunnel was door een hooge rots geboord, waarachter een vuur brandde, dat beneden in het rivierdal, waar de tramps gebivakkeerd hadden, niet gezien kon worden. Rondom dit vuur hadden de rafters zich geschaard en al de anderen, die met Old Firehand naar Eagle-tail waren gekomen. Rechts en links van de vlam waren twee boomstammen ingeheid, die van boven uitliepen in de gedaante van tweetandige vorken, waarin een lange, stevige ijzeren stang, met kolossale stukken buffelvleesch er aan, bij wijze van braadspit rondgedraaid werd. Toen de trein door den tunnel kwam, waren alle mannen opgestaan, om de aankomende werklieden te begroeten.
"Nu, gelooft gij nu, dat ik geen tramp ben?" vroeg Droll aan den machinist, toen die van de locomotief afkwam en insgelijks op het vuur aantrad.
"Yes, sir!" knikte deze. "Gij zijt een eerlijk man!"
"En een goed mensch ook! Dat zal ik u dadelijk bewijzen, want ik noodig u allen ten eten. Wij hebben een vette buffelkoe geschoten, en gij zult eens proeven hoe goed die smaakt, gebraden à la prairie. Wij hebben er met ons allen overvloedig aan, en ik hoop, dat uw mannen spoedig klaar zullen zijn met hun werk, om gezamenlijk met ons te kunnen aanzitten."
Het duurde dan ook niet lang meer, of men begon zich te goed te doen aan het malsche vleesch. Voor de meesten echter was er geen plaats bij het vuur. Er hadden zich verscheiden groepjes gevormd, welke bediend werden door de rafters, die zich de gastheeren voelden. Behalve de buffelkoe was er nog een goede hoeveelheid klein wild, zoodat er, in weerwil van het groot aantal der baanwerkers, toch nog eten genoeg was.
Vroeger, voordat de trein gerangeerd werd en de ingenieur aan den opzichter het bevel kwam brengen om op te breken, had hij hem nog gezegd: "Old Firehand heeft mij opgedragen u mee te deelen, als gij iets naders wenscht te vernemen aangaande dien master Engel, uw vroegeren kameraad, wend u dan tot zekeren Mr. Pampel, een Duitscher, dien gij onder de rafters zult vinden."
"Kent die hem? Weet die iets van hem?"
"Hoogstwaarschijnlijk wel, want anders zou Old Firehand u niet aan hem geadresseerd hebben."
Watson herinnerde zich dat, en spitste nu zijn ooren, of hij ook aan de Duitschachtige uitspraak van een der rafters kon hooren, of die wellicht Mr. Pampel zijn kon. Het duurde niet lang of hij had hen hooren spreken; maar hij had er niet één gehoord, die niet het echte Yankee-Engelsch sprak. De opzichter besloot dus, regelrecht naar zijn man te vragen. Hij was een der weinigen, die bij het vuur plaats gevonden hadden. Naast hem zat Tante Droll en Humply-Bill. Hij wendde zich tot den laatstgenoemde: "Sir! houd mij een vraag ten goede: Weet gij ook, of zich een Duitscher onder ulieden bevindt."
"O ja," antwoordde Bill. "Zelfs verscheidenen."
"Is het tóch waar? Wie dan, bij voorbeeld?"
"Wel in de allereerste plaats is Old Firehand zelf een Duitscher. En dan kan ik onze dikke Tante noemen, die naast u zit; en vlak over ons zit óók nog een Duitscher, Zwarte Tom. Misschien is ook de kleine Fred, dien gij daar naast hem ziet zitten, onder de Duitschers mee te rekenen."
"Hum! Wien ik zoek, is onder de aangeduiden niet."
"Zoo! Wien zoekt gij dan?"
"Een zekeren Mr. Pampel."
"Pam--pam--pam--pampel?" riep Bill, terwijl hij uitbarstte in een schaterend gelach. "Heavens! Wat een naam is dat? Wie kan zulk een naam over zijn lippen krijgen. Pam--pam--pam--hoe was het ook al weer? Ik dien het woord nog eens te hooren, eer ik het nazeggen kan."
"Mr. Pampel," herhaalde de opzichter; en nu begonnen allen luidkeels met Humply-Bill mee te lachen.
Het woord deed de ronde van de eene groep naar de andere, en lokte overal een uitbundig gelach uit, zoodat er weldra op de gansche verzamelplaats niet één ernstig gezicht meer te zien was. Niet een? O, ja wel! Droll's gelaat was onbeweeglijk gebleven. Hij had een groot stuk lendevleesch van den buffel genomen, sneed groote stukken daarvan af en stak die in zijn mond en kauwde met zooveel ijver en onverdeelde aandacht, alsof hij noch den naam, noch het schaterende lachen hoorde. Toen dit laatste eindelijk tot bedaren kwam, liet de stem van Bill zich weer hooren: "Neen, sir! Gij zijt bepaald verkeerd ingelicht; er is niemand onder ons, die Pampel heet."
"En Old Firehand heeft het mij laten zeggen," antwoordde Watson.
"Dan hebt gij stellig den naam niet goed verstaan of niet goed onthouden. Ik ben overtuigd, dat ieder onzer zich liever een kogel door den kop zou jagen, dan zich door zulk een naam belachelijk te maken. Zijt gij dat niet met mij eens, oude Tante?"
Droll hield even op met kauwen, en antwoordde: "Een kogel? Dat zou niet in mij op kunnen komen."
"Dat kunt gij gemakkelijk zeggen, omdat gij geen Pampel maar Droll heet. Maar als dit zoo was, ben ik overtuigd, dat gij niet onder de menschen zoudt gaan."
"Maar ik ben immers onder de menschen gegaan?"
Hij zei dit met zulk een bijzonderen nadruk, dat Bill hem van ter zijde eens aankeek, en toen vroeg: "Dus gij, gij lacht niet om dien naam?"
"Neen. Ik doe dat niet, om den kameraad, die zich in ons midden bevindt, en die werkelijk dien naam draagt, niet te beleedigen."
"Wat? Wat zegt gij? Bevindt die Pampel zich werkelijk onder ons?"
"Zeer zeker."
"Verduiveld! Wie is het dan?"
"Ik ben het zelf."
Nu sprong Bill overeind, en riep: "Gij, gij zelf zijt die Pam--pam--pam!"
Hij kon van den lach niet verder; en de anderen bezaten zoo weinig zelfbeheersching, dat het gelach opnieuw algemeen was. Niet weinig werd de vroolijkheid verhoogd, doordien Droll volkomen ernstig bleef en zoo uitsluitend verdiept in het smakelijk verorberen van het buffelvleesch, dat hij door bleef kauwen, alsof het gelach en de oorzaak daarvan hem volstrekt niet aangingen. Maar toen hij zijn laatste stukje vleesch opgepeuzeld had, stond hij op, keek flink om zich heen, en riep zoo, dat iedereen hem verstaan kon: "Messieurs! nu moet de pret uit wezen. Geen mensch kan helpen welken naam hij draagt; en wie den mijne belachelijk vindt, mag mij dat nu zeggen in ernst, en dan zijn mes nemen, om eventjes met mij op zij te gaan in den donker. Dan zullen wij zien wie van ons beiden dan nog lacht!"
Er volgde een diepe stilte.
"Maar, Droll!" zei Humply-Bill vriendelijk, "wie kon denken, dat gij zoo heet! De naam is inderdaad een beetje potsierlijk. Maar wij hebben u niet willen beleedigen, en gij moet mij vergeven wat ik gezegd heb--dat verzoek ik u dringend--ik heb er spijt van. Kom, kom maar weer bij mij zitten."
"Well, dat zal ik doen. Haatdragend ben ik volstrekt niet; want ik weet zelf dat het woord een beetje pampelig klinkt. Maar nu gij weet, dat het mijn naam is, hoop ik, dat gij mij verder ongemoeid zult laten."
"Natuurlijk! Dat spreekt vanzelf. Maar waarom hebt gij ons dat tot nu toe verzwegen? Gij zijt over het geheel iemand, die over zijn vroeger leven niet graag spreekt."
"Niet graag spreekt? Wie zegt dat? Ik denk zeer graag terug aan den tijd uit mijn vroegere jeugd; maar ik heb nog nooit gelegenheid gehad om er over te spreken."
"Dan moet gij dat nu in zien te halen. Van ons allen weet gij wat wij zijn en wat wij geweest zijn. Wij hebben gedurende den rit allen vertrouwelijk met elkander omgegaan, en de een kent dus den andere op een prik; maar van en over u alleen weten wij niets, zoogoed als niets."
"Omdat het ook niets te beduiden heeft, wat ik te vertellen zou hebben. Trouwens, mijn geboorteplaats is reeds bekend."
"Ja, Langenleuba in het Altenburgsche. Wat was uw vader daar? Mogen wij dat weten?"
"O ja, waarom niet!" antwoordde Droll met een glimlachje. "Die was meer, veel meer, dan de vader van menig ander geweest is. Wij hebben tot morgenochtend drie uur op de tramps te wachten; er is dus nog tijd in overvloed, om u met al zijn ambten en waardigheden bekend te maken. Hij was klokkenluier, kelderknecht, koster en doodgraver, doopmaals-, bruilofts- en begrafenis-nooder, zeisenslijper, koddebeier en sergeant-majoor bij de burgerwacht. Daar hebt gij alles."
Men keek hem uitvorschend aan, om te ontdekken of hetgeen hij zei scherts was of ernst.
"Gij kunt mij gerust gelooven!" verzekerde hij. "Dat alles is hij werkelijk en warendig geweest; en wie de toestanden in mijn geboorte-land kent, weet nu meteen, dat mijn vader een doodarme drommel was en toch in weerwil daarvan, geacht en geëerd werd door zijn medeburgers. Wij waren met ons twaalven, en hebben er allesbehalve vet van gesopt, om eerlijk door de wereld te komen en aan ieder het zijne te geven. Later zal ik wel eens vertellen....."
"Een oogenblik!" viel de opzichter hem in de rede. "Gij voldoet aan den wensch van de anderen, sir! maar ik ben degene, die naar u gevraagd heeft. Old Firehand heeft mij uw naam opgegeven...."
"Ja, hij was de eenige, die wist, dat ik zoo heet."
".....omdat ik van u te weten zou kunnen komen," vervolgde Watson, "wat er geworden is van uw landsman Engel."
"Engel? Welken Engel bedoelt gij?"
"Den jager en vallen-opzetter, die hoog in het gebergte geweest is, aan het Zilvermeer."
"O, die? Meent gij dien?" vroeg Droll met zichtbare bevreemding. "Hebt gij hem gekend?"
"Ja, en zeer goed ook. Leeft hij nog?"
"Neen, hij is dood."
"Weet gij dat stellig?"
"Ja, zeer stellig. Waar hebt gij hem leeren kennen?"
"Juist daarboven aan het Zilvermeer. Daar hebben wij een geheelen winter moeten doorbrengen, want wij zaten er ingesloten door de sneeuw....."
"Is uw naam dan Watson?" viel Droll hem in de rede.
"Ja, sir! zoo heet ik."
"Watson, Watson! Hoe toevallig! Of neen er bestaat geen toeval! Het is een bestiering van het Opperwezen! Ik heb u nog nooit van mijn leven gezien, master! en toch ken ik u reeds evengoed als ik mijn eigen zak ken."
"Heeft iemand dan over mij tegen u gesproken? Wie is dat geweest?"
"De broeder van uw kameraad Engel. Ziehier! Die jongeling heet Fred Engel; hij is de neef van uw lotgenoot aan het Zilvermeer, en is met mij op reis getogen, om den moordenaar van zijn vader te zoeken."
"Is zijn vader dan vermoord?" vroeg Watson, terwijl hij den jongeling zijn hand toestak en hem vriendelijk toeknikte.
"Ja, en dat eenvoudig om een teekening, die...."
"Alweer een teekening!" viel de opzichter hem in de rede. "Kent gij den moordenaar? Dat is stellig de roodharige kornel!"
"Ja, die is het, sir! Maar...... die had ook u vermoord, heette het."
"Slechts gewond, sir! slechts gewond. De steek had gelukkig mijn hart niet geraakt. Maar ik zou stellig door het zware bloedverlies gestorven zijn, als er niet een ruiter gekomen was, een Indiaan, die mij verbond en mij toen naar andere Roodhuiden bracht, bij wie ik blijven mocht totdat ik hersteld was. De ruiter, mijn redder, is de beroemdste man onder de Indianen en heet....."
Eensklaps zweeg hij; midden in zijn volzin brak hij af, richtte zich langzaam op, en staarde naar de rots als iemand, die een bovennatuurlijk visioen heeft. Van de rots kwam met langzame schreden Winnetou af, die op verkenning was geweest.
"Daar komt hij aan, daar komt hij aan, Winnetou, de hoofdman der Apachen!" riep de opzichter uit: "Hij is daar, hij is hier! Wat een geluk! Winnetou! Winnetou!"
Hij snelde op den hoofdman aan, greep zijn handen, en drukte die aan zijn hart. De Apache keek hem goed in zijn gezicht, en terwijl diens eigen gelaat in een zachte plooi kwam door een vriendelijk glimlachje, antwoordde hij: "Mijn blanke broeder Watson! Ik ben bij de krijgslieden der Timbabatsj geweest, en heb van hen vernomen, dat gij geheel hersteld en naar den Mississippi gegaan waart. De goede Manitou moet u zeer liefgehad hebben, dat hij uw wond heeft laten heelen, want die was veel erger, dan ik u heb durven zeggen, om u niet ongerust te maken. Ga zitten, en vertel mij eens hoe het u verder gegaan is tot op den dag van heden."
Er was er niet één, die dacht, dat het nu noodiger was aan de tramps te denken, dan naar het verhaal te luisteren van de wederwaardigheden en lotgevallen van den opzichter. Wat Winnetou deed, was stellig goedgedaan; als hij de aandacht van de eigenlijke hoofdzaak--de aanwezigheid van zulk een talrijken troep vijanden--afleidde, en die vestigde op één persoon--den opzichter--dan moest hij daarmee zijn goede oogmerk hebben en moest hij, die op verkenning was uit geweest, volkomen overtuigd zijn, dat men volkomen veilig was, en dat men gerust over iets anders kon spreken dan over de tramps.
Natuurlijk waren allen nieuwsgierig naar het verhaal van een man, wien Winnetou het leven gered had; en men had wel een speld op den grond kunnen hooren vallen, toen Watson nu al zijn wedervaren vertelde juist zooals hij het aan Old Firehand en den ingenieur verteld had. Toen hij alles verhaald had, wachtte hij geen minuut met de vraag: "En gij, master Droll, weet gij mij nu te zeggen wat er van mijn kameraad geworden is?"
"Ja, dat weet ik u te zeggen," antwoordde de dikke. "Er is een lijk van hem geworden."
"Dus heeft de kornel hem vermoord?"
"Neen, maar wel gekwetst, juist als u; en aan die wond is de arme drommel gestorven."
"Vertel, vertel, sir!"
"Dat is gauw verteld, daar heb ik niet veel woorden toe noodig. Toen de kornel u meegenomen had om te gaan jagen, begon Engel na te denken, dat gij, die geen wapenen bij u had, den Roodbaard ook bitter weinig van dienst zou kunnen zijn. Daar moest hij dus een ander oogmerk mee gehad hebben. Gij beiden had den kornel al niet erg vertrouwd; en nu begon Engel, die veel van u had leeren houden, bang te worden, dat u een ongeluk boven het hoofd kon hangen. Die angst liet hem al spoedig rust noch duur, en eindelijk besloot hij, uw spoor, dat duidelijk genoeg te herkennen was, te volgen. De ongerustheid verdubbelde zijn schreden, en eer er ongeveer een uur verstreken was had hij u in zooverre ingehaald, dat hij u zien kon. Juist toen hij den hoek van een boschje omsloeg, kreeg hij u in het oog; maar wat hij zag, deed hem terstond weer achteruitdeinzen. Terwijl hij het bloed in zijn aderen voelde stollen, gluurde hij door de takken van het geboomte heen. De Roodbaard stiet u neer met zijn mes, en knielde toen, om zich te vergewissen dat de wond doodelijk was. Toen stond hij weer op, en bleef een oogenblik stilstaan, als iemand die in beraad staat wat hij doen wil. Wat moest Engel nu doen? Den goed gewapenden moordenaar te lijf gaan om uw dood te wreken, die volstrekt geen wapentuig bij zich had? Dat zou waanzinnig geweest zijn. Of moest hij wachten, totdat de kornel zich verwijderd zou hebben, en zich dan naar u toe spoeden, om te zien of er nog leven in u was? Ook dat niet! U was toch bepaald dood, want anders zou de schobberd u nog wel een por hebben gegeven; en dan was de Roodbaard stellig op Engel's spoor gekomen, en zou hem vervolgd hebben, om ook hem naar de andere wereld te zenden. Neen, had de schurk u vermoord dan lag nu bepaald Engel aan de beurt, zoodat deze begreep, dat het eenige, dat hem nu te doen stond, was: zich zoo gauw mogelijk te redden door de vlucht; hij maakte dus rechtsomkeert, en vlood, eerst terug op het spoor waarlangs hij gekomen was; en vervolgens, zoodra het terrein gunstig was, sloeg hij zijwaarts een oostelijke richting in. Maar al te spoedig echter zou hij tot de ontdekking komen, dat de moordenaar zich niet lang in den omtrek van zijn schanddaad had opgehouden, maar teruggekeerd was, en het spoor van den vluchteling gevonden had. Engel had een hoogte beklommen, en zag, toen hij even omkeek, dat de Roodbaard hem dicht op de hielen zat. Wel bevond die zich nog in het dal beneden, doch hoogstens slechts op een afstand van tien minuten gaans. Aan de andere zijde der hoogte strekte zich de open prairie uit. Engel spoedde zich de hoogte af, en liep toen al rechtuit, zoo hard hij maar kon. Eerst na verloop van een kwartier waagde hij het even stil te blijven staan en om te zien. Hij zag den vervolger veel dichter achter zich dan daarstraks, en zette het opnieuw op een loopen. Die parforce-jacht duurde nog wel een uur, totdat Engel eindelijk boschgroei vóór zich zag. Nu dacht hij, dat hij gered was. Maar de heesters stonden tamelijk ver uit elkander, en daartusschen lag welig gras, waarin het spoor van de voeten duidelijk bleef staan. De vluchteling was eigenlijk een uitmuntend hardlooper; maar de ontberingen in den afgeloopen strengen winter hadden de krachten zeer doen afnemen; de vervolger kwam hem hoe langer hoe dichter op de hielen. Toen hij weder omkeek, zag hij hem op hoogstens honderd passen afstands achter zich. Dit spoorde hem aan tot het inspannen van zijn laatste krachten. Hij zag water vóór zich. Dat was de Orfork van den Grand River. Daar snelde hij op aan; doch eer hij den oever bereikt had, knalde er een schot. Hij voelde een stoot als van een stevige vuist in zijn rechterzijde, snelde verder, en sprong in het water, om naar den anderen oever over te zwemmen. Links van zich zag hij echter de uitwatering van een beek, die zich in de rivier ontlastte. Op die beek zwom hij aan, en zwom die een eind weegs in, tot hij een kreupelbosch gewaarwerd, welks dichte takken, die door daaraan hangend gebleven spoelgras nog ondoordringbaarder voor het oog waren geworden, van den oever af in het water neerhingen. Hij glipte daartusschen, en bleef er staan, want zijn voeten voelden daar grond. Gij kunt denken, dat hij van opgewondenheid beefde als een riet!"
"En van overspanning en angst!" voegde Watson er bij. "Neem mij niet kwalijk. Vertel verder asjeblieft."
"De kornel had nu insgelijks den oever bereikt. Daar hij Engel niet zag en de rivier niet zeer breed was, dacht hij, dat zijn slachtoffer naar de overzij was gezwommen, en ook hij ging te water. Maar daar hij zijn vuurwapenen en zijn schietbenoodigdheden droog moest houden, ging dat zeer voorzichtig, en duurde het vrij lang eer hij, op zijn rug zwemmende en die voorwerpen boven water houdende, den oever bereikte en in het kreupelhout verdween."
"Hij is bepaald teruggekeerd," zei Humply-Bill. "Toen hij aan de overzijde geen spoor vond, moest hij vooronderstellen, dat de vluchteling nog aan deze zijde van de rivier was."
"Juist," knikte Droll. "Hij zocht eerst aan de overzij van de rivier een goed eind weegs af, en toen keerde hij terug, om ook aan deze zijde te zoeken; en dat bracht hem in de war. Tweemaal ging hij de schuilplaats voorbij: maar den verscholene zag hij niet. Deze bleef nog lang luisteren, maar van den moordenaar zag of hoorde hij niets meer. Toch bleef hij in het water staan, totdat het donker was geworden; toen zwom hij over en liep den ganschen nacht door, regelrecht westwaarts, om zoo ver mogelijk uit de voeten te komen."
"Was hij niet gekwetst?"
"Ja, hij was door een schampschot getroffen aan zijn bovenlijf, onder den arm. In zijn staat van opgewondenheid, en bij de kilheid van het water, had hij zijn kwetsuur niet zoo gevoeld, of er althans minder acht op geslagen: maar op zijn marsch begon de wond te steken. Hij stopte die dicht, zoogoed als hij kon, totdat hij des morgens verkoelende bladeren vond, die hij er oplegde en van tijd tot tijd ververschte. Hij was dood-af van vermoeidheid, en had een razenden honger, dien hij zocht te stillen met wortels, die hij niet kende maar die hij toch at. Zoo sleepte hij zich voort, totdat hij tegen den avond een eenzaam kamp bereikte, waar men hem gastvrij ontving. Hij was zoo afgetobd, dat hij hun niet vertellen kon, wat hem wedervaren was; hij verloor zijn bewustzijn. Toen hij uit zijn bewusteloozen toestand ontwaakte, lag hij in een oud bed, en wist niet hoe hij daarin gekomen was. Toen vernam hij, dat hij bijna veertien dagen lang in ijlende koortsen had gelegen, en dat hij van niets anders geijld had dan van moord, bloed, vlucht en water. Nu eerst vertelde hij zijn wedervaren, en vernam hij, dat de cow-boy een roodharigen man ontmoet had, die hem had gevraagd of er een vreemde in het kamp aangekomen was. De boy had dien man vroeger eens in Colorado Springs gezien, en wist, dat hij Brinkley heette; hij hield hem voor iemand, die niet te vertrouwen was, en had daarom zijn vraag ontkennend beantwoord. Zoo was Engel den naam van den moordenaar te weten gekomen, want hij vooronderstelde wel, dat die aan hem vroeger een valschen naam opgegeven had. De wond begon te heelen, en toen werd hij op een keer meegenomen naar Las Animas."
"Dus niet naar Pueblo," zei de opzichter; "anders zou ik, toen ik later daar kwam, zijn spoor misschien wel gevonden hebben. Wat deed hij vervolgens?"
"Hij verbond zich als voerman bij een handels-karavaan, die volgens oud gebruik over den Arkansas-weg naar Kansas City ging. Toen hij daar zijn loon ontving, had hij de middelen om zijn broeder op te zoeken. In Russelville aangekomen, hoorde hij, dat zijn broeder van daar vertrokken was; maar van zijn naasten buurman ontving hij een voor hem achtergelaten brief, waarin stond, dat hij hem in Benton, Arkansas, zou vinden."
"O, daar! En Benton is juist een der weinige plaatsen waar ik niet geweest ben," zei Watson. "Maar hoe stond het met de teekening, die hij bij zich droeg?"
"Die was in het water van den Orfork erg beschadigd, en Engel moest die kopieeren. Natuurlijk vertelde hij alles aan zijn broer, en die was volkomen bereid, om den tocht met hem te ondernemen. Ongelukkigerwijze bleek al spoedig, dat alles wat hij had uitgestaan, niet, zooals men gehoopt had, zonder nadeelige gevolgen zou blijven. Engel begon te hoesten, en werd van dag tot dag in het oog loopend magerder. De dokter verklaarde, dat hij de vliegende tering had; en acht weken na de aankomst bij zijn broer was hij een lijk. Het lange staan in het koude voorjaars-water had hem ten doode gedoemd."
"Dus heeft de kornel dan toch Engel's dood op zijn geweten!"
"Als hij anders maar niets op zijn geweten had! Er zijn er verscheiden hier onder ons, die met dien veelvuldigen moordenaar een rekening te vereffenen hebben. Maar luister, wat er verder gebeurd is! Engel, namelijk de broer, was een welgesteld man, die zijn akker bebouwde en bovendien een winstgevenden handel dreef. Hij had twee kinderen, een jongen en een meisje. Het huisgezin bestond uit de ouders, die twee kinderen en een knecht voor alles, die, wanneer het noodig was, ook het werk van een meid deed. Op zekeren dag nu is een vreemdeling bij Engel gekomen, die zich uitgaf voor reeder van kanaalbooten; hij vertelde dat hij als goudzoeker fortuin gemaakt had. Bij die gelegenheid is ter sprake gekomen, dat hij destijds een jager gekend had, die Engel heette, en dat die óók een Duitscher was. Daarmee werd natuurlijk de broer bedoeld; en toen is er zóóveel te vertellen geweest, dat daarmee de gansche namiddag en de avond verliep, zonder dat de vreemdeling aan heengaan dacht. Hij werd natuurlijk uitgenoodigd om den nacht over te blijven, hetgeen hij na eenige plichtplegingen aannam. Op het laatst heeft Engel ook den dood van zijn broer en de oorzaak daarvan verteld, en de teekening uit het kleine hoekkastje gehaald en die aan den vreemdeling laten zien. En eindelijk is men naar bed gegaan. De ouders en de kinderen hadden hun slaapplaatsen boven in een kamer, aan de rechter-achterzijde van het huis, de knecht in een kamertje ook daar, maar aan de linkerzijde. Aan den gast had men de mooie voorkamer gegeven. Beneden was alles gesloten, en Engel had de sleutels, zooals hij iederen avond deed, mee naar boven genomen. Nu was kort te voren het zoontje, Fred, jarig geweest, en die had voor zijn verjaardag een tweejarig veulen ten geschenke gekregen. De jongen had nog niet lang te bed gelegen, of hij herinnerde zich, dat hij door al het praten en door de vele lotgevallen, die hij had hooren vertellen, dien avond vergeten had zijn paard te voeren. Hij stond dus weer op, en verliet, zeer zacht om niemand wakker te maken, de slaapkamer. Beneden schoof hij den grendel van de achterdeur en ging het erf over naar den stal. Licht mee te nemen had hij niet noodig geoordeeld; trouwens, de lantaarn stond in de keuken, en die was gesloten. Hij moest dus in den donker voederen, zoodat dit iets langer duurde dan gewoonlijk. Hij was er nog niet klaar mee, toen hij zich verbeeldde een noodkreet te hooren. Hij vloog den stal uit, het erf op, en zag licht in de slaapkamer. Dat licht verdween, en kwam dadelijk weer te voorschijn in het kamertje van den knecht. Daar deed zich een verschrikkelijk leven hooren; de knecht schreeuwde om hulp, en er kraakten meubelen. Fred vloog naar den muur, en klauterde tegen het spalier van den druivenwingerd op naar het raam. Toen hij daar naar binnen keek, zag hij den knecht op den vloer liggen: de vreemdeling zat op de knieën boven op hem, hield hem met de linkerhand bij de keel vast, en in de rechterhand hield hij een revolver, die hij tegen het hoofd van den knecht aanhield. Er knalden twee schoten, Fred had willen schreeuwen, maar hij had geen geluid kunnen geven. Van ontzetting liet hij het latwerk uit zijn handen glippen, en juist toen de schoten knalden, stortte hij van boven neer op de steenen van het daar geplaveide erf. Hij was met zijn hoofd naar beneden gevallen, en had zijn bewustzijn verloren. Toen hij weer tot bezinning kwam, vroeg hij zichzelf af wat hij doen zou. De moordenaar was stellig nog in huis, zoodat hij niet naar binnen durfde. Maar hulp moest er komen. Hij sprong dus over de omheining, en schreeuwde zoo hard als hij kon, ten einde de moordenaar vrees aan te jagen en van zijn ouders af te houden, en snelde naar de woning van den dichtstbijwonenden nabuur, wiens huis, evenals dat van Engel, een eind weegs buiten Benton stond. De lieden daar hoorden het geroep om hulp, en kwamen al spoedig naar buiten. Toen zij hoorden wat er gebeurd was, wapenden zij zich in allerijl en volgden den terugsnellenden jongeling op den voet. Eer zij echter het huis bereikten, zagen zij, dat het bovengedeelte in brand stond. De vreemdeling had brand gesticht en zich zoo ver mogelijk uit de voeten gemaakt. De vlammen hadden zoo snel om zich heen gegrepen, dat er geen mogelijkheid meer bestond om naar boven te komen; wat op de gelijkvloers-verdieping stond en lag, werd grootendeels gered. Het hoekkastje stond opengebroken, en was ledig. De lijken, die niet meer te bereiken waren, moest men laten verbranden."
"Afschuwelijk! IJzingwekkend!" klonk het uit aller mond, toen Droll een oogenblik zweeg. Fred Engel zat bij het vuur, hield met beide handen zijn gelaat bedekt, en weende.
"Ja, wel afschuwelijk, wel ijzingwekkend!" zei Droll. "Het verwekte dan ook groot opzien en groote ontsteltenis. Er werden nasporingen gedaan in alle richtingen, maar vruchteloos. De twee broeders Engel hadden in St. Louis een zuster, de vrouw van een rijken rivier-reeder. Die loofde tien duizend dollars als premie uit, voor het inhechtenisnemen van den brandstichter-moordenaar; doch ook dat baatte niet. Toen kwam zij op de gedachte, zich tot het particuliere detective-bureau van Harris & Blother te wenden, en dat heeft beter gevolg gehad."
"Beter gevolg?" vroeg Watson. "De moordenaar is immers nog op vrije voeten! Ik veronderstel natuurlijk dat het de kornel is."
"Ja, op vrije voeten is hij nog," antwoordde Droll; "maar hij is nu toch reeds zoogoed als in de knip. Ik ben naar Benton geweest, om daar mijn oogen een beetje beter open te doen dan anderen gedaan hebben, en...."
"Gij? Waarom gij?"
"Om die vijf duizend dollars te verdienen."
"Het waren er immers tien duizend?"
"Ja, maar het honorarium wordt gedeeld," zei Droll. "De eene helft krijgen Harris & Blother, de andere helft krijgt de detective."
"He, sir! zijt gij dan een detective?"
"Hum! Ik geloof, dat ik hier enkel te doen heb met eerlijke menschen, waaronder er niet één is, op wien ik later jacht zal behoeven te maken; en daarom wil ik u nu zeggen, wat ik tot dusverre verzwegen heb: Ik ben particulier politie-agent, en wel voor sommige districten van het verre Westen. Ik heb reeds menigen booswicht, die zich volkomen veilig waande, overgeleverd aan het galghout, en hoop dat nog lang te kunnen blijven doen. Ziezoo! nu weet gij het, en nu weet gij meteen waarom ik niet graag over mij zelf spreek. De oude Tante Droll, over wien reeds honderden bij honderden gelachen hebben, is, als men hem kent, volstrekt zoo belachelijk niet. Maar dat komt hier nu eigenlijk niet te pas; ik heb nu over den moord te spreken."
Had men vroeger om den naam van Tante Droll gelachen, nu zag men hem met geheel andere oogen aan. Zijn bekentenis, dat hij detective was gaf opheldering van al het vreemde en wonderlijke in zijn persoonlijkheid. Hij verschool zijn ware ik achter zijn potsierlijk uiterlijk, om zijn handen des te zekerder te kunnen uitsteken naar dengene, dien hij wilde vatten.
"Ik wendde mij dus," vervolgde hij, "in de allereerste plaats tot Fred, en hoorde hem uit. Zoodoende vernam ik al wat er dien avond verteld en gesproken was. Het hoekkastje was door den moordenaar geopend. Hij had het niet open durven breken, omdat dit waarschijnlijk de bewoners des huizes wakker gemaakt zou hebben; hij had hen eenvoudig vermoord, om in het bezit van die teekening te komen. Hij wilde die natuurlijk gebruiken, en was dus voornemens, om naar het Zilvermeer te gaan. Ik moest hem achterna, en nam Fred, die hem gezien had, en die hem dus herkennen zou met mij mee. Reeds op de stoomboot, toen ik de tramps zag, was ik nagenoeg zeker van mijn zaak; die zekerheid is van dag tot dag grooter geworden, en vandaag, hoop ik, zal de dader wel in mijn handen vallen."
"In uwe handen?" vroeg de oude Blenter. "Wat denkt gij dan met hem te doen?"
"Wat ik op dit oogenblik voor het beste zal houden."
"Gij zult hem toch niet naar Benton brengen?"
"Misschien wèl!"
"Zet dat maar gerust uit uw hoofd! Er zijn er, die vrij wat meer recht op hem hebben dan gij. Denk maar eens aan de rekening, die ik met hem te vereffenen heb."
"En ik!" riep de opzichter.
"En wij andere rafters ook!" klonk het van verscheiden zijden.
"Maakt u maar niet warm; want wij hebben hem nog niet!" antwoordde Droll.
"Wij hebben hem!" beweerde Blenter. "Hij zal bepaald wel de allereerste zijn, die in den trein klimt."
"Dat is wel mogelijk; maar ik heb nog geen buffelvleesch te eten, of ik moet eerst den buffel geschoten hebben. Overigens is het mij volkomen onverschillig wie hem krijgt. Ik behoef hem volstrekt niet mee te sleepen. Als ik maar bewijzen kan, dat hij dood is, en dat ik daartoe het mijne heb bijgedragen, ben ik zoo zeker van de premie als mijn nachtjapon. Voor het oogenblik heb ik genoeg gesproken, en ga een poosje slapen. Wekt mij zoodra het tijd is."
Hij stond op, om een afgelegen donker plekje te zoeken. De anderen echter dachten aan geen slaap. Wat zij gehoord hadden, hield hen nog lang bezig; en toen werd de ophanden zijnde ontmoeting met de tramps een thema, dat niet uitvoerig genoeg besproken kon worden.
Winnetou nam geen deel aan dat gesprek. Hij had plaats genomen leunende tegen de rots, en zat met zijn oogen dicht; maar slapen deed hij volstrekt niet, want nu en dan gingen zijn oogleden open, en dan schoot er een scherpe, uitvorschende blik uit, aan een weerlichtstraal gelijk.
Het was omstreeks middernacht, toen de twintig werklieden bij den ingenieur kwamen, om post te vatten bij zijn huis. Old Firehand ging Hartley opzoeken. Deze lag te bed, en sliep; maar naast hem zat Charoy's neger, met een revolver in zijn hand. Hij had in plaats van den gekwetste, die behoefte aan slaap had, de bewaking van de twee tramps op zich genomen, en Old Firehand zag, dat hij in dat opzicht volkomen gerust kon zijn. Hij ging dus terug naar den ingenieur, en zei tegen dezen, dat hij nu den trein te gemoet zou gaan.
"Dus is nu het gevaarlijke uur gekomen!" zei Charoy. "Zijt gij toch óók niet een beetje bevreesd, sir?"
"Bevreesd?" antwoordde de jager verwonderd. "Zou ik dan dit zaakje uit eigen beweging op mij genomen hebben, als ik bevreesd was?"
"Of althans ongerust?"
"Ik heb maar één ongerustheid, dat de kornel mij misschien ontsnappen zal."
"Maar het is mogelijk, ja meer dan waarschijnlijk, dat ze op u schieten zullen."
"Nog veel waarschijnlijker is het, dat ze mij niet raken zullen. Maak u om mijnentwil volstrekt niet ongerust, en houdt hier zoolang ik afwezig ben, den boel maar goed in orde. Het is best mogelijk, dat de kornel eenige kerels vooruitzendt, die moeten oppassen, dat alles hier loopt zooals hij wenscht. Doet hij dat, dan zal hij met hen wel een sein afgesproken hebben om hen te waarschuwen. Houd u dan volkomen zoo, alsof er niets buitengewoons aan de hand is."
Nu riep hij de twee werklieden, die in plaats van de tramps post moesten vatten op de locomotief, en ging met hen de baan op, zonder dat de spionnen, indien die er waren, er iets van gewaar konden worden. De ingenieur had gezorgd, dat die twee mannen bijna juist gekleed waren als de beide tramps.
Het was stikdonker; maar de werklieden kenden den weg, en namen den jager tusschen hen in. Terwijl zij dus in de richting naar Carlyle voortgingen, prentte hij hun nog eens goed in, hoe zij zich bij al wat er gebeuren mocht, te gedragen hadden. Zij bereikten de plek, die telegraphisch bepaald was, en gingen daar in het gras zitten, om de komst van den trein af te wachten. Het was nog even voor drieën toen die aankwam en vlak bij hen stilhield. Hij bestond uit de locomotief met tender en zes groote personen-wagens. Old Firehand stapte in, en doorliep de rijtuigen. Zij waren ledig. In den voorsten wagen stond een met steenen gevulde, gesloten kist. Een conducteur was er niet bij; er waren slechts twee personen op den trein, de machinist en de stoker. Toen Old Firehand de wagens in oogenschouw genomen had, ging hij naar die twee, en gaf hun de noodige orders. Doch eer hij nog uitgesproken had, viel de stoker hem in de rede, en zei: "Een oogenblikje, sir! ik geloof niet, dat het noodig is uw verdere bevelen te geven. Ik heb geen trek om daaraan te voldoen."
"Zoo? waarom dat?"
"Ik ben stoker en heb voor het vuur onder den ketel te zorgen; daarvoor word ik betaald; maar ik ben niet aangesteld om mij te laten doodschieten."
"Wie spreekt dan van doodschieten?"
"Gij natuurlijk niet, maar ik zooveel te beter."
"Er is geen mensch, die aan schieten zal denken."
"Goed! dan zullen zij steken of slaan; dat komt precies op hetzelfde neer. Of ik doodgeschoten, gestoken of geslagen of gewurgd word, dat is alles zoo wat eenerlei. Op geen van al die manieren wensch ik mijn post te verlaten."
"Maar hebben uw superieuren u dan niet bevolen, te doen wat wij u hier zullen voorschrijven?"
"Neen; dat kunnen zij niet. Ik heb een vrouw en een huishouden met kinderen en doe mijn plicht. Met de tramps te gaan vechten, dat behoort volstrekt niet tot mijn bezigheden. Men heeft mij gezegd, dat ik tot hier moest meerijden, en dat ik hier zou vernemen wat er van mij verlangd wordt. Of ik genegen ben om dat te doen, dat hangt geheel af van mijzelf, en nu heb ik er toevallig hoegenaamd geen trek in."
"Is dat bepaald uw besluit?"
"Ja."
"En gij, sir?" vroeg Old Firehand aan den machinist, die het geheele gesprek aangehoord had zonder iets te zeggen.
"Ik verlaat de locomotief niet," antwoordde de brave, onvervaarde man.
"Maar ik voel mij verplicht u opmerkzaam te maken, dat u door een of ander onvoorzien voorval toch wel een ongeluk overkomen kan."
"En u niet, sir?"
"O ja, dat spreekt vanzelf."
"Welnu wat gij durft wagen, zonder er verplicht toe te zijn, moet ook ik durven wagen, omdat het een staaltje van mijn plicht is."
"Bravo! gij zijt een flinke vent. De stoker kan op zijn gemak naar Sheridan gaan, en daar onze terugkomst afwachten; ik zal zijn plaats wel innemen."
"Well, dan ga ik maar heen, en wensch u een goeden afloop," prevelde de stoker, terwijl hij zich verwijderde.
Old Firehand klom met de twee werklieden op de locomotief, en gaf nogmaals nauwkeurig zijn orders aan den machinist; daarop maakte hij zijn gezicht zwart met roet. Nu zag hij er in zijn linnen pak precies als een stoker uit. De trein zette zich in beweging.
De wagens waren naar Amerikaansch model gemaakt. Men moest er van achteren in den achtersten wagen inklimmen, om in de voorste wagens te komen; ze waren natuurlijk verlicht. De locomotief was een zoogenaamde tender-machine, en omringd met hooge, stevige wanden van dik blik, ter beschutting tegen weer en wind. Dat was in dit geval zeer gelukkig, want die wanden verborgen de op de locomotief staande personen bijna geheel en al en bezaten genoeg weerstandsvermogen om pistool- en geweerkogels er op te doen afstuiten.
De trein bereikte al spoedig Sheridan, en hield daar stil. Er was niemand anders op het perron dan de ingenieur; hij wisselde met den machinist de gebruikelijke vragen en antwoorden, en liet toen den trein verder gaan.
Intusschen waren de twee spionnen, die Old Firehand op de hoogte van het talud beluisterd had, ter plaatse aangekomen, waar de kornel zich met de tramps bevond. Zij berichtten hem, dat in Sheridan geen sterveling eenig vermoeden had van hetgeen er gebeuren zou, hetgeen groote vreugde veroorzaakte. Toen echter namen zij den kornel ter zijde, en deelden hem de vrees mee, die zij reeds tegen elkander uitgesproken hadden. Hij hoorde hen bedaard aan, en zei toen: "Wat gij mij zegt, weet ik al. Het komt niet in mij op, al die kerels, die meerendeels geen knip voor den neus waard zijn, bij mij te houden, en evenmin kan het in mij opkomen, aan hen, die ik niet noodig heb, een enkelen dollar van dat halve millioen af te staan--zij krijgen niets!"
"Dan zullen zij nemen wat zij hebben willen."
"Dat moet gij afwachten. Ik heb mijn plan."
"Maar zij zullen elkander bijna dooddringen, om maar het eerst in den trein te komen."
"Dat begrijp ik! Ik ben er zeker van, dat zij den trein zullen bestormen; maar ik blijf buiten staan, en wacht, totdat de kas uit den wagen gehaald wordt. Als de trein dan weg is, zullen wij wel zien wat er gebeurt."
"Hoe staat het dan met ons beiden?"
"Gijlieden blijft bij mij. Doordien ik u naar Sheridan gezonden heb, heb ik bewezen, dat ik u mijn vertrouwen schenk. Gaat nu naar Woodward. Die kent mijn plan, en zal u de namen noemen van hen, die ik van plan ben bij mij te houden."
Zij voldeden aan dat verlangen, en legerden zich bij den genoemde, die zoowat den rang van luitenant onder den kornel bekleedde. Alles lag nog in duisternis gehuld; toen het uur begon te naderen, werd er op zij van de baan een vuur aangemaakt. De tramps vermoedden niet, dat dit uur zoo laat in den nacht gekozen was tot hun verderf. Om drie uur was het nog donker; maar toen de trein Eagle-tail bereikte, brak de morgenstond aan, zoodat men goed kon mikken.
Omstreeks kwartier over drieën hoorden de wachtenden veraf het rollen van den trein, en kort daarop zagen zij de felle lichten van de machine. Old Firehand hield het vuurgat gesloten, zoodat hij en de drie andere personen niet duidelijk gezien zouden kunnen worden. Nauwelijks honderd passen van het vuur af, gaf de machinist, als gehoorzaamde hij aan een plotselingen dwang tegenstoom. De stoomfluit gilde, de wielen krasten en steunden; de trein kwam tot staan.
Tot nu toe hadden de tramps in ongerustheid verkeerd, of het den nagemaakten klerk en zijn kameraad gelukken zou den machinist en den stoker vrees aan te jagen; toen zij nu den trein zagen stoppen, begonnen zij te jubelen van blijdschap, en verdrongen elkander naar den achtersten wagen. Ieder wilde de eerste zijn. Maar de kornel wist wel wat het noodigste was. Hij ging naar de locomotief, keek om den hoek van den eenen beschuttenden wand even naar boven, en vroeg: "Alles richtig, boys?"
"Well!" antwoordde de eene werkman, die den machinist de revolver op de borst hield. "Zij hebben eieren voor hun geld moeten kiezen. Zie maar, kornel! Als zij zich durven verroeren, geven wij vuur."
Old Firehand stond als sidderende van angst tegen den waterbak gedrukt, en voor hem stond de andere werkman met zijn revolver. De kornel werd volkomen verschalkt. "Mooi zoo!" zei hij. "Gij hebt uw taak goed gedaan: gij zult er extra voor beloond worden. Blijft nog boven, tot wij klaar zijn; en dan, als ik het sein geef, kunt gij van de locomotief afkomen; dan behoeven deze brave menschen niet van angst te sterven, en kunnen zij doorrijden."
Hij verwijderde zich in den donker weer van de locomotief. Hij had niet anders gedacht, dan zijn beide tramps te zien, te meer daar de werkman, die hem geantwoord had, zeer goed de stem van den zoogenaamden klerk had nagebootst. Toen hij weg was, boog Old Firehand voorover, om de plaats waar men stond te overzien. Hij zag geen mensch staan; maar in de wagens heerschte een verschrikkelijk rumoer. Hij hoorde, dat zij aan het vechten waren, om de groote geldkist machtig te worden.
"Vooruit! Vooruit!" gebood de jager aan den machinist. "En niet langzaam, maar zoo hard als we maar kunnen, want anders komen ze de wagens, weer uit."
De trein zette zich weer in beweging, zonder dat de machinist de stoompijp deed fluiten.
"Halt, halt!" schreeuwde een stem. "Schiet de honden neer! Schiet! Schiet!"
Men kon de woorden verstaan, maar den klank der stem kon men niet herkennen. Daardoor wist Old Firehand niet, dat het de kornel was, die dat riep.
De in de wagens zijnde tramps schrikten, toen de trein hoe langer hoe harder begon te rijden. Zij wilden er uitspringen, maar dat was bij de snelheid, die de machinist aan de vaart gaf, niet te doen. Old Firehand moest het vuur opporren. De vlammen wierpen hun schijnsel op hem en op zijn bijstanders. De voordeur van den voorsten wagen werd geforceerd, en Woodward kwam daar te voorschijn. Hij zag de locomotief vóór zich, en het helder beschenen gelaat van den jager, bij wien de twee nagemaakte tramps zeer vertrouwelijk stonden te kijken.
"Old Firehand!" bulderde hij zoo hard, dat het boven het geraas der ijzeren wielen en het gepoef der locomotief uitklonk. "Die hond is het! Rijd naar de hel."
Meteen greep hij het pistool uit zijn gordel en schoot. Maar Firehand wierp zich met de snelheid eener gedachte op den grond, en bleef ongedeerd. Doch in het volgende oogenblik glinsterde ook zijn revolver en Woodward, in zijn hart getroffen, stortte achterover in den wagen terug. Anderen verschenen aan de opengebroken deur, maar werden insgelijks terstond door zijn kogels getroffen. Ook de twee werklieden richtten hun revolvers op de deur, en schoten, totdat het gelukt was de beschuttende wand in zijn dwarsvouw te brengen tusschen den wagen en de locomotief. Nu mochten de tramps schieten zoo hard als zij wilden.
Intusschen was de trein verder gereden. De machinist hield goed de lichten op de baan in het oog. Er verliep een half uur, en in het oosten begon het licht te worden. Toen liet hij de stoompijp fluiten, niet in korte tempo's maar in een lang gerekt gehuil, waaraan geen einde scheen te komen. Hij naderde de brug, en wilde de daar wachtende mannen van de nadering van den trein verwittigen.
Die mannen stonden sedert lang op hun post. Even vóór middernacht waren de dragonders uit Fort Wallace aangekomen; die hadden zich nu aan weerszijden van de rivier onder de brug geposteerd, om iederen tramp, die het wellicht daarboven mocht weten te ontkomen, beneden te vatten. Daar, waar de brug begon, stond Winnetou met de rafters en jagers. Aan de andere zijde van de brug, aan weerskanten van den ingang van den tunnel, stonden drie vierden van de gewapende baanwerkers, en aan den uitgang van den tunnel wachtte het overige vierde gedeelte. Bij dezen bevond zich de opzichter, die de niet zonder gevaar zijnde taak op zich genomen had, om binnen in den tunnel de locomotief van den trein te gaan afhaken. Toen hij het gehuil van de stoompijp hoorde, gebood hij aan zijn mannen: "Het vuur aanmaken!"
Terwijl aan dat bevel terstond gevolg werd gegeven, doordien men den hoop hout en kolen, die voor den mond van den tunnel lag in brand stak, sloop hij behoedzaam den tunnel in, om, zich tegen den muur houdende, den trein af te wachten.
Deze was met verminderde vaart de brug over gekomen, en naderde den tunnel. Old Firehand zag de daar geposteerde manschap, en riep hun toe: "Achter ons het vuur aanmaken!"
Een oogenblik later hield de trein stil. De locomotief stond juist waar de opzichter die verwacht had.
"Slechts een oogenblik!"
Bij deze woorden kroop hij tusschen de machine en den eersten wagen, haakte die beide van elkander af, en snelde toen den tunnel uit. De locomotief volgde oogenblikkelijk; de wagens bleven staan; en de voor en achter brandende vuren werden door de werklieden midden op de baan geschoven, nadat men de spoorstaven haastig met steenen bedekt had, om die te beveiligen voor de vuurhitte.
Dit alles was in veel minder tijd geschied, dan noodig is geweest om het hier te vertellen, en wat meer zegt veel te gauw, dan dat de tramps zoo spoedig hadden kunnen beseffen in welk een toestand zij zich bevonden. Zij waren al niet op hun gemak geweest toen de trein zoo ijselijk hard reed. Zij hadden nu gehoord, dat Old Firehand op de locomotief stond, en wisten dus, dat hun plan verijdeld was; maar zij hielden zich verzekerd, dat zij daar, waar de trein stil zou houden al ware dat op een druk station, hun vrijheid terug zouden krijgen. Zij waren goed gewapend en zóó talrijk, dat wel niemand het hart zou hebben hen gevangen te willen houden. Nu stond de trein stil, en daarop hadden zij gewacht. Maar toen zij uit de zijraampjes keken, grijnsde hen een onderaardsche duisternis aan. Zij verdrongen elkander om aan het portier van den achtersten wagen te komen en uit den trein te stappen, doch kregen een gewaarwording alsof zij door een nauwen, donkeren koker in een ontzaglijk groot vlammend, knetterend vuur staarden. En zij, die zich in den voorsten wagen bevonden, zagen, dat de locomotief verdwenen, en daarvoor een knapperend en krakend kolenvuur in de plaats getreden was. Een hunner kwam op de juiste gedachte.
"Een tunnel, een tunnel!" riep hij verschrikt; en "een tunnel, een tunnel! wij zitten in een tunnel!" riepen al de anderen hem na. "Er uit! Wij moeten er uit!"
Er volgde een ontzettend geschuif en gedrang, zoodat zij die aan de portieren waren, niet konden uitstappen, maar er letterlijk uitgeworpen werden. De tweede viel neer op den eerste, de derde tuimelde neer op den tweede, en zoo vervolgens. Het was een warboel van menschen-gedaanten, van armen en beenen, van geschreeuw en verwenschingen en vloeken, en dat ging niet zonder dat menigeen gekwetst werd. Er waren er zelfs, die naar hun wapens grepen, om zich te verweren tegen hen, die zich aan hen vastklemden of die op hen lagen.
En aan de duisternis, die door de voor en achter aan den tunnel brandende vuren en door de wagon-lampen niet eens draaglijk verlicht werd, paarde nu de dikke, zware kolendamp, die door den ochtendwind in den tunnel gedreven werd.
"Voor den..... (er volgde een vloek)! Ze willen ons doen stikken!" riep een krijschende stem. "Er uit! Er uit!"
Tien, twintig, vijftig, honderd kelen schreeuwden het hem na, en in waren doodsangst drong, dreef, duwde en worstelde alles op de beide uitgangen van den tunnel aan. Maar daar knetterden en kraakten de beide vuren welker felle vlammen den ganschen uitgang versperden. Wie er uit wilde moest door het vuur springen en was vooruit verzekerd, dat zijn kleeren in brand zouden geraken. Dat beseften de voorsten: zij keerden zich om, en wilden terug; maar de gansche menschenzwerm achter hen bleef opdringen en wilde niet wijken. En daardoor ontstond er in de nabijheid van de beide vuren een verwoede worsteling tusschen lieden, die zoo kort te voren nog kameraadschappelijk eensgezind waren geweest in het nastreven van helsche plannen. Het tunnel-verwulfsel kaatste het gebrul en getier vertienvoudigd terug, zoodat het daarbuiten klonk alsof alle duivelen uit de hel waren losgebroken, om daarbinnen feest te vieren.
Old Firehand was om de rots heen naar het voorste vuur geloopen.
"Wij behoeven niets te doen," riep een der baanwerkers hem toe. "De beesten verscheuren elkander. Hoor maar, sir! Uitmuntender plan, dan het uwe is, had nooit uitgedacht kunnen worden."
"Ja, zij hebben het erg te kwaad met elkander," antwoordde hij. "Maar het zijn menschen, en vermoorden mogen wij hen niet. Maak den ingang een beetje vrij van het vuur!"
"Wilt gij er dan in?"
"Ja."
"Om Godswil, doe dat niet! Zij zullen u aanvliegen en u wurgen!"
"Geen nood! Zij zullen blij zijn, als ik hun de kans bied om zich te redden."
Hij hielp zelf mee het vuur ter zijde te schuiven, zoodat er tusschen de vlammen en den tunnelmuur een opening kwam, groot genoeg voor één man om er doorheen te springen. Hij deed den sprong, en nu bevond hij zich in den tunnel, hij alleen, tegenover al die dollen en razenden. Wel nooit in zijn leven was zijn onverschrokkenheid zóó duidelijk als thans; maar stellig ook nooit in zijn leven was zijn zelfvertrouwen grooter geweest dan op dit oogenblik. Dikwijls had hij bij ondervinding gehad hoe somwijlen de moed van een enkel man in staat is, om duizenden te verbazen en als het ware te verlammen.
"Hallo, silence!" weerklonk zijn forsche stem boven het geschreeuw van honderd kelen uit, en allen zwegen stil. "Hoort wat ik u zeg!"
"Old Firehand!" riepen er eenigen, verbaasd over zijn weergalooze onvervaardheid.
"Ja, dat ben ik!" antwoordde hij. "En gij hebt het ondervonden, waar ik ben, komt geen weerstand-bieden te pas. Als gij niet stikken wilt, legt dan hier uw wapenen neer en komt dan den tunnel uit, maar één voor één. Ik zal buiten bij het vuur staan, en commandeeren. Wie naar buiten springt zonder mijn commando af te wachten, wordt oogenblikkelijk neergeschoten. En wie iets van zijn wapentuig bij zich houdt, krijgt ook terstond den kogel. Wij zijn talrijk genoeg, baanwerkers, jagers, rafters en soldaten, meer dan genoeg, om mijn bedreiging ten uitvoer te brengen. Overlegt het met elkander! En als gij een pet of een hoed naar buiten werpt, zal dat voor ons het teeken zijn, dat gij u overgeeft. Doet gij dat niet, dan zijn honderd geweren op de vuren gericht om niemand door te laten."
Het had hem, door den rook, moeite gekost de laatste woorden goed verstaanbaar uit te brengen, en meteen sprong hij snel weer den tunnel uit, om niet wellicht het mikpunt te worden van een of ander schot. Die voorzichtigheid was verstandig, maar eigenlijk noodeloos. De indruk, dien zijn verschijning op de tramps gemaakt had, was van dien aard, dat niemand hunner het gewaagd zou hebben zijn geweer op hem aan te leggen.
Nu gaf hij aan zijn baanwerkers bevel hun geweren op de opening van den tunnel aan te leggen, ten einde de tramps, als die een poging mochten doen om zich door de massa heen te slaan, te ontvangen met peloton-vuur. Men kon hooren dat zij met elkander beraadslaagden. Verscheiden stemmen spraken luid, alle tegelijk. De omstandigheden lieten hun niet toe, hun beraadslaging lang te rekken, want de rook, die in den tunnel drong, belemmerde hun ademhaling meer en meer. Tegenover een man als Old Firehand hadden zij den moed geheel verloren; zij wisten, dat hij er de man naar was om te doen wat hij zei: de dood door stiklucht werd hoe langer hoe dreigender, en zij zagen geen anderen uitweg tot redding, dan zich over te geven. Er kwam een hoed uit den tunnel vliegen over het vuur heen, en terstond daarop werden de tramps door de roepstem van Old Firehand verwittigd, dat de eerste hunner uit den tunnel mocht komen. Hij sprong er uit, en moest dadelijk de brug over, waar hij door rafters en jagers in ontvangst werd genomen. Men had zich ingevolge het zoo goed geslaagde plan, dat eigenlijk afkomstig was uit het brein van Winnetou voorzien van touwen, koorden en riemen, en zoodra de eerste tramp over de brug was, werd hij gekneveld. Zoo ging het al zijn kameraden, die na hem kwamen. Zij werden in zulke tusschenpoozen uit den tunnel gelaten, dat men telkens den tijd had om den vorige te knevelen. Maar alles ging toch zoo snel in zijn werk, dat er nog niet ten volle een kwartier verloopen was of al de tramps bevonden zich in handen van de overwinnaars. Maar nu bleek het tot teleurstelling en verdriet der laatsten, dat zij den roodharigen kornel nog niet hadden. Toen men aan de gevangenen naar hem vroeg, vernam men van hen, dat de kornel met een twintigtal anderen in het geheel niet in den trein geweest was. Zekerheidshalve doorzocht men goed den ganschen tunnel en al de wagons; maar men vond hem niet, zoodat men veronderstellen moest, dat de gevangenen de waarheid gezegd hadden.
Zou dan juist die kerel, op wien het voornamelijk gemunt was geweest, den dans ontspringen? Neen! De gevangenen werden aan de bewaking van de soldaten en van de baanwerkers toevertrouwd, en Old Firehand en Winnetou reden met de jagers en de rafters terug, om het spoor van den vermiste te ontdekken, ter plaatse waar de trein halt had gehouden. Daar aangekomen, zond Old Firehand vier rafters verder naar Sheridan, om zijn paard en zijn jachtkostuum, en de twee nog geboeid daar liggende tramps naar den tunnel te laten brengen. Hij wilde niet zelf naar Sheridan terugkeeren, maar met zijn gezelschap dadelijk mee vertrekken naar Fort Wallace, waarheen de tramps gebracht werden, omdat zij daar onder militaire bewaking beter geborgen waren dan ergens elders. De vier boodschappers kregen natuurlijk ook in last, om aan den ingenieur mede te deelen in hoeverre de uitvoering van het plan gelukt was.
Men vond de plaats, waar de tramps gebivakkeerd hadden om den trein af te wachten. Niet ver van daar waren de paarden vastgebonden geweest. Na lang zoeken en nauwlettend beoordeelen van de vele voet- en hoef-indrukken bleek het, dat werkelijk een twintigtal tramps ontkomen waren. Die hadden even zooveel paarden medegenomen, en natuurlijk de beste viervoeters; de overige hadden zij naar alle richtingen uiteengejaagd.
"Die kornel is met sluw overleg te werk gegaan," zei Old Firehand. "Had hij al de paarden meegenomen, dat zou een groote last geweest zijn voor zulk een kleine bende, en het door zooveel paarden achtergelaten spoor zou voor een kind te herkennen geweest zijn. Door de achtergebleven paarden links en rechts uit elkander te jagen, heeft hij ons het zoeken naar zijn spoor zeer moeilijk gemaakt, en daardoor heeft hij zelf veel tijd gewonnen. En daar hij in elk geval niet de slechtste dieren gehouden zal hebben, komt hij ons zoo snel vooruit, dat wij moeite zullen hebben om den verloren afstand in te halen."
"Mijn blanke broeder vergist zich misschien," antwoordde Winnetou. "Dat bleekgezicht heeft stellig deze streek niet verlaten zonder zich eerst te vergewissen hoe het met zijn kornuiten afgeloopen is. Als wij nu zijn spoor volgen, zal dat ons bepaald naar den Eagle-tail brengen."
"Ik ben overtuigd, dat het vermoeden van mijn rooden broeder juist is. De kornel is van hier weggereden, om ons te beluisteren. Hij zal nu weten, waaraan hij zich te houden heeft, en nu zal hij zich in allerijl uit de voeten gemaakt hebben. Maar wij zijn hier gekomen om naar hem te zoeken, en daardoor hebben wij den kostbaarsten tijd te loor laten gaan."
"Als wij snel terugkeeren, zullen wij hem misschien nog wel kunnen inhalen."
"Neen. Mijn broeder moet bedenken, dat wij hem niet terstond kunnen volgen. Wij moeten eerst mee naar Fort Wallace, om daar onze verklaringen af te leggen. Daar is vandaag deze geheele dag mee gemoeid, zoodat wij pas morgen die twintig tramps achterna zullen kunnen gaan."
"Dan zullen zij ons een geheelen dag vooruit zijn!"
"Ja; maar wij weten waar zij naar toe willen, en wij verliezen er dus volstrekt geen tijd mee, als wij hun spoor volgen. Wij gaan regelrecht naar het Zilvermeer."
"Denkt mijn broeder dan, dat zij nu nog daar naar toe willen?"
"O ja, stellig."
"Nu, nadat zij hier zulk een nederlaag geleden hebben?"
"Ja, in weerwil daarvan."
"Maar nu hun plan hier zoo totaal mislukt is, zullen zij nu hun voornemen maar niet liever opgeven?"
"O neen! Zij willen geld hebben, om daarmee hier of daar inkoopen te doen. Doch die inkoopen zijn niet zoo bepaald noodig. Leven kunnen zij van het wild dat zij schieten. Wapenen hebben zij, kruit en lood ook. En mochten zij aan het laatste behoefte krijgen, dan hebben zij onderweg wel gelegenheid, om het zich op een eerlijke of oneerlijke manier te verschaffen. Ik ben overtuigd, dat zij naar het Zilvermeer zullen gaan."
"Dan willen wij hun spoor volgen, om ten minste te weten te komen, waar zij hier vandaan naar toe gereden zijn."
Twintig ruiters laten hoef-indruksels genoeg achter zich; en hier waren genoeg geoefende oogen, aan wie zelfs een veel minder zichtbaar spoor niet had kunnen ontgaan. Het spoor van de tramps liep naar de rivier, en vervolgens altijd langs den rivier-oever naar hoogerop; het was zoo duidelijk zichtbaar, dat men had kunnen galoppeeren zonder het uit het oog te kunnen verliezen.
Aan den Eagle-tail, niet ver van de brug af, hadden de tramps halt gehouden. Een hunner, waarschijnlijk de kornel, was toen, beschut door het daar staande struikgewas, opgeslopen naar de spoorbaan, waar hij stellig getuige geweest was van de gevangenneming van de gansche bende. Na zijn terugkeer hadden zij zich uit de voeten gemaakt.
De jagers en de rafters volgden het spoor nog wel een half uur lang, en keerden toen, toen zij precies wisten welke richting de vluchtenden ingeslagen waren, terug naar de brug. De tramps hadden hun koers naar de Busch-Creek genomen, een bijna zeker teeken, dat zij van plan waren, zich naar Colorado te begeven, en dan van daar stellig naar het Zilvermeer.
Ondertusschen waren de vier rafters uit Sheridan teruggekeerd. Zij hadden ook Hartley en den ingenieur Charoy meegebracht, die insgelijks naar Fort Wallace wilden, waar hun getuigenis van gewicht was. De baanwerkers gingen te voet naar Sheridan; als belooning mochten zij al de wapenen meenemen, die de tramps hadden moeten achterlaten. Voor het transport van de laatstbedoelden waren er wagens genoeg aanwezig. De bouwtrein stond ook daar, en zoo ook de "geldtrein", waarin trouwens geen geld vervoerd was. Zoodra de gevangenen in de wagens geladen waren stapten de anderen in en de twee treinen zetten zich in beweging. De dragonders echter keerden te paard naar Fort Wallace terug.
Daar was intusschen het groote nieuws reeds ten deele bekend geworden; en de bevolking brandde van ongeduld, om te vernemen hoe alles was afgeloopen. Toen de treinen aankwamen, verdrongen de menschen elkander om er bij te komen, en de tramps werden ontvangen op een manier, die hun een voorproefje gaf van hetgeen zij hier later, na hun veroordeeling, te wachten hadden. Ware hun aantal niet zoo groot geweest, en had hun escorte het niet weten te beletten, dan zouden zij stellig gelyncht geworden zijn.
Zij hadden overigens groote verliezen geleden, daar bijna het vierde gedeelte van hun aanvankelijk aantal dood in den tunnel gevonden was. Nog heden ten dage vertelt men elkander gaarne, in die streek, deze vermaarde uitrookerij van de tramps uit den tunnel van Eagle-tail, waarbij natuurlijk de namen van Old Firehand en Winnetou met bewondering genoemd worden.
ELFDE HOOFDSTUK.
IN DE KLEM.
Daar, waar aan gene zijde van den Cumison Rivier de Elk Mountains zich verheffen, reden vier mannen over het hoog-plateau, dat met kort gras was begroeid, en, zoo ver als het oog reikte, noch kreupelhout noch boomen vertoonde. Ofschoon men er in het verre Westen aan gewend is buitengewone figuren te zien, moesten toch deze vier ruiters bijzonder de aandacht trekken van ieder, die hen zag.
Een hunner, aan wien men terstond kon zien, dat hij de voornaamste was van de vier, bereed een prachtigen zwarten hengst, zooals die bij sommige stammen der Apachen gefokt worden. Zijn gestalte was noch te lang noch te breed, en toch maakte die den indruk van groote kracht en van groot weerstandsvermogen tegen vermoeienissen en ontberingen. Zijn door de zon gebruind gelaat was omrand door een donker blonden baard. Hij droeg lederen leggins, een jachthemd van dezelfde stof, en hooge laarzen, die hij tot boven de knieën had opgetrokken. Op zijn hoofd droeg hij een vilten hoed met breeden rand, en het daaromheen zittende lint was rondom versierd met punten van ooren van den Grisly-beer. In den breeden, van verscheiden leeren riemen gevlochten gordel, die met patronen gevuld scheen, staken twee revolvers en een bowie-mes. Verder hingen aan dien gordel twee paar schroefhoefijzers en vier dikke bijna ronde cirkels, gevlochten van biezen en stroo, en voorzien van riemen en gespen. De cirkels moesten stellig dienen, om aan de hoeven der paarden vastgegespt te worden, ingeval het noodig werd vervolgers op een dwaalspoor te brengen. Van den linkerschouder tot aan de rechterheup hing een ineengestrengeld lasso, en om den hals, aan een stevig zijden koord, een vredespijp, versierd met kolobrie-huidjes, die nog prijkten met hun glanzigen vederdos. In zijn rechterhand hield hij een geweer, kort van loop en met een slot, dat van een hoogst eigenaardig samenstel scheen te zijn; en op zijn rug droeg hij, aan een breeden riem, een zeer lang en dik dubbelloops-geweer van een tegenwoordig uiterst zeldzaam model, maar die vroeger veel gebruikt plachten te worden: destijds werden die "berendooders" genoemd, en uit hun loopen schoot men slechts kogels van het allergrootste kaliber. Deze man was Old Shatterhand, de beroemde jager, die dezen bijnaam te danken had aan de bijzonderheid, dat hij een vijand kon doodslaan met een enkelen vuistslag.
Naast hem reed een klein, schriel, baardeloos kereltje, gekleed in een blauwe frak met lange panden en zeer glimmend gepoetste geelkoperen knoopen. Zijn hoofd was gedekt met een grooten vrouwenhoed (een zoogenaamden amazonen-hoed), die met een reusachtige veer prijkte. Zijn broeks-pijpen waren hem veel te kort, en zijn naakte voeten zaten in oude grofleeren schoenen, met groote Mexicaansche sporen. Deze ruiter had een geheel arsenaal van allerhande wapentuig aan en om zijn lijf hangen; maar wie zijn goedig gezichtje aankeek kon niet anders denken, dan dat die vracht van wapentuig louter diende, om vijanden af te schrikken. Dit mannetje was mijnheer Heliogabalus Hobble-Frank genoemd, omdat hij, ten gevolge van een vroegere verwonding, aan één been een weinig kreupel liep.
Achter die twee volgde een ver over de zes voet lange, en daardoor ook des te magerder gestalte, op een ouden kleinen muilezel, die nauwelijks de kracht scheen te hebben om zijn berijder te dragen. Deze droeg een leeren broek, die stellig voor kortere beenen en een dikker lijf gemaakt was. De naakte voeten staken in leeren schoenen, die reeds zoo dikwijls gelapt en gekalefaterd waren, dat ze thans uit louter aaneengeflanste stukjes leer bestonden. Het lijf in buffelleeren hemd, dat de borst onbedekt liet. De mouwen reikten niet verder dan tot de ellebogen. Om zijn langen hals was een katoenen doek gewonden, waarvan de oorspronkelijke kleur niet meer te herkennen was. Op zijn spitse hoofd stond een hoed, die een groot aantal jaren geleden een lichtgrijze "cylinder" was geweest. Misschien had die destijds gediend als hoofddeksel van een millionnair, maar was vervolgens aan het dalen geraakt, hoe langer hoe meer in verval, totdat die eindelijk in de prairie aangeland en in handen van den tegenwoordigen eigenaar gekomen was. Deze had den rand als overtollig beschouwd, en dien dus er afgetrokken; slechts een klein stukje had hij er aangelaten, om te dienen als handvatsel bij het afnemen van dit onbeschrijflijk verbogen en verfrommeld hoofddeksel. In een dik touw, dat hij bij wijze van gordel om zijn middel had, staken twee revolvers en een scalpeer-mes, en bovendien hingen daaraan verscheiden zakken, waaraan al de kleinigheden, die een Westman niet wel ontberen kan. Over zijn schouders hing een caoutchouc-mantel, maar welk een mantel! Dit pronkstuk was bij het eerste regentje zoo gekrompen, dat het zijn aanvankelijke bestemming nooit meer vervullen kon, en dat het voortaan slechts als een huzarenbuis gedragen kon worden. Dwars over zijn verbazend lange beenen had deze man een van die geweren liggen, waarmee een geoefend jager nooit misschiet. Hoe oud dat geweer was kon niemand raden, veel minder zeggen, en evenmin was de ouderdom van zijn muilezel te bepalen. Hoogstens liet zich vermoeden, dat die twee elkander van nabij kenden en reeds menig avontuur te zamen beleefd hadden.
De vierde ruiter zat op een zeer hoog en sterk paard. Hij was zeer, zeer zwaarlijvig, maar zoo klein, dat zijn korte beenen de flanken van het paard slechts ten halve konden omsluiten. Hij droeg, in weerwil dat de zon brandend heet aan den hemel stond, een pelsjas, die echter in den hoogsten graad lijdende was aan haarloosheid. Zijn hoofd werd bedekt met een veel te grooten Panama-hoed, en onder den kalen pels uit kwamen twee reusachtige kaplaarzen te voorschijn. Daar de mouwen van de pelsjas veel te lang waren, kon men van den geheelen man eigenlijk niets anders zien, dan het vette, roode, goedhartige sluwe gezicht. Hij was voorzien van een lang geweer. Welke wapenen hij wellicht nog meer bij zich had, was niet te zeggen, daar de pels alles bedekte.
Deze twee mannen waren David Kroners en Jacob Peperkorrel, overal niet anders bekend, dan onder de namen "Lange Davy" en "Dikke Gemmy". Die twee waren onafscheidelijk; nog nooit had iemand den een gezien, zonder dat de andere er bij of in de nabijheid was. Jemmy was een Duitscher en Davy een Yankee; doch de laatste had in de vele jaren, die deze twee reeds bij elkander waren, zooveel Duitsch geleerd, dat hij zich ook in die taal voldoende kon uitdrukken. Even onafscheidelijk, als die twee ruiters, waren ook hun paarden. Die stonden altijd naast elkander, graasden naast elkander; en als zij hier of daar op een legerplaats genoodzaakt waren het gezelschap van andere rijpaarden te dulden, wisten zij zich altijd een eindje daarvan af te zonderen, en drongen zij nog des te dichter bijeen, om met snuiven en snuffelen en likken elkander te liefkoozen.
Ofschoon het nog niet ver over het middaguur was, moesten die vier ruiters vandaag reeds een goeden afstand afgelegd hebben, en niet enkel over zacht grasland gekomen zijn, want zij en hun paarden waren bedekt met stof. En toch kon men noch aan hen noch aan hun viervoeters zien, dat zij vermoeid waren. Gevoelden zij zich werkelijk zoo, dan kon men dit louter opmaken uit hun stilzwijgen. Dit werd het eerst afgebroken door den naast Old Shatterhand rijdenden Hobble-Frank, die in zijn moedertaal de vraag tot zijn nevenman richtte: "Dus zullen wij te Elkfork moeten overnachten? Hoe ver is dat dan eigenlijk nog hier vandaan?"
"Wij zullen tegen den avond aan dat water aankomen," antwoordde de gevraagde.
"Tegen den avond pas? O wee! Wie kan dat uithouden! Wij zitten nu al sedert van morgen vroeg in den zadel. Wij dienen toch een oogenblik ergens te pleisteren, om de paarden even te laten uitblazen. Vindt gij dat ook niet?"
"Natuurlijk! Zoodra wij de prairie maar achter den rug hebben, komen wij aan een bosch, waar wij ook een stroomend water zullen vinden."
"O dat is goed! Dan kunnen de paarden drinken, en gras vinden zij daar ook. Maar wij, wat vinden wij dan? Gisteren hebben wij het laatste buffelvleesch opgegeten, en van morgen de beenderen afgekloven. Maar sedert hebben wij geen musch of eenig ander wild onder schot gehad; ik rammel dus van den honger, en als ik niet spoedig wat krijg, ga ik bepaald dood!"
"Wees maar gerust! Ik zal u wel een stukje vleesch bezorgen."
"Ja, maar wat voor een stukje? Dit oude grasland is letterlijk een gras-woestijn; ik geloof niet, dat er een kikvorsch op te vinden is. Waar zal dan een Westman, die bijna blaft van den honger, een ordentelijk stukje vleesch vandaan kunnen halen?"
"Ik heb het al in het oog. Neem mijn paard maar aan den teugel, en rijd met de anderen maar langzaam door."
"Zoo?" zeide Frank, terwijl hij hoofdschuddend rondkeek. "Hebt gij al iets in het oog? Ik zie nog niemendal."
Hij nam de teugels van Old Shatterhand's paard, en reed met Davy en Jemmy verder. Old Shatterhand echter sloeg zijwaarts af, waar men een aantal heuvels in het gras zag liggen. Daar bevond zich een kolonie van prairie-honden zooals de Amerikaansche mormeldieren om hun keffende stem genoemd worden. Dat zijn onschadelijke niemand kwaaddoende, maar zeer nieuwsgierige dieren, die, zonderling genoeg, bij voorkeur met ratelslangen en uilen samenwonen. Als iemand hen nadert, staan zij op, om hem aan te kijken, waarbij zij de potsierlijkste standen en bewegingen vertoonen. Krijgen zij argwaan, dan duiken zij pijlsnel weg in hun holen, en zijn niet meer te zien. Als de jager een ander stuk vleesch machtig kan worden, zal hij naar dat van deze dieren niet talen, niet omdat het onsmakelijk of bijna oneetbaar is, maar eenvoudig omdat hij er een vooroordeel tegen heeft. Wil hij echter een prairie-hond schieten, dan behoeft hij niet te probeeren om dat dier heimelijk te besluipen; want die dieren letten zóó op alles, dat zulks den knapsten jager niet gelukken zou. Hij moet hen nieuwsgierig weten te maken, en hun nieuwsgierigheid weten gaande te houden, totdat hij hen onder schot heeft. Dit doel kan hij echter niet bereiken, zonder zelf de allerkoddigste standen aan te nemen en de allerzotste bewegingen te maken. De prairie-hond weet dan niet hoe hij het heeft en wat hij van den naderende denken moet. Dit wist Old Shatterhand. Hij begon dus, zoodra hij bespeurde, dat hij door de zittende dieren opgemerkt was, allerlei kromme sprongen en cabriolen te maken, dook op den grond neer, sprong weer in de hoogte, draaide in de rondte als een tol, liet zijn armen zwaaien als de wieken van een windmolen, en had bij dat alles slechts één doel voor oogen, namelijk, om dichterbij te komen.
Hobble-Frank, die nu naast Jemmy en Davy reed, zag al die fratsen, en zei op een toon van bezorgdheid: "Heerejéminie! Wat zal ons nu overkomen? Is hij ineens krankzinnig geworden? Hij doet precies als iemand, die Bellamadonna gedronken heeft!"
"Belladonna, wilt gij zeggen," verbeterde Jemmy.
"Zwijg!" gebood de kleine. "Belladonna beduidt niemendal. Het heet Bellamadonna. Dat moet ik, die in Moritzburg geboren ben toch wel weten. Daar in het bosch groeit de Bellamadonna in het wild, en ik heb die wel duizendmaal zien staan. Hoort! Hij schiet!"
Old Shatterhand had juist twee schoten gelost, zoo snel achter elkander, dat ze beide als één schot knalden. Zij zagen hem op een draf een eind weegs voortloopen, en tweemaal bukken om iets op te rapen. Toen keerde hij tot hen terug. Hij had twee prairie-honden geschoten, stak die in de zadeltasch, en steeg toen weer te paard. Hobble-Frank zette een zeer twijfelend gezicht, en vroeg toen: "Is dat misschien het stukje vleesch, dat gij ons bezorgen zoudt? Dan zal ik u vriendelijk bedanken, sir!"
"Waarom dat?"
"Zulk spul lust ik niet."
"Hebt gij wel eens prairie-hond gegeten?"
"Neen, dat is nooit in mijn hersens opgekomen."
"Dan kunt gij er ook niet over oordeelen, of een prairie-hond eetbaar is of niet. Hebt gij wel eens vleesch van een jonge geit gegeten?"
"Vleesch van een jong sikje? Nu, dat zal waar zijn!" antwoordde Frank terwijl bij met zijn tong smakte; "òf ik dat gegeten heb! Dat's een vleeschje voor koningen en prinsen!"
"Zoo, vindt gij dat?" vroeg Old Shatterhand glimlachende.
"Ja op mijn woord van eer! Dat is een lekkernij, zooals er geen tweede bestaat."
"En duizenden trekken er den neus voor op!"
"Nu, maar dan zijn die duizenden domkoppen. Ik verzeker u, dat wij Saksen op lekker eten en drinken uitgeslapen zijn, meer dan de knapste natie in Europa. Een jong sikje in de pan, een klein klauwtje knoflook en een paar stengeltjes marjolein daarbij, en dat goed met een bruin korstje gebraden, dat is een kostje voor de heeren en dames van den Olympus. Ik weet er van mee te praten: want zoo omstreeks Paschen, als er een macht van jonge geitjes is, eet geheel Saksen op Zon- en feestdagen gebraden sikjes."
"Nu goed! Maar vertel mij nu ook, of gij wel eens lapijn gegeten hebt."
"Lapijn? Wat is dat voor een ding?"
"Dat is tamme haas of koe-haas, of wat ze in Saksen karnieal noemen. De eigenlijke naam is konijn."
"O, karniekl! A la bonne heure! Dat is óók nog iets van de bovenste plank. In Moritzburg en omstreken waren er in mijn tijd met kermis altijd karniekls in overvloed. Dat is me óók een vleeschje, zoo malsch als boter, en het kleeft letterlijk aan iemands verhemelte!"
"En toch zijn er velen, die u zouden uitlachen, als zij het u hoorden zeggen."
"Dan zijn zij in hun hersens gepikt. Zulk een karniekl, die niet anders vreet dan de puntjes van de fijnste kruiden, moet immers het fijnste vleesch hebben dat er bestaan kan! dat is zoo klaar als een klontje, dunkt me. Of gelooft gij dat ook niet."
"Ik geloof, dat gij met kennis van zaken spreekt; maar nu verlang ik ook, dat gij niet op mijn prairie-hond zult schimpen. Gij zult zien, dat hij juist smaakt als uw gebraden sikje, en bijna net zoo lekker als uw karniekl."
"Dat heb ik nog van mijn leven niet gehoord!"
"Maar gij hebt het nu gehoord, en proeven zult gij het ook. Ik zeg u, dat.... he, zijn dat geen ruiters, die daar aankomen?"
Hij wees naar het zuidwesten, waar zich een menigte gedaanten bewoog. Ze waren nog zóó ver weg, dat men nog niet onderscheiden kon of het dieren waren, misschien buffels, dan wel ruiters. De vier jagers reden langzaam verder, en hielden het oog aanhoudend op dien troep gericht. Het duurde niet lang, of men zag duidelijk dat het ruiters waren, en reeds ontdekte men nu, dat het ruiters waren in uniform: het waren soldaten.
Die hadden eigenlijk in een noordoostelijke richting gereden; maar zoodra zij de vier in het oog kregen, veranderden zij van koers en kwamen in galop op hen aanrennen. Er waren er twaalf, onder commando van een luitenant. Tot op ongeveer dertig passen afstands genaderd, hielden zij halt. De officier monsterde de vier ruiters met een somberen blik, en vroeg: "Waar komt gijlieden vandaan, boys?"
"Wel heb ik ooit!" prevelde Hobble-Frank. "Zullen wij ons nu met het woord boys (= jongens) laten aanspreken? Die kerel moet toch zien dat wij tot den goeden stand behooren."
"Wat fluistert gij daar?" riep de luitenant op strengen toon. "Ik wil weten waar gij vandaan komt."
Frank, Jemmy en Davy keken naar Old Shatterhand, wat die doen of zeggen zou. Hij antwoordde op een doodbedaarden toon: "Uit Leadville."
"En waar wilt gij naar toe?"
"Naar de Elk Mountains."
"Dat is een leugen!"
Old Shatterhand gaf zijn paard de sporen, en in een oogwenk stond het vlak naast het paard van den officier. Nu vroeg hij, nog altijd op denzelfden bedaarden toon:
"Hebt gij reden, om mij voor een leugenaar uit te maken?"
"Ja."
"Welke reden dan?"
"Gij komt niet uit Leadville, maar van Indian Fort."
"Daarin vergist gij u."
"Ik vergis mij niet. Ik ken u."
"Zoo? Wie zijn wij dan?"
"De namen ken ik niet. Maar die hebt gij mij terstond te zeggen."
"Ei! En als wij het nu eens niet doen?"
"Dan neem ik u mee!"
"En als wij ons nu eens niet laten meenemen, sir?"
"Dan zult gij de gevolgen te wijten hebben aan u zelf. Wie en wat wij zijn, en wat deze uniform beduidt, is u bekend. Wie van uw vieren naar zijn wapen grijpt schiet ik neer!"
"Meent gij dat?" vroeg Old Shatterhand met een glimlachje. "Probeer dan eens of ge dat klaarspelen kunt. Hier ben ik!"
Hij had zijn geweer in de rechterhand, en hield dat bij wijze van pistool op den officier gericht; meteen had hij ook zijn revolver uitgehaald. Ook Frank, Davy en Jemmy stonden dadelijk gereed om vuur te geven.
"Wat...." riep de officier, een paar vloeken uitbrakende en meteen naar zijn gordel grijpende. "Ik...."
"Halt!" viel Old Shatterhand's geweldige stem hem in de rede. "Hand weg van den gordel, boy! Alle handen in de hoogte, of wij vuren!"
In oogenblikken als dit--indien ze ernstig gemeend zijn, hetgeen hier het geval niet was--komt het er maar op aan, wie het eerst zijn wapenen gereed heeft te schieten. Deze eischt den tegenstander op, om de handen omhoog en dus zoo ver mogelijk van den gordel of van de in den zak zittende wapenen af te houden. Voldoet de opgeëischte niet oogenblikkelijk daaraan dan is ook zijn sterfuur daar, want dan krijgt hij terstond den kogel. Dat wist de officier, en ook zijn onderhebbenden wisten het. In het besef van hun overmacht hadden zij verzuimd hun vuurwapenen gereed te hebben; nu zagen zij de loopen van vier geweren en van vier revolvers op zich gericht, en zij hielden zich overtuigd, te doen te hebben met vier booswichten; zij gehoorzaamden dus oogenblikkelijk aan het ontvangen bevel, en staken hun handen in de hoogte.
Het was eigenlijk een lachverwekkend gezicht, om zooveel goed gewapende cavaleristen met hoog omhooggeheven armen op hun paarden te zien zitten. Er gleed dan ook een glimlachje over Old Shatterhand's doorgaans altijd zeer ernstig gelaat, terwijl hij vervolgde: "Zoo! Wat denkt ge nu wel, dat wij doen zullen, boy?"
"Schiet maar toe!" antwoordde de luitenant, tot wien die vraag gericht was. "Maar de wraak zal u achtervolgen tot die u ingehaald heeft."
"Pshaw! Wat zouden wij er aan hebben, onze goede kogels te verspillen aan lieden, die zich door vier menschen, die zij voor ellendige schavuiten aanzien, zóó bang laten maken, dat zij allen de armen omhoogsteken, ten teeken dat zij om genade vragen. Roem zouden wij daarmee niet behalen! Ik heb u maar eens een lesje willen geven. Gij zijt nog jong, en het zal u tot een leer kunnen strekken. Wees altijd zoo wellevend mogelijk, sir! Een gentleman laat zich niet gaarne door den eersten den besten, dien hij tegenkomt, met boy aanspreken. En dan ook, zeg nooit dat iemand liegt, als gij niet overtuigend bewijzen kunt, dat hij een leugenaar is; gij kondt u anders allicht vergaloppeeren, zooals gij dat met ons gedaan hebt. En in de derde plaats, als gij hier in het Westen lieden aantreft, met wie gij denkt wat kras te moeten omspringen, zorg dan, dat gij uw geweer klaar hebt; anders zoudt gij gevaar loopen, om nog eens de vertooning te moeten maken van een schooljongen, die straf verdiend heeft, zooals op dit oogenblik het geval is geweest. Gij hebt u in ons vergist: wij zijn geen boys, en leugenaars evenmin. Nu kunt gij uw armen weer neerlaten; wij hebben geen plan om gaten in uw huid te schieten."
Hij stak zijn revolver in zijn gordel, en trok zijn geweer terug; zijn drie metgezellen volgden zijn voorbeeld. Daarop lieten ook de soldaten hun armen weer naar omlaag gaan. De officier, rood van schaamte en van verkropte woede, bulderde nu uit: "Hoe hebt gij het hart, sir! Zulk een flauwe komedie met ons te spelen? Weet gij wel, dat ik de macht heb, u daarvoor te straffen?"
"De macht?" vroeg Old Shatterhand lachende. "Den lust, ja, dat begrijp ik; maar de macht volstrekt niet; dat heb ik u duidelijk genoeg laten zien, dunkt mij. Ik zou wel eens willen weten hoe gij het zoudt aanleggen om ons te straffen. Ik geloof, dat gij u nog belachelijker zoudt maken dan daareven."
"Wacht! nu zal ik u wel....."
Verder bracht hij het niet. Zijn hand wilde naar zijn revolver in den gordel grijpen; maar op hetzelfde moment voelde hij zich bij den kraag gegrepen, uit den zadel getild en overgewipt naar Old Shatterhand, die hem dwars voor zich over zijn paard legde, en hem het snel als een weerlichtstraal getrokken mes op de borst zette, en toen, nogmaals lachende, uitriep: "Spreek verder, sir: U wilde nog iets zeggen, geloof ik. Maar zoodra een van uw manschappen zich verroert, gaat mijn mes door uw uniform heen. Probeer dat maar eens!"
Zijn ruiters zaten verbluft op hun paarden. Zulk een spierkracht, behendigheid en vlugheid hadden zij niet verwacht. Zij waren zoo verschrikt en beteuterd, dat de gedachte, dat zij wapenen hadden en driemaal zoo sterk in aantal waren, niet eens in hen opkwam.
"Wat ... (alweer met een vloek)!" schreeuwde de officier; doch hij waagde het niet een vinger te verroeren: "Wat begint gij nu? Laat mij los."
"Wat ik nu begin? Ik begin u nu het bewijs te leveren, dat gij met andere personen te doen hebt, dan gij u hebt gelieven te verbeelden. Voor zooveel man, als gij hier bij u hebt, zijn wij volstrekt niet bang. Al had gij een geheel eskadron bij u, dan zouden wij er nog niet over inzitten. Nu gaat gij daar staan, en hoort beleefd aan wat ik nog zeggen zal."
Meteen pakte hij hem bij zijn kraag, tilde hem met één hand van het paard af, en zette hem daarnaast in het gras neer. Toen vervolgde hij: "Hebt gij nog nooit iemand van ons vroeger gezien?"
"Neen!" antwoordde de gevraagde, terwijl hij diep ademhaalde. Hij gloeide van woede, doch had het hart niet, iets daarvan te laten blijken. Hij voelde, dat hij in de oogen van zijn onderhebbenden een allererbarmelijkst figuur had gemaakt, en hij zou graag zijn sabel getrokken en die Old Shatterhand door het lijf gejaagd hebben; doch na proefjes, die hij reeds gehad had, begreep hij, dat hij ook op zulk een poging niet veel frisch weer zou treffen. "Ik ken zoo min den persoon als zijn naam," bromde de officier.
"Dus niet?" zei de jager. "En toch ben ik overtuigd, dat gij ons kent. Onze namen zult gij ten minste wel eens gehoord hebben. Heeft men u nooit eens iets van Hobble-Frank verteld! Die staat daar vlak vóór u."
"Maar van den langen Davy en en den dikken Jemmy hebt gij toch wel eens gehoord?"
"Wilt gij daarmee zeggen, dat dit die twee zijn?"
"Juist!"
"Pshaw! Dat geloof ik niet."
"Dus alweer zoogoed alsof gij mij voor een leugenaar houdt? Dat moest gij niet meer doen, sir! Old Shatterhand zegt nooit iets, of hij kan bewijzen dat het waar is."
"Old Shat.....!" riep de luitenant uit, terwijl hij een schrede achteruit deed, en den jager met een paar groote oogen vol verbazing aanstaarde. De laatste twee lettergrepen van den naam waren hem in de keel blijven steken.
Ook zijn manschappen lieten zichtbare teekenen blijken van ver-, of juister gezegd van bewondering. Men hoorde zelfs meer dan één "O!" van verbazing dat over hun lippen kwam.
"Ja, Old Shatterhand!" zei deze. "Kent gij dien naam?"
"Ja, dien ken ik; en dien kennen wij allen zeer goed. En wilt gij.....gij die man zijn, sir?"
Uit zijn toon en uit het gezicht waarmee hij den jager aanzag, sprak nog maar al te duidelijk twijfel. Maar daar viel zijn oog op het geweer met korten loop en eigenaardig bolvormig slot, en terwijl eensklaps zijn gelaat geheel veranderde, liet hij er dadelijk op volgen: "Behold! Is dat niet een Henry-karabijn sir?'
"Natuurlijk!" zei Old Shatterhand met een bevestigend hoofdknikje. "Kent gij die soort van geweren?"
"Gezien heb ik er nooit een, maar men heeft er mij een nauwkeurige beschrijving van gegeven. De uitvinder moet een zonderling man geweest zijn, en er slechts eenige van gemaakt hebben, omdat hij bang was, dat de Indianen en de buffels spoedig uitgeroeid zouden zijn, als deze revolver-karabijn algemeen in gebruik kwam. De weinige door hem vervaardigde exemplaren zijn verloren geraakt, en Old Shatterhand moet de eenige zijn, die er nog een, en wel het allerlaatste, bezit."
"Zoo is het, sir! Van de twaalf Henry-karabijnen, die er in het geheel geweest zijn, bestaat alleen het mijne nog, zooals gij ziet; de andere zijn met hun eigenaars in het wilde Westen verdwenen."
"Dus zijt gij dan toch werkelijk, werkelijk die Old Shatterhand, die wijdberoemde Westman, die den kop van een volwassen buffelstier op den grond duwt en den sterksten Indiaan met een enkelen vuistslag doodslaat?"
"Ik heb u immers reeds gezegd, dat ik het ben. Als gij er nu nog aan twijfelt, zal ik u gaarne het bewijs leveren. Niet enkel aan Indianen, maar, als de gelegenheid het meebrengt, ook aan blanken geef ik mijn vuist. Wilt gij er van gediend zijn?"
Bij deze vraag boog hij in den zadel voorover naar den officier, en haalde uit met de gebalde vuist, als om te slaan. Maar de andere sprong schielijk achteruit, en riep: "Dank u sir! dank u. Ik wil u veel liever op uw woord gelooven, zonder dat bewijs. Ik heb maar één hersenpan, en zou niet weten waar aan een andere te komen, als gij mij die insloegt. Neem het niet langer kwalijk, dat ik aanvankelijk niet zeer beleefd ben geweest! Wij hebben alle reden om sommige lieden scherp in de oogen te zien. Zoudt gij niet de goedheid willen hebben, ons te vergezellen? Mijn manschappen zouden daarover niet slechts even verheugd zijn als ik, maar wij zouden het tevens als een bijzondere eer voor ons beschouwen, als gij besluiten kondt onzen gast te zijn."
"Waar naar toe?"
"Wij moeten naar Fort Mormon."
"Dan kan ik tot mijn leedwezen van uw vriendelijke uitnoodiging geen gebruik maken; want wij moeten juist in tegenovergestelde richting, om op den bepaalden tijd onze vrienden daar te treffen."
"Dat spijt mij geweldig. Mag ik ook vragen, waar gij naar toe gaat sir?"
"Eerst naar de Elk Mountains, zooals ik u reeds gezegd heb. En van daar gaan wij naar de Book Mountains."
"Dan moet ik u waarschuwen sir!" zei de officier die nu een toon aangeslagen had zoo eerbiedig, alsof hij tegenover den opperbevelhebber van zijn korps stond.
"Hoe zoo dat? Waarvoor of voor wie?"
"Voor de Roodhuiden."
"Dank u. Voor de Indianen behoef ik niet bang te zijn. Overigens weet ik ook niet, welk gevaar van dien kant zou kunnen dreigen. De Roodhuiden leven op dit oogenblik in vollen vrede met de blanken, en zelfs de Utahs, met wie men hier te doen heeft, hebben sedert jaren niets gedaan, waardoor zij wantrouwen jegens zich hadden kunnen opwekken."
"Dat is zoo. Maar juist daarom zijn zij thans des te erger verbitterd. Wij weten zeer bepaald, dat zij sedert kort hun strijdbijlen weer opgegraven hebben en daarom moeten wij van Fort Mormon en van Indian Fort aanhoudend patrouille rijden."
"Zoo? Daarvan weten wij nog niets."
"Dat geloof ik graag; want gij komt van Colorado, en zoo ver kan dat nieuws nog niet doorgedrongen zijn. Uw weg loopt midden door het territoor der Utah-Indianen. Ik weet, dat de naam van Old Shatterhand bij de Roodhuiden van alle natiën een grooten invloed heeft. Maar toch, sir! neem de zaak niet al te licht op. Juist de Utahs hebben alle reden, om op de blanken verbitterd te wezen."
"Waarom dat?"
"Een troep blanke goudzoekers heeft een legerplaats der Utahs overvallen om paarden te rooven; het was in den nacht; maar de Utahs zijn wakker geworden en hebben zich te weer gesteld, waarbij verscheiden hunner door de veel beter gewapende blanken gedood zijn. De aanvallers zijn het met de geroofde paarden en veel andere in hun handen gevallen voorwerpen ontkomen; doch de Roodhuiden hebben hen den volgenden morgen achternagezet. De roovers werden ingehaald; en toen volgde er weer een gevecht, dat andermaal verscheiden menschenlevens gekost heeft. Daarbij moeten zestig Indianen doodgeschoten, maar ook slechts zes blanken ontkomen zijn. Nu dolen de Utahs rond, om die zes bleekgezichten te vinden; en tevens hebben zij een gezantschap naar Fort Union gezonden, ten einde schadevergoeding te erlangen; voor ieder paard een ander, voor de andere verloren voorwerpen ineens een som van duizend dollars, en voor elken gedooden Indiaan twee paarden en een geweer."
"Dat vind ik zeer billijk. Is daarin bewilligd?"
"Neen. De blanken willen er niets van weten, aan de Roodhuiden het recht op schadevergoeding toe te kennen. Het gezantschap is onverrichterzake teruggekeerd, en dientengevolge zijn de tomahawks opgegraven. De Utahs staan in massa op; en daar wij hier in het territoor, jammer genoeg, geen voldoende militaire macht bezaten, om hen in één slag te vernietigen, heeft men naar bondgenooten omgezien. Er zijn eenige officieren naar de Navajos gezonden, om die tegen de Utahs te winnen, en dat is gelukt."
"En wat is aan de Navajos geboden voor hun hulp?"
"Alles wat zij buitmaken."
Het gezicht van Old Shatterhand betrok toen hij dit hoorde. Hij schudde zijn hoofd, en zei: "Dus eerst worden de Utahs overvallen en beroofd, en verscheiden hunner gedood. Toen zij vroegen om bestraffing van de boosdoeners en om een billijke schadevergoeding, wordt hun verzoek van de hand gewezen. En nu zij hun zaak zelf in handen nemen, hitst men de Navajos tegen hen op, en betaalt die met den buit, dien zij aan de beleedigden zullen ontweldigen. Is het dan wel wonder, dat zij zich tot het uiterste gedreven voelen? Hun verbittering moet groot zijn, en wee nu stellig iederen blanke, die in hun handen valt!"
"Ik moet natuurlijk gehoorzamen aan de bevelen, die ik ontvang, en heb het recht niet om een eigen oordeel te vellen. Ik heb u deze mededeeling gedaan, om u te waarschuwen. Onze zienswijzen kunnen niet dezelfde zijn."
"Neen, dat begrijp ik. Ontvang mijn dank voor uw waarschuwing; en mocht gij in het Fort van uw ontmoeting met ons gewag maken, wees dan zoo goed er bij te zeggen, dat Old Shatterhand geen vijand van de Roodhuiden is, en dat hij het diep betreurt, dat een rijk begaafde natie ten onder moet gaan, doordien men haar den tijd niet geeft, om zich geleidelijk te wennen aan de wetten der maatschappelijke beschaving, maar van haar verlangt, dat zij in een ommezien tijds van een jagervolk herschapen wordt in een staatsburgerlijke maatschappij. Volkomen met hetzelfde recht kan men een schooljongen ter dood brengen, omdat hij nog de knapheid of de kunde niet bezit, om generaal of professor in de sterrenkunde te zijn. Good b'ye, Sir!"
Hij wendde zijn paard om, en reed, gevolgd door zijn drie metgezellen, weg, zonder verder naar de soldaten om te zien, die hem verbluft nastaarden, en toen hun afgebroken rit vervolgden. De drift had hem tot zijn laatste, en zooals hij zelf zeer goed begreep, totaal vergeefsche woorden verleid, maar des te minder spraakzaam was hij thans, nu hij bij zich zelf overwoog, dat het vruchtelooze moeite is "Broeder Jonathan" aan het verstand te willen brengen dat hij geen grooter recht om daar te zijn heeft dan die Indianen, die van oord tot oord, en van plaats tot plaats verjaagd worden, totdat zij, zooals te voorzien is, letterlijk doodgejaagd hun leven zullen eindigen zonder ergens medelijden te hebben gevonden.
Er verliep een half uur, eer Old Shatterhand uit zijn overpeinzingen ontwaakte, om zijn aandacht te vestigen op den horizon, die thans de gedaante had aangenomen van een donkere, ieder oogenblik breeder wordende streep. Zijn hand daarnaar uitstrekkende zei hij: "Daar ligt het bosch, waarover ik u gesproken heb. Geef uw paard de sporen, dan zullen wij er in vijf minuten zijn."
De paarden werden in galop gebracht, en spoedig bereikten de vier ruiters een hoog, dicht pijnboomen-bosch, welks zoom zoo vast gesloten scheen te zijn, dat er te paard aan geen doorkomen te denken viel. Maar Old Shatterhand wist raad. Hij reed regelrecht op een plaats aan, dreef zijn paard door het smalle kreupelhout, en bevond zich nu op een zoogenaamd Indianen-pad, een door de zich hier ophoudende Roodhuiden begaan voetpad van hoogstens drie voet breedte. Toen steeg hij van zijn paard af, om te onderzoeken, of hij er ook sporen ontdekken kon, doch er geen vindende besteeg hij zijn paard weer, en verzocht zijn metgezellen hem te volgen.
Hier, in dit geheimzinnige oer-woud bewoog zich geen windje, en behalve de voetstappen der paarden hoorde men geen het minste gedruisch. Old Shatterhand hield zijn karabijn, gereed om te schieten, in de rechterhand, en met zijn oogen wijd open voor zich uitgericht, ten einde bij een mogelijke vijandelijke ontmoeting de eerste te zijn, wiens wapen den tegenstander bedreigde. Als de Roodhuiden te paard door een streek trokken, waren er doorgaans zooveel bijeen, dat zij stellig zulk een pad niet zouden opzoeken waar niets te ontdekken viel, en waar de dichtheid van het woud de vrije beweging zeer belemmerde. Er waren op dit pad slechts weinige plaatsen, waar een ruiter met zijn paard zou hebben kunnen keeren. Een talrijke schaar Indianen zou hier, aangevallen door een klein aantal mannen te voet, verloren geweest zijn.
Na verloop van een vrij langen tijd liep dit pad uit op een open vlakte, met in het midden verscheiden groote op elkander gestapelde rotsblokken. Hier hield Old Shatterhand halt, terwijl hij zei: "Hier is de plaats, waar wij aan onze paarden een poosje rust willen gunnen, en in dien tijd kunnen wij onze prairie-honden braden en water hebben wij ook, zooals gij ziet."
Er stroomde namelijk van onder die steenen een beekje te voorschijn, dat kronkelend de vlakte doorliep, en dan in het bosch onzichtbaar werd. De ruiters stegen af, ontdeden de paarden van hun gebit, om hen te laten grazen, en zochten toen droog hout op, om vuur aan te maken. Jemmy nam de taak op zich, de prairie-honden van hun huid en ingewand te ontdoen en Old Shatterhand ging op verkenning uit of zij hier veilig waren.
Het bosch was namelijk slechts drie kwartier gaans breed, en werd dwars door het Indianen-pad doorsneden. De open vlakte lag ongeveer in het midden.
Het duurde niet lang of het vleesch, dat over het vuur hing, begon te braden en een niet onaangename geur vervulde den omtrek. Toen keerde Old Shatterhand terug. Hij was met snelle schreden naar den anderen zoom van het bosch gegaan, waar men het uitzicht had ver weg over een open prairie. Zijn oog had niets verdachts ontdekt, zoodat hij aan het drietal kwam mededeelen, dat men hier veilig was en geen overrompeling te vreezen had.
Een uur later waren de prairie-honden gebraden, en Old Shatterhand nam er een stuk van.
"Hum!" bromde Hobble-Frank. "Hondenvleesch eten! Als iemand het vroeger in zijn hersens gekregen had, mij te voorspellen, dat ik den besten vriend van den mensch tusschen mijn tanden fijn zou kauwen, zou ik hem een antwoord gegeven hebben, waarvan hem de haren te berge gerezen zouden zijn. Maar ik heb honger nu, en ik moet het dus probeeren."
"Maar 't is geen hond!" zei Jemmy. "Gij hebt immers gehoord, dat dit mormeldier louter prairie-hond genoemd wordt, omdat het zulk een keffende stem heeft."
"Dat verandert aan de zaak zelf niemendal. Dat maakt het veeleer nog erger. Gebraden mormeldier! Wie zou het in zijn hersens kunnen krijgen er naar te talen! Een mensch is toch tusschenbeide genoodzaakt tot vreemde dingen. Enfin, wij zullen zien."
Hij nam een stukje borstvleesch, en proefde het met lange tanden; maar zijn gezicht klaarde op; hij stak een grooter stukje in zijn mond, en zei kauwende: "Warendig niet kwaad! Het smaakt bijna als karniekl, maar toch niet zoo fijn als een gebraden sikje. Jongens! ik vrees dat er van die twee honden niet veel over zal blijven."
"Ja, wij moeten toch iets voor den avond bewaren," antwoordde Jemmy. "Wij weten niet of wij vandaag nog wel iets zullen schieten."
"Ik zorg nooit voor de toekomst; ik zeg altijd maar: Geen ellende vóór den tijd. Als ik moe ben, en mij in de armen van Orpheus kan werpen, ben ik voorshands alweer tevreden."
"Morpheus heet hij," verbeterde Jemmy.
"Verkoop nu maar geen wijsneuzerij. Gij zult mij zoo mal niet krijgen, dat ik mijn Orpheus nog met een Emme opscheep. Ik weet hoe zijn naam is. In het dorp Klotsche bij Moritzburg hadden wij een zangvereeniging, die Orpheus in de Bovenwereld heette; die kerels zongen zoo verrukkelijk, dat de toehoorders altijd in een zoeten dut er van vielen. En daarom is uit Klotsche ook het spreekwoord afkomstig: In de armen van Orpheus zinken. Houdt dus uw wijsheid maar thuis, en eet uw prairie-hond liever zonder praatjesmakerij, die met een man van mijn ondervinding niet opgaat. Gij weet, ik ben geen kwade kerel; maar als iemand mij onder mijn eten met een Morpheus komt vervelen, dan word ik allicht een beetje kitteloorig!"
Old Shatterhand gaf een wenk aan Jemmy, dat hij maar zwijgen moest, opdat men ten minste ongestoord af zou kunnen eten. Maar dit belette niet, dat er toch een andere stoornis op de komst was, en niet uitging van den kleinen, kort aangebonden Hobble-Frank.
Toen de vier mannen zich volkomen veilig waanden, verkeerden zij in een groote dwaling. Er was gevaar voor hen in aantocht, in de gedaante van twee troepen ruiters, die hun koers genomen hadden op het bosch aan.
De een van die troepen was klein: hij bestond slechts uit twee ruiters, die van het noorden afkwamen en op het spoor van Old Shatterhand en zijn metgezellen stootten. Zij hielden halt en sprongen van hun paarden, om het spoor te onderzoeken. De manier, waarop zij daarbij te werk gingen, deed vermoeden, dat zij geen onervaren Westmannen waren. Zij waren goed gewapend; maar hun kleeding zag er vrij haveloos uit. Aan sommige kleinigheden kon men zien, dat zij in den laatsten tijd stellig geen goede dagen beleefd hadden. Wat hun paarden betrof, die waren flink en goed gevoed, maar zonder zadel, ook ongetoomd, en slechts van een halster voorzien. Op die wijze laten de Indianen doorgaans hun paarden grazen in de nabijheid van hun legerplaats.
"Wat denkt gij van dit spoor, Knox?" vroeg een der twee. "Zouden wij misschien Roodhuiden voor ons hebben?"
"Neen," antwoordde de andere zeer bepaald.
"Blanken dus? Waar maakt gij dat uit op?"
"De paarden waren beslagen, en de ruiters reden niet achter elkander, zooals de Roodhuiden doen, maar naast elkander."
"En met hun hoeveel zijn zij?"
"Slechts met hun vieren. Wij hebben dus niets te vreezen, Hilton!"
"Behalve wanneer het soldaten zijn."
"Pshaw! Ook dan niet. Op een fort durven wij ons wel niet laten zien; want daar zijn zooveel oogen en vragen, dat wij ons stellig verraden zouden. Maar vier cavaleristen, die zullen niet veel uit ons krijgen. Hoe zouden zij overigens op het vermoeden kunnen komen, dat wij tot de blanken behooren, die de Utahs overvallen hebben?"
"Dat denk ik nu ook wel niet; maar de duivel speelt den mensch somwijlen rare parten, zonder dat men er van te voren iets van vermoed heeft. Wij verkeeren eigenlijk in een ellendigen toestand. Door de Roodhuiden zoogoed als vogelvrij verklaard, en door de soldaten overal gezocht, dolen wij in het gebied der Utahs rond. Het is van ons dom geweest, dat wij ons door dien roodharigen kornel en zijn tramps gouden bergen hebben laten voorspiegelen."
"Dom? Neen, dat niet. Spoedig rijk te kunnen worden, is een mooi ding; en ik wanhoop er nog volstrekt niet aan. De kornel zal met den anderen troep wel spoedig komen opdagen, en dan behoeven wij ons niet ongerust meer te maken."
"Maar tusschen nu en dan kan er heel wat gebeuren."
"Dat ben ik met u eens. Wij moeten trachten hoe eer hoe beter uit den benarden toestand van het oogenblik te komen. Als ik daarover nadenk, zie ik maar één middel daartoe: en dat middel biedt zich thans aan als vanzelf."
"En waarin bestaat dat middel?"
"Wij moeten ons best doen om blanken te vinden, bij wie wij ons kunnen aansluiten. In hun gezelschap zullen wij voor jagers doorgaan, en niemand zal op de gedachte komen, om ons voor lieden te houden, die in eenigerlei betrekking staan met hen, die de Utahs genoodzaakt hebben om hun oorlogstuig op te graven."
"En denkt gij, dat wij zulke mannen vóór ons hebben?"
"Ja, dat vermoed ik. Zij zijn naar het bosch. Wij zullen hen volgen."
Zij reden, Old Shatterhands spoor volgende, op het bosch aan. Daarbij spraken zij over hetgeen zij reeds beleefd hadden, en over hetgeen zij nu van plan waren te doen. Uit hetgeen zij elkander vertelden, bleek nu tamelijk duidelijk, dat zij volgelingen waren van den roodharigen kornel.
Deze had zijn troep, die, zooals men zich herinneren zal, uit de twintig aan den Eagle-tail den dans ontsprongen tramps bestond, trachten te vergrooten. Hij was tot het besef gekomen, dat zijn handvol onderhebbenden hoogst waarschijnlijk daarboven in het gebergte erg gedund zou worden door de Indianen, en dat twintig man dus veel te weinig waren. Daarom had hij op zijn rit door Colorado getracht, overal aanhangers te werven. Dat waren natuurlijk allen menschen zonder middel van bestaan, naar wier moraliteit geen onderzoek noodig was. Onder hen bevonden zich ook Knox en Hilton, de twee, die nu op het bosch aanreden. De troep van den kornel was al spoedig zoo groot geworden, dat die opzien moest baren, en dat het proviandeeren voor zooveel monden van dag tot dag moeilijker werd. Daarom had de kornel besloten zijn troep te splitsen. Met de eene helft wilde hij in de streek van La Veta over de Rocky Mountains gaan, en de andere helft zou de richting naar Morriso en Georgetown nemen, om van daar het gebergte over te komen. Daar Knox en Hilton mannen van ondervinding waren, moesten die de tweede afdeeling commandeeren, een opdracht die zij gaarne op zich genomen hadden. Zij waren gelukkig over de bergen gekomen, en hadden in de streek van Breekenridge halt gehouden. Daar was hun het ongeluk overkomen, dat de losgebroken stoeterij van een haciendero hun voorbij was gedraafd, en dat hun eigen paarden zich losgerukt hadden, en met de andere op den loop waren gegaan. Om in het bezit van nieuwe paarden te komen, hadden zij later de legerplaats van een troep Utah-Indianen overvallen, en waren door de Indianen vervolgd en verslagen geworden. Slechts zes waren het ontkomen. Maar de Roodhuiden zaten ook de zes op de hielen; vier hunner waren gisteren nog gevallen, en de twee aanvoerders, Knox en Hilton, waren de eenigen, die het geluk gehad hadden aan de wrekende pijlen der Indianen te ontkomen.
Daarover waren zij aan het spreken, toen zij het bosch naderden. Daar aangekomen, vonden zij het Indianen-pad en volgden dat. Zoo bereikten zij de open vlakte, juist op het oogenblik, toen de kleine kibbelpartij tusschen Jemmy en Hobble-Frank geëindigd was.
Toen zij het bij het vuur zittende gezelschap gewaarwerden, hielden zij een oogenblik halt, doch begrepen dadelijk, dat zij van die lieden slechts goed en geen kwaads te verwachten hadden.
"Dus, jagers, begrepen?" fluisterde Knox tegen Hilton.
"Ja," antwoordde deze. "Maar zij zullen ons vragen waar wij vandaan komen!"
"Dan laat gij mij maar antwoorden."
Nu zag Old Shatterhand de twee. Een ander zou geschrikt zijn; maar bij hem was schrikken een onmogelijkheid. Hij nam zijn karabijn in de hand, en nam hen, terwijl zij naderbij kwamen, goed op van het hoofd tot de voeten.
"Good day, messieurs!" groette Knox. "Is het ons vergund, hier bij u een weinig uit te rusten?"
"Ieder eerlijk man is ons welkom," antwoordde Old Shatterhand, terwijl hij met een doordringenden blik nogmaals de ruiters en toen hun paarden opnam.
"Wij willen hopen, dat gij ons niet voor het tegendeel houdt," zei Hilton, terwijl hij den scherpen blik van den jager, naar het scheen, goed doorstond.
"Ik oordeel over mijn medemenschen alleen dan, wanneer ik hen heb leeren kennen."
"Nu, vergun ons dan, dat wij u de gelegenheid daartoe geven."
De twee waren afgestegen, en namen plaats bij het vuur. Zij hadden stellig honger, want zij wierpen vrij verlangende blikken naar het gebraden vleesch. De goedhartige Jemmy schoof hun eenige stukken er van toe, en spoorde hen aan om te eten, hetgeen zij zich geen tweemaal lieten zeggen. Nu verbood de wellevendheid vragen tot hen te richten; de tijd totdat zij genoegzaam hun honger gestild hadden, werd dus zwijgend doorgebracht.
De reeds vermelde andere troep, die van de andere zijde op het bosch aankwam, bestond uit een schaar van omstreeks tweehonderd Indianen. Old Shatterhand was wel ook aan dien kant op verkenning uit geweest; maar toen hij de prairie, die zich daar opende, overzag, had hij de in vollen ren aankomende Roodhuiden nog niet kunnen zien, doordien ze zich op dat oogenblik nog achter een vooruitspringenden hoek van een bosch bevonden. Ook zij moesten de streek nauwkeurig kennen, want zij hielden regelrecht op den uitgang van het smalle woudpad aan, langs welks ingang de blanken naar de open ruimte waren gekomen.
De Roodhuiden bevonden zich op een krijgstocht: dat kon men zien aan de schelle kleuren, waarmede zij hun gezichten geverfd hadden. De meesten waren gewapend met geweren, slechts enkelen met pijl en boog. Aan het hoofd van den troep reed een reusachtige gestalte, die hun hoofdman was, want vóór op zijn schedel droeg hij de veer van een adelaar. Zijn ouderdom was niet te herkennen, want ook zijn gelaat was geheel bedekt met zwarte, gele en roode strepen. Aan het pad aangekomen, steeg hij, om dat te onderzoeken, af. De voorste krijgslieden van den stoet, die vlak achter hem waren, zagen in gespannen verwachting aan hoe hij begon. Daar snoof een paard. Hij hief waarschuwend de hand omhoog, en de berijder van dat dier hield het terstond de neusgaten dicht. Daar de hoofdman door zijn waarschuwende handbeweging tot de grootste stilte aanmaande, moest hij iets verdachts ontdekt hebben. Hij liep langzaam, voetje voor voetje en met zijn bovenlijf diep ter aarde gebogen, een kort eind weegs op het pad verder het bosch in. Vervolgens terugkeerende, zei hij fluisterend in de taal der Utahs, die deel uitmaakt van den Sjosjonischen tak van den Sorarataalstam: "Er is hier een bleekgezicht geweest vóór den tijd, dien de zon noodig heeft om een spanne ver te loopen. De krijgslieden der Utahs zullen zich met hun paarden onder de boomen verbergen. Owoets-awaat zal gaan om het bleekgezicht te zoeken."
De hoofdman, die nog iets langer, breeder en dikker was dan Old Firehand, heette dus Owoets-awaat, hetgeen beteekent: de Groote Wolf. Hij sloop toen weer het bosch in. Toen hij ongeveer een half uur later terugkwam, was er niet een van zijn onderhebbenden te zien. Hij floot even, en dadelijk kwamen de Roodhuiden van onder de boomen te voorschijn, terwijl zij de paarden daar achterlieten. Hij gaf een wenk, waarop de onder-aanvoerders, vijf of zes in getal, op hem toetraden.
"Zes bleekgezichten kampeeren bij de rotsen," sprak hij tot hen. "Dat zijn waarschijnlijk de zes, die het gisteren ontkomen zijn. Zij eten vleesch, en hun paarden loopen te grazen bij hen. Mijn broeders kunnen mij volgen tot daar, waar dit pad ten einde loopt; dan splitsen zij zich; de eene helft sluipt naar rechts, de andere helft naar links, totdat hun legerplaats omsingeld is. Dan zal ik het sein geven, waarop de roode krijgslieden dadelijk te voorschijn komen. De blanke honden zullen zoo verschrikt zijn, dat zij er niet aan denken tegenweer te bieden. Wij zullen hen met onze handen kunnen grijpen en naar het dorp sleuren, om hen daar aan een paal te binden. Vijf man blijven hier om de vastgebonden paarden te bewaken. Howgh!"
Dit laatste woord dient ter bekrachtiging, en heeft ongeveer dezelfde beteekenis als onze woorden: "Het zij zoo" of "basta" of "daarmee afgepraat!" Als een Indiaan dat woord uitspreekt, geeft hij daarmee te kennen, dat hij het onderwerp beschouwt als geheel afgehandeld.
Met hun hoofdman voorop, drongen de Roodhuiden het pad in het bosch in, zoo zacht, dat er geen zweempje van gedruisch of geritsel gehoord werd. Toen zij de plaats bereikten, waar het pad op de open vlakte uitliep, gingen zij naar weerszijden uit elkander, om de open ruimte te omsingelen. Te paard zou niemand zich in het bosch een doortocht hebben kunnen banen; maar te voet, en vooral voor de lenige gestalte van de Indianen, was dat mogelijk.
De blanken hadden pas hun maaltijd geëindigd. Hobble-Frank schoof zijn bowie-mes in zijn gordel en zei, om door de twee pas aangekomenen verstaan te worden natuurlijk in het Engelsch: "Nu hebben wij gegeten en de paarden zijn uitgerust, dus kunnen wij nu opbreken, om nog vóór den nacht de plaats van onze bestemming te bereiken."
"Ja," merkte Jemmy aan. "Maar vóór alles dienen wij toch elkander te leeren kennen, en te vernemen of onze wegen niet uiteenloopen."
"Juist!" zeide Knox, met een vriendelijk hoofdknikje. "Als ik vragen mag, wat is vandaag de plaats van uw bestemming?"
"Wij rijden naar de Elk-bergen."
"Wij ook. Dat treffen wij al zeer mooi. Dan kunnen wij de reis gezamenlijk doen."
Old Shatterhand zei geen woord. Hij gaf tersluiks een wenk aan Jemmy, om voort te gaan met vragen; want hij wilde eerst dan spreken, als hij den tijd daartoe gekomen achtte.
"Dat vind ik niet kwaad," antwoordde de dikke. "En waar wilt gij dan verder heen?"
"Dat is nog onbepaald. Misschien naar de Greenrivier, om naar bevers te zoeken."
"Daar zult gij er niet veel vinden. Wie dikstaarten (= bevers) vangen wil, moet meer naar het noorden gaan. Dus gijlieden zijt trappers, beverjagers?"
"Ja. Mijn naam is Knox, en mijn kameraad heet Hilton."
"Maar waar zijn dan uw bever-vallen, master Knox? want als gij die niet hebt, zult gij niet veel vangen, vrees ik."
"Die zijn ons daarbeneden aan de San Juan-rivier, door dieven ontstolen, waarschijnlijk door Indianen. Misschien komen wij wel aan een kamp, waar wij andere zullen koopen. Dus hebt gij er niets tegen, dat wij ons naar de Elk-bergen bij u aansluiten?"
"Mij is het goed, als mijn kameraden het ook goedvinden."
"Mooi, master! mogen wij dan nu ook naar uw namen vragen?"
"Waarom niet? Mij noemt men den dikken Jemmy; en mijn buurman rechts..."
"Stellig den langen Davy?" viel Knox hem schielijk in de rede.
"Juist! Dat hebt gij goed geraden."
"Natuurlijk! Gij zijt beiden wijd en zijd overbekend; en waar de dikke Jemmy is, daar behoeft men ook niet lang naar zijn Davy te zoeken. En die kleine master hier aan uw linkerhand?"
"Dien noemen wij Hobble-Frank, een ferm kereltje, zooals u spoedig genoeg blijken zal."
Frank wierp, zichtbaar gestreeld, een dankbaren blik op den spreker, en deze vervolgde: "En de laatste naam, dien ik u nog te noemen heb, is stellig nog beter bekend, dan de mijne. Ik denk ten minste wel, dat gij wel eens van Old Shatterhand hebt hooren spreken."
"Old Shatterhand?" riep Knox, met alle kenteekenen van aangename verrassing. "Is het wezenlijk waar, sir! dat gij Old Shatterhand zijt?"
"Waarom zou dat niet waar zijn?" antwoordde de genoemde.
"Vergun mij dan u te zeggen, dat het mij onuitsprekelijk veel genoegen doet, kennis met u te maken."
Dit zeggende stak hij den jager de hand toe, en keek meteen vluchtig Hilton aan met een blik, die aan dezen duidelijk te kennen gaf: "Toon ook, dat gij blijde zijt, want nu zijn wij geborgen. Als wij bij dezen beroemden man zijn, hebben wij niets meer te vreezen."
Old Shatterhand deed echter alsof hij de hem toegereikte hand niet zag, en antwoordde ijskoud: "Doet u dat inderdaad genoegen? Dan is het jammer, dat ik in uw genoegen niet kan deelen."
"Waarom niet, sir?"
"Omdat gij beiden lieden zijt, met wie het iemand volstrekt geen genoegen kan doen kennis te maken."
"Hoe bedoelt ge dat?" vroeg Knox, geheel uit het veld geslagen door zulk een onverbloemd antwoord. "Ik houd het er voor, dat gij schertst, sir!"
"Integendeel, ik zeg u in vollen ernst wat ik meen. Gij zijt zulk een paar zwendelaars, en misschien iets nog veel ergers."
"Oho! Denkt gij, dat wij ons zulk een beleediging zoetsappig zullen laten welgevallen?"
"Ja, dat is juist wat ik denk. Wat zoudt gij anders kunnen doen?"
"Kent gij ons dan?"
"Volstrekt niet. En dat zou ook geen eer voor mij zijn."
"Sir! gij wordt hoe langer hoe kwetsender. Men beleedigt geen mensch, met wien men kort van te voren zijn maaltijd heeft gedeeld. Kunt gij ons bewijzen, dat wij zwendelaars zijn?"
"Waarom zou ik dat niet kunnen?"
"Omdat het u onmogelijk is. Gij erkent zelf, dat gij ons volstrekt niet kent. Gij hebt ons nooit gezien. Hoe wilt gij dan bewijzen, dat uw woorden op waarheid gegrond zijn?"
"Pshaw! Geef u toch geen noodelooze moeite; en houdt toch in 's hemels naam Old Shatterhand niet voor zóó dom, dat hij zich door lieden van uw stempel knollen voor citroenen laat verkoopen. Zoodra ik u zag heb ik geweten, waaraan ik mij met u te houden had, en wat gijlieden zijt. Dus, beneden aan den San Juan hebt gij vallen opgezet? Wanneer is dat geweest?"
"Vier dagen geleden."
"Dus zijt gij regelrecht van daar naar hier gekomen?"
"Ja."
"Dat zou dus zijn van het zuiden hierheen, en is bijgevolg een leugen. Gij zijt zeer kort na ons gekomen, zoodat wij u buiten op de open prairie hadden moeten zien. Maar naar het noorden springt het bosch verder vooruit, en achter dien uitsprong van het bosch hebt gij u bevonden, toen ik den laatsten keer, eer wij het pad insloegen, goed overal rondgekeken heb. Gij zijt van het noorden gekomen."
"Neen, sir! ik heb u de waarheid gezegd. Gij zult ons niet gezien hebben."
"Ik? U niet gezien hebben? Als ik zulke slechte oogen had, ware ik reeds duizendmaal verloren geweest. Neen, gij maakt mij niets wijs! En nu verder: Waar hebt gij uw zadels?"
"Die hebben ze ook gestolen."
"En het paardetuig?"
"Dat ook."
"Man! denk toch niet, dat gij met een onnoozel kind te doen hebt!" riep Old Shatterhand, vol minachting lachende. "Dus gij hebt zadels en paardetuig met de bever-vallen in het water gestoken, zoo, dat u alles tegelijk ontstolen is kunnen worden. Welke jager ontdoet zijn paard van den toom? En hoe komt gij nu aan die Indiaansche halsters?"
"Die hebben wij van een Roodhuid gekocht."
"En de paarden ook misschien?"
"Neen," antwoordde Knox, die begreep dat hij onmogelijk ook deze leugen zou kunnen staande houden--die zou al te groot, al te onbeschaamd geweest zijn.
"Dus, de Utah-Indianen doen negotie met halsters! Dat wist ik nog niet. En waar zijt gij aan uw paarden gekomen?"
"Die hebben wij gekocht van Fort Dodge."
"Zóó ver hier vandaan? En ik zou durven wedden, dat die dieren tot pas zeer kort geleden wekenlang achtereen in de wei geloopen hebben. Een paard, dat zijn ruiter van Fort Dodge af naar hier heeft gedragen, ziet er heel anders uit. En hoe komt dat, dat uw paarden niet beslagen zijn?"
"Dat zoudt ge aan den koopman dienen te vragen, die ze aan ons verkocht heeft."
"Koopman! Onzin! Die paarden zijn in het geheel niet gekocht!"
"Wat dan?"
"Gestolen!"
"Sir?" riep Knox, terwijl hij naar zijn mes greep. Ook Hilton tastte met de hand naar zijn gordel.
"Laat de messen maar zitten, of ik sla u beiden neer als een paar kegelpoppen," dreigde Old Shatterhand. "Of denkt gij, dat ik niet gezien heb, dat die paarden op zijn Indiaansch gedresseerd zijn?"
"Hoe kunt gij dat gezien hebben? Gij hebt ons immers niet zien rijden! Alleen dat korte eindje van het voetpad naar hier hebt gij ons te paard zien zitten. En dat is niet voldoende om een oordeel te vellen."
"Maar ik merk, dat zij onze paarden mijden, dat zij dicht bij elkander blijven. Die paarden zijn ontstolen van de Utahs, en gij beiden behoort onder het gespuis, dat die arme Roodhuiden overvallen heeft."
Knox wist niet meer wat hij zeggen zou. Tegen de scherpzinnigheid van dezen man was hij niet opgewassen. Zooals het met zulke lieden in dergelijke gevallen doorgaans gaat, ging het ook met hem: Hij nam ten laatste zijn toevlucht tot grofheden.
"Sir! ik heb veel van u gehoord, en u voor een gansch ander mensch gehouden," zei hij. "Gij redeneert als iemand, die droomt. Wie zich dingen verbeeldt, zooals gij doet, moet volslagen krankzinnig zijn. Onze paarden op zijn Indiaansch gedresseerd! Het zou wezen om zich dood te lachen, als men er zich niet over ergeren moest. Ik begin te begrijpen, dat wij volstrekt niet bij elkander passen, en om niet langer genoodzaakt te zijn uw verder geraaskal aan te hooren, zullen wij opbreken."
Hij stond op, en Hilton insgelijks. Maar Old Shatterhand stond óók op, vatte hem bij den arm, en zei gebiedend: "Gij blijft hier!"
"Hier blijven, sir? Moet dat bijgeval een bevel zijn?"
"Natuurlijk!"
"Hebt gij dan iets over ons te zeggen?"
"Ja. Ik zal u overleveren aan de Utahs; dan kunnen die u straffen."
"Ei, ei! Dat zou nog een sportje gekker wezen, dan de Indiaansche dressuur!"
Hij zei dat met een hoonenden glimlach; maar zijn lippen beefden, en men kon duidelijk aan hem zien, dat hij niet zoo op zijn gemak was, als hij moeite deed om te schijnen.
"Maar het zal precies zoo geraden zijn, als bij de dressuur," antwoordde de jager, "Dat uw paarden aan de Utah's toebehoord hebben, blijkt ook...... verduiveld, wat is dat?"
Terwijl hij over de paarden sprak, had hij zijn oogen op die dieren gericht en daarbij iets opgemerkt, dat in hooge mate de aandacht trok. Zij hielden namelijk de neusgaten in de hoogte, draaiden zich om naar alle richtingen, slurpten zoo de lucht in, en renden toen, als verheugd hinnikend, op den zoom van de open vlakte aan.
"Ja, wat kan dàt zijn?" riep ook Jemmy. "Er zijn Roodhuiden in de nabijheid."
Het zich nooit vergissend oog van Old Shatterhand doorzag ineens den omvang van het gevaar dat dreigde. Hij antwoordde: "Wij zijn omsingeld, stellig door de Utahs, wier nabijheid ons door de paarden verraden is; en die zullen nu genoodzaakt zijn ons onverhoeds te overvallen."
"Wat dan?" vroeg Davy. "Moeten wij ons verweren?"
"Wij zullen hun eerst toonen, dat wij met die twee bandieten niets te maken hebben. Dat is de hoofdzaak. Dus afgepraat met hen!"
Met zijn gebalde vuist gaf hij Knox een slag tegen zijn hoofdslaap, zoodat hij als een koekzak op den grond viel; en toen kreeg Hilton, eer hij het ontwijken kon, een dito slag met hetzelfde gevolg.
"Nu gauw de rots op!" gebood Old Shatterhand; "dààr zijn wij gedekt, hierbeneden niet. Dan moeten wij het verdere afwachten." De kolossale steenmassa's waren niet gemakkelijk te beklimmen; maar in toestanden, als die van dit oogenblik, kan de mensch oneindig meer, dan hij zelf voor mogelijk zou hebben gehouden. In drie, vier, vijf seconden waren de jagers boven, en achter de hoeken, kanten en struiken, waarachter zij neerdoken, verdwenen. Sedert het blijde hinniken der twee Indianen-paarden kon er hoogstens een minuut verloopen zijn. De hoofdman had dadelijk het sein tot den aanval willen geven; doch hij had dat niet gedaan, toen hij zag, dat het eene bleekgezicht twee andere bleekgezichten neersloeg. Dat begreep hij niet, en hij aarzelde; daardoor had het viertal tijd gehad om op de rotsen te komen.
Nu deed "de Groote Wolf" aan zich zelf de vraag, wat hij, in de gegeven omstandigheden, nu moest doen. De blanken te overrompelen, die gelegenheid had hij zich laten ontglippen. Nu waren zij boven, en konden door de kogels en pijlen niet bereikt worden; maar wel waren zij in staat, om uit de hoogte de gansche open ruimte te beheerschen, en hun kogels naar alle richtingen te zenden. Tweehonderd Roodhuiden tegen vier of hoogstens zes blanken! Voor eerstgenoemden was de overwinning zeker. Maar hoe, op welke manier konden zij zich die verschaffen? Zouden zij de rots bestormen? Het liet zich voorzien, dat veel Indianen het leven daarbij zouden inschieten. Wanneer het wezen moet is de Roodhuid dapper, onverschrokken, vermetel zelfs; maar als hij zijn doel bereiken kan door list, en zonder zich aan gevaar bloot te stellen, zal hij er niet aan denken iets te doen, waardoor zijn leven op het spel gezet kon worden. De hoofdman riep dan ook, door even te fluiten, zijn onderbevelhebbers tot zich, om met hen te beraadslagen.
De uitslag van die beraadslaging was zeer spoedig te zien, of juister gezegd te hooren. Van den zoom der open vlakte klonk een luide stem. Daar die vlakte hoogstens vijftig passen breed was, en de afstand tusschen de rots en de plaats, waar die stem zich deed hooren, slechts de helft, dus slechts vijf en twintig passen bedroeg, kon men ieder woord duidelijk verstaan. De hoofdman achter een boom staande, riep: "De bleekgezichten zijn door vele Roodhuiden omsingeld, en kunnen naar beneden komen."
Dit was zoo kinderachtig, dat er niet eens antwoord op gegeven werd. De Roodhuid herhaalde die opeisching nog tweemaal, en toen hij ook nog geen antwoord ontving, liet hij er op volgen: "Als de blanke mannen niet gehoorzamen, zullen wij hen dooden!" Daarop gaf Old Shatterhand nu ten antwoord: "Wat hebben wij den rooden krijgslieden gedaan, dat zij ons omsingeld hebben en ons overvallen willen?"
"Gijlieden zijt de honden, die onze mannen gedood en onze paarden geroofd hebben."
"Daar vergist gij u in! Slechts twee van die boosdoeners zijn hier; die zijn pas kort geleden bij ons gekomen; en zoodra ik vermoedde, dat zij tot de vijanden der Utahs behoorden, heb ik hen neergeveld. Zij zijn niet dood, en zullen spoedig weer tot bewustzijn komen. Wanneer gij hen hebben wilt kunt gij hen weghalen."
"Gij wilt ons op de vlakte lokken, om ons te kunnen dooden!"
"Neen."
"Ik geloof u niet."
"Wie zijt gij? Hoe is uw naam?"
"Ik ben Owoets-awaat, de hoofdman der Utahs."
"Ik ken u. De Groote Wolf is sterk naar lichaam en naar geest. Hij is de krijgs-overste der Yampa-Utahs, die dapper en rechtvaardig zijn, en die geen onschuldigen voor de euveldaden der schuldigen zullen doen boeten."
"Gij praat als een vrouw. Gij jammert om uw leven. Gij noemt u onschuldig, omdat gij bang zijt voor den dood. Ik veracht u. Hoe is uw naam? Stellig de naam van een ouden, blinden hond?"
"Is de Groote Wolf zelf niet blind? Hij schijnt onze paarden niet te zien. Hebben die ooit aan de Utahs toebehoord? Er is een muilezel bij. Is die hun ontstolen? Hoe kan de Groote Wolf ons voor paardendieven aanzien? Als hij mijn zwarte hengst maar eens bekijkt! Hebben de Utahs ooit zulk een paard in hun bezit gehad? Dat is er een van het bloed, dat alleen voor Winnetou, den hoofdman der Apachen, en voor zijn vrienden aangefokt wordt. Moet de Groote Wolf daaruit niet begrijpen, dat ik een vriend van dien grooten man ben? Mag hij mij dan wel van bangheid en lafheid betichten? De krijgslieden der Utahs kunnen hooren of mijn naam die van een hond is. De bleekgezichten noemen mij Old Shatterhand; en in de taal der Utahs word ik Pokai-Moe (= de doodende hand) genoemd."
De hoofdman antwoordde niet dadelijk, en de nu ingetreden stilte duurde eenige minuten. Dat was bepaald een teeken, dat de naam van den jager indruk gemaakt had. Eerst na verloop van eenige minuten deed de stem van den Grooten Wolf zich weer hooren: "Het bleekgezicht wil ons wijsmaken, dat hij Old Shatterhand is; maar wij gelooven hem niet. Hij weet dat die beroemde blanke jager bij alle Roodhuiden in hooge achting staat, en neemt zijn naam aan, om ons te misleiden, en den dood te ontgaan. Wij maken uit zijn gedrag op, dat die naam hem niet toekomt."
"Hoe dat zoo?" vroeg de jager.
"Old Shatterhand kent geen vrees; maar u heeft de angst den moed benomen, om u aan ons te vertoonen."
"Als dat opging, gevoelden de krijgslieden der Utahs nog meer angst dan ik. Ik laat mij niet zien, en gijlieden telt vele, zeer vele gewapenden; maar gijlieden houdt u allen schuil voor slechts vier man! Wie is nu banger, ik of gij? Overigens wil ik u wel bewijzen, dat ik geen bangheid ken. Gij zult mij zien!"
Hij trad uit zijn schuilplaats te voorschijn, beklom het hoogste punt van de rots, staarde langzaam in het rond, en stond daar in de hoogte zoo vrij en onbevangen, alsof er geen één geweer was, waaruit de kogel hem raken kon.
"Ing Pokai-moe, ing Pokai-moe, howgh!" klonken luid verscheiden stemmen (= het is de doodende hand, het is de doodende hand, zonder twijfel).
Dat waren mannen, die hem kenden, doordien zij hem vroeger gezien hadden. Hij bleef zonder vrees staan, en riep den hoofdman toe: "Hebt gij de getuigenis van uw krijgslieden gehoord? Gelooft gij nu, dat ik werkelijk Old Shatterhand ben?"
"Nu geloof ik het. Uw moed is groot. Onze kogels dragen ver, veel verder dan waar gij staat. Hoe licht kan een van onze geweren afgaan."
"Dat zal niet gebeuren; want de krijgslieden der Utahs zijn dappere mannen maar geen moordenaars. En als ik door u gedood werd, zou mijn dood ontzettend aan u gewroken worden."
"Wij zijn niet bang voor wraak."
"Die zou u treffen en verdelgen, zonder te vragen of gij er bang voor zijt of niet. Ik heb aan het verlangen van den Grooten Wolf voldaan en mij aan hem vertoond. Waarom blijft hij zich nu nog schuilhouden? Is hij nu nòg bang, of houdt hij mij voor een sluipmoordenaar die hem zoekt te dooden?"
"De hoofdman der Utahs is zonder vrees. Hij weet, dat Old Shatterhand alleen naar de wapenen grijpt, wanneer hij aangevallen wordt. En daarom zal hij zich nu óók laten zien."
Hij trad van achter den boom te voorschijn, zoo, dat zijn kolossale gestalte duidelijk te zien kwam.
"Is Old Shatterhand nu voldaan?" vroeg hij.
"Neen!"
"Wat verlangt hij dan nog meer?"
"Ik wil met u spreken in dichtere nabijheid, om beter te vernemen wat uw verlangen is. Kom dus naderbij, tot op de helft van den afstand, die nu tusschen ons ligt. Ik zal van de rots afklimmen en u tegemoet komen. Dan gaan wij bij elkander zitten, zooals het aan degelijke krijgslieden en hoofdmannen voegt, om te beraadslagen."
"Wilt gij niet liever bij ons komen?"
"Neen; wij behooren elkander te eeren door ieder van zijn kant den andere halverwegen tegemoet te komen."
"Dan zou ik met u op het open grasveld zitten, en onbeschut blootgesteld zijn aan de kogels van uw metgezellen."
"Ik geef u mijn woord, dat u geen leed geschieden kan. Zij zouden alleen dan schieten, als uw krijgslieden mij een kogel zonden. Dan waart gij natuurlijk een verloren man."
"Als Old Shatterhand zijn woord geeft kan men er op vertrouwen: dat is hem even heilig als de groote eed. Ik zal dus komen. Hoe zal de groote blanke jager gewapend zijn?"
"Ik zal al mijn wapenen afleggen en hier achterlaten; maar u staat het vrij, te doen zooals gij goedvindt."
"De Groote Wolf zal geen schande op zich laden, door minder moed en vertrouwen aan den dag te leggen. Kom dus maar naar beneden!"
De hoofdman legde zijn wapenen neer waar hij stond, in het gras, en wachtte toen Old Shatterhand af.
"Gij waagt te veel," antwoordde Jemmy hem. "Zijt gij inderdaad overtuigd, dat gij het durft besteken?"
"Ja. Als de hoofdman eerst achteruit was getreden om met de zijnen te beraadslagen, of hun een bevel of een wenk te geven, dan zou ik argwaan opgevat hebben. Maar daar hij dat niet gedaan heeft, moet ik hem vertrouwen."
"En wat moeten wij ondertusschen doen?"
"Niets. Zonder dat men het beneden merkt legt gij uw geweren op hem aan, en schiet hem terstond neer als ik aangevallen word."
Hij klom van de rots af, en toen traden de twee langzaam op elkander aan. Zoodra zij dicht genoeg bij elkander waren, stak Old Shatterhand den hoofdman de hand toe, en zei: "Ik heb den Grooten Wolf nog nooit gezien; maar ik heb dikwijls gehoord, dat hij in de beraadslaging de verstandigste en in het gevecht de dapperste is. Het doet mij dus genoegen thans zijn aangezicht te zien, en hem als vriend te kunnen begroeten."
De Indiaan deed juist alsof hij niet zag, dat de blanke hem de hand aanbood, nam hem met een doordringenden blik op van het hoofd tot de voeten, en toen op den grond wijzende, antwoordde hij: "Laat ons gaan zitten! De weerbare mannen der Utahs hebben hun strijdbijlen tegen de bleekgezichten moeten opgraven, en er is dus niet één blanke, dien ik als vriend begroeten kan."
Hij ging zitten, en Old Shatterhand deed insgelijks, vlak tegenover hem. Het vuur was uitgegaan; naast de asch lagen nog altijd Knox en Hilton, die òf in erge mate bewusteloos òf misschien wel dood moesten zijn, daar zij nog altoos bewegingloos lagen. Old Shatterhand's mustang had de indianen geroken, nog eer de hoofdman zijn stem had doen hooren, en was snuivend achterwaarts geweken tot bij de rots. Ook de oude muilezel van Davy had zulk een fijnen neus, en had het voorbeeld van den hengst gevolgd. De paarden van Frank en Jemmy, ziende wat de andere deden, deden insgelijks, zoodat de vier dieren nu vlak bij de rots stonden; en uit hun houding en geheele manier van zijn bleek ten duidelijkste, dat ook zij het gevaar beseften, waarin zoowel zij en hun meesters verkeerden.
Geen der twee tegenover elkander zittenden scheen het gesprek te willen beginnen. Old Shatterhand zat rustig wachtende op den grond te kijken, en scheen zoo onbekommerd, alsof hem hoegenaamd niets kwaads overkomen kon. De Roodhuid daarentegen kon zijn uitvorschend oog niet van den blanke afhouden. De verf, die dik op zijn aangezicht gesmeerd zat, maakte het onmogelijk de uitdrukking er van te bespieden; maar de breed en min of meer naar beneden getrokken mondhoeken schenen aan te duiden, dat hij zich van den veel besproken jager een geheel andere voorstelling gemaakt had, waaraan zijn uiterlijke gedaante, zooals hij die thans vóór zich zag, volstrekt niet beantwoordde. Dit bleek, toen hij eindelijk de bijna als ironie klinkende opmerking maakte: "De roep van Old Shatterhand is groot; maar de groei van zijn gestalte is daaraan niet geëvenredigd."
Old Shatterhand was wel is waar iets grooter dan de meeste mannen van middelbare lengte; maar een reuzengestalte had hij volstrekt niet. En de Roodhuid had zich den jager altijd voorgesteld als een echten Goliath. Met een glimlachje antwoordde Old Shatterhand: "Wat heeft de groei der gestalte te maken met den roep? Zou ik, van mijn kant, nu den hoofdman der Utahs moeten antwoorden: De gestalte van den Grooten Wolf is groot, maar zijn roep, zijn dapperheid, is daaraan niet geëvenredigd?"
"Dat zou een beleediging zijn," antwoordde de Roodhuid met vlammenschietende oogen, "waarop ik u terstond verlaten zou, om bevel te geven den strijd te beginnen."
"Waarom veroorlooft gij u dan zulk een opmerking over mijn gestalte? Wel kunnen uw woorden een Old Shatterhand niet beleedigen, maar zij verraden toch een kleinachting, die ik niet mag dulden. Ik ben minstens een even groot hoofdman als gij; ik zal wellevend met u spreken en verlang van u dezelfde wellevendheid. Dat moet ik u zeggen, voordat wij ons onderhoud beginnen, want anders zou dat toch niet tot een gewenscht doel kunnen leiden."
Hij was het aan zich zelf en zijn drie medestanders verplicht, den Roodhuid deze terechtwijzing te geven. Hoe krachtiger hij optrad, des te meer indruk maakte hij; en juist van den indruk, dien hij op dit oogenblik maakte, hing grootendeels af, hoe de toestand, waarin hij en de zijnen zich bevonden, zou eindigen.
"Er is maar één doel en geen ander," verklaarde de Groote Wolf.
"En dat is?"
"Uw dood!"
"Dat zou een moord zijn, want wij hebben u niets gedaan."
"Wij vinden u in gezelschap van de moordenaars, die wij vervolgen!"
"Gelooft gij dan, dat ik er bij geweest ben, toen zij u des nachts overvallen hebben?"
"Neen! Old Shatterhand is geen paardendief: hij zou hen daarvan teruggehouden hebben."
"Welnu, waarom behandelt gij mij dan nog als vijand?"
"Omdat gij met hen meegereden zijt."
"Neen, dat is onwaar. Zend een uwer lieden terug op ons spoor. Hij zal spoedig ontdekken, dat die twee kerels na ons gekomen zijn en toen ons spoor hebben gevolgd."
"Dat verandert niets aan de zaak. De bleekgezichten hebben ons in vollen vrede overvallen, onze paarden geroofd, en velen van onze krijgslieden gedood. Onze verbittering was groot, en onze bedachtzaamheid niet kleiner. Wij hebben wijze mannen afgevaardigd, om straf voor de schuldigen en schadevergoeding voor onze verliezen te vragen. Men heeft hen uitgelachen en afgewezen. Daarom hebben wij de tomahawks opgegraven en gezworen, dat, tot onze wraak voleindigd is, iedere blanke, die in onze handen valt, gedood zal worden. Dien eed moeten wij houden, en gij zijt een blanke."
"Maar een blanke, die onschuldig is."
"Waren mijn krijgslieden, die men gedood heeft, dan óók niet onschuldig? Verlangt gij van ons, dat wij barmhartiger moeten zijn, dan onze tegenstanders en moordenaars?"
"Wat er gebeurd is betreur ik. De Groote Wolf moet weten, dat ik een vriend der roode mannen ben."
"Dat weet ik; en toch zult ook gij moeten sterven. Als de onrechtvaardige bleekgezichten, die met onze klachten spotten, vernemen, dat zij door hun gedrag den dood van vele onschuldigen en zelfs den dood van Old Shatterhand op hun geweten hebben, dan zal dat hun misschien een leer zijn voor het vervolg, om verstandiger en rechtvaardiger te handelen."
Dat klonk gevaarlijk. De Indiaan sprak in vollen ernst, en de gevolgtrekking, die hij maakte, was allesbehalve onlogisch. Maar toch antwoordde Old Shatterhand: "De Groote Wolf denkt slechts aan zijn eed, maar niet aan de gevolgen daarvan. Wanneer gij ons ter dood brengt, zal er een kreet van verontwaardiging over de bergen en prairiën weergalmen, en duizenden bleekgezichten zullen zich ten strijde opmaken, om onzen dood te wreken. Die wraak-oefening zal des te strenger wezen, omdat wij altijd de vrienden der roode mannen geweest zijn."
"Wij--dus gij niet alleen? Bedoelt gij met dat woord uw drie metgezellen? Wie zijn dat dan?"
"De eene heet Hobble-Frank, en dien zult gij misschien niet kennen; maar den naam der twee anderen hebt gij stellig dikwijls gehoord: den dikken Jemmy en den langen Davy."
"Ja, die twee ken ik. Men heeft nooit den een zonder den ander gezien, en ik heb nooit gehoord dat zij vijanden van de Indianen zijn. Maar juist daarom zal hun dood aan de onrechtvaardige hoofdmannen der blanken doen zien, hoe onverstandig het van hen geweest is, onze afgevaardigden kortweg af te wijzen. Uw lot is beslist; maar gij zult een eervollen dood sterven. Gijlieden zijt dappere en beroemde mannen, en zult den allerfolterendsten dood sterven dien wij voor u kunnen uitdenken. Dien zult gij doorstaan, zonder dat uw ooghaartjes zich bewegen, en de mare daarvan zal weerklinken door het gansche land. Daardoor zal uw roem nog schitterender worden, dan die tot nu toe reeds was, en in de eeuwige jachtgronden zult gij tot de hoogste eer geraken. Ik hoop dat gij erkennen zult, welk een eer wij u zoodoende bereiden, en dat gij er ons dankbaar voor wezen zult."
Old Shatterhand voelde zich volstrekt niet gestreeld door de groote onderscheiding, die hem in uitzicht gesteld werd. Hij liet echter niets daarvan blijken, en antwoordde: "Uw bedoeling is zeer goed, en ik ben er u dankbaar voor. Maar degenen, die ons wreken zullen, zullen er volstrekt niet dankbaar voor zijn."
"Ik belach hen; zij kunnen komen!"
"Verbeeldt gij u, dat gij hen overwinnen zult, dat gij hen bij honderdtallen zult kunnen tellen?"
"Owoets-awaat is niet gewend om zijn vijanden te tellen. En weet gij niet hoe talrijk wij dan zullen zijn? Al de krijgslieden zullen zich verzamelen van de Weawers, van de Oeienta, van de Yampa, van de Sampietsjes, van de Pah-vants, van de Wimminoetsjes Elks, van de Capotes, van de Païs, van de Tasjes, van de Moeatsjes en van de Tabequatsjes. Al die volkeren behooren tot den stam der Utahs: zij zullen de blanke krijgslieden verpletteren!"
"Ga dan eens naar het Oosten, en tel ook de blanken eens! En welke krijgsoversten zullen zij hebben! Er zullen ons wrekers opstaan, waarvan een enkele opweegt tegen vele, vele Utahs!"
"Wie dan alzoo?"
"Ik zal er maar één noemen, namelijk Old Firehand."
"Dat is een held; hij is onder de bleekgezichten, wat de Grizly onder prairie-honden is," erkende de hoofdman. "Maar dat zou ook de eenige zijn: een tweede kunt gij mij niet noemen."
"O, ik zou er nog vele, zeer vele kunnen noemen; maar van slechts één wil ik u nog den naam zeggen: Winnetou, dien gij wel kennen zult."
"Wie zou dien niet kennen; maar als ik hem hier had, zou hij ook moeten sterven; hij is onze vijand."
"Neen, hij waagt zijn leven voor den minste zijner roode broeders."
"Zwijg daarover! Hij is de hoofdman der Apachen. De blanken voelen zich te zwak tegen ons; zij hebben naar de Navajos gezonden, en die tegen ons opgehitst."
"Weet gij dat al?"
"De oogen van den Grooten Wolf zijn scherp, en aan zijn ooren kan het minste geruisch niet ontgaan. Behooren de Navajos niet tot den stam der Apachen? Moeten wij dus Winnetou niet als onzen vijand beschouwen? Wee hem als hij in onze handen valt."
"En wee dan ook u? Ik waarschuw u. Gij zoudt niet alleen de krijgslieden der blanken tegen u hebben, maar tevens vele duizenden der krijgslieden van de Mescaleros, van de Llaneros, van de Xicarillas, Taracones, Navajos, Tsjiriguamïs, Pilanenjos, Lipans, Coppers, Gilas en Mimbrenjos, die immers allen tot den stam der Apachen behooren? Die allen zouden tegen u te velde trekken; en de blanken zouden niets anders behoeven te doen, dan rustig gade te slaan, hoe de Utahs en de Apachen bezig waren elkander te verdelgen. Wilt gij aan uw bleeke vijanden werkelijk dat pleizier verschaffen?"
De hoofdman keek voor zich op den grond, en antwoordde na een korte pauze: "Gij hebt de waarheid gezegd; maar de bleekgezichten dringen van alle kanten op ons aan, zij overstroomen ons, en de roode man is gedoemd, om een langzamen en smartelijken marteldood te sterven. Is het dan niet beter voor hem, den strijd zoo te voeren, dat hij spoediger sterft en spoediger vernietigd wordt? De blik, dien gij mij in de toekomst laat slaan, kan mij niet weerhouden, maar moet mij veeleer aansporen, de strijdbijl zonder genade en zonder aanzien des persoons te gebruiken. Geef u dus geen verdere moeite, het blijft bij hetgeen ik gezegd heb."
"Dat gij ons dus aan den martelpaal wilt laten sterven?'
"Ja. Wilt gij u schikken in het lot, dat mijn woorden u hebben aangekondigd?"
"Ja," antwoordde Old Shatterhand zoo doodbedaard, dat de Roodhuid als in verrassing uitriep: "Geef dan uw wapenen maar over!"
"Neen, dat zullen wij nu eigenlijk nog niet doen!"
"En gij zegt, dat gij u in uw lot wilt schikken!" riep de andere op een toon van groote verwondering.
"Natuurlijk! Wij zullen ons schikken in het lot, dat uw woorden ons aangekondigd hebben. Maar wat hebt gij gezegd? Dat gij iederen blanke, die in uw handen valt, dooden zult. Is het niet zoo?"
"Ja, dat heb ik gezegd," knikte de Roodhuid toestemmend, zichtbaar nieuwsgierig wat Old Shatterhand nu nog kon antwoorden.
"Welnu, dood ons dan, zoodra wij in uw handen gevallen zijn; maar op dit oogenblik is dat het geval nog niet."
"Oef! Denkt gij ons dan nog te kunnen ontkomen?"
"Zeer zeker denk ik dat."
"Maar dat is immers onmogelijk! Weet gij wel hoeveel krijgslieden ik bij mij heb? Over de tweehonderd!"
"Zoo weinig maar?! Gij hebt toch stellig wel eens hooren vertellen, dat reeds vrij wat talrijker troepen tevergeefs getracht hebben mij te vangen of vast te houden."
"Maar tweehonderd en gij slechts met uw vieren! En er is geen enkel gaatje waardoor gij ontsnappen kunt."
"Dan zullen wij zulk een gaatje maken."
"Daarbij wordt gij immers gedood!"
"Misschien ja. Maar hoeveel krijgslieden van u zullen daarbij het leven inschieten? Ieder van mijn metgezellen neemt er minstens twintig voor zijn rekening; en ik voor mij, ik zal er stellig ver over de vijftig het licht uitgeblazen hebben, eer gij mij in handen krijgt."
Hij zei dit op zulk een toon van vaste overtuiging, dat de Roodhuid hem vol verbazing aankeek, maar dadelijk daarop in een akeligen schaterlach uitbarstte; en een minachtende beweging met zijn hand makende, zei hij: "Nu loopen uw gedachten te spelen, geloof ik. Gij zijt een knap jager, maar hoe zoudt gij vijftig man kunnen doodschieten?"
"O, zeer gemakkelijk! Hebt gij nooit gehoord welk wapen ik heb?"
"Ze zeggen dat gij een geweer hebt, waarmee gij kunt schieten in het oneindige zonder dat gij ooit behoeft te laden; maar daar geloof ik niets van; want dat is een onmogelijkheid."
"Wil ik u dat eens laten zien?"
"Ja, laat mij dat eens zien!" riep de hoofdman, als geëlectriseerd door de gedachte, dat hij dat geheimzinnige wonder-geweer, waarover zooveel fabelachtige praatjes in omloop waren, eens zou kunnen zien.
Hij stond op, om zijn karabijn te halen. Zooals de zaken stonden, moest hij allereerst trachten, den Indianen, in weerwil van hun groote overmacht, vrees aan te jagen; en daartoe was die karabijn het beste middel. Hij wist welke en hoeveel legenden over dat wapen onder de Roodhuiden in omloop waren. Zij hielden het voor een toover-geweer, dat de groote Manitou aan den jager gegeven had, om hem onverwinnelijk te maken.
"Hier is het geweer; bekijk het nu maar eens goed!"
De Indiaan stak er gretig zijn hand naar uit; maar hij trok die terstond weer achteruit, en vroeg: "Mag ook iemand anders dan gij het aanraken? Als het werkelijk het toover-geweer is, moet het ieder, aan wien het niet toebehoort, zoodra hij het aanraakt gevaar brengen."
Van die hem zeer welkome zienswijze moest Old Shatterhand partij trekken. Indien hij en zijn metgezellen zich aan de Roodhuiden over moesten geven, zou hij evenals zij gedwongen zijn, alle wapentuig uit te leveren. In dat geval was het van het hoogste belang, als hij ten minste dit eene geweer behouden kon. Een rechtstreeksche leugen wilde Old Shatterhand niet bezigen, maar hij antwoordde: "De geheimen van dat geweer mag ik aan niemand openbaren. Maar hier is het; probeer het zelf maar eens."
Hij had de karabijn in zijn rechterhand, en bracht, terwijl hij dat zeide, zijn duim aan den patroonbal, om dien door een kleine, onmerkbare beweging zoo naar voren te draaien, dat het schot bij de minste aanraking af moest gaan. Zijn scherpziend oog zag een groep van verscheiden Roodhuiden, die uit nieuwsgierigheid hun gedekte stellingen hadden verlaten, en nu aan den zoom van de vlakte bij elkander stonden. Die groep bood zulk een goed mikpunt aan, dat een schot, al ware het nòg zoo onbeholpen gemikt, bezwaarlijk missen kon, maar stellig den een of den ander moest raken.
Nu kwam het er op aan of de hoofdman het geweer in zijn hand zou nemen of niet. Hij was wel minder bijgeloovig dan de andere Roodhuiden; maar hij vertrouwde de zaak toch niet al te best. "Zou ik het wagen, of zou ik het niet doen?" Die vraag stond in zijn begeerig op het geweer gerichte oogen te lezen. Old Shatterhand nam het nu in zijn beide handen, kwam er wat dichter mee bij hem staan, en hield het ongemerkt zoo, dat de loop precies op gindsche groep Roodhuiden gericht was. De nieuwsgierigheid van den hoofdman was sterker dan zijn vrees; hij greep toe, en Old Shatterhand speelde hem het geweer zóó in de hand, dat hij onvermijdelijk den patroonbal moest aanraken. Paf! knalde het schot; en waar de Indianen stonden, werd een luide gil gegeven. De Groote Wolf liet verschrikt de karabijn uit zijn handen vallen, en een der Roodhuiden riep, dat hij gekwetst was.
"Heb ik hem gekwetst?" vroeg de hoofdman ontsteld.
"Wie anders?" antwoordde Old Shatterhand. "Dat is nu maar gebeurd, om u een kleine waarschuwing te geven. Als gij het geweer nog eens aanraakt zal het minder goed afloopen. Wat mij betreft, kunt gij gerust uw gang gaan; maar ik moet u wèl op het hart drukken, dat de tweede kogel......"
"Neen, neen!" riep de Roodhuid, terwijl hij met beide handen een afwerende beweging maakte. "Het is werkelijk een toovergeweer, en bestemd voor u alleen. Als een ander het opneemt, gaat het af, en met dat schot raakt hij zijn eigen vrienden, of misschien wel zich zelf. Ik taal er niet meer naar, ik taal er niet meer naar!"
"Dat is zeer verstandig van u," sprak Old Shatterhand op een ernstigen toon. "Gij moogt van geluk spreken, dat het ditmaal slechts één keer afgegaan is. Het zal louter geweest zijn om u een klein lesje te geven. Een volgenden keer zou het slimmer afloopen. Ik zal u eens laten zien hoe dikwijls het afgaat. Ziet gij dat ahornboompje daarginder bij de beek? Het is maar een paar vingers dik, en ik zal er tien gaatjes in schieten, die juist de breedte van uw duim van elkander af zullen staan."
Hij nam de karabijn, legde er mee aan, mikte op den ahorn, en trok den haan over; een.... drie... zeven.... tienmaal. Toen zei hij: "Ga nu eens zien, wat er met dat boompje gebeurd is. Ik zou nog ontelbare keeren kunnen schieten, maar dit is voldoende om u te overtuigen, dat ik in één minuut tijds vijftig van uw krijgslieden in het hart zou kunnen raken, als ik dat wilde."
De hoofdman begaf zich naar het boompje. Old Shatterhand zag, dat hij met zijn duim de afstanden tusschen de schoten mat. Verscheiden Roodhuiden, insgelijks door nieuwsgierigheid gedreven, kwamen uit de schuilhoeken te voorschijn en bij hen staan. Van dat oogenblik maakte de jager gebruik om gauw nieuwe patronen in den zich excentrisch bewegenden bol te schuiven.
"Oef! Oef! Oef!" hoorde hij roepen. Was het voor de Indianen inderdaad reeds een wonder, dat hij zooveel schoten gedaan had zonder te laden, in de hoogste mate stonden zij verbaasd, toen zij zagen, dat niet één zijner kogels gemist had, maar dat zij het dunne boompje geraakt hadden, telkens het eene schot een duim breedte hooger dan het andere. De hoofdman keerde terug, ging weer zitten, en maakte een beweging tegen Old Shatterhand, dien hij daardoor uitnoodigde zijn voorbeeld te volgen. Hij bleef een lange poos voor zich neerstaren zonder iets te zeggen, en sprak toen: "Ik zie dat gij een uitverkorene van den Grooten Geest zijt. Ik had veel van dat geweer gehoord, maar ik heb het nooit kunnen gelooven. Maar nu weet ik, dat alles, wat er van verteld wordt, waarheid is."
"Wees dan voorzichtig, en weet wel wat gij doet. Gij wilt ons gevangennemen en dooden. Probeer het; ik heb er niets tegen. Als gij dan de krijgslieden telt, die door mijn kogels getroffen zijn, zal in uw dorp het geweeklaag der vrouwen en kinderen van de gevallenen opgaan; maar aan mij zult gij dan de schuld niet kunnen geven."
"Denkt gij dan, dat wij ons door u zullen laten doodschieten? Gij zult u aan ons moeten overgeven, zonder dat er een schot gelost behoeft te worden. Gij zijt omsingeld, en gij hebt niets te eten. Wij houden u zoo lang belegerd, dat de honger u eindelijk noodzaakt de wapenen neer te leggen."
"Dan zult gij lang kunnen wachten. Wij hebben water om te drinken, en vleesch genoeg om te eten. Daar staan immers onze viervoeters, vier paarden, waarop wij verscheiden weken zullen kunnen teren. Maar zoo ver zal het nooit komen; wij zullen ons door uw cordons heenslaan. Ik ga voorop met mijn toovergeweer in de hand, zend u den eenen kogel voor en den anderen na, en dat ik goed weet te mikken, hebt gij gezien."
"Wij zullen achter de boomen staan!"
"Denkt gij dan, dat dàt u voor mijn toovergeweer beschutten zal? Neem u in acht! Gij zult de eerste zijn, op wien ik vuur. Ik ben een vriend van roode mannen, en het zou mij leed doen er zooveel van u te moeten dooden. Gij hebt nu reeds zware verliezen te betreuren, en als de oorlog met de blanke soldaten en de Navajos begint, zullen alweer vele, zeer vele van uwe manschappen vallen. Daarom moest gij niet ons, uwe vrienden, noodzaken, den dood in uw gelederen te zenden."
Deze ernstige woorden misten hun uitwerking niet. De hoofdman staarde lang voor zich neer op den grond, en zat onbeweeglijk als een steenen beeld. Eindelijk zei hij op een bijna jammerenden toon: "Als wij niet gezworen hadden, dat wij alle bleekgezichten zullen dooden, zouden wij u en uw metgezellen waarschijnlijk loslaten; maar een gezworen eed moet men houden."
"Neen. Een eed, dien men onbedachtzaam gezworen heeft, kan men terugnemen."
"Maar niet anders dan met toestemming van den grooten raad."
"Welnu, vraag dan de toestemming van den grooten raad."
"Hoe kunt gij nog zoo iets zeggen! Ik ben de eenige hoofdman hier! Met wien zou ik dus te rade kunnen gaan!"
Nu had Old Shatterhand den hoofdman waar hij hem hebben wilde. Toen die van beraadslagen begon, was het grootste gevaar reeds geweken. De jager kende de eigenaardigheden van het karakter der Roodhuiden goed. Hij had nu zijn voorloopig doel bereikt, en begreep, dat nu het verstandigste was, niet verder in die richting aan te dringen. Daarom zweeg hij, en wachtte wat de Groote Wolf nu verder zou zeggen.
Deze liet zijn oogen uitvorschend over de open vlakte gaan. Hij zat stellig bij zich zelf te overpeinzen, of het toch, in weerwil van dat gevaarlijke toovergeweer, niet mogelijk zou zijn, de vier blanken hier in zijn macht te krijgen. Toen die overpeinzing echter wat al te lang duurde, zei Old Shatterhand, terwijl hij deed alsof hij wilde opstaan: "De hoofdman der Utahs heeft nu alles gehoord, wat ik hem zeggen kan; meer valt er niet te bespreken, en ik zal dus naar mijn metgezellen terugkeeren. Hij kan doen, wat hem belieft."
"Wacht nog even!" antwoordde de Roodhuid schielijk. "Zult gij ons niet voor lafaards houden, wanneer wij besluiten, niet hier met u te gaan vechten?"
"O, neen! Een hoofdman moet niet enkel dapper en moedig zijn, hij behoort ook verstandig en voorzichtig te wezen. Geen aanvoerder mag zijn onderhebbenden noodeloos opofferen. Ik zelf heb altijd den vijand slechts dan aangetast, wanneer ik zeker was van de overwinning. Iedereen weet, dat de Groote Wolf een dapper krijgsman is; maar als gij hier door vier blanken de helft van uw manschappen liet dooden, zou men aan alle bivak-vuren vertellen, dat gij onzinnig hadt gehandeld en niet meer geschikt waart om de krijgslieden der Utahs ten strijde te voeren. Bedenk, dat de blanken en de Navajos reeds tegen u oprukken, en dat gij uw krijgslieden hoognoodig zult hebben, om die vijanden te verslaan. Het zou dus een te groote dwaasheid zijn, hen hier noodeloos dood te laten schieten."
"Gij hebt gelijk," antwoordde de hoofdman, met een diepen zucht van leedgevoel, dat hij zich met tweehonderd tegen slechts vier man genoodzaakt zag, om inschikkelijkheid te toonen. "Ik zelf kan mijn eed niet terugnemen; door de vergadering der oudsten moet ik er van ontheven worden. Daarom zult gijlieden als mijn gevangenen met ons meegaan, om te vernemen wat die raadsvergadering over u beslissen zal."
"En als wij nu eens weigeren dat te doen?"
"Dan zullen wij ons genoodzaakt zien den strijd te beginnen en u met kogels te overstelpen."
"Van al uw kogels zal er niet één raak zijn. De rotsen hebben holen en gaten genoeg, die ons tot schuilplaats zullen dienen. Maar wij, wij zullen van daarboven in alle richtingen goed kunnen mikken, en elke kogel van ons zal precies zijn man vinden."
"Dan zullen wij wachten dat het donker is, zoo, dat gijlieden niets zien kunt. Dan sluipen wij naar de rots, om hout aan te dragen, dat wij in brand zullen steken. Vroeg, zoodra de zon opkomt, zullen wij dan zien of gij gestikt, dan wel nog in leven zijt."
Hij zei dat op een toon van het grootste zelfvertrouwen; maar Old Shatterhand antwoordde met een glimlachje: "Dat is niet zoo gemakkelijk, als gij schijnt te denken. Zoodra het donker geworden is, zullen wij van de rots af naar beneden komen, en daar zoo post vatten, dat elke roode krijgsman, die het hart heeft binnen ons schot te komen, onmiddellijk weggeblazen wordt! Gij ziet dus, wij zijn op alle manieren in ons voordeel; maar juist omdat ik een vriend van roode mannen ben, en niet gaarne een enkele hunner zou dooden, ben ik bereid, om van al die voordeelen afstand te doen. Ik ben uw vriend, en gij moet niet in den moeilijken toestand blijven, waarin gij u op dit oogenblik bevindt. Ik wil met mijn metgezellen spreken. Misschien zijn zij bereid, om met u mee te gaan. De eenige vraag is dan, welke voorwaarden gij ons dan denkt te stellen. Gevangene kan iemand dan alleen zijn, wanneer hij zich heeft laten vangen. Wilt gij probeeren, of gij dat ons kunt doen, ga dan gerust uw gang; ik heb er hoegenaamd niets tegen; maar dan hebben wij natuurlijk juist den strijd, dien gij vermijden wilt."
"Oef!" riep de hoofdman onwillekeurig. "Uw woorden treffen evengoed als uw kogels. Old Shatterhand is niet alleen een held in den strijd, maar ook een meester in de redekunst."
"Ik spreek niet louter in mijn eigen belang, maar evenzeer in het uwe. Waarom moeten wij vijanden zijn. Gij hebt de tomahawks tegen de soldaten en de Navajos opgegraven; zou het niet van belang voor u zijn, als Old Shatterhand uw bondgenoot kon worden, in plaats van uw vijand te moeten zijn?"
De hoofdman was verstandig genoeg om in te zien, dat de jager gelijk had. Maar door zijn eed waren zijn handen gebonden. Daarom verklaarde hij: "Ik moet u als vijanden beschouwen, totdat de vergadering gesproken zal hebben. Neemt gij daar geen genoegen mee, dan moeten de wapenen maar beslissen."
"Ik neem er genoegen mee; ik zal met mijn metgezellen spreken, en ik twijfel niet of ook zij zullen bereid wezen om met u mee te rijden; maar niet als gevangenen, dat nooit!"
"Als wat dan anders?"
"Als begeleiders."
"Dus, gij zoudt niet uw wapenen willen afgeven, en u ook niet laten binden?"
"Neen, in geen geval!"
"Oef! Dan zal ik u mijn laatste woord laten hooren. Als gij u niet daarmee vereenigt, zullen wij u hier belegeren, in weerwil van uw toovergeweer. Gij zult met ons opbreken naar het dorp; gij behoudt uw wapenen en uw paarden, en gij wordt ook niet geboeid. Wij zullen precies doen alsof wij in vrede met u leefden; maar daartegenover moet gij er op zweren, dat gij u zonder verzet zult onderwerpen aan het besluit der beraadslaging. Ik heb gezegd, Howgh!"
Dat laatste woord was het bewijs, dat hij in geen geval nog meer zou toegeven; maar Old Shatterhand was met den uitslag volkomen tevreden. Als de Roodhuiden hem en de zijnen hier ernstig aangetast hadden zou het volslagen onmogelijk geweest zijn heelhuids uit hun handen te komen. Het was een geluk, dat zij zooveel ontzag voor het toovergeweer hadden; daardoor was thans bereikt, wat er met mogelijkheid bereikt worden kon. En dat ontzag zou stellig ook wel van eenigen invloed moeten zijn op het besluit van de vergadering der oudsten. Daarom antwoordde Old Shatterhand: "De Groote Wolf moet erkennen, dat ik zijn vriend ben. Ik wil niet eens met mijn metgezellen gaan spreken, maar u reeds dadelijk uit hun en mijn naam mijn woord geven. Wij zullen ons zonder verzet in het te vallen besluit schikken."
"Neem dan uw calumet (= vredespijp), en bezweer dat gijlieden zoo handelen zult."
Old Shatterhand maakte zijn vredespijp van het koord los, deed wat tabak in den kop, en stak dat aan met behulp van den punks (= prairie-vuurslag). Eerst blies hij den rook uit hemelwaarts, toen naar den grond, en daarop naar de vier hemelstreken, en zei: "Ik beloof, dat wij aan geen verzet zullen denken!"
"Howgh!" knikte de hoofdman. "Nu is het goed!"
"Neen, want ook gij moet uw belofte bezegelen," verklaarde Old Shatterhand, terwijl hij den Roodhuid de pijp aanbood.
Deze had er misschien heimelijk op gerekend, dat zulks niet van hem gevergd zou worden. In dat geval zou hij zich niet aan zijn belofte gebonden hebben geacht; en zoodra de blanken dan van de rots af beneden waren gekomen, zou hij hebben kunnen handelen zooals hij verkoos. Maar hij schikte zich er in zonder de minste tegenspraak. Hij nam de pijp, blies den rook insgelijks eerst naar het luchtruim, toen naar de aarde, en daarop naar de vier hemelstreken, en zei toen: "Aan de vier blanken zal door ons geen haar gekrenkt worden, voordat de beraadslaging der oudsten beslist zal hebben over hun lot. Howgh!"
Nu gaf hij de pijp aan Old Shatterhand terug, en ging naar Knox en Hilton, die nog precies zoo lagen als zij neergeslagen waren.
"Neen," antwoordde Old Shatterhand, aan wiens scherpen blik het gedurende zijn gesprek niet ontgaan was, dat beiden even het hoofd hadden opgetild, om rond te kijken. "Zij zijn niet dood; zij zijn niet eens bewusteloos meer; maar zij houden zich alsof zij dood zijn, in de hoop, dat wij hen hier zullen laten liggen."
"Dan kunnen de honden opstaan, of ik zal hen vertrappen onder mijn voeten!" riep de hoofdman, meteen aan elk hunner een zoo geweldigen schop gevende, dat zoowel Knox als Hilton geen trek voelde om langer den in zwijm liggende te spelen; zij stonden op. Hun angst was zoo groot, dat de gedachte om te vluchten of om tegenweer te bieden niet eens in hen opkwam.
"Gijlieden zijt van morgen aan mijn krijgslieden ontkomen," zei de hoofdman op zeer strengen toon. "Maar de groote Manitou heeft u nu in mijn handen gegeven; en voor de moorden, die gij gepleegd hebt, zult gij aan den martelpaal huilen en kermen, zoo luid, dat alle bleekgezichten in het gebergte het hooren."
De twee verstonden ieder woord van den Roodhuid, want hij sprak tamelijk goed Engelsch.
"Moorden?" vroeg Knox, die zich nog hoopte te redden door alles te ontkennen. "Daar weten wij niets van. Wien zouden wij vermoord hebben?"
"Zwijg hond! Wij kennen u; en ook deze bleekgezichten, die door uw toedoen in onze handen zijn gevallen, weten wat gij gedaan hebt."
Knox was een sluwe kerel. Hij zag Old Shatterhand ongedeerd en ongedwongen naast den Roodhuid staan. De Indianen hadden het niet gewaagd zich aan den beroemden man te vergrijpen. Wie door hem beschermd werd, had stellig evenmin iets van hen te vreezen als hij zelf; vandaar dat de moordenaar op de gedachte kwam, die hij als zijn eenige redmiddel beschouwde. Old Shatterhand was een blanke; hij moest dus meer op de hand van de blanken dan van de Roodhuiden zijn. Zoo althans dacht Knox, en daarom antwoordde hij: "Natuurlijk moeten zij weten wat wij gedaan hebben, want wij zijn met hen mee komen rijden en reeds weken lang bij hen geweest."
"Lieg niet!"
"Ik zeg de waarheid. Vraag het maar aan Old Shatterhand; die zal u wel bewijzen, dat wij volstrekt niet degenen kunnen zijn, voor wie wij door u aangezien worden."
"Vlei u niet met die ijdele hoop!" voegde Old Shatterhand hem toe. "Als gij denkt, dat ik leugentaal zal spreken, om u te onttrekken aan de welverdiende straf, moet ik u zeggen, dat het niet in mij kan opkomen, mij op één lijn met u te plaatsen. Gij weet, wat ik van u denk; dat heb ik u duidelijk gezegd, en mijn gedachten over u zijn nog volkomen dezelfde als toen."
Dit gezegd hebbende, draaide hij hem den rug toe.
"Maar sir!" riep Knox. "Gij zult ons toch niet aan ons lot overlaten: ons leven is er mee gemoeid!"
"Juist, juist zooals er vroeger het leven mee gemoeid was van hen, die door u vermoord zijn. Gij hebt beiden den dood verdiend, en ik heb volstrekt geen reden om mij voor kerels, gelijk gij zijt, in de bres te stellen."
"Wel... (er volgde een vloek).... denkt gij ons zóó te behandelen, dan weet ik ook wat mij te doen staat. Gij wilt ons niet redden, dan sleepen wij u mee in het verderf." En zich nu van Old Shatterhand afwendende, richtte hij het woord tot den hoofdman. "Waarom behandelt gij de vier met verschooning?" vroeg hij. "Zij hebben immers evengoed paarden meegestolen als wij! evengoed op de Utahs geschoten als wij, en door hun kogels zijn de meesten der uwen gevallen!"
Dit was een onbeschaamdheid zonder weergade. Old Shatterhand maakte een beweging alsof hij zich op den onverlaat wilde werpen, maar hij bedacht zich, en bleef zwijgend staan. Doch de straf liet niet op zich wachten; en welk een straf! De oogen van den hoofdman schoten eensklaps vuur en vlam, en met een bulderende stem voegde hij Knox toe: "Lafaard! Gij hebt den moed niet, om de straf voor uw schanddaden alleen te dragen, en daarom zoekt gij de schuld op de anderen te schuiven, in vergelijking bij wie gij een stinkende padde zijt. Daarom zal de straf voor u niet pas aan den martelpaal beginnen, maar reeds hier op staanden voet. Ik zal uw scalp nemen, en gij zult leven, om hem aan mijn gordel te zien hangen. Nani wietsj, nani wietsj!"
Die twee Utah-woorden beduiden: "mijn mes, mijn mes!" Hij riep dat toe aan de Indianen, die aan den zoom der vlakte stonden.
"Om Godswil neen!" gilde de bedreigde. "Mij levend scalpeeren, neen, neen!"
Hij deed een sprong om te vluchten; maar de hoofdman was even vlug als hij, sprong hem na, en greep hem bij de keel; een druk van zijn stevige vingers, en Knox hing in zijn hand zoo slap als een vaatdoek. Een Indiaan kwam aansnellen, om den hoofdman het mes te brengen. Deze nam het, wierp den halfgewurgde op den grond, knielde op hem neer--drie vlugge sneden, een ruk aan het haar, een allerijselijkst gegil van den onder hem liggende, en hij stond op, met den bloedenden scalp in de linkerhand. Knox verroerde zich niet; hij was weer van zichzelf gevallen; zijn schedel leverde een ontzettenden aanblik op.
"Zoo moet het elken hond gaan, die de roode mannen verdelgt, en dan onschuldigen daarvan beticht!" riep de Groote Wolf, terwijl hij den scalp in zijn gordel stak.
Hilton had met een rilling van afgrijzen gezien wat er met zijn kameraad gebeurd was. De schrik maakte hem als verlamd: hij zeeg langzaam neer naast den gescalpeerde, en bleef zitten zonder geluid te geven.
De hoofdman gaf een sein, waarop de Roodhuiden kwamen aansnellen; weldra wemelde de geheele vlakte van hun aantal. Hilton en Knox werden met riemen geboeid.
Zoodra de Groote Wolf van scalpeeren gesproken had, was Old Shatterhand weer de rots opgeklommen om geen getuige te zijn van het barbaarsche schouwspel, maar aan zijn metgezellen mee te deelen welk resultaat hij bereikt had.
"Dat ziet er niet best uit," merkte Jemmy aan. "Hebt gij ons niet geheel en al vrij kunnen krijgen?"
"Neen, dat was een onmogelijkheid."
"Misschien was het beter geweest, als gij het maar tot een gevecht hadt laten komen."
"Neen, dat zeer stellig niet. Dat zou ons bepaald het leven gekost hebben."
"Oho! Wij zouden ons toch verweerd hebben. En bij de vrees, die de Roodhuiden voor uw karabijn hebben, behoefden wij, geloof ik, niet te wanhopen. Zij zouden het wel uit hun lijf gelaten hebben, ons te na te komen."
"Dat geloof ik ook wel; maar zij zouden ons hebben laten doodhongeren. Daarop had ik hem wel gezegd, dat wij vleesch in overvloed hadden aan onze paarden; maar gij begrijpt wel, dat ik liever van honger zou omkomen, dan mijn prachtigen hengst dood te schieten."
"Dat zoudt gij zelf ook niet hebben behoeven te doen. Want zoodra de vijandelijkheden begonnen, zouden de eerste kogels van de Roodhuiden natuurlijk op onze paarden gemunt geweest zijn."
"En juist daardoor zouden wij van ons beste middel om te ontkomen, beroofd zijn geweest."
"De paarden hadden wij best kunnen missen. Wij zouden ons zelf wel gered hebben. Tweehonderd man als cordon rondom deze gansche vlakte! De Roodhuiden staan dus niet dicht aaneengesloten en ook niet achter elkander. Zoodra het donker was, waren wij van de rots afgeslopen, vier personen dicht bij elkander; en wij hadden allicht hier of daar een gaatje gevonden om er doorheen te glippen; maar stellig hadden wij nergens met meer dan een paar Roodhuiden ieder te doen gehad--twee schoten of twee messteken ieder, en wij waren door hen heen geweest."
"En wat dan? Gij stelt u de zaak geheel anders voor, dan die geworden zou zijn. De Roodhuiden zouden overal rondom de rots vuren aangelegd hebben, zoodat de minste poging van ons, om te ontkomen, dadelijk opgemerkt zou zijn geworden. En zelfs als het ons gelukt was door hen heen te breken, dan hadden wij toch niet ver weg kunnen komen, zonder hen op onze hielen te zien. Dan zouden wij natuurlijk eenigen hunner hebben moeten doodschieten, en zoodoende hadden wij ineens alle kans op eenige verschooning van hun kant verloren."
"Dat is zeer juist gezien," merkte Hobble-Frank aan. "Ik begrijp ook niet hoe het in de hersens van zulk een dikken Jemmy Peperkorrel kan opkomen, wijzer te willen zijn dan onze Old Shatterhand. Gij zijt altijd en eeuwig het ei, man! dat wijzer wil zijn dan het hoen. Old Shatterhand heeft alles gedaan wat mogelijk was; ik geef hem daarvoor een bon met een sterretje er achter; en ik geloof zeer stellig, dat Davy er ook zoo over denkt."
"Dat spreekt vanzelf," antwoordde deze. "Een gevecht zou onvermijdelijk tot onzen ondergang geleid hebben."
"Maar waartoe zal het leiden, dat wij met hen meegaan?" vroeg Jemmy. "Het is toch wel te voorzien, dat de vergadering der oudsten ons ook als vijanden behandelen zal."
"Dat zou ik hun maar niet raden," dreigde Frank. "Bij die geschiedenis heb ik toch ook nog een woordje mee te spreken. Heel gemakkelijk zal ik mij niet aan zulk een martelpaal laten brengen. Ik zou er mij met hand en tand tegen verzetten."
"Dat moogt gij immers niet. Er is immers een eed gezworen! Wij zullen alles, wat zij met ons verkiezen aan te vangen, moeten opeten voor zoete koek."
"Wie heeft u dat verteld? Begrijpt gij dan werkelijk niet, rampzalige zwaartiller! dat zulk een eed eigenlijk een wassen neus is? Men heeft waarlijk geen gastronomischen spiegel-telescoop noodig..."
"Astronomischen wilt gij zeggen," verbeterde Jemmy.
"Val mij toch niet in de rede met uw onbekookte aanmerkingen," zei de kleine driftig. "Ik weet wat ik zeg. Er is geen vergrootglas toe noodig, om in te zien, dat onze beroemde Old Shatterhand daarbij nog een allerliefst achterdeurtje opengehouden heeft. Dat wij alles voor zoete koek zullen moeten opeten, wie heeft dat ooit op de viool hooren spelen? Er is gezworen, dat wij aan geen verzet zullen denken. Opperbest, dat zullen wij ook niet. De raad der oudsten kan over ons beslissen, al wat hij wil, verzetten zullen wij ons in geen geval. Maar tusschen verzet en list is een groot onderscheid. List, dat is de ware Jacob. Als de souffleur ons ter dood veroordeelt, verdwijnen wij eensklaps als in een afgrond, maar komen aan den anderen kant van het hof-theater weder op het tooneel met geconcentreerde grandifloria."
Bij die twee laatste woorden speelde er een ironiek lachje om de lippen van Jemmy, die alweer een kleine terechtwijzing op de tong had. Maar Old Shatterhand wenkte hem, om maar liever te zwegen, en zei toen: "Frank heeft mij goed begrepen. Tot verzet zullen wij onze toevlucht niet nemen, dat mogen wij niet; maar van list zullen wij ons kunnen bedienen, zonder onzen eed te schenden. Ik hoop echter, dat er nog wel iets anders op te vinden zal zijn, wanneer de nood werkelijk aan den man komt. Maar nu hebben wij ons voorloopig bezig te houden met het tegenwoordige oogenblik."
"En dan is allereerst de vraag," merkte Davy op, "of wij den Roodhuid kunnen vertrouwen. Zal de Groote Wolf zijn woord houden?"
"Zeer zeker. Nog nooit heeft een hoofdman den eed geschonden, waarbij hij de vredespijp gerookt had. Tot op het oogenblik der beraadslaging kunnen wij ons gerustelijk slapend aan de Utahs toevertrouwen. Laat ons van de rots afklauteren naar beneden en te paard stijgen. De Roodhuiden maken aanstalten om op te breken."
Knox en Hilton waren door de Indianen op hun paarden vastgebonden. Eerstgenoemde, die nog steeds volslagen bewusteloos was, lag overlangs op het paard, om welks hals men zijn armen had bevestigd. De Utahs verdwenen, de een voor en de andere na op het smalle pad. De hoofdman was de laatste: hij wachtte op de blanken, om zich bij hen aan te sluiten. Dat was een goed teeken; want het was juist het tegenovergestelde van de vijandige behandeling, die men verwacht had. De jagers hadden gedacht, dat zij hen in hun midden nemen en zeer streng bewaken zouden. Nu was echter aan te nemen, dat de Groote Wolf geen wantrouwen koesterde, maar aan de belofte van Old Shatterhand ten volle geloof hechtte.
Toen hij met hen het smalle Indianen-pad afgelegd had en aan den zoom van het bosch kwam, hadden de Roodhuiden hun paarden reeds onder de boomen vandaan gehaald, en stegen in den zadel. De stoet zette zich in beweging. De vier blanken bleven met den hoofdman achteraan.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
OP DOOD EN LEVEN
De Roodhuiden schenen grooten spoed te maken; zij reden meestal in vollen draf. Tegen den avond bereikte men de eerste uitloopers der bergen. De Roodhuiden sloegen een langwerpig smal zijdal in, aan beide kanten begrensd door bosch. Daarna ging het door verscheiden zulke zijdalen, aanhoudend berg-op; en in weerwil van de ingevallen duisternis vonden de Indianen hun weg zoo gemakkelijk, als ware het klaarlichte dag.
Later kwam de maan op, en verlichtte met haar matte schijnsel de dicht met boschgroei bedekte rotshellingen, tusschen welke de ruiters zich stil en statig voortbewogen. Eerst tegen middernacht scheen men in de nabijheid te komen van de plaats van bestemming; want de hoofdman gaf aan eenigen der zijnen bevel, om vooruit te rijden en de aankomst der krijgslieden aan te kondigen. Zwijgend gehoorzaamden die boodschappers aan dat bevel, en reden weg.
Vervolgens kwam men aan een stroomend water van tamelijke breedte, welks hooge oevers, die men volgde, aanhoudend breeder van elkander afweken, totdat men den oever aan de overzijde, in weerwil van het thans helder geworden maanlicht, bijna niet meer kon herkennen. Het bosch, dat aanvankelijk aan beide zijden bijna tot aan het water reikte, week later terug en opende een grazige savanne, op welke men in de verte de vuren zag branden.
"Oef!" liet de hoofdman nu voor het eerst gedurende den rit zijn stem hooren. "Daar liggen de tenten van mijn stam, en daar zal uw lot beslist worden."
"Vandaag nog?" vroeg Old Shatterhand.
"Neen. Mijn krijgslieden hebben rust noodig; en uw doodsstrijd zal langer duren en ons meer vermaak verschaffen, als gij eerst uit den slaap nieuwe krachten geput hebt."
"Dat klonk niet onakelig!" zei de dikke Jemmy in het Duitsch, om niet door de Roodhuiden verstaan te worden. "Onze doodsstrijd! Hij schijnt dus van idee, dat wij den martelpaal niet ontgaan kunnen. Wat zegt gij daarvan, oude Frank?"
"Vooreerst nog niemendal," antwoordde de kleine Saks. "Spreken zal ik eerst later, als de congressieve tijd daartoe gekomen is. Er sterft geen mensch vóór zijn tijd, en ik heb warendig geen trek, om een uitzondering op dien wereld-historischen regel te maken. Alleen wil ik daarbij voegen, dat ik op dit oogenblik nog volstrekt geen aanleg voel om te sterven. Wij dienen de zaak dus af te wachten. Maar als zij zich verbeelden, dat ik mij door brutaal geweld zoo ontijdig bij mijn voorvaderen zal laten verzamelen, dan ben ik van plan toch ook een woordje mee te spreken; en ik weet vooruit reeds zeker, dat er dan later op mijn grafgesteente een eindeloos geween en gejammer zal zijn van al de weduwen en weezen van hen, die ik voor mij uit naar de Elize geëxpediëerd heb."
"Bedoelt gij naar het Elyzee?" vroeg de dikke.
"Praat toch zoo onverstandig niet. Wij spreken immers Duitsch nu, en Elize is echt Germaansch. Ik ben een goed Christen, en met een heidensche Elyzee van de oude Romeinen wil ik niets te maken hebben. Het is toch wonderlijk, dat juist die menschen, die het minste verstand hebben, altijd doen als hadden zij de wijsheid in pacht! Maar het is altijd zoo geweest, en zal wel altijd zoo blijven; de leege vaten klinken het hardst."
Hij zou aan zijn ergernis over de ontvangen terechtwijzing waarschijnlijk nog verder lucht gegeven hebben, indien hij den tijd daartoe gehad had. Maar die tijd ontbrak hem, want het oogenblik van de ontvangst was daar. De bewoners van het dorp hadden zich opgemaakt, om de terugkeerende krijgslieden te begroeten. Zij kwamen hen in dichte drommen te gemoet; voorop de mannen en de jongens, daarachter de vrouwen en de meisjes, allen schreeuwende en brullende om het hardst, zoodat het klonk, alsof de gansche menigte uit louter wilde beesten bestond.
Old Shatterhand had verwacht een gewoon tentendorp te zullen vinden, maar moest erkennen, dat hij zich daarin deerlijk vergist had. Het groote aantal der vuren bewees hem, dat er vele, zeer vele krijgslieden meer aanwezig waren, dan de tenten konden herbergen. De bewoners van vele andere Utah-dorpen waren hier bijeengekomen, om over den wrekenden krijgstocht tegen de blanken te beraadslagen. De vooruitgezonden boodschappers hadden verteld, dat de hoofdman zes bleekgezichten meebracht, en de Roodhuiden gaven aan hun blijdschap daarover lucht op een wijze, waartoe slechts wilde volken in staat zijn. Zij zwaaiden met hun wapenen en schreeuwden zich letterlijk heesch, waarbij zij de verschrikkelijkste bedreigingen uitbraakten.
Toen men in de legerplaats aankwam, zag Old Shatterhand dat die bestond uit tenten van buffelhuiden, en uit inderhaast van boomtakken vervaardigde hutten--tenten en hutten een grooten cirkel vormende, in welks midden de stoet halt maakte. Hier werden de twee geboeiden van de paarden losgebonden en op den grond gesmeten. Het akelige gekerm van den gescalpeerden Knox ging geheel verloren in het jubelend gehuil der Roodhuiden. Toen werden ook de andere vier bij deze twee gebracht. De krijgslieden vormden een wijden kring om hen heen, en toen kwamen de vrouwen en meisjes in den kring, om met een oorverscheurend gezang om de blanken heen te dansen.
Dat was een der grootste beleedigingen, die men zich denken kan. Het is voor de gevangenen een verklaring, dat zij allen moed en alle eergevoel hebben verloren, wanneer de vrouwen een rondedans om hen heen komen doen. Wie zich dat laat welgevallen zonder verzet, wordt voor nog minder dan een hond gehouden. Men had de vier jagers tot nu toe in het bezit van hun wapenen gelaten. Old Shatterhand riep zijn metgezellen eenige woorden toe, waarop zij neerknielden en hun geweren aanlegden. Hij zelf schoot zijn berendooder af, waarvan de knal boven het gehuil uit klonk, en legde terstond daarop de karabijn aan zijn wang. Oogenblikkelijk werd alles doodstil.
"Wat is dat?" riep hij zoo luid, dat allen het hoorden. "Zijn wij gedwongen geweest, om met u mee te komen, of hebben wij dat vrijwillig gedaan? Hoe kunnen de roode mannen ons als gevangenen behandelen? Ik heb met den Grooten Wolf de pijp der beraadslaging gerookt, en ben met hem overeengekomen, dat de krijgslieden der Utahs met elkander beraadslagen zouden, of wij als vijanden, dan wel als vrienden behandeld moeten worden. Zelfs indien de Utahs ons als vijanden wilden beschouwen, zijn wij toch nog hun gevangenen niet. En zelfs indien wij gevangen waren, zouden wij nog niet dulden, dat men de vrouwen en de meisjes om ons heen liet dansen als om coyoten. Wij zijn slechts met ons vieren, en de mannen der Utahs zijn te tellen bij honderden; en toch vraag ik: wie uwer heeft het hart Old Shatterhand te beleedigen? Dat hij opkome om met mij te vechten, of ik zal hem voor een lafaard moeten houden. Neemt u in acht! Gij hebt mijn geweer gezien, en gij weet hoe het schiet. Zoodra de vrouwen het hart hebben, den dans der beleediging nog eens te beginnen, zullen wij onze geweren laten spreken, en deze plaats zal geverfd worden met het bloed van hen die trouweloos genoeg zijn, om de pijp der beraadslaging, die voor alle dappere roode krijgslieden heilig is, ten spot te maken!"
De indruk, dien deze woorden maakten, was groot. Dat de beroemde jager den moed had, tegenover zulk een overmacht met bedreigingen op te treden, daarin vonden de Roodhuiden niets onzinnigs; het imponeerde hen. Zij wisten, dat zijn woorden geen holle klanken waren, maar dat hij de man was om te doen wat hij dreigde. De vrouwen en meisjes trokken zich terug, zonder een bevel daartoe af te wachten. De mannen fluisterden elkander half hardop hun gedachten toe, waarbij de woorden "Old Shatterhand" en "Geweer des doods" duidelijk gehoord werden. Er traden eenige met veeren getooide krijgslieden op den Grooten Wolf aan, en spraken met hem, waarop hij naar de vier jagers kwam, die zich nog altijd in den cirkel bevonden; en in de taal der Utahs, waarvan ook Old Shatterhand zich bediend had, sprak hij: "De hoofdman der Yampa-Utahs is niet trouweloos; hij houdt den calumet der beraadslaging in eere, en weet wat hij beloofd heeft. Morgen, als het dag geworden is, zal over het lot der vier bleekgezichten beslist worden, en tot zoolang zullen zij in de tent blijven, die ik hun nu zal aanwijzen. De twee anderen echter zijn moordenaars, en hebben met mijn belofte niets te maken; zij zullen sterven, zooals zij geleefd hebben, druipende van bloed, Howgh! Is Old Shatterhand met mijn woorden tevreden?"
"Ja," antwoordde deze. "Maar ik verlang, dat onze paarden in de nabijheid van onze tent zullen blijven."
"Ook dat wil ik toestaan, ofschoon ik niet begrijp met welk inzicht Old Shatterhand dat verlangt. Denkt hij misschien, dat hij nog kans heeft om te ontkomen? Ik zeg hem, dat zijn tent omringd zal zijn door een drie-, vier-dubbel cordon van krijgslieden, zoodat hij onmogelijk ontkomen kan."
"Ik heb beloofd, dat ik den uitslag van uw beraadslaging zal afwachten; gij behoeft dus geen bewakers op post te zetten. Maar wilt gij dat toch doen, dan heb ik er niets tegen."
"Komt dan maar mee."
Toen het viertal nu den hoofdman volgde, schaarden de Indianen zich aan twee rijen; en toen Old Shatterhand daar tusschendoor liep, keken zij hem met een soort van eerbiedige schuchterheid aan. De tent, die aan de blanken werd aangewezen, was een der grootste. Verscheiden lansen staken aan weerszijden van den ingang in den grond, en de drie adelaarsveeren, waarmede het bovengedeelte prijkte, deden vermoeden, dat het eigenlijk de woning van den Grooten Wolf was.
De deur bestond uit een breede mat, die op dit oogenblik openhing. Hoogstens vijf schreden van daar brandde een vuur, waardoor het inwendige van de tent verlicht werd. De jagers traden binnen, legden hun geweren af, en gingen zitten. De hoofdman verwijderde zich; doch reeds spoedig kwamen verscheiden Roodhuiden, die zich op een betamelijken afstand zoo om de tent neervlijden, dat die van alle kanten ten scherpste bewaakt werd.
Na verloop van eenige minuten trad een jonge vrouw binnen, die twee voorwerpen voor de blanken neerzette, en zich toen, zonder een woord te zeggen, weer verwijderde. Het eene voorwerp was een oude pot met water, en het andere een groote ijzeren pan waarin verscheiden stukken vleesch lagen.
"Oho!" zei Hobble-Frank lachende. "Dat is vast ons avondeten. Een pot vol met water, dat is nobel. De kerels halen uit van avond. Wij moeten verbaasd staan over hun civilisatorische keuken-benoodigdheden. En buffelvleesch, minstens acht pond! Zij zullen het toch niet ingewreven hebben met rattenkruit?"
"Rattenkruit?" lachte de dikke. "Waar zouden de Utahs zulk spul vandaan halen? Overigens is het vleesch van een eland, en niet van een buffel."
"Weet gij het alweer beter dan ik? Ik kan toch maar doen of zeggen wat ik wil, gij hebt er altijd het een of het ander op aan te merken. Daar schijnt maar geen beterschap op. Doch ik wil vandaag niet met u redetwisten, maar u louter een geëxtemporeerden blik toewerpen, waaruit gij ontwaren kunt, hoe oneindig ik mijn persoonlijkheid verheven acht boven uw pigment-gestalte."
"Pygmeën-gestalte," verbeterde Jemmy.
"Wilt gij nu wel eens handig uw mond houden!" gebood de kleine. "Breng mijn gal niet in pneumatische beweging, maar bewijs mij de hoogachting, waarop ik door mijn buitengewonen levensloop met het volste recht aanspraak kan maken! Want enkel op die voorwaarde kan ik mij zoo populair maken; aan dat vleesch den zegen van mijn onbetwistbare kookkunstvaardigheid ten goede te laten komen."
"Ja, braad maar!" knikte Old Shatterhand, om aan de ergernis van den kleine een afleiding te geven.
"Dat is heel gemakkelijk gezeid. Maar hoe kom ik aan uien en aan laurierbladeren? Overigens weet ik nog niet, of ik met de pan wel de tent uit mag om aan het vuur te komen."
"Dat zult gij dienen te probeeren!"
"Ja, probeeren! Als de kerels het niet hebben willen, en ze zenden mij een kogel in de maagstreek, dan is het mij precies hetzelfde of dat vleesch van een eland of van een buffel gegroeid is. Maar bang ben ik niet zoolang mij de echte kloekmoedigheid maar bijblijft; feni, fidi, fidzji--ik ga er uit!"
Hij droeg de pan met het vleesch naar het vuur, en begon daar voor kok te spelen, zonder dat hij door de bewakers daarin verhinderd werd. De andere drie bleven in de tent zitten, en sloegen door de open deur de drukke bedrijvigheid van de Indianen gade.
De maan scheen nu zoo helder, alsof het daglicht was. Haar volle schijnsel viel op de steile plek van een nabij zijnden, met donkeren boschgroei bedekten berg, van welken een breede, glinsterende zilverstreep naar beneden kronkelde, een riviertje, of juister gezegd een snelstroomende beek, die zich beneden in een vrij groot, bijna een meer gelijkend waterbekken ontlastte. De uitwatering van dat bekken vormde een waterloop, langs welks oever men in de legerplaats gekomen was. Boschgroei of geboomte scheen daar in de nabijheid niet te zijn; de omtrek van dat meer was vlak en effen.
Aan ieder vuur zaten Indianen, die naar hun met het vleeschbraden bezige vrouwen keken. Nu en dan stond er eens een van hen op, om langzaam voorbij de tent te loopen en meteen een schuinschen blik op de blanken te werpen. Van Knox en Hilton was niets te zien, en evenmin iets te hooren; maar toch kon men veronderstellen, dat hun toestand niet zoo bevredigend was als op dit oogenblik die van Old Shatterhand en zijn metgezellen.
Na verloop van een uur kwam Hobble-Frank met de heet wasemende pan in de tent terug; hij zette die voor zijn lotgenooten neer, en zei op een toon van groote zelfvoldoening: "Hier is de lekkernij! Ik ben benieuwd naar de groote oogen, die gij allen zult opzetten. Ik had wel niets om het vleesch geurig gekruid te maken, maar mijn aangeboren talent heeft mij in staat gesteld, om in dat gemis behoorlijk te voorzien."
"Op welke manier?" vroeg Jemmy, terwijl hij zijn kleine neusje even boven de pan hield. Het vleesch snerkte niet slechts, maar het rookte, en niet zuinig ook; in den tijd van eenige seconden was het in de tent bijna niet uit te houden van de scherpe brandlucht.
"Op een manier zoo eenvoudig, dat het resultaat in waarheid een wonder genoemd mag worden," antwoordde de kleine. "Ik heb eens gelezen, dat houtskool niet alleen het zout kan remplaceeren--en dat mankeert ons hier--maar dat het zelfs aan vleesch, waaraan reeds een erg luchtje is, dien hookoe-reuk geheel ontneemt. Ons vleesch nu riekte reeds allesbehalve versch, en daarom heb ik dat middeltje te baat genomen en het laten smoren in de heete asch van dat houtvuur. Dat de vlam daarbij een keer of drie in de pan geslagen is, kan volstrekt geen kwaad. Mijn geniaal keukenverstand zegt mij, dat het vleesch juist daardoor meer lekkere bruine korstjes zal hebben, waarover ieder, die eenig fijn gevoel en goeden smaak bezit, in de wolken zal zijn als hij het proeft."
"O wee! Elandsvleesch in heete houtskool-asch gebraden! Zijt gij dan van uw verstand beroofd!"
"Maak toch zulk een spektakel niet. Ik heb mijn volle verstand nog; en dat weet ik altijd te gebruiken ook. Mij dunkt, dat gij daarvan toch al lang overtuigd moest wezen. De asch is een chemisch product, dat alle alchimistische onreinigheden vernietigt. Gebruik dus ons elandvleesch, met uw gezonde menschenverstand; dan zal het u zeer goed bekomen en aan uw constitutie naar lichaam en geest die krachten schenken zonder welke de mensch door het snoode onorganismus geheel ten onder gebracht zou worden."
"Maar," hernam Jemmy hoofdschuddende, "gij zegt zelf, dat de vlam eenige keeren in de pan geslagen is. Dus is het vleesch verbrand of aangebrand, met andere woorden oneetbaar geworden."
"Praat niet, maar kauw!" viel Frank uit. "Het is zeer ongezond, onder het eten te zingen of te praten, want daardoor gaat de klep van het verkeerde keelgat open, en komt het eten, in plaats van in de maag in de milt terecht."
"Ja, kauwen! Wie kan zulk een spul kauwen! Kijk zelf, is dat nog vleesch?"
Meteen stak hij een stuk aan zijn mes, en hield dat den kleine onder zijn neus. Het vleesch was zwart gebrand en rondom bedekt met een donkere, vettige laag asch.
"Natuurlijk is het vleesch. Wat zou het anders wezen?" antwoordde Frank.
"Maar het is zoo zwart, zoo zwart als roet."
"Hap er maar eens in! Dan zult gij verwonderd zijn over hetgeen gij proeft."
"Dat geloof ik graag; dan zal ik asch proeven."
"Neen, die wordt er eerst afgeveegd."
"Doe mij dat dan eens voor."
"Met koninklijk gemak!"
Hij nam een stuk uit de pan, en wreef dat zoolang tegen den leeren wand van de tent aan, totdat al de asch daaraan gekleefd zat.
"Dat doet men zoo!" sprak hij triomfantelijk. "Het mankeert u altijd aan de noodige vingervaardigheid en tegenwoordigheid van geest. En nu zult gij zien hoe delicaat dat smaakt, als ik er een stukje van afbijt en dat tusschen tong en verhemelte fijnmaak. Dat...."
Eensklaps zweeg hij. Hij had in het vleesch gebeten, sperde zijn twee rijen tanden ver van elkander af, en, met zijn mond wijd open, keek hij ontsteld een voor een zijn drie metgezellen aan.
"Nu," lachte Jemmy, "bijt maar toe!"
"Bijt maar toe....hoe? Dat mag de drommel weten. Het kraakt en knarst als..... als..... als een gebraden schoenschuier. Mijn verstand staat er stil bij."
"Dat was toch licht te voorzien. Ik houd het er voor, dat die oude pan nog eer klein te bijten zou zijn, dan dat vleesch. Nu kunt gij die schepping van uw keukentalent zelf oppeuzelen."
"Oho! Er moet niet van mij gezegd kunnen worden, dat mijn vrienden door mijn toedoen honger moeten lijden. Zouden wij het niet wat malscher kunnen kloppen?"
"Probeer dat maar eens!" zei Old Shatterhand lachende. "Maar ik, ik zal liever eerst eens kijken of alles bedorven is."
"Ja, misschien is er nog wel een stuk bij, dat niet tot zooveel vastheid van karakter gekomen is. Ik zal wel eens zoeken, en het afvegen."
Gelukkig waren er eenige stukken, die nog niet volslagen oneetbaar waren geworden, en waaraan zij met hun vieren genoeg hadden. Maar Frank was veel minder spraakzaam geworden; hij ging in een donker hoekje zitten, en hield zich alsof hij sliep. Hij hoorde echter alles wat er gesproken werd, en zag ook wat daarbuiten in de legerplaats voorviel.
Morgen zouden Knox en Hilton aan den martelpaal sterven, en de andere blanken misschien hetzelfde lot ondergaan. Dat was voor de Roodhuiden een groot feest, waartoe zij vroegtijdig gereed moesten zijn. Daarom begaven zij zich, na zoo laat hun avondeten genuttigd te hebben, dadelijk ter ruste. De vuren gingen uit op twee na, namelijk, dat voor de tent, waar Old Shatterhand met zijn metgezellen verblijf hield, en dat, waar Knox en Hilton met hun bewakers lagen. Rondom eerstgenoemd vuur lag een drievoudig cordon van Roodhuiden, en buiten, vóór het dorp, waren talrijke wachtposten uitgezet. Aan ontkomen uit hun feitelijke gevangenschap behoefden de vier dus niet te denken; zoo niet totaal onmogelijk, zou elke poging daartoe een allergevaarlijkst waagstuk geweest zijn.
Maar de gedachte om te willen ontsnappen kwam ook niet in hen op.
Om niet den ganschen nacht de oogen der Roodhuiden op zich gevestigd te hebben, had Old Shatterhand de mat, die als deur diende, neergelaten. Nu lagen de vier blanken in het donker, en deden vergeefsch alle mogelijke moeite om in slaap te komen.
"Hoe zal het morgen om dezen tijd met ons gesteld zijn!" sprak Davy. "Misschien hebben de Roodhuiden ons dan reeds over doen springen op de eeuwige jachtgronden."
"Ten minste een of twee of drie van ons." antwoordde Jemmy.
"Hoe dat zoo?" vroeg Old Shatterhand.
"Ik denk niet, dat zij het hart zullen hebben zich aan u te vergrijpen."
"Dus enkel aan u? Hum! Wat denkt gij dan van mij? Wij behooren immers bij elkander; en niemand mag er aan denken, zich aan het lot, dat den anderen treft, te onttrekken. Als gijlieden bestemd wordt om te sterven, zal het niet in mij opkomen, voor mij zelf lijfsgenade van hen aan te nemen. In dat geval zouden wij vechten, totdat de laatste van ons vieren viel."
"Maar gij hebt immers beloofd, dat gij u niet verzetten zult."
"Natuurlijk. En die belofte zal ik letterlijk nakomen. Maar ik heb niet beloofd, dat ik niet zal vluchten. Dat zouden wij ten minste probeeren; en wie ons bij die poging in den weg trad, zou het aan zich zelf te wijten hebben als hij uit den weg werd geruimd. Overigens ben ik bang voor heel iets anders; ik vrees, dat de Roodhuiden niet dadelijk tot onzen dood zullen besluiten."
"Dus, dat zij ons op vrije voeten zullen stellen?"
"Ook dat niet. Hun verbittering tegen de blanken is zoo groot, en ik moet erkennen zoo gerechtvaardigd, dat zij aan geen gevangengenomen bleekgezicht zoo maar zoetsappig zijn vrijheid terug zullen geven. Maar onze namen hebben een goeden klank bij hen, en daarbij zijn zij bevreesd voor mijn karabijn: daar zijn zij zoo bang voor, dat zij die niet eens durven aanraken. Ik houd het dus niet alleen voor mogelijk, maar zelfs voor hoogst waarschijnlijk, dat zij met ons een uitzondering zullen maken. Dat wil zeggen, zij zullen ons niet leven en vrijheid schenken, maar zij zullen ons er om laten vechten."
"Wel verduiveld! Dat zou wat moois wezen. Dat zou precies hetzelfde zijn als vermoordden zij ons op staanden voet, want zij zouden de voorwaarden zóó stellen, dat wij er het hachje bij moesten inschieten."
"Dat is zoo. Maar daarom behoeven wij den moed nog niet op te geven. De blanken hebben veel van de Roodhuiden geleerd. Wij bezitten evenveel list en vlugheid als zij, en wat taaiheid om lang veel te verduren betreft, zijn wij hen de baas. Dat weten wij allen bij ondervinding, en het zal ditmaal niet falen. Alles wel beschouwd, kom ik tot de slotsom, dat in een open gevecht drie blanken opwegen tegen vier Indianen, mits de wapenen en de lichaamskrachten gelijkstaan. Maar de krijgsmanstrots der Roodhuiden zal hun wel beletten een te groot aantal kampioenen tegenover ons te stellen. Mochten zij dat echter doen, dan zouden wij hen door spotternij dwingen om de kansen meer gelijk te maken."
"Maar," zei Hobble-Frank, die tot nu toe gezwegen had, "het vooruitzicht dat gij ons daar voorspiegelt, is allesbehalve bemoedigend. De kerels zullen ons de zaak natuurlijk zoo zuur maken als zij maar kunnen. Gij, met uw reuzenkracht en olifantssterkte, gij hebt goed praten; gij stoot u door alles heen; maar wij andere drie ongelukkige slampampers, wij zullen vandaag voor het laatst de genietingen van ons aardsche aanzijn genoten hebben."
"Genietingen? Bedoelt gij in de gedaante van gebraden Elandsvleesch?" vroeg Jemmy.
"Begint gij weer. Mij dunkt, dat onze toestand van dien aard is, dat gij wel mocht nalaten uw besten vriend en krijgsmakker het leven te verzuren zoo kort vóór zijn laatste hemelvaart. Versplinter toch mijn denkvermogen niet! Ik heb nu al mijn gedachten te scherpen op middelen, om ons te redden. Of denkt gij, dat het zeer edelmoedig en ook heldhaftig is, een aan het hippollogische gezicht gewijde mensch vier uur vóór zijn competenten dood met flauwe spotternijen het land op te jagen?"
"Hippocratisch gezicht bedoelt ge; hippologisch is heel wat anders," merkte Jemmy aan.
Maar nu werd de kleine zoo boos, dat hij uitriep: "Nu wordt het al te erg, nu loopt het de spuigaten uit. Uit vriendschap heb ik veel van u verdragen, maar nu is het met onze vriendschap gedaan! Uw koude temperament zal nooit meer gekoesterd worden door de warme zonnestralen van mijn geest. Addio, Jemmy, addio voor eeuwig. Op dit oogenblik verdwijnt uw planeet in den duisteren nacht der eeuwen. Requiriescat in pänem!"
Hij vlijde zich neer, en deed zijn oogen dicht. Uit een ander hoekje van de tent hoorde men een half onderdrukt gegichel: maar hij sloeg er geen acht op. Ook de andere twee zetten hun gesprek niet voort, en nu heerschte er een diepe stilte, die niet anders gestoord werd dan nu en dan door het geknapper van het vuur.
Langzamerhand ontfermde zich de slaap over de vermoeide oogleden die zich niet weer openden, dan toen zich daarbuiten een luid geroep deed hooren, en de deurmat van de tent opengemaakt werd. Een Roodhuid keek naar binnen, en zei: "De bleekgezichten kunnen opstaan en met mij medegaan."
Zij stonden op, namen hun wapenen, en volgden hem.
Voor en tusschen de hutten en tenten stonden of bewogen zich roode gestalten, die zich in vollen krijgstooi gedost hadden, om het feestelijk ter dood brengen bij te wonen van de twee moordenaars. Zij traden wellevend ter zijde, toen de vier blanken voorbijgeleid werden, wier gestalten zij opnamen met oogen, waaruit eer nieuwsgierigheid sprak, dan bepaald vijandige gezindheid.
"Wat scheelt dat volkje?" vroeg Frank. "Zij staan mij aan te gapen, zooals men een paard bekijkt dat men koopen wil."
"Zij nemen onzen lichaamsbouw eens op," antwoordde Old Shatterhand. "Dat is mij een teeken, dat mijn vermoeden juist is geweest. Wat waarschijnlijk ons lot zal wezen, is hun reeds bekend. Wij zullen om ons leven moeten wedstrijden."
"Goed! Het mijne zullen zij niet heel goedkoop krijgen. Hoe denkt gij er over, Jemmy? Zijt gij bang?"
Zijn verbolgenheid op den dikke was reeds geheel over. Aan zijn vraag kon men duidelijk hooren, dat hij meer aan zijn vriend dan aan zich zelf dacht.
"Bang ben ik niet, maar wel een beetje ongerust, zooals heel natuurlijk is. Bangheid zou ons niet anders dan kwaad kunnen doen. Het is nu zaak voor ons, kalm en bedaard te blijven."
Buiten de legerplaats waren twee palen in den grond geheid; dicht daarbij stonden vijf met vederen getooide krijgslieden; een hunner was de Groote Wolf. Hij kwam eenige schreden naar de blanken toe, en zei: "Ik heb de bleekgezichten laten halen, om hun eens te laten zien hoe de roode krijgslieden hun vijanden straffen. Men zal dadelijk de moordenaars hier brengen, om hen aan den paal te doen sterven."
"Wij zouden dat liever niet willen zien," antwoordde Old Shatterhand.
"Zijt gijlieden dan lafhartigen, die bang zijn om het stroomende bloed te zien? In dat geval moeten wij u als zoodanig behandelen, en behoeven wij ons niet aan mijn belofte te houden."
"Wij zijn christenen. Wij dooden onze vijanden, als wij daartoe genoodzaakt zijn; maar wij martelen hen niet."
"Gij zijt nu bij ons, en hebt u naar onze gebruiken te voegen. Wilt gij dat niet doen, dan beleedigt gij ons, en wordt daarvoor met den dood gestraft."
Old Shatterhand wist, dat de hoofdman in vollen ernst sprak, en dat hij zich zelf en de drie anderen aan het grootste gevaar zou blootstellen, indien hij weigerde de terdoodbrenging bij te wonen. Daarom verklaarde hij met tegenzin: "Welnu, wij zullen blijven."
"Zet u dan bij ons neder! Als gij u naar onze gebruiken schikt, zal u een eervolle dood beschoren zijn."
Hij nam plaats in het gras, met zijn gezicht naar de palen gekeerd. De andere hoofdmannen deden insgelijks, en de blanken waren gedwongen hun voorbeeld te volgen. Toen liet de Groote Wolf een heinde en verre weergalmenden roep hooren, die met een algemeen triomfgehuil beantwoord werd. Dat was het sein, dat het walgingwekkende schouwspel zou aanvangen.
De krijgslieden kwamen dichterbij, en vormden een halven cirkel om de palen heen, waarin de hoofdmannen met de blanken zaten. Toen kwamen ook de vrouwen en de kinderen; en die schaarden zich in den vorm van een boog tegenover de mannen, zoodat de cirkel gesloten was.
Nu bracht men Knox en Hilton, die zoo zwaar geboeid waren, dat zij niet loopen konden, maar telkens een eindje weegs gedragen moesten worden. De riemen sneden zoo diep in hun vleesch, dat Hilton er van kermde. Knox was stil; hij lag in een zware wondkoorts, en had pas zooeven opgehouden te ijlen. Hij zag er letterlijk schrikwekkend uit. Beiden werden recht overeind aan de palen vastgebonden, en wel met natte riemen, die, als zij droog werden, zoo moesten krimpen, dat de slachtoffers van een wreede gerechtigheid alleen daardoor reeds de gruwzaamste pijnen zouden lijden.
De oogen van Knox waren dicht, en zijn hoofd hing zwaar op zijn borst neer; hij had zijn bewustzijn verloren, en wist niet wat er met hem voorviel. Hilton liet zijn angstige oogen rondgaan. Toen hij de vier jagers gewaarwerd, riep hij hun toe: "Redt mij, messieurs! redt mij! Gij zijt immers geen Heidenen. Gij kunt toch niet hier gekomen zijn, om ons zulk een verschrikkelijken dood te zien sterven, en u te vergasten aan de folteringen, die ze ons zullen aandoen?"
"Neen," antwoordde Old Shatterhand; "wij zijn zelf gedwongen hier, en kunnen niets voor u doen!"
"Ja, ja, dat kunt gij wel, dat kunt gij wel, als gij maar wilt. De Roodhuiden zullen wel naar u luisteren."
"Neen. Al wat gij te lijden hebt is uw eigen schuld. Wie den moed heeft euveldaden te doen, moet ook den moed hebben om de straf er voor te dragen."
"Ik ben onschuldig. Ik heb geen Indiaan doodgeschoten. Dat heeft Knox gedaan!"
"Lieg niet! Het is een schaamtelooze lafhartigheid, de schuld op hem alleen te willen schuiven. Voel liever berouw over alles, wat gij misdreven hebt, opdat het u vergeven moge worden in de wereld hiernamaals!"
"Maar ik wil niet sterven; ik kan niet sterven! Help, help, help!"
Hij brulde zoo hard, dat het weergalmde over de gansche vlakte, en wrong daarbij zoo geweldig in zijn boeien, dat het bloed uit zijn vleesch spoot. Toen stond de Groote Wolf op, en gaf met de hand een teeken, dat hij spreken wilde. Aller oogen waren dadelijk op hem gevestigd. Hij verhaalde op de korte, krachtige en toch hoogdravende manier van een Indiaanschen improvisator, wat er gebeurd was, en schilderde het verraderlijke gedrag der bleekgezichten, met wie men in vrede had geleefd, en die men door niets had beleedigd; hij deed dat met zooveel vuur en in bewoordingen, die een zoo diepen indruk op de Roodhuiden maakten, dat zij met hun wapenen begonnen te rammelen en kletteren. Daarop verklaarde hij, dat de twee moordenaars veroordeeld waren om aan den martelpaal te sterven, en dat de terechtstelling een aanvang zou nemen. Toen hij geëindigd en weer plaats genomen had, verhief Hilton andermaal zijn stem, ten einde Old Shatterhand te bewegen een goed woord voor hem te doen.
"Nu, ik zal het probeeren," zei deze. "Van den dood zal ik u niet kunnen redden; maar misschien verkrijg ik wel, dat zij de marteling wat spoediger ten einde brengen."
Hij wendde zich tot den hoofdman, doch eer hij nog den mond geopend had om te spreken, snauwde de Groote Wolf hem op een toon van verbolgenheid toe: "Gij weet, dat ik de taal der bleekgezichten spreek, en dat ik dus heb kunnen verstaan wat gij dien hond daar beloofd hebt. Is het niet genoeg, dat ik voor u zulk een gunstige uitzondering gemaakt heb? Wilt gij tegen ons vonnis spreken, en onze krijgslieden daardoor zoo in toorn doen ontsteken, dat ik u niet meer beveiligen kan voor hun woede? Zwijg dus, en spreek geen woord! Mij dunkt, dat gij genoeg over u zelf te denken hebt, en dat gij u waarlijk niet over anderen behoeft te bekommeren. Als gij partij voor die twee moordenaars trekt, stelt gij u met hen gelijk, en zult gij hetzelfde lot als zij ondergaan."
"Mijn godsdienst gebiedt mij een goed woord voor hen te doen." Dit was de eenige verontschuldiging, die de blanke zich durfde veroorloven.
"Naar welken godsdienst hebben wij ons hier te regelen, naar den uwen of den onzen? Heeft uw godsdienst aan die honden geboden, ons in diepen vrede te overvallen, onze paarden te rooven en onze krijgslieden te dooden? Neen! Dus moet uw godsdienst ook geen invloed uitoefenen op de straf, die de daders ondergaan zullen."
Hij keerde zich om, en gaf een teeken met de hand, waarop wel een dozijn krijgslieden te voorschijn traden. Daarop wendde hij zich nog eens tot Old Shatterhand, en zei: "Dit zijn de bloedverwanten van hen, die door de bleekgezichten vermoord zijn. Aan hen komt het recht toe, de strafoefening te beginnen."
"Waarin bestaat die?" vroeg de jager.
"In verschillende martelingen. Het eerst wordt er met messen naar hen geworpen."
Als bij de Roodhuiden een vijand aan den martelpaal moet sterven, zoeken zij de folteringen zoo lang mogelijk te rekken. De verwondingen, die hem toegebracht worden, zijn aanvankelijk niet zeer erg, maar worden van lieverlede zwaarder. Gewoonlijk begint men met het messenwerpen, waarbij zoo te werk wordt gegaan, dat achtereenvolgend de verschillende ledematen en lichaamsdeelen worden genoemd, die geraakt moeten worden of waarin de messen moeten blijven zitten. Men regelt die opsomming zoo, dat er niet veel bloed vergoten wordt, opdat de gemartelde niet ontijdig aan bloedverlies zou bezwijken.
"Den rechterduim!" gebood de Groote Wolf.
De armen der gevangenen waren zoo gebonden, dat de handen vrij hingen. De voor het front getreden Roodhuiden splitsten zich in twee groepjes, het eene was voor Hilton, het andere voor Knox. Zij namen een afstand van twaalf passen, en stonden achter elkander. De voorste nam zijn mes in de opgeheven rechterhand, tusschen de eerste drie vingers, mikte, wierp, en raakte den duim. Hilton stiet een gil van pijn uit. Knox werd ook geraakt, doch verkeerde in zulk een staat van bewusteloosheid, dat hij er niet eens door bijkwam.
"Den wijsvinger!" gebood de hoofdman.
Op die manier ging hij voort, telkens den vinger noemende die geraakt moest worden. Had Hilton den eersten keer een enkelen gil gegeven, nu brulde hij zonder ophouden door. Knox kwam pas tot bewustzijn, toen zijn linkerhand tot mikpunt werd gekozen. Hij staarde als wezenloos om zich heen, deed toen zijn met bloed onderloopen oogen weer dicht, en hief toen een niets naar het geluid van een mensch gelijkend gehuil aan. Hij had gezien wat men met hem voorhad; de koorts greep hem weer aan, en koortsijling en doods-angst beide deden hem geluiden voortbrengen, waartoe voorzeker niemand de menschelijke stem in staat zou achten.
Onder het onafgebroken gebrul van die twee werd de straf-oefening voortgezet. De messen troffen het bovengedeelte der handen, de handgewrichten, de spieren van den onder-arm, en dezelfde volgorde werd ook bij de beenen gevolgd. Dat alles duurde ongeveer een kwartier, en was het spelende begin van de marteling, die urenlang achtereen duren zou. Old Shatterhand en zijn drie metgezellen hadden het hoofd ter zijde gewend. Het was hen niet mogelijk, dat schouwspel met hun oogen te blijven volgen. Maar het gejammer en gekerm moesten zij blijven aanhooren.
Een Indiaan wordt van zijn prilste jeugd af in het verduren van lichamelijke pijnen geoefend. Daardoor brengt hij het zoo ver, dat hij de ergste pijnen kan uitstaan zonder te verblikken of verblozen. Misschien ook zijn de zenuwen der Roodhuiden minder gevoelig, dan die der blanken. Wanneer de Indiaan gevangen wordt en aan den martelpaal moet sterven, verduurt hij de ijselijkste folteringen met een lachend gezicht, zingt met luider stemme zijn lijkzang, en breekt dien slechts nu en dan af, om hen, die hem pijnigen, uit te schelden en uit te lachen. Een jammerende man aan den martelpaal is bij de Roodhuiden een onmogelijkheid. Wie over pijnen klaagt, wordt veracht, en hoe luider het klagen wordt, des te grooter wordt de verachting. Het is zelfs gebeurd, dat gemarteld wordende blanken, die sterven moesten, op vrije voeten gesteld werden, omdat zij door hun onmannelijk jammeren en weeklagen bewezen, dat zij lafhartige ellendelingen waren, die men niet behoefde te vreezen, zoodat het voor den overwinnaar een schande geweest zou zijn hen te dooden.
Men kan zich dus verbeelden welk een indruk het gelamenteer van Knox en Hilton maakte. De Roodhuiden wendden het hoofd af, en lieten uitroepen van ergernis en verachting hooren. Toen de bloedverwanten van de vermoorde Utahs hun hart aan de moordenaars opgehaald hadden, werden andere krijgers opgeroepen, om het werk der wrake met nieuwe pijnigingen voort te zetten; doch er was er niet één, die zich daartoe aanbood. Aan zulke honden, coyoten en padden wilde niemand zijn handen vuilmaken. Toen stond een der hoofdmannen op, en sprak: "Die twee ellendelingen zijn niet waard, dat een dapper krijgsman de hand tegen hen opheft; dat beseffen al mijn broeders. Wij zullen hen dus overlaten aan de vrouwen. Wie door de hand van een vrouw sterft, diens ziel neemt in de eeuwige jachtgronden de gedaante van een vrouw aan, en moet werken in alle eeuwigheid. Ik heb gezegd."
Dit voorstel werd na een korte beraadslaging aangenomen. De vrouwen en moeders der vermoorden werden opgeroepen; zij kregen messen, om er de ten doode gedoemden kleine sneetjes mede te geven, ook weer in de volgorde, die de Groote Wolf zou afroepen.
Een beschaafd Europeaan zal moeite hebben om te gelooven, dat een vrouw zich tot dergelijke wreedheden verlagen kan. Maar de Roodhuiden zijn eerstens nog niet beschaafd, en ten andere verbande de dorst naar wraak over de gepleegde moorden elke zachte gewaarwording. De vrouwen, voor verreweg het meerendeel bejaarde, begonnen het tweede gedeelte van de straf-oefening, en het gekerm en gebrul van de twee blanken begon van voren af aan en wel zoo dat het zelfs voor de ooren der Roodhuiden onuitstaanbaar werd. De Groote Wolf gebood stilte, en sprak: "Deze lafaards zijn niet eens waard, na hun dood vrouwen te zijn. Geen Roodhuid zal durven aanraden, hen op vrije voeten te stellen, want hun schuld is veel te groot; zij moeten sterven maar zij zullen de eeuwige jachtgronden betreden als coyoten, rusteloos nagejaagd en vervolgd. Ik stel voor hen over te geven aan de honden. Ik heb gezegd!"
Nu volgde er een beraadslaging, waarvan de uitslag door Old Shatterhand voorzien en met afgrijzen verwacht werd. Hij waagde het, een goed woord voor de twee gemartelden te doen, doch werd op zulk een krasse manier afgewezen, dat hij blijde mocht zijn er zóó van af te komen. Het besluit dat viel, was geheel in overeenstemming met het voorstel van den Grooten Wolf. Eenige Roodhuiden verwijderden zich, om de honden te halen. De hoofdman wendde zich tot de vier blanken, en zei: "De honden der Utahs zijn op de bleekgezichten gedresseerd; zij doen hen niets; alleen dan, wanneer zij er toe aangehitst worden, werpen zij zich op hen; maar dan verscheuren zij ook iederen blanke, die zich in de nabijheid bevindt. Ik zal u daarom wegbrengen, en in een tent laten bewaken, totdat de dieren weer vastgebonden zijn."
Op zijn bevel werden de vier naar een tent in de nabijheid gebracht, en daar door verscheiden Roodhuiden bewaakt. Het was hun alsof zij zelf bestemd waren om het lot te ondergaan, dat den beiden moordenaars wachtte. Den dood hadden die verdiend; maar bij levenden lijve door honden verscheurd te worden, dat was een ijzingwekkend uiteinde.
Daarbuiten heerschte wel tien minuten lang een stilte, welke slechts nu en dan werd afgebroken door het gejammer van Hilton, die zijn lot nog niet kende. Toen hoorde men een even hard, als verwoed geblaf, dat terstond in een bloeddorstig gehuil overging; twee luid-gillende menschenstemmen, die den vier blanken door merg en been gingen; en toen werd alles weer stil.
"Luister!" zei Jemmy. "Ik hoor beenderen kraken. Ik geloof, dat zij die twee door de honden laten opvreten."
"Het is mogelijk, maar ik geloof het niet," antwoordde Old Shatterhand. "Dat gij beenderen hoort kraken, is een spel van uw overspannen verbeelding. Ook de mijne is in een zeer opgewonden toestand. Wij mogen van geluk spreken, dat zij ons niet gedwongen hebben het barbaarsche schouwspel mee aan te zien."
Nu werden zij weer uit de tent gelaten, om naar de plaats der terechtstelling teruggebracht te worden. Een eind verder in de legerplaats zag men vier of vijf Roodhuiden loopen, die de honden aan stevige riemen hadden. Of die dieren het spoor der blanken rooken.... een der honden was bijna niet voort te krijgen; hij keek om, en kreeg de vier jagers in het oog; met een geweldigen ruk trok hij zich los, en holde op het viertal aan. Een algemeen gegil van schrik en ontzetting weerklonk. Die hond was zoo groot en sterk, dat geen mensch het voor mogelijk hield het dier in zijn bloeddorstige woede te stuiten. En toch wilde geen der Indianen er op schieten, omdat het een colossus was van zeer hooge waarde. Jemmy legde zijn geweer aan, en mikte.
"Niet schieten!" gebood Old Shatterhand. "De Roodhuiden zouden het ons zeer kwalijk nemen, als wij dien prachtigen hond doodschoten, en ik wil hun meteen eens laten zien wat de vuist van een blanken jager vermag."
Die woorden werden gejaagd uitgesproken. Overigens geschiedde alles veel sneller, dan het beschreven kan worden, want de hond had den ganschen afstand, met echte panter-sprongen, in tien à twaalf seconden afgelegd. Old Shatterhand trad hem met een vlugge beweging in den weg, zijn handen naar omlaag houdende.
"Gij zijt verloren!" riep de Groote Wolf hem toe.
"Wacht het af!" antwoordde de jager.
Nu was de hond daar. Hij had den met groote tanden gewapenden bek wijd opengesperd, en wierp zich met roofdierachtig gesnuif op zijn tegenstander. Deze hield zijn oogen strak op die van het dier gericht, en toen het een zetje nam om den beslissenden sprong te doen, en zich reeds in de lucht bevond, sprong hij met snel uitgespreide armen het beest te gemoet--een botsing van hond en mensch.--Old Shatterhand sloeg zijn armen om den nek van het dier, dat hem naar de keel was gesprongen, en drukte den kop van den hond zoo vast tegen zich aan, dat die niet bijten kon. Een nog steviger druk, en de hond kon geen adem meer halen; zijn spartelende achterbeenen vielen slap naar beneden. Met een vlugge beweging zijner linkerhand trok de jager den kop van zich af, gaf hem met zijn rechtervuist een slag op zijn snoet, en smeet hem toen op den grond.
"Daar ligt hij!" riep hij, zich omkeerende, den hoofdman toe. "Laat hem vastbinden opdat hij, als hij weer bijkomt, geen kwaad meer kan doen."
"Oef, oegh, oegh, oef!" klonk het van de lippen der verbaasde Roodhuiden. Dat zou niemand van hen gewaagd hebben; dat hadden zij bepaald voor onmogelijk gehouden. De Groote Wolf gaf bevel, om het dier weg te brengen, kwam naar Old Shatterhand toe, en zei op bewonderenden toon: "Mijn blanke broeder is een held! In plaats van zich door den bloedhond te laten omverwerpen en verscheuren, heeft hij het dier gegrepen en op den grond gesmeten. Geen Roodhuid had zoo vast op zijn beenen kunnen staan, en de borst van geen mensch ware tegen zulk een schok bestand geweest; van ieder ander waren de ribben ingedrukt. Maar waarom liet Old Shatterhand niet schieten?"
"Omdat ik u dat prachtige dier niet wilde laten verliezen."
"Welk een onvoorzichtigheid! Als het u nu eens verscheurd had."
"Pshaw! Old Shatterhand laat zich niet verscheuren door een hond. Wat denken de krijgslieden der Utahs nu te doen?"
"Zij gaan nu over u beraadslagen, want de tijd daartoe is gekomen. Willen de bleekgezichten niet om medelijden verzoeken?"
"Medelijden? Zijt gij krankzinnig? Gij moest mij liever vragen of ik genegen ben om met u medelijden te hebben."
De hoofdman bracht hem, met een blik, die evenzeer verbazing als bewondering uitdrukte, ter zijde, waar de vier blanken buiten den kring der Roodhuiden konden gaan zitten, zonder dat zij er iets van de beraadslaging konden afluisteren.
Nu begon de beslissende vergadering, die geheel op Indiaansche manier gehouden werd. De eerste spreker was de Groote Wolf, die een lange rede hield; op hem volgden de hoofdmannen een voor een; de Groote Wolf nam andermaal het woord, na hem de andere vorige sprekers insgelijks; de gewone krijgslieden mochten het woord niet voeren, zij stonden eerbiedig luisterend in den kring. De Indiaan is van nature weinig spraakzaam: maar bij beraadslagingen spreekt hij gaarne en veel. Er zijn Roodhuiden, die als redenaar een groote vermaardheid verworven hebben.
De beraadslaging duurde ruim twee uur: een langen tijd voor hen, wier lot afhing van het daarin te nemen besluit. Eindelijk kondigde een algemeen met luider stemme geroepen "howgh" het einde van de vergadering aan. De blanken werden gehaald; zij werden midden in den kring geleid, om daar te vernemen wat over hen besloten was. De Groote Wolf stond van den grond op, om het hun aan te kondigen. "De vier bleekgezichten," sprak hij, "hebben reeds gehoord waarom wij de strijdbijlen hebben opgegraven; dat behoef ik dus niet te herhalen. Wij hebben gezworen dat wij alle blanken, die in onze handen vallen, zullen vermoorden en ik mocht met u lieden geen uitzondering maken. Gij zijt met mij herwaarts gekomen, opdat er over uw lot beslist zou worden, en gij hebt mij beloofd dat gij u tegen ons besluit niet zult verzetten. Wij weten dat gijlieden vrienden der roode mannen zijt, en daarom zult gij niet het lot deelen van de andere bleekgezichten, die wij gevangennemen. Die komen terstond aan den martelpaal maar gij zult om uw leven mogen kampen."
Hier maakte hij even een pauze, waarvan Old Shatterhand partij trok, om de vraag tot hem te richten: "Met wie? Wij met ons vieren tegen u allen? Goed, het is mij wel. Mijn Geweer van den Dood zal een zoodanige opruiming onder u houden, dat de eeuwige jachtgronden nog nooit door zulk een toevlucht van nieuwelingen tegelijk zijn bestormd."
Dit zeggende hief hij zijn karabijn omhoog. De hoofdman was niet in staat zijn angst te verbergen; hij maakte een snelle beweging met de hand, en antwoordde: "Old Shatterhand vergist zich: ieder uwer zal slechts één tegenstander hebben, met wien hij den kampstrijd voert, en de overwinnaar zal het recht hebben om den overwonnene te dooden."
"Dat is billijk en rechtvaardig. Maar wie zal het recht hebben om onze tegenstanders te kiezen, wij of gij?"
"Wij natuurlijk. Ik zal een oproeping doen, dan kunnen er zich vrijwilligers voor aanmelden."
"En hoe of met welke wapenen zal er gekampt worden?"
"Dat zal de kampioen, die zich aanmeldt, zelf bepalen."
"O zoo! Dus wij zullen volstrekt geen keus hebben?"
"Neen."
"Dat is onbillijk."
"Volstrekt niet. Het is zoo billijk als het maar behoeft. Gij moet in aanmerking nemen, dat wij het voordeel aan onze zijde hebben, en dat wij dus ook een voordeel verlangen kunnen."
"Het voordeel aan uw zijde? Hoe bedoelt gij dat?"
"Wel, zoo velen tegen vier!"
"Pshaw! Wat beteekenen al uw wapenen tegen mijn Geweer des Doods? Alleen hij, die bang is, verlangt dat zijn tegenstander hem iets zal voorgeven."
"Die bang is?" vroeg de Groote Wolf met vlammen-schietende oogen. "Wilt gij mij beleedigen? Wilt gij bijgeval te kennen geven, dat wij bang zijn?"
"Wat ik zeg, doelt niet op u; ik spreek in het algemeen. Als een slecht looper moet harddraven tegen een goed looper, krijgt hij gemeenlijk een zekeren afstand voor. Daar gij ons in het nadeel stelt, geeft gij mij daardoor het recht om het er voor te houden, dat gij ons voor betere krijgslieden houdt dan gij zelf zijt. En zoo iets zou ik, als ik hoofdman van de Utahs was, niet doen."
De Groote Wolf keek een heele poos voor zich op den grond. Hij kon den jager geen ongelijk geven, maar gelijk geven wilde hij hem ook niet. Daarom zei hij eindelijk: "Wij hebben reeds zooveel inschikkelijkheid met u gebruikt, dat gij niet nog meer van ons verlangen kunt. Of wij bang voor u zijn zult gij bij den wedkamp wel gewaarworden."
"Goed! Maar ik verlang eerlijke voorwaarden."
"Hoe bedoelt gij dat?"
"Gij zegt dat de overwinnaar het recht zal hebben, den overwonnene te dooden. Gesteld nu, dat ik een van uw krijgslieden overwin en dood, kan ik dan vrij en veilig deze plaats verlaten?"
"Ja."
"Dus zal niemand mij dan iets doen?"
"Neen; maar gij zult niet overwinnen. Niemand van uw vieren zal overwinnen!"
"Ik begrijp u. Gij zult uw keus onder de uwen zóó doen, en den aard van den kampstrijd zóó bepalen, dat wij het onderspit moeten delven. Maar reken daar niet al te vast op. Het is best mogelijk, dat het anders uitvalt dan gij denkt."
"Hoe het uit zal vallen weet ik zóó precies, dat ik zelfs nog een voorwaarde zal stellen, namelijk deze: dat de overwinnaar eigenaar zal worden van alles, wat de overwonnene bezeten heeft."
"Die voorwaarde is hoognoodig; want zonder dat zou waarschijnlijk niemand der uwen trek hebben, om den strijd met ons aan te binden."
"Word niet te stekelig, pas op!" snauwde de hoofdman hem driftig toe. "Gij hebt eenvoudig te zeggen of gij mijn voorwaarden aanneemt, ja of neen."
"En als wij dat nu eens niet doen?"
"Dan schendt gij uw belofte; want gij hebt gezegd, dat gij er niet aan denken zult u te verzetten."
"Mijn belofte zal ik houden; maar ik wil uw woord hebben, dat elk onzer, die als overwinnaar uit den strijd komt, door u beschouwd en behandeld zal worden als vriend."
"Dat beloof ik u!"
"Laat ons dan de vredespijp daarop rooken!"
"Gelooft gij mij dan niet?" riep de Groote Wolf.
Old Shatterhand begreep, dat hij zijn streng niet al te strak moest houden, als hij geen gevaar wilde loopen, de reeds verkregen gunstige bepalingen weer te verliezen. Daarom verklaarde hij: "Kom aan, ik geloof u op uw woord. Roep nu de vrijwilligers voor den kampstrijd maar op!"
Nu ontstond er een groote beweging onder de Indianen; zij liepen en drongen vragende en schreeuwende door elkander. Old Shatterhand zei tegen zijn metgezellen: "Ik heb mijn streng, tot mijn leedwezen, niet al te strak durven houden; want ik was bang dat die zou breken. Ik ben met de bedongen voorwaarden allesbehalve in mijn schik."
"Wij moeten er tevreden mee zijn, aangezien er geen betere te bedingen waren," zei de lange Davy.
"Wat mij zelf aangaat, maak ik mij volstrekt niet ongerust. De Roodhuiden zijn zoo bang voor mij, dat ik benieuwd ben of er wel één zal opkomen om met mij aan te binden."
"O, zeer zeker."
"Wie dan?"
"De Groote Wolf zelf. Daar zich geen ander zal aanmelden, dient hij de eer van zijn stam op te houden. Hij is een reusachtige kerel, een echte olifant."
"Bah! Ik ben niet bang voor hem. Maar voor u zal hij de gevaarlijkste tegenstanders kiezen, en voor ieder onzer den aard van den kampstrijd zóó bepalen, dat hij vooruit bijna zeker is van onze minderheid. Zoo zal hij zich, bij voorbeeld, wel wachten, met mij een vuistgevecht te kiezen."
"Wij zullen het maar afwachten," zei Jemmy. "Al maken wij ons nòg zoo ongerust, dat helpt ons niet. Wij zullen de spieren maar stevig en de oogen maar open houden."
"En het hoofd op de rechte plaats," voegde Hobble-Frank er bij. "Wat mij aangaat, ik ben zoo kalm als een mijlpaal aan een straatweg. Ik weet zelf niet hoe het komt, maar het is wezenlijk de waarheid, ik voel mij niets bang, hoegenaamd niets. Die Utahs zullen vandaag een Saksischen Moritzburger leeren kennen. Ik zal mij zóó weren, dat de vonken heel tot Groenland spatten."
Nu begon de orde zich onder de Roodhuiden te herstellen. De kring werd weer gevormd, en de Groote Wolf liet drie krijgslieden voor het front komen, die hij voorstelde als de zich aangeboden hebbende vrijwilligers.
"Wijs nu dan de paren maar aan," verzocht Old Shatterhand.
De hoofdman schoof den eerste naar langen Davy toe, en zei: "Hier staat Pagoe-angara (= de roode visch), die met dit bleekgezicht om zijn leven wil zwemmen."
De keus was voor de Roodhuiden goed getroffen. Men kon het den langen, skeletachtig uitgedroogden Davy aanzien, dat het water volstrekt zijn element niet was. De Roodhuid daarentegen was een kerel met ronde heupen, een breede, goed in het vleesch zittende borst, en forsch gespierde armen en beenen. Hij was stellig de beste zwemmer van den ganschen stam. Had men dat niet reeds kunnen raden door den naam, dien hij droeg, dan zou men het hebben kunnen begrijpen uit den blik vol minachting, die hij op Davy wierp.
Toen nam de hoofdman een langen kerel, breed van schouders en wiens spieren als dunne worstjes zichtbaar op zijn armen en beenen waren, plaatste hem voor den kleinen, dikken, Jemmy, en zei: "Dit hier is Namboh-awaat (= de groote voet), die zal met dit dikke bleekgezicht worstelen. Zij zullen rug aan rug worden gebonden. Ieder krijgt een mes in de rechterhand, en wie den ander het eerst op den grond krijgt, mag hem doodsteken."
De Groote Voet droeg zijn naam met het volste recht. Hij had ontzaglijk groote en breede voeten, waarop hij stellig zóó vast stond, dat er aan hem geen verwikken of verwegen zou zijn, zoodat de kleine dikke Jemmy geen heel plezierig vooruitzicht had.
Nu stond daar de derde nog, een beenderige kerel, bijna vier el lang, ijl en smal maar met een hooggewelfde borst en eeuwig lange armen en beenen. Dezen plaatste de hoofdman voor Hobble-Frank, en zei: "Hier is To-ok-tey (= het springende hert), die bereid is, om met dit bleekgezicht om het leven te harddraven."
Arme Hobble-Frank! Als dat Springende Hert met zijn zevenmijlsbeenen twee voetstappen deed, moest de kleine er minstens tien doen! Ja, de Roodhuiden waren wel bedacht geweest op hun voordeel!
"En wie is mijn tegenstander?" vroeg Old Shatterhand.
"Ik!" antwoordde de Groote Wolf op hooghartigen toon, terwijl hij zijn giganten-gestalte met fierheid oprichtte. "Gij hebt zeker gedacht, dat wij bang voor u waren; ik zal u laten zien, dat gij u daarin vergist hebt."
"Dat doet mij genoegen," antwoordde de blanke vriendelijk. "Ik heb tot nu toe altijd mijn tegenstanders onder de hoofdmannen gezocht."
"Gij zult het onderspit delven."
"Old Shatterhand wordt nooit overwonnen."
"En Owoets-awaat ook niet! Geen mensch ter wereld kan vertellen, dat hij mij overwonnen heeft!"
"Dat zal ik vandaag reeds vertellen."
"En zal ik meester van uw leven zijn."
"Laat ons niet langer vechten met woorden, maar met het geweer!"
Old Shatterhand zei dit op ietwat spottenden toon. Hij wist zeer goed, dat de hoofdman daar geen ooren naar hebben zou. En werkelijk antwoordde deze schielijk: "Ik heb niets met uw Geweer van den Dood te maken. Tusschen ons zal het mes en de tomahawk beslissen."
"Ook dat vind ik goed."
"Dan zult gij zeer spoedig een lijk zijn, en dan wordt al wat van u is dus ook uw paard, mijn eigendom."
"Ik geloof, dat mijn paard u de keel afbijt; maar het toovergeweer heeft nog veel grootere waarde. Wat zult gij daarmee aanvangen?"
"Dat wil ik niet hebben, en een ander heeft er ook geen begeerte naar. Het is te gevaarlijk; want wie het aanraakt, schiet er zijn beste vrienden mee dood. Wij zullen het in den grond begraven, dan kan het daar verroesten en verrotten."
"Dan mag hij, die het begraven moet, wel zeer voorzichtig zijn, want anders zal hij ramp en rouw over den ganschen stam der Yampa-Utahs brengen. Maar nu moest gij mij eens zeggen in welke volgorde de verschillende wedkampen zullen plaats hebben."
"Het eerst zal er gezwommen worden. Maar ik weet, dat de christenen gaarne vóór hun dood geheimzinnige gebruiken volgen. Ik zal ulieden daartoe een tijdruimte geven, die de bleekgezichten een uur noemen."
De Roodhuiden hadden den kring om de blanken heen weer gesloten, om allen goed te kunnen zien hoe verschrikt de bleekgezichten zouden kijken, als zij hoorden met welke tegenstanders zij te doen zouden krijgen. Maar van schrik en ontsteltenis hadden zij hoegenaamd niets bespeurd, en daarom gingen zij nu weer uit elkander. Zij schenen zich nu volstrekt niet meer om de jagers te bekommeren; maar toch wisten dezen zeer goed, dat er scherp het oog op hen gehouden werd. Zij zaten bij elkander en spraken over de kansen, die hun voor de deur stonden. Voor langen Davy was het gevaar het dichtst ophanden, daar hij de eerste was, die den kampstrijd beginnen moest. Hij zette wel geen radeloos, maar toch een zeer ernstig gezicht.
"De Roode Visch!" mompelde hij. "Dien naam hebben ze natuurlijk aan den schobbejak gegeven, omdat hij een baas in het zwemmen is."
"En gij?" vroeg Old Shatterhand. "Ik heb u wel eens zien zwemmen, maar niet anders dan bij het baden of bij het oversteken van een rivier. Hoe is het met uw knapheid gesteld?"
"Niet al te best."
"O wee!"
"Ja, o wee! Het is mijn schuld niet, dat mijn lichaam slechts uit zware bonken en schonken bestaat. Ik geloof, dat mijn beenderen veel zwaarder zijn dan die van een gewoon menschenkind."
"Dus, wat de snelheid betreft, is het mis. Maar hoe is het met den duur van uw weerstandsvermogen? Kunt gij lang vermoeienissen uithouden?"
"Uithouden? Dat is mij niets waard, dat kan ik zoolang als gij maar wilt. Aan krachten mankeert het mij niet; maar aan het vooruitkomen hapert het. Ik zal er mijn scalp wel bij inschieten."
"Dat is nog zoo zeker niet te zeggen. Ik geef de hoop nog niet op. Hebt gij wel eens op uw rug gezwommen?"
"Ja; en dan schijnt het iets beter te gaan."
"Juist! Men heeft de ervaring opgedaan, dat magere en ongeoefende menschen op den rug beter zwemmen dan op den buik. Ga dus op uw rug liggen, met uw hoofd goed laag en met de beenen hoog; slaat zeer regelmatig en druk met de voeten; en als gij adem moet halen, houd dan de handen onder den rug."
"Well! Maar het zal mij niet helpen; die Roode Visch zal mij het loodje wel laten leggen."
"Misschien ook niet, als ten minste mijn list mij gelukt."
"Welke list?"
"Gij moet met den stroom meezwemmen en hij tegen den stroom in."
"Ja, als dàt kon! Maar is er dan een strooming?"
"Ik denk ja. Als dat het geval niet is, zijt gij bepaald verloren."
"Wij weten niet eens waar gezwommen moet worden."
"Natuurlijk daarboven in het meer, dat eigenlijk slechts een vijver is. Hij is langwerpig rond, vijfhonderd passen lang en driehonderd passen breed, naar ik gis, hier vandaan begroot. Het bergwater stort zich met een groot verval er in, en wel, naar het schijnt, op den linker-oever aan. Dat geeft dus een strooming, die langs dien oever loopt, drie vierden der lengte van het meer tot aan de uitwatering. Laat mij maar eens begaan. Als het eenigszins mogelijk is, zal ik het daarheen leiden, dat gij met die strooming uw tegenstander slaat."
"Dat zou een uitkomst zijn, sir! En gesteld eens, dat het mij gelukt, moet ik dan den kerel overhoopsteken?"
"Hebt gij daar trek in?"
"Hij zou mij stellig niet sparen, al ware het louter om het luttele beetje goed, dat ik bezit."
"Dat stem ik u toe. Maar behalve de overweging dat wij Christenen zijn, is het bepaald in ons eigen belang als wij zachtmoedigheid betrachten."
"Goed! Maar wat zult gij doen, als hij mij overwint, en met zijn mes op mij afkomt? Ik mag immers geen tegenstand bieden?"
"In dat geval zal ik trachten te bewerken, dat er met dooden gewacht wordt, totdat alle vier de kampstrijden gestreden zijn."
"Well, dat is ten minste een troost zelfs in het allerergste geval, en nu ben ik gerust. Maar hoe staat het met Jemmy?"
"Niets beter," antwoordde de dikke. "Mijn tegenstander heet Groote Voet. Weet gij wat dat te beduiden heeft?"
"Nu?"
"Dat hij zoo vast op zijn voeten staat, dat geen mensch hem ten onderste boven kan krijgen. En dat moet ik nu probeeren, ik, die twee hoofden kleiner ben dan hij. En spieren heeft de kerel als een nijlpaard. Wat is mijn beetje vet, daarbij vergeleken."
"Laat u maar niet bang maken, beste Jemmy!" troostte Old Shatterhand. "Ik heb hetzelfde tegen mij als gij. De hoofdman is vrij wat langer en breeder dan ik ben; maar het zal hem denkelijk wel haperen aan vlugheid; en ik zou haast durven wedden, dat ik meer spierkracht heb, dan hij."
"Ja, uw spierkracht is verbazend. Maar ik tegen den Grooten Voet! Ik zal mij natuurlijk verweren zoolang als ik kan, maar het eindje is toch dat ik bezwijken zal. Had ik ook maar zulk een strooming! Wist ik ook maar zulk een list te bedenken."
"Dat behoeft niet!" viel Hobble-Frank hem in de rede. "Die list ligt voor de hand. Als ik het met dien platvoeter moest uitvechten, zou ik mij volstrekt niet ongerust maken."
"Gij? En gij hebt minder kracht dan ik!"
"Naar het lichaam, ja, maar niet naar den geest. En met den geest moet men overwinnen. Vat ge mij?"
"Wat kan de geest mij helpen tegen zulk een Herkules?"
"Ziet gij wel, zoo zijt gij! Alles weet gij altijd beter dan ik; maar nu het leven er mee gemoeid is, en als een extraatje nog scalpeeren daarbij komt, nu zit gij daar als een vlieg in een melkkan. Gij spartelt met handen en voeten, maar gij komt er niet uit."
"Welnu, kom er mee op de proppen als gij een goeden inval hebt."
"Inval! Wat is dat nu weer voor mallepraat! Ik heb geen inval noodig; ik ben zonder invallen geestig genoeg. Denk u nu eens goed uw toestand in! Gij gaat beiden tegen elkander staan, rug aan rug, en men bindt u over den buik aan elkander vast, juist als het mooie sterrenbeeld van de Siameesche Tweelingen in den Melkweg. Ieder krijgt een mes in de hand, en dan gaat het ruitergevecht aan den gang. Wie zijn tegenstander onder de knie krijgt, is overwinnaar. Maar hoe kan men in zulk een toestand de tegenpartij onder de knie krijgen? Alleenlijk door te maken dat zijn voeten geen steunpunt meer hebben, en dat doel kan men bereiken door hem van achteren tegen zijn kuiten te schoppen, of een been om het zijne te slaan, en dat weg te trekken. Heb ik gelijk of niet?"
"Ja. Maar verder."
"Zachtjes aan, dan breekt het lijntje niet, en er is ook volstrekt geen haast bij. Gelukt het experiment, dan tuimelt de tegenstander op zijn neus en men komt op hem te liggen, maar jammer genoeg met den rug op zijn rug, waarbij men het Europeesche evenwicht zeer licht zelf kan verliezen. Eigenlijk moesten de twee zoo aan elkander gebonden worden, dat ze elkaar in het gezicht konden kijken. Of de Roodhuiden, door de tegenovergestelde staatkundige richting te volgen, een list in hun schild voeren, heb ik nog niet kunnen doorzien; maar zooveel weet ik zeker, dat hun list, indien er een achter schuilt, niet anders kan strekken dan tot uw voordeel."
"Hoe zoo dan? Maak het kort!" drong Jemmy.
"Hemeltje-lief! hoe kan een mensch zoo onverstandig iets zeggen; ik spreek immers pas een half uur! Maar luister nu! De Roodhuid zal u van achteren schoppen, om een beentje te lichten en u uw evenwicht te doen verliezen. Dat deert u volstrekt niet; want bij de confessable dikte van uw kuiten, voelt gij zijn schoppen pas veertien maanden later. Nu wacht gij een oogenblik af, dat hij weer schopt, en dus op slechts één been staat. Dan bukt gij met kracht en macht naar omlaag, tilt hem zoodoende op uw rug, snijdt gezwind het touw of den riem door, waarmee gij aan hem vastgebonden zijt, en met een snelle beweging van uw beide handen smijt gij hem over uw hoofd heen op den grond. Maar dan oogenblikkelijk boven op hem, hem bij de keel gepakt, en hem het mes op het hart gezet. Hebt gij mij begrepen, oude sneeuwzifter?"
Old Shatterhand gaf den kleine de hand, en zei: "Frank! gij zijt geen kwade kerel. Ik zou het waarlijk niet beter hebben kunnen uitdenken. Uw raad is uitstekend bedacht, en moet zonder mankeeren tot een goed einde leiden."
Over Frank's eerlijke gezicht gleed een glans van zelfvoldoening toen hij de hem aangeboden hand drukte, en daarbij zei: "Genoeg, genoeg, beste bovenmeester! Op iets, dat zoo eenvoudig als vanzelf spreekt, kan ik mij niet veel laten voorstaan. Mijn merieten en asters bloeien geheel ergens anders. Maar het is alweer een bewijs, dat een diamant door onverstandige menschen dikwijls voor een tegelsteen gehouden wordt. Daarom...."
"Kiezelsteen, niet tegelsteen!" viel Jemmy hem in de rede. "Lieve hemel! wat zou dat voor een diamant zijn, die de grootte van een tegelsteen had!"
"Wilt gij nu wel eens gauw stilzwijgen, oude, onverbeterlijke kibbelaar! Door de grootere scherpzinnigheid van mijn helder verstand, red ik u het leven; en uit dankbaarheid smijt gij mij uw ongeslepen tegelsteen naar het hoofd! Een knappe kerel, die zulke nukken heeft! Hebt gij wel eens een diamant gevonden?"
"Neen."
"Praat dan niet over dingen, waarvan gij geen verstand hebt."
"Hebt gij er dan een gevonden?"
"Ja. De glazenmaker in Moritzburg had den zijnen verloren, en ik vond hem op straat liggen en raapte hem op. Ik was destijds nog jong, en kreeg voor mijn eerlijkheid een geschenk, dat een groote waarde in mijn oogen had. De glazenmaker, namelijk, deed tevens een winkel van zoowat allerlei, en gaf mij een aarden pijpje van twee cent en een half pakje krultabak van drie. Dat is mij altijd onvergetelijk bijgebleven, en gij ziet dus, dat ik het recht heb om over diamanten mee te praten. Als gij niet ophoudt mij altijd en eeuwig te hakketeeren, zal het er warendig nog toe komen, dat ik u de vriendschap opzeg, en dan zult gij ondervinden hoe gij zonder mij door de wereld komt. Het is hier noch de plaats noch de tijd, om aanhoudend met elkander te haspelen; wij staan allen voor ons laatste levenslicht, en op ons rust de heilige verplichting om elkander met raad en daad bij te staan, in plaats van elkander den voet dwars te zetten. Als wij, eer wij een uur verder zijn, afgemaakt moeten worden, waarom zullen wij dan nu onze kostelijke gezondheid gaan benadeelen, en elkander door grofheden het leven vergallen. Mij dunkt, dat het nu eindelijk tijd wordt om ons verstand te gebruiken."
"Dat is zeer juist gedacht," merkte Old Shatterhand aan. "Wij hebben nu te denken aan de kampstrijden die ons te wachten staan. Jemmy zal er zich wel doorheen werken; ik zie aan zijn gezicht, dat zijn hart wel honderd pond lichter is geworden. Maar wat zult gij beginnen, beste Frank?"
"Beste Frank!" herhaalde de kleine. "Wat een heerlijke acoustiek ligt er in die woorden. Het is toch werkelijk heel iets anders dan ordinair, als men met echt beschaafde menschen omgaat. Wat ik beginnen zal? Wel, harddraven! Wat zou ik anders doen?"
"Dat weet ik wel; maar gij zult achterblijven."
"Dat weet ik wel."
"Gij zult minstens drie voetstappen moeten doen, tegen dat hij er één doet."
"Dat is jammer genoeg."
"De groote vraag is maar, welken afstand gij te loopen zult hebben, en of gij het zult kunnen uithouden. Hoe is het met de ademhaling?"
"O, opperbest! Ik heb longen als een hommelbij. Ik gons en brom den ganschen dag, zonder dat het mij aan lucht ontbreekt. En loopen kan ik ook. Daar heb ik als koninklijk Saksisch onderkoddebeier bewijzen genoeg van gegeven."
"Maar tegen dien Indiaan met zijn lange beenen zult gij niet opgewassen zijn."
"Hum! Dat zullen wij zien."
"Ze noemen hem het Springende Hert; dus snelheid in het loopen, vlugheid ter been is zijn voornaamste eigenschap."
"Hoe ze hem noemen, daar lach ik om, als ik maar eer dan hij aan het eind van den rit kom."
"Ja maar, dat is juist wat gij niet zult kunnen."
"Oho! Waarom niet?"
"Dat zeg ik immers al, en gij hebt het beaamd. Kijk uw beenen eens bij de zijne!"
"O zoo, de beenen! Gij verbeeldt u dus, dat het op de beenen aankomt?"
"Natuurlijk! Waar zou het anders op aankomen bij een wedloop, waarbij het om dood en leven gaat?"
"Op de beenen ook een beetje, ja; maar die zijn toch op verre na de hoofdzaak niet. Verreweg het meest komt het op het hoofd aan."
"Daar loopt men toch niet mee!"
"Wel zeker loopt men er mee. Of denkt gij, dat ik mijn beenen alleen zal laten springen, en de rest van mijn corpus laat wachten tot zij terugkomen? Dat zou een gevaarlijke geschiedenis wezen. Als ze mij niet terugvonden, kon ik blijven zitten tot mij nieuwe gegroeid waren, en dat voorrecht hebben alleen de kreeften. Neen, neen, het hoofd moet mee, want daar hangt het voornamelijk van af."
"Ik begrijp u niet," zei Old Shatterhand, verwonderd over de bedaardheid van den kleine.
"Ik ook niet, ten minste nu nog niet. Op dit oogenblik weet ik slechts, dat één goede gedachte beter is, dan een honderdtal voetstappen of sprongen, die het doel voorbijstreven."
"Hebt gij dan zulk een gedachte?"
"Nog niet. Maar nadat ik aan Jemmy een goeden raad heb kunnen geven, verbeeld ik mij, dat ik toch mij zelf niet in den steek zal laten. Ik weet nu nog niet eens wáár geloopen zal moeten worden. Zoodra dat bepaald is, zal ik wel weten hoe de vork eigenlijk in den steel zit. Maak u over mij volstrekt maar niet ongerust! Een inwendige tenor-stem zegt mij, dat ik aan deze wereld vooreerst nog niet den rug zal toedraaien. Ik ben nog tot groote dingen geboren; en wereldhistorische persoonlijkheden sterven nooit, voordat zij hun taak volbracht en van de zachte genietingen der civilisatie hun bescheiden deel gehad hebben."
Nu kwam de Groote Wolf met de andere hoofdmannen de blanken roepen, om zich met hem naar het meer te begeven. Daar wemelde het reeds van menschen van allerlei leeftijd en van beiderlei geslacht, want daar zou de zwemwedstrijd plaats hebben.
Toen zij den oever bereikten, zag Old Shatterhand, dat zijn vermoeden juist was geweest; er ging een vrij sterke strooming. Het meer had de gedaante van een ellips. Boven, aan de eene smalle zijde stortte zich het bergwater in het meer, en stroomde eerst langs de linker lange zijde, en vervolgens langs de onderste smalle zijde op de uitwatering aan, welke zich op de rechter lange zijde en niet heel ver van de invloeiing af bevond. Die strooming volgde dus bijna drie vierden van den oeverzoom. Als Davy daar gebruik van kon maken, was hij misschien gered.
De vrouwen, meisjes en jongens verspreidden zich ver langs den oever. De krijgslieden hielden halt aan de onderste smalle zijde, want daar zou de kampstrijd beginnen. Aller oogen waren op de twee hoofdpersonen gevestigd. De Roode Visch keek trots en vol zelfgenoegzaamheid over het water als iemand, die volkomen zeker is van zijn zaak. Ook Davy scheen bedaard, maar hij slikte dikwijls; zijn strottenhoofd was aanhoudend in beweging. Zij, die hem kenden, was dat een teeken van heftige inwendige gemoedsbeweging.
Eindelijk wendde de Groote Wolf zich tot Old Shatterhand met de vraag: "Denkt gij, dat wij kunnen beginnen?"
"O ja," antwoordde de gevraagde; "maar wij kennen de nadere bepalingen nog niet."
"Die zult gij hooren. Hier vlak voor mij gaan de twee kampioenen te water. Zoodra ik daartoe het sein geef door in mijn handen te klappen, steken zij van wal. Zij zwemmen één keer het gansche meer rond, waarbij zij altijd zorg dragen precies een manslengte van den oever af te blijven. Wie binnenwaarts houdt om den afstand te bekorten, is overwonnen. Hij, die het eerst hier aankomt, steekt den andere overhoop."
"Goed. Maar naar welken kant zwemmen zij af? Naar rechts of naar links?"
"Naar links. Dan keeren zij van rechts hier terug."
"Moeten zij naast elkander zwemmen?"
"Natuurlijk."
"Dus mijn kameraad aan de rechter- en de Roode Visch aan de linkerhand?"
"Neen, omgekeerd."
"Waarom?"
"Omdat hij die links zwemt het dichtst bij den oever is en dus den versten afstand af te leggen heeft."
"Het is verkeerd en onbillijk, hen beiden in dezelfde richting te laten zwemmen. Gij zijt een vijand van bedrog, en zult moeten toestemmen, dat het veel rechtvaardiger is, hen in verschillende richting van wal te laten steken. De een zwemt van hier af langs den rechteroever en de andere langs den linkeroever; boven ontmoeten zij elkander, en dan keert ieder langs den tegenover liggenden oever terug."
"Gij hebt gelijk," verklaarde de hoofdman. "Maar wie moet rechts en wie moet links?"
"Om ook hierin rechtvaardig te zijn, zullen wij het lot laten beslissen. Ziehier! Ik neem twee grashalmen, en de twee zwemmers trekken er elk een. Wie den langsten halm trekt zwemt naar links, wie den kortsten trekt naar rechts."
"Goed, zoo zal het zijn. Howgh!"
Dat laatste woord werd tot Davy's geluk gesproken, want het bewees dat er aan dat besluit niets meer te veranderen viel. Old Shatterhand had twee grashalmen geplukt, maar zoo, dat ze precies even groot waren. Hij kwam eerst bij den Rooden Visch, en liet hem kiezen, toen gaf hij aan Davy het tweede halmpje, maar kneep er ongemerkt een stukje af. De halmen werden vergeleken; Davy had den kortsten en moest dus naar rechts. Zijn tegenstander toonde zich daarover zeer gebelgd; bij scheen nog geen vermoeden te hebben van het nadeel, waarin hij thans verkeerde. Maar des te opgeklaarder was het gezicht van Davy geworden. Hij overzag de watervlakte, en zei fluisterend tegen Old Shatterhand: "Hoe ik aan dien kleinen halm gekomen ben, weet ik niet; maar hij redt mij; ik heb nu hoop, dat ik de eerste zal zijn die aankomt. Er gaat een sterke strooming; hij zal heel wat moeite hebben om er tegen op te komen."
Hij ontdeed zich van zijn kleeren, en ging in het zeer ondiepe water staan. De Roode Visch deed insgelijks. Nu klapte de hoofdman in zijn handen--een sprong, beiden bevonden zich op een diepere plaats, en zwommen van elkander af, de Roodhuid naar links, en de blanke langs den oever naar rechts.
"Houd u goed, Davy!" riep Hobble-Frank zijn vriend achterna.
Aanvankelijk was er een groot verschil tusschen de twee zwemmers te bespeuren. De Indiaan sloeg langzaam, maar ver en krachtig uit, als iemand, die zich in het water volkomen thuis gevoelt. Hij keek recht voor zich uit, en wachtte zich wel naar den blanke om te zien, daar hij anders, al was het slechts een oogenblik, tijd zou verliezen. Davy zwom onrustiger, onregelmatiger. Hij was geen geoefend zwemmer, en moest eerst den juisten, afgemeten slag weten te vatten. Toen dat niet spoedig gelukken wilde, ging hij op zijn rug liggen, en zoo ging het beter. De strooming was hier niet sterk meer, maar hielp hem toch zooveel, dat hij den Roodhuid nog altijd bijhield. Zij bevonden zich nu beiden op de lange zijde van het meer.
Nu echter begon de Indiaan te begrijpen, dat hem de moeilijkste taak ten deel was gevallen. Hij had de geheele zijde van het meer af te zwemmen tot voorbij de van den berg daarin uitloopende beek, en bij elken zet, dien hij voorwaarts deed, voelde hij dat de strooming sterker werd. Nog altijd zwom hij dood op zijn gemak; doch nu begon men spoedig op te merken, dat hij niet anders meer vooruitkwam, dan met de grootste krachtsinspanning. Hij sloeg uit met zooveel kracht, dat zijn bovenlijf bij elken slag tot over zijn borst boven water uitstak.
Aan de overzijde bij Davy werd de strooming hoe langer hoe zwakker, maar liep daar in een voor den zwemmer gunstige richting. Daarbij kwam, dat hij zich meer en meer thuis begon te voelen in de noodige regelmaat der bewegingen. Hij werkte thans veel geregelder en veel bedachtzamer. Hij sloeg de uitwerking gade van elken zet, en leerde daardoor al zeer spoedig elke verkeerde beweging vermijden. Daardoor verdubbelde zijn snelheid, en weldra was hij den Rooden Visch vooruit, hetgeen dezen aanspoorde om nòg meer van zijn krachten te vergen, in plaats van die te bewaren voor de grootere moeilijkheden, die hij later te boven zou moeten zien te komen.
Nu naderde Davy de uitwatering. De strooming werd sterker, en dreigde ieder oogenblik hem te grijpen en mee te sleuren buiten de zwembaan, en het meer uit. Hij kampte met groote moeite, en geraakte bij den Roodhuid weer ten achter. Dat was het oogenblik, waarvan alles afhing.
Zijn kameraden stonden in de grootste spanning op den oever hem gade te slaan.
"De Roodhuid haalt hem weer in," zei Jemmy op angstigen toon. "Hij zal verliezen!"
"Als hij zich nog maar drie el verder werkt," antwoordde Old Shatterhand, "dan heeft hij den fellen stroom der uitwatering overwonnen, en dan is hij behouden."
"Ja, ja," merkte Frank aan; "hij schijnt dat zelf ook te beseffen. Zie eens hoe hij stoot en stampt! Bravo, goed zoo; hij komt vooruit; hij is er overheen. Hoera, hoera!"
Het was den lange gelukt de belemmering te overwinnen, en nu kwam hij in rustig water. Weldra had hij de rechter lange zijde achter zich, terwijl de Roodhuid de linkerzijde nog niet afgelegd had, en sloeg nu de smalle zijde in, op de invloeiing van de beek aan.
De Roodhuid zag dat, en weerde zich als een razende, om zijn leven te redden; maar elke nieuwe zet, de krachtigste niet uitgezonderd, bracht hem hoogstens een el vooruit, terwijl Davy op zijn gemak het dubbele van dien afstand voorwaarts kwam. De laatste bereikte nu de plaats, waar de beek zich in het meer stortte. Het beekwater greep hem, en sleepte hem mee. Hij had nog slechts het derde gedeelte van de baan af te leggen, en de Indiaan had nog geen derde achter den rug. De twee zwemmers schoten elkaar voorbij.
"Hoera!" riep Davy, niet in staat om dien vreugdekreet te bedwingen. De Roodhuid beantwoordde dien jubelkreet met een ver in het woud hoorbaar woedend gebrul.
Nu was het zwemmen voor Davy geen inspanning meer, maar een aangename uitspanning. Hij behoefde slechts een weinig met de handen te roeien om in de voorgeschreven richting te blijven. Langzamerhand, hoe zwakker de strooming werd, moest hij weer meer kracht aanwenden; maar het ging zoo gemakkelijk, dat het hem te moede werd, alsof hij zijn gansche leven lang in het water had rondgezwommen. Zoo bereikte hij de bepaalde plaats aan den oever, en stapte aan wal. Toen hij zich omdraaide, zag hij, dat de Roodhuid pas de uitwatering bereikt had, en daar opnieuw aan het worstelen was tegen de strooming.
Een kort, maar door merg en door been snijdend gehuil der Roodhuiden weerklonk. Zij zeiden daarmee, dat de Roode Visch verloren had en ten doode gedoemd was. Davy echter trok gauw zijn kleederen weer aan, en spoedde zich toen naar zijn kameraden, om hen, als een uit de dooden verrezene, te begroeten.
"Wie had dat gedacht!" zei hij, terwijl hij Old Shatterhand de handen drukte. "Ik heb den knapsten zwemmer der Utahs overwonnen!"
"Door een grashalm!" antwoordde de jager met een glimlachje.
"Hoe hebt gij dat toch bewerkt?"
"Daarover later. Het is een kleine handbehendigheid geweest, die echter geen bedrog genoemd kan worden, daar het de redding van uw leven gold, zonder dat de Roodhuiden er in het minst of geringst door benadeeld werden."
"Zoo is het!" zeide Frank, die zich onuitsprekelijk gelukkig voelde over de door zijn vriend behaalde overwinning. "Uw leven heeft niet aan een stroohalm, maar aan een grashalm gehangen. Zoo is het ook bij het wedloopen. De beenen alleen doen het 'm niet, dat gelijkt er niet naar. Wie weet welk halmpje mij redding zal aanbrengen. Ja, de beenen heeft men er ook wel bij noodig, maar toch, op het hoofd komt het 't meest aan. Kijkt, daar komt de Ongeluks-visch aanschuiven!"
De Indiaan bereikte van rechtsaf de bepaalde plaats, ruim vijf minuten na den blanke. Hij stapte aan wal, en ging daar zitten, met zijn gelaat naar het water gekeerd. Niemand van de Roodhuiden keek naar hem, niemand verroerde zich, allen wachtten, dat Davy den overwonnene den doodsteek zou geven.
Daar naderde een squaw, met een kind aan elke hand. Zij ging naar den overwonnene. Hij nam het eene kind rechts, het andere links, drukte beiden aan zijn hart, en schoof hen toen zachtkens weer van zich af, gaf aan zijn vrouw de hand, en wenkte haar, dat zij zich verwijderen moest. Toen zocht hij met zijn oogen naar Davy, en riep hem toe: "Nani wietsj, ne pokai (= uw mes, dood mij)!"
Den braven lange schoten bij dit tooneel de tranen in de oogen. Hij nam de vrouw en kinderen, en schoof die weer naar den man terug, en zei half Engelsch, half in het Utah, dat hij niet volkomen machtig was: "No wiesj--not pokai!"
Toen keerde hij zich om, en kwam terug bij zijn kameraden. De Utahs hadden dat alles gezien en gehoord. De hoofdman vroeg: "Waarom doodt gij hem niet?"
"Omdat ik een christen ben. Ik schenk hem het leven."
"Maar als hij overwonnen had, zou hij u stellig doodgestoken hebben."
"Hij heeft niet overwonnen, en heeft dat dus niet kunnen doen. Hij mag leven."
"Maar zijn eigendom ontneemt gij hem toch? Zijn wapenen, paarden, vrouw en kinderen?"
"Dat komt niet in mij op! Ik ben geen roover. Hij mag behouden wat hij heeft."
"Oef, ik begrijp u niet! Hij zou wijzer geweest zijn."
Ook de andere Roodhuiden schenen het niet te begrijpen. De blikken, die zij op hem richtten, verrieden duidelijk hoe verbaasd zij waren over zijn gedrag. Niet een hunner zou van zijn recht afstand gedaan hebben, al waren er honderd menschenlevens mee gemoeid geweest. De Roode Visch sloop weg. Ook hij kon niet begrijpen, waarom de blanke hem niet doodstak en scalpeerde, hij schaamde zich overwonnen te zijn, en hield het voor het beste zich onzichtbaar te maken.
Maar een dankbetuiging kreeg hij toch. De vrouw kwam naar den lange toe, en gaf hem de hand; zij hief ook de handjes der kinderen tot hem op, en stamelde eenige woorden, die half in haar keel bleven steken. Wat zij zei kon Davy niet verstaan; maar hij begreep het toch.
Nu naderde Namboh-awaat (de Groote Voet) den hoofdman, en vroeg, of hij nu met zijn bleekgezicht beginnen kon. De Groote Wolf knikte toestemmend, en gebood naar de daarvoor bestemde plaats op te breken. Die plaats lag in de nabijheid der twee martelpalen. Daar werd, als gewoonlijk, weer een wijden kring gevormd, in welks midden de hoofdman den Grooten Voet bracht. Old Shatterhand leidde er den dikken Jemmy heen. Hij deed dat om te kunnen toezien, dat er geen listen ten nadeele van den dikke in het spel gebracht konden worden.
De twee kampioenen ontblootten het bovenlijf en gingen toen met den rug tegen elkander staan. De kruin van Jemmy's hoofd reikte niet eens tot aan den schouder van den Roodhuid. De hoofdman had een lasso in de hand waarmee hij de twee aan elkander vastbond. De riem ging den Roodhuid over de heupen, maar den blanke over de borst. Toevallig en in het voordeel van laatstbedoelde, reikten de einden van de lasso juist zoo ver, dat de hoofdman den strik op de borst van den dikke maken moest.
"Nu behoeft gij den riem niet door te snijden, gij hebt eenvoudig den strik open te trekken," zei Old Shatterhand in het Duitsch tegen hem.
Nu kreeg ieder zijn mes in de rechterhand, en het schouwspel kon beginnen. Daar de hoofdman terugtrad, volgde Old Shatterhand zijn voorbeeld.
"Sta vast, Jemmy! en laat u niet van de been brengen," riep Hobble-Frank. "Gij weet het, als hij u doodsteekt, ben ik voor geheel mijn leven een arme wees; en dat verdriet zult gij mij toch niet willen aandoen. Laat hem maar schoppen zooveel als hij wil, en licht hem het beentje, zoodra gij er kans toe ziet."
Ook de Roodhuid kreeg van verscheiden kanten opwekkende toeroepen te hooren. Hij antwoordde: "Ik ben geen Groote Visch, die zich laat overwinnen. Ik zal dat kleine, breede gedrocht, dat op mijn rug hangt, spoedig dooddrukken en verpletteren."
Jemmy zei hoegenaamd niets. Hij was stil, en zijn gezicht was ernstig; hij maakte echter op den rug van den Roodhuid een allerkoddigste vertooning. Voorzichtigheidshalve hield hij zijn gelaat ter zijde gewend, om de voetbewegingen van den Roodhuid in het oog te houden. Het lag niet in zijn plan, en was ook niet in zijn belang, den strijd te beginnen; hij liet dat liever aan den Indiaan over.
Deze stond lang stil en onbeweeglijk; hij wilde zijn tegenstander met een plotselingen aanval overrompelen; maar dat gelukte hem niet. Toen hij, naar hij dacht, geheel onverhoeds, zijn voet naar achteren schoof, om Jemmy een beentje te lichten, gaf deze hem zulk een schop tegen zijn andere, vaststaande been, dat de Roodhuid bijna ten onderste boven ging.
Maar nu volgde aanval op aanval. De Roodhuid was sterker, maar de blanke ging meer met omzichtigheid te werk. De eerste werd al spoedig geweldig boos over het niet gelukken van zijn pogingen; maar hoe harder hij raasde en hoe meer hij met zijn voeten achteruittrapte des te bedaarder werd de ander. Het scheen een vertooning van langen adem te zullen worden; de belangstelling van de toeschouwers begon te verflauwen, daar men aanhoudend zag, dat geen der kampioenen het minste of geringste voordeel op zijn tegenstander wist te behalen. Maar het einde zou spoediger komen dan men dacht, namelijk door een afgesproken list van den Indiaan.
Die had tot nu toe slechts beoogd, om zijn tegenstander in den waan te brengen, dat er geen andere aanval volgen kon of zou. Maar nu greep de Indiaan opeens de lasso, trok dat strak aan, zoodat hij van voren ruimte kreeg om zich te keeren, en draaide zich om ...... maar niet geheel.
Ware zijn oogmerk gelukt, dan zou hij den blanke vlak vóór zich gehad hebben, en hij zou hem hebben kunnen dooddrukken. Maar Jemmy was een slimme gast, en zeer op zijn hoede. Ook Hobble-Frank had het verraderlijke oogmerk van den Roodhuid terstond bemerkt, en riep den dikke schielijk toe: "Gooi hem overboord; hij draait zich om!"
"Ik weet het!" antwoordde Jemmy.
Op het oogenblik, waarop hij dit antwoord gaf, en eer de Roodhuid zijn draai half volbracht had en dus niet stevig meer stond, bukte Jemmy snel naar omlaag, bracht daardoor zijn tegenstander in de hoogte, en trok den strik van de lasso los. De lasso gaf mee. De Roodhuid greep met de handen in de lucht, en tuimelde, over Jemmy's hoofd, zoo lang als hij was op den grond, waar hem zijn mes ontviel. Met de snelheid eener gedachte sprong de dikke boven op hem, greep hem met de linkerhand bij de keel, en zette hem met de rechterhand het mes op de hartstreek.
Misschien had de Groote Voet plan gehad, zich in geen geval gewonnen te geven, maar zich tot het uiterste te verdedigen; doch de onwillekeurige tuimeling had hem zoo verbluft, en de oogen van den dikke fonkelden hem van zoo nabij en dreigend aan, dat hij het voor het best hield bewegingloos te blijven liggen. Toen richtte Jemmy zijn blik op den hoofdman, en vroeg: "Ziet gij, dat hij verloren is?"
"Neen!" antwoordde de gevraagde, naderbij tredende.
"Waarom niet?" vroeg terstond Old Shatterhand, die insgelijks naderbij was gekomen.
"Hij is niet overwonnen."
"Ik beweer het tegendeel. Hij is wel degelijk overwonnen."
"Dat is niet waar, want de lasso is losgemaakt."
"Dat is de schuld van den Grooten Voet, want hij heeft zich omgedraaid, en daarbij den riem losgewrongen."
"Dat heeft niemand gezien. Laat hem los! Hij is niet overwonnen, en de worsteling moet van voren af aan beginnen."
"Neen, Jemmy! laat hem niet los!" gebood de jager. "Zoodra hij zich verroert, of zoodra ik het u beveel, steekt gij hem dood!"
Nu richtte de hoofdman fier zijn gestalte op, en vroeg: "Wie heeft hier te bevelen, gij of ik?"
"Gij en ik, wij beiden."
"Wie zegt dat?"
"Dat zeg ik. Gij zijt de hoofdman der uwen, en ik ben de aanvoerder der mijnen. Gij en ik, wij beiden, hebben een overeenkomst over de voorwaarden van den kampstrijd aangegaan. Wie die voorwaarden niet nakomt, heeft de overeenkomst gebroken, en is een leugenaar en bedrieger."
"Gij--gij vermeet u zoo tegen mij te spreken, ten aanhoore van al mijn roode krijgslieden?"
"Daar vermeet ik mij niets mee. Ik zeg de waarheid, en verlang eerlijkheid en trouw. Wanneer ik niet meer spreken mag, welnu, dan zal ik het Geweer des Doods laten spreken."
Hij had de kolf van zijn karabijn op den grond gehad; nu nam hij die op een veelzeggende manier in de hand.
"Maar wat verlangt gij dan eigenlijk?" vroeg de hoofdman op een vrij wat minder hoogen toon.
"Erkent gij, dat die twee moesten kampen rug aan rug gebonden?"
"Ja."
"Maar de Groote Voet heeft de lasso losgewrongen en zich omgedraaid. Is dat eerlijk? En dat moet gij gezien hebben!"
"Ja, dat is zoo," antwoordde de hoofdman aarzelend.
"En hij zou moeten sterven, die den ander boven zich zou krijgen op den grond. Herinnert gij u die voorwaarde?"
"Ja, zoo is het."
"Welnu, wie ligt er nu onder?"
"De Groote Voet."
"Wie is dus de overwonnene?"
"Hij ......" antwoordde de hoofdman tegen wil en dank, want Old Shatterhand hield de karabijn zoo, dat de loop bijna de borst van den hoofdman aanraakte.
"Hebt gij daar nog iets tegen in te brengen?"
Bij deze woorden schoot uit de oogen van den beroemden jager zulk een machtige, overweldigende blik, dat de hoofdman zich in weerwil van zijn reuzengestalte klein gevoelde, en het verwachte antwoord gaf: "Neen; de overwonnene behoort aan den overwinnaar. Zeg hem, dat hij hem doodsteken kan."
"Dat behoef ik hem niet eerst te zeggen, want hij weet het al, maar hij zal het niet doen."
"Wil hij hem misschien óók weer het leven schenken?"
"Daarover zal later beslist worden. Tot zoolang kan de Groote Voet geboeid blijven met dezelfde lasso, waaruit hij zich heeft zoeken los te wringen."
"Waarom hem te binden? Hij zal u niet ontvluchten."
"Staat gij mij daar borg voor?"
"Ja."
"Waarmee?"
"Met alles wat ik bezit."
"Dat is mij voldoende. Dan kan hij gaan waar hij wil, als hij maar tot zijn overwinnaar terugkeert, zoodra de twee laatste wedstrijden afgeloopen zijn."
Nu stond Jemmy op, en trok zijn kleeren weer aan. Ook de Groote Voet sprong overeind, en maakte zich ruim baan door den kring der Roodhuiden heen, die niet wisten of zij hem blijken van verachting zouden geven of niet.
Die Utahs hadden het zeer zeker nog nooit beleefd, dat een blanke, die niet eens in het volle bezit van zijn vrijheid was, op zulk een manier als die Old Shatterhand had omgesprongen met hen en met hun hoofdman. Zij hadden hem immers in hun macht, en toch hadden zij het hart niet om te weigeren wat hij verlangde. Dat was de macht van zijn persoonlijkheid en het gevolg van den nimbus, waarmee de geschiedenis en legenden (dat is de waarheid en de verdichting) hem omringd hadden.
De hoofdman was er stellig over uit zijn humeur, dat reeds twee van zijn krijgslieden overwonnen waren, en dat door tegenstanders, die, naar het geschenen had, stellig niet tegen hen opgewassen waren. Nu viel zijn blik op Hobble-Frank, en toen kwam hij in een betere luim. Dat kleine ventje was onmogelijk in staat het Springende Hert bij te houden. Hier was nu ten minste voor de Roodhuiden de overwinning zeker.
Hij wenkte het Springende Hert tot zich, bracht hem naar Old Shatterhand, en zei: "Deze krijgsman heeft de snelheid van den wind, en is nog nooit door een anderen looper overtroffen. Zoudt gij uw kameraad maar niet raden, zich gewonnen te geven zonder wedloop?"
"Neen!"
"Dan stierf hij spoedig, zonder zich eerst schande op den hals gehaald te hebben."
"Is het niet de allergrootste schande, zich over te geven zonder strijd? Hebt gij den Rooden Visch ook niet voor onoverwinnelijk gehouden? En heeft de Groote Voet niet gezegd, dat hij zijn tegenstander in korten tijd dooddrukken en verpletteren zou? Denkt gij dat het Springende Hert gelukkiger zal wezen dan die twee, die met zooveel ophef begonnen en zoo naar geëindigd zijn?"
"Oef!" riep het Springende Hert. "Ik durf een wedloop aan met een ree."
Old Shatterhand bekeek hem nu eens met aandacht. Ja, hij had den lichaamsbouw van een goed looper, en zijn beenen waren zeer zeker in staat, om groote afstanden af te leggen zonder moede te worden. Maar de qualiteit van zijn hersens scheen niet geëvenredigd aan de lengte van zijn beenen. Hij had een echt apengezicht, maar zonder dat men er een zweem van de oolijkheid dier diersoort op ontdekken kon.
Hobble-Frank was ook naderbij gekomen, en had ook eens goed het Hert bekeken.
"Wel, wat denkt gij van hem?" vroeg hem Old Shatterhand.
"Het is precies de domme jongen van Meissen, die de oogjes vet op de soep ziet drijven, maar die de soep niet vinden kan," antwoordde de kleine.
"Denkt gij dat gij het met hem zult kunnen klaren?"
"Hum! Wat zijn beenen betreft is hij mij driemaal de baas; maar wat den kop betreft, hoop ik, zal ik niet voor hem behoeven onder te doen. Wij moeten eerst te weten zien te komen, welken afstand wij te loopen zullen hebben. Misschien loop ik met mijn hoofd beter en gauwer, dan hij met zijn beenen."
Old Shatterhand wendde zich dus weer tot den hoofdman, en vroeg: "Is er reeds bepaald waar de wedloop om het leven plaats zal hebben?"
"Ja, ga maar eens mee; ik zal het u wijzen."
Old Shatterhand en Hobble-Frank volgden hem, den kring der Indianen uit; het Springende Hert ging niet met hen mee; hij wist reeds waar het eindpunt van den wedloop was. De hoofdman wees met de hand naar het zuiden, en zei: "Ziet gij dien boom daar, halverwegen tusschen hier en het bosch?"
"Ja."
"Tot zoo ver moet er geloopen worden. Wie driemaal om den boom heen loopt, en dan het eerst terugkeert is de overwinnaar."
Hobble-Frank mat den afstand met zijn oogen, en ook het geheele verder zuidwaarts gelegen terrein, en zei toen in het Engelsch, welke taal hij veel beter sprak dan Duitsch: "Maar ik hoop, dat alles eerlijk zal gaan!"
"Wilt gij daarmee zeggen, dat gij onze eerlijkheid wantrouwt?" vroeg de hoofdman schamper.
"Ja."
"Moet ik u neerslaan?"
"Probeer dat, als gij lust hebt. De kogel uit mijn revolver zou iets gauwer wezen dan uw hand. Heeft de Groote Voet zich óók niet omgedraaid, ofschoon dat verboden was. Noemt gij dat eerlijk te werk gaan?"
"Dat was niet oneerlijk, maar listig."
"O! En zijn zulke listen geoorloofd?"
De hoofdman bedacht zich een oogenblik. Als hij "ja" zei, was daarmee de handelwijze van den Grooten Voet gerechtvaardigd; en misschien zou het Springende Hert óók wel zijn toevlucht tot list dienen te nemen; want de blanken waren veel knapper, dan men van hen verwacht had. Misschien was dat blanke kleine gedrocht óók een goed harddraver; en daarom vond hij het raadzaam voor zijn rooden kampioen nog een achterdeurtje open te houden. Daarom antwoordde hij: "List is geen bedrog. Waarom zou die dan verboden zijn?"
"Kan list dan ook van het stipte nakomen van de voorwaarden ontslaan?"
"Neen, die moeten stiptelijk nagekomen worden."
"Dan heb ik er vrede mee, en ben ik bereid den wedloop te beginnen. Waar is honk?"
"Ik zal een lans in den grond steken: Daar zal de wedloop beginnen en ook eindigen."
Hij verwijderde zich voor een oogenblik, zoodat de blanken alleen stonden.
"Gij zijt reeds op een idee gekomen, geloof ik," zei Old Shatterhand.
"Ja; kunt gij dat aan mij zien?"
"Natuurlijk, want gij lacht zoo vergenoegd in uw geest."
"Het is ook inderdaad wel om te lachen. De hoofdman heeft mij met zijn list willen benadeelen, en heeft er mij daarentegen een zeer grooten dienst mee gedaan."
"Hoe zoo?"
"Dat zal ik u aanstonds zeggen. Wat een soort van boom is dat toch, waar wij driemaal omheen moeten dansen?"
"Een beukeboom."
"En kijk nu eens een goed eind verder links; daar staat ook nog een boom, maar bijna tweemaal zoo ver. Wat is dat er voor een?"
"Een pijnboom."
"Mooi. Waar moeten wij dus naar toe loopen?"
"Naar den beuk."
"Maar ik zal regelrecht koers zetten op den pijnboom aan."
"Zijt gij dwaas!"
"Neen, nog niet. Met mijn hoofd loop ik ook naar den beuk, maar met mijn beenen naar den pijnboom, ofschoon dat tweemaal zoo ver is."
"Maar wat beoogt gij daarmee?"
"Dat zult gij wel zien, en gij zult er schik in hebben. Ik geloof niet, dat ik mij in mijn verwachtingen bedrogen zal zien. Als ik dat domme bakkes van het Springende Hert aankijk, kan ik mij met geen mogelijkheid vergissen."
"Wees voorzichtig, Frank! Bedenk dat uw leven er mee gemoeid is."
"Nu, als er niets anders dan mijn leven mee gemoeid was, dan zou ik mij waarlijk niet veel moeite behoeven te geven. Al werd ik overwonnen, zou ik toch wel blijven leven. De Groote Voet moet sterven, en den hoofdman zult gij zelf wel in zijn huur helpen; tegen die twee zou ik immers uitgeleverd kunnen worden. Voor mijn leven ben ik dus volstrekt niet bang; maar het geldt hier mijn eer en reputatie. Ze moeten later in de geschiedenis van het laatste kwartaal der negentiende eeuw niet kunnen lezen, dat ik, Hobble-Frank uit Moritzburg, mij door zulk een Indiaansch merino-gezicht heb laten overvleugelen. Die schande zullen ze mij niet kunnen nageven."
"Maar zeg mij dan ten minste wat uw plan is. Misschien kan ik u nog wel een goeden raad geven."
"Dank u vriendelijk. Een goeden raad heb ik mij zelf reeds gegeven; en van mijn uitvindingen wil ik de eer voor mij alleen hebben. Zeg mij liever eens, hoe heet pijnboom in de taal der Utahs?"
"Owomb."
"Owomb? Een gekke naam! En hoe zoudt gij zeggen: Naar gindschen pijnboom?"
"Ientsj owomb? Dat is gemakkelijk genoeg te onthouden."
"Wat heeft dat ientsj owomb toch te maken met uw plan?"
"Het is de lichtende ster op mijn wedloopspad. Maar stil nu, daar komt de hoofdman aan!"
De Groote Wolf keerde terug. Hij stak een lans in den weeken grasgrond, en verklaarde, dat de wedloop om het leven beginnen zou.
"In welke kleeding?" vroeg Hobble-Frank.
"Naar ieders verkiezing."
Frank ontdeed zich van al zijn kleeren op de broek na; het Springende Hert had nu niets anders dan een leeren schortje voor. Hij keek op zijn tegenstander neer met een blik, die den superlatief van minachting moest uitdrukken, maar die hem verhief tot een toonbeeld van idiotismus in den hoogsten graad.
"Frank, pas op, hoor!" maande Jemmy hem aan. "Denk er om, dat Davy en ik overwonnen hebben."
"Huilt maar niet," troostte de kleine. "Als gij nog niet weet of ik goede beenen heb, zult gij ze nu eens zien protuberanseeren."
Daar klapte de hoofdman in zijn handen. Een schrille schreeuw uitstootende, vloog het Springende Hert van honk af, en de kleine Frank hem achterna. De bevolking van de gansche legerplaats was weer op de been, om den wedloop aan te zien. Naar hun oordeel was het nu, na verloop van drie of vier seconden, reeds een uitgemaakte zaak wie de overwinnaar zou zijn. Het Hert was zijn tegenstander reeds ver vooruit, en liet hem bij elke schrede nog verder achter zich. De Roodhuiden jubelden. Men zou krankzinnig hebben moeten zijn, om te kunnen denken, dat de blanke den Roodhuid nog zou kunnen inhalen en voorbijstreven.
Het was een lust te zien hoe de kleine met zijn beentjes manoeuvreerde. Men zag ze bijna niet, zoo snel bewogen zij zich; en toch had het althans voor den opmerkzamen toeschouwer, allen schijn, alsof hij, indien hij wilde, nog harder zou hebben kunnen loopen.
De Indianen begonnen rumoerig te worden; zij lieten eenige uitroepen van hoon, van bespotting hooren; zij lachten, en dachten werkelijk, dat zij daartoe alle reden hadden. De oorzaak was het volgende: De beukeboom, uit de legerplaats gezien, stond in een regelrechte richting midden in de prairie, hoogstens op een afstand van drie duizend voet. Links van daar, doch minst genomen nog twee duizend voet verder, stond de reeds uitgeduide pijnboom; en nu, nu de twee loopers zich reeds op een tamelijken afstand van honk bevonden, zag men duidelijk dat de kleine koers zette niet naar den beuk, maar op den pijnboom aan. In die richting draafde hij voort, zoo hard als zijn beentjes maar wilden gaan. Dat was waarlijk zoo belachelijk, dat de vroolijkheid der Indianen zeer verklaarbaar was.
"Uw kameraad schijnt mij verkeerd verstaan te hebben," riep de hoofdman Old Shatterhand toe.
"Neen!"
"Maar hij loopt immers op den pijnboom aan!"
"Ja, juist."
"Nu zal het Springende Hert nog zooveel te gauwer overwinnaar zijn."
"Neen!"
"Niet?" vroeg de Groote Wolf verwonderd.
"Het is een list, en die hebt gij hem zelf vergund."
"Oef, oef! Ja." En oef, oef! riepen ook de andere Roodhuiden, toen de hoofdman hun de woorden van Old Shatterhand vertolkte. Hun gelach verstomde, en hun spanning verdubbelde, vertienvoudigde zich.
Zeer spoedig had het Hert den beukeboom bereikt. Hij moest daar driemaal omheen. Reeds bij de eerste ronde werd hij zijn tegenstander gewaar, die in een geheel andere richting, ofschoon slechts een driehonderdtal schreden zijwaarts af, voortdraafde. Hij bleef verschrikt stilstaan, en staarde met verbazing den Moritzburger aan.
Nu zag men uit de legerplaats duidelijk, dat de kleine met zijn hand naar den nog zoo ver verwijderden pijnboom wees; maar men kon niet hooren wat hij daarbij zeide.
"Ientsj owomb, ientsj owomb (= naar gindschen pijnboom, naar gindschen pijnboom)!" riep hij namelijk den Roodhuid toe.
Deze bedacht zich, of hij het wel goed verstaan had. Zijn gedachten hielpen hem niet verder, dan tot de verklaring, dat hij den hoofdman verkeerd verstaan moest hebben, en dat niet de beukeboom, maar de pijnboom, de helft van den af te leggen wedloop was. De kleine was intusschen reeds verder, veel verder gekomen; het was dus geen zaak zich nog lang te bedenken of lang te aarzelen, want.... het leven was er immers mee gemoeid!
De Roodhuid liet den beukeboom den beukeboom en stormde verder op den pijnboom aan. Binnen weinige oogenblikken stoof hij den kleine voorbij, en vloog zonder verder om te kijken op zijn tweede doelwit aan.
Dit veroorzaakte een geweldig rumoer onder de Roodhuiden. Zij huilden en lamenteerden alsof het leven van allen op het spel stond. Des te grooter was de blijdschap der blanken, en vooral van den dikken Jemmy, toen zij de krijgslist van hun kameraad zoo goed zagen gelukken.
Deze maakte rechtsomkeert, zoodra het Springende Hert hem voorbij was gestevend, en snelde op den beukeboom aan. Daar aangekomen, liep hij er drie-, vier-, vijf maal omheen, en nam toen zoo hard als hij maar loopen kon den terugtocht aan. Vier vijfde gedeelten van den afstand legde hij af in gestrekten draf; toen bleef hij even stilstaan, om eens naar den pijnboom te kijken. Daar stond het Springende Hert als aan den grond genageld. Men kon natuurlijk evenmin zijn handen en armen als zijn gezicht onderscheiden; maar zooveel was duidelijk te zien, dat hij daar stond bewegingloos als een zoutpilaar. Hij; wist niet hoe hij het had, en zijn verstand was niet genoeg ontwikkeld om te kunnen raden, hoe glorierijk men hem bij den neus had genomen.
Hobble-Frank voelde zich in de hoogste mate tevreden, en legde het nog overige gedeelte van den weg op zijn gemakje af, als deed hij een wandelingetje. De Indianen ontvingen hem met sombere gezichten, maar daar bekommerde hij zich niet om; hij trad regelrecht op den hoofdman aan, klopte hem op den schouder, en vroeg: "Wel, oude kameraad! wie heeft overwonnen?"
"Hij die de voorwaarden vervuld heeft," antwoordde de Roodhuid barsch.
"Dat ben ik."
"Gij?"
"Ja, ik ben immers aan den beukeboom geweest?"
"Dat heb ik gezien."
"En ik ben immers het eerst weder hier?"
"Dat zie ik."
"Heb ik niet, in plaats van driemaal, vijfmaal de ronde om den boom heen gedaan?"
"Waarom twee keeren meer?"
"Louter uit genegenheid voor het Springende Hert. Toen hij er eens omheen was geweest, is hij weggeloopen; daarom heb ik het de twee keeren gedaan, die hij in den steek had gelaten, opdat de beuk niet over hem te klagen zou hebben."
"Waarom is hij van den beuk weggeloopen om naar den pijnboom te gaan?"
"Dat heb ik hem willen vragen; maar hij stoof mij zoo gejaagd voorbij, dat ik er den tijd niet toe had. Als hij komt, zal hij het u misschien zelf wel zeggen."
"Waarom hebt gij eerst koers gezet op den pijnboom aan?"
"Omdat ik het voor een denneboom hield. Old Shatterhand had het een pijnboom genoemd, en ik wilde weten wie gelijk had, hij of ik."
"Waarom zijt gij dan omgekeerd, in plaats van er naar toe te gaan?"
"Omdat het Springende Hert er naar toe ging. Van hem kon ik later evengoed te weten komen wie zich vergist heeft, ik of Old Shatterhand."
Hij zei dat alles zoo bedaard en zoo natuurlijk, dat het bloed van den hoofdman er bij kookte van woede. Zijn woorden kwamen bijna sissend over zijn lippen, toen hij vroeg: "Hebt gij het Springende Hert misschien bedrogen?"
"Bedrogen? Moet ik u neerslaan?" voer de kleine schijnbaar in drift uit, terwijl hij zich van dezelfde woorden bediende, die de hoofdman vroeger zelf gebezigd had.
"Of hebt gij een list gebruikt?"
"Een list? Waartoe zou die hebben kunnen dienen?"
"Om het Hert naar den pijnboom te laten loopen."
"Dat zou een onnoozele list geweest zijn, waarover ik mij zou moeten schamen. Iemand, die om zijn leven wedloopt, laat zich als hij den eindpaal bereikt heeft, niet nog een eind weegs verder zenden. Als hij dat deed, zou het hem in zijn bol mankeeren; en zij, tot wie hij behoort, zouden zich moeten schamen dat zij hem niet beter gedresseerd hadden. Alleen een gek zou zoo iemand met een blanke laten wedloopen om het leven. Ik kan u en uw vermoedens niet begrijpen, want gij blameert er u mee."
De hand van den hoofdman greep in zijn gordel en omklemde het heft van zijn mes. Dolgraag had hij den even moedigen als sluwen en voorzichtigen kleine oogenblikkelijk overhoop gestoken; maar op zijn woorden had hij niet genoegzaam vat, om zulk een daad te kunnen rechtvaardigen, en hij moest dus zijn gramschap verduwen.
Hobble-Frank ging naar zijn vrienden, waar hij met stille, maar des te hartelijker vreugde verwelkomd werd.
"'k Heb óók overwonnen; zijt gij over mij tevreden?" vroeg hij aan Jemmy, in antwoord op zijn goedgemeende aanmaning toen de wedloop begon.
"Natuurlijk! Gij hebt het slim overlegd. Het is in waarheid een meesterstuk."
"Zoo? Houd dan deze pagina goed in uw gedachten, en sla die altijd op, zoodra de alimentatie bij u opkomt, om mijn meerder doorzicht in twijfel te trekken! Ha, daar komt het Springende Hert aan, niet springende, maar alsof hij lood in zijn hielen heeft. Hij schijnt geen goed geweten te hebben, en hij draait op zij, alsof hij bang is dat hij klappen zal krijgen. Kijkt me zijn gezicht eens! En met dien Confusius heb ik mij moeten meten. Ja, ja, de beenen doen het 'm niet, zelfs bij het wedloopen niet; op het hoofd komt het 't meest aan!"
Het Springende Hert scheen ongemerkt weg te willen sluipen; maar de hoofdman riep hem tot zich, en vroeg hem op barschen toon: "Wie heeft overwonnen?"
"Het bleekgezicht," luidde bedeesd het antwoord.
"Waarom zijt gij naar den pijnboom geloopen?"
"Het bleekgezicht loog tegen mij. Hij zei, dat de pijnboom de eindpaal was."
Old Shatterhand vertolkte aan Hobble-Frank, dat hij voor een leugenaar uitgemaakt was. Daarom wendde de sluwe kleine zich terstond tot den hoofdman: "Ik moet gelogen hebben, hoor ik. Ik moet aan het Hert gezegd hebben, dat zijn eindpunt de pijnboom was. Maar dat is onwaar. Ik zag hem aan den beuk staan; hij keek mij verbouwereerd aan, en scheen vol bezorgdheid en angst, wat ik eigenlijk in mijn schild voerde. Toen kreeg ik medelijden met den armen drommel, en riep hem toe: Ientsj owomb! Ik zei hem dus, dat ik naar den pijnboom wilde. Waarom hij er toen in mijn plaats naar toe geloopen is, is mij op dit oogenblik nog een raadsel; misschien weet hij het zelf niet. Ik heb gezegd, Howgh!"
Old Shatterhand moest lachen, dat de kleine ironieke sprinkhaan zich van de Indiaansche spreekwijze bediende. Maar de hoofdman werd daardoor nog toorniger, en hij riep: "Ja, gij hebt gesproken en zijt klaar; maar ik ben nog niet klaar en zal met u spreken, zoodra later mijn tijd gekomen is. Maar mijn woord houden moet ik. Het leven, de scalp en hetgeen aan het Springende Hert toebehoort, behoort thans aan u."
"Neen, neen!" zei de kleine afwerend. "Ik wil er niets van hebben. Houd hem hier maar bij u, gij kunt hem best gebruiken, vooral wanneer er weer eens een wedloop om het leven met een blanke moet plaats hebben."
Onder de Roodhuiden ging een zacht, toornig gemompel op, en de hoofdman grauwde hem toe: "Gij kunt nu nog uw gal uitbraken; maar later zult gij jammerend om genade smeeken, zoo luid, dat de hemel uw gekerm terugkaatst. Ieder afzonderlijk gedeelte van uw lichaam zal een afzonderlijken dood sterven, en uw ziel zal slechts aan stukken en brokken van uw lichaam scheiden, al moest uw sterven maandenlang duren."
"Wat kunt gij mij doen? Ik heb overwonnen en ben vrij."
"Er is er nog een, die nog niet overwonnen heeft, Old Shatterhand. Wacht eenige oogenblikken, dan zal die voor mij in het stof liggen, en om zijn leven smeeken. Dat zal ik hem schenken in ruil voor het uwe, en dan zijt gij mijn eigendom."
"Maak maar geen misrekening," waarschuwde Old Shatterhand ernstig. "Ik lig nog niet voor u. En zoo u gelukte, wat nog nooit aan iemand gelukt is, namelijk mij te overwinnen, dan zou ik mijn leven toch niet voor dat van een ander willen inruilen."
"Wacht tot later! Op dit oogenblik zijt gij nog ongedeerd; maar onder de pijnen, die u wachten, zal uw trots gefnuikt worden en uw idee wel veranderen, zoodat gij mij duizend levens voor het uwe zoudt bieden, als gij die ter uwer beschikking hadt! Volgt mij allen! De laatste, grootste en alles beslissende strijd zal nu beginnen."
De Roodhuiden volgden den hoofdman en de blanken kwamen achteraan.
"Heb ik misschien iets te veel gezegd?" vroeg Hobble-Frank op een toon van bezorgdheid.
"Volstrekt niet," antwoordde Old Shatterhand. "Het is heel goed, dat hun krijgsmanstrots eens buigen moet, zelfs voor zulk een klein kereltje als gij zijt. Er valt niet aan te twijfelen, als het den hoofdman gelukte mij te dooden, waart gij alle drie ook verloren; want zij zouden zich dadelijk als tijgers op u werpen. Maar zelfs in het hoogst waarschijnlijke geval, dat ik overwinnaar blijf, zelfs dan zijn zij niet te vertrouwen. Zonder er bepaald reden toe te hebben, houd ik mij overtuigd, dat de Roodhuiden ons in geen geval vreedzaam zullen laten vertrekken. Zij hebben tot den wedstrijd man tegen man besloten, denkende, dat wij alle vier zouden vallen. Nu hun dat uit hun schreef is gegaan, zullen zij op iets anders peinzen. De hoofdzaak is, dat wij hen imponeeren. Dat heeft hen tot nu toe in toom gehouden, en zal ons ook verder van nut zijn. En daarom doet het mij genoegen, dat gij zoo onbeschroomd tegen den Grooten Wolf gesproken hebt, gij, Klein Duimpje tegen een Goliath. Dat heeft hem wel boos gemaakt; maar hij heeft nu ondervonden, dat zelfs de kleinste der onzen hem aandurft. Het zal er nu op aankomen, hem zelfs in de oogen der zijnen klein te maken. Daartoe zal ik mijn best doen, nu ik mij met hem ga meten. Ik heb zoo het idee, dat zij ons als gijzelaars zullen willen houden, en daartoe dienen wij hun den pas af te snijden, want dan waren wij ons leven geen oogenblik zeker."
Onder deze verklaringen waren zij aan den kring gekomen, gevormd door de daaromheen staande tenten en hutten. Midden in die ruimte waren zij bezig met de toebereidselen tot den hoog belangwekkenden tweekamp.
Daar was in den grond een dikke paal geslagen, waaraan twee lasso's bevestigd werden. En rondom het plein stond de gansche bevolking der legerplaats, om getuige te wezen van het zeldzame schouwspel. Het trof Old Shatterhand's opmerkzaamheid, dat de roode krijgslieden allen volledig gewapend waren, een bijzonderheid, die hem niet geruststelde. Hij besloot, daartegen op te komen, en stapte midden in den kring, waar de hoofdman reeds stond in de houding van iemand, die zich zeker waande van de overwinning. Naar de twee lasso's wijzende, vroeg deze: "Ziet gij die riemen? Weet gij waartoe die dienen moeten?"
"Neen, maar dat kan ik wel begrijpen," antwoordde de jager. "Wij moeten, zoolang de kampstrijd duurt, vastgebonden zijn."
"Juist. Het eene eind van de lasso zit aan den paal, het andere zal om ons lijf gebonden worden."
"Waarom dat?"
"Opdat wij ons niet anders dan in dien engen kring zouden kunnen bewegen, en dat wij elkander niet kunnen ontvluchten."
"Wat mij betreft, is die maatregel noodeloos, want het zal niet in mij opkomen voor u op den loop te gaan. Ik begrip de ware reden. Gij verbeeldt u, dat ik vlugger en behendiger ben, dan gij zelf zijt, maar minder sterk; en nu wilt gij mij met die riemen den pas afsnijden, om met mijn goede eigenschappen mijn voordeel te doen. Enfin, het is mij tamelijk onverschillig! Met welke wapenen zullen wij strijden?"
"Ieder krijgt een mes in de rechter- en een tomahawk in de linkerhand. Daarmee wordt gevochten, totdat een van ons beiden dood is."
Het was duidelijk, dat de hoofdman deze manier van vechten gekozen had, omdat hij dacht, daarin den blanke de baas te zijn. Maar Old Shatterhand antwoordde doodbedaard: "Ik zal er genoegen mee nemen."
"Er genoegen mee nemen? Met uw dood? Want gij wordt stellig overwonnen."
"Dat zullen we afwachten."
"Probeer eerst uw kracht eens, en doe mij dit eens na als gij kunt."
Dit zeggende nam hij een grooten zwaren steen, en tilde dien op. Hij bezat groote spierkracht, en stellig zou niet een zijner Roodhuiden in staat zijn geweest het hem na te doen. Old Shatterhand bukte, om denzelfden steen op te tillen, maar bracht dien, naar het scheen met de grootste inspanning, niet hooger dan een duim of drie. Er ging een "oef!" van zelfvoldoening in den kring der Indianen op. Maar de kleine Saks, zei tegen den dikken Jemmy: "Hij houdt zich maar zoo, om den hoofdman nog opgeblazener te maken. Ik ben bepaald zeker, dat hij dien steen best boven zijn hoofd kan tillen en hem dan een voet of tien ver van zich afsmijten. Wij moeten het maar afwachten, totdat het tot de perplexie komt. Dan zal de Roodhuid wel gewaarworden waar Abram den mosterd haalt."
De hoofdman dacht er echter anders over. Hij had met zijn proefje van krachtvertoon den blanke bang willen maken, en hij hield zich overtuigd, dat hem dit gelukt was. Daarom zei hij op een toon van gemoedelijkheid: "Gij ziet wat gij te wachten hebt. De bleekgezichten zijn gewoon te bidden, als zij een wissen dood voor oogen hebben. Ik vergun u, u tot uw Manitou te wenden eer de strijd begint."
"Dank u, dat is niet noodig," antwoordde Old Shatterhand kalm. "Ik zal mij tot Hem wenden, zoodra mijn ziel tot Hem gaat. Gij zijt een sterke man, en ik hoop, dat gij u in dezen strijd alleen op u zelf verlaat!"
"Dat zal ik. Wie zou mij helpen?"
"Uw krijgslieden. Naar het schijnt houden zij het toch voor mogelijk dat gij door mij overwonnen wordt. Waarom hebben zij zich gewapend, alsof zij moeten gaan vechten?"
"Zijn uw metgezellen dan ongewapend?"
"Neen. Maar wij zullen al onze wapenen naar onze tent brengen. Dat is bij de bleekgezichten zoo het gebruik. De trots van een dapperen blanken krijgsman gedoogt niet, dat door de een of andere omstandigheid de schijn van argwaan op hem geladen kan worden. Moet ik gelooven, dat ook gij een dapper man zijt?"
"Wilt gij mij beleedigen?" riep de Roodhuid driftig. "Ik heb geen hulp van anderen noodig. Mijn krijgslieden zullen al hun wapenen in de tenten brengen, als de uwen dat ook doen."
"Goed. Gij zult zien, dat wij het terstond doen. Ik zal enkel mijn mes behouden."
Hij gaf zijn overige wapentuig aan Hobble-Frank. Jemmy en Davy deden insgelijks. Daarbij zei hij tegen den kleine in het Duitsch: "Gij brengt dit alles in de tent; maar als gij niet bespied wordt, schuift gij het aan de achterzijde weer naar buiten. Gij komt niet hier terug. Men zal uw uitblijven niet eens opmerken, daar aller aandacht gevestigd zal wezen op den kampstrijd hier. Gij kruipt achter uit de tent, en maakt onze paarden, die zich daar bevinden, reisvaardig."
"Wat hebt gij met dien man te praten?" grauwde de hoofdman hem toe. "En waarom spreekt gij een taal met hem, die wij niet verstaan?"
"Omdat dit de eenige taal is, die hij goed verstaat."
"Wat hebt gij tegen hem gezegd?"
"Dat hij die voorwerpen in onze tent moet brengen, en daar blijven om ze te bewaken."
"Waarom bewaken? Denkt gij dat wij u bestelen zullen?"
"Neen; maar ik kan mijn toovergeweer niet alleen laten. Ik zou niet gaarne willen, dat er een ongeluk mee gebeurde. Gij weet dat het afgaat en de roode mannen kwetst, zoodra een ander het aanraakt."
"Ja, dat heb ik gezien. Gij kunt het dus nu nog laten bewaken. Maar zoodra ik u gedood heb, zal ik het voorzichtig laten begraven of in het meer laten werpen, om het onschadelijk te maken."
Op het bevel van den hoofdman legden de Indianen hun wapenen af, en gaven die aan de vrouwen, om ze in de tenten te brengen. Ook Hobble-Frank verwijderde zich. De hoofdman ontdeed zich van zijn bovenkleederen, om er niet in zijn bewegingen door belemmerd te worden. Old Shatterhand volgde dat voorbeeld niet. Ingeval hij overwon, zou het weer-aankleeden een tijdverlies hebben veroorzaakt, dat zeer licht noodlottig had kunnen worden. De vrouwen keerden spoedig terug, om toch niets van het schouwspel te verliezen. Aller oogen waren op het middelpunt van den kring gevestigd, en niemand dacht meer om den kleinen Saks.
"Nu hebt gij uw zin gehad," zei de Groote Wolf. "Willen we nu beginnen?"
"Eerst nog een vraag. Wat zal er met mijn kameraden gebeuren als gij mij doodt?"
"Die zullen onze gevangenen zijn."
"Maar die hebben zich toch vrijgevochten, en kunnen immers gaan waar zij willen."
"Dat zullen zij ook. Maar voorloopig houden wij hen vast als gijzelaars."
"Dat is in strijd met de afspraak; maar ik beschouw het als onnoodig, daarover een woord te verspillen. En wat gebeurt er verder, ingeval dat ik u dood?"
"Dat zal het geval niet worden," antwoordde de Roodhuid hooghartig.
"Wij moeten dat geval toch onder de mogelijkheden rangschikken."
"Nu goed. Als gij mij overwint, zijt gij vrij!"
"En zal niemand ons tegenhouden?"
"Geen mensch!"
"Dan ben ik tevreden, en wij kunnen beginnen."
"Ja, wij willen beginnen. Wij zullen ons eerst laten vastbinden. Hier hebt gij een tomahawk."
Er waren twee strijdbijlen achtergebleven. De hoofdman, die natuurlijk ook met zijn mes gewapend was, nam een van die bijlen, en overhandigde die aan Old Shatterhand. Deze nam dat wapen aan, bekeek het even, en smeet het toen in een hoogen, wijden boog ver weg buiten den kring.
"Wat doet gij?" vroeg de hoofdman verwonderd.
"Ik werp den tomahawk weg, omdat hij niet deugt. De uwe, zie ik, is van beter maaksel; de andere zou bij den eersten slag aan splinters gevlogen zijn."
"Denkt gij, dat ik hem aan u gegeven heb om u te bedriegen?"
"Ik denk, dat hij mij meer geschaad dan gebaat zou hebben, anders niets."
Hij wist natuurlijk zeer goed, dat men hem met opzet zulk een slecht wapen gegeven had. In weerwil van de dikke verflaag, die het aangezicht van den hoofdman bedekte, zag men duidelijk, dat het zich in een spottende plooi vertrok, toen hij antwoordde: "Het stond u vrij de bijl weg te werpen; maar gij krijgt geen andere."
"Dat behoeft ook niet. Ik zal het wel af kunnen met mijn mes alleen, waarvan ik weet, dat ik er op vertrouwen kan."
"Oef! Zijt gij van uw verstand beroofd! De eerste slag met mijn tomahawk zal u dooden. En buitendien heb ik mijn mes, en gij zijt niet zoo sterk als ik ben."
"Dan schijnt gij daarstraks mijn scherts als ernst opgenomen te hebben, merk ik. Ik heb u niet bang willen maken. Maar nu wil ik uzelf laten oordeelen wie de sterkste is, gij of ik."
Hij bukte naar een steen, die veel zwaarder was dan die, welken de Groote Wolf opgetild had, tilde dien eerst op ter hoogte van zijn gordel, stak hem toen in de hoogte, hield hem een paar minuten boven zijn hoofd, en smeet hem toen weg, een pas of tien verder, waar hij bleef liggen.
"Doe mij dat eens na!" riep hij den Roodhuid toe.
"Oef, oef, oef!" klonk het uit den kring der toeschouwers. De hoofdman antwoordde niet dadelijk. Hij keek van den jager naar den steen, en van den steen weer naar den jager; hij was meer dan verwonderd, en eerst na een vrij lange pauze liet hij zijn stem hooren: "Verbeeldt gij u, dat gij mij bang kunt maken? Denk dat maar niet! Ik zal u dooden en uw scalp nemen, al moest de strijd tot van avond duren!"
"Zoo lang zal het niet duren; het zal wel in eenige minuten afloopen," antwoordde Old Shatterhand glimlachende. "Dus, gij zoudt graag mijn scalp hebben?"
"Ja, want de schedelhuid van den overwonnene behoort aan den overwinnaar ... Bindt ons maar vast!"
Dit bevel werd gericht tot twee gereedstaande Roodhuiden, die den hoofdman en Old Shatterhand de lasso's om de heupen bonden, en toen achteruittraden. Op die wijze aan den paal vastgemaakt, konden die twee zich nu slechts in een cirkel bewegen, waarvan de middellijn de lengte van het nog vrije lasso-gedeelte bedroeg. Zij stonden zoo, dat de twee lasso's een rechte lijn, dus de middellijn, vormden, de een met zijn gelaat naar den rug van den andere gekeerd. De Roodhuid had den tomahawk in zijn linker-, het mes in zijn rechterhand; Old Shatterhand hield zijn mes in de rechtervuist.
De Groote Wolf had zich den strijd zoo voorgesteld, dat de een den ander in den cirkel zou ronddrijven, en zoo dicht bij hem zou trachten te komen, dat er mogelijkheid bestond om een wissen bijlslag of messteek te geven. Hij had wel moeten inzien, dat hij zijn tegenstander niet in kracht overtrof; maar de wapenen waren ongelijk en hij had de stellige overtuiging, dat hij overwinnen zou; te meer daar hij zag, dat de blanke het mes glad verkeerd in de hand hield. Old Shatterhand hield het mes namelijk zoo, dat de punt niet naar omlaag, maar naar omhoog gericht was, zoodat hij onmogelijk een stoot van boven naar beneden er mee kon toebrengen. De Roodhuid lachte in zijn geest daarover, en hield zijn tegenstander scherp in het oog, zoodat de minste van zijn bewegingen hem niet ontgaan kon.
Ook de blanke hield zijn oogen onafgewend op zijn tegenstander gericht. Hij was volstrekt niet van plan zich in den cirkel te laten rondjagen; hij wilde niet aanvallen, maar eenvoudig den aanval afwachten, en die eerste botsing moest ineens het pleit beslechten. Het kwam er maar op aan, op welke wijze de Groote Wolf zich van zijn tomahawk zou bedienen: wilde hij er met vaste hand een slag mee toebrengen, dan was er hoegenaamd niets te vreezen; doch wilde hij zijn bijl als werptuig gebruiken, wilde hij er zoo zijn tegenstander mee verwonden, dan had deze al zijn opmerkzaamheid en de grootst mogelijke voorzichtigheid noodig. De twee stonden zoo dicht bij elkander, dat het uiterst moeilijk zou wezen zulk een worp te ontwijken.
Gelukkig dacht de hoofdman er niet aan, met zijn strijdbijl te werpen. Als hij dat deed en niet zijn tegenstander raakte, dan ware de bijl uit zijn handen en kon hij die niet meer machtig worden.
Zoo stonden zij vijf minuten, tien minuten, en geen van beiden verroerde zich. Reeds begonnen de Indiaansche toeschouwers ongeduldig te worden, en uitroepen van aansporing, ja zelfs van afkeuring, te laten hooren. De Roode Wolf daagde zijn tegenstander spottend uit om te beginnen; hij riep hem beleedigingen toe. Old Shatterhand zei niets; zijn antwoord bestond hierin, dat hij ging zitten, zoo doodbedaard en op zijn gemak, alsof hij zich te midden van een vriendenkring bevond. Maar zijn spieren en zenuwen waren gereed, om in een oogwenk tot vlug en krachtig handelen over te gaan.
De hoofdman beschouwde dit gedrag als een bewijs van kleinachting, dus als een beleediging, en feitelijk was het niets anders dan een krijgslist, om hem tot de een of andere onvoorzichtigheid te verleiden. En dat oogmerk werd volkomen bereikt. Hij dacht het met een zittenden vijand nog gemakkelijker te kunnen klaren, zoodat hij van deze gunstige gelegenheid gebruik wilde maken. Een luide oorlogskreet aanheffende, sprong hij op Old Shatterhand toe, den tomahawk omhooggeheven, om hem den genadeslag te geven. Reeds dachten de Roodhuiden dien slag te zien vallen; reeds openden zich veel lippen tot triomfgejubel, maar eensklaps sprong de blanke zijwaarts overeind--het met opzet verkeerd gehouden mes deed zijn plicht; de tomahawk sloeg mis, en de vuist die hem bestuurd had, greep naar het bliksemsnel omhooggeheven mes, zoodat de strijdbijl op den grond viel; een snelle slag van Old Shatterhand tegen den linkerarm van den Roodhuid, en ook zijn mes vloog hem uit de hand; en nu gaf de blanke zijn tegenstander, zoo snel dat niemand er iets van zag, met het harde heft van zijn bowie-mes zulk een geweldigen stoot tegen de hartstreek, dat de Roodhuid als een zoutzak neerstortte en bleef liggen. Old Shatterhand hield zijn mes omhoog, en riep: "Wie is de overwinnaar?"
Niemand antwoordde. Zelfs zij, die het voor mogelijk hadden gehouden dat hun hoofdman overwonnen werd, hadden niet gedacht, dat het zoo spoedig en op die manier gebeuren kon. De menschen stonden er verslagen van.
"Hij zelf heeft gezegd, dat de schedelhuid van den overwonnene aan den overwinnaar toebehoort," vervolgde Old Shatterhand. "Zijn scalp is dus mijn eigendom, maar ik wil dien niet hebben. Ik ben een Christen en een vriend van de roode mannen, en ik schenk hem het leven. Misschien heb ik hem een rib kapot geslagen, maar dood is hij niet. Mijn roode broeders kunnen hem tot bewustzijn zien te brengen; maar ik ga naar mijn tent."
Hij bond zich los en ging. Niemand dacht er aan hem dat te beletten, en niemand verhinderde Davy en Jemmy hem te volgen. Ieder wilde zich eerst vergewissen hoe het met den Grooten Wolf gesteld was, en zij verdrongen elkander om hem heen. Dientengevolge bereikten de jagers hun tent, zonder dat iemand op hen lette. Daarachter lagen hun wapenen, en daar stond ook Hobble-Frank met de paarden.
"Vlug te paard en voort!" gebood Old Shatterhand. "Praten kunnen wij naderhand."
In een ommezien zaten zij alle vier te paard, en reden weg, eerst langzaam en achter de tenten en hutten heen. Maar toen werden zij door de wachtposten opgemerkt, die ook overdag buiten de legerplaats waren betrokken. Dezen hieven het krijgsgehuil aan en schoten op hen. Daarom gaven de blanken de sporen aan hun paarden en brachten die in galop. Even omkijkende, zagen zij, dat het roepen en alarm maken van de wachtposten de aandacht van al de anderen had getrokken, die nu in geheele zwermen tusschen de tenten uit te voorschijn kwamen en aan de ontkomenen een helsch gehuil achternazonden, dat door de echo der bergen veelvoudig werd teruggekaatst.
De jagers galoppeerden over de vlakte, regelrecht koers zettende naar het punt, waar het bergwater zich in het meer ontlastte. Old Shatterhand kende de landstreek genoeg om te weten, dat het dal van die beek de beste weg was om spoedig uit de voeten te komen. Hij was overtuigd, dat de Utah's dadelijk zouden opbreken om hen achterna te zetten, en hij moest dus maken dat hij in een streek kwam, waar het voor de Roodhuiden zoo moeilijk mogelijk zou wezen om hun spoor te volgen.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
GROOTMOEDIGHEID VAN OLD SHATTERHAND.
Dienzelfden morgen bewoog zich een troep ruiters bergopwaarts langs de beek, waarlangs den avond te voren de Utahs met hun gevangenen getrokken waren. Aan het hoofd van dien troep reed Old Firehand met Tante Droll. Achter hen reden Humply-Bill en de Gunstick-Uncle met den Engelschen lord; om kort te gaan het waren al de blanken, die het reeds verhaalde avontuur aan den Eagle-tail als handelende personen hadden bijgewoond, en die toen naar de bergen waren opgebroken, om zich naar het Zilvermeer te begeven. In Denver had Butler de ingenieur met zijn dochtertje Ellen zich bij hen aangesloten. Van de boerderij van zijn broer was hij regelrecht daarheen gereisd, dewijl het natuurlijk niet in hem had kunnen opkomen, zijn kind bloot te stellen aan de gevaren en een nieuwe ontmoeting met de tramps. Het meisje, dat in geen geval van haar vader had willen scheiden, en dat, uit kinderlijke gehechtheid aan hem, mee de wildernis inging, zat in een soort van draagstoel, die tusschen twee kleine, maar tegen veel vermoeienis geharde Indiaansche hitten hing.
Winnetou was thans niet te zien, doordien hij als verspieder, waartoe hij beter dan iemand geschikt was, vooruitreed. Toevallig liep de weg, die door hem en Old Firehand was voorgeschreven, naar het bosch en over de open vlakte, waar Old Shatterhand en zijn metgezellen hun ontmoeting met de Utahs gehad hadden. De twee aanvoerders waren bedreven en scherpzinnig genoeg, om de sporen te kunnen lezen; zij hadden daaruit gezien, dat blanken door de Indianen gevangengenomen waren, en hadden terstond besloten om dat spoor te volgen, ten einde misschien nog hulp te kunnen brengen.
Zij wisten niet, en vermoedden ook niet, dat de Utahs hun strijdbijlen opgegraven hadden. Zoowel Winnetou als Old Firehand, beiden wisten niet beter, of zij leefden met dien stam in vollen vrede; en beiden hielden zich overtuigd, dat zij er vriendelijk ontvangen zouden worden, en dat zij voor de blanke gevangenen een goed woord zouden kunnen doen.
Waar de Roodhuiden hun bivak opgeslagen hadden wisten zij niet met zekerheid; maar zij kenden het meer; en daar de omtrek van dat meer een mooie gelegenheid aanbood om er zich op te legeren, vermoedden zij, dat zij de Utahs daar zouden vinden. In weerwil van de onderstelde vriendschappelijke gezindheid, zou het toch geheel en al in strijd geweest zijn met het in het Westen vaste gebruik, zich aan hen te vertoonen, zonder hen eerst gadegeslagen te hebben. Daarom was Winnetou vooruitgereden, om op verkenning uit te gaan. Juist toen de troep de plaats bereikte, waar de oevers van de beek uiteenliepen om de vlakte te vormen, keerde de Apache terug. Hij kwam in galop aanrijden, en wenkte reeds van verre, dat men halt moest houden. Dat was geen goed teeken, en daarom vroeg Old Firehand, zoodra Winnetou dicht genoeg bij was: "Mijn broeder wil ons waarschuwen. Heeft hij de Utahs gezien?"
"Ja, hen en hun legerplaats."
"En heeft Winnetou zich niet aan hen durven vertoonen?"
"Neen, want ze hebben hun strijdbijlen opgegraven."
"Waaraan hebt gij dat ontdekt?"
"Aan de verf, waarmee zij hun gelaat besmeerd hebben, en ook hieraan, dat er zoo verbazend velen bij elkander waren. De roode krijgslieden vereenigen zich tot zulk een grooten zwerm, nooit anders dan in tijd van oorlog of in den tijd der groote jachten. Daar wij ons niet in het jaargetijde der buffeljachten bevinden, kan het niet anders wezen dan de oorlogsbijl, om welke zich zulk een menigte heeft geschaard."
"Hoe groot is hun aantal wel?"
"Dat heeft Winnetou niet goed kunnen opnemen. Er stonden er op zijn minst een honderd of drie aan het meer, en in de tenten zullen er ook nog wel geweest zijn."
"Aan het meer? Zoo velen? Wat was daar dan aan de hand? Werd de visch misschien opgejaagd naar één kant?"
"Neen, dat kan het niet zijn. Bij het opjagen van de visch zijn de menschen in dezelfde richting in beweging; maar nu stonden zij stil, en keken allen in het water."
"Drommels! zou dat een terechtstelling beduiden? Zou men blanken in het water geworpen hebben, om hen te doen verdrinken?"
Dit vermoeden van Old Firehand was niet zoo geheel en al mis; want de Apache had de Utahs bespied op het oogenblik, toen pas de zwemwedstrijd begonnen was. Winnetou antwoordde op zulk een stelligen toon, alsof hij er bij gestaan en alles gezien had: "Neen, zij willen hen niet verdrinken; maar het is een zwemwedstrijd om het leven."
"Hebt gij reden om dat te vermoeden?"
"Ja, Winnetou kent de gebruiken zijner roode broeders, en Old Firehand is ook genoeg daarmee bekend, om mijn onderstelling te deelen. De Utahs dragen de oorlogskleuren, en beschouwen dus de bij hen zijnde blanken als vijanden. Die moeten gedood worden. Maar de Roodhuid laat zijn vijand niet spoedig sterven, hij martelt hem langzaam dood; hij werpt hem niet in het water om hem spoedig te verdrinken, maar hij geeft hem een tegenstander, die hem in het zwemmen de baas is, en tegen wien hij zwemmen moet om zijn leven. Daar de tegenstander altijd beter zwemt dan de blanke, is het bleekgezicht bepaald verloren. Men laat hem zwemmen, louter om zijn sterven, zijn doodsangst langer te doen duren."
"Zoo is het," zei Old Firehand; "ik ben volkomen van uw gevoelen. Wij hebben de sporen van eerst vier en toen twee blanken geteld. Dat zijn er dus zes. Maar men zal die stellig niet allen laten zwemmen; ieder zal op een andere manier om zijn leven moeten wedstrijden. Wij moeten ons haasten, om hen te redden."
"Als mijn blanke broeder dat doet, zal hij zich slechts haasten om zelf te sterven."
"Nu, dat moet gewaagd worden. Ik verlaat mij er op, dat ik mij nooit als een vijand van de Utahs heb doen kennen."
"Daarop moogt gij u volstrekt niet verlaten. Hebben zij eenmaal de strijdbijlen tegen de blanken opgegraven, den behandelen zij hun besten vriend als vijand, wanneer hij een bleekgezicht is; zij zouden ook u niet sparen."
"Maar de hoofdmannen zouden mij beschermen!"
"Neen. De Utah is niet trouw en oprecht; en niet één hoofdman van dat volk heeft op zijn krijgslieden zooveel overwicht, dat hij u zou kunnen redden. Wij mogen ons niet laten zien."
"Maar gij, gij kunt dan toch naar hen toe gaan?"
"Neen, ook niet; want ik weet niet, of zij de strijdbijl niet wellicht ook tegen andere roode natiën gescherpt hebben.
"Maar dan zijn die zes blanken tòch reddeloos verloren."
"Dat kan mijn broeder niet zeggen. Ik heb twee redenen, die mij het tegendeel doen denken."
"En die redenen zijn?"
"Eerstens heb ik reeds gezegd, dat de gevangenen der Roodhuiden niet anders dan langzaam mogen sterven; maar het is nog vroeg in den ochtend, en wij hebben dus nog tijd om op verkenning uit te gaan. Misschien komen wij iets meer te weten, dan wij op dit oogenblik weten; en dan zullen wij gemakkelijker een besluit kunnen nemen."
"En ten tweede?"
De Apache zette een alleroolijkst gezicht, toen hij antwoordde: "Onder de bleekgezichten bevindt zich iemand die zich zelf en de zijnen niet zoo gemakkelijk laat doodmaken."
"Wie is dat?"
"Old Shatterhand."
"Wat!" riep de jager, van verwondering opspringende. "Old Shatterhand, dien gij boven, aan het Zilvermeer, hoopt te ontmoeten? Zou die werkelijk reeds hier zijn?"
"Old Shatterhand is zoo prompt op zijn tijd als de zon of een ster aan den hemel."
"Hebt gij hem gezien?"
"Neen."
"Hoe kunt gij dan zeggen, dat hij zich hier bevindt?"
"Ik wist dat gisteren reeds."
"Zonder het mij te zeggen?"
"Zwijgen is dikwijls veel beter dan spreken. Als ik gisteren gezegd had wiens geweer op de vlakte gesproken heeft, zoudt gij niet bedaard gebleven zijn, maar veel sneller vooruit gewild hebben."
"Zijn geweer, heeft dat gesproken? Hoe weet gij dat?"
"Toen wij den zoom van het bosch en het gras der open vlakte afzochten, vond ik een boompje met een aantal gaatjes er in, gemaakt door kogels uit Old Shatterhand's wondergeweer, dat weet ik bepaald zeker. Hij heeft stellig den rooden mannen vrees willen inboezemen, en zij zullen dan ook nu voor zijn geweer wel ontzag hebben."
"Het spijt mij, dat gij mij dat boompje niet gewezen hebt! Hum! Als Old Shatterhand zich onder die blanken bevindt, dan behoeven wij ons niet erg ongerust te maken. Ik ken hem; ik weet, wat hij in staat is te doen, en hoeveel ontzag de Indianen voor hem hebben. Wat zullen wij doen? Wat stelt gij ons voor?"
"Mijn vrienden moeten mij nu volgen; zij moeten allen achter elkander rijden, om te zorgen dat de Utahs, als zij ons spoor mochten aantreffen, niet kunnen tellen met hoe velen wij zijn. Howgh!"
Hij liet zijn paard rechts zwenken en reed verder, zonder te vragen of Old Firehand er genoegen meenam, en zonder om te kijken of men hem volgde.
De oevers van de beek waren, zooals reeds gezegd is, van elkander geweken, om aanvankelijk als een lage, en vervolgens als aanhoudend klimmende bergen-rij de vlakte van het meer te omzoomen. De vlakte was geheel zonder boomgroei, maar de hoogten waren dicht bedekt met bosch, tot onder aan den voet der heuvelen, waar het een zoom van kreupelbosch vormde. Achter dit kreupelhout en onder de boomen beschutting en dekking zoekende, volgde Winnetou de hoogten rechts, die de noordzijde der vlakte begrensden, en vervolgens in het westen op den berg stieten, die zijn water ontlastte in het meer.
Op die wijze reden de blanken om de vlakte heen, van het oostelijkste punt, tot aan het westelijkste, waar zij aan de beek kwamen, en zich eenige honderden passen van het meer af onder boomen bevonden, van waar zij, tusschen de boomen door, de legerplaats der Utahs overzien konden. Toen stegen zij van hun paarden af. Maar zij bonden de dieren niet vast, ieder hield het zijne bij den toom, en Winnetou verdween om den omtrek af te zoeken. Maar hij keerde zeer spoedig terug, en meldde, dat hij niets verdachts had gevonden. Er was vandaag geen Utah daar geweest. Nu eerst bond men de paarden vast, en men ging in het zachte mos op zijn gemak zitten. De plaats, waar zij zich bevonden, was als opzettelijk er voor gemaakt, om ongezien het gansche bivak der Utahs te kunnen begluren.
Men zag hen als op elkander gedrongen aan de zuidzijde van de legerplaats staan. Toen zag men de twee personen, die zich van den grooten hoop afzonderden, en als bezetenen zuidwaarts renden. Old Firehand bracht zijn verrekijker voor zijn oogen, en riep dadelijk: "Een wedloop tusschen een Roodhuid en een blanke! De roode is reeds ver vooruit, en zal stellig overwinnen. De blanke is een zeer klein kereltje."
Hij gaf zijn kijker aan den Apache. Nauwelijks had deze den kleinen blanke voor het glas getrokken, of hij riep uit: "Oef! dat is Hobble-Frank! Die kleine held moet om zijn leven harddraven, en hij kan den Roodhuid onmogelijk inhalen."
"Hobble-Frank, van wien gij ons verteld hebt?" vroeg Old Firehand. "Dan mogen wij niet met onze handen in den schoot blijven zitten; wij moeten een besluit nemen!"
"Nu nog niet!" zei de Apache. "Er is nu nog geen gevaar. Old Shatterhand is immers bij hen?"
De boomen stonden zoo, dat men niet het geheele terrein van den wedloop overzien kon. De beide harddravers waren rechts verdwenen; men verwachtte hun terugkomst, en hield zich natuurlijk overtuigd, dat de Roodhuid de eerste zou zijn, die weer te voorschijn kwam. Doch hoe groot was aller verbazing, toen zij het eerst den kleine zagen, dood op zijn gemak loopende, alsof hij een wandelingetje deed.
"Frank het eerst!" riep Old Firehand. "Hoe is dat mogelijk!"
"Door list," antwoordde Winnetou. "Hij heeft overwonnen, en hoe hij dat aangeleid heeft, zullen wij wel vernemen. Hoort de Utahs eens verwoed schreeuwen! Zij verwijderen zich, zij keeren naar de legerplaats terug. En ziet, daar staan vier bleekgezichten, die ik alle vier ken."
"Ik ook," riep Droll. "Old Shatterhand, lange Davy, dikke Jemmy en die kleine Hobble-Frank."
Die namen verwekten algemeen opzien. Eenigen kenden een of meer der genoemden persoonlijk; de anderen hadden genoeg van hen gehoord, om insgelijks in hooge mate belang in hen te stellen. Het werd een kruisvuur van opmerkingen, totdat Winnetou tegen Old Firehand zei: "Ziet mijn broeder nu, dat ik gelijk had? Onze vrienden hebben hun wapenen nog; het gevaar voor hen kan dus niet heel groot zijn."
"Vooreerst ja; maar hoe spoedig kan dat verkeeren! Ik stel voor, om er ruiterlijk naar toe te rijden."
"Wil mijn broeder er naar toe, hij ga zijn gang! maar ik blijf hier," antwoordde de Apache zeer beslist. "Old Shatterhand kent de omstandigheden, en hij weet wat hij doet; maar wij, wij weten van al de bijzonderheden niets; en onze ontijdige tusschenkomst zou wellicht zijn geheele plan van handelen in duigen werpen. Blijf hier! Ik zal zoover doenlijk vooruitdringen, om te weten te komen wat er gebeurt."
Hij hield den verrekijker in zijn hand, en verdween tusschen de boomen. Er verliep een groot halfuur eer hij terugkeerde met de mededeeling: "Er is midden in de legerplaats een tweegevecht aan den gang. De Utahs staan er zoo opeengepakt rondom, dat ik de twee kampioenen niet heb kunnen zien; maar ik heb Hobble-Frank gezien. Die bracht de paarden heimelijk en omzichtig achter een tent, en gaf hun de dekken. De blanken willen dus maken, dat zij wegkomen."
"En heimelijk? Dus vluchten?" vroeg Old Firehand. "Dan vatten wij post hier aan den weg, of, wij gaan hen te gemoet."
"Noch het een, noch het ander," hernam de Apache hoofdschuddende.
"Mijn zienswijzen schijnen vandaag bij mijn rooden broeder telkens op tegenspraak te stuiten!"
"Old Firehand moet niet boos worden maar nadenken. Wat zullen de Roodhuiden doen, als de blanken vluchten?"
"Dan zullen zij hen achternazetten."
"Als men vier of zes vluchtenden achternazet, hoeveel krijgslieden heeft men daartoe noodig?"
"Wel twintig--zeg dertig."
"Goed! Die zullen wij gemakkelijk overwinnen. Maar als wij ons ontijdig aan de Utahs vertoonen, zullen wij met den geheelen stam te doen krijgen, en dan zal er ontzaglijk veel bloed stroomen."
"Gij hebt gelijk, Winnetou! Maar wij kunnen de Roodhuiden toch niet blind maken. Zij zullen uit ons spoor zeer gauw ontdekken met ons hoe velen wij zijn."
"Zij zullen het spoor opnemen, dat vóór hen ligt, maar niet het spoor, dat zich achter hen bevindt."
"O, bedoelt gij, dat wij hen volgen?"
"Juist."
"Zonder dat wij ons aan Old Shatterhand vertoonen?"
"Wij zullen met hem spreken, maar enkel wij beiden, gij en ik. Luister! Wat is dat?"
Uit de legerplaats ging een allerontzettends gehuil op, en dadelijk daarop zag men vier ruiters in galop er uit komen. Het waren blanken. Zij sloegen de richting in naar het boveneinde van het meer; hun oogmerk was dus klaarblijkelijk om de beek te bereiken, en daarlangs berg-op te rijden.
"Daar komen zij aan," zei Winnetou. "Old Firehand kan mij volgen. Maar mijn andere blanke broeders moeten gauw met de paarden dieper het bosch in, en daar wachten tot wij terugkomen. Zij kunnen onze paarden meenemen."
Hij nam Old Firehand bij de hand en trok hem met zich voort, steeds den hoogen oever van de beek langs, onder de boomen door, tot aan een plaats, van waar men de legerplaats der Utahs kon overzien, zonder door hen gezien te worden. Daar bleven zij staan.
Old Shatterhand kwam pijlsnel nader. Hij hield zich met zijn metgezellen dicht langs den waterkant, en reed dus beneden, terwijl de Apache en Old Firehand boven stonden. Toen hij die plaats bereikte, klonk het van boven: "Oef! Mijn blanke broeders kunnen hier een oogenblik halt houden."
De vier kortten den teugel, en keken naar boven.
"Winnetou, Winnetou!" riepen alle vier tegelijk.
"Ja, het is Winnetou, de hoofdman der Apachen," antwoordde deze. "En hier staat er nog een, die een vriend van mijn blanke broeders is."
Hij trok den geweldigen jager van achter een boom te voorschijn.
"Old Firehand!" riep Old Shatterhand. "Gij hier, gij! Ik moet naar boven om u welkom te heeten! Of kom even naar beneden!"
In weerwil van het gevaar, waarin hij zich bevond, maakte hij een beweging om van zijn paard af te springen.
"Blijf zitten, blijf zitten!" riep Old Firehand hem toe. "En naar u toe komen kan ik ook niet!"
"Waarom niet?"
"De Utahs, die u achtervolgen zullen, moeten niet weten dat wij hier zijn."
"O! Zijt gij alleen?"
"Neen. Wij zijn ruim veertig man, jagers, rafters en andere westmannen. Gij zult goede bekenden onder ons vinden. Maar er is nu geen tijd om te praten. Waar wilt gij naar toe?"
"Naar het Zilvermeer."
"Wij ook. Rijdt nu maar verder. Zoodra uw vervolgers voorbij zijn, komen wij ook: dan zitten zij tusschen ons in!"
"Heerlijk, heerlijk!" riep Old Shatterhand. "Welk een blijdschap en welk een geluk, u hier te ontmoeten! Maar al hebben wij geen tijd om lang te praten, moet gij toch in korte woorden vernemen wat er gebeurd is. Kunt gij van daarboven de legerplaats zien?"
"Ja."
"Past dan op, dat wij niet overrompeld worden. Ik zal gauw het noodigste vertellen."
De blijdschap van die mannen over deze onverwachte ontmoeting was in waarheid groot; maar de omstandigheden veroorloofden niet, daaraan in woorden lucht te geven, en zoodoende tijd te verliezen. Men gaf elkaar met enkele woorden een kort verslag, dat de geoefende scherpzinnigheid van die mannen gemakkelijk zou weten aan te vullen. Toen men daarmee klaar was, nam Winnetou het woord, en vroeg aan Old Shatterhand: "Kent mijn blanke broeder het diepe ravijn, dat door de bleekgezichten Night-Canon genoemd wordt?"
"Ja, ik ben immers verscheiden malen met u daar geweest."
"Van hier af is dat ravijn in vijf uur tijds te bereiken. In het midden verwijdt het zich tot een ronde ruimte, omringd door rotswanden, die tot aan den hemel schijnen te reiken, en die door niemand te beklimmen zijn. Herinnert Old Shatterhand zich die plaats?"
"Ja, zeer goed."
"Tot zoo ver kan mijn blanke broeder rijden. Is hij die ronde ruimte over, dan kan hij aan de andere zijde post vatten. Het ravijn is daar zoo smal, dat er geen twee ruiters voor elkander kunnen uitwijken. Hij heeft er niet eens de hulp van zijn metgezellen noodig, en kan, met zijn toovergeweer, alleen verscheiden honderden Utahs tegenhouden. Als zij daar aangekomen zijn, kunnen zij niet voor- of achterwaarts meer, want wij zullen spoedig achter hen zijn. Dan hebben zij niet anders meer dan de keus, om of zich tot den laatsten man te laten doodschieten of zich over te geven."
"Goed, wij zullen dien raad volgen. Maar zeg mij nu vóór alles nog één ding: waarom rijdt gij met uw zoo velen naar boven, aan het Zilvermeer?"
"Dat zal ik u zeggen," antwoordde Old Firehand. "Er ligt daarboven een uitermate rijke zilvermijn, maar in een streek, die volslagen gebrek heeft aan water, zoodat de ontginning van die mijn een onmogelijkheid is, als het ons niet gelukt er ons water te verschaffen. Daardoor ben ik op het denkbeeld gekomen, om het water van het Zilvermeer daarheen te leiden. Gelukt ons dat, dan zal die mijn ons millioenen opleveren. Ik heb een ingenieur bij mij, die de technische punten eerst goed te keuren en, als alles goed wil, uit te voeren heeft."
Over het gelaat van Old Shatterhand gleed een onbeschrijfelijk glimlachje, toen hij zei: "Een mijn? Wie heeft die ontdekt?"
"Ik ben zelf ook daarbij geweest."
"Hum. Leid dan het water uit het meer naar die mijn: dan kunt gij twee vliegen in één klap slaan."
"Hoe bedoelt gij dat?"
"Wel, op den bodem van het meer liggen schatten, waarbij uw zilvermijn, in vergelijking, niets is."
"O, bedoelt gij den Schat in het Zilvermeer?"
"Natuurlijk."
"Wat weet gij daarvan?"
"Meer dan gij denkt. Dat zal ik u later wel vertellen, als wij wat meer tijd hebben. Maar gij zelf spreekt van een zilvermijn. Van wien zijt gij dat te weten gekomen?"
"Van..... Later! Maakt dat gij wegkomt! Ik zie de Indianen uit de legerplaats komen."
"Hierheen?"
"Ja, te paard."
"Hoeveel?"
"Vijf."
"Pshaw! Daar zijn wij niet bang voor. Maar, dat is waar, gij moet u niet door hen laten zien. Het is de voorhoede, die ons niet uit het oog mag verliezen; het gros zal nu stellig wel spoedig volgen. Vooruit dus! Tot weerziens in den Night-Canon!"
Hij gaf zijn paard de sporen, en reed met zijn drie metgezellen weg. Old Firehand en Winnetou doken neer, om de vijf Utahs in het oog te houden. Die kwamen aanrennen, de oogen recht voor zich uit, opmerkzaam op den grond gericht; zij reden voorbij, zonder te vermoeden welke gevaarlijke lieden zich in de nabijheid bevonden.
Nu keerden de twee naar hun mannen terug, die zich in het bosch teruggetrokken hadden en zich thans in de nabijheid bevonden van de plaats, waar de beek zich in het meer ontlastte. Old Firehand wilde hun mededeelen wat hij met Old Shatterhand besproken had. Daar viel zijn oog op verscheiden Utah-vrouwen, die op den oever van het meer aankwamen; zij hadden het noodige in haar handen om naar visch te gaan hengelen. Hij maakte Winnetou opmerkzaam op haar, en zei: "Als men die squaws beluisteren kon, zou men misschien wel iets van de plannen harer krijgslieden te weten komen."
"Winnetou zal het probeeren, als zij dichtbij genoeg komen," antwoordde de Apache.
Ja, zij kwamen dichtbij genoeg. Zij wilden niet in het meer, maar in de uitwatering van de beek visschen. Daar gingen zij onder het kreupelhout naast elkander zitten, lieten haar vangtuig in het water neer, en zaten met elkander te praten. Zij schenen niet te weten, of althans er zich niet aan te storen, dat een hengelaar in het geheel niet spreken mag. Winnetou gleed als een slang nader en nader, en bleef achter het struikgewas liggen, waar zij zaten. Het zou de moeite waard geweest zijn, hem en die vrouwen tegelijk te kunnen gadeslaan, zoo lag hij daar een groot kwartier, en keerde toen terug met de mededeeling: "Als die squaws niet beter leeren zwijgen, zullen zij nooit een forel vangen. Zij hebben mij alles laten hooren wat ik wenschte te weten."
"En wat is dat?" werd er gevraagd.
"Die vijf krijgslieden, die ons voorbijgereden zijn, moeten het spoor van Old Shatterhand duidelijker maken, en zeer spoedig zullen vijftig anderen volgen, aangevoerd door den Grooten Wolf."
"Dus is die niet gekwetst?"
"Jawel. De slag van Old Shatterhand heeft zijn rechterhand lam geslagen, en zijn ademhaling doen stilstaan. Die heeft hij teruggekregen, en de hand hinderde hem niet, om zelf het commando over den troep op zich te nemen. Old Shatterhand moet doodgeschoten worden, om te zorgen, dat hij van de voornemens der Utahs niets aan de Navajos zal kunnen verraden. Al de Utahs verspreiden zich vandaag over den ganschen omtrek, om te jagen en vleesch te maken, want morgen wordt het kamp opgebroken."
"Waar gaan zij naar toe?"
"De vrouwen en kinderen gaan het gebergte in naar de ouden, waar zij veilig zullen zijn; maar de krijgslieden volgen den Grooten Wolf achterna, om de verzamelplaats van al de Utah-stammen op te zoeken."
"Waar is dat?"
"Dat schenen de squaws niet te weten; en meer heb ik niet kunnen hooren: maar voor hetgeen ons te doen staat is het genoeg."
"Dan kunnen wij niets anders doen, dan wachten totdat de Groote Wolf met zijn troep voorbij is. Dat hij vijf en vijftig man meeneemt, bewijst ons, welk een ontzag hij voor Old Shatterhand heeft. Zulk een overmacht tegen vier blanken!"
"Old Shatterhand is mijn vriend en leerling," zei Winnetou met fiere zelfvoldoening. "Voor vijf en vijftig man behoeft hij niet bang te zijn."
Nu ging men op de loer liggen, en het duurde nog wel een uur, eer de Groote Wolf met zijn troep zich vertoonde. Zij reden voorbij, zonder een blik onder de boomen te werpen. Hun uiterlijk was in de hoogste mate strijdlustig. Zij waren allen, niet één uitgezonderd, met geweren gewapend. De hoofdman droeg zijn rechterhand in een draagband. Zijn gelaat was nog dikker met verf besmeerd dan dien ochtend. Van zijn schouders hing de met vederen getooide krijgsmantel op den rug van het paard neer, maar zijn hoofd prijkte niet meer met den adelaarsvederbos. Men had hem overwonnen, en daarom wilde hij dat sieraad niet meer dragen, of eerst moest hij zijn dorst naar wraak bevredigd hebben. Zijn onderhebbenden bereden de beste paarden uit het legerkamp.
Tien minuten later volgde hem de stoutmoedige Winnetou, geheel alleen, en nog tien minuten daarna braken de anderen op.
Van een gebaanden weg was natuurlijk geen sprake. Men reed bestendig berg-op langs de beek. Deze had in het voorjaar, toen het hoog water was, aan de oevers geknabbeld. Losgeraakte steenen en boomen lagen overal, en daardoor kwam men slechts zeer langzaam vooruit, vooral doordat de draagstoel niet dan met veel moeite over dergelijke hindernissen heen was te brengen. Toen men vervolgens deze helling van den berg achter zich had, werd het beter. De grootste stijging was overwonnen, en hoe minder val het water had, des te minder vernieling had het langs de beek aangericht.
Wat het spoor betreft, dat men volgde, dit was zoo duidelijk als men verlangen kon. Daar Old Shatterhand zulke bondgenooten gevonden had, achtte hij het niet meer noodig voor een onleesbaar spoor te zorgen. De hem volgende vijf Utahs hadden opzettelijk zoo gereden, dat de indrukken van de hoeven hunner paarden gemakkelijk te zien waren; en daar de Groote Wolf niet wist, dat hij een vijand achter zich had, was de gedachte aan voorzichtig-zijn niet eens bij hem opgekomen.
De richting naar den Night-canon liep op de smalste plaats der Elk-Mountains dwars over het gebergte. Toen men zich boven bevond werd de beek verlaten; toen ging het midden door oerwoud dat geen kreupelhout had. De wijd uit elkander staande boomen vereenigden hun toppen tot een zoo dicht loofdak, dat slechts op enkele plaatsen hier en daar eens een zonnestraal er doorheen kon dringen. De grond was week en slijkerig, en het spoor dientengevolge zeer diep.
Enkele keeren kwam men zoo dicht in de nabijheid van den Apache, dat men hem te zien kreeg. Zijn houding was de onbezorgdheid zelf. Hij wist, dat de Utahs hun opmerkzaamheid bezwaarlijk achterwaarts zouden aanwenden.
Omstreeks te tien uur was Old Firehand met de zijnen van het meer opgebroken. Tot een uur of een ging het bijna uitsluitend door bosch, en vervolgens over een prairie met kreupelhout, hetgeen voor de blanken zeer aangenaam was. Was het een open prairie geweest, dan zou men veel grootere afstanden hebben moeten bewaren. Het grasland liep herhaalde malen zoo naar de laagte, dat het een klein dal vormde, om aan de andere zijde weer naar boven te gaan; toen kwam er weer bosch, maar niet voor lang, want reeds na verloop van eenige minuten was men er doorheen. Toen hield de Apache halt, en wachtte er zijn metgezellen af. Op hun vraag waarom hij niet verder reed gaf hij geen bescheid met woorden, maar slechts met een handbeweging, die voorwaarts wees.
Een in waarheid verheven schouwtooneel bood zich hier aan de oogen der blanken aan. Achter zich had men het gebied van het Elk-gebergte en vóór zich dat van den Grand-River met zijne canon. Van rechts, van links en van het punt waar de ruiters zich bevonden, liepen drie zwarte, schuine rotsvlakten naar omlaag, als reusachtige platen lei, die beneden uitliepen in één punt. De helling van die platen was zoo sterk en haar oppervlakte zoo glad, dat men onmogelijk te paard kon blijven. Het was bijna ijzingwekkend naar de diepte daar ver in de laagte te kijken, die men intusschen moest trachten te bereiken. Van beide zijden, daar waar de reuzenplaten tegen elkander stieten, stroomde een water neer, maar zonder een boom, een heester of een halmpje zelfs te drenken. Geheel beneden vloeiden die twee waterstroomen ineen, om in een rotsspleet te verdwijnen, die schijnbaar niet breeder was dan een platte lineaal.
"Dat is de Night-canon," zei Old Firehand, naar die rots-spleet wijzende. "Men heeft er dien naam aan gegeven, omdat hij zoo diep en smal is, dat het licht der zon er nooit in doordringen kan, en het in zijn diepte altijd, zelfs op klaarlichten dag, stikdonkere nacht is. Vandaar de benaming Nacht-canon. Men rijdt daar, omstreeks den middagtijd, in een vrij donker schemerduister. En .... kijkt eens, daarbeneden!"
Hij wees met de hand naar omlaag, waar het water, in de rotsspleet verdween. Daar bewogen zich kleine menschengestalten; het waren ruiters, zoo klein, dat zij nauwelijks tot aan de knieën van een gewoon mensch schenen te reiken. Dat waren de Utahs, die juist in de rotsspleet verdwenen.
Die rotsspleet was een bijna loodrechte berst in een kolossale steen-massa, boven welke een onafzienbare vlakte zich uitstrekte, die ingesloten lag tusschen hemelhooge bergen. Dat was het Book-gebergte. Tante Droll keek naar de laagte, en keek toen Old Firehand aan. "Moeten wij daar naar toe, naar die diepte? Dat zet ik den knapsten leidekker te doen! Dat is immers klinkklaar een levensgevaarlijke nederdaling, als het noodig is! Als gij hier op uw hurken gaat zitten, en ik geef u een duwtje, dan kunt gij sleedje-rijden totdat gij beneden aankomt!"
"En toch moeten wij naar omlaag," zei Old Firehand. "Stijg uit den zadel, en ieder neemt zijn paard bij den teugel, maar kort. Wij moeten het echter maken juist als bij een sledevaart, wanneer het berg-af gaat. Daar wij geen sleeptuig en geen remtoestellen bij ons hebben, zit er niets anders op dan zigzagsgewijze te dalen."
Die raad werd gevolgd, en het bleek, dat het beter ging dan men verwacht had. Recht naar beneden was men bezwaarlijk zonder ongelukken gegaan; de daling duurde wel een groot half uur.
Eindelijk was men beneden, en maakte men de noodige aanstalten om den canon binnen te dringen, die hier zoo smal was, dat er langs het water slechts twee ruiters naast elkander konden rijden. Vooraan was natuurlijk weer Winnetou. Vlak achter hem volgde Old Firehand, naast wien nu de lord reed. Dan kwamen de jagers, en achter dezen de rafters, die den ingenieur met zijn dochter in hun midden hadden. De troep was sedert het voorgevallene aan den Eagle-tail aanmerkelijk grooter geworden, doordat de opzichter Watson zich met een aantal baanwerkers daarbij aangesloten had.
Gesproken mocht er niet worden, daar ieder geluid in deze rotsspleet veel verder te hooren was dan in de open lucht. De hoefslag der paarden had hen kunnen verraden; daarom was Winnetou afgestegen en, terwijl zijn paard door een der rafters bij den toom geleid werd, ging hij op zijn zachte mocassins voor zijn metgezellen uit.
Het was als een tocht door de Onderwereld. Voor en achter zich de enge rotsspleet, onder zich den strammen, met steenen bezaaiden rotsbodem en het spookachtig ruischende water, en links en rechts de loodrechte rotswanden, die zoo hoog waren, dat ze niet eens het daglicht lieten doordringen, maar daarboven tegen elkander schenen te stooten. Hoe verder men kwam, des te kouder en zwaarder werd de lucht, en men bewoog zich in een akelig schemerduister.
En lang was de canon, eeuwiglang! Op sommige plaatsen werd hij iets breeder, zoodat er vijf of zes ruiters naast elkander hadden kunnen rijden; maar dan kwamen de wanden weer zoo dicht bij elkander, dat men vreezen moest ieder oogenblik doodgedrukt te zullen worden. Zelfs de paarden waren angstig; zij snoven geweldig en spoedden zich zoogoed mogelijk voorwaarts, verlangend om uit deze engte verlost te worden.
Zoo verliep er een kwartier, en nog een; toen--allen bleven onwillekeurig stilstaan--hoorden zij een knal, alsof er tien kanonnen tegelijk afgeschoten werden.
"Lieve hemel, wat is dat?" vroeg Butler, de ingenieur. "Storten de rotsen in?"
"Het was een geweerschot!" antwoordde Old Firehand. "Het oogenblik is gekomen. Bij elke drie paarden blijft één man achter, de anderen voortreden! Afstijgen!"
In een ommezien stonden ruim dertig man, ieder met zijn geweer in de hand, gereed om hem te volgen. Nauwelijks hadden zij een tiental passen achter zich, of zij zagen Winnetou staan, met den rug naar hen gekeerd, en met zijn geweer in den aanslag.
"De wapenen neer, anders zal mijn toovergeweer spreken!" klonk een forsche stem; men wist niet waar vandaan, van boven naar beneden, of uit den grond naar boven.
"Neer de wapenen!" bulderde het andermaal in de taal der Utahs, zoo, dat in de nauwe rotsspleet die weinige lettergrepen weergalmden als het rollende gerommel van donder.
Toen vielen er snel achter elkander drie schoten. Men hoorde, dat zij uit een en denzelfden geweerloop kwamen. Dat moest de Henry-karabijn van Old Shatterhand wezen, waarvan de knal hier waarlijk de kracht van een kanonschot had. Dadelijk daarop sprak ook het zilver-geweer van Winnetou. De gekwetsten gilden en toen volgde er een gehuil en gebrul, alsof alle duivels uit de hel losgebroken waren.
Old Firehand had den Apache bereikt, en kon nu zien wat en wie hij voor zich had. De rotsspleet werd hier over eenigen afstand wijder, en vormde een ruimte, die men genoeglijk een "ridderzaal in de rots" zou kunnen noemen. Het was een bijna ronde ruimte, zoo groot, dat er naar gissing wel honderd ruiters plaats in konden vinden. Het water stroomde er voort langs den linkerrand; en ofschoon ook hier nog schemerduister heerschte, kon men toch den troep Utahs zien.
De vijf vooruitgezonden krijgslieden hadden een groote fout begaan. Zij hadden hier halt gehouden, om op de hunnen te wachten. Als zij dat niet gedaan hadden, zouden de vier aan de overzijde post gevat hebbende blanken genoodzaakt geweest zijn hen aan te spreken, en dan hadden zij het hazenpad terug kunnen kiezen, om de hunnen te waarschuwen. Doordat zij gewacht hadden tot de anderen zich bij hen hadden gevoegd, waren zij nu allen ingesloten. Aan de overzijde stond Old Shatterhand met zijn opgeheven Henry-karabijn, en naast hem zat Hobble-Frank neergeknield, zoodat Davy en Jemmy over hem heen konden schieten. De Roodhuiden hadden op de aanmaning van Old Shatterhand niet dadelijk de wapenen nedergelegd, en daarom waren de schoten gevallen. Vijf doode Utahs lagen op den grond. De anderen konden bijna niet aan tegenweer denken; zij hadden genoeg te doen om hun paarden in toom te houden, die door het buitengewone weergalmen van de schoten schichtig waren geworden.
"Legt de wapenen neer, of ik schiet weer!" klonk opnieuw de stem van Old Shatterhand.
En van de andere zijde klonk het: "Hier staat Old Firehand! Als gijlieden uw leven wilt redden, geeft u dan over!"
En terstond daarop riep de Apache: "Wie kent Winnetou, den hoofdman der Apachen? Wie tegen hem zijn geweer opheft, verliest zijn scalp. Howgh!"
Waren de Utahs van gedachte geweest, dat zij den vijand enkel vóór zich hadden, zij zagen nu dat hun ook de terugtocht afgesneden was. Daar stond de machtige gestalte van Old Firehand, en de slanke, fiere gestalte van den beroemden hoofdman der Apachen. Naast hem, maar in het water, omdat er anders geen plaats was, stond Tante Droll met aangelegd geweer, en achter die drie zag men nog verscheiden geweerloopen blinken.
Niet een der Utahs waagde het, zijn geweer weer aan te leggen. Zij keken naar voren en naar achteren, en wisten niet wat zij doen zouden. Tegenstand bieden ware zich in het verderf storten; zooveel beseften zij allen; maar toch, zich zoo overgeven, zonder eenige onderhandeling, dat konden zij niet van zich verkrijgen. Hun talmen ziende, sprong Droll uit het water, liep regelrecht op den hoofdman aan, zette hem het geweer op de borst, en commandeerde: "Werp uw geweer neer of ik schiet u overhoop!"
De Groote Wolf keek verbouwereerd die dikke, vreemdsoortige gestalte aan, als zag hij zich door een spook aangetast; de vingers van zijn rechterhand openden zich, en lieten zijn geweer op den grond vallen.
"Ook den tomahawk en het mes!" klonk het gebiedend.
De hoofdman stak de hand in zijn gordel, haalde de twee genoemde wapens er uit, en wierp die op den grond.
"Nu uw lasso!" gebood Droll.
Ook aan dit bevel gehoorzaamde de Groote Wolf. Droll nam de lasso, en bond er de voeten van den hoofdman mee vast onder zijn paard. Toen nam hij dit bij den toom, bracht het ter zijde, en riep aan den Gunstick-Uncle die achter Old Firehand stond: "Kom hier, onkel! en bindt gij nu zijn handen!"
De Uncle trad stijf en statig voorwaarts, en antwoordde:
"Bloed behoeft er niet te vloeien! 'k Heb hem in mijn macht, om vlug Zijn handen op zijn rug Met zijn eigen riem te boeien!"
Meteen sprong hij achter den Grooten Wolf op zijn paard, volbracht wat hij gedeclameerd had, en sprong toen weer van het paard af. Het was alsof de hoofdman geen besef had van hetgeen er met hem gebeurde; hij verkeerde als in een droom. Zijn voorbeeld werkte. De zijnen schikten zich nu ook gedwee in hun lot; zij werden insgelijks ontwapend en geboeid; en dat ging met buitengewone snelheid, daar al de blanken zich beijverden om nu slechts het allereerst noodige gedaan te krijgen.
Hobble-Frank zou gaarne Winnetou begroet hebben; Davy en Jemmy waren ook verlangend om dat te doen; maar er was nu geen tijd, om zich dergelijke hartelijkheden te veroorloven; daarmee diende men te wachten tot later. Het allereerst noodige was nu, te maken dat men den canon uitkwam. Nauwelijks had men dan ook den laatsten Roodhuid gebonden, en al de buitgemaakte wapenen bijeengeraapt, of men vervolgde oogenblikkelijk den tocht. Vooraan reden de jagers, achter dezen kwamen de Roodhuiden, en de achterhoede vormden de rafters.
Winnetou en Old Firehand reden met Old Shatterhand voorop. Zij hadden hem stil de hand gedrukt, de eenige begroeting die zij voorloopig noodig vonden. Vlak vóór de gevangenen reden er twee, die elkander veel nader waren, dan beiden vermoedden, namelijk Tante Droll en Hobble-Frank. Zij spraken samen geen woord. Toen zij zoo een eind voortgereden hadden, trok Droll zijn voeten uit de stijgbeugels, klom al rijdende op den rug van zijn paard en ging toen achterste voren in het zadel zitten.
"Heavens! Wat heeft dàt te beteekenen?" vroeg Frank. "Wilt gij komedie gaan spelen, sir? Zijt gij bijgeval in een circus als clown werkzaam geweest?"
"Neen, master!" antwoordde de dikke. "Ik heb louter de gewoonte om de feestdagen zoo te vieren als zij vallen."
"Hoe bedoelt gij dat?"
"Ik ga verkeerd zitten, omdat het ons anders verkeerd zou kunnen gaan. Gij moet niet vergeten, dat wij vlak achter ons vijftig Roodhuiden hebben; en dat er licht iets zou kunnen gebeuren, waarop geen mensch bedacht is geweest. Zooals ik nu zit, houd ik hen in het oog, en ik heb de revolver in mijn hand, om hun, als het noodig is, een pil toe te dienen. Als gij wijs zijt, doet gij precies zooals ik."
"Hum! Wat gij zegt, is zoo dom niet. Mijn paard zal het mij niet kwalijk nemen: ik keer mij óók om."
Eenige seconden later zat ook hij verkeerd in het zadel, om op de Roodhuiden het oog te kunnen houden. Het kon nu bijna niet anders, of die twee potsierlijke ruiters moesten elkander dikwijls aankijken; daarbij werden hun blikken van lieverlede vriendelijker; het was klaarblijkelijk dat zij elkander bevielen. Dat duurde zoo een poos, zonder dat er een woord tusschen hen gewisseld werd; doch eindelijk kon Hobble-Frank niet langer het stilzwijgen bewaren. Hij begon: "Neem mij niet kwalijk als ik u naar uw naam vraag. Zooals gij daar naast mij zit, heb ik u reeds vroeger gezien."
"Waar dan?"
"In mijn verbeelding."
"Verduiveld! Wie zou dat gedacht hebben, dat ik in uw verbeelding huisde? En hoeveel huishuur heb ik u dan te betalen? En hoe is het met het opzeggen van de huur?"
"Dat laat ik alles aan uw eigen goeddunken over; maar van vandaag af aan, is het met de verbeelding uit, daar ik u nu in eigen persoon mag aanschouwen. Als gij zijt, voor wien ik u houd, heb ik veel grappigs van u gehoord."
"Zoo? Voor wien houdt gij mij dan?"
"Voor Tante Droll."
"En waar hebt gij van die tante gehoord?"
"Op verscheiden plaatsen, waar ik met Old Shatterhand en Winnetou geweest ben."
"Wat? Hebt gij met die twee beroemde mannen gereden?"
"Ja. Wij zijn boven in het gebergte geweest, in het Nationale Park en zaten ook in het Estacato."
"Sapperdekriek! Zijt gij dan bijgeval Hobble-Frank?"
"Ineens geraden! Kent gij mij?"
"Natuurlijk! De Apache heeft dikwijls over u gesproken, en u vandaag nog toen wij voor het bivak der Utahs lagen, een kleinen held genoemd."
"Een.... kleinen held!" zei Frank hem na, terwijl er een gelukzalig lachje over zijn gelaat gleed. "Een.... kleinen.... held! Dat moet ik in mijn oor knoopen. Gij hebt goed geraden, wie ik ben; maar nu weet ik nog niet of ik goed geraden heb?"
"Voor wien houdt gij mij dan?"
"Wel, dat heb ik u al gezeid: voor die Tante Droll."
"Goed geraden! Dat ben ik in hoogst-eigen persoon!"
"Inderdaad? Nu, dat doet mij drommels veel pleizier."
"Maar hoe zijt gij op het idee gekomen, dat ik die tante was?"
"In de eerste plaats door uw kleeding, en dan door uw gedrag. Ik heb dikwijls hooren vertellen, dat die Tante Droll een zeer courageus vrouwspersoon was; en toen ik u zoo handig met den hoofdman der Utahs zag omspringen, dacht ik dadelijk: Dat is geen mensch anders dan die tante."
"Zeer vereerend voor mij! Nu zijn wij allebei mannen, die den gek niet met zich laten steken. Maar de hoofdzaak voor mij is, dat ik gehoord heb, dat gij een landsman van Old Shatterhand zijt?"
"Ja, dat is waar."
"Dus een Duitscher?"
"Ja."
"Waar vandaan dan?"
"Uit het hartje. Ik ben, namelijk, een Saks."
"Wel drommels! Wat voor een? Koninkrijk? Altenburg? Koburg-Gotha? Meiningen-Hildburghausen?"
"Koninkrijk, Koninkrijk! Maar gij kent die namen zoo precies: zijt gij bijgeval ook een Duitscher?"
"Natuurlijk."
"Waar vandaan?" vroeg Frank, nu op zijn beurt verwonderd.
"Ook uit Saksen, namelijk Saksen-Altenburg."
"Wel, sapperloot!" riep de kleine uit. "Ook een Saks, en ook een Altenburger! Hoe is het mogelijk! Uit de stad Altenburg of van het platteland, he?"
"Niet uit de residentie, maar uit Langenleube."
"Langen...leube?" vroeg Frank, terwijl zijn mond wijd open bleef staan. "Langenleube-Niederhain?"
"Ja, òf ik dat ken! Ik heb er familie wonen, zeer na in den bloede, bij wie ik als jongen tweemaal op de kermis geweest ben. Als de menschen van kermis praten, dan zijn je dàt kermissen, daar in het Altenburgsche! Veertien dagen lang worden er pannekoeken gebakken. En als zulk een kermis uit is, begint er op een ander dorp weer een. Daarom spreekt men daar ook zoo in het algemeen van den Altenburger plattelandskost."
"Precies!" zei Droll met een hoofdknikje. "Wat kermishouden is, weten wij daar; en er aan meedoen kunnen wij ook. Maar gij hebt familie bij ons, zegt gij? Hoe heeten die menschen, en waar zijn ze vandaan?"
"Het is zeer na in de familie. Het is namelijk zóó: Mijn vader heeft een peetoom gehad, wiens schoondochter zaliger in Langenleube weder getrouwd was. Later is zij gestorven; maar haar stiefzoon heeft een zwager; en dat is de persoon, dien ik bedoel."
"Zoo. En wat deed die voor den kost?"
"Die deed zoo wat van alles. Hij was een gladde vogel, dat was hij, een man, die overal op zijn plaats was. Nu eens was hij koffiehuisbediende, dan kelderknecht, dan weer koster, tusschenbeide ook sergeant-majoor bij de burgerwacht; als dat te pas kwam ook bruiloftsnooder, en ook...."
"Stop!" viel Droll hem in de rede, hem meteen bij den arm grijpende. "Hoe was zijn naam?"
"Hoe de voornamen waren, weet ik mij niet meer te herinneren; maar zijn 'van' was Pampel. Ik noemde hem altijd maar neef Pampel."
"Wat? Pampel? Versta ik het wel goed?" riep Droll. "Had hij kinderen?"
"Ja, een zwerm!"
"Weet ge ook hoe die kinderen geheeten hebben?"
"Neen, dat weet ik niet meer. Maar van den oudsten zoon herinner ik mij den naam heel goed. Dat was een ferme jongen; hij heette Bastel."
"Bastel, dus Sebastiaan."
"Ja, want Sebastiaan wordt op zijn Altenburgsch Bastel uitgesproken. Ik geloof dat hij er ook nog Melchior bij heette--dien naam hebben in Altenburg van de tien menschen negen."
"Ja, ja, dat klopt, dat klopt precies: Sebastiaan Melchior Pampel. Weet gij ook wat er van hem geworden is?"
"Tot mijn leedwezen, neen!"
"Kijk mij eens aan! Kijk mij eens goed aan!"
"Waarom?"
"Omdat ik het ben wat er van hem geworden is."
"Gij.... gij?" vroeg de kleine.
"Ja, ik! Ik was die Bastel; en ik weet nog zeer goed wie bij ons op de kermis geweest is: dat was neef Frank uit Moritzburg, die later knecht bij den boschwachter geworden is."
"Dat ben ik, ik in eigen persoon. Neef! Dus hier, hier midden in de wildernis ontmoeten wij elkander als stamverwante menschen en koezijns! Wie had zoo iets ooit kunnen denken. Kom hier, broederhart! Ik moet u in mijn armen drukken!"
"Ja, ik ook. Hier hebt gij mij!"
Hij boog zich naar den ander en de ander boog zich naar hem. Daar beiden verkeerd op hun paarden zaten, ging de omarming niet bijzonder gemakkelijk, maar de moeilijkheden werden toch overwonnen.
De somber kijkende Indianen wisten bepaald niet wat zij van de gebaren der beide blanken denken moesten; maar die twee bekreunden zich niet om al die geverfde gezichten; zij reden hand aan hand naast elkander, met hun ruggen naar voren, en praatten over de gelukkige dagen van hun jeugd. En zij zouden waarschijnlijk nog in lang niet uitgepraat geweest zijn, indien er niet een staking in den tocht was gekomen. Men had, namelijk, het einde van de rotsspleet bereikt, die uitliep op een grooteren en veel breederen canon.
Wel was de zon reeds zoo ver aan het ondergaan, dat haar stralen er den bodem niet meer bereikten, maar er was toch nog licht, en daarbij een zuivere atmosfeer. De ruiters haalden ruimer adem, toen zij in de open lucht kwamen, hetgeen zij echter niet deden, zonder eerst behoorlijk rondgezien te hebben of er zich geen vijandige wezens in den omtrek bevonden.
Die canon was misschien tweehonderd passen breed, en over den bodem stroomde een smal riviertje, dat men gemakkelijk doorwaden kon. Langs dit water groeide gras en kreupelhout, en er stonden ook eenige boomen.
De Roodhuiden werden van de paarden afgenomen en, nadat hun voeten weer geboeid waren, op den grond gezet. Nu eerst was het gunstige oogenblik gekomen om elkander hartelijk te begroeten, en daarvan werd dan ook behoorlijk gebruik gemaakt. Zij, die nog niet met elkander bekend waren, maakten thans kennis, en het duurde niet lang of allen waren met elkander op den gemeenzaamsten voet. Daarvan waren Firehand, Shatterhand, Winnetou, de lord en de ingenieur natuurlijk uitgesloten.
De troep van Old Firehand had leeftocht bij zich gehad, en er werd allereerst gegeten. Daarna moest over het lot der Roodhuiden beslist worden. Hierover liepen de meeningen nogal uiteen. Winnetou, Old Firehand en Old Shatterhand waren bereid hen op vrije voeten te stellen; maar de anderen verlangden strenge straf. De lord sprak zijn gevoelen uit als volgt: "Totdat de wedstrijden afgeloopen waren zijn zij, naar mijn oordeel niet strafbaar; maar toen hadden zij u de vrijheid moeten geven. In plaats daarvan hebben zij u vervolgd, om u te vermoorden, en ik twijfel er geen oogenblik aan, dat zij dat ook gedaan zouden hebben, indien zij er slechts gelegenheid toe gehad hadden."
"Dat ben ik volkomen met u eens," zei Old Shatterhand; "maar zij hebben er geen gelegenheid toe gevonden, en zij hebben het dus ook niet gedaan."
"Well! Dan is hun oogmerk toch strafbaar: men moet den wil voor de daad nemen."
"En hoe zoudt gij hun oogmerk dan gestraft willen zien?"
"Ja, dat is moeilijk te beslissen."
"Toch niet met den dood?"
"Neen."
"Met gevangenschap, met tuchthuis?"
"Pshaw! Ransel hen goed af."
"Dat zou het onverstandigste zijn van alles wat wij doen konden, want er is voor den Indiaan geen grootere beleediging dan klappen. Zij zouden ons vervolgen tot aan het uiteinde van het vasteland."
"Leg hun dan een geldboete op."
"Hebben zij geld?"
"Neen; maar zij hebben paarden en wapenen."
"Is uw bedoeling, dat wij hun die moeten afnemen? Dat zou wreedaardig zijn. Zonder paarden en wapens zouden zij van honger omkomen of in handen van hun vijanden vallen."
"Ik begrijp u niet, sir! Hoe inschikkelijker gij met dat volkje zijt, des te ondankbaarder zullen zij worden. Het bevreemdt mij, dat gij zoo zachtmoedig over hen denkt, daar zij zich aan u het ergst vergrepen hebben."
"En juist omdat zij zich aan mij, Frank, Davy en Jemmy vergrepen hebben, juist daarom zijn wij met ons vieren de eenigen, die over hun lot te beslissen hebben."
"Doe dan met hen, zooals gij verkiest!" zei de lord, terwijl hij zich gemelijk omdraaide. Maar dadelijk wendde hij zich weer tot Old Shatterhand en vroeg: "Willen wij eens wedden?"
"Waarover?"
"Dat die kerels u met ondank beloonen zullen, als gij hen te zachtmoedig behandelt."
"Neen."
"Ik wed om tien dollars."
"Ik niet."
"Ik zet twintig dollars tegen tien!"
"En ik wed in 't geheel niet!"
"Nooit?"
"Neen."
"Dat is jammer! dat is eeuwig jammer! Van Osage-nook af tot hier, op dien ganschen langen rit, heb ik geen enkelen keer gelegenheid gevonden om eens een weddenschap aan te gaan. Na alles wat ik van u gehoord heb, moet ik u voor een echt gentleman houden; en nu antwoordt ook gij mij, dat ge nooit wedt. En ik herhaal dus: Doe dan met hen zooals gij verkiest!"
Hij was werkelijk eenigszins korzelig geworden. In de levenswijze van het verre Westen had hij zich zeer spoedig goed weten te schikken; maar dat hij nooit eens iemand aantrof, die met hem wedden wilde, dat beviel hem niet erg.
De woorden van Old Shatterhand, dat hij, Frank, Jemmy en Davy de eenigen waren, die het recht hadden om over het lot der Roodhuiden te beslissen, waren niet zonder uitwerking gebleven, en na een beraadslaging, die vrij lang geduurd had, was men eindelijk de zaak eens geworden, dat aan de genoemde vier de beslissing zou worden overgelaten, met dien verstande echter, dat men van de Roodhuiden geen verdere vijandelijkheden meer te verwachten zou hebben. Er moest dus nu een degelijke overeenkomst met hen gesloten worden. Daartoe was het niet voldoende, dat die met hun hoofdman alleen werd getroffen; zijn onderhebbenden moesten ook hooren wat hij zei en beloofde. Misschien dat hij zich dan, om in hun oogen een man van eerlijkheid en goede trouw te blijven, nog te meer genoopt zou voelen om zijn gegeven woord gestand te doen.
Er werd dus een ruime kring gevormd, die uit al de blanken en al de Roodhuiden bestond. Twee rafters moesten aan de twee uiteinden van den canon de wacht houden, om dadelijk te kunnen waarschuwen wanneer er soms een vijand in aantocht was. De hoofdman zat vlak voor Winnetou en Old Shatterhand. Hij sloeg de oogen niet naar hen op; maar men kon niet aan hem zien of dat schaamte was, dan wel verstoktheid.
"Wat denkt de Groote Wolf wel, dat wij nu met hem doen zullen?" vroeg Old Shatterhand in de taal der Utahs.
De gevraagde gaf geen antwoord.
"De hoofdman der Utahs is bang; daarom antwoordt hij niet."
Nu vlamden zijn oogen op; met een kwaadaardigen blik keek hij den jager aan, en zei: "Als het bleekgezicht zegt, dat ik bang ben, is hij een leugenaar."
"Geef dan antwoord! Overigens moogt gij niet van leugens spreken; want gij zijt het, die zich er van bediend heeft."
"Dat is niet waar."
"Het is wel degelijk waar. Toen wij ons nog in uw legerplaats bevonden, heb ik u gevraagd of wij vrij zouden zijn, indien ik u overwon. Wat hebt gij mij daarop geantwoord?"
"Dat gij dan heen kondt gaan."
"Was dat geen leugen?"
"Neen, wat gij zijt immers gegaan."
"Maar gij hebt ons vervolgd!"
"Neen!"
"Wilt gij dat ontkennen?"
"Ja, dat ontken ik."
"Met welk doel hebt gij dan het bivak verlaten?"
"Om naar de verzamelplaats der Utahs te rijden, niet om u te vervolgen."
"Waarom hebt gij dan vijf man op ons spoor gezonden?"
"Dat heb ik niet gedaan. Wij hebben de strijdbijlen opgegraven, en als dat gebeurt, moeten wij voorzichtig zijn. Toen ik u de vrijheid beloofde, indien ik door u overwonnen werd, wist ik niet eens in welke richting gij u heen begeven zoudt. Wij wilden u in dat geval laten vertrekken, en dat hebben wij gedaan. Wij hebben dus woord gehouden; maar gij, gij hebt ons overvallen, ons alles afgenomen en vijf van onze krijgslieden gedood. Hun lijken liggen nog in de rots-spleet."
"Gij weet zeer goed wat ik van uw woorden te denken heb. Waarom is er uit uw wachtposten op ons geschoten, toen wij wegreden?"
"Die daar op post stonden wisten niet wat ik u beloofd had."
"Waarom hebben dan al uw krijgslieden den oorlogskreet aangeheven? Die wisten toch zeer goed wat gij beloofd hadt."
"Dat geschreeuw gold niet u, maar diende om aan de wachtposten te kennen te geven, dat zij niet meer schieten moesten. Alles wat wij gedaan hebben was goed gemeend, maar wordt door u in ons nadeel uitgelegd."
"Gij verstaat de kunst om u zeer scherpzinnig te verdedigen; maar het gelukt u niet, mij uw onschuld te bewijzen. Ik wil eens zien of uw krijgslieden den moed hebben, oprechter te wezen dan gij zelf zijt."
Hij deed aan eenigen der Roodhuiden de vraag, op wie het bij hun laatsten rit gemunt was geweest, en zij antwoordden in overeenstemming met den hoofdman, dat zij niets kwaads tegen de bleekgezichten van zins waren geweest.
"Die menschen willen u niet tot een leugenaar maken," vervolgde hij, het woord weer tot den hoofdman richtende. "Maar ik heb een onomstootelijk bewijs. Wij zijn tot dicht in de nabijheid van uw bivak geslopen, en hebben uw lieden beluisterd. Wij weten, dat uw plan was ons te dooden."
"Dat vermoedt gij maar."
"Neen, wij hebben het gehoord. Wij weten ook, dat het bivak morgen opgebroken wordt, en dat al de krijgslieden u naar de verzamelplaats der Utahs zullen volgen; maar de vrouwen en kinderen gaan naar de ouden in het gebergte. Is dat waar?"
"Ja."
"Welnu, zoo is al het andere, dat wij afgeluisterd hebben, ook waar. Wij zijn vast overtuigd, dat gij ons naar het leven getracht hebt. Welke straf denkt gij nu wel, dat gij daarvoor krijgen zult?"
De Groote Wolf gaf geen antwoord.
"Wij hadden u niets gedaan, en gij hebt ons meegenomen om ons te dooden. En nu hebt gij ons van het leven willen berooven; gij hebt dus meer verdiend dan eenvoudig den dood. Maar wij zijn christenen. Wij willen u alles vergeven. Gij zult uw vrijheid en wapenen terugontvangen; en daarvoor moet gij ons beloven, dat aan niemand van ons, die hier zitten, ooit door u een haar gekrenkt zal worden."
"Zegt uw tong dat of uw hart?" vroeg de hoofdman, met een ongeloovig uitvorschenden, doordringenden blik Old Shatterhand aanziende.
"Mijn tong heeft nooit andere woorden dan mijn hart. Zijt gij bereid mij die belofte te geven?"
"Ja."
"Dat wij allen, zooals wij hier bijeen zijn, roode en blanke mannen, van dit oogenblik af aan broeders zijn?"
"Ja."
"Die elkander willen en moeten bijstaan in allen nood en gevaar?"
"Ja."
"En zijt gij bereid dat met de vredespijp te bezweren?"
"Ja, daar ben ik bereid toe."
Hij antwoordde vlug, zonder zich een oogenblik te bedenken; daaruit was wèl op te maken, dat het hem met zijn belofte ernst was. De uitdrukking van zijn gelaat was niet te zien, door de dikke verfkorst, die er op zat.
"Dan zullen wij de pijp laten rondgaan," vervolgde Old Shatterhand. "Ik zal u de woorden voorzeggen, die gij daarbij nazeggen moet."
"Zeg ze, ik zal ze nazeggen."
Deze bereidwilligheid scheen een goed teeken te zijn, en deed den goedhartigen jager innig genoegen; maar toch kon hij niet nalaten er een waarschuwing bij te voegen: "Ik hoop, dat gij het dezen keer eerlijk meent. Ik ben altijd een vriend van de roode mannen geweest; ik neem in aanmerking, dat de Utahs thans aangevallen zijn. Was dat het geval niet, dan zoudt gij er niet zoo gemakkelijk van afkomen. Als gij echter ook nu weer trouweloos wordt, zoudt gij er voor boeten met uw leven. Dat waarschuw ik u, en ik zal woord houden!"
De hoofdman keek vóór zich op den grond, zonder zijn oogen naar den sprekende op te slaan. Deze nam nu den calumet, die om zijn hals hing, en stopte hem. Nadat hij hem aangestoken had, maakte hij de boeien van den hoofdman los. Deze moest opstaan, den rook naar de bekende zes richtingen blazen, en daarbij zeggen: "Ik ben de Groote Wolf, de hoofdman der Yampa-Utahs; ik spreek voor mij en voor deze mijne krijgslieden, die zich bij mij bevinden. Ik spreek tegen de bleekgezichten, die ik zie, tegen Old Firehand, Old Shatterhand en alle anderen, ook tegen Winnetou, den beroemden hoofdman der Apachen. Al die krijgslieden en blanke mannen zijn onze vrienden en broeders. Zij zullen zijn als wij, en wij zullen zijn als zij. Er zal hun nooit door ons eenig leed geschieden, en wij zullen liever sterven, dan hun reden te geven, om ons voor hun vijanden te houden! Dat is mijn eed. Ik heb gezegd, Howgh!"
Hij ging weer zitten. Nu werden ook de anderen van hun boeien bevrijd, en de pijp ging van mond tot mond, totdat allen gerookt hadden. Zelfs de kleine Ellen Butler moest haar zes haaltjes doen; in haar eigen belang mocht men haar niet daarvan verschoonen.
Daarop ontvingen de Roodhuiden al hun wapenen terug. Dat was niets gewaagds, indien men op hun eed vertrouwen kon. Maar toch waren de blanken volkomen op hun hoede, en ieder hunner hield de hand in de nabijheid van zijn revolver. De hoofdman haalde zijn paard, en vroeg toen aan Old Shatterhand: "Heeft mijn broeder ons de vrijheid volkomen teruggegeven?"
"Ja, volkomen."
"Dus mogen wij wegrijden?"
"Ja, waarheen gij wilt."
"Dan zullen wij naar ons bivak terugkeeren."
"O! Ik dacht, dat u naar de verzamelplaats der Utahs wilde. Nu bewijst gij toch, dat uw rit wel degelijk ons heeft gegolden?"
"Neen. Gij hebt ons den tijd doen verliezen, zoodat wij nu te laat zouden komen. Wij gaan terug."
"Door de rotsspleet?"
"Ja. Vaarwel!"
Hij gaf hem de hand, en steeg te paard. Toen reed hij de rotsspleet in, zonder verder naar iemand om te zien. De zijnen volgden hem, nadat zij allen, een voor een, vriendelijk gegroet hadden.
"En de kerel is toch een schobberd!" zei de oude Blenter. "Als de verf niet een vinger dik op zijn bakkes lag, zou men de valschheid er uit hebben kunnen proeven. Een kogel door zijn kop was het beste geweest!"
Winnetou hoorde die woorden, en merkte aan: "Mijn broeder kan gelijk hebben, maar het is beter goed te doen dan kwaad. Wij blijven van nacht hier, en ik zal nu de Utahs volgen, om hen te beluisteren."
Hij verdween in de rotsspleet, niet te paard; want te voet kon hij gemakkelijker volbrengen wat hij te doen had.
Eigenlijk was het nu allen veel beter en vrijer te moede, dan te voren. Wat zou men met de Utahs hebben moeten aanvangen? Hen dooden? Onmogelijk! Hen als gevangenen met zich meesleepen? Even onmogelijk! Nu had men hen in de verplichting gebracht, om vrede en vriendschap te betrachten, en men was hen meteen kwijt. Dat was beter, dan iets anders.
De dag begon ter ruste te neigen, daar het hier in den canon eer donker werd dan daarbuiten. Eenigen der mannen gingen hout zoeken voor een bivakvuur. Old Firehand reed zuidwaarts in den canon naar beneden, en Old Shatterhand noordwaarts naar boven, om te verkennen. Men moest voorzichtig zijn. Beiden legden een goed eind weegs af, en niets bespeurende dat argwaan wekken kon, keerden zij terug.
Er waren hier stellig in langen tijd geen menschen geweest, die een vuur gebrand hadden; want ofschoon er geen sprake kon zijn van een bosch, vond men toch hout om te branden in overvloed. De voorjaarsvloed had veel meegebracht en aangespoeld. Niemand verheugde zich meer over het vuur dan de lord, want dat verschafte hem een heerlijke gelegenheid om met behulp van zijn braadpan zijn talenten als kok in praktijk te brengen. Men had nog een kleinen voorraad vleesch, en bovendien conserven, meel en zooal meer, welk een en ander men uit Denver meegenomen had. Nu kon hij bakken en braden naar hartelust.
Later kwam ook Winnetou terug. Die man had, in weerwil van de stikdonkere duisternis, die in den canon heerschte, met zijn geoefende oogen zonder moeite den weg gevonden. Hij verhaalde, dat de Utahs de lijken meegenomen, en werkelijk hun weg vervolgd hadden. Hij had hen tot buiten de rotsspleet gevolgd en nog duidelijk gezien, dat zij de steile rotshelling opgereden waren, en toen waren zij boven in het bosch verdwenen.
Toch werd er een wacht diep in de rotsspleet uitgezet, ten einde van dien kant elke overrompeling onmogelijk te maken. Twee andere wachten stonden ieder op honderd passen afstands aan de boven- en aan de benedenzijde van het bivak in den hoofdcanon, op die wijze was voor volkomen veiligheid gezorgd.
Men had elkander natuurlijk veel te vertellen, en het was al lang na middernacht toen men zich ter ruste neerlegde. Old Firehand bezocht eerst nog de wachtposten, om zich te vergewissen, dat er goed gewaakt werd; en aan de anderen bracht hij nog eens in herinnering hoe de volgorde was, waarin de aflossing moest plaats hebben. Toen werd het vuur uitgebluscht, en er heerschte stilte en duisternis in den canon.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
GEVANGEN EN BEVRIJD.
Winnetou had goed gezien; de Utahs waren boven in het bosch verdwenen; zij waren er echter niet doorheen gereden, maar hadden er halt gehouden. Het vervoer van de lijken was hun niet zeer moeilijk gevallen, daar zij, bij hun eigen paarden, tevens die der gedooden terugontvangen hadden. Nu liet de hoofdman de lijken van de paarden afnemen. Daarop trad hij terug naar den zoom van het bosch, keek naar de rotsspleet in de laagte, en zei: "Zij zullen ons denkelijk wel in het oog gehouden hebben. Daarbeneden staat stellig zulk een blanke hond, om te zien of wij werkelijk naar ons bivak terugkeeren."
"Doen wij dat dan niet?" vroeg een zijner onderhebbenden, die zich waarschijnlijk door dapperheid of door eenigerlei andere verdienste zoo onderscheiden had, dat hij die vraag durfde veroorloven.
"Hebt gij even weinig hersens als de jakhalzen der prairie?" voer de Groote Wolf tegen hem uit. "Wraak moeten wij hebben, wraak moeten wij nemen op dat blanke ontuig."
"En het zijn nu onze vrienden en broeders?"
"Neen."
"Hebben wij dan de vredespijp niet met hen gerookt?"
"Van wien was die pijp?"
"Van Old Shatterhand."
"Welnu, dan is de eed verbindend voor hem, maar niet voor ons. Waarom is hij zoo dom geweest, zich niet van mijn pijp te bedienen! Begrijpt gij dat niet?"
"De Groote Wolf heeft altijd gelijk," antwoordde de man, die het met de spitsvondigheid van den hoofdman volkomen eens was. Zijn uitlegging moest, natuurlijk, iederen krijgsman der Utahs naar den zin zijn.
"Morgenochtend zullen de zielen der bleekgezichten reeds de eeuwige jachtgronden betreden, om ons daar later te bedienen," vervolgde de hoofdman.
"Wilt gij hen overrompelen?"
"Ja."
"Dan zijn wij te weinigen in getal; en wij kunnen ook niet door de rotsspleet terug, want die zullen zij wel bewaken."
"Dan gaan wij een anderen weg, en halen eerst nog zooveel krijgslieden, als wij noodig hebben. Er liggen er immers genoeg daarginds hooger op in het P'a-mow (= Woud van het Water)? loopt er niet verder hooger op dwars door den canon een weg, dien de bleekgezichten niet schijnen te kennen? De lijken en paarden blijven hier, en twee van ulieden er bij als bewakers. Wij overigen rijden noordwaarts."
Dat besluit werd ten uitvoer gebracht. Het bosch was wel slechts smal, maar vormde een strook van een uur gaans lengte, langs welke de Utahs voortrenden in galop, totdat de hoogte langzamerhand afdaalde naar een ravijn, dat dwars door de rots liep. Door dat ravijn kwam de Groote Wolf in den hoofdcanon, waar de blanken zich bevonden; trouwens, dat ravijn liep er in uit minstens drie Engelsche mijlen hooger op, dan het bivak der blanken. Tegenover het ravijn liep een enge zijcanon in den hoofdcanon uit; doch die was niet zoo smal als de rotsspleet, waar vandaag de ontmoeting tusschen de blanken en de Roodhuiden had plaats gehad. Daarheen richtte zich de Groote Wolf met zijn gevolg. Hij scheen den weg zeer goed te kennen, althans in weerwil van de duisternis vergiste hij zich geen enkelen keer, en mende zijn paard met zooveel zekerheid, als bevond hij zich op een goed onderhouden straatweg.
Deze canon had geen water, en liep bergop. Weldra bereikten de Roodhuiden de kruinhoogte van de uitgestrekte rotsvlakte, in welke het veelvertakte net der canons diep ingesneden is. In galop ging het de vlakte over, en na verloop van een half uur begon de streek langzaam te dalen in de gedaante van een breede, zachte insnijding. Rechts en links bleven de rotsen als beschuttende wanden staan, aanhoudend hooger wordende, hoe lager het terrein daalde, en toen doken vóór de verraderlijke bende de bladerrijke toppen van boomen op, waaronder veel vuren brandden. Het was een bosch, of beter gezegd een woud, midden op of in de door stormen gladgeveegde, en door de zon uitgedroogde en tot steen verschroeide vlakte.
Dit bosch had zijn ontstaan louter te danken aan de depressie van den bodem. De stormen loeiden er overheen, zonder het te beroeren, en de neerslag van het hemelwater kon er zich verzamelen, om een soort van meer te vormen, welks water de aardkorst week en voor de wortels vruchtbaar maakte. Dat was de P'a mow, het Woud van het Water, waarheen de Groote Wolf zich begeven wilde.
Er was volstrekt geen maneschijn noodig geweest om hier den weg te kunnen vinden, zoo talrijk waren de vuren, die hier brandden. Het was er een bedrijvig kampleven, en wel het leven van een kamp in oorlogstijd. Men zag er geen tent, geen hut of barak. De vele roode krijgslieden, die men er zag, lagen bij de vuren hetzij op hun dekken, hetzij op den naakten grond; daartusschen lagen of stonden en graasden even zooveel paarden. Dat was de plaats, waar de scharen der Utahs van alle stammen zich verzamelen moesten voor den aanstaanden krijgstocht.
Toen de Groote Wolf bij het eerste vuur aankwam, hield hij halt, steeg van zijn paard af, wenkte de zijnen, dat zij hier moesten wachten, en riep een der bij het vuur zittenden den naam "Nanap neaw" toe. Die twee woorden beteekenden "oude hoofdman". Daarmede was stellig de opperbevelhebber van al de Utah-stammen bedoeld. De aangesprokene stond op, en bracht den Grooten Wolf naar het meer, aan welks oever een groot, van de overige afgezonderd, vuur brandde. Aan dat vuur zaten vier Indianen, allen getooid met een adelaarsveer. Vooral een hunner moest inzonderheid de opmerkzaamheid trekken. Hij had zijn gezicht niet geverfd; het was doorploegd door ontelbare diepe rimpels. Zijn lang, sneeuwwit haar hing neer tot op zijn rug. Die man was stellig op zijn minst tachtig jaar oud, en toch zat hij zoo rechtop, krachtvol en fier, als telde hij vijftig levensjaren minder. Hij sloeg een doordringenden blik op de naderenden, maar zonder een woord of een groet te uiten; ook de anderen zwegen. De Groote Wolf ging zitten zonder iets te zeggen, en keek voor zich op den grond. Zoo verliep er een goede poos; toen eindelijk klonk het uit den mond van den oude: "De boom werpt in den herfst zijn bladeren af; maar als hij die vroeger verliest, deugt hij niet meer, en moet omgehakt worden. Drie dagen geleden droeg hij ze nog; waar zijn ze gebleven?"
Deze vraag zinspeelde op de adelaarsveeren, die de Groote Wolf niet meer droeg; er lag voor elken dapperen krijgsman een grievend verwijt in.
"Morgen zal die tooi het hoofd weer sieren, en zullen aan den gordel de scalps van tien of twintig bleekgezichten hangen," antwoordde de Groote Wolf.
"Is de Groote Wolf door bleekgezichten overwonnen, dat hij de onderscheidingsteekenen van zijn dapperheid en waardigheid niet meer dragen mag?"
"Door slechts één bleekgezicht, maar wiens vuist zwaarder is dan de handen van honderd andere blanke mannen."
"Dat kan niemand anders wezen dan Old Shatterhand."
"Die is het!"
"Oef!" ontsnapte het aan de lippen van den oude, en "oef!" klonk het ook uit den mond der anderen. Toen vroeg hij: "Dus heeft de Groote Wolf dien beroemden blanke gezien?"
"Hem, en nog vele anderen: Old Firehand, Winnetou, den langen en den dikken jager, een troep, wel vijfmaal tien hoofden sterk. Ik ben gekomen, om u hun scalpen te kunnen brengen."
De Indiaan moet zijn gevoelens en gewaarwordingen weten te verbergen; vooral wordt dat van de oudsten en van de hoofdmannen verlangd; maar wat deze vier aanvoerders nu hoorden, gaf zulk een geweldigen schok aan hun zelfbeheersching, dat zij aan hun gemoedsbeweging onwillekeurig lucht gaven in uitroepen van blijdschap, verwondering en verbazing. Het gelaat van den oude nam zulk een uitdrukking van spanning aan, dat er bijna geen rimpel meer op te zien was.
"De Groote Wolf kan vertellen!" zei hij.
Het verhaal was niet in overeenstemming met de waarheid; hij deed zijn best, om zich zelf en zijn handelwijze in een gunstig daglicht te stellen. De anderen zaten bewegingloos, en hoorden het verhaal met de grootste opmerkzaamheid aan. Daarna vroeg de oudste der hoofdmannen: "En wat wil de Groote Wolf nu doen?"
"Gij zult mij nog vijftig krijgslieden geven, waarmee ik die honden overrompelen zal. Hun scalpen moeten aan onze gordels hangen, nog eer de dag van morgen aanbreekt."
De rimpels van den oude kwamen weer te voorschijn; hij fronste zijn wenkbrauwen, en zijn haviksneus werd nog wel ééns zoo dun en scherp.
"Nog eer de dag van morgen aanbreekt?" vroeg hij. "Zijn dat woorden van een rooden krijgsman? De bleekgezichten hebben ons overvallen en beroofd, en onze mannen gedood. Nu rukken zij met overmacht op ons aan, om ons bloed te vergieten, en roepen ook de scharen der Navajos tegen ons in het veld. Zij hebben het gemunt op onzen ondergang; en nu de Groote Geest de beroemdsten en voornaamsten hunner in onze handen heeft gegeven, zullen zij snel en zonder pijnen sterven gelijk een kind in de armen der moeder. Wat zeggen mijn roode broeders van die woorden van den Grooten Wolf?"
"De blanken moeten aan den martelpaal!" antwoordde een der hoofdmannen.
"Wij moeten hen levend vangen!" sprak de tweede.
"Hoe beroemder zij zijn, des te grooter moeten hun pijnen zijn!" was het oordeel van den derde.
"Mijn broeders hebben goed gesproken," prees de oude. "Wij zullen die honden levend grijpen."
"De oude hoofdman moet bedenken, welke mannen er onder hen zijn," waarschuwde de Groote Wolf. "Old Shatterhand duwt den kop van een buffel op den grond neer, en Old Firehand doet niets voor hem onder. In hun wapenen schuilen alle booze geesten. En Winnetou is een groot krijgsman...."
"Maar een Apache," viel de oude hem driftig in de rede. "Behooren de Navajos, die tegen ons oprukken, misschien niet tot de Apachen? Hij is onze doodvijand, en moet veel erger gemarteld worden dan de bleekgezichten. Ik weet over welke krachten en bekwaamheden die beroemde bleekgezichten te beschikken hebben; maar wij hebben krijgslieden genoeg om hen dood te drukken. Gij hebt het eerste recht op wraak, en zult dus de aanvoerder zijn. Ik geef u driehonderd krijgslieden mee, en gij moet mij de bleekgezichten levend brengen."
"Mag ik dan, als zij aan den martelpaal gebonden worden, de scalps nemen van Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou?"
"Die behooren aan u, maar alleen dan, wanneer geen blanke van te voren gedood wordt. Een ontijdige dood van ieder hunner zou ons berooven van het genot hen te zien martelen. Gij hebt reeds vijftig man bij u; dus komen er op iederen blanke zeven Roodhuiden. Als gij hen goed bekruipt, moet het u gelukken hen te omslingeren en te binden, eer zij goed wakker zijn. Neemt vooral genoeg riemen mee! Kom nu; ik zal de manschappen kiezen, die met u meegaan. De anderen, die hier blijven, zullen er jaloersch over wezen; maar om hen schadeloos te stellen, zullen zij de voorsten zijn aan de martelpalen."
Zij stonden op, en deden een rondgang van het eene vuur naar het andere, om de uitverkorenen aan te wijzen. Men had spoedig de driehonderd man bijeen, en buitendien nog vijftig om op de paarden te passen, die niet tot dicht in de nabijheid der blanken medegenomen konden worden. De Groote Wolf gaf aan die lieden de noodige opheldering wat er gedaan worden moest, beschreef hun nauwkeurig de plaatselijke gesteldheid, en zette hun vervolgens zijn plan van aanval uiteen. Toen stegen de Roodhuiden te paard en aanvaardden hun tocht, die voor de blanken zoo noodlottig moest worden. De namen Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou weerklonken in aller ooren. Welk een roem, zulke helden gevangengenomen en aan den martelpaal gebracht te hebben.
Het ging precies denzelfden weg terug, dien de Groote Wolf gekomen was, maar slechts tot in den hoofdcanon. Daar steeg men af, om de paarden onder bewaking van de vijftig man achter te laten. Bij de overmacht, waarover men te beschikken had, kon de onderneming geacht worden zoogoed als zonder gevaar te zijn. En toch was het welgelukken nog niet eens zeker; de paarden der blanken konden alles nog verijdelen. De Groote Wolf wist maar al te wel, hoe die dieren de gaaf hadden, om de nadering van een Roodhuid reeds van verre te ruiken. Bij de nadering van een troep van driehonderd Indianen was te veronderstellen, dat die paarden zeer onrustig zouden worden en dat ze door hun luid gesnuif alles zouden verraden. Wat was daartegen te doen? De hoofdman uitte zijn twijfel. Een hunner bukte, trok een plant uit, en zei: "Hier is een onfeilbaar middel, om den fijnen neus der paarden te misleiden."
De hoofdman herkende de plant aan den sterken reuk, dien zij van zich gaf. Het was een wilde salie-plant. Er zijn in het verre Westen streken, verscheiden vierkante mijlen groot, die geheel met salie bedekt zijn. Ook in dezen canon, waar de zon tot op den bodem kon doordringen, groeide die plant in overvloed. De raad was goed, en werd terstond gevolgd. De Roodhuiden wreven hun handen en kleederen met salie in. Dit gaf zulk een sterken reuk, dat men veilig kon aannemen, dat de paarden der blanken er door verschalkt zouden worden. Buitendien merkte de Groote Wolf, dat de onbeduidende luchtstroom, die er was, van beneden naar boven kwam, en derhalve in het voordeel van de Roodhuiden was.
Dezen hadden, hun overgroote meerderheid in aanmerking nemende, hun geweren niet medegenomen, en waren slechts gewapend met messen. De blanken zouden zoo overrompeld en opeengedrongen worden, dat het in het geheel niet tot een gevecht kon komen.
Nu werd de verdere tocht te voet aangevangen, een afstand van drie Engelsche mijlen. Aanvankelijk kon men zonder veiligsheidsmaatregelen voortmarcheeren, doch toen er twee mijlen afgelegd waren, was het raadzaam voorzichtiger te zijn.
Eerst nu kwam de hoofdman op de gedachte, dat de blanken uit voorzichtigheid hun bivak naar elders verlegd konden hebben; en die gedachte vervulde hem met een bijna koortsachtige ongerustheid. Verder ging het aanhoudend verder, zacht en slangachtig. Zeshonderd voeten, en nog hoorde men geen het minste gedruisch, geen steentje werd er van zijne plaats afgebrokkeld, geen twijgje werd er geknakt. Maar....eensklaps bleef de voorop marcheerende Wolf stilstaan. Hij zag het wachtvuur branden. Dat was juist op het oogenblik, toen Old Firehand de posten in oogenschouw nam. De hoofdman had overdag gezien, dat er aan het boven- en aan het benedeneinde zulk een wachtpost geplaatst was. Die schildwachten stonden er stellig nog; en die dienden dus allereerst onschadelijk gemaakt te worden.
Hij gebood fluisterend halt, en gaf aan slechts twee bevel om hem te volgen. Zij gingen op den grond liggen, en kropen voorwaarts. Spoedig bereikten zij den eersten schildwacht; hij keek Old Firehand na, die hem pas verlaten had, en stond dus met zijn rug naar de Roodhuiden. Eensklaps grepen hem twee handen bij de keel, en vier anderen grepen hem bij de armen en beenen. Hij kon geen adem halen; hij verloor zijn bewustzijn, en toen hij weer bijkwam lag hij geboeid, met een prop in den mond, om hem het schreeuwen te beletten. Naast hem zat een Indiaan, die hem de punt van zijn mes op de borst hield. Dat onderscheidde hij, in weerwil dat het maanlicht niet tot op den bodem van den canon doordrong.
Intusschen was het vuur uitgegaan, en de hoofdman had weer aan twee der zijnen bevel gegeven om hem te volgen. Het gold nu den schildwacht aan het benedeneinde. Men moest dus het bivak van de blanken voorbij. Daar dat aan dezen kant van het water lag, was het raadzaam den weg aan de overzijde af te leggen. De drie waadden door het water heen, en kropen aan den anderen kant verder--een niet zeer gevaarlijke tocht. Men kon aannemen, dat de schildwachten op gelijken afstand van het bivak uitgezet waren, en men kon dus te naastenbij berekenen welken afstand men af te leggen had. Het water schemerde phosphoresceerend, en het plassen daarin kon hen zeer licht verraden. Daarom kropen de Roodhuiden nog een eind weegs verder, waadden toen naar de overzij, gingen daar weer op den grond liggen, en schoven toen op handen en voeten naar boven. Het duurde niet lang, of zij kregen den schildwacht in het oog; hij stond een pas of zes van hen af, met zijn gelaat ter zijde gewend. Nog een kleine minuut, een sprong, een kort gespartel met voeten, en ook deze post was vermeesterd. De twee Roodhuiden bleven bij hem; en de Groote Wolf ging alleen weer het water over, om nu den grooten slag te gaan slaan.
De paarden stonden aan twee groepen tusschen het bivak en de twee schildwachten. Zij waren tot nu toe volkomen rustig geweest; maar het was niet te denken, dat dit nu zoo zou blijven. Als de Indianen zeer dicht langs hen kwamen, moesten zij wel lont ruiken in weerwil van den salie-reuk. Daarom hield de Groote Wolf het voor raadzaam, ook zijn manschappen het water te laten oversteken. Dit geschiedde inderdaad meesterlijk, zonder het minste gedruisch. Op de overzijde aangekomen gingen allen op den grond liggen, om den afstand van een honderdtal passen kruipende af te leggen, tot zij zich tegenover het bivak bevonden. De grootste moeilijkheid daarbij was hierin gelegen, dat zich zooveel menschen in een enge ruimte opeengedrongen moesten bewegen, en dat nog wel geheel onhoorbaar. Toen zij nu naast elkander lagen, tegenover de menschen en de paarden, begonnen de laatstgenoemde toch onrustig te worden. Nu kwam het er op aan, snel te handelen. Van onhoorbaar het water over te steken kon nu geen sprake zijn.
"Voorwaarts!" klonk de onderdrukte, maar toch door alle Roodhuiden verstaan wordende stem van den Grooten Wolf.
Het riviertje was men spoedig over. Van de blanken was er nog niet een ontwaakt; zij lagen allen in den eersten slaap. Het tooneel, dat nu volgde, is niet te beschrijven. De bleekgezichten lagen dicht bij elkander, zoodat de Indianen volstrekt geen ruimte hadden om zich behoorlijk te bewegen. Vijf en zes hunner, en somwijlen nog meer, wierpen zich op één blanke, trokken hem overeind, en smeten den slaapdronkene aan de achter hen staanden toe, om oogenblikkelijk een tweede, een derde, een vierde te vatten. Dit alles overviel den slapenden zoo snel, dat zij zich in de macht der Indianen bevonden, eer zij nog goed wakker waren geworden.
En geheel tegen het gebruik der Indianen, om bij elken aanval hun oorlogsgehuil aan te heffen, gingen deze Utahs te werk schier zonder geluid te laten hooren. Eerst toen de blanken luidruchtig werden, hieven zij hun gegil en geschreeuw aan, dat ver door de nachtelijke stilte drong, en door de wanden van den canon veelvoudig teruggekaatst werd.
Daarbij was er een gewoel van lichamen, armen en beenen, die in de duisternis niet van elkander te onderscheiden waren. Slechts drie afzonderlijke groepen waren, in weerwil van de duisternis, eenigszins te herkennen, drie groepen, die, niet ver van elkander verwijderd, zich dicht aan den rotswand bewogen. De middelpunten er van waren Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou, die, ten gevolge van hun groote tegenwoordigheid van geest en vlugheid van handelen, niet gelijk de anderen overrompeld hadden kunnen worden. Zij waren opgesprongen, en hadden met den rug tegen den rotswand dekking gezocht. Nu verdedigden zij zich met de messen en revolvers tegen de overmacht van de vijanden, die zich niet van hun scherp mochten bedienen, daar hun bevel was gegeven om de blanken levend te vangen. De drie moesten echter bezwijken, in weerwil van hun beroemde bekwaamheid, verbazende vlugheid en aan het wonderdadige grenzende spierkracht. Zij werden door de Roodhuiden zoo overstelpt dat het hun ten laatste onmogelijk was hun armen te verroeren. Zij werden ook op den grond getrokken, half gewurgd, en evenals de anderen geboeid. Een door merg en been dringend jubelgehuil der Roodhuiden verkondigde, dat de overrompeling gelukt was.
Nu gebood de Groote Wolf een vuur aan te steken. Toen de vlammen daarvan het tooneel der worsteling verlichtten, bleek, dat door de steken en schoten van het genoemde drietal ruim twintig Roodhuiden gekwetst en eenigen zelfs gedood waren.
"Daar zullen de honden tiendubbele martelingen voor uitstaan!" zei de hoofdman grimmig. "Wij zullen hun vel aan reepen van hun lichaam snijden. Zij zullen allen een ijzingwekkenden dood sterven, en niet een der hunnen zal de sterren van morgenavond aan den hemel aanschouwen! Neemt onze dooden op, en neemt de paarden en de wapenen der bleekgezichten. Wij moeten terugkeeren."
"Wie moet het wondergeweer van den blanken jager aanraken?" vroeg er een. "Dat gaat vanzelf af, en doodt hem, die het aanraakt, en nog vele anderen bovendien."
"Wij laten het liggen, en bedekken het met een hoop steenen, opdat geen roode man er een hand zal kunnen aanslaan. Waar is het?"
Men zocht er naar, zonder het te vinden; het was verdwenen. Toen de Groote Wolf er aan Old Shatterhand naar vroeg, gaf die geen antwoord. Toen hij, door het krijgsrumoer wakker geworden, opgesprongen was, had men hem de karabijn uit de hand gerukt en die weggeslingerd. De hoofdman liet brandende stukken hout nemen, om het heldere, doorschijnende water van de beek te verlichten. Dat was zoo ondiep, dat men er de steentjes op den bodem kon zien liggen; maar de karabijn zag men nergens.
De Yampa-Utahs hadden dat geweer overdag nog in handen van Old Shatterhand gezien, en konden de verdwijning niet begrijpen. Misschien lag het in de rotsspleet. Men onderzocht die tot een goed eind weegs er in, natuurlijk met behulp van brandende stukken hout, maar ook tevergeefs. Het gevolg was, dat zelfs die Roodhuiden, die twijfelden of het geweer van Old Shatterhand wel bovennatuurlijke eigenschappen bezat, zich thans volkomen met het gevoelen der anderen vereenigden. Zoolang men hier bleef, kon het toovergeweer zijn onverklaarbare krachten doen gelden: dat was het eenparige oordeel; en daarom gebood de Groote Wolf, die daardoor zelf niet op zijn gemak was: "Bindt de gevangenen aan de paarden vast, en dan van hier opgerukt! Een booze geest heeft het toovergeweer gemaakt. Wij mogen hier niet blijven tot het zijn kogels op ons uitbraakt."
Aan dit bevel werd oogenblikkelijk gevolg gegeven; en toen de Roodhuiden opbraken, was er sedert het begin van het gevecht nog geen uur verstreken.
"Niet een der hunnen zal de sterren van morgenavond aan den hemel aanschouwen!" had de hoofdman gezegd. Hij dacht, dat al de blanken in zijn handen gevallen waren, en toch was dat niet het geval. Zooals reeds verhaald is, had Old Firehand ook in de rotsspleet een schildwacht op post gezet, om te zorgen, dat de wellicht langs dien weg terugkomende Yampa-Utahs de blanken niet konden overrompelen. Die schildwacht was... Droll, die pas twee uur later afgelost moest worden. Hobble-Frank was uit eigen beweging met hem meegegaan, om met hem nog eens goed over het dierbare geboorteland te kunnen praten. Zij zaten, natuurlijk voorzien van al hun wapenen, in diepe duisternis, en luisterden van tijd tot tijd, of zij wellicht in de rotsspleet iets zouden hooren. Zij waren volstrekt niet vermoeid, en zij hadden elkander zooveel te vertellen, dat het hun vooreerst volstrekt niet ontbrak aan stof.
Daar hoorden zij opeens aan den uitgang van de rotsspleet een gedruisch, dat wel geschikt was om hun opmerkzaamheid gaande te maken.
"Luister!" fluisterde Frank zijn neef (?) toe. "Hebt gij óók iets gehoord?"
"Ja, ik heb óók iets gehoord," antwoordde de Tante zacht. "Wat kan dat geweest zijn?"
"Ik denk voor het naast, dat eenigen der onzen opgestaan zijn."
"Neen, dat kan het niet wezen. Er moeten zeer, zeer veel menschen op de been zijn--naar het gescharrel met de voeten te oordeelen, op zijn minst wel een paar honderd...."
Plotseling zweeg hij, want nu werden de overrompelden wakker, en hoorde men hun stemmen.
"Verduiveld, er wordt gevochten!" vervolgde Hobble-Frank. "Ik geloof warendig dat wij overrompeld zijn."
"Ja, overrompeld zijn wij, dat is zeker," antwoordde Droll; "dat moeten stellig die roode schobbejakken zijn, als het noodig is."
Het volgende oogenblik bewees, dat dit vermoeden juist was, want toen weergalmde de oorlogskreet der Indianen.
"God moge ons bijstaan! zij zijn het werkelijk!" riep Frank. "Er op los, er op los! Gauw, gauw!"
Hij greep den arm van Droll, om dien met zich voort te trekken; maar deze door zijn geslepenheid bekende jager hield hem terug, en zei met zulk een bevende stem, dat men hooren kon hoe ook hij ontsteld was:
"Hier blijven! Niet zoo holderdebolder er op los! Als de Indianen nu bij nacht een overrompeling ondernemen, zijn er zoo ontzaglijk velen bijeen, dat wij niet voorzichtig genoeg kunnen wezen. Wij moeten eerst afkijken, hoe het met de zaak geschapen staat. Dan eerst weten wij, wat ons te doen zal staan. Wij moeten op den grond gaan liggen en voorwaarts kruipen."
Dat deden zij. Op handen en voeten schoven zij vooruit tot aan den uitgang. Toen zagen zij, in weerwil van de duisternis, dat hun metgezellen verloren waren. De overmacht der Roodhuiden was te groot. Links van hen was het gevecht juist begonnen. De schoten van Firehand, Shatterhand en Winnetou knalden, maar niet lang; toen weerklonk het triomfgehuil der Roodhuiden. Vlak vóór den uitgang der rotsspleet was de baan vrij.
"Gauw achter mij en het water over!" fluisterde Droll.
Hij kroop zoo snel en voorzichtig mogelijk over den grond. Frank volgde hem. Opeens voelde de hand van laatstgenoemde een hard lang voorwerp; het was een geweer met een bolvormig slot. "Old Shatterhand's Henry-karabijn!" Dat was zijn eerste gedachte. En hij nam het geweer mee.
Beiden kwamen gelukkig aan het water, en vervolgens aan de overzijde. Toen nam Droll neef Hobble-Frank bij de hand, en trok hem met zich voort, zijwaarts, in een zuidelijke richting. De vlucht gelukte hun, doordat het zoo donker was, en het gescharrel van hun voeten niet gehoord kon worden door het oorverdoovend spektakel, dat de Indianen maakten. Reeds spoedig echter werd de ruimte tusschen den rotswand en het water zoo smal, dat Droll aanried: "Wij moeten weer het water over naar den linker-oever. Daar zal de baan wel breeder zijn."
Zij waadden naar den overkant. Tot hun geluk bevonden zij zich reeds ver beneden de plaats, waar de schildwacht gestaan had. Zij liepen, of beter gezegd zij draafden verder, zich telkens tegen den rotswand of tegen op den grond liggende steenen stootende, totdat zij de stemmen van de Indianen niet meer hoorden: toen hield Hobble-Frank zijn metgezel staande, en zei op een toon van verwijt: "Blijf toch eens een oogenblik stilstaan, duizendsapprements-kerel! Waarom zijt gij eindelijk weggehold en hebt gij mij schandelijk meegetroond? Dat strijdt immers tegen allen plicht en kameraadschappelijkheid! Hebt ge dan geen ambitie meer in je lijf?"
"Ambitie?" antwoordde Droll, door zijn zwaarlijvigheid bijna buiten adem van het loopen. "Die heb ik nog genoeg in mijn lijf; maar wie er de ambitie in wil houden, dient vóór alle andere dingen zijn lijf in veiligheid te brengen. Daarom ben ik maar gauw weggekuierd."
"Maar dat mocht gij toch eigenlijk niet!"
"Ei! Waarom mocht ik dat dan niet doen?"
"Wel, omdat het onze plicht was onze vrienden te redden."
"Ei, ei! Vertel mij dan eens hoe gij dat reddingswerk aangelegd zoudt hebben."
"Wel, wij hadden ons op de Roodhuiden moeten werpen, en hen moeten wurgen en doodsteken."
"Hihihihi! Wurgen en doodsteken," lachte Droll met zijn onnavolgbaar eigenaardig lachje. "Weet gij wat wij daarmee uitgericht zouden hebben? Niets anders, dan dat ze ons óók gevangengenomen zouden hebben."
"Gevangengenomen? Verbeeldt gij u dan, dat onze kameraden maar gevangengenomen zijn, en niet doodgeschoten, doodgestoken of doodgeslagen?"
"Neen, omgebracht zijn ze nog niet; dat staat vast bij mij, dat weet ik zeker."
"Dat zou mij gerust kunnen stellen."
"Welnu, laat het u dan geruststellen. Gij hebt toch hooren schieten?"
"Ja."
"En wie hebben dan geschoten? De Indianen?"
"Neen, want wat ik gehoord heb, waren revolverschoten."
"Dus, de Indianen hebben hun geweren in het geheel niet gebruikt; zij zijn dus van plan geweest om de bleekgezichten bij levenden lijve gevangen te nemen, om hen later des te beter te kunnen martelen. Daarom ben ik op den loop gegaan. Nu zijn wij beiden gered, en kunnen wij voor de onzen meer doen, dan wanneer wij ons óók gevangen hadden laten nemen."
"Daar hebt gij gelijk in, neef! daar hebt gij gelijk in. Nu is er een zware steen van mijn hart gevallen. Zou er ooit van den wereldberoemden Hobble-Frank gezegd kunnen worden, dat hij het hazenpad heeft gekozen, terwijl zijn kameraden zich in levensgevaar bevonden? Neen, dat nooit! Liever werp ik mij in het heetste strijdgewoel, en hak om mij heen links en rechts als een razende Hoefland. Het is in één woord afschuwelijk! Wie had in zijn stille, vredelievende temperament ooit kunnen denken, dat zoo iets gebeuren zou. Ik ben er letterlijk kapot van!"
"Ik ben er ook van ontsteld, erg ontsteld; maar toch, er dadelijk den kop bij laten hangen, dat doe ik niet. Zulke mannen als Winnetou, Firehand en Shatterhand mag men niet eer verloren geven, of ze moeten eerst werkelijk verloren zijn. En ze zijn toch ook niet geheel alleen, maar er zijn mannen bij hen, die haar op de tanden hebben. Wij moeten het dus maar bedaard afwachten."
"Dat is gemakkelijk gezegd. Maar welke Indianen kunnen het geweest zijn?"
"Utahs natuurlijk. De groote Wolf is niet in zijn bivak teruggekeerd; maar hij heeft vast geweten, dat zich nog andere Utahs in de nabijheid bevonden, en die zal hij er bijgehaald hebben."
"De schobberd! En kort te voren heeft hij de vredespijp met ons gerookt! Van welken kant kan hij toch gekomen zijn?"
"Ja, als ik dàt wist, zou ik meer weten, dan ik nu weet. Daar hooger-op in het bivak zal hij zich stellig niet ophouden, maar hij zal de gevangenen verder weg laten brengen. Daar wij niet weten welke richting, mogen wij hier niet blijven staan; wij moeten weg, veel verder weg, tot wij een plaats vinden, waar wij ons goed verschuilen kunnen."
"En dan?"
"Dan? Nu, wij zullen wachten tot het dag geworden is; dan onderzoeken wij de sporen, en loopen zoo lang achter de Indianen, tot wij weten, wat wij voor onze vrienden doen kunnen. Maar nu, opgerukt! Kom!"
Hij nam Frank weer bij den arm, en raakte daarbij de karabijn aan.
"Wat?" vroeg hij. "Hebt gij twee geweren?"
"Ja. Het eene heb ik gevonden, toen wij naar het water kropen: dat is het geweer van Old Shatterhand, zijn Henry-karabijn."
"O, dat is goed, dat is heerlijk! Dat kan ons van groot nut wezen. Maar kunt gij er wel mee schieten?"
"Natuurlijk kan ik dat. Ik ben al zóó lang bij Old Shatterhand, dat ik het evengoed ken als hij zelf. Maar nu vooruit! Als de Roodhuiden op den inval komen om naar de beneden-rivier te rijden, dan halen zij ons in, en dan zijn wij verloren. Maar ik moet mijn dierbaar leven nog een poosje zien te behouden, om het voor mijn vrienden te kunnen opofferen. Wee den Indianen, en wee het geheele wilde Westen, als er van een van onze vrienden een haar op zijn hoofd gekrenkt wordt! Ik ben een goed mensch; ik ben, om zoo te zeggen, twee zielen en één gedachte; maar als ik boos word, hak ik de gansche formidabele wereldgeschiedenis in de pan. Gij zult mij nog leeren kennen zooals ik ben. Ik ben een Saks, verstaat ge mij! Wij Saksen zijn altijd een strategisch amusant volk geweest, en hebben in alle oorlogen en diatonische twisten de meeste klappen uitgedeeld."
"Of gekregen," antwoordde Droll, terwijl hij zijn kameraad voorttrok.
"Zwijg!" zei deze. "Gij Altenburgers zijt maar kaas-Saksen, maar wij aan de Elbe zijn de echte. Zoo lang een menschelijke lip van beschavingsgebeurtenissen spreekt, zijn Moritzburg en Perne altijd de sublieme geweest van alle excentrieke grootheid en fatsoenlijkheid. Bij Leipzig werd Napoleon verslagen; en te Räcknitz bij Dresden verloor Moreau allebei zijn beenen--de twee eenige, die hij had; aan de Weisseritz ligt de bakermat van de stoutmoedigheid, die ik in mijn boezem consumeer, en ik zou dus den Roodhuiden maar aanraden, het bij mij niet tot den climax van mijn verbolgenheid te laten komen. Ik ben geadstringeerd in mijn toorn en incapabel in mijn gramschap. Morgen, morgen spreek ik verder met u, morgen, als de eerste straal der zon dos à dos met het laatste schijnsel van de duisternis neerschiet op het bloedige slagveld!"
Hij balde zijn vuist en schermde er dreigend mee achter zich. Nog nooit van zijn leven was hij zoo opgewonden en verwoed geweest als op dit oogenblik; dat openbaarde zich niet alleen in zijn woorden, maar ook in de manier, waarop hij in weerwil van de duisternis voorwaarts stormde, als gold het den vijand in te halen, die echter achter hem was.
En toch was de richting, die de twee ingeslagen waren, de juiste en voor hen de geschikte om bij de Roodhuiden te komen, zooals hun later, tot hun verrassing, zou blijken. Om niet door de Indianen ingehaald te worden, verhaastten zij hun schreden zooveel als bij de heerschende duisternis mogelijk was. Met het water rechts en den rotswand links, liepen zij altijd zuidwaarts, tot ongeveer een uur later, toen de canon een richting naar het oosten nam. Boven den daardoor gevormden hoek scheen aan hun rechterhand en tot hun verwondering de maan, zoo, dat zij die, toen zij een blik naar omhoog wierpen, helder aan den hemel konden zien staan, doordat hier een zijcanon in den hoofdcanon uitliep. Droll bleef stilstaan, en zei: "Halt! Hier moeten wij overleggen, waarheen wij ons wenden zullen, rechts of links."
"Daarover behoeven wij ons geen oogenblik te bedenken," antwoordde Frank. "Wij moeten het zijdal in."
"Waarom?"
"Omdat wij met absolute consecratie veronderstellen kunnen, dat de Roodhuiden in den hoofdcanon zullen blijven. Als wij ons in den zijcanon verschuilen, trekken zij ons voorbij, en dan kunnen wij hen vroeg met obligatore hypnologie op hun achterste hielen zitten. Vindt ge dat óók niet?"
"Hum! Het idee is niet kwaad, te meer daar de maan vlak boven het zijdal staat, zoodat wij zien kunnen wat wij doen."
"Ja, Luna straalt mij troost in mijn hart, en kust mij de bruisende stroomen mijner tranen uit het van woede verdroogde gemoed. Wij zullen haar liefelijk schijnsel volgen; misschien brengt het ons naar een plaats, waar wij ons goed verschuilen kunnen, hetgeen in onze imponderabele positie de hoofdzaak is."
Zij sprongen het water over, en gingen den zij-canon in, waar nu geen water liep; er waren echter kenteekenen genoeg die aanduidden, dat de gansche bodem van het smalle dal in een ander jaargetijde een stroombed vormde. Hun richting was nu regelrecht westwaarts. Zij moesten diep den canon in, om door de Indianen toch niet ontdekt te worden. Wel een half uur lang waren zij in die richting voortgegaan, toen zij, eensklaps alleraangenaamst verrast, stil bleven staan. De rotswand, namelijk aan hun rechterhand, hield plotseling op, om met een van het noorden komenden wand een scherpen hoek te vormen. Daar lag nu vóór hen, niet een open terrein, maar een woud, een echt woud, zooals geen vreemde hier had kunnen vermoeden. Boven slechts weinig kreupelbosch vormden de kruinen der hooge boomen zulk een dicht loofdak, dat het licht der maan er slechts op enkele plaatsen even doorheen kon dringen. Dit was het Woud des Waters, waar de Utahs hun legerkamp hadden opgeslagen.
De dalgrond, dien dit woud vulde, liep regelrecht van het Noorden naar het Zuiden, parallel met den niet veel verder dan een halfuur gaans verwijderden hoofdcanon. Tusschen dien canon en het woud had men twee wegen van gemeenschap, twee zijdalen: een noordelijk, waarvan de Groote Wolf gebruik had gemaakt, en een zuidelijk, door hetwelk Droll en Frank thans waren gekomen. Die twee van het oosten naar het westen loopende zijdalen vormden met den hoofdcanon en het woud een rechthoek, welks binnenvlak uit het hooge, urenlange rotsgevaarte bestond, waarin het water loodrechte en verscheiden honderden voeten diepe wegen had ingevreten.
"Een bosch, een woud, met echte bosschages en boomen, als was het door een koninklijk Saksischen opperhoutvester aangelegd!" zei Frank. "Beter konden wij het nooit treffen, want dat verschaft ons een schuilplaats, zoo mooi als er ooit een in een boek beschreven is. Vindt gij dat óók niet?"
"Neen!" antwoordde Tante Droll. "Dit woud komt mij verdacht voor, of beter gezegd beangstigend. Ik vertrouw het niet."
"Hoe zoo dat en waarom dat? Denkt gij bijgeval, dat hier beren hun nachtelijk difficiel opgeslagen hebben?"
"Dat niet zoo bijzonder. Voor beren behoeven wij hier niet bang te zijn, geloof ik; maar wel voor andere creaturen, die precies even gevaarlijk zijn."
"Wat voor creaturen dan?"
"Indianen."
"Dat is onnoozel; dat is wezenlijk ijselijk onnoozel."
"Nu, het zal mij plezier doen als ik abuis heb, maar mijn vermoedens zullen wel juist uitkomen, zooals ik denk."
"Wilt ge dan de vriendelijkheid hebben, mij die vermoedens logisch te expliceeren?"
Zij stonden beiden aan den rotshoek, waar de schaduw viel, en hielden hun oogen scherp gericht op den zoom van het woud, die door de maan werd beschenen. Daarbij vroeg Droll: "Wie zal wel beter weten, dat hier een woud is, wij of de Roodhuiden?"
"De Indianen natuurlijk."
"Zouden zij niet evengoed weten als wij, dat men zich in het woud het best verschuilen kan?"
"Natuurlijk."
"Heb ik u niet reeds gezeid, dat hier in de nabijheid Indianen moeten zijn?"
"Ja, want bij hen heeft de Groote Wolf zijn hulptroepen gehaald."
"Waar zullen die snaken nu zitten? In den naakten, kalen canon, of in het gemakkelijke woud?"
"In het woud natuurlijk."
"Goed; dan moeten wij hier ook bijzonder op onze hoede wezen. Ik ben overtuigd, dat wij reden hebben om zeer voorzichtig te zijn."
"Dus, gij zijt van idee, dat wij het woud moeten mijden?"
"Neen; maar wij moeten oppassen. Ziet gij bijgeval iets verdachts?"
"Neen, hoegenaamd niets."
"Ik ook niet. Wij zullen het dus maar eens probeeren. Gezwind naar de overzij, en dan in het kreupelhout neergedoken, en geluisterd, of er leven in de kist is. Vooruit maar!"
In een wip waren zij de door het maanlicht beschenen kleine open ruimte over. Bij de boomen gekomen, doken zij neer om te luisteren. Zij hoorden niets; geen blaadje bewoog zich; maar Droll zoog de lucht in, en vroeg zacht: "Frank! snuif even de lucht in! Ik ruik rook. En jij niet?"
"Ja, maar de reuk is bijna niet te bespeuren. Het is maar een half zweempje van een kwartspoor van rook."
"Doordat het niet dichtbij is. Wij moeten de zaak onderzoeken, en er naar toe sluipen."
Zij namen elkander bij de hand, en gingen langzaam en voorzichtig voorwaarts. Het was donker onder het dichte loofdak, en zij moesten dus meer op het gevoel afgaan dan op het gezicht. Hoe verder zij kwamen, des te merkbaarder werd de rooklucht; zij vorderden trouwens slechts langzaam. Bij Hobble-Frank scheen er intusschen eenige bedenking tegen de gevaarlijke onderneming te rijzen, want hij vroeg fluisterend: "Zou het maar niet beter zijn als wij den rook rook lieten en ons niet totaal nutteloos blootstelden aan een gevaar, dat mij niet comprimeeren kan?"
"Een gevaar is het zeer zeker," antwoordde Droll; "maar wij moeten het wagen. Misschien kunnen wij onze vrienden redden."
"Hier?"
"Ja. Als de Groote Wolf niet in ons bivak blijven wil, zal hij regelrecht hierheen komen."
"Dat zou een buitenkansje wezen!"
"Een buitenkansje? Nu, dat mag wel zoo zijn. Het kan ons ons leven kosten."
"Dat hindert niet, als wij onze kameraden maar redden. Nu denk ik al niet meer aan terugkeeren."
"Goed zoo, neef! gij zijt een ferme kerel. Maar list is beter dan geweld. Dus voorzichtig maar, voorzichtig maar!"
Zij slopen verder, totdat zij moesten blijven staan, omdat het schijnsel van een vuur te zien kwam. Ook kon men onbestemde klanken als menschenstemmen uit de verte vernemen. Het woud scheen zich nu meer naar rechts uit te breiden. Zij volgden die richting, en zagen spoedig nog meer vuren.
"Een groot, zeer groot bivak," fluisterde Droll. "Dat zullen de Utah-krijgslieden zijn, die zich verzamelen voor den veldtocht tegen de Navajos. Er zijn er op zijn minst verscheiden honderden bijeen."
"Dat hindert niet. Wij moeten dichterbij. Ik wil weten wat er met Old Shatterhand en de anderen gebeuren zal. Ik moet...."
Eensklaps zweeg hij, want daar vóór hen klonk plotseling een gehuil uit honderden kelen--geen gehuil van smart of van woede, maar van gejubel.
"O, nu zijn zij met de gevangenen in aantocht," sprak Droll. "De Groote Wolf komt van het noorden, en wij komen van het zuiden. Nu moeten wij bepaald weten, wat zij met hen willen aanvangen."
Tot nu toe hadden zij rechtop geloopen, maar nu moesten zij den vijand gaan besluipen. Zij gingen dus op den grond liggen, en kropen verder. Reeds spoedig bereikten zij den hemelhoog schijnenden rotswand, die de oostelijke grens van het woud vormde. Daarlangs slopen zij verder, vlak naast elkander blijvende. Zij hadden nu de vuren aan hun linkerhand, en zagen zeer spoedig het kleine meer, waarbij het vuur der hoofdmannen brandde.
"Een vijver of een meer," fluisterde Droll. "Dat heb ik wel gedacht. Waar bosch is, moet ook water zijn. Wij kunnen niet verder voort, want het water loopt tot vlak aan de rots, wij moeten dus weer naar links."
Zij bevonden zich aan het zuideinde van het meer, waar op den westelijken oever het vuur brandde, en de hoofdmannen gezeten hadden. Zij kropen langs den oever voort, totdat zij een hoogen boom bereikten, waarvan men de onderste takken gemakkelijk met de handen grijpen kon. Juist werd er nieuwe brandstof op het genoemde vuur geworpen; de vlam sloeg hoog, en bescheen de gevangen bleekgezichten, die nu gebracht werden.
"Nu is goed oppassen de boodschap," zei Droll. "Kunt gij in een boom klimmen, neef?"
"Als een eekhoorn."
"Dan maar gauw den boom in. Als wij boven zijn, hebben wij een veel vrijer en beter uitzicht, dan hierbeneden."
Zij klauterden naar boven, en zaten al spoedig daar in het gebladerte, zoodat de scherpste oogen van een Indiaan hen niet konden opmerken.
De gevangenen hadden moeten loopen; aan hun voeten waren zij dus niet geboeid. Zij werden bij het vuur gebracht, waar de hoofdmannen weer plaats genomen hadden. Bij hen was natuurlijk ook de Groote Wolf. Deze Indiaan had de in zijn gordel verborgen adelaarsveeren voor den dag gehaald en er zijn hoofd weer mee getooid. Hij was overwinnaar, en mocht dus de onderscheidingsteekenen van zijn rang weer dragen. Zijn oog rustte met de uitdrukking van een hongerigen panter op de blanken; maar hij zei nog niets, daar de oudste hoofdman het recht had om het eerst het woord te nemen.
De blik van Nanap-neaw, den oude, vloog van den eenen blanke naar den anderen, totdat hij ten laatste aan Winnetou kwam.
"Wie zijt gij?" vroeg hij hem. "Hebt gij een naam, en hoe heet de schurftige hond, dien gij uw vader noemt?"
Hij had stellig verwacht, dat de fiere Apache hem in het geheel niet zou antwoorden; maar Winnetou zei op bedaarden toon: "Wie mij niet kent is een blinde worm, die van vuiligheid leeft. Ik ben Winnetou, de hoofdman der Apachen."
"Gij zijt geen hoofdman, geen krijgsman, maar het kreng van een doode rat!" voegde de oude hem hoonend toe. "Al deze bleekgezichten zullen een eervollen dood aan den martelpaal sterven; maar u zullen wij hier in het water werpen, als aas voor de kikvorschen en kreeften."
"Nanap-neaw is een oude man. Hij heeft vele zomers en winters gezien, en zeer veel ondervinding opgedaan; maar toch schijnt hij nog niet te weten, dat Winnetou zich niet ongestraft laat hoonen. De hoofdman der Apachen is bereid, om alle folteringen te ondergaan; maar beleedigen laat hij zich door een Utah niet."
"Wat wilt gij mij maken?" lachte de oude hardop. "Uw armen zijn geboeid!"
"Nanap-neaw moest bedenken, dat het voor een vrijen, gewapenden man gemakkelijk is, grof tegen een geboeiden gevangene te zijn! Maar waardig is het niet. Een fier krijgsman zou het beneden zich achten zulke woorden te bezigen; en als Nanap-neaw dien wenk niet ter harte wil nemen, zal hij aan zich zelf de gevolgen te wijten hebben."
"Welke gevolgen? Heeft uw neus ooit den stinkenden jakhals geroken, waarvan zelfs de aasgier een afkeer heeft! Zulk een jakhals zijt gij. De stank, dien gij...."
Verder kwam hij niet. Er ging een kreet van ontzetting op uit de kelen van al de Utahs, die in de nabijheid stonden. Winnetou was met een geweldigen sprong den oude zoo hard tegen zijn lijf aan geloopen, dat hij hem op den grond deed tuimelen, toen gaf hij hem met zijn hiel eenige trappen op de borst en op het hoofd, en keerde toen terug naar de plaats waar hij gestaan had.
Op den algemeenen kreet van ontzetting volgde voor een oogenblik diepe stilte, zoodat de luide stem van den Apache door allen gehoord werd, toen deze riep: "Winnetou heeft hem gewaarschuwd. Nanap-neaw heeft niet willen hooren. Hij zal nu nimmer weer een Apache beleedigen."
De andere hoofdmannen waren opgesprongen, om zich aangaande den toestand van den oude te vergewissen. Zijn hersenpan was rechts ingetrapt, en zoo ook een gedeelte van de borstkas. Hij was dood. De roode krijgslieden drongen naderbij, de handen aan hun messen houdende, en bloeddorstige blikken op Winnetou werpende. Men zou meenen, dat de daad van den Apache de Utahs zou hebben aangespoord tot huilende woede; maar dat was niet het geval. Zij gaven geen uiting aan hun toorn, te meer daar de Groote Wolf zijn hand terugwijzend ophief, en daarbij gebood: "Terug! De Apache heeft den ouden hoofdman omgebracht, om zelf zeer snel en zonder pijniging te sterven. Hij hoopte, dat gij u op hem zoudt werpen, om hem op staanden voet af te maken. Maar hij heeft buiten den waard gerekend. Hij zal een dood sterven, zooals nog nooit iemand er een ondergaan heeft. Wij zullen daarover beraadslagen. Brengt den ouden hoofdman in zijn deken weg, opdat de oogen van die blanke honden zich niet verlustigen in de aanschouwing van zijn lijk! Aan zijn graf zullen zij allen den marteldood sterven. Old Firehand en Old Shatterhand zullen met den Apache levend begraven worden!"
"Gij leeft niet lang genoeg om mij te kunnen begraven!" riep Old Shatterhand hem toe.
"Zwijg, hond! tot u iets gevraagd wordt. Hoe wilt gij de dagen kennen, die ik nog te leven heb?"
"Die ken ik! Het is geen enkele dag meer, want morgen om dezen tijd zal uw ziel uw lichaam reeds verlaten hebben."
"Zijn uw oogen zoo scherp, dat zij in de toekomst kunnen lezen? Dan zal ik ze laten uitsteken!"
"Om te weten wanneer gij sterven zult, heeft men geen scherp gezicht noodig. Hebt gij ooit gehoord, dat Old Shatterhand een onwaarheid heeft gesproken?"
"Alle bleekgezichten liegen, en gij zijt er ook een."
"De Roodhuiden liegen; dat hebt gij bewezen. Wij waren met ons vieren blanken, en hebben met vier roodhuiden een wedstrijd gestreden om ons leven. Indien wij overwonnen, konden wij onze tegenstanders dooden, en dan zouden wij vrij zijn. Wij hebben overwonnen, en wij schonken u het leven. En toch hebt gij ons de vrijheid niet gegund. Gij hebt ons vervolgd en zijt in onze handen gevallen. Wij konden u het leven ontnemen; dat hadt gij verdiend; maar wij deden dat niet, omdat wij christenen zijn. Wij hebben de vredespijp met u gerookt, en gij hebt ons de gelofte gedaan, dat gij tot aan uw dood onze vrienden en broeders zoudt zijn. Daarop hebben wij u vrijgelaten; en tot loon daarvoor hebt gij ons overvallen en hierheen gesleept. Wie heeft dus gelogen, gij of wij? Maar weet gij nog wat ik tegen u gezegd heb, eer wij tegen den avond in den canon van elkander afgingen?"
"De Groote Wolf is een fier krijgsman, hij onthoudt nooit de woorden van een bleekgezicht."
"Dan wil ik uw geheugen even opfrisschen. Ik heb u gewaarschuwd, als gij ook dezen keer weer uw woord niet hieldt, dat het dan uw dood zou zijn. Gij hebt opnieuw uw belofte geschonden, en bijgevolg zult gij sterven!"
"Wanneer?" grijnsde de Wolf.
"Morgen."
"Door wiens hand?"
"Door de mijne."
"Gij hebt een gat in uw hoofd, en daar zijn de hersens uitgeloopen!"
"Ik heb het gezegd, en zoo zal het gebeuren. Tweemaal heb ik uw leven in mijn hand gehad: ik heb het u tweemaal geschonken, en toch hebt gij mij bedrogen. Een derden keer zal dat niet gebeuren. De roode mannen zullen ondervinden, dat Old Shatterhand wel toegevend is, maar dat hij ook weet te straffen."
"Hond! Gij zult geen mensch meer straffen. Gij wordt nu omsingeld, en van nacht bewaakt. Maar wij zullen nu over u beraadslagen; en zoodra de dag aanbreekt zullen de folteringen beginnen, die eenige dagen zullen duren, totdat gij sterft."
De gevangenen werden naar een kleine open ruimte in het woud gebracht, waar een vuur brandde; een Indiaan zat er bij, om het te onderhouden. Men bond hen nu ook de voeten bijeen, en legde hen neer. Twaalf gewapende krijgslieden stonden rondom onder de boomen, om de wacht te houden. Ontvluchten was dus onmogelijk, scheen althans een volslagen onmogelijkheid te zijn.
Droll en Frank hadden uit hun verheven schuilplaats alles duidelijk gezien. De boom, waarin zij zich bevonden, stond ongeveer honderd vijftig passen ver van het vuur der hoofdmannen verwijderd, zoodat zij ook het grootste deel der woorden, die gesproken waren, hadden kunnen verstaan. Nu kwam het er dus op aan, de plaats te ontdekken waar de gevangenen naar toe gebracht werden, en dan die plaats te naderen.
Juist toen zij uit den boom klommen, werden de buitgemaakte wapenen en andere voorwerpen bij de hoofdmannen gebracht, die rondom het vuur zaten, en daar neergelegd. Daar er op die dingen niet bijzonder gelet werd, kon men veronderstellen, dat er eerst aangaande de verdeeling beslist zou worden als het dag was, een omstandigheid, die Tante Droll als een groote geruststelling beschouwde.
Aan het vuur op den oever zag men nu enkel nog maar de hoofdmannen. Er moest dus de een of andere reden zijn, die de overige krijgslieden naar een andere plaats trok. Wat die reden was, zouden Frank en Droll zeer spoedig te weten komen. Er deden zich vreemdsoortige, klagende geluiden hooren. Een tijdlang hoorde men niets anders dan een solo-stem, waarop toen een koor volgde. Dat ging zoo voort zonder ophouden, nu eens zachter en dan weer harder.
"Weet gij wat dat is?" vroeg Droll aan zijn Moritzburger neef.
"Dat zal waarschijnlijk de doode lijkaria voor den ouden hoofdman zijn, geloof ik."
"Juist. Bij de Utahs beginnen de gezangen eer nog 't lijk ijskoud is geworden.'
"Dat is voor ons van groot belang, want bij dat jammeren en weeklagen zullen die kerels ons moeilijk kunnen hooren. Wij moeten de onzen bepaald opzoeken."
"Maar, als wij hen gevonden hebben, wat dan? Er uit halen kunnen wij hen toch niet."
"Dat behoeft ook volstrekt niet, zij zullen er zelf wel uit loopen. De hoofdzaak is, dat wij hen losbinden of hun riemen doorsnijden. Is de plaats, waar zij zich bevinden, niet ver van het vuur der hoofdmannen af, waar de wapenen liggen, dan hebben wij gewonnen spel. Het is een waar geluk, dat het hier onder de boomen zoo donker is. De vuren zijn volstrekt niet in ons nadeel, maar integendeel in ons voordeel, daar wij nu de gestalten der Roodhuiden gemakkelijk kunnen herkennen en ontwijken."
"Dat is perfect. Dus nu weer neer op den grond, en dan maar weer voorwaarts! Ik kruip voorop."
"Waarom gij?"
"Omdat ik langer in het Westen doorgebracht heb, en op het besluipen beter afgericht ben dan gij."
"Och, praat toch niet zoo! Haal toch zulke malle poppen niet in uw hoofd! Ik ben profekt ervaren in alle contra-precieuse aangelegenheden van het leven in het Westen. Het verbazende gemak, waarmee ik zelfs het moeilijkste ding begrijp als ware het kinderspel, heeft mijn begripsorganisatie tot zulk een terpsichoriteit gebracht, dat er mij absoluut niemendal voor mijn neus gedraaid kan worden, of ik ben er oogenblikkelijk een meester in. Maar aangezien gij mijn zeer beminde neef zijt, wil ik u de eer geven, die u toekomt. Maar pas goed op, asjeblieft! Als er u van voren een wil doodsteken, dan hebt gij maar te kikken, en dadelijk zal ik u van achteren bespringen. In den steek laten zal ik u niet!"
De kleine Saks bewees nu inderdaad, dat hij bij Old Shatterhand in een uitmuntende school was geweest. Hij deed het voortreffelijk. In weerwil dat hij twee geweren te dragen had, bewoog hij zich vlug en zonder geruisch te maken voorwaarts. Zijn voorman had trouwens het moeilijkste gedeelte van de taak te overwinnen, hierin bestaande, partij te trekken van ieder voorwerp, dat tot dekking kon dienen.
Zij kwamen op een afstand van misschien vijftig passen de hoofdmannen voorbij, en slopen verder naar het naastvolgende vuur; gelukkig bleek nu dat dit het vuur was waar de gevangenen lagen. Droll was te recht van de veronderstelling uitgegaan, dat men die niet op een donkere plaats behoefde te zoeken. Langzaam, maar toch gestadig kwamen zij dichterbij, hetgeen echter niet zonder gevaar kon geschieden. Verscheiden malen gebeurde het, dat een Roodhuid hen rakelings voorbijstevende; en eens moest Frank zich schielijk ter zijde werpen, om niet door den voet van een voorbijhollenden Indiaan getrapt te worden. Later echter hield dat heen en weer loopen op. Zij, die zich met het zingen van het lijklied belast hadden, zaten neergehurkt om den doode heen, en de anderen hadden zich neergevlijd, om een uur te slapen.
Zoo kwamen de twee tot achter de schildwachten, door welke de ruimte, waar de gevangenen lagen, was afgezet. Droll lag achter een boom, en Frank achter den boom daarnaast. De man, die het vuur onderhouden moest, was een poosje heengegaan om den treurzang bij het lijk mee te zingen, en eenigen der twaalf schildwachten hadden zich tot dat doel eveneens verwijderd. De vlam was, door gebrek aan toevoer van brandstof, aan het verflauwen, en gaf op dit oogenblik slechts een wegkwijnend licht. De gestalten der gevangenen waren bijna niet te herkennen. Droll kroop eenige passen naar rechts, vervolgens een eind weegs ver naar links, doch zonder een schildwacht te zien. Toen hij dus bij Frank terugkwam, fluisterde hij dezen toe: "Het oogenblik schijnt gunstig te wezen. Ziet gij Old Shatterhand?"
"Ja, hij is hier vlak bij, de eerste."
"Kruip naar hem toe, en blijf zoo stijf bij hem liggen, alsof gij óók geboeid zijt."
"En gij?"
"Ik ga naar de overzij naar Old Firehand en Winnetou."
"Dat is gevaarlijk."
"Niets gevaarlijker dan hier. Wat zal Old Shatterhand blij zijn, als hij zijn karabijn weer terug heeft! Maak haast nu!"
Hobble-Frank had geen grooten afstand af te leggen, hoogstens een voetstap of acht ver. Juist op dit moment verflauwde de vlam zoo erg, dat het was alsof het vuur uitging. Het werd zoo donker, dat men de gestalten der gevangenen niet meer onderscheiden kon. Een der schildwachten ging heen, om nieuw hout op het vuur te brengen; maar eer dat hout aan het branden ging, hadden Droll en Frank partij getrokken van de duisternis; beiden bevonden zich waar zij wezen moesten.
Frank was naast Old Shatterhand gaan liggen. Hij stak zijn beenen rechtuit, alsof hij ook geboeid was, schoof de Henry-karabijn naar zijn buurman toe, en trok toen zijn armen dicht tegen zijn lijf aan, om de bewakers in den waan te brengen, dat ze aan zijn lichaam vastgebonden waren.
"Frank, gij?" vroeg Old Shatterhand zacht, maar volstrekt niet op een toon van verwondering. "Waar is Droll?"
"Die ligt aan de overzij, bij Firehand en Winnetou."
"God zij gedankt, dat gij het spoor gevonden en voor het dag wordt bij mij hebt kunnen komen."
"Wist ge dan, dat wij komen zouden?"
"Natuurlijk! Toen de kerels het vuur aanstaken, zag ik dadelijk, dat je niet onder de gevangenen was."
"Maar wij hadden toch nog in de rotsspleet kunnen zitten, waar wij gepakt konden worden!"
"Pshaw! De Roodhuiden hebben daar naar mijn karabijn gezocht. Toen was ik bang, dat zij u zouden vinden, maar zij kwamen zonder u terug, en mijn karabijn was verdwenen: daaruit begreep ik alles. Ik heb mij zoo zeker gevoeld, dat gij ons niet aan ons lot zoudt overlaten, dat ik den Grooten Wolf nog met den dood heb durven dreigen."
"Dat is kras! Dat is veel gedurfd!"
"Och, beste Frank! Alleen aan hen, die durven, behoort de wereld toe!"
"Ja, aan hen die durven en aan Hobble-Frank! Heb ik mijn zaakjes niet tribunaal volbracht? Zijn wij onze kameraadschappelijke plichten en verplichtingen niet punktueel nagekomen?"
"Gij hebt u uitstekend gehouden, uitstekend!"
"Ja, zonder ons was u happa geweest."
"Dat nu juist niet. Gij weet, dat ik mijn spel niet eer verloren geef, of het moet eerst geheel en al uitgespeeld zijn. Hier echter hebben wij niet enkel kaarten, maar zelfs nog troeven genoeg. Als je niet gekomen was, zouden wij ons op een andere manier hebben moeten helpen. Zie maar eens hier!"
Frank keek naar hem en zag, dat de jager hem zijn vrije hand liet zien.
"Deze hand heb ik reeds losgemaakt," vervolgde de jager; "de andere zou binnen een kwartier ook vrij geweest zijn. Ik heb in een klein, verborgen zakje een pennemes, dat van man tot man gegaan zou zijn, zoodat wij allen zeer spoedig onze riemen losgesneden zouden hebben. Dan schielijk opgesprongen en op de wapenen aangesneld, die daarginds bij de hoofdmannen liggen ..."
"Weet gij dat óók?"
"Ik zou een slecht westman geweest zijn, als dat mijn opmerkzaamheid had kunnen ontgaan. Zonder wapenen is er geen redding voor ons; en daarom heb ik van het begin af aan goed opgelet, waar die naar toe gebracht werden. Nu moet ik vóór alles weten, hoe gij hier gekomen zijt. Zijt gij de Roodhuiden gevolgd?"
"Neen, dat niet! Wij waren al veel vroeger weg dan zij."
"Om hen in het oog te houden en hen achterna te gaan?"
"Ook niet! Wij zijn heel inflexibel de plaats gepoetst, altijd naar het benedeneinde van den canon, tot wij in een zijdal kwamen, waar wij ons compromitteeren konden. Ons plan was, om dan later, als het dag was, het spoor der Roodhuiden op te zoeken, om te zien wat wij voor u konden doen."
"O! Dus is het eigenlijk geen verdienste van u, dat gij dit bosch gevonden hebt?"
"Neen, het bosch hebben wij eigenlijk niet verdiend; maar daar het toeval nu eenmaal dat ding op onzen weg had geplaatst, zult gij het ons wel niet kwalijk nemen, hoop ik, dat wij vervolgens zoo vrij zijn geweest, om bij u de verschuldigde nieuwjaarsvisite te komen afleggen."
"Gij wordt ironiek."
"Dat nu zoozeer niet; ik wil daarmee alleen maar gecontraheerd hebben, dat het geen kinderwerk geweest is, om door dit bosch en die Indianen heen met u te assimileeren."
"Dat weet ik zeer goed op prijs te schatten, oude Frank! Gij hebt uw leven voor ons gewaagd, en dat zullen wij nooit vergeten. Daar kunt gij verzekerd van zijn. Maar, trek uw geweer wat dichter bij u! Het kan anders licht gezien worden. En geef mij uw mes, dan zal ik mijn buurman vrijmaken, en die kan het dan verder reiken."
"En dan, als de boeien weg zijn, wat doen wij dan? Eerst naar de wapenen rennen, dan naar de paarden, en dan marsch met den goud vink."
"Neen, dat niet; wij blijven hier!"
"Wel sapperloot! Dat meent gij immers niet? Hier blijven! Noemt gij dat redding?"
"Ja."
"Dank u wel! Op die manier zult gij die kerels een remorkabel voordeeltje bezorgen, want als morgenochtend de lieve zon aan den hemel komt, zullen zij twee gevangenen meer hebben, dan van nacht!"
"Wij zullen hun gevangenen niet zijn. Eerst naar de wapenen en dan naar de paarden loopen, dat zou zóó schielijk in zijn werk moeten gaan, dat er een verschrikkelijke verwarring door ontstaan zou. Niemand zou zoo vliegens zijn geweer en zijn mes en zijn andere dingen kunnen vinden. De Roodhuiden zouden ons overstelpen, eer wij bij de paarden konden komen. En wie weet of die nog wel gezadeld zijn. Neen, wij moeten ons dadelijk achter onze schilden verschuilen."
"Achter onze schilden? Ik ben geen ridder Kunibald van Uilensnavel; ik heb geen harnas, en ook geen schild. En als gij dat woord hectroëtisch gebruikt, wees dan zoo goed en zeg mij wat ik onder het woord Schilden te verstaan heb."
"De hoofdmannen."
"O, ziet ge, dat is juist weer iets van u! Een verheven gedachte!"
"Verheven volstrekt niet, maar zeer voor de hand liggend. Wij maken ons meester van de hoofdmannen, en dan zijn wij zeker dat ons niets overkomen zal. Maar stil! Het vuur brandt weer laag, en de schildwachten zullen het dus niet zien als wij onze armen bewegen."
Hij sneed zijn boeien los, en deed dat vervolgens ook van zijn buurman, deze gaf het mes nu verder. Dat van Droll was ook reeds druk in omloop. Daarop ging Old Shatterhand's bevel zacht van mond tot mond, dat allen op de hoofdmannen moesten aanstormen, zoodra hij het vuur uitgebluscht had.
"Het vuur uitgebluscht?" bromde Frank. "Hoe wilt gij dat klaren?"
"Geef maar goed acht, dan zult gij het zien! Uitgebluscht moet het worden, anders raken ons de kogels van de schildwachten."
Nu lagen allen gereed. Old Shatterhand wachtte, tot de man aan het vuur, die nu weer daar zat, opstond om weer hout er op te leggen, waardoor de vlam voor korten tijd weer gedoofd werd. Toen sprong hij op, snelde op hem aan, sloeg hem met de vuist boven op het hoofd, en wierp hem in het vuur. Door zijn lichaam drie- of viermaal heen en weer te slingeren in het vuur, werd dit in een oogenblik uitgebluscht. Dit alles geschiedde zoo snel, dat het reeds donker was, eer de schildwachten recht begrepen wat er eigenlijk gebeurde. Hun waarschuwend geschreeuw werd dus te laat aangeheven, want de gevangenen stormden reeds het bosch door op het meer aan. Old Shatterhand was de voorste, vlak achter hem waren Firehand en Winnetou.
De hoofdmannen zaten nog altijd te beraadslagen aan hun vuur. Het was voor hen een bijzonder welkome taak, de verschrikkelijkste martelingen uit te denken, waaraan de blanken en de Apache zouden sterven; zij wedijverden met elkander, wie de gruwelijkste folteringen zou voorstellen. Wel hoorden zij het waarschuwende geschreeuw der schildwachten; maar schier op hetzelfde moment zagen zij de gestalten der bevrijden op zich aanstormen--eenige seconden later waren zij op den grond geworpen, ontwapend en geboeid.
Nu grepen de blanken naar hun in de nabijheid liggende wapens, zonder zich er over te bekommeren of ieder wel zijn eigen vond. Toen de schildwachten nu van onder de laatste boomen te voorschijn kwamen, zagen zij de hoofdmannen gekneveld op den grond liggen, en eenige blanken met getrokken messen op de knieën er bij, gereed om de hoofdmannen dood te steken. Achter die groep stonden de andere blanken met aangelegde geweren. De Roodhuiden deinsden verschrikt achteruit, en hieven een ontzettend gehuil van verwoedheid aan, dat weldra al de anderen deed aansnellen.
Old Shatterhand durfde het niet tot een aanval laten komen. Luid verkondigde hij, dat de hoofdmannen doodgestoken zouden worden, indien men de minste poging deed om hen te bevrijden. Hij verlangde, dat de Roodhuiden zich terug zouden trekken, waarop hij dan met hun aanvoerders op een vreedzame wijze onderhandelen zou.
Het was een beslissend oogenblik, een oogenblik, waarvan dood en leven afhing, en dat niet voor weinigen, maar voor velen. De Indianen stonden beschut onder de boomen; de blanken werden beschenen door het heldere schijnsel van het vuur; maar er viel niet aan te twijfelen, bij het eerste schot, dat gelost werd, zouden dreigende messen de harten der hoofdmannen doorboren.
"Blijft daar!" riep de Groote Wolf aan zijn mannen toe. "Ik zal met de bleekgezichten spreken."
"Met u hebben wij niets te maken," voegde Old Shatterhand hem toe. "De anderen kunnen spreken."
"Waarom ik niet?"
"Omdat uw mond niets anders spreekt dan leugens."
"Ik zal waarheid spreken."
"Dat hebt gij reeds iederen keer beloofd, zonder uw woord te houden. Gij hebt mij kort geleden geboden, alleen dan te spreken, als mij iets gevraagd werd. Nu ben ik niet meer uw gevangene, maar gij zijt de mijne; en nu gebied ik u precies hetzelfde. Als gij spreekt, zonder dat ik u er toe oproep, gaat zonder genade het mes door uw hart.--Hoe is uw naam?"
Deze vraag werd tot den oudste der aanvoerders gericht. Hij antwoordde: "Mijn naam is Koenpoei (= vuurhart). Laat mij vrij, dan zal ik met u spreken."
"Vrijgelaten zult gij worden; maar eerst moeten wij gesproken hebben, en moet gij verklaren volkomen in te stemmen met hetgeen wij van u verlangen."
"Wat verlangt gij dan? De vrijheid?"
"Neen, want die hebben wij reeds, en die zullen wij ons niet meer laten ontnemen. Roep allereerst vijf van uw voornaamste krijgslieden hier!"
"Wat moeten die?"
"Dat zult gij hooren, als ik hen hier heb. Roep hen een beetje gauw; want onze messen, die getrokken zijn om u den dood te geven, beginnen hun geduld te verliezen."
"Ik moet mij even bedenken, wie ik kiezen zal."
Dit zei hij louter om tijd te winnen, en te overwegen of het wel werkelijk noodzakelijk was aan Old Shatterhand's bevel te voldoen. In de pauze, die daardoor ontstond, hadden de blanken gelegenheid, om alles wat men hun geroofd had weer in bezit te nemen, want er was er niet een onder hen, die niet het een of ander nog miste. Eindelijk noemde Vuurhart vijf namen, en zij, die deze namen droegen, moesten aantreden, maar zonder hun wapenen. Zij kwamen, en gingen op den grond zitten, om af te wachten wat er nu volgen zou. Zij dachten te vernemen wat er van hen verlangd werd; maar eerst hoorden zij iets anders. Toen de hoofdmannen op den grond lagen en geboeid werden, had Old Shatterhand zijn karabijn even neergelegd; nu raapte hij die weer op. Het oog van den Grooten Wolf viel op dat wapen, en vol ontzetting riep hij uit: "Het toovergeweer, het toovergeweer! Hij heeft het weer! De geesten hebben het hem gebracht door de lucht! Raakt het niet aan, en raakt ook hem niet aan, want anders kost het u uw leven!"
"Het toovergeweer, het toovergeweer!" hoorde men de stemmen der verschrikte Yampa-Utahs, daarginder onder de boomen.
Shatterhand gebood den Wolf te zwijgen, en wendde zich nu tot Vuurhart.
"Wat wij verlangen is het volgende: Wij vermissen nog vele dingen, die gij ons afgenomen hebt; die geeft gij ons allereerst terug. Zoodra de dag aanbreekt rijden wij weg, en nemen de hoofdmannen en deze vijf krijgslieden mee als gijzelaars. Zoodra wij ons dan overtuigd kunnen houden, dat ons van u geen gevaar meer bedreigt, stellen wij die allen op vrije voeten, en mogen zij ongedeerd naar hier terugkeeren."
"Oef! Dat is te veel van ons gevergd," antwoordde Vuurhart. "Dat kunnen wij niet aannemen. Geen dappere roode krijgsman zal het van zich kunnen verkrijgen als gijzelaar met de blanke mannen mee te gaan."
"Waarom niet? Wat is erger, een gijzelaar te zijn, die weer vrijgelaten wordt, of een gevangene, die zoo onvoorzichtig geweest is zich te laten grijpen? Zeer stellig het laatste. Wij, wij zijn uw gevangenen geweest, en toch heeft dat hoegenaamd niet geschaad, zoomin aan onzen roem als aan onze eer. Integendeel, die hebben er beide door gewonnen, daar wij u bewezen hebben, dat wij zelfs dan niet versagen, wanneer wij door zulk een overmacht gevangengenomen en gekneveld zijn. Het is geen schande voor u, één dag met ons mee te rijden, om dan ongedeerd en ongehinderd naar de uwen terug te mogen keeren."
"Het is een schande, een groote schande! Gij waart geheel in onze macht; de martelpalen zouden opgesteld worden, zoodra de dag aanbrak; en nu zijn wij de geknevelden, en gij schrijft aan ons de wet voor!"
"Wordt dat iets hoegenaamd beter, als gij weigerachtig zijt mijn voorwaarden aan te nemen? Wordt de schande er minder door, als gij het tot een gevecht laat komen, waarin gij allen, zooals gij hier zit, stellig het allereerst wordt afgemaakt, en nog ontelbaar vele anderen bovendien. De hoofdmannen en deze vijf uitstekende krijgslieden krijgen allereerst den kogel, en onze geweren doen daarna verder hun plicht. Denk maar eens aan mijn toovergeweer!"
Deze laatste vermaning scheen bijzonder te werken, want Vuurhart vroeg: "Tot hoe ver moeten wij met u meegaan? Waar zijt gij van plan naar toe te rijden?"
"Ik zou u uit voorzichtigheid een leugen kunnen wijsmaken," antwoordde Old Shatterhand. "Maar dat acht ik beneden mij. Wij gaan de Book-Mountains in, en zoo naar boven, naar het Zilvermeer. Als wij zien, dat gij eerlijk zijt, zullen wij u slechts één dag bij ons houden. Ik geef u nu een kwartier tijd, om er u over te kunnen bedenken. Voegt gij u naar onzen wil, dan zal er geen haar op uw hoofd gekrenkt worden; maar weigert gij, dan zullen onze geweren beginnen te spreken, zoodra het kwartier afgeloopen is. Ik heb gezegd!"
Die drie laatste woorden sprak hij met zooveel nadruk, dat er geen twijfel meer mogelijk was, of hij niet nog, op de eene of andere wijze, van zijn voornemen af te brengen zou zijn. Vuurhart liet het hoofd vooroverhangen. Het was in één woord een ongehoord feit, dat dit handjevol blanken, wien eenige minuten geleden nog de verschrikkelijkste dood boven het hoofd hing, thans in de gelegenheid waren om zulke eischen te stellen. Onverwachts werd zijn opmerkzaamheid naar de boomen getrokken, want daar liet zich een half overluide, bijna fluisterende stem hooren: "Mai iwe!"
Die twee woorden beteekenen: "Kijk hierheen!" Ze waren niet toegeroepen, maar zacht, doch zeer duidelijk verstaanbaar uitgesproken; ze konden tot ieder ander dan tot den hoofdman gericht geweest zijn, zoodat het louter toevallig kon schijnen dat ze zoo ver weg gehoord werden, en voor de blanken moesten ze dus van hoegenaamd geen beteekenis zijn. Dit nam echter niet weg, dat Shatterhand, Firehand en Winnetou terstond alle drie hun oogen naar de plaats richtten, van waar die woorden gekomen waren. Wat zij daar zagen, moest bijzonder hun belangstelling wekken. Daar stonden twee Roodhuiden, die een paardedek vasthielden, ieder aan een der bovenpunten, zoodat het als een loodrecht voorhangsel tusschen hen in hing, dat in kort op elkander volgende, maar verschillend afgemeten tusschenruimten tijds door hen op en neer werd getrokken. Achter hen zag men het schijnsel van een vuur. De twee Indianen spraken met Vuurhart.
De Indianen hebben namelijk een teeken- of gebarenspraak, die bij al de verschillende stammen verschillend is; des nachts bedienen zij zich daartoe van gloeiende pijlen, waarmede zij in de lucht geschoten bosjes gras in brand schieten. Overdag stoken zij een vuur, en houden, om den rook bijeen te houden, vellen of dekken daar overheen. Telkens als die vellen en dekken weggenomen of opgelicht worden, stijgt een rookwolk op, waarin het teeken bestaat. Het is een soort van telegraphie, volkomen gelijk aan de onze; want de tusschenruimten tusschen de omhoogstijgende rookwolken, hebben een zeer bepaalde beteekenis, evenals onze strepen en punten. Men moet echter niet denken, dat een stam altijd bij dezelfde teekens blijft; integendeel, die worden zeer dikwijls veranderd, om het aan vreemden en aan vijanden zo moeilijk mogelijk te maken, hun teekenspraak te ontraadselen.
Hadden de twee Roodhuiden gedacht, dat men op hun pantomime geen acht zoude slaan, dan hadden zij zich vergist. Zoodra zij met het dek begonnen te exerceeren, trad Winnetou eenige schreden ter zijde, zoodat hij te staan kwam vlak achter Vuurhart, aan wien die teekens geadresseerd waren. De Indianen stonden in een rechte lijn tusschen hem en het vuur; doordien zij het dek afwisselend naar omhoog en naar omlaag lieten gaan, lieten zij het vuur voor de oogen van den hoofdman verschijnen en weer verdwenen, en zulks bij langere of kortere tusschenpoozen, die natuurlijk een zeer bepaalde beteekenis hadden.
Old Firehand en Old Shatterhand wisten dadelijk wat er aan de hand was; maar zij deden alsof zij niets bemerkten; zij lieten het ontraadselen van die teekens aan Winnetou over, die, als geboren Roodhuid, daarin nog knapper was dan zij.
Het telegrapheeren duurde wel vijf minuten lang, en gedurende al dien tijd waren de oogen van Vuurhart niet van de plek af, waar de twee Indianen stonden. Toen gingen die twee van elkander af; zij waren klaar met hun mededeeling, en hadden hoegenaamd geen vermoeden, dat zij door hun tegenstanders bespied en begrepen waren. Vuurhart merkte nu pas, dat Winnetou vlak achter hem stond. Dat deed hem ontstellen. Hij keek schielijk om, ten einde te zien, in welke richting de oogen van den Apache gingen. Maar deze was even vlug, om zijn blik ter zijde te wenden, en te doen alsof zijn gansche opmerkzaamheid gevestigd was op de afwisselende kleurschakeeringen, die de maneschijn te voorschijn tooverde op den waterspiegel van het meer. Vuurhart voelde zich gerustgesteld. Doch Winnetou ging langzaam naar Old Shatterhand en Old Firehand. Dezen verwijderden zich met hem nog eenige passen verder, en toen vroeg de laatste hem fluisterend: "De Roodhuiden hebben tegen den hoofdman gesproken; heeft mijn broeder gezien en verstaan wat zij hem gezegd hebben?"
"Gezien wel, maar niet ieder woord goed verstaan. Maar toch is de zin, van hetgeen zij gezegd hebben, door goed nadenken duidelijk genoeg."
"Nu, wat hebben zij gezegd?"
"De twee Roodhuiden zijn twee jonge hoofdmannen van de Sampietsje-Utahs, wier krijgslieden zich óók hier bevinden. Zij hebben Vuurhart aangemaand, om gedwee met ons mee te rijden."
"Dus meenen zij het eerlijk? Dat zou mij verwonderen."
"Oprecht zijn zij niet. Als wij naar het Zilvermeer willen, loopt onze weg allereerst over den Grand-River, en het Teywipah (= Hertendal) in. Daar kampeeren vele krijgslieden van de Tasj-, Capoie- en Wihminoetsje-Utahs, om zich voor den veldtocht tegen de Navajos te verzamelen, en zich bij de hier aanwezige Utahs aan te sluiten. Op die verzamelde krijgslieden moeten wij stuiten, en zij vertrouwen, dat die ons verslaan en de gijzelaars bevrijden zullen. Er zullen terstond eenige boodschappers aan hen afgezonden worden, om hen te waarschuwen. En om te zorgen, dat wij niet kunnen ontkomen, zullen hier de aanwezige Utahs, zoodra wij opgebroken zijn, dit woud-bivak verlaten en ons volgen, ten einde ons tusschen de twee Utah-legers in te sluiten, zoodat de redding voor ons onmogelijk is."
"Verduiveld! Dat plan is niet kwaad bedacht. Wat zegt mijn roode broeder daarvan?"
"Ik stem u toe, dat het zeer goed beraamd is; maar het heeft één groot gebrek."
"En dat is?"
"Dat ik het afgeluisterd heb. Wij kennen het dus; en nu weten wij wat ons te doen staat."
"Maar het Hertendal moeten wij in, of wij zullen genoodzaakt zijn een omweg van minstens een dagreis of vier te maken."
"Wij zullen geen omweg maken, maar naar dat dal rijden, en toch niet in handen van de Utahs vallen."
"Is dat mogelijk?"
"Ja. Vraag het maar aan mijn broeder Old Shatterhand. Met hem ben ik in het Hertendal geweest. Wij waren alleen, en werden vervolgd dooreen grooten troep zwervende Elk-Utahs. Wij zijn hun ontkomen, doordien wij, een rotspad vonden, dat stellig nooit vóór ons, en waarschijnlijk ook nooit na ons, door een menschenvoet betreden is. Het is niet zonder gevaar te begaan; maar als men geen andere keus heeft dan tusschen het bergpad en een anders wissen dood, kan de keus wel niet twijfelachtig zijn."
"Goed, dat pad zullen wij rijden. En wat doen wij met de gijzelaars?"
"Die laten wij niet vrij, voordat wij het gevaarlijke Hertendal achter den rug hebben."
"Maar den Grooten Wolf?" vroeg Old Shatterhand. "Zullen wij dien óók weer vrijlaten?"
"Wilt gij hem dooden?" vroeg Winnetou.
"Verdiend heeft hij het. Toen ik hem beneden in den canon genade schonk, heb ik hem gewaarschuwd, dat het hem zijn leven zou kosten, als hij mij opnieuw verraderlijk bedroog. Niettegenstaande dat heeft hij andermaal zijn gegeven woord geschonden, en ik ben van oordeel, dat wij dat nu niet ongestraft mogen laten. Het betreft hier ons niet alleen. Als hij niet gestraft werd, zou hij zich gaan verbeelden, dat men tegenover de blanken volstrekt zijn woord niet behoeft te houden; en het oordeel van zulk een hoofdman is een maatstaf voor alle andere Roodhuiden."
"Mijn broeder heeft gelijk. Ik dood niet gaarne een mensch; maar de Groote Wolf heeft u herhaalde malen bedrogen, en dus bij herhaling den dood verdiend. Lieten wij hem leven, dan zou dat aangezien worden voor zwakheid. Maar straffen wij hem, dan zullen zijn krijgslieden begrijpen, dat men zijn eens aan ons gegeven woord niet straffeloos breken kan, en zij zullen het in het vervolg niet licht meer wagen zoo trouweloos te handelen. Maar nu behoeven wij ons dienaangaande nog niet te verklaren."
Intusschen was het kwartier verstreken, en Old Shatterhand vroeg aan Vuurhart: "De tijd is om. Wat heeft de hoofdman der Utahs besloten?"
"Eer ik dat zeggen kan," antwoordde de gevraagde, "dien ik precies te weten, waar gij de gijzelaars naar toe sleepen wilt."
"Sleepen zullen wij hen niet; zij rijden met ons mee. Wel zullen zij geboeid zijn; maar pijnen zullen wij hen niet aandoen. Wij gaan naar het Teywipah."
"En dan?"
"Hooger op naar het Zilvermeer."
"En moeten de gijzelaars zoo ver met u mee? Die honden van Navajos kunnen reeds daarboven aangekomen zijn; ze zouden onze krijgslieden dooden."
"Zoo ver willen wij hen niet meenemen. Zij zullen met ons meegaan tot in het Hertendal. Is ons tot daar nog niets wedervaren, dan nemen wij aan, dat gij uw woord hebt gehouden en dan laten wij hen vrij."
"Is dat waar?"
"Ja."
"Wilt gij met ons de vredespijp daarop rooken?"
"Slechts met u alleen; want gij spreekt en rookt uit naam van de anderen."
"Neem dan uw calumet en steek die aan."
"Neem liever de uwe."
"Waarom? Is uw pijp niet evengoed als de mijne? Of komen er uit de uwe slechts wolken van onwaarheid?"
"Juist andersom. Mijn calumet spreekt altijd de waarheid, maar de pijp der roode mannen is niet te vertrouwen."
Dat was een grove beleediging, daarom riep Vuurhart, terwijl zijn oogen van woede vlammen schoten: "Was ik niet geboeid, dan zou ik u dooden. Hoe hebt gij het hart, onze calumet van logenachtigheid te betichten?"
"Omdat ik het recht daartoe heb. De pijp van den Grooten Wolf heeft ons herhaalde malen bedrogen; en gij hebt u even schuldig gemaakt, doordien gij hem krijgslieden gegeven hebt, om ons te vatten. Dus, er wordt niet anders gerookt dan uw calumet. Wilt gij dat niet, dan houden wij het er voor, dat gij het niet eerlijk meent. Besluit spoedig! Wij hebben geen lust om er meer woorden over te verspillen."
"Ontsla mij dan van de boeien; dan kan ik de pijp stoppen."
"Dat is niet noodig. Gij zijt gijzelaar en moet geboeid blijven. Ik zal zelf de calumet stoppen, en die aan uw lippen brengen."
Vuurhart vond het maar beter, in het geheel niet meer te antwoorden. Ook deze beleediging moest hij verduwen, omdat zijn leven er bij op het spel stond. Old Shatterhand nam hem de pijp van den hals, stopte die, en stak die aan.
Daarop blies hij den rook uit naar omhoog, naar omlaag en naar de vier windstreken, en verklaarde toen met korte woorden, dat hij de tusschen hem en Vuurhart gewisselde belofte zijnerzijds zou nakomen, indien de Utahs nu van alle vijandelijkheden afzagen. Vuurhart werd overeind getild, om even op zijn voeten te staan; toen hij de twee eerste haaltjes aan de pijp gedaan had, werd hij naar de vier hemelstreken gedraaid, deed de vier overige haaltjes aan de pijp, en deed voor zich zelf en voor de zijnen wederkeerig de behoorlijke belofte. Daarmee was de plechtigheid afgeloopen.
Nu moesten de Utahs al de nog door de blanken vermist wordende voorwerpen uitleveren. Dat deden zij, want zij hielden zich overtuigd, dat zij die zeer spoedig weer in hun bezit zouden krijgen. Toen werden de paarden der blanken en der gijzelaars gebracht. Het was juist op het oogenblik toen de dageraad begon te gloren. De blanken hielden het voor raadzaam, den aftocht zooveel mogelijk te bespoedigen. Zij moesten daarbij de uiterste voorzichtigheid in acht nemen, en mochten hoegenaamd niets veronachtzamen, dat aan de Roodhuiden gelegenheid kon geven om er hun voordeel mee te doen.
De vijf uitgekozen krijgslieden en de hoofdmannen werden op hun paarden gebonden; toen werd ieder hunner geplaatst tusschen twee blanken in, die de revolvers gereedhielden om te schieten, ingeval de Indianen zich tegen het wegvoeren van de gijzelaars mochten willen verzetten. De stoet zette zich in beweging naar den zijcanon, uit welken Hobble-Frank en Tante Droll naar de legerplaats waren geslopen. De Roodhuiden hielden zich rustig; maar de sombere blikken, waarmee zij de bleekgezichten nakeken, lieten geen twijfel over aangaande de gevoelens, die hen bezielden.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
EEN INDIANEN-GEVECHT.
Op den gelukkigen afloop van dit avontuur was niemand met meer recht trotsch, dan Droll en Hobble-Frank, aan wier verstandig doortasten men dezen uitslag, althans de snelheid er van, te danken had. Zij reden achter de gevangenen naast elkander. Toen zij het kamp uit waren, liet Droll zijn eigenaardig, listig-vermakelijk lachje hooren, en zei: "Hihihihi, wat een vreugde voor mijn oude ziel! Wat zullen die Indianen schrikkelijk het land hebben, dat zij ons zoo moeten laten wegrijden! Vindt gij ook niet, neef?"
"O ja!" knikte Frank. "Het is een streek van genie geweest, zoo mooi als er ooit een in een boek geschreven is. En weet gij wie de voornaamste matadors daarbij geweest zijn?"
"Nu?"
"Gij en ik, wij samen, met ons beiden, alle twee. Zonder ons lagen de anderen nu nog in banden en boeien, precies als Prometheus, die jaar in jaar uit nooit anders te eten kreeg dan adelaarslever."
"Och, Frank! ik verbeeld me zoo, dat die er toch óók nog wel iets op verzonnen zouden hebben, om zich er uit te werken. Mannen als Winnetou, Shatterhand en Firehand laten zich niet zoo licht aan den martelpaal binden. Zij hebben reeds meer dan eens vrij wat erger in de klem gezeten, en toch leven zij op dit oogenblik nog."
"Dat geloof ik óók wel, maar toch zou er een zware wijs op gegaan zijn. Zonder onze internationale snedigheid zou het hun wel niet onmogelijk, maar toch stellig niet heel gemakkelijk geweest zijn, zich uit dit verduivelde geval te contrapunctioneeren. Ik ben er wel niet trotsch op, maar het is toch een zielsverheffende gevoelsgewaarwording, als men bij zich zelf zeggen kan, dat men bij zijn buitengewone geestesgaven tevens nog een vlugheid van vernuft bezit, die zelfs het vlugste paard niet zou kunnen inhalen. Als ik later er toe kom, om mijn overige levensdagen in rust door te brengen, en ik heb dan goeden inkt bij de hand, dan hoop ik mijn memoranden te schrijven, zooals alle beroemde mannen doen. Het nageslacht zal dan pas erkennen, tot welke hallucinatiën een enkele menschelijke geest de competente bekwaamheden bezit. Gij zijt ook zulk een hoogbegaafd eereburger in dit ondermaansche tranendal, en wij kunnen ons met den trots van ons geïmiteerde zelfbewustzijn herinneren, dat wij niet alleen Duitsche landslieden zijn, maar zelfs geconfigureerde neven en bloedverwanten."
Nu was de trein in den zijcanon aangekomen. Die boog niet linksaf naar den hoofdcanon, maar liep naar rechts, om den hoofdcanon te volgen. Winnetou, die den weg zeer nauwkeurig kende, reed als gewoonlijk voorop. Achter hem kwamen de jagers, dan de rafters, die de gevangenen in hun midden hadden. Op dezen volgde de draagstoel, waarin Ellen zat; haar vader reed er naast, en nog eenige rafters besloten den trein.
Ellen had zich sedert gisteren bijzonder kloek gehouden; zij was gelukkigerwijze door de Roodhuiden niet zoo streng behandeld als de volwassen, mannelijke gevangenen. Toen deze laatsten zich van hun boeien bevrijd hadden, om zich op de hoofdmannen te werpen en die te knevelen, was zij geheel alleen bij het door Old Shatterhand uitgedoofde vuur blijven zitten. Een geluk, dat de Roodhuiden niet op de gedachte waren gekomen, om zich van haar te bedienen, ten einde de invrijheidstelling van de gijzelaars af te dwingen!
De smalle canon ging tamelijk steil in de hoogte, en liep ongeveer een uur gaans verder uit op de wijde open rotsvlakte, die door de donkere gevaarten der Rocky-Mountains begrensd scheen. Hier draaide Winnetou zich om en zei: "Mijn broeders weten, dat de Roodhuiden ons volgen zullen. Wij willen nu in galop gaan rijden, om den afstand tusschen ons en hen zoo groot mogelijk te maken."
Men gaf aan de paarden de sporen en zette hen zóóveel aan, als met het oog op Ellen's draagstoel en de hitten, die hem droegen, doenlijk was. Later kwam er in die snelheid een staking, door een voor de ruiters zeer welkome omstandigheid. Men zag namelijk een troep gaffel-antilopen, en het gelukte er twee van te omsingelen en dood te schieten. Dit gaf toereikenden leeftocht voor vandaag.
De bergen kwamen aanhoudend naderbij. De hoogvlakte scheen te eindigen aan hun voet; dit was echter geenszins het geval, het dal van den Grand River lag er tusschen. Tegen den middag, toen de zonnestralen zoo brandend heet uit de lucht kwamen, dat zij mensch en dier hinderden, kwam men aan een smalle plek der rotsige vlakte, welke plek glooiend afliep.
"Dat is het begin van een canon, die ons naar de rivier zal brengen," zei Winnetou, terwijl hij dien afdalenden weg vervolgde. Het was alsof hier een reus aan het werk was geweest, om een diep en aanhoudend dieper gaand pad in het harde steengevaarte te openen. De wanden rechts en links, aanvankelijk nauwelijks merkbaar, stegen allengs tot manshoogte, werden vervolgens huizenhoog, en altijd door nog hooger, totdat ze hemelhoog tegen elkander schenen te stuiten. Hier, in dien engen bergpas, werd het donker en kil. Van de wanden af sijpelde water naar beneden, dat op den bodem bleef liggen, gestadig aanwassende, zoodat de dorstige paarden weldra konden drinken. En, opmerkelijk, deze canon vertoonde niet de minste of geringste kromming. Hij had lijnrecht de rotsen doorkliefd, zoodat men reeds lang eer men het uiteinde bereikte in de verte een lichte streep kon zien, die hoe langer hoe breeder werd, hoe meer men die naderde. Dat was de uitgang, het einde, van die verscheiden honderd voet diepe rotsspleet.
Toen de ruiters daar aankwamen, vertoonde zich een schier overweldigend natuurtafereel aan hun oogen. Zij bevonden zich in het dal van den Grand-River. Dit was ongeveer een halve Engelsche mijl breed; de rivier stroomde er midden door, en liet aan haar beide zijden een grasstrook vrij, die begrensd werd door den loodrecht omhoogstijgenden rotswand van den canon. Het dal liep van het noorden naar het zuiden, regelrecht, als getrokken met een richtlijn, en in de twee rotswanden vertoonde zich niet het minste scheurtje of het geringste berstje, evenmin als de kleinste vooruitsprong. Daarboven stond de gloeiende zon, die hier, in weerwil van de diepte van den canon, het gras bijna verschroeide.
Niet het minste scheurtje? Ja toch! Vlak tegenover de ruiters zag men op den rechteroever der rivier een tamelijk breede insnijding, waaruit een vrij breede beek stroomde. Daarheen wees Winnetou met de hand. "Die beek," zei hij, "moeten wij volgen naar boven; die loopt naar het Hertendal."
"Maar hoe komen wij er overheen?" vroeg Butler, die natuurlijk allereerst om zijn dochter dacht. "De rivier heeft wel geen sterke strooming, maar schijnt nog al diep te zijn."
"Boven de plaats, waar de beek zich in de rivier stort, is een waadbare plek, die zoo ondiep is, dat het water er in dezen tijd van het jaar stellig niet tot aan den draagstoel zal reiken. Mijn broeders kunnen mij volgen!"
Men reed dwars over het gras tot aan het punt waar het wad zich bevond. Dit lag zoo, dat men, op den anderen oever aangekomen, ook nog de beek over moest, om daarvan den rechteroever te bereiken, die breeder en dus gemakkelijker te berijden was dan de linkeroever. Winnetou ging te paard het water in, en de anderen volgden hem. Hij had gelijk gehad: het water reikte niet eens tot aan zijn voeten. Toch hield hij, in de nabijheid van den anderen oever aangekomen, eensklaps halt, en liet een half onderdrukten uitroep hooren, die den indruk maakte dat hij een gevaar ontdekt had.
"Wat is het?" vroeg Old Shatterhand, die vlak achter hem reed. "Heeft het stroombed zich verlegd?"
"Neen; maar daarlangs hebben mannen gereden."
Dit zeggende wees hij naar den oever, waar zij wilden landen. Old Shatterhand dreef zijn paard eenige passen vooruit, en zag nu ook het spoor. Het was breed, als van verscheiden ruiters; het gras had zich nog niet geheel weder opgericht.
"Dat is opmerkelijk!" zeide Old Firehand, die bij de twee anderen was gekomen. "Wij moeten dat spoor onderzoeken, en tot zoolang dienen de anderen in het water te blijven."
Het drietal landde. Van hun paarden afgestegen, namen zij het spoor met hun kennersblik in oogenschouw.
"Het zijn bleekgezichten geweest," zei Winnetou.
"Ja," bevestigde Old Shatterhand. "Indianen zouden achter elkander gereden, en niet zulk een breed spoor gemaakt hebben. Ik ben zoogoed als overtuigd, dat die lieden geen echte Westmannen zijn. Een jager, die ondervinding heeft is veel voorzichtiger. Ik schat den troep op dertig à veertig personen.
"Ik ook," zei Old Firehand. "Maar blanken, hier, onder de tegenwoordige omstandigheden! Dat moeten nieuwelingen zijn, onvoorzichtige menschen, die door den nood gedreven zijn, om zoo hoog het gebergte in te gaan."
"Hum!" bromde Old Shatterhand. "Ik geloof dat ik het wel raden kan welk soort van volkje wij hier vóór ons hebben."
"Nu, wie dan?"
"Den roodharigen kornel met zijn bende."
"Verduiveld, ja! Dat kan zijn. Naar mijn berekening kunnen de kerels hier wezen. En dat komt ook overeen met hetgeen gij van Knox en Hilton vernomen hebt. Wij moeten het spoor...."
Hij werd in de rede gevallen door Winnetou, die naar de beek was gegaan, en die, in het oeverwater wijzende, zei: "Mijn broeders kunnen hierheen komen. Het is de roodharige kornel geweest."
Zij gingen mede, en keken in het water. Dit was helder bronwater, en men kon daar op den bodem alles duidelijk onderscheiden. Men zag er een reeks van indrukken, die vlak naast de plek, waar de ruiters over de beek waren gekomen, van den eenen oever naar den anderen liep.
"Eer die ruiters er over gegaan zijn," verklaarde de Apache, "is één hunner van zijn paard afgestegen, om de diepte van het water te onderzoeken. Het zijn dus domme menschen geweest; want ieder, die zijn oogen goed opendoet, ziet dadelijk, dat het water niet tot boven de beenen reikt. En waarmee heeft de man de beek onderzocht? Dat kunnen mijn broeders mij zeggen."
"Met een houweel, waarvan hij den steel in zijn handen heeft gehad. Dat is duidelijk te zien aan den indruk, dien het voorwerp gemaakt heeft," antwoordde Old Firehand.
"Juist, met een houweel. Die lieden willen dus niet jagen, maar graven. Het is bepaald niemand anders dan de bende van den roodharigen kornel."
"Ik ben volkomen van hetzelfde gevoelen; maar toch moeten wij het voor mogelijk houden, dat het ook anderen geweest kunnen zijn."
"Dan konden slechts goudgravers hier voorbij zijn," zei Old Shatterhand; "en dat betwijfel ik."
"Op grond waarvan?'
"In de eerste plaats zijn goudgravers menschen van ondervinding, die niet zoo onvoorzichtig zijn, en ten andere kunnen wij bij de sporen van veertig paarden, op omstreeks tien pakpaarden rekenen; resten dertig ruiters. Maar goudgravers trekken niet in zulke groote troepen door de bergen en de canons heen. Neen! Het is de roodharige kornel met zijn kornuiten, dat zou ik durven bezweren."
"Ook ik twijfel daaraan niet. Maar waar zijn ze naar toe? Daar verderop zijn zij rechtsaf geslagen, dus niet verder langs den Grand-River naar beneden, maar naar de beek bovenwaarts naar het Hertendal. Zij rijden dus de Utahs regelrecht in den mond."
"Dat is hun lot; dat hebben zij zich zelf bereid. Wij kunnen niets daaraan veranderen."
"Oho!" riep Old Firehand. "Wij moeten het veranderen."
"Moeten? Waarom? Hebben zij dat verdiend?"
"Neen! Maar wij moeten de teekening hebben, die de kornel gestolen heeft. Als wij die teekening niet machtig worden, komen wij nooit te weten waar die schatten in het Zilvermeer liggen."
"Dat is waar. Gij wilt dus die schobberds achternarijden, om hen te waarschuwen?"
"Neen, niet om hen te waarschuwen, maar om zelf hen in de pan te hakken."
"Dat is onmogelijk. Bedenk hoe ver zij ons vooruit zijn!"
Old Firehand bukte, om nogmaals het gras te onderzoeken, en zei toen op een toon van teleurstelling: "Jammer! Het is reeds vijf uur geleden, dat zij hier geweest zijn. Hoe ver rijden is het van hier naar het Hertendal?"
"Vóórdat de avond gevallen is, kunnen wij het met geen mogelijkheid bereiken."
"Dan moet ik mijn plan opgeven; want dan zijn zij reeds in de macht der Roodhuiden, eer wij de helft van den weg afgelegd hebben. Maar hoe staat het met de boodschappers, die door de Yampa-Utahs naar dat dal gezonden moesten worden? Die zijn stellig nog vóór ons vertrokken, en wij hebben toch geen spoor van hen ontdekt."
"Die mannen zijn stellig niet te paard, maar te voet gegaan," verklaarde Winnetou. "Te voet is de weg veel korter, daar een mocassin over plaatsen kan komen, waar paard en ruiter den hals zouden breken. Mijn broeders moeten niet meer over den kornel denken, maar wel over de geschiktste manier om ons spoor uit te wisschen."
"Ons spoor uit te wisschen? Waarom dat?"
"Wij weten, dat de Yampa-Utahs ons volgen. Wij gaan later van den weg af, dien zij denken dat wij volgen zullen. Als wij aan hen ontkomen willen, moeten wij hen misleiden. Zij moeten het spoor van den kornel, dat regelrecht op het Hertendal aanloopt, voor het onze aanzien; dan zullen zij dat volgen, en niet op de gedachte komen, dat wij zijwaarts gegaan en hen ontweken zijn. Daarom mogen zij niet zien en niet weten, dat er reeds vóór ons ruiters hier geweest zijn. Mijn beide blanke broeders verstaan de kunst, om een spoor onleesbaar te maken, Hobble-Frank en Droll, Humply-Bill en de Gunstick-Uncle hebben het ook geleerd; Watson en Zwarte Tom eveneens. Die mannen kunnen het gras oprichten en uit hun hoeden met water begieten, want als het nat is, zal de zon het overige wel doen, om het rechtop te doen staan. Dat moet gebeuren over een afstand van hier af zoo ver als het oog reikt. Als dan de Yampa-Utahs komen, staat het gras hoog, en alleen daar, waar wij gereden zullen hebben, zal het neergetrapt zijn."
Dit plan was uitmuntend bedacht. De genoemden moesten aan het werk; terwijl zij het volbrachten, gingen de anderen met al de paarden de waadbare plaats door, staken de beek over, en wachtten toen. De genoemde zeven gingen op het spoor van den kornel omstreeks honderd passen terug, besproeiden het gras met water en richtten het op, terwijl zij, langzaam achteruit loopende, hun dekken over den grond achter zich sleepten. Het overige moest de zon doen, en dat die het doen zou, daaraan viel niet te twijfelen. Wie geen ooggetuige van dit bedrijf geweest was, moest, als hij een half uur later kwam, bepaald denken, dat hij het spoor van Old Firehand en zijn metgezellen vóór zich had. Zij, die het spoor uitgewischt hadden, wipten over de beek heen en stegen weer in den zadel.
De gevangen Roodhuiden hadden zwijgend alles aangezien. Sedert het begin van den tocht trouwens, had niet een hunner een woord gesproken. Wat zij nu gezien hadden, kwam hun verdacht voor. Waarom maakten de bleekgezichten dat vreemde spoor weg? Waarom verspilden zij met dat werk den kostbaren tijd, in plaats van het spoor te volgen zoo snel als zij maar konden? Vuurhart kon het niet van zich verkrijgen langer te zwijgen; hij wendde zich tot Old Firehand: "Wat zijn dat voor mannen, die vóór ons hier gereden hebben?"
"Ruiters," antwoordde de gevraagde kort.
"Waar zijn die naar toe?"
"Dat weet ik niet."
"Waarom maakt gij hun spoor onleesbaar?"
"Om uw krijgslieden."
"Om mijn krijgslieden? Wat hebben die met dat spoor te maken?"
"Zij zullen het niet zien."
"Neen, dat spreekt vanzelf, want het spoor ligt hier, en mijn krijgslieden liggen gebivakkeerd in het Woud des Waters."
"Daar zijn zij niet meer; maar zij zitten ons op de hielen."
"Geloof dat maar niet."
"Niet alleen dat ik dat geloof, maar ik weet het stellig."
"Gij vergist u. Met welk doel zouden mijn krijgslieden u op de hielen zitten?"
"Om ons in te sluiten tusschen hen en de Utahs, die in het Hertendal kampeeren."
Het was duidelijk aan Vuurhart te zien, dat hij schrikte. Maar hij herstelde zich dadelijk, en zei: "Mijn blanke broeder heeft dat waarschijnlijk gedroomd. Ik weet niets van alles wat hij zegt."
"Lieg maar niet! Wij hebben zeer goed de teekens gezien, die de twee jonge hoofdmannen u met het dekkleed gaven. Wij hebben die teekens evengoed verstaan als gij, en weten, dat gij ons met de calumet bedrogen hebt."
"Oef! Mijn woorden zijn geen bedrog geweest."
"Dat zullen wij zien. Wee u, als de Yampa-Utahs ons volgen. Meer heb ik u niet te zeggen. Wij moeten verder!"
De afgebroken rit werd voortgezet, nu langs de beek naar boven. Het spoor, dat men volgde, was breed, en er moest dus even breed gereden worden, opdat de vervolgers met geen mogelijkheid konden herkennen, dat zij twee sporen vóór zich hadden. Waren de Roodhuiden reeds vroeger stil en in zich zelf gekeerd geweest, nu lieten zij eerst recht het hoofd hangen. Zij zagen, dat men hun oogmerk doorzien had, en dat hun leven nu geen pruim tabak meer waard was. Wat zouden zij gaarne op de vlucht gegaan zijn! Maar aan ontkomen viel niet te denken; hun boeien waren onverbrekelijk, en bovendien werden zij door de blanken zoo dicht ingesloten, dat het een klinkklare onmogelijkheid was, door hun bewakers heen te breken.
De beek kronkelde zich met veel bochten van lieverlede naar boven. Het dal werd breeder, en was hooger-op met kreupelbosch en boomen begroeid. Eindelijk vertakte het zich in verscheiden zijdalen, uit welke kleine waterstroomen kwamen, om de beek te vormen, die hier haar oorsprong nam. Winnetou volgde den breedste van die stroomen, waarvan het dal wel een kwartier gaans tamelijk breed was, en dan eensklaps in een rotsengte uitliep waarachter het zich weer verbreedde en een welig groen grastapijt vormde. Toen men de engte door was, hield hij halt, en zei: "Hier hebben wij een uitmuntende plaats om te rusten en te eten. Onze paarden zijn vermoeid en hebben honger, en ook wij zelf hebben behoefte aan eenige verkwikking. Mijn broeders kunnen afstijgen en de antilopen braden."
"Maar dan zullen de Utahs ons immers naar alle waarschijnlijkheid inhalen!" merkte Old Firehand aan.
"Welnu, wat hindert dat? Zij zullen zien, dat wij weten wat zij in het schild voeren. Zij kunnen ons niets doen; want als wij maar een man aan de rotsengte op post zetten, zal die hen reeds in de verte zien aanrukken en ons kunnen waarschuwen. Zij kunnen deze plaats niet bestormen, en zullen onverrichterzake terug moeten trekken."
"Maar wat een tijd verliezen wij hier!"
"Wij verliezen geen minuut. Als wij eten en drinken, dat geeft ons nieuwe kracht, die wij misschien wel noodig zullen hebben. En als wij aan onze paarden gras en water geven, dan kunnen zij later zooveel te harder loopen. Ik heb deze plaats met dat doel uitgekozen. Mijn broeder kan gerustelijk doen wat ik hem verzocht heb."
De Apache had gelijk, en de anderen waren het met hem eens, dat men hier rust moest nemen. Daar, waar de rotsen het dal insloten, werd een schildwacht uitgezet. De gevangenen werden aan boomen vastgebonden, de paarden liet men grazen, en al spoedig brandden er twee vuren, over welke het wild werd gebraden. Het duurde niet lang, of men kon het eten, ook de Indianen kregen hun deel, en zij mochten tevens water drinken uit den beker, dien de lord bij zich had.
Deze was bij uitstek in zijn schik. Hij was in dit land gekomen om avonturen te zoeken, en hij had meer gevonden, dan hij zich ooit had kunnen voorstellen. Hij had nu zijn boek voor den dag gehaald om de items eens op te tellen, die hij aan Bill en aan den Uncle reeds schuldig was.
"Willen wij eens wedden?" vroeg hij aan Humply-Bill.
"Waarover?"
"Dat ik u reeds duizend dollars schuldig ben, en zelfs nog meer?"
"Neen, ik wed niet."
"Dat spijt mij. Deze weddenschap zou ik stellig gewonnen hebben."
"Dat doet mij pleizier. Overigens denk ik wel, dat er vandaag wel weer een sommetje bij zal komen; want het is meer dan waarschijnlijk, dat wij vandaag weer iets nieuws zullen beleven."
"Mooi! Als wij het maar overleven, laat het dan maar komen. Aha! de grap gaat al aan den gang, zie ik!"
De schildwacht had namelijk een zacht fluitend geluid doen hooren. Hij wenkte. De aanvoerders snelden naar hem toe. Toen zij, achter de rots verscholen, door de engte keken, zagen zij de Utahs in het dal voorwaarts rukken. Zij waren naar gissing nog slechts een duizendtal schreden ver af.
Buiten vóór de rots bevond zich een welig groeiend struikgewas. Daarin posteerde Old Shatterhand snel zijn beste schutters, en gaf hun bevel om te vuren zoodra zijn eerste schot viel; maar hij gebood er uitdrukkelijk bij, dat zij op de paarden moesten schieten, en niet op de ruiters.
De Roodhuiden naderden snel, de oogen gericht houdende op het spoor. Zij dachten dat de blanken zich gelukkig achtten ontkomen te zijn, en waanden zich dan ook zóó veilig, dat zij niet eens verspieders vooruitgezonden hadden. Daar knalde vóór hen een schot; tien, twintig en meer schoten volgden in een oogenblik. De getroffen paarden stortten neer, of steigerden en holden terug, hun ruiters afwerpende en den ganschen troep in wanorde brengende. Een oorverdoovend gehuil volgde, en daarmee verdwenen de Indianen. Het dal was in een oogwenk ledig.
"Zie zoo!" zei Old Shatterhand. "Die weten nu ten minste dat wij op onze hoede zijn, en dat wij hun oogmerk kennen. Maar wij moeten opbreken, want zij zullen ons misschien van ter zijde komen besluipen. Dus, voorwaarts!"
In een ommezien zaten allen weer te paard, en de trein zette zich in beweging. Het was te veronderstellen, dat de Roodhuiden slechts langzaam en met de uiterste omzichtigheid zouden naderen; zoodat men zich overtuigd mocht houden hen een goed eind weegs vooruit te zullen komen.
Het ging het grasveld opwaarts, over de berghelling heen, en toen bereikte men een waar doolhof van ravijnen en dalen, die, uit verschillende richtingen komende, alle naar een en hetzelfde punt schenen te loopen. Dit punt was de ingang van een breede, naakte, woeste, uren gaans lange rotskloof, waarin geen enkel grashalmpje groeikracht scheen te kunnen vinden. Rotsblokken van allerlei vorm en grootte lagen er hoog op elkander gestapeld of links en rechts als neergesmeten. Het was alsof hier in den voorhistorischen tijd een door de natuur gevormde reusachtige tunnel was ingestort.
Het was moeilijk, in dezen chaos van steengevaarten een doorloopend spoor te ontdekken. Slechts hier en daar verried een uit zijn verband gestooten of door een paardenhoef afgebrokkelde steen, dat de tramps dezen weg gereden waren. Winnetou wees met de hand voorwaarts, en zei: "Over twee uur daalt deze spelonk van verwoesting af in het groote, groene Hertendal. Maar wij zullen hier linksaf slaan. Old Shatterhand en Old Firehand kunnen afstijgen en hun paarden zoolang aan andere handen toevertrouwen; want zij moeten achter ons volgen, om dadelijk ons spoor weg te maken, ten einde den Yampa-Utahs niet te laten merken, dat wij een zijweg ingeslagen zijn."
Dit gezegd hebbende sloeg hij dadelijk linksaf in dien warboel van steenen. De anderen voldeden aan zijn opdracht, en stegen eerst weer te paard, toen zij op een behoorlijken afstand van de eerst gevolgde richting verwijderd waren. De Apache bewees, dat hij een weergaloos geheugen bezat. Het scheen alsof geen sterveling in staat was in deze woestenij den weg te vinden; verscheiden jaren waren er verloopen sedert hij den laatsten keer hier was geweest, en toch kende hij elken steen, iedere rots, elke rijzing, elke kromming, zoodat hij geen oogenblik in beraad behoefde te staan welke richting hij te kiezen had.
Het ging zeer steil berg-op, tot men een uitgestrekte, naakte hoogvlakte bereikte. Over die vlakte ging men in galop. De zon was reeds achter de Rocky-bergen verdwenen, toen men het einde van dit plateau bereikte of althans voor zich zag liggen; want de Apache hield halt, wees met de hand naar voren, en zei: "Nog vijf honderd passen verder, daar valt de steenmassa zoo recht als een droppel water in de diepte; aan de andere zijde insgelijks; maar daartusschen ligt beneden het Hertendal met goed water en veel boschgroei. Het heeft slechts één bekenden ingang, namelijk dien, waarvan wij afgeweken zijn, en ook slechts één uitgang, die berg-op loopt, naar het Zilvermeer. Ik en Old Shatterhand zijn de eenigen, die nog een anderen toegang kennen, wij hebben dien bij toeval ontdekt, toen wij ons in gevaar bevonden. Ik zal hem u wijzen."