De Drie Musketiers dl. I en II (part 3 of 3)
Toen eerst veinsde zij het gerucht der voetstappen van Felton te hooren, en snel als de gedachte opstaande, bloosde zij, als ware zij beschaamd knielende gezien te worden.--„Ik stoor niet gaarne hen, die bidden, mevrouw!” zeide Felton ernstig; „geef dus geen acht op mij, ik bid u.”--„Hoe weet gij, dat ik bad, mijnheer?” vroeg milady met een door snikken gesmoorde stem: „gij bedriegt u, mijnheer! ik bad niet.”--„Gelooft gij dan, mevrouw!” hernam Felton met zijn gewone ernstige stem, hoewel op zachteren toon, „dat ik mij het recht zou willen aanmatigen een schepsel te beletten zich voor zijn Schepper neer te buigen.... Dat God zulks verhoede! Bovendien, het berouw past de schuldige, welke misdaad zij ook hebbe bedreven; een misdadiger is mij, voor de voeten van God neergeknield, heilig.”--„Schuldig, ik?” zeide milady met een glimlach, die den engel des laatsten oordeelsdags ontwapend zou hebben. „Schuldig, mijn God! Gij weet of ik het ben! Zeg liever, mijnheer! dat ik veroordeeld ben! maar gij weet het, God, die de martelaars liefheeft, veroorlooft soms, dat de onschuldigen veroordeeld worden.”--„Al waart gij veroordeeld, al zijt gij onschuldig, al waart gij een martelares,” antwoordde Felton, „hebt gij te meer reden om te bidden, en ik zelf zal u met mijn gebeden ondersteunen.”--„O, gij zijt een rechtvaardige!” riep milady, zich voor zijn voeten werpende; „zie, de moed begeeft mij, want ik vrees, dat mij mijn krachten zullen verlaten op het oogenblik, dat ik den worstelstrijd zal moeten aanvangen en mijn geloof belijden; luister daarom naar de smeekingen eener wanhopende vrouw. Men misleidt u, mijnheer! maar hiervan is geen sprake; ik verzoek u slechts een gunst, en indien gij mij die toestaat, zal ik u hier en hiernamaals zegenen.”--„Spreek tot den meester, mevrouw!” zeide Felton, „ik ben gelukkig niet belast om te vergeven of te straffen, en het is aan hooger dan mij, dat God die verantwoordelijkheid heeft opgelegd.”--„Aan u, neen, aan u alleen. Luister, eer dan tot mijn verderf mede te werken, liever dan tot mijn schande bij te dragen.”--„Indien gij die schande, die verguizing hebt verdiend, mevrouw! moet gij die ondergaan en ze Gode toewijden.”--„Wat zegt gij? Gij begrijpt mij niet! Wanneer ik van schande spreek, meen niet dat ik een of andere kastijding bedoel, de gevangenis of den dood! Gave het de Hemel! Wat deren mij gevangenis of dood?”--„Nu begrijp ik u niet meer, mevrouw!” zeide Felton.--„Of gij schijnt mij niet te willen begrijpen, mijnheer!” antwoordde de gevangene met een twijfelenden glimlach.--„Neen, mevrouw, op mijn krijgsmanseer, op mijn woord als Christen.”--„Hoe! kent gij de plannen van lord de Winter jegens mij niet?”--„Ik ken ze niet.”--„Onmogelijk! gij, zijn vertrouweling.”--„Ik lieg nooit, mevrouw!”--„Och! hij veinst echter te weinig om die niet te raden.”--„Ik wil niets raden, mevrouw! ik wacht tot men mij iets toevertrouwt, en behalve hetgeen lord de Winter mij in uw tegenwoordigheid heeft gezegd, weet ik niets.”--„Maar!” riep milady op een onbeschrijfelijken toon van waarheid, „gij zijt dan niet zijn medeplichtige? gij weet dan niet, dat hij mij een schande bereidt, welke al de folteringen der wereld in afschuwelijkheid niet kunnen evenaren?”--„Gij bedriegt u, mevrouw!” zeide Felton blozende, „lord de Winter is tot zoodanige misdaad niet in staat.”
„Goed,” zeide milady bij zich zelve, „zonder te weten wat het is, noemt hij het een misdaad!”
Vervolgens luid: „De vriend van den eerlooze is tot alles in staat.”--„Wien noemt gij den eerlooze?” vroeg Felton.--„Bestaan er dan in Engeland twee personen, op wien die naam kan worden toegepast?”--„Gij wilt van George Villiers spreken,” zeide Felton, wiens oogen begonnen te vlammen.--„Wien de heidenen, de ongeloovigen en de ketters hertog van Buckingham noemen,” hernam milady; „ik wist niet, dat er in Engeland een Engelschman gevonden werd, die een zoo lange verklaring behoefde om te herkennen van wien ik wilde spreken.”--„De hand des Heeren is over hem uitgestrekt; hij zal de verdiende kastijding niet ontgaan.”--Felton uitte hier slechts omtrent den hertog het gevoel van afschuw, dat al de Engelschen hem hadden gewijd, dien de katholieken zelfs niet anders dan Satan noemden.--„Ach, mijn God!” riep milady, „wanneer ik U smeek dien man de kastijding te zenden, welke hij verdient, dan weet Gij, dat het niet mijn eigen wraak is, die ik beoog, maar de verlossing van een geheel volk, die ik afbid.”--„Kent gij hem dan?” vroeg Felton.
„Eindelijk doet hij mij een vraag,” zeide milady bij zich zelve, ten toppunt van vreugd van zoo spoedig tot een gewenschten uitslag te zijn gekomen.
„Ach, of ik hem ken, ach ja, tot mijn eeuwig ongeluk!”--En milady wrong zich de handen als was zij door smart overweldigd.
Felton voelde misschien inwendig zijn krachten hem verlaten; hij naderde eenige schreden de deur; de gevangene, die hem niet uit het oog verloor, sprong hem na en hield hem staande.--„Mijnheer!” riep zij, „wees barmhartig. Verhoor mijn gebed! Dat mes, hetwelk de noodlottige voorzichtigheid van den baron mij heeft ontnomen, omdat hij weet, welk gebruik ik er van wil maken. Ach! hoor mij aan tot het einde! Geef mij dat mes slechts voor een oogenblik terug, wees zoo genadig, om Godswil. Ik omhels uw knieën! Hoor, gij zult de deur sluiten; het is niet tegen u, dat ik kwalijk gezind ben. God! u kwaad te willen, u, het eenige goede, medelijdende, rechtvaardige schepsel, dat ik ontmoet heb: gij, misschien mijn redder! Slechts één minuut dat mes, één enkele minuut, en ik geef het u door de opening van de deur weer terug. Niet langer dan een minuut, mijnheer Felton; en gij zult mijn eer hebben gered.”--„U zelve het leven te ontnemen?”--„Nu heb ik u mijn geheim gezegd, mijnheer!” zeide milady, als uitgeput op den vloer neerzinkende. „Hij weet alles, mijn God! ik ben verloren!”--Felton bleef onbeweeglijk en besluiteloos staan.--„Hij twijfelt nog; ik ben niet waar genoeg geweest.”
Men hoorde voetstappen in de gang; milady herkende den stap van lord de Winter. Ook Felton herkende hem en naderde een schrede de deur. Milady sprong op.--„Ach! zeg geen woord, bid ik u,” sprak zij met onderdrukte stem, „geen woord aan dien man, van al hetgeen ik u heb gezegd, of ik ben verloren; en gij zijt het.... gij....”--Toen, daar de schreden naderden, zweeg zij, vreezende dat men haar stem mocht hooren, met ontzettend angstgebaar haar schoone hand op den mond van Felton leggende. Felton stiet zachtjes milady van zich af, die op een rustbank neerzeeg.
Lord de Winter ging de deur voorbij zonder zich op te houden, en men hoorde, dat hij zich verwijderde. Felton, bleek als de dood, bleef eenige oogenblikken met luisterende ooren staan; en toen het gerucht geheel had opgehouden, haalde hij adem als iemand, die uit een droom ontwaakt, en hij snelde het vertrek uit.--„Ha!” zeide milady op haar beurt, naar de voetstappen van Felton luisterende, die zich in de tegenovergestelde richting van lord de Winter verwijderden; „eindelijk behoort gij mij dan?” Maar eensklaps verdonkerde haar gelaat. „Indien hij het den baron mededeelt, ben ik verloren,” zeide zij; „want de baron, die wel weet, dat ik mij niet om het leven zal brengen, zal mij in zijn tegenwoordigheid een mes in de hand geven, en dan zal hij zien, dat die hevige wanhoop slechts bedrog was.” Zij ging voor den spiegel staan en beschouwde zich zelve; nooit was zij zoo schoon geweest. „O neen,” zeide zij glimlachende, „hij zal hem niets zeggen.”
Des avonds begeleidde lord de Winter het avondmaal.--„Mijnheer!” vroeg milady, „is uw tegenwoordigheid een onvermijdelijk vereischte van mijn gevangenschap, of zoudt gij mij die meerdere foltering, welke mij uw bezoeken veroorzaken, kunnen sparen?”--„Wat zegt gij toch, waarde zuster!” riep de Winter; „hebt gij mij dan niet door uw fraaien mond, die heden zoo wreed voor mij is, teederlijk betuigd, dat gij alleen ter wille van mij naar Engeland waart gekomen, om mij op uw gemak te zien, een genot, zooals gij mij zeidet, van hetwelk gij zoo gevoelig het gemis ondervondt, dat gij er alles: zeeziekten, stormen en gevangenschap voor hebt gewaagd? Welnu, hier ben ik; wees nu tevreden. Daarenboven, ditmaal heeft mijn bezoek een reden.”
Milady beefde; zij dacht, dat Felton gesproken had. Nooit in haar leven had die vrouw, welke zoo vele hevige en tegenstrijdige aandoeningen had ondervonden, haar hart zoo gevoelig voelen kloppen. Zij zat; lord de Winter nam een leuningstoel en trok dien bij haar; hij zette zich naast haar neder en haalde vervolgens uit zijn zak een papier, dat hij langzaam openvouwde.--„Ziedaar,” zeide hij, „ik wilde u dit soort van paspoort toonen, hetwelk ik zelf heb opgesteld, en dat u voortaan tot een volgnommer zal strekken in het leven, dat ik zoo goed ben u te laten.”--Daarop zijn oogen van milady op het papier richtende las hij:
„Bevel ter overbrenging naar....”
„De naam is opengelaten,” zeide lord de Winter, zijn voorlezing afbrekende; „indien gij de een of andere plaats verkiest, kunt gij het mij zeggen, en als het slechts op een duizendtal mijlen van Londen is, zal uw verzoek worden ingewilligd. Ik ga dus voort:
„Bevel ter overbrenging naar.... van de vrouw genoemd Charlotte Bakson, door het Fransche gerecht gebrandmerkt, na haar straf te hebben ondergaan, vrijgelaten. Zij zal in gemelde plaats mogen blijven, zonder zich ooit verder dan drie mijlen daarvan te mogen verwijderen. In geval zij mocht trachten te ontvluchten, zal de doodstraf aan haar worden voltrokken. Zij zal dagelijks vijf schellingen voor inwoning en voedsel ontvangen.”
„Dat bevel betreft mij niet,” antwoordde milady koel, „dewijl het een anderen naam dan den mijnen behelst.”--„Een naam? hebt gij dan een naam?”--„Ik heb dien van uw broeder.”--„Gij bedriegt u, mijn broeder is slechts uw tweede man, en de eerste leeft nog. Zeg mij zijn naam, en ik zal hem in de plaats stellen van den naam Charlotte Bakson. Niet? Wilt gij niet? Gij blijft zwijgen! Nu, het is goed, men zal u onder den naam van Charlotte Bakson wegzenden.”
Milady bleef het stilzwijgen bewaren; doch het was nu niet meer uit eigen wil, maar door angst. Zij dacht, dat het bevel gereed stond volbracht te worden; zij dacht, dat lord de Winter haar vertrek had bespoedigd, en zij veroordeeld was dienzelfden avond scheep te gaan. Zij was gedurende een oogenblik als vernietigd; maar eensklaps bemerkte zij, dat het bevel volstrekt geen onderteekening droeg. De vreugde, die haar deze ontdekking veroorzaakte, was zoo groot, dat zij die niet kon verbergen.--„Ja, ja,” zeide lord de Winter, die zag wat er in haar omging; „ja, gij vindt geen handteekening en gij denkt: ‚O, alles is nog niet verloren! dat stuk is nog niet geteekend. Men laat het mij zien om mij angst aan te jagen.’--Gij bedriegt u; morgen zal dat bevel den hertog van Buckingham worden gezonden; overmorgen zal het, door zijn hand onderteekend en met een zegel bekrachtigd, terug zijn, en vier en twintig uren daarna, dat verzeker ik u, zal een begin met de uitvoering er van gemaakt worden. Vaarwel, mevrouw! dat is al wat ik u had te zeggen.”--„En ik zal u antwoorden, mijnheer! dat dit misbruik van gezag, die verbanning onder een valschen naam, een schanddaad is.”--„Wilt gij liever onder uw waren naam gehangen worden, milady? Gij weet, de Engelsche wetten zijn onverbiddelijk ten aanzien van een dubbel huwelijk; verklaar u openhartig; hoewel mijn naam, of liever de naam van mijn broeder in dit alles is gemengd, zal ik de schande van een openbaar rechtsgeding wagen, ten einde in eens de zekerheid te hebben van u ontslagen te zijn.”
Milady antwoordde niet, maar werd bleek als een lijk.--„O, ik zie, dat gij het reizen verkiest. Kostelijk, mevrouw, en er is een spreekwoord, dat zegt: het reizen vormt de jeugd. Mijn God! gij hebt niet geheel en al ongelijk; het leven is zoet. Ook daarom zorg ik, dat gij het mij niet ontneemt. Nu blijft er nog over de geldzaak der vijf schellings te regelen; ik toon mij wel wat zuinig, niet waar? Maar het is om ook weer te voorkomen, dat gij uw bewakers verleidt. Gij kunt echter beproeven, indien uw poging op Felton u niet afkeerig heeft gemaakt.”
„Felton heeft niets gezegd,” zeide milady bij zich zelve; „alles is dus nog niet verloren.”
„En nu, mevrouw! tot weerziens! Morgen kom ik u het vertrek van mijn bode berichten.”--Lord de Winter stond op, groette spottend milady en vertrok.
Milady schepte adem; haar bleven nog vier dagen over; vier dagen waren voor haar voldoende om Felton geheel te verleiden. Een vreeselijke gedachte kwam toen in haar op, namelijk: dat lord de Winter misschien Felton zou zenden om het bevel door Buckingham te doen teekenen, en op die wijze zou Felton haar ontgaan; want wilde de gevangene in haar oogmerk slagen, dan moest zij de betoovering eener onafgebroken verleiding aanwenden. Intusschen, zooals wij zeiden, stelde één ding haar gerust; Felton had niet gesproken. Zij wilde niet ontroerd schijnen voor de bedreiging van lord de Winter; zij zette zich dus aan tafel en at. Vervolgens knielde zij zooals den vorigen dag neder en zeide luide haar gebeden op. Ook zooals den vorigen dag bleef de schildwacht stilstaan om naar haar te luisteren. Weldra werden er lichtere voetstappen dan die van den soldaat gehoord, welke van achter uit de gang kwamen en voor de deur stilhielden.
„Dat is hij,” zeide zij, en zij begon hetzelfde godsdienstige gezang van den vorigen dag, hetwelk Felton zoo bovenmate in verrukking had gebracht. Maar hoewel haar zachte, volle, trillende stem nog welluidender en hartroerender klonk, bleef de deur echter gesloten. Milady meende wel, terwijl zij vluchtig haar blik op de kleine opening der deur wierp, door het nauwe traliewerk de twee glinsterende oogen des jongelings te zien; maar of het werkelijk zoo was of slechts verbeelding, ditmaal had hij de kracht niet de deur te openen.
Slechts weinige oogenblikken nadat zij haar gezang had geëindigd, meende milady een diepen zucht te hooren; vervolgens verwijderden zich de voetstappen, die zij had hooren naderen, langzaam en als met leedwezen.
HOOFDSTUK XXIV.
Vierde dag van gevangenschap.
Den volgenden dag, toen Felton bij milady binnentrad, vond hij haar overeind, op een leuningstoel staande, een koord in de hand houdende, dat van eenige in reepen gescheurde katoenen zakdoeken was gevlochten en aan elkander geknoopt. Op het gerucht, dat Felton, de deur openende, maakte, sprong milady vlug van den stoel en trachtte het door haar gedraaide koord achter zich te verbergen. De jongeling was nog bleeker dan naar gewoonte en zijn oogen, door slapeloosheid rood geworden, duidden aan, dat hij een koortsachtigen nacht had doorgebracht. Op zijn voorhoofd lag echter meer dan ooit een ernstige gerustheid verspreid. Hij naderde milady, die zich had neergezet, met langzame schreden en het einde van het moordend vlechtwerk ziende, van hetwelk zij door onachtzaamheid of liever met opzet een gedeelte liet uitkomen, vroeg hij koel:
„Wat is dat, mevrouw?”--„Dat is niets,” zeide milady glimlachende, met die smartelijke uitdrukking, welke zij zoo behendig wist aan te nemen. „De verveling, zooals gij weet, is de doodsvijandin der gevangenen. Ik verveelde mij en heb mij met het vlechten van dit koord vermaakt.”--Felton sloeg de oogen op de plek van den muur in het vertrek, voor welke hij milady op den leuningstoel had gezien, waarop zij thans zat, en hij ontdekte boven zijn hoofd een vergulde kram, die in den muur vast was en diende om er kleederen of wapens aan op te hangen. Hij ontroerde, en de gevangene zag zulks; want hoezeer zij de oogen neergeslagen hield, ontging haar niets.
„En waarom stondt gij op dien leuningstoel?” vroeg hij.--„Wat kan u dat bekommeren?” antwoordde milady.--„Wel,” hernam Felton, „ik begeer het te weten.”--„Ondervraag mij niet,” zeide de gevangene; „gij weet wel, dat het ons als ware Christenen verboden is te liegen.”--„Welnu,” zeide Felton, „ik zal u zeggen, wat gij deedt, of liever, wat gij wildet doen. Gij wildet het noodlottig besluit volvoeren, dat gij in uw geest koestert. Denk er aan, mevrouw! indien uw God u den leugen verbiedt, verbiedt Hij nog veel strenger den zelfmoord.”--„Wanneer God een zijner schepsels onrechtvaardig vervolgt, en deze zich tusschen den zelfmoord en oneer geplaatst ziet, geloof mij, mijnheer!” antwoordde milady op een toon van diepe overtuiging, „dan vergeeft God den zelfmoord; want de zelfmoordenaar is dan een martelaar.”--„Gij zegt hiervan te veel of te weinig; verklaar u, mevrouw! in ’s hemels naam, spreek!”--„Indien ik u mijn rampen verhaalde, zoudt gij ze voor fabels houden; indien ik u mijn voornemens openbaarde, zoudt gij ze mijn vervolger mededeelen. Neen, mijnheer! daarenboven, wat geeft gij om het leven of den dood eener ongelukkige veroordeelde? Gij zijt alleen voor mijn lichaam verantwoordelijk, niet waar? het is genoeg dat gij een lijk, dat voor het mijne wordt herkend, vertoont; men zal van u niet meer eischen, en misschien ontvangt gij hiervoor een dubbele belooning.”--„Ik?” riep Felton, „ik? Veronderstelt gij, dat ik ooit het bloedloon voor uw leven zou aannemen! Gij weet niet wat gij zegt!”--„Laat mij begaan, Felton! laat mij begaan,” zeide milady met meer vervoering, „elk soldaat is eerzuchtig, niet waar? Gij zijt luitenant, welnu, gij zult mijn lijkbaar als kapitein volgen.”--„Maar wat heb ik u toch misdaan?” vroeg Felton bewogen; „dat gij mij met een dergelijke verantwoordelijkheid voor God en de menschen bezwaart? Binnen weinige dagen zult gij ver van hier zijn, mevrouw! Uw leven zal dra niet meer in mijn bewaring wezen; en,” voegde hij er zuchtend bij, „dan kunt gij naar goedvinden handelen.”--„Dus?” riep milady, alsof zij een heilige verontwaardiging niet kon weerstaan, „gij, een vroom man! gij, dien men een rechtvaardige noemt! gij vraagt één ding, namelijk: door mijn dood niet beschuldigd, niet verontrust te worden?”--„Ik moet over uw leven waken, mevrouw! en ik zal er over waken.”--„Maar begrijpt gij den last, dien gij volvoert? Reeds wreed, indien ik schuldig ware, wat naam zoudt gij, welken naam zou de Heer hem geven, indien ik onschuldig was?”--„Ik ben krijgsman, mevrouw! en ik volbreng de bevelen, die men mij gegeven heeft.”--„Gelooft gij, dat op den laatsten oordeelsdag God de verblinde beulen van de onrechtvaardige rechters zal scheiden? Gij wilt niet, dat ik mijn lichaam doode, en gij stelt u tot den uitvoerder van hem, die mijn ziel wil dooden.”--„Maar ik herhaal u,” hernam Felton geschokt, „niet het minste gevaar bedreigt u, en ik blijf voor lord de Winter als voor mij zelven verantwoordelijk.”--„Dwaas!” riep milady, „arme dwaas, die voor een ander mensch durft verantwoordelijk blijven, wanneer de wijsten, zij, die het meest naar Gods wil handelen, aarzelen voor zich zelven verantwoordelijk te zijn, en die zich met den sterksten en den gelukkigsten vereenigt, om de zwakste en de ongelukkigste te verdrukken.”--„Onmogelijk, mevrouw!” mompelde Felton, die bij zich zelven de gegrondheid dezer redeneering besefte; „als gevangene zult gij door mij de vrijheid niet wederkrijgen, als levende zult gij door mij het leven niet verliezen.”--„Ja!” riep milady, „ik zal datgene verliezen, wat mij meer waard is dan het leven, ik zal de eer verliezen, Felton! en ik zal u verantwoordelijk stellen voor God en de menschen, wegens mijn schande en oneer.”
Nu vermocht Felton, hoe ongevoelig hij was of scheen te zijn, niet langer aan den onzichtbaren invloed weerstand bieden, die zich van hem had meester gemaakt. Die zoo schoone vrouw, heerlijk als een schitterende verschijning, te beschouwen, haar beurtelings bedroefd en treurig te zien, tevens den invloed harer smart en dien harer schoonheid te ondergaan, dat was te veel voor een hoofd, ondermijnd door de gloeiende droomerijen van een geestdrijvend geloof; dat was te veel voor een hart, tegelijk verschroeid door de liefde des Hemels, die brandt, en door den haat der menschen, die verslindt.--Milady bemerkte zijn ontroering; zij voelde bij ingeving de vlam der tegenstrijdige hartstochten, die met het bloed de aderen van den jongen geestdrijver als vuur doorliepen, en, gelijk aan een bekwamen generaal, die, den vijand gereed ziende te wijken, met een zegevierend gejuich op hem aanvalt, stond zij op, schoon als een Heidensche priesteres, en in de geestverrukking eener Christenmaagd, met uitgestrekten arm, ontblooten hals, vliegende haren, met de eene hand haar kleed schaamachtig op haar borst houdende, den blik verlicht door dat vuur, hetwelk reeds de zinnen van den jongen Puritein zoo geweldig in beweging had gebracht, trad zij op hem toe en riep uit met zekere hevigheid in haar zoo zachte stem, aan welke zij bij zekere gelegenheden een zoo vreeselijken klank wist te geven:
Ga aan Baäl zijn offer geven, Werp het in des leeuwen muil. Maar Gods wraak zal u doen beven; Ik roep tot Hem uit ’s afgronds kuil.
Felton stond daar, als ware hij versteend.--„Wie zijt gij? wie zijt gij?” riep hij, de handen wringende, „zijt gij engel of booze geest; heet gij Eloa of Astarté?”--„Hebt gij mij niet herkend? Ik ben noch engel, noch booze geest, ik ben een dochter der aarde, ik ben van u een zuster, niets anders.”--„Ja, ja!” zeide Felton, „ik twijfelde nog, maar nu geloof ik.”--„Gij gelooft? en echter zijt gij de medeplichtige van dat Belialskind, lord de Winter genoemd. Gij gelooft? en echter laat gij mij in de handen mijner vijanden, van den vijand van Engeland, en van den vijand van God. Gij gelooft? en nochtans levert gij mij over aan hem, die de wereld met zijn ketterij en ongebondenheid vervult en bezoedelt, aan dien eerloozen Sardanapalus, dien de verblinden hertog van Buckingham, en de geloovigen den Antichrist noemen.”--„Ik u aan Buckingham leveren? Ik? Wat zegt gij toch?”--„Zij hebben oogen,” riep milady, „en zullen niet zien; zij hebben ooren, en zullen niet hooren.”--„Ja, ja,” zeide Felton, zijn handen over zijn met zweet bedekt voorhoofd strijkende, als om den laatsten twijfel weg te vegen, „ja, ik herken de stem, die mij in mijn droomen aanroept; ja, ik herken het gelaat van den engel, die mij elken nacht verschijnt en mijn ziel, die niet kan rusten, toeroept: ‚Stoot toe, red Engeland, red u zelven, want gij zult sterven, zonder God ontwapend te hebben!’ Spreek, spreek!” riep Felton, „thans kan ik u begrijpen.”
Een lichtstraal eener verschrikkelijke vreugd, maar snel als de gedachte, schoot uit milady’s oogen. Hoe snel ook die moorddadige vuurstraal verdween, had Felton hem echter gezien en hij schrikte, alsof die straal den peilloozen afgrond van het hart dezer vrouw verlichtte. Felton herinnerde zich eensklaps de waarschuwing van lord de Winter, de verleidingsmiddelen van milady, haar eerste pogingen bij haar aankomst, hij deinsde een schrede terug en liet zijn hoofd zinken, maar zonder op te houden haar te beschouwen, alsof zijn oogen, door dat zonderlinge schepsel aangetrokken, zich niet van haar afwenden konden.--Milady was geen vrouw om zich omtrent de aarzeling te bedriegen. Onder die schijnbare aandoening verliet haar tegenwoordigheid van geest haar geen oogenblik.
Alvorens Felton haar had kunnen antwoorden en zij gedwongen was, dit zoo moeilijk en op denzelfden verrukten toon vol te houden gesprek weer op te nemen, liet zij haar handen langs haar zijden vallen, alsof de zwakheid der vrouw op de verrukking der opgetogene de overhand had.--„Maar neen,” zeide zij, „het past mij niet de Judith te zijn, die Bethanië van dien Holophernus zal bevrijden. Het zwaard des Eeuwigen is te zwaar voor mijn handen. Laat mij dus de schande door den dood ontgaan, laat mij als martelares mij redden. Ik vraag u niets anders, dan mij te laten sterven. Ik bid, ik smeek er u om op mijn knieën, laat mij sterven, en mijn laatste snik zal een zegening voor mijn redder zijn.”
Op die zachte, smeekende stem, op dien schroomvalligen en neergeslagen blik, trad Felton nader. Van lieverlede had de tooveres zich weder met dat prachtige tooisel bekleed, hetwelk zij naar willekeur aflegde en weer opnam, namelijk: de schoonheid, de zachtheid, de tranen, en vooral de onweerstaanbare bekoring van die geheimzinnige, wellustige dweperij, de verslindendste aller wellusten.--„Helaas!” zeide Felton, „mij blijft niets anders over, dan u te beklagen, indien gij mij bewijst een slachtoffer te zijn. Lord de Winter heeft echter gewichtige bezwaren tegen u. Gij zijt een Christinne, in het geloof zijt gij mijn zuster, ik voel mij tot u aangetrokken, ik, die nooit iemand anders dan mijn weldoener heb bemind, ik, die in het leven slechts verraders en goddeloozen heb ontmoet. Maar gij, mevrouw! gij, in werkelijkheid zoo schoon, zoo zuiver in schijn, moet, dewijl lord de Winter u zoo streng vervolgt, veel kwaad hebben bedreven.”--„Zij hebben oogen,” herhaalde milady, „en zij zullen niet zien; zij hebben ooren, en zij zullen niet hooren.”
„Maar spreek, spreek dan!” riep de jonge officier.--„U mijn schande openbaren!” riep milady, met den blos der schaamte op de wangen; „want dikwijls strekt de misdaad van den een tot schande van den ander. U mijn schande vertrouwen! aan u, aan een man, terwijl ik een vrouw ben! Ach!” vervolgde zij, schaamachtig de hand voor haar schoone oogen brengende. „Ach! nooit, nooit zal ik dit kunnen!”--„Aan mij, aan een broeder niet!” riep Felton.--Milady beschouwde hem lang met een uitdrukking, die de jonge officier voor een twijfeling aanzag en die nochtans niets anders was dan opmerkzaamheid en vooral begeerte om te verblinden.--Felton, op zijn beurt smeekende, vouwde de handen.--„Welnu,” zeide milady, „ik zal mij aan mijn broeder vertrouwen, ik zal durven.”
Op dat oogenblik hoorde men de voetstappen van lord de Winter, maar nu bepaalde de vreeselijke schoonbroeder van milady er zich niet toe, zooals den vorigen dag, de deur voorbij te gaan, maar hij bleef staan, wisselde een paar woorden met den schildwacht, de deur werd geopend en hij verscheen. Terwijl die paar woorden werden gewisseld, was Felton haastig achteruitgetreden, en toen lord de Winter binnentrad, stond hij op eenige schreden van de gevangene. De baron trad langzaam voorwaarts en bracht zijn vorschenden blik van de gevangene op den jongen officier.--„Het is reeds lang, John!” zeide hij, „dat gij hier zijt, heeft de vrouw u haar misdaden verhaald? zoo ja, dan begrijp ik de langdurigheid van het onderhoud.”--Felton beefde en milady voelde, dat zij verloren was, indien zij den ontstelden Puritein niet te hulp kwam.--„Ha! gij vreest, dat uw gevangene u ontsnapt,” zeide zij. „Welnu, vraag aan uw gevangenbewaarder, welke gratie ik zooeven van hem verzocht.”--„Gij vraagdet hem een gratie?” zeide de baron wantrouwend.--„Ja, mylord!” hernam de jongeling verlegen.--„En welke gratie, spreek?” ging lord de Winter voort.--„Een mes, dat zij mij door de traliën der deur zou teruggeven, na het één minuut gehad te hebben,” antwoordde Felton.--„Is hier dan iemand verborgen, dien de lieve dame den hals wil afsnijden?” hernam lord de Winter op spottenden, schamperen toon.--„Ik ben er,” antwoordde milady.--„Ik heb u de keus tusschen Amerika en Tyburn gelaten,” hernam lord de Winter; „kies Tyburn, milady! het koord is, geloof mij, nog zekerder dan het mes.”--Felton voelde een rilling tot door het merg van zijn gebeente loopen. Waarschijnlijk bemerkte milady die gewaarwording.--„Gij hebt gelijk,” zeide zij, „en ik had er reeds aan gedacht.”--Vervolgens voegde zij er met een gesmoorde stem bij: „Ik zal er nog aan denken.”--Felton verbleekte en trad een schrede nader, zich herinnerende dat, toen hij was binnengekomen, milady een koord in de hand hield.
„Wees op uw hoede, John!” zeide lord de Winter; „John! mijn vriend! ik heb mijn vertrouwen in u gesteld, wees op uw hoede, ik heb u gewaarschuwd. Bovendien, houd moed, mijn zoon! binnen drie dagen zullen wij van dit schepsel bevrijd zijn en waar ik haar zal zenden, zal zij niemand meer leed doen.”--„Gij hoort het!” riep milady, derwijze uitbarstende, dat de baron in de meening was, dat zij zich tot den hemel richtte, terwijl Felton begreep, dat het tot hem was. Felton liet het hoofd zinken en peinsde. De baron nam den officier bij den arm en keerde over zijn schouder het hoofd om, ten einde milady, zoo lang hij niet vertrokken was, in het oog te houden.
„O! o!” zeide de gevangene, toen de deur gesloten was, „ik ben zoo ver nog niet gekomen als ik dacht.... De Winter heeft zijn gewone dwaasheid in een ongehoorde voorzichtigheid veranderd; zie eens wat de wraakzucht al niet teweegbrengt, en hoe die zucht den mensch misvormt. Maar Felton aarzelt. O, hij is geen stoutmoedige, zooals die vervloekte d’Artagnan.”
Intusschen wachtte milady met ongeduld, want zij twijfelde er niet aan, dat de dag niet zou verloopen, zonder dat zij Felton weerzag. Eindelijk, een uur na het tooneel, dat wij hebben verhaald, hoorde zij zachtjes voor haar deur spreken en spoedig hierop zag zij de deur openen en herkende Felton. De jongeling trad haastig de kamer binnen, de deur achter zich openlatende en milady een teeken gevende van te zwijgen; zijn gezicht was geheel ontsteld.--„Wat wilt gij?” vroeg zij.--„Luister,” antwoordde Felton zoo zacht mogelijk, „ik heb den schildwacht doen vertrekken, om hier te kunnen blijven, zonder dat men wete dat ik gekomen ben, om met u te spreken, zonder dat men kan hooren wat ik u zeg. De baron heeft mij een vreeselijke geschiedenis verhaald.”--Milady nam glimlachend het masker eens slachtoffers aan en schudde het hoofd.--„Of gij zijt een helsche geest,” hernam Felton, „òf de baron, mijn weldoener, mijn vader, is een monster. Ik ken u sedert vier dagen, ik bemin hem sedert tien jaar; ik mag dus tusschen u beiden aarzelen, schrik niet van hetgeen ik u zeg, ik moet overtuiging hebben; hedennacht, na twaalf uur, zal ik bij u komen en gij zult mij die overtuiging geven.”
„Neen, Felton! neen, mijn broeder!” zeide zij, „het offer is te groot en ik voel, dat het u te zwaar valt. Neen, ik ben verloren, stort u niet met mij in het verderf! Mijn dood zal welsprekender zijn dan mijn leven, en de stomheid van het lijk zal u beter overtuigen dan de woorden eener gevangene.”--„Zwijg, mevrouw! spreek niet alzoo tot mij, ik ben gekomen, opdat gij mij op uw eer zoudt beloven en bij alles wat u heilig is bezweren, uw leven niet te kort te doen.”--„Ik wil niet beloven,” zeide milady, „want niemand heeft meer eerbied voor een eed dan ik, en indien ik beloofde, zou ik die belofte moeten houden.”--„Welnu!” zeide Felton, „verbind u dan slechts tot zoo lang dat gij mij zult hebben weergezien. En dan, wanneer gij in uw besluit mocht volharden, zult gij vrij zijn, en ik zal u zelf het wapen geven, dat gij mij hebt gevraagd.”--„Het zij zoo,” zeide milady, „voor u zal ik wachten.”--„Zweer het.”--„Ik zweer het bij onzen God! Zijt gij tevreden?”--„Ja,” zeide Felton, „tot van nacht.”--En hij snelde de kamer uit en wachtte buiten met de halve piek van den soldaat in de hand, alsof hij op wacht stond. Toen de soldaat was teruggekomen, gaf Felton hem zijn wapen terug.
Toen zag milady door de getraliede opening der deur, welke zij was genaderd, den jongeling in een hevige gemoedsbeweging de gang doorijlen, als van vreugde buiten zich zelven. Wat haar betreft, zij keerde naar haar plaats terug, met den glimlach eener woeste verachting op de lippen, en dien vreeselijken naam Gods vloekende, op welken zij had gezworen zonder dien ooit te hebben leeren kennen, herhaalde zij: „Mijn God! dwaze geestdrijver.... mijn God? dat ben ik, ik en hij, die mij in mijn wraak zal helpen!”
HOOFDSTUK XXV.
Vijfde dag van gevangenschap.
Intusschen had milady een halve zegepraal behaald, en dit voordeel verdubbelde haar krachten. Het was niet moeilijk mannen te overwinnen, zooals zij zulks tot hiertoe had gedaan, die gemakkelijk te verleiden waren, en wier loszinnige hofopvoeding hen spoedig in den strik deed vallen; milady’s schoonheid verrukte de zinnen, terwijl zij daarbij listig genoeg was al haar zielsgebreken te verbergen. Maar nu had zij te worstelen tegen een woesten aard, die, in zich zelven gekeerd, door verregaande strengheid ongevoelig was; godsdienstijver en boetedoening hadden van Felton een voor gewone verleidingsmiddelen ongenaakbaren dweper gemaakt. Hij koesterde in zijn verhitte hersenen zulke uitgebreide plannen, zulke verwarde voornemens, dat er geen plaats meer voor de liefde overbleef; voor dien hartstocht, dat gevoel door werkeloosheid gevoed, door verdorring uitgebreid.... Milady had dus met haar schijndeugd op de geaardheid van een tegen haar ingenomen man, en door haar schoonheid op het hart en de zinnen van een oprecht rein man inbreuk gemaakt. Eindelijk had zij de kracht leeren kennen van tot hiertoe zelfs aan haar onbekende middelen, door haar proefneming op het onwilligste schepsel, dat ooit natuur en godsdienst aan haar studie had overgegeven. Nochtans had zij gedurende den avond meermalen aan het lot en aan zich zelve gewanhoopt. Zij riep God niet aan, want, wij weten het, zij vertrouwde op den geest des kwaads, op dien onbegrensden heerscher, die zijn macht in de geringste bijzonderheden des levens doet gelden, en voor wien één granaatkorrel, zooals in de Arabische fabel, voldoende is om een verloren wereld weder te voorschijn te brengen.
Milady, goed op de ontvangst van Felton voorbereid, kon nu haar strikken voor den volgenden dag spannen; zij wist, dat haar nog slechts twee dagen overbleven, dat, eenmaal het bevel door Buckingham geteekend (en Buckingham zou het teekenen, te meer daar het bevelschrift geen naam behelsde, en hij dus de vrouw, die het betrof, niet zou herkennen), de baron haar dadelijk zou doen inschepen, en zij wist ook zeer goed, dat tot deportatie veroordeelde vrouwen minder vermogende wapens in haar verleidingsmiddelen bezitten dan vermeende deugdzame vrouwen, wier schoonheid door de zon der wereld verlicht wordt, van wie de stem der mode den geest roemt en welke een straal van adeldom met zijn betooverenden glans vervult. Een tot een schandelijke en ellendige straf veroordeelde vrouw kan toch een schoone vrouw zijn; maar die straf belet haar ooit weder machtig te worden.
Zooals alle inderdaad met geest begaafden, wist milady den middenweg te houden, die voor haar natuur en haar hulpmiddelen het meest geschikt was. De armoede was haar een walging, de vernedering verminderde haar grootheid op een derde gedeelte. Milady was alleen een koningin te midden van koninginnen; aan haar heerschzucht wilde zij het genot van voldanen hoogmoed voegen. Minderen te gebieden was eerder een vernedering dan een groot genot voor haar. Zeker zou zij uit haar ballingschap terugkeeren, hieraan twijfelde zij geen oogenblik, maar hoe lang zou die ballingschap wel duren? Voor een werkzamen en eerzuchtigen geest, als die van milady, zijn dagen, die niet besteed worden, verloren dagen. Hoe dan die dagen te noemen, welke men in vernedering doorbrengt! Een, twee, drie jaren te verliezen! dat is een eeuwigheid. Na den dood, of misschien na de ongenade van den kardinaal terug te komen, terug te komen wanneer d’Artagnan en zijn vrienden gelukkig en zegevierend van de koningin de belooning hadden verkregen, die zij zoo wèl verdienden voor de door hen bewezene diensten, dit waren van die verterende gedachten, die een vrouw als milady niet kon verduren. Trouwens de storm, die in haar woedde, verdubbelde haar krachten, en zij zou de muren van haar gevangenis hebben doen bersten, indien haar lichaam slechts voor één oogenblik de uitgebreidheid harer zielsgewaarwordingen had kunnen aannemen.
Wat haar vervolgens onder dat alles het meest prikkelde, was de herinnering aan den kardinaal; wat moest hij denken, wat moest de kardinaal van haar stilzwijgen zeggen? hij, die zoo wantrouwend, zoo ongerust, zoo kwaaddenkend was? de kardinaal, niet alleen haar eenige steun, haar eenigste toeverlaat en beschermer in het tegenwoordige, maar bovendien het voornaamste werktuig harer toekomstige fortuin en wraak? Zij kende hem; zij wist, dat bij haar terugkomst na een vruchtelooze reis zij hem tevergeefs over haar gevangenschap zou onderhouden en met die spottende kalmte van den door kracht en genie machtigen ongeloovige zou antwoorden: „Gij hadt u niet moeten laten vangen.” Toen verzamelde milady al haar geestkracht, bij zich zelve den naam van Felton mompelende, hij, het eenigste licht dat tot haar in die hel binnendrong, waarin zij was gevallen, en als een slang, die zich heen en weer kronkelt om haar krachten te beproeven, zoo wikkelde zij reeds bij voorbaat Felton in de duizenderlei bochten harer vindingrijke verbeelding.
Intusschen vervloog de tijd; de klok kondigde in regelmatige volgorde het eene uur na het andere aan, terwijl elke slag van den metalen klepel als op het hart der gevangene geweldig neerviel. Te negen uur bracht lord de Winter haar het gewoon bezoek, onderzocht de vensters en de tralies, betastte den vloer en den wand, beschouwde den schoorsteen en de deuren, zonder dat gedurende dat langdurig en nauwkeurig onderzoek hij of milady één woord spraken. Ongetwijfeld begrepen beiden, dat hun wederzijdsche gesteldheid te ernstig was geworden, om den tijd in nuttelooze woorden en doelloozen toorn te verbeuzelen.
„Komaan,” zeide de baron, haar verlatende, „dezen nacht zult gij ten minste nog niet ontsnappen.”
Te tien uur plaatste Felton een schildwacht voor de deur. Milady herkende reeds zoo goed zijn stappen, als een minnares, die haar innig geliefden minnaar herkent, en nochtans haatte en verachtte zij dien zwakken geestdrijver.
Daar dit het uur der afspraak niet was, kwam Felton niet binnen. Twee uren later, op het oogenblik dat de klok middernacht sloeg, werd de schildwacht afgelost. Nu was het uur daar. Ook wachtte milady van af dat oogenblik met ongeduld. De nieuwe schildwacht begon in de gang op en neer te wandelen.
„Luister,” zeide de jongeling tot den schildwacht, „verwijder u onder hoegenaamd geen voorwendsel van deze deur, want gij weet, dat den vorigen nacht een soldaat door mylord gestraft is geworden wegens het voor een oogenblik verlaten van zijn post, en echter was ik het, die gedurende zijn korte afwezigheid in zijn plaats op wacht heb gestaan.”--„Ja, dat weet ik,” zeide de soldaat.--„Ik beveel u dus de grootste waakzaamheid. Ik,” voegde hij er bij, „ga voor de tweede maal de kamer dier vrouw onderzoeken, die, zooals ik vrees, noodlottige plannen tegen zich zelve beraamt, en welke mij gelast is geworden nauwkeurig te bewaken.”
„Goed,” mompelde milady, „ziedaar de nauwgezette Puritein, die al begint te liegen.”
Wat den soldaat betreft, deze glimlachte een weinig.--„Duivelsch, luitenant!” zeide hij, „gij zijt zoo ongelukkig niet een dergelijken last ontvangen te hebben.”--Felton bloosde. In elke andere omstandigheid zou hij den soldaat hebben berispt, die zich zoodanige scherts veroorloofde, maar zijn geweten sprak te luide dan dat zijn mond zou hebben durven spreken.--„Indien ik roep,” zeide hij, „moet gij komen; daarentegen wanneer men komt, moet gij mij roepen.”--„Ja, luitenant!” antwoordde de soldaat.
Felton trad de kamer van milady binnen. Milady stond van haar stoel op.--„Zijt gij daar?” zeide zij.--„Ik had u beloofd te komen, en ik ben gekomen.”--„Gij hebt mij nog iets anders beloofd.”--„Wat dan? mijn God!” zeide de jongeling, die ondanks zijn zelfbeheersching zijn knieën voelde knikken en het zweet zijn voorhoofd bevochtigen.--„Gij hebt mij beloofd een mes mede te brengen en het mij na ons gesprek te laten.”--„Spreek hiervan niet, mevrouw!” zeide Felton. „Er bestaat geen zoo vreeselijke toestand, dat een schepsel Gods zich het leven mag ontnemen. Ik heb overwogen, dat ik mij nooit aan een dergelijke zonde mag schuldig maken.”--„Ha! gij hebt overwogen,” zeide de gevangene met een verachtelijken glimlach, zich wederom op haar leuningstoel neerzettende. „Ook ik heb overwogen.”--„Wat?”--„Dat ik niets te zeggen had tot een man, die zijn woord niet houdt.”--„Ach, mijn God!” zuchtte Felton.--„Gij kunt vertrekken,” zeide milady, „ik zal niets zeggen.”--„Ziedaar het mes,” zeide Felton, het wapen te voorschijn brengende, dat hij volgens zijn belofte had medegebracht, maar hetwelk hij aarzelde aan zijn gevangene te geven.--„Laat zien,” zeide milady.--„Waartoe?”--„Op mijn eer, ik geef het u onmiddellijk terug. Leg het op die tafel, en gij zult tusschen het mes en mij blijven.”--Felton gaf het wapen aan milady, die er nauwkeurig de scherpte van onderzocht en de punt op haar vinger beproefde.--„Goed,” zeide zij, het mes den jongen officier teruggevende.--„Het is van goed en zuiver staal.”--„Gij zijt een trouw vriend, Felton!”
Felton nam het mes en legde het op tafel, zooals hij met zijn gevangene was overeengekomen. Milady volgde hem met haar blik en maakte een vergenoegd gebaar.
„Thans, luister nu....”--De aanbeveling was overbodig; de jonge officier stond overeind voor haar, naar haar woorden wachtende als wilde hij ze verslinden.--„Felton!” sprak milady met een treurige plechtigheid. „Felton! indien uw zuster, de dochter van uw vader, tot u zeide: ‚Nog jong en tot mijn ongeluk tamelijk schoon zijnde, lokte men mij in een valstrik; ik bood tegenstand, men omringde mij met nog meer lagen en gewelddadigheden, ik bleef weerstand bieden; men hoonde den godsdienst, dien ik beleed, den God, dien ik aanbid, omdat ik ter mijner hulp dien God en dat geloof aanriep, ik bleef weerstand bieden; toen overlaadde men mij met beleedigingen, en dewijl men mij mijn ziel niet kon doen verliezen, heeft men voor eeuwig mijn lichaam willen bevlekken.’”
Milady zweeg, een bittere glimlach zweefde op haar lippen.--„En wat heeft men eigenlijk gedaan?” vroeg Felton.--„Op zekeren avond besloot men dien weerstand, welken men niet kon overwinnen, krachteloos te maken; op zekeren avond mengde men onder mijn drinkwater een krachtig slaapmiddel; nauwelijks had ik mijn avondmaal genuttigd, of ik voelde van lieverlede een ongewonen slaaplust mij overweldigen; hoewel geen wantrouwen koesterende, vervulde mij echter een onbepaalde vrees, en ik trachtte mij tegen den slaap te verzetten; ik stond op, ik wilde mij naar het venster begeven, om hulp roepen, maar mijn beenen weigerden mij hun dienst, het scheen mij of de zoldering neerkwam en mij onder haar zwaarte verplette; ik strekte de armen uit, ik trachtte te spreken, maar kon slechts eenige doffe klanken voortbrengen; een onweerstaanbare verdooving maakte zich van mij meester, ik hield mij aan een leuningstoel vast, voelende dat ik zou vallen, maar dra was deze steun ontoereikend voor mijn zwakke armen, ik viel op de eene knie, vervolgens op de tweede; ik wilde bidden, God hoorde of zag mij zeker niet, en ik gleed op den grond, ten prooi aan een slaap, die den dood geleek. Van al den tijd, dien deze slaap duurde, blijft mij niet de minste herinnering over, het eenige, wat ik mij herinner is, dat ik ontwaakte in een rondvormige kamer, met prachtig huisraad voorzien, waar het daglicht slechts door een opening in de zoldering binnendrong. Overigens scheen geen enkele deur toegang tot deze kamer te verleenen, en geleek zij op een schitterende gevangenis. Het duurde lang, alvorens ik mij rekenschap kon geven van de plaats, waar ik mij bevond, en van al de bijzonderheden, die ik aanhaal; mijn geest scheen vruchteloos te worstelen tegen den donkeren nevel van dien slaap, welken ik niet van mij kon afschudden; ik had een flauw denkbeeld van een doorloopene ruimte, van het gerol eens rijtuigs, maar dat alles vertoonde zich zoo duister en verward voor mijn geest, dat die gebeurtenissen tot een ander leven dan tot het mijne schenen te behooren, en echter met het mijne waren vermengd door een fantastische tweevoudigheid. Gedurende een poos scheen mij de toestand, waarin ik mij bevond, zoo vreemd, dat ik waande te droomen. Van lieverlede echter vertoonde zich de werkelijkheid aan mij en vervulde mij met schrik, ik was niet meer in het huis, dat ik bewoonde; zooveel ik aan het zonnelicht kon bespeuren, had de dag reeds tweederden van zijn loop afgelegd; het was de avond van den vorigen dag geweest, dat ik in slaap was gevallen, mijn slaap had dus ongeveer vier en twintig uren geduurd. Wat was er toch gedurende dien langen slaap voorgevallen? Ik stond wankelende op. Al mijn bewegingen, die zwaar en gevoelloos waren, duidden aan, dat de uitwerking van het slaapmiddel nog niet geheel was verdwenen. Overigens was deze kamer ter huisvesting eener vrouw ingericht, en de buitensporigste coquette had geen wensch kunnen vormen, welken zij, door slechts haar blik door het vertrek te laten gaan, niet zou hebben kunnen bevredigen. Het was zeker, dat ik de eerste gevangene niet was, die zich in dien prachtigen kerker had opgesloten gezien, maar gij begrijpt Felton! hoe prachtiger die was, hoe meer ik mij verontrustte.... Ja, het was een gevangenis, want ik trachtte vergeefs er uit te geraken, ik onderzocht al de muren om een deur te ontdekken, maar overal gaven de muren een matten, doffen klank van zich. Ik liep misschien twintig malen de kamer rond, den een of anderen uitgang zoekende, maar ik vond er geen; ik viel eindelijk, door vermoeidheid en angst verplet, op een leuningstoel neder. Intusschen was de nacht snel gedaald en met de duisternis vermeerderde mijn vrees; ik wist niet, of ik moest blijven waar ik zat, meenende door onbekende gevaren omringd te zijn, waarin ik bij elken stap gevaar liep te vallen.... Hoewel ik sedert den vorigen dag niets had genuttigd, verhinderde mij de angst honger te voelen. Geen enkel gerucht, dat mij in staat stelde den tijd te meten, kwam tot mij; ik veronderstelde alleen dat het zeven of acht uur des avonds moest zijn, want wij waren in de maand October, en het was volkomen duister.... Eensklaps deed het gerucht eener deur, die op haar hengsels draaide, mij schrikken; een vuurbol verscheen boven de glazen opening van den zolder en wierp een helder licht in mijn kamer, terwijl ik, ontsteld, een man op weinige schreden afstands voor mij zag staan.... Een tafel, voor twee personen gedekt en beladen met een keurigen avonddisch, had zich als door een tooverslag in het midden der kamer verheven. De man was hij, die mij sedert een jaar vervolgde, die mijn schande had gezworen, en die mij bij de eerste woorden, welke mijn mond ontglipten, deed verstaan, dat zijn besluit mij niet de minste hoop liet aan de vrijheid te worden teruggegeven.”
„De eerlooze,” mompelde Felton.
„O ja, de eerlooze!” riep milady, de belangstelling ziende, welke de jonge officier, wiens ziel aan haar lippen scheen te hangen, in dit zonderling verhaal stelde, „o ja, de eerlooze! hij meende, dat het voldoende was mij in mijn slaap te hebben doen ontvoeren om zijn oogmerk te bereiken, hij kwam in de hoop, dat ik mijn oneer zoude aannemen, dewijl mijn schande voltooid was; hij kwam mij zijn fortuin voor het bezit van mijn hart aanbieden. Al wat het hart eener vrouw van trotsche verachting en hoonende woorden kan bevatten, stortte ik op dien man uit; ongetwijfeld was hij aan dergelijke verwijtingen gewoon, want bedaard glimlachende en met over de borst gekruiste armen hoorde hij mij aan; vervolgens, toen hij meende dat ik geëindigd had, naderde hij om mijn hand te vatten, maar ik ijlde naar de tafel, greep een mes en richtte het op mijn borst.
„‚Wanneer gij een schrede nadert,’ zeide ik tot hem, ‚dan zult gij, behalve mijn onteering, mijn dood u te verwijten hebben.’
„Ongetwijfeld lag er in mijn blik, in mijn stem, in geheel mijn wezen die waarheid van gebaren, van houding en toon, welke de bedorvenste harten tot overtuiging brengt, want hij bleef staan.
„‚Uw dood?’ zeide hij, ‚ach neen! gij zijt een al te lieve gevangene om te kunnen veroorloven u op die wijze te verliezen. Vaarwel, mijn allerschoonste! ik zal u opnieuw bezoeken, wanneer gij in een betere stemming zult zijn.’
„Op die woorden liet hij een gefluit hooren, de vuurbol, die mijn kamer verlichtte, steeg omhoog en verdween. Ik bevond mij weder in de duisternis. Hetzelfde gerucht eener geopend en gesloten wordende deur werd een oogenblik daarna gehoord; de vurige bol daalde opnieuw en ik bevond mij alleen. Dat was een vreeselijk oogenblik; indien mij nog eenige twijfel omtrent mijn ongeluk overbleef, was die twijfel nu in een wanhopige zekerheid veranderd; ik was in de macht van een man, dien ik niet alleen verfoeide, maar dien ik verachtte, van een man, die mij reeds een noodlottig bewijs had gegeven van wat hij durfde ondernemen.”
„Maar wie was dan die man?” vroeg Felton.
Milady antwoordde niet op die vraag, maar ging met haar verhaal voort.
„Ik bracht den nacht op een stoel door, bij het minste gerucht opspringende, want omstreeks middernacht ging de lamp uit en ik bevond mij wederom in duisternis; de nacht ging echter zonder een nieuwe verschijning van mijn vervolger voorbij; de dag brak aan, de tafel was verdwenen, maar het mes hield ik nog in mijn hand. In dat mes was geheel mijn hoop.... Ik was van vermoeidheid uitgeput; de slapeloosheid deed mijn oogen gloeien; ik had geen oogenblik mij aan den slaap durven overgeven. De dag stelde mij eenigszins gerust; ik wierp mij op mijn bed, zonder mij van het mes te ontdoen, dat ik onder mijn hoofdkussen verborg. Toen ik ontwaakte, stond er wederom een gedekte tafel. Nu gevoelde ik, ondanks mijn angst, een hevigen honger; het was toen acht en veertig uren geleden, dat ik niet het minste voedsel had genuttigd; ik at een weinig brood en wat vruchten; maar mij het slaapmiddel herinnerende, dat in het water was gemengd geweest, hetwelk ik had gedronken, raakte ik dat niet aan wat op tafel stond, maar vulde mijn glas aan een marmeren fontein, die boven mijn kaptafel in den muur was gemetseld. Nochtans bleef ik, ondanks deze voorzorg, gedurende eenigen tijd in een vreeselijke ongerustheid; doch ditmaal was mijn vrees ongegrond; ik bracht den dag door zonder iets te gevoelen, dat eenigszins geleek op wat ik vreesde. Ik had de voorzorg genomen de helft van de karaf te ledigen, opdat men mijn wantrouwen niet zou bemerken. De avond viel, maar hoe diep de duisternis ook was, begonnen mijn oogen zich er aan te gewennen; ik zag te midden der duisternis de tafel in den vloer wegzinken; een kwartier later verscheen zij weder met mijn avondmaal; een oogenblik daarna werd mijn kamer weder door dezelfde lamp verlicht. Ik had het besluit genomen niets anders te eten dan die zelfstandigheden, waarin het onmogelijk was eenig slaapmiddel te mengen; uit twee eieren en eenige vruchten bestond mijn maal; vervolgens putte ik een glas water uit mijn beschermende fontein en ik dronk. Dadelijk bij den eersten teug meende ik, dat het niet dienzelfden smaak als des morgens had; een plotseling vermoeden kwam in mij op, ik hield op met drinken, maar ik had reeds een half glas geledigd. Het overige goot ik met afkeer uit en ik wachtte met het angstzweet op mijn voorhoofd.... Ongetwijfeld had de een of andere onzichtbare getuige mij het water uit de fontein zien nemen en van mijn goed vertrouwen gebruik gemaakt, om met te meer zekerheid mijn val te berokkenen, die, reeds zoo koel besloten, met zooveel wreedheid werd achtervolgd. Een half uur was er nauwelijks verloopen of dezelfde gewaarwordingen herhaalden zich; maar dewijl ik nu niet meer dan een half glas water had gedronken, bood ik den slaap langer weerstand, en in plaats van nu volkomen in slaap te vallen, verviel ik in een soort van somnambulisme, dat mij het bewustzijn deed behouden van hetgeen rondom mij voorviel, maar mij echter de kracht ontnam te gaan. Ik sleepte mij naar mijn legerstede om er mijn eenigste verdedigingsmiddel te zoeken, dat mij overbleef, mijn reddingsmiddel, maar ik kon het hoofdeinde niet bereiken; ik viel op de knieën, terwijl mijn handen een der kolommen, waarop mijn bed rustte, omknelden.”
Felton werd akelig bleek en een stuipachtige rilling doorliep zijn gansche lichaam.
„En het verschrikkelijkste,” vervolgde milady met ontroerde stem, alsof zij nog den angst ondervond van dat ontzettend oogenblik, „was, dat ik het gevaar kende, dat mij bedreigde; dat mijn ziel, indien ik mij dus kan uitdrukken, in mijn slapend lichaam waakte, dat ik hoorde, dat ik zag; wel is waar was zulks als in den droom, maar juist daarom te verschrikkelijker. Ik zag de lamp oprijzen en mij van lieverlede in de duisternis laten. Vervolgens hoorde ik dat mij welbekende gerucht der deur, hoewel die deur slechts twee malen was geopend geworden. Ik voelde inwendig, dat men mij naderde; men zegt, dat de rampzalige verdwaalde in de wouden van Amerika op die wijze de slang voelt naderen.... Ik wilde een poging doen, ik trachtte te schreeuwen; zelfs door een ongeloofelijke krachtsinspanning richtte ik mij omhoog, maar het was om onmiddellijk weder neer te vallen.”
„Maar zeg mij toch, wie uw vervolger was!” riep de jonge officier.
Milady zag met een enkelen blik al de smart, die zij Felton veroorzaakte, door op elke bijzonderheid van haar verhaal te drukken; zij wilde hem geen de minste foltering sparen. Hoe dieper zij hem in het hart zou treffen, zooveel te zekerder zou hij haar wreken. Zij ging dus opnieuw voort, alsof zij zijn uitroep niet gehoord had, of dat zij meende dat het oogenblik niet was gekomen om er op te antwoorden: „Ik hoorde hem, toen hij mij zag, uitroepen: ‚Die ellendige Puriteinen! ik wist wel, dat zij hun beulen tergden, maar ik meende, dat zij minder sterk jegens hun verleiders waren.’”
Felton luisterde zonder iets anders te doen hooren dan een soort van gebrul, alleen stroomde het zweet van zijn marmeren voorhoofd, en zijn onder zijn gewaad verborgen hand reet zijn boezem open.
„Tot mij zelve komende,” hernam milady, „was mijn eerste beweging onder dat hoofdkussen het mes te zoeken, dat ik niet had kunnen bereiken: indien het niet ter verdediging had gediend, kon het echter nog tot uitwissching der misdaad dienen. Maar, Felton! dit mes opnemende, kwam een vreeselijk denkbeeld in mij op. Ik heb gezworen u alles te zeggen en ik zal het doen; ik heb u de waarheid beloofd, ik zal u die zeggen, al moest die tot mijn verderf strekken.”
„Het denkbeeld verrees in u!” riep Felton, „u op dien man te wreken, niet waar?”
„Welnu, ja!” zei milady, „dat denkbeeld paste een Christenvrouw niet, dat weet ik; ongetwijfeld blies de eeuwige vijand onzer ziel mij dit in. Kortom, wat zal ik u zeggen, Felton!” zeide milady, op den toon eener vrouw, die zich van een misdaad beschuldigt,--„dat denkbeeld kwam in mij op en verliet mij niet meer. Het is misschien voor deze moorddadige gedachte, dat ik thans de straf onderga.”
„Ga voort, ga voort!” zeide Felton, „ik verlang met ongeduld u tot de wraak te zien komen.”
„O, ik nam mij voor die zoo spoedig mogelijk te vervullen, ik twijfelde niet, of hij zou den volgenden nacht terugkomen; gedurende den dag had ik niets te vreezen. Ook toen het uur van het ontbijt gekomen was, aarzelde ik niet te eten en te drinken, daar het mijn voornemen was den schijn aan te nemen, alsof ik mijn avondmaal nuttigde, zonder echter iets te gebruiken; ik wilde alzoo door het voedsel des ochtends het vasten van den avond vergoeden. Ik verborg een glas water, dat ik van mijn ontbijt had gespaard, daar de dorst mij het meest had doen lijden, toen ik acht en veertig uren zonder eten of drinken was gebleven. De dag ging voorbij zonder eenigen anderen invloed op mij te hebben teweeggebracht dan mij in mijn voornemen te versterken; intusschen droeg ik zorg, dat mijn gelaat niet de minste gedachte mijner ziel verried, want ik twijfelde er niet aan, dat men mij bespiedde; meermalen zelfs voelde ik een glimlach op mijn lippen zweven. Felton, ik durf u niet zeggen, wat denkbeeld mij deed glimlachen; want gij zoudt mij verfoeien.”
„Ga voort, ga voort!” herhaalde Felton, „gij ziet wel, hoe ik luister en hoe verlangend ik naar het einde ben.”
„Het werd avond,” vervolgde milady, „een herhaling van den vorigen; als naar gewoonte verscheen in de duisternis mijn avondmaal; vervolgens werd de lamp ontstoken en ik zette mij aan tafel. Ik at niets anders dan eenige vruchten en hield mij, alsof ik uit de karaf water schonk, maar ik dronk slechts dat, wat ik in mijn glas had bewaard; de verwisseling werd trouwens zoo behendig volbracht, dat mijn spionnen, indien ik er had, niets hadden kunnen bespeuren. Na het avondmaal gaf ik dezelfde blijken van verdooving als den vorigen dag; maar nu, alsof ik van vermoeidheid bezweek, of mij met het gevaar gemeenzaam maakte, hield ik mij, alsof ik in slaap viel. Ik had nu ook mijn mes wedergevonden, en veinzende te slapen, omknelde mijn hand krampachtig het hecht. Twee uren verliepen zonder dat er iets nieuws voorviel. Toen, o, mijn God! wie zou mij zulks den vorigen dag hebben gezegd, begon ik te vreezen, dat hij niet komen zou. Eindelijk zag ik de lamp opstijgen en boven in de zoldering verdwijnen; mijn kamer werd wederom in duisternis gehuld, maar ik deed een poging om ze met mijn blik te doordringen. Tien minuten ongeveer verliepen er, ik hoorde geen ander geluid dan dat van het kloppen van mijn hart. Ik smeekte den Hemel om zijn komst. Eindelijk hoorde ik het mij zoo goed bekende gerucht der deur, die geopend en weer gesloten werd; ik hoorde, ondanks de zwaarte van het tapijt, voetstappen, die den vloer deden kraken; ik zag, in weerwil der duisternis, een schim mij naderen.”
„Haast u, haast u!” viel Felton haar in de rede, „ziet gij niet, dat elk uwer woorden als gloeiend lood mij brandt!”
„Toen,” vervolgde milady, „toen verzamelde ik al mijn krachten, ik herinnerde mij, dat het uur der wraak of liever der rechtvaardigheid had geslagen, en beschouwde mij als een tweede Judith; ik hield het mes omkneld, en toen ik hem in mijn nabijheid zag, toen, met een laatsten kreet van smart en wanhoop, stiet ik hem het mes in de borst.... De ellendeling had alles voorzien; zijn borst was met een pantser bedekt, het mes gleed er op af.
„‚Ha! ha!’ riep hij, mij bij den arm grijpende en mij het wapen ontrukkende, dat mij zoo slecht had gediend, ‚gij wilt mij het leven benemen, mijn schoone Puriteine! dat is meer dan haat, dat is ondankbaarheid. Och kom, wees bedaard, mijn fraai kind! ik dacht u al getemd te hebben. Ik ben niet van die dwingelanden, welke de vrouwen met geweld houden. Gij bemint mij niet? Ik geloofde het echter met mijn gewonen eigenwaan: thans weet ik, waaraan mij te houden. Morgen zult gij vrij zijn.’--Ik had slechts één begeerte, die, dat hij mij het leven zou benemen.--‚Wees op uw hoede,’ zeide ik hem, ‚want mijn vrijheid is uw oneer.’--‚Verklaar u, mijn schoone Sybille!’ antwoordde hij.--‚Ja, eenmaal vrij, zal ik alles verhalen; ik zal het geweld doen kennen, hetwelk gij jegens mij hebt gepleegd; ik zal mijn opsluiting verhalen, zal dit schandpaleis aan de wereld bekend maken! Hoe hoog ook geplaatst, zult gij beven. Boven u is er een koning, boven den koning is God!’--Hoezeer meester over zich zelven, liet mijn vervolger nochtans een beweging van toorn ontglippen. Ik kon de uitdrukking van zijn gelaat niet zien, maar ik had zijn arm voelen beven, op welken mijn hand rustte.--‚Dan zult gij van hier niet gaan,’ zeide hij.--‚Goed, goed,’ riep ik, ‚dan zal de plaats mijner foltering ook die van mijn graf zijn. Goed, ik zal hier sterven, en gij zult zien of een beschuldigende schim niet erger is dan een levende, die bedreigt.’--‚Men zal u geen enkel wapen laten,’ zeide hij.--‚Eén bestaat er, dat de wanhoop in het bereik van elk schepsel stelt, dat den moed heeft er zich van te bedienen, dat is de hongerdood.’--‚Luister,’ zeide de ellendeling, ‚is de vrede niet beter dan een dergelijke oorlog? Ik zal u oogenblikkelijk de vrijheid wedergeven; ik zal u als de deugdzaamste, als de Lucretia van geheel Engeland bekend maken.’--‚En ik zal zeggen, dat gij er de Sextus van zijt; ik zal u voor de menschen beschuldigen, zooals ik u reeds voor God heb gedaan, en indien ik, zooals Lucretia, mijn beschuldiging met mijn bloed moet bezegelen, zal ik het doen.’--‚Zoo, zoo,’ zeide mijn vijand op spottenden toon, ‚dat is iets anders.... Waarlijk, bij slot van rekening, gij zijt hier voortreffelijk, niets zal u ontbreken, en indien gij van honger sterft, zal het uw eigen schuld zijn.’
„Bij deze woorden verwijderde hij zich. Ik hoorde hem de deur openen en weder sluiten, en ik bleef als verplet staan, niet zoo zeer, ik beken het, door smart, dan wel door schaamte mij niet gewroken te hebben. Hij hield woord. De geheele dag en de volgende nacht gingen voorbij, zonder dat ik hem wederzag; maar ook ik hield woord; ik at noch dronk, ik had, zooals ik had gezegd, besloten mij te laten doodhongeren. Ik bracht den dag en den nacht in het gebed door; want ik hoopte, dat God mij mijn zelfmoord zou vergeven. Den tweeden nacht werd de deur geopend. Ik lag op den grond, de krachten begonnen mij te verlaten. Op het gerucht richtte ik mij met de eene hand ten halve op.
„‚Welnu,’ zeide een stem, die al te vreeselijk in mijn ooren klonk om haar niet te herkennen; ‚welnu! zijt gij wat zoeter geworden en wilt gij uw vrijheid met een enkele belofte van stilzwijgendheid betalen? Luister, ik ben een goed heer,’ voegde hij er bij, ‚en hoewel ik van Puriteinen niet houd, laat ik hen recht wedervaren, zoowel als aan de vrouwen, wanneer zij mooi zijn. Komaan, zweer mij eventjes op het kruisbeeld, meer verlang ik niet.’--‚Op het kruisbeeld!’ riep ik opstaande, want bij het hooren van die afschuwelijke stem had ik al mijn krachten wedergevonden, ‚op het kruisbeeld zweer ik, dat geen beloften, geen bedreigingen, geen folteringen mij ooit zullen doen zwijgen; op het kruisbeeld zweer ik u overal als moordenaar, als een eeredief, als een lafaard te zullen uitkrijten; op het kruisbeeld zweer ik, indien ik er ooit in slaag hieruit te geraken, de geheele wereld tot wraak over u op te roepen.’--‚Wees op uw hoede,’ zeide de stem op een toon van bedreiging, dien ik nog niet gehoord had; ‚er blijft mij een laatste middel over, dat ik slechts in de uiterste noodzakelijkheid zal aanwenden, om u den mond te sluiten, of u ten minste te beletten, dat men aan de minste uwer woorden geloof sla.’--Ik verzamelde al mijn krachten, om hem met een schamperen lach te antwoorden. Hij zag, dat het thans tusschen ons een strijd op leven en dood was.--‚Luister,’ zeide hij, ‚ik geef u nog het overige van den dag en den dag van morgen ter overweging. Beloof te zullen zwijgen; rijkdom, achting, zelfs eer zullen u omringen; dreig nogmaals te zullen spreken, en ik geef u der schande over.’--‚Gij?’ riep ik, ‚gij?’--‚Ja, een eeuwige, onuitwischbare schande.’--‚Gij?’ herhaalde ik.--Ach, ik zeg het u, Felton! ik hield hem voor waanzinnig.--‚Ja ik,’ hernam hij.--‚O, verlaat mij,’ zeide ik hem. ‚Vertrek, indien gij niet wilt, dat ik mij voor uw oogen de hersens tegen den muur verplettere.’--‚Het is wel,’ hernam hij, ‚gij wilt het. Tot morgenavond.’--‚Tot morgen avond,’ antwoordde ik, mij latende neervallen en woedend het tapijt met mijn tanden verscheurende.”
Felton stond tegen een meubelstuk aangeleund en milady zag met helsche vreugde, dat misschien voor het eind van het verhaal de jonge officier reeds zijn krachten zou voelen bezwijken.
HOOFDSTUK XXVI.
Een onderwerp voor een klassiek treurspel.
Na een oogenblik zwijgens, dat besteed werd om den jongen officier, die naar haar luisterde, gade te slaan, vervolgde milady haar verhaal.
„Het was nu drie dagen geleden, sedert ik gegeten of gedronken had,” zeide zij, „ik leed verschrikkelijke smarten; menigmaal kwamen als wolken mijn voorhoofd samenpersen en mijn oog benevelen, het was de waanzin. De avond daalde, ik was zoo zwak, dat ik bijna elk oogenblik buiten kennis was, en telkens, wanneer ik bezwijmde, dankte ik God, want ik meende te sterven. Gedurende een dier zwakten hoorde ik de deur openen, de schrik bracht mij tot mij zelve. Mijn vervolger trad, door een gemaskerden man gevolgd, binnen; ook hij had zijn gezicht met een masker bedekt, maar ik herkende zijn gang, zijn stem, ik herkende de ontzag-inboezemende houding, welke de hel dien man heeft geschonken tot ongeluk der menschheid.
„‚Wel,’ vroeg hij mij, ‚hebt gij besloten den eed te doen, waarom ik u verzocht?’--‚Gij weet, de Puriteinen hebben slechts één woord, het mijne hebt gij gehoord, dat is: u op aarde voor de rechtbanken der menschen en in den hemel voor Gods rechterstoel aan te klagen.’--‚Dus blijft gij volharden?’--‚Ik zweer het u voor dien God, die mij hoort; ik zal de geheele wereld tot getuige uwer misdaad nemen, en dat zoolang tot ik een wreker zal gevonden hebben.’--‚Gij zijt een hoer,’ riep hij met donderende stem, ‚en gij zult de straf er voor ondergaan!.... Voor het oog der wereld, die gij inroept, onteerd, kunt gij de wereld overtuigen, dat gij noch schuldig noch gek zijt.’--Toen zich tot den man wendende, die hem vergezelde, zeide hij: ‚scherprechter, doe uw plicht.’”
„O, zeg mij zijn naam, zijn naam!” riep Felton opnieuw, „zeg mij zijn naam?”
„Toen, ondanks mijn hulpgeschrei, ondanks mijn weerstand, want ik begon te begrijpen, dat het voor mij iets ergers dan den dood betrof, greep mij de beul, wierp mij op den grond, kwetste mij door zijn gewelddadigheid en in mijn gesnik gesmoord, bijna bewusteloos en God aanroepende, die mij niet hoorde, slaakte ik eensklaps een vreeselijken kreet van smart en schaamte; een gloeiend ijzer, het ijzer des beuls, was op mijn schouder gedrukt.”--Felton slaakte een gebrul.--„Zie,” zeide milady, met de majesteit eener koningin zich oprichtende, „zie, Felton! hoe men een nieuwe foltering uitvond voor een jonge, reine maagd, die echter het offer werd der vuige lusten eens ellendelings. Leer het hart der menschen kennen en word voortaan minder gemakkelijk het werktuig hunner onrechtvaardige wraak.”
Milady opende met een plotselinge beweging haar kleed, verscheurde het batist, dat haar schouders bedekte, en rood van geveinsde toorn en schaamte, toonde zij den jongeling het onuitwischbaar merk, dat haar zoo fraaien schouder bevlekte.--„Maar ik zie een lelie.”--„En ziedaar, waarin juist de schandelijkheid is gelegen,” antwoordde milady. „Het Engelsche brandmerk? Dan had men immers moeten bewijzen, welke rechtbank er mij toe had veroordeeld en ik zou al de rechtbanken van het koninkrijk hebben opgeroepen om zulks te doen; maar het brandmerk van Frankrijk! O, dat onteerde mij wel degelijk.”
Dat was te veel voor Felton. Bleek, onbeweeglijk, verplet door die vreeselijke openbaring, verblind door de bovenmenschelijke schoonheid van die half-naakte vrouw, die zich voor hem met een schaamteloosheid, die hij verheven vond, vertoonde, viel hij eindelijk op de knieën voor haar neder, zooals de eerste Christenen voor die reine, heilige martelaressen, welke de vervolgingen des keizers in den circus aan de bloeddorstige wellust van het volk overleverden. Het brandmerk verdween, alleen de schoonheid bleef voor hem over.--„Vergiffenis! vergiffenis! vergiffenis!” riep Felton, „ach, vergiffenis!”--Milady las in zijn oogen: Liefde! liefde!--„Waarvoor vergiffenis?” vroeg zij.--„Vergiffenis voor mij bij uw vervolgers te hebben gevoegd.”
Milady reikte hem de hand.--„Zoo schoon! zoo jong!” riep Felton, haar hand met kussen bedekkende. Milady liet op hem een dier blikken vallen, welke van een slaaf een koning maken. Felton was Puritein, hij liet de hand los om haar voeten te kussen. Hij beminde haar reeds niet alleen, hij aanbad haar. Toen de overspanning geëindigd was, toen milady haar koelbloedigheid scheen teruggekregen te hebben, die zij nooit verloren had, zeide hij:
„O! thans heb ik nog slechts een vraag te doen: den naam van uw wezenlijken beul? Want voor mij bestaat er slechts een, de andere was het werktuig, meer niet.”--„En hoe, broeder!” riep milady, „moet ik u dien nog noemen, hebt gij hem niet geraden?”--„Wat?” hernam Felton, „hij.... altijd hij!.... Wat! is hij de ware schuldige?”--„De eenige schuldige,” zeide milady, „hij, de verwoester van Engeland, de vervolger der ware geloovigen, de belager der eer van zoovele vrouwen; hij, die voor een gril van zijn bedorven hart zooveel bloed in Engeland zal doen storten; die heden de protestanten beschermt en ze morgen zal verraden.”--„Buckingham! Het is dus Buckingham!” riep Felton door drift vervoerd.
Milady verborg haar gelaat in haar handen, als kon zij de schaamte niet verdragen, die deze naam in haar opwekte.--„Buckingham! de beul van het engelachtige schepsel!” riep Felton. „En Gij hebt hem niet door uw bliksems getroffen, mijn God! hem edel, geëerd, machtig, tot ons aller verderf in het leven gelaten!”--„God verlaat hen, die Hem verlaten,” zeide milady.--„Wil hij dan op zijn hoofd de straf halen, die voor de verdoemden is weggelegd!” ging Felton met stijgende overspanning voort. „Wil hij dan, dat menschelijke wraak de hemelsche rechtvaardigheid voorkome?”--„De menschen vreezen en sparen hem.”--„O! ik,” zeide Felton, „vrees hem niet en zal hem ook niet sparen....”
Milady voelde haar ziel door een helsche vreugde overstelpt.--„Maar hoe komt lord de Winter, mijn weldoener, mijn vader, in dit alles gemengd?” vroeg Felton.--„Luister, Felton!” hernam milady, „er gaan immers te zamen èn lage èn verachtelijke, èn groote èn edelmoedige zielen; ik had een verloofde, een man, die mij en dien ik beminde; een hart als het uwe, Felton! een man als gij. Ik ging tot hem en verhaalde hem alles; deze kende mij, en hij twijfelde niet een oogenblik. Hij was een voornaam heer, een man van gelijken rang als Buckingham. Hij zeide niets, gordde alleen zijn degen om, wikkelde zich in zijn mantel en begaf zich naar Buckingham-Palace.”--„Ja, ja,” zeide Felton, „ik begrijp; maar met dergelijke lieden moet men niet den degen, maar den dolk gebruiken.”--„Buckingham was reeds den vorigen dag als ambassadeur naar Spanje vertrokken, waar hij de hand der infante voor Koning Karel I ging verzoeken, die toen slechts prins van Wallis was. Mijn verloofde kwam terug.
„‚Luister,’ zeide hij tot mij, ‚die man is vertrokken, bijgevolg ontgaat hij voor het oogenblik mijn wraak; maar laat ons vereenigd zijn, zooals wij moeten wezen en vertrouw op lord de Winter, om zijn eer en die zijner vrouw te verdedigen.’”
„Lord de Winter!” riep Felton.--„Ja,” zeide milady, „lord de Winter; en thans moet ge alles begrijpen, niet waar? Buckingham bleef langer dan een jaar afwezig; acht dagen vóór zijn aankomst stierf lord de Winter plotseling, mij als eenige erfgename achterlatende.”--„Van wien kwam die slag?”--„God, die alles weet, weet dit ongetwijfeld ook; ik, ik beschuldig niemand.”--„O! wat afgrond! wat afgrond!” riep Felton.
„Lord de Winter was gestorven zonder iets aan zijn broeder gezegd te hebben. Het vreeselijk geheim moest voor iedereen verborgen blijven, totdat het als een donderslag boven het hoofd van den schuldige zou uitbarsten. Uw beschermer had met leede oogen het huwelijk van zijn broeder met een meisje zonder fortuin aangezien. Ik voelde, dat ik niet de minste hulp had te wachten van iemand, die in zijn hoop op een erfenis bedrogen was geworden. Ik begaf mij naar Frankrijk, besloten er mijn leven door te brengen; maar mijn geheel vermogen is in Engeland; de afgebroken gemeenschap, tengevolge van den oorlog, ontroofde mij alles, en ik was genoodzaakt terug te komen, en op die wijze kwam ik, nu zes dagen geleden, te Portsmouth aan.”--„En?” zeide Felton.--„En Buckingham vernam zeker mijn terugkomst; hij sprak er over met lord de Winter, die reeds tegen mij was ingenomen, en zeide dezen, dat zijn schoonzuster een onteerde, een gebrandmerkte vrouw was. De edele en reine stem van mijn man kon zich niet meer doen hooren om mij te verdedigen. Lord de Winter geloofde alles, wat men hem zeide, en dat te eerder, daar hij er belang in had zulks te gelooven. Hij deed mij in hechtenis nemen en mij herwaarts voeren, mij onder uw hoede stellende. Gij weet het overige. Overmorgen zendt hij mij in ballingschap naar verre landen; overmorgen plaatst hij mij onder de misdadigers. O! het weefsel is fijn gesponnen, dat verzeker ik u; het plan is slim doordacht, en mijn eer zal er door verloren gaan. Gij ziet wel, dat ik sterven moet, Felton! Felton! geef mij het mes!”
En bij die woorden, alsof haar krachten geheel waren uitgeput, liet milady zich machteloos en bezwijmende in de armen van den jongen officier neervallen.--„Neen,” zeide hij, „neen, gij zult leven, in eere en rein leven, gij zult leven om over uw vijanden te zegevieren!”--Milady stiet hem zachtjes met haar hand terug en hem met haar blik weder aantrekkende, zeide zij, haar gelaat en haar oogen omsluierende: „O, liever dood, dan die schande! Felton! mijn broeder! mijn vriend! ik bezweer u!”--„Neen!” riep Felton, „neen, gij zult leven en gewroken worden!”--„Felton! alles, wat mij omringt, breng ik ongeluk aan; Felton! verlaat mij, Felton! laat mij sterven!”--„Welnu! dan zullen wij te zamen sterven!” riep hij.
Eenige slagen klonken op de deur.--„Luister,” zeide zij, „men heeft ons gehoord, men komt, het is gedaan, wij zijn verloren!”--„Neen,” zeide Felton, „het is alleen de schildwacht, die mij waarschuwt, dat een patrouille nadert....”--„Ga dan naar de deur en doe zelf open.”
Felton gehoorzaamde; die vrouw vervulde reeds geheel zijn hart, geheel zijn ziel. Hij zag voor zich een sergeant, die de wachtronde aanvoerde.--„Wel, wat is er?” vroeg de jonge luitenant.--„Gij hebt mij gezegd de deur te openen, indien ik om hulp hoorde roepen,” zeide de schildwacht, „maar gij hadt alleen maar vergeten mij den sleutel te laten. Ik hoorde u roepen, zonder te verstaan wat gij zeidet, ik wilde de deur openen, maar zij was van binnen gesloten, toen heb ik den sergeant geroepen.”--„En hier ben ik!” zeide deze. Felton, buiten zich zelven, bijna krankzinnig, bleef sprakeloos.
Milady begreep, dat het aan haar verbleef, zich de gesteldheid van het oogenblik ten nutte te maken, en ijlde naar de tafel, van welke zij het mes nam, dat Felton er op gelegd had.--„En met welk recht wilt gij mij beletten mij het leven te ontnemen?” vroeg zij.--„Groote God!” riep Felton, het mes in haar hand ziende blinken.
In hetzelfde oogenblik weergalmde een spottend gelach in de gang. De baron, door het gerucht opmerkzaam gemaakt, stond in zijn kamerrok, met den degen onder den arm, voor de deur.--„Ha! ha!” riep hij, „nu zijn wij aan het laatste bedrijf. Gij ziet het, Felton! het drama heeft al de voorstellingen vertoond, welke ik u voorzegd heb, maar wees gerust, het bloed zal niet vloeien.”
Milady begreep, dat zij verloren was, indien zij aan Felton niet een onmiddellijk en vreeselijk bewijs van haar moed gaf.--„Gij bedriegt u, mylord! het bloed zal vloeien, en moge dat bloed op het hoofd komen van degenen, die het doen stroomen.”--Felton slaakte een kreet en wierp zich op haar; het was te laat, milady had zich getroffen. Maar het mes had gelukkig, wij moeten liever zeggen behendig, de stalen corsetbaleinen geraakt, die in dat tijdstip als een harnas de borst der vrouwen verdedigden. Het was schuin door haar kleed, dat het openreet, langs de ribben afgegleden. Het kleed van milady was desniettemin in een oogenblik met bloed bevlekt. Milady was achterover gevallen en scheen bewusteloos. Felton ontrukte haar het mes.
„Zie, mylord!” zeide hij op somberen toon, „ziedaar een vrouw, die onder mijn bewaking was en die zich het leven beneemt.”--„Wees gerust, Felton!” zeide lord de Winter, „zij is niet dood, de duivels sterven zoo spoedig niet! wees gerust en ga mij in mijn kamer wachten.”--„Maar, mylord!....”--„Ga, ik beveel het u.”
Op het bevel van zijn overste verwijderde zich Felton, maar onder het weggaan verborg hij het mes in zijn borst. Lord de Winter bepaalde zich er toe de vrouw te roepen, die milady bediende, en toen deze was gekomen en na haar de steeds in onmacht liggende gevangene te hebben aanbevolen, liet hij hen alleen. Daar intusschen alles wel beschouwd, de wonde, ondanks zijn meening, van een ernstigen aard kon zijn, zond hij onmiddellijk een man te paard, om den naastbijwonenden geneesheer te halen.
HOOFDSTUK XXVII.
De vlucht.
Zooals lord de Winter had gedacht, was de verwonding van milady niet gevaarlijk; zoodra zij zich alleen met de vrouw bevond, die de baron had doen roepen, en die zich haastte haar te ontkleeden, opende zij de oogen. Intusschen moest zij zwakte en smart veinzen. Dat was voor een tooneelspeelster als milady niet zeer moeilijk. Ook werd de arme vrouw volkomen door milady misleid, zoodat zij halsstarrig volhield gedurende den nacht te willen waken. De tegenwoordigheid dier vrouw belette milady echter niet te peinzen. Er was geen twijfel meer, Felton was overtuigd, Felton behoorde haar. Al ware den jongeling ook een engel verschenen om milady te beschuldigen, zou hij dien zeker, in de zielsgesteldheid waarin hij zich bevond, voor een duivelsgezant hebben gehouden.
Milady glimlachte bij dat denkbeeld, want op Felton was voortaan alleen haar hoop gevestigd, hij was het eenige middel tot haar bevrijding. Maar lord de Winter kon beginnen hem te wantrouwen en Felton thans zelf bewaken.
Tegen vier uur des morgens kwam de geneesheer, maar sinds milady zich had gekwetst, was de wonde reeds gesloten. De geneesheer kon er dus noch de richting noch de diepte van peilen; hij erkende alleen aan den pols van milady, dat de wond niet belangrijk was. Des morgens zond milady, onder het voorwendsel niet geslapen en rust noodig te hebben, de vrouw weg, die bij haar had gewaakt. De hoop bleef nog over, dat Felton op het uur van ontbijt zou komen, maar Felton kwam niet. Had haar vrees zich verwezenlijkt? Zou Felton, door den baron gewantrouwd, haar in het beslissend oogenblik ontbreken? Er bleef haar slechts één dag meer over. Lord de Winter had haar inscheping op den drie en twintigsten aangekondigd, en men was reeds op den ochtend van den twee en twintigsten. Nogmaals bleef zij geduldig tot aan het uur van het middagmaal wachten. Hoewel zij des morgens niet had gegeten, werd het maal echter op het gewone uur binnengebracht; milady bespeurde toen met schrik, dat de uniform der soldaten, die haar bewaakten, veranderd was. Toen waagde zij te vragen, wat er van Felton was geworden. Men zeide, dat Felton een uur geleden te paard was vertrokken. Zij vroeg, of de baron nog altijd in het kasteel was; de soldaat antwoordde ja, en dat hij bevel had hem te waarschuwen, indien de gevangene hem wenschte te spreken. Milady antwoordde, dat zij voor het oogenblik zich te zwak gevoelde, en haar eenige begeerte was alleen te blijven. De soldaat vertrok na de tafel gedekt te hebben.
Felton was verwijderd geworden, de zeesoldaten waren door andere vervangen, men wantrouwde Felton. Dat was de laatste slag, dien men aan de gevangene toebracht. Alleen gebleven, stond zij op. Dat bed, waarop zij uit voorzichtigheid bleef liggen, ten einde men haar zwaar gekwetst mocht wanen, brandde haar als een gloeiende rooster. Zij wierp een blik op de deur. De baron had op de getraliede opening er van een plank doen spijkeren; hij vreesde zeker, dat door middel der opening het haar wederom mocht gelukken, door een of ander duivelsch middel haar bewakers te verleiden. Milady glimlachte van blijdschap, zij kon zich dus aan haar gewaarwordingen overgeven zonder bespied te worden. Zij doorliep de kamer met de drift eener dolzinnige, of van een opgesloten tijger in een ijzeren kooi. Inderdaad, indien het mes in haar bezit was gebleven, zou zij er nu niet aan gedacht hebben zich zelve het leven te benemen, maar den baron te vermoorden. Te zes uur trad lord de Winter binnen, van het hoofd tot de voeten gewapend. Die man, dien milady tot hiertoe slechts als een beschaafd en beleefd edelman had beschouwd, was een bewonderenswaardig cipier geworden. Hij scheen alles te voorzien, te raden, te voorkomen. Een enkele blik op milady geworpen maakte hem bekend met hetgeen in haar ziel omging.
„Goed,” zeide hij, „maar gij zult mij vandaag nog niet vermoorden, gij hebt geen wapens meer, en bovendien, ik ben op mijn hoede. Gij zijt begonnen mijn armen Felton te bederven, hij ondergaat reeds uw helschen invloed, maar ik wil hem redden, hij zal u niet meer zien. Alles is geëindigd, zoek uw kleeren bijeen, morgen vertrekt gij. Ik had de inscheping op den vier en twintigsten bepaald, maar ik heb geoordeeld, dat hoe eer de zaak een einde neemt hoe zekerder. Morgen tegen den middag zal ik in het bezit zijn van het bevel uwer ballingschap, door Buckingham onderteekend. Indien gij slechts, aan wien het ook zij, een woord durft zeggen alvorens op het schip te zijn, dan heeft mijn sergeant het bevel u voor den kop te schieten. Indien gij, op het schip zijnde, één enkel woord durft spreken, alvorens de kapitein u zulks heeft veroorloofd, zal deze u over boord doen werpen, dat is reeds besteld. Tot weerziens; ziedaar wat ik u heden te zeggen had. Morgen zie ik u weder om u vaarwel te zeggen.”--En hierna vertrok de baron.
Milady had deze dreigende taal tot het einde aangehoord, met den glimlach der verachting op de lippen, maar met de woede in het hart. Men richtte het avondmaal aan. Milady voelde, dat zij krachten noodig had; zij wist niet wat er gedurende den nacht nog kon gebeuren, die dreigend naderde; want donkere wolken vlogen door het luchtruim en veraf zijnde weerlichten kondigden een onweder aan. Het onweer barstte tegen tien uur des avonds los; voor milady was het een troost, de natuur in de beroering van haar hart te zien deelen. De donder rolde in de lucht gelijk de gramschap in haar boezem; het was alsof de stormwind, voorbijgaande, haar hoofdhaar deed opvliegen, zooals hij van de boomen de takken deed buigen, terwijl hij ze van hun bladeren beroofde. Zij brulde gelijk de storm, en haar stem verloor zich in de zware stem der natuur, die, zooals zij, scheen te zuchten en te wanhopen. Van tijd tot tijd beschouwde zij een ring, dien zij aan den vinger had. De steen van dien ring bevatte een hevig en spoedig werkend vergift; dat was haar laatste redmiddel.
Eensklaps hoorde zij op een der glasruiten kloppen, en bij het schijnsel van een bliksemstraal zag zij het gelaat van een man voor de traliën verschijnen. Zij snelde naar het venster en opende het.--„Felton!” riep zij, „ik ben gered!”--„Ja,” zeide Felton, „maar stil! stil! ik moet eerst de traliën doorvijlen; zorg slechts dat men u niet door de opening van de deur ziet.”--„O, ziedaar het bewijs, dat de Heere voor ons is, Felton!” hernam milady, „zij hebben die opening met een plank dichtgespijkerd.”--„Goed, God heeft hen zinneloos gemaakt,” zeide Felton.--„Maar wat moet ik doen?” vroeg milady.--„Niets, niets; doe slechts het venster weder dicht. Ga slapen, of ten minste begeef u geheel gekleed te bed; wanneer ik gereed ben, zal ik op de glazen kloppen. Maar zult gij mij kunnen volgen?”--„O ja!”--„Uw wonde?”--„Veroorzaakt mij pijn, maar belet mij niet om te gaan.”--„Houd u dan op den eersten wenk gereed.”
Milady sloot wederom het venster, blies haar lamp uit en begaf zich, zooals Felton had aangeraden, te bed. Boven het gehuil van den storm hoorde zij het krassen der vijl op de traliën, en bij het schijnsel van elken bliksemstraal bespeurde zij de schaduw van Felton achter de glasruiten. Een uur bracht zij door zonder adem te halen, hijgende, het voorhoofd met zweet bedekt en het hart beklemd door een vreeselijken angst, telkens wanneer zij in de gang eenige beweging hoorde. Er zijn uren, die jaren schijnen te duren.
Na verloop van een uur klopte Felton opnieuw. Milady sprong uit haar bed en ging het venster openen; twee uitgenomen traliën hadden een opening gemaakt, die groot genoeg was om een mensch door te laten.--„Zijt gij gereed?” vroeg Felton.--„Ja, moet ik iets medenemen?”--„Goud, indien gij het hebt.”--„Gelukkig heeft men mij gelaten, wat ik had.”--„Des te beter, want ik heb al het mijne besteed om een vaartuig te huren.”--„Neem,” zeide milady, Felton een zak vol goud ter hand stellende.--Felton nam den zak en wierp hem naar beneden aan den voet van den muur.--„Wilt gij nu komen?” vroeg hij.--„Hier ben ik.”--Milady klom op een leuningstoel en stak de helft haars lichaams uit het venster. Zij zag den jongen officier, hangende aan een touwladder boven den afgrond.
Voor het eerst deed een gewaarwording van angst haar herinneren, dat zij een vrouw was. De diepte joeg haar schrik aan.--„Ik dacht het wel,” zeide Felton.--„Het is niets, het is niets,” zeide milady, „ik zal met gesloten oogen afstijgen.”--„Stelt gij in mij vertrouwen,” vroeg Felton.--„Vraagt gij zulks?”--„Geef uw twee handen en vouw ze.”--„Goed.”--Felton bond haar beide handen met een zakdoek, vervolgens over den zakdoek met een koord aan elkander.--„Wat doet gij?” vroeg milady verbaasd.--„Sla nu uw armen om mijn hals en vrees niets.”--„Maar ik zal u het evenwicht doen verliezen en wij zullen beiden te pletter vallen.”--„Wees gerust, ik ben zeeman.”
Er was geen oogenblik te verliezen. Milady sloeg haar beide armen om den hals van Felton en liet zich het venster uitglijden. Felton begon langzaam een voor een de treden van de ladder af te klimmen. Ondanks het gewicht van beide lichamen, deed de stormwind hen in de lucht schommelen.
Eensklaps hield Felton op.--„Wat is er?” vroeg milady.--„Stil,” zeide Felton, „ik hoor voetstappen.”--„Wij zijn ontdekt.”--Er heerschte eenige oogenblikken stilte. „Neen,” zeide Felton, „het is niets.”--„Maar wat beteekent dan dat gerucht?”--„Dat der wachtronde, die den ringmuur omgaat.”--„Waar is die weg?”--„Juist onder onze voeten.”--„Men zal ons zien.”--„Neen, als het slechts niet weerlicht.”--„Men zal tegen de ladder aanloopen. Daar zijn ze, o God!”--„Stil!”
Beiden bleven hangen, onbeweeglijk en stom, op twintig voeten boven den grond, terwijl de soldaten lachende en pratende onder hen voortgingen. Het was een vreeselijk oogenblik voor de vluchtelingen. De patrouille verwijderde zich; men hoorde van lieverlede de voetstappen dof worden en het gedruisch der stemmen verzwakken.--„Thans!” zeide Felton, „zijn wij gered.”--Milady slaakte een zucht en viel in zwijm. Felton ging voort met afklimmen.
Beneden aan de ladder gekomen en toen geen rustpunt meer voor zijn voeten vindende, omknelde hij met zijn handen de ladder, liet zich tot aan de laatste sport afzakken en toen op den grond neervallen; hij bukte, raapte den zak met goud op en nam hem tusschen de tanden. Toen nam hij milady in zijn armen en verwijderde zich snel naar de zijde tegenovergesteld aan die, welke de patrouille had genomen. Dra verliet hij den ringmuur, klom langs de rotsen af, en aan den oever der zee gekomen, floot hij. Een dergelijk sein beantwoordde hem, en vijf minuten daarna verscheen een boot bemand met vier personen. De boot naderde zoo na mogelijk het strand, maar het water was niet diep genoeg om den wal te bereiken. Felton doorwaadde de zee tot aan zijn middel, aan niemand zijn kostbaren last willende toevertrouwen. Gelukkig begon de storm te bedaren, hoewel de zee nog geweldig te keer ging; de kleine boot schommelde op de baren als een notedop.
„Naar de sloep en roeit met kracht!” beval Felton.
De vier mannen zetten zich aan de riemen, maar de zee ging te hoog om met roeien veel te vorderen. Nochtans, men verwijderde zich van het kasteel, en dit was het voornaamste. De nacht was stikdonker, en het was onmogelijk het strand van uit de boot te bespeuren. Een zwarte stip schommelde op de zee. Dat was het sloepschip. Terwijl de boot door krachtige riemslagen het schip naderde, maakte Felton het koord en den zakdoek los, die de handen van milady vasthielden. Vervolgens, toen hij haar handen had losgemaakt, nam hij zeewater en besprenkelde haar daarmede het aangezicht. Milady slaakte een zucht en opende de oogen.
„Waar ben ik?” vroeg zij.--„Gered,” antwoordde de jonge officier.--„Ach! gered? gered?” riep zij.--„Ja, ziedaar de lucht, ziedaar de zee. De lucht, die gij inademt, is de vrijheid.”--„O, ik dank u, Felton! ik dank u!”--De jongeling drukte haar aan zijn hart.--„Maar wat deert mij toch aan mijn handen?” vroeg milady. „Het is alsof ze in een schroef zijn geplet.”--Inderdaad, milady’s armen oplichtende, zag hij dat haar handen gewond waren.--„Helaas!” zeide Felton, die fraaie handen beschouwende en smartelijk het hoofd schuddende.--„O, het is niets, het is niets!” riep milady, „nu herinner ik mij.”--Milady zocht met haar blik rondom zich.--„Daar ligt hij,” zeide Feiten, den zak met goud met zijn voet rakende.
Men naderde de sloep. De matroos, die wacht hield, riep de manschap op de boot toe, ’t welk beantwoord werd.--„Wat is dat voor een vaartuig?” vroeg milady.--„Dat wat ik voor u heb gehuurd,” antwoordde Felton.--„En waarheen moet het mij brengen?”--„Waar gij wilt, mits men mij te Portsmouth aan wal zet.”--„Wat gaat gij te Portsmouth doen?” vroeg milady.--„De bevelen van lord de Winter volvoeren,” zeide Felton met een somberen glimlach.--„Welke bevelen?” vroeg milady.--„Gij begrijpt mij dan niet?” zeide Felton.--„Neen, verklaar u, bid ik u.”--„Daar hij mij wantrouwde, heeft hij zelf u willen bewaken, en mij in zijn plaats naar Buckingham gezonden, om hun het bevel van uw verbanning te doen teekenen.”--„Maar, indien hij u wantrouwde, waarom heeft hij u dat bevel toevertrouwd?”--„Men wist immers niet, dat ik met den inhoud van hetgeen ik bracht bekend was, daar hij mij niets had gezegd en ik alleen door u met dat geheim bekend ben geworden.”--„Het is waar. En gij gaat naar Portsmouth?”--„Ik heb geen tijd te verliezen; morgen is het de drie en twintigste, en morgen vertrekt Buckingham met de vloot.”--„Naar la Rochelle? Hij mag niet vertrekken!” riep milady, haar gewone tegenwoordigheid van geest vergetende.--„Wees gerust,” antwoordde Felton, „hij zal niet vertrekken.”
Milady beefde van vreugd; zij had in het diepste der ziel van den jongeling gelezen: de dood van Buckingham stond er met groote letters in geschreven.--„Felton! gij zijt groot als Judas Macchabeüs! Indien gij sterft, sterf ik met u! Ziedaar alles wat ik u kan zeggen.”--„Stil!” zeide Felton, „wij zijn aangekomen.”
En inderdaad, men had de sloep bereikt. Felton klom het eerst de ladder op en gaf milady de hand, terwijl de matrozen haar ondersteunden, want de zee was nog zeer onstuimig. Een oogenblik daarna stond zij op het verdek.
„Kapitein!” zeide Felton, „ziedaar de persoon, van wie ik u heb gesproken, en die gij behouden en wel naar Frankrijk moet overbrengen.”--„Tegen betaling van duizend pistolen,” zeide de kapitein.--„Ik heb er u vijfhonderd gegeven.”--„En ziedaar de overige vijfhonderd,” zeide milady, de hand op den zak met goud leggende.--„Neen,” zeide de kapitein, „ik heb slechts één woord, en ik heb het den jongeling gegeven; de overige vijfhonderd pistolen behoeven mij niet eer dan bij mijn aankomst te Boulogne betaald te worden.”--„En zullen wij er aankomen?”--„Behouden en wel,” zeide de kapitein, „zoo waar als ik Jack Buttler heet.”--„Welnu,” zeide milady, „als gij woord houdt, zullen het geen vijfhonderd maar duizend pistolen wezen, die ik u zal geven.”--„Hoera! dan voor u, schoone dame!” riep de kapitein, „en moge God mij veel zulke klanten als uwe edelheid zenden.”--„Intusschen,” zeide Felton, „breng ons in de kleine haven van Chichester vóór Portsmouth. Gij weet, dat wij zijn overeengekomen daar aan te doen.”
De kapitein antwoordde door de noodige werkzaamheden hiervoor te bevelen, en tegen zeven uur des morgens wierp het kleine vaartuig het anker in de bewuste baai. Gedurende dien overtocht had Felton alles aan milady verhaald, hoe hij, in plaats van naar Londen te gaan, het kleine vaartuig had gehuurd, hoe hij was teruggekomen, op welke wijze hij den muur had beklommen door in de voegen der steenen, en naar gelang hij opklom, krammen te bevestigen om er zijn voeten op neer te zetten, en hoe hij eindelijk de ladder aan de traliën had vastgemaakt; milady wist het overige. Van haar kant trachtte zij Felton moed in te boezemen en in zijn voornemen te versterken, maar bij de eerste woorden, die zij sprak, zag zij wel, dat de jeugdige geestdrijver meer noodig had tegengehouden dan aangespoord te worden. Men kwam overeen, dat milady tot tien uur op Felton zou wachten; indien hij te tien uur niet mocht terug zijn, zou zij onder zeil gaan. Dan, in de veronderstelling dat hij vrij zoude zijn, zou hij haar in Frankrijk wedervinden in het Karmelieten-klooster van Béthune.
HOOFDSTUK XXVIII.
Wat er den 23en Augustus 1628 te Portsmouth voorviel.
Felton nam van milady afscheid als een broeder, die, eenvoudig gaande wandelen, zijn zuster groet en haar de hand kust. Hij was volkomen in zijn gewone bedaarde stemming; alleen brandde er een ongewoon vuur in zijn oogen, dat gelijk was aan den gloed der koorts. Zijn voorhoofd was nog bleeker dan gewoonlijk; zijn tanden waren op elkander gedrukt en zijn woorden hadden een korten en stootenden klank en gaven te kennen, dat er in hem iets sombers omging. Zoolang hij in de boot was, die hem aan land bracht, bleef hij met het gelaat naar milady gewend, die overeind op het verdek stond en hem met haar blik volgde. Beiden waren overtuigd niet meer vervolgd te zullen worden. Men trad de kamer van milady nooit vóór negen uur binnen, en er waren drie uren toe noodig, om van het kasteel naar Londen te gaan.
Felton zette voet aan wal, beklom de kleine verhevenheid, die naar boven tot aan den vuurtoren leidde, groette milady voor de laatste maal en zette zijn weg naar de stad voort. Na ongeveer honderd schreden te hebben afgelegd kon hij, daar de grond afhelde, niets meer van de sloep bespeuren dan den mast. Hij liep haastig voort in de richting van Portsmouth, van welke stad hij, op een halve mijl afstands ongeveer, de torens en huizen uit den morgennevel zag te voorschijn komen.
Achter Portsmouth, in het verschiet, was de zee bedekt met schepen, welker masten, gelijk een ontbladerd populierenbosch door den wind bewogen, schommelden.
Felton liet in zijn snelle vaart alles voorbij zijn geest gaan, die tienjarige reeks van geestdrijvende overdenkingen, en dat lange verblijf onder de Puriteinen, welke hem zoovele ware of valsche beschuldigingen tegen den gunsteling van Jacobus VI en Karel I hadden opgeleverd. Toen hij de openlijke misdrijven van dien minister, schitterende Europeesche misdrijven indien men zich dus kan uitdrukken, met de onbekende en bijzondere misdaden vergeleek, waarmede milady hem had bezwaard, vond Felton, dat de misdadigste der twee personen, die in Buckingham vereenigd waren, diegene moest zijn, wiens handelingen niet publiek waren. Dit kwam, doordat zijn zoo zonderlinge, nieuwe en vurige liefde hem de schandelijke en denkbeeldige beschuldigingen van lady de Winter vertoonde, zooals men stofjes, bij mieren vergeleken, onmerkbaar door een vergrootglas als vreeselijke gedrochten ziet. De snelheid van zijn loop verhitte nog meer zijn bloed. Het denkbeeld de vrouw achter te laten, die hij beminde, of liever die hij als een heilige aanbad en aan een verschrikkelijke wraak zag blootgesteld, de ondergane gemoedsaandoeningen, zijn tegenwoordige vermoeidheid, alles verhief zijn ziel nog meer boven elk menschelijk gevoel.
Hij trad Portsmouth tegen acht uur des morgens binnen. Geheel de bevolking was op de been. De trom werd in de straten en in de haven geroerd. De troepen, die moesten worden ingescheept, togen zeewaarts. Felton, bedekt met stof en zweet, naderde het admiraalshuis. Zijn aangezicht, gewoonlijk bleek, was purperrood van warmte en toorn. De schildwacht wilde hem afwijzen, maar Felton riep den kommandant van den wachtpost, en uit zijn zak den brief halende, waarvan hij de brenger was, zeide hij een bode van lord de Winter te zijn. Op den naam van lord de Winter, dien men voor een der grootste vrienden van Zijne Genade kende, gaf de kommandant bevel Felton door te laten, die trouwens ook de uniform van zee-officier droeg.
Felton snelde het paleis binnen. Op het oogenblik, dat hij het portaal binnentrad, trad ook een man binnen, met stof bedekt en buiten adem, een postpaard aan de deur latende, dat bij aankomst op beide knieën was gevallen.--Felton en hij richtten zich gelijktijdig tot Patrick, den vertrouwden kamerdienaar van den hertog. Felton noemde den baron de Winter. De onbekende wilde niemand noemen, voorgevende zich alleen aan den hertog in eigen persoon te mogen bekend maken. Beiden poogden, de een voor den anderen, het eerst te worden toegelaten. Patrick, wien het bekend was, dat lord de Winter zoowel in dienstzaken als door vriendschapsbetrekkingen met den hertog in betrekking stond, gaf de voorkeur aan dengene, die uit diens naam kwam. De andere was verplicht te wachten: het was gemakkelijk te zien, hoezeer hij die vertraging vervloekte. De kamerdienaar deed Felton een groote zaal doorgaan, waar de afgezanten van la Rochelle, met den prins van Soubise aan het hoofd, wachtende waren en geleidde hem in een kabinet, waar Buckingham, uit het bad komende, zich aankleedde, een bezigheid, waaraan hij ook nu, zooals steeds, een buitengewone zorg besteedde.
„De luitenant Felton!” zeide Patrick, „vanwege lord de Winter.”--„Vanwege lord de Winter?” herhaalde Buckingham, „laat binnenkomen.”--Felton trad binnen. Op dit oogenblik wierp Buckingham een kostbaren ochtendrok, met goud geborduurd, op een kanapé, om dezen voor een blauw fluweelen buis, met paarlen bezet, te verwisselen.--„Waarom is de baron niet in persoon gekomen?” vroeg Buckingham. „Ik wachtte hem heden morgen.”--„Hij heeft mij belast Uwe Genade te zeggen,” antwoordde Felton, „dat het hem zeer leed doet die eer niet te kunnen hebben, maar dat hij hierin verhinderd wordt door de waakzaamheid, welke hij verplicht is in het kasteel in acht te nemen.”--„Ja, ja,” zeide Buckingham, „ik weet het, hij heeft een gevangene.”--„Het is juist over deze gevangene, dat ik Uwe Genade wilde onderhouden,” hernam Felton.--„Welnu, wat is er, spreek!”--„Wat ik te zeggen heb, mylord, mag alleen door u gehoord worden.”
„Laat ons alleen, Patrick!” zeide Buckingham, „maar luister naar de schel, ik zal u aanstonds roepen.”--Patrick vertrok.
„Thans zijn wij alleen, mijnheer!” zeide Buckingham, „gij kunt dus vrij spreken.”
„Mylord!” zeide Felton daarop, „de baron de Winter heeft u onlangs geschreven en u daarbij verzocht een bevelschrift te teekenen, ter overbrenging eener jonge vrouw, Charlotte Bakson genaamd.”--„Ja, mijnheer! en ik heb hem geantwoord, mij dat bevelschrift te brengen of te zenden, en dat ik het zou teekenen.”--„Hier is het, mylord!”--„Geef,” zeide de hertog, en het papier uit de handen van Felton nemende, wierp hij er een vluchtigen blik in. Toen, ziende dat het wel datgene was, waarover men hem had geschreven, legde hij het op tafel, nam een pen en maakte zich gereed het te teekenen.
„Vergeef mij, mylord!” zeide Felton, den hertog tegenhoudende, „maar weet Uwe Genade wel, dat de naam van Charlotte Bakson niet de ware naam dier vrouw is?”--„Ja, mijnheer! dat weet ik,” antwoordde de hertog, de pen in den inktkoker doopende.--„Kent Uwe Genade dan haar waren naam?” vroeg Felton kortaf.--„Ik ken hem.”--De hertog zette de pen op het papier. Felton verbleekte.
„En zal Uwe Genade, hoewel dien naam kennende, toch teekenen?”--„Wel zeker!” zeide Buckingham, „en liever twee malen dan eens.”--„Ik kan niet gelooven,” ging Felton voort, met een stem die al meer en meer kort en stootend werd, „dat Uwe Genade weet, dat het lady de Winter betreft.”--„Ik weet het zeer goed, maar ben verwonderd dat gij het weet.”--„En zal Uwe Genade dit bevelschrift zonder wroeging teekenen?”
Buckingham beschouwde den jongeling trots.--„Hoe! mijnheer, weet gij, dat gij mij al vrij zonderlinge vragen doet, en ik dwaas ben er op te antwoorden.”--„Antwoord er op, Uwe Excellentie!” zeide Felton, „de omstandigheid is gewichtiger dan gij wellicht denkt.”
Buckingham, in de meening dat de jongeling vanwege lord de Winter kwam en zonder twijfel uit diens naam sprak, hernam op meer zachten toon:
„Zonder de minste wroeging! En de baron weet zoo goed als ik, dat milady een groote misdadige is, en het bijna een gratie is haar straf tot verbanning te verminderen.”--De hertog zette de pen op het papier.--„Gij zult dat bevelschrift niet teekenen,” zeide Felton, den hertog een schrede naderende.--„Zal ik dat bevelschrift niet teekenen.... en waarom niet?”--„Omdat gij in u zelven zult terugkeeren en milady recht laten wedervaren.”--„Men zal haar recht doen, wanneer men haar naar Tyburn zendt; milady is een schandelijk slecht vrouwspersoon.”--„Uwe Excellentie! milady is een engel, gij weet dit wel en ik vraag u haar vrijheid.”--„Wat is dat?” riep Buckingham. „Zijt gij zinneloos, een zoodanige taal te voeren?”--„Mylord! vergeef mij, ik spreek zoo vriendelijk als ik kan; ja, ik bedwing mij zelfs. Intusschen, mylord! bedenk wat gij wilt doen, en wacht u de maat te doen overloopen.”--„Wat zegt gij? God vergeve mij!” riep Buckingham, „ik geloof, dat hij mij bedreigt!”--„Neen, mylord! ik smeek nog, en ik zeg u, dat één droppel water voldoende is, om een vol vat te doen overloopen; een geringe misslag is somwijlen voldoende, om de straf te doen neerkomen op een hoofd, dat, in weerwil van zoovele misdaden, tot hiertoe is gespaard gebleven.”--„Mijnheer Felton! gij zult u oogenblikkelijk verwijderen en u in arrest begeven.”--„En gij, gij zult mij tot het einde aanhooren, mylord! Gij hebt haar, maagd zijnde, verleid, beleedigd, onteerd; herstel uw misdaden jegens haar, laat haar in vrijheid gaan, en ik zal niets anders van u eischen.”--„Gij zult niet eischen!” zeide Buckingham, Felton met verbazing aanziende en op elk der vier woorden drukkende, die hij uitsprak.
„Mylord!” vervolgde Felton, meer en meer driftig wordende naarmate hij met spreken voortging. „Mylord! wees op uw hoede; geheel Engeland is uw ongerechtigheden moede; mylord! gij hebt van de koninklijke macht misbruik gemaakt, die gij bijna overweldigd hebt; mylord! gij zijt een afschuw voor God en de menschen. God zal u later straffen, maar ik zal u heden straffen.”--„O, dat is te erg!” riep Buckingham, eenige schreden de deur naderende.
Felton trad hem in den weg.--„Ik smeek het u nederig!” hernam hij, „teeken het bevel, om milady de Winter in vrijheid te laten. Bedenk, dat het een vrouw is, die gij onteerd hebt.”--„Verwijder u, mijnheer!” zeide Buckingham, „of ik roep en laat u door mijn bediende de deur uitwerpen.”--„Gij zult niet roepen,” zeide Felton, zich tusschen de deur en een met zilver ingelegd spiegeltje plaatsende, waarop een schel stond; „geef acht, mylord! nu zijt gij in Gods hand.”--„In des duivels klauw, wilt gij zeggen!” riep Buckingham, de stem verheffend, om volk tot zich te trekken, zonder nochtans te roepen.--„Teeken, mylord! teeken voor de vrijheid van lady de Winter,” zeide Felton, den hertog een papier toeschuivende.--„Ik bukken voor geweld! Zijt gij gek? Hier, Patrick!”--„Teeken, mylord!”--„Nooit! nooit!--Hier!” riep de hertog, tevens zijn degen grijpende.
Maar Felton liet hem den tijd niet dien te trekken; hij hield een blank mes, het mes waarmede milady zich had gekwetst, onder zijn buis verborgen, en in een sprong viel hij op den hertog aan.
Op dat oogenblik trad Patrick met den uitroep: „Mylord! een brief uit Frankrijk!” de zaal binnen.--„Uit Frankrijk?” riep Buckingham, alles vergetende door de gedachte aan haar, van wie de brief kwam.
Felton nam deze gelegenheid waar en stak hem het mes tot aan het hecht in de zijde.--„Onzinnige, verraderlijke moordenaar!” riep Buckingham, „gij hebt mij gedood!”--„Moord, moord!” brulde Patrick.
Felton sloeg de oogen rond, om te vluchten, en de deur onbewaakt ziende, stormde hij de aangrenzende kamer binnen, waarin, zooals wij gezegd hebben, de afgevaardigden van la Rochelle wachtten; hij doorliep ze in haar geheele lengte en bereikte de trap; maar op de eerste trede ontmoette hij lord de Winter, die hem bleek, verward, woest, met bloed aan de handen en aan het gelaat bevlekt ziende, bij de keel greep, uitroepende: „Ik wist het! ik had het geraden! één minuut te laat. O, ongelukkige, ongelukkige, die ik ben!”
Felton bood geen den minsten weerstand. Lord de Winter gaf hem over aan de wacht, die hem in afwachting van nadere bevelen op een klein terras bracht, vanwaar men het uitzicht op de zee had, terwijl lord de Winter zich naar het kabinet van Buckingham spoedde.
Op den kreet van den hertog, toen deze Patrick had geroepen, snelde de man, dien Felton aan de deur had ontmoet, het kabinet binnen. Hij vond den hertog op een sofa liggende, zijn wonde met een krampachtige hand drukkende.
„La Porte!” zeide de hertog met een bevende stem; „la Porte! komt gij van harentwege!”--„Ja, Uwe Excellentie!” antwoordde de getrouwe dienaar van Anna van Oostenrijk, „maar misschien te laat.”--„Stil, la Porte! men zou u kunnen hooren. Patrick! laat niemand binnen. Ach! ik zal niet weten, wat zij laat zeggen. Mijn God, ik sterf!”--En de hertog viel in onmacht.
Intusschen waren lord de Winter, de afgezanten, de oversten der troepen, de officieren van het huis van Buckingham, de kamer binnengedrongen; overal weergalmden wanhoopskreten; het nieuws, dat het paleis met weeklachten en zuchten vervulde, drong weldra naar buiten en verspreidde zich in de stad. Een kanonschot kondigde aan, dat er iets nieuws en onverwachts plaats had. Lord de Winter trok zich de haren uit het hoofd.
„Eén minuut te laat!” riep hij. „Ach, mijn God! mijn God! wat ramp!”--En waarlijk, men was hem te zeven uur des morgens komen berichten, dat een touwladder buiten een der vensters van het kasteel hing. Daarop was hij onmiddellijk naar de kamer van milady gesneld, had die ledig, het venster open en de traliën uitgevijld gevonden. Hij herinnerde zich toen de mondelinge aanbeveling, welke d’Artagnan hem door zijn bode had overgezonden; hij had voor den hertog gebeefd, en naar den stal loopende, was hij, zonder zich den tijd te gunnen een paard te doen zadelen, op het eerste het beste gesprongen en had zich spoorslags verwijderd, waarna hij, op de binnenplaats aangekomen, onmiddellijk afgestegen en de trap was opgesneld, waar hij op de eerste trede, zooals wij gezegd hebben, Felton ontmoette.
De hertog was echter niet dood; hij kwam weder tot bewustzijn, opende de oogen, en de hoop keerde in aller harten terug.--„Mijne heeren!” zeide Buckingham, „laat mij alleen met Patrick en la Porte.... O, zijt gij daar, de Winter! Gij hebt mij heden morgen een zonderlingen gek gezonden; zie eens in welken staat hij mij heeft gebracht.”--„O, mylord!” riep de baron, „mylord! nooit zal ik er mij over kunnen troosten!”--„En gij zoudt ongelijk hebben, mijn goede de Winter!” hernam Buckingham, hem de hand reikende. „Ik ken niet één enkel mensch, die verdient betreurd te worden, gedurende het geheele leven van een anderen mensch. Maar laat ons alleen, als ik u mag verzoeken.”
De baron vertrok, in gesnik uitbarstende.--In het kabinet bleven niemand anders dan de gekwetste hertog, la Porte en Patrick. Men zocht een geneesheer, dien men niet kon vinden.
„Gij zult in het leven blijven, mylord! gij zult in het leven blijven,” herhaalde, voor de sofa geknield, de bode van Anna van Oostenrijk.--„Wat schrijft zij mij!” vroeg Buckingham met flauwe stem, van bloed druipende en om van haar te spreken, die hij beminde, vreeselijke smarten onderdrukkende.... „wat schrijft zij mij? Lees mij haar brief voor.”--„Ach, mylord!” riep la Porte.--„En ziet gij dan niet, la Porte, dat ik geen tijd te verliezen heb?”--La Porte verbrak het zegel en stelde het perkament onder het oog van den hertog; maar Buckingham trachtte vruchteloos het schrift te lezen.--„Lees dan, lees dan!” zeide hij, „ik kan niet meer zien. Lees! want dra zal ik niet meer hooren, en ik zal sterven zonder te weten, wat zij mij heeft geschreven.”
La Porte weigerde niet langer maar las:
„Mylord!
Bij hetgeen ik sedert ik u ken door u en voor u lijd, bezweer ik u, indien gij mijn rust liefhebt, de groote krijgstoerustingen, die gij tegen Frankrijk voorbereidt, af te breken en een oorlog te doen ophouden, van welken men luide zegt, dat de openlijke reden de godsdienst is, terwijl men fluisterend zegt, dat uw liefde voor mij de verborgene drijfveer is. Deze oorlog kan niet alleen voor Frankrijk en Engeland groote gebeurtenissen ten gevolge hebben, maar tevens op uw hoofd, mylord, rampen halen, over welke ik mij niet zou kunnen troosten. Wees op uw hoede, want uw leven wordt bedreigd, uw leven, dat voor mij van zooveel waarde is, van het oogenblik dat ik niet verplicht ben in u een vijand te zien.
Uwe genegene,
Anna.”
Buckingham verzamelde al zijn overblijvende levenskrachten om dien brief te kunnen verstaan. Vervolgens, toen hij geëindigd was, en alsof hij er bitter door teleurgesteld was, vroeg hij: „Hebt gij mij dan niets anders te zeggen, la Porte?”--„O, ja, Uwe Excellentie! de koningin heeft mij belast u te zeggen op uw hoede te zijn, want men had haar verwittigd, dat men u wilde vermoorden. Zij heeft mij nog belast u te zeggen, dat zij u steeds beminde.”--„O!” riep Buckingham, „God zij geloofd! mijn dood zal dan voor haar niet die eens vreemdelings zijn.”
La Porte barstte in tranen uit.--„Patrick!” zeide de hertog, „breng mij het kistje, waarin de diamanten haken waren.”
Patrick bracht het gevraagde voorwerp, dat la Porte herkende als aan de koningin te hebben toebehoord.--„Nu de wit satijnen brieventasch, waarop in parelen haar naam is geborduurd.”--Patrick gehoorzaamde opnieuw.--„Ziedaar, la Porte!” zeide Buckingham, „de twee gedachtenissen, die ik van haar bezit: dat zilveren kistje en de twee brieven. Gij zult ze aan de koningin teruggeven, en tot een laatste herinnering (hij zocht naar eenig kostbaar voorwerp in zijn nabijheid) zult gij er bijvoegen.... (hij bleef zoeken, maar zijn door den dood verduisterde oogen ontmoetten niets anders dan het mes, uit Felton’s handen ontglipt, en nog rookende van het purperen bloed, dat het bedekte) en gij zult er dat mes bijvoegen,” zeide de hertog, de hand van la Porte drukkende.
Hij was nog in staat de brieventasch in het kistje neer te leggen en er het mes te laten invallen, terwijl hij la Porte een teeken gaf, dat hij niet meer kon spreken; daarop viel hij in een laatste stuiptrekking, die hij de kracht niet meer had te overwinnen, van de sofa op den grond. Patrick slaakte een luiden kreet.--Buckingham wilde nog eenmaal glimlachen, maar de dood brak zijn laatste gedachte af, die als een laatste afscheid op zijn lippen en zijn voorhoofd bleef ingedrukt.
Op dat oogenblik naderde, geheel ontsteld, de geneesheer, die zich reeds op het admiraalschip bevond, alwaar men verplicht was geweest hem te roepen. Hij naderde den hertog, vatte zijn hand, hield die een oogenblik in de zijne en liet ze weer zinken.--„Alles is tevergeefs!” zeide hij, „hij is dood!”--„Dood! dood!” gilde Patrick.
Op dien kreet liepen allen de zaal binnen, en overal heerschte verslagenheid en verwarring. Zoodra lord de Winter Buckingham dood zag, spoedde hij zich tot Felton, die zoolang door de soldaten op het terras van het paleis was bewaakt geworden.
„Ellendeling!” zeide hij tot den jongeling, die sinds den dood van Buckingham die kalmte en koelbloedigheid had teruggevonden, welke hem niet meer zou verlaten. „Ellendeling! wat hebt gij gedaan?”--„Ik heb mij gewroken,” zeide hij.--„Gij?” zeide de baron, „zeg liever, dat gij het werktuig dier vervloekte vrouw zijt geweest. Maar ik zweer het u, die misdaad zal haar laatste zijn.”--„Ik weet niet wat gij bedoelt,” hernam Felton koel, „en evenmin waarover gij wilt spreken, mylord! ik heb den hertog van Buckingham het leven benomen, omdat hij tot tweemaal, zelfs aan u heeft geweigerd mij tot kapitein te bevorderen; ik heb hem om zijn onrechtvaardigheid gestraft, anders niet.”
Ontsteld beschouwde lord de Winter de lieden, die Felton bonden, niet wetende wat van een dergelijke ongevoeligheid te moeten denken. Iets echter deed het voorhoofd van Felton met een donkere wolk betrekken: bij elken voetstap, dien hij hoorde, meende de onnoozele Puritein den voetstap en de stem van milady te herkennen, die zich in zijn armen kwam werpen om zich zelve te beschuldigen en met hem te sterven. Eensklaps ontroerde hij: zijn oog vestigde zich op een stip in zee, die men van het terras, waarop hij stond, geheel kon overzien; met dien adelaarsblik des zeemans had hij dáár, waar een ander slechts een op de baren dobberende zeemeeuw zou gemeend hebben te zien, het zeil der sloep herkend, die naar de kust van Frankrijk stevende. Hij verbleekte, bracht de hand aan zijn brekend hart en doorzag het geheele verraad.
„Een laatste gunst,” zeide hij tot den baron.--„Welke?” vroeg deze.--„Hoe laat is het?”--De baron haalde zijn horloge te voorschijn.--„Tien minuten voor negen uur,” zeide hij.
Milady had haar vertrek anderhalf uur bespoedigd; zoodra zij het kanonschot, dat de noodlottige gebeurtenis aankondigde, hoorde, had zij het bevel gegeven om het anker te lichten. Het vaartuig zeilde onder een blauwen hemel, op een grooten afstand der kust.
„God heeft het gewild,” zeide Felton, met de onderwerping eens geestdrijvers, echter zonder zijn oog van dat scheepje af te wenden, aan welks boord hij zeker meende de witte schim te onderscheiden van haar, voor wie zijn leven zou worden opgeofferd.
De Winter volgde zijn blik, bespiedde zijn lijden en raadde alles.--„Wees vooreerst alleen gestraft, ellendeling!” zeide de lord tot Felton, die zich, de oogen naar zee gekeerd, liet voortsleepen, „maar ik zweer u bij de gedachtenis mijns broeders, dien ik zoo liefhad, dat uw medeplichtige niet gered is.”
Felton liet het hoofd zinken zonder een enkel woord te spreken.--En lord de Winter, haastig voortgaande, begaf zich naar de haven.
HOOFDSTUK XXIX.
In Frankrijk.
De grootste vrees van den koning van Engeland, Karel I, toen hij den moord vernam, was, dat een zoo vreeselijke tijding de inwoners van la Rochelle zou ontmoedigen; hij trachtte, zegt Richelieu in zijn gedenkschriften, die zoo lang mogelijk verborgen te houden, liet al de havens van het koninkrijk sluiten, nauwkeurig zorg dragende dat geen enkel schip uitzeilde, alvorens het leger, dat Buckingham had gereedgemaakt, zou vertrokken zijn, terwijl hij nu, in plaats van Buckingham, zelf dat vertrek wilde regelen. Hij dreef zelfs de gestrengheid van dat bevel zoo ver, dat hij den ambassadeur van Denemarken, die zijn afscheid had verzocht, in Engeland terughield, alsook den gewonen Hollandschen afgezant, die de Oost-Indische schepen, welke Karel I aan de Vereenigde Provinciën had teruggegeven, in de haven van Vlissingen moest brengen.
Maar dewijl hij er niet eer aan had gedacht dit bevel af te kondigen dan vijf uur na de gebeurtenis, namelijk te twee uur des namiddags, hadden reeds twee schepen de haven verlaten; een, zooals wij weten, vervoerde milady, die, reeds het gebeurde vermoedende, in dat vermoeden werd bevestigd in het zien ophijschen der zwarte vlag op het admiraalschip. Wat het tweede vaartuig betreft, wij zullen later zeggen, wien het vervoerde en hoe het vertrok.
Onderwijl was er in het kamp voor la Rochelle niets nieuws voorgevallen. Alleen besloot de koning, die zich zooals gewoonlijk erg verveelde, maar misschien nog iets meer in het kamp dan elders, incognito de feesten van den H. Lodewijk te Saint Germain te gaan bijwonen, en vroeg derhalve den kardinaal, hem een geleide van niet meer dan twintig musketiers te verstrekken. De kardinaal, die zich soms evenveel als de koning verveelde, verleende een verlof aan zijn koninklijken luitenant, die beloofde tegen den vijftienden September terug te zullen zijn.
De heer de Tréville, door Zijne Eminentie gewaarschuwd, maakte zijn bagage in gereedheid, en hoewel de reden van het levendig verlangen en de gebiedende noodzakelijkheid zijner vrienden om naar Parijs terug te keeren niet kennende, bestemde hij ze om aan het geleide deel te nemen. De vier jongelieden wisten dat nieuws een kwartieruurs na den heer de Tréville, want zij waren de eersten aan wie hij het mededeelde. Het was toen, dat d’Artagnan de gunst waardeerde, welke de kardinaal hem had geschonken door hem bij de musketiers over te plaatsen. Zonder deze omstandigheid zou hij genoodzaakt zijn geweest in het kamp achter te blijven, terwijl zijn vrienden vertrokken. Het spreekt vanzelf, dat het ongeduld om naar Parijs terug te keeren, voortsproot uit de gedachte aan het gevaar, dat juffrouw Bonacieux liep, van in het klooster van Béthune milady, haar onverzoenlijke vijandin, aan te treffen. Ook, zooals wij hebben gezegd, had Aramis onmiddellijk aan Marie Michon geschreven, aan die koopvrouw in lijnwaad te Tours, die zulke voorname kennissen had, ten einde van de koningin het verlof te verkrijgen, juffrouw Bonacieux het klooster te doen verlaten, om zich naar Lotharingen of België te begeven. Het antwoord was niet achterwege gebleven, en acht of tien dagen later ontving Aramis dezen brief:
„Waarde Neef!
Hierbij gaat het verlof mijner zuster, om onze jonge dienstmaagd uit het klooster van Béthune te halen, dewijl gij denkt dat de lucht aldaar ongezond voor haar is; mijn zuster zendt u die vergunning met veel genoegen, want zij is dat meisje zeer genegen, zich voorbehoudende haar in het vervolg nog van dienst te zijn. Ik omhels u.
Marie Michon.”
Bij dien brief was een bevel van dezen inhoud gevoegd:
„De abdis van het klooster van Béthune zal aan den persoon, die haar dezen brief zal ter hand stellen, de novice overleveren, die in het klooster op mijn aanbeveling en onder mijn bescherming is opgenomen geworden.
In het Louvre, den 10den Augustus 1628.
Anna.”
Men begrijpt, dat deze bloedverwantschap van Aramis met een linnenkoopvrouw, die de koningin haar zuster noemde, niet weinig den lachlust der jongelieden opwekte; doch Aramis, na een paar malen tot in het wit der oogen gebloosd te hebben door een lompe scherts van Porthos, had zijn vrienden verzocht niet meer op dat onderwerp terug te komen, verklarende dat, indien hierover nog een woord werd gesproken, hij niet meer in die zaak zijn nicht als onderhandelaarster wilde gebruiken.
Bijgevolg werd niet verder gesproken over Marie Michon door de vier musketiers, die nu bereids hadden wat zij begeerden, namelijk: de volmacht, juffrouw Bonacieux het Karmelieten nonnenklooster te Béthune te doen verlaten. Het is waar, dat het bevel hun weinig baatte, zoolang zij in het kamp vóór la Rochelle waren, dat is aan het andere einde van Frankrijk. Ook was d’Artagnan gereed, een verlof aan den heer de Tréville te verzoeken, door hem eenvoudig de noodzakelijkheid van zijn vertrek toe te vertrouwen, toen de tijding hem, zoowel als aan zijn vrienden werd medegedeeld, dat de koning naar Parijs zou vertrekken met een geleide van twintig musketiers, en zij onder dat geleide begrepen waren. De blijdschap was groot. Men zond de knechts met de bagage vooruit, en men vertrok den 16den des morgens. De kardinaal geleidde Zijne Majesteit van Surgères tot aan Mauzes, en daar namen de koning en zijn minister van elkander met groote vriendschapsblijken afscheid.
Intusschen bleef de koning, die uitspanning zocht, hoewel zoo snel mogelijk zijn reis voortzettende, daar hij op den 23sten te Parijs wenschte te zijn, zich bijwijlen ophouden, om op de jacht met de ekster te gaan, een liefhebberij, waarin hem de Luynes, de eerste man van mevrouw de Chevreuse, eertijds vermaak had doen scheppen. Van de twintig musketiers waren er dan zestien, die zeer verheugd waren, wanneer dat vermaak plaats vond, terwijl vier van hen het hartelijk vervloekten. D’Artagnan vooral had bijna een onafgebroken gesuis in de ooren, hetgeen Porthos aldus verklaarde: „Een zeer voorname dame heeft mij beduid, dat zulks is, wanneer over u hier of daar gesproken wordt.” Het geleide ging door Parijs den drie en twintigsten des nachts; de koning bedankte den heer de Tréville en veroorloofde hem zijn musketiers beurtelings een vierdaagsch verlof te geven, onder voorwaarde, dat geen zijner begunstigden op een of ander publieke plaats mochten verschijnen, op straffe eener gevangenschap in de Bastille.
De vier eerste verlofpassen waren, zooals men licht kan begrijpen, onzen vrienden toegestaan, en nog meer: Athos verkreeg van den heer de Tréville zes in plaats van vier dagen, en voegde bij die zes dagen nog twee nachten, want zij vertrokken den vier en twintigsten, te vijf uur des avonds, terwijl de heer de Tréville de dagteekening van het verlof stelde op den vijf en twintigsten, des morgens.
„Wel, mijn God!” riep d’Artagnan, die, zooals men weet, nooit aan zijn zaak twijfelde, „het schijnt dat wij te veel omslag maken met iets zeer eenvoudigs; binnen twee dagen, en een paar paarden doodrijdende, ben ik met de hulp van mijn geld te Béthune, ik geef den brief der koningin aan de abdis en breng den kostbaren schat, dien ik ga halen, niet naar Lotharingen, niet naar België, maar naar Parijs, waar hij het best zal verborgen zijn, vooral gedurende het verblijf van den kardinaal vóór la Rochelle. Vervolgens, eenmaal van dien tocht teruggekeerd, zal het ons, gedeeltelijk door de bescherming harer nicht, anderdeels ter belooning voor hetgeen wij persoonlijk voor haar hebben gedaan, niet moeilijk vallen van de koningin te verkrijgen, wat wij wenschen. Blijft dus hier en vermoeit u niet vruchteloos. Ik en Planchet zijn voldoende voor een zoo eenvoudige boodschap.”
Hierop antwoordde Athos bedaard: „Ook wij hebben geld, want ik heb het overschot van den diamant nog niet verdronken, en Porthos en Aramis hebben het hunne nog niet geheel verteerd. Wij kunnen dus even goed vier paarden als een doodrijden. Maar, wees er op bedacht, d’Artagnan!” voegde hij er bij met een zoo sombere stem, dat haar klank den jongeling een rilling door het lijf joeg: „wees indachtig, dat Béthune een stad is, waar de kardinaal de vrouw moet aantreffen, die overal, waar zij haar voeten zet, onheil na zich sleept. Indien gij slechts met vier mannen te doen hadt, dan, d’Artagnan! zou ik u laten gaan, doch nu gij met die vrouw hebt te doen, moeten wij met ons vieren gaan, in de hoop dat het Gode believe, dat wij met onze vier knechts talrijk genoeg zijn.”--„Gij beangstigt mij, Athos!” riep d’Artagnan, „wat vreest gij dan toch? mijn God!”--„Alles!” antwoordde Athos.--D’Artagnan raadpleegde de gelaatstrekken zijner vrienden, welke, zooals die van d’Artagnan zelven, den indruk eener hevige onrust vertoonden. Men vervolgde nu de reis in snellen draf en zonder een woord te spreken.
Den vijf en twintigsten des avonds bereikte men Arras; terwijl d’Artagnan voor de herberg de gouden Egge afsteeg om een glas wijn te drinken, kwam een ruiter van de binnenplaats, waar hij zijn paard had verwisseld, en reed in vollen draf met zijn versch paard den weg naar Parijs op. Op hetzelfde oogenblik dat hij uit de koetspoort de straat opreed, sloeg de wind den mantel open, waarin hij zich had gewikkeld, hoewel men in de maand Augustus was, en nam zijn hoed weg, dien de reiziger echter nog tijdig genoeg vasthield en weder op het hoofd drukte. D’Artagnan, die zijn oogen op dien man had gevestigd, werd zeer bleek en liet zijn glas vallen.
„Wat deert u, mijnheer?” vroeg Planchet. „Hier, heeren! mijn meester bevindt zich niet wel.”
De drie vrienden snelden toe doch kwamen d’Artagnan tegen, terwijl hij zich naar zijn paard spoedde. Zij hielden hem voor de deur staande.--„Wel! waarheen loopt gij, in duivelsnaam?” vroeg Athos.--„Hij is het!” riep d’Artagnan bleek van woede, terwijl het zweet op zijn voorhoofd uitbrak, „hij is het, laat mij hem vervolgen.”--„Maar wie? hij?” vroeg Athos.--„Hij, die man!”--„Welke man?”--„Die vervloekte kerel, mijn kwade geest, dien ik steeds heb ontmoet, wanneer mij een of ander ongeluk bedreigde; hij, dien ik zocht, toen ik onzen vriend Athos uitdaagde; hij, dien ik denzelfden dag heb ontmoet, dat juffrouw Bonacieux is ontvoerd geworden; ik heb hem gezien, hij is het, hij is de man van Meung! Ik herkende hem, toen de wind zijn mantel opensloeg.”--„Duivelsch!” zeide Athos peinzende.--„Te paard! heeren! te paard! en vervolgen wij hem, wij zullen hem inhalen.”--„Mijn waarde!” zeide Aramis, „bedenk dat hij den tegenovergestelden weg gaat, dien wij gaan; dat hij een versch paard heeft en onze paarden vermoeid zijn; dat wij bijgevolg onze paarden zullen doodrijden, zonder zelfs de kans te hebben hem te bereiken. Laten wij dien man daar, redden wij de vrouw, d’Artagnan!”--„Hei, mijnheer!” riep een stalknecht, den vreemdeling naloopende, „hei, mijnheer! hier heb ik een papiertje, dat uit uw hoed is gevallen. Hei! mijnheer! hei!”--„Mijn vriend!” zeide d’Artagnan, „ziedaar een halve pistool; geef mij dat papiertje.”--„Met alle pleizier, mijnheer!”--„Ziedaar.”
De stalknecht, verheugd over den goeden dag, dien hij maakte, keerde naar de binnenplaats der herberg terug. D’Artagnan opende het papier.--„Welnu?” vroegen zijn vrienden, naar hem luisterende.--„Slechts één woord,” zeide d’Artagnan.--„Ja,” zeide Aramis, „en het woord is de naam eener stad.”--„Armentières,” las Porthos. „Armentières? dat ken ik niet.”--„En het schrift is van haar hand!” riep Athos.--„Welaan! bewaren wij dat papiertje zorgvuldig,” zeide d’Artagnan. „Misschien is mijn halve pistool niet voor niets uitgegeven. Te paard, mijn vrienden; te paard!”--En de vrienden draafden spoorslags den weg naar Béthune op.
HOOFDSTUK XXX.
Het Karmelieten nonnenklooster te Béthune.
Groote misdadigers bezitten, om zoo te zeggen, een zekere geschiktheid, die hen alle hinderpalen doet te boven komen en hen aan alle gevaren doet ontsnappen, zoolang, tot de Voorzienigheid, hun snoodheid moede, paal en perk stelt aan hun goddeloos geluk.
Het was evenzoo met milady. Zij ontkwam de kruisers der beide natiën en landde te Boulogne, zonder dat eenig ongeval haar had bejegend.
Te Portsmouth aankomende, was milady een Engelsche, die de vervolgingen in Frankrijk uit la Rochelle hadden gejaagd. Te Boulogne aan wal komende, na twee dagen op zee te zijn geweest, gaf zij zich voor een Fransche uit, die de Engelschen in hun haat tegen Frankrijk te Portsmouth verontrust hadden. Milady bezat bovendien het beste paspoort in haar schoonheid en de gulheid met welke zij het geld rondom zich strooide. Van de gewone maatregelen ontslagen door haar bevalligen glimlach en beleefde manieren tegenover een ouden bevelhebber der haven, die haar de handen kuste, bleef zij niet langer te Boulogne dan den tijd, die noodig was om den volgenden brief op de post te doen:
„Aan Zijne Eminentie, den Kardinaal de Richelieu, in zijn legerkamp voor la Rochelle.
Uwe Excellentie kan gerust zijn, Zijne Genade de hertog van Buckingham zal niet naar Frankrijk vertrekken.
Milady de ***.
Boulogne, 25, des avonds.
P.S. Ingevolge de begeerte Uwer Eminentie, begeef ik mij naar het Karmelieten Nonnenklooster te Béthune, waar ik uw bevelen zal wachten.”
En inderdaad, milady ging dienzelfden avond op reis. De nacht overviel haar; zij hield stil en ging in een herberg slapen; des morgens te vijf uur vertrok zij weder, zoodat zij drie uren daarna Béthune bereikte. Zij liet zich het klooster der Karmelieten nonnen aanwijzen en ging er onmiddellijk binnen. De abdis kwam haar tegemoet; milady toonde haar het bevel van den kardinaal; de abdis liet haar een kamer geven en haar een ontbijt voordienen.
Al het verledene was voor de oogen dier vrouw verdwenen, en den blik op de toekomst gevestigd, zag zij nu niet anders dan de schitterende fortuin, die de kardinaal haar toedacht; hij, dien zij zoo gelukkig had gediend, zonder dat zijn naam in het minste in die bloedige zaak was gemengd geworden. De steeds nieuwe hartstochten, die haar verteerden, gaven aan haar leven de gelijkenis dier wolken, welke in het luchtruim drijven, nu eens het azuur, dan het vuur, dan weder de duisternis des orkaans weerkaatsen en geen ander spoor achterlaten dan verwoesting en dood.
Na het ontbijt kwam de abdis haar een bezoek brengen. Er zijn weinig uitspanningen in een klooster, en de goede dame was ongeduldig kennis met haar nieuwe logeerjuffer te maken. Milady wilde de abdis behagen, en zulks was voor die waarlijk met uitstekende geestvermogens begiftigde vrouw in het geheel niet moeilijk. Zij beproefde beminnelijk te zijn, zij was bekoorlijk en misleidde de abdis door haar zoo afwisselend gesprek en de lieftalligheid, die in haar geheele persoon doorstraalde.
De abdis, een adellijke vrouw, hield vooral van die hofgeschiedenissen, welke zoo moeilijk de grenzen eens koninkrijks bereiken, en nog moeilijker de muren van een klooster doordringen, aan welks voet het gedruisch der wereld verstomt. Milady daarentegen was zeer bekend met de menigvuldige aristocratische intrigues, te midden van welke zij gedurende vijf of zes jaren had geleefd; zij ving dan aan met de goede abdis over de wereldsche bedrijven van het Fransche hof te onderhouden, die gepaard gingen aan de buitensporige godsvrucht des konings. Zij verhaalde haar de geheime liefdesavonturen der heeren en dames van het hof, die de abdis zeer goed bij naam kende; raakte even den liefdehandel van Buckingham met de koningin aan en sprak veel, ten einde een weinig te hooren spreken.
Maar de abdis bepaalde zich tot luisteren en tot glimlachen, zonder een woord te spreken. Intusschen, daar milady zag, dat die soort van gesprekken haar zeer vermaakten, ging zij voort, maar nu liet zij het gesprek op den kardinaal neerkomen, doch niet wetende, of de abdis al of niet kardinaalsgezind was, hield zij zich op den juisten middenweg, terwijl de nog voorzichtiger abdis van haar zijde zich niets liet ontvallen, en slechts een diepe buiging met het hoofd maakte, telkens wanneer de vreemdelinge den naam van Zijne Eminentie uitsprak. Milady begon te vreezen, dat zij zich in het klooster verschrikkelijk zou vervelen. Zij besloot dus iets te wagen, om eindelijk te zien waaraan zij zich te houden had; derhalve begon zij, aanvankelijk onder bedekte termen, kwaad van den kardinaal te spreken, vervolgens trad zij meer in bijzonderheden, den liefdehandel van den minister met mevrouw d’Aiguillon, met Marion de Lorme en eenige loszinnige vrouwen verhalende. De abdis luisterde meer aandachtig, werd van lieverlede spraakzamer en glimlachte.
„Ha!” dacht milady, „zij begint in mijn gesprekken behagen te scheppen. Indien zij voor den kardinaal is, dan is zij het althans niet met geestdrift.”
Toen ging zij over tot de vervolgingen door den kardinaal jegens zijn vijanden. De abdis kruiste zich, zonder verder eenige goed- of afkeuring te doen blijken. Dit bevestigde milady in het denkbeeld, dat de geestelijke dochter meer konings- dan kardinaalsgezind was.--Milady ging voort, al meer en meer uitweidende.
„Ik ben in dergelijke zaken zeer onwetend,” zeide eindelijk de abdis.... „maar hoe ver ook van het hof verwijderd en geheel vreemd aan de belangen der wereld, buiten welke wij ons bevinden, hebben wij echter zeer treurige bewijzen voor oogen van de waarheid van datgene, wat gij ons verhaalt, en een zich hier bevindende vrouw heeft veel van de vervolging en de wraak van den kardinaal te lijden gehad.”--„Een vrouw die zich hier bevindt?” zeide milady. „Ach, mijn God! die arme vrouw! hoe beklaag ik haar.”--„En gij doet wel, want zij is waarlijk te beklagen.... Gevangenis, bedreigingen, slechte behandelingen, alles heeft zij ondergaan.... Maar wat er van zij,” hernam de abdis, „de kardinaal heeft misschien gegronde redenen om aldus te handelen; en hoewel zij er als een engel uitziet, kan men niet altijd de lieden naar het uiterlijk beoordeelen.”
„Goed!” dacht milady, „wie weet, ik zal hier misschien iets ontdekken, ik ben goed op weg.”--En zij trachtte aan haar gelaat een uitdrukking van volkomen goedaardigheid te geven.
„Helaas!” zeide milady, „ik weet het, men zegt, dat men door het uiterlijk kan bedrogen worden; maar waaraan moet men anders gelooven, zoo niet aan het schoonste gewrocht des Hemels! Wat mij betreft, ik zal waarschijnlijk mijn geheele leven door worden bedrogen, maar dat zal mij niet beletten, mijn vertrouwen te schenken aan den persoon, wiens gelaat mij vriendschap inboezemt.”--„Zoudt ge dan veronderstellen, dat die jonge vrouw onschuldig is?”--„De kardinaal straft niet alleen de misdaden,” zeide milady; „er zijn zekere deugden, die hij strenger vervolgt dan sommige misdrijven.”--„Veroorloof mij, mevrouw! u mijn verwondering te betuigen,” zeide de abdis.--„En waarover?” vroeg milady onnoozel.--„Wel, over hetgeen gij zegt.”--„Wat vindt gij hierin dan verwonderlijks?” vroeg milady glimlachende.--„Gij zijt de vriendin des kardinaals, dewijl hij u herwaarts zendt, en echter....”--„En echter spreek ik kwaad van hem?” hernam milady, de gedachte der abdis voleindigende.--„Ten minste spreekt gij geen goed van hem.”--„Het is, omdat ik zijn vriendin niet ben,” zeide zij zuchtende, „maar zijn slachtoffer.”--„Intusschen, die brief, waarin hij u mij aanbeveelt....?”--„Is een bevel, mij in zeker opzicht opgesloten te houden, maar uit welke gevangenis hij mij door een zijner vertrouwden zal doen halen.”--„Maar waarom zijt gij niet gevlucht?”--„Waarheen zou ik gaan? Gelooft gij, dat er een plek op de wereld is, waar de kardinaal mij niet zou kunnen bereiken, indien hij zich de moeite wil geven den arm uit te strekken? Indien ik een man ware, wellicht zou het nog mogelijk zijn; maar voor een vrouw? Wat wilt gij, dat een vrouw zal doen? Heeft die jonge vrouw, welke zich hier bevindt, getracht te vluchten?”--„Neen, dat is waar; maar met haar is het een ander geval; ik geloof, dat zij in Frankrijk door een of anderen liefdehandel wordt teruggehouden.”--„Dan,” zeide milady met een zucht, „als zij bemint, is zij ten minste niet geheel ongelukkig.”--„Dus,” zeide de abdis, milady met belangstelling beschouwende, „is het wederom een vervolgde, die ik voor mij zie.”--„Helaas ja,” antwoordde milady.
De abdis beschouwde milady gedurende een oogenblik met ongerustheid, alsof een nieuwe gedachte in haar ziel oprees.--„Gij zijt immers niet vijandig gezind tegen ons heilig geloof?” vroeg zij stamelend.--„Ik?” riep milady, „ik protestant? O, neen! ik zweer bij God, die mij hoort, dat ik integendeel een vurige Katholieke ben.”--„Wees dan gerust, het huis, waarin gij u bevindt, zal u niet tot een zeer strenge gevangenis strekken en wij zullen alles doen wat mogelijk is, om u uw gevangenschap aangenaam te maken. Wat meer is, gij zult hier die jonge vrouw ontmoeten, welke zeker door een of andere hofintrigue vervolgd wordt; zij is beminnelijk, lieftallig en zal u zeker bevallen.”--„Hoe noemt gij haar?”--„Zij is mij door iemand van zeer hoogen rang aanbevolen geworden onder den naam van Ketty. Ik heb geen poging aangewend, om haar anderen naam te leeren kennen.”--„Ketty?” riep milady; „wat! zijt ge er zeker van?”--„Dat zij zich zoo laat noemen, ja, mevrouw! Zoudt gij haar kennen?”
Milady glimlachte bij het denkbeeld, dat in haar opkwam, dat die jonge vrouw haar gewezen kamenier kon zijn. Er mengde zich bij die herinnering aan dat meisje een herinnering van toorn, en de wraakzucht had de gelaatstrekken van die vrouw met de honderd maskers voor een oogenblik misvormd, maar dadelijk daarop namen ze weer de uitdrukking van kalmte en goedaardigheid aan.
„En wanneer kan ik die jonge vrouw zien, voor welke ik nu reeds zooveel vriendschap gevoel?” vroeg milady.--„Heden avond,” zeide de abdis, „zelfs nog wel in den loop van den dag. Maar, zooals gij mij hebt gezegd, zijt gij reeds sedert vier dagen op reis, en aangezien gij heden ochtend reeds te vijf uur opgestaan zijt, hebt gij rust noodig, ga slapen en rust wel. Tegen het uur van het middagmaal zullen wij u wekken.”
Hoewel milady zeer goed zonder slaap had kunnen blijven, opgewekt als zij was door al het prikkelende, dat een nieuw avontuur aan haar naar intrigues begeerig hart veroorzaakte, gaf zij niettemin gehoor aan den raad der abdis. Sedert twaalf of veertien dagen had zij zoovele verschillende gewaarwordingen ondervonden, dat, al mocht haar lichaam nog de vermoeienis weerstand bieden, haar ziel nochtans rust noodig had.
Zij nam afscheid van de abdis en begaf zich ter ruste, zachtjes in slaap gewiegd door haar wraakzuchtige denkbeelden, waarop zij natuurlijk was teruggebracht door den naam van Ketty. Zij herinnerde zich die bijna onbegrensde belofte des kardinaals, indien zij in haar onderneming mocht slagen. Zij was geslaagd, derhalve kon zij zich op d’Artagnan wreken.
Een enkele omstandigheid joeg milady schrik aan: het was de herinnering aan haar man, den graaf de la Fère, dien zij gemeend had dood, of althans uitlandig te zijn, en in welken zij Athos, den besten vriend van d’Artagnan, wedervond. Maar zij bedacht ook dat, indien hij de vriend van d’Artagnan was, hij dezen in al zijn handelingen had moeten behulpzaam zijn geweest, waardoor het hem gelukt was de plannen Zijner Eminentie te doen schipbreuk lijden, derhalve was hij, als vriend van d’Artagnan, de vijand van den kardinaal, en des te beter zou het haar gelukken hem in het net harer wraakzucht te verwarren, in hetwelk zij den jongen musketier trachtte te versmoren. De zoete hoop vervulde milady met de aangenaamste droombeelden; door deze gestreeld, viel zij weldra in slaap.
Zij werd gewekt door een zachte stem, die van het voeteinde harer legerstede voortkwam. Zij opende de oogen en ontwaarde de abdis, vergezeld van een jonge vrouw met blond haar en teedere gelaatskleur, die op haar een blik vol goedaardige nieuwsgierigheid wierp. Het aangezicht dezer jonge vrouw was haar volkomen onbekend. Beiden beschouwden elkander met nauwkeurige aandacht, onder het maken der gewone complimenten. Beiden waren schoon, maar schoon van een geheel verschillenden aard. Intusschen glimlachte milady, erkennende dat zij de jonge vrouw verreweg overtrof in voorname houding en edele manieren. Het is waar, dat het gewaad der jonge kloosterzuster niet zeer in haar voordeel was, om een dergelijken wedstrijd aan te gaan. De abdis stelde de een aan de andere voor, vervolgens, toen die plichtplegingen waren afgeloopen, en de abdis zich ter vervulling harer ambtsplichten in de kerk moest begeven, liet zij beide jonge vrouwen alleen. De novice, milady nog te bed ziende, wilde de abdis volgen, maar milady hield haar tegen.
„Hoe, mejuffrouw!” zeide zij tot haar, „nauwelijks heb ik u gezien, en gij wilt mij weder van uw gezelschap berooven, waarop ik trouwens, dat beken ik, reeds eenigszins had gerekend, gedurende den tijd dien ik hier moet blijven?”--„Neen, mevrouw!” antwoordde de novice, „ik vreesde alleen een slecht oogenblik te hebben gekozen. Gij sliept, gij zijt vermoeid.”--„Welnu!” zeide milady, „wat kunnen zij, die slapen, begeeren? een aangenaam ontwaken. Zoodanig ontwaken hebt gij mij geschonken, laat mij het ten volle genieten.”
En haar bij de hand nemende, trok zij haar op een leuningstoel, die nabij het bed stond.--De novice ging zitten.--„Mijn God!” zeide deze, „wat ben ik ongelukkig! Ziedaar zes maanden, dat ik hier ben, zonder eenigen den minsten schijn van uitspanning; gij komt, uw tegenwoordigheid zou voor mij een bekoorlijk gezelschap zijn geweest, en ziedaar, naar alle waarschijnlijkheid sta ik thans op het punt het klooster te verlaten.”--„Hoe?” vroeg milady, „gaat gij het dan zoo spoedig verlaten?”--„Ten minste hoop ik het,” zeide de novice met een uitdrukking van blijdschap, die zij in het minst niet trachtte te verbergen.--„Ik meen gehoord te hebben, dat gij vanwege den kardinaal te lijden hebt gehad?” ging milady voort, „dat is een reden van vriendschap te meer tusschen ons beiden.”--„Hetgeen onze goede abdis mij heeft gezegd, is dan waar, dat ook gij een slachtoffer van den kardinaal waart?”--„Stil!” zeide milady, „spreken wij zelfs hier niet derwijze over hem. Al mijn ongelukken zijn ontstaan, doordien ik bijna hetzelfde, wat gij daar zegt, aan een vrouw zeide, die ik mijn vriendin waande, doch die mij verraden heeft. En ook gij zijt immers het slachtoffer van verraad?”
„Neen,” zeide de jonge vrouw, „maar tengevolge mijner gehechtheid aan een vrouw, die ik liefhad, voor wie ik mijn leven zou hebben gegeven, en het nog zou geven.”--„En die u aan uw lot heeft overgelaten, is het niet zoo?”--„Ik ben onrechtvaardig genoeg geweest zulks te gelooven, maar sedert twee of drie dagen heb ik het bewijs van het tegendeel verkregen, en ik dank er God voor. Het zou mij hard zijn gevallen te weten, dat zij mij vergeten had. Maar,” ging de nieuwelinge voort, „het schijnt alsof gij vrij zijt, en indien gij wildet vluchten, zulks slechts van u zou afhangen.”--„Waar wilt gij dat ik mij begeve, zonder vrienden, zonder geld, in een streek van Frankrijk, die ik niet ken, waar....”--„O!” riep de jonge kloosterzuster, „wat vrienden betreft, deze zult gij overal vinden, gij schijnt zoo goed te zijn en zoo schoon!”--„Dat belet niet,” hernam milady, haar glimlach verzachtende, als om er een engelachtige uitdrukking aan te geven, „dat ik alleen ben en vervolgd word.”
„Luister,” zeide de jonge vrouw, „men moet op den Hemel al zijn vertrouwen stellen; ziet gij, er komt altijd een oogenblik, dat het goede, wat men heeft gedaan, uw zaak voor God bepleit, en ziedaar, misschien is het voor u een geluk, hoe nietig en onvermogend ik ook ben, dat gij mij hebt ontmoet, want indien ik hier uit geraak, welnu, dan zullen die vermogende vrienden, die ik heb, na zich voor mij in de waagschaal te hebben gesteld, zulks ook voor u doen.”--„Ach, toen ik zeide, dat ik alleen was,” zeide milady, hopende de jonge vrouw tot spreken over te halen, en als tot zich zelve sprekende, „was zulks niet omdat ik geen vermogende vrienden had, maar die vrienden beven voor den kardinaal. Zelfs de koningin durft mij niet tegen dien verschrikkelijken minister beschermen, en ik heb het bewijs, dat Hare Majesteit, ondanks haar goedhartigheid, meer dan eens verplicht is geweest aan de gramschap Zijner Eminentie diegenen over te laten, welke haar gediend hadden.”--„Geloof mij, mevrouw! de koningin kan den schijn hebben haar vrienden aan hun lot over te laten, maar gij moet dien schijn niet gelooven; hoe meer zij worden vervolgd, des te meer denkt de koningin aan hen, en dikwijls op het oogenblik, dat zij meenen dat er het minst aan hen wordt gedacht, ontvangen zij het bewijs van de innigste belangstelling.”--„Helaas!” zeide milady, „ik geloof het gaarne, de koningin is zoo goed!”--„O! kent gij haar dan, die schoone, edele vorstin, dat gij derwijze van haar spreekt?” riep de jonge vrouw met geestdrift.--„Dat is te zeggen,” hernam milady, rechtstreeks in haar verschansingen aangevallen, „ik heb de eer niet haar persoonlijk te kennen, maar ik ken een aantal harer vertrouwde vrienden. Ik ken den heer Putange, ik heb in Engeland den heer Dujart gekend, ik ken den heer de Tréville.”--„Den heer de Tréville?” riep de jonge vrouw, „kent gij den heer de Tréville?”--„Ja, zeker, zelfs zeer goed. Den kapitein van ’s konings musketiers.”--„O! maar straks zult gij zien,” riep de jonge vrouw, „dat wij volkomen kennissen zijn, bijna vriendinnen. Indien gij den heer de Tréville kent, moet gij dikwerf bij hem zijn geweest.”--„Dikwijls,” antwoordde milady, die, eenmaal dien weg hebbende ingeslagen, en ziende dat het liegen haar gelukte, hiermede tot aan het einde wilde volhouden.--„In zijn huis hebt gij eenige zijner musketiers moeten ontmoeten.”--„Allen, die hij gewoonlijk ontvangt,” antwoordde milady, voor wie dat gesprek inderdaad belangrijk begon te worden.--„Noem mij eenigen dergenen, die gij kent, en gij zult zien, dat zij tot mijn vrienden behooren.”--„Maar,” zeide milady verlegen, „ik ken den heer de Louvigny, den heer de Courtivon, den heer de Férussac.”
De jonge vrouw liet haar voleinden, en ziende dat zij ophield, zeide zij: „Kent gij niet zekeren edelman, Athos genaamd?”
Milady werd even bleek als de bedlakens, die haar dekten, en hoeveel zelfbeheersching zij ook bezat, kon zij echter een uitroep niet bedwingen, terwijl zij de hand greep van haar, die haar toesprak, en welke zij met haar blik verslond.--„Hoe! wat deert u? Ach, mijn God!” vroeg de jonge vrouw, „heb ik dan iets gezegd, dat u beleedigd heeft?”--„Neen, maar die naam heeft mij getroffen, dewijl ook ik dien edelman heb gekend, en het mij vreemd schijnt iemand te vinden, die hem zoo goed kent.”--„O ja, zeer goed, niet alleen hem, maar ook zijn vrienden, de heeren Porthos en Aramis.”--„Waarlijk! ook hen ken ik!” riep milady, die een koude voelde, welke haar hart deed ineenkrimpen.--„Welnu! indien gij hen kent, moet gij weten, dat het dappere en moedige mannen zijn. Waarom richt gij u niet tot hen, wanneer gij hulp behoeft?”--„Dat is, omdat ik niet juist aan hen door vriendschap ben verbonden,” stamelde milady, „ik ken hen door een hunner vrienden, den heer d’Artagnan, over hen te hebben hooren spreken.”--„Kent gij den heer d’Artagnan?” riep de jonge vrouw, op haar beurt de handen van milady vattende en haar met haar oogen verslindende, en vervolgens de zonderlinge uitdrukking van milady bemerkende, zeide zij: „Vergeef mij, mevrouw! maar in welke hoedanigheid kent gij hem?”--„Wel,” hernam milady verlegen, „wel, in de hoedanigheid van vriend.”--„Gij bedriegt mij, mevrouw!” hernam de jonge vrouw; „gij zijt zijn minnares geweest!”--„Neen, gij zijt het geweest, mejuffrouw!” zeide milady op haar beurt.--„Ik!” riep de jonge vrouw.--„Ja, gij! nu ken ik u, gij zijt juffrouw Bonacieux!” De jonge vrouw trad vol verbazing en verschrikt achteruit.--„O, ontken niet,” hernam, milady.--„Welnu! ja, mevrouw! ik bemin hem,” zeide de jonge vrouw. „Zijn wij medeminnaressen?”
In den blik van milady blonk een zoo woest vuur, dat in elke andere omstandigheid juffrouw Bonacieux van ontzetting zou gevlucht zijn, maar nu was zij geheel vervuld van jaloezie.--„Komaan! spreek, mevrouw!” hernam juffrouw Bonacieux met een geestkracht, waarvoor men haar onbekwaam zou hebben geacht, „zijt gij zijn minnares geweest?”--„O, neen!” riep milady op een toon, die geen twijfel omtrent de waarheid liet blijven, „nooit! nooit!”--„Ik geloof u,” zeide juffrouw Bonacieux, „maar waartoe dan dien uitroep?”--„Hoe! begrijpt gij niet!” zeide milady, die reeds van haar verwarring was hersteld en haar volkomen tegenwoordigheid van geest terug had gekregen.--„Hoe wilt gij dat ik begrijpe; ik weet niets.”--„Begrijpt gij dan niet, dat de heer d’Artagnan, mijn vriend zijnde, mij tot zijn vertrouwelinge heeft gekozen?”--„Inderdaad?”--„Begrijpt gij dan niet, dat mij alles bekend is? uw ontvoering uit het huis van Saint Germain, zijn wanhoop, die zijner vrienden, hun nazoekingen vanaf dat oogenblik. En hoe wilt gij, dat ik mij niet verwonder, wanneer ik mij, zonder het te weten, in gezelschap bevind van haar, over wie wij zoo dikwijls hebben gesproken; van u, die hij met al de kracht zijner ziel bemint, van u, die hij mij heeft doen beminnen alvorens u gezien te hebben. Ach, eindelijk vind, eindelijk zie ik u dan?”--En milady breidde haar armen voor juffrouw Bonacieux uit, die, overtuigd van hetgeen zij haar had gezegd, niets anders meer in die vrouw, welke zij een oogenblik te voren meende een medeminnares te zijn, dan een oprechte en trouwe vriendin zag.--„Ach, vergeef mij! vergeef mij!” riep zij, in haar armen vallende; „ik bemin hem zoo innig!”
Beide vrouwen bleven een oogenblik in elkanders armen. Trouwens, indien de krachten van milady haar haat hadden geëvenaard, dan zou juffrouw Bonacieux niet dan levenloos uit die omhelzing zijn gekomen. Doch haar niet kunnende verstikken, glimlachte zij haar toe.
„O! lieve, zoete kleine!” zeide milady, „wat ben ik blijde u te zien, laat mij u beschouwen.” En deze woorden zeggende, verslond zij haar werkelijk met haar blik. „Ja, gij zijt het wel. O! naar hetgeen hij mij heeft gezegd, herken ik u nu, ik herken u volkomen.”--De arme jonge vrouw kon onmogelijk weten, wat er wreedaardigs achter dat reine voorhoofd verscholen was, achter die opene oogen, waarin zij niets anders dan belangstellend medelijden las.--„Dan weet gij, wat ik heb geleden,” zeide juffrouw Bonacieux, „daar hij u heeft gezegd, wat ik leed. Maar voor hem te lijden is een zaligheid.”
Milady herhaalde werktuigelijk: „Ja, dat is een zaligheid.”--Zij dacht aan iets anders.
„Maar nu,” zeide juffrouw Bonacieux, „is mijn lijden haast ten einde: morgen, misschien heden avond zal ik hem wederzien, en dan zal het verledene niet bestaan.”--„Heden avond? morgen?” riep milady, door die woorden uit haar gepeins gewekt.... „Wat wilt gij zeggen? wacht gij tijding van hem?”--„Ik wacht hem in persoon.”--„Hem zelven! D’Artagnan hier?”--„Hem zelven!”--„Maar dat is niet mogelijk! hij is bij het beleg van la Rochelle met den kardinaal en zal eerst na de inneming der stad naar Parijs terugkeeren.”--„Gij gelooft dat, maar is er iets ondoenlijks voor mijn d’Artagnan, dien edelen, trouwen edelman! Welnu, lees dan!” zeide de ongelukkige vrouw, in de opgewondenheid van haar hoogmoed en blijdschap milady een brief vertoonende.
„Het schrift van mevrouw de Chevreuse,” zeide milady bij zich zelve. „O! ik was wel zeker, dat zij van die zijde verstandhouding hielden.”--En zij las gretig deze weinige regels:
„Mijn lief kind!
Houd u gereed; onze vriend zal u dra zien en u niet anders zien dan om u uit de gevangenis te ontrukken, waar uw zekerheid vereischte, dat gij verborgen bleeft; bereid u dus om te vertrekken en wanhoop nooit in ons.--Onze moedige Gaskonjer heeft zich, zooals altijd, dapper en getrouw gedragen; zeg hem, dat men hem ergens zeer dankbaar is voor zijn waarschuwing.”
„Ja, ja,” zeide milady, „ja, de brief is bepaald, en kent gij ook de waarschuwing?”--„Neen; ik geloof alleen, dat het een nieuw verraad van den kardinaal jegens de koningin betreft, waarvoor hij haar zal hebben gewaarschuwd.”--„Ja, dat zal het zijn,” zeide milady, den brief aan juffrouw Bonacieux teruggevende, terwijl zij peinzend het hoofd op de borst liet zinken.
Op dat oogenblik hoorde men den hoefslag van een paard.... „O!” riep juffrouw Bonacieux, naar het venster ijlende, „zou hij het zijn?”
Milady was in haar bed gebleven, als van verbazing versteend; er gebeurde haar eensklaps zooveel, dat zij voor het eerst radeloos was.--„Hij, hij!” mompelde zij, „zou hij het zijn?”--En zij bleef met strakke oogen in haar bed liggen.
„Helaas! neen!” zeide juffrouw Bonacieux, „het is een man, dien ik niet ken. Hij schijnt hierheen te komen; ja, hij vermindert al den gang zijns paards; hij blijft voor de deur stilstaan en schelt.”--Milady sprong uit haar bed.--„Zijt gij wel zeker, dat hij het niet is?” vroeg zij.--„O! heel zeker.”--„Misschien hebt ge niet goed gezien.”--„O! de pluim van zijn hoed, de slip van zijn mantel zijn voldoende, wanneer ik die zie, om hem er aan te herkennen.”--Milady bleef voortgaan met zich te kleeden.--„Het doet er niet toe; die man komt hier, zegt gij?”--„Ja, hij is reeds binnen.”--„Het is òf voor u, òf voor mij.”--„O, mijn God! wat zijt gij ontroerd!”--„Ja, ik ben zoo goed vertrouwend niet als gij en vrees alles van den kardinaal.”--„Stil!” zeide juffrouw Bonacieux, „men komt.”
Inderdaad, de deur werd geopend en de abdis trad binnen.--„Zijt gij van Boulogne gekomen?” vroeg zij aan milady.--„Ja,” antwoordde deze, haar koelbloedigheid trachtende te herstellen; „wie vraagt naar mij?”--„Een man, die zijn naam niet wil zeggen, maar die vanwege den kardinaal komt.”--„En die mij wil spreken?” vroeg milady.--„Die een dame wil spreken, welke van Boulogne is gekomen.”--„Laat hem dan als het u belieft binnengaan, mevrouw.”--„Ach, mijn God, mijn God!” riep juffrouw Bonacieux, „zou het een andere slechte tijding betreffen?”--„Ik vrees er voor.”--„Ik laat u alleen met dien vreemdeling; maar dadelijk, na zijn vertrek, zoo gij zulks veroorlooft, kom ik terug.”--„Wat anders! ik bid er u om.”
De abdis en juffrouw Bonacieux verwijderden zich. Milady bleef alleen, de oogen op de deur gevestigd houdende. Een oogenblik later hoorde men het gerucht van sporen, die op de trap weergalmden; vervolgens naderden de voetstappen, de deur werd geopend en een man verscheen. Milady slaakte een vreugdekreet. Die man was de graaf de Rochefort, de vertrouweling Zijner Eminentie.
HOOFDSTUK XXXI.
Twee verschillende soorten van duivels.
„Ha!” riepen gelijktijdig Rochefort en milady, „zijt gij het?”--„Ja, ik ben het.”--„En gij komt van....?” vroeg milady.--„Van la Rochelle; en gij?”--„Uit Engeland.”--„Buckingham....?”--„Gedood of gevaarlijk gewond; daar ik niets van hem kon verkrijgen, was ik gereed te vertrekken, toen een geestdrijver hem vermoordde.”--„Ha!” lachte Rochefort, „ziedaar een gelukkig toeval, dat Zijne Eminentie niet weinig genoegen zal doen. Hebt gij hem hiervan reeds kennis gegeven?”--„Ik heb hem uit Boulogne geschreven. Maar hoe komt gij hier?”--„Zijne Eminentie, die ongerust was, heeft mij ter uwer opsporing doen vertrekken.”--„Ik ben eerst sedert gisteren aangekomen.”--„En wat hebt gij sedert gisteren gedaan?”--„Ik heb geen tijd verloren.”--„O! daaraan twijfel ik volstrekt niet.”
„Weet gij, wie ik hier heb ontmoet?”--„Neen!”--„Raad eens.”--„Hoe wilt gij, dat ik rade?”--„De jonge vrouw, welke de koningin uit de gevangenis heeft doen bevrijden.”--„De minnares van den jongen d’Artagnan?”--„Ja, juffrouw Bonacieux, wier verblijf den kardinaal onbekend was.”--„Welnu,” zeide Rochefort, „ziedaar wederom een toeval, dat met het andere kan samengaan. De kardinaal is een gelukkig man!”--„Begrijp eens mijn verwondering,” vervolgde milady, „toen ik eensklaps die vrouw voor mijn oogen zag.”--„Kent zij u?”--„Neen.”--„Dan beschouwt zij u als een vreemdelinge?”--Milady glimlachte.--„Ik ben haar beste vriendin.”--„Op mijn eer,” zeide Rochefort, „ik ken niemand dan u, mijn lieve gravin! om dergelijke mirakelen te doen.”--„En het is zeer gelukkig geweest, graaf!” zeide milady, „want weet gij wel, wat er gaande is? Men zal haar morgen of overmorgen op een bevel der koningin komen afhalen.”--„Waarlijk! en wie?”--„D’Artagnan en zijn vrienden.”--„Inderdaad, zij zullen eindigen met zich naar de Bastille te doen zenden.”--„Waarom is het al niet gedaan?”
„Wat wilt gij? de kardinaal heeft een zwakheid voor die lieden, welke ik niet begrijp.”--„Waarlijk? welnu, zeg hem dit, Rochefort! zeg hem, dat ons gesprek in de herberg den Rooden Duiventoren door die vier mannen is beluisterd geworden; zeg hem, dat na zijn vertrek een hunner boven is gekomen en mij met geweld de volmacht heeft ontrukt, die hij mij gegeven had; zeg hem, dat zij lord de Winter van mijn overkomst in Engeland bericht hadden gezonden; dat zij ditmaal er weer bijna in geslaagd waren mijn zending te doen mislukken, zooals zij met die van de diamanten haken hebben gedaan; zeg hem, dat van die vier mannen slechts twee te vreezen zijn; zeg hem, dat de derde, Aramis, de minnaar van mevrouw de Chevreuse is; men moet dezen in het leven behouden, men kent zijn geheim, hij kan nuttig worden; wat den vierden betreft, Porthos, dat is een dwaas, een gek, een onnoozele; dat men er zich niet eens mede bezig houde.”--„Maar die vier mannen moeten op dit oogenblik bij het beleg van la Rochelle zijn.”--„Ik geloofde het ook; maar een brief, dien juffrouw Bonacieux van mevrouw de Chevreuse heeft ontvangen, en welken zij de onvoorzichtigheid heeft gehad mij te laten lezen, doet mij gelooven, dat die vier mannen integendeel op weg zijn om haar te ontvoeren.”--„Duivelsch! wat te doen?”
„Wat heeft u de kardinaal, mij betreffende, gezegd?”--„Uw geschrevene of mondelinge berichten over te nemen en met postpaarden terug te komen. Wanneer hij zal weten, wat gij gedaan hebt, zal hij overwegen wat gij verder moet doen.”--„Moet ik dan hier blijven?”--„Hier of in de omstreken; in het legerkamp zoudt gij kunnen herkend worden, en uw tegenwoordigheid, zooals gij wel begrijpt, zou Zijne Eminentie kunnen benadeelen, vooral na hetgeen is gebeurd. Zeg mij slechts vooruit, waar gij tijding van den kardinaal wilt wachten, ten einde u te kunnen wedervinden.”--„Luister, waarschijnlijk zal ik niet hier kunnen blijven.”--„Waarom?”--„Vergeet gij dan, dat mijn vijanden elk oogenblik kunnen komen?”--„Dat is waar; maar dan zal die jonge vrouw den kardinaal ontsnappen.”--„Ach!” zeide milady met een glimlach, die haar alleen eigen was, „gij vergeet, dat ik haar beste vriendin ben.”--„O! het is waar ook; wat kan ik dan den kardinaal omtrent die jonge vrouw zeggen?”--„Dat hij gerust zij.”--„Is dat alles? Zal hij dan weten, wat het beteekent?”--„Hij zal het raden.”
„Zeg mij nu, wat ik doen moet.”--„Onmiddellijk vertrekken; ik geloof dat het nieuws, dat gij medeneemt, wel der moeite waard is om spoed te maken.”--„Mijn chais is, te Lilliers binnenkomende, gebroken.”--„Kostelijk!”--„Wat kostelijk?”--„Ja, ik heb uw chais noodig.”--„En hoe zal ik dan vertrekken?”--„Te paard.”--„Gij spreekt er zeer luchthartig over; honderd tachtig mijlen!”--„Wat beteekent dat?”--„Men zal ze afleggen. Daarna?”--„Van Lilliers terugkeerende, moet gij mij de chais zenden, met bevel aan uw knecht zich te mijner beschikking te stellen.”--„Goed.”--„Gij hebt zeker een of ander bevelschrift van den kardinaal bij u?”--„Ik heb mijn volmacht.”--„Gij zult ze aan de abdis vertoonen en haar zeggen, dat men mij heden of morgen zal komen halen, en ik den persoon te volgen heb, die zich in uw naam zal vertoonen.”--„Zeer goed.”
„Vergeet niet, met de abdis over mij sprekende, dit op strengen toon te doen.”--„Waartoe?”--„Ik moet een offer van den kardinaal schijnen. En die arme kleine juffrouw Bonacieux moet ik immers wel vertrouwen inboezemen?”--„Dat is waar; wilt gij mij nu wel verslag doen van hetgeen gebeurd is?”--„Wel, ik heb u zulks immers verhaald; gij hebt een goed geheugen, herhaal de zaken, zooals ik ze u heb medegedeeld, een papier gaat verloren.”--„Gij hebt gelijk; zeg mij ten minste, waar ik u kan wedervinden, ten einde de omstreken niet vruchteloos te doorzoeken?”--„Wacht, ik zal het u zeggen.”--„Wilt gij een landkaart?”--„O! ik ken dit land volkomen.”--„Gij? wanneer zijt gij er dan nog geweest?”--„Ik ben er opgevoed. Gij ziet, dat het tot iets nuttig is ergens te zijn opgevoed.”--„Gij zult mij dan wachten?”--„Laat mij een oogenblik overwegen.... Wel, te Armentières.”--„Waar is dat, Armentières?”--„Een kleine stad aan de Lys. Ik behoef slechts de rivier over te steken, en ik ben in een vreemd land.”--„Goed, maar het is bepaald, dat gij de rivier niet zult overgaan dan in geval van nood.”--„Dat is overeengekomen.”--„Hoe zal ik dan weten, waar gij zijt?”--„Hebt gij uw lakei niet noodig?”--„Neen.”--„Is hij een vertrouwd persoon?”--„Beproefd.”--„Laat hem mij, niemand kent hem: ik laat hem in de plaats, die ik verlaat, en hij brengt u, waar ik ben.”--„En gij zegt, dat gij mij te Armentières zult wachten?”--„Te Armentières.”--„Schrijf mij dien naam op een stukje papier, ten einde hem niet te vergeten. De naam eener stad kan ons volstrekt niet benadeelen, niet waar?”--„Wie weet? maar om het even,” zeide milady; en zij schreef den naam op een half vel papier: „ik stel mij bloot.”--„Goed,” zeide Rochefort, het papier van milady aannemende, dat hij vouwde en in de kap van zijn hoed borg. „Bovendien, wees gerust, ik zal doen gelijk de kinderen, en ingeval ik dit papier mocht verliezen, zal ik den naam langs den geheelen weg herhalen. Is dat nu alles?”--„Ik geloof van ja.”--„Laten wij eens zien: Buckingham dood of zwaar gekwetst, uw gesprek met den kardinaal door de vier musketiers beluisterd, lord de Winter gewaarschuwd voor uw aankomst te Portsmouth, d’Artagnan en Athos in de Bastille, Aramis de minnaar van mevrouw de Chevreuse, Porthos een gek, juffrouw Bonacieux wedergevonden, en de chais zoo spoedig mogelijk te zenden, mijn lakei te uwer beschikking stellen, van u een slachtoffer des kardinaals maken, opdat de abdis geen kwaad vermoeden koestere; Armentières aan de Lys, is het niet zoo?”--„Waarlijk, mijn waarde graaf! gij hebt een bewonderenswaardig geheugen. A propos! voeg er dit nog bij.”--„Wat?”
„Ik heb een fraai bosch gezien, dat den tuin van het klooster moet begrenzen. Verzoek dat het mij vergund worde in dat bosch te wandelen; wie weet, misschien ben ik wel genoodzaakt een achterdeur uit te gaan.”--„Gij denkt aan alles.”--„En gij, gij vergeet nog iets.”--„Wat?”--„Te vragen of ik geld noodig heb.”--„Dat is ook waar. Hoeveel wilt gij?”--„Al wat gij aan goud bezit.”--„Ik heb ongeveer vijfhonderd pistolen.”--„Ik heb ook zooveel. Met duizend pistolen bestrijdt men alles. Leeg uw zakken.”--„Ziedaar.”--„Goed, vertrekt gij nu?”--„Binnen een uur, den tijd om iets te eten, gedurende welken ik een postpaard zal doen komen.”--„Voortreffelijk! Vaarwel, graaf!”--„Vaarwel, gravin!”--„Beveel mij aan bij den kardinaal.”--„Recommandeer mij aan Satan.”
Milady en Rochefort wisselden een glimlach en scheidden. Een uur later vertrok Rochefort te paard in vollen draf; vijf uren later ging hij Arras door.
Onze lezers weten reeds, hoe hij door d’Artagnan was herkend geworden, en hoe die herkenning de beangstigde musketiers hun reis deed bespoedigen.
HOOFDSTUK XXXII.
Een waterdrop.
Nauwelijks was Rochefort vertrokken, of juffrouw Bonacieux trad binnen. Zij vond milady met een glimlach op het aangezicht.
„Wel!” zeide de jonge vrouw, „hetgeen gij vreesdet is dan gebeurd? Zal de kardinaal u heden avond of morgen doen halen?”--„Hoe weet gij dat?”--„Ik heb het uit den eigen mond van den bode vernomen.”--„Kom eens naast mij zitten,” zeide milady. „Wacht even, dat ik mij verzekere, dat niemand ons kan beluisteren.”--„Waartoe al die voorzorgen?”
Milady stond op, begaf zich naar de deur, opende ze, overzag de gang en zette zich daarna weder naast juffrouw Bonacieux neder.
„Dan,” zeide zij, „heeft hij zijn rol goed gespeeld?”--„Wie?”--„Hij, die zich aan de abdis heeft vertoond als een bode van den kardinaal.”--„Het was dus een rol, die hij speelde?”--„Ja, mijn lieve!”--„Die man is dus niet....?”--„Die man,” zeide milady fluisterend, „is mijn broeder.”--„Uw broeder!” riep juffrouw Bonacieux.--„Alleen gij kent dat geheim, mijn kind! indien gij het, aan wien het ook zij, openbaart, zou ik, en misschien ook gij, verloren zijn.”--„O, mijn God!”--„Luister: ziehier de toedracht der zaak; mijn broeder, die mij ter hulpe snelde om mij hieruit te ontrukken, zelfs met geweld, indien zulks noodig mocht zijn, heeft den zendeling des kardinaals ontmoet, die mij zou komen afhalen. Hij is hem gevolgd. Aan zekere eenzame en afgelegene plek gekomen zijnde, trok hij den degen en eischte van den zendeling de papieren, die hij bij zich had. De bode heeft zich willen verdedigen; mijn broeder heeft hem doorstoken.”
„Ach,” zuchtte juffrouw Bonacieux sidderende.--„Ge begrijpt, dat dit het eenige middel was. Toen besloot mijn broeder liever tot list dan tot geweld over te gaan; hij heeft zich van de paarden meester gemaakt en zich hier als des kardinaals zendeling vertoond, en binnen een paar uren moet een rijtuig mij, namens Zijne Eminentie, komen afhalen.”--„Nu begrijp ik, het rijtuig wordt door uw broeder gezonden.”--„Juist, maar dat is niet alles; de brief, welken gij hebt ontvangen, en dien gij meent dat van mevrouw de Chevreuse komt....”--„Welnu?”--„Hij is valsch.”--„Hoe?”--„Ja, valsch; het is een valstrik, opdat gij geen weerstand zoudt bieden, wanneer men u komt halen.”--„Maar d’Artagnan zal komen.”--„Misleid u niet; d’Artagnan en zijn vrienden kunnen het legerkamp voor la Rochelle niet verlaten.”--„Hoe weet gij dat?”--„Mijn broeder heeft lieden van den kardinaal in musketiersgewaad ontmoet. Men zou u voor de deur geroepen hebben, en meenende met vrienden te doen te hebben, u op die wijze ontvoeren en naar Parijs terugbrengen.”--„Ach, mijn God! ik word zinneloos te midden van dien bajert van ongerechtigheden. Ik voel, dat indien zulks langer duurt,” hernam juffrouw Bonacieux, haar handen voor haar voorhoofd brengende, „ik krankzinnig zal worden.”--„Luister eens.”--„Wat?”--„Ik hoor paardengetrappel, zeker van die mijns broeders, die vertrekt; ik wil hem een laatst vaarwel toeroepen; kom.”
Milady opende het venster en wenkte juffrouw Bonacieux zich bij haar te voegen. De jonge vrouw naderde het venster. Rochefort reed in galop voorbij.
„Vaarwel, broeder!” riep milady.--De ruiter hief het hoofd op, zag beide vrouwen en groette milady vriendelijk met de hand.
„Die goede George!” zeide zij, het venster sluitende, met een uitdrukking van liefde en treurigheid op het gelaat. En zij zette zich weder op haar plaats, alsof zij in diepe overwegingen over haar zelve gedompeld was.
„Lieve dame!” zeide juffrouw Bonacieux, „vergeef mij u te storen; maar wat raadt gij mij te doen, mijn God! gij hebt meer ondervinding dan ik; in Gods naam, spreek, ik luister.”--„Vooreerst,” zeide milady, „is het mogelijk, dat ik mij bedrieg, en d’Artagnan en zijn vrienden u inderdaad te hulp komen.”--„O! dat zou al te gelukkig zijn!” riep juffrouw Bonacieux, „en zooveel geluk is voor mij niet bestemd.”--„Dan, begrijpt gij, is het alleen de vraag, wie den meesten tijd zal besteden met hier te zijn; indien uw vrienden het in snelheid winnen, zijt gij gered; indien het des kardinaals lieden zijn, zijt gij verloren.”--„O ja, verloren zonder genade! Wat dus te doen? wat moet ik doen?”--„Er blijft nog een zeer eenvoudig, een zeer natuurlijk middel over.”--„Welk? spreek!”--„Van u in den omtrek te verschuilen, en u alzoo zekerheid te verschaffen wie de mannen zijn, die naar u zullen vragen.”--„Maar waar te wachten?”--„O, dat is geen bezwaar; ik zelf blijf op een paar uren afstands mij ophouden, in afwachting van mijn broeder, die mij komt afhalen; welnu, ik neem u mede, wij verbergen ons en wachten samen.”--„Maar men zal mij niet laten vertrekken; ik ben hier, om zoo te spreken, gevangen.”--„Dewijl men gelooft, dat ik op een bevel van den kardinaal vertrek, zal men denken, dat u niet zeer genegen zult zijn mij te volgen.”--„Welnu?”--„Welnu, wanneer het rijtuig voor de deur zal zijn, moet gij mij vaarwel zeggen en op de voettrede gaan staan om mij voor het laatst te omhelzen; de knecht van mijn broeder, die mij zal komen halen, is verwittigd; hij geeft het teeken aan den postillon en wij vertrekken in vollen galop.”--„Maar d’Artagnan, als d’Artagnan zal komen?”--„En wij zullen dat dan niet weten?”--„Op welke wijze?”--„Niets gemakkelijker; wij zenden den knecht mijns broeders naar Béthune terug, dien wij, zooals ik gezegd heb, kunnen vertrouwen; hij vermomt zich en huurt een kamer tegenover het klooster; indien nu de lieden van den kardinaal komen, dan blijft hij stil; indien het echter de heer d’Artagnan en zijn vrienden zijn, brengt hij hen, waar wij ons bevinden.”--„Kent hij ze dan?”--„Zeker; heeft hij den heer d’Artagnan niet bij mij aan huis gezien?”--„O ja, gij hebt gelijk. Dus alles is overlegd, alles is ten beste; maar verwijderen wij ons niet ver van hier?”--„Op zeven of acht uren afstands bij voorbeeld houden wij ons van de grenzen verwijderd, en bij het minste kwade gerucht verlaten wij Frankrijk.”--„En wat zullen wij intusschen doen?”--„Wachten.”--„Maar als zij komen?”--„Het rijtuig van mijn broeder zal voor hen hier zijn.”--„Maar als ik nu van u af ben, bij voorbeeld aan het middagmaal of aan het avondeten?”--„Verzoek onze goede abdis u te vergunnen met mij te eten.”--„Zal zij het vergunnen?”--„Welk bezwaar zou zij hiertegen kunnen inbrengen?”--„O, zeer goed, op die wijze verlaten wij elkander geen oogenblik meer.”--„Welnu, begeef u tot haar, om haar uw verzoek te doen; mijn hoofd is zwaar; ik ga daarom een wandeling in den tuin doen.”--„Ga, en waar zal ik u wedervinden?”--„Hier, binnen een uur!”--„O! wat zijt gij goed en hoezeer bedank ik u!”--„Waarom zou ik u niet van dienst zijn? Al waart gij niet schoon en bekoorlijk, dan zoudt gij nog de vriendin van een mijner beste vrienden zijn.”--„Waarde d’Artagnan! O, hoe dankbaar zal hij jegens u zijn!”--„Ik hoop het; welaan! alles is overeengekomen. Laat ons heengaan.”--„Gij gaat naar den tuin?”--„Ja,”--„Ga dan die gang door en gij zult aan een kleine trap komen, die u er heen zal leiden.”--„Best, ik dank u.”
En beiden verlieten elkander, een vriendelijken glimlach wisselende. Milady had de waarheid gezegd; haar hoofd was zwaar, want haar nog slecht gerangschikte plannen woelden er in als in een bajert. Zij had behoefte aan eenzaamheid, om in haar denkbeelden eenige orde te stellen; flauw zag zij in de toekomst, maar een weinig stilte en rust zouden aan al haar nog verwarde gedachten een duidelijken vorm, een bepaalde richting geven.
Het dringendste was nu, juffrouw Bonacieux te ontvoeren, haar in zekerheid te brengen en zich van haar desnoods als een borg te bedienen. Milady begon omtrent den gelukkigen afloop van haar worsteling te vreezen, in welke haar vijanden evenveel volharding, als zij halsstarrigheid aan den dag legden. Bovendien gevoelde zij, zooals men bij de nadering van een storm voelt, dat het einde nabij was en vreeselijk zou zijn. Het voornaamste voor haar was dus, zooals wij hebben gezegd, juffrouw Bonacieux in haar handen te hebben. Juffrouw Bonacieux was het leven van d’Artagnan; zelfs was zij meer dan zijn leven, zij was de vrouw, die hij beminde; zij was, in geval van tegenspoed, een middel om te onderhandelen, en voorzeker om goede voorwaarden te bedingen. Toen dat punt eenmaal vastgesteld was en juffrouw Bonacieux haar zonder het minste wantrouwen zou volgen, zou het verder gemakkelijk zijn, eenmaal te Armentières aangekomen, waar zij zich beiden zouden schuil houden, haar te doen gelooven, dat d’Artagnan niet te Béthune was gekomen. Binnen veertien dagen, op het langst, zou Rochefort terug zijn. Gedurende die veertien dagen zou zij bovendien den tijd hebben te overwegen, op welke wijze zij zich het best op de vier vrienden zou kunnen wreken. Zij zou zich niet vervelen, want het aangenaamste tijdverdrijf, dat de omstandigheden aan een vrouw van haar karakter konden geven, was een geduchte wraak te voltooien.
Al peinzende sloeg zij de oogen in het rond en prentte in haar geheugen den platten grond van den tuin. Milady geleek een goed veldheer, die in alles tegelijk voorziet, zoowel in geval van overwinning als van nederlaag, en steeds gereed is, naar de kansen van het gevecht, vooruit te rukken of te wijken.
Na verloop van een half uur hoorde zij een zachte stem, die haar riep; het was juffrouw Bonacieux. De goede abdis had natuurlijk in alles genoegen genomen, en om te beginnen zouden zij samen het avondmaal gebruiken. Op de binnenplaats komende, hoorde zij het gerucht van een voor de deur stilhoudend rijtuig. Milady luisterde.--„Hoort gij?” zeide zij.--„Ja, het is het gerol van een rijtuig. Het is dat, wat mijn broeder ons zendt.”--„O, mijn God!”--„Komaan, moed gevat.”
Men schelde aan de deur van het klooster, milady had zich niet bedrogen.--„Ga naar uw kamer,” zeide zij tot juffrouw Bonacieux. „Gij hebt zeker wel eenige kleinooden, die gij wilt medenemen.”--„Ik heb zijn brieven,” zeide zij.--„Welnu, ga ze halen en keer dan tot mij terug; wij zullen met spoed een weinig nuttigen; misschien zullen wij een gedeelte van den nacht op reis zijn, wij moeten dus krachten verzamelen.”--„Groote God!” zeide juffrouw Bonacieux, haar hand op haar hart leggende; „mijn hart verstikt mij, ik kan niet gaan!”--„Houd moed! kom, moed! bedenk, dat gij binnen een kwartier gered zijt, en dat hetgeen gij doet voor hem is.”--„O ja, alles, alles voor hem! Door een enkel woord hebt gij mij mijn moed teruggegeven. Ga, ik volg u.”
Milady begaf zich overhaast naar haar kamer, zij vond er den lakei van Rochefort, dien zij haar bevelen gaf. Hij moest voor de deur wachten; mochten bij toeval de musketiers verschijnen, dan moest de koets in vollen galop zich verwijderen, het klooster omrijden en milady in een klein dorp, aan de andere zijde van het bosch gelegen, wachten. In dat geval zou milady den tuin doorgaan en te voet het dorp bereiken.
Wij hebben reeds gezegd, dat milady dat gedeelte van Frankrijk bij uitstek goed kende. Indien de musketiers niet kwamen, dan zouden de zaken den vooraf bepaalden loop volgen; zij zou juffrouw Bonacieux, wanneer deze in het rijtuig klom, onder het voorwendsel haar vaarwel te zeggen, ontvoeren.
Juffrouw Bonacieux trad binnen, en ten einde haar het minste wantrouwen, indien zij het mocht koesteren, te ontnemen, herhaalde milady den lakei het laatste gedeelte harer bevelen.
Milady deed eenige vragen nopens het rijtuig; het was een chais met drie paarden bespannen, door een postiljon bestuurd; de lakei van Rochefort zou, als koerier, de chais vooruitrijden. Milady’s vrees, dat juffrouw Bonacieux eenig wantrouwen mocht koesteren, was ongegrond; de jonge vrouw was te rein, om in een andere vrouw een dergelijk verraad te vermoeden; bovendien was de naam der gravin de Winter, dien zij door de abdis had hooren uitspreken, haar volkomen onbekend; zij wist zelfs niet eens, dat een vrouw een zoo groot en noodlottig deel had in de rampen haars levens.
„Gij ziet het,” zeide milady, toen de lakei vertrokken was, „alles is gereed. De abdis vermoedt niets en gelooft, dat men mij vanwege den kardinaal komt halen. Die man zal de laatste bevelen geven; nuttig iets, drinken wij een glas wijn, laat ons vertrekken.”--„Ja,” zeide juffrouw Bonacieux werktuigelijk, „ja, laat ons vertrekken.”
Milady beduidde haar, dat zij zich tegenover haar zou neerzetten, schonk haar een klein glas Spaanschen wijn in en bediende haar van een hoen.--„Zie eens,” zeide zij, „hoe alles ons medeloopt; de nacht daalt, en tegen den morgenstond zullen wij onze schuilplaats hebben bereikt, zonder dat iemand eenig vermoeden heeft, waar wij gebleven zijn. Komaan, verzamel uw moed en nuttig iets.”--Juffrouw Bonacieux at werktuigelijk een paar monden vol en doopte haar lippen in haar glas.--„Komaan, komaan,” zeide milady, het hare aan haar lippen brengende, „doe zooals ik.”
Doch op het oogenblik, dat zij het aan haar lippen bracht, bleef haar hand onbeweeglijk. Zij meende op den weg een verwijderd paardengetrappel te hooren, dat in vollen galop naderde; vervolgens en gelijktijdig was het, alsof zij het gebriesch van paarden hoorde. Dat gerucht trok haar uit haar blijdschap als een onweer, dat een liefelijken droom in het midden afbreekt; zij verbleekte, snelde naar het venster, terwijl juffrouw Bonacieux, bevende van haar stoel oprijzende, er op leunde om niet te vallen. Men zag nog niets naderen, maar men hoorde het getrappel reeds duidelijker.
„Ach, mijn God!” zeide juffrouw Bonacieux, „wat beteekent dat leven?”--„De komst van vrienden of vijanden,” zeide milady met een verschrikkelijke koelbloedigheid. „Blijf, waar gij zijt, ik zal het u zeggen.”--Juffrouw Bonacieux bleef sprakeloos, onbeweeglijk en bleek als een lijk staan.
Intusschen werd het gerucht sterker; de paarden konden niet meer dan honderd vijftig schreden verwijderd zijn; indien men ze nog niet zag, kwam dit, wijl de weg een kromming maakte. Echter was het gerucht zoo duidelijk, dat men de paarden kon tellen naar de elkander volgende hoefslagen. Milady spande haar oogen tot de uiterste grens in; het was nog juist licht genoeg om de naderenden te kunnen onderscheiden. Eensklaps zag zij om den hoek van den weg eenige met goud omzoomde hoeden blinken en pluimen fladderen; zij telde twee, toen vijf, vervolgens acht ruiters. Een van hen reed al de anderen twee paardenlengten vooruit. Milady slaakte een gebrul. In hem, die aan het hoofd was, herkende zij d’Artagnan.
„Ach, mijn God!” riep juffrouw Bonacieux, „wie zijn het toch?”--„Het is de uniform der gardes van den kardinaal; er is geen oogenblik te verliezen!” riep milady. „Op de vlucht! op de vlucht!”--„Ja, vluchten wij!” herhaalde juffrouw Bonacieux; doch zonder een enkele schrede te kunnen doen, bleef zij, door angst als vastgenageld, op haar plaats staan.
Men hoorde de ruiters onder het venster voortdraven.--„Maar kom toch, kom toch!” riep milady, de jonge vrouw bij den arm trachtende mede te sleepen. „Wij kunnen door den tuin, die ons nog openblijft, ontvluchten, ik heb er den sleutel van; maar haasten wij ons, nog vijf minuten en het is te laat....”
Juffrouw Bonacieux trachtte te gaan, deed twee schreden en viel op haar knieën. Milady trachtte haar op te heffen en weg te dragen, doch het mocht haar niet gelukken. Op dat oogenblik hoorde men het gerol van het rijtuig, dat bij de aankomst der musketiers snel wegreed; vervolgens knalden drie of vier schoten.--„Ik vraag u voor de laatste maal: wilt gij medegaan?” riep milady.--„Ach, mijn God! mijn God! gij ziet wel, dat de krachten mij ontbreken; gij ziet wel, dat ik niet kan gaan, vlucht alleen.”--„Alleen vluchten! u hier laten! neen, neen, nooit!” riep milady.
Eensklaps schoot een bleeke bliksemstraal uit haar oogen, zij naderde de tafel en liet in het glas van juffrouw Bonacieux den inhoud van den steen eens rings vallen, dien zij met buitengewone snelheid opende. Het was een roodachtige korrel, die dadelijk smolt. Vervolgens het glas met vaste hand opnemende, zeide zij: „Drink, die wijn zal u goeddoen, drink.”--En zij bracht het glas aan de lippen der jonge vrouw, die het werktuigelijk ledig dronk.--„O! het was niet op die wijze, dat ik mij wilde wreken,” zeide milady, met een helschen glimlach het glas op tafel zettende; „maar men doet wat men kan.”--En zij snelde het vertrek uit.
Juffrouw Bonacieux zag haar vluchten, zonder haar te kunnen volgen. Zij was als een dier lieden, die, droomende dat men hen vervolgt, tevergeefs trachten hun beenen in beweging te zetten.... Eenige minuten verliepen; elk oogenblik verwachtte juffrouw Bonacieux milady te zien terugkomen, die niet verscheen. Meer dan eens werd haar gloeiend voorhoofd, ongetwijfeld door angst, met een koud zweet bedekt. Eindelijk hoorde zij de grendels afschuiven; het gekletter van sporen en laarzen klonk op de trap; er verhief zich een groot rumoer van stemmen, die al meer en meer naderden, en onder welke zij meende haar naam te hooren uitspreken. Eensklaps slaakte zij een luiden vreugdekreet en zij ijlde naar de deur; zij had de stem van d’Artagnan herkend.
„D’Artagnan! d’Artagnan!” riep zij, „zijt gij het? Kom hier!”--„Constance! Constance!” antwoordde de jongeling, „waar zijt gij? mijn God!”
In hetzelfde oogenblik vloog de deur open door een geweldigen stoot van buiten. Een aantal mannen stormden de kamer binnen; juffrouw Bonacieux was op een leuningstoel gevallen, zonder de minste beweging te kunnen maken. D’Artagnan wierp een nog rookend pistool van zich af, dat hij, binnenkomende, in de hand hield, en viel voor zijn minnares op de knieën; Athos stak het zijne in zijn gordel, en Porthos en Aramis staken hun degens weder in de scheede.
„O, d’Artagnan! mijn welbeminde d’Artagnan! zie ik u eindelijk! gij hadt mij niet bedrogen, gij zijt het wel!”--„Ja, ja, Constance! eindelijk zijn wij hereenigd!”--„O! hoe zij mij ook verzekerde, dat gij niet zoudt komen, ik hoopte steeds inwendig; ik heb niet willen vluchten. O! wat heb ik wèl gedaan, wat ben ik gelukkig!”
Op het woord zij stond Athos, die was gaan zitten, eensklaps op.--„Zij! wie is zij?” vroeg d’Artagnan.--„Wel, mijn vriendin. Zij, die uit vriendschap voor mij mij aan mijn vervolgers wilde onttrekken; zij die, u voor gardes van den kardinaal aanziende, de vlucht heeft genomen.”--„Uw vriendin?” riep d’Artagnan, bleeker dan de witte sluier zijner minnares wordende; „welke vriendin bedoelt gij?”--„Zij, wier rijtuig voor de deur stond; een vrouw, die zegt uw vriendin te zijn; een vrouw, aan wie gij alles hebt verhaald.”--„Haar naam?” riep d’Artagnan, „mijn God, weet gij dan haar naam niet?”--„Wel zeker, men heeft dien in mijn tegenwoordigheid genoemd; wacht.... maar hoe zonderling.... Ach, mijn God! mijn hoofd raakt geheel verward.... ik zie niet meer....”--„Helpt, vrienden helpt! haar handen zijn ijskoud!” riep d’Artagnan, „zij is niet wel! Groote God! zij is buiten kennis.”
Terwijl Porthos uit al zijn macht om hulp riep, liep Aramis haastig naar de tafel, om een glas water te nemen; maar hij bleef staan op het zien der vreeselijke strakheid van het gelaat van Athos, die, voor de tafel staande, met te berge rijzende haren, met door ontzetting vertrokken gelaatstrekken, een der wijnglazen beschouwde en ten prooi aan het vreeselijkste vermoeden scheen te zijn.
„O!” riep Athos, „o, neen! dat is onmogelijk! God kan een dergelijke misdaad niet toelaten.”--„Water! water!” riep d’Artagnan, „water!”--„Ach, ongelukkige vrouw! ongelukkige vrouw!” mompelde Athos met afgebroken woorden.
Juffrouw Bonacieux opende de oogen onder de kussen van d’Artagnan.--„Zij komt weder tot haar zelve!” riep de jongeling. „Ach, mijn God! mijn God! ik dank u!”
„Mejuffrouw!” zeide Athos, „mejuffrouw! in ’s hemels naam, wien behoort dat ledige glas?”--„Aan mij, mijnheer!” antwoordde de jonge vrouw met een stervende stem.--„En wie heeft u dien wijn geschonken, die in dat glas was?”--„Zij.”--„Maar wie dan is zij?”--„O! ik herinner mij nu,” zeide juffrouw Bonacieux, „de gravin de Winter.”--De vier vrienden slaakten een enkelen en zelfden kreet, maar die van Athos kwam boven al de andere uit.
Op dat oogenblik werd het gelaat van juffrouw Bonacieux lijkkleurig, een doffe smart wierp haar ter neder, en zij viel hijgende in de armen van Porthos en Aramis.
D’Artagnan vatte de handen van Athos met een onmogelijk te beschrijven angst.--„Hoe!” zeide hij, „gelooft gij....?”--En zijn stem smoorde in een snik.--„Ik geloof alles,” zeide Athos, tot bloedens toe op zijn lippen bijtende.
„D’Artagnan! d’Artagnan!” riep juffrouw Bonacieux, „waar zijt gij? Verlaat mij niet meer: gij ziet wel, dat ik ga sterven.”--D’Artagnan liet de handen van Athos los, die hij nog krampachtig in de zijne geklemd hield, en wendde zich tot haar. Haar zoo bekoorlijk gelaat was geheel misvormd, in haar verglaasde oogen was het vuur uitgedoofd, een stuipachtige beving bewoog geheel haar lichaam en van haar voorhoofd vloeide het koude zweet.
„In ’s hemels naam, spoedt u, Porthos! Aramis! roept om hulp!”--„Tevergeefs,” zeide Athos, „tevergeefs; tegen het vergif, dat zij geeft, bestaat geen tegengift.”
„Ja, ja.... helpt mij....” stamelde juffrouw Bonacieux, „helpt mij!”--En al haar krachten verzamelende, nam zij het hoofd des jongelings in haar beide handen, beschouwde hem een oogenblik, alsof geheel haar ziel zich in dien blik had besloten en met een snikkenden gil drukte zij haar lippen op de zijne.--„Constance! Constance!” gilde d’Artagnan.
Een zucht ontvlood den mond van juffrouw Bonacieux en vereenigde zich met den adem van d’Artagnan; die zucht was haar kuische, liefhebbende ziel, die naar den hemel terugkeerde. D’Artagnan hield in zijn armen niets meer dan een lijk geklemd. De jongeling slaakte een gil en viel naast zijn minnares neder, even bleek en ook even koud als zij.--Porthos weende; Athos strekte dreigend zijn vuist ten hemel; Aramis maakte het teeken des kruises.
Op dat oogenblik verscheen een man voor de deur; hij was bijna even bleek als zij, die in de kamer waren; hij liet zijn blik rondgaan en zag juffrouw Bonacieux dood en d’Artagnan buiten kennis liggen. Hij verscheen juist in dat oogenblik van ontzetting, dat gewoonlijk op groote gebeurtenissen volgt.
„Ik had mij niet bedrogen,” zeide hij; „ziedaar den heer d’Artagnan, en gij zijt zijn drie vrienden, de heeren Athos, Porthos en Aramis.”--Zij, wier namen werden uitgesproken, beschouwden den vreemdeling met verbazing, en alle drie meenden hem te herkennen.
„Mijne heeren!” hernam de nieuw aangekomene, „gij zijt, zooals ik, ter opsporing eener vrouw, die,” voegde hij er met een verschrikkelijken glimlach bij, „hier langs heeft moeten komen; want ik zie een lijk.”--De drie vrienden bleven sprakeloos; de stem zoowel als het aangezicht herinnerden hen iemand, dien zij reeds eenmaal hadden gezien, maar zij konden zich niet te binnen brengen bij welke gelegenheid.--„Mijne heeren!” vervolgde de vreemdeling, „dewijl gij een man niet wilt herkennen, die u waarschijnlijk twee malen het leven is verschuldigd, moet ik mij wel noemen: ik ben lord de Winter, de schoonbroeder van die vrouw.”
De drie vrienden slaakten een kreet van verwondering. Athos stond op en reikte hem de hand.
„Wees welkom, mylord!” zeide hij, „gij zijt een der onzen.”--„Ik heb vijf uren na haar Portsmouth verlaten,” zeide lord de Winter, „ik ben drie uren na haar te Boulogne aangekomen, twintig minuten vóór mij was zij te Saint-Omer; eindelijk verloor ik te Lilliers haar spoor. Ik ging op het toeval af en deed overal navraag, toen ik ulieden in vollen galop voorbij zag draven: ik herkende den heer d’Artagnan, ik riep u, maar gij antwoorddet mij niet; ik volgde u, maar mijn paard was te vermoeid om de uwe bij te blijven; en echter schijnt het, niettegenstaande den spoed, dien gij hebt gemaakt, dat gij nog te laat zijt gekomen.”--„Gij ziet het,” zeide Athos, aan lord de Winter de ontzielde juffrouw Bonacieux en d’Artagnan toonende, welken laatsten Porthos en Aramis tot het leven trachtten terug te brengen.--„Zijn zij dan beiden dood?” vroeg lord de Winter.--„Neen, gelukkig niet,” antwoordde Athos, „d’Artagnan is slechts buiten kennis.”--„O! des te beter,” hernam lord de Winter. En waarlijk, d’Artagnan opende ter zelfder tijd de oogen. Hij rukte zich uit de armen van Porthos en Aramis en wierp zich als een krankzinnige op het lijk zijner minnares.
Athos naderde met langzame en plechtige schreden zijn vriend, omhelsde hem teederlijk, en daar deze in een luid gesnik uitbarstte, sprak hij tot hem met zijn zoo edele en overtuigende stem: „Vriend! wees man, vrouwen beweenen de dooden, mannen wreken ze.”--„O ja,” zeide d’Artagnan, „ja, indien het is om haar te wreken, dan ben ik bereid u te volgen.”
Athos maakte van dit oogenblik van sterkte gebruik, welke de hoop op wraak zijn ongelukkigen vriend schonk, om Porthos en Aramis een wenk te geven, dat zij de abdis zouden roepen. De twee vrienden ontmoetten haar in de gang, nog geheel ontsteld en vol ontzetting door al het gebeurde. Zij riepen eenige nonnen, die, tegen alle kloosterregels, zich nu in tegenwoordigheid van vijf mannen bevonden.
„Mevrouw!” sprak Athos, den arm van d’Artagnan in den zijne nemende, „wij laten aan uw godvruchtige zorg het lijk dier ongelukkige vrouw over. Zij was een engel op aarde, alvorens een engel in den hemel te worden. Behandel haar als een uwer zusters, wij zullen eenmaal terugkomen om op haar graf te bidden.”
D’Artagnan verborg zijn aangezicht op de borst van Athos en barstte in een luid gesnik uit.--„Welnu,” zeide Athos, „ween, hart vol liefde, jeugd en leven! Helaas! hoe gaarne zou ik, evenals gij, mijn tranen willen plengen.”
Alle vijf, door hun knechten gevolgd, de paarden bij den toom leidende, begaven zich naar de stad Béthune, wier voorstad men ontwaarde, en zij hielden stil voor de eerste herberg, waar zij aankwamen.
„Maar,” zeide d’Artagnan, „zullen wij die vrouw niet vervolgen?”--„Later,” zeide Athos; „ik heb vooraf eenige maatregelen te nemen.”--„Zij zal ons ontsnappen,” hernam de jongeling, „zij zal ons ontkomen, Athos! en het zal uw schuld zijn.”--„Ik ben voor haar verantwoordelijk,” zeide Athos.
D’Artagnan stelde in de woorden van zijn vriend zooveel vertrouwen, dat hij met neergebogen hoofd de herberg binnentrad, zonder een woord te spreken. Porthos en Aramis beschouwden elkander, niets van de zekerheid van Athos begrijpende. Lord de Winter meende, dat hij dus sprak, ten einde de smart van d’Artagnan te verdooven.
„Thans, mijne heeren!” zeide Athos, toen hij zich verzekerd had, dat er vijf kamers in de herberg te hunner beschikking waren, „gaan wij elk naar zijn kamer. D’Artagnan heeft behoefte aan eenzaamheid om te weenen en gij om te slapen. Ik belast mij met alles, weest gerust.”--„Ik geloof nochtans, dat, indien er eenige maatregelen ten aanzien der gravin te nemen zijn, dit vooral mijn zaak is,” zeide lord de Winter; „zij is mijn schoonzuster.”--„En de mijne dan,” zeide Athos, „zij is mijn vrouw!”
D’Artagnan ontroerde, want nu begreep hij, dat Athos zeker van zijn wraak was, daar hij een dergelijk geheim openbaarde. Porthos en Aramis zagen elkander aan en verbleekten. Lord de Winter dacht, dat Athos zinneloos was.--„Verwijdert u dus en laat mij begaan; gij ziet wel dat, in mijn hoedanigheid van echtgenoot, de zaak mij aangaat. Maar indien gij het niet hebt verloren, geef mij dan dat papiertje, dat uit den hoed van den man is gevallen, en waarop de naam eener stad staat geschreven.”--„Ha!” zeide d’Artagnan, „nu begrijp ik; die naam door haar hand geschreven....”--„Gij ziet wel,” zeide Athos, „dat er een God in den hemel is.”
HOOFDSTUK XXXIII.
De man met den rooden mantel.
De wanhoop van Athos had plaats gemaakt voor een onderdrukte smart, die nog meer zijn schitterende hoedanigheden deed uitkomen. Aan een enkele gedachte overgegeven, die der belofte, welke hij had gedaan, en der verantwoordelijkheid, welke hij op zich had genomen, begaf hij zich het laatst naar zijn kamer, verzocht den herbergier hem een kaart der provincie te bezorgen, boog er zich over, raadpleegde de daarop getrokken lijnen en bemerkte, dat vier verschillende wegen van Béthune tot Armentières liepen, waarop hij de knechts liet roepen.
Planchet, Grimaud, Mousqueton en Bazijn vertoonden zich en ontvingen de duidelijke, strenge en ernstige bevelen van Athos. Zij moesten den volgenden morgen bij het krieken van den dag vertrekken en zich naar Armentières begeven, elk langs een bijzonderen weg. Planchet, de schranderste van de vier, moest dien weg volgen, welken het rijtuig had genomen, waarop de drie vrienden geschoten hadden, en dat, zooals men zich zal herinneren, voorafgegaan werd door den lakei van Rochefort. Athos zond de lakeien ter ontdekking uit, vooreerst omdat hij, sedert die mannen in zijn dienst en in dienst zijner vrienden waren, in elk hunner verschillende goede hoedanigheden had erkend; vervolgens omdat knechts, die naar iets vragen, den landlieden minder argwaan inboezemen dan de meesters, en meer genegenheid ontmoeten bij degenen, die ze ondervragen. Eindelijk, milady kende de meesters, terwijl zij de knechts niet kende, die integendeel zeer goed milady kenden. Alle vier moesten den volgenden morgen te elf uur op een bepaalde plaats vereenigd zijn: indien zij de schuilplaats van milady mochten hebben ontdekt, dan zouden drie van hen haar bewaken en de vierde naar Béthune terugkeeren, om Athos bericht te brengen en den vrienden tot gids te verstrekken.
Na het nemen dier maatregelen vertrokken de knechts op hun beurt. Toen stond Athos van zijn stoel op, gordde zijn degen om, wikkelde zich in zijn mantel en verliet de herberg; het was tien uur; zooals men weet, zijn op dat uur in de kleine steden de straten bijna zoo goed als uitgestorven. Athos intusschen was het duidelijk aan te zien, dat hij iemand zocht tot wien hij een vraag kon richten. Eindelijk ontmoette hij iemand, die laat naar huis keerde, hij naderde dezen en sprak tot hem eenige woorden; maar de man, tot wien hij zich gewend had, deinsde ontsteld achteruit; echter beantwoordde hij de vraag van den musketier door hem iets aan te wijzen. Athos bood dien man een halve pistool aan, zoo deze hem wilde vergezellen, doch de man weigerde. Athos trad de straat in, welke hem met den vinger was aangeduid; maar aan zeker plein gekomen, bleef hij opnieuw, blijkbaar in verlegenheid, staan. Daar intusschen niets hem beter kans gaf van iemand te ontmoeten dan dat plein, bleef hij wachten. En waarlijk, na een kort oogenblik kwam hem een nachtwacht voorbij. Athos deed hem dezelfde vraag, welke hij reeds den eersten persoon had gedaan, dien hij ontmoet had. De nachtwacht liet dezelfde ontsteltenis blijken, weigerde ook hem te vergezellen en wees hem met de hand den weg, dien hij moest volgen. Athos ging in de aangewezen richting voort en bereikte de voorstad, aan de tegenovergestelde zijde gelegen van die, door welke hij en zijn vrienden de stad waren binnengekomen. Daar gekomen scheen hij wederom verlegen en onzeker en bleef voor de derde maal staan.
Gelukkig kwam een bedelaar daar langs, die Athos naderde om hem een aalmoes te vragen. Athos bood hem een kroon, zoo hij hem wilde brengen waar hij moest zijn. De bedelaar aarzelde een oogenblik; doch het goudstuk ziende, dat in de duisternis blonk, ging hij er toe over en trad Athos vooruit. Aan den hoek eener straat gekomen, toonde hij hem in de verte een eenzaam, afgezonderd, treurig huis. Athos naderde het, terwijl de bedelaar, die zijn loon had ontvangen, zoo hard hij loopen kon zich er van verwijderde.
Athos ging het huis rond alvorens de deur te bespeuren, die door de roode kleur, waarmede het huis was geverfd, bijna onzichtbaar was. Geen enkele lichtstraal blonk door de reten der vensterluiken, niet een enkel gerucht gaf blijk, dat het werd bewoond; donker en stil was het er als in een graf. Drie malen klopte Athos, zonder dat men hem antwoordde. Op den derden slag naderden eindelijk voetstappen; de deur werd een weinig geopend en een man van een groote gestalte, met bleeke kleur, zwarten baard en hoofdhaar, verscheen. Athos en hij wisselden eenige woorden in stilte met elkander, waarop de man des huizes den musketier een teeken gaf, dat hij kon binnenkomen. Athos maakte zonder verwijl van het verlof gebruik, en de deur viel achter hem dicht.
De man, dien Athos van zoo verre was komen zoeken en met zooveel moeite had gevonden, liet hem een werkplaats binnengaan, waar hij bezig was met ijzerdraad de rammelende knoken van een geraamte samen te hechten. Geheel het rif was reeds in elkander gezet, alleen het hoofd stond nog op een tafel. Het overige van het huisraad duidde aan, dat hij, bij wien hij zich bevond, de natuurkunde beoefende; men zag er glazen flesschen met slangen, welke alle naar volgorde in klassen gerangschikt waren; gedroogde hagedissen blonken als smaragden in groote, zwart houten ramen. Voorts hingen aan de zoldering, in de hoeken van het vertrek, bossen met wilde, welriekende kruiden, die zeker een voor het meerendeel der menschen onbekende hoedanigheid bezaten. Overigens geen huisgezin, geen knechts; de man van de lange gestalte bewoonde alleen het huis.
Athos wierp een koelen, onverschilligen blik op al de voornoemde voorwerpen, en op uitnoodiging van hem, dien hij bezocht, zette hij zich voor dezen neder. Toen verklaarde hij hem de oorzaak van zijn bezoek, en den dienst om welken hij hem verzocht; doch nauwelijks had hij zijn verzoek gedaan, of de vreemdeling, die voor den musketier overeind was blijven staan, deinsde vol ontzetting achteruit en weigerde. Daarop haalde Athos uit zijn zak een klein papier te voorschijn, waarop eenige regels stonden geschreven, en hetwelk met een zegel was voorzien, en vertoonde het dengene, die te voorbarig die teekenen van afkeer had gegeven. De lange man had nauwelijks de paar regels gelezen, de handteekening gezien en het zegel herkend, of hij boog zich, ten teeken dat hij niet de minste tegenwerping meer te maken had en hij gereed was te gehoorzamen. Athos begeerde niets meer; hij stond op, verliet het huis, ging denzelfden weg, dien hij gekomen was, trad de herberg binnen en sloot zich in zijn kamer op.
Toen de dag aanbrak, trad d’Artagnan bij hem binnen en vroeg, wat er gedaan moest worden.--„Wachten,” antwoordde Athos.
Eenige oogenblikken daarna liet de abdis van het klooster de musketiers berichten, dat de begrafenis van milady’s slachtoffer op den middag zou plaats hebben. Van de giftmengster had men niets meer vernomen. Alleen bleek het, dat zij langs den tuin was ontvlucht, daar men op het zand haar voetstappen had herkend, terwijl men de deur gesloten vond; de sleutel was nergens te vinden.
Op het bepaalde uur begaven lord de Winter en de vier vrienden zich naar het klooster; het klokgelui kondigde de treurige plechtigheid aan, de kapel was reeds geopend, alleen het ijzeren hek van het klooster was gesloten. In het midden van het koor was het lijk van het slachtoffer in haar nonnengewaad ten toon gesteld. Aan beide zijden van het koor en achter de hekken, die den toegang tot het klooster verleenden, waren al de nonnen vereenigd, die dáár den heiligen dienst hoorden en haar gezangen aan het gezang der priesters paarden, zonder de ongewijden te zien of door hen gezien te worden. Voor de deur der kapel voelde d’Artagnan zich opnieuw den moed ontzinken; hij wendde zich om Athos te zoeken, doch Athos was verdwenen.
Zich geheel overgevende aan den last, op zich genomen om de wraak te volvoeren, had Athos zich naar den tuin doen brengen, en daar op het zand de zwakke indruksels volgende der vrouw, die overal waar zij haar schreden zette een bloedig spoor achterliet, bereikte hij de deur, die in het bosch uitkwam, liet ze openen en drong het hout in. Toen werd al zijn twijfel opgeheven: de weg, langs welken het rijtuig was verdwenen, liep om het woud. Athos volgde dien weg, de oogen op den grond gevestigd houdende; eenige kleine bloedvlekken, die van een verwonding voortkwamen, hetzij den man die het rijtuig als koetsier vergezelde of een der paarden toegebracht, spikkelden den weg. Na ongeveer drie kwartier te zijn voortgegaan, op vijftig schreden van Festubert, bespeurde hij een grootere bloedvlek, en de grond was door paarden ingetrapt. Tusschen het woud en deze plek herkende hij dezelfde kleine voetindruksels als die van den tuin; het rijtuig had hier stilgehouden. Hier was milady uit het bosch gekomen en in het rijtuig geklommen. Voldaan over deze ontdekking, die al zijn vermoedens bevestigde, keerde Athos naar de herberg terug en vond daar Planchet, die hem met ongeduld wachtte.
Alles had zich toegedragen, zooals Athos had voorzien. Planchet had, denzelfden weg afleggende als Athos, de bloedvlekken bespeurd en ook de plaats opgemerkt, waar de paarden hadden stilgestaan; doch hij was verder gegaan dan Athos, zoodat hij in de herberg van Festubert, terwijl hij daar iets dronk, hoorde, zonder noodig te hebben gehad eenige vragen te doen, dat den vorigen dag te half negen des avonds een gewond man, die een in een chais reizende dame vergezelde, genoodzaakt was geweest, wijl hij niet verder kon gaan, zich daar op te houden. Het ongeval was op rekening der dieven gesteld, die de chais in het bosch zouden hebben aangerand. De man was in het dorp gebleven, de vrouw had van paarden verwisseld en haar reis vervolgd. Planchet deed onderzoek naar den postiljon, die de chais had gereden, en vond hem. Hij had de dame tot aan Fromelles gebracht, en van Fromelles was zij naar Armentières vertrokken. Dáár was slechts een herberg, tevens het posthuis. Planchet begaf zich derwaarts als een buiten dienst zijnde lakei, die een plaats zoekt. Hij had nauwelijks tien minuten met de lieden der herberg gesproken, of hij wist reeds, dat een vrouw alleen des avonds te elf uur was aangekomen, een kamer had genomen, den herbergier had doen komen en dezen gezegd had, dat zij eenigen tijd in de omstreken wilde blijven. Planchet had niet noodig iets meer te weten. Hij begaf zich naar de afgesproken plaats, vond de lakeien nauwkeurig op hun post, nam ze mede, plaatste hen als schildwachten voor al de uitgangen van het hotel en keerde toen naar Athos terug, die juist met het aanhooren der berichten van Planchet eindigde, toen zijn vrienden binnenkwamen. De aangezichten van allen waren betrokken, zelfs het zachte gelaat van Aramis.
„Wat moet er gedaan worden?” vroeg d’Artagnan.--„Wachten,” antwoordde Athos.
Iedereen keerde naar zijn kamer terug. Tegen acht uur des avonds gaf Athos bevel de paarden te zadelen en lord de Winter en zijn vrienden te waarschuwen, dat zij zich tot den tocht moesten gereed maken. In een oogenblik waren alle vijf gereed. Elk voor zich onderzocht zijn wapens en bracht ze in orde. Athos kwam het laatst en vond d’Artagnan reeds te paard, ongeduldig het oogenblik des vertreks verbeidende.--„Geduld,” zeide Athos, „er ontbreekt ons nog iemand.”
De vier ruiters zagen verwonderd rondom zich, want zij trachtten vruchteloos te raden, wie degene was, die nog verwacht werd. Nu bracht Planchet het paard van Athos voor. De musketier sprong luchtig in den zadel.--„Wacht nu, ik kom terug,” zeide hij, en hij verwijderde zich in galop.
Een kwartier later kwam hij, vergezeld van een gemaskerden, in een rooden mantel gehulden man terug. Lord de Winter en de drie musketiers wisselden met elkander vragende blikken; maar geen hunner kon den anderen eenige verklaring geven, want aan allen was het onbekend, wie die man was. Intusschen twijfelden zij er niet aan, dat het dus moest wezen, dewijl het op bevel van Athos was geschied. Te negen uur ving de kleine ruiterbende den tocht aan, door Planchet voorgegaan en den weg inslaande, welken het rijtuig had gevolgd. Het was een treurige vertooning, die zes mannen te zien, in diepe stilte voortschrijdende, elk in zijn eigen gedachten verzonken, zwijgend als de wanhoop, vreeselijk als de kastijding.
HOOFDSTUK XXXIV.
Het vonnis.
De nacht was stormachtig en stikdonker, zware wolken doorkliefden het zwerk, het licht der sterren omnevelende; de maan ging niet eer dan te middernacht op.--Bijwijlen zag men bij het licht der bliksemstralen, die aan de kimmen schitterden, den weg wit en eenzaam voor zich heen kronkelen, vervolgens, nadat het bliksemvuur was uitgedoofd, keerde alles in de duisternis terug. Onophoudelijk riep Athos d’Artagnan, die steeds vooruit was, in het gelid der kleine bende terug en dwong hem op zijn plaats te blijven, die hij echter een oogenblik daarna weder verliet.... slechts een gedachte, die van vooruit te komen, bezielde hem en hij was steeds voor.
Men reed in stilte het dorpje Festubert door, waar de gewonde knecht was gebleven; vervolgens ging men langs het dorp Richebourg. Te Herlier gekomen, sloeg Planchet, die den troep tot gids verstrekte, links om.--Menigmaal had lord de Winter, Porthos of Aramis beproefd een gesprek met den man met den rooden mantel aan te knoopen, maar op elke vraag, die men hem deed, boog hij zich, zonder te antwoorden. De reizigers begrepen hieruit, dat er eenige reden bestond, die den onbekende tot zwijgen noopte, en zij hielden op met hem toe te spreken.
Intusschen breidde zich het onweer uit, de bliksems volgden elkander snel, de donder begon te rollen, en de wind, voorlooper van een orkaan, floot door de pluimen en het hoofdhaar der ruiters. De bende zette zich in vollen draf. Een weinig voorbij Fromelles barstte de storm los. Men sloeg de mantels om. Nog drie uur moesten er worden afgelegd, gedurende welke de regen stroomsgewijze nederviel.
D’Artagnan had zijn hoed afgezet en zijn mantel niet omgeslagen, want hij vond er vermaak in het water langs zijn gloeiend voorhoofd en zijn van koortsachtige rillingen bevend lichaam te laten druipen. Op het oogenblik, dat de kleine troep Goskal voorbij was en het posthuis zou bereiken, maakte een man, die onder een boom een schuilplaats had gezocht, zich als van den stam los, met welken hij in de duisternis slechts een geheel scheen te vormen, en naderde tot op het midden van den weg, den vinger op den mond leggende. Athos herkende Grimaud.
„Wat is er?” riep d’Artagnan, „zou zij Armentières verlaten hebben?”--Grimaud maakte met het hoofd een bevestigend gebaar. D’Artagnan knarsetandde van woede.
„Stil, d’Artagnan!” zeide Athos, „ik ben het, die zich met alles heeft belast, mij behoort het dus Grimaud te ondervragen. Waar is zij?” vroeg Athos.--Grimaud strekte de hand uit in de richting van de Lys.--„Ver van hier?” vroeg Athos.--Grimaud vertoonde aan zijn meester zijn gebogen wijsvinger.--„Alleen?” vroeg Athos.--Grimaud knikte van ja.--„Mijne heeren!” zeide Athos, „zij is op een half uur afstands van hier, in de richting der rivier.”--„Het is wel,” zeide d’Artagnan. „Geleid ons, Grimaud!”
Grimaud ging het land over en strekte den troep tot wegwijzer. Op ongeveer vijfhonderd schreden verder kwam men bij een beek, die men doorwaadde. Bij het schijnsel van een weerlicht zag men het dorpje Esquinhem voor zich.
„Is het daar?” vroeg d’Artagnan.--Grimaud schudde ontkennend het hoofd.--„Stil toch!” zeide Athos. En de troep vervolgde zijn weg.
Een nieuwe bliksemstraal schitterde; Grimaud strekte den arm uit, en bij het blauwachtige licht van den vuurslag onderscheidde men een klein alleenstaand huisje, aan den oever der rivier, op honderd schreden afstands van een overzetpont. Een venster was verlicht.
„Wij zijn er,” zeide Athos.--Op dat oogenblik richtte zich een man uit een sloot overeind, het was Mousqueton. Hij wees met den vinger het verlichte venster aan.--„Daar is zij,” zeide hij.--„En Bazijn?” vroeg Athos.--„Terwijl ik het venster bewaakte, bewaakte hij de deur.”--„Goed,” zeide Athos, „gij zijt allen trouwe dienaars.”
Athos sprong van zijn paard, de teugels aan Grimaud gevende, en naderde toen het venster, na aan de overigen van den troep een teeken te hebben gegeven, zich naar de zijde der deur te begeven. Het kleine huisje was omringd door een bloeiende heg van twee of drie voet hoog. Athos sprong de heg over, bereikte het venster, dat door geen luiken gesloten was, maar waarvoor de ondergordijnen zorgvuldig dicht geschoven waren. Hij klom op den steenen rand van het venster, ten einde over het gordijn te kunnen zien. Bij het schijnsel eener lamp zag hij een in een donkerkleurigen mantel gehulde vrouw bij een uitgaand vuur op een bankje zittende. Zij leunde met haar ellebogen op een ellendige tafel en liet haar hoofd in beide ivoorwitte handen rusten. Men kon haar gezicht niet zien, echter zweefde een onheilspellende glimlach op de lippen van Athos. Er was geen twijfel meer. Zij was het wel, die hij zocht.
Op dat oogenblik hinnikte een paard. Milady richtte het hoofd op, zag het bleeke gelaat van Athos tegen de glazen gedrukt en slaakte een gil.
Athos, begrijpende dat hij herkend was, stiet met zijn knie en hand het venster open en de glasruiten stuk, en als het beeld der wraak sprong hij in de kamer. Milady snelde naar de deur en opende die. Doch nog bleeker, nog dreigender dan Athos stond d’Artagnan er voor. Milady deinsde gillende achteruit; d’Artagnan, in de meening dat haar eenig middel ter ontvluchting overbleef, en vreezende dat zij hem mocht ontsnappen, haalde een pistool uit zijn gordel. Maar Athos verhief de hand en zeide:
„Berg dat wapen, d’Artagnan! deze vrouw moet geoordeeld en niet vermoord worden.... Wacht nog een oogenblik, en gij zult voldaan zijn. Treedt binnen, heeren!”
D’Artagnan gehoorzaamde, want Athos met zijn plechtige stem en gebiedenden blik scheen een afgezant des hemels te zijn. Achter d’Artagnan traden Porthos, Aramis, lord de Winter en de man met den rooden mantel binnen. De vier knechts bewaakten het venster en de deur. Milady was op haar bankje neergevallen en strekte de handen uit, als om deze vreeselijke verschijning te bezweren. Haar schoonbroeder ziende, slaakte zij een akeligen gil.
„Wat wilt gij?” riep milady.--„Wij willen,” zeide Athos, „Anna de Breuil, die zich daarvoor heeft genoemd: gravin de la Fère, vervolgens lady de Winter, baronesse de Sheffield....”
„Dat ben ik,” stamelde zij, met stijgende verwondering. „Wat wilt gij?”--„Wij willen u oordeelen naar uw misdaden,” zeide Athos; „gij hebt het recht u te verdedigen; rechtvaardig u, zoo gij kunt. Mijnheer d’Artagnan! gij zijt het, die het eerst als beschuldiger zult optreden.”
D’Artagnan trad naar voren.--„Voor God en voor de menschen,” zeide hij, „beschuldig ik die vrouw, Constance Bonacieux, die gisteren avond is overleden, te hebben vergiftigd.”--Hij wendde zich tot Porthos en Aramis.--„Wij bevestigen het,” zeiden eenparig beide musketiers. D’Artagnan vervolgde:
„Voor God en voor de menschen beschuldig ik die vrouw, mij zelven te hebben willen vergiftigen door wijn, dien zij mij van Villeroy had gezonden met een valschen brief, alsof die wijn van mijn vrienden kwam. God heeft mij gered, doch een man, Brisemont genaamd, is in mijn plaats gestorven.”--„Wij bevestigen,” zeiden wederom tegelijkertijd Porthos en Aramis.
„Voor God en voor de menschen,” ging d’Artagnan opnieuw voort, „beschuldig ik die vrouw, mij tot het vermoorden van den graaf de Wardes te hebben aangezet, en daar er niemand is, om de waarheid van deze beschuldiging te bevestigen, bevestig ik die. Ik heb gezegd.”--En d’Artagnan begaf zich met Porthos en Aramis naar de andere zijde der kamer.
„Aan u, mylord,” zeide Athos.
De baron naderde nu op zijn beurt.--„Voor God en voor de menschen,” zeide hij, „beschuldig ik die vrouw, den hertog van Buckingham te hebben doen vermoorden.”--„De hertog van Buckingham vermoord!” riepen uit een mond al de omstanders.--„Ja,” zeide de baron, „vermoord! Volgens het bericht, in uw aan mij geschreven brief vervat, had ik deze vrouw laten aanhouden en haar in bewaring aan een trouwen dienaar gegeven; zij heeft hem den dolk in handen gesteld en hem den hertog doen vermoorden; misschien boet Felton reeds op dit oogenblik met zijn hoofd de misdaad dezer helsche furie.”
Een siddering doorliep de rechters bij de openbaring dezer nog onbekende misdaden.
„Dat is niet alles,” hernam lord de Winter, „mijn broeder, die u tot zijn erfgenaam had gemaakt, is binnen den tijd van drie uur aan een ziekte gestorven, welke op het gansche lichaam zwarte vlekken achterliet. Waaraan is mijn broeder gestorven, zuster?”--„Afgrijselijk!” riepen Porthos en Aramis.
„Moordenaresse van Buckingham! moordenaresse van Felton! moordenaresse mijns broeders! ik eisch wraak tegen u en verklaar dat, indien men mij die niet geeft, ik die zal nemen!”--En lord de Winter rangschikte zich naast d’Artagnan, de plaats inruimende voor een anderen beschuldiger. Milady liet het hoofd in haar beide handen zinken en trachtte haar door een doodelijke benauwdheid verwarde denkbeelden te verzamelen.
„Op mijn beurt,” zeide Athos bevende, gelijk de leeuw bij het zien van een slang. „Ik huwde die jonge vrouw, toen zij nog meisje was; ik huwde haar, tegen den wil van mijn geheele familie, ik schonk haar mijn bezittingen, mijn naam; doch op zekeren dag bespeurde ik, dat die vrouw gebrandmerkt was; op haar linkerschouder stond een lelie ingedrukt.”--„O!” zeide milady opstaande, „ik tart u de rechtbank aan te wijzen, die over mij die onteerende straf heeft uitgesproken; ik tart u hem te vinden, die dezelve heeft uitgevoerd.”
„Stil!” sprak een stem. „Aan mij behoort het, hierop te antwoorden.”--En de man met den rooden mantel naderde op zijn beurt.--„Wie is die man? wie is die man?” riep milady, van angst stikkende, en met losrakende haren, die door ontzetting op haar lijkkleurig hoofd te berge rezen, als leefden ze.--Aller oogen vestigden zich op dien man, want voor allen, behalve voor Athos, was hij onbekend. Maar ook Athos beschouwde hem met evenveel verbazing als de anderen, want hij wist niet, op welke wijze hij betrokken was in dat vreeselijke drama, dat thans de ontknooping naderde.
Na milady met langzame, plechtige schreden genaderd te zijn, derwijze, dat alleen de tafel hem van haar scheidde, nam de onbekende zijn masker af. Milady beschouwde eenige oogenblikken met klimmenden angst dat bleeke gelaat, omringd van zwart hoofdhaar en zwarten baard, en welks eenige uitdrukking een ijskoude onbeweeglijkheid vertoonde; vervolgens tot tegen den muur achteruit deinzende, riep zij eensklaps: „O! neen, neen! dat is een helsche verschijning! hij is het niet. Red mij! red mij!” riep zij met een holle stem, zich tegen den muur dringende, alsof zij met haar handen zich daar door een doorgang had willen banen.--„Maar wie zijt gij toch?” riepen al de getuigen van dit tooneel.--„Vraagt het aan die vrouw,” antwoordde de roodmantel, „want gij ziet wel, dat zij mij heeft herkend.”
„De beul van Rijssel! de beul van Rijssel!” riep milady, ten prooi aan een krankzinnige vrees, zich met haar handen aan den muur vasthoudende om niet te vallen.--Allen weken ter zijde, en de man met den rooden mantel bleef alleen in het midden der kamer staan.--„Ach, genade! vergiffenis!” riep de rampzalige, op de knieën vallende.--De onbekende wachtte, totdat er stilte heerschte.--„Ik zeide het u wel, dat zij mij herkend had,” hernam hij. „Ja, ik ben de scherprechter der stad Rijssel, en ziehier mijn verhaal.”--Aller oogen waren op dezen man gevestigd, naar wiens woorden men met een angstige spanning wachtte.
„Die jonge vrouw was vroeger, toen zij nog meisje was, even schoon als thans. Zij was non in het Benedictijner-klooster te Templemar. Een jong priester, met een eenvoudig en geloovig hart, bediende de kerk van dat klooster; zij ondernam hem te verleiden, en het gelukte haar. Zij zou een heilige hebben verleid. Beider geloften waren heilig, onherroepelijk, en hun gemeenschap kon van geen langen duur zijn, zonder beiden in het verderf te storten. Zij haalde hem over om het land te verlaten, om samen te vluchten, om een ander gedeelte van Frankrijk te bereiken, waar zij gerust konden wonen, omdat zij daar onbekend zouden zijn; hiertoe was geld noodig, en de een noch de ander had het. De priester stal de gewijde vazen, verkocht ze, doch op het oogenblik van hun vertrek werden beiden in hechtenis genomen. Acht dagen later had zij den zoon des cipiers verleid en was gevlucht. De jonge priester werd tot tien jaren dwangarbeid en het brandmerk veroordeeld. Ik was de scherprechter der stad Rijssel, zooals gij van die vrouw hebt gehoord. Ik was verplicht den schuldige te brandmerken, en de schuldige, mijne heeren! was mijn broeder.... Ik zwoer toen, dat de vrouw, die hem ten verderve had gebracht, die meer was dan zijn medeplichtige, daar zij hem tot de misdaad had aangezet, ten minste zijn straf zou deelen. Ik was ten halve zeker van de plaats, waar zij zich verborgen hield; ik begaf mij op weg om haar te zoeken, vond haar, knevelde haar en drukte haar hetzelfde schandmerk op den rug als mijn broeder. Den dag na mijn terugkomst te Rijssel gelukte het mijn broeder op zijn beurt te ontvluchten; men beschuldigde mij van medeplichtigheid, en men veroordeelde mij zoolang in zijn plaats gevangen te blijven, totdat hij zich zou komen gevangen geven.... Mijn arme broeder wist niets van dat vonnis en had zich wederom met de vrouw vereenigd, met welke hij naar Berry vluchtte, waar hij een kleine pastorie verkreeg. Die vrouw gaf zich voor zijn zuster uit. De heer van het landgoed, waar de kerk des pastoors was gelegen, zag die vermeende zuster en werd op haar verliefd, en derwijze verliefd, dat hij haar ten huwelijk vroeg. Toen verliet zij dengene, dien zij in het verderf had gestort, voor hem, dien zij er nog in moest storten, en zij werd gravin de la Fère.”
Allen richtten hun blik op Athos, wiens ware naam het was, en die door een hoofdknik te kennen gaf, dat al hetgeen de scherprechter zeide waar was.
„Toen,” hernam hij, „zinneloos, wanhopig, besloten zich van een leven te berooven, dat zij van alles, van eer en geluk had beroofd, keerde mijn ongelukkige broeder naar Rijssel terug, en daar het vonnis vernemende, dat mij in zijn plaats strafte, gaf hij zich gevangen en hing zich dienzelfden avond aan de tralies van zijn kerker op. Trouwens ik ben hun recht verschuldigd, zij, die mij veroordeeld hadden, hielden hun woord. Nauwelijks was de echtheid van het lijk bewezen, of men gaf mij mijn vrijheid weder.... Ziedaar de misdaad, waarvan ik haar beschuldig, ziedaar de reden, waarom ik haar heb gebrandmerkt.”
„Mijnheer d’Artagnan!” vroeg Athos, „welke straf eischt gij tegen die vrouw?”--„De doodstraf,” antwoordde d’Artagnan.
„Mylord de Winter!” vervolgde Athos, „welke straf eischt gij tegen die vrouw?”--„De doodstraf,” antwoordde lord de Winter.
„Mijne heeren Porthos en Aramis!” zeide Athos, „gij, die haar rechters zijt, welk is het vonnis, dat gij over die vrouw zult uitspreken?”--„Het doodvonnis,” antwoordden met gesmoorde stem de twee musketiers.
Milady gilde op een vreeselijke wijze en naderde eenige schreden haar rechters, op haar knieën kruipende. Athos strekte de hand naar haar uit.--„Anna de Breuil! gravin de la Fère! milady de Winter!” zeide hij, „uw misdaden hebben het geduld der menschen op aarde en dat van God in den Hemel ten einde gebracht. Indien gij het een of ander gebed kent, zeg het dan, want gij zijt veroordeeld en gij zult sterven.”
Op die woorden, die niet de minste hoop overlieten, stond milady overeind en wilde spreken; maar zij kon geen geluid voortbrengen. Zij voelde, dat een machtige en onverzoenlijke hand haar als ware het bij het hoofdhaar greep, en haar even onweerstaanbaar voortsleepte, als het noodlot den mensch; zij trachtte dan ook niet den minsten weerstand te beproeven en verliet op een daartoe door Athos gegeven teeken de hut.
Lord de Winter, d’Artagnan, Athos, Porthos en Aramis traden achter haar voort; de knechts volgden hun meesters, en de kamer bleef eenzaam, met haar ingetrapt venster, haar opene deur en de walmende lamp, die treurig op de tafel brandde.
HOOFDSTUK XXXV.
De doodstraf.
Het was omstreeks middernacht; de maan, door haar afneming als uitgesneden en bloedkleurig door de laatste sporen van den storm, ging op achter de kleine stad Armentières en verlichtte van uit de grauwe lucht den donkeren omtrek harer huizen en het geraamte van haar hoogen als kant bewerkten toren; op den voorgrond stroomde de Lys, als een rivier van gesmolten tin, terwijl aan de overzijde de zwarte boomen van een bosch donker afstaken tegen een stormachtige lucht, die bedekt was door groote koperkleurige wolken, welke te middernacht een soort van daglicht verspreidden. Aan de linkerzijde verhief zich een oude verlaten molen met stilstaande wieken, in welks bouwvallen een uil zijn scherp, afgemeten en eentonig gekras deed hooren. Hier en daar op de vlakte, rechts van den weg, dien de akelige stoet volgde, zag men eenige kleine, lage boomen, als neergehurkte, misvormde dwergen, die op dat noodlottig uur den voorbijganger schenen te willen aanvallen. Bijwijlen opende een breede bliksemstraal den gezichteinder van het eene einde tot het andere, kronkelde zich boven de donkere boomengroep en kwam dan als een vreeselijk slagzwaard de lucht en het water in twee gelijke deelen houwen. Geen enkel zuchtje van den wind deed zich in den loodzwaren dampkring voelen, een doodsche stilte drukte de geheele natuur, de grond was nat en glibberig door den regen, die gevallen was, en de verfrischte planten deden haar balsemgeuren met meer kracht omhoog stijgen. Twee knechts sleepten milady voort, haar elk bij een arm vasthoudende. De scherprechter volgde hen. Lord de Winter, d’Artagnan, Porthos en Aramis gingen achter den scherprechter. Planchet en Bazijn sloten den somberen stoet.
De twee knechts geleidden milady naar den kant der rivier; haar mond was stom, maar haar blikken spraken met een onbeschrijfelijke welsprekendheid, beurtelings hem smeekende, dien zij aanzag.--Daar zij eenige schreden vooruitgingen, zeide zij tot de knechts: „Voor elk uwer duizend pistolen, indien gij mij helpt ontvluchten, terwijl, indien gij mij aan uw meesters overlevert, hier in de nabijheid wrekers zijn, die u mijn dood zwaar zullen doen boeten.”
Grimaud aarzelde, Mousqueton beefde door al zijn leden.--Athos, die milady’s stem had gehoord, naderde haastig: lord de Winter deed evenzoo.--„Verwijder die knechts,” zeide Athos, „zij heeft hen aangesproken; zij zijn niet meer te vertrouwen.”--Men riep Planchet en Bazijn, die de plaats van Grimaud en Mousqueton innamen.
Aan den oever der rivier gekomen, naderde de scherprechter milady en bond haar handen en voeten.
Toen verbrak zij de stilte en riep uit: „Gij zijt lafaards, ellendige moordenaars! gij, ten getale van tien vereenigd, om een vrouw het leven te benemen; weest verzekerd, indien men mij niet te hulp komt, zal ik gewroken worden.”--„Gij zijt geen vrouw,” zeide Athos koel, „gij behoort niet tot het menschelijk geslacht; gij zijt een duivel, uit de hel losgebroken, doch die wij er in zullen doen terugkeeren....”--„O, heeren, deugdzame mannen!” zeide milady, „weest indachtig dat hij, die één haar van mijn hoofd zal krenken, ook een moordenaar is.”--„De beul kan ter dood brengen zonder daarom een moordenaar te zijn, mevrouw!” zeide de man met den rooden mantel, terwijl hij op zijn breed zwaard sloeg. „Hij is de laatste rechter, niets anders, de Nachrichter, zooals onze naburen de Duitschers zeggen.”--En terwijl hij haar onder het uitspreken dier woorden bond, slaakte milady een paar woeste kreten, die in de duisternis en in de diepte des wouds smoorden en een akelige en zonderlinge uitwerking hadden.
„Maar indien ik schuldig ben, indien ik de misdaden heb bedreven, waarvan gij mij beschuldigt,” brulde milady, „brengt mij dan voor een rechtbank; gij zijt geen rechters om mij te kunnen veroordeelen!”--„Ik heb u Tyburn voorgeslagen,” zeide lord de Winter, „waarom wildet gij niet?”--„Omdat ik niet wil sterven!” riep milady al worstelende, „omdat ik te jong ben om te sterven!”--„De vrouw, die gij te Béthune hebt vergiftigd, was nog jonger dan gij, mevrouw! en toch is zij gestorven,” zeide d’Artagnan.--„Ik zal in een klooster gaan, ik zal non worden,” zeide milady.--„Gij waart in een klooster,” hernam de scherprechter, „en gij hebt het verlaten om mijn broeder in het verderf te storten.”--Milady slaakte een angstkreet en viel op de knieën. De scherprechter richtte haar bij de armen op en wilde haar in de boot dragen.--„Ach! mijn God!” riep zij, „wilt gij mij dan verdrinken?”
Die kreten hadden iets zoo hartverscheurends, dat d’Artagnan, die aanvankelijk de meest verwoede was geweest ter vervolging van milady, op een afgeknotten boomstam neerzeeg en, zijn hoofd neerbuigende, zich de ooren met de palmen van de hand stopte, hetgeen echter niet belette, dat hij haar nog gestadig hoorde dreigen en kermen. D’Artagnan was de jongste van allen, het hart brak hem.--„Ach! ik kan niet langer dat afschuwelijk schouwspel aanzien,” zeide hij; „ik kan er niet in toestemmen, dat die vrouw op die wijze het leven verliest.”
Milady had deze weinige woorden gehoord en haar verscheen weer een straal van hoop.--„D’Artagnan! d’Artagnan!” riep zij, „herinner u, dat ik u eenmaal heb bemind!”--De jongeling stond op en naderde haar een paar schreden. Doch Athos kwam hem tegemoet, trok zijn degen en stelde zich in zijn weg.--„Indien gij nog één schrede nadert, d’Artagnan!” zeide hij, „kruisen wij onze degens.”
D’Artagnan viel op de knieën en bad.--„Komaan!” vervolgde Athos, „scherprechter! doe uw plicht!”--„Gaarne, uwe edelheid!” zeide de scherprechter; „want zoo waar ik een goed katholiek ben, geloof ik rechtvaardig te handelen door het vervullen van mijn ambt jegens die vrouw.”--„Het is wel!”
Athos naderde nu milady.--„Ik vergeef u,” zeide hij, „al het kwaad, dat gij mij hebt berokkend. Ik vergeef u mijn verwoest geluk, mijn verlorene eer, mijn bevlekte liefde en mijn, door de wanhoop waartoe gij mij gebracht hebt, voor immer bedreigde zaligheid. Sterf in vrede!”
Lord de Winter naderde nu ook op zijn beurt.--„Ik vergeef u,” sprak hij, „de vergiftiging mijns broeders, den moord van Zijne Genade den hertog van Buckingham. Ik vergeef u den dood van den armen Felton. Ik vergeef u uw moorddadige pogingen op mijn persoon. Sterf in vrede!”
„En ik,” zeide d’Artagnan, „ik vraag u vergiffenis, mevrouw! van uw toorn op mij te hebben geladen door een edelman onwaardig bedrog, en daarvoor vergeef ik u den moord mijner rampzalige vriendin en uw wreedaardige wraak op mij. Ik vergeef en beween u. Sterf in vrede!”
„I am lost! I must die!” (ik ben verloren, ik moet sterven!) mompelde milady in het Engelsch. Toen richtte zij zich overeind, wierp een dier heldere blikken, welke uit een oog van vuur schijnen te komen, in het rond, maar zij zag niets.... Zij luisterde, maar zij hoorde niets. Zij werd door niemand dan door vijanden omringd.--„Waar moet ik sterven?” vroeg zij.
„Op den anderen oever,” antwoordde de scherprechter. Daarop deed hij haar in de boot gaan, en terwijl hij den voet er in zette om haar te volgen, stelde Athos hem eenig geld ter hand.--„Ziedaar,” zeide hij, „het loon voor de strafoefening; dat men wel zie, dat wij als rechters handelen.”--„Goed!” zeide de scherprechter, „en dat nu ook die vrouw wete, dat ik niet alleen mijn ambt, maar ook mijn plicht vervul.”--En hij wierp het geld in het water.--„Zie,” zeide Athos, „die vrouw heeft een kind, en zij heeft niet één enkel woord over dat kind gezegd.”
De boot verwijderde zich naar den linkeroever der Lys, de schuldige en den scherprechter met zich voerende. Al de overigen bleven op den rechteroever, waar zij op de knieën waren gevallen. De boot gleed langzaam langs het koord der pont, overschaduwd door een bleeke wolk, die op dat oogenblik boven het water hing. Men zag ze aan den overkant aanlanden; de gestalten staken donker op de roodachtige kimmen af. Het was milady gelukt gedurende den overtocht het koord los te maken, dat haar voeten vasthield; nu aan den oever gekomen, sprong zij vlug aan den kant en nam de vlucht. Maar de grond was nat: boven aan de afhelling gekomen, gleed zij uit en viel op de knieën. Een bijgeloovig denkbeeld trof haar ongetwijfeld, want zij meende, dat de Hemel haar zijn hulp weigerde en zij bleef in de houding, waarin zij zich bevond, het hoofd neergebogen en met gevouwen handen. Toen zag men van den anderen oever den scherprechter langzaam zijn beide armen opheffen, een straal der maan scheen op de kling van zijn breed slagzwaard en de armen zonken neder; men hoorde het fluiten van het zwaard en den kreet van het slachtoffer: vervolgens viel een verminkte klomp onder den slag. Daarna nam de scherprechter zijn rooden mantel van zijn schouders, spreidde hem op den grond uit, legde het lichaam er op, wierp het hoofd er bij, knoopte hem bij de vier hoeken, laadde hem op zijn schouders en keerde in de boot terug. In het midden der Lys gekomen, liet hij de boot stil liggen, en zijn last boven de rivier houdende, riep hij met luide stem: „Laat Gods gericht voorbijgaan!”
En hij liet het lijk in de diepte des waters vallen, dat zich dadelijk sloot.
HOOFDSTUK XXXVI.
Een boodschap van den kardinaal.
Drie dagen later kwamen de vier musketiers te Parijs terug; zij waren binnen de grenzen van hun verlof gebleven en gingen nog dienzelfden avond, volgens gewoonte, bij den heer de Tréville een bezoek afleggen.--„Wel, heeren!” vroeg de brave kapitein, „hebt gij u goed vermaakt gedurende uw uitstapje?”--„Ontzaglijk!” antwoordde Athos in zijn naam en in dien zijner vrienden.
Den zesden dag der volgende maand verliet de koning Parijs, de belofte houdende, die hij den kardinaal had gedaan, van naar la Rochelle terug te keeren, en nog geheel bedwelmd door het gerucht, dat alom was verspreid, dat Buckingham vermoord was geworden.
Hoewel gewaarschuwd, dat de man, dien zij zooveel liefde had toegedragen, aan gevaar was blootgesteld, wilde echter de koningin, toen men haar zijn dood verkondigde, zulks niet gelooven; zij ging zelfs zoo ver onvoorzichtig uit te roepen: „Dat is valsch! hij heeft mij juist geschreven.”--Maar den volgenden dag moest zij wel geloof hechten aan dit treurig nieuws. La Porte, zooals iedereen door de bevelen van Karel I in Engeland opgehouden, was nu aangekomen, overbrenger van het laatste en akelige geschenk, dat Buckingham aan de koningin zond.
De blijdschap des konings was zeer levendig geweest; hij gaf zich de moeite niet eens ze te verbergen en deed ze zelfs in tegenwoordigheid der koningin uitbarsten. Lodewijk XIII, zooals alle zwakke geesten, ontbrak het aan edelmoedigheid. Maar dra werd de koning wederom treurig en ziekelijk; hij had niet een van die aangezichten, welke voor een langen tijd er vroolijk uitzien; hij voelde dat, als hij naar het kamp terugkeerde, hij wederom slaaf ging worden, en echter keerde hij er terug. De kardinaal was voor hem een begoochelende slang, en hij de vogel, die van den eenen tak op den anderen fladdert, zonder haar te kunnen ontkomen.
Ook was de terugtocht naar la Rochelle uiterst treurig. Onze vier vrienden vooral strekten hun krijgsmakkers tot verbazing. Zij reden naast elkander met neergebogen hoofd en somberen blik. Athos alleen richtte nu en dan zijn breed voorhoofd omhoog; dan schitterde een weerlicht in zijn oogen, een bittere glimlach zweefde op zijn lippen, en zooals zijn vrienden, gaf hij zich daarop wederom aan zijn droomerijen over.
Zoodra het geleide in de een of andere stad aankwam en zoodra zij den koning tot aan zijn verblijf hadden vergezeld, begaven de vier vrienden zich naar hun kwartier, of naar de een of andere afgelegene herberg, waar zij noch speelden noch dronken, maar fluisterend spraken, telkens opmerkzaam rondziende, of men hen ook beluisterde.
Op zekeren dag, dat de koning op den weg halt had doen houden, om de jacht met de ekster te zien, en de vier vrienden volgens gewoonte, in plaats van aan de jacht deel te nemen, zich in een herberg aan den grooten weg ophielden, liet een ruiter, die met lossen teugel van la Rochelle was gekomen, zijn paard voor de deur der herberg stilstaan en eischte een glas wijn, terwijl hij een blik in de kamer wierp, waar de vier musketiers bij elkander waren.
„Heidaar! mijnheer d’Artagnan!” zeide hij, „zijt gij het niet, dien ik dáár zie?”--D’Artagnan richtte het hoofd omhoog en slaakte een vreugdekreet. Die man, die hem had geroepen, was zijn onbekende van Meung, van de Doodgraversstraat en van Arras. D’Artagnan trok zijn degen en snelde de deur uit. Maar dezen keer, in plaats van te vluchten, sprong de onbekende van zijn paard en trad d’Artagnan tegemoet.--„Ha! mijnheer!” riep de jongeling, „ik ontmoet u eindelijk! Dezen keer zult gij mij niet ontsnappen.”--„Dat is ook volstrekt mijn bedoeling niet, mijnheer! want nu zoek ik u. In naam des konings neem ik u gevangen.”--„Hoe! wat zegt gij?” riep d’Artagnan.--„Ik zeg u, dat gij mij uw degen moet geven, en dat zonder weerstand, mijnheer! uw hoofd is er mede gemoeid, ik waarschuw u.”--„Wie zijt gij toch?” vroeg d’Artagnan, zijn degen latende zinken, doch zonder dien over te geven.--„Ik ben de ridder de Rochefort,” antwoordde de onbekende, „de adjudant van den kardinaal de Richelieu, en ik heb bevel u tot Zijne Eminentie te geleiden....”
„Wij keeren naar Zijne Eminentie terug, mijnheer de ridder!” zeide Athos, toetredende; „en gij zult wel het woord van eer van den heer d’Artagnan willen aannemen, dat hij zich rechtstreeks naar la Rochelle zal begeven.”--„Ik moet hem in handen der gardes stellen, die hem naar het legerkamp zullen voeren.”--„Wij zullen hem tot geleide verstrekken, mijnheer! op ons woord van eer.... Maar ook op ons woord van eer,” voegde Athos er bij, de wenkbrauwen fronsende, „de heer d’Artagnan zal ons niet verlaten.”
De ridder de Rochefort wierp een blik achter zich en ontwaarde Porthos en Aramis, die hem voor de deur hielden ingesloten; hij begreep, dat hij volkomen aan de genade van de vier mannen was overgelaten.--„Mijne heeren!” zeide hij, „indien de heer d’Artagnan mij zijn degen wil overgeven en zijn woord bij het uwe voegen, wil ik mij met uw belofte tevreden stellen, van den heer d’Artagnan naar het hoofdkwartier van den kardinaal te geleiden.”--„Ik geef u mijn woord, mijnheer!” zeide d’Artagnan, „en ziedaar mijn degen.”--„Dat is mij des te liever,” hernam Rochefort, „daar ik mijn reis moet vervolgen.”--„Indien het is om u met milady te vereenigen,” zeide Athos koel, „dan is het vruchteloos, gij zult haar niet vinden.”--„Wat is er dan van haar geworden?” vroeg Rochefort ongeduldig.--„Vergezel ons naar het legerkamp en gij zult het vernemen.”
Rochefort bleef een oogenblik in gedachten verzonken; daar men slechts een dagreis van Surgères was verwijderd, tot waar de kardinaal den koning moest tegemoet gaan, besloot hij den raad van Athos te volgen en met hem terug te keeren. Bovendien bood de terugreis hem een voordeel aan, namelijk in persoon den gevangene te kunnen bewaken. Men begaf zich op weg.
Den volgenden dag, des namiddags te drie uur, kwam men te Surgères aan; de kardinaal wachtte er Lodewijk XIII reeds. De minister en de koning wisselden dáár met elkander veel beleefdheden, wenschten elkander geluk met het toeval, dat Frankrijk van den halsstarrigen vijand had verlost, die Europa er tegen ophitste....; waarna de kardinaal, door Rochefort verwittigd van de inhechtenisneming van d’Artagnan en ongeduldig hem te verhooren, van den koning afscheid nam, hem uitnoodigende den volgenden morgen de werkzaamheden aan den dijk te komen bezichtigen, die voleind waren.
Toen hij des avonds in zijn hoofdkwartier van Pont de Pierre terugkwam, vond de kardinaal voor het huis, dat hij bewoonde, d’Artagnan zonder degen, en de drie musketiers gewapend staan. Nu, daar hij zich bewust was van zijn macht, beschouwde hij hem met een gestrengen blik en wenkte d’Artagnan met oog en hand om hem te volgen.--„Wij wachten u, d’Artagnan!” zeide Athos luide genoeg om door den kardinaal gehoord te worden.--Zijne Eminentie fronste het voorhoofd, bleef een oogenblik staan en vervolgde toen zijn weg, zonder een woord te spreken.
D’Artagnan trad achter den kardinaal, en Rochefort na d’Artagnan binnen; de deur werd bewaakt.--Zijne Eminentie begaf zich in de kamer, welke hem tot kabinet diende, en gaf Rochefort een wenk, den jongen musketier binnen te geleiden.--Rochefort gehoorzaamde en verwijderde zich.--D’Artagnan bleef alleen met den kardinaal; het was zijn tweede samenkomst met Richelieu, en hij bekende later, dat hij overtuigd was, dat het de laatste zou zijn.
Richelieu bleef overeind, tegen den schoorsteen leunende, staan; een tafel stond tusschen hem en d’Artagnan.--„Mijnheer!” zeide de kardinaal, „gij zijt op mijn bevel in hechtenis genomen.”--„Men heeft het mij gezegd, Uwe Eminentie!”--„Weet gij waarom?”--„Neen, Uwe Eminentie! want het eenige, waarvoor men mij zou kunnen in hechtenis nemen, is u nog onbekend.”--Richelieu beschouwde den jongeling met strakken blik.--„Wel,” zeide hij, „wat moet dat beteekenen?”--„Indien Uwe Eminentie mij eerst de misdaden wil mededeelen, waarvan men mij beschuldigt, zal ik Uwe Eminentie de daden verhalen, die ik heb verricht.”--„Men beschuldigt u van misdaden, die grootere hoofden dan het uwe hebben doen vallen,” antwoordde de kardinaal.--„Welke? Uwe Eminentie!” vroeg d’Artagnan met een kalmte, die den kardinaal verbaasde.--„Men beschuldigt u, van met den vijand des koninkrijks briefwisseling te hebben gehouden; men beschuldigt u, de geheimen van den Staat te hebben verraden; men beschuldigt u, getracht te hebben de plannen van uw generaal te doen mislukken.”--„En wie beschuldigt mij hiervan, Uwe Eminentie?” vroeg d’Artagnan, die zich overtuigd hield, dat de beschuldiging van milady kwam. „Een door den scherprechter van het land gebrandmerkte vrouw, een vrouw, die in Frankrijk een man en in Engeland een anderen man heeft gehuwd, een vrouw, die haar tweeden echtgenoot door vergif om het leven heeft gebracht, en die getracht heeft ook mij te vergiftigen.”--„Wat zegt gij toch, mijnheer!” riep de kardinaal verwonderd uit, „en van welke vrouw spreekt gij op die wijze?”--„Van milady de Winter, van wie Uwe Eminentie ongetwijfeld de misdaden niet kende, toen zij haar met eenig vertrouwen vereerde.”--„Mijnheer!” zeide de kardinaal, „indien milady de misdaden heeft bedreven, welke gij zegt, dan zal zij gestraft worden.”--„Zij is het reeds, Uwe Eminentie!”--„En wie heeft haar gestraft?”--„Wij.”--„Is zij in de gevangenis?”--„Zij is dood.”--„Dood!” herhaalde de kardinaal, die niet kon gelooven, wat hij hoorde; „dood! hebt gij mij niet gezegd, dat zij dood was?”--„Tot drie malen toe heeft zij getracht mij om het leven te brengen, en ik heb haar vergiffenis geschonken; maar toen heeft zij de vrouw vermoord, die ik beminde, en ik en mijn vrienden hebben haar genomen, veroordeeld en gestraft.”
D’Artagnan verhaalde toen de vergiftiging van juffrouw Bonacieux in het Karmelieten-klooster van Béthune, de veroordeeling in het eenzame huis en de strafoefening op den oever der Lys.--Een rilling doorliep het geheele lichaam van den kardinaal, die toch niet spoedig rilde.... Maar eensklaps, alsof hij den invloed eener diepe gedachte onderging, helderde van lieverlede het aangezicht van den kardinaal op, dat tot hiertoe somber was geweest, en bleef in de volkomenste rust.--„Alzoo,” zeide hij met een stem, wier zachtheid weinig overeenstemde met de strengheid zijner woorden, „alzoo hebt gij u tot rechters opgeworpen, zonder hierbij te overwegen, dat zij, die den last niet hebben te straffen en evenwel straffen, moordenaars zijn.”--„Ik zweer u, Uwe Eminentie! dat ik niet een oogenblik de gedachte heb gehad, mijn hoofd tegen u te verdedigen; ik zal de straf ondergaan, die Uwe Eminentie mij zal opleggen. Ik ben niet genoeg aan het leven gehecht, om den dood te vreezen.”--„Ja, ik weet het, gij zijt een moedig jongeling, mijnheer!” hernam de kardinaal met bijna vriendelijke stem; „ik kan u dan vooraf zeggen, dat gij geoordeeld, ja gevonnist zult worden.”--„Een ander zou Uwe Eminentie kunnen antwoorden, dat hij zijn gratie in den zak had; ik zal mij bepalen u te zeggen: beveel, Uwe Eminentie! ik ben gereed.”--„Uw gratie?” zeide Richelieu verwonderd.--„Ja, Uwe Eminentie!” hernam d’Artagnan.--„En door wien geteekend?.... door den koning?”--De kardinaal sprak de laatste woorden met een zonderlingen toon van verachting uit.--„Neen, van Uwe Eminentie!”--„Van mij, zijt gij gek, mijnheer!”--„Uwe Eminentie zal ongetwijfeld het schrift wel herkennen.”--En d’Artagnan bood den kardinaal het kostbaar papier aan, dat Athos aan milady had ontrukt, en hetwelk deze d’Artagnan had gegeven om hem tot een redmiddel te strekken.
Zijne Eminentie nam het papier en las langzaam en op elk woord drukkende:
„Het was op mijn bevel en tot welzijn van den staat, dat houder dezes deed, wat hij heeft gedaan.
Richelieu.”
3 Augustus 1628.
Na die paar woorden gelezen te hebben, verviel de kardinaal in een diep gepeins; doch hij gaf d’Artagnan het papier niet terug.--„Hij peinst door welke soort van foltering hij mij zal doen sterven,” dacht de Gaskonjer. „Welnu! in Godsnaam! dan zal hij zien, hoe een edelman sterft.”--De jonge musketier was in de heerlijkste geestgesteldheid om als een held te sterven.
Richelieu bleef steeds in gedachten verzonken; hij rolde en ontrolde het papier in zijn hand. Eindelijk richtte hij het hoofd omhoog, vestigde zijn adelaarsblik op dat edel, open en vol gelaat, las op die van tranen doorgroefde wangen al het lijden, dat hij sedert een maand verduurd had, en overwoog voor de derde of vierde maal, welke toekomst er voor dien knaap van twintig jaren nog open stond, en welke hulp zijn bedrijvigheid, zijn moed en zijn verstand een goeden meester konden aanbieden. Van den anderen kant hadden de misdaden, de macht en het helsche genie van milady hem meer dan eens met ontzetting vervuld. Hij gevoelde een geheime vreugde voor altijd van de gevaarlijke handlangster verlost te zijn. Hij verscheurde langzaam het papier, dat d’Artagnan hem zoo edelmoedig had afgestaan.
„Ik ben verloren,” zeide d’Artagnan bij zich zelven. En hij boog zich diep voor den kardinaal, als iemand die zou zeggen: „Heer! uw wil geschiede.”
De kardinaal naderde de tafel, en zonder te gaan zitten schreef hij eenige regels op een perkament, waarvan het twee-derde reeds was ingevuld; vervolgens zette hij er zijn zegel op.
„Dat is mijn veroordeeling,” dacht d’Artagnan, „hij bespaart mij de verveling der Bastille en de langdurigheid van een rechtsgeding. Dat is waarlijk zeer beminnelijk van hem.”
„Ziedaar, mijnheer!” zeide de kardinaal tot den jongeling, „ik heb van u een volmacht terugontvangen, en ik geef er u een ander voor in de plaats. De naam is op dit brevet oningevuld; gij zult er hem inzetten.”--D’Artagnan nam het papier aarzelend aan en wierp er het oog op. Het was een aanstelling als luitenant bij de musketiers. D’Artagnan viel voor de voeten des kardinaals neer.--„Uwe Eminentie!” zeide hij, „mijn leven behoort u, beschik er voortaan over; doch die gunst, welke gij mij schenkt, heb ik niet verdiend; ik heb drie vrienden, die dezelve meer waardig zijn.”--„Gij zijt een braaf jongeling, d’Artagnan!” viel de kardinaal hem in de rede, hem vertrouwelijk op den schouder kloppende, bekoord een zoo weerbarstigen aard te hebben overwonnen; „doe met die aanstelling wat gij wilt, dewijl de naam oningevuld is; alleen herinner u, dat het aan u is, dat ik ze geef.”--„Ik zal het nooit vergeten,” antwoordde d’Artagnan, „Uwe Eminentie kan er van verzekerd zijn.”
De kardinaal keerde zich om en riep luide: „Rochefort!”--De ridder, die ongetwijfeld voor de deur was blijven staan, trad onmiddellijk binnen.--„Rochefort!” zeide de kardinaal, „gij ziet daar den heer d’Artagnan; hij behoort onder het getal mijner vrienden. Omhelst elkander en weest verstandig, indien gij er op gesteld zijt het hoofd te behouden.”
Rochefort en d’Artagnan omhelsden elkander wel niet zeer hartelijk, maar de kardinaal was tegenwoordig en sloeg hen met zijn doordringend oog gade. Zij verlieten gelijktijdig de kamer.--„Wij zullen elkander later ontmoeten, niet waar, mijnheer!” zeiden zij.--„Wanneer het u gelegen komt,” antwoordde d’Artagnan.--„De gelegenheid zal zich wel eens voordoen,” hernam Rochefort.--„Hm!” liet Richelieu hooren, de deur openende.--Beide mannen glimlachten tegen elkander, drukten elkander de hand en groetten Zijne Eminentie.
„Wij begonnen ongeduldig te worden,” zeide Athos.--„Hier ben ik, mijn vrienden!” antwoordde d’Artagnan.--„Vrij?”--„Niet alleen vrij, maar in gunst!”--„Gij moet ons dat eens verhalen.”--„Van avond, scheiden wij voor het oogenblik.”
Des avonds begaf d’Artagnan zich dan ook werkelijk naar Athos, dien hij bezig vond een flesch Spaanschen wijn te ledigen, een bezigheid, die hij elken avond stiptelijk vervulde. D’Artagnan verhaalde, hetgeen er tusschen den kardinaal en hem was voorgevallen, terwijl hij de aanstelling uit zijn zak haalde.--„Ziedaar! mijn waarde Athos! ziedaar!” zeide hij, „iets dat u natuurlijk toekomt.”
Athos glimlachte zacht en bekoorlijk.--„Vriend!” zeide hij, „voor Athos is het te veel; voor den graaf de la Fère is het te weinig. Houd die aanstelling, zij behoort u. Helaas! mijn God! gij hebt ze duur genoeg gekocht.”
D’Artagnan verliet de kamer van Athos en trad die van Porthos binnen. Hij vond hem in een prachtig gewaad, bedekt met schitterende borduursels, bezig zich in een spiegel te beschouwen.--„Ha! ha!” zeide Porthos, „zijt gij het, waarde vriend! hoe vindt gij, dat mij dit kleed staat?”--„Voortreffelijk!” zeide d’Artagnan; „maar ik kom u een kleed aanbieden, dat u nog beter zal staan.”--„Welk?” vroeg Porthos.--„Dat van luitenant der musketiers.”--D’Artagnan verhaalde aan Porthos zijn samenkomst met den kardinaal, en de aanstelling uit zijn zak halende, zeide hij: „Ziedaar! mijn waarde! schrijf uw naam daar op en wees mij een goed officier!”
Porthos sloeg het oog op de aanstelling, maar gaf ze aan d’Artagnan terug, tot groote verwondering des jongelings.--„Ja,” zeide Porthos, „ik zou mij hiermede zeer gestreeld vinden, maar ik kan van die gunst niet lang genoeg genot hebben. Gedurende onze reis naar Béthune is de man mijner hertogin gestorven, zoodat de geldkist des overledenen, die mij toelonkte, mij noopte de weduwe te trouwen. Zie, ik was juist bezig mijn bruiloftspak aan te passen. Behoud voor u de luitenantsplaats, mijn vriend! behoud ze voor u.”--En hij gaf de aanstelling aan d’Artagnan terug.
De jongeling trad hierop bij Aramis binnen. Hij vond dezen voor een bidbankje geknield, het hoofd op het voor hem geopend getijdeboek gedrukt. D’Artagnan verhaalde hem zijn gesprek met den kardinaal, en voor de derde maal de aanstelling te voorschijn halende, zeide hij: „Gij, onze vriend! ons licht, onze onzichtbare beschermer, neem deze aanstelling aan; gij hebt ze meer dan iemand verdiend door uw wijsheid en raad, die steeds met den gelukkigsten uitslag is bekroond geworden.”--„Helaas! waarde vriend!” zeide Aramis, „onze laatste avonturen hebben mij van het leven eens krijgsmans afkeerig gemaakt. Dezen keer is mijn besluit onherroepelijk genomen; na de belegering ga ik bij de Lazaristen. Behoud deze aanstelling, d’Artagnan! Het krijgsmansberoep voegt u. Gij zult een moedig en gelukkig krijgsman worden.”
D’Artagnan, met de oogen door dankbaarheid vochtig en blinkend van vreugd, keerde tot Athos terug, dien hij nog aan tafel vond, in de vlam der lamp zijn laatste glas Malaga spiegelende.--„Ook zij hebben geweigerd!” sprak d’Artagnan.--„Dat is, omdat niemand dan gij, mijn waarde vriend, die gunst meer waardig is,” zeide Athos. En een pen nemende, schreef hij op de aanstelling den naam van d’Artagnan, wien hij ze teruggaf.
„Ik zal dan geen vrienden meer hebben,” zeide de jongeling. „Helaas! niets anders dan bittere herinneringen.”--En hij liet het hoofd in zijn handen vallen, terwijl twee traandroppels langs zijn wangen biggelden.
„Gij zijt nog jong,” antwoordde Athos, „en uw bittere herinneringen hebben den tijd in zoete te veranderen.”
BESLUIT.
La Rochelle, beroofd van de hulp der Engelsche vloot en de afleiding door Buckingham beloofd, gaf zich, na een belegering van een jaar, over; den 28sten October teekende men het verdrag. De koning deed zijn intocht te Parijs den 23sten December van hetzelfde jaar. Men bereidde hem een zegetocht, als had hij een vijandelijke natie en niet de Franschen overwonnen. Hij kwam door de voorstad St. Jacques in, onder groene eerebogen.
D’Artagnan nam bezit van zijn rang.
Porthos verliet den dienst en huwde in den loop van het volgende jaar mevrouw Coquenard. De zoozeer begeerde geldkist bevatte achtmaal honderd duizend franken. Mousqueton kreeg een schitterende livrei en genoot het geluk, waarnaar hij zijn leven lang had gestreefd, namelijk achter op een vergulde koets te staan.
Aramis, na een reis naar Lotharingen, verdween eensklaps en hield op aan zijn vrienden te schrijven. Men hoorde later van mevrouw de Chevreuse, dat hij zich in een klooster te Nancy had begeven. Bazijn werd leekebroeder.
Athos bleef, onder de bevelen van d’Artagnan, musketier tot in het jaar 1631,--op welk tijdstip hij ook, na een reisje in het Roussiljonsche, den dienst verliet, voorgevende een kleine erfenis in Blaisois te hebben gekregen. Grimaud volgde Athos.
D’Artagnan vocht drie malen met Rochefort en kwetste hem drie malen.--„De vierde maal zal ik u waarschijnlijk dooden,” zeide hij, hem de hand reikende om hem op te richten.
„Het is dus beter voor u en voor mij, dat wij het hierbij laten,” antwoordde de gewonde. „Corbleu! ik ben meer uw vriend dan gij wel denkt, want bij de eerste ontmoeting had ik, door een enkel woord aan den kardinaal te zeggen, u den hals kunnen doen afslaan.”
Nu omhelsden zij elkander, hartelijk en zonder achterdocht. Planchet verkreeg van Rochefort den rang van sergeant in het Piemonteesche regiment.
De heer Bonacieux leefde zeer stil, volstrekt niet wetende wat er van zijn vrouw was geworden, en er zich weinig om bekommerende. Op zekeren tijd had hij de onvoorzichtigheid zich aan de herinnering van den kardinaal aan te bevelen. De kardinaal liet hem antwoorden, dat hij zorg zou dragen, dat hem voortaan niets meer zou ontbreken.
En inderdaad, na den volgenden dag te zeven uur te zijn uitgegaan om zich naar het Louvre te begeven, zag men den heer Bonacieux nooit meer in de Doodgraversstraat. De meening van hen, die zich het best onderricht waanden, was dat hij, op kosten van Zijne Edelmoedige Eminentie, in het een of ander koninklijk kasteel voeding en huisvesting genoot.
EINDE.
Het vervolg hierop is getiteld:
„TWINTIG JAAR LATER”.
INHOUD Pag. Voorrede 5
EERSTE DEEL.
Hoofdstuk I. De drie geschenken van mijnheer d’Artagnan den vader. 9 Hoofdstuk II. De antichambre des heeren de Tréville. 27 Hoofdstuk III. De audiëntie. 39 Hoofdstuk IV. De schouder van Athos, de bandelier van Porthos, en de neusdoek van Aramis. 52 Hoofdstuk V. De musketiers des konings en de lijfwacht van den kardinaal. 61 Hoofdstuk VI. Zijne Majesteit, koning Lodewijk XIII. 73 Hoofdstuk VII. De huishouding der Musketiers. 95 Hoofdstuk VIII. Een hofintrigue. 106 Hoofdstuk IX. D’Artagnan doet zich gelden. 114 Hoofdstuk X. Een muizenval in de zeventiende eeuw. 123 Hoofdstuk XI. De intrigue verwikkelt zich. 133 Hoofdstuk XII. George Villiers, hertog van Buckingham. 152 Hoofdstuk XIII. De heer Bonacieux. 162 Hoofdstuk XIV. De man van Meung. 171 Hoofdstuk XV. Tabbaard en degen. 182 Hoofdstuk XVI. Waarin wordt verhaald, hoe de grootzegelbewaarder Séguier meer dan eens de klok zocht, om die te luiden, zooals hij eertijds deed. 191 Hoofdstuk XVII. Het huishouden van Bonacieux. 203 Hoofdstuk XVIII. Minnaar en echtgenoot. 217 Hoofdstuk XIX. Reisplan. 224 Hoofdstuk XX. De reis. 233 Hoofdstuk XXI. De gravin de Winter. 246 Hoofdstuk XXII. Het ballet van la Merlaison. 256 Hoofdstuk XXIII. De verliefde samenkomst. 264 Hoofdstuk XXIV. Het paviljoen. 275 Hoofdstuk XXV. Porthos. 286 Hoofdstuk XXVI. De thesis van Aramis. 306 Hoofdstuk XXVII. De vrouw van Athos. 324 Hoofdstuk XXVIII. Terugkomst. 345 Hoofdstuk XXIX. De jacht op de krijgsuitrusting. 359 Hoofdstuk XXX. Milady. 368 Hoofdstuk XXXI. Engelschen en Franschen. 376
Deel II
Hoofdstuk I. Een procureurs middagmaal. 5 Hoofdstuk II. Kamenier en meesteres. 15 Hoofdstuk III. Waarin wordt gehandeld over de uitrusting van Aramis en Porthos. 23 Hoofdstuk IV. Des nachts zijn alle katten grijs. 32 Hoofdstuk V. Wraakzucht. 41 Hoofdstuk VI. Het geheim van milady. 47 Hoofdstuk VII. Hoe, zonder eenige moeite te doen, Athos aan zijn uitrusting kwam. 55 Hoofdstuk VIII. Een bekoorlijke verschijning. 64 Hoofdstuk IX. Een vreeselijke gebeurtenis. 74 Hoofdstuk X. Het beleg van la Rochelle. 82 Hoofdstuk XI. De Anjou-wijn. 96 Hoofdstuk XII. De herberg De Roode Duiventoren. 104 Hoofdstuk XIII. Het nut der kachelpijpen. 113 Hoofdstuk XIV. Huwelijkstooneel. 121 Hoofdstuk XV. Het bolwerk Saint Gervais. 128 Hoofdstuk XVI. De vergadering der musketiers. 135 Hoofdstuk XVII. Familiezaken. 153 Hoofdstuk XVIII. Noodlottigheid. 168 Hoofdstuk XIX. Gesprek van broeder en zuster. 177 Hoofdstuk XX. Officier! 185 Hoofdstuk XXI. Een eerste dag van gevangenschap. 198 Hoofdstuk XXII. Tweede dag van gevangenschap. 206 Hoofdstuk XXIII. Derde dag van gevangenschap. 214 Hoofdstuk XXIV. Vierde dag van gevangenschap. 223 Hoofdstuk XXV. Vijfde dag van gevangenschap. 232 Hoofdstuk XXVI. Een onderwerp voor een klassiek treurspel. 248 Hoofdstuk XXVII. De vlucht. 254 Hoofdstuk XXVIII. Wat er den 23en Augustus 1628 te Portsmouth voorviel. 263 Hoofdstuk XXIX. In Frankrijk. 274 Hoofdstuk XXX. Het Karmelieten nonnenklooster te Béthune. 280 Hoofdstuk XXXI. Twee verschillende soorten van duivels. 294 Hoofdstuk XXXII. Een waterdrop. 299 Hoofdstuk XXXIII. De man met den rooden mantel. 313 Hoofdstuk XXXIV. Het vonnis. 319 Hoofdstuk XXXV. De doodstraf. 327 Hoofdstuk XXXVI. Een boodschap van den kardinaal. 332 Besluit. 343
+----------------------------------------------------------------+ | Aanvullende opmerkingen van de bewerker: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren of inconsistenties te verhelpen, behalve zoals | | hieronder aangegeven. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. De voetnoten | | zijn verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. | | | | Aangebrachte veranderingen ten opzichte van de brontekst: | | - enkele overduidelijke druk- en spelfouten zijn stilzwijgend | | gecorrigeerd; | | - de volgende inconsistente spellingen zijn gestandaardiseerd: | | la Roselle → la Rochelle, Tabers → Tarbes, Trévile → | | Tréville, Perigord → Périgord, Meré → Méré, | | Barrevoeters-Karmelieten → Barrevoeter-Karmelieten, Saint/St.| | Dénis → Saint/St. Denis, Nimes → Nîmes, Castrès → Castres, | | Uzes → Uzès, Clarik → Clarick, Amiens → Amiëns, Lalen → | | Laleu, Surgère → Surgères, Medicis → Médicis, de la Fêre → | | de la Fère, Liliers → Lilliers, Armentiëres → Armentières, | | Chrevreuse → Chevreuse; | | - aanhalingstekens zijn gestandandaardiseerd; | | - de ellipsen zijn gestandaardiseerd. | +----------------------------------------------------------------+