← De schat in het Zilvermeer

De schat in het Zilvermeer (part 1 of 3)

Part 1 of 3 · Karl May · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #21875, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (3)

Continue:

De schat in het Zilvermeer

DR. KARL MAY'S REISAVONTUREN

DE SCHAT IN HET ZILVERMEER

VAN DR. KARL MAY

NAAR HET 48STE DUIZENDTAL DER DUITSCHE UITGAVE

MET PLATEN

DERDE DRUK

AMSTERDAM H. J. W. BECHT

BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN.

EERSTE HOOFDSTUK.

DE ZWARTE PANTER.

Omstreeks het middaguur van een zeer heeten Junidag was de "Dogfish"--een der grootste stoomschepen voor passagiers en goederen van Arkansas--druk bezig met zijn geweldige schepraderen de wateren der rivier te klieven. Dien ochtend zeer in de vroegte was deze stoomboot van Little Rock afgevaren en zou nu spoedig Lewisburg bereiken, om daar aan te leggen, wanneer er nieuwe passagiers of goederen aan boord genomen moesten worden.

De felle hitte had de meer welgestelde reizigers naar hun kajuiten of slaapplaatsen gedreven, en de meesten der dekpassagiers lagen achter vaten, kisten en ander pakgoed, overal waar slechts een weinig schaduw te vinden was. Voor die passagiers had de kapitein onder een uitgespannen zeil een Bed-and-Board (dat is een toeslaande beddekast) laten zetten waarop allerlei glazen en flesschen stonden, welker scherpe inhoud in geen geval geschikt was voor verwende gehemelten en tongen. Achter deze soort van toonbank zat de knecht van den hofmeester, vermoeid van de hitte, met zijn oogen dicht te knikkebollen. Van tijd tot tijd gingen zijn oogleden even open, en dan kwam er een binnensmonds geprevelde vloek of ander kras woord over zijn lippen. Die uitingen van wrevel golden een groep van een groot twintigtal mannen, die vóór de toonbank in een kring op den grond zaten, en den dobbelbeker van hand tot hand lieten gaan. Er werd om een drink (= "zoopje") gespeeld, dat wil zeggen: als het spel uit was moest de verliezer voor elk der medespelers een borrel betalen. Daardoor was de hofmeestersknecht niet in de gelegenheid een dutje te doen, waarin hij blijkbaar zooveel trek had.

Die mannen hadden stellig niet pas hier op de stoomboot kennis gemaakt, want zij speelden "jij en jou" tegen elkander en, naar men uit sommige uitdrukkingen nu en dan kon opmaken, schenen zij met elkaars omstandigheden volkomen bekend. Als tegenhanger van die algemeene vertrouwelijkheid, was er één onder hen, voor wien al de anderen een soort van ontzag schenen te hebben. Zij noemden hem "kornel," zooals men weet, een verbastering van het woord "kolonel," dat "overste" beteekent.

Die man was lang en mager; met een gladgeschoren gezicht, met scherpgeteekende gelaatstrekken, en een borsteligen, roodkleurigen keelbaard. Ook zijn kort geknipt hoofdhaar was zoo rood als een vos, wat men duidelijk zien kon, daar hij den ouden, versleten vilten hoed, dien hij ophad, ver achteruit in zijn nek had geschoven. Zijn kleeding bestond uit zware, met spijkers beslagen vetleeren schoenen, een nanking-broek, en een kort wambuis van dezelfde stof. Een vest droeg hij niet; in stede daarvan was een ongestreken vuil hemd te zien, waarvan de breede halskraag, zonder door een das bijeengehouden te worden, wijd openstond, zoodat men zijn sterk door de zon gebruinde, bloote borst zag. Om zijn middel was een soort van rooden gordel gebonden bij wijze van sjerp, waaruit de handvatsels van een mes en twee pistolen te voorschijn kwamen. Achter hem lag een geweer, nog zoogoed als nieuw, en een linnen knapzak, voorzien van twee banden, om als ransel op den rug gedragen te worden.

De andere mannen waren eveneens slordig en even onooglijk gekleed, maar insgelijks zeer goed gewapend. Er was niet één onder hen, dien men op het eerste gezicht zou hebben durven vertrouwen. Zij dobbelden met een hartstochtelijkheid, alsof de speelduivel in hen gevaren was, en voerden daarbij hun gezelligen kout in uitdrukkingen, zoo ruw en plat, dat iemand, die op een greintje beschaving aanspraak kon maken, zeer zeker geen minuut bij hen zou hebben blijven staan. Zij hadden stellig reeds verscheidene "zoopjes" gebruikt, want hun gezichten waren niet alleen door de zon verhit, maar ook klaarblijkelijk in geen geringere mate door den sterken drank.

De kapitein van het stoomschip had de commandobrug verlaten, en was naar de achterplecht gegaan, om aan den stuurman eenige noodige bevelen te geven. Toen dit gedaan was zeide laatstgenoemde: "Wat denkt gij van de snaken, die daar op de voorplecht zitten te dobbelen, kapitein? Mij dunkt, dat zijn boys (= jongens), die men maar liever niet aan boord ziet komen."

"Zoo denk ik er ook over," antwoordde de gevraagde met een hoofdknikje. "Zij hebben zich wel uitgegeven voor harvesters (= oogsters), die naar het Westen willen, om zich op de boerderijen als daggelders te verhuren, maar ik zou niet gaarne de man zijn, bij wien zij om werk kwamen aankloppen."

"Wel sir! ik voor mij, ik houd hen voor echte tramps (= vagebonden); ik hoop ten minste maar, dat zij zich hier aan boord rustig zullen houden."

"Ik zou hen niet raden het ons lastiger te maken, dan wij gewend zijn. Wij hebben hands (= manschap) genoeg aan boord om hen allen in den ouden, gezegenden Arkansas te smijten. Maak overigens maar klarigheid om aan te leggen, want binnen tien minuten zal Lewisburg in het gezicht komen."

De kapitein ging weer op zijn brug staan, om de bij het aanleggen noodige bevelen te geven. Reeds zeer spoedig zag men de huizen der bedoelde plaats, welke het schip begroette met een langgerekt oorverdoovend geraas met de stoomfluit. Van het bruggenhoofd aan wal werd het sein gegeven, dat de boot vrachtgoederen en passagiers in moest nemen. De reizigers, die zich tot nu toe onder het dek hadden opgehouden, kwamen thans naar boven, om getuigen te wezen van deze kortstondige afwisseling op den vervelend langen overtocht.

Trouwens, een zeer onderhoudend schouwspel werd hun daardoor niet aangeboden. Lewisburg was destijds op verre na nog niet van zooveel beteekenis als tegenwoordig. Op de aanlegplaats stonden slechts ettelijke leegloopers; er waren slechts eenige kisten en pakketten mede te nemen, en het aantal der aan boord komende nieuwe passagiers bedroeg slechts drie, die, toen zij de vracht betaalden, door den met de inning belasten beambte volstrekt niet als gentlemen (= heeren van stand) behandeld werden.

Een hunner was een blanke, rijzig van gestalte en ongemeen forsch van lichaamsbouw. De groeikracht van zijn donkeren vollen baard was zóó sterk, dat men van zijn gansche gezicht niets anders zien kon, dan de oogen, den neus en het bovengedeelte der wangen. Als hoofddeksel droeg hij een oude pet van bevervel, die in den loop der jaren bijna kaal was geworden. Welke gedaante die pet vroeger gehad had, zou niemand hebben weten te zeggen; hoogstwaarschijnlijk had zij reeds alle mogelijke gedaante-verwisselingen doorleefd. De kleeding van dien man bestond uit broek en buis van stevig, grijs linnen. In zijn breeden lederen gordelriem staken twee revolvers, een mes en verscheidene kleine instrumenten, die iedere bewoner van het verre Westen van Amerika als onmisbaar beschouwt. Buitendien bezat hij een zwaar geweer met dubbelen loop, waaraan ongeveer ter halver lengte, ten einde beide gemakkelijker te kunnen dragen, een lange bijl vastgebonden was.

Toen hij de vracht betaald had, wierp hij een uitvorschenden blik over het dek. De goedgekleede kajuit-passagiers schenen hem geen belang in te boezemen. Daar viel zijn oog op de anderen, die van hun dobbelspel opgestaan waren, om de aan boord komenden gade te slaan. Hij werd den kornel gewaar, doch liet terstond zijn blik in een andere richting gaan, juist alsof hij hem in het geheel niet had opgemerkt; maar, terwijl hij de neergezakte kappen van zijn hooge waterlaarzen weder omhoogtrok over het dik van zijn beenen, mompelde hij zacht bij zich zelf: "Behold (= Kijk eens na wat ik zeg), als dat de roode Brinkley niet is, wil ik als een bokkum gerookt, en met huid en haar opgevreten worden. Het doel, waarmee hij zulk een bende boys om zich heen heeft getrommeld, is stellig niet veel goeds. Ik hoop maar dat hij mij niet herkent."

Degene, dien hij bedoelde, had hem ook opgemerkt, en daarbij een zekere gewaarwording van onthutstheid ondervonden. Hij wendde zich nu tot zijn metgezellen, en zeide zacht fluisterend: "Kijk eens even naar dien zwarten kerel! Is er iemand onder u, die hem kent?"

Deze vraag werd beantwoord met "neen".

"Nu, ik moet hem reeds vroeger eens gezien hebben, en onder omstandigheden, die voor mij niet zeer aangenaam geweest zijn. Mij dunkt, daar staat mij zoo vaag iets van voor."

"Dan zou hij u, dunkt mij, toch óók moeten kennen," merkte een der boys aan. "Hij heeft zijn oog over ons allen laten gaan; doch u, schijnt het, heeft hij niet eens opgemerkt."

"Hum! Misschien schiet het mij nog te binnen. Of ik weet nog beter; ik zal hem naar zijn naam vragen. Als ik dien hoor, zal ik uit den droom zijn. Gezichten kan ik vergeten, maar namen niet. Wij zullen een zoopje met hem maken."

"Als hij maar mee wil doen!"

"Wel, als hij niet wilde, dat zou een schandelijke beleediging zijn--dat weet gij allen evengoed als ik. Weigert u iemand om met u te drinken, dan heeft men hier te lande, het recht, om die weigering te beantwoorden met het mes of met de pistool; en steekt of schiet men den beleediger dood, dan kraait daar verder geen hen of haan naar."

"Hij ziet er, dunkt mij, niet uit als iemand, die zich zal laten dwingen tot iets, waarin hij geen trek heeft."

"Pshaw! Willen wij eens wedden?"

"Ja, wedden, wedden!" riepen allen te gelijk. "De verliezer betaalt voor ieder onzer drie borrels."

"Dat neem ik aan!" verklaarde de kornel.

"Ik ook!" zeide de andere. "Maar er dient toch gelegenheid te zijn om revanche te nemen. Drie weddenschappen en telkens om de drie borrels."

"Met wie?"

"Wel om te beginnen, met den zwartbaard, dien gij zegt te kennen, zonder te weten wie hij is. Dan met een der heeren, die daar nog staan te gapen naar den wal. Nemen wij, bij voorbeeld, dien langen, die daar bij hen staat als een reus, omringd door dwergen. En eindelijk den rooden Indsman, die met zijn jongen ook aan boord is gekomen. Of zijt gij bang voor hem?"

Een algemeen gelach volgde als antwoord op die vraag, en de kornel zei op een toon van minachting: "Ik bang voor dat roode apenbakkes? Pshaw! Als gij dat nog gevraagd hadt wat den reus betreft, tegen wien gij mij ophitst. All devils (= alle duivels), wat moet die kerel sterk zijn. Maar juist die reuzen hebben doorgaans het minst moed in hun lijf, en hij is zóó fijn en mooi gekleed, dat hij stellig beter weet om te gaan in de salons van de grooten der aarde, dan met menschen van ons kaliber. Maar ik neem de weddenschap aan: een zoopje van drie borrels met elk der drie. En nu aan het werk!"

Hij had de drie laatste volzinnen met zooveel stemverheffing geuit, dat al de passagiers het gehoord moesten hebben. Ieder Amerikaan en iedere Westman kent de beteekenis van het woord "drink" (= zoopje), vooral wanneer dat zoo met luider stem en op zulk een dreigenden toon uitgesproken wordt, als hier het geval was. Aller oogen richtten zich dan ook op den kornel. Iedereen zag, dat hij, evenals zijn metgezellen, reeds half beschonken was; maar niemand verwijderde zich, daar allen nieuwsgierig waren, om te zien wie die drie waren, aan wie de dronk zou worden aangeboden.

De kornel liet de glazen vullen, nam het zijne in de hand en trad op den zwartbaard toe, die het dichtst in de nabijheid was en naar een geschikte plaats voor zich zocht. "Good day, sir!" zeide hij. "Mag ik het genoegen hebben u dit glas aan te bieden? Ik houd u natuurlijk voor een gentleman, want ik drink nooit anders dan met echt fatsoenlijke lieden, en ik hoop, dat gij het zult ledigen op mijn gezondheid?"

De zwarte baard van den toegesprokene verbreedde zich, en trok zich toen weer ineen, waaruit men kon opmaken, dat er een lachje van vergenoegdheid over zijn gelaat gleed.

"Wel," antwoordde hij, "ik ben niet ongenegen u dat plezier te doen; doch ik zou eerst gaarne weten, wie mij deze verrassende eer bewijst."

"Natuurlijk, sir! Men moet weten met wien men drinkt. Ik heet Brinkley, kornel Brinkley, als gij er niets tegen hebt. En gij?"

"Mijn naam is Grosser, Thomas Grosser, om u te dienen. Dus op uw gezondheid, kornel!"

Hij dronk het glas leeg, waarbij ook de anderen hun glas ledigden, en gaf het aan den kornel terug. Deze voelde zich als winner, nam hem op een bijna beleedigende wijze met de oogen op van het hoofd tot de voeten, en zeide: "Uw naam is Duitsch, als ik het wel heb. Gij zijt dus een vervloekte Dutchman, is het niet zoo?"

"Neen, ik ben een Germaan, sir!" antwoordde de Duitscher op een minzamen toon, zonder zich door de grofheid van den andere tot drift te laten vervoeren. "Uw vervloekte Dutchman dient gij dus aan een ander adres te bezorgen; op mij heeft die titel geen vat. Ik dank u dus voor uw dronk, en daarmee basta!"

Dit gezegd hebbende maakte hij rechtsomkeer, en verwijderde zich schielijk terwijl hij bij zich zelf mompelde: "Ik heb mij dus niet vergist; het is die Brinkley. En hij noemt zich kornel! De kerel heeft stellig niet veel goeds in den zin. Wie weet hoe lang hij nog aan boord blijft. Ik zal hem ten minste in het oog houden."

Brinkley had dus de eerste weddenschap gewonnen: doch zeer triomfantelijk zag hij er niet uit, allesbehalve. Zijn gelaat was geheel veranderd, er was duidelijk aan te zien, dat hij zich verbeet van wrevel. Hij had gehoopt, dat Grosser zou weigeren, en zich dan door de bedreigingen zou laten dwingen om te drinken. Maar Grosser was de wijste geweest; hij had eerst gedronken, en toen vrij duidelijk gezegd, dat hij te verstandig was om aanleiding te geven tot een twist. Dit hinderde den kornel geweldig. En nadat hij zijn glas opnieuw had laten vullen, ging hij naar zijn tweeden slachtoffer, den Indiaan.

Te gelijk met Grosser, namelijk, waren twee Indsman aan boord gekomen, een oude en een jongere, die naar gissing omstreeks vijftien jaar oud kon zijn. Zij geleken zoo sprekend op elkander, dat men daaruit terstond de juiste gevolgtrekking maken kon, dat zij vader en zoon waren. Daarbij waren zij zoo volkomen eender gekleed en gewapend, dat de zoon het verjongde evenbeeld van den vader was.

Hun kleeding bestond uit lederen leggins, aan de zijden uitgesneden als franje, en geel geverfde mokassins. Een jachthemd of jachtbuis was niet te zien, doordien zij hun bovenlijf, van de schouders af, gehuld hadden in een door weerschijn kleuren-wisselend tsoeni-kleed, zooals er zijn die zestig dollars kosten. Hun zwarte hoofdhaar was glad gekamd naar achteren, waar het op hun rug neerhing, hetgeen aan hun uiterlijk iets vrouwelijks gaf. Hun gezichten waren gevuld en rond, en hadden een in hooge mate goedige uitdrukking, die nog verhoogd werd, doordien zij hun wangen met vermiljoen hoog rood hadden geverfd. De geweren, zooals ieder hunner er een in zijn hand had, schenen te zamen geen halven dollar waard te zijn. In het geheel zagen zij er beiden uit als volkomen onschadelijk en tevens zoo nuchter, dat zij, gelijk reeds is aangestipt, den lachlust der drinkers hadden gaande gemaakt. Zij hadden zich, als waren zij bang voor andere menschen, schuchter van de menigte afgezonderd, en leunden tegen een stevige houten kast, een manslengte hoog en even breed en lang. Daar schenen zij op niets acht te geven; en zelfs nu de kornel op hen toetrad, sloegen zij niet eens hun oogen op, dan toen hij vlak voor hen stond, en hen aansprak: "Mooi weer vandaag! Vindt gij dat ook niet, roode snaken? Dan smaakt een borrel. Hier, oude! laat dit eens achter uw kiezen loopen."

De Indiaan verroerde zich niet, en antwoordde in gebroken Engelsch: "Not to drink--niet drinken."

"Wat, gij wilt niet?" riep de eigenaar van den rooden keelbaard, opvliegende als buskruit. "Het is een drink, verstaat gij, een drink! Dien geweigerd te zien, is voor iederen echten gentleman, zooals ik er een ben, een beleediging, die uitgewischt moet worden met het mes. Doch eerst moet ik weten wie gij zijt. Hoe is uw naam?"

"Nientropan-hawi," antwoordde de gevraagde bedaard en bescheiden.

"Tot welken stam behoort gij?"

"Tonkawa."

"Zoo, dus tot de makke roodhuiden, die bang zijn voor een kat--verstaat gij dat: bang voor een kat, al ware het 't kleinste poesje! Ik zal geen lange morgenspraak met u maken. Dus, wilt gij drinken!"

"Ik niet drinken vuurwater."

Hij zeide dit, in weerwil van den dreigenden toon, waarop de kornel gesproken had, even bedaard als vroeger. Laatstgenoemde gaf hem echter een oorvijg, die klonk als een klok.

"Ziedaar dan, roode lafaard!" riep hij uit. "Ik wil mij niet anders wreken, omdat ik zulk een ellendeling te ver beneden mij acht."

Terwijl de klap gegeven werd, greep de hand van den jongeren Indiaan terstond onder zijn tsoeni-gewaad, ontwijfelbaar naar een wapen, en tegelijk sloeg hij zijn oogen op naar zijn vader, om aan diens gezicht te zien wat die nu doen en zeggen zou.

Het gelaat van den oude was eensklaps zoo veranderd, dat men hem nu ternauwernood herkend zou hebben. Zijn gestalte scheen plotseling gegroeid, zijn oogen vlamden op en zijn gelaatstrekken teekenden een opwelling van geestkracht. Doch even snel sloeg hij zijn oogen weder neer, verdween de fierheid van zijn opgericht lichaam en zijn gelaat stond weder in dezelfde goedige plooi van vroeger.

"Nu, wat zegt gij daarvan?" vroeg de kornel hoonend.

"Nientropan-hawi danken."

"Is die muilpeer zoo naar uw zin geweest, dat gij er dankje voor zegt? Daar hebt gij er dan nog een!"

Dit zeggende voegde hij de daad bij het woord; doch doordien de Indiaan snel als een gedachte bukte en den slag ontweek, sloeg hij met zijn hand tegen de kast aan, tegen welke de Indianen leunden, en wel met zooveel kracht, dat de slag het geheele schip over gehoord werd. En dadelijk weerklonk uit de kast een kort, schel gebrom en geblaas, dat schier terstond overging in een vervaarlijk woesten schreeuw, onmiddellijk gevolgd door een gebrul zoo ontzettend, dat het was alsof het schip er van dreunde.

De kornel sprong van schrik achteruit, liet het glas uit zijn hand vallen, en schreeuwde met een gillende stem: "Heavens (= lieve hemel)! wat is dat? Er zit een wild beest in die kast! Dat is ongepermitteerd. Het is goed om een mensch den dood op het lijf te jagen van schrik, of althans een beroerte!"

De schrik had niet hem alleen bevangen, maar evenzeer de andere passagiers. De zich op dek bevindende mannen gaven even luid uiting aan hun ontsteltenis als de kornel. Slechts vier hunner hadden geen schijn of blijk gegeven van onthutstheid, namelijk de zwartbaard, die nu voor aan den boeg zat, het reusachtige heerschap, dat de kornel nu nog tot een dronk moest uitnoodigen, en de twee Indianen. De vier personen hadden evenmin als de anderen geweten, dat zich een wild beest aan boord, en wel in die kast bevond; doch zij bezaten een zoo groote en lang geoefende zelfbeheersching, dat het hun niet moeilijk viel hun bevreemding te verbergen.

Het gebrul was ook onder het dek in de kajuiten gehoord. Verscheidene dames kwamen gillend naar boven, ten einde te weten te komen door welk gevaar zij bedreigd werden.

"Het is niets, ladies en messieurs (= dames en heeren)!" antwoordde een zeer fatsoenlijk gekleed heer, die zooeven insgelijks uit zijn kajuit was gekomen. "Slechts een pantertje, een klein pantertje, anders niet! Een allerliefste Felis pantera, slechts een zwarte, slechts een zwarte, messieurs!"

"Wat? Een zwarte panter?" krijschte met een pieperige stem een klein mannetje met een grooten bril op den neus, zoodat men hem slechts behoefde aan te zien om te begrijpen, dat hij beter thuis was in de zoölogische boeken dan in den practischen omgang met wilde dieren. "De zwarte panter is een allergevaarlijkst verscheurend dier. Hij is grooter en langer dan de leeuw en de tijger. Hij werpt zich op zijn prooi uit louter bloeddorst, zelfs al heeft hij geen honger. Hoe oud is hij al?"

"Drie jaar pas, mijnheer! niet ouder."

"Drie jaar pas? Noemt gij dàt pas? Dan is hij reeds volwassen... Lieve hemel! En zulk een ondier bevindt zich hier aan boord! Wie kan dat verantwoorden?"

"Ik, mijnheer! ik," antwoordde de elegante onbekende; en nu een buiging makende, zei hij: "Vergunt mij, myladies en gentlemen! dat ik zelf mij aan u voorstel. Ik ben de beroemde menagerie-eigenaar Jonathan Boyler, en bevind mij sedert eenigen tijd met mijn gezelschap in Van Buren. Daar deze zwarte panter in Nieuw-Orleans voor mij aangekomen was, ben ik hem daar gaan afhalen, vergezeld van mijn knapsten dierentemmer. De kapitein van dit goede schip heeft mij, tegen betaling van een hoog vrachtgeld, vergund, hem aan boord te brengen, onder beding, dat de passagiers niet te weten mochten komen in welk gezelschap zij zich bevonden. Daarom heb ik den panter niet anders gevoederd dan in den nacht, en hem elken nacht een geheel kalf gegeven, opdat hij zich zat zoude vreten, dat hij den ganschen dag met slapen doorbrengt, en zich bijna niet verroeren kan. Wanneer men echter met vuisten tegen de kast slaat, wordt hij wakker, en laat dan ook zijn stem hooren. Ik hoop, dat de geëerde dames en heeren alsnu van de aanwezigheid van mijn pantertje, dat overigens niemand hindert, niet verder notitie zullen nemen."

"Wat?" krijschte het manneke met den grooten bril, terwijl zijn pieperig stemmetje bijna in zijn keel bleef steken. "Dat niemand hindert? Niet verder notitie er van nemen? Ik moet zeggen, dat mij zóó iets nog nooit van mijn leven overkomen is. Ik zou de reis met deze boot moeten maken in gezelschap van een zwarten panter! Neen, dat nooit, nooit in der eeuwigheid! Of dat beest zal van de boot af, òf ik ga er af! Smijt dat ondier in het water, of zet het met kast en al aan wal!"

"Maar, mijnheer! er is wezenlijk hoegenaamd geen gevaar bij," verzekerde de menagerie-eigenaar. "Zie maar eens welk een stevige kast, en...."

"Wàt stevige kast!" viel het kleine mannetje hem met drift in de rede. "Ik zou kans zien om die kast kapot te breken--hoeveel te eer dan een panter!"

"Ja maar, met uw welnemen: in die kast, die slechts tot omkleedsel dient, zit de ijzeren kooi, die geen tien leeuwen of panters in staat zouden zijn te breken."

"Is dat waar? Laat ons dan die ijzeren kooi zien! Ik moet mij overtuigen."

"Ja, ja, de ijzeren kooi laten zien! Wij moeten weten waaraan wij ons te houden hebben!" riepen twintig, dertig of meer stemmen tegelijk.

De menagerie-eigenaar was een Yankee, en trok dadelijk partij van de gelegenheid, om met dat algemeene verlangen zijn voordeel te doen.

"Volgaarne, volgaarne," antwoordde hij. "Maar, myladies en gentlemen! het spreekt vanzelf, dat men de ijzeren kooi niet zien kan zonder te gelijk den panter te zien, die er in zit. En dáárvoor dient natuurlijk iets betaald te worden. Om het aantrekkelijke van dat zeldzame schouwspel te verhoogen, zal ik het dier, terwijl het te kijk is, laten voederen. Ik zal de plaatsen voor de toeschouwers indeelen in drie rangen: de eerste rang zal een dollar kosten, de tweede rang een halven dollar, de derde rang een kwartdollar. Aangezien ik hier louter ladies en echte gentlemen om mij heen zie, begrijp ik, dat er van tweeden en derden rang geen gebruik gemaakt zal worden; die twee rangen vervallen dus--of, is er wellicht iemand op het dek aanwezig, die liever slechts een halven dollar voor deze belangwekkende vertooning wenscht te betalen, of zelfs slechts een kwartdollar?"

Op deze vraag volgde natuurlijk geen antwoord.

"Nu dan, enkel eersten rang! Asjeblieft, myladies en mylords! een dollar per persoon!"

Hij nam zijn hoed af, en ging daarin de dollars inzamelen, terwijl zijn dierentemmer, dien hij inmiddels geroepen had, de noodige toebereidselen voor de vertooning ging maken.

De passagiers waren meerendeels Yankees, en als zoodanig vonden zij de wending, die de zaak genomen had, volkomen naar hun zin. Hadden de meesten het eerst schandelijk genoemd, dat de kapitein er zijn stoomboot toe leende, zulk een allergevaarlijkst roofdier te vervoeren, nu hun de gelegenheid geboden werd, om van dat beest een kijkje te nemen, beschouwden zij het als een welkome afwisseling in de eentonigheid van het langdurende, vervelende verblijf aan boord. Zelfs de kleine geleerde had zijn angst overwonnen, en zag de vertooning met groote belangstelling te gemoet.

De kornel maakte van dien tusschentijd gebruik om aan zijn metgezellen het volgende voorstel te doen: "Luister eens, boys! Ik heb een weddenschap gewonnen, en de tweede heb ik verloren, daar die roode schobberd niet heeft willen drinken. Dat is dus kiet. De derde weddenschap zullen wij niet om drie glazen brandy (= brandewijn) maken, maar om den dollar entree-geld, dien wij betalen moeten. Vindt gij dat goed?"

De anderen namen dat voorstel natuurlijk aan, want de reus zag er niet naar uit, dat hij van bangheid in zijn schulp zou kruipen.

"Nu," sprak de kornel, die zich door het veelvuldige gebruik van brandewijn zeker waande van de overwinning: "Let nu eens op, hoe gauw en gretig die Goliath met mij drinken zal."

Hij liet zijn glas volschenken, en ging daarmede naar den bedoelden persoon. De lichaamsvormen van dien man waren in alle opzichten reusachtig te noemen. Hij was nog langer en breeder van gestalte, dan de man met den zwarten baard, die zich Grosser genoemd had. Hij was zeer stellig geen salonheer, want zijn gelaat was door de zon bruin gebrand; zijn mannelijk schoone wezenstrekken waren fijn geteekend, en zijn blauwe oogen hadden dien eigenaardigen, niet te beschrijven blik, waardoor zich menschen onderscheiden, die op groote vlakten leven, waar de horizon niet eng begrensd is, dus zeevarenden, woestijnbewoners en prairie-mannen. Zijn gelaat was gladgeschoren, hij kon omstreeks veertig jaar oud zijn, en hij droeg een elegant reiskostuum. Wapens zag men niet bij hem. Hij stond bij eenige heeren, met wie hij in een levendig gesprek was over den panter. Ook de kapitein bevond zich onder hen. Die was van de commando-brug afgekomen, om de tentoonstelling van den panter bij te wonen.

Daar kwam de kornel nader, plaatste zich uittartend voor zijn derde vermoedelijke slachtoffer, en zei: "Sir! ik bied u een dronk aan. Ik hoop, dat gij er niets tegen zult hebben, mij als een echte gentleman te zeggen wie gij zijt."

De toegesprokene keek hem met zichtbare bevreemding eens aan, en wendde zich zonder iets te antwoorden weer ter zijde, om het door dien verwaten indringer afgebroken gesprek te vervolgen.

"Pooh!" riep deze uit. "Zijt gij doof, of wilt gij mij met opzet niet hooren? Dit laatste zou ik u niet raden, daar er niet met mij te gekscheren valt, als men weigert met mij te drinken. Ik geef u den goeden raad, een voorbeeld te nemen aan den Indsman."

De dus lastig gevallene haalde de schouders eens op, en vroeg aan den kapitein: "Hebt gij gehoord wat die snaak daar tegen mij zegt?"

"Yes, sir! woord voor woord," gaf de gevraagde met een hoofdknikje ten bescheid.

"Nu, dan zijt gij getuige, dat ik hem niet hier geroepen heb."

"Wat?" schreeuwde de kornel verwoed. "Snaak noemt gij mij? En gij weigert met mij te drinken? Moet het u dan gaan als den Indiaan, dien ik...."

Verder kwam hij niet, want op dat oogenblik ontving hij van den reus zulk een geweldige muilpeer, dat hij ten onderste boven en over den kop duikelde en een eind weegs over het dek rolde. Daar lag hij een oogenblik als versuft, doch toen zich schielijk oprichtende, trok hij zijn mes, en vloog als een razende op den reus aan.

Deze had zijn handen in zijn broekzakken gestoken, en stond daar zóó bedaard, alsof hem niet het minste gevaar dreigde, en de kornel in het geheel niet bestond. Deze brulde op woedenden toon: "Hond! mij een oorveeg? Dat kost bloed, en wel het uwe!"

Verscheidenen der omstanders en ook de kapitein wilden tusschenbeide komen, maar de reus wees hen met een veelzeggend hoofdschudden terug; en toen de kornel hem tot op twee passen afstands genaderd was lichtte hij zijn rechterbeen op, en ontving den aanvaller met zulk een duchtigen schop tegen diens maag, dat de onverlaat andermaal ten onderste boven ging en over het dek rolde.

"Nu hebt gij genoeg; pas nu op voor den derden keer!" riep de goliath dreigend.

Maar de kornel sprong wederom overeind, schoof het mes in zijn gordel, en haalde er, schuimbekkend van woede, een der pistolen uit, om daarmee zijn tegenstander te lijf te gaan. Doch deze trok zijn rechterhand uit zijn broekzak, waarin hij een revolver verborgen had.

"Weg met die pistool!" gebood hij, te gelijk de loop van zijn klein, maar uitmuntend wapen op de rechterhand van zijn aanrander drukkende.

Een--twee--drie schrille maar scherpe knallen--de kornel gaf een gil, en liet de pistool uit zijn hand vallen.

"Ziezoo, snaak!" zei de reus. "Nu zult gij niet gauw weder klappen uitdeelen, als men weigerachtig is uit het glas te drinken, waaraan gij uw vuile lippen gezet hebt. Uw hand is onschadelijk gemaakt voor uw geheele leven. En als gij nu nog weten wilt wie ik ben dan...."

"Vervloekt zij uw naam!" brulde de kornel. "Ik wil hem niet weten. Uw persoon moet ik hebben, en zal ik hebben. Gaat hem te lijf jongens! go on!"

Nu bleek het, dat die kerels een werkelijke bende vormden, waarvan allen voor één stonden. Zij trokken hun messen uit de gordels, en stormden los op den reus, die een verloren man scheen, eer de kapitein zijn mannen te hulp kon roepen. Maar de moedige man deed een stap voorwaarts hief zijn armen omhoog, en riep: "Kom op maar, wie trek heeft om aan te binden met Old Firehand!"

Het hooren van dien naam werkte als bij tooverslag. De kornel, die met de ongekwetste linkerhand zijn mes weer getrokken had, bleef staan als aan den grond genageld, en riep: "Old Firehand!" (en met een vloek) "wie kon dat ruiken? Waarom hebt gij dat niet dadelijk gezegd?"

"Is een gentleman dan niet anders veilig voor uw schanddaden, of hij moet beschermd worden door zijn naam? Pakt uw weg, gaat rustig in een hoek zitten, en komt niet weer onder mijn oogen, of ik blaas u allen het licht uit!"

"Nu, wij zullen elkander wel nader spreken."

Hij draaide zich om, en ging met zijn bloedende hand naar de voorplecht. De anderen volgden hem als honden, die een pak slaag gekregen hadden. Daar gingen zij zitten, verbonden de hand van hun aanvoerder, en spraken fluisterend en druk met elkander, en wierpen daarbij naar den beroemden jager telkens schuinsche blikken, die wel allesbehalve vriendelijk waren, maar die toch bewezen hoe groot het ontzag was, dat zij voor dien man hadden.

Doch niet alleen op hen had de wijdbekende naam gewerkt. Er bevond zich waarschijnlijk niemand onder de passagiers, die nog nooit had hooren spreken over dien onvervaarden man, wiens geheele leven een aaneenschakeling was van gevaarlijke daden en avonturen. Men trad onwillekeurig met een soort van eerbied een weinig van hem af, en bekeek nu met meer aandacht die forschgebouwde, rijzige gestalte, welker harmonische proportiën en afmetingen reeds vroeger door allen waren opgemerkt.

De kapitein reikte hem de hand, en zeide op den allervriendelijksten toon, dien een Yankee in staat is aan te slaan: "Wel, sir! dat had ik moeten weten! Dan zou ik u mijn eigen kajuit afgestaan hebben. Het is een groote eer voor den 'Dogfish', dat uw voeten zijn planken hebben betreden. Waarom hebt gij u toch anders genoemd?"

"Ik heb u mijn waren naam opgegeven; doch de Westmannen noemen mij Old Firehand, omdat het vuur uit mijn geweer, bestuurd door mijn hand, altijd verderf brengt."

"Ja, dat heb ik gehoord--gij schiet nooit mis, zeggen ze."

"Pshaw! Misschieten een onmogelijkheid. Ieder goed Westman kan dat evengoed als ik. Maar gij ziet welk een groot voordeel een bekende krijgsnaam geeft. Ware de mijne niet zoo heinde en verre verspreid, dan zou het stellig tot een gevecht gekomen zijn."

"Waarin gij het onderspit hadt moeten delven."

"Zoo, denkt gij dàt?" vroeg Old Firehand, terwijl er een niets naar trots zweemend lachje van zelfvertrouwen om zijn lippen speelde. "Zoolang ze maar met messen komen, ben ik volstrekt niet bang. Ik zou mij stellig wel staande hebben weten te houden, totdat uw bemanning kwam opdagen tot ontzet."

"Daaraan zou het zeer zeker niet ontbroken hebben. Maar wat moet ik nu met die schavuiten-bende aanvangen? Ik ben heer en meester en rechter hier aan boord. Wil ik hen in boeien slaan en aan de rechterlijke macht overleveren?"

"Neen."

"Of wil ik hen aan land zetten?"

"Ook niet."

"Maar gestraft dienen zij toch te worden."

"Ik raad u, die gedachte geheel uit uw hoofd te zetten. Dit is toch niet voor de laatste maal, dat gij met uw boot deze reis maakt?"

"Ik hoop van neen! Ik hoop nog jaren lang den ouden Arkansas op en af te varen.

"Welnu, wees dan zoo wijs, niet de wraakzucht van die lieden gaande te maken. Dat zou bepaald noodlottig voor u worden. Zij zijn in staat om zich ergens aan den oever van de rivier te gaan nestelen, en u een poets te bakken, die u niet slechts uw schip, maar ook uw leven kon kosten."

"Dat moesten zij eens probeeren!"

"Dat zouden zij stellig! Overigens zou dat voor hen volstrekt geen waagstuk zijn; zij zouden alles heimelijk doen, en het wel zoo weten aan te leggen, dat er nooit een haan naar kraaien zou."

Op dit oogenblik werd Old Firehand den zwartbaard gewaar, die naderbij was gekomen, doch op een korten afstand was blijven staan, met de oogen bescheiden, doch onafgewend, op den jager gericht, vol zichtbaar verlangen om met hem in aanraking te komen. Old Firehand ging naar hem toe, en vroeg: "Wenscht gij mij te spreken, sir? Kan ik u in een of ander opzicht genoegen doen?"

"Ja, een zeer groot genoegen," antwoordde de Duitscher.

"En dat is?"

"Vergun mij, u de hand te drukken, sir! Dat is alles wat ik u verzoek. Als gij mij die eer toestaat, zal ik tevreden van u weggaan, en u niet meer lastig vallen. Maar aan dat oogenblik zal ik met blijdschap denken, zoolang als ik leef."

Men zag aan zijn open blik, en hoorde aan den toon van zijn stem, dat die woorden werkelijk uit zijn hart kwamen. Old Firehand stak hem de rechterhand toe, en vroeg: "Hoe ver wilt gij met deze boot varen?"

"Met deze boot? Slechts tot Fort Gibsen."

"Dat is toch nog een goed eind."

"O, ik moest eigenlijk nog verder. Maar ik vrees, dat gij, de beroemde man, die nog nooit het onderspit heeft gedolven, mij voor een bangerd aanziet."

"Waarom?"

"Omdat ik den dronk van dien zoogenaamden kornel aangenomen heb."

"O neen. Ik kan u niet genoeg lof toezwaaien, dat gij zoo verstandig hebt gehandeld. Maar toen hij vervolgens den Indsman sloeg, nam ik mij voor, hem daarvoor een behoorlijk lesje te geven, zooals ik dan ook gedaan heb."

"Het is te hopen, dat het hem tot waarschuwing zal strekken. Trouwens, als gij hem zóó geraakt hebt, dat hij er een stijven vinger van houdt, is het met hem als Westman gedaan. Maar wat ik van den Roodhuid moet denken, weet ik niet."

"Hoe zoo?"

"Hij heeft zich gedragen als een echte lafaard, en toch, hij scheen volstrekt niet geschrikt, toen het brullen van den panter iedereen met angst vervulde. Dat kan ik maar niet met elkander rijmen."

"O, dat zal ik u gemakkelijk oplossen. Niets is eenvoudiger."

"Kent gij dan den Indiaan?"

"Neen, gezien had ik hem vroeger nooit, maar des te meer had ik van hem gehoord."

"Ook ik heb zijn naam gehoord, toen hij dien uitsprak. Het is een woord, goed om van iemands tong het onmogelijke te vergen."

"Omdat hij zich van zijn moedertaal bediende, ten einde den kornel niet te laten merken met wien hij te doen had. Zijn naam is Nientropan-hawi, zijn zoon heet Nientropan-homosj; dat wil zeggen: de groote beer en de kleine beer."

"Is het mogelijk! Van dien vader en van dien zoon heb ik inderdaad reeds dikwijls gehoord. De Tonkawa zijn ontaard. Maar deze twee Nientropan hebben de krijgszuchtigheid van hun voorvaderen geërfd, en dolen in het gebergte en in de prairie rond."

"Ja, het zijn twee kerels van stavast. En nu zult gij waarschijnlijk wel begrijpen, dat zij niet uit lafhartigheid den kornel niet geantwoord hebben, zooals hij eigenlijk verdiend had."

"Een andere Indsman had den kerel dadelijk het licht uitgeblazen."

"Misschien. Maar hebt gij niet opgemerkt, dat de zoon dadelijk onder zijn kleeding naar het mes of den tomahawk greep? Doch toen hij het onbeweeglijke gezicht van zijn vader zag, bedwong hij zich en zag hij er van af dien klap dadelijk te wreken. Ik zeg u, bij die Indsmen is een vluchtige blik voldoende, waar bij ons blanken menigmaal een lange omhaal van woorden noodig is. Van het oogenblik af, toen de kornel den Indiaan in zijn aangezicht sloeg, is zijn dood een besloten zaak. De twee 'beren' zullen zijn spoor volgen, totdat zij hem het licht uitgeblazen hebben. Maar wat ik zeggen wil, gij hebt hem uw naam genoemd, dien ik dadelijk als een Duitschen naam herkende. Wij zijn dus landslieden."

"He, sir! Zijt gij ook een Duitscher?" vroeg Grosser verwonderd.

"O ja, mijn ware naam is Winter. Ook ik vaar nog een goed eind weegs met deze boot mee, zoodat wij nog gelegenheid genoeg zullen hebben om wat langer met elkander te praten."

"Als gij u daartoe verwaardigen wilt, sir! Zal het mij de grootste denkbare eer zijn."

"Geen plichtplegingen, asjeblieft. Ik ben niets meer, dan gij zijt--een Westman, anders niet."

"Ja, maar een generaal is óók niets meer dan een recruut--namelijk: soldaat."

"Wilt gij u werkelijk bij een recruut vergelijken? Dan zijt gij stellig pas sedert kort in het Westen."

"Nu," hernam de zwartbaard op bescheiden toon, "toch reeds een aardig poosje. Ik heet Thomas Grosser. Den familienaam laten ze hier weg, en van Thomas maken ze bij verkorting Tom; en omdat ik zulk een zwaren, zwarten baard draag, noemen ze mij Zwarte Tom."

"He! Wat zegt gij?" riep Old Firehand uit. "Zijt gij Zwarte Tom, de beroemde rafter (= houtvlotter)?"

"Tom heet ik, rafter ben ik; maar of ik beroemd ben, dat betwijfel ik."

"Dat zijt gij, sir! dat zijt gij--daar geef ik u mijn hand op!"

"Spreek asjeblieft wat zachter, sir!" waarschuwde Tom. "De kornel daar moet mijn naam niet hooren."

"Waarom niet?"

"Omdat hij mij daaraan herkennen zou."

"Hebt gij dan al eens met hem te doen gehad?"

"Een beetje dat zal ik u straks wel vertellen. Kent gij hem niet?"

"Ik zie hem vandaag voor het eerst."

"Nu, bekijk dan zijn baard eens goed, en zijn roode haar; en verneem bovendien, dat zijn naam Brinkley is."

"Wat zegt ge! Dus is hij die roode Brinkley, die over de honderd schanddaden bedreven heeft, zonder dat men er hem één heeft kunnen bewijzen."

"Dezelfde, sir! Ik heb hem herkend."

"Dan zal ik hem, als hij langer aan boord blijft, wat scherper op de vingers kijken. En u moet ik nader leeren kennen. Gij zijt de man, die mij past. Als gij u nog niet elders verbonden hebt, zou ik u kunnen gebruiken."

"Nu," hernam Tom, als iemand die nadenkt, de oogen neerslaande, "de eer, bij u te kunnen zijn, is mij meer waard dan al het andere. Ik heb wel een overeenkomst met andere rafters aangegaan; zij hebben mij zelfs tot hun aanvoerder gekozen; maar als gij mij den tijd kunt laten, om hen er van in kennis te stellen, zal ik mij wel van hen af weten te maken."

"Goed! Dan moet gij een kajuitplaats nemen, opdat wij bij elkander kunnen zijn. Wat gij daarvoor bij te passen hebt, zal ik u gaarne vergoeden."

"Daarvoor zal ik u bedanken, sir! Wij rafters verdienen, als wij vlijtig zijn, zeer veel geld; en op dit oogenblik heb ik juist al mijn zakken vol, want ik kom van Vicksburg aan de beneden-rivier, waar ik onze rekeningen geïncasseerd heb. Ik kan dus de kajuitplaats zeer goed zelf betalen. Maar zie eens! Ik geloof dat de voorstelling met den panter op het punt is om te beginnen."

De menagerie-eigenaar had van kisten en pakken verscheidene zitplaatsen gefabriceerd, en noodigde nu met een hoogdravende toespraak het geëerde publiek uit om plaats te nemen. Dat geschiedde. Het scheepsvolk, voor zoover het niet aan het werk behoefde te zijn, mocht gratis het schouwspel bijwonen. De kornel kwam met zijn volgelingen niet kijken; hij had den lust daartoe verloren.

De twee Indianen waren niet uitgenoodigd geworden, om ook aan de voorstelling deel te nemen. Twee Indsmannen in gezelschap te brengen bij ladies en gentlemen, die een dollar per persoon betaald hadden, daaraan had de eigenaar van het dier zich niet willen schuldig maken. Zij stonden dus op een tamelijken afstand, en schenen dus volstrekt niet nieuwsgierig, zoo min naar de ijzeren dierenkooi als naar de groep toeschouwers, ofschoon er intusschen aan hun scherpe schuinsche blikken niets hoegenaamd ontging van alles wat er voorviel.

Nu zaten de toeschouwers voor de nog gesloten houten kast. De meesten hunner hadden geen juist begrip van een zwarten panter. De tot het kattengeslacht behoorende roofdieren der Nieuwe Wereld zijn aanmerkelijk kleiner en minder gevaarlijk dan die der Oude Wereld. Een Gaucho, bij voorbeeld, vangt den jaguar, die Amerikaansche tijger genoemd wordt, met de lasso, en sleept hem achter zich voort. Eer hij dat met den Bengaalschen koningstijger probeerde, zou hij zich eerst wel tweemaal bedenken. En de Amerikaansche leeuw, dat is de poema, gaat voor den mensch op de vlucht, zelfs al kwelt hem de honger. De panter, nu, wordt beschreven als aanmerkelijk kleiner dan de leeuw en de tijger; en daar de toeschouwers bij die twee namen aan den poema en den jaguar dachten, verbeeldden de meesten zich een roofdier te zullen zien van ongeveer een halven meter hoogte, en nagenoeg dezelfde lengte en breedte. Niet gering was dan ook hun bevreemding, toen het voorgedeelte van het houten omkleedsel van de ijzeren kooi werd verwijderd, en zij den zwarten panter aanschouwden.

Hij had van Nieuw-Orleans af in den donker gelegen; slechts des nachts had men de kast geopend. Nu zag hij voor het eerst weer het daglicht, en dat verblindde hem aanvankelijk. Hij deed zijn oogen weder dicht, en bleef lang uitgestrekt liggen, zoo lang als zijn kooi was. Toen knipte hij eenige keeren met zijn oogen en werd zoodoende de voor hem zittende menigte menschen gewaar. Met de snelheid eener gedachte sprong hij overeind, en hief een gebrul aan, dat de meeste toeschouwers met schrik vervulde en achteruit deed schuiven.

Ja, het was een volwassen, pracht-exemplaar, stellig een meter hoog, en zonder zijn staart, tweemaal zoo lang. Met de klauwen van zijn voorpooten greep hij de ijzeren staven van zijn kooi, en schudde die met zooveel kracht, dat de houten kast er door in beweging kwam. Daarbij liet hij zijn schrik-aanjagende tanden zien. Zijn donkere kleur verhoogde slechts den indruk, dien hij maakte.

"Ja, myladies en gentlemen!" sprak de menagerie-eigenaar op verklarenden toon; "de zwarte basterdsoort van den panter behoort eigenlijk thuis op de Soenda-eilanden. Doch die dieren zijn klein. De echte zwarte panter, die overigens zeer zeldzaam is, wordt in Noord-Afrika, aan de grens der Sahara-woestijn gevonden. Hij is even sterk als de Leeuw en veel gevaarlijker, en kan een volwassen rund in zijn bek wegdragen. Welke kracht hij in zijn gebit heeft zal u overigens spoedig blijken, zoodra de voedering begint."

De dierentemmer kwam met de helft van een geslacht schaap aandragen, en legde dit voor de ijzeren kooi neder. Toen de panter het vleesch rook en zag, stelde hij zich aan als dronken van bloeddorst. Hij sprong heen en weer in zijn kooi, en brieschte en brulde zoo huiveringwekkend, dat verscheidenen der toeschouwers nog meer achteruitdeinsden.

Een bij de machine der boot werkzame neger had zijn nieuwsgierigheid niet kunnen bedwingen en was naderbij geslopen. De kapitein werd hem gewaar en gebood hem, om oogenblikkelijk weer aan zijn werk te gaan. Toen de zwarte niet terstond gehoorzaamde, greep de kapitein een voor de hand liggend eind touw, en gaf hem daarmee eenige slagen. Nu maakte de getuchtigde zich snel uit de voeten; doch aan het luik, waardoor hij in het machineruim moest afdalen, bleef hij even stilstaan; en ziende, dat de kapitein met zijn rug naar hem toe stond, maakte hij met zijn opgeheven vuisten een dreigende beweging tegen hem. Daar de toeschouwers op dit moment slechts oogen hadden voor den panter, werd dat door niet een hunner gezien. Maar het werd opgemerkt door den kornel, die dadelijk tegen zijn makkers fluisterde: "Die neger schijnt het land aan den kapitein te hebben. Daar zullen wij misschien partij van kunnen trekken. Wij moeten eens met hem aan den praat zien te komen. Eenige dollars doen bij zulk een zwarte wonderen."

Thans schoof de dierentemmer het vleesch tusschen de ijzeren staven van de kooi door, liet zijn blik vluchtig over de aanwezige toeschouwers gaan, en zei toen fluisterend iets tegen zijn patroon. Deze schudde bedenkelijk het hoofd; doch de andere liet niet af, en scheen de bezwaren van den menagerie-eigenaar te wederleggen, totdat die eindelijk toestemmend met het hoofd knikte, en daarop de voor de kooi zittenden en staanden aldus aansprak: "Myladies en messieurs! ik moet u zeggen, dat gij een zeldzaam geluk hebt. Een getemde zwarte panter is nog nooit gezien, althans niet hier in de Vereenigde Staten. Gedurende de drie weken, die ik in Nieuw-Orleans heb doorgebracht, heeft mijn dierentemmer den panter in de leer genomen; en hij verklaart zich bereid, om thans, voor de eerste maal in het publiek, bij den panter in de kooi te gaan en naast dat gevaarlijke dier te gaan zitten, indien hem daarvoor een behoorlijke belooning wordt toegezegd."

De dierentemmer was een buitengewoon forschgebouwde man, met een uitdrukking van zeldzame geestkracht in zijn gelaatstrekken. Hij was overigens van het welgelukken van zijn waagstuk volkomen zeker, dat was duidelijk aan hem te zien.

De panter was intusschen aan zijn maaltijd begonnen; de beenderen van het schaap vermorzelde hij tusschen zijn tanden, als waren het zachte beschuitsbollen. Hij scheen zóó uitsluitend met zijn pruimerij bezig, dat zelfs verscheidene toeschouwers, die natuurlijk zonder kennis van zaken oordeelden, toen zij hem daar zagen smullen, van oordeel waren, dat er, zoolang hij daar iets te bikken had, niet veel gevaar in stak, bij hem in de kooi te gaan.

Niemand anders dan het manneke, dat kort te voren het beangst van allen geweest was, namelijk de kleine geleerde met den bril, antwoordde vol geestdrift: "Dat zou prachtig wezen, sir! Een kloek bedrijf, waarvoor ieder, die op onverschrokkenheid prijs stelt, wel iets over zal hebben. Hoeveel verlangt de temmer voor dat stoute stuk?"

"Honderd dollars!"

"Hum! Dat is toch wel een beetje veel, vindt ge niet?"

"Neen, sir! het is veel te weinig. Het gevaar, waaraan de man zich blootstelt, is niet gering, daar hij het dier pas half meester is."

"Zoo! Welnu, ik ben niet rijk. Maar vijf dollar zal ik gaarne bijdragen." En zich tot de toeschouwers wendende: "Messieurs! wie draagt ook iets bij?"

Er meldden zich zoo vele liefhebbers aan, dat het genoemde bedrag gemakkelijk bijeen zou komen. Men had nu eenmaal A gezegd; en nu wilde men ook het schouwspel genieten tot het einde. Zelfs de kapitein werd er warm door, en wilde weddenschappen aangaan, dat de temmer het er niet goed afbrengen zou.

"Doe geen verkeerde dingen, sir!" waarschuwde Old Firehand. "Ik bid u laat dat waagstuk niet toe. Juist omdat de man het dier nog niet geheel meester is, rust op u de verplichting, het te beletten."

"Op mij?" lachte de kapitein. "Pshaw! Ben ik dan de vader, of de moeder van den temmer? Heb ik hem bevelen te geven? Hier in dit land heeft iedereen het recht, om met zijn leven te koop te loopen, juist op de manier, die hij zelf goedvindt. Wordt hij door den panter opgevreten, welnu, dat is een zaak tusschen hem en den panter, daar heb ik niets hoegenaamd mee te maken. Dus, gentlemen! ik wil om honderd dollars wedden, dat de man er niet zoo heelhuids uit zal komen als hij er in gaat. Wie zet er honderd dollars tegen? Van alles wat door de weddenschap gewonnen wordt, krijgt de temmer tien percent extra."

Deze toespraak werkte electriseerend. Er werden verscheidene weddenschappen aangegaan om vrij aanzienlijke sommen, en het bleek dat die weddenschappen, ingeval de temmer er het waagstuk werkelijk goed afbracht, hem nog een extra-voordeel zouden opleveren van circa driehonderd dollars.

Er was niet bepaald of de dierentemmer daarbij gewapend zoude zijn. Hij haalde zijn ploertendooder, een soort zweep, met een ontplofbare kogel in den knop. Viel de panter hem aan, dan had hij slechts een fermen slag te geven om het dier oogenblikkelijk te dooden.

"Ik heb zelfs in zulk een ploertendooder niet veel vertrouwen," zeide Old Firehand tegen Zwarten Tom. "Ik zou een doelmatig ingericht stuk vuurwerk veel practischer vinden. Daarvan zou het dier terugschrikken, zonder er door gedood te worden. Doch, elk zijn meug, zei de boer. Ik wil het waagstuk meeprijzen, maar niet voordat het gelukt is."

Nu hield de dierentemmer een korte toespraak tot het publiek, en begaf zich toen naar de kooi. Hij schoof eerst de zware grendels open, en toen het smalle ijzeren tralie-hek, dat de ongeveer vijf voet hooge deur vormde. Om naar binnen te komen moest hij bukken. Daarbij had hij zijn beide handen noodig, om de deur vast te houden en die, zoodra hij zich in de kooi bevond, weer te kunnen sluiten; daarom had hij den ploertendooder tusschen zijn tanden genomen, en was dus, ofschoon voor een oogenblik slechts, weerloos. Wel was hij reeds verscheidene malen bij den panter in de kooi geweest, doch onder geheel andere omstandigheden. Toen had het dier niet dagen achtereen in volslagen duisternis doorgebracht, het had niet zooveel menschen om zich heen gezien, en ook niet het eentonige stampen der machine en het gedruisch en gebruis der schepraderen gehoord. Deze omstandigheden had noch de menagerie-eigenaar, noch de dierentemmer voldoende in aanmerking genomen, en--de gevolgen bleven niet uit.

Zoodra de panter het gedruisch van de tralie-deur hoorde, keerde hij zich om. Juist stak de temmer bukkende zijn hoofd naar binnen--een bliksemsnelle beweging van het roofdier, en het hoofd, uit welks mond de ploertendooder op den grond was gevallen, had het in zijn muil en verbrijzelde het tusschen zijn geweldige tanden tot splinters en moes.

Het geschreeuw en gegil, dat op dit oogenblik vóór de kooi van den panter aangeheven werd, is met geen pen te beschrijven. Alle toeschouwers sprongen op, en namen de vlucht. Slechts drie bleven daar: de menagerie-eigenaar, Old Firehand en Zwarte Tom. Eerstgenoemde wilde de deur van de kooi dichtschuiven; maar dat bleek hem onmogelijk, want het lijk lag half er binnen en half er buiten. Toen wilde hij den doode bij diens beenen naar buiten trekken.

"Om Godswil, dat niet!" riep Old Firehand. "De panter zou achteraan meekomen. Schuif het lijk geheel naar binnen, de man is toch dood nu; dan zal de deur toe kunnen!"

De panter lag voor het onthoofde lijk. Met de beendersplinters in zijn van bloed druipenden muil, vlamden zijn oogen zijn meester aan. Hij scheen diens oogmerk te raden, want hij begon in gramschap te brullen en kroop voorwaarts op het lijk, en hield dat door de zwaarte van zijn eigen lichaam vast. Zijn kop was nu nog maar eenige duimen afstands van de open deur af.

"Weg, weg! Hij komt er uit!" riep Old Firehand. "Tom, uw geweer! uw geweer! Een revolver zou de zaak nog erger maken."

Zwarte Tom vloog naar zijn geweer.

Van het oogenblik af waarop de temmer de kooi had betreden tot op dit moment waren er hoogstens tien seconden verloopen. Niemand had nog den tijd gehad, om zich volkomen in veiligheid te brengen. Het gansche dek was een wartooneel van vluchtende en angstkreten aanheffende personen. De deuren naar de kajuiten en onderdeks-verblijven waren versperd. Menigeen dook achter vaten en kisten om zich te bergen, doch sprong dadelijk weer op, daar men zich in zulk een schuilplaats niet veilig kon achten.

De kapitein was naar zijn commando-brug gesneld, en klom naar boven, drie, vier treden tegelijk nemend. Old Firehand volgde hem. De menagerie-eigenaar vluchtte naar de achterzijde van de ijzeren kooi. Zwarte Tom ijlde weg, om zijn geweer te halen. Doch onderweg herinnerde hij zich, dat hij zijn bijl daaraan vastgebonden had, zoodat hij het vuurwapen toch niet terstond zou kunnen gebruiken. Hij bleef dus bij de twee Indianen, die hij voorbij moest, staan, en rukte den "ouden beer" diens vuurroer uit de hand.

"Ik zelf schieten!" zei deze, tegelijk de hand uitstekende om zijn geweer terug te grijpen.

"Laat mij!" voegde de zwartbaard hem driftig toe. "Ik schiet in elk geval beter dan gij."

Hij draaide zich om de ijzeren kooi. De panter had die juist verlaten, hief zijn kop op, en brulde. Zwarte Tom legde aan, en haalde den haan over. Het schot knalde maar de kogel was niet raak. Schielijk rukte hij nu ook den jongen Indiaan het geweer uit de hand, en brandde de lading op het ondier af, maar het schot was andermaal mis.

"Slecht schieten. Geweer niet kennen," zeide de "oude beer" zoo bedaard, alsof hij in zijn veiligen wigwam bij zijn gebraden vleesch zat.

De Duitscher hoorde die woorden niet eens. Hij wierp het geweer weg, en vloog naar de voorplecht, waar de geweren der mannen van den kornel lagen. Die gentlemen hadden geen lust gehad om den strijd met het dier op te vatten, maar waren ijlings weggekropen.

Daar klonk dicht bij de commando-brug een hartverscheurende gil. Een dame wilde naar boven vluchten. De panter kreeg haar in het oog juist toen hij ophield met brullen. Hij dook neer, en vloog met groote sprongen op haar aan. Zij zag dat, en gaf dien gil. Zij bevond zich nog onder aan de brugtrap, terwijl Old Firehand reeds op de vijfde of zesde trede stond. In een oogwenk had hij haar gegrepen, trok haar omhoog, en tilde haar met zijn sterke armen over zijn hoofd heen naar boven, waar de kapitein haar van hem aannam. Dat was het werk van twee seconden geweest, en nu bevond zich de panter onder aan de trap. Hij zette zijn twee voorklauwen op een der treden, en kromp zijn lichaam reeds ineen, om naar boven te springen en zich op Old Firehand te werpen. Deze gaf hem een duchtigen trap op zijn neus, en schoot hem toen de nog restende drie kogels uit zijn revolver tegen den kop.

Dit verweermiddel was eigenlijk belachelijk. Door een schop en eenige revolver-kogeltjes niet grooter dan een erwt, laat een zwarte panter zich niet afschrikken: maar Old Firehand bezat op dat oogenblik geen ander middel om zich te verdedigen. Hij was overtuigd, dat het ondier hem nu zou beetpakken; doch.... dat gebeurde niet, de panter, nog altijd met zijn voorpooten op de trap staande, wendde langzaam zijn kop zijwaarts, als wilde hij zich bezinnen op iets beters. Hadden de op zulk een korten afstand afgeschoten kogels die hoogstens een duim diep in zijn harde schedelhuid doorgedrongen konden zijn, hem in een soort van duizeling gebracht? Of had de trap op zijn gevoeligen neus hem te veel pijn veroorzaakt, zooveel is zeker, dat zijn oogen niet meer op Old Firehand gericht waren, maar naar het voordek, waar nu een omstreeks dertienjarig meisje onbeweeglijk stond, als versteend van schrik, met de beide armpjes uitgestrekt naar de commando-brug. Het was het dochtertje van de dame, die zooeven door Old Firehand gered was. Het arme kind, zelf op de vlucht, had het gevaar gezien, waarin haar moeder verkeerde, en was, van ontzetting daarover, als versteend blijven staan waar het nu nog stond, gekleed in een wit jurkje, dat nu den panter in het oog viel. Hij trok zijn voorpooten van de brugtrap af, keerde zich om, en vloog toen, met sprongen telkens van zes à acht ellen lang op het kind aan, dat wel die ijzingwekkende nadering zag maar niet in staat was om zich te verroeren of geluid te geven.

"Mijn kind, mijn kind!" jammerde de moeder.

Allen, die het zagen, schreeuwden en jammerden mee; maar niemand verroerde een vinger of een voet tot redding. Er was ook geen tijd meer toe. Geen tijd meer? En verroerde zich werkelijk geen mensch? Ja toch, één,--en wel diegene, van wien men zooveel stoutmoedigheid en tegenwoordigheid van geest en goed overleg wel het allerminst zou verwacht hebben, namelijk de jonge Indiaan.

Hij had met zijn vader op ongeveer tien passen afstands van het meisje af gestaan. Toen hij het gevaar zag, waarin het kind verkeerde, vlamden zijn oogen op. Hij keek naar rechts en naar links, als zoekende naar een middel tot redding; toen liet hij het tsoenikleed van zijn schouders vallen, en riep zijn vader in de taal der Tokawa toe: "Tiakaitat; sjai sjoyana--blijf staan, ik zal zwemmen!"

In twee sprongen was hij bij het meisje, greep haar om haar middel, snelde met haar naar het rasterwerk (hek of balustrade rondom het dek) en was in een wip er bovenop. Daar bleef hij een oogenblik staan, ten einde om te kijken. De panter was vlak achter hem, en maakte zich reeds gereed om ingelijks op het hek te springen. Maar nauwelijks waren de pooten van het dier van den grond af, of de jonge Indiaan wierp zich in een schuinsche richting, ten einde niet op dezelfde plek als het ondier in het water te komen, van de balustrade af in den stroom. Hij verdween met zijn vracht onder de golven. Tegelijk sprong de panter op het rasterwerk met zulk een vaart, dat hij zich niet er op staande kon houden en regelrecht neerplofte in de rivier.

"Stoppen! Stoppen!" commandeerde de kapitein, met veel tegenwoordigheid van geest, door de spreektrompet, die uitkwam in de machine-ruimte.

De machinist gaf dadelijk tegenstoom; de boot stopte, en bleef zoodoende op de plaats liggen, daar de schepraderen nu slechts zooveel water grepen als noodig was om het afdrijven te voorkomen.

Daar het gevaar thans voor de passagiers voorbij was, snelden allen uit hun schuilhoeken te voorschijn en naar de balustrade. De moeder van het kind was in onmacht gevallen; de vader riep met een hartverscheurende stem: "Ik geef duizend dollars voor de redding van mijn dochter--twee duizend--drie duizend--vijf duizend en nog veel meer!"

Niemand luisterde naar zijn angstkreten. Allen bogen over de balustrade heen, om in het water te kijken. Daar lag de panter als een voortreffelijk zwemmer met uitgespreide pooten, zich bovenhoudende en rondkijkende naar zijn prooi--tevergeefs. De wakkere jongeling met het meisje waren nergens te zien.

"Ze zijn omgekomen in de raderen!" jammerde de vader, met beide handen de haren uit zijn hoofd trekkende van wanhoop.

Maar opeens klonk van de andere zijde van het schip de luide stem van den ouden Indiaan: "Nientropan-homosj oolijk geweest. Onder het schip wegzwemmen, om panter niet laten zien. Hier onder zijn." Nu vloog alles naar stuurboord, en de kapitein commandeerde, touwen uit te werpen. Ja waarlijk, daarbeneden, vlak naast het schip, zwom langzaam op zijn rug, ten einde niet afgedreven te worden, de "jonge beer", en had het bewustelooze meisje dwars over zijn lichaam gelegd. Touwen waren spoedig uitgeworpen.

De jongeling bond er een stevig onder de armen van het meisje; en terwijl het arme kind omhooggetrokken werd, heesch hij zich zelf behendig aan een tweede touw naar boven.

Hij werd met een daverend gejubel begroet, maar stapte fier langs de menigte weg zonder een woord te zeggen. Doch toen hij aan de plek kwam, waar de kornel stond, die óók alles had aangezien, bleef hij vlak voor hem stilstaan, en zei zoo luid dat iedereen het hooren kon: "Zeg eens, is Tonkawa wel zoo erg bang voor een kleine kat? Kornel heeft zich met zijn twintig helden schuilgehouden; maar Tonkawa heeft zich aan groot gevaar blootgesteld, om meisje en passagiers te redden. Kornel spoedig nog meer van Tonkawa hooren!"

Het geredde meisje werd naar de kajuit gedragen. Nu strekte de stuurman, die het beste uitzicht had, zijn hand uit naar bakboord, en riep: "Kijkt den panter eens! En het vlot!"

Nu snelden allen weder naar de andere zijde van het stoomschip, waar zich een nieuw en niet minder in spanning brengend tooneel aan hun blikken vertoonde. Men had namelijk, geheel en uitsluitend bezig met het tot dusverre verhaalde, niet gelet op een klein van teenen en riet gevlochten vaartuigje (eigenlijk niets meer dan een vlot), waarin twee gestalten zaten, die van den rechter rivier-oever af op de stoomboot aanstuurden. Zij werkten met van boomtakken vervaardigde roeiriemen. De eene persoon was een jongeling; de andere scheen een zeer zonderling gekleed vrouwspersoon. Men zag een hoofddeksel, veel gelijkende op een oude klapmuts, en daaronder een rond gezicht met roode koonen en kleine oogjes. Het overige der gestalte was omhuld door een wijden zak of iets dergelijks, men kon met geen mogelijkheid zeggen wat, daar de persoon gezeten was. Zwarte Tom stond naast Old Firehand, en vroeg hem: "Kent gij die vrouw wel, sir?"

"Neen," was het antwoord. "Is zij dan zóó beroemd, dat ik haar moest kennen?"

"Zeer zeker. Zij is namelijk in het geheel geen vrouw, maar een man, een prairie-jager en vallen-opzetter. Ha, daar komt de panter aan. Let nu eens op wat een vrouw, die een man is, in staat is te doen."

Hij boog over de balustrade heen, en riep naar beneden: "Heila, Tante Droll (Droll is Engelsch en beteekent: kluchtig), opgepast! Die snaak wil u opeten."

Het vlot was ongeveer nog vijftig passen van de stoomboot verwijderd. De panter had daar, steeds zoekende naar zijn prooi, aanhoudend langs die zijde van het schip heen en weer gezwommen. Nu zag hij het vlot naderen, en hield terstond daarop aan. De zich er op bevindende oogenschijnlijke vrouw, keek naar het dek op, herkende hem die haar had toegeroepen, en antwoordde met een schelle fluitstem: "Good lack (= lieve hemel) zijt gij het, Tom? Het doet mij pleizier u te zien, als het noodig is! Wat is dat voor een dier?"

"Een zwarte panter, die van boord gesprongen is. Maak maar dat gij wegkomt. Gauw, gauw!"

"Een mooi ding! Tante Droll gaat voor geen mensch op den loop, en voor een panter nog minder, hij mag er dan zwart of blauw of groen uitzien. Mag men het ondier doodschieten?"

"Natuurlijk! Maar dat zal u niet gelukken. Het behoorde tot een menagerie, en is het gevaarlijkste roofdier, dat in de wereld bestaat. Vlucht maar gauw naar de andere zijde van het schip."

Niemand dan Tom alleen kende de potsierlijke gestalte: maar allen riepen haar de waarschuwing toe om te vluchten. Zij scheen er echter vermaak in te vinden, met den panter krijgertje te spelen. Zij hanteerde het gebrekkige roer met bewonderenswaardige behendigheid, en wist het dier telkens en telkens te ontwijken. Daarbij riep zij, altoos met dezelfde fluitstem: "Ik zal het wel klaarspelen, oude Tom! Waar moet zulk een creatuur geraakt worden, als het noodig is?"

"In zijn oog," antwoordde Old Firehand.

"Nu, dan zullen wij die waterrot eens wat dichterbij laten komen."

Hij haalde de roeispaan binnen, en greep het geweer, dat naast hem gelegen had. Vlot en panter naderden elkander snel. Het roofdier staarde met wijd opengespalkte oogen den vijand aan, die het geweer aanlegde, kort mikte, en twee schoten loste. Het geweer neerleggen, het roer grijpen, en het vlot achteruit laten zwenken, was het werk van een oogenblik. De panter was verdwenen. Daar, waar men hem het laatst gezien had, verried een dwarreling in het water de plek van zijn doodsstrijd; toen zag men hem een eind weegs verder weer boven water komen, bewegeloos en dood: zoo dreef hij eenige seconden lang, en verdween toen weer in de diepte.

"Een meesterlijk schot!" riep Tom van het dek af, en al de passagiers verklaarden vol geestdriftelijke bewondering hetzelfde, behalve de menagerie-eigenaar, die den duren panter en zijn dierentemmer verloren had.

"Twee schoten zijn het geweest," antwoordde de zonderlinge gestalte: "in ieder oog één. Waar gaat deze boot naar toe, als het noodig is?"

"Zoo ver als we maar water genoeg vinden," was het antwoord van den kapitein.

"Wij wilden aan boord komen, en hebben ons daarom daarginds aan wal dit vlot gebouwd. Wilt gij ons opnemen?"

"Kunt gij de vracht betalen ma'am (= madame) of sir? Ik weet waarlijk niet of ik u als man of als vrouw aan boord moet nemen."

"Als tante, sir! Ik ben namelijk Tante Droll, begrepen, als het noodig is. En wat de vracht betreft, ik ben altijd gewend met goed geld te betalen, of zelfs met nuggets (= goudkorrels)."

"Dan zal ik de touwladder voor u neerlaten. Komt dus maar gauw aan boord. Wij moeten maken, dat wij van deze ongeluksplaats vandaan komen."

De touwladder werd neergelaten. Eerst klauterde de jongeling naar boven, die ook met een geweer gewapend was; toen wierp de andere zijn geweer over den schouder, stond op, greep de ladder, stiet het vlot onder zich weg, en klom met de vlugheid van een kat tegen den scheepswand op naar het dek, waar hij met groote, ijselijk verbaasde oogen ontvangen werd.

TWEEDE HOOFDSTUK.

DE TRAMPS.

"De Vereenigde Staten van Noord-Amerika, zijn in weerwil--of juister gezegd ten gevolge--van hun vrijzinnige instellingen, brandpunt van geheel eigenaardige maatschappelijke landplagen, die in een Europeeschen staat ten eenenmale onmogelijk zouden zijn."

Ieder, die de daar bestaande toestanden kent, zal gereedelijker instemmen met die bewering van een geograaf uit den nieuweren tijd. De plagen, waarvan hij spreekt, zou men kunnen indeelen in chronische en acute. Wat de eerstgenoemde betreft, zijn in het voorste gelid te vermelden de twistzoekende loafers en rowdies, en dan ook de zoogenaamde runners, die het bij voorkeur op de aankomende landverhuizers gemunt hebben. Het runner-, loafer- en rowdy-dom heeft zich tot een ingeworteld kwaad gezet, en zal, naar het zich laat aanzien, nog wel eenige tientallen jaren blijven standhouden. Anders gesteld is het bij de tweede soort der plagen, die zich sneller ontwikkelen en korter van duur zijn. Daartoe behooren de niet door behoorlijke rechtspleging beschermde toestanden in het verre Westen, ten gevolge waarvan zich geregelde benden roovers en moordenaars vormden, die slechts door het doortastende optreden van "Master Lynch" vernietigd zijn kunnen worden. Wijders zou men hier ook de kukluxes kunnen noemen, die zich tijdens den burger-oorlog en ook nog daarna zeer gevreesd wisten te maken. Doch tot de ergste en gevaarlijkste landplaag ontwikkelden zich de tramps als vertegenwoordigers van het ruwste en brutaalste vagebondendom.

Toen op zekeren tijd handel en nijverheid onder zwaren druk verkeerden, duizenden fabrieken stilstonden en tienduizenden werklieden broodeloos werden, begaven de werklieden zich naar elders, bij voorkeur in een westelijke richting. De aan en generzijds der Mississippi liggende staten werden letterlijk door hen overstroomd. Daar gingen reeds spoedig de meesten van elkander af, doordien de eerlijken onder hen werk namen waar zij het vonden, zelfs al gaf de bezigheid slechts een zeer gering loon bij zwaren en inspannenden arbeid. De meesten kwamen terecht op boerderijen, om behulpzaam te zijn bij het binnenhalen van den oogst, en werden daarom gewoonlijk harvesters (= daggelders tijdens den oogst) genoemd.

De van werken afkeerige elementen vereenigden zich tot benden, die van rooven, moorden en brandstichten hun leven rekten. De leden dier benden daalden snel af tot den laagsten trap van zedelijke verdorvenheid, en werden aangevoerd door mannen, die de beschaafde maatschappij moesten mijden, ten einde niet onder het bereik te komen van den tuchtigenden arm der strafwet.

Die tramps (= vagebonden) vertoonden zich gemeenlijk aan groote hoopen, somwijlen driehonderd man sterk en nog meer zelfs. Zij overvielen niet slechts alleenstaande boerderijen, maar wat meer zegt ook kleine steden, die zij geheel leegplunderden. Ja, zij vermeesterden zelfs spoorwegen, doordien zij de treinbeambten overrompelden, en bedienden zich dan van die treinen, om spoedig op een ander grondgebied te komen en daar dezelfde misdaden te gaan bedrijven. Dit euvel nam zoo de overhand, dat in sommige staten de gouverneurs zich verplicht zagen de landweer onder de wapenen te roepen, ten einde aan die roofhorden behoorlijk slag te kunnen leveren.

Voor zulke tramps hadden de kapitein en de stuurman van de "Dogfish", zooals wij reeds gezegd hebben, kornel Brinkley en zijn volgelingen aangezien. Gesteld zelfs dat dit vermoeden juist was, kon het toch geen reden geven tot dadelijke bezorgdheid. De geheele bende was slechts een twintigtal vagebonden sterk, en dus veel te zwak om met de overige passagiers en de geheele scheepsbemanning een schermutseling aan te vangen, hetgeen echter niet wegnam, dat men nauwlettend het oog op hen diende te houden, en dat goede maatregelen van voorzorg volstrekt niet overbodig waren.

De kornel had natuurlijk óók gekeken naar de zonderlinge gestalte, die op zulk een gebrekkig vaartuigje de stoomboot was genaderd en daarbij, als een klein tusschenbedrijf, het sterke roofdier had gedood. Hij had gelachen, toen Tom den wonderlijken naam "Tante Droll" uitsprak. Maar nu, nu de onbekende aan boord was gekomen en hij diens gezicht goed kon onderscheiden, fronste hij de wenkbrauwen, en wenkte zijn mannen hem te volgen. Hij bracht hen naar de punt van de voorplecht, en toen men hem vroeg welke reden hij daarvoor had, gaf hij ten antwoord: "die vent is volstrekt zoo belachelijk niet als hij schijnen wil; ik zeg u zelfs, dat wij ons voor hem in acht moeten nemen."

"Waarom? Kent gij hem dan? Is 't een man of een vrouw?" vroeg een hunner.

"Een man, natuurlijk."

"Waarom dan die maskerade?"

"Het is geen maskerade. Die kerel is uit zijn aard een origineel, maar daarbij tevens een der gevaarlijkste speurhonden van de geheime politie."

"Pshaw! Tante Droll een speurhond van de geheime politie. De man kan alles zijn wat gij van hem verkiest te maken, dat zal ik met plezier gelooven; maar dat hij een detectieve is, dat geloof ik nooit!"

"En toch is het zoo, en niet anders. Ik heb van die Tante Droll gehoord; zij moet een halfgare vallen-steller zijn, die om haar grappigheid met alle Indianen-stammen op den besten voet staat. Maar nu ik haar gezien heb, ken ik haar nog beter. Dat dikke gedrocht is een detectieve, zooals ze beschreven staat in de boeken. Ik heb hem vroeger ontmoet, hooger op, in Fort Sully, aan den Missouri, waar hij een kameraad van ons uit ons midden kwam halen, hij alleen, en overleverde aan de galg--en wij waren toch over de veertig man sterk!"

"Dat is onmogelijk! Dan hadt gij hem immers veertig gaten in zijn lijf kunnen steken!"

"Neen, dat konden wij niet. Hij werkt meer met overrompeling dan met geweld. Ziet die kleine, listige mols-oogjes maar eens aan! Hij ziet alles, tot een mier, die door het dikke gras loopt. Met een onweerstaanbare, betooverende vriendelijkheid knoopt hij kennis aan met zijn slachtoffer, en dan opeens is het 'kip, ik heb je!' eer het mogelijk is aan een overrompeling te denken zelfs!"

"En kent hij u?"

"Dat geloof ik niet. Hij heeft mij destijds niet eens opgemerkt. Overigens is dat heel lang geleden, en in dien tijd ben ik zeer veranderd. Maar toch ben ik van oordeel, dat het raadzaam is, ons stil en ordelijk te gedragen, ten einde niet zijn opmerkzaamheid op ons te vestigen. Ik geloof, dat wij hier een goeden slag zullen kunnen slaan, en zou liever niet hebben, dat hij ons daarbij in den weg stond. Old Firehand is naast Old Shatterhand de beroemdste jager van het geheele Westen. Zwarte Tom heeft zich ook doen kennen als een man, met wien men den gek niet behoeft te steken; maar nog veel gevaarlijker dan die twee is Tante Droll. Neemt u voor haar in acht, en doet maar liever alsof gij in het geheel niet op haar let."

Zoo gevaarlijk, als Droll door den kornel voorgesteld werd, zag hij er waarlijk niet uit; integendeel, de aanwezigen hadden alle moeite, om bij zijn verschijning niet in een kwetsend gelach uit te barsten. Nu, hij op het dek stond, kan men pas met juistheid opnemen en zeggen, wat eigenlijk zijn kostuum was.

Zijn hoofddeksel was noch hoed, noch pet, noch muts, en kon desniettegenstaande met elk dier drie benamingen bestempeld worden. Het bestond uit vijf stukken leder, alle verschillend van vorm. Het middelste, dat op zijn hoofd zat, had de gedaante van een omgekeerde braadpan; het voorstuk beschutte het voorhoofd en had den vorm van de klep eener pet; het vierde en vijfde stuk waren twee breede kleppen, die over zijn ooren hingen.

Zijn jas was zeer lang en buitengewoon wijd. Dit kleedingstuk bestond uit louter leeren lappen, blijkbaar de een aan en over den andere genaaid, om het ding aaneen te houden. Men kon duidelijk zien, dat dit lapwerk dagteekende van een ontelbare menigte verschillende tijdstippen, daar elke lap er anders verweerd en verkleurd uitzag. Aan de randen der voorpanden waren korte riempjes bevestigd, die in plaats van knoopen en knoopsgaten de jas dichthielden. Daar de groote lengte en wijdte van dit zonderlinge kleedingstuk zeer hinderlijk waren bij het loopen, had de man het van achteren opengesneden, van onderen af tot aan zijn middel, en die twee helften zóó om zijn beenen gebonden, dat ze eenigszins geleken op een wijde schippersbroek, waardoor de bewegingen van Tante Droll allerkoddigst waren om aan te zien. Die twee beenbekleedingen van eigen vinding reikten tot aan zijn enkels. Twee leeren schoenen voltooiden het ondergedeelte van het kostuum. De mouwen van die jas waren insgelijks buitengewoon wijd, en veel te lang voor den man. Hij had die daarom van voren dichtgenaaid, en er verder naar achteren twee gaten in gemaakt, door welke hij zijn armen stak. Op die wijze vormden de mouwen nu twee afhangende lederen zakken, waarin heel wat van allerlei geborgen kon worden.

De gestalte van een man had door dat kleedingstuk het voorkomen van een vormloozen klomp, die te meer den lachtlust moest gaande maken door zijn allervriendelijkst vollemaansgezicht met hoogroode wangen en een paar uiterst kleine oogjes, die geen seconde stil konden staan in zijn hoofd, naar het scheen, doch rusteloos in beweging waren, opdat hem toch niets ontgaan zou.

Zulke exemplaren zijn in het Westen volstrekt niet zeldzaam. Wie zich jaren lang in de wildernis ophoudt, heeft noch tijd noch gelegenheid, en ook geen geld om voor zijn versleten kleedingstukken iets anders in de plaats te stellen, dan hetgeen zijn leven in de afzondering hem aan de hand doet, en men treft daar menigmaal beroemde lieden aan, wier kleeding van dien aard is, dat de straatjeugd in de steden der beschaafde wereld zoo iemand joelend en spottend zou najouwen.

In zijn hand had de man een geweer met dubbelen loop, dat stellig reeds een groot aantal jaren dienst had gedaan. Of hij misschien nog ander wapentuig bij zich had, kon men slechts gissen, maar te zien was er niets van, daar de jas zijn geheele lichaam omhulde als een toegebonden zak, waarin vermoedelijk nog menig voorwerp verborgen zat.

De jongeling, dien deze zonderling bij zich had, kon ongeveer zestien jaar zijn. Hij was blond, stevig van lichaamsbouw, en had in zijn gelaat een uitdrukking van ernst, of beter gezegd van tartend zelfbewustzijn, als iemand, die zich in staat gevoelt om zelf te weten welken levensweg hij te volgen heeft. Zijn kleeding bestond uit hoed, jachthemd, broek, been-bedekking en schoeisel, alles van leer gemaakt. Behalve zijn geweer was hij nog met een mes en revolver gewapend.

Toen Tante Droll het dek betrad, stak zij Zwarten Tom haar hand toe, en riep met haar schelle, dunne fluitstem: "Welkom, oude Tom! Welk een aangename verrassing! Wij hebben elkaar in een eeuwigheid niet gezien! Waar komt ge vandaan, en waar is de reis naar toe?"

Zij drukten elkander allerhartelijkst de hand, terwijl Tom antwoordde: "Van den Mississippi stroom-opwaarts. Nu wil ik Kansas in, waar ik mijn rafters in de bosschen heb."

"Nu, dan is alles in orde. Dan kunnen wij nog een poos samen reizen; want ik wil óók daar naar toe, en nog verder. Maar nu allereerst de vracht sir! Wat hebben wij te betalen, namelijk ik en die kleine jongen, als het noodig is?"

Deze vraag was tot den kapitein gericht.

"Dat zal er van afhangen, hoe ver gij meevaart, en welke plaats gij hebben wilt," was het antwoord.

"Welke plaats? Tante Droll reist altijd eerste klasse; dus kajuit, sir! En hoe ver? Zeggen wij, om te beginnen tot Fort Gibson. Wij kunnen het lasso altijd langer maken. Neemt gij nuggets aan?"

"Ja, wat graag!"

"Maar hoe staat het met het goudschaaltje? Zijt gij eerlijk?"

Die vraag kwam er zoo koddig uit, en de twee oogjes pinkten daarbij zoo eigenaardig, dat men hetgeen hij vroeg niet kwalijk nemen kon. De kapitein hield zich echter alsof hij er zich door beleedigd achtte, en antwoordde: "Doe mij zulke vragen geen tweeden keer, of ik werp u vierkant over boord."

"Oho! Denkt gij dat Tante Droll zich zoo gemakkelijk in het water zou laten smijten? Dan vergist gij u geweldig. Probeer het maar eens, als gij trek hebt."

"Neen," hernam de kapitein ontwijkend, "tegen dames moet men de wellevendheid in acht nemen; en daar gij een tante zijt behoort gij natuurlijk tot het schoone geslacht. Ik wil dus uw woorden niet zoo naar de letter opvatten. Bij het betalen is overigens geen haast; dat kunt gij bij gelegenheid doen aan den officier."

"Neen, borgen doe ik nooit, geen minuut; dat is zoo mijn stelregel, als het noodig is."

"Welnu, kom dan maar even mee naar het kantoor."

Zij verwijderden zich; en de overige op het dek aanwezige personen gaven aan elkander ten beste wat zij zoo al dachten van het zonderlinge personage. De kapitein kwam spoediger terug dan Droll. Hij zeide op een toon van verwondering: "Gij hadt die nuggets eens moeten zien, messieurs! Ik heb nooit zooveel nuggets bij elkander gezien!" Dit zeggende stak hij zijn eene hand in zijn armsmouw, en toen hij er die uit haalde, had hij die vol goudkorrels zoo groot als een erwt, vele als een hazelnoot, en sommige nog grooter. "Die man moet een bonanza ontdekt en leeg gegraven hebben. Ik wed dat hij veel rijker is dan hij er uitziet."

Middelerwijl betaalde Droll de vracht aan den met het geld ontvangen belasten officier, en keek toen eens in het rond. Zoodoende kreeg hij de volgelingen van den kornel in het oog. Daar hij er de man niet naar was om aan boord van een schip eenigen tijd door te brengen, zonder zich te vergewissen welke medepassagiers hij had, drentelde hij langzaam naar de voorplecht en liet zijn oogjes vluchtig over die mannen gaan, een voor een. De kornel trok bijzonder zijn aandacht, en hij sprak hem aan:

"Neem mij niet kwalijk, sir! hebben wij elkaar vroeger al niet eens gezien?"

"Dat ik weet niet," was het antwoord.

"He, het is mij alsof wij elkaar reeds meer ontmoet hebben. Zijt gij bijgeval wel eens boven aan den Missouri geweest?"

"Neen."

"In Fort-Sully ook niet?"

"Dat ken ik niet eens."

"Hm! Mag ik dan ook weten hoe uw naam is?"

"Hoe zoo? Waarom?"

"Omdat gij mij bevalt, sir! En zoodra ik iemand ontmoet, die mij bevalt, heb ik geen rust of duur meer, of ik moet eerst weten hoe hij heet."

"Wat dat betreft," antwoordde de kornel op tamelijk scherpen toon, "mij bevalt gij ook; maar daarom zal ik nog niet vrijpostig genoeg zijn om u naar uw naam te vragen."

"He! Daar steekt, dunkt me, volstrekt geen vrijpostigheid in, en ik voor mij, ik zou uw vraag dadelijk beantwoorden. Ik heb hoegenaamd geen reden om mijn naam te verzwijgen. Alleen zij die oneerlijke dingen in hun schild voeren, verzwijgen hoe zij heeten."

"Is dat bedoeld als een beleediging, sir?"

"Dat komt niet in mij op! Ik beleedig nooit een menschenkind, als het noodig is. Adieu, sir! en houd uw naam maar vóór u! Ik ben er volstrekt niet nieuwsgierig naar."

Dit gezegd hebbende draaide hij zich om en verwijderde zich.

"Dat iemand zoo iets durft tegen mij!" mompelde de roodbaard tandenknarsend. "En dat ik dat zoo maar voor zoete koek moet opeten!"

"Waarom zijt gij zoo gek, dat gij het verdraagt?" merkte een zijner volgelingen lachend op. "Ik zou dien leeren zak geantwoord hebben met mijn vuist."

"En van een koude kermis thuisgekomen zijn!"

"Pshaw! Dat misbaksel ziet er me niet naar uit, om wonderen van spierkracht te verrichten."

"Maar met een man, die een zwarten panter tot op een armslengte afstand durft afwachten, en hem dan zoo koelbloedig de lading geeft alsof hij een prairie-hoen onder schot had, met zulk een man valt den gek niet te steken. Overigens zou ik niet te doen gehad hebben met hem alleen: ik zou er dadelijk nog meer tegen mij gekregen hebben, en het is maar zaak voor ons, alle opzien te vermijden."

Tante Droll was weer naar achteren gegaan, en stiet onderweg op de twee Indianen, die op een baal tabak waren gaan zitten. Toen zij hem zagen aankomen, stonden zij op, als lieden, die verwachtten, dat zij aangesproken zouden worden. Droll bleef even staan zoodra hij hen zag, snelde toen naar hen toe, en riep uit: "Mira, el oso viejo y el oso mozo (= Hé, de Oude Beer en de Jonge Beer)!"

Dat was Spaansch. Hij moest dus weten, dat de twee Roodhuiden niet te best Engelsch, maar beter Spaansch spraken en verstonden.

"Qué sorpresa, la tia Droll (= welk een verrassing, Tante Droll)," antwoordde de oude Indsman, ofschoon hij hem reeds gezien had toen hij nog op het vlot zat.

"Wat doet gij hier in het Oosten en op deze boot?" vroeg Droll, terwijl hij aan beiden de hand gaf.

"Wij zijn met eenige roode broeders te Nieuw-Orleans geweest, om inkoopen te doen, en zijn nu op de terugreis, terwijl die anderen met de gekochte goederen volgen. Er zijn verscheidene manen over ons hoofd gegaan, dat wij het gezicht van Tante Droll niet gezien hebben."

"Ja, de Jonge Beer is in dien tusschentijd goed gegroeid; hij is nu veel dikker en langer, dan hij toen was. Leven mijn roode broeders met hun naburen in vrede?"

"Zij hebben hun oorlogsbijlen in den grond geborgen, en hopen dat zij die niet weer behoeven op te graven."

"Wanneer denkt gij bij de uwen terug te zijn?"

"Dat weten wij niet. Wij dachten, dat er een halve maan mee gemoeid zou zijn; maar nu zal het wel langer duren."

"Maar nu? Wat bedoelt gij met die twee woorden?"

"Dat de Oude Beer niet eer huiswaarts keeren kan, dan nadat hij zijn mes gedoopt zal hebben in het bloed van zijn beleediger."

"Wie is dat?"

"Die blanke hond daar met dat roode haar. Hij heeft met zijn handden Ouden Beer een slag in het aangezicht gegeven."

"Verduiveld! Is de vent dan van zijn verstand beroofd? Hij moet toch weten wat het zeggen wil een Indiaan een klap met de hand te geven, en dat nog wel den Ouden Beer."

"Hij schijnt niet te weten, dat ik dat ben. Ik heb mijn naam genoemd in de taal van mijn volk; en nu verzoek ik u, mijn blanken broeder, hem dien niet in het Engelsch te vertolken."

"Als ik hem ooit iets vertolk, zal het in allen gevalle iets anders zijn dan de naam van mijn broeder. Maar nu ga ik van u af, naar de anderen, die verlangend zijn om met mij te spreken. Ik zal nog dikwijls genoeg bij u komen om eens te praten."

En nu vervolgde hij zijn weg naar het achterdek. Daar was nu de vader van het geredde meisje uit de kajuit aangekomen om mee te deelen, dat zijn kind uit haar bezwijming was bijgekomen, zich naar omstandigheden vrij wel gevoelde, en thans niets anders noodig had dan rust, om geheel op verhaal te komen. Toen spoedde hij zich naar de indianen, om den moedigen jongeling dank te betuigen voor zijn stoutmoedige daad. Droll had zijn woorden gehoord, en vroeg wat er gebeurd was. Toen Tom het hem verteld had, zei hij: "Ja, daar is het juist een jongen naar; hij is geen kind meer, maar een volwassen man."

"Kent gij hem en zijn vader? Wij hebben u met hem zien spreken."

"Ik heb hem eenige keeren ontmoet."

"Ontmoet? Hij heeft zich een Tonkawa genoemd; en die bijna uitgestorven stam leidt geen zwervend leven, maar is metterwoon gevestigd op het hun afgestane ellendige grondgebied in het dal van den Rio Grande."

"De Oude Beer heeft geen vaste woonplaats gekozen, maar is trouw gebleven aan de gewoonten zijner voorvaderen. Hij zwerft rond, juist als de Apachen-hoofdman Winnetou. Het is wel waarschijnlijk, dat hij hier of daar een bepaald plekje heeft waar hij van zijn omzwervingen nu en dan gaat uitrusten, maar hij houdt dat geheim. Hij spreekt somwijlen van 'de zijnen', en altoos als ik hem ontmoet vraag ik naar hen en of het hen welgaat; maar wie, wat en waar ze zijn heb ik niet kunnen ontdekken. Hij wilde ook nu naar hen toe, doch moet dat voorloopig uitstellen, omdat hij zich eerst wenscht te wreken op den kornel."

"Heeft hij u daarvan gesproken?"

"Ja. Hij zal niet rusten, voordat hij zijn wraak aan hem gekoeld heeft. De kornel is dus in mijn oogen een verloren man."

"Dat heb ik ook gezegd," merkte Old Firehand aan. "Zooals ik de Indianen ken, heeft hij zich dien klap niet laten welgevallen uit lafhartigheid."

"Zoo?" vroeg Droll, terwijl hij den reus eens goed opnam van het hoofd tot de voeten. "Hebt gij de Indianen ook leeren kennen, als het noodig is? Gij ziet er mij anders volstrekt niet naar uit, in weerwil dat gij een echte Goliath schijnt. Gij zijt beter op uw plaats in de salons, dunkt mij, dan in de prairie."

"O wee, tante!" lachte Tom; "daar schiet gij een geweldigen bok. Raad eens wie deze sir is!"

"Dat zal ik maar niet doen. Misschien zult gij wel zoo goed zijn, het mij liever te zeggen?"

"Neen, zoo gemakkelijk zal ik het u nu eens niet maken. Gij dient er ten minste een oogenblik uw geest op te scherpen. Deze heer is namelijk een van onze beroemdste Westmannen."

"Zoo! Niet beroemde, maar beroemdste?"

"Ja."

"Van die soort zijn er, naar mijn idee, slechts twee, want een derde, die evenals zij dien titel in den overtreffenden trap verdient, bestaat er niet, voor zoover ik weet."

Hij zweeg een oogenblik, kneep toen zijn eene oog dicht, gluurde met het andere eens goed Old Firehand aan, liet daarna even een lachje hooren, dat als een op de klarinet geblazen, "hihihihi" klonk, en vervolgde toen: "Die twee zijn namelijk Old Shatterhand en Old Firehand. Daar ik den eerstgenoemde ken, zou deze sir dus niemand anders kunnen wezen dan Old Firehand. Heb ik het geraden?"

"Ja, dat ben ik," knikte de genoemde.

"Egad?" vroeg Droll, en trad een paar schreden achteruit, terwijl hij hem nog eens goed opnam met zijn eene geopende oog. "Zijt gij inderdaad die man, voor wien alle schavuiten sidderen en beven? Den lichaamsbouw hebt gij, precies zooals die beschreven wordt, maar ... misschien is het toch maar fopperij?"

"Ei, ei! Is dit dan óók fopperij?" vroeg Old Firehand, en meteen pakte hij met zijn rechterhand Droll bij den kraag van zijn jas, tilde hem zoo in de hoogte, draaide hem driemaal in de rondte als in een cirkel, en zette hem toen op een in de nabijheid staande kist neer.

Het aangezicht van den aldus getrakteerde was zoo rood als bloed geworden. Hij hijgde naar adem, en riep daarbij in kort afgebroken volzinnen: "Zounds, sir! houdt gij mij voor den slinger van een klok of voor een centrifugaal-regulateur? Ben ik in de wereld gekomen om een cirkeldans in de lucht te dansen, om u heen! Het is gelukkig, dat mijn sleepinggown (= nachjapon) van stevig leder gemaakt is, anders hadt ge dien aan flarden gescheurd en mij zoodoende in het water geslingerd. Maar het proefje, dat gij mij gegeven hebt, was kostelijk, sir! Ik zie nu, dat gij werkelijk Old Firehand zijt. Dat moet ik reeds gelooven, omdat ik u anders in staat zie om aan al deze gentlemen nog eens een voorstelling met mij te geven hoe de maan rondom onze aarde draait. Ik heb dikwijls, als ik over u hoorde spreken, gedacht hoe blij ik zou wezen als ik u eens te zien kreeg. Ik ben maar een eenvoudige trapper (= opzetter van vallen, uitzetter van strikken); maar ik weet toch zeer goed wat een man van uw kaliber te beteekenen heeft. Hier is mijn hand; en als gij mij niet diep bedroeven wilt, dan zult gij die niet terugwijzen."

"Terugwijzen? Dat zou ik zonde en schande vinden. Ik geef aan iederen braven man gaarne de hand, hoeveel te meer dan iemand, die zich bij ons zoo kranig geïntroduceerd heeft."

"Kranig geïntroduceerd! Hoe zoo dat?"

"Wel, doordien gij den panter doodgeschoten hebt."

"O zoo! Dat is geen ding om er veel ophef van te maken. Het beestje voelde zich niet erg op zijn gemak in het water; het had volstrekt geen idee om mij kwaad te willen doen, maar zocht zich eenvoudig te redden op mijn vlot. Het spijt mij, dat ik niet een beetje gastvrijer geweest ben."

"Dat is zeer verstandig van u geweest, want de panter had het wel degelijk op u gemunt. Voor het water was hij volstrekt niet bang, want hij was een uitmuntend zwemmer en had zonder moeite den wal kunnen bereiken. Het zou een ramp geweest zijn, als hem dat had mogen gelukken. Door hem te dooden, hebt gij in allen gevalle vele menschen het leven gered. Ik druk u de hand, en hoop, dat wij elkander nader leeren kennen."

"Dat hoop ik ook, sir! Maar nu stel ik u voor, op onze kennismaking iets te gaan drinken. Ik ben niet op deze boot gekomen, om er dorst te lijden. Laat ons dus naar beneden gaan in het salon."

Aan die uitnoodiging werd gevolg gegeven. Om ook van de partij te kunnen zijn, moest Tom eerst bijpassen voor de kajuitsvracht, waaraan gretig door hem voldaan werd.

Toen de gentlemen van het dek verdwenen waren, kwam de neger, die niet mee had mogen kijken naar den panter, uit het machine-ruim te voorschijn, waar hij nu door een anderen werkman afgelost was. Om voor zijn middagdutje een beschaduwd plekje te zoeken, sukkelde hij met loomen tred naar voren, met een gezicht waaraan men duidelijk zien kon, dat hij niet bijzonder in zijn "hummetje" was. Dit zag de kornel, die hem dadelijk aanriep en wenkte om naderbij te komen.

"Wat is er van uw verlangen, sir?" vroeg de zwarte, zoodra hij dichterbij gekomen was. "Als gij iets hebben wilt, moet gij u tot den steward (= hofmeester; spreekt uit; 'stjoerd') wenden. Ik ben niet hier voor de passagiers."

Hij sprak zijn Engelsch zoogoed als een blanke.

"Dat begrijp ik," antwoordde de kornel. "Ik wilde u louter vragen, of gij lust hebt om een glas brandy met ons te drinken."

"Als dàt het geval is, ben ik uw man! In dat vuurhok daarbeneden verdrogen de keel en de lever van een mensch. Maar ik zie niets hier dat naar een glas brandy gelijkt."

"Hier hebt gij een dollar; haal nu zelf, aan de toonbank daar, wat gij het liefst drinkt, en kom dan een poosje bij ons zitten praten."

De pruilerige uitdrukking verdween nu van het gelaat van den neger, en ook zijn bewegingen waren nu veel vlugger. Hij bracht twee volle flesschen en eenige glazen mee, en nam nu plaats naast den kornel, die bereidwillig een weinig ruimte voor hem maakte. Toen de inhoud van het eerste glas over zijn tong was gegleden, schonk hij het glas andermaal vol, dronk dat insgelijk leeg, en zeide toen: "Van zulk een hartsterking bekomt een mensch, sir! Jammer maar, dat zulke buitenkansjes zoo zeldzaam zijn. Doch als ik vragen mag, hoe komt gij op het idee om mij daartoe uit te noodigen? Gij blanken zijt anders niet zoo bijzonder vriendelijk jegens ons zwarten."

"Bij mij en mijn vrienden is een neger evengoed als een blanke. Ik heb opgemerkt, dat gij bij den stoomketel aangesteld zijt. Dat is een zwaar werk, en daar krijgt een mensch dorst van; en daar ik niet denk, dat de kapitein u met bankbiljetten van honderd dollars betalen zal, begreep ik, dat een ferme slok u niet onwelkom zou wezen."

"Dat is een uitmuntende gedachte van u geweest. De kapitein betaalt inderdaad bitter weinig; men kan er nooit eens 'een ferm hapje' van nemen om de keel te smeren; want voorschot geeft hij nooit, ten minste aan mij niet; de reis moet eerst volbracht zijn, eer hij over de brug komt met geld--damn!"

"Dus, hij schijnt het op u gemunt te hebben?"

"Ja, louter op mij."

"Waarom?"

"Hij zegt, dat ik een nathals ben! Al de anderen ontvangen hun loon elken dag, ik alleen niet! Het is dus niet te verwonderen, dat mijn dorstigheid van dag tot dag grooter wordt."

"Nu, het zal geheel van u zelf afhangen, of gij u vandaag eens te goed zult kunnen doen of niet."

"Hoe zoo dat?"

"Ik ben bereid u eenige dollars te geven, als gij mij daarvoor een dienst wilt doen?"

"Eenige dollars? Hoera! Dan kon ik eens wat flesschen inslaan, de een na de andere! Kom maar voor den dag met uw verlangen, sir! Den dienst, dien gij van mij begeert, zal ik met hart en ziel voor u volbrengen."

"Ja maar, het is zoo gemakkelijk niet. Ik weet niet of gij er de rechte man wel voor wezen zult!"

"Ik? Als er snaps mee te verdienen is, ben ik altijd de rechte man."

"Het is mogelijk! Maar het moet sluw aangelegd worden."

"Sluw? Het is toch niet iets waarmee ik risqueeren kan een warmen rug op te loopen? want de kapitein is allesbehalve malsch, als er iets gebeurt dat niet in den haak is."

"Geen nood! Gevaar is er volstrekt niet bij. Gij zult niets anders te doen hebben, dan uw ooren een beetje te spitsen--niets anders, dan een beetje goed te luisteren."

"Waar? En bij wien?"

"In het salon."

"Hum!" bromde de neger, min of meer den neus optrekkende. "En dat waarom, sir?"

"Wel.... om kort te gaan, ik zal openhartig met u spreken."--Hij schoof den neger weer een vol glas toe, en vervolgde toen op een vertrouwelijken toon: "Daar is een groote, reusachtig uitziende sir, dien ze Old Firehand noemen; verder een kerel met een zwarten baard, die Tom heet; en eindelijk een vastenavondmasker in een lange leeren jas, luisterende naar den mallen naam van Tante Droll. Die Old Firehand is een rijke landbouwer, en de twee anderen zijn zijn gasten, die hij meeneemt naar zijn huis. Toevallig willen wij óók naar die boerderij, om daar werk te zoeken. Het spreekt dus vanzelf, dat wij nu een goede gelegenheid hebben, om te weten te komen met wat soort van menschen wij te doen zullen krijgen. Ik verbeeld mij, dat zij wel over hun zaken zullen spreken; en als gij uw ooren maar goed open zet, zal het u volstrekt niet moeielijk vallen datgene te weten te komen, waarnaar wij nieuwsgierig zijn. Gij hebt uw oogen maar goed den kost te geven en af te luisteren wat zij elkaar vertellen; gij ziet dus, dat ik geen heksenwerk of iets dat verboden is van u verlang."

"Dat is waar, sir! Geen mensch heeft mij verboden te luisteren als ik anderen hoor praten. Ik ben nu zes uur vrij van dienst, zoodat ik den tijd aan mij zelf heb en doen kan wat gij verlangt."

"Maar zeg eens: hoe zult ge dat aanleggen?"

"Daar zit ik juist over te denken."

"Moogt gij in het salon komen?"

"Verboden is mij dat eigenlijk niet; maar ik heb er niets te doen."

"Zoek dan maar een of ander voorwendsel."

"Dat is juist het moeielijke er van. Ik zou daar iets naar binnen kunnen brengen, of iets er vandaan halen, maar dat duurt slechts een oogenblik, en dus veel te kort om van hun gesprek iets op te vangen, dat de moeite waard is."

"Kunt gij niets verzinnen om daar te gaan doen, zoodat gij er wat langer kwansuis bezig kunt blijven?"

"Neen.... Of ja! Daar kom ik op een idee. De ramen zijn vuil, die zou ik schoon kunnen gaan maken."

"Zal dat geen argwaan geven?"

"Volstrekt niet. Daar het salon altijd bezet is, kan dat werk niet gedaan worden op een oogenblik als er geen mensch in is."

"Maar dat is immers uw werk niet?"

"Dat hindert niet. Het is eigenlijk het werk van den steward; maar die zal blij wezen als een ander het voor hem doet."

"Maar kan die niet denken, dat daar iets achter schuilt?"

"O, neen! Hij weet dat ik geen geld heb, en dat ik graag een borrel drink. Ik zal naar hem toe gaan, en zeggen, dat ik dorst heb, en dat ik de ramen voor hem schoon wil maken, als hij mij een glas brandy geeft. Dat zal hij zeer natuurlijk vinden. Maak u dus volstrekt niet ongerust, sir! ik zal het er wel goed afbrengen. Zeg mij nu maar hoeveel dollars ik er mee verdienen zal?"

"Dat zal er van afhangen welke berichten gij mij brengt. Maar op drie dollars kunt gij in elk geval rekenen."

"All right! Dat is afgesproken! Schenk mij nu nog maar eens in, dan ga ik er dadelijk op uit."

Toen de neger zich verwijderd had, werd aan den kornel gevraagd wat hij eigenlijk met die opdracht beoogde. Hij antwoordde: "Wij zijn arme tramps, die zien moeten hoe wij door de wereld rollen. Wij hebben hier de vracht moeten betalen, en nu wil ik ten minste een poging doen om te weten te komen, of wij dat geld niet op een of andere manier terug kunnen krijgen. Voor den verren tocht, dien wij te doen hebben, dienen wij toebereidselen te maken, die veel geld zullen kosten, en gij weet evengoed als ik, dat onze beurzen tamelijk lens geworden zijn."

"Wij zullen ze immers uit de spoorwegkas weer vullen!"

"Weet gij dan zóó zeker, dat ons plan gelukken zal? Als wij reeds hier geld kunnen maken, zou het de grootste dwaasheid wezen van die gelegenheid geen partij te trekken."

"Dus om het ding bij zijn waren naam te noemen, diefstal hier aan boord? Dat is gevaarlijk. Men kan zich hier niet terstond uit de voeten maken; en als den bestolene den diefstal ontdekt, zal het stellig en zeker een heisasa wezen van sinjeur den duivel, en zullen alle aan boord zijnde personen gevisiteerd en alle hoeken en gaten doorsnuffeld worden. Juist op ons zal allereerst de verdenking vallen."

"Gij zijt het grootste uilskuiken, dat ik ooit gezien heb. Zoo iets is gevaarlijk, ja, maar ook niet gevaarlijk: dat hangt er geheel van af hoe het ding aangepakt wordt. En ik ben er de man niet naar, om het bij het verkeerde eind aan te vatten. Als gij in alles mijn raad volgt, moet ons alles, zelfs de laatste groote slag, gelukken."

"Bedoelt gij daarboven aan het Zilvermeer? Hum! Als ze u daarmee maar niet iets op de mouw gespeld hebben."

"Pshaw! Ik weet wat ik weet. Ik ben volstrekt niet van plan u nu reeds uitvoerig alles mede te deelen. Als we eenmaal ter plaatse zijn waar wij wezen moeten, zal ik u behoorlijk inlichten. Tot zoolang moet gij mij vertrouwen en mij gelooven als ik u zeg, dat daar schatten te halen zijn, die ons rijk kunnen maken voor ons geheele leven. Doch wij willen nu alle noodeloos gewauwel vermijden en liever bedaard afwachten wat voor nieuws de domme neger ons brengen zal."

Dit gezegd hebbende leunde hij achterover tegen de schansbekleeding en deed zijn oogen dicht, ten teeken, dat hij nu niets meer hooren wilde en niets meer zeggen zou. Ook de anderen maakten het zich zoo gemakkelijk als zij slechts konden. Enkelen deden hun best om den slaap te vatten, doch zonder dat het hun gelukken wilde; de overigen fluisterden zacht met elkander over het groote plan, tot welks volvoering zij zich verbonden hadden op leven en dood.

De "domme neger" scheen intusschen voor zijn taak berekend. Als hij een onoverkomelijk struikelblok ontmoet had, zou hij stellig teruggekomen zijn, om dat te zeggen. Hij was dus eerst naar den steward gegaan om met dezen te spreken, en toen aan den ingang van het salon verdwenen, zonder weer te voorschijn te komen. Er verliep een groot uur eer hij weer op het dek kwam. Hij had verscheiden wrijfdoeken in de hand, bracht die weg en kwam toen naar het dadelijk in een blijde stemming komende gezelschap, bij hetwelk hij zich neerzette, zonder de vier oogen te zien, waarmede hij en de tramps nauwlettend werden gadegeslagen. Het waren de vier oogen van de twee Indianen, den Ouden en den Jongen Beer.

"Wel," vroeg de kornel met gespannen ongeduld, "hoe hebt gij het er afgebracht?"

De gevraagde antwoordde mismoedig: "Ik heb mij alle moeite gegeven; maar ik geloof niet, dat ik, voor hetgeen ik gehoord heb, meer van u zal krijgen dan de bedongen drie dollars."

"Hoe zoo dat?"

"Wel, omdat mijn luisteren tevergeefs is geweest. Gij hebt u schromelijk vergist, sir!"

"Waarin dan?"

"Die reus heet wel Old Firehand, maar is volstrekt geen landbouwer, en kan dus dien Tom en die Tante Droll volstrekt niet te logeeren gevraagd hebben op zijn boerderij."

"Wel nu nog mooier!" viel de kornel uit, op den toon van iemand, die niet gelooven kan dat hij zich vergist heeft.

"Het is zooals ik u zeg," verzekerde de neger. "De reus is een beroemd jager en wil ver het gebergte in."

"Waarnaar toe?"

"Dat heeft hij niet gezegd. Ik heb alles goed gehoord: er is mij van het gansche gesprek geen woord ontsnapt. De drie mannen zaten apart met den vader van het meisje, dat de panter zoo graag had willen opvreten."

"Wil hij alleen het gebergte in?"

"Neen. Die vader heet Butler en is een ingenieur; die wil met hem meegaan."

"Een ingenieur? Wat kunnen die twee in het gebergte uit te voeren hebben?"

"Misschien is er een mijn ontdekt, die Butler eens wil gaan opnemen."

"Neen daartoe is Old Firehand zelf best in staat, vrij wat beter dan de knapste ingenieur."

"Zij willen eerst een bezoek brengen aan Butler's broeder, die een prachtige boerderij in Kansas bezit. Die broeder moet schatrijk zijn. Hij heeft vee en graan naar Nieuw-Orleans geleverd, en de ingenieur heeft het geld daarvoor geïncasseerd, en gaat hem dat brengen."

De oogen van de kornel vlamden op; maar noch hij noch een der tramps liet een zweem van verrassing blijken bij deze voor hen zoo gewichtige ontdekking.

"Ja, in Kansas zijn schatrijke landbouwers," merkte de kornel aan, op een onverschilligen toon. "Maar die ingenieur is een zeer onvoorzichtig mensch. Is het veel dat hij ontvangen heeft?"

"Negen duizend dollars aan bankpapier fluisterde hij zacht; maar toch heb ik het verstaan."

"Zulk een som draagt men toch maar niet zoo in zijn zak, dunkt mij. Waartoe zijn anders de bankierskantoren in de wereld? Als hij in handen van de tramps valt, is al zijn geld verloren."

"Neen, neen, want ze zouden het niet vinden."

"Jongen het zijn zulke gewikste kerels."

"Dat zal ik niet tegenspreken; maar waar de ingenieur zijn geld weggemoffeld heeft, zullen zij het stellig niet zoeken."

"Weet gij dan waar?"

"Ja. Hij heeft het aan de anderen laten zien. Dat ging echter zeer geheimzinnig en bedekt, opdat ik het niet zien zou. Zoodra ik dat merkte, keerde ik mij om, en ging met mijn rug naar hen toe staan. Toen dachten ze, dat ik niet meer zien kon wat er gebeurde; maar ze hadden geen erg in den spiegel, waarin ik alles zoo duidelijk zag alsof ik er bij zat."

"Hum, op een spiegel is niet veel af te gaan. Als men er voor staat--dat is algemeen bekend--ziet men zijn rechterzijde links en zijn linkerzijde rechts."

"Daar heb ik nog nooit opgelet, en het kan mij ook niet schelen; maar wat ik gezien heb, dat heb ik gezien. De ingenieur heeft namelijk een oud bowie-mes, met een heft, dat hol is; en daarin heeft hij de banknoten geborgen. Gesteld nu dat de tramps, als hij in hun handen viel, hem alles afnamen, dan zouden ze in zulk een oud ellendig mes geen erg hebben; dat zouden ze hem wel laten houden, eerstens omdat ze het de moeite niet waard zouden vinden hem dat af te nemen, en ten andere omdat de ergste roover, dunkt mij, zijn slachtoffer toch niet zijn mes zou ontnemen, wetende, dat ieder, die geheel ongewapend is, in het Westen een verloren man zou zijn."

"Dat is wezenlijk zoo dom niet geredeneerd. Maar waar heeft hij dan dat mes, want een jagers-kostuum of een gordelriem draagt hij niet?"

"Hij heeft een gordelriem onder zijn kamizool; daaraan hangt de leeren zak, waarin het mes zit, onder het linker-voorpand van zijn jas."

"O zoo! Nu, dat kan ons ook eigenlijk niet schelen. Wij zijn geen tramps, maar eerlijke daggelders, die tijdens den oogst ons brood hopen te verdienen. Het spijt me echter dat ik mij in dien reus vergist heb. Hij gelijkt sprekend op dien landbouwer, dien ik bedoel, en draagt ook denzelfden naam."

"Dat zal misschien een broeder van hem zijn. Overigens is de ingenieur de eenige niet, die zooveel geld bij zich heeft. De Zwartbaard sprak van een aanzienlijke som gelds, die hij ontvangen heeft, en die hij verdeelen moet onder zijn kameraden, die rafters zijn."

"Waar zijn die dan?"

"Die zijn bezig boomen te rooien aan de Blackbear-rivier--maar waar dat is, weet ik niet."

"Ik wel. Die rivier ontlast zich beneden Tuloi in den Arkansas. Hoeveel rafters zijn daar bijeen?"

"Zoo wat twintig, allen flinke kerels, zeide hij. En dat koddige ventje in die leeren nachtjurk, heeft een vracht nuggets bij zich. Die gaat óók naar het Westen. Ik zou wel eens willen weten met welk inzicht hij al dat goud meesleept. Dat is maar ballast, dunkt mij, als men in de wildernis gaat reizen."

"Dat ben ik niet met u eens. Ook in het Westen heeft de mensch behoeften. Daar zijn forten, zomer-magazijnen en rondtrekkende kramen, waar men geld genoeg en nuggets genoeg kwijtraken kan. Overigens zijn die menschen mij nu volkomen onverschillig. Het eenige, dat ik niet begrijp, is: dat die ingenieur het rotsgebergte in wil, en toch zulk een jong meisje bij zich heeft."

"Het is zijn eenig kind. Dat dochtertje houdt zielsveel van hem, en heeft niet van hem willen scheiden. Daar hij nu van plan is, om een buitengewoon langen tijd in de bergen te blijven, zoodat hij er zelfs blokhuizen zal dienen te bouwen, heeft hij ten laatste maar besloten zijn vrouw en kind mee te nemen."

"Blok_huizen_? Heeft hij dat gezegd?"

"Ja."

"Voor hem en zijn vrouw en dochter zou één blokhuis voldoende zijn, dunkt mij. Het is dus waarschijnlijk, dat zij daar niet alléén zullen zijn, maar dat zij gezelschap zullen hebben. Ik zou wel eens willen weten wat eigenlijk hun doel daarmede is."

"Daar was de Zwartbaard óók nieuwsgierig naar; maar Old Firehand zei hem, dat hij dat later wel vernemen zou."

"Dus dat wordt geheimgehouden. Dan zal het er toch wel op uitdraaien, dat het doel van hun tocht een bonanza, een rijke erts-ader is, die zij eerst in het geheim willen onderzoeken, en die zij, als het onderzoek goed uitvalt, hopen uit te graven. Het spijt mij, dat gij de plaats niet weet, waar zij naar toe willen."

"Die hebben zij niet genoemd. Maar het schijnt dat zij den Zwartbaard en ook die Tante Droll willen meenemen. Die twee zijn dikke vrienden met hen geworden, zoo dik, dat ze hun slaapkajuiten, hun kooien, naast elkander hebben."

"Welke kajuiten zijn dat? Weet gij dat?"

"Ja, want daar spraken zij hardop over. In nommer één slaapt de ingenieur; nommer twee heeft Old Firehand; nommer drie Tom, nommer vier Tante Droll, en nommer vijf de kleine Fred."

"Wie is dat?"

"De jongen, die de Tante meegebracht heeft."

"Is dat een zoon van Droll?"

"Neen, voor zoover ik vermoeden kan."

"Hoe is zijn 'van', en wat is de reden dat hij met Droll meereist?"

"Daar is geen woord over gesproken."

"Die kajuiten één tot vijf liggen die rechts of links?"

"Aan stuurboordzijde, van hier af dus links. Het meisje van den ingenieur slaapt natuurlijk met haar moeder in een dames-kajuit. Doch over al die dingen behoef ik niet verder te spreken, die zijn voor u natuurlijk van geen belang."

"Neen, dat spreekt vanzelf. Daar ik mij in die menschen vergist heb, is het mij natuurlijk geheel onverschillig waar zij slapen. Ik benijd hun overigens hun enge, benauwde kooien niet, waar zij bijna moeten stikken, terwijl wij hierboven op het dek zooveel versche lucht hebben als wij maar verlangen kunnen."

"Nu! Versche lucht hebben de kajuitsheeren ook genoeg; want de raampjes zijn er uitgenomen en vervangen door gazen horretjes. Wie er het slechts aan toe zijn, zijn wij natuurlijk. Wij moeten, als wij 's nachts niet te werken hebben, eigenlijk daarbeneden slapen,"--hij wees op een luik in hun nabijheid, door hetwelk men moest afdalen onder het dek--"nu het is een zeer bijzondere gunst, als de officier ons veroorlooft hier op dek te komen liggen bij de passagiers. Door dat nauwe luik komt er volstrekt geen lucht naar beneden, en uit het onderste ruim stijgt een vunzige, duffe stank naar boven. Dáár is het nu, op warme dagen, letterlijk om te stikken."

"Dus, uw slaapplaats staat in gemeenschap met het ruim van de scheepskiel?" vroeg de kornel, alsof het iets was waarin hij bijzonder belangstelde.

"Ja, daar is óók weer een luik, met een trap naar beneden."

"Kunt gij dat luik dan niet dichtdoen?"

"Och neen! Het zou eigenlijk wel kunnen; maar dat is veel te moeielijk."

"Nu, dan vind ik u wel te beklagen; maar dat baat u niet veel. Gelukkig hebben we nog brandy in de flesch; dat is beter."

"Juist, sir! Ook van het praten wordt de keel droog. Ik zal nog even drinken, en zoek dan een plaatsje in de schaduw, om een dutje te doen. Als mijn zes uur om zijn, moet ik weer aan den ketel. Maar hoe staat het nu met mijn dollars?"

"Ik houd mijn woord, in weerwil dat ik u eigenlijk voor niemendal betaal. Maar dat is geheel en al de schuld van mijn vergissing, en dáárvoor wil ik u niet laten boeten. Hier zijn dus de drie dollars. Meer kunt gij niet verlangen, daar uw dienstvaardigheid ons volstrekt niet gebaat heeft."

"Ik verlang ook niet meer, sir! Voor deze drie dollars krijg ik zóóveel brandy dat ik er mij wel dood aan zou kunnen drinken. Gij zijt een nobel gentleman. En mocht gij weer eens iets willen weten, kom dan asjeblieft bij mij, en ga niet bij een ander. Op mij kunt gij rekenen."

Hij sloeg nog een vol glas naar binnen, en ging toen een eind verder in de schaduw van een groote baal liggen.

De tramps zagen hun aanvoerder nieuwsgierig aan. In hoofdzaak wisten zij waaraan zij zich te houden hadden; maar zij konden van eenige zijner vragen en nasporingen de eigenlijke strekking niet vatten.

"Gij kijkt mij nu aan om opheldering," zei hij, terwijl er over zijn tronie een welgevallig lachje van sluwheid gleed. "Negenduizend dollars aan banknoten, dus contant geld, en geen checks (= kassiersbriefjes) of wissels, waarbij men, als men die ter betaling aanbiedt, gevaar kan loopen gepakt te worden. Dat is een aardig sommetje, dat ons zeer welkom zal zijn."

"Als wij het hebben," zei degeen, die gewoon was voor de anderen het woord te doen.

"Wij hebben het!"

"Vooreerst nog in lang niet!"

"Tut, tut! Als ik zeg, dat wij het hebben, dan is het zoo!"

"Welnu, hoe krijgen wij het dan? Hoe zullen wij het mes machtig worden?"

"Ik zal het gaan halen."

"Uit de slaapkajuit?"

"Ja."

"Gij zelf?"

"Natuurlijk. Een werkje waar zooveel van afhangt, laat ik niet aan een ander over."

"En als gij gesnapt wordt?"

"Dat is onmogelijk. Mijn plan is goed doordacht, en het zal gelukken."

"Als het waar is, zal het mij pleizier doen. Maar als de ingenieur wakker wordt, zal hij dadelijk zijn mes missen. En dan gaan de poppen aan het dansen."

"Ja, dat is waar: dan gaan de poppen aan het dansen, maar dan hebben wij de plaat gepoetst."

"Hoe dat?"

"Welk een onnoozele vraag! Aan wal natuurlijk."

"Moeten wij dan naar den wal zwemmen?"

"Neen. Dat zou te veel van u gevergd zijn, en van mij zelf ook. Ik ben een goed zwemmer, al zeg ik het zelf; maar in den nacht zou ik het toch niet wagen op deze breede rivier, waarvan men den oever bijna niet zien kan."

"O! Dan moeten wij ons zeker meester zien te maken van een der twee booten? Is dat de bedoeling?"

"Ook niet. Het zou wel geen heksenwerk zijn dat te doen, zonder dat het gezien werd; maar ik wil liever rekening houden met omstandigheden, die mij bekend zijn, veel liever dan met omstandigheden, die onverwacht kunnen plaats grijpen, en die de uitvoering van mijn plan onmogelijk zouden maken."

"Dan begrijp ik niet hoe wij aan wal zullen komen, eer de diefstal ontdekt is."

"Dat is juist een bewijs, dat gij een ezelskop zijt. Waarom heb ik dan zoo nauwkeurig gevraagd naar alle bijzonderheden van het scheepskiel-ruim?"

"Dat kan ik niet weten."

"Weten, neen! maar gij moest het kunnen raden. Kijk eens goed uit uw oogen! Wat staat daar naast het opgeschoten ankertouw?"

"Dat schijnt een gereedschapskist te zijn."

"Juist, dat is het. In die kist, heb ik hamers, vijlen, tangen en verscheidene boren gezien, onder andere een, waarvan het boorijzer een middellijn heeft van anderhalven duim. Breng nu die twee--de boor en het scheepskiel-ruim--eens met elkaar in verband?'

"Thunder-storm! Gij zult toch het schip niet lek willen boren?" riep de andere verbaasd.

"Ja dat is juist wat ik van plan ben."

"En maken, dat wij allen verzuipen!"

"Pshaw! Maak u toch niet belachelijk. Van verdrinken hebben wij hoegenaamd geen nood. Ik wil den kapitein eenvoudig noodzaken aan wal aan te leggen."

"O, zeg mij zoo! Maar zal dat gelukken?"

"Zeer zeker. Als het schip water inkrijgt, moet er een lek zijn; en als er een lek is, legt men aan wal aan, om het gevaar te ontwijken, en op zijn gemak te onderzoeken wat er aan hapert."

"Maar als men het te laat pas ontdekt?"

"Wees toch niet zoo kinderachtig bang. Als het schip zinkt, hetgeen zeer langzaam gaat, stijgt aan de buitenzijde de waterlijn. Dat moet door den officier of door den stuurman opgemerkt worden, als die niet blind zijn. Dat zal zooveel ontsteltenis en opschudding teweegbrengen, dat de ingenieur in de eerste oogenblikken den tijd niet zal hebben om zijn mes te denken. En als hij dan zijn verlies ontdekt, zijn wij al lang geblazen."

"Maar gesteld eens, dat hij dadelijk om zijn mes denkt, en dat de kapitein wel laat aanleggen, maar geen mensch van boord laat gaan? Men dient op alles bedacht te zijn."

"Dan zullen zij óók niets vinden. Wij binden het mes aan een lange lijn, laten het daaraan in het water neer, en binden het andere einde van de lijn buiten aan het schip vast. Wie het dáár vindt, zou alwetend zijn.'

"Dat idee is wezenlijk niet kwaad. Maar als wij eenmaal van het schip af zijn, wat dan? Wij wilden toch eigenlijk zoo ver mogelijk meevaren."

"Voor negen duizend dollars zal men zich gaarne een poos loopen kunnen getroosten. Als wij den buit deelen, ontvangt ieder ruim vierhonderd dollars. Overigens zullen wij niet te veel van onze beenen behoeven te vergen. Ik denk, dat wij spoedig een boerderij of een Indianen-kamp aantreffen, waar wij paarden zullen kunnen koopen, zonder die te betalen."

"Dat ben ik met u eens. Maar waar rijden wij dan naar toe?"

"Allereerst naar de Blackbear-rivier!"

"Bedoelt gij naar de rafters, van wie de neger gesproken heeft?"

"Ja; het is zeer gemakkelijk, op te sporen waar zij zich ophouden. Natuurlijk laten wij ons daar niet zien, maar loeren op den Zwartbaard, wiens geld wij óók zullen zien in te pakken. Is dat gelukt, dan hebben wij genoeg, om ons voor onzen verren rit te kunnen uitrusten."

"Van de spoorwegkas zullen wij dus moeten afzien?"

"Volstrekt niet. Daar moeten vele, vele duizenden op den kop te tikken zijn, en dat geld zullen wij natuurlijk gaan halen. Maar het zou dwaas wezen, als wij iets lieten glippen, dat wij reeds voor dien tijd machtig kunnen worden. En nu weet gij, waaraan gij u te houden hebt. Van avond is er werk aan den winkel, en aan slapen valt niet te denken. Gaat daarom nu op één oor liggen, dan zijt ge van avond weer frisch en in staat om goed te marcheeren!"

Aan dat commando werd gevolg gegeven. Ten gevolge van de hitte heerschte er op het geheele schip een zeer buitengewone stilte en rust. Het landschap rechts en links van de rivier bood niets aan, dat de belangstelling der passagiers tot zich kon trekken, zoodat men den tijd doorbracht met slapen, of althans in een staat van dommeling, die het midden houdt tusschen slapen en waken, en die noch aan het lichaam noch aan den geest een wezenlijke verkwikking verschaft.

Eerst tegen den avond, toen de zon den gezicht-einder begon te naderen, kwam er weer beweging op het dek. De felle hitte had opgehouden, en er was een niet al te frisch windje beginnen te waaien. De ladies en gentlemen kwamen uit hun slaapkajuiten te voorschijn, om die verkwikkende koelte te genieten. Ook de ingenieur bevond zich onder hen. Hij had zijn vrouw en dochter bij zich, welke laatste van haar schrik en van het onvrijwillige koudwaterbad thans geheel was bekomen. Deze drie personen zochten de Indianen op, daar de beide dames hen nog niet bedankt hadden.

De Oude en Jonge Beer hadden den ganschen namiddag met echt Indiaansche rust en onbewegelijkheid op denzelfde kist doorgebracht, waar zij reeds zaten toen Tante Droll hun goedendag was komen zeggen. Zij zaten ook nu nog daar, toen de ingenieur met vrouw en dochter naar hen toe kwam.

"He--el bakh sjaj--bakh mateloe makiek (= nu zullen ze ons geld geven)," zei de vader in de Tonkawa-taal tegen zijn zoon, toen hij hen aan zag komen.

Zijn gezicht betrok; want de door hem genoemde manier van dankbaarheid is voor een Indiaan een beleediging. De zoon strekte zijn rechterhand, met den rug er van naar boven gekeerd, voor zich uit, en liet die toen snel naar beneden gaan, hetgeen zooveel beteekende, dat hij met zijn vader van gevoelen verschilde. Zijn oog rustte met welgevallen op het meisje dat hij gered had. Zij kwam met vlugge schreden naar hem toe, nam zijn hand tusschen haar twee handjes, drukte die hartelijk, en zei: "Gij zijt een goede en moedige jongen. Het is jammer dat wij niet dicht bij elkaar wonen: ik zou u liefhebben."

Hij keek haar ernstig in haar blozend gezichtje, en antwoordde: "Mijn leven zou u toebehooren. De Groote Geest deze woorden hooren; hij weten, dat ze waar zijn."

"Maar ik wil u ten minste een aandenken geven, opdat gij u mij herinnert. Mag ik dat doen?"

Hij knikte slechts. Zij trok een dunnen gouden ring van haar vinger af, en stak dien aan zijn linkerpink, waaraan die juist paste. Hij keek naar den ring; toen zag hij haar aan, greep onder zijn tsoeni-kleed, maakte iets los, dat om zijn hals hing, en gaf het haar. Het was een klein, dik vierkant stuk leder, als zeemleer gelooid en gladgeperst, met ettelijke teekens er op.

"Ik u ook geven aandenken," zeide hij. "Het is totem van Nientropan-homosj, slechts leer, geen goud. Maar als gij in gevaar komen bij Indianen, en dit maar laat zien, dan gevaar terstond ten eind. Alle Indianen kennen Nientropan-homosj, en houden veel van hem, en gehoorzamen zijn totem."

Zij begreep niet wat een totem was, en welk een groote waarde dat in sommige omstandigheden hebben kan. Zij wist slechts, dat hij haar voor den ring een stuk leder als tegengeschenk gaf: maar zij liet niets blijken, dat naar teleurstelling geleek. Zij was te fijngevoelig en te goedhartig, dan dat zij het van zich zou hebben kunnen verkrijgen, hem door afwijzing van zijn schijnbaar armzalig geschenk te grieven. Zij bond dus het totem om haar hals, waarbij de oogen van den jongen Indiaan fonkelden van vergenoegdheid, en antwoordde: "Ik dank u! Nu bezit ik iets van u, en gij hebt iets van mij. Dat verheugt ons beiden, ofschoon wij toch ook zonder die geschenken elkaar niet vergeten zouden." Nu bedankte hem ook de moeder van het meisje en wel eenvoudig met een handdruk. Daarop zei de vader: "Hoe moet ik nu de daad van den Jongen Beer beloonen? Ik ben niet arm; maar alles, wat ik bezit, zou nog veel te weinig zijn, voor hetgeen hij voor mij gered heeft. Ik moet dus zijn schuldenaar blijven, maar ook zijn vriend bovendien. Slechts een aandenken kan ik hem geven, waarmede hij zich tegen zijn vijanden verdedigen kan, zooals hij mijn dochter tegen den panter heeft verdedigd. Zal hij deze wapenen aannemen? Ik verzoek hem dat."

Dit zeggende haalde hij twee nieuwe, mooi bewerkte revolvers, waarvan de kolven met parelmoer ingelegd waren, uit zijn zak, en bood hem die aan. De jonge Indiaan behoefde zich geen oogenblik te bedenken wat hij doen zou. Hij trad een schrede achteruit, richtte zich op zoo recht als een kaars, en zeide: "De blanke man biedt mij wapenen aan. Dat groote, zeer groote eer voor mij, want alleen mannen ontvangen wapenen. Ik die aannemen, en die slechts gebruiken, wanneer verdedigen goede menschen en schieten op slechte menschen. Howgh!"

Hij nam de revolvers, en stak die onder zijn kleed in zijn gordel. Nu kon zijn vader zich niet langer inhouden. Men kon het aan zijn gezicht zien, dat hij moeite had om zijn aandoening meester te blijven. Hij zei tegen Butler:

"Ook ik blanken man danken, dat niet geven geld als aan slaven of menschen, die geen eer hebben. Zoo zijn het grooter loon, dat wij nooit vergeten. Wij zijn altijd vrienden van den blanken man, diens squaw en diens dochter. Hij goed bewaren totem van Jongen Beer; het zijn ook het mijne. De Groote Geest hem steeds zenden zon en vreugde!"

Het dankbezoek was ten einde, en zij drukten elkander nogmaals de hand. De beide Indianen gingen weer op hun kist zitten.

"Toea enokh (= goede menschen)!" zeide de vader.

"Toea-toea enokh (= zeer goede menschen)!" bevestigde de zoon. Dat waren de eenige ontboezemingen, welke hun Indiaansche woordkarigheid hun nu nog veroorloofde. De vader voelde er zich bijzonder door vereerd, dat men niet ook hem, maar alleen zijn zoon, op wien hij zoo trotsch was, een geschenk had gegeven.

Dat de dankbetuiging van den ingenieur, volgens Indiaansche begrippen, zoo kiesch was uitgevallen, was niet toe te schrijven aan hem zelf. Hij was met de zienswijzen en gebruiken der Roodhuiden te weinig bekend, dan dat hij geweten zou hebben hoe hij zich in het gegeven geval gedragen moest. Daarom had hij Old Firehand om raad gevraagd; en die had hem de noodige voorlichting verstrekt. Nu keerde hij terug naar zijn raadsman, die met Tom en Droll voor de kajuit zat, en deelde hem mee hoe de geschenken ontvangen waren. Toen hij van het totem gewag maakte, kon men aan zijn toon hooren, dat hij aangaande de beteekenis van dat voorwerp geen juist begrip had. Daarom vroeg Old Firehand hem: "Gij weet zeker wel wat een totem is, sir?"

"O ja. Het is het handmerk van een Indiaan, ongeveer zooals bij ons iemands zegel of cachet, en kan in de meest uiteenloopende verscheidenheid van voorwerpen en uit alle mogelijke grondstoffen bestaan."

"Die verklaring is wel juist, maar niet volledig. Niet ieder Indiaan mag een totem voeren, maar slechts beroemde hoofdlieden hebben daartoe het recht. Dat die jongen er reeds een heeft, ongerekend dat het tevens dat van zijn vader is, is een bewijs, dat hij reeds daden volbracht heeft, die zelfs door de Roodhuiden voor buitengewone daden worden gehouden. Dienovereenkomstig zijn de totems naar gelang van hun doel zeer verschillend. Een zeker soort nu dient louter ter legitimatie en bekrachtiging, en is dus ongeveer hetzelfde als bij ons het zegel of de handteekening. Maar de soort, die voor ons blanken de gewichtigste is, geldt als een aanbeveling voor hem, die het ontvangen heeft. Die aanbeveling nu kan zeer verschillend wezen, naar gelang van de wijze waarop, dat wil zeggen de warmte waarmee, die is uitgedrukt. Laat mij het leer maar eens even zien."

Het meisje gaf het hem, en hij bekeek het met de grootste aandacht.

"Kunt gij dan die teekens ontraadselen, sir?" vroeg Butler.

"O ja," knikte Old Firehand. "Ik ben zoo dikwijls en zoo lang bij de meest verschillende stammen geweest, dat ik niet slechts hun dialecten spreek, maar ook hun schrijfteekens versta. Dit totem is er een van de hoogste waarde, zooals er maar zelden een geschonken wordt. Het is in de Tonkawa-taal geschreven, en luidt aldus: Sjakhe-i-kauvan-eelatan, hensjoon-sjakien hen-sjoon-sjakien sjakhe-i-kauvan-eelatan, he-el, ni-ya. Die woorden, goed overgezet, beteekenen: Zijn schaduw, en zijn bloed is mijn bloed; hij is mijn oudere broeder. Die woorden 'oudere broeder' zijn nog vereerender dan 'broeder'. Het totem bevat een aanbeveling, die niet warmer uitgedrukt kan worden. Wie den drager er van eenigerlei leed aandoet, heeft de felste wraak te verwachten van den Ouden Beer en van den Jongen Beer en van al hun vrienden. Wikkel het totem zorgvuldig in, sir! opdat de roode kleur der teekens niet verwelke. Men weet niet welke groote diensten het u bewijzen kan, daar wij de landstreek gaan bezoeken, die bewoond is door bondgenooten van den Tonkawa. Van dit kleine stukje leer kan het leven van verscheidene menschen afhangen."

De stoomboot was gedurende den namiddag Ozark, Fort Smith en Van Buren voorbij gevaren, en bereikte nu den hoek, waar het stroombed van den Arkansas merkbaar noordwaarts gaat. De kapitein had aangekondigd dat men omstreeks twee uur na middernacht Fort Gibson bereiken zou, waar hij tot morgen moest blijven liggen, ten einde de noodige inlichtingen in te winnen aangaande den verderen waterstand. Om bij de aankomst aldaar frisch en opgewekt te zijn, begaven de meeste passagiers zich weer vroeg naar de kooi daar men niet anders kon, dan dat men te Fort Gibson tot aan den morgenstond wel wakker zou blijven. Van het dek verdwenen al de kajuit-passagiers, en ook in het salon bleven er slechts weinigen zitten, sommigen aan het schaakbord, anderen met het een of ander spel den tijd kortende. In het daaraan grenzende rooksalon zaten slechts drie personen, namelijk Old Firehand, Tom en Droll, die daar, door niemand gestoord, elkander een en ander vertelden van wat zij zoo al beleefd hadden. Eerstgenoemde werd door de twee anderen met een aan eerbied grenzende hoogachting behandeld, hetgeen echter niet belette, dat hij aangaande de betrekkingen en plannen van Tante Droll nog niets bepaalds te weten had kunnen komen. Nu deed hij de vraag, hoe Droll aan den zonderlingen naam "Tante" gekomen was. De gevraagde antwoordde: "Zooals gij weet, hebben de Westmannen de gewoonte, om aan iedereen een bijnaam te geven, die gegrond is op de een of andere bijzonder de aandacht trekkende eigenaardigheid van den persoon. Ik zie er in mijn nachtjapon wel eenigszins uit als een vrouw, en daarbij komt nog mijn fijn stemmetje. Voorheen had ik een diepe basstem; maar ik heb eens een ijselijk zware verkoudheid opgeloopen, en daardoor heb ik mijn zwaar stemgeluid verloren. Daar ik bovendien de gewoonte heb mij het lot van elken ongelukkigen braven kerel aan te trekken met een soort van moederachtige of tanteliefachtige bezorgdheid, hebben ze mij den naam gegeven van Tante Droll."

"Maar Droll is toch stellig niet uw familienaam?"

"O neen. Maar ik ben nog al vroolijk uitgevallen; misschien ben ik nu en dan wel eens koddig, grappig, kluchtig, vermakelijk, lollig zelfs, en dat noemen ze in het Engelsch droll (spreekt uit 'drool'), zooals ge weet. Vandaar die naam."

"En uw ware naam--is die misschien een geheim? Ik heet Winter, en Tom heet Grosser; gij hebt reeds gehoord dat wij eigenlijk Duitschers zijn. Maar gij schijnt uw afkomst in een ondoordringbaar duister gehuld te willen houden?"

"Ik heb inderdaad redenen om nooit daarvan te spreken; niet dat ik mij over iets hoegenaamd behoef te schamen: maar het zijn redenen, die meer..... hoogere belangen raken."

"Hoogere belangen? Hoe bedoelt gij dat?"

"Daarover misschien later. Ik begrijp wel, dat gij graag zoudt willen weten, wat ik nu in het Westen uit te voeren heb, en waarom ik op dien tocht een zestienjarigen jongen meesleep. Er zal wel eens een tijd komen, dat ik u dat vertel. Wat nu mijn familienaam aangaat, een dichter zou er van schrikken: want hij klinkt ijselijk onpoëtisch."

"Dat hindert niet. Geen mensch kan helpen, dat hij zus of zoo heet. Dus, kom er gerust mee voor den dag."

Droll deed zijn eene oog dicht, slikte en slokte alsof hem iets in de keel bleef steken, en uitte toen met moeite deze drie woorden: "Ik heet.... Pampel."

"Wat, Pampel?" lachte Old Firehand. "Poëtisch klinkt het woord natuurlijk niet; maar dat ik lach is niet zoozeer om dien naam, als wel om het gezicht dat gij daarbij trekt. Het was alsof er een stoommachine noodig was, om het woord uit uw keel te krijgen. Overigens is die naam volstrekt niet zeldzaam. Ik heb een geheimraad Pampel gekend, die zijn naam met zeer veel eer droeg. Doch de naam is Duitsch; zijt gij bijgeval óók van Duitsche afkomst?"

"Ja."

"En in de Vereenigde Staten geboren?"

Nu zette Droll zijn oolijkste en grappigste gezicht, en antwoordde: "Neen, dat is destijds niet in mij opgekomen; ik heb een Duitsch echtpaar als vader en moeder voor mij uitgezocht!"

"Wat? Dus een geboren Duitscher, een landsman?" riep Old Firehand. "Wie zou dàt gedacht hebben!"

"Hebt gij dat niet kunnen denken? En ik heb mij verbeeld dat iedereen dadelijk aan mij zien kon, dat ik als klein-achter-kleinzoon van de oude Germanen geboren ben. Kunt gij misschien raden waar ik mijn eerste kinderlaarzen aangetrokken en versleten heb?"

"Natuurlijk! Uw dialect zegt het mij."

"Doet het dat werkelijk nog? Dat doet mij bijzonder genoegen; want juist op ons mooie dialect ben ik altijd trotsch geweest, hetgeen later mijn gansche carrière bedorven heeft, als het noodig is. Dus, zeg mij dan eens waar ik geboren ben?"

"In het schoone hertogdom Altenburg, waar de beste Quark-kaas (=wrongelkaas, kaas van taptemelk) gemaakt wordt."

"Juist, in het Altenburgsche; gij hebt het ineens geraden. En wat gij van de kaas gezegd hebt, is óók waar; die kaasjes worden Quarkers genoemd en ze hebben huns gelijken in heel Duitschland niet. Weet gij, ik heb u eens willen verrassen, en daarom heb ik niet dadelijk gezegd, dat ik óók een landsman van u ben. Maar nu, nu wij zoo prettig in ons onder-onsje bij elkander zitten, heb ik het niet langer binnen kunnen houden, en nu willen wij over ons schoone vaderland spreken, dat ik maar niet uit mijn hoofd kan zetten, in weerwil dat ik reeds zoo lang hier in het land ben."

Het had er allen schijn van, dat zich nu een zeer geanimeerd gesprek zou ontspinnen; doch ongelukkigerwijze was dat het geval niet, want eenigen der in het salon geweest zijnde heeren waren het spelen moe geworden, en kwamen nu binnen, om hun hart nog eens op te halen aan een fermen smoke(= rookgenot). Zij wikkelden de aanwezigen in hun gesprek, en hadden het al spoedig zoo druk met hen, dat ons drietal geen kans meer zag om hun onderwerp vast te houden. Toen het eindelijk tijd werd om naar kooi te gaan, nam Droll afscheid van Old Firehand met de woorden: "Het speet mij geweldig, dat wij niet verder konden babbelen; maar morgen komt er weer een dag, dan zullen wij ons gesprek kunnen voortzetten. Goedennacht, heer landsman! wel te rusten, en tracht maar een beetje gauw in slaap te komen, want kort na middernacht moeten wij weer op!"

Nu waren al de slaapkajuiten bezet, en in het salon werden de lichten uitgedaan. Op het dek brandden slechts de twee voorgeschreven lantaarns, de een voor aan de punt van den boeg, en de andere achter. De eerstgenoemde verlichtte de rivier zoo helder en zoo ver vooruit, dat een op den uitkijk staande matroos eenige hier en daar in het water liggende hindernissen intijds zien kon en er voor waarschuwen. Die man en de stuurman en de op het dek op en neer wandelende officier waren de eenige menschen, die wakker schenen te zijn (de mannen, die dienst hadden in de machinekamer, natuurlijk niet meegerekend).

Ook de tramps lagen daar, alsof zij sliepen, op een tamelijken afstand van de matrozen, die wegens de beneden heerschende hitte, insgelijks boven lagen. Met sluw overleg had de kornel zijn volgelingen rondom het luik geplaatst, dat toegang naar beneden gaf, zoodat niemand daar kon afdalen zonder gezien te worden. Dat niet een hunner sliep spreekt vanzelf.

"Een verduivelde geschiedenis!" fluisterde hij tegen dengene, die naast hem lag. "Ik ben er niet verdacht op geweest, dat hier vóór een man staat om des nachts op het vaarwater te letten. Die kerel staat ons in den weg."

"Niet zoo erg als gij denkt. In deze duisternis kan hij niet hier tot aan het luik zien. Het is pikdonker; er staat geen enkele ster aan den hemel. Bovendien moet hij scherp in den lichtkring der lantaarn zien, zoodat hij verblind is als hij zich omdraait. Wanneer beginnen wij?".

"Dadelijk. Wij hebben geen tijd te verliezen, want eer wij aan Fort Gibson komen moeten we klaar zijn."

"Eerst haalt gij het geld natuurlijk."

"Neen, dat zou een domme streek zijn. Als de ingenieur wakker wordt en ontdekt dat hij bestolen is, voordat de boot aanleggen moet, kan alles mislukken. Als wij daarentegen aanleggen moeten eer ik het geld heb, is er toch nog niets verloren, want in het drukke gewoel van het aan den wal komen kunnen wij hem gemakkelijk het mes ontrollen en er mede verdwijnen. De boor heb ik al bij mij; ik ga nu naar beneden. Mocht gij mij moeten waarschuwen, dan hoest gij maar hard. Dat zal ik wel hooren."

Begunstigd door de dikke duisternis kroop hij naar het luik, en zette zijn voeten op het smalle trapje, dat naar beneden leidde. De tien treden van dat trapje waren spoedig afgeklauterd. Nu betastte hij den vloer links en rechts, totdat hij het luik vond om nog verder naar beneden te komen, en klom toen ook die tweede trap af, die verscheiden treden meer had dan de eerste. Geheel beneden gekomen, stak hij een lucifertje aan, en keek eens goed rond. Om zich behoorlijk te oriënteeren moest hij verder gaan en nog verscheidene lucifers verbranden.

De ruimte, waarin hij zich bevond, was meer dan manshoogte, en liep tot bijna in het midden van het schip. Door geen tusschenschot gescheiden, was de gansche breedte van de scheepskiel te overzien van de eene zijde naar de andere. Eenige kleine colli's vrachtgoed lagen ordeloos hier en daar.

Nu trad de kornel naar bakboordszij, en zette de boor, natuurlijk onder de waterlijn, in den scheepswand. Onder den forschen druk van zijn hand, pakte het werktuig dadelijk, en drong met snelheid dieper in het hout. Toen ontmoette het een sterken tegenstand--het blik, waarmede het onder water zijnde gedeelte van het schip bekleed was. Dit moest met de boor doorgeslagen worden. Maar om het water sneller in te krijgen, dienden er op zijn minst twee gaten geboord te worden. De kornel boorde dus allereerst zoo ver mogelijk achter het eerste gat een tweede, ook weder tot hij op het blik stiet. Toen nam hij een der harde stukken steen, die daar als ballast lagen, en sloeg daarmede zoolang op het handvatsel van de boor, totdat die door het blik heendrong. Terstond kwam het water binnen en maakte zijn hand nat: maar toen hij de boor met eenige krachtinspanning terugtrok, ontving hij een fermen waterstraal, zoodat hij schielijk ter zijde moest wijken. Bij het geraas, dat de machine maakte, was dat kloppen onmogelijk te hooren geweest op het dek. Nu sloeg hij ook het blik door van het eerste gat dat dichter bij de trap was, en spoedde zich toen naar boven. Hij had de boor in zijn hand gehouden, en wierp die pas weg, toen hij voor de bovenste trap stond. Waarom zou hij die eerst nog medenemen naar boven!

Toen hij bij de zijnen terugkwam, vroegen zij hem zacht fluisterend of het gelukt was. Hij antwoordde bevestigend, en verklaarde, dat hij nu dadelijk naar de slaapkajuit nommer één ging.

Het salon en de daaraangrenzende rookkamer lagen op het achterdek aan weerszijden de slaapkajuiten, die elk een tot het salon toegang gevend eigen deur hadden. De buitenwanden, uit dunne beschotplanken bestaande, waren van tamelijk groote ramen voorzien, waarvan de openingen nu slechts met gaas gesloten waren. Tusschen elke slaapkajuitszijde en het daartegenover liggende scheepsboord liep een smalle gang, ten einde het heen en weerloopen gemakkelijker te maken.

Naar de gang aan de linkerhand, dus naar de stuurboordszijde, had de kornel zich te wenden. De slaapkajuit nommer één was de eerste; die lag dus op den hoek. Hij ging op den grond liggen en kroop voorwaarts vlak langs den scheepsrand, om door den op en neer loopenden officier niet opgemerkt te worden. Hij bereikte zonder tegenspoed het doel van zijn tocht. Door het gaas van het eerste raam kwam een flauw lichtschijnsel. Er brandde dus licht in de slaapkajuit. Zou Butler nog wakker zijn, bezig met lezen misschien?

Maar de kornel vergewiste zich, dat er ook in de andere slaapkajuiten licht brandde, en dit stelde hem eenigszins gerust. Misschien werd juist door dat licht de volvoering van zijn plan vergemakkelijkt, terwijl zulks in den donker nog al moeielijk geweest zou zijn. Hij trok zijn mes en sneed het gaas van boven tot onder door midden zonder het minste gedruisch; doch een gordijntje belette hem in de kajuit te zien. Hij schoof dat behoedzaam op zij, en had van blijdschap over hetgeen hij toen zag wel willen jubelen.

Aan den linkerwand hing boven het bed een brandend nachtlampje, van onderen bedekt, opdat het den slapende niet zou hinderen. Daaronder lag de ingenieur in een diepen slaap, met zijn gezicht naar den wand gekeerd. Op een stoel lagen zijn kleedingstukken. Tegen den rechterwand stond een klaptafeltje, en daarop lagen het horloge, de geldbeurs en ... het mes van den slapende, alles zeer gemakkelijk te grijpen, als de kornel slechts de hand er naar uitstak. En hij stak de hand er naar uit; het horloge en de beurs liet hij liggen, maar hij greep het mes. Hij nam het uit het foedraal, en probeerde het heft; dat liet zich opendraaien als een goed werkende schroef. Dit was hem voldoende.

"Verduiveld!" dacht de dief: "dat is veel gemakkelijker gegaan, dan ik had durven denken. Het kon noodig geweest zijn, dat ik naar binnen had moeten gaan, en dat ik hem had moeten wurgen."

Niemand had dit bedrijf gezien; het raampje lag naar stuurboordszij, uitziende op het water. De kornel wierp het foedraal over boord, stak het mes in zijn gordel, en ging weer op zijn buik liggen, om naar de zijnen terug te kruipen. Hij kwam gelukkig den wachthebbenden luitenant voorbij. Eenige ellen verder liet hij zijn oogen links gaan; daar verbeeldde hij zich twee flauw phosphoresceerende stippen te zien, die terstond weer verdwenen. Dat waren twee oogen; dit begreep hij. Met inspanning van al zijn krachten, doch zonder eenig gedruisch te maken, schoof hij sneller voorwaarts en rolde toen even snel zijwaarts, om uit de richting te komen, waarin hij zich tot nu toe bewogen had. En ja wel! Op de plaats, waar hij de twee oogen gezien had, deed zich een plotselinge beweging hooren, juist als van iemand die een sprong doet om een of ander voorwerp te ontwijken of te grijpen. De wachthebbende officier hoorde dat ook, en snelde er op aan.

"Wie is daar?" riep hij.

"Ik, Nientropan-hawi!" luidde het antwoord.

"O, de Indiaan! Ga toch slapen!"

"Hier een man geslopen! Heeft kwaad gedaan. Ik hem gezien; maar hij te gauw weg!"

"Waarheen?"

"Naar voren, waar kornel liggen; hij misschien zelf geweest."

"Pshaw! Wat zou die, of iemand anders, hier rond te sluipen hebben. Ga maar gauw slapen, en stoor de andere menschen niet!"

"Ik gaan slapen; maar ik dan ook geen schuld, als kwaad gedaan is."

De officier luisterde naar voren, waar zich echter niet het minste geritsel liet vernemen, zoodat hij er zich niet verder ongerust over maakte. Hij hield zich overtuigd, dat de Roodhuid zich vergist had.

Er verliep een geruime, zeer geruime tijd; toen werd hij door den man, die op den uitkijk stond, naar den boeg geroepen.

"Sir!" zeide deze, "ik weet niet wat er aan scheelt; maar het water komt hoe langer hoe hooger; het schip zinkt."

"Onzin!" lachte de officier.

"Kom dan even hier, en overtuig u."

De officier keek eens goed, zei niets, maar spoedde zich terstond naar de kajuit van den kapitein. In een paar minuten verscheen hij met dezen weer op het dek. Zij brachten een lantaarn mede, en keken bij dat schijnsel over boord. Er werd een tweede lantaarn gehaald. De luitenant ging door het achter- en de kapitein door het voorluik naar beneden, om het kielruim te onderzoeken. De tramps lagen nu niet meer rondom het luik. Reeds spoedig kwam de kapitein weder boven en ging met haastige schreden naar achteren, naar den stuurman.

"Hij wil geen alarm slaan," fluisterde de kornel tegen de zijnen. "Maar kijkt eens na, wat ik zeg: de stoomboot zal naar wal gestuurd worden om aan te leggen."

Zijn vermoeden bleek juist. De matrozen en de werklieden werden in alle stilte gewekt, en het vaartuig veranderde van koers. Dit een en ander, hoe stil ook ten uitvoer gebracht, veroorzaakte toch eenige beweging, eenig gedruisch: de dekpassagiers werden er wakker van, en zelfs eenige kajuitpassagiers kwamen uit hun slaapplaatsen naar boven, om te zien wat er gaande was.

"Het is niets messieurs! Er is volstrekt geen gevaar!" riep de kapitein hun toe. "Wij hebben een beetje water in het ruim, en moeten dat er uitpompen. Wij zullen aanleggen, en wie bang is kan zoolang aan wal gaan."

Hij wilde geruststellen, maar zijn woorden hadden juist een tegenovergestelde uitwerking. Men schreeuwde; men riep om redding-gordels; de slaapkajuiten waren al spoedig ontvolkt. Alles draafde door elkander. Daar viel het schijnsel van de voorste lantaarn op den hoogen oever. Het schip zwenkte, ten einde met den oever parallel te komen, en liet het anker vallen. De twee landingsbruggen bleken een voldoende lengte te hebben; ze werden aan wal gesjord, en de bangsten verdrongen elkander om aan land te komen. Geheel vooraan bevonden zich natuurlijk al de tramps, die spoedig in de duisternis van den nacht verdwenen.

Aan boord gebleven waren, behalve het scheepsvolk, slechts Old Firehand, Torn, Droll en de Oude Beer. Eerstgenoemde was naar beneden in het ruim gegaan, om het water te zien. Met het licht in de rechter- en de boor in de linkerhand kwam hij weder boven, en vroeg aan den kapitein, die zelf op het in werking brengen van de pompen het oog hield: "Waar is de plaats van deze boor, sir?"

"Daar in de gereedschapskist," antwoordde een matroos. "En van middag lag die er nog in."

"Maar nu lag die in het tusschendek. De punt is omgebogen, vermoedelijk op de scheepsplaten. Ik wil wedden, dat het schip lek geboord is."

Men kan zich voorstellen welk een indruk deze woorden teweegbrachten. Maar er volgde nòg iets. De ingenieur had in allerijl vrouw en dochter aan wal gebracht, en was toen teruggekeerd aan boord, om zijn overige kleederen aan te trekken. Nu kwam hij uit zijn slaapkajuit, en riep zoo, dat allen het hoorden: "Ik ben bestolen! Negen duizend dollars. Ze hebben het gazen raampje door midden gesneden, en het geld van mijn tafeltje afgenomen!"

En nu riep de Oude Beer, veel harder nog: "Ik weten, kornel heeft gestolen en schip lek geboord. Ik hem zien; maar officier niet gelooven. Vragen zwarten vuurman. Die drinken met kornel; die gaan in salon, en ramen schoonmaken; die weerom komen bij kornel en weer drinken; en alles vertellen moeten."

Dadelijk schaarden zich de kapitein, de officier, de stuurman en de Duitschers om den Indiaan en den ingenieur heen, ten einde alles nauwkeuriger van hen te vernemen. Daar klonk opeens van den wal, een eind ver lager dan de plaats waar de stoomboot lag, een luide schreeuw.

"Dat zijn Jonge Beer," riep de Indiaan. "Ik hem achterna gestuurd kornel, die zoo gejaagd aan wal; hij zeggen zal waar kornel zijn."

En daar kwam de Jonge Beer in vliegenden draf de landingsbrug over, en op de rivier wijzende, die nu door de vele lichten, welke aan boord ontstoken waren helder beschenen werd, riep hij: "Daar wegroeien zij! Ik niet dadelijk vinden kornel, maar toen zien groote boot, die afgesneden achter van vuurschip en allen daarin, om overroeien naar overzijde."

Nu was nog wel niet alles, maar toch de hoofdzaak, duidelijk genoeg. Men zag de vluchtende boot op eenigen afstand. De tramps jubelden, en braakten allerlei spotternijen uit; de scheepsbemanning en een groot deel der passagiers antwoordden hen woedend. In de algemeene opgewondenheid lette men niet op de Indianen, die verdwenen waren. Eindelijk mocht de forsche stem van Old Firehand er in slagen, eenigszins het rumoer te doen bedaren, en nu hoorde men tevens een andere stem, die van beneden uit het water naar boven klonk: "De Oude Beer kleine boot geleend. Hij achterna den kornel, om te wreken. Kleine boot aan overzij laten en vastbinden, kapitein boot vinden zal. Hoofdman der Tonkawa niet laten ontkomen kornel. Groote Beer en Jonge Beer hebben moeten zijn bloed. Howgh!"--Beiden hadden de kleine voorboot genomen, en roeiden nu de vluchtenden achterna. De kapitein vloekte en schold geweldig, doch tevergeefs.

Terwijl nu de deckhands (= de manschap op het dek) een begin maakten met het leegpompen van het stoomschip, werd de zwarte stoker in verhoor genomen. Old Firehand bracht hem met scherpe vragen zoo in het nauw, dat hij alles bekende, en ieder woord mededeelde, dat er gesproken was. Daardoor werd alles duidelijk. De kornel was de dief, en had het schip lek geboord om, nog voordat de diefstal ontdekt werd, met zijn bende aan wal te kunnen ontkomen. De neger moest voor zijn verraad gestraft worden, dit sprak vanzelf. Hij werd vastgebonden, opdat hij niet ontvluchten zou, maar den volgenden morgen het aantal slagen ontvangen, dat de kapitein hem had toegedacht. Een gerechtelijke vervolging kon natuurlijk niet tegen hem ingesteld worden.

Al spoedig bleek het, dat de pompen het water volkomen machtig werden, en dat de stoomboot volstrekt geen gevaar liep, maar na een kortstondig oponthoud de reis zou kunnen vervolgen. De passagiers kwamen dus van den onherbergzamen oever aan boord terug, en maakten het zich gemakkelijk. Over het ondervonden oponthoud bekommerde men zich niet, integendeel, verscheidenen waren blijde, dat er weer eens iets bijzonders gebeurd was, waardoor het vervelend eentonige van de lange reis was onderbroken.

Onder de laatstbedoelden behoorde de ingenieur natuurlijk niet. Men had hem een vrij aanzienlijke som gelds afhandig gemaakt, die hij moest vergoeden. Old Firehand troostte hem door te zeggen: "Er bestaat nog hoop, om het geld terug te krijgen. Vaar in 's hemelsnaam met vrouw en dochter verder. Bij uw broeder hoop ik u weer te zien."

"Hoe zoo? Wilt gij mij gaan verlaten?"

"Ja, ik wil den kornel achternagaan, om hem het gestolene te ontnemen."

"Maar dat is immers gevaarlijk!"

"Pshaw! Old Firehand is er de man niet naar, om bang te zijn voor die tramps--want dat zijn ze stellig."

"En toch verzoek ik u, u niet daaraan te wagen. Ik wil veel liever die som voorgoed kwijt zijn."

"Neen, sir! Het betreft hier niet enkel uw negen duizend dollars, maar nog veel meer. De tramps hebben van den neger vernomen, dat ook Torn geld bij zich heeft, waarop zijn lieden aan de Blackbear-rivier wachten. Ik vergis mij bepaald niet als ik veronderstel, dat zij daarheen koers zetten, om een nieuwe misdaad te volvoeren, waarbij het verlies van menschenlevens zoogoed als zeker is. De twee Tonkawa vervolgen zijn spoor als een paar bloedhonden, en zoodra de dag aan den hemel komt volgen wij hen achterna, namelijk ik, Tom, Droll en zijn jongen Fred. Is het niet zoo, messieurs?"

"Ja," antwoordde Tom eenvoudig en ernstig.

"O ja," gaf ook Droll ten bescheid. "De kornel moet in onze handen vallen, ook reeds om andere redenen. Krijgen wij hem te pakken, dan mijnentwege lijfsgenade voor hem, als het noodig is!"

DERDE HOOFDSTUK.

NACHTELIJKE GEVECHTEN.

Op den hoogen oever van de Blackbear-rivier brandde een groot vuur. Wel stond de maan aan het uitspansel, doch haar licht was niet in staat, om door de dichtgebladerde toppen der boomen heen te dringen, waaronder, zonder dat vuur, volslagen duisternis geheerscht zou hebben. De vlammen van dat vuur verlichtten een soort van blokhuis, dat niet met horizontaal op elkander gestapelde boomstammen, maar op een andere wijze was opgetrokken. Van vier in de hoeken van een regelmatigen vierhoek staande boomen had men de toppen afgezaagd, en op de stammen dwarshouten gelegd, die het dak droegen. Dit laatste bestond uit zoogenaamde clapboards, planken die men ruw uit ongetakte cypressen- of ook wel roode-eikestammen klooft. In het voorfront waren drie openingen gelaten, een groote als deur, en ter weerszijde van deze twee kleinere als ramen. Voor dat huis brandde het zooeven genoemde vuur, en daar rondom zaten omstreeks twintig woest-uitziende mannen, wie men het kon aanzien, dat zij in langen tijd niet met de zoogenaamde beschaafde wereld in aanraking waren geweest. Hun kleederen waren geplukt en gescheurd, en hun gezichten door de zon en weer en wind niet slechts gebruind, maar letterlijk gelooid. Behalve de messen hadden zij geen ander wapentuig bij zich; misschien lag dat wel binnen in het blokhuis.

Over het vuur hing aan een dikken boomtak een groote, ijzeren ketel, waarin zware stukken vleesch kookten. Naast het vuur stonden twee uitgeholde, reusachtige pompoenschalen met gegist honigwater of mede. Wie trek daarin had schepte zich een dronk daaruit of een beker vol vleeschnat uit den kokenden ketel.

Daarbij werd een levendig gesprek gevoerd. Het gezelschap scheen zich volkomen veilig te wanen, want niet een hunner gaf zich de moeite om zacht te spreken. Hadden de lieden de nabijheid van een vijand mogelijk geacht dan zouden zij het vuur wel op Indiaansche wijze hebben aangehouden, dit wil zeggen, met een kleine vlam, die op eenigen afstand niet gezien kon worden. Tegen de buitenzijde van het blokhuis stonden bijlen van allerlei grootte, groote zagen en velerlei ander gereedschap, waaruit men kon opmaken, dat men een gezelschap rafters (houthakkers en houtvlotters) voor zich had.

Die rafters zijn een geheel eigenaardig soort van bewoners der achterbosschen.

Zij zijn te rangschikken zoowat tusschen de farmers (= landbouwers) en de trappers (= vallen-opzetters). Terwijl de farmer het dichtst nabij de beschaving staat en tot de lieden behoort, die een vaste woonplaats hebben, leidt de trapper nagenoeg het leven van een wilde, volkomen gelijk de Indianen. Ook de rafter is niet aan een plekje gronds gebonden, en leidt een vrij, bijna onafhankelijk leven. Hij trekt uit den eenen staat naar den anderen, en uit het eene county (= graafschap) naar het andere. Menschen, en de woningen van dezen, zoekt hij niet gaarne op, omdat het vak, hetwelk hij uitoefent, eigenlijk een onwettig middel van bestaan is. De grond waar hij hout velt, is niet zijn eigendom. Het komt ook zelden of nooit in hem op, er naar te vragen aan wien die grond toebehoort. Vindt hij een goeden boomgroei en een tot houtvlotten geschikt water in de nabijheid, dan begint hij zijn werk, zonder zich er om te bekommeren of de plaats, waar hij zich bevindt, congres-land is, dan wel reeds aan een particulier in eigendom toebehoort. Hij velt de boomen, behakt en bewerkt die, zoekt daartoe de rechtste, gaafste, beste stammen uit, maakt daarvan een vlot, en drijft daarop de rivier af, ten einde het buitgemaakte goed hier of daar te verkoopen.

De rafter is een niet gaarne geziene gast. Wel heeft de nieuwe kolonist vrij wat moeite te doorworstelen met den dichten boschgroei dien hij vóór zich heeft, en zou het hem veel aangenamer zijn indien hij het bosch behoorlijk gedund vond. Doch de rafter dunt geen bosschen. Hij kiest, zooals reeds gezegd is, enkel de beste stammen uit, zaagt en kapt hun kruinen af, en laat die op den grond liggen. Onder en tusschen die boomtoppen schieten dan nieuwe spruiten op, die door wilde ranken en slingerplanten tot een vast geheel saamverbonden worden, waartegen geen hakbijl, en menigmaal zelfs geen vuur, veel vermag.

En toch laat men den rafter doorgaans ongehinderd zijn gang gaan; want hij is een gespierde en onvervaarde gast, met wien in de wildernis, ver verwijderd van alle hulp, niemand het geraden acht twist uit te lokken. Alleen kan hij natuurlijk niet werken, doch altijd zijn er verscheiden, meestal vier à acht of tien, die gezamenlijk werkzaam zijn. Somwijlen gebeurt het ook, dat het gezelschap uit een nog grooter aantal personen bestaat; dan voelt de rafter zich dubbel veilig; want met zulk een aantal menschen, die om het bezit van een boomstam hun leven op het spel zouden zetten, zal geen farmer of ander eigenaar een twist aanvangen.

Wel leiden zij een leven vol krachts-inspanning, vermoeienis en ontbering, maar toch, bij slot van rekening wordt hun arbeid ruim betaald. Daar de grondstof den rafter niets kost, verdient hij goed wat geld. Terwijl de anderen werken, is er één (of zijn er twee of drie, naar gelang het gezelschap talrijk is) belast met de zorg voor de voeding van allen. Dat zijn de jagers, die den ganschen dag en menigmaal zelfs des nachts druk in de weer zijn om "vleesch te maken". In streken waar overvloed van wild is, valt hun dat niet moeielijk. Doch waar het wild schaarsch is, hebben zij een moeielijke taak. De jagers hebben geen tijd over, om honig en andere versnaperingen te zoeken, en de rafters moeten dikwijls vleesch eten, waarvoor de bewoners der achterbosschen anders den neus zouden optrekken--zelfs ingewand.

Het gezelschap nu, dat hier aan de Zwartenbeer-rivier werkzaam was, scheen, zooals de volle vleeschketel bewees, geen gebrek te lijden. Zij waren dan ook allen in een zeer goede stemming en na het volbrachte zware dagwerk werd er druk geschertst en gelachen. Men vertelde elkander grappige of anderszins vermakelijke avonturen, die men indertijd zelf beleefd of bijgewoond had; men schilderde personen die men had aangetroffen, en die de een of andere eigenaardigheid hadden, geschikt om den lachlust gaande te maken.

"Zoo heb ik er eens een aangetroffen daarboven in Fort Niobrara," zei een oude grijsaard, "dien hadt ge moeten zien! Het was een man, natuurlijk, en toch werd hij door iedereen tante genoemd."

"Was dat misschien Tante Droll?" vroeg er een.

"Ja, juist, dat hebt gij goed geraden. Hebt gij hem ook wel eens ontmoet?"

"Ja, eens. Dat was te Desmoines, in het logement, waar zijn verschijning de algemeene aandacht trok, en allen zich vroolijk over hem maakten. Inzonderheid was er een, die hem niet met rust liet, totdat Droll hem eindelijk bij zijn middel vatte en hem het raam uitsmeet. Die man kwam niet meer binnen."

"Dat is juist iets van Tante Droll. Hij houdt van een grapje, en heeft er niets tegen, dat men om hem lacht; maar als het niet binnen zekere perken blijft, laat hij zijn tanden zien. Overigens zou ik ieder, die het er op muntte om hem te beleedigen, zonder mij te bedenken, de hersens inslaan."

"He, Blenter! gij? Waarom dat?"

"Omdat ik aan hem mijn leven te danken heb. Ik ben met hem gevangen geweest bij de Sioux. Ik wil jelui wèl zeggen, dat die mij toen stellig en zeker naar de eeuwige jachtvelden gezonden zouden hebben. Ik ben er de man niet naar, om voor drie of vijf Indianen in mijn schulp te kruipen; ik hou er ook niet van, te jammeren en te weeklagen, zoodra het mij eens niet voor den wind gaat; maar bij die gelegenheid was er geen zweem van hoop meer, en ik was letterlijk radeloos. Maar die Tante Droll is een gewikste, zooals er geen tweede bestaat; hij heeft de Roodhuiden zóó ingezeept, dat zij niet meer uit hun oogen konden zien. Wij zijn den dans ontsprongen?"

"Hoe zoo? Hoe heeft hij dat aangelegd? Vertel ons dat eens."

"Als gij het mij niet kwalijk neemt, zal ik liever mijn mond daarover houden. Het doet een mensch geen plezier een voorval te vertellen, waarbij men zelf geen zeer snuggere rol heeft gespeeld, maar zich door de Roodhuiden heeft laten verschalken. Het is genoeg dat ik jelui dit zeg: dat ik op dit oogenblik hier zit en mij aan den reebok te goed kan doen, heb ik niet te danken aan mij zelf, maar aan Tante Droll."

"Dan moet de verknijping, waarin gij toen gezeten hebt, nog al erg geweest zijn. De oude Missouri-Blenter staat anders toch bekend als een Westman, die altijd een achterdeurtje weet te vinden, om uit de klem te komen."

"Bij die gelegenheid was er geen achterdeurtje te vinden. Ik stond reeds zoogoed als aan den martelpaal vastgebonden."

"Is het toch waar? Dat is inderdaad een toestand, waarin men niet veel kans meer heeft om te ontsnappen. Een verduivelde uitvinding, die martelpaal. Als ik het woord maar hoor, haat ik de schobberds dubbel."

"Dan weet gij niet wat gij doet en wat gij zegt. Wie de Indsmen haat, die beoordeelt hen verkeerd, die heeft er niet over nagedacht wat de Roodhuiden al hebben moeten verduren. Gesteld eens, dat er nu iemand kwam om ons van hier te verdrijven, wat zoudt gij dan doen?"

"Dan zou ik mij natuurlijk te weer stellen, al moest het zijn of mijn leven kosten."

"En is deze plaats dan uw eigendom?"

"Ik weet niet eens aan wien die toebehoort; maar ik heb er ten minste niets voor betaald."

"Welnu, deze gansche landstreek behoorde toe aan de Roodhuiden; wij hebben hun die gewelddadig ontnomen; en als zij zich nu daartegen verzetten, veroordeelt gij hen."

"Hum! Wat ge zegt is waar: maar de Roodhuiden moeten weg; ze moeten uitsterven! dat is nu eenmaal zoo en niet anders."

"Ja, zij sterven uit, doordien wij hen vermoorden. Het heet, dat zij niet vatbaar zijn voor de beschaving, en dat ze daarom moeten verdwijnen. Maar de beschaving schiet men maar niet zooals een kogel uit een geweer; daartoe is tijd noodig, veel tijd; ik heb geen verstand genoeg om te zeggen hoe lang wel, maar ik geloof zelfs verscheiden eeuwen. Doch geeft men den Roodhuiden wel tijd? Stuurt gij een boy (= jongen) van zes jaar naar school, en geeft gij hem een pak slaag als hij een kwartier later nog geen professor is? Zóó doet men met de Indianen. Ik wil hen niet verdedigen, want ik heb er niets mee te maken, maar ik heb bij hen evenveel goede menschen aangetroffen als onder de blanken, ja eigenlijk nog wat meer. Aan wie heb ik het, om maar eens iets te noemen, te danken, dat ik mijn kostelijke boerderij en mijn goede vrouw en kinderen kwijt ben, en dat ik als een bijna afgeleefde grijsaard nog in het wilde Westen moet rondzwerven--aan de Roodhuiden of aan de Blanken?"

"Dat kan ik toch niet weten. Gij hebt nooit daarover gesproken."

"Omdat een man van karakter zulke dingen liever in zijn binnenste begraaft dan ze aan de groote klok te hangen. Ik moet er nu nog maar één van hebben, den laatste, die mij ontsnapt is: dat is de eenige van de bende die overgebleven is, en juist de allerslechtste!"

De oude man vertelde dat tandenknarsend, langzaam, als wilde hij nadruk leggen op ieder woord. Dit verhoogde de aandacht der anderen; zij kwamen dichter om hem heen en zagen hem vragend aan, doch zonder iets te zeggen. Hij staarde eenige seconden lang in het vuur, schopte daarop met zijn voet het brandende hout beter in de vlam en vervolgde toen als iemand, die bij zich zelf spreekt: "Doodgeschoten of doodgestoken heb ik hen niet, maar doodgeranseld, den een voor en den ander na. Levend moest ik hen hebben, want ik wilde hen precies zóó zien sterven, als zij de mijnen hebben doen sterven, mijn vrouw en mijn twee zoons. Er waren er zes; vijf er van heb ik zoo den geest zien geven in een korten tijd, maar de zesde is het ontkomen. Ik heb hem op de hielen gezeten, al de staten der Unie door, totdat het hem eindelijk gelukt is mij zijn spoor te doen verliezen. Ik heb het nog niet terug kunnen vinden maar hij leeft nog, want hij was jonger dan ik, veel jonger, en daarom denk ik, dat ik mijn oude oogen niet voorgoed zal behoeven te sluiten, zonder dat ik hem nog eens één keer te zien zal krijgen."

Er volgde een diepe stilte. Allen gevoelden, dat het hier iets zeer buitengewoons gold. Eerst na een lange pauze waagde een hunner de vraag:

"Zeg Blenter, wie was die kerel?"

De oude ontwaakte uit zijn mijmering, en antwoordde: "Wie hij was? Het was geen Indiaan, maar een blanke, een monster, zooals er geen onder de Roodhuiden te vinden is. Ja, mannen! Ik wil u nog meer zeggen--ik wil u zeggen, dat hij was wat gij allen zijt, en wat ik tegenwoordig zelf ben: een rafter!"

"Wat? Waren het rafters, die uw vrouw en kinderen vermoord hebben?"

"Ja, dat waren rafters! Gij hebt volstrekt geen reden om trotsch te wezen op uw beroep, en u voor beter te houden, dan de Roodhuiden zijn. Zooals wij hier bij elkaar zitten, zijn wij allen gauwdieven en spitsboeven."

Deze bewering ontmoette natuurlijk de levendigste tegenspraak. Maar zonder zich daaraan te storen, ging Blenter voort: "Deze rivier, waaraan wij ons bevinden, dit bosch, waar wij de boomen vellen om die te verkoopen, zijn ons eigendom niet. Wij vergrijpen ons wederrechtelijk aan goed, dat òf aan den staat òf aan particulieren toebehoort. Wij zouden iedereen, zelfs den rechtmatigen eigenaar, overhoop schieten, als hij ons van hier wilde verdrijven? Is dat geen diefstal? Of, nog erger, is dat geen rooverij?"

Hij liet zijn oog vragend rondgaan over allen, en daar hij niet dadelijk antwoord kreeg, vervolgde hij: "En met zulke roovers kreeg ik het destijds te doen. Ik was mij uit Missouri hier komen neerzetten met een behoorlijken koopbrief in mijn hand. Mijn vrouw en zoons waren bij mij. Wij hadden runderen bij ons, eenige paarden, varkens en een grooten wagen vol huisraad, want ik was tamelijk wel in goeden doen, moet ik zeggen. Er was geen enkele kolonist in den omtrek; maar wij hadden ook niemand noodig, want onze acht armen waren sterk en vlijtig genoeg, om zelf alles in orde te brengen, en zeer spoedig ook. In een korten tijd was het blokhuis opgetrokken. Wij brandden een akkerland af en roeiden het uit, en begonnen te zaaien. Op een morgen vermiste ik een koe, en ik ging het bosch in, om die te zoeken. Daar hoorde ik bijlslagen en ging af op dien klank. Ik vond zes rafters, die bezig waren mijn boomen te vellen. Bij hen lag mijn koe; die hadden zij doodgeschoten, om het vleesch te verorberen. Zegt mij nu eens, messieurs! wat zoudt gij gedaan hebben, als gij in mijn plaats waart geweest?"

"Ik had de kerels overhoop geschoten," antwoordde er een. "En daartoe zou ik het volste recht hebben gehad; want volgens de hier in het Westen geldende wet, staat op het stelen van een paard of een rund de doodstraf."

"Dat is zoo; maar dat heb ik toch niet gedaan. Ik heb integendeel vriendelijk tegen hen gesproken, en hun verzocht zich van mijn grond te verwijderen, en mij mijn koe te betalen. Dat was toch niet te veel van hen gevergd, geloof ik?"

"Neen, allesbehalve?" riepen verscheiden stem men. "En deden zij dat niet?"

"O neen, zij lachten mij uit zoo hard als zij konden. Ik ging echter niet dadelijk naar huis terug, want ik wilde meteen zien of ik hier of daar iets onder schot kon krijgen voor ons avondeten. Toen ik vervolgens thuiskwam, vermiste ik ook de tweede koe. De rafters hadden die, terwijl ik afwezig was, insgelijks weggehaald, om mij te toonen, dat zij mij uitlachten. Toen ik hen den volgenden morgen opzocht, hadden zij de koe reeds afgehakt, en de stukken vleesch opgehangen om te drogen, ten einde pemmikan te maken. Mijn herhaalde en nu natuurlijk zooveel hoogere eisch om vergoeding werd wederom beantwoord met spottend gelach. Toen dreigde ik, dat ik geld moest hebben, en anders gebruik zou maken van mijn recht. Meteen legde ik aan met mijn geweer. Een kerel, die voor allen het woord deed en hun aanvoerder scheen, legde dadelijk ook zijn geweer aan. Ik zag duidelijk aan hem dat het meenens bij hem was, en ik schoot hem met mijn kogel zijn vuurwapen uit de hand. Mijn doel was niet geweest om hem te treffen, ik had enkel op zijn wapen gemikt. Toen snelde ik terug naar huis, om mijn zoons te halen. Met ons drieën waren wij volstrekt niet bang voor die zes; doch toen wij kwamen, waren zij reeds verdwenen. Nu was oppassen natuurlijk de boodschap, en gedurende de eerste drie dagen waagden wij ons niet buiten den onmiddellijken omtrek van ons blokhuis. Den vierden morgen was al onze mondvoorraad opgebruikt, en ging ik dus met mijn eenen zoon op de jacht om vleesch te maken. Wij waren natuurlijk op onze hoede, doch van de rafters was nergens een spoor te vinden. Toen wij dus langzaam en zonder gedruisch te maken onzen weg vervolgden in het bosch, misschien een twintigtal voetstappen van elkander af, zag ik eensklaps den aanvoerder van de bende achter een boom staan. Hij zag mij niet, maar mijn zoon, op wien hij dadelijk zijn geweer aanlegde. Had ik den kerel oogenblikkelijk neergeschoten, zooals mijn goed recht en zelfs mijn plicht was, dan zou ik stellig niet kinderloos en weduwnaar geworden zijn. Maar het is nooit mijn zoeken geweest, om zonder noodzaak een mensch te dooden, en ik sprong dus ijlings op hem aan, rukte het geweer uit zijn hand, het mes en het pistool uit zijn gordel en gaf hem een slag in het gezicht, die zóó duchtig raak was, dat hij op den grond tuimelde. Maar hij verloor zijn tegenwoordigheid van geest geen oogenblik, en was misschien nog vlugger dan ik. In een ommezien sprong hij weer overeind, en zette het toen op een loopen, eer ik den tijd had om hem te grijpen."

"Verduiveld! Voor die domheid zult gij later hebben moeten boeten," riep er een. "Het lijdt geen twijfel, dat de kerel dien klap later gewroken heeft."

"Ja, hij heeft hem gewroken," knikte de oude, meteen opstaande om eenige keeren op en neer te loopen. De herinnering schokte zijn gemoed. Toen hij weer kwam zitten, vervolgde hij: "Wij waren gelukkig op onze jacht en deden een ruime vangst. Toen we thuiskwamen, ging ik achter de woning om daar onzen buit voorloopig neer te leggen. Het was mij alsof ik eensklaps een verschrikten gil van mijn zoon hoorde, doch ik ontgaf het mij weer ... tot mijn smart, want toen ik in ons woonvertrek kwam, zag ik mijn jongen zwaar gekneveld bij den haard op den vloer liggen, en op hetzelfde moment werd ik beetgepakt en ook op den grond gesmeten. De rafters waren, tijdens de afwezigheid van mij en mijn zoon, naar de boerderij gekomen, en hadden mijn vrouw en jongste zoon overvallen, om daarna ook ons op te wachten. Toen mijn oudste zoon binnenkwam vóór mij, hadden zij zich zoo snel op hem geworpen, dat hij niet eens tijd had om dien waarschuwenden gil, dien ik gehoord had, luid genoeg uit te brengen. Mij ging het niet beter dan mijn drie huisgenooten. Alles ging zoo overrompelend en schielijk in zijn werk, dat ik reeds stevig gekneveld was, eer ik aan tegenweer-bieden denken kon. Toen stopten ze ook mij een prop van ik weet niet wat in den mond, om mij het schreeuwen te beletten."

"Alles uw eigen schuld! Waarom zijt gij niet voorzichtiger geweest? Wie zich de rafters tot vijand maakt, en nog wel een hunner een klap in het gezicht geeft, moet van dat oogenblik af aan driedubbel op zijn hoede wezen."

"Dat is waar. Maar ik had toen nog niet de ondervinding, die ik later heb opgedaan. Als de rafters mij nu een koe afhandig maakten, schoot ik de kerels een voor een dood, zonder mij aan hen te vertoonen. Maar luister verder! Ik zal het kort maken; wat want er nu volgt is met geen woorden te vertellen. Er werd gericht over mij gehouden; dat ik geschoten had, werd mij aangerekend als een vergrijp, waarvoor ik den dood had verdiend. De schavuiten hadden zich intusschen meester gemaakt van mijn brandy (= brandewijn); ze dronken zich zóó zat, dat ze geen menschen meer waren, geen redelooze dieren zelfs, maar letterlijk razende beesten. Zij besloten, dat wij allen moesten sterven. Als extra straf, voor den klap, dien de aanvoerder van mij gehad had, verlangde hij, dat ook wij geslagen zouden worden, hetgeen zeggen wilde doodgeranseld. Twee hunner stemden daarin toe, de drie anderen waren er tegen; maar toch liet hij zijn haan koning kraaien. Wij werden naar buiten gesleept, tot aan de omheining. Mijn vrouw was de eerste, die het doodvonnis ondergaan moest. Ze bonden haar aan een der palen van de omheining vast, en sloegen er toen meedoogenloos op los met knuppels. Een hunner scheen echter nog een soort van medelijden met haar te gevoelen en joeg haar een kogel door het hoofd, om aan het gemartel een einde te maken. Mijn twee zoons ging het nog erger: die werden letterlijk doodgeranseld. Ik lag daarbij, en moest dat alles aanzien, want ik moest de laatste zijn. Mannen! ik zeg u, dat dat kwartier voor mij een eeuwigheid is geworden. Ik ben niet in staat een poging te doen, om u mijn gedachten en gewaarwordingen te beschrijven. De woorden woede en razernij beteekenen daarbij niets, er is met geen mogelijkheid een woord voor te bedenken. Ik was als krankzinnig, en kon mij toch niet bewegen of verroeren. Zoo kwam ik zelf eindelijk aan de beurt. Ik werd overeind gezet en vastgebonden. De slagen, die ik toen ontving, heb ik niet eens gevoeld. Mijn ziel bevond zich in een toestand, waarin die op lichamelijke smarten geen acht kon slaan. Alleen weet ik, dat er eensklaps van den maïs-akker af een luid geroep weerklonk, en dat er, toen de rafters niet dadelijk gevolg daaraan gaven, een schot viel. Ik was bewusteloos geworden."

"O, er kwamen toevallig menschen, door wie gij gered werdt!"

"Menschen? Neen, want het was er maar één. Hij kende natuurlijk de omstandigheden niet; maar hij vermoedde, dat er een getuchtigd werd, die zich aan diefstal of aan eenige andere misdaad schuldig gemaakt had. Aan de houding van mijn hoofd had hij uit de verte reeds gezien, dat mijn leven geen penny(= stuiver) meer waard was. Daarom had hij geroepen en vervolgens een schot gelost. Het was slechts een schot geweest tot waarschuwing, want hij had in de lucht geschoten, niet denkend dat hij met moordenaars te doen had. Toen hij vervolgens ijlings naderbij kwam, werd hij herkend door een der kerels, die verschrikt zijn naam uitriep. Lafhartig moorden, dat hadden zij kunnen doen; maar om met hun zessen tegen dien eene te beginnen, daartoe ontbrak het hun aan moed. Zij zetten het eensklaps op een loopen, van mijn huis partij trekkende als dekking, om daarachter te ontkomen naar het bosch."

"Dan moet uw redder wel een beroemd en gevreesd Westman geweest zijn."

"Westman? Pshaw! Het was een Indiaan. Ja, mannen! wat ik u zeg is de waarheid: ik ben gered door een Roodhuid!"

"Een Roodhuid? Die zoo gevreesd werd, dat zes rafters voor hem op den loop gingen? Dat is een onmogelijkheid!"

"Twijfelt maar niet langer. Gij allen, zooals gij hier zit, als gij een misdaad op uw geweten hadt, zoudt óók alles in den steek laten om hem te ontkomen; want het was niemand anders dan Winnetou."

"Winnetou, de Apache? Good lack! Ja, dàn willen wij het wel gelooven! Maar was die dan toen al zoo bekend?"

"Hij was toen pas in het begin van zijn beroemdheid; maar de eene rafter, die zijn naam uitriep en dadelijk de plaat poetste, had hem stellig reeds vroeger leeren kennen op een manier, waardoor hij geen trek had hem een tweeden keer onder de oogen te komen. Buitendien, ieder die Winnetou slechts eens gezien heeft, weet, welk een indruk zijn verschijning alleen reeds maakt."

"Maar hij heeft dan toch die kerels laten ontsnappen?"

"Voorloopig, ja. Of zoudt gij het misschien anders gemaakt hebben? Uit hun overijlde vlucht begreep hij, dat zij slechte dingen op hun geweten hadden; maar de eigenlijke toedracht van de zaak kende hij natuurlijk niet. Daarbij zag hij mij hangen en de losgebonden lijken op den grond liggen, die hij aanvankelijk niet opgemerkt had. Daaruit begreep hij natuurlijk wel, dat er een gruweldaad gepleegd was; maar hij kon de vluchtenden niet achternazetten, daar hij allereerst mij te verlossen had. Overigens was daarmee niets verzuimd; want een Winnetou weet zijn menschen ook later wel te vinden. Toen ik weer bijkwam, zat hij op zijn knieën naast mij, juist als de barmhartige Samaritaan uit de Heilige Schrift. Hij had mij van de touwen, waarmee ik gebonden was, bevrijd, en verbood mij te spreken, op welk verbod ik echter geen acht sloeg. Ik voelde op dat oogenblik hoegenaamd geen pijn, en wilde dadelijk op pad om mij te wreken. Doch dat liet hij niet toe. Hij bracht mij en de lijken binnenshuis, waar ik, indien de rafters het in hun hoofd kregen om terug te komen, mij gemakkelijk verdedigen kon, en reed toen naar mijn dichtstbij wonenden buurman, om een verplegende en helpende hand te halen. Ik moet u zeggen, dat die dichtstbij wonende buurman toch over de dertig mijlen van mij af woonde, en dat Winnetou nog nooit in die landstreek geweest was. Maar hij vond hem toch, ofschoon hij pas in den avond daar aankwam; en den volgenden morgen bracht hij hem en een knecht bij mij. Toen verliet hij mij, om de moordenaars op te sporen. Ik moest hem heilig beloven, dat ik niets ondernemen zou op mijn eigen hand, daar dat geheel en al doelloos zou zijn. Het duurde een dag of tien eer ik hem terugzag. In dien tusschentijd had ik mijn dooden begraven, en aan mijn buurman last gegeven, om mijn eigendom te verkoopen. Mijn gemartelde ledematen waren nog niet volkomen geheeld; maar toch had ik al dien tijd met smart op de terugkomst van den Apache gewacht. Hij was de rafters gevolgd, had hen des avonds beluisterd, en gehoord, dat zij naar Smoky-hill-Fort gingen. Vertoond had hij zich niet aan hen, en hun ook niets gedaan, daar de wraak-oefening mij toekwam. Toen hij afscheid van mij genomen had, steeg ik te paard en reed weg. Het overige weet gij al, of gij kunt het ten minste wel raden."

"Neen, wij weten het nog niet, en wij kunnen er niet naar raden ook. Vertel maar verder, asjeblieft; vertel maar verder! Waarom is Winnetou niet met u meegegaan?"

"Stellig omdat hij nog iets anders en beters te doen had. Of had hij, naar uw idee, nog niet genoeg gedaan? En verder vertellen zal ik niet. Gij kunt wel denken, dat ik daar niet veel plezier in heb. Van de zes heb ik er vijf doodgeranseld, zoo achtereenvolgend den een na den ander; de zesde, en tevens de ergste van de bende, is mij ontkomen. Hij was destijds rafter, en is dat misschien op dit oogenblik nog; daarom ben ik ook rafter geworden, omdat ik mij verbeeld daardoor het best in de gelegenheid te zijn, om hem vroeg of laat aan te treffen. En nu....behold (= ziet eens)! Wat zijn dat voor menschen?"

Hij sprong overeind, en de anderen volgden zijn voorbeeld; want juist waren er twee in bonte dekens gehulde personen uit de duisternis van het bosch in het lichtschijnsel van het vuur gekomen. Het waren Indianen, een oude en een jonge. Eerstgenoemde hief geruststellend zijn hand omhoog, en zei: "Niet vrees hebben, want wij niet vijanden zijn! Werken hier rafters, die Zwarten Tom kennen?"

"Ja, dien kennen wij," antwoordde de oude Blenter.

"Hij voor u weg, om te halen geld?"

"Ja, hij moet geld voor ons innen, en kan in een dag of acht weder bij ons zijn."

"Hij nog vroeger komen. Wij dus bij rechte lieden, bij rafters, die wij zoeken. Vuur klein maken, anders wijd zien. En ook zacht praten, anders wijd gehoord worden."

Hij wierp de bonte deken af, trad naar het vuur, haalde het brandende hout uit elkander, bluschte het, en liet slechts eenige takken brandende. De jonge Indiaan was hem daarbij behulpzaam. Toen dit gedaan was wierp hij een blik in den ketel, ging op den grond zitten, en zei: "Ons stuk vleesch geven, want wij ver gereden en niet gegeten; ergen honger hebben."

Dat wel wat vrije optreden wekte natuurlijk de bevreemding der rafters. De oude Missouriër gaf aan die bevreemding lucht door te zeggen: "Maar, man! wat denkt ge wel? Gij waagt het ons op te zoeken, zelfs in den nacht, en dat ofschoon gij Roodhuiden zijt! En gij doet precies alsof deze plaats aan u toebehoort."

"Wij niets wagen," luidde het antwoord. "Roode man moet niet zijn slechte man. Roode man zijn goede man. Bleekgezicht zal dat ondervinden."

"Maar wie zijt gij dan? Gij behoort in elk geval volstrekt niet tot een oeverlands- of een prairie-stam. Naar uw uiterlijk te oordeelen, vermoed ik veeleer, dat gij uit Nieuw-Mexico komt en misschien een Pueblo zijt."

"Kom uit Nieuw-Mexico, ja, maar geen Pueblo zijn. Zijn Tonkawa-hoofdman, heet Groote Beer, en dat mijn zoon."

"Wat, de Groote Beer," riepen verscheiden rafters verwonderd, en de Missouriër voegde er bij: "Is die jongen dan de Jonge Beer?"

"Juist geraden!" zei de Roodhuid met een bevestigend hoofdknikje.

"Dat maakt een onderscheid! De twee Tonkawa-Beren zijn overal welkom. Neemt zooveel vleesch en mede als gij lust en blijft bij ons zoolang als gij verkiest. Maar wat komt gij doen in deze streek?"

"Wij komen, om rafters waarschuwen."

"Waar voor? Is er dan gevaar voor ons?"

"Groot gevaar."

"Welk gevaar dan? Spreek!"

"Tonkawa eerst eten en paarden halen, dan spreken."

Hij gaf zijn zoon een wenk, waarop die zich verwijderde, en nam toen een stuk vleesch uit den ketel, waarop hij dat begon op te peuzelen zoo dood op zijn gemak, alsof hij zich thuis bevond in zijn veiligen wigwam.

"Hebt gij paarden bij u?" vroeg de oude Blenter. "En dat in den nacht hier in het bosch? En daarbij hebt gij ons gezocht, en gevonden ook! Ik moet zeggen, dat is een meesterstuk van u!'

"Tonkawa heeft oogen en ooren. Hij weet, dat rafters altijd wonen aan het water, aan de rivier. Gij zeer luid praten en groot vuur branden, dat wij zien zeer ver en ruiken nog verder. Rafters zeer onvoorzichtig, want voor vijanden gemakkelijk, hen vinden."

"Er zijn hier geen vijanden. Wij bevinden ons geheel alleen in deze streek en zijn in allen gevalle sterk genoeg, om ons tegen vijanden te verweren.'

"Missouri-Blenter zich vergissen."

"He, weet gij mijn naam?"

"Tonkawa lang daar staan achter boom en hooren, wat bleekgezicht praten; ook hooren uw naam. Als vijanden niet daar, dan nu toch komen. En als rafters onvoorzichtig, dan overwonnen worden, zelfs door weinig vijanden."

Nu hoorde men hoefslag op den weeken grond. De Jonge Beer bracht twee paarden, bond die aan een boom, nam een stuk vleesch uit den ketel, en ging naast zijn vader zitten, om te eten. Laatstgenoemde had zijn portie verorberd, stak het mes in zijn gordel, en zei: "Nu Tonkawa spreken, en dan rafters met hem wel vredespijp rooken. Zwarte Tom hebben veel geld. Tramps komen, om op hem loeren en hem afnemen geld."

"Tramps? Hier aan de Zwartenbeer-rivier? Dat zult ge stellig mis hebben."

"Tonkawa niet mis hebben, maar stellig weten, en het ook vertellen."

Hij vertelde in zijn gebroken taal wat er voorgevallen was op de stoomboot, maar was te hooghartig om van zijns zoons heldenmoed een enkel woord te reppen. Men luisterde natuurlijk met de grootste aandacht. Hij vertelde ook wat er na de vlucht van de tramps gebeurd was; hoe hij kort na hen met zijn zoon in de kleine boot den oever van den Arkansas bereikt had, en daar tot het eerste gloren van den dageraad was blijven liggen, omdat hij in den nacht hun spoor niet volgen kon. Bij het daglicht was dat spoor zeer duidelijk geweest en had, met vermijding van Fort Gibson, tusschen den Canadian en den Red-fork in westelijke richting geloopen, om vervolgens weer noordwaarts te gaan. In een der naastvolgende nachten hadden de tramps een dorp der Creek-Indianen overvallen, om zich de paarden te verschaffen. Des middags van den volgenden dag hadden de twee Tonkawa rondzwervende Choktow-krijgslieden ontmoet, van wie zij twee paarden gekocht hadden. Door de bij de paarden-negotie gebruikelijke formaliteiten hadden zij echter zooveel oponthoud gehad, dat de tramps hun een geheele dagreis vooruitgekomen waren. Toen waren zij den Red-fork overgestoken en vervolgens over de open prairie naar de Zwartenbeer-rivier gereden. Het was aan de Tonkawa gelukt, hen dicht op de hielen te komen. Nu bivakkeerden de tramps op een kleine open plek op den oever der rivier, en de Tonkawa hadden het noodzakelijk geacht allereerst de rafters op te zoeken, om aan die van een en ander mededeeling te doen.

"Hoe ver is het bivak van die tramps hier vandaan?" vroeg de oude Missouriër.

"Zoo ver als wat de bleekgezichten een half uur gaans noemen."

"Verduiveld! Dan kunnen zij ons vuur wel niet gezien, maar toch den rook er van geroken hebben. Wij hebben ons bepaald te veilig gewaand. En sedert wanneer liggen zij daar?"

"Sedert een goed uur voordat de avond gevallen is."

"Dan hebben zij stellig ook naar ons gezocht."

"Tonkawa niet durven bespieden tramps, terwijl nog klaar dag. Dadelijk doorrijden om rafters waarschuwen, want..."

Eensklaps zweeg hij en luisterde. Toen vervolgde hij, nog veel zachter fluisterend: "Groote Beer iets zien, iets bewegen aan hoek van huis. Stilzitten en niet praten! Tonkawa voortkruipen en onderzoeken."

Hij ging op den grond liggen en, zijn geweer achterlatende, kroop hij op het huis aan. De rafters spitsten hun ooren. Er verliepen wel tien minuten, toen hoorden zij een schellen, korten gil, een gil, dien iedere Westman kent--den doodsgil van een mensch. Kort daarop kwam de Tonkawa-hoofdman terug.

"Een spion van de tramps," zei hij. "Tonkawa hem gegeven het mes, van achteren in het hart getroffen. Zal niet meer vertellen kunnen wat hier gezien en gehoord. Maar misschien nog een tweede daar. Zal terugkeeren en melden. Daarom snel doen, als blanke mannen willen misschien beluisteren tramps."

"Dat is waar," fluisterde de Missouriër. "Ik zal meegaan en gij zult mij den weg wijzen, want gij weet waar zij zich bevinden. Zij hebben nog geen vermoeden, dat wij van hun tegenwoordigheid weten. Zij wanen zich dus veilig, en zullen stellig wel praten over hetgeen zij in hun schild voeren. Als wij er dadelijk op afgaan, komen wij allicht te weten wat zij van plan zijn te doen."

"Ja, maar zeer stil en heimelijk; misschien nog tweede spion hier dichtbij: die niet moet zien dat wij gaan. En niet geweer meenemen, maar enkel messen. Geweer ons in den weg zijn."

"En wat doen onderwijl de anderen hier?"

"In huis gaan en stil wachten tot wij terugkomen."

Die raad werd gevolgd. De rafters begaven zich naar binnen in het blokhuis, waar zij niet bespied konden worden; maar de Missouriër kroop met den Tonkawa-hoofdman een goed eind weegs ver over den grond voort; toen eerst richtten zij zich op om langs de rivier naar beneden te gaan en zoo mogelijk de tramps te beluisteren.

De Zwartenbeer-rivier kan de grens genoemd worden van dat eigenaardig bergachtige land, waaraan men den naam heeft gegeven van Rolling-Prairie (= rollende prairie). Daar verheft zich berg aan berg, of juister gezegd heuvel aan heuvel, de een zoogoed als volkomen gelijk aan den ander, en alle van elkander gescheiden door valleien, die almede alle op elkander gelijken. Dat gaat door het gansche oosten van Kansas. Deze rollende prairie is goed bewaterd en rijk aan boschgroei. Uit vogelvlucht bezien zou men die in het oneindige op elkander volgende heuvelen en dalen kunnen vergelijken bij de rollende golven van een groen gekleurde zee. Vandaar de benaming, waaruit men ziet, dat het woord prairie niet altijd een vlak en effen gras- of weiland beteekent. In dit weeke, humus-rijke bergland hebben de wateren van de Zwartenbeer-rivier diep den grond weggekabbeld, zoodat haar oevers, tot daar, waar zij de rollende prairie verlaten, meestal steil en tot aan het water met dicht opeenstaande boomen begroeid is. Het is, of juister gezegd was, een overvloedig, echt wildland, want in den laatsten tijd is de rollende prairie betrekkelijkerwijze dicht bevolkt en door de zondags-jagers van al haar wild beroofd.

Daar, waar de rafters hun werkplaats opgeslagen hadden, viel de hooge oever, niet ver van het blokhuis af, steil in het water neer, hetgeen het groote voordeel aanbood, als het den aanleg van zoogenaamde sleep-hellingen mogelijk maakte, een soort van glijbanen, waarlangs de rafters de boomstammen en houtblokken zonder veel krachtsinspanning naar het water konden brengen. Gelukkigerwijze was de oever vrij van kreupelhout, maar toch was het niet gemakkelijk er in den donker te loopen. De Missouriër was een oud en zeer geoefend Westman van veel ondervinding; en toch verbaasde hem de bedrevenheid van den Tonkawa-hoofdman, die hem bij de hand genomen had en nu zonder geritsel en zoo ongehinderd tusschen de boomen voortschreed en de stammen zoo behendig wist te vermijden, als ware het klaar dag. Beneden hoorde men het ruischen der rivier; en ook dit was een gunstige bijzonderheid, want het maakte, dat het gedruisch, hetwelk hun voeten onvermijdelijk veroorzaakten nu en dan, in het geheel niet gehoord kon worden.

Blenter bevond zich hier al een geruimen tijd. Hij werkte niet als rafter, maar als jager en vleeschmaker, en kende de streek zeer nauwkeurig. Daardoor was hij, meer dan iemand anders, in staat om de behendigheid te erkennen, waarmee de Indiaan zich bewoog, die zich voor het eerst van zijn leven hier bevond, en dat nog wel pas sedert de duisternis van den nacht reeds begonnen was.

Toen er ruim een kwartier verstreken was, daalden onze twee af in een dal, dat doorsneden werd door de rivier. Ook dit dal was dicht begroeid met boomen, en werd besproeid door een zacht murmelende beek. In de nabijheid van de plaats, waar die beek zich in de rivier ontlastte, was een plek zonder boomen, slechts hier en daar bewassen met eenig kreupelhout. Daar hadden de tramps hun bivak opgeslagen en een vuur aangelegd, waarvan het schijnsel onzen twee verspieders reeds in het oog viel, terwijl zij zich nog onder het loofdak van het bosch bevonden.

"Tramps even onvoorzichtig als rafters," fluisterde de Tonkawa-hoofdman tegen zijn tochtgenoot. "Branden groot vuur, alsof zij braden wilden geheelen, grooten buffel-os. Roode krijgslieden nooit anders maken dan klein vuur. Vlam niet zien, en zeer weinig rook. Wij gemakkelijk daar zullen komen, en het zoo kunnen maken, dat zij ons niet zien."

"Ja, er komen kunnen wij," zei Blenter. "Maar of wij zoo dicht bij hen kunnen komen, dat wij kunnen hooren wat zij spreken, dat is nog de vraag."

"Wij zeer dichtbij; wij alles hooren zullen. Maar elkander bij staan, als tramps ons ontdekken. Aanvallen, doodsteken, en schielijk bosch in."

Zij gingen tot aan de laatste boomen voort, en zagen nu het vuur en de daaromheen liggende mannen. Hierbeneden waren meer steekmuggen, de gewone plaag van den loop der rivieren in die streken, dan hooger op in de legerplaats der rafters. Misschien was dit wel de reden, dat de tramps zulk een groot vuur aangelegd hadden. Ter zijde stonden de paarden. Men zag die niet, maar men hoorde hen. Ze werden zoo schrikkelijk door de muskieten geplaagd, dat ze, om die van zich af te weren, in aanhoudende beweging waren. De Missouriër hoorde het stampen van hun hoeven; ja, de Tonkawa-hoofdman kon zelfs het heen en weer slaan van hun staarten onderscheiden.

Nu gingen de twee verspieders op den grond liggen, en kropen nader en nader op het vuur aan. Daarbij trokken zij, tot dekking, partij van het kreupelgewas, dat hier en daar op de boomlooze plek stond. De tramps zaten dicht bij de beek, welker oever begroeid was met dicht opeengehoopte biezen, die zich uitstrekten tot de plek waar de tramps zaten.

De vooruitkruipende Indiaan nam de richting naar dat biesgewas, dat de beste gelegenheid aanbood om zich schuil te houden. Daarbij ontwikkelde hij een echt meesterschap in de kunst om dichter en dichterbij te sluipen. De groote moeielijkheid bestond hierin, dat men door de hooge, dorre halmen moest zien te komen, zonder in het biesgewas eenig schier onvermijdelijk gedruisch te veroorzaken. Ook mochten de toppen van de biezen zich niet bewegen, want daardoor zouden zij anders allicht terstond ontdekt geworden zijn. De Oude Beer vermeed dit gevaar, door zich eenvoudig den doortocht te banen met behulp van zijn scherp mes, waarmee hij het biesgewas van onderen doorsneed en hetgeen er zoodoende van onderen bleef staan onder zich plat te drukken; daarbij had hij bovendien nog oplettendheid voor den Missouriër over, ten einde dezen het volgen gemakkelijker te maken. Dat doorsnijden van de harde biezen ging zoo onhoorbaar in zijn werk, dat zelfs de oude Blenter er niets van hooren kon.

Zoo naderden zij het vuur, en bleven niet eer stil liggen, dan toen zij zich zoo dicht bij de tramps bevonden, dat zij duidelijk verstaan konden wat die zeiden, te meer daar die zich volstrekt de moeite niet gaven zacht te spreken. Blenter was niet achtergebleven, maar lag naast den Ouden Beer. Hij liet zijn oog over de zittende gestalte gaan, en vroeg toen zacht: "Wie is nu die kornel, van wien gij ons verteld hebt?"

"Kornel niet daar; hij weg!" fluisterde de Indiaan terug.

"Misschien óók wel om naar ons te zoeken."

"Ja; bijna niet anders kunnen zijn."

"Dan is hij stellig degene, dien gij doodgestoken hebt?"

"Neen, hij dat niet zijn."

"Maar dat hebt gij immers niet kunnen zien?"

"Bleekgezichten zien enkel met oogen; maar Indiaan ook zien met handen. Mijn vingers stellig herkend hadden kornel."

"Dan is hij niet alleen geweest, maar heeft er nog een bij zich gehad; en dien andere zult gij doodgestoken hebben."

"Dat zeer juist. Nu hier wachten, tot kornel terugkomen."

De tramps voerden een zeer levendig gesprek. Zij praatten over allerlei dingen, behalve over datgene, waarin de twee luisteraars het meest belanggesteld zouden hebben, totdat er een was, die zei: "Ik ben benieuwd, of het vermoeden van den kornel juist is geweest. Het zou jammer zijn, als de rafters niet meer hier waren."

"Ze zijn er nog, en dichtbij ook," antwoordde een ander. "De houtspaanders, die hier zijn komen aandrijven, zijn nog versch waarschijnlijk van gisteren, maar hoogstens van eergisteren."

"Als dat zoo is, zullen wij weer terug moeten; want dan zijn wij te dicht in de nabijheid van die kerels; ze zouden ons gewaarworden. En zien mogen ze ons niet. Met hen hebben we ook eigenlijk niets te maken; wij willen enkel zwarten Tom opvangen, en hem zijn geld afnemen."

"En dat zullen wij niet krijgen," merkte een ander op.

"Waarom niet?"

"Omdat wij het zoo dom aangelegd hebben, dat het onmogelijk gelukken kan. Denkt gij, dat de rafters ons niet gewaar zullen worden, al gaan wij een eind weegs terug? Dan zouden zij stekeblind moeten zijn. Wij laten hier sporen achter, die onmogelijk weg te maken zijn. En is onze aanwezigheid verraden, dan is het ook uit met ons plan."

"Volstrekt niet. Wij schieten de kerels doodeenvoudig overhoop!"

"Denkt gij dan, dat zij zoo maar zoetsappig op zich zullen laten schieten. Ik heb den kornel den besten raad gegeven; maar hij heeft er niet naar willen luisteren. In het oosten, in de groote steden, gaat de bestolene naar de Politie, en laat die er voor opdraaien, om den dief op te sporen; maar hier in het westen neemt ieder zijn eigen zaak zelf ter hand. Ik ben overtuigd, dat men ons althans een goed eind weegs achtervolgd heeft. En wie zijn het geweest, die ons op de hielen gezeten hebben? In elk geval alleen diegenen van de passagiers, die van zoo iets verstand hebben, dus Old Firehand, Zwarte Tom, en misschien ook die zonderlinge Tante Droll. Op hen hadden wij moeten wachten, dan hadden wij gemakkelijk Tom zijn geld kunnen afnemen. In plaats van dat te doen, hebben wij dezen verren rit gemaakt, en zitten nu hier aan de Beer-rivier, zonder te weten of wij het wel machtig zullen worden. En dat de kornel nu in den nacht in het bosch ronddwaalt, om de rafters te zoeken, is ook al even dom. Hij had best tot morgenochtend kunnen wachten, en...."

Eensklaps zweeg hij; want degene, over wien hij sprak, kwam op dit oogenblik van onder de boomen te voorschijn, en trad op het vuur aan. Hij zag dat aller oogen nieuwsgierig op hem gericht waren, nam den hoed van zijn hoofd, wierp dien op den grond, en zei: "Ik breng geen goede tijding mee, mannen! Ik heb ongeluk gehad."

"Hoe zoo dat? Wat dan? In welk opzicht?" kwamen de vragen uit aller mond. "Waar is Bruns? Waarom is die niet weerom gekomen?"

"Bruns?" antwoordde de kornel, terwijl hij ging zitten. "Die komt in het geheel niet weerom; die is dood!"

"Dood? Zijt gij bezeten of dol! Hoe is hij dan verongelukt? Want dood kan geen mensch hem gemaakt hebben."

"Wat zijt gij een snuggere piet!" hernam de kornel, zich tot den laatsten spreker wendende. "Verongelukt is de arme drommel--dat hebt gij bij het rechte eind. Maar hij is verongelukt door een mes, dat een ander hem in zijn hart heeft gestoken."

Deze mededeeling bracht een groote opschudding teweeg. Ieder vroeg naar het hoe en waarom, en de kornel werd zoo met vragen overstelpt, dat hij niet in staat was aan het woord te komen. Daarom gebood hij stilte; en toen het rumoer bedaard was, deed hij de volgende mededeeling: "Ik had juist Bruns en geen ander met mij meegenomen, omdat hij de knapste opspoorder is, of nu moet ik zeggen was. Hij heeft ook bij deze gelegenheid weer getoond, dat hij zijn roem verdiende, want zijn neus bracht ons bij de rafters."

"Zijn neus?" vroeg er een, die gewoon scheen het woord te doen voor al de anderen.

"Ja, zijn neus. Wij dachten het gezelschap natuurlijk hooger op te vinden, en sloegen dus die richting in. Daarbij moesten wij zeer voorzichtig zijn, daar wij anders allicht gezien konden worden. Om die reden kwamen wij slechts zeer langzaam vooruit en het werd donker. Ik wilde terugkeeren, maar Bruns verzette zich daartegen. Wij hadden verscheiden voetsporen gezien, waaruit hij de gevolgtrekking maakte, dat wij dicht bij het water der houtvlotterij waren. Hij vooronderstelde, dat wij de rafters zouden ruiken, daar zij alleen reeds vanwege de steekvliegen een vuur moesten hebben.

"Die vooronderstelling bleek juist te zijn, want het rook eindelijk naar rook, en op de hoogte van den oever zagen wij een flauw licht als van een brandend vuur, welks schijnsel door kreupelbosch en geboomte dringt. Wij klauterden naar boven en zagen nu het vuur vóór ons. Het brandde voor een blokhuis, en om de vlam heen zaten de rafters, een twintigtal, juist zoowat als wij. Om hen te kunnen beluisteren slopen wij naderbij. Ik bleef onder een boom liggen, en Bruns verschool zich achter het huis. Wij hadden nog geen tijd gehad, om acht te geven op hun gesprek, toen eensklaps twee kerels kwamen, geen rafters, maar vreemden. Raadt eens wie dat waren! Maar neen, dat kunt gij onmogelijk raden. Het waren die twee Indianen, de Groote en de Jonge Beer van den Dogfish."

De tramps hoorden zeer verwonderd op van dit nieuws; zij wilden het niet gelooven. Doch zij schrikten, toen zij hoorden wat de Roodhuid aan de rafters verteld had. Toen vervolgde de kornel: "Ik zag dat de Roodhuid het vuur geheel en al uitbluschte, en toen werd er zoo zacht gesproken, dat ik niets meer verstaan kon. Ik wilde nu gaarne weg, doch moest natuurlijk op Bruns wachten. Eensklaps hoorde ik een gil zoo ontzettend, zoo verschrikkelijk, dat hij mij door merg en been ging. Hij kwam uit de richting van het blokhuis, waarachter Bruns zich verscholen had. Ik begon mij ongerust over hem te maken, en sloop dus daarheen. Het was zoo donker, dat ik mij op den tast voortbewegen moest. Weldra taste ik met mijn hand op een menschelijk lichaam, dat in een poel van bloed lag. Ik voelde aan de kleeren, dat het Bruns was, en schrikte geweldig. Hij had een steek in zijn rug, die doorgedrongen moest zijn juist in zijn hart; hij was dood. Wat kon ik doen? Ik haalde alles uit zijn zakken, nam zijn mes en zijn revolver, en liet hem liggen. Toen ik weer naar voren kwam bespeurde ik, dat de rafters zich in het blokhuis teruggetrokken hadden, en nu maakte ik mij ijlings uit de voeten."

De tramps gaven in ruwe uitdrukkingen lucht aan hun deernis met het lot van hun kameraad; doch de kornel maakte een einde daaraan door te zeggen: "Nu is het mooi genoeg! Wij hebben geen tijd om ons langer daarmede bezig te houden, want wij moeten maken dat wij wegkomen!'

"Waarom dat?" werd er gevraagd.

"Waarom? Hebt gij dan niet gehoord, dat die Roodhuiden ons bivak kennen? Zij zullen ons natuurlijk willen overvallen, waarschijnlijk morgenochtend vroeg. Maar aangezien zij begrijpen zullen, dat wij den doode moeten vermissen en dus achterdocht zullen krijgen, is het best mogelijk, dat zij nog eer zullen komen. Als wij ons laten overrompelen, zijn wij verloren. Wij moeten dus dadelijk verder."

"Maar waarnaar toe?"

"Naar Eagle-tail."

"O, om de spoorweg-kas te halen. Het geld van de rafters zullen wij dus in den steek moeten laten."

"Jammer genoeg, maar het is het verstandigste dat wij doen kunnen, en...."

Hier zweeg hij plotseling, en maakte met de hand een beweging van verwondering, die de anderen niet begrepen.

"Wat is het? Wat scheelt u?" vroeg er een. "Spreek verder!"

De kornel stond op, zonder te antwoorden. Hij had dicht bij de plek gezeten, waar de twee luisteraars lagen. Dezen bevonden zich niet meer naast elkander zooals vroeger. Toen namelijk de oude Missouriër de kornel in het oog had gekregen, had zich van zijn gemoed een geheel ongewone beroering meester gemaakt, die nog aangrijpender werd, toen hij het stemgeluid van den kornel hoorde. Hij bleef niet stil liggen, maar schoof verder en telkens verder vooruit door het biesgewas heen. Zijn oogen schoten vlammen en dreigden uit hun kassen te puilen. In dien opgewonden toestand vergat hij de noodige voorzichtigheid; hij lette er niet op, dat bijna zijn gansche hoofd uit de biezen omhoogstak.

"Niet zien laten!" fluisterde de Tonkawa hem toe, en trok hem meteen achteruit.

Maar het was reeds te laat, want de kornel had het hoofd gezien. Daarom had hij eensklaps zijn gesprek afgebroken, en was schielijk opgestaan, om den bespieder onschadelijk te maken. Hij ging daarbij te werk met groote sluwheid, want hij zei: "Ik herinner mij daar, dat ik bij de paarden nog.... maar, gaat gij beiden even met mij mee!"

Dit zeggende wenkte hij de twee mannen, die aan zijn rechter- en linkerzijde gezeten hadden. Zij stonden dadelijk op, en nu fluisterde hij hun toe: "Wat ik zei is larie; want daarachter in de biezen ligt een kerel, stellig een rafter. Merkt hij, dat ik het op hem gemunt heb, dan maakt hij zich uit de voeten. Zoodra ik mij op hem werp, pakt ook gij beiden hem beet. Zoodoende hebben wij hem in een oogwenk zoo goed vast, dat hij zich niet verweren en mij niet verwonden kan.... Dus vooruit maar!"

Bij deze woorden "vooruit maar!", die hij zoo luid mogelijk uitsprak, draaide hij zich snel als een weerlicht om, en deed een sprong naar de plek, waar hij het hoofd gezien had.

De Tonkawa-hoofdman was een uiterst voorzichtig, ervaren en scherpzinnig man. Hij zag den kornel opstaan en met de twee anderen fluisteren; hij zag, dat een van die twee een onwillekeurige beweging achterwaarts maakte. Hoe gering en schier onmerkbaar die beweging ook was, aan den Grooten Beer verried die toch wat er gaande was. Hij stiet met zijn hand den ouden Bender aan, en fluisterde hem toe: "Gauw weg! Kornel u gezien en u vangen. Gauw, gauw!"

Tegelijk keerde hij zich om zonder van den grond op te staan, en kroop schielijk weg achter het dichtstbij zijnde plekje kreupelhout. Dat alles was het werk van hoogstens twee seconden; maar toen hoorde hij achter zich reeds het "vooruit maar!" van den kornel, en omkijkende zag hij, hoe die zich op den Missouriër wierp, welk voorbeeld de twee andere tramps dadelijk volgden.

De oude Blenter werd, in spijt van zijn hooggeroemde tegenwoordigheid van geest, volkomen overrompeld. De drie lagen of knielden op zijn lijf, en hielden zijn armen en beenen vast, en de overige tramps sprongen van het vuur op en haastten zich ter hulp. De Indiaan had zijn mes getrokken, om den oude bij te staan; maar hij begreep terstond, dat hij tegen zulk een overmacht niet veel zou kunnen uitrichten. Hij kon niets anders doen dan afkijken wat er met den Missouriër gebeuren zou, en dan aan de rafters daarvan kennis geven. Om echter niet ook zelf ontdekt te worden, kroop hij van de in de biezen gesneden opening weg, ver ter zijde, waar hij zich achter eenig kreupelhout verborg.

Toen de tramps den gevangene zagen wilden zij lawaai maken, doch de kornel legde hun het zwijgen op. "Stil!" gebood hij; "wij weten niet of er nog meer zijn. Houdt hem goed vast. Ik zal zelf eens gaan kijken."

Hij onderzocht den omtrek van het vuur, en ontdekte tot zijn geruststelling geen mensch. Toen gebood hij den man bij het vuur te brengen. De gevangene had al zijn krachten ingespannen om zich los te worstelen, doch tevergeefs. Hij begreep, dat hij zich in zijn lot zou moeten schikken. Al te erg, dacht hij, zou het toch niet kunnen worden, daar hij tot nu toe de tramps geen kwaad gedaan had. Overigens stelde ook de gedachte aan den Indiaan hem eenigszins gerust. Die was stellig gauw weggegaan, om hulp te halen.

Terwijl vier man den gevangene op den grond vasthielden, boog de kornel over hem heen, om hem in zijn gezicht te zien. Met een langen, langen, scherp en peinzend uitvorschenden blik deed hij dat. Toen zei hij: "Kerel! ik ken je maar ik kan je niet thuis brengen! Waar kan ik je vroeger al eens gezien hebben?"

De oude wachtte zich wel het hem te zeggen; want in dat geval was hij stellig en zeker een verloren man geweest. Gloeiende haat kookte in zijn binnenste; maar hij deed zich geweld aan, om een zeer onverschillig gezicht te zetten.

"Ja, ik moet je ergens gezien hebben," herhaalde de kornel. "Wie zijt gij? Behoort gij tot de rafters, die hooger op aan het werk zijn?"

"Ja," antwoordde de gevraagde.

"Wat doet gij hier rond te sluipen? Waarom beluistert gij ons?"

"Zonderlinge vraag! Is het hier in het Westen dan verboden de menschen goed te bekijken? Ik geloof veel meer, dat het een gebod der noodzakelijkheid is, dat te doen. Er zijn hier lieden in overvloed, voor wie men zich in acht dient te nemen."

"Rekent gij ook ons daaronder?"

"Tot welke klasse van menschen gij behoort, zal eerst moeten blijken. Want ik ken u niet."

"Dat liegt ge. Gij hebt gehoord wat wij gesproken hebben, en gij weet dus zeer goed wie en wat wij zijn."

"Ik heb niets gehoord. Ik was onder aan de rivier, en wilde naar ons bivak. Toen ik uw vuur gewaarwerd, sloop ik natuurlijk dichterbij, om te zien wie zich hier neergezet hadden. Ik had volstrekt geen tijd om te hooren wat er gesproken werd, want ik was te onvoorzichtig, en juist op het oogenblik toen ik dacht te kunnen luisteren werd ik ontdekt."

Hij hoopte, dat alleen de gedoode tramp hem hooger op bij het blokhuis gezien had, daar hij zijn gelaat naar dezen had toegekeerd, doch hij vergiste zich, want de roodharige kornel antwoordde:

"Allemaal leugenachtige praatjes; want ik had je te voren al bij de rafters zien zitten, en ook je stem gehoord: daaraan herken ik je. Wilt gij dat bekennen?"

"Dat kan niet in mij opkomen! Wat ik zeg is de waarheid. Gij ziet mij voor een ander aan."

"Dus zijt gij werkelijk alleen hier geweest?"

"Ja."

"En houdt gij vol, dat gij werkelijk niets van ons gesprek gehoord hebt?"

"Ja, geen woord!"

"Hoe is uw naam?"

"Adams--ik heet Adams," loog de Missouriër, die alle reden meende te hebben, om zijn waren naam niet te noemen.

"Adams," zei de kornel hem peinzend na. "Adams! ... Ik heb nooit een Adams gekend, die uw gezicht had. En toch blijf ik mij overtuigd houden, dat wij elkander reeds meer gezien hebben! Kent gij mij? Weet gij hoe ik heet?"

"Neen," verzekerde de oude, ook weer in strijd met de waarheid. "Maar laat mij nu maar los! Ik heb u niets gedaan, en hoop, dat gij eerlijke Westmannen zijt, die andere eerlijke menschen ongemoeid laten."

"Ja, eerlijke mannen zijn wij, zeer eerlijke mannen," lachte de roodbaard. "Maar gij hebt kort geleden een der onzen doodgestoken, en volgens de wetten van het Westen schreit dat om wraak. Bloed om bloed, en leven om leven. Gij moogt zijn wie gij wilt, maar het is gedaan met u!"

"Wat? Wilt gij mij vermoorden?"

"Ja, zooals gij onzen kameraad vermoord hebt. Het eenige, dat nog beslist moet worden, is: of gij, juist als hij, door het mes zult sterven, dan wel of wij u daar in de rivier zullen verzuipen. Veel morgenspraak zal er niet met u gemaakt worden." En zich tot de zijnen wendende: "Wij hebben geen tijd te verliezen. De meerderheid van stemmen moet maar beslissen. Stopt hem een prop in zijn mond; hij moet niet kunnen schreeuwen. Wie uwer het beter vindt, dat wij hem in het water smijten, steke den arm in de hoogte."

Verreweg de meesten staken dadelijk een arm in de hoogte.

"Verzuipen dus!" zeide de kornel. "Bindt zijn armen en zijn beenen stevig aaneen: hij moet niet kunnen zwemmen. Dan maar gauw in het water, dan kunnen wij oprukken, eer zijn kameraden komen!"

Terwijl de oude Missouriër het bovenstaande verhoor onderging werd hij door verscheiden kerels stevig vastgehouden. Nu moest hem allereerst een prop in den mond gestopt worden. Hij wist dat de Indiaan onmogelijk reeds de rafters bereikt kon hebben; op hulp viel er dus volstrekt niet te hopen. En toch deed hij, wat ieder ander in zijn plaats gedaan zou hebben: hij verweerde zich met inspanning van al zijn krachten, en schreeuwde om hulp. Zijn geroep kon gehoord worden ver, zeer ver weg, in de doodsche stilte van den nacht.

"All lightnings!" vloekte de roodbaard. "Laat hem toch niet zoo hard schreeuwen. Als gij het met u allen niet met hem klaren kunt, zal ik zelf het alleen met hem klaarspelen. Gaat maar even op zij!"

Hij greep zijn geweer, en hief het op, om den oude met de kolf de hersens in te slaan; maar hij had den tijd niet om dat te volvoeren, want....

Kort voor den avond waren vier ruiters, die het spoor der tramps scherp in het oog hielden, den oever der rivier bovenwaarts gevolgd, namelijk Old Firehand, Zwarte Tom, en Tante Droll met haar jongeling. Het spoor liep onder de boomen door: het was erg duidelijk te herkennen, maar het was moeilijk te zeggen hoe oud het reeds was. Eerst toen het over een met gras begroeide boomlooze plek liep, steeg Old Firehand van zijn paard af, om het te onderzoeken, daar de grashalmen dienaangaande beter opheldering konden geven, dan het lage woud-mos. Toen hij de indrukken nauwlettend bekeken had, zeide hij: "De kerels zijn ons ongeveer een Engelsche mijl vooruit, want het spoor is op zijn hoogst een halfuur oud. Wij moeten onze paarden dus een beetje harder laten loopen."

"Waarom dat?" vroeg Tom.

"Om nog vóór den nacht zóó dicht bij de tramps te komen, dat wij ontdekken waar zij hun bivak opgeslagen hebben."

"Is dat niet gevaarlijk voor ons?"

"Voor zoover ik weet volstrekt niet."

"Ik verzeker u van ja. Zij zullen in elk geval voor het donker wordt hun bivak betrekken; en als wij ons te veel haasten zullen wij hen precies in den mond loopen."

"Daar ben ik in het geheel niet bang voor. Gesteld dat uw vermoeden juist is, dan kunnen wij hen toch niet bereiken, voordat de donker valt. Uit verscheiden kleinigheden, die ik opgemerkt heb, maak ik de gevolgtrekking, dat wij ons in de nabijheid bevinden van de rafters, die wij allereerst dienen te waarschuwen. Het is dus van belang, de plaats te kennen, waar de tramps bivakkeeren. En daartoe moeten wij spoed maken, hoe meer spoed hoe beter. Anders overvalt ons de nacht, waarin, eer het weer ochtend wordt, heel wat gebeuren kan, dat wij dan niet zouden kunnen verhinderen. Hoe denkt gij daarover, Droll?"

Beiden hadden Duitsch gesproken. Droll antwoordde dus in zijn plat-Duitsch: "Gij hebt daar precies mijn gevoelen uitgesproken. Als wij ferm doorrijden, hebben wij hen des te eerder: als wij daarentegen langzamer rijden, dan krijgen wij hen zooveel te later, en kunnen dan allicht eer en erger in het nauw geraken, dan hen, die wij willen redden. Dus, mijne heeren! laat ons zoo hard rijden als wij kunnen, dat de boomen er van beginnen te waggelen."

Daar de boomen niet zeer dicht op elkander stonden, kon aan dit voorstel gevolg gegeven worden in het bosch zelfs. Doch ook de tramps hadden tot het uiterste oogenblik partij getrokken van het daglicht, en niet eer halt gehouden, dan toen zij daartoe gedwongen werden door de duisternis. Had Old Firehand niet zoo bepaald hun spoor gevolgd, maar een weinig meer in de nabijheid van den oever gehouden, dan zou hij op het spoor zijn gekomen van de twee Tonkawa-Indianen, die slechts een zeer geringen afstand hem vooruit waren.

Toen het zoo donker werd, dat de indrukken der paardenhoeven niet meer te herkennen waren, steeg hij nogmaals uit den zadel, om die nauwlettend op te nemen. Het resultaat was: "Wij hebben ruim een mijl afgelegd; maar ook de tramps hebben goed doorgereden. Toch zullen wij ons best doen om hen in te halen. Stijgt af; wij moeten nu verder te voet, en de paarden bij den toom leiden."

Ongelukkigerwijze was de afstand, dien zij op die manier nog konden afleggen, van weinig beteekenis, daar het, om zoo te zeggen plotseling, zoo donker werd, dat zij geen hand meer voor oogen konden zien. Het viertal hield dus halt.

"Wat nu?" vroeg Tom. "Wij zijn bijna genoodzaakt hier te bivakkeeren."

"Neen," antwoordde Droll. "Ik bivakkeer niet; maar wij loopen netjes door, totdat wij hen vinden."

"Maar dan zullen zij ons immers hooren aankomen!"

"Dan moeten wij zacht loopen. Mij, ten minste, zullen ze niet hooren, en krijgen zullen ze mij ook niet. Zijt gij óók niet van mijn idee, mijnheer Firehand?"

"Ja, ik ben volkomen van hetzelfde gevoelen," luidde zijn antwoord. "Maar de voorzichtigheid verbiedt ons, nog langer de richting van hun spoor te volgen. Als wij dat deden, zou Tom gelijk hebben; dan zouden de tramps ons stellig hooren aankomen. Doch als wij wat meer rechts afhouden, van de rivier af, dan hebben wij hen tusschen ons en het water en moeten hun vuur te zien krijgen, zonder dat zij ons gewaarworden."

"En als zij geen vuur hebben?" wierp Tom tegen.

"Dan ruiken wij hun paarden," zeide Droll. "In het bosch ruikt men de paarden veel gauwer dan buiten in het open veld. Mijn neus heeft mij nog nooit in den steek gelaten. Laat ons dus voortmarcheeren naar rechts."

Old Firehand, zijn paard aan den teugel leidende, ging vooruit, en de overige drie volgden, achter elkander. Het was echter jammer, dat de rivier hier een vrij grooten boog beschreef naar links. Het gevolg daarvan was, dat zij te ver van de rivier verwijderd geraakten. Old Firehand bespeurde dit aan de verminderde vochtigheid van den grond in den omtrek, en liep daarom meer naar links. Doch de gemaakte omweg was niet meer ongedaan te maken, te minder, daar men in het donkere bosch slechts zeer langzaam kon gaan.

Het viertal kwam tot het besef, dat zij een verkeerde richting hadden ingeslagen, en oordeelden het raadzaam allereerst naar de rivier terug te keeren. Zij wisten niet, dat zij om het bivak der tramps heen getrokken waren en dat zij zich op dit oogenblik tusschen dat kamp en het kamp der rafters bevonden. Gelukkigerwijze bespeurde Old Firehand den reuk van den rook, en bleef even stilstaan, om zich te vergewissen uit welke richting die rook kwam. Achter hem snoof Droll naar links en rechts in de lucht; en zei toen: "Dat is rook; die komt van daarginder; wij moeten dus daar naar de laagte. Maar laat ons voorzichtig zijn; want het is juist, verbeeld ik mij, of het daar lichter wil worden. Dat kan van niets anders wezen dan van het vuur."

Hij meende zijn voet te verzetten, doch deed het niet, want zijn scherp gehoor vernam naderende voetstappen. Ook Old Firehand hoorde die, en tevens het gejaagde ademhalen van dengene die naderde. Hij liet den teugel van zijn paard los, en deed eenige schreden voorwaarts. Zijn fijn gehoor zei hem, dat de naderende man daar voorbij zou komen. In de duisternis van den nacht en van het bosch, zelfs voor het oog van den beroemden jager nauwelijks te ontwaren, dook daar eensklaps een gedaante voor hem op, die ijlings voorbij dacht te glijden. Old Firehand greep toe, met beide handen.

"Halt!" gebood hij, doch met een onderdrukte stem, om niet te ver gehoord te worden. "Wie zijt gij?"

"Sjaj nek-enokh, sjaj kopeia (= ik weet niet, niemand)," antwoordde de gevraagde, terwijl hij zich trachtte los te worstelen.

Zelfs de onvervaardste man zal schrikken, wanneer hij, zich des nachts in een bosch alleen wanende, eensklaps door twee ijzersterke handen wordt aangegrepen. In zulke oogenblikken van schrik zal iedereen, zelfs al spreekt hij verscheiden talen, zich onwillekeurig van zijn moedertaal bedienen. Zoo ook de man, die door Firehand vastgehouden werd. Deze verstond die woorden, en zei verrast: "Dat is Tonkawa! Voor ons uit is de Groote Beer met zijn zoon. Gij zijt toch niet.... spreek! zeg wie gij zijt."

De man had de stem van den grooten jager herkend, en antwoordde schielijk in zijn gebroken Engelsch: "ik Nientropan-hawi; gij Old Firehand. Dat zeer goed, zeer goed! Nog meer mannen bij u?"

"Wel, wel! De Groote Beer! Dat is meer geluk dan wijsheid. Ja, ik ben Old Firehand. Ik heb nog drie mannen bij mij, en wij hebben paarden ook. Wat hebt gij hier uit te voeren? De tramps zijn dicht in de nabijheid; neem u dus in acht!"

"Ik gezien hen. Zij gevangen nemen ouden Missouriër Blenter. Willen doodmaken hem. Ik loopen naar rafters om hulp, toen Old Firehand mij vasthouden."

"Willen zij een rafter doodmaken? Dat moeten wij hun beletten. Waar zijn zij?"

"Daarachter mij, waar tusschen boomen licht worden."

"Is de roodharige kornel bij hen?"

"Ja, hij daar zijn."

"Waar hebben zij hun paarden?"

"Als Old Firehand naar hen toe, dan paarden staan rechts, eer aan vuur komen."

"En waar zijn de rafters?"

"Boven op berg. Groote Beer al bij hen geweest, en met hen gesproken."

Hij vertelde in enkele woorden wat er gebeurd was, waarop Old Firehand antwoordde: "Als er een tramp doodgestoken is, zullen zij uit weerwraak den ouden Missouriër willen vermoorden, en wel dadelijk, om geen tijd te verliezen, daar zij moeten vluchten, nu hun aanwezigheid verraden is. Wij met ons vieren zullen onze paarden hier vastbinden, en ons naar het vuur spoeden, om den moord te verhinderen. Spoed gij u naar de rafters, opdat die terstond hier komen. Wij zijn met ons vieren wel niet bang voor die tramps; maar het is toch in elk geval maar beter, dat de houtvlotters onverwijld hier komen."

De Indiaan spoedde zich weg. Ons viertal bond de teugels van hun paarden aan boomen vast, en haastte zich nu, om zoo snel mogelijk het bivak der tramps te bereiken. Reeds zeer spoedig begon het lichter voor hun oogen te worden, en weldra werden zij, door de boomen heen, de vlammen van het vuur gewaar. Rechts op de open plek zagen zij de paarden staan.

Zij hadden zich tot nu toe geen moeite gegeven om niet gezien of gehoord te worden. Nu echter gingen zij op den grond liggen, en kropen met behoedzaamheid op het vuur aan. Daarbij wendde Old Firehand zich tot Fred, den jongeling, die Tante Droll vergezelde. Hij meende hem te zeggen, om zich naar de paarden te begeven en ieder der tramps neer te schieten, die te paard mocht willen stijgen om te ontvluchten. Maar nauwelijks was het eerste woord over zijn lippen, toen weerklonk er uit het bivak der tramps een luide noodkreet, die door merg en been drong. Het was de reeds vermelde angstkreet om hulp, van den ouden Missouriër.

"Zij vermoorden hem!" zeide Old Firehand nog altijd fluisterend. "Gezwind er op los, tot midden onder hen. Geen genade voor wien zich verweert!"

Hij sprong overeind, rende op het vuur aan, smeet drie of vier tramps op zij, om bij den roodbaard te komen, die, zooals reeds gezegd, juist den genadeslag aan zijn slachtoffer meende te geven. Old Firehand had geen seconde later moeten komen: hij sloeg den kornel met een kolfslag neer. Twee, drie tramps, die bezig waren, den Missouriër te binden en te knevelen, om hem dan in de rivier te werpen, vielen insgelijks onder zijn slagen. Toen wierp hij zijn nog niet afgeschoten geweer weg, trok zijn revolver, en vuurde op de overige vijanden. Daarbij sprak hij geen woord. Het was zijn gewoonte, onder het vechten nooit te spreken, of hij moest genoodzaakt zijn bevelen te geven.

Maar des te luidruchtiger waren de andere drie. Zwarte Tom had zich insgelijks als een razende te midden van de tramps geworpen, en stelde den een voor en den ander na met de kolf van zijn geweer buiten gevecht, terwijl hij hun de smadelijkste schimpnamen en verwenschingen naar het hoofd smeet. De zestienjarige Fred had eerst zijn geweer op hen afgeschoten, het toen weggeworpen, en was met zijn revolver begonnen. Hij loste schot op schot, en schreeuwde daarbij uit al zijn macht, om hun schrik te verhoogen.

Het allerhardste echter, boven alles uit, liet de krijschende fluitstem van Tante Droll zich hooren. Die zonderlinge jager schreeuwde en tierde alleen voor honderd man. Zijn bewegingen waren zoo onvertelbaar vlug, dat geen der vijanden met mogelijkheid eenigszins goed gemikt op hem zou hebben kunnen schieten. Maar er was ook niet een, die dat beproefde. De tramps waren van schrik over die onverwachte overrompeling zoo verbluft, dat zij in het eerste oogenblik niet aan weerstand-bieden dachten; en toen zij tot bezinning kwamen zagen de nog ongekwetsten zooveel hunner kameraden dood of zwaar gewond op den grond liggen, dat zij het voor raadzaam hielden ijlings het hazenpad te kiezen. Zij zetten het op een loopen, zonder zich den tijd gegund te hebben, om hun aanvallers te tellen, wier aantal zij, door het razende spektakel dat Tante Droll maakte, veel grooter waanden. Van het oogenblik af toen Old Firehand zijn eersten slag deed tot aan de vlucht van de nog ongekwetste tramps, was er geen volle minuut verloopen.

"Hen achterna!" riep Old Firehand. "Ik blijf hier. Laat hen niet aan de paarden komen."

Tom, Droll en Fred snelden onder een oorverdoovend geschreeuw naar de plaats, waar zij de paarden hadden zien staan. De weinige tramps, die daarheen gevlogen waren om zich in den zadel te redden, kwamen er niet toe dat voornemen te volbrengen; zij vluchtten te voet verder het bosch in.

Onder die bedrijven hadden de rafters, in hun blokhuis hooger op, op de terugkomst van hun twee verspieders--den Missouriër en den Tonkawa-hoofdman--gewacht. Toen zij het schieten beneden aan de rivier hoorden, vermoedden zij dat die twee in gevaar verkeerden. Om hen zoo mogelijk te redden, grepen zij hun wapenen, verlieten het huis, en snelden zoo hard, als de duisternis toeliet, in de richting van waar zij het schieten gehoord hadden. Daarbij schreeuwden zij zoo hard als zij maar konden, ten einde daardoor de tramps van de twee bedreigden af te schrikken. Voor hen uit liep de Jonge Beer, daar die met juistheid de plaats wist waar de tramps bivakkeerden. Hij liet van tijd tot tijd zijn stem hooren, om de rafters in de goede richting te houden. Zij hadden nauwelijks de helft van den weg afgelegd, toen vóór hen nog een andere stem weerklonk, namelijk die van den ouden Beer.

"Gauw komen, gauw!" riep hij. "Old Firehand daar zijn, en op de tramps schieten. Hij maar drie mannen bij zich; hem helpen!"

Nu ging het met verhaaste schreden op het dal aan. Het schieten had opgehouden, en men wist dus niet hoe de zaken stonden. Het geschreeuw der rafters had ten gevolge, dat de vluchtende tramps zich geen oogenblik halt gunden, maar zich de grootste moeite gaven, om zoo ver mogelijk weg te komen. Ook de rafters waren niet minder gehaast. Menig hunner liep tegen een boom, en liep zoodoende een kwetsuur op, zonder er echter acht op te slaan.

VIERDE HOOFDSTUK.

AAN DE VERGELDING ONTKOMEN.

Toen de rafters vervolgens beneden bij het vuur kwamen, zaten Old Firehand, Tom, Droll, de Missouriër en Fred er omheen, zoo rustig en bedaard, alsof het opzettelijk voor hen aangelegd, en er niets buitengewoons voorgevallen was. Aan de eene zijde lagen de lijken der gedooden, aan de andere zijde de stevig gebonden gekwetste en gevangengenomen tramps, onder laatstgenoemden ook de roodharige kornel.

"Verduiveld!" riep de eerstaangekomene tegen den ouden Missouriër. "Wij dachten u in levensgevaar, en gij zit daar zoo lekker als in Abraham's schoot."

"Ben ook in levensgevaar geweest," antwoordde de oude; "op het punt geweest om overgekolfd te worden in Abraham's schoot, namelijk door de kolf van het geweer van den kornel, dat reeds boven mij opgeheven werd, toen deze vier messieurs overslag kwamen, en mij uit de verknijping hielpen. Een werkje, waarvan zij eer hebben, gauw en goed. Gij zoudt nog iets van hen kunnen leeren, boys (= jongens)!"

"En.... is werkelijk Old Firehand daarbij?"

"Ja, daar zit hij. Kijkt hem eens goed aan, en drukt hem de hand. Hij heeft het verdiend! Denkt eens aan: vier man, slechts vier, werpen zich op twintig, en zonder dat zij een enkel schampertje bekomen, maken zij negen dooden en zes gevangenen, zonder de kogels en houwen te rekenen, die een paar ontsnapten toch ook wel ontvangen zullen hebben! En eigenlijk zijn het maar drie mannen en een jongsken. Kunt gij u iets kranigers voorstellen?"

Dit zeggende was hij en de anderen opgestaan. De rafters bleven eerbiedig op eenigen afstand staan, met hun oogen onafgewend op de reuzengestalte van Old Firehand gevestigd. Deze spoorde hen aan om dichterbij te komen en drukte hun een voor een de hand. De beide Tonkawa verwelkomde hij met bijzondere onderscheiding, terwijl hij tegen hen zeide: "Mijn roode broeders hebben in het vervolgen van de tramps een meesterstuk geleverd, waardoor het mij zeer gemakkelijk is gemaakt, te doen wat ik gedaan heb. Ook wij hebben van Indianen paarden gekocht, om u zoo mogelijk in te halen, eer gij met de tramps te doen kreegt."

"De lofuiting van mijn blanken broeder vereert mij meer dan ik verdien," antwoordde de Oude Beer bescheiden. "De tramps hebben maken een spoor, zoo diep en breed als van een troep buffels. Wie niet zien dat spoor, die blind. Maar waar zijn de kornel? Hij ook dood?'

"Neen, hij leeft nog. De slag met mijn geweerkolf had hem slechts bewusteloos gemaakt. Hij is spoedig weer bij kennis gekomen, en nu hebben wij hem gebonden. Daar ligt hij."

Hij wees met de hand naar de plaats, waar de kornel lag. De Tonkawa ging daarnaar toe, trok zijn mes, en zeide: "Als hij niet gestorven van kolfslag, dan hij sterven van mes. Hij mij geslagen, nu ik nemen zijn bloed!"

"Halt!" riep nu de oude Missouriër, terwijl hij den met het mes gewapenden opgeheven arm van den Tonkawa-hoofdman greep. "Die kerel behoort niet aan u, hij is mijn!"

De Oude Beer keerde zich om, zag den Missouriër ernstig in de oogen, en vroeg toen: "Gij ook verlangen wraak tegen hem?"

"Ja, en welke!"

"Bloed?"

"Bloed en leven!"

"Sedert wanneer?"

"Sedert vele, vele jaren. Hij heeft mijn vrouw en twee zoons laten doodranselen."

"Gij u niet vergissen?" vroeg de Indiaan, wien het aan zijn hart ging te moeten afzien van zijn wraak, waartoe hij volgens de wetten der prairie verplicht was.

"Neen, er is geen vergissing mogelijk. Ik heb hem dadelijk herkend. Zulk een gezicht kan men niet vergeten."

"Gij hem dus dooden?"

"Ja, zonder genade of medelijden."

"Dan ik terugtreden, maar niet geheel en al. Hij aan mij geven bloed, en aan u geven leven. Tonkawa hem niet mogen kwijtschelden straf; ik hem dus afsnijden ooren. Gij goedvinden?"

"Hem! En als ik dat nu eens niet goedvind?"

"Dan Tonkawa hem doodschieten terstond."

"Nu, snijd hem dan zijn ooren maar af! Het is misschien niet heel christelijk van me, dat ik dat toelaat; maar wie zooveel verdriet doorleefd heeft, als mij tot nu toe door hem berokkend is, die houdt het met de wet der savanne en niet met de zachtere leer, die voorschrijft zelfs jegens zulk een booswicht goedertierenheid te betrachten."

"Wie misschien nog spreken willen met Tonkawa?" vroeg de Indiaan, daarbij zijn blik latende rondgaan over de aanwezigen, of er wellicht nog iemand was, die zich tegen zijn voornemen wilde verzetten. Doch ziende, dat niemand er tegen opkwam, vervolgde hij: "Nu, dan ooren mijn, en ik die nemen terstond."

Hij knielde naast den kornel neer, om aan zijn voornemen gevolg te geven. Toen deze zag dat het ernst begon te worden, riep hij uit: "Wat gaat gij beginnen, messieurs? Is dat christelijk? Wat heb ik u gedaan, dat gij aan dezen rooden heiden vergunt, mijn hoofd te verminken?"

"Over hetgeen gij alleen aan mij gedaan hebt, zullen wij straks spreken," antwoordde de Missouriër met ijskouden ernst.

"En wat wij anderen u ten laste te leggen hebben, dat zal ik u dadelijk laten zien," voegde Old Firehand er bij. "Wij hebben uw zakken nog niet doorzocht; wij willen eens zien wat zooal daarin zit."

Hij gaf Droll een wenk, en die ledigde de zakken van den gevangene. Daarin bevond zich, behalve vele andere voorwerpen, de brieventasch van den kornel.

Toen die geopend werd, bleek, dat daarin nog de volle som aan banknoten aanwezig was, die men aan den ingenieur ontstolen had.

"Ha, gij hebt nog niet met uw kameraden gedeeld, zie ik!" lachte Old Firehand. "Dat is een bewijs, dat ze u meer vertrouwden, dan wij. Gij zijt een dief, en waarschijnlijk iets nog veel ergers. Gij verdient geen genade. De Groote Beer kan met u doen wat hem goeddunkt."

De kornel begon hard te schreeuwen van angst; maar de Tonkawa-hoofdman stoorde zich niet aan zijn geschreeuw, vatte hem bij zijn voorhoofds-haar en sneed met vlugge en vaste hand zijn beide oorvleugels af, die hij in de rivier smeet.

"Ziezoo!" zei hij. "Tonkawa zich nu gewroken; dus nu wegrijden."

"Nu?" vroeg Old Firehand. "Wilt gij niet met mij rijden, niet althans nog dezen nacht bij ons blijven?"

"Tonkawa het zijn volkomen onverschillig, of dag of nacht. Zijn oogen goed maar zijn tijd zeer kort. Hij heeft verloren vele dagen, om te vervolgen kornel; nu hij doorrijden dag en nacht, om zijn wigwam te bereiken. Hij vriend van blanke mannen; hij groot vriend en broeder van Old Firehand. De groote Geest steeds geven veel kruit en veel vleesch aan bleekgezichten die vriendelijk geweest met Tonkawa. Howgh!"

Hij nam zijn geweer op schouder, en verwijderde zich. Zijn zoon deed eveneens, en volgde hem het stikdonkere bosch in.

"Waar hebben zij hun paarden?" vroeg Old Firehand.

"Hooger op, bij ons blokhuis," antwoordde de Missouriër. "Natuurlijk gaan zij die nu eerst halen. Maar hoe zij in het holst van den nacht den weg door het dichte bosch zullen vinden is mij een raadsel."

"Maak u daarover volstrekt niet ongerust," zei de jager. "Zij kennen den weg; anders zouden zij wel hier gebleven zijn. De Oude Beer heeft, zooals hij zei, vele inkoopen gedaan. Die goederen zijn onderweg: hij moet zijn karavaan opvangen, en heeft reeds te veel tijd verzuimd. Het is dus alleszins verklaarbaar, dat hij zooveel haast maakt. Wij zullen hen daarom hun weg laten vervolgen, en ons met onze eigen zaken bezighouden. Wat moet er met de dooden en gevangenen gebeuren?"

"De eerstgenoemden werpen wij eenvoudig in het water, en over de anderen houden wij volgens oud gebruik gerecht. Vooraf echter dienen wij ons te vergewissen, dat wij, van de ontkomenen geen gevaar te duchten hebben."

"O, hun getal is zoo klein, dat wij van hen niets hebben te vreezen; zij zullen geloopen hebben zoo ver hun beenen hen konden dragen. Overigens kunnen wij, om meer dan zeker van onze zaak te zijn, eenige wachten uitzetten."

De kornel lag bij zijn gevangen tramps, en jammerde van de pijn; doch niemand sloeg daar acht op, althans vooreerst niet. Van de rivierkant was niets te vreezen, en naar de landzijden werden eenige wachtposten uitgezet. Old Firehand liet zijn paard en ook die zijner drie metgezellen halen, en toen kon het "Savannen-gerecht" beginnen.

Allereerst werd over de gewone tramps gehandeld. Er kon geen bewijs tegen hen geleverd worden, dat door iemand hunner aan een der aanwezigen eenig leed was gedaan. Voor hetgeen zij in hun schild gevoerd hadden werden hun reeds ontvangen kwetsuren en het verlies van hun paarden en wapenen als voldoende straf aangemerkt. Vannacht zouden zij streng bewaakt en dan morgenochtend vroeg op vrije voeten gesteld worden. Zij konden dan verder elkanders wonden verbinden.

Nu kwam de beurt aan den voornaamsten schuldige, den kornel. Hij had tot nu toe in de schaduw gelegen, doch werd thans bij het vuur gebracht. Nauwelijks viel het schijnsel der vlam op zijn gezicht, of de jonge Fred gaf een luiden gil, sprong op hem aan, bukte zich over hem heen, bekeek hem alsof hij hem met zijn oogen verslinden wilde, en riep toen, het woord tot Tante Droll richtende: "Hij is het, hij is het, de moordenaar! Ik herken hem. Wij hebben hem!"

Droll kwam als geëlectriseerd aansnellen, en vroeg: "Vergist gij u niet? Het is bijna onmogelijk: hij kan het bezwaarlijk zijn."

"O ja, hij is het, hij is het stellig!" hield de jongeling vol. "Zie maar eens welke oogen hij opzet! Ligt daarin niet duidelijk angst voor den dood. Hij ziet, dat hij ontdekt is, en begrijpt, dat hij nu alle hoop kan opgeven."

"Maar indien hij het was, zoudt gij hem immers reeds op de stoomboot herkend hebben."

"Daar heb ik hem in het geheel niet gezien. De tramps heb ik wel gezien, maar hem niet. Hij heeft daar stellig altijd zoo gezeten, dat hij als het ware verscholen zat achter de anderen."

"Ja, dat kan het geval geweest zijn. Maar nog iets anders: gij hebt mij den dader altijd beschreven als iemand met krullend zwart haar, en de kornel hier heeft rood haar, dat kort gesneden en stoppelig is."

De jongeling antwoordde niet dadelijk. Hij liet zijn hand over zijn voorhoofd glijden, als iemand die zich bezint, schudde zijn hoofd, trad een schrede achteruit, en zei toen op een toon van kennelijken twijfel: "Dat is waar? Het is precies zijn gezicht, maar zijn haar is anders."

"Gij zult een ander voor hem aanzien, Fred! Er zijn menschen, die sterk op elkander gelijken; maar zwart haar kan niet rood worden."

"Dat wel niet," mengde de oude Missouriër zich in het gesprek; "maar men kan zijn zwarte haar laten afscheren, en dan een roode pruik opzetten."

"Och kom? zou dat hier....?" vroeg Droll, zonder zijn volzin te voltooien.

"Natuurlijk! Ik heb mij door zijn roode haren volstrekt niet laten bedotten. De man, dien ik zoo lang gezocht heb, de moordenaar van mijn vrouw en kinderen, had ook zwart kroeshaar, en deze kerel heeft een rooden kop; maar toch blijf ik staande houden, dat hij de man is, dien ik hebben moet. Hij draagt een pruik."

"Onmogelijk!" zei Droll. "Hebt gij dan niet gezien hoe de Indiaan hem bij het haar van zijn voorhoofd beetpakte, toen hij hem de ooren afsneed? Had de kerel een pruik opgehad, die zou hem immers van het hoofd afgetrokken zijn!"

"Pshaw! Het is een pruik, die degelijk bewerkt en goed op zijn hoofd vastgemaakt is. Dat zal ik u dadelijk bewijzen."

De kornel lag, met geboeide armen en beenen, zoolang als hij was uitgestrekt op den grond. Zijn ooren bloedden nog altijd; ze moesten hem stellig hevige pijn veroorzaken, doch daarvoor scheen hij onverschillig. Al zijn aandacht was op de woorden van de beide sprekenden gericht. Aanvankelijk had hij zich, radeloos en troosteloos, als een verloren man beschouwd; maar van lieverlede was de uitdrukking van zijn gelaat geheel veranderd. Zijn angst was vervangen door hoop, zijn vrees door hoon, zijn moedeloosheid door de gewisheid van zijn triomf. De oude Missouriër hield zich volkomen overtuigd, dat de kornel een pruik droeg. Hij richtte hem op in een zittende houding, vatte hem toen bij zijn haar en trok daaraan, ten einde hem de pruik af te rukken. Tot zijn verbazing wilde dat niet gelukken, het haar hield vast; het was werkelijk eigen haar.

"All devils, de schavuit heeft werkelijk haar op zijn kop!" riep hij verwonderd, en zette daarbij zulk een teleurgesteld gezicht, dat de anderen er stellig om gelachen zouden hebben, was niet de toestand zoo hoog ernstig geweest.

Het gezicht van den kornel vertrok zich tot een hoonenden grijnslach, en hij riep op een toon van grenzenloozen haat: "Nu, leugenaar en lastertong! waar is nu de pruik? Het is gemakkelijk, iemand, omdat hij op een ander gelijkt, valschelijk te beschuldigen; maar bewijs eens dat ik degene ben, voor wien gij mij wilt laten doorgaan!"

De oude Missouriër keek nu eens hem, dan weer Old Firehand aan, en zei radeloos tegen laatstgenoemde: "Zeg mij nu toch, sir! wat gij daarvan denkt. Degene, dien ik bedoel, had werkelijk zwart kroeshaar; maar het haar van dezen schavuit is rood en stekelachtig. En toch wil ik met duizend eeden bevestigen, dat hij de man is. Mijn oogen kunnen mij onmogelijk bedriegen."

"En toch zoudt gij u kunnen vergissen," antwoordde de jager. "Naar het schijnt is hier een dubbelganger in het spel, die zoo sterk op uw man gelijkt, dat gij er door in de war wordt gebracht."

"Dan kan ik mijn oude goede oogen niet meer vertrouwen."

"Doe ze dan beter open!" snauwde de kornel hoonend. "De duivel mag mij halen als ik er iets van weet, dat een moeder en twee zonen vermoord of, zooals gij vertelt, doodgeranseld zijn!"

"Maar gij kent mij toch! Dat hebt gij mij vroeger zelf gezegd!"

"Moet ik dan, als ik u één keer van mijn leven gezien heb, daarom de man zijn, dien gij bedoelt? Ook die jongen daar heeft geweldig abuis. In ieder geval is de man, van wien gij spreekt, dezelfde als die, van wien gij gesproken hebt; maar ik ken den jongen boy niet, en...."

Hier zweeg hij eensklaps, juist als iemand, die van iets schrikt of die door iets met verbazing wordt getroffen; doch zich dadelijk herstellende, vervolgde hij: "....ik ken hem niet. Nu kunt gij mij beschuldigen van alles wat gij wilt, maar brengt bewijzen. Als gij mij, om een toevallige gelijkheid van uiterlijk met een onbekende, veroordeelen en ter dood brengen wilt, dan zijt gij doodeenvoudig moordenaars, en zoo iets vermoed ik ten minste niet van den beroemden Old Firehand, onder wiens bescherming ik mij stel."

Dat hij midden in zijn redeneering eensklaps stilhield, daarvoor bestond een zeer gegronde reden. Hij zat daar, waar de lijken lagen; hij had met zijn hoofd op een hunner gelegen. Toen de Missouriër hem optilde en dwong om half overeind te zitten, had het verstijfde lijk, waarop hij gelegen had, een min of meer rollende beweging gemaakt, die niemand bevreemden kon, daar het door het gaan-opzitten van den roodbaard zijn steunpunt verloren had. Nu lag dat lijk vlak achter hem, en wel in zijn schaduw, daar het vuur tegenover hen brandde. Die man nu--dat zoogenaamde lijk--was volstrekt niet dood; hij was niet eens gekwetst. Hij behoorde tot degenen, die Old Firehand met de kolf van zijn geweer nedergeslagen had. Hij was bespat met het bloed van zijn gesneuvelde kameraden, en dit had hem den schijn gegeven alsof hij zelf getroffen was. Toen hij vervolgens weer tot bewustzijn kwam, zag hij, dat hij onder de dooden lag, en dat men bezig was hun zakken te ledigen en hun de wapenen af te nemen. Gaarne zou hij opgesprongen zijn en het op een loopen gezet hebben, daar hij slechts vier vijanden telde; doch in de rivier wilde hij niet, en van de andere zijde klonk reeds het geschreeuw der in aantocht zijnde rafters. Daarom besloot hij een gunstig oogenblik af te wachten. Hij trok heimelijk zijn mes, en verborg dat in een zijner armsmouwen. Nauwelijks had hij dit gedaan, of de Missouriër kwam bij hem, wentelde hem links en rechts, hield hem voor dood, nam hem alles af wat zich in zijn zakken en in zijn gordel bevond, en sleepte hem naar de plaats waar de lijken moesten liggen.

Van dat oogenblik af had de tramp, met slechts onmerkbaar geopende oogen, alles gadegeslagen. Hij was niet gebonden, en kon dus op een gunstig moment opspringen en zich ijlings uit de voeten maken. Toen men vervolgens den kornel op hem legde, kwam terstond de gedachte bij hem op, om dien insgelijks te bevrijden. Toen nu eenige minuten later de roodbaard half opgetild werd, rolde de kwansuis doode mee, zoo, dat die vlak achter den kornel kwam te liggen, wiens handen op den rug vastgekneveld waren. Terwijl de kornel sprak; en dus op dezen aller aandacht gevestigd was, trok de tramp zijn mes uit zijn armsmouw, en sneed met groote behendigheid de touwen der polsen van den kornel los, waarop hij hem het heft van het mes in de rechterhand stopte, opdat hij met een vlugge beweging ook de touwen om zijn enkels zou kunnen doorsnijden, ten einde dan eensklaps op te springen en het hazenpad te kiezen. De roodbaard voelde natuurlijk, dat zijn handen van de boeien bevrijd werden; hij voelde ook het heft van het mes in zijn hand glijden en omklemde dat dadelijk, maar was van een en ander zóó verbaasd, dat hij voor een oogenblik zijn besef verloor, en plotseling zijn zin afbrak. Maar dat was slechts een seconde; toen ging hij voort met spreken, en niemand merkte wat er achter den rug van den beschuldigde gebeurd was. Daar deze zich op de rechtvaardigheid van Old Firehand beroepen had, gaf die hem ten antwoord: "Waar ik iets mee te zeggen heb, daar gebeurt geen moord; daarop kunt ge veilig staat maken. Maar even zeker is het ook, dat ik mij door de roodheid van uw haar niet zal laten verschalken. Het is misschien geverfd!"

"Oho! Hoe zou men haar, dat nog op het hoofd groeiende is rood kunnen verven?!"

"O, dat is zoo onmogelijk niet," gaf de jager op veelbeteekenenden toon ten bescheid.

"Misschien met ruddle (= roodsteen)?" vroeg de kornel met een half spottenden lach. "Dat zou immers erg afgeven!"

"Lach maar zoo hard als gij wilt," hernam Old Firehand ernstig; "lang zult gij niet spotten. Anderen kunt gij een rad voor de oogen draaien, mij evenwel niet!"

Hij trad naar de wapenen en dingen, die men van de gevangenen en dooden afgenomen had, en bukte daar neer en nam den lederen zak, die aan den gordel van den kornel had gehangen; en toen vervolgde hij: "Zoodra men u dezen zak afgenomen had, heb ik reeds nagezien wat er zoo al in zat, en ik heb daaronder eenige dingen gevonden, waarvan het doel en het gebruik mij niet recht duidelijk was; maar nu gaat mij daaromtrent een licht op, dat mij waarschijnlijk het raadsel wel zal oplossen."

Hij haalde er een dichtgekurkt fleschje uit, en een kleine rasp en een stukje boomtak, hoogstens een vinger lang en waaraan de schors nog zat. Die drie voorwerpen hield hij den roodbaard onder den neus, en vroeg hem: "Waartoe dienen u deze dingen? Waartoe draagt gij die bij u?"

Het gelaat van den dus ondervraagde werd nog bleeker dan het reeds was; maar toch, hij antwoordde dadelijk, en op den toon van iemand, die zeker is van zijn zaak: "Ik begrijp niet hoe de groote Old Firehand zich de moeite geeft, om over zulke nesterijen te praten. Dat had ik nooit van hem kunnen denken. In het fleschje zit een medicament; het raspje is voor iedereen een onmisbaar artikel; en het stukje hout is toevallig in den zak gekomen; ik wist niet eens, dat het er in zat. Zijt gij nu tevredengesteld, sir?"

Bij deze woorden wierp hij een hoonenden, maar toch angstig uitvorschenden blik op het gelaat van den reusachtigen jager. Deze antwoordde hem op zijn ernstige, alles afdoende manier: "Ja, ik ben tevredengesteld; maar niet door uw woorden; wel door mijn gevolgtrekkingen. Een tramp heeft geen raspje noodig, vooral niet zulk een klein ding: een vijl zou hem vrij wat beter dienst kunnen doen. In dat fleschje zitten geraspte houtkruimels op spiritus, en het stukje hout is, zooals ik aan de schors zie, die er omheen zit, een stukje tak van den Westerschen lotus-boom (Celtis occidentalis L.). Nu weet ik zeer bepaald, dat men met de geraspte schors van dien boom, op spiritus gezet, het zwarte haar rood kan verven; bijgevolg....zeg, wat denkt gij daarvan?"

"Dat ik van al die geleerdheid, die gij daar uitgekraamd hebt, geen woord heb verstaan, veel minder begrepen," antwoordde de kornel allesbehalve gepolijst. "Ik zou wel eens iemand willen zien, met een hoofd vol goed zwart haar, die het in zijn hersens haalde dat haar rood te verven. Zoo iemand zou rijp wezen voor het dolhuis, want wonderlijker smaak zou ik nooit gezien hebben."

"Over den smaak hebben wij hier niet te redetwisten; de vraag is hier alleen: kan die persoon een beweegreden, een machtige drijfveer gehad hebben? Iemand die wegens ontzettende misdaden vervolgd wordt, zal zijn haar, al had hij het mooiste haar van de wereld, graag rood verven, als hij daardoor zijn leven kan redden. Ik ben overtuigd, dat gij de man zijt, dien wij hebben moeten, en zoodra het morgenochtend dag is, zal ik uw hoofd en uw haar behoorlijk onderzoeken."

"Zoo lang behoeven wij eigenlijk niet eens te wachten," merkte Fred aan. "Hij heeft een litteeken, waaraan hij dadelijk te herkennen is. Toen hij mij op den grond wierp en mij vertrapte, stak ik hem met het mes in de kuiten, aan de eene zijde er in en aan de andere zijde er uit, zoo, dat het mes in zijn been bleef zitten. Is hij nu de man, waaraan ik geen oogenblik twijfel, dan moeten die twee litteekens nog te zien zijn."

Niets had den roodbaard welkomer kunnen wezen, dan dit voorstel. Werd dat ten uitvoer gebracht, dan behoefde hij niet zelf zijn boeien los te snijden. Daarom antwoordde hij schielijk: "Well, beste boy! zoodoende zult gij u kunnen overtuigen, dat gij u allen in den persoon vergist." Toen de knoop der touwen losgemaakt was, wilde Fred de eene pijp van de nanking-broek van het been aftrekken, doch kreeg eensklaps van den roodbaard zulk een geweldigen schop met zijn beide voeten, dat hij achterover tuimelde, eenige schreden ver weg. En meteen sprong de kornel overeind.

"Good bye, messieurs! Wij zullen elkander wel nader spreken," riep hij uit, holde, met zijn mes links en rechts zwaaiende, tusschen twee rafters door, en vloog, als een pijl uit den boog, de open grasvlakte over op het geboomte aan.

Deze vlucht van den man, dien men voor zeer goed geboeid had gehouden, kwam, voor al de aanwezigen op twee na, zoo onverwacht, dat zij als aan den grond genageld stonden van verbazing. De twee uitzonderingen waren voor Old Firehand en Tante Droll. Eerstgenoemde bezat een tegenwoordigheid van geest, waarop men zich, zelfs iedereen verpletterende omstandigheden, verlaten kon, en in dat opzicht werd hij bijna geëvenaard door Tante Droll, in weerwil van diens andere eigenaardigheden, waardoor tusschen hem en den beroemden jager alle vergelijking onmogelijk was.

Zoodra de roodbaard uit zijn zittende houding overeind sprong en het mes heen en weer zwaaide, was Old Firehand toegesprongen om hem te grijpen en vast te houden, doch stiet daarbij op een onverwacht beletsel. De voor dood gehouden tramp, namelijk, had gedacht, dat voor hem het gunstige oogenblik was gekomen. Terwijl aller oogen op den kornel waren gevestigd, kon het niet missen, dacht hij, of ook hij zou het hazenpad kunnen kiezen. Hij sprong dus ook op, en snelde langs het vuur, om zich door de rafters heen te slaan. Maar juist op hetzelfde oogenblik kwam Old Firehand met een schier levensgevaarlijken sprong over het vlammende vuur heen, tegen den vluchtenden tramp aan. Dezen te grijpen, omhoog te tillen en op den grond neer te smijten, zoo, dat zijn ribben er letterlijk van kraakten, was voor den reus het werk van een paar seconden.

"Bindt dien schavuit, die niet dood geweest is!" riep hij, en wendde zich om naar den kornel, die door dat kleine tusschenbedrijf den tijd had gehad om uit de legerplaats weg te komen, greep zijn geweer, en legde aan, om den roodbaard met een kogel neer te vellen.

Doch hij zag terstond, dat het onmogelijk was dit voornemen ten uitvoer te brengen, want Droll was den vluchtende zoo dicht op de hielen, dat hij hem letterlijk dekte voor het geweerschot, dat, was het afgegaan, onvermijdelijk den vervolger in plaats van den vervolgde getroffen zou hebben.

De roodbaard holde als iemand, die zijn leven te redden heeft. Droll rende hem achterna met een verbazende vlugheid, en zou hem stellig reeds beetgehad hebben indien hij niet zijn beroemde lederen "nachtjapon" aangehad had, welk kleedingstuk hem in zijn bewegingen zeer belemmerde. Dit zag Old Firehand, die daarom zijn geweer liet vallen, en met verbazingwekkende reuzensprongen de beide harddravers achternazette.

"Staan blijven, Droll!" riep hij dezen daarbij toe.

Doch Droll luisterde niet eens naar dien roep en draafde maar door, in weerwil dat het geroep nog driemaal herhaald werd. De kornel was nu reeds buiten den cirkel van het vuurschijnsel, en verdween in de duisternis, die onder het geboomte heerschte.

"Staan blijven, voor den dit-en-dat staan blijven, Droll!" schreeuwde Old Firehand nu driftig voor den vijfden keer. Hij was hoogstens nog slechts vier passen van hem af.

"Moet hem hebben, moet hem hebben!" antwoordde hijgend de in een staat van overspanning verkeerende Tante met haar gewone fluitstem, en verdween meteen insgelijks de duisternis van het bosch in.

Toen bleef Old Firehand, gelijk een goed gedresseerd paard (dat in vollen ren toch steeds naar den teugel luistert) midden in zijn vliegende vaart plotseling stilstaan, maakte rechtsomkeer, en begaf zich langzaam, als ware er niets bijzonders voorgevallen naar het vuur terug. Daar stonden de achtergeblevenen aan groepjes, allen in de grootste opgewondenheid, de oogen naar het bosch gericht om te zien hoe die parforce-jacht op den kornel zou eindigen.

"He, komt gij alleen terug?" riep de oude Missouriër reeds van verre Old Firehand toe.

"Dat ziet gij," antwoordde deze schouder-ophalend en doodbedaard.

"Was hij dan niet te pakken te krijgen?"

"Dat zou gemakkelijk geweest zijn, als ik in mijn sprong niet zoo onaangenaam gecaramboleerd had met dien anderen ellendigen tramp."

"Weergaasch jammer, dat juist de ergste spitsboef ons ontsnapt is."

"Nu, oude Blenter! ik geloof niet dat gij de man zijt, die het recht heeft om het hardst daarover te klagen."

"Hoe zoo dat?"

"Wel omdat het eigenlijk gezegd uw schuld is."

"Mijn schuld?" vroeg de oude verwonderd. "Dat vat ik niet. Gij moet mij niet kwalijk nemen, sir! maar mag ik dan ook weten waarom gij dat aan mij wijt?"

"O, zeer zeker. Wie heeft dien tramp onderzocht, die later weer levend geworden is?"

"Dat heb ik, natuurlijk."

"En gij hebt hem voor dood gehouden! Hoe is het mogelijk, dat zoo iets overkomen kan aan zulk een ervaren rafter en jager als gij zijt! En wie heeft zijn zakken geledigd, en hem zijn wapentuig afgenomen?"

"Ook dat heb ik."

"Maar zijn mes hebt gij hem laten houden."

"Hij had in het geheel geen mes."

"O ja, maar hij had het weggestopt. Vervolgens lag hij, altoos doende alsof hij dood was, achter den kornel, en heeft niet enkel de riemen losgesneden, waarmee zijn armen op den rug vastgebonden waren, maar hem tevens het mes gegeven."

"Zou dat werkelijk zoo zijn, sir?" vroeg Blenter verlegen.

"Vraag het aan hem zelf! Hij ligt daar immers."

Blenter gaf den nu stevig geboeiden tramp een schop en dwong hem door bedreigingen, om te antwoorden op zijn vragen. Zoodoende vernam hij, dat alles precies zoo gebeurd was als Old Firehand vermoed had. Toen greep hij met beide handen zijn lange, grijze haar rammeide daarin als iemand, die de haren uit zijn hoofd wil trekken, en riep als waanzinnig uit: "Ik zou mij wel voor mijn kop willen slaan. Zulk een oliedomheid is in al de Staten van de Unie nog nergens begaan. Alles is mijn schuld, de schuld van mij alleen! Want ik was overtuigd, dat hij degene was, waarvoor ik hem hield."

"Natuurlijk was hij dat, anders zou hij het nakijken van zijn beenen wel afgewacht hebben. Waren die twee litteekens niet daar te vinden geweest, dan kon hem ook geen haar op zijn hoofd gekrenkt worden; want dat hij geld van den ingenieur gestolen had, daarvoor konden wij hem volgens de wet der savanne niet straffen, aangezien de bestolene niet hier tegenwoordig is."

Nu kwam ook Droll langzaam en landerig over de open grasvlakte terug. Men kon het hem reeds van verre aanzien, dat ook hij onverrichter zake weerkeerde. Hij had, naar hij meende, den vluchteling achtervolgd zeer ver in het bosch, was met zijn aangezicht tegen onderscheidene boomen aangeloopen, totdat hij eindelijk stil was blijven staan, om te luisteren; en toen hij geen het minste gedruisch of geritsel in den ganschen omtrek vernam, had hij eindelijk den terugtocht aangenomen.

Old Firehand had groote genegenheid voor den zonderlingen man opgevat, en wilde hem dus niet ten aanhoore van de rafters iets onaangenaams zeggen. Daarom vroeg hij hem in het Duitsch: "Maar hebt gij dan niet gehoord, Droll! dat ik u verscheiden keeren geroepen heb, om stil te blijven staan?"

"Wat gij geroepen hebt, ja, dat heb ik wel gehoord," was het antwoord.

"En waarom hebt gij dan geen gevolg daaraan gegeven?"

"Omdat ik den kerel zoo graag had willen vatten."

"En zijt gij hem daartoe achternagehold het bosch in?"

"Wat had ik dan moeten doen? Had hij mij misschien moeten naloopen?"

"Neen, dat niet," hernam Old Firehand lachende. "Maar om iemand in het bosch te kunnen grijpen, dient men hem te kunnen zien, of althans te kunnen hooren, als het nacht is. Terwijl gij zelf loopt, worden de voetstappen van anderen onhoorbaar--begrepen?"

"Ja, dat is gemakkelijk te begrijpen. Dus, ik had stil moeten blijven staan?"

"Juist."

"Wel, heeremijntje-lief! Nu begrijp ik er niets meer van! Terwijl ik stil blijf staan, loopt hij voort en hij laat mij staan, al stond ik er tot den Jongsten Dag. Of denkt gij misschien, dat hij vrijwillig terug zou komen, om te zeggen: Hier ben ik! pak me nu maar!"

"Zoo natuurlijk niet; maar toch in dien trant. Ik zou durven wedden, dat hij zoo oolijk geweest is, in het geheel niet ver weg te gaan. Hij zal zich achter een boom verscholen hebben, om u doodeenvoudig voorbij te laten loopen."

"Hoe? Wat? Hem voorbijloopen? Als ik dat gedaan had, zou ik te dom moeten zijn om langer alleen te loopen."

"En toch is dat bepaaldelijk het geval. Daarom heb ik u herhaalde malen toegeroepen, om stil te blijven staan. Dan hadden wij, zoodra wij ons in de duisternis van het bosch bevonden, op den grond kunnen gaan liggen om te luisteren. Met ons oor op den grond, hadden wij zijn voetstappen kunnen hooren, en beoordeelen in welke richting die gingen. Was hij stil blijven staan, dan hadden wij hem sluipend of kruipend kunnen overrompelen: en in dat opzicht zijt gij een heksenmeester, dat weet ik reeds."

"Dat wil ik gelooven," antwoordde Droll, door die lofspraak gestreeld. "Als ik er goed over nadenk, wil het mij voorkomen, dat gij gelijk hebt. Ik ben dom geweest, een beetje erg dom. Maar misschien is er nog een middel om alles te redresseeren. Denkt ge dat ook niet? Wat zegt gij daarvan?"

"Onmogelijk is het niet, den beganen flater weer goed te maken, maar of het ons wel gemakkelijk zal vallen betwijfel ik sterk. Wij moeten in allen gevalle wachten tot morgenochtend vroeg, en dan zijn spoor opzoeken. Kunnen wij dat vinden, dan is er misschien kans dat wij hem inhalen."

Dit gevoelen deelde hij ook aan de rafters mede, waarop de oude Missouriër verklaarde: "Sir! ik rijd met u mee. Wij hebben zooveel paarden buitgemaakt, dat ik er wel één van kan krijgen. Die roode kornel is de man, dien ik sedert jaren zoek. Als wij nu zijn spoor vinden, zullen mijn kameraden het mij niet kwalijk nemen, dat ik hen verlaat. Veel verlies is er ook niet bij, want wij zijn hier pas sedert kort aan het werk."

"Dat doet mij plezier," zei Old Firehand. "Ik heb onderweg reeds besloten, aan u allen een voorstel te doen, dat gij, naar ik hoop, wel zult aannemen."

"En wat is dat?"

"Daarover later. Wij hebben nu allereerst iets te doen dat noodzakelijker is: wij moeten nu, zonder een oogenblik te verliezen, maken dat wij naar boven komen, naar uw blokhuis."

"Kan dat niet tot morgenochtend wachten, sir?"

"Neen, want uw eigendom is in gevaar. Met dien kornel moeten wij bedacht zijn op alles. Hij weet, dat wij ons hierbeneden bevinden, en kan licht op de gedachte komen, om het blokhuis in bezit te gaan nemen."

"Zounds! Dat zou een slag zijn! Wij hebben daar al ons gereedschap, en onze andere wapenen, alsook een goeden voorraad kruit en patronen. Dus, geen oogenblik getalmd! Wij moeten maken, dat wij wegkomen."

"Goed zoo! Gij, Blenter! gaat als wegwijzer vooruit, met twee anderen bij u; en wij volgen u met de paarden en gevangenen. Wij zullen, om ten minste iets te kunnen zien, brandende stukken hout hier uit het vuur meenemen."

De scherpzinnige jager had zich ook ditmaal niet vergist in zijn oordeel over den kornel. Deze had zich, zoodra hij in het bosch was, verscholen achter een boom. Daar hoorde hij Droll voorbijloopen, en zag, dat Old Firehand den terugtocht aannam naar het vuur. Daar Droll zich in een richting bewoog, niet op het blokhuis aan, was het natuurlijk, dat de roodbaard wel die richting insloeg. Om niet met zijn gelaat tegen de boomen aan te loopen, liep hij met zijn handen vooruit en richtte zijn schreden naar de hoogte. Daarbij kwam de gedachte in hem op, welk een voordeel dat blokhuis hem aanbood. Hij was daar reeds geweest, en kon dus niet misloopen. Stellig bevond zich daar het grootste gedeelte van het goed der rafters; hij zou zich dus op hen kunnen wreken. Daarom versnelde hij zijn schreden, zooveel als de duisternis dat slechts toeliet.

Boven aangekomen, bleef hij eerst stilstaan, om te luisteren. Het was immers mogelijk, dat een, of meer dan een, der rafters hier was gebleven. Daar alles doodstil was, naderde hij het blokhuis, bleef daar weer een oogenblik luisterend stilstaan, en zocht toen op den tast naar de deur. Toen hij die gevonden had, en juist toen hij bezig was te onderzoeken hoe hij die zou kunnen openen, werd hij eensklaps bij de keel gegrepen en op den grond geworpen. Verscheiden mannen lagen in een oogwenk met hun knieën op zijn lijf.

"Nu hebben wij er ten minste reeds een," zei een dier mannen, "en die zal boeten voor al de anderen."

De roodbaard herkende die stem oogenblikkelijk; het was de stem van een zijner tramps. Hij spande al zijn krachten in om zijn keel vrij te kragen, en zoodoende gelukte het hem, de woorden uit te brengen: "Zijt gij bezeten Woodward? Laat mij toch los!"

Woodward was de onderaanvoerder van de tramps. Hij herkende de stem van den roodbaard, liet dadelijk los, schoof de anderen op zij en zei: "Het is de kornel! Zoo waar als ik leef, de kornel! Hoe komt gij hier? Wij dachten, dat ze u gevangengenomen hadden."

"Dat hadden ze ook," hijgde de toegesprokene, terwijl hij overeind kwam; "maar ik ben het ontkomen. Gij hadt wel wat voorzichtiger kunnen zijn, dunkt mij. Gij hebt mij met uw knuisten bijna gewurgd."

"Wij hielden u voor een rafter."

"Wij hebben elkander toevallig daarbeneden aangetroffen. Wij zijn slechts met ons drieën; waar de anderen zijn weten wij niet. Wij zagen, dat de rafters bij het vuur bleven zitten, en kwamen op het idee, ons hierheen te spoeden, en hun een kool te stoven."

"Dat is goed. Juist dezelfde gedachte heeft mij hier gebracht. Ik zou graag dit blokhuis in brand steken--dan zijn zij hun logies kwijt."

"Dat was precies ook ons idee; maar wij wilden eerst eens nakijken, of daar niets van onze gading te vinden is."

"Om dat te kunnen hebben wij licht noodig. De schobbers hebben mij alles afgenomen, tot mijn vuurslag incluis. En daarbinnen kunnen wij den ganschen nacht wel rondtasten zonder iets te vinden."

"Gij vergeet, dat wij ons vuurtuig bij ons hebben; want ons hebben ze niet uitgeplunderd."

"Dat is waar. Hebt gij uw wapenen ook nog?"

"Ja, alles!"

"En hebt gij u vergewist, dat wij hier niet in een hinderlaag kunnen vallen?"

"Er is geen sterveling hier. De deur gaat gemakkelijk open; de grendel is maar weg te schuiven, en wij meenden juist naar binnen te gaan, toen u overslag kwam."

"Nu, laat ons dan haast maken, eer de kerels het in hun hoofd krijgen, om weer naar hier te komen."

"Mogen wij dan niet te weten komen wat daarbeneden gebeurd is, nadat wij weg waren?"

"Niet nu, maar later, zoodra wij tijd hebben."

Woodward schoof den grendel weg, en zij traden binnen. Nadat hij de deur achter hen dichtgetrokken had, maakte hij licht, en keek in de ruimte rond. Boven de slaapplaatsen waren planken bevestigd, op welke kaarsen van hertevet lagen, zooals die door de Westmannen zelf gegoten worden. Ieder van de vier stak zulk een kaars voor zich aan, en nu werd in allerijl naar bruikbare voorwerpen gezocht.

Er waren eenige geweren, gevulde kruithorens, groote en kleinere bijlen, zagen, messen, kruit, kartonnen doozen met patronen, vleesch en andere eetwaren. Ieder nam daarvan zooveel als hem goed dacht; toen werden de brandende kaarsen in de rietstengels gestoken, waarvan de slaapplaatsen gemaakt waren, die in een ommezien tijds in lichtelaaie vlam stonden, waarop de brandstichters ijlings naar buiten snelden. Zij lieten de deur openstaan, opdat er trekking zou wezen om het vuur aan te blazen, en bleven buiten staan om te luisteren. Er was niets anders te hooren dan het geknapper van bet vuur en het gedruisch van den wind door de toppen der boomen.

"Zij komen nog niet," zei Woodward. "Wat nu?"

"Maken dat wij wegkomen, natuurlijk," antwoordde de kornel.

"Maar waarheen? De streek hier is ons geheel onbekend."

"Ze zullen morgenochtend vroeg ons spoor zoeken en ons achternazetten. Wij moeten dus zorgen, dat wij geen spoor achterlaten."

"Dat is een onmogelijkheid, behalve in het water."

"Welnu, dan zullen wij varen!"

"Waarmee? Waarin?"

"In een boot natuurlijk. Weet gij dan niet, dat elke ploeg rafters een of meer booten moet maken, die voor hun bedrijf onmisbaar zijn. Ik wed, dat wij die beneden vinden liggen op de vlotplaats."

"Waar dat is weten wij niet."

"Die plaats zal wel te vinden zijn. Zie, hier hebben wij de glijbaan al. Wij zullen eens zien of wij daarlangs naar beneden kunnen."

Op dit oogenblik sloegen de vlammen uit het dak van het blokhuis, en verlichtten alles rondom. Aan den zoom van het bosch, naar den waterkant toe, was een open plek zonder boomen te zien. De tramps spoedden zich derwaarts, en bevonden, dat hun aanvoerder goed had gegist. Daar liep een recht, steil, smal pad naar beneden, en langs den kant van dat pad was een touw gespannen, waaraan men zich kon vasthouden. Het drietal liet zich naar beneden glijden.

Toen zij beneden aan den oever der rivier aankwamen, hoorden zij in de verte het geschreeuw van drie stemmen--dat waren die van den ouden Missouriër en van twee kameraden, die met hem vooruitgezonden waren naar het blokhuis.

"Zij zijn op de komst," zei de kornel. "Laat ons maar gauw maken, dat wij een boot vinden."

Zij behoefden niet lang te zoeken, want juist daar, waar zij stonden, lagen drie booten aan den wal gemeerd. Het waren op zijn Indiaansch van boomschors vervaardigde en met hars waterdicht gesmeerde kano's, ieder met plaats voor vier personen.

"Hangt de twee andere achteraan," gebood de roodbaard. "Wij moeten die meenemen, om niet vervolgd te worden: later kunnen wij die kapot slaan."

Men gehoorzaamde hem. Toen klom het viertal in de voorste boot; ze grepen de daarin liggende roeiriemen, en werkten zich van den oever af. De kornel zat achterin, en stuurde. Een der zijnen deed een riemslag, alsof hij stroom-opwaarts wilde.

"Dat's verkeerd!" zei de aanvoerder tegen hem. "Wij moeten voor stroom af."

"Maar wij moeten immers verder Kansas in," antwoordde de man, "naar de groote Tramp-Meeting (= vergadering van de tramps)."

"Natuurlijk. Maar dat zal die Old Firehand wel te weten komen; die zal dat wel uit de gevangenen weten te pompen. Hij zal ons dus morgen stroom-opwaarts zoeken; en daarom moeten wij stroom-afwaarts, om hem van ons spoor af te brengen."

"Dan maken wij een ijselijken omweg!"

"Volstrekt niet. Wij varen tot aan de naastbijzijnde prairie, waar wij morgenochtend aankomen. Dan laten wij de booten zinken, en stelen de noodige paarden van de daar aanwezige Indianen. Dan gaat het gezwind naar het noorden, en wij halen één dag verzuim gemakkelijk in, terwijl de rafters langzaam en moeielijk, en tevergeefs zoeken om ons op het spoor te komen."

De booten werden in de schaduw van den oever gehouden, opdat het schijnsel van het daarboven brandende vuur er niet op zou kunnen vallen. En toen zij ver genoeg waren veranderde de kornel van koers, en stuurde op het midden van de rivier aan, juist op het oogenblik toen de rafters met de paarden en de gevangenen het brandende blokhuis bereikten.

Zij hieven een luid gejammer aan toen zij zagen, dat alles wat zij bezaten een prooi der vlammen was geworden. En aan vloeken en verwenschingen aan het adres der brandstichters was ook geen gebrek. Old Firehand suste hen echter en bracht hen tot bedaren. "Het is juist zooals ik gedacht heb," zeide hij; "ik begreep, dat de kornel zoo iets in zijn schild zou voeren. Ongelukkigerwijze zijn wij te laat gekomen. Maar trekt u dat maar niet al te erg aan. Als gij een voorstel, dat ik u doen wil, aanneemt, zult gij spoedig meer dan ruimschoots voor hetgeen gij verloren hebt schadeloosgesteld worden."

"Hoe dat?" vroeg de Missouriër.

"Daarover later! Wij hebben ons nu allereerst te vergewissen, of er niet nog een van die schavuiten hier in de nabijheid is."

De gansche omtrek werd nauwkeurig onderzocht; maar er werd niets verdachts gevonden. Toen kwam men in het schijnsel van het vuur bij Old Firehand zitten. De gevangenen waren op eenigen afstand zijwaarts gebracht, zoodat zij niet konden hooren wat er gesproken werd.

"Eer ik begin messieurs!" sprak de jager, "moet ik u verzoeken mij uw woord van eer te geven, dat gij, van hetgeen ik u ga meedeelen, aan niemand ter wereld iets openbaren zult, onverschillig of gij mijn voorstel zult aannemen of niet! Ik weet, dat gij allen gentlemen zijt, op wier woord ik mij verlaten kan."

Zij gaven hem de verlangde toezegging, en toen vervolgde hij: "Kent iemand uwer het groote rotswater, daarboven in het gebergte, dat men het Zilvermeer noemt?"

"Ik wel," antwoordde er één slechts, namelijk Tante Droll. "Ieder onzer kent den naam, natuurlijk; maar behalve mijn persoontje, is geen mensch daarboven geweest, zooals ik uit het zwijgen van deze gentlemen opmaken mag."

"Well! Ik weet dat daarboven rijke, zeer rijke mijnen zijn, oude mijnen, uit de tijden der voor-Indianen, die den rijkdom volstrekt niet uitgegraven hebben, en erts-aders en erts-lagen, die nooit ontgonnen zijn. Ik ken verscheidene van die aders en lagen, en wil met een uitstekend mijn-ingenieur de zaak eens gaan opnemen, of die op een groote schaal aan te pakken is, en of wij de noodige hydraulische kracht aan het meer kunnen ontleenen. Die onderneming nu, is niet zonder gevaar, en daarom heb ik eenige degelijke en ervaren Westmannen noodig, die met ons meegaan. Laat dus uw werk hier voorloopig rusten, en rijd met mij naar dat meer, messieurs! ik zal u goed betalen."

"Dat is een woord, ja, dat is een goed woord!" riep de oude Missouriër, geheel in verrukking gebracht. "Dat Old Firehand goed en eerlijk betalen zal, daaraan kan geen mensch twijfelen; en dat er honderd, ja duizend gelukzoekers gaarne aan deelnemen zullen, dat is ook zeker. Ik, ik zou dadelijk een van de eersten zijn, maar ik kan niet, ik mag niet: ik moet eerst den kornel hebben."

"En ik ook," zei Droll, "ik ook. Ik zou graag meegaan, dolgraag, niet zoozeer om het loon, als om de avonturen, die op dien tocht te beleven zullen zijn, en omdat ik het mij tot een groote eer zou rekenen, tot het gevolg van Old Firehand te mogen behooren. Maar dat kan nu niet, want ik mag het spoor van dien rooden kornel niet verliezen."

Over het gelaat van Old Firehand gleed een fijn, schalksch glimlachje, terwijl hij antwoordde: "Ik hoor daar van u beiden een verlangen, dat wellicht het best voor u in vervulling zou gaan, als gij bij mij bleeft. Waarom master Blenter naar wraak dorst, weten wij reeds; maar waarom Droll met zijn wakkeren Fred dien kornel op de hielen zit, heeft hij ons nog niet gezegd. Ik wil ook volstrekt niet indringen in zijn geheimen; hij zal vroeg of laat vanzelf wel openhartig worden. Maar één ding wil ik u toch niet verzwijgen. Toen wij het vuur beneden verlieten, om ons naar boven te begeven, moesten wij natuurlijk de geboeide tramps medenemen. Ik nam er een, den jongste van hen, in mijn hand. Hij waagde het, mij aan te spreken; en ik vernam van hem, dat hij eigenlijk niet onder de tramps behoort, dat het hem speet onder hen gekomen te zijn, hetgeen hij louter gedaan had om zijn broeder pleizier te doen, die daar onder de dooden ligt. Zijn plan was eigenlijk geweest, een degelijk en braaf Westman te worden; en nu hij mijn naam gehoord heeft, brandt hij van verlangen om als de allerminste van mijn volgelingen bij mij te mogen blijven. Ik meende tevens aan hem te merken, dat hij geheel op de hoogte is van de plannen van den kornel; en daarom zou ik, niet alleen uit een gevoel van menschelijkheid, maar tevens uit geoorloofde berekening, er voor zijn, den man niet af te wijzen. Mag ik hem hier brengen?"

De anderen vonden dat goed, en Old Firehand stond zelf op, om den tramp te halen. Het was een jonkman, naar gissing slechts even in de twintig, met een verstandig gezicht en flink van postuur. Old Firehand had hem de boeien afgenomen, en gebood hem om naast hem plaats te nemen. De andere tramps, van wie de jager hem reeds vroeger had afgezonderd, lagen zoo, dat zij hem niet konden zien. Zij zouden dus later niet kunnen zeggen wat er van hem geworden was, en evenmin, dat hij hen en den kornel verraden had.

"Nu," richtte Old Firehand het woord tot hem, "gij ziet, dat ik niet ongeneigd ben aan uw verzoek te voldoen. Gij zijt door uw broeder overgehaald. Als gij mij met hand en mond belooft voortaan een braaf mensch te willen zijn, ontsla ik u terstond uit uw gevangenschap, en gij zult bij mij een degelijk Westman kunnen worden. Hoe heet ge eigenlijk?"

"Ik heet Nolley, sir!" antwoordde de gevraagde, terwijl hij hem met tranen in de oogen de hand gaf. "Ik wil u niet lastig vallen met mijn levensgeschiedenis, die kunt gij later bij gelegenheid wel vernemen; maar gij zult over mij tevreden zijn. Ik zal er u mijn leven lang dankbaar voor wezen, als gij mij twee verzoeken wilt inwilligen."

"En die zijn?"

"Vergeef mij niet slechts schijnbaar, maar inderdaad, dat gij mij aangetroffen hebt in zulk een slecht gezelschap, en vergun mij, morgenochtend vroeg mijn doodgeschoten broeder te begraven, dan zal die ten minste niet in het water overgaan tot ontbinding en verslonden worden door de visschen."

"Die twee verzoeken beschouw ik als een bewijs, dat ik mij niet in u vergist heb. Ze zijn u toegestaan. Van nu af zijt gij een der onzen; draag vooral zorg, dat uw vroegere kameraden u niet zien; want zij mogen volstrekt niet weten, dat gij u bij ons aangesloten hebt. Gij hebt mij gesproken van de plannen, die de kornel heeft. Kent gij die?"

"Ja. Hij had die lang geheimgehouden; maar gisteren heeft hij ons alles meegedeeld. Hij wil allereerst naar de groote Tramp-Meeting, die binnenkort gehouden zal worden."

"Heigh-day (= Ei ei)!" riep Droll nu. "Dan ben ik toch zoo kwaad niet ingelicht, toen ik hoorde, dat honderden van die vagebonden ergens achter Harper bijeen zullen komen, om hun afspraak te maken over eenige ondernemingen, die zij niet anders ten uitvoer kunnen brengen, dan met een groote overmacht. Weet gij waar?"

"Ja," antwoordde Nolley. "Van hier afgerekend ligt die plaats werkelijk achter Harper, en de naam is Osage-nook."

"He! Dien nook (= hoek landpunt) heb ik nog nooit hooren noemen. Dat is vreemd! Mijn plan was naar die meeting te gaan, om daar misschien den man te vinden, dien ik zocht. Als ik geweten had, dat hij tegelijk met mij op de stoomboot was, dan had ik hem terstond aan boord kunnen inrekenen! Dus, de kornel wil nu naar Osage-nook; welnu, dan zullen wij hem achternarijden, niet waar, master Blenter?"

"Ja," knikte de oude. "Maar het is wel jammer, dat wij niet bij sir Firehand kunnen blijven."

"Wel," hernam de jager, "ik zie volstrekt niet in, waarom wij van elkander af zouden moeten gaan. Mijn eerste reisdoel ligt daar in de nabijheid, namelijk de boerderij van Butler, den broeder van den ingenieur, die daar op mij wacht. Wij blijven dus ten minste nog tot zoo ver bij elkander. Heeft de kornel ook nog meer plannen?"

"O ja," antwoordde de bekeerde tramp. "Na afloop van de meeting wil hij naar Eagle-tail, om daar de spoorwegbeambten te overvallen, en zich meester te maken van de kas, die zeer goed voorzien moet zijn."

"Het is goed dat wij het weten. Kunnen wij hem niet op de meeting vatten, dan vinden wij hem zooveel te zekerder te Eagle-tail."

"En mocht hij ook daar ontsnappen," hernam Nolley, "dan kunt gij hem later stellig wel in handen krijgen aan het Zilvermeer."

Die woorden brachten een algemeene verrassing teweeg. Zelfs op Old Firehand maakten ze zulk een indruk, dat hij onwillekeurig vroeg: "Aan het Zilvermeer? Wat weet en wat wil de kornel dan van dat meer?"

"Daar wil hij een schat gaan halen."

"Een schat? Zal die daar te vinden zijn?"

"Ja; daar moeten verbazende rijkdommen begraven of verzonken liggen van oude volken, sedert onheugelijke tijden. Hij heeft een nauwkeurige plattegrond-teekening waar men die zoeken moet."

"Hebt gij die teekening gezien?"

"Neen, die wil hij aan niemand laten zien."

"Maar wij hebben hem toch zeer nauwkeurig gevisiteerd en hem alles afgenomen, zonder dat wij iets gevonden hebben, dat naar zulk een teekening geleek."

"Ja, die zal hij wel goed weggestopt hebben. Ik geloof zelfs, dat hij die nooit bij zich heeft. Naar ik uit een en ander wat hij vertelde meen te kunnen opmaken, houd ik het er voor, dat hij die hier of daar begraven heeft."

Al de aandacht der toehoorders was op den spreker gericht, zoodat niemand acht sloeg op Droll en op Fred, die door hetgeen zij hoorden in een staat van groote opgewondenheid gebracht werden. Droll staarde den tramp aan alsof hij zijn woorden niet slechts hooren, maar met zijn wijd-opengespalkte oogen verslinden wilde; en zoodra de verteller zweeg, riep Fred: "Het is de kornel, hij is het! Die teekening heeft aan mijn vader toebehoord!"

Nu wendden aller oogen zich naar den jongeling, en men bestormde hem met vragen; maar Droll maakte op een beslisten toon een eind daaraan, door te zeggen: "Op dit oogenblik niets daarvan, messieurs! Gij zult later wel vernemen hoe de vork in den steel zit. Op dit moment is de hoofdzaak, dat ik, zooals de zaken nu geschapen staan, verklaren kan, dat ik met Fred in ieder geval Old Firehand ten dienste sta."

"Ik ook!" verklaarde de oude Missouriër op een toon vol geestdrift. "Wij zijn daar in een samenweefsel van geheimen gewikkeld, en het zal mij benieuwen hoe dat alles zal afloopen. Gij gaat toch allen ook mee, kameraden?"

"Ja, ja, natuurlijk ja," klonk het uit den mond van al de rafters.

"Well!" zei Old Firehand, "dan breken wij morgenochtend vroeg op. Wij behoeven ons nu over het spoor van den kornel niet meer te bekommeren, daar wij de plaats kennen waar hij te vinden zal zijn. Hij wordt gejaagd door de bosschen en prairiën, over bergen en dalen, en, als het wezen moet, zelfs berg-op tot aan het Zilvermeer. Het is een bewogen leven, dat ons wacht. Laat ons goede kameraden zijn, messieurs!"

VIJFDE HOOFDSTUK.

INDIAANSCH MEESTERSTUK.

De Rolling-Prairie lag badend in den glans der middagzon. Heuvel aan heuvel, dicht begroeid met gras, waarvan de halmen door een zacht windje heen en weer werden gewiegeld, geleek zij een meer van smaragd, welks golven plotseling moesten verstijven. Elke dus tot stilstand gekomen golf geleek, wat lengte, gedaante en hoogte betrof op de vorige, en wanneer men uit het eene golvende dal in het andere kwam, had men het laatste met het vorige kunnen verwarren. Niets, zoo ver als het oog kon reiken, hoegenaamd niets anders dan golvende heuvelen. Wie hier niet te rade ging met het kompas of met den stand der zon, moest onvermijdelijk verdwalen, zooals de leek in een kleine boot verdwalen zal in volle zee.

In deze groene woestijn scheen men geen zweem van een levend wezen te ontdekken; alleen daarboven, hoog in de lucht, beschreven twee zwarte roofgieren hun cirkels, schijnbaar zonder hun vleugels in beweging te brengen. Zouden dat werkelijk de eenige schepselen zijn, die zich hier lieten zien? Neen, want juist op dat oogenblik, deed zich het luide snuiven van een paard hooren, en van achter een der golvende berghoogten kwam een ruiter te voorschijn, en wel een zeer zonderling toegerust ruiter. Het was een man van middelbare gestalte, niet te groot en ook niet te klein, niet te dik en ook niet te dun, maar hij scheen stevig gebouwd. Hij droeg een lange broek, een vest en een kort jaquette: die kleedingstukken waren vervaardigd van een waterdichte stof. Zijn hoofd was bedekt met een helm van kurk, aan de achterzijde voorzien van een op den rug neerhangende nek-bedekking, zooals de officieren in Oost-Indië en andere heete landen gewoon zijn te dragen. Zijn voeten zaten besloten in Indiaansche mokassins.

De houding van dien man was die van een geoefend ruiter; zijn gezicht--ja, dat gezicht had eigenlijk iets zeer potsierlijks. De uitdrukking er van was in één woord dom te noemen, en zulks niet uitsluitend om zijn neus, die twee geheel verschillende zijden had. Aan de linkerzijde was die blank en had den min of meer gebogen vorm van een gewonen haviksneus; maar aan de rechterzijde was die dik, als gezwollen, en van een kleur, die men noch rood, noch groen, noch blauw kon noemen. Omringd werd het geheele gezicht door een keelbaard, welks lange, ijle haren van den strot af vooruitstaken tot over de kin. Die baard werd gesteund door de twee reusachtige, spits vooruitspringende punten van een halsboordje, waaraan men den spotnaam van "vadermoorder" placht te geven; en de blauwachtige glans, die op dat boordje lag, verried duidelijk, dat de ruiter het verkieslijk achtte zich in de prairie van gegomde papieren halsboorden te bedienen.

Aan de stijgbeugel-riemen rechts en links hing vastgegespt een geweer, van welke geweren de kolven naast de voeten van den ruiter in de schoenvormige beugels rustten. Dwars voor het zadel hing een lange blikken koker of foedraal; waartoe dat voorwerp diende of moest dienen, was moeilijk te raden. Op zijn rug droeg de man een leeren ransel van middelbare grootte, en daar bovenop eenige blikken bussen en wonderlijk uitziende einden ijzerdraad. De gordel was breed, insgelijks van leder, en geleek op een zoogenaamden geldriem. Daaraan hingen eenige zakken, waaruit de kolven of handvatsels van een mes en van verscheiden revolvers staken; en achter aan den gordel hingen twee zakken, die bezwaarlijk tot iets anders dan patroontasschen konden dienen.

Het paard was een gewone viervoeter, niet te goed en ook niet te slecht voor de vermoeienissen in het Westen; bijzonders was er niets anders aan te zien dan dat het, in plaats van een schabrak, een dekkleed droeg, dat stellig veel geld gekost had.

De ruiter scheen van de overtuiging doordrongen dat zijn paard meer prairie-verstand had, dan hij zelf; men kon althans niet merken, dat hij het bestuurde; hij liet het loopen zoo en waarheen het dier goedvond. Het stapte midden door eenige golvende dalen, klom toen tegen een heuvel op, om dien aan den anderen kant weder af te dalen met eenigszins versnelden pas, kwam uit eigen beweging even in den draf, doch nam spoedig weer den voetstaps-tred aan, kortom de man met den kurken helm en het aartsdomme gezicht scheen geen bepaald doel te hebben, maar wel zeer veel ledigen tijd.

Eensklaps bleef het paard stilstaan; het spitste de ooren, en de ruiter ontstelde min of meer, want vóór hem--van waar eigenlijk kon hij niet zien--deed zich een scherpe, gebiedende stem hooren: "Halt! Geen stap verder, of ik schiet! Wie zijt gij, master?"

De ruiter keek op, voor zich uit, achter zich, naar rechts en naar links; maar er was geen mensch te zien. Hij vertrok zijn gezicht, nam het deksel van het lange, rolvormige blikken foedraal af, dat vóór hem dwars over het zadel lag, schudde een verrekijker daaruit, waarvan hij de leden uit elkander schoof, zoodat de kijker wel vijf voet lang werd, kneep toen zijn linker-oog dicht, hield het instrument voor zijn rechter-oog, richtte het omhoog naar het luchtruim, en staarde ernstig en zoekend naar boven, totdat dezelfde stem zich lachend deed hooren: "Schuif uw sterren-schieter maar gauw weer ineen. Ik zit niet op de maan, die overigens op dit oogenblik in het geheel niet te zien is; maar ik sta hierbeneden, op onzen ondermaanschen ouderwetschen aardbol. En zeg mij nu waar gij vandaan komt!"

De ruiter, gevolg gevende aan dat bevel, schoof eerst den verrekijker weer ineen, stak dien toen in het foedraal, maakte dat zeer zorgvuldig dicht en zoo langzaam alsof hij volstrekt geen haast had, wees toen met de hand achter zich, en antwoordde: "Daar vandaan!"

"Dat zie ik, oude jongen! En waar wilt ge nu naar toe!"

"Dien weg," antwoordde de gevraagde, en wees nu met de hand voor zich uit.

"Gij zijt inderdaad een kostelijke jongen!" lachte de nog altijd onzichtbare vrager. "Maar daar gij u nu eenmaal op deze gebenedijde prairie bevindt, mag ik vooronderstellen, dat gij de hier heerschende gebruiken kent. Er komt hier zooveel gespuis rondzwerven, dat een eerlijk man genoodzaakt is, met ieder dien hij ontmoet, de noodige omzichtigheid te gebruiken. Terugrijden kunt gij mijnentwege met alle pleizier, als gij dat wilt. Maar wilt gij verder vooruit, zooals het mij allen schijn heeft, dan moet gij mij eerst behoorlijk te woord staan, en mij antwoorden overeenkomstig de waarheid. Dus, zonder draaierij: Waar komt gij vandaan?"

"Van het kasteel Castlepool," antwoordde de man, op den toon van een schooljongen, die bang is voor het strenge gezicht van den schoolmeester.

"Dat kasteel ken ik niet. Waar is dat te vinden?"

"Op de landkaart van Schotland," hernam de ruiter, terwijl zijn gezicht nog dommer werd, dan het aanvankelijk geweest was.

"God zegene uw verstand, sir! Met Schotland heb ik niet te maken. En waar is de reis naar toe?"

"Naar Calcutta."

"Ook al een onbekend ding voor mij. Waar ligt die mooie plaats?"

"In Voor-Indië."

"Lack-a-day! Dus, gij denkt op dezen zonnigen achtermiddag uit Schotland, over de Vereenigde Staten, naar Voor-Indië te rijden?"

"Ja, maar niet geheel en al."

"O zoo! Nu, daar zou dan ook een zware wijs op gaan. Gij zijt waarschijnlijk een Engelschman?"

"Yes."

"Wat is uw beroep?"

"Lord."

"Verduiveld! Een Engelsche lord met een ronde hoededoos op zijn hoofd! U dienen wij meer van nabij te bekijken. Kom, uncle (= oom)! De man zal ons naar alle waarschijnlijkheid niet bijten. Ik ben volkomen geneigd om geloof aan zijn woorden te schenken. Hij is òf van Lotje getikt, òf werkelijk een Engelsche lord met vijf meter spleen (= miltzucht) en tien hectoliters leverkwaal."

Nu werden op de hoogte van den nabijgelegen golvenden heuvel twee gestalten zichtbaar, die daar in het gras gelegen hadden, de een zeer lang, de andere zeer klein. Beiden waren volkomen eenerlei gekleed, geheel in leder, als echte, degelijke Westmannen; zelfs hun hoeden met breeden rand waren van leder. De gestalte van den lange stond stijf als een paal boven op den heuvel; de kleine had een bult op zijn rug, en een haviksneus, waarvan het bovengedeelte zoo scherp was als een scheermes. Ook hun geweren waren van hetzelfde maaksel--oude, zeer lange geweren met getrokken loop. De kleine bultenaar had het zijne met de kolf op den grond gezet, en toch stak de mond van den loop nog een duim of wat boven zijn hoed uit. Hij scheen de woordvoerder voor beiden te wezen; want terwijl de lange nog geen woord gesproken had, vervolgde hij nu: "Blijf nog een oogenblik stilstaan, master! want anders zouden wij schieten. Wij zijn nog niet klaar met elkander."

"Willen wij eens wedden?" vroeg de Engelschman nu.

"Wat wedden?"

"Om tien dollars of vijftig of honderd dollars, of zooveel gij maar wilt, dat ik u eer doodschiet, dan gij mij."

"Dan zoudt gij de weddenschap verliezen?"

"Denkt gij dat? Well, laat ons dan wedden om honderd dollars!"

Hij greep achter zich naar de eene patroontasch, trok die naar voren, maakte die open, en haalde er eenige banknoten uit. De twee, die boven stonden, zagen elkaar verbaasd aan.

"Master!" riep de kleine, "ik begin te gelooven, dat het werkelijk meenens bij u is!"

"Wat zou het anders zijn?" vroeg de Engelschman verwonderd. "Wedden is mijn grootste liefhebberij, dat wil zeggen, ik wed graag, en bij elke gelegenheid."

"En doolt in de prairie rond met een zak vol banknoten bij u!"

"Hoe zou ik kunnen wedden als ik geen geld bij mij had? Dus, om honderd dollars, is het niet? Of wilt ge om meer?"

"Wij hebben geen geld."

"Dat doet er niets toe; dan zal ik het u leenen, totdat gij mij betalen kunt."

Hij zei dat met zulk een ernst, dat de lange van verwondering diep ademhaalde, terwijl de gebochelde verbaasd uitriep: "Ons leenen ... tot wij betalen kunnen? Zijt gij dan zeker, dat gij winnen zult?"

"O ja, dat weet ik zeker."

"Maar, master! om te winnen, moet gij ons doodschieten, eer wij het u doen: en als wij dood waren, zouden wij u immers niet kunnen betalen."

"Dat zal mij niet kunnen schelen! Ik zou dan in elk geval de winner zijn; en ik heb zooveel, dat ik uw geld niet noodig heb."

"Uncle (= oom)!" zeide de kleine hoofdschuddend tegen den lange. "Zulk een boy heb ik van mijn leven nog niet gezien of gehoord. Wij moeten naar beneden, om hem wat meer van nabij te bekijken."

Hij spoedde zich met vlugge schreden van de hoogte af, en de lange volgde hem stijf en zoo recht als een kaars, juist alsof hij een boonenstaak ingeslikt had. Beneden in het dal aangekomen zeide de bultenaar: "Berg uw geld maar weer weg; van de weddenschap kan niets komen. En neem een goeden raad van mij aan: Laat niemand die geldtasch zien; want daar zoudt gij berouw van kunnen hebben, het zou u misschien uw leven kunnen kosten. Ik weet waarlijk niet, wat ik van u denken en van u maken moet. Als ik mij niet vergis, hebt gij een slag van den molen beet. Wij zullen u eens even op de proef stellen. Kom maar even mee: slechts een voetstap of wat verder!"

Meteen stak hij zijn hand uit, om het paard van den Engelschman bij den teugel te nemen; daar blonken eensklaps in zijn handen twee revolvers, en op een korten strengen toon riep deze: "Hand weg of ik schiet!"

De kleine sprong verschrikt achteruit, en wilde zijn geweer opnemen.

"Laten liggen! Geen vinger meer verroeren of mijn schot gaat af!"

De houding en het gelaat van den Engelschman hadden eensklaps een volslagen verandering ondergaan. Het waren niet meer die onnoozele wezenstrekken van daareven, en uit de oogen vlamden nu een helderheid en sterkte van geest, die de twee anderen verbluft deden staan.

"Verbeeldt gij u werkelijk, dat ik niet wel bij het hoofd ben?" vervolgde hij. "En houdt gij mij voor iemand, tegenover wien gij u gedragen kunt alsof de prairie u in eigendom toebehoort? Dan vergist gij u. Tot nu toe hebt gij mij vragen gedaan, en ik heb u geantwoord. Maar nu verlang ik te weten wie ik vóór mij heb. Hoe heet gij, en wat zijt gij?"

Deze vragen waren tot den kleine gericht. Hij keek den vreemde eens goed in zijn scherp uitvorschende oogen, die een zeer eigenaardigen indruk op hem maakten, en antwoordde toen half gemelijk, half verlegen: "Gij zijt hier vreemd, en bijgevolg weet gij dat niet; maar men kent ons van den Mississippi af tot voorbij Frisco [1] als eerlijke jagers en vallen-opzetters. Wij zijn nu op weg naar het gebergte, om een gezelschap van beverjagers te zoeken, waarbij wij ons hopen aan te sluiten."

"Well! En uw namen!"

"Onze eigenlijke namen kunnen u hoegenaamd niet van nut zijn. Mij noemt men Humply-Bill, omdat ik tot mijn leedwezen een bult heb, waarover ik echter volstrekt niet van plan ben mij dood te kniezen; en mijn kameraad hier is algemeen bekend onder den naam van Gunstick-Uncle, omdat hij altijd zoo stijf loopt alsof hij een laadstok ingeslikt heeft. Ziezoo! Nu weet gij van ons wat gij verlangd hebt te weten; en nu zult gij ons ook op uw beurt, hoop ik, de waarheid zeggen, zonder ons op flauwe aardigheden te vergasten."

De Engelschman monsterde hen met een doorborenden blik, als zocht hij hun binnenste te doorzien tot op den bodem van hun hart; toen kwamen zijn gelaatstrekken in een vriendelijker plooi: hij haalde een papier uit zijn banknoten-tasch, vouwde dat open, en het hun voorhoudende antwoordde hij: "Ik heb niet geschertst; daar ik u beiden voor brave en eerlijke lieden houd kunt gij mijn reispas inzien."

De twee anderen zagen het papier in, en lazen wat er in stond; toen keken zij elkander aan, zichtbaar met bevreemding: de lange met de oogen en den mond zoo wijd mogelijk opengespalkt; en de kleine zei, ditmaal op een zeer beleefden toon: "Werkelijk een lord, lord Castlepool! Maar, mylord! wat zoekt gij hier in de prairie? Uw leven..."

"Pshaw!" viel de lord hem in de rede. "Wat ik zoek? Ik wil de prairie en het Rotsgebergte leeren kennen, en dan ga ik naar Frisco. De geheele Oude Wereld heb ik doorkruist, ben overal geweest, maar in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika nog niet. Doch wij zijn nu aan elkaar voorgesteld, en dus geen vreemden voor elkander meer. Laat ons nu uw paarden gaan halen! Ik vooronderstel ten minste dat gij paarden hebt, ofschoon ik die nog niet gezien heb."

"Zeer zeker hebben wij paarden; ze staan daar achter dien heuvel, waar wij halt gehouden hebben om uit te rusten."

"Volg mij dan!"

Aan den toon, waarop hij sprak, was duidelijk te hooren, dat hij nu degene was die bevelen te geven had aan hen, en niet zij aan hem. Hij steeg van zijn paard af, en ging hen voor, het dal door tot achter den aangewezen heuvel, waar twee paarden liepen te grazen, die men veilig met de gemeenzame benaming van "oude knollen" had kunnen bestempelen. Zijn paard had hem daarbij nageloopen als een hond. De twee paarden kwamen er dadelijk op af; doch het dier hinnikte gramstorig en sloeg achteruit, om hen op een afstand te houden.

"Wat een venijnig kreng!" zei Humply-Bill. "Schijnt zeer ongezellig te zijn."

"O neen," antwoordde de lord. "Maar hij weet, dat ik nog niet op een vertrouwelijken voet met u ben, en daarom wil hij voorloopig met uw paarden ook nog geen kennis maken."

"Is hij werkelijk zoo verstandig? Daar ziet hij toch anders niet naar uit. Hij schijnt een boerenpaard geweest te zijn."

"Neen, nu slaat gij de plank geheel en al mis. Het is een echte Koerdische hoezaan (= hengst), als gij het niet kwalijk neemt."

"He! Waar ligt dat land?"

"Tusschen Perzië en Turkije. Ik heb hem daar zelf gekocht, en mee naar huis genomen."

Hij zei dit op zulk een onverschilligen toon, alsof het even gemakkelijk is een paard uit Koerdistan naar Engeland, en van daar naar de Vereenigde Staten te brengen, als een kanarie-vogel uit het Hartzgebergte naar het Thuringer-woud. De beide jagers gaven elkander een knip-oogje. Maar hij ging zonder zich te geneeren in het gras zitten, waar zij daarstraks gezeten hadden. Daar lag een aangesneden, gisteren gebraden ree-bout. Hij haalde zijn mes te voorschijn, sneed er een ferm stuk van af, en begon te eten, alsof dat vleesch niet aan de anderen, maar aan hem toebehoorde.

"Zoo gaat het goed!" zei de Bultenaar. "In de prairie moet men geen complimenten maken."

"Die maak ik ook niet," antwoordde hij. "Gij hebt gisteren uw vleesch geschoten; vandaag of morgen schiet ik wat op mijn beurt natuurlijk voor u meteen."

"Zoo? Denkt gij dan, mylord, dat wij morgen nog bij elkander zullen zijn?"

"O ja, morgen en nog veel langer. Willen wij wedden? Ik wed om tien dollars, of om meer, als gij wilt."

Meteen greep hij naar zijn geldtasch.

"Laat uw banknoten maar rusten," zei Humply. "Wedden doen wij niet!"

"Komt dan hier bij mij zitten. Dan zal ik het u verklaren."

Zij zetten zich in het gras neer, vlak over hem. Hij nam hen nog eens op met een scherpen blik, en zei toen: "Ik ben den Arkansas komen opvaren, en te Mulvane aan wal gestapt. Ik wilde daar een gids aannemen, of twee; doch ik vond er niet één die mij beviel. Altemaal uitschot, al die kerels. Toen ben ik dus weggereden, want ik dacht, dat echte prairie-mannen nergens beter te vinden zouden zijn, dan in de prairie. Nu heb ik u aangetroffen, en gij bevalt mij. Wilt gij met mij meegaan?"

"Waar naar toe?"

"Naar Frisco, aan gene zijde."

"Gij zegt dat zoo leuk, alsof het slechts een rit van één dag is."

"Een rit is het, dat weet ik. Maar of die nu één dag, dan wel een rond jaar duurt, dat doet er niets toe."

"Hum, zoo! Maar hebt gij wel bedacht, wat iemand onderweg wedervaren kan?"

"Die moeite heb ik mij nog niet gegeven; ik hoop dat onderweg wel te ondervinden."

"Verlang daar maar niet te hard naar. Overigens kunnen wij niet met u meegaan. Wij zijn zoo rijk niet, als gij schijnt te wezen: wij leven van de jacht, en kunnen dus geen uitstapje, waartoe eenige maanden noodig zijn, naar Frisco maken."

"Ik zal er u natuurlijk voor betalen."

"O, dat maakt een onderscheid; dan is er misschien wel iets aan te doen."

"Kunt gij schieten?" vroeg de Engelschman.

Met een oog bijna van medelijden keek de bultenaar den lord aan, toen hij antwoordde: "Een prairie-jager en schieten! Dat is bijna nog slimmer, dan wanneer gij mij de vraag deedt, of een beer vreten kan. Die twee dingen spreken immers als mijn bult."

"Ik zou er toch wel gaarne eens een staaltje van zien. Kunt gij die gieren, die daar boven ons hoofd in de lucht zweven, naar beneden halen?"

Humply mat met het bloote oog de hoogte, waar ze op hun wieken dreven in de lucht, en antwoordde: "Waarom zou ik dat niet kunnen? Maar of gij het ons met uw twee zondagsche geweren zoudt kunnen nadoen betwijfel ik sterk."

Dit zeggende wees hij naar het paard van den lord. De geweren hingen nog aan de beugelriemen; ze waren blank gepolijst, zoodat ze eruitzagen als fonkelnieuw, iets dat in de oogen van een Westman een gruwel is.

"Schiet dan eens!" gebood de lord, zonder zich aan de laatste woorden van den bultenaar te ergeren.

Humply stond op, legde aan, mikte een seconde, en brandde toen los. Men zag, dat een der gieren een stoot ontving; de vogel sloeg fladderend zijn vleugels uit, en trachtte zich zwevende te houden, doch tevergeefs; hij moest naar beneden, eerst langzaam, vervolgens sneller; eindelijk trok hij de vleugels tegen zijn lijf aan, en viel als een baksteen loodrecht neer op den grond.

"Nu, wat zegt gij daarvan, mylord?" vroeg de kleine schutter.

"Niet kwaad!" luidde het leuke antwoord.

"Wat? Noemt gij dat leuk weg niet kwaad? Bedenk eens welk een hoogte, en dat het schot den vogel precies in het leven heeft getroffen, want hij was reeds dood boven in de lucht. Ieder kenner zou het een meesterlijk schot genoemd hebben!"

"Well, de tweede!" knikte de lord den langen jager toe, zonder op de gemelijkheid van den kleine te letten.

Gunstick-Uncle richtte zich stijf van den grond op, leunde met de linkerhand op zijn lang jachtroer, strekte zijn rechterhand uit als een declamator, sloeg de oogen, opwaarts naar den tweeden vogel, en sprak toen op pathetischen toon: "De roofgier zweeft in hooger sfeer.--En blikt van daar op de aarde neer,--En hoopt op lekker aas alweer,--Maar....'k schiet, en 't ondier leeft niet meer!"

Bij dit geïmproviseerde rijmpje was zijn lichaamsstand zoo stijf en hoekig als van een ledepop. Tot dusverre had hij nog geen enkel woord gesproken, des te grooter moest dus de indruk zijn, dien dit heerlijk stukje poëzie maakte. Zoo dacht hij. Daarom liet hij den opgeheven arm zinken, wendde zich naar den lord, en staarde dien aan met de fierheid van iemand, die een rechtmatige hulde verwacht. De Engelschman had al lang weer zijn onnoozele, domme gezicht aangenomen; nu vertoonde dat trekkingen als van iemand, die niet weet of hij lachen of huilen wil.

"Hebt gij het wel goed gehoord, mylord? Ja, ja: Gunstick-Uncle is een man, die zijn weetje wel weet. Hij is vroeger komediant geweest, en nog altijd is hij dichter. Hij spreekt bitter weinig, maar als hij eenmaal zijn mond opendoet, dan spreekt hij louter in honigzoete klanken, dat wil zeggen op rijm."

"Well!" knikte de Engelschman. "Of zijn mond van honigzoetheid houdt, of van komkommer-salade, dat is niet mijn, maar zijn zaak. Maar kan hij schieten?"

De lange dichter trok zijn neus op en strekte, bij wijze van afwering, de hand uit, welk een en ander teekenen moesten verbeelden van verontwaardiging over zulk een vraag. Toen hief hij zijn jachtroer in de hoogte om aan te leggen, doch zette het dadelijk weer op den grond. Hij had het gunstige oogenblik verzuimd; want terwijl hij zijn dicht-ader liet vloeien, had de wijfjesgier, verschrikt door den dood van haar mannetje, de vlucht genomen, en bevond zich reeds een goed eind verder af.

"Hij is met geen mogelijkheid meer te raken," zei Humply. "Vindt gij dat óók niet, uncle?"

De gevraagde hief zijn beide handen ten hemel naar het punt, waar de gier zich thans bevond en antwoordde op een toon, als wilde hij dooden uit hun graf doen verrijzen: "Door zijn vleuglen weggedragen,--Zweeft hij over berg en dal!--Ik behoef geen schot te wagen,--Daar hij toch ontkomen zal.--Wie hem nu nog wenscht te kriegen,--Dient hem achterna te vliegen!"

"Onzin!" riep de lord. "Verbeeldt gij u werkelijk, dat hij niet meer te raken is?"

"Ja, sir!" antwoordde Humply. "Geen Old Firehand, geen Winnetou en geen Old Shatterhand zou in staat zijn hem nu nog naar beneden te halen. En dat zijn toch de drie beste schutters uit het verre Westen."

"Zoo!"

Terwijl de lord dit woordje "zoo" meer minachtend uitstiet dan duidelijk uitsprak, gleed er een soort van bliksem-snelle opklaring over zijn gelaat. Hij liep gauw naar zijn paard, nam een der geweren van den riem af, spande den haan, legde aan, mikte, loste zijn schot, alles in een paar seconden, zette het geweer bij den voet, ging weer zitten, greep naar den reebout, om er zich nog een stuk van af te snijden, en vroeg: "Nu, was hij te raken of niet?"

Op de gezichten der twee jagers lag de uitdrukking van de hoogste verbazing, ja van bewondering. De vogel was geraakt, en goed ook, want hij viel met toenemende snelheid in een telkens enger kronkelende slakkenlijn naar beneden.

"Wonderful!" riep Humply vol geestdrift uit. "Als dat geen toeval is, mylord!...."

Eensklaps zweeg hij. Zich naar den Engelschman omkeerende, zag hij dien kauwende op den grond zitten, met den rug naar den kant gewend, in welke richting hij zijn meesterlijk schot afgevuurd had. Dat was toch bijna niet te gelooven.

"Maar, mylord!" vervolgde de bultenaar, "kijk toch eens even om! Gij hebt den gier geraakt en goed geraakt ook, want hij is dood!"

"Dat weet ik!" antwoordde de Engelschman, meteen, zonder om te kijken, een stuk vleesch in zijn mond stekende.

"Maar gij hebt hem immers nog niet gezien."

"Dat behoeft ook niet: Ik weet het, en dat is voldoende. Mijn kogel mist nooit!"

"Maar dan zijt gij waarlijk een baas, die althans wat schieten betreft, volstrekt niet behoeft onder te doen voor de drie beroemde mannen, die ik u daareven genoemd heb! Vindt gij ook niet, uncle?"

De fameuze boonenstaak-oome zette zich nogmaals in postuur, en antwoordde gesticuleerende met zijn beide handen: "Dat schot is raak geweest,--Want morsdood is het beest! Mylord kan zich verkneutren..."

"Hou nu maar op met leutren!" viel de Engelschman hem in de rede. "Al die rijmerij en bombarie dient tot niets. Ik heb eenvoudig eens willen zien welk soort van schutters gijlieden zijt. Komt nu maar zitten, en laat ons verder over onze zaken praten. Gij gaat dus met mij mee, en ik betaal u de reis. Is dit afgesproken?"

De twee keken elkander eens aan, knikten elkander toe, en antwoordden toen met een bevredigend ja.

"Well! En hoeveel verlangt gij?"

"Ja, mylord! Met die vraag brengt gij mij in verlegenheid. Wij hebben nog nooit in dienst van iemand gestaan, en van een zoogenaamde betaling kan bij scouts (= gidsen, padvinders), hetgeen wij dan toch zullen zijn, wel nooit ofte nimmer sprake wezen."

"All right! Gij hebt uw gevoel van eigenwaarde, en dat bevalt mij. Wat wij als vergelding voor uw geleide bedingen zullen is een honorarium, een eere-belooning; en als ik over u tevreden ben, zal ik nog een extra-gratificatie daaraan toevoegen. Ik ben hierheen gekomen om iets nieuws te beleven, om beroemde jagers te zien, en doe u dus het volgende voorstel: Ik betaal u voor ieder avontuur, dat wij beleven, vijftig dollars."

"Sir!" lachte Humply, "dan worden wij rijke menschen, want aan avonturen is hier geen gebrek: beleven kan men die, ja; maar of wij die overleven zullen, dat is een andere vraag. Aan ons beiden zal het niet liggen; maar voor een vreemdeling is het raadzamer, de avonturen te ontwijken, in plaats van die op te zoeken."

"Maar ik wensch ze te hebben. Begrepen?! Ook wensch ik met beroemde jagers in aanraking te komen. Gij hebt mij daarstraks drie mannen genoemd, over wie ik reeds veel gehoord heb. Zijn die drie mannen thans in het Westen?"

"Nu vraagt gij mij meer, dan ik u beantwoorden kan. Die beroemde personen zijn overal en nergens. Men kan hen niet anders aantreffen, dan bij toeval; en zelfs wanneer men hen eens ontmoet, is het de vraag nog, of zulk een koning der Westmannen zich verwaardigen zal, zich met een onbekende in te laten."

"Men moet en zal zich met mij inlaten! Ik ben Lord Castlepool, en wat ik wil, dat wil ik. Voor ieder van die drie jagers, dien wij aantreffen, betaal ik u honderd dollars."

"Drommels, mylord! hebt gij dan zóóveel geld bij u?"

"Ik heb zooveel bij mij als ik onderweg noodig zal hebben. Uw geld betaal ik u pas in Frisco bij mijn bankier. Neemt gij genoegen daarmee?"

"O ja, volgaarne. Daar geven wij u de hand op. Wij kunnen waarlijk niets beters doen, dan genoegen nemen met alles wat gij ons voorstelt."

Beiden gaven hem nu de hand. Toen trok hij de tweede tasch van achteren naar voren, maakte die open, en haalde er een boek uit.

"Dit is mijn dagboek, waarin ik alles opschrijf," zei hij. "Ik zal aan ieder van u een afzonderlijke bladzijde geven, en zet daarboven ieders portret en zijn naam."

"Onze portretten?" vroeg de bultenaar verwonderd.

"Ja, uw portretten. Blijf maar een oogenblik stilzitten zooals gij nu zit!"

Hij sloeg het boek open en nam zijn potlood in de hand. Zij zagen, dat hij hen telkens aankeek, en dan weer met zijn potlood op het papier krabbelde. Na verloop van eenige minuten liet hij hun zien wat hij geteekend had; zij herkenden hun goed gelijkende portretten, en hun namen er bij.

"Op deze bladzijden wordt geboekt wat ik u van tijd tot tijd schuldig zal worden," zeide hij nu. "Mocht ik verongelukken dan neemt gij dit boek mede naar Frisco, en vertoont het aan den bankier, wiens naam ik u later noemen zal; die zal u de u toekomende gelden oogenblikkelijk uitbetalen."

"Dat is een uitmuntende inrichting, mylord!" merkte Humply aan. "Wij willen echter niet hopen, dat.... Behold, uncle! kijk onze paarden eens! Zij steken hun ooren op, en zetten hun neusgaten open. Er moet iets vreemds in de nabijheid zijn. De Rolling-Prairie is gevaarlijk. Beklimt men een heuvel dan wordt men gezien, en blijft men beneden, dan kan men het naderen van een vijand niet merken, en allicht overrompeld worden. Ik wil toch eens even naar boven gaan om te zien of ik iets ontdekken kan."

"Dan ga ik met u mee!" zei de lord.

"Blijf liever hierbeneden, sir! Gij zoudt de zaak kunnen bederven!"

"Pshaw! Ik bederf niets."

Beiden verlieten het dal, en klommen naar den top van den heuvel. Toen zij dien bijna bereikt hadden gingen zij op den grond liggen, en kropen geheel en al naar boven. In het lange gras bleven hun lichamen verscholen, en hun hoofden staken zij slechts zoo ver omhoog als noodig was om rond te kunnen zien.

"Hum! Voor een nieuweling, sir! doet gij dat boven verwachting," prees Humply. "Ik zelf zou het u bezwaarlijk kunnen verbeteren. Maar ziet gij dien man wel, daarginder, boven op den tweeden heuvel van hier af?"

"Yes! Een Indiaan, schijnt het?"

"Ja, het is een Roodhuid. Had ik ... och, mylord! haal even uw kijker van beneden, dan kan ik zien of ik zijn gezicht herken."

De lord voldeed daaraan.

De Indiaan lag boven op dien heuvel in het gras, en staarde onafgewend naar het oosten, waar echter niets te zien was. Van tijd tot tijd richtte hij zijn bovenlijf even op om verder te kunnen zien, doch dook dan terstond weder in het gras neer. Indien hij iemand verwachtte, was dat stellig slechts een vijand.

De lord kwam terug met den verrekijker, schoof dien uit op de maat, en reikte hem aan den gebochelde. Juist toen deze den Indiaan voor zijn glas kreeg, keek die toevallig even om, zoodat zijn gezicht te herkennen was. Dadelijk legde Humply den kijker neer, sprong overeind, zoodat zijn gansche gestalte van den heuvel af, waar de Roodhuid lag, gezien kon worden, hield de handen aan den mond, en riep met luider stemme: "Menaka sjecha, Menaka sjecha! Mijn broeder kan naar zijn blanken vriend komen!"

De Indiaan keek schielijk om, herkende de gebochelde gestalte, en liet zich oogenblikkelijk van den heuveltop naar beneden glijden, zoodat hij in het golvend dal verdween.

"Ziezoo, mylord! nu zult gij spoedig de eerste vijftig dollars te boeken hebben," zei Humply tegen den Engelschman, terwijl hij weer neerdook.

"Zullen wij een avontuur hebben?"

"Hoogstwaarschijnlijk, ja, want de hoofdman lag ontwijfelbaar op den uitkijk naar vijanden."

"Is het een hoofdman?"

"Ja, een ferme kerel, een hoofdman van de Osagen."

"En kent gij hem?"

"Niet alleen dat wij hem kennen, maar wij hebben met hem de pijp van vrede en broederschap gerookt, en zijn verplicht hem ten allen tijde bij te staan, zooals hij dat wederkeerig verplicht is jegens ons."

"Well, dan wensch ik, dat hij, in plaats van een paar tegenstanders, er hoe meer hoe liever verwacht."

"Schilder den duivel maar niet op den muur. Zulke wenschen zijn gevaarlijk, want maar al te licht gaan zij in vervulling. Ga maar mee naar beneden! Wat zal de uncle blij, maar tevens verwonderd zijn, dat de hoofdman zich in deze streek bevindt!"

"Hoe hebt gij den Roodhuid ook weer genoemd?"

"In de Osagen-taal Menaka sjecha, dat wil zeggen de Goede Zon of de Groote Zon. Hij is een zeer dapper en ervaren krijgsman, en bovendien niet bepaald een vijand van de blanken, ofschoon de Osagen tot de volkeren der nog ongetemde Sioux behooren!"

Beneden aangekomen, vonden zij den uncle in een stijve, theatrale houding, Hij had alles gehoord, en deze houding aangenomen, om zijn rooden vriend zoo deftig mogelijk te begroeten.

Het duurde niet lang of de paarden begonnen te snuiven, en terstond daarop zag men den Indiaan komen. Hij was iemand in de beste jaren van den mannelijken leeftijd en droeg de gewone Indiaansche leeren kleeding, die op ettelijke plaatsen gescheurd, en hier en daar met versch bloed bevlekt was. Wapenen had hij niet. Op elk zijner wangen was een zon getatoueerd, aan de gewrichten van zijn beide handen was het vel afgescheurd. Hij was blijkbaar gebonden geweest, en had stellig zijn boeien verbroken. Zooveel was althans met zekerheid uit alles op te maken, dat hij thans op de vlucht was en vervolgd werd.

In weerwil van het gevaar, dat den Indiaan boven het hoofd hing, en dat hem waarschijnlijk zeer na op de hielen zat, naderde hij met langzamen tred, stak zonder dadelijk op den Engelschman te letten, aan de twee jagers zijn rechterhand toe, en zei op een allerbedaardsten toon in zeer goed Engelsch: "Ik heb de stem en de gestalte van mijn broeder en vriend dadelijk herkend, en het verheugt mij u te kunnen begroeten."

"Ook wij verheugen ons daarover," antwoordde Humply, "daarvan kunt gij u verzekerd houden."

De lange uncle strekte zijn beide handen boven het hoofd van den Roodhuid, als om den zegen over hem uit te spreken, en galmde declameerend uit:

"Wees gegroet, gegroet, mijn waarde! Telg des hemels op deze aarde! Groote hoofdman, wees gegroet! Zet u aan mijn zij met spoed Eer uw vijand kan genaken, En .... laat u 't restantje smaken Van een reebout, dat wij nu, Vriend een broeder, bieden u!"

Bij deze laatste woorden wees hij naar het gras, waar datgene lag, dat de lord van den reebout overgelaten had, namelijk het been met ettelijke harde vleeschvezels er aan, die voor het mes niet hadden willen zwichten.

"Stil, uncle!" riep Humply, "er is nu waarlijk geen tijd voor uw gedichten. Of ziet gij niet in welken toestand de hoofdman verkeert?"

"O ja,

Gebonden, doch ontkomen, Heeft de eedle zonder schromen De vlucht naar hier genomen!"

was declameerende het antwoord.

De gebochelde wendde zich nu van den uncle af, wees naar den lord, en zei tegen den Osage: "Dit bleekgezicht is een meester in het schieten, en sedert kort onze nieuwe vriend. Ik beveel hem aan in de genegenheid van u en uw stam."

Nu gaf de Roodhuid ook aan den Engelschman de hand, en antwoordde: "Ik ben de vriend van elken goeden en eerlijken blanke; maar dieven, moordenaars en lijkenschenders moeten verdelgd worden door den tomahawk!"

"Hebt gij zulke slechte menschen reeds ontmoet?" vroeg Humply.

"Ja. Mijn broeders mogen hun geweren gereedhouden, want degenen, die mij achternazetten, kunnen ieder oogenblik komen opdagen, ofschoon ik hen niet gezien heb. Zij zullen te paard zitten, en ik heb moeten loopen; maar de voeten van de 'Goede Zon' zijn even vlug en tegen vermoeienis bestand als de loopers van een hert, die geen paard kan inhalen. Ik ben vele krommingen en cirkels geloopen; ook heb ik mij dikwijls achteruitbewogen, met de hielen naar voren; alles om hen op te houden en hun het spoor bijster te maken. Zij hebben het gemunt op mijn leven."

"Daar zullen zij de groetenis van hebben! Met hun hoevelen zijn zij?"

"Dat weet ik niet; want toen zij mijn vlucht ontdekken konden, was ik reeds uit hun bereik."

"Maar wie is of wie zijn het dan? Welke blanken hebben het gewaagd, de Goede Zon gevangen te nemen om hem te dooden?"

"Het zijn vele, zeer vele menschen, verscheiden honderden slechte kerels, die door de bleekgezichten Tramps genoemd worden."

"Tramps? Hoe komen die hier verzeild, en wat willen die hier in deze afgelegen streek? Op welke plaats bevinden zij zich?"

"In den hoek van het bosch, die den naam draagt van Osagenook, maar dien wij den moordhoek noemen, omdat onze beroemdste hoofdman en zijn dapperste strijders daar verraderlijk om het leven gebracht zijn. Jaar aan jaar, telkens als de maan driemaal vol is geweest, bezoeken eenige afgevaardigden van onzen stam die plaats, om op de graven van de gevallen helden den Doodendans te dansen. Zoo verliet ook ik in dit jaar met twaalf krijgslieden onze groene weide-velden, om mij met hen naar Osage-nook te begeven. Wij zijn eergisteren daar aangekomen, hebben de geheele streek onderzocht en ons overtuigd, dat er geen vijandelijk wezen daar in den omtrek te vinden was. Wij waanden ons dus volkomen veilig, en sloegen ons bivak bij de graven op. Gisteren gingen wij op de jacht om aan vleesch te komen, en wij hadden plan om vandaag met de plechtigheid een begin te maken. Ik was zoo voorzichtig geweest, twee wachten uit te zetten, en niettegenstaande dat is het aan een troep blanken gelukt, onopgemerkt sluipenderwijze door te dringen tot dicht in onze nabijheid. Zij hadden stellig het spoor gezien, dat op de jacht door onze voeten en door de hoeven onzer paarden achter was gelaten; en nauwelijks was onze dans begonnen, of wij werden zoo plotseling door hen overvallen, dat wij ons slechts eenige oogenblikken konden verweren. Zij waren naar mijn gissing ettelijke honderdtallen sterk, wij doodden er eenigen van, en acht der onzen werden door hen doodgeschoten; ik werd met de overige vier overweldigd en gekneveld. Er werd gerecht over ons gehouden, en wij vernamen, dat wij hedenavond aan het vuur gemarteld, en vervolgens levend verbrand zouden worden. Zij legerden zich bij de grafsteeden, en ik werd van mijn krijgsmakkers gescheiden, opdat ik niet met hen zou kunnen spreken. Men bond mij aan een boom vast, en zette een blanke bij mij, om de wacht te houden; maar de riem, waarmee men mij gebonden had, was niet sterk genoeg; ik trok dien aan stukken. Wel sneed die mij diep in mijn vleesch, zooals gij zien kunt; maar ik worstelde mij ten minste los; en op een oogenblik, toen de bewaker zich even verwijderde, maakte ik gebruik om heimelijk weg te sluipen."

"En uw vier kameraden?" vroeg Bill.

"Die zijn natuurlijk nog daar. Of denkt gij, dat ik moeite heb kunnen doen om hen op te sporen?"

"O neen! want dan waart gij stellig opnieuw gevangengenomen."

"Mijn broeder zegt de waarheid. Ik had hen niet kunnen redden, en zou zeer zeker met hen omgekomen zijn. Ik besloot dus, mij in allerijl naar de boerderij van Butler te spoeden, met wien ik bevriend ben, en daar hulp te gaan halen."

Humply-Bill schudde zijn hoofd, en zei: "Bijna onmogelijk! Van Osage-nook naar de boerderij van Butler, dat zijn ruim zes uur rijdens als men een goed paard heeft, en met een slecht paard veel langer. Hoe zoudt gij dus vóór den avond terug kunnen zijn? En van avond zullen uw kameraden afgemaakt worden!"

"Ja maar, de voeten van de Goede Zon zijn even vlug als die van het vlugste paard!" antwoordde de hoofdman met zelf vertrouwen. "Mijn vlucht zal ten gevolge hebben, dat ze de terdoodbrenging uitstellen en eerst alle moeite doen om mij weer in handen te krijgen. De hulp zou dus nog wel bijtijds kunnen komen."

"Die veronderstelling kan juist wezen, maar kan ook evengoed falen. Het is maar goed, dat gij ons aangetroffen hebt; want nu is het niet noodig aan de boerderij van Butler hulp te gaan zoeken; wij, wij zullen met u meegaan, om uw kameraden te bevrijden."

"Wil mijn blanke broeder dat werkelijk doen?!" riep de Indiaan op een toon van blijde verrassing.

"Natuurlijk! Wat anders? De Osagen zijn immers onze vrienden, en de tramps zijn de vijanden van ieder eerlijk man!"

"Maar zij zijn zoo ontzettend talrijk, er zijn er zoo ijselijk velen, en wij met ons vieren hebben slechts acht armen en handen!"

"Pshaw! gij kent mij immers! Of denkt gij, dat ik van plan ben, om mij zoo maar holderdebolder in hun midden te werpen? Vier heldere koppen kunnen het best wagen om een troep tramps heen te sluipen, ten einde eenige gevangenen uit hun handen te halen. Wat zegt gij daarvan, oude uncle?"

De laadstok-stijve uncle spreidde zijn beide armen uit, sloot in geestvervoering zijn oogen dicht, en riep:

"Ik ben één van de vier! En ik zeg 't zonder snoeven, Ik rij mee met plezier Naar het bivak der boeven; En wij halen als buit, De vier broeders er uit!"

"Mooi zoo! en gij, mylord?"

De Engelschman had zijn opschrijfboek voor den dag gehaald, om den naam van den hoofdman op te teekenen; hij schoof het nu weer in de tasch, en antwoordde: "Natuurlijk rij ik mee; het is immers een avontuur?"

"Ja, maar een gevaarlijk avontuur, sir!"

"Zooveel te beter! Dan betaal ik tien dollars meer dus zestig. Maar als wij rijden willen, dienen wij een paard voor de Goede Zon te hebben."

"Hum ja!" hernam de gebochelde, terwijl hij hem verwonderd aanzag. "Maar waar moeten wij dat vandaan halen--weet gij dat?"

"Wel, wij nemen er natuurlijk een van zijn vervolgers, die hem waarschijnlijk dicht op de hielen zitten."

"Goed bedacht, goed bedacht! Gij zijt een wakkere, sir! en ik geloof, dat wij het best met elkander zullen weten te vinden. Maar zou onze roode vriend ook niet een wapen dienen te hebben?"

"Ik zal hem een van mijn geweren afstaan. Hier is het al! Hoe het gebruikt moet worden, zal ik hem wel vertellen. En nu hebben wij geen tijd meer te verliezen, dunkt mij. Ik geef u dus in bedenking, om ons zóó te posteeren, dat de vervolgers, als zij hier aankomen, geheel door ons omsingeld zullen zijn."

De uitdrukking van verwondering op het gelaat van den kleine werd hoe langer hoe sterker. Hij nam den Engelschman op met een vragenden blik, en zei:

"Gij spreekt juist als een geoefend jager, die veel ondervinding heeft, sir! Hoe is dan eigenlijk uw idee, hoe wij dat moeten aanleggen?"

"O, dat is doodeenvoudig. Een onzer blijft hierboven op den heuvel, waar wij beiden gestaan hebben. Hij ontvangt de kerels precies zooals gij beiden vroeger mij ontvangen hebt. De andere drie loopen in een halven cirkel, opdat hun voetspoor niet te herkennen zij, en beklimmen dan ieder een der omliggende heuvelen. Komen dan de kerels, dan bevinden zij zich tusschen de vier bezette heuvels, en wij hebben hun in de val, want wij zijn in de hoogte gedekt en kunnen hun het licht uitblazen naar hartelust, zonder dat zij van ons iets anders te zien krijgen, dan den rook uit de geweren."

"Gij spreekt inderdaad als een boek, mylord! Zeg toch eens eerlijk, is dit wezenlijk voor de eerste maal, dat gij in de prairie zijt?"

"Ja, dat is eerlijk de waarheid. Maar ik ben vroeger reeds hier en daar elders geweest, waar men niet minder op zijn tellen dient te passen dan hier. Wij hebben daarover al eens gesproken."

"Well! Ik begin te begrijpen, dat wij niet veel met u te haspelen zullen hebben, en dat doet mij plezier. Ik moet u zeggen, dat ik juist hetzelfde plan had willen voorstellen. Zijt gij het met ons eens, uncle!"

De boonenstaak-slikker maakte een theatrale beweging met zijn arm, en antwoordde:

"Ja, ja, zij worden ingesloten, En tot den laatste doodgeschoten!"

"Goed zoo! Dan blijf ik hier, om hen, zoodra ze komen, te woord te staan. Mylord gaat naar den heuvel rechts, gij naar den heuvel links, en de hoofdman vat post op den heuvel vlak vóór ons. Op die manier krijgen wij hen geheel in onze macht; en of wij hen zullen dooden, al dan niet, dat zal geheel afhangen van de wijze, waarop zij zich gedragen."

"Dood maken niet!" opperde de lord.

"Juist, sir! ook ben ik daar tegen; maar de schurken verdienen eigenlijk geen verschooning; en als wij hen sparen, wat moeten wij dan met hen aanvangen? Hen met ons mee te sleepen, dat kan met geen mogelijkheid; en laten wij hen vrijheid, dan verraden zij ons. Ik zal zoo luid met hen spreken, dat gij ieder woord verstaan kunt: dan weet gij wat er gedaan moet worden. Schiet ik er een overhoop, dan is dat bepaald het teeken, dat gij op de anderen moet schieten. Ontkomen mag er niet een. Bedenk, dat zij acht Osagen vermoord hebben, zonder door dezen ooit vijandig behandeld te zijn! En nu voorwaarts, messieurs! ik geloof, dat wij niet langer mogen talmen."

Hij beklom den naastbij gelegen heuvel, en ging daar, op dezelfde plek, waar hij vroeger met den Engelschman den Indiaan gadegeslagen had, in het gras liggen. De drie anderen verdwenen aan weerszijden in de dalen. De paarden bleven staan waar zij stonden. De lord had zijn kijker meegenomen.

Er verliep wel een kwartier, zonder dat men de nadering van een levend wezen bespeurde. De wachter, uit wiens bewaking de hoofdman ontsnapt was, had stellig door achteloosheid te laat zijn ontvluchting ontdekt. Eindelijk deed zich van den heuvel, waar de Engelschman de wacht hield, den luiden roep hooren: "Opgepast! ze zijn in aantocht."

"Stil!" waarschuwde de gebochelde iets minder luid.

"Pshaw!" antwoordde de Engelschman. "Ze kunnen het onmogelijk hooren. Ze zijn minstens nog een mijl ver van ons af."

"Welken kant uit?"

"Lijnrecht naar het oosten. Ik heb door mijn kijker twee kerels gezien, die op een heuvel stonden, en die hierheen keken, of ze ook iets van den hoofdman konden ontdekken. Hun paarden stonden stellig beneden."

"Nu opgepast dus, en spaar de paarden: die hebben wij noodig!"

Er verliep weer eenige tijd; toen hoorde men den hoefslag van naderende paarden. In het dal, dat zich voor den gebochelde uitstrekte, werden twee naast elkander rijdende mannen zichtbaar; zij waren zeer goed gewapend en bereden, en hielden hun oogen scherp op het spoor van den hoofdman gericht, dat zij volgden. Dadelijk achter hen verschenen er nog twee, en toen nog een; er waren dus vijf vervolgers. Zoodra zij zich midden in het dal bevonden, riep Bill hun toe: "Stop, messieurs! Geen voetstap verder, of gij hoort mijn buks spreken!"

Zij hielden verwonderd halt en keken naar boven, doch zagen niemand, daar de bultenaar in het lange gras lag. Intusschen voegden zij zich naar de ontvangen bedreiging, terwijl de voorste antwoordde: "Wat duivel is dat! Ligt hier een struikroover in hinderlaag? Kom voor den dag, en zeg ons welk recht gij hebt, om ons halt te gebieden!"

"Het recht van elken jager, die vreemden ziet naderen," klonk het van boven.

"Wij zijn ook jagers!" was het antwoord. "Zijt gij een eerlijk man, laat u dan zien!"

De vijf tramps hadden hun geweren in de hand genomen; zij zagen er allesbehalve vredelievend uit; maar toch was het antwoord van den kleine: "Ik ben een eerlijk man, en durf mij best laten zien. Hier hebt gij mij!"

Hij sprong overeind, zoo, dat zijn geheele gestalte gezien kon worden; maar hij hield zijn oogen zoo scherp op hen gericht, dat de minste of geringste van hun bewegingen hem niet ontgaan kon.

"Zounds!" riep een hunner. "Als ik mij niet vergis, is het Humply-Bill!"

"Ja, zoo word ik genoemd."

"Dan is ook de Gunstick-Uncle in de nabijheid; want die twee zijn altijd bij elkander."

"Kent gij ons dan?"

"Dat zou ik wel denken. Ik heb van vroeger nog een appeltje met u te schillen!"

"Maar ik ken u niet!"

"Dat is wel mogelijk, want gij hebt mij slechts van verre gezien ... Boys! die kerel is ons in den weg; ik geloof zelfs, dat hij gemeene zaak heeft gemaakt met de Roodhuiden. Wij zullen hem eens daar van boven naar beneden blazen!"

Hij mikte op den kleine, en drukte het schot af. Bill stortte eensklaps, als door den kogel getroffen, in het gras neer.

"Heigh-day, dat was goed gemikt!" jubelde de man. "Nu nog de Gun-stick-Un...."

Verder bracht hij het niet, Bill was pijlsnel neergedoken, om niet geraakt te worden; nu knalde het plotseling tweemaal achtereen uit zijn beide geweerloopen, en geen seconde duurde het, of ook de geweren der drie anderen braakten hun kogels uit. De vijf tramps tuimelden van hun paarden af, en de vier overwinnaars snelden van de heuvelen af naar het dal beneden, om den vijf paarden het vluchten te beletten. De lijken der tramps werden onderzocht.

"Goed gewerkt!" sprak Bill. "Geen een schot heeft gemist! Ze zijn alle vijf ineens morsdood geweest!"

De hoofdman der Osagen schouwde de twee mannen, op wier voorhoofd hij gemikt had. Hij zag de kleine gaatjes, waar de kogel binnengedrongen was, vlak boven den neuswortel, en wendde zich tot den lord: "Het geweer van mijn blanken broeder is van zeer klein kaliber, maar het is een voortreffelijk wapen, waarop men zich verlaten kan."

"Dat geloof ik ook," knikte de Engelschman. "Ik heb die twee geweren extra voor de prairie besteld."

"Mijn broeder moest mij dit hier verkoopen. Ik geef er hem honderd bevervellen voor."

"Het is niet te koop."

"Dan geef ik er hem honderd en vijftig."

"Dan ook nog niet."

"Voor tweehonderd ook niet?"

"Neen, al waren die bevervellen tienmaal zoo groot als olifantshuiden."

"Dan bied ik hem den hoogsten prijs, die er geboden kan worden: ik geef voor dit geweer het beste paard van de Osagen in ruil."

Het was duidelijk aan zijn gezicht te zien, dat hij overtuigd was, nu een bod te doen, zooals er nog nooit een gedaan was; maar de lord schudde zijn hoofd, en antwoordde: "Lord Castlepool ruilt nooit en verkoopt ook nooit. Wat zou ik met uw paard doen? Het mijne is immers op zijn minst even voortreffelijk als het uwe."

"Er is geen paard in de savanne, dat het mijne overtreft. Doch daar ik mijn blanken broeder niet dwingen kan mij zijn geweer te verkoopen, zal ik het hem teruggeven. Die vijf dooden hebben meer wapenen bij zich, dan ik noodig heb."

Hij gaf het geweer terug, maar met een gezicht, waarop de uitdrukking der grootste teleurstelling te lezen stond. Aan de vijf lijken werden alle bruikbare voorwerpen afgenomen. Toen men tot dat doel hun zakken onderzocht, zei Bill: "Die kerel heeft mij gekend; maar ik kan mij niet herinneren, dat ik hem ooit gezien heb. Maar dat doet er niet toe! Naar hetgeen hij zeide te oordeelen, had ik van hem en van de anderen niets goeds te verwachten. Daarom zullen wij ons over den dood van die menschen maar geen harnas aantrekken. Wie weet hoeveel schanddaden zij nog bedreven zouden hebben, als onze kogels hun dat niet belet hadden. Nu kan ook de hoofdman zich bereden maken, en wij houden nog vier paarden over, juist genoeg voor de Osagen, die wij willen gaan bevrijden."

"Rijden wij nu dadelijk naar de tramps?" vroeg de Engelschman.

"Natuurlijk. Ik ken deze streek, en ik weet dat wij niet voor den avond den Osage-nook bereiken zullen; want wij kunnen niet regelrecht daarop afgaan, maar wij moeten een omweg maken om in het bosch te komen, dat achter hen ligt."

"En deze lijken?"

"Die laten wij eenvoudig liggen. Of gij moest trek hebben om voor die schavuiten een praalgraf te laten oprichten, ze zullen wel begraven worden in de magen der gieren en cojoten: beter zijn ze niet waard!"

Dat was misschien zeer hardvochtig, zeer onchristelijk gezegd; maar het wilde Westen heeft zijn eigen soort van teergevoeligheid; in een landstreek, waar rondom dood en verderf dreigen, wordt de mensch gedwongen, om allereerst op zijn eigen veiligheid bedacht te zijn, en alles te vermijden, wat die veiligheid in gevaar zou kunnen brengen. Hadden de vier mannen bij de lijken willen vertoeven, om hen te begraven en een gebed op hun graf te doen, dat zou een tijd-verspillen geweest zijn, waardoor zij zeer licht hun eigen leven, en bijna stellig en zeker dat van de vier gevangen Osagen hadden kunnen verspelen. Men koppelde dus de vier onbereden paarden aan elkander, steeg zelf te paard en reed weg, eerst recht op het noorden aan, doch om al spoedig een oostelijke richting in te slaan.

De hoofdman ging vooruit als gids, daar hij het bivak der tramps kende. Het ging den ganschen namiddag over de Rolling Prairie. Geen spoor werd aangetroffen, en geen mensch werd gezien. Toen de zon zich ten ondergang begon te neigen, ontwaarde men in de verte een donkere streep, en de Osage verklaarde: "Dat is de achterzijde van het bosch. De voorkant loopt in een halven cirkel binnenwaarts, en vormt den hoek, dien wij den Moordhoek noemen, en daar liggen de graven van onze omgebrachte broeders."

"Hoe ver is het nog, als wij dwars het bosch doorgaan, eer men dien hoek bereikt?" vroeg de lord.

"Als wij aan den ingang van het bosch zijn, hebben wij nog een kwartier gaans, om aan het bivak der tramps te komen," verklaarde de Roodhuid.

Nu liet Bill zijn paard stilstaan, steeg af, en ging zonder een woord te zeggen in het gras zitten. De uncle en de Indiaan volgden dat voorbeeld, als was het iets dat vanzelf sprak. De Engelschman steeg nu insgelijks af, doch zei: "Mij dunkt, dat wij geen oogenblik te verliezen hebben. Hoe kunnen wij de Osagen bevrijden, als wij hier met de handen in den schoot gaan zitten?"

"Dat is geen goed doordachte vraag, sir!" antwoordde de bultenaar. "Vraag liever: hoe zullen wij de Osagen kunnen bevrijden, als wij ons dood laten schieten?"

"Dood laten schieten? Hoe dat?"

"Denkt gij, dat de tramps rustig en wel in hun bivak blijven zitten?"

"Dat nu zoozeer niet....."

"Neen, stellig en zeker niet! Zij moeten eten, en om te eten te krijgen moeten zij op de jacht. Zij dwalen rond door het bosch. En dat is daar, waar wij er in zullen gaan, slechts een kwartier gaans breed. Het is dus zoogoed als zeker, dat daar lieden ronddolen, die ons spoedig zouden zien. Daarom moeten wij hier wachten tot het donker is geworden; dan zijn al die kerels in hun bivak teruggekeerd, en wij kunnen dan onopgemerkt het bosch insluipen. Begrijpt gij het nu?"

"Well," knikte de lord, en ging nu ook in het gras zitten. "Ik had niet gedacht, dat ik nog zoo dom kon zijn."

"Ja, gij zoudt die snaken regelrecht in den mond geloopen zijn, en dan had ik uw dagboek naar Frisco moeten brengen zonder een enkelen dollar te ontvangen."

"Zonder een dollar te ontvangen? Hoe zoo dat?"

"Omdat wij ons avontuur nog niet geheel beleefd hebben."

"Dat hebben wij wel! Het is reeds achter den rug, en reeds geboekt ook. Het aantreffen van den hoofdman en het doodschieten van de vijf tramps is een volledig avontuur geweest voor vijftig dollars. Ze staan reeds in mijn boek. Het bevrijden van de Osagen is een nieuw avontuur."

"Ook weer voor vijftig dollars?"

"Yes!" knikte de lord.

"Nu, sir! ga dan uw gang maar met opkalken," zei Bill lachende. "Als gij ieder voorval in zoo of zooveel onder-avonturen splitst, zult gij ons in Frisco zooveel geld te betalen hebben, dat gij niet zult weten waar het vandaan te halen."

De lord glimlachte eens, en antwoordde: "Er zal wel genoeg zijn. Ik zal wel kunnen betalen, zonder dat ik mijn kasteel Castlepool behoef aan te spreken. Willen we eens wedden? Ik wed om tien dollars! Gij ook?"

"Neen, sir! ik niet. Als ik zoo ieder oogenblik met u ging wedden, zou ik alles, wat ik bij u verdien, kunnen verliezen; en daar is bij den neef van mijn uncle geen denken aan!"

De zon verdween, en de schaduwen der avond-schemering zweefden door de golvende valleien, stegen al hooger en hooger, spreidden zich ook over de heuvelen uit, en hulden eindelijk de gansche aarde in hun sombere nachtgewaad. Ook het uitspansel was donker; geen enkele ster liet zich zien.

Nu werd er opgebroken; doch men reed niet geheel en al door tot aan den zoom van het bosch. De voorzichtigheid gebood de paarden in het open veld te laten. Stevige houten pinnen, om de dieren met den teugel aan den grond vast te binden, heeft iedere westman altijd bij zich. Op die manier bond men de paarden vast, en nu ging het, achter elkander gelijk de ganzen, op het bosch aan.

De Roodhuid was de voorste. Zijn voet betrad den grond zoo zacht, dat het scherpste oor niet in staat was iets daarvan te hooren. De lord, die vlak achter hem liep, deed alle moeite om zijn eigen voetstappen ook zoo onhoorbaar te maken. Rondom hen was niets te vernemen, niets anders dan het zachte geruisch van een windje door de toppen der boomen.

Nu greep de Osage de rechterhand van den Engelschman, en fluisterde hem toe: "Mijn blanke broeder reike nu zijn andere hand aan hem die volgt, opdat de drie bleekgezichten een keten vormen achter mij, zoodat niemand zich tegen een boom kunne stooten."

Terwijl hij met zijn uitgestrekte eene hand op den tast voorwaarts schreed, trok hij met de andere hand de blanken achter zich voort. De lord begon den tijd zeer lang te vinden, want in zulke toestanden schijnen de minuten wel uren. Eindelijk bleef de hoofdman stilstaan, en fluisterde: "Mijn broeders kunnen luisteren. Ik heb de stemmen der tramps vernomen."

Zij luisterden, en ontdekten al spoedig, dat de Roodhuid zich niet vergist had. Men hoorde spreken, ofschoon op zulk een verren afstand, dat de woorden niet verstaan konden worden. Na nog eenige voetstappen gedaan te hebben, ontwaarde men een flauw schemerschijnsel, waardoor het mogelijk werd de boomstammen te onderscheiden.

"Mijn broeders dienen hier te wachten, tot ik terugkom," zei de Osage.

Terwijl hij dit zei gleed de Roodhuid reeds weg, en was het volgende oogenblik verdwenen. Het duurde ruim een half uur eer hij terugkwam. Ze hadden zijn nadering niet gezien en ook niet gehoord; hij verrees eensklaps voor hun oogen als kwam hij te voorschijn uit den grond.

"Wel?" vroeg Bill. "Wat nieuws brengt gij ons?"

"Dat er nog meer tramps gekomen zijn, nog veel meer."

"Verduiveld! Zouden die kerels misschien van plan zijn hier een meeting te houden? Dan beklaag ik de landbouwers en andere menschen, die in deze streek wonen. Hebt gij ook iets gehoord van hetgeen er gesproken werd?"

"Er brandden verscheiden vuren, en de geheele ruimte was verlicht. De tramps hadden een kring gevormd, en in hun midden stond een bleekgezicht, een kerel met rood haar, die met luider stem een toespraak hield."

"Waarover? Hebt gij hem kunnen verstaan?"

"Ik kon hem zeer goed verstaan, want hij sprak bijna brullend; maar ik wendde al mijn opmerkzaamheid aan, om mijn roode broeders te ontdekken, zoodat ik mij slechts weinig herinner van hetgeen hij sprak."

"Nu, vertel dat weinige! Wat was dat?"

"Hij zei, dat de rijkdom niets is dan diefstal en roof, gepleegd ten nadeele van de armen, zoodat men van de rijken behoort af te nemen alles wat zij bezitten. Hij beweerde, dat de staat geen belastingen van den onderdaan mag heffen, zoodat men zich meester behoort te maken van al het geld, dat in de staatskassen aanwezig is. Hij zei, dat al de tramps broeders zijn, en dat zij spoedig zeer rijk konden worden, als ze hetgeen hij hun voorstelde slechts wilden volgen."

"Wat nog meer? Vertel verder!"

"Verder heb ik niet op zijn woorden gelet. Hij sprak nog van de ruim voorziene kas van een spoorweg, die leeggeplunderd moest worden. Maar verder heb ik niet naar hem geluisterd; want toen kreeg ik de plaats in het oog, waar mijn roode broeders gekneveld zijn."

"Waar is dat?"

"Dicht bij een kleiner vuur, waar niemand zat. Daar stonden zij, elk aan een boom vastgebonden; en bij ieder hunner zat een tramp, die hem bewaakte."

"Dan zal het niet gemakkelijk zijn dicht bij hen te komen."

"O ja wel. Ik had hen best kunnen lossnijden; maar het was beter, dat ik dat niet deed en mijn blanke broeders haalde, om mij daarbij behulpzaam te zijn, want dan gaat het veel sneller. Maar eerst ben ik toch tot dicht bij een mijner roode broeders gekropen, en heb hem toegefluisterd, dat zij gered zullen worden."

"Dat is zeer goed, want dan zijn zij nu er op voorbereid, zoodat zij, wanneer wij hen naderen, ons niet door een beweging van blijde verrassing verraden zullen. Die tramps zijn geen Westmannen. Het is een groote domheid van hen, dat zij hun gevangenen niet in hun midden nemen. Als zij dàt gedaan hadden, zouden wij hen niet kunnen bevrijden door list, maar dan zouden wij, ofschoon slechts met ons vieren, regelrecht in den kring van die kerels hebben moeten springen, om, terwijl zij een oogenblik verbouwereerd waren van den schrik, de Osagen los te snijden. Breng ons naar de plaats, waar zij zich bevinden!"

De hoofdman voorop, sloop het viertal van boom tot boom, al het mogelijke doende, om in de schaduwen van de boomstammen te blijven. Zoo naderden zij al spoedig de legerplaats, waar zij nu acht vuren konden tellen. Het kleinste brandde het verst in den inham van den hoek, zeer dicht bij de boomen, en daarheen waren de schreden van den hoofdman gericht. Eens bleef hij een oogenblik stilstaan, en fluisterde den drie blanken toe: "Nu zitten verscheiden bleekgezichten bij dit vuur. Daarstraks zat daar niemand. De man met het roode haar is er bij. Die snaken schijnen de aanvoerders, de hoofden te zijn. Ziet gij, op eenige passen afstands van daar, mijn Osagen aan de boomen gebonden?"

"Ja," antwoordde de bultenaar. "De toespraak, die de kerel met het roode haar gehouden heeft, is geëindigd; en nu zitten zij, afgezonderd van de overigen, waarschijnlijk te beraadslagen. Het kan van groot belang zijn, te weten te komen wat zij in hun schild voeren. Zulk een aantal tramps is niet voor een kleinigheid bijeengekomen. Gelukkig staat er eenig kreupelbosch onder de boomen. Ik zal er dus even naar toe sluipen, om af te luisteren waarover zij het hebben."

"Dat moest mijn broeder liever niet doen!" waarschuwde de hoofdman.

"Waarom niet? Zijt gij bang, dat ik mij zal laten snappen?"

"Neen, dat niet! Ik weet dat mijn broeder een meester is in het bekruipen. Maar hij kon allicht gezien worden."

"Gezien, dat kon! Maar gesnapt, neen!"

"Ik weet, dat mijn broeder vlugge voeten heeft, en dat hij stellig den dans wel ontspringen zou. Maar dan zou het ons immers onmogelijk worden, de Osagen te bevrijden!"

"Volstrekt niet. Wij zouden in een oogenblik hun bewakers van kant gemaakt, en hun boeien losgesneden hebben; en dan snel weg het bosch door, en naar de paarden. Ik zou wel eens een tramp willen zien, die mij dat wilde beletten. Dus, ik sluip er naar toe. Word ik opgemerkt, dan vliegt gijlieden op de gevangenen aan. Overkomen kan ons niets. Hier is mijn geweer uncle!"

Hij gaf aan den boonenstaak-oome zijn geweer, om niet daardoor in zijn bewegingen belemmerd te worden, ging plat op den grond liggen, en kroop op het vuur aan. De taak, die hij zich voorstelde, bleek veel gemakkelijker te volbrengen, dan hij gedacht had. De tramps spraken zoo luid, dat hij reeds halverwegen kon blijven liggen, en toch alles wat zij zeiden woord voor woord verstaan kon.

In het vermoeden, dat de vier daar bij het vuur zittende tramps de hoofdpersonen, de aanvoerders waren, had de hoofdman zich niet vergist. Een hunner, die met het roode haar, was de zoogenaamde kornel Brinkley, die met zijn weinige aan de rafters ontkomen volgelingen heden tegen den avond hier was aangekomen. Hij sprak juist, en Humply-Bill hoorde hem zeggen: "Ik kan u dus een goeden buit beloven, want daar is de hoofd-kas. Zijn wij dus de zaak eens?"

"Ja, ja, ja!" antwoordden de anderen.

"En hoe is het met de boerderij van Butler? Wilt gij die óók meenemen? Of moet ik dat op mijn eigen hand doen, en daartoe een stuk of tien vrijwilligers werven?"

"Neen, neen, wij doen natuurlijk mee," zei een der drie. "Ik zie niet in, waarom wij u het geld in uw zak zouden spelen! Maar de vraag is: is het geld er al?"

"Nog niet. De rafters hebben niet dadelijk paarden gehad, terwijl ik den volgenden ochtend dadelijk eenige goede viervoeters vond. Zij kunnen dus nog niet op de boerderij zijn. Maar Butler is ook zonder dat rijk genoeg. Wij overvallen de boerderij, plunderen die leeg, en wachten dan doodbedaard de komst af van de rafters en van de schobberds, die hun aanvoerders zijn!"

"Weet gij dan stellig, dat zij daar naar toe zullen komen?"

"Ja, stellig en zeker. Die Old Firehand moet er naar toe, om er een ingenieur af te halen, die in allen gevalle op dit oogenblik reeds daar is."

"Een ingenieur? Wat hebben ze dáármee uitstaande?"

"Niets. Dat is een historie, die u volkomen onverschillig kan zijn. Misschien vertel ik u dat later wel eens. Misschien doe ik u later nog een ander voorstelletje, waarbij geld als water te verdienen zal zijn."

"Gij spreekt in raadsels. Eerlijk gezeid, zou ik met dien Old Firehand liever niet in aanraking komen. Ik heb veel van hem hooren vertellen."

"Zijt gij bang?" vroeg de roodharige spottend.

"Bang is het woord niet; maar ik heb een zeer verklaarbaren afkeer van die soort van menschen."

"Onzin! Wat zou hij ons kunnen maken"? Bedenk toch, dat wij hier over de vierhonderd man sterk zijn, die voor den duivel en zijn gansche familie niet in hun schulp zouden kruipen.'

"Gaan die allen mee naar Butler's boerderij?"

"Natuurlijk! Die ligt immers juist op onzen weg. Of denkt gij, dat wij den weg, dien wij gekomen zijn, weer terug moeten?"

"Neen, dat spreekt. En wanneer breken wij op?"

"Morgen, na den middag, zoodat wij des avonds aan de boerderij aankomen. Die is groot, en zal een prachtig vuur opleveren, waaraan wij menig stuk vleesch zullen kunnen braden."

Humply-Bill had genoeg gehoord; hij kroop terug naar zijn vrienden, en spoorde hen aan, om nu de Osagen te bevrijden. Naar zijn gevoelen moest ieder hunner tot achter een der gevangenen sluipen; maar de hoofdman viel hem in de rede, en zei: "Ik heb mijn blanke broeders enkel gehaald, om mij spoedig te kunnen bijspringen, indien het mij onverhoopt niet gelukken mocht, geheel alleen mijn roode broeders te bevrijden. Wat er nu gebeuren moet, is geen werk voor blanke mannen, maar wel voor Roodhuiden. Ik ga alleen, en mijn broeders mogen mij eerst dan helpen, als ik bemerkt word."

"Wat gaat hij nu doen?" vroeg de Engelschman zacht.

"Een meesterstuk," antwoordde Bill. "Wees zoo goed en ga weer liggen, en kijk oplettend naar de plaats waar de gevangenen staan. Komt, er een kink in den kabel, dan snellen wij toe, om te helpen. Wij zullen niets anders te doen hebben dan hun riemen los te snijden en dan naar onze paarden te loopen."

De lord voldeed aan dien wenk. Het vuur, bij hetwelk de vier aanvoerders der tramps zaten, was ongeveer tien voetstappen van den zoom van het bosch af. En daar stonden de boomen, waaraan de gevangenen, in een rechtop staande houding, met handen en voeten vastgebonden waren. Bij elken gevangene zat of lag een gewapende schildwacht. De Engelschman keek zijn oogen uit, om te zien wat de weggeslopen hoofdman zou uitrichten, doch de hoofdman was en bleef onzichtbaar. De lord zag niets anders, dan dat een der bewakers, die gezeten had, zich nu omlegde, en wel met een snelheid alsof hij eensklaps omviel. Ook de andere drie bewakers maakten, een voor een, een dergelijke beweging, en, zonderling genoeg, allen zoo, dat hun hoofd juist in de schaduw kwam te liggen van den boom, waar zij de wacht hielden. Dat alles gebeurde zonder dat een hunner het minste geluid of geritsel deed hooren.

Er verliepen nog eenige seconden, en toen zag de lord eensklaps tusschen zich en Bill, den hoofdman op den grond liggen. "Is het klaar?" vroeg Bill. "Ja," antwoordde de Roodhuid.

"Maar uw Osagen staan immers nog aan de boomen gebonden?" fluisterde de lord hem toe.

"Neen, die zijn maar blijven staan tot ik met u gesproken heb. Mijn mes heeft de bewakers, een voor een, midden in het hart getroffen, en toen heb ik hen gescalpeerd (= hun de schedelhuid afgerukt). Nu kruip ik weer naar mijn roode broeders toe, om met hen naar de paarden te gaan, waar ook die van ons zich bevinden. Daar alles zoo goed gegaan is, zullen wij niet heengaan zonder onze paarden te halen."

"Waarom u aan dat gevaar ook nog blootstellen?" waarschuwde Bill.

"Mijn blanke broeder vergist zich. Gevaar is er nu niet meer. Zoodra gij de Osagen van hun boomen ziet verdwijnen, kunt gij ook gaan. Dan zult gij spoedig het gestamp der paarden hooren, en het geschreeuw der tramps, die daar de wacht houden. Maar dan komen wij reeds op de plaats, waar wij afgestegen zijn. Howgh!"

Met dit laatste bekrachtigingswoord wilde hij te verstaan geven, dat alle verdere tegenbedenkingen noodeloos waren; en was eensklaps verdwenen. De lord staarde met opengespalkte oogen naar de gevangenen, die nog altijd stokstijf tegen hun boomen stonden, en.... opeens waren zij weg, als verzonken in den grond.

"Wonderful!" fluisterde hij vol geestdrift den gebochelde toe. "Precies zooals men dat in romans leest."

"Hum!" antwoordde de kleine "Gij zult bij ons nog menigen roman beleven; maar het lezen is vrij wat gemakkelijker dan het mee-maken."

"Moeten wij nu weg?"

"Nog niet. Ik ben benieuwd, om de gezichten te zien, die de kerels zullen zetten, als de bom losbreekt. Wacht nog een oogenblikje."

Het duurde slechts kort, toen klonk er van gene zijde der legerplaats een luide alarmkreet; een tweede antwoordde; daarop volgden verscheiden schrille kreten, waaraan men hooren kon, dat ze uit de kelen van Indianen kwamen--en toen een snuiven en stampen, en hinniken en dreunen, dat het was alsof de grond er van trilde.

De tramps waren opgesprongen. Iedereen riep, schreeuwde, en vroeg wat er gebeurd was. Toen klonk de stem van den roodharigen kornel: "De Osagen zijn weg. Wie, voor den satan, heeft hen...."

Vol ontzetting zweeg hij eensklaps. Terwijl hij sprak, was hij op de bewakers aangesneld, en had den eerste den beste beetgepakt, om hem overeind te trekken. Maar toen zag hij zijn verglaasde oogen en haarloozen bebloeden schedel. Hij trok den tweede, derde en vierde in het schijnsel van het vuur, en schreeuwde toen als razend: "Dood! gescalpeerd, alle vier! En de Roodhuiden zijn weg! Waarheen?"

"Indianen, Indianen!" werd er op dat oogenblik geroepen van den kant, waar de paarden gestaan hadden.

"Te wapen! naar de paarden!" brulde de kornel. "Wij zijn overrompeld. Ze willen onze paarden stelen!"

Nu volgde een tooneel van onbeschrijfelijke verwarring. Alles draafde door elkander, maar er was geen vijand te ontdekken; en eerst toen men eindelijk eenigszins tot bedaren was gekomen, bleek het, dat enkel de buitgemaakte Indianen-paarden ontbraken. Nu eerst, nu het ongeluk gebeurd was, werden er wachtposten uitgezet, en werd de omtrek van de legerplaats doorzocht, doch zonder dat men iets hoegenaamd ontdekte. Men kwam tot de onderstelling, dat er nog andere dan de gevangene Osagen in het bosch waren geweest, en dat die sluipend waren genaderd, om hun kameraden te bevrijden. Daarbij hadden ze de bewakers van achteren doodgestoken en gescalpeerd, en zich vervolgens van de Indianen-paarden meester gemaakt. Een ding konden de tramps maar niet begrijpen, namelijk, dat het vermoorden van de vier bewakers zoo zonder het minste kikje had plaats gehad. Wat zouden zij verbaasd geweest zijn als zij geweten hadden, dat het slechts één man was geweest, die dat Indiaansche meesterstuk ten uitvoer had gebracht.

Toen de aanvoerders eindelijk weder aan hun vuur bij elkander zaten sprak de kornel: "Wat er gebeurd is, is wel geen groot ongeluk voor ons, maar het noodzaakt ons, om ons plan voor den dag van morgen te veranderen. Wij dienen nu reeds zeer in de vroegte op te breken."

"Waarom?" werd er gevraagd.

"Omdat de Osagen alles hebben gehoord wat wij gesproken hebben. Een groot geluk is het, dat zij niets weten, van hetgeen wij te Eagle-tail van plan zijn, want daarover hebben wij hier niet gesproken, wel vroeger daarboven bij het andere vuur. Maar wat wij met de boerderij van Butler voornemens zijn te doen dat, weten zij."

"En denkt gij dat zij dat verraden zullen?"

"Natuurlijk!"

"Zouden die wilde schobberds dan met Butler bevriend zijn?"

"Bevriend of niet zij zullen maken, dat hij het weet, om zich op ons te wreken, en ons een warme ontvangst te bereiden."

"Dat is meer dan waarschijnlijk, ja; en daarom zal het maar raadzaam wezen, zooveel mogelijk spoed te maken. Ik begrijp niet, waar die vijf man zoo lang blijven, die den voortvluchtigen hoofdman achterna zijn!"

"Dat is mij ook onverklaarbaar. Had hij zijn toevlucht in het bosch gezocht, dan zou het moeilijk of liever onmogelijk geweest zijn hem te vinden; maar zijn voetspoor was ver, zeer ver de prairie in te volgen, en een paard had hij niet. Zij moeten hem dus stellig gesnapt hebben."

"Dat verbeeld ik mij ook. Maar ik denk, dat zij op den terugtocht door den nacht overvallen en verdwaald zijn--of zij hebben, om niet verdoold te loopen hun bivak ergens opgeslagen, en zullen morgenochtend vroeg wel komen opdagen. In elk geval zullen wij dan hun spoor wel treffen, want zij namen juist dezelfde richting, die wij moeten gaan."

Met die veronderstelling vergiste de spreker zich. De hemel, of beter gezegd de wolken, zorgden er voor, dat hun spoor onzichtbaar werd; want later begon er een zacht regentje te vallen, dat verscheiden uren lang aanhield en alle sporen van voetstappen en paardenhoeven uitwischte.

ZESDE HOOFDSTUK.

EEN PARFORCE-RIT IN DEN DONKER.

Zoodra zich, gelijk in het vorige hoofdstuk verhaald is, bij de paarden het geschreeuw deed hooren, was voor Bill, den uncle en den Engelschman het oogenblik gekomen, om hun lijf te bergen. Zij waren, zoo snel als de duisternis toeliet, door het bosch naar hun paarden geijld. Dat zij niet gemist hadden, was louter aan de scherpzinnigheid der beide jagers te danken. De lord zou stellig meer moeite gehad hebben om den weg te vinden; want de eene golvende berg en golvende vallei geleek in den nacht nog veel meer dan overdag op den anderen. Zij maakten de paarden los, stegen er op, en namen de onbereden dieren aan den koppel.

Nauwelijks was dit geschied, of zij hoorden de Indianen komen. De hoofdman had in de stikdonkere duisternis zijn weg even gemakkelijk weten te vinden, als was het klaarlichten dag geweest.

"Die tramps zijn blind en doof geweest," zei hij. "Wij konden er verder niet een van hen dooden; want als wij onze paarden wilden hebben, mochten wij ons niet bij de menschen ophouden: maar er zullen nog vele naar de eeuwige jachtgronden verhuizen, om de schimmen der Osagen te bedienen."

"Wilt ge u dan wreken?" vroeg Bill.

"Waarom doet mijn blanke broeder zulk een vraag? Zijn er niet acht Osagen gevallen, wier dood gewroken moet worden? Moesten niet de vier anderen gemarteld en vermoord worden? Wij zullen naar de wigwams der Osagen rijden, om vele krijgslieden te halen. En dan zullen wij het spoor van die bleekgezichten volgen, om zoo velen hunner het licht uit te blazen als Manitou in onze handen overlevert."

"In welke richting grazen nu de kudden der Osagen?"

"Naar het Westen heen."

"Moet gij dan de boerderij van Butler voorbij?"

"Ja."

"En hoe lang moet gij van daar af nog rijden om bij de uwen te komen?"

"De eerste kudden zijn dan wel in een halven dag te bereiken, als men een goed paard heeft en een beetje doorrijdt."

"Dat is zeer goed. Wij zullen ons dienen te haasten, om de boerderij van Butler te redden."

"Wat zegt mijn broeder? Butler is een vriend en beschermer van de Osagen. Bedreigt hem een ongeluk?"

"Ja. Maar laat ons niet nu, en vooral niet hier, daarover spreken. Wij moeten hoe eer hoe beter weg, om te maken, dat wij uit de nabijheid van de tramps komen. Die zijn van plan om morgen de boerderij te overvallen, en wij moeten dus den eigenaar intijds waarschuwen."

"Oef! Mijn roode broeders kunnen voor de onbereden paarden zorgen, dan kunnen de blanke broeders mij zooveel te sneller volgen."

Zijn mannen voldeden daaraan, door behalve hun eigen paarden ook de buitgemaakte onder hun hoede te nemen. Toen ging het in galop tusschen de lage heuvelen door vooruit; niet terug op het spoor, dat zij zelf waren komen rijden, want dat zou een omweg naar het noorden geweest zijn, maar op het spoor, dat de hoofdman en zijn vervolgers in den afgeloopen namiddag gemaakt hadden. Dat spoor liep regelrecht op de streek aan, in welke Butler's boerderij lag, die de Osage had willen bezoeken.

In galop! En dat in zulk een duisternis! En toch was het zoo. Reeds op klaarlichten dag was enkel hij, die volkomen ervaren was, in staat, om in die Rolling-Prairie zijn weg te vinden; maar in den nacht niet te verdwalen, dat mocht bijna een wonder genoemd worden. Toen de Engelschman een opmerking in dien geest maakte tegen den kleinen Bill, die naast hem reed, antwoordde deze: "Ja, sir! dat gij ook niet van vandaag of gisteren zijt, heb ik wel gemerkt; maar toch zult gij hier nog heel wat zien en hooren, en zelf beleven ook, dat gij vroeger voor onmogelijk gehouden zoudt hebben."

"Dus ook gij, gij zoudt hier niet verdwalen?"

"Ik? Hum! Als ik eerlijk de waarheid moet zeggen, wil ik u wel bekennen, dat het niet in mij zou opkomen om zoo tusschen al die golvende heuvelen door te hollen. Ik zou heel langzaam rijden, en de kromming van ieder dal, dat ik door moest, nauwkeurig onderzoeken. En toch zou het tien tegen een zijn, dat ik morgenochtend op een geheel andere plaats aankwam dan die, waar ik naar toe wil."

"Dat kan den hoofdman misschien óók wel gebeuren?"

"O neen! Zulk een Roodhuid ruikt de richting en den weg, dien hij gaan moet. En, wat het voornaamste is, hij heeft nu zijn eigen paard weer. Dat dier wijkt geen handbreedte van het spoor af, dat zijn meester vandaag gegaan is. Daarop kunt gij u verlaten. De hemel is zoo zwart als een zak vol roet, en van de aarde is geen stipje te zien zoo groot als op den nagel van mijn duim kan liggen; maar toch galoppeeren wij als op klaarlichten dag en langs een gebaanden weg; en ik wil wedden, dat we, eer we zes uur verder zijn, onze paarden halt zullen laten houden voor de poort van Butler's boerderij."

"Zoo! He!" riep de Engelschman verheugd. "Wilt gij dat wedden? Dat is heerlijk! Dus, dat beweert gij? Dan beweer ik het tegenovergestelde; en wij wedden om vijf dollars, of om tien. Of wilt gij om nog meer, ik ben dadelijk uw man!"

"Dank u, mylord! Wat ik daar zeide van wedden, was maar bij wijze van spreken. Ik moet u nogmaals zeggen: wedden doe ik nooit. Behoud uw geld! Gij zult het wel anders kunnen gebruiken. Bedenk eens wat gij voor vandaag alleen reeds aan mij en den uncle te betalen hebt."

"Honderd dollars. Vijftig voor de vier doodgeschoten tramps, en vijftig voor de bevrijde Osagen."

"En er zal spoedig nog meer bijkomen."

"Natuurlijk, want de aanslag op de boerderij, dien wij verijdelen zullen, is ook weer een avontuur, dat vijftig kost."

"Of wij dien aanslag zullen kunnen afweren, is nog zoo zeker niet; maar ook als het tegenvalt is het een avontuur, dat u vijftig dollars zal kosten, als wij er ten minste het leven niet bij inschieten. Maar hoe was het ook eigenlijk weer met Old Shatterhand, Winnetou en Old Firehand? Hoeveel wilt gij betalen, als gij een van die drie mannen te zien krijgt?"

"Honderd dollars voor ieder hunner, heb ik gezegd. Dat is immers goed?"

"O ja, opperbest! Het is zeer waarschijnlijk, dat wij morgen of overmorgen Old Firehand zullen aantreffen."

"Is het tòch waar? Is het inderdaad waar?"

"Ja; want hij wil ook naar Butler's boerderij komen." De vooraan rijdende hoofdman had deze woorden gehoord. Hij draaide zich om op zijn paard, zonder den loop van het dier te temperen, en vroeg: "Old Firehand, dat beroemde bleekgezicht, komt die ook?"

"Ja. Ten minste, dat zeide die kornel van de tramps."

"Die vent met dat roode haar, die zulk een lange toespraak gehouden heeft? Hoe weet die dat? Heeft hij den grooten jager dan gezien, of met hem gesproken misschien?"

Bill vertelde nu, terwijl de rit altoos maar even vliegend voorwaarts ging, wat hij gehoord had.

"Oef!" riep de hoofdman, "Dan is de boerderij gered, want het hoofd van dat bleekgezicht alleen is meer waard, dan de wapenen van duizend tramps. Wat doet mij dat een genoegen, dat ik hem zien zal!"

"Kent gij hem al?"

"Alle hoofdmannen van het Westen hebben hem gezien en de calumet (= vredespijp) met hem gerookt. Waarom zou ik alleen hem dan niet kennen?.... Voelt gij wel, dat het begint te regenen. Dat is goed, want de regen geeft aan het platgetrapte gras de veerkracht, om zich spoedig weer op te richten. De tramps zullen dus morgenochtend ons spoor niet meer kunnen zien."

Nu werd het gesprek gestaakt. De snelheid van den rit en de oplettendheid, die daarbij noodig was, maakten het spreken zeer moeilijk; en bovendien maakt ook de regen doorgaans den mensch minder spraakzaam.

Om hun paarden niet al te veel te vermoeien, lieten de ruiters hen van tijd tot tijd een poos stapvoets gaan; dan werd er weer in den draf of in galop gereden. Eensklaps ging het paard van den hoofdman uit den galop in een stap over, bleef een oogenblik daarna zelfs stilstaan, zonder daartoe door den berijder gedwongen te zijn, en begon zacht te snuiven.

"Oef!" zei de Roodhuid fluisterend. "Er zijn stellig menschen voor ons. Mijn broeders mogen wel eens luisteren, zich niet verroeren, en de lucht goed door den neus inademen!"

Men hield halt.

"Een vuur!" fluisterde de hoofdman.

"Er is niets van te zien," zei Bill.

"Maar ik ruik rook, die van achter den naastbijgelegen heuvel schijnt te komen. Als mijn broeder wil afstijgen en met mij den heuvel beklimmen, dan kunnen wij zien wat zich daarachter bevindt."

De twee verlieten hun paarden, en slopen naast elkander op den heuvel aan. Zij hadden echter nog geen tien voetstappen gedaan, toen de Indiaan zich bij de keel voelde grijpen door twee handen, die hem stevig neerduwden op den grond. Wel verweerde hij zich met armen en beenen als een bezetene; doch het baatte hem niet, en geluid geven kon hij niet. Tegelijk met hem was de gebochelde door twee andere handen bij de keel gegrepen, die ook hem neerduwden op den grond.

"Hebt gij hem beet?" vroeg hij, die den Indiaan gepakt had, aan den andere, zacht fluisterend, en wel in het Duitsch.

"Ja, ja, ik heb hem zoo stevig beet, dat hij geen kik of mik kan geven," was het eveneens zacht gefluisterde antwoord.

"Dan gezwind naar achter den heuvel! Wij moeten weten met wie wij te doen hebben. Of is hij u te zwaar?"

"Dat kan niet in mij opkomen! Het ventje is lichter dan een vlieg, die in drie weken niets gegeten en gedronken heeft. Heere-mijne! Hij schijnt een uitwas aan zijn ruggegraat te hebben, wat we bij ons te lande een bochel noemen! Het zal toch niet...."

"Wat?"

"Het zal toch niet mijn goede vriend Humply-Bill zijn?"

"Dat zullen wij bij het vuur wel zien. Voor het oogenblik zijn wij zeker, dat niemand ons zal volgen. Ik schat den troep op een groot dozijn mannen, die echter stil blijven zitten, want zij moeten wachten op de terugkomst van deze twee."

Dat alles was zoo in een ommezien tijds en zoo doodstil geschied, dat de metgezellen der twee gepakten er niets van bespeurden, in weerwil dat het plaats greep zoogoed als vlak bij hen. Old Firehand--want die was het--nam zijn gevangenen op zijn armen; en Droll sleepte den zijne over het gras voort, om den heuvel heen. Daarachter lagen vermoeide paarden; er brandde een klein vuur, en bij het schijnsel der vlam kon men een groot twintigtal gestalten zien, die allen met aangelegd geweer gereed stonden, om een vijand, die zich misschien vertoonen kon, met even zooveel kogels te begroeten.

Toen de twee mannen hun gevangenen bij het vuur brachten, klonk, uit beider mond tegelijk, een uitroep van verwondering.

"Wat drommel!" riep Old Firehand. "Dat is Menaka-sjecha, de hoofdman van de Osagen! Van hem hebben wij niets te vreezen."

"Sapperloot!" klonk de uitroep van Droll. "Het is warendig Bill zelf, Humply-Bill! Man, vriend, beste jongen! waarom mij niet gezeid, dat ik u bij de keel had! Nu ligt gij daar, en kunt niet kikken of mikken! Sta op, en werp u in mijn armen, broederhart! Ach, heeremijntje! hij verstaat geen Duitsch, en dus ook geen woord van hetgeen ik zeg. Hij zal toch niet dood gaan! Spring maar eens overeind, beste brave! Ik heb u warendig niet willen wurgen! een beetje maar, zoo ver als ik dacht dat noodig was."

De eerlijke Altenburger stond op dit oogenblik bijna meer angst uit dan de gewurgde, die daar lag met gesloten oogen, telkens moeilijk naar lucht happende, totdat eindelijk de oogleden opengingen; toen staarde hij lang, met een meer en meer tot bewustheid komenden blik, den over hem heen gebogen Droll aan, en vroeg toen met een heesche stem: "Is het mogelijk? Tante Droll!"

"De hemel zij gedankt, ik heb u niet omgebracht!" antwoordde de gevraagde jubelend, en nu in het Engelsch. "Natuurlijk ben ik het. Waarom mij niet dadelijk gezegd, dat gij het zijt?"

"Ik kon immers niet spreken! Ik werd onverhoeds beetgepakt, en zoo stevig, dat ik ... Lieve hemel, Old Firehand!"

Hij zag den jager staan, en diens aanblik gaf hem de kracht terug om zich te bewegen. De druk van Firehand's vuisten was veel sterker geweest dan die van Tante Droll. De hoofdman der Osagen lag nog altijd, met de oogen dicht, roerloos op den grond.

"Is hij dood?" vroeg Bill.

"Neen," antwoordde de reus, terwijl hij den kleine de hand gaf. "Hij ligt maar buiten kennis, en hij zal wel spoedig weder bijkomen. Welkom, Bill! Het is een aangename verrassing. Hoe komt gij bij den hoofdman van de Osagen?"

"Ik ken hem reeds sedert jaren."

"Zoo? Wie zijn bij u? Waarschijnlijk Indianen van den stam van den Hoofdman?"

"Ja, vier man."

"Slechts vier? Dus hebt gij onbereden paarden bij u?"

"O ja. Maar de Gunstick-Uncle is óók bij ons--dien kent gij stellig wel--en dan nog een Engelsche lord."

"Een lord? Dus aanzienlijke kennis. Haal de menschen hier. Zij hebben van ons niets te vreezen, en wij niet van hen."

Bill liep heen; doch nauwelijks had hij de helft van den afstand afgelegd, of hij riep vroolijk: "Rij maar vooruit, uncle! Wij zijn bij vrienden. Old Firehand en Tante Droll zijn daar."

De toegeroepene gaf gevolg aan die woorden. De verscholen liggende rafters stonden op uit het gras, om de aankomenden welkom te heeten. Hoe verwonderd waren laatstbedoelden, toen zij den hoofdman daar buiten kennis zagen liggen, en vernamen wat er gebeurd was. Toen de Osagen van hun paarden afgestegen waren, bleven zij op een afstand staan en beschouwden den beroemden jager met blikken, waarin de uitdrukking van eerbied te lezen stond. De lord zette groote oogen op, en naderde de reuzengestalte met langzame schreden; daarbij zette hij zulk een onnoozel, dom gezicht, dat men er om had kunnen lachen. Old Firehand zag dat malle gezicht en den aan de eene zijde zoo dik opgezwollen neus. Hij gaf hem de hand, en zeide: "Welkom, mylord! Gij zijt in Turkije, in Indië, misschien ook in Afrika geweest?"

"Hoe weet gij dat, sir?" vroeg de Engelschman.

"Ik vermoed het, daar gij nog op dit oogenblik het restje van den bouton d'Alep (= Aleppo-puist) op uw neus draagt. Wie zulke reizen gedaan heeft, zal er zich ook hier wel door weten te sabelen, ofschoon...."

Op dit oogenblik kwam de hoofdman weer bij kennis. De oogen openen, diep ademhalen, opspringen en zijn mes trekken, was het werk van een seconde. Maar daar viel zijn oog op den jager; hij liet de hand, waarin hij het mes hield, zakken, en riep: "Old Firehand! Hebt gij mij gegrepen?"

"Ja. Het was zoo donker, dat ik mijn rooden broeder niet herkennen kon."

"Dan ben ik blij. Door Old Firehand overwonnen te zijn is geen schande. Ware het een ander geweest, dan zou de smaad op mijn hoofd gekleefd hebben, totdat ik hem gedood had. Mijn blanke broeder wil naar de boerderij van Butler?"

"Ja. Hoe weet gij dat?"

"Bleekgezichten zeiden dat."

"Naar de boerderij ga ik later. Eerst is het doel van mijn reis de Osage-nook."

"Wien zoekt mijn beroemde broeder daar?"

"Een blanke, die zich kornel Brinkley noemt, en zijn volgelingen, allen tramps."

"Dan kan mijn broeder gerust met ons meerijden naar de boerderij, want de roodbaard is van plan die morgen te overvallen."

"Hoe weet gij dat?"

"Dat heeft hij zelf gezeid, en Bill heeft het gehoord. Vandaag hebben de tramps mij en mijn Osagen overrompeld; acht der onzen hebben zij gedood, en mij met de overigen gevangengenomen. Ik heb weten te ontsnappen, en op mijn vlucht heb ik Bill en de Uncle ontmoet, die mij, met den blanken Engelschman, geholpen hebben om mijn roode broeders te bevrijden."

"Gij zijt tot hier vervolgd door vijf tramps, is het niet?"

"Ja."

"Bill en de Uncle bivakkeerden hier?"

"Zoo is het."

"En kort te voren had de Engelschman hen hier aangetroffen?"

"Gij zegt het; maar hoe weet gij dat?"

"Aan de Zwartenbeer-rivier zijn wij stroom-opwaarts gereden, en hebben hen van morgen in de vroegte verlaten, om aan den Osage-nook te komen. Wij vonden hier de lijken van vijf tramps, en...."

"Sir!" viel Humply-Bill hem in de rede; "hoe weet gij, dat die mannen tramps geweest zijn? Niemand kan het u gezegd hebben."

"Een stuk papier heeft het mij verraden," was het antwoord. "Gij hebt die kerels wel doorzocht maar dit papier in den zak van een hunner laten zitten."

Hij bracht een stuk van een courant te voorschijn, hield dat bij het schijnsel van het vuur en las: "Een verzuim, dat men voor onmogelijk zou hebben gehouden, is thans door den Commissaris van het Land-bureau der Vereenigde Staten aan het licht gebracht. Die ambtenaar heeft de regeering opmerkzaam gemaakt op het schier ongelooflijke feit, dat er in het gebied der Vereenigde Staten een landstreek bestaat, grooter dan menige bonds-staat, die het weinig benijdenswaardige voorrecht geniet, geheel en al regeeringloos, en zonder geregeld bestuur te zijn. Dat merkwaardige stuk land is een verbazend groot vierhoek, 40 mijlen breed en 150 mijlen lang, en bevat bijna 4 millioen acres land. Het ligt tusschen het Indianen-territoor en Nieuw-Mexico, ten noorden van Texas en ten zuiden van Kansas en Colorado. Zooals thans gebleken is, heeft men dat land bij de van regeeringswege uitgevoerde algemeene opmeting over het hoofd gezien, en heeft het de hierboven bedoelde bevoorrechting te danken aan een abuis in de vaststelling van de grenslijnen der naburige territoriën. Dientengevolge is het niet bij een der bonds-staten en ook niet bij een der territoriën ingedeeld; het heeft dus geen regeering onder welken vorm ook, en is aan geenerlei rechtsmacht onderhoorig. Wet, recht en belasting zijn daar onbekende dingen. In het rapport van den Commissaris wordt dit land omschreven als een der schoonste en vruchtbaarste streken van het geheele Westen, bij uitnemendheid geschikt voor landbouw en veeteelt. De weinige duizendtallen vrije Amerikanen, die het bewonen, zijn echter geen vreedzame landbouwers en veehoeders, maar bestaan uit benden vereenigd gespuis, vagebonden, paardendieven, desperados en voortvluchtige misdadigers, die uit alle hemelstreken de wijk derwaarts hebben genomen. Ze zijn de schrik der aangrenzende territoriën, waar voornamelijk de veefokkers veel te lijden hebben van de rooverijen dier lieden. Door die erg geplaagde naburen wordt dringend verlangd, dat er aan dien vrijen roofstaat een einde gemaakt worde, opdat door de aanstelling van bevoegde ambtsbekleeders aan dien onhoudbaren toestand paal en perk worde gesteld."

De Roodhuiden, die de voorlezing van dat stuk mede aangehoord hadden, bleven onverschillig; de blanken daarentegen zagen elkander verwonderd aan.

"Is dat waar? Is dat mogelijk?" vroeg de lord.

"Ik houd het voor waar," antwoordde Old Firehand. "Of dit bericht liegt of niet, is hier maar bijzaak. De hoofdzaak is, dat niemand anders dan een tramp zulk een blad zoo lang bewaren en zoo ver meesleepen kan. Op grond van dat papier heb ik die vijf kerels voor tramps gehouden."

"Waarom heeft mijn blanke broeder ons overvallen?" vroeg de hoofdman.

"Omdat ik u voor tramps moest houden."

"Hoe zoo dat?"

"Ik wist, dat zich aan den Osage-nook veel tramps bevinden. Vijf werden hier doodgeschoten, en keerden dus niet terug. Dat moest de anderen, zoo niet ongerust maken, dan toch bevreemden, en nu lag het binnen de grenzen der mogelijkheid, dat men hun hulp achterna zou zenden. Daarom zette ik wachtposten uit, die mij al spoedig berichten, dat er een troep ruiters in aantocht was. Daar de wind uit de richting van Osage-nook woei, konden wij uw nadering zeer vroeg ontdekken. Ik liet mijn gezelschap naar de wapenen grijpen, en sloop met Droll u te gemoet. Twee stegen er af, om ons te besluipen, en wij namen hen gevangen, om bij het vuur hun gezichten te zien. Het overige weet gij."

"Mijn broeder heeft opnieuw bewezen, dat hij de beroemdste jager onder de bleekgezichten is. Wat denkt hij te doen? Zijn de tramps zijn persoonlijke vijanden?"

"Ja. Ik vervolg den roodbaard, om mij meester te maken van zijn persoon. Maar wat ik besluiten zal te doen, kan ik eerst dan weten, als ik vernomen heb hoe het gesteld is aan den Osage-nook, en wat daar gebeurd is. Wilt gij mij dat vertellen, Bill?"

Humply-Bill voldeed aan dat verlangen, en deed een uitvoerig verslag. Toen hij geëindigd had, zei hij: "Gij ziet dus, sir! dat wij snel dienen te handelen. Gij zult wel zoo goed zijn te paard te stijgen, om dadelijk met ons naar de boerderij te rijden."

"Neen. Dat zal ik niet doen."

"Waarom dat? Wilt gij misschien reeds onderweg met de tramps aanbinden?"

"Dat kan niet in mij opkomen. Maar ik blijf hier, in weerwil dat ik weet, dat het gevaar nog veel grooter is, dan gij denkt."

"Grooter? Hoe dat?"

"Gij denkt, dat die kerels eerst in den namiddag zullen opbreken, is het niet?"

"Ja."

"En ik verzeker u, dat zij den rit reeds in den vroegen ochtend zullen beginnen."

"Maar de kornel heeft toch zelf gezeid: in den namiddag."

"Maar dan zal hij zich later anders bedacht hebben, Bill!"

"Hoe komt gij op dat vermoeden, sir?".

"Waar waren de gevangen Osagen vastgebonden?"

"In de nabijheid van het vuur, waar de roodbaard zat."

"Hebben zij gehoord wat er gesproken werd?"

"Ja."

"Ook dat de boerderij van Butler overrompeld zal worden?"

"Dat ook, ja."

"Welnu! Nu die gevangenen, die dat hebben kunnen hooren, ontsnapt zijn, moet die kornel nu niet op de gedachte komen, dat zij zich naar Butler zullen spoeden, om hem te waarschuwen?"

"Ja, dat is duidelijk. Dat spreekt vanzelf."

"Zoo begreep ik het ook. En om het nadeel, dat daaruit voor hen ontstaan kan, te verminderen, zullen zij dus vroeger opbreken. Ik wil wedden, dat reeds nu het besluit door hen genomen is, om, zoodra de dag aanbreekt, te paard te stijgen."

"Wat wil mijn blanke broeder verder doen?" vroeg de Osage.

"Wilt gij naar de boerderij rijden en Butler waarschuwen? Hij is er volkomen de man naar, om de noodige maatregelen van voorzorg te nemen. Ik blijf met mijn rafters hier, en houd de tramps zoo op, dat zij slechts langzaam vooruit kunnen, en dat zij stellig niet bij de boerderij zullen aankomen, voordat daar alles gereed is, om hen behoorlijk te kunnen ontvangen."

"Mijn broeder heeft altijd de beste gedachten; en dat zou ook dezen keer weer het geval zijn; maar Butler is niet in zijn wigwam."

"Niet?" vroeg Firehand verwonderd.

"Neen. Toen ik naar Osage-nook reed, kwam ik de boerderij voorbij, en stapte daar even af, om een calumet (= vredes-pijp) met mijn blanken broeder Butler te rooken. Maar ik trof hem niet tehuis. Hij had bezoek ontvangen van zijn veraf-wonenden broeder en diens dochter, en was met die twee naar Fort-Dodge gereden, om kleeren voor de blanke dochter te koopen."

"Dus is de broeder er reeds aangekomen! Weet gij ook hoe lang Butler in Fort-Dodge denkt te blijven?"

"Eenige dagen."

"En wanneer zijt gij op de boerderij geweest?"

"Eergisteren, in den voormiddag."

"Dan moet ik er naar toe, bepaald, bepaald!" riep Old Firehand, opspringende. "Hoeveel tijd gaat er mee heen, eer gij uw Osagen kunt brengen om ons te helpen?"

"Als ik nu dadelijk wegrijd, zullen wij morgen tegen middernacht aan de boerderij zijn."

"Dat is te laat, veel te laat. Zijn de Osagen tegenwoordig bevriend met de Sjeyennes en de Arapahoes?"

"Ja. Wij hebben de strijdbijlen in den grond begraven."

"Die twee stammen wonen aan de andere zijde der rivier, en zijn, van hier uit, in vier uur te bereiken. Wil mijn broeder op dit oogenblik opbreken, om hun een boodschap van mij te brengen?"

De hoofdman zei geen woord; hij ging naar zijn paard, en steeg op.

"Rijd er naar toe," vervolgde Old Firehand, "en zeg aan de beide hoofdlieden, dat ik hun verzoek, zoo spoedig mogelijk elk met honderd man naar de boerderij van Butler te komen."

"Is dat de geheele boodschap?"

"Ja."

De Osage smakte met zijn tong, porde met zijn hielen zijn paard aan, en was een oogenblik later in de duisternis van den nacht verdwenen. De lord keek zoo verwonderd, alsof hij het te Keulen hoorde onweeren. Gehoorzaamde zulk een krijgsman werkelijk zoo stilzwijgend en onvoorwaardelijk dezen man? Maar deze zat óók reeds in den zadel.

"Messieurs!" zei hij, "wij hebben geen minuut te verliezen. Onze paarden zijn wel vermoeid; maar tot aan de boerderij moeten zij het nog uithouden. Voorwaarts!"

In een ommezien had de stoet zich gevormd. Voorop Old Firehand met zijn naaste kennissen en jagers, daarachter de rafters, en eindelijk de weinige Osagen met de paarden. Het vuur werd uitgedoofd, en daarop zette de ruiterschaar zich in beweging.

Eerst reed men langzaam, vervolgens in een draf; en toen de oogen, van het bivakvuur verwijderd, zich aan de duisternis gewend hadden, ging het in galop. De lord wendde zich tot Bill, en vroeg: "Old Firehand zal toch niet verkeerd rijden?"

"O neen, nog veel minder dan de hoofdman van de Osagen. Men zegt zelfs, dat hij des nachts nog beter zien kan dan een kat."

"Wie is toch eigenlijk die vrouw, die zich aan u vergrepen heeft?"

"Die vrouw? O, die dame is een man."

"Voor wie het gelooven wil."

"Geloof het maar op mijn woord."

"En ze noemen haar Tante!"

"Dat is maar voor de grap, omdat hij zulk een schelle fluitstem heeft en zich zoo koddig kleedt. Zijn naam is Droll, en hij is een zeer goed jager. Als vallen-opzetter heeft hij een meer dan alledaagsche vermaardheid. De bevers en otters loopen regelrecht in zijn vallen. Hij schijnt een geheim te bezitten om die dieren te lokken, waarin geen tweede hem evenaart. Maar wij moeten nu ophouden met praten. Zooals we nu rijden, dient een mensch al zijn verstand uitsluitend daarmee bezig te houden."

En daarin had hij gelijk. Old Firehand reed vooruit; en de anderen deden--zoo goed en kwaad als het ging--hun best om hem bij te houden. De lord was een hartstochtelijk parforce-rijder, en had reeds dikwijls zijn leven er aan gewaagd; maar een rit zooals thans had hij nog nooit medegemaakt. Men bevond zich in volslagen duisternis, zoo donker als in een niet-verlichten tunnel; geen heuvel was er te onderscheiden, en van den grond, op welken de hoeven der paarden beukten, was niets te zien. Het was alsof de dieren zich in een ravijn zonder einde en zonder zweem van lichtschemering bewogen, en toch geen enkele mistred, geen enkele struikeling! Het eene paard volgde precies het andere, en alles kwam slechts op Old Firehand aan. Zijn paard was nog nooit in deze streek geweest, was bovendien een zeer alledaagsch rijpaard, dat hij had moeten nemen, omdat er geen ander te krijgen was.

Zoo ging het voort een half uur, een uur, en nog een geheel uur, met slechts korte halten, om de paarden even te laten uitblazen. Er viel nog altijd regen, maar zoo dun en licht, dat het voor deze geharde mannen niets beteekende. Opeens hoorde men Old Firehand van voren roepen: "Opgepast, messieurs! Het gaat naar de laagte, en door een riviertje. Maar het water komt niet hooger dan tot aan den buik der paarden."

Er werd langzamer gereden. Men hoorde het ruischen van de rivier en, in weerwil van de Egyptische duisternis, zag men de phosphoresceerende oppervlakte van het water. De voeten der ruiters werden bespoeld door den stroom, en weldra bevond men zich aan den anderen oever. Nog een korte rit van één minuut, toen werd er halt gehouden, en de lord hoorde het schelle gebengel van een klok. Voor zijn oogen echter was alles nog even donker.

"Wat is dat, wat beduidt dat gebengel, en waar zijn wij?" vroeg hij aan Humply-Bill.

"Aan de poort van Butler's boerderij," was het antwoord.

"Ziet gij dan iets van die boerderij?"

"Neen, maar rijd nog eenige voetstappen vooruit, dan zult gij den muur voelen."

Er blaften honden. Uit hun zware, rauwe stemmen kon men opmaken, dat het geen kleintjes waren. Toen vernam men een vragende stem. "Wie belt daar, wie verlangt binnen gelaten te worden?"

"Is master Butler al terug?" vroeg de jager.

"Neen."

"Haal dan den sleutel bij de lady (= dame, vrouw des huizes), en zeg haar, dat Old Firehand hier is."

"Old Firehand? Well, sir! ik kom in een oogenblik terug. De ma'am (= madam) slaapt niet, en alle andere oogen zijn óók open. De Osage is in het voorbijrijden even hier afgestapt, en heeft ons gezegd, dat gij op de komst zijt."

"Wat voor menschen zijn dat hier!" dacht de lord. "De hoofdman heeft dus nog harder, veel harder gereden dan wij!"

Na verloop van eenige seconden hoorde men bevelen aan de honden geven, om koest te zijn: daarop kraste een sleutel in het slot, houten grendels werden opengeschoven, poorthengsels knarsten, en nu eindelijk zag de lord verscheiden lantaarnen, welker schijnsel echter de duisternis van een onafzienbaar erf nog slechts donkerder maakte. Aansnellende knechten namen de paarden van de ruiters aan, en toen werden de gasten in een hoog, donker schijnend huis binnengeleid. Een dienstmeid verzocht Old Firehand, om boven bij ma'am te komen. Voor de anderen werd op de gelijkvloers-verdieping een groote, zwartberookte kamer geopend, aan welker plafond een zware petroleum-lamp hing. Daar stonden eenige tafels, met banken en stoelen, op welke de mannen plaats konden nemen. Op de tafels stonden allerlei eetwaren en flesschen, alles reeds bij voorbaat in gereedheid gebracht, zoodra de hoofdman der Osagen had meegedeeld, dat de troep in aantocht was.

De rafters namen met de Osagen plaats aan twee lange tafels, en tastten dadelijk dapper toe. Een Westman maakt en ontvangt niet gaarne onnoodige plichtplegingen. Bij het plaatsnemen had het zich als vanzelf zoo geschikt, dat de voornameren van het gezelschap aan een afzonderlijke tafel bij elkander waren komen te zitten. Daar had eerst de lord plaats genomen en Humply-Bill en den Gunstick-Uncle tot zich gewenkt; vervolgens waren Tante Droll met Fred Engel en Zwarte Tom bij hen komen zitten, en eindelijk ook Blenter, de oude Missouriër.

Nu ging het aan het eten en drinken, dat het een lust was om te zien. De lord scheen tot stelregel te hebben, dat hij moest huilen met de wolven, waarmee hij in het bosch was, want hij had alle lordschaps-deftigheid afgelegd, en gedroeg zich niet beter en niet slechter, dan al de anderen met wie hij aan tafel zat.

Later kwam Old Firehand met de dame des huizes, die haar gasten vriendelijk welkom heette. Zij zeide tegen den Engelschman, dat er een afzonderlijke kamer te zijner beschikking stond; doch hij bedankte daarvoor, zeggende, dat hij liefst op één lijn gesteld wilde worden met zijn kameraden, aangezien hij op dat oogenblik niets anders was dan een Westman. Die woorden deden aan de anderen zooveel genoegen, dat zij hem daarvoor luide hun oprechte erkentelijkheid toeriepen.

Old Firehand deelde nu mede, dat de kameraden hedennacht niet op de been behoefden te blijven, maar behoorlijk hun nachtrust konden nemen, ten einde morgenochtend vroeg uitgerust en frisch op hun post te kunnen zijn, daar er knechts en herders genoeg op de boerderij waren, met wier hulp hij de noodige toebereidselen zou kunnen maken.

Allen voldeden met prijzenswaardige bereidwilligheid aan dezen wenk, en begaven zich naar een vertrek, waar over houten ramen gespannen huiden hingen, zooveel als hangmatten, die anders tot slaapplaats dienden voor de ondergeschikten op de boerderij. Ten gerieve van de gasten waren zachte dekkleeden daaroverheen gespreid, terwijl tevens voor de noodige dekens was gezorgd. En in deze echt westelijke slaapplaatsen, sliepen de mannen overheerlijk.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

IN DEN STRIJD OM BUTLER'S BOERDERIJ.

Reeds in het vroege ochtend-uur werden de verdedigers van de boerderij weer gewekt. De dag scheen een warme dag met brandende zon te worden en in het vriendelijke morgenlicht zag het gisteren zich zoo somber vertoonende gebouw er geheel anders uit. Het was voor vele bewoners ingericht, van baksteen opgetrokken, zeer lang en diep, en bestond uit de gelijkvloers-verdieping en één bovenverdieping met een plat dak. De ramen waren zeer hoog, maar zoo smal, dat een mensch er niet doorheen kon kruipen. Deze maatregel van voorzichtigheid was zeer noodig in een landstreek, die aanhoudend werd platgeloopen door roofzuchtige Indianen. In die streken is, of althans was het geen zeldzaamheid, als een eenzaam staand huis, een eenzame boerderij, verscheiden dagen achtereen door de bewoners tegen dergelijke roofhorden verdedigd moest worden.

Met het oog daarop was ook het groote, ruime voor-erf omsloten door een hoogen, van schietgaten voorzienen adobes-muur. Tusschen de schietgaten waren breede muurbanken aangebracht, om daar op te kunnen gaan staan, als het noodig bleek om over den muur heen te schieten.

Niet ver van het huis af stroomde de rivier er langs, door welker waadbare plaats men gisteren gekomen was. Zij kon van den muur af zeer gemakkelijk met geweerkogels bestreken worden, en was dien nacht op last van Old Firehand door verhakkingen ontoegankelijk gemaakt. Als tweede en hoognoodige maatregel van voorzichtigheid had de beroemde jager al de kudden van Butler ook reeds in dien nacht naar de weidevelden van den dichtstbij wonenden nabuur laten brengen. En tevens werd er een boodschapper in de richting van Fort Dodge afgezonden, om de twee gebroeders Butler, indien dezen wellicht reeds op weg naar huis waren, te waarschuwen, opdat zij niet in handen van de tramps zouden vallen.

Old Firehand bracht zijn metgezellen op het dak van het huis, van waar men een ver uitzicht had, naar het oosten en noorden op de welige gras-prairie, naar het zuiden en westen op uitgestrekte, goed bebouwde maïs- en andere akkers.

"Wanneer zullen de Indianen, die gij verwacht, komen?" vroeg Droll.

"Volgens de berekening, die de hoofdman gisteren gemaakt heeft, kunnen zij nu wel spoedig hier zijn," antwoordde Firehand.

"Daar reken ik niet op. Die roodhuiden moeten eerst van heinde en verre bij elkander gehaald worden, en beginnen nooit een krijgstocht, zonder eerst hun oude gebruiken volbracht te hebben. Het zal al mooi wezen als zij tegen den middag hier zijn. Maar tegen dien tijd kunnen ook de tramps al wel hier wezen. Ik heb niet veel vertrouwen op die Sjeyennes en Arapahoes."

"Ik ook niet," merkte Bill aan. "Die twee stammen zijn zeer klein, en hebben in langen, zeer langen tijd geen strijdbijl in hun handen gehad. Wij kunnen ons niet op hen verlaten; sterke naburen zijn hier ook niet, zoodat wij ons waarschijnlijk op een lange belegering kunnen voorbereiden."

"Dat behoeft ons volstrekt geen bezorgdheid in te boezemen, want de kelders zijn overvloedig van leeftocht voorzien," zei Old Firehand.

"Maar water," merkte Droll aan, "dat is toch een der voornaamste behoeften! En zoolang de tramps ons belegeren, kunnen wij dat niet uit de rivier gaan scheppen."

"Dat behoeft ook niet. In een der kelders is het gat van een bron, met zeer goed drinkwater voor menschen; en voor de dieren is gezorgd door het kanaal."

"Is hier dan een kanaal?"

"Ja. Alles is hier aangelegd en ingericht met het oog op de mogelijkheid van vijandelijke aanvallen. Achter het huis kunt gij een houten valluik vinden. Als men dat oplicht, ziet men een trapje van eenige treden, en dat afgaande komt men aan het overwulfde kanaal, dat daarbuiten in gemeenschap staat met de rivier."

"Is het diep?"

"Ongeveer twee derden van een gewone manslengte. Het water reikt u bijna tot aan de borst."

"En is de gemeenschap met de rivier open?"

"O, neen. De vijand kan niets daarvan merken; daarom is dat gedeelte van den oever dicht begroeid met biesgewas en slingerplanten."

Dat Droll zoo nauwkeurig om inlichtingen aangaande dat kanaal vroeg, geschiedde eigenlijk meer uit zijn gewoonte om naar alle bijzonderheden te vragen, dus niet met een bepaald doel; zooals later bleek, echter kwam de bekendheid met een en ander hem bijzonder goed te pas.

De vrouw des huizes was nog niet bij de hand; zij was den ganschen nacht druk in de weer geweest, om met Old Firehand alle noodige maatregelen van voorzorg te doen uitvoeren, en had zich pas toen de dag begon aan te breken naar haar slaapvertrek begeven. Doch de gasten hadden over niets te klagen; want ieder hunner vond alles wat hij wenschen kon. De tafels, stoelen en banken, die gisteren gediend hadden voor het avondeten werden naar het erf gedragen, voor het ontbijt in de open lucht. Toen werden alle in huis aanwezige wapenen en krijgsbehoeften bijeengebracht, om te zien of alles bruikbaar en behoorlijk in orde was.

Later zat Old Firehand met mevrouw Butler op het platvorm van het huis verlangend uitziende naar het zuiden, van waar de verwacht wordende Indianen moesten komen. Eindelijk, reeds een geruimen tijd na het middag-uur, zag hij een lange, zeer lange rij Roodhuiden in aantocht, allen achter elkander juist als ganzen. Dat waren de verwachte hulptroepen, en de "Groote Zon" reed te paard aan het hoofd van den troep.

Toen zij door de poort binnenkwamen, telde Old Firehand over de tweehonderd man. Ongelukkigerwijze echter waren slechts enkelen hunner goed gewapend. Allen waren onbereden; want de meesten bezaten niet eens een paard, en die er een hadden, waren niet geneigd geweest om het mee te nemen; zij wilden liever zich zelf laten verwonden of doodschieten, dan hun paarden aan dat gevaar bloot te stellen. Overigens waren voor de verdediging van deze sterke vesting ook geen paarden noodig.

Old Firehand deelde deze eens zoo fiere en thans zoo tot verval gebrachte Roodhuiden in twee troepen: de eerste moest op de boerderij blijven, en de tweede moest onder het commando van den hoofdman der Osagen post gaan vatten aan de grensscheiding van den nabuur, op wiens weidevelden de kudden in veiligheid gebracht waren. Mochten de tramps een poging doen om de kudden te overvallen, dan diende deze troep om elke poging van dien aard te beletten. Als een prikkel voor hun waakzaamheid en dapperheid, werd er voor het dooden van elken tramp een prijs uitgeloofd, en toen trok de hoofdman met de onder zijn bevel staande manschap naar den hem aangewezen post.

Binnen de muren der boerderij bevonden zich nu een groote honderd Indianen, twintig rafters en de reeds met name genoemde jagers. Tegenover het groote aantal der tramps was dat voorzeker niet veel; maar één jager of rafter kon ontwijfelbaar opwegen tegen verscheiden tramps, terwijl de beschutting, die de muur en het huis opleverden, almede niet gering waren te schatten. Bijzondere bevelen konden thans nog niet gegeven worden, daar men nog niet wist op welke wijze de tramps hun aanval zouden bewerkstelligen.

Men kon op dit oogenblik niets anders meer doen, dan rustig hun komst afwachten. Het was als een geluk te beschouwen, dat mevrouw Butler het gevaar met de grootste bedaardheid te gemoet zag. Het kwam niet in haar op, het den verdedigers lastig te maken met misbaar en gejammer; integendeel, zij liet haar gewone dienstpersoneel bij zich komen en beloofde hun, als ze zich trouw en moedig gedroegen, een goede extra-belooning. Dat waren ook nog een twintigtal knechten, die allen hun wapenen goed wisten te hanteeren, en op wie Old Firehand zich verlaten kon.

Toen alle toebereidselen gereed waren, zat Old Firehand met de vrouw des huizes en den Engelschman weer boven op het dak. Hij had den reusachtigen verrekijker van den lord in de hand, en zocht vlijtig naar dat gedeelte van den horizon, waar de tramps te voorschijn moesten komen. Na lang tevergeefs met alle aandacht in die richting getuurd te hebben, ontdekte hij eindelijk op een punt, dat met het bloote oog onmogelijk te bereiken was, een menigte menschen en paarden. Dat waren stellig de tramps. Weldra scheidden zich van den grooten hoop drie gestalten af, die zich voortbewogen in de richting naar de boerderij, niet te paard, maar te voet.

"Aha! ze zenden verspieders vooruit," zei Old Firehand. "Die hebben misschien nog onbeschaamdheid genoeg, om te komen vragen of ze hier binnen mogen komen."

"Neen, dàt zullen ze wel niet durven, vertrouw ik," merkte de lord aan.

"Waarom zouden ze dat niet durven? Zij sturen drie kerels, die niemand hier kent; die komen onder een of ander voorwendsel hier binnen; daar steekt niets vreemds hoegenaamd in, niets dat argwaan kan wekken. Laat ons op de bovenverdieping gaan zitten; daar kunnen wij hen met den verrekijker evengoed in het oog houden, en ze moeten ons niet op het dak zien."

De meegebrachte paarden bevonden zich aan de achterzijde van het huis, en waren dus niet te zien. Ook al de verdedigers moesten zich verschuilen. Als de drie tramps werkelijk naar de boerderij kwamen, moesten zij in den waan gebracht worden, dat het huis eigenlijk zoogoed als onbewaakt was.

Zij kwamen langzaam naderbij, en Old Firehand zag, dat de een den ander optilde, om door een der schietgaten het erf te kunnen overzien. Hij gaf schielijk nog eenige bevelen, die hij noodig achtte, en spoedde zich toen naar beneden, naar het erf. Juist toen hij daar aankwam, werd er aan de bel getrokken; hij liep naar de poort, en vroeg wat men verlangde.

"Is de landbouwer thuis?" vroeg een stem.

"Neen, die is op reis," antwoordde hij.

"Is hier geen schaapherder of een knecht noodig?"

"Neen."

"Dan zouden wij toch graag om een beetje eten verzoeken. Wij hebben een verre reis gemaakt; wij zijn vermoeid en hebben honger. Mogen wij niet een oogenblik binnenkomen?"

Dat alles werd gezegd op een lamenteerenden toon. Nu is er in het geheele Westen geen landbouwer, die aan iemand, die honger heeft, eenig voedsel weigert. Bij alle natuur-volkeren en in alle landstreken, waar geen hotels en logementen bestaan, wordt in die behoefte voorzien door de lofwaardigste gewoonte der gastvrijheid, en zoo ook in het verre Westen. Het zou niet alleen een hardvochtigheid jegens den behoeftige, maar aan den anderen kant ook een schande voor de boerderij, of eigenlijk voor den eigenaar der boerderij wezen, een vreemde, die om onderkomen vraagt, met een weigering af te wijzen.

Het drietal werd dus binnen gelaten; en toen de poort weer dichtgegrendeld was, werden hun de zitplaatsen ter zijde van het huis aangewezen. Dit scheen echter niet te zijn wat zij wenschten. Ofschoon zij hun best deden om onnoozel te schijnen, kon het den scherpen blik, waarmede zij gadegeslagen werden niet ontgaan, dat zij het huis en alles wat hen omringde met arendsoogen opnamen, en daarna elkander op een veelbeteekenende manier aankeken. Een hunner zeide: "Wij zijn arme geringe menschen, die niet gaarne overlast aandoen. Vergun ons dat wij maar hier bij de poort blijven, waar wij bovendien meer schaduw hebben dan daarginder! Dan zullen wij een tafeltje hier halen."

Dit werd hun vergund, in weerwil dat het een huichelend verlangen was, want ze wilden bij de poort blijven, om die voor hun mede-schavuiten te kunnen openen. Zij haalden een tafel en eenige stoelen, en toen werd hun door een dienstmaagd een overvloedige hoeveelheid kostelijk eten voorgezet.

Nu was er aan dezen kant van het erf niemand te zien, daar allen zelfs de dienstmaagd, zich verwijderd hadden.

De zoogenaamde werkvragers vonden dat zeer naar hun zin, zooals het scherpziende oog van Old Firehand kon opmaken uit hun physionomieën en uit de gebaren, waarmee zij hun fluisterend gesprek voerden. Door hetgeen zij gezien hadden, verkeerden zij in den waan, dat de boerderij zoogoed als geheel zonder verdediging was. Na verloop van eenigen tijd stond een hunner op, en ging schijnbaar uit bloote nieuwsgierigheid naar het dichtstbij zijnde schietgat, en keek er eens doorheen. Dit werd vervolgens eenige keeren herhaald, zoodat men daaruit met zekerheid kon afleiden, dat die kerels de aankomst van de tramps spoedig verwachtten.

Old Firehand stond weer boven aan het raam, met behulp van den verrekijker uitziende in de richting van waar ze komen moesten. Na hun verspieders uitgezonden te hebben, hadden zij zich teruggetrokken, zoodat ze een tijdlang niet te zien waren. Maar eindelijk kwamen ze weer te voorschijn, en nu in galop, ten einde den afstand, waar men uit de boerderij hun nadering kon zien, zoo snel mogelijk af te leggen.

Men zag dat er zich onder hen eenigen bevonden, die de plaatselijke gesteldheid kenden, want zij namen hun koers regelrecht op de waadbare plaats aan. Toen zij die bereikten en door de verhakking versperd vonden, hielden zij halt, om de plaats te verkennen. Nu was voor Old Firehand het oogenblik tot handelen gekomen. Hij ging naar beneden, naar de poort. Juist stond er weer een voor het schietgat, uitkijkende naar zijn roofgenooten. Hij schrikte zichtbaar, toen hij merkte dat hij gezien werd, en ging gauw weer aan de tafel zitten.

"Wat deedt gij daar? Wat hadt gij daar aan dat gat noodig?" vroeg Old Firehand hem met een barsche stem.

De dus toegesprokene keek verlegen naar den reus op, en stotterde: "Ik,... ik wilde.... Ik wilde eens zien, welken weg wij nu zullen gaan."

"Lieg maar niet! Uw weg kent gij al. Die loopt uit op de rivier, naar de menschen, die zich daar bevinden."

"Welke menschen bedoelt gij, sir?" vroeg de man met een goed gehuichelde onnoozelheid. "Ik heb daar niemand gezien."

"Als gij daar die ruiters niet gezien hebt, zijt gij stekeblind geweest."

"Welke ruiters? Ik heb er geen gezien."

"Huichel maar niet langer; dat is noodeloos. Gij behoort tot de tramps van den Osage-nook, die ons hier overvallen willen, en zijt door hen uitgezonden als spionnen."

Nu nam de kerel den schijn aan van iemand, die zich erg beleedigd voelt, en riep op een toon van diepe gekrenktheid uit: "Wij? Wij tramps en spionnen, sir? Wij zijn eerlijke menschen en naar werk zoekende daggelders, en hebben met vagebonden, als die hier in den omtrek zijn, niets te maken. Wij zoeken werk, dat wij hier hoopten te vinden, maar dat wij nu ergens anders moeten gaan zoeken. Dat gij ons voor zulk gespuis aanziet, is in de hoogste mate grievend voor ons. Dat zult gij zelf begrijpen, sir! als gij er een oogenblik over nadenkt. Gesteld eens, dat er werkelijk tramps van plan waren om u hier te komen overvallen, en dat wij daartoe behoorden, met welk doel zouden wij dan eerst hier komen? Dat zou immers een waagstuk zijn, dat ons zeer slecht bekomen kon?"

"Het doel, dat gij daarmee hebt is duidelijk genoeg. Onze muren zijn hoog; daarom zijt gij vooruitgezonden, om, voorgevende dat u naar werk kwam zoeken, hier binnen te komen, ten einde dan de poort voor uw kornuiten te kunnen openen. Daarom zijt gij er ook zoo dicht bij blijven zitten."

"Wat?" viel de andere in drift ontstekend uit, en tastte meteen in zijn zak.

Maar Old Firehand had dadelijk zijn revolver in de hand, en zei dreigend: "Laat uw verborgen wapentuig maar zitten! Zoodra ik er iets van te zien krijg, geef ik vuur. Ja, uw hierkomen is een gewaagd spel; want ik zou u gevangen kunnen nemen en u ter verantwoording roepen. Maar gij boezemt mij zóó weinig vrees in, dat ik u ongedeerd zal laten loopen. Gaat dus heen en zegt aan het gespuis, dat ieder die het hart heeft over de rivier te komen, den kogel krijgt. Nu zijn wij klaar, dus opgerukt, marsch!"

Dit zeggende opende hij de poort. Zij schenen nog iets te willen zeggen, doch zwegen uit ontzag voor de op hen gerichte revolver. Maar toen zij buiten waren, en de grendel weder op de poort geschoven was, begonnen zij spottend te lachen, en Old Firehand hoorde de woorden: "Domkop! waarom laat gij ons loopen als wij tramps zijn. Tel maar eens goed met ons hoevelen wij zijn! Wij zullen met uw handjevol verdedigers korte metten maken. Binnen een kwartier zijt gij allen opgeknoopt!"

"En gij zult de eersten zijn, die aan onze geweren moeten gelooven!" riep hij hun achterna. Daarop gaf hij het afgesproken sein, waarop de tot nu toe achter het huis verscholen verdedigers te voorschijn kwamen, en post vatten aan de schietgaten. Ook hij zelf nam aan een dier gaten plaats, ten einde op de bewegingen van den vijand het oog te kunnen houden.

De afgewezen verspieders hadden nu den oever van de rivier bereikt, en riepen woorden naar de overzijde, die men van den muur af niet verstaan kon. Maar daarop reden de tramps een eind weegs langs de rivier, om van daar zwemmende over het water te komen. Zij dreven hun paarden althans met dat doel er in.

"Nu neemt gij beiden onverwijld de spionnen voor uw rekening, zooals ik u gezegd heb", sprak Old Firehand tegen Droll en Zwarten Tom. "En ik vuur op de twee eersten, die aan wal komen. Na mij schieten Bill, de Uncle, Blenter, de lord en de anderen, zooals ze op rij staan. Zoodoende krijgt ieder zijn bepaalden man en mikken er geen twee van ons op een en denzelfden tramp, en vermijden wij alle noodeloos verbruik van ammunitie."

"Goed zoo!" antwoordde Humply-Bill. "Ik zal stipt die volgorde in acht nemen."

En zijn boezemvriend, de Gunstick-Uncle, bevestigde dat op zijn manier: "Zij worden, als ze uit water komen,--Door één schot onder mik genomen--Op rij af, en gaan een voor een,--Gezwinden pas naar Satan heen!"

Nu bereikte de eerste ruiter den oever; de tweede volgde hem. Op de plaats, waar zij landden, stonden de spionnen, die kwansuis om werk waren komen vragen. Old Firehand wenkte. Zijn twee schoten knalden bijna gelijktijdig met die van Droll en Tom; de twee ruiters tuimelden van hun paarden en de spionnen lagen op den grond. Toen de tramps dit zagen, hieven zij een woedend gebrul aan, en verdrongen elkander om aan wal te komen. De een dreef den andere den dood in de armen; want nauwelijks bereikte een paard den oever, of de ruiter werd door een kogel, die van de boerderij kwam, uit den zadel geworpen. In den tijd van hoogstens twee minuten liepen er twintig à dertig paarden zonder berijder op den oever rond.

Zulk een ontvangst hadden de tramps niet verwacht. De hun door de verspieders over het water toegeroepen woorden hadden hen in allen gevalle doen denken, dat de boerderij belachelijk arm aan verdedigers was. En nu viel er bijna zonder de minste tusschenpoozing schot op schot uit de schietgaten en niet een van de kogels miste, maar raakte precies den man, waarop hij gemunt was. Het verwoede gebrul veranderde weldra in een radeloos noodgeschrei; toen klonk er een bevelen-gevende stem, waarop alle reeds uit, en alle nog in het water zijnde ruiters hun paarden rechtsomkeert lieten maken, om naar den anderen oever terug te keeren.

"Afgeslagen!" zei de oude Blenter. "Ik ben benieuwd wat zij nu zullen probeeren."

"Daar valt geen oogenblik aan te twijfelen," antwoordde Old Firehand. "Zij zullen nu de rivier overzwemmen op een punt, dat buiten het bereik van onze kogels ligt."

"En dan?"

"Ja, dan? Daarover valt nog niet veel te zeggen. Als zij het slim aanleggen, kunnen wij het hard genoeg te verantwoorden krijgen."

"En wat noemt gij slim?"

"Als zij niet in massa aanrukken, maar zich verstrooien. Laten zij hun paarden achter, en komen zij dan van alle vier de kanten tegelijk op den muur aanstormen, om daarachter dekking te zoeken, dan zijn wij te zwak, om hen op alle punten tegelijk af te slaan, want dan zouden wij genoodzaakt zijn, om ons over vier fronten te verdeelen. En trekken de tramps zich dan eensklaps op één punt samen, dan zal het hun mogelijk wezen om over den muur te komen."

"Dat is waar; maar dan zou toch aan verscheiden hunner het licht uitgeblazen worden. Trouwens, ook wij zouden dan zoogoed als ongedekt tegenover hen staan."

"Pshaw! Dan zouden wij ons in het huis terugtrekken; en daar zouden wij dan sterk genoeg zijn, om hen weer over den muur terug te jagen. Het is een geluk, dat het erf zoo groot en zoo vrij is, en dat het huis juist in het midden staat. Ik maak er mij volstrekt niet beangst over; wij moeten nu afwachten wat zij doen zullen. Zij schijnen te beraadslagen."

De tramps stonden bijeen op een hoop, waarvan vier hunner zich hadden afgezonderd, waarschijnlijk de aanvoerders. Men kon hun gezichten niet herkennen; maar aan de levendige gebaren, die zij maakten, was duidelijk te zien, dat zij spraken over iets gewichtigs. Toen zetten allen zich in beweging stroom-opwaarts, dus naar het noorden, totdat zij buiten het bereik waren van de kogels, die uit de boerderij kwamen. Daar staken zij de rivier over. Toen allen aan wal waren, vormden zij een gesloten troep, waarvan het front gericht was regelrecht op de poort van den muur aan. Tot nu toe hadden de verdedigers de oostzijde bezet gehouden; maar nu riep Old Firehand met luider stemme: "Schielijk allen over naar de noordzijde! Zij willen de poort bestormen!"

"Maar die kunnen zij toch niet openloopen!" merkte Blenter aan.

"Neen! Maar staan zij er eenmaal voor, dan kunnen zij uit den zadel stijgen, en zoo snel over de poort en den muur heen wippen, dat ze ons hier op het erf letterlijk dooddrukken."

"Maar er zullen er eerst verscheiden vallen!"

"Maar nog meer zullen er overblijven! Schiet niet, voordat ik het commando er toe geef, maar dan allen tegelijk, twee salvo's uit de geweren met dubbelen loop, midden in den troep!"

De noordzijde werd in allerijl bezet. Een deel der verdedigers plaatste zich aan de schietgaten, en de overigen vatten post op de tusschen die schietgaten zich bevindende zoogenaamde banken, van waar zij over den muur heen konden schieten.

Nu bleek het met hoeveel juistheid Old Firehand alles voorzien had. De troep zette zich in beweging, in galop regelrecht op de poort aan. Eerst toen de tramps hoogstens nog maar een tachtigtal voetstappen van daar verwijderd waren, klonk daarbinnen het commando om te vuren. Twee salvo's knalden snel achter elkander, met zooveel juistheid uitgevoerd, dat het was alsof er slechts twee schoten knalden. De uitwerking beantwoordde volkomen aan Old Firehand's verwachting. Het was alsof de tramps midden in hun vaart door een dwars gespannen touw tegengehouden werden. Zij vormden een onbeschrijfelijken warklomp, die zich met geen mogelijkheid snel ontwarren kon. De lord, die twee geweren had, deed nog twee schoten; de anderen kregen tijd om schielijk opnieuw te laden, al ware het slechts één loop, en vuurden nu niet in salvo, maar ad libitum, onophoudelijk op den chaotischen zwerm der aanvallers. Dat konden de tramps niet uithouden: zij stoven in alle richtingen uiteen, en lieten hun dooden en gekwetsten liggen, daar het uiterst gevaarlijk voor hen was zich daarmee te willen bezighouden. De paarden, die hun ruiters verloren hadden, renden als uit instinct op de boerderij aan, en men opende de poort om die dieren binnen te halen. Toen de tramps een poos later toch nog een poging deden, om hun gekwetsten weg te voeren, werden zij daarin niet belemmerd, aangezien dat een daad van menschelijkheid gold. Men zag, dat zij de gewonden gingen neerleggen in de schaduw van een veraf staande groep boomen, om hen daar, zoogoed als het gaan wilde, te verbinden.

Onder die bedrijven was het middag geworden, en er werd eten en drinken onder de dappere verdedigers rondgedeeld. En weldra zag men dat de tramps zich verwijderden; zij lieten de zwaar gekwetsten onder de boomen liggen, en reden in de richting naar het westen.

"Zouden zij aftrekken?" vroeg Humply-Bill. "Ze hebben een duchtige les gehad, en zij zullen maar wijs doen, als zij die ter harte nemen."

"Daar hebben zij volstrekt geen idee op," antwoordde Tante Droll. "Als zij werkelijk van verdere pogingen afzagen, zouden zij hun gekwetsten wel medenemen. Ik houd het er voor, dat zij het nu gemunt hebben op de kudden, die tot de boerderij behooren. Kijk maar eens naar boven, op het huis. Daar staat Old Firehand door den kijker te turen. Die vertrouwt de kerels ook niet, en ik denk, dat wij spoedig een commando van hem vernemen zullen."

"Een commando?"

"Ja, om de herders en de Indianen te hulp te snellen."

Die vooronderstelling van de Tante bleek volkomen juist. De tramps waren nu zoo ver weg, dat men hen van den muur niet meer zien kon; maar Old Firehand had hen nog in het oog. Opeens hoorde men hem van boven af roepen: "Gauw de paarden zadelen! De kerels trekken naar het zuiden, en zullen nu de Goede Zon en zijn troep aantasten."

In minder dan vijf minuten stonden de paarden gezadeld; en, uitgenomen eenige knechts, die op het erf achterbleven om ingeval van nood de poort schielijk te kunnen openen, stegen allen te paard. Old Firehand voorop, reden zij de poort uit en om den dichtstbij zijnden hoek van den muur, ten einde dan zuidwaarts te houden. Eerst had men daar eenige akkers, achter welke de prairie begon, een groen weideveld, waarop hier en daar een plokje boschgroei.

Ook nu nog waren de tramps niet te zien met het bloote oog; maar Old Firehand had den kijker bij zich, om hun bewegingen te kunnen gadeslaan. Daardoor werd het mogelijk, altijd parallel met hen te blijven, zonder door hen gezien te worden. Na ongeveer een kwartier gereden te hebben hield Old Firehand halt, want ook de tramps hadden halt gehouden. Zij waren aan de grensscheiding van den buurman aangekomen en zagen niet slechts de daar grazende dieren, maar tevens de daarbij gestelde gewapende bewakers.

Old Firehand monsterde de verschillende bosch-groepjes die over de grasvlakte verspreid stonden, en koos er die van uit, welke hem genoegzame dekking aanboden. Daarachter verborgen naderde bij met de zijnen de plaats, waar het gevecht waarschijnlijk zou plaats grijpen. Toen verlieten zij de paarden, en slopen in gebukte houding verder, tot zij een breede strook kreupelhout bereikten, werwaarts de tramps naar alle gedachten gedurende het gevecht komen zouden. Hier schaarden zij zich in slagorde, zonder dat de vijand hen zien kon, en hielden hun geweren tot vuren gereed. Van achter dit kreupelgewas waren nu zoowel de aanvallers, als de Indianen, die door hen aangevallen zouden worden, met het bloote oog te zien.

De tramps schenen niet bijzonder aangenaam verrast, zulk een talrijke menigte roodhuiden als bewakers van het vee aan te treffen. Hoe kwamen Indianen daartoe aangenomen, en dat nog wel in zoo grooten getale? De tramps stonden een wijl verbluft. Maar al spoedig hadden zij opgemerkt, dat de Roodhuiden slecht gewapend waren, niet eens met geweren, en dit stelde hen eenigszins gerust. De aanvoerders hielden een korte beraadslaging, en toen volgde het bevel tot den aanval. Uit de manier, waarop de aanval plaats had was dadelijk te zien, dat ze niet van plan waren om veel tijd te verspillen met een aanval uit de verte, maar dat het er op gemunt was, de Roodhuiden eenvoudig onder den voet te rijden. De ruiters renden in gesloten gelederen onder een oorverdoovend geschreeuw regelrecht op de Indianen aan.

Maar nu bleek, dat de Goede Zon volkomen berekend was voor zijn taak. Hij gaf met luider stemme een bevel, waarop zijn dicht bijeenstaande onderhebbenden eensklaps links en rechts uiteenstoven, zoo, dat er van onder den voet rijden geen sprake meer kon zijn. Dat begrepen de tramps; zij maakten een zwenking, om aan den rechtervleugel der Roodhuiden te komen en dien naar den linkervleugel op te rollen. De Osagen-hoofdman doorzag dat oogmerk. Nu klonk andermaal zijn luide stem. Zijn manschappen zwermden bijeen op een dichten hoop, en vlogen toen terstond weer uit elkander. Zij hadden hun slag-orde geheel veranderd. Aanvankelijk was die west-oostelijk geweest, maar nu was die noord-zuidelijk geworden. De Osage had die verandering gecommandeerd, niet omdat hij de nabijheid van zijn bondgenooten kende (want dat wist hij niet), maar om, als een aangevallen bizon, zich niet door den vijand in de flank te laten aantasten, maar hem het sterke, met horens gewapende voorhoofd te kunnen bieden. Was die beweging op zich zelf reeds een meesterstuk, zoo was daarvan tevens het volstrekt niet door hem vermoede gevolg, dat de aanvallers zich nu eensklaps tusschen twee vuren bevonden, dat wil zeggen tusschen de Roodhuiden en de achter het kreupelhout verborgen blanken. De tramps zagen hun oogmerk verijdeld en hielden halt, een onvoorzichtigheid, waarvoor zij een oogenblik later moesten boeten. Zij schenen zich in de draagkracht van de wapenen der Indianen te vergissen en zich daarvoor veilig te achten. Een hunner aanvoerders sprak hen toe, blijkbaar om hun een ander plan voor te stellen. Van die pauze trok de Osage partij. Hij gaf een schreeuw, waarop zijn manschappen schielijk vooruitsprongen, eensklaps stil bleven staan, hun pijlen afschoten, en zich even snel weer terugtrokken. De pijlen bereikten hun doelwit; er vielen verscheiden dooden, nog veel meer gekwetsten, niet alleen onder de ruiters, maar ook onder de paarden. De dieren steigerden, zij wilden op hol gaan, en waren bijna niet te beteugelen. Het was een verwarring, waarvan Old Firehand partij wilde trekken.

"Nu vuren!" commandeerde hij. "Maar schiet enkel op de kerels, niet op de paarden!"

Zijn volgelingen traden van achter het kreupelbosch te voorschijn; zij stonden in den rug van den vijand, door wien zij niet gezien werden. Toen hun geweren losbrandden, en hun kogels onder de tramps doel troffen, keerden die zich om, juist op het moment, toen zij het tweede salvo kregen. Zij gilden van den schrik.

"Voort! voort!" brulde een stem uit hun midden. "Wij zijn omsingeld. Breekt door de linie der Roodhuiden heen!"

Aan dit bevel werd dadelijk gevolg gegeven. De tramps, hun dooden en zwaar gekwetsten in den steek latende, stormden op de Indianen in, die zich haastten voor hen den doortocht te openen, en achter hen een zegevierend geschreeuw aanhieven.

"Daar rukken zij uit!" lachte de oude Blenter. "Die komen niet terug. Weet gij wie dat was, die het bevel tot de vlucht gaf?"

"Natuurlijk," antwoordde Zwarte Tom. "De stem kent men eens voor al. Het was de roodharige kornel. Het is alsof de satan dien schavuit voor onze kogels onkwetsbaar maakt. Zullen wij de schobberds niet achternazetten, sir?"

Die vraag richtte hij tot Old Firehand, en deze antwoordde: "Neen, wij zijn te zwak, om een gevecht in het open veld met hen te wagen. Overigens raden zij misschien, dat wij ons niet van den beginne af hier bevonden hebben, maar dat wij van de boerderij zijn aangesneld, om de Roodhuiden te helpen. Als zij op dat idee komen, is het meer dan waarschijnlijk dat zij naar de boerderij zullen rijden, om tijdens onze afwezigheid daar binnen te dringen. Wij moeten dus zoo gauw mogelijk terug."

"En wat moet er met de gekwetste tramps en met de losloopende paarden gebeuren?"

"Die moeten wij maar aan de Indianen overlaten. Maar, nu geen tijd meer verliezen, gauw naar onze paarden!"

De mannen wuifden met hun hoeden, en riepen den Roodhuiden een daverend hoera toe, dat door dezen beantwoord werd met een schrillen triomf kreet. Toen ging het naar de paarden, en zoodra men in den zadel zat, terug naar de boerderij. In den omtrek daar was geen tramp meer te zien, uitgezonderd de gekwetsten, die zij in de schaduw der boomen hadden laten liggen. Old Firehand klom dadelijk naar het platte dak van het huis, om overal eens goed rond te zien.

Daarboven zat mevrouw Butler, die in groote bezorgdheid verkeerd had, en die nu tot haar blijdschap vernam, dat de aanslag glansrijk verijdeld was.

"Dus, dan zijn wij nu gered, is het niet?" vroeg zij, terwijl zij een diepen zucht loosde. "Nu die tramps zulke zware verliezen geleden hebben, mogen wij wel aannemen, dat hun de lust, om de vijandelijkheden voort te zetten, vergaan zal zijn."

"Misschien," antwoordde de jager, die daarvan niet zoo zeker was.

"Hoe? Misschien maar?"

"Ja tot mijn leedwezen. Wel zullen zij zich niet meer aan de kudden wagen, daar zij vooronderstellen moeten, dat die niet slechts door Indianen, maar ook door een toereikend aantal blanken bewaakt worden. Maar met het huis is het anders gesteld. De kerels zullen wel is waar begrepen hebben, dat ze overdag niets tegen het huis ondernemen kunnen; maar wellicht houden zij het nog voor mogelijk ons in de duisternis van den nacht te overrompelen. In elk geval dienen wij ons op een nachtelijken aanval voorbereid te houden."

"Maar overdag zullen zij zich stellig niet meer laten zien?"

"O, ja wel! Daarbuiten onder de boomen liggen hun gekwetsten, waarvoor zij dienen te zorgen. Ik ben overtuigd, dat wij hen spoedig daar zullen zien. Zij zijn gevlucht in een westelijke richting, en uit dien hoek zullen zij wel spoedig komen opdagen."

Hij tuurde in de aangeduide richting door den verrekijker, en reeds na verloop van een korte poos vervolgde hij: "Ha, ha, daar zijn ze al! Zij hebben een omweg gemaakt, en keeren nu naar de geblesseerden terug. Het is te vooronderstellen, dat..."

Eensklaps zweeg hij. Nog altijd door den kijker turende, had hij dien meer naar het noorden gericht.

"Wat is het?" vroeg de vrouw des huizes. "Waarom spreekt gij niet uit, sir? Waarom zet gij ineens zulk een bedenkelijk gezicht?"

Hij bleef nog even door den kijker turen, zette dien toen neer, en antwoordde: "Omdat er nu waarschijnlijk iets gebeuren zal, dat niet geschikt is om onzen toestand te verbeteren."

"Wat bedoelt gij? Wat zal er gebeuren?" vroeg zij op angstigen toon.

Hij overlegde bij zich zelf of hij haar de waarheid zou zeggen of niet. Gelukkigerwijze werd aan zijn verlegenheid een einde gemaakt, doordat de lord op het dak verscheen, om eens te hooren of de tramps nog te zien waren. Daarvan trok Old Firehand partij, om te antwoorden: "Het is niets, mylady! niets, dat ons eenige bezorgdheid kan inboezemen. Gij kunt gerust naar beneden gaan, om aan de lieden, die dorst hebben, een dronk te doen uitreiken."

Door dit antwoord gerustgesteld, gaf zij aan dien wenk gevolg; doch zoodra zij zich verwijderd had, zei de jager tegen den lord, die zijn reuzen-telescoop meegebracht had: "Ik had reden om de vrouw des huizes van hier te verwijderen. Neem uw kijker eens, mylord! en tuur eens even regelrecht naar het westen. Wie is daar te zien?"

De Engelschman voldeed aan dat verlangen, en antwoordde toen: "De tramps. Ik zie hen duidelijk. Zij komen."

"Komen zij werkelijk?"

"Natuurlijk! Wat zouden zij anders doen?"

"Dan schijnt mijn kijker beter te wezen dan de uwe, in weerwil dat die veel kleiner is. Ziet gij die tramps in beweging?"

"Neen, zij houden halt."

"Met hun gezichten naar welken kant?"

"Naar het noorden."

"Volg dan met uw kijker die richting eens! Misschien ziet gij dan wel, waarom de kerels halt gehouden hebben."

"Well, sir! Ik zal kijken!" En een oogenblik later vervolgde hij: "Daar komen drie ruiters aan, zonder dat zij de tramps bemerken."

"Ruiters? Hebt gij dat wel?"

"Yes! Of neen; er schijnt een dame bij te zijn. Juist, juist! het is een dame. Ik zie het lange rijkleed en den fladderenden sluier."

"En weet gij, wie die drie zijn?"

"Neen. Hoe zou ik dat weten.... heighho, het zullen toch niet....?"

"Ja, precies!" knikte Old Firehand ernstig. "Zij zijn het; de landbouwer met zijn broeder en diens dochter. De boodschapper, dien wij hun tegemoet hebben gezonden, om hen te waarschuwen, schijnt hen misgereden te zijn."

De lord schoof zijn kijker ineen, en riep: "Dan moeten wij terstond te paard, en maken dat wij er bij komen, want anders vallen zij in handen van de tramps!"

Meteen wilde hij zich wegspoeden. De jager hield hem bij den arm vast, en zei: "Blijf hier, sir! en maak geen misbaar! De lady moet niets daarvan hooren. Wij kunnen niet meer waarschuwen en niet meer helpen, want het is reeds te laat. Zie, zie maar!"

De lord schoof zijn telescoop weer uit, en zag, dat de tramps zich in beweging stelden en in galop op de drie aanreden.

"All devils!" riep hij uit. "Ze zullen hen vermoorden!"

"Dat komt niet in hen op!" zei Old Firehand. "Die kerels kennen hun voordeel, en zullen er behoorlijk partij van trachten te trekken. Wat kunnen zij bij den dood van drie menschen winnen? Niets hoegenaamd niets. Zij zouden daardoor integendeel slechts maken, dat wij hen nog krasser achter hun vodden zaten. Doch als zij hen laten leven, om hen als gijzelaars te gebruiken, kunnen zij ons opofferingen afpersen, die anders nooit van ons te verkrijgen zouden zijn. Pas op! Nu is de kogel door de kerk. De drie zijn omsingeld. Wij hebben er niets tegen kunnen doen. Vooreerst was de tijd te kort, en ten andere zijn wij in het open veld zelfs nu nog veel te zwak tegenover de tramps."

"Well, dat wil ik u toestemmen, sir!" sprak de lord. "Maar wee den schavuiten, als zij de gevangenen niet fatsoenlijk behandelen. En .... willen wij ons werkelijk eenige concessiën door hen laten afpersen. Eigenlijk zou men zich behooren te schamen, als men met zulk gespuis in onderhandeling trad!"

Old Firehand haalde op een zeer eigenaardige manier zijn schouders op, en terwijl een glimlachje, dat gevoel van eigenwaarde en tevens een soort van minachting uitdrukte, om zijn lippen speelde, antwoordde hij: "Laat mij maar begaan, sir! Ik heb nog nooit iets gedaan, waarover ik mij heb behoeven te schamen. En door tramps, al waren zij met hun duizenden, laat Old Firehand zich niet de wet voorschrijven. Als ik u zeg, dat de drie personen, die gevangengenomen zijn, door geen gevaar hoegenaamd bedreigd worden, kunt gij mijn woorden gelooven. Niettemin verzoek ik u, mevrouw Butler niets te laten merken van hetgeen er gebeurd is. Het heeft niet veel gescheeld of ik had het, in het eerste oogenblik der verrassing, zelf aan haar verraden; en toch, als zij het te weten kwam, zou het niets aan de zaak kunnen veranderen ten goede, maar het zou ons integendeel in het nemen van onze maatregelen kunnen belemmeren."

"Mag ook geen mensch anders het weten?"

"Aan hen, die ons het naast zijn, kunnen wij het mededeelen: dan weten die ten minste hoe de zaken geschapen staan. Wilt gij, mylord! u daarmede belasten, ga dan naar beneden en vertel het hun; maar zij moeten het niemand oververtellen. Ik zal hier de vagebonden verder in het oog houden, en dan naargelang van omstandigheden mijn maatregelen nemen."

De lord ging naar beneden, naar het erf, om hetgeen er gebeurd was aan de bewuste personen bekend te maken. Old Firehand besteedde al zijn aandacht aan de tramps, die hun drie gevangenen in hun midden genomen hadden, en nu naar het reeds meermalen genoemde plokje boomen reden, waar zij halt hielden. Daar stegen zij af, en legerden er zich. De jager zag, dat er een zeer drukke bespreking of beraadslaging tusschen hen volgde. Hij meende te begrijpen wat daarvan het einde zou worden, en dacht er over na, hoe hij zich tegenover de houding, die zij waarschijnlijk zouden aannemen, gedragen zou. In deze overpeinzing werd hij door Droll gestoord, die haastig op hem aankwam, en in zijn erbarmelijk Duitsch vroeg: "Is het waar wat de lord ons komt vertellen? Zijn de twee heeren Butler en de jonge juffrouw gevangengenomen?"

"Ja, zoo is het!" knikte Old Firehand.

"Wie zou gedacht hebben, dat zoo iets mogelijk kon wezen! Nu zullen de tramps denken, dat zij het gewonnen hebben. Ik zie hen reeds op hooge pooten komen aanzetten met wie weet welke eischen. En wij? Wat zullen wij daarop antwoorden?"

"Nu, wat zoudt gij denken?" vroeg Old Firehand, terwijl hij een schalksch uitvorschenden blik op den kleine wierp.

"Kunt gij dat nog vragen!" was het antwoord. "Geen duit, geen roode duit wordt hun toegestaan. Of was uw plan om hun een hoog losgeld te betalen?"

"Zijn wij daartoe niet gedwongen?"

"Neen, neen, en nog eens neen! Dat schavuiten-pak kan niets uitrichten, niets ter wereld! Wat willen zij doen? De gevangenen dood maken? Dat zullen zij wel uit hun lijf laten; want zij weten, dat zij dan onze wraak te duchten zouden hebben. Daarmee komen dreigen zullen ze misschien; wij gelooven daar niets van, en lachen hun eenvoudig uit!"

"Maar gesteld eens, dat uw vermoeden volkomen juist is, dan hebben wij toch ook aan het lot der gevangenen te denken, die zich in allen gevalle in een zeer onaangenamen toestand bevinden. Al wordt hun leven ontzien, en al wordt er geen haar op hun hoofd gekrenkt, kunnen ze hun toch nog het leven zuur genoeg maken met allerlei bedreigingen, zoo, dat zij zich diep ongelukkig zullen gevoelen."

"Dat zal hun den dood niet kunnen doen; en dat zullen zij zich laten welgevallen. Waarom zijn zij zoo onvoorzichtig in de fuik geloopen? Dat zal hun een goede les wezen voor het vervolg; en overigens zal die ellende niet lang duren. Wij zijn immers hier! En er zou wel tooverij in het werk wezen, als wij niet op een goed idee kwamen, om hen uit de verknijping te halen."

"Ik ben wel benieuwd, hoe wij dat zouden moeten aanvangen. Hebt gij misschien al een plan?"

"Neen, nog niet; en dat is ook volstrekt niet noodig. Eerst moeten wij afwachten wat er nu verder gebeuren zal; en dan eerst kunnen wij handelen. Ik maak mij niets bang over het heele ding, althans niet wat mij persoonlijk betreft, want ik ken mij zelf. Op het juiste oogenblik, zal bij mij stellig ook het juiste verstand komen. Wij wachten doodbedaard den nacht af, en passen goed op, om te weten waar zij bivakkeeren. Dan zal ik er wel stilletjes naar toe sluipen, en halen de gevangenen een voor een er uit."

"Dat waagstuk is best aan u toevertrouwd; maar het zal een gevaarlijke partij wezen."

"Papperlapap! Gij en ik, wij hebben wel lastiger karweitjes tot een goed einde gebracht. En gij kent het oude spreekwoord: waar een wil is, is ook een weg. Wie zijn hersens op de rechte plaats heeft zitten, en geen ezelskop is, kan ook altijd ten uitvoer brengen wat hij wil. Wij zullen toch niet in onze schulp gaan kruipen voor zulke ongelikte vlegels, die niet eens weten waar Abram den mosterd haalt. Ik verbeeld mij, dat .... hola!" viel hij zich zelf in de rede. "Pas nu op! Daar komen ze al. Twee kerels, regelrecht op het huis aan. Zij wuiven met witte doeken heen en weer, om ons te doen zien dat ze als parlesjanters, ik wil zeggen parlementairs, gerespecteerd moeten worden. Zult gij hen te woord staan?"

"Natuurlijk. In het belang der gevangenen moet ik weten, wat zij van ons hebben willen. Kom maar eens mee!"

Beiden gingen naar beneden, naar het erf, waar de wacht aan de schietgaten stond, om de twee onderhandelaars in het oog te houden. Toen zij bijna tot op een geweerschot afstands gekomen waren, hielden zij halt, en wuifden zoo hard zij konden met de doeken. Old Firehand maakte de poort open, en trad naar buiten, en wenkte hen om naderbij te komen, waaraan zij gevolg gaven. Toen zij dicht genoeg bij hem waren groetten zij hem beleefd, doch moesten blijkbaar alle moeite doen om hun gezicht in een plooi te zetten, alsof zij volkomen op hun gemak waren.

"Sir! wij komen als afgevaardigden," sprak de een, "om u onze eischen bekend te maken."

"Zoo!" zei de jager op een toon van ironie. "Sedert wanneer durven de prairie-hazen op den Grisly-beer afkomen, om hem bevelen te geven?"

De vergelijking, waarvan hij zich bediende was vrij goed gekozen. Hij stond daar voor hen, zoo hoog, zoo breed en machtig, en uit zijn oogen schoot een blik op hen, die hen onwillekeurig een schrede achteruit deed doen.

"Wij zijn geen hazen, sir!" verstoutte de tramp zich te zeggen.

"Niet? Welnu, dan zijt gijlieden prairie-wolven, die zich vergenoegen met aas. Gij geeft u uit voor parlementairs. Rooversgeboefte zijt gij, dieven en moordenaars, die zich buiten de wet gesteld hebben, en op wie dus ieder man, zoodra het hem lust, schieten kan."

"Sir!" vloog de tramp op, "ik wil zulke beleedigingen niet..."

"Zwijg, schobberd!" bulderde Old Firehand hem toe. "Verachtelijke spitsboeven zijt gij allen, niets anders! Het is eigenlijk een schande voor mij, dat ik u te woord sta. Ik heb u dan ook louter vergund mij te naderen, om eens te zien hoe ver zulk gespuis de vermetelheid wel durft drijven. Gij hebt aan te hooren, wat ik zeg, en daarover niet te kikken of te mikken. Als er nog één woord over uw lippen komt, dat mij niet bevalt, sla ik u terstond op den grond neer. Weet gij wie ik ben?"

"Neen," antwoordde de man beteuterd en bijna onhoorbaar.

"Ze noemen mij Old Firehand. Zegt dat aan degenen, die u hier gezonden hebben; die zullen misschien wel weten, dat ik er de man niet naar ben, om met mij te laten spelen; dat hebben zij trouwens vandaag reeds ondervonden en gevoeld. En nu kort en bondig, welke boodschap hebt gij hier te doen?"

"Wij moeten u bekend maken, dat de landbouwer van hier met zijn broer en zijn nicht in onze handen gevallen is."

"Dat weet ik al."

"Die drie personen moeten sterven...."

"Pshaw!" viel de jager hem in de rede.

"... als gij onze voorwaarden niet aanneemt," voltooide de parlementair zijn volzin.

"Old Firehand laat zich nooit voorwaarden stellen, en wel allerminst van lieden van uw slag. Buitendien zijt gijlieden de overwonnenen en zoo iemand dus voorwaarden te stellen had, zou ik de man zijn."

"Maar, sir! als gij mij niet aanhoort, worden de gevangenen daarginder voor uw oogen opgeknoopt."

"Gaat dan gerust uw gang! Er zijn hier in de boerderij stroppen genoeg voor u allen."

Dat antwoord had de tramp niet verwacht. Hij wist zeer goed, dat men het niet wagen zou, zijn bedreiging ten uitvoer te brengen. Hij keek verlegen voor zich neer, en zei op minder vasten toon: "Bedenk het goed, drie menschenlevens!"

"Dat bedenk ik zeer goed; slechts drie menschenlevens! En daarvoor zullen wij u allen uitroeien tot den laatsten man! Het voordeel is dus geheel aan onze zijde."

"Maar gij kunt den dood van uw vrienden zoo gemakkelijk voorkomen."

"Hoe zoo dan?"

"Als gij aftrekt, en ons de boerderij overgeeft."

Nu legde Old Firehand zijn ijzeren vuist met zooveel kracht op den schouder van den tramp, dat die ineenkromp, terwijl de jager antwoordde: "Mensch! zijt gij dol? Hebt gij mij nog iets te zeggen?"

"Neen!"

"Pakt u dan gezwind weg van hier, anders beschouw ik u als krankzinnigen, die men onschadelijk moet maken."

"Is u dat ernst, sir?"

"Volkomen ernst! Maakt dat gij uit mijn oogen komt, anders is het met u gedaan!"

Meteen greep hij zijn revolver. De twee anderen kozen snel het hazenpad; doch op eenigen afstand waagde een hunner het, even stil te blijven staan, en omkijkende te vragen: "Mogen wij nog eens terugkomen als wij een ander voorstel hebben?"

"Neen!"

"Dus wijst gij alle verdere onderhandelingen af?"

"Ja. Alleen den roodharigen kornel wil ik nog een oogenblik te woord staan; maar slechts een oogenblik."

"Belooft gij hem veiligheid en vrijheid om tot ons terug te keeren?"

"Ja, mits hij mij niet beleedige."

"Wij zullen het hem zeggen."

Zij maakten zich zoo snel uit de voeten, dat men niet behoefde te vragen of zij blijde waren uit de tegenwoordigheid van den beroemden man ontkomen te zijn. Deze ging niet terug naar het erf van de boerderij, maar verwijderde zich van de poort in dezelfde richting als de tramps, totdat hij de helft van den afstand had afgelegd, daar ging hij op een stuk steen zitten om den roodharigen kornel af te wachten, daar hij zich overtuigd hield, dat die komen zou.

Wie Old Firehand niet kende, zou het voor een allergevaarlijkst waagstuk hebben gehouden, zich zoo geheel alleen zoo ver van de zijnen te verwijderen, en zelfs niet eens een geweer bij zich te hebben; maar hij, hij was mans genoeg om te weten hoe ver hij zich wagen kon.

Al spoedig bleek het, dat hij zich in zijn verwachting niet vergist had. De kring der tramps opende zich, en de kornel kwam langzaam naar hem toe stappen. Hij maakte een buiging, die deftig moest verbeelden, maar die alleronbeholpenst uitviel, en zei: "Good day sir! Gij hebt gewenscht mij te spreken."

"Dat is meer dan ik weet," antwoordde de Westman. "Ik heb eenvoudig gezegd, dat ik geen mensch anders meer te woord wilde staan dan u; en het zou mij veel aangenamer geweest zijn, als gij u in het geheel niet hadt laten zien."

"Gij slaat een vrij hoogen toon aan, master!"

"Daar heb ik het recht toe: maar ik zou u maar aanraden, op uw beurt niet dien toon aan te slaan."

Zij staarden elkander oog in oog. De kornel sloeg het zijne het eerst neer, en antwoordde met slechts bedwongen drift: "Ik verbeeld mij, dat wij tegenover elkander zoowat evenveel recht hebben."

"Een tramp tegenover een eerlijk Westman, een overwonnene tegenover den overwinnaar--vindt gij, dat die twee evenveel recht hebben?"

"Ik ben nog niet overwonnen. Wij zullen u toonen, dat uw tot nu toe behaalde voordeel slechts van voorbijgaanden aard is. Wij hebben het in onze macht de rollen om te keeren."

"Doe dat dan maar!" zei Old Firehand met een verachtelijken glimlach.

Dit hinderde de tramp geweldig, en hij antwoordde driftig: "wij behoefden eenvoudig partij te trekken van uw onvoorzichtigheid!"

"Ei ei! Hoe zoo dat? Wat noemt gij mijn onvoorzichtigheid?"

"Dat gij u zoo ver van de boerderij af gewaagd hebt. Als wij gewild hadden, waart gij in onze handen gevallen. En zonder u, dit erkennen wij, waren zij daar achter de muren, geen vijf minuten tegen ons bestand geweest."

"Ik ben overtuigd, dat gij zelf niet gelooft aan hetgeen gij zegt," antwoordde hij. "Gijlieden Old Firehand vangen. Waarom hebt gij dat dan niet gedaan? Dat gij het niet eens geprobeerd hebt, is het beste bewijs, dat gij zelf niet aan de mogelijkheid gelooft."

"Oho! Wij weten, dat gij een knap Westman zijt; maar onverwinnelijk, waarvoor ze u houden, zijt gij toch op lange na nog niet. Gij staat precies in het midden tusschen ons en de boerderij. Eenigen der onzen behoefden slechts te paard te stijgen, om u den terugtocht af te snijden, dan was u onze gevangene geworden."

"Zoo, zoudt ge dat denken?"

"Ja. Al was u de vlugste hardlooper, een paard loopt toch altoos nog sneller: dat zult gij mij wel toestemmen. Gij zoudt dus omsingeld geweest zijn, eer gij de boerderij bereikt hadt."

"Uw berekening is goed op twee kleine kleinigheden na. In de eerste plaats is het de vraag nog, of ik mij volstrekt niet verweerd zou hebben: voor zes of acht of tien tramps ben ik volstrekt niet bang. En ten tweede hebt gij over het hoofd gezien, dat zij, die mij omsingelen zouden, daartoe binnen het bereik van de kogels der mijnen moesten komen: ze zouden dus eenvoudig weggeblazen zijn. Doch dat is nu eigenlijk ook niet hetgeen, waarover wij te spreken hebben."

"Neen, dat is zoo, sir! Ik ben gekomen, om u in de gelegenheid te stellen, het leven van onze gevangenen te redden."

"Dan hebt gij u moeite gegeven voor niemendal, want het leven van die menschen is volstrekt niet in gevaar."

"Niet?" hernam de kornel met een spottend grijnslachje. "Dan vergist gij u geweldig, sir! Want als gij onze voorstellen niet aanneemt, worden zij zonder genade opgeknoopt."

"Ik heb u reeds laten zeggen, dat gij allen dan insgelijks opgehangen wordt--allen, tot den laatsten man."

"Bespottelijk! Hebt gij geteld hoeveel man wij sterk zijn?"

"O ja, dat weet ik; maar, gij weet misschien niet hoeveel man ik daartegenover kan stellen?"

"Ja, dat weet ik precies."

"Pshaw! Gij hebt ons niet kunnen tellen."

"Dat is ook niet noodig. Wij weten precies hoeveel knechts en herders er op de boerderij zijn; meer zullen er nu ook wel niet wezen. En daarbij komen dan de weinige rafters, die gij van de Blackbear-rivier meegebracht hebt."

Hij staarde den jager uitvorschend van ter zijde aan; want hij verkeerde werkelijk volkomen in het duister aangaande de getalsterkte van degenen, die Old Firehand te zijner beschikking had. Nu hoopte hij uit zijn gezicht te kunnen opmaken of het door hem geuite vermoeden juist was of niet. Dat begreep Old Firehand. Hij maakte een duidelijk weersprekende beweging met de hand, en antwoordde: "Tel uw dooden en gekwetsten, en zeg mij dan of mijn handjevol rafters u zooveel afbreuk had kunnen doen. Buitendien hebt gij mijn Indianen gezien, en ook de andere blanken, die u in den rug hebben aangetast.

"De andere blanken?" lachte de tramp. "Er zijn geen anderen geweest dan juist die weinige rafters. Ik erken dat gij ons daar overrompeld hebt. Gij zijt uit de boerderij de Indianen te hulp gekomen; dat heb ik tot mijn leedwezen te laat bedacht. Wij hadden regelrecht op de boerderij moeten aanrennen, dan ware die zonder slag of stoot in onze handen gevallen. Neen, sir! met uw getalssterkte kunt gij ons geen ontzag inboezemen. Als wij de gevangenen ter dood brengen, zijt gij volstrekt niet bij machte om hen te wreken."

Andermaal wierp de kornel een loerenden blik op Old Firehand. Deze haalde minachtend de schouders op, en zei: "Wij zullen er verder geen woorden over verspillen. Gesteld dat wij niet meer man sterk waren, dan gij verkeerdelijk schijnt te onderstellen, zelfs dan nog zouden wij u verreweg de baas zijn. Tramps, tramps, wat zijn dat voor kerels? Daggelders, die te lui zijn om te werken, vagebonden, landloopers! Daarbinnen echter, achter die muren, staan de beroemdste jagers en scouts uit het verre Westen. Ieder hunner neemt op zijn minst een dozijn tramps voor zijn rekening. Al waren wij slechts met ons twintigen, als gij het hart hadt de gevangenen te dooden, zouden wij u weken-, maandenlang op uw hielen zitten, om u een voor een het licht uit te blazen tot den laatsten man. Dat weet gij evengoed als ik het weet; en daarom zult gij u wel tweemaal bedenken, eer aan die drie personen een haar op hun hoofd gekrenkt wordt."

Hij had deze woorden gesproken op zulk een dreigenden en zeker van zijn zaak zijnden toon, dat de kornel de oogen voor hem neersloeg; want hij wist, dat de jager er de man naar was, om precies te doen wat hij zei. Het was reeds meer dan eens gebeurd, dat één enkel onverschrokken man een geheele bende vervolgd had, om zich op hen te wreken, en dat zij langzamerhand gevallen waren, een voor een, totdat de gansche bende was uitgeroeid. En zoo iemand, dan was die Old Firehand er de man naar, om zulk een stout stuk na te doen. Doch de tramp wachtte zich wel, dit te erkennen. Hij sloeg zijn oogen op, wierp een hoonend doorborenden blik op den grooten man, en zei: "Nu, wij zullen zien! Als u zoo zeker van uw zaak was, zoudt gij niet hier staan. Alleen bezorgdheid over hun lot heeft u tot mij gedreven."

"Praat toch zulken onzin niet. Ik heb mij bereid laten vinden om met u te spreken, met niemand anders dan met u, niet uit angst, maar louter om uw gezicht en uw stem nog eens goed in mijn geheugen te prenten, ten einde in het vervolg zeker van mijn zaak te zijn. Dat is de reden. Waar of hoe ik u nu weer ontmoet, kan ik mij nooit meer in u vergissen. Nu hebben wij afgedaan met elkander."

"Nog, niet, sir! Eerst moet ik weten welk antwoord gij mij geeft."

"Mijn antwoord hebt gij al."

"Neen, want ik heb u een nieuw voorstel te doen. Wij willen namelijk van het bezetten van de boerderij afzien."

"O, dat is zeer vriendelijk van u, niets anders?"

"Ja; onze paarden, die gij opgevangen hebt, geeft gij ons terug; daarbij levert gij ons al uw wapenen en ammunitie uit, en verschaft gij ons de noodige runderen om proviand te kunnen maken; en eindelijk betaalt gij twintig duizend dollars losgeld--zooveel zal er wel op de boerderij aanwezig zijn."

"Is dat alles? Verlangt gij verder niets? En wat biedt gij ons daarvoor?"

"Daarvoor leveren wij u de gevangenen uit, en trekken af, nadat gij ons uw woord van eer hebt gegeven, dat gij u in het vervolg van alle vijandelijkheid tegen ons onthouden zult. Nu weet gij wat ik wil, en verzoek ik u om antwoord. Wij hebben al te lang noodeloos geredeneerd."

Hij zei dat op een toon, alsof hij het grootste zedelijk recht aan zijn zijde had. Old Firehand trok zijn revolver, en antwoordde, niet driftig, maar doodbedaard en met een onbeschrijfelijk verachtenden glimlach: "Ja, geredeneerd hebt gij genoeg, en louter onzin, dolhuispraat, waarop ik u slechts dit ééne antwoord te geven heb. Maak oogenblikkelijk dat gij uit mijn oogen komt, of ik jaag u een kogel door den kop!"

"Wat? Is dat...."

"Marsch! Oogenblikkelijk!" viel de jager hem met stemverheffing in de rede, meteen op hem aanleggende: "Een.... twee...."

De tramp begreep, dat het zaak voor hem was het woord "drie" niet af te wachten: hij keerde zich om, en verwijderde zich haastig, met een dreigenden vloek op de lippen. Hij had duidelijk aan Old Firehand gezien, dat die bij het woord "drie" vuur zou geven. De jager bleef hem na staan kijken, totdat hij zeker was, dat de kornel hem niet van achteren een schot zou nazenden; toen draaide hij zich om, en keerde terug naar de boerderij, waar men op die samenkomst nauwlettend het oog had gehouden. Toen men hem vroeg, hoe het afgeloopen was, gaf hij er een kort verslag van, dat met bijzondere ingenomenheid werd aangehoord.

"Gij hebt uitstekend gehandeld, sir!" verklaarde de lord. "Met zulke schurken kan men niet te kras optreden. Zij zijn bang, en zullen zich wel wachten zich aan de gevangenen te vergrijpen. Wat denkt gij, dat zij nu beginnen zullen?"

"Hum!" antwoordde de gevraagde. "De zon is reeds aan het ondergaan. Ik vermoed, dat zij wachten zullen tot het donker is, en dat ze dan nog eens een poging zullen doen om over den muur heen te komen. Als dat hun niet gelukt, dan hebben zij altoos de gevangenen nog, om te zien of ze ons daarvoor een goeden losprijs kunnen afpersen."

"Zouden zij werkelijk nog een aanval in den zin hebben?"

"Waarschijnlijk wel. Zij weten, dat zij in aantal nog altijd veel sterker zijn dan wij. Wij dienen ons dus voor te bereiden op tegenweer. De voorzichtigheid gebiedt ons, hen nauwlettend in het oog te houden. Zoodra het donker is moeten eenigen der onzen er op uit om hen te besluipen, en mij van elke beweging, die zij maken, bericht te brengen. Wie biedt zich voor dat gevaarlijke werkje als vrijwilliger aan?"

Allen, niet één uitgezonderd, verklaarden er zich bereid toe, en Old Firehand koos er drie uit, die hij als het geschiktst daartoe beschouwde, namelijk Tante Droll, Humply-Bill en den Gunstick-Uncle: deze drie waren zeer vereerd met zulk een post van vertrouwen belast te worden.

Toen de zon den horizon bereikte, en haar stralen op den troep der tramps vielen, zoo dat men van uit de boerderij in staat was hen allen man voor man te onderscheiden, bleek het, dat zij geenerlei toebereidselen maakten om op te breken, evenmin om daar te bivakkeeren. Hieruit kon men opmaken, dat zij niet van plan waren deze streek te verlaten, maar tevens dat zij daar, waar zij zich thans bevonden, niet dachten te blijven.

Old Firehand liet hout naar de vier hoeken van het erf aandragen, alsmede steenkolen, die in Kansas in verbazende hoeveelheid worden gevonden, en die dientengevolge zeer goedkoop zijn, en eindelijk eenige vaten petroleum. Toen het geheel en en al donker was geworden, werden de verspieders de poort uitgelaten. Om te zorgen, dat zij, ingeval zij overhaast terugkwamen en vervolgd werden, niet op het openmaken van de poort behoefden te wachten, werden er op verscheiden plaatsen van den muur sterke lasso's stevig vastgemaakt en over den muur naar buiten geworpen, waaraan zij naar boven konden klauteren om zoodoende snel op het erf te komen. Toen werden er houtspanen in petroleum gedoopt, in brand gestoken, en door de schietgaten naar buiten geworpen. Nadat nog meer hout, en vervolgens steenkool, daarop was geworpen, stond aan elk der vier buitenhoeken zulk een vuur in volle vlam, dat niet alleen de buitenzijden van den muur, maar tevens den grond daar rondom zoo helder verlicht werd, dat men de nadering van de tramps zou kunnen zien, niet slechts aan hoopen, maar zelfs al kwamen zij slechts een voor een. De vlammen werden van tijd tot tijd door de schietgaten gevoed, daar dit de eenige manier was, waarbij men zich niet aan de kogels van den vijand behoefde bloot te stellen.

Nu verliep er een uur, zonder dat er van buiten eenige beweging zichtbaar werd. Toen kwam eensklaps de Gunstick-Uncle als een acrobaat ijlings den muur over. Hij zocht Old Firehand op, en berichtte op zijn eigenaardige manier: "De tramps zijn eindelijk, voor mijn oogen,--In massa elders heengetogen."

"Dat had ik wel verwacht. Maar waarheen?" vroeg de jager, glimlachende over het rijmpje.

De gevraagde wees naar den hoek, rechts van de poort, en antwoordde met het ernstigste gezicht van de wereld: "In 't kreupelhout, niet ver van hier,--Daarginds aan d'oever der rivier."

"Hebben zij zich zoo dichtbij gewaagd! Maar, mij dunkt, dan hadden wij hun paarden toch moeten hooren?"

"Hun paarden, ja, zij dreven die--Uit voorzorg eerst op de prairie,--Om hun bekomst aan gras te vreten,--Maar waar, dat kwam ik niet te weten."

"En waar zijn Bill en Droll?"

"Die zijn de schobberds achterna,--En slaan dus al hun gangen ga."

"Dat is goed. Ik moet precies weten waar de tramps liggen. Wees zoo goed, en zoek de twee anderen weer op. En zoodra de kerels hun nachtkwartier opgeslagen hebben, moet Droll het mij komen zeggen. Zij denken waarschijnlijk, dat zij heel oolijk geweest zijn! maar zij zijn nu in een val geloopen, die wij slechts behoeven te sluiten."

De Uncle verwijderde zich; en de lord, die het gesprek aangehoord had, vroeg, welke val Old Firehand bedoelde. Deze antwoordde: "De vijand bevindt zich daar aan de rivier. Achter zich heeft hij dus het water, en vóór zich den muur van de boerderij. Wanneer wij nu de twee andere zijden versperren, hebben wij hen in de val."

"Dat is zoo! Maar hoe zult gij die versperren?"

"Daartoe zal ik de Indianen halen, die hen aan de zuidzijde aanpakken moeten; en wij, die ons hier bevinden, wij sluipen de poort uit, en tasten hen aan de noordzijde aan."

"Wilt gij dan den muur zonder bedekking laten?"

"Neen, de knechts blijven achter, die zullen voldoende zijn. Wij zouden natuurlijk in een leelijk geval verkeeren, als de tramps op den verstandigen inval kwamen, zich op den muur te werpen; maar ik ben zoogoed als zeker, dat zij geen doorzicht genoeg hebben om te kunnen denken, dat wij juist dit ons voornaamste bolwerk zoogoed als onverdedigd zullen laten. Ik zal ook laten opsporen waar de paarden zich bevinden. Als wij dat te weten kunnen komen, zullen de weinige daarbij gebleven wakers gemakkelijk te overrompelen zijn. En hebben wij eenmaal hun paarden, dan zijn de kerels verloren, want dan kunnen wij hen, die van avond den dans mochten ontspringen, morgenochtend inhalen en voorgoed onschadelijk maken."

"Well, het is een stout maar een voortreffelijk plan. Ik moet erkennen, sir, gij zijt een man, die zijns gelijke niet heeft."

Nu moest Zwarte Tom met den ouden, sluwen Blenter op pad, om de paarden te zoeken. En toen werden twee knechts, die de streek goed kenden, naar den Osagen-hoofdman gezonden, om hem een uitvoerige instructie over te brengen. Eer die afgezanten terug waren, kon er niets ondernomen worden.

Er verliep een geruimen tijd, eer zich iemand hunner liet zien. Eindelijk kwamen de knechts terug. Zij hadden de Indianen gevonden, en die medegebracht; ze legerden nu op eenige honderden passen afstands van de tramps af aan de rivier, en waren bereid om bij het eerste schot, dat zij hoorden knallen, op hen in te dringen.

Nu kwam ook Droll met Bill en de Uncle.

"Alle drie?" vroeg Old Firehand op misbillijkenden toon. "Minstens een uwer had nog daar dienen te blijven, dunkt mij."

"Ik heb niet begrepen waarom, als het noodig is," antwoordde Droll, weer in zijn gewonen spreektrant vervallende.

"Om de tramps verder gade te slaan, natuurlijk."

"Was totaal noodeloos! Ik weet precies wat ze in hun schild voeren; ik was zoo dicht bij hen geslopen, ik dat woord voor woord heb kunnen hooren, wat zij zeiden. Zij hebben schrikkelijk het land over onze vuren, die het hun onmogelijk maken ons te overrompelen; en nu willen zij wachten totdat wij geen hout en geen kolen meer hebben. Zij verbeelden zich, dat na verloop van twee of drie uur onze voorraad wel opgebruikt zal zijn, daar de eigenaar van de boerderij stellig niet gerekend heeft op zulke groote vuren. En dan zullen de poppen aan het dansen gaan."

"Dat is zeer voordeelig voor ons, want daardoor krijgen wij den tijd om de val toe te doen."

"Welke val?"

Old Firehand vertelde hem wat hij van plan was.

"Dat is overheerlijk, hihihihi!" lachte Droll binnensmonds, zooals hij gewoon was te doen als er iets gebeurde, dat hem plezier deed. "Dat zal en moet gelukken. De kerels denken namelijk, dat wij ons verbeelden, dat ze nog daarginder onder de boomen liggen. Maar, sir! wij hebben daarbij op één ding bedacht te zijn, dat van het hoogste gewicht is."

"En dat is?"

"Het lot van de gevangenen. Ik ben bang, dat zij die van kant zullen maken zoodra we de vijandelijkheden beginnen."

"Denkt gij dan, dat ik hieraan nog niet gedacht heb? Gelukkigerwijze maak ik er mij niet zoo bezorgd over als gij schijnt te doen. Wel ben ik overtuigd, dat de gevangenen de eersten zouden zijn, die zouden moeten vallen; maar wij kunnen dat voorkomen, als wij zorgen dat hun geen leed geschieden kan. Wij sluipen tot dicht in hun nabijheid, en zoodra wij den aanval beginnen, zijn drie der onzen reeds bij de twee Butlers en de jonge dame, om die drie te bevrijden. Zijn zij gekneveld?"

"Ja, maar niet heel straf."

"Nu, en dan moeten zij spoedig van hun boeien bevrijd worden en dan ..."

"En dan met hen in het water," viel Droll hem in de rede.

"In het water?" vroeg Old Firehand verwonderd.

"Natuurlijk."

"Ik geloof dat gij schertst, lieve tante."

"Schertsen? Dat komt niet in mij op!" En toen hij de verwonderde gezichten zag, waarmee al de omstanders hem aankeken, vervolgde hij gichelend. "Ja in het water met hen, hihihihi! dat is de mooiste goocheltoer, die wij konden uitdenken. Wat zullen die tramps rare gezichten zetten! En wat zullen zij hun hersens gek prakkizeeren!"

"Daar zullen zij geen tijd toe hebben, daar wij hen de hersens zullen inslaan."

"Niet dadelijk, niet dadelijk, maar later."

"Later? Hoe zoo? Moeten wij hun dan den tijd geven om te ontkomen?"

"Dat niet; maar wij zullen de gevangenen uit hun handen halen, nog voordat de aanval begint."

"Houdt gij dat voor mogelijk?"

"Dat houd ik niet alleen voor mogelijk, maar zelfs voor hoogst noodzakelijk. Als het gevecht aan den gang gaat, zal het bezwaarlijk gaan voor de veiligheid der gevangenen te zorgen; wij moeten hen dus reeds van te voren in veiligheid gebracht hebben. En dat is volstrekt niet moeilijk."

"Niet? Hoe denkt gij dat aan te leggen? Ik weet, dat gij een leepe vos zijt. Gij hebt reeds menigen, overigens allesbehalve onnoozelen snaak een rad voor de oogen weten te draaien, en uw hoofd, dat reddeloos verloren scheen, heelhuids uit het gevaar gered. Hebt gij misschien ook vandaag weer zulk een gezegende ingeving?"

"Dat zou ik haast wel denken."

"Welnu, laat eens hooren!"

"Daar is volstrekt geen groote wijsheid toe noodig. Het verwondert mij, dat gij zelf al niet op dat idee gekomen zijt. Denk maar eens even aan dat kanaal, dat van het erf af, daar achter het huis, naar de rivier loopt. Het loopt onder den grond, of beter gezegd, het is overkluisd, en de tramps weten niet dat het bestaat. Ik ben hen voorbijgeslopen tot aan de rivier, en in weerwil van de duisternis heb ik de plaats gevonden waar het kanaal uitloopt. Die plaats heb ik herkend aan de groote steenblokken, die daar in het water geworpen zijn om een kleinen dam te vormen, door welke het water uit de rivier in het kanaal wordt geleid. En begrijpt nu eens goed, messieurs! juist daar aan de uitwatering hebben de tramps zich gelegerd in een halven cirkel, binnen welken zij de gevangenen geplaatst hebben. Zij verbeelden zich, dat zij hun zoodoende beter dan ooit den pas hebben afgesneden om te ontkomen, en toch verschaft juist deze omstandigheid aan ons de mogelijkheid, om hen uit hun handen te verlossen."

"O, nu begin ik het eenigszins te begrijpen," zei Old Firehand. "Gij wilt dus op het erf het kanaal in, en zoo tot aan de rivier?"

"Juist. Maar niet ik alleen; er moeten er twee met mij mee: want voor iederen gevangene is er één noodig."

"Hum! het idee is inderdaad uitmuntend. Maar wij dienen ons eerst te vergewissen of het kanaal wel zonder gevaar te doorwaden is."

Old Firehand wendde zich om inlichtingen tot eenige knechts, en vernam tot zijn blijdschap, dat het kanaal vrij was van modder en van bedompte lucht, dat men het zonder eenig gevaar doorwaden kon, en dat er aan de monding een bootje verborgen lag, berekend om drie man te kunnen dragen. Dat bootje lag daarbinnen in het kanaal, opdat het niet door Indianen of andere lieden gestolen zou worden.

Het plan van de oude oolijke Tante werd nu tot de kleinste bijzonderheden besproken, en men kwam overeen, dat het door Droll, Humply-Bill en den Gunstick-Uncle ten uitvoer gebracht zou worden. Toen men zoo ver gekomen was, kwamen Blenter en Tom terug. Zij hadden een grooten omtrek afgezocht, maar tot hun leedwezen hun paarden niet gevonden. De tramps waren zoo wijs geweest, die zoo ver mogelijk van de boerderij af te brengen.

Nu wipte Old Firehand met de daartoe aangewezen knechts over den muur, om den Osage-hoofdman op te zoeken, en zich te vergewissen, dat die zijn opdracht goed begrepen had. Toen hij dit gedaan had en teruggekeerd was, ontdeden Droll, Bill en de Uncle zich van hun bovenkleeren, en daalde in het kanaal af, waartoe hun een lantaarn meegegeven werd. Het bleek, dat het water hen tot aan de borst reikte. Zij namen de geweren op schouder, en maakte de messen, revolvers, en den zak met kruit en lood om hun hals vast. De lange Gunstick-Uncle ging met de lantaarn vooruit. Toen zij aan den ingang van het kanaal verdwenen waren, brak Old Firehand met zijn manschappen op.

De poort werd zacht voor hem geopend, en toen hij met zijn geleide er uit was, liet hij die aanduwen op een kier, opdat hij die open zou vinden, ingeval hij zich onverhoopt genoodzaakt zag terug te trekken. Hij liet er echter een knecht de wacht bij houden, om die ijlings te sluiten indien de tramps er op mochten aanrukken. De overige knechts en ook de meiden, stonden aan den naar de rivierzijde gekeerden muur om een onverhoopten aanval zoogoed mogelijk af te slaan.

De rafters, en vooral de bij hen zijnde Westmannen, waren in het besluipen geoefend. Onder de leiding van den beroemden jager beschreven zij eerst een boog naar het noorden, om niet door het schijnsel van het vuur beschenen te worden. Toen zij zoodoende de rivier bereikt hadden, keerden zij langs den oever kruipende naar het zuiden terug, totdat zij vooronderstellen konden, dat zij dicht genoeg in de nabijheid der tramps waren. Old Firehand kroop alleen nog een eind weegs verder, totdat zijn scherpziend oog, in weerwil van de duisternis, den halven cirkel der bivakkeerende vagebonden ontdekt had. Nu wist hij op welk punt de aanval gericht moest worden, en keerde terug naar zijn medestrijders, om hen te oriënteeren, en dan op het sein te wachten, dat hij met de bevrijders van de gevangenen had afgesproken.

Dezen hadden ondertusschen den tocht afgelegd door het kanaal, waar het water niet zoo koud bleek te zijn, dat zij er last van gehad hadden. Dicht bij den mond van het kanaal, nog daarbinnen, lag het bootje dat vastgemaakt was aan een ijzeren haak. Twee roeiriemen lagen er in. De Uncle deed het licht van de lantaarn uit, en hing die aan den haak op. Toen gebood Droll aan de twee anderen daar te blijven wachten; hij wilde eerst alleen naar buiten in de rivier, om het terrein te verkennen. Het duurde ruim een kwartier eer hij terugkwam.

"Wel?" vroeg Humply-Bill met zichtbaar ongeduld.

"Het was geen gemakkelijke taak," antwoordde de Tante. "Het water hindert ons niet zoozeer, want het is in de rivier niet dieper dan in het kanaal; maar de duisternis, die tusschen het kreupelhout en de boomen heerscht, heeft het mij ontzaglijk moeilijk gemaakt. Ik kon er letterlijk geen hand voor oogen zien, en ik heb op den tast moeten voortsukkelen. Maar nu ik georiënteerd ben, is juist die volslagen duisternis onze beste bondgenoot."

"Mij dunkt, als men naar onze vuren kijkt moet men toch vrij goed kunnen zien."

"Van den oever af ja, maar niet uit het water, want dat ligt lager. Nu, de tramps zitten in een halven cirkel, waarvan de rivier de middellijn vormt; en in dien cirkel, nagenoeg vlak aan den waterkant, zitten de gevangenen...."

"Welk een onvoorzichtigheid! Op die manier kunnen zij bij de heerschende duisternis, onmogelijk goed in het oog gehouden worden. Vooronderstel eens, dat zij zich van hun boeien wisten te bevrijden, dan konden zij immers gemakkelijk ontkomen in het water; want de twee mannen zullen ten minste wel kunnen zwemmen!"

"Altemaal onzin! Er ligt een tramp als bewaker bij hen, die nauwlettend het oog op hen houdt."

"Hum! Die dient uit de voeten. Maar hoe?"

"Hij wordt van kant gemaakt, dat is het eenige, dat er op zit. Overigens is er ook niets aan den kerel verbeurd."

"Hebt gij dan al een plan?"

"Ja, de gevangenen behoeven niet het water in. Wij brengen het bootje eenvoudig aan den walkant."

"Maar dat zal immers gezien worden, want door den golfslag zal het bootje telkens in de hoogte gaan."

"Dat zal slechts een schemering zijn. Door den regen van gisteren is het water zoo troebel geworden, dat het vooral onder de boomen aan den walkant niet van den vasten grond te onderscheiden is. Wij brengen dus het bootje het kanaal uit, en meren het aan den oever vast; gij blijft er in het water bij staan en ik ga alleen aan wal om den bewaker met mijn mes te bedienen en de touwen van de gevangenen los te snijden. Ik breng hen hier bij u; zij roeien het kanaal in, waar zij veilig zijn, en dan gaan wij, alsof er geen vuiltje aan de lucht is, op de plaats zitten waar de gevangenen gezeten hebben. Zoodra wij dan het sein geven--den gierenschreeuw--gaan de poppen dadelijk aan het dansen. Begrepen?"

"Well, het is niet beter te bedenken."

"En gij, Uncle?"

"Juist zoo, als gij 't hebt uitgedacht--wordt heel 't fameuze werk volbracht," antwoordde de gevraagde op zijn gewone rijmelaars-manier.

"Mooi zoo, nu vooruit maar!"

Zij maakten de boot los, schoven die uit het kanaal in de rivier. Droll, die het terrein verkend had, speelde voor gids. Bestendig dicht onder den wal houdende, bewogen zij zich langzaam en voorzichtig voorwaarts, totdat hij het bootje vastbond.

"Wij zijn waar wij wezen moeten," fluisterde hij hun toe; "nu wacht gij maar tot ik terugkom."

De rivier-oever was hier niet hoog; hij kroop er voorzichtig tegen op. Aan de andere zijde van het kreupelhout bij de twee hoeken van den muur, brandden de vuren, tegen welker schijnsel men de voorwerpen, ofschoon onbestemd, althans in hun buitenlijnen onderscheiden kon. Hoogstens tien voetstappen van den waterkant af zaten vier personen, de gevangenen en hun bewaker. Wat verder daarachter zag de kleine Tante al de tramps liggen in allerlei bedenkelijke vormen van rust. Zonder zijn geweer af te leggen kroop hij voort, totdat hij zich achter den bewaker bevond. Nu eerst legde hij zijn geweer op den grond, en greep zijn mes. De tramp moest sterven, zonder een kik te kunnen geven. Droll trok de knieën meer onder zijn lijf, sprong toen eensklaps overeind, greep met de linkerhand den man van achteren bij de keel als om hem te wurgen, en stiet hem met de rechterhand het mes zoo op de juiste plek in den rug, dat het ineens het hart doormidden sneed. Toen schielijk weder neerduikende, trok hij de tramp naast zich op den grond. Dat alles was zoo pijlsnel in zijn werk gegaan, dat de gevangenen er niets hoegenaamd van bespeurd hadden. Eerst na verloop van eenige seconden zei het meisje: "He, vader! onze bewaker is weg!"

"He, ja; dat verwondert mij; maar blijf maar stil zitten, kind! het is misschien om ons op de proef te stellen."

"Suut, suut!" fluisterde Droll hun toe. "Ze moeten u niet hooren. De bewaker ligt hier doodgestoken in het gras. Ik ben gekomen om u te redden."

"Redden? Heavens! Onmogelijk! Gij zijt de bewaker zelf!"

"Neen, sir! ik ben uw vriend. Gij kent mij nog wel van den Arkansas; Droll, dien ze Tante noemen."

"Groote Genade! Is het tòch waar?"

"Stil, sir! Stil! Old Firehand is ook hier, en Zwarte Tom, en nog vele anderen. De tramps hebben de boerderij willen plunderen; maar wij hebben hen afgeslagen. Wij zagen, dat zij u gevangennamen, en nu ben ik met twee ferme boys naar hier geslopen, om u uit hun handen te halen. En als gij mij nog niet vertrouwt, daar gij mijn gezicht niet kunt zien, zal ik u de waarheid van mijn woorden bewijzen, door u van uw boeien te ontdoen. Houdt u vooral stil!"

Eenige sneden met het mes, en de drie personen hadden weer het vrije gebruik van hun ledematen.

"Ja, nu gelooven wij u, sir!" fluisterde de landbouwer, die tot nu gezwegen had. "Gij zult zien hoe dankbaar ik u ben. Maar waarheen nu?"

"Zacht naar beneden in de boot. Wij zijn het kanaal doorgekomen, en hebben het bootje meegebracht. Gij stapt er in met de kleine Miss (= jonge juffrouw,) en retireert naar het kanaal, dat gij kent; en daar wacht gij, totdat de dans afgeloopen is."

"De dans? Welke dans?"

"Die op het oogenblik beginnen zal. Hier aan dezen kant hebben de tramps de rivier, en aan de andere zijde den muur van de boerderij--twee hindernissen, die zij niet weg kunnen goochelen. Rechts van ons staat Old Firehand met een aantal rafters en jagers, en links de Osagen-hoofdman de 'Goede Zon' met een troep Roodhuiden--zij wachten slechts totdat ik hun het sein geef tot den aanval. Zoodra ik dat sein geef weten zij, dat gij in veiligheid gebracht zijt, en dan gaan zij op de tramps los, die van rechts en links tegelijk aangetast, en ingesloten tusschen de rivier en den muur, al worden zij niet totaal vernietigd, toch zoo groote verliezen zullen lijden, dat zij er niet meer aan behoeven te denken de vijandelijkheden te hervatten."

"O, staan de zaken zoo! Dus wij, wij moeten ons in de boot in veiligheid brengen?"

"Juist. Het stond te vreezen, dat de kerels, zoodra wij hen aantastten, korte metten met u zouden maken, en daarom zijn wij gekomen, om u eerst uit hun handen te halen."

"Dat is even edel als kloekhartig van u, en het verzekert u van onze levendigste dankbaarheid. Maar gij kunt toch niet denken, dat wij, mijn broeder en ik, laf genoeg zullen zijn om met de handen in den schoot te blijven zitten, terwijl gij allen uw leven voor ons waagt? Neen sir! dan vergist gij u."

"Hum! Dat is goed gesproken. Het doet mij pleizier! Dat zijn twee man meer voor ons. Doet dus, zooals gij goedvindt. Maar de kleine Miss kan niet blijven waar het kogels zal regenen: zij dient althans in veiligheid gebracht te worden."

"Natuurlijk. Wilt gij zoo goed zijn haar in de boot naar het kanaal te brengen? Maar hoe komen wij aan wapenen? De onzen hebben ze ons afgenomen. Kunt gij ons niet al is het maar een revolver of een mes afstaan?

"Dat is niet noodig, sir! Wat wij hebben, hebben wij zelf noodig; maar het wapentuig van den bewaker, die daar dood in het gras ligt, is althans voor een van u beiden voldoende. En voor den tweede zal ik ook wel gauw maken dat ik het noodige krijg. Ik zal even naar een van de tramps sluipen om hem... Stil! daar komt er al een aan! Stellig een der aanvoerders, die zich vergewissen wil of gij wel goed bewaakt wordt. Laat mij maar eens begaan!"

In de richting van het vuur kijkende, zag men een man aankomen, die de legerplaats der tramps afliep om te zien of alles in orde was. Hij kwam langzaam naderbij, bleef voor de gevangenen staan, en vroeg: "Well, Collins! niets bijzonders voorgevallen?"

"Neen!" antwoordde Droll, dien hij voor den bewaker hield.

"Well! Houdt uw oogen maar goed open! Als gij niet goed oppast kost het u uw kop. Begrepen?"

"Yes. Mijn kop zit vaster dan de uwe. Pas maar op!"

Hij bediende zich met opzet van deze dreigende woorden, en sprak dit met opzet uit, zonder zijn stem te veranderen. Hij hoopte, dat de man over hem heen zou bukken. En dat doel bereikte hij. De tramp trad een schrede nader, boog voorover, en zei: "Wat zegt gij daar? Hoe bedoelt gij dat? Wiens stem is dat? Zijt gij dan niet Collins, dien ik...."

Verder spreken kon hij niet, want Droll greep hem met beide handen om zijn keel, trok hem neer op den grond, en kneep hem de keel zoo geweldig dicht, dat hij hoegenaamd geen geluid meer geven kon. Er volgde nog een oogenblik gespartel met de beenen, en toen was alles stil, totdat Droll zachtkens zeide: "Ziezoo! die heeft u zijn wapen gebracht; wel vriendelijk van hem."

"Hebt gij hem dan beet?" vroeg de landbouwer.

"Hoe kunt gij zoo iets vragen! Ik heb hem beetgehad, zoo beet, dat hij geen mensch op de wereld meer in den weg zal loopen. Neem zijn geweer maar, en alles wat hij verder bij zich heeft. Ik zal ondertusschen de kleine Miss naar het bootje brengen."

Droll richtte zich half overeind, nam Ellen Butler bij de hand, en leidde haar naar den waterkant, waar hij de hem wachtenden van den staat van zaken onderrichtte. Bill en de Uncle brachten het meisje in het kanaal, waar zij de boot vastbonden, en waadden toen terug, om zich bij Droll en de twee Butlers aan te sluiten. Dezen hadden zich intusschen met de wapens van de twee tramps in staat van tegenweer gesteld, en nu zei Tante Droll ernstig: "Nu zal het er toe komen! De kerels zullen natuurlijk terstond naar hier komen, om zich van de gevangenen meester te maken, en dat zou voor ons gevaarlijk kunnen worden. Wij zullen dus eerst een eind weegs rechtsaf kruipen, dan hebben wij geen nood."

Het vijftal bewoog zich voorzichtig langs den waterkant, totdat zij een geschikte plaats vonden. Daar gingen zij recht overeind staan, en ieder vatte post achter een boom, die hem tot beschutting diende. Zij bevonden zich in volslagen duisternis en hadden de tramps duidelijk genoeg voor zich, om met juistheid op hen te kunnen mikken. Nu bracht Droll de hand aan den mond, en liet een kort vermoeid gekras hooren, als van een roofvogel, die een oogenblik wakker wordt uit den slaap. Dit geluid, dat in de prairie zoo dikwijls gehoord wordt, kon aan de tramps geen argwaan geven; zij letten er niet eens op, in weerwil dat het nog tweemaal herhaald werd. Nog een oogenblik heerschte er diepe stilte; toen hoorde men eensklaps Old Firehand's wijd in het rond klinkend commando: "Geeft acht! Vuurt!"

Van de rechterzijde knalden de geweren der rafters, die zoo dichtbij geslopen waren, dat ieder hunner precies op zijn man kon vuren. Daarop klonk rechts het door merg en been gaande, schrille krijgsgehuil der indianen, die eerst een stortvloed van pijlen op de tramps deden regenen, en hen toen met hun tomahawks te lijf gingen.

"Nu de beurt ook aan ons!" commandeerde Droll. "Eerst de kogels, en dan met de kolven er op los!"

Het was een echt woest, wild Westlands-tooneel, dat nu volgde. De tramps hadden zich zoo volkomen veilig gewaand, dat die plotselinge overrompeling hen letterlijk verlamde van schrik. Als hazen, die de vleugels van den adelaar boven zich hoorden fladderen, doken zij aanvankelijk neer, zonder aan weerstand-bieden te kunnen denken; maar toen de aanvallers zich in hun midden hadden geworpen, en druk aan het werk waren met geweerkolven, tomahawks, revolvers en bowie-messen, toen begon de verbijstering van het eerste oogenblik te wijken, en boden zij hier en daar een oogenblik tegenstand. Zij waren niet in staat hun bespringers te tellen; in het schemerschijnsel der vuren, dat in de stikdonkere duisternis van den nacht doordrong, waanden zij de getalsterkte der aanvallers twee-, driemaal grooter, dan die werkelijk was. Dit vermeerderde hun angst, en zij zagen geen ander redmiddel, dan in de vlucht.

"Voort, voort, naar de paarden!" hoorde men een stem roepen, of juister gezegd brullen. "Dat is de kornel!" riep Droll. "Laat die toch den dans niet ontspringen!"

Hij vloog naar de plaats van waar die roepstem gekomen was, en anderen volgden hem; doch tevergeefs. De roodharige kornel was zoo slim geweest zich dadelijk in het kreupelbosch te verschuilen, en van daar het schouwspel gade te slaan. Hij gleed als een slang van den eenen heester naar den anderen, en hield zich daarbij bestendig in den donker, zoodat hij door geen mensch gezien kon worden. De overwinnaars gaven zich alle mogelijke moeite om te zorgen dat er zoo weinig als het maar kon ontkwamen. Doch het aantal tramps was zoo groot, dat het hun, vooral toen zij eindelijk zoo wijs werden vast aaneengesloten op te treden, niet moeilijk viel door hun aanvallers heen te breken. En toen vluchtten zij in noordelijke richting.

"Hen zoolang mogelijk achternazetten!" commandeerde Old Firehand. "Zij moeten niet op verademing kunnen komen!"

Hij wilde tegelijk met de tramps bij hun paarden komen, maar dat bleek alras onmogelijk te zijn. Hoe verder men zich van de boerderij verwijderde, des te geringer werd het schijnsel der brandende vuren; en al spoedig waren zij omringd door zulk een zware duisternis, dat men vriend en vijand niet meer onderscheiden kon. Old Firehand zag zich genoodzaakt bevel te geven om halt te houden, en het duurde eenige minuten eer hij de zijnen allen bijeen had. Daardoor waren de vluchtenden een goed eind weegs vooruitgekomen, welk voordeel, vooral bij de heerschende duisternis, onmogelijk door de anderen kon worden ingehaald. Wel drongen de vervolgers in dezelfde richting nog een goed eind voorwaarts; doch weldra hoorden zij een spottend hoongehuil van de tramps, en de hoefslag van een aantal wegrennende paarden verried hun, dat alle verdere moeite tevergeefs zoude zijn.

"Omkeeren!" gebood Old Firehand. "Het eenige, dat wij nu nog te doen hebben, is: te maken, dat de gekwetsten zich niet kunnen verschuilen om vervolgens te ontkomen."

Deze moeite was overbodig. De Indianen hadden aan de vervolging geen deel genomen. Begeerig naar de scalps der blanken waren zij achter gebleven, en hadden het slagveld en het daaraan grenzende kreupelbosch tot aan de rivier afgezocht om elken nog levenden tramp te dooden en te scalpeeren.

Toen vervolgens bij het schijnsel van brandende stukken hout de lijken geteld werden, bleek, dat er, met inbegrip van de reeds overdag gevallenen, op ieder der overwinnaars twee overwonnenen kwamen--een ontzettend aantal. In weerwil daarvan was het aantal ontkomenen nog zoo aanzienlijk, dat men zich met hun vlucht geluk mocht wenschen.

Ellen Butler was natuurlijk terstond uit haar schuilplaats gehaald. Het jonge meisje was niets bang geweest, en had zich van het oogenblik der gevangenneming af zeer bedaard gehouden. Toen Old Firehand dit vernam, verklaarde hij aan haar vader: "Tot nu toe heb ik het voor zeer gewaagd gehouden, Ellen mee te nemen naar het Zilvermeer; maar nu heb ik er niets meer tegen, want ik ben overtuigd, dat zij ons geen bijzondere bezorgdheid zal veroorzaken."

Daar men voor een terugkeer van de tramps geen vrees behoefde te koesteren, kon men althans wat de Indianen betrof, het overige gedeelte van den nacht geheel aan de feestvreugde over de behaalde overwinning wijden. Zij kregen twee runderen, die geslacht en verdeeld werden, en weldra ging van de vuren de heerlijke geur van het vleesch-braden uit. Later werd de buit verdeeld. Het wapentuig der gevallenen en alles wat die verder bij zich gehad hadden, werd aan de Roodhuiden afgestaan, een gunstbetoon, waarmee zij ten hoogste ingenomen waren. Aan die ingenomenheid gaven zij lucht op de bij hen gebruikelijke manier. Lange redevoeringen werden gehouden, krijgs- en andere dansen werden er uitgevoerd, en eerst toen de dag aanbrak kwam er aan de uitbundige feestviering een einde; het gejuich en gejubel werd minder en minder, en weldra lagen al de Roodhuiden, in hun dekkleeden gehuld, in een gezonden slaap.

Geheel anders de rafters. Gelukkig was er niet een van hen gevallen, wel waren er eenigen gekwetst. Old Firehand was van plan, om, zoodra het dag werd, met hen het spoor der tramps te volgen, ten einde te weten te komen waar die gebleven waren. Daarom hadden zij zich terstond te slapen gelegd, om den volgenden morgen, verkwikt en gesterkt door de genoten rust, weer op de been te kunnen zijn. Zij bevonden toen, dat het spoor terugliep naar den Osage-nook; doch toen zij daar aankwamen, vonden zij de plaats ledig. Old Firehand onderzocht die nauwkeurig. Er waren intusschen nog verscheiden andere tramps daar aangekomen; de vluchtelingen hadden zich daarbij aangesloten, en waren toen onverwijld in noordelijke richting weggereden, wel voorziende, dat men hen te Osage-nook zou komen opzoeken. Zij hadden dus hun plan, om de boerderij te bemachtigen, laten varen, en vermoedden niet, dat Old Firehand nauwkeurig wist wat zij nu verder in hun schild voerden.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

EEN DRAMA OP DE PRAIRIE.

Over de prairie schreed langzaam en vermoeid een voetganger, een zeldzaam iets, waar zelfs de allerarmste drommel een paard bezit, daar het onderhoud van dat dier niets kost. Tot welken stand die man behoorde was moeilijk te gissen. Zijn kleeding was die van een stedeling, maar zeer afgedragen en gaf hem het voorkomen van een eenvoudig, vredelievend man, ofschoon het oude, ijselijk lange geweer, dat hij op den schouder droeg, eigenlijk niet zoo bijzonder een zinnebeeld van vredelievendheid was. Zijn aangezicht was bleek en ingevallen, misschien wel een gevolg van de ontberingen, waarmee een langdurende voetreis gepaard gaat.

Nu en dan bleef hij stilstaan, als om uit te rusten; maar de hoop om menschen aan te treffen, dreef hem telkens, om van zijn vermoeide voeten nog meer inspanning te vergen. Hij gluurde opnieuw en telkens opnieuw naar den gezichteinder, doch lang tevergeefs, totdat eindelijk zijn gezicht eensklaps opklaarde--hij had daarginds aan den verren horizon een man in het oog gekregen, ook een voetganger, die van de rechterzijde kwam, zoodat zij elkander moesten ontmoeten. Dit gaf aan zijn ledematen nieuwe veerkracht; hij stapte met versnelden tred en zooveel mogelijk met zijn armen zwaaiende voorwaarts, en zag al spoedig, dat hij door den andere was opgemerkt, want die bleef stilstaan om hem dichterbij te laten komen.

Die andere was zeer zonderling gekleed. Hij droeg een blauwen rok met een rooden staanden kraag en gele knoopen, een broek van rood fluweel, en hooge laarzen met gele leeren kappen. Om zijn hals was een doek van blauwe zijde gewonden, van voren vastgeknoopt met een grooten, breeden strik, die de geheele borst bedekte. Zijn hoofd werd beschut door een strooien hoed met breeden rand. Aan een om zijn hals geslagen riem hing voor zijn lijf een kistje van gepolitoerd hout. De man was lang en mager, zijn gladgeschoren gezicht scherp geteekend en vel over been. Wie die gelaatstrekken goed bekeek en goed in die listige, kleine oogen zag, begreep dadelijk, dat hij een echten Yankee voor zich had, een Yankee van die soort, welker doortrapte geslepenheid spreekwoordelijk is geworden.

Toen de twee zoo dicht bij elkander waren, dat zij elkaar gemakkelijk konden beroepen, tilde de man met het kistje even zijn hoed in de hoogte, en groette: "Good day, kameraad! Waar komt gij vandaan?"

"Van Kinsley daarbeneden," antwoordde de gevraagde, met de hand rugwaarts wijzende. "En gij?"

"Ik kom overal vandaan. Nu het laatst van de boerderij, die daarachter mij ligt."

"En waar wilt gij naar toe?"

"Overal naar toe; en nu het allereerst naar de boerderij, die daar vóór ons ligt."

"Ligt daar dan een boerderij?"

"Wel zeker. Wij zullen op zijn hoogst nog een half uur te loopen hebben eer wij daar zijn."

"God zij dank! Want ik zou het ook niet veel langer meer kunnen uithouden."

Dit zeggende loosde hij een diepen zucht. Al sprekende was hij naderbij gekomen, en bleef nu stilstaan; men kon het hem aanzien, want hij stond te waggelen op zijn beenen.

"Niet langer uithouden? Waarom niet?"

"Van den honger."

"Wat zegt gij? Van den honger? Hoe is het mogelijk? Wacht, dan zal ik u wel helpen. Ga eerst maar zitten, hier op mijn kist. Ik zal u dadelijk wel iets te verorberen geven."

Hij zette de kist, die hij om zijn hals droeg, op den grond, duwde den hem onbekende daarop neder, haalde toen uit den borstzak van zijn rok twee ferme, dikke sneden brood en uit een zak, die voor zijn lijf hing, een groot stuk ham, gaf dat een en ander aan den hongerige, en zei: "Ziedaar, kameraad! Het zijn wel geen lekkernijen, maar voor den honger zijn ze probatum!"

De andere greep gretig aan, wat hem geboden werd. Hij leed zoo geweldig van den honger, dat hij het brood dadelijk aan zijn mond bracht. Doch eer hij er in hapte bedacht hij zich, en zei: "Gij zijt wel goed, sir! Maar deze dingen zijn voor u bestemd; en als ik die nu opeet, zult gij dan zelf geen honger moeten lijden?"

"Volstrekt niet. Ik verzeker u, dat ik op de volgende boerderij zooveel eten kan krijgen als ik maar hebben wil."

"Zijt gij dan daar bekend?"

"Neen. Ik ben nog nooit in deze streek geweest. Doch praat nu maar niet langer--eet liever."

De hongerige gaf aan die aansporing terstond gevolg, en de Yankee ging in het gras zitten, met welgevallen den etende gadeslaande en ziende hoe gezwind de groote happen achter zijn gezonde kiezen verdwenen. Toen èn het brood èn de ham opgepeuzeld was, vroeg hij: "Al hebt gij niet half genoeg gehad, gij zult nu ten minste wel eenigszins bijgekomen zijn?"

"Ik ben als nieuwgeboren, sir! Denk eens aan: ik ben al drie dagen onderweg en al dien tijd is er geen kruimel eten over mijn lippen gekomen."

"Dat is bijna niet te gelooven! Van Kinsley af tot hier niets gegeten? Hoe is dat mogelijk? Hebt gij dan geen proviand op reis meegenomen?"

"Neen, daartoe heb ik den tijd niet gehad; er was te veel haast bij mijn vertrek."

"Maar dan hadt gij toch wel aan de een of andere boerderij om een maal eten kunnen aankloppen."

"Ik heb de boerderijen moeten mijden."

"O, zeg mij zoo! Maar gij hebt een geweer, dus had gij toch best hier of daar een stuk wild kunnen schieten."

"Ach neen, sir! ik ben volstrekt geen schutter. Ik zou eer de maan raken, dan een hond die vlak voor mij zat."

"Wat doet gij dan dat geweer mee te sleepen?"

"Dat heb ik meegenomen om roode of blanke vagebonden af te schrikken."

De Yankee keek hem uitvorschend aan, en zei toen: "Hoor eens master! het is niet pluis met u, de dingen zijn niet in den haak. Gij schijnt op de vlucht te zijn, en toch houd ik u voor een onschadelijken sukkel. Waar wilt gij eigenlijk naar toe?'

"Naar Sheridan, aan den spoorweg."

"Zoo ver nog? En dat zonder levensmiddelen! Het is tien tegen een, man! dat gij onderweg bezwijkt. Gij kent mij niet; maar als men in nood zit, is het nuttig iemand te vertrouwen. Zeg mij dus, waar u de schoen wringt. Misschien kan ik u wel helpen."

"Dat is gemakkelijk gezeid. Gij zijt niet uit Kinsley, want anders zou ik u kennen, en gij kunt dus niet tot mijn vijanden behooren. Ik heet Haller; mijn ouders waren Duitschers. Zij kwamen uit het oude land over, in de hoop, dat zij het hier tot iets zouden brengen; maar zij kwamen niet vooruit. Ook mij ging het niet naar wensch. Ik heb alles geprobeerd, alles bij de hand gehad, totdat ik nu twee jaar geleden schrijver bij den spoorweg geworden ben. Eindelijk was ik te Kinsley aangesteld. Ik ben een man, sir! die met moedwil niet op een worm zou kunnen trappen; maar als men al te erg beleedigd wordt, loopt de gal eindelijk over. Ik heb het te kwaad gekregen met een meerdere daar, en dat heeft tot een duel geleid. Verbeeldt u, een duel met geweren! En ik had nooit van mijn leven zulk een moordtuig in mijn handen gehad! Een duel met geweren, op dertig passen afstands! Alles werd geel en groen voor mijn oogen toen ik het hoorde. Ik zal het maar kort maken; het bepaalde uur kwam, en wij stonden gereed om te beginnen. Gij kunt van mij denken wat gij wilt, sir! maar ik ben een vredelievend mensch, en zou voor geen millioenen een moordenaar willen zijn. De gedachte alleen, dat ik mijn tegenstander misschien zou kunnen dooden, maakte dat ik kippenvel kreeg over mijn heele lijf. Daarom mikte ik, toen er gecommandeerd werd, een meter of tien bezijden. Ik haalde den haan over, hij ook. De schoten knalden, en ... ik was ongedeerd, maar mijn kogel had mijn tegenstander midden in zijn hart getroffen. Het geweer, dat niet eens van mij was, hield ik in mijn hand, en zette het op een loopen. Ik geloof, dat de loop krom is; de kogel gaat ten minste te veel links. Wat echter het ergste was, mijn tegenstander had een grooten aanhang van vrienden en kennissen, en dat wil hier in het Westen heel wat zeggen. Ik moest vluchten, op staande voet vluchten, en gunde mij slechts den tijd om van mijn superieur afscheid te nemen. Om mijn toekomst niet geheel en al te vernietigen, gaf hij mij den raad, om naar Sheridan te gaan; en hij gaf mij een open aanbevelingsbrief mede voor den ingenieur aldaar. Ik zal u dien brief laten lezen, om u te overtuigen, dat ik u de waarheid vertel."

Hij haalde den brief uit zijn zak, vouwde hem open, en gaf hem aan den Yankee. Deze las:

"Waarde Charoy!

"Brenger dezes, master Joseph Haller, is tot heden klerk bij mij geweest. Hij is van Duitsche afkomst, eerlijk, ijverig en trouw, maar heeft het ongeluk gehad, mis te willen schieten, en juist daardoor zijn tegenstander het licht uit te blazen. Daarom dient hij eenigen tijd van hier weg, en gij zult mij groot genoegen doen, als gij hem op uw kantoor kunt plaatsen, totdat dit geval doodgebloed en er gras over gegroeid is. Tot wederdienst bereid!

Uw

Bent Norton."

Onder de naamteekening stond ter meerdere geloofwaardigheid het stempel van het kantoor Kinsley afgedrukt. De Yankee vouwde den brief weer dicht, gaf hem aan den eigenaar terug, en zei, terwijl er een half spottend, half medelijdend glimlachje om zijn lippen speelde: "Ik geloof wat gij mij vertelt master Haller! al hadt gij mij dien brief niet laten lezen. Wie u ziet en u hoort spreken, weet, dat hij iemand voor zich heeft, die doodeerlijk is en die met moedwil geen mensch kwaad zal doen. Het is met mij juist als met u: ik ben ook geen groot jager voor het aangezicht des Heeren. Dat is geen schande en ook geen zonde, want de mensch leeft niet enkel door kruit en lood. Maar zoo bang als gij u gemaakt hebt, zou ik in uw plaats toch niet geweest zijn. Gij hebt het heele gevalletje al te zwaar getild."

"O neen! Het is wel degelijk gevaarlijk voor mij."

"Zijt gij dan overtuigd, dat ze u vervolgd hebben?"

"O ja, dat weet ik zeker. Daarom heb ik alle boerderijen vermeden, opdat ze niet te weten zouden komen in welke richting ik gevlucht was."

"En zijt gij verzekerd, dat gij in Sheridan goed ontvangen zult worden, en dat gij er dadelijk geplaatst zult worden."

"O ja, want Mr. Norton en Mr. Charoy, de ingenieur te Sheridan, zijn boezemvrienden."

"En hoeveel salaris denkt gij daar te zullen krijgen?"

"Ik verdiende te Kinsley acht dollars in de week, en denk wel dat Mr. Charoy mij dat ook zal betalen."

"Zoo! Ik weet een betrekking voor u, die dubbel zooveel betaalt, dus zestien dollars per week, en vrij eten en drinken."

"Wat? Is het tòch waar?" riep de klerk zichtbaar blij verrast. "Zestien dollars? Dat is goed om gauw een rijk man te worden!"

"Dat nu zoozeer niet; maar gij zult er toch altoos iets van kunnen sparen."

"En waar is die betrekking? Bij wien?"

"Bij mij."

"Bij ... u?" klonk het op een toon van teleurstelling.

"Ja, bij mij. Gij schijnt te twijfelen of het mij wel ernst is."

"Hum! Ik ken u niet."

"Dat is in een oogenblik te verhelpen. Ik ben dokter Jefferson Hartley, geneesheer en veearts van mijn beroep."

"Dus, arts voor menschen en voor paarden?"

"Ja, arts voor menschen en dieren," knikte de Yankee. "Hebt gij er zin in, dan zult gij mijn famulus zijn, en ik betaal u het weekgeld, dat ik gezegd heb."

"Maar ik versta niets van dat vak," zeide Haller bescheiden.

"Ik ook niet," bekende de dokter.

"Niet?" vroeg de andere verwonderd. "Gij moet toch in de medicijnen gestudeerd hebben?"

"Dat is nooit in mij opgekomen."

"Maar, als gij arts zijt, en dokter...."

"Ja, dat ben ik; die titels bezit ik; dat weet ik zelf het best, want ik heb die zelf aan mij verleend."

"Gij ... gij zelf?"

"Natuurlijk. Ik speel open kaart met u, omdat ik denk, dat gij mijn voorstel aannemen zult. Eigenlijk ben ik kleermaker; toen ben ik kapper geworden, later dansmeester; daarna heb ik een kostschool voor jonge dames geopend; toen die ophield te bestaan, nam ik de harmonica ter hand en werd rondreizend muzikant; later heb ik nog een paar dozijn vakken uitgeoefend, allen met goed succes. Ik heb het leven en de menschen leeren kennen, en de slotsom van die kennis is deze, dat iemand die oolijk is, geen domkop mag wezen. De menschen willen bedrogen zijn, en men doet hun wezenlijk een genoegen, waarvoor zij zich zeer erkentelijk betoonen, als men hun knollen voor citroenen verkoopt. Vooral moet men hun gebreken vleien, hun verstandelijke en lichamelijke gebreken, en daarom heb ik mij daarop toegelegd en ben arts geworden. Gij moet maar eens zien welk een apotheek ik er op na houd."

Dit zeggende ontsloot hij zijn kistje en maakte het deksel open. Van binnen zag het er keurig uit; het bestond uit vijftig vakjes, die met fluweel bekleed en met gouden strepen en arabesken versierd waren. In ieder vakje stond een fleschje, met een vloeistof van de eene of andere prachtige kleur. Het geheel scheen een verzameling van allerhande fraaie kleuren en kleurschakeeringen.

"Dit is dus uw apotheek!" zei Haller. "Waar haalt gij al die medicamenten?"

"Die maak ik zelf."

"Och kom! Gij verstaat er immers niets van?"

"O ja, zóóveel weet ik er wel van! Het is zoo eenvoudig en zoo gemakkelijk als ge maar behoeft. Alles wat gij daar ziet is niets anders dan een heel klein beetje kleursel met een beetje veel water, dat aqua heet. Dat is het eenige woord Latijn, dat ik ken. Al de andere daaraan toegevoegde benamingen heb ik zelf gefabriceerd: een naam moet altoos zoo mooi mogelijk klinken. Zoo ziet gij hier opschriften als: Aqua salammandra, Aqua peloponnesia, Aqua chimborassolaria, Aqua invocabulataria en zoo al meer. Gij kunt u niet verbeelden welke geneeskuren ik met al die watertjes volbracht heb; en dat neem ik u volstrekt niet kwalijk, want ik geloof er zelf niemendal van. De hoofdzaak is, dat men de werking van het medicament niet afwacht, maar dat men het honorarium opstrijkt en zich uit de voeten maakt. De Vereenigde Staten zijn groot, en eer ik die afgereisd heb, ben ik een rijk man geworden. Mijn levensonderhoud kost mij geen cent; want overal waar ik kom discht men mij meer op, dan ik opeten kan, en als ik heenga stopt men nog bovendien mijn zakken vol. Voor de Indianen behoef ik niet bang te zijn, daar ik als medicijnmeester voor hen een heilig en onschendbaar persoon ben. Sla nu maar toe! Wilt gij mijn famulus zijn?"

"Hm!" mompelde Haller, en krabde zich achter het oor. "Het ding komt mij bedenkelijk voor. Het is allesbehalve eerlijk, vind ik."

"Kerel, maak u toch niet belachelijk! Het geloof doet alles. Mijn patiënten gelooven aan de werking van mijn medicijnen, en daardoor worden zij gezond. Is dat bedriegerij? Probeer het ten minste dan maar eens! Gij zijt nu een beetje opgeknapt; en daar de boerderij waar ik naar toe ga, toch op uw weg ligt, hebt gij er niets bij te verliezen."

"Nu probeeren wil ik het, louter uit dankbaarheid jegens u; maar ik ben er niet geschikt voor, om den menschen iets wijs te maken."

"Dat behoeft ook niet; dat zal ik zelf wel doen. Gij hebt eenvoudig eerbiedig te zwijgen. Het eenige dat van u verlangd wordt, is: mij uit het kistje een fleschje aan te geven, dat ik noem. Gij moet het u natuurlijk laten welgevallen, dat ik daarbij tegen u spreek op den toon van een patroon tegen zijn famulus. En nu zullen wij oprukken. Vooruit maar!"

Hij hing het kistje weder om zijn hals, en nu stapten zij te zamen op de boerderij aan. Na omstreeks een half uur geloopen te hebben, zagen zij die in de verte voor zich liggen; zij scheen niet groot te zijn. Nu moest Haller het kistje dragen, daar zulks eigenlijk beneden de waardigheid van een arts was.

Het hoofdgebouw van de boerderij was van hout opgetrokken; daar naast en achter lag een goed onderhouden boomgaard en moestuin. De overige gebouwen, die voor het landbouwbedrijf dienden, stonden op eenigen afstand van het woonhuis. Voor dit laatste stonden drie paarden vastgebonden, een ontwijfelbaar teeken, dat zich vreemden daar bevonden. Dezen zaten in de huiskamer en dronken gewoon bier, dat de landman zelf gebrouwen had. De vreemden waren alleen; want de vrouw des huizes, die maar alleen thuis was, bevond zich op dit oogenblik in den kleinen stal. Zij zagen den kwakzalver met zijn famulus aankomen.

"Thunderstorm!" riep een hunner. "Kijk ik wel goed? Ik geloof, dat ik dien eenen snuiter ken! Als ik mij niet vergis, is het Hartley, de muzikant met de harmonica!"

"Een kennis van u?" vroeg de tweede. "Hebt gij iets met hem aan de hand gehad?"

"O ja. Die kerel had goede zaken gemaakt, en zijn zakken vol dollars. Daar heb ik hem natuurlijk des nachts van ontlast, zoodat ik óók goede zaken gemaakt heb."

"Weet hij, dat gij dat geweest zijt?"

"Hum, waarschijnlijk wel. Het is maar goed, dat ik gisteren mijn roode haar zwart geverfd heb. Noem mij in zijn bijzijn niet Brinkley, en ook niet kornel! De kerel kon ons een schrap door de rekening halen."

Uit deze woorden bleek, dat dit de roodharige kornel was.

De twee voetgangers hadden nu het huis bereikt, en juist op dit oogenblik kwam de vrouw des huizes uit den stal. Zij groette de twee vreemden vriendelijk, en vroeg wat er van hun verlangen was. Toen zij hoorde, dat zij een arts met zijn famulus voor zich had, scheen haar dat veel genoegen te doen en de deur opendoende, verzocht zij hun om binnen te komen.

"Messieurs!" riep zij den binnenzittenden toe, "daar komt een hooggeleerde arts met zijn apotheker. Ik denk, dat het gezelschap van die heeren u wel aangenaam zal wezen."

"Hooggeleerde arts!" mompelde de kornel half binnensmonds. "De onbeschaamde vlegel! Wat let mij, dan zal ik hem eens laten zien hoe ik over hem denk!"

De binnentredenden groetten, en namen zonder plichtplegingen aan de tafel plaats. De kornel merkte met zelfvoldoening, dat Hartley hem niet herkende. Hij gaf zich uit voor vallen-opzetter, en zei dat hij met zijn twee kameraden van plan was om het gebergte in te gaan. Toen ontspon zich een gesprek, terwijl de vrouw des huizes bezig was met het vuur aan den haard. Over dat vuur hing een ketel, waarin het middag-eten kookte. Toen dat klaar was ging zij even voor de huisdeur staan, en blies, zooals het gebruik in die streken was, op den hoorn, ten einde haar huisgenooten te roepen.

Dezen kwamen al spoedig van de omliggende akkers. Het waren de landbouwer zelf, een zoon, een dochter en een knecht. Zij gaven aan de gasten, en inzonderheid aan den arts, met oprecht gemeende vriendelijkheid de hand, en namen toen insgelijks aan de tafel plaats, om het middagmaal te gebruiken, dat voorafgegaan en gesloten werd door een gebed. Het waren eenvoudige, ongekunstelde, brave menschen, die tegen de smartness (= windzakkerij) van een echten Yankee volstrekt niet opgewassen waren.

Onder het eten liet de landbouwer geen ander stemgeluid hooren, dan nu en dan een eenlettergrepig woord. Toen de maaltijd afgeloopen was stak hij een pijp op, met zijn ellebogen leunend op de tafel, zei hij tegen Hartley op den toon van iemand, die een bevredigend antwoord hoopt te ontvangen: "Wij moeten straks weer naar den akker, dokter! maar nu hebben wij een oogenblik tijd, om met u te praten. Misschien kan ik wel gebruik maken van uw kunst. In welke ziekte zijt gij alzoo ervaren?"

"Welk een zonderlinge vraag!" antwoordde de kwakzalver. "Ik ben arts en veearts, en genees dus alle bedenkelijke ziekten van menschen en dieren."

"Well, dan zijt gij juist de man, dien ik noodig heb. Ik merk zeer goed aan u, dat gij niet een van die zwendelaars zijt, die als dokter rondtrekken na eerst allerlei geweest te zijn, en die alles beloven, maar nooit gestudeerd hebben."

"Ik geloof niet, dat ik er uitzie als zulk een ellendige beunhaas!" hernam Hartley, een hooge borst zettende. "Hoe zou ik mijn examen als dokter en arts hebben kunnen afleggen, als ik niet gestudeerd had? Hier zit mijn famulus. Vraag hem maar eens; hij zal u wel vertellen hoeveel duizenden bij duizenden menschen--van dieren die legio zijn, spreek ik niet eens--aan mij hun leven en hun gezondheid te danken hebben."

"Ik geloof het, ik geloof het, sir! Gij komt als een engel uit den hemel. Ik heb een koe op stal staan. Wat dat zeggen wil, zult gij wel weten. Hier te lande komt een koe niet anders op stal, dan wanneer zij zwaar ziek is. In de laatste twee dagen heeft zij niets gegeten, en laat zij den kop bijna op den grond hangen. Ik heb haar al opgegeven."

"Pshaw! Ik geef een zieke nooit op, zoolang die nog niet gestorven is! Als de knecht mij het beest maar eens laat zien, zal ik u wel vertellen of er nog iets aan te doen is."

Hij liet zich naar den stal brengen, om de koe in oogen schouw te nemen. Toen hij terugkwam, zette hij een zeer ernstig gezicht, en zei: "Het was meer dan tijd, hoor! Het arme dier zou waarschijnlijk den avond niet gehaald hebben. Het heeft bilzenkruid gegeten. Gelukkigerwijze bezit ik een onfeilbaar tegengif; morgenochtend vroeg zal het beest zoo gezond zijn als een hoen. Breng mij maar eens een emmer water; en gij, famulus! geef mij het fleschje met Aqua sylvestropolia eens aan."

Haller maakte het kistje open, en zocht het bedoelde fleschje op. Hartley goot daaruit eenige droppels in den emmer water, waarvan men om de drie uur een halve galon aan de koe moest ingeven. Nu kwamen de menschelijke patiënten aan de beurt. De vrouw had het begin van een wen, en kreeg Aqua sumatralia. De landbouwer leed aan rheumatiek, en moest Aqua sensationis innemen. De dochter, een ferme meid met blozende wangen, liet zich gemakkelijk bepraten om Aqua furonia te nemen tegen eenige zomersproeten. De knecht, die reeds sedert zijn kinderjaren een beetje mank liep, maakte van de gelegenheid gebruik, om van dat gebrek bevrijd te komen door Aqua ministerialia. Eindelijk vroeg Hartley ook aan de drie vreemden of hij hen van dienst kon zijn. De kornel schudde ontkennend zijn hoofd en antwoordde: "Dank je, sir! wij zijn zoo gezond en springlevend als een visch in het water. En voel ik mij eens meer ongesteld, kan kureer ik mij op de Zweedsche manier."

"Hoe zoo?"

"Door heil-gymnastiek. Ik laat mij dan een luchtig dansdeuntje voorspelen op de harmonica, en dans daarbij totdat het zweet mij langs mijn gezicht druipt. Dat middel is probatum. Begrepen?"

Dit zeggende gaf hij den geneesmeester een veelbeteekenend knipoogje. Deze begreep den zet, zei niets meer tegen hem, en wendde zich tot den gastheer, om naar de dichtstbij gelegen boerderijen te vragen. Volgens de inlichting, die hij kreeg, lag de eerste boerenplaats acht mijlen ver naar het westen, en dan lag er een vijftien mijlen naar het noorden. Toen de arts verklaarde, dat hij zonder langer verwijlen naar eerstgenoemde boerderij wilde, vroeg de landbouwer hoeveel geld hij hem schuldig was. Hartley vorderde vijf dollars, en die werden hem met de meeste tevredenheid betaald. Toen vertrok hij met zijn famulus, die zich weer met het dragen van het kistje belastte. Zoodra zij ver genoeg waren, zoodat men hen van de boerderij niet meer kon zien, zeide de arts: "Wij zijn in westelijke richting gegaan, maar zullen ons nu noordwaarts richten; want het is niet in mij opgekomen, om naar de eerste boerderij te gaan; wij zullen de tweede opzoeken. Maar een middagmaal en vijf dollars voor tien droppeltjes aniline-water, is dat niet uitlokkend? Ik hoop dat gij uw eigen voordeel zult begrijpen en bij mij in dienst treden."

"In die hoop vergist gij u, sir!" antwoordde Haller. "Wat gij mij biedt is veel, zeer veel geld; maar daarvoor zou ik mijn ziel moeten bezondigen met wie weet hoeveel leugens nog. Gij moet het mij niet kwalijk nemen! Ik ben een eerlijk man, en hoop dat ook te blijven. Mijn geweten verbiedt mij, uw voorstel aan te nemen."

Hij zei dit zoo ernstig en vastberaden, dat Hartley begreep, dat alle verdere aandrang tevergeefs zou zijn. Daarom sprak hij, terwijl hij medelijdend zijn hoofd schudde: "Ik heb het goed met u gemeend, maar het is jammer dat uw geweten zoo nauw gezet is."

"Ik dank God, dat hij mij geen ander gegeven heeft. Hier hebt gij uw kistje terug. Ik zou u gaarne mijn dankbaarheid toonen voor hetgeen gij voor mij gedaan hebt, maar ik kan niet; het is mij onmogelijk."

"Well! Eens menschen wil is eens menschen leven; ik zal er dus niet langer bij u op aandringen. Maar daarom behoeven wij toch niet dadelijk van elkander af te gaan. Uw weg loopt vijftien mijlen ver tot aan de boerderij waar ik nu naar toe ga, en zoo ver kunnen wij ten minste nog bij elkander blijven."

Hij hing zijn medicijnkist weer om zijn eigen hals. Het stilzwijgen, waarin hij nu verviel, deed vermoeden, dat de oprechtheid van den klerk wel eenigen indruk op hem gemaakt had. Zwijgend liepen zij naast elkander voort, en richtten hun blikken onafgewend voor zich uit, totdat zij achter zich den hoefslag van paarden hoorden naderen. Zij keken om, en herkenden de drie vreemden, met wie zij aan de boerderij aan tafel hadden gezeten.

"Woe to me!" zuchtte Hartley onwillekeurig. "Dat schijnt op mij gemunt. Die kerels zeiden, dat zij het gebergte in wilden! Waarom rijden zij dan niet naar het Westen? Ik vertrouw hen niet. Zij hebben meer weg van landloopers, dan van trappers."

Hij zou spoedig tot zijn leedwezen ontwaren, dat hij met die vooronderstelling den bal niet missloeg. De ruiters hielden bij de twee voetgangers halt, en de kornel wendde zich op een spottenden toon tot den kwakzalver: "Master! waarom zijt gij van koers veranderd? Nu zal de boer van de zieke koe u niet kunnen vinden."

"Mij vinden?" vroeg de Yankee.

"Ja. Toen u weg was, heb ik hem onverbloemd verteld, hoe de vork met uw mooie titels eigenlijk in den steel zit; en toen is hij u dadelijk achterna gegaan, om zijn geld terug te halen."

"Onzin, sir!"

"Neen, geen onzin, maar waarheid. Hij is naar de boerderij, die gij gezegd hadt met uw bezoek gelukkig te zullen maken. Maar wij zijn oolijker geweest dan hij. Wij verstaan de kunst van voetsporen te volgen, en hebben het uwe gevolgd, om u een voorstel te doen."

"Ik zou niet weten welk. Ik ken u niet, en heb niets met u te maken."

"Maar wij, wij hebben wel degelijk met u te maken. Wij kennen u. Doordien wij u hebben laten begaan, om die eenvoudige menschen voor vijf dollars in den nek te zien, zijn wij uw medeplichtigen geworden, en als zoodanig komt ons ons part toe; dat is niet meer dan recht en billijk. Gij zijt met uw beiden, wij zijn met ons drieën; wij hebben dus aanspraak op drie vijfden van het door u ingepalmde. Gij ziet, wij verlangen niets meer, dan hetgeen ons toekomt. Mocht gij tegen willen sporrelen, kijk dan eerst even mijn kameraden aan."

Hij wees naar de twee anderen, die hun geweren reeds op Hartley aangelegd hadden. Deze begreep nu dat hij alle verdere moeite kon sparen, dat hij te doen had met echte struikroovers, en dat hij blij mocht zijn zoo goedkoop van hen af te komen. Daarom haalde hij drie dollars uit zijn zak, wilde die aan den kornel overhandigen, en zei: "Gij schijnt mij voor een ander aan te zien, en u op dit oogenblik in omstandigheden te bevinden, dat gij aan dit gedeelte van mijn eerlijk verdiend honorarium behoefte hebt. Ik wil uw eisch als een grap beschouwen, en er aan voldoen. Hier zijn de drie dollars, waarop gij u verbeeldt aanspraak te kunnen maken."

"Drie dollars? zijt gij dronken of zijt gij gek?" hernam de kornel lachende. "Denkt gij dat wij ons voor zulk een lorrig bagatel de moeite zouden geven u achterna te rijden? Neen, neen, kameraad! De bedoeling was niet het bagatelletje, dat gij daareven ingepakt hebt; maar wij moeten ons aandeel hebben van al het geld, dat gij met kwakzalverij reeds binnen hebt geloodst. Ik verbeeld mij, dat gij al een aardig sommetje bij u zult hebben."

"O neen, sir! dat is het geval volstrekt niet," zei Hartley ontsteld.

"Dat zullen wij zien. Daar gij het ontkent, zullen wij u visiteeren. Ik vertrouw, dat gij geen tegensporreling zult maken; want ik moet u waarschuwen, dat mijn kameraden niet veel kluchten verdragen kunnen. Het leven van een ellendigen harmonica-muzikant is ons geen pijp tabak waard."

Hij steeg van zijn paard af, en ging naar den Yankee. Deze verzon alle mogelijke uitvluchten om het dreigende gevaar af te wenden, doch tevergeefs. De geweerloopen waren zoo dreigend op hem gericht, dat hij begreep, zich in zijn lot te moeten schikken, te meer daar hij nog altijd hoopte, dat de kornel toch niets zou vinden; want hij had zijn geld zeer goed weggestopt, verbeeldde hij zich.

Door den thans zwartgeverfden roodbaard werden eerst al zijn zakken doorzocht, waarin slechts eenige dollars bleken te zitten. Toen werden zijn kleederen bevoeld, duim voor duim, om zekerheid te erlangen, dat er geen geld tusschen een of ander kleedingstuk genaaid zat. Dit onderzoek leidde echter tot niets. Nu dacht Hartley, dat hij het gevaar ontsprongen was. Maar de kornel was hem te slim. De medicijnkist moest nu geopend en nauwkeurig bekeken worden.

De kornel liet er eens goed zijn oog over gaan, en zei toen: "Hum! Die fluweelen apotheek schijnt mij zoo diep, dat de fleschjes op verre na niet op den bodem komen. Ik moet eens zien of er niet een dubbelen bodem in die kist is."

Hartley's gelaat bestierf van schrik, want de gauwdief sloeg den spijker precies op den kop, en slaagde er al spoedig in, de geheele fluweelen apotheek ineens uit de kist te tillen; en daar, op den echten bodem, lagen verscheiden papieren enveloppen naast en op elkander. Als die geopend wierden zou blijken, dat ze allen gevuld waren met banknoten, in elke enveloppe van een ander bedrag.

"Ha, ha!" lachte de kornel: "nu heb ik den aap gevonden! Dat dacht ik wel. Zulk een arts voor menschen en beesten verdient geld als water. Er moest dus een aardig sommetje hier op den kop te tikken zijn."

Hij greep toe, om de enveloppen uit de kist te halen. Dit bracht den Yankee tot razernij, en hij sprong toe, om den roover het geld te ontweldigen. Paf! knalde een geweerschot. De kogel zou hem stellig doodelijk getroffen hebben, indien hij niet in zulk een snelle beweging geweest was; nu werd hij slechts aan den bovenarm gewond en zijn schouderblad bijna verbrijzeld. Met een gil zeeg hij op het gras neer.

"Goed zoo, schobbejak!" riep de kornel. "Gij moogt weer opstaan; maar spreek geen woord meer, dat mij niet bevalt, of de tweede kogel zal beter raak zijn dan de eerste! Nu zullen wij den master famulus onder handen nemen."

Hij stak de enveloppen met banknoten in zijn zak, en trad op Haller aan.

"Ik ben zijn famulus niet," zei deze angstig. "Ik heb hem aangetroffen pas kort eer wij op de boerderij aankwamen."

"Zoo? Wie en wat zijt gij dan?"

Haller beantwoordde die vraag overeenkomstig de waarheid. Hij liet den kornel zelfs den aanbevelingsbrief lezen, ter bevestiging van hetgeen hij zei. Na kennis te hebben genomen van den inhoud sprak de kornel: "Ik wil u gelooven. Men behoeft u maar aan te zien, om te begrijpen dat gij een doodeerlijke hals zijt, die het buskruit niet uitgevonden heeft. Kuier jij maar naar Sheridan: ik heb niets met je te maken." En zich nu weer tot den Yankee wendende, vervolgde hij: "Ik heb gesproken van ons aandeel; maar daar gij getracht hebt ons met allerlei leugens te bedriegen, kan het u niet verwonderen dat wij u nu alles maar afnemen. Doe uw best, om ook voortaan goede zaken te maken. Als wij u dan eens weer ontmoetten, zullen wij beter gelijk-op deelen."

Hartley besefte, dat alle verweer vergeefsch zou zijn. Hij begon dus zoete broodjes te bakken, dat wil zeggen zoo beleefd en gedwee mogelijk te zijn, om te zien of hij zóó ten minste iets van zijn geld terug zou kunnen krijgen; maar het eenige, dat hij daarmee uitwerkte, was, dat hij uitgelachen werd. De kornel steeg weer te paard en reed met zijn kornuiten en het geroofde geld weg, de richting nemende naar het Noorden, en daardoor bewijzende, dat hij geen trapper was, en het volstrekt niet in zijn plan had gelegen, zich westwaarts naar het gebergte te begeven.

Onderweg spraken en lachten de drie schavuiten over het avontuur, dat zij gehad hadden; en zij kwamen overeen, om het geld maar onder hun drieën te deelen, en er niets van te vertellen aan hun kameraden. Toen zij, na een vrij langen rit, een geschikte plaats vonden, van waar zij den ganschen omtrek overzien konden, en waar zij dus ongestoord en ongezien aan het deelen konden gaan, stegen zij af om den geroofden buit te tellen. En toen ieder zijn part in zijn eigen zak had, zei een der twee anderen tramps tegen den kornel: "Het is eigenlijk jammer, dat gij den andere toch ook maar niet gevisiteerd hebt. Het zou mij verwonderen als die in het geheel geen geld bij zich gehad heeft."

"Pshaw! Wat kan er bij een armen klerk te vinden zijn? Op zijn hoogst eenige dollars, en dat loont de moeite niet."

"Het is de vraag of hij de waarheid gezegd heeft, en of hij werkelijk maar een klerk was. Wat stond er in dien brief, dien hij u heeft laten lezen?"

"Het was een aanbevelingsbrief aan den ingenieur Charoy te Sheridan."

"Wat zegt gij? Is het toch waar?" riep de kerel uit. "En dien brief hebt gij hem teruggegeven?"

"Natuurlijk. Wat had ik aan dat vod?"

"Veel, heel veel! Het gaat mijn begrip te boven, dat gij zoo iets nog vragen kunt. Het ligt immers voor de hand dat die brief ons de uitvoering van ons plan veel gemakkelijker had kunnen maken. Het verwondert mij, dat gij niet dadelijk zelf op het idee gekomen zijt. Wij hebben onze kameraden achtergelaten, om eerst goed de gelegenheid op te nemen. Wij moeten nauwkeurig het terrein verkennen, en tevens te weten zien te komen hoe het met den staat der kassen gesteld is; en dat is moeilijker, daar wij ons schuil moeten houden. Doch als wij dien man den brief afgenomen hadden, had een van ons naar Sheridan kunnen gaan, zich uitgevende voor dien klerk. Dan zou hij stellig op het kantoor geplaatst zijn, had zoodoende gelegenheid gehad om de boeken na te zien, en zou ons reeds den eersten of tweeden dag geheel op de hoogte van den staat van zaken hebben kunnen brengen."

"Verduiveld," riep de kornel. "Dat is waar! Hoe heb ik zoo onnoozel kunnen zijn, dat niet dadelijk in te zien! Gij, die vlug met de pen zijt, zoudt juist de man voor zoo iets geweest zijn."

"En ik zou het er goed afgebracht hebben ook. Dan waren ineens alle moeilijkheden overwonnen geweest. Zou er geen mogelijkheid meer zijn om dat verzuim te herstellen?"

"O ja, zeer zeker! Wij weten immers waar de twee naar toe willen. De weg is hun door den landbouwer uitgeduid, en die loopt hierlangs. Wij hebben dus eenvoudig hier te wachten tot zij komen."

"Goed zoo! dat zullen wij doen. Maar het is niet genoeg den klerk den brief af te nemen. Hij zou dan toch naar Sheridan gaan, en alles voor ons bederven. Dat dienen wij hem en den kwakzalver te beletten."

"Dat spreekt vanzelf, en niets is eenvoudiger: wij jagen hun ieder een kogel door den kop, en stoppen hen dan onder de aarde. Dat gedaan zijnde, gaat gij met den brief naar Sheridan, tracht al het noodige te weten te komen en deelt dat mee aan ons."

"Maar waar en hoe?"

"Wij met ons beiden rijden terug, en halen de anderen. Gij zult ons dan in de streek vinden, waar de spoorlijn over Eagle-tail loopt. Met juistheid kunnen wij de plaats niet vooruit bepalen. Ik zal voorposten in de richting naar Sheridan uitzetten, en die zult gij stellig aantreffen, dat kan niet missen."

"Mooi! Maar als mijn afwezigheid opgemerkt wordt en achterdocht geeft."

"Hum! daar dienen wij bedacht op te zijn. Maar daar is gemakkelijk voor te zorgen, als gij niet alleen gaat. Faller moet met u mee gaan. Gij vertelt, dat gij hem onderweg aangetroffen hebt; en hij vertelt, dat hij werk komt zoeken aan den spoorweg."

"Uitmuntend!" merkte de tweede tramp, die Faller heette, op. "Werk zal ik denkelijk wel dadelijk krijgen; en is dat het geval niet, zooveel te beter, want dan zal ik den tijd hebben, om de boodschap naar Eagle-tail te brengen."

Het plan werd nog verder besproken, en het besluit werd genomen, het ten uitvoer te brengen. Het drietal bleef dus wachten op den kwakzalver en zijn kameraad. Maar er verliepen uren, zonder dat die twee kwamen opdagen. Het vermoeden lag dus voor de hand, dat zij hun oorsponkelijke richting veranderd hadden, ten einde niet opnieuw met de drie tramps in aanraking te komen. Dit drietal kwam daarom tot het besluit, om terug te rijden, en het nieuwe spoor der twee te volgen.

Wat nu de beide mannen betreft, die door dit nieuwe gevaar bedreigd werden, de Yankee had zich allereerst, zooals hoognoodig was, door den klerk laten verbinden. De bovenarm was zwaar gekwetst, en het bleek, dat het voor den gekwetste dringend noodzakelijk was een plaats op te zoeken, waar hij zich althans de eerstvolgende dagen kon laten verplegen. Dat was de boerderij, naar welke zij zich begeven wilden. Maar aangezien de tramps diezelfde richting ingeslagen waren, gaf de Yankee uiting aan de volgende overweging:

"Is het wel zaak voor ons, hen nogmaals in den mond te loopen? Mij dunkt, zij hebben misschien nu reeds berouw, dat zij ons maar niet ineens onschadelijk gemaakt hebben; en als wij nu andermaal in hun bereik komen, zullen ze waarschijnlijk dat verzuim willen inhalen. Mijn geld hebben zij; maar ik zou hun liever niet mijn leven ook nog achterna dragen. Wij moeten dus maar een andere boerderij opzoeken."

"Wie weet hoe lang het duren zal eer wij er een vinden," zei Haller. "Zult gij u wel zoo lang op de been kunnen houden?"

"Ja, dat denk ik wel. Ik ben zoo sterk van inhoud, dat wij stellig wel onder dak zullen zijn eer ik door de wondkoorts aangetast word. In elk geval zult gij bij mij blijven, hoop ik, totdat wij een onderkomen gevonden hebben."

"Dat spreekt vanzelf. En mocht gij onverhoopt onderweg blijven liggen, dan zal ik wel zorgen, dat ik menschen vind, die u huisvesting verschaffen. Maar laat ons nu geen tijd meer verliezen. Welken koers gaan wij nu uit?"

"Naar het noorden, zooals aanvankelijk; maar wat meer rechts. De horizon is donker daar; daar schijnt dus een bosch of althans boschgroei te wezen; en waar boomen zijn, daar is ook water te vinden, waaraan ik behoefte voel om mijn wond af te koelen."

Haller nam het kistje op, en beiden verlieten de ongeluksplaats. Het vermoeden van den Yankee werd bevestigd. Na verloop van eenigen tijd bereikten zij een streek, waar tusschen groen en kreupelbosch een stroomend water liep, aan welks oever het eerste verband vernieuwd werd. Hartley goot al zijn zoogenaamde medicijn-fleschjes leeg, en vulde die met schoon water, ten einde onderweg het verband nat te kunnen houden. Toen hervatten zij hun tocht.

Zij kwamen over een prairie, begroeid met gras van zoo weinig lengte, dat het voetspoor er bezwaarlijk te herkennen was. Het oog van een ervaren Westman zou moeite gehad hebben om te ontdekken, of het 't spoor was van een dan wel van twee personen. Na verloop van een geruimen tijd zagen zij de streep van den gezichteinder weer donker voor zich liggen, een bewijs, dat zij opnieuw een boschstreek naderden. En toen de Yankee toevallig eens omkeek, werd hij in de verte achter zich eenige stippels gewaar, die zich schenen te bewegen. Er waren er drie, en dit bracht hem terstond tot de overtuiging, dat de tramps omgekeerd waren; het was dus zonder twijfel te doen om hun leven. Een ander zou waarschijnlijk dadelijk den klerk opmerkzaam gemaakt hebben op de vervolgers; maar Hartley deed niet alzoo; hij versnelde echter zijn schreden op in het oog loopende wijze; en toen Haller verwonderd vroeg wat hem dreef, om zooveel jacht te maken, had hij dadelijk een voorwendsel, dat de andere voor goede munt kon aannemen.

Ruiters kan men natuurlijk op grooteren afstand zien dan voetgangers; en de afstand, waarop de drie zich nog bevonden, was van dien aard, dat Hartley onderstellen mocht, dat hij en zijn metgezel nog niet door de tramps opgemerkt konden zijn. Op die veronderstelling bouwde hij het plan tot zijn redding. Hij besefte, dat tegenstand-bieden ten eenenmale vruchteloos zou zijn: werden zij ingehaald, dan waren zij beiden verloren. Hoogstens voor een hunner was er misschien eenige kans om zich te redden, maar dan moest de andere opgeofferd worden; en die andere zou natuurlijk de klerk zijn; die mocht dus niet ingelicht worden omtrent het gevaar, dat hem boven het hoofd hing. Daarom zweeg de sluwe Yankee. Dat hij zijn metgezel aan een wissen dood ten prooi liet, kon hem nimmer de minste gewetenswroeging veroorzaken--zoo redeneerde hij--want een kind des doods was de man anders toch.

Zoo ging het als met den stormpas aanhoudend vooruit, totdat zij het geboomte bereikten, zijnde een dicht kreupelbosch, waarboven de hooge toppen van enkele hickory's, eiken-, noteboomen en water-olmen uitstaken. Het bosch was niet diep, maar strekte zich over een groote lengte rechts uit. Toen zij het bosch door waren en den zoom aan de achterzijde bereikt hadden, bleef de Yankee stilstaan, en zei: "Master Haller! ik heb er eens over nagedacht, dat ik u eigenlijk tot niets anders dan tot last ben. Gij wilt naar Sheridan, en om mijnentwil hebt gij van den rechten weg moeten afwijken. Wie weet of wij, in de richting, die wij nu gaan, wel ergens een boerderij zullen vinden, en zoo ja, wie weet dan wanneer. Gij zult misschien dagen en dagen achtereen met mij moeten voortsukkelen; en er is zulk een eenvoudig middel om u al die moeite te besparen."

"Zoo? waarin bestaat dat middel dan?" vroeg Haller argeloos.

"Gij vervolgt in 's hemelsnaam uw eigen koers, en ik keer terug naar de boerderij, waar ik vandaan kwam toen ik u vandaag aangetroffen heb."

"Dat mag ik niet toelaten; dat is te ver voor u."

"Volstrekt niet. Ik ben eerst westelijk geloopen, en toen met u regelrecht op het noorden aan, dus in een rechten hoek. Als ik dien hoek afsnijd, heb ik hier vandaan niet eens ten volle drie uur te loopen, en zóó lang kan ik het best uithouden."

"Zoudt gij dat denken? Ik mag het lijden; maar dan ga ik met u mee. Ik heb u beloofd, dat ik u niet verlaten zou."

"Maar van die belofte moet ik u ontslaan; want ik mag u niet in gevaar brengen."

"In gevaar?"

"Ja. De vrouw van den landbouwer heeft mij, toen dat zoo in het gesprek te pas kwam, verteld, dat zij een zuster is van den sheriff van Kinsley. Wordt gij van daar vervolgd, dan is het honderd tegen één, dat de sheriff die boerderij zal bezoeken. En gij zoudt hem dus regelrecht in den mond loopen."

"Daar zal ik wel zalig op passen," zeide Haller verschrikt. "Wilt gij werkelijk daar naar toe?"

"Ja; het is het beste voor mij, en ook voor u."

Hij stelde hem de voordeelen van dit besluit zoo duidelijk en met zooveel overredingskracht in het licht, dat de arme klerk eindelijk toestemde in een scheiding. Zij gaven elkander de hand, uitten wederzijds de beste wenschen, en gingen daarop van elkander af. Haller ging verder, de open prairie op. Hartley keek hem na, en mompelde bij zich zelf: "Het spijt mij voor den man; maar het kan niet anders. Bleven wij bij elkander, dan kon hij toch den dood niet ontgaan, en dan zou het ook mij het leven kosten. Maar nu heb ik geen oogenblik meer te verliezen. Als zij hem inhalen en naar mij vragen, zal hij hun zeggen, welken weg ik gegaan ben, namelijk rechtsaf. Gauw dus gemaakt, dat ik linksaf uit de voeten kom, en een plaats vind waar ik mij schuilhouden kan!"

Hij was geen jager of vallen-opzetter; maar hij wist toch, dat hij zorgen moest geen voetspoor achter te laten; en hij had ook wel eens gehoord hoe men doen moest om een spoor onherkenbaar te maken. Toen hij verder het bosch inging zocht hij zulke plekken uit, waar de grond hard genoeg was om geen indrukken van voetstappen op te nemen. Bleef er hier of daar eens een voetstap zichtbaar, dan wischte hij dat afdruksel met zijn handen weer uit. Daarbij had hij echter veel last van zijn kwetsuur en van zijn medicijnkist, die hij niet achter had willen laten. Hij kwam dus slechts zeer langzaam vooruit: doch het duurde niet lang of hij had het geluk een plaats te bereiken, waar de boschgroei zoo dicht was, dat het scherpste oog er onmogelijk in doordringen kon. Daar wist hij zich tusschen de struiken in te werken, zette toen zijn kist neder, en ging daarop zitten. Nauwelijks had hij dit volbracht, of hij hoorde de stemmen der drie ruiters en den hoefslag hunner paarden. Zij reden voorbij, zonder op te merken, dat het spoor van daar af slechts van één persoon was.

De Yankee schoof de takken in die richting een weinig ter zijde, zoo, dat zijn blik de prairie overzien kon. Daarginder liep Haller. De tramps kregen hem blijkbaar in het oog, want zij brachten hun paarden in galop. Al spoedig scheen de ongelukkige hen te hooren, want hij keek om, en bleef verschrikt stilstaan. Weldra hadden de ruiters hem bereikt; zij spraken met hem; hij wees met de hand in een oostelijke richting: klaarblijkelijk dus zei hij hun dat de Yankee in die richting naar de boerderij teruggekeerd was. Daarop knalde er een pistoolschot, en Haller stortte op den grond neer.

"Het is afgeloopen," mompelde Hartley. "Wacht maar, schobbejakken! Misschien ontmoet ik u nog wel eens, en dan zal ik u dat schot betaald zetten! Ik ben benieuwd wat de schavuiten nu zullen doen."

Hij zag, dat zij van hun paarden afstegen, en zich met den doodgeschotene bezighielden. Vervolgens stonden zij als beraadslagende bij elkander, totdat zij weer te paard stegen, waarbij de kornel den vermoorde dwars over het zadel bij zich te paard nam. Tot verbazing van den Yankee kwam die terug, terwijl zijn beide metgezellen niet met hem terugkeerden, maar hun weg verder vervolgden. Toen de kornel het kreupelbosch bereikte, deed hij zijn paard een eind weegs daarin doordringen, en wierp toen het lijk op den grond. Het lag daar zoo, dat het van buitenaf niet gezien kon worden, en dicht in de nabijheid van Hartley. Daarna liet de ruiter zijn paard achteruit loopen, en reed toen weg--waarheen, dat kon Hartley niet zien. Hij hoorde den hoefslag nog een korte poos, toen werd alles stil.

Er ging den Yankee een rilling over de leden. Hij voelde nu bijna berouw dat hij den klerk maar niet gewaarschuwd had. Hij was ooggetuige geweest van de afschuwelijke daad; thans lag het lijk als ware het in zijn onmiddellijke nabijheid; hij was verlangend om die plaats der misdaad te ontvlieden, maar hij durfde niet, daar hij vooronderstellen moest, dat de kornel wel naar hem zoeken zou. Zoo verliep er een kwartier, en nog een tweede kwartier, toen besloot hij die huiveringwekkende schuilplaats te verlaten. Eerst keek hij nog eens goed uit over de prairie; en daar werd hij iets gewaar, dat hem noopte, zich alsnog schuil te houden waar hij was.

Een ruiter, die, behalve het paard dat hij bereed, nog een tweede paard zonder berijder bij zich had, kwam van rechtsaf de prairie op. Al spoedig stiet hij op het spoor der beide tramps, en hield toen halt om af te stijgen. Eerst keek hij nauwlettend rond naar alle richtingen, toen bukte hij neder, om dat spoor van nabij te bekijken. Daarop liep hij, terwijl de paarden hem uit eigen beweging volgden, langs dat spoor terug tot aan de plek, waar de moord had plaats gehad. Daar bleef hij weer stilstaan, om die plek nauwkeurig op te nemen. Het duurde een geruime poos eer hij zich weer oprichtte en met zijn oogen onafgewend op den grond gericht, volgde hij nu het spoor van den kornel. Omstreeks vijftig schreden van het kreupelbosch af, bleef hij stilstaan, liet een zeer zonderling keelgeluid hooren, en wees met zijn arm naar het kreupelhout. Een en ander scheen zijn rijpaard te gelden; althans dat dier verwijderde zich van hem, beschreef een kleinen boog naar het boschgewas, en kwam toen langs den zoom daarvan terug, de lucht insnuivende in zijn wijd opengespalkte neusgaten. Daar het geen het minste teeken van onrust gaf, voelde de ruiter zich gerustgesteld, en kwam nu ook naderbij.

Nu zag de Yankee, dat hij een Indiaan voor zich had. De Roodhuid droeg leggins, van onderen uitgetand als franje, en een jachthemd, op de naden insgelijks met franje en borduursel bezet. Zijn kleine voeten waren bekleed met mokassins. Zijn lange, zwarte hoofdhaar was in een helmachtig uitziende kuif opgemaakt, doch prijkte met een adelaarsveer. Om zijn hals hingen een driedubbele keten van beren-nagels, de vredespijp en de medicijnzak.

In zijn hand hield hij een dubbelloops-geweer, waarvan het houtwerk beslagen was met een menigte zilveren spijkers. Zijn gelaat, mat lichtbruin, eenigszins naar bronskleur zweemende, had bijna den vorm van het Romeinsche type, en enkel de min of meer vooruitstekende kaakbeenderen deden zien, dat men te doen had met een type van het Amerikaansche ras.

Eigenlijk was de nabijheid van een Roodhuid wel geschikt om den Yankee die toch niet veel heldenbloed in zijn lijf had, met angst te vervullen. Maar hoe langer hij het gezicht van den Indiaan aankeek, des te meer begon hij tot de overtuiging te komen, dat hij van dien man niets te vreezen had. De Roodhuid was op dit oogenblik hoogstens nog maar een twintigtal passen van hem af. Het rijpaard was nog verder vooruitgedrongen, terwijl het andere paard vlak achter den ruiter bleef. Reeds hief het rijpaard weer een der voorbeenen op, om nog verder door te dringen, toen het eensklaps begon te steigeren, en met een vervaarlijk gesnuif achteruitsprong. Het had een van den Yankee of van den doode uitgaande lucht geroken. De Indiaan deed in een oogwenk een waren panter-sprong zijwaarts en verdween, en met hem ook het tweede paard. Hartley kon hem niet meer zien.

Lang, zeer lang hield hij zich stil en bewegeloos, totdat een half onderdrukte uitroep zijn oor trof. "Oef!" dat was de klank, dien hij gehoord had; en toen hij naar den kant keek, van waar dat geluid gekomen was, zag hij den Indiaan op de knieën liggen, voorovergebogen over het lijk van den klerk, dat hij met handen en oogen onderzocht. Reeds spoedig kroop de Roodhuid weer weg van daar, en er verliep een groot kwartier zonder dat hij zich weer vertoonde. Toen werd de Yankee eensklaps verschrikt door een stem vlak naast hem, die vroeg: "Waarom zit het bleekgezicht hier verscholen? Waarom komt hij niet te voorschijn, om zijn aangezicht aan den rooden krijgsman te laten zien? Wil hij misschien niet zeggen, waarheen de drie moordenaars van het bleekgezicht getogen zijn?"

Toen Hartley zijn hoofd omdraaide, zag hij den Indiaan met het blanke bowie-mes in de hand naast zich op de knieën zitten. Zijn woorden bewezen dat hij het spoor goed had gelezen, en niet den Yankee voor den moordenaar hield; dat stelde dezen gerust, en hij antwoordde: "Ik heb mij hier voor hen verscholen. Twee zijn er weg, de prairie in; de derde heeft het lijk hier neergeworpen, en ik heb mij schuilgehouden, omdat ik niet weet of hij weg is of niet."

"Hij is weg. Zijn spoor loopt door het bosch, en dan naar het oosten."

"Dan is hij naar de boerderij, om mij te vervolgen. Maar zijt gij wel zeker dat hij niet meer hier is?"

"O ja, daar is geen twijfel aan. Mijn blanke broeder en ik zijn de eenige levende wezens, die zich hier bevinden. Gij kunt gerust het bosch uitkomen en mij vertellen wat er gebeurd is."

De Roodhuid sprak zeer goed Engelsch. Wat hij zei, en de toon waarop hij het zei, boezemde den Yankee vertrouwen in, die dan ook niet aarzelde daaraan te voldoen. Toen hij uit het kreupelbosch kwam, en dit achter zich had liggen, zag hij dat de twee paarden op een tamelijken afstand zijwaarts aan in den grond geslagen pinnen vastgemaakt waren. De Roodhuid nam hem op met een paar doordringende oogen, en zei toen: "Van het zuiden af zijn twee mannen te voet hier gekomen; de een heeft zich hier verscholen, en dat zijt gij; de andere is verder gegaan, de prairie in. Daarop zijn drie ruiters gekomen, die den voetganger achterna zijn gegaan, en die hebben hem een kogel door het hoofd gejaagd. Twee hunner zijn doorgereden. De derde heeft het lijk bij zich op het paard genomen, is er mee naar hier gereden, heeft het hier in het bosch neergeworpen, en is toen in galop weggereden oostwaarts. Is dat zoo?"

"Ja, zoo is het precies gebeurd," antwoordde Hartley.

"Nu zou ik gaarne weten, waarom, om welke reden, zij uw blanken broeder doodgeschoten hebben. Wie zijt gij, en met welk doel bevindt gij u hier in deze streek? Zijn het ook die drie mannen geweest, die uw arm gekwetst hebben?"

De vriendelijke toon, waarop die vragen gedaan werden, was voor den Yankee een bewijs, dat de Roodhuid welgezind jegens hem was en geen argwaan tegen hem koesterde. Hij beantwoordde de aan hem gedane vragen. De Indiaan keek hem daarbij niet aan; maar vroeg toen eensklaps met een doorborenden blik op hem: "Dus heeft uw kameraad voor uw leven moeten boeten met het zijne?"

De Yankee sloeg zijn oogen neer, en antwoordde bijna stamelend: "Neen. Ik heb hem verzocht zich met mij te verschuilen; maar dat verkoos hij niet."

"Hebt gij hem dan verteld, dat de moordenaars u vervolgden?"

"Ja."

"En hebt gij hem ook gezegd, dat gij u hier verbergen wildet?"

"Ja."

"Waarom heeft hij dan den moordenaar, toen die naar u vroeg, oostwaarts naar de boerderij gewezen?"

"Om hem van den weg af te brengen."

"Dus heeft hij u willen redden, en heeft zich een trouw kameraad getoond. Zijt gij zijner waardig geweest? Alleen de groote Manitou weet alles; mijn oog kan niet in uw binnenste doordringen. Kon het dat, dan zoudt gij u misschien voor mij moeten schamen. Ik zal zwijgen; uw God moge uw rechter zijn. Kent gij mij?"

"Neen," antwoordde Hartley met een bevende stem.

"Ik ben Winnetou, de Hoofdman der Apachen. Mijn hand is gericht tegen alle slechte menschen en mijn arm beschermt iedereen, die een goed geweten heeft. Ik zal op het oogenblik naar uw wond zien; maar nog noodiger dan dat is het mij, te vernemen, waarom de moordenaars omgekeerd zijn om u te volgen. Weet gij dat?"

Hartley had reeds dikwijls van Winnetou gehoord. Nu hij wist, dat die beroemde hoofdman voor hem stond, antwoordde hij op den beleefdsten toon dien hij in staat was aan te slaan: "Ik heb het u reeds gezegd. Zij wilden ons uit den weg ruimen, opdat wij niet zouden kunnen verraden, dat zij mij bestolen hebben."

"Neen. Als dat het geval was, zouden zij u dadelijk van kant gemaakt hebben. Het moet iets anders zijn, iets, dat hun eerst later in de gedachten is gekomen. Hadden zij u nauwlettend gevisiteerd?"

"Ja."

"En hadden zij u alles afgenomen? En uw kameraad ook?"

"Neen. Hij zei hun, dat hij een arme vluchteling was, en bewees hun dat met een brief, dien hij bij zich had."

"Een brief? Hebben zij dien gehouden?

"Neen; zij hebben dien aan hem teruggegeven."

"Waar heeft hij dien geborgen?"

"In den borstzak van zijn jas."

"Daar zit die niet meer. Ik heb al de zakken van den doode doorzocht, maar ik heb geen brief gevonden. Zij hebben hem dien dus afgenomen; en het is klaarblijkelijk, dat zij, om dien brief machtig te worden, omgekeerd zijn en u achtervolgd hebben."

"Dat kan ik bezwaarlijk denken," zei Hartley, zijn hoofd schuddende. De Indiaan gaf daarop geen antwoord. Hij haalde het lijk uit het bosch, en doorzocht al de zakken nogmaals. De doode zag er afzichtelijk uit, niet door de kogelwond, maar doordien ze zijn aangezicht met messneden volslagen onkenbaar gemaakt hadden. De zakken waren ledig; en ook zijn geweer hadden zij natuurlijk medegenomen.

De Indiaan staarde peinzend in de onafzienbare ruimte; toen zei hij op een toon van innige overtuiging: "Uw kameraad wilde naar Sheridan gaan, twee van de moordenaars zijn noordwaarts gereden; zij willen ook dus daarheen. Waarom hebben zij hem dien brief afgenomen? Omdat zij dien noodig hebben, omdat zij zich er van bedienen willen. Waarom hebben zij het aangezicht van den vermoorde afschuwelijk verminkt? Om hem onkenbaar te maken. Niemand moet weten, dat Haller dood is; hij mag niet dood zijn, omdat een der moordenaars zich in Sheridan voor Haller wil uitgeven."

"Maar met welk doel?"

"Dat weet ik niet! maar dat zal ik wel te weten komen."

"Wilt gij dan ook daarheen, hen achterna?"

"Ja. Ik wilde naar de Smokyhill-rivier, en Sheridan ligt niet ver daar vandaan. Als ik naar die plaats rijd, zal ik toch geen grooten omweg maken. Die bleekgezichten hebben iets kwaads in den zin, dat zij daar ten uitvoer denken te brengen. Misschien is het mij mogelijk daarvoor een stokje te steken. Gaat mijn blanke broeder met mij mee?"

"Ik wilde een dichtbij gelegen boerderij opzoeken, om er mijn arm tijd te geven om te kunnen genezen. Maar ik ging natuurlijk liever naar Sheridan. Misschien kreeg ik daar het geld, dat zij mij ontroofd hebben, nog wel terug."

"Dus wilt gij met mij meerijden?

"En mijn gekwetsten arm dan?"

"Dien zal ik onderzoeken. Op de boerderij vindt mijn blanke broeder wel verpleging, maar geen heelmeester; in Sheridan echter is bepaald heelkundige hulp te vinden. Doch ook Winnetou verstaat wel iets van het behandelen van wonden. Hij kan gesplinterde beenderen weer aaneen doen groeien, en heeft een voortreffelijk middel tegen wondkoorts. Laat mij uw arm maar eens zien."

De klerk had de armsmouw van den Yankee reeds opengetornd, zoodat het den patiënt niet moeilijk viel den arm te ontblooten. Winnetou onderzocht de wond, en verklaarde, dat die niet zoo gevaarlijk was als zij zich liet aanzien. Daar het schot zoo in de onmiddellijke nabijheid was afgevuurd, had de kogel het been niet gesplinterd, maar regelrecht doorboord. De Roodhuid haalde een gedroogde plant uit zijn zadeltasch, bevochtigde die, en legde die op de wond; toen sneed hij twee spalkhouten op maat, en verbond daarmede den arm zóó volgens de regelen van de kunst, dat de knapste chirurgijn het hem, met dezelfde eenvoudige hulpmiddelen, niet had kunnen verbeteren. Toen verklaarde hij: "Mijn broeder kan gerust met mij meerijden. De koorts zal in het geheel niet komen, of, in het slimste geval, althans niet voordat hij hoog en droog in Sheridan is."

"Maar willen wij niet eerst te weten zien te komen wat de derde moordenaar doet?" vroeg Hartley.

"Neen. Hij zoekt naar u, en als hij uw spoor vindt, zal hij omkeeren en de twee anderen volgen. Misschien doet hij dat niet, maar heeft hij nog andere kornuiten, die hij eerst opzoekt, om met hen naar Sheridan te rijden. Ik kom uit bewoonde streken, en heb vernomen, dat zich in de Kansas vele bleekgezichten die tramps genoemd worden, verzamelen. Het is mogelijk, dat de moordenaars tot die lieden behooren, en dat de tramps een aanslag op Sheridan willen beproeven. Wij hebben dus geen tijd te verliezen; wij moeten maken dat wij wegkomen, om de blanken daar te waarschuwen."

"Maar als die derde vijand naar hier terugkeert, zal hij ons spoor vinden en daaruit zien, dat wij zijn vrienden gevolgd zijn? Moet hij dan geen argwaan krijgen?"

"Wij volgen hen niet. Winnetou weet waar zij naar toe willen, en heeft dus hun spoor niet noodig. Wij rijden een anderen weg."

"En wanneer zullen wij dan te Sheridan aankomen?"

"Ik weet niet hoe mijn broeder paard rijdt."

"Nu, een kunstrijder ben ik natuurlijk niet. Ik heb nog maar weinig in het zaal gezeten; maar er uitwerpen laat ik mij niet."

"Dan mogen wij niet hollen; maar dat zullen wij inhalen door bestendig onzen weg te vervolgen. Wij rijden van nu af, den ganschen nacht door, en zullen morgenochtend vroeg de plaats onzer bestemming bereiken. Degenen, die wij achtervolgen, zullen des nachts bivakkeeren, en dus later aankomen dan wij."

"En wat moet er hier gebeuren met het lijk van den armen Haller?"

"Dat zullen wij begraven, en dan kan mijn broeder een gebed doen op het graf."

De grond had niet veel vastheid, zoodat men, in weerwil dat men geen ander graaftuig had dan messen, toch reeds spoedig een kuil had gemaakt van genoegzame diepte; en toen zij den doode daarin gelegd hadden, werd het lijk bedekt met de uitgegraven aarde. Daarop zette de Yankee zijn hoed af, en vouwde zijn handen samen. Of hij werkelijk daarbij bad, was te betwijfelen. De Apache staarde ernstig in de ondergaande zon. Het was alsof zijn oog aan gene zijde van het westen de eeuwige jachtgronden zocht. Hij was een heiden, maar hij, hij bad zeer stellig. Toen traden zij op de paarden aan.

"Mijn blanke broeder kan mijn dier nemen," zei de roodhuid. "Het heeft een zachten gang, gelijkmatig en effen als een kano in het water. Ik neem het andere."

Zij stegen te paard, en reden weg, eerst een eind weegs westelijk, en toen sloegen zij de richting in naar het noorden. De paarden hadden stellig reeds een goeden rit afgelegd, en liepen toch nog zoo vlug en opgewekt, alsof zij pas uit de weide gehaald waren.

De zon daalde lager en lager, en verdween eindelijk achter den horizon; de korte avondschemering ging spoedig voorbij, en toen werd het donkere nacht. Dit maakte den Yankee bang.

"Zult gij in zulk een volslagen duisternis niet verdwaald raken?"

"Winnetou raakt nooit verdwaald, bij nacht zoomin als bij dag. Hij is gelijk aan de ster, die zich altijd op de goede plaats bevindt, en kent alle oorden van het land zoo nauwkeurig, als een bleekgezicht al de kamers van zijn huis kent."

"Maar er zijn zooveel hindernissen, die men niet zien kan."

"Winnetou's oogen zien ook in den nacht. En wat hij zelf niet mocht opmerken, wordt in allen gevalle opgemerkt door zijn paard. Als mijn broeder maar niet naast mij, doch achter mij rijdt, zal zijn paard geen enkele misstap doen."

Het was ook inderdaad bewonderenswaardig, met welk een zekerheid paard en ruiter zich bewogen. Nu eens stapvoets, dan weer in den draf, van tijd tot tijd zelfs in galop, werd het eene uur voor en het andere na afgelegd en al wat hindernis geleek ontweken. Er waren moerassige plekken te vermijden en beken te doorwaden; men kwam boerderijen voorbij; en overal wist Winnetou waar hij zich bevond, geen oogenblik scheen hij in twijfel te staan omtrent de vraag "waar zijn wij nu?" Dit was een groote geruststelling voor den Yankee, die zich vooral ongerust had gemaakt over zijn arm; maar het wondkruid, dat er op lag, deed een wonderdadige werking. Hij voelde bijna in het geheel geen pijn, en had bijna over niets anders te klagen, dan over het ongemak van het rijden, waaraan hij niet gewoon was. Een enkelen keer nu en dan werd er aan een pleisterplaats aangelegd, om de paarden te laten drinken en ook het verband nat te houden met koud water. Na middernacht haalde Winnetou een stuk vleesch te voorschijn, dat Hartley moest opeten. Maar overigens ondervond men geen vertraging; en toen de toenemende kilheid den dageraad aankondigde, dacht de Yankee bij zich zelf, dat hij best nog eenige uren langer in den zadel kon zitten.

In het oosten begon de morgenschemering aan te breken; doch de omtrekken van het terrein waren nog niet te herkennen, daar er een dikke mist over de aarde hing.

"Dat zijn de nevelen van de Smokyhill-rivier," verklaarde de hoofdman. "Die zullen wij spoedig bereiken."

Men kon aan hem hooren, dat hij nog meer had willen zeggen; maar hij liet eensklaps zijn paard stilstaan, en luisterde naar links, van waar een snelle hoefslag in aantocht scheen. Dat moest de hoefslag zijn van een galoppeerend ruiter. En zoo was het. Daar kwam hij aan, en vloog voorbij, ventre à terre, pijlsnel als een bliksemflits. De twee hadden noch hem noch zijn paard gezien: enkel zijn donkere breedgerande hoed, die boven den dichten, op den grond hangenden mist zweefde, was een oogenblik zichtbaar geweest. Eenige seconden later was zelfs de hoefslag niet meer te hooren.

"Oef!" riep Winnetou verrast. "Een bleekgezicht! Zooals die man reed kunnen slechts twee blanken rijden, namelijk Old Shatterhand, maar die is niet hier, want dien zal ik ontmoeten, boven, aan het Zilvermeer; de tweede is Old Firehand. Zou die op dit oogenblik in Kansas zijn? Zou die het geweest zijn?"

"Old Firehand?" zeide de Yankee. "Dat is een hoogberoemde naam."

"Hij en Old Shatterhand zijn de beste en dapperste, en tevens de meest in de school der ondervinding gerijpte bleekgezichten, die Winnetou kent. Hij is hun vriend."

"De man scheen buitengewoon veel haast te hebben. Waar zou hij naar toe willen?"

"Naar Sheridan, want zijn weg is ook de onze. Links ligt Eagle-tail, en voor ons krijgen wij het wad, dat we door moeten om over de rivier te komen. Daar zullen we in eenige minuten zijn. En in Sheridan zullen we wel te weten komen wie die ruiter geweest is."

De mist begon op te trekken; die werd door den ochtendwind uiteengedreven, en weldra zagen de twee de Smokyhill-rivier voor zich liggen. Ook hier bleek de buitengewone plaatselijke kennis van den Apache. Hij bereikte den oever juist op de plek, waar de waadbare plaats zich bevond. Het water kwam hier nauwelijks tot aan den buik der paarden, zoodat het zeer gemakkelijk en volstrekt niet gevaarlijk was, die rivier over te steken.

Aan de overzijde aangekomen, moesten de ruiters dwars door een bosch, dat zich langs de rivier uitstrekte, en reden vervolgens weer door een open grasland, totdat zij Sheridan, het doel van hun reis, in het oog kregen.

NEGENDE HOOFDSTUK.

LIST EN TEGENLIST.

Sheridan was ten tijde waarin ons verhaal speelt, niets anders dan een tijdelijke nederzetting van spoorwegwerkers. Er stond een menigte van steenen-, aarden- en blokhuizen, zeer primitieve voortbrengselen van bouwkunst; boven de deur kon men hier en daar de hoogdravendste opschriften lezen. Men zag er hotels en salons, in welke, in het beschaafde deel van Europa, de geringste ambachtsman niet zou willen wonen. Er waren ook eenige allerliefste houten woningen, zoodanig samengesteld, dat ze te allen tijde uiteengenomen en op een andere plaats weer ineengezet konden worden. Het grootste van die gebouwen stond op een hoogte, en droeg den reeds van verre af zichtbaren naam "Charles Charoy, Ingenieur." Daarheen reden de twee; zij stegen af aan de deur, waar een Indiaansch gezadeld en opgetoomd paard vastgebonden stond.

"Oef!" zei Winnetou, toen hij dien viervoeter met het oog van een kenner bekeek. "Dat paard is een goed ruiter waard. Het is stellig het paard van dat bleekgezicht, dat ons voorbij is gereden."

Zij stegen af en bonden hun paarden insgelijks vast. Er was geen mensch in de nabijheid; en toen zij de nederzetting overkeken, zagen zij ver-af drie of vier personen, die zoo vroeg reeds in den ochtend geeuwende naar buiten kwamen en naar de lucht opzagen om te zien welk weer het was. Maar de deur stond open, en zij traden binnen. Een jonge neger kwam hen te gemoet, en vroeg wat zij verlangden. Nog eer zij op die vraag konden antwoorden, ging er op zij een deur open en kwam daar een nog jeugdig uitziende blanke te voorschijn, die den Apache aanstaarde met een paar vriendelijke verwonderde oogen. Dat was de ingenieur. Zijn naam, zijn bruinachtige tint en zijn donkere krulhaar deden vermoeden, dat hij afstammeling was van een oorspronkelijk Fransche familie in een der zuidelijke staten van de Unie.

"Wien zoekt gij hier zoo vroeg, messieurs?" vroeg hij, terwijl hij voor den Roodhuid een zeer beleefde buiging maakte.

"Wij zoeken den ingenieur Mr. Charoy, antwoordde deze in vloeiend Engelsch, waarbij hij zelfs den Franschen naam volkomen goed uitsprak.

"Well, dat ben ik. Weest zoo goed, en komt binnen."

Hij trad achteruit weer de kamer in, zoodat de anderen hem konden volgen. Het vertrek was klein en eenvoudig gemeubeld. De op de meubelen liggende schrijfbehoeften deden vermoeden, dat dit het kantoor van den ingenieur was. Deze schoof hun ieder een stoel toe, en wachtte toen met zichtbare nieuwsgierigheid wat zij hem te zeggen hadden. De Yankee ging zonder plichtplegingen zitten; de Indiaan bleef nog wellevend staan, knikte als groetend tegen den mooien krullekop, en begon: "Sir, ik ben Winnetou, de hoofdman der Apachen ..."

"Is mij reeds bekend, is mij reeds bekend," viel de ingenieur hem in de rede.

"Is dat u reeds bekend, sir?" vroeg de Roodhuid. "Hebt gij mij dan al meer gezien?"

"Neen, maar daarbinnen zit iemand, die u kent, en die u door het raam zag aankomen. Het doet mij bijzonder veel genoegen, met den beroemden Winnetou kennis te maken. Ga zitten, asjeblieft; en zeg mij, waaraan ik dit bezoek te danken heb; daarna zal ik u uitnoodigen mijn gast te willen zijn."

De Indiaan nam plaats op den stoel, en antwoordde: "Kent gij een bleekgezicht, dat beneden in Kinsley woont en Bent Norton heet?"

"Ja, zeer goed. Die man is een mijner beste vrienden," was het antwoord.

"En kent gij dan ook zijn klerk, het bleekgezicht Haller?"

"Neen. Sedert, mijn vriend te Kinsley woont, heb ik hem nog niet bezocht."

"Die klerk zal vandaag met nog een blanke bij u komen, om u een aanbevelingsbrief van Norton te brengen. Gij zult den eene op uw kantoor aanstellen, en ook aan den andere zult gij werk geven. Maar als gij dat doet zult gij u aan een groot gevaar blootstellen."

"Hoe zoo dat?"

"Ja, precies weet ik dat op dit oogenblik nog niet te zeggen. Die twee bleekgezichten zijn moordenaars. Als gij een verstandig man zijt, zullen wij, zoodra zij met u gesproken hebben, kunnen raden wat zij in hun schild voeren."

"Zij zullen mij toch niet willen vermoorden?" zei Charoy schertsend, met een lachje.

"Misschien ook dat wel," antwoordde Winnetou ernstig. "En niet alleen u, maar nog anderen ook. Ik houd hen voor tramps."

"Voor tramps?" vroeg de ingenieur schielijk. "O, dat verandert. Ik heb daarstraks juist vernomen, dat een bende tramps naar Eagle-tail en naar hier wil, om ons te berooven. Die kerels hebben het op onze kas gemunt."

"Van wien hebt gij dat vernomen?"

"Van ... of neen, het is beter dat ik den man niet noem, maar dat ik hem aan u voorstel in persoon."

Er gleed een glans van vergenoegen over zijn gelaat, dat hij den Roodhuid een aangename verrassing bereiden kon. Hij opende de deur van het aangrenzende vertrek, en Old Firehand trad te voorschijn. Als de ingenieur verwacht had dat de roodhuid zijn hart zou luchten in een vloed van woorden, was hij volstrekt niet bekend met de gewoonten der Indianen. Geen krijgsman der Roodhuiden zal ooit in tegenwoordigheid van anderen uiting geven aan zijn gewaarwordingen, zoomin van blijdschap als van leedgevoel. Wel fonkelden de oogen van den Apache, maar voor het overige bleef hij doodbedaard; hij trad op den jager toe, en stak hem de hand toe. Deze trok hem aan zijn breede borst, kuste hem op zijn beide wangen en zei op een toon van blijde aandoening: "Mijn vriend, mijn waarde, waarde broeder! Hoe groot was mijn blijdschap, toen ik u zag aankomen en van uw paard afstijgen. In hoe lang hebben wij elkander niet gezien!"

"Ik heb u van morgen gezien toen de dag aanbrak," antwoordde de Indiaan, "toen gij ons aan de andere zijde der rivier voorbijgevlogen zijt in een zee van mist!"

"En gij hebt mij niet aangeroepen!"

"De mist omhulde u zoo, dat ik u niet goed herkennen kon, en als een stormwind over de vlakte waart gij voorbij."

"Ik moest hard rijden, om eer hier te komen dan de tramps. Ook moest ik dezen rit zelf doen; want het gold een zaak van zooveel gewicht, dat ik die niet kon toevertrouwen aan een ander. Er zijn over de tweehonderd tramps in aantocht."

"Dan heb ik mij niet vergist. De moordenaars zijn de bespieders, die door hen vooruit zijn gezonden."

"Mag ik van u hooren hoe eigenlijk met die lieden de vork in den steel zit?"

"De hoofdman der Apachen is geen man van de tong, maar van de daad. Doch hier is een bleekgezicht, die u alles vertellen zal."

Dit zeggende wees hij op Hartley, die verhaalde wat hij den dag te voren beleefd had.

Daarna deelde Old Firehand, in het kort zijn ontmoetingen mee met den roodharigen kornel, eerst op de stoomboot, toen bij de rafters, en eindelijk op de Boerderij van Butler. Daarop liet hij zich een beschrijving geven van den hoofdpersoon der drie tramps, dat wil zeggen van hem, die den klerk doodgeschoten had en daarop van de twee anderen afgegaan was. Toen het den Yankee gelukt was een tamelijk nauwkeurige beschrijving van den persoon te geven, zei de jager: "Ik zou durven wedden, dat het de kornel geweest is. Hij zal zijn haar zwart geverfd hebben. Ik heb goede hoop, dat ik hem eindelijk toch in mijn handen zal krijgen."

"Dan zullen hem zijn streken wel afgeleerd worden," zei de ingenieur wrevelig. "Meer dan tweehonderd tramps! Wat zou dat een moorden en brandstichten en vernielen gegeven hebben! Messieurs! Gij zijt onze redders, en ik weet niet hoe ik u danken zal! Die kornel is stellig op de eene of andere manier te weten gekomen, dat ik de noodige gelden voor een vrij lang tijdsbestek ontvang, en dat ik daarvan de uitbetaling doe aan mijn collega's. Nu ik gewaarschuwd ben, kan hij komen met zijn tramps: wij zullen klaar zijn om hem te ontvangen."

"Waan u maar niet al te veilig!" waarschuwde Old Firehand. "Tweehonderd desperate kerels hebben altoos iets te beteekenen."

"Dat is wel mogelijk; maar in een paar uur tijds kan ik een groote duizend baanwerkers bijeen hebben."

"Die goed gewapend zijn?"

"Allen hebben een of ander vuurwapen bij zich. En overigens kunnen messen en spaden óók nog dienst doen."

"Spaden en schoppen tegen tweehonderd geweren? Dat zou een bloedvergieten worden, hetwelk ik niet gaarne voor mijn verantwoording zou nemen."

"Nu, dan krijg ik van Fort Wallace met alle pleizier een honderdtal soldaten, om ons te helpen."

"Uw moed is prijzenswaardig, Sir! Maar list is toch altijd beter dan geweld. Als ik den vijand door list onschadelijk kan maken, waarom zal ik dan zooveel menschenlevens opofferen?"

"Welke list bedoelt gij, sir? Ik wil gaarne doen wat gij mij aanraadt. Gij zijt een heel ander man, dan ik ben; en als gij wilt ben ik dadelijk bereid, het commando over deze plaats en over mijn ondergeschikten aan u af te staan."

"Niet zoo haastig, sir! Wij moeten overleggen. In de allereerste plaats moeten de tramps niet op het idee kunnen komen, dat gij gewaarschuwd zijt. Zij moeten dus niet weten dat wij ons hier bevinden. Ook onze paarden moeten zij niet zien. Is er geen middel om de dieren ergens te plaatsen waar ze buiten het gezicht zijn?"

"Die kan ik terstond laten verdwijnen, sir!"

"Maar zoo, dat wij hen gemakkelijk bij de hand hebben?"

"Ja, gelukkigerwijze zijt gij zoo vroegtijdig in den ochtend hier aangekomen, dat niemand van het werkvolk u gezien heeft. Van hen kunnen de spionnen dus niets te weten komen. Mijn neger, op wiens trouw en stilzwijgen ik mij verlaten kan, zal de paarden wel in veiligheid brengen en goed verzorgen."

"Goed; wil hem dat maar gelasten! En gij zelf moet u het lot van dezen master Hartley aantrekken. Geef hem een bed, waar hij de hem noodige rust kan genieten. Maar geen mensch mag weten dat hij hier is, geen mensch, behalve gij, de neger en de dokter. Gij hebt immers een dokter hier?"

"O ja. Ik zal hem dadelijk laten halen."

Hij verwijderde zich met den Yankee die blijde was, dat hij een poos rust zou kunnen nemen. Toen de ingenieur na verloop van eenigen tijd terugkwam om te zeggen, dat de gekwetste en de paarden goed bezorgd waren, zeide Old Firehand: "Ik heb alle beraadslaging in bijzijn van dien kwakzalver willen vermijden, want ik vertrouw hem niet. Er is in zijn verhaal een duister punt. Ik ben overtuigd, dat hij dien armen klerk met opzet den dood in den mond heeft laten loopen, ten einde zich zelf te kunnen redden. Met zulke menschen wil ik niets te maken hebben. Nu zijn wij onder ons, en weten bepaald, dat wij ons op elkaar kunnen verlaten."

"Hebt gij ons dan een plan mee te deelen?" vroeg de ingenieur met merkbare belangstelling.

"Neen. Een plan kunnen wij niet maken, voordat wij weten wat de tramps eigenlijk in hun schild voeren en hoe zij hun aanslag denken te beproeven. En dat kunnen we eerst te weten komen, als de door hen uitgezonden spionnen met u gesproken hebben."

"Dat is zoo. Wij zullen dus voorloopig geduld dienen te hebben."

Nu hief Winnetou zijn hand omhoog ten teeken, dat hij van een ander gevoelen was, en zei: "Ieder krijgsman kan op tweeërlei manieren strijden: hij kan aanvallenderwijze te werk gaan, of verdedigenderwijze. Als Winnetou niet weet hoe en òf hij zich verdedigen kan, valt hij den vijand liever aan. Dat is sneller, zekerder en ook dapperder."

"Dus wil mijn roode broeder van het plan der tramps in het geheel niet weten?" vroeg Old Firehand.

"Dat plan zal hij tòch wel te weten komen; maar waarom zou de hoofdman der Apachen zich laten dwingen om naar hun plan te werk te gaan, indien het hem gemakkelijk is, hen te dwingen om zich naar het zijne te regelen?"

"O, gij hebt dus reeds een plan?"

"Ja. Dat is van nacht onder het rijden bij mij opgekomen, en het is tot uitvoerbaarheid gerijpt, toen ik hoorde wat de tramps vroeger gedaan hebben. Die wezens zijn geen krijgslieden, met wie men eervol strijd voeren kan; het zijn schurftige honden, die men met stokken moet doodslaan. Waarom moet ik wachten, tot zulk een hond mij bijt, als ik hem vóór dien tijd met één slag dooden of in een val wurgen kan?"

"Kent gij zulk een val voor zulk een menigte tramps?"

"Ja, ik ken er een en wij moeten hen daarin lokken. Die coyoten komen om de kas leeg te plunderen. Is de kas hier, dan zullen ze hier komen, is die ergens anders, dan zullen ze die daar zoeken; en zit die in den vuurwagentrein, dan zullen zij dien trein bestormen en er mee in hun verderf rijden, zonder dat zij de menschen, die hier wonen, in het minst of geringst gemoeid hebben."

"O, nu begin ik het te begrijpen!" sprak Old Firehand. "Welk een plan! Om zoo iets uit te denken moet men een Winnetou zijn! Uw bedoeling is dus, dat wij de kerels in den trein moeten lokken?"

"Juist. Winnetou heeft geen verstand van het vuurpaard, en weet niet hoe het gemend moet worden. Hij heeft het idee aan de hand gedaan, en nu kunnen zijn blanke broeders er over nadenken."

"Hen in een trein lokken?" vroeg de ingenieur. "Waar zou dat toe dienen. Wij kunnen hen immers hier afwachten en vernietigen, hier op den beganen grond.

"Waarbij echter menigeen der onzen het leven zou inschieten," hernam Old Firehand. "Stormen zij daarentegen den trein in, zooals ik verwacht, dan kunnen we hen naar een plaats brengen, waar zij zich moeten overgeven, zonder ons te kunnen schaden."

"Maar zij zullen den trein niet ingaan!"

"Dat zullen zij wel, als wij er hen maar inlokken met de kas."

"Zou ik dan de kas in den trein moeten doen?"

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us