← De drie steden: Rome

De drie steden: Rome (part 2 of 3)

Part 2 of 3 · Zola, Émile · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #61326, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (3)

Continue:

De drie steden: Rome (part 2 of 3)

"In geldverlegenheid, in geldverlegenheid?" riep monsignor Nani uit, dien dat woord zoo buiten zichzelf bracht, dat hij zijn diplomatieke achterhoudendheid varen liet. "Maar, mijn waarde zoon!... Iedere maand, dat de rentmeester, kardinaal Mocenni, naar Zijne Heiligheid gaat, geeft de Heilige Vader hem de som, die hij vraagt, en hij zou ze hem geven, ook al was zij nog zoo groot. Natuurlijk is hij zoo verstandig geweest een flinke reserve te maken; de schatkist van den Heiligen Petrus is rijker dan ooit... In geldverlegenheid! In geldverlegenheid! Lieve God! Maar weet u wel, dat, als morgen onverhoopt de paus een direct beroep moest doen op de liefde van zijn kinderen, de Katholieken der geheele wereld, een milliard voor zijn voeten neervallen zou juist zooals het goud en de juweelen, die daareven op de treden van den troon regenden?"

Doch zich dan weer kalmeerend en zijn vriendelijken glimlach terugkrijgend:

"Dat heb ik tenminste meermalen hooren zeggen, want ik persoonlijk weet niets, absoluut niets. Het is maar heel gelukkig, dat mijnheer Habert juist hier was, om u in te lichten... En ik dacht nog al, mijnheer Habert, dat u geheel en al in de kunst opging en u verre hieldt van al die vragen van aardsch belang! Waarachtig, u bent in die dingen even goed thuis als een bankier of een notaris... U weet letterlijk alles, ja zeker, alles! Het is wonderlijk!"

Narcisse voelde blijkbaar de fijne ironie, want inderdaad stak in hem onder den nagemaakten Florentijn, onder den engelachtigen jongen met zijn lange, gelokte haren, zijn lichtblauwe oogen, die voor de Botticelli's wegzwijmelden, een praktische, in zaken zeer ervaren man, die zijn fortuin bewonderenswaardig, ja zelfs eenigszins gierig, beheerde. Hij sloot half zijn oogen, die een kwijnende uitdrukking aannamen.

"Ach," prevelde hij, "dat alles zijn maar droomerijen; mijn ziel is elders."

"Enfin, ik ben blij," wendde monsignor zich tot Pierre, "heel blij, dat u van zoo'n mooi schouwspel getuige hebt kunnen zijn. Nog een paar dergelijke gelegenheden, en u zult zien en zelf begrijpen wat zeker heel wat beter is dan alle redeneeringen van de wereld... Tot morgen, en verzuim vooral de groote plechtigheid in de St. Pieter niet. Het zal prachtig zijn en u stof tot nadenken geven, daar ben ik zeker van... Doch nu moet ik u verlaten. Het verheugt mij inderdaad u in zoo'n goede stemming te zien."

Zijn onderzoekende oogen schenen met een laatsten blik de moeheid en de onzekerheid, die zich op Pierre's bleek gelaat afteekenden, met vreugde op te merken. Toen hij weg was en ook Narcisse met een zachten handdruk afscheid genomen had, voelde de jonge priester een toornige woede in zich opkomen. De goede stemming, waarin hij was! Wat voor een goede stemming? Hoopte die Nani hem moe te maken, hem tot wanhoop te brengen, door hem telkens nieuwe hinderpalen in den weg te leggen, en hem ten slotte geheel te overwinnen? Voor de tweede maal kreeg hij het plotselinge gevoel, dat om hem heen allerlei heimelijke pogingen gedaan werden, om hem te omsingelen en te breken. Een opwellende trots deed hem minachtend op dat alles neerzien, vast als hij aan zijn weerstandskracht geloofde. Opnieuw legde hij voor zichzelf de plechtige gelofte af, om nooit toe te geven, nooit zijn boek terug te nemen, wat er ook gebeuren mocht. Wanneer men bij zijn besluit volhardt, is men onoverwinlijk, baatten noch ontmoedigingen noch verbittering!

Maar voor hij het plein overstak, richtte hij zijn blikken nog eenmaal naar de ramen van het Vaticaan, en alles was voor hem hierin samengevat: er bleef niets over dan dat geld, welks zwaar noodzakelijk gewicht de laatste band was, die den paus, thans bevrijd van de neerdrukkende zorgen van wereldlijke macht, nog aan de aarde bond; dit geld, dat hem verplichtingen gaf, dat vooral door de wijze, waarop het gegeven werd, slecht geworden was. Doch dan kwam, ondanks alles, weer een blijde stemming in hem op, toen hij bedacht, dat, wanneer daar alleen een begripsquaestie in lag, zijn droom van een zuiver geestelijken paus, die de wet der liefde, het geestelijke hoofd der wereld was, niet ernstig bedreigd werd. Hij wilde nog slechts hopen in de gelukkige ontroering over het buitengewone schouwspel, dat hij gezien had, dezen zwakken grijsaard, die straalde als het symbool van de menschelijke bevrijding, gehoorzaamd en aangebeden werd door de menigte, die alleen de moreele almacht in handen had, om eindelijk op aarde liefde en vrede te doen heerschen.

Gelukkig had Pierre voor de plechtigheid van den volgenden dag een rose kaart, die hem een plaats op de gereserveerde tribune gaf; want het gedrang bij de deuren der basilica was ontzettend van af zes uur 's ochtends, het uur, waarop men zoo verstandig geweest was de hekken te openen, ofschoon de mis, die de paus persoonlijk lezen zou, eerst om tien uur beginnen moest. Het getal der drie duizend geloovigen, waaruit de internationale bedevaart van de Pieterspenning bestond, werd door de uit alle hoeken van Italië naar Rome gestroomde touristen, die een van die in den laatsten tijd zoo weinig voorkomende pontificale plechtigheid gaarne wilden zien, vertienvoudigd, ongerekend nog de getrouwen van den Heiligen Stoel, die Rome-zelf en de overige groote steden van Italië telden en die zich haastten om hun trouw te manifesteeren, zoodra de gelegenheid zich daartoe aanbood. Naar het aantal afgegeven kaarten rekende men op een veertig duizend aanwezigen. Toen Pierre om negen uur het plein overging, om zich door de Via Santa Maria naar de Porta Canonica te begeven, waar de rose kaarten ingenomen werden, zag hij onder de zuilengaanderij nog de eindelooze queue, die zich langzaam voortbewoog, terwijl heeren in gekleede jas in de brandende zon op en neer vlogen, om met behulp van een detachement pauselijke gendarmen de orde te handhaven. Meermalen ontstonden er in de dichte menigte twisten, werden zelfs te midden van onwillekeurig gedrang vuistslagen gewisseld. Er heerschte een verstikkende hitte, twee vrouwen werden, half platgedrukt, weggedragen.

Toen Pierre de basilica binnenkwam, werd hij zelf onaangenaam getroffen. Het reusachtige schip was geheel bekleed. Overtrekken van oud rood damast met goudgalon waren om de vijf-en-twintig meter hooge zuilen en pilasters aangebracht, terwijl de omgang der zijbeuken met dezelfde stof gedrapeerd was. Het bedekken van dit prachtige marmer, van deze geheele schitterende decoratie onder deze oude, verbleekte zijde bewees waarlijk een buitengewonen smaak en maakte den indruk van een gekunstelden, armzaligen praal. Maar zijn verbazing werd nog grooter, toen hij zag, dat ook het bronzen beeld van den Heiligen Petrus als een levende paus met prachtige, pauselijke gewaden bekleed en de tiara op zijn metalen hoofd geplaatst was. Nooit had hij gedacht, dat men beelden kon aankleeden, om ze te eeren of een feest voor de oogen te doen zijn; het resultaat scheen hem dan ook zeer mager. De Heilige Vader zou de mis aan het pauselijk altaar der Confessie, het hoofdaltaar onder den dom, lezen. Bij den ingang van den linkerzijbeuk stond op een estrade de troon, waarop hij na de mis plaats zou nemen. Aan de beide kanten van het middenschip had men tribunes opgericht voor de zangers der Sixtijnsche kapel, het corps diplomatique, de Malthezer ridders, den Romeinschen adel en verdere genoodigden. In het midden voor het altaar stonden slechts drie rijen roodbekleede banken, de eerste voor de kardinalen, de twee andere voor de bisschoppen en de prelaten van het pauselijk Hof. De overige aanwezigen moesten blijven staan.

O, deze reusachtige menigte als op een monsterconcert, die dertig-, veertigduizend van overal saamgestroomde geloovigen, die zich, opgezweept door nieuwsgierigheid, hartstocht en geloof, heen en weer bewogen, elkaar verdrongen, op hun teenen gingen staan om te midden van het luide gebruis van den menschelijken vloed te zien. Alles ging met God vertrouwelijk en vroolijk om, als bevond men zich in een goddelijken schouwburg, waar het veroorloofd was luid te spreken en zich in het schouwspel van vromen praal te vermeien. Pierre werd er in den beginne onaangenaam door verrast, hij, die slechts het zwijgende nederknielen in de donkere kathedralen kende, die niet gewend was aan dezen godsdienst van licht, welks schittering een religieuse plechtigheid in een openluchtfeest veranderde. In de tribune, waar hij zijn plaats gevonden had, was hij omringd door heeren in gekleede jas en dames in het zwart, die hun tooneelkijkers gebruikten, alsof zij in de Opéra waren. Er waren vooral veel vreemde dames, Duitsche, Engelsche, Amerikaansche, lieftallig als onbezonnen en luidruchtige vogeltjes. Links van zich zag hij in de tribune van den Romeinschen adel Benedetta en haar tante, donna Serafina; daar staken de groote kanten sluiers scherp af tegen den voorgeschreven eenvoud der toiletten en wedijverden in elegance en rijkdom. Aan zijn rechterhand stond de tribune der Malthezer ridders, waar de grootmeester der orde te midden van een groep commandeurs zat, terwijl hij in de tribune tegenover zich, die van het corps diplomatique, de gezanten van alle Katholieke naties in groot gala-costuum zag. Maar steeds keerde zijn blik weer terug naar de groote, onbestemde menigte, waarin de drie duizend pelgrims als verdronken tusschen de duizenden andere geloovigen.

En toch was de basilica, die makkelijk tachtig duizend menschen bevatten kon, nauwlijks half gevuld door deze menigte, die zich vrijelijk door de zijschepen bewegen en ophoopen kon tusschen de zuilen, vanwaar het schouwspel het makkelijkst te volgen zou zijn. Men zag menschen, die gebaren maakten, en uit het voortdurend geroezemoes der gesprekken steeg hier en daar geroep op. Door de hooge vensters vielen breede zonnestralen, kleurden de rooddamasten overtrekken bloedrood en belichtten de opgewonden, van ongeduld koortsachtige gezichten als met den weerschijn van een brand. De kaarsen, de zeven-en-tachtig lampen der Confessie verbleekten in dit verblindend licht tot kleine nachtpitjes. Het was niets meer dan de wereldlijke pracht van den keizerlijken God der Romeinsche praal.

Plotseling ontstond er een valsch alarm. Kreten stegen op en plantten zich door de menigte voort: "Eccolo, eccolo!" [10] Nu ontstond er een gedrang; stroomen en tegenstroomen sleepten den menschelijken vloed als in een draaikolk mede; allen rekten hun halzen uit, maakten zich grooter, stormden weg als razenden, om Zijne Heiligheid en den stoet te zien. Doch het was nog slechts een afdeeling van de edelgarden, die zich rechts en links van het altaar gingen opstellen. Toch bewonderde men hen, men bracht hun een ovatie, een vleiend gemompel volgde hen om hun mooie houding, hun overdreven militaire stramheid. Een Amerikaansche beweerde, dat het prachtkerels waren. Een Romeinsche gaf aan een vriendin, een Engelsche, bijzonderheden over dit elitecorps en vertelde, dat vroeger de jongelui der aristocratie er een eer in stelden om er deel van uit te maken, om de mooie uniformen, waarmede zij bij de dames konden geuren; nu echter werd de aanwerving moeilijker, zoodat men zich tevreden stellen moest met knappe jongelui uit den twijfelachtigen en geruïneerden adel, die nog blij waren met de karige soldij, die hen in staat stelde te leven. Gedurende een kwartier werden die particuliere gesprekken nog voortgezet en vulden de hooge schepen met het geroezemoes van een ongeduldige zaal, die zich den tijd bekort met het opnemen van het publiek en elkaar, in afwachting van het schouwspel, nieuwtjes vertelt.

Eindelijk trok de stoet voorbij. Dat was de groote, lang verwachte bijzonderheid, de praal, waarnaar men zoo vurig verlangd had, om hem in het voorbijgaan toe te juichen. Evenals wanneer in den schouwburg de geliefde acteur in de groote rol van een jeune-premier, die de harten verovert, op het tooneel komt, zoo barstte ook hier een geestdriftige bijval los, die omhoog steeg en voortdreunde onder de gewelven. Ook verder had men, alweer evenals in een schouwburg, dit verschijnen handig en knap geregeld, opdat het te midden van het prachtige decor niets van zijn uitwerking missen zou. De stoet had zich in de coulissen, in de Cappella della Pieta, de eerste kapel rechts bij het binnenkomen, gevormd; om die te bereiken, had de paus, die door de Cappella del Sagramento uit zijn dichtbij gelegen vertrekken gekomen was, achter de draperieën van het zijschip moeten gaan, die aldus als een soort achtergrond dienst deden. Daar wachtten hem de kardinalen, de aartsbisschoppen, de tot de hofhouding behoorende prelaten, reeds volgens de hiërarchie in klassen en groepen gerangschikt en gereed, om zich in beweging te zetten. Als op het signaal van een balletmeester trad de stoet binnen, ging naar het hoofdschip en doorliep dat triomphantelijk van de hoofddeur tot het altaar der Confessie, tusschen de dubbele rij geloovigen, wier toejuichingen bij het zien van zooveel pracht verdubbelden, naarmate het delireeren van hun geestdrift steeg.

Het was de feeststoet als van ouds, het kruis en het zwaard, de Zwitsersche garde in groot tenue, de lakeien in een scharlaken cimarra [11], de eerekamerheeren in Henri II-dracht, de kanunniken in kanten koorhemden, de leiders der godsdienstige congregatie, de apostolische protonotarii, de aartsbisschoppen en bisschoppen, het geheele pauselijk hof in violette zijde, de kardinaals in purper en met de cappa magna, op groote afstanden plechtig twee aan twee loopend. Vervolgens kwamen, om Zijne Heiligheid geschaard, de officieren van het militaire Huis, de prelaten van de geheime antichambre, de majordomus, de kamerheer en alle hoogwaardigheidsbekleders van het Vaticaan, benevens de bij den troon assisteerende Romeinsche vorst, de traditioneele en symbolische verdediger der Kerk. Op de seda gestatoria, die de flabelli met hun hooge veeren waaiers beschermden en dragers in roode met zijde geborduurde tunica's droegen, zat Zijne Heiligheid, gekleed in de heilige gewaden, die hij in de Cappella del Sagramento aangetrokken had, den amictus [12], het miskleed, de stola, de witte, rijk met goud geborduurde kazuifel en mijter, twee buitengewoon prachtige geschenken uit Frankrijk. Bij zijn nadering gingen alle handen de hoogte in en klapten nog luider in de golven van de felle zon, die door de ramen vielen.

Pierre kreeg toen een geheel nieuwen indruk van Leo XIII. Het was niet meer de vertrouwelijke, moede en nieuwsgierige grijsaard, die aan den arm van een praatzieken prelaat in den mooisten tuin der wereld wandelde. Het was zelfs niet meer de Heilige Vader in den rooden mantel en met de pauselijke muts, die vaderlijk een bedevaart ontving, welke hem een vermogen bracht. Het was de souvereine Pontifex, de almachtige Meester, de God, dien de Christenheid vereerde. Als in een reliquieënkastje zat hij daar. Zijn mager, wasachtig lichaam scheen in het witte, zwaar met goud geborduurde gewaad geheel stijf geworden te zijn; hij bewaarde een hiëratische en trotsche onbeweeglijkheid als een afgodsbeeld, dat in den loop der eeuwen door den rook der offeranden uitgedroogd en bruin geworden is. De oogen alleen leefden in de doode strakheid van het gezicht--oogen als een paar zwarte, fonkelende diamanten, die in de verte, ver van de aarde, in het oneindige staarden. Hij had geen blik voor de menigte, sloeg zijn oogen noch naar links noch naar rechts, als was hij in den hemel en wist hij niet, wat er aan zijn voeten gebeurde. En dat afgodsbeeld, dat ondanks het schitteren der oogen als gebalsemd, doof en blind scheen, dat door deze razende menigte gedragen werd, die het niet scheen te zien of te hooren, nam een angstaanjagende majesteit, een vrees inboezemende grootheid, de starheid van het dogma, de onbeweeglijkheid der traditie aan. Men had het opgegraven met al zijn windselen, die het nog samen en staande hielden. Toch meende Pierre op te merken, dat de paus lijdend en moe was, zeker had hij een van die koortsaanvallen, waarover monsignor Nani hem den vorigen dag gesproken had, toen hij den moed, de groote ziel van dezen vier-en-tachtigjarigen grijsaard verheerlijkte, dien slechts de wil om te leven in de hoogheid van zijn zending leven deed.

De plechtigheid begon. Nadat Zijne Heiligheid voor het altaar der Confessie uit de seda gestatoria gestapt was, celebreerde hij, bijgestaan door vier prelaten en den propraefect der ceremoniën, een stille mis. Bij het Lavabo [13] sprenkelden de majordomus en de kamerheer, begeleid door twee kardinalen, het water over de verheven handen van den officiant, terwijl even voor de elevatie [14] alle prelaten van het pauselijk Hof met een brandende kaars in de hand voor het altaar gingen knielen. Het was een plechtig oogenblik, de veertig duizend daar verzamelde getrouwen huiverden en voelden den vreeselijken en toch heerlijken wind uit het onzienlijke over zich strijken, toen gedurende de elevatie zilveren klaroenen het beroemde engelenkoor aanhieven, waarbij steeds weer vrouwen in onmacht vielen. Bijna onmiddellijk daarop klonk uit den dom, uit de bovengalerij, waar honderdtwintig koorzangers verborgen waren, een aetherisch-fijne zang: het was een wonder, een verrukking, alsof de engelen zelf geantwoord hadden op de klaroenen.

De stemmen daalden en vlogen licht als hemelsche harptonen onder het gewelf; dan verdwenen zij in een zacht accoord, stegen zij op naar den hemel met een zacht vleugelgeklap, dat langzaam wegstierf. Na de mis hief Zijne Heiligheid zelf, nog steeds op het altaar staande, het Te Deum aan, dat de jongeren der Sixtijnsche kapel en de koren herhaalden, beurtelings een vers zingend. Maar weldra vielen alle aanwezigen in, de veertig duizend stemmen verhieven zich in juichenden lofzang, verbreidden zich met een onvergelijkelijke volheid in het onmetelijke schip. Thans was het schouwspel buitengewoon prachtig: het door den met bloemen versierden, vergulden baldakijn van Bernini omgeven altaar, omringd door het pauselijke Hof, waartusschen de brandende kaarsen als sterren flikkerden; in het midden de paus, schitterend als een zon in zijn gouden kazuifel, daarvoor de banken der kardinalen in purper, der aartsbisschoppen en bisschoppen in violette zijde, de tribunes, waarop de galakostuums, de ridderkruisen van het corps diplomatique, de uniformen schitterden; die van overal samenstroomende menigte, die zee van hoofden, welke van uit de verste diepten der basilica opdeinde.

En ook de reusachtige afmetingen van dit alles maakten indruk, de zijschepen, waar een geheele parochie zich verzamelen kon, de dwarsbeuken, groot als kerken in een volkrijke stad, een tempel, dien duizenden en duizenden geloovigen nauwlijks vulden. Zelfs de lofzang van dit volk werd iets geweldigs en steeg als een stormvlaag op tusschen de groote graftomben, de bovenmenschelijke standbeelden, langs de reusachtige zuilen tot den onmetelijken steenen hemel van het gewelf, tot het firmament van den koepel, waar het oneindige zich in den goudglans der mozaïeken opende.

Na het Te Deum, terwijl Leo XIII in plaats van den mijter de tiara opzette, den kazuifel voor den pauselijken koormantel verwisselde en zijn troon op de bij den ingang van de linkerdwarsbeuk geplaatste estrade besteeg, ontstond er een langdurig lawaai. Van af dezen troon overzag en beheerschte hij de geheele menigte, die door een huivering doorsidderd werd, als streek een ademtocht uit het onzienlijke over haar heen, toen hij na de gebeden van het rituaal opstond. Hij scheen grooter geworden onder de drievoudige-symbolische kroon, in zijn met goud omzoomden mantel. Te midden van een plotselinge, diepe stilte, die alleen verstoord werd door het kloppen der harten, hief hij met een zeer edel gebaar zijn arm op en gaf langzaam den pauselijken zegen met een luide en vaste stem, die de stem van God zelf scheen te zijn, zóó verrassend klonk zij van deze waslippen, uit dit bloed- en levenlooze lichaam. De uitwerking was verpletterend; en toen de stoet zich opnieuw vormde, om denzelfden weg terug te gaan als hij gekomen was, barstten de toejuichingen opnieuw los. De razernij van den geestdrift had zulk een paroxysme bereikt, dat het klappen in de handen niet meer voldoende was, doch zich toejuichingen en kreten daaronder mengden, die zich langzamerhand over de geheele menigte verbreidden. Het begon in een vurig-geestdriftigen groep bij het standbeeld van den Heiligen Petrus: "Evviva il papa re! Evviva il papa re!" [15] Dan volgde het den geheelen stoet als een lekkende vlam, die allengs de harten in brand stak en eindelijk uit duizenden monden knetterde als een donderend protest tegen de overweldiging der Kerkelijke Staten. Het geheele geloof, de geheele liefde der geloovigen werd door het koninklijke schouwspel van een zoo mooie ceremonie overprikkeld en keerde terug tot den droom, tot het hartstochtelijk verlangen naar een paus, die koning en pontifex was, meester der lichamen, zoowel als der zielen, onbeperkt heerscher van de wereld. Daarin lag de eenige waarheid, het eenige geluk, het eenige heil. Alles moest hem gegeven worden, de menschheid en de wereld! Evviva il papa re! Evviva il papa re!

O, deze kreet, deze krijgskreet, die zooveel fouten had doen begaan en zooveel bloed had doen stroomen, die kreet van overgave en verblinding, die, als hij werkelijkheid geworden was, de tijden van lijden teruggebracht zou hebben! Hij wekte verzet in Pierre, deed hem besluiten vlug de tribune te verlaten, om aan de besmetting van die afgoderij te ontkomen. Terwijl de stoet nog door de kerk trok, trachtte hij zich een weg te banen door den linkerzijbeuk in het gedrang en lawaai der menigte; daar hij er echter aan wanhoopte op die wijze de straat te bereiken en het woeste dringen bij den uitgang vermijden wilde, kwam hij op de gedachte van een openstaande zijdeur gebruik te maken en vluchtte hij in de vestibule, vanwaar een trap naar den dom leidde. Een sacristijn, die bij de trap stond en in verrukking was over de schitterende manifestatie, keek hem een oogenblik aan en wist niet of hij hem tegenhouden moest of niet, maar het zien van de soutane en de opwinding, waarin hij verkeerde, deed hem besluiten hem maar door te laten. Met een gebaar liet hij Pierre passeeren, die vlug de trap opliep, om steeds hooger, steeds hooger te vluchten, naar den vrede en naar de stilte.

En plotseling werd het geheel stil; de muren verstikten dien kreet, die nu nog slechts in hem scheen te beven. Het was een makkelijke en lichte trap met breede treden, die in een soort toren uitliepen. Toen hij op het dak der schepen kwam, voelde hij het als een verlichting weer de heldere zon, de zuivere, frissche lucht, die daar als in het vrije veld woei, terug te vinden. Verwonderd dwaalden zijn blikken over deze reusachtige ontplooiing van lood, zink en steen, een geheele luchtstad, die hier onder den blauwen hemel een eigen leven leidde. Hij zag er dommen, klokketorens, terrassen, ja zelfs huizen en tuinen, de met bloemen opgevroolijkte huizen van enkele werklieden, die in verband met de voortdurende herstellingswerken op de basilica wonen. Een kleine bevolking leeft, werkt, eet en slaapt daar, heeft daar lief.

Hij liep naar de borstwering, om de reusachtige standbeelden van den Heiland en van de Apostelen boven op den gevel van nabij te kunnen zien--gigantische beelden van zes meter hoog, die steeds hersteld moeten worden en waarvan de door de buitenlucht half verweerde armen, beenen en hoofden slechts samengehouden worden door cement, stangen en klampen. Toen hij zich vooroverboog, om een blik te werpen op de roodachtige opeenhooping der daken van het Vaticaan, kwam het hem voor, alsof de kreet, waarvoor hij vluchtte, van het plein naar hem oprees. Vlug klom hij verder naar boven tot den koepel. Tusschen de twee wanden van den dubbelen koepel, den binnensten en den buitensten, liep eerst een trap; dan kwamen nauwe, schuinsche gangen, hellende vlakken met enkele treden. Eenmaal deed hij uit nieuwsgierigheid een deur open, waardoor hij weer in de basilica terugkwam, doch nu een zestig meter boven den beganen grond, in een smalle galerij, die om den dom liep, juist boven de fries, waarop men in zeven voet hooge letters las: "Tu es Petrus et super hanc petram..." [16]

En toen hij op zijn elleboog leunde, om naar het vreeselijke gat onder zich met het diepe uitzicht op de dwarsbeuken en de zijschepen te kijken, sloeg hem weer die kreet in zijn gelaat, de razende kreet der daar beneden wriemelende en wemelende menigte. Iets hooger opende hij opnieuw een deur, en thans vond hij een tweede galerij, ditmaal boven de ramen, bij het begin der schitterende mozaïeken; van daar uit scheen de menigte hem kleiner, verder verwijderd, als verloren in den duizelingwekkenden afgrond, waarin de reusachtige beelden, het altaar der Confessie en de triomphantelijke baldakijn van Bernini niet meer dan stukjes speelgoed geleken; en toch steeg de kreet op, dezelfde krijgs- en aanbiddingskreet en striemde zijn gezicht met de woede van een orkaan, die in zijn voortstormende vaart nog heftiger wordt. Hij moest nog hooger stijgen, tot aan de buitenste galerij van de traplantaarn om hem niet meer te hooren.

Welk een heerlijke verlichting was in den beginne dat bad van licht en zon voor hem! Boven zich had hij niets meer dan den verguld-bronzen kogel, waarin, zooals pralende opschriften in de gangen verkondigen, keizers en koningen opgestegen zijn--de holle kogel, waarin de stem als de donder echoot, waarin ieder geluid van de ruimte weerkaatst. Hij was aan den kant der apsis naar buiten gegaan en zag nu eerst de pauselijke tuinen, welker boomgroepen hem van uit deze hoogten laag bij den grond staande struiken toeschenen; hij dacht aan zijn wandeling van enkele dagen geleden, aan het groote grasperk, dat aan een Smyrnaasch verkleurd tapijt denken deed, aan het donkergroene, als een stilstaande poel ondoorzichtige kreupelhout, aan de met zorg onderhouden moestuin en wijngaard. De fonteinen, de toren van de Sterrenwacht, het Casino, waarin de paus de warme zomerdagen doorbracht, vormden slechts kleine, witte plekken te midden van deze onregelmatige, door den muur van Leo IV ingesloten terreinen.

Dan ging hij door een nauwe gang om de traplantaarn heen en bevond hij zich plotseling tegenover Rome, dat zijn geheele ontzaglijke grootte voor hem ontrolde: in het Westen de verre zee, in het Oosten en Zuiden de onafgebroken bergketenen, de Campagna romana, die als een eentonige, groenachtige woestijn den geheelen horizont beheerschte, en aan zijn voeten de Stad, de Eeuwige stad. Nooit had hij een zoo majestueusen indruk van uitgestrektheid gekregen. Daar lag Rome in vogelvlucht voor hem, duidelijk als een geographisch reliefplan. Een dergelijk verleden, een dergelijke geschiedenis, zooveel grootschheid--en dan dit door de verte zoo verkleinde Rome, lilliputterachtige en als speelgoed zoo aardige huisjes, nauwlijks een schimmelvlek op de wijde aarde. Vooral voelde hij zich echter gelukkig, dat hij nu met één oogopslag de indeeling der stad zag, daar beneden de oude stad met het Capitool, het Forum, den Palatinus, de pauselijke stad in den Borgo, en de St. Pieter en het Vaticaan, die op de moderne stad keken, het Italiaansche Quirinaal boven de Middeleeuwsche stad, samengedrongen in den rechterhoek, dien de Tiber vormde. Een ding viel hem in het bijzonder op, n.l. de krijtachtige gordel, dien de nieuwe wijken om den centralen kern van de oude, roodachtige, door de zon verbrande stadsdeelen vormde, een waar symbool van een poging tot verjonging: in het oude hart gaan de herstellingen slechts langzaam, terwijl de uitwendige deelen zich als door een wonder hernieuwden.

Maar in de heete middagzon kwam Rome Pierre niet zoo licht en rein voor als op den ochtend van zijn aankomst in den lieflijken, zachten zonsopgang. Het was niet meer het glimlachende, bescheiden Rome, half omsluierd door een gouden nevel en als weggezonken in een kinderdroom. Nu in dit felle licht had het een onbeweeglijke hardheid, een doodelijke stilte. De achtergrond werd als door een te sterke vlam verteerd, door een vurig stof overstroomd, waarin het scheen te verdwijnen. De geheele stad teekende zich in groote massa's licht en schaduw met plotselinge overgangen tegen deze verkleurde verten af.

Men zou het voor een zeer oude, verlaten steengroeve hebben kunnen houden, waarin de zonnestralen loodrecht neervielen en waarin hier en daar een boomeneilandje een donkergroene vlek vormde. Van de oude stad zag men den rossigen toren van het Capitool, de zwarte cypressen van den Palatinus, de ruïnes van het paleis van Septimius Severus, die op een geraamte van een door den zondvloed aangespoeld fossiel denken deden. Daartegenover troonde de moderne stad met de lange, gerestaureerde gebouwen van het Quirinaal, waarvan de fel-gele kleur tusschen de krachtige toppen van den tuin heen schemerde; aan gene zijde, op de hoogten van den Viminalis, lagen rechts en links de als gips zoo witte nieuwe wijken, een stad van krijt, waarin de vensters als het ware kleine inktstrepen vormden.

Dan lagen hier en daar de Pincio als een slapende poel, de Villa Medicis met haar dubbelen campanile, de oudroestkleurige Engelenburg, de als een kaars brandende klokkentoren der Santa Maria Maggiore, de drie onder de boomtakken sluimerende kerken van den Aventinus, de palazzo Farnese met zijn door de zomerzon verbrande, oudgouden pannen, de koepels van de Il Gesù, van de Santo Andrea della Valle, van de Santo Giovanni de Fiorentini en steeds weer met koepels en nog eens koepels, alle witgloeiend en als gesmolten in den vurigen oven van den hemel. Toen voelde Pierre zijn hart weer samenkrimpen bij het zien van dit heftige, harde, zoo weinig op het Rome van zijn droom gelijkende Rome, het Rome der verjonging en der hoop, dat hij den ochtend van zijn aankomst geloofd had te vinden, maar dat nu verdween, om plaats te maken voor de onveranderlijke, tot in haar dood hardnekkig dezelfde blijvende stad van trots en heerschzucht.

Plotseling begreep Pierre, alleen daar in de hoogte, alles. Het was alsof een lichtstraal hem daar in de vrije, grenzenlooze ruimte trof. Kwam het door de plechtigheid, die hij bijgewoond had, door den fanatieken kreet der slavernij, die nog steeds in zijn ooren gonsde? Of was het niet eerder de aanblik van deze stad, welke daar aan zijn voeten lag als een gebalsemde koningin, die nog steeds uit het stof van haar graf regeert? Hij zou het niet kunnen zeggen: ongetwijfeld deden beide oorzaken haar invloed op hem gelden. Maar hij zag alles duidelijk, hij voelde, dat het Katholicisme niet zou kunnen bestaan zonder wereldlijke macht, dat het den dag, waarop het geen koning meer zijn zou, onvermijdelijk geheel verdwijnen zou.

Het atavisme droeg daarvan in het bijzonder de schuld, de macht der Geschiedenis, de lange reeks opvolgers der Caesars, de pausen, de pontifices, in wier aderen het bloed van den de wereldheerschappij eischenden Augustus steeds was blijven stroomen. Zij mochten thans in het Vaticaan wonen; dat nam niet weg, dat zij uit de keizerlijke paleizen van den Palatinus kwamen, uit het paleis van Septimius Severus; hun politiek had in den loop van zooveel eeuwen niets anders nagestreefd dan den droom van de Romeinsche overheersching: alle volkeren overwonnen, onderworpen, gehoorzamend aan Rome. Zonder dit wereldrijk, zonder dit volkomen bezit van lichamen en zielen verloor het Katholicisme zijn reden van bestaan, want de Kerk kon het bestaan van een keizer- of koninkrijk slechts om een politieke reden erkennen, daar de keizer of de koning slechts eenvoudige, tijdelijke gevolmachtigden zijn, die tot taak hebben de volkeren te besturen, tot zij ze haar weer teruggeven. Alle natiën, de menschheid met de geheele aarde, behooren aan de Kerk, die ze van God gekregen heeft.

Wanneer zij haar niet altijd in werkelijk bezit heeft, dan vindt dit zijn reden daarin, dat zij heeft moeten wijken voor geweld, verplicht is de faits accomplis te aanvaarden, maar onder het formeele voorbehoud, dat het een strafbare usurpatie is, dat men haar haar goed onrechtmatig onthoudt; zij doet het in de verwachting van de verwezenlijking der beloften van Christus, die haar op den daarvoor bestemden dag voor eeuwig de wereld en de menschen, de almacht teruggeven zal. Dat is de ware toekomststad, het Katholieke, voor de tweede maal heerschende Rome. Rome behoort tot den droom, aan Rome is dan ook de eeuwigheid voorspeld; de bodem zelf van Rome heeft aan het Katholicisme den onleschbaren dorst naar onbeperkte macht gegeven. Daarom was dan ook het lot van het pausdom met dat van Rome zoo nauw verbonden, dat een paus buiten Rome niet meer een Katholieke paus zijn zou. En plotseling voelde Pierre, terwijl hij daar tegen de dunne ijzeren borstwering stond te leunen, zoo hoog verheven boven den afgrond, waarin de donkere, harde stad zich in de brandende zon verbrokkelde, hoe een groote rilling door zijn beenderen huiverde.

Eén ding stond nu onomstootelijk vast. Dat Pius IX, dat Leo XIII besloten hadden zich in het Vaticaan op te sluiten, vond slechts hierin zijn oorzaak, dat zij aan Rome gebonden waren. Het staat een paus niet vrij het te verlaten, elders het hoofd der Kerk te zijn. Evenmin zou een paus, welk een goed inzicht hij ook in de moderne maatschappij mocht hebben, het recht hebben afstand te doen van de wereldlijke macht. Het is een onvervreemdbaar erfdeel, dat hij verdedigen moet; het is bovendien een levensquaestie, waarover verder niet te discussieeren valt. Daarom heeft Leo XIII dan ook den titel van heer van het wereldlijk gebied der Kerk behouden, te meer daar hij als kardinaal, evenals de andere leden van het Heilig College, bij hun verkiezing in zijn eed gezworen had die heerschappij ongeschonden te bewaren. Mocht Italië nog een eeuw lang Rome als hoofdstad behouden, een eeuw lang zal de eene paus op den anderen volgen, niet ophouden te protesteeren, niet ophouden hun koninkrijk op te eischen. Zelfs wanneer er op een dag een overeenstemming tot stand mocht komen, dan zou die ongetwijfeld gebaseerd moeten zijn op het afstaan van een stuk grond.

Had men, toen er verzoeningsgeruchten liepen, niet gezegd, dat de regeerende paus als besliste voorwaarde minstens het bezit der Leostad met de neutraliteitsverklaring van een naar zee loopenden weg stelde? Heelemaal niets is niet genoeg, men kan niet van niets uitgaan, om ten slotte alles te hebben. Maar de Leostad, dat kleine hoekje, is reeds een stukje koninklijke aarde; men behoeft het overige dan nog slechts te veroveren, eerst Rome, dan Italië, vervolgens de aangrenzende naties, eindelijk de wereld. Nooit heeft de Kerk gewanhoopt, zelfs niet op oogenblikken, dat zij, verslagen en geplunderd, stervende scheen. Nooit zal zij afstand doen; nooit zal zij afzien van de beloften van Christus, want zij gelooft aan haar onbegrensde toekomst, zij beschouwt zich onverwoestbaar, eeuwig. Men geve haar den kiezelsteen, waarop zij haar hoofd neerleggen kan--en zij hoopt reeds weldra het veld terug te zullen hebben, waarop die kiezelsteen ligt, het rijk, waarin zich dat veld bevindt. Als een paus het erfdeel niet terug kan krijgen, dan zal een tweede paus, zullen tien, twintig andere pausen zich daartoe aangorden. De eeuwen tellen niet meer. Deze gedachte was het, die een vier-en-tachtigjarigen grijsaard ertoe bracht ontzaglijke werken te ondernemen, die verscheidene menschenlevens vereischten, zeker als hij was, dat opvolgers komen zouden en het werk ondanks alles voortgezet en beëindigd zou worden.

En Pierre kwam zich tegenover die oude stad van roem en heerschersmacht, welke haar purper hardnekkig vasthield, met zijn droom van een zuiver geestelijken paus belachelijk voor. Het scheen hem zoo misplaatst toe, dat hij er een soort schaamtevolle wanhoop over voelde. Een Romeinsch prelaat zou zeker niets voelen kunnen voor den nieuwen Evangelischen paus, die een zuiver geestelijke, alleen over zielen heerschende paus zou moeten zijn. Bij de herinnering aan dat in ritus, trots en gezag verstarde, pauselijke Hof werd hij zich den afschuw, den bijna om zoo te zeggen lichamelijken afkeer daarvan bewust. O, hoe verbaasd en minachtend zouden zij neerzien op deze wonderlijke phantasie van het Noorden: een paus zonder grondgebied en zonder onderdanen, zonder militair Huis en koninklijke eerbewijzen, zuiver geest, zuiver moreele autoriteit, opgesloten in zijn tempel, de wereld slechts regeerend door zijn zegenend gebaar, door liefde en goedheid! Dat was voor dezen Latijnschen clerus, priesters van het licht en van de praal, slechts een Gotisch, door nevels omsluierd phantasiebeeld. Zeker, zij waren wel vroom, deze priesters, bijgeloovig zelfs, maar zij lieten God goed beschermd in den tabernakel achter, om in Zijn naam te heerschen voor het heil der hemelsche belangen, van dat oogenblik af natuurlijk allerlei listen gebruikend, in den strijd van menschelijke begeerten en eerzucht tot alle middelen hun toevlucht nemend, met zachte diplomatenstappen de aardsche, definitieve overwinning van Christus tegemoet schrijdend, die eenmaal in den persoon van den paus over de volkeren heerschen zou.

Maar welk een verbijsterende schrik moest dat voor een Franschen prelaat zijn, voor een monseigneur Bergerot, dien heiligen bisschop van verzaking en naastenliefde, wanneer hij in die wereld van het Vaticaan terecht kwam! Hoe moeilijk moest het hem vallen om dit alles te begrijpen, zich in dat alles in te denken--hoe pijnlijk moest hij de onmogelijkheid voelen één te zijn met deze vaderlandsloozen, deze internationalen, die steeds over de kaart der beide werelddeelen gebogen, steeds verdiept in berekeningen waren, welke hun de macht verzekeren moesten. Daarvoor waren dagen en dagen noodig, moest men te Rome leven; hij zelf had het eerst na een verblijf van een maand begrepen onder de heftige crisis, die het aanschouwen der koninklijke praal in de St. Pieter in hem teweeggebracht had, eerst bij het zien der oude stad, die daar in de zon haar zwaren slaap sluimerde, haar eeuwigheidsdroom droomde.

Maar zijn blik viel op het plein voor de basilica en hij zag daar den menschenstroom, de veertig duizend geloovigen, naar buiten komen, die zich als een zwart gewriemel van insecten op het witte plaveisel voortbewogen. Toen scheen het, dat opnieuw de kreet: "Evviva il papa re! Evviva il papa re!" opsteeg. Toen hij even te voren de eindelooze trappen opklom, was het hem voorgekomen, alsof de steenen kolos in dezen waanzinnigen kreet, die onder zijn gewelven uitgestooten werd, gebeefd had. En thans, nu hij tot bijna in de wolken gestegen was, meende hij hem daar ook in de enge ruimte weer terug te vinden. Was dat voortdurende beven van den kolos onder hem niet het laatste opschieten van het sap langs zijn oude muren, een hernieuwing van het Katholieke bloed, dat hem eens zoo mateloos groot tot koning van alle tempels geschapen had en dat thans trachtte in het uur, dat de dood voor zijn te groote en verlaten schepen kwam, hem een krachtigen levensadem te geven?

De menigte kwam nog steeds naar buiten en overstroomde het plein; een groote droefheid snoerde zijn keel dicht, want met haar roep had zij zijn laatste hoop weggevaagd. Den vorigen dag, na de ontvangst der bedevaart, in de Sala dei Beneficazione had hij zich nog aan een illusie over kunnen geven, door de noodzakelijkheid van het geld, dat de paus aan de aarde vasthoudt, te vergeten en in hem slechts den zwakken grijsaard, geheel ziel, stralend als het symbool van moreel gezag te zien. Maar nu was het uit met zijn geloof in dezen van alle aardsche goederen bevrijden herder van het Evangelie, die slechts koning zijn moest van het koninkrijk der Hemelen. Niet alleen het geld van den St. Pieterspenning legde Leo XIII een harde slavernij op; neen, hij was bovendien de gevangene der traditie, de eeuwige koning van Rome, die aan dezen grond vastgeklonken werd, de stad niet kon verlaten, noch afstand doen van het wereldlijk gezag.

En het einde daarvan was de dood ter plaatse, de instorting van den dom van de St. Pieter, zooals de tempel van Juppiter Capitolinus ingestort was; op de ruïnes van het Katholicisme zou het gras groeien, terwijl elders het schisma schitteren zou als een nieuw geloof van de nieuwe volkeren. Het grootsche en tragische visioen rees voor hem op: hij zag zijn droom verwoest, zijn boek medegesleept in den kreet, die zich uitbreidde, als wilde hij naar de vier hoeken der Katholieke wereld vliegen: "Evviva il papa re! Evviva il papa re!" En onder zich meende hij reeds te voelen, hoe de reus van marmer en goud bij het instorten der oude verrotte maatschappij beefde.

Eindelijk ging Pierre naar beneden en tot zijn groote verbazing vond hij monsignor Nani, op de daken der schepen, in die bezonde uitgestrektheid, welke zoo groot was, dat men er een stad zou kunnen plaatsen. De prelaat was in gezelschap van de beide Fransche dames, moeder en dochter, aan wie hij ongetwijfeld aangeboden had met haar naar boven te gaan. Maar zoodra hij den jongen priester herkende, sprak hij hem aan:

"Welnu, mijn waarde zoon, zijt ge tevreden? Heeft het geen grooten indruk op u gemaakt, heeft het u niet gesticht?"

Met zijn onderzoekende blikken las hij tot in zijn ziel en zag hoe het met de proef stond. Dan begon hij, voldaan, te glimlachen.

"Ja, ja, ik zie het al... Kom, ge zijt toch ten slotte een verstandige jongen. Ik begin werkelijk te gelooven, dat uw ongelukkige zaak hier een zeer goed einde nemen zal."

ACHTSTE HOOFDSTUK

Pierre had de gewoonte aangenomen de ochtenden, dat hij in den palazzo Boccanera bleef, uren door te brengen in den kleinen, verwaarloosden tuin, die vroeger in een soort loggia met zuilengaanderij eindigde, van waar men met een dubbele trap bij den Tiber kwam. Tegenwoordig was het daar een verrukkelijk, eenzaam hoekje, waarin het heerlijk rook naar de rijpe vruchten van de eeuwenoude oranjeappelboomen, welker symmetrische rijen alleen nog de reeds lang onder het onkruid verdwenen voetpaden aangaven. En hij vond er ook den geur der taxisboomen terug, die in het oude, door puin opgevulde middelste bekken opgeschoten waren.

Op die heldere, zoo heerlijk-zachte Octoberochtenden kon men zich hier geheel geven aan een eindelooze levensvreugde. Maar de priester bracht er zijn Noordelijk gepeins mede, zijn kommer om het lijden, zijn voortdurend door naastenliefde gekwelde ziel, die de liefkoozing van het heldere zonlicht in deze wellustige atmospheer voor hem nog zachter maakte. Hij ging gewoonlijk tegen den achtermuur op een stuk van een omgevallen zuil in de donkere, frissche schaduw van een grooten laurierboom zitten. Naast hem liet in de oude, verweerde sarcophaag, waarop wellustige faunen vrouwen schoffeerden, het dunne waterstraaltje, dat uit het in den muur gemetselde tragische masker viel, voortdurend zijn kristalheldere muziek weerklinken. Hij las daar de couranten, zijn brieven, een uitgebreide correspondentie met den goeden abbé Rose, die hem op de hoogte hield van zijn werk, van de ongelukkigen in het sombere, reeds door nevels kille en onder de modder liggende Parijs. O, hoe onbegrijpelijk klonken die berichten over de ellenden van het koude land, over de ellende van de moeders en van de kleinen, die weldra zouden rillen op hun slecht afgesloten dakkamertjes, van de mannen, die straks door de strenge vorst zonder werk zijn zouden, over dien doodsstrijd onder de sneeuw van al die arme menschen, hoe onbegrijpelijk klonken zij in deze warme, met heerlijke vruchtengeuren bezwangerde lucht, in dit land van den blauwen hemel en het dolce far niente, waar men zelfs 's winters, beschut voor den wind, zoo lekker op de warme steenen slapen kon!

Maar op een ochtend vond Pierre Benedetta op het als bank dienende stuk zuil zitten. Zij gaf een gilletje van verbazing en was een oogenblik verlegen, want zij had toevallig het boek van den priester in haar hand. Het Nieuwe Rome, dat zij reeds eenmaal gelezen had, zonder het echter geheel te begrijpen. Dan echter wilde zij, dat hij naast haar kwam zitten, en vertelde hem met haar gewone openhartigheid, dat zij naar den tuin gekomen was, om alleen te zijn en als een onwetende leerling zijn boek te bestudeeren. Zij praatten als vrienden; het was voor Pierre een heerlijk uurtje.

Hoewel zij het vermeed over zichzelf te praten, voelde hij toch, dat haar verdriet haar nader tot hem bracht, als had het lijden haar hart grooter gemaakt, zoodat zij zich nu het lot van allen, die leden, aantrok. In haar patriciërstrots, die de hiërarchie als een goddelijke wet beschouwde, had zij nooit aan die dingen gedacht. De gelukkigen waren boven, de ongelukkigen beneden, zonder dat eenige verandering daarin mogelijk was. En met welk een verbazing had zij bij sommige bladzijden gevoeld, welk een moeite het haar kostte zich erin te denken! Wat? Zich interesseeren voor het mindere volk, gelooven, dat het dezelfde ziel, hetzelfde verdriet had, zich moeilijk maken voor zijn vreugde als voor die van een broeder? Toch trachtte zij het, maar zonder veel succes; heimelijk was zij bang een zonde te begaan, want het is het beste niets te veranderen aan de door God ingestelde en door de Kerk bekrachtigde maatschappelijke orde. Zeker was zij weldadig, gaf de gewone kleine aalmoezen, maar zij gaf niet haar hart; altruïsme en werkelijk medegevoel ontbraken haar te eenenmale. Zij was geboren en opgegroeid in het atavisme van een geheel ander ras, dat ook in den hemel zijn tronen boven het plebs der uitverkorenen bezit.

Nog menigmaal vonden zij elkaar in de schaduw van den laurierboom dicht bij de zingende fontein terug, en Pierre, die niets te doen had en het moe werd te wachten op een oplossing, die van uur tot uur uitgesteld scheen te worden, spande al zijn krachten in, om deze jonge, mooie, in haar liefde stralende vrouw met zijn bevrijdende naastenliefde te bezielen. In het bijzonder bleef één gedachte hem voortdurend ontvlammen--de gedachte, dat hij Italië zelf zou bekeeren, de in haar onwetendheid nog sluimerende koningin der schoonheid, die haar vroegere grootte terug zou vinden, als zij met een grootere ziel, vol medelijden voor de dingen en wezens, ontwaken zou tot het begrip der nieuwere tijden. Hij las haar de brieven van den goeden abbé Rose voor, hij deed haar beven onder den snik, die uit de groote steden opsteeg. Waarom zou zij, daar zij toch zulke diep-teedere oogen had, daar van haar geheele persoonlijkheid het geluk om te beminnen en bemind te worden uitstroomde, niet met hem erkennen, dat de wet der liefde het eenige heil der lijdende, door haat in doodsgevaar geraakte menschheid was? Zij erkende het, zij wilde hem het genoegen doen te gelooven aan de democratie, aan de broederlijke hervorming der maatschappij, maar bij de andere volkeren, niet te Rome. Onwillekeurig kwam een zacht glimlachje om haar lippen, zoodra hij het visioen voor haar opriep, dat wat er van Trastevere over was broederlijk samen gaan zou met wat er van de oude vorstelijke paleizen over was. Neen, neen! Dat was al sedert te lang zoo, aan die dingen moest men niets veranderen. In één woord de leerling maakte slechts weinig vorderingen, zij werd alleen getroffen door den hartstocht van lief te hebben, die in dezen priester zoo heftig brandde, en dien hij in zijn kuischheid afgewend had van het schepsel, om hem over te brengen op de geheele schepping. Gedurende die enkele zonnige Octoberochtenden werd er tusschen deze twee een kostelijke band gelegd; in de groote liefde, waardoor zij beiden verteerd werden, hadden zij elkaar lief met een diepe, reine liefde.

Dan op een dag begon Benedetta, die met haar elleboog op den sarcophaag leunde, te spreken over Dario, wiens naam zij tot dusverre vermeden had te noemen. O, wat had hij een berouw getoond na zijn aanval van brutalen waanzin. Eerst was hij, om zijn schaamte te verbergen, drie dagen naar Napels gegaan, waarheen, naar men beweerde, Tonietta, het aanminnige meisje met de ruikers witte rozen, die dol verliefd op hem geworden was, hem dadelijk gevolgd had. Na zijn terugkeer in het paleis vermeed hij het alleen te zijn met zijn nicht, zag hij haar eigenlijk alleen op de Maandagsche receptieavonden, wanneer zijn oogen haar om vergiffenis smeekten.

"Gisteren," vertelde zij verder, "ben ik hem op de trap tegengekomen. Ik heb hem een hand gegeven, waaruit hij begreep, dat ik niet boos meer ben. Hij was er zoo gelukkig door... Och, wat zal ik u zeggen. Je moet niet zoo lang streng zijn. En bovendien ben ik bang, dat hij zich ten slotte compromitteeren zou, als hij zich, om afleiding te zoeken, te veel met haar afgaf. Hij moet weten, dat ik hem nog altijd liefheb, dat ik nog altijd op hem wacht... O, hij is van mij, van mij alleen. Hij zou dadelijk voor eeuwig in mijn armen liggen, als ik één woord zeggen kon. Maar onze zaak staat er slecht, heel slecht voor!"

Zij zweeg, twee dikke tranen stonden in haar oogen. Inderdaad scheen er in het proces tot nietigverklaring van het huwlijk geen voortgang te komen, daar zich steeds weer nieuwe hinderpalen voordeden.

Pierre werd zeer ontroerd door die tranen, welke bij haar zoo weinig voorkwamen. Dikwijls erkende zij met haar kalmen glimlach, dat zij niet huilen kon. Maar haar hart was nu week; een oogenblik leunde zij als vernietigd op den bemosten, door het water weggevreten sarcophaag, terwijl het dunne waterstraaltje met parelende fluittoontjes uit den open mond van het tragische masker stroomde. Maar voor den geest van den priester rees plotseling de gedachte aan den dood op, toen hij haar, de jonge, van schoonheid stralende vrouw half bewusteloos worden zag op den rand van den sarcophaag, waar de faunen, die zich in een razend bacchanaal op de vrouwen wierpen, de almacht der liefde verkondigden, het symbool waarvan de Ouden zoo gaarne op de graftomben beeldhouwden als een bewijs van de eeuwigheid des levens. Een licht, zacht briesje streek door de zonnige, stille eenzaamheid van den tuin en voerde den doordringenden geur der oranjeappelen en taxisboomen mede.

"Wanneer men liefheeft, is men sterk!" prevelde hij.

"Ja, ja, u hebt gelijk," antwoordde zij, reeds weer glimlachend. "Ik ben nog maar een kind... Maar daar is uw boek de schuld van. Ik begrijp het pas goed, wanneer ik lijd... Maar toch maak ik vorderingen, niet waar? Laten, nu u het wilt, alle armen mijn broeders en alle vrouwen, die verdriet hebben als ik, mijn zusters zijn!"

Gewoonlijk ging Benedetta het eerst weer naar haar kamer terug en bleef Pierre dan, alleen onder den laurierboom, nog wat toeven in den zachten geur der jonge vrouw. Hij droomde dan verward van prettige en droeve dingen. Wat was het leven hard voor arme wezens, die door den eeuwigen dorst naar geluk gekweld worden! Over hem had de stilte zich nog uitgebreid, het geheele oude paleis met de binnenplaats, waarop het gras welig opschoot, en die omgeven was door haar doode zuilengaanderij, waarin de opgegraven marmeren beelden, een armlooze Apollo en de afgebroken romp van een Venus, verweerden, sliep zijn zwaren ruïne-slaap, en deze doodsche stilte werd slechts nu en dan verbroken door het plotselinge ratelen van den karos van een prelaat, die een bezoek kwam brengen aan den kardinaal.

Op een Maandag bevonden zich tegen kwart over tienen in den salon van donna Serafina slechts de jongelui. Monsignor Nani had slechts even zijn opwachting gemaakt, terwijl kardinaal Sarno juist vertrokken was. Bij den schoorsteen zat donna Serafina op haar gewone plekje als afgezonderd; haar blikken staarden naar de onbezette plaats van advocaat Morano, die nog steeds weggebleven was. Voor de canapé, waarop Benedetta en Celia zaten, stonden Dario, abbé Pierre en Narcisse Habert te praten en te lachen. Narcisse plaagde voortdurend den jongen prins, dien hij beweerde in gezelschap van een heel mooi meisje gezien te hebben.

"Maar ontken het toch niet, mijn waarde, zij was werkelijk een prachtstuk... Zij liep naast je en jullie gingt samen een verlaten straatje in, den Borgo Angelico geloof ik. Uit bescheidenheid ben ik jullie niet verder nagegaan."

"Zeker, zeker, ik was het, ik ontken het niet... Maar het is toch heel iets anders dan je denkt."

En zich tot Benedetta wendend, die eveneens zonder een zweempje van ongeruste jaloezie glimlachte:

"Het was dat arme meisje, je weet wel, dat ik onlangs in tranen gevonden heb, een week of zes geleden, denk ik... Ja, die parelenwerkster, die zoo huilde, omdat ze geen werk meer had, en toen ik haar wat geld wilde geven, hard voor me uit liep, om me naar haar ouders te brengen... Pierina, je herinnert je nog wel?"

"Pierina, ja zeker!"

"Welnu, stel je voor, na dien tijd ben ik haar een keer of vier, vijf op straat tegengekomen. En het is zoo, zij is zóó zeldzaam mooi, dat ik een oogenblikje met haar heb staan praten... Onlangs heb ik haar bij een fabrikant gebracht. Maar zij heeft nog geen werk kunnen vinden en zij begon weer te huilen, en waarachtig ik heb haar toen, om haar wat te troosten, een zoen gegeven... Zij was er zoo gelukkig door!"

Allen lachten om het verhaal. Celia was de eerste, die weer kalm werd. En met een zeer ernstige stem zeide zij:

"Dario, zij houdt van je, dat begrijp je toch. Je moet niet zoo slecht zijn."

Ongetwijfeld was Dario van dezelfde meening, want hij keek opnieuw Benedetta aan en schudde vroolijk zijn hoofd, als wilde hij zeggen, dat, al mocht zij van hem houden, hij niet van haar hield. Een parelwerkster, een meisje uit het lagere volk, o, neen! Zij kon een Venus zijn, maar een maîtresse, neen, dat was niet mogelijk! Hij had zelf veel pleizier in het romantische avontuur, waarop Narcisse dadelijk een sonnet maakte: "De schoone parelwerkster wordt tot stervens toe verliefd op den jongen prins, die, mooi als de dag, voorbijkomt en die haar, geroerd door haar ongeluk, een geldstuk gegeven heeft; de schoone parelwerkster, diep in haar hart getroffen, daar hij even milddadig als mooi is, droomt nog slechts van hem, volgt hem overal, een vlammenband bindt haar aan zijn schreden; de schoone parelwerkster, die het geldstuk geweigerd heeft, vraagt met haar onderworpen, liefdevolle oogen als aalmoes het hart van den jongen man, dat hij haar op een avond genadig schenkt." Het woordenspel viel zeer in den smaak van Benedetta, maar Celia, die er met haar engelachtig gezichtje als een klein meisje uitzag, dat eigenlijk nog niets weten moest, bleef zeer ernstig en herhaalde droevig:

"Dario, ze houdt van je, je moet haar niet laten lijden."

Nu werd ook de contessina door medelijden bewogen.

"Zij zijn niet gelukkig, die arme menschen!"

"O," riep de prins uit, "een ellende, om niet te gelooven! Den dag, dat zij me medegenomen heeft naar de Prati del Castello, dacht ik te zullen stikken. Het is verschrikkelijk, ongelooflijk verschrikkelijk!"

"Maar ik herinner me," antwoordde zij, "dat wij het plan gemaakt hebben naar hen toe te gaan, het is heel slecht, dat we het nog niet gedaan hebben... U wilde immers met ons mede gaan, mijnheer de abbé, voor uw studies en om op die wijze de arme bevolking van Rome van nabij te zien."

Zij keek op naar Pierre, die sedert eenige oogenblikken zweeg. Het trof hem zeer, dat deze barmhartige gedachte weer bij haar opkwam, want hij voelde aan het even beven van haar stem, dat zij daarmede ook wilde laten blijken, dat zij een gedweeë leerlinge was, die vorderingen maakte in de liefde tot de ongelukkigen en armen. Onmiddellijk trouwens had de hartstocht voor zijn apostolaat zich weer meester van hem gemaakt.

"O," zeide hij, "ik zal Rome niet verlaten, voordat ik het lijdende, werk- en broodlooze volk gezien heb. Voor alle naties ligt daarin de ziekte, en redding kan slechts komen van de genezing der ellende. Wanneer de wortels van den boom geen voedsel krijgen, sterft de boom."

"Welnu, we zullen dadelijk afspreken, u gaat morgen met ons naar de Prati del Castello... Dario zal ons er brengen."

Deze, die met een verbijsterd gezicht naar den priester geluisterd had, zonder het beeld van den boom en zijn wortels goed te begrijpen, protesteerde.

"Neen, neen, waarde nicht, leid jij er mijnheer den abbé rond, als je daar lust in hebt... Ik ben er eens geweest, maar ik ga er nooit meer naar terug. Toen ik weer thuis kwam, moest ik bijna naar bed, zoo draaide alles in mij om... Neen, neen het is te vreeselijk, zulke afschuwlijkheden zijn gewoon ongelooflijk."

Op dat oogenblik kwam een ontevreden stem uit het hoekje bij den schoorsteen. Donna Serafina verbrak haar lang stilzwijgen.

"Dario heeft gelijk! Zend er je aalmoes naar toe, beste kind, ik zal er graag de mijne bijvoegen... Er zijn heel wat bezienswaardiger plekken, waar je mijnheer den abbé kunt brengen... Je zult waarachtig zorgen, dat hij een mooie herinnering aan onze stad medeneemt!"

De Romeinsche trots klonk uit haar slechte luim. Waartoe diende het de wonden der stad te laten zien aan de vreemdelingen, die hier misschien alleen met een vijandige nieuwsgierigheid kwamen. Rome moest altijd mooi zijn, men moest Rome alleen in den praal van zijn roem laten zien.

Maar Narcisse had zich van Pierre meester gemaakt.

"Ja, mijn waarde, dat is waar ook, ik heb heelemaal vergeten u die wandeling aan te raden... U moet beslist de nieuwe wijk zien, die men in de Prati del Castello gemaakt heeft. Die is heel typisch en als het ware een samenvatting van de andere; u zult zien, dat het geen verloren tijd is, daar sta ik voor in, want niets ter wereld kan u een beteren indruk van het tegenwoordige Rome geven. Het is buitengewoon, buitengewoon."

En zich dan tot Benedetta wendend:

"Is het afgesproken? Vindt u morgenochtend goed?... U zult den abbé en mij daar vinden, want ik sta erop hem eerst op de hoogte te brengen, zoodat hij alles goed begrijpt... Om tien uur, kunt u dan?"

Alvorens te antwoorden, wendde de contessina zich tot haar tante.

"Kom, tante, mijnheer de abbé heeft genoeg bedelaars in onze straten ontmoet; hij kan alles zien. En trouwens naar wat hij ons in zijn boek vertelt, zal hij te Rome niet meer zien, dan hij in Parijs reeds gezien heeft. Overal is, zooals hij ergens zegt, de honger dezelfde."

Dan richtte zij zich kalm en zacht tot Dario.

"Weet je wel, Dario, dat je me een heel groot pleizier zoudt doen, als je met me meeging. Zonder jou zou het er te veel van hebben, alsof we uit den hemel kwamen vallen. We zullen een rijtuig nemen en dan de heeren daar aantreffen; het zal een heel aardige wandelrit zijn... We zijn in geen tijd samen uit geweest."

Ongetwijfeld was dat het, waarom zij het zoo prettig vond: zij had nu een voorwendsel, om met hem samen te zijn en zich geheel met hem te verzoenen. Hij voelde dat, hij kon er zich niet aan onttrekken.

"O, lieve nicht," zeide hij schertsend, "het is jouw schuld, als ik de geheele verdere week nachtmerries heb. Een dergelijk uitstapje bederft voor acht dagen je levensvreugde."

Hij rilde al bij voorbaat. De anderen begonnen weer te lachen, en ondanks de zwijgende afkeuring van donna Serafina werd de samenkomst bepaald op den volgenden ochtend tien uur. Het speet Celia zeer, dat zij niet van de partij kon zijn. Maar zij met haar onschuld van een lelieknop, interesseerde zich slechts voor Pierina.

"Let goed op die schoonheid," fluisterde zij in de antichambre haar vriendin in; "dan kan je me vertellen, of zij werkelijk zoo mooi is, mooier dan alle anderen."

Toen Pierre den volgenden ochtend om negen uur Narcisse bij de Engelenburg vond, bemerkte hij tot zijn verbazing, dat deze weer in zijn smachtende kunstdweperij vervallen was. In den beginne was er geen sprake van de nieuwe wijken noch van den vreeselijken financieelen krach, die er het gevolg van geweest was. De jonge man vertelde, dat hij tegelijk met de zon was opgestaan, om nog een uur voor de Santa Teresia van Bernini te kunnen vertoeven. Wanneer hij die in acht dagen niet gezien had, zeide hij, leed zijn ziel daaronder, voelde hij zich verdrietig, als moest hij een dierbare geliefde missen. Hij had ook zijn uren, waarop hij haar op verschillende wijzen, anders liefhad, al naar gelang der belichting van het doek. 's Morgens in het ochtendlicht, dat haar als in een wit kleed hulde, had hij haar lief met het mystieke élan van zijn ziel; 's middags wanneer de schuine stralen der ondergaande zon op haar vielen, met den rooden hartstocht van het bloed der martelaren.

"O, mijn vriend," zeide hij met zijn moe gelaat, terwijl zijn malvekleurige oogen bijna wegzonken, "ge kunt u niet voorstellen welk een heerlijk, ontroerend ontwaken het dezen ochtend was... Een onwetende, reine maagd, die, gebroken van wellust en nog zwijmelend van het geluk door Jezus bezeten te zijn, haar oogen kwijnend opslaat... Het is om erbij te sterven."

Na een paar passen verder geloopen te hebben werd hij kalmer en ging hij op den beslisten toon van een praktisch man vol levenservaring voort:

"Kom laten we langzaam opwandelen naar de Prati del Castello, waarvan ge de gebouwen onder u ziet liggen; onderweg zal ik u vertellen, wat ik ervan weet. O, het is een buitengewoon verhaal, een van die krankzinnige aanvallen van speculatie, die mooi zijn als het monsterachtige en mooie werk van het een of andere waanzinnige genie... Ik heb het van familieleden van me gehoord, die hier gespeeld en, waarachtig, aanzienlijke sommen gewonnen hebben."

Toen vertelde hij Pierre de zeldzame geschiedenis met de duidelijkheid en nauwkeurigheid van een financier, terwijl hij de technische termen met volkomen zekerheid gebruikte. Na de verovering van Rome, toen geheel Italië als uitzinnig van geestdrift was bij het denkbeeld eindelijk de zoo lang begeerde hoofdstad, de oude, roemrijke stad, de eeuwige, aan wie de wereldheerschappij was toegezegd, te bezitten, barstte een zeer goed te begrijpen jubel van vreugde en hoop los bij het jonge volk, dat eerst gisteren geboren was en nu zoo spoedig mogelijk zijn macht wilde bewijzen. Men moest Rome in bezit nemen, het tot een moderne, een groot rijk waardige hoofdstad maken, en daarvoor was het in de allereerste plaats noodig haar gezond te maken, haar te reinigen van het vuil, dat haar onteerde. Men kan zich niet voorstellen in welk een staat van verontreiniging het Rome der pausen, la Roma sporca, waar de kunstenaars nu nog naar terugverlangen, verkeerde: er bestonden zelfs geen bestekamers, de openbare straat diende voor alle behoeften, de verheven ruïnes waren in vuilnishoopen veranderd, de omgeving van de oude vorstelijke paleizen met excrementen bevuild; kortom, overal steeg een laag van afval, puin en tot verrotting overgegane stoffen op, die de straten in vergiftigde goten veranderden, welke telkens weer de vreeselijkste epidemieën veroorzaakten. Het was dringend noodig daarin van stadswege verbetering te brengen.

Deze maatregelen beteekenden inderdaad de redding, een verjonging, een veilig verder leven. Even gerechtvaardigd was de gedachte nieuwe huizen te bouwen voor de nieuwe bewoners, die van alle kanten zouden toestroomen. Na de totstandkoming van het keizerrijk Duitschland had men hetzelfde te Berlijn zien gebeuren: de stad had haar bevolking bliksemsnel zien toenemen met honderdduizenden zielen. Rome zou zich ook zeker verdubbelen, verdrie-, vervijfvoudigen, de levende krachten der provincies tot zich trekken, het centrum van het nationale bestaan worden. Ook de trots sprak een woordje mede: men moest aan de gevallen regeering van het Vaticaan toonen, waartoe Italië in staat was, in welken glans het nieuwe Rome stralen zou, het derde Rome, dat de beide andere, het keizerlijke en het pauselijke, zou overtreffen door de pracht van zijn straten en den overstroomenden vloed van zijn inwoners.

Toch bleef de eerste jaren de bouwbeweging binnen de grenzen der voorzichtigheid. Men was verstandig genoeg slechts te bouwen, wanneer daaraan behoefte was. Met één sprong was de bevolking verdubbeld, van tweehonderdduizend tot vierhonderdduizend zielen gestegen: de kleine wereld van ambtenaren en employés, die met de verschillende takken van algemeen bestuur kwamen, de geheele groote menigte, die van den staat leeft of ervan hoopt te leven, ongerekend de nietsdoeners en genotzoekers, die een Hof steeds na zich sleept. Dat was de eerste oorzaak van den roes, niemand twijfelde eraan, of die toeneming zou blijven doorgaan, ja zelfs sterker worden. Van af dat oogenblik was de stad van gisteren niet voldoende meer, men moest zonder talmen rekening houden met de eischen en behoeften van morgen, door Rome buiten Rome over alle verlaten, oude voorsteden uit te breiden. Men sprak ook van het Parijs van het tweede Keizerrijk, dat zooveel grooter geworden, in een stad van licht en gezondheid veranderd was. Doch het ongeluk wilde, dat er aan de oevers van den Tiber geen algemeen plan bestond, dat er geen man was met een ruimen blik, die den toestand overzag en op krachtige financieele instellingen steunen kon.

Wat nu de trots, de eerzucht om het Rome der Caesars en der Pausen in glans te overtreffen, de wil om van de eeuwige, gepraedestineerde stad het centrum en de koningin der aarde te maken, begonnen was, voltooide de speculatie, een van die buitengewone agiostormen, een van die orkanen, welke, zonder dat iets ze aankondigt of tegenhoudt, ontstaan, woeden, alles vernielen en met zich sleuren. Plotseling liep het gerucht, dat terreinen, die vijf francs den meter gekost hadden, voor honderd francs verkocht werden; toen brak de koorts uit, de koorts van geheel een door speculatiewoede verhit volk. Een zwerm van speculanten was uit Boven-Italië op Rome, de edelste en makkelijkst te krijgen buit, neergestreken.

Voor deze arme, hongerige bergbewoners begon in dit wellustige zuiden, waarin het zoo heerlijk is om te leven, de drijfjacht der begeerten, zoodat het verrukkelijke klimaat, op zichzelf reeds zoo verderfelijk, de moreele ontbinding verhaastte. Bovendien behoefde men zich in den beginne inderdaad slechts te bukken; het geld was tusschen de puinhoopen der eerste gesloopte wijken met schoppen vol op te rapen. Handige lieden, die het tracé der nieuwe straten als het ware roken, hadden zich meester gemaakt van de terreinen, die onteigend zouden moeten worden, en vertiendubbelden binnen twee jaar hun vermogen. Nu greep de besmetting nog verder om zich heen en vergiftigde langzamerhand de geheele stad; de bewoners werden op hun beurt ook medegesleept, alle standen door waanzin aangegrepen, de vorsten, de bourgeois, de kleine huiseigenaars tot winkeliers, slagers, kruideniers toe. Zoo vertelde men later van een eenvoudigen bakker, die een bankroet van vijf-en-veertig millioen geslagen had.

Het was niets meer dan een wanhopige, schandelijke, koortsachtige speculatie, die in de plaats van het geregelde pauselijke lotto gekomen was, een speculatie met millioenen, waarbij de terreinen en bouwwerken iets fictiefs, slechts een voorwendsel voor Beursoperaties werden. De oude atavistische trots, die van Rome de hoofdstad der wereld maken wilde, werd door deze speculatiekoorts opgezweept tot hoogmoedswaanzin; er werd gekocht en gebouwd, om weer te verkoopen, zonder maat, zonder ophouden, zooals aandeelen gelanceerd worden, zoolang de persen er drukken willen.

Nooit had een stad in haar evolutie een dergelijk schouwspel geboden. Wanneer men het thans tracht te begrijpen, staat men gewoonweg perplex. Het bevolkingscijfer was de vierhonderd duizend overschreden en scheen dan stationnair te blijven; maar dit belette niet, dat de nieuwe wijken steeds dichter uit den grond opschoten. Voor welk toekomstig volk bouwde men met zooveel woede? Door welke zinsverbijstering kwam men ertoe niet te wachten op de nieuwe bewoners, om duizenden woningen gereed te maken voor families, die misschien komen zouden? De eenige verontschuldiging was, dat bij voorbaat als vaststaande aangenomen werd, dat het derde Rome, de triompheerende hoofdstad van Italië, niet minder dan een millioen zielen tellen kon. Zij waren niet gekomen, maar zij zouden zeker komen; daaraan kon geen patriot twijfelen zonder vaderlandsschennis te begaan. En men bouwde, bouwde, bouwde zonder ophouden voor de vijfhonderdduizend onderweg zijnde burgers. Men bekommerde zich zelfs niet om den dag van hun aankomst, het was voldoende, dat men op hen rekende. In Rome waren ook maatschappijen tot het maken van groote wegen door de oude, ongezonde, gesloopte wijken gevormd en deze verkochten of verhuurden haar terreinen, waardoor zij groote winsten behaalden.

Doch naarmate de waanzin steeg, werden er meer maatschappijen opgericht, om den honger naar winst te bevredigen; zij hadden ten doel om buiten Rome nog meer nieuwe wijken, steeds weer nieuwe wijken, ware kleine steden, waaraan niet de minste behoefte bestond, te bouwen. Bij de Porta S. Giovanni, bij de Porta S. Lorenzo rezen de voorsteden als door een wonder op. Op de reusachtige terreinen der Villa Ludovisi, van de Porta Salaria tot aan de Porta Pia, ontstond het ontwerp van een stad, en op de Prati del Castello wilde men plotseling een stad met kerk, school en markt uit den grond doen oprijzen. En dat waren geen arbeiderswoningen, geen bescheiden huizen voor den middenstand en de ambtenaren, neen, het waren groote bouwwerken, ware paleizen met drie of vier verdiepingen, met gelijkvormige, overmatig groote gevels, welke van deze nieuwe, excentrieke wijken Babylonische stadsdeelen maakten, die alleen hoofdsteden met een krachtig industrieleven, zooals Parijs en Londen, zouden kunnen bevolken. Het zijn de monsterachtige voortbrengselen van den hoogmoed en van de speculatie. En welk een droeve bladzijde uit de geschiedenis, welk een bittere les, wanneer het thans ten gronde gerichte Rome zich bovendien nog onteerd ziet door dien leelijken gordel van groote, ledige, grootendeels onafgemaakte geraamten, welker puinhoopen nu reeds de met gras begroeide straten bedekken!

De onvermijdelijke instorting, de ramp was vreeselijk. Narcisse gaf de redenen daarvoor op en lichtte de diverse stadia zoo duidelijk toe, dat Pierre alles goed begreep. Natuurlijk waren talrijke financieele maatschappijen uit die humus der speculatie opgeschoten: de Immobiliere, de Società edilizia, de Fondiaria, de Tiberina, l'Esquilino. Bijna alle lieten bouwen, richtten groote huizen op, legden heele straten aan, om ze weer te verkoopen. Maar zij speculeerden ook in bouwterreinen, stonden die met groote winsten aan kleine speculanten af, die in de door de toenemende agiokoorts verwekte kunstmatige hausse overal opschoten en eveneens van ontzaglijke winsten droomden. Het ergste daarbij was, dat deze kleine burgers, deze onervaren winkeliers zonder geld, zoo door de speculatiewoede werden opgezweept, dat zij zelf ook lieten bouwen; zij leenden van de banken en wendden zich tot de maatschappijen, van wie zij de terreinen gekocht hadden, om het voor het voltooien der gebouwen noodige geld te krijgen.

In de meeste gevallen zagen de maatschappijen, om niet alles te verliezen, zich op een goeden dag genoodzaakt de terreinen en de gebouwen, zelfs al waren zij niet afgebouwd, terug te nemen, wat een ontzaglijke opstopping veroorzaakte, waaraan zij ten gronde moesten gaan. Wanneer het millioen inwoners de woningen, die men in een zoo vreemden droom van hoop voor hen gebouwd had, waren komen betrekken, dan hadden de winsten onberekenbaar kunnen zijn. Rome was in tien jaar rijk en een der bloeiendste hoofdsteden der wereld geworden. Maar de inwoners wilden niet komen, niets werd verhuurd, de woningen stonden leeg. En toen barstte de krach met een ongekende heftigheid los en wel om twee redenen. In de eerste plaats waren de door de maatschappijen gebouwde huizen veel te groot en veel te duur, waardoor het grootste gedeelte van de gewone, middelmatige renteniers, die hun geld in grondbezit willen beleggen, afgeschrikt werden. Het atavisme had zijn werk gedaan, de bouwers hadden in hun grootheidswaanzin een reeks prachtige paleizen opgericht, bestemd, om die van de twee vorige tijdperken in het niet te doen verzinken en welke nu triest en verlaten als de meest ongehoorde getuigen van den onmachtigen hoogmoed staan bleven.

Er waren dus geen particuliere kapitalen te vinden, die de plaats der maatschappijen durfden of konden innemen. Bovendien zijn elders, in Parijs en in Berlijn, de nieuwe wijken en de verfraaiingen met nationaal kapitaal, met gespaard geld gemaakt. In Rome daarentegen werd alles gebouwd met crediet, met wissels op drie maanden en vooral met buitenlandsch geld. Men schat de aldus verslonden som op bijna een milliard, waarvan vier vijfden Fransch geld was. Het was eenvoudig een zaken doen van bankier op bankier; de Fransche bankiers leenden tegen 3 1/2 à 4 procent aan de Italiaansche, die op hun beurt aan de speculanten, aan de bouwers te Rome tegen 6, 7, ja zelfs 8 procent leenden.

Men kan zich dan ook de ramp voorstellen, toen Frankrijk, dat het verbond van Italië met Duitschland met leede oogen aanzag, binnen twee jaar zijn achthonderd millioen terugtrok. Er ontstond een reusachtige terugvloeiing, die de Italiaansche banken ledig maakte; de grondmaatschappijen en al die maatschappijen, welke in terreinen en bouwwerken speculeerden, werden nu eveneens genoodzaakt op haar beurt terug te betalen en moesten zich wenden tot de emissiemaatschappijen, die papier konden uitgeven. Tegelijkertijd dreigden zij den Staat de werken stil te zullen leggen en veertig duizend werklieden op straat te zetten, wanneer de Staat de emissiemaatschappijen niet dwong hun de vijf of zes millioen, die zij noodig hadden, te leenen, wat de Staat, bang voor een algemeen bankroet, ten slotte deed. Natuurlijk konden de vijf of zes millioen op de vervaldagen niet terugbetaald worden, omdat men de huizen niet kon verkoopen of verhuren, zoodat nu de debacle steeds verder om zich heen greep en de eene puinhoop op de andere stapelde: de kleine speculanten vielen op de bouwers, deze op de grondmaatschappijen, deze op de emissiemaatschappijen, deze op het openbaar krediet, wat de natie ruïneerde. Zoo kwam het, dat een eenvoudige stedelijke crisis een ontzettende financieele ramp, een nationaal gevaar werd. Een geheel milliard was zonder eenig nut in den afgrond verdwenen, Rome leelijk gemaakt; het droeg nu de last van zijn jonge, smadelijke ruïnes, van de gapende, ledige huizen voor de vijf of zeshonderd duizend gedroomde inwoners, die men nog steeds wacht.

Trouwens in den gierenden stormwind van den roem was ook de Staat zelfs door grootheidswaanzin aangegrepen. Alles werd erop ingericht om een triompheerend Italië te scheppen, om het land in vijf-en-twintig jaar die eenheid en die grootte te doen bereiken, waarvoor andere volkeren eeuwen hebben noodig gehad. Aan alle kanten werd dan ook met man en macht gewerkt, reusachtige uitgaven gedaan voor kanalen, havens, wegen, spoorwegen en openbare werken in alle groote steden. Men improviseerde, organiseerde de natie zonder te tellen. Na het verbond met Duitschland verslonden de oorlogs- en marinebudgetten noodeloos millioenen. En aan al die steeds stijgende behoeften werd slechts het hoofd geboden door emissies; de eene leening volgde op de andere. In Rome alleen kostte de bouw van het ministerie van Oorlog tien, die van het ministerie van Financiën vijftien millioen, terwijl meer dan tweehonderd millioen voor verdedigingswerken om de stad uitgegeven werden. Het was steeds en steeds weer het opvlammen van den noodlottigen hoogmoed, het sap van den grond, die slechts in al te groote plannen bloeien kan, de wil om de wereld te verblinden en te veroveren, die ontstaat zoodra men den voet op het Capitool zet--zelfs in het opgehoopte stof van alle menschenmachten, die daar na elkaar ingestort zijn.

"Ja, mijn waarde vriend," vertelde Narcisse verder, "als ik wilde afdalen tot praatjes, die in omloop zijn, die men elkaar in het oor fluistert, als ik u enkele feiten noemde, dan zoudt u verbluft, versteld staan over den graad van waanzin, waarin deze in den grond der zaak zoo verstandige, zoo indolente en zoo zelfzuchtige stad door de vreeselijke, besmettelijke koorts van speculatiewoede gebracht is. Niet alleen de kleine luiden, de onwetenden en dommen hebben zich ten gronde gericht, maar ook de groote families, bijna de geheele Romeinsche adel heeft daarbij zijn oude vermogens, het goud, de paleizen en de verzamelingen kunstwerken, die hij aan de vrijgevigheid der pausen te danken had, verloren. Deze ontzaglijke rijkdommen, waarvoor eeuwen van nepotisme noodig geweest zijn, om ze in de handen van enkelen op te hoopen, zijn in nauwlijks tien jaar als was gesmolten."

Dan vergat hij geheel, dat hij met een priester sprak, en vertelde hij een van die equivoque geschiedenissen.

"Laten we onzen goeden vriend Dario, prins Boccanera, even als voorbeeld nemen. Hij is de laatste van zijn geslacht en verplicht te leven van de kruimels van zijn oom, den kardinaal, die toch ook niet heel veel meer dan zijn salaris heeft. Nu, hij zou zeker nog in zijn karos rijden, als die vreemde geschiedenis van de villa Montefiori er niet tusschen gekomen was... Men zal u wel reeds op de hoogte gebracht hebben: de uitgestrekte terreinen van deze villa werden voor tien millioen aan een financieele maatschappij afgestaan; daarna werd prins Onofrio, de vader van Dario, door de speculatiewoede aangegrepen, kocht zijn eigen terreinen duur terug, speculeerde en liet bouwen; ten slotte sleurde de catastrophe behalve die tien millioen nog alles mede, wat hij zelf bezat, de overblijfselen van het eertijds zoo reusachtige fortuin der Boccanera's...

"Maar wat men u ongetwijfeld niet verteld heeft, dat zijn de geheime oorzaken, die daartoe medegewerkt hebben, de rol, die graaf Prada--ja zeker, de gescheiden echtgenoot van de bekoorlijke contessina, op wie wij nu wachten--in deze zaak gespeeld heeft. Hij was de minnaar van prinses Boccanera, de mooie Flavia Montefiori, die de villa als huwlijksgift medebracht, o, een pracht van een vrouw, veel jonger dan haar man. Welnu, algemeen wordt beweerd, dat Prada den echtgenoot in zijn macht had door die vrouw, zoodat deze weigerde zich 's avonds aan den ouden prins te geven, indien deze aarzelde zijn handteekening te zetten of zich verder in te laten in een avontuur, waarvan hij het gevaar van te voren inzag. Prada heeft er millioenen mede verdiend, die hij nu op een zeer verstandige manier verteert. En wat de mooie Flavia betreft, u weet, dat zij, na een klein vermogen uit de debacle gered te hebben, dapper afstand gedaan heeft van haar adellijken titel, om zich een knappen man te koopen, den tweeden, ditmaal jonger dan zij, van wien zij een markies Montefiori gemaakt heeft, die haar nu gezond en mooi houdt, hoewel zij de vijftig nu al gepasseerd is. In deze heele zaak is het eenige slachtoffer onze arme vriend Dario, die totaal geruïneerd is en vastbesloten met zijn nicht te trouwen, die niet veel rijker is dan hij. Weliswaar wil zij hem met alle geweld hebben en is hij niet in staat haar zoo lief te hebben als zij hem. Anders zou hij reeds lang de een of andere Amerikaansche genomen hebben, een millionnairsdochter, zooals zooveel andere vorsten gedaan hebben; ofschoon het ook zeer goed mogelijk is, dat de kardinaal en donna Serafina er zich tegen verzet zouden hebben, want dat zijn helden in hun genre, echte trotsche, koppige Romeinen, die hun bloed vrij willen houden van vreemde smetten... Enfin laten we hopen, dat die goede Dario en die bekoorlijke Benedetta samen gelukkig zullen zijn."

Hij hield op, om na eenige passen, op bijna fluisterenden toon voort te gaan.

"Een van mijn bloedverwanten heeft met die affaire der villa Montefiori een kleine drie millioen verdiend. Wat heb ik er toch dikwijls spijt van gehad, dat ik pas na den heroëntijd van het agio gekomen ben! Wat zal het hier toen amusant geweest zijn en wat was er toen een boel te verdienen voor koelbloedige spelers!"

Plotseling echter zag hij, opkijkend, voor zich het nieuwe stadsdeel der Prati del Castello; zijn geheele gelaatsuitdrukking veranderde, hij werd weer de kunstenaarsziel, die in verzet kwam tegen de moderne gruwelen, waarmede men het pauselijke Rome bezoedeld had. De kleur van zijn oogen werd bleeker, zijn blik drukte de bittere minachting uit van den in zijn liefde voor de verdwenen eeuwen gewonden droomer.

"Kijk toch eens, kijk toch eens! O, stad van Augustus, stad van Leo X, stad van eeuwige macht en eeuwige schoonheid!"

Pierre zelf kwam ook onder den indruk. Op deze plek strekten zich vroeger langs den Tiber tot aan de hellingen van den Monte Marco de vlakke, hier en daar met populieren begroeide weiden van de Engelenburg uit, breede grasvlakten, die aan den Borgo en den verren dom van de St. Pieter een groenen voorgrond gaven en die de schilders graag vereeuwigden. Nu echter verhief zich midden op die omgewoelde, rotsachtige vlakte een geheele stad, een stad van massieve, reusachtige huizen, regelmatige steenen kubussen met breede, elkaar rechthoekig snijdende straten, precies een groot dambord met symmetrische vakken. Van het eene einde naar het andere zag men dezelfde gevels; men zou het geheel voor een rij kloosters, kazernes of ziekenhuizen hebben kunnen houden, waarvan de eenvormige lijnen zich tot in het oneindige voortzetten. Maar de pijnlijke indruk, dien dit schouwspel maakte, kwam hoofdzakelijk voort uit de in den beginne onverklaarbare catastrophe, die deze stad midden in haar aanbouw verstard had, alsof op een vervloekten ochtend een booze toovenaar zijn staf opgeheven, het werk tot stilstand gebracht, de drukke werkplaatsen geledigd, de gebouwen gelaten had in denzelfden droefgeestigen toestand als waarin zij op dit oogenblik verkeerden.

Alle stadia van aanbouw vond men nog terug--van het grondwerk, de voor de fundamenten gegraven diepe gaten, welke open gebleven waren en waarin onkruid woekerde, tot geheel voltooide en bewoonde huizen toe. Er waren huizen, waarvan de muren nauwlijks boven den grond uitkwamen; andere waren tot de tweede of derde verdieping gekomen, maar door hun houten plafonds en door de open vensters stroomde de regen naar binnen; andere, die geheel opgetrokken en met een dak voorzien waren, stonden daar als geraamten, ten prooi aan de gevechten der winden, en deden aan ledige kooien denken. Ook waren er geheel afgebouwde huizen, waarvan men echter de buitenmuren niet had kunnen pleisteren; bij nog andere ontbrak het houtwerk van de deuren en ramen; weer andere hadden wel deuren en ramen, maar waren dichtgespijkerd als doodkisten, in de doode kamers was geen levende ziel te ontdekken; andere tenslotte waren bewoond, de meeste gedeeltelijk, slechts weinige geheel, maar alle levend van een niet-verwachte bevolking. Niets kan de vreeselijke triestheid van die dingen weergeven; het was een Schoone-Slaapster-stad, die door een doodelijken slaap bezocht was, nog voor zij geleefd had, en nu in afwachting van een ontwaken, dat nooit scheen te zullen komen, in de heete zon ten gronde ging.

Pierre ging met zijn gids door de breede, verlaten straten, die de roerloosheid en stilte van een kerkhof hadden. Geen rijtuig, geen voetganger kwam erdoor. Sommige hadden zelfs geen trottoir, het gras woekerde op den nog niet bestraten rijweg als op een veld, dat tot den natuurstaat terugkeert; toch stonden er reeds overal sedert jaren voorloopige gaslantaarns. Aan beide zijden hadden de huiseigenaren de vensteropeningen van den rez-de-chaussée en de verschillende verdiepingen met dikke planken hermetisch gesloten, om geen deur- en vensterbelasting te betalen. Andere huizen, waarvan de bouw nauwlijks begonnen was, waren met staketsels afgesloten, uit vrees, dat de kelders verzamelplaatsen voor alle bandieten uit het land zouden worden. Maar den treurigsten indruk maakten toch de jonge ruïnes, hooge, trotsche, onvoltooide, zelfs nog niet gepleisterde gebouwen, die hun leven van steenen reuzen nog niet eens geleefd hadden en nu reeds aan alle kanten scheurden, zoodat men ze met allerlei gecompliceerde stellingen had moeten stutten, om te voorkomen, dat zij zouden instorten. Je hart kromp ineen als in een stad, waaruit de pest, de oorlog of een bombardement de inwoners weggevaagd heeft.

Maar men werd door een nog grootere melancholie, door een grenzenlooze wanhoop aangegrepen bij de gedachte, dat dit niet een dood, maar een miskraam was, dat de verwoesting haar werk voltooien zou voordat de gedroomde, vergeefs verwachte bewoners dezen doodgeboren huizen leven zouden inblazen. Daarbij kwam nog de vreeselijke ironie, dat men op iederen hoek marmeren platen met de straatnamen zag, beroemde, aan de Geschiedenis ontleende namen, de Gracchen, de Scipio's, Plinius, Pompeius, Julius Caesar, die als een hoon, als een slag, dien het verleden de moderne onmacht in het gezicht gaf, op deze onvoltooide, instortende muren prijkten.

Wederom werd Pierre getroffen door de waarheid, dat ieder, die Rome bezit, verteerd wordt door den marmerwaanzin, door den ijdelen drang om te bouwen en aan de volkeren van morgen het gedenkteeken van zijn roem na te laten. Na de Caesars, die hun paleizen op den Palatinus ophoopten, na de pausen, die het Middeleeuwsche Rome weer opbouwden en hun wapens daarop drukten, is de Italiaansche regeering nauwlijks meester der stad, of zij wil haar onmiddellijk schitterender en grooter dan zij ooit geweest was, herbouwen. De bodem zelf suggereerde die gedachte; het bloed der Caesars steeg den nieuw aangekomenen naar het hoofd en bracht hen tot het waanzinnige denkbeeld om van het derde Rome de nieuwe koningin der aarde te maken. Vandaar de reusachtige plannen, de cyclopische kadewerken, de ministeries, die wedijveren met het Colosseum; vandaar die nieuwe wijken met hun reuzenhuizen, die als evenveel kleine stadjes om de oude stad opgeschoten zijn. Hij herinnerde zich den krijtachtigen gordel, welke de oude, rosachtige daken omgaf en dien hij vanaf den dom van de St. Pieter uit de verte als verlaten steengroeven gezien had; want niet alleen in de Prati del Castello, maar ook bij de Porta S. Giovanni, bij de Porta S. Lorenzo, bij de Villa Ludovisi, op de hoogten van den Viminalis en den Quirinalis vielen de onvoltooide en ledige wijken reeds in het gras der verlaten straten in. Ditmaal scheen het alsof na tweeduizend jaar van wonderbare vruchtbaarheid de bodem eindelijk uitgeput scheen, en de steen der monumenten daar niet meer groeien wilde.

Evenals in zeer oude boomgaarden de pruime- en kerseboomen, die men verplant, kwijnend opgroeien en sterven, zoo vonden blijkbaar de nieuwe muren geen levensvoedsel meer in dat door de eeuwenlange groei van een zoo groot aantal tempels, circussen, triomfbogen, basilica's en kerken verarmde Romeinsche stof. De moderne huizen, die men getracht had hier opnieuw tot vruchtbaarheid te brengen, de tot niets nutte, al te groote, door hereditairen eerzucht opgeblazen huizen, hadden niet tot rijpheid kunnen komen; de halve, door geopende ramen doorboorde gevels bezaten geen kracht genoeg, om op te stijgen tot het dak, waren daar onvruchtbaar blijven staan als kwijnende struiken op een terrein, dat te veel voortgebracht heeft. Het verschrikkelijk trieste lag voornamelijk hierin, dat een voorbijgegane grootheid zóó vol scheppingskracht uitloopen moest op een dergelijke bekentenis van tegenwoordige onmacht, dat Rome, hetwelk vroeger de wereld met zijn onverwoestbare monumenten bedekt had, thans niets meer dan ruïnes baarde.

"Ze zullen eens wel afgebouwd worden!" riep Pierre uit.

Narcisse keek hem verbaasd aan.

"Voor wie dan?"

Dat was juist het verschrikkelijke. Waar waren op dit oogenblik die vijf of zeshonderd duizend inwoners, van wier komst men gedroomd had, op wie men nog altijd wachtte; waar waren zij, in welke nabije landstreken, in welke verafgelegen steden woonden zij? Waar in de eerste dagen na de verovering een vurige patriotische geestdrift alleen op een dergelijke bevolking had kunnen hopen, daar moest men thans wel bijzonder verblind zijn, om nog te kunnen gelooven, dat zij ooit komen zou. De proef scheen genomen te zijn, Rome's bevolking bleef stationnair, er was geen enkele reden, die voorzien deed, dat het aantal inwoners verdubbeld zou worden, noch de genoegens, die de stad aanbood, noch de winst van een handel en van een industrie, die zij niet bezat, noch een intens maatschappelijk en intellectueel leven, waartoe zij niet meer in staat scheen. In ieder geval zouden er jaren en jaren mede heengaan. Hoe dus moest men de gereed zijnde, ledige huizen, die nog slechts op huurders wachtten, bevolken? Voor wie moest men de in geraamte-toestand gebleven woningen, die in de zon en in den regen afbrokkelden, afmaken? Zouden zij dus, gedeeltelijk vleeschloos en open voor alle winden, gedeeltelijk dichtgespijkerd en stil als graven, voor onafzienbaren tijd daar moeten blijven staan in hun vreeselijke, nuttelooze en verwaarloosde leelijkheid? Welk een verschrikkelijke getuigenis legden zij onder dien stralenden hemel af! De nieuwe heeren van Rome hadden een slecht begin gemaakt, maar zouden zij, indien zij thans wisten wat zij hadden moeten doen, ooit wat zij gedaan hebben ongedaan durven maken? Daar het milliard, dat hier ingestoken was, voorgoed verslonden en verloren scheen te zijn, begon men te verlangen naar een Nero met een onbeperkte en matelooze energie, die fakkel en spade grijpen en in naam van rede en schoonheid alles verbranden en met den grond gelijk maken zou.

"Ha!" riep Narcisse uit; "daar zijn de contessina en de prins!"

Benedetta had het rijtuig bij een kruispunt van de eenzame straten laten ophouden; en nu liep zij aan den arm van Dario door die breede, stille, met onkruid begroeide wegen, die als voor verliefde paren aangelegd zijn. Beiden waren verrukt over de wandeling, dachten niet meer aan het treurige, waarvoor zij waren gekomen.

"Wat een goddelijk weer!" zeide zij vroolijk, terwijl zij naar de twee vrienden toe ging. "Wat schijnt de zon heerlijk!... Het doet je goed een beetje te loopen net alsof je op het land bent!"

Dario was de eerste, die ophield te lachen tegen den blauwen hemel, zich te vermeien in de vreugde met zijn nicht aan zijn arm te wandelen.

"Omdat je bij je gril blijft, die zeker onzen geheelen mooien dag bederven zal, moeten we toch naar die menschen toe... Maar eerst moet ik me even oriënteeren. Ik weet nooit goed den weg op plaatsen waar ik niet gaarne kom... En bovendien is deze wijk met haar doode straten, haar doode huizen zoo moeilijk; je ziet niets dat je je herinnert, geen winkel, die je den weg aanwijst... Maar ik geloof, dat het hier is. Ga maar mee, we zullen wel zien."

De vier wandelaars gingen naar het middelste gedeelte van de wijk, dat op den Tiber uitziet. Hier was zich een bevolking gaan vormen. De eigenaars van sommige afgebouwde huizen, hebben daar zoo goed als het kan voordeel van door ze tegen zeer lage prijzen te verhuren; ze werden zelfs niet boos, wanneer de huur eens wat lang op zich wachten liet. Ambtenaren met een klein inkomen en jonge huishoudens zonder geld hadden zich dus gevestigd en betaalden wel langzaam, maar toch altijd iets. Doch het ergste was, dat tengevolge van het sloopen van het vroegere Ghetto en van de doorbraken, waarmede men wat licht gebracht had in Trastevere, ware horden brood- en daklooze haveloozen, die zelfs bijna geen kleeren hadden, in de onafgemaakte huizen waren neergestreken en er met hun ellende en hun ongedierte bezit van genomen hadden. Men had de oogen wel moeten sluiten, deze brutale inbeslagneming moeten dulden, wanneer men niet wilde, dat deze verschrikkelijke ellende zich op de openbare straat ten toon spreidde. Aan deze vreeselijke gasten dus waren de groote gedroomde paleizen ten deel gevallen, de reuzengebouwen van vier of vijf verdiepingen, die men door monumentale deuren binnenging, en die versierd waren met groote standbeelden en langs welker gevels gebeeldhouwde, door cariatiden gesteunde balkons liepen.

Het houtwerk van deuren en ramen ontbrak; iedere van deze ongelukkige families had haar keuze gedaan, bewoonde of een geheele vorstelijke verdieping of gaf de voorkeur aan kleinere vertrekken, waarin ze zich konden ophoopen. De ramen waren meestal met planken dichtgespijkerd; de deuren met behulp van lompen dichtgestopt. Armzalige stukken linnengoed hingen op de gebeeldhouwde balkons te drogen, pavoiseerden met hun vuile vlaggen deze doodgeboren, in hun trots verdeemoedigde gevels. Een snelle slijtage, allerlei vuiligheden zonder naam bezoedelden reeds de mooie witte gebouwen, bespatten en bestreepten ze met smerige vlekken; door de prachtige deuren, die gemaakt waren voor het koninklijk uitrijden van equipages, stroomde een vieze beek van afval en drek, waarvan de poelen dan op den trottoirloozen rijweg vervuilden.

Tot tweemaal toe had Dario hen denzelfden weg al laten loopen. Hij verdwaalde steeds meer en meer en werd hoe langer hoe somberder.

"Ik had links moeten afslaan. Maar hoe kan je dat ook weten in zoo'n omgeving?"

Nu zagen zij heele troepen kinderen vol ongedierte in het stof kruipen. Zij waren buitengewoon vuil, bijna naakt; hun huid was heelemaal zwart, hun haren borstelig als bosjes paardenhaar. Vrouwen liepen rond in smerige rokken, haar openstaande jakken lieten borsten en heupen als van overwerkte lastdieren zien. Velen stonden krijschend met elkander te praten; anderen zaten, met haar handen op haar knieën, op oude stoelen en bleven, zonder iets te doen, urenlang in dezelfde houding zitten. Mannen zag men maar heel weinig. Slechts enkelen lagen op hun buik zwaar tusschen het rossige gras in de zon te slapen.

Maar vooral de geur was vreeselijk, een geur van vuile ellende; het menschelijke vee leefde daar in zijn drek en die stank werd nog erger door de uitwasemingen van een klein marktje, dat zij moesten oversteken: bedorven vruchten, gekookte, zure groenten, reeds den vorigen dag in gestolten en ranzig vet gebraden spijzen, die arme koopvrouwen van den grond af verkochten, terwijl een troep hongerige kinderen gulzig toekeek.

"Kort en goed, ik weet het niet meer," zeide de prins tot zijn nicht. "Wees verstandig, we hebben er nu genoeg van gezien; laten we naar het rijtuig teruggaan."

Inderdaad leed hij, en zooals Benedetta zelf gezegd had, hij kon niet lijden. Het scheen hem een monsterachtige misdaad toe zijn leven door een dergelijke wandeling somber te maken. Het leven was gemaakt, om het licht en prettig in de volle zon te leven. Men moest het alleen door mooie schouwspelen, gezang en dans opvroolijken. En in zijn naïef egoïsme had hij een waren afschuw van het leelijke, van de armoede, van het lijden, zoodat het zien alleen ervan hem reeds een onbehagelijk gevoel, een soort lichamelijke en moreele uitputting gaf.

Maar Benedetta, die evenals hij huiverde, wilde tegenover Pierre dapper zijn. Zij keek hem aan en daar zij zag hoe geïnteresseerd hij was, welk een hartstochtelijk medelijden zich van hem meester gemaakt had, wilde zij haar poging om deelneming met de armen en ongelukkigen te toonen, niet opgeven.

"Neen, neen, we moeten blijven, beste Dario... De heeren willen alles zien, niet waar?"

"Ja, het tegenwoordige Rome ligt hier," zeide Pierre. "Dit hier zegt meer dan alle klassieke wandelingen door ruïnes en monumenten."

"Nu overdrijft ge, mijn waarde," zeide Narcisse op zijn beurt. "Maar ik stem toe, dat het interessant, zeer interessant is... Vooral de oude vrouwen zijn prachtig, vol uitdrukking..."

Op dat oogenblik kon Benedetta, die een buitengewoon mooi jong meisje voor zich zag, een kreet van gelukkige bewondering niet onderdrukken.

"O che bellezza!" [17]

Dario, die haar herkend had, riep met dezelfde verrukte uitdrukking uit:

"O, dat is Pierina... Zij zal ons den weg wijzen."

Het kind liep de groep reeds een oogenblik na, zonder echter dichterbij te durven komen. Haar blikken, die straalden van de vreugde van een verliefde slavin, hadden zich vurig op den prins gericht; dan nam zij de contessina op, doch zonder eenigen haat, met een soort teedere onderworpenheid, een soort berustend geluk, dat ook zij heel mooi was. En zij was in waarheid zooals de prins haar afgeschilderd had: groot, sterk, met een godinnenhals, een echte antieke, een twintigjarige Juno met een ietwat te krachtige kin, een zeldzaam regelmatigen mond en neus, groote koeoogen en een stralend, als door de zon verguld gelaat onder een kroon van zware, zwarte haren.

"Wil jij ons den weg wijzen?" vroeg Benedetta vertrouwlijk glimlachend, reeds getroost over het vele leelijke bij het denkbeeld, dat er dergelijke wezens konden bestaan.

"Ja zeker, mevrouw, ja zeker, dadelijk!"

Zij liep voor hen uit met haar groote schoenen zonder gaten en in een oude bruinwollen japon, die zij blijkbaar kort geleden had gewasschen en gestopt. Men merkte aan alles, dat zij eenigszins coquet, dat zij op reinheid gesteld was, wat van de anderen niet gezegd kon worden, indien tenminste niet alleen haar groote schoonheid uit haar armzalige kleederen straalde en een godin van haar maakte.

"Che bellezza! che bellezza!" werd de contessina niet moede uit te roepen. "Het is werkelijk een genot, dat meisje aan te kijken."

"Ik wist wel, dat zij in je smaak vallen zou," antwoordde hij eenvoudig, gevleid over zijn vondst; hij sprak niet meer over heengaan, nu hij eindelijk zijn oogen kon laten rusten op iets, dat mooi was om te zien.

Achter hen kwam Pierre, eveneens verrukt, wien Narcisse, in wiens smaak het zeldzame en gekunstelde slechts viel, zijn bezwaren mededeelde.

"Zeker, zeker, zij is mooi... Maar in den grond der zaak is er niets plompers en zielloozers dan dit Romeinsche type... Achter haar huid is niets dan bloed, niets bovenaardsch."

Maar Pierina was blijven staan en wees met een handbeweging op haar moeder, die voor de hooge deur van een onafgebouwd paleis op een half kapotte kist zat. Ook zij moest heel mooi geweest zijn, doch nu op haar veertigste jaar reeds was zij vervallen; haar oogen waren uitgedoofd door de ellende, haar mond met de zwarte tanden misvormd, haar gezicht doorploegd met diepe, slappe rimpels, haar boezem buitengewoon groot en afhangend. Bovendien was zij akelig-smerig; haar grijzende, ongekamde haren fladderden in verwarde lokken, haar rok en jak zaten vol vlekken en lieten het vuil op haar ledematen zien. Met haar beide handen hield zij een slapenden zuigeling, haar jongste kind, op haar knieën. Zij keek het wicht als terneergeslagen en moedeloos aan met de uitdrukking van een in zijn lot berustend lastdier, als een moeder, die kinderen op de wereld gebracht en gevoed heeft, zonder te weten waarom.

"Ja, ja!" zeide zij opkijkend; "dat is de mijnheer, die me een daalder is komen brengen, omdat hij je huilend aangetroffen had. En nu komt hij met zijn vrienden nog eens naar ons kijken. Ja, ja, er zijn toch nog goede zielen."

Toen vertelde zij haar geschiedenis; maar onverschillig, zonder zelfs te trachten hun medelijden op te wekken. Zij heette Giacinta en was getrouwd met een metselaar, Tommaso Gozzo, bij wien zij zeven kinderen gehad had, Pierina, dan Tito, een grooten jongen van achttien jaar, en nog vier meisjes telkens na twee jaar, en nu eindelijk dit kind, een jongen. Heel lang hadden zij in dezelfde woning in Trastevere gewoond, een oud huis, dat echter gesloopt was. En het scheen, dat men tezelfdertijd hun bestaan gesloopt had, want sedert zij hun toevlucht gezocht hadden in de Prati del Castello, trof hen de eene ramp na de andere, de vreeselijke crisis in de bouwvakken, die Tommaso en haar zoon Tito werkeloos gemaakt had, de sluiting van de wasparelenfabriek, waar Pierina tenminste nog twintig centesimi verdiende, zoodat zij niet van honger behoefden om te komen. Maar nu werkte niemand, leefde de heele familie van het toeval.

"Als u soms liever naar boven wilt? Daar zult u Tommaso vinden met zijn broer Ambrogio, dien we bij ons genomen hebben; zij zullen beter met u kunnen praten en alles vertellen, wat gezegd moet worden... Wat zal ik u zeggen? Tommaso rust uit net als Tito, hij slaapt, omdat hij toch niets beters te doen heeft."

Met haar hand wees zij naar een jongen, flinken kerel met een grooten neus, een harden mond en dezelfde mooie oogen als Pierina, die languit in het dorre gras lag. Al die menschen niet vertrouwend, had hij even opgekeken. Een toornige plooi kwam op zijn voorhoofd, toen hij merkte met welk een verrukten blik zijn zuster naar den prins keek. Hij liet zijn hoofd weer achterover vallen, doch sloot zijn oogleden niet, maar loerde eronder door naar hen.

"Pierina, wijs jij mevrouw en den heeren den weg eens."

Enkele andere vrouwen, wier naakte voeten in afgeloopen pantoffels staken, waren dichterbij gekomen; troepen kinderen, halfgekleede meisjes, waarbij ongetwijfeld de vier van Giacinta waren, wriemelden om haar heen. Allen geleken met haar zwarte oogen onder de verwarde kroesharen zoo op elkaar, dat alleen de moeders ze onderscheiden konden; het was als een opschieten, als een kampeeren der ellende in de volle zon midden in deze majestueuse ongeluksstraat, die door onvoltooide en reeds in puin vallende paleizen omzoomd werd.

"Neen, ga niet mee naar boven," zeide Benedetta zacht en met een glimlachende teederheid tegen haar neef; "ik wil je dood niet, beste Dario. Het is al heel lief van je, dat je tot hier meegegaan bent. Nu mijnheer de abbé en mijnheer Habert met me medegaan, kan je best hier buiten in de heerlijke zon wachten."

Ook hij begon te lachen en gaf gaarne gevolg aan haar wensch; hij stak een sigaret aan en ging met kleine pasjes op en neer loopen.

Pierina was vlak onder de groote portiek doorgegaan. Deze had een hoog, met rosetvormige vakken versierd gewelf; maar in de vestibule bedekte een echte mestvaalt de marmeren tegels, die men reeds was begonnen te leggen. Dan kwam de monumenteele steenen trap met de gescheurde en gebeeldhouwde leuning; de treden waren reeds gebroken en met zulk een dikke laag vuil bedekt, dat zij wel zwart geleken. Overal hadden handen vettige sporen achtergelaten.

Op het groote portaal van de tweede verdieping bleef Pierina staan en riep door de opening van een groote, openstaande deur zonder lijst of vleugels:

"Vader, een dame en twee heeren willen u spreken."

En zich dan tot de contessina wendend:

"Heelemaal achteraan, in de derde kamer!"

En zij maakte zich uit de voeten, liep veel vlugger de trap af dan zij hem opgegaan was; zij wilde Dario weer zien.

Benedetta en de twee heeren liepen twee zeer groote kamers door; de grond vertoonde heuveltjes van afgevallen kalk, de ramen stonden wijd open. Eindelijk kwamen zij in een kleineren salon, waar de geheele familie Gozzo, met wat zij nog aan meubelen over had, huisde. Op den grond lagen op de onbedekt gebleven ijzeren dwarsbalken vijf of zes vuile, door zweet verteerde stroozakken. Een lange, nog goede tafel stond in het midden, evenals een paar oude, met touwen vastgebonden stoelen, waaruit echter de stroozittingen verdwenen waren. Maar het zwaarste werk was toch geweest twee van de drie ramen met planken dicht te spijkeren, terwijl het derde en de deur gesloten waren met oud, vuil linnen vol gaten.

Tommaso, de metselaar, scheen verbaasd, blijkbaar was hij dergelijke liefdadigheidsbezoeken niet gewend. Hij zat met zijn beide ellebogen en zijn kin tusschen zijn handen aan de tafel uit te rusten, zooals zijn vrouw Giacinta gezegd had. Het was een flinke kerel van een vijf-en-veertig jaar met een zwaren haar- en baardgroei, een groot, lang gezicht en, ondanks zijn niets doen, de waardigheid van een Romeinsch edelman. Bij het zien van de twee heeren, in wie hij onmiddellijk vreemdelingen rook, stond hij met een plotselingen aanval van wantrouwen op. Maar zoodra hij Benedetta herkende, begon hij te glimlachen; en toen zij hem het doel van haar komst vertelde en zeide, dat Dario beneden gebleven was, viel hij haar in de rede:

"Ik weet het, ik weet het, contessina... Ik weet heel goed, wie u bent, want ik heb, toen mijn vader nog leefde, in den palazzo Boccanera eens een raam dichtgespijkerd."

Dan liet hij zich gewillig uitvragen. Aan Pierre, die verbaasd luisterde, antwoordde hij, dat er wel geen geluk heerschte, maar dat zij toch zouden hebben kunnen leven, wanneer ze maar twee dagen per week konden werken. Het was heel goed aan hem te merken, dat hij heel graag de buikriem toehaalde, als hij maar op zijn gemak leven kon. Het was weer precies de geschiedenis van den slotenmaker, die, toen een reiziger hem liet roepen om het slot van een koffer te openen, waarvan de sleutel was weggeraakt, absoluut weigerde in zijn siësta-uurtje te komen. Daar er zooveel ledige paleizen voor de armen openstonden, behoefde men geen huur meer te betalen, en ze waren zoo gauw tevreden en stelden zulke lage eischen, dat enkele centisimi voor voedsel voldoende geweest zouden zijn.

"Ja, mijnheer, onder den paus ging alles beter... Mijn vader, die evenals ik, metselaar was, heeft zijn geheele leven in het Vaticaan gewerkt: trouwens, wanneer ik tegenwoordig nog werk heb, is het altijd daar... Ziet u eens, wij zijn allemaal verwend door die tien jaar, dat er zooveel werk was, dat je niet van den ladder kwam en verdiende wat je wilde. Natuurlijk kon je beter eten, je beter kleeden en behoefde je je geen pleiziertje te ontzeggen, en daarom is het des te harder dat nu wel te moeten doen... Maar als u ons onder den paus eens hadt kunnen zien! Geen belastingen, alles voor niets, je behoefde alleen maar te leven!"

Op dat oogenblik klonk van een der stroozakken in de schaduw der dichtgespijkerde ramen, een gebrom.

"Dat is mijn broer Ambrogio," ging de metselaar op zijn gelaten, kalmen toon voort, "hij is het niet met me eens... In '49, toen hij veertien was, heeft hij met de republikeinen medegedaan... Maar dat hindert niets, we hebben hem toch bij ons genomen, toen we hoorden, dat hij van honger en ellende in een kelder omkwam."

De bezoekers doorhuiverde een rilling van medelijden. Ambrogio was vijftien jaar ouder dan zijn broeder en, hoewel hij nauwlijks zestig was, nog slechts een ruïne: hij werd door koorts verteerd en zijn beenen waren zóó mager, dat hij zijn dagen op zijn stroomatras doorbracht, zonder ooit uit te gaan. Hij was kleiner, magerder en drukker dan zijn broeder en vroeger schrijnwerker geweest. Maar ondanks zijn lichamelijk verval had hij nog een zeer helder hoofd, het edele en tragische gelaat van een apostel en een martelaar.

"De paus, de paus," bromde hij, "ik heb nooit iets kwaads gezegd van den paus, maar het is toch zijn schuld, dat de tyrannie blijft voortduren. Hij alleen had ons in '49 de republiek kunnen geven, en dan zou het met ons niet zoo gesteld zijn, zooals het nu het geval is."

Hij had Mazzini gekend en koesterde nog steeds diens onbestemd ideaal van een republikeinschen paus, die vrijheid en broederschap op aarde zou doen heerschen. Maar later verwarde zijn hartstocht voor Garibaldi dit begrip; van af dat oogenblik hield hij het pausdom voor onwaardig en niet in staat om te werken aan de bevrijding der menschheid, zoodat hij zweefde tusschen het droombeeld van zijn jeugd en zijn harde levenservaring. Verder had hij altijd gehandeld onder den invloed van een heftige emotie en bleef het bij mooie woorden, bij vage, onbestemde verlangens.

"Ambrogio," begon Tommaso, nog altijd even kalm, weer; "de paus is de paus, en wie verstandig is, kiest zijn partij, omdat hij altijd de paus zijn zal, dat wil zeggen de sterkste. Als we morgen stemmen moesten, zou ik voor hem stemmen."

De oude werkman haastte zich niet met een antwoord. De bedachtzame voorzichtigheid van zijn ras had hem kalm gemaakt.

"Ik zou tegen hem stemmen, Tommaso, altijd tegen hem... En je weet heel goed, dat wij altijd de meerderheid zouden hebben. Met den paus-koning is het uit. De Borgo zelf zou daartegen in opstand komen... Maar dat wil niet zeggen, dat we ons niet met hem verstaan moeten, opdat de godsdienst van iedereen gerespecteerd wordt."

Vol belangstelling luisterde Pierre. Hij waagde het een vraag te stellen.

"En zijn er in Rome veel socialisten onder het volk?"

Ditmaal liet het antwoord zich nog langer wachten.

"Socialisten, mijnheer de abbé, ja zeker, enkelen, maar lang zooveel niet als in andere steden... Dat zijn nieuwigheden, waarbij de ongeduldigen zich aansluiten zonder er heel veel van te begrijpen... Wij, ouderen, waren voor de vrijheid, wij zijn niet voor brandstichten en moorden."

Waarschijnlijk was hij bang in tegenwoordigheid van die dame en die heeren te veel te zeggen, want hij begon te steunen, terwijl hij zich op zijn matras uitstrekte. Intusschen maakte de contessina, die last begon te krijgen van den stank, aanstalten om weg te gaan, na den priester gewaarschuwd te hebben, dat het beter zou zijn hun aalmoes beneden aan de vrouw te geven.

Reeds was Tommaso weer met zijn kin tusschen zijn handen aan de tafel gaan zitten en groette zijn gasten zonder zich om hun weggaan meer te bekommeren dan om hun komen.

"Tot ziens! Het was mij een groot genoegen u van dienst te kunnen zijn!"

Maar op den drempel kon Narcisse zijn geestdrift niet meer bedwingen. Hij keerde zich om, om nog eens den kop van den ouden Ambrogio te bewonderen.

"Mijn waarde abbé, wat een meesterwerk! Dat is heerlijk, dat is schoon! Hoeveel minder banaal is dat dan het gezicht van dat meisje... Hier ben ik er zeker van, dat een geslachtelijke valstrik mij niet in een onreine verleiding brengt. Ik geraak om lage redenen niet in verrukking... En bovendien, welk een oneindigheid is er in die rimpels, welk een mysterie in die diepe oogen, welk een geheimzinnigheid in die stoppelige haren en baard! Zoo stel je je een profeet, God den Vader voor!"

Beneden zat Giacinta nog met haar zuigeling op de half kapotte kist; eenige passen verder stond Pierina voor Dario en keek met een verrukt gezicht, hoe hij zijn sigaret oprookte, terwijl Tito nog als een dier in het gras op den loer lag en hen geen oogenblik uit het oog verloor.

"O, mevrouw," begon Giacinta met haar berustende en temende stem; "nu hebt u het zelf gezien, het is bijna niet bewoonbaar! Het eenige goede ervan is, dat je er werkelijk wat ruimte hebt. Maar aan den anderen kant tocht het er altijd zóó, dat je er ieder oogenblik van den dag een doodelijke kou kan vatten. En dan ben ik altijd bang voor de kinderen met het oog op de gaten."

Zij deed het verhaal van een vrouw, die, toen zij op het portaal wilde gaan, een raam voor een deur aangezien had, op straat gevallen en onmiddellijk dood was. Een meisje had haar armen gebroken door van een trap te vallen, die geen leuning had. Bovendien zou je er kunnen sterven, zonder dat iemand het wist of op het denkbeeld komen zou je op te rapen. Den vorigen dag nog had men achter in een afgelegen kamer het lijk van een ouden man gevonden, die minstens een week geleden van honger gestorven moest zijn; hij zou er zeker nog langer blijven zijn liggen, als de vreeselijke stank den buren zijn aanwezigheid niet verraden had.

"En als je nu nog maar te eten hadt!" ging Giacinta voort. "Maar wanneer je niet eet en je een kind voeden moet, dan heb je geen melk. De kleine zuigt je gewoon je bloed uit je lichaam! Hij wordt boos, wil wat hebben--och, en dan begin ik te huilen, want het is mijn schuld niet, dat er niets is."

Inderdaad waren er tranen in haar oogen gekomen. Maar een plotselinge woede maakte zich van haar meester, toen zij merkte, dat Tito nog steeds als een beest in het zonnetje lag, wat zij al heel onbeleefd vond voor die hooge dame en heeren, die haar zeker een aalmoes zouden geven.

"Hei, Tito, luilak, kan je niet opstaan, wanneer er menschen zijn?"

Hij hield zich eerst doof, maar stond toch eindelijk kwaadgehumeurd op. Pierre, die belang stelde in den jongen, trachtte hem aan het praten te krijgen, zooals hem dat boven met den vader en den oom gelukt was. Doch hij kreeg slechts korte, wantrouwende, gemelijke antwoorden uit hem. Als je geen werk hadt, was slapen het eenige, dat er overbleef. Met kwaad worden veranderde je de dingen toch niet. Het beste was te leven zoo goed en zoo kwaad als het ging, zonder het je moeilijk te maken. Wat de socialisten betreft, ja misschien waren er enkelen, maar hij kende ze niet. En uit zijn indolente, onverschillige houding bleek heel duidelijk, dat, ook al mocht de vader voor den paus en de oom voor de republiek zijn, hij, de zoon, voor niets was. Pierre voelde daarin het einde van een volk of liever gezegd den slaap van een volk, waarin nog geen democratie ontwaakt was.

Maar toen de priester door bleef vragen, hoe oud hij was, op welke school hij geweest was, in welke wijk hij geboren was, viel Tito, terwijl hij met zijn vinger op zijn borst wees, hem met een ernstige stem in de rede:

"Io son Romano di Roma!"

Inderdaad, was dat niet het antwoord op alles? "Ik ben een Romein uit Rome!" Pierre glimlachte droevig en zweeg. Nooit had hij beter den hoogmoed van het ras, het oeroude, zoo zwaar op de schouders drukkende erfdeel van den roem gevoeld. In dezen gedegenereerden jongen, die nauwlijks lezen of schrijven kon, herleefde de onbeperkte ijdelheid der Caesars. Deze hongerlijder kende de stad, zou instinctmatig de mooiste bladzijden uit haar geschiedenis kunnen vertellen. Hij was vertrouwd met de namen der groote keizers en groote pausen. Waarom te werken, nadat men de meester der wereld geweest was? Waarom zou men in de mooiste stad, onder den mooisten hemel, niet in voornaam nietsdoen leven?

"Io son Romano di Roma!"

Benedetta had haar aalmoes in de hand der moeder laten glijden en Pierre en Narcisse, die haar voorbeeld volgden, deden hetzelfde, toen Dario, die Pierina niet wilde vergeten, maar haar toch geen geld durfde geven, op een aardig denkbeeld kwam. Hij bracht zacht zijn vingers aan zijn lippen en zeide met een vriendelijk lachje:

"Voor de schoonheid!"

Dit kushandje, dat eenigszins ermede spottende lachje, deze zoo vertrouwlijke prins, dien de zwijgende vereering van de mooie parelwerkster als in een liefdesgeschiedenis uit vroeger tijden trof, dat alles had werkelijk iets bekorends en liefs.

Pierina kreeg een kleur van blijdschap; zij raakte heelemaal haar hoofd kwijt, nam plotseling de hand van Dario, drukte er haar warme lippen op in een onberedeneerde opwelling, waarin zoowel groote dankbaarheid als verliefde teederheid lag. Maar de oogen van Tito fonkelden van woede; hij greep zijn zuster ruw bij haar rok en stiet haar met zijn vuist op zijde, terwijl hij dreigend bromde:

"Pas op hoor, ik vermoord jou en hem ook!"

Het werd hoog tijd, om weg te gaan, want ook andere vrouwen, die het geld blijkbaar geroken hadden, kwamen naderbij, staken haar hand uit en lieten haar huilende kinderen zien. Een groote opwinding had zich van de ellendige wijk met haar groote verwaarloosde gebouwen meester gemaakt, een noodkreet rees op uit de doode straten met de op marmeren bordjes prijkende namen. Wat te doen? Ze konden toch niet aan allen geven. Er bleef niet anders over dan weg te vluchten.

Toen Benedetta en Dario weer bij haar rijtuig waren, stapten zij vlug in en drukten zich, blij aan deze nachtmerrie ontsnapt te zijn, dicht tegen elkaar. Toch streelde het haar eigenliefde, dat zij zich in tegenwoordigheid van Pierre dapper gehouden had, en drukte hem de hand als een dappere leerling, toen Narcisse gezegd had, dat hij met den priester wilde gaan dejeuneeren in het kleine restaurant op de piazza S. Pietro, vanwaar men zoo'n interessant gezicht op het Vaticaan had.

"Drinkt een glas witten Genzano," riep Dario, die zijn oude vroolijkheid weer teruggekregen had, hun na. "Er bestaat niets beters om zwartgallige ideeën te verjagen."

Maar Pierre was onverzadigbaar, wilde meer bijzonderheden weten. Onderweg vroeg hij Narcisse naar het volk van Rome, naar zijn leven, zijn zeden en gewoonten. Het onderwijs beteekende zoo goed als niets. Industrie en handel was er bijna niet te vinden. De mannen oefenden de enkele nog bestaande handwerken uit, terwijl het voortgebrachte alleen maar in Rome zelf verkocht werd. Onder de vrouwen waren enkele parelwerksters en borduursters, terwijl religieuze artikelen, medailles en rozenkransen, en het vervaardigen van lokale snuisterijen altijd een zeker aantal menschen van werk voorzagen. Maar zoodra de vrouw trouwde en moeder werd van een als door een wonder opschietende kinderzwerm werkte zij niet meer. In het kort gezegd, de bevolking leefde, zoo goed en zoo kwaad als het ging, werkte juist genoeg om te eten, was tevreden met groenten, pap en een beetje schapenvleesch, kwam niet in opstand, was zonder eenige eerzucht voor de toekomst, zorgde slechts voor den dag van heden. De twee eenige ondeugden waren het spel en de roode en witte wijn van de Romeinsche Castelli, wijnen, die tot moord en doodslag aanzetten, wijnen, die op avonden van feestdagen na het sluitingsuur der kroegen de straten vulden met reutelende, met messteken doorboorde mannen. De meisjes waren over het algemeen zeer fatsoenlijk; zij, die zich voor het huwelijk aan een man overgaven, waren te tellen. Dat vond vooral zijn oorzaak in het feit, dat de familieband zeer sterk was en het vaderlijk gezag nog onbeperkt heerschte.

De broers waakten over de eer van haar zusters, zooals Tito, hoewel hij zoo ruw tegenover Pierina was, over haar waakte met een woeste zorg, en dat niet om de een of andere geheime ijverzucht, maar voor den goeden naam en de eer der familie. En toch heerschte er geen werkelijke godsdienstigheid, maar wel een zeer kinderlijke afgoderij: aller harten gingen uit tot Maria en de heiligen; dezen alleen bestonden, tot hen alleen werd gebeden met achterstelling van God, aan wien het niemand inviel te denken.

Uit dit alles was het stilstaan van het lagere Romeinsche volk zeer goed te verklaren. Eeuwen van aangemoedigd niets doen, gestreelde ijdelheid en verweekelijkt leven lagen achter hen. Wanneer zij geen metselaars, schrijnwerkers of bakkers waren, dan waren zij bedienden; zij dienden bij priesters en waren daardoor min of meer aan den invloed van het Vaticaan onderworpen. Vandaar twee streng gescheiden partijen: de vroegere carbonari, de latere Mazzinianen en Garibaldianen, die ongetwijfeld de meerderheid en de elite van Trastevere vormden; en de aanhangers van het Vaticaan, al degenen, die van de Kerk leefden en naar den paus-koning terug verlangden. Maar aan beide kanten bleef het altijd bij denkbeelden, waarover men sprak, zonder dat ooit de gedachte opkwam, zich eens voor het een of ander in te spannen, zich bloot te stellen aan een gevaar. Er zou een zeer sterke hartstocht voor noodig geweest zijn, om het koele verstand van het ras weg te vagen en hen tot den een of anderen waanzin te brengen. Waartoe ook? De ellende duurde al zooveel eeuwen, de hemel was zoo blauw, de siësta tijdens de warmste uren was meer waard dan al het overige. Slechts een ding scheen erbij gekomen te zijn, een fond van vaderlandsliefde.

De meerderheid was beslist voor Rome als hoofdstad, voor dezen heroverden roem, zelfs in dien mate, dat er in de Leostad bijna een oproer uitgebroken was, toen er sprake was van een accoord tusschen Italië en den paus, dat als grondslag het herstel van de wereldlijke macht over die stad had. Dat de ellende toch grooter scheen geworden te zijn en de Romeinsche werkman meer klaagde, vond zijn oorzaak hierin, dat hij in werkelijkheid niets gewonnen had bij de reusachtige werken, die de laatste vijftien jaar in zijn stad waren uitgevoerd. In de eerste plaats hadden veertig duizend arbeiders Rome overstroomd, arbeiders, die voor het grootste gedeelte uit het Noorden gekomen waren, voor minder loon werkten, moediger waren en meer weerstandsvermogen bezaten. In de tweede plaats had hij, toen hij zelf zijn deel in het werk kreeg, beter geleefd, zonder echter iets op zijde te leggen, zoodat, toen de crisis uitgebroken was en men de veertig duizend arbeiders weer naar hun provincies had moeten terugzenden, hij weer in dezelfde positie verkeerde als vroeger: in een doode stad, waarin alle werkplaatsen ledig stonden en voorloopig geen kans op werk was. Aldus viel hij weer terug tot zijn oude indolentie, in den grond der zaak blij, dat hij niet door al te veel werk geplaagd werd, en ging weer zoo goed mogelijk samenwonen met zijn oude liefde, de ellende--zonder een cent, maar als een groote mijnheer.

Vooral werd Pierre getroffen door het groote verschil in karakter tusschen de ellende te Parijs en die te Rome. Ongetwijfeld was hier de ontbering nog grooter, het voedsel nog vuiler, de smerigheid nog afstootender. Maar hoe kwam het dan, dat deze verschrikkelijk-arme menschen meer echte vroolijkheid bezaten, hun leed opgewekter droegen? Wanneer hij zich een winter te Parijs, de krotten, die hij zoo dikwijls bezocht had, waarin de sneeuw binnendwarrelde en heele families zonder vuur of brood zaten te rillen, voor den geest riep, dan werd zijn hart aangegrepen door een medelijden, dat hij in de Prati del Castello lang niet zoo levendig gevoeld had. Nu eindelijk begreep hij het: de ellende te Rome was een ellende, die geen koude leed. Welk een heerlijke en eeuwige troost was die altijd warme zon, die weldoende hemel, die uit medelijden met die ongelukkigen, steeds blauw bleef. Wat beteekende een krot van een verblijf, wanneer men buiten kon slapen en zich laten liefkoozen door de zoele winden? Wat beteekende zelfs honger, wanneer het huishouden in zonnige straten, in het droge gras op het geluk van het toeval wachten kon? Het klimaat maakte de menschen sober: er waren geen nevels, die men met alcohol trachtte te overwinnen. Het goddelijke nietsdoen vermeide zich in de gulden avonden, de armoede werd in deze heerlijke lucht, waarin het enkele levensgeluk voor het schepsel voldoende scheen te zijn, een vrij genot.

Te Napels, vertelde Narcisse, leefde in de nauwe, stinkende, met te drogen hangend waschgoed gepavoiseerde straten aan de haven en in Santa Lucia de bevolking heelemaal buiten. De vrouwen en de kinderen, die niet beneden op straat waren, leefden op lichte houten balcons, die voor alle ramen aangebracht waren. Hier werd genaaid, gezongen, gewasschen. Maar de straat was eigenlijk de gemeenschappelijke woonkamer; hier trokken de mannen hun broeken aan, reinigden halfnaakte vrouwen haar kinderen van ongedierte en kamden zichzelf; hier was voor het hongerige volk de tafel altijd gedekt. Op kleine tafeltjes, op wagens werd een doorloopende markt gehouden van goedkoope eetwaren, te rijpe granaatappels en watermeloenen, gekookte knoedels, afgekookte groenten, gebakken visch, mosselen, alle heelemaal klaar en gereed, zoodat men altijd in de open lucht kon eten, zonder ooit vuur behoeven aan te maken. En wat voor een wriemelende menigte! De vrouwen gesticuleerden aan één stuk door, de vaders zaten in een lange rij langs de trottoirs, kinderen renden heen en weer te midden van een oorverdoovend lawaai, geschreeuw, gezang, muziek. Ruwe stemmen barstten in luid gelach uit, bruine, niet mooie gezichten hadden prachtige oogen, die onder het inktzwarte, verwarde haar van levensvreugde schitterden. O, arm, vroolijk, kinderlijk, onwetend volk, welks eenige wensch zich tot de enkele centesimi bepaalde, die noodig waren, om op deze eeuwigdurende markt zijn honger te stillen!

Zeker, nog nooit was een democratie zich minder zichzelf bewust geweest. Waar zij, zooals men zeide, terugverlangden naar de oude monarchie, onder welke hun rechten op dit leven van zorgelooze armoede beter verzekerd schenen te zijn, moest men zich wel afvragen, of het noodzakelijk was zich om hunnentwil zooveel moeite te geven, voor hen, tegen hun zin, meer kennis en bewustzijn, meer welvaart en waardigheid te veroveren. Toch steeg in Pierre's hart bij deze vroolijkheid van hongerlijders, die door de bedwelming van de zon in het leven geroepen werd, een eindelooze droefheid op. Ja de mooie hemel, niets dan de mooie hemel bewerkte deze langdurige jeugd van dat volk, verklaarde, waarom de democratie niet vlugger ontwaakte. O, zeker, de armen van Rome en Napels leden gebrek aan alles; maar in hun hart bleef niet de wrok, dat zij van koude gerild hadden, terwijl de rijken zich warmden voor groote vuren; zij kenden niet de woeste droomen in de door sneeuw koude krotten voor een dun stukje kaars, dat dadelijk uitgebrand zou zijn; zij kenden niet den dan opvlammenden drang, om zichzelf gerechtigheid te verschaffen, kenden niet den plicht van opstand, om vrouw en kinderen van de tering te redden, om zelf ook een warm nestje te hebben, waarin leven mogelijk was. Ja, de ellende, die koude lijdt, is het toppunt, neen het exces van sociale onrechtvaardigheid, de vreeselijke school, waarin de arme zijn lijden leert kennen, ertegen in opstand komt en zweert er een einde aan te zullen maken, ook al moet de oude wereld daardoor ten gronde gaan!

En in dezen milden hemel vond Pierre ook een verklaring voor den Heiligen Franciscus van Assisi, dien goddelijken bedelaar uit liefde, die langs de wegen trok en de heerlijke bekoring der armoede bezong. Hij was ongetwijfeld een onbewust revolutionnair en protesteerde, door dezen terugkeer tot de liefde voor de armen, tot den eenvoud van de oorspronkelijke Kerk, op zijn wijze tegen de overmatige weelde van het Romeinsche Hof. Maar nooit zou zulk een ontwaken van onschuld en matigheid kunnen plaats hebben in een Noordelijk land, dat verstart onder de December-vorsten. Daarvoor is de betoovering der natuur, de matigheid van een door de zon gevoed volk, de door de lauwe wegen steeds gezegende bedelarij noodig. Slechts op die wijze had hij tot volkomen zelfvergetelheid en zelfverloochening kunnen komen. En toen drong zich een eerst onoplosbaar schijnende vraag aan hem op: hoe had een Heilige Franciscus, een ziel, die alle schepselen, de dieren en de dingen, met een zoo vurige broederliefde liefhad, eens kunnen ontstaan op deze aarde, die tegenwoordig zoo liefdeloos, zoo hard voor de armen is, haar mindere volk veracht en niet eens haar paus haar aalmoes geeft? Had de oude hoogmoed de harten uitgedroogd of leidde de ervaring van zeer oude volkeren ten slotte tot egoïsme, dat de ziel van Italië ingesluimerd scheen te zijn in haar dogmatisch en pronkzuchtig Katholicisme, terwijl de terugkeer tot het Evangelische ideaal, de liefde tot de armen en ongelukkigen, in onze dagen ontwaakte in de sombere vlakten van het Noorden, onder de van zon beroofde volkeren? Dat alles werkte samen, maar vooral was het de reden, waarom de Heilige Franciscus, nadat hij zijn dame, de Armoede, zoo vroolijk getrouwd had, haar blootsvoets en nauwlijks gekleed in de heerlijke lente kon leiden te midden van bevolkingen, waarin toen een vurige behoefte aan medelijden en liefde brandde.

Al pratende waren Pierre en Narcisse op het plein voor de St. Pieter gekomen. Zij gingen zitten voor de deur van het restaurant, waarin zij reeds eenmaal gedejeuneerd hadden, aan een der kleine tafeltjes, die met haar smoezelig linnengoed langs het trottoir stonden. Maar het uitzicht was prachtig: tegenover hen de basilica, rechts boven de majestueuze zuilengaanderij het Vaticaan. Dadelijk had Pierre opgekeken naar het Vaticaan, dat hem als het ware niet losliet, vooral naar die tweede verdieping met de altijd gesloten ramen, waar de paus woonde, waar nooit iets levends te zien was. Toen de kellner de hors-d'oeuvre, finocchi en ansjovis bracht, gaf de priester een klein gilletje, om de aandacht van Narcisse te trekken.

"Kijk toch eens, waarde vriend... Daar aan het raam, dat, naar men zegt, dat van den Heiligen Vader is... Ziet u daar niet een witte, onbeweeglijke gestalte staan?"

De jonge man begon te lachen.

"Dat moet de Heilige Vader in eigen persoon zijn, u verlangt zoo zeer hem te zien, dat uw wensch hem als het ware bezweert."

"Maar ik verzeker u," zei de Pierre nogmaals, "dat erachter de ramen een witte gestalte staat, die naar ons kijkt."

Narcisse, die trek had, at, maar bleef onder het eten door schertsen. Dan plotseling ernstig:

"Daar de paus naar ons kijkt, is het het geschikte oogenblik, om nog eens over hem te praten... Ik heb u beloofd u te zullen vertellen hoe hij de millioenen van het erfdeel van den Heiligen Petrus verloren heeft in die verschrikkelijke financieele catastrophe, waarvan u de puinhoopen zooeven gezien hebt, en een bezoek aan de nieuwe wijk in de Prati del Castello zou niet volledig zijn, als het niet besloten werd met dat verhaal."

En zonder zich iets van het dejeuner te laten ontgaan, vertelde hij de lange geschiedenis. Bij den dood van Pius IX bedroeg het erfgoed van den Heiligen Petrus meer dan twintig millioen. Lang had kardinaal Antonelli, die speculeerde en over het algemeen goede zaken maakte, dat geld gedeeltelijk bij Rothschild en gedeeltelijk in de handen van sommige nuntii gelaten, die in opdracht hadden het in het buitenland goed te beleggen. Maar na den dood van kardinaal Antonelli vroeg zijn opvolger, kardinaal Simeoni, het geld aan de nuntii terug, om het in Rome te plaatsen. In dien tijd, onmiddellijk na zijn troonsbestijging, riep Leo XIII met het doel het erfgoed te besturen, een commissie van kardinalen in het leven, waarvan monsignor Folchi tot secretaris benoemd werd. Deze prelaat, die gedurende twaalf jaar een belangrijke rol speelde, was de zoon van een ambtenaar aan de Daterie [18], die bij zijn dood een door handige speculatie bij elkaar gekregen millioen naliet. Monsignor Folchi was in vele opzichten het evenbeeld van zijn vader en liet zich weldra als een financier van de eerste kracht kennen, zoodat de commissie hem langzamerhand alle macht in handen gaf, hem volkomen de vrije hand liet en er zich toe bepaalde het rapport, dat hij in elke zitting indiende, goed te keuren. Het erfgoed gaf niet veel meer dan een millioen rente, en daar de uitgaven tot zeven millioen opliepen, moesten de zes andere elders gevonden worden. De paus gaf jaarlijks drie millioen van den St. Pieterspenning aan monsignor Folchi, die gedurende de twaalf jaar, dat hij het financieele beheer voerde, het wonder verrichtte die te verdubbelen door zijn handige speculaties en beleggingen, zoodat men den uitgaven het hoofd kon bieden zonder het erfgoed aan te spreken.

Zoo behaalde hij in de eerste tijden groote winsten door zijn grondspeculaties te Rome. Hij nam aandeelen in alle nieuwe ondernemingen, speculeerde in molens, omnibussen en waterleidingen, afgezien van een in overeenstemming met een Katholieke bank, de Banca di Romana, gevoerden wisselhandel. De paus, die tot dusverre zijnerzijds ook gespeculeerd had door bemiddeling van een vertrouwensman, een zekeren Sterbini, was over monsignor Folchi's handigheid zóó verbaasd, dat hij Sterbini ontsloeg en den kardinaal opdroeg ook met zijn geld te speculeeren, zooals hij het met dat van den Heiligen Stoel gedaan had. Dit was de tijd, dat monsignor Folchi op het toppunt van zijn macht stond. Dan begonnen de slechte dagen: de bodem kraakte reeds en als met donderslagen stortte alles in.

Ongelukkigerwijze bestond een der operaties van Leo XIII hierin, dat hij aan den Romeinschen adel, die, verteerd door den hartstocht voor het spel en in grond- en bouwspeculaties gewikkeld, geen geld had, groote sommen leende; deze gaf hem als borgstelling aandeelen, zoodat, toen de debacle kwam, hij niets dan vodjes papier in handen had. Bovendien was er nog een geheel andere, zeer rampspoedige geschiedenis, n.l. de poging, om te Parijs een bank op te richten, met het doel om obligaties, die Italië zelf niet hebben wilde, te plaatsen onder de vrome, aristocratische clientèle in Frankrijk; als lokaas zeide men, dat de paus daarin betrokken was, en het ergste was inderdaad, dat hij bij die zaak drie millioen verloor. Kort en goed, de toestand werd des te kritieker, daar hij ten slotte de millioenen, waarover hij beschikte, in de vreeselijke speculatiepartijen gestoken had, die in Rome onder de vensters van het Vaticaan afgespeeld werden.

Ongetwijfeld werd ook hij door de speelwoede verteerd, misschien ook koesterde hij heimelijk de hoop om door het geld de stad, die men hem met geweld ontrukt had, terug te winnen. De geheele verantwoordelijkheid van dat alles rustte op hem, want nooit stak monsignor Folchi geld in een belangrijke onderneming, zonder hem te raadplegen. Zoo was hij door zijn hebzucht en door zijn zedelijk hooger staanden wensch, om aan de Kerk de moderne almacht van het grootkapitaal te geven, de werkelijke bewerker van de ramp geworden. Maar, zooals het altijd gaat, de kardinaal werd de eenige zondenbok. Hij had een heerschzuchtig en moeilijk karakter; de kardinalen van de commissie sympathiseerden niet met hem, vonden de zittingen volmaakt overbodig, omdat hij als onbeperkt heerscher handelde en men alleen bijeenkwam, om goed te keuren, wat hij wel zoo goed was omtrent zijn operaties mede te deelen. Toen de catastrophe losbrak, werd een complot gesmeed: de kardinalen maakten den paus bang met de praatjes, die de ronde deden en dwongen daarna monsignor Folchi aan de commissie rekening en verantwoording af te leggen. De toestand was buitengewoon zorgwekkend, reusachtige verliezen konden niet meer vermeden worden.

Zoo viel hij in ongenade; van af dat oogenblik heeft hij steeds weer vergeefs om een audiëntie bij Leo XIII gevraagd, die, hardvochtig, steeds geweigerd heeft hem te ontvangen als om hem te straffen voor hun gemeenschappelijke fout, de hebzucht van hen beiden. Maar monsignor Folchi heeft zich nooit beklaagd: vroom, onderworpen en berustend heeft hij zijn geheim bewaard. Niemand zou het cijfer van de millioenen, die het erfgoed van den Heiligen Petrus in de catastrophe van het in een speelhol veranderde Rome gelaten heeft, met juistheid kunnen zeggen; sommigen beweren tien, anderen weer dertig millioen. Het meest aannemelijk is echter, dat er vijftien millioen verloren gegaan zijn.

Na de coteletten met tomaten bracht de kellner een gebraden kip.

"Het gat is nu gestopt," eindigde Narcisse zijn verhaal, "ik heb u al verteld van de reusachtige sommen, die de St. Pieterspenning opgebracht heeft en waarvan de paus, die over het geheele bedrag beschikt, alleen het juiste cijfer kent... De les is niet voldoende geweest om hem te verbeteren, want ik hoor uit goede bron, dat hij nog altijd speculeert, al is het dan ook voorzichtiger. Zijn vertrouwensman is thans weer een prelaat, monsignor Marzolini, geloof ik, die zijn geldzaken regelt... En hij heeft groot gelijk, je moet met je tijd medegaan."

Pierre had met toenemende verbazing geluisterd, waarin zich een soort schrik en droefheid mengde. Dit alles was zeer natuurlijk, zelfs gerechtvaardigd, maar in zijn droom van een zielenherder, die hoog boven, ver en vrij van alle wereldlijke zorgen troonde, had hij nooit geloofd, dat zoo iets had kunnen bestaan. Wat, de paus, de geestelijke vader van armen en ongelukkigen, had gespeculeerd met bouwterreinen, met Beurswaarden! De opvolger van den Apostel, de pontifex van Christus, van den Jezus van het Evangelie, den goddelijken vriend der lijdenden, had gespeculeerd, zijn kapitaal belegd bij Joodsche bankiers, zooveel mogelijk geld uit zijn geld willen slaan! En dan, welk een pijnlijke tegenstelling: zooveel millioenen daarboven in de kamers van het Vaticaan, weggesloten in het een of andere geheime meubelstuk--zooveel millioenen, die vruchtdragend werkten, die onophoudelijk belegd en weer teruggenomen werden, om steeds maar meer op te brengen, die als gouden eieren met de hartstochtelijke teederheid van een vrek uitgebroed werden! En daar vlak bij, beneden, in de afschuwlijke, onvoltooide gebouwen van het nieuwe stadsgedeelte zooveel ellende, zooveel arme menschen, die in hun vuil van honger stierven, moeders zonder melk voor haar zuigelingen, mannen, door gebrek aan werk tot nietsdoen gedoemd, grijsaards, die zich afbeulden als lastdieren, welke men doodslaat, als zij tot niets meer nut zijn! O, God van barmhartigheid, God van liefde, was dat mogelijk? Ongetwijfeld had de Kerk materieele behoeften, zij kon niet zonder geld leven en het was een verstandige en zeer politieke gedachte om voor haar een schat bijeen te brengen, die haar in staat stellen zou haar tegenstanders te overwinnen! Maar hoe vernederend, hoe bezoedelend was dat alles! Zij daalde van haar goddelijke hoogte af, om niet meer te zijn dan een partij, een groote internationale vereeniging, die georganiseerd was met het doel om de wereld te veroveren en te bezitten!

En deze zeldzame geschiedenis bracht Pierre tot nog grooter verbazing. Wie zou ooit een onverwachter, pakkender drama hebben kunnen uitdenken? Deze paus, die zich in zijn paleis opsloot, dat ongetwijfeld een gevangenis was, maar een gevangenis, waarvan de honderd ramen uitzagen op een eindelooze ruimte, op Rome, de Campagna, de ver verwijderde heuvels; deze paus, die uit zijn raam op alle uren van den dag en van den nacht het geheele jaar door, met één oogopslag zijn stad omvatten kon--zijn stad, die men hem ontstolen had, waarvan hij de teruggave met een ononderbroken jammerklacht eischte; deze paus, die van het begin der werken af, van dag tot dag, de veranderingen, die zijn stad onderging, aanschouwd had: het neerhalen van de oude wijken, het verkoopen van terreinen, het geleidelijk oprijzen van nieuwe gebouwen, die langzamerhand een witten gordel om de oude rossige daken vormden; deze paus, die bij het dagelijks zien van deze bouwwoede, welke hij van zijn opstaan tot zijn naar bed gaan volgen kon, ten slotte zelf medegesleept werd door den hartstocht voor het spel, die als een roes uit de geheele stad opsteeg; deze paus, die uit zijn op zoo stoïcijnsche manier gesloten kamer met de verfraaiingen van zijn oude stad begon te speculeeren, die trachtte zich te verrijken met de door de Italiaansche regeering, die hij voor roover uitmaakte, in het leven geroepen stadsuitbreiding en ten slotte plotseling in een geweldige catastrophe, die hij had moeten wenschen, maar die hij niet voorzien had, millioenen verloor! Neen, nooit nog had een onttroonde koning aan een vreemdere ingeving toegegeven, zich gewaagd in een tragischer avontuur, dat hem als een straf trof. En dit was geen koning, dit was de afgezant Gods, dit was God zelf, de onfeilbare in de oogen der aanbiddende Christenheid!

Het dessert, geitenkaas en vruchten, was gebracht, en Narcisse was juist met een trosje druiven klaar, toen hij opkeek en uitriep:

"Maar ge hebt groot gelijk, waarde vriend, ik zie nu ook die witte schim daarboven achter de ramen in de kamer van den Heiligen Vader heel duidelijk."

Pierre, die zijn blikken niet van het raam af had, antwoordde langzaam:

"Ja, zij was verdwenen, maar toen weer teruggekomen, en nu staat zij er nog steeds, wit en roerloos."

"Maar wat zoudt ge dan willen, dat hij deed?" vroeg de jonge man op zijn kwijnenden toon, waaruit men niet opmaken kon, of hij spotte of niet. "Hij doet als iedereen en kijkt eens naar buiten, wanneer hij zich wat verzetten wil, en dat des te eerder, omdat hij werkelijk iets ziet, waarnaar je nooit moede wordt te kijken."

Dat was het juist, wat Pierre in een toenemende opwinding bracht. Men sprak altijd van een gesloten Vaticaan, en hij had zich een somber, door hooge muren omgeven paleis voorgesteld, want niemand had hem gezegd, niemand scheen te weten, dat dit paleis Rome beheerschte en dat de paus van uit zijn raam de wereld zag. En de onmetelijkheid van dat uitzicht kende Pierre, hij had het gezien van af den top van den Janiculus; van uit de loggia's van Raffaël, van af den dom der Basilica. En waar Leo XIII, roerloos en wit achter zijn ramen, naar keek, dat riep Pierre voor zijn geestesoog op, zag het met hem. In het midden van de uitgestrekte vlakte der Campagna, die de Sabijnsche en Albaansche heuvelen begrensden, zag Leo XIII de zeven beroemde heuvels: den door de boomen der villa Pamphili gekroonden Janiculus; den Aventinus, waarvan niets overgebleven was dan de drie half in het groen schuil gaande kerken; dan iets verder afgelegen, den door zijn rijpe oranjeappelen der villa Mattei doorgeurden Coelius; den Palatinus, die een dunne, daar als op het graf der Caesars opgeschoten rij cypressen omzoomde; den Esquilinus, waarop zich de slanke klokkentoren van de Santa Maria Maggiore verhief; den Viminalis, die met zijn verwarde en witachtige opeenhooping van nieuwe gebouwen op een openliggende steengroeve geleek; den Capitolinus, dien de vierkante campanile van het Senatorenpaleis nauwlijks aanwees; den Quirinalis, waarop het paleis van den koning fel-geel afstak tegen de donkere schaduwen der tuinen. Hij zag behalve de Santa Maria Magggiore alle basilica's, S. Giovanni in Laterano, de wieg van het pausdom, S. Paola fuori le mura, S. Croce in Gerusalemme, S. Agnese, de dom van Il Gesù, van S. Andrea della Valle, van S. Carlo, van S. Giovanni del Fiorentini en al de vierhonderd kerken van Rome, die de stad in een met kruisen beplant, heilig veld veranderen. Hij zag de beroemde monumenten, de getuigen van den eeuwenouden hoogmoed, de Engelenburg, een in een pauselijke vesting veranderd keizersgraf, de witte lijn der andere graven langs de Via Appia, dan de verspreid liggende ruïnen van Caracalla, van het paleis van Septimius Severus, zuilen, gaanderijen, triomfbogen, de paleizen en de villa's van prachtlievende kardinalen der Renaissance, den palazzo Farnese, den palazzo Borghese, de villa Medicis en alle, alle andere--een gewemel van daken en gevels.

Maar voor alles zag hij links, vlak onder zijn raam, den gruwel van de nieuwe, onvoltooide wijk der Prati del Castello. Wanneer hij 's middags in zijn tuinen wandelde, die als een citadel door den muur van Leo IV ingesloten was, had hij het vreeselijke uitzicht op het dal, dat men in den koortsachtigen tijd der bouwwoede in den voet van den monte Mario gegraven had, om er steenbakkerijen op te richten. De groene hellingen zijn opengehaald, geelachtige gangen loopen naar alle kanten, terwijl de thans gesloten fabrieken met haar hooge, doode schoorsteenen, waaruit geen rook meer opstijgt, niets meer dan armzalige ruïnes zijn. Op geen uur van den dag kon hij bij een raam komen zonder die verwaarloosde gebouwen, waarvoor zooveel steenbakkerijen gewerkt hebben, voor oogen te hebben, deze gebouwen, die dood waren voor zij geleefd hadden, waarin op dat oogenblik niets was dan de wriemelende ellende van Rome, dat hier als het cadaver van oude maatschappijen tot ontbinding lag over te gaan.

Vóór alles echter beeldde Pierre zich in, dat Leo XIII, de witte schim daar boven, ten slotte de geheele overige stad vergat, om zijn droomenden blik op den Palatinus te richten, die nu ontkroond is en nog slechts zijn zwarte cypressen in den blauwen hemel opricht. Ongetwijfeld bouwde hij in gedachten de paleizen der Caesars weer op, en voor zijn blik verrezen dan hooge, geheel roode, met het purper bekleede schimmen op, zijn voorvaderen, de keizers en de pontifices, die hem alleen konden zeggen, hoe men als onbeperkt heerscher der wereld, over de wereld regeeren kon. Dan gingen zijn blikken naar den Quirinalis en bleven daar uren lang rusten in de aanschouwing van het koningschap tegenover hem. Welk een zonderling toeval, dat deze beide paleizen, het Quirinaal en het Vaticaan, elkaar aankijken, dat zij naast elkander boven het Rome der Middeleeuwen en der Renaissance uitsteken, welks door de gloeiende zon verbrande en vergulde daken aan den oever van den Tiber zich ophoopen en samenvloeien. Met een eenvoudigen verrekijker kunnen de paus en de koning, wanneer zij voor hun ramen gaan staan, elkander duidelijk zien. Zij zijn niets dan onbeteekenende, in de grenzenlooze ruimte verloren gaande punten; en welk een afgrond ligt er tusschen hen, hoeveel eeuwen van geschiedenis, hoeveel generaties, die gestreden en geleden hebben, hoeveel doode grootheid, hoeveel zaad voor de geheimzinnige toekomst! Zij zien elkaar en strijden nog steeds om het volk, dat voor hun oogen op- en neergolft. Wien zal de onbeperkte macht ten deel vallen, den pontifex, den herder der zielen, of den monarch, den meester der lichamen?

Pierre vroeg zich af aan welke overpeinzingen, aan welke droomerijen Leo XIII zich over zou geven achter die ramen, waar hij nog altijd zijn bleeke, spookachtige schim meende te zien. Bij het zien van het nieuwe Rome, van de oude, gesloopte wijken, van de door een ongeluksstorm met den grond gelijk gemaakte stadsdeelen, moest hij zich ongetwijfeld verheugen over de reusachtige mislukking der Italiaansche regeering. Men had hem zijn stad ontstolen, men had hem als het ware willen laten zien, hoe men een groote hoofdstad in het leven roept, en dat was uitgeloopen op die catastrophe, op zooveel leelijke, nuttelooze bouwwerken, die men niet eens wist hoe af te maken. Het kon niet anders of hij moest zich verheugen in die vreeselijke ongelegenheden, waarin het usurpatorische gezag geraakt was, in de politieke, in de financieele crisis, in de steeds verder om zich heen grijpende nationale malaise, waarin dat gezag binnen niet al te langen tijd ten gronde dreigde te gaan; en toch, sloeg ook niet in zijn borst het hart van een patriot, was ook niet hij een liefhebbende zoon van dat Italië, welks genie en eeuwenoude eerzucht ook in zijn aderen stroomde? O neen, niets tegen Italië; integendeel, alles wilde hij doen, om te bewerken, dat het weer de wereldbeheerscher werd! Ongetwijfeld steeg te midden van zijn blijde hoop een smartelijk gevoel in hem op, wanneer hij zag hoe Rome ten gronde gericht, met een bankroet bedreigd werd, hoe het als het ware zijn onmacht in het openbaar ten toon stelde. Maar wanneer de dynastie van Savoye eens mocht worden weggevaagd, was hij er dan niet, om haar te vervangen en eindelijk weer in het bezit te treden van zijn stad, die hij sedert vijftien jaar slechts uit zijn venster zag, overgeleverd aan sloopers en metselaars? Dan werd hij weer de meester, regeerde hij over de wereld, troonde hij in de gepraedestineerde stad, waaraan de propheten de eeuwigheid en de wereldheerschappij toegezegd hadden.

De horizont breidde zich uit en Pierre vroeg zich af wat Leo XIII wel aan gene zijde van Rome, aan gene zijde van de Campagna Romana, aan gene zijde van de Sabijnsche en Albaansche bergen, in de geheele Christenheid zag. Sedert achttien jaar had hij zich in zijn Vaticaan opgesloten, zag hij de wereld slechts door de ramen van zijn kamer. Wat aanschouwde hij van daarboven, welke waarheden en welke zekerheden drongen uit onze moderne maatschappijen tot hem door? Dikwijls toch moest van de hoogten van den Viminalis, waar het station lag, het langgerekte gefluit der locomotieven in zijn ooren klinken: dat was onze wetenschappelijke beschaving, de toenadering der volkeren, de vrije menschheid, die de toekomst tegemoet ging. Droomde hij zelf van vrijheid, wanneer hij zijn blik naar rechts wendde en daar in de verte, aan gene zijde van de graven aan de Via Appia, de zee vermoedde? Had hij ooit den wensch in zich voelen opkomen weg te gaan, Rome en zijn verleden te verlaten, om elders het pausdom der nieuwe democratieën te stichten?

Men beweerde, dat hij zulk een scherpen, doordringenden blik had; dan had hij moeten begrijpen, dan had hij moeten beven, wanneer uit zekere strijdlustige landen een ver geluid tot hem doordrong--uit Amerika bijvoorbeeld, waar revolutionnaire bisschoppen op het punt stonden het volk te veroveren. Werkten zij voor hem of voor zichzelf? Was een breuk niet onvermijdelijk, wanneer hij hen niet volgen kon, wanneer hij, aan alle kanten door het dogma en de traditie gebonden, zich hardnekkig in zijn Vaticaan bleef opsluiten? Van uit de verte woei een dreigende, het schisma voorspellende wind, streek hem over zijn gelaat en vervulde zijn hart met steeds grooter wordenden angst. Om die reden waarschijnlijk was hij de verzoeningsdiplomaat geworden, die alle verspreide krachten der Kerk in zijn hand verzamelen wilde, die zijn oogen sloot voor de vermetelheid van sommige bisschoppen, voor zoover dat ten minste mogelijk was, die zelf het volk trachtte te veroveren, door zich aan zijn zijde tegen de gevallen monarchen te verklaren. Maar zou hij ooit verder gaan? Was hij niet ingemetseld achter de bronzen deur van het Vaticaan, in de strenge Katholieke formule, waaraan de eeuwen hem vastketenden? Hij moest daar blijven, het zou hem onmogelijk zijn zich tot zijn werkelijke almacht, tot die zuiver geestelijke macht, tot die moreele autoriteit van het hiernamaals te beperken, die de menschheid aan zijn voeten bracht, die bewerkte, dat de pelgrims neerknielden en vrouwen in onmacht vielen. Rome opgeven, afstand doen van de wereldlijke macht zou gelijk staan met het middelpunt der Katholieke wereld te veranderen. Dan zou de paus de paus niet meer zijn, niet meer het hoofd van het Katholicisme, maar een ander, het hoofd van iets anders. Welke onrustige gedachten moesten, terwijl hij daar aan het raam stond, door zijn brein gaan, wanneer de avondwind menigmaal het onduidelijke beeld van dien andere, de vrees voor den nieuwen, nog onbestemden godsdienst met zich bracht, die zich voorbereidde in het doffe stappen der voorwaarts marcheerende naties!

Maar op dat oogenblik voelde Pierre, dat de witte, roerlooze schim achter de ramen staande gehouden werd door den trots, door de voortdurende zekerheid, dat hij zou overwinnen. Wanneer menschenhanden daartoe niet in staat zouden zijn, dan zou het wonder tusschenbeide treden. Hij had de vaste overtuiging, dat hij weer in het bezit zou komen van Rome; en zoo niet hij, dan zijn opvolger. Had de Kerk in haar onbedwingbare levenskracht en levensenergie niet de eeuwigheid voor zich? Trouwens, waarom zou hij zelf niet in het bezit van Rome komen? Vermocht God zelfs niet het onmogelijke? Morgen, als God het wilde, zou ondanks alle menschelijke redeneeringen, ondanks alle schijnbare logica der feiten, zijn stad hem door de een of andere plotselinge wending in de geschiedenis teruggegeven worden. O, welk een feestelijke ontvangst zou hij de verloren dochter, wier dubbelzinnige avonturen hij met zijn door tranen vochtige vaderoogen steeds gevolgd had, bereiden! Hoe gauw zou hij de uitspattingen vergeten, waarvan hij achttien jaar lang op alle uren en in alle jaargetijden getuige geweest was! Misschien peinsde hij, over wat hij doen zou met die nieuwe wijken, waarmede men haar bezoedeld had: zou hij ze sloopen of zou hij ze daar laten staan als een getuigenis van den waanzin der overweldigers? Zij zou weer de verheven en doode stad worden, die een souvereine minachting had voor alle ijdele zorgen van zindelijkheid en materieel welzijn, die als een reine ziel in den overgeleverden roem der vervlogen eeuwen over de wereld stralen zou.

En hij peinsde verder, hij stelde zich voor hoe alles, ongetwijfeld reeds morgen, in zijn werk zou gaan. Alles was beter dan het Huis van Savoye, zelfs een republiek. Waarom niet een federatieve republiek, die Italië volgens de oude, nu afgeschafte, politieke indeeling verbrokkelen, hem Rome teruggeven, hem tot den beschermer van den op die wijze herstelden staat kiezen zou? Dan strekte zijn blik zich verder dan Rome, verder dan Italië uit; zijn droom breidde zich uit, steeds verder uit, omvatte het republikeinsche Frankrijk, Spanje, dat het weer worden kon, ja, zelfs Oostenrijk, dat eenmaal gewonnen zou worden--al de Katholieke naties, die dan de Vereenigde Staten van Europa worden en onder het hooge voorzitterschap van den Pontifex Maximus vreedzaam en in broederschap leven zouden. En dan de hoogste triomf, wanneer ten slotte alle andere Kerken verdwijnen, alle andersdenkende volkeren tot hem komen zouden als tot den eenigen herder, wanneer Jezus in zijn persoon over de universeele democratie regeeren zou.

Plotseling werd Pierre in zijn droom, dien hij aan Leo XIII toeschreef, gestoord.

"Mijn waarde abbé, kijk toch eens naar den toon van de standbeelden op de zuilengaanderij," zeide Narcisse.

Hij had zich een kop koffie laten brengen en rookte, zich weer geheel overgevend aan zijn geraffineerde aesthetica, langzaam een sigaret

"Zij zijn rose, niet waar? Een rose, dat langzaam overgaat in mauve, alsof het blauwe bloed der engelen in hun steenen aderen vloeide... Het is de zon van Rome, die hun dat bovenaardsche leven verleent, want zij leven, ik heb gezien hoe ze op sommige mooie avonden tegen me glimlachten en de armen naar mij uitstrekten... Ach, Rome, het wonderbare en verrukkelijke Rome! Men zou hier arm als Job willen leven in de bestendige vreugde zijn bekoring in te ademen!"

Ditmaal kon Pierre zijn verbazing niet bedwingen, nu hij zich zijn nuchtere stem, zijn zoo helderen en drogen zakengeest herinnerde. Dan keerden zijn gedachten terug naar de Prati del Castello en een eindelooze droefheid maakte zich van hem meester, toen hij zich zooveel ellende en zooveel lijden voor den geest riep. Hij zag weer de schandelijke vuilheid, waarin zooveel schepsels ten gronde gingen, die vreeselijke sociale onrechtvaardigheid, welke de groote meerderheid veroordeelt tot een bestaan van vervloekte, vreugde- en broodlooze dieren. En toen zijn blikken weer teruggingen naar de vensters van het Vaticaan en hij meende te zien, hoe achter de ramen een witte hand zich ophief, dacht hij aan den pauselijken zegen, dien Leo XIII van deze hoogte over Rome, over de Campagna en de bergen aan de geloovigen der geheele Christenheid gaf. Maar deze zegen scheen hem plotseling belachelijk en onmachtig toe, daar hij in zoovele eeuwen niet in staat geweest was, één enkele smart der menschheid te onderdrukken, omdat hij zelfs niet in staat geweest was een weinig rechtvaardigheid te scheppen voor de ongelukkigen, die daar beneden, onder zijn venster, in doodsstrijd verkeerden.

NEGENDE HOOFDSTUK

Daar Benedetta Pierre had laten zeggen, dat zij hem gaarne wilde spreken, ging hij dien avond bij het invallen van de schemering naar beneden en vond haar in den salon in een druk gesprek met Celia.

"Ik heb jullie Pierina gezien," riep het jonge meisje, juist toen hij binnenkwam, uit. "Ja, ja, en nog wel met Dario. Dat wil zeggen, zij moet hem opgewacht hebben; hij zag, dat zij in een laan van den Pincio op hem stond te loeren, en glimlachte tegen haar. Toen begreep ik het dadelijk... Wat een zeldzame schoonheid!"

Benedetta glimlachte zachtjes over haar geestdrift. Maar er kwam een pijnlijke, droevige plooi om haar mond, want, hoewel zij zeer verstandig was, begon deze hartstocht, die, zooals zij voelde, oprecht en sterk was, haar toch te hinderen. Dat Dario elders zijn genoegens zocht, kon zij begrijpen, daar zij zich niet aan hem geven wilde en hij jong en geen geestelijke was. Maar dit ongelukkige meisje hield te veel van hem en zij was bang, dat hij zich zou kunnen compromitteeren; een zoo groote schoonheid verontschuldigde alles. Zij verried dan ook het geheim van haar hart, door het gesprek een andere wending te geven.

"Ga zitten, mijnheer de abbé... U ziet, we zijn aan het kwaadspreken. Mijn arme Dario wordt ervan beschuldigd, dat hij alle schoonheden van Rome in het ongeluk stort... Zoo vertelt men ook, dat men in hem den gelukkige zien moet, die de witte rozen geeft, waarmede Tonietta de laatste veertien dagen op den Corso rondrijdt."

Celia vatte dadelijk vlam.

"Maar dat is beslist zeker. In den beginne heeft men getwijfeld en den kleinen Pontecorvo en luitenant Moretti genoemd. Je kan je voorstellen, hoe er gekletst werd... Maar nu weet iedereen, dat de vlam van Tonietta Dario in eigen persoon is. Trouwens hij heeft in den Costanzi-schouwburg zijn opwachting in haar loge gemaakt."

Toen Pierre haar zoo hoorde praten, herinnerde hij zich die Tonietta, die de jonge prins hem op den Pincio gewezen had, een der weinige demi-mondaines, waarover de hoogere Romeinsche kringen spraken. En hij herinnerde zich ook de galante bijzonderheid, die haar beroemd maakte, de onzelfzuchtige liefde, die zij meermalen voor een geliefde opvatte, van wien zij niets aannam dan iederen ochtend een ruiker witte rozen, zoodat, wanneer zij soms weken achtereen op den Corso met de reine bloemen rondreed, de dames der hoogere kringen brandend nieuwsgierig waren naar den naam van den uitverkoren en aangebeden man. Sedert den dood van den ouden markies Manfredi, die haar zijn klein paleis in de Via dei Mille nagelaten had, was Tonietta beroemd om haar onberispelijk rijtuig en haar elegante, maar eenvoudige toiletten, welke alleen door ietwat opzichtige hoeden ontsierd werden. De rijke Engelschman, die haar onderhield, was nu reeds sedert een maand op reis.

"Zij is werkelijk heel mooi, heel mooi," herhaalde Celia overtuigd, met haar rein gezichtje van maagd, die zich slechts voor liefdeszaken interesseert. "En dan haar groote, zachte oogen; o, zij is niet zoo mooi als Pierina, dat is trouwens onmogelijk; maar toch prettig om naar te kijken, een echt feest voor je oogen!"

Met een onwillekeurig gebaar scheen Benedetta Pierina weer ter zijde te schuiven, terwijl zij daarentegen Tonietta aanvaardde; zij wist heel goed, dat zij maar een eenvoudige afleiding, een tijdelijke streeling voor zijn oogen was.

"Zoo," zeide zij glimlachend; "mijn arme Dario ruïneert zich dus met witte rozen! Daar moet ik hem eens mee plagen... Wanneer onze zaken niet gauw in orde komen, zullen zij hem mij ten slotte nog ontstelen... Gelukkig heb ik uitstekende berichten. Ja, het proces zal weer beginnen; tante is juist daarvoor uitgegaan!"

Toen Celia opstond op het oogenblik dat Victorine een lamp bracht, wendde Benedetta zich tot Pierre, die eveneens opgestaan was.

"Blijf nog even, ik wou u graag spreken."

Maar Celia bleef ook nog: zij was nu een en al belangstelling voor de echtscheiding van haar vriendin, wilde weten hoe het met de zaak stond en of het huwlijk nu gauw plaats zou hebben. Zij omhelsde haar hartstochtelijk.

"Dus heb je weer hoop? Geloof je, dat de Heilige Vader je je vrijheid terug zal geven? O, lieveling, wat ben ik blij voor je. Hoe heerlijk zal het zijn, als jij en Dario kunnen trouwen!... Ik van mijn kant heb ook geen reden tot klagen, want ik zie heel goed, dat mijn vader en mijn moeder genoeg krijgen van mijn koppigheid. Gisteren nog heb ik hun met mijn gewone kalmte gezegd: 'Ik wil Attilio hebben en u zult hem mij geven!' Toen is mijn vader verschrikkelijk woedend geworden, hij heeft me met beleedigingen overstelpt, me met zijn vuist gedreigd en geschreeuwd, dat, wanneer ik een even harden kop had als hij, hij den mijne toch zou breken. Plotseling begon hij woedend uit te varen tegen mijn moeder, die er zwijgend bij stond: 'Geef haar dan haar Attilio, dan laat zij ons ten minste met rust...' Neen, hoor, ik ben erg in mijn schik!"

Pierre en Benedetta konden hun lachen niet bedwingen, zoo straalde haar lelierein madonnagezichtje van onschuldige en hemelsche vreugde. Eindelijk ging zij weg met haar kamenier, die in den eersten salon op haar zat te wachten.

Zoodra zij alleen waren, vroeg Benedetta den priester weer te gaan zitten.

"Waarde vriend, men heeft mij opgedragen u een zeer dringenden raad te geven... Het schijnt, dat uw aanwezigheid te Rome algemeen bekend geworden is en dat er zeer verontrustende praatjes over u in omloop zijn. Uw boek zou een vurige oproep tot het schisma zijn, u zelf slechts een eerzuchtige en oproerige afvallige, die na zijn werk te Parijs uitgegeven te hebben, naar Rome gekomen is, om er een vreeselijk schandaal over te ontketenen en het op die manier te lanceeren... Indien u er nog steeds op staat Zijne Heiligheid te spreken, om uw zaak te bepleiten, raadt men u aan gedurende twee of drie weken geheel te verdwijnen, zoodat men uw aanwezigheid hier vergeet."

Pierre luisterde met de grootste verbazing. Ze zouden hem nog krankzinnig maken; ze zouden hem nog op het denkbeeld brengen zich af te scheiden en een schandaal te maken, wanneer zij zijn geduld nog langer op de proef wilden stellen, daar misbruik van wilden maken. Hij wilde zich verzetten, protesteeren. Dan echter maakte hij een gebaar van moeheid. Waarom zou hij dat doen tegenover deze jonge vrouw, die toch in ieder geval oprecht en hem goed gezind was?

"Wie heeft u verzocht mij dien raad te geven?"

Zij gaf geen antwoord, glimlachte slechts. Dan kreeg hij een plotselinge ingeving.

"Het is monsignor Nani, niet waar?"

Nu begon zij, zonder blijkbaar een direct antwoord op de vraag te willen geven, den lof van den prelaat te zingen. Ditmaal had hij erin toegestemd haar leidsman te zijn in het eindelooze proces over de nietigverklaring van haar huwlijk. Hij had er lang over gesproken met haar tante, donna Serafina, die nu juist naar het paleis van den S. Offizio was, om hem rapport uit te brengen over enkele stappen, die zij hadden gedaan. Pater Lorenza, de biechtvader van de tante en van de nicht, zou ook bij het onderhoud tegenwoordig zijn, want dit heele echtscheidingsproces was eigenlijk zijn werk: hij had er de twee vrouwen steeds toe aan gezet, als wilde hij den band, dien de patriottische pastoor Pisoni gelegd had, weer losmaken. Zij werd steeds meer opgewonden en zeide hem, waarom haar verwachtingen zoo hoog gespannen waren.

"Monsignor Nani kan alles, juist daarom ben ik juist zoo gelukkig, dat mijn zaak in zijn handen is... Kom, beste vriend, wees ook verstandig, verzet u niet, laat u door hem leiden. Ik sta er u borg voor, dat gij u er goed bij bevinden zult!"

Met gebogen hoofd dacht Pierre na. Rome had hem in zijn boeien geslagen; hij kon er ieder uur zijn nog steeds toenemende weetgierigheid bevredigen, en de gedachte, nog twee of drie weken hier te blijven, had volstrekt niets afstootelijks voor hem. Ongetwijfeld voelde hij, dat al dat telkens weer uitstellen zijn wilskracht zou kunnen verminderen, een slijtage zou kunnen veroorzaken, waaruit hij verzwakt, ontmoedigd en tot niets meer nut te voorschijn zou komen. Maar waarom behoefde hij eigenlijk bang te zijn, daar hij zich plechtig gezworen had en steeds nog zwoer niets van zijn boek te zullen terugtrekken en den Heiligen Vader slechts te willen spreken, om zijn nieuw geloof nog krachtiger te verkondigen? Zacht legde hij dien eed nogmaals voor zichzelf af en gaf dan toe. En toen hij zich verontschuldigde, dat hij in het paleis lastig zou worden, riep zij uit:

"Neen, ik ben veel te blij u te hebben. Ik houd u vast; ik heb nu eenmaal de overtuiging, dat uw aanwezigheid hier ons aller geluk brengen zal, nu de kans schijnt te keeren."

Zij spraken nu af, dat hij niet meer zou gaan ronddwalen om de St. Pieter en het Vaticaan, waar het voortdurend zien van zijn soutane de aandacht getrokken scheen te hebben. Hij beloofde zelfs de eerste acht dagen het paleis zoo goed als niet te zullen verlaten, daar hij toch nog gaarne enkele boeken in Rome zelf wilde lezen. Dan bleef hij nog een oogenblikje praten; hij voelde zich zoo gelukkig-kalm in de groote rust, die er in den salon heerschte, sedert de lamp hen met haar schemer verlichtte. Het had zes uur geslagen, op straat was het reeds geheel donker.

"Voelde Zijne Eminentie zich vandaag niet wel?" vroeg hij.

"Ja zeker," antwoordde de contessina; "alleen wat moe, maar volstrekt niets verontrustends... Mijn oom heeft mij door don Vigilio laten zeggen, dat hij zijn kamer zou houden en daar zijn secretaris enkele brieven zou dicteeren... Neen, het heeft niets te beteekenen."

Weer viel een stilte in, geen geluid kwam van de eenzame straat of uit het oude, ledige, als een graf zoo stomme paleis. Maar op dat oogenblik kwam iemand met fladderende rokken en hijgend van schrik den zacht sluimerenden, met de mildheid van een hoopvollen droom vervulden salon binnenstormen. Het was Victorine.

"Contessina, contessina..."

Benedetta was doodsbleek en koud, als was een ongelukswind binnengewaaid, opgestaan.

"Wat is er... Waarom loop je zoo hard en beef je zoo?"

"Dario, mijnheer Dario, beneden... Ik was gaan kijken of ze de lamp onder de poort wel aangestoken hadden, dat vergeten ze zoo dikwijls... En daar, onder de poort, ben ik in den donker over mijnheer Dario gestruikeld... Hij ligt op den grond, hij schijnt met een mes gestoken te zijn..."

Een kreet van wanhoop rees uit Benedetta's borst op.

"Dood!"

"Neen, neen, gewond!"

Maar zij hoorde het niet, bleef steeds luider roepen:

"Dood! Dood!"

"Neen, neen, hij heeft tegen me gesproken... Om Godswil wees toch stil! Hij heeft mij ook bevolen te zwijgen, omdat hij niet wil, dat iedereen het weet; ik mocht alleen u, en niemand anders halen, maar nu mijnheer de abbé hier toch is, wil hij misschien wel helpen. We zullen hem best gebruiken kunnen."

Pierre luisterde ontsteld. Toen zij de lamp wilde nemen, zagen zij, dat haar bevende rechterhand met bloed bevlekt was; blijkbaar had zij het op den grond liggende lichaam betast. Dat gezicht was zóó verschrikkelijk voor Benedetta, dat zij opnieuw begon te gillen.

"Wees toch stil, om Godswil, wees toch stil!... Laten we zoo zacht mogelijk naar beneden gaan! Ik neem de lamp alleen maar mee, omdat we toch moeten kunnen zien... Gauw, gauw!"

Beneden, dwars onder de poort, voor den ingang van den vestibule, lag Dario op de steenen, als had hij, na op straat aangevallen te zijn, nog slechts de kracht gehad enkele passen te doen, om daar neer te vallen. Hij was bewusteloos geworden en lag daar nu met een doodsbleek gezicht, op elkaar gedrukte lippen en gesloten oogen. Benedetta, die ondanks haar hevigen angst de energie van haar ras teruggevonden had, jammerde en gilde niet meer, doch keek, zonder te begrijpen, met haar groote, droge, wijdgeopende, waanzinnige oogen, naar hem. Het verschrikkelijke was het onverwachte, het onbegrijpelijke, het waarom en het hoe van dien moord te midden van de sombere stilte van het oude, verlaten, door het donker van den nacht vervulde paleis. De wond bloedde blijkbaar zeer weinig, want slechts zijn kleeren waren met bloed bevlekt.

"Gauw, gauw!" herhaalde Victorine fluisterend, nadat zij de lamp wat had laten zakken, om het lichaam beter te kunnen zien. "De portier is er niet, die zit altijd hiernaast gekheid te maken met de vrouw van den schrijnwerker. U ziet, dat hij de lantaarn nog niet aangestoken heeft, maar hij kan natuurlijk ieder oogenblik terugkomen... Mijnheer de abbé en ik zullen den prins gauw naar zijn kamer dragen."

Alleen zij met haar prachtige kalmte hield haar hoofd bij elkaar. De twee anderen luisterden in hun verdooving, die maar niet wijken wilde, zonder een woord te kunnen vinden, en gehoorzaamden haar als zoete kinderen.

"U moet ons bijlichten, contessina. Houd de lamp een beetje laag, anders kunnen we de treden niet zien... Neem u hem bij zijn beenen, mijnheer de abbé, dan zal ik hem onder zijn armen dragen. Wees maar niet bang, de arme jongen is niet zoo zwaar!"

Gelukkig lag het uit drie vertrekken, een slaapkamer, een toiletkamer en een salon, bestaande appartement van Dario op de eerste verdieping, naast dat van den kardinaal, in den vleugel, die op den Tiber uitzag. Nadat zij de trap waren opgegaan, behoefden zij slechts zoo zachtjes mogelijk de gang af te loopen en konden dan tot hun groote verlichting den gewonde op zijn bed leggen.

Victorine kon een lachje van voldoening niet onderdrukken.

"Zoo, dat is alweer klaar... Zet u de lamp nu maar neer, contessina. Daar, op die tafel... En ik verzeker u, dat niemand ons gehoord heeft; het is maar gelukkig, dat donna Serafina uit is en Zijn Eminentie don Vigilio bij zich gehouden heeft... Ik heb zijn schouders in mijn rok gewikkeld, zoodat er geen droppeltje bloed is gevallen; en strakjes zal ik zelf met de spons den drempel schoonmaken."

Zij zweeg even en ging naar Dario kijken.

"Hij ademt... Nu dan laat ik hem maar aan uw zorg over en ga ik gauw dien goeden dokter Giordano halen, die u op de wereld heeft zien komen en op wien we vertrouwen kunnen."

Toen Benedetta en Pierre met den bewusteloozen gewonde alleen waren in deze half donkere kamer, waarin nu het vreeselijke schrikbeeld, dat in hen was, scheen te huiveren, bleven zij ieder aan een kant van het bed staan, zonder nog een woord te kunnen vinden. Zij had in de behoefte om haar smart te ontspannen en er lucht aan te geven, haar armen uitgebreid en steunde handenwringend. Dan boog zij zich voorover en keek op het bleeke gelaat met de gesloten oogen naar leven. Hij ademde inderdaad, maar zeer langzaam en nauwlijks merkbaar. Een flauwe blos kwam echter op zijn wangen en eindelijk sloeg hij zijn oogen op.

Onmiddellijk had zij zijn hand gegrepen en gedrukt, als wilde zij den angst van haar hart in dien druk leggen; en een gevoel van groot geluk maakte zich van haar meester, toen zij voelde, dat hij dien beantwoordde:

"Je ziet me toch, je hoort me toch?... Wat is er gebeurd, lieve God?"

Maar hij antwoordde niet, de aanwezigheid van Pierre scheen hem onrustig te maken. Toen hij hem herkend had, scheen hij er zich bij neer te leggen, maar hij keek angstig rond, of er nog niet iemand anders in de kamer was. Eindelijk prevelde hij:

"Niemand heeft het gezien; niemand weet..."

"Neen, neen, stel je gerust. Wij hebben je met Victorine boven kunnen brengen, zonder dat iemand het gezien heeft. Tante is uit en oom heeft zich in zijn kamer opgesloten."

Hij scheen nu verlicht te zijn, glimlachte.

"Niemand mag het weten; het is zoo belachelijk."

"Wat is er toch gebeurd, lieve God?" vroeg zij opnieuw.

"Ik weet het niet, ik weet het niet!"

Met een moe gebaar deed hij zijn oogen dicht, aldus trachtende aan de vraag te ontsnappen. Doch dan scheen hij te begrijpen, dat het beter was dadelijk een deel der waarheid te zeggen.

"Een man, die zich onder de donkere poort verborgen had en daar op mij wachtte... En toen ik thuis kwam, heeft hij me met een mes in mijn schouder gestoken..."

Bevend boog zij zich nog verder over hem heen, keek hem diep in zijn oogen en vroeg:

"Maar wie was die man?"

En toen hij met een steeds vermoeider stem stamelde, dat hij het niet wist, dat de man in het donker gevlucht was, zonder dat hij hem had kunnen herkennen, stiet zij een vreeselijken kreet uit.

"Het is Prada, het is Prada; zeg het maar, ik weet het immers toch."

Zij kon zich niet bedwingen.

"Ik weet het, hoor je? Ik ben de zijne niet geweest en hij wil niet, dat ik de jouwe ben; hij zal je liever vermoorden op den dag, dat ik vrij zal zijn me aan jou te geven. Ik ken hem wel, nooit zal ik gelukkig zijn... Het is Prada, het is Prada!"

Doch een plotselinge kracht bezielde den gewonde, hij protesteerde opgewonden:

"Neen, neen, het is Prada niet en ook niet iemand, die het voor hem gedaan heeft... Dat zweer ik je. Ik heb den man niet herkend, maar het is Prada niet."

Er lag zulk een klank van waarheid in Dario's stem, dat Benedetta wel overtuigd moest zijn. Trouwens de angst maakte zich van haar meester; zij voelde zijn hand, die zij nog steeds in de hare hield, slap en klam en krachteloos worden. Uitgeput door de inspanning, was hij weer met doodsbleek gelaat en gesloten oogen in onmacht gevallen. Hij scheen te sterven.

Wanhopig bevoelde zij hem met haar handen.

"Kijk toch eens, mijnheer de abbé, kijk toch eens... Hij sterft! Hij sterft! Hij is reeds heelemaal koud... O, groote God, hij sterft!"

Pierre trachtte haar gerust te stellen.

"Hij heeft te veel gesproken en daardoor zijn bewustzijn weer verloren, precies als daareven... Ik verzeker u, dat ik zijn hart voel kloppen. Leg uw hand maar hier... Om Godswil, wind u niet zoo op; de dokter komt dadelijk en alles loopt goed af."

Maar zij luisterde niet naar hem, en hij was nu getuige van een tooneel, dat hem met de grootste verbazing vervulde. Plotseling had zij zich op het lichaam van den aangebeden man geworpen, drukte hem als waanzinnig tegen zich aan, overstroomde hem met haar tranen en bedekte hem met haar kussen, terwijl zij hartstochtelijke woorden stamelde:

"O, als ik je verliezen moest, als ik je verliezen moest! En ik heb me niet aan hem gegeven, ik ben zoo dom geweest me aan hem te weigeren, toen het nog tijd was het geluk te kennen... Ja, om de Madonna, omdat ik dacht, dat zij maagdelijkheid op prijs stelde en dat men zich rein moet houden voor zijn echtgenoot, als men wil, dat zij het huwlijk zegent... Wat zou het haar gehinderd hebben, indien wij onmiddellijk gelukkig geweest waren? En dan, dan... als zij mij bedrogen had, wanneer zij je van mij wegnam, zonder dat we in elkaars armen gerust hadden, dan zou ik maar van één ding spijt hebben; dat ik niet gelijk met jou verdoemd ben! Ja, ja, liever de verdoemenis dan elkaar niet bezeten te hebben met ons bloed, met onze lippen!"

Was dat de zoo kalme, zoo verstandige vrouw, die geduld oefende, om haar geluk beter in te richten! Pierre kende haar in zijn verbijstering niet meer. Tot dusver had hij haar nooit anders gekend dan gereserveerd, zoo natuurlijk-kuisch, dat de bijna kinderlijke bekoring daarvan als het ware uit haar natuur zelf scheen voort te komen. Ongetwijfeld was onder de bedreiging van het gevaar en van den angst het verschrikkelijke bloed der Boccanera's in haar ontwaakt, een geheel atavisme van heftigheid, hoogmoed, razende, wanhopige en ontketende begeerten. Zij wilde haar deel van het leven, haar deel van de liefde. Zij morde en raasde alsof de dood, wanneer hij haar haar geliefde ontnam, een stuk van haar eigen vleesch wegrukte.

"Maar ik smeek u, mevrouw, wees toch kalm," herhaalde de priester. "Hij leeft, zijn hart klopt... U doet er u zelf zooveel kwaad mede."

Maar zij wilde met hem sterven.

"O, lieveling, neem mij met je mede, neem mij met je mede, wanneer je weggaat... Ik zal me op je hart nederleggen, ik zal je zoo vast in mijn armen drukken, dat zij één zullen worden met de jouwe, en dat ze ons samen zullen moeten begraven... Ja, ja, wij zullen dood en toch getrouwd zijn. Ik heb je beloofd aan niemand anders te zullen toebehooren dan aan jou; ik zal ondanks alles de jouwe zijn, als het moet in de aarde... O lieveling, doe je oogen, doe je mond open, kus me, wanneer je niet wilt, dat ook ik sterf, wanneer jij dood bent."

Door de donkere kamer met de oude, ingeslapen muren was een vlam van woesten hartstocht, van vuur en bloed gestreken. Maar de tranen overweldigden Benedetta, diepe snikken putten haar uit en wierpen haar verblind en krachteloos op den rand van het bed. Gelukkig maakte de dokter, dien Victorine medegebracht had, een einde aan het verschrikkelijk tooneel.

Dokter Giordano, die de zestig reeds voorbij was, was een klein, witharig, gladgeschoren mannetje met blozende wangen, wiens vaderlijke persoonlijkheid te midden van zijn kerkelijke praktijk de allures van een prelaat aangenomen had. Het was, naar algemeen beweerd werd, een goedhartig man, die de armen gratis behandelde en in delicate gevallen zoo gesloten en gereserveerd was als een priester. Sedert dertig jaar hadden al de Boccanera's, vrouwen, kinderen, ja zelfs de kardinaal, zich aan zijn voorzichtige handen toevertrouwd.

Bijgelicht door Victorine en geholpen door Pierre, kleedde hij Dario, die door de pijn uit zijn bewusteloosheid ontwaakt was, zoo zachtjes mogelijk uit, onderzocht de wonde en verklaarde onmiddellijk glimlachend, dat er volstrekt geen gevaar bij was. Het zou niets beteekenen, hoogstens drie weken te bed, en voor complicaties behoefde men niet bang te zijn. Evenals alle Romeinsche artsen was hij een liefhebber van mooie messteken, die hij dagelijks onder het lagere volk te behandelen kreeg, hij bleef met welgevallen naar de wond kijken, bewonderde die als kenner en vond ongetwijfeld, dat het prachtig gedaan was. Hij fluisterde den prins in:

"Wij noemen dat een waarschuwing... De man heeft u niet willen dooden, de steek is van boven naar beneden toegebracht, zoodat het mes door het vleesch gegaan is, zonder zelfs het been te raken... Een knappe kerel, die zoo steken kan!"

"Ja, ja," prevelde Dario; "hij heeft me gespaard, anders zou hij me door en door gestoken hebben."

Benedetta hoorde er niets van. Toen de dokter verklaard had, dat er absoluut geen gevaar was en de zwakte en de bezwijming alleen het gevolg waren van den heftigen zenuwschok, was zij in een toestand van volkomen uitputting op een stoel neergevallen. Het was de ontspanning der vrouw na den vreeselijken wanhoopsaanval. Zachte, stille tranen begonnen langzaam uit haar oogen te stroomen; dan stond zij weer op en omhelsde Dario in een ontboezeming van hartstochtelijke, stille vreugde.

"Luister eens, beste dokter," ging hij voort; "niemand behoeft er iets van te weten. Deze geschiedenis is zoo belachelijk... Niemand heeft het blijkbaar gezien, behalve mijnheer de abbé, aan wien ik geheimhouding vraag... En laat men vooral den kardinaal of mijn tante--kortom, geen van de huisvrienden ongerust maken!"

Dokter Giordano glimlachte kalm.

"Goed, goed! Dat spreekt van zelf, maak je daar maar niet druk over... Voor alle anderen ben je van de trap gevallen en heb je je schouder verrekt... En nu je verbonden bent, moet je trachten wat te slapen en geen koorts te krijgen. Morgenochtend kom ik nog eens kijken."

Nu vloten langzaam dagen vol groote kalmte voorbij; voor Pierre ontwikkelde zich een geheel nieuw leven. De eerste dagen verliet hij zelfs het oude, ingeslapen paleis niet; hij las en schreef en had geen andere afleiding dan dat hij iederen middag tot het invallen van de schemering in de kamer van Dario zat, waar hij zeker was ook Benedetta aan te treffen. Na een vrij hooge koorts van acht-en-veertig uren was het herstel zijn gewonen gang gegaan; alles liep zoo goed mogelijk, de geschiedenis van den verrekten schouder werd door iedereen geloofd, zoodat de kardinaal van de spaarzame donna Serafina eischte, dat een tweede lantaarn op het portaal aangestoken zou worden, opdat een dergelijk ongeluk niet weer gebeuren zou. De weer ontstane, monotone vrede werd slechts gestoord door een laatsten schok, of liever door het dreigen van een moeilijkheid, waarin Pierre op een avond, dat hij wat langer bij den herstellende bleef, gemengd werd.

Toen Benedetta zich eenige oogenblikken verwijderd had, boog Victorine, die een kop bouillon was komen brengen, zich over den prins heen en fluisterde hem zacht in het oor:

"Een jong meisje, u weet wel Pierina, komt iederen dag huilend naar u vragen... Ik kon haar niet wegsturen, zij dwaalt maar om het huis rond; en ik vind het beter u maar te waarschuwen."

Ondanks zichzelf had Pierre het gehoord; plotseling begreep hij alles. Dario, die hem aankeek, zag heel goed, wat hij dacht. En zonder Victorine antwoord te geven, zeide hij:

"Ja, abbé, het was die woesteling van een Tito... Nu vraag ik u, is het niet belachelijk?"

Maar hoewel hij beweerde niets gedaan te hebben, waarom de broeder hem een waarschuwing moest geven, zijn zuster niet aan te raken, glimlachte hij toch verlegen, zelfs een beetje beschaamd over een dergelijke geschiedenis. Het was blijkbaar een heele opluchting voor hem, toen de priester beloofde, als zij weer terugkwam, met haar te praten en te trachten haar aan het verstand te brengen, dat zij thuis moest blijven.

"Een belachelijke geschiedenis, belachelijk!" herhaalde de prins, terwijl hij, als om zichzelf te honen, zijn woede overdreef. "Het is waarachtig iets uit de vorige eeuw."

Plotseling zweeg hij. Benedetta kwam terug en ging weer naast haar lieven zieke zitten. En het zoete waken duurde voort in de oude, slapende kamer, in het oude, doode paleis, waaruit geen zuchtje opsteeg.

Toen Pierre weer uitging, waagde hij zich, om een beetje frissche lucht te scheppen, nauwlijks in de wijk zelf. De Via Giulia interesseerde hem: hij kende haar vroegere pracht uit den tijd van Julius II, die haar in een rechte lijn aanlegde en met grootsche paleizen wilde omzoomen. Gedurende het carneval werden er wedrennen gehouden: men begon, te voet of te paard, bij het paleis-Farnese en eindigde bij de piazza S. Pietro. Hij had pas gelezen, dat de Fransche gezant, d'Estrée, markies van Couré, die in den palazzo Saccheti woonde, daar in 1630 met pracht en praal de geboorte van den dauphin gevierd had; hij liet drie wedrennen houden van de Sixtusbrug tot de S. Giovanni di Fiorentini, waarbij een buitengewone weelde tentoongespreid werd: de straten waren bestrooid met bloemen, alle vensters met de kostbaarste tapijten behangen. Den tweeden avond werd een groot vuurwerk op den Tiber ontstoken, het schip Argo, waarmede Jason uitvoer om het Gulden Vlies te veroveren. Een andermaal stroomde uit de Farnesische fontein, den Mascherone, wijn.

Hoe ver lagen die tijden nu al weg en wat waren zij veranderd! Hoe eenzaam en stil lag nu de straat in de treurige verwaarloosde grootschheid, breed en recht, door de zon beschenen of in diepe duisternis. Van 's ochtends negen uur af blakerde de zon op het plaveisel van den vlakken, trottoirloozen rijweg, terwijl aan de beide, afwisselend van het felle licht in diepe schaduw overgaande kanten, de oude paleizen, de zware, oude huizen, de antieke, met schilden en spijkers bedekte poorten, de met groote ijzeren staven getraliede vensters, geheele verdiepingen met gesloten vensters sluimerden. Zij waren als dichtgespijkerd, om het daglicht niet meer binnen te laten. Wanneer de poortdeuren open stonden, zag men diepe overwelvingen, vochtige en kille, met groene vlekken bedekte binnenplaatsen, die evenals kloosters met zuilengangen omgeven waren. In de dépendances, in de lage gebouwen, die ten slotte vooral aan de Tiberzijde kleine steegjes gevormd hadden, waren kleine winkeltjes en werkplaatsen gekomen, een kleermaker, een boekbinder, vruchtenkeldertjes met vier tomaten en vier kropjes salade, kleine wijndebieten, die producten van Frascati en Genzano hadden, en waarin de drinkers gestorven schenen te zijn.

In het midden van de straat bracht de gevangenis met haar afschuwlijk gelen muur al heel weinig vroolijkheid. Een geheel net van telegraafdraden liep door deze lange grafachtige gang met haar weinige voorbijgangers, waarin het stof van het verleden neerviel, van het eene einde naar het andere, van de arcade van den palazzo Farnese tot aan het verre uitzicht over de rivier, over de boomen van het hospitaal van den Heiligen Geest. Maar vooral 's avonds, wanneer de duisternis gevallen was, werd Pierre getroffen door de eenzaamheid, door de soort gewijden afschuw, dien de straat dan kreeg. Geen levende ziel, geen licht van de ramen, niets dan de dubbele rij lantaarns, die ver van elkander staande, wel op nachtlichtjes geleken, welke opgeslokt werden door de duisternis. De poorten waren gegrendeld en gebarricadeerd, geen geluid, geen ademtocht drong eruit door. Slechts hier en daar een verlicht wijnwinkeltje, doffe ramen, Waarachter in volkomen onbeweeglijkheid een lamp brandde, geen geroezemoes van stemmen, geen gelach echter was te hooren! Alles wat leefde waren de schildwachten voor de gevangenis; één voor de poort, één op den hoek van het steegje rechts, beiden stijf en strak in de doode straat!

Verder interesseerde hem het geheele stadsdeel, die oude, voorname wijk, welke nu in vergetelheid geraakt en ver van het moderne leven verwijderd was, en nu nog slechts een muffe kerklucht uitademde. Aan den kant van de S. Giovanni di Fiorentini, op de plek, waar de nieuwe Corso Victor Emanuele alles vernietigd heeft, bestond een groote tegenstelling tusschen de hooge, gebeeldhouwde, schitterende, nauwlijks voltooide huizen van vijf verdiepingen en de zwarte, ingezakte en armzalige hutten van de naburige steegjes. 's Avonds glommen electrische bollen in verblindende witheid, terwijl de enkele lantaarns van de Via Giulia en de andere straten niet meer dan walmende lampions waren. Het waren vroeger beroemde straten: de Via dei Banchi Vecchi, de Via del Pellegrino, de Via di Monserrato, verder tallooze dwarsstraten, die er doorheen liepen en ze onderling verbonden, alle op den Tiber uitkwamen en zoo nauw waren, dat wagens er slechts met moeite door konden. Iedere straat had haar eigen kerk, een menigte bijna gelijkvormige, rijk versierde, zwaar vergulde en geschilderde kerken, die alleen op de uren van den dienst geopend, en dan vol zon en wierook waren. In de Via Giulia stond behalve de S. Giovanni di Fiorentini, behalve de S. Biagio della Pagnotta, behalve de Sant' Eligio degli Orefici, achter den palazzo Farnese nog de Santa Maria delle Morte, waarin hij gaarne toefde, om te droomen van het onbewoonde Rome, van de boetepriesters, die den dienst in die kerk waarnamen en wier taak het was de hun gesignaleerde verlaten lijken in de Campagna te gaan halen. Op een avond woonde hij de zielemis van twee onbekende, reeds veertien dagen lang onbegraven lijken bij.

Maar zijn lievelingswandeling werd al heel gauw de nieuwe Tiberkade aan den achterkant van den palazzo Boccanera. Hij behoefde slechts het nauwe straatje uit te loopen en kwam dan op een eenzaam plekje, waar alles hem met eindelooze gedachten vervulde. De kade was niet geheel afgemaakt, het werk scheen zelfs stil te liggen, het was een ontzaglijke, met puin en gehouwen steenen bedekte werkplaats met half gesloten palissaden en ingevallen loodsen. Het rivierbed was steeds hooger geworden, terwijl de onophoudelijke opgravingen den bodem der stad lager gemaakt hebben. Om haar tegen overstroomingen te beschermen, had men het water in die reusachtige vestingmuren gevangen gezet. Voor dat doel had men ook de oude oevers zóó moeten ophoogen, dat het terras van den kleinen tuin der Boccanera's met zijn dubbele trap, waaraan vroeger pleizierbootjes aanlegden, lager lag en gevaar liep begraven te worden en te verdwijnen, wanneer men weer aan het straatwerk beginnen zou. Er was nog niets genivelleerd, de aangevoerde aarde bleef er zoo liggen als de kipkarren die er uitstortten; te midden van het materiaal, dat was blijven liggen, was niets te zien dan modderkuilen en instortingen. Slechts armelui's-kinderen kwamen spelen tusschen die puinhoopen, waarin het paleis wegzonk, werklooze arbeiders sliepen er zwaar in de warme zon, terwijl vrouwen haar wasch op de hoopen kiezelsteenen te drogen legden. Toch was het voor Pierre een gelukkig toevluchtsoord, waar hij zeker was rust te zullen vinden en ongestoord droomen kon, wanneer hij hier uren lang kwam zitten kijken naar de rivier, de kaden en de stad.

Van acht uur af verguldde de zon het onmetelijk gat met haar blond-geel licht. Wanneer hij naar links keek, zag hij in de verte de daken van Trastevere, die zich grijsblauw tegen den schitterenden hemel afteekenden. Rechts maakte de rivier voorbij de apsis van de S. Giovanni di Fiorentini een bocht. De populieren van het hospitaal van den Heiligen Geest drapeerden op den anderen oever hun donkergroen gordijn en lieten aan den horizont het duidelijke profiel van de Engelenburcht zien. Maar vooral kon hij zijn oogen bijna niet afhouden van den tegenoverliggenden oever, want daar was een stuk van het heel oude Rome ongeschonden gebleven. Van de Sixtusbrug tot de Engelenbrug bevond zich op den rechteroever het deel van den onvoltooid gebleven kade-aanleg, dat, wanneer deze eenmaal voltooid zou zijn, later de rivier in de reusachtig hooge en witte vestingmuren gevangen houden zou.

En inderdaad deze buitengewone bezwering van den ouden tijd, van dien met een heel stuk der oude pauselijke stad bedekten oever had iets verrassends en betooverends. Aan de Via della Longara waren de gelijkvormige gevels blijkbaar opnieuw gepleisterd, maar hier bleven de achterzijden van de tot aan het water loopende huizen zooals zij waren: gescheurd, rosachtig, met vuil bedekt, als oude bronzen beelden door de heete zon met een groenen tint bedekt. En welk een opeenhooping, wat een ongelooflijke opeenstapeling! Onder donkere gewelven, waarin de rivier binnendrong, heiwerk, dat de muren schraagde, stukken oud-Romeinschen bouw, die loodrecht naar beneden liepen; dan steile, uit hun voegen geraakte, groen geworden trappen, die uit het oeverzand opstegen, boven elkaar liggende terrassen, verdiepingen met haar lange rijen onregelmatige kleine vensters, huizen, die boven andere huizen uitstaken--en dat alles in een fantastisch gewemel van balcons, houten galerijen, dwars over binnenplaatsen geslagen bruggen, boomgroepen, die uit de daken schenen te groeien, en bijgebouwde dakkamertjes, die midden in de rose dakpannen gezet waren. Een goot liep met groot lawaai uit een versleten en vervuild steenen bekken. Overal, waar de oever door de meer achteruitgelegen huizen zichtbaar werd, was hij met een wilde vegetatie, met onkruid, struiken en mantels van klimop, die in koninklijke plooien op den grond sleepten, bedekt. De ellende, de vervuiling verdween onder de glorie der zon, de oude, ingezonken, opeengehoopte gevels werden als van goud; de voor de ramen te drogen hangende wasch pavoiseerde ze met het purper van de roode rokken en de verblindende sneeuw van het linnen, terwijl verder weg, boven de wijk uit, de Janiculus zich met het fijne profiel van de S. Onofrio tusschen pijnboomen en cypressen verhief in de schittering der dagvorstinne.

Dikwijls ging Pierre leunen over de borstwering van den reusachtigen kademuur en bleef daar dan lang met een hart, dat vol droefheid over de doode eeuwen was, staan kijken naar den onder hem stroomenden Tiber. Niets zou de groote moeheid van die oude wateren kunnen schilderen, hun somber langzaam voortkabbelen onder in die Babylonische gracht, die hen omsloot, tusschen de mateloos groote, rechte, gladde, kale, in hun nieuwe leelijkheid geheel grauwe gevangenismuren. In de zon nam de gele rivier een gulden tint aan en vlamde door de lichte schittering van zijn stroom in blauw en groen. Maar zoodra zij in het donker lag, werd zij ondoorzichtig, modderkleurig, zoo oud, zoo dik en zoo zwaar, dat de omringende huizen zich er niet eens in weerspiegelen konden. Welk een troostelooze verlatenheid, welk een rivier van stilte en eenzaamheid! Ook al mocht zij na de winterregens haar dreigenden vloed nog dikwijls voorwaarts stuwen, toch sliep zij gedurende de lange maanden, dat de hemel blauw is, en stroomde geruischloos door Rome.

Men kon daar den geheelen langen dag staan, zonder dat een bark of een zeil er leven aan gaf. De enkele booten, de twee of drie stoombootjes, die van de zeekust kwamen, de tartanes [19], die wijn van Sicilië brachten, ankerden alle aan den voet van den Aventinus. Verder was het niet meer dan een woestijn, dood water, waarin hier en daar een onbeweeglijke visscher zijn hengel hangen liet. Pierre zag iets naar rechts onder aan den ouden oever nooit iets anders dan een soort oude, overdekte, platte schuit, een half verrotte Arke Noachs, misschien was het een waschschuit, maar hij zag er nooit een levende ziel. Verder lag er nog op een modderachtig punt een gestrande sloep met een gebarsten zijde als een armzalig symbool, dat alle scheepvaart hier onmogelijk en opgegeven was. O, deze rivierruïne, die even dood was als de beroemde ruïne, waarvan zij het stof zoovele eeuwen lang bespoeld had! Nu was zij het moede! En wat riep zij niet voor den geest op? Eeuwen van geschiedenis, zoovele dingen, zoovele menschen, die de gele wateren weerspiegeld hadden, wier moeheid en walging zij overgenomen hadden, tot zij, in hun vurig verlangen naar het Niet, zoo zwaar, zoo stil, zoo eenzaam geworden waren.

Hier was het, dat Pierre op een ochtend Pierina achter een der houten loodsen, die tot bewaring van gereedschappen gediend hadden, zag staan. Zij rekte haar hals uit en keek, nu al uren lang misschien, strak naar het raam van Dario's kamer op den hoek van het steegje en de kade. Ongetwijfeld bang geworden door de strenge manier, waarop Victorine haar ontvangen had, had zij zich niet meer in het paleis durven vertoonen, om naar hem te informeeren, maar nadat zij van een knecht gehoord had, waar het raam was, ging zij daarheen en bracht er heele dagen door, om onvermoeibaar op een teeken van leven en redding te wachten. Alleen de hoop reeds dat te zullen zien deed haar hart woest kloppen. Diep ontroerd haar zich zoo ootmoedig, ondanks haar koninklijke schoonheid zoo bevend van aanbiddende vereering te zien verbergen, ging hij naar haar toe. In plaats van haar te beknorren en weg te jagen, zooals hem opgedragen was, praatte hij vriendelijk en opgewekt met haar, alsof er niets voorgevallen was, en richtte het gesprek zóó in, dat hij den naam van den prins kon noemen, om haar daarbij tevens te zeggen, dat hij binnen veertien dagen weer op den been zou zijn.

Eerst was zij, schuw en wantrouwend, opgesprongen en wilde vluchten. Maar toen zij hem begrepen had, schoten de tranen in haar oogen, en toch lachend, wierp zij hem gelukkig een kushand toe en riep hem "Grazie, grazie!" [20] toe, terwijl zij zich zoo vlug mogelijk uit de voeten maakte. Nooit heeft hij haar meer teruggezien.

Op een anderen ochtend zag Pierre, toen hij in de S. Brigitta op de piazza Farnese zijn mis wilde gaan lezen, tot zijn groote verbazing Benedetta, ondanks het vroege uur, reeds uit de kerk komen. Zij had een klein fleschje olie in haar hand. Zij toonde in het geheel geen verlegenheid daarover en vertelde hem, dat zij om de twee of drie dagen bij den koster een paar druppeltjes ging halen van de olie, welke de eeuwige lamp voedde voor een oud, houten beeld der Madonna, waarin zij groot vertrouwen stelde. Zij bekende zelfs, dat zij alleen in deze vertrouwen stelde, want zij had nooit iets verkregen van andere, zelfs niet van zeer beroemde Madonna's, van marmer of zilver, tot wie zij zich gewend had. In haar hart brandde dan ook voor dit heilige beeld, dat haar niets weigerde, een innige vereering, de eenige vereering, die zij in werkelijkheid bezat. En zij verzekerde heel eenvoudig, als ware het de natuurlijkste zaak van de wereld, waaraan geen twijfel mogelijk was, dat die enkele droppels olie, waarmede zij iederen ochtend en iederen avond de wond van Dario inwreef, de oorzaak waren van zijn zoo snelle, ja bijna wonderbaarlijke genezing. Een zoo kinderlijke vroomheid bij dit bewonderenswaardige wezen van verstand en hartstocht en aanminnigheid, trof Pierre diep en maakte hem wanhopig; glimlachen kon hij niet.

Iederen avond, wanneer hij van zijn wandeling thuis kwam en een uurtje ging doorbrengen in de kamer van den genezenden Dario, wilde Benedetta, dat hij, om den zieke wat afleiding te geven, vertelde hoe hij zijn dagen doorgebracht had; en alles wat hij vertelde, zijn verbazing, zijn ontroering en dikwijls ook de woede, die in hem opgekomen was, dat alles kreeg, te midden van de groote, gedempte stilte van de kamer, een droeve bekoring. Maar vooral toen hij de wijk weer durfde verlaten, toen hij een groote liefde had opgevat voor de Romeinsche parken, waarheen hij zich 's morgens vroeg, wanneer de hekken geopend werden, reeds begaf, om zeker te zijn er niemand te zullen ontmoeten, bracht hij geestdriftige gevoelens mede naar huis--een verrukte liefde voor de mooie boomen, voor de fonteinen, voor de terrassen, vanwaar men zulk een heerlijk uitzicht had op breede horizonten.

En niet de grootste van die vele parken vervulden zijn hart met de meeste geestdrift. In de Villa Borghese, het Bois de Boulogne van Rome, was majestueus volwassen hout, waren koninklijke alleeën, waar 's middags vóór den verplichten rit op den Corso de equipages kwamen defileeren, maar veel meer werd hij getroffen door den afgesloten tuin vóór de villa--deze villa vol verblindende pracht van marmer, waarin zich thans het mooiste museum der wereld bevindt. Daar was een eenvoudig, fijn tapijt van gras, een heel groot bekken in het midden, dat door de naakte blankheid van een Venus beheerscht wordt. Daar waren brokstukken van antieke vazen, beelden, zuilen, sarcophagen, symmetrisch in een vierkant opgesteld, en verder niets dan dat verlaten, bezonde, melancholieke gras. Op den Pincio, waarheen hij weer terugkeerde, bracht hij een heerlijken ochtend door; hij begreep thans de bekoring van dit smalle hoekje met zijn enkele, altijd-groene boomen, met zijn prachtig uitzicht: geheel Rome en de St. Pieter in de verte, in het zoo zachte, zoo helder, zoo bepoederde zonlicht.

In de villa Albani en in de villa Pamphili vond hij de heerlijke, trotsche, slanke piniepijnen, de krachtige steeneiken met hun kromme takken en hun bijna zwart loof terug. In de laatste vooral dompelden de eiken de lanen in een heerlijk halfdonker; het kleine meertje met zijn treurwilgen en riettouffes was vol droomen; het dieper gelegen bloemperk vormde een mozaïek van barokken smaak, een samengesteld dessin van rozetten en arabesken, dat door een rijke verscheidenheid van bloemen en bladeren gekleurd werd. Wat hem echter in den tuin, den edelste, grootste, best verzorgde van al deze tuinen, in het bijzonder opviel, was, dat hij, toen hij langs een klein muurtje liep, weer de St. Pieter zag, maar nu onder een zóó nieuw en zoo onverwacht aspect, dat het symbolische beeld voor altijd in zijn geest gegrift was. Rome was geheel verdwenen; tusschen de hellingen van den Monte Mario en een anderen heuvel, die de stad aan het oog onttrok, zag men niets dan den reusachtigen dom, welks groote massa op verspreide, witte en rossige blokken scheen te rusten. Met zijn overmatig grooten, tegen het helle blauw van den hemel matblauw afstekenden koepel beheerschte hij, drukte hij de huizeneilandjes van den Borgo, de opgehoopte gebouwen van het Vaticaan dood.

Maar Pierre voelde nog meer de ziel der dingen in de minder weelderige tuinen, die een meer gesloten lieftalligheid bezaten. O, die villa Mattei op de helling van den Coelius met haar terrasvormigen tuin, met haar intieme, door aloës, laurierboomen en groote kardinaalsmutsen omzoomde lanen, met haar priëelvormig geschoren taxisboomen, met haar oranjeappelen, haar rozen en haar fonteinen! Hij doorleefde er heerlijke uren! Een dergelijke bekoring vond hij alleen nog maar terug op den Aventinus, toen hij de drie kerken bezocht, die daar als verloren gingen in het groen; vooral in de S. Sabina, de wieg der Dominicanen, welker kleine, van alle kanten ingesloten tuin, zonder eenig uitzicht, in een lauwen, geurigen vrede slaapt, en beplant is met oranjeappelboomen, in het midden waarvan de eeuwenoude boom van den Heiligen Dominicus nog met rijpe vruchten beladen is. De tuin van de kloosterkerk der Malthezer ridders gaf een ruim uitzicht over een breeden horizont, die den loop van den Tiber, de gevels en daken, die zich langs de beide oevers ophoopen, tot aan den verren top van den Janiculus omvat. Overigens zag men in die tuinen van Rome steeds weer dezelfde geschoren taxisboomen, de eucalyptussen met hun witten stam en hun lichte, als menschenhaar zoo lange bladeren, de ineengedrongen, sombere steeneiken, de reusachtige pijnboomen, de groote cypressen, tusschen de rozenstruiken witte marmergroepen, onder de mantels van klimop ruischende fonteinen.

Een teederder, smartelijke vreugde smaakte hij eerst in de villa van paus Julius, welker in den tuin uitkomenden zuilengang met zijn geschilderde decoratie, zijn gouden, met bloemen omrankt latwerk, waardoor glimlachende zwermen van kleine Amortjes vliegen, het geheele leven van een beminlijk en zinnelijk tijdvak verhaalt. Den avond eindelijk, dat hij uit de villa Farnese thuiskwam, zeide hij, dat hij de doode ziel van het oude Rome medebracht; niet de naar kartons van Raffaël uitgevoerde schilderingen hadden hem echter zoo getroffen, neen, de mooie zaal aan den rand van het water met haar zacht-blauwe, zacht-lila, zacht-rose, volstrekt niet geniale, maar zoo bekoorlijke en zoo echt-Romeinsche versiering--en nog meer de verwaarloosde tuin, die vroeger tot den Tiber liep en nu door de nieuwe kade afgesloten werd. Hij was verwaarloosd, verwoest, met onkruid doorwoekerd als een kerkhof, maar toch rijpten er nog steeds de gouden vruchten der oranjeappel- en citroenboomen.

Nog eenmaal werd Pierre op een mooien avond, toen hij de villa Medici bezocht, door een hevige ontroering geschokt. Daar was hij op Franschen bodem. En welk een prachtige tuin was het weer met zijn taxisboomen, zijn pijnboomen en zijn alleeën vol pracht en bekoring! Welk een heerlijk toevluchtsoord voor droomerijen en gepeins over de Oudheid gaf dat oude en donkergroene bosch van steeneiken, waar de ondergaande zon gloeiende goudroode lichtstralen wierp in het glanzende brons der bladeren. Men moet een eindeloos hooge trap opgaan, om van uit de hoogte, van af den Belvédère met één blik geheel Rome te omvatten, als kon men het, wanneer men zijn armen uitbreidde, geheel nemen. Van uit de eetzaal, die de portretten van alle kunstenaars, die te Rome hun studies in de villa kwamen voortzetten, versieren, van uit de bibliotheek, een groote zaal vol diepe rust, heeft men hetzelfde bewonderenswaardige, grootste en medesleependste uitzicht, een uitzicht van mateloozen eerzucht welks oneindigheid den jongen daar verblijf houdenden mannen den wil moest ingeven de wereld te veroveren en te bezitten.

Hij, die met vijandige gevoelens tegen het instituut van den prix de Rome, tegen deze traditioneele, éénvormige en voor de oorspronkelijkheid zoo gevaarlijke opleiding naar Rome gekomen was, werd nu een oogenblik door dezen lauwen vrede, door deze zachte eenzaamheid van den tuin, door dezen verheven horizont, waarin de vleugels van het genie schenen te klapwieken, geheel gevangen genomen. Hoe heerlijk moest het zijn, om op zijn twintigste jaar drie jaar in dezen zachten droom, te midden van de mooiste kunstwerken der menschheid te mogen leven, zich te mogen zeggen, dat men nog te jong is om reeds te kunnen scheppen, zichzelf te mogen zoeken, te mogen leeren genieten, lijden en liefhebben! Maar dan overwoog hij weer, dat het smaken van het goddelijk genot van zulk een kunst-retraite niet de zaak der jeugd is, maar van den rijperen leeftijd, van reeds behaalde overwinningen, van de beginnende moeheid nadat het werk voltooid is. Hij sprak met de inwonende kunstenaars en merkte op, dat, al mochten ook droomerige en contemplatieve jonge zielen en de eenvoudige middelmatigheid zich in dit in de kunst van het verleden opgesloten leven schikken kunnen, iedere strijdbare kunstenaar, ieder persoonlijk temperament hier van ongeduld stierf en, verteerd door de begeerte om dadelijk midden in den vurigen haard van scheppen en strijden te zijn, zijn oogen gericht hield op Parijs.

En al die tuinen, waarvan Pierre hun 's avonds met verrukking vertelde, riepen in Benedetta en Dario de herinnering wakker aan den tuin van de villa Montefiori, die thans verwoest, maar vroeger zoo groen en met de mooiste oranjeappelboomen van Rome, een geheel bosch van eeuwenoude boomen, beplant was, en waarin zij elkaar hadden leeren liefhebben.

"O, ik herinner het mij," zeide de contessina, "in den bloeitijd rook het er zóó heerlijk, zóó sterk, zóó bedwelmend, dat ik eenmaal in het gras ben blijven liggen en niet opstaan kon... Weet jij het nog, Dario? Je hebt me toen in je armen genomen en naar de fontein gedragen, waar het zoo lekker frisch was."

Zij zat, zooals gewoonlijk, op den rand van het bed en hield de hand van den herstellende, die was begonnen te lachen, in de hare.

"Ja zeker, ik heb je op je oogen gezoend en eindelijk heb je die geopend... Toen was je heel wat minder wreed, liet je me je oogen zoenen, zooveel als ik zelf wilde... Maar we waren kinderen, en indien we geen kinderen geweest waren, zouden we in dien grooten tuin, waarin het zoo heerlijk rook en we zoo vrij konden loopen, dadelijk man en vrouw geweest zijn!"

Zij knikte toestemmend, overtuigd, dat de Madonna alleen hen beschermd had.

"Dat is zoo, dat is zoo!... En welk een geluk, dat we nu elkander kunnen toebehooren, zonder de engelen te bedroeven!"

Steeds weer kwam het gesprek daarop terug. Het proces tot nietigverklaring van het huwlijk liet zich steeds gunstiger aanzien en Pierre was iederen avond getuige van hun verrukking, hoorde hen slechts praten over hun aanstaande echtverbintenis, over hun plannen, over hun vreugde van verliefden in het paradijs. Ditmaal door een almachtige hand bestuurd, moest donna Serafina de zaak met kracht leiden, want er ging bijna geen dag voorbij, dat zij niet de een of andere blijde tijding medebracht. Zij wilde de zaak ter wille van het voortbestaan en de eer van den naam zooveel mogelijk bespoedigen, aangezien Dario met niemand dan met zijn nicht trouwen wilde en anderzijds dit huwlijk alles zou verklaren, alles zou verontschuldigen, aan een onhoudbaren toestand een einde maken zou.

Het afschuwlijke schandaal, de vreeselijke kletspraatjes, die de zwarte en witte kringen opwonden, brachten haar geheel buiten zichzelf, te meer daar zij voor de eventueele mogelijkheid van een conclave, waarin zij wilde, dat de naam van haar broeder in onbevlekten, verheven glans schitteren zou, de noodzakelijkheid van een overwinning inzag. Nooit had de geheime eerzucht van haar geheele leven, de hoop er getuige van te zijn, dat haar geslacht een derden paus aan de Kerk schenken zou, haar met zulk een hartstocht vervuld; het was, alsof zij de behoefte voelde troost te zoeken voor haar koud celibaat, sedert haar eenige vreugde in deze wereld, advocaat Morano, haar zoo wreed in den steek gelaten had. Steeds in het donker gekleed, druk bezig en zóó slank en ingeregen, dat men haar, van achteren gezien, voor een jong meisje gehouden had, was zij als de donkere ziel van het oude paleis; Pierre ontmoette haar overal, terwijl zij als zorgzame huisvrouw door het huis sloop en ijverzuchtig over den kardinaal waakte.

Hij groette haar zwijgend; telkens werd het hem koud om het hart, wanneer hij het uitgedroogde, met diepe plooien doorgroefde gelaat met den grooten, eigenzinnigen familieneus zag. Maar zij beantwoordde nauwlijks zijn groet, keek nog steeds minachtend neer op dien kleinen vreemden priester, dien zij slechts in haar naaste omgeving duldde ter wille van monsignor Nani en van vicomte Philibert de la Choue, die zoovele mooie bedevaarten naar Rome gebracht had.

Langzamerhand begon Pierre, die iederen avond getuige was van de angstige vreugde en het liefde-ongeduld van Benedetta en Dario, met hen een spoedige oplossing te wenschen. Het proces zou weer gevoerd worden voor de concilie-congregatie, wier eerste beslissing ten gunste van de echtscheiding niet in kracht van gewijsde gegaan was, daar de verdediger van het huwlijk, monsignor Palma, in overeenstemming met zijn recht een aanvullend onderzoek geëischt had. Trouwens dat slechts met één stem meerderheid genomen besluit zou zeker niet door den Heiligen Vader bekrachtigd zijn. In het kort, het ging er nu om stemmen te krijgen onder de tien kardinalen, waaruit de congregatie samengesteld was, hen te overreden en een bijna volkomen eenstemmigheid te verkrijgen: een moeilijke taak, want de verwantschap van Benedetta met haar oom den kardinaal, welke alles makkelijker moest maken, compliceerde juist de zaak door al de intriges van het Vaticaan, al den wedijver, die door het doen voortduren van het schandaal ernaar streefde den mogelijken paus in hem te dooden.

Op die verovering van stemmen ging donna Serafina iederen middag uit, waarbij zij geleid werd door haar biechtvader, pater Lorenza, dien zij dagelijks ging opzoeken in het Collegium Germanicum, het laatste toevluchtsoord der Jezuïeten te Rome, sedert zij niet langer de meesters van Il Gesù zijn. De hoop op succes baseerde zich vooral op de omstandigheid, dat Prada, de zaak moede en geprikkeld, verklaard had, niet meer te zullen verschijnen. Hij antwoordde niet eens op de herhaalde dagvaardingen, zoo hatelijk en belachelijk scheen hem de aanklacht van impotentie, sedert Lisbeth, zijn erkende maîtresse voor de oogen der geheele stad, zwanger van hem was.

Hij zweeg dus, deed als was hij nooit getrouwd geweest, ofschoon de wond van zijn beleedigden mannetrots nog altijd bloedde en onophoudelijk door de praatjes, die bleven loopen, en den twijfel aan zijn vaderschap, welke in de zwarte kringen heerschen bleef, weder geopend werd. Daar dus de tegenpartij zich terugtrok en uit eigen beweging verdween, kon men de steeds toenemende hoop van Benedetta en Dario voorstellen, wanneer donna Serafina 's avonds bij haar thuiskomst vertellen kon, dat zij meende weer de stem van een kardinaal gewonnen te hebben.

Maar de man, die hun den meesten angst bezorgde, was monsignor Palma, de door de congregatie van ambtswege aangestelde advocaat, om den heiligen band van het huwlijk te verdedigen. Hij bezat bijna onbeperkte rechten, kon nogmaals hooger beroep aanteekenen, in ieder geval het proces sleepende houden, zoolang als hij zelf wilde. Zijn eerste pleidooi in antwoord op dat van Morano, was reeds verschrikkelijk geweest, had den maagdelijken staat van Benedetta in twijfel getrokken, citeerde wetenschappelijk vastgestelde gevallen, waarin vrouwen nog de door vroedvrouwen beëedigde maagdelijke kenteekenen bezaten, eischte een nauwkeurig onderzoek van twee artsen en verklaarde ten slotte, dat, waar de eerste voorwaarde tot het verrichten van de daad gehoorzaamheid van de vrouw is, de eischeresse, zelfs al was zij maagd, niet gerechtigd was de nietigverklaring van het huwlijk te vragen, waarvan de volkomen voltrekking belemmerd was door haar herhaalde weigeringen. Het gerucht liep, dat het nieuwe pleidooi, hetwelk hij gereed maakte, nog onverbiddelijker en meedoogenloozer zou zijn, zóó vast stond zijn overtuiging. Het ergste zou zijn, dat tegenover die verheven energie van waarheid en logica de kardinalen, zelfs al waren zij nog zoo welwillend, het niet wagen zouden den Heiligen Vader tot nietigverklaring te adviseeren.

Benedetta begon dan ook reeds weer moedeloos te worden, toen donna Serafina haar na een bezoek aan monsignor Nani weer wat gerust stelde met de mededeeling, dat een gemeenschappelijke vriend beloofd had met monsignor Palma te zullen spreken. Maar dat zou ongetwijfeld veel geld kosten. Monsignor Palma, een in kanonische aangelegenheden zeer ervaren en uiterst rechtschapen theoloog, had in zijn leven een groot verdriet gehad: op lateren leeftijd was hij als waanzinnig verliefd geworden op een zeldzaam mooie nicht en had haar, om een schandaal te vermijden, moeten uithuwlijken aan een spitsboef, die haar van af het eerste oogenblik arm maakte en mishandelde. De schijn bleef gered, maar op dat oogenblik maakte de prelaat een moeilijke crisis door: hij was het moe zich nog langer te laten plukken en bezat niet het noodige geld, om zijn neef, die valsch gespeeld had, uit die moeilijkheid te redden. De gelukkige vondst nu bestond hierin, dat men den jongen man wilde redden door voor hem te betalen en hem dan een positie te bezorgen, zonder iets aan den oom te vragen, die op een avond, nadat de duisternis volkomen ingevallen was, als was hij een medeplichtige, weenend donna Serafina voor haar goedheid danken kwam.

Pierre was dien avond bij Dario, toen Benedetta dien avond lachend en in haar handen klappend van blijdschap de kamer binnenkwam.

"Het is zoover! Het is zoover! Hij is juist bij tante geweest en heeft haar eeuwige trouw gezworen. Nu is hij wel verplicht vriendelijk te zijn."

"Maar heeft men hem iets laten onderteekenen, heeft hij zich formeel verbonden?" vroeg Dario, die wantrouwender was.

"Wel neen, hoe kon dat nu? Het is zoo'n delicate quaestie!... Men zegt, dat hij een buitengewoon eerlijk man is!"

Toch was ook zij weer door een onrust aangegrepen. Als monsignor Palma ondanks den grooten dienst, dien men hem bewezen had, onomkoopbaar zou blijken te zijn? Die gedachte liet hen niet meer los. Het in spanning wachten begon opnieuw.

"Dat heb ik nog niet verteld," begon zij weer na een vrij lange stilte; "ik heb me tot dat beroemde onderzoek vermand. Ja, ik ben vanochtend met tante naar twee doktoren geweest."

Zij glimlachte weer, scheen in het geheel niet verlegen.

"En?" vroeg hij met hetzelfde kalme gezicht.

"Natuurlijk hebben zij gezien, dat ik niet loog. Zij hebben allebei een soort certificaat opgemaakt... Het was, naar het schijnt, absoluut noodzakelijk ten einde monsignor Palma in staat te stellen zijn vroegere woorden te herroepen."

En zich vervolgens tot Pierre wendend:

"O, dat vreeselijke Latijn, mijnheer de abbé!... Toch zou ik graag geweten hebben, wat erin stond, en daarom had ik gedacht, dat u zoo welwillend zoudt zijn het te vertalen. Maar tante heeft mij de stukken niet willen laten en ze onmiddellijk aan het dossier doen toevoegen."

Heel verlegen knikte de priester slechts, want hij wist maar al te goed, dat die soorten certificaten een volledige beschrijving in technische termen waren van alle bijzonderheden van den toestand, tot van de kleur en den vorm toe. Zij schaamden zich er zonder eenigen twijfel niet voor, zóó natuurlijk en gelukkig zelfs scheen dit onderzoek, waarvan hun geheele levensgeluk afhing, hun toe.

"Enfin," zeide Benedetta, "laten we hopen, dat monsignor Palma dankbaar zal zijn. En jij, Dario, maak nou maar gauw, dat je voor den mooien dag van ons geluk weer heelemaal beter bent."

Maar hij was zoo onvoorzichtig geweest te vroeg op te staan, waardoor zijn wond weer open ging en hij nog eenige dagen het bed moest houden. Pierre bleef iederen avond bij hem komen en trachtte hem dan wat afleiding te bezorgen door hem van zijn wandelingen te vertellen. De laatste dagen was hij moediger geworden, doorkruiste hij geheel Rome en ontdekte met verrukking de merkwaardigheden, die in alle reisgidsen genoemd worden. Zoo begon hij op een avond met iets van ontroering in zijn stem te praten over de voornaamste pleinen der stad, die hij in den beginne banaal gevonden had, doch die nu in zijn oog zeer interessant waren en ieder hun eigenaardige bekoring hadden: de piazza del Popolo, zoo zonnig, zoo voornaam in haar monumentale symmetrie--de piazza di Spagna, de zoo drukke en levendige plaats van samenkomst der vreemdelingen met haar dubbele, door de zomerzon vergulde, breede en sierlijke trap van honderd twee-en-dertig treden--de groote, altijd van menschen wemelende piazza Colonna, de meest typisch Italiaansche door die nietsdoende en zorgelooze menigte, welke flaneert om de zuil van Marcus Aurelius in de hoop, dat het geluk hun wel uit den hemel in den schoot zal vallen--de lange, regelmatige piazza Navone, die stil en verlaten ligt, sedert er geen markt meer op gehouden wordt, doch de droefgeestige herinnering aan haar vroegere drukte bewaart--de piazza del Campo de' Fiori, welke iederen ochtend met het lawaai van de vruchten- en groentenmarkt vervuld wordt, een ware plantage van groote parapluies, stapels tomaten, Spaansche pepers en druiven te midden van den stroom der steeds maar door ratelende koop- en huisvrouwen. Het meest echter werd hij getroffen door de piazza del Capitolio, waaraan hij altijd dacht als aan een bergtop, aan een de stad en de wereld beheerschende open plek; nu vond hij haar echter klein, vierkant, eng tusschen de drie paleizen ingesloten, terwijl zij slechts uitzag op een kleinen, door daken begrensden horizont. Niemand komt hierlangs, vindt het de moeite waard de met palmen omzoomde toegangstrap op te gaan; alleen vreemdelingen maken een omweg om er heen te rijden. De rijtuigen wachten, de touristen blijven een oogenblik staan kijken naar het prachtige, oude, bronzen ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius, dat in het midden staat. Tegen vier uur, wanneer de zon het paleis aan den linkerkant verguldt en de fijne beelden van het lijstwerk zich tegen den blauwen hemel afteekenen, zou men haar met haar vrouwen, die onder de zuilengaanderij zitten te breien en de troepen havelooze kinderen, die daar losgelaten zijn als een school op een speelplaats, voor een lauw en stil provinciepleintje houden.

Weer op een anderen avond gaf Pierre tegenover Benedetta en Dario uiting aan zijn bewondering voor de fonteinen van Rome, de stad, waar het water het rijkelijkst en overvloedigst in marmer en brons stroomt: van het "Scheepje" op de piazza di Spagna, den "Triton" op de piazza Barbarini, de "Schildpadden" op het pleintje, dat daarnaar genoemd is, af tot de drie fonteinen op de piazza Navona, waar in het midden het grootsche kunstwerk van Bernini prijkt, en de reusachtige en weelderige Fontana di Trevi, die door het tusschen de Gezondheid en de Vruchtbaarheid staande beeld van Neptunus beheerscht wordt, toe.

Een anderen avond kwam hij gelukkig thuis en vertelde, dat hij zich eindelijk den typischen indruk had kunnen verklaren, die de straten van het oude Rome om den Capitolinus en op den linkeroever van den Tiber, daar waar oude krotten als het ware gekleefd stonden tegen de zijden van groote, vorstelijke paleizen, op hem maakten: het kwam, omdat zij geen trottoir hadden en de voetgangers heel op hun gemak tusschen de voertuigen in liepen, zonder ooit op de gedachte te komen langs de huizen te gaan. Het waren oude wijken, zooals hij ze gaarne zag: eindeloos draaiende straatjes; nauwe, onregelmatige pleintjes; reusachtige, vierkante paleizen, die in de op elkaar gedrongen menigte kleine huizen, welke ze van alle kanten overstroomden, als het ware verdwenen. Ook de wijk van den Esquilinus was zoo: overal met grijs kiezel bedekte trappen, waarvan iedere trede met witten steen omrand was; plotselinge bochten makende hellingen; boven elkander liggende terrassen; seminaria en kloosters met gesloten ramen als waren het doode huizen; een groote kale muur, waarachter zich een reusachtige palm in het smettelooze blauw van den hemel verheft.

Weer een ander maal, nadat hij zijn wandeling nog verder uitgestrekt had tot in de Campagna, langs den Tiber, stroomopwaarts van af de Ponte Molli, kwam hij verrukt thuis, omdat hem een klassieke kunst, waarvoor hij tot dusverre geen gevoel gehad had, geopenbaard was. Langs den oever had hij zuivere Poussin's [21] gezien: de gele, langzaam stroomende rivier met haar met riet begroeide oevers; lage, gekartelde, rotsachtige oevers, waarvan de krijtachtige witheid afstak tegen den rosachtigen achtergrond van de eindelooze, golvende vlakte, die slechts door de blauwe heuvels van den horizont begrensd werd; enkele spichtige boomen; de ruïne van een zuilengaanderij; een troep achter elkaar loopende schapen, die gaan drinken, terwijl een herder, die met zijn schouder tegen den stam van een steeneik leunt, staat te kijken. Het was een speciale, vermetele en ruwe, uit niets bestaande, tot een rechte en vlakke lijn vereenvoudigde, maar door grootsche herinneringen veredelde schoonheid; steeds nog marcheerden de Romeinsche legioenen over de straatwegen door de kale Campagna, steeds nog was het de lange slaap der Middeleeuwen, dan het ontwaken der oude natuur in het Katholieke geloof, wat Rome voor de tweede maal tot den wereldheerscher gemaakt had.

Op een dag, dat Pierre den Campo Verano, het groote kerkhof van Rome bezocht had, vond hij 's avonds aan het bed van Dario behalve Benedetta ook Celia.

"Vindt u het zoo prettig naar de dooden te gaan kijken?" riep de kleine prinses uit.

"O, die Franschen," viel Dario, die alleen bij de gedachte aan een kerkhof al huiverde, haar bij; "die Franschen bederven door hun liefde voor treurige tooneelen met opzet hun leven."

"Maar," merkte Pierre zachtjes op, "je ontkomt nu eenmaal niet aan de werkelijkheid van den dood. Het beste is hem in het gezicht te zien."

De prins werd plotseling boos.

"De werkelijkheid, de werkelijkheid! Wat beteekent dat? Als de werkelijkheid niet mooi is, kijk ik er niet naar. Ik probeer zelfs niet er aan te denken."

Desniettemin vertelde Pierre op zijn kalme, vriendelijke manier, wat hem getroffen had: het prachtige onderhoud van het kerkhof; het feestelijke, dat de herfstzon erin bracht; de buitengewone marmerpracht; de tallooze marmeren beelden op de graven; de marmeren kapellen; de marmeren gedenkteekenen. Ongetwijfeld was dat de uitwerking van het oude atavisme; de weelderige mausolea van de Via Appia, een pronk en praal, een matelooze hoogmoed tot in den dood toe herleefden daar. In het bijzonder in het hooger gelegen gedeelte, waar de Romeinsche adel haar aristocratische wijk had, was het een opeenhooping van ware tempels, van reusachtige figuren, van uit verschillende personen bestaande groepen, meest alle getuigend van een vreeselijken wansmaak, maar waaraan millioenen ten koste gelegd moesten zijn. Vooral was tusschen de taxisboomen en cypressen het zuiver wit gehouden marmer van een groote bekoring. De warme zon verguldde het, er was geen mosvlek op te zien, geen door den regen veroorzaakte scheuren, welke de standbeelden in het Noorden zoo droefgeestig maken.

Benedetta, op wie het onbehagelijke gevoel van Dario aanstekelijk werkte, viel Pierre eindelijk in de rede door aan Celia te vragen:

"En is de jacht interessant geweest?"

Op het oogenblik, dat de priester binnenkwam, was de kleine prinses juist aan het vertellen over een vossenjacht, waarheen haar moeder haar medegenomen had.

"Je kan je niets interessanters voorstellen!... Om een uur zouden we bij elkaar komen bij het graf van Caecilia Metella, waar in een tent een buffet ingericht was. En een menschen--de geheele vreemdelingenkolonie, de jongelui van de gezantschappen, officieren, ongerekend nog de heeren in rood jachtcostuum en de vele dames als amazones... Het sein van vertrek is om half twee gegeven en de jacht heeft meer dan twee uur geduurd, zoodat de vos zich eerst heel ver weg heeft laten vangen. Ik heb niet heelemaal kunnen volgen, maar ik heb toch heel interessante dingen gezien: een groote muur, waar alles overheen moest, greppels, hekken, in het kort een dolle jacht achter de honden aan... Er zijn twee ongelukken gebeurd, o, niet heel erg, een heer heeft zijn pols verrekt en een ander een been gebroken."

Dario had met groote aandacht geluisterd, want deze vossenjachten behoorden tot de grootste genoegens van Rome. Welk een genot dat galoppeeren door de vlakke en toch met hindernissen als het ware bestrooide Campagna, dat verijdelen van de listen der door de honden opgejaagde vossen, dat voortdurend op zijwegen komen, dat plotselinge verdwijnen soms, dat vangen eindelijk, wanneer het dier door uitputting neervalt! Wat een genot, die jachten zonder geweer, dat jagen achter de staart van den vos, hem in snelheid te overtreffen en te overwinnen.

"O," riep hij wanhopig uit, "wat een bezoeking om zoo aan je kamer gebonden te zijn! Ik zal nog sterven van verveling."

Benedetta glimlachte slechts even, zonder een woord van verwijt of verdriet over dien naïeven uitroep van zelfzucht. En zij was zoo gelukkig hem in deze kamer, waar zij hem verpleegde, geheel voor zichzelf te hebben! Maar haar liefde, die zoo jong en zoo verstandig tegelijk was, had iets moederlijks in zich; en zij begreep heel goed, dat hij het alles behalve prettig vond zoo beroofd van zijn gewone genoegens en gescheiden te zijn van zijn vrienden, die hij uit vrees, dat het verhaal van dien verrekten schouder hun verdacht zou voorkomen, niet in de ziekenkamer toeliet. Geen feestmalen, geen schouwburgavonden, geen bezoeken aan dames meer! Vooral echter miste hij den Corso, het maakte hem ziek en wanhopig niets meer te zien of te hooren, nu hij heel Rome niet meer van vier tot vijf uur voorbijtrekken zag. Zoodra dan ook een enkele heel intieme vriend kwam, scheen er geen einde aan het vragen te komen; of hij dezen ontmoet had, of die weer verschenen was, hoe het met de amourette van een derde afgeloopen was, of niet het een of andere schandaaltje de geheele stad in beroering bracht: onbeteekenende verhalen, gewone babbelpraatjes, kinderlijke intriges van een uur, waaraan hij tot nog toe al zijn energie besteed had.

Celia, die hem graag al die onschuldige praatjes kwam vertellen, begon, terwijl zij haar heldere oogen, haar diepe, raadselachtige meisjesoogen op hem richtte, na een kort zwijgen weer:

"Wat duurt het toch een tijd, hé, eer zoo'n schouder beter is?"

Had dit kind, dat alleen maar leefde voor de liefde, alles geraden? Verlegen keek Dario naar Benedetta, die kalm bleef glimlachen. Maar de kleine prinses begon al weer over iets anders.

"Zeg, Dario, ik heb gisteren op den Corso een dame gezien..."

Zij hield verlegen op, zelf verbaasd, dat die woorden haar ontsnapten. Dan ging zij heel dapper door als een jeugdvriendin, die in de kleine amourettes ingewijd is, door:

"Ja, een knappe dame, die je heel goed kent. Zij had toch een ruiker witte rozen."

Ditmaal liet Benedetta aan haar vroolijkheid den vrijen loop, terwijl ook Dario haar lachend aankeek. Zij had hem de eerste dagen geplaagd, dat een zekere dame in het geheel niet naar hem liet vragen. In den grond der zaak vond hij deze geheel natuurlijke breuk volstrekt niet onaangenaam, want de liaison begon lastig te worden; en hoewel hij er eenigszins door gekwetst werd in zijn ijdelheid, was hij toch blij te hooren, dat Tonietta reeds een plaatsvervanger voor hem gevonden had.

"O," antwoordde hij, "de afwezigen hebben altijd ongelijk."

"De man, dien men liefheeft, is nooit afwezig," zeide Celia met haar ernstig rein gezichtje.

Maar Benedetta was opgestaan, om het kussen in den rug van den herstellende op te schudden.

"Kom, kom, Dario, alle ellende is nu uit. Ik zal je houden; je zult niemand meer hebben om lief te hebben dan mij."

Hij keek haar vol hartstocht aan en kuste haar op haar haren, want zij had de waarheid gezegd: hij had nooit een andere lief gehad dan haar, en zij vergiste zich evenmin, wanneer zij erop rekende, hem altijd voor zich te behouden, zoodra zij zich aan hem gegeven zou hebben. Sedert zij hem in deze kamer verpleegde, had zij tot haar groot geluk het kind weer in hem teruggevonden, dat zij vroeger onder de oranjeappelboomen der villa Montefiori in hem lief had gehad. Ongetwijfeld ten gevolge van de verzwakking van het ras had hij een zeldzame kinderlijkheid behouden, die soort terugkeer tot de kindsheid, welken men bij zeer oude volkeren aantreft; hij speelde op zijn bed met plaatjes, keek uren lang naar photographieën, die hem aan het lachen maakten. Zijn onmacht om te lijden was nog grooter geworden; hij wilde, dat zij vroolijk was en zong, en amuseerde haar op zijn beurt met zijn beminlijken zelfzucht, die hem ertoe bracht van een leven van voortdurende vreugde met haar te droomen. O, wat zou het heerlijk zijn steeds samen in den zonneschijn te leven, niets te doen, zich om niets te bekommeren, mocht ook de wereld ergens ineenstorten, zonder dat men zich de moeite gaf er naar te gaan kijken!

"Maar het meest verheug ik mij er toch in," zeide Dario zonder eenigen overgang, "dat mijnheer de abbé verliefd geworden is op Rome."

Pierre, die zwijgend geluisterd had, stemde toe.

"Dat is zoo."

"Ik heb het u wel gezegd," merkte Benedetta op; "er is tijd, veel tijd voor noodig, om Rome te begrijpen en lief te hebben. Als u maar veertien dagen gebleven was, zoudt u een heel slechte meening van ons medegenomen hebben, terwijl wij nu na twee lange maanden heel rustig zijn; nooit meer zult u zonder liefde aan ons denken."

Zij was betooverend en bekoorlijk, terwijl zij het zeide, en hij knikte opnieuw. Maar hij had reeds over dat verschijnsel nagedacht en meende de oplossing ervan reeds gevonden te hebben. Wanneer men naar Rome komt, brengt men een eigen Rome mede, een gedroomd, door de phantasie zóó veredeld Rome, dat het echte Rome een bittere teleurstelling geeft. Men moet dan ook, om de phantasie tijd te geven nogmaals te werken en de dingen te zien zooals zij zijn, nog slechts door de wonderbare pracht van het verleden zien, tot men daaraan gewend raakt, tot de middelmatige werkelijkheid wat verzacht wordt.

Celia stond op en nam afscheid.

"Tot ziens... En is er nu gauw bruiloft, Dario?... Je weet, dat ik vóór het eind van de maand de bruid wil zijn. Ja, ja, ik zal mijn vader dwingen een groote soirée te geven... Wat zou het heerlijk zijn, als we tegelijk konden trouwen!"

Twee dagen later na een lange wandeling door Trastevere, gevolgd door een bezoek aan den palazzo Farnese, voelde Pierre hoe de verschrikkelijke en droefgeestige waarheid omtrent Rome zich in hem openbaarde. Verschillende malen reeds had hij Trastevere, welks ellendige bevolking zijn liefde voor de armen en lijdenden aangetrokken had, doorkruist. O, dat riool van ellende en onwetendheid! Hij had te Parijs afschuwelijke voorstadshoeken gezien, geheele huizenreeksen van verschrikking, waarin de menschheid samenhokte en vervuilde. Maar niets haalde bij dezen stilstand in zorgeloosheid en vuilheid. Zelfs op de mooiste dagen van dit zonneland verkilde een vochtig donker deze bochtige, nauwe, kelderachtige steegjes; vooral de stank was onhoudbaar, een walgelijke stank, die den voorbijgangers op de keel sloeg, een stank van zure groenten, ranzige olie, menschelijk vee, dat daar opgesloten was in zijn mest en drek.

Het waren oude, onregelmatige krotten, daar neergeworpen in een pêle-mêle, dat zoo geliefd was bij de kunstenaars, met donkere, gapende deuren, die onder den grond wegzonken, met buitentrappen, die naar de verschillende verdiepingen leidden, met houten balkons, die als door een wonder in de ruimte in evenwicht gehouden worden. Er waren half in elkaar gevallen gevels, die men met behulp van balken had moeten stutten; smerige woningen, door welker gebarsten ruiten men het vuil zien kon; allerlei treurige winkeltjes: de heele, in de open lucht zich bevindende keuken van een lui volk, dat zelf niet kookte; de vischbakkerijen met haar in stinkende olie zwemmende stukken polenta en visschen; de kooplieden in gekookte groenten, die koud geworden en kleverige rapen, bosjes selderie, bloemkool en spinazie uitstalden. Het slecht gesneden vleesch in de slagerswinkels was zwart; dierennekken waren met bloedklonters bezaaid, als waren zij zoo van de beesten afgerukt.

De brooden van de bakkers lagen als ronde keisteenen op de planken; arme fruitvrouwen hadden voor hun met gedroogde en aan een draad geregen tomaten bekranste deuren niets dan Spaansche peper en pijnappels. De eenige aantrekkelijke winkels waren die van de delicatessenhandelaren, wier pekelvleesch en kaas met hun scherpen geur den stank van de goten wat verminderde. De loterijkantoren, waar de winnende nummers aangeplakt waren, wisselden af met kroegen; iedere dertig passen was een kroeg, die met groote letters aankondigde, dat daar de uitgelezen wijnen der Romeinsche kasteelen Genzano, Marino en Frascati te krijgen waren. De geheele wijk wemelde van een havelooze, door vervuiling zwarte bevolking, van troepen halfnaakte kinderen, die door ongedierte opgegeten werden, van gesticuleerende en schreeuwende vrouwen met loshangende haren, loshangende jakken en kakelbonte rokken, van grijsaards, die onder een zwerm zoemende muggen en vliegen onbeweeglijk op banken zaten.

Het was een nietsdoend en toch druk leven te midden van het voortdurende heen en weer geloop van kleine ezeltjes, die karren trokken, van mannen, die met zweepen kalkoenen voortdreven, van enkele onrustige, zenuwachtige touristen, die dadelijk door troepen bedelaars bestormd werden. Schoenlappers zaten kalm op het trottoir te werken. Voor de deur van een kleermaker hing een oude, met aarde gevulde emmer, waarin een plant groeide. Van alle ramen, van alle balkons hing aan touwen, die van het eene huis naar het andere gespannen waren, over de straat de wasch te drogen, vodden en lompen zonder naam, die als het ware de symbolische vaandels van de afzichtelijke ellende waren.

Pierre voelde, hoe zijn van naastenliefde overstroomende ziel ineenkromp van eindeloos medelijden. Ja, zeker, men moest die zieke en verpeste wijken, waarin het volk zoo lang gehokt had als in een vergiftigden kerker, met den grond gelijk maken. Ja, hij voelde alles voor gezondmaking, voor slooping, ook al moest het oude Rome tot groote ergernis der kunstenaars daardoor gedood worden. Reeds was Trastevere zeer veranderd, boorden nieuwe straten er luchtgaten, waar het zonlicht in breede stralen binnendrong. Wat ervan overbleef, scheen te midden van die gesloopte huizen en van die onlangs ontstane gaten, groote terreinen, waarop men nog niet had kunnen bouwen, nog zwarter en vuiler. De ontwikkeling van deze stad interesseerde hem. Later zou men ongetwijfeld verder gaan met bouwen; maar wat voor een opwindend oogenblik was het, dat de oude stad en de nieuwe te midden van zoovele moeilijkheden als het ware zieltoogde! Men had het vuile, onder excrementen, gootwater en groentenafval verdronken Rome moeten kennen. Het onlangs met den grond gelijk gemaakte Ghetto had sedert eeuwen den bodem met zulk een menschelijke vuilheid doordrenkt, dat het nog kale bouwterrein, dat vol bulten en modderkuilen was, nog steeds een vreeselijken peststank uitwasemde. Men deed er zeer goed aan het op die wijze lang te laten drogen en zich reinigen in de zon.

In al deze wijken aan beide oevers van den Tiber, waar belangrijke openbare werken van wege de stad uitgevoerd worden, stoot men bij iederen stap op hetzelfde: men volgt een nauwe, stinkende, vochtig-kille straat met sombere gevels en daken, die elkaar bijna aanraken, en komt dan plotseling op een lichte, open plek, die de spaden en bijlen gehouwen hebben in het bosch van de oude, melaatsche krotten. Er zijn daar pleinen, breede trottoirs, hooge witte gebouwen, met beeldhouwwerk, een moderne hoofdstad in aanleg. Overal ziet men stukken van geprojecteerde wegen; het is een reusachtige werkplaats, die de financieele crisis thans dreigt te vereeuwigen; de stad van morgen is in haar groei belemmerd en blijft met haar matelooze, overhaaste en detoneerende beginwerken staan, als kon zij niet verder. Maar desniettemin was het een goed en hygienisch werk, dat voor een groote en moderne stad een absolute en sociale noodzakelijkheid was, als men ten minste het oude Rome niet wilde laten vervuilen als een merkwaardigheid uit lang vervlogen tijd, als een museumstuk, dat men onder glas bewaart.

Dien dag maakte Pierre, toen hij zich van Trastevere naar den palazzo Farnese, waar hij verwacht werd, begaf, een omweg door de Via di Pettinari en de Via di Giubbonari, waarvan de eerste zoo somber en tusschen den grooten, zwarten muur van het hospitaal en de ellendige krotten daartegenover samengedrukt is, terwijl de tweede één en al leven is door den voortdurenden menschenstroom en opgevroolijkt wordt door de etalages der juweliers met de dikke gouden kettingen en die van de modemagazijnen, waar groote blauwe, gele, groene en roode zijden banen in glanzende tinten schitteren. De arbeiderswijk, die hij pas doorloopen had, en de kleinhandelaarswijk, die hij nu doorging, riepen hem het stadsgedeelte vol afgrijselijke ellende voor den geest, dat hij reeds bezocht had, de beklagenswaardige massa der arbeiders, die door het stopzetten van het werk tot den bedelstaf gebracht waren en tusschen de prachtige en verwaarloosde gebouwen der Prati del Castello kampeerden; dat arme, dat ongelukkige, kind gebleven volk, dat, door eeuwen van theocratie in een onwetendheid en lichtgeloovigheid van wilden gehouden, aan den nacht van zijn geest, aan het lijden van zijn lichaam zóó gewend is geraakt, dat het ondanks alles thans buiten den maatschappelijken réveil blijft en gelukkig is, wanneer men het in vrede genieten laat van zijn trots, zijn luiheid en zijn zon. Het scheen blind en doof in zijn verval te zijn, het zette zijn leven van stilstand van vroeger te midden van de evolutie van het nieuwe Rome voort, zonder er iets anders van te merken dan de lasten, nu de oude wijken, waarin hij woonde, met den grond gelijk gemaakt, de gewoonten veranderd, de levensmiddelen duurder werden, alsof licht, reinheid en gezondheid het lastig vielen, daar men ze met een groote financieele en arbeidscrisis betalen moest.

Maar, hetzij men er werkelijk die bedoeling mede gehad had of niet, in den grond der zaak werd Rome alleen ter wille van het volk gereinigd en met het doel, er een groote, moderne hoofdstad van te maken, opnieuw opgebouwd; want aan het einde van die veranderingen staat de democratie; het volk zal morgen de steden erven, waaruit men de vuilheid en de zieken verjaagt, waarin de wet van den arbeid zich ten slotte organiseert en de ellende doodt. En daarom moet men, ook al vervloekt men de rein gehouden ruïnen en het Colosseum, nu het van zijn klimop en zijn struiken en zijn wilde flora bevrijd is, die de jonge Engelsche dames in haar herbarium opnemen, ook al maakt men zich boos over de foei-leelijke vestingmuren, die den Tiber gevangen houden, ook al beweent men de zoo romantische oevers met hun groen en hun oude, in het water duikende huizen, toch tot zichzelf zeggen, dat het leven geboren wordt uit den dood en dat het morgen noodzakelijk opbloeien moet uit het stof van het gisteren.

Terwijl Pierre deze dingen overdacht, was hij op de eenzame, regelmatige piazza Farnese met haar gesloten huizen en haar twee fonteinen gekomen, waarvan de eene in de volle zon te midden van de groote stilte een eindeloozen straal van paarlen vallen deed. Hij bleef een oogenblik staan kijken naar den kalen en monumentalen gevel van het zware, vierkante paleis, zijn hooge poort, waarop de driekleurige vlag wapperde, zijn dertien gevelramen, zijn beroemde, zoo kunstrijke fries. Dan ging hij naar binnen. Een vriend van Narcisse Habert, een der gezantschapsattachés, die hem aangeboden had hem het reusachtige paleis, het mooiste van Rome, en dat Frankrijk voor zijn gezant gehuurd had, te laten zien wachtte hem daar. O, dat geweldige, weelderige en doodsche paleis met zijn groote, vochtig-donkere, door een zuilengaanderij omgeven binnenplein, zijn reusachtige trap met de lage treden, zijn eindelooze gangen, zijn te groote galerijen en zalen. Het was de majestueuse praal van den dood; een ijskoude kilte viel van de muren en drong door tot in de beenderen van de menschelijke mieren, die zich onder de gewelven waagden.

De attaché bekende met een discreet glimlachje, dat de ambassade er zich doodelijk verveelde; 's zomers werd zij gebraden, 's winters tot ijs verstijfd. Slechts het door den gezant bewoonde gedeelte, de eerste verdieping, die op den Tiber uitzag, was iets rianter en levendiger. Daar ziet men van uit de beroemde galerij der Carrachi den Janiculus, de Corsini-tuinen, de Acqua Paolo boven de S. Pietro in Montorio. Dan komt na een grooten salon het studeervertrek, waarin een stille, door de zon opgevroolijkte vrede heerscht. Maar de eetzaal, de woonkamers en de andere door het personeel bewoonde vertrekken vallen weer terug in het sombere donker van een zijstraat.

Al die groote, zeven à acht meter hooge vertrekken hebben prachtige, geschilderde of gebeeldhouwde plafonds, kale muren, waarvan sommige met fresco's versierd zijn, verschillende stijlen van meubelen, prachtige wandtafeltjes tusschen allerlei moderne bric-à-brac. En die troosteloosheid der dingen werd iets afschuwlijks, wanneer men in de galavertrekken komt, de groote eerezalen, die aan den op de binnenplaats uitzienden gevel liggen. Geen meubel, geen behang meer, niets dan een ruïne, verlaten, aan spinnen en ratten prijsgegeven zalen. De ambassade gebruikte er slechts één, waarin zij op wit houten tafels, op den grond en in alle hoeken haar stoffige archieven opbergt. Daarnaast is de reusachtige, tien meter en twee verdiepingen hooge zaal, die de eigenaar, de voormalige koning van Napels, voor zich gereserveerd had, een ware rommelkamer, waar maquettes, onvoltooide beelden en een buitengewoon mooie sarcophaag rondslingeren te midden van een onzegbaren massa onherkenbare puinhoopen.

En dat is nog slechts een gedeelte van het paleis; de rez-de-chaussée is geheel onbewoond, onze Ecole de Rome gebruikt een hoekje van de tweede verdieping, terwijl onze ambassade zich opeenhoopt in den meest bewoonbaren vleugel van de eerste, genoodzaakt als zij is het overige niet te gebruiken en de deuren te sluiten en te grendelen, om zich de onnoodige moeite van schoonhouden te besparen. Zeker het is koninklijk het door paus Paulus III gebouwde en meer dan een eeuw door kardinalen betrokken paleis Farnese te bewonen, maar welk een gruwlijke ongemaklijkheid, welk een afschuwlijke melancholie in die onmetelijke ruïne, waarvan drie vierden der vertrekken dood zijn, nutteloos, onbewoonbaar, van het leven afgesneden! En 's avonds, o, 's avonds! Dan worden de poort, de binnenplaats, de trap, de gangen in een dichte duisternis gevangen, strijden de enkele, walmende lantaarns vergeefs, moet men een eindeloozen tocht maken door die lugubere woestijn van steenen, om in den warmen, gezelligen salon van den gezant te komen!

Gedrukt en met kloppende slapen verliet Pierre het paleis. En alle andere paleizen, al de groote paleizen, die hij op zijn wandelingen gezien had, richtten zich voor zijn geestesoog op; alle waren beroofd van hun pracht, de vorstelijke hofhoudingen van vroeger waren verdwenen, alle waren vervallen tot ongerieflijke huurhuizen. Wat moest men thans met die galerijen, met die grootsche zalen beginnen, nu geen vermogen groot genoeg was om daarin het weelderige leven te leiden, waarvoor men ze gebouwd had?

Prinsen, die, als prins Aldobrandini met zijn talrijke nakomelingschap, hun paleis alleen bewoonden, waren zeldzaam. Bijna allen verhuurden de oude verblijven van hun voorouders aan maatschappijen of particulieren, terwijl zij voor zichzelf een verdieping of soms zelfs maar een reeks appartementen in het donkerste hoekje behielden. Verhuurd was de palazzo Chigi: de rez-de-chaussée aan banken, de eerste verdieping aan de Oostenrijksche ambassade, terwijl de prins en zijn familie de tweede met een kardinaal deelden. Verhuurd was de palazzo Sciarra: de eerste verdieping aan den minister van Buitenlandsche Zaken, de tweede aan een senator, terwijl de prins en zijn moeder zich met den rez-de-chaussée tevreden moesten stellen. Verhuurd was de palazzo Barberini: de rez-de-chaussée, de eerste en tweede verdieping aan verschillende families, terwijl de prins op de derde verdieping in de vroegere kamers van het dienstpersoneel huisde. Verhuurd was de palazzo Borghese: de rez-de-chaussée aan een koopman in oudheden, de eerste verdieping aan een vrijmetselaarsloge, de rest aan families, terwijl de prins zelf slechts een paar kamers van een klein burgerlijk huis had. Verhuurd was de palazzo Odelscachi, verhuurd de palazzo Colonna, verhuurd de palazzo Doria, terwijl de prinsen er nog slechts het bekrompen bestaan van goede huiseigenaars leidden en uit hun eigendom het grootst mogelijke profijt trokken, om rond te komen.

Een verwoestende wind woei over het Romeinsche patriciaat, de grootste vermogens waren in de financieele crisis gebleven; slechts weinigen bleven rijk. En welk een rijkdom was dat nog! Een onbeweeglijke, doode rijkdom, dien handel noch industrie konden hernieuwen. De talrijke prinsen, die getracht hadden zaken te doen, waren van alles beroofd. Den anderen, die door dat voorbeeld afgeschrikt waren en bovendien gebukt gingen onder zware belastingen, welke hun bijna het derde gedeelte van hun inkomsten ontnamen, bleef niets anders over dan toe te zien, hoe hun laatste stilstaande millioenen door deelingen verbrokkeld werden en stierven, daar het geld, evenals al het andere, sterft, wanneer het geen vruchten meer draagt in een levenden bodem. Het was nog slechts een quaestie van tijd, want de ruïne was onvermijdelijk, een absoluut, historisch noodlot. Zij, die er zich toe verlaagden om te verhuren, streden nog om hun leven, trachtten zich te schikken in en te richten naar het tegenwoordige, door er zich toe te dwingen tenminste de eenzaamheid van hun al te groote paleizen te bevolken, terwijl de dood reeds woonde bij de koppigen en hoogmoedigen, die zich inmetselden in het graf van hun geslacht, zooals de angstaanjagende, in stof vallende, in donker en zwijgen verstarde palazzo Boccanera, waarin men slechts nu en dan den dof over het gras van de binnenplaats rollenden, ouden karos van den kardinaal hoorde, als hij uitreed of thuiskwam.

Maar Pierre was vooral onder den indruk van die twee op elkaar volgende bezoeken aan Trastevere en aan den palazzo Farnese; het eene wierp een licht op het andere en beide leidden tot een slotsom, die zich nog nooit met een zoo vreeselijke helderheid in hem geformuleerd had: nog geen volk en weldra geen aristocratie meer. Dat liet hem niet meer los, vervolgde hem overal. Het volk, door de geschiedenis en het klimaat in een lange kindsheid gehouden, was, zooals hij gezien had, zóó ellendig, zóó onwetend, zóó berustend, dat er lange jaren van opvoeding en onderwijs noodig zouden zijn, om het te vormen tot een sterke, gezonde, werkzame, zich van haar rechten evenals van haar plichten bewuste democratie. De aristocratie stierf uit in haar instortende paleizen, zij was niet meer dan een uitgeput, ontaard ras, zóó vermengd bovendien met Amerikaansch, Oostenrijksch, Poolsch en Spaansch bloed, dat het zuivere Romeinsche bloed een zeldzame uitzondering werd, afgezien nog van het feit, dat zij opgehouden had in krijgsdienst of in dienst der kerk te staan, daar het haar tegen de borst stuitte het constitutioneele Italië te dienen en uit het Heilige College trad, waarin alleen parvenu's het purper aantrokken. En tusschen de kleinen beneden en de machtigen boven bestond nog geen stevig gegrondveste, door een nieuw sap sterke bourgeoisie, die verstandig en ontwikkeld genoeg was, om de overgangsopvoedster der natie te zijn.

De bourgeoisie bestond uit voormalige bedienden, de voormalige beschermelingen van de prinsen, de pachters, die hun landgoederen huurden, de intendanten, notarissen of advocaten, die hun vermogens beheerden; zij bestond uit ambtenaren, employé's van iederen rang en stand, afgevaardigden en senatoren, die de regeering uit de provincies medegebracht had; zij bestond ten slotte uit de zwerm vraatzuchtige valken, die op Rome neerstreken, de Prada's en de Sacco's, de uit het geheele koninkrijk saamgestroomde roofmenschen, wier klauwen en bek alles, het volk en de aristocratie, verslonden. Voor wie had men dan gewerkt? Voor wie de reuzenwerken begonnen van het nieuwe Rome, die van een zóó matelooze hoop en hoogmoed getuigden, dat men ze niet afmaken kon? Over Rome woei een wind van verschrikking; een gekraak deed zich hooren, dat in alle liefhebbende harten onrust en tranen wakker riep! Ja, het einde van een wereld dreigde: nog geen volk en geen aristocratie meer, slechts een verslindende bourgeoisie, die de buit tusschen de puinhoopen zocht.

En welk een verschrikkelijk symbool waren die nieuwe paleizen, welke men gebouwd had naar het reusachtige voorbeeld der vroegere paleizen, deze groote, weelderige paleizen, welke uit den grond opgerezen waren voor honderdduizenden zielen, waarop men gehoopt had, doch die niet gekomen waren; deze paleizen, waarin zich de toenemende rijkdom, de triompheerende luxe van de nieuwe wereldhoofdstad had moeten vestigen, en die nu de jammerlijke, bezoedelde en reeds wankele toevluchtsoorden voor de zwartste ellende van het volk, voor alle bedelaars en vagebonden geworden waren!

Den avond van dien dag bracht Pierre, toen het reeds donker geworden was, een uur door op de kade van den Tiber voor den palazzo Boccanera. Er heerschte een plechtige stilte, een eenzaamheid, zooals men die nergens vindt, en waarin hij graag vertoefde, niettegenstaande Victorine beweerde, dat het er niet veilig was. En inderdaad, op zulke pikdonkere avonden als deze had geen moordenaarshol ooit een tragischer decor gehad.

Geen levende ziel, geen voorbijganger; rechts en links en recht vooruit stilte, donkerte leegte. De palissaden, die aan alle kanten de reusachtige verlaten werkplaats insloten, versperden zelfs aan honden den toegang. Op den hoek van het in het donker verzonken paleis wierp een gaslantaarn, die sedert de ophooping dieper was komen te liggen vlak bij den grond een schemerlicht op de bultige kade; de materialen, die waren blijven slingeren, de hoopen steenen en tegels vormden groote, onbestemde schaduwen. Rechts plekten enkele lichtjes op de Ponte S. Giovanni de'Fiorentini en voor de ramen van het Heilige-Geest-hospitaal. Links verdwenen en zonken de verre stadswijken weg op den achtergrond van den rivierloop. Recht tegenover lag Trastevere; de huizen op den steilen oever, waar slechts enkele vensters door een dof schijnsel geel verlicht werden, maakten den indruk van bleeke, onduidelijke spookgestalten, terwijl daarboven een donkere streep de ligging aangaf van den Janiculus, waarop de lantaarns van de een of andere wandelplaats een driehoek van sterren deden fonkelen. De Tiber, die in de avonduren zoo melancholiek majestueus was, trok Pierre het meest aan. Hij bleef, op de steenen borstwering geleund, minuten lang kijken hoe hij tusschen zijn nieuwe muren stroomde, die 's avonds het zwarte en monsterachtige uiterlijk aannamen van een gevangenis, die men daar voor een reus gebouwd zou hebben.

Zoolang in de huizen aan de overzijde lichten brandden, kon hij zien, hoe de zware wateren langzaam voorbij kabbelden in de reflexen, welker rimpeling hun een mysterievol leven gaf. En hij droomde eindeloos van het beroemde verleden dezer rivier; dikwijls riep hij zich de legende voor den geest, die beweert, dat fabelachtige rijkdommen in de modder van zijn bed begraven zijn. Bij iedere invasie der barbaren, en speciaal bij de plundering van Rome, zou men er de schatten der tempels en der paleizen in geworpen hebben, om ze aan de hebzucht der overwinnaars te onttrekken. Waren die gouden strepen, die daar in het ondoorzichtige water beefden, niet de gouden kandelaar met zeven armen, dien Titus medegebracht had uit Jeruzalem? En die witte schimmen, welke onophoudelijk door den wind van vorm veranderden, waren dat geen zuilen en standbeelden? En die diepe vlammige weerschijnen, waren dat geen kostbare bekers en vazen, geen met edelgesteenten bezette kleinodiën? Welk een droom was dat even geziene wemelen in den schoot der rivier, dat verborgen leven van die schatten, welke daar eeuwen lang geslapen zouden hebben! En welk een verwachtingen voor den trots en het weer rijk worden van een volk vormden die wonderdadige schatten, welke men in den Tiber zou vinden, wanneer men hem eenmaal droog zou kunnen leggen, waarvoor reeds plannen ontworpen waren. Misschien lag daar het geluk van Rome!

Maar op dien zoo donkeren avond dacht Pierre, terwijl hij zoo over de borstwering leunde, slechts aan de strenge werkelijkheid. Hij zette zijn overpeinzingen van den dag, die zijn bezoek aan Trastevere in hem gewekt hadden, voort en kwam bij het zien van dat doode water tot de slotsom, dat de groote ramp, waaronder Italië leed, daarin bestond, dat men Rome gekozen had, om er een moderne hoofdstad van te maken. Hij wist zeer goed, dat die keuze onvermijdelijk was, daar Rome de koningin der glorie, de oude wereldheerscheresse was, de stad, aan welke de eeuwigheid beloofd was, zonder welke de nationale eenheid steeds onmogelijk geschenen was, zoodat een vreeselijk dilemma gesteld werd, daar zonder Rome Italië niet bestaan kon en dit met Rome zeer moeilijk bleek te zijn! O welk een onheilvolle stem nam deze doode rivier in den avond aan! Geen boot was te zien, geen beweging van handels- of industriedrukte, die leven brengt aan het hart van een groote stad. Ongetwijfeld had men mooie plannen gemaakt: Rome zeehaven, het rivierbed zóó diep uitgegraven, dat schepen met groote tonneninhoud tot den Aventinus zouden kunnen komen. Doch dat waren slechts hersenschimmen, nauwlijks had men den mond, die telkens weer verzandde, kunnen vrijmaken. En de andere reden van den doodsstrijd, de Campagna romana, de doodenwoestijn, waar de doode rivier door stroomde en die Rome met een gordel van onvruchtbaarheid omgaf? Men sprak er wel over haar te draineeren, haar te beplanten; men discussieerde tot in het eindelooze over de vraag, of zij onder de oude Romeinen vruchtbaar geweest was of niet; Rome bleef desniettemin midden in zijn groot kerkhof liggen als een stad van vroeger, die voor eeuwig van de overige wereld afgescheiden is door een steppe, waarin zich het stof van eeuwen opgehoopt heeft.

De geographische oorzaken, die haar eens de wereldheerschappij gegeven hebben, bestaan thans niet meer. Het centrum der beschaving heeft zich opnieuw verplaatst, het bekken der Middellandsche Zee is onder machtige naties verdeeld. Alles gaat naar Milaan, de stad van handel en nijverheid, terwijl Rome in het vervolg slechts een doorgangsplaats is. De meest heldhaftige pogingen der laatste vijf-en-twintig jaar hebben de stad dan ook niet uit haar onoverwinlijken slaap kunnen rukken. De hoofdstad, die men te vlug heeft willen improviseeren, is stationnair gebleven en heeft de natie bijna geruïneerd. De nieuwe bewoners, de regeering, de Kamers, de ambtenaren doen er niet veel meer dan even hun tenten opslaan en vluchten bij de eerste warme dagen, om het doodende klimaat te vermijden; en dit geschiedt in zoo'n sterke mate, dat de hotels en magazijnen gesloten worden, de straten en parken als uitgestorven schijnen, daar de stad geen werkelijk leven bezit en onmiddellijk in den dood terugvalt, zoodra het kunstmatige leven, dat haar bezielt, haar weer verlaat.

Zoo blijft dan alles stilstaan in deze hoofdstad, waarvan de bevolking thans af- noch toeneemt, waarin een nieuwe stuwkracht van geld en menschen noodig is, om de reusachtige, nuttelooze gebouwen der nieuwe wijken af te maken en te bevolken. En wanneer het waar was, dat het morgen steeds weer opbloeit uit het stof van het gisteren, dan moest men zich tot hoop dwingen. Maar was de bodem niet uitgeput? Was, nu zelfs de bouwwerken er niet meer opschieten wilden, het sap, dat gezonde individuen en krachtige naties schept, ook niet voor eeuwig opgedroogd?

Naarmate het later werd, gingen de lichten in de tegenoverliggende huizen van Trastevere één voor één uit. En door wanhoop overmand, bleef Pierre nog lang gebogen staan over de nu zwarte wateren. Het was een eindelooze duisternis; in den diepen nacht van den Janiculus bleef niets over dan de sterrendriehoek van de gaslantaarns. Geen enkele weerschijn vlamde den Tiber meer met een rimpeling van goud, liet meer het tragische visioen der fabelachtige rijkdommen onder zijn mysterievollen loop dansen; het was nu uit met de legende, met den gouden, zevenarmigen kandelaar, met de gouden vazen, met de gouden kleinoodiën, met dezen geheelen droom van een ouden schat, die als de oude roem van Rome zelf, in den nacht weggezonken was. Geen lichtglans, geen geluid, de eindelooze slaap, niets dan het dikke, zware droppelen van een goot rechts, die men niet zien kon. Ook het water was verdwenen, Pierre voelde nog slechts het loodzware voortstroomen in de duisternis, den neerdrukkenden ouderdom, de eeuwenoude uitputting, de eindelooze triestheid van dezen oerouden en glorierijken Tiber, die naar het Niets verlangde en voortaan nog slechts den dood eener wereld scheen voort te stuwen. Alleen de groote, rijke hemel, de eeuwige, pralende hemel ontplooide nog boven de schaduwrivier, die de ruïnen van bijna drie duizend jaar voortstuwde, het schitterende leven van zijn millioenen sterren.

Toen Pierre, alvorens naar zijn kamer te gaan, een oogenblik naar de kamer van Dario ging, vond hij daar Victorine, die bezig was alles in gereedheid te brengen voor den nacht.

"Wat, mijnheer de abbé, bent u op dit uur weer op de kade gaan wandelen?" riep zij op verwijtenden toon, toen zij hoorde waar hij vandaan kwam. "Wilt u dan met alle geweld een messteek krijgen... Neen hoor, mij zouden zij er niet toe krijgen in deze vervloekte stad zoo laat versche lucht te gaan happen."

Dan wendde zij zich met haar gewone familiariteit tot den prins, die op een fauteuil lag te glimlachen.

"Zeg, dat meisje, die Pierina, is niet meer teruggeweest, maar ik heb haar tusschen de puinhoopen zien sluipen."

Met een gebaar legde Dario haar het zwijgen op en wendde zich nu tot den priester.

"Maar u hebt toch met haar gesproken. Het wordt toch eigenlijk te gek... Stel je voor, dat die woesteling van een Tito zijn mes in mijn anderen schouder komt steken!"

Plotseling zweeg hij; hij zag Benedetta voor zich staan, die ongemerkt binnengekomen was, om hem goeden nacht te zeggen. Hij werd erg verlegen, wilde iets zeggen, een verklaring geven, haar zijn volkomen onschuld in dit avontuur bezweren. Maar zij glimlachte en zeide slechts liefdevol:

"Ik ken je geschiedenis, Dario. Je begrijpt toch wel, dat ik niet zoo dom ben, of ik heb erover nagedacht en het begrepen... Dat ik er niet verder naar gevraagd heb, komt alleen, omdat ik alles wist en toch van je hield."

Zij was zoo gelukkig; zij had dien avond vernomen, dat monsignor Palma, de verdediger van het huwlijk in haar echtscheidingsproces, zich voor den aan zijn neef bewezen dienst dankbaar had betoond door een voor haar gunstige memorie in te dienen. Niet dat de prelaat, die niet gaarne zijn eigen woorden herroepen wilde, zich geheel aan haar zijde geschaard had, maar de verklaringen der beide geneesheeren hadden hem toch in staat gesteld tot een zekeren maagdelijken staat te concludeeren, en hij had, heenglijdend over het feit, dat de niet voltrekking van het huwlijk haar oorzaak vond in den tegenstand der vrouw, de feiten zóó handig gegroepeerd, dat zij een nietigverklaring noodzakelijk maakten. Daar iedere hoop op toenadering vergeefsch was, stond het vast, dat de echtgenooten in voortdurend gevaar verkeerden tot onkuischheid te vervallen. Hij maakte een discrete toespeling op den echtgenoot, als om aan te toonen, dat deze reeds onder die verleiding bezweken was, om dan de hooge moraliteit der vrouw, haar vroomheid, alle deugden, die een waarborg vormden voor haar waarheidsliefde, te prijzen. Zonder het met zoovele woorden te zeggen, refereerde hij zich aan de wijsheid der congregatie. Maar daar monsignor Palma ongeveer de argumenten van advocaat Morano herhaalde en Prada er hardnekkig bij bleef niet te verschijnen, scheen het aan geen twijfel onderhevig of de congregatie zou met een groote meerderheid tot de nietigverklaring adviseeren, zoodat de Paus deze zou kunnen uitspreken.

"Nu zijn we tenminste aan het eind van onzen lijdenstocht, Dario! Maar wat een geld heeft het gekost! Tante zegt, dat we nauwlijks droog brood en water over hebben!"

Zij lachte met de heerlijke zorgeloosheid van een hartstochtelijk verliefde vrouw. Niet dat een proces voor de congregatie zoo kostbaar was, want in principe waren die kosteloos. Maar er waren oneindig veel kleine onkosten, alle ondergeschikte beambten, de medische deskundigen, de afschriften, de memories, de pleidooien. Bovendien, ook al kocht men natuurlijk de stemmen der kardinalen niet, zoo kwamen toch enkele stemmen op groote sommen te staan, wanneer men op de omgeving van Hunne Eminenties invloed wilde uitoefenen, afgezien nog van het feit, dat groote geldgeschenken in het Vaticaan, wanneer zij met takt gegeven worden, de grootste moeilijkheden uit den weg ruimen. En ten slotte had de neef van monsignor Palma veel gekost.

"Als ze ons, nu je weer genezen bent, maar gauw laten trouwen, dat is het eenige, wat we hun vragen, niet waar, Dario?... Als ze willen, zal ik hun nog mijn paarlen geven, het eenige vermogen, dat ik nog bezit."

Ook hij lachte, want geld had in zijn leven nooit een rol gespeeld. Hij had nooit zooveel gehad als hij wel wilde, hij hoopte eenvoudig steeds bij zijn oom, den kardinaal, te kunnen wonen, die het jonge paar niet op straat zetten zou. Bij hun ruïne beteekenden honderd, of tweehonderd duizend francs niets voor hem; hij had wel hooren zeggen, dat sommige echtscheidingen meer dan vijfhonderd duizend francs gekost hadden. Hij antwoordde dan ook schertsend:

"Geef hun ook mijn ring, geef hun alles, lieveling; wij zullen in dit oude paleis heel gelukkig leven, ook al moesten wij de meubels verkoopen."

In haar geestdrift nam zij zijn hoofd tusschen haar beide handen en kuste hem in een opwelling van grooten hartstocht op zijn beide oogen.

Dan wendde zij zich plotseling tot Pierre:

"O, neem me niet kwalijk, mijnheer de abbé, ik had nog een boodschap voor u ook... Ja, van monsignor Nani, die ons daarnet de blijde tijding gebracht heeft; hij heeft mij opgedragen u te zeggen, dat u u te veel op den achtergrond houdt, dat u meer moet werken voor de verdediging van uw boek."

Verbaasd luisterde Pierre naar haar.

"En juist hij heeft me aangeraden mij zoo weinig mogelijk te laten zien."

"Dat is zoo. Maar het schijnt, dat het oogenblik nu gekomen is, dat u de menschen opzoeken, uw zaak bepleiten, u roeren moet in één woord! En nog iets: hij is ook den naam van den rapporteur te weten gekomen, aan wien men opgedragen heeft uw boek te onderzoeken. Het is monsignor Fornaro, die op de piazza Navona woont."

Pierre voelde zijn verbazing grooter worden. Het gebeurde nooit, dat de naam van een rapporteur bekend werd, deze bleef geheim om het oordeel zoo vrij mogelijk te houden. Zou een nieuwe phase in zijn verblijf te Rome beginnen?

"Ik dank u zeer," antwoordde hij eenvoudig. "Ik zal handelen en iedereen bezoeken."

TIENDE HOOFDSTUK

Pierre, die niets liever wilde dan zoo spoedig mogelijk een eind maken aan de zaak, trachtte den volgenden dag reeds aan het werk te gaan. Maar een twijfel had zich van hem meester gemaakt: bij wien moest hij het eerst aankloppen, wien moest hij het eerst bezoeken, wanneer hij in een zoo gecompliceerd en zoo ijdel milieu geen fout wilde begaan? Toen hij zijn kamer verliet, zag hij toevallig don Vigilio, den secretaris van den kardinaal, in de gang. Hij verzocht hem even binnen te komen.

"U kunt mij een dienst bewijzen, mijnheer de abbé. Ik vertrouw me geheel aan u toe; ik heb een raad noodig."

Hij voelde, dat deze kleine, magere man met zijn saffraan-kleurigen tint, die steeds rilde van koorts, ondanks zijn overdreven en bange omzichtigheid van alles op de hoogte, in alles betrokken was. Blijkbaar om het gevaar zich moeilijkheden op den hals te halen, te ontloopen, had hij Pierre tot dusverre, naar het scheen met opzet, vermeden. De laatste dagen echter was hij minder schuw, vlamden zijn zwarte oogen op, wanneer hij zijn buurman ontmoette, als had het ongeduld, waardoor Pierre verteerd moest worden, nu hij zoo lang tot niets doen gedoemd werd, zich ook van hem meester gemaakt. Hij trachtte dan ook niet zich aan het gesprek te onttrekken.

"Neem me niet kwalijk," begon Pierre, "dat ik u in zoo'n wanorde laat. Maar ik heb van ochtend weer linnengoed en winterkleeren uit Parijs gekregen... Stel u voor, dat ik met een klein handkoffertje voor veertien dagen gekomen ben, en nu ben ik al drie maanden hier, zonder dat ik nog iets verder ben dan op den ochtend van mijn aankomst."

Don Vigilio schudde zachtjes het hoofd.

"Ja, ja, ik weet het."

Toen legde Pierre hem uit, dat hij, nu monsignor Nani hem door de contessina had laten weten, dat hij, om zijn boek te verdedigen, moest gaan handelen en iedereen gaan opzoeken, in de grootste verlegenheid verkeerde, daar hij niet wist, hoe hij zijn bezoeken regelen moest. Moest hij bijvoorbeeld het eerst naar monsignor Fornaro gaan, die rapport over zijn boek moest uitbrengen?

"Wat," riep don Vigilio bevend uit, "is monsignor Nani zoover gegaan, dat hij u dien naam genoemd heeft?... Dat is veel meer dan ik verwacht had!"

Hij liet zich door zijn hartstocht medeslepen.

"Neen, neen, begin niet met monsignor Fornaro. Ga eerst een zeer nederig bezoek brengen aan den praefect van de Indexcongregatie, aan Zijne Eminentie kardinaal Sanguinetti, omdat hij het u nooit vergeven zou, als hij te hooren kwam, dat u eerst bij een ander uw opwachting gemaakt hebt..."

Hij hield even op en voegde er dan fluisterend en rillend van koorts, aan toe:

"En hij zou het te hooren komen. Hier in Rome kom je alles te hooren."

Dan nam hij, als maakte zijn sympathie hem plotseling dapper, de beide handen van den jongen, vreemden priester in de zijne.

"Mijn beste mijnheer Froment, ik zweer u, dat ik mij zeer gelukkig voelen zal, wanneer ik u op de een of andere wijze kan helpen, want u hebt een oprechte, eenvoudige ziel en ik heb werkelijk met u te doen... Maar u moet mij niet het onmogelijke vragen. Wanneer u wist, wanneer ik u alle gevaren toevertrouwde, die ons omringen... Toch meen ik u op dit oogenblik nog te kunnen aanraden in geen enkel opzicht te rekenen op mijn meester, Zijne Eminentie kardinaal Boccanera. Verschillende malen heeft hij zich tegenover mij zeer afkeurend over uw boek uitgelaten... Maar hij is een heilige, een man van hoogen ziele-adel, en al verdedigt hij u niet, hij zal u niet aanvallen, maar uit égard voor zijn nicht, de contessina, die hij aanbidt en die u beschermt, neutraal blijven... Bepleit, wanneer u hem ziet, uw zaak niet, dat zou u geen voordeel brengen en hem slechts prikkelen."

Pierre voelde door die woorden geen al te groote teleurstelling, want hij had na zijn eerste onderhoud met den kardinaal en later bij de enkele bezoeken, die hij hem gebracht had, dadelijk begrepen, dat hij in hem slechts een tegenstander vinden zou.

"Ik zal hem dan een bezoek brengen," zeide hij, "om hem te bedanken voor zijn neutraliteit."

Doch onmiddellijk kwam bij don Vigilio de angst weer boven.

"Neen, neen, doe dat niet, hij zou misschien begrijpen, dat ik gepraat had, en dan zou mijn positie leelijk gevaar loopen... Ik heb niets gezegd, ik heb niets gezegd. Bezoek eerst de kardinalen, al de kardinalen. Maar verder heb ik u niets gezegd, dat is afgesproken?"

Dien dag wilde hij niets meer zeggen. Bevend verliet hij de kamer, terwijl hij met zijn vlammende, onrustige oogen rechts en links in de gang rondkeek.

Onmiddellijk verliet Pierre het paleis, om een bezoek aan kardinaal Sanguinetti te brengen. Het was tien uur; hij had dus kans hem thuis te treffen. De kardinaal bewoonde, naast de kerk S. Luigi dei Francesi, in een donkere, nauwe straat, de eerste verdieping van een klein paleis, dat thans als huurhuis ingericht was. Het was niet de reusachtige, vorstelijk-grootsche en zwaarmoedige ruïne, waarin kardinaal Boccanera zich opsloot. De vroegere, voorgeschreven galavertrekken waren, evenals de geheele huishouding, beperkt. Er was geen troonzaal meer, er hing geen groote, roode kardinaalshoed meer onder een baldakijn, geen tegen den muur gekeerde fauteuil stond meer op de komst van den paus te wachten. Twee in elkaar loopende, als antichambres dienende kamers, een salon, waarin de kardinaal ontving--en dat alles zonder eenigen luxe, zonder comfort zelfs. De meubelen waren in empire-stijl, de tapijten en het behang zaten vol stof en waren door het gebruik verkleurd.

Het duurde lang, voordat er open gedaan werd, en toen eindelijk een knecht, die, zonder zich te haasten, zijn vest aantrok, de deur op een kiertje opende, antwoordde hij slechts, dat Zijne Eminentie den vorigen dag naar Frascati gegaan was.

Toen herinnerde Pierre zich, dat kardinaal Sanguinetti in den omtrek van Rome een diocees had. Hij bezat in Frascati een villa, waarin hij meermalen een paar dagen ging doorbrengen, wanneer hij behoefte had aan rust of een politieke reden hem daartoe noopte.

"En komt Zijne Eminentie gauw terug?"

"Dat is niet te zeggen... Zijne Eminentie is ziek en heeft opdracht gegeven, niemand naar hem toe te sturen, die hem daar lastig zou kunnen vallen."

Toen Pierre weer op straat was, voelde hij zich door dien eersten tegenslag geheel van streek. Zou hij zich, daar de zaken drongen, onmiddellijk naar Fornaro begeven, die hier vlak bij op de piazza Navona woonde? Maar hij herinnerde zich, dat don Vigilio hem aangeraden had eerst de kardinalen te bezoeken; hij kreeg een ingeving en besloot dadelijk naar kardinaal Sarno te gaan, met wien hij op de Maandagsche recepties van donna Serafina kennis gemaakt had. Ondanks zijn vrijwillig op den achtergrond blijven, beschouwde iedereen hem als een der machtigste en meest te duchten leden van het Heilig Concilie, wat zijn neef, Narcisse Habert, niet belette te verklaren, dat hij niemand kende, die voor vraagstukken, welke niet tot zijn gewone bezigheden behoorden, onverschilliger was dan zijn oom. Al maakte hij geen deel uit van de Indexcongregatie, toch zou hij hem goeden raad kunnen geven en zijn grooten invloed op zijn collega's doen gelden.

Pierre begaf zich regelrecht naar het paleis der propaganda, waar hij zeker was den kardinaal te zullen aantreffen. Dit paleis, waarvan men den zwaren gevel van af de piazza di Spagna zien kan, is een reusachtig, kaal en plomp gebouw, dat een geheelen hoek tusschen twee straten inneemt. Pierre, die thans de nadeelen van zijn slecht Italiaansch voelde, raakte erin verdwaald en liep trappen op, die hij onmiddellijk daarop weer af moest gaan. Eindelijk had hij het geluk den secretaris van den kardinaal, een vriendelijken jongen priester, dien hij reeds in den palazzo Boccanera gezien had, te ontmoeten.

"Zeker, zeker. Ik zou niet weten waarom Zijne Eminentie u niet zou willen ontvangen. U hebt er heel goed aan gedaan op dit uur te komen, want dan is hij altijd hier... Wees zoo goed mij te volgen."

Het werd een nieuwe tocht. Kardinaal Sarno, die langen tijd secretaris der Propaganda was geweest, bekleedde nu in zijn qualiteit van kardinaal het voorzitterschap der commissie, die den eeredienst organiseerde in de voor het Katholicisme nieuw veroverde landen in Europa, Afrika, Amerika en Oceanië. Als zoodanig had hij daar een werkkamer, een bureau, een heele administratie, waar hij heerschte als een maniak ambtenaar, die oud geworden was op zijn leeren stoel zonder ooit buiten den engen kring van zijn groene dossiers te komen, zonder van de wereld iets anders te kennen dan de straat, waarin de voetgangers en rijtuigen onder zijn raam voorbijgingen.

Aan het einde van een donkere gang, waarin zelfs bij vollen dag licht branden moest, verzocht de secretaris Pierre even op een bankje plaats te nemen. Na een groot kwartier kwam hij terug.

"Zijne Eminentie is op het oogenblik in conferentie met zendelingen, die eerstdaags zullen vertrekken. Maar het zal niet lang duren. Hij heeft mij gevraagd u te verzoeken zoolang in zijn kabinet te wachten."

Toen Pierre alleen in het kabinet was, nam hij nieuwsgierig de inrichting ervan op. Het was een tamelijk groot vertrek, zonder eenigen luxe, met een groen behang en groene damastmeubelen van zwart hout. De twee ramen, die op een smal zijstraatje uitzagen, verlichtten slechts half de sombere muren en het verschoten tapijt; behalve de twee wandtafeltjes stond er in het vertrek alleen maar een bureau, een eenvoudige houten tafel met een geheel versleten blad, dat bovendien geheel schuil ging onder dossiers en paperassen. Hij ging er wat dichter bij staan en keek naar den door het vele gebruik ingezakten bureaustoel, naar het scherm, dat ervoor stond, naar den met inktvlekken bespatten inktkoker. Dan begon hij in de zware, doode atmospheer, die op hem drukte, in de groote, angstaanjagende stilte, die alleen door de gedempte straatgeluiden gestoord werd, ongeduldig te worden.

Al op en neer loopende, werd Pierre's aandacht getrokken door een kaart, die aan den muur hing en hem zóó met gedachten vervulde, dat hij al het andere vergat. Het was een gekleurde kaart van de Katholieke wereld, de geheele aarde, de afgerolde wereldkaart, waarop de verschillende kleuren de gebieden aangeven, al naar gelang zij tot het overwinnend, onbeperkt heerschend of aan het nog steeds in strijd met de ongeloovigen zijnde Katholicisme behoorden. De laatste landen waren naar gelang van de organisatie in vicariaten of praefecturen verdeeld. Was dit geheel eigenlijk niet een graphische voorstelling van het geheele, eeuwenoude streven van het Katholicisme naar de wereldheerschappij, die het van af het eerste oogenblik gewild had, die het door alle eeuwen heen nooit opgehouden heeft te willen? God heeft de wereld aan Zijn Kerk gegeven, maar zij moet die wel gewelddadig in bezit nemen, daar de dwaling nog steeds hardnekkig heerschen blijft. Vandaar de voortdurende strijd, vandaar dat de volkeren in onze dagen nog betwist worden aan vijandelijke godsdiensten, evenals in den tijd, dat de apostelen Judea verlieten, om het Evangelie te verbreiden.

Gedurende de Middeleeuwen bestond de groote taak in het organiseeren van het veroverde Europa, zonder dat men zelfs een poging doen kon, om zich met de Oostersche afgescheiden Kerken te verzoenen. Daarna kwam de Hervorming, volgde het eene schisma op het andere--de Protestantsche helft van Europa en het geheele orthodoxe Oosten moesten heroverd worden. Maar met de ontdekking der Nieuwe Wereld ontwaakte de krijgslust weder, streefde Rome met al zijn eerzucht ernaar deze tweede helft der aarde ook in zijn bezit te krijgen, werden missies uitgezonden, om deze gisteren nog onbekende volkeren aan God te onderwerpen, want Hij had ze evenals de andere aan Rome geschonken. Zoo had zich de groote, tegenwoordige splitsing der Christenheid als van zelf gevormd: eenerzijds de Katholieke naties, bij wie het geloof slechts behoefde onderhouden te worden en die door het in het Vaticaan ondergebrachte Staatssecretariaat geleid werden; aan de andere zijde de schismatieke of nog eenvoudige heidensche naties, die in den schoot der Kerk gebracht of bekeerd moesten worden en waarover de congregatie der Propaganda trachtte te heerschen. Vervolgens had die congregatie zich op haar beurt in twee afdeelingen moeten splitsen, om het werk wat makkelijker te maken: de Oostersche afdeeling, die speciaal belast was met de dissidente secten in het Oosten, en de Latijnsche afdeeling, wier werkzaamheid zich over alle andere missielanden uitstrekt. Het is een grootsch ensemble van overwinnende organisatie, een reusachtig net met sterke dichte mazen, dat over de wereld geworpen wordt en geen enkele ziel moet laten ontsnappen.

Eerst nu, vóór deze kaart, kreeg Pierre een duidelijke voorstelling van deze sedert eeuwen werkende en tot het opzuigen der menschheid vervaardigde machine. De door de pausen rijk begiftigde en over een reusachtig inkomen beschikkende Propaganda scheen hem als het ware een afzonderlijke macht, een pausdom in een pausdom; hij begreep nu waarom aan den praefect der congregatie de naam "roode paus" gegeven werd. Over welk een onbeperkte macht beschikte niet deze veroveraar en heerscher, wiens handen van het eene einde der wereld tot het andere reikten? Had hij, terwijl de kardinaal-secretaris Centraal Europa, dat zoo kleine stukje van de aardbol, bezat, niet de geheele rest, eindelooze ruimten, de verre, nog onbekende streken? De cijfers bevestigden het: Rome heerschte onbeperkt slechts over ruim tweehonderd millioen Roomsch-apostolische Katholieken, terwijl de schismatici, die van het Oosten en die der Hervorming, wanneer men ze optelde, dit getal reeds overschreden. En welk een reusachtig verschil werd het, indien men daarbij het milliard ongeloovigen voegde, wier bekeering nog volgen moest!

Plotseling werd hij zoo door die cijfers getroffen, dat een rilling hem doorhuiverde. Was het dan waar? Er waren vijf millioen Joden, bijna tweehonderd millioen Mohammedanen, meer dan zevenhonderd millioen Brahmanen en Boeddhisten, ongerekend de honderd millioen andere heidenen van alle godsdiensten, te zamen een milliard, waartegenover de Christenen niets meer dan vierhonderd millioen konden stellen, en deze nog onderling verdeeld, in voortdurenden strijd--de eene helft met Rome, de andere tegen Rome! Was het mogelijk, dat Christus in achttien eeuwen nog niet het derde gedeelte van de menschheid, dat het eeuwige, almachtige Rome nog niet het zesde gedeelte der volkeren aan zich onderworpen had? Eén ziel van de zes gered, welk een verschrikkelijke verhouding! Maar de kaart sprak onomwonden; het met rood aangegeven rijk van Rome was slechts een in de ruimte verloren punt, wanneer men het vergeleek met het geel gekleurde rijk der andere goden, de eindelooze streken, die de Propaganda nog te onderwerpen had.

De vraag drong zich nu op: hoeveel eeuwen zouden er moeten verloopen, vóórdat de beloften van Christus in vervulling zouden gaan, voor de geheele aarde aan zijn wet onderworpen zou zijn en de religieuse maatschappij de burgerlijke weer dekken en samen slechts één geloof en één rijk vormen zouden? En door welk een verbazing werd men bij deze vraag, bij deze reusachtige, nog te vervullen taak aangegrepen, wanneer men aan de kalme rust van Rome, aan zijn geduldige hardnekkigheid dacht, die nooit getwijfeld heeft, die thans minder dan ooit twijfelt. Het is door zijn bisschoppen en zijn zendelingen steeds aan den arbeid, wordt nooit moede en doet in de niet aan het wankelen te brengen overtuiging, dat slechts Rome alleen eens de meester der wereld zijn zal, zijn werk zonder onderbreking, evenals het oneindig kleine de wereld geschapen heeft!

O, Pierre zag en hoorde, hoe dit zich voortdurend op marsch bevindend leger aan de overzijde der zeeën door alle landen heen de politieke verovering in naam van den godsdienst voorbereidde en verzekerde. Narcisse had hem verteld, hoe zorgvuldig de ambassades te Rome de handelingen der Propaganda moesten nagaan, want de missies in die verre landen waren dikwijls nationale werktuigen, die een grooten invloed uitoefenden. De geestelijke heerschappij verzekerde de wereldlijke, de veroverde zielen gaven de lichamen. Er werd dan ook een aanhoudende strijd gevoerd, waarin de congregatie aan de zijde stond der Italiaansche zendelingen of van die der verbonden naties, welker overwinning zij wenschte. Steeds was zij ijverzuchtig geweest op haar concurrent, de Propagation de la Foi te Lyon, die even rijk en even machtig is als zij, maar over meer energieke en dappere mannen beschikt. Zij stelde zich er niet mede tevreden haar reusachtige belastingen op te leggen, maar zij werkte haar tegen, offerde haar desnoods op, wanneer zij haar overwinning vreesde.

Meermalen waren Fransche zendelingen en Fransche orden verjaagd en hadden plaats moeten maken voor Italiaansche of Duitsche monniken. En thans voelde Pierre dezen geheimen haard van politieke intrigues in dit sombere, stoffige vertrek, dat nooit door de zon opgevroolijkt werd. En weer doorrilde hem zijn oude huivering, die huivering voor dingen, die men weet, doch die u plotseling monsterachtig en angstaanjagend toeschijnen. Moest dit in de geheele wereld georganiseerde en met een eeuwige hardnekkigheid in tijd en ruimte functioneerend werktuig van verovering en geweld niet de verstandigsten in de war brengen, niet de dappersten doen verbleeken? Het was niet tevreden met de zielen, maar werkte aan zijn toekomstige heerschappij over alle menschen, beschikte over hen, daar het hen nog niet voor zichzelf kon nemen, en stond ze af aan den wereldlijken meester, die hen zoolang bewaren zou. Welk een wonderlijken droom: Rome wacht met glimlachende kalmte op de eeuw, dat het de tweehonderd millioen Mohammedanen en de zevenhonderd millioen Brahmanen en Boeddhisten opgezogen zal hebben in één enkel volk, waarvan het de geestelijke en wereldlijke koning zijn zal in naam van den triompheerenden Christus!

Een gehoest deed Pierre omkijken; hij huiverde, toen hij kardinaal Sarno, dien hij niet had hooren binnenkomen, zag. Nu hij daar zoo voor die kaart staande aangetroffen werd, kreeg hij een gevoel, alsof men hem betrapte, terwijl hij bezig was iets kwaads te doen, een geheim te schenden. Een diepe blos kwam op zijn gelaat.

Maar de kardinaal, die hem met zijn doffe oogen strak had aangekeken, liet zich, zonder een woord te zeggen, in zijn fauteuil vallen. Met een handbeweging had hij hem van den ringkus ontslagen.

"Ik wilde mijn opwachting maken bij Uwe Eminentie... Voelt Uwe Eminentie zich ziek?"

"Neen, neen, maar ik kan maar niet afkomen van die beroerde verkoudheid. En bovendien heb ik het op het oogenblik heel druk."

Pierre keek hem aan; in het schemerlicht, dat door het raam binnenviel, zag hij er met zijn linkerschouder, die hooger was dan zijn rechter, zoo kwijnend en mismaakt uit. In zijn uitgemergeld, aardkleurig gelaat was niets levends meer, zelfs zijn blik niet. Hij dacht plotseling aan een van zijn ooms te Parijs, die, nadat hij dertig jaar in het bureau van een ministerie had doorgebracht, dienzelfden dooden blik, diezelfde perkamenten huid, diezelfde moede wezenloosheid had. Kon het eigenlijk wel mogelijk zijn, dat deze uitgedroogde en in zijn roodomzoomde, zwarte soutane als het ware zwemmende grijsaard de meester der wereld was en zonder Rome ooit verlaten te hebben, de kaart der Christenheid zóó in zich opgenomen had, dat de praefect der Propaganda geen enkel besluit nam, alvorens hij zijn advies ingewonnen had?

"Ga een oogenblik zitten, mijnheer de abbé... U hebt mij zeker iets te vragen, dat u mij komt bezoeken..."

En terwijl hij in een luisterende houding zitten ging, bladerde hij met zijn magere vingers in de voor hem opgestapelde dossiers, wierp een blik in ieder stuk als een generaal, als een ervaren en kundig tacticus, wiens leger zich ergens in de verte bevindt en die het uit zijn studievertrek ter overwinning voert, zonder ooit een minuut te verliezen.

Pierre, die een oogenblik verlegen was, nu hij het zelfzuchtige doel van zijn bezoek zoo duidelijk geformuleerd hoorde worden, besloot met de deur in huis te vallen.

"Inderdaad, ik ben zoo vrij van de groote wijsheid van Uwe Eminentie raad te komen vragen. Uwe Eminentie zal het niet onbekend zijn, dat ik te Rome ben, om mijn boek te verdedigen. Ik zou zeer gelukkig zijn, indien Uwe Eminentie mij zou willen leiden en met haar ervaring bijstaan."

In enkele woorden vertelde hij hem, hoe het met zijn zaak, die hij tegelijk verdedigde, stond. Maar naar mate hij verder sprak, zag hij, hoe de kardinaal alle belangstelling verloor, aan iets anders dacht, hem niet meer verstond.

"Ach ja, u hebt een boek geschreven; als ik mij goed herinner, is daar op een avond bij donna Serafina over gesproken... Dat is verkeerd, een priester moet niet schrijven. Waartoe dient dat?... En wanneer de Indexcongregatie het vervolgt, heeft zij daar zeker groot gelijk in. Wat kan ik in deze zaak doen? Ik ben geen lid der Congregatie, ik weet niets, absoluut niets."

Vergeefs trachtte Pierre, die zijn teleurstelling den kardinaal zoo gesloten en onverschillig te vinden, niet bedwingen kon, hem belangstelling in te boezemen. Hij merkte, dat deze geest, die op het gebied, waarop hij zich sedert veertig jaar bewoog, zoo veelomvattend en scherpzinnig was, stomp werd, zoodra hij zich van dat speciale gebied verwijderde. Hij was noch nieuwsgierig noch soepel. Uit zijn oogen verdween alles wat op leven geleek, zijn schedel scheen nog dieper ingedrukt te worden, zijn geheele gelaatsuitdrukking kreeg iets imbeciels.

"Ik weet niets, ik kan niets," herhaalde hij. "Ik beveel nooit iemand aan."

Toch trachtte hij iets te doen.

"Maar Nani zit erachter. Wat raadt Nani u aan te doen?"

"Monsignor Nani is zoo vriendelijk geweest mij den naam van den rapporteur, monsignor Fornaro, te noemen en heeft mij aangeraden hem te bezoeken."

De kardinaal scheen verbaasd en als het ware wakker te worden. Er kwam wat licht in zijn oogen terug.

"Zoo, zoo, werkelijk... Als Nani dat gedaan heeft, dan zal hij daar zijn reden wel voor hebben. Ga naar monsignor Fornaro."

Hij was opgestaan ten bewijze, dat de audiëntie afgeloopen was, waarop Pierre met een diepe buiging zijn dank betuigde. Zonder hem naar de deur te brengen, ging hij weer zitten en in het doode vertrek was niets meer te hooren dan het droge geluid van zijn knokige vingers, die in de dossiers bladerden.

Gewillig volgde Pierre zijn raad op. Hij besloot op zijn terugweg naar de Via Giulia over de piazza Navona te gaan. Maar bij Monsignor Fornaro zeide een knecht hem, dat zijn heer was uitgegaan en dat hij zich, als hij hem spreken wilde, vroegtijdig, om tien uur, moest laten aandienen. Hij kon dan ook eerst den volgenden ochtend ontvangen worden. Hij had voordien zorg gedragen omtrent den prelaat iets te weten te komen, zoodat hij het voornaamste van hem wist: hij was in Napels geboren, was zijn studies begonnen bij de Barnabietenpaters in die stad en had die op het seminarie te Rome voltooid. Daarna was hij langen tijd professor aan de Gregoriaansche universiteit geweest. Thans was monsignor Fornaro raadgever bij verschillende congregaties, kanunnik van de S. Maria Maggiore, werd verteerd door de eerzucht eenmaal kanunnik van de St. Pieter te worden, en koesterde den droom eens secretaris van het consistorie te worden--een ambt, dat hem later het purper geven zou. Het eenige wat men hem, die voor een bijzonder knap theoloog doorging, verwijten kon, was, dat hij te veel aan litteratuur deed, hij schreef namelijk veel artikelen voor godsdienstige tijdschriften, die hij echter zoo verstandig was niet te teekenen. Ook zeide men, dat hij zeer mondain was.

Zoodra Pierre zijn kaartje had laten overhandigen, werd hij ontvangen, en misschien zou het vermoeden bij hem opgekomen zijn, dat hij verwacht werd, wanneer de ontvangst, die hem van de zijde van den prelaat ten deel viel, niet getuigd had van de meest oprechte verrassing, gepaard met eenige ongerustheid.

"Mijnheer de abbé Froment, mijnheer de abbé Froment," herhaalde de prelaat, terwijl hij naar het kaartje, dat hij in zijn hand gehouden had, keek. "Kom binnen, als het u blieft. Ik had eigenlijk niemand willen ontvangen, want ik heb zeer dringend werk... Maar het komt er niet op aan, ga zitten!"

Maar Pierre bleef vol bewondering voor dezen knappen, grooten en sterken man, die in de kracht van zijn leven was, staan. Blozend, gladgeschoren, met nauwlijks grijzende haren had hij een vriendelijken neus, vochtige lippen, liefkoozende oogen, in het kort alles wat den Romeinschen prelaat verleidelijk en decoratief maken kan. In zijn zwarte soutane met lila kraag zag hij er zeer gesoigneerd en eenvoudig-elegant uit. Het groote vertrek, waarin hij ontving, en dat door twee op de piazza Navona uitziende ramen vroolijk verlicht en met een thans bij de Romeinsche geestelijkheid weinig voorkomenden smaak gemeubileerd was, was een waardige omlijsting voor den opgewekten en hartelijk ontvangenden prelaat.

"Ga toch zitten, mijnheer Froment, en vertel me, waaraan ik de eer van uw bezoek te danken heb."

Hij was zelf ook weer gaan zitten; en Pierre voelde zich bij die natuurlijke vraag, welke hij had moeten voorzien, plotseling verlegen worden. Zou hij onmiddellijk op de zaak ingaan, het teere motief van zijn bezoek bekennen? Hij voelde, dat het de snelste en waardigste weg was.

"O, monsignor, ik weet heel goed, dat wat mij tot u voert, iets zeer ongewoons is. Maar men heeft mij aangeraden dezen stap te doen en het komt mij voor, dat het tusschen eerlijke menschen nooit kwaad kan zijn de waarheid in volle oprechtheid te zoeken."

"Maar wat dan, wat dan?" vroeg de prelaat met een volkomen onschuldig gezicht, terwijl zijn glimlach hem geen oogenblik verliet.

"Welnu dan, ik heb gehoord, dat de Indexcongregatie u opgedragen heeft rapport uit te brengen over mijn boek Het Nieuwe Rome; en nu neem ik de vrijheid mij te komen voorstellen voor het geval, dat u eenigen naderen uitleg aan mij te vragen hebt."

Maar monsignor Fornaro scheen er niets verder over te willen hooren. Hij bracht zijn beide handen aan zijn hoofd en ging, hoewel nog altijd beleefd, wat achteruit.

"Neen, neen, vertel me dat niet, zeg niets verder, daar zoudt u mij groot verdriet mede doen... Laten we aannemen, dat men u verkeerd heeft ingelicht, want men moet niets weten, weet ook niets, de anderen evenmin als ik... Laten we om Godswil niet meer over die dingen praten."

Gelukkig kreeg Pierre, die de uitwerking gemerkt had, welke de naam van den assessor van het Heilig College gemaakt had, den inval te antwoorden:

"Zeker, monsignor, ik ben niet van plan u den minsten overlast te veroorzaken, en ik herhaal u, dat ik mij nooit de vrijheid veroorloofd zou hebben u lastig te vallen, indien niet monsignor Nani zelf mij uw naam en uw adres gegeven had."

Ook ditmaal liet de uitwerking niet op zich wachten, ook al gaf monsignor Fornaro niet dadelijk toe.

"Wat, is monsignor Nani zoo onbescheiden geweest! Ik zal hem een standje moeten geven... En wat weet hij ervan? Hij behoort niet tot de congregatie, hij kan op een dwaalspoor gebracht zijn... Zeg hem, dat hij zich vergist heeft, dat ik niets met deze zaak te maken heb; dat zal hem leeren, dat hij geen geheimen, die door allen geëerbiedigd moeten worden, moet verraden."

Dan voegde hij er vriendelijk met zijn liefkoozende oogen en zijn glimlachenden mond aan toe:

"Enfin, nu monsignor Nani het wenscht, wil ik wel een oogenblik met u praten, mijnheer Froment, onder voorwaarde, dat u van mij niets zult hooren over mijn rapport, noch over wat in de congregatie gedaan of gezegd kan zijn."

Op zijn beurt moest nu Pierre glimlachen, want hij verwonderde er zich over hoe makkelijk dadelijk alles werd, wanneer de schijn en de vormen maar gered werden. En hij begon nogmaals zijn geval uit te leggen, schilderde hem de groote verbazing, waarin het proces, dat zijn boek aangedaan was, hem geworpen had, de onwetendheid, waarin hij nog verkeerde omtrent de grieven, waarnaar hij nog altijd zocht, zonder ze te kunnen vinden.

"Zoo, zoo!" zeide de prelaat, verbaasd over zooveel naïeveteit. "De congregatie is een rechtbank en kan niet handelen, wanneer een zaak niet aanhangig bij haar gemaakt wordt. Uw boek wordt vervolgd, omdat men het aangegeven heeft."

"Ja, ik weet het, aangegeven."

"Zeker, de klacht is door drie Fransche bisschoppen ingediend--u zult mij niet kwalijk nemen, dat ik de namen verzwijg--en dan moet de congregatie tot onderzoek van het geïncrimineerde werk overgaan."

Pierre keek hem vol verbazing aan. Aangeklaagd door drie bisschoppen, en waarom, met welk doel?

Dan dacht hij aan zijn beschermer.

"Maar kardinaal Bergerot heeft mij een goedkeurenden brief geschreven, dien ik als voorwoord in mijn boek heb laten drukken. Was dat geen voldoende waarborg voor het Fransche episcopaat?"

Fijntjes schudde monsignor Fornaro zijn hoofd, vóór hij antwoordde:

"O, ja zeker! De brief van Zijne Eminentie, een heel mooie brief... Toch geloof ik, dat hij beter gedaan zou hebben dien niet te schrijven, zoowel voor hem zelf als vooral voor u."

En toen de priester, wiens verbazing steeds toenam, hem tot een nadere verklaring dwingen wilde, voegde hij eraan toe:

"Neen, neen, ik weet niets, ik zeg niets... Zijne Eminentie kardinaal Bergerot is een heilige, die door iedereen vereerd wordt, en wanneer hij zondigen kon, dan zou men daarvan alleen zijn hart een verwijt kunnen maken."

Er volgde een stilte. Pierre had een gevoel, alsof zich een afgrond voor hem opende. Hij durfde niet aandringen, maar zeide met eenige heftigheid:

"Maar waarom mijn boek en waarom niet de boeken der anderen? Ik denk er niet over op mijn beurt als aanklager op te treden, maar hoeveel boeken ken ik niet, waarvoor Rome de oogen sluit en die heel wat gevaarlijker zijn dan het mijne!"

Ditmaal scheen monsignor blijde te zijn zich bij Pierre's meening te kunnen aansluiten.

"U hebt groot gelijk, wij weten heel goed, dat wij niet alle slechte boeken kunnen bereiken, en dat spijt ons genoeg. Maar u moet eens denken aan het ontelbaar aantal boeken, dat wij gedwongen zouden zijn te lezen. Daarom veroordeelen wij de slechtste en bloc."

Hij ging nader op die quaestie in. In principe moesten de drukkers geen boek op de pers leggen, zonder het van te voren aan de goedkeuring van den bisschop onderworpen te hebben. Maar in welke groote verlegenheid zouden de bisschoppen geraken, wanneer de drukkers zich bij de tegenwoordige reusachtige boekenproductie, plotseling naar dien regel gingen schikken. Men zou voor dat kolossale werk geen tijd, geen geld en niet genoeg geschikte menschen hebben. Daarom veroordeelde de Indexcongregatie de verschenen of nog te verschijnen boeken van sommige categorieën geheel en al, zonder ze te onderzoeken: in de eerste plaats alle voor de zeden gevaarlijke boeken, alle erotische boeken, alle romans; vervolgens alle Bijbels in de gewone talen, want de Heilige Boeken mogen maar niet zonder onderscheid toegestaan worden; ten slotte alle duivelskunstenboeken, alle wetenschappelijke, geschiedkundige en wijsgeerige boeken, die met het dogma in strijd zijn, alle boeken van ketters of eenvoudige geestelijken, die den godsdienst betreffen. Dat waren verstandige, door verschillende pausen overgenomen wetten, waarvan het exposé als voorrede diende voor den catalogus van verboden boeken, dien de congregatie uitgaf, en zonder welke deze catalogus, wilde men hem volledig hebben, alleen een heele bibliotheek gevuld zou hebben. In één woord, wanneer men hem doorbladerde, merkte men dadelijk, dat het interdict vooral werken van priesters betrof, daar Rome er zich, gezien de moeilijkheid en het reusachtige van de taak, slechts om bekommerde zorg te dragen voor de goede orde in de Kerk. Dat was ook het geval met Pierre en zijn boek.

"U begrijpt," ging monsignor Fornaro voort, "dat we voor een hoop ongezonde boeken geen reclame gaan maken door ze de eer van een afzonderlijke veroordeeling aan te doen. Er zijn er legioenen bij alle volkeren, en wij zouden geen papier en geen inkt genoeg hebben, om ze alle te bereiken. Wij bepalen er ons toe er een te treffen, wanneer het door een beroemden naam geteekend is, wanneer er te veel over gesproken wordt of wanneer het ergerlijke aanvallen bevat tegen het geloof. Dat is voldoende om er de menschheid aan te herinneren, dat wij bestaan en ons verdedigen, zonder in het minst iets van onze rechten of van onze plichten prijs te geven."

"Maar mijn boek, mijn boek?" riep Pierre uit; "waarom die vervolging tegen mijn boek?"

"Maar dat leg ik u toch, voor zoover het mij geoorloofd is, uit, mijn beste mijnheer Froment. U is priester, uw boek heeft succes, u hebt een goedkoope editie gegeven, die goed verkocht wordt--en nu spreek ik niet over de letterkundige verdienste, die werkelijk zeer opmerkelijk is, want ik maak u mijn compliment over den dichterlijken ademtocht, die door het geheele werk gaat. Maar hoe zou het mogelijk zijn, dat wij in die omstandigheden onze oogen sloten voor een werk, waarin u concludeert tot de vernietiging van onzen heiligen godsdienst en tot de verwoesting van Rome?"

Pierre bleef, als verstikt door verwondering, met open mond zitten.

"De verwoesting van Rome? Groote God, maar ik wil Rome juist verjongd, eeuwig, de koningin der wereld!"

En opnieuw aangegrepen door zijn brandende geestdrift, verdedigde hij zich, legde hij opnieuw zijn geloofsbekentenis af: het Katholicisme moest terugkeeren tot de oorspronkelijke Kerk, nieuwe krachten putten uit het broederlijke Christendom van Jezus, de paus moest, van alle aardsche hoogheid bevrijd, door barmhartigheid en liefde heerschen over de geheele menschheid, de wereld redden van de vreeselijke sociale crisis, die haar bedreigde, om haar te brengen tot het ware koninkrijk Gods, tot de Christelijke gemeenschap van alle tot één volk vereenigde volkeren.

"Kan de Heilige Vader mijn boek veroordeelen? Zijn het niet zijn geheime ideeën, die men begint te raden? En zou het mijn eenige fout niet zijn, dat ik ze te vroeg en te vrij uitgesproken heb? Zou ik, indien men mij toestond hem te spreken, niet onmiddellijk van hem verkrijgen, dat de vervolging gestaakt werd?"

Monsignor Fornaro zeide niets meer, schudde zijn hoofd, zonder zich boos te maken over de jeugdige onstuimigheid van den priester. Integendeel hij glimlachte met een toenemende vriendelijkheid, als schepte hij vermaak in zooveel onschuld en dweperij.

"Vooruit maar, vooruit maar!" zeide hij eindelijk vroolijk. "Ik zal u niet tegenhouden. Het is mij verboden iets te zeggen... Maar het wereldlijk gezag, het wereldlijk gezag..."

"En wat wil dat wereldlijk gezag?"

Weer zeide de prelaat niets. Hij keek naar boven en speelde met zijn blanke handen. Toen hij weer begon te spreken, was het alleen om er aan toe te voegen:

"En dan is er nog uw nieuwe godsdienst... Want het woord nieuwe godsdienst, nieuwe godsdienst komt tweemaal in uw boek voor..."

Hij wond zich nog meer op, raakte zoo buiten zichzelf, dat Pierre, door ongeduld aangegrepen, uitriep:

"Ik weet niet, hoe uw rapport luiden zal, monseigneur, maar ik verzeker u, dat het nooit in mijn bedoeling gelegen heeft het dogma aan te vallen. Dat blijkt waarachtig toch wel uit mijn heele werk, ik heb alleen een boek van erbarmen en redding willen geven. Het is niet meer dan billijk ook met de bedoelingen rekening te houden."

Monsignor Fornaro was weer kalm geworden en zeide op vaderlijken toon:

"O, de bedoelingen, de bedoelingen!"

Hij stond op, ten teeken, dat hij het onderhoud als geëindigd beschouwde.

"Wees ervan overtuigd, mijn waarde mijnheer Froment, dat ik mij zeer vereerd gevoel, dat u zich tot mij gewend heeft... Natuurlijk kan ik u niet zeggen, hoe mijn rapport zal uitvallen; wij hebben er trouwens al te veel over gesproken en ik had eigenlijk moeten weigeren naar uw verdediging te luisteren. Maar desniettemin ben ik gaarne bereid u in alles, wat niet indruischt tegen mijn plicht, te helpen... Maar ik vrees voor uw boek het ergste."

En toen Pierre opnieuw beginnen wilde, voegde hij er aan toe:

"Ach ja... De feiten worden beoordeeld en niet de bedoelingen. Iedere verdediging is dus nutteloos, het boek bestaat en is wat het is. U kunt het net zooveel verklaren en uitleggen als u wilt, maar veranderen kunt u het niet meer... Daarom hoort de congregatie de aangeklaagden nooit, aanvaardt zij van hen slechts de eenvoudige herroeping. Het verstandigste wat u nog doen kunt, is uw boek te herroepen, u te onderwerpen... Wilt u dat niet? Ach, wat zijt ge nog jong, vriendlief!"

Hij lachte nog luider om het gebaar van verzet, van ontembaren trots, dat zijn jonge vriend, zooals hij hem noemde, niet bedwingen kon. Dan bij de deur, in een nieuwe opwelling van sympathie, terwijl hij zijn stem deed dalen:

"Kom, vriendlief, ik wil iets voor u doen, ik zal u een goeden raad geven... Eerlijk gezegd, beteeken ik niets. Ik lever mijn rapport in, het wordt gedrukt, men leest het, zonder dat men er eenige waarde aan behoeft te hechten... De secretaris der Congregatie, pater Dangelis, daarentegen kan alles, zelfs het onmogelijke... Ga hem opzoeken in het klooster der Dominicanen achter de piazza di Spagna... Maar noem mijn naam niet. Tot ziens, waarde heer, tot ziens!"

Als verdoofd stond Pierre weer op de piazza Navona; hij wist niet meer, wat hij gelooven en hopen moest. Een laffe gedachte maakt zich van hem meester: waarom dezen strijd, waarin de tegenstanders onbekend en ongrijpbaar bleven, voortzetten? Waarom nog langer blijven in dit bedriegelijke Rome? Hij zou vluchten, nog denzelfden avond naar Parijs terugkeeren, dan verdwijnen en er in de uitoefening van de nederigste naastenliefde troost zoeken voor zijn bittere teleurstellingen. Het was een van die oogenblikken van hulpeloosheid, waarin de zoo lang gedroomde taak onmogelijk schijnt. Maar ondanks zijn verwarring ging hij toch op zijn doel af. Toen hij op den Corso, dan in de Via dei Condotti en eindelijk op de piazza di Spagna gekomen was, besloot hij nog een bezoek te brengen aan pater Dangelis. Het klooster der Dominicanen ligt daar onder de S. Trinità dei Monti.

O, die Dominicanen! Hij had nooit zonder een zekeren, met eenigen schrik vermengden eerbied aan hen gedacht. Welke een krachtigen steun hadden zij zich steeds voor de autoritaire en theocratische idee getoond! Hun dankte de Kerk haar meest krachtige autoriteit; zij waren de glorierijke soldaten van zijn overwinning. Terwijl de H. Franciscus van Assisi voor Rome de zielen der nederigen veroverde, onderwierp de H. Dominicus de zielen der intelligenten en machtigen. En dat alles vol hartstocht, met een vuur vol bewonderenswaardig geloof en wilskracht, door alle mogelijke middelen--door prediking, door boeken, door den druk van politie en gerecht. Al moge hij de Inquisitie niet ingesteld hebben, hij heeft daar een dankbaar gebruik van gemaakt; zijn zacht, broederlijk voelend hart bestreed het schisma te vuur en te zwaard. Levend in armoede, kuischheid en gehoorzaamheid, groote deugden in die tijden van hoogmoed en uitspattingen, trokken hij en zijn monniken door de steden, predikten voor de goddeloozen, trachtten hen terug te brengen tot de Kerk, klaagden hen aan bij de geestelijke rechtbanken, wanneer hun woord niet voldoende was. Hij viel ook op de wetenschap aan, trachtte die voor zich te winnen, koesterde het ideaal God te verdedigen met de wapenen der rede en der menschelijke kennis; hij was de voorvader van den Heiligen Thomas van Aquino, het licht der Middeleeuwen, die alles, de psychologie, de logica, de politiek en de moraal in zijn Summarium samenvatte.

Op die wijze vulden de Dominicanen de wereld, terwijl zij de leer van Rome op de beroemdste kansels van alle volkeren verdedigden en bijna overal in strijd waren met den vrijen geest der Universiteiten; zij waren de trouwe wachters en hoeders van het dogma, de onvermoeide smeden van het fortuin der pausen, de machtigsten van alle wetenschappelijke en litteraire arbeiders, die het reusachtige gebouw van het Katholicisme, zooals het thans nog bestaat, hebben opgetrokken.

Maar thans vroeg Pierre, die dit gebouw, dat men meende op vasten grond te hebben gebouwd om de eeuwigheid uit te dienen, voelde wankelen, zich af, welk nut die werklieden nog konden hebben. Hun politie en hun rechtbanken waren onder vervloekingen gestorven, naar hun woord werd niet meer geluisterd, hun boeken las men zoo goed als niet meer, hun rol van geleerden en beschavers was tegenover de hedendaagsche wetenschap, wier waarheden het dogma aan alle kanten steeds meer en meer doen kraken, uitgespeeld. Zeker, ook nu nog vormen zij een invloedrijke en bloeiende orde; maar hoe lang ligt de tijd reeds achter ons, dat hun generaal in Rome heerschte als heer van het heilige paleis, en in geheel Europa kloosters, scholen en onderdanen had! Van dat onmetelijke groote erfgoed hebben zij in de Romeinsche curie thans niets meer over dan eenige in hun orde gebleven betrekkingen, o. a. het secretariaat van de Indexcongregatie, een vroegere onderhoorigheid van het Heilig Officie, waarin zij oppermachtig heerschten.

Pierre werd onmiddellijk bij pater Dangelis toegelaten. Het was een groote, kale, witte en door helder zonlicht overstroomde kamer. Men vond er niets dan een tafel en eenige lage stoeltjes, terwijl aan den muur een groot koperen crucifix hing. Bij de tafel stond de pater, een magere, in de strenge, wijde, zwarte en witte dracht gekleede man van ongeveer vijftig jaar. De grijze oogen in zijn lang ascetengezicht met den smallen mond, den spitsen neus en de magere kin hadden een hinderlijk-starenden blik. Overigens was zijn optreden beslist, eenvoudig en beleefd.

"Mijnheer de abbé Froment, de schrijver van Het Nieuwe Rome, niet waar?"

Hij ging op een laag stoeltje zitten, terwijl hij met zijn hand naar een ander voor Pierre wees.

"Wees zoo goed, mijnheer de abbé, mij het doel van uw bezoek te zeggen."

Pierre moest opnieuw met zijn uitleggingen en zijn verklaringen beginnen; en dit was des te pijnlijker voor hem, daar zijn woorden neervielen in een doodelijke stilte, in een doodelijke kilte. De pater bewoog zich niet, hij hield zijn handen op zijn knieën gekruist, terwijl zijn scherpe, doordringende oogen op die van den priester gericht waren.

Toen deze eindelijk klaar was, zeide hij:

"Mijnheer de abbé, ik heb gemeend u niet in de rede te moeten vallen, maar ik had eigenlijk niet naar dit alles mogen luisteren. Het proces tegen uw boek is begonnen, en geen macht ter wereld zou in staat zijn den loop daarvan tegen te houden. Ik begrijp dus eigenlijk niet goed, wat u van mij schijnt te verwachten."

Met bevende stem waagde Pierre te antwoorden:

"Ik verwacht goedheid en rechtvaardigheid."

Een flauw glimlachje van trotschen ootmoed, speelde om de lippen van den monnik.

"Wees niet bang, het heeft God altijd behaagd in mijn bescheiden ambt Zijn licht over mij te doen schijnen. Trouwens ik heb geen gerechtigheid te oefenen, ik ben maar een eenvoudige ambtenaar, die de processen moet ordenen en documenteeren. Alleen Hunne Eminenties, die leden zijn der congregatie, spreken een oordeel uit over uw boek... Zij zullen dat ongetwijfeld doen met de hulp van den Heiligen Geest, en u hebt niets te doen dan u te buigen voor haar uitspraak, zoodra die door Zijne Heiligheid bekrachtigd is."

Hij stond op en dwong daardoor Pierre ook op te staan. Het waren dus bijna dezelfde woorden als bij monsignor Fornaro; slechts werden zij hier met een snijdende beslistheid, met een soort kalme bravoure uitgesproken. Overal stootte hij op dezelfde naamlooze kracht, op dezelfde machtige, steeds in werking zijnde machine, welker raderen elkaar onderling niet kennen wilden. Ongetwijfeld zou men hem nog langen tijd van den een naar den ander sturen, zonder dat hij ooit het hoofd, den beoordeelenden en handelenden wil, vinden zou. Hem bleef niets over dan zich erbij neer te leggen.

Toch kwam hij, alvorens weg te gaan, op de gedachte nogmaals den naam van monsignor Nani, wiens macht hij thans begon te begrijpen, uit te spreken.

"Ik vraag u wel excuus, dat ik u nutteloos lastig gevallen heb. Ik heb slechts den welwillenden raad van monsignor Nani gevolgd, die wel zoo goed is zich voor mij te interesseeren."

Maar de uitwerking was geheel onverwacht. Weer kwam er een glimlachje op het magere gezicht van pater Dangelis; om zijn lippen verscheen een plooi, waarin een ironische minachting niet te miskennen viel. Hij was bleeker geworden; zijn vurige oogen vlamden.

"O, zendt monsignor Nani u?... Nu, wanneer u meent protectie noodig te hebben, is het onnoodig u tot een ander dan tot hem te wenden. Hij is almachtig... Ga naar hem, ga naar hem!"

Dat was de geheele bemoediging, die Pierre van dat bezoek medenam: de raad om terug te gaan tot hem, die hem zond. Hij voelde, dat de grond hem onder de voeten wegzonk, en besloot naar het paleis Boccanera terug te keeren, om na te denken en een duidelijk besef te krijgen van zijn toestand, vóór hij verdere stappen deed. Onmiddellijk was het denkbeeld in hem opgekomen raad te vragen aan don Vigilio: en het toeval wilde, dat hij dien avond na het souper den secretaris in de gang aantrof, toen deze met zijn kaars in de hand naar zijn slaapkamer wilde gaan.

"Ik heb u zooveel te zeggen! Kom als het u blieft een oogenblik in mijn kamer!"

Met een handgebaar legde de secretaris hem het zwijgen op. Dan op zacht-fluisterenden toon:

"Hebt u abbé Paparelli niet op de eerste verdieping gezien? Hij liep achter ons."

Dikwijls ontmoette Pierre in het paleis den sleepdrager, wiens slap gezicht en verdacht-snuffelende manier van doen Pierre steeds hinderden. Maar hij bekommerde zich er nooit om en was dan ook door die vraag zeer verrast. Doch reeds was don Vigilio, zonder het antwoord af te wachten, naar het einde van de gang teruggeloopen en bleef daar lang staan luisteren. Dan sloop hij weer naar Pierre's kamer, blies zijn kaars uit en sprong naar binnen.

"Ziezoo, daar ben ik!" prevelde hij, toen de deur weer dicht was. "Als u het goed vindt, zullen wij niet in dezen salon blijven, maar naar uw slaapkamer gaan. Twee muren zijn beter dan een."

Toen de lamp eindelijk op tafel stond en zij beiden in de vervelooze kamer zaten, welker vlaskleurig behang, ongelijksoortige meubelen, kale vloer en kale muren de melancholie van oude verwelkte dingen bezaten, merkte Pierre, dat de abbé aan een heftiger aanval van koorts ten prooi was dan gewoonlijk. Zijn klein mager lichaam huiverde van de koude, nog nooit hadden in zijn arm, geel, uitgeteerd gelaat zijn vurige oogen zoo donker gebrand.

"Bent u ziek? Ik zou u niet graag vermoeien."

"Ziek! Ach ja, mijn lichaam brandt als vuur. Maar ik wil juist heel graag praten. Ik kan het niet langer uithouden. Eens moet je je hart toch lucht geven."

Wilde hij afleiding zoeken voor zijn kwaal? Wilde hij zijn lang zwijgen verbreken, om niet den verstikkingsdood te sterven? Hij liet Pierre onmiddellijk de stappen, die hij de laatste dagen gedaan had, vertellen en wond zich nog meer op, toen hij hoorde op welke wijze kardinaal Sarno, monsignor Fornaro en pater Dangelis den jongen priester ontvangen hadden.

"Jawel, jawel, natuurlijk! Het verwondert me heelemaal niet, maar toch hindert het me voor u. O, ik weet wel, het gaat mij niet aan, maar het maakt me ziek, want het roept al mijn eigen ellende weer wakker!... Kardinaal Sarno, die met zijn gedachten elders leeft en nooit iemand geholpen heeft, moeten we niet mederekenen, maar die Fornaro, die Fornaro!"

"Hij scheen mij heel vriendelijk, ja zelfs heel welwillend toe, en ik geloof werkelijk, dat hij naar aanleiding van ons onderhoud zijn rapport wel verzachten zal."

"Hij! Hoe vriendelijker hij geweest is, des te zwarter zal hij u maken. Hij zal u opvreten, zich vetmesten aan die makkelijke prooi. O, u kent hem nog niet! Altijd ligt hij op de loer, om zijn geluk op te bouwen met het ongeluk van arme drommels, van wie hij weet, dat hun ondergang den machtigen behagen zal!... Neen, dan heb ik liever te doen met den andere, met pater Dangelis, een verschrikkelijk man, maar eerlijk en rechtuit ten minste, en bovendien iemand met een helderen kop. Ik wil u echter volstrekt niet verhelen, dat hij, als hij de baas was, u als een handjevol stroo zou verbranden... Als ik u alles kon zeggen, als ik u met mij mede kon nemen in de vreeselijke dessous van deze kringen, als ik u de monsterachtige eerzucht, de afschuwlijke intriges, de omkoopbaarheid, de lafheden, het verraad, ja zelfs de misdaden kon laten zien!"

Nu Pierre zag, dat hij zich zoo door zijn wrok liet medesleepen, wilde hij trachtten de inlichtingen te krijgen, die hij tot dit oogenblik vergeefs gezocht had.

"Zeg mij tenminste, hoever het met mijn zaak staat. Toen ik er bij mijn aankomst naar vroeg, hebt u mij geantwoord, dat de kardinaal nog geen enkel stuk gekregen had. Maar de processtukken zijn nu klaar, dat weet u toch zeker wel?... Tusschen twee haakjes, monsignor Fornaro heeft mij verteld, dat drie Fransche bisschoppen een aanklacht ingediend en een vervolging geëischt zouden hebben! Drie bisschoppen! Hoe is het mogelijk?"

Don Vigilio haalde heftig zijn schouders op.

"O, wat bent u toch nog goed van vertrouwen! Het verwondert mij, dat er maar drie zijn... Ja, verschillende stukken van uw proces zijn thans in onze handen, trouwens ik had al lang begrepen, wat voor een proces het zijn zou. De drie bisschoppen zijn de bisschop van Tarbes, die blijkbaar handelt op instigatie van de paters van Lourdes, en de bisschoppen van Poitiers en Evreux, beiden bekend om hun ultramontaansche onverdraagzaamheid en hartstochtelijke tegenstanders van kardinaal Bergerot. Deze laatste staat, zooals u weet, om zijn Gallicaansche denkbeelden en zijn werkelijk zeer liberalen geest op het Vaticaan slecht aangeschreven... U behoeft nergens anders te zoeken, de geheele zaak is daar te vinden. De almachtige paters van Lourdes eischen van den Heiligen Vader een executie, terwijl men bovendien door uw boek den kardinaal tracht te treffen voor een brief, dien hij voor u zoo onvoorzichtig geschreven heeft en welken gij als inleiding hebt laten afdrukken... In den laatsten tijd zijn de veroordeelingen van den Index dikwijls niets meer dan knotsslagen, die geestelijken elkander wederkeerig in het donker toebrengen. Het aanklagen en verklikken is aan de orde van den dag; het heerscht als onbeperkt gebieder en daarna komt de wet van de willekeur. Ik zou u ongelooflijke feiten kunnen noemen, onschuldige boeken, die men onder honderden andere uitgekozen heeft, om een gedachte of een mensch te dooden; want achter den auteur heeft men het meestal altijd op een hoogere en machtigere gemunt. Het is zulk een nest van intriges, zoo'n bron van misbruiken, waarin de laagste persoonlijke wraaknemingen uitgeoefend worden, dat de instelling van den Index wankelt en men zelfs hier in de omgeving van den paus de noodzakelijkheid voelt haar binnen korten tijd opnieuw te reglementeeren, indien men niet wil, dat zij geheel en al in diskrediet geraakt... O, ik begrijp heel goed, dat men er zoo lang mogelijk aan vasthoudt om de universeele macht te behouden, met alle wapenen te regeeren, maar dan moeten het mogelijke wapenen zijn, moeten zij niet door hun onbeschaamde onrechtvaardigheid prikkelen en door hun kinderachtigheid geen lachje opwekken."

Pierre luisterde, een pijnlijke verwondering had zich van zijn hart meester gemaakt. O, hij had, sedert hij te Rome was, sedert hij zag, hoe de Paters der Grot daar ontzien en gevreesd werden en door de groote sommen, die zij voor den Pieterspenning zonden, er heer en meester waren, gevoeld, dat zij achter de vervolgingen stonden, geraden, dat hij zou moeten boeten voor de bladzijde in zijn boek, waarin hij constateerde, dat er te Lourdes een zondige verdraaiing van het fortuin, een verschrikkelijk schouwspel, dat aan God deed twijfelen, een voortdurende reden tot strijd waar te nemen was, die in de waarlijk Christelijke maatschappij van morgen zou ophouden te bestaan. Ook begreep hij heel goed de ergernis, die zijn niet verborgen vreugde over het verlies van de wereldlijke macht en vooral dat ongelukkig gekozen woord "nieuwe godsdienst", dat alleen reeds voldoende geweest zou zijn, om de aanklagers te wapenen, gewekt hadden. Maar wat hem voornamelijk verbaasde en tot wanhoop bracht, dat was het ongehoorde, onbegrijpelijke feit, dat de brief van kardinaal Bergerot als een misdaad beschouwd, dat zijn boek aangeklaagd en veroordeeld werd om daardoor den eerwaardigen herder, dien men van voren niet durfde aanvallen, in zijn rug te treffen. Het was voor hem een bittere en pijnlijke gedachte, dat hij in zijn vurige naastenliefde de oorzaak geworden was van de nederlaag van dien man. Welk een wanhoop op den achtergrond van die twisten, waarin alleen de liefde voor den arme moest strijden, de afschuwlijkste geldquaesties, de door razende zelfzucht ontketende hartstochten en begeerten te vinden!

Dan rees in Pierre een verzet tegen dien gehaten en belachelijken Index op. Hij ging de werking na van af de aanklacht tot aan het openlijk afkondigen der verboden boeken. Hij had nu den secretaris der congregatie gesproken, pater Dangelis, in wiens handen de aanklacht kwam en die van af dat oogenblik met den hartstocht van den autoritairen en geleerden monnik en vervuld met den droom de geesten en het geweten als in den heroïschen tijd der Inquisities te regeeren, het proces instrueerde en het dossier samenstelde. Van de adviseerende prelaten had hij er een bezocht, die belast was met het rapport over zijn boek, den zoo eerzuchtigen en zóó vriendelijken monsignor Fornaro, een spitsvondig theoloog, die er niet tegen op gezien zou hebben om aanvallen op het geloof te vinden in een verhandeling over algebra, wanneer de zorg om zijn geluk dat eischte.

Dan volgden de bijeenkomsten der kardinalen, die van tijd tot tijd stemden en in hun droef stemmende wanhoop niet alle boeken te kunnen treffen, er één onderdrukten. Ten slotte bekrachtigde de paus dan het besluit door zijn handteekening, een zuivere formaliteit--want waren niet alle boeken strafbaar? Maar welk een zeldzame en jammerlijke bastille uit het verleden was deze verouderde, bouwvallige, tot kindschheid vervallen Index geworden! Men voelde welk een vreeselijke macht hij eens geweest moest zijn, toen de boeken nog zeldzaam waren en de Kerk bloed- en vuurrechtbanken bezat, om haar vonnissen ten uitvoer te leggen. Daarna hadden de boeken zich zoo vermenigvuldigd, was de geschreven en gedrukte gedachte zoo'n diepe en zoo'n breede golf geworden, dat zij alles overstroomd, alles medegesleurd had. De ontaarde, met onmacht geslagen Index moest zich thans bepalen tot een ijdele demonstratie, om de reusachtige moderne productie en bloc te veroordeelen, kromp het veld van zijn werkzaamheden steeds meer in, hield zich alleen nog maar bezig met het onderzoek van werken van geestelijken. Maar zelfs in die rol was hij nog verdorven, bezoedeld door de laagste hartstochten, veranderd in een werktuig van intriges, haat en wraak. O, die treurige bekentenis van zwakken ouderdom, van toenemende verlamming te midden van de spottende onverschilligheid der volkeren!

Het Katholicisme, de vroegere, roemrijke bemiddelaar der beschaving, had er toe moeten komen om de boeken in een hoop in het vuur van zijn hel te gooien! En welk een hoop was het! Bijna de geheele litteratuur, geschiedenis, philosophie en wetenschap der vorige eeuwen en der onze! Weinig boeken worden er thans gepubliceerd, die niet door de banbliksems der Kerk getroffen zouden worden. Dat zij haar oogen sluit is alleen het gevolg van het feit, om de onmogelijke taak alles te vervolgen en alles te vernietigen, uit den weg te gaan. Toch tracht zij hardnekkig den schijn van haar souverein gezag over de geesten te redden--als een zeer oude, van haar troon vervallen verklaarde koningin zonder rechters en beulen, die ondanks alles doorgaat ijdele vonnissen uit te spreken, welke slechts door een zeer kleine minderheid aanvaard worden.

Maar men stelle zich een oogenblik voor, dat zij overwinnend en door een wonder meesteresse over de geheele wereld was; men vrage zich af wat zij met rechtbanken om vonnissen uit te spreken en gendarmes om die uit te voeren, maken zou van de menschelijke gedachte; men denke zich eens in, dat de regels van den Index streng werden toegepast, een drukker niets zonder goedkeuring van den bisschop op de pers kon leggen, alle boeken bij de congregaties aangebracht, het verleden gezuiverd, het heden gekneveld, aan een geestelijke Terreur onderworpen zou worden; zou dat niet gelijkstaan met het sluiten der bibliotheken, de gevangenzetting van het erfdeel der geschreven gedachte, de barricadeering van de toekomst, het volkomen stopzetten van iederen vooruitgang of iedere verovering beteekenen? Een vreeselijk voorbeeld van dit rampzalige experiment levert het Rome van onze dagen met zijn verkilden bodem, zijn gestorven, door eeuwen van pauselijk bestuur gedood sap, Rome, dat zóó onvruchtbaar geworden is, dat na vijf-en-twintig jaar van herleving en vrijheid nog geen enkele man, nog geen enkel werk daarin is ontstaan. Maar wie zou dat aanvaarden--niet onder de revolutionnaire geesten, maar onder de vrome geesten van eenige beschaving en eenig breed inzicht? Alles zou in het kinderlijke en absurde instorten.

Er heerschte een diepe stilte, en Pierre, die door zijn overpeinzingen geheel van streek geraakt was, maakte een wanhopig gebaar, toen hij den zwijgenden don Vigilio voor zich zag zitten. Een oogenblik zwegen beiden in de onbeweeglijkheid van den dood, die uit het oude, ingesluimerde paleis oprees, te midden van deze gesloten kamer, welke door de lamp zoo rustig verlicht werd. Dan boog don Vigilio met zijn van koorts schitterenden blik wat voorover en fluisterde in een rilling.

"Zij zitten altijd overal achter, altijd zij!"

Pierre, die het niet begreep, geraakte door dit als het ware verdwaalde woord, dat schijnbaar zonder eenigen overgang uitgesproken werd, in een eenigszins ongeruste verbazing.

"Wie zijn die zij?"

"De Jezuïeten."

De magere, geel geworden priester had in dien kreet de opgehoopte woede van zijn nu losbrekenden hartstocht gelegd. Wat kwam het erop aan, of hij een nieuwe dwaasheid beging. Eindelijk was het woord eruit! Toch wierp hij een laatsten blik vol wanhopig wantrouwen door de kamer. Dan gaf hij zijn hart lucht in een langen woordenstroom, die des te onweerstaanbaarder was, omdat hij dien zoo lang in den grond van zijn hart teruggedrongen had.

"O, die Jezuïeten, die Jezuïeten!... U denkt ze te kennen, maar u hebt niet het flauwste besef van hun afschuwlijke daden of van hun onberekenbare macht. Overal zitten zij achter, zij en zij alleen. Zeg dat maar altijd tot u zelf, zoodra u niet meer begrijpen kunt en toch begrijpen wilt. Wanneer u een ramp overkomt, wanneer u lijdt, wanneer u weent, denk dan dadelijk: "Dat zijn zij, dat is hun werk!" Ik ben er niet zeker van, dat er niet een onder dit bed ligt, in die kast staat... O, die Jezuïeten, die Jezuïeten. Zij hebben mij opgegeten, eten me nog op; zij zullen niets meer van mijn vleesch of van mijn beenderen overlaten."

Met zijn afgebroken stem vertelde hij zijn geschiedenis, zijn jeugd vol idealen. Hij behoorde tot den kleinen provincie-adel, bezat een vrij aardig inkomen en had een levendigen, soepelen, de toekomst toelachenden geest. Thans zou hij zeker prelaat en op den weg naar hooge waardigheden geweest zijn, indien hij niet de fout begaan had zijn afkeuring uit te spreken over de Jezuïeten en hen bij twee of drie gelegenheden tegen te werken. Vanaf dat oogenblik hadden zij, als men hem gelooven mocht, alle denkbare ongelukken op hem laten regenen: zijn vader en zijn moeder waren gestorven, zijn bankier was met de noorderzon vertrokken, de goede betrekkingen ontsnapten hem, zoodra hij zich gereed maakte ze te bekleeden, de ergste tegenspoeden troffen hem en zijn heilig ambt, zoodat het niet veel gescheeld had, of men had hem geschorst. Hij had eerst wat rust gevonden, toen kardinaal Boccanera, door zijn ongeluk getroffen, hem in zijn persoonlijken dienst genomen had.

"Hier is mijn toevlucht, mijn asyl. Zij verwenschen Zijne Eminentie, die nooit op hun hand geweest is; maar zij hebben hem of zijn personeel nog niet durven aanvallen... O, ik maak mij volstrekt geen illusies, zij zullen mij toch wel te pakken krijgen. Misschien zullen ze ons gesprek van vanavond te weten komen en het mij leelijk betaald zetten, want het is verkeerd van me te spreken, maar ik spreek ondanks mezelf... Ze hebben me al mijn geluk ontstolen, zij hebben me alle mogelijke ongelukken bezorgd, alles, alles, hoort u!"

Pierre begon zich hoe langer hoe minder op zijn gemak te voelen. Hij trachtte te schertsen:

"Kom, kom, de Jezuïeten hebben u toch die koorts niet gegeven!"

"Waarachtig wel," verzekerde don Vigilio heftig. "Ik heb die gekregen aan den Tiber, op een avond, dat ik in mijn groot verdriet, omdat ik uit de kleine kerk, waar ik dienst deed, gejaagd werd, ben gaan huilen."

Tot dusverre had Pierre niet geloofd aan de vreeselijke legende der Jezuïeten. Hij behoorde tot een generatie, die glimlachte over weerwolven, en die de kleinburgerlijke vrees voor deze beruchte zwarte mannen, welke zich in muren verborgen en families terroriseerden, een beetje dwaas vond. Voor hem waren dat door religieuse en politieke hartstochten overdreven bakerpraatjes. Hij keek dan ook don Vigilio verbaasd aan, terwijl hij bang begon te worden met een maniak te doen te hebben.

Toch riep hij zich de zoo belangwekkende geschiedenis der Jezuïeten voor den geest. Terwijl de Heilige Franciscus van Assisi en de Heilige Dominicus de ziel en de geest zelf, de meesters en de opvoeders der Middeleeuwen zijn, de eerste als de vertegenwoordiger van het vurige geloof der nederigen, de tweede als de verdediger van het dogma en vaststeller der leer voor intelligenten en machtigen, verschijnt Ignatius van Loyola op den drempel der moderne tijden, om de gevaar loopende erfenis te redden. Hij accomodeert den godsdienst aan de nieuwe maatschappijen en geeft hem opnieuw de heerschappij over de wereld, die bezig is zich te vormen. Van af dat oogenblik scheen het experiment genomen te zijn: God zou in zijn intransigenten strijd met de zonde overwonnen worden, want het was thans vrijwel zeker, dat de vroegere bedoeling om de natuur te onderdrukken, om in den mensch den mensch zelf met zijn begeerten, zijn hartstochten, zijn hart en zijn bloed te dooden, slechts op een fatale nederlaag kon uitloopen, waarbij de Kerk geheel dreigde te niet te gaan; op dat kritieke oogenblik redden de Jezuïeten haar uit dat gevaar, gaven haar terug aan het veroveraarsleven, door te beslissen, dat zij de wereld tegemoet moet gaan, nu de wereld niet meer tot haar schijnt te komen. Daarin ligt het geheele geheim.

Zij beweren, dat er schikkingen te treffen zijn met den hemel; zij plooien zich naar de zeden, naar de vooroordeelen, naar de ondeugden zelfs; zij glimlachen, zijn vriendelijk, denken er niet aan streng te wezen, zijn diplomatiek, bereid om de ergste gruwelen zoo te draaien, dat zij tot de grootste eer van God gedaan schijnen te zijn. Dat is hun verzamelkreet, daaruit vloeit voort hun moraal--de moraal, die men hun zoo dikwijls voor de voeten geworpen heeft--dat alle middelen goed zijn om het doel te bereiken, wanneer dat doel is het koninkrijk Gods, vertegenwoordigd door dat der Kerk. Welk een reusachtig succes dan ook! Zij rijzen overal op, zij bedekken al heel spoedig de aarde, zijn al heel spoedig overal de onbetwiste heerschers. Zij nemen koningen de biecht af, zij vergaren ontzaglijke rijkdommen, zij vormen een zoo zegerijke macht, dat zij in geen land hun voet kunnen zetten, zonder het weldra geheel met zijn zielen, zijn lichamen, zijn invloed en zijn rijkdom, te bezitten. In de eerste plaats richten zij scholen op, zij zijn onvergelijkelijke hersenkneders, want zij hebben steeds begrepen, dat de macht altijd toebehoort aan het morgen, aan de opkomende geslachten, waarover men de baas blijven moet, indien men eeuwig wil heerschen.

Hun op de noodzakelijkheid van een transactie met de op zonde gebaseerde macht is zóó groot, dat zij onmiddellijk na het Concilie van Trente den geest van het Katholicisme wijzigen, het doordringen en met zichzelf identificeeren, de onontbeerlijke soldaten worden van het pausdom, dat van hen en voor hen leeft. Van af dat oogenblik behoort Rome hun--Rome, waar hun generaal zoo lang bevolen heeft, Rome, vanwaar zoo lang het wachtwoord is uitgegaan van die geheime en geniale taktiek, die blindelings gevolgd werd door hun ontelbaar leger, welks handige organisatie de wereld bedekt met een ijzeren net onder de fluweelzachte handen, die zoo ervaren zijn in het leiden van de arme, lijdende menschheid.

Maar het allerwonderbaarlijkste van alles was nog de verrassende levenskracht van die onophoudelijk vervolgde, veroordeelde en verdreven Jezuïeten, die ondanks alles nog het hoofd omhoog houden. Zoodra hun macht gevestigd is, begint hun impopulariteit, die langzamerhand algemeen wordt. Een gejouw vol verwenschingen, afschuwlijke aanklachten, schandelijke processen verheffen zich tegen hen, waarin zij als misdadigers en verdervers ontmaskerd worden. Pascal geeft ze aan de openbare verachting prijs, parlementen doemen hun boeken ten vure, universiteiten verwerpen hun leer en hun moraal als gif. In ieder rijk verwekten zij zulke onlusten en troebelen, dat een vervolging tegen hen georganiseerd wordt en zij weldra overal verjaagd worden. Meer dan een eeuw lang zijn zij zwervende, worden verdreven, dan weer teruggeroepen, gaan over de grenzen en komen weer terug, verlaten een land onder hoongelach en haatgeschreeuw om het weer te betreden, zoodra de rust zich hersteld heeft. Eindelijk zijn zij, nadat een paus hun orde opgeheven had--hun grootste ramp--weer door een ander hersteld en worden sedert dien tijd zoo goed en zoo kwaad als het gaat, geduld. Maar ondanks hun diplomatiek op den achtergrond blijven, ondanks het vrijwillige donker, waarin zij zoo voorzichtig zijn te leven, blijven zij, rustig en zeker van de overwinning, triompheeren als soldaten, die de wereld voor goed veroverd hebben.

Pierre wist, dat zij thans, indien men alleen naar den uiterlijken schijn oordeelt, uit het bezit van Rome verdreven waren. Zij besturen de Jezuïetenkerk niet meer, hebben niet meer de leiding van het Collegium Romanum, waar zij zooveel zielen gemodelleerd hebben; zonder eigen huis en op gastvrijheid van vreemden aangewezen, hebben zij zich bescheiden in het Collegium Germanicum teruggetrokken, waarin zich een kleine kapel bevond. Daar predikten zij, namen zij nog de biecht af, maar zonder ophef, zonder de vrome pracht van de Il Gesù, zonder de roemrijke successen van het Collegium Romanum. Moet men dus gelooven, dat zij uit list, met opzet verdwijnen, om de geheime en almachtige meesters te blijven, de verborgen wil, die alles leidt. Men zeide immers, dat het dogma der Onfeilbaarheid van den paus hun werk was, het wapen, waarmede zij zichzelf gewapend hadden, terwijl zij het lieten voorkomen, alsof zij het pausschap ermede wapenden voor de toekomstige, zware taak, die hun genie aan den vooravond van groote sociale omwentelingen voorzag. Bestond dus werkelijk die geheime oppermacht, waarvan don Vigilio zoo geheimzinnig vertelde, die beslaglegging op het bestuur der Kerk, die onbekende, maar volkomen macht op het Vaticaan?

Als gevolg van een plotselinge gedachtenassociatie vroeg Pierre plotseling:

"Is monsignor Nani dan een Jezuïet?"

Die naam scheen don Vigilio weer geheel van streek te brengen; zijn hand beefde van opwinding.

"Hij? O, hij is veel te slim en veel te handig, om in de orde te gaan. Maar hij is een leerling van dat Collegium Romanum, waarop zijn generatie zijn opleiding gekregen heeft, en heeft daar het genie der Jezuïeten, dat zoo goed bij zijn eigen genie paste, ingedronken. Maar ook al heeft hij begrepen, hoe gevaarlijk het is zich in een impopulair en hinderlijk kostuum te steken, wanneer men vrij wil zijn, daarom is hij niet minder Jezuïet, o, Jezuïet in merg en been! Hij is blijkbaar de meening toegedaan, dat de Kerk niet kan triompheeren dan door de menschelijke hartstochten te exploiteeren; daarbij heeft hij haar oprecht lief; hij is in den grond der zaak heel vroom, een zeer goed priester en dient God zonder zwakheid om de onbeperkte macht, die Hij aan Zijn dienaren geeft. Bovendien is hij zeer charmant, niet in staat tot een ruwheid of een misstap, wordt hij begunstigd door de reeks adellijke Venetianen, die hij achter zich heeft, bezit hij door zijn wereldkennis, die hij in de nuntiaturen te Weenen en Parijs verkregen heeft, een breeden blik, weet hij alles, kent hij alles, dank zij de delicate functies, die hij hier, als assessor van het Heilig College, sedert tien jaar bekleedt... O, hij is almachtig en niet als een heimelijke Jezuïet, wiens zwart kleed te midden van het algemeene wantrouwen voortglijdt, maar als aanvoerder zonder een bepaalde uniform, als het hoofd, als het brein!"

Deze woorden brachten Pierre tot ernstige overdenkingen, want het ging nu niet meer om mannen, die zich in muren verborgen, niet meer over donkere complotten van een romantische secte. Ook al kwam zijn scepticisme tegen dergelijke verhaaltjes in verzet, daarom kon hij toch zeer goed aannemen, dat een opportunistische, uit de behoeften van den strijd om het bestaan geboren moraal, zooals die van de Jezuïeten, zich geoculeerd had op de geheele Kerk en daarin nu onbeperkt heerschte. De Jezuïeten zelf konden verdwijnen, hun geest zou hen overleven, omdat hij het strijdwapen, de hoop op de overwinning, de eenige taktiek was, die de volkeren onder de heerschappij van Rome zou kunnen terugbrengen. In werkelijkheid lag die strijd in deze poging tot aanpassing, die zich tusschen den godsdienst en de eeuw voltrok. Van nu af begreep hij, hoe mannen als monsignor Nani zoo'n belangrijke, beslissende rol konden spelen.

"O, als u het eens wist, als u het eens wist!" ging don Vigilio voort. "Hij is overal, heeft de hand in alles. Hier bij de Boccanera's bijvoorbeeld is niets gebeurd, of ik heb hem achter de schermen gevonden, of hij verwarde of ontwarde, al naar het noodig was--wat hij alleen weet--de draden."

En in de onuitputtelijke koorts van mededeelzaamheid, die hem geheel en al verteerde, vertelde hij, hoe monsignor Nani ongetwijfeld ook in de echtscheiding van Benedetta betrokken was. De Jezuïeten hebben ondanks hun verzoenlijken geest steeds een onverzoenlijke houding aangenomen ten opzichte van Italië, hetzij omdat zij niet aan de herovering van Rome twijfelen, hetzij omdat zij het oogenblik afwachten om met den werkelijken overwinnaar te onderhandelen. Nani, die sedert lang een vertrouwde van donna Serafina was, had haar dan ook geholpen om haar nicht weer bij zich te nemen en de breuk met Prada te bespoedigen, zoodra Benedetta haar moeder verloren had. Hij was het geweest, die, om abbé Pisoni, den patriotischen geestelijke en den biechtvader van het jonge meisje, wien men verweet, dat hij het huwlijk in de hand gewerkt had, te verdringen, Benedetta aangespoord denzelfden biechtvader te nemen als haar tante, den Jezuïetenpater Lorenza, een knappen man met heldere en vriendelijke oogen, wiens biechtstoel in de kapel van het Collegium Germanicum bestormd werd.

Het scheen vast te staan, dat deze manoeuvre over de heele quaestie beslist had: wat een pastoor voor Italië gedaan had, zou een pater tegen Italië weer ongedaan maken. Maar waarom scheen nu Nani, na eerst de breuk tot stand gebracht te hebben, een oogenblik zóó alle belangstelling in de zaak verloren te hebben, dat hij het verzoek om nietigverklaring van het huwlijk gevaar liet loopen? En waarom bemoeide hij er zich thans weer mede, door monsignor Palma te laten koopen, door donna Serafina aan het werk te zetten, door zelf zijn invloed op de kardinalen van de Conciliecongregatie te laten gelden? Er waren duistere punten in deze zaak, zooals in alle zaken, waarin hij betrokken was, want hij was vóór alles een man van verreikende combinaties. Maar men kon aannemen, dat hij het huwlijk van Benedetta en Dario wilde bespoedigen, om een einde te maken aan de schandelijke lasterpraatjes der witte kringen, die den neef en de nicht beschuldigden, dat zij in het paleis slechts één bed hadden, waarvoor hun oom, de kardinaal, welwillend zijn oogen sloot. Misschien was echter ook deze ten koste van veel geld en onder den druk van zeer bekende invloeden verkregen echtscheiding een met opzet uitgelokt, eerst op de lange baan geschoven en thans verhaast schandaal, om den kardinaal zelf te benadeelen, van wien de Jezuïeten voor een in de naaste toekomst liggende omstandigheid gaarne bevrijd wilden zijn.

"Ik voor mij voel het meest voor deze laatste veronderstelling," ging don Vigilio voort; "te meer daar ik vanavond gehoord heb, dat de paus lijdende is. Bij een man van vier-en-tachtig jaar is ieder oogenblik het ergste te vreezen; de paus kan niet meer verkouden zijn, of het heele Heilige College en alle prelaten geraken in beweging... Nu hebben de Jezuïeten altijd de candidatuur van kardinaal Boccanera bestreden. Eigenlijk moesten zij om zijn rang, om zijn intransigente houding ten opzichte van Italië voor hem zijn, maar het denkbeeld zichzelf een dergelijken meester te geven, maakt hen bang; zij vinden, dat hij een te onstuimig karakter, een te heftig geloof heeft, te weinig soepel is in deze tijden, waarin de Kerk een diplomaat zoo hoog noodig heeft... En het zou me geen oogenblik verwonderen, wanneer men trachten zou hem in discrediet te brengen, zijn candidatuur door de gemeenste en schandelijkste middelen onmogelijk te maken."

Een lichte rilling van vrees doorhuiverde Pierre. De besmetting van het onbekende, van de in het donker opgezette intriges werkte te midden van de nachtelijke stilte in het paleis aan den Tiber, in dat van legendarische tragedies zoo volle Rome nog sterker. En plotseling tot zichzelf, tot zijn persoonlijk geval terugkeerend, vroeg hij:

"Maar ik, wat heb ik met dat alles uitstaande? Waarom schijnt monsignor Nani zich voor mij te interesseeren? Wat heeft hij te maken met het proces, dat mijn boek aangedaan is?"

Don Vigilio maakte een groot gebaar.

"O, dat weet je nooit, dat weet je nooit precies!... Wat ik u met zekerheid zeggen kan, is, dat hij eerst van de zaak kennis gekregen heeft, toen de aanklachten der bisschoppen van Tarbes, Poitiers en Evreux zich al in handen bevonden van pater Dangelis, den secretaris der Indexcongregatie; eveneens heb ik gehoord, dat hij alle mogelijke moeite gedaan heeft om het proces tegen te houden, daar hij het blijkbaar onnoodig en onpolitiek vindt. Maar wanneer een zaak eenmaal bij de congregatie aanhangig gemaakt is, is het bijna onmogelijk den verderen loop tegen te houden, te meer daar hij in dit geval pater Dangelis tegenover zich had, die, als trouw Dominicaan, een hartstochtelijk tegenstander der Jezuïeten is. In dien stand van zaken heeft hij de contessina aan mijnheer de la Choue laten schrijven, die u zeggen moest, dat gij zelf in Rome uw boek verdedigen en gedurende uw verblijf alhier de gastvrijheid van dit paleis aannemen moest."

Deze onthulling bracht Pierre in groote opwinding.

"Bent u daar zeker van?"

"O, beslist zeker, ik heb hem op een Maandagavond over u hooren spreken, en reeds heb ik u gezegd, dat hij zeer goed van u op de hoogte schijnt te zijn, alsof hij een nauwkeurig onderzoek naar u had ingesteld. Naar mijn meening had hij uw boek gelezen en was hij daardoor zeer gepreoccupeerd."

"Gelooft u dus, dat hij het met mijn denkbeelden eens is? Dat hij oprecht is en dat hij zichzelf verdedigt, terwijl hij mij tracht te verdedigen?"

"O, neen, geen quaestie van... Hij vervloekt uw denkbeelden, uw boek en u zelf! U moest zijn minachting voor den zwakke, zijn haat tegen den arme, zijn liefde voor het gezag en de heerschappij eens kennen, die verborgen liggen onder zijn zoo beminnelijke vriendelijkheid. Lourdes zou hij u nog kunnen vergeven, hoewel dat een machtig wapen is. Maar nooit zal hij u vergeven, dat gij u aan de zijde der kleinen van deze wereld schaart en dat gij u tegen de wereldlijke macht verklaard hebt. Als u eens hoorde, met welk een aanminnig lijkende wreedheid hij zich vroolijk maakt over mijnheer de la Choue, dien hij de weemoedige treurwilg van het Neo-Katholicisme noemt."

Pierre greep met beide handen naar zijn slapen en drukte zijn hoofd in wanhoop.

"Maar waarom dan, waarom dan? Zeg het me, ik bezweer het u... Waarom liet hij mij hier komen, waarom wil hij mij in dit huis tot zijn beschikking hebben? Waarom laat hij mij nu maanden in Rome rondloopen, waarom laat hij mij allerlei hinderpalen ontmoeten, waarom wil hij mij moe maken, terwijl het hem in het geheel geen moeite kost mijn boek, als het hem hindert, op den Index te laten plaatsen? Zeker, het zou dan niet zoo kalm in zijn werk gegaan zijn, want ik was voornemens mij niet te onderwerpen, mijn nieuw geloof luid uit te bazuinen, zelfs tegen de beslissingen van Rome in."

De zwarte oogen in het gele gelaat van don Vigilio fonkelden.

"Misschien heeft hij dat juist niet gewild. Hij weet, dat u heel intelligent en vol geestdrift bent, en ik heb hem dikwijls hooren zeggen, dat men intelligentie en geestdrift niet van voren moet aanvallen."

Maar Pierre was opgestaan en luisterde zelfs niet meer; als door zijn verwarde gedachten opgejaagd, liep hij in de kamer heen en weer.

"Luister, ik moet alles weten en alles begrijpen, als ik den strijd wil voortzetten. U zult mij den dienst bewijzen mij tot in de kleinste bijzonderheden in te lichten, omtrent ieder van de personen, die met mijn proces te maken hebben... Jezuïeten, Jezuïeten overal! Lieve God, ik zie het in, u hebt misschien gelijk. Maar u moet mij de verschillende nuances geven... Die Fornaro bijvoorbeeld?"

"Monsignor Fornaro? O, die is alles wat men wil. Maar hij heeft eveneens zijn opleiding in het Collegium Romanum gehad. U kunt ervan overtuigd zijn, dat hij een Jezuïet is, een Jezuïet door opvoeding, door zijn positie, door zijn eerzucht. Hij brandt van verlangen om kardinaal te worden, en wanneer hij eenmaal kardinaal is, zal hij van verlangen branden om paus te zijn. Allemaal candidaten naar het pausschap, van het seminarie af."

"En kardinaal Sanguinetti?"

"Jezuïet, Jezuïet!... Laten we elkaar goed begrijpen: hij is het geweest, toen is hij het niet meer geweest, en nu is hij het ongetwijfeld opnieuw. Sanguinetti heeft met alle machten gecoquetteerd. Langen tijd heeft men gedacht, dat hij voor een verzoening tusschen den Heiligen Stoel en Italië was; daarna is de toestand in een ander stadium gekomen en heeft hij heftig partij gekozen tegen de overweldigers. Eveneens is hij dikwijls in onmin geweest met Leo XIII en heeft zich dan weer met hem verzoend, terwijl hij thans met het Vaticaan op diplomatiek gereserveerden voet staat. In één woord, hij heeft slechts één doel, de tiara, maar hij laat dat te veel blijken, wat voor een candidaat niet gewenscht is... Maar voor het oogenblik schijnt de strijd te gaan tusschen hem en kardinaal Boccanera. Daarom heeft hij zich met de Jezuïeten verzoend, exploiteert hij nu hun haat tegen zijn concurrent en rekent erop, dat zij in hun verlangen om dezen van den Heiligen Stoel verwijderd te houden, genoodzaakt zullen zijn hem te steunen. Maar ik voor mij twijfel daaraan, want ik weet, dat ze daarvoor veel te slim zijn, zij zullen zich wel tweemaal bedenken voor zij een candidaat, die zich al zoo gecompromitteerd heeft, hun steun zullen verleenen. Hij, een hartstochtelijk, hoogmoedig warhoofd, is er echter geen oogenblik bang voor, en daar hij, zooals u zegt, in Frascati is, ben ik ervan overtuigd, dat hij onmiddellijk na het bericht van het ziek worden van den paus om de een of andere reden van taktiek daarheen gegaan is, om zich op te sluiten."

"En de paus, Leo XIII zelf?"

Don Vigilio aarzelde even en knipte met zijn oogleden.

"Leo XIII? Jezuïet, Jezuïet!... O, ik weet heel goed, dat men beweert, dat hij het met de Dominicanen houdt, en dat is in zeker opzicht waar, want hij gelooft door hun geest bezield te zijn, heeft den Heiligen Thomas van Aquino weer tot eer gebracht en de opleiding der geestelijkheid weer ingericht naar zijn leerstellingen... Maar men kan ook zonder het te willen of te weten Jezuïet zijn, en de tegenwoordige paus zal er het beroemde voorbeeld van zijn. Bestudeer zijn handelingen, geef u rekenschap van zijn politiek en u zult daarin de uitstrooming, de werkzaamheid zelf van de Jezuïetenziel zien. Dat komt, omdat hij daar onbewust van doordrenkt is, omdat alle invloeden, die, direct of indirect, op hem werken, uitgaan van dien haard... Waarom gelooft u mij niet? Ik zeg u nogmaals, dat zij alles hebben veroverd, alles hebben opgezogen, dat Rome hun toebehoort van af den nederigsten kapelaan tot aan Zijne Heiligheid zelf toe!"

Hij bleef iederen nieuwen naam, dien Pierre noemde, beantwoorden met denzelfden hardnekkigen en bijna waanzinnigen uitroep: Jezuïet, Jezuïet! Het scheen, alsof men in de Kerk niets anders meer zijn kon, alsof de waarheid van die bewering bewezen werd door een geestelijkheid, die gedwongen was zich te richten naar de nieuwe wereld, als zij God wilde redden. Het heldentijdvak van het Katholicisme was afgesloten, het kon voortaan slechts leven door diplomatie en listen, door concessies en schikkingen.

"En die Paparelli--Jezuïet, Jezuïet!" ging don Vigilio, terwijl hij onwillekeurig begon te fluisteren, voort. "O, dat is de verschrikkelijke, kruiperige Jezuïet, de Jezuïet in zijn afschuwlijksten vorm als spion en verklikker! Ik zou er een eed op willen doen, dat men hem hier in het paleis gebracht heeft om Zijne Eminentie na te gaan, en u moet zien met welk een geniale handigheid en slimheid hij erin geslaagd is zijn taak te vervullen: zijn wil is almachtig, hij laat binnen wie hem lust, gebruikt zijn meester als iets, dat hem toebehoort, oefent vaak druk uit op ieder van zijn besluiten, heeft hem langzamerhand ieder uur meer in zijn macht gekregen... Ja, die zoo eenvoudige, geringe abbé, de sleepdrager, wiens werk het is als een trouwe hond aan de voeten van zijn meester te zitten, maar die in werkelijkheid over hem heerscht en hem drijft waarheen hij wil--dat is de overweldiging van den leeuw door het insect, dat is het oneindig kleine, dat beschikt over het oneindig groote... O, die Jezuïet, die Jezuïet! Neem u voor hem in acht, wanneer hij met zijn slap en gerimpeld gezicht als een oude vrouw in een zwarte rok geruischloos in zijn armzalige soutane langs u sluipt. Pas op, dat hij niet achter een deur of in een kast staat of onder een bed ligt. Ik zeg u, dat zij u zullen opeten, zooals zij mij opgegeten hebben, en dat zij u ook de koorts, de pest zullen geven, wanneer u u niet in acht neemt!"

Plotseling bleef Pierre voor den priester staan. Hij verloor terrein. Vrees en toorn hadden zich van hem meester gemaakt. Waarom zouden ten slotte al die vreemde verhalen niet waar zijn?

"Maar geef mij dan toch een raad!" riep hij uit. "Ik heb u juist gevraagd even bij mij te komen, omdat ik niet meer wist, wat ik doen moest en ik behoefte gevoelde weer op den goeden weg gebracht te worden."

Hij hield op en begon, als door zijn hartstocht voortgedreven, weer gejaagd de kamer op en neer te loopen.

"Of neen, zeg me toch maar niets. Het is uit, ik vertrek liever. Die gedachte is reeds eerder bij mij opgekomen, maar in een uur van lafheid, ik wilde toen verdwijnen, naar Parijs teruggaan, en in vrede in mijn eigen kring leven, terwijl ik, wanneer ik thans Rome verlaat, wegga als wreker, als rechter, om van Parijs uit te verkondigen, wat ik te Rome gezien, wat men er van het Christendom van Jezus gemaakt heeft--dat het Vaticaan op het punt staat ineen te storten, dat er reeds een lijkenlucht van uitgaat, dat het een belachelijke illusie is te hopen, eens uit dat graf, waarin de ontbinding van eeuwen slaapt, de moderne ziel herboren te zien opstaan... O, ik zal niet toegeven, ik zal mij niet onderwerpen, ik zal mijn boek door een nieuw boek verdedigen. En dat zal, daar sta ik u borg voor, in de wereld opzien baren, want het zal de doodsklok luiden over een stervenden godsdienst, dien men zoo spoedig mogelijk begraven moet, als men niet wil, dat zijn omhulsel de volkeren zal vergiftigen."

Dit ging don Vigilio's begrip te boven. De Italiaansche priester met zijn bekrompen geloof, zijn laffen angst voor nieuwe denkbeelden, werd weer in hem wakker. Hij vouwde zijn handen.

"Zwijg, zwijg, dat zijn godslasteringen... En bovendien u kunt niet zoo weggaan, zonder nog eenmaal getracht te hebben Zijne Heiligheid te spreken. Zij alleen is souverein. En ik weet wel, dat het u verbazen zal, maar pater Dangelis heeft, al schertsend, u nog den eenigen goeden raad gegeven: ga nogmaals naar monsignor Nani, hij alleen zal de deur van het Vaticaan voor u kunnen openen."

Weer maakte een woede zich van Pierre meester.

"Wat, ik zou bij monsignor Nani begonnen zijn, om weer bij monsignor Nani te eindigen? Wat is dat voor een spel? Dacht u, dat ik me laat behandelen als een bal, die van den een naar den ander gekaatst wordt? Ze zouden me maar uitlachen!"

Uitgeput en wanhopig liet Pierre zich weer vallen op zijn stoel tegenover den abbé, die, met zijn door het lange opzitten vaalbleek gezicht en zijn altijd bevende handen, zich in het geheel niet bewoog. Er volgde een lange stilte. Dan kwam don Vigilio nog met een ander denkbeeld: hij kende den biechtvader van den paus, een zeer eenvoudigen Franciscaner monnik, en wilde Pierre bij dezen aanbevelen. Misschien zou die pater, ondanks zijn bescheiden op den achtergrond blijven, kunnen helpen. Het was in ieder geval te probeeren. Dan begon het zwijgen weer, en Pierre, wiens oogen strak op den muur gericht waren, onderscheidde ten slotte de oude schilderij, die hem op den dag van zijn aankomst zoo getroffen had. Langzamerhand zag hij haar in het schemerachtige licht als het ware naar voren treden en levend worden als de belichaming van zijn eigen geval, van zijn nuttelooze wanhoop voor de ruw gesloten deur der waarheid en der gerechtigheid. O, hoe geleek deze verstooten, in haar liefde volhardende vrouw, wier gezicht men niet zien kon, die, snikkend in haar haren, van smart op de treden van dit paleis, voor de meedoogenloos gesloten deur neergevallen was, op hem! In haar eenvoudig linnen kleed rilde zij van de koude, zij verried haar geheim, ongeluk of eigen schuld, haar groot verdriet, zoo verstooten te zijn, niet. En hij gaf haar achter die tegen haar gelaat gedrukte handen zijn gezicht, zij werd zijn zuster, evenals alle andere armen zonder dak en bescherming, die weenen, omdat zij naakt en alleen zijn, die het vel van haar vuisten rukken bij haar pogingen, om de deur der menschen te forceeren. Hij kon nooit naar haar kijken zonder medelijden met haar te krijgen, en dien avond werd hij zóó ontroerd, nu hij haar nog altijd onbekend, zonder naam en zonder gezicht, nog altijd badende in haar tranen terugvond, dat hij plotseling aan don Vigilio vroeg:

"Weet u van wie die oude schilderij is? Zij ontroert mij tot in mijn ziel als een meesterwerk."

Verbaasd over die onverwachte vraag, die zoo zonder eenigen overgang gedaan werd, keek de priester op; hij verwonderde zich nog meer, toen hij het zwart geworden, verwaarloosde doek en de armzalige lijst zag.

"Weet u, waar die schilderij vandaan komt?" vroeg Pierre nogmaals. "Waarom heeft men het doek naar deze kamer verbannen?"

"O!" zeide hij met een onverschillig gebaar, "dat is niets. Zulke oude, waardelooze schilderijen vindt je hier overal... Dit doek zal wel altijd hier gehangen hebben. Maar ik weet het niet, ik heb er vroeger nooit op gelet."

Eindelijk stond hij voorzichtig op. Doch die enkele beweging gaf hem zoo'n rilling, dat hij nauwlijks iets zeggen kon. Zijn tanden klapperden van koorts.

"Neen, ga niet mee, laat de lamp in deze kamer... En om nog even op ons gesprek terug te komen: het zal nog maar het beste zijn u toe te vertrouwen aan monsignor Nani, want dat is tenminste nog een hoogstaand iemand. Ik heb het bij uw komst hier al gezegd, of u wilt of niet, zult u ten slotte toch doen wat hij wil. Waartoe dient het dan eigenlijk nog te strijden?... En nooit één woord over ons gesprek van vannacht, dat zou mijn dood zijn!"

Hij opende de deuren geruischloos, keek wantrouwend rechts en links de donkere gang in, verdween en ging zoo zacht naar zijn eigen kamer terug, dat men zelfs te midden van de grafstilte van het oude paleis het schuifelen van zijn voet niet hoorde.

Den volgenden dag liet Pierre, die weer opnieuw door strijdlust bezield was en alles wilde probeeren, zich door don Vigilio een aanbeveling geven voor den biechtvader van den paus, den Franciscanerpater, dien de secretaris van den kardinaal kende. Maar deze monnik was een pijnlijk angstvallig man; blijkbaar had men een zeer bescheiden en eenvoudig iemand zonder eenigen invloed gekozen, die geen misbruik zou maken van zijn almachtige positie bij den paus. In de omstandigheid, dat deze slechts de deemoedigste orde, den vriend der armen, den heiligen bedelaar langs de wegen als biechtvader had willen hebben, lag ook een gehuichelde ootmoed. Toch stond deze pater bekend als een redenaar van groote geloofskracht; de paus zelf luisterde, volgens de etiquette achter een sluier verborgen, naar zijn preeken, want al kon de paus als onfeilbaar pontifex maximus van geen enkelen priester iets leeren, men erkende toch, dat hij, als mensch, voordeel kon trekken uit goede woorden. Afgezien van zijn natuurlijke welsprekendheid was deze goede monnik een eenvoudige bleeker van zielen, een biechtvader, die luistert en absolutie geeft, zonder zich de onreinheden, die hij in het water der boetedoening schoon wascht, te herinneren. Toen Pierre zag, dat hij werkelijk zoo onbeteekenend en zonder invloed was, drong hij niet aan op zijn bemiddeling, wat, zooals hij voelde, toch nutteloos zijn zou.

Dien dag vervolgde het beeld van den schuchteren minnaar der Armoede, van den verrukkelijken Franciscus, zooals Narcisse Habert hem noemde, Pierre tot den avond. Hij had zich dikwijls verwonderd over de komst van dezen nieuwen Jezus, die zoo zacht voor menschen, dieren en dingen was en wiens hart brandde van een zoo vurige liefde voor de armen, in dit zelfzuchtige en genotzuchtige Italië, waarin slechts de vreugde over de schoonheid koningin gebleven is. Ongetwijfeld zijn de tijden veranderd, maar hoeveel liefdekracht moet er in die oude tijden, gedurende het groote lijden der Middeleeuwen, noodig geweest zijn dat een dergelijke uit den volksbodem opgeschoten trooster der nederigen de overgave van het eigen ik aan anderen, het afstand doen van rijkdom, den afschuw voor ruw geweld, de gelijkheid en gehoorzaamheid begon te preeken, die den wereldvrede verzekeren moest.

Hij ging, gekleed als de armsten, langs de wegen; een touw hield het grijze kleed om zijn lendenen vast, zijn naakte voeten staken in sandalen; beurs of stok had hij niet. Hij en zijn broeders spraken een trotsche, vrije taal, vol verheven, poëtische kracht, vol dapper uitgesproken waarheid. Overal traden zij op als rechters, vielen zij de rijken en machtigen aan, waagden zij het de slechte priesters, de ontuchtige, zich aan simonie schuldig makende, meineedige bisschoppen, aan te wijzen. Met een langen kreet van verlichting werden zij ontvangen; het volk volgde hen in dichte scharen, zij waren de vrienden, de bevrijders van alle kleinen, die lijden.

In den beginne maakte Rome zich dan ook niet weinig ongerust over dergelijke revolutionnairen; de pausen aarzelden lang vóórdat zij de orde erkenden; en toen zij ten slotte toegaven, geschiedde dat ongetwijfeld met de gedachte, deze nieuwe macht tot hun voordeel, tot de verovering van de lagere volksklassen, van de reusachtige, onbestemde massa te gebruiken, wier heimelijk dreigen door alle eeuwen heen, zelfs in de meest despotische tijden, gegromd en gebromd heeft.

Van dat oogenblik af bezat het pausdom in de zonen van den Heiligen Franciscus een steeds overwinnend leger, een zwervend leger, dat zich overal, op alle wegen, in alle dorpen en steden verspreidde, dat doordrong tot den huiselijken haard van werkman en boer en de harten der eenvoudigen voor zich won. Dat men zich de democratische macht van een dergelijke orde, die uit het volk zelf voortgesproten was, voorstelle! Vandaar zijn zoo spoedig gevolgde bloei; het aantal broeders vermeerdert zich in enkele jaren aanzienlijk, overal worden scholen opgericht; de Franciscaner-orde trekt de leeken-bevolking zoo tot zich aan, dat zij haar doordrenkt en opzuigt.

En dat men hier te doen heeft met een voortbrengsel van den bodem, met een krachtigen wasdom van den plebeïschen stam, bewijst wel het feit, dat een nationale kunst eruit opbloeide: de voorloopers van de Renaissance in de schilderkunst, en Dante zelf, de ziel van het Italiaansche genie.

Sedert enkele dagen zag Pierre nu deze groote orde van vroeger en kwam met hen in het hedendaagsche Rome in aanraking. De Franciscanen en de Dominicanen, de door hetzelfde geloof bezielde mededingers, die zoo lang gemeenschappelijk voor de Kerk gestreden hadden, woonden nog altijd in hun groote, schijnbaar bloeiende kloosters tegenover elkaar. Maar het scheen, dat de Franciscanen op den langen duur door hun nederigheid op zijde gedrongen waren. Misschien kwam dat ook, omdat hun rol van volksvrienden en volksbevrijders uitgespeeld was, sedert het volk zich door zijn politieke en sociale veroveringen zelf bevrijdt.

In ieder geval ging de strijd alleen nog tusschen de Dominicanen en de Jezuïeten, de predikers en de opvoeders, die beiden de pretentie behouden hebben de wereld te kneden naar het beeld van hun geloof. Men hoorde de verschillende invloeden dof grommen; het was een strijd, die geen uur ophield en waarvan Rome, de oppermacht in het Vaticaan, de inzet was. Het was voor de eerste van weinig nut, dat de Heilige Thomas van Aquino aan hun zijde streed; zij voelden hoe hun oude dogmatische wetenschap instortte, zij moesten dagelijks wat meer terrein afstaan aan de tweeden, die met behulp van den geest der eeuw overwonnen. Verder waren er nog de Karthuizers in hun witte pijen, de heilige, reine, zwijgende en contemplatieve monniken, die zich uit de wereld terugtrekken in hun kloosters met de stille cellen, de wanhopigen en getroosten, wier aantal gering kan zijn, maar die eeuwig zullen leven, zooals smart en behoefte aan eenzaamheid eeuwig zijn.

Dan waren er de Benedictijnen, de kinderen van den Heiligen Benedictus, wiens bewonderenswaardige orderegel den arbeid geheiligd heeft, de hartstochtelijke letterkundige en wetenschappelijke werkers, die in hun tijd lang machtige werktuigen der beschaving waren en door hun reusachtigen historischen en kritischen arbeid zooveel bijgedragen hebben tot de algemeene ontwikkeling. Hen had Pierre lief, bij hen zou hij twee eeuwen vroeger zijn toevlucht en zijn troost gezocht hebben; maar toch verwonderde het hem ten zeerste, toen hij zag, dat zij op den Aventinus een groot huis voor zich bouwden, waarvoor Leo XIII reeds millioenen gegeven heeft, alsof de wetenschap van heden en morgen nog een veld was, waarop zij zouden kunnen oogsten. Waartoe diende dat? De arbeiders waren toch veranderd, de dogma's versperren toch den weg aan ieder, die ze eerbiedig moet voorbijgaan, zonder ze geheel tegen den grond te werpen.

Verder krioelde het er nog van honderden minder beteekenende orden: de Carmelieten, de Trappisten, de Minnebroeders, de Barnabieten, de Lazaristen, de Eudisten, de Missionarissen, de Recoletten, de Broeders van de orde der Christelijke leer, de Bernardijnen, de Augustijnen, de Theatijnen, de Observantijnen, de Celestijnen, de Capucijnen, ongerekend de correspondeerende vrouwenorden, de Clarissen, de ontelbare nonnen, zooals de zusters van Maria Boodschap en van Golgotha. Iedere orde had haar meer bescheiden of meer weelderig ingericht huis, sommige wijken van Rome bestonden slechts uit kloosters, en achter die zwijgende gevels gonsde en intrigeerde dit volk in een voortdurenden strijd van belangen en hartstochten. De vroegere sociale evolutie, die hen voortgebracht had, werkte sedert langen tijd niet meer; toch bleven zij, steeds nutteloozer en zwakker wordend en als voorbestemd voor dien langen doodsstrijd, aan het leven hangen--tot den dag, waarop aan de borst der nieuwe maatschappij lucht en bodem voor hen ontbreken zou.

Maar bij zijn stappen en bezoeken, die weer begonnen waren, kwam Pierre niet veel met die monniken in aanraking; hij had voornamelijk te maken met den wereldlijken clerus, den Romeinschen clerus, dien hij al heel spoedig leerde kennen. Een nog zeer strenge hiërarchie hield de klassen en rangen in stand. Op den top, om den paus, heerschte de pauselijke huishouding, de kardinalen en prelaten, die zeer trotsch, zeer verheven en ondanks hun schijnbaar vertrouwelijkheid zeer laatdunkend waren. Onder hen vormde de clerus der parochiën als het ware een waardige, verstandige en gematigde bourgeoisie, waarin patriotische geestelijken zelfs niet zeldzaam waren. De Italiaansche occupatie had, doordat zij een geheele wereld van zedelijk hoogstaande ambtenaren aangesteld had, na een kwart eeuw het merkwaardige resultaat gehad, dat zij loutering gebracht had in het huiselijk leven der Romeinsche priesters, waarin de vrouwen vroeger een zoo overwegende rol speelden, dat Rome in den letterlijken zin des woords een regeering van huishoudsters was, die troonden in de woningen van jonggezellen.

Ten slotte kwam het plebs van den clerus, dat Pierre nauwkeurig bestudeerd had: een waar samenraapsel van ongelukkige, vuile, half naakte, als uitgehongerde dieren op een mis loerende priesters, die ten slotte met bedelaars en dieven in verdachte kroegen terecht kwamen. Maar nog meer interesseerde hem de menigte priesters, die uit de geheele Christenheid samengestroomd was, avonturiers, eerzuchtigen, geloovigen, krankzinnigen, die Rome aantrok, zooals 's avonds een lamp de insecten uit het donker aantrekt. Alle nationaliteiten, alle standen, alle leeftijden zijn er vertegenwoordigd, galoppeeren onder de zweep van hun hartstochten, verdringen zich van 's morgens vroeg tot 's avonds laat om het Vaticaan, om te bijten in den buit, waarvoor zij gekomen zijn. Overal vond hij ze weer en hij zeide een weinig beschaamd tot zichzelf, dat hij een hunner was, dat hij door zijn persoon dat ongelooflijk aantal soutanen vermeerderde, die men in de straten aantrof. O, die voortdurende ebbe en vloed van zwartrokken, van pijen in allerlei kleuren in dat Rome.

De seminaries der verschillende naties met hun dikwijls uit wandelen gaande leerlingen zouden voldoende geweest zijn alle straten te pavoiseeren: de Franschen geheel in het zwart, de Zuid-Amerikanen in het zwart met een blauwe sjerp, de Noord-Amerikanen in het zwart met een roode sjerp; de Polen in het zwart met een groene sjerp, de Grieken in het blauw, de Duitschers in het rood, de Romeinen in het lila en al de anderen in op honderden manieren geborduurde en omzoomde soutanes. Verder waren er nog de broederschappen, de boetepriesters met witte, zwarte, blauwe, grijze pijen of mantels. Zoo scheen het pauselijke Rome nog dikwijls te herleven; men voelde, dat het nog levend en taai was, dat het streed om in het hedendaagsche kosmopolitische Rome niet te verdwijnen.

Maar hoe Pierre ook van den eenen prelaat naar den anderen liep, hoe hij omging met priesters en kerken bezocht, hij kon zich aan dezen eeredienst, aan deze Romeinsche vroomheid, die hem verwonderde, wanneer zij hem niet wondde in het diepst van zijn ziel, niet wennen. Toen hij op een regenachtige Zondagochtend de S. Maria Maggiore binnenging, meende hij zich in een wachtkamer te bevinden, weliswaar van een ongehoorden rijkdom met haar zuilen en zoldering als van een tempel, met den weelderigen baldakijn van haar pauselijk altaar, met het schitterend marmer van zijn confessie en vooral met haar Borghesische kapel, waarin God echter niet scheen te wonen. In het middenschip was geen stoel of geen bank te zien; het was een voortdurend komen en gaan van geloovigen als in een station, terwijl zij met hun slijkschoenen den kostbaren mozaïekvloer nat maakten; mannen en vrouwen zaten vermoeid op de voetstukken van de zuilen, zooals men ze in het groote gedrang op perrons op de aankomst van treinen ziet wachten.

Voor deze in het voorbijgaan binnengekomen, rondloopende, voornamelijk uit kleine luiden bestaande menigte las een priester een stille mis, achter in een zijkapel, waarvoor zich een lange, smalle rij gevormd had, die denken deed aan de queue voor een schouwburgloket. Bij de elevatie bogen allen zich met een vroom gebaar, dan verstrooide zich de menigte, de mis was afgeloopen. Overal, zoowel in de S. Paolo als in de S. Giovanni di Laterano, zoowel in alle oude basilica's als in de St. Pieter zelf was hetzelfde te zien: de menigte was gehaast, hield er niet van te zitten, bracht God, behalve op groote receptiedagen, slechts korte, familiare bezoeken. Slechts in de Jezuïetenkerk woonde hij op een anderen Zondagochtend een hoogmis bij, die hem denken deed aan de vrome menigten uit het Noorden: daar zag men banken en vrouwen, die zaten, daar heerschte een menschelijke warmte onder den luxe der met goud, beeldhouwwerk en schilderwerk overladen gewelven, die een wondermooi vaalrooden tint bezaten, sedert de tijd den barokken, al te fellen stijl wat verzacht had. Maar hoeveel ledige kerken waren er zelfs onder de oudste en eerwaardigste! In de S. Clemente, in de S. Agnese, in de S. Cuore di Gerusalemme zag men tijdens de godsdienstoefeningen slechts enkele menschen uit de buurt!

Vierhonderd kerken te vullen was zelfs voor Rome te veel; verscheidene waren er, die slechts op bepaalde feestdagen bezocht werden; vele openden haar deuren slechts éénmaal per jaar, op den naamdag van haar Heilige. Andere leefden van de gelukkige omstandigheid, dat zij een fetisch, een afgodsbeeld bezaten, dat het menschelijk lijden verzachtte: de Aracoeli had een kleinen wonderdoenden Jezus "Il Bambino", die de zieke kinderen genas; de S. Agostino had een "Madonna del Parto", de Maagd, die zwangeren gelukkig verloste. Andere waren beroemd om haar wijwater, de olie van haar lampen, de macht van een houten heilige of een marmeren madonna. Andere schenen verwaarloosd, werden alleen bezocht door touristen, overgeleverd aan den kleinhandel van kosters, deden denken aan musea, die door doode goden bevolkt zijn. Nog andere waren storend, zooals de in het Pantheon ondergebrachte Santa Maria Rolanda, een ronde zaal, die op een circus gelijkt, en waarin de Heilige Maagd blijkbaar de huurster van den Olympus is.

Ook had Pierre zich geïnteresseerd voor de kerken in de volkswijken: de S. Onofrio, de S. Cecilia, de S. Maria in Trastevere, zonder daarin echter het verwachte levende geloof, de gehoopte groote menigte te vinden. Op een middag hoorde hij in deze laatste, volkomen ledige kerk de zangers met een luide stem te midden van deze woestijn een litanie zingen. Toen hij een andermaal de S. Crisogono binnentrad, vond hij de kerk, blijkbaar voor een den volgenden dag plaats hebbend feest, geheel bekleed: de zuilen met overtrekken van rood damast, de portieken met afwisselend gele en blauwe, witte en roode draperieën en gordijnen. Hij vluchtte voor deze afschuwelijke decoratie, die denken deed aan het klatergoud van kermissen. O, wat was hij ver verwijderd van de kathedralen, waarin hij in zijn jeugd geloofd en gebeden had! Overal vond hij dezelfde kerk terug, de oude, antieke basilica, die door Bernini en zijn leerlingen pasklaar gemaakt was voor den smaak van het Rome der achttiende eeuw.

In de S. Luigi de' Francesi, die een helderen, elegant-soberen stijl heeft, werd hij slechts ontroerd door de groote dooden, de heiligen en helden, die in vreemde aarde onder de vloertegels sliepen. Daar hij Gotiek zocht, ging hij ten slotte naar de Santa Maria sopra Minerva, die, naar men hem verteld had, het eenige staal van Gotische kunst te Rome was. Maar deze met marmer overdekte halfzuilen, deze spitsbogen, die zich niet durfden opheffen, verstikt als zij werden in de zoldering, die zich rondende, tot de zware majesteit van een dom veroordeelde gewelven, vormden voor hem een laatste teleurstelling. Neen, neen! Het geloof, waarvan de warme asch hier nog lag, was niet meer hetzelfde, welks gloed de geheele Christenheid tot in de verste uithoeken had doen branden. Monsignor Fornaro, dien hij toevallig bij het verlaten van de S. Maria sopra Minerva zag, schold tegen de Gotiek, die hij zuivere haeresie noemde. De eerste Christelijke kerk was de uit den tempel ontstane basilica; het was een godslastering, wanneer men de werkelijke, Christelijke kerk zag in de Gotische kathedraal, want de Gotiek was niets meer dan de vloekwaardige Angelsaksische geest, het oproerige genie van Luther.

Pierre wilde den prelaat een heftig antwoord geven; dan zweeg hij uit vrees te veel te zullen zeggen. Was het in werkelijkheid niet het beslissende bewijs, dat het Katholicisme de vrucht van den Romeinschen bodem zelf was, het door het Christendom gemetamorphoseerde heidendom? Elders heeft datzelfde Christendom zich in een geheel anderen geest ontwikkeld, zoodat het in opstand gekomen is en zich op den dag van het schisma tegen de moederstad gekeerd heeft. Die afscheiding nam steeds grootere uitbreiding aan en in de evolutie der nieuwe maatschappijen teekenen zich ondanks de wanhopige pogingen om eenheid te verkrijgen, de geschillen steeds duidelijker af, zoodat het schisma nogmaals onvermijdelijk en nabij schijnt. Pierre, het vroeger zoo vrome en sentimenteele kind, had nog een anderen wrok tegen de basilica's: haar ontbraken de klokken, de mooie, groote klokken, die aan de nederigen zoo lief zijn. Voor klokken zijn klokkentorens noodig, en er zijn in Rome geen klokkentorens, slechts dommen. O, er viel niet aan te twijfelen, Rome was de luidklinkende en klokkenluidende stad van Jezus niet, waaruit het gebed in welluidende klankgolven tusschen de zwevende zwermen kraaien en zwaluwen hemelwaarts steeg.

Toch bleef Pierre, aangegrepen door een heimelijke geprikkeldheid, die hem in zijn verzet stijfde, zijn bezoeken voortzetten; hij hield de belofte, die hij bij zichzelf gedaan had, en ging, ondanks de wonden, die zijn ziel er door geslagen werden, naar alle kardinalen der Indexcongregatie. En langzamerhand kwam hij ook met andere congregaties in aanraking, met de ministeries van de vroegere pauselijke regeering, welke heden ten dage minder talrijk zijn, maar nog steeds een buitengewoon gecompliceerd raderwerk bezitten, die ieder een kardinaal tot voorzitter, kardinalen tot leden hebben, vergaderingen houden en een groote menigte ambtenaren in dienst hebben. Hij moest meermalen naar de Cancellaria gaan, waarin zich de Indexcongregatie bevindt, en verdwaalde daar in het reusachtige labyrinth van trappen, gangen en zalen; dadelijk bij de zuilengaanderij van het binnenplein greep hem de ijzige rilling der oude muren aan; hij kon dat paleis, het meesterwerk van Bramante, het zuivere type der Romeinsche Renaissance, dat een zoo kale en kille schoonheid bezat, niet liefhebben.

De congregatie der Propaganda, waar kardinaal Sarno hem ontvangen had, kende hij reeds en op zijn talrijke bezoeken, op die jacht naar invloedrijke beschermers, waarbij hij van den een naar den ander gezonden werd, leerde hij ook de congregatie der bisschoppen en ordegeestelijken, de riten- en de Conciliecongregatie kennen. Zelfs zag hij vluchtig de consistoriecongregatie, de Dateria, het Heilige Boetgericht. Het was het reusachtige mechanisme van de administratie der Kerk. De geheele wereld moet beheerscht, de veroveringen uitgebreid, de zaken der veroverde landen bestuurd, de geloofs-, zeden- en personenquaesties beoordeeld, delicten onderzocht en gestraft, dispensaties verleend en gunsten verkocht worden. Men kan zich het reusachtige aantal zaken, die iederen ochtend op het Vaticaan inkomen, niet voorstellen. Het zijn de ernstigste, teerste, ingewikkeldste vragen, welker oplossing tot tallooze onderzoekingen en studies aanleiding geeft. De groote menigte van uit alle deelen der Christenheid saamgestroomde en Rome verstoppende bezoekers, al die verzoekschriften, al die dossiers, welker vloed zich in alle bureaux verspreidde en opstapelde, moesten natuurlijk beantwoord worden.

Wonderbaarlijk was de groote stilte, waarin dat reusachtige werk verricht werd; geen geluid drong tot de straat door; uit de gerechtshoven, de parlementen, de fabrieken, waarin men heiligen maakte, weerklonk zelfs niet het sidderen van het werk, het mechanisme was zóó goed geolied, dat het ondanks het roest der eeuwen, de groote en onherstelbare afslijting, functionneerde, zonder dat men vermoedde, dat het daar achter die muren aan het werk was.

Lag hierin niet de geheele politiek der Kerk? Zwijgen, zoo weinig mogelijk schrijven, afwachten! Maar hoe wonderbaarlijk was dit zoo oude en toch nog zoo machtige mechanisme! En hoe was Pierre zich bewust, dat hij te midden van die congregaties gevangen was in het ijzeren net van de meest onbeperkte macht, die men ooit georganiseerd heeft om de menschheid te beheerschen!

Hij kon scheuren en gaten en een hoogen ouderdom, die op een naderend einde wees, constateeren, dat nam niet weg, dat hij zichzelf niet meer toebehoorde, sedert hij er zich in gewaagd had: hij werd gegrepen, gekneusd, meegetrokken in dit onontwarbare net, in dit eindelooze labyrinth van invloeden en intriges, van ijdelheden en omkooperijen, van corruptie en eerzucht, van ellende en grootheid. Hoe ver was hij van het Rome, dat hij gedroomd had! Welk een toorn maakte zich meermalen van hem meester in zijn moeheid en zijn begeerte om zich te verdedigen!

Plotseling ging voor Pierre een licht op omtrent de dingen, die hij tot nog toe nooit begrepen had. Op een dag, dat hij weer naar de Propaganda gegaan was, sprak kardinaal Sarno op een zoo koud-woedenden toon over de Vrijmetselarij, dat hij alles in een helder licht zag. Tot dusverre had hij moeten glimlachen om de Vrijmetselarij; hij geloofde er even weinig aan als aan de Jezuïeten, hij vond de belachelijke verhalen, die er de rondte over deden, kinderachtig, verwees die geheimzinnige mannen, die in het donker werkten en wier geheime, onberekenbare macht de wereld regeeren zou, naar het rijk der legenden. Vooral verwonderde hij zich over den blinden haat, die sommige menschen bijna krankzinnig maakte, zoodra het woord vrijmetselaar op hun lippen kwam; een prelaat, en dat nog wel een van de meest intelligenten en de meest ontwikkelden, had hem met den grootsten ernst verzekerd, dat iedere vrijmetselaarsloge minstens éénmaal per jaar gepresideerd werd door den duivel in hoogst eigen persoon. Een eenvoudig menschenverstand stond daarbij stil. Doch nu begreep hij de rivaliteit, den verwoeden strijd van de Roomsch-Katholieke Kerk tegen de andere, haar vijandige Kerk. De eerste mocht zich de overwinnaresse wanen, zij voelde toch in de andere een concurrente, een zeer oude vijandin, die zelfs beweerde nog ouder te zijn dan zij en wier overwinning altijd mogelijk bleef.

De botsing kwam voornamelijk voort uit het feit, dat de beide secten hetzelfde eerzuchtige streven naar de wereldheerschappij, dezelfde internationale organisatie, hetzelfde net, dat over de volkeren geworpen werd, mysteriën, dogma's en riten bezaten. God tegen God, geloof tegen geloof, verovering tegen verovering. Op die wijze hinderden zij elkaar, zooals twee concurreerenden, aan beide kanten van een straat opgerichte magazijnen, en de een moest ten slotte de ander dooden. Maar al scheen het hem toe, alsof het Katholicisme wankelde en met ondergang bedreigd werd, toch bleef hij ook sceptisch gestemd ten opzichte van de macht der Vrijmetselarij. Hij had gevraagd en een onderzoek ingesteld, om zich rekenschap te geven van het werkelijk bestaan dezer macht in dit Rome, waar de beide hoogste machten tegenover elkander stonden, waar de grootmeester troonde tegenover den paus.

Men had hem wel verteld, dat de laatste Romeinsche prinsen zich genoodzaakt voelden vrijmetselaars te worden, om hun leven niet al te zwaar te maken, hun toch al moeilijke positie niet te verergeren, de toekomst van hun zoons niet te bederven. Maar gaven zij daarbij niet alleen toe aan de onweerstaanbare macht der hedendaagsche sociale evolutie? Zou de Vrijmetselarij ook niet ondergaan in haar eigen triomf, den triomf der denkbeelden van gerechtigheid, waarheid en rede, die zij zoo lang te midden van de duisternis en de gewelddaden der geschiedenis verdedigd had? Het was een vaststaand feit, dat de zege van een idee de secte, die haar propageert, doodt en het apparaat, waarmede zij zich omgeven heeft, om de phantasie te treffen, nutteloos en eenigszins wonderlijk maakt. Het carbonarisme heeft de verovering der politieke vrijheden, die het eischte, niet kunnen overleven, en den dag, waarop de Katholieke Kerk, na haar beschavingswerk volbracht te hebben, ineenstort, zal óók de andere Kerk, de Vrijmetselaarskerk verdwijnen, daar haar bevrijdingstaak dan afgeloopen is. Thans zou de beroemde almacht der loges een armzalig, eveneens door tradities belemmerd, door een belachelijk ceremonieel bedorven veroveringswerktuig zijn, niets meer dan een band van onderlinge verstandhouding en hulpverleening, indien de sterke adem der wetenschap de volkeren niet wegrukte en medehielp aan de vernietiging van verouderde godsdiensten.

Uitgeput door zooveel bezoeken en noodelooze stappen, kreeg Pierre, niettegenstaande hij als de soldaat van een hoop, die niet aan de nederlaag gelooven wil, hardnekkig erbij bleef Rome niet te verlaten zonder tot het einde toe gestreden te hebben, weer angst. Hij had alle kardinalen bezocht, wier invloed hem van eenig nut kon zijn. Hij had den vicaris-generaal bezocht, die het diocees Rome bestuurde, een ontwikkeld man, die met hem over Horatius gesproken had, een politiek warhoofd, dat hem gevraagd had naar Frankrijk, naar de Republiek, naar de oorlogs- en marinebudgetten, zonder zich in het minst te bekommeren over het vervolgde boek. Hij had den groot-penitentiarius bezocht, den kardinaal, dien hij eenmaal vluchtig in den palazzo Boccanera gezien had, een mageren ouden man met een uitgeteerd ascetengezicht, van wien hij een lang verwijt en strenge woorden tegen de jonge priesters, die, door den geest der eeuw bedorven, vloekwaardige boeken schreven, te hooren kreeg. Ten slotte had hij in het Vaticaan den kardinaal-secretaris bezocht, in zekeren zin den minister van Buitenlandsche Zaken van Zijne Heiligheid, de groote macht van den Heiligen Stoel, van wien men hem tot dusverre verwijderd gehouden had door hem bang te maken voor de gevolgen van een ongelukkig uitvallend bezoek.

Hij had zich verontschuldigd, dat hij zich nu eerst tot hem wendde, en den beminlijksten man tegenover zich gevonden, die door een diplomatieke welwillendheid zijn eenigszins ruw uiterlijk optreden verzachtte, hem verzocht te gaan zitten, hem belangstellend uitvroeg, naar hem luisterde, hem moed insprak zelfs. Maar toen hij weer op het Sint Pietersplein stond, had hij heel goed begrepen, dat zijn zaak geen stap verder was gekomen en dat, wanneer het hem nog eens gelukken zou de deur van den paus te forceeren, dit zeker niet door toedoen van den kardinaal-secretaris geschieden zou. Dien avond keerde hij overspannen en overprikkeld, gebroken door de vele bezoeken aan zooveel menschen, naar de Via Giulia terug, zóó wanhopig, dat hij zich langzamerhand heelemaal door die machine met haar honderden raderen meegesleept voelde worden, dat hij zich met schrik afvroeg, wat hij den volgenden dag moest doen, daar hem niets meer overbleef dan gek te worden.

Toevallig ontmoette hij don Vigilio in een gang; hij wilde hem even raadplegen, nog een goeden raad van hem vragen. Maar deze legde hem met een ongerust gebaar, zonder dat hij wist waarom, het zwijgen op. Hij had weer zijn gewone angstoogen en fluisterde hem in:

"Hebt u monsignor Nani gesproken? Neen?... Ga dan naar hem toe, ga dan naar hem toe, ik zeg u nogmaals, dat u niets anders te doen hebt."

Hij gaf toe. Waarom nog te weigeren? Afgezien van den hartstocht van vurige naastenliefde, die hem tot verdediging van zijn boek hierheen gevoerd had, was hij toch ook voor proefnemingen te Rome. Hij moest tot het einde toe volharden.

Den volgenden ochtend bevond hij zich te vroeg onder de zuilengang van de St. Pieter en moest dus vrij lang wachten. Nog nooit had hij de ontzaglijkheid van deze vier zuilenrijen, van dit woud van gigantische steenen stammen, waarin echter niemand wandelt, zoo sterk gevoeld. Het is een indrukwekkende, sombere woestijn. Men vraagt zich af waartoe een zoo majestueuse zuilengaanderij dient. Ongetwijfeld slechts voor de majesteit alleen, voor de pracht der decoratie; en ook daarin ligt weer Rome. Dan ging hij door de Via del S. Offizio en kwam bij den achter de sacristie gelegen palazzo del S. Offizio. Het is een eenzame wijk, welker stilte slechts zelden gestoord wordt door den stap van een voetganger of het rollen van een wagen. De zon, die haar schuine stralen op het wit geworden plaveisel werpt, is het eenige levende hier. Men ruikt er de nabijheid van de basilica, den geur van den wierook, den kloostervrede in den sluimer der eeuwen. Op een hoek staat de palazzo del S. Offizio drukkend en angstaanjagend kaal: een hooge, gele gevel, die slechts door een enkele rij ramen verbroken wordt, terwijl de andere gevel, die op het zijstraatje uitziet, met zijn kleine vensters--kijkgaatjes met bijna ondoorzichtige raampjes, er nog verdachter uitziet. Deze geweldige, modderkleurige, naar buiten bijna vensterlooze en als een gevangenis afgesloten een geheimzinnige kubus van metselwerk, schijnt in het verblindende zonlicht te slapen.

Een rilling, waarom hij dadelijk glimlachte als om een kinderachtigheid, doorhuiverde hem. De heilige, Romeinsche, algemeene Inquisitie, de heilige Congregatie van den S. Offizio, zooals men haar thans noemde, was niet meer die, waarvan de legende vertelt, de leverancier van brandstapels, het geheime gerecht, waartegen geen hooger beroep bestaat, dat recht had over de geheele menschheid de doodstraf uit te spreken. Toch bewaarde zij nog steeds het geheim van haar taak, kwam zij iederen Woensdag bijeen, oordeelde en veroordeelde, zonder dat er iets naar buiten van doordrong. Maar ook al bleef zij doorgaan de misdaad der haeresie te straffen, ook al bepaalde zij zich er niet alleen toe werken, maar ook menschen te treffen, toch bezat zij geen wapenen meer, geen kerker, geen zwaard en vuur; zij was beperkt tot protesteeren en kon zelfs den haren, den geestelijken, niets anders dan disciplinaire straffen opleggen.

Toen hij in den salon van monsignor Nani, die in zijn qualiteit van assessor in dit paleis woonde, gelaten werd, voelde Pierre een blijde verrassing. Het was een groot, op het Zuiden gelegen, door een vroolijk zonlicht overstroomd vertrek: er heerschte ondanks de stijve meubelen en de donkere kleur van het behang een heerlijke zachtheid, als had er een vrouw geleefd, die het wonder verrichtte iets van haar bekoorlijkheid in al die strenge dingen te leggen. Er waren geen bloemen en toch rook het er heerlijk.

Monsignor Nani met zijn blozend gezicht, de blauwe, levendige oogen en zijn blond, eenigszins grijzend haar, kwam hem met uitgestoken handen en glimlachend tegemoet.

"O mijn waarde zoon, hoe aardig van u, om me te komen opzoeken... Ga zitten en laten we als twee vrienden praten."

En onmiddellijk begon hij met blijkbaar groote belangstelling te vragen:

"En hoe staat het met uw zaak? Vertel me eens precies wat u gedaan hebt!"

En Pierre, ondanks de vertrouwelijke mededeeling van don Vigilio getroffen door de sympathie, die hij meende te voelen, biechtte alles zonder iets weg te laten. Hij vertelde van zijn bezoeken aan kardinaal Sarno, aan monsignor Fornaro, aan pater Dangelis, zijn stappen bij de invloedrijke kardinalen, bij alle kardinalen van den Index, bij den groot-penitentiarius, den kardinaal-vicaris en den kardinaal-secretaris, weidde uit over zijn eindelooze tochten van den een tot den ander door den geheelen clerus van Rome, door alle congregaties, door dezen reusachtigen, drukken en stillen bijenkorf, waardoor zijn beenen moede, zijn ledematen gebroken, zijn hersens stomp geworden waren.

Maar Monsignor, die met verrukking naar hem scheen te luisteren, riep bij iedere lijdensstatie van dezen calvariënberg:

"Maar dat is prachtig, het kan niet mooier. Uw zaak marcheert uitstekend. Wondermooi staat zij ervoor!"

Hij jubelde, zonder eenige ongepaste ironie te doen blijken. Slechts zijn doordringende blik doorboorde den jongen priester, om te zien of hij hem eindelijk tot dat punt van gehoorzaamheid gebracht had, waarop hij hem wilde hebben. Was hij moe genoeg, had hij genoeg teleurstellingen ondervonden, wist hij voldoende hoe de toestanden in werkelijkheid waren, om tot de slotacte te kunnen overgaan? Waren drie maanden te Rome voldoende geweest, om van den overdreven dweper van de eerste dagen iemand te maken, die zijn verstand gebruikte of ten minste zich bij het onvermijdelijke neerlegde?

Plotseling vroeg monsignor Nani hem:

"Maar gij spreekt in het geheel niet over Zijne Eminentie, kardinaal Sanguinetti."

"Zijne Eminentie is naar Frascati, ik heb hem niet kunnen spreken."

Dan hief de prelaat, alsof hij met het heimelijke genot van een diplomaat de ontknooping nog wat uit wilde stellen, zijn kleine, mollige handen naar den hemel op op de ongeruste manier van iemand, die alles verloren waant, en riep uit:

"O, maar ge moet Zijne Eminentie spreken, ge moet Zijne Eminentie spreken. Dat is absoluut noodzakelijk. Bedenk toch eens, de praefect der Congregatie! Wij zullen niet kunnen handelen voor na uw bezoek, want u hebt niemand gesproken, als u hem niet gesproken hebt... Ga naar Frascati, mijn zoon."

Pierre kon niet anders dan den raad opvolgen.

"Ik zal gaan, monsignor."

ELFDE HOOFDSTUK

Hoewel Pierre wist, dat hij zich niet voor elf uur bij kardinaal Sanguinetti kon laten aandienen, was hij toch met een vroegen trein gegaan en stapte reeds om negen uur aan het station Frascati uit. Reeds was hij er op een van zijn dagen van gedwongen nietsdoen geweest en had het klassieke uitstapje naar de Romeinsche Kasteelen gemaakt, die van Frascati naar Rocca di Papa en van Rocca di Papa naar Monte Cave loopen. Hij was er verrukt over geweest en verheugde zich thans reeds bij voorbaat op een kalmeerende wandeling van een paar uur op de dichtstbijzijnde heuvels van de Albaansche bergen, waarop Frascati tusschen riet, olijfboomen en wijngaarden gebouwd is. Het beheerscht de uitgestrekte rosachtige zee van de Campagna als van de hoogte van een voorgebergte, tot aan het in de verte liggende Rome, dat op een afstand van zes mijlen wit schittert als een eiland van marmer.

O, dit op zijn groenen ronden heuvel liggende Frascati aan den voet van de dichtbegroeide hoogten van Tusculum, met zijn beroemd terras, vanwaar men het mooiste uitzicht der wereld heeft, met zijn oude patriciërsvilla's met de trotsche, elegante Renaissancegevels en prachtige, altijd groene, met cypressen, pijnboomen en eiken beplante tuinen! Het was een heerlijkheid, een oogenlust, een betoovering, die hij nooit moede zou worden. In verrukking over alles dwaalde hij reeds meer dan een uur langs de met oude, knoestige olijfboomen omzoomde wegen, langs de door groote boomen van de naburige tuinen beschaduwde straten, langs de geurige voetpaden, aan het einde waarvan bij iederen bocht de Campagna zich in het oneindige uitstrekte, toen hij een onverwachte ontmoeting had, die hem in den beginne hinderde.

Hij was weer naar het lager gelegen station gegaan, dat gebouwd was op een plek, waar vroeger wijngaarden stonden en zich in de laatste jaren een geheele nieuwe wijk ontwikkeld had. Tot zijn groote verbazing zag hij een mooie, met twee paarden bespannen victoria, die uit de richting van Rome kwam, naast zich stilhouden en hoorde hij zich bij zijn naam roepen.

"Wat, mijnheer de abbé, al zoo vroeg op de wandeling hier?"

Nu herkende hij graaf Prada, die, na uitgestapt te zijn, het rijtuig verder liet rijden en de twee- of driehonderd meter naast den jongen priester te voet aflegde. Na een hartelijken handdruk zeide hij:

"Ja, ik kom zelden met den trein, ik prefereer een rijtuig. Dat geeft tevens mijn paarden wat beweging... Zooals u weet, heb ik hier zaken, een heele bouwgeschiedenis, die ongelukkig niet erg marcheert. Daarom ben ik ondanks het ver gevorderde seizoen verplicht hier meer te komen dan mij lief is."

Pierre kende inderdaad die geschiedenis. De Boccanera's hadden hun prachtige villa, die een van hun voorvaderen, ook een kardinaal, hier in de tweede helft der zestiende eeuw naar een ontwerp van Giacomo della Porta had laten bouwen, moeten verkoopen. Het was een koninklijk zomerverblijf met groote, schaduwrijke boomen, priëelen, fonteinen, bassins en een wereldberoemd terras, dat als een kaap uitstak boven de Campagna romana, welker onmetelijke vlakte zich van de Sabijnsche bergen tot aan de kust der Middellandsche Zee uitstrekt. Bij de boedelscheiding kreeg Benedetta van haar moeder de groote wijngaarden bij Frascati; zij had die als bruidsschat voor Prada medegebracht juist op het oogenblik, dat de bouwmanie van Rome naar de provincies oversloeg. Prada was toen op het denkbeeld gekomen hier een groote wijk burgerlijke villa's neer te zetten naar het model van die, welke men in de banlieue van Parijs zooveel vindt. Doch er hadden zich maar weinig koopers aangemeld, de financieele krach was er bovendien tusschen gekomen, en zoo moest hij deze onfortuinlijke onderneming liquideeren, nadat hij dadelijk bij hun scheiding zijn vrouw schadeloos gesteld had.

"En bovendien," ging hij voort, "met een rijtuig kan je komen en gaan, wanneer je wilt, terwijl je een slaaf van het spoorboekje bent. Zoo heb ik vanochtend een conferentie met aannemers, deskundigen en advocaten, en ik weet niet hoe lang die duren zal... Een prachtige streek, niet waar? Ja, we kunnen er trotsch op zijn. En al heb ik op het oogenblik minder aangename zaken, dat neemt niet weg, dat ik hier niet komen kan, zonder dat mijn hart van vreugde klopt."

Wat hij echter niet vertelde, was dat Lisbeth Kauffmann, zijn vriendin, zooals hij haar noemde, den zomer doorgebracht had in een der nieuwe villa's, waarin zij haar atelier had ingericht, dat bezocht werd door de geheele vreemdelingenkolonie, die dank zij haar vroolijkheid en haar schilderkunst, welke juist voldoende was, om haar onafhankelijk te maken, haar dubbelzinnige positie na den dood van haar man duldde. Zelfs haar zwangerschap nam men haar niet kwalijk. Veertien dagen geleden was zij naar Rome teruggegaan, om daar van een dikken jongen te bevallen, wiens komst de praatjes over de naderende scheiding van Benedetta en Prada in de zwarte en witte salons weer aangewakkerd had. De liefde van dezen laatste voor Frascati was ongetwijfeld grootendeels een gevolg van zijn teedere herinneringen en de groote trotsche vreugde, welke deze geboorte van een zoon hem gaf.

Pierre, die in zijn instinctieven haat tegen hebzuchtige geldmenschen, in Prada's tegenwoordigheid steeds een zekere verlegenheid voelde, wilde toch zijn vriendelijkheid beantwoorden en vroeg hem naar zijn vader, den ouden Orlando, den held van de verovering.

"O, afgezien van zijn beenen, maakt hij het uitstekend. Hij wordt zeker honderd jaar. Die arme vader! Ik had hem zoo graag dezen zomer in een van die kleine villa's willen hebben. Maar hij wil niet, hij weigert hardnekkig Rome te verlaten, alsof hij bang is, dat ze het hem in zijn afwezigheid zullen ontnemen."

Hij barstte in een helderen lach uit en maakte zich alleen vroolijk met die grap over den heldhaftigen, uit de mode geraakten tijd der onafhankelijkheid. Dan voegde hij eraan toe:

"Gisteren sprak hij nog over u, mijnheer de abbé. Het verwonderde hem, dat u hem nog niet eens was komen opzoeken."

Dat verdriette Pierre, want hij had voor Orlando een eerbiedige liefde opgevat. Tweemaal was hij na zijn eerste bezoek nog bij hem geweest, en beide malen had de oude man geweigerd over Rome te spreken, zoolang zijn jonge vriend niet alles gezien, alles doorvoeld, alles begrepen had. Later, wanneer zij beiden tot een conclusie zouden kunnen komen, zou het pas tijd daarvoor zijn.

"Zeg hem als het u blieft, dat ik hem niet vergeet, en dat ik, wanneer ik met mijn bezoek wat wacht, ik dat alleen doe, om hem tevreden te stellen. Maar ik zal niet vertrekken, zonder hem te komen zeggen, hoe ik door zijn ontvangst getroffen ben."

Beiden liepen langzaam den zwak stijgenden weg op tusschen enkele nieuwe villa's, waarvan verscheidene nog niet afgebouwd waren. Toen Prada hoorde, dat de priester naar Frascati gekomen was, om een bezoek te brengen aan kardinaal Sanguinetti, begon hij weer te lachen--zijn vriendelijk wolfslachje, dat zijn witte tanden liet zien.

"Dat is zoo, hij is hier, sedert de paus ziek is... Nu, u zult hem in een aardig opgewonden toestand vinden."

"Hoe zoo?"

"Omdat de berichten over de gezondheid van den Heiligen Vader alles behalve goed zijn van ochtend. Toen ik uit Rome ging, liep het gerucht, dat hij een heel slechten nacht gehad had."

Hij was bij een kromming van den weg blijven staan, voor een oude kapel, een klein kerkje, dat eenzaam en triest aan den rand van een olijfboschje stond. Vlak daarbij bevond zich een vervallen gebouwtje, ongetwijfeld de vroegere pastorie, waaruit een groote, knokige priester met een plomp, aardkleurig gezicht kwam, die, voor hij verder ging, de deur op het nachtslot draaide.

"Kijk!" spotte de graaf, "dat is er een, wiens hart even hard kloppen moet. Hij gaat nu ongetwijfeld bij uw kardinaal informeeren."

Verbaasd had Pierre den priester aangekeken.

"Ik ken hem," zeide hij. "Als ik mij niet vergis, heb ik hem den ochtend van mijn aankomst bij kardinaal Boccanera gezien, aan wien hij een mand vijgen bracht, toen hij hem om goede getuigen vroeg voor zijn jongeren broeder, die door het toebrengen van een messteek, geloof ik, in de gevangenis gekomen was. Maar de kardinaal heeft geweigerd zoo'n bewijs af te geven."

"Hij is het, daar behoeft u niet aan te twijfelen, want hij kwam vroeger veel in den palazzo Boccanera, waar zijn broer tuinman geweest is. Maar tegenwoordig is hij de protégé van kardinaal Sanguinetti... Een merkwaardige figuur, die Santobono, zooals u ze in Frankrijk niet veel hebben zult. Hij woont heelemaal alleen in dat instortende gebouwtje en is pastoor van die heel oude kapel S. Maria dei Campi, waar men geen driemaal per jaar de mis komt hooren. Ja, een echte sinecure, die hem met zijn duizend francs salaris in staat stelt als een philosophische boer te leven en den vrij grooten tuin, die u daar tusschen die hooge muren ziet, te bebouwen."

Inderdaad liep de ingesloten ruimte achter de pastorie om, aan alle kanten goed afgesloten, als een toevluchtsoord, waarin zelfs geen blik mocht doordringen. Boven den linkermuur uit zag men een prachtigen, reusachtigen vijgeboom, welks hoog loof zich zwart tegen den helderen hemel afteekende.

Onder het loopen vertelde Prada verder over Santobono, die hem blijkbaar zeer interesseerde. Een patriotisch priester, een Garibaldiaan. In Nemi, een nog woest gebleven hoek van de Albaansche bergen, uit het volk geboren, voelde hij zich ook nu nog aan de aarde verwant; maar hij had gestudeerd en wist genoeg van de geschiedenis, om de grootheid van Rome te kennen en van een herstel van het Romeinsche Rijk ten voordeele van het jonge Italië te droomen. Hij geloofde vast en zeker, dat slechts een groote paus dien droom zou kunnen verwezenlijken door zich van de macht meester te maken en dan alle andere volkeren te veroveren. Wat was eenvoudiger, daar de paus immers over millioenen Katholieken beschikte?

Was de helft van Europa niet van hem? Frankrijk, Spanje en Oostenrijk zouden toegeven, zoodra zij zagen dat hij machtig was en de wereld de wetten voorschreef. Duitschland en Engeland en alle Protestantsche naties zouden onvermijdelijk veroverd worden, daar het pausdom de eenige dam is, dien men tegen de dwaling kon oprichten en waartegen deze zich eenmaal te pletter zou loopen. Desniettemin had hij zich op politiek gebied voor Duitschland verklaard, want hij meende, dat Frankrijk verpletterd moest worden, om zich in de armen van den Heiligen Vader te werpen. Zoo botsten in dit warhoofd, waarin de gedachten brandden, en door de aangeboren ruwheid van het ras gauw tot geweld overgingen, al die tegenstrijdige ideeën en dolzinnige phantasieën tegen elkaar. Hij was een barbaar uit het Evangelie, een vriend van de nederigen en armen, een lid van de familie van die geëxalteerde sectarissen, die tot groote deugden en tot groote misdaden in staat zijn.

"Ja," ging Prada voort, "hij heeft zich nu met hart en ziel aan kardinaal Sanguinetti gegeven, omdat hij in dezen den grooten paus, den paus van morgen zag, die van Rome de eenige hoofdstad van alle volken moet maken. En ook dat gaat natuurlijk met een eerzuchtige bedoeling gepaard, misschien kan hij bijvoorbeeld den titel van kanunnik veroveren of zich bij de kleine onaangenaamheden, die het leven nu eenmaal medebrengt, laten helpen, zooals wanneer hij zijn broeder uit de gevangenis redden moet. Men zet zijn kans op een kardinaal, zooals men op een terno [22] in een loterij zet; als de kardinaal er als paus uitkomt, win je een fortuin... Daarom ziet u hem daar met zulke groote passen loopen, hij wil zoo gauw mogelijk weten of Leo XIII sterven en zijn terno met Sanguinetti als paus eruit komen zal..."

"Gelooft u werkelijk, dat de paus zoo ziek is?" vroeg Pierre ongerust.

"Wie kan dat zeggen?" antwoordde de graaf glimlachend. "Zij zijn allemaal ziek, wanneer ze daar belang bij hebben. Maar ik geloof wel, dat hij ziek is, een ingewandsstoring zegt men, en op zijn leeftijd kan de minste ziekte noodlottig worden."

Zwijgend liepen zij eenige passen verder; dan vroeg Pierre weer:

"Zou dan, wanneer de Heilige Stoel vacant mocht worden, kardinaal Sanguinetti groote kans hebben?"

"Groote kans! Groote kans! Dat is ook weer een van die dingen, die niemand weet. Waar is, dat hij tot de mogelijke candidaten behoort; en wanneer het verlangen om paus te worden voldoende was, dan zou Sanguinetti zeker de toekomstige paus zijn, want de eerzucht verteert hem tot op zijn beenderen. Het is zelfs zijn groote zwakheid, want hij raakt uitgeput en hij voelt dat. Hij moet dan ook voor de laatste dagen van den strijd tot alles besloten zijn. U kunt er zeker van zijn, dat, wanneer hij zich op dit kritieke oogenblik hier teruggetrokken heeft, hij dat alleen doet, om van verre beter den strijd te leiden."

En hij weidde verder uit over Sanguinetti, voor wien hij om zijn intriges, zijn grimmigen veroveringslust en zijn buitengewoon groote activiteit een zekere sympathie koesterde. Hij had hem na zijn terugkeer van de nuntiatuur te Weenen leeren kennen als iemand, die buitengewoon ervaren en toen reeds vast besloten was de hand op de tiara te leggen. Deze eerzucht verklaarde alles, zijn oneenigheden en zijn verzoeningen met den regeerenden paus, zijn liefde voor Duitschland, die door een plotselinge zwenking naar Frankrijk gevolgd werd, zijn wisselende houding ten opzichte van Italië: eerst het verlangen naar een goede verstandhouding, dan een volmaakte intransigentie, waarbij hij van geen concessie wilde hooren, zoolang Rome niet ontruimd was. Daaraan scheen hij te willen blijven vasthouden, want hij deed, alsof hij de politiek van Leo XIII betreurde en een gloeiende bewondering koesterde voor Pius IX, den grooten, heldhaftigen paus van het verzet, wiens goed hart een onwankelbare vastheid van wil niet buitensloot. Dat moet beteekenen, dat hij in de Kerk, die van geen gevaarlijk, politiek schipperen mocht weten, de gulle eenvoudigheid zonder zwakheid zou herstellen. Toch droomde hij in den grond der zaak van niets dan politiek, hij moest al een heel programma opgemaakt hebben, dat hij opzettelijk vaag hield, maar dat door zijn beschermelingen en protégés met een soort mysterieuse extase verspreid werd.

Sedert een vorige ongesteldheid van den paus, die reeds van het voorjaar dateerde, leefde hij in een doodelijke ongerustheid, want het gerucht ging, dat de Jezuïeten, hoewel kardinaal Boccanera volstrekt niet op hun hand was, er zich bij neergelegd hadden dezen te steunen. Ongetwijfeld was deze laatste overdreven en gevaarlijk vroom in deze eeuw van verdraagzaamheid; maar behoorde hij niet tot het patriciaat, zou zijn verkiezing niet een teeken zijn, dat het pausdom nooit af zou zien van de wereldlijke macht? Van dat oogenblik af was Boccanera in de oogen van Sanguinetti de meest te duchten man geworden; hij leefde bijna niet meer, voelde zich reeds beroofd, bracht zijn tijd met niets anders door dan met het zoeken naar combinaties, om zich van dien almachtigen tegenstander te ontdoen. Hij ontzag zich niet de lasterpraatjes te verspreiden, dat kardinaal Boccanera Benedetta en Dario één bed liet deelen, hield niet op hem af te schilderen als den Antichrist, wiens regeering de vernietiging van het pausdom ten gevolge zou hebben.

Zijn laatste combinatie, om zich den steun der Jezuïeten te verzekeren, was, dat hij door zijn vrienden liet uitbazuinen, dat hij niet alleen het principe van de wereldlijke macht zou hooghouden, maar dat hij zich verbond die macht weer te heroveren. Hij had daarvoor al een heel plan, dat men elkaar in het oor fluisterde--een ondanks enkele schijnbare concessies tot een zekere overwinning leidend, in zijn resultaten verpletterend plan: hij wilde den Katholieken niet langer verbieden te stemmen en candidaten te zijn, naar de Kamer honderd, dan tweehonderd, eindelijk driehonderd leden zenden, vervolgens de monarchie van Savoye van den troon stooten, om een soort reusachtige federatie der Italiaansche provincies te vormen, waarvan de alsdan weer in het bezit van Rome gekomen paus de verheven en souvereine voorzitter worden zou.

Toen Prada met zijn verhaal gereed was, begon hij weer te lachen, terwijl hij zijn witte tanden liet zien, die er al heel weinig uitzagen, om een buit los te laten.

"U ziet, dat wij ons goed verdedigen moeten, want hij wil er ons uitwerpen. Gelukkig bestaan er nog hinderpalen voor dergelijke dingen. Maar zulke phantasieën hebben toch altijd een grooten invloed op sommige overspannen geesten zooals op dien van Santobono bijvoorbeeld. Dit is er een, dien Sanguinetti zou kunnen brengen waar hij wil... Hij heeft goede beenen. Kijk eens naar boven. Hij is al bij het kleine paleis van den kardinaal, die heele witte villa met gebeeldhouwde balkons."

Inderdaad zag men het kleine paleis, een der eerste huizen van Frascati, een modern gebouw in Renaissance-stijl, dat uitzag op de uitgestrekte vlakte der Campagna romana.

Het was elf uur en toen Pierre afscheid nam van den graaf, om zelf zijn opwachting te gaan maken bij den kardinaal, hield de graaf de hand van den jongen priester een oogenblik in de zijne.

"Als u mij een genoegen wilt doen, dan moet u met mij dejeuneeren... Wilt u? Kom dan, zoodra u vrij bent, in het restaurant daar met dien rozen gevel. Binnen een uur ben ik klaar met mijn zaken en ik zou het prettig vinden, als ik niet alleen behoefde te dejeuneeren."

Eerst weigerde Pierre, maar hij kon geen enkel geldig excuus vinden, zoodat hij eindelijk moest toegeven, ondanks zichzelf door de vriendelijke manieren van Prada ingepalmd. Pierre behoefde slechts een straat door te loopen, om bij het paleis van den kardinaal te komen. Deze was altijd makkelijk te naderen, deels uit een behoefte om zich te uiten, deels uit berekening, omdat hij gaarne den populairen man uit wilde hangen. Vooral te Frascati gingen de deuren wijd open, zelfs voor de eenvoudigste soutane. De jonge priester werd dan ook dadelijk toegelaten; hij was over die ontvangst een weinig verbaasd, daar hij zich nog den slecht geluimden knecht te Rome herinnerde, die hem de reis afgeraden had, daar Zijne Eminentie er niet van hield gestoord te worden, wanneer hij ziek was. Maar in werkelijkheid was er geen sprake van ziekte, want alles in die vriendelijke, door zon overstroomde villa glimlachte en glansde. De wachtkamer, waarin men hem alleen gelaten had, was met afschuwlijk rood fluweelen meubelen voorzien en zonder eenige luxe of comfort; maar zij werd opgevroolijkt door het mooiste licht der wereld en zag uit op die buitengewone, zoo kale en vlakke Campagna, die in de voortdurende luchtspiegeling van het verleden een onvergelijkelijke droomschoonheid bezat. Hij ging dan ook, in afwachting, dat hij bij den kardinaal toegelaten zou worden, voor een der wijd openstaande en op het balkon uitkomende ramen staan kijken naar de eindelooze zee van weiden tot aan het in de verte wit schemerende Rome, waarboven de dom van de St. Pieter als een kleine fonkelende vlek, niet grooter dan de nagel van een pink, uitstak.

Hij stond er nauwlijks, toen enkele woorden van een gesprek, dat blijkbaar in de nabijheid gevoerd werd, duidelijk tot hem doordrongen. Hij boog zich wat voorover en begreep al heel gauw, dat het Zijne Eminentie zelf was, die op een balkon er naast met een priester, van wiens soutane hij slechts een stukje zag, stond te praten. Maar hij had onmiddellijk Santobono herkend. Zijn eerste opwelling was zich uit discretie te verwijderen, doch dan bleef hij door de woorden, die hij opving, toch staan.

"Wij zullen het dadelijk hooren," zeide Zijne Eminentie met zijn brommende stem. "Ik heb Eufemio naar Rome gestuurd. Hij is de eenige, dien ik vertrouwen kan. Daar komt de trein al."

Inderdaad was op de uitgestrekte vlakte een trein te zien, klein nog als een stuk kinderspeelgoed. Blijkbaar was kardinaal Sanguinetti op het balkon gaan staan, om ernaar te kijken.

Santobono sprak hartstochtelijk eenige woorden, die Pierre slechts half verstaan kon. Maar onmiddellijk daarop ging de kardinaal duidelijk voort.

"Ja zeker, mijn waarde, een catastrophe zou een groot ongeluk zijn. Moge God Zijne Heiligheid nog lang voor ons sparen..."

Hij hield even op en voltooide dan, daar hij niet huichelen kon, zijn gedachte.

"Tenminste in dit oogenblik, want het is een slechte tijd. Ik leef in verschrikkelijken angst, want de aanhangers van den Antichrist hebben in den laatsten tijd veel terrein gewonnen."

Een kreet ontsnapte Santobono.

"O, Uwe Eminentie zal handelen, zal overwinnen!"

"Ik, mijn waarde? Maar wat wil je, dat ik doe? Ik stel mij slechts ter beschikking van mijn vrienden, van hen, die, alleen voor den triomf van den Heiligen Stoel, in mij gelooven. Zij moeten handelen, een ieder moet naar de krachten, die hem gegeven zijn, medewerken om den slechten den weg te versperren, zoodat de goeden overwinnen... O, als de Antichrist regeert..."

Dit ook nu weer terugkeerend woord "Antichrist" maakte Pierre ongerust. Plotseling herinnerde hij zich, wat de graaf hem gezegd had: de Antichrist was kardinaal Boccanera.

"Stel je voor, mijn waarde, de Antichrist op het Vaticaan! Hij zal met zijn onverzoenlijken trots, met zijn ijzeren wil, met zijn krankzinnigen zucht naar het Niet de verwoesting van den godsdienst voltooien; want er is geen twijfel mogelijk; hij is het door de profetieën voorspelde beest des doods, dat in zijn woesten loop naar de donkerte van den afgrond alles met zich dreigt te verslinden. Ik ken hem; hij heeft geen ander ideaal dan hardnekkig volhouden en vernietigen; hij zal de zuilen van den tempel omvatten en ze schudden en uit haar voegen rukken, om zich en het geheele Katholicisme daaronder te begraven. Ik geef hem geen zes maanden, dan is hij al uit Rome verjaagd, in onmin met alle volkeren, vervloekt door Italië, en sleept het wandelende spook van den laatsten paus door de wereld."

Een dof gebrom, een gesmoorde vloek van Santobono was het antwoord op deze vreeselijke voorspelling. Maar de trein was aan het station aangekomen, en onder de weinige reizigers, die uitstapte, zag Pierre een kleinen abbé, die zoo hard liep, dat zijn soutane tegen zijn kuiten sloeg. Het was abbé Eufemio, de secretaris van den kardinaal. Toen hij dezen op het balcon zag staan, liet hij alle voorzichtigheid varen en begon hij hard de hellende straat af te loopen.

"Ha, daar is Eufemio!" riep Zijne Eminentie bevend van angst uit. "Eindelijk zullen we het weten! Eindelijk zullen we het weten!"

De secretaris was zoo hard de trappen opgevlogen, dat Pierre hem bijna onmiddellijk daarna ademloos door de wachtkamer zag stormen en in het vertrek van den kardinaal verdwijnen. Deze had het balkon verlaten, om zijn boodschapper tegemoet te gaan; maar dadelijk kwam hij er onder drukke vragen en haastige antwoorden weer terug.

"Dus het is zoo, hij heeft een slechten nacht gehad. Zijne Heiligheid heeft geen oog dicht gedaan... Kolieken, zeggen ze? Maar dat kan op zijn leeftijd binnen twee uur den dood beteekenen... En wat zeggen de doktoren?"

Het antwoord drong niet tot Pierre door, maar hij kon het opmaken uit de woorden van den kardinaal:

"O, die doktoren weten nooit wat! Trouwens, wanneer zij niets meer zeggen willen, beteekent dit, dat de dood niet ver meer is... Lieve God, wat een ramp, wanneer de catastrophe niet enkele dagen uitgesteld kan worden!"

Hij zweeg en Pierre voelde, hoe de oogen van den kardinaal weer rustten op Rome, hoe hij met al zijn eerzuchtigen angst staarde naar den dom van de St. Pieter, de kleine, fonkelende plek, niet grooter dan de nagel van een pink, te midden van de eindelooze, rossige vlakte. Welk een onrust, welk een opwinding, als de paus dood was. Hij had niets liever gewild dan zijn arm uitstrekken, om de Eeuwige Stad, de Heilige Stad, die aan den horizont niet meer plaats innam dan een door een kinderschop neergegooide hoop kiezelzand, in de holte van zijn hand te nemen. Reeds droomde hij van het conclave, wanneer de troonhemels van de andere kardinalen zouden dalen en de zijne alleen, onbeweeglijk en majestueus hem met het purper zou kronen.

"Maar je hebt gelijk, mijn waarde," riep hij uit, "we moeten handelen, het is voor het heil van de Kerk... En bovendien, het is niet mogelijk, dat de hemel niet met ons is, die alleen zijn triomf willen. Als het moet, zal hij op het uiterste oogenblik den Antichrist weten te verpletteren."

Toen voor het eerst verstond Pierre duidelijk Santobono, die met een ruwe stem en woeste vastberadenheid zeide:

"O, als de hemel talmt, zullen wij hem helpen!"

Dat was alles; daarna hoorde hij niets meer dan een verward gemompel. Het balkon was leeg en Pierre begon weer te wachten in den zonnigen, kalmen en kostelijk-vroolijken salon. Plotseling ging de deur van de studeerkamer wijd open en diende een knecht hem aan. Tot zijn verwondering vond hij den kardinaal alleen, zonder dat hij de beide priesters had zien vertrekken: zij waren door een andere deur weggegaan.

In het heldere licht stond de kardinaal met zijn blozend gezicht, zijn grooten neus, zijn dikke lippen en zijn ondanks zijn zestig jaren jeugdig-flinke en krachtige gestalte bij een der ramen. Om zijn lippen speelde weer het vaderlijk glimlachje, waarmede hij uit politiek zelfs de meest eenvoudige menschen ontving. Zoodra Pierre gebogen en zijn ring gekust had, wees hij hem een stoel aan.

"Ga zitten, mijn zoon, ga zitten... Ja, ge komt voor die ongelukkige geschiedenis met uw boek. Ik ben heel blij daar eens met u over te kunnen praten."

Zelf was hij ook gaan zitten bij het op Rome uitziend raam, waarvan hij zich niet scheen te kunnen verwijderen. Toen de priester zich verontschuldigde, dat hij hem in zijn rust kwam storen, merkte hij op, dat de kardinaal nauwlijks naar hem luisterde, doch zijn blikken weer strak gericht hield op den zoo vurig begeerden buit. Toch behield hij den uiterlijken schijn, alsof hij een en al aandacht was, en Pierre was verwonderd over de wilskracht, die deze man moest hebben, om zoo kalm en belangstellend in de zaken van anderen te schijnen, terwijl zoo'n stormwind in hem loeide.

"Uwe Eminentie is dus wel zoo goed, mij niet kwalijk te nemen..."

"Integendeel, u hebt er heel goed aan gedaan hier te komen, nu mijn gezondheidstoestand mij vooreerst nog wel zal beletten naar Rome terug te gaan... Ik voel me al wat beter, en het is heel natuurlijk, dat u mij inlichtingen geven, uw boek verdedigen en mijn oordeel wat verhelderen wilt... Ik heb me er zelfs al over verwonderd, dat ik u niet eerder gezien heb, want ik weet, dat uw geloof krachtig is en dat u geen moeite ontziet, om uw rechters te bekeeren... Spreek, mijn zoon, ik luister naar u met al de vreugde, die het mij geven zou, als ik u vrij zou kunnen spreken."

Pierre liet zich door die welwillende woorden vangen. Een nieuwe hoop ontwaakte in hem, dat hij den almachtigen praefect van den Index voor zich zou kunnen winnen. Hij beschouwde dezen voormaligen nuntius, die eerst te Brussel en later te Weenen de wereldlijke kunst geleerd had menschen tevreden van zich te laten gaan, door hun alles te beloven, maar nooit iets te doen, reeds als hoogst intelligent en buitengewoon goedhartig. Nog eenmaal vond hij dan ook zijn apostelgeestdrift terug, om zijn denkbeelden over het Rome van morgen, het Rome van zijn droomen, dat opnieuw de meesteres der wereld worden zou, wanneer het tot het Christendom van Jezus, tot de vurige liefde voor armen en nederigen zou terugkeeren.

Sanguinetti glimlachte, schudde zacht zijn hoofd en riep verrukt uit:

"Heel goed, heel goed! Voortreffelijk!... Ik denk als gij, mijn waarde zoon. Meer kan ik niet zeggen... Maar u bent hier in gezelschap van alle goede geesten."

Bovendien werd hij zeer getroffen door den poëtischen kant der zaak, zooals hij zeide. Ongetwijfeld uit rivaliteit ging hij, evenals Leo XIII, graag voor een goed Latinist door; vooral voor Virgilius had hij een bijzondere liefde opgevat.

"Ik weet het, ik weet het... o, ik heb die passage over de terugkeerende lente, die de door den winter verstijfde armen komt troosten, wel driemaal gelezen. Weet u wel, dat uw boek vol Latijnsche wendingen is? Ik heb bij u meer dan vijftig uitdrukkingen genoteerd, die men in de Eclogae [23] zou terugvinden. Een bekoorlijk boek, werkelijk bekoorlijk!"

Daar hij allesbehalve dom was en heel goed voelde, dat er in dezen eenvoudigen priester een groot intellect stak, begon hij langzamerhand belang te stellen--niet in hem, maar in het voordeel, dat hij misschien uit hem zou kunnen trekken. In zijn intrigenwoede was de eenige gedachte, die hem steeds bezig hield, uit anderen, uit de creaturen, die God hem toezond, alles te halen, wat zij medebrachten, dat nuttig kon zijn voor zijn eigen triomf. Hij wendde een oogenblik zijn blikken van Rome af en keek zijn bezoeker aan, luisterde naar hem, terwijl hij zich afvroeg, waarvoor hij hem wel òf dadelijk, in de crisis, die hij nu doormaakte, òf later, wanneer hij paus zou zijn, zou kunnen gebruiken. Maar de priester beging nogmaals de fout een aanval te doen op de wereldlijke macht van de Kerk en de ongelukkige woorden: "nieuwe godsdienst" uit te spreken.

De nog altijd glimlachende kardinaal viel hem met een gebaar in de rede, zonder iets van zijn vriendelijkheid te verliezen, ofschoon zijn reeds lang genomen besluit thans onherroepelijk vast stond.

"Zeker, mijn zoon, gij hebt op verscheidene punten groot gelijk, en ik ben het in vele opzichten volkomen met u eens. Maar zie eens, gij weet blijkbaar niet, dat ik hier de beschermer van Lourdes ben. Hoe kunt u na de passage, die u over de Grot geschreven hebt, willen, dat ik mij voor u en tegen de Paters uitspreek?"

Pierre werd door dit feit, dat hij inderdaad niet wist, geheel terneergeslagen. Niemand had de voorzorg genomen hem daaromtrent in te lichten. Te Rome hebben alle Katholieke werken als beschermers een door den Heiligen Vader daarvoor aangewezen kardinaal, die het moet vertegenwoordigen en zoo noodig als verdediger daarvan optreden moet.

"Die goede Paters!" ging Sanguinetti op zachten toon voort; "u hebt hun veel verdriet gedaan. Werkelijk, onze handen zijn gebonden en wij kunnen hun kommer niet nog grooter maken... Als u eens wist hoeveel missen zij ons zenden! Zonder hen zou meer dan één van onze arme priesters van honger sterven."

Er bleef niets anders over dan zich erbij neer te leggen. Weer stootte Pierre op die geldquaestie, op die noodzakelijkheid, waarin de Heilige Stad zich bevond, om zijn budget in goede en slechte jaren te verzekeren. Altijd was het weer de slavernij van den paus, dien het verlies van Rome van de regeeringszorgen bevrijd had, maar de gedwongen dankbaarheid voor de ontvangen aalmoezen toch nog steeds aan de aarde bond. De behoeften waren zoo groot, dat het geld alles beheerschte, de souvereine macht was, waarvoor alles aan het Romeinsche Hof zich boog.

Sanguinetti stond op ten teeken, dat het onderhoud afgeloopen was.

"Maar wanhoop niet, mijn zoon," ging hij met warmte voort. "Ik heb alleen maar over mijn eigen stem te beschikken, maar ik beloof u, dat ik rekening houden zal met de uitmuntende toelichting, die ge mij gegeven hebt... En wie weet? Als God met u is, zal Hij u redden, zelfs tegen onzen wil!"

Dat was zijn gewone taktiek; hij had als principe de menschen nooit tot het uiterste te drijven door ze zonder eenige hoop weg te zenden. Waartoe diende het hem te zeggen, dat de veroordeeling van zijn boek een fait accompli was en dat het de verstandigste weg zijn zou het te verloochenen? Alleen een woesteling als die Boccanera blies de woede over deze vurige zielen en zette ze daardoor nog meer tot verzet aan.

"Blijf hopen, blijf hopen!" herhaalde hij glimlachend, terwijl hij den schijn aannam, alsof hij zinspeelde op een menigte gelukkige dingen, die hij echter niet zeggen kon.

Diep ontroerd, voelde Pierre zich als het ware herleven. Hij vergat zelfs het gesprek, dat hij afgeluisterd had, de grimmige eerzucht, de doffe woede tegen den gevreesden mededinger. En bovendien kon bij de machtigen de geest niet de plaats van het hart innemen? Indien deze eenmaal paus was en alles begrepen had, zou hij dan niet de verwachte paus kunnen zijn, die de taak op zich nam de Kerk der Vereenigde Staten van Europa, de geestelijke heerscheresse der wereld, te organiseeren? Hij dankte hem ontroerd, boog en liet hem voor dit wijdgeopende raam, vanwaar Rome hem uit de verte in den glans der herfstzon tegenflonkerde als een kostbaar kleinood, de tiara van goud en edelgesteenten, over aan zijn droomen.

Het was bijna één uur, toen Pierre en graaf Prada eindelijk konden gaan dejeuneeren aan een der kleine tafeltjes van het restaurant, waar zij elkaar rendez-vous gegeven hadden. Beiden hadden zich door hun zaken verlaat. Maar de graaf scheen zeer opgewekt te zijn, daar hij moeilijke quaesties tot zijn voordeel geregeld had, terwijl de priester zelf, weer door nieuwe hoop vervuld, zich geheel overgaf aan de kostelijke levensvreugde van dezen laatsten mooien dag. Het dejeuner in de groote, lichte, in blauwe en rose tinten geschilderde, in dezen tijd van het jaar geheel verlaten zaal, was dan ook buitengewoon opgewekt. Amortjes vlogen over de zoldering, landschappen, die uit de verte aan de Romeinsche Kasteelen deden denken, versierden de muren. Zij aten alleen koude schotels en dronken den beroemden Frascatiwijn, die een brandenden grondsmaak had, alsof de vroegere vulkanen iets van hun vuur in den bodem achtergelaten hadden.

Langen tijd liep het gesprek over de Albaansche bergen, welker woeste gratie de vlakke Campagna Romana als een lust voor de oogen beheerscht. Pierre, die het klassieke uitstapje van Frascati naar Nemi gemaakt had, was nog onder de bekoring daarvan en sprak er met geestdrift over. Eerst kwam de heerlijke, langs de heuvelhellingen dalende en rijzende, tusschen riet, olijfboomen en wijngaarden loopende weg van Frascati naar Albano, vanwaar af men voortdurend een prachtig uitzicht heeft op de eindeloosheid der Campagna. Links ligt wit het dorp Rocca di Papa amphitheatersgewijze op een ronden heuvel aan den voet van den door eeuwenoude groote boomen gekroonden Monte Cavo. Van af dat punt ziet men, als men zich weer omdraait in de richting van Frascati, hoog aan den rand van een pijnboombosch de ruïnen van Tusculum, groote rotsachtige ruïnes, door eeuwen van zon verbrand en vanwaar het onbegrensde uitzicht prachtig zijn moet. Vervolgens komt men door Marino met zijn groote, zacht hellende straat, zijn groote kerk, zijn oud, zwart geworden, half verweerd paleis der Colonna's. Dan, na een steeneikenbosch rijdt men langs het Albaansche meer, dat een schouwspel biedt, zooals men er weinig vindt: tegenover zich, aan de overzijde van de onbeweeglijke, als een spiegel zoo gladde wateren, de ruïnen van Alba Longa links de Monte Cavo met Rocca di Papa en Palazzola; rechts Castel-Gandolfo, als van de hoogte van een steile kust het meer beheerschend. In den uitgedoofden krater sliep, als op den grond van een reusachtige, groene schaal, het meer zwaar en dood; het geleek op een tafel van gesmolten metaal, die de zon aan de eene zijde met goud vlamde, terwijl de andere in de schaduw liggende zijde zwart was.

Nu liep de weg vrij steil op naar Castel-Gandolfo, dat als een witte vogel tusschen het meer en de zee op zijn rots zit en steeds, zelfs gedurende de warmste zomeruren, door een briesje verfrischt wordt. Vroeger was het beroemd door zijn pauselijke villa, waarin Pius IX gaarne de warme dagen doorbracht, maar waar Leo XIII nooit geweest is. Daarna daalde de weg, begonnen de steeneiken weer, om hun grootte beroemde steeneiken, een dubbele rij van kolossen, twee- en driehonderdjarige monsters met knoestige ledematen. Eindelijk kwam men bij Albano, een kleine, minder reine en minder gemoderniseerde stad dan Frascati, een hoekje grond, dat nog iets van den geur van zijn vroegere woestheid behouden heeft. Dan kwamen nog Arricia met het paleis Chigi, met bosschen bedekte heuvels en bruggen, die over beschaduwde afgronden geslagen zijn; Gonzano en eindelijk nog Nemi, het eene nog meer afgelegen en woester dan het ander, verloren gaande tusschen rotsen en boomen.

O, dit Nemi, welk een onuitwischbare herinnering had Pierre daaraan behouden! Dit Nemi aan den oever van zijn meer, dit uit de verte zoo mooie, zoo betooverende Nemi, dat oude legenden en in het groen der mysterieuse wateren ontstane feeënsteden voor den geest riep. Doch wanneer men het eindelijk betreedt, is het afstootend vuil, stort overal in en wordt nog door den Orsinitoren beheerscht als door een boozen geest van den ouden tijd, die daar woeste zeden, heftige hartstochten en messteken in stand schijnt te houden. Vandaar kwam die Santobono, wiens broeder een moord gepleegd had en in wien zelf een moorddadige vlam scheen te branden, terwijl zijn misdadigersoogen gloeiden als een kolenvuur. En het meer--dit meer, rond als een in dezen krater, deze schaal, gevallen uitgedoofde maan! Deze schaal zag er nog dieper en smaller uit dan het Albaansche meer en was met boomen van wonderbaarlijke kracht begroeid. Pijnboomen, olmen, wilgen loopen in een groenen stroom van elkaar verstikkende takken tot aan den oever. Deze ontzaglijke vruchtbaarheid spruit voort uit de voortdurende waterdampen, die zich hier onder de brandende inwerking van de zon, wier stralen zich in dit hol als in een smeltoven ophoopen, ontwikkelen.

Het is een vochtige, zware warmte; de lanen der omliggende tuinen zijn met groen mos overdekt; dichte nevels vullen dikwijls 's ochtends de reusachtige schaal met een witten damp als met een rookende heksenmelk van verdachte tooverkracht. Pierre herinnerde zich nog heel goed het onaangename gevoel, dat hem aangegrepen had bij het zien van het meer, waarin te midden van de bewonderenswaardige omgeving oude gruweldaden, een geheele geheimzinnige godsdienst met afschuwlijke gebruiken scheen te slapen. Hij had het bij het vallen van den avond in de schaduw van zijn gordel van bosschen gezien als een dof zwarte en zilveren metalen plaat, en dit heldere, maar zoo diepe water, dit verlaten water zonder een bark, dit doode, verheven, grafachtige water had in hem een onbeschrijflijke treurigheid, een doodelijke zwaarmoedigheid achtergelaten.

Het was de vertwijfeling der groote, eenzame bronstigheid, wanneer aarde en wateren door de stomme smart der kiemen in angstwekkende vruchtbaarheid opzwellen. O, die donkere, wegzinkende oevers, dat droefgeestige, zwarte meer, dat daar onder in de diepte rust!

Graaf Prada begon te lachen om dien indruk.

"Ja, ja, het is zoo, het Nemimeer is niet alle dagen vroolijk. Ik heb het bij somber weer gezien; het was loodkleurig, en zelfs de sterke zonnestralen kunnen er geen leven in brengen. Wat mij betreft, ik weet, dat ik van verveling zou sterven, wanneer ik tegenover dat kale water zou moeten leven. Maar het heeft een groote aantrekkingskracht voor dichters en romantische vrouwen, voor haar, die groote hartstochtelijke liefdes met tragische ontknoopingen aanbidden."

Toen zij van tafel opgestaan waren, om op het terras een kop koffie te drinken, kwam het gesprek op een ander terrein.

"Gaat u vanavond naar de receptie van prins Buongiovanni?" vroeg de graaf. "Dat zal voor een vreemdeling een interessant schouwspel zijn en ik zou u aanraden het niet te verzuimen."

"Ja, ik heb een uitnoodiging," antwoordde Pierre. "Een van mijn vrienden, mijnheer Narcisse Habert, attaché aan ons gezantschap, heeft mij die bezorgd en zal er met mij heengaan."

Inderdaad zou dien avond in den palazzo Buongiovanni op den Corso een groot feest gegeven worden, een van die galafeesten, zooals die slechts twee of driemaal per jaar plaats vinden. Er werd verteld, dat dit in pracht en praal alles overtreffen zou, want het werd gegeven ter eere van de verloving van Celia, het kleine prinsesje. Plotseling had de prins, zoo ging het gerucht, na eerst zijn dochter geslagen en zelf in een hevigen aanval van woede bijna een beroerte gekregen te hebben, toegegeven tegenover de kalme en zachte hardnekkigheid van het jonge meisje en toegestemd in haar huwlijk met luitenant Attilio, den zoon van minister Sacco; alle salons van Rome, zoowel de zwarte als de witte, waren er vol van.

Weer werd graaf Prada vroolijk.

"U zult iets schitterends zien, dat verzeker ik u. Ik ben erg blij voor mijn besten neef Attilio; hij is heusch een fatsoenlijke en charmante jongen. Voor geen geld ter wereld zou ik de entree van mijn waarden oom Sacco, die eindelijk de portefeuille van Landbouw gekregen heeft, in de oude salons der Buongiovanni's willen missen. Dat zal werkelijk iets buitengewoons zijn. Vanochtend heeft mijn vader, die alles ernstig opneemt, mij gezegd, dat hij er den heelen nacht niet van heeft kunnen slapen."

Hij hield op, om dadelijk weer verder te gaan:

"Luister eens, het is al half drie; u kunt geen trein krijgen voor vijf uur. Weet u wat u doen moest? Met mij naar Rome terugrijden!"

Maar Pierre wilde daar niet van hooren.

"Neen, neen, duizendmaal dank! Ik zou met mijn vriend Narcisse dineeren en mag niet te laat komen."

"U zult niet te laat komen, integendeel! Wij rijden om drie uur af, dan zijn we voor vijven in Rome... Het is een prachtige rit met zonsondergang en ik verzeker u, dat die vandaag schitterend zal zijn."

Hij drong zóó aan, dat de priester, door zooveel vriendelijkheid gewonnen, het voorstel wel moest aannemen. Zij praatten nog een uurtje gezellig over Rome, Italië en Frankrijk en liepen intusschen Frascati, waar de graaf nog een aannemer spreken wilde, even in. Toen het drie uur sloeg, reden zij eindelijk weg, naast elkaar zacht gewiegd op de kussens van de victoria, die in lichten draf door de twee paarden voortgetrokken werd. Inderdaad was deze terugrit naar Rome door de onmetelijke, kale Campagna onder den eindeloozen helderen hemel op dezen prachtigen herfstnamiddag verrukkelijk.

Maar eerst moest de victoria in vollen draf tusschen wijngaarden en olijfboomboschjes de hellingen van Frascati afrijden. De bestrate weg kronkelde sterk en was heel stil: nauwlijks zag men hier en daar een boer met een vilten hoed, een witten muilezel, een met een ezel bespannen karretje; alleen 's Zondags was het vol in de kroegen en kwamen de handwerkslieden in de landhuisjes van den omtrek rustig hun geitenvleesch eten. Bij een kromming van den weg kwamen zij langs een monumentale fontein. Een groote kudde schapen belette de victoria een oogenblik verder te rijden. Op den achtergrond van de zachte golvingen der reusachtige rosachtige Campagna lag steeds het verre Rome in de violette avondnevels en scheen langzamerhand naar mate de victoria lager kwam, weg te zinken. Er kwam een oogenblik, dat het nog slechts een met den horizont evenwijdige, dunne, grijze streep vormde, die nauwlijks even wit gevlekt werd door de door de zon beschenen gevels. Dan verdween het in den grond, verdronk onder de deining der eindelooze velden.

De victoria rolde nu door de vlakte en liet de Albaansche bergen achter zich, terwijl rechts en links en vooruit de zee van prairiën en stoppels begon. Dan boog de graaf zich wat voorover en riep:

"Kijk, daar loopt onze man van vanochtend voor ons, Santobono in hoogst eigen persoon... Wat loopt die kerel, he? Mijn paarden zullen moeite hebben hem in te halen!"

Op zijn beurt boog Pierre zich nu uit de victoria. Het was inderdaad de pastoor van S. Maria del Campi in zijn lange zwarte soutane, groot en knokig en grof gebouwd. In het fijne licht der blonde zon vormde hij een harde inktvlek. Aan zijn rechterarm hing iets; een voorwerp, dat zij moeilijk onderscheiden konden.

Toen het rijtuig hem eindelijk ingehaald had, liet Prada den koetsier wat langzamer rijden, en knoopte een gesprek met den abbé aan.

"Dag, abbé! Hoe gaat het?"

"Heel goed, mijnheer de graaf. Dank u duizendmaal!"

"Waar loopt u zoo dapper naar toe?"

"Naar Rome, mijnheer de graaf!"

"Wat, zoo laat nog naar Rome?"

"O, ik ben er bijna even gauw als u. Ik zie niet op tegen een eindje loopen, en je spaart op die manier het reisgeld uit."

Hij nam zijn passen wat grooter, zoodat hij het rijtuig bijhouden kon.

"Wacht, hij zal ons aangenaam bezig houden," fluisterde Prada, die pleizier had in de ontmoeting, Pierre in.

Dan luid:

"Als u naar Rome gaat, kunt u net zoo goed instappen. Er is nog een plaatsje voor u."

Santobono liet het zich geen tweemaal zeggen.

"Heel graag, dank u duizendmaal... Dan verslijt ik gelijk mijn schoenen niet."

Hij stapte in en ging op het klapbankje zitten, in een plotselinge opwelling van nederigheid de plaats, die Pierre hem beleefd naast den graaf aanbood, weigerend. Dezen hadden eindelijk in het voorwerp, dat hij droeg, een klein mandje met netjes naast elkaar gelegde en met bladeren bedekte vijgen herkend.

De paarden hadden den draf weer aangenomen en vlug rolde het rijtuig over den mooien, vlakken weg.

"Zoo, gaat u naar Rome?" vroeg de graaf weer, om den pastoor aan het praten te krijgen.

"Ja, ik ga Zijne Eerwaarde Eminentie, kardinaal Boccanera, deze vijgen, de laatste van het seizoen, brengen. Dat heb ik hem indertijd beloofd."

Hij had het mandje, dat hij als iets zeldzaams en breekbaars, voorzichtig tusschen zijn groote, knokige handen hield, op zijn knieën gezet.

"O, de beroemde vijgen van uw vijgeboom! Dat is waar, zij zijn louter honig. Maar houd die mand toch niet op uw knieën. Geef maar hier, dan zet ik ze zoo lang in de kap."

Maar hij verdedigde ze, wilde er absoluut niet van scheiden.

"Duizendmaal dank, duizendmaal dank!... Die vijgen hinderen me heelemaal niet, zij staan hier heel goed; ik ben er tenminste nu zeker van, dat er niets mede gebeuren kan."

Prada, die Pierre met zijn schouder een stootje gaf, had veel pleizier in dezen hartstocht van Santobono voor de vruchten van zijn tuin. Weer vroeg hij:

"En houdt de kardinaal veel van uw vijgen?"

"Ja, mijnheer de graaf, Zijne Eminentie is wel zoo goed ze heerlijk te vinden. Toen hij vroeger 's zomers in Frascati logeerde, wilde hij ze van geen anderen boom eten. U begrijpt wel, dat ik, nu ik eenmaal zijn smaak ken, hem graag een pleizier doe."

Maar hij had een zoo scherpen blik op Pierre geworpen, dat de graaf zich verplicht gevoelde ze aan elkaar voor te stellen.

"Mijnheer de abbé Froment logeert al een maand in den palazzo Boccanera."

"Ik weet het, ik weet het!" zeide Santobono met de grootste kalmte. "Ik heb den abbé bij Zijne Eminentie gezien, toen ik de vorige maal vijgen bracht. Maar toen waren zij niet zoo rijp. Deze zijn prachtig."

Hij wierp een liefdevollen blik op het mandje, dat hij nog steviger in zijn groote, met rosachtig haar bedekte vingers scheen te drukken. Er volgde een stilte. Dan vroeg, zonder eenigen overgang, heel plotseling Prada:

"En is de paus al dood, mijnheer de pastoor?"

Santobono schrok zelfs niet.

"Ik hoop, dat Zijne Heiligheid nog vele dagen tot heil der Kerk leven zal," zeide hij eenvoudig.

"Dan hebt u vanochtend zeker goede berichten gehoord bij uw bisschop, kardinaal Sanguinetti?"

Ditmaal kon de pastoor een lichte rilling niet onderdrukken. Had men hem dan gezien? In zijn haast had hij 's ochtends de twee wandelaars, die achter hem geloopen hadden, niet eens opgemerkt.

"O," antwoordde hij, zich dadelijk herstellend, "we weten nooit precies of de berichten goed of slecht zijn... Het schijnt, dat Zijne Heiligheid een vrij slechten nacht heeft gehad, en ik hoop vurig, dat de volgende beter zijn zal."

Hij scheen even na te denken en voegde er dan aan toe:

"Maar mocht God het oogenblik gekomen achten om Zijne Heiligheid tot zich te roepen, dan zou Hij zijn kudde niet zonder herder achterlaten, maar reeds den pontifex maximus van morgen aangewezen hebben."

Dit antwoord scheen Prada nog vroolijker te maken.

"U bent buitengewoon naïef, abbé... Gelooft u heusch, dat de pausen zoo door Gods genade ontstaan? De paus van morgen wordt boven benoemd, niet waar? En nou wacht hij heel kalm af! Ik voor mij dacht, dat ook de menschen zich er wel eens mede bemoeiden... Maar misschien weet u reeds wie de door de goddelijke genade vooruit gekozen paus is!"

Hij ging met zijn goedkoope, ongeloovige grappen voort, die echter den priester volkomen kalm deden blijven. Hij begon zelfs te lachen, toen de graaf hem met een toespeling op den hartstocht, waarmede het speelzieke volk van Rome bij ieder conclave op den waarschijnlijk gekozene wedde, zeide, dat er voor hem een fortuin mede te winnen zou zijn, als hij het geheim van God kende. Dan spraken zij over de drie witte soutanes van verschillende grootte, die steeds in een kast van het Vaticaan hingen: zou men ditmaal de groote, de kleine of de middelste moeten gebruiken? Bij de minste ernstige ziekte van den regeerenden paus ontstond er een hevige opwinding, een opleven van alle eerzuchten, alle intriges, zoodat niet alleen in de zwarte kringen, maar in de geheele stad over niets anders gesproken, over niets anders gedacht werd dan over de kansen der kardinalen, die het meest in aanmerking kwamen. Aan voorspellingen omtrent den opvolger geen gebrek!

"Nu u het weet, moet u mij beslist zeggen, wie het is!" begon Prada weer. "Is het kardinaal Moretta soms?"

Ondanks zijn blijkbaren wil, om waardig en onpartijdig te blijven, zooals het een goed en vroom priester betaamt, wond Santobono zich langzamerhand op en liet hij zich door zijn hartstocht medesleepen. Dit uitvragen deed hem heelemaal zijn kalmte verliezen; hij kon zich niet meer inhouden.

"Moretta, kom nou. Die is aan heel Europa verkocht!"

"Kardinaal Bartolini dan?"

"Hoe komt u er bij?... Bartolini! Die heeft zijn geheele leven niets anders gedaan dan willen en nooit iets krijgen!"

"Dan zeker kardinaal Dozio?"

"Dozio! Dozio! Wanneer Dozio paus werd, zou het met onze Heilige Kerk gedaan zijn, want er bestaat geen lagere en hoogere geest dan hij!"

Prada haalde zijn schouders op, alsof hij nu geen ernstige candidaten meer kende. Hij schepte er een boosaardig genoegen in om kardinaal Sanguinetti, ongetwijfeld den candidaat van den pastoor, niet te noemen, om dezen nog meer op te winden. Dan scheen hij plotseling het ware getroffen te hebben en riep vroolijk:

"Ha, nu ben ik er achter. Ik weet uw man... Kardinaal Boccanera!"

Santobono was midden in zijn hart, in zijn wrok, in zijn patriotisch geloof getroffen. Reeds ging zijn vreeselijke mond open en wilde hij een krachtig: "Neen, neen!" roepen, maar het gelukte hem nog juist dien kreet in te houden; zwijgend hield hij op zijn knieën zijn geschenk, het kleine mandje vijgen, dat zijn handen tot brekens toe drukten; de krachtsinspanning, die hij zich getroosten moest, deed hem zóó beven, dat hij even wachten moest, voor hij kalm antwoorden kon:

"Zijne eerwaarde Eminentie kardinaal Boccanera is een vroom man, die den troon zeker waardig is; alleen zou ik bang zijn, dat hij in zijn haat tegen ons nieuw Italië een oorlog zou brengen."

Maar Prada wilde de wonde nog erger maken.

"Maar dezen aanvaardt u tenminste toch! U houdt te veel van hem, om u niet over zijn kansen te verheugen. Ik geloof, dat we ditmaal dicht bij de waarheid zijn, want iedereen is overtuigd, dat het conclave geen anderen benoemen kan... Hij is heel lang, dus zal de groote witte soutane dienst moeten doen."

"De groote soutane, de groote soutane," bromde Santobono onwillekeurig, "wanneer ten minste niet..."

Hij voltooide zijn zin niet, was zijn hartstocht weer meester. Pierre, die zwijgend luisterde, was ten hoogste verwonderd, want hij herinnerde zich het gesprek, dat hij bij kardinaal Sanguinetti afgeluisterd had. Blijkbaar waren de vijgen slechts een voorwendsel, om in den palazzo Boccanera te komen, waar een vertrouwde, abbé Paparelli ongetwijfeld, alleen zekere inlichtingen geven kon aan zijn ouden kameraad. Maar welk een zelfbeheersching bezat deze geëxalteerde!

De Campagna bleef aan beide zijden van den weg haar grasvlakten tot in het oneindige voortzetten; Prada, die ernstig geworden was en blijkbaar in gepeins was verzonken, keek ernaar, zonder echter iets te zien. Hardop zette hij zijn gepeins voort.

"Ik weet natuurlijk, wat men zeggen zal, als hij ditmaal sterft... Die plotselinge ongesteldheid, die kolieken, dat geheimzinnige zwijgen... Ja, zeker, vergif, net als bij alle anderen."

Pierre schrok heftig. De paus vergiftigd!

"Wat, vergif? Alweer?" riep hij uit.

Ontzet keek hij de twee anderen aan. Vergif als in de tijden der Borgia's, zooals in een romantisch drama! Het leek hem afschuwlijk en belachelijk tegelijk!

Santobono, wiens gezicht onbeweeglijk en ondoordringbaar geworden was, antwoordde niet. Maar Prada schudde zijn hoofd en het gesprek ging nu nog slechts tusschen hem en den jongen priester.

"Ja zeker, weer vergif... Te Rome is de vrees daarvoor nog steeds groot gebleven. Zoodra er voor een sterfgeval geen natuurlijke verklaring te geven is, zoodra dat wat plotseling of onder tragische omstandigheden plaats grijpt, is altijd de eerste gedachte, roept iedereen altijd eerst: "Vergif!" Voeg daarbij, dat er, voor zoover ik weet, geen enkele stad bestaat, waar zooveel plotselinge sterfgevallen voorkomen--waarom dat weet ik niet, koorts zegt men... Ja zeker, het vergif met zijn geheele legende, het vergif, dat doodt als een bliksemstraal en geen spoor achterlaat, het beroemde recept, dat van eeuw tot eeuw overgeleverd is--vanaf de keizers en de pausen tot in onze democratische dagen..."

Toch glimlachte hij ten slotte zelf een weinig skeptisch over dezen heimelijken, uit ras en opvoeding voortvloeienden angst. De Romeinsche matronen wisten zich indertijd door het vergif van een rooden pad te bevrijden van haar echtgenooten of minnaars. Locusta [24] was praktischer en kookte een vergif van planten, waarschijnlijk den wolfswortel. Na de Borgia's verkocht Toffana te Napels in met het beeld van den Heiligen Nicolaas van Bari versierde fleschjes een beroemd water, waarvan het hoofdbestanddeel ongetwijfeld arsenicum was. Er liepen verhalen omtrent naalden met plotseling doodende steken, omtrent een beker wijn, dien men vergiftigde door er een roos in te ontbladeren, omtrent een snip, die met een geprepareerd mes in tweeën gesneden werd en waarvan de vergiftigde helft een der beide dischgenooten doodde.

"Ik zelf heb in mijn jeugd een vriend gehad, wiens bruid op haar huwlijksdag in de kerk dood neergevallen is, alleen omdat zij aan een bouquet rook... Waarom zouden we dan niet gelooven, dat het beroemde recept werkelijk overgeleverd en aan eenige ingewijden bekend gebleven is."

"Omdat de scheikunde te groote vorderingen gemaakt heeft," antwoordde Pierre. "De ouden geloofden alleen aan mysterieuse giffen, omdat zij alle middelen voor analyse misten. Tegenwoordig zou het vergif der Borgia's den onnoozele, die er zich van zou willen bedienen, regelrecht naar de rechtbank brengen. Het zijn allemaal bakerpraatjes en zelfs de eenvoudigste menschen dulden ze bijna niet meer in feuilletons."

"Wat mij betreft," zeide de graaf met een verlegen glimlachje, "wil ik graag toegeven, dat u gelijk hebt. Maar zeg datzelfde bijvoorbeeld eens aan uw gastheer, kardinaal Boccanera, die een ouden, hartelijk geliefden vriend van hem, monsignor Gallo, in zijn armen gehouden heeft, toen hij verleden jaar binnen twee uren stierf."

"Een beroerte kan in twee uur doodelijk zijn, een slagadergezwel zelfs in twee minuten."

"Dat is zoo, maar vraag hem eens, wat hij bij de lange rillingen, het loodkleurige gelaat, de holle oogen, het door angst vertrokken gelaat, waarin hij zijn vriend niet meer herkende, gedacht heeft. Hij is er ten volle van overtuigd, dat monsignor Gallo vergiftigd is, omdat hij zijn vertrouweling was, zijn raadsman, wiens verstandige adviezen de overwinning waarborgden."

Pierre's verbazing werd steeds grooter. Hij wendde zich direct tot Santobono, wiens irriteerende onbeweeglijkheid hem prikkelde.

Geen spier van den priester bewoog. Hij hield zijn dikke, heftige lippen dicht op elkaar geklemd en wendde zijn donkere, vlammende oogen geen oogenblik af van Prada, die steeds meer voorbeelden gaf. En monsignor Nazzarelli dan, dien men verschrompeld en verkalkt als een stuk kool in zijn bed gevonden had. En monsignor Brando, die onder den Vesper in de sacristie, toen hij zijn priesterornaat nog aan had, dood tegen den grond geslagen was?

"Ach, lieve God!" zuchtte Pierre, "u zult mij nog zooveel vertellen, dat ik ook bang word en niets anders dan zacht gekookte eieren in uw verschrikkelijk Rome zal durven eten!"

Deze boutade wekte den graaf en hem even op. Maar waarlijk door hun gesprek rees een verschrikkelijk Rome voor hem op--de eeuwige stad van de misdaad, van den dolk en van het gif, de stad, waarin sedert meer dan twee duizend jaar, sedert den eersten steen van den muur, de begeerte naar macht, de woeste bezit- en genotzucht de handen gewapend, de straten met bloed gekleurd en slachtoffers in den Tiber of in de aarde geworpen had. Moorden en vergiftigingen onder de keizers, vergiftigingen en moorden onder de pausen--dezelfde vloed van gruwelen stuwde de dooden in de verheven glorie der zon over dezen tragischen bodem voort.

"Hoe het zij," begon de graaf weer, "voorzichtig zijn kan nooit kwaad. Men zegt, dat meer dan één kardinaal beeft en wantrouwen koestert. Ik ken er een, die niets anders eet dan vleesch, dat zijn kok koopt en klaar maakt. En wanneer de paus bang is..."

Weer ontsnapte Pierre een kreet van schrik.

"Wat, de paus zelfs? Is de paus bang voor vergif?"

"Zeker, mijn waarde abbé, men zegt het tenminste. Er zijn zeker dagen, waarop hij zich in de eerste plaats bedreigd waant. Weet u niet, dat in Rome het oude geloof heerscht, dat een paus niet te oud mag worden en men hem, wanneer hij met alle geweld niet op tijd sterven wil, daarbij wat helpt? Zoodra een paus kindsch wordt en door zijn ouderdomszwakte een hinderpaal, ja zelfs een gevaar wordt voor de Kerk, is zijn plaats in den hemel. Maar alles gaat heel kalm in zijn werk; de minste verkoudheid is een goed voorwendsel, dat hij niet langer op den troon van den Heiligen Petrus zit."

Hij gaf er nog interessante bijzonderheden bij ten beste. Zoo zeide men, dat een prelaat, die den angst van Zijne Heiligheid wat wilde kalmeeren, een geheel stelsel van voorzorgsmaatregelen uitgedacht had, o. a. een klein, geheel afgesloten en gegrendeld wagentje voor de voor de pauselijke tafel bestemde levensmiddelen. Maar met dit wagentje is het bij het plan gebleven.

"En dan, je moet toch eenmaal sterven," besloot hij lachend, "vooral wanneer het voor het heil der Kerk is... Niet waar, abbé?"

Sedert een oogenblik had Santobono, nog steeds even onbeweeglijk, zijn blikken neergeslagen, als keek hij eindeloos naar het kleine mandje vijgen, dat hij even voorzichtig als een Heilig Sacrament op zijn knieën hield. Nu hij zoo direct in het gesprek betrokken werd, moest hij wel opkijken. Maar hij liet zijn diep zwijgen niet varen, knikte slechts toestemmend.

"Alleen God en niet het vergif doet de menschen sterven, niet waar abbé?... Men zegt, dat dat de laatste woorden van monsignor Gallo geweest zijn, toen hij in de armen van zijn vriend, kardinaal Boccanera, den laatsten adem uitblies."

Weer knikte Santobono zonder een woord te zeggen toestemmend. Alle drie vervielen in een zwijgend nadenken.

"Matteo," riep eindelijk Prada tegen zijn koetsier, "houd even stil bij de Osteria Romana."

Dan tot de beide priesters:

"Ik verzoek u mij even te excuseeren, ik wou even zien, of ik versche eieren voor mijn vader kan krijgen. Daar is hij zoo dol op."

Op de aangegeven plaats hield het rijtuig stil. Vlak aan den rand van den weg stond een soort primitieve herberg met den welluidenden en trotschen naam: Antica Osteria Romana. Het was een eenvoudige pleisterplaats voor karrenvoerders, waar zich alleen jagers waagden, die er een flesch witten wijn drinken en een ommelette met ham eten gingen. Toch kwam het kleine volk van Rome 's Zondags meermalen daarheen, om zich wat te vermaken. Maar door de week verliepen er in de reusachtige, kale campagna dagen, zonder dat er een levende ziel binnenkwam.

Reeds sprong de graaf lenig uit het rijtuig en zeide:

"Binnen een minuut ben ik weer terug."

De osteria bestond slechts uit een lang, laag gebouw van één verdieping, die men langs een uit groote steenen gemaakte en door de zon verbrande buitentrap bereiken kon. Het geheele gebouw was verweerd en had de kleur van oud goud. Op den rez-de-chaussée bevonden zich een gelagkamer, een remise, een stal en loodsen. Aan de eene zijde was naast een boschje piniepijnen--de eenige boom, die op dezen onvruchtbaren bodem groeit--een priëel, waaronder vijf of zes houten, met een bijl vierkant gehakte tafeltjes stonden. Daarachter verhief zich, als ware het de achtergrond van dit armzalige en droefgeestige brok leven, een brokstuk van een oude waterleiding, welker open en half ingevallen bogen het eenige was, dat de vlakke lijn van den grenzenloozen horizont doorsneed.

Maar de graaf kwam dadelijk terug.

"Zeg eens, abbé, ik mag u zeker wel een glas witten wijn offreeren! Ik weet, dat u zelf een beetje wijnbouwer bent, en hier is een wijntje, dat men kennen moet."

Santobono liet het zich geen tweemaal zeggen en stapte op zijn beurt uit.

"Ik ken het, ik ken het. Het is een Marinowijntje, dat op een nog magerder bodem verbouwd wordt dan bij ons in Frascati."

Toen hij zijn mandje vijgen mede wilde nemen, werd de graaf ongeduldig.

"Laat dat ding toch in het rijtuig staan. Wat hebt u daar hier mee noodig?"

De pastoor antwoordde niet, maar liep verder, terwijl Pierre, die graag zoo'n osteria, een van die volksherbergen, waarover hij zoo dikwijls had hooren praten, wilde zien, eveneens uitstapte.

Prada was er bekend. Dadelijk vertoonde zich een oude, groote uitgedroogde vrouw, ondanks haar armoedige rok een koninklijke verschijning. De laatste maal had zij een half dozijn versche eieren gevonden; ook nu zou zij kijken, zij kon echter niets beloven, want zij wist het nooit, de kippen legden nu hier, dan daar.

"Goed, goed, ga maar eens zoeken en laat in dien tusschentijd een flesch wijn brengen."

Alle drie gingen zij de gelagkamer binnen. Het was er reeds heelemaal donker. Hoewel het warme seizoen reeds voorbij was, hoorden zij op den drempel reeds het gegons van een zwerm vliegen. Een scherpe geur van zuren wijn en ranzige olie sloeg hun op de keel. Zoodra hun oogen wat aan het donker gewend waren, konden zij het ruime, zwart geworden en door stank verpeste vertrek zien, waarin niets dan grove stoelen en tafels van nauwlijks geschaafd hout stonden. Het scheen heelemaal leeg, zoo stil was het er, uitgezonderd het gegons der vliegen. Toch zaten er twee mannen, onbeweeglijk en zwijgend, voor hun volle glazen. Op een lagen stoel dicht bij de deur rilde in het weinigje daglicht, dat erdoor binnenviel, de dochter des huizes van koorts, een mager, geel, jong meisje, haar twee handen samengedrukt op haar knieën.

De graaf, die merkte, dat Pierre zich onbehaaglijk gevoelde, stelde voor den wijn buiten te laten brengen.

"Het zal daar veel lekkerder zijn, het is zacht weer."

Daar de moeder naar de eieren zocht en de vader in een loods een wiel aan het repareeren was, moest het van koorts rillende meisje opstaan, om de flesch wijn en de drie glazen in het priëel te brengen. Zij stak de zes centesimi voor de flesch in haar zak en ging dan, zonder een woord te zeggen, met een knorrig gezicht, omdat zij zoo'n tocht had moeten maken, naar haar plaats terug.

Toen zij plaats genomen hadden, vulde Prada vroolijk de glazen ondanks het verzoek van Pierre, die zeide, dat hij wijn tusschen twee maaltijden in niet verdragen kon.

"Kom, kom, u wilt toch wel even met me klinken! Het is een heerlijk wijntje, niet waar, abbé?... Nu dan, op de gezondheid van den paus, omdat hij ziek is."

Santobono ledigde zijn glas in één teug en smakte met zijn tong. Hij had het mandje vijgen heel voorzichtig naast zich op den grond gezet, nam zijn hoed af en haalde diep adem. Het was werkelijk een prachtige avond, een zeldzaam heldere, lichtgouden hemel boven die eindelooze zee der Campagna, die op het punt stond in verheven rust en vrede in te sluimeren. Het zachte windje, welks ademtocht te midden van de groote stilte langs hen streek, geurde heerlijk naar kruiden en veldbloemen.

"Lieve God, wat is het hier heerlijk!" prevelde Pierre betooverd. "Welk een woestijn van eeuwige rust, waarin men de verdere wereld vergeet."

Maar Prada, die de flesch in het glas van den pastoor leeggeschonken had, vermaakte zich, zonder een woord te zeggen, met een tooneeltje, dat hij in den beginne alleen scheen op te merken. Hij gaf den jongen priester een knipoogje en van dat oogenblik af volgden beiden de dramatische ontwikkelingen ervan. In het roodachtige gras om hen heen waren een paar kippen aan het zoeken naar sprinkhanen. Nu had een van die kippen, een klein, zwart, fijn glanzend, heel brutaal hennetje, het mandje vijgen op den grond zien staan en ging er parmantig op af. Toen het er dicht bij was, werd het echter bang en schrok terug. Het rekte zijn hals uit, keerde zijn kop om en keek er met zijn rond oogje naar. Eindelijk behaalde zijn hebzucht de overhand, en daar er een vijg tusschen twee blaadjes uitstak, kwam het kalm dichter bij en lichtte daarbij zijn pooten hoog op; dan stak het plotseling zijn bek door de vijg, zoodat het sap eruit liep.

Prada, die pleizier had als een kind, kon zijn lachen nu niet meer bedwingen.

"Pas op uw vijgen, abbé!"

Santobono had juist met in zalige verrukking naar den hemel starende oogen zijn tweede glas uitgedronken. Hij sprong op, keek rond en begreep alles toen hij de kip zag. Er volgde een uitbarsting van woede: heftige gebaren, verschrikkelijke scheldwoorden. Maar de kip liet de vijg niet los en stormde er met klappende vleugels zoo vlug en komisch mede weg, dat Prada en ook Pierre zich tranen lachten ondanks de machtelooze woede van Santobono, die het dier een oogenblik met dreigende vuist naliep.

"Dat komt er nu van, dat u het mandje niet in het rijtuig hebt laten staan," zeide de graaf. "Als ik u niet gewaarschuwd had, zou de kip alles opgegeten hebben."

Zonder iets te antwoorden en nog steeds binnensmonds verwenschingen prevelend, had de pastoor het mandje op de tafel gezet; dan lichtte hij de bladeren op en legde de overige vijgen handig zóó, dat het gat gevuld werd. Toen de blaadjes weer op hun plaats lagen en de ramp hersteld was, kalmeerde hij wat.

Het was tijd, om weer weg te gaan, de zon was vlak aan den horizont en de avond viel. De graaf werd dan ook ongeduldig.

"Nu, waar blijven de eieren?"

Daar hij de vrouw niet terug zag komen, ging hij haar zoeken. Eerst liep hij den stal binnen, dan de remise. De vrouw was er niet. Vervolgens liep hij achter het huis om, om in loodsen te kijken. Iets onverwachts deed hem plotseling als aan den grond genageld staan. Op den grond lag de kleine zwarte kip dood. Aan haar snavel zag men slechts een dun, violet bloedstroompje, dat nog steeds vloeide.

Eerst was hij slechts verwonderd. Dan bukte hij zich, om het diertje te betasten. De kip was warm, soepel en slap als een lap. Zeker een beroerte. Doch onmiddellijk daarop werd hij doodsbleek: de waarheid flitste voor hem op en verstijfde hem. Als in een bliksemstraal rees de zieke Leo XIII voor hem op--dan Santobono, zooals hij naar kardinaal Sanguinetti vloog, om het laatste nieuws te hooren, en nu naar Rome ging, om kardinaal Boccanera dat mandje vijgen ten geschenke te geven. En hij herinnerde zich het gesprek in het rijtuig over den eventueelen dood van den paus, over de mogelijke candidaten van de tiara, over de legendarische vergiftigingsverhalen, die de omgeving van het Vaticaan nog angst aanjoegen; hij zag den pastoor weer voor zich met zijn mandje, dat hij vol vaderlijke zorg op zijn knieën hield; hij zag de kleine, zwarte kip weer voor zich, die in het mandje pikte en zich met een vijg uit de voeten maakte. En het kleine hennetje lag daar dood.

Zijn overtuiging stond onmiddellijk onwankelbaar vast. Maar hij had zelfs den tijd niet om zich af te vragen wat hij doen moest, want een stem achter hem riep:

"Daar ligt het kleine kippetje. Wat heeft het dier?"

Het was Pierre; hij had Santobono weer laten instappen en was zelf het huis omgeloopen om het brokstuk van de tusschen de piniepijnen ingevallen waterleiding van dichterbij te zien.

Bevend, alsof hij zelf de schuldige was, antwoordde Prada, toegevend aan zijn instinct, met een niet vooruit bedachte leugen:

"Het is dood... Stel u voor, het is een heele vechtpartij geweest. Toen ik hier kwam, vloog die kip daar op deze aan, om de vijg, die zij nog in haar bek had, te krijgen, en heeft haar toen met een stoot van zijn snavel de hersens ingeslagen... Kijk maar, het bloed stroomt eruit."

Waarom zeide hij dat alles? Hij verwonderde er zich zelf over, terwijl hij die dingen verzon. Wilde hij meester van den toestand blijven, niemand in zijn vertrouwen nemen, ten einde te kunnen handelen, zooals hij zelf wilde? Hij deed het zoowel uit een gevoel van schaamte tegenover een vreemdeling, als uit een persoonlijke neiging voor gewelddaden, die bij zijn verontwaardiging als fatsoenlijk man toch iets als bewondering voegde, als uit een onbewusten drang om de zaak uit een oogpunt van zijn persoonlijk belang te overwegen, alvorens een besluit te nemen. Een eerlijk, fatsoenlijk man was hij, hij zou zeker niet toelaten, dat men de menschen vergiftigde.

Pierre, die steeds vol medelijden met dieren was, keek naar de hen met de ontroering, die iedere plotselinge wegneming van het leven in hem wekte. Hij twijfelde geen oogenblik.

"Ja, die kippen zijn onderling zoo wreed, als menschen bijna niet kunnen zijn. Ik had thuis een heel groot hoenderhok, en geen kip daarvan kan een wondje aan haar poot hebben of de andere beginnen, zoodra zij een droppel bloed zien, op haar te pikken, totdat er niets meer dan beenderen over zijn."

Prada verwijderde zich onmiddellijk. De vrouw was juist ook naar hem aan het zoeken, om hem de vier eieren, die zij met groote moeite in een paar hoekjes en gaatjes gevonden had, te geven. Hij betaalde gauw en riep Pierre:

"We moeten ons haasten, anders kunnen we niet in Rome terug zijn voor het heelemaal donker is."

In het rijtuig zat Santobono kalm te wachten. Hij had zijn oude plaatsje op het klapbankje weer ingenomen, leunde met zijn rug tegen de bok, had zijn groote beenen onder zich getrokken en hield weer dat kleine mandje vijgen, dat hij met zijn knokige handen als iets zeldzaams en breekbaars, dat door den minsten schok beschadigd kon worden, op zijn knieën. Zijn soutane vormde een groote, zwarte vlek. In zijn ruw, aardkleurig gezicht--het gezicht van een boer, die steeds met den woesten bodem in aanraking is gebleven en door de paar jaar theologische studiën maar weinig ontbolsterd is--schenen alleen zijn oogen, die met een donkere, verterende vlam van hartstocht gloeiden, te leven.

Toen Prada hem daar zoo kalm en vierkant zitten zag, doorrilde hem een kleine huivering. Zoodra de victoria weer voortrolde op den rechten, eindeloozen weg, zeide hij: "Nu, abbé, dat is een glas wijn, dat ons tegen de ongezonde lucht beschermen zal. Als de paus net zoo doen kon als wij, zou hij gauw van zijn kolieken genezen zijn."

Als eenig antwoord liet Santobono een dof gemompel hooren. Hij wilde niet meer spreken en sloot zich, als door den langzaam naderenden avond overmand, in een volkomen zwijgen op. Prada zweeg eveneens, terwijl hij zijn blikken op hem gericht hield en zich afvroeg, wat hij doen moest.

Links van hen ging de zon prachtig onder. Pierre kon er zijn blikken niet aan verzadigen en gaf zich geheel aan het schitterende schouwspel over.

En in het peinzend zwijgen van zijn twee reisgenooten bleef Prada zich afvragen, wat hij doen moest. Hij had zijn blikken niet af van Santobono; het gezicht van den priester was langzamerhand in duisternis gehuld, maar hij zat uiterst kalm op zijn bankje en liet zijn groot lichaam door de victoria wiegen. Hij herhaalde bij zichzelf, dat hij de menschen niet zoo kon laten vergiftigen. De vijgen waren ongetwijfeld bestemd voor kardinaal Boccanera, en in den grond der zaak liet een kardinaal meer of minder, een mogelijke paus, wiens toekomstige historische werkzaamheid niet te voorspellen was, hem vrij koud. Bij zijn wreede veroveraarsbegrippen en geheel opgaande in den strijd om het bestaan, had hij het altijd het beste gevonden het noodlot zijn gang te laten gaan; en afgezien daarvan zag hij er absoluut geen kwaad in, wanneer de eene priester den anderen opvrat, integendeel dat was een aangename prikkeling voor zijn atheïsme. Hij overwoog ook, dat het gevaarlijk zijn kon zich in die afschuwelijke zaak, in die gemeene, verdachte en ondoorgrondelijke intriges van de zwarte kringen te mengen. Maar kardinaal Boccanera woonde niet alleen in het paleis: de vijgen konden aan een verkeerd adres bezorgd, bij andere personen komen, die men niet treffen wilde.

Dit denkbeeld aan een noodlottig zich vergissend toeval liet hem niet meer los, vervolgde hem. En zonder dat hij er zijn gedachte bij wilde bepalen, rezen de gezichten van Benedetta en Dario voor hem op, kwamen steeds weer terug, ondanks zijn poging om ze niet te zien, drongen zich aan hem op. Als Benedetta, als Dario die vruchten aten? De gedachte aan Benedetta kon hij onmiddellijk ter zijde schuiven, want hij wist, dat zij afzonderlijk met haar tante at en het eten niet uit dezelfde keuken kwam. Maar Dario dejeuneerde dagelijks met zijn oom. Een oogenblik zag hij Dario voor zich, aangegrepen door een kramp en evenals monsignor Gallo met een aschgrauw gezicht en holle oogen binnen twee uur stervend in de armen van den kardinaal.

Neen, neen, dat was afschuwlijk, hij kon een dergelijke gewelddaad niet toelaten. Zijn besluit was nu genomen. Hij zou wachten, tot de avond heelemaal gevallen was, dan heel eenvoudig het mandje van de knieën van den priester nemen en het, zonder een woord te zeggen, in het een of ander donker gat gooien. De pastoor zou het dan wel begrijpen. De andere, de jonge priester, zou het misschien niet eens merken. Trouwens dat kwam er minder op aan, want hij was vastbesloten geen uitleg van zijn handeling te geven. En hij voelde zich heelemaal gerust gesteld, toen hij op het denkbeeld kwam het mandje weg te werpen, wanneer zij onder de Porta Furba, op enkele kilometers voor Rome, zouden doorrijden. In de donkerte van de poort zou dat heel goed gaan; zou men niets kunnen zien.

"We hebben ons verlaat en zullen niet voor zes uur in Rome zijn," zeide hij tot Pierre. "Maar u zult nog tijd genoeg hebben om u te verkleeden en uw vriend op te zoeken."

Dan richtte hij zich, zonder een antwoord af te wachten, tot Santobono.

"Uw vijgen zullen wel laat komen."

"O," antwoordde de pastoor; "Zijne Eminentie ontvangt tot acht uur. En bovendien de vijgen zijn niet voor vanavond. 's Avonds eet je geen vijgen. Ze zijn voor morgenochtend."

Hij viel weer in zijn stilte terug en sprak niet meer.

"Voor morgenochtend, ja, ja, dat spreekt!" herhaalde Prada. "Het zal een heele traktatie voor hem zijn, vooral als niemand met hem mede eet."

Onbezonnen vertelde Pierre nu iets, dat hij wist.

"Dat zal zeker wel het geval zijn, want zijn neef, prins Dario, zou vandaag naar Napels gaan--een klein herstellingsreisje na het ongeval, dat hem een maand te bed gehouden heeft."

Plotseling bedacht hij tegen wien hij sprak, en zweeg. Maar de graaf had zijn verlegenheid opgemerkt.

"Kom, kom, mijn waarde heer Froment, u kwetst mij heelemaal niet. Dat is al zoo'n oude geschiedenis... Zoo, is de jonge man vertrokken?"

"Ja, als hij tenminste zijn reisje niet uitgesteld heeft. Maar ik geloof niet, dat ik hem nog in het paleis vinden zal."

Gedurende een oogenblik hoorde men weer niets dan het voortdurende rollen der wielen. Prada zweeg; hij werd weer door onrust, door het onaangename gevoel, dat hij niet wist, wat hij doen moest, aangegrepen. Waarin wilde hij zich mengen, nu Dario er toch niet was. Al die overwegingen vermoeiden hem en ten slotte dacht hij hardop:

"Als hij werkelijk naar Napels is, dan heeft hij dat uit convenance gedaan, om vanavond niet aanwezig behoeven te zijn op het feest der Buongiovanni's, want vanochtend heeft de Conciliecongregatie vergaderd, om definitief uitspraak te doen in het proces, dat de gravin mij aangedaan heeft... Ja ik zal dadelijk hooren, of de nietigverklaring van ons huwlijk door den Heiligen Vader geteekend zal worden."

Zijn stem was wat heesch geworden; men voelde, dat de oude wond weer openging en bloedde--de wond, welke aan zijn mannentrots was toegebracht door deze vrouw, die de zijne was en zich aan hem geweigerd had, om haar maagdelijkheid voor een ander te bewaren. Het gaf niet, of zijn vriendin Lisbeth hem een kind geschonken had; de beschuldiging van impotentie, die beschimping van zijn manlijkheid herleefde steeds weer en deed zijn hart opzwellen van blinde woede. Een heftige plotselinge rilling doorhuiverde hem, als had een ijskoude wind over zijn lichaam geblazen, en, het gesprek een andere wending gevend, voegde hij eraan toe:

"Het is heelemaal niet warm vanavond... Dit is het slechtste uur voor Rome, het uur na zonsondergang, waarin men heel makkelijk een flinke koorts kan oploopen, als men niet voorzichtig is... Trek de deken over uw voeten; pak u maar goed in."

Dan ontstond, terwijl zij de Porta Furba naderden, weer een stilte, maar nu nog drukkender dan zooeven; zij geleek op den onbedwingbaren slaap, die de door den nacht overmande Campagna deed insluimeren. Eindelijk werd in het licht der heldere sterren de poort zichtbaar; het was niet meer dan een boog van de Acqua Felice, waaronder de straatweg doorliep. Uit de verte was het, alsof dat waterleiding-brokstuk met zijn reusachtige massa's oude, halfingevallen muren den weg trachtte te versperren. Dan echter vertoonde de groote, geheel met schaduw gevulde boog zich als een gapende poort, en de wagen reed er in volle duisternis met luider wielengeratel onder door.

Toen zij aan den anderen kant waren, had Santobono nog steeds het mandje vijgen op zijn knieën; Prada keek hem verstoord aan en vroeg zich af tengevolge van welke plotselinge verlamming van zijn handen hij het mandje niet weggenomen en in het donker geslingerd had. Hij was er, alvorens onder het gewelf door te gaan, nog zoo vast toe besloten. Hij had er nog naar gekeken, om de beweging, die hij zou moeten maken, te berekenen. Wat had er in hem plaats gegrepen? Hij voelde zich ten prooi aan een steeds grooter wordende besluiteloosheid, dat hij niet in staat meer was, iets beslist te willen, daar hij in de onbewuste gedachte om voor alles zichzelf geheel te bevredigen, als het ware gedrongen werd om te wachten. Waarom zou hij zich haasten, nu Dario ongetwijfeld weg was en de vijgen toch zeker niet vóór den volgenden dag gegeten zouden worden? Dienzelfden avond nog zou hij hooren of de Conciliecongregatie zijn huwlijk nietig verklaard had, zou hij weten in hoeverre de gerechtigheid Gods te koop en leugenachtig was. Zeker, hij zou niemand laten vergiftigen, zelfs kardinaal Boccanera niet, wiens leven hem per slot van rekening toch volkomen koud liet. Maar was sedert hun vertrek uit Frascati dat kleine mandje als het ware niet het voortschrijdend noodlot? Gaf hij niet toe aan een genieten van onbeperkte macht, terwijl hij tegen zichzelf zeide, dat hij er heer en meester van was om het tegen te houden of het zijn doodelijk werk tot het einde toe te laten volbrengen? Bovendien ging hij geheel op in de geheimzinnigste van alle strijden; hij zocht niet meer naar redenen, zijn handen waren zóó gebonden, dat hij niet anders kon. Voor zichzelf vast besloten, dat hij, alvorens naar bed te gaan, een waarschuwingsbrief zou werpen in de brievenbus van het paleis, voelde hij zich toch gelukkig bij de gedachte, dat hij het niet zou doen, indien hij er belang bij hebben zou het niet te doen.

Het laatste gedeelte van den rit werd te midden van die drukkende stilte, te midden van de avondrillingen, die de drie mannen verstijfd schenen te hebben, afgelegd. Tevergeefs begon de graaf, om aan den onderlingen strijd van zijn gedachten te ontkomen, weer over het groote feest bij de Buongiovanni's, vertelde bijzonderheden, beschreef de pracht, die men aanschouwen zou: zijn woorden klonken moeilijk, verlegen, verstrooid. Dan trachtte hij Pierre te troosten, hem moed in te spreken, door nogmaals over den vriendelijken, met beloften zoo kwistigen kardinaal Sanguinetti te beginnen; maar hoewel de priester heel gelukkig naar Rome terugkeerde in de gedachte, dat zijn boek nog niet veroordeeld was en hij, indien men hem hielp, misschien nog zou overwinnen, antwoordde hij toch nauwelijks, geheel als hij opging in zijn overpeinzingen. Santobono sprak niet, bewoog zich niet, was als verdwenen, zwart in den zwarten nacht.

De lichten van Rome vermenigvuldigden zich; rechts en links verschenen weer huizen, eerst op groote afstanden van elkander, dan dichter opeen gebouwd. Het was de voorstad, in den beginne nog stoppelvelden, dan mooie hagen, olijfboomen, welker toppen boven de hooge tuinmuren uitstaken, groote gevels met door vazen gekroonde zuilen en eindelijk de stad met haar rijen kleine, grijze huizen, armzalige winkels, verdachte kroegen, waaruit dikwijls geschreeuw en twistlawaai opsteeg.

Prada wilde met alle geweld zijn reisgenooten naar de Via Giulia, tot vijftig meter van het paleis, brengen.

"Het is voor mij volstrekt geen last, werkelijk niet... U kunt heusch niet te voet gaan, nu u zoo'n haast hebt!"

Reeds sliep de Via Giulia in haar honderdjarigen vrede; zij lag daar volkomen eenzaam met haar dubbele rij lantaarns, in de zwaarmoedigheid van haar verlatenheid. Toen Santobono uitgestapt was, wachtte hij niet op Pierre, die trouwens steeds van de kleine, in het steegje uitkomende trapje gebruik maakte.

"Tot ziens, abbé!"

"Tot ziens, mijnheer de graaf! Duizendmaal dank!"

Zij konden hem met hun blik volgen tot den palazzo Boccanera, waarvan de oude monumentale poort nog wijd open stond. Even zagen zij zijn hooge gestalte die schaduw versperren. Dan ging hij met zijn klein mandje naar binnen. Hij droeg het noodlot.

TWAALFDE HOOFDSTUK

Het was tien uur, toen Pierre en Narcisse, die in het Café de Rome gedineerd en daarna in een lang gesprek hun tijd verpraat hadden, zich te voet naar den palazzo Buongiovanni op den Corso begaven. Het kostte hun veel moeite de deur te bereiken. De rijtuigen reden in een dichte file aan en de menigte nieuwsgierigen, die ondanks de aanwezigheid van de politie staan bleven en den rijweg in beslag namen, werd zóó dicht, dat de paarden bijna niet meer vooruit komen konden. Uit de tien hooge vensters der eerste verdieping van den langen monumentalen vleugel stroomde een zee van licht, een groot wit licht, het daglicht van de electrische lampen, die de straat, de in den menschenstroom als vastgeplakte equipages, de deining der opgewonden menschen te midden van een tumult van kreten en gebaren als met een zonneglans bestraalden.

Het was niet de gewone nieuwsgierigheid, om uniformen en rijk-getoiletteerde dames uit de rijtuigen te zien stappen; Pierre hoorde al heel gauw, dat deze menigte op de komst van den koning en de koningin wachtte, die beloofd hadden te zullen verschijnen op het gala-bal, dat prins Buongiovanni gaf ter eere van de verloving van zijn dochter Celia met luitenant Attilio Sacco, den zoon van een der ministers van Zijne Majesteit. Bovendien was dit huwlijk de gelukkige ontknooping van een liefdesgeschiedenis, die de geheele stad in een hartstochtelijke opwinding bracht; het verhaal van den bliksemstraal der liefde, het jonge knappe paar, de standvastige, alle hinderpalen overwinnende trouw onder romantische omstandigheden ging van mond tot mond, bracht in aller oogen een traan, deed aller harten kloppen.

Dit verhaal had Narcisse aan het dessert verteld aan Pierre, die het gedeeltelijk kende. Men verzekerde, dat de prins na een laatste vreeselijke scène eindelijk slechts toegegeven had, omdat hij bang was anders Celia op een goeden avond aan den arm van haar geliefde het paleis te zullen zien verlaten. Niet, dat zij hem daarmede gedreigd had, maar in haar maagdelijk-onwetende kalmte lag zulk een minachting voor alles, wat niet haar liefde was, dat hij haar ertoe in staat achtte in alle naïeveteit de ergste dwaasheden te begaan. De prinses, zijn vrouw, een flegmatieke, nog knappe Engelsche, was geheel neutraal gebleven; zij meende genoeg voor het huis gedaan te hebben, door haar man een bruidsschat van vijf millioen en vijf kinderen te schenken.

De prins, bang en zwak ondanks al zijn heftigheid, waarin het oude, reeds door zijn vermenging met een vreemd ras bedorven Romeinsche bloed terug te vinden was, handelde nog slechts uit vrees, zijn tot dusverre te midden van de opgehoopte ruïnes van het patriciaat intact gebleven huis en vermogen ineen te zien storten; en toen hij ten slotte toegaf, had hij hoogstwaarschijnlijk gehoorzaamd aan het denkbeeld, dat hij door zijn dochter vasten voet zou kunnen krijgen op het Quirinaal, zonder zich daardoor van het Vaticaan terug te trekken. Ongetwijfeld was het een brandende smaad, zijn trots bloedde onder die toenadering tot de Sacco's, menschen van niets.

Maar Sacco was minister; het eene succes was zoo snel gevolgd op het andere, dat hij op weg scheen nog hooger te stijgen en na de portefeuille van Landbouw die van Financiën, waarnaar hij reeds lang gestreefd had, te veroveren. Met hem kon men zeker zijn van de gunst des konings en van een veiligen terugtocht naar dien kant, wanneer het pausdom eens ten onder mocht gaan. Bovendien had de prins inlichtingen ingewonnen omtrent den zoon en hij voelde zich eenigszins ontwapend tegenover dezen zoo knappen, dapperen en rechtschapen Attilio, die de toekomst, misschien het glorierijke Italië van morgen was.

Hij was soldaat, men zou hem tot de hoogste rangen kunnen pousseeren. En de boosaardige wereld voegde eraan toe, dat de laatste reden, welke den prins, die heel gierig was, en tot zijn wanhoop zijn vermogen onder zijn vijf kinderen zou moeten verbrokkelen, tot toegeven noopte, de gelukkige omstandigheid was, dat hij Celia een belachelijk kleinen bruidsschat kon medegeven. Nu hij eenmaal zijn toestemming tot het huwlijk gegeven had, wilde hij de verloving vieren met een schitterend feest, zooals er te Rome maar weinig gegeven werden. De deuren zouden voor ieder openstaan, het koninklijk echtpaar uitgenoodigd worden, het paleis stralen als in de roemrijke dagen van vroeger. Ook al zou het hem iets van zijn geld kosten, dat hij zoo grimmig verdedigde, hij wilde uit bravoure bewijzen, dat hij niet overwonnen was en dat de Buongiovanni's niets te verbergen hadden, zich voor niets behoefden schamen.

De waarheid echter was, dat deze bravoure niet van hem kwam, doch hem, zonder dat hij het zich bewust was, ingeblazen werd door de kalme, onschuldige Celia, die haar geluk aan den arm van Attilio wilde laten zien aan geheel Rome, dat deze als in een mooi sprookje zoo gelukkig eindigende liefdesgeschiedenis luide toejuichte.

"Alle duivels!" zeide Narcisse, die in den dichten menschenstroom niet verder kon; "wij zullen op die manier nooit boven komen. Zij hebben de heele stad blijkbaar geïnviteerd."

En toen Pierre zijn verwondering te kennen gaf, dat hij een prelaat in zijn karos voorbij zag rijden, voegde hij er aan toe:

"O, u zult er verscheidene aantreffen. De kardinalen zullen zich wegens de aanwezigheid van het koninklijk paar niet durven laten zien, maar de prelaten zullen zeker komen. Het is hier een neutrale salon, waarin wit en zwart zich verbroederen kunnen. En bovendien worden er zóó weinig feesten gegeven, dat men de enkele, die er nog zijn, niet graag verzuimt."

Hij legde den priester uit, dat er met uitzondering van de twee groote bals, die het Hof iederen winter gaf, bijzondere omstandigheden noodig waren om het patriciaat tot zulke gala-avonden te bewegen. Twee of drie zwarte salons openden nog tegen het einde van het carnaval hun deuren maar overal waren de groote recepties vervangen door intieme danspartijen. Enkele prinsessen hielden slechts op bepaalde dagen haar jour. De weinige witte salons bewaarden een dergelijke, min of meer gemêleerde intimiteit, want geen enkele vrouw des huizes was de onbetwiste koningin der nieuwe wereld geworden.

"Eindelijk," riep Narcisse uit, toen zij op de trap waren.

"Laten we bij elkaar blijven," zeide Pierre, die een beetje ongerust was. "Ik ken alleen de bruid een weinig, en zou graag zien, dat u mij voorstelt."

Maar het opgaan van de trap was nog een moeilijk en lang werk, zoo verdrong de menigte nieuw aangekomenen zich daar. Zelfs in de oude tijden van waskaarsen en olielampen was er nooit zoo'n lichtglans geweest. Electrische lampjes brandden in de prachtige bronzen kandelabres, die de portalen versierden, overgoten alles met een helder licht. De koude kalk van de muren was verborgen onder een reeks kostbare tapisserieën, die de geschiedenis van Amor en Psyche vertelden en sedert de Renaissance in het bezit der familie waren. Een dikke looper bedekte de uitgesleten treden en plantengroepen, palmen, die zoo groot als boomen waren, versierden de hoeken. Een nieuw bloed stroomde toe en verwarmde het oude huis; een nieuw ontstaand leven steeg met den stroom der lachende, welriekende vrouwen met haar bloote schouders en fonkelende diamanten, omhoog.

Toen zij boven waren, zag Pierre onmiddellijk bij den ingang van den eersten salon prins en prinses Buongiovanni, naast elkaar staande, hun gasten ontvangen. De prins, een reeds grijzende, groote, slanke en blonde man, had het energieke gezicht van een voormaligen, pauselijken veldheer en de lichte Noordelijke oogen van zijn moeder. De prinses met haar rond en tenger gezichtje zag er niet ouder uit dan dertig, hoewel zij de vier kruisjes reeds achter den rug had; zij was nog altijd knap, had een glimlachende opgewektheid, welke door niets verstoord kon worden, voelde haar grootste geluk in haar zelfaanbidding. Zij droeg een toilet van rose zijde; een prachtige parure van groote robijnen scheen korte vlammetjes te ontsteken op haar fijne huid en in haar blonde lokken. Van de vijf kinderen was, daar de oudste zoon zich op reis bevond en de drie andere meisjes nog in het pensionaat waren, alleen Celia aanwezig... Celia in een wit zijden kostuum, eveneens blond, verrukkelijk met haar onschuldige oogen en haar reinen mond, tot het einde van haar liefdesavontuur haar uiterlijk van groote, gesloten, in haar maagdelijk mysterie ondoorgrondelijke lelie bewarend.

De Sacco's waren juist gekomen; Attilio, die naast zijn bruid was blijven staan, droeg zijn eenvoudige luitenantsuniform, maar hij toonde zijn groot geluk zoo naïef, dat zijn knap gezicht met den liefdevollen mond en de dappere oogen in een buitengewonen glans van jeugd en kracht straalde. In dezen triomf van hun hartstochtelijke liefde naast elkaar staande, geleken zij reeds van den drempel af op de levensvreugde en levensgezondheid zelf, op de onbegrensde hoop op de beloften van morgen; en alle gasten, die hen bij hun binnenkomen daar zoo zagen staan, moesten glimlachen, werden ontroerd en vergaten hun boosaardige en babbelzieke nieuwsgierigheid zoo zeer, dat zij hun hart aan dit zoo mooi, in zijn geluk zoo verrukte liefdespaar gaven.

Narcisse wilde Pierre voorstellen, maar Celia liet hem den tijd daar niet voor. Zij ging den priester tegemoet en bracht hem naar haar vader en haar moeder.

"Mijnheer de abbé Pierre Froment. Een vriend van mijn lieve Benedetta."

Een ceremonieele begroeting volgde. Pierre was zeer getroffen door de lieftalligheid van het jonge meisje, dat nog tegen hem zeide:

"Benedetta komt straks met haar tante en Dario. Zij moet vanavond zoo gelukkig zijn! Nu zult u pas eens zien, hoe mooi zij is!"

Pierre en Narcisse boden haar hun gelukwenschen aan. Doch zij konden daar niet blijven staan, de stroom dreef hen verder. De prins en de prinses hadden slechts den tijd met een vriendelijk hoofdknikje te groeten, dan werden zij overstroomd, en Celia moest, nadat zij de beide vrienden bij Attilio gebracht had, weer haar plaats als kleine koningin van het feest naast haar ouders innemen.

Narcisse was met Attilio eenigszins bevriend. Weer volgden gelukwenschen en handdrukken. Dan manoeuvreerden beiden uit nieuwsgierigheid zóó, dat zij een oogenblik in den eersten salon konden blijven staan, welks aanblik werkelijk de moeite loonde. Het was een zeer groot, met groen, goudgebloemd fluweel behangen vertrek, dat de wapenzaal genoemd werd en inderdaad een zeer merkwaardige collectie wapenen bevatte--harnassen, strijdbijlen, degens, die in de vijftiende en zestiende eeuw aan de Buongiovanni's toebehoord hadden. En te midden van dat ruwe oorlogstuig zag men een prachtigen met het fijnste verguldsel en snijwerk versierden draagstoel uit de vorige eeuw, waarin de overgrootmoeder van den tegenwoordigen Buongiovanni, de beroemde Bettina, een legendarische schoonheid, zich naar de mis liet brengen. Verder vindt men aan de muren slechts historische schilderijen, veldslagen, onderteekeningen van vredesverdragen, koninklijke ontvangsten, waarbij de Buongiovanni's een rol gespeeld hadden; ongerekend de familieportretten--hooge, trotsche gestalten, veldheeren te land en ter zee, kerkelijke hoogwaardigheidsbekleeders, prelaten, kardinalen, waaronder, op de eereplaats, de paus, de in de witte soutane gekleede Buongiovanni triompheerde, wiens troonsbestijging de groote nakomelingschap rijk gemaakt had. Tusschen deze wapenen, naast den draagstoel, onder deze oude portretten, waren de Sacco's op enkele passen van den heer en de vrouw des huizes blijven staan, om hun deel in de gelukwenschen te ontvangen.

"Kijk!" fluisterde Narcisse Pierre in; "daar tegenover ons staan de Sacco's, die kleine donkere man en de dame in malvekleurige zijde."

Pierre herkende Stefana, die hij bij den ouden Orlando ontmoet had, aan haar opgewekt gezicht met het vriendelijk lachje en de fijne trekken. Maar vooral interesseerde hem de echtgenoot. Hij was donker en uitgedroogd, had groote oogen en een geel gezicht, een vooruitstekende kin en een neus als een gierensnavel, het vroolijke masker van een Napolitaanschen hansworst, en bezat een groote welsprekendheid en een stem, die een onvergelijkelijk betooverings- en veroveringswerktuig was. Alleen door hem daar in dien salon te zien kon men zijn groote successen in de brutale en zoo middelmatige wereld der politiek begrijpen. Voor het huwlijk van zijn zoon had hij met zeldzame handigheid gemanoeuvreerd; hij huichelde tegenover Celia, ja zelfs tegenover Attilio een overdreven teergevoeligheid en zeide, dat hij zijn toestemming weigerde, omdat hij bang was, dat men hem zou beschuldigen een bruidsschat en een titel te stelen. Hij had pas na de Buongiovanni's toegegeven en eerst het oordeel willen hooren van den ouden Orlando, wiens groote, heldhaftige ridderlijkheid in geheel Italië spreekwoordelijk was; en hij deed dat des te eerder, omdat hij bij voorbaat van diens goedkeuring zeker was, want de held geneerde zich niet luide te herhalen, dat de Buongiovanni's zich gelukkig mochten achten in hun familie zijn achterneef, een knappen, rechtschapen en dapperen jongen te krijgen, die hun uitgeput oud bloed zou regenereeren, door hun dochter mooie kinderen te geven. Sacco had in die zaak op bewonderenswaardige wijze gebruik gemaakt van den legendarischen naam van Orlando, door zijn verwantschap met hem uit te bazuinen, door een kinderlijke vereering te doen blijken voor den roemrijken stichter des vaderlands, zonder dat hij een oogenblik scheen te willen vermoeden hoe zeer deze hem verachtte en verwenschte, want Orlando twijfelde geen oogenblik of zijn ministerschap zou het land tot ondergang en schande leiden.

"O," ging Narcisse voort, "een soepel en praktisch man, die er niet tegen opziet een paar klappen te krijgen. Het schijnt, dat er nu eenmaal in staten, die in nood geraakt zijn en politieke, financieele en moreele crisissen doormaken, mannen noodig zijn, die zich niet door gewetensbezwaren laten weerhouden. Men zegt, dat hij met zijn onverstoorbaar aplomb, zijn scherpzinnigen geest en zijn voor niets terugschrikkende hulpmiddelen de gunst van den koning geheel veroverd heeft... Kijk slechts, kijk slechts! Zou men hem te midden van dien vloed hovelingen, welke hem omgeeft, niet reeds voor den meester van dit paleis houden?"

Inderdaad hoopten de gasten, die met een buiging langs de Buongiovanni's gingen, zich om Sacco op; want hij vertegenwoordigde de macht, goede posities, pensioenen, ordeteekenen; en ook al riep de aanwezigheid van den mageren, donkeren, druk doenden man tusschen de groote voorvaderen van dit huis nog een glimlach te voorschijn, toch vleide men hem als de nieuwe macht, de democratische macht, die overal, zelfs uit dezen ouden Romeinschen bodem, opsteeg, waarop het patriciaat in puin lag.

"Lieve hemel, wat een volte!" prevelde Pierre. "Wie zijn toch al die menschen?"

"O," antwoordde Narcisse, "het is een zeer gemengd gezelschap. Zij behooren niet meer tot de zwarte of tot de witte kringen, maar tot de grijze. De evolutie kon niet uitblijven, de starre onverdraagzaamheid van een kardinaal Boccanera kan niet die van een geheele stad, van een volk zijn. De paus alleen zal altijd neen zeggen en onveranderlijk blijven. Maar om hem heen schrijdt alles onoverwinlijk vooruit en verandert, zoodat, ondanks allen tegenstand, Rome binnen enkele jaren Italiaansch zijn zal... Zooals u weet, blijft tegenwoordig, wanneer een prins twee zoons heeft, een op het Vaticaan en gaat de ander naar het Quirinaal over. Men moet toch leven, niet waar? De groote families, die in doodsgevaar verkeeren, bezitten niet den heldenmoed hun koppige halsstarrigheid tot aan zelfmoord te drijven... Ik heb u reeds gezegd, dat we hier op een neutraal terrein waren, want prins Buongiovanni is een der eersten, die de noodzakelijkheid van een verzoening ingezien heeft. Hij voelt, dat zijn vermogen dood is; hij durft het noch in industrieele noch in financieele zaken te beleggen: hij ziet het reeds verbrokkeld tusschen zijn vijf kinderen, die het op hun beurt weer zullen verbrokkelen; daarom heeft hij zich aan de zijde van den koning geschaard, zonder met den paus te willen breken... U ziet dan ook in dezen salon het juiste beeld van de debacle, van den pêle-mêle, die in de meeningen en denkbeelden van den prins heerscht."

Hij hield even op, om dan de namen der binnentredende personen te noemen.

"Dat is een generaal, die na zijn laatste campagne in Afrika zeer populair is. U zult trouwens vanavond veel militairen zien, want alle superieuren van Attilio zijn uitgenoodigd om den jongen man een glorierijken entourage te geven... En kijk, daar is de Duitsche gezant. Waarschijnlijk zal door de aanwezigheid van Hunne Majesteiten het geheele corps diplomatique komen... En als tegenstelling ziet u daarginds dien corpulenten man. Dat is een zeer invloedrijk afgevaardigde, een parvenu van de nieuwe bourgeoisie. Een dertig jaar geleden was hij nog pachter van prins Albertini, een van die mercanti de campagna, die met hooge laarzen en slappen hoed de Campagna Romana afliepen... En kijk nu eens naar dien prelaat, die daar binnenkomt..."

"Dien ken ik," antwoordde Pierre. "Het is monsignor Fornaro."

"Precies, monsignor Fornaro, iemand, die wat in de melk te brokkelen heeft. Ja, dat is waar ook, u hebt mij verteld, dat hij rapporteur is in de zaak van uw boek... Een innemende persoonlijkheid! Hebt u gemerkt met welk een révérence hij de prinses begroette? Welk een edele houding, welk een gratie onder zijn violetzijden mantel!"

Narcisse bleef op deze wijze prinsen en prinsessen, hertogen en hertoginnen, politici en ambtenaren, diplomaten en ministers, burgers en officieren opnoemen--een ongelooflijke warboel, ongerekend nog de vreemdelingenkolonie, Engelschen, Amerikanen, Duitschers, Spanjaarden, Russen, het oude Europa, Noord- en Zuid-Amerika. Dan begon hij plotseling weer over de Sacco's, de kleine mevrouw Sacco, en vertelde van haar heldhaftige pogingen, die zij, in de meening daarmede het eerzuchtige streven van haar man te bevorderen, gedaan had door een salon te openen.

Deze zachte, uiterlijk zoo bescheiden vrouw was een zeer geslepen iemand met uitstekende karaktereigenschappen, echt-Piemonteesch geduld en weerstandsvermogen, zin voor orde en spaarzaamheid. In het dagelijksch leven herstelde zij het evenwicht, dat de man door zijn onstuimigheid ieder oogenblik in gevaar bracht. Zonder dat iemand het vermoedde, had hij haar veel te danken. Maar tot dusverre was haar poging om tegenover den laatsten zwarten salon een toonaangevenden witten salon te openen, mislukt.

Zij vereenigde slechts lieden van haar eigen kringen om zich, geen vorst maakte er zijn opwachting, en op haar Maandagen werd gedanst zooals men in twintig andere kleine, burgerlijke salons zonder glans of heerlijkheid danste. De echte witte salon, die als meester van Rome voor menschen en dingen den toon aangeven zou, bevond zich nog in den toestand van een chimère.

"Kijk eens naar haar flauw glimlachje, terwijl zij alles hier opneemt," zeide Narcisse. "Ik ben er zeker van, dat zij al plannen maakt tot navolging. Als zij aan een prinselijke familie geparenteerd raakt, hoopt zij misschien eindelijk ook de hoogere kringen bij zich te zullen ontvangen."

In het toch zoo groote vertrek werd de menigte zoo dicht, dat zij bijna stikten, weggedrongen en tegen een muur gedrukt werden. De gezantschapsattaché nam dan ook den priester mede, terwijl hij hem bijzonderheden vertelde over de eerste verdieping van het paleis, een der weelderigst ingerichte van Rome, en om de pracht van haar receptiesalon beroemd.

Gedanst werd er in de schilderijengalerijen, een twintig meter lange, koninklijke, met kunstwerken gevulde zaal, waarvan de acht ramen op den Corso uitzagen. Het buffet was opgericht in de antieke zaal, een marmeren zaal, waarin men een bij den Tiber gevonden Venus zag, welke wedijveren kon met die van het Capitool. Dan volgde een reeks prachtige, nog in hun ouden luxe schitterende salons, behangen met de zeldzaamste stoffen, en die van de vroegere inrichting nog enkele bijzondere stukken bevatten, waarop de antiquairs in de hoop op een toekomstige, onvermijdelijke ruïne, reeds loerden. Van deze salons was er vooral één, de zoogenaamde spiegelzaal, beroemd, het was een rond vertrek in Louis XV-stijl, geheel behangen met spiegels in kostbare, gebeeldhouwde rococolijsten.

"Straks zult u dat alles zien," zeide Narcisse. "Laten we nu hier even binnengaan, om wat uit te blazen... Hier heeft men de fauteuils uit de galerij hiernaast gebracht voor de dames, die graag willen zitten, gezien en gefêteerd worden."

Het was een groote salon, behangen met het mooiste Genueesche fluweel, dat men zich denken kan; oud fluweel met licht-satijnen ondergrond en schitterende bloemen, waarvan het groen, blauw en rood echter goddelijk mooi verbleekt is en den zachten, doffen tint van oude liefdebloemen aangenomen heeft. Op de wandtafeltjes en in glazen kastjes stonden de kostbaarste kunstvoorwerpen van het paleis, ivoren kistjes, beschilderd en verguld houtsnijwerk, oud zilver.

Inderdaad hadden reeds verschillende dames hun toevlucht gezocht op de talrijke stoelen en zaten in kleine groepjes te praten en te lachen met de enkele heeren, die dit bekoorlijke hoekje der galanterie ontdekt hadden. Er was moeilijk een lieflijker aanblik te denken dan het geplek van de bloote, als zijde zoo fijne schouders, dan die tengere nekken, waarom zich bruin of blond haar wond. De bloote armen kwamen als levende bloemen van vleesch uit het bekoorlijke gewirwar van lichte toiletten. De waaiers bewogen zich langzaam, als om het vuur der edelgesteenten nog te verhoogen en verspreidden bij ieder waaien een vrouwengeur, vermengd met een overheerschende viooltjesparfum.

"Kijk, daar heb je onzen goeden vriend, monsignor Nani," riep Narcisse uit. "Hij begroet de vrouw van den Oostenrijkschen gezant."

Zoodra Nani den priester en diens vriend zag, kwam hij naar hen toe, en met hun drieën gingen zij in een vensternis staan, om een oogenblik op hun gemak te kunnen praten. De prelaat glimlachte verrukt over het mooie feest, maar behield te midden van al die zich bloot gevende schouders de kalme rust van een driedubbel met onschuld gepantserde ziel, als had hij ze zelfs niet gezien.

"Wat ben ik blij u weer te ontmoeten, mijn waarde zoon," zeide hij tot Pierre. "En wat zegt u wel van ons Rome, wanneer het een groot feest geeft?"

"Het is prachtig, monsignor!"

De prelaat sprak met iets van ontroering in zijn stem over de groote vroomheid van Celia en hield zich, als zag hij bij den prins en de prinses slechts de getrouwen van het Vaticaan, om dit met dit schitterende feest te eeren. Hij liet het zelfs voorkomen niet te weten, dat de koning en de koningin komen zouden. Dan plotseling:

"Ik heb den geheelen dag aan u gedacht, mijn waarde zoon. Ja, ik heb gehoord, dat ge voor uw proces een bezoek gebracht hebt aan Zijne Eminentie kardinaal Sanguinetti.... Hoe heeft hij u ontvangen?"

"O, op zeer vaderlijke wijze... Eerst wees hij mij op de moeilijkheid, waarin hij gebracht wordt, omdat hij de beschermer van Lourdes is. Maar toen ik wegging, was hij buitengewoon vriendelijk, hij heeft me formeel zijn hulp beloofd met een fijngevoeligheid, die mij zeer trof."

"Zoo, mijn waarde zoon! Het verwondert me trouwens heelemaal niet. Zijn Eminentie is zoo goed!"

"Ik moet u dan ook eerlijk bekennen, dat ik met een verlicht hart en vol goeden moed naar Rome teruggekeerd ben. Ik heb een gevoel, alsof ik mijn proces al half gewonnen heb."

"Dat is heel natuurlijk. Ik begrijp het volkomen."

Nani glimlachte nog steeds zijn fijn geestig glimlachje, waarin een zweem van ironie niet te miskennen viel, maar zoo gemaskeerd, dat men het scherpe ervan niet voelde. Na een kort zwijgen voegde hij er heel eenvoudig aan toe:

"Maar het ongeluk wil, dat uw boek eergisteren veroordeeld is door de Indexcongregatie, die voor uw zaak speciaal na een oproeping van den secretaris bijeengekomen is. Zelfs zal het besluit overmorgen aan Zijne Heiligheid ter onderteekening voorgelegd worden."

Verbijsterd keek Pierre hem aan. De instorting van het oude paleis boven zijn hoofd zou hem niet meer verstomd hebben doen staan. Het was dus beslist! De reis, die hij naar Rome gemaakt had liep dus uit op deze nederlaag, die hij zoo plotseling en bruusk midden onder dit feest vernam. En hij had zich zelfs niet kunnen verdedigen, hij had zijn tijd verloren, zonder iemand gevonden te hebben, met wien hij zijn zaak bespreken, voor wien hij zijn zaak bepleiten kon. Een woede rees in hem op en hij kon de halfgefluisterde bittere woorden, die in hem opkwamen, niet inhouden.

"O, wat heeft men mij voor den gek gehouden! Die kardinaal, die vanochtend nog tegen mij zeide: "Als God met u is, zal Hij u redden, zelfs tegen onzen wil!" Ja, ja, nu begrijp ik het, hij speelde met woorden, hij wenschte me slechts een onheil toe, opdat ik door mijn onderwerping den hemel zou winnen... Me onderwerpen, o, dat kan ik niet, dat kan ik nog niet! Mijn hart is vol verontwaardiging en verdriet."

Nani luisterde naar hem en sloeg hem oplettend gade.

"Maar, mijn waarde zoon, niets staat nog vast, zoolang de paus niet geteekend heeft. Gij hebt den geheelen dag van morgen en den ochtend van overmorgen nog voor u. Een wonder is altijd mogelijk."

En terwijl Narcisse, de op lange halzen en kinderlijke boezems verliefde aestheticus, naar de dames keek, nam hij Pierre ter zijde en fluisterde hem in:

"Ik moet u onder de diepste geheimhouding iets mededeelen... Kom straks tijdens den cotillon even bij me in de kleine spiegelzaal. Daar zullen we op ons gemak kunnen spreken."

Pierre beloofde het met een hoofdknikje; de prelaat verwijderde zich ongemerkt en verdween in de menigte. Maar de ooren van den priester gonsden, hij kon niet meer hopen. Wat zou hij in één dag kunnen doen, nu hij drie maanden verloren had zonder er in geslaagd te zijn door den paus ontvangen te worden. In zijn verdooving hoorde hij hoe plotseling Narcisse over kunst begon te spreken.

"Het is verwonderlijk, zooals het vrouwenlichaam sedert onze verschrikkelijke democratische tijden verminderd is. Het wordt dik, akelig alledaagsch. Kijk zelf maar, geen enkele van al deze dames heeft de Florentijnsche lijn, de kleine borst, de slanke, koninklijke hals..."

Hij viel zichzelf in de rede en riep:

"Ja, toch een, die het vrijwel bereikt, die blonde daar met de bandeaux... Monsignor Fornaro spreekt haar juist aan!"

Sedert enkele oogenblikken ging monsignor Fornaro met zijn vriendelijk veroveraarsgezicht van de eene dame naar de andere. Hij was dien avond met zijn groote, decoratieve figuur, zijn blozende wangen en zijn zegepralende lieftalligheid buitengewoon knap. Er deden geen verdachte praatjes de ronde omtrent hem; men beschouwde hem eenvoudig als een galanten prelaat, die gaarne in het gezelschap van dames verkeert. Hij bleef staan, praatte, boog zich over de bloote schouders, raakte die even aan en ademde haar geur met vochtige lippen en lachende oogen en een soort vrome verrukking in.

Hij zag Narcisse, met wien hij veel omging, en kwam naar hem toe. De jonge man moest hem begroeten.

"Gaat het goed, monsignor, sedert de laatste maal, dat ik de eer had u op de ambassade te zien?"

"Uitstekend, uitstekend!... Een schitterend feest, niet?"

Pierre had een buiging gemaakt. Dat was de man, wiens rapport tot de veroordeeling van zijn boek geleid had. Maar vooral nam hij hem zijn fleemende manieren, de leugenachtige beloften kwalijk, die hij hem bij zijn zoo vriendelijke ontvangst gedaan had. De sluwe prelaat scheen blijkbaar te voelen, dat hij het besluit der congregatie vernomen had, en vond het meer in overeenstemming met zijn waardigheid hem niet openlijk te herkennen. Glimlachend beantwoordde hij de buiging met een hoofdknikje.

"Wat een menschen!" herhaalde hij. "En wat een mooie vrouwen! Je zal je straks in dezen salon niet meer kunnen roeren."

Alle zitplaatsen waren nu door dames ingenomen; het begon in den viooltjesgeur, die door de uitwasemingen der blonde of bruine nekken verwarmd werd, benauwd te worden. De waaiers bewogen zich nu sneller, uit het toenemend lawaai steeg luid gelach op; in het geroezemoes der gesprekken hoorde men steeds weer dezelfde woorden. Blijkbaar was ergens een gerucht opgedoken, dat men elkaar influisterde en dat het eene groepje na het andere in koortsachtige opwinding bracht.

Monsignor Fornaro, die uitstekend op de hoogte was, wilde zelf het nieuws, dat men nog niet hardop durfde zeggen, vertellen.

"Weet u, wat de dames zoo opgewonden maakt?"

"De gezondheidstoestand van den Heiligen Vader toch niet?" vroeg Pierre ongerust. "Die is toch niet erger geworden vanavond?"

De prelaat keek hem verbaasd aan. Dan eenigszins ongeduldig:

"O neen, geen quaestie van! Zijne Heiligheid voelt zich veel beter, Goddank! Iemand van het Vaticaan vertelde me zooeven, dat de paus vanmiddag opgestaan is en zooals gewoonlijk zijn intieme vrienden ontvangen heeft."

"Maar men is toch bang geweest," mengde Narcisse zich in het gesprek. "Ik wil eerlijk bekennen, dat we op de ambassade allesbehalve gerust waren, want op dit oogenblik zou een conclave een ernstige zaak voor Frankrijk zijn. Het zou er in het geheel geen macht hebben. Het is een groote fout van onze republikeinsche regeering het pausschap als een quantité négligeable te beschouwen... Maar weet men eigenlijk ooit met zekerheid of de paus ziek is of niet? Ik heb uit zeer vertrouwbare bron gehoord, dat hij den vorigen winter, toen niemand er met één woord over sprak, op den rand van het graf geweest is, terwijl de vorige maal, toen alle couranten hem bijna dood waanden, ik persoonlijk hem heel opgewekt en vroolijk gezien heb... Hij is, geloof ik, ziek, wanneer het noodig is."

Met een vlug gebaar schoof monsignor Fornaro dit lastige onderwerp ter zijde.

"Neen, neen, men is weer heelemaal gerustgesteld, er wordt zelfs niet eens meer over gesproken. Neen, de dames winden zich zoo op, omdat vandaag de Conciliecongregatie zich in het proces-Prada met een groote meerderheid van stemmen voor de nietigverklaring van het huwelijk uitgesproken heeft."

Dat was een nieuwe ontroering voor Pierre. Daar hij bij zijn terugkeer uit Frascati geen tijd gehad had om in den palazzo Boccanera iemand te spreken, was hij bang, dat het een valsch gerucht zou kunnen zijn. De prelaat meende er zijn woord van eer op te moeten geven.

"Er is geen twijfel mogelijk, ik weet het van een van de leden der congregatie."

Maar plotseling excuseerde hij zich.

"Neem me niet kwalijk, maar ik zie daar een dame, die ik moet gaan begroeten!"

Hij liep regelrecht naar haar toe. Daar hij niet kon gaan zitten, bleef hij staan, zijn hooge gestalte wat voorover buigend, als hulde hij de jonge, knappe, laag gedecolleteerde vrouw, die bij de zachte aanraking van den kleinen violetzijden mantel luid òplachte, in zijn galante hoffelijkheid.

"U kent die dame toch wel?" vroeg Narcisse aan Pierre. "Niet?... Dat is de vriendin van graaf Prada, de allercharmantste Lisbeth Kauffmann, die hem zoo'n flinken jongen geschonken heeft en nu vanavond voor het eerst weer uitgaat... U weet, dat zij een Duitsche is, hier haar man verloren heeft en vrij aardig schildert. Er wordt hier van de dames der vreemdelingenkolonie veel door de vingers gezien, en deze is door de vriendelijkheid, waarmede zij in haar klein paleis in de Via Principe Amadeo ontvangt, bijzonder geliefd... U begrijpt wat een pleizier zij hebben zal in het gerucht omtrent de nietigverklaring van het huwelijk."

De hoogblonde, blozende, zeer opgewekte Lisbeth met haar als satijn zoo zachte huid, haar blank gezichtje, haar lichtblauwe oogen, haar om zijn vriendelijk glimlachje beroemden mond, was inderdaad een bekoorlijk persoontje. En in haar witzijden kleed met gouden loovertjes zag zij er dien avond zóó levenslustig uit, zóó gelukkig in haar zekerheid vrij te zijn, lief te hebben en bemind te worden, dat het gerucht, dat men elkaar influisterde, de boosaardigheden, die achter de waaiers gezegd werden, zich in een triomf voor haar scheen te veranderen. Aller blikken waren een oogenblik op haar gericht. Men herhaalde haar woorden tegen Prada, toen zij zich zwanger voelde van een man, dien de Kerk heden impotent verklaarde: "Arme jongen, dan moet ik zeker van een kleinen Jezus bevallen!" Er klonk onderdrukt gelach, oneerbiedige grappen gingen van mond tot mond, terwijl zij stralend in haar opgewekte kalmte, met een blos van verrukking luisterde naar de galanterieën van monsignor Fornaro, die haar zijn compliment maakte over een doek, een Heilige Maagd met een lelie, dat zij tentoongesteld had.

O, welk een opwinding verwekte deze nietigverklaring, welke sedert een jaar de chronique scandaleuse van Rome vormde, nog een laatste maal, nu de tijding daarvan midden in dit bal viel. De witte en de zwarte kringen hadden haar reeds lang als een slagveld uitgekozen, om elkaar met de ongelooflijkste lasterpraatjes, met eindelooze kwaadsprekerijen te bestoken. Ditmaal was het uit. Het onverzettelijke en onverstoorbare Vaticaan durfde de nietigverklaring uitspreken onder het voorwendsel, dat het huwlijk ten gevolge van de onmacht van den echtgenoot niet voltrokken had kunnen worden. Heel Rome zou erom lachen; zoodra het om de geldelijke aangelegenheden van de Kerk ging, stak het Romeinsche publiek zijn scepticisme niet onder stoelen of banken. Iedereen kende de verschillende phases van den strijd, iedereen wist, dat Prada zich, ondanks zijn heftige verontwaardiging, afzijdig gehouden had, dat de Boccanera's hemel en aarde bewogen hadden, dat onder de creaturen van de kardinalen geld rondgedeeld was, om hun invloed te koopen, dat men de gunstige memorie van monsignor Palma indirect met een groote som betaald had. Men sprak van meer dan honderdduizend francs bij elkaar, wat men niet te duur vond, daar de echtscheiding van een Fransche gravin bijna een millioen gekost had. De Heilige Vader heeft ook zooveel noodig! Niemand echter ergerde er zich aan, men bepaalde er zich toe er grappen over te maken.

"Wat zal de contessina gelukkig zijn!" begon Pierre weer. "Ik begreep daareven niet, waarom haar kleine vriendin zeide, dat zij vanavond zoo gelukkig en mooi zou zijn... Zeker komt zij daarom--zij, die zich sedert het proces als in rouw beschouwde!"

Maar Lisbeth had Narcisse, wiens blik zij ontmoet had, toegelachen en hij moest haar dus wel gaan begroeten, want hij kende haar, daar hij, evenals de geheele vreemdelingenkolonie, haar atelier bezocht had. Hij begaf zich weer terug naar Pierre, toen een nieuwe emotie de diamanten aigrettes en de bloemen van het kapsel der dames deed trillen. Men keek om, het geroezemoes der stemmen werd luider.

Met onbevangen, vroolijken, bijna triompheerenden blik kwam Prada binnen. Met zijn open, harde oogen, zijn energieken kop met de zware, bruine snor boven het breede, witte plastron van zijn overhemd, dat door zijn smoking zwart omlijst werd, had hij, zooals Narcisse zeide, werkelijk iets van een roofdier over zich. Nog nooit had zijn vraatzuchtige mond zijn wolvengebit door zijn verrukt-zinnelijken lach zóó doen uitkomen. Met een vluggen blik ontkleedde hij alle vrouwen. Maar toen hij de zoo blozende en blonde Lisbeth zag, ontspanden zijn trekken zich wat en ging hij naar haar toe, zonder zich in het minst te bekommeren om de brandend-nieuwsgierige blikken, waarmede men hem opnam. Hij boog zich over haar heen en sprak zacht met haar, zoodra monsignor Fornaro hem zijn plaats afgestaan had. Ongetwijfeld werd het in omloop zijnde gerucht door de jonge vrouw bevestigd, want hij lachte, toen hij zich weer oprichtte, eenigszins gedwongen.

Nu zag hij Pierre en hij voegde zich bij hem in de vensternis. Hij drukte ook Narcisse de hand en zeide dan onmiddellijk met zijn gewone bravoure tegen Pierre:

"Nu, wat heb ik u gezegd, toen we vanmiddag uit Frascati terugreden... Het schijnt nu zeker te zijn, zij hebben mijn huwlijk nietig verklaard... Het is zoo grof, zoo onbeschaamd, zoo idioot-stom, dat ik er daareven nog aan twijfelde."

"O, het is beslist zeker," veroorloofde Pierre zich te zeggen. "Het is ons zoo juist bevestigd door monsignor Fornaro, die het van een der leden van de Congregatie wist. En men zegt, dat de congregatie zich met een groote meerderheid voor de nietigverklaring uitgesproken heeft."

Weer schudde Prada van het lachen.

"Je kan je eigenlijk zoo'n klucht niet indenken. Het is, zoover ik weet, de mooiste klap, die men ooit aan de gerechtigheid en aan het gezonde verstand gegeven heeft. Wanneer het nu ook nog lukt om van de burgerlijke autoriteiten echtscheiding te krijgen en mijn vriendin, die u daar ziet, het wil, dan kan Rome pleizier hebben. Ja zeker, ik zal met alle pracht en praal met haar in de S. Maria Maggiore trouwen. En dan leeft er ergens een klein wezentje, dat op den arm van zijn min het feest zal meemaken!"

Hij lachte bij deze toespeling op zijn kind, het levend bewijs van zijn manlijkheid, te luid en te brutaal. Leed hij nog onder den smaad, dat er een plooi om zijn lippen kwam, die deze wat optrok en zijn witte tanden liet zien? Men voelde, dat hij beefde, dat hij streed tegen het ontwaken van een heimelijken, stormachtigen hartstocht, dien hij niet eens aan zichzelf bekende.

"En weet u ook het andere nieuws, waarde abbé?" ging hij druk doende voort. "Heeft men u al verteld, dat de gravin komen zal?"

Zoo noemde hij Benedetta uit gewoonte; hij vergat, dat zij zijn vrouw niet meer was.

"Ja, dat heeft men mij verteld," antwoordde Pierre.

Een oogenblik aarzelde hij, voor hij in zijn behoefte om iedere pijnlijke verrassing te voorkomen, eraan toevoegde:

"Ongetwijfeld zullen we ook prins Dario zien, want hij is niet naar Napels gegaan, zooals ik u vanmiddag zeide. Er is, geloof ik, op het laatste oogenblik wat tusschenbeide gekomen."

Prada lachte niet meer, doch mompelde, terwijl zijn gezicht plotseling ernstig werd:

"Zoo, komt de neef ook? Nu, dan zullen we ze beiden zien."

En terwijl de beide vrienden hun gesprek voortzetten, zweeg hij, overweldigd door een stroom van ernstige gedachten, die hem tot nadenken dwongen. Dan maakte hij een verontschuldigend gebaar, ging nog wat dieper in de vensternis staan, haalde een notitieboekje uit zijn zak, scheurde er een blaadje uit, waarop hij met dikke letters met potlood de volgende regels schreef: "Een legende beweert, dat de vijgeboom van Judas, doodelijk voor ieder, die eenmaal paus worden wil, weer te Frascati groeit. Eet de vergiftigde vijgen ervan niet en geef ze noch aan uw personeel noch aan uw kippen". Dan vouwde hij het blaadje papier toe, plakte er een postzegel op en schreef het adres: "Aan Zijne Zeer Eerwaarde en Doorluchtige Eminentie kardinaal Boccanera". Toen hij dat alles weer in zijn zak gestoken had, haalde hij diep adem en vond zijn lach weer terug.

Iets als een onoverwinlijk gevoel van vrees en van angst had hem verstijfd. Zonder dat hij het bepaald beredeneerde, voelde hij een drang om zich tegen de verleiding van een mogelijke gruweldaad te vrijwaren. Maar hij zou de ideeënverbinding, welke hem dwong die vier regels onmiddellijk en op de plaats zelf, waar hij zich bevond, te schrijven, niet hebben kunnen verklaren. Hij had slechts één vaststaande gedachte: hij zou den brief na het bal in de brievenbus van kardinaal Boccanera werpen. Nu was hij rustig.

"Wat hebt u toch, waarde abbé?" vroeg hij, zich weer in het gesprek mengend. "U ziet er zoo somber uit."

En toen Pierre hem de slechte tijding medegedeeld had, dat zijn boek veroordeeld was, dat hij nog maar één dag had, om te handelen, als hij niet wilde, dat zijn reis naar Rome een nederlaag werd, riep hij, alsof hij zelf een behoefte aan opwinding, aan verdooving voelde, om ondanks alles te kunnen hopen en leven:

"Kom, kom, den moed niet verloren. Een dag is heel veel, je kunt in een dag heel wat doen! Een uur, een minuut is voldoende voor het noodlot om te handelen en een nederlaag in een overwinning te veranderen."

En opgewonden voegde hij eraan toe:

"Kom, laten we naar de balzaal gaan. Het moet daar prachtig zijn!"

Terwijl Pierre en Narcisse hem volgden, wisselde hij een laatsten blik vol liefde met Lisbeth; met moeite drongen zij zich door de menigte heen en kwamen te midden van de zich haastende vrouwenrokken, de deining van nekken en schouders, waaruit de leven gevende hartstocht, de geur van liefde en dood opsteeg, in de galerij ernaast.

De tien meter breede en twintig meter lange zaal ontvouwde zich in een schitterende pracht. De acht kale, noch met gordijnen noch met vitrage voorziene ramen, die op den Corso uitzagen, deden de tegenoverliggende huizen ontvlammen. Het was een verblindend licht; zeven paar reusachtige marmeren kandelabers werden door electrische lampen in reusachtige pekfakkels veranderd, terwijl in de hoogte langs de kroonlijsten andere in lichte bloemen opgesloten lampjes een wondermooie guirlande van vlammenbloemen, tulpen, pioenen en rozen vormden. Het oude, roode, met goud omzoomde fluweel van het behang, kreeg een gloed als van een vlammend kolenvuur. De draperieën aan de deuren en vensters waren van oude kant, die in gekleurde zijde eveneens met krachtig levende bloemen bestikt waren.

Maar de weergalooze rijkdom, die eenig in de wereld was, werd gevormd door de verzameling meesterwerken onder het prachtige plafond met zijn met goudrosetten versierde vakken. Geen museum had een mooiere collectie. Er waren Raffaëls, Titiaans, Rembrandts, Rubens, Velasquez en Ribera's--wereldberoemde werken, welke in deze onverwachte belichting plotseling in triompheerende jeugd verschenen, als waren zij weder ontwaakt tot het onsterfelijke leven van het genie. Daar Hunne Majesteiten eerst tegen middernacht zouden komen, was het bal reeds geopend; een wals sleepte de paren mede, lichte toiletten vlogen door de menigte, één stroom van decoratie en kleinoodiën, met goud geborduurde uniformen en met parelen versierde japonnen.

"Het is werkelijk schitterend," zeide Prada op zijn nog steeds opgewonden toon. "Kom hier, dan gaan we weer in een vensternis staan. Er is geen betere plaats om goed te zien, zonder te erg in het gedrang te komen."

Zij hadden Narcisse verloren, zoodat Pierre en de graaf, toen zij eindelijk in hun nis kwamen, samen waren. Het op een kleine estrade achter in de zaal geplaatste orkest had de wals juist geëindigd en de dames liepen weer langzaam met verrukte gezichten door de steeds grooter wordende menigte, toen een paar personen verschenen, wier binnentreden allen deed omkijken. Donna Serafina, in een toilet van karmijnroode zijde, als droeg zij de kleuren van haar broeder, den kardinaal, maakte als een koningin haar entree aan den arm van advocaat Morano. Nooit had zij haar dunne, jongemeisjesachtige taille meer ingeregen, nog nooit had haar hard, met groote rimpels doorgroefd, door haar grijs haar nauwlijks verzacht gelaat een zoo koppige en zegepralende heerschzucht uitgedrukt. Een bescheiden, goedkeurend gemompel, een zucht van algemeene verlichting steeg op, want de Romeinsche kringen hadden het onwaardige gedrag van Morano, om een dertigjarige liaison, waaraan de salons zich gewend hadden als aan een wettig huwlijk, eenstemmig veroordeeld. Men sprak van een onmogelijke gril voor een burgermeisje, van een laag voorwendsel tot een breuk, die het gevolg zou zijn van een twist naar aanleiding van Benedetta's echtscheidingsproces. De breuk had ongeveer twee maanden geduurd tot groote ergernis van Rome, waar men nog steeds een groote vereering koestert voor lange, trouwe liefdeverhoudingen. De verzoening ontroerde dan ook alle harten als een der gelukkigste gevolgen van het dienzelfden dag voor de Conciliecongregatie gewonnen proces. Morano weer berouwvol verschijnend aan den arm van donna Serafina--dat was de overwinning der liefde, de redding der goede zeden, het herstel van de orde.

Maar een nog grootere sensatie verwekte het binnentreden van Benedetta aan de zijde van Dario. Deze kalme onverschilligheid voor de gewone convenances, deze overwinning van haar in het openbaar beleden liefde op denzelfden dag, dat haar huwlijk nietig verklaard was, leek een zoo aantrekkelijke vermetelheid, een zoo kranige bravoure van jeugd en hoop, dat een algemeen gemompel van bewondering haar dadelijk vergiffenis schonk. Evenals zooeven naar Celia en Attilio, vlogen thans aller harten naar hen om den schoonheidsglans, waarin zij straalden, om het groote geluk, dat uitging van hun gezichten. Dario, nog wat bleek door zijn lange bedlegerigheid, had bij zijn eenigszins teere zwakheid, zijn mooie, heldere kinderoogen, zijn bruine baard, welke kroesde als die van een jongen god, toch iets fiers en trotsch, waarin men het oude, vorstelijke bloed der Boccanera's terugvond. Benedetta, blank onder haar kroon van donkere lokken, heel kalm, heel vastberaden, liet haar helder lachje hooren, dat bij haar zoo zeldzaam lachje, dat in zijn onweerstaanbaar verleidelijke bekoring, haar als het ware tot een ander wezen maakte, aan haar eenigszins krachtigen mond den charme van een bloem gaf en haar groote, donkere, ondoorgrondelijke oogen met de helderheid als van een onbewolkten hemel vulde.

In haar terugkeerende, zoo vroolijke, zoo mooie jeugd had zij de kostelijke ingeving gekregen een witte japon aan te trekken, een heel eenvoudige jongemeisjesjapon, die als het ware het symbool was van haar maagdelijkheid, en verkondigde, dat zij de groote, reine lelie gebleven was voor den echtgenoot harer keuze. Niets van haar lichaam was te zien, zelfs was de toch aan ieder jong meisje veroorloofde uitsnijding aan haar hals niet in haar japon aangebracht. Het was het ondoordringbare, angstaanjagende liefdesmysterie, een verheven vrouwenschoonheid, die hier, in het wit gehuld sluimerde. Geen parure, geen juweel aan haar handen of in haar ooren. Alleen op haar corsage een collier, de collier van een koningin, de beroemde paarlencollier der Boccanera's, dien zij van haar moeder geërfd had en dien geheel Rome kende, fabelachtig groote parelen, die zij nonchalant om haar hals geworpen had, maar die, ondanks haar eenvoudige japon, voldoende waren haar een koningin te doen schijnen.

"O," prevelde Pierre in extase; "wat is zij mooi, wat is zij gelukkig!"

Onmiddellijk had hij er spijt van zoo hardop gedacht te hebben, want hij hoorde naast zich een doffen klaagtoon als van een wild dier, een onwillekeurig gebrom, dat hem er plotseling aan herinnerde, dat de graaf naast hem stond. Maar deze verstikte dadelijk den kreet van zijn zoo ruw weer geopende wond en vond zelfs nog de kracht een brutale vroolijkheid te huichelen.

"Bliksems, zij durven. Straks zullen ze nog in tegenwoordigheid van ons allen trouwen en naar bed gaan!"

Maar dan had hij spijt van die ruwe scherts, waarin de pijn van zijn onbevredigde mannelijke begeerte zich maar al te duidelijk deed gevoelen, en nam hij een onverschillige houding aan.

"Zij is werkelijk mooi vanavond. U moet weten, dat zij de mooiste schouders van de wereld heeft; het is een groot succes voor haar, dat zij nog mooier lijkt, nu zij ze niet laat zien."

Het gelukte hem onverschillig verder te praten en nog allerlei kleine bijzonderheden te vertellen omtrent haar, die hij hardnekkig "gravin" bleef noemen. Maar hij had zich, blijkbaar uit vrees, dat men zijn bleekheid en het zenuwachtige trekken van zijn lippen opmerken zou, wat dieper in de vensternis teruggetrokken. Hij was niet meer in staat te strijden, naast de zoo naïef ten toon gespreide vreugde van het jonge paar lachend en onbeschaamd op te treden, zoodat de komst van het koninklijk echtpaar een groote opluchting voor hem was.

"Daar zijn Hunne Majesteiten," riep hij, terwijl hij door het raam keek. "Kijk eens wat een gedrang op straat!"

Inderdaad drong, niettegenstaande de ramen gesloten waren, het tumult van een groote menigte in de zaal door. Toen Pierre naar buiten keek, zag hij in het licht der electrische lampen een deinende zee van menschenhoofden den rijweg overstroomen en om de koetsen heendringen. Reeds had hij op zijn dagelijksche wandelingen in de villa Borghese den koning ontmoet, die daar, als een eenvoudig burger, zonder gevolg of escorte, alleen vergezeld door een aide-de-camp, heen reed. Dikwijls was hij heelemaal alleen en stuurde zelf een lichten phaëton, waarin nog slechts een rijknecht in zwarte livrei zat. Zelfs had hij eenmaal de koningin medegenomen en beiden zaten naast elkaar als een gelukkig echtpaar, dat voor zijn pleizier uit is. Ook nog andere bijzonderheden omtrent het Quirinaal waren Pierre ter oore gekomen: men had hem verteld van de goedheid en den eenvoud van den koning, van zijn verlangen naar vrede, van zijn hartstocht voor de jacht, voor de eenzaamheid in het vrije veld, die hem in zijn afkeer voor de macht dikwijls van een ongedwongen leven deed droomen--ver van die autoritaire heerscherswerkzaamheden, waarvoor hij niet geschapen scheen te zijn. Maar vooral de koningin werd aangebeden; zij was zeer beschaafd, ontwikkeld, goed op de hoogte van talen en letterkunde en voelde zich gelukkig intelligent te zijn en ver boven haar omgeving uit te steken. Zij wist het en liet het gaarne met een volmaakte lieftalligheid blijken.

Prada, die evenals Pierre zijn gezicht tegen het raam gedrukt hield, wees hem met een gebaar op de menigte.

"Nu zij de koningin gezien hebben, zullen zij gelukkig en tevreden gaan slapen. En er is, dat verzeker ik u, daar beneden geen enkele politie-agent... O, bemind te worden, bemind te worden!"

Zijn pijn overweldigde hem weer; hij wendde zich opnieuw naar de galerij.

"Let goed op, waarde heer. De entree van Hunne Majesteiten mag u niet missen, dat is het mooiste van het geheele feest."

Enkele minuten verliepen; dan hield het orkest plotseling midden in een polka op en zette met al de kracht van zijn koperen instrumenten de koningsmarsch in. De dansers maakten het midden van de zaal vrij. Begeleid door prins en prinses Buongiovanni, die hen beneden aan de trap ontvangen hadden, traden Hunne Majesteiten binnen. De koning was eenvoudig in rok, de koningin droeg een stroogele, met prachtige witte kant gegarneerde japon van satijn; onder den diadeem van brillanten, die haar mooi blond haar omgaf, straalde een rond, frisch, jeugdig gezichtje vol vriendelijkheid, zachtheid en geest. De muziek speelde nog steeds met geestdriftig-verwelkomende heftigheid. Achter haar vader en haar moeder kwam Celia, dan Attilio, de Sacco's, bloedverwanten en officieele persoonlijkheden.

Eindelijk zweeg het orkest en kon men met het voorstellen beginnen. Hunne Majesteiten, die Celia reeds kenden, wenschten haar met ouderlijke vriendelijkheid geluk. Maar Sacco stond er, als minister zoowel als vader, op zijn zoon Attilio voor te stellen. De kleine man kromde zijn lenige ruggegraat, wist de passende mooie woorden te vinden, zoodat hij den luitenant voor den koning deed buigen, terwijl hij voor de koningin de huldiging van den knappen, zoo hartstochtelijk beminden jongen man reserveerde. Weer toonden Hunne Majesteiten een groote vriendelijkheid, zelfs tegenover mevrouw Sacco, die zich als altijd bescheiden op den achtergrond hield. Doch dan gebeurde iets, dat, van salon tot salon verder verteld, eindelooze commentaren zou verwekken. Toen de koningin Benedetta zag, die graaf Prada haar na zijn huwlijk voorgesteld had en voor wie zij om haar schoonheid en haar charme een bewonderende sympathie had opgevat, lachte zij haar toe, zoodat de jonge vrouw wel naar haar toe moest gaan en de buitengewone onderscheiding genoot eenige oogenblikken een gesprek te mogen voeren, waarin de koningin haar enkele vriendelijke woorden toevoegde, die alle omstanders konden hooren.

Blijkbaar wist de koningin niets van de groote gebeurtenis van den dag, het nietig verklaarde huwlijk met Prada, de aanstaande echtverbintenis met Dario, die bij dit feest openlijk geannonceerd werd, zoodat dit thans als het ware gegeven werd voor een dubbele verloving. Maar de indruk was er niet minder om, men sprak over niets meer dan over de complimenten, die de deugdzaamste en intelligentste van alle koninginnen tot Benedetta gericht had. Haar triomf werd er des te grooter door; zij werd in dit geluk eindelijk den uitverkoren echtgenoot toe te behooren, nog mooier, nog trotscher, nog zegepralender.

Het was voor Prada een onuitsprekelijke kwelling. Terwijl de souvereinen cercle bleven houden, de koningin van de dames, die haar kwamen begroeten, de koning voor de officieren, diplomaten en andere hoogwaardigheidsbekleeders, zag Prada niets anders dan Benedetta, die geluk gewenscht, gevleid, door liefde en roem omgeven werd. Dario stond naast haar, genoot en straalde met haar. Voor hen werd het bal gegeven, voor hen schitterden de lampen, voor hen speelde het orkest, hadden de mooie vrouwen van Rome zich gedecolleteerd, en prijkten nu met haar van diamanten fonkelende boezems; voor hen waren Hunne Majesteiten op de klanken van de koningsmarsch gekomen; voor hen veranderde dit feest in een apotheose; voor hen glimlachte een aangebeden vorstin; voor hen bracht zij als de goede fee uit de sprookjes, wier komst het geluk der jonggeborenen verzekert, aan dit verlovingsfeest het geschenk van haar aanwezigheid!

Dit uur van buitengewone schittering beteekende het toppunt van geluk en jubel, de zege van deze vrouw, wier schoonheid de zijne geweest was, zonder dat hij haar had kunnen bezitten, de zege van dezen man, die haar hem nu ontrooven zou--een zoo openlijke, voor hem zoo smadelijke zege, dat zij hem, brandend als een kaakslag, midden in zijn gezicht trof. Maar niet alleen zijn hoogmoed en zijn hartstocht bloedden, door den triomf der Sacco's voelde hij zich ook in zijn vermogen bedreigd. Was het dus waar, dat het verschrikkelijke klimaat van Rome ten slotte de ruwe veroveraars van het Noorden bedierf, dat hij dit gevoel van moeheid en uitputting kreeg. Dezen zelfden dag had hij in Frascati bij die ongelukkige bouwgeschiedenis zijn fortuin hooren kraken, hoewel hij zich nog niet bekennen wilde, dat zijn zaken, zooals het gerucht wilde, slecht stonden.

En nu zag hij dezen avond te midden van het feest het Zuiden overwinnen, zag hij Sacco de overhand krijgen als een, die op zijn gemak leeft van de warme buit, welke hij gulzig in de brandende zon gemaakt heeft. Sacco, de minister, Sacco, de vertrouwde des konings, Sacco, die zich door het huwlijk van zijn zoon verbond met een der edelste families van de Romeinsche aristocratie, die op weg was eenmaal de meester van Rome en Italië te worden, die nu reeds met volle handen in het geld en in het volk wroette--die Sacco was een nieuwe slag voor de ijdelheid, voor de altijd nog weer vraatzuchtige en gulzige begeerten van dezen genotzoeker, die zich vóór het einde van het feestgelag van de tafel gedrongen zag! Alles stortte ineen, niets bleef hem over: Sacco ontstal hem zijn millioenen, Benedetta liet in hem die vreeselijke wonde van onbevredigde zinsbegeerte achter, waarvan hij nooit meer genezen zou.

Op dat oogenblik hoorde Pierre weer dien klaagtoon als van een wild dier, dat onwillekeurige en wanhopige gebrom, dat hem reeds eenmaal zoo onaangenaam getroffen had. Hij keek den graaf aan en vroeg:

"Hebt u pijn?"

Maar bij het zien van dezen bleeken man, die door een bovenmenschelijke krachtsinspanning een groote kalmte wist te bewaren, had hij onmiddellijk reeds spijt om die indiscrete vraag, welke trouwens onbeantwoord bleef. Om hem wat af te leiden, sprak hij luide de gedachten uit, die het zien van al die pracht en praal in hem opwekte.

"Uw vader had wel gelijk! Wij Franschen met onze zelfs in deze dagen van algemeenen twijfel zoo streng Katholieke opvoeding zien in Rome nog steeds het eeuwenoude Rome der pausen, zonder van de diep-ingrijpende veranderingen, die er ieder jaar meer het Italiaansche Rome van heden van maken, iets te weten, iets te kunnen begrijpen. Als u eens wist hoe ik bij mijn aankomst den koning en zijn regeering en dit jonge volk, dat bezig is zich een groote hoofdstad te scheppen, als een quantité négligeable beschouwde! Ja, in mijn droom, om tot heil der volkeren Rome, een nieuw Christelijk en Evangelisch Rome tot nieuw leven te wekken, schoof ik dat alles ter zijde, hield ik er geen rekening mede."

Hij lachte zachtjes, had medelijden met zijn onschuldige naïeveteit; met een gebaar wees hij naar de galerij, naar prins Buongiovanni, die op dat oogenblik voor den koning boog, naar de prinses, die naar de galanterieën van Sacco luisterde--naar de overwonnen pauselijke aristocratie, naar de parvenu's, die thans in de hoogste kringen werden toegelaten, naar de witte en de zwarte kringen, die zóó vermengd waren, dat er niets meer dan onderdanen waren, die op het punt stonden één eenig volk te vormen. Wezen bij het zien van de dagelijksche evolutie, van deze vroolijke, lachende, opgesierde mannen en vrouwen, de feiten, zoo niet de principes, erop, dat een verzoening tusschen het Quirinaal en het Vaticaan onmogelijk was? Men moest leven, liefhebben, bemind worden, nieuw leven scheppen! Het huwlijk van Celia en Attilio zou het symbool worden van de noodzakelijke vereeniging: jeugd en liefde zouden den ouden haat overwinnen, alle twisten zouden vergeten worden in de omarming van den mooien jongen man, die komt en het mooie veroverde meisje in zijn armen wegdraagt, opdat de wereld kan voortduren.

"Kijk toch eens," zeide Pierre weer. "Hoe mooi, hoe jong, hoe vroolijk is het jonge paar, hoe lacht het de toekomst toe! Ik begrijp heel goed, dat uw koning hier gekomen is, om zijn minister een genoegen te doen en een der oudste Romeinsche families voor zijn troon te winnen. Dat is goede, flinke, vaderlijke politiek. Maar ik zou ook gaarne gelooven, dat hij de roerende beteekenis van dit huwlijk begrepen heeft: het oude Rome, dat zich in den persoon van dit mooie, zoo naïeve, zoo verliefde kind, geeft aan het jonge Italië, aan dezen zoo enthousiasten en zoo rechtschapen jongen man, die zoo kranig zijn uniform draagt. Moge hun huwlijk beslissend en vruchtbaar zijn, moge daaruit het groote land geboren worden, dat ik u, nu ik u begin te leeren kennen, zoo van harte gaarne zou zien worden."

In zijn smart over het wankelen van zijn oud ideaal van een Evangelisch en universeel Rome had hij dien wensch voor een nieuw geluk van de eeuwige stad met een zóó diepe ontroering uitgesproken, dat Prada ondanks zichzelf antwoordde:

"Ik dank u. Dat is een wensch, die in het hart van iederen goeden Italiaan leeft."

Maar de woorden stokten in zijn keel. Terwijl hij naar Celia en Attilio keek, zag hij hoe Benedetta en Dario met hetzelfde glimlachje van onbeperkt geluk naar hen toe gingen. En toen hij de beide paren daar zoo stralend en triompheerend van geluk en levensvreugde samen zag, had hij niet meer de kracht daar te blijven, hen te zien en te lijden:

"Ik heb een vreeselijke dorst," zeide hij. "Ga mee aan het buffet wat drinken."

Hij manoeuvreerde achter de menigte door, langs de ramen, om niet gezien te worden, terwijl hij naar de aan het uiteinde der galerij gelegen deur van de antieken-zaal ging.

Toen Pierre hem volgde, werden zij door een menigte menschen gescheiden; de priester werd medegevoerd in de richting van de twee paren, die nog steeds met elkaar stonden te praten. Celia, die hem zag, riep hem met een vriendschappelijk handgebaar. In haar vurige vereering voor de schoonheid stond zij in extase voor Benedetta en vouwde haar kleine lelie-handen voor haar als voor de Madonna.

"O, mijnheer de abbé, doe mij eens het groote pleizier tegen haar te zeggen, dat zij mooi is, mooier dan het mooiste dat er op aarde is, mooier dan de zon, de maan en de sterren!... O, lieveling, ik krijg er gewoon het kippenvel van, je zoo mooi te zien als het geluk, zoo mooi als de liefde!"

Benedetta begon te lachen, terwijl de jonge mannen elkaar vroolijk aankeken.

"Jij bent even mooi als ik, lieveling... Wij zijn mooi, omdat we gelukkig zijn."

"Ja, ja, gelukkig," herhaalde Celia zacht. "Herinner je je den avond nog wel, dat je tegen me zei, dat het niet mogelijk was den paus en den koning te laten trouwen. Nou doen Attilio en ik het en toch zijn we zóó gelukkig!"

"Maar Dario en ik doen het niet," antwoordde Benedetta vroolijk; "integendeel! Maar herinner je nu ook jouw antwoord maar: Het is voldoende, als men elkaar liefheeft, dan redt men de wereld."

Toen Pierre eindelijk in de antieken-zaal, waarin het buffet stond, komen kon, vond hij daar Prada onbeweeglijk staan. Hij stond als vastgenageld; zijn oogen dronken den vreeselijken aanblik in, dien hij had willen ontvluchten. Hij had zich moeten omdraaien, kijken, steeds weer kijken. Zoo zag hij met bloedend hart het weer beginnen van den dans, de eerste figuur van een quadrille, die het orkest met de volle klanken van zijn koperen instrumenten speelde. Benedetta en Dario, Celia en Attilio stonden vis-à-vis tegenover elkaar, en deze beide jonge, gelukkige paren zagen er in het schitterende licht en in de volheid en den geur van hun liefde zoo bekoorlijk, zoo aanbiddelijk uit, dat de koning en de koningin naderbij traden. Er weerklonken bewonderende bravo's, een oneindige teederheid vloeide uit alle harten.

"Ik verga van de dorst, ga mee!" herhaalde Prada, die eindelijk de kracht vond zich uit zijn marteling los te rukken, ruw.

Hij liet zich een glas ijslimonade geven en dronk het in één teug leeg op de gulzige manier van een koortslijder, die het inwendige vuur, waardoor hij verteerd wordt, niet blusschen kan.

De antieken-zaal was een groot, met mozaïek ingelegd vertrek, waarin zich tegen de muren een beroemde collectie vasen, bas-reliefs en beelden bevond. Het marmer voerde den boventoon, hoewel er toch ook enkele bronzen waren, o. a. een stervende gladiator van onvergelijkelijke schoonheid. Maar het glanspunt vormde de beroemde Venus, een pendant van de Capitolijnsche Venus, doch fijner en slanker, terwijl de linkerarm in een gebaar van wellustige overgave afhing. Dien avond wierp een groote electrische reflector een verblindend daglicht op haar, en het marmer scheen in zijn goddelijke en reine naaktheid een bovenmenschelijk, onsterfelijk leven te bezitten.

Tegen den achtermuur had men het buffet opgesteld, een lange, met een geborduurd laken bedekte tafel vol ooft, gebak en koud vleesch. Bloemruikers waren gezet tusschen champagneflesschen, warme punch, sorbets, een leger van glazen, kopjes en bekers, een grooten rijkdom van in het licht fonkelend kristal, porselein en zilverwerk. Een nieuwigheid was, dat men de eene helft der zaal gevuld had met rijen kleine tafeltjes, waaraan de gasten, in plaats van staande iets te gebruiken, konden gaan zitten en zich laten bedienen als in een café.

Pierre zag aan een dier kleine tafeltjes Narcisse met een dame zitten: toen Prada Lisbeth herkende, ging hij naar haar toe.

"U ziet, dat u mij in schoon gezelschap vindt," zeide de gezantschapsattaché galant. "Nadat ik u verloren had, kon ik niets beters doen dan mevrouw mijn arm aanbieden en haar hierheen brengen."

"Een prachtig denkbeeld," zeide Lisbeth met haar beminlijk lachje; "te meer, daar ik een vreeselijken dorst had."

Zij hadden zich café glacé laten brengen, die zij langzaam met kleine vermeillepeltjes aten.

"Ik verga ook van dorst," zeide de graaf. "Ik kan niet genoeg drinken... U vindt het toch goed, dat we hier ook plaats nemen, waarde heer? De koffie zal me misschien wat kalmeeren... Lieve vriendin, mag ik je mijnheer den abbé Froment voorstellen, een der voornaamste jonge Fransche priesters?"

Met hun vieren bleven zij lang zoo zitten; zij praatten en maakten zich vroolijk over de gasten, die nu en dan binnenkwamen. Maar Prada bleef ondanks zijn gewone galanterie voor zijn vriendin gepreoccupeerd; sommige oogenblikken vergat hij zelfs haar tegenwoordigheid en keerden zijn oogen terug naar de galerij ernaast, vanwaar de muziek en het dansen tot hem doordrong.

"Waar zit je toch zoo aan te denken?" vroeg Lisbeth, toen zij hem zoo bleek en als in gedachten verzonken zitten zag. "Voel je je niet lekker?"

Hij gaf er geen antwoord op, maar zeide plotseling:

"Kijk, daar heb je nu het echte liefdespaar--dat is de liefde en het geluk."

En hij wees met een bijna onmerkbaar handgebaar naar markiezin Montefiori, de moeder van Dario, en haar tweeden man Jules Laporte, den voormaligen sergeant der Zwitsersche garde, die vijftien jaar jonger was dan zij, dien zij met haar steeds nog prachtige vlammenoogen op den Corso opgevischt en van wien zij triomphantelijk een markies Montefiori gemaakt had, om hem geheel voor zich te bezitten. Op bals en soirées liet zij hem geen oogenblik los, hield hem tegen de etiquette in aan haar arm, liet zich door hem naar het buffet leiden, zoo gelukkig maakte het haar den mooien man, op wien zij trots was, te kunnen laten zien. Nu dronken zij beiden staande champagne en aten sandwiches--zij, ondanks haar vijftig jaar nog een buitengewone, krachtige schoonheid, hij, met zijn wapperende snor en zijn trotsche houding, een gelukkige avonturier, wiens vroolijke brutaalheid in den smaak der dames viel.

"Zij heeft hem uit een penibele zaak moeten redden," ging de graaf op fluisterenden toon voort. "Hij handelde in reliquieën, kon met moeite zijn brood verdienen door als tusschenpersoon op te treden voor de Fransche en Belgische kloosters, en was een heelen handel in valsche reliquieën begonnen. Hier wonende Joden maakten kleine ouderwetsche reliquieën-kastjes met stukjes schapenbeen, alles met het zegel en de onderteekening van de meest authentieke autoriteiten. Men heeft de zaak, waarin eveneens drie prelaten betrokken waren, in den doofpot gestopt... Een gelukkige kerel! Kijk eens, hoe zij hem met haar oogen verslindt! En ziet hij er niet uit als een grand'seigneur, zooals hij het bord vasthoudt, waarvan zij een stukje kip eet."

Dan bleef hij met bittere, grimmige ironie over de Romeinsche amourettes vertellen. De Romeinsche vrouwen waren onwetend, koppig en jaloersch. Wanneer een vrouw een man veroverd had, behield zij hem haar heele leven, werd hij haar eigendom, haar zaak, waarover zij op ieder uur naar welgevallen beschikte. En hij somde eindelooze liaisons op, o. a. die van donna Serafina en Morano, welke werkelijke huwlijken geworden waren; en hij spotte over het gemis aan phantasie, met die volkomen en al te drukkende overgave, met de burgerlijk makende zoenen, waaraan, wanneer er ooit een einde aan kwam, slechts een einde kon komen te midden van de onaangenaamste catastrophen.

"Maar wat scheelt je toch, lieve vriend, wat scheelt je toch?" riep Lisbeth lachende uit. "Wat je ons daar vertelt is juist heel aardig. Wanneer je van elkaar houdt, moet je altijd van elkaar houden."

Zij zag er met haar fijne, blonde, weerbarstige haren en in haar teere, blonde naaktheid werkelijk bekoorlijk uit; Narcisse, die haar met zijn half gesloten oogen kwijnend aankeek, vergeleek haar met een figuur van Botticelli, dat hij te Florence gezien had. Pierre was weer in zijn sombere overpeinzingen teruggevallen, toen hij een dame, die voorbijliep, hoorde zeggen, dat de cotillon reeds gedanst werd. Hij herinnerde zich plotseling de afspraak, die hij met monsignor Nani gemaakt had.

"Gaat u al weg?" vroeg Prada, die zag, dat de priester afscheid nam van Lisbeth.

"Neen, neen, nog niet."

"Dan is het goed. Ga niet weg zonder mij. Ik wil nog graag wat loopen, dan breng ik u thuis... U vindt me hier terug!"

Pierre moest twee salons doorgaan vóór hij, heelemaal aan het einde, aan de kleine spiegelzaal kwam. Het was inderdaad een wondervertrek, gehouden in een kostelijken rococostijl, en vormde een rotonde van matte spiegels in prachtig verguld en gebeeldhouwde lijsten. Zelfs aan de zoldering zetten de spiegels zich in hellende vakken voort, zoodat aan alle kanten de beelden vermenigvuldigd en tot in het oneindige teruggekaatst werden. Gelukkig waren hier geen electrische lampen aangebracht; er brandden slechts twee met rose kaarsen beladen kroonluchters. Het behang en de meubelen waren van lichtblauwe zijde.

Pierre zag onmiddellijk monsignor Nani op een lagen canapé zitten. Zooals de laatste gehoopt had, was hij geheel alleen, daar de cotillon de menigte naar de galerij gelokt had. Er heerschte een diepe stilte, nauwelijks hoorde men het orkest, dat hier in een zachten fluittoon wegstierf.

De priester excuseerde zich, dat hij op zich had laten wachten.

"Volstrekt niet noodig," antwoordde monsignor met zijn onuitputtelijke vriendelijkheid, "ik voelde mij in dit asyl heel rustig... Toen de menigte mij te dreigend werd, ben ik hierheen gevlucht."

Hij noemde het koninklijk echtpaar niet, maar gaf te verstaan, dat hij uit beleefdheid hun aanwezigheid vermeden had. Hij was slechts gekomen uit groote sympathie voor Celia--en ook uit een oogpunt van diplomatie, opdat het niet den schijn zou hebben, alsof het Vaticaan geheel brak met de Buongiovanni's, de oude, in de annalen van het pausdom zoo beroemde familie. Ongetwijfeld kon het Vaticaan dit huwelijk, dat het oude Rome met het jonge koninkrijk Italië scheen te vereenigen, niet goedkeuren; maar toch wilde het niet den schijn aannemen te verdwijnen en zijn belangstelling te verliezen door zijn trouwste dienaren in den steek te laten.

"Maar nu," ging de prelaat voort, "moeten we over u spreken, mijn waarde zoon... Ik heb u reeds gezegd, dat, al moge de Indexcongregatie tot de veroordeeling van uw boek besloten hebben, het vonnis eerst overmorgen aan den Heiligen Vader voorgelegd en door hem geteekend zal worden. Gij hebt dus nog aan geheelen dag voor u."

Pierre kon zich niet weerhouden hem in de rede te vallen.

"Maar wat moet ik doen, monsignor? Ik heb reeds nagedacht, maar ik kan geen enkele manier, geen enkel middel vinden, om mij te verdedigen. ... Zijne Heiligheid kan ik toch niet spreken, nu hij ziek is!"

"O ziek, ziek," prevelde Nani op zijn slimme manier. "Zijne Heiligheid voelt zich reeds veel beter, want ik heb vandaag, zooals alle Woensdagen, de eer gehad door hem ontvangen te worden. Wanneer hij wat moe is en men dan zegt, dat hij ziek is, laat hij de menschen praten, dat stelt hem in staat wat te rusten."

Maar Pierre was te wanhopig, om aandachtig te kunnen luisteren.

"Neen, het is uit," ging hij voort. "U hebt daareven over een wonder gesproken, maar ik geloof niet meer aan wonderen. Nu ik te Rome verslagen ben, ga ik weer terug naar Parijs, waar ik den strijd zal voortzetten... Ja, mijn ziel kan er zich niet bij neerleggen, mijn hoop op redding door liefde kan niet sterven; ik zal een nieuw boek schrijven en daarin zeggen in welke nieuwe aarde de nieuwe godsdienst opgroeien moet."

Er volgde een stilte. Nani keek hem aan met zijn heldere oogen, welker intelligente uitdrukking de scherpte van staal had. In de diepe stilte, in de zware, heete atmospheer van de kleine zaal, waarvan de spiegels de tallooze kaarsen weerkaatsten, drong plotseling een luidere uitbarsting van het orkest door. Langzame, wiegende walstonen klonken en stierven weer weg.

"Mijn waarde zoon, toorn is altijd verkeerd... Herinnert ge u, dat ik u bij uw aankomst beloofd heb, om, wanneer ge vergeefs getracht zoudt hebben door den Heiligen Vader ontvangen te worden, zelf op mijn beurt een poging te zullen doen? Neen, luister nu kalm en wind u niet op," ging hij voort, toen hij zag, dat de priester zenuwachtig werd. "Zijne Heiligheid krijgt, helaas, niet altijd even verstandige adviezen. De paus heeft personen om zich heen, wier toewijding niet steeds met de zoo gewenschte intelligentie gepaard gaat. Ik heb u dat al meer gezegd en u voor onberaden stappen gewaarschuwd. Daarom heb ik, reeds drie weken geleden, den voorzorgsmaatregel genomen om zelf uw boek aan den Heiligen Vader ter hand te stellen, in de hoop, dat het hem zou behagen een blik daarin te slaan. Ik vermoedde wel, dat men dat nooit zou doen... En nu heb ik de opdracht gekregen u te zeggen: De Heilige Vader, die de buitengewoon groote goedheid gehad heeft uw boek te lezen, verlangt beslist u te spreken."

Een kreet van vreugde en dank sprong uit Pierre's keel.

"O, monsignor! O, monsignor!"

Maar Nani legde hem het zwijgen op en keek ongerust rond, als was hij bang, dat men hem zou kunnen hooren.

"Stil, stil! Het is een geheim! Zijne Heiligheid wil u particulier ontvangen, zonder iemand in het vertrouwen te nemen. Luister goed. Het is nu twee uur in den ochtend, nietwaar? Welnu vanavond om negen precies moet u zorgen aan het Vaticaan te zijn en aan iedere deur naar mijnheer Squadra vragen. Overal zal men u dan laten passeeren. Boven zal mijnheer Squadra u wachten en binnen brengen... Maar aan niemand een woord hierover. Geen levende ziel mag er ook maar het minste vermoeden van hebben!"

Het geluk en de dankbaarheid van Pierre kenden geen grenzen meer; hij greep de weeke, dikke handen van den prelaat.

"O, monsignor, hoe moet ik aan mijn dankbaarheid uitdrukking geven? In mijn ziel was nacht en verzet en opstand, sedert ik mij voelde als een speelbal van die machtige Eminenties, die zich vroolijk over mij maakten!... Maar u redt mij, ik ben weer zeker te zullen overwinnen, nu ik mij eindelijk aan de voeten zal kunnen werpen van Zijne Heiligheid, den Vader van alle waarheid en gerechtigheid. Hij moet mij vrijspreken--mij, die hem liefheb, die hem bewonder, die overtuigd ben nooit anders dan voor zijn politiek en voor zijn dierbaarste ideeën gestreden te hebben... Neen, neen, het is onmogelijk, hij zal niet teekenen, hij zal mijn boek niet veroordeelen!"

Nani, die zijn handen losgemaakt had, trachtte hem met een vaderlijk gebaar tot kalmte te brengen, zonder dat daarbij een minachtend glimlachje over zooveel nutteloos verspilde geestdrift van zijn lippen week. Het gelukte hem den priester te kalmeeren en hij verzocht hem dan heen te gaan. Het orkest was weer begonnen te spelen. Toen de priester, hem nogmaals dankend, wegging, zeide hij eenvoudig:

"Herinner u, mijn waarde zoon, dat alleen gehoorzaamheid groot is."

Pierre, die nu nog slechts aan weggaan dacht, vond bijna dadelijk Prada in de wapenzaal terug. Hunne Majesteiten hadden juist, uitgeleide gedaan door de Buongiovanni's en de Sacco's, het bal verlaten. De koningin had Celia een moederlijken kus gegeven, terwijl de koning Attilio de hand drukte, een eer, waarover de beide families straalden. Vele gasten volgden het voorbeeld van het koninklijk echtpaar en gingen reeds in kleine groepen weg. De graaf, die buitengewoon opgewonden scheen en nog bitterder en grimmiger geworden was, brandde eveneens van ongeduld om weg te gaan.

"Bent u daar eindelijk? Ik heb op u gewacht. Laten we maken, dat we wegkomen. Uw landgenoot, mijnheer Habert, heeft mij gevraagd u te zeggen, dat u maar niet naar hem zoeken moet. Hij heeft mijn vriendin Lisbeth naar haar rijtuig gebracht... Maar ik voel behoefte aan frissche lucht; ik zal u naar de Via Giulia brengen."

Toen zij in de garderobe hun jassen aantrokken, kon hij niet nalaten te grijnslachen en er op ruwen toon aan toe te voegen:

"Ik heb uw vrienden met hun vieren zien weggaan; en u hebt groot gelijk, dat u te voet naar huis gaat, want er was geen plaats meer voor u in de karos... Die donna Serafina! Wat een onbeschaamdheid op haar leeftijd met haar Morano hier te komen, om te geuren met den terugkeer van den trouwelooze... En die twee anderen, die twee jongen! O, ik wil volstrekt niet ontkennen, dat het me moeilijk valt kalm over hen te praten, want zij hebben vanavond door hier te verschijnen een zeldzaam brutaal en onbeschaamd stukje uitgehaald!"

Zijn handen beefden, terwijl hij nog mompelde:

"Goede reis, goede reis, jonge man, wanneer je naar Napels gaat!... Ja, ik heb gehoord, dat men tegen Celia zeide, dat hij vanavond om zes uur vertrekt. Nu, mijn beste wenschen vergezellen hem! Goede reis!"

Buiten, nu zij uit de benauwde hitte der zalen in de heldere, koele, frissche nachtlucht kwamen, voelden beide mannen zich opgelucht. Het was een prachtige vollemaannacht, een van die Romeinsche nachten, waarin de stad, als door een droom der oneindigheid gewiegd, sluimert onder den wijden hemel. Zij volgden den Corso en den Corso Victor Emanuele.

Prada was wat kalmer geworden, maar hij bleef ironisch, blijkbaar om zich te bedwelmen begon hij met een koortsachtige luidruchtigheid weer over de Romeinsche vrouwen, over het feest, dat hij schitterend gevonden had en waarover hij zich nu vroolijk maakte.

"Ja, zij hebben mooie japonnen, maar die haar niet staan, japonnen, die zij uit Parijs laten komen, maar natuurlijk niet hebben kunnen passen. Het is precies als met haar edelgesteenten, zij hebben nog diamanten en vooral buitengewoon mooie paarlen, maar zoo zwaar en grof gezet, dat zij per slot van rekening foei-leelijk zijn. En als u eens wist hoe dom en triviaal zij onder haar schijnbaren trots zijn! Alles ligt bij haar aan de oppervlakte, zelfs de godsdienst, daaronder is niets dan een onpeilbare diepte. Ik heb haar aan het buffet gulzig zien eten. Ja, eten, dat kunnen ze! Maar ik moet er u op wijzen, dat zij zich vanavond netjes gedragen hebben, ze hebben niet te veel naar binnen geschrokt. Doch als u eens een Hofbal bij kon wonen, dan zoudt u eens een plundering zien: het buffet wordt dan belegerd, de schotels verslonden, het is een gedrang van een ongekende vraatzucht!"

Pierre antwoordde slechts met monosyllaben. Hij gaf zich geheel over aan zijn groote vreugde over de audiëntie, die hij bij den paus zou hebben, droomde er reeds van, bereidde haar voor tot in de kleinste bijzonderheden, zonder er iemand deelgenoot van te kunnen maken. De stappen der beide mannen weerklonken in de breede, verlaten, lichte straat op het droge plaveisel, terwijl de maan de zwarte schaduwen duidelijk afteekende.

Plotseling zweeg Prada. Hij kon niet meer spreken; de vreeselijke strijd, die in hem woedde, had hem geheel overmand en als het ware verlamd. Tweemaal had hij reeds in zijn zak het met potlood geschreven briefje aangeraakt, waarvan hij de vier regels voor zichzelf herhaalde: "Een legende beweert, dat de vijgeboom van Judas, doodelijk voor ieder, die eenmaal paus worden wil, weer te Frascati groeit. Eet de vergiftigde vijgen ervan niet en geef ze noch aan uw personeel noch aan uw kippen." Het briefje was er nog, hij voelde het, en hij was slechts met Pierre medegegaan, om het in de brievenbus van den palazzo Boccanera te werpen. Hij bleef met een flinken pas doorloopen, binnen tien minuten zou het briefje in de bus zijn: geen macht ter wereld zou hem kunnen beletten het erin te werpen, zijn besluit stond onherroepelijk vast. Nooit zou hij de misdaad begaan menschen te laten vergiftigen.

Maar hij onderging een zoo vreeselijke marteling! Die Benedetta en die Dario hadden zoo'n storm van ijverzuchtigen haat in hem ontketend. Hij vergat er Lisbeth door, die hij liefhad, en het kind, dat kleine wezentje van zijn vleesch en bloed, waarop hij zoo trotsch was. Altijd had de vrouw de manlijke veroveringsbegeerte in hem wakker gemaakt; alleen zij, die tegenstand boden, hadden hem echt, heftig zingenot gegeven. En nu bestond er één in de wereld, die hij gewild had, die hij gekocht had door een huwlijk, en die zich daarna niet had willen geven. Die vrouw, die de zijne geweest was, had hij nooit gehad, zou hij nooit hebben. Om haar te hebben, zou hij vroeger Rome in brand gestoken hebben; nu vroeg hij zich af, wat hij doen moest, om te verhinderen, dat zij van een ander was. Deze gedachte, de gedachte, dat die andere zou genieten van wat hem toebehoorde, opende weer de wond, die in zijn hart bloedde. Wat zouden zij zich samen vroolijk maken over hem! Wat een genot had het hun reeds gegeven hem door het rondstrooien van de leugen over zijn zoogenaamde impotentie belachelijk te maken! Hij voelde zich ondanks alle bewijzen, die hij voor zijn manlijkheid aanvoeren kon, daardoor in zijn eer getast. Zonder het zelf te gelooven, had hij hen beschuldigd, dat zij reeds sedert lang samen sliepen in dat sombere paleis Boccanera, welks liefdesgeschiedenissen legendarisch waren. Thans nu zij vrij, tenminste van de kerkelijke banden bevrijd waren, zou dat zeker het geval zijn. Hij zag ze reeds naast elkaar in hetzelfde bed, hij riep zich hartstochtelijke visioenen voor den geest, omarmingen, kussen, de verrukkingen van hun wellust. Neen, neen, neen, het was onmogelijk; eerder moest de hemel instorten!

Toen Pierre en hij den Corso Victor Emanuele verlieten, om door de oude, smalle, kronkelende straten in de Via Giulia te komen, zag hij weer, hoe hij het briefje in de bus zou werpen. Dan stelde hij zich voor hoe het verder zou gaan. Het briefje zou tot den ochtend in de bus slapen. Don Vigilio, die op speciaal bevel van den kardinaal den sleutel van de bus onder zijn berusting had, zou vroeg naar beneden komen, den brief vinden en aan Zijne Eminentie geven, die niet wilde, dat een ander de brieven opende. De vijgen zouden weggeworpen worden, er zou geen misdaad meer mogelijk zijn, de zwarte wereld zou het stilzwijgen erover bewaren. Maar wat zou er gebeuren, indien het briefje niet in de bus was? Hij ging op die veronderstelling in en zag duidelijk de zoo sierlijk met bladeren bedekte vijgen in haar mooi mandje 's middags om één uur op tafel komen. Dario was, zooals gewoonlijk, alleen met zijn oom, daar hij pas 's avonds naar Napels zou gaan. Oom en neef zouden samen van de vijgen eten, of slechts een van beiden--maar wie dan. Hier werd het visioen onduidelijk. Het was opnieuw de loop van het noodlot, het noodlot, dat hij op den terugrit van Frascati ontmoet had, toen het, zonder tegengehouden te worden, door alle hinderpalen heen, zijn onbekend doel tegemoet ging. Het kleine mandje vijgen ging verder, steeds verder naar de taak, die het verrichten moest; geen hand ter wereld was sterk genoeg om het te beletten.

De Via Giulia strekte zich eindeloos in het witte maanlicht uit en Pierre ontwaakte voor het zwart tegen den zilveren hemel afstekende paleis Boccanera als uit een droom. Hij voelde een rilling, toen hij naast zich dien smartelijken klaagtoon van een doodelijk gewond wild dier hoorde, het onwillekeurige gebrom, dat de graaf in zijn vreeselijken strijd zich weer ontvallen liet.

Maar onmiddellijk lachte hij spottend, terwijl hij den priester de hand drukte:

"Neen, neen, ik ga niet verder mee... Als ze me op dit uur hier zagen, zouden ze gaan denken, dat ik weer verliefd op mijn vrouw geworden was."

Hij stak een sigaar aan en ging dan verder in den lichten nacht, zonder om te kijken.

DERTIENDE HOOFDSTUK

Toen Pierre wakker werd, hoorde hij het tot zijn groote verbazing elf uur slaan. Na de vermoeienis van het bal, waar hij zoo lang gebleven was, had hij als een kind in heerlijken vrede geslapen, als voelde hij in zijn sluimering zijn geluk. Nauwelijks had hij zijn oogen opgeslagen, of het door het raam binnenvallend zonlicht baadde hem in hoop. Zijn eerste gedachte was, dat hij eindelijk dien avond om negen uur den paus zou spreken. Nog tien uur! Wat moest hij dezen gezegenden dag, welks prachtige en heldere hemel hem zoo'n gelukkig voorteeken scheen, doen?

Hij stond op, sloeg de ramen open en liet de warme lucht binnenstroomen, die hem toescheen den vruchten- en bloemengeur te hebben, welken hij reeds op den dag van zijn aankomst geroken had en waarvan hij vergeefs getracht had de natuur te analyseeren: een geur van oranjeappelen en rozen. Was het mogelijk, dat men reeds in December was? Welk een heerlijk land, waarin op den drempel van den winter April opnieuw scheen te ontbloeien! Toen hij, na zich te hebben aangekleed, voor het raam ging staan, om naar de altijd groene hellingen van den Janiculus aan de overzijde van den Tiber te kijken, zag hij Benedetta bij de kleine fontein in het verwaarloosde tuintje van het paleis zitten. En toegevend aan een drang naar leven, vroolijkheid en schoonheid ging hij naar beneden.

Benedetta, stralend van geluk, uitte, terwijl zij hem haar beide handen toestak onmiddellijk den kreet, dien hij van haar verwacht had:

"Mijn beste abbé, wat ben ik gelukkig! Wat ben ik gelukkig!"

Dikwijls hadden zij zoo een ochtend in dit kalme, vergeten hoekje samen doorgebracht. Maar welk een treurige ochtenden waren het, toen zij beiden geen hoop meer durfden koesteren. Maar vandaag was het alsof de verwaarloosde, met onkruid overwoekerde lanen, de in het oude, volgegooide bassin opgegroeide taxis, de symmetrische oranjeappelboomen, die alleen nog den vroegeren loop der paden aanwijzen, een eindelooze bekoring, een droomerige en teedere vertrouwelijkheid bezaten, waarin men zoo heerlijk kon uitrusten van zijn vreugde. Vooral was het prettig warm naast den laurierboom in den hoek, waar zich de fontein bevond. Het dunne waterstraaltje stroomde met zijn fluittonen steeds maar door uit den wijdgeopenden mond van het tragische masker. Een frissche koelte steeg op uit den grooten marmeren sarkophaag, welks basrelief een tierend bacchanaal toonde van faunen, die vrouwen meevoerden en onder hun gulzige kussen op den grond wierpen. Men was daar, om zoo te zeggen, buiten ruimte en tijd, in een zoo ver verwijderd verleden, dat de omgeving, de nieuwe kadewerken, de tegen den grond geworpen, van het stof der, puinhoopen nog grijze wijk, het door elkaar gegooide, van een nieuwe wereld zwangere Rome verdwenen.

"O," herhaalde Benedetta; "wat ben ik gelukkig!... Het werd mij te benauwd in mijn kamer; ik moest naar buiten, zoo snakte mijn hart naar ruimte, lucht en zon, om al zijn vreugde uit te kunnen kloppen!"

Zij zat op het omgevallen, als bank dienende stuk zuil naast den sarkophaag en wilde, dat de priester naast haar plaats nam. Nooit had hij haar zoo mooi gezien met haar zwart haar, dat het reine, in de volle zon zoo teer blozende gelaat omlijstte. Haar groote, onpeilbare oogen waren in het licht als kolenvuur, waarin goud smolt, terwijl haar kindermond, haar reine, verstandige mond glimlachte--zooals een goedhartig schepsel glimlacht, dat vrij is eindelijk naar hartelust lief te hebben, zonder aanstoot te geven aan God of menschen. En hardop droomde zij haar toekomstplannen.

"0, het is nu heel eenvoudig. Nu ik reeds de scheiding van tafel en bed verkregen heb, zal het niet moeilijk vallen, nadat de Kerk mijn huwlijk nietig verklaard had, de burgerlijke echtscheiding ook te krijgen. En ik zal met Dario trouwen--ja, in het volgend voorjaar en misschien wel eerder, wanneer het gelukt de formaliteiten wat te bespoedigen... Vanavond om zes uur gaat hij naar Napels, waar hij een paar zaken te regelen heeft. Wij bezitten daar nog een paar eigendommen, die we hebben moeten verkoopen, want alles heeft veel geld gekost. Maar wat hindert dat, nu we toch elkaar toebehooren!... Wat een heerlijke uren zullen we binnen enkele dagen hebben, wanneer hij weer terug is--wat zullen we lachen! Ik heb er na het heerlijk bal heelemaal niet van kunnen slapen, zooveel plannen heb ik gemaakt. O, prachtige plannen! U zult het eens zien, u zult het eens zien, want ik wil beslist, dat u tot aan ons huwlijk in Rome blijft!"

Hij begon met haar te lachen, zóó medegesleept door deze uitbarsting van jeugd en geluk, dat hij zich slechts met de grootste moeite bedwingen kon, om haar niet zijn geluk, de hoop, waarmede zijn aanstaand onderhoud met den paus hem vervulde, mede te deelen.

In de rillende stilte van den smallen, zonnigen tuin weerklonk met geregelde tusschenpoozen dezelfde schreeuw van een vogel. Benedetta keek naar boven en zag een kooi, die voor een raam op de eerste verdieping hing.

"Ja, ja, Tata, schreeuw maar hoor, wees maar blij. Iedereen in huis moet blij zijn!"

En zich dan weer als een uitgelaten schoolmeisje, dat vacantie heeft, tot Pierre wendend:

"U kent Tata toch?... Wat, kent u Tata niet?... Dat is de papegaai van mijn oom den kardinaal! Ik heb hem in het voorjaar cadeau gegeven; hij is er dol op en laat het dier de lekkere brokjes van zijn bord eten. Hij zorgt er heelemaal voor, hangt hem buiten en haalt hem binnen en is zoo bang, dat hij koude zal vatten, dat hij hem in de eetkamer laat, het eenige vertrek, waarin het een beetje warm is."

Pierre keek nu ook op naar den papegaai, een van die aardige grijsgroene, zijdeachtige, kleine papegaaien. Hij hing met zijn snavel aan de tralies van zijn kooi, schommelde heen en weer en sloeg in zijn vreugde over de warme zon met zijn vleugels.

"Spreekt hij?" vroeg Pierre.

"O, neen, hij schreeuwt," antwoordde Benedetta lachend. "Maar oom beweert, dat hij alles wat hij zegt verstaan kan en uitstekend met hem kan praten."

Plotseling begon zij weer over een ander onderwerp, als had een onbewuste gedachtenassociatie haar doen denken aan haar anderen oom, den aangetrouwden oom, dien zij te Parijs had.

"U moet een brief van vicomte de la Choue gehad hebben... Hij heeft mij gisteren geschreven, hoe het hem spijt, dat het u niet gelukt door Zijne Heiligheid ontvangen te worden. Hij had voor de overwinning van zijn denkbeelden zoo op u, op uw zege gerekend!"

Inderdaad kreeg Pierre meermalen brieven van den vicomte, waarin deze jammerde over den invloed, dien zijn tegenstander, baron de Fouras, na het groote succes van zijn laatste campagne te Rome met de internationale bedevaart van de Pieterspenning, gekregen had. Het was het ontwaken van de oude, intransigente Katholieke partij; alle liberale veroveringen van het Neo-Katholicisme werden bedreigd, wanneer men niet van den paus een formeele adhaesie aan de verplichte corporaties verkreeg, om een bres te slaan in de door de conservatieven gesteunde vrije corporaties. In zijn ongeduld om Pierre eindelijk een audiëntie bij den paus te zien krijgen, overstelpte hij dezen met allerlei gecompliceerde plannen.

"Ja," mompelde Pierre; "Zondag heb ik reeds een brief gekregen en toen ik gisteren uit Frascati terugkwam, vond ik er weer een... O, ik zou zoo gelukkig zijn als ik hem eens een gunstig antwoord geven kon."

Bij de gedachte, dat hij den paus 's avonds spreken, hem zijn van liefde brandende ziel openen, van hem de aanmoediging krijgen zou voor zijn zending tot sociale redding in den broederlijken naam der kleinen en armen, stroomde zijn hart opnieuw van vreugde over. Hij kon zich niet langer inhouden, gaf zijn geheim, dat zijn hart deed opzwellen, prijs.

"Het is nu zeker, vanavond heb ik een audiëntie bij den paus."

Benedetta begreep het niet dadelijk.

"Hoe zoo?"

"Ja, monsignor Nani is wel zoo goed geweest mij van ochtend op het bal te zeggen, dat de Heilige Vader, aan wien hij mijn boek ter hand gesteld had, mij wenscht te spreken... Vanavond om negen uur zal ik ontvangen worden."

Een blos van geluk kwam op haar wangen, zoo deelde zij in de vreugde van den jongen priester, voor wien zij een innige vriendschap had opgevat. En dit succes van een vriend, zoo samenvallend met haar eigen geluk, kreeg in haar oogen een bijzondere beteekenis, als beteekende dit het zekere, volkomen welslagen voor alles. Als een geëxalteerde en verrukte bijgeloovige riep zij uit:

"Lieve God, dat zal ons geluk aanbrengen!... Hoe heerlijk, vriendlief, hoe heerlijk, dat het geluk tezelfdertijd komt tot u als tot mij, want het is ook voor mij een geluk, een geluk, dat ge u niet voorstellen kunt... Nu is het zeker, dat alles zich ten goede keeren zal, want een huis, waarin zich iemand bevindt, die den paus gesproken heeft, is gezegend en wordt niet meer door den bliksem getroffen."

Zij begon nog luider te lachen, klapte in haar handen en was zoo luidruchtig in haar vreugde, dat hij bang werd.

"Stil toch, stil toch! Mij is volkomen geheimhouding opgelegd... Ik smeek u, spreek er met niemand over, ook niet met uw tante, zelfs niet met Zijne Eminentie... Monsignor Nani zou er erg boos over zijn."

Toen beloofde zij te zullen zwijgen. Zij werd eenigszins week, sprak over monsignor Nani als over een weldoener, want had zij het ten slotte niet aan hem te danken, dat haar huwlijk nietig verklaard was? Dan maakte haar uitgelaten vreugde zich weer van haar meester.

"Vindt ge ook niet, dat het geluk het eenige is, dat goed is?... Vandaag vraagt ge geen tranen van me, zelfs niet voor de armen, die koude en honger lijden... Dat komt, omdat er feitelijk alleen maar levensgeluk bestaat! Dat geneest alles! Je hebt het niet koud, je lijdt geen honger, wanneer je gelukkig bent!"

In zijn verbazing over deze zonderlinge oplossing van het vreeselijke vraagstuk der ellende, keek hij haar verbijsterd aan. Plotseling besefte hij, dat zijn geheele apostelarbeid bij deze dochter van een mooien hemel, die het atavisme van zooveel eeuwen van souvereine aristocratie in zich had, vergeefsch was geweest. Hij had haar het Christendom in zijn waren vorm willen leeren, haar brengen tot de Christelijke liefde van armen en nooddruftigen, haar willen veroveren voor het nieuwe Italië, waarvan hij droomde--een Italië, dat, vol medelijden voor menschen en dingen, ontwaakt was voor de nieuwe tijden. Maar zie, zij, die met hem geweend had over het lijden van het lijdende volk in de oogenblikken, dat zij zelf leed en haar hart uit de vreeselijkste wonden bloedde, zij, het kind der brandende zomers en lenteachtig-zachte winters, jubelde onmiddellijk na haar genezing het geluk der geheele wereld uit.

"Maar iedereen is niet gelukkig," zeide hij.

"O ja, ja!" riep zij uit. "Dat zegt u, omdat u de armen niet kent. Geef aan een meisje van ons Trastevere den jongen man, dien zij liefheeft, en zij straalt als een koningin en vindt, wanneer zij 's avonds haar droog brood eet, dat heerlijk lekker. De moeders, die een kind van den dood redden, de mannen, die in een veldslag overwinnen of wel hun nummers uit de loterij zien komen--allen zijn ze zoo, allen vragen slechts geluk en genot... O, al tracht u nog zoo, om rechtvaardig te zijn en het geluk beter te verdeelen, tevreden zullen alleen zij zijn, wier hart, zelfs dikwijls zonder te weten waarom, zingt op een mooien, zonnigen dag als vandaag!"

Hij maakte slechts een gebaar, want hij wilde haar geluk niet verstoren door nogmaals de zaak te bepleiten van zooveel arme schepsels, die in deze zelfde minuut ergens in de verte den doodsstrijd streden, ten onder gegaan door lichamelijke en geestelijke pijn. Maar plotseling gleed door de zoo lichte en zoo zachte lucht een schaduw; hij voelde de eindelooze triestheid der vreugde, de grenzenlooze wanhoop der zon, alsof iemand, dien men niet kon zien, die schaduw had laten vallen. Was het de te scherpe geur van den laurierboom, de bittere lucht der oranjeappelen en taxisboomen, die hem zoo duizelig maakte? Was het de huivering van zinnelijke warmte, die zijn aderen onder deze puinhoopen, in dezen hoek vol oerouden hartstocht kloppen deed? Of wekte die sarkophaag met zijn woest bacchanaal, zelfs te midden van de onbewuste wellust der liefde, onder den onverzadigbaren kus der minnenden, de gedachte op van den nabijën dood? Een oogenblik scheen het vroolijke lied van den fontein hem een lange snik toe, had hij het gevoel, alsof in die reusachtige, uit het onzienlijke gekomen schaduw alles verdween.

Maar reeds had Benedetta zijn beide handen in de hare genomen en deed hem weer terugkeeren tot het bekoorlijke bewustzijn hier in haar tegenwoordigheid te zijn.

"De leerling is niet erg makkelijk, wel, en zij heeft een harden kop. Maar wat zal ik u zeggen? Er zijn van die denkbeelden, welke er bij ons niet ingaan. Nooit, nooit zult u zoo iets een Romeinsch meisje in het hoofd praten... Heb ons lief, stel u ermede tevreden ons lief te hebben zooals wij zijn--mooi uit al onze kracht, zoo mooi als wij zijn kunnen!"

Zij was zóó mooi op dat oogenblik, zóó mooi in haar stralend geluk, dat hij ervoor beefde als voor een God, als voor de almacht, die de wereld leidt.

"Ja, ja," stamelde hij, "de schoonheid, de schoonheid--zij is nog altijd de heerscheresse, nog altijd de heerscheresse... O, waarom kan zij niet den eeuwigen honger der arme menschen stillen?"

"Kom, kom!" riep zij vroolijk, "het leven is mooi. Laten we naar boven gaan, tante zal wel op ons wachten!"

Er werd om één uur gedineerd. De enkele malen, dat Pierre niet buitenshuis at, zat hij aan de tafel der beide dames in de kleine eetzaal op de tweede verdieping, die op het binnenplein uitzag. Op hetzelfde uur dineerde op de eerste verdieping in de zonnige, op den Tiber uitziende eetkamer, de kardinaal, die altijd blij was zijn neef Dario aan tafel te hebben, want zijn secretaris, don Vigilio, zijn andere, geregelde dischgenoot, zeide slechts iets, wanneer men hem iets vroeg. De twee huishoudingen waren geheel gescheiden; zij hadden noch dezelfde keuken, noch hetzelfde personeel.

Maar al was de eetkamer op de tweede verdieping somber, het dejeuner van de dames en den jongen priester was er niet minder opgewekt door. Zelfs de anders zoo gereserveerde donna Serafina scheen door een groot innerlijk geluk bezield. Blijkbaar had zij de zaligheid van haar triomf van den vorigen avond aan den arm van Morano nog niet ten volle uitgenoten; zij begon het eerst over het bal; zij was er vol lof over, hoewel de aanwezigheid van den koning en van de koningin, zooals zij zeide, haar zeer gehinderd had. Zij vertelde, hoe zij door een handige taktiek had weten te vermijden, dat zij voorgesteld werd. Trouwens zij hoopte, dat haar algemeen bekende sympathie voor Celia, wier peet zij geweest was, voldoende zijn zou om haar aanwezigheid in dezen neutralen salon te verklaren. Toch scheen haar geweten zich er bezwaard door te gevoelen, want zij zeide, dat zij van plan was onmiddellijk naar het Vaticaan te gaan, om met den kardinaal-secretaris te spreken over een werk, waarvan zij patrones was. Dit compensatie-bezoek op den dag na de soirée bij de Buongiovanni's, scheen haar onvermijdelijk, beslist noodzakelijk toe. Nooit had zij zich zoo ingespannen voor, nooit had zij vuriger gehoopt op de spoedige verheffing van haar broeder, den kardinaal, op den troon van St. Pieter: dat was voor haar de hoogste triomf, de verheffing van haar geslacht, die haar familietrots voor noodzakelijk en onvermijdelijk hield. Gedurende de laatste ziekte van den regeerenden paus had zij zich al zenuwachtig gemaakt over den uitzet, dien zij met het wapen van den nieuwen paus had willen merken.

Benedetta hield niet op met schertsen, lachte over alles, sprak over Celia en Attilio met de hartstochtelijke teederheid van een vrouw, wier liefdesgeluk zich verheugt in het geluk van een bevriend paar. Toen het dessert opgediend was, vroeg zij aan den knecht:

"En waar blijven de vijgen, Giacomo?"

Deze, met zijn langzame, als in slaap uitgevoerde bewegingen, keek haar wezenloos aan. Gelukkig kwam Victorine juist de kamer binnen.

"Waarom krijgen we de vijgen niet, Victorine?"

"Welke vijgen bedoelt u, contessina?"

"Wel, de vijgen, die ik vanochtend beneden gezien heb... Het waren prachtige vijgen in een klein mandje. Ik wist heusch niet, dat er in dezen tijd van het jaar nog zulke mooie zijn... Ik ben dol op vijgen. Ik had er me bij voorbaat al op verheugd."

Victorine begon te lachen.

"O nu weet ik het al, contessina, nu weet ik het al... Het zijn de vijgen, die de pastoor van Frascati gisteren avond persoonlijk voor Zijne Eminentie gebracht heeft. Ik was toevallig beneden en hij heeft zeker wel driemaal gezegd, dat het een cadeau was voor Zijne Eminentie, dat men zoo, zonder een blaadje te verleggen, op de tafel van Zijne Eminentie moest zetten... Nou, dat hebben we gedaan."

"Nou, dat is prachtig," riep Benedetta in komische woede. "Die zitten nu lekker te genieten zonder ons. We hadden toch best kunnen deelen!"

Dan mengde donna Serafina zich in het gesprek en vroeg aan Victorine:

"Je bedoelt zeker den pastoor, die vroeger dikwijls op de villa kwam?"

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us