De drie steden: Rome (part 3 of 3)
"Ja, pastoor Santobono van de Santa Maria del Campi... Als hij komt, vraagt hij altijd naar abbé Paparelli, met wien hij tegelijk op het seminarie geweest is. Gisterenavond ook heeft abbé Paparelli hem met zijn mandje bij ons in de keuken gebracht... Dat mandje! Stel u voor, dat we heelemaal vergeten hadden het op de tafel van Zijne Eminentie te zetten, zoodat niemand de vijgen gegeten zou hebben, als abbé Paparelli ze niet was komen halen en ze met een ware vroomheid, als droeg hij het Heilige Sacrament, naar boven gebracht had... Zijne Eminentie houdt er ook zoo van!"
"Nou, ik geloof niet, dat mijn broer er vanmiddag erg in zal happen, want hij heeft last van zijn ingewanden."
Bij het telkens weer terugkomen van den naam Paparelli was zij nadenkend geworden. De sleepdrager met zijn slap en gerimpeld gezicht, zijn dikke, korte gestalte als van een oude jongejuffrouw in een zwarte rok, wekte haar wantrouwen op, sedert zij de groote macht, die hij, ondanks zijn nederigheid en zijn op den achtergrond blijven, op den kardinaal kreeg, opgemerkt had. Hij was niet meer dan een bediende, schijnbaar de geringste, en toch heerschte hij; zij voelde, dat hij haar eigen invloed bestreed en dikwijls ongedaan maakte, wat zij voor den triomf der eerzucht van haar broeder tot stand gebracht had. Het ergste was, dat zij hem reeds een jaar had moeten verdenken hem tot handelingen aangezet te hebben, die zij als grove fouten beschouwde. Misschien had zij zich vergist en zij liet hem de gerechtigheid wedervaren te erkennen, dat hij enkele deugden had en buitengewoon vroom was.
Intusschen bleef Benedetta schertsen en lachen. Toen Victorine weg was, riep zij den knecht:
"Giacomo, je moet even een boodschap voor mij doen..."
Zij viel zichzelf in de rede, om tegen haar tante te zeggen:
"We zullen onze rechten laten gelden... Ik zie ze voor mij, zooals ze daar bijna beneden ons aan tafel zitten. Zij moeten even als wij aan het dessert zijn. Oom licht de blaadjes op, bedient zich met een glimlachje, geeft het mandje aan Dario, die het weer aan don Vigilio geeft. En nu eten ze alle drie met ernstig, nadenkend gelaat... Ziet u ze niet? Ziet u ze niet?"
Zij zag ze; het verlangen in de nabijheid van Dario te te zijn, haar voortdurend naar hem toevliegende gedachten riepen hem zoo met de twee anderen voor den geest. Haar hart was beneden, zij zag, zij hoorde, zij voelde met al de fijngevoelige zintuigen van haar liefde.
"Giacomo, ga naar beneden en zeg aan Zijne Eminentie, dat wij ook zoo graag eens van de vijgen zouden proeven en dat het heel vriendelijk van hem zijn zou, als hij degene, die hij niet meer lust, aan ons wil geven."
Maar weer kwam donna Serafina, die haar strenge stem teruggevonden had, tusschenbeide:
"Je blijft hier, Giacomo!"
En zich dan tot haar nicht wendend:
"En nu genoeg van die kinderachtigheden!... Ik houd volstrekt niet van die flauwiteiten!"
"Kom, tante, ik ben ook zoo gelukkig, ik heb in geen tijd zoo van harte gelachen!"
Pierre had tot dusverre slechts geluisterd; het maakte hem zelf vroolijk haar zoo vroolijk te zien. Toen nu een kleine, kille stilte ontstond, begon hij te spreken en vertelde, hoe hij zelf ook verbaasd geweest was den vorigen dag, zoo laat in den tijd, nog vruchten gezien te hebben aan den beroemden vijgeboom van Frascati. Het kwam zeker, doordat de boom door dien hoogen muur beschermd werd.
"Zoo, hebt u den beroemden vijgeboom gezien?" vroeg Benedetta.
"Ja, en ik heb zelfs gereisd met de vijgen, waar u zoo'n trek in hebt!"
"Gereisd met de vijgen?"
Reeds speet het hem, dat hij zich die woorden had laten ontvallen, maar hij vond het toch beter nu alles te zeggen.
"Ja, ik ontmoette er iemand, die per rijtuig naar Frascati gekomen was en met alle geweld wilde, dat ik met hem naar Rome terugreed. Onderweg hebben we pastoor Santobono, die dapper met zijn mandje te voet naar Rome ging, opgenomen... Zelfs hebben we nog een oogenblik in een osteria gezeten..."
Hij vertelde verder van den tocht en van zijn indrukken van de in de avondschemering gehulde campagna. Maar Benedetta keek hem strak aan, want zij wist heel goed, dat Prada ieder oogenblik voor zijn bouwspeculaties naar Frascati ging.
"Iemand, iemand?" prevelde zij; "de graaf zeker!"
"Ja, mevrouw, de graaf!" antwoordde Pierre eenvoudig. "Vannacht heb ik hem weer gesproken. Hij was geheel van streek, en men moet medelijden met hem hebben."
De jonge priester sprak deze barmhartige woorden in de overvloeiende liefde, die hij over alle wezens en dingen had willen uitgieten, met zoo diepe en natuurlijke ontroering uit, dat de beide dames er zich niet beleedigd door gevoelden. Donna Serafina bleef roerloos zitten en deed alsof zij het niet gehoord had, terwijl Benedetta door een gebaar te kennen scheen te willen geven, dat zij noch haat noch medelijden behoefde te gevoelen voor een man, die haar totaal vreemd geworden was. Toch lachte zij niet meer en zeide eindelijk, terwijl zij aan het mandje dacht, dat in het rijtuig van Prada medegekomen was:
"Ik heb heelemaal geen trek meer in die vijgen en ben nu maar blij, dat ik er niet van gegeten heb."
Onmiddellijk na de koffie verliet donna Serafina hen in de haast, die zij had, om naar het Vaticaan te gaan. Toen Benedetta en Pierre alleen waren, bleven zij, weer vroolijk geworden, nog een oogenblik als goede vrienden praten. De priester begon weer over zijn audiëntie van dien avond. Het was nauwlijks twee uur, dus had hij nog zeven uur voor zich. Hoe zou hij dien eindeloozen middag door moeten komen? Toen kreeg zij een aardigen inval.
"Weet u wat?" zeide zij. "Nu we allen zoo gelukkig zijn, moesten we elkaar niet verlaten... Dario heeft zijn eigen rijtuig. Hij zal nu wel klaar zijn met zijn dejeuner, ik zal hem zeggen, dat hij een grooten rit langs den Tiber met ons moet gaan maken."
Verrukt over dat mooie plan, klapte zij in haar handen. Maar juist op dat oogenblik kwam don Vigilio met een verschrikt gezicht binnen.
"Is de prinses niet hier?"
"Neen, tante is uitgegaan... Wat is er?"
"Zijne Eminentie stuurt me... De prins is na tafel onwel geworden... O niets ernstigs natuurlijk."
Zij gaf een gil, meer van verbazing dan van ongerustheid.
"Wat, Dario?... Maar dan komen we allemaal beneden. Ga mee, mijnheer de abbé! Hij mag niet ziek zijn, want hij moet met ons uit."
Toen zij op de trap Victorine zag, moest deze ook mede.
"Dario voelt zich niet lekker... We zullen je misschien noodig hebben."
Alle vier gingen zij de groote, ouderwetsche, eenvoudige kamer binnen, waarin de jonge man door zijn schouderwonde een maand lang aan het ziekbed gekluisterd was geweest. Men kwam er door een kleinen salon, een van de daarnaast liggende toiletkamer uitgaande gang verbond die vertrekken met de appartementen van den kardinaal: de betrekkelijk smalle eet-, slaap- en werkkamer, die men door het aanbrengen van beschotten uit een van de vroeger groote zalen gemaakt had. Verder was er nog de kapel, die met een deur op de gang uitkwam, een eenvoudig, kaal vertrek, waarin zich een altaar van beschilderd hout bevond, maar geen tapijt, geen stoel--niets dan de harde, koude vloer, om te knielen en te bidden.
Benedetta liep naar het bed, waarop Dario geheel gekleed lag. Naast hem stond in vreeselijke zorg kardinaal Boccanera, die, ondanks zijn beginnende ongerustheid zijn trotsche houding, de rust van een verheven ziel, die zich niets te verwijten heeft, bewaarde.
"Wat is er, Dario, wat scheel je?"
Maar de prins, die haar wilde geruststellen, glimlachte. Hij zag bleek en maakte den indruk van iemand, die dronken is.
"O, het is niets, een flauwte... Stel je voor, ik heb precies een gevoel, alsof ik te veel gedronken heb... Plotseling begon het voor mijn oogen te draaien en was het, alsof ik zou vallen... Ik had nog maar net den tijd, om naar mijn bed te komen."
Hij ademde diep als iemand, die behoefte aan lucht heeft. Dan vertelde de kardinaal op zijn beurt enkele bijzonderheden.
"We waren juist klaar, ik gaf don Vigilio orders voor vanmiddag en stond op het punt van tafel op te staan, toen ik Dario zag wankelen... Hij wilde weer gaan zitten, maar liep met onzekere stappen als een slaapwandelaar rond, terwijl hij tastend de deuren openmaakte. Zonder er iets van te begrijpen, gingen we hem na. Ik zoek nog steeds, maar begrijp het niet."
Met een gebaar gaf hij zijn verbazing te kennen en wees op de kamer, waardoor een plotselinge ongelukswind scheen gewaaid te hebben. Alle deuren waren wijd open blijven staan, men zag achter elkaar de toiletkamer, dan de gang en aan het eind daarvan de eetkamer in de wanorde van een vertrek, dat men plotseling verlaten heeft, met de nog gedekte tafel, de weggeworpen servetten, de achteruitgeschoven stoelen. Toch was men nog niet bang.
Hardop zeide Benedetta het in zulke gevallen gewone gezegde:
"Als je maar niets verkeerds gegeten hebt!"
Maar met een tweede gebaar zeide de kardinaal glimlachend:
"Neen, dat kan niet. Eieren, lamscoteletten en een bord zuring zullen zijn maag niet overladen hebben. Ik drink nooit iets anders dan water en hij hoogstens een paar slokjes witte wijn... Neen, met het eten heeft het niets te maken."
Dario, die een oogenblik zijn oogen dicht gedaan had, sloeg ze weer open, ademde opnieuw diep en trachtte te glimlachen.
"Kom, kom, het zal niets zijn, ik voel me al weer veel beter. Ik moet een beetje beweging hebben."
"Luister dan even naar het plan, dat ik gemaakt heb... Je moet met mij en den abbé een grooten toer gaan maken in de Campagna."
"Graag, een prachtig idee... Victorine help me even!"
Hij had zich opgericht, waarbij hij pijnlijk op zijn pols steunde. Maar voor de huishoudster bij hem was, kreeg hij een kramp en viel hij, als door een flauwte getroffen, weer neer. De kardinaal, die aan den rand van het bed was blijven staan, ving hem in zijn armen op, terwijl de contessina ditmaal haar hoofd verloor.
"God, God, alweer... Ga gauw een dokter halen!"
"Wil ik het doen?" vroeg Pierre, die zich ook ongerust begon te maken.
"Neen, neen, u niet, u moet hier blijven... Victorine zal het doen, die weet den dokter te wonen... Dokter Giordano, hoor Victorine!"
De huishoudster ging weg en een zware stilte viel in het vertrek, waarin een huivering van angst van minuut tot minuut sterker werd. Benedetta was, doodelijk bleek, weer naar het bed gegaan, terwijl de kardinaal, die Dario, wiens hoofd op zijn schouders gevallen was, in zijn armen bleef houden, strak naar hem keek. Een vreeselijk vermoeden, vaag en onbepaald nog, was in hem opgerezen: het kwam hem voor dat Dario's gezicht grauw was en dezelfde verschrikt-angstige uitdrukking had, die hij bij zijn besten vriend monsignor Gallo, had opgemerkt, toen hij hem twee uur vóór zijn dood, op deze zelfde wijze aan zijn borst gesteund had. Het was dezelfde flauwte, hetzelfde gevoel, dat hij nog slechts het koud lichaam van een geliefd wezen, wiens hart niet meer klopte, in zijn armen drukte, maar voor alles werd de gedachte aan vergif sterk in hem, het vergif, dat uit het donker komt en als een bliksemstraal in het donker treft. Langen tijd bleef hij zoo over het gezicht van zijn neef, den laatste van zijn geslacht, gebogen staan, zocht, ging na en vond de symptomen van het mysterieuse en onverzoenlijke, dat hem reeds de helft van zijn eigen ik ontnomen had.
Maar fluisterend smeekte Benedetta:
"Oom, u zult zoo moe worden... Laat ik hem een poosje vasthouden... Neen, u behoeft niet bang te zijn, ik zal het heel zacht doen, hij zal voelen, dat ik het ben, en dat zal hem misschien weer wakker doen worden."
Eindelijk hief hij zijn hoofd op, keek haar aan en stond haar zijn plaats af na haar met oogen vol tranen tegen zich aan gedrukt en gekust te hebben. Een plotselinge ontroering had zich van hem meester gemaakt, waarin de warme liefde, die hij voor haar voelde, de starre koude, die hij gewoonlijk huichelde, smelten deed.
"Mijn arm kind, mijn arm kind!" stamelde hij, bevend als een ontwortelde eik.
Onmiddellijk echter beheerschte hij zich weer, en terwijl Pierre en Vigilio onbeweeglijk en zwijgend en wanhopig, dat zij niets konden doen, wachtten of men hen misschien noodig zou kunnen hebben, begon hij langzaam door de kamer op en neer te loopen. Dan scheen echter de kamer voor de gedachten, die in zijn hoofd woelden, te klein te worden, en liep hij achtereenvolgens de toiletkamer, de gang en de eetkamer in. Steeds ging hij zoo op en neer, steeds kwam hij weer terug, ernstig, zonder een spier op zijn gelaat te vertrekken, met gebogen hoofd, verzonken in dezelfde sombere overpeinzing. Welk een wereld van gedachten woelde in het brein van dezen geloovige, van dezen hooghartigen prins, die zich aan God gegeven had en machteloos was tegen het onvermijdelijke lot? Nu en dan ging hij naar het bed terug, overtuigde zich van de vorderingen, die het vergif maakte, zag aan het gelaat van Dario hoe ver het met de crisis stond, en ging dan weer met dezelfden regelmatigen stap weg, verdween en kwam weer terug, als voortgedreven door de monotone regelmatigheid der krachten, die de mensch niet vermag tegen te houden. Misschien vergiste hij zich, misschien was het maar een eenvoudige ongesteldheid, waarom de dokter zou lachen. Hij moest hopen en verder afwachten. En zoo ging hij steeds weer weg en kwam hij steeds weer terug, en niets kon te midden der drukkende stilte, angstaanjagender klinken dan de rhythmische stappen van dezen grooten grijsaard, die het noodlot wachtte.
De deur ging weer open en Victorine kwam buiten adem binnen.
"Ik heb den dokter gevonden, hier is hij!"
Met zijn lachend gelaat, zijn klein blozend, door witte lokken omlijst gezicht, zijn vaderlijke gestalte, die hem de allures van een vriendelijken prelaat gaven, kwam dokter Giordano binnen. Maar zoodra hij de kamer en alle deze angstige menschen, die op hem wachtten, gezien had, werd hij ook ernstig en nam de gesloten houding, den volkomen eerbied voor de kerkelijke geheimen aan, die hij door zijn groote praktijk onder geestelijken geleerd had. Nauwelijks had hij een blik op den zieke geworpen, of hij liet zich de gefluisterde woorden ontvallen:
"Alweer? Begint het nu opnieuw?"
Ongetwijfeld zinspeelde hij op den messteek, dien hij onlangs behandeld had. Wie had het toch zoo voorzien op dezen armen jongen man, die niemand kwaad deed en niemand lastig viel? Niemand, behalve Pierre en Benedetta, konden zijn woorden begrijpen; en deze laatste verkeerde in zoo'n koortsachtig ongeduld, dat zij hem niet eens verstond.
"Dokter," smeekte zij, "onderzoek hem gauw en zeg, dat het niets te beteekenen heeft... Het kan niets zijn; daareven was hij nog zoo gezond en vroolijk... Het is niets, het is niets, niet waar?"
"Welneen, contessina, het zal zeker niets zijn... We zullen eens kijken."
Hij had zich omgedraaid en boog diep voor den kardinaal, die met zijn gelijkmatigen droompas uit de eetkamer terugkwam en onbeweeglijk aan het voeteneinde van het bed ging staan. Ongetwijfeld las hij in de oogen, die zich op de zijne richtten, een doodelijke ongerustheid, want hij zeide verder niets en begon als iemand, die de waarde der minuten heeft leeren kennen, Dario te onderzoeken. En naarmate zijn onderzoek vorderde, kreeg zijn vriendelijk optimistisch gezicht een bleeken ernst, een doffen angst, die zich slechts verried in het beven van zijn lippen. Hij was het ook geweest, die monsignor Gallo gedurende den aanval bijgestaan had, waaraan deze gestorven was, een aanval van infectiekoorts, zooals zijn diagnose voor de overlijdensaangifte geluid had. Ongetwijfeld herkende ook hij dezelfde angstaanjagende symptomen: het als lood zoo grijze gezicht, de wezenloosheid als van een vreeselijke dronkenschap, en als oud Romeinsch geneesheer, die aan plotselinge sterfgevallen gewend is, voelde hij de lucht langs zich strijken, die doodt, zonder dat de wetenschap nog uitgemaakt heeft of het de verpestende uitwasemingen van den Tiber of het eeuwenoude vergif der legende is.
Maar nu keek hij weer op en opnieuw ontmoette zijn blik den donkeren blik van den kardinaal, die niet van hem week.
"Mijnheer Giordano," vroeg deze eindelijk; "u maakt u toch, hoop ik, niet al te ongerust... Het is zeker niets dan een indigestie?"
De dokter boog een tweede maal. Aan het lichte beven van de stem raadde hij den wreeden angst van dezen machtigen man, die opnieuw in de gevoeligste plek van zijn hart getroffen werd.
"Uwe Eminentie moet gelijk hebben, het is zeker een indigestie. Soms zijn zulke gevallen, wanneer er koorts bij komt, gevaarlijk... Ik behoef Uwe Eminentie niet te zeggen, dat u op mijn voorzichtigheid en ijver rekenen kunt..."
Hij hield even op, om dadelijk daarop op den beslisten toon van een ervaren arts verder te gaan:
"De tijd dringt; we moeten den prins ontkleeden en vlug handelen. Laat me een oogenblik alleen, dat heb ik liever."
Victorine hield hij echter om te helpen. Als hij nog iemand anders noodig had, zou hij Giacomo roepen. Het bleek duidelijk, dat hij de familie uit de kamer wilde verwijderen, om vrijer en zonder hinderlijke getuigen te zijn. De kardinaal begreep het en leidde Benedetta zacht naar de eetkamer, waarheen Pierre en don Vigilio hen volgden.
Toen de deuren weer dicht waren, heerschte in deze eetkamer, die de heldere winterzon met heerlijk licht en heerlijke warmte vulde, de benauwendste en drukkendste stilte, die men zich denken kan. De tafel was nog steeds gedekt; de borden stonden door elkaar, het laken lag nog vol kruimels, een kop was nog half vol met koffie en in het midden stond de mand met vijgen, waarvan de bladeren weggenomen waren, doch waaruit slechts twee of drie vruchten ontbraken. Voor het raam zat in een grooten, gelen zonnestraal, waarin zonnestofjes dansten, Tata, de papegaai, die men uit zijn kooi gelaten had, verrukt en door het licht verblind op zijn stok. Toch had zij, verwonderd zooveel menschen te zien binnenkomen, opgehouden met schreeuwen en met haar snavel haar veeren glad te strijken; heel verstandig keerde zij haar kop half om, om de menschen met haar rond en onderzoekend oog beter te kunnen opnemen.
Minuten, waaraan geen einde scheen te komen, verstreken in het koortsachtige wachten op wat daar in die kamer ernaast gebeurde. Don Vigilio was zwijgend terzijde gaan zitten, terwijl Benedetta en Pierre zwijgend en onbeweeglijk bleven staan. De kardinaal had zijn eindelooze marsch hervat, dat instinctieve, in slaap wiegende heen en weer loopen, waardoor hij zijn ongeduld scheen te willen verdrijven en eerder tot de verklaring te komen, die hij te midden van de vreeselijke gedachten, die hem bestormden, vergeefs zocht. Terwijl zijn rhythmische pas met automatischen regelmaat weerklonk, heerschte in hem een doffe woede, een wanhopig zoeken naar het waarom en hoe, een verwarring van de meest tegenstrijdige en van het eene uiterste in het andere vallende gemoedsaandoeningen. Maar reeds had hij in het voorbijloopen tweemaal zijn blik laten gaan over de wanorde der tafel, als zocht hij daar iets. Was het misschien die onuitgedronken koffie? Dat brood, waarvan de kruimels nog rondslingerden? Die lamscoteletten, waarvan nog een been over was? Toen hij voor de derde maal keek, zagen zijn blikken het mandje met vijgen; hij bleef stokstijf staan, als door een plotselinge onthulling getroffen. De gedachte had hem aangegrepen, zich van hem meester gemaakt, zonder dat hij wist, welke proef hij moest nemen, om te zien of zijn vermoeden waarheid was. Een oogenblik bleef hij zoo, zoekend en niet vindend, met zijn blikken op het mandje gericht, staan. Eindelijk nam hij een vijg en bracht die wat dichter bij zijn oogen, als om de vrucht van dichtbij te bekijken. Doch er was niets bijzonders aan te zien en hij wilde haar weer bij de andere leggen, toen Tata, die dol op vijgen was, een schellen gil gaf. Het was een openbaring voor hem; nu kon hij de proef nemen.
Langzaam, op zijn bedachtzame manier, en met gebogen hoofd bracht de kardinaal de vijg aan de papegaai en gaf haar die zonder eenige aarzeling of spijt. Het was een heel aardig dier, het eenige, waar hij ooit iets om gegeven had. Zijn fijn, soepel lichaam uitrekkend, waarvan de grijsgroene zijde in de zon rose vlammen kreeg, had de papegaai de vijg sierlijk in zijn poot genomen en haar dan met zijn snavel opengemaakt. Maar hij at er slechts zeer weinig van en liet de bijna volle schil vallen. Hij, altijd ernstig nog en zonder een spier van zijn gelaat te vertrekken, keek, wachtte. Het wachten duurde drie lange minuten. Een oogenblik was hij gerust en krauwde den kop van den papegaai, die zich graag liet streelen, zijn kop omdraaide en zijn klein, rond, als een robijn schitterend oogje naar zijn meester opsloeg. Maar plotseling zakte hij in elkaar, viel, zonder zelfs met zijn vleugels te klappen, achterover. Tata was dood.
In zijn ontzetting over wat hij nu wist, had Boccanera slechts één gebaar: hij hief zijn beide handen op, slingerde ze ten hemel. Groote God, zoo'n misdaad, een zoo vreeselijke vergissing, een zoo afschuwlijk spel van het noodlot! Geen kreet van smart kwam over zijn lippen, de schaduw op zijn gezicht was grimmig en zwart geworden.
Toch klonk een gil--een luide gil van Benedetta, die, evenals Pierre en don Vigilio, de handelingen van den kardinaal eerst met verbazing gevolgd hadden, die daarna in een schrik veranderd was.
"Vergif! Vergif! Dario, mijn hart, mijn ziel!"
Doch de kardinaal had krachtig den pols van zijn nicht omvat, terwijl hij een schuinschen blik wierp op die twee priesters, zijn secretaris en den vreemdeling, die getuigen geweest waren van het tooneel.
"Zwijg, zwijg!"
Zij rukte zich los, meegesleept door razenden toorn en haat.
"Waarom zwijgen? Prada heeft het gedaan, ik zal hem aanklagen, ik wil, dat hij ook sterft... Ik zeg u, dat Prada het gedaan heeft, ik weet het zeker, want mijnheer Froment is gisteren in zijn rijtuig met pastoor Santobono en dit mandje vijgen uit Frascati teruggereden... Ja, ja, ik heb getuigen, het is Prada, het is Prada!"
"Neen, neen, je bent krankzinnig, zwijg!"
Hij had weer de handen van de jonge vrouw gegrepen en trachtte haar met zijn volle souvereine autoriteit tot kalmte te brengen. Hij, die den invloed kende, welken kardinaal Sanguinetti op dien geëxalteerden Santobono uitoefende, had reeds een verklaring voor het heele geval gevonden: het was geen directe medeplichtigheid, maar een heimelijke druk, het dier werd getergd en dan op den hinderlijken mededinger losgelaten op het oogenblik, dat de pauselijke troon naar alle waarschijnlijkheid vrij zou worden. De waarschijnlijkheid, de zekerheid van dit alles was plotseling voor zijn oogen opgeflitst, zonder dat hij alles behoefde te begrijpen, ondanks de lacunes en de duisterheden.
"Neen, versta je, het is Prada niet. Die man heeft geen enkele reden om iets kwaads tegen mij in het schild te voeren, want ik was de bedoelde persoon, aan mij zijn die vruchten gegeven... Denk toch zelf na! Een toevallig mij niet lekker voelen is de reden geweest, dat ik mijn deel ervan niet opgegeten heb, want men weet, dat ik er dol veel van houd, en terwijl mijn arme Dario ze alleen at, plaagde ik hem nog en zeide, dat hij de mooiste voor morgen voor mij moest bewaren... Dat verschrikkelijke was voor mij bestemd en heeft hem, groote God, getroffen door het gruwlijkste toeval, door de monsterachtige dwaasheid van het noodlot... Heer, Heer, Gij hebt ons wel verlaten!"
Tranen waren in zijn oogen gekomen, terwijl zij, rillend, nog steeds niet overtuigd scheen te zijn.
"Maar u hebt toch geen enkelen vijand, oom! Waarom zou die Santobono u naar het leven staan?"
Een oogenblik bleef hij zwijgen, zonder een geschikt antwoord te kunnen vinden. Reeds vormde zich in hem in een verheven grootheid de wil om deze zaak in stilte te hullen. Dan herinnerde hij zich plotseling iets en hij berustte in een leugen.
"Santobono is altijd een warhoofd geweest en ik weet, dat hij mij haat, sedert ik geweigerd heb zijn broeder, een voormaligen tuinman van me, uit de gevangenis te redden door hem een bewijs van goed gedrag te geven, dat hij zeker niet verdiende... Zoo'n doodelijke haat heeft dikwijls geen ernstiger oorzaak. Hij zal gedacht hebben, dat hij zich op mij moest wreken."
Toen liet Benedetta, gebroken, niet in staat verder te strijden, zich met een gebaar van de uiterste wanhoop op een stoel vallen.
"Mijn God, mijn God! Ik weet niet meer... En bovendien wat komt het er eigenlijk ook op aan, nu mijn Dario al zoo ver weg is? Er bestaat nog maar één ding: hij moet gered worden, ik wil, dat hij gered wordt... Wat voeren ze daar toch zoo lang in die kamer uit? Waarom komt Victorine ons niet halen?"
Weer viel de stilte neer, drukkend, zwaar. Zonder een woord te zeggen, nam de kardinaal het mandje vijgen van de tafel, zette het in een kast, die hij tweemaal sloot, en stak den sleutel in zijn zak. Ongetwijfeld lag het in zijn bedoeling, zoodra de avond gevallen was, zelf naar beneden te gaan, om de vijgen in den Tiber te werpen. Maar toen hij van de kast terugkwam, viel zijn blik op de twee eenvoudige priesters, wier oogen hem gevolgd hadden. En hij zeide eenvoudig, maar grootsch:
"Heeren, ik behoef u niet te verzoeken te zwijgen... Er zijn schandalen, welke we de Kerk, die niet schuldig is, die niet schuldig zijn kan, moeten besparen. Een der onzen, zelfs wanneer hij een misdadiger is, aan de burgerlijke rechtbank overleveren staat gelijk met de geheele Kerk te treffen, want de slechte hartstochten gebruiken dan de zaak om de verantwoordelijkheid van de misdaad op haar te schuiven. Onze eenige plicht is den moordenaar over te geven aan Gods hand, die hem zekerder zal weten te straffen... Wat mij betreft, al ben ik in mijn persoon of in mijn familie, in mijn dierbaarste gevoelens getroffen, ik verklaar in den naam van Christus, die aan het kruis gestorven is, dat ik noch toorn noch wraakzucht voel, dat ik den naam van den moordenaar uit mijn geheugen verdelg, dat ik zijn afschuwelijke daad in de eeuwige stilte van het graf begraaf."
Zijn hooge gestalte scheen nog grooter geworden te zijn, terwijl hij, zijn hand in een grootsch gebaar opgeheven, dien eed uitsprak, zijn vijanden aan de gerechtigheid Gods overliet; want hij bedoelde niet alleen Santobono, maar ook kardinaal Sanguinetti, wiens noodlottigen invloed hij geraden had. En bij de gedachte aan den in het donker gevoerden strijd om de tiara, aan al het gemeene en gulzige, dat in den afgrond der duisternis woelde, doorhuiverde hem, ondanks het heldhaftige van zijn trots, een eindelooze droefheid, een tragische smart.
Toen Pierre en don Vigilio hem met een hoofdknikje beloofden te zullen zwijgen, kneep een onoverwinnelijke ontroering zijn keel dicht; de snik, dien hij trachtte terug te dringen, ontwrong zich plotseling aan zijn keel, terwijl hij stamelde:
"Mijn arm kind! Mijn arm kind! Ach, de eenige zoon van ons geslacht, de eenige liefde en de eenige hoop van mijn hart. Te moeten sterven, zoo te moeten sterven!"
Maar Benedetta was weer heftig opgestaan.
"Sterven? Wie dan? Dario?... Ik wil het niet. We zullen hem verplegen, we zullen weer naar hem toegaan, hem in onze armen nemen en hem redden. Kom mee, oom, kom gauw mee... Ik wil niet, ik wil niet, ik wil niet, dat hij sterft!"
Zij liep naar de deur en niets zou haar verhinderd hebben naar de kamer terug te gaan, toen op datzelfde oogenblik Victorine met een door angst vertrokken gelaat binnenkwam. Zij had ondanks haar gewone kalme opgeruimdheid allen moed verloren.
"De dokter vraagt, of mevrouw en Zijne Eminentie onmiddellijk willen komen, onmiddellijk."
Verbijsterd en verdoofd door al die dingen, volgde Pierre hen niet, maar bleef een oogenblik met don Vigilio in de zonnige eetkamer achter. Wat, vergif? Vergif, netjes en sierlijk verborgen, als in den tijd der Borgia's, met die vruchten toegediend door een lichtschuwen verrader, welken men niet voor het gerecht durfde brengen. Hij herinnerde zich zijn gesprek op den terugrit van Frascati, zijn scepticisme als Parijzenaar ten opzichte van de legendarische vergiftige mengsels, waarvan hij het bestaan slechts erkende in het vijfde bedrijf van een romantisch drama. En nu waren zij toch waar, die afschuwlijke geschiedenis van vergiftigde ruikers en messen, van lastige prelaten en zelfs pausen, die men uit den weg ruimde met hun ochtend-chocolade, want die hartstochtelijke, tragische Santobono was een giftmenger, daaraan viel niet meer te twijfelen. En in dit vreeselijk licht zag hij den geheelen vorigen dag weer aan zijn geest voorbijtrekken: de eerzuchtige en dreigende woorden, die hij bij kardinaal Sanguinetti afgeluisterd had; zijn haast om nog voor den waarschijnlijken dood van den paus te handelen, zijn suggereeren van de misdaad in den naam van het heil der Kerk; dan de ontmoeting op den weg met den pastoor, die het mandje vijgen aan zijn arm droeg; het mandje, dat, door den priester vroom en deemoedig op zijn knieën gehouden, lang voortreed door de schemering van de melancholieke Campagna; dat mandje, dat hem nu als een nachtmerrie vervolgde; dat mandje, waarvan hij den vorm, de kleur en den geur steeds met een rilling terugzien zou. Vergif! Vergif! Het was dus waar, zoo iets bestond! Zoo iets was nog schering en inslag in het duister der zwarte kringen te midden van den grimmigen veroverings- en heerschzucht.
En plotseling richtte zich voor Pierre ook de gestalte van Prada op. Daareven, toen Benedetta hem zoo heftig had beschuldigd, was hij een oogenblik van plan geweest hem te verdedigen, om deze geschiedenis van het vergif, die hij kende, uit te schreeuwen, te zeggen, waarin dit alles zijn oorsprong had, te vertellen welke hand die vijgen aangeboden had. Maar onmiddellijk daarop had een gedachte hem als het ware tot ijs doen verstarren: Prada had de misdaad niet begaan, maar had haar toch ook niet belet. Nog een herinnering, scherp als een dolk, doorflitste hem; de herinnering aan de kleine, zwarte kip in de sombere osteria, die, als door den bliksem getroffen, met het dunne violetachtige bloedstroompje, dat uit zijn snavel vloeide, dood onder de loods lag. En hier lag, onder zijn stok, eveneens Tata, slap en warm, den snavel bezoedeld door een bloed-druppel. Waarom had Prada gelogen en het verhaal van het gevecht verzonnen? Het was een vreeselijke complicatie van hartstochten en in het duister gevoerden strijd, waarin Pierre zich den grond onder den voet voelde wegzakken. Hij kon zich den vreeselijken tweestrijd, welke in den nacht van het bal in dien man gewoed moest hebben, niet voorstellen. Hij kon hem niet meer aan zijn zijde terugdenken, hem zich niet meer voor den geest terugroepen gedurende hun nachtelijke wandeling naar den palazzo Boccanera, zonder te huiveren; want hij raadde, neen, wist met zekerheid al het vreeselijke, waartoe vóór dit paleis besloten was. Of hij uit haat tegen den kardinaal of in de hoop op een verdwaalde pijl, die hem wreken zou, gehandeld had, wist Pierre niet; het feit stond, ondanks alle onbegrijpelijkheden vast: Prada wist het, Prada zou den loop van het noodlot tegengehouden kunnen hebben en hij had het noodlot zijn blind doodenwerk laten voltooien.
Toen Pierre opkeek, zag hij don Vigilio zóó ontdaan, zóó bleek en zoo roerloos op een stoel zitten, dat hij een oogenblik meende, dat ook deze een slachtoffer was.
"Voelt u zich niet goed?"
Eerst scheen de priester niet te kunnen antwoorden, zóó snoerden angst en schrik hem de keel dicht. Dan zeide hij met zachte stem:
"Neen, neen, ik heb er niet van gegeten... Lieve God, als ik nog bedenk, dat ik er zoo'n trek in had en ik alleen uit deferentie voor Zijne Eminentie, die ze niet at, ook niet gegeten heb!"
Hij rilde over zijn geheele lichaam bij deze gedachte, dat alleen zijn nederigheid hem gered had. Het was, alsof op zijn handen en op zijn gezicht de koude van den dood, dien hij langs zich had voelen strijken, achterbleef.
Tweemaal zuchtte hij diep, terwijl hij het afschuwlijke met een gebaar van zich schoof en prevelde:
"O, Paparelli! Paparelli!"
Ontroerd trachtte Pierre, die heel goed wist, hoe don Vigilio over den sleepdrager dacht, hem verder uit te hooren.
"Wat wilt u daarmede zeggen? Gelooft u, dat hij medeplichtig is?... Denkt u, dat zij hem er toe aangedreven hebben, dat zij het zijn?"
Het woord "Jezuïeten" werd niet uitgesproken, maar de groote, zwarte schaduw gleed door de zonnige eetkamer, die zij een oogenblik te verduisteren scheen.
"Ja, zij zijn het!" riep don Vigilio. "Zij zijn het overal, zij zijn het altijd! Waar men weent en waar men sterft, zijn zij er bij. Het was voor mij bestemd, en ik begrijp nog niet, dat ik leef!"
En opnieuw jammerde hij vol haat, afschuw en toorn:
"O, Paparelli! Paparelli!"
Hij zweeg, wilde verder niets antwoorden, keek met angstig-gejaagde blikken naar de muren, alsof hij daaruit den sleepdrager te voorschijn zou zien komen met zijn slap oud-jongejuffrouwen-gezicht, met zijn trippelpasjes als van een knagende muis, met zijn geheimzinnige roovershanden, die in de keuken het vergeten mandje vijgen waren gaan halen, om het op tafel te zetten.
Toen besloten beiden naar de kamer terug te gaan, waar men hun hulp misschien noodig zou hebben. Bij het binnentreden werd Pierre diep aangegrepen door het vreeselijke schouwspel, dat zich aan zijn blikken vertoonde. Het laatste half uur had dokter Giordano, die eveneens vergiftiging vermoedde, vergeefs de gewone middelen, een braakmiddel en daarna magnesia, toegepast. Zelfs had hij Victorine eiwit in water laten kloppen. Doch de ziekte verergerde zóó bliksemsnel, dat nu alle hulp nutteloos werd. Ontkleed op zijn rug liggend, het bovenlichaam door kussens gesteund en de armen slap neerhangend langs de dekens, was Dario vreeselijk om aan te zien in die soort angstige dronkenschap, het symptoom van deze geheimzinnige, verschrikkelijke kwaal, waaraan reeds monsignor Gallo en zooveel anderen ten gronde gegaan waren. Hij scheen door een verdoovende duizeling overvallen te zijn, zijn oogen zonken steeds dieper weg in de zwarte kassen, terwijl het gezicht uitdroogde, zienderoogen ouder werd en door een grijze, aardachtige kleur overtrokken werd. Sedert een oogenblik had hij, geheel uitgeput, zijn oogen gesloten; niets levends was meer aan hem, dan de benauwde, pijnlijke en moeilijke ademhalingen, die zijn borst op- en neerbewogen. En over het arme, door den doodsstrijd vertrokken gezicht gebogen stond Benedetta, zij leed met hem mede en was zelf door zoo'n overmachtigen smart overmand, dat zij zelf zoo onherkenbaar, zóó bleek was, als had de dood, ook haar, tegelijk met hem, aangegrepen.
In de vensternis, waar kardinaal Boccanera dokter Giordano ter zijde genomen had, werden fluisterend eenige woorden gewisseld.
"Hij is verloren, niet waar?"
De dokter, zelf tot in het diepst van zijn ziel geschokt, maakte het wanhopige gebaar van een overwonnene.
"Helaas ja! Ik moet Uwe Eminentie er op voorbereiden, dat binnen een uur alles afgeloopen is."
Er volgde een korte stilte.
"Het is dezelfde ziekte als van Gallo zeker?"
En toen de dokter niet antwoordde, voegde hij er, bevend en zijne blikken afwendend, aan toe:
"Een infectiekoorts?"
Giordano begreep heel goed, wat de kardinaal van hem wilde. Hij eischte stilzwijgendheid, een eeuwig begraven van de misdaad ter wille van den goeden naam der Moederkerk. Men kon moeilijk iets grootschers, iets dieps-tragischers denken dan dezen zeventigjarigen grijsaard, nog zoo rechtop en verheven, die niet wilde, dat zijn geestelijke familie vervallen zou evenmin als hij duldde, dat men zijn wereldlijke familie door de onvermijdelijke modder van een opzienbarend proces sleepen zou. Neen, neen! Zwijgen, eeuwig zwijgen, waarin alles in vergetelheid rust!
Op zijn zachte, clericaal-discrete manier knikte de dokter.
"Zeker, een infectiekoorts, zooals Zijne Eminentie terecht opmerkt."
Twee dikke tranen kwamen onmiddellijk weer in de oogen van Boccanera. Nu hij God van alle bezoedeling gevrijwaard had, begon zijn menschelijke natuur opnieuw te bloeden. Hij smeekte den dokter een laatste poging te wagen, het bovenmenschelijke te beproeven, maar deze schudde zijn hoofd en wees met zijn arme, bevende handen naar den zieke. Voor zijn vader, voor zijn moeder had hij niet meer kunnen doen. De dood was er. Waarom een stervende af te matten en te kwellen; hij zou immers zijn lijden slechts erger kunnen maken? En toen de kardinaal in het aangezicht van de naderende catastrophe aan zijn zuster Serafina dacht en wanhopig zeide, dat zij haar neef niet voor de laatste maal zou kunnen omhelzen, indien zij zich op het Vaticaan verlaatte, bood de dokter aan haar in zijn rijtuig, dat hij had laten wachten, te gaan halen. Het was een quaestie van twintig minuten. Hij zou weer terug zijn, wanneer men zijn hulp in de laatste oogenblikken noodig hebben mocht.
Onbeweeglijk bleef de kardinaal nog een oogenblik in de vensternis staan. Zijn door tranen verduisterde oogen keken naar den hemel; zijn bevende armen strekten zich in een vurig smeekend gebaar uit. O God, waarom doet Gij, waar de wetenschap der menschen zoo gering en ijdel is, waar de geneesheer, blijde de verlegenheid over zijn onmacht te kunnen bedekken, weggaat; waarom doet Gij geen wonder, om dezen glans van uw grenzenlooze macht te toonen. Een wonder! Een wonder! Hij vroeg het uit het diepst van zijn geloovige ziel, met den aandrang, met het gebiedende gebed van een aardschen vorst, die meent door zijn geheel, aan de Kerk gegeven leven, den hemel een grooten dienst bewezen te hebben. Hij vroeg het voor de voortzetting van zijn geslacht, opdat de laatste manlijke spruit niet zoo jammerlijk verdwijnen, opdat hij met zijn teerbeminde, nu zoo bitter weenende en diep-ongelukkige nicht zou kunnen trouwen. Een wonder! Een wonder ter wille van deze twee hem zoo dierbare kinderen! Een wonder, dat het geslacht zou doen herleven! Een wonder, dat den roemrijken naam der Boccanera's vereeuwigen zou, doordat het uit deze jonge menschen een tallooze reeks van dapperen en geloovigen voortkomen liet.
Toen de kardinaal weer naar het midden der kamer terugkwam, scheen hij geheel veranderd; het geloof had zijn tranen gedroogd, zijn ziel was van nu af sterk en berustend, vrij van alle zwakten. Hij had zich weer geheel toevertrouwd aan Gods hand en wilde zelfs Dario het laatste oliesel geven. Hij wenkte don Vigilio tot zich en nam hem mede naar het kleine, aangrenzende, als kapel dienende vertrek, waarvan hij altijd den sleutel bij zich droeg. Dit kale vertrek, dat niemand ooit betrad, dit vertrek, waar zich slechts een klein altaar van geschilderd hout bevond, waarboven een groot koperen kruis hing, stond in het paleis bekend als een heilige, onbekende en vreeselijke plek, want men beweerde, dat Zijne Eminentie daar geheele nachten op zijn knieën en in gesprek met God zelf doorbracht. Nu hij er zoo openlijk binnen ging en de deur zoo wijd open liet doen, deed hij het zeker, om, in zijn verlangen naar een wonder, God te dwingen er met hem uit te komen.
Achter het altaar had men een kast gemaakt, waaruit de kardinaal de stola en het koorhemd nam. De doos met de heilige olie stond daar eveneens, een zeer oude, zilveren doos met het wapen der Boccanera's. Nadat don Vigilio achter den officiant in de kamer teruggekeerd was, om hem te assisteeren, wisselden de Latijnsche woorden elkaar dadelijk af.
"Pax huic domui."
"Et omnibus habitantibus in ea." [25]
De dood naderde zoo dreigend en onverwacht, dat de gewone voorbereidingen achterwege blijven moesten. Geen twee kaarsen, geen met een wit laken bedekt tafeltje. Eveneens moest de officiant, daar de assistent geen wijwaterbakje of -kwast had medegebracht, zich vergenoegen met een gebaar de kamer en den stervende te zegenen onder de woorden van het rituaal:
"Asperges me, Domine, hyssopo, et mundabor; lavabis me, et super nivem dealbabor." [26]
Toen Benedetta den kardinaal met het heilige oliesel komen zag, was zij in een hevige huivering aan het voeteneinde van het bed op haar knieën gevallen, terwijl Pierre en Victorine, aangegrepen door de smartelijke grootschheid van het schouwspel eveneens neerknielden. De groote, thans in het sneeuwwitte gezicht nog grooter lijkende oogen verlieten geen oogenblik haar Dario, dien zij met zijn vaal gezicht, zijn verschrompelde en gerimpelde huid als van een grijsaard niet meer herkende. Niet voor het door hem goedgekeurde en gewenschte huwlijk bracht hun oom, de almachtige Kerkvorst, het Sacrament--neen, voor de laatste scheiding, voor het menschelijk einde van iederen trots, voor den dood, die de geslachten uitroeit en meesleurt, zooals de wind het straatstof wegveegt.
Hij kon niet wachten; vlug zeide hij half-fluisterend het Credo.
"Credo in unum Deum..." [27]
"Amen," viel don Vigilio in.
Na de gebeden van het rituaal stamelde deze laatste de litanieën, opdat de hemel zich zou erbarmen over den ellendigen mensch, die voor God verschijnen zou, indien een wonder Gods hem geen genade schenken zou.
Nu opende de kardinaal, zonder zich den tijd te gunnen zijn handen te wasschen, de doos met de heilige olie; en zich bepalend tot één zalving, zooals dat in dringende gevallen veroorloofd is, legde hij met de punt van de zilveren naald, een enkelen droppel op zijn uitgedroogden, reeds door den dood verbleekten mond.
"Per istam sanctam unctionem, et suam plissimam misericordiam, indulgeat tibi Dominus quidquid per visum, auditum, odoratum, gustum, tactum, deliquisti." [28]
O, met welk een van geloof brandend hart sprak hij deze smeekbeden om vergiffenis uit, opdat de goddelijke barmhartigheid de door de vijf zintuigen, die vijf eeuwig voor de verleiding open staande deuren der ziel, begane zonden vergeven zou. Maar hij deed het nog in de hoop, dat God, indien Hij het arme schepsel voor zijn zonden gestraft had, misschien, na ze vergeven te hebben, nog de groote barmhartigheid hebben zou, om hem zelfs aan het leven terug te geven. Het leven, o Heer, het leven, opdat het oude geslacht der Boccanera's zich nog zal kunnen vermeerderen, U door alle tijden heen zal kunnen dienen in veldslagen en voor het altaar.
Een oogenblik bleef de kardinaal met bevende handen, in afwachting van het wonder, naar het zwijgende gezicht, de gesloten oogen van den stervende staan kijken. Doch er gebeurde niets. Don Vigilio had met een klein watje den mond afgeveegd, zonder dat een zucht van verlichting van zijn lippen kwam. Toen het laatste gebed uitgesproken was, keerde de officiant, door den assistent gevolgd, in de vreeselijke stilte, die weer neerviel, naar de kapel terug. Dan knielden beiden neer en verzonk de kardinaal, op den kalen vloer, in een vurig gebed. Zijn oogen naar het koperen crucifix opgeheven, zag hij niets meer, hoorde hij niets meer, gaf hij zich geheel aan God, smeekte Jezus hem weg te nemen in plaats van zijn neef, indien een offer gebracht moest worden; nog steeds hoopte hij de goddelijke toorn te kunnen vermurwen, zoolang nog één ademtocht van het leven in Dario was, zoolang hij zelf hier op zijn knieën lag en met God sprak. Hij was zoo ootmoedig en zoo hooghartig tevens! Zou tusschen God en een Boccanera geen schikking te treffen zijn? Wanneer het oude paleis ingestort was, zou hij het vallen der balken niet gehoord hebben.
Intusschen had zich in de kamer, onder den druk der tragische majesteit, die de plechtigheid daar achtergelaten scheen te hebben, niets bewogen. Nu eerst sloeg Dario zijn oogen op. Hij keek naar zijn handen, zag, dat zij zoo ingeschrompeld, zoo verouderd geworden waren, dat een groote smart over het wegvliedende leven zich in zijn oogen afschilderde. Ongetwijfeld werd hij zich op dat oogenblik van helderziendheid midden in deze soort roes, waarin het vergif hem bracht, voor het eerst zijn toestand bewust. O, te moeten sterven onder zulke pijnen, in zulk een verval van zijn geheele lichaam! Welk een vreeselijke gruwel voor dit luchthartige, zelfzuchtige wezen, van dezen minnaar van schoonheid, vroolijkheid en licht, die niet lijden kon! Het wreede noodlot strafte zijn uitstervend geslacht wel al te streng aan hem. Hij had een afschuw van zichzelf; een wanhoop; een kinderlijke angst maakte zich van hem meester en gaven hem de kracht rechtop te gaan zitten en wanhopig de kamer rond te kijken, om te zien, of allen hem niet verlaten hadden. En toen zijn blik Benedetta ontmoette, die nog steeds aan het voeteneinde van het bed geknield lag, strekte hij zijn beide armen naar haar uit, als brandde het verlangen in hem haar aan zijn hals mede te nemen.
"Benedetta, Benedetta... Kom, kom; laat mij niet alleen sterven!"
In de verstarring van haar wachten had zij, onbeweeglijk, geen blik van hem afgehouden. De vreeselijke kwaal, die haar geliefde wegnam, scheen, naar mate hij zwakker werd, hoe langer hoe meer haar in bezit te nemen en te vernietigen. Haar gezicht werd onstoffelijk bleek, door de openingen van haar pupillen begon men haar ziel te zien. Maar toen zij hem als opstaande uit den dood, met uitgestrekte armen en haar naam roepend zag, toen stond zij op haar beurt op, deed een paar stappen vooruit en ging naast het bed staan.
"Ik kom, Dario... Daar ben ik, daar ben ik!"
En nu waren Pierre en Victorine, die nog steeds op hun knieën lagen, getuigen van iets van zoo verheven grootschheid, dat zij aan den grond genageld bleven als bij een buiten-aardsch schouwspel, waaraan de menschen niet meer konden deel hebben. Benedetta zelf sprak en handelde als een schepsel, dat bevrijd was van alle conventioneele en maatschappelijke banden, dat reeds buiten het leven stond en de wezens en dingen nog slechts uit een groote verte, uit de diepte van het onbekende, waarin zij verdwijnen zou, zag en hoorde.
"O, mijn Dario, men heeft ons willen scheiden. Ja, slechts opdat ik mij niet aan je zou kunnen geven, opdat wij nooit gelukkig zouden kunnen zijn in elkanders armen, heeft men tot uw dood besloten, heel goed wetend, dat jouw leven het mijne medeneemt... Die man heeft je gedood; ja, hij is je moordenaar, zelfs indien een ander je getroffen heeft. Hij is de eerste oorzaak; hij heeft mij aan jou ontstolen, toen ik op het punt stond de jouwe te worden; hij heeft ons beider levens verwoest; hij heeft om ons en in ons het afschuwlijke vergif geblazen, waaraan wij sterven... O wat haat ik hem, wat haat ik hem met een haat, waarmede ik hem zou willen verpletteren, vóórdat ik aan jouw hals deze wereld verlaat."
Zij verhief haar stem niet, zeide al deze vreeselijke dingen in een diep gefluister, eenvoudig, hartstochtelijk. Prada's naam werd zelfs niet genoemd en zij keek nauwelijks den door verwondering aangegrepen Pierre aan, toen zij er op bevelenden toon aan toevoegde:
"U zult zijn vader nog spreken, ik draag u op hem te zeggen, dat ik zijn zoon vervloekt heb. De held heeft mij liefgehad, ik heb hem nog lief en dit woord, dat gij hem over moet brengen, zal zijn hart verscheuren. Maar ik wil, dat hij het weet, hij moet het weten ter wille van de waarheid en van de gerechtigheid."
Waanzinnig van angst en snikkend strekte Dario opnieuw zijn armen naar haar uit, toen hij voelde, dat zij niet meer naar hem keek, dat haar heldere blikken niet meer op de zijne gericht waren.
"Benedetta, Benedetta... Kom, kom! O, die zwarte nacht, ik wil dien niet alleen binnengaan!"
"Ik kom, ik kom, mijn Dario... Daar ben ik!"
Zij was nog dichter bij gekomen, zij raakte hem nu bijna aan.
"O, ik had de Heilige Maagd gezworen geen man toe te zullen behooren, zelfs jou niet, voordat God dat door den zegen van een zijner priesters geoorloofd had. Ik stelde er een hooge, goddelijke eer in onbevlekt, maagd als de Heilige Maagd te zijn, de bezoedelingen en laagheden van het vleesch niet te kennen. Maar het was ook een kostbaar en zeldzaam liefdesgeschenk van onschatbare waarde, dat ik aan den door mijn hart uitverkoren geliefde wilde geven, opdat hij voor altijd de meester van mijn lichaam en mijn ziel zijn zou... Die maagdelijkheid, waarop ik zoo trotsch was, heb ik tegen den ander verdedigd met mijn tanden en nagels, verdedigd, zooals men zich tegen een wolf verdedigt; ik heb haar onder tranen verdedigd tegen jou, opdat je niet in een oogenblik van heiligschennenden hartstocht vóór het heilige uur der veroorloofde verrukkingen den schat zoudt bezoedelen... Als je eens wist, welk een vreeselijken strijd ik dikwijls tegen mezelf heb moeten voeren, om niet toe te geven! Ik voelde een waanzinnige drang om je toe te schreeuwen mij te nemen, mij te bezitten, mij weg te dragen... Want ik wilde jou geheel bezitten, ik gaf mijzelf geheel, ja, zonder eenige reserve, als vrouw, die de geheele liefde, de liefde, welke tot echtgenoote en moeder maakt, kent, aanvaardt en eischt... O, welk een strijd heeft het mij gekost den eed aan de Heilige Maagd te houden, wanneer het oude bloed in mijn aderen woelde en kookte. En nu, welk een ramp!"
Zij ging nog dichter bij hem staan, terwijl haar zachte stem nog inniger en hartstochtelijker werd:
"Herinner je je den avond nog, waarop je met een messteek thuis kwam... Ik dacht, dat je dood was en gilde van woede bij de gedachte, dat je heen zoudt gaan, dat ik je verliezen zou, voor we het geluk hadden leeren kennen. Ik smaalde op de Heilige Maagd, ik had er op dat oogenblik berouw van niet met jou vervloekt te worden, om in een zóó vaste omarming, dat men ons samen had moeten begraven, te sterven... En nu te moeten zeggen, dat deze vreeselijke waarschuwing tot niets gediend zal hebben! Ik ben blind en dwaas genoeg geweest om die les niet te begrijpen. En nu ben je weer getroffen--men ontsteelt jou aan mijn liefde en nu ga je heen, voordat ik me eindelijk, zoo lang het nog tijd was, gegeven heb... O, ellendige, trotsche vrouw, dwaze droomster!"
De toorn en woede van de praktische verstandsvrouw, die zij steeds geweest was, tegen zichzelf gromden thans in haar verstikte stem. Wilde de zoo moederlijke Maagd, het ongeluk der minnenden? In hoeverre zou het haar bedroefd of vertoornd hebben hen zoo hartstochtelijk, zoo gelukkig in elkanders armen te zien. Neen, neen, de engelen weenden niet, wanneer teer minnenden, zelfs zonder de priesters, zich op aarde aan elkaar gaven; integendeel, zij glimlachten, juichten en jubelden. Zeker, het was een afschuwlijke bedriegerij, dat men het genot niet tot den laatsten druppel uitputte, wanneer het levende bloed nog in de aderen klopte.
"Benedetta, Benedetta!" herhaalde de stervende vol kinderlijken angst, dat hij zoo alleen den eeuwigen, donkeren nacht ingaan moest.
"Hier ben ik, Dario, hier ben ik... Ik kom!"
Toen zij zich verbeeldde, dat de huishoudster, die zich echter in het geheel niet bewoog, een gebaar maakte, om op te staan en haar te beletten haar daad te verhinderen:
"Neen, neen, laat maar Victorine... Niets ter wereld zal het nu meer kunnen verhinderen, omdat het sterker is dan alles, sterker dan de dood. Toen ik daareven op mijn knieën lag, heeft iets mij opgericht, mij voortgedreven. Ik weet waarheen ik ga... En bovendien, heb ik het op den avond van de messteek niet gezworen? Heb ik niet beloofd hem alleen toe te behooren, zelfs in de aarde, als dat zijn moest? Laat ik hem kussen, laat hij mij medenemen! Wij zullen dood zijn, en toch getrouwd, voor eeuwig getrouwd!"
Zij ging naar den stervende terug en raakte hem nu aan.
"Mijn Dario, mijn Dario, hier ben ik!"
En dan gebeurde het ongehoorde. In een toenemende exaltatie, gedragen door de opvlamming van haar liefde, begon zij zich te ontkleeden. Eerst viel haar corsage en lichtten haar blanke armen en haar blanke schouders op; dan gleden haar rokken af en de blanke voeten en de blanke enkels bloeiden op het tapijt, nadat zij schoenen en kousen uitgetrokken had; dan verdwenen de laatste kleedingstukken één voor één en ontloken de blanke buik, de blanke boezem, de blanke dijen in een weelde van blankheid. Met een naïeve vermetelheid, met een verheven rust, alsof zij alleen was, had zij alles tot de laatste omhulling uitgetrokken. Als een groote lelie stond zij daar in haar kuische naaktheid, in haar zich om de blikken niet bekommerende koninklijkheid. Zij verlichtte, doorgeurde de sombere kamers met de schoonheid van haar lichaam, een wonder van schoonheid, de levende volmaaktheid der mooiste marmeren beelden, de hals eener koningin, de boezem van een krijgsgodin, de trotsche en soepele lijn van schouder tot hiel, de heilige rondingen van ledematen en heupen. En zij was zoo blank, dat geen marmeren beeld, geen duif, geen sneeuw zelfs blanker zijn kon dan zij.
"Hier ben ik, Dario, hier ben ik!"
Als ter aarde geworpen door een geestverschijning, door het glorierijke opvlammen van een heilig visioen, keken Pierre en Victorine haar met verblinde oogen aan. De laatste had zelfs geen beweging gemaakt om haar tegen te houden, geheel overmeesterd als zij was door dat soort verschrikten eerbied, dien men voelt tegenover hartstochts- en geloofswaanzin. En hij, verlamd, was zich bewust, dat hier zoo iets verhevens geschiedde, dat nog slechts een rilling van vurige bewondering hem doorhuiverde. Niets onreins, niets onkuisch kwam hem tegemoet uit deze sneeuw- en lelieblankheid, van deze reine, edele maagd, wier lichaam scheen te stralen van een eigen licht, van de schittering zelf der machtige, daarin brandende liefde. Zij gaf niet meer aanstoot dan een waarheidgetrouw, door het genie verheerlijkt kunstwerk.
"Mijn Dario, hier ben ik, hier ben ik!"
En Benedetta nam, nadat zij zich naast hem had neergelegd, den stervenden Dario in haar armen, wiens armen nog slechts de kracht hadden zich om haar heen te sluiten. Dat was het, wat zij ten slotte gewild had ondanks haar uiterlijke kalmte, ondanks de lelieachtige reinheid van haar halsstarrigheid, waaronder de hartstocht als een laaiend vuur gebrand heeft. Altijd, zelfs in de rustigste uren, had deze heftigheid haar verteerd. Maar nu het afschuwlijke noodlot haar haar geliefde ontnam, wilde zij zich niet langer nederleggen bij die bedriegerij, wilde zij hem niet verliezen zonder zich gegeven te hebben, omdat zij de dwaasheid begaan had zich niet te geven, toen zij beiden nog in glimlachende teederheid en kracht straalden. In haar liefdewaanzin barstte het verzet der natuur los, de onbewuste kreet der vrouw, die niet onvruchtbaar sterven wilde, nutteloos als een zaadkorrel, dien de wind medevoert en waaruit geen ander leven meer zal ontkiemen.
"Mijn Dario, hier ben ik, hier ben ik!"
Zij drukte hem met haar naakte leden, met haar naakte ziel tegen zich aan. Op dat oogenblik zag Pierre aan den muur boven het hoofdeinde van het bed het wapen der Boccanera's, een oud, van goud en veelkleurige zijde geborduurd panneau op violet fluweel. Ja, dat was de gevleugelde, vlammenspuwende draak; dat was het woeste, vurige devies: "Bocca nera, alma rossa", zwarte mond, roode ziel, de mond verduisterd door een gebrul, de ziel een vlammende gloed van geloof en liefde. Dit geheele oude, hartstochtelijke, heftige geslacht met de tragische legende was weer opgestaan, om zijn laatste aanbiddelijke dochter tot deze vreeselijke en wonderbare verloving in den dood te drijven. En het zien van het geborduurde wapen riep een andere herinnering in hem wakker, die aan het portret van Cassia Boccanera, de zelf recht doende amoureuse, die zich met haar broeder Ercole en het lijk van haar geliefde, Flavio Corradini in den Tiber geworpen had. Was dit niet dezelfde wanhopige omarming, die den dood trachtte te overwinnen, dezelfde heftigheid, die zich met het lichaam van den uitverkoren en eenigen geliefde in den afgrond wierp. Beiden--zij, die daar boven op het oude doek herleefde, en zij, die hier den dood van haar geliefde mede-stierf--geleken op elkaar met haar zelfde kinderlijk-teere trekken, denzelfden hartstochtelijk-begeerenden mond, dezelfde groote droomoogen en hetzelfde kleine, ronde, verstandige en koppige gelaat, alsof de laatste slechts het terugkeerende evenbeeld der eerste was.
"Mijn Dario, hier ben ik, hier ben ik!"
Een eeuwigheid, die misschien een seconde duurde, omhelsden zij elkaar. Zij legde in haar overgave een razernij, een heilige razernij, die aan gene zijde van het leven tot in de donkere oneindigheid van het onbekende ging, dat voor hen begon. Zonder vrees voor of weerzin tegen de kwaal, die hem onkenbaar maakte, smolt zij als het ware met hem samen, ging zij in hem op; en hij, die onder dat groote geluk, welks zaligheid eindelijk tot hem kwam, verscheiden was, bleef met krampachtig om haar heen gesloten armen liggen, als droeg hij haar met zich mede. Toen echter--was het uit smart over dit onvolkomen bezit bij de gedachte aan haar nuttelooze maagdelijkheid, die niet meer bevrucht kon worden, of geschiedde het te midden van de hoogste vreugde over het met de geheele wilskracht van haar wezen ondanks alles, voltrokken huwelijk?--toen echter steeg bij deze omhelzing van den machteloozen dood zulk een bloedstroom naar haar hart, dat het brak. Zij was gestorven aan den hals van haar gestorven geliefde; vast tegen elkaar gedrukt lagen zij voor eeuwig in elkanders armen.
Een snik weerklonk: Victorine was naderbij getreden en had begrepen, terwijl Pierre, die ook opgestaan was, door den verheven aanblik medegesleept werd en beefde van bewondering en tranen.
"Kijk, kijk," stamelde de huishoudster met zeer zachte stem, "zij beweegt zich niet meer, zij ademt niet meer. Mijn arm, arm kind; zij is dood!"
En de priester prevelde:
"Mijn God, wat zijn ze mooi!"
Het was waar; nooit nog had een zoo verheven, zoo glanzende schoonheid op gezichten van dooden gestraald. Het zooeven nog aardkleurige en verouderde gelaat van Dario had een bleekheid en een adel als van marmer aangenomen; zijn trekken waren als in een opwelling van onuitsprekelijken jubel verheerlijkt. Benedetta bleef ernstig: een hartstochtelijk-energieke plooi lag om haar lippen, terwijl haar geheele gelaat in een oneindige witheid een smartelijke, eindelooze zaligheid uitdrukte. Hun haren strengelden zich door elkaar, hun wijd geopende, diep in elkaar borende oogen, bleven elkaar aankijken in een eeuwige, zachte liefkoozing. Zij waren het in de verrukking van hun één-zijn de onsterfelijkheid binnengetreden paar, dat den dood overwonnen had en waarvan de verrukte schoonheid der onsterfelijke en overwinnende liefde uitstraalde.
Maar het snikken van Victorine barstte eindelijk met zulke jammerklachten los, dat er een geheele verwarring ontstond. Pierre, die geheel van streek was, kon zich niet verklaren hoe de kamer plotseling zoo vol menschen was, die zich zenuwachtig als in een soort wanhopigen angst heen en weer bewogen. De kardinaal was natuurlijk met don Vigilio uit de kapel toegesneld. Blijkbaar was op datzelfde oogenblik ook dokter Giordano teruggekomen met donna Serafina, die van den naderenden dood van haar neef op de hoogte gebracht was, want zij stond daar als verdoofd door al die plotselinge, op elkaar volgende slagen, welke het huis troffen. De dokter zelf was onrustig, verbaasd als de meeste oudere doktoren, die ondanks hun ervaring, toch steeds weer verbijsterd worden door de feiten. Hij trachtte een verklaring te geven, sprak aarzelend van een mogelijk slagadergezwel, misschien een embolie [29].
Maar Victorine, die haar smart tot de gelijke van haar meesteres maakte, durfde hem in de rede vallen.
"Maar mijnheer de dokter, zij hielden te veel van elkaar. Is dat niet een voldoende reden, om samen te sterven?"
Donna Serafina, wilde, nadat zij de dierbare kinderen op het voorhoofd gekust had, hun oogen sluiten. Maar het gelukte haar niet, de oogleden openden zich telkens weer, zoodra de vinger er niet meer op drukte, en de oogen begonnen elkaar weer toe te lachen, elkaar weer met hun eeuwigen blik te liefkoozen. En toen zij zeide welstandshalve de beide lichamen te willen scheiden en de ledematen trachtte los te maken, riep Victorine weer uit:
"Maar, signora, signora! U zult hun armen eerder breken! Kijk toch zelf, men zou denken, dat hun vingers in hun schouders gedrongen zijn; nooit zullen zij elkaar meer loslaten!"
Nu kwam de kardinaal tusschenbeide. God had geen wonder gewrocht. Hij was doodsbleek, zonder tranen, in een ijzige wanhoop, die hem grooter schijnen deed. Bij het zien van deze heerlijke liefde, tot in het diepst van zijn ziel geroerd door het leed van hun leven en de schoonheid van hun dood, maakte hij een verheven gebaar van absolutie en zegening, alsof hij, de Kerkvorst, die over den wil des hemels beschikt, goedkeurde, dat deze beide geliefden, elkaar omhelzend, voor het laatste gericht verschenen.
"Laat ze, laat ze, zuster! Stoor hen niet in hun slaap!... Laten hun oogen open blijven, nu zij elkaar tot het einde der dagen willen aanschouwen, zonder het ooit moede te worden. Laten zij in elkanders armen slapen, nu zij gedurende hun leven niet gezondigd hebben en zij zich slechts zóó omhelzen, om samen in de aarde te rusten."
En weer de Romeinsche prins met het trotsche, door oude gevechten en hartstochten nog warme bloed wordend, voegde hij er aan toe:
"Twee Boccanera's kunnen zoo slapen; heel Rome zal ze bewonderen en beweenen. Laat ze, laat ze, zuster. God kent ze en verwacht ze!"
Alle aanwezigen waren neergeknield, de kardinaal zelf sprak de gebeden der dooden. De avond kwam, en in een toenemende duisternis hulde zich de kamer, waarin weldra twee kaarsvlammen als twee sterren schitterden.
Zonder te weten hoe, bevond Pierre zich weer in het kleine, verwaarloosde tuintje van het paleis aan den Tiber. Door moeheid en verdriet benauwd en in een behoefte aan lucht was hij blijkbaar naar beneden gegaan. De duisternis lag over het bekoorlijke hoekje, over den ouden sarkophaag, waarin het dunne waterstraaltje, dat uit het tragische masker stroomde, zijn schrille fluittonen zong; de laurierboom, die hem overschaduwde, de taxis- en de oranjeappelboomen waren onder den blauwzwarten hemel niet meer dan onduidelijke massa's.
O, hoe verkwikkend en vroolijk was die heerlijke, melancholieke tuin 's ochtends geweest! En welk een troosteloozen echo hadden de lachjes van Benedetta nu achtergelaten, die heele uitgelaten vreugde over het nabije geluk, dat daarboven nu in het Niet der dingen en schepselen lag! En terwijl hij daar zat op dezelfde plaats, waar zij gezeten had, op het omgevallen stuk zuil, in de lucht, welke zij ingeademd had en die haar reinen geur van aanbiddelijke vrouw bewaarde, werd zijn keel zóó pijnlijk dichtgesnoerd, dat hij in luide snikken uitbarstte.
Plotseling sloeg een torenklok in de verte zes uur. Pierre schrok op: hij herinnerde zich, dat hij dienzelfden avond om negen uur door den paus ontvangen zou worden. Nog drie uur. Hij had er gedurende de vreeselijke catastrophe niet aan gedacht; het was alsof er maanden en maanden verloopen waren. Met moeite kwam hij weer tot zichzelf. Binnen drie uur zou hij naar het Vaticaan gaan, zou hij eindelijk den paus spreken.
VEERTIENDE HOOFDSTUK
Toen Pierre 's avonds uit den Borgo voor het Vaticaan kwam, liet in de diepe stilte van de donkere en reeds sluimerende wijk de klok één luiden, zwaren slag weerklinken: half negen. Hij was te vroeg en hij besloot nog een twintig minuten te wachten, om niet voor negen uur, het uur der audiëntie, boven bij de deur der appartementen te zijn.
In de groote ontroering en droefheid, die zijn keel nog toesnoerden, was dit uitstel een verlichting voor hem. Met gebroken ledematen en totaal uitgeput door den tragischen middag, dien hij doorgebracht had in die doodenkamer, waar Dario en Benedetta thans in elkanders armen hun eeuwigen slaap sliepen, was hij hierheen gekomen. Hij had niet kunnen eten, het wreed-smartelijke beeld van deze twee geliefden liet hem geen oogenblik los en vervulde hem zóó, dat steeds weer onwillekeurige zuchten aan zijn borst ontsnapten en tranen in zijn oogen kwamen. O, hoe gaarne had hij zich ergens verborgen, om zijn tranen, die hem verstikten en benauwden, den vrijen loop te kunnen laten. Het was een ontroering, die al zijn denken beheerschte; de jammerlijke dood van deze twee gelieven voegde zich in zijn geest bij de klacht, die oprees uit zijn borst en doorhuiverde hem met een nog grooter medelijden, met een bijna angstwekkende liefde voor alle ongelukkigen dezer wereld. Deze bezwering van zooveel lichamelijke en moreele wonden in Parijs, in Rome, waar hij zooveel onrechtvaardig en monsterachtig lijden gezien had, maakte hem zóó wanhopig, dat hij bang was bij iederen stap in snikken uit te barsten.
Om zich wat te kalmeeren, begon hij langzaam op de piazza S. Pietro heen en weer te wandelen, die op dit uur van den avond één onmetelijke duisternis en eenzaamheid was. Toen hij er kwam, meende hij verdwaald te zijn in een zee van donkerte. Maar langzamerhand geraakten zijn oogen er aan gewend. De reusachtige ruimte was slechts verlicht door de vier lantaarnpalen met zeven branders op de vier hoeken van de Obelisk en de enkele lantaarns rechts en links langs de naar de basilica loopende gebouwen. Onder de dubbele porticus van de zuilengaanderij brandden eveneens lantaarns met een geel licht om het groote bosch der vier rijen zuilen, welker voetstukken zich vreemd afteekenden.
Op het plein was niets zichtbaar dan de kleurlooze, als een spookgestalte oprijzende obelisk. Ook de gevel van de St. Pieter dook, nauwlijks herkenbaar, als gesloten, uitgestorven, in een vreemde, sluimerende, onbeweeglijke, zwijgende grootschheid op. Den dom zag hij niet, het was nauwlijks een blauwachtige, groote ronding, die zich even tegen den hemel afteekende. Zonder ze te zien, had hij ergens in de diepte van dit onbestemde donker het ruischen der fonteinen gehoord; eindelijk onderscheidde hij het dunne en bewegelijke spookbeeld der voortdurend opspuitende waterstralen, die weer als regendroppels naar beneden vielen. En boven het wijde plein welfde zich de wijde hemel, maanloos, als donkerblauw fluweel, waarin de sterren de grootte en de schittering van karbonkels schenen te hebben. De Wagen met zijn gouden wielen en zijn gouden dissel lag omgekeerd op het dak van het Vaticaan, en daaronder boven Rome, in de richting van de Via Giulia stond de prachtige, met de drie gouden sterren van zijn bandelier opgesmukte Orion.
Pierre sloeg zijn blikken op naar het Vaticaan. Maar daar was slechts een opeenhooping van verwarde gevels te zien, waarin slechts op de verdieping der pauselijke appartementen het schijnsel van twee lampen òplichtte. Alleen in het inwendig verlichte Damasiushof blonken helder de achter- en linkervleugel in den witten weerschijn van hun groote serre-ramen. En steeds geen geluid, geen beweging, zelfs niet de verplaatsing van een schaduw. Twee personen staken de uitgestrektheid van het plein over; dan een derde, die ook weer verdween, waarna er niets meer overbleef dan in de verte de cadans der rhythmische stappen. Het was een volmaakte woestijn, geen voorbijgangers, geen wandelaars, zelfs niet de schim van een nachtelijk zwerver onder de colonnade in het zuilenbosch, dat even leeg was als de eeuwenoude oerwouden der eerste eeuwen. En welk een plechtige woestijn, welk een trotsch-troostelooze stilte! Nog nooit had hij den indruk van een zoo onmetelijke, zoo donkere sluimering vol van den majestueusen adel des doods gekregen.
Om tien minuten voor negen vermande Pierre zich en ging naar de bronzen deur. Nog slechts één der vleugels aan het einde van de rechtsche zuilengang stond open. Hij herinnerde zich de nauwkeurige instructies, die monsignor Nani hem gegeven had: aan iedere deur naar mijnheer Squadra vragen en er geen woord aan toevoegen--en iedere deur zou zich openen; hij behoefde zich slechts te laten leiden. Nu Benedetta niet meer leefde, wist niemand, dat hij hier was. Toen hij de bronzen deur doorgegaan was en voor den onbeweeglijken soldaat der Zwitsersche garde stond, die in een slapende houding de toegang bewaakte, zeide hij eenvoudig het afgesproken woord:
"Mijnheer Squadra."
Daar de soldaat zich niet bewoog en hem doorliet, liep hij door en sloeg dadelijk rechts af de groote vestibule van de Scala Pia in, naar de steenen trap, die naar het Damasiushof leidt. En geen levende ziel, niets dan de verstikte echo der stappen, niets dan het slapende licht der vleermuizen, welker matglazen bollen het licht zacht temperden.
Toen hij boven het Damasiushof door liep herinnerde hij zich, dat hij dat reeds van uit de loggia's van Raffaël gezien had met zijn porticus, zijn fontein, zijn wit, toen in de brandende zon liggend plaveisel. Maar nu zag hij zelfs de vijf of zes rijtuigen niet, die daar stonden met hun onbeweeglijke paarden en hun op hun bokken als verstijfde koetsiers. Het was een woestijn, een groot, kaal, kleurloos vierkant, als in de sluimering van een graf liggend onder het droeve licht der lantaarns, welker weerkaatsingen de hooge vensters der drie gevels verlichtten. Eenigszins onrustig en door een lichte rilling van het leege en stille aangegrepen, liep hij snel verder in de richting van het door een marquise beschermde bordes, dat met enkele treden naar de trap van de appartementen leidde.
Daar stond een reusachtige gendarm in groot tenue.
"Mijnheer Squadra."
Met een eenvoudig gebaar, zonder één woord, wees de gendarme op de trap.
Pierre ging naar boven. Het was een zeer breede trap met witmarmeren leuning en lage treden. Het licht in de matglazen bollen scheen uit wijze spaarzaamheid reeds laag gedraaid te zijn. Op ieder portaal hield een soldaat der Zwitsersche garde met zijn hellebaard de wacht; in den zwaren, diepen slaap, die het paleis bevangen had, hoorde men niets dan de regelmatige stappen van deze mannen, die ongetwijfeld steeds zoo op en neer liepen, om ook niet door de verdooving der omgeving overmeesterd te worden.
Aan het beklimmen van die trap te midden van de diepe, huiverende stilte en de toenemende duisternis scheen geen einde te komen. Toen hij eindelijk op het portaal der tweede verdieping kwam, was het alsof hij reeds honderd jaar die trap opklom. Voor de glazen deur der Sala Clementina, waarvan alleen de rechterdeurvleugel openstond, hield een laatste soldaat der Zwitsersche garde de wacht.
"Mijnheer Squadra."
De man trad ter zijde en liet den jongen priester binnengaan.
De reusachtige Sala Clementina scheen op dit uur in het schemerdonker der lampen grenzenloos te zijn. De zoo rijke decoratie, de beeldhouwwerken, de schilderijen, het verguldsel, alles zonk weg en was niets meer dan een vage, vale massa, spookachtige muren, waarop de terugkaatsingen van kleinoodiën en edelgesteenten sliepen.
Eindelijk meende Pierre aan het andere einde van de zaal op een bank gedaanten te onderscheiden. Het waren drie dommelende soldaten der Zwitsersche garde.
"Mijnheer Squadra."
Langzaam stond een der mannen op en verdween. Pierre begreep, dat hij moest wachten. Hij durfde zich niet bewegen: het geluid van zijn stappen op de tegels maakte hem bang. Hij keek om zich heen en trachtte zich de menigten voor den geest te roepen, welke deze zaal bevolkt hadden. Thans nog was het een zaal, die voor allen toegankelijk was, die allen moesten doorgaan, een eenvoudige zaal voor de wachtposten, steeds vervuld door het lawaai van tallooze stappen, van het onophoudelijke komen en gaan. Maar hoe zwaar drukte de dood erop, wanneer de nacht haar in bezit had genomen--hoe moe en uitgeput was zij door het voorbij zien gaan van zoovele dingen en menschen.
Eindelijk kwam de soldaat terug en achter hem verscheen op den drempel van het nevenvertrek een geheel in het zwart gekleede man van omstreeks veertig jaar, die het midden hield tusschen den knecht van een groot huis en den koster van een kathedraal. Hij had een mooi, gladgeschoren gezicht met een eenigszins grooten neus tusschen een paar groote, strakke en heldere oogen.
"Mijnheer Squadra," zeide Pierre nogmaals.
De man maakte een buiging, als om te zeggen, dat hij dat was. Met een tweede buiging noodigde hij den priester uit hem te volgen. Achter elkaar gingen zij dan de eindelooze reeks zalen door.
Pierre, die, doordat hij er meermalen met Narcisse over gesproken had, het ceremonieel kende, herkende de verschillende zalen, herinnerde zich de bestemming daarvan, vulde ze in zijn geest met de personen, die het recht hadden zich er op te houden. Iedere dignitaris mocht, volgens zijn rang, niet verder dan een bepaalde deur gaan, zoodat de personen, die door den paus ontvangen moeten worden, van hand tot hand gaan, van die der bedienden in die der edelgarden, dan in die van de eerekamerheeren, vervolgens in die der geheime kamerheeren. Maar van acht uur af waren de zalen ledig; slechts weinige lampen branden op de wandtafeltjes; het is niet meer dan een reeks verlaten, half donkere, in slaap gevallen vertrekken, ingesloten in het verheven Niet, waarin het geheele paleis verzinkt.
Eerst kwam de zaal der bedienden, van de bussolanti, de eenvoudige deurwachters, die, gekleed in rood, met het pauselijk wapen geborduurd fluweel, de bezoekers tot aan de deur der eerekamer brengen. Op dit late uur zat er nog slechts één op een bank in een zóó donker hoekje, dat zijn purperen tunica zwart scheen. Hij keek op en liet hen doorgaan in de donkerte, waarin de geheele verblindende pracht van de zaal verdween. Dan gingen zij door de zaal der gendarmen, waar de secretarissen van de kardinalen en andere hooge personnages op de terugkomst van hun meesters wachtten; zij was nu geheel leeg, geen enkele der mooie blauwe uniformen met het witte lederwerk, geen enkele der fijne soutanes, die zich hier gedurende de receptie-uren vermengden, was te zien. Leeg ook was de volgende, iets kleinere, voor de Palatijnsche garde bestemde zaal; deze uit de Romeinsche bourgeoisie gerecruteerde militie draagt een zwarte tunica met gouden epauletten en een door een roode pluim bekroonden schako.
Vervolgens sloegen zij rechtsaf in een nieuwe reeks zalen; ook de eerste, die zij betraden, de tapijtenzaal was leeg; dit is een wachtkamer met een prachtig geschilderd plafond en bewonderenswaardige gobelins van Audran, den wonderdoenden Jezus en de Bruiloft van Kanaän voorstellend. Leeg ook was de zaal der edelgarden met haar lage, houten stoeltjes, haar wandtafeltje, waarboven een hoog crucifix tusschen twee lampen hangt, haar breede deur op den achtergrond, die toegang geeft tot een ander klein vertrek, een soort alkoof met een altaar, waarvoor de paus geheel alleen de mis leest, terwijl de aanwezigen op de marmeren tegels van de zaal der edelgarde geknield liggen. Leeg ten slotte was ook de eere-antichambre, de troonzaal, waar de paus twee- en driehonderd personen tegelijk in openbare audiëntie ontvangt. Tegenover het venster staat op een lage estrade de troon, een vergulde fauteuil van rood fluweel onder een rood-fluweelen baldakijn. Daarnaast ligt het kussen voor den voetkus. Rechts en links staan twee wandtafeltjes; op het eene ziet men een pendule, op het andere een crucifix tusschen hooge, kaarsendragende armluchters met verguld-houten voeten. Het behang van rood damast met de groote Louis XIV-palmen loopt tot aan de prachtige fries, die het plafond met allegorische attributen en figuren omlijst; de schitterende, koude marmeren vloer is alleen voor den troon met een Smyrna-tapijt bedekt. Maar bij particuliere audiënties, wanneer de paus in de kleine troonzaal of zelfs in zijn kamer ontving, was de troonzaal eenvoudig de eere-antichambre, waar de prelaten en andere hoogwaardigheidsbekleeders, gezanten en andere hooge persoonlijkheden wachtten.
De dienst werd waargenomen door twee eerekamerheeren, die de tot de hooge eer van een particuliere audiëntie toegelaten personen van de bussolanti overnamen, om ze zelf te brengen naar de deur der geheime antichambre, waar zij ze overdragen aan de geheime kamerheeren. Dit was de weelderigst ingerichte en levendigste zaal zoowel door de schittering der uniformen als door de ontroering, die al grooter en grooter werd naarmate men dichter kwam bij den door den Uitverkorene en Eenige bewoonden tabernakel door die eindelooze reeks zalen, waarin het hart steeds luider en luider klopte en tot stikkens toe samengeperst werd door die handig aangebrachte stijging van geringere tot steeds meer toenemende pracht. Op dit late uur echter was er geen levende ziel te zien, geen beweging, geen stem te hooren--niets was er dan de stilte, die van het donkere plafond over den rood-fluweelen troon afdaalde; niets dan een walmende lamp, die in de ledige, sluimerende zaal op den hoek van een wandtafeltje brandde.
Mijnheer Squadra, die zich nog niet omgedraaid had, maar langzaam en zwijgend verder schreed, bleef een oogenblik voor de deur der geheime antichambre staan als om den bezoeker gelegenheid te geven zich wat te herstellen, alvorens het heiligdom te betreden. Alleen de geheime kamerheeren hadden het recht zich daar op te houden, slechts de kardinalen mochten hier wachten tot het den paus behagen zou hen te ontvangen. Aan zijn lichte, zenuwachtige huivering bemerkte Pierre, nadat mijnheer Squadra hem er binnen gebracht had, dat hij de andere zijde van deze lage, menschelijke wereld betrad. Overdag bewaakte een op wacht staand edelgarde de deur; doch op dit uur was deze vrij en het vertrek, evenals alle andere, ledig. Het was iets te smal en gangvormig; twee ramen zagen uit op de nieuwe wijk der Prati del Castello, een derde aan het einde dicht bij de naar de kleine troonzaal leidende deur op het Pietersplein. Daar tusschen die deur en dat venster zat gewoonlijk aan een klein tafeltje een thans afwezige secretaris. En ook nu weer kwam hetzelfde wandtafeltje met hetzelfde crucifix tusschen hetzelfde paar lampen terug. Een groot uurwerk in een ebbenhouten met koper beslagen kast sloeg zwaar het uur. De eenige merkwaardigheid onder het plafond met de gouden rosetten was het roode, met gele schilden bezaaide, damasten behang. De twee sleutels en de tiara wisselden af met den leeuw, die zijn klauw op den aardbol legt.
Maar mijnheer Squadra had bemerkt, dat Pierre, in strijd met de etiquette, nog steeds zijn hoed, dien hij in de zaal der bussolanti had moeten achterlaten, in zijn hand hield. Alleen de kardinalen hebben het recht hun hoofddeksel bij zich te houden. Met een bescheiden gebaar nam hij hem zijn hoed af en legde dien zelf op het wandtafeltje, als wilde hij zeggen, dat hij tenminste daar moest blijven. Dan, nog steeds zonder een woord te zeggen, gaf hij Pierre met een eenvoudige buiging te kennen, dat hij den bezoeker bij Zijne Heiligheid zou aandienen, en hij een oogenblik in deze kamer wachten moest.
Toen Pierre alleen was, haalde hij diep adem. Hij stikte, zijn hart klopte, alsof het breken zou. Toch bleef zijn verstand helder; hij had in dit halfdonker deze beroemde, deze prachtige pauselijke vertrekken zeer goed beoordeeld.
De ebbenhouten klok sloeg negen uur. Hij keek verbaasd op. Wat, waren er pas tien minuten verloopen, sedert hij de bronzen deur doorgegaan was? Hij had een gevoel, alsof hij al dagen en dagen geloopen had. Nu wilde hij deze zenuwachtige drukking, die hem benauwde, bestrijden; want hij was nog steeds niet zeker van zichzelf, was nog steeds bang zijn kalmte, zijn rede in een tranenvloed te zien verdwijnen. Hij liep op en neer en kwam langs de ebbenhouten klok, wierp een blik op het crucifix van het wandtafeltje en keek naar den bol van de lamp, waarop de vette vingers van een knecht hun sporen achtergelaten hadden. Zij gaf een zóó geel en zóó zwak licht, dat hij de lust in zich voelde opkomen haar wat op te draaien, maar hij durfde niet. Dan stond hij, met zijn gezicht tegen het raam gedrukt, voor het venster, dat op het St. Pietersplein uitzag. Even werden zijn gedachten geheel in beslag genomen. Door de slechtsluitende jaloezieën strekte het reusachtige Rome zich voor hem uit, Rome, zooals hij het reeds eenmaal gezien had van uit de loggia's van Raffaël, zooals hij het zich gedacht had op den dag, dat hij van uit het kleine restaurant op het paleis Leo XIII voor het raam van zijn kamer had meenen zien te staan.
Maar nu was het het nachtelijke Rome, het door de duisternis nog grooter lijkende Rome, grenzenloos als de bestarde hemel. In deze grenzenlooze zee met haar zwarte golven kon men slechts met zekerheid de groote, door het witte licht der electrische verlichting in melkwegen veranderde straten: den Corso Victor-Emanuele, de Via Nazionale, den Corso, die ze rechthoekig sneed en zelf werd doorsneden door de Via del Tritone, welke zich voortzette in de Via San Nicola da Tolentino. Aan de andere zijde van den corso Victor-Emanuele en de Via Nazionale in de richting van het oude Rome vlamden nog eenige pleinen en eenige straatdeelen, maar de duisternis overstroomde reeds alles. Overigens was het niets meer dan een gewemel van kleine, gele lichtjes, van kleine brokjes van een half uitgedoofden hemel, die over de aarde geveegd is. Enkele sterrenbeelden, enkele fonkelende, mysterieuse en edele figuren vormende sterren trachtten vergeefs zich los te maken.
De zenuwachtige angst van Pierre werd ondanks dezen oceaan van donkerte en verheven vrede, ondanks de pogingen, die hij deed om kalm te worden, van seconde tot seconde grooter. Hij verwijderde zich van het venster en huiverde over zijn geheele lichaam, toen hij een zacht geschuifel van voetstappen hoorde en dacht, dat men hem kwam halen. Het geluid kwam uit het vertrek ernaast, de kleine troonzaal, waarvan, zooals hij nu merkte, de deur op een kier was blijven staan. Daar hij verder niets meer hoorde, waagde hij zich in zijn koortsachtig ongeduld wat dichter bij en rekte zijn hals uit om wat te zien. Het was weer een met rood damast behangen zaal met een vergulden, roodfluweelen fauteuil onder een rood-fluweelen baldakijn; ook hier vond men het onvermijdelijke wandtafeltje, het hooge, ivoren crucifix, de klok, het paar lampen, de kandelabres, twee groote vazen op sokkels en twee andere van geringere grootte met het portret van den Heiligen Vader, afkomstig uit de fabriek te Sèvres. Toch voelde men hier meer comfort, het Smyrna-tapijt bedekte den geheelen vloer, enkele fauteuils stonden er tegen den muur.
De paus, wiens kamer in deze zaal uitkwam, ontving hier gewoonlijk de personen, die hij met bijzondere onderscheiding behandelen wilde. Pierre's zenuwachtigheid nam toe bij de gedachte, dat hij nog maar één vertrek behoefde door te gaan, dat zoo dicht bij hem, achter die eenvoudige houten deur, Leo XIII was. Waarom liet men hem wachten? Maakte men zich gereed om hem in dat vertrek te ontvangen, ten einde hem in een niet al te groote intimiteit toe te laten? Men had hem verteld van geheimzinnige bezoeken op dit uur, van onbekenden, die op dezelfde wijze zwijgend binnengelaten werden. Dat waren hooge persoonlijkheden, wier namen men heel zacht fluisterde. Hem scheen men voor compromitteerend te houden, dat men met hem buiten weten der omgeving, kalm met hem wenschte te praten, zonder zich tot iets te verbinden.
Dan kon hij zich plotseling de oorzaak van het geritsel, dat hij zooeven gehoord had, verklaren, hij zag op het wandtafeltje naast de lamp een klein houten kistje, een soort diep bord met handvaten, waarin zich het overschot van een avondmaaltijd, vaatwerk, een courant, een flesch en een glas bevonden. Hij begreep, dat mijnheer Squadra, nadat hij die overblijfselen in de kamer gezien had, deze in dit vertrek gebracht had en toen weer naar binnen gegaan was, om verder de tafel af te nemen. Hij wist, dat de paus zeer matig was; wist, dat hij zijn maaltijden aan een klein tafeltje gebruikte, waarbij alles tegelijk in dit kleine houten kistje binnengebracht werd: één vleesch, één groente, een paar slokjes bordeaux op voorschrift van den geneesheer, en voor alles bouillon, koppen bouillon, die hij gaarne aan oude kardinalen, die tot zijn vrienden behoorden, aanbood.
De gewone maaltijden van Leo XIII kostten niet meer dan acht francs per dag. O, zwelgerijen van Alexander VI! O, festijnen en feestgelagen van Julius II en Leo XI. Maar weer kwam er een geritsel uit de kamer, dat hij niet uitleggen kon; hij schrok van zijn onbescheidenheid en trok zijn hoofd terug, toen hij meende de geheele roode troonzaal in den dooden vrede, waarin zij sliep, te zien opvlammen.
Daar hij te zenuwachtig was, om onbeweeglijk te blijven, begon hij met zachte stappen op en neer te loopen. Die mijnheer Squadra--hij herinnerde zich nu plotseling het van Narcisse gehoord te hebben--was een voorname persoonlijkheid, een zeer invloedrijk man, de lievelingsdienaar van Zijne Heiligheid, de eenige, die hem ertoe kon overhalen op ontvangdagen een schoone witte soutane aan te trekken, wanneer degene, die hij droeg, vuil was van het vele snuiven. Zijne Heiligheid stond er beslist op zich iederen nacht geheel alleen in zijn kamer op te sluiten en niemand bij zich te laten slapen; dit geschiedde uit een gevoel van onafhankelijkheid, maar ook, naar men zeide, uit den angst van een vrek, die met zijn schat alleen slapen wil. Dit gaf voortdurende reden tot ongerustheid, want het was allesbehalve verstandig, dat een man van dien leeftijd zich zoo barricadeerde; mijnheer Squadra sliep in een aangrenzend vertrekje, steeds luisterend en gereed om bij het eerste alarm toe te snellen. Hij was het ook, die, zij het met grooten eerbied, er Zijne Heiligheid op wees, wanneer Zijne Heiligheid te laat op bleef zitten of te veel werkte. Op dat punt echter was hij moeilijk tot rede te brengen; dikwijls stond hij, wanneer hij niet slapen kon, weer op, liet door Squadra een secretaris wekken, om hem een paar aanteekeningen te dicteeren of een ontwerp-encycliek op papier te brengen. Wanneer hij met een encycliek bezig was, zou hij er dag en nacht mede bezig kunnen zijn, evenals vroeger, toen hij er zich nog op voor liet staan mooie Latijnsche verzen te kunnen maken, de dageraad hem dikwijls bij het schaven van een strophe verraste. Hij sliep heel weinig, daar zijn hersenen steeds werkzaam waren en zijn geest altijd bezig was, met de verwezenlijking van het een of ander oud plan. Alleen zijn geheugen was in den laatsten tijd wat zwakker geworden. Misschien had mijnheer Squadra Zijne Heiligheid weer minder goed gevonden tengevolge van overmatig werken, daar hij, naar men zeide, den vorigen dag nog vrij ernstig ziek geweest was en hij zich nooit ontzag.
Terwijl Pierre zachtjes heen en weer bleef loopen, werd zijn geest langzamerhand geheel door deze hooge en verheven figuur in beslag genomen. Na de weinig beteekenende bijzonderheden van het dagelijksch leven overdacht hij nu het intellectueele leven, de rol van den grooten paus, die Leo XIII toch zeker wilde spelen. In de S. Paolo fuori le Mura had hij den eindeloozen fries gezien, waarop de portretten der tweehonderd twee-en-zestig pausen afgebeeld zijn; en hij vroeg zich af op welken van die lange reeks middelmatige, heilige, misdadige en geniale pausen Leo XIII het liefst zou willen gelijken.
Was het een der eerste zoo nederige pausen, een van hen, die elkaar gedurende de drie eerste eeuwen van verborgen leven opgevolgd waren, die eenvoudige leiders van begrafenisvereenigingen, broederlijke herders der Christelijke gemeenschap waren? Was het paus Damasius, de eerste groote bouwmeester, de geleerde, die behagen schepte in de dingen van den geest, den geloovige met zijn vurig geloof, die voor de vromen de katakomben opende? Was het Leo III, wiens vermetele hand door de zalving van Karel den Groote de breuk met het Oosten, dat het groote schisma reeds afgescheiden had, voltooide, die krachtens den eenigen en almachtigen wil van God en Zijne Kerk aan het Westen de heerschappij gaf en van af dat oogenblik over kronen beschikte? Was het de verschrikkelijke Gregorius VII, den tempelreiniger, den beheerscher der koningen; was het Innocentius III, was het Bonifacius VIII, de meesters van zielen, volkeren en tronen, die met de grimmige banbliksems gewapend, met zulk een macht over de Middeleeuwen heerschten, dat het Katholicisme nooit dichter bij de verwezenlijking van zijn droom geweest is dan toen? Was het Urbanus II, was het Gregorius IX of een der andere pausen, in wier hart de brandende hartstocht voor de kruistochten, de drang naar heilige avonturen opvlamde, welke de menigte medesleepte en aanzette tot de verovering van het onbekende en het goddelijke? Was het Alexander III, die het pausdom tegen het keizerrijk verdedigde, tot het einde toe streed om niets af te staan van het hoogste gezag, waarmede God hen bekleed had en ten slotte overwon door zijn voet triompheerend op den nek van Frederik Barbarossa te zetten? Was het Julius II, die lang na de treurige tijden van Avignon het pantser droeg en de politieke macht van den Heiligen Stoel bevestigde? Was het Leo X, de prachtlievende, roemrijke beschermer der Renaissance, van een groot kunsttijdperk, maar die een bekrompen, niet vooruitzienden geest bezat en Luther als een eenvoudigen, opstandigen monnik beschouwde? Was het Pius V, de zwarte, wrekende reactie, de brandstapelvlam, die de weer heidensch geworden aarde tuchtigde? Was het een der andere pausen, die na het Concilie van Trente regeerden, toen het geloof in zijn integriteit weer hersteld, de Kerk door haar trots, haar onverdraagzaamheid, haar volharden in een volkomen eerbied voor de dogma's gered was? Was het een paus uit den tijd van het verval van het pausdom, toen het niet meer was dan een ceremoniemeester, die de galafeesten der groote Europeesche monarchieën leidde? Was het Benedictus XIV, de groote geest, de scherpzinnige theoloog, die, daar zijn handen gebonden waren en hij niet meer over de koninkrijken dezer wereld beschikken kon, zijn schoon leven doorgebracht had met het regelen der hemelsche zaken?
Op die wijze ontrolde zich voor hem de geschiedenis van het pausdom, de wonderbaarlijkste geschiedenis, die er bestaat: het had alle wisselvalligheden der fortuin, de laagste en ellendigste zoowel als de hoogste en schitterendste tijden, gekend; het bezat een hardnekkigen wil om te leven, die het ondanks alles te midden van branden, bloedbaden en instortingen staande gehouden heeft, steeds strijdvaardig in den persoon van zijn pausen. Zij vormen een buitengewone reeks van onbeperkte, veroverende en gebiedende heerschers. Allen, zelfs de zwakke en nederige, waren de meesters der wereld, allen straalden in den onvergankelijken roem van den hemel, wanneer men ze zich voor den geest riep in dit eeuwenoude Vaticaan, waar hun schimmen 's nachts ongetwijfeld ontwaakten en te midden der doodelijke stilte door de eindelooze gangen, door de reusachtige zalen slopen.
Maar dan zeide Pierre tot zich zelf, dat hij den grooten paus, die Leo XIII wilde zijn, kende. Het was, geheel in het begin der Katholieke macht, Gregorius de Groote, de veroveraar en de organisator. Deze stamde af uit een oud Romeinsch geslacht; iets van het oude keizerbloed bruiste nog in zijn aderen. Hij bestuurde het van de barbaren geredde Rome, liet de Kerkelijke domeinen bebouwen en verdeelde de goederen dezer aarde: één deel voor de armen, één deel voor de geestelijkheid en één deel voor de Kerk. Hij stichtte de Propaganda, zond zijn priesters uit om de volkeren te beschaven en te pacificeeren, onderwierp zelfs Groot-Brittannië aan de goddelijke wet van Christus. Ook was het, na een tusschentijd van vele eeuwen, Sixtus V, de financier en politicus, de tuinmanszoon, die zich onder de tiara als een der meest omvattende en soepele geesten van een aan diplomaten rijk tijdperk kennen deed. Hij vergaarde schatten en was hard en gierig, om te regeeren als een vorst, die in zijn schatkist steeds het voor oorlog en vrede noodige goud liggen heeft. Jaren lang onderhandelde hij met koningen, nooit wanhoopte hij aan zijn triomf. Evenmin verzette hij zich tegen den tijdgeest; hij aanvaardde dien zooals hij was, en trachtte hem dan te wijzigen in het belang van den Heiligen Stoel; hij was verdraagzaam in alles tegenover allen en droomde reeds van een Europeesch evenwicht, waarvan hij het centrum en de meester wilde worden. Bij dat alles was hij een zeer vrome paus, een vurige mysticus, maar een paus, die de meest absolute, meest onbeperkte geest en tevens een tot handelen vastbesloten staatsman was, om het koninkrijk Gods op deze aarde te verzekeren.
Maar in zijn geestdrift, die ondanks zijn wil om kalm te zijn, weer in hem opsteeg en alle voorzichtigheid en allen twijfel wegvaagde, vroeg Pierre zich af, waarom hij zoo het verleden naging. Was dan de ware Leo XIII niet die van zijn boek, de groote paus, die zich aan hem geopenbaard had, dien hij geschilderd had naar zijn hart, zooals de zielen hem wenschten en verwachtten? Ongetwijfeld was het geen sprekend gelijkend portret, maar de groote lijnen ervan moesten toch juist zijn, wilde de menschheid niet wanhopen aan haar redding. En talrijke bladzijden van zijn boek vlamden voor zijn oogen op; hij zag Leo XIII weer voor zich, den wijzen staatsman, den verzoenenden bemiddelaar, die aan de eenheid der Kerk werkte, haar krachtig en onoverwinlijk maken wilde voor den nabijën dag van den onvermijdelijken strijd. Hij zag hem weer voor zich, bevrijd van de zorgen over de wereldlijke macht, grooter geworden, gelouterd, schitterend in moreele pracht, als de eenige, boven de volkeren staande autoriteit, die het doodelijke gevaar ingezien heeft, dat erin gelegen is, de socialistische oplossing te laten in de handen van de vijanden van het Christendom, en vanaf dat oogenblik vast besloten was om in den hedendaagschen strijd, zooals Jezus vroeger, in te grijpen ter verdediging van de armen en de lijdenden.
Hij zag hem zich plaatsen aan de zijde der democratieën, de republiek in Frankrijk erkennen, de van hun tronen gestooten koningen in ballingschap laten, de voorspelling verwezenlijken, die Rome opnieuw de wereldheerschappij zou verzekeren, wanneer het pausdom het geloof weer één gemaakt hebben en aan de spits van het volk marcheeren zou. De tijden gingen in vervulling: de Caesar was verpletterd, de paus alleen bleef nog over. En zou het volk, het groote zwijgende volk, dat de twee machten elkander zoo lang betwist hadden, zich niet geven aan den Vader, nu het wist, dat deze rechtvaardig en liefderijk was, dat deze de broodelooze arbeiders en de bedelaars van de straat met een van liefde brandend hart en een uitgestoken hand tegemoet kwam? Bij de vreeselijke catastrophe, die de verrotte maatschappij bedreigde, bij de afschuwlijke ellende, die de steden teisterde, was geen andere oplossing mogelijk als Leo XIII, de gepraedestineerde, de noodwendige verlosser, de herder, gezonden om zijn schapen te redden door de wederinstelling der Christelijke gemeenschap, de vergeten gouden eeuw van het oorspronkelijke Christendom! Eindelijk heerschte de gerechtigheid, schitterde de waarheid als de zon, waren alle menschen verzoend, vormden slechts één volk, dat in vrede leefde en gehoorzaamde aan de allen gelijkmakende wet van den arbeid onder de hooge bescherming van den paus, den eenigen band van barmhartigheid en liefde!
Nu werd Pierre als opgelicht, gedragen, voortgedreven door een vlam. Eindelijk, eindelijk zou hij hem zien, zijn hart lucht geven, zijn ziel openen! Reeds sedert zoo vele dagen snakte hij vurig naar deze minuut, streed hij met al zijn moed om die te verkrijgen. En hij herinnerde zich de hinderpalen, welke men hem sedert zijn aankomst te Rome telkens weer in den weg gelegd had; en deze lange strijd, dit ongehoopte succes maakten zijn koorts heftiger, prikkelden zijn wensch om te overwinnen. Ja, ja, hij zou overwinnen, hij zou de tegenstanders van zijn boek doen verstommen en ten schande maken. Kon, zooals hij tegen monsignor Fornaro gezegd had, de paus zijn boek desavoueeren? Had hij niet zijn geheime denkbeelden uitgesproken? Misschien te vroeg, maar dat was toch een vergeeflijke fout? En hij herinnerde zich ook wat hij tegen monsignor Nani gezegd had op den dag, dat hij gezworen had nooit uit eigen beweging zijn boek te zullen terugtrekken, want dat hij nergens berouw over had, niets loochende.
In deze minuut ging hij nogmaals met zichzelf te rade, en in de heftige, zenuwachtige opwinding, waarin het wachten hem na zijn eindeloozen gang door dit reusachtige Vaticaan, bracht, geloofde hij in het volle bezit van zijn moed, van zijn geheele wilskracht te zijn. Toch geraakte hij hoe langer hoe meer in verwarring, kwam er toe zijn gedachten bij elkaar te zoeken, vroeg hij zich af, hoe hij zou binnengaan, wat hij zeggen zou en in welke bewoordingen.
Verwarde en zware dingen moesten zich in hem opgehoopt hebben, want hun gewicht droeg veel tot zijn beklemming bij, zonder dat hij zich daarvan rekenschap wilde geven. Feitelijk was hij reeds gebroken en uitgeput, had hij geen veerkracht meer dan de vlucht van zijn droom en zijn kreet van medelijden met de afschuwlijke ellende. Ja, ja, hij zou vlug naar binnen gaan, zou op zijn knieën vallen, spreken zooals zijn hart hem ingeven zou. En ongetwijfeld zou de Heilige Vader glimlachen, hem laten gaan met de woorden, dat hij niet de veroordeeling van een werk teekenen zou, waarin hij zichzelf met zijn dierbaarste gedachten teruggevonden had.
Pierre voelde zich zóó zwak worden, dat hij opnieuw naar het raam liep, om zijn brandend voorhoofd tegen het koude glas te drukken. Zijn ooren suisden, zijn knieën knikten, terwijl het bloed met zware slagen in zijn hersens klopte. Hij trachtte aan niets meer te denken, keek naar het in donkerte gedompelde Rome en vroeg het een weinig van zijn slaap te schenken, waarin het zelf wegzonk. O, om kalm te zijn, om eindelijk niet meer te denken, moet het nacht zijn, een volkomen nacht, de nacht, waarin men, van ellende en lijden genezen, voor eeuwig slaapt! Plotseling had hij het duidelijke gevoel, dat er iemand onbeweeglijk achter hem stond; hij schrok en keerde zich om.
Achter hem stond inderdaad mijnheer Squadra in zijn zwarte livrei te wachten. Hij maakte weer een buiging als om den bezoeker uit te noodigen hem te volgen. Dan ging hij weer voorop loopen, schreed langzaam door de kleine troonzaal, opende zacht de deur van de kamer, trad ter zijde, liet den bezoeker binnengaan, sloot de deur geruischloos.
Pierre was in de kamer van Zijne Heiligheid. Hij was bang geweest voor een van die plotselinge gemoedsbewegingen, die krankzinnig maken of verlammen; men had hem verteld, dat vrouwen stervend, in onmacht, als dronken binnenkwamen, of wel als door onzichtbare vleugelen gedragen, dansend binnenstormden. Maar plotseling eindigde de angst, die hem tijdens het wachten aangegrepen had, zijn koorts van zooeven in een soort reactie, die hem kalm maakte, hem alles met heldere oogen deed zien.
Toen hij binnentrad, was hij zich van de beslissende beteekenis van deze audiëntie bewust geworden: hij, de eenvoudige priester, verscheen voor den hoogepriester, het hoofd der Kerk, den heerscher der zielen. Zijn geheele religieus en moreel leven zou van deze audiëntie afhangen. Misschien was het deze gedachte, die hem op den drempel van het heiligdom, waarnaar hij zoo bevend gegaan was als het ware tot ijs verstarren deed, het heiligdom, dat hij gedacht had slechts met een bevend hart en zijn kindergebeden stamelend te kunnen betreden.
Toen Pierre later zijn herinneringen classeeren wilde, herinnerde hij zich, dat hij Leo XIII het eerst gezien had, maar in de omlijsting, die hem omgaf, in die groote, met geel damast behangen kamer met het zoo diepe alkoof, dat het bed er in verdween, evenals een heel klein meubilair, een chaise longue, een kast, koffers, de beroemde koffers, waarin zich, naar men zeide, achter een driedubbel slot de schat van den Pieterspenning bevond. Een meubelstuk, in Louis XIV-stijl, een soort schrijfbureau met koper beslag stond tegenover een groote, vergulde en beschilderde wandtafel, waarop naast een hoog crucifix een lamp brandde.
Verder was de kamer kaal; slechts drie fauteuils en vier of vijf stoelen met trijp van lichte zijde, moesten de groote ruimte vullen. Op den vloer lag een reeds zeer versleten tapijt. Op een dier fauteuils zat naast een klein tafeltje, waarop men een tweede lamp met een kap gezet had, Leo XIII. Op het tafeltje lagen drie couranten, twee Fransche en een Italiaansche: deze laatste half opengevouwen, als had de paus haar even neergelegd om met een lang verguld-zilveren lepeltje een glas limonade, dat naast hem stond, om te roeren.
Zooals Pierre de kamer gezien had, zag hij ook het costuum, de witte soutane met witte knoopen, het witte kalotje, de witte pèlerine, de witte ceintuur met gouden franje, waarvan de einden met gouden sleutels geborduurd waren. De kousen waren wit, de pantoffels van rood, eveneens met gouden sleutels geborduurd, fluweel. Het meest werd Pierre echter getroffen door het gezicht, door de geheele persoonlijkheid, die hem kleiner voorkwam en die hij nauwlijks herkende. Dit was nu de vierde maal, dat hij den paus zag: de eerste maal op een mooien avond in een heerlijken tuin, glimlachend en vertrouwelijk luisterend naar het gebabbel van een lievelingsprelaat, terwijl hij met zijn kleine oude-heeren-pasjes als een gewond vogeltje voorttrippelde. Hij had hem gezien in de Sala dei Beatificazione als geliefd en ontroerd paus, wiens wangen bloosden van tevredenheid, terwijl vrouwen hem beurzen en met goud gevulde witte kalotjes brachten, haar juweelen afrukten om ze aan zijn voeten te werpen. Hij had hem in de St. Pieter gezien--hoog op het schild gedragen, in al zijn heerlijkheid van zichtbaren God, dien de Christenheid aanbidt als een in zijn gouden en met edelgesteenten versierde kast opgesloten afgod, terwijl zijn strak gelaat onbeweeglijk als uit steen gehouwen bleef. En nu zag hij hem hier in dezen fauteuil, in de intimiteit van zijn eigen kamer terug, en hij vond hem zoo mager, zoo teer, dat hij een onrust voelde, waaraan zich ontroering paarde. De hals vooral was onwaarschijnlijk dun als een draad, de hals van een heel ouden, witten vogel. Het albasten, bleeke gelaat was karakteristiek doorschijnend, men zag het schijnsel van de lamp door den grooten, gebiedenden neus, als was al het bloed daaruit weggevloeid. De groote mond met de sneeuwwitte lippen doorsneed met een dunne lijn het onderste gedeelte van het gelaat, de oogen alleen waren mooi en jong gebleven, prachtige, donkere, als zwarte diamanten fonkelende, krachtige, doorborende oogen, die de zielen openden en dwongen de waarheid met luide stem te bekennen. Het weinige haar kwam in dunne, witte lokken uit het witte kapje te voorschijn en legde een witte kroon om het magere, witte gezicht, welks leelijkheid door al het wit gelouterd werd.
Maar bij den eersten blik had Pierre opgemerkt, dat mijnheer Squadra hem niet had laten wachten, omdat hij den Heiligen Vader had willen dwingen een schoone soutane aan te trekken, want degene, die hij droeg, was vuil door de vele snuif, die langs de knoopen gevallen was. En echt burgerlijk had de Heilige Vader een zakdoek op zijn knieën, om zich af te vegen. Verder scheen hij zeer welvarend en geheel hersteld van zijn ziekte van den vorigen dag; hij was trouwens gewoonlijk gauw beter, want hij leefde zeer sober en matig en had geen enkel organisch gebrek. Door een natuurlijke uitputting verminderde hij dagelijks iets, zooals een fakkel door het voortdurende branden eenmaal uitgaat.
Reeds bij de deur had Pierre de twee fonkelende oogen, de twee zwarte diamanten oogen op zich voelen rusten. De stilte was angstaanjagend, de lampen brandden met een onbeweeglijke, bleeke vlam in deze grenzenlooze rust van het ingeslapen Vaticaan, zonder dat men iets anders hoorde dan in de verte het oude, in den nacht weggezonken oude Rome. Hij moest naderbij komen, maakte de drie kniebuigingen en boog zich dan voorover om de op een kussen rustende rood-fluweelen pantoffel te kussen. Geen woord, geen beweging, geen gebaar van den paus. Toen Pierre zich weer oprichtte, zag hij de twee zwarte diamanten, de fonkelende oogen, nog steeds op zich gericht.
Eindelijk begon Leo XIII, die hem den ootmoed van den voetkus niet had willen besparen en hem nu liet staan, te spreken, zonder echter zijn blik, die tot in het diepst van zijn ziel doordrong, van Pierre af te wenden.
"Mijn zoon, gij hebt vurig verlangd mij te spreken, en ik heb erin toegestemd aan uw wensch gevolg te geven."
Hij sprak Fransch, een eenigszins onzeker Fransch, dat hij op zijn Italiaansch uitsprak, en zoo langzaam, dat men de zinnen als bij een dictee had kunnen opschrijven. De nasale stem was sterk, een van die zware, diepe stemmen, die men bij zulke zwakke, schijnbaar bloed- en ademlooze lichamen niet verwacht.
Pierre had zich wederom gebogen om zijn dankbaarheid te betuigen, hij wist, dat de eerbied eischte, dat men niet sprak voor een direkte vraag gedaan werd.
"Gij woont te Parijs?"
"Ja, Heilige Vader."
"Behoort ge tot een der groote stedelijke parochieën?"
"Neen, Heilige Vader, ik ben kapelaan in de kleine kerk te Neuilly."
"O ja, ik weet al waar... dicht bij den Bois de Boulogne... En hoe oud zijt gij, mijn zoon?"
"Vier-en-dertig, Heilige Vader!"
Er volgde een korte stilte. Leo XIII had eindelijk zijn oogen neergeslagen. Met zijn teere, ivoorkleurige hand nam hij het glas limonade weer, roerde er met den langen lepel in en dronk een slok. Hij deed het langzaam, voorzichtig en bedachtzaam, zooals alles, wat hij moest doen en denken.
"Ik heb uw boek gelezen, mijn zoon. Ja, voor het grootste gedeelte. Gewoonlijk legt men mij slechts brokstukken voor. Maar iemand, die zich voor u interesseert, heeft mij het boek gegeven en gesmeekt het door te lezen. Op die wijze heb ik er kennis van kunnen nemen."
Hij maakte een klein gebaar, waarin Pierre een protest meende te moeten zien tegen de afzondering, waarin zijn omgeving hem hield--die vloekwaardige omgeving, die er, volgens de woorden van monsignor Nani zelf, goed voor waakte, dat niets verontrustends van uit de buitenwereld hier doordrong.
"Ik dank Uwe Heiligheid voor de zeer groote eer, die het haar behaagd heeft mij te bewijzen," waagde de priester te zeggen. "Geen grooter eer, geen vuriger verlangd geluk kon mij ten deel vallen."
Hij was zoo gelukkig! Hij verbeeldde zich, dat zijn zaak reeds gewonnen was, nu de paus kalm en zonder eenigen toorn, op dien toon met hem sprak over zijn boek als iemand, die hem nu door en door kende.
"Ge gaat veel om met mijnheer den vicomte Philibert de la Choue, niet waar, mijn zoon? De overeenkomst tusschen sommige van uw denkbeelden en die van dezen zeer toegewijden dienaar, die ons anderzijds kostbare bewijzen van zijn goede gezindheid gegeven heeft, is mij opgevallen."
"Inderdaad, Heilige Vader, mijnheer de la Choue is wel zoo goed belang in mij te stellen. Wij hebben veel samen gepraat, zoodat het niet te verwonderen is, dat ik verscheidene van zijn dierbaarste denkbeelden weergegeven heb."
"Natuurlijk, natuurlijk. Zoo bijvoorbeeld die quaesties van de corporaties, waarmede hij zich veel, zelfs wel wat te veel, bezighoudt. Bij zijn laatste reis heeft hij daar met grooten aandrang met mij over gesproken; evenals trouwens een andere landgenoot van u, een der beste en eminentste mannen, die ik ken, baron de Fouras, die onlangs de mooie bedevaart van den Pieterspenning hier gebracht heeft, niet rustte, voordat ik hem ontving, om er dan bijna een uur lang over te praten. Maar men kan moeilijk zeggen, dat zij het eens zijn, want de een smeekt mij te doen wat de ander niet wil, dat ik doe."
Dadelijk bij het begin dwaalde het gesprek op zijpaden af. Pierre voelde, dat het met zijn boek niets te maken had, maar hij herinnerde zich zijn belofte aan den vicomte, dat hij, wanneer hij den paus zou spreken en de gelegenheid zich daarbij voordeed, een poging wagen zou een beslissende uitspraak te krijgen over de beroemde vraag of de corporaties vrij of verplichtend, open of gesloten moesten zijn. Sedert hij te Rome was, had hij brief op brief van den armen vicomte gekregen, die door zijn jicht Parijs niet verlaten kon, terwijl zijn tegenstander, de baron, van de prachtige gelegenheid der bedevaart, waarvan hij de leider was, gebruik maakte om te trachten van den paus een goedkeurend woord te krijgen, dat hij triompheerend mee kon nemen naar Frankrijk. En de priester stond erop zijn belofte consciëntieus te houden.
"Uwe Heiligheid weet beter dan wij allen wat wijsheid is. Mijnheer de Fouras gelooft, dat het heil, de oplossing der arbeidersquaestie eenvoudig gelegen is in het weder in het leven roepen der oude, vrije corporaties, terwijl mijnheer de la Choue die verplichtend wil onder bescherming van den Staat en aan nieuwe regelen onderworpen. En ongetwijfeld is deze laatste opvatting veel meer in overeenstemming met de tegenwoordige sociale denkbeelden... Indien het Uwe Heiligheid mocht behagen zich in dien zin uit te spreken, dan zou de jonge Katholieke partij in Frankrijk daarmede zeker de schitterendste resultaten weten te bereiken, een geheele arbeidersbeweging tot roem van de Kerk."
"Maar dat kan ik niet," zeide Leo XIII op zijn gewone kalme manier. "Men vraagt mij uit Frankrijk altijd dingen, die ik niet kan en niet wil doen. Het eenige, wat ik u veroorloof uit mijn naam tegen mijnheer de la Choue te zeggen is, dat, al kan ik hem in dezen niet ter wille zijn, mijnheer de Fouras evenmin zijn wensch bevredigd ziet. Ook hij heeft van mij slechts de verzekering gekregen van mijn welwillendheid ten opzichte van de Fransche arbeiders, die zooveel vermogen voor de wederopleving van het geloof. Maar men moet bij u te lande ten slotte toch eens begrijpen, dat er detailquaesties, die per slot van rekening toch de organisatie betreffen, zijn, waarmede ik mij onmogelijk kan inlaten zonder mij bloot te stellen aan het gevaar daaraan een gewicht te geven, dat zij niet hebben, en sommigen een groote teleurstelling te bezorgen, indien ik anderen een groot genoegen doe."
Om zijn lippen verscheen een flauw glimlachje, waaruit duidelijk de conciliante, bedachtzame politicus sprak, die vastbesloten is zijn onfeilbaarheid niet in gevaar te brengen door onnoodige avonturen. Hij dronk weer een slok limonade en veegde zich met zijn zakdoek af als een heerscher, die nu zijn gala-dagtaak afgeloopen is, zich op zijn gemak zet en dit uur van stilte en eenzaamheid gekozen had om langzaam en zoo lang als hij er zelf lust in had, te spreken.
Pierre trachtte het gesprek op het boek te brengen.
"Mijnheer de vicomte Philibert de la Choue is zoo hartelijk voor mij, hij wacht met even groote ontroering op het lot van mijn boek als had hij het zelf geschreven. Daarom zou het mij zoo gelukkig gemaakt hebben, wanneer ik hem een aanmoedigend woord van Uwe Heiligheid had kunnen overbrengen."
Maar de paus antwoordde niet.
"Ik heb hem leeren kennen bij Zijne Eminentie, kardinaal Bergerot, wiens vurige naastenliefde voldoende zijn moest, om weer een geloovig Frankrijk te scheppen."
"O ja, kardinaal Bergerot! Ik heb zijn brief, die als voorrede in uw boek staat, gelezen. Hij was wel slecht geïnspireerd op den dag, dat hij dien schreef, en gij, mijn zoon, hebt u met het publiceeren daarvan aan een groote zonde schuldig gemaakt... Ik kan nog niet gelooven, dat de kardinaal sommige van uw bladzijden gelezen heeft, toen hij u zijn volkomen toestemming en goedkeuring gaf. Ik wil liever aannemen, dat het een gevolg van onwetendheid en lichtzinnigheid is. Hoe zou hij anders uw aanvallen tegen het dogma, uw revolutionnaire theorieën, die tot de totale vernietiging van onzen heiligen godsdienst leiden, hebben kunnen goedkeuren? Als hij uw boek gelezen heeft, heeft hij geen ander excuus dan een plotselinge, onverklaarbare, onvergeeflijke afdwaling... Weliswaar heerscht in een deel der Fransche geestelijkheid een kwade geest. De Gallicaansche denkbeelden schieten steeds meer als onkruid op, een bedilziek liberalisme, dat zich tegen ons gezag verzet en niets liever wil dan vrij onderzoek en andere sentimenteele avonturen."
Hij geraakte opgewonden, Italiaansche woorden mengden zich onder zijn aarzelend Fransch; zijn zware neusstem kwam luid-klinkend als een koperinstrument uit zijn tenger, als uit sneeuw en was gemaakt lichaam.
"En laat kardinaal Bergerot het goed weten: den dag, dat wij in hem niet meer kunnen zien dan een opstandigen zoon, zullen wij hem breken. Hij is ons het voorbeeld van gehoorzaamheid verschuldigd; wij zullen hem onze misnoegen te kennen geven en hopen, dat hij zich zal onderwerpen. Ongetwijfeld zijn ootmoed en naastenliefde groote deugden en wij hebben die steeds gaarne in hem geëerd. Maar zij moeten niet de toevlucht van een opstandig hart worden, want zij beteekenen niets, indien niet gehoorzaamheid daarmede gepaard gaat, gehoorzaamheid, het mooiste sieraad der groote heiligen!"
Verbijsterd en ontsteld luisterde Pierre naar hem. Zichzelf vergat hij; hij dacht alleen nog maar aan den man vol goedheid en verdraagzaamheid, op wien hij dezen almachtigen toorn had doen nederdalen. Dus had don Vigilio gelijk gehad: de beschuldigingen der bisschoppen van Poitiers en Evreux zouden over zijn hoofd heen den tegenstander van hun ultramontaansche onverdraagzaamheid, den zachtmoedigen, goedhartigen Bergerot, de ziel, welke open stond voor al de ellende en al het lijden der armen en der nederigen, treffen.
Hij was er wanhopig onder: de aanklacht van den bisschop van Tarbes, het werktuig van de Paters der Grot, welke slechts hem trof als een antwoord op zijn bladzijde over Lourdes, kon hij nog begrijpen en desnoods goedkeuren, maar de geniepige oorlog der beide anderen verbitterde hem en vervulde hem met een pijnlijke verontwaardiging. Den zwakken grijsaard met zijn dunne vogelhals, die kalm zijn limonade dronk, zag hij een vertoornden, zoo grimmigen grijsaard worden, dat hij ervan beefde. Hoe had hij zich bij zijn binnenkomen door den schijn kunnen laten beetnemen, hoe had hij kunnen gelooven, dat dit slechts een arme, door ouderdom uitgeputte man was, die naar vrede verlangde en alles wilde toegeven? Een ademtocht was door de sluimerende kamer gestreken en bracht weer zijn twijfel, zijn angst mede. O, deze paus was precies zóó als men hem in Rome schilderde, zooals hij hem zich niet had willen voorstellen, meer geest dan gevoel, mateloos trotsch, van zijn jeugd af met den grootsten eerzucht vervuld, zoodat hij aan zijn familie den triomf beloofd had, ten einde van haar de noodige opofferingen te verkrijgen. Sedert hij den pauselijken troon beklommen had, toonde hij overal en in alles slechts één wil: heerschen, tot iederen prijs heerschen, als onbeperkt, almachtig meester heerschen! De werkelijkheid drong zich met onweerstaanbare kracht aan hem op; toch verzette hij zich, bleef hij hardnekkig trachten zijn droom weer te grijpen.
"O, Heilige Vader, het zou mij zoo vreeselijk verdrieten, indien tengevolge van mijn ongelukkig boek Zijne Eminentie ook maar één oogenblik in moeilijkheden zou moeten verkeeren! Ik, de schuldige, kan voor mijn fout verantwoordelijk zijn--maar Zijne Eminentie, die slechts gehoorzaamd heeft aan de ingeving van zijn hart, die slechts door zijn te groote liefde voor de onterfden dezer wereld gezondigd zou hebben! O, ik smeek u, Heilige Vader, wanneer er een waarschuwend voorbeeld gesteld moet worden, straf dan geen ander dan mij. Ik ben gekomen, hier ben ik, beslis over mijn lot, maar maak mijn straf niet nog zwaarder door de wroeging een onschuldige in het verderf gestort te hebben."
Zonder te antwoorden bleef Leo XIII hem met zijn vurige oogen aankijken. En Pierre zag nu niet meer Leo XIII, den tweehonderd drie-en-zestigsten paus, den Stedehouder van Jezus Christus, den opvolger van den prins der Apostelen, den souvereinen pontifex der algemeene Kerk, den patriarch van het Oosten, den primaat van Italië, den aartsbisschop en metropoliet der Romeinsche provincie, den heerscher over de domeinen der Heilige Kerk--neen, hij zag Leo XIII, zooals hij hem zich gedroomd had, als den verwachten Messias, als den redder, gezonden om de vreeselijke sociale catastrophe te bezweren, waarin de oude, verrotte maatschappij onderging. Hij zag hem met zijn veelomvattenden, soepelen geest, met zijn broederlijke verzoeningstaktiek, schokken vermijdend, met zijn van liefde overvloeiend hart werkend aan de eenheid, direct sprekend tot het hart der menigten, nog eenmaal, ten teeken van den nieuwen band, zijn beste bloed gevend. Hij stelde zich hem voor als de eenige moreele autoriteit, als den eenig mogelijken band van naastenliefde en vrede, als den Vader, die alleen een einde maken kan aan de ongerechtigheid onder zijn kinderen, de ellende dooden, de bevrijdende wet van den arbeid weer instellen kan door de volkeren terug te brengen tot het geloof der oorspronkelijke Kerk, tot de zachtheid en wijsheid der Christelijke gemeenschap. En deze verheven gestalte nam in de diepe stilte der kamer een onoverwinlijke almacht, een zeldzame majesteit aan.
"Om Gods wil, Heilige Vader, verhoor mij! Straf zelfs mij niet, straf niemand, o, niemand, geen levend wezen, geen ding, niets, dat op aarde lijden kan! Wees goed, o, wees goed met al de goedheid, die het lijden der wereld in u gelegd moet hebben."
Toen hij zag, dat Leo XIII nog steeds bleef zwijgen en hem voor zich liet blijven staan, viel hij op zijn knieën, als verpletterd door smart, een naamlooze smart, die geen bepaalde oorzaak had, een smart om niemand en niets, een algemeene, onbegrensde smart, waarin hij zich voelde ondergaan en verdrinken; misschien de smart te leven.
"O, Heilige Vader, ik besta niet, mijn boek bestaat niet. Ik heb, o, vurig en hartstochtelijk verlangd door Uwe Heiligheid ontvangen te worden, om uitleg te geven van mijn gedrag, om mij te verdedigen. Maar nu weet ik niets meer, ik vind niets meer van alles, wat ik had willen zeggen, en ik heb slechts tranen, tranen, die mij verstikken... O, ik ben maar een armzalig mensch, die geen anderen drang in zich voelt dan om met u over de armen te spreken. O, die armen, die ongelukkigen, die ik twee jaar lang in onze ellendige en treurige Parijsche voorsteden gezien heb, arme kleinen, die ik in de sneeuw ging zoeken, arme kleine engeltjes, die in geen twee dagen gegeten hadden; vrouwen, die door de tering weggeknaagd worden en zonder brood of vuur in vuile krotten hokten; mannen, die door het sluiten der werkplaatsen op straat geworpen werden en het moe waren om werk te bedelen, zooals men bedelt om een aalmoes, die dronken van woede naar hun donkere woningen terugkeerden, alleen vervuld met de wraakgedachte de stad aan de vier hoeken in brand te steken! En de avond, de verschrikkelijke avond, dat ik een jammerkamer binnentrad, waarin ik een moeder vond, die zich juist met haar vijf kinderen gedood had: de moeder was, haar jongste nog zogend, op een matras gevallen, de twee kleine meisjes, lieve aardige, jonge blondines, sliepen eveneens daar haar laatsten slaap, de twee jongens lagen iets verder--de eene tegen den muur, de andere op den grond, zich nog wringend in een laatst verzet... O, Heilige Vader, ik ben niets meer dan hun afgezant, gezonden door hen, die lijden en snikken, de deemoedige afgevaardigde der deemoedigen, die onder de misdadige hardheid, onder de vreeselijke sociale onrechtvaardigheid van ellende sterven. Ik breng aan Uwe Heiligheid hun tranen, ik leg aan uwe voeten hun martelingen, ik laat u hun noodkreet hooren als een kreet, die opstijgt uit den afgrond, die vraagt om gerechtigheid, als men niet wil, dat de hemel instort... O wees goed, Heilige Vader, wees goed!"
Hij had zijn armen uitgestrekt, hij smeekte hem met een gebaar, waarmede men het goddelijke medelijden aanroept. Dan ging hij voort:
"En is, Heilige Vader, de ellende in dit eeuwige en schitterende Rome ook niet verschrikkelijk? Sedert weken dwaal ik, wachtend, op goed geluk af, door het beroemde stof van zijn ruïnen en ik heb niets gezien dan ongeneeslijke kwalen, die mij met schrik vervullen. O, alles stort ineen, alles verdwijnt. Het is de doodsstrijd van zooveel glorie, van de vreeselijke zwaarmoedigheid eener wereld, die sterft van uitputting en honger!... Heb ik onder de ramen van Uwe Heiligheid niet een angstaanjagende wijk gezien, onvoltooide paleizen, welke met een jammerlijke erfelijke ziekte belast zijn als rhachitische kinderen, die niet door kunnen groeien, reeds in puin gevallen paleizen, welke de toevluchtsoorden geworden zijn voor de geheele beklagenswaardige ellende van Rome? En wat een vreeselijk lijdend volk, precies als in Parijs! Maar hier spreidt zich dat lijden met nog meer onbeschaamdheid in de open lucht ten toon en legt in zijn vreeselijke onbewustheid de geheele sociale wonde, den wegvretenden kanker bloot. Geheele families leven haar hongerig leven van nietsdoen onder de heerlijke zon. De ouden zijn gebrekkig geworden, de vaders wachten tot er een beetje werk voor hen uit den hemel vallen komt, de zoons slapen in het droge gras; de moeders en dochters, voor haar tijd verwelkt, lanterfanten en houden buurpraatjes... O, Heilige Vader, open morgen dadelijk bij het aanbreken van den dag uw venster en wek met uw zegen dit groote kind-volk, dat nog in zijn onwetendheid en armoede slaapt! Geef het de ziel, die het mist, een ziel, die zich de geheele menschelijke waardigheid, de noodzakelijke wet van den arbeid, het vrije en broederlijke, alleen door rechtvaardigheid bestuurde leven bewust is. Ja, Heilige Vader, maak een volk uit dit samenraapsel van ongelukkigen, wier eenige verontschuldiging is, dat zij lichamelijk en geestelijk zoo lijden, dat zij leven als het vee, dat leeft en sterft zonder iets te weten of te begrijpen, en dat men met slagen ranselt!"
Langzamerhand verstikten de snikken zijn stem; slechts met schokken kon hij, medegesleept door zijn hartstocht, spreken.
"En moet ik mij uit naam van die ellendigen niet wenden tot u, Heilige Vader? Zijt gij de Vader niet? Moet de afgezant van de armen en ongelukkigen niet neerknielen voor den Vader, zooals ik thans voor u neergeknield lig? Moet het den zwaren last van zijn smarten niet brengen tot den Vader en eindelijk medelijden, hulp en steun, en gerechtigheid, ja vooral gerechtigheid vragen? O, open, waar gij de Vader zijt, wijd de deur, opdat iedereen kan binnentreden, tot het ongelukkigste, van uw kinderen toe--de geloovigen, de toevallig voorbijkomenden, zelfs de opstandigen, de verdwaalden, zij, die misschien binnen zullen treden, die Uwe Heiligheid zal redden van algeheele verlatenheid. Wees het toevluchtsoord van de slechtbefaamde wegen, wees de liefderijke ontvangst, die den reiziger wordt geboden, wees de altijd brandende, van verre zichtbare, in den storm reddende lamp der gastvrijheid... Wees, o Vader, waar gij de macht zijt, de redding, het heil. Gij vermoogt alles, gij hebt eeuwen van macht achter u, gij zijt heden ten dage gestegen tot een moreele autoriteit, die u tot den scheidsrechter der wereld gemaakt heeft; gij staat hier voor mij als de majesteit der licht en vruchtbaarheid gevende zon zelf! O, wees de ster van goedheid en barmhartigheid, wees de verlosser, neem het werk van Jezus weer op, dat men in den loop der eeuwen bedorven heeft door het te laten in de handen der rijken en machtigen, die ten slotte uit het Evangelie het vloekwaardigste monument van hoogmoed en tyrannie gemaakt hebben. Begin het werk, nu het mislukt is, opnieuw, stel u weer aan de zijde van de kleinen, de ongelukkigen, de armen, breng ze terug tot den vrede, de broederliefde, de gerechtigheid der Christelijke gemeenschap... En zeg, Vader, zeg, dat ik u begrepen heb, dat ik slechts uitdrukking aan uw dierbaarste gedachten, aan den eenigen vurigen wensch van uw regeering gegeven heb. De rest, de rest, mijn boek, wat beteekent dat? Ik verdedig mij niet, ik wil slechts uw roem en het geluk der menschen. Zeg, dat gij uit de diepte van het Vaticaan het doffe kraken van de oude, verrotte maatschappijen gehoord hebt. Zeg, dat een siddering van medelijden en ontroering u doorhuiverd heeft; zeg, dat gij de verschrikkelijke catastrophe wilt verhinderen door uw met krankzinnigheid geslagen kinderen aan het Evangelie te herinneren, door hen terug te voeren naar de eeuw van eenvoud en reinheid, toen de eerste Christenen als broeders samenwoonden... Ja, daarom hebt gij u alleen weer aan de zijde der armen gesteld, niet waar, Heilige Vader, daarom slechts ben ik hier, om met mijne geheele ziel, ja met mijn geheele arme menschenziel, aan u medelijden, goedheid, gerechtigheid te vragen!"
Toen werd zijn ontroering hem te machtig en sloeg hij, uitbarstend in luide snikken, tegen den grond. Zijn hart brak. Het was een diep, een eindeloos snikken, een vreeselijke deining van snikken, die uit zijn geheele wezen kwam, die van nog verder kwam, van alle ongelukkige wezens, die kwam uit de wereld, wier aderen tegelijk met het levensbloed de smart met zich voeren. Daar lag de afgezant van het lijden, zooals hij zichzelf genoemd had, in zijn plotselinge zwakte als van een zenuwachtig kind. En aan de voeten van den onbeweeglijken, zwijgenden paus lag hij daar als de belichaming van de geheele menschelijke, weenende ellende.
Leo XIII, die graag sprak en wien het een groote zelfbeheersching kostte anderen te hooren spreken, had in den beginne tweemaal een van zijn bleeke handen opgeheven, als om hem tot zwijgen te brengen. Doch langzamerhand door verbazing aangegrepen en zelfs door ontroering bevangen, had hij Pierre in den onweerstaanbaren drang, die dezen voortdreef, uitspreken, zijn noodkreet uitschreeuwen laten. Een weinig bloed was opgestegen naar zijn sneeuwwit gelaat, zijn lippen en zijn wangen hadden een lichtroode kleur gekregen, terwijl zijn donkere oogen nog schitterender fonkelden. Toen hij hem sprakeloos en geschokt door die diepe snikken, welke zijn hart schenen uit te rukken, aan zijn voeten liggen zag, boog hij zich ongerust over hem heen.
"Wees kalm, mijn zoon, sta op..."
Maar het snikken hield niet op, sleepte, als de wanhoopsklacht van een gewonde ziel, die lijdt en worstelt met den dood, alle verstand en allen eerbied mede.
"Sta op, mijn zoon, zoo iets past niet... Hier, neem dezen stoel!"
En met een gebiedend gebaar noodigde hij hem eindelijk uit te gaan zitten.
Moeilijk stond Pierre op en ging zitten, om niet te vallen. Hij streek de haren van zijn voorhoofd, veegde, als waanzinnig, met zijn handen zijn brandende tranen af en trachtte zich weer te beheerschen. Wat er gebeurd was kon hij niet begrijpen.
"Gij doet een beroep op den Heiligen Vader. O zeker, wees overtuigd, dat zijn hart vol medelijden en liefde is voor de ongelukkigen. Maar dat is op het oogenblik de quaestie niet, het gaat om onzen heiligen godsdienst... Ik heb uw boek gelezen, een slecht boek, dat wil ik u dadelijk zeggen, het gevaarlijkste en vloekwaardigste boek, dat bestaat, juist om zijn goede eigenschappen en om de bladzijden, die mij zelf geïnteresseerd hebben. Ja, ik ben dikwijls onder de bekoring ervan gekomen, en ik zou het niet verder gelezen hebben, als ik mij niet meegesleept gevoeld had door den vurigen adem van uw geloof en van uw geestdrift. Het onderwerp is zoo mooi en trekt mij zoo aan! Het Nieuwe Rome! O, ongetwijfeld zou met dien titel een prachtig boek geschreven kunnen worden, maar dan moet het in een geheel anderen geest geschieden... Ge denkt, dat ge mij begrepen hebt, mijn zoon, dat ge u zóó ingeleefd hebt in mijn geschriften en in mijn daden, dat ge aan mijn dierbaarste denkbeelden uitdrukking gegeven hebt. Neen, neen, gij hebt mij niet begrepen, en daarom heb ik u willen spreken, om u op de hoogte te brengen, om u te overtuigen."
Nu luisterde Pierre zwijgend en onbeweeglijk. Toch was hij slechts gekomen om zich te verdedigen; hij had sedert drie maanden zoo koortsachtig naar dit onderhoud verlangd en, zeker van zijn overwinning, zijn argumenten gereed gemaakt. En nu hoorde hij zijn boek gevaarlijk, vloekwaardig noemen, zonder dat hij protesteerde, zonder dat hij alle goede gronden, waartegen hij meende, dat niets in te brengen was, naar voren bracht. Een vreemde moeheid drukte hem neer, als was hij door zijn tranen uitgeput. Straks zou hij weer dapper zijn, zou hij zeggen, wat hij besloten had te zeggen.
"Ik word niet begrepen, ik word niet begrepen," herhaalde Leo XIII geprikkeld en ongeduldig. "In Frankrijk vooral niet. Het is ongelooflijk zooveel moeite als het mij kost, mij daar begrijpelijk te maken!... Daar heb je bijvoorbeeld de wereldlijke macht! Hoe hebt gij kunnen gelooven, dat de Heilige Stoel ooit op dat punt tot een schikking bereid zou zijn? Het is een taal, die een priester onwaardig is, het is de hersenschim van een onwetende, die zich geen rekenschap geeft van de voorwaarden, waaronder het pausdom tot nog toe geleefd heeft en waarin het moet blijven voortleven, als het niet van de wereld verdwijnen wil. Ziet ge niet in, dat het een sophisme is, wanneer ge beweert, dat het des te hooger staat, naarmate het meer bevrijd is van de zorgen van een aardsch rijk? Ja zeker, het zuiver geestelijke koningschap, de souvereiniteit door barmhartigheid en liefde is een prachtige phantasie. Maar wie zal ons doen eerbiedigen? Wie zal ons een steen geven, om ons hoofd op neer te leggen, wanneer we verjaagd zijn en langs de wegen zwerven? Wie zal onze onafhankelijkheid verzekeren, wanneer wij aan de genade van alle Staten overgeleverd zijn?... Neen, neen, de Romeinsche bodem behoort ons toe, want wij hebben dien als erfdeel van een lange reeks van voorvaderen ontvangen; hij is de onverwoestbare, eeuwige bodem, waarop de Heilige Kerk gebouwd is; hem opgeven staat gelijk met den wensch de Roomsch-Katholiek-Apostolische Kerk ineen te zien storten. Trouwens wij zouden het niet kunnen, wij zijn gebonden door onzen eed voor God en voor de menschen."
Hij zweeg een oogenblik, om Pierre gelegenheid tot antwoorden te geven. Maar tot zijn groote verwondering voelde Pierre, dat hij niets te antwoorden wist, want hij besefte, dat deze paus sprak, zooals hij spreken moest. De verwarde en zware dingen, die zich in hem opgehoopt hadden en die hij zooeven in de geheime antichambre op zich had voelen drukken, verschenen nu voor hem in een helder licht, teekenden zich met een steeds grootere duidelijkheid af. Het was alles, wat hij sedert zijn aankomst in Rome gezien en begrepen had, de ophooping van zijn desillusies, van de bestaande werkelijkheid, waaronder zijn droom van een terugkeer tot het oorspronkelijke Christendom reeds half gestorven, verpletterd was. Alles was ingestort in hem, toen het ware Rome zich aan hem geopenbaard had, de eeuwenoude stad van hoogmoed en heerschzucht, waarin het pausdom niet zou kunnen bestaan zonder de wereldlijke macht. Te veel banden, het dogma, de traditie, het milieu, de bodem zelf maakten het voor eeuwig onveranderlijk. Het kon slechts schijnbaar toegeven; ondanks alles zou het uur komen, waarop die concessies zouden moeten ophouden, onmogelijk als het was verder te gaan zonder zelfmoord te plegen.
Het nieuwe Rome zou mogelijk eenmaal werkelijkheid kunnen worden buiten Rome; slechts daar zou het Christendom weder ontwaken, want het Katholicisme moest te Rome sterven, wanneer de laatste paus, vastgenageld aan dezen bodem van puinhoopen, onder het laatste kraken van den dom van de St. Pieter verdwijnen zou, die instorten moest, zooals de tempel van Juppiter Capitolinus ingestort was. Wat den tegenwoordigen paus betreft, hij mocht zonder koninkrijk zijn, hij mocht de ziekelijke zwakheid van zijn hoogen ouderdom, de kleurlooze bleekte van een oud afgodsbeeld van was hebben, desniettemin brandde de rood oplaaiende hartstocht naar de wereldheerschappij in hem, was hij de halsstarrige zoon van den voorvader, den Pontifex Maximus, den Caesar Imperator, in wiens aderen het bloed van Augustus, den wereldheerscher, stroomde.
"Het vurige verlangen naar eenheid, dat ons altijd bezield heeft, hebt gij zeer goed ingezien," ging Leo XIII voort. "Den dag, dat wij eenheid gebracht hebben in den ritus, door den Romeinschen ritus aan de geheele Katholieke wereld op te leggen, waren wij zeer gelukkig. Dat is een van onze dierbaarste overwinningen, omdat zij veel bijdraagt tot ons gezag. Ik hoop ook, dat onze bemoeiingen in het Oosten ten slotte onze lieve, verdwaalde broeders van de dissidente gemeenten tot ons zullen terugbrengen, evenals ik er niet aan wanhoop de Anglicaansche secten te overtuigen--afgezien van de Protestantsche secten, die in den schoot van de Eenige Roomsch-Katholiek-Apostolische Kerk terugkeeren moeten, zoodra de door Christus voorspelde tijden in vervulling zullen gaan... Maar wat ge niet gezegd hebt, is, dat de Kerk niets van het dogma kan opgeven. Integendeel schijnt gij gedacht te hebben, dat een schikking tot stand zou kunnen komen door van beide zijden tot concessies bereid te zijn; welnu, dat is een zeer te veroordeelen gedachte, een taal, die een priester niet bezigen kan, zonder misdadig te zijn. Neen, de waarheid is absoluut, geen steen van het gebouw mag veranderd worden. O, in den vorm--zooveel als men wil. Wij zijn tot de grootste toegeeflijkheid bereid, als het er slechts om gaat om zekere moeilijkheden uit den weg te gaan, om zich voorzichtig uit te drukken, ten einde het accoord te vergemakkelijken... Het is als met onze rol in het hedendaagsche socialisme: wij moeten elkaar begrijpen. O zeker, zij, die gij zoo terecht en juist de onterfden dezer wereld genoemd hebt, zijn het voorwerp van onze voortdurende zorg. Indien het socialisme eenvoudig een verlangen naar gerechtigheid, een wil, om den zwakken te hulp te komen is, wie werkt er dan krachtiger en met meer energie aan dan wij? Is de Kerk niet altijd de moeder der bedroefden, de weldoenster der armen geweest? Wij zijn alleen voor verstandigen vooruitgang, wij aanvaarden alle nieuwe maatschappelijke vormen, die zullen medewerken tot den vrede en de broederschap... Maar het socialisme, dat begint God weg te jagen, om het geluk der menschheid te verzekeren, kunnen wij niet anders dan veroordeelen. Dat is eenvoudig een toestand van woestheid, een afschuwlijke achteruitgang, waarbij catastrophen, bloedbaden en brandstichtingen schering en inslag moeten zijn. Dat is ook iets, dat gij niet met voldoenden nadruk gezegd hebt, want gij hebt niet aangetoond, dat buiten de Kerk geen vooruitgang mogelijk is, dat alles van haar uit moet gaan, dat zij de eenige leidster is, aan wie men zich zonder vrees toevertrouwen kan. Zelfs, en dat is nog een zeer groote fout van u, zelfs komt het me voor, dat gij God geheel ter zijde stelt, dat de godsdienst voor u alleen een zielstoestand, een opbloeien van liefde en barmhartigheid is. Een verfoeilijke ketterij! God is altijd tegenwoordig, meester van de zielen en van de lichamen; de godsdienst is en blijft de band, de wet der menschheid, zonder welke er in deze wereld slechts barbaarschheid en verdoeming in het hiernamaals mogelijk is. En nogmaals zeg ik u, de vorm beteekent niets, indien het dogma slechts blijft bestaan. Zoo bewijst bijvoorbeeld onze erkenning van de Republiek in Frankrijk, dat wij het lot van den godsdienst niet binden willen aan een regeeringsvorm, zelfs al is die eerbiedwaardig en oud. De dynastieën mogen haar tijd gehad hebben, God is eeuwig! Mogen de koningen ten gronde gaan, God leve! Trouwens de republikeinsche staatsvorm heeft niets anti-Christelijks; integendeel, het schijnt, dat hij iets heeft van een weder ontwaken der Christelijke gemeenschap, waarover gij in werkelijk betooverende bewoordingen geschreven hebt. Het jammere is, dat vrijheid dikwijls dadelijk in losbandigheid overslaat en dat men meestal onzen wensch, om een verzoening tot stand te brengen, zoo slecht beloont... O, mijn zoon, welk een slecht boek hebt gij geschreven; o, met de beste bedoelingen, dàt neem ik gaarne aan. En wat is uw zwijgen een bewijs, dat gij de noodlottige en rampzalige gevolgen van uw fout begint in te zien!"
Vernietigd bleef Pierre zwijgen; hij voelde inderdaad, dat zijn eene argument na het andere te pletter viel op een doove, blinde, ondoordringbare rots. Het zou nutteloos en belachelijk zijn, als hij trachten wilde zijn argumenten daarin te drijven. Waartoe zou het dienen? Hij had nog slechts één gedachte: hij vroeg zich met verbazing af hoe het mogelijk was, dat een man met zijn begrip, met zijn eerzucht zich geen juister denkbeeld gevormd had van de moderne wereld. Blijkbaar was hij van alles op de hoogte, had hij de onmetelijke kaart der Christenheid met haar behoeften, verwachtingen en daden in zijn hoofd. Maar toch welk een lacunes! Dat moest zijn, omdat hij van de wereld slechts wist, wat hij gedurende zijn kort verblijf te Brussel als nuntius en te Perugia gezien had. En nu was hij sedert achttien jaar opgesloten in het Vaticaan, afgezonderd van de overige menschen, met de volkeren slechts verkeerende door middel van zijn omgeving, die dikwijls zeer kortzichtig, leugenachtig en verraderlijk was.
Bovendien was hij een Italiaansch priester, een paus, bijgeloovig en despotisch, gebonden aan de traditie, onderworpen aan de invloeden van ras en omgeving, aan geld en politieke noodzakelijkheden; afgezien van zijn mateloozen trots, van de zekerheid, dat hij de God was, aan wien men moet gehoorzamen, de eenige wettige en redelijke macht op aarde. Daarin lagen de oorzaken van de fatale misvorming van dit verder toch zoo rijk begaafde hoofd met zijn vlug begrip, zijn geduldigen wil, zijn onmetelijke kracht, die generaliseerde en handelde. Vooral zijn intuïtie moest wonderbaarlijk zijn, want deze toch liet hem in zijn vrijwillige gevangenschap de reusachtige evolutie der tegenwoordige menschheid raden. Hij behoefde zich niet aan zijn venster te plaatsen, om zich het vreeselijk gevaar bewust te zijn, waarin hij zich bevond; hij zag den stijgenden vloed der democratie, den grenzenloozen oceaan der wetenschap, die het kleine eilandje, waarop nog de dom van de St. Pieter triomphantelijk omhoog stak, dreigde te overstroomen. En zijn eenige politiek, zijn eenige drang was te overwinnen, om te heerschen.
Dat hij verzoening predikte, dat hij op vormquaesties toegaf, dat hij het brutale optreden der Amerikaansche bisschoppen duldde, kwam alleen voort uit zijn vrees, die hij zichzelf echter niet bekennen wilde, voor een plotseling schisma, dat de uiteenspatting der Kerk zou verhaasten. En hoe verklaarde die vrees zijn liefdevollen terugkeer tot het volk, zijn zich bezig houden met het socialisme, de Christelijke oplossing, die hij wilde geven aan de ellende hier op aarde. Was, nu de Caesar ter aarde lag, de lange strijd, van wien van beiden het volk zijn zou, niet opgelost door het feit, dat de paus alleen nog bestond en dat het volk eindelijk gaan spreken en zich aan hem geven zou? De proef was in Frankrijk genomen; hij liet daar de overwonnen monarchie aan haar lot over, erkende daar de Republiek, die hij sterk en krachtig wilde zien, want Frankrijk was steeds de oudste dochter der Kerk, de eenige Katholieke natie, die nog machtig genoeg was, om eenmaal misschien de wereldlijke macht van den Heiligen Stoel te herstellen. Heerschen, heerschen over deze wereld, zooals Augustus geheerscht had, dat was de eenige eerzucht van dezen stervenden grijsaard!
"En mijn zoon," ging Leo XIII voort, "uw groote fout is, dat gij het gewaagd hebt een nieuwen godsdienst te vragen. Dat is goddeloos, godslasterlijk, een heiligschennis. Er bestaat slechts één godsdienst--onze heilige Roomsch-Katholiek-Apostolische godsdienst. Buiten dezen kan er slechts nacht en verdoemenis bestaan... Ik begrijp heel goed, dat ge u verbeeldt een terugkeer tot het Christendom voor te staan. Maar de zoo misdadige, zoo rampzalige Protestantsche dwaalleer gebruikte hetzelfde voorwendsel. Zoodra men zich verwijdert van het in eere houden der dogma's, van den onvoorwaardelijken eerbied van de tradities, valt men in de vreeselijkste afgronden... Het schisma, mijn zoon, is een zonde, waarvoor geen vergiffenis bestaat, het is een moord op den waren God, het onreine dier der verzoeking, door de hel opgehitst om de geloovigen ten verderve te voeren. Al stonden in uw boek niets anders dan die woorden: nieuwe godsdienst, dan reeds zou men het moeten vernietigen, verbranden als een vergif, dat doodelijk is voor de zielen."
Nog langen tijd sprak hij door. Maar Pierre dacht aan wat don Vigilio hem verteld had omtrent de Jezuïeten, die overal, zoowel in het Vaticaan als elders, in het duister werken en de Kerk onbeperkt regeeren. Was het dan waar, dat deze politieke, steeds opportunistische paus, zonder dat hij het zelf wist, een der hunnen was, een gewillig instrument in hun soepele veroveraarshanden? Ook hij schipperde met den geest der eeuw, vleide de wereld, om haar te bezitten. Pierre had nooit zoo pijnlijk-wreed gevoeld, dat de Kerk daar voortaan toe gedwongen was, dat zij slechts door concessies en diplomatie leven kon. En eindelijk ging hem een helder licht op over dien Romeinschen clerus, die in den beginne voor een Fransch priester zoo moeilijk te begrijpen is, over de regeering der Kerk, die vertegenwoordigd wordt door den paus, zijn kardinalen, zijn prelaten, die God persoonlijk belast heeft met het bestuur van zijn aardsch domein, de menschen en de wereld.
Zij beginnen God ter zijde te stellen achter in den tabernakel, dulden niet meer, dat men over hem discussieert, dringen de dogma's op als aan zijn wezen inhaerente waarheden, bekommeren zich niet meer over hem en verliezen hun tijd niet met zijn bestaan door nuttelooze theologische discussies te bewijzen. Blijkbaar bestaat hij, omdat zij in Zijn naam regeeren. Dat is voldoende. Van af dat oogenblik zijn zij in den naam van God de meesters, zeker, dat eenmaal de dag van hun volkomen heerschappij komen zal. In afwachting van dien dag handelen zij als diplomaten, organiseeren zij de langzame verovering als beambten van den triompheerenden God van morgen, en is de godsdienst met de pracht en de praal, die de groote menigte verblindt, niets dan de openlijke hulde, die zij hem bewijzen met het doel alleen hem over de veroverde menschheid te doen regeeren, of liever in zijn plaats en in zijn naam te regeeren, omdat zij zijn zichtbare, door hem afgevaardigde vertegenwoordigers zijn. Zij stammen af van het Romeinsche recht, zij zijn nog steeds de kinderen van dezen ouden Romeinschen heidenschen bodem, en wanneer zij nog voortbestaan, wanneer zij eeuwig, tot aan het lang verbeide uur, dat de wereldheerschappij hem teruggegeven zal worden, hopen te blijven voortbestaan, dan vindt dat zijn reden in hun geloof, dat zij de rechtstreeksche erfgenamen der Caesars zijn, dat zij, in hun purper gehuld, de afstammelingen zijn van het bloed van Augustus.
Pierre schaamde zich nu over zijn tranen, als had hij zijn naakte ziel laten zien. Waartoe diende het? Het was nutteloos in deze kamer, waarin nooit iets dergelijks gezegd was tegen dezen paus-koning, die hem niet begrijpen kon. Die politieke gedachte des pausen om door middel van de armen en ongelukkigen te regeeren, boezemde hem afschuw in. Was die gedachte, om tot het thans van zijn oude meesters verloste volk te gaan, ten einde zich op zijn beurt daarmede te voeden, niet iets duivelachtigs?
Maar Leo XIII sprak met zijn dikke, onuitputtelijke stem steeds door. En de priester hoorde hem zeggen:
"Waarom hebt gij die door een zoo slechten geest bevlekte bladzijde over Lourdes geschreven? Lourdes, mijn zoon, heeft den godsdienst groote diensten bewezen. Ik heb tegenover personen, die mij de ontroerende, bijna dagelijks voorkomende wonderen der Grot kwamen mededeelen, dikwijls mijn levendigen wensch te kennen gegeven die door de strengste wetenschap bevestigd en vastgesteld te zien. En te oordeelen naar wat ik gelezen heb, komt het mij voor, dat thans zelfs de meest sceptisch gezinden niet meer kunnen twijfelen, want die wonderen zijn op onweersprekelijke wijze wetenschappelijk bewezen... De wetenschap, mijn zoon, moet de dienaresse van God zijn. Zij vermag niets tegen Hem, door Hem alleen komt zij tot de waarheid. Alle oplossingen, welke men tegenwoordig beweert te vinden en die de dogma's schijnen te vernietigen, moeten vroeg of laat valsch blijken te zijn, want de waarheid Gods zal zegepralen, zoodra de tijden in vervulling zullen gaan. Het zijn toch heel eenvoudige zekerheden, die reeds de kleine kinderen weten, die voor het heil en den vrede der menschheid voldoende zouden zijn, als zij er zich mede tevreden stellen wilde... En wees er van overtuigd, mijn zoon, dat het geloof niet onvereenigbaar is met de rede. Heeft de Heilige Thomas van Aquino niet alles vooruitgezien, uitgelegd en geregeld? Uw geloof is onder de aanvallen van den geest tot onderzoek aan het wankelen gebracht, gij hebt angsten en beproevingen gekend, die de Hemel aan mijn Italiaansche priesters moge besparen. Maar wij vreezen den geest tot onderzoek niet; studeer verder, lees den Heiligen Thomas nogmaals grondig door, en uw geloof zal terugkeeren, krachtiger, vuriger, triompheerend."
Verbijsterd, alsof stukken van het hemelgewelf op zijn hoofd neerkwamen, luisterde Pierre. O, God van waarheid! De wonderen van Lourdes wetenschappelijk bewezen, de wetenschap de dienaresse van God, het geloof vereenigbaar met de rede! Wat te antwoorden, o God? En waarom te antwoorden?
"Het is het zondigste en gevaarlijkste boek, dat ik ken," ging Leo XIII voort; "een boek, waarvan de titel: Het Nieuwe Rome alleen reeds een leugen en vergif is, een boek, des te vloekwaardiger, omdat het alle verleidingen van den stijl, alle valsche bekoringen van hersenschimmen heeft, in één woord, een boek, dat een priester, wanneer hij het in een oogenblik van afdwaling geschreven heeft, tot straf en boete in het openbaar verbranden moet met dezelfde hand, die deze ergerlijke bladzijden op het papier gebracht heeft."
Pierre stond op, plotseling, in zijn volle lengte.
"Het is waar," wilde hij uitroepen, "ik had het geloof verloren, maar ik meende het teruggevonden te hebben in het medelijden, dat de ellende der wereld in mijn hart gestort had. Gij waart mijn laatste hoop, de verwachte verlosser. En nu blijkt ook dat een droom te zijn, gij kunt geen nieuwe Jezus wezen, gij kunt op den vooravond van den vreeselijken broederoorlog, die nabij is, geen vrede brengen aan de menschheid. Gij kunt uw troon niet verlaten en met de ongelukkigen en armen langs de wegen zwerven, om het verheven werk der broederliefde uit te voeren. Welaan, het is uit met u, met uw Vaticaan, met uw St. Pieter. Alles stort in onder den aanval van het volk en van de wetenschap. Gij bestaat niet meer; hier zijn niets meer dan puinhoopen."
Maar hij sprak de woorden niet. Hij boog zijn hoofd en zeide:
"Heilige Vader, ik onderwerp mij en verloochen mijn boek."
Zijn stem beefde van bittere walging; zijn geopende handen maakten een hulpeloos gebaar, alsof hij zijn ziel losgelaten had. Het was de letterlijke formule der onderwerping: Auctor laudabiliter se subiecit et opus reprobavit--de schrijver heeft zich loffelijkerwijze onderworpen en zijn boek verloochend. Er was geen groote vertwijfeling, geen verhevener grootheid denkbaar dan die bekentenis van een dwaling, dan die zelfmoord van een hoopvolle verwachting! Maar welk een bittere ironie! Dit boek, dat hij gezworen had nooit terug te zullen nemen, voor den triomf waarvan hij zoo hartstochtelijk gestreden had, ditzelfde boek verloochende hij nu plotseling, niet omdat hij het als zondig beschouwde, maar omdat hij zooeven gevoeld had, dat het nutteloos en hersenschimmig was als een dichtersdroom. Ach ja, waarom te blijven volharden in de illusie van een ontwaken, dat toch niet mogelijk was, nu hij zich vergist, nu hij gedroomd had, nu hij hier noch den God noch den priester vond, dien hij voor het geluk der menschheid zoo vurig wenschte. Dan was het maar beter, dat hij zijn boek als een dood blad op den grond wierp, dat hij het verloochende, dat hij het als een gestorven, voortaan nutteloos lid afsneed.
Een weinig verbaasd over een zoo plotselinge overwinning, uitte Leo XIII een kreet van blijdschap.
"Zeer goed, zeer goed, mijn zoon! Gij hebt de eenige wijze en verstandige woorden, die u als priester pasten, uitgesproken."
En hij, die nooit iets aan het toeval overliet, die al zijn audiënties met de woorden, die hij zeggen, met de gebaren, die hij maken zou, van te voren overdacht, werd in zijn blijdschap wat vriendelijker en zachter gestemd. Daar hij de ware motieven van de onderwerping niet begrijpen kon en zich daarin dus vergiste, smaakte hij de trotsche vreugde hem zoo makkelijk tot zwijgen gebracht te hebben, want zijn omgeving had Pierre als een verschrikkelijken revolutionnair afgeschilderd. Een dergelijke bekeering streelde dan ook zijn ijdelheid zeer.
"Ik verwachtte trouwens niet anders van uw verheven geest. Er bestaat geen grooter voldoening dan zijn fout te erkennen, boete te doen en zich te onderwerpen."
Met een familiaar gebaar had hij weer zijn glas limonade van het tafeltje genomen en roerde het, voor hij dronk, met den langen, verguld-zilveren lepel nogmaals om. Het viel Pierre bijzonder op dat hij er, evenals in den beginne, weer zoo ingekrompen en ontdaan van zijn verheven majesteit uitzag; hij geleek op een ouden burgerman, die zijn glas suikerwater dronk vóór hij naar bed ging.
De audiëntie was afgeloopen, Pierre maakte een diepe buiging.
"Ik dank Uwe Heiligheid voor de vaderlijke ontvangst, die u wel zoo goed geweest is mij te willen bereiden."
Maar Leo XIII wilde nog een oogenblik met hem spreken, begon weer over Frankrijk en drukte nogmaals zijn vurigen wensch uit het tot het heil der Kerk gelukkig, rustig en krachtig te zien. En gedurende dat laatste oogenblik had Pierre een vreemd visioen, dat hem benauwde. Terwijl hij naar het ivoren voorhoofd van den Heiligen Vader keek, terwijl hij aan zijn hoogen ouderdom dacht, waarbij de geringste verkoudheid zijn dood zou kunnen zijn, herinnerde hij zich door een onwillekeurige gedachtenassociatie, het woest-grootsche tooneel: Pius IX, Giovanni Mastaï, twee uur geleden gestorven, het gelaat met een stuk wit linnen bedekt, omgeven door de geheele, van streek gebrachte pauselijke omgeving; kardinaal Pecci, kardinaal-voorzitter, nadert het doodsbed, laat het linnen verwijderen, klopt driemaal met zijn zilveren hamer op het voorhoofd van het lijk en roept daarbij telkens: "Giovanni, Giovanni, Giovanni!" En daar het lijk niet geantwoord heeft, draait de kardinaal zich, na eenige oogenblikken gewacht te hebben, om en zegt: "De paus is dood!" Tegelijkertijd zag Pierre in de Via Giulia kardinaal Boccanera, den kardinaal-voorzitter, met zijn zilveren hamer wachten en Leo XIII, Joachim Pecci, sedert twee uur overleden, het gezicht bedekt met een stuk wit linnen, omgeven door zijn prelaten, in deze zelfde kamer liggen. En hij zag hoe de kardinaal-voorzitter naar voren trad, het linnen liet verwijderen, driemaal op het ivoorkleurige voorhoofd klopte en telkens riep: "Joachim! Joachim, Joachim!" Dan draaide hij, daar het lijk niet geantwoord had, zich om en zeide: "De paus is dood!" Herinnerde Leo XIII zich de drie slagen, die hij op het voorhoofd van Pius IX gegeven had--voelde hij dikwijls op zijn voorhoofd het ijskoude zweet van de vrees voor de drie slagen, de doodskilte van den hamer, waarmede hij den kardinaal-voorzitter, den onverzoenlijken tegenstander, dien hij, naar hij wist, in kardinaal Boccanera bezat, gewapend had:
"Ga in vrede, mijn zoon," zeide Zijne Heiligheid eindelijk als slotzegen. "Uw zonde zal u vergeven worden, daar gij haar erkend hebt en berouw erover toont."
Zonder te antwoorden en zielsbedroefd, verwijderde Pierre zich, volgens de etiquette achterwaarts loopend. Driemaal boog hij diep; dan ging hij, zonder zich om te keeren, de deur uit, gevolgd door de donkere oogen van Leo XIII, die geen blik van hem af hadden. Toch zag Pierre hoe hij de courant, in het lezen waarvan hij gestoord was, om hem te ontvangen, weer van de tafel nam. De beide lampen brandden met een zacht, onbeweeglijk licht, de kamer viel weer terug in haar diepe stilte, in haar oneindigen vrede.
In het midden der geheime antichambre stond mijnheer Squadra onbeweeglijk en zwart te wachten. Toen hij bemerkte, dat Pierre in zijn verdooving zijn hoed op het wandtafeltje vergat, nam hij dezen en gaf hem Pierre met een zwijgende buiging. Dan begon hij, zonder eenige haast, met denzelfden pas als daareven, voor hem uit te loopen, om hem naar de Sala Clementina te geleiden.
Nu volgde in tegenovergestelde richting, dezelfde wandeling, de eindelooze tocht door de eindelooze zalen. En steeds nog geen levende ziel, geen geluid, geen ademtocht. In ieder ledig vertrek walmde de eenige, eenzame, als vergeten lamp en brandde nog zwakker in de nog grootere stilte. De woestijn scheen nog grooter geworden te zijn, nu het later geworden was en de nacht de enkele meubelen, die verspreid stonden onder de hooge, vergulde plafonds, tronen, lage, houten stoeltjes, wandtafeltjes, crucifixen, armluchters, die in iedere zaal weer terugkeerden, in duisternis dompelde. Zoo kwam na de eere-antichambre, waarin het damast rosachtig scheen, de zaal der edelgarden, welke sluimerde in een zachten wierookgeur, dien een 's morgens gelezen mis daar achtergelaten had; dan kwamen de tapijtenzaal, de zaal der Palatijnsche garde, de zaal der gendarmes, terwijl in de laatste zaal, die der bussolanti, de laatste dienstdoende knecht op zijn bank zoo vast ingeslapen was, dat hij niet wakker werd. De stappen echoden zwak op de vloertegels, verstikten in de dikke atmospheer van dit gesloten, aan alle zijden als een graf ingemetseld paleis. Eindelijk kwam de Sala Clementina, die de post der Zwitsersche garde zoo juist verlaten had.
Tot aan die zaal had mijnheer Squadra niet omgekeken. Nog steeds zwijgend, trad hij zonder een gebaar ter zijde, om Pierre met een laatste buiging te laten passeeren. Dan verdween hij.
Pierre ging de beide verdiepingen der monumentale trap af, die de matglazen bollen der vleermuizen als met een schijnsel van nachtlichtjes verlichtten; er heerschte een vreemd-drukkende stilte, nu de stappen der dienstdoende soldaten van de Zwitsersche garde niet meer op de portalen weerklonken. Hij liep het onder het bleeke licht der bordeslantaarns ledige en uitgestorven Damasiushof door, ging de Scala Pia, die eveneens dood was in het halfdonker, af, en stapte eindelijk de bronzen deur uit, die een portier langzaam achter hem dichtschoof en sloot. Hoe knarste het harde metaal over alles, wat deze deur afsloot: zooveel opgehoopte donkerte; zooveel toenemende stilte; de onbeweeglijke eeuwen, die de traditie hier vereeuwigde; de onverwoestbare afgoden der dogma's, die hier bewaard werden onder hun windselen van mummies; al de ketenen, die drukken en boeien; het geheele apparaat van de laagste slavernij en de onbeperkte overheersching!
Op het St. Pietersplein was hij te midden van die sombere ontzaglijkheid geheel alleen. Geen wandelaar, die zich verlaat had, geen levend wezen. Niets dan tusschen de vier armluchters de hooge, uit het groote mozaïek van het grijze plaveisel opstijgende spookgestalte der Obelisk. De gevel der Basilica rees op als een kleurlooze droom; als twee reusachtige armen breidde zij de viervoudige rijen zuilen der colonnade uit, die, in donkerte gedompeld, aan een steenen bosch denken deden. Verder niets. De dom was slechts een matelooze ronding, die men aan den maanloozen hemel nauwlijks raden kon. Alleen de waterstralen der fonteinen, die men ten slotte als dunne, beweeglijke spookgestalten onderscheidde, lieten hun stem, een eindeloos, treurig, klagend gemurmel, hooren, waarvan men niet wist waar het vandaan kwam. O, de zwaarmoedige grootschheid van dezen slaap! O, dit geheele beroemde plein met het Vaticaan, met de St. Pieter, wanneer het 's nachts in donkerte gedompeld was! Plotseling sloeg de klok tien uur--zóó langzaam en zóó luid, dat het scheen alsof nooit een plechtiger, beslissender uur in een diepere, zwartere, onfeilbaarder oneindigheid geslagen had!
Onbeweeglijk stond Pierre te midden van deze groote ruimte en beefde over zijn geheele, arm, gebroken wezen. Wat, had hij daarboven nauwlijks drie kwartier met den bleeken grijsaard, die zijn ziel uit hem gerukt had, gesproken? Ja, dat was het einde: het laatste geloof was uit zijn bloedend brein gerukt. Het laatste experiment was genomen: een wereld was in hem ingestort. Plotseling dacht hij aan monsignor Nani en overwoog, dat deze alleen gelijk gehad had. Men had hem wel gezegd, dat hij ten slotte doen zou, wat monsignor zou willen; en tot zijn groote verbijstering merkte hij nu, dat hij het gedaan had.
Maar een plotselinge wanhoop, een zóó vreeselijke angst greep hem aan, dat hij van uit de diepte van den donkeren afgrond, waarin hij zich bevond, zijn beide bevende armen in het Niet ophief en luide sprak:
"Neen, hier zijt Gij niet, o God des levens en der liefde, God des heils! O, kom toch, openbaar u, daar uwe kinderen sterven, omdat zij niet weten, wie Gij zijt of waar Gij zijt in de oneindigheid der werelden!"
Boven het onmetelijke plein welfde zich de onmetelijke, donkerblauw-fluweelen hemel, de zwijgende en angstaanjagende oneindigheid, waarin de sterrenbeelden trilden. De Wagen op de daken van het Vaticaan scheen nog verder omgevallen te zijn, zijn gouden wielen waren als van den rechten weg afgeweken, zijn gouden dissel stak in de lucht, terwijl Orion in de richting van de Via Giulia verdween en nog slechts een der drie gouden sterren zien liet, die zijn bandelier sierden.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK
Gebroken van aandoening en brandend van koorts, was Pierre eerst tegen het aanbreken van den dag in een lichte sluimering gevallen. Bij zijn terugkeer in het paleis Boccanera in den laten avond had hij daar den vreeselijken rouw om den dood van Dario en Benedetta teruggevonden. En toen hij tegen negen uur opgestaan was, wilde hij, na ontbeten te hebben, onmiddellijk naar het appartement van den kardinaal gaan, waar men de twee lijken op een baar gelegd had, opdat de familie, de vrienden en de protégés daar hun tranen en gebeden zouden brengen.
Onder het ontbijt kwam Victorine, die, ondanks al haar wanhoop dapper en flink, niet naar bed geweest was, hem de gebeurtenissen van den nacht en van den ochtend vertellen. Donna Serafina had uit een soort preutsch respect voor de convenance een nieuwe poging gedaan om de beide lijken te scheiden. Deze naakte vrouw, die in den dood den eveneens ontkleeden man omhelsde, kwetste haar schaamtegevoel. Maar het was te laat geweest: de stijfheid des doods was ingetreden, en wat men in het eerste oogenblik niet had kunnen doen, kon nu niet meer geschieden zonder een vreeselijke ontheiliging. Hun liefdesomhelzing was zoo krachtig, dat men, om hen van elkaar los te maken, hun vleesch van hun lichaam had moeten rukken, hun ledematen breken. En de kardinaal, die reeds niet gewild had, dat men hun slaap, hun één-zijn voor eeuwig, stoorde, had bijna woorden gekregen met zijn zuster. Onder zijn priesterkleed voelde hij zich een zoon van zijn ras, trotsch op vroegere hartstochten, op de mooie, heftige liefde, op de mooie dolksteken. Al had de familie twee pausen geteld, toch hadden ook groote veldheeren en groote minnaars haar beroemd gemaakt. Nooit zou hij toelaten, dat men aan deze, in hun smartvol leven zoo rein gebleven kinderen, die het graf alleen vereenigd had, raken zou. Hij was heer en meester in zijn paleis, men zou hen in hetzelfde doodshemd naaien, hen in dezelfde kist bijzetten. Vervolgens zou de lijkdienst plaats hebben in de nabijgelegen San Carlokerk, waarvan hij den kardinaalstitel bezat en waar hij dus ook heer en meester was. Als het noodig was, zou hij zelfs naar den paus gaan. En zoo souverein was zijn op luiden toon uitgesproken wil, dat iedereen in het huis zich had moeten buigen, zonder zich een gebaar of een woord te veroorloven.
Toen had donna Serafina zich bezig gehouden met het laatste toilet der dooden. Volgens het gebruik was het dienstpersoneel daarbij aanwezig; Victorine, als de oudste, had de familie geholpen. Men had de beide geliefden eerst in het losgeraakte haar van Benedetta moeten hullen, het geurige, dikke, lange, op een koninklijken mantel gelijkende haar; daarna had men hen in dezelfde witzijden lijkwade gewikkeld, die vastgemaakt werd onder den hals en in den dood één enkel wezen van hen gemaakt had. En weer had de kardinaal geëischt, dat zij naar zijn vertrekken gebracht en in het midden der troonzaal op een praalbed gelegd zouden worden, om hun daardoor een laatste eerbewijs te geven, hun, den laatsten van hun naam, den tragischen geliefden, met wie de eertijds zoo groote roem der Boccanera's tot het stof terugkeerde. Donna Serafina had zich dadelijk bij dat plan neergelegd, want zij vond het weinig passend, dat haar nicht, zelfs als doode, in deze kamer op het bed van een jongen man gezien zou worden. De door den kardinaal gemaakte voorstelling der feiten was reeds in omloop: het plotselinge verscheiden van Dario, die in enkele uren door een infectiekoorts weggerukt was; de waanzinnige smart van Benedetta, die op zijn lijk den laatsten adem uitgeblazen had, toen zij hem voor een laatste maal in haar armen drukte; de koninklijke eer, die men hun bewees; de prachtige doodenbruiloft, die men hun bereidde, terwijl zij beiden op hetzelfde eeuwige rustbed lagen. Geheel Rome zou, door deze geschiedenis van liefde en dood geschokt, gedurende twee weken over niets anders praten.
In zijn haast, die hij had, om deze stad, waar hij het laatste overschot van zijn geloof had verloren, te verlaten, zou Pierre nog dienzelfden avond naar Frankrijk vertrokken zijn. Maar hij wilde de begrafenis medemaken en had daarom zijn vertrek tot den volgenden avond uitgesteld. Den geheelen dag nog zou hij hier doorbrengen In dit paleis, dat instortte, dicht bij deze dooden, die hij had liefgehad, en hij zou trachten voor hen de gebeden in de diepte van zijn leege, gemartelde ziel terug te vinden.
Toen hij voor de receptievertrekken van den kardinaal op de eerste verdieping stond, kwam de herinnering in hem op aan den eersten dag, dat hij zich hier voor de audiëntie bij den kerkvorst aangemeld had. Het was dezelfde indruk van een oude, nu versleten en door het stof van het verleden bedekte, vorstelijke pracht. De deuren der drie groote antichambres stonden wijd open; de vertrekken met hun hooge donkere plafonds waren in dit vroege ochtenduur nog geheel ledig. In het eerste stond slechts Giacomo, onbeweeglijk in zijn zwarte livrei, tegenover den ouden, rooden kardinaalshoed, die met zijn half vergane kwasten, waartusschen de spinnen hun netten weefden, onder den baldakijn hing. In het tweede, waarin zich vroeger de secretaris ophield, wachtte abbé Paparelli, de sleepdrager, die ook de functie van kamerheer vervulde, de bezoekers af en liep met kleine, bijna onhoorbare passen heen en weer: nog nooit had hij met zijn innemenden ootmoed, zijn verdacht uiterlijk van kruipende almacht, meer op een oude, door al te strenge godsdienstige oefeningen vale en gerimpelde, jongejuffrouw in een zwarten rok geleken. Ten slotte had in de derde antichambre, de eere-antichambre, waar de baret op een tafeltje tegenover het groote, gebiedende portret van den kardinaal in gala-costuum lag, don Vigilio zijn schrijftafel verlaten en stond nu aan de deur der troonzaal, om de personen, die deze betraden, met een buiging te begroeten. En op dezen somberen winterochtend schenen deze zalen nog droefgeestiger en meer vervallen; de behangsels hingen aan flarden, de enkele meubelen waren vuil door het stof, het oude houtwerk brokkelde af onder het aanhoudende knagen der wormen, alleen de zolderingen behielden nog haar pronk van triomphantelijke verguldingen en beschilderingen.
Maar Pierre, dien abbé Paparelli met een overdreven diepe buiging gegroet had, waarin een ironisch soort afscheid, zooals men dat aan een overwonnene geeft, niet te miskennen viel, werd vooral getroffen door de droefgeestige grootschheid van deze drie groote, in puin vallende zalen, die dezen dag naar de in een doodsvertrek veranderde troonzaal leidden, waarin de twee laatste kinderen des huizes sliepen. Welk een prachtige en troostelooze doodenpraal! Al deze wijd geopende deuren, al het ledige van deze te groote vertrekken, nu zij niet meer door de vroegere menigten bevolkt werden, en die thans leidden tot den diepen rouw over het einde van een geslacht! De kardinaal had zich opgesloten in zijn studeerkamer, waar hij de familieleden en intieme vrienden ontving, die erop stonden hem hun deelneming te betuigen, terwijl donna Serafina harerzijds een vertrek ernaast gekozen had, om haar vriendinnen te ontvangen. Pierre, die door Victorine van het ceremonieel op de hoogte gebracht was, moest ertoe besluiten onmiddellijk naar de troonzaal te gaan, waar hij opnieuw begroet werd met een diepe buiging, ditmaal door don Vigilio, die, bleek en zwijgend, hem zelfs niet scheen te herkennen.
Hier wachtte den priester een verrassing. Hij had zich een volkomen donkere chapelle ardente gedacht, waarin honderden kaarsen branden zouden om een katafalk, die midden in de met zwarte draperieën behangen zaal zou staan. Men had hem gezegd, dat de lijken hier op het praalbed gelegd waren, omdat de oude kapel van het paleis, die op den rez-de-chaussée lag, sedert vijftig jaren gesloten en buiten gebruik was en de kleine particuliere kapel van den kardinaal te klein voor een dergelijke plechtigheid zijn zou. Men had dan ook een altaar in de troonzaal moeten oprichten, waar sedert den ochtend de eene mis op de andere volgde. Bovendien moesten er eveneens den geheelen dag missen gelezen worden in de particuliere kapel, evenals men twee andere altaren opgeslagen had, een in een klein naast de eere-antichambre gelegen vertrek en een in een soort alkoof, dat uitkwam op de tweede antichambre. Zoo kwam het, dat priesters, voornamelijk Franciscanen, en tot arme orden behoorende monniken op deze vier altaren onafgebroken het heilige misoffer celebreerden. De kardinaal had gewild, dat het goddelijk bloed geen oogenblik zou ophouden in zijn huis te vloeien voor de verlossing der twee hem zoo dierbare zielen. In het treurende paleis klonken onophoudelijk door de rouwzalen de bellen bij de elevatie, zweeg het gemompel der Latijnsche woorden geen oogenblik; hosties werden gebroken, kelken geledigd, zoodat God zich geen oogenblik uit deze zware, naar den dood ruikende atmospheer kon verwijderen.
Tot zijn verbazing vond Pierre de zaal, zooals hij haar op den dag van zijn eerste bezoek gezien had. De gordijnen der vier groote vensters waren zelfs niet dichtgetrokken, de sombere winterochtend viel met een zwak, vaal en koud licht binnen. Onder het plafond van gebeeldhouwd en verguld hout waren nog het roode behang, een door het lange gebruik verteerd brokaat met groote palmen, de oude troon, de naar den muur gekeerde fauteuil, die vergeefs wachtte op den paus, die nooit komen zou. Alleen het naast dien troon opgeslagen altaar veranderde eenigszins den aanblik van het vertrek, waaruit de stoelen, tafeltjes en wandtafeltjes verwijderd waren. In het midden had men op een lage estrade het praalbed geplaatst, waarin Benedetta en Dario onder een rijkdom van bloemen lagen. Aan het hoofdeinde brandden eenvoudig twee kaarsen. Verder niets--niets dan bloemen en nog eens bloemen, een zoo groote oogst van bloemen, dat men niet wist in welken chimerischen tuin die geplukt konden zijn; vooral witte rozen, rozenruikers op het bed, rozenruikers, die van het bed afvielen, rozenruikers op de estrade, rozenruikers, die van de estrade op de prachtige vloertegels der zaal vielen.
Met een door een diepe ontroering geschokt hart was Pierre nader bij het bed getreden. Die twee kaarsen, waarvan het gele licht half gedempt werd door het vale daglicht, die voortdurend fluisterende, klagende tonen van de mis, die doordringende, de atmospheer zwaar makende geur der rozen vervulden de groote, ouderwetsche, stoffige zaal met een grenzenlooze troosteloosheid. Geen beweging, geen ademhaling was te hooren--niets anders dan van tijd tot tijd een zacht geluid van verstikte snikken van een der weinige aanwezigen. De bedienden van het huis wisselden elkaar onophoudelijk af; steeds stonden er vier als trouwe en vertrouwde wachters onbeweeglijk aan het hoofdeinde. Nu en dan kwam de kerkelijke advocaat Morano, die zich sedert den ochtend met alles belastte, haastig en stil door het vertrek. Op de estrade knielden allen, die binnenkwamen, neer, baden en weenden. Pierre zag er drie dames, die haar gezicht in haar zakdoek drukten. Ook was er een oude priester; hij beefde van verdriet en hield zijn hoofd diep gebogen, zoodat men zijn gezicht niet onderscheiden kon. Maar vooral werd hij ontroerd door den aanblik van een jong, armoedig gekleed meisje, dat hij voor een dienstbode hield; het verdriet had haar zoo verpletterd, dat zij, daar op de vloer, niet meer was dan een armzalig hoopje ellende en leed.
Nu knielde ook hij neer en trachtte in het beroepsmatig geprevel van zijn lippen de Latijnsche woorden der heilige gebeden terug te vinden, die hij, als priester, zoo dikwijls aan het doodsbed gebeden had. Zijn steeds grooter wordende ontroering bracht zijn geheugen in de war; hij ging geheel op in den heerlijken en vreeselijken aanblik der beide gelieven, van wie hij zijn oogen niet afwenden kon. Onder de bloemen waren de lijken in hun omhelzing bijna niet te onderscheiden, doch de twee hoofden kwamen uit het aan den hals toegeknoopte doodskleed te voorschijn. En hoe mooi waren zij nog, zooals zij daar, hun haar vermengend, op hetzelfde kussen rustten. Het was de schoonheid van eindelijk bevredigden hartstocht. Benedetta, liefhebbend en trouw tot in de eeuwigheid, verrukt, omdat zij haar laatsten ademtocht in een liefdeskus uitgeblazen had, had haar goddelijk lachend gelaat behouden. Dario had, ondanks zijn laatste opperste geluk, een smartelijker uitdrukking. Hun oogen, die tot in het diepst van elkaars zielen blikten, stonden nog steeds open en bleven elkaar aankijken met een liefkoozing, die nooit meer gestoord zou worden.
God, was het dan waar, dat hij deze Benedetta liefgehad had met een zoo reine, zoo van iedere zelfzuchtige gedachte vrije liefde? En Pierre werd tot in het diepst van zijn ziel ontroerd door de heerlijke uren, welke hij in een zoo reine vriendschap, die even zoet was als liefde, in haar nabijheid had doorgebracht. Zij was zoo mooi, zoo verstandig, zoo brandend van hartstocht! Hij zelf had zoo'n heerlijken droom gedroomd: zijn bevrijdende broederliefde zou dit wonderbare wezen met haar vurige ziel en haar indolente wijze van optreden tot leven brengen: hij zag in haar het oude Rome, dat hij wilde wekken en veroveren voor het Italië van morgen. Hij droomde ervan haar hart en haar geest grooter te maken door haar liefde voor armen en ongelukkigen te geven. Nu zou dit hem doen glimlachen, wanneer zijn oogen niet door tranen overstroomd werden. Hoe bekoorlijk was zij geweest, toen zij trachtte zijn zin te doen ondanks de onoverwinnelijke hinderpalen, als afkomst, opvoeding en omgeving, die haar beletten hem te volgen. Eén dag echter scheen zij nader tot hem gekomen te zijn, alsof het lijden haar ziel voor alle barmhartigheid geopend had! Dan kwam de illusie van het geluk en zij had de ellende der armen niet meer begrepen, was geheel opgegaan in de zelfzucht van haar eigen hoop en vreugde. Groote God, moest dit tot verdwijnen veroordeelde ras daarom zoo eindigen, omdat het geheel gesloten was voor de liefde tot de armen, voor de wet van barmhartigheid en gerechtigheid, die door de regeling van den arbeid, voortaan alleen de wereld redden kon?
Maar ook een andere wanhoop nog deed Pierre stamelen, zonder dat de gebeden over zijn lippen kwamen. Hij dacht aan de gewelddaad, die de beide kinderen door een verpletterende revanche der natuur weggerukt had. Welk een hoon, dat zij de Heilige Maagd beloofd had haar maagdelijkheid slechts te geven aan den uitverkoren echtgenoot; welk een hoon, dat zij haar geheele leven onder dezen eed als onder een boetegordel gebloed had, om zich ten slotte in den dood, wanhopig door berouw, brandend van verlangen, om zich geheel te geven, in de armen van den geliefde te werpen. En zij had zich gegeven in de razernij van een laatste protest--het brutale feit der dreigende scheiding, dat haar op haar vergissing opmerkzaam maakte en tot het instinct der universeele liefde terugbracht, was voldoende daarvoor geweest. Dat was een nieuwe nederlaag der Kerk, dat was Pan, de zaaier der kiemen, die de paren met zijn voortdurend bevruchtend gebaar vereenigt. Al mocht in den tijd der Renaissance de Kerk niet bezweken zijn onder den aanval van de uit den ouden Romeinschen bodem opgegraven Venussen en Herculessen, de strijd werd daarom niet minder verbitterd voortgezet en ieder uur dreigden de nieuwe, van sap overloopende, naar het leven snakkende volkeren in den strijd tegen een godsdienst, die slechts een zucht naar den dood is, het oude Katholieke gebouw, welks muren reeds aan alle kanten van onvruchtbaren ouderdom wankelen, neer te rukken.
En op dat oogenblik had Pierre de gewaarwording, dat de dood van deze aanbiddelijke Benedetta de grootste ramp was. Hij keek haar nog steeds aan en tranen brandden in zijn oogen. Zij vernietigde zijn droombeeld geheel. Evenals den vorigen avond in het Vaticaan bij den paus voelde hij zijn hoop, zijn laatste hoop, de zoo vurig verlangde wederopstanding van het oude Rome in een nieuw, jeugdig, heilbrengend Rome, ineenstorten. Ditmaal was het voor goed uit: Rome, het Katholieke, het vorstelijke Rome was dood, lag daar als een marmeren beeld op het doodsbed. Het had niet kunnen gaan tot de armen, tot de lijdenden van deze wereld; het was verscheiden in den onmachtigen kreet van zijn zelfzuchtigen hartstocht, toen het te laat was om lief te hebben en te baren. Nooit meer zou het kinderen krijgen; het oude Romeinsche huis was voortaan ledig, onvruchtbaar, zonder kans op herleving. En Pierre, wiens ziel de dierbare doode tot weduwe gemaakt en in rouw om een zoo grootschen droom achtergelaten had, werd, nu hij haar daar zoo onbeweeglijk en verstard liggen zag, door een zoo groote smart aangegrepen, dat hij zich een onmacht nabij gevoelde. Hij was bang dwars op de estrade te vallen, stond moeilijk op en verwijderde zich.
Toen hij in een vensternis vluchtte, om weer zichzelf meester te worden, vond hij daar tot zijn verbazing Victorine, die op een half verscholen bankje zat. Donna Serafina had het haar bevolen; zij waakte van uit dat hoekje over haar dierbare kinderen, zooals zij ze noemde, en had geen oog af van de personen, die kwamen en gingen. Toen zij zag, dat de jonge priester zoo bleek en een flauwte nabij was, liet zij hem onmiddellijk op haar plaats zitten.
"O," zeide hij heel zacht, na diep adem gehaald te hebben; "mogen zij tenminste het geluk smaken elders samen te zijn, in een andere wereld herleven tot een nieuw leven."
Zij haalde haar schouders op en zeide dan, ook op zacht fluisterenden toon:
"Herleven, mijnheer de abbé? Waarvoor? Kom, wanneer men dood is, is het het beste nog maar dood te zijn en te slapen. De arme kinderen hebben op aarde genoeg verdriet gehad, om nog te wenschen, dat zij ergens anders opnieuw daarmede beginnen!"
Dit zoo naïeve en diepe woord der onontwikkelde ongeloovige joeg Pierre een rilling door zijn leden. Hij, hij had zoo dikwijls 's nachts bij de plotselinge gedachte aan het Niet geklappertand! Zij kwam hem in haar niet bang zijn voor de eeuwigheid en de oneindigheid heldhaftig voor. O, als iedereen die kalme ongodsdienstigheid, die zoo verstandige, zoo vroolijke zorgeloosheid van het gewone mindere Fransche volk had, welk een plotselinge kalmte, welk een gelukkig leven zou er dan onder de menschheid heerschen!
En toen zij merkte hoe hij rilde, voegde zij eraan toe:
"Wat wilt u dan toch, dat er na den dood is? Men heeft zijn slaap heusch wel verdiend, en slapen is toch het meest begeerlijke en troostende. Als God de goeden beloonen en de slechte straffen moest, dan zou hij heusch veel te veel te doen hebben. Is een dergelijk gericht mogelijk? Is het goede en het slechte in ieder onzer niet zoo vermengd, dat het dan nog maar het beste zijn zou iedereen vrij te spreken?
"Maar die beiden daar," prevelde hij, "die zoo beminlijk waren en zoo bemind werden, hebben niet geleefd. Waarom zou men zich dan niet het geluk geven te gelooven, dat zij herleven en in elkaars armen elders beloond worden?"
Weer schudde zij haar hoofd.
"Neen, neen!... Ik heb het immers altijd gezegd, dat Benedetta verkeerd deed zich zoo te martelen met die gedachten aan een andere wereld, en met zich niet te willen geven aan Dario, naar wien zij toch zoo vurig verlangde! Als zij maar gewild had, dan zou ik hem wel in haar kamer gebracht hebben, zonder burgemeester en zonder pastoor! Het geluk is zoo zeldzaam! Later, wanneer het te laat is, heb je er des te meer berouw over... Dat is de heele geschiedenis van die twee arme lievelingen. Het is nu te laat voor hen; zij zijn dood en het helpt niets, of je ze nu al in de sterren zet--want als je dood bent, ziet u, dan ben je dood; en van al dat omhelzen worden zij niet koud of warm meer."
Nu werd zij op haar beurt door haar tranen overmand en snikte zij:
"De arme lievelingen! De arme lievelingen! Te moeten denken, dat zij niet eenmaal een gelukkigen nacht gehad hebben en dat nu de groote nacht er is, die niet meer eindigen zal! Kijk toch eens hoe bleek zij zijn. En stel u voor, wanneer er op het kussen niets meer over zijn zal dan de beenderen van hun hoofden en wanneer alleen nog maar de beenderen van hun armen elkaar zullen omhelzen?... O, laten zij slapen, laten zij slapen! Dan weten zij tenminste, dan voelen zij tenminste niets!"
Een lange stilte volgde. In de huivering van zijn twijfel, in zijn angstig willen, dat een leven hiernamaals bestaat, keek hij die vrouw, die van de priesters "niets moest hebben", die ondanks haar nederige positie van huishoudster sedert vijf-en-twintig jaar in een vreemd land, welks taal zij zelfs niet had kunnen leeren, haar Beauceronneesche vrijmoedigheid behouden had, die er zoo tevreden en gelukkig uitzag in het bewustzijn, dat zij haar plicht gedaan had. O, zoo te zijn als zij, haar heerlijk evenwicht te bezitten van gezond, bekrompen wezen, dat tevreden is met de aarde, dat 's avonds, na volbrachte dagtaak volkomen rustig slapen gaat en zich niet bang maakt, niet meer wakker te zullen worden.
Maar Pierre, die zijn blik weer op het doodsbed richtte, herkende nu den ouden priester, die daar op de estrade geknield lag, en wiens gezicht hij daareven niet had kunnen onderscheiden.
"Is dat abbé Pisoni niet, de pastoor van de S. Brigitta, waar ik een paar maal de mis gelezen heb? Wat heeft die arme man een verdriet!"
"Daar heeft hij ook wel reden voor," antwoordde Victorine kalm, maar met iets spijtigs in haar stem. "Den dag, dat hij op het denkbeeld gekomen is mijn arme Benedetta met graaf Prada te laten trouwen, heeft hij waarachtig wat moois uitgehaald. Er zou van al die ellendige dingen niets gebeurd zijn, als men het lieve kind dadelijk haar Dario gegeven had. Maar zij zijn in deze idiote stad met hun politiek allemaal even gek; en deze, die toch werkelijk een heel braaf man is, dacht een echt wonder te doen en de wereld te redden door den paus en den koning samen te laten trouwen, zooals hij zeide met zijn zacht lachje van een ouden geleerde, die nooit van iets anders dan van oude steenen gehouden heeft! Kom, u weet wel, al die antikiteitenrommel, hun patriottische ideeën van honderdduizend jaar geleden. En nu ziet u het zelf, vandaag heeft hij geen tranen genoeg. Nog geen twintig minuten geleden is die andere hier ook geweest, pater Lorenza, de Jezuïet, die na abbé Pisoni de biechtvader van de contessina geweest is en ongedaan gemaakt heeft, wat de ander gedaan had. Ja, een mooie kerel, zoo'n echte knoeier, die haar belet heeft om gelukkig te zijn door al die gemeene complicaties, die hij in de echtscheiding gebracht heeft!... Het zou me wat waard zijn, als u er bij geweest was, om te zien, hoe hij eerst neerknielde en dan een groot teeken des kruises maakte... Hij heeft niet gehuild, geen traan heeft hij gelaten. Het was, alsof hij zeide, dat de zaak zoo slecht eindigde, omdat God er zich heelemaal uit teruggetrokken had. Daar komen de dooden wat verder mee!"
Zij sprak zacht, aan één stuk door, als gaf het haar verlichting na de vreeselijke uren van drukte en beklemdheid, die zij sedert den vorigen dag doorgemaakt had, haar hart eens uit te kunnen storten.
"En die daar," ging zij nog zachter voort; "herkent u haar niet?"
Zij wees met haar blik op het armoedig gekleede jonge meisje, dat hij voor een dienstbode gehouden had, en dat, verpletterd door haar verdriet, voor het bed op den grond lag. Met een beweging van radeloos lijden had zij zich juist opgericht en haar hoofd achterovergeworpen--een buitengewoon mooi gezicht, overstroomd door het mooiste zwarte haar, dat men zich denken kan.
"Pierina!" zeide hij. "Het arme kind!"
Victorine maakte een gebaar vol toegevend medelijden.
"Wat zal ik u zeggen? Ik heb haar toegestaan hierheen te gaan... Ik weet niet, hoe zij het ongeluk te weten is gekomen. Het is waar, zij sluipt altijd in den omtrek van het paleis rond. Zij heeft mij laten roepen... O, als u eens gehoord hadt, hoe zij mij smeekte, hoe zij met luide snikken om de groote genade vroeg nog eenmaal haar prins te mogen zien... Lieve God, zij doet er niemand kwaad mee, wanneer ze met haar mooie verliefde oogen vol tranen naar hem kijkt. Zij is hier nu al een half uur en ik heb mij voorgenomen haar weg te sturen, wanneer zij zich niet netjes houdt. Maar nu zij verstandig is en zich niet eens verroert, mag zij blijven en net zoo lang naar hen kijken, als zij wil!"
En waarlijk, Pierina, de dochter van onwetendheid, schoonheid en hartstocht, leverde, zooals zij daar verpletterd en vernietigd aan den voet van het bruidsbed, waarin de twee gelieven in den dood hun eersten en eeuwigen nacht in een omhelzing sliepen, een verheven schouwspel op. Zij liet haar armen met de geopende handen hangen, haar gezicht was omhoog gericht, onbeweeglijk, als verstard in de extase van een doodsstrijd, haar oogen hadden geen blik af van het aanbiddelijke en tragische paar. Nooit nog had een menschelijk gelaat zoo schoon gestraald in den glans van lijden en liefde; met haar koninklijk voorhoofd, haar trotsch-bekoorlijke wangen, haar goddelijk volmaakten mond was zij als een antieke, maar van leven trillende Smart. Waaraan dacht zij, wat leed zij, terwijl zij zoo strak naar haar prins, die voor eeuwig in de armen van haar mededingster lag, keek? Verstijfde een ijverzucht, waaraan geen einde komen kon, het bloed in haar aderen? Of was het alleen maar de smart hem verloren te hebben, zich te moeten zeggen, dat zij hem voor de laatste maal zag--zonder haat tegen deze andere vrouw, die vergeefs trachtte hem tegen haar lichaam, dat even koud was als het zijne, te verwarmen? Haar door tranen omsluierde oogen bleven echter zacht, haar lippen behielden hun liefdevolle uitdrukking. Zij vond ze zoo kuisch, zoo mooi, zooals zij daar onder die bloemenpracht lagen. En zij in haar eigen schoonheid, haar koninklijke schoonheid, die zij zich niet bewust was, lag daar ademloos als een nederige dienstmaagd, als een liefhebbende slavin, wier hart haar meesters door hun dood uitgerukt en medegenomen hebben.
Onophoudelijk kwamen nu met langzamen stap en rouwgezichten, menschen binnen, knielden neer, baden eenige minuten en gingen dan weer op dezelfde troostelooze, zwijgende wijze weg. Pierre voelde zijn keel samensnoeren, toen hij de moeder van Dario, de nog altijd mooie Flavia, binnenkomen zag. Zij was vergezeld door haar echtgenoot, den mooien Jules Laporte, den voormaligen sergeant der Zwitsersche garde, van wien zij een markies Montefiori gemaakt had. Zij was reeds den vorigen avond, toen men haar den dood van haar zoon medegedeeld had, gekomen, doch nu kwam zij officieel, in diepen rouw, prachtig nog in al dat zwart, dat haar eenigszins gezette Juno-gestalte zoo goed kleedde. Toen zij bij het bed gekomen was, bleef zij een oogenblik staan; twee tranen, die niet naar beneden vielen, hingen aan den rand van haar oogleden. Voor zij neerknielde, vergewiste zij zich of Jules wel naast haar was, en beval hem met een blik eveneens naast haar neer te knielen. Dan bleven beiden aan den rand der estrade den daarvoor passenden tijd in gebed verzonken; zij zeer waardig en door haar verdriet verpletterd, hij nog veel waardiger met de volmaakte wanhoop van een man, die zich in alle levensomstandigheden, zelfs de ernstigste, op zijn plaats gevoelt. Eindelijk stonden beiden op en verdwenen door de deur der vertrekken, waar de kardinaal en donna Serafina de familieleden en intieme kennissen ontvingen.
Vijf dames traden achter elkaar binnen, terwijl twee Capucijners en de Spaansche gezant bij den Heiligen Stoel weggingen.
"Daar is de kleine prinses," riep plotseling Victorine, die eenige oogenblikken gezwegen had. "Wat is zij bedroefd; zij hield ook zooveel van onze Benedetta!"
Inderdaad zag Pierre Celia, die zich voor dit vreeselijke afscheidsbezoek in het zwart gekleed had, binnenkomen. Achter haar hield de kamenier, die zij medegenomen had, in iederen arm een grooten ruiker witte rozen.
"De kleine schat!" prevelde Victorine weer. "Zij had zoo graag gewild, dat haar huwlijk met Attilio tegelijk gesloten zou worden met dat van de twee arme dooden, die daar in liefde rusten. Nu zijn zij haar nog voor geweest; zij zijn al getrouwd en slapen daar al hun eersten bruidsnacht."
Onmiddellijk was Celia nedergeknield en had het teeken des kruises gemaakt. Maar oogenschijnlijk bad zij niet; in wanhopige verbazing keek zij naar de twee dierbare gelieven, die zij zoo wit, zoo koud, in een zoo marmeren schoonheid terugvond. Waren enkele uren daarvoor voldoende geweest? Was het leven ontvloden, zouden die lippen elkaar nooit meer kussen? Zij zag ze weer voor zich, zooals zij op dien avond van het bal in levende liefde triomphantelijk gestraald hadden! Een woedend verzet rees uit haar jong, voor het leven openstaande, naar vreugde en zonlicht dorstend hart op tegen den onredelijken dood. En die woede, die afschuw, die smart in het aangezicht van het Niet, waarin alle hartstocht verstart, waren duidelijk te lezen op haar onschuldig gezichtje, dat op een reine, gesloten lelie geleek. Nooit had haar onschuldige mond met de over de witte tanden gesloten lippen, nooit hadden haar als bronwater heldere oogen een ondoorgrondelijker mysterie, een dieper hartstochtsleven uitgedrukt, dat zij niet kende, waarin zij nu binnentrad en dat dadelijk op den drempel tegen deze twee geliefde dooden stootte, wier verlies haar hart schokte.
Zacht sloot zij haar oogen en trachtte te bidden, terwijl nu dikke tranen uit haar neergeslagen oogen vielen. Een oogenblik verliep te midden van de huiverende stilte, die alleen door het zachte geluid der mis verstoord werd. Eindelijk stond zij op, liet zich door de kamenier de twee ruikers witte rozen geven, die zij zelf op het bed leggen wilde. Op de estrade staande, aarzelde zij even; dan legde zij ze rechts en links van het kussen, waarop de beide hoofden rustten, als had zij deze met die bloemen gekroond. Zij legde ze in hun haren en maakte hun jonge voorhoofden geurig met dien zoo zachten en sterken geur. Maar toen haar handen ledig waren, ging zij niet weg; zij bleef daar vlak bij hen staan, boog zich bevend over hen heen, vond nog niet wat zij hun zeggen, voor eeuwig van haar op hen achterlaten kon. Zij vond het: zij boog zich nog dieper over haar heen en drukte twee lange kussen, haar geheele, diepe, liefhebbende ziel op de kille voorhoofden der echtgenooten.
"De dappere kleine," zeide Victorine, wier tranen begonnen te stroomen. "Zij heeft hun een zoen gegeven; daar heeft nog niemand aan gedacht, zelfs zijn moeder niet. Het dappere kind! Zij heeft daarbij zeker aan haar Attilio gedacht!"
Toen Celia zich omdraaide om van de estrade af te gaan, zag zij Pierina, die in stomme, smartelijke aanbidding nog steeds half achterover lag. Zij herkende haar en kreeg een diep medelijden met haar, toen zij zag, dat zij weer zoo zwaar begon te snikken, dat haar lichaam, haar heupen en haar godinne-boezem heftig schokten. Deze liefdesmart trof haar tot in haar ziel als een ramp, waarbij al het overige in het niet zonk. Men hoorde haar op zachten, diep-medelijdenden toon zeggen:
"Kalmeer je, kalmeer je toch!... Ik smeek je, wees toch verstandig!"
Toen Pierina, maar nu van schrik, dat men haar zoo toesprak en beklaagde, nog heviger begon te snikken, richtte Celia haar op en steunde haar met haar beide armen uit vrees, dat zij vallen zou. Toen leidde zij haar in een zusterlijke omarming als een zuster in liefde en wanhoop uit de zaal, terwijl zij haar vriendelijke woorden influisterde:
"Ga haar toch na, ga toch kijken, wat er van haar wordt," zeide Victorine tegen Pierre. "Ik wil hier niet vandaan; het geeft mij zoo'n rust over die lieve kinderen te waken."
Voor het geïmproviseerde altaar begon een andere priester een nieuwe mis; weer begon het eentonig afzingen der Latijnsche woorden. De bloemengeur werd in de onbeweeglijke, droefgeestige atmospheer van het groote vertrek steeds sterker en drukkender en streelde bedwelmend de zinnen. Op den achtergrond stonden de bedienden roerloos als bij een gala-receptie. En voor het praalbed, dat de twee bleeke kaarsen als sterren verlichtten, bleef het treurdéfilé geruischloos doorgaan: vrouwen en mannen knielden een oogenblik neder en ging dan weer weg met het onvergetelijke beeld der twee tragische gelieven, die hun eeuwigen slaap sliepen.
Pierre haalde Celia en Pierina in in de eere-antichambre, waar don Vigilio zich bevond. Men had daar in een hoek de paar stoelen uit de troonzaal gezet, en de kleine prinses had de arbeidster gedwongen op een fauteuil te gaan zitten, om wat tot zichzelf te komen. In extase stond zij voor haar, verrukt over haar schoonheid. Dan sprak zij weer over de twee dooden, die haar ook zoo mooi toegeschenen waren: van een trotsche, zachte, vreemde schoonheid. Ondanks haar tranen werd zij geheel door haar bewondering medegesleept. Toen de priester Pierina aan het praten kreeg, hoorde hij, dat Tito, haar broer, met een door een messteek doorboorde heup in groot levensgevaar in het ziekenhuis lag; in de Prati del Castello was sedert het begin van den winter de toch al vreeselijke ellende nog grooter geworden. Iedereen had groot verdriet; degenen, die de dood wegnam, moesten eigenlijk blijde zijn. Maar met een gebaar van overwinlijke hoop verjoeg Celia het lijden, den dood zelf.
"Neen, neen, men moet leven. En om te leven, is het voldoende mooi te zijn... Kom, lieve kind, blijf niet hier, huil niet meer, leef voor het genot mooi te zijn!"
Zij nam haar mede en Pierre bleef door een zoo moe makende droefheid op een der fauteuils zitten, dat hij zich het liefst niet meer bewogen had. Don Vigilio bleef iederen bezoeker met een buiging groeten. 's Nachts had hij een hevigen koortsaanval gehad; hij rilde er nog van, terwijl zijn brandende oogen onrustig rondkeken. Telkens weer wierp hij een blik op Pierre, alsof hij zijn begeerte, om met hem te spreken, niet bedwingen kon, maar de vrees, dat abbé Paparelli het door de wijd openstaande deur der antichambre ernaast zien zou, weerhield hem blijkbaar, want hij bleef den sleepdrager steeds in het oog houden. Eindelijk moest deze zich een oogenblik verwijderen en kwam don Vigilio naar den priester toe.
"U is gisteren bij Zijn Heiligheid geweest?"
Verbaasd keek Pierre hem aan.
"Ik heb u toch al zoo dikwijls gezegd, dat je alles hoort. U hebt uw boek heel eenvoudig teruggetrokken, niet waar?"
De toenemende verbazing van den priester zeide hem genoeg, zoodat hij hem niet eens den tijd tot antwoorden liet.
"Ik vermoedde het, maar ik wilde er zekerheid van hebben. Dat is natuurlijk weer allemaal hun werk. Gelooft u me nu, is u nu overtuigd, dat zij hen, die zij niet vergiftigen, wurgen?"
Hij bedoelde natuurlijk de Jezuïeten. Voorzichtig keek hij rond, om te zien, of abbé Paparelli nog niet terug was.
"En wat heeft monsignor Nani u gezegd?"
"Pardon," antwoordde Pierre eindelijk; "ik heb monsignor Nani nog niet gesproken."
"O, ik dacht het... Hij is voor u door deze zaal gekomen. Als u hem niet in de troonzaal gezien hebt, is hij zeker donna Serafina en den kardinaal gaan condoleeren. Hij zal dadelijk wel terugkomen, let maar op."
En met zijn bitterheid van steeds geterroriseerd en overwonnen zwak man voegde hij eraan toe:
"Ik heb u wel voorspeld, dàt u ten slotte doen zoudt wat hij wilde."
Maar hij meende het zachte getrippel van abbé Paparelli te hooren, ging onmiddellijk naar zijn plaats terug en begroette twee oude dames, die binnen kwamen, met zijn buiging. Pierre, die terneergedrukt en met half gesloten oogen was blijven zitten, zag nu eindelijk Nani voor zich, zooals hij in werkelijkheid was; een sluw diplomaat. Hij herinnerde zich, wat don Vigilio in dien nacht, dat zij zoo vertrouwelijk gepraat hadden, hem verteld had over dezen man, die veel te handig en te slim was, om een impopulair kleed aan te trekken, maar verder zeer charmant was, de wereld door zijn verschillende functies aan de nuntiatuur en het H. College uitstekend kende, in alle zaken betrokken en van alles op de hoogte, met één woord een der geestelijke leiders van het moderne zwarte leger was, dat door zijn opportunisme den geest der eeuw voor de Kerk wilde terugwinnen. En plotseling ging een alles helder makend licht in hem op: hij zag in, door welke soepele en bewonderenswaardig handige politiek die man hem gebracht had tot de daad, die hij van zijn schijnbaar vrijen wil had willen verkrijgen: het zonder reserve terugnemen van zijn boek. Bij het eerste bericht, dat men het boek vervolgde, had zich een groote teleurstelling, een plotselinge vrees van hem meester gemaakt, dat men den geëxalteerden schrijver tot een verzet zou drijven, dat onaangename gevolgen hebben kon; dadelijk stond zijn plan vast; inlichtingen omtrent dezen jongen priester, die tot een schisma in staat was, werden ingewonnen, zijn reis naar Rome bewerkt, een onderdak hem aangeboden in een oud paleis, welks muren zelf hem verstarren en leeren zouden. Dan volgde de eene hinderpaal op de andere, zijn verblijf werd verlengd, doordat men hem belette den paus te spreken, door hem de zoo vurig begeerde audiëntie te beloven, zoodra het uur daartoe gekomen was, nadat men hem van den een naar den ander verwezen had: van monsignor Fornaro naar pater Dangelis, van kardinaal Sarno naar kardinaal Sanguinetti. Dan kwam eindelijk, toen alles--dingen en menschen--hem afgemat en uitgeput gemaakt had, hem weer opnieuw aan den twijfel overgeleverd had, de audiëntie, waarop men hem sedert drie maanden voorbereidde, dat bezoek aan den paus, dat zijn droom geheel vernietigen moest. Nu zag hij Nani weer voor zich met zijn fijn glimlachje, zijn heldere oogen van sluwen diplomaat, die plezier heeft in een experiment; hij hoorde hem met zijn licht spottende stem zeggen, dat het een ware genade der Voorzienigheid was, wanneer deze hinderpalen hem in staat stelden Rome te bezichtigen, na te denken, te begrijpen; een onderricht, een opvoeding, die hem vele fouten besparen zou. En hij, die gekomen was met zijn apostelgeestdrift, die van strijdlust gegloeid, die gezworen had zijn boek nooit te zullen terugnemen! Was het niet de hoogste diplomatie op die wijze zijn gevoel tegen zijn rede gebroken te hebben door een beroep te doen op zijn intellect, opdat dit, zonder ergernisgevenden strijd, het nuttelooze en leugenachtige boek terugnemen zou--iets, wat van zelf gebeuren zou, zoodra het zich in het aangezicht van het werkelijke Rome, rekenschap gegeven zou hebben hoe reusachtig belachelijk het was van een nieuw Rome te droomen?
Op dat oogenblik zag Pierre monsignor Nani uit de troonzaal komen; maar hij voelde niet den wrok, dien hij verwacht had te zullen voelen. Integendeel, hij was gelukkig, toen de prelaat, die op zijn beurt Pierre ook gezien had, met uitgestoken hand naar hem toekwam. Hij glimlachte echter niet, zooals gewoonlijk; zijn gelaat stond ernstig, was smartelijk vertrokken.
"O, wat een ontzettende catastrophe, mijn zoon! Ik kom zoo juist van Zijne Eminentie. Het is vreeselijk om zijn verdriet te zien."
Hij ging op een der stoelen zitten en noodigde met een handgebaar den priester uit ook weer plaats te nemen; dan zweeg hij een oogenblik, ongetwijfeld was hij moe van opwinding, en had hij enkele minuten noodig om zich te herstellen van de smartelijke gedachten, die zijn anders zoo opgewekt gezicht zoo versomberden. Dan scheen hij die gedachten met een gebaar te verjagen en vond hij zijn gewone vriendelijkheid terug.
"Welnu, mijn zoon, hebt gij met Zijne Heiligheid gesproken?"
"Ja, monsignor, gisterenavond, en ik dank u zeer voor de groote goedheid, waarmede u mijn verlangen tegemoet gekomen zijt!"
Nani keek hem strak aan, terwijl een onbedwingbaar glimlachje op zijn lippen verscheen.
"U bedankt mij... Ik zie wel, dat gij verstandig geweest zijt door u voor de voeten van Zijne Heiligheid geheel te onderwerpen. Ik was er zeker van, ik verwachtte niets anders van uw helder inzicht. Maar toch maakt u mij zeer gelukkig, want ik constateer tot mijn groote blijdschap, dat ik me niet in u vergist heb!"
Hij liet zich gaan en voegde er aan toe:
"Nooit heb ik met u gediscussieerd. Waartoe diende het, nu de feiten er waren, om u te overtuigen. En nu gij uw boek teruggenomen hebt, zou iedere verdere discussie nog nutteloozer zijn... Maar toch zou ik u wel in overweging willen geven het volgende eens goed te overdenken: wanneer het in uw macht was de Kerk terug te brengen tot haar begin, tot die Christelijke gemeenschap, waarvan u een zoo bekoorlijke schildering gegeven hebt, dan zou de Kerk zich toch slechts weer in die banen kunnen bewegen, waarin God haar reeds eenmaal geleid heeft... Neen, God heeft wat hij gedaan heeft, goed gedaan: de Kerk moet, zooals zij is, de wereld regeeren, zooals zij is; het staat aan haar alleen uit te maken hoe zij haar heerschappij hier op aarde krachtig verzekeren wil. Daarom was een aanval op de wereldlijke macht een onvergeeflijke fout, een misdaad, want door het pausdom van zijn grondbezit te berooven, levert zij het over aan de genade der volkeren... Uw nieuwe godsdienst is ten slotte niets anders dan het ineenstorten van allen godsdienst, de moreele anarchie, de vrijheid tot afscheiding, in één woord de vernietiging van het goddelijke gebouw, van het eeuwenoude, aan wijsheid en kracht zoo rijke Katholicisme, dat tot heden voldoende geweest is voor het heil der menschen, dat alleen hen vermag te redden--morgen en in alle eeuwigheid."
Pierre voelde, dat hij oprecht vroom was, een werkelijk onwrikbaar geloof bezat en de Kerk als een dankbare zoon lief had, vast overtuigd, dat zij de mooiste, de eenige sociale organisatie was, die de menschheid gelukkig zou kunnen maken. Wanneer hij de wereld wilde regeeren, dan was de vreugde om te heerschen in dien wil een overheerschende factor, maar ook uit de overtuiging, dat niemand hem beter regeeren zou dan hij.
"O zeker, over de middelen valt te praten. Wat mij persoonlijk betreft, ik zou die graag zoo zacht en humaan mogelijk willen zien, middelen, die geheel in overeenstemming zijn met de geest der eeuw, die ons schijnt te ontsnappen, juist omdat er een eenvoudig misverstand tusschen hem en ons bestaat... Daarom ben ik zoo blij, mijn zoon, u terug te zien keeren in den schoot der Kerk, denkend als wij, bereid met ons te strijden."
De priester vond in deze woorden als de argumenten van Leo XIII zelf terug. Daar hij een direct antwoord vermijden wilde, boog hij nogmaals en sprak langzamer, om het bittere beven van zijn stem te verbergen.
"Ik herhaal, monsignor, hoe dankbaar ik u ben, dat u met de ervaren hand van een volmaakt chirurg mij van mijn ijdele illusies bevrijd hebt. Morgen, wanneer ik geen pijn meer hebben zal, zal ik u er eeuwig dankbaar voor zijn."
Monsignor Nani bleef hem glimlachend aankijken. Hij begreep wel, dat deze jonge priester zich verder afzijdig houden zou, een voor de Kerk verloren kracht was. Wat zou hij morgen doen? De een of andere nieuwe dwaasheid natuurlijk. Maar de prelaat was reeds blijde, dat hij hem geholpen had de eerste goed te maken; de toekomst kon hij niet vooruitzien.
"Mag ik u ten slotte nog een raad geven?" vroeg hij. "Wees verstandig; uw geluk als mensch en priester ligt in deemoed. U zult vreeselijk ongelukkig worden, indien gij de buitengewone intelligentie, die God u gegeven heeft, tegen God gebruikt."
Dan gaf hij met een nieuw gebaar te kennen, dat de zaak voor hem afgeloopen, voor goed uit was. Nu maakte de andere zaak hem weer somber, de andere zaak, die ook ten einde liep--maar op zoo tragische wijze door den verpletterenden dood van die twee kinderen, die in de zaal ernaast sliepen.
"O," ging hij voort, "wat heb ik vreeselijk te doen met die arme prinses en dien armen kardinaal. Nog nooit is een zoo verschrikkelijke catastrophe op een huis neergekomen. Neen, neen, het is te veel! Het ongeluk gaat te ver; de ziel komt daartegen in verzet!"
Maar op dat oogenblik kwam een geluid van stemmen uit de tweede antichambre en tot zijn groote verbazing zag Pierre kardinaal Sanguinetti, dien abbé Paparelli met groote onderdanigheid begeleidde, langs zich gaan.
"Indien Uwe Eminentie de goedheid hebben wil mij te volgen, zal ik Uwe Eminentie zelf brengen."
"Ja, ik ben gisterenavond uit Frascati teruggekomen, en toen ik de droeve tijding hoorde, heb ik dadelijk mijn troost en deelneming willen brengen."
"Indien het Uwe Eminentie moge behagen enkele oogenblikken bij de lijken te vertoeven, dan zal ik u daarna bij Zijne Eminentie brengen."
"Uitstekend. Ik sta er op, dat men weet hoezeer ik deel neem aan den rouw, die dit illustere huis treft."
Hij verdween in de troonzaal en Pierre bleef, verstomd over een dergelijke kalme onbeschaamdheid, zitten. Hij beschuldigde hem niet van directe medeplichtigheid, hij durfde niet nagaan hoever zijn moreele medeplichtigheid ging. Maar nu hij hem daar met opgeheven hoofd en zoo beslist sprekend langs zich zag gaan, kreeg hij de plotselinge, vaste overtuiging, dat hij alles wist. Hoe? Door wien? Hij zou het niet kunnen zeggen. Ongetwijfeld op de wijze, waarop misdaden in deze duistere kringen, onder menschen, die er belang bij hebben ze te weten, aan het licht komen. Een rilling doorhuiverde hem nu hij nogmaals dacht aan het hautaine optreden van dezen man; hij kwam misschien om kwade vermoedens in hun geboorte te verstikken, zeker, om een handigen politieken zet te doen door zijn mededinger een openlijk bewijs van achting en toegenegenheid te geven.
"De kardinaal hier!" prevelde Pierre onwillekeurig.
Monsignor Nani, die Pierre's gedachten in zijn kinderoogen, die alles verrieden, las, deed, alsof hij de beteekenis van dien uitroep anders opvatte.
"Ja, ik had al gehoord, dat hij sedert gisterenavond weer in Rome is. Hij wilde niet langer wegblijven, nu de Heilige Vader zich weer beter gevoelt en hem misschien noodig hebben kan."
Hoewel het met een volmaakt onschuldig gezicht gezegd werd, liet Pierre er zich geen oogenblik door op een dwaalspoor brengen. En nadat hij op zijn beurt den prelaat aangekeken had, kwam hij tot de overtuiging, dat ook deze alles wist. Plotseling zag hij de geheele zaak in haar vreeselijke gecompliceerdheid, in de geheele wreedheid, die het lot eraan gegeven had. Nani, een zeer intiem vriend der Boccanera's, was toch zeker geen man zonder hart en hield zeker veel van Benedetta, door wier schoonheid en gratie hij ongetwijfeld bekoord was. Dat kon verklaren, waarom hij op zoo zegepralende wijze de nietigverklaring van het huwlijk had laten uitspreken. Maar volgens don Vigilio was deze ten koste van veel geld en onder den druk van zeer bekende invloeden verkregen scheiding een schandaal, dat hij in den beginne gerekt had en dan tot een opzienbare oplossing verhaast had met het eenige doel den kardinaal op den vooravond van het conclave, dat iedereen voor aanstaande hield in discrediet te brengen en voor de tiara onmogelijk te maken.
Trouwens, het scheen niet te betwijfelen, dat de intransigente en van alle diplomatie afkeerige kardinaal niet de candidaat van den zoo soepelen Nani, die een overtuigde voorstander van een algemeene vereeniging was, zijn kon; zoo kon de lange arbeid van dezen laatste in het huis, niettegenstaande hij de lieve contessina gelukkig trachtte te maken, niets anders geweest zijn dan een langzame, ononderbroken vernietiging van het eerzuchtig streven van broeder en zuster, dat hun geslacht aan de Kerk een derden paus zou geven. Maar ook al had hij dat ook altijd gewild, ook al had hij misschien een oogenblik voor kardinaal Sanguinetti gewerkt, ook al had hij op dezen zijn hoop gesteld, toch was het nooit in hem opgekomen, dat men het tot een misdaad zou laten komen, tot den afschuwlijken gruwel van een aan een verkeerd adres komend en onschuldigen treffend vergif komen zou. Neen, neen, het was te veel, zooals hij zeide, de ziel kwam daartegen in opstand. Hij gebruikte zachtere wapenen; een dergelijke ruwheid stootte hem tegen de borst. Op zijn zoo blozend en welgevormd gezicht was nog de ernst van zijn woede te lezen, die hem bij het zien van den treurenden kardinaal en die twee in zijn plaats getroffen gelieven aangegrepen had.
Pierre, die in de meening verkeerde, dat kardinaal Sanguinetti nog altijd de heimlijke candidaat van den prelaat was, werd ondanks alles nog steeds gekweld door de vraag hoe ver de moreele medeplichtigheid van dezen laatste ging. Hij vatte het gesprek weer op.
"Men zegt, dat Zijne Heiligheid het met Zijne Eminentie kardinaal Sanguinetti niet bijster goed vinden kan. Trouwens dat is vrij natuurlijk, want de regeerende paus kan den toekomstigen moeilijk met een vriendelijk oog aanzien."
Monsignor Nani liet zich een oogenblik in alle vrijmoedigheid gaan:
"O, de kardinaal heeft reeds drie of viermaal met het Vaticaan op gespannen voet gestaan, om zich dan weer met den paus te verzoenen. En in ieder geval behoeft de Heilige Vader geen posthume jaloezie te toonen; hij weet, dat hij Zijne Eminentie heel goed ontvangen kan."
Doch dan speet het hem, zich zoo beslist uitgelaten te hebben en verbeterde hij zich:
"Ik scherts maar wat, Zijne Eminentie is het groote geluk, dat hem misschien wacht, volkomen waard."
Maar Pierre had nu zekerheid: kardinaal Sanguinetti was ongetwijfeld monsignor Nani's candidaat niet meer. Blijkbaar vond hij, dat de kardinaal door zijn ongeduldige eerzucht te zeer verzwakt en door de dubbelzinnige bondgenootschappen, die hij in zijn koorts met iedereen, ja zelfs met het jonge, patriottische Italië gesloten had, ook te gevaarlijk was. De stand van zaken was duidelijk: kardinaal Sanguinetti en kardinaal Boccanera waren bezig elkaar te verslinden, elkaar uit den weg te ruimen: de een door zijn voortdurende intriges, die voor geen enkel compromis terugdeinsden, en ervan droomend Rome door verkiezingen te heroveren; de ander onbeweeglijk en onwrikbaar in zijn intransigentie, den geest der eeuw met zijn banbliksems treffend, het wonder, dat de Kerk redden moest, alleen van God verwachtend. Waarom zou men die twee zoo tegenstrijdige theorieën elkaar niet laten vernietigen. Al was Boccanera aan het vergif ontsnapt, daarom was hij niet minder door de tragische gebeurtenis getroffen en voortaan onmogelijk als candidaat, vernietigd als hij was door de geschiedenissen, waarover geheel Rome praatte; en al kon Sanguinetti meenen, dat hij eindelijk bevrijd was van zijn voornaamsten mededinger, toch had hij niet ingezien, dat hij zichzelf trof, dat hij tegelijkertijd zijn eigen candidatuur onmogelijk maakte. Monsignor Nani zag dit alles blijkbaar met groot welgevallen: noch de een, noch de ander, de plaats vrij. Het was de oude geschiedenis van die twee legendarische wolven, die met elkaar gevochten en elkaar opgegeten hadden, tot zelfs het puntje van de staart niet meer over was. Maar een man als Nani was nooit werkeloos, moest een candidaat hebben. Maar wie, wie zou de toekomstige paus zijn?
Hij was opgestaan en nam hartelijk afscheid van den jongen priester.
"Mijn zoon, ik betwijfel of ik u nog zien zal. Ik wensch u een goede reis..."
Toch ging hij niet weg, maar bleef Pierre met zijn doordringenden blik aankijken; eindelijk ging hij weer zitten en wees Pierre ook een stoel aan.
"Gij zult natuurlijk dadelijk na uw aankomst in Frankrijk kardinaal Bergerot gaan begroeten... Wees zoo goed hem mijn eerbiedige groeten over te brengen. Ik heb hem toen hij hier was om zijn kardinaalshoed te halen, leeren kennen. Hij is een der corypheeën van den Franschen clerus... O, als een zoo verheven geest werken wilde voor de goede verstandhouding in onze heilige Kerk! Maar helaas ben ik bang, dat hij vooroordeelen van opvoeding en omgeving heeft; hij helpt ons niet altijd."
Pierre luisterde verbaasd; het verwonderde hem, dat de prelaat juist in deze oogenblikken voor de eerste maal over den kardinaal begon. Maar dan liet hij alle gereserveerdheid varen en antwoordde met alle vrijmoedigheid:
"Ja, Zijne Eminentie heeft over onze oude Kerk van Frankrijk zeer vaststaande meeningen. Zoo steekt hij bijvoorbeeld zijn afschuw voor de Jezuïeten niet onder stoelen of banken."
"Wat, een afschuw van de Jezuïeten?" viel monsignor Nani hem in de rede. "Waarmede kunnen de Jezuïeten hem verontrusten? Er bestaan er niet meer, de geschiedenis met de Jezuïeten is nu uit! Hebt u er te Rome gezien? Hebben die arme Jezuïeten, die er zelfs geen steen bezitten, om hun hoofd op neer te leggen, u een stroo breed in den weg gelegd?... Neen, dien vogelverschrikker moest men nu laten rusten, dat is kinderpraat!..."
Pierre keek nu op zijn beurt den prelaat aan: hij verwonderde zich over diens ongedwongenheid, over diens kalme zelfverzekerdheid in zake deze brandende quaestie. Monsignor Nani sloeg zijn blik niet neer, maar liet in zijn oogen lezen, als waren die het boek der waarheid.
"O, als gij onder Jezuïeten de verstandige priesters verstaat, die, inplaats van met de moderne maatschappijen een onvruchtbaren, gevaarlijken strijd aan te gaan, op humane wijze trachten deze tot de Kerk terug te brengen, lieve Hemel, dan zijn we allen min of meer Jezuïeten, want het zou krankzinnigenwerk zijn geen rekening te houden met den tijd, waarin men leeft... Bovendien hang ik niet aan woorden. Wat beteekenen die? Dus goed, Jezuïeten, voor mijn part Jezuïeten, als u dat wilt!"
Hij glimlachte reeds weer met zijn vriendelijk, fijn glimlachje, waarin zooveel spot en geest lag.
"Welnu zeg aan kardinaal Bergerot, wanneer u hem ziet, dat het onredelijk is de Jezuïeten in Frankrijk te vervolgen, hen als vijanden der natie te behandelen. Juist het tegendeel is waar: de Jezuïeten zijn voor Frankrijk, omdat zij voor den rijkdom, voor de kracht en den moed zijn. Frankrijk is de eenige groote Katholieke natie, die staande gebleven is, de eenige, waaraan het pausdom eenmaal een grooten steun hebben kan. Daarom heeft dan ook de Heilige Vader, nadat hij een oogenblik gehoopt had dien steun van het overwinnende Duitschland te krijgen, een verbond gesloten met het toch pas overwonnen Frankrijk, want hij begreep, dat buiten dat land geen heil voor de Kerk te wachten was. En in dat alles heeft hij slechts de politiek gevolgd der Jezuïeten, van die afschuwlijke Jezuïeten, die men in uw Parijs zoo verfoeit... Zeg bovendien aan kardinaal Bergerot, dat het zeer mooi van hem zou zijn, wanneer hij mede wilde werken aan de bevrediging door er op te wijzen, hoe verkeerd het van uw Republiek is den paus niet krachtiger te steunen in zijn vergevingswerk. Zij doet, alsof zij hem als een quantité négligeable beschouwt; dat is een gevaarlijke fout voor bewindslieden, want al schijnt het ook, dat hij van alle politieke actie beroofd is, toch blijft hij desniettemin een ontzaglijke moreele kracht, die ieder uur een religieuse agitatie van onberekenbare draagwijdte in het leven kan roepen. Hij is het altijd nog, die over de volkeren beschikt, omdat hij over de zielen beschikt; de Republiek handelt zeer lichtzinnig, ja zelfs in zijn voordeel, door te laten blijken, dat zij dat niet meer weet... En zeg hem ten slotte dat het jammerlijk is om te zien, op welk een treurige wijze die Republiek haar bisschoppen kiest, juist alsof zij met opzet haar episcopaat wil verzwakken. Afgezien van enkele gelukkige uitzonderingen zijn uw bisschoppen armzalige geesten en bijgevolg hebben uw kardinalen, middelmatige koppen, hier niet den minsten invloed, spelen zij hier geen rol. Welk een treurig figuur zult gij in het aanstaande conclave slaan! Waarom behandelt gij dus de Jezuïeten, die politiek gesproken uw vrienden zijn, met een zoo dwazen, zoo blinden haat? Waarom maakt gij geen gebruik van hun intelligenten ijver, die bereid is u te dienen, om u zoodoende de hulp van den toekomstigen paus te verzekeren? Gij hebt dien noodig, hij moet bij u het werk van Leo XIII voortzetten, het werk dat zoo verkeerd beoordeeld, zoo bestreden wordt; het werk, dat zich niet bekommert om kleine, tijdelijke resultaten, dat voor alles arbeidt voor de toekomst, voor de vereeniging van alle volkeren in hun heilige moeder, de Kerk... Zeg dat aan kardinaal Bergerot, zeg hem, dat hij aan onze zijde moet staan, dat hij voor zijn land werkt door voor ons te werken. De toekomstige paus! Daarin ligt alles! En wee Frankrijk, wanneer het in den paus van morgen niet een voortzetter vindt van het werk van Leo XIII!"
Hij was weer opgestaan en ditmaal ging hij werkelijk. Nooit nog had hij zich op die wijze zoo lang uitgelaten. Maar ongetwijfeld had hij slechts gezegd, wat hij wilde zeggen, en wel met een doel, dat hij alleen kende, met een vastberaden langzaamheid en vriendelijkheid, waarin men voelde, dat ieder woord van te voren rijpelijk overwogen was.
"Vaarwel, mijn zoon, en nogmaals raad ik u, denk over alles wat gij te Rome gezien en gehoord hebt, goed na, wees verstandig en bederf uw leven niet!"
Pierre boog en drukte de kleine, gevulde hand, die de prelaat hem toestak.
"Ik dank u nogmaals voor al uw goedheid, monsignor, en wees overtuigd, dat ik niets van mijn reis vergeten zal."
Hij keek hem na en zag hem in zijn fijne soutane, met zijn lichten veroveraarsstap, die alle overwinningen der toekomst tegemoet meende te gaan, verdwijnen. Neen, neen, hij zou niets van zijn reis vergeten. Hij kende die vereeniging van alle volkeren in hun heilige moeder, de Kerk, die wereldlijke slavernij, waarin de wet van Christus de dictatuur van Augustus werd. En wat de Jezuïeten betreft, hij twijfelde er geen oogenblik aan, dat zij Frankrijk liefhadden, de oudste dochter de Kerk, de eenige, die haar moeder nog helpen kon om de wereldheerschappij te veroveren: maar zij hadden het lief, zooals de zwarte sprinkhanen de oogstvelden liefhebben, waarop zij neerstrijken en die zij verslinden. Een oneindige droefheid was weer in zijn hart gekomen, want hij had het heimelijk gevoel, dat in dit oude, vernietigde paleis, in dezen rouw en deze ineenstorting zij en niemand anders dan zij de bewerkers van de smart en van het ongeluk waren.
Juist op dat oogenblik zag hij don Vigilio, die voor het groote portret van den kardinaal op het wandtafeltje leunde; hij hield zijn gezicht in zijn handen, alsof hij voor eeuwig verdwijnen wilde, en beefde over zijn geheele lichaam, zoowel van koorts als van angst. In een oogenblik, dat er geen bezoekers kwamen, was hij bezweken aan een aanval van angstige wanhoop.
"Mijn God, wat hebt u?" vroeg Pierre, die naar hem toeging. "Bent u ziek? Kan ik u helpen?"
Maar don Vigilio drukte zijn vuisten in zijn oogen, stamelde tusschen zijn samengeperste handen angstig:
"O, Paparelli, Paparelli!"
"Wat heeft hij u gedaan?" vroeg de priester verwonderd.
Toen nam de secretaris zijn handen van zijn gezicht weg en gaf nog eenmaal toe aan zijn behoefte om zich te uiten.
"Wat hij mij gedaan heeft?... Maar voelt u dan niets? Ziet u dan niets? Hebt u de manier opgemerkt, waarop hij zich van kardinaal Sanguinetti meester maakte, om hem naar Zijne Eminentie te brengen? Welk een vervloekte onbeschaamdheid, om Zijne Eminentie in een dergelijk oogenblik dien verdachten, verwenschten mededinger op te dringen! En hebt u niet gezien met wat voor een gemeene gluiperigheid hij een paar minuten te voren een oude dame de deur gewezen heeft, een heel oude vriendin, die slechts de hand van Zijne Eminentie wilde kussen, een bewijs van liefde, dat haar zoo gelukkig gemaakt zou hebben?... Ik zeg u, dat hij hier de meester is, dat hij de deur opendoet en dichtmaakt, zooals hij dat verkiest, dat hij ons allen tusschen zijn vingers houdt als een beetje stof, dat je in alle windrichtingen wegblaast!"
Pierre maakte zich ongerust, toen hij zag hoe hij beefde, hoe geel zijn gezicht was.
"Kom, kom, u overdrijft!"
"Ik overdrijven?... Weet u wat er vannacht voorgevallen is, van welk tooneel ik tegen mijn zin getuige geweest ben? Dan zal ik het u vertellen."
Hij vertelde, dat donna Serafina, toen zij den vorigen dag thuis gekomen was, om midden in de vreeselijke catastrophe, die haar wachtte, te vallen, reeds met een gebroken hart terugkeerde, geheel van streek door de slechte berichten, die zij vernomen had. Bij den kardinaal-secretaris en daarna bij de prelaten, die zij kende, had zij de zekerheid gekregen, dat de vooruitzichten voor haar broeder zeer slecht stonden, dat hij zich in het Heilig College steeds talrijker vijanden gemaakt had, zoodat zijn verkiezing tot paus, in het vorige jaar waarschijnlijk, thans zoo goed als onmogelijk geworden was. Plotseling stortte de droom van haar leven in; de eerzucht, die zij altijd gekoesterd had, lag in stof voor haar voeten. Hoe? Waarom? Wanhopig had zij naar de motieven gevraagd, en nu was zij allerlei fouten van den kardinaal te weten gekomen. Hij had zich tot nuttelooze manifestaties laten verleiden, had menschen door een woord, door een daad beleedigd, in het kort een zoo uitdagende houding aangenomen, dat men meenen zou, dat hij het opzettelijk had gedaan, om alles te bederven. Het ergste was, dat zij in ieder van die fouten omstandigheden ontdekt had, die door haar afgeraden en afgekeurd waren, maar die de kardinaal doorgedreven had onder den invloed van abbé Paparelli, dien zoo nederigen, zoo deemoedigen sleepdrager, in wien zij een noodlottige macht, een ondermijnen van haar eigen zoo waakzamen en toegewijden invloed voelde. Ondanks den rouw, waarin het huis verkeerde, had zij dan ook de executie van den verrader niet willen uitstellen, te meer waar zijn oude vriendschap met Santobono en de geschiedenis met het mandje vijgen, dat uit de handen van den laatste in die van den eerste overgegaan was, in haar een vreeselijk vermoeden gewekt had, waarvan zij zelfs geen nadere opheldering wilde hebben. Maar dadelijk bij haar eerste woorden, toen zij den formeelen eisch stelde den verrader onmiddellijk de deur te wijzen, was zij bij haar broeder op een plotselingen, onoverwinlijken tegenstand gestooten. Hij had zelfs niet naar haar willen luisteren, was boos geworden, in een van die buien van hartstochtelijke woede gevallen, die alle redelijkheid wegvaagde. Hij zeide, dat het slecht van haar was een zoo bescheiden, zoo vromen heiligen man aan te vallen, beschuldigde haar, dat zij in de kaart van zijn vijanden speelde, die, na monsignor Gallo gedood te hebben, nu trachtten zijn laatste genegenheid voor dien armen, onbeduidenden priester te vergiftigen. Hij noemde al die verhalen afschuwlijke verzinsels en zwoer, dat hij hem bij zich zou houden, al was het alleen om zijn minachting voor al dien laster te toonen.
Weer had don Vigilio, door een rilling aangegrepen, zijn gezicht met zijn handen bedekt.
"O, Paparelli, Paparelli!"
Hij stamelde gesmoorde scheldwoorden: de gemeene smeerlap, die bescheidenheid en deemoed huichelde; de lage spion, die in opdracht had alles in het paleis te hooren, te zien, ten gronde te richten: het onreine, verwoestende insect, dat zich meester maakte van den edelsten buit en de manen van den leeuw wegvrat; de Jezuïet, de echte Jezuïet, knecht en tyran tegelijk, in zijn minne gemeenheid, in zijn triompheerend wormenwerk!
"Houd u toch kalm, houd u toch kalm," herhaalde Pierre, die, hoewel hij de waanzinnige overdrijving in aanmerking nam, toch zelf huiverde voor het vreeselijke onbekende, voor de dreigende, onbestemde dingen, die zich, zooals hij voelde, werkelijk in de diepte van het onbekende bewogen.
Maar sedert hij bijna die verschrikkelijke vijgen gegeten had, sedert de bliksem vlak naast hem ingeslagen was, had don Vigilio dien ontzettenden angst, welke door niets tot rust gebracht kon worden, behouden. Zelfs wanneer hij alleen was, 's nachts, in bed, achter de gesloten deur, greep die angst hem aan, deed hem onder de dekens wegkruipen, alsof er door de muren menschen zouden komen, om hem te wurgen.
Ademloos en met een zwakke stem ging hij voort:
"Ik heb het u wel gezegd op dien avond, toen we in uw kamer gepraat hebben, hoewel de deur driedubbel gesloten was... Het was verkeerd van mij, zoo vrij over hen te spreken, mijn hart eens te luchten door u alles te vertellen, waartoe zij in staat zijn. Ik was er zeker van, dat zij erachter zouden komen, en u ziet, dat zij erachter gekomen zijn, want ze hebben mij willen dooden. Kijk, op dit oogenblik is het verkeerd van mij u dit te zeggen, want zij zullen het te weten komen, en ditmaal zullen ze het beter inrichten, om mij klein te krijgen... O, het is uit, ik ben dood, dit edele huis, dat ik zoo veilig waande, zal mijn graf worden!"
Een diep medelijden met dezen koortsachtigen, door schrikbeelden en waanvoorstellingen vervolgden zieke maakte zich van Pierre meester.
"Maar vlucht u dan! Blijf niet hier! Ga naar Frankrijk of waarheen gij wilt!"
Verbijsterd keek don Vigilio, die een oogenblik kalm werd, hem aan.
"Vluchten? Waarom? Daar zijn zij ook. Overal zijn zij. Vluchten helpt me niets, altijd zou ik met hen, bij hen zijn... Neen, neen, ik blijf liever hier. Liever sterf ik hier dadelijk, als Zijne Eminentie mij niet meer verdedigen kan."
Hij richtte een smeekenden blik, waarin nog een straal van hoop trachtte òp te glanzen, op het levensgroote portret van den kardinaal. Maar de aanval kwam terug en schokte hem met verdubbelde kracht.
"Laat mij alleen, laat mij alleen, ik smeek het u!... Laat mij niet verder praten. O, Paparelli, Paparelli! Als hij terugkwam, als hij ons zag, als hij mij hoorde praten... Nooit zal ik meer een woord zeggen. Ik zal mijn tong vastbinden, ik zal mijn tong afsnijden... Laat mij toch alleen! Ik zeg u, dat gij mij doodt, dat hij terug zal komen en dat dat mijn dood is! Ga toch weg, om Godswil, ga toch weg!"
En don Vigilio keerde zich naar den muur, als wilde hij daartegen zijn gezicht verpletteren en zijn mond erin vastmetselen, zoodat hij zwijgen zou als het graf. Pierre besloot heen te gaan, want hij was bang een nog heviger aanval te provoceeren, als hij zijn hulp bleef opdringen.
Pierre begreep, dat hij als huisgenoot, donna Serafina en den kardinaal zijn deelneming moest gaan betuigen. Onmiddellijk liet hij zich naar het aangrenzend vertrek brengen, waar de prinses ontving. Zij zat, in het zwart gekleed, mager en rechtop in een fauteuil, waaruit zij waardig en langzaam even opstond, om den groet van degenen, die binnenkwamen, te beantwoorden. Met een strak gelaat en haar physieke smart overwinnend, luisterde zij naar de betuigingen van deelneming, doch antwoordde daarop in het geheel niet. Maar Pierre, die haar had leeren kennen, kon uit haar ingevallen trekken, uit haar ledige oogen, uit de bittere plooi om haar mond, de verschrikkingen raden, die zij innerlijk onderging, alles wat in haar ingestort was, zonder dat eenige hoop op herstel mogelijk scheen. Niet alleen haar geslacht was uitgestorven, maar ook haar broeder zou nooit paus worden, de paus, dien zij zoolang gehoopt had van hem te maken door haar toewijding, haar zelfverloochening van vrouw, die aan dien droom haar hoofd en haar hart, haar zorgen, haar vermogen, haar mislukt echtgenoote- en moederleven gegeven had. Zij stond voor den jongen priester, haar gast, op, zooals zij voor de anderen was opgestaan. Maar het gelukte haar in de manier van haar opstaan een kleine schakeering te brengen; hij voelde heel goed, dat hij in haar oogen nog steeds de kleine, eenvoudige Fransche priester was, de laagste dienaar in God's dienst, nu hij zich zelfs niet tot den rang van prelaat had weten op te werken.
Toen, zij, na hem met een flauw hoofdknikje voor zijn betuiging van deelneming bedankt te hebben, weer was gaan zitten, bleef hij uit beleefdheid nog een oogenblik staan. Geen geluid, geen woord verstoorde den droefgeestigen vrede van het vertrek. Toch waren er vier of vijf dames, bezoeksters, aanwezig; zij zaten echter eveneens in een troostelooze, zwijgende onbeweeglijkheid op haar stoelen. Het meest werd Pierre echter getroffen door de aanwezigheid van kardinaal Sarno, een der oude huisvrienden, die met zijn zwak lichaam en zijn hoogeren linkerschouder met gesloten oogen in een fauteuil neergevallen was. Nadat hij donna Serafina zijn deelneming betuigd had, was hij onwillekeurig nog wat gebleven en toen, door de drukkende stilte en de benauwend-warme atmospheer in slaap gevallen. En iedereen eerbiedigde zijn slaap. Droomde hij in zijn sluimering van de kaart der geheele Christenheid, die hij in zijn laaggebouwd hoofd met de stompzinnige uitdrukking had? Zette hij, achter dat vale geloofsmasker van een door een halve eeuw van bureauleven afgestompten, ouden ambtenaar, in zijn droom zijn vreeselijk veroveringswerk voort, om de aarde van uit de diepte van zijn somber bureau in het paleis der Propaganda te onderwerpen en te regeeren? De dames richtten geroerde en eerbiedige blikken op hem; men beknorde hem soms zacht, dat hij te veel werkte, en zag in deze slaapzucht, die zich in den laatsten tijd overal van hem meester maakte, het bewijs van zijn buitensporigen ijver en zijn genie. Pierre echter zou van deze almachtige Eminentie slechts dit laatste beeld met zich nemen: een uitgeputte grijsaard, uitrustend na de aandoeningen van een catastrophe, slapend als een oud, onschuldig kind, zonder dat men zien kon, of dit het begin van kindschheid was of de uitputting na een in den dienst doorgebrachten nacht, om God over het een of andere ver weg gelegen stuk land te laten heerschen.
Twee dames gingen weg, drie andere kwamen binnen. Donna Serafina was uit haar fauteuil opgestaan, had geknikt en dan haar strakke houding hernomen. Kardinaal Sarno sliep nog altijd. Nu kreeg Pierre het te benauwd; hij dacht te stikken; een duizeling beving hem, zijn hart klopte met zware slagen. Hij boog en ging heen. Toen hij zich door de eetkamer naar het studeerkamertje wilde begeven, waar de kardinaal ontving, stond hij plotseling tegenover abbé Paparelli, die de deur jaloersch bewaakte.
Toen de sleepdrager hem herkende, begreep hij, dat hij hem den doorgang niet weigeren kon. Trouwens, daar de binnendringer den volgenden dag, verlegen en beschaamd, vertrekken zou, was er niets van hem te vreezen.
"U wenscht Zijne Eminentie te spreken? Uitstekend... Dadelijk, wacht maar even!"
En toen hij vond, dat hij te dicht bij de deur kwam, drong hij hem naar het andere gedeelte van het vertrek terug, ongetwijfeld bang, dat hij een woord opvangen zou.
"Zijne Eminentie is nog in gesprek met Zijne Eminentie kardinaal Sanguinetti... Wacht daar, wacht daar!"
Inderdaad was Sanguinetti voor den vorm zeer lang op zijn knieën voor de beide dooden in de troonzaal blijven liggen. Vervolgens had hij ook zijn bezoek aan donna Serafina gerekt, om goed te laten uitkomen hoezeer hij deel nam in de rouw der familie. En nu was hij reeds meer dan tien minuten bij den kardinaal, zonder dat men iets anders hoorde dan nu en dan het gemurmel van hun stemmen.
Nu Pierre Paparelli hier weer vond, werd hij opnieuw vervolgd door alles wat don Vigilio hem verteld had. Hij nam hem op: hij was dik, kort, ziekelijk opgeblazen door het vet en geleek met zijn slap gezicht, dat op veertigjarigen leeftijd reeds door rimpels misvormd was, en in zijn vuile soutane op een heel oude jongejuffrouw, waarvan het celibaat een half slap geworden varkensblaas gemaakt heeft. En Pierre vroeg zich met verwondering af, hoe kardinaal Boccanera, die hoogmoedige prins, die in zijn onverwoestbaren trots op zijn naam het hoofd zoo hoog droeg, zich had kunnen laten inpalmen en beheerschen door een wezen, dat zoo foei-leelijk was en dat zijn laagheid zoo aan te zien was. Of waren misschien juist het lichamelijke verval van dit wezen, deze groote moreele deemoed hem opgevallen als zeldzame, buitengewone gaven des heils, die hem ontbraken, en was hij daarna onder de bekoring daarvan gekomen? Zij waren een hoon voor zijn eigen schoonheid, voor zijn eigen trots. Hij, die niet zoo mismaakt kon worden, die zijn eigen begeerte naar roem niet overwinnen kon, moest er door een groote krachtsinspanning van zijn geloof in geslaagd zijn dit eindeloos leelijke, eindeloos lage creatuur te benijden, te bewonderen, als een hoogere, de poorten des hemels wijd open zettende macht der boete en der menschelijke vernedering te dulden. Wie zal ooit den invloed verklaren, dien het monster heeft op den held, dien de met ongedierte bedekte, tot een voorwerp van afschuw geworden heilige over de machtigen dezer wereld bezit, die bang zijn hun aardsche vreugden te moeten boeten in het eeuwige vlammenvuur? Ja, dat was wel de leeuw, die door het insect weggevreten wordt, nu zooveel kracht en glans door het onzienlijke vernietigd werd.
Samengedrongen in zijn vaal vet nam abbé Paparelli Pierre op met zijn kleine, grijze oogen, die midden in de duizenden plooien van zijn gezicht knipten. Deze begon een onrustig gevoel te krijgen, terwijl hij zich afvroeg, wat die beide Eminenties elkaar toch wel konden hebben te zeggen. Welk een pijnlijk gesprek moest dit zijn, wanneer Boccanera in Sanguinetti den bisschop zag, tot wiens protégé's Santobono behoorde. Welk een vermetele kalmte bezat de een, dat hij zich hier durfde vertoonen; welk een zielskracht, welk een zelfbeheersching bij den ander, dat hij in den naam van den heiligen godsdienst een schandaal vermeed door te zwijgen, door het bezoek als een eenvoudig bewijs van achting en toegenegenheid te aanvaarden! Maar wat kunnen zij elkander te zeggen hebben? Wat zou het opwindend-interessant zijn, hen tegenover elkander te zien, te hooren welke diplomatieke woorden, die voor een dergelijk onderhoud pasten, zij gebruikten, terwijl het in hun zielen gromde van woedenden haat!
Plotseling ging de deur open en kwam kardinaal Sanguinetti uit de kamer te voorschijn; zijn gezicht was kalm, niet rooder dan gewoonlijk, zelfs iets bleeker. Slechts zijn onrustige, steeds rondloerende oogen verrieden hoe blij hij was deze per slot van rekening toch zware corvée achter den rug te hebben. En in de hoop, dat hij van nu af de eenig mogelijke paus zijn zou, verwijderde hij zich.
Abbé Paparelli was naar hem toegevlogen.
"Als Zijne Eminentie zoo goed wil zijn mij te volgen... Ik zal Zijne Eminentie uitlaten!"
En zich dan tot Pierre wendend:
"U kunt nu naar binnen gaan."
Pierre keek hen na: de een zoo deemoedig, de ander zoo triomphantelijk. Dan ging hij naar binnen en zag onmiddellijk midden in de kleine, slechts met een tafel en drie stoelen voorziene studeerkamer kardinaal Boccanera nog in de hautaine en edele houding staan, die hij aangenomen had, om Sanguinetti, den gevreesden en verwenschten mededinger naar den pauselijken troon, te groeten. En blijkbaar waande Boccanera zich ook den eenig mogelijken paus, dengene, dien het conclave van morgen kiezen moest.
Maar toen de deur weer dichtgevallen was en hij den jongen priester, zijn gast, die getuige geweest was van den dood van zijn twee lieve kinderen, die nu voor eeuwig in de zaal ernaast sliepen, zag, werd hij weer door een onuitsprekelijke ontroering, door een onverwachte zwakheid, waarin al zijn energie onderging, aangegrepen. Het was de revanche, die zijn mensch-zijn nam, nu zijn mededinger hem niet meer zien kon. Hij wankelde als een boom, die trilt onder den bijlslag, en viel, plotseling verstikt door diepe snikken, op een stoel neer. Toen Pierre volgens het ceremonieel, den smaragd, dien hij aan zijn ringvinger droeg, wilde kussen, richtte hij hem op en wees hem recht voor zich een stoel aan, terwijl hij met gebroken stem stamelde:
"Neen, neen, mijn zoon, ga daar zitten... Excuseer me een oogenblik, mijn hart breekt in mij."
Hij snikte in zijn gevouwen handen, hij vermocht zich niet te beheerschen, zijn smart met zijn nog krachtige vingers, die hij tegen zijn wangen en slapen drukte, in zich terug te dringen.
Tranen kwamen nu ook in de oogen van Pierre, die eveneens het verschrikkelijke drama doorleefde en diep ontroerd werd, nu hij dien edelen grijsaard, dien gewoonlijk zoo trotschen en zichzelf beheerschenden, vromen kerkvorst, die nu niet meer was dan een arm, in doodsstrijd en smart worstelend wezen, zoo hulpeloos en zwak als een kind, huilen zag. Hoewel tranen ook zijn stem verstikten, wilde Pierre toch zijn deelneming betuigen en zocht hij naar een paar goede woorden, om deze wanhoop wat te verzachten.
"Ik smeek Uwe Eminentie aan mijn diep verdriet te gelooven. Ik ben bij u met weldaden overstelpt en stel er prijs op u onmiddellijk te zeggen, hoe dit onherstelbare verlies..."
Maar met een moedig gebaar legde de kardinaal hem het zwijgen op.
"Neen, neen, zeg niets, om Godswil, zeg niets!"
En stilte heerschte. Geschokt door den inwendigen strijd, weende hij nog steeds en wachtte hij tot hij weer sterk genoeg zijn zou, om zich te beheerschen. Eindelijk wist hij zijn ontroering te bedwingen, nam hij langzaam zijn handen van zijn gezicht weg, dat langzamerhand weer dat van een door zijn geloof sterken, aan Gods wil onderworpen geloovige geworden was. Nu God geweigerd had een wonder te doen, nu hij zijn huis zoo wreed trof, had hij daar ongetwijfeld zijn redenen voor, en hem, een van zijn dienaren, een der grootwaardigheidsbekleeders van zijn aardsch Hof, bleef niets anders over dan zijn hoofd in ootmoed te buigen.
De stilte duurde nog een oogenblik voort--dan begon hij te spreken en het gelukte hem zijn stem een natuurlijken, vriendelijken klank te geven.
"Gij verlaat ons, niet waar, mijn zoon? Gij vertrekt morgen?"
"Ja, morgen, ik zal mij de vrijheid veroorloven afscheid te nemen van Uwe Eminentie en u nogmaals te danken voor uw onuitputtelijke welwillendheid."
"Dus hebt u gehoord, dat de Indexcongregatie uw boek veroordeeld heeft, wat trouwens onvermijdelijk was?"
"Ja, de buitengewone eer is mij ten deel gevallen door den Heiligen Vader ontvangen te worden, en aan zijn voeten heb ik mij onderworpen en mijn boek verloochend."
In de vochtige oogen van den kardinaal lichtte weer een vlam op.
"Zoo hebt ge dat gedaan? Dan hebt ge goed gehandeld, mijn zoon! Het was weliswaar niets meer dan uw eenvoudigen priesterplicht, maar er zijn er helaas in onze dagen zoo velen, die zelfs hun plicht niet doen... Als lid der Congregatie heb ik mijn belofte, die ik u gegeven had, gehouden, uw boek gelezen en vooral de door de aanklagers aangegeven bladzijden zorgvuldig bestudeerd. En dat ik ten slotte neutraal gebleven ben, dat ik mij hield als had de zaak voor mij niet het minste belang, zoodat ik zelfs de zitting, waarin het geval behandeld is, niet bijgewoond heb, is alleen geweest, omdat ik mijn arme lieve nicht, die van u hield, die u verdedigde, een plezier wilde doen..."
Weer overmanden zijn tranen hem; hij hield op, want hij voelde, dat hij weer zwak zou worden, indien hij zich de aangebeden en beweende Benedetta voor den geest riep. En met strijdlustige grimmigheid ging hij dan ook voort:
"Neem mij niet kwalijk, dat ik het u zeg, maar welk een vloekwaardig boek, mijn zoon! Ge hadt mij verzekerd, dat ge het dogma respecteerde, en ik vraag me nog steeds af, door welke dwaling ge zóó verblind zijt geworden, dat ge zelfs het besef van uw misdaad verloren hebt. Het dogma respecteeren--lieve God, terwijl het geheele boek één doorloopende negatie van onzen heiligen godsdienst is!... Hebt ge dan niet gevoeld, dat het vragen om een nieuwen godsdienst gelijk staat met het veroordeelen van den ouden, den eenigen waren, den eenigen goeden, den eenigen eeuwigen? Dat alleen reeds was voldoende, om van uw boek een der doodelijkste giffen te maken, een van die infame boeken, die men vroeger door beulshanden verbranden liet, maar die in onze dagen, nadat ze op den Index geplaatst en juist daardoor aan de perverse nieuwsgierigheid aangewezen zijn, in omloop gebracht worden, iets waardoor de besmettelijke rotheid van onze eeuw maar al te goed wordt verklaard... O, hoe goed heb ik in dit alles de denkbeelden van onzen vereerden en poëtischen bloedverwant, vicomte Philibert de la Choue teruggevonden! Een litterair ontwikkeld iemand, zeer zeker! Maar het is litteratuur, niets dan litteratuur! Ik smeek God hem vergiffenis te schenken, want hij weet ongetwijfeld niet, wat hij doet noch waarheen hij gaat met zijn elegisch Christendom, dat bestemd is voor mooi-pratende arbeiders en voor jonge menschen van beiderlei kunne, wier ziel door de wetenschap toch reeds in het ijle zweeft. Neen, mijn toorn richt zich alleen tegen Zijne Eminentie, kardinaal Bergerot, want hij weet, wat hij doet, doet wat hij wil... Neen, zeg niets, verdedig hem niet. Hij is de revolutie in de Kerk, hij is tegen God!"
Hoewel hij zich voorgenomen had niet te antwoorden, niet te discussieeren, had hij een gebaar van protest bij dezen aanval op den man, dien hij op deze wereld het meest vereerde en liefhad, niet kunnen onderdrukken. Dan echter boog hij nogmaals.
"Ik kan mijn afschuw, ja mijn afschuw voor dezen heelen ledigen droom van een nieuwen godsdienst niet genoeg zeggen," ging Boccanera ruw voort. "Het is niets dan een speculatie op de gemeenste hartstochten, die de armen tegen de rijken opzet, door hun God weet wat voor een deeling, voor een thans onmogelijke gemeenschap, belooft! Het is niets dan een lage vleierij van de lagere volksklassen, doordat men hun, zonder het ooit te kunnen uitvoeren, een gelijkheid en een gerechtigheid belooft, die alleen van God komt, die God alleen op den door zijn almacht aangewezen dag zal kunnen doen heerschen! Het is niets dan een zelfzuchtige naastenliefde, die men tegen den hemel zelf misbruikt om hem aan te klagen van onrechtvaardigheid en onverschilligheid! Het is niets dan larmoyante, verslappende, krachtige en sterke harten onwaardige naastenliefde! Alsof het menschelijk lijden niet noodzakelijk is voor zijn heil; alsof wij, naarmate wij meer lijden, niet grooter, niet reiner worden, niet dichter bij het oneindige geluk komen!"
Hij wond zich op, zijn hart bloedde en hij verzette zich daartegen. Zijn smart verbitterde hem; de bijlslag had hem een oogenblik terneergeworpen, maar nu stond hij weer op, uitdagend tegen de smart, koppig vasthoudend aan zijn stoïcijnsche voorstelling van een almachtig God, die heer en meester over de menschen is en zijn gelukzaligheid voor zijn uitverkorenen alleen bewaart.
Toen deed hij weer een poging om kalmer te zijn, en zachter ging hij voort:
"Enfin, mijn zoon, de schaapskooi staat steeds open; en uit uw berouw blijkt, dat ge erin teruggekeerd zijt. Ge kunt niet gelooven, hoe gelukkig mij dat maakt!"
Op zijn beurt trachtte Pierre verzoenend te zijn, om deze heftige, door smart gewonde ziel nog niet meer te treffen.
"Uwe Eminentie kan er zeker van zijn, dat ik trachten zal geen van uw vriendelijke woorden te vergeten, evenmin als ik de vaderlijke ontvangst van Zijne Heiligheid Leo XIII vergeten zal."
Maar deze zin scheen Boccanera juist weer op te winden. Eerst uitte hij slechts half uitgesproken woorden, als streed hij met zichzelf, om den jongen priester niet direct uit te vragen.
"O, ja, gij hebt den Heiligen Vader gesproken, gij hebt met hem gepraat en hij heeft u zeker, zooals aan alle vreemdelingen, die hem hun opwachting maken, gezegd, dat hij verzoening, vrede wil... Ik zie Zijne Heiligheid nog slechts, wanneer het niet anders kan; het is reeds meer dan een jaar geleden, dat ik tot een particuliere audiëntie toegelaten ben..."
Dit openlijke bewijs van ongenade, deze heimelijke strijd, die, evenals ten tijde van Pius IX, tusschen den Heiligen Vader en den kardinaal-voorzitter gevoerd werd, vervulde dezen laatste met groote bitterheid. Het was hem onmogelijk zich te bedwingen; hij bleef spreken, waarbij hij ongetwijfeld tot zichzelf zeide, dat hij iemand voor zich had, op wien hij kon vertrouwen en die bovendien den volgenden dag vertrekken zou.
"Vrede, verzoening! Met die mooie woorden, waarmede zoo dikwijls het gemis aan ware vrijheid en moed bemanteld wordt, komt men ver... De vreeselijke waarheid echter is, dat de achttien jaar van Leo XIII's concessies alles in de Kerk aan het wankelen gebracht hebben en dat het Katholicisme, wanneer hij nog lang regeert, in puin zal vallen als een gebouw, waarvan men de zuilen ondermijnd heeft."
Pierre, wiens belangstelling nu ook weer geheel opgewekt was, kon zich niet weerhouden eenige tegenwerpingen in het midden te brengen, om daardoor den kardinaal nog meer aan het praten te krijgen.
"Maar is hij niet altijd zeer voorzichtig opgetreden, heeft hij het dogma niet in een oninneembare vesting ondergebracht? In één woord, heeft hij, al schijnt hij op veel punten toegegeven te hebben, dat niet altijd in vormquaesties gedaan?"
"Ja natuurlijk, vormquaesties!" antwoordde de kardinaal in toenemende opwinding. "Hij heeft u, zooals aan alle anderen gezegd, dat hij, in principes op zijn stuk staan blijvend, gaarne toegaf in vormquaesties! Een betreurenswaardig woord, een dubbelzinnige diplomatie, wanneer het tenminste geen eenvoudige, lage huichelarij is! Mijn ziel komt in opstand tegen dit opportunisme, tegen dit Jezuïetengedoe, dat listen gebruikt tegen den geest der eeuw, dat alleen bestemd is twijfel te brengen onder de geloovigen, de verwarring van een overijlde vlucht, die de eerste oorzaak is van onherstelbare nederlagen! Het is een lafheid, een lage lafheid, het neergooien van de wapenen, om des te sneller te kunnen terugtrekken, het zich schamen om zichzelf te zijn, het masker, dat men zich voorzet in de hoop de wereld op een dwaalspoor te brengen, op verraderlijke wijze bij den vijand binnen te dringen en hem te vernietigen. Neen, neen, de vorm is alles bij een overgeleverden, onveranderlijken godsdienst, die achttien eeuwen lang geweest is, thans nog is en altijd, tot aan het einde der eeuwen, blijven zal de wet zelf van God!"
Hij kon niet blijven zitten; stond op en begon door het kleine vertrek, dat hij met zijn hooge gestalte geheel scheen te vullen, op en neer te loopen. En nu bestreed, veroordeelde hij heftig de geheele regeering, de geheele politiek van Leo XIII.
"De eenheid, de beroemde eenheid, die hij, wat men hem als grooten lof nageeft, in de Kerk wil herstellen, is niets dan de razende, blinde eerzucht van een veroveraar, die zijn rijk uitbreidt, zonder zich af te vragen, of de nieuw onderworpen volkeren zijn oud, tot dusverre zoo trouw volk zullen desorganiseeren, bederven, besmetten met alle zonden. En wanneer de Oostersche schismatici, wanneer de schismatici van andere landen door hun terugkeer in de Katholieke Kerk die zóó veranderen, dat zij haar dooden, dat zij er een nieuwe Kerk van maken? Er bestaat maar één wijsheid: slechts dat zijn, wat men is, maar het krachtig zijn! En is ook niet dat zoogenaamde verbond met de democratie, een politiek, die voldoende is om den eeuwenouden geest van het pausdom te veroordeelen, niet een gevaar en een schande tegelijk? De monarchie is een goddelijk recht, haar opgeven staat gelijk met in te gaan tegen God, met scharrelen met de Revolutie, met het droomen van de monsterachtige oplossing, om gebruik te maken van de verblindheid der menschheid, ten einde weer een groote macht over hen te krijgen. Iedere republiek is een toestand van anarchie en daarom is de erkenning der Republiek enkel en alleen met het doel, om den droom van een onmogelijke verzoening te willen verwezenlijken, de misdadigste fout, de eeuwige vernietiging van het denkbeeld van gezag, orde, ja zelfs van godsdienst... Denk bijvoorbeeld eens na over hetgeen hij met de wereldlijke macht gedaan heeft. Hij eischt die nog wel op, hij doet wel, alsof hij op het punt van Rome's teruggave intransigent blijft, maar heeft hij in werkelijkheid niet definitief afstand er van gedaan, nu hij het recht der volkeren erkent om over zich zelf te beschikken, hun koningen weg te jagen en als dieren vrij in de bosschen te leven?"
Plotseling bleef hij staan en hief dan in een opwelling van heiligen toorn zijn armen ten hemel.
"O, die man, die man, die door zijn ijdelheid, door zijn zucht naar succes de ondergang der Kerk geweest zal zijn! Deze man, die niet opgehouden heeft alles te bederven, los te maken, te verbrokkelen, om de wereld, welke hij op deze wijze denkt te heroveren, te regeeren! Waarom, o, Almachtige, waarom hebt gij hem nog niet tot u teruggeroepen?"
En deze aanroeping van den dood had een zoo oprechten klank, de haat, welke daarin lag, werd door het vurige verlangen om God, die hier op aarde in gevaar verkeerde, te redden, zoo veredeld, dat Pierre door een hevige rilling doorhuiverd werd. Nu eerst begreep hij ten volle dezen kardinaal Boccanera, die Leo XIII vroom, hartstochtelijk haatte, hij begreep, dat hij uit de diepte van zijn donker paleis reeds jaren lang loerde op den dood van den paus--den dood, dien hij in zijn qualiteit van kardinaal-voorzitter officieel vast zou moeten stellen. Hoe moest hij daarop wachten, hoe verlangde hij met koortsachtig ongeduld naar het gelukzalige uur, waarop hij, gewapend met zijn zilveren hamer, de drie symbolische slagen op het hoofd van den koud en stijf op zijn bed uitgestrekten Leo XIII zou gaan geven. O, kon hij eindelijk eens kloppen op dien hersenwand, om zeker te zijn, dat er geen antwoord meer kwam, dat er niets meer in was dan nacht en zwijgen! En de roep: "Joachim! Joachim, Joachim!" zou driemaal weerklinken! En, wanneer het lijk niet antwoordde, zou hij zich, na even gewacht te hebben, omkeeren en zeggen: "De paus is dood!"
"Maar toch," begon Pierre, die hem tot het heden wilde terugbrengen, weer; "maar toch is verzoening een wapen van den tijd. Alleen om des te zekerder te zijn van de overwinning, geeft de Heilige Vader in vormquaesties toe."
"Hij zal niet overwinnen, hij zal overwonnen worden!" riep Boccanera. "Nog nooit heeft de Kerk een overwinning behaald, wanneer zij niet volhardde in de onveranderlijke eeuwigheid van haar goddelijk wezen. En het is zeker, dat zij op den dag, waarop zij toelaten zal, dat aan één steen van haar gebouw geraakt wordt, in puin vallen zal... Herinner u den vreeselijken tijd maar, dien zij tijdens het Concilie van Trente doorgemaakt heeft. De Hervorming had haar tot in haar grondvesten doen wankelen, de ontaarding der discipline en der zeden werd steeds erger; het was een steeds stijgende vloed van nieuwigheden, van door den geest van het kwade ingeblazen denkbeelden, van ongezonde plannen, die de hoogmoed van de in volle vrijheid toegelaten menschheid vormde. En in het concilie zelf waren verscheidene leden onrustig geworden, besmet, bereid om de dolzinnigste wijzigingen goed te keuren; het was een waar schisma, dat zich bij de andere aansloot... En dat in die kritieke oogenblikken, waarin een zoo groot gevaar dreigde, het Katholicisme van ondergang gered is, is alleen een gevolg van het feit, dat de meerderheid, voorgelicht door God, het oude gebouw intact gehandhaafd heeft, dat zij de goddelijke hardnekkigheid bezat, om zich op te sluiten in het enge dogma, dat zij in niets toegegeven heeft, in niets, in niets, noch in principieele, noch in vormquaesties... O, zeker, thans is de toestand niet erger dan ten tijde van het Concilie van Trente. Laten wij aannemen, dat hij even moeilijk is, en zeg mij dan eens eerlijk of het niet edeler, niet zekerder voor de Kerk is, wanneer men, evenals vroeger, den moed bezit luide te zeggen, wat zij is, wat zij geweest is, wat zij zijn zal. Voor haar is alleen heil te vinden in haar volkomen, onbestrijdbare souvereiniteit; en daar zij altijd door haar intransigentie overwonnen heeft, staat het gelijk met haar te dooden, wanneer men haar met den geest der eeuw verzoenen wil."
Hij begon weer door de kamer op en neer te loopen.
"Neen, neen, geen schikkingen, geen opgeven, geen zwakheid! De muur uit erts, die den weg verspert, de grenspaal van graniet, die een wereld afbakent!... Ik heb het u op den dag van uw aankomst reeds gezegd, mijn zoon! Het Katholicisme willen aanpassen aan de nieuwe tijden staat gelijk met zijn einde verhaasten, wanneer het werkelijk, zooals de atheïsten beweren, door een naderenden dood bedreigd wordt. En het zou laag, schandelijk sterven zijn, in plaats van waardig en trotsch in zijn oude, roemrijke koninklijkheid... O, waardig te sterven, niets te verloochenen van zijn verleden, de toekomst trotseerend, zijn geloof zonder vrees bekennend!"
En deze grijsaard van zeventig jaar, die zonder vrees met het gebaar van een held, welke de toekomstige eeuwen trotseert, de finale vernietiging onder het oog zag, scheen nog grooter te worden. Het geloof had hem dezen kalmen vrede gegeven, den vrede, dien de verklaring van het onbekende door het goddelijke geeft aan den geest, wiens behoefte aan zekerheid zij geheel bevredigt. Hij geloofde, hij wist, was zonder twijfel omtrent en zonder vrees voor het hiernamaals. Maar een trotsche zwaarmoedigheid klonk nu uit zijn stem.
"God kan alles, zelfs zijn werk vernietigen, als hij het slecht vindt. Wanneer morgen alles zou instorten, wanneer de heilige Kerk te midden der puinhoopen verdwijnen zou en de meest vereerde heiligdommen begraven worden zouden onder de invallende werelden, dan nog zou men zijn hoofd in ootmoed moeten buigen en God aanbidden, wiens hand, na de wereld geschapen te hebben, deze vernietigt tot grootere verheerlijking van zijn naam... Ik wacht, ik onderwerp mij bij voorbaat aan zijn wil, want niets geschiedt zonder zijn wil. Indien werkelijk de tempels aan het wankelen gebracht zijn, indien het Katholicisme werkelijk morgen in puin moet vallen, dan zal ik op mijn post staan, om de dienaar des doods te zijn, zooals ik de dienaar des levens geweest ben... Zelfs, waartoe zou ik het ontkennen, staat het vast, dat er oogenblikken zijn, waarop vreeselijke teekenen mij treffen. Misschien is inderdaad het einde der tijden nabij en zullen wij getuigen zijn van het instorten der oude wereld, waarmede men ons dreigt. De waardigsten, de hoogst staanden worden verpletterd, alsof de hemel zich vergiste en in hen de misdaden der wereld strafte. Heb ik niet den ademtocht van den afgrond, waarin alles ondergaan zal, gevoeld, sedert mijn huis voor zonden, die ik niet ken, getroffen is door dezen vreeselijken rouw, die het voor eeuwig in den nacht terug doet keeren."
Hij riep zich de twee dierbare dooden, die daar in het vertrek naast hem lagen, voor den geest. Snikken stegen weer op naar zijn keel; zijn handen beefden, zijn geheele lichaam schokte van de opwelling van smart, voor hij zich met inspanning van zijn krachten bedwong. Ja, nu God zich veroorloofd had hem zoo wreed te treffen, zijn geslacht deed uitsterven en aldus met zijn grootsten en trouwsten dienaar begon, moest de wereld wel definitief verdoemd zijn. Het einde van zijn huis, stond het niet gelijk met het naderend einde van alles? En ondanks zijn hoogen vorsten- en priestertrots vond hij een kreet van de grootste berusting.
"O, almachtige God, Uw wil geschiede! Laat alles sterven, laat alles ineenstorten, laat alles terugkeeren tot den nacht van den chaos. Ik zal met opgeheven hoofd in dit verwoeste paleis blijven, ik zal wachten tot ik onder de puinhoopen begraven ben. En indien uw wil er mij toe roept, dat ik de verheven doodgraver zijn zal van uw heiligen godsdienst, o, wees dan zonder vrees: ik zal niets onwaardigs doen, om zijn leven met eenige dagen te verlengen. Ik zal hem hoog houden zooals ik mijzelf hoog houd, even trotsch, even intransigent als in den tijd van zijn almacht. Ik zal hem belijden met dezelfde dappere hardnekkigheid, zonder iets prijs te geven van zijn discipline, zijn riten, zijn dogma. En als de dag daarvoor gekomen is, zal ik hem met mij begraven, zal ik hem liever geheel met mij in de aarde nemen dan iets van hem af te staan, zal ik hem in mijn verstijfde armen drukken, om hem aan u terug te geven zooals gij hem aan uw Kerk in bewaring gegeven hebt. O almachtige God, o allerhoogste Meester, beschik over mij, maak van mij, indien dat in uw plannen ligt, den paus van de vernietiging, van den dood der wereld!"
Ontroerd, beefde Pierre van vrees en bewondering bij het zien van deze buitengewone figuur, die daar voor hem oprees--den laatsten paus, die de begrafenis van het Katholicisme leidde. Hij begreep, dat Boccanera daar dikwijls van gedroomd moest hebben; hij zag hem voor zich, zooals hij in zijn Vaticaan, in zijn St. Pieter, die de bliksem getroffen had, met opgeheven hoofd stond, alleen te midden der reusachtige zalen, waaruit zijn bang en laf Hof gevlucht was. In zijn witte soutane--op die wijze in het wit rouwend om zijn Kerk, daalde hij nog eenmaal langzaam af naar het heiligdom, om daar te wachten, tot de hemel op den avond der tijden naar beneden viel en de aarde verpletterde. Driemaal hief hij het groote crucifix op, dat de laatste krampachtige trekkingen van den bodem omvergeworpen hadden. Dan, terwijl een laatste kraken den marmeren vloer spleet, drukte hij het tegen zich aan en verdween ermede onder de instortende gewelven. Een koninklijker, een woester grootschheid was niet te denken.
Met een gebaar--tot spreken niet meer in staat--maar zonder zwakheid, onoverwinlijk en ondanks alles zijn hooge gestalte recht opgericht, gaf kardinaal Boccanera aan Pierre, die in zijn hartstochtelijke liefde voor schoonheid en waarheid, vond, dat hij alleen groot was, hij alleen gelijk had, te kennen, dat hij het onderhoud als afgeloopen beschouwde. De jonge priester kuste de hand van den kerkvorst en ging heen.
's Avonds, na afloop der bezoeken, na het invallen van den avond, werden in de troonzaal de deuren gesloten en ging men over tot het kisten. De missen waren afgeloopen, de klokjes der elevatie weerklonken niet meer, het geprevel der Latijnsche woorden was verstomd. Niets was meer over dan de sterke geur der rozen en der twee waskaarsen. Daar deze het vertrek niet voldoende verlichtten, had men eenige lampen gehaald, die bedienden als fakkels in hun hand hielden. Naar oud gebruik was het geheele dienstpersoneel aanwezig, om een laatste vaarwel te zeggen aan hun meesters, die men voor eeuwig ter ruste zou leggen.
Er ontstond een vertraging. Morano, die sedert den vroegen ochtend over de talrijke bijzonderheden waakte, was wanhopig, dat de driedubbele kist nog niet was gekomen. Eindelijk droegen de bedienden die naar boven en kon men beginnen. Kardinaal Boccanera en donna Serafina stonden naast elkaar bij het bed. Pierre en don Vigilio waren ook aanwezig. Victorine begon de twee gelieven in hetzelfde doodskleed, een groot stuk witte zijde te naaien; het was, als kleedde men hen met hetzelfde bruidsgewaad. Dan traden twee bedienden naar voren en hielpen Pierre en don Vigilio hen in de eerste, vurenhouten, met rose zijde gecapitonneerde kist te leggen. Deze was nauwlijks grooter dan gewone kisten--zoo één geworden waren zij in hun liefdesomhelzing. Toen zij er lagen, zetten zij hun eeuwigen slaap voort, terwijl hun hoofden half verdwenen onder het zich door elkaar strengelende haar. En toen de eerste kist in de tweede, van lood, en dan in de derde, van eikenhout, gesloten was, en de drie deksels gesoldeerd en dichtgeschroefd waren, bleef men de gezichten der twee gelieven nog steeds zien door de ronde, met een dik stuk glas voorziene opening, die men volgens de Romeinsche gewoonte in de drie kisten had aangebracht. Voor eeuwig van de levenden gescheiden, alleen in hun driedubbele kist, lachten zij elkaar nog steeds toe, keken zij elkaar nog steeds aan met hun onverzettelijk geopende oogen: zij hadden nu de oneindigheid voor hun oneindige liefde.
ZESTIENDE HOOFDSTUK
Den volgenden dag dejeuneerde Pierre, na van de begrafenis teruggekeerd te zijn, alleen in zijn kamer; in den namiddag wilde hij afscheid nemen van den kardinaal en donna Serafina. Met den trein van 10.17 zou hij Rome verlaten. Niets hield hem er meer terug; hij had nog slechts een bezoek af te leggen aan den ouden Orlando, den held der onafhankelijkheid, aan wien hij plechtig beloofd had niet naar Parijs te zullen terugkeeren, voor hij nog een lang gesprek met hem gehad had. Dus liet hij tegen twee uur een rijtuig voorkomen, om hem naar de Via Venti Settembre te brengen.
Den geheelen nacht was er een fijne motregen gevallen, welks vochtigheid de stad nu nog in een grijzen nevel hulde. Regenen deed het niet meer, maar de lucht bleef bewolkt en de gevels der groote nieuwe paleizen van de Via Venti Settembre zagen er onder dien somberen Decemberhemel met hun gelijkvormige balkons, hun regelmatige ramenrijen, waaraan geen einde te komen scheen, vaal en troosteloos zwaarmoedig uit. Met name het ministerie van Financiën, die reusachtige opeenstapeling van metsel- en beeldhouwwerk, had geheel het aanzien van een doode stad, de eindelooze triestheid van een groot, bloedloos lichaam, waaruit het leven geweken is. De temperatuur was door den regen zachter geworden, het was bijna warm: een vochtige, klamme koortswarmte.
In den vestibule van Prada's klein paleis zag Pierre tot zijn verbazing vier of vijf heeren, die op het punt stonden hun overjassen uit te trekken; een bediende zeide hem, dat de graaf een conferentie met aannemers had. Maar daar mijnheer de abbé den vader van den graaf een bezoek wilde brengen, moest hij maar naar de derde verdieping gaan. De kleine deur rechts, op het portaal.
Doch op de eerste verdieping stond Pierre plotseling tegenover Prada, die zijn aannemers wilde ontvangen. Hij zag, dat de graaf, toen hij hem herkende, doodsbleek werd. Na het verschrikkelijke drama hadden zij elkaar niet gezien. De priester begreep dan ook heel goed, welk een angst, welk een onaangename herinnering aan een moreele medeplichtigheid, welk een doodelijke onrust zijn aanwezigheid dien man veroorzaken moest.
"Komt u voor mij? Hebt u mij iets te zeggen?"
"Neen, ik vertrek, ik kom afscheid nemen van uw vader."
Prada werd nog bleeker, een siddering ging over zijn gelaat.
"O, komt u voor mijn vader? Hij voelt zich minder goed. Spaar hem."
Zijn angst verried tegen zijn wil in duidelijk, waar hij bang voor was: een onvoorzichtig woord, misschien zelfs een laatste opdracht, den vloek van dien man en van die vrouw, die hij gedood had. Ongetwijfeld zou dat ook de dood van zijn vader zijn.
"Hoe vervelend, dat ik niet met u mede kan gaan. Maar die heeren wachten me... Lieve hemel, wat spijt het mij. Zoodra ik kan, kom ik ook, zoo gauw mogelijk!"
Daar hij niet wist, hoe hij hem verder tegenhouden moest, kon hij niet beletten, dat de jonge priester met zijn vader alleen was, terwijl hij hier vastgehouden werd door zijn geldzaken, die steeds slechter gingen. Maar met welke blikken vol angst zag hij hem naar boven gaan, hoe smeekte als het ware zijn heele trillen hem. Zijn vader, de eenige werkelijke liefde, de groote, reine, trouwe hartstocht van zijn leven!
"Laat hem niet te veel praten, vroolijk hem wat op!"
Boven werd de deur niet geopend door Batista, den zijn meester zoo trouwen oud-gediende, maar door een nog heel jongen man, wat Pierre in den beginne niet opmerkte. Hij vond het kale, witte, met een licht papiertje behangen kamertje met het eenvoudige ijzeren ledikant achter een scherm, zijn vier aan den muur gespijkerde en als bibliotheek dienende planken, zijn donkerhouten tafel en zijn twee rieten stoelen weer terug. En door het breede, lichte raam zonder gordijnen zag hij weer hetzelfde bewonderenswaardige panorama van Rome--geheele Rome tot aan de verre boomen van den Janiculus. De oude Orlando met zijn prachtigen leeuwenkop en zijn nog jonge oogen, die nog fonkelden van de hartstochten, welke in deze vurige ziel gegromd hadden, was evenmin veranderd. Pierre vond hem terug op denzelfden fauteuil, naast hetzelfde tafeltje, waarop dezelfde couranten slingerden, zijn beenen gewikkeld in dezelfde zwarte deken, alsof die doode beenen hem daar vasthielden in een steenen scheede, zoodat men er zeker van zijn kon hem na maanden, ja na jaren, zonder eenige verandering, met zijn levendig bovenlichaam en zijn van kracht en intelligentie stralenden kop terug te vinden.
Toch scheen hij op dezen somberen dag terneergeslagen.
"Ha, bent u daar, waarde heer Froment! Sedert drie dagen denk ik aan u, ik kan mij zoo levendig voorstellen, welke verschrikkelijke dagen gij in dat tragische paleis hebt medegemaakt! Lieve God, hoe vreeselijk! Ik ben er kapot van, en die couranten met hun steeds weer nieuwe bijzonderheden maken me nog meer van streek."
Hij wees naar de op de tafel liggende couranten. Dan verjoeg hij met een gebaar de droevige geschiedenis, de figuur van de doode Benedetta, die hem steeds vervolgde.
"Nu, en jij?"
"Ik vertrek van avond, maar ik heb Rome niet willen verlaten, zonder nog eerst uw dappere handen te drukken."
"Ga je weg? En je boek dan?"
"Mijn boek... Ik ben ontvangen door den Heiligen Vader; ik heb mij onderworpen en mijn boek teruggenomen."
Orlando keek hem strak aan. Er volgde een korte stilte, waarin hun oogen elkaar over dit punt alles zeiden, wat zij elkaar te zeggen hadden. Geen van beiden voelden zij de noodzakelijkheid van een langere verklaring. De oude man zeide slechts:
"Je hebt gelijk, je boek was een hersenschim."
"Ja, een hersenschim, een kinderachtigheid, en ik heb het zelf veroordeeld uit naam van de waarheid en de rede."
Een glimlach kwam om de smartelijke lippen van den verpletterden held.
"Je hebt dus alles gezien en begrepen. Je weet nu alles?"
"Ja, ik weet nu alles en daarom heb ik niet weg willen gaan zonder nog eens openhartig en vrijmoedig met u te praten."
Dat was een heele vreugde voor Orlando. Maar plotseling scheen hij zich den jongen man te herinneren, die de deur geopend had en nu op een stoel dicht bij het raam zat. Het was bijna nog een kind, twintig jaar nauwlijks, zonder baard, blond, en mooi: een schoonheid, zooals men die menigmaal in Napels aantreft. Hij had lang kroeshaar, een lelie-achtige tint, een mond als een roos en droomerig-smachtende oogen vol oneindige zachtheid. De oude man stelde hem op vaderlijke wijze voor: Angiolo Mascara, den kleinzoon van een zijner krijgsmakkers, den epischen Mascara van de Duizend, die, met tallooze wonden bedekt, als een held gevallen was.
"Ik heb hem hier laten komen, om hem een standje te geven," ging hij voort. "Stel je voor, die kwajongen met zijn meisjesgezicht laat zich met nieuwe denkbeelden in! Hij is anarchist, een van de twee of drie dozijn anarchisten, die we in Italië hebben. In den grond der zaak een aardige jongen, die alleen zijn moeder nog maar heeft, die hij, dank zij een betrekkinkje, waaruit hij zich echter dezer dagen heeft laten wegjagen, kon onderhouden... Kom, jongen, je moet me beloven nu verder verstandig te zijn."
Toen zeide Angiolo, wiens versleten, maar goed onderhouden kleeren inderdaad de fatsoenlijke armoede verrieden, met een ernstige, muzikale stem:
"Ik ben verstandig, maar de anderen, al de anderen zijn het niet. Wanneer alle menschen verstandig zullen zijn en de waarheid en de gerechtigheid willen, zal de wereld gelukkig zijn."
"Als je denken zoudt, dat hij toegeeft, dan vergis je je!" riep Orlando uit. "Arme jongen, waarheid en gerechtigheid! Vraag maar eens aan mijnheer den abbé, of men ooit weet waar die zijn. Enfin, we moeten je tijd geven, om te leven, te zien en te begrijpen!"
En zonder zich verder met hem te bemoeien, wendde hij zich tot Pierre. Angiolo bleef heel bescheiden in zijn hoekje zitten, hield zijn brandende oogen op de beide mannen gevestigd en verloor geen van hun woorden.
"Ik had je wel gezegd, mijn waarde heer Froment, dat je denkbeelden zouden veranderen en dat een nadere kennismaking met Rome je tot juistere gedachten brengen zou, veel beter dan de mooiste redevoeringen, waarmede ik getracht zou hebben je te overtuigen. Zoo heb ik er bijvoorbeeld nooit aan getwijfeld of je zoudt je boek uit eigen beweging terugnemen als een treurige dwaling, zoodra het Vaticaan je in zijn volle beteekenis bekend zou zijn... Maar het Vaticaan zullen we verder maar laten rusten. Daar valt niets anders mede te beginnen dan het in zijn langzame, maar onvermijdelijke ruïne ineen te laten storten. Wat mij nog interesseert, is het Italiaansche Rome, ons Rome, dat we met zooveel liefde veroverd, zoo koortsachtig tot nieuw leven gewekt hebben, dat gij als een quantité négligeable behandeld hebt, en waarover wij thans, nu gij het kent, kunnen praten als mannen, die elkaar begrijpen."
Als een intelligent man met een goed, helder verstand, die, door zijn verlamming aan zijn kamer gebonden en ver van den strijd, geheele dagen nadenken kon, gaf hij dadelijk vele dingen toe, erkende hij de begane fouten, den deplorabelen toestand der financiën, de ernstige moeilijkheden van verschillenden aard. O, in welk onzegbaar lijden was zijn verovering, zijn aangebeden Italië, waarvoor hij gaarne nogmaals het bloed van zijn aderen geven zou, weer teruggevallen! Zij hadden gezondigd uit vergeeflijken hoogmoed, zij waren te hard van stapel geloopen door een groot volk te willen improviseeren, door uit het oude Rome als met een eenvoudigen tooverstaf, een groote moderne hoofdstad te willen maken. Vandaar de waanzin van die nieuwe wijken, die uitzinnige speculatie in bouwterreinen en bouwwerken, die de natie op den rand van den afgrond gebracht had.
Zacht viel Pierre hem in de rede, om hem te zeggen tot welke denkbeelden zijn wandelingen en studies in Rome hem gebracht hadden.
"O, die koorts, die vraatzucht van het eerste oogenblik, die financieele debacle zijn het ergste nog niet. Wonden, die het geld slaat, genezen weer. Maar het vreeselijke is, dat uw Italië nog geschapen moet worden... Geen aristocratie meer en geen volk nog, slechts een pas geboren, vraatzuchtige bourgeoisie, die bezig is den rijken oogst tot den laatsten halm op te eten."
Er volgde een stilte. Orlando schudde treurig zijn hoofd als een oude, voortaan machtelooze leeuw. De besliste hardheid van Pierre's woorden deed hem pijn.
"Ja, ja, dat is het, je hebt goed gezien! Waarom het te loochenen en te ontkennen, wanneer de feiten spreken... Mijn God, deze bourgeoisie, deze middenklasse, waarvan ik reeds verteld heb, dat zij zoo tuk is op betrekkingen, baantjes en onderscheidingen en daarbij zoo gierig en zoo bang voor haar geld, dat zij het in banken plaatst en nooit durft te wagen in industrieele of handelsondernemingen. Zij wordt slechts verteerd door den drang te genieten, zonder iets te doen en is zoo onintelligent, dat zij niet ziet, dat zij haar land doodt door haar afkeer van werken, door laag neerzien op het volk, door haar eenigen hartstocht, om kleinburgerlijk in de zon te leven om tot het een of ander departement van bestuur te behooren... En onze stervende aristocratie, dat onttroonde, geruïneerde, tot de ontaarding van uitstervende geslachten vervallen patriciaat! Het grootste gedeelte ervan is tot armoede gebracht; de hoogst enkelen, die hun geld behouden hebben, worden verpletterd onder de zware belastingen, bezitten nog slechts doode vermogens, die zich niet meer vernieuwen kunnen, door voortdurende deelingen verminderen en bestemd zijn weldra met de prinsen zelf en de ineenstorting van de oude, nu nutteloos geworden paleizen te verdwijnen... En het volk eindelijk, dat arme volk, dat zoo geleden heeft en nog lijdt, maar zoo gewend is aan het lijden, dat het niet eens op de gedachte schijnt te komen zich daaruit los te maken. Blind en doof drijft het de dingen zoover, dat het misschien de vroegere slavernij terugwenscht, ligt het in stomme verdomming als een dier op zijn mestvaalt, is het volkomen onwetend--de vreeselijke onwetendheid, die de eenige oorzaak van zijn ellende is--heeft het geen hoop, geen toekomst, zelfs den troost niet te beseffen, dat dit Italië, dit Rome voor hen en voor hen alleen zijn, dat wij ze voor hen veroverd hebben en tot nieuw leven trachten te wekken... Ja, ja, geen aristocratie meer, geen volk nog, alleen die zoo angstaanjagende bourgeoisie! Men moet bijna den pessimisten gelijk geven, die beweren, dat al ons ongeluk nog niets is, dat wij nog veel erger catastrophes tegemoet gaan, alsof wij pas bij de eerste symptomen van het einde van ons ras, de voorloopers van de totale vernietiging waren!"
Hij had zijn groote bevende armen naar het raam, naar het licht opgeheven, en Pierre, die diep onder den indruk was, herinnerde zich dit wanhopig smeekende gebaar, dat hij den vorigen dag kardinaal Boccanera had zien maken in zijn aanroepen van de goddelijke macht. Deze beide in hun geloof zoo tegengestelde mannen hadden dezelfde wanhopig-woeste grootschheid.
Hij sprak door, erkende alle ongelukkige eigenschappen van Rome als hoofdstad. Het was een zuiver decoratieve stad, wier bodem uitgeput was, een stad, die buiten het moderne leven was blijven staan, een stad, waarin geen industrie en handel mogelijk waren, een stad, die te midden van de onvruchtbare woestheid van haar Campagna onherroepelijk ten doode opgeschreven was. Dan vergeleek hij haar bij de andere steden, die haar benijden; Florence, dat zoo onverschillig en skeptisch geworden was en een na de woeste hartstochten en de bloedstroomen van zijn geschiedenis zoo gelukkige zorgeloosheid bezat; Napels, dat nog genoeg heeft aan zijn vroolijke zon, Napels met zijn kind-volk, waarvan men niet weet of men het beklagen moet over zijn ellende en onwetendheid, waarin het zoo 'n groot behagen schijnt te scheppen; Venetië, dat er zich bij neergelegd had niets meer te zijn dan een wonder van oude kunst, dat men onder glas moest zetten, om het ongeschonden te bewaren; Genua, geheel opgaand in zijn handel, druk en luidruchtig, een der laatste koninginnen van de Middellandsche Zee, dit thans zoo onbeteekenende meer, dat eenmaal de rijke zee was, waarheen alle rijkdommen der wereld stroomden; Turijn en Milaan vooral, de zóó levende en zóó gemoderniseerde industrie- en handelssteden, dat de toeristen er minachtend op neer zien, als zijnde geen Italiaansche steden meer, maar beide gered uit den slaap der ruïnen, daar zij zich aangesloten hebben bij de Westersche evolutie, die de komende eeuw voorbereidt. O, moet men dit oude Italië ter wille van kunstenaarszielen als een stoffig museum laten ineenstorten, zooals zijn kleine steden van Groot-Griekenland, Umbrië en Toscane bezig zijn in te storten als prachtige bibelots, die men niet durft repareeren uit vrees het karakter ervan te zullen bederven? Of de aanstaande, onvermijdelijke dood dus, of het houweel der sloopers, het neerwerpen der wankelende muren, het opbouwen van steden van arbeid, wetenschap en gezondheid, in één woord, een geheel nieuw Italië, dat werkelijk uit zijn asch verrijst en geschapen wordt voor de nieuwe beschaving, die de menschheid binnen treedt!
"Maar waarom wanhopen?" ging hij krachtig voort. "Rome moge op dit oogenblik zwaar op onze schouders drukken, het blijft desniettemin de top, dien wij hebben willen bereiken. Wij zijn er, wij zullen er blijven en de gebeurtenissen afwachten... Al heeft in den laatsten tijd de bevolking opgehouden toe te nemen, zij blijft stationnair met haar vierhonderdduizend zielen, en den dag, dat de oorzaken, die den aanvoer tegenhielden, verdwijnen, kan zij weer zeer goed de hoogte ingaan. Wij hebben de fout begaan te gelooven, dat Rome een Berlijn of een Parijs zou worden; allerlei maatschappelijke, historische, ja, zelfs ethnische verhoudingen schijnen zich daar tot dusver tegen te verzetten; maar wie kent de verrassingen, die de toekomst brengen kan? Kan men ons verbieden te hopen, te gelooven in het bloed, dat in onze aderen stroomt, het bloed der oude wereldveroveraars? Ik, die met mijn twee doode beenen niet meer uit mijn kamer komen kan, heb uren, waarin mijn oude overmoedige geestdrift mij weer aangrijpt, waarin ik in Rome geloof als in mijn moeder, waarin ik geloof, dat het onoverwinlijk, onsterflijk is, waarin ik de twee millioen inwoners verwacht, welke deze jammerlijke, nieuwe wijken, die gij bezocht hebt, bevolken moeten. O zeker, zij zullen komen. Waarom zouden zij niet komen? Ge zult zien, ge zult zien, alles wordt vol, men zal er nog bij moeten bouwen... En bovendien kan men een natie arm noemen, die Lombardije bezit? Is ook ons Zuiden niet onuitputtelijk rijk? Laat er vrede komen, het Zuiden samensmelten met het Noorden en een geheel nieuwe generatie van arbeiders opgroeien, dan moet, daar de zoo vruchtbare bodem aanwezig is, eenmaal de groote, verwachte oogst opschieten en in de brandende zon rijp worden."
Zijn geestdrift sleepte hem mede, een jeugdig vuur gloeide in zijn oogen. Pierre glimlachte en zeide:
"Men moet het probleem van onderen af, bij het volk, aanvatten. Men moet menschen scheppen."
"Juist, dat is het!" riep Orlando uit. "Dat herhaal ik steeds, we moeten Italië scheppen. Men zou kunnen denken, dat een oostenwind het menschelijke zaad, het zaad van krachtige volkeren elders heen, ver van onze oude aarde, weggevoerd heeft. Ons volk is niet, zooals het uwe in Frankrijk, een reservoir van menschen en geld, waaruit men met volle handen putten kan. Dat onuitputtelijke reservoir zou ik bij ons willen zien! Ja, van onder af aan moeten we beginnen te werken! Ja, overal scholen! De onwetendheid moet verjaagd, de ruwheid en luiheid met boeken bestreden worden, de intellectueele en moreele opvoeding moet ons het arbeidende volk geven, dat wij noodig hebben, als wij niet uit het concert der groote naties willen verdwijnen. Ik herhaal het: voor wien anders hebben we gewerkt, toen wij Rome heroverden, dan voor de democratie van morgen? En hoe verklaarbaar is het, dat alles ineenstort, dat niets er krachtig opgroeien wil, zoolang die democratie er totaal afwezig is!"
Pierre waagde het niet te zeggen, dat een natie niet makkelijk verandert, dat Italië was wat de bodem, de geschiedenis, het ras ervan gemaakt hadden, en dat het een gevaarlijk werk zijn zou, indien men het plotseling hervormen wilde. Hebben de volkeren niet, evenals de menschen, een bloeienden middelbaren leeftijd, een meer of minder langzamen ouderdom, die met den dood eindigde? Een modern, democratisch Rome, groote God! De moderne Rome's heeten Parijs, Londen, Chicago. Hij zeide dan ook slechts voorzichtig:
"Maar gelooft u niet, dat gij, in afwachting van dat groote werk der hernieuwing door het volk, goed zoudt doen door voorzichtig te zijn? Uw financiën verkeeren in een zóó deplorabelen toestand, gij maakt zulke groote sociale en economische moeilijkheden door, dat gij gevaar loopt tot de ergste catastrophes te komen, alvorens menschen en geld te hebben. O, waarom zegt niet een van uw ministers van af de tribune: "Welnu, onze trots heeft zich vergist, wij deden verkeerd, toen wij ons in een ommezien in een groote natie hervormen wilden; daarvoor is meer tijd, meer werk, meer geduld noodig. Wij leggen er ons bij neer voorloopig niets meer te zijn dan een jong volk, dat in zijn eigen hoekje werkt, om zich krachtig te maken, zonder in den eersten tijd een eerste rol te willen spelen. Wij ontwapenen, wij schrappen het oorlogsbudget, het marinebudget, alle budgetten van uiterlijk vertoon, om ons geheel te wijden aan de innerlijke welvaart, het onderwijs, de lichamelijke en moreele opvoeding van het groote volk, dat wij ons plechtig zweren binnen vijftig jaar te zijn? Schrappen, ja schrappen, dat is uw redding!""
Orlando had naar hem geluisterd; langzamerhand was hij weer somber geworden en in zijn droefgeestig peinzen teruggevallen. Hij maakte een moe gebaar en zeide zacht:
"Neen, neen, men zou een minister, die dergelijke dingen zeide, uitjouwen. Dat is een bekentenis, die men van een volk niet verwachten mag. De harten zouden uit de borsten springen. En bovendien, zou het misschien nog niet veel gevaarlijker zijn, wanneer men alles, wat reeds gedaan is, plotseling liet instorten? Hoeveel teleurgestelde verwachtingen, hoeveel ruïnes, hoeveel onnut materiaal! Neen, wij kunnen ons slechts redden door geduld en moed, terwijl wij voorwaarts, steeds voorwaarts gaan. Wij zijn een heel jong volk, wij hebben in vijftig jaar de eenheid willen veroveren, waarvoor andere naties twee eeuwen noodig gehad hebben. Welnu, voor die overhaasting moeten wij boeten, we moeten wachten, tot de oogst rijp is en onze schuren vult."
En vol hoop weer ging hij voort:
"Ge weet, dat ik altijd tegen het verbond met Duitschland geweest ben. Ik heb het voorspeld, het heeft ons geruïneerd. Wij waren nog niet groot genoeg, om gemeenschappelijk met een zoo rijke en machtige persoonlijkheid op te trekken; slechts met het oog op den voortdurend dreigenden, onvermijdelijk geoordeelden oorlog gaan wij nu gebukt onder onze verpletterende budgetten van een groote natie. O, deze oorlog, die niet gekomen is, heeft het beste van ons bloed, ons sap, ons goud uitgeput, zonder dat we er eenig voordeel van hadden! Thans blijft ons niets meer over dan te breken met een bondgenoot, die onzen hoogmoed uitgebuit heeft, zonder dat hij ons in iets nuttig geweest is, zonder dat we iets anders van hem gekregen hebben dan wantrouwen en noodlottige raadgevingen... Maar dat alles was onvermijdelijk, en dat wil men in Frankrijk niet toegeven. Ik mag daar vrijuit over spreken, want ik ben altijd een vriend van Frankrijk geweest. Zeg dus aan uw landgenooten, die maar niet begrijpen willen, dat wij na de verovering van Rome in ons hartstochtelijk verlangen, om onzen rang van vroeger in te nemen, wel onze rol in Europa spelen, ons als een mogendheid, waarmede voortaan rekening te houden was, opwerpen moesten. Aarzeling was buitengesloten, al onze belangen schenen ons in de richting van Duitschland te drijven. De harde wet van den strijd om het bestaan drukt even fataal op de volkeren als op de menschen; en dat verklaart, dat rechtvaardigt de breuk tusschen de beide zusters, het vergeten van zooveel gemeenschappelijke banden: ras, handelsbetrekkingen, zelfs bewezen diensten... Twee zusters! Ja, en nu verscheuren zij elkaar, vervolgen zij elkaar met zoo'n haat, dat bij beiden het gezond verstand weg schijnt te zijn. Mijn arm, oud hart bloedt, wanneer ik de artikelen lees, die uw bladen en de onze als vergiftige pijlen op elkaar afschieten. Wanneer zal die broedermoord ophouden? Wie van beiden zal het eerst de noodzakelijkheid van vrede inzien en begrijpen hoe noodig het is dat de Latijnsche rassen zich vereenigen, indien zij te midden van den steeds stijgenden vloed van andere rassen staande willen blijven!"
En met zijn gulle hartelijkheid van door de jaren ontwapenden held ging hij voort:
"Kom, mijnheer Froment, ge moet mij beloven ons te helpen, zoodra ge in Parijs terug zijt. Zweer mij, dat gij op uw arbeidsveld, hoe klein het ook zijn mag, voor den vrede tusschen Frankrijk en Italië zult werken: een edeler taak bestaat er niet. Ge hebt nu drie maanden onder ons geleefd, ge kunt, o in alle vrijmoedigheid, zeggen wat ge gezien en gehoord hebt. Hebben wij onze fouten, gij hebt de uwe ook. Familieruzies kunnen, voor den duivel, toch niet eeuwig duren."
"Ongelukkig zijn het echter de langdurigste. Wanneer in de familie het bloed zich verbittert tegen het bloed, dan komt het mes en het vergif erbij te pas. Daar is geen vergiffenis mogelijk."
Hij durfde niet alles zeggen, wat hij dacht. Sedert hij te Rome was en zag en oordeelde, werd die twist tusschen Italië en Frankrijk voor hem samengevat in een mooi tragisch sprookje. Er waren eens twee prinsessen, die een machtige, de wereld beheerschende koningin tot moeder hadden. De oudste, die het rijk van haar moeder geërfd had, zag met leede oogen hoe haar jongste zuster, die in een naburig land woonde, langzamerhand toenam in rijkdom, kracht en glans, terwijl zij zelf, als het ware door ouderdom verzwakt, aftakelde en zoo uitgeput was, dat zij den dag, waarop zij een laatste poging deed, om de wereldheerschappij te heroveren, verslagen werd. Welk een bitterheid, welk een altijd open en bloedende wonde was het voor haar, toen zij zien moest, hoe haar zuster zich van de heftigste schokken herstelde, haar verblindende pracht terugkreeg en door haar kracht, haar gratie en haar geest over de aarde regeerde! Nooit zou zij het vergeven, welke houding de benijde en vervloekte zuster ook tegen haar aannemen zou! Dat was de onheelbare wonde in haar borst; het leven der eene wordt door dat van de andere vergiftigd, de haat van het oude bloed tegen het jonge zou eerst uitsterven met den dood. Misschien zou de oudere zuster zelfs op den dag, dat vrede tusschen haar bestaan zou, tegenover den triomf van de jongste in het diepst van haar hart het oneindige verdriet bewaren de oudste en de vazalle te zijn.
"Maar toch kunt u op mij rekenen," ging Pierre hartelijk voort. "Deze verwoede strijd tusschen de beide volkeren is inderdaad een groot gevaar. Maar ik zal aan u slechts zeggen, wat ik meen, dat de waarheid is. Ik ben niet in staat iets anders te zeggen. En ik ben bang, dat u die waarheid niet prettig zult vinden, dat u er noch door temperament noch door gewoonte op voorbereid zijt. De dichters van alle naties, die hierheen kwamen en met de traditioneele geestdrift van hun klassieke opvoeding over Rome spraken, hebben u met zulke loftuitingen bedwelmd, dat het mij voorkomt, dat u de echte waarheid over uw hedendaagsch Rome niet gaarne hooren zult. Alle mooie woorden beteekenen niets, men moet tot de werkelijkheid der dingen komen, en juist die werkelijkheid weigert gij onder de oogen te zien, verliefd als gij zijt op het mooie en lichtgeraakt als vrouwen, die zich bewust zijn niet mooi meer te wezen en wanhopig worden bij de minste opmerking over haar rimpels."
Orlando begon kinderlijk te lachen.
"Zeker, je moet de dingen altijd wat mooier maken! Waarom over leelijke gezichten praten? Wij houden in den schouwburg alleen van mooie muziek, mooie dansen, mooie stukken, waar we plezier in hebben. De rest, alles wat niet mooi is, moet verborgen blijven!"
"Maar," ging de priester voort, "ik beken gaarne de kapitale fout in mijn boek. Het Italiaansche Rome, dat ik over het hoofd zag, om het op te offeren aan het pauselijke Rome, van welks herleving ik droomde, bestaat, en wel zóó machtig reeds, dat zonder eenigen twijfel het andere mettertijd verdwijnen zal. Zooals ik reeds gezegd heb, de paus moge zich zoo koppig als hij wil in zijn Vaticaan, dat meer en meer scheurt en in puin dreigt te vallen, tegen iedere verandering verzetten--alles om hem heen deelt in de evolutie: de zwarte kringen zijn reeds de grijze geworden, doordat zij zich met de witte vermengd hebben. En nooit heb ik dat beter gevoeld dan op het bal, dat prins Buongiovanni gegeven geeft ter eere van de verloving van zijn dochter met uw achterneef. Toen heb ik gevoeld, dat ik voor uw zaak gewonnen was."
De oogen van den ouden man schitterden.
"Zoo, was je daar ook? Nou, was het geen onvergetelijk schouwspel? Je twijfelt nu toch zeker niet meer aan onze levenskracht, aan het volk, dat we zijn moeten, wanneer de eerste moeilijkheden overwonnen zullen zijn? Wat komt daarbij een kwart eeuw, een heele eeuw desnoods op aan? Italië zal in zijn ouden roem herleven, zoodra het groote volk van morgen uit de aarde opgeschoten zijn zal!... O zeker, ik haat dien Sacco, omdat hij voor mij de verpersoonlijking is van de intriganten, van de genotzoekers, wier begeerten alles hebben opgehouden, doordat zij zich op den nog warmen buit van onze overwinning stortten, die ons zooveel bloed en tranen gekost heeft. Maar ik herleef in mijn Attilio, dat vleesch van mijn vleesch; hij is zoo zacht en toch zoo dapper, hij zal de toekomst zijn, het geslacht der helden, wier komst het land ontwikkelen en louteren zal... O, moge het groote volk van morgen geboren worden uit hem en die Celia, de aanbiddelijke kleine prinses, die mij onlangs met mijn nicht Melana, een verstandige vrouw in den grond der zaak, is komen opzoeken. Als je eens gezien hadt, hoe dat kind mij om den hals vloog, mij met de zoetste naampjes aansprak, me zei, dat ik de peet zou zijn van haar eersten zoon, opdat hij zou heeten als ik en een tweede maal Italië redden zou... Ja, ja, moge om deze wieg de vrede ontstaan, moge de echtverbintenis van die twee lieve kinderen het onverbrekelijke huwelijk zijn tusschen Rome en de geheele natie, moge door hun liefde alles weer goed worden en weer nieuwe schittering krijgen!"
Tranen waren in zijn oogen gekomen. Diep getroffen door deze vaderlandsliefde, die als een onuitbluschbare vlam in dezen verpletterden held brandde, wilde Pierre hem moed inspreken.
"Dat is de wensch, dien ik zelf ook op hun verlovingsfeest uitgesproken heb tegenover uw zoon, aan wien ik toen ongeveer hetzelfde gezegd heb. Ja, moge hun huwlijk eeuwig en vruchtbaar blijven, moge uit hen het groote land, dat ik u met geheel mijn ziel toewensch te zijn, sedert ik u heb leeren kennen, geboren worden!"
"Heb je dat gezegd?" riep Orlando uit; "heb je dat gezegd? Dan vergeef ik je je boek, want nu heb je eindelijk begrepen. En het nieuwe Rome, daar ligt het! Het Rome, dat ons toebehoort, dat wij zijn roemrijk verleden waardig, voor de derde maal tot koningin der wereld maken willen!"
En met een van zijn breede gebaren, waarin hij alles, wat er nog aan leven in hem over was, legde, wees hij door het lichte, gordijnlooze raam naar het panorama, dat zich voor hem ontrolde--naar Rome, dat zich in de verte van het eene einde van den horizont naar het andere uitstrekte. Onder den leikleurigen hemel, in dezen zoo weinig voorkomenden winterrouw nam de stad een soort hoogere majesteit aan, de melancholieke grootheid van een koninginnestad, die, thans nog vervallen, zwijgend en onbeweeglijk in de droeve lucht wacht op haar glorierijk ontwaken, op haar eindelijk door allen erkend koningschap, dat men haar opnieuw beloofd heeft. Van de nieuwe wijken op den Viminalis tot de verre boomen van den Janiculus, van de rosachtige daken van den Capitolinus tot de groene toppen van den Pincio, lag de deining der terrassen, der campanila's en der dommen als een breede oceaan, welks diepe, grijze golven eindeloos heen en weer wiegden.
Maar plotseling keek Orlando, door een vaderlijke verontwaardiging aangegrepen, om en ging tegen den jongen Angiolo Mascara te keer.
"En dat Rome wil jij, leelijke booswicht, met bommen verwoesten en als een oud, wankel en half verrot huis met den grond gelijk maken, om er de aarde voor altijd van te bevrijden."
Angilio had tot nog toe zwijgend naar het gesprek geluisterd. Op zijn baardeloos, blond, mooi meisjesgezicht verried zich de minste opwinding door een plotselingen blos; vooral zijn groote, blauwe oogen hadden gebrand, toen hij over het volk hoorde spreken, over het nieuwe volk, dat men scheppen moest.
"Ja," zeide hij langzaam met zijn heldere, muzikale stem; "ja, haar met den grond gelijk maken, geen enkelen steen heel laten! Ja, maar haar verwoesten, om haar weer op te bouwen!"
"Dus je bent nog wel zoo goed haar weer op te bouwen!" viel Orlando hem op spottenden toon in de rede.
"Ik zou haar weer opbouwen," herhaalde het kind opstaande, met bevende stem; "ik zou haar weer opbouwen, groot, mooi, edel! Heeft de werelddemocratie van morgen, de eindelijk vrije menschheid niet een éénige stad noodig, die de ark des verbonds, het centrum zelf der wereld is? En is Rome niet de uitverkoren stad, de stad, die door de prophetieën aangewezen is als de eeuwige, de onsterfelijke, als degene, waarin zich het lot der volkeren voltrekken zal? Maar om het blijvende heiligdom, de hoofdstad van de verwoeste koninkrijken te worden, waarin zich eenmaal per jaar de wijzen van alle landen vereenigen zullen, moet men haar eerst door het vuur reinigen en niets van het vroegere vuil overlaten. Dan, wanneer de zon alle pestilenties uit den ouden bodem weggezogen zal hebben, zullen wij hem tienmaal mooier, tienmaal grooter dan zij ooit geweest is, opbouwen. En welk een stad van waarheid en gerechtigheid zal dit sedert drie duizend jaar voorspelde en verwachte Rome zijn--geheel van goud en van marmer, de Campagna van de zee tot de Sabijnsche en Albaansche bergen vullend, zóó bloeiend en zóó wijs, dat haar twintig millioen inwoners, na de wet van den arbeid geregeld te hebben, in onvergelijkelijke vreugde leven zullen."
Met open mond luisterde Pierre. Wat, werkte het bloed van Augustus zelfs daar door? In de Middeleeuwen hadden de pausen geen meesters van Rome kunnen zijn, zonder in hun oud verlangen om opnieuw over de wereld te regeeren, den dringenden drang in zich te voelen de stad opnieuw op te bouwen. Onlangs, toen het jonge Italië zich van Rome meester gemaakt had, bezweek het dadelijk onder den atavistischen waanzin der wereldheerschappij, wilde het op zijn beurt er de grootste stad van maken, bouwde het geheele wijken voor een bevolking, die nog niet gekomen was. En nu waren zelfs de anarchisten, ondanks hun vernielingswoede, bezeten door denzelfden hardnekkigen, ditmaal mateloozen droom van het ras; zij wilden een vierde, monsterachtig groot Rome, welks voorsteden ten slotte de continenten bezetten zouden, om hun libertaire, tot één familie vereenigde menschheid daarin onder te brengen. Dit was het toppunt: nooit zou er een phantastischer bewijs gegeven kunnen worden voor het trotsche en heerschzuchtige bloed, dat de aderen van dit ras verbrand had, sedert Augustus het de erfenis van zijn onbeperkt rijk en het woeste instinct, om te gelooven, dat het een wettig recht op de wereld bezat, had nagelaten. Dat kwam voort uit den bodem zelf, het was een sap, dat al de kinderen van dezen historischen bodem bedwelmd had en hen aandreef uit hun stad de eenige stad te maken, degene, die geheerscht had en die, schitterend, tot aan den door de orakelen voorspelden tijd heerschen zou. En Pierre herinnerde zich de vier voorspellende letters, het S. P. Q. R. [30] van het oude Rome, die hij overal in het tegenwoordige Rome teruggevonden had. Zij stonden als een aan het lot gegeven bevel op de muren, op alle uithangborden, tot op de vuilniskarren der gemeentereiniging, die 's morgens het vuil kwamen ophalen. En Pierre begreep nu de wonderbaarlijke ijdelheid van deze menschen, die door de grootschheid van hun voorvaderen vervolgd en door het verleden van hun Rome gehypnotiseerd werden, de ijdelheid, waarvan zij beweerden, dat het alles in zich sluit, dat zij zelf er niet in slagen het te kennen, dat het de sphinx is, die eenmaal de verklaring van het wereldraadsel geven moet. Het is zoo groot en edel, dat alles er groot en edel wordt, dat zij ertoe komen voor hun stad den afgodischen eerbied der geheele aarde te eischen.
"Maar ik ken jouw vierde Rome," begon Orlando, weer vroolijk wordend, opnieuw. "Het is het Rome van het volk, de hoofdstad der universeele Republiek, waarvan Mazzini reeds gedroomd heeft. Weliswaar voegde deze den paus er aan toe... Zie je, mijn jongen, wanneer wij, oude republikeinen, ons gerallieerd hebben, dan hebben wij dat gedaan, omdat we bang waren, het land, in geval van revolutie, in handen te zien vallen van de gevaarlijke gekken, die jou het hoofd op hol gebracht hebben. Waarachtig, wij hebben ons bij de monarchie neergelegd, die niet zoo heel veel verschilt van een goede, parlementaire Republiek... Nu, tot ziens, wees verstandig en bedenk dat het de dood van je arme moeder zijn zou, wanneer jou iets overkwam... Kom, laat ik je maar een zoen geven!"
Angiolo bloosde onder den liefdevollen kus van den held als een jong meisje. Dan ging hij, na den priester beleefd met een hoofdknikje gegroet te hebben, met zijn zacht dwepersgezicht weg.
Er volgde een stilzwijgen. Toen de blikken van den ouden Orlando op de couranten vielen, begon hij echter weer over het vreeselijke drama in het paleis Boccanera. O, die Benedetta, die hij in de treurige dagen, dat zij bij hem woonde, als een dochter vereerd en aangebeden had! Welk een verpletterende daad, welk een tragisch lot, om zoo medegesleurd te worden in den dood van den man, dien zij liefhad! En daar de verhalen der couranten hem vreemd voorkwamen en hij gekweld en gepijnigd werd door al het duistere, dat hij erin voelde, wilde hij juist een paar bijzonderheden vragen, toen zijn zoon Prada met een door onrust vertrokken gelaat en buiten adem van het hard naar boven loopen, binnenkwam. Hij had zijn aannemers met ongeduldige ruwheid afgescheept, zonder rekening te houden met zijn ernstigen toestand, zijn gevaar loopend vermogen; hij werd door een zoo groot verlangen, om boven bij zijn vader te zijn, gemarteld, dat hij bijna niet eens naar hen luisterde, onverschillig ervoor of zijn huis boven hem zou instorten of niet. Toen hij bij den ouden man was, gold zijn eerste blik het gezicht van zijn vader, om zich te overtuigen, of de priester hem niet door een onvoorzichtig woord doodelijk getroffen had.
Hij begon te beven, toen hij zag, hoe de oude man door de verschrikkelijke gebeurtenis, waarover hij sprak, tot tranen toe bewogen was. Een oogenblik dacht hij, dat hij te laat kwam, dat het ongeluk reeds geschied is.
"Mijn God, vader, wat hèbt u? Waarom huilt u?"
Hij had zich aan zijn voeten geworpen, nam zijn handen in de zijne, keek hem in een zóó hartstochtelijke vereering aan, dat hij zijn hartebloed scheen te willen geven, om hem het minste verdriet te besparen.
"Ach, het is de dood van die arme Benedetta," antwoordde Orlando droevig. "Ik zeide juist aan mijnheer Froment, hoe diep bedroefd ik erover ben en dat het heele geval mij zoo duister scheen... De couranten spreken van een plotselingen dood en dat is altijd zoo iets vreemds."
Doodsbleek was Prada opgestaan. De priester had niet gesproken. Maar welk een vreeselijk oogenblik. Als hij antwoordde, als hij sprak!
"Je was erbij, niet waar?" vroeg de grijsaard weer. "Je hebt alles medegemaakt?... Vertel me toch eens hoe alles in zijn werk is gegaan."
Prada keek Pierre aan. Hun blikken boorden zich als het ware in elkaar. Alles speelde zich nog eenmaal tusschen hen af. Weer schreed het noodlot voort; weer ontmoetten zij aan den voet van de Frascatische heuvelen Santobono met zijn mandje; weer spraken zij op hun terugrit door de droefgeestige Campagna over het vergif, terwijl het mandje zacht schommelde op de knieën van den pastoor; weer waren zij in de in de wildernis sluimerende osteria, zagen zij het plotseling gestorven doode hennetje met het violette bloedstraaltje uit zijn snavel. Dan kwam denzelfden avond het bal der Buongiovanni's--één geur van vrouwen, één triomf der liefde. Ten slotte stond voor het zich zwart tegen de zilveren maan afteekenende paleis Boccanera de man, die zijn sigaar aanstak, en langzaam, zonder om te kijken, zich verwijderde en het noodlot zijn doodswerk verrichten liet. Deze geschiedenis kenden zij beiden, doorleefden zij nogmaals, zij behoefden die niet luid te herhalen, om zeker te zijn, dat zij elkander tot in het diepst van hun ziel lazen.
Pierre had den ouden man niet dadelijk geantwoord.
"O, er zijn verschrikkelijke dingen gebeurd, verschrikkelijke dingen," zeide hij eindelijk.
"Dat had ik wel gedacht," antwoordde Orlando. "Ge kunt vrijuit spreken... Mijn zoon heeft tegenover den dood alles vergeven."
Weer zocht Prada's blik dien van Pierre en bleef zoo vurig smeekend daarin rusten, dat de priester er diep door ontroerd werd. Hij herinnerde zich den tweestrijd van dien man op het bal, de wreede jaloersche martelingen, die hij ondergaan had, alvorens hij aan het noodlot zijn wraak overliet. En hij stelde zich voor wat daarna, na de vreeselijke ontknooping, in hem moest zijn omgegaan: eerst de verbijstering over de ruwe snelheid, waarmede het wreede noodlot zijn werk gedaan had, over de wraak, die gruwlijker uitgevallen was dan hij gewild had; dan de ijzige kalmte van den koelbloedigen speler, die de gebeurtenissen afwacht, de couranten leest en geen andere wroeging kent dan de veldheer, wien de overwinning te veel manschappen gekost heeft. Onmiddellijk had hij begrepen, dat de kardinaal ter wille van de eer der Kerk de zaak zou begraven. Slechts één ding drukte misschien nog zwaar op zijn hart--misschien het verlangen naar die zoo vurig begeerde vrouw, die hij niet gehad had, die hij nooit hebben zou--misschien ook een vreeselijke jaloezie, die hij zichzelf niet bekende en waaronder hij altijd lijden zou, de jaloezie, nu hij wist, dat zij, in het graf, voor eeuwig in de armen van een ander lag. En nu rees uit deze laatste krachtsinspanning, om zijn kalmte te bewaren, uit dat koelbloedige, wroeginglooze wachten de straf op, de vrees, dat het met de vergiftigde vijgen voortschrijdende noodlot nog op zijn tocht zou stilstaan en thans zijn vader treffen. Nog een bliksemstraal, nog een slachtoffer, en nu het meest onverwachte, het meest aangebedene. Zijn laatste weerstandsvermogen was in één minuut ingestort; hulpeloozer en banger dan een kind stond hij daar tegenover het afschuwlijke noodlot.
"Maar," begon Pierre langzaam, alsof hij naar zijn woorden zocht; "de couranten hebben u zeker toch verteld, dat de prins het eerst bezweken en dat de contessina, toen zij hem voor het laatst omhelsde, van smart gestorven is. En wat de oorzaak van den dood betreft, lieve hemel, u weet even goed als ik, dat de doktoren zelf zich daarover niet met beslistheid durven uitspreken..."
Hij hield op: hij hoorde plotseling de stem van de stervende Benedetta hem het vreeselijke bevel geven: "U, die zijn vader zien zult, u draag ik op hem te zeggen, dat ik zijn zoon vervloekt heb. Ik wil, dat hij het weet, hij moet het weten ter wille van de waarheid en de gerechtigheid." Groote God, moest hij gehoorzamen? Was dit een van de heilige bevelen, die men uitvoeren moet, ook al moesten daardoor tranen en bloed bij stroomen vloeien? Gedurende enkele seconden woedde een allerpijnlijkste tweestrijd in hem, verscheurd als hij werd tusschen deze door de doode ingeroepen waarheid en gerechtigheid eener- en zijn persoonlijk verlangen, om te vergeven, den afschuw, dien hij voor zichzelf hebben zou, wanneer hij door zijn onverzoenlijke zending te vervullen, dezen ouden man dooden zou, anderzijds. En zekerlijk moest de andere, de zoon, begrijpen, dat een moeilijke strijd in hem gevoerd werd, waarvan het lot van zijn vader afhangen zou, want zijn blik werd nog dringender, nog smeekender.
"Eerst heeft men gedacht aan een storing in de spijsvertering," ging Pierre voort. "Maar het werd plotseling zooveel erger, dat men bang werd en een dokter halen liet."
O, de oogen, die oogen van Prada! Zij waren zoo wanhopig geworden, dat de priester er alle beslissende redenen in las, die hem beletten zouden te spreken. Neen, neen! Hij zou den onschuldigen grijsaard niet zoo treffen, hij had niets beloofd, hij zou geloofd hebben de herinnering van de doode met een misdaad te bezwaren, indien hij gehoorzaamd had aan het laatste bevel, dat de haat haar had ingegeven. In die enkele seconden van spanning had hij een geheel leven van zoo afschuwlijke smart doorleden, dat ondanks alles reeds gerechtigheid geschied was.
"De dokter," ging Pierre voort, "heeft onmiddellijk infectiekoortsen geconstateerd. Er was geen twijfel mogelijk... Ik ben vanochtend bij de begrafenis geweest, het was heel mooi en indrukwekkend."
Orlando ging niet verder op de zaak in, zeide nog slechts, hoe hij den geheelen ochtend met zijn gedachten bij de begrafenis geweest was. Toen hij zich omkeerde en met zijn nog bevende handen de couranten op de tafel recht legde, keek Prada, door het koude doodszweet verstard en, om niet te vallen, zich aan den rug van een stoel vasthoudend, Pierre nogmaals aan, maar nu met een zachteren blik vol vurige dankbaarheid.
"Ik vertrek vanavond," zeide Pierre, die uitgeput als hij was, een einde aan het gesprek wilde maken. "Ik moet nu afscheid van u nemen... Hebt u geen boodschap voor mij in Parijs?"
"Neen, neen, geen enkele," zeide Orlando.
Doch dan plotseling:
"Ja, toch, ik heb een boodschap... Je herinnert je zeker het boek van mijn ouden strijdmakker Théophile Morin, een der Duizend van Garibaldi, nog wel, het handboek voor het baccalaureaat, dat hij wilde laten vertalen en bij ons invoeren. Tot mijn groote blijdschap hebben ze mij beloofd, dat men het op onze scholen gebruiken wil, als er enkele veranderingen in aangebracht worden... Luigi, geef mij dat deel even aan, dat daar op de plank ligt."
Toen zijn zoon hem het boek gegeven had, wees hij Pierre de aanteekeningen, die hij met potlood op den rand der bladzijden gemaakt had en legde hem de veranderingen, die men van den schrijver eischte, uit.
"Wees zoo vriendelijk zelf dat exemplaar aan Morin te brengen: zijn adres staat op de binnenzijde van den band. Je zult me daardoor een langen brief uitsparen en in tien minuten kan je het hem duidelijker en beter uitleggen dan ik in tien bladzijden doen kan... Groet hem hartelijk van mij en zeg hem, dat ik nog evenveel van hem houd als vroeger, toen ik mijn beenen nog had en we beiden als duivels in den kogelregen vochten!"
Er volgde een stilte--de pijnlijke stilte vóór het vertrek.
"Nu jongen, vaarwel! Geef me een zoen voor hem en voor jezelf; geef me een zoen, zooals de kleine Angiolo mij zooeven een zoen gegeven heeft... Ik ben zoo oud en zoo dicht bij den dood, dat je me zeker wel toestaan wilt je mijn jongen te noemen en je als een grootvader, die je den moed en den vrede en het geloof in het leven, dat alleen helpt om te leven, toewenscht, een zoen te geven."
Pierre was zóó ontroerd, dat de tranen hem in de oogen kwamen, en toen hij den verpletterden held op beide wangen kuste, voelde hij, dat deze ook weende. Met een hand, die nog bijna zoo krachtig was als een schroef, hield hij hem nog een oogenblik bij zijn ziekenstoel, terwijl hij met de andere in een wijdsch gebaar een laatste maal naar Rome wees, dat in zijn rouw onder den aschgrauwen hemel lag. Zijn stem begon te beven en te fluisteren.
"En zweer mij, om Godswil, het ondanks alles lief te hebben, want onze stad is de wieg, is de moeder! Heb haar lief, om wat zij niet meer is, om wat zij wil zijn... Zeg niet, dat zij dood is, heb haar lief, heb haar lief, opdat zij eeuwig bestaan blijve!"
Zonder te kunnen antwoorden, omhelsde Pierre hem nogmaals, geheel van streek door zooveel hartstocht bij dezen grijsaard, die over zijn stad sprak zooals men op dertigjarigen leeftijd over een aangebeden vrouw spreekt. En hij vond hem met zijn oude-leeuwe-manen, in zijn hardnekkigen wensch naar een spoedige herleving zóó mooi, zóó verheven, dat nog eenmaal de andere groote grijsaard, kardinaal Boccanera, voor hem oprees. Ook deze volhardde halsstarrig in zijn geloof, gaf niets prijs van zijn droom, ook al liep hij gevaar daarmede door den instortenden hemel verpletterd te worden. Zij stonden nog steeds aan de beide uiteinden van hun stad tegenover elkaar; slechts hunne hooge gestalten beheerschten den horizont, wachtten op de toekomst.
Toen Pierre van Prada afscheid genomen had en weer in de Via Venti Settembre stond, haastte hij zich terug naar de Via Giulia, om zijn koffer te pakken. Al zijn bezoeken waren achter den rug, hij behoefde nog slechts afscheid te nemen van donna Serafina en van den kardinaal en hen te danken voor hun hartelijke gastvrijheid. Hem alleen zouden zij ontvangen, want, zoodra zij van de begrafenis teruggekomen waren, hadden zij zich in hun kamers opgesloten en voor iedereen belet gegeven. Van af het invallen van de schemering kon Pierre zich dus alleen wanen in het groote, donkere paleis, waarin slechts Victorine hem nog gezelschap zou houden. Toen hij den wensch te kennen gaf, met don Vigilio te soupeeren, zeide zij hem, dat ook de abbé zich in zijn kamer opgesloten had; en toen hij zelf aan diens kamer klopte, om hem tenminste voor de laatste maal de hand te drukken, kreeg hij zelfs geen antwoord. Hij vermoedde, dat de secretaris in een nieuwen aanval van koorts en wantrouwen, hem, uit vrees zich nog aan nog meer gevaar bloot te stellen, niet ontvangen wilde. Dus was nu alles geregeld; zij spraken af, dat Victorine, daar de trein eerst om 10.17 vertrekken zou, hem zijn avondeten, zooals gewoonlijk om acht uur, in zijn kamer brengen zou. Zelf bracht zij een lamp en wilde voor zijn linnengoed zorgen. Maar hij wilde volstrekt niet, dat zij hem hielp, en zij moest hem rustig zijn koffer laten pakken.
Hij had een klein kistje gekocht, want zijn handkoffertje was niet voldoende, om het linnengoed en kleeren te bevatten, die hij, toen zijn verblijf in Rome steeds langer duurde, uit Parijs had laten komen. Toch duurde het werk niet lang: spoedig waren de kast en de laden ledig, het kleine kistje en het handkoffertje vol en gesloten. Het was eerst zeven uur, zoodat hij nog een uur voor het avondeten moest wachten. Dan vielen zijn blikken, die de muren nog eens rondgingen, om te zien of hij niets vergeten had, op de oude schilderij, het doek van een onbekenden meester, dat hem gedurende zijn verblijf hier zoo dikwijls ontroerd had. Toevallig viel het volle lamplicht erop; en ook ditmaal trof het hem diep en dit des te meer, toen hij zich in dit laatste uur verbeeldde in deze tragische vrouwefiguur, die half naakt, in lompen bijna gekleed, op den drempel van het paleis, waaruit men haar weggejaagd had, in haar gevouwen handen zat te weenen, het symbool van zijn echec in Rome te zien. Was deze verworpelinge, die daar zoo snikte, van wie men niets wist, noch hoe haar gezicht er uitzag, noch vanwaar zij kwam, noch wat zij gedaan had, niet het beeld van alle nuttelooze pogingen, om de deur der waarheid te forceeren, van de vreeselijke hulpeloosheid, waarin de mensch vervalt, zoodra hij zich stoot tegen den muur, die het onbekende afsluit. Lang keek hij haar aan en opnieuw greep de smart hem aan, dat hij weg moest gaan, zonder haar door haar lokken overstroomd gezicht te kennen, dat--hij voelde het--schitterend van jeugd en verrukkelijk in haar geheimzinnigheid zijn moest. Hij meende haar te kennen, hij stond op het punt haar eindelijk geheel te begrijpen, toen er op de deur geklopt werd.
Tot zijn verbazing zag hij Narcisse Habert binnenkomen, die drie dagen geleden naar Florence vertrokken was, een van die uitstapjes, welke de jonge gezantschapsattaché gaarne maakte. Narcisse verontschuldigde zich dadelijk voor zijn onverwacht bezoek.
"Daar staat uw bagage, zie ik. Ja, ik weet, dat u vanavond vertrekt, en ik wilde u niet uit Rome laten gaan, zonder u nog eenmaal de hand te drukken... Wat een verschrikkelijke dingen zijn er gebeurd, sedert we elkaar het laatst gesproken hebben. Ik ben vanmiddag pas teruggekomen, zoodat ik niet bij de begrafenis kon zijn. Maar u begrijpt, hoe ik schrok, toen ik die twee verschrikkelijke sterfgevallen hoorde."
Hij vroeg hem uit, want als een, die het donkere, legendarische Rome kende, vermoedde hij het een of ander duister drama. Maar hij drong niet al te zeer aan, want in den grond der zaak was hij veel te voorzichtig, om zich onnoodig met gevaarlijke geheimen te bezwaren. Hij geraakte echter in groote geestdrift over hetgeen de priester vertelde omtrent de twee gelieven, die, in den dood zoo bovenmenschelijk mooi, in elkaars armen te ruste waren gelegd. Ja, hij maakte er zich boos om, dat niemand er een schets van gemaakt had.
"Gij zelf hadt het moeten doen. Dat ge niet kunt teekenen, is geen verontschuldiging. U met uw naïveteit had er misschien een meesterwerk van gemaakt."
En dan, kalmer wordend:
"Die arme contessina, die arme prins! Maar het komt er niet op aan, in dit land kan alles instorten, zij hebben de schoonheid bezeten, en de schoonheid blijft onverwoestbaar!"
Pierre werd door dit woord getroffen. Zij spraken nog lang over Italië, Rome, Napels en Florence. "O, Florence!" herhaalde Narcisse dwepend. Hij had een sigaret aangestoken en sprak op langzamen toon, terwijl hij zijn blikken door de kamer liet gaan.
"U hadt hier een mooie, rustige kamer. Ik was nog nooit op deze verdieping geweest."
Zijn blikken bleven ronddwalen, tot zij vastgehouden werden door het oude doek, dat de lamp verlichtte. Toen knipte hij verbaasd met zijn oogen; dan stond hij plotseling op en ging ernaar toe.
"Wat is dat? Wat is dat? Dat is heel goed, dat is heel mooi!"
"Ja, vindt u niet?" vroeg Pierre. "Ik heb van die dingen weinig verstand, maar van den eersten dag af aan heeft dit mij getroffen en sedert heb ik er menigmaal met kloppend hart voor gestaan."
Narcisse sprak niet meer, doch bekeek het doek van nabij met de zorgvuldigheid van een kenner, van een deskundige, wiens scherpe blik over de echtheid beslist en de waarde vaststelt. Een buitengewone vreugde teekende zich af op zijn blond, dwepend gezicht, terwijl zijn handen begonnen te beven.
"Het is een Botticelli, het is een Botticelli, er valt niet aan te twijfelen... Kijk die handen eens en die plooien in de kleeding. En de tint van het haar, de geheele opzet, de vlucht van de geheele compositie... Een Botticelli, lieve God, een Botticelli!"
Hij viel bijna in onmacht en zwijmelde weg in een bewondering, die grooter werd, naarmate hij verder in het zoo eenvoudige, maar ontroerende onderwerp doordrong. Was het niet heftig modern? De kunstenaar had onze geheele smartelijke eeuw, onzen angst voor het onzienlijke, onze wanhoop nooit de voor eeuwig gesloten deur van het mysterie te kunnen forceeren, voorzien. En welk een eeuwig symbool van de ellende der wereld was deze vrouw, wier gelaat men niet zag en die wanhopig snikte, zonder dat men haar tranen drogen kon. Een onbekende Botticelli, een Botticelli, die in geen enkelen catalogus voorkwam, welk een vondst!
"Wist u, dat het een Botticelli was?" vroeg hij aan Pierre.
"Waarachtig niet! Ik heb er don Vigilio eens naar gevraagd, maar hij scheen weinig waarde te hechten aan het doek. En Victorine, met wie ik er ook over gesproken heb, zeide, dat al die oude prullen niets dan stofnesten waren!"
"Wat, ze hebben in dit huis een Botticelli en zij weten het niet?" riep Narcisse verbaasd uit. "O, hoe proef ik mijn Romeinsche prinsen daar weer uit, die voor het meerendeel niet in staat zijn een meesterwerk te herkennen, als er geen etiquet op geplakt is... Een Botticelli, die ongetwijfeld een weinig geleden heeft, maar wanneer hij schoongemaakt is, een wonder zal blijken. Ik geloof, dat ik te laag schat, als ik zeg, dat een museum daarvoor..."
Plotseling zweeg hij; hij noemde het cijfer niet, maar voltooide zijn zin met een vaag gebaar. De avond verstreek en toen Victorine en Giacomo binnenkwamen, om de tafel te dekken, ging hij met zijn rug naar den Botticelli staan en sprak er geen woord meer over. Doch Pierre, wiens aandacht wakker geworden was, raadde wat er in hem om moest gaan, nu hij hem daar zoo koelbloedig staan en zijn malvekleurige oogen staalblauw worden zag. Hij wist heel goed, dat er onder dien engelachtigen jongeling, onder dien schijn-Florentijn een handige, in zaken zeer ervaren man stak, die zijn vermogen bewonderenswaardig bestuurde en, naar men zeide, zelfs eenigszins gierig was. Hij moest glimlachen, toen hij zag, hoe Narcisse voor de foei-leelijke Heilige Maagd, een slechte copie van een doek uit de achttiende eeuw, dat naast het meesterwerk hing, ging staan en zeide:
"Dat is heusch zoo slecht niet! Een vriend van me heeft me opgedragen een paar oude schilderijen voor hem te koopen... Zeg Victorine, geloof je, dat donna Serafina en de kardinaal, nu zij alleen zijn, graag een paar van die waardelooze doeken kwijt zouden zijn?"
De huishoudster hief haar beide armen op, als om te zeggen, dat men, wanneer het van haar afhing, alles kon meenemen.
"O, mijnheer, aan een koopman zouden ze niets geven om de praatjes, die dan dadelijk zouden loopen; maar ik weet bijna zeker, dat zij een vriend dat pleizier graag zouden doen. Het huishouden is duur; een beetje geld zou zeer welkom zijn."
Vergeefs trachtte Pierre Narcisse over te halen bij hem te blijven soupeeren. De jonge man gaf zijn woord van eer, dat hij ergens anders verwacht werd. Hij was zelfs al te laat. En na den priester de hand gedrukt en hem hartelijk een goede reis gewenscht te hebben, ging hij heen.
Het sloeg acht uur. Zoodra hij alleen was, ging Pierre voor het kleine tafeltje zitten. Victorine zond Giacomo, die het vaatwerk en de schotels in een mand boven gebracht had, weg en bleef hem bedienen.
"Die lui hier maken met hun langzaamheid mijn bloed aan het koken," zeide zij. "En bovendien vond ik het heerlijk u bij uw laatsten maaltijd te bedienen. Zooals u ziet, heb ik een Fransch dinertje voor u laten klaar maken, een tong au gratin en een gebraden kip."
Hij werd door deze attentie zeer getroffen en was blijde deze landgenoote tot gezelschap te hebben, terwijl hij te midden van de groote stilte, die in het oude, donkere en verlaten paleis heerschte, at. Het was haar nog goed aan te zien, dat zij treurde om haar lieve contessina, hoewel de dagelijksche bezigheden, die haar geheel in beslag namen, haar reeds iets van haar gewone opgewektheid teruggegeven hadden. Zij praatte dan ook bijna vroolijk, terwijl zij de verschillende schotels voor hem neerzette.
"En te denken, mijnheer de abbé, dat u overmorgen al weer in Parijs bent. Ik voor mij heb net het gevoel, alsof ik gisteren Auneau pas verlaten heb! Het is een heerlijk land daar--vet, geel als goud, niet zooals die magere aarde hier, die naar zwavel ruikt! En de frissche, mooie wilgen langs de beek! En het boschje, waarin zooveel mos is. Die vindt je hier niet, hier hebben zij niets als blikken boomen onder hun zon, die het gras schroeit. In den eersten tijd zou ik, ik weet niet hoeveel gegeven hebben voor een fiksche regenbui, die al dat vuile stof eens weggejaagd had. Nou nog krijg ik een hartklopping, wanneer ik denk aan de heerlijke morgens bij ons, wanneer het den vorigen dag geregend heeft en het heele land er zoo vriendelijk en prettig uitziet, alsof het begon te lachen, na eerst gehuild te hebben... Neen, neen, ik zal me in dat verduivelde Rome nooit thuis voelen. Wat een menschen! Wat een land!"
"Maar wat houdt je hier nog terug, nu je jonge meesteres er niet meer is; waarom ga je niet met mij weg?"
Verbaasd keek zij hem aan.
"Ik met u weggaan, weer terug naar Frankrijk?... Neen, mijnheer de abbé, dat is onmogelijk. In de eerste plaats zou dat te ondankbaar zijn, want donna Serafina is aan mij gewend, en ik zou heel slecht handelen haar en Zijne Eminentie, nu zij verdriet hebben, te verlaten. En bovendien, wat zou ik ergens anders moeten doen? Mijn leven moet ik verder hier slijten."
"Dus je zal Auneau nooit terugzien?"
"Neen, nooit, dat staat vast."
"Maar vindt je het dan niet naar hier begraven te worden, te slapen in deze aarde, die naar zwavel ruikt?"
Zij begon hartelijk te lachen.
"O, wanneer ik dood ben, is het mij onverschillig waar ik ben... Om te slapen is het overal goed, mijnheer de abbé! Het is komiek, zooals de menschen het zich druk maken met wat er na den dood is. Er is heelemaal niets! De gedachte, dat het voor goed uit is en dat ik eens lekker zal uitrusten, is juist zoo'n geruststelling voor me. De goede God is dat ons, die zoo hard gewerkt hebben, wel verschuldigd. U weet, dat ik niet vroom ben, heelemaal niet! Maar dat heeft mij niet belet, om me fatsoenlijk te gedragen; zoo waar als u mij ziet, heb ik nooit een vrijer gehad! Wanneer je zoo iets op mijn leeftijd zegt, dan klinkt dat gek. Maar toch zeg ik het, omdat het de zuivere waarheid is."
Zij bleef lachen als een brave vrouw, die "niets van de pastoors hebben moest" en geen zonde op haar geweten had. En weer verwonderde Pierre zich over dezen eenvoudigen levensmoed, over dit gezonde verstand bij deze zoo toegewijde huishoudster. Zij belichaamde voor hem het kleine, ongeloovige volk van Frankrijk, hen, die niet meer geloofden, die nooit meer gelooven zouden. O, zijn als zij, zijn plicht doen en gaan slapen voor den eeuwigen slaap in de vreugde zijn deel in het werk gedaan te hebben!
"Wil ik dan, wanneer ik ooit in Auneau kom, dat kleine boschje met mos voor je goeden dag zeggen, Victorine?"
"Graag, mijnheer de abbé. En zeg, dat ik er nog altijd aan denk."
Toen Pierre klaar was, liet zij het overblijvende door Giacomo weghalen. Daar het pas half negen was, ried zij den priester aan nog rustig een uurtje in zijn kamer te blijven. Waarom zou hij te vroeg op het station koude gaan lijden? Om half tien zou zij een rijtuig laten komen, en zoodra het voor was, hem waarschuwen en de bagage beneden laten halen. Hij kon dus gerust zijn; hij behoefde zich nergens mede te bemoeien.
Toen zij weggegaan en Pierre alleen was, kreeg hij inderdaad een gevoel van leegte. Zijn bagage, zijn kist en zijn handkoffertje, stond op den grond in een hoek van de kamer. En hoe stom, hoe uitgestorven, hoe vreemd kwam die kamer hem reeds voor! Hem bleef niets over dan weg te gaan; hij was reeds weg: Rome om hem heen was niets meer dan een beeld--het beeld, dat hij in zijn herinnering zou medenemen. Een uur nog. Hoe eindeloos lang scheen het hem toe! Onder hem sliep het oude, donkere en verlaten paleis in de vernietiging van zijn stilte. Hij was gaan zitten en verzonk in een diep gepeins.
Zijn boek, Het Nieuwe Rome, rees voor hem op, zooals hij het geschreven had, zooals hij het was komen verdedigen. Hij herinnerde zich zijn eersten ochtend op den Janiculus, op den rand van het terras van San Pietro in Montorio, tegenover het Rome, waarnaar hij zoo verlangd had, dat zoo jong, zoo kinderlijk-zacht onder den wijden helderen hemel lag, als opgeheven in den frisschen ochtend. Daar had hij zich de beslissende vraag gesteld: kan het Katholicisme zich vernieuwen, terugkeeren tot den geest van het oorspronkelijke Christendom, de godsdienst der democratie zijn, het geloof, waarop de moderne, op haar grondvesten bevende, in doodsgevaar verkeerende wereld wachtte, om rustig verder te kunnen leven? Zijn hart klopte van geestdrift en hoop; nauwlijks hersteld van zijn nederlaag in Lourdes, was hij hier gekomen, om een tweede en laatste proef te nemen, om aan Rome een antwoord te vragen. En nu was de proef mislukt: hij kende het antwoord, dat Rome hem door zijn ruïnen, zijn monumenten, zijn bodem, zijn volk, zijn prelaten, zijn kardinalen, zijn paus gegeven had. Neen, het Katholicisme kon zich niet vernieuwen; neen, het kon niet terugkeeren tot den geest van het oorspronkelijke Christendom; neen, het kon niet de godsdienst der democratie zijn, het nieuwe geloof, dat de oude, ineenvallende, in doodsgevaar verkeerende maatschappij redden zou. Al scheen het ook van democratische afkomst te zijn, het was voortaan aan dezen Romeinschen bodem vastgenageld, koning ondanks zichzelf, genoodzaakt krampachtig vast te houden aan de wereldlijke macht, als het geen zelfmoord plegen wilde, gebonden door de traditie, geketend door het dogma, ontwikkelde zich slechts schijnbaar en was in werkelijkheid gedoemd tot zulk een onbeweeglijkheid, dat, achter de bronzen deur van het Vaticaan, het pausdom in zijn ononderbroken droom van de wereldheerschappij de gevangene, het spook van achttien eeuwen atavisme was. Daar, waar zijn door de liefde voor armen en lijdenden verwarmd priestergeloof een herleving van de Christelijke gemeenschap was komen zoeken, daar had hij den dood gevonden, het stof van een uitgeputte wereld, waaruit nooit meer iets anders zou kunnen opgroeien dan dit despotische pausdom, dat meester zijn wilde der lichamen, zooals het reeds meester was der zielen. Op zijn wanhoopskreet, die om een nieuwen godsdienst vroeg, had Rome geantwoord met de veroordeeling van zijn boek, als was het met ketterij bevlekt; en hij zelf had het in de bittere smart over zijn desillusie teruggenomen. Hij had gezien, hij had begrepen, alles was ingestort, en hij zelf, zijn ziel en zijn rede, lag onder de puinhoopen.
Pierre kreeg het benauwd. Hij stond op en zette het op den Tiber uitziende raam wijd open, om er een oogenblikje uit te leunen. Tegen den avond was het weer gaan regenen, maar nu was het weer droog. Het was zacht, klam, drukkend-loom. Aan den aschgrauwen hemel moest de maan reeds opgegaan zijn, want men voelde haar als het ware achter de wolken, die zij met een geel, dof, eindeloos triest schijnsel verlichtte. Onder dit schijnsel als van een donker nachtlichtje leek de horizont zwart en spookachtig: tegenover hem lag de Janiculus met de op elkaar gestapelde huizen van Trastevere; links stroomde in de richting van de onduidelijke helling van den Palatinus de Tiber; rechts teekende de alles overheerschende ronding van den dom der St. Pieter zich tegen den kleurloozen achtergrond af. Het Quirinaal kon hij niet zien, maar hij wist, dat het achter hem lag en stelde zich voor, hoe het in dezen zoo zwaarmoedigen en droomachtigen avond met zijn eindeloozen gevel een hoek van den hemel afsloot.
Hoe ten einde loopend zag dit door het duister half verteerde Rome eruit! Hoe verschilde het van het Rome der jeugd en der chimère, zooals hij het den eersten dag gezien en hartstochtelijk lief gehad had van af den top van den Janiculus, welks in donkerte badende massa hij thans nauwlijks onderscheiden kon. Een andere herinnering kwam in hem op: de herinnering aan de drie hoogste punten, de drie symbolische toppen, welke van af dien dag, voor hem de samenvatting geworden waren van Rome's eeuwenoude geschiedenis: het oude, het pauselijke en het Italiaansche Rome. Maar al mocht ook de Palatinus dezelfde ontkroonde berg gebleven zijn, waarop zich niets verhief dan het spook van den voorvader, van Augustus, keizer en pontifex en wereldbeheerscher, met geheel andere oogen zag hij St. Pieter en het Quirinaal, die als het ware van plaats verwisseld waren. Aan het koningspaleis, dat hij toen als een quantité négligeable beschouwde en dat hem een platte en lage kazerne toescheen, aan den nieuwen regeeringsvorm, die toen op hem den indruk maakte van een heiligschennende poging tot moderniseering van een uitverkoren stad, kende hij thans, zooals hij tegen Orlando gezegd had, de voornaamste, steeds grooter wordende plaats toe aan den horizont, dien zij weldra in zijn geheel zouden innemen; de St. Pieter daarentegen, de dom, die hem triomphantelijk, hemelsblauw, als een de stad beheerschende, door niets aan het wankelen te brengen reuzenkoning toegeschenen was, kwam hem nu gescheurd en kleiner voor, als een van die reusachtige oudheden, welker massa's dikwijls tengevolge van het heimelijke slijten, het niet opgemerkte afbrokkelen der getimmerten plotseling instorten.
Een dof gemurmel rees op uit den gezwollen Tiber en Pierre rilde bij den ijskouden ademtocht, die over zijn gezicht streek. Deze gedachte aan de drie toppen, aan den symbolischen driehoek, wekte in hem de herinnering aan het lange lijden van den grooten Zwijgende, van het volk der kleinen en der armen, om wier bezit de paus en de koning zoo lang gestreden hadden. Die strijd duurde reeds lang; van af den dag, dat bij de verdeeling van Augustus' erfenis de keizer zich tevreden had moeten stellen met de lichamen, en de zielen aan den paus had moeten overlaten, die, van dat oogenblik af, geen andere begeerte gekend had dan deze wereldlijke macht te heroveren, waarvan men God in zijn persoon beroofde. De strijd had de middeleeuwen door grimmig en bloedig voortgeduurd, zonder dat Kerk en Rijk het eens hadden kunnen worden over den buit, die zij elkaar in lappen ontrukten. Eindelijk wilde de groote Zwijgende, de kwellingen en de ellende moede, spreken, schudde in den tijd der Hervorming het juk af en begon later in zijn woedende uitbarsting van 1789, de koningen van hun troon te stooten. En daarvan was, zooals Pierre in zijn boek geschreven had, het buitengewone lot van het pausdom uitgegaan, een nieuw geluk, dat den paus veroorloofde zijn eeuwenouden droom voort te zetten. De paus liet de van hun troon gestooten monarchen aan hun lot over en koos de zijde der ongelukkigen in de hoop het volk op die wijze te veroveren en dan voor goed in zijn bezit te hebben. Was het niet iets wonderbaarlijks dezen van zijn koningschap beroofden Leo XIII, die zich socialist noemen liet, die de kudde der onterfden om zich heen verzamelde, aan het hoofd van den vierden stand, aan wien de komende eeuw zou toebehooren, tegen de koningen te zien optrekken?
De eeuwige strijd om het bezit van dit volk duurde even verbitterd voort, en wel in Rome zelf, in de kleinst denkbare ruimte, want het Quirinaal lag tegenover het Vaticaan, en de koning en de paus konden van uit hun vensters elkaar zien, streden steeds aan wien het rijk zou toebehooren; voor hun blikken lagen de roode daken der oude stad, het geringe volk, waarom zij nog altijd twistten, zooals de valk en de sperwer elkaar de kleine vogels uit het bosch betwisten. En hierin lag, volgens Pierre, de oorzaak, dat het Katholicisme veroordeeld, tot een onvermijdelijken ondergang gedoemd was, omdat zijn wezen monarchistisch was, en wel in dien mate, dat het Apostolische en Roomsche pausdom geen afstand van de wereldlijke macht doen kon, wanneer het niet anders zijn en verdwijnen wilde. Vergeefs huichelde het een terugkeer tot het volk, vergeefs deed het, alsof het geheel ziel was--te midden van onze democratieën was geen plaats voor de volkomen en universeele souvereiniteit, die het van God gekregen had. Steeds weer zag hij den imperator in den pontifex te voorschijn komen, en dat in de allereerste plaats had zijn droom gedood, zijn boek vernietigd, de puinhoopen opgestapeld, waarvoor hij wanhopig, krachte- en moedeloos was blijven staan.
Dit onder den aschgrauwen hemel liggende Rome, welks gebouwen hoe langer hoe meer verdwenen, benauwde hem zoo, dat hij weer op zijn stoel neerviel. Nooit nog had hij zoo'n diepe troosteloosheid gevoeld; het was alsof zijn ziel stierf. Hij herinnerde zich welke beteekenis hij aan deze reis naar Rome, aan deze nieuwe proef na zijn noodlottige ondervindingen te Lourdes gehecht had. Hij was er niet het naïeve geloof van het kleine kind komen vragen, maar het hoogere geloof van den intellectueel, dat zich verheft boven riten en symbolen en werkt voor het hoogst mogelijke geluk der menschheid. Wanneer dat instortte, wanneer het Katholicisme niet de godsdienst, niet de zedelijke wet van het nieuwe volk zijn kon, wanneer de paus in Rome, met Rome niet de Vader, de ark des Verbonds, de geestelijke leider was, naar wien alles luisterde en aan wien alles gehoorzaamde, dan beteekende dat in zijn oogen de schipbreuk van de laatste hoop, het laatste kraken, waarin de tegenwoordige maatschappij onderging. Al de steigers van het Katholieke socialisme, die hem voor de versterkingen der oude Kerk zoo gelukkig en voordeelig toeschenen, zag hij nu ter aarde liggen, beschouwde hij thans streng als een eenvoudig overgangsmiddel, dat misschien nog eenige jaren het wankelende gebouw zou kunnen stutten; maar dat alles was slechts op een opzettelijk misverstand, op een handige leugen, op politiek en diplomatie gebouwd. Neen, neen, zijn rede kwam er tegen in verzet, dat het volk weer gewonnen en bedrogen, gevleid en dan weer geknecht zou worden! Het geheele stelsel was ontaard, gevaarlijk, tijdelijk, bestemd om tot de ergste catastrophes te leiden. Het was dus het einde: niets bleef overeind staan, de oude wereld moest verdwijnen in de vreeselijke, bloedige crisis, welker nadering de teekenen verkondigden. Bij het zien van dezen chaos voelde hij zijn ziel niet meer, want in deze, naar hij wist, beslissende proef had hij zijn geloof verloren; van te voren was hij overtuigd geweest, dat hij er versterkt of voor eeuwig verpletterd uit te voorschijn komen zou. De bliksem was ingeslagen. Groote God, wat moest hij nu doen?
Zijn angst snoerde zijn keel zoo toe, dat hij opstond en in de kamer op en neer begon te loopen, om wat kalmte te vinden. Groote God, wat moest hij beginnen, nu hij weer ten prooi was aan den vreeselijken twijfel, aan de smartelijke negatie, nu zijn soutane nog nooit zoo zwaar op zijn schouders gedrukt had als thans. Hij herinnerde zich den kreet, toen hij weigerde zich te onderwerpen en aan monsignor Nani zeide, dat zijn ziel niet berusten, dat zijn hoop op redding door liefde niet sterven kon, dat hij antwoorden zou met een nieuw boek, dat hij aangeven zou in welken nieuwen grond de nieuwe godsdienst groeien moest. Ja, een vlammend boek tegen Rome, waarin hij alles zou neerschrijven, wat hij gezien en gehoord had, een boek, waarin hij het ware Rome schilderen zou, het Rome zonder barmhartigheid, zonder liefde, het Rome, dat bezig was in zijn purper te sterven! Hij wilde naar Parijs terug, uit de Kerk treden, desnoods tot een schisma overgaan.
Welnu, zijn bagage stond daar, hij ging weg, hij zou zijn boek schrijven, zou de groote verwachte schismaticus zijn. O, kondigde niet alles het schisma aan? Scheen het te midden van de groote beweging der geesten, die de oude dogma's moede waren, maar toch hongerden naar het goddelijke, niet nabij? Leo XIII besefte dat onbewust, want zijn geheele politiek, zijn streven naar de Christelijke eenheid, zijn liefde voor de democratie had geen ander doel dan de menschheid om het pausdom te scharen, dat te versterken en krachtig te maken, ten einde den paus in den komenden strijd onoverwinlijk te doen zijn. Maar de tijden waren gekomen, het Katholicisme zou weldra aan het einde van zijn politieke concessies zijn, niet meer in staat nog verder toe te geven, zonder erdoor te sterven. Het was als een oud hiëratisch beeld te Rome tot onbeweeglijkheid gedoemd, terwijl het zich elders, in de propagandalanden, waar het in strijd was met andere godsdiensten, ontwikkelen kon. Daarom was Rome tot ondergang gedoemd, te meer daar de afschaffing van de wereldlijke macht, die den geest aan het denkbeeld van een zuiver geestelijken paus gewend had, het opstaan van een tegenpaus, terwijl de opvolger van den Heiligen Petrus genoodzaakt zijn zou in zijn keizerlijke en Roomsche fictie te volharden, scheen te begunstigen. Een bisschop, een priester zou opstaan. Waar? Misschien daarginds in het vrije Amerika, onder de priesters, waaruit de noodzakelijkheid van den strijd om het bestaan overtuigde socialisten, vurige democraten gemaakt had, bereid met de komende eeuw voorwaarts te schrijden. En terwijl Rome niets van zijn verleden, van de mysteries en de dogma's zou kunnen loslaten, zou deze priester van die dingen alles wat uit zichzelf in stof viel, kunnen prijsgeven. Die priester, die groote hervormer, die redder der moderne maatschappijen--welk een ontzaglijke droom! Het was de rol van den verwachten, door de wanhopige volkeren geëischten Messias!
Een oogenblik werd Pierre erdoor bedwelmd; een storm van hoop en triomf hief hem op en droeg hem voort. En wanneer het niet in Frankrijk, niet in Parijs zijn kon, dan zou het verder zijn, aan de andere zijde van den Oceaan, of nog verder, het kwam er niet op aan waar ter wereld, als het maar een land was, vruchtbaar genoeg, dat het nieuwe zaad in een overvloedigen oogst opwies. Een nieuwe godsdienst! Een nieuwe godsdienst! Zoo had hij reeds na Lourdes uitgeroepen. Een godsdienst, die niet vóór alles een zucht naar den dood was! Een godsdienst, die eindelijk het Koninkrijk Gods, waarvan het Evangelie spreekt, verwezenlijkt, die den rijkdom gelijkelijk verdeelt, die, met de wet van den arbeid, waarheid en gerechtigheid heerschen doet.
En in de koorts van dezen nieuwen droom zag Pierre reeds de bladzijden van zijn nieuw boek, waarin hij door de verkondiging der wet van het verjongde en bevrijdende Christendom het oude Rome geheel vernietigen zou, voor zich opvlammen, toen zijn blik viel op een voorwerp, dat op een stoel was blijven liggen. Eerst vond hij het vreemd het daar zoo te zien. Het was ook een boek, het deel van Théophile Morin, dat de oude Orlando hem opgedragen had aan den schrijver te overhandigen; hij werd eenigszins boos op zichzelf, toen hij het herkende, want hij had het, zoo zeide hij tot zichzelf, zeer goed daar kunnen vergeten. Voor hij zijn handkoffertje weer openmaakte, om het erin te leggen, hield hij het een oogenblik in zijn hand en bladerde het door; plotseling was hij van gedachte veranderd, alsof er eensklaps een buitengewone gebeurtenis, een van die feiten voorgevallen was, welke een wereld in oproer brengen. Toch was het een zeer eenvoudig werkje, het handboek voor het baccalaureaat, dat nauwlijks de beginselen van de wetenschappen bevatte; maar alle wetenschappen waren erin vertegenwoordigd, zoodat het vrij nauwkeurig den tegenwoordigen stand der menschelijke kennis resumeerde. In één woord, het was de wetenschap, die plotseling met de onweerstaanbare energie van een almachtige, souvereine kracht in Pierre's gepeins binnendrong. Niet alleen het Katholicisme werd als het stof van puinhoopen weggeveegd, maar ook alle godsdienstige begrippen, alle hypothesen voor het goddelijke wankelden, stortten in.
Dit eenvoudige uittreksel, dit oneindig kleine schoolboekje, de begeerte tot weten, dit zich dagelijks uitbreidende, het geheele volk omvattende onderwijs was voldoende om de mysteries belachelijk te doen worden, om de dogma's ineen te doen storten, om te maken, dat niets van het oude geloof overeind staan bleef. Een volk, dat gevoed is met wetenschap, dat niet meer gelooft aan mysteries en dogma's, niet meer gelooft aan het compensatiestelsel van straffen en belooningen, is een volk, welks geloof voor eeuwig dood is; en zonder geloof kan het Katholicisme niet bestaan. Dat is de snede van het hakmes, het mes, dat valt en doorsnijdt. Al moge er een of twee eeuwen voor noodig zijn, de wetenschap zal ze nemen. Zij alleen is eeuwig. Het is een absurditeit, om te zeggen, dat de rede niet in strijd is met het geloof en dat de wetenschap de dienaresse van God is. Waar is, dat de Heilige Schrift van af dit oogenblik ten gronde gericht is, en dat men haar, om de brokstukken ervan te redden, heeft moeten aanpassen aan de nieuw-verkregen zekerheden, door zijn toevlucht te nemen tot symbolen. En welk een vreemde houding neemt de Kerk aan, als zij ieder, die een met de Heilige Boeken in strijd zijnde waarheid ontdekt, verbiedt zich op een besliste wijze uit te spreken, in de verwachting, dat deze waarheid eenmaal een dwaling zal blijken te zijn!
De paus alleen is onfeilbaar, de wetenschap feilbaar; men buit haar voortdurend tasten en zoeken tegen haar uit, men ligt op de loer, om haar ontdekkingen van heden in tegenspraak te brengen met die van gisteren. Wat bekommert een Katholiek zich om haar heiligschennende beweringen, om de zekerheden, waarmede zij het geloof aantast, daar het voor hem immers vaststaat, dat aan het einde der tijden wetenschap en geloof zich vereenigen zullen, en wel zoo, dat de eerste in den letterlijken zin des woords de slavin van het tweede geworden is? Was deze vrijwillige verblinding, deze zelfs het zonlicht loochenende houding niet iets wonderlijks? En het oneindig kleine werkje, het handboekje der waarheid zette zijn werk voort, door ondanks alles de dwaling te vernietigen en de toekomstige aarde op te bouwen, zooals de oneindig kleine deeltjes, de levenskrachten langzamerhand de continenten gebouwd hebben.
In het heldere licht, dat hem nu omgaf, voelde Pierre eindelijk vasten grond onder zijn voeten. Is de wetenschap ooit teruggedeinsd? Neen, het Katholicisme is onophoudelijk voor haar teruggeweken en zal genoodzaakt zijn altijd terug te wijken. Nooit staat zij stil, zij verovert stap voor stap de waarheid op de dwaling, en wanneer men zegt, dat zij bankroet slaat, omdat zij de wereld niet onmiddellijk verklaren kan, dan is dat onredelijk. Wanneer zij aan het mysterie een steeds kleiner wordend gebied laat en ongetwijfeld ook altijd laten zal, wanneer een hypothese altijd zal kunnen trachten van dat mysterie een verklaring te geven, dan is het daarom niet minder waar, dat zij ieder uur meer de oude hypothesen, de hypothesen, die door de veroverde waarheden ineenstorten, vernietigt en vernietigen zal. En het Katholicisme bevindt zich in dien toestand, zal dat morgen nog meer zijn dan heden. Evenals alle andere godsdiensten, is het in den grond der zaak niet meer dan een wereldverklaring, den hoogere sociale en politieke codex, die bestemd is den vrede en het grootst mogelijke geluk op aarde te doen heerschen. Deze codex, die de gezamenlijke dingen omvat, wordt daardoor menschelijk, sterfelijk, zooals alles wat menschelijk is. Men kan het niet afzonderlijk plaatsen door te zeggen, dat het aan de eene zijde door zichzelf bestaat, terwijl de wetenschap aan de andere existeert. De wetenschap is volkomen en zij heeft dat aan het Katholicisme zeer goed te verstaan gegeven en zal het te verstaan blijven geven door het te noodzaken de voortdurende bressen, die zij erin slaat, te herstellen. Het is belachelijk, wanneer men ziet hoe menschen de wetenschap een ondergeschikte rol willen aanwijzen, haar verbieden dit of dat terrein te betreden, haar voorspellen, dat zij niet verder komen zal, beweren, dat zij, nu reeds moede, aan het einde dezer eeuw afstand doen zal. O, gij kleine menschen, gij beperkte of slecht gebouwde hersenen, gij politici van uitvluchten, gij dogmatici in uw laatste stuiptrekkingen, gij, die maar steeds uw oude droomen verder droomen wilt, de wetenschap zal ze wegvagen en met zich voeren als droge bladeren!
Pierre bleef in het eenvoudige boekje bladeren en luisterde naar wat het hem vertelde van de souvereine wetenschap. Zij kan geen bankroet slaan, omdat zij het absolute niet belooft en slechts de geleidelijke verovering der waarheid is. Nooit heeft zij zich aangematigd in eens de geheele waarheid te geven, daar dat systeem juist het systeem is van de metaphysica, de openbaring en het geloof. De taak der wetenschap is echter slechts om, hoe verder zij voortschrijdt en licht verspreidt, de dwaling te vernietigen. En wel verre van bankroet te slaan blijft zij in haar voortschrijden, dat door niets tegengehouden kan worden voor evenwichtige en gezonde hersenen de eenig mogelijke waarheid. Zij, die door haar niet bevredigd worden, die een behoefte tot onmiddellijk en volkomen weten in zich voelen, kunnen nog altijd hun toevlucht nemen tot de een of andere godsdienstige hypothese, onder voorwaarde evenwel, dat zij, wanneer zij schijnbaar gelijk willen hebben, hun hersenschimmen slechts op overwonnen zekerheden bouwen. Alles wat gebouwd wordt op een bewezen dwaling, stort ineen.
Wanneer het religieuse gevoel bij den mensch voortleven blijft, wanneer de behoefte aan een godsdienst eeuwig blijft, dan volgt daar niet uit, dat het Katholicisme eeuwig is, want het is per slot van rekening niets dan een godsdienstvorm, die niet altijd bestaan heeft, waaraan andere godsdienstvormen vooraf gegaan zijn en die nog door andere gevolgd zullen worden. De godsdiensten kunnen verdwijnen, het godsdienstige gevoel zal er, zelfs met behulp van de wetenschap, nieuwe scheppen.
Pierre dacht aan dat zoogenaamde echec, dat de wetenschap geleden zou hebben tegenover de tegenwoordige herleving van het mysticisme, waarvan hij de oorzaken in zijn boek aangewezen had: in de eerste plaats het verval van de vrijheidsidee onder het volk, dat men bij de laatste deeling bedrogen heeft, in de tweede plaats het onbehaaglijke gevoel der elite, die wanhopig is over de leegte, waarin haar bevrijde rede, haar zich uitgebreid hebbend intellect haar achterlaten. Het is de angst voor het onbekende, die herleeft, maar het is ook na zooveel werk, een natuurlijke en tijdelijke reactie in het eerste oogenblik, waarin de wetenschap noch onze dorst naar gerechtigheid, noch ons verlangen naar waarheid, noch de eeuwenoude voorstelling, die wij ons in een voortleven en in een eeuwig genieten van het geluk maken, bevredigt. Om het Katholicisme weer te kunnen doen herleven, moet de sociale bodem veranderd worden, deze echter kan zich niet meer veranderen; hij bezit niet meer het noodige sap tot hernieuwing van een bouwvallige formule, die door de scholen en laboratoria dagelijks meer vernietigd wordt. De bodem heeft zich veranderd, een andere eik zal er op groeien. Laat de wetenschap dus haar godsdienst hebben, wanneer er een uit haar moet opschieten, want deze godsdienst zal weldra de eenige mogelijke zijn voor de democratie van morgen, voor de zich steeds meer ontwikkelende volkeren, bij wie het Katholieke geloof reeds nu niet meer dan asch is.
En plotseling kwam Pierre tot een conclusie, toen hij aan de onnoozelheid der Indexcongregatie dacht. Zij had zijn boek veroordeeld en zou zeker ook zijn nieuwe boek, waarvan hij het plan reeds in groote trekken ontworpen had, veroordeelen, als hij het ooit schreef. Een mooie taak voorwaar om arme boeken van een geestdriftigen dweper te veroordeelen. En dit kleine schoolboekje, dat hij hier in zijn hand had, den eenigen altijd gevaarlijken en triompheerenden vijand, die zeker de Kerk omverwerpen zou, waren zij zoo dwaas geweest niet op den Index te plaatsen! Al zag het er in zijn armzalig schoolboekjes-uiterlijk nog zoo bescheiden uit, het gevaar begon bij het alphabet, dat de kleine kinderen spelden, het werd steeds grooter naarmate het leerplan zich uitbreidde, het kwam tot uitbarsting met die resumé's der natuurkundige wetenschappen, met de resultaten der physica en chemie, die de schepping van den God der Heilige Schrift al zeer twijfelachtig gemaakt hebben. Maar het ergste was, dat de reeds ontwapende Index deze bescheiden boekjes, deze vreeselijke soldaten der waarheid, deze vernietigers van het geloof, niet durfde onderdrukken. Welke waarde had dus al het geld, dat Leo XIII van den verborgen schat van den Pieterspenning nam, om het te geven aan de Katholieke scholen in de hoop daar de geloovige generatie van morgen, die het pausdom noodig had, om te overwinnen, te vormen? Welke waarde bezaten die kostbare giften, als zij slechts dienden, om die oneindig kleine boekjes, die men nooit genoeg zou kunnen zuiveren, die altijd te veel wetenschap zouden bevatten, welke eenmaal het Vaticaan en de St. Pieter in de lucht zouden doen vliegen, te koopen? O, wat een jammerlijke hoon was die idiote, niets beteekenende Index?
Toen Pierre het boek van Théophile Morin in zijn handkoffertje geborgen had, ging hij weer voor het raam staan en had daar een vreemd visioen. In den zoo zachten en triesten nacht hadden zich onder den bewolkten, door de roestkleurige maan geelgekleurden hemel zwevende nevels verheven, die de daken gedeeltelijk achter hun slepende, op lijkwaden gelijkende flarden bedekten. Geheele gebouwen waren van den horizont verdwenen. En hij stelde zich voor, dat de tijden in vervulling waren gegaan, dat de waarheid den dom der St. Pieter in de lucht had doen vliegen. Na honderd of duizend jaren zou hij daar ongetwijfeld ingestort met den grond gelijk liggen. Reeds had hij op den opwindenden dag, dat hij er een uur in doorgebracht had, gevoeld, dat hij onder hem wankelde en scheurde: met wanhoop in zijn hart had hij toen uit de hoogte naar het in zijn heerschersdroom volhardende, pauselijke Rome gekeken, en toen voorzien, dat deze tempel van den Katholieken God zou instorten, zooals de tempel van Juppiter Capitolinus ingestort was. En nu was het uit: de dom had den bodem met zijn puin bezaaid en niets was er meer van over dan een stuk van de apsis met vijf zuilen van het middenschip, die ieder nog een gedeelte van de bovenste muurlijst droegen. Met name echter stonden nog de vier zuilen van het kruis, die den dom gedragen hadden, de cyclopische zuilen, die zich eenzaam en trotsch tusschen het puin eromheen verhieven. Dichte nevels zweefden aan; nog duizend jaren zouden verloopen en dan was er niets meer over. Nu waren ook de apsis, de laatste zuilen, ook de kruiszuilen met den grond gelijk gemaakt. De wind had hun stof weggevoerd, men zou den bodem hebben moeten uitgraven, om tusschen distels en doornen enkele brokstukken van gebroken beelden, van marmeren platen met opschriften te vinden, over de beteekenis waarvan de geleerden het niet eens konden worden. Evenals vroeger op den Capitolinus tusschen het begraven puin van den tempel van Juppiter, klauterden geiten in de eenzaamheid, in de diepe, slechts door het zoemen der vliegen gestoorde stilte van drukkende zomermiddagen en voedden zich met struiken.
Toen eerst voelde Pierre hoe alles in hem ingestort was. Het was geheel uit, de wetenschap was overwinnares, er bleef niets van de oude wereld over. Waartoe diende het eigenlijk nog de schismaticus, de verwachte hervormer te zijn? Stond het eigenlijk niet gelijk met het opbouwen van een nieuwen droom? Slechts de eeuwige strijd der wetenschap tegen het onbekende, haar onderzoek, dat in de menschen de dorst naar het goddelijke steeds minder maakte, scheen hem nu van belang toe en maakte hem nieuwsgierig of zij eens zoo triompheeren zou, of zij eenmaal de menschheid door de bevrediging van al haar behoeften, voldoening schenken zou. In het bankroet van zijn apostelgeestdrift werd hij tegenover de ruïnen, die zijn geheele wezen, zijn dood geloof, zijn doode hoop, om het oude Katholicisme voor de sociale en moreele redding te gebruiken, bedekten, nog slechts staande gehouden door zijn rede. Een oogenblik had zij gewankeld. Dat hij zijn boek gedroomd, dat hij deze tweede en verschrikkelijke crisis doorgemaakt had, was een gevolg hiervan, dat zijn gevoel opnieuw de overwinning op zijn rede behaald had. Bij het zien van het lijden der ongelukkigen, in zijn onweerstaanbare begeerte om die te verlichten, ten einde daardoor de naderende bloedbaden te voorkomen, was zijn moeder in hem beginnen te weenen, en zijn behoefte aan naastenliefde had de bezwaren van zijn verstand het zwijgen opgelegd. Thans echter hoorde hij de stem van zijn vader, de hooge rede, de grimmige rede--de rede, die een oogenblik verduisterd kon worden, maar majestueus terugkeerde. Evenals na Lourdes, protesteerde hij tegen de verheerlijking van het absurde en het verval van het gezonde menschenverstand. Hij was de rede. Zij alleen deed hem rechtop en krachtig voortschrijden te midden van de puinhoopen van het oude geloof, zelfs te midden van de duisterheden en misgeboorten der wetenschap. O, de rede, hij leed slechts door haar, hij kon slechts vrede vinden door haar, hij zwoer haar, zijn eenige meesteres, steeds meer te bevredigen, ook al zou hij zijn geluk daarom op het spel zetten.
Wat zou hij doen? Het zou vergeefsche moeite zijn, als hij trachtte dit thans te weten te komen. Alles was nog zwevende; hij had de geheele wereld voor zich. Zij was nog versperd door de ruïnes van het verleden, die echter misschien morgen reeds uit den weg zouden zijn geruimd. Daar, in de treurige voorstad, zou hij den goeden abbé Rose terugvinden, die hem den vorigen dag nog geschreven had toch heel gauw terug te komen, om zijn armen te redden, lief te hebben en te verzorgen, daar dit uit de verte zoo schitterende Rome doof was voor barmhartigheid. En om den vreedzamen priester zou hij ook den voortdurend wassenden vloed der ongelukkigen terugvinden--de uit het nest gevallen, van honger bleeke, van koude bevende kleinen, die hij opraapte--de in ontzettenden nood verkeerende huishoudens, waar de vader drinkt, de moeder zich prostitueert, de zoons en dochters tot ontucht en misdaad vervallen--geheele huizen, waardoor de honger blies--de afzichtelijkste vuilheid, het schandelijkste samenhokken--geen meubelen, geen linnengoed--een dierlijk leven, dat bevrediging zoekt, waar het die vinden kan. Dan zouden weer de wintervorsten komen, de rampen van het sluiten der werkplaatsen, de tering, die als een rukwind de zwakken wegrukte, terwijl de sterken wraakgierig hun vuisten balden. Dan zou hij misschien op een avond een kamer binnentreden, waarin een moeder zich met haar vijf kleinen, haar jongst-geborene nog aan haar leege borst, de anderen verspreid over den kalen vloer, gedood zou hebben. Neen, neen, deze zwarte, tot zelfmoord leidende ellende te midden van het groote, met rijkdommen opgepropte, van genot dronken Parijs, dat voor zijn pleizier millioenen op straat wierp, was niet meer mogelijk. Het sociale gebouw was in zijn grondvesten verrot, alles stortte neer in modder en bloed. Nooit had hij zoozeer de belachelijke nutteloosheid van de barmhartigheid gevoeld. En plotseling werd hij zich bewust, dat het verwachte woord, het woord, dat eindelijk uit den mond van den grooten, eeuwenouden Zwijgende, van het verpletterde en geknevelde volk, opsteeg, het woord "Gerechtigheid" was. Ja, gerechtigheid, geen barmhartigheid. De barmhartigheid had slechts de ellende tot in het oneindige doen voortduren, de gerechtigheid zou deze misschien genezen. Naar gerechtigheid hongerden de ongelukkigen, een daad van gerechtigheid kon alleen de oude wereld wegvagen, om de nieuwe te kunnen opbouwen.
De groote Zwijgende zou noch aan het Vaticaan, noch aan het Quirinaal, noch aan den paus noch aan den koning toebehooren; in zijn langen, nu eens geheimen, dan weer open strijd door alle tijden heen had het slechts gegromd en zich tusschen den paus en den keizer, die het ieder voor zichzelf wilden, slechts verzet, om weer tot zichzelf te komen, om op den dag, dat het "gerechtigheid" schreeuwen zou, te kennen te geven, dat het aan niemand toebehooren wilde. Zou morgen misschien reeds die dag van gerechtigheid en waarheid aanbreken? In zijn angst, zwevende tusschen zijn behoefte aan het goddelijke, dat de menschen kwelt, en de opperheerschappij der rede, die hem helpt staande te blijven, was Pierre slechts van één ding zeker: hij wilde zijn eed houden, als priester zonder geloof over het geloof van anderen waken, kuisch en eerlijk zijn taak vervullen, vol trotsche droefheid, dat hij geen afstand had kunnen doen van zijn rede, zooals hij afstand gedaan had van zijn liefdeszinnelijkheid en van zijn droom de redder der menschheid te worden. En weer, evenals na Lourdes, wilde hij wachten.
Maar bij dit raam, tegenover dat in donkerte gedompelde Rome, waren zijn overpeinzingen zóó diep geworden, dat hij niet eens hoorde hoe een stem hem riep. Eerst toen een hand op zijn schouder gelegd werd, verstond hij:
"Mijnheer de abbé! Mijnheer de abbé..."
En toen hij zich eindelijk omkeerde, zeide Victorine tegen hem:
"Het is half tien, mijnheer de abbé. Het rijtuig staat voor. Giacomo heeft de bagage al beneden gebracht... U moet gaan, mijnheer de abbé!"
En toen zij zag, hoe hij nog verschrikt met zijn oogen knipte, glimlachte zij.
"Neemt u afscheid van Rome? Een leelijke lucht, niet?"
"Ja, heel leelijk," zeide hij eenvoudig.
Toen gingen zij naar beneden. Hij gaf haar een biljet van honderd francs, om met het personeel te deelen. Zij nam de lamp en lichtte hem voor, omdat het, zooals zij zeide, dien avond zoo pikdonker in het paleis was.
O, dit vertrek, deze laatste gang door het zwarte en ledige paleis! Hoe werd Pierre erdoor van streek gebracht! Hij had een laatsten afscheidsblik door zijn kamer geworpen, den afscheidsblik, die hem steeds met wanhoop vervulde en een stuk van zijn ziel wegrukte, zelfs wanneer hij een vertrek verliet, waarin hij geleden had. Voor de kamer van don Vigilio, waaruit slechts een huiverende stilte kwam, stelde hij zich voor hoe deze het hoofd in het kussen drukte, zijn adem inhield, uit vrees, dat zijn adem nog spreken en hem de wraak van de Jezuïeten op den hals halen zou. Maar vooral op de portalen der tweede en eerste verdieping tegenover de gesloten deuren van donna Serafina en van den kardinaal, doorhuiverde een rilling hem, toen hij niets hoorde, zelfs geen zucht; het was, als liep hij langs graven.
Na hun terugkeer van de begrafenis hadden zij geen levensteeken meer gegeven; zij hadden zich opgesloten en daarmede het geheele huis tot onbeweeglijkheid gebracht, waarin men zelfs niet het fluisteren van een gesprek of het schuifelend sluipen van een bediende hoorde, Victorine liep nog steeds met de lamp in haar hand voor hem uit en Pierre volgde haar, steeds denkende aan deze twee, die alleen bleven in het in puin vallende paleis, de laatsten van een reeds half ingestorte, op den drempel van een nieuwe wereld staande wereld. Dario en Benedetta hadden alle levenshoop met zich mede genomen; nog slechts de oude ongetrouwde vrouw en de onvruchtbare priester waren er. Een herleving was niet meer mogelijk. O, deze eindelooze, luguber-donkere gangen, deze koude, reusachtige trap, die in het Niet scheen af te dalen, deze groote zalen, welker muren van armoede en verwaarloozing scheurden! En het op een kerkhof gelijkende binnenplein met zijn gras, zijn vochtige zuilengaanderij, waaronder de torso's van Venus en Apollo wegrotten! En de kleine tuin, doorgeurd door de rijpe oranjeappelen, waarin niemand meer komen zou, nu men er onder den laurierboom bij den sarkophaag de aanbiddelijke contessina niet meer zou ontmoeten. Dat alles ging onder in den afschuwlijken rouw, in de doodsche stilte, waarin de twee laatste Boccanera's in hun woeste grootschheid nog slechts behoefden te wachten, tot hun paleis, evenals hun God, op hun hoofden zou instorten. En Pierre hoorde niets anders dan een heel zacht geluid, het geritsel van een muis zeker of de tanden van een knaagdier, abbé Paparelli, die ergens in de afgelegen kamer bezig was den muur af te brokkelen, het oude huis van onderen af weg te knagen, om de instorting te verhaasten.
Het rijtuig met zijn twee lantaarns, waarvan de twee gele stralen door de donkerte der straat boorden, stond voor de deur. De bagage was er reeds ingezet: het kistje naast den koetsier, het handkoffertje op het bankje. En de priester stapte dadelijk in.
"O, u hebt tijd genoeg," zeide Victorine, die op het trottoir was blijven staan. "U hebt alles; ik ben blij, dat u zoo op uw gemak vertrekken kunt."
Het was een troost voor hem in deze laatste minuut deze landgenoote bij zich te hebben, deze goede ziel, die hem bij zijn aankomst begroet had en nu bij zijn vertrek hem uitgeleide deed.
"Ik zeg niet tot ziens, mijnheer de abbé, want ik geloof niet, dat u zoo gauw in deze verduivelde stad terug zult komen... Vaarwel, mijnheer de abbé!"
"Vaarwel, Victorine. En hartelijk, hartelijk dank."
Reeds reed het rijtuig in vluggen draf weg en draaide door de nauwe en kronkelende straten, die naar den Corso Victor-Emanuele leidden. Het regende niet, de kap was niet opgeslagen; maar hoewel de vochtige lucht zacht was, kreeg de jonge priester het toch koud. Hij wilde echter geen tijd verliezen door den koetsier, ditmaal een, die geen woord zeide en slechts haast scheen te hebben om aan het station te komen, te laten ophouden.
Toen Pierre in den Corso Victor-Emanuele kwam, vond hij dezen tot zijn verbazing op het vroege uur al verlaten. De huizen waren gesloten, de trottoirs leeg, de electrische lampen brandden alleen in de melancholieke eenzaamheid. Het was inderdaad niet warm, de mist scheen dikker te worden en de gevels nog meer te omhullen. Toen hij langs de Cansellaria kwam, kreeg hij een gevoel alsof het strenge en reusachtige monument achteruitweek en als in een droom verdween. Verderweg, rechts, aan het einde van de door enkele lantaarns verlichte Via d'Aracoeli was het Kapitool in volkomen donkerte gedompeld. Dan werd de breede Corso smaller en reed het rijtuig tusschen de twee sombere massa's van de donkere Il Gesù en den zwaren palazzo Altieri; en in deze nauwe gang, waarin zelfs op mooie zonnige dagen de geheele vochtigheid der oude tijden voelbaar was, gaf hij zich over aan een nieuw gepeins.
Plotseling ontwaakte in hem weer de gedachte, die hem reeds zoo menigmaal verontrust had, dat de van Azië uitgegane menschheid steeds weer in de richting der zon voortgeschreden was. Een Oostenwind had steeds gewaaid en het menschelijk zaad voor de toekomende oogsten naar het Westen medegevoerd. En sedert lang hadden verwoesting en dood de wieg getroffen, alsof de volkeren slechts etappegewijze vooruit konden gaan, terwijl zij den uitgeputten bodem, de verwoeste steden, de gedecimeerde en ontaarde bevolkingen achter zich lieten, hoe verder zij van het Oosten naar het Westen, naar het onbekende doel gingen. Ninive en Babylon aan de oevers van den Euphraat, Thebe en Memphis op den oever van den Nijl, waren in puin gevallen, van ouderdom en moeheid in een verdooving verzonken, waaruit geen ontwaken mogelijk was. Vandaaruit had deze aftakeling de kusten van het groote Middellandsche meer bereikt en Tyrus en Sidon onder het stof der eeuwen begraven, om daarna het in zijn volle schittering door ouderdomszwakte overvallen Carthago in slaap te wiegen. Deze voorwaarts schrijdende menschheid, die door de verborgen kracht der beschavingen zoo van het Oosten naar het Westen gedreven werd, gaf haar dagreizen aan door bouwvallen. Welk een vreeselijke onvruchtbaarheid bezit thans die wieg der geschiedenis, dit Azië, dit Egypte, die, tot het stamelen van het kind teruggekeerd, onbeweeglijk, in onwetendheid en verval neerliggen op de puinhoopen der oude hoofdsteden, die vroeger de wereld beheerschten!
In het voorbijrijden, midden in zijn gepeins, kreeg Pierre het gevoel, dat de in donkerte gedompelde Palazzo di Venezia onder een aanval uit het onzichtbare scheen in te storten. De nevel had zijn tinnen bedekt, en de hooge, kale muren bogen onder den druk der toenemende duisternis. Dan na het diepe gat van den Corso, die ook eenzaam in het witachtig licht der booglampen lag, doemde rechts van hem de palazzo Torlonia op, waarvan de eene vleugel door het houweel van den slooper groote bressen vertoonde, terwijl links de donkere gevel van den palazzo Colonna zijn gesloten ramen aan elkander rijde, alsof hij, door zijn meesters verlaten en beroofd van zijn vroegere pracht, op zijn beurt de sloopers verwachtte.
Terwijl het rijtuig langzamer de Via Nazionale op begon te rijden, zette Pierre zijn gepeins voort. Had de verwoesting, die de voorwaarts schrijdende volkeren steeds achter zich lieten, ook Rome niet aangegrepen? Was ook zijn uur niet gekomen, om te verdwijnen? Griekenland, Athene en Sparta sliepen onder hun roemrijke herinneringen, telden in de tegenwoordige wereld niet meer mede. Het Zuiden van het Italiaansche schiereiland was reeds door de verlamming aangetast. Nu was, tegelijk met Napels, Rome aan de beurt. Het lag op de grens der besmetting, op den rand van de doodsvlek, die zich steeds verder over het oude vasteland uitbreidt, op den rand, waar de doodsstrijd begint, waar de uitgeputte bodem geen steden meer voeden of dragen wil, waar de menschen zelf reeds bij hun geboorte oud schijnen te zijn. Sedert twee eeuwen takelde Rome af, trok het zich langzamerhand uit het moderne leven terug, had het zijn handel en industrie verloren, bezat het zelfs geen wetenschap, kunst en letterkunde meer. En het was niet alleen de St. Pieter, die steeds meer afbrokkelde en, zooals vroeger de tempel van Juppiter Capitolinus, het gras met zijn puin bezaaide, maar in zijn duister, pijnlijk gedroom stortte geheel Rome met een laatste gekraak in en bedekte de zeven heuvelen met den chaos van zijn kerken, paleizen en nieuwe wijken, die onder distels en doornen sliepen. Evenals Ninive en Babylon, evenals Thebe en Memphis was Rome niet meer dan een kale, door bouwvallen hobbelig gemaakte vlakte, te midden waarvan men vergeefs de plaats der gebouwen trachtte te herkennen en waarin slechts kronkelende slangen en benden ratten huisden.
Het rijtuig maakte een bocht en Pierre herkende rechts in een donker gat de zuil van Trajanus. Maar in dit avonduur was zij geheel zwart, als de doode stam van een reuzenboom, welks takken door zijn hoogen ouderdom afgevallen zijn. En toen hij iets verder zijn blik omhoog sloeg, kwam de echte boom, dien hij tegen den loodkleurigen hemel onderscheidde--de piniepijn der villa Aldobrandini, die daar als de gratie en de trots van Rome stond--hem voor als een vuile vlek, als een kleine wolk van stof, die uit de volkomen ineenstorting der stad opsteeg.
Nu, aan het einde van zijn tragischen droom, werd zijn door broederliefde vervuld hart door schrik aangegrepen. Wanneer de door de verouderde wereld voortschrijdende verstijving Rome voorbij zou zijn, wanneer zij zich meester gemaakt zou hebben van Lombardije en Genua, Turijn en Milaan zouden inslapen, zooals thans Venetië reeds slaapt, dan zou eindelijk de beurt aan Frankrijk komen! Zij zou de Alpen overtrekken, Marseille zou zijn havens verzand zien als die van Tyrus en Sydon, Lyon in eenzaamheid en slaap wegzinken, Parijs eindelijk veranderd worden in een onvruchtbaar, met distelen bezaaid veld van steenen en Rome, Ninive en Babylon in den dood volgen, terwijl de volkeren met de eeuwige zon hun tocht van het Oosten naar het Westen voortzetten zouden. Een luide kreet steeg op uit de duisternis, de doodskreet der Latijnsche rassen. De Geschiedenis, die in het bekken der Middellandsche Zee geboren scheen te zijn, verplaatste zich en thans werd de Atlantische Oceaan het middelpunt der wereld. Hoe hoog stond de zon der menschheid? Bevond de menschheid, die van haar wieg, van het Oosten uitgegaan was en van etappe tot etappe haar weg met bouwvallen bezaaide, zich reeds op het midden van den dag, wanneer de middagzon brandt? Dan zou dus de andere helft van den dag beginnen, dan kwam de Nieuwe Wereld in de plaats van de Oude, dan waren de Amerikaansche steden, waar de democratie werd voorbereid, waar de godsdienst van morgen kiemt, de onbeperkt heerschende koninginnen der komende eeuw. En dan kwam, aan de overzijde van den anderen Oceaan, de wieg weer dichter naderend, het onbeweeglijke Verre Oosten, het geheimzinnige China en Japan, het dreigende gele gevaar.
Maar hoe verder het rijtuig de Via Nazionale opklom, des te meer voelde Pierre zijn beklemming wijken. Er woei een lichtere bries, hoop en moed kwamen weer in zijn ziel terug. Toch maakte de Bank met haar leelijke nieuwheid en haar nog vochtige kolossaalheid op hem den indruk van een spook, dat in zijn lijkwade door den nacht wandelt, terwijl boven de schemerachtige tuinen het Quirinaal niet meer was dan een zwarte lijn tegen den nog zwarteren hemel. Maar de straat steeg steeds hooger, en op den top van den Viminalis, op het Thermenplein, toen Pierre langs de puinhoopen van de thermen van Diocletianus reed, kon hij eindelijk uit volle borst adem halen. Neen, neen, de dag der menschheid kon niet eindigen; hij was eeuwig, de etappes der beschaving zouden elkaar zonder einde opvolgen. Wat beteekende die Oostenwind, die de als door de kracht der zon voortgedreven volkeren naar het Westen droeg? Wanneer het noodig was, zouden zij aan de andere zijde van de aardbol terugkomen, zouden zij meermalen de reis om de wereld maken, tot den dag, waarop zij zich in vrede, waarheid en gerechtigheid blijvend zouden kunnen vestigen. Na de volgende beschaving om den Atlantischen Oceaan, die dan het middelpunt en met groote steden omzoomd zijn zou, zou weer een nieuwe beschaving ontstaan; haar middelpunt zou de Stille Oceaan zijn met andere kusthoofdplaatsen, die men nog niet voorspellen kon en wier kiemen nog aan onbekende stranden sluimerden. Dan weer andere, nog andere, steeds andere!
En in deze laatste minuut kwam de moedgevende en reddende gedachte in hem op, dat de groote beweging der menschheid het instinct, de drang zelf was, dien de volkeren voelden, om terug te keeren tot de eenheid. Uitgegaan van één enkele familie, streefden zij, hoewel zij zich later gescheiden en in stammen verdeeld en elkaar met haat en broedermoord vervolgd hadden, ondanks alles ernaar weer één enkele familie te worden. De provincies vereenigden zich tot volkeren, de volkeren vereenigden zich tot rassen, de rassen zouden zich ten slotte tot één onsterfelijke menschheid vereenigen. Eindelijk een menschheid zonder grenzen, zonder oorlog--een menschheid, die van den rechtvaardigen arbeid in algeheele gemeenschap van goederen leeft! Was dat niet de evolutie, het doel van alle werk, de oplossing der Geschiedenis. Moge dus Italië een gezond en krachtig volk zijn, moge eendracht tusschen Italië en Frankrijk ontstaan, moge deze broederschap der Latijnsche rassen het begin der universeele broederschap zijn! O, een eenig vaderland, de aarde in vrede en gelukkig! Hoeveel eeuwen nog? Welk een droom!
In het station, te midden van het gedrang, dacht Pierre niet meer. Hij moest zijn kaartje nemen, zijn bagage laten inschrijven. En onmiddellijk stapte hij in zijn coupé. Overmorgen, bij het aanbreken van den dag, zou hij weer terug zijn in Parijs.
EINDE.
AANTEEKENINGEN
[1] Badhuizen der oude Romeinen.
[2] Klokketorentje.
[3] Een lang kleed.
[4] Iemand, die zich borg stelt voor een leerling, een boek enz.
[5] God en volk.
[6] Het beroemde spreekgestoelte.
[7] Halve, afgeknotte zuilen als symbool van den dood.
[8] Het Grieksche woord ichthus, waarvan de vijf letters (ch en th zijn beide één letter) de initialen zijn van Ièsous, Christos, Theou, Uios, Soter.
[9] Grijsachtig, geaderd marmer.
[10] Daar is hij, daar is hij!
[11] Lang kleed.
[12] Een soort schouderbedekking.
[13] Gedeelte van de mis, waarin de priester zijn handen wascht en een psalm, aanvangende met dat woord, aanheft.
[14] De opheffing der hostie.
[15] Leve de paus-koning!
[16] "Gij zijt Petrus (de steen) en op dezen steen zal ik mijn kerk bouwen."
[17] Hoe mooi!
[18] Pauselijke kanselarij.
[19] Overdekt bootje der Middellandsche Zee met een driehoekig zeil.
[20] Dank, dank.
[21] Poussin, een bekend Fransch schilder.
[22] Groep van drie nummers, die alle drie bij één loting moeten uitkomen, om te winnen.
[23] Een der werken van Virgilius.
[24] Een van de meest bekende giftmengsters te Rome.
[25] "Vrede zij dit huis." "En allen, die daarin wonen."
[26] "Gij besprenkelt mij met hysop, Heer, en ik zal gereinigd worden; Gij wascht mij, en ik zal witter worden dan sneeuw."
[27] Ik geloof in den eenigen God.
[28] Moge God door deze heilige zalving en zijn Goddelijke barmhartigheid u al wat gij door uw gezicht, uw gehoor, uw reuk, uw smaak en uw gevoel gezondigd hebt, vergeven!
[29] Verstopping van een bloedvat door geronnen bloed.
[30] S(enatus) P(opulus) Q(ue) R(omanus). Senaat en volk van Rome.