← De Drie Musketiers dl. I en II

De Drie Musketiers dl. I en II (part 2 of 3)

Part 2 of 3 · Dumas, Alexandre · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #40169, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (3)

Continue:

De Drie Musketiers dl. I en II (part 2 of 3)

„Wat wilt gij, beste Porthos! men kan niet op alle wijzen bevoorrecht worden,” zeide d’Artagnan; „gij kent het spreekwoord: Ongelukkig in het spel, gelukkig in de liefde. Gij zijt al te gelukkig in de liefde, dat het spel zich hierover niet zou wreken; maar wat raakt u de slechte fortuin? Hebt gij niet, gelukkige schurk! hebt gij niet uw hertogin, die niet kan nalaten u te hulp te komen?”--„Ja, maar luister, waarde d’Artagnan, hoe alles mij tegenloopt,” zeide Porthos op een ongedwongen toon; „ik heb haar geschreven, mij vijftig louis d’or te zenden, die ik volstrekt noodig had, de gesteldheid, waarin ik mij bevind, in aanmerking genomen.”--„En?”--„Wel, zij moet zeker op haar landgoederen zijn, want zij heeft mij niet geantwoord.”--„Inderdaad!”--„Neen; ik heb haar dan ook gisteren een nieuw epistel gezonden, nog dringender dan het vorige. Maar, nu zijt ge hier terug, spreken wij dus over u. Ik begon, ik verzeker het u, eenigszins over u ongerust te worden.”

„Maar uw gastheer gedraagt zich jegens u, naar het schijnt, zeer goed, mijn waarde Porthos!” zeide d’Artagnan, den zieke de gevulde pannen en de ledige flesschen aanwijzende.--„Stil, stil!” antwoordde Porthos. „Reeds drie of vier dagen geleden bracht de onbeschaamde mij de rekening, maar ik heb ze beiden, hem en zijn rekening, aan de deur gezet, zoodat ik mij hier als een soort van overwinnaar of overweldiger bevind. Ook ben ik omringd van wapens, zooals gij ziet, als voorzorg om niet uit mijn vesting te worden verjaagd.”--„Intusschen,” zeide d’Artagnan lachende, „schijnt gij nu en dan uitvallen te doen.”--En hij toonde met den vinger de flesschen en de braadpannen.--„Neen, ik ongelukkig niet,” zeide Porthos. „Die ellendige verstuiking houdt mij te bed; maar Mousqueton gaat verkenningen doen en brengt levensmiddelen mede. Mousqueton, mijn vriend! gij ziet, dat er versterking is gekomen; wij zullen wat meer victualie noodig hebben.”

„Mousqueton!” zeide d’Artagnan, „gij zult mij een dienst moeten doen.”--„Welken, mijnheer!”--„Uw recept aan Planchet te geven; ik zou op mijn beurt belegerd kunnen worden, en het zou mij in dat geval niet onaangenaam zijn, dat hij mij dezelfde voordeelen bezorgde, als die waarvan gij uw meester doet genieten.”--„Ach, mijn God! mijnheer! niets is gemakkelijker, er behoort slechts eenige behendigheid toe. Ik ben op het land opgevoed en mijn vader was in zijn ledigen tijd min of meer een wilddief.”--„En wat deed hij in den overigen tijd?”--„Mijnheer! hij oefende een beroep, dat ik steeds tamelijk voordeelig heb gevonden.”--„Welk?”--„Daar het in den tijd der religie-oorlogen tusschen de roomschen en de hugenooten was, en hij de katholieken de hugenooten en de hugenooten de katholieken zag vernielen, en dat alles in naam van God, had hij een gemengd geloof omhelsd, hetgeen hem veroorloofde nu eens katholiek, dan weder hugenoot te zijn. En daar hij gewoonlijk achter de heggen, die den weg begrenzen, met zijn vuurroer op den schouder, een wandeling ging doen, gebeurde het wel eens, dat hij een katholiek eenzaam zag aankomen, in welk geval het protestantsch geloof dadelijk in zijn ziel bovenkwam en hij zijn roer in de richting van den reiziger liet neerzinken, en dan op tien schreden afstands een gesprek met hem aanving, aan hetwelk gewoonlijk de reiziger een einde maakte door zijn beurs af te staan om zijn leven te redden. Het spreekt vanzelf, dat wanneer hij een hugenoot ontmoette, hij zich door een zoo heiligen ijver voor het katholicisme voelde gedreven, dat hij zich niet kon begrijpen, hoe hij een kwartier te voren eenigen twijfel had kunnen koesteren omtrent de meerderheid van onzen heiligen godsdienst. Want ik, mijnheer! ben katholiek; mijn vader, getrouw aan zijn grondbeginselen, deed mijn oudsten broeder hugenoot worden.”

„En hoe is het met dien waardigen man afgeloopen?” vroeg d’Artagnan.--„Ach, op de rampzaligste wijze, mijnheer! Op zekeren dag was hij in een hollen weg tusschen een hugenoot en een katholiek ingesloten, met wie hij reeds te doen had gehad en die hem beiden herkenden, zoodat zij met elkander samenspanden en hem aan een boom ophingen; daarna gingen zij zich beroemen op hun fraaie verrichting in de herberg van het naaste dorp, waar wij, mijn broeder en ik, zaten te drinken.”

„En wat deedt gij?” vroeg d’Artagnan.--„Wij lieten hen praten,” hernam Mousqueton. „Vervolgens, daar zij bij het verlaten der herberg elk een tegenovergestelde richting insloegen, begaf mijn broeder zich in een hinderlaag op den weg van den katholiek en ik op dien van den protestant. Twee uren later was alles afgeloopen; wij hadden van elk hunner de rekening opgemaakt, terwijl wij intusschen het doorzicht van onzen armen vader bewonderden, die de voorzorg had genomen, ons beiden in een verschillenden godsdienst op te voeden.”

„Waarlijk, zooals gij zegt, uw vader schijnt mij een zeer verstandige snaak te zijn geweest. En hij was dus in zijn ledigen tijd jachtstrooper?”--„Ja, mijnheer! hij was het, die mij heeft geleerd een strik te leggen en een vischlijn te hangen. Hiervan trok ik partij, want toen ik zag, dat de schurkachtige herbergier ons met wat grof vleesch voedde, alleen goed voor kinkels en dat volstrekt niet geschikt was voor zulke zwakke magen als de onze, vatte ik min of meer mijn oud handwerk weder bij de hand. Al wandelende, legde ik in de bosschen mijn strikken en mij aan den kant der vischvijvers tot slapen neerleggende, liet ik de vischlijnen in het water zinken. Zoodat thans, Goddank! zooals mijnheer zich kan overtuigen, ons geen patrijzen, konijnen, karpers en paling ontbreken en wij voorzien zijn van een licht en gezond voedsel, vooral dienstig voor zieken.”

„Maar den wijn?” vroeg d’Artagnan, „wie levert u den wijn? de herbergier?”--„Dat is te zeggen, ja en neen.”--„Hoe! ja en neen?”--„Hij levert hem, dat is waar, maar hij weet niet, dat hij die eer heeft.”--„Verklaar u, mijnheer! uw gesprek is vol leerzame zaken.”--„Luister, mijnheer! het toeval wilde, dat ik gedurende mijn omzwervingen een Spanjaard ontmoette, die veel had gereisd en onder anderen in de nieuwe wereld was geweest.”--„Wat gemeens heeft de nieuwe wereld met de flesschen, die op die secretaire en die ladetafel staan?”--„Geduld, mijnheer, alles op zijn beurt.”--„Goed, Mousqueton, ik wil aan uw verlangen voldoen en luisteren.”--„De Spanjaard had in zijn dienst een lakei, die hem op zijn reis door Mexico vergezeld had. Die lakei was een mijner landgenooten, zoodat wij spoedig vrienden werden, te meer, daar wij bijna hetzelfde karakter hadden. Beiden hielden wij vooral van de jacht; en bij die gelegenheid verhaalde hij mij, hoe in de vlakten van Pampas de inboorlingen op de tijger- en buffeljacht gingen, alleen met strikken, die zij om den nek dier vreeselijke dieren wierpen. Eerst wilde ik niet gelooven, dat men een zoo hoogen graad van behendigheid kon bereiken, om op een afstand van twintig of dertig voetstappen een koord te werpen en met het einde er van te bereiken wat men wil; maar door het bewijs moest de waarheid van het verhaal wel erkend worden. Mijn vriend plaatste een flesch op twintig schreden afstands en bij elken worp vatte hij den hals van de flesch in den strik. Ik begon mij hierin te oefenen en daar de natuur mij met eenige behendigheid heeft begaafd, slinger ik tegenwoordig den lazzo evengoed als de beste. Begrijpt gij nu? De herbergier heeft een zeer goed voorzienen kelder, maar de sleutel er van verlaat hem nooit; intusschen is er een luchtgat in dien kelder en door dat luchtgat slinger ik den lazzo, juist op de plaats, waar ik bemerkt heb, dat de beste wijn ligt.... Ziedaar, mijnheer! op wat wijze de nieuwe wereld in verband staat met de flesschen, welke gij op die secretaire en op die ladetafel ziet. Wilt gij nu onzen wijn eens proeven, dan kunt gij ons zonder vooringenomenheid zeggen, wat gij er van denkt.”

„Ik dank u, mijn vriend, ik dank u, ongelukkig heb ik juist ontbeten.”--„Welnu,” zeide Porthos, „dek de tafel, Mousqueton! en terwijl wij zullen ontbijten, zal d’Artagnan ons zijn wedervaren verhalen gedurende de acht dagen, welke hij van ons gescheiden was.”--„Gaarne,” zeide d’Artagnan.

Terwijl Porthos en Mousqueton, met een honger van pas herstelden en met die broederlijke eensgezindheid, welke de menschen in de ramp tot elkander brengt, ontbeten, verhaalde d’Artagnan, hoe Aramis, gewond zijnde, genoodzaakt was geweest te Crèvecoeur te blijven; hoe hij Athos te Amiëns had gelaten, zich verdedigende tegen vier mannen, die hem beschuldigden een valsche munter te zijn en hoe hij, d’Artagnan, genoodzaakt was geweest over den buik van den graaf de Wardes te stappen om in Engeland te komen. Maar daartoe bepaalde zich slechts het verhaal van d’Artagnan; hij vermeldde alleen, dat, bij zijn terugkomst van Groot-Brittanje, hij vier prachtige paarden had medegebracht, van welke een voor hem en een voor elk zijner vrienden was bestemd; vervolgens eindigde hij, Porthos verwittigende, dat het zijne reeds in den stal der herberg was.

Op dat oogenblik kwam Planchet binnen; hij berichtte zijn meester, dat de paarden genoeg hadden gerust en het mogelijk was nog te Clermont te gaan slapen. D’Artagnan, nu tamelijk gerustgesteld omtrent Porthos en ongeduldig naar tijding zijner twee andere vrienden, reikte den zieke de hand en zeide hem, dat hij de reis ging vervolgen, om zijn nazoekingen voort te zetten. Overigens rekende hij langs denzelfden weg te zullen terugkomen, om, indien na acht dagen Porthos nog in het hotel de Groote St. Maarten zou zijn, hem in het voorbijkomen mede te nemen.

Porthos antwoordde, dat volgens alle waarschijnlijkheid zijn verstuiking hem niet zou veroorloven vóór dien tijd op te staan. Bovendien moest hij te Chantilly blijven, om een antwoord zijner hertogin af te wachten.

D’Artagnan wenschte hem toe, dat hij dit antwoord spoedig en naar begeeren mocht ontvangen, en na opnieuw Porthos aan Mousqueton aanbevolen en zijn vertering aan den herbergier betaald te hebben, ging hij met Planchet op weg, die nu van een zijner paarden was bevrijd.

HOOFDSTUK XXVI.

De thesis van Aramis.

D’Artagnan had aan Porthos niets van de wonde of van de procureursvrouw gezegd. Hoe jong ook, was onze Bearnees een zeer wijs jongeling, en hij had den schijn aangenomen alles te gelooven, wat hem de ijdele musketier had verhaald, daar hij verzekerd was, dat de vriendschap door een ontdekt geheim verloren gaat, vooral wanneer door zoodanig geheim de eigenliefde wordt gekwetst, en men in dat geval een zekere zedelijke meerderheid verkrijgt op dengene, van wien men het leven kent. D’Artagnan, die voornemens was zijn toekomstige fortuin door intrigues te bewerken, en besloten had zijn drie vrienden als de werktuigen hiertoe te gebruiken, beijverde zich dus om reeds bij voorbaat die onzichtbare draden in zijn hand te vereenigen, met welke hij zich voornam hen te leiden.

Intusschen bleef langs den geheelen weg een diepe droefheid zijn hart beknellen door de gedachte aan die jonge, lieve juffrouw Bonacieux, die hem den prijs zijner diensttoewijding moest schenken. Doch haasten wij ons het te zeggen; die droefheid ontsproot bij den jongeling minder uit leedwezen wegens zijn verloren geluk, dan wel uit de vrees, die hij koesterde, dat de arme vrouw aan een of ander ongeluk was blootgesteld. Immers, hij twijfelde er niet aan of zij was het offer der wraak van den kardinaal geworden, en zooals men weet was de wraak Zijner Eminentie vreeselijk. Hoe hij nog genade in de oogen van den minister had gevonden, wist hij zelf niet; maar de heer de Cavois zou hem dit zeker hebben geopenbaard, indien die kapitein der gardes hem had thuis gevonden.

Niets doet sneller den tijd voorbijgaan en verkort meer den weg dan een gedachte, die uitsluitend al de zielsvermogens van hem, die overweegt, tot zich trekt. Het uitwendige leven gelijkt dan een slaap, van welken dat denkbeeld de ziel is; door dien invloed heeft de tijd geen maat, de uitgestrektheid geen afstand meer: men vertrekt van de eene plaats, men komt aan de andere aan, dat is al. Van de doorgeloopene tusschenruimte blijft niets in het geheugen over dan een onduidelijke nevel, die duizend beelden van boomen, bergen en landschappen omhult.

Het was ten prooi aan deze zinsbegoocheling, dat d’Artagnan, zich aan de bewegingen van zijn paard vrijwillig overgevende, de zes of acht mijlen aflegde, die Chantilly van Crèvecoeur scheiden, zonder dat hij, in dat dorp komende, zich iets meer herinnerde van hetgeen hij op zijn weg ontmoet had. Toen eerst werd het geheugen in hem levendig, hij schudde het hoofd, bespeurde de herberg, waar hij Aramis had gelaten, en zijn paard in den draf brengende, hield hij aan de deur stil. Nu was het niet de herbergier, maar een vrouw, die hem ontving.

D’Artagnan was een gelaatkundige; een blik op het vroolijke gezicht der dikke meesteres van de herberg geslagen was voldoende om hem te doen begrijpen, dat hij met haar niet behoefde te veinzen, en hij van een zoo vergenoegd uiterlijk niets te vreezen had.

„Mijn lieve juffrouw!” vroeg d’Artagnan, „zoudt gij mij kunnen zeggen, wat er van een mijner vrienden is geworden, dien wij genoodzaakt waren hier, eenige dagen geleden, achter te laten?”--„Een fraai jongeling van drie of vier en twintig jaar, zacht van aard, beminnelijk en welgemaakt?”--„Dezelfde.”--„Daarbij aan den schouder gewond?”--„Juist.”--„Wel, mijnheer! hij is nog altijd hier.”--„Ha, pardieu! mijn lieve juffrouw!” zeide d’Artagnan, van zijn paard springende en den toom Planchet op den arm werpende, „gij geeft mij het leven weder; waar is hij, die waarde Aramis, dat ik hem omhelze, want ik beken, dat ik met ongeduld verlang hem te zien?”--„Vergeef mij, mijnheer! maar ik twijfel, of hij u op dit oogenblik wel zal kunnen ontvangen.”--„Waarom! is er een dame bij hem?”--„Jezus, mijn God! wat zegt gij daar? De arme jongen! Neen, mijnheer! hij heeft geen dame bij zich.”--„Wie is er dan bij hem?”--„De pastoor van Montdidier en de overste der jezuïeten van Amiëns.”--„Mijn God!” riep d’Artagnan, „is het dan erger met den armen jongeling?”--„Neen, mijnheer! integendeel, maar tengevolge zijner ziekte heeft de genade hem getroffen en hij is besloten in een geestelijke orde te treden.”--„Het is waar ook,” zeide d’Artagnan, „ik had vergeten, dat hij slechts musketier ad interim was.”--„Dringt mijnheer er steeds op aan, om hem te spreken?”--„Meer dan ooit.”--„Welnu, mijnheer! de trap op de plaats aan de rechterzijde opgaande, komt gij op de tweede verdieping aan No. 5 en dat is zijn kamer.”

D’Artagnan volgde de aangewezen richting en vond een dier uitwendige trappen, zooals men er nog op de binnenplaatsen der ouderwetsche herbergen aantreft; maar men naderde zoo gemakkelijk niet den toekomstigen abt; de toegang tot de kamer van Aramis was niet minder goed bewaakt dan de tuinen van Armida. Bazijn stond in de gang en versperde hem den doorgang met te meer kordaatheid, daar Bazijn, na veeljarigen proeftijd, zich eindelijk nabij het doel waande, waarnaar hij zoo lang had gestreefd. Immers de droom van den armen Bazijn was steeds geweest een geestelijke te dienen, en hij wachtte ongeduldig het oogenblik af, hetwelk hij in de toekomst voorzag, dat Aramis eindelijk het krijgsmanskleed zou afwerpen om zich in het priestergewaad te hullen. De dagelijks door den jongeling vernieuwde belofte, dat dit oogenblik niet ver meer af was, had hem alleen in dienst van een musketier doen blijven; een dienst, waarin het, naar zijn zeggen, niet kon missen of hij moest zijn ziel verliezen. Bazijn was dus ten toppunt van vreugd. Volgens alle waarschijnlijkheid zou voor dezen keer zijn meester niet meer van besluit veranderen. De vereeniging van lichamelijke met zielesmart had de zoolang verwachte uitwerking teweeggebracht.

Aramis, zoowel naar ziel als naar lichaam lijdende, had eindelijk oog en hart op den godsdienst gericht en als een waarschuwing des hemels het dubbel ongeluk beschouwd, dat hem was overkomen, namelijk: de plotselinge verdwijning van zijn minnares en zijn wonde aan den schouder.

Men begrijpt dat voor Bazijn, in de gesteldheid van geest, waarin hij zich bevond, niets onaangenamer kon zijn dan de komst van d’Artagnan, die zijn meester wederom in den maalstroom der wereldsche denkbeelden kon medesleepen, waarin hij reeds zoo lang zich gewenteld had. Hij besloot dus de deur standvastig te verdedigen, maar daar de meesteres der herberg hem verraden had, kon hij niet zeggen, dat Aramis afwezig was, en hij trachtte nu den pas aangekomene te bewijzen, dat het alle grenzen van betamelijkheid zou overschrijden, zijn meester in de vrome samenkomst te storen, waarin hij zich sedert den ochtend bevond en die, volgens zeggen van Bazijn, niet voor den avond kon geëindigd zijn.

Maar d’Artagnan stoorde zich volstrekt niet aan de welsprekendheid van meester Bazijn, en daar hij geen de minste neiging gevoelde met den knecht van zijn vriend in woordenwisseling te treden, duwde hij hem eenvoudig met de eene hand ter zijde, terwijl hij met de andere den knop van deur No. 5 omdraaide. De deur ging open en d’Artagnan trad de kamer binnen.

Aramis, gekleed in een zwarten rok en bedekt met een soort van plat en rond hoofddeksel, dat veel op een priesterkapje geleek, zat voor een langwerpig vierkante tafel, die zwichtte onder een aantal rollen papier en dikke folianten; aan zijn rechterhand zat de overste der jezuïeten en aan zijn linkerhand de pastoor van Montdidier. De gordijnen waren ten halve neergelaten en lieten slechts een geheimzinnig licht doordringen, dat voor vrome overwegingen als bestemd scheen.

Al de wereldsche voorwerpen, die het oog boeien, wanneer men de kamer eens jongelings binnentreedt, en vooral wanneer die jongeling musketier is, waren als door toovernij verdwenen en ongetwijfeld uit vrees, dat het zien van den degen, de pistolen, den gevederden hoed en de borduursels en kanten van allerlei aard en soort zijn meester tot wereldsche gedachten zou hebben overgehaald, had Bazijn op een en ander de hand gelegd. Maar in hun plaats meende d’Artagnan in een donkeren hoek iets naar een roede gelijkende te zien, die aan een spijker tegen den muur hing.

Op het gerucht, dat d’Artagnan bij het openen der deur maakte, richtte Aramis het hoofd op en herkende zijn vriend. Maar tot groote verwondering van d’Artagnan scheen zijn tegenwoordigheid op den jongeling geen grooten indruk te maken, zoozeer was zijn ziel van het aardsche ontheven.

„Goeden dag, mijn waarde d’Artagnan!” zeide Aramis, „het is mij aangenaam u te zien.”--„Mij ook,” zeide d’Artagnan, „ofschoon ik nog niet zeker ben, dat het Aramis is, tot wien ik spreek.”--„Tot hem zelven, mijn vriend! tot hem zelven; maar wat heeft u kunnen doen twijfelen?”--„Ik vreesde mij in de kamer bedrogen te hebben en meende aanvankelijk in die van een of ander geestelijke binnen te gaan; vervolgens overviel mij een andere schrik, door u in het gezelschap dier heeren te zien, namelijk dat gij ernstig ziek waart.”

De twee zwarte mannen wierpen op d’Artagnan, wiens bedoeling zij begrepen, een eenigszins dreigenden blik, maar deze stoorde er zich niet aan.--„Ik hinder u misschien, waarde Aramis,” ging d’Artagnan voort, „want naar hetgeen ik zie, moet ik gelooven, dat gij dien heeren uw biecht zegt.”--Aramis bloosde bijna onmerkbaar.--„Mij hinderen! wel neen, in het geheel niet, waarde vriend! dat zweer ik u, en ten bewijze van hetgeen ik u zeg, veroorloof mij vooreerst mij te verblijden u gezond en ongedeerd terug te zien.”

„Ha! hij komt nader,” dacht d’Artagnan, „dat is gelukkig.”

„Want mijnheer, die mijn vriend is, is aan een groot gevaar ontkomen,” ging Aramis voort met zalving, d’Artagnan aan beide geestelijken voorstellende.--„Dank God, mijnheer,” antwoordden deze, zich gelijktijdig buigende.--„Ik heb het niet verzuimd, eerwaarden!” hernam de jongeling, hun groet beantwoordende.--„Gij komt juist te stade, waarde d’Artagnan!” zeide Aramis, „om aan de woordenwisseling deel te nemen en die met uw oordeel bij te lichten. Mijnheer de overste van Amiëns, mijnheer de pastoor van Montdidier en ik redetwisten over eenige godgeleerde vraagpunten, wier belangrijkheid ons sedert een geruime poos bezig houdt; ik zou ook gaarne uw oordeel er over hooren.”--„Het oordeel van een krijgsman is van zeer weinig gewicht,” antwoordde d’Artagnan, die ongerust begon te worden over de wending van het gesprek, „en gij kunt u, geloof mij, aan de kundigheden dier heeren volkomen onderwerpen.”--Beide zwarte mannen bogen zich.--„Integendeel,” hernam Aramis, „uw oordeel zal zeer nuttig zijn. Ziehier wat het betreft: mijnheer de overste meent, dat mijn thesis vooral leerstellig en onderwijzend moet zijn.”--„Uw thesis! maakt gij dan een thesis?”--„Zeker,” antwoordde de jezuïet; „voor het examen, dat de wijding voorafgaat, wordt een thesis volstrekt vereischt.”--„De wijding!” riep d’Artagnan, die nog niet kon gelooven, wat achtereenvolgens de meesteres der herberg en Bazijn hem gezegd hadden; „de wijding!” en hij liet zijn verbaasden blik over de drie personen weiden, die hij voor zich zag.--„Derhalve,” vervolgde Aramis, op zijn leuningstoel een bevallige houding aannemende, alsof hij in een stalle had gezeten, en met welgevallen zijn witte en als die eener vrouw zoo vleezige hand beschouwende, die hij in de hoogte hield om het bloed er uit te doen zakken; „derhalve, zooals gij hebt gehoord, d’Artagnan! mijnheer de principaal zou willen, dat mijn thesis leerstellig ware, terwijl ik tot het denkbeeldige van het onderwerp overhel: het is dan uit dien hoofde dat mijnheer de overste mij dit onderwerp voorstelde, hetwelk nog niet is behandeld geworden, en waarin ik genoegzame stof zie, om het heerlijk te ontwikkelen: Utramque manem in benedicendo clericis inferioribus necessariam esse.”

D’Artagnan, wiens geleerdheid wij kennen, gaf evenmin eenig teeken deze aanhaling te verstaan, als toen de heer de Tréville er hem eene deed bij het zien van den ring, welken hij meende, dat d’Artagnan van Buckingham had ontvangen.--„Hetgeen wil zeggen,” hernam Aramis, om het hem gemakkelijk te maken, „beide handen zijn onontbeerlijk aan den priester van minderen rang, wanneer hij den zegen geeft.”--„Een heerlijk onderwerp!” riep de jezuïet.--„Fraai en leerrijk,” herhaalde de pastoor, die, bijna even goed het latijn verstaande als d’Artagnan, aandachtig naar den jezuïet luisterde, om met dezen gelijk te blijven en dan zijn woorden als een echo herhaalde.--Wat d’Artagnan betreft, deze bleef geheel koel bij de geestdrift der beide zwarte mannen.--„Ja, voortreffelijk, prorsus admirabile!” vervolgde Aramis, „maar het vereischt een grondige studie der kerkvaders en der H. Schrift. Ik heb dan ook, met alle nederigheid, aan die geleerde heeren geestelijken verklaard, dat de nachtwachten en de dienst des konings mij de studie een weinig hadden doen verzuimen. Het zou derhalve voor mij gemakkelijker zijn een onderwerp mijner eigen keuze te bewerken: facilius natans, dat, ten aanzien der moeilijke godgeleerde vraagpunten, zou wezen hetgeen de zedekunde, ten aanzien van de bovennatuurkunde, in de wijsbegeerte is.”

D’Artagnan verveelde zich doodelijk; de pastoor ook.

„Zie eens wat exordium!” riep de jezuïet.--„Exordium!” herhaalde de pastoor, om ook iets te zeggen.--„Quem ad modum inter coelorum immensitatem.”--Aramis wierp een schuinschen blik op d’Artagnan en hij zag, dat zijn vriend geeuwde als om zijn kaakbeenderen te ontwrichten.--„Laat ons Fransch spreken, eerwaarde vader!” zeide hij tot den jezuïet, „de heer d’Artagnan zal des te meer van onze woorden vrucht hebben.”--„Ja, ik ben vermoeid van de reis,” zeide d’Artagnan, „en al dat latijn ontgaat mij.”

„Vooreerst,” zeide de jezuïet met zekere teleurstelling, terwijl de vergenoegde pastoor oogen vol dankbaarheid op d’Artagnan sloeg: „zie het voordeel, dat er uit deze verklaring te trekken is. Mozes, Gods dienaar, hij is niets meer als dienaar, verstaat gij? Mozes geeft met de handen den zegen; hij laat zich beide armen ondersteunen, terwijl de Hebreërs hun vijanden verslaan; bijgevolg zegent hij met beide handen. Bovendien, wat zegt het Evangelie? Imposuite manus en niet manum, leg de handen op en niet de hand.”--„Leg de handen op,” herhaalde de pastoor, die beweging makende.--„Tot den heiligen Petrus integendeel, van wien de pausen de opvolgers zijn,” ging de jezuïet voort: „Porrige digitos, hef de vingers op; begrijpt gij het nu?”--„Zeker,” antwoordde Aramis met zekere zelfvoldoening, „maar het is iets zeer scherpzinnigs.”--„De vingers,” hernam de jezuïet, „de heilige Petrus zegent met de vingers, de paus geeft dus ook zijn zegen met de vingers. En met hoeveel vingers geeft hij dien? met drie vingers, één voor den Vader, één voor den Zoon en één voor den Heiligen Geest.”--Alle aanwezigen kruisten zich; d’Artagnan meende dit voorbeeld te moeten volgen.--„De paus is de opvolger van den heiligen Petrus en vertegenwoordigt de drie Goddelijke machten; de overige ordines inferiores[5] der kerkelijke hiërarchie zegenen door den naam der heilige aartsengelen en engelen. De minste klerken, zooals onze diakens en kosters, zegenen met den wijwaterskwast, die een oneindig getal zegenende vingers voorstelt. Ziedaar het onderwerp vereenvoudigd: Argumentum omni denudatum ornamento. Ik zou hierover twee boekdeelen van de dikte als dit kunnen schrijven,” eindigde de jezuïet, en in zijn geestverrukking sloeg hij op den H. Chrysostomus in folio, dat de tafel onder dat gewicht boog.--D’Artagnan rilde.

[5] De lagere graden.

--„Het is waar,” zeide Aramis, „ik ben overtuigd van de schoonheden dezer thesis; maar tegelijk moet ik bekennen, dat ze voor mij te zwaar is. Ik had dezen tekst gekozen: zeg mij eens, waarde d’Artagnan, of hij niet naar uw zin is? Non inutile est desiderium in oblatione, of liever: Een weinig leedwezen misvoegt niet bij een offerande aan den Heere.”--„Ho!” riep de jezuïet, „die tekst riekt naar den brandstapel; een dergelijk voorstel vindt men in den Augustinus van den ketter Jansenius, wiens boek vroeg of laat door de handen des beuls zal worden verbrand. Wees op uw hoede, mijn jonge vriend! gij helt over tot valsche grondstellingen; gij zult verloren gaan, mijn jonge vriend!”--„Gij zult verloren gaan,” herhaalde de pastoor, smartelijk het hoofd schuddende.--„Gij raakt die vermaarde leerstelling aangaande den vrijen wil, die doodelijke klip. Gij geeft u onbesuisd over aan de overtuigingsmiddelen der Pelasgisten en der half-Pelasgisten.”--„Volstrekt niet, eerwaarde!” hernam Aramis, min of meer onthutst door de hagelbui van tegenwerpingen, die op hem neervielen.--„Hoe zult gij bewijzen,” vervolgde de jezuïet, zonder hem den tijd te laten één woord te spreken, „dat men de wereld moet betreuren, wanneer men zich Gode toewijdt. Luister naar deze tweeledige bewijsrede: God is God en de wereld is de duivel. De wereld betreuren is den duivel betreuren; ziedaar mijn denkwijze.”--„Dat is ook de mijne,” zeide de pastoor.--„Maar een oogenblikje,” hernam Aramis.--„Desideras diabolum,[6] rampzalige!” riep de jezuïet.--„Betreurt hij den duivel? Ach! mijn jonge vriend!” hernam de pastoor zuchtende: „betreur den duivel niet, ik smeek het u.”

[6] Gij begeert den duivel terug.

D’Artagnan begon half mal te worden; hij meende in een gekkenhuis te zijn en even gek te worden als degenen, die hij zag. Maar hij was genoodzaakt te zwijgen, volstrekt de taal niet verstaande, welke in zijn tegenwoordigheid gesproken werd.

„Maar luister dan toch,” hernam Aramis met een beleefdheid, onder welke men een weinig ongeduld bemerkte, „ik zeg niet dat ik betreur; neen, nooit zal ik dat woord uitspreken, dat niet rechtzinnig is.”--De jezuïet hief de handen ten hemel; de pastoor deed evenzoo.--„Neen, maar ik beken, dat het niet fraai is, den Heere datgene aan te bieden, waarvan men volkomen afkeerig is geworden. Heb ik gelijk, d’Artagnan?”--„Ik geloof het wel, pardieu!” riep deze.--De pastoor en de jezuïet deden een sprong op hun stoelen.--„Ziehier van waar ik uitga; het is een sluitrede; der wereld ontbreekt het niet aan bekoorlijkheden: ik verlaat de wereld, derhalve offer ik iets op; en de H. Schrift zegt uitdrukkelijk: Offert den Heere!”--„Dat is waar,” zeiden de tegenstrevers.--„En vervolgens,” ging Aramis voort, zijn oor knijpende om het rood te doen worden, zooals hij zijn handen bewoog om ze wit te doen blijven; „en vervolgens heb ik een rondeau[7] hierop gemaakt, dat ik verleden jaar aan den heer Voiture heb laten lezen, en waarmee die groote man mij heeft geluk gewenscht.”--„Een rondeau!” zeide de pastoor werktuigelijk.--„Zeg op, zeg op!” riep d’Artagnan, „dat zal min of meer het gesprek veranderen.”--„Neen, want het is godsdienstig,” antwoordde Aramis; „het is berijmde godgeleerdheid.”--„Duivelsch!” liet d’Artagnan hooren.--„Hier is het,” zeide Aramis, op min of meer nederigen toon, die echter niet vrij was van huichelarij:

„Gij! die beweent een vreugdevol verleden, In treurigheid uw dagen thans verslijt; Van uwe ramp zult gij dra zijn bevrijd, Indien gij Gode wijdt uw tranen en gebeden. Gij! die beweent enz.”

[7] Oud soort van vers, waarvan de eerste en de vierde regel rijmen, zoo ook de tweede en de derde, de vijfde bestaat uit de eerste helft van den eerste.

D’Artagnan en de pastoor schenen tevreden. De jezuïet bleef in zijn denkwijze volharden.--„Hoed u voor een ongewijden stijl in godgeleerde voorstellingen. Wat zegt dan ook de H. Augustinus? Severus sit clericorum sermo.”[8]--„Ja, dat het Sermoen duidelijk zij,” zeide de pastoor.--„Derhalve,” haastte zich de jezuïet hierop in te vallen, ziende dat zijn helper in de war was; „derhalve zal uw thesis aan niemand dan aan de dames behagen, zij zal geschat worden als een pleidooi van meester Patru.”--„Dat geve God!” riep Aramis verheugd.--„Gij ziet,” riep de jezuïet, „de wereld verheft in u nog luide haar stem: Altissima voce. Gij volgt de wereld, mijn jonge vriend! en ik vrees, dat de genade niet krachtig genoeg zij.”--„Stel u gerust, eerwaarde heer! ik stel mij zelven verantwoordelijk.”--„Dat is wereldsche verwatenheid.”--„Ik ken mij zelven, eerwaarde vader! mijn besluit is onherroepelijk.”--„Dan wilt gij volstrekt die thesis uitwerken?”--„Ik voel mij geroepen die te behandelen, en morgen hoop ik, dat gij zult tevreden zijn over de verbeteringen, die ik er op uw raad in heb gemaakt.”--„Werk langzaam,” zeide de pastoor; „wij verlaten u in de heerlijkste gesteldheid.”--„Ja, de grond is reeds genoeg bezaaid,” zeide de jezuïet, „en wij behoeven niet te vreezen, dat een gedeelte van het zaad op de rots is gevallen, het andere langs den weg verloren gaat en dat de vogels des hemels het overige hebben verslonden. Aves coeli comoederunt illam.”--„Dat de pest u verstikke met uw latijn,” dacht d’Artagnan, wiens geduld ten einde raakte.--„Vaarwel, mijn zoon! tot morgen.”--„Vaarwel, jonge roekelooze!” zeide de jezuïet; „gij belooft een der lichten van de kerk te worden; de hemel geve, dat dit licht geen verslindend vuur worde!”--D’Artagnan, die gedurende een uur zijn nagels van ongeduld had afgeknaagd, was aan het vleesch begonnen.

[8] De priesters moeten een deftige taal voeren.

De beide zwarte mannen stonden op, groetten Aramis en d’Artagnan en naderden de deur. Bazijn, die er voor was blijven staan en die dezen godgeleerden twist in vrome verheffing des harten had aangehoord, ijlde naar hen toe, nam den pastoor het getijdeboek en den jezuïet het misboek af, waarop hij, eerbiedig vooruit gaande, hun den weg baande. Aramis vergezelde hen tot beneden aan de trap en keerde toen dadelijk naar d’Artagnan terug, die nog in zijn overwegingen verzonken was.

Nu alleen zijnde, bewaarden beide vrienden aanvankelijk een onaangename stilte; echter moest een van beiden die het eerst verbreken, en daar d’Artagnan scheen besloten te hebben die eer aan zijn vriend te laten, zeide Aramis:

„Zooals gij ziet, mijn vriend! ik ben weder tot mijn oorspronkelijke denkbeelden teruggekomen.”--„Ja, de uitwerkende genade heeft u getroffen, zooals die heer van daareven zeide.”--„Ach! dat voornemen, mij der wereld ontrukken, heeft reeds sedert lang vastgestaan en gij hebt er mij reeds van hooren spreken, niet waar mijn vriend?”--„Zonder twijfel; maar ik beken, ik meende, dat gij schertstet.”--„Met die soort van zaken? O, d’Artagnan!”--„Wat duivel! men schertst wel met den dood.”--„En men doet niet wel, d’Artagnan! want de dood is immers de poort, welke tot de verdoemenis of tot de zaligheid leidt?”--„Dat stem ik toe; maar, als het u belieft, spreken wij over geen godgeleerdheid, Aramis! gij moet er voor den geheelen dag van verzadigd zijn; wat mij betreft, ik heb bijna het weinige latijn vergeten, dat ik trouwens nooit gekend heb; vervolgens moet ik u bekennen, dat ik sedert heden ochtend niet gegeten en een duivelschen honger heb.”--„Wij zullen zoo aanstonds samen het middagmaal nemen, waarde vriend! maar herinner u, dat het heden vrijdag is; bijgevolg kan ik op zoodanigen dag noch vleesch eten noch het zien eten. Wilt gij u met mijn maal vergenoegen, dan krijgt gij tetragones en vruchten.”--„Wat verstaat gij onder tetragones?” vroeg d’Artagnan ongerust.--„Hieronder versta ik spinazie,” hernam Aramis, „maar ik zal er voor u eieren bij laten voegen, hoewel dit een geweldige inbreuk op de voorschriften is; want eieren is vleesch, omdat zij het hoen voortbrengen.”--„Dat maal is niet zeer smakelijk; maar om bij u te blijven, zal ik mij er aan onderwerpen.”--„Ik ben u voor de opoffering erkentelijk,” zeide Aramis; „en mocht het u al niet lichamelijk tot nut zijn, het zal echter, dit verzeker ik u, uw ziel voordeelig zijn.”

„Dus hebt gij waarlijk besloten, Aramis! tot den geestelijken stand over te gaan? Wat zullen onze vrienden zeggen! wat zal de heer de Tréville denken! zij zullen u als een deserteur behandelen, dat verzeker ik u.”--„Ik ga niet tot den geestelijken stand over, ik keer er toe terug. Het was de kerk, die ik voor de wereld verliet, want gij weet, dat ik mij geweld heb aangedaan, om mij in het musketiersgewaad te steken.”--„Ik! ik weet er niets van.”--„Weet gij niet, waarom ik het seminarie heb verlaten?”--„Volstrekt niet.”--„Nu, luister dan; de H. Schrift zegt: Belijdt u aan elkander, en ik belijd mij aan u, d’Artagnan!”--„En ik geef u vooraf de absolutie; gij weet, ik ben een goede jongen.”--„Spot niet met de heilige zaken, mijn vriend!”--„Nu, verhaal dan, ik luister.”

„Ik was dan van af mijn negende jaar in het seminarie en een en twintig jaar oud; nog drie dagen en ik zou tot priester worden gewijd, en alles ware gedaan geweest. Op zekeren avond, dat ik mij volgens gewoonte naar een huis begaf, waar ik mij steeds naar genoegen bevond--men is jong, wat zal ik zeggen, men is zwak--trad een officier, die mij met een afgunstig oog het leven der Heiligen aan de meesteres des huizes zag voorlezen, eensklaps en zonder aangediend te zijn binnen. Juist had ik dien avond de episode van Judith in verzen overgebracht en herhaalde ze aan de dame, die mij allerhande soort van komplimenten maakte en op mijn arm geleund ze met mij opnieuw overlas. De houding, die, ik beken het, wel wat los was, kwetste dien officier; hij zeide niets, maar toen ik heenging, volgde hij mij en sprak mij aan:

„‚Mijnheer de abt! houdt gij van rottingolie?’--‚Ik kan het u niet zeggen, mijnheer!’ antwoordde ik, ‚want niemand heeft mij die ooit durven geven.’--‚Welnu, luister dan, mijnheer de abt, indien gij in het huis terugkeert, waar ik u heden avond heb ontmoet, dan zal ik het durven.’

„Ik geloof, dat ik bevreesd werd; ik werd zeer bleek, ik voelde mijn knieën knikken; ik trachtte een antwoord te geven, dat ik niet vond en zweeg. De officier wachtte een antwoord, maar ziende dat het weg bleef, lachte hij mij uit, keerde mij den rug toe en trad het huis weder binnen. Ik keerde naar het seminarie terug.

„Ik ben een echt edelman, zooals gij hebt kunnen bemerken en heb tamelijk driftig bloed, mijn waarde d’Artagnan. De beleediging was vreeselijk, en hoewel ze volstrekt der wereld onbekend was gebleven, voelde ik ze als leven en diep in mijn hart zich bewegen. Ik verklaarde aan mijn oversten, dat ik mij niet genoegzaam voorbereid vond om de wijding te ontvangen, en op mijn verzoek stelde men de plechtigheid een jaar uit. Ik ging den behendigsten schermmeester van Parijs bezoeken en trof met hem een overeenkomst, dat hij mij dagelijks een les zoude geven, en alle dagen, gedurende een jaar, nam ik die. Vervolgens hing ik, juist op den verjaardag dat ik beleedigd was geworden, mijn geestelijk gewaad aan een spijker, kleedde mij volkomen in een edelmans kleeding en begaf mij naar een bal, dat een dame mijner kennis gaf, waar ik wist, dat mijn man zich zou bevinden. Het was in de straat der Trouwe Burgers, dicht bij het slot la Force. Mijn officier was er werkelijk; ik naderde hem op het oogenblik dat hij een minnelied zong, terwijl hij teederlijk een vrouw toelonkte; ik sprak hem aan te midden van het tweede couplet.

„‚Mijnheer!’ zeide ik hem, ‚mishaagt het u steeds, dat ik in zeker huis in de straat Payenne ga en wilt gij mij nog rottingolie geven, indien ik er toe overga u ongehoorzaam te zijn?’--De officier beschouwde mij met verwondering en zeide: ‚Wat wilt gij, mijnheer? ik ken u niet!’--‚Ik ben,’ antwoordde ik, ‚de jonge geestelijke, die het leven der heiligen voorleest en Judith in verzen overbrengt.’--‚Ha! nu herinner ik mij,’ zeide de officier op spottenden toon, ‚wat wilt gij?’--‚Ik wenschte, dat gij zoo vriendelijk wildet wezen een kleine wandeling met mij te doen.’--‚Morgen ochtend, als het u belieft en dan met het grootste vermaak.’--‚Neen, neen, niet morgen ochtend, oogenblikkelijk.’--‚Als gij het volstrekt begeert?’--‚Wel ja, ik begeer het.’--‚Welaan dan, dames!’ zeide de officier, ‚een oogenblikje; alleen den tijd om mijnheer naar de andere wereld te zenden; en ik kom het tweede couplet eindigen.’

„Wij vertrokken. Ik bracht hem in de straat Payenne, juist op de plek, waar hij, een jaar te voren, op hetzelfde uur, mij het kompliment had gemaakt, dat ik u heb medegedeeld.... Het was een heerlijke maneschijn. Wij stonden met den degen tegenover elkander, en bij den eersten uitval stak ik hem dood.”

„Duivelsch!” zeide d’Artagnan.

„En,” ging Aramis voort, „daar de dames hun zanger niet zagen terugkeeren, en men hem in de straat Payenne vond, met een degensteek in het lijf, geloofde men, dat ik het was, die hem dus had toegetakeld, en de zaak werd ruchtbaar. Ik was dus genoodzaakt voor zekeren tijd den geestelijken stand vaarwel te zeggen.... Athos, met wien ik omstreeks dien tijd in kennis kwam, en Porthos, die mij buiten mijn schermlessen met eenige aardige stooten had bekend gemaakt, haalden mij over een plaats bij de musketiers te verzoeken. De koning was mijn vader, die gedurende het beleg van Arras sneuvelde, zeer genegen geweest, en men stond mij mijn verzoek toe.... Gij begrijpt dus wel, dat het oogenblik voor mij nu is gekomen, om in den schoot der kerk terug te keeren?”

„En waarom liever nu dan gisteren of morgen? Wat is u dan toch gebeurd, om zulke akelige denkbeelden te koesteren?”

„Die verwonding, mijn waarde d’Artagnan! is voor mij een waarschuwing des hemels geweest.”--„Die verwonding, och! ze is bijna genezen, en ik ben zeker, dat het deze niet is, die u thans het meest doet lijden.”--„En welke dan?” vroeg Aramis blozende.--„Gij lijdt aan een hartwonde, die pijnlijker, bloediger is, en u door een vrouw is toegebracht.”--Het oog van Aramis schitterde ondanks hem zelven.--„Och,” zeide hij, zijn ontroering onder een schijnbare onverschilligheid verbergende, „spreek mij van die zaken niet; zou ik hierover denken! zou ik liefdesmart gevoelen, vanitas vanitatum, zou ik, volgens uw gevoelen, mij het hoofd hebben op hol gemaakt, en voor wie? voor een of ander naaistertje, voor de kamenier van dezen of genen kanunnik, aan welke ik in een of ander garnizoen het hof zou hebben gemaakt? foei!”--„Vergeef mij, mijn waarde Aramis! maar ik dacht, dat gij uw oog op iets hoogers had gevestigd?”--„Op iets hoogers? En wat ben ik, om zooveel eerzucht te koesteren?.... Een arme musketier, van duistere, onbeduidende afkomst, die voor dienstbaarheid een afschuw heeft en in de groote wereld volstrekt niet op zijn plaats is.”--„Aramis! Aramis!” riep d’Artagnan, zijn vriend twijfelachtig aanziende.

„Als stof,” ging Aramis voort, „keer ik tot stof terug.... Het leven is vol vernedering en smarten,” vervolgde hij, al meer en meer somber wordende; „al de draden, die het aan het geluk hechten, verbreken alras in de hand des menschen, vooral de gouden draden.... Ach, mijn waarde d’Artagnan!” hernam Aramis met een zweem van smart, „geloof mij, verberg wel uw wonden, wanneer gij gekwetst mocht zijn. De stilte is de laatste vreugd der ongelukkigen; wacht u iemand, wie het ook zij, op het spoor uwer smarten te brengen: de nieuwsgierigen zuigen onze tranen op, als de vliegen het bloed van een gewonde hinde.”--„Welaan, mijn waarde Aramis!” zeide d’Artagnan, op zijn beurt een diepen zucht slakende, „dat is mijn eigen geschiedenis, die gij daar verhaalt.”--„Hoezoo?”--„Ja, een vrouw, die ik beminde, die ik aanbad, is mij gewelddadig ontrukt geworden. Ik weet niet waar zij is, en werwaarts men haar heeft gevoerd; misschien is zij in de gevangenis, misschien is zij dood.”--„Maar gij hebt ten minste den troost te kunnen zeggen, dat zij u niet vrijwillig heeft verlaten; dat, indien gij geen tijding van haar ontvangt, zulks ontstaat, doordien elke gemeenschap met u voor haar is afgebroken, terwijl....”--„Terwijl?”--„Niets, niets,” antwoordde Aramis.--„Dus gij hebt besloten volkomen afstand van de wereld te doen, dat besluit is onherroepelijk vastgesteld?”--„Voor altijd. Heden zijt gij nog mijn vriend, morgen zult gij voor mij niets meer zijn dan een schaduw, of liever, gij zult voor mij niet meer bestaan.... Wat de wereld betreft, deze is een graf, anders niets.”--„Duivelsch! hetgeen gij mij zegt, is zeer treurig.”--„Wat zal ik u zeggen, mijn roeping drijft mij.”

D’Artagnan glimlachte en antwoordde niet.--Aramis vervolgde: „En echter, zoolang ik nog tot de wereld behoor, wil ik u over u, over onze vrienden spreken.”--„En ik,” zeide d’Artagnan, „ik wilde over u zelven spreken; maar ik zie u van alles vervreemd: de liefde verfoeit gij, uw vrienden zijn schimmen, de wereld is een graf.”--„Helaas!” zeide Aramis met een zucht, „gij zult het bij u zelven ondervinden.”--„Spreken wij er dan niet meer van,” hernam d’Artagnan, „laten wij dien brief verbranden, die u zeker de een of andere getrouwheid van uw naaistertje of uw kamenier bericht.”--„Welken brief?” vroeg Aramis haastig.--„Een brief, die in uw afwezigheid is bezorgd geworden en dien men aan mij heeft ter hand gesteld.”--„Maar van wien is die brief?”--„Och! van de een of andere beproefde gezelschapsjuffer, van een wanhopende naaister, misschien wel van de kamenier van mevrouw de Chevreuse, die genoodzaakt zal zijn geweest met haar meesteres naar Tours terug te keeren en die, om eens fraai voor den dag te komen, welriekend papier genomen en haar brief met een hertogelijke kroon zal hebben verzegeld.”--„Wat zegt gij daar?”

„Zie, ik geloof hem verloren te hebben,” zeide d’Artagnan, zich houdende alsof hij dien zocht. „Gelukkig, dat de wereld een graf, dat de menschen en bijgevolg ook de vrouwen schimmen zijn en de liefde een gevoel is, dat gij verafschuwt.”--„O, d’Artagnan! d’Artagnan! gij doet mij sterven.”--„Eindelijk heb ik hem,” zeide d’Artagnan en haalde den brief uit zijn zak.

Aramis sprong toe, greep den brief, las of liever verslond dien, terwijl een glans op zijn gelaat verscheen.

„Het schijnt, dat de kamenier een fraaien stijl heeft,” zeide de boodschapper onverschillig.--„Ik dank u, d’Artagnan!” riep Aramis in vervoering. „Zij is genoodzaakt geworden naar Tours terug te keeren; zij is mij niet ontrouw en bemint mij steeds. Kom, mijn vriend, kom, laat ik u omhelzen. Het geluk benauwt mij.”--En beide vrienden begonnen rondom den foliant van den H. Chrysostomus te dansen, terwijl zij aardig de bladen der thesis vertrapten, die op den grond gevallen waren.

Op dat oogenblik trad Bazijn met de spinazie en de eierstruif binnen.--„Verwijder u, ongelukkige!” riep Aramis, hem zijn priesterkapje in het gezicht werpende, „keer terug vanwaar gij komt; neem die afschuwelijke groente en dien ellendigen koek mede. Vraag een gelardeerden haas, een vetten kapoen, een schapenbout en vier flesschen oude Bourgonje.”

Bazijn, die zijn meester aanzag en niets van die verandering begreep, liet treurig de eierstruif en de spinazie op den grond vallen.

„Ziedaar nu het oogenblik, om uw leven aan den Koning der Koningen te wijden,” zeide d’Artagnan, „indien gij er op gesteld zijt, Hem een beleefdheid te doen, non inutile desiderium in oblatione.”--„Ga naar den duivel met uw latijn, mijn waarde d’Artagnan! laat ons drinken, morbleu! laat ons drinken; en vertel mij eens, wat er ginds zoo al is voorgevallen.”

HOOFDSTUK XXVII.

De vrouw van Athos.

„Thans blijft ons nog over, eenig nieuws van Athos te vernemen,” zeide d’Artagnan tot den lustigen Aramis, na hem te hebben verhaald, wat er in de hoofdstad was voorgevallen sedert hun vertrek, en een voortreffelijk maal den eenen zijn thesis, den anderen zijn vermoeidheid had doen vergeten.--„Gelooft gij dan, dat hem een ongeluk is overkomen?” vroeg Aramis; „Athos is zoo koelbloedig, zoo dapper, gaat zoo behendig met den degen om.”--„O ja! zonder twijfel, en niemand erkent meer den moed en de behendigheid van Athos dan ik; maar ik voel liever op mijn degen den stoot eener lans dan dien van stokken: ik vrees, dat Athos door de knechts is afgerost geworden; knechts zijn lieden, die er hard op slaan en niet gauw uitscheiden. Ziedaar, waarom ik, om het u te zeggen, zoo spoedig mogelijk wilde vertrekken.”--„Ik zal trachten u te vergezellen,” zeide Aramis, „hoewel ik mij nog niet sterk genoeg gevoel te paard te rijden. Gisteren beproefde ik de roede, die gij daar ziet hangen, maar de smart dwong mij, die vrome oefening af te breken.”--„Stil, mijn vriend! men heeft immers nooit gehoord, dat men geweerschoten met roedeslagen geneest; maar gij waart ziek en de ziekte verzwakt, zoodat ik u verontschuldig.”--„En wanneer vertrekt gij?”--„Morgen, zoodra de dag aan den hemel is; rust van nacht goed uit, en morgen, indien gij kunt, zullen wij samen vertrekken.”--„Tot morgen,” zeide Aramis, „want hoe ijzersterk gij ook moogt zijn, moet gij rust hebben.”

Den volgenden dag, toen d’Artagnan de kamer van Aramis binnentrad, vond hij dezen voor het venster.--„Wat beschouwt gij toch?” vroeg d’Artagnan.--„Wel, ik bewonder die drie kostelijke paarden, welke de staljongen bij den toom houdt: dat is een vorstelijk vermaak, op dergelijke paarden te reizen.”--„Welnu, mijn waarde Aramis! gij kunt u dat vermaak verschaffen, want een dier paarden behoort u.”--„Och kom! En welk?”--„Dat van de drie wat gij verkiest, ik heb geen verkiezing.”--„En behoort dat rijke dekkleed mij ook?”--„Wel zeker.”--„Gij schertst, d’Artagnan!”--„Ik scherts niet meer, sedert gij Fransch spreekt.”--„En die vergulde pistoolholsters, dat fluweelen schabrak en dat met zilveren spijkers beslagen zadel behooren mij?”--„Aan u, zoowel als dat brieschende paard aan mij, en dat steigerende paard aan Athos.”--„Duivelsch! dat zijn schoone, drie schoone paarden.”--„Het is mij aangenaam, dat zij naar uw zin zijn.”--„Heeft de koning ze u ten geschenke gegeven?”--„De kardinaal althans niet; maar bekommer er u niet over van wien zij afkomstig zijn, en wees slechts indachtig, dat een der drie u behoort.”--„Ik houd dat, hetwelk door dien rossen staljongen wordt vastgehouden.”--„Best!”

„Lieve God,” riep Aramis, „dat verdrijft het overblijfsel van al mijn pijn; ik zou dat paard berijden met dertig kogels in het lijf. O, bij mijn ziel! wat heerlijke stijgbeugels! Hier, Bazijn! rep u, kom oogenblikkelijk!”--Bazijn verscheen zwijgend en stil op den drempel der deur.--„Scherp mijn degen, maak mijn hoed in orde, klop mijn mantel uit en laad mijn pistolen!” beval Aramis.--„Die laatste aanbeveling is overbodig,” viel d’Artagnan hem hierop in de rede, „er zijn geladen pistolen in de holsters.”--Bazijn zuchtte.--„Welaan, meester Bazijn! stel u gerust,” zeide d’Artagnan, „men verdient het koninkrijk des Hemels in alle betrekkingen.”--„Mijnheer was reeds een zoo goed theologant,” zeide Bazijn, bijna huilende, „hij zou bisschop, misschien kardinaal zijn geworden.”--„Maar, mijn arme Bazijn! komaan, overweeg eens: waartoe dient het een geestelijke te zijn, bid ik u; men vermijdt hierdoor toch niet ten oorlog te gaan; gij ziet wel, dat de kardinaal den eersten veldtocht mede zal maken, met den helm op het hoofd en den degen in de vuist; en wat zegt gij van den heer Nogaret de la Valette? Ook deze is kardinaal, maar vraag eens aan zijn lakei, hoe dikwijls hij pluksel voor hem heeft gereed gemaakt.”--„Helaas!” zuchtte Bazijn, „ik weet het, mijnheer! alles is tegenwoordig in de wereld omgekeerd.”

Onderwijl waren beide jongelieden en de lakei naar beneden gegaan.--„Houd mij den stijgbeugel, Bazijn!” zeide Aramis en sprong in den zadel met zijn gewone vlugheid en bevalligheid; maar na eenige wendingen en steigeringen van het edele dier gevoelde zijn berijder zulke hevige smarten, dat hij verbleekte en wankelde. D’Artagnan, die, zulks voorziende, hem niet uit het oog had verloren, ijlde naar hem toe, ondersteunde hem in zijn armen en geleidde hem naar zijn kamer.

„Het is wèl, mijn waarde Aramis! verzorg u nog eenigen tijd, ik zal Athos alleen zoeken.”--„Gij zijt een stalen mensch!” zeide Aramis.--„Neen, ik ben gelukkig, dat is al; maar op wat wijze zult gij, mij wachtende, den tijd verdrijven? daar gij nu geen thesis, geen uitleggingen der vingers en zegeningen te maken hebt, wel!”--Aramis glimlachte.--„Ik zal verzen maken,” zeide hij.--„Ja, welriekende verzen, van denzelfden geur als het briefje der kamenier van mevrouw de Chevreuse. Leer Bazijn ook rijmen, dat zal hem volmaken; en berijd alle dagen eenige oogenblikken het paard, dat zal u weder aan het rijden gewennen.”--„O! wees gerust,” zeide Aramis, „gij zult mij bereid vinden u te volgen.”

Zij namen van elkander afscheid, en tien minuten later draafde d’Artagnan, na zijn vriend aan Bazijn en aan de herbergierster te hebben aanbevolen, den weg naar Amiëns op.

Op wat wijze wilde hij Athos wedervinden, en zou hij hem wel vinden?--De toestand, waarin d’Artagnan Athos had gelaten, was slecht, en deze laatste kon wel bezweken zijn. Die gedachte verduisterde het voorhoofd van d’Artagnan en deed hem bij zich zelven eenige wraakgeloften prevelen. Van al zijn vrienden was Athos de oudste, en ook oogenschijnlijk het minst met zijn smaak en neigingen in overeenstemming. Echter schonk hij dien edelman boven allen de voorkeur.

Het edel en voornaam voorkomen van Athos, de weerlichten van grootheid, die bijwijlen de duisternis doorkliefden, waarmede hij zich vrijwillig omringde, die onafgebroken gelijkheid van karakter, die zijn omgang tot den gemakkelijksten van de wereld maakte, die gedwongen, bijtende scherts, die moed, welken men blind zou hebben genoemd, indien hij niet het gevolg van de zeldzaamste koelbloedigheid ware geweest; al die hoedanigheden wekten bij d’Artagnan meer achting, meer dan vriendschap op, zij wekten zijn bewondering.

En waarlijk, zelfs bij den heer de Tréville vergeleken, stak de edele en smaakvolle hoveling, Athos, in zijn oogenblikken van goede luim, voordeelig uit; hij was van middelmatige grootte, maar die gestalte was zoo verwonderlijk fier, zoo wel geëvenredigd, dat hij meer dan eens, in zijn worstelingen met Porthos, den reus had doen bukken, wiens kracht tot een spreekwoord onder de musketiers was geworden; zijn hoofd, met zijn doordringende oogen, zijn gebogen neus, en de kin als die van Brutus gesneden, hadden een onbeschrijfelijke uitdrukking van grootheid en bevalligheid; zijn handen, voor welke hij niet de minste zorg droeg, maakten Aramis wanhopig, die de zijne met amandelzalf en welriekende oliën fraai hield; de klank zijner stem was krachtig en tevens welluidend; en verder, wat in Athos het onbegrijpelijkste was, was die fijne kennis van de wereld en der gewoonten van de hoogste rangen, die welopgevoedheid, die als buiten zijn weten in zijn minste handelingen doorstraalde.

Betrof het een gastmaal, dan wist Athos het beter dan iemand te regelen, elken genoodigde de plaats en den rang gevende, welke hem zijn voorouders nagelaten of hij zich zelven bezorgd had. Betrof het de geslacht-wapenkunde, dan was het wederom Athos, die al de adellijke familiën des koninkrijks kende, zoowel als hun oorsprong, hun verbintenissen, hun wapenschilden en den oorsprong er van. Er was niets, wat de welgemanierdheid betrof, of hij kende het in de minste bijzonderheden, hij kende de rechten der groote grondeigenaars en was doorkneed in de wild- en valkenjacht; zelfs op zekeren dag, dat hij over die groote kunst sprak, verbaasde hij koning Lodewijk XIII, die er toch een meester in was.

Zooals al de voorname lieden van dien tijd, verstond hij de rij- en de schermkunst in de volmaaktheid. Wat meer is, zijn opvoeding was zoo weinig veronachtzaamd, zelfs ten aanzien der schoolstudiën, welke zoo zelden bij de edellieden van dien tijd beoefend werden, dat hij glimlachte bij de brokken latijn van Aramis, welke Porthos den schijn aannam te begrijpen; twee of drie malen zelfs was het hem, tot groote verwondering zijner vrienden, gebeurd, Aramis terecht te helpen, wanneer deze aan een werkwoord een verkeerden tijd en aan een naamwoord een verkeerden naamval gaf; daarenboven was zijn eer onkreukbaar, en dit in een eeuw, waarin de krijgsman zoo gereedelijk zijn geloof en zijn geweten verzaakte, de minnaars met de strenge kieschheid onzer dagen en de armen met het zevende gebod spotten. Athos was dus een buitengewoon mensch.

En nochtans zag men die uitstekende natuur, dat zoo welgevormd schepsel, die zoo reine ziel van lieverlede tot het stoffelijke leven overhellen, zooals de grijsaard naar de zoowel lichamelijke als zedelijke verstomping. Athos, in zijn oogenblikken van afzondering, en die oogenblikken waren veelvuldig, was als uitgedoofd in hetgeen zijn glans daarstelde, en zijn schitterende hoedanigheden verdwenen als in een diepen nacht. Athos, die meer dan mensch scheen, half-God, was in die oogenblikken nauwelijks mensch. Zijn hoofd hing hem op de borst, zijn oog was dof, zijn spraak zwaar en moeilijk. Athos hield dan, gedurende een uur achter elkander, zijn oog hetzij op zijn flesch en zijn glas gevestigd, hetzij op Grimaud, die gewoon op zijn wenken te gehoorzamen, in den starren blik zijns meester tot zelfs de minste begeerte las, die hij oogenblikkelijk vervulde. Waren de vier vrienden in die oogenblikken vereenigd, dan was een enkel, met geweldige moeite uitgebracht woord het eenige deel, dat Athos in het gesprek nam. Maar daarentegen dronk Athos alleen meer dan vier, zonder dat men zulks aan hem kon bespeuren, dan alleen door een meerder fronsen der wenkbrauwen en een diepere droefgeestigheid.

D’Artagnan, wiens doordringenden en onderzoekenden aard wij kennen, had, welk belang hij er ook in stelde om zijn nieuwsgierigheid te dien aanzien te voldoen, tot hiertoe de oorzaak dier wezenloosheid niet kunnen ontdekken. Nooit ontving Athos brieven, nooit deed Athos iets, dat niet al zijn vrienden wisten. Men kon niet zeggen, dat het de wijn was, welke hem die droefgeestigheid veroorzaakte; want, integendeel, hij dronk slechts, om ze te bestrijden, maar dit middel deed hem nog somberder worden. Men kon die verregaande zwartgalligheid ook aan het spel niet wijten; want Porthos, integendeel, vergezelde met gezang of gevloek al de wisselingen der fortuin, terwijl Athos even onverschillig bleef, of hij won of verloor.... Men had hem eens op zekeren avond in een gezelschap van musketiers drie duizend pistolen zien winnen, verliezen, vervolgens zijn paard verliezen, zijn wapens, zelfs den met goud geborduurden galabandelier; dit alles wederom herwinnen en daarenboven nog honderd louis d’or, zonder dat zijn fraaie, zwarte wenkbrauwen een lijn hooger of lager zich vertrokken, zonder dat zijn handen haar parelachtigen weerschijn hadden verloren, zonder dat zijn gesprekken, die dien avond zeer aangenaam waren, opgehouden hadden kalm en vroolijk te zijn. Het was ook niet, zooals bij onze naburen de Engelschen, de invloed van de weersgesteldheid, die hem somber stemde, want zijn droefgeestigheid was gewoonlijk grooter in het schoonste jaargetijde: Juni en Juli waren voor Athos verschrikkelijke maanden. Voor het tegenwoordige was hij niet verdrietig, hij haalde de schouders op, wanneer men hem over de toekomst sprak; zijn geheim was in het verledene, zooals men het bedenkelijk aan d’Artagnan had te kennen gegeven. Dat geheimzinnige waas, dat over geheel zijn wezen lag verspreid, maakte den man nog belangrijker, wiens oogen noch mond, zelfs in de verregaandste dronkenschap, iets hadden laten ontglippen, hoe behendig de vragen ook waren geweest, die men tot hem richtte.

„Ach!” dacht d’Artagnan, „de arme Athos is misschien dood en door mijn schuld gestorven; want ik was het, die hem in de zaak heb betrokken, van welke hij de oorzaak niet kende, van welke hij de gevolgen niet zal kennen en welke hem geen het minste voordeel kon opleveren.”--„Zonder daarbij te rekenen,” antwoordde Planchet, „dat wij hem waarschijnlijk het leven zijn verschuldigd. Herinnert gij u nog, hoe hij ons toeriep: ‚Voort, d’Artagnan, ik ben gevangen.’--En na zijn twee pistolen te hebben gelost, wat vreeselijk geweld hij met zijn degen maakte! Men zou gemeend hebben, dat er twintig mannen, of liever twintig razende duivels aan den gang waren.”--Daar deze woorden de vurigheid van d’Artagnan nog meer aanprikkelden, spoorde hij zijn paard aan, dat, niet noodig hebbende te worden aangespoord, zijn ruiter in galop meevoerde.

Tegen elf uur bespeurde men Amiëns; te half twaalf was men voor de deur der vervloekte herberg. D’Artagnan had dikwijls bij zich zelven overlegd, op welke wijze hij op den verraderlijken waard een dier goede wraaknemingen zou nemen, welke reeds bij voorbaat troosten. Hij trad dan de herberg binnen, met den vilten hoed op de oogen gedrukt, de linkerhand op de greep van zijn degen latende rusten, en zijn karwats in zijn rechterhand zweepende.

„Herkent gij mij?” vroeg hij den herbergier, die naderde om hem te groeten.--„Ik heb niet de eer, Excellentie!” antwoordde deze, nog verblind door de schitterende vertooning, die d’Artagnan maakte.--„Ha! gij kent mij niet?”--„Neen, edele heer!”--„Nu, dan zullen twee woorden mij u wel doen herinneren. Wat hebt gij met den edelman uitgevoerd, dien gij de stoutheid hadt, ongeveer veertien dagen geleden, als een valschen munter te behandelen?”--De herbergier verbleekte, want d’Artagnan had een dreigende houding aangenomen en Planchet volgde het voorbeeld zijns meesters.--„Ach, edele heer! spreek er mij niet van!” riep de herbergier op een huilenden toon, „ach, edele heer! hoe zwaar heb ik dien misslag geboet. Ach, ongelukkige die ik ben!”--„Ik vraag u, wat er van dien edelman is geworden?”--„Gelieve mij aan te hooren, edele heer! en wees barmhartig. In Godsnaam, ga zitten.”--D’Artagnan, stom van woede en ongerustheid, zette zich dreigend als een rechter. Planchet leunde trotsch tegen den rug van d’Artagnan’s stoel.

„Ziehier hoe het zich heeft toegedragen, edele heer!” hernam de herbergier bevende, „want nu herken ik u, gij waart het, die u verwijderde, toen ik met den edelman, van wien gij spreekt, dien rampzaligen twist had.”--„Ja, dat ben ik, gij hebt dus geen genade te wachten, indien gij niet volkomen de waarheid zegt.”--„Gelieve mij aan te hooren en gij zult alles weten.”--„Ik luister.”

„Ik was door de overheid verwittigd, dat een befaamde valsche munter, in gezelschap van eenige zijner makkers, in mijn herberg zou aankomen, allen vermomd in het gewaad der gardes, of in dat der musketiers. Uw paarden, uw lakeien, uw gelaat, edele heer! was mij aangeduid.”--„Vervolgens, vervolgens?” zeide d’Artagnan, die dadelijk begreep, vanwaar het zoo nauwkeurig opgegeven signalement kwam.--„Ik nam derhalve, volgens de bevelen der overheid, die mij een versterking van zes mannen zond, de noodige maatregelen, ten einde mij van de personen der gewaande valsche munters meester te maken.”--„Al weer!” riep d’Artagnan, wien dat woord van valsche munters vreeselijk het oor kittelde.--„Vergeef mij, mijnheer! zoo ik dat woord uitspreek; maar hierin bestaat juist mijn verontschuldiging. Voor de overheid was ik bevreesd, en gij weet, dat een herbergier haar moet ontzien.”--„Maar nog eens, waar is die edelman? wat is er van hem geworden? Is hij dood? Is hij levend?”--„Geduld, mijnheer! wij zijn er.”

„Er gebeurde dan wat gij weet, en hetgeen uw overhaast vertrek,” voegde de herbergier er bij met een geslepenheid, die d’Artagnan niet ontging, „scheen te wettigen. Die edelman, uw vriend, verdedigde zich wanhopend. Zijn knecht, die door een onvoorzien toeval twist met de als staljongens verkleede gerechtslieden gezocht had....”--„O, ellendeling!” riep d’Artagnan, „gij waart het allen eens, en ik weet niet wat mij weerhoudt, dat ik u niet allen vermorzel!”--„Helaas! neen, edele heer! wij waren het allen niet eens, en gij zult het hooren. Mijnheer uw vriend! (vergeef mij, dat ik hem niet bij zijn edelen naam noem, dien hij zeker bezit, maar wij kennen hem niet), mijnheer uw vriend, na met twee pistoolschoten twee mannen buiten gevecht te hebben gesteld, week achteruit, terwijl hij zich met zijn degen verdedigde, met welken hij nog een mijner mannen kwetste, en met het plat er van mij buiten kennis deed neertuimelen.”--„Maar, beul! zult gij eindigen,” riep d’Artagnan, „Athos! hoe is het met Athos afgeloopen?”--„Terwijl hij dan achteruit deinsde, zooals ik aan Uwe Excellentie heb gezegd, ontmoette hij achter zich de trap van den kelder, en daar de deur open stond, sprong hij er in. Eenmaal in den kelder, maakte hij zich van den sleutel meester en versperde de deur van binnen.... Dewijl men zeker was hem daar weer te vinden, liet men hem met rust.”--„Ja,” zeide d’Artagnan, „men wilde hem niet zoozeer het leven ontnemen dan wel gevangen nemen.”

„Gerechte God! hem gevangen nemen, edele heer! hij heeft zich zelven gevangen genomen, dat zweer ik u. Vooreerst had hij een zwaar werk verricht; een man was onder zijn slagen bezweken, en twee anderen gevaarlijk gekwetst. De doode en de beide gekwetsten werden door hun makkers weggevoerd, en nooit heb ik weer van den een, noch van den ander hooren spreken. Toen ik weder tot bewustzijn kwam, ging ik den heer gouverneur bezoeken, aan wien ik al het voorgevallene verhaalde, hem vragende wat ik met den gevangene moest doen; maar de heer gouverneur was alsof hij uit de wolken viel; hij zeide mij, dat hij volstrekt niet wist, wat ik zeggen wilde, dat de bevelen, die mij gegeven waren, volstrekt niet van hem kwamen, en dat, indien ik het ongeluk had, aan wien het ook ware, te zeggen, dat hij het minste deel in die opschudding had gehad, hij mij zou doen hangen. Het schijnt, dat ik mij bedrogen had, mijnheer! en den een voor den ander had aangehouden, zoodat degene, dien men had moeten aanhouden, zich gered heeft.”

„Maar Athos?” riep d’Artagnan, wiens ongeduld ten top steeg, hoorende hoe de overheid de zaak aan zich zelve had overgelaten. „Wat is er van Athos geworden?”--„Daar ik nu verlangend was zoo spoedig mogelijk het ongelijk den gevangene aangedaan te herstellen,” hernam de herbergier, „begaf ik mij naar den kelder, ten einde hem de vrijheid terug te geven. Doch, helaas! mijnheer! het was geen man meer, maar een duivel. Op het voorstel, hem zijn vrijheid terug te geven, zeide hij, dat zulks een valstrik was, dien men hem legde, en dat hij, alvorens er uit te komen, de voorwaarden wenschte te bepalen. Ik antwoordde hem nederig, want ik ontveinsde mij den neteligen toestand niet, waarin ik mij had geplaatst, door een musketier des konings aan te randen; ik zeide hem dan, dat ik bereid was mij aan zijn voorwaarden te onderwerpen.

„‚Vooreerst,’ zeide hij, ‚verlang ik, dat men mij mijn lakei met al zijn wapens teruggeve.’

„Men haastte zich aan dat bevel te gehoorzamen; want gij begrijpt wel, mijnheer! dat wij bereid waren alles te doen, wat uw vriend verlangde. De heer Grimaud, deze heeft zijn naam gezegd, ofschoon hij ook niet veel spreekt, de heer Grimaud werd dan in den kelder gelaten, hoe gekwetst hij ook was; nadat hij bij zijn meester gekomen was, versperde deze opnieuw de deur en beval ons in onzen winkel te blijven.”--„Maar zeg dan toch,” riep d’Artagnan, „waar is hij? waar is Athos?”--„In den kelder, mijnheer!”--„Wat, ellendige! hebt gij hem al dien tijd in den kelder gehouden?”--„Hemelsche goedheid! wel neen, mijnheer! zouden wij hem in den kelder houden! Gij weet niet wat hij in den kelder doet? Ach! indien gij hem dien kondt doen verlaten, mijnheer! ik zou er u mijn geheele leven dankbaar voor zijn; ik zou u als mijn beschermheilige vereeren.”--„Dus is hij dáár, en ik zal hem dáár vinden?”--„Wel zeker, mijnheer! hij is er halsstarrig in gebleven. Dagelijks steekt men hem door het luchtgat brood aan een hooivork toe en vleesch, wanneer hij er om vraagt; maar, helaas! het is geen vleesch of brood, dat hij het meest gebruikt. Eenmaal heb ik met twee knechts getracht naar beneden te gaan; maar toen ontstak hij in een hevigen toorn. Ik hoorde het gerucht zijner pistolen, van welke hij de hanen spande, en ook dat van het musket van zijn knecht. Vervolgens antwoordde de meester, toen wij vroegen, wat hun voornemens waren, dat hij en zijn lakei veertig schoten konden doen en hij ze zou afschieten tot het laatste, liever dan te veroorloven dat een onzer in den kelder kwam. Toen, mijnheer! ging ik den gouverneur mijn klachten doen, doch deze antwoordde mij, dat ik had wat ik verdiende en mij zulks zou leeren achtenswaardige edellieden te beleedigen, die hun verblijf in mijn herberg namen.”

„Zoodat, sedert dien tijd....” hernam d’Artagnan, zich niet kunnende weerhouden om het armzalig gelaat van zijn gastheer te lachen.--„Zoodat, sedert dien tijd, mijnheer!” ging deze voort, „wij het treurigste leven leiden, dat men zich kan verbeelden; want mijnheer! gij moet weten, dat al onze voorraad mondbehoeften in den kelder is; zoowel onze gebottelde wijn als de wijn op het stuk ligt er, het bier, de olie en de specerijen, het spek en de worst, en dewijl het ons verboden is er binnen te gaan, zijn wij genoodzaakt aan de reizigers, die bij ons aankomen, eten en drinken te weigeren, tengevolge waarvan onze herberg dagelijks achteruitgaat; wanneer uw vriend nog acht dagen in den kelder blijft, zijn wij arm.”--„Dan hebt gij wat gij verdient, snaak! Zag men niet aan ons voorkomen, dat wij voorname lieden en geen valsche munters waren, zeg?”--„Ja, mijnheer! ja, gij hebt gelijk,” zeide de herbergier. „Maar luister, luister, daar begint hij weer kwaad te worden.”--„Men zal hem zeker gestoord hebben,” zeide d’Artagnan.--„Maar wij moeten hem wel storen!” riep de waard; „er zijn twee Engelsche edellieden aangekomen.”--„Welnu?”--„Welnu, de Engelschen houden van goeden wijn, zooals gij weet, mijnheer! en deze hebben den besten gevraagd. Mijn vrouw zal nu aan uw vriend verzocht hebben naar beneden te mogen gaan, om dien heeren het verlangde te kunnen geven; maar hij zal, als naar gewoonte, hebben geweigerd. Ach, goede God! daar begint de Sabbath weer.”

D’Artagnan hoorde inderdaad een groot geweld in de richting van den kelder; hij stond op, en door den herbergier voorafgegaan, die zich de handen wrong, en gevolgd van Planchet, met zijn geladen musket, naderde hij de plaats des schouwspels.

Beide edellieden waren buiten zich zelven van toorn; zij hadden een langen tocht gemaakt en stierven van honger en dorst.

„Maar dat is dwingelandij!” riepen zij in zeer goed Fransch, hoewel met een vreemden tongval, „dat die aartsgek die goede lieden het gebruik van hun wijn niet toestaat. Welaan, wij zullen de deur intrappen en indien hij razend is, zullen wij hem dooden.”--„Zacht wat, heeren!” zeide d’Artagnan, zijn pistolen uit zijn gordelriem halende, „gij zult zoo goed zijn niemand te dooden.”--„Goed, goed!” riep de kalme stem van Athos achter de deur, „laten zij maar binnenkomen, die kindervreters, en wij zullen eens zien.”

Hoe dapper ook, zagen beide Engelsche edellieden elkander aan en aarzelden; het was alsof in dien kelder een hongerig gedrocht zich ophield, een dier reusachtige helden der volkssprookjes, wier hol niemand ongestraft binnentrad. Er heerschte een oogenblik stilte; eindelijk schaamden zich echter beide Engelschen achteruit te gaan en de kwaadaardigste van beiden ging de vijf of zes treden af, uit welke de trap bestond, en gaf tegen de deur een schop als om een muur te splijten.

„Planchet!” zeide d’Artagnan, zijn pistolen overhalende, „ik belast mij met dengene, die boven is; belast gij u met hem, die beneden is. Ha, heeren, gij wilt het gevecht? Welnu, men zal u een gevecht geven!”--„Mijn God!” riep de holle stem van Athos, „ik hoor d’Artagnan, geloof ik.”--„Waarlijk,” zeide d’Artagnan op zijn beurt de stem verheffende, „ik ben het zelf, mijn vriend!”--„Zooveel te beter,” zeide Athos: „wij zullen hun een lesje geven, die deuren-opentrappers.”

De edellieden hadden den degen getrokken; maar zij stonden als tusschen twee vuren; zij aarzelden een oogenblik, maar de hoogmoed hield de overhand en een tweede schop deed de deur in haar lengte kraken.

„Ga op zijde, d’Artagnan! ga op zijde!” riep Athos, „ga op zijde, ik ga schieten.”--„Heeren!” riep d’Artagnan, wien de bezadigdheid nooit verliet; „heeren! weest er op bedacht!.... Geduld, Athos!.... Gij mengt u daar in een slechte zaak, en gij zult u laten doodschieten. Ziehier mijn knecht en ik, die drie schoten op u zullen lossen, terwijl gij uit den kelder evenveel te wachten hebt; vervolgens hebben wij nog onze degens, met welke, dat verzeker ik u, mijn vriend en ik tamelijk handig zijn. Laat mij de bereddering uwer en mijner zaken over. Zoo aanstonds zult gij te drinken hebben, daar geef ik u mijn woord op.”--„Als er overblijft....” bromde de stem van Athos spottend.

De waard voelde het koude zweet langs zijn ruggegraat loopen.--„Wat? als er nog overblijft,” mompelde hij.--„Wat duivel! er moet immers overblijven; wees dus gerust, zij zullen met hun tweeën uw geheelen kelder niet hebben leeggedronken. Mijne heeren! steekt uw degens in de scheede.”--„Welnu, steek gij uw pistolen in uw gordelriem.”--„Gaarne.”--En d’Artagnan gaf het voorbeeld.

Toen zich tot Planchet wendende, gaf hij dezen een wenk, zijn musket bij den voet te zetten. De Engelschen, nu overtuigd, staken al grommende hun degens in de scheede. Men verhaalde hun de geschiedenis der gevangenneming van Athos, en daar het echte edellieden waren, gaven zij den herbergier ongelijk.

„Thans, mijne heeren!” zeide d’Artagnan, „gaat naar uw kamers en binnen tien minuten, verzeker ik u, zal men u alles bezorgen, wat gij kunt verlangen.”--De Engelschen groetten en verwijderden zich.--„Thans, nu ik alleen ben, verzoek ik u, mijn waarde Athos! mij de deur te openen.”--„Onmiddellijk,” zeide Athos.

Daarop hoorde men een groot gerucht van op elkander vallende takkebossen en stommelende balken; het waren de verschansingen en de bolwerken van Athos, die de belegerde zelf omwierp.

Een oogenblik daarna bewoog zich de deur, en men zag het bleeke hoofd van Athos verschijnen, die met een snellen blik de gesteldheid van zaken opnam. D’Artagnan wierp zich aan zijn hals en omhelsde hem teederlijk; toen hem uit dat vochtige verblijf willende trekken, bespeurde hij eerst dat Athos wankelde.--„Zijt gij gewond?” vroeg hij.--„Ik? volstrekt niet: ik ben smoordronken, anders niet, en nooit heeft iemand zooveel gedaan om het te worden. Lieve God! mijn gastheer! ik moet ten minste voor mijn hoofd honderdvijftig flesschen hebben leeggedronken.”--„Barmhartigheid!” riep de herbergier, „als de knecht slechts half zooveel als zijn meester heeft gedronken, ben ik verloren.”--„Grimaud is een lakei van goeden huize, die zich niet zou veroorloven datgene te gebruiken, wat ik gebruik, hij heeft dus alleen uit het stuk gedronken; maar zie eens, ik geloof, dat hij vergeten heeft de kraan te sluiten. Hoort gij het wel loopen?”

D’Artagnan barstte in een luid gelach uit, dat de rilling van den herbergier in een heete koorts veranderde. Tegelijkertijd verscheen Grimaud achter zijn meester, met het musket op den schouder en met een knikkend hoofd, zooals de dronken saters op de schilderijen van Rubens. Hij was van voren en van achteren besproeid met een vette vloeistof, die de herbergier erkende voor zijn beste olijfolie.

De stoet ging de gelagkamer door en nam bezit van de fraaiste kamer der herberg, die d’Artagnan zich eigendunkelijk toeëigende. Onderwijl snelden de herbergier en zijn vrouw met lampen den kelder binnen, die hun zoolang was ontzegd geworden, en waar een akelig schouwspel hen wachtte. Achter de verschansing, waarin Athos een bres had gemaakt om er uit te komen en die uit takkebossen, planken en ledig vaatwerk bestond, alles volgens de vestingbouwkunde op elkander gestapeld, bespeurde men hier en daar, in plassen van olie en wijn zwemmende, de afgekloven beenderen van hammen, terwijl een hoop gebroken flesschen den geheelen linkerhoek van den kelder vulde en een vat, welks kraan was open gebleven, door die opening de laatste druppels van zijn bloed verloor.

Het beeld van verwoesting en dood heerschte daar, zooals de dichter der oudheid zegt, als op een slagveld. Van de vijftig worsten, die aan de balken hadden gehangen, bleven er nauwelijks tien over. Toen drong het gehuil van den herbergier en diens vrouw het gewelf des kelders door; zelfs d’Artagnan werd er door bewogen. Athos verroerde zich niet eens. Maar op de smart volgde de woede. De herbergier wapende zich met een braadspit en stormde het vertrek binnen.

„Wijn!” riep Athos, den herbergier ziende.--„Wijn!” herhaalde de ontstelde waard, „wijn! maar gij hebt voor meer dan honderd pistolen gedronken; ik ben een bedorven, verloren, arm gemaakt man!”--„Och!” zeide Athos, „wij zijn steeds dorstig gebleven.”--„Indien gij u slechts vergenoegd hadt den wijn uit te drinken, maar gij hebt al de flesschen gebroken.”--„Gij hebt mij op een hoop gestooten, die in elkander is gevallen; dit is uw schuld.”--„Al mijn olie is verloren!”--„Olie is de beste balsem voor wonden, en Grimaud moest de wonden wel verbinden, die gij hem hadt toegebracht.”--„Al mijn worsten verslonden.”--„Er zijn ontzettend veel ratten in dien kelder.”--„Gij zult mij alles betalen,” riep de waard, buiten zich zelven.--„Drievoudige kinkel!” zeide Athos, zich oprichtende, maar hij viel oogenblikkelijk weer neder; hij had het overblijfsel zijner krachten vertoond.

D’Artagnan kwam hem te hulp door zijn karwats op te heffen. De herbergier deinsde een schrede achteruit en barstte in geween los.--„Dat zal u leeren,” zeide d’Artagnan, „de gasten, die God u zendt, beleefder te behandelen.”--„God! zeg liever de duivel!”--„Mijn beste vriend! indien gij voortgaat ons de ooren te verscheuren, zullen wij ons alle vier in uw kelder sluiten, om te zien of werkelijk de schade zoo groot is als gij zegt.”--„Welnu dan, edele heeren!” zeide de herbergier, „ik heb ongelijk, ik beken het; maar voor alle zonden is barmhartigheid; gij zijt groote heeren! en ik ben slechts een arm herbergier; gij zult medelijden met mij hebben.”--„O! als gij zoo spreekt,” zeide Athos, „dan breekt gij mij het hart, en de tranen zullen mij de oogen gaan uitloopen, zooals de wijn uit uw vaten. Men is zoo kwaad niet als men er uit ziet. Welaan! kom hier en praten wij eens.”

De herbergier naderde vreesachtig.--„Kom, zeg ik en vrees niet,” ging Athos voort. „Op het oogenblik, dat ik u wilde betalen, had ik mijn beurs op tafel gelegd.”--„Ja, edele heer!”--„Die beurs bevatte zestig pistolen; waar is zij?”--„Ter Griffie neergelegd, edele heer! men zeide, dat het valsch geld was.”--„Welnu, laat u de beurs teruggeven en behoud de zestig pistolen.”--„Maar Uwe Excellentie weet wel, dat de Griffie niets loslaat, wat zij eenmaal in handen heeft; indien het valsch geld ware, was er nog hoop, maar ongelukkig is het goede munt.”--„Schik het met de Griffie, mijn beste man! het raakt mij niet, te meer, daar mij geen frank overblijft.”--„Laat zien,” zeide d’Artagnan, „waar is het oude paard van Athos?”--„In den stal.”--„Hoeveel is het waard?”--„Op zijn hoogst vijftig pistolen.”--„Het is tachtig waard, neem het en wees tevreden.”--„Wat! verkoopt gij mijn paard?” zeide Athos, „verkoopt gij mijn Bajazet? En waarop zal ik te velde trekken? op Grimaud?”--„Ik heb u een ander paard medegebracht,” zeide d’Artagnan.--„Een ander?”--„Een heerlijk!” riep de herbergier.--„Welaan! indien er een ander fraaier en jonger paard is, neem dan het oude en geef te drinken.”--„Wat?” vroeg de volkomen gerustgestelde waard.--„Van den wijn, die achter op de stelling ligt; er zijn nog vijf en twintig flesschen; al de andere zijn door mijn val gebroken. Breng er zes.”--„Maar dat is een bliksemsche kerel!” zeide de herbergier bij zich zelven: „als hij nog slechts veertien dagen blijft en alles betaalt wat hij drinkt, ben ik gered.”--„En vergeet niet,” ging d’Artagnan voort, „vier flesschen van denzelfden aan die Engelsche edellieden te bezorgen.”

„Thans,” zeide Athos, in afwachting van den wijn, „moest gij mij eens verhalen, d’Artagnan, wat er van de anderen is geworden; laat hooren.”

D’Artagnan verhaalde hem, hoe hij Porthos had aangetroffen met een ontwricht been, en Aramis aan tafel, tusschen twee theologanten. Terwijl hij eindigde, trad de herbergier met de gevraagde flesschen binnen en een ham, die gelukkig buiten den kelder was gebleven.

„Het is wel,” zeide Athos, zijn glas en dat van d’Artagnan vullende; „ziedaar wat Porthos en Aramis betreft, maar gij, mijn vriend! wat deert u en wat is u persoonlijk wedervaren? Gij ziet er mij zoo treurig uit.”--„Helaas,” zeide d’Artagnan, „het is omdat ik de ongelukkigste van allen ben!”--„Gij, ongelukkig, d’Artagnan!” riep Athos. „Laat hooren, op wat wijze zijt gij ongelukkig, zeg mij dat eens!”--„Later,” antwoordde d’Artagnan.--„Later! en waarom later? omdat gij gelooft, dat ik te veel gedronken heb, d’Artagnan? Onthoud dit wel: nooit heb ik meer heldere denkbeelden, dan wanneer de wijn in mij is. Spreek dus, ik ben geheel oor.”

D’Artagnan verhaalde zijn avontuur met juffrouw Bonacieux. Athos luisterde naar hem zonder zijn gelaat te vertrekken en toen hij geëindigd had, zeide hij: „Altemaal niets! altemaal niets!” dat was de gewone uitroep van Athos.--„Gij zegt altijd altemaal niets! mijn waarde Athos!” zeide d’Artagnan; „dat past u in het geheel niet, u, die nooit bemind hebt.”--Het doffe oog van Athos schoot eensklaps vuur; maar het was slechts een weerlicht en het werd wederom dof en strak als vroeger.--„Het is waar,” zeide hij bedaard, „ik, ik heb nooit bemind.”--„Gij ziet dan ook wel, ongevoelig hart!” zeide d’Artagnan, „dat gij ongelijk hebt, streng jegens meer teedere harten te zijn.”--„Teedere harten, doorboorde harten!” zeide Athos.--„Wat zegt gij?”--„Ik zeg, dat de liefde een loterij is, in welke hij, die wint, den dood wint. Gij zijt wel gelukkig verloren te hebben, geloof mij, waarde d’Artagnan! En als ik u een raad mag geven, verlies dan altijd.”--„Zij scheen mij zoo oprecht te beminnen.”--„Zij scheen!”--„O! zij beminde mij!”--„Kind! geen mensch of hij heeft, evenals gij, geloofd, dat zijn minnares hem beminde, en geen mensch of hij is door zijn minnares bedrogen geworden.”--„Behalve gij, Athos! die er nooit een hebt gehad.”--„Dat is waar,” zeide Athos na een oogenblik zwijgens, „ik heb er nooit een gehad. Laat ons drinken.”

„Maar dan, groote wijsgeer!” zeide d’Artagnan, „onderwijs mij, ondersteun mij; ik heb noodig te leeren en getroost te worden.”--„Waarover u te troosten?”--„Over mijn ongeluk.”--„Uw ongeluk is belachenswaard,” zeide Athos, de schouders ophalende; „ik zou wel willen weten, wat gij zeggen zoudt, indien ik u een zekere liefdesgeschiedenis verhaalde.”--„Die u is gebeurd?”--„Of een mijner vrienden, dat doet er niet toe.”--„Verhaal, Athos! verhaal!”--„Drinken is beter.”--„Drink en verhaal.”--„Nu, dat kan,” zeide Athos, zijn glas ledigende en weder vullende: „die beide dingen gaan heerlijk samen.”--„Ik luister,” zeide d’Artagnan.

Athos overpeinsde en intusschen zag d’Artagnan hem verbleeken; hij was op die hoogte der gewone drinkers, wanneer deze neervallen en slapen. Hij droomde luide, zonder te slapen. Dat somnambulisme der dronkenschap had iets verschrikkelijks.--„Wilt gij het volstrekt?” vroeg hij.--„Ja, ik verzoek er u om.”--„Dan zal ik doen, wat gij verlangt. Een mijner vrienden,--een mijner vrienden, hoort gij wel? niet ik,” zeide Athos, zijn rede met een somberen glimlach afbrekende, „een der graven mijner provincie,--dat is van Berry, edel als een Dandolo of een Montmorency, verliefde, vijf en twintig jaar oud zijnde, op een meisje van zestien jaar, schoon als de liefde. Boven de onschuld van haar ouderdom blonk uit: een vurige geest, een niet vrouwelijke, maar dichterlijke geest. Zij behaagde niet, zij bedwelmde; zij woonde in een klein gehucht, bij haar broeder, die pastoor was. Beiden waren als vreemden in de provincie gekomen. Men wist niet, van waar zij kwamen en aangezien men haar zoo schoon en haar broeder zoo vroom vond, dacht men er niet eens aan hun te vragen, van waar zij kwamen. Overigens hield men het er voor, dat zij van goede afkomst waren. Mijn vriend, die landheer was, zou haar hebben kunnen verleiden, of naar willekeur met haar handelen; want hij was de meester; immers, wie zou twee vreemdelingen, twee onbekenden te hulp zijn gekomen; maar helaas, hij was een eerlijk man; hij huwde haar. De dwaas, de gek, de dommerik!”--„En waarom? hij beminde haar immers?” zeide d’Artagnan.--„Wacht een oogenblik!” zeide Athos. „Hij geleidde haar in zijn kasteel en maakte van haar de eerste dame der provincie; en het moet gezegd worden, zij deed volkomen haar rang eer aan.”--„En verder,” vroeg d’Artagnan.

„Welnu! op zekeren dag, dat zij met haar man op jacht was,” ging Athos met gesmoorde stem en zeer haastig sprekende voort, „viel zij bewusteloos van het paard. De graaf snelde te harer hulp en daar zij in haar kleederen als verstikte, sneed hij ze met zijn dolk los en ontblootte haar den schouder. Raad eens, wat zij op den schouder had, d’Artagnan?” vroeg Athos, in luid gelach uitbarstende.--„Kan ik het weten?” zeide d’Artagnan.--„Een lelie,”[9] hernam Athos, „zij was gebrandmerkt!”--En hij ledigde in één teug het glas, dat hij in de hand hield.

[9] Voor 1789 geschiedde in Frankrijk het brandmerken door dit teeken, gelijk later door de letters T. F. (travaux forcés).

„Wat afschuwelijkheid verhaalt gij mij daar!” riep d’Artagnan.--„De waarheid, mijn waarde! de engel was een duivelin. Het arme kind had gestolen.”--„En wat deed de graaf?”--„De graaf was een groot heer en oppermachtig rechter op zijn landgoederen; hij ging voort met de kleederen der gravin te verscheuren, bond haar de armen op den rug en hing haar op aan een boom.”--„Hemel! Athos! een moord!” riep d’Artagnan.--„Ja, een moord!” zeide Athos, bleek als een lijk; „maar men laat ons wijn ontbreken, geloof ik.”

En Athos greep de laatste flesch, die overbleef, bij den hals, zette die aan den mond en dronk ze in één teug leeg, alsof het een gewoon glas ware geweest. Vervolgens liet hij zijn hoofd in beide handen zinken; d’Artagnan bleef voor hem zitten, van ontzetting vervuld.

„Dat heeft mij van den hartstocht voor schoone, dichterlijke en verliefde vrouwen genezen,” zeide Athos, zich opheffende, zonder er aan te denken het verhaal van den graaf te vervolgen; „dat God evenzoo met u handele. Drinken wij nog eens.”--„Dus zij is dood?” stamelde d’Artagnan.--„Parbleu!” antwoordde Athos. „Maar reik uw glas toe.--Ham! snaak!” riep Athos, „wij kunnen niet meer drinken.”--„Maar haar broeder?” vroeg d’Artagnan verder schroomvallig.--„Haar broeder!” hernam Athos.--„Ja, de priester.”--„O! ik deed onderzoek naar hem, om ook hem te doen ophangen; maar hij was mij vóór geweest; hij had zijn standplaats den vorigen dag verlaten.”--„En heeft men vernomen, wat die ellendeling eigenlijk was?”--„Het was de eerste minnaar en de medeplichtige der schoone, een achtenswaardig man, die zich als priester voordeed, om zijn minnares een huwelijk te bezorgen en haar lot te verzekeren. Hij zal gevierendeeld zijn, hoop ik.”--„Ach, mijn God! mijn God!” zuchtte d’Artagnan, geheel ontroerd door deze akelige geschiedenis.--„Eet toch van die ham, d’Artagnan! zij is overheerlijk,” zeide Athos, een snede afsnijdende, die hij op het bord des jongelings legde. „Hoe jammer dat er niet vier zoodanige in den kelder zijn geweest, ik zou vijftig flesschen meer hebben gedronken.”

D’Artagnan vermocht niet langer een gesprek vol te houden, dat hem krankzinnig zou hebben gemaakt; hij liet zijn hoofd in beide handen vallen en hield zich, alsof hij in slaap viel.

„Het jonge geslacht kan niet meer drinken,” zeide Athos, hem medelijdend beschouwende; „en toch is hij nog de beste.”

HOOFDSTUK XXVIII.

Terugkomst.

D’Artagnan was als verpletterd door de vreeselijke mededeeling van Athos. Veel duisters was er nog voor hem in die halve vertrouwelijkheid. Vooreerst was dat verhaal gedaan door een volkomen beschonken man aan een half dronken man; en echter, ondanks die ledigheid, welke twee of drie flesschen krachtige Bourgognewijn in de hersens doet ontstaan, herinnerde zich d’Artagnan, toen hij des morgens ontwaakte, al de woorden van Athos even goed, alsof ze, naar gelang zij uit den mond van den eenen vielen, in den geest des anderen waren ingedrukt geworden. Die twijfel wekte te grootere begeerte in hem om tot zekerheid te geraken, en hij begaf zich tot zijn vriend, met het vaste besluit het gesprek van den vorigen dag weder aan te knoopen; maar hij vond Athos geheel van zin veranderd, dat is, de slimste en geheimhoudendste man der wereld.

Overigens kwam de musketier, na een handdruk en een glimlach met hem te hebben gewisseld, hem het eerst tegemoet, alsof hij hem begrepen had.--„Ik was gisteren erg dronken, mijn waarde d’Artagnan!” riep hij; „ik voelde dit hedenmorgen aan mijn tong, die nog zeer zwaar, en aan mijn pols, die erg driftig was. Ik wed, dat ik duizenderlei dwaasheden heb uitgekraamd.”--En deze woorden zeggende, beschouwde hij zijn vriend met een zoo strakken blik, dat deze verlegen werd.

„Wel neen,” zeide d’Artagnan, „en indien ik mij wèl herinner, hebt gij niets dan over gewone zaken gesproken.”--„Wel! gij verbaast mij, ik meende u een allerakeligste geschiedenis te hebben verhaald.”--En hij beschouwde den jongeling, alsof hij in het diepste zijner ziel had willen lezen.

„Waarachtig!” zeide d’Artagnan, „het schijnt, dat ik nog erger beschonken ben geweest dan gij, dewijl ik mij volstrekt niets herinner.”

Athos rekende zich niet voldaan door dat antwoord en hernam: „Het kan niet anders, of gij moet hebben opgemerkt, mijn waarde vriend, dat iedereen een eigenaardige dronkenschap bezit: treurig of blijde. Ik heb een droefgeestige dronkenschap over mij en eenmaal te veel gedronken hebbende, voel ik mij gedreven al de akelige histories te verhalen, die mijn zotte voedster mij in de hersens heeft geprent. Dat gebrek heb ik; waarlijk een groot gebrek, dat beken ik; maar overigens ben ik een goed drinker.”--Athos zeide dit op een zoo natuurlijken toon, dat d’Artagnan in zijn overtuiging wankelde.

„Ei, is het dan dat, wat ik mij herinner,” hernam de jongeling, trachtende achter de waarheid te komen, „maar ik herinner het mij trouwens als een droom, dat wij over gehangenen hebben gesproken.”--„Ha! ziet gij wel,” zeide Athos verbleekende, doch trachtende te glimlachen; „ik was er zeker van; gehangenen zijn voor mij als de nachtmerrie.”--„Ja, ja,” hernam d’Artagnan, „ziedaar, ik begin het mij te herinneren; het betrof.... wacht eens, het betrof een vrouw.”--„Ziet gij wel,” antwoordde Athos, bijna lijkkleurig wordende, „dat is mijn stokpaardje, de geschiedenis dier blonde vrouw, en wanneer ik die verhaal, ben ik smoordronken.”--„Ja, dat is zoo,” zeide d’Artagnan, „de geschiedenis der groote, schoone blonde vrouw, met blauwe oogen.”--„Ja, en gehangen.”--„Door haar man, die een groot heer, een uwer vrienden was,” ging d’Artagnan voort, Athos scherp aanziende.--„Zie nu eens hoe men iemand zou kunnen benadeelen, wanneer men niet meer weet wat men zegt,” hernam Athos, de schouders ophalende, alsof hij over zich zelven medelijden gevoelde. „Het is uit, ik wil mij geen roes meer drinken, d’Artagnan! het is een al te slechte gewoonte.”

„A propos!” zeide Athos, „ik dank u voor het paard, dat gij voor mij hebt medegebracht.”--„Is het naar uw zin?”--„Ja, maar het is geen paard, dat veel vermoeienissen kan doorstaan.”--„Dat hebt ge mis, ik heb er tien mijlen in anderhalf uur mede afgelegd, en men werd hiervan evenmin iets gewaar, alsof het het plein St. Sulpice had omgereden.”--„Zoo, zoo! maar gij zult maken dat ik berouw krijg.”--„Berouw?”--„Ja, ik heb er mij van ontdaan.”--„Hoedat?”--„Ziehier de toedracht der zaak: heden ochtend ontwaakte ik om zes uur. Gij sliept als een roos; ik wist niet, waarmede den tijd te verdrijven en was nog geheel bedwelmd ten gevolge onzer drinkpartij van gisteren. Ik begaf mij in de gelagkamer, waar ik een van onze Engelschen aantrof, die met een paardenkooper in onderhandeling was over den aankoop van een paard, daar het zijne gisteren door een bloedstorting gestorven was. Ik naderde en hem honderd pistolen hoorende bieden voor een rosachtig paard, zeide ik hem:

„‚Pardieu! edele heer! ik heb ook een paard te koop.’--‚En zelfs een zeer fraai,’ zeide deze, ‚ik heb het gisteren gezien, toen de knecht van uw vriend het bij den toom hield.’--‚Vindt gij, dat het honderd pistolen waard is?’--‚Ja, wilt gij het mij voor dien prijs geven?’--‚Neen, maar ik wil er om spelen.’--‚Waarmede?’--‚Met dobbelsteenen.’

„Zoo gezegd, zoo gedaan en ik verloor het paard; maar, het is waar,” ging Athos voort, „ik heb het dekkleed teruggewonnen.”

D’Artagnan maakte een tamelijk onvriendelijk gebaar.

„Is u dat onaangenaam?” vroeg Athos.--„Ja, ik beken het,” hernam d’Artagnan, „dat paard moest dienen om ons op het slagveld te doen herkennen; het was een onderpand, een gedachtenis. Athos! gij hebt niet wel gedaan.”--„Wel, mijn beste vriend! stel u in mijn plaats,” hernam de musketier; „ik verveelde mij doodelijk, en dan, op mijn eer, ik houd niet van Engelsche paarden. En daarbij, wanneer het alleen moest dienen om ons te doen herkennen, dan is het dekkleed hiertoe voldoende; het is merkwaardig genoeg. Wat het paard betreft, wij zullen wel een of andere verontschuldiging vinden om zijn verdwijning te verklaren. Wat duivel! een paard is sterfelijk; stellen wij, dat het mijne de snot of het schurft heeft gehad.”

D’Artagnan keek er niet vroolijker om.

„Het spijt mij, dat gij aan die dieren zoo gehecht schijnt te zijn,” vervolgde Athos, „want mijn geschiedenis is nog niet ten einde.”--„Wat hebt gij dan nog verder uitgevoerd?”--„Na mijn paard te hebben verloren, negen tegen tien, zie eens wat worp, kwam het denkbeeld in mij op het uwe te wagen.”--„Zoo; maar ik hoop, dat gij het bij het denkbeeld hebt gelaten.”--„In het geheel niet, ik voerde het dadelijk uit.”--„Wat!” riep d’Artagnan angstig.--„Ik speelde en verloor.”--„Mijn paard?”--„Uw paard! zeven tegen acht; slechts één punt. Gij kent het spreekwoord?”--„Athos! waarachtig, gij zijt niet bij uw verstand, dat zweer ik u.”--„Mijn waarde! gij hadt mij dit gisteren moeten zeggen, toen ik u mijn zotte sprookjes verhaalde, doch heden niet. Ik verloor ze dan met al het mogelijk tuig.”--„Maar dat is allerberoerdst!”--„Wacht toch, gij zijt er nog niet. Ik zou een voortreffelijk speler zijn, indien ik niet koppig ware, maar ik ben koppig; het is precies als wanneer ik drink. Ik bleef dus halsstarrig voortspelen.”--„Maar hoe kondet gij nog spelen? er bleef u niets meer over.”--„Ja wel, ja wel, mijn vriend! gij hadt nog dien diamant, die aan uw vinger schittert en dien ik gisteren had opgemerkt.”--„Die diamant!” riep d’Artagnan, haastig zijn hand op den ring leggende.--„En als kenner, en de bezitter van eenige geweest zijnde, had ik dien op duizend pistolen geschat.”--„Ik hoop,” zeide d’Artagnan ernstig en half dood van angst, „dat gij volstrekt geen melding van mijn diamant hebt gemaakt?”--„Integendeel, waarde vriend! gij begrijpt wel, dat deze diamant ons eenigst redmiddel werd; daarmede kon ik onze paarden terugwinnen en zelfs onze reiskosten.”--„Athos! gij doet mij beven!” riep d’Artagnan.--„Ik sprak dus over uw diamant met mijn tegenpartij, die hem ook had opgemerkt. Wat duivel, mijn vriend! gij draagt aan uw vinger een ster des hemels, en gij wilt niet dat die in het oog valle.... onmogelijk!”--„Zeg maar alles tegelijk, mijn vriend!” zeide d’Artagnan, „want, op mijn eer, uw koelbloedigheid doet mij den dood aan.”--„Wij deelden dus dien diamant in tien deelen, elk van honderd pistolen.”--„O, gij schertst en wilt mij beproeven,” zeide d’Artagnan, wien de toorn bij de haren greep, zooals Minerva Achilles in de Iliade grijpt.--„Neen, ik scherts niet, mordieu! Ik had u wel eens willen zien, u! Het was veertien dagen geleden, dat ik een menschelijk wezen had gezien, en dien tijd had ik mij daar beneden verstompt in het gezelschap van wijnflesschen.”--„Dat is geen reden om mijn diamant te verspelen,” antwoordde d’Artagnan, zijn vuist met een krampachtige trekking sluitende.--„Luister dan naar het einde:

„Tien deelen, elk van honderd pistolen, in tien worpen, zonder overspelen. In dertien worpen verloor ik alles. In dertien worpen! Het getal dertien is mij altijd noodlottig geweest; het was den dertienden der maand Juli, dat....”--„Ventrebleu!” riep d’Artagnan, van tafel opstaande, terwijl de geschiedenis van het oogenblik hem die van den vorigen dag deed vergeten.--„Geduld,” zeide Athos; „ik had een plan. De Engelschman was een zonderling. Ik had hem den vorigen dag met Grimaud zien spreken en Grimaud had mij verwittigd, dat hij hem had voorgesteld bij hem in dienst te treden. Ik speel dan met hem om Grimaud, Grimaud in tien deelen gesplitst.”--„O, dat is te erg,” zeide d’Artagnan, in luid gelach uitbarstende.--„Grimaud zelf, verstaat gij? en met de deelen van Grimaud, die in zijn geheel geen dukaat waard is, win ik den diamant weer terug. Zeg nu nog eens, dat de volharding geen deugd is.”--„Op mijn woord, dat is grappig!” riep d’Artagnan, die nu vertroost was en zich de zijden hield van het lachen.

„Gij begrijpt wel, dat eenmaal aan het winnen, ik weer dadelijk den diamant ging wagen.”--„O, duivelsch!” zuchtte d’Artagnan, opnieuw beangst.--„Ik heb toen uw tuig weer gewonnen, toen uw paard: vervolgens mijn tuig en toen mijn paard, toen alles weer verloren; kortom, ik heb eerst uw tuig, vervolgens het mijne teruggekregen. Ziedaar het punt, waarop wij ons thans bevinden. Het was een heerlijke worp; ook heb ik het daarbij gelaten.”

D’Artagnan haalde adem, alsof men van zijn borst de herberg had geheven.--„Zoodat mij de diamant overblijft?” vroeg hij schroomvallig.--„Volkomen, waarde vriend! Verder het tuig van uw Bucephalus en van den mijne.”--„Maar wat zullen wij met het tuig zonder de paarden doen?”--„Ik heb er een plan mede.”--„Athos! gij doet mij beven.”--„Luister! Gij, d’Artagnan! hebt in langen tijd niet gespeeld?”--„En ik heb geen zin om te spelen.”--„Verzekeren wij niets. Gij hebt in langen tijd niet gespeeld; het is dus nu een geschikt oogenblik om het eens te beproeven.”--„En dan?”--„Wel, de Engelschman en zijn reisgezel zijn er nog. Ik heb gemerkt, dat zij zeer gaarne het tuig zouden hebben. Gij schijnt zeer aan uw paard gehecht te zijn; in uw plaats zou ik het tuig tegen het paard zetten.”--„Maar hij zal niet enkel het tuig willen.”--„Waag dan beide, pardieu! ik ben geen baatzuchtige, zooals gij.”--„Gij zoudt het doen?” vroeg d’Artagnan wankelende, zoozeer begon het goed vertrouwen van Athos hem te winnen, zonder dat hij zulks bemerkte.--„Op mijn woord van eer, in één worp.”--„Maar na reeds de paarden verloren te hebben, zou het mij ontzaglijk aangenaam zijn, ten minste het tuig te behouden.”--„Zet dan uw diamant in.”--„O, dat is wat anders, dat nooit, nooit!”--„Duivelsch!” zeide Athos, „ik zou u wel willen voorslaan Planchet te wagen, maar daar zoo iets reeds heeft plaats gehad, zal de Engelschman misschien niet meer willen.”--„Waarlijk, waarde Athos!” zeide d’Artagnan, „ik zou liever niets willen wagen.”--„Dat is jammer,” hernam Athos koel, „de Engelschman zit vol pistolen. Ei, mijn God! waag één worp; een worp is spoedig gespeeld.”--„En als ik verlies?”--„Gij zult winnen.”--„Maar als ik verlies?”--„Welnu, dan geeft gij de tuigen.”--„Nu, het is goed, één worp,” zeide d’Artagnan.

Athos ging den Engelschman zoeken en vond hem in den stal, waar hij de tuigen met een begeerig oog beschouwde. De gelegenheid was gunstig. Hij stelde zijn voorwaarden: de beide tuigen tegen één paard of honderd pistolen, naar verkiezing. De Engelschman had spoedig berekend: de twee tuigen waren beide wel driehonderd pistolen waard, en hij bewilligde.

D’Artagnan wierp de steenen al bevende en gooide drie oogen; zijn bleekheid verschrikte Athos, die niets anders zeide dan: „Dat is een bedroefde worp, vriend! Gij zult de paarden geheel getuigd hebben, mijnheer!”--De zegevierende Engelschman gaf zich niet eens de moeite de steenen te schudden; hij wierp ze op tafel, zonder er naar te zien, zoo zeker was hij van de overwinning. D’Artagnan had zich omgekeerd om zijn kwade luim te verbergen.--„Kijk, kijk, kijk eens!” riep Athos met zijn kalme stem, „dat is een buitengewone worp, en ik heb dien maar vier malen in mijn leven gezien; twee azen!”

De Engelschman keek en was getroffen van verbaasdheid; d’Artagnan keek en bloosde van vreugd.--„Ja,” ging Athos voort, „maar vier malen: eenmaal ten huize van den heer de Créqui, een ander maal ten mijnent, buiten op mijn kasteel van.... toen ik nog een kasteel had.... en de derde maal bij den heer de Tréville, die ons allen overviel, eindelijk de vierde maal in de kroeg, waar ik wierp en er honderd louis d’or en een souper bij verloor.”--„Mijnheer neemt zijn paard terug?” vroeg de Engelschman.--„Zeker,” zeide d’Artagnan.--„Dus spelen wij niet verder?”--„Onze voorwaarden, zooals gij u zult herinneren, waren niet door te spelen.”--„Dat is waar, uw paard zal aan uw knecht worden teruggegeven, mijnheer!”--„Een oogenblikje,” zeide Athos, „met uw verlof, mijnheer! ik zou mijn vriend gaarne een paar woorden zeggen.”--„Ga uw gang.”

Athos nam d’Artagnan ter zijde.--„Welnu, wat begeert gij nog van mij, verleider! gij wilt dat ik doorga met spelen, niet waar?”--„Neen, ik wil dat gij overweegt.”--„Waarover?”--„Gij wilt het paard terugnemen?”--„Wel zeker.”--„Gij hebt ongelijk, ik zou de honderd pistolen nemen; gij weet, dat gij de tuigen tegen het paard of honderd pistolen, naar uw keuze, hebt ingezet.”--„Ja.”--„Ik zou de honderd pistolen nemen.”--„Welnu, ik neem het paard.”--„En ik herhaal het u, gij hebt ongelijk. Wat zullen wij met één paard voor ons beiden uitvoeren? Ik kan niet achterop gaan zitten; wij zouden twee Heemskinderen gelijken, die hun broeders verloren hebben; gij zult mij ook niet vernederen, door naast mij te rijden op dat prachtige ros. Ik zou zonder de minste aarzeling de honderd pistolen nemen; wij hebben geld noodig om naar Parijs terug te keeren.”--„Ik ben aan dat paard gehecht, Athos!”--„En gij hebt ongelijk, mijn vriend! een paard kan een zijsprong doen; een paard struikelt en valt over den kop; een paard eet uit een ruif, waaruit een snotterig paard heeft gegeten, en dan is uw paard, of liever dan zijn er honderd pistolen verloren; vervolgens moet de eigenaar zijn paard voeden, daar integendeel honderd pistolen zijn meester den kost geven.”--„Maar hoe zullen wij terugkeeren?”--„Op de paarden van onze lakeien, pardieu! Men zal altijd wel aan ons voorkomen zien, dat wij voorname lieden zijn.”--„Wij zullen een fraaie vertooning op die hitten maken, terwijl onze vrienden op hun paarden zullen pronken.”--„Aramis! Porthos!” riep Athos, en hij begon te lachen.--„Wat?” vroeg d’Artagnan, die van den lachlust zijns vriends niets begreep.--„Niets, niets!” zeide Athos.--„Dus gij raadt mij....?”--„De honderd pistolen te nemen, d’Artagnan. Met die honderd pistolen kunnen wij tot aan het einde der maand feest vieren; wij hebben vermoeienissen ondergaan, ziet gij, en het is goed, dat wij een weinig uitrusten.”--„Ik rusten? O neen, Athos! zoodra ik te Parijs kom, ga ik die arme vrouw zoeken.”--„Welnu! gelooft gij, dat uw paard u hiertoe van meer dienst zal zijn dan goede louis d’or? Neem de honderd pistolen, mijn vriend! neem de honderd pistolen!”

D’Artagnan behoefde slechts een reden om zich gewonnen te geven, en deze scheen hem voortreffelijk. Daarenboven, door langer tegen te streven, vreesde hij in de oogen van Athos een baatzuchtige te schijnen. Hij nam dan aan en verkoos de honderd pistolen, die de Engelschman hem oogenblikkelijk voortelde. Vervolgens dacht men aan niets anders meer dan aan het vertrek.

De vrede met den herbergier kostte, behalve het oude paard van Athos, zes pistolen. D’Artagnan en Athos namen de paarden van Planchet en Grimaud; de twee knechts gingen te voet op weg, de zadels op het hoofd dragende. Hoe slecht ook van paarden voorzien, waren beide vrienden spoedig hun lakeien vóór en kwamen te Crèvecoeur. Van verre bespeurden zij Aramis, treurig uit het venster liggende en zooals zuster Anna, zag hij de stofwolken in de verte opgaan.

„Hola! hei! Aramis! wat duivel doet gij toch dáár?” riepen beide vrienden.--„Ha! zijt gij het, d’Artagnan en gij, Athos!” zeide de jongeling. „Ik overwoog, hoe spoedig de wereldsche goederen een einde nemen: mijn Engelsch paard, dat zich verwijdert en te midden van een stofwolk verdwijnt, is voor mij een levend beeld der nietigheid van het aardsche. Het leven zelf kan in drie woorden worden opgelost: Fuit, est, erit.”--„Hetgeen eigenlijk beteekent?....” vroeg d’Artagnan, die aan de waarheid begon te twijfelen.--„Dat wil zeggen, dat ik als een dwaas koophandel heb gedreven. Zestig louis d’or voor een paard, dat, naar de wijze waarop het loopt, zeker vijf mijlen in één uur al dravende kan afleggen.”

D’Artagnan en Athos schaterden het uit van lachen.

„Mijn waarde d’Artagnan!” zeide Aramis, „gij moet op mij niet al te boos zijn, bid ik u; nood breekt wetten. Bovendien, ik ben het meeste er door gestraft, dewijl die schandelijke paardenkooper mij ten minste vijftig louis d’or bestolen heeft. Ha! wat zuinige heeren zijt gijlieden! op de paarden van uw lakeien te reizen, terwijl gij uw prachtige rijpaarden door uw knechts aan de hand laat leiden, zachtjes en in kleine dagreizen.”

Terzelfder tijd hield een vrachtwagen, dien men sedert eenige oogenblikken op den weg van Amiëns had zien naderen, stil, en men zag er Grimaud en Planchet uitkomen, met de zadels op hun hoofd. De vrachtwagen keerde ledig terug en beide lakeien hadden zich verbonden, voor hun vervoer, den voerman den geheelen weg langs van drinken te voorzien.

„Wat is dat?” vroeg Aramis, die niet wist wat het beteekende. „Niets dan de zadels?”--„Begrijpt gij thans?” zeide Athos.--„Vrienden! het is volkomen zooals met mij. Het tuig heb ik als bij ingeving behouden. Hier, Bazijn! breng mijn nieuw zadel bij die van de heeren.”

„En wat hebt gij met uw godgeleerden aangevangen?” vroeg d’Artagnan.--„Mijn waarde! ik heb hen den volgenden dag te eten verzocht,” zeide Aramis; „men heeft hier, in het voorbijgaan gezegd, uitmuntenden wijn; ik heb hen dronken gemaakt en toen heeft de pastoor mij verboden den dienst te verlaten en de jezuïet mij verzocht, hem bij de musketiers in te lijven.”--„Zonder thesis!” riep d’Artagnan, „zonder thesis! ik eisch de afschaffing der thesis!”--„Sedert leef ik vergenoegd,” ging Aramis voort. „Ik heb een dichtstuk begonnen van éénlettergrepige verzen; dat is vrij moeilijk. Het onderwerp is van verliefden aard; ik zal u den eersten zang voorlezen, die uit vierhonderd verzen bestaat en één minuut duurt.”--„Waarachtig! Aramis!” zeide d’Artagnan, die bijna evenveel de verzen als het Latijn verfoeide; „voeg bij de moeilijkheid nog de verdienste der kortheid en gij zijt ten minste zeker, dat uw dichtstuk twee verdiensten zal hebben.”--„Vervolgens,” hernam Aramis, „ademt het eerzame denkbeelden. Maar wij keeren naar Parijs terug! Bravo! ik ben gereed! En zullen wij nu dien goeden Porthos gaan opzoeken? des te beter. Gij weet niet, hoe ik dien grooten lummel mis. Ik zie hem zoo gaarne over zich zelven tevreden, want dat maakt mij zulks met mij zelven. Hij zeker zou het paard niet hebben verkocht, al had men hem er een koninkrijk voor geboden. Ik verlang hem reeds op zijn beest en op zijn zadel te zien; hij zal, ik ben er zeker van, er uitzien als de groote Mogol.”

Men bleef een uur stil, om de paarden te doen rusten; Aramis betaalde zijn vertering, liet Bazijn met zijn makkers in den vrachtwagen gaan en men ging op weg om zich met Porthos te vereenigen. Dezen vond men bijna genezen en bijgevolg minder bleek, dan hem d’Artagnan bij zijn eerste bezoek had gezien; hij zat voor een tafel, op welke, ofschoon hij alleen was, een maal voor vier personen was aangericht. De gerechten bestonden uit vleeschspijzen, behoorlijk toebereid, uitgezochte wijnen en heerlijke vruchten.

„Ha, pardieu!” zeide hij opstaande, „gij komt juist te stade, heeren! ik was juist met de soep begonnen.”--„O, o!” riep d’Artagnan, „die flesschen heeft Mousqueton niet met zijn lazzo gevangen; ik zie nog een gelardeerde kalfsschijf en een ossenhaas.”--„Dat zal mij geheel op de been brengen. Niets verzwakt meer dan die duivelsche verstuikingen. Hebt gij ooit verstuikingen gehad, Athos?”--„Nooit, ik herinner mij alleen, dat in die schermutseling der straat Férou de degensteek, dien ik daar ontving, na verloop van veertien of achttien dagen volkomen dezelfde gevolgen had.”--„Maar dat maal was niet voor u alleen, mijn waarde Porthos,” zeide Aramis.--„Neen,” zeide Porthos, „ik wachtte eenige edellieden uit den omtrek, die mij zooeven bericht zonden, dat zij niet konden komen; gij zult in hun plaats treden en ik zal bij den ruil niet verliezen. Hola, Mousqueton! stoelen en eens zooveel flesschen.”--„Weet gij nu wel, wat wij eten?” vroeg Athos.--„Pardieu!” riep d’Artagnan, „ik eet gelardeerd kalfsvleesch met artisjokken.”--„En ik lamscoteletten,” zeide Porthos.--„En ik een hoenderpastei,” zeide Aramis.--„Gij bedriegt u allen, heeren!” antwoordde Athos ernstig, „gij eet een paard.”--„Wat zegt gij?” riep d’Artagnan.--„Paardenvleesch,” liet Aramis met afkeer hooren.--Alleen Porthos antwoordde niet.--„Ja, een paard! is het niet waar, Porthos, dat wij het paard eten en misschien het tuig er bij?”--„Neen, mijne heeren! ik heb het tuig bewaard,” zeide Porthos.--„Op mijn woord,” zeide Aramis, „wij zijn aan elkander gewaagd, het schijnt alsof wij het met elkander hebben afgesproken.”--„Wat wilt gij?” zeide Porthos, „op dat paard waren bezoekers afgunstig en ik wilde hen niet vernederen.”--„En uw hertogin is steeds naar de baden?” hernam d’Artagnan.--„Altijd,” antwoordde Porthos. „En op mijn woord, de gouverneur der provincie, een der edellieden, die ik heden ten eten wachtte, scheen er zoo verzot op, dat ik het hem heb gegeven.”--„Gegeven?” riep d’Artagnan.--„Ach, mijn God! ja, gegeven, dat is het juiste woord,” zeide Porthos, „want het was zeker honderd vijftig louis d’or waard en de vrek heeft er mij niet meer dan tachtig voor willen geven.”--„Zonder het zadel?” vroeg Aramis.--„Ja, zonder het zadel.”--„Gij moet opmerken, dat het wederom Porthos is, die van ons allen de beste zaak heeft gedaan.”

Hierop verhief zich een hoera van gelach, waarvan de arme Porthos geheel ontroerde; maar men verklaarde hem dra de reden van dezen lachlust, waaraan hij, volgens gewoonte, met niet weinig luidruchtigheid deel nam.

„Zoodat wij thans allen geld hebben,” zeide d’Artagnan.--„Maar ik niet,” zeide Athos. „Ik vond den Spaanschen wijn van Aramis zoo goed, dat ik een zestigtal flesschen in den vrachtwagen der lakeien heb laten pakken, hetgeen mijn beurs zeer heeft gedund.”--„En ik,” zeide Aramis, „begrijp eens, dat ik mijn laatsten penning aan de kerk van Montdidier en de jezuïeten van Amiëns heb geschonken en buitendien verplichtingen heb aangegaan, die ik moet naleven: voor u, mijne heeren! en voor mij bestelde missen, die gelezen zullen worden en waarbij ik niet twijfel, of wij zullen ons zeer goed bevinden.”--„En ik,” zeide Porthos, „gelooft gij, dat mijn verstuiking mij niets heeft gekost? Ik reken nog niet eens de verwonding van Mousqueton, voor welke ik genoodzaakt ben geweest tweemaal daags den wondheeler te doen komen.”

„Welzoo, welzoo,” zeide Athos, een glimlach met d’Artagnan en Aramis wisselende, „ik zie, dat gij u jegens den armen jongen grootmoedig hebt getoond, dat kenteekent een goeden meester.”--„Kortom,” vervolgde Porthos, „mijn vertering is betaald en er zal mij nog wel een dertigtal kronen overblijven.”--„En mij een tiental pistolen,” zeide Aramis.--„Het schijnt,” zeide Athos, „dat wij de Cresussen der maatschappij zijn. Hoeveel blijven u van uw honderd pistolen over, d’Artagnan?”--„Van mijn honderd pistolen? Vooreerst, ik heb er u vijftig van gegeven.”--„Gelooft gij?”--„Pardieu!”--„O, het is waar, ik herinner het mij.”--„Vervolgens heb ik er zes aan den herbergier gegeven.”--„Dat was een beest, die herbergier. Waarom hebt gij hem die zes pistolen betaald?”--„Gij hebt mij gezegd, dat ik ze hem zou betalen.”--„Het is waar, ik ben te goed. Kortom, wat blijft u over?”--„Vijf en twintig pistolen,” antwoordde d’Artagnan.--„En ik,” zeide Athos, eenige kleine muntstukken uit zijn zak halende, „ziedaar!”--„Gij niets?”--„Op mijn woord, het is zoo weinig en niet eens de moeite waard het bij het andere te voegen. Berekenen wij thans eens, wat wij bezitten: Porthos, dertig kronen.”--„Aramis?”--„Tien pistolen.”--„En gij, d’Artagnan?”--„Vijf en twintig.”--„Dat maakt te zamen?” vroeg Athos.--„Vierhonderd vijf en zeventig livres,” antwoordde d’Artagnan, die als Archimedes rekende.--„Te Parijs aankomende, zullen wij nog wel vierhonderd franken over hebben,” zeide Porthos; „en daarbij nog de tuigen.”--„Maar onze paarden voor den dienst?” vroeg Aramis.--„Wel, van de vier paarden onzer lakeien zullen wij er twee voor ons bestemmen, om welke wij zullen loten. Van de vierhonderd franken zullen wij een half paard voor een, die er geen heeft maken, terwijl wij aan d’Artagnan, die gelukkig met het spel is, het overschot onzer zakken zullen geven, om het in het eerste speelhuis het beste te wagen; ziedaar!”--„Welnu, laten wij thans doorgaan met eten, de overige gerechten worden koud.”

En de vier vrienden, nu gerust de toekomst tegemoet ziende, deden eer aan het maal, welks overblijfselen werden overgelaten aan de heeren Mousqueton, Bazijn, Planchet en Grimaud.

Te Parijs aangekomen, vond d’Artagnan een brief van den heer des Essarts, die hem verwittigde, dat het onherroepelijk vastgestelde besluit van Zijne Majesteit was, den 1sten Mei den veldtocht te beginnen en hij derhalve zich moest bezig houden met het aanschaffen van de hem benoodigde uitrusting.

Hij begaf zich onmiddellijk naar zijn vrienden, die hij slechts een half uur geleden had verlaten en die hij zeer droefgeestig, of liever bekommerd, wedervond. Zij waren in raadsvergadering bij Athos vereenigd, hetgeen gewoonlijk iets zeer gewichtigs aanduidde.

Inderdaad, zij hadden elk een dergelijken brief van den heer de Tréville te huis ontvangen. De vier wijsgeeren zagen elkander aan met een diepe neerslachtigheid; want de heer de Tréville spotte niet met de krijgstucht.

„En op hoeveel schat gij onze uitrusting?” vroeg d’Artagnan.--„Och, wat zal men er van zeggen,” antwoordde Aramis, „wij hebben de rekening opgemaakt met een waarlijk Spartaansche vrekkigheid; wij hebben elk ten minste vijftienhonderd franken noodig.”--„Vier maal vijftien is zestig, dat is zes duizend franken,” zeide Athos.--„Ik geloof,” zeide d’Artagnan, „dat elk onzer aan duizend franken genoeg heeft. Het is waar, dat ik niet als een Spartaan spreek, maar als een procureur.”

Dat woord van procureur wekte Porthos op.--„Luister! ik krijg daar een denkbeeld,” zeide hij.--„Dat is al iets; ik heb zelfs geen schaduw van een denkbeeld,” zeide Athos koel; „maar d’Artagnan, mijne heeren! die is gek. Duizend franken! ik verklaar u, dat ik voor mij alleen er twee duizend noodig heb.”--

„Viermaal twee is acht,” zeide toen Aramis, „het zijn dus acht duizend franken, die wij voor onze uitrusting behoeven; het is waar, dat wij de zadels reeds hebben.”--„Daarenboven,” zeide Athos, die zoo lang wachtte, om zijn gelukkig denkbeeld te ontboezemen, totdat d’Artagnan, die den heer de Tréville ging bedanken, de deur had gesloten, „daarenboven den fraaien diamant, die aan den vinger van onzen vriend schittert. Wat duivel! d’Artagnan is een al te goed kameraad, om zijn broeders in verlegenheid te laten, wanneer hij aan zijn middelsten vinger den losprijs eens konings draagt.”

HOOFDSTUK XXIX.

De jacht op de krijgsuitrusting.

De meest zorgvolle der vier vrienden was voorzeker d’Artagnan, hoewel hij, in zijn hoedanigheid van garde, minder onkosten had te maken voor zijn uitrusting dan de heeren musketiers, die voorname edellieden waren; maar onze Gaskonjische kadet was, zooals men heeft kunnen opmerken, van een zeer vooruitzienden aard; bijna gierig, en daarbij, hoe die tegenstrijdigheid te verklaren, hoogmoedig, zoodat hij in dit opzicht bijkans voor Porthos niet behoefde onder te doen.

Aan de bezorgdheid, welke hem zijn ijdelheid veroorzaakte, paarde zich op dit oogenblik een minder baatzuchtige ongerustheid. Welke narichten hij ook omtrent juffrouw Bonacieux had trachten in te winnen, hij had van haar niets vernomen. De heer de Tréville had er de koningin over gesproken, maar de koningin wist niets van het verblijf der jonge vrouw, doch had beloofd haar te doen zoeken. Echter was deze belofte zeer onzeker en stelde zij d’Artagnan niet volkomen gerust.

Athos verliet zijn kamer niet; hij had besloten geen voet te verzetten, om voor zijn uitrusting te zorgen.--„Er blijven ons nog veertien dagen over,” zeide hij tot zijn vrienden. „Welnu! indien ik na verloop van veertien dagen niets heb gevonden, of liever, indien niets mij is komen vinden, zal ik, daar ik een al te goed katholiek ben om mij voor het hoofd te schieten, met vier gardes van Zijne Excellentie of met acht Engelschen twist zoeken, en zoo lang strijden, totdat er een is, die mij neervelt; hetgeen, met het oog op het aantal, niet kan missen. Dan zal men zeggen, dat ik voor den dienst des konings gesneuveld ben; bijgevolg zal ik mijn dienst hebben verricht, zonder genoodzaakt te zijn geweest voor mijn uitrusting te zorgen.”

Porthos ging voort met de handen op den rug heen en weer te loopen, het hoofd op en neer knikkende en zeggend: „Ik zal mijn denkbeeld ten uitvoer brengen.”

Aramis, bekommerd en slecht gemutst, zeide niets. Men kan uit deze heillooze omstandigheden zien, dat de wanhoop in de gemeenschap heerschte.

Van hun zijde deelden de lakeien, evenals de paarden van Hippolytus, in de treurige verlegenheid hunner meesters. Mousqueton bracht een voorraad korsten bij elkander; Bazijn, die steeds tot godsvrucht overhelde, verliet de kerken niet meer; Planchet keek naar de vliegen en Grimaud, wien de algemeene nood niet kon bewegen de door zijn meester hem opgelegde stilzwijgendheid te verbreken, slaakte zuchten in staat steenen te verteederen.

De drie vrienden, want, zooals wij gezegd hebben, Athos had gezworen geen stap te doen voor zijn uitrusting, de drie vrienden gingen dus vroegtijdig uit en kwamen laat weer te huis. Zij zwierven door de straten, elken straatsteen onderzoekende, om te zien of zij, die hen waren voorgegaan, hun beurzen er niet op hadden laten liggen. Men zou gezegd hebben, dat zij het spoor van iets volgden, zoo nauwkeurig beschouwden zij alles, waar zij langs gingen. Wanneer zij elkander ontmoetten, zagen zij elkaar met een benauwden blik aan, die beteekende: Hebt gij ook niets gevonden?

Terwijl intusschen Porthos de eerste was geweest in wien een denkbeeld was gevaren en die hetzelve met volharding had doordacht, was hij ook de eerste die handelde. Hij was een man van de daad, die waardige Porthos!

D’Artagnan zag hem op zekeren dag naar de kerk van Saint-Leu gaan en volgde hem werktuigelijk. Hij trad de heilige plaats binnen, na zijn knevel en snorbaard te hebben opgestreken, hetgeen bij hem de verregaandste zucht tot liefdesveroveringen aanduidde. Daar d’Artagnan eenige voorzorgen nam om niet gezien te worden, meende Porthos niet gezien te zijn. D’Artagnan trad achter hem binnen. Porthos ging tegen een pilaar leunen; d’Artagnan, steeds voor hem onzichtbaar, ging tegen een anderen pilaar staan. Er werd juist gepreekt, zoodat de kerk zeer vol was. Porthos maakte van deze gelegenheid gebruik, om de vrouwen toe te lonken; dank zij de zorg van Mousqueton, deed het uitwendige volstrekt niet den armzaligen toestand van het inwendige vermoeden: zijn vilten hoed was wel wat kaal, zijn pluim min of meer verschoten, zijn borduursels een weinig dof geworden en zijn kanten hier en daar gescheurd, maar in de schaduw waren al deze kleinigheden niet zichtbaar, en Porthos was steeds de schoone Porthos.

D’Artagnan bespeurde op de bank het dichtst bij den pilaar, waartegen Porthos stond, een soort van rijpe schoonheid, wel wat geel en wat mager, maar die recht en trotsch onder haar zwart hoofddeksel uitkwam. Porthos liet zijn blik ongemerkt op die dame vallen, doch vervolgens weer in de ruimte der kerk ronddwalen. Van haar zijde wierp de dame, die van tijd tot tijd bloosde, een snellen blik op den lichtzinnigen Porthos en dan begon Porthos weer als razend zijn oogen rond te slaan. Het was blijkbaar, dat die bewegingen de dame met het zwarte kapsel niet weinig hinderden; want zij beet zich geweldig op de lippen, krabde haar neus en bewoog zich ongeduldig op haar zitplaats. Porthos, dit ziende, streek opnieuw zijn knevel op, streek opnieuw zijn snorbaard neer en lonkte opnieuw een schoone dame toe, die dicht nabij het koor zat en die niet alleen een schoone dame, maar daarenboven een voorname dame was; want achter haar stond een kleine neger, die het kussen had gebracht, waarop zij neerknielde, terwijl een kamenier een met een geslachtswapen geborduurden zak droeg, waarin het gebedenboek was geweest, waarin zij las.

De dame met de zwarte kap volgde al de bewegingen, van Porthos’ blik en bespeurde, dat hij gevestigd bleef op de dame met het fluweelen kussen, met den negerjongen en met de kamenier. Intusschen bleef Porthos krachtig zijn gebarenspel voortzetten, dat bestond in ooglonken, op de lippen gelegde vingers en kleine, moorddadige lachjes, die inderdaad de schoone verlatene vermoordden. Ook liet zij, in den vorm van een mea culpa, terwijl zij op de borst sloeg, een zoo krachtig hm! hooren, dat al de aanwezigen, zelfs de dame met het kussen, zich naar haar zijde wendden; Porthos bleef onbeweeglijk; hij had nochtans zeer goed begrepen, maar hij hield zich doof.

De dame met het roode kussen, die zeer schoon was, maakte een geweldigen indruk op de dame met de zwarte kap, die in haar een groote, degelijk te vreezen medeminnares zag; en een grooten indruk op Porthos, die haar veel jonger en veel fraaier vond dan de dame met de zwarte kap; een grooten indruk ook op d’Artagnan, die de dame van Meung, Calais en Douvres herkende en die door zijn vijand, den man met het litteeken, met den naam van milady was begroet.

D’Artagnan, zonder de dame van het roode kussen uit het oog te verliezen, ging voort de bewegingen van Porthos gade te slaan, daar die hem zeer vermaakten; hij meende zeker te zijn, dat de dame met de zwarte kap de procureursvrouw der Berenstraat was, te meer dewijl de kerk van St. Leu niet ver van gezegde straat was gelegen. Hij raadde, door afleiding, dat Porthos zich trachtte te wreken over zijn nederlaag te Chantilly, toen de procureursvrouw zich zoo weerbarstig had getoond ten aanzien harer beurs. Maar tevens bespeurde d’Artagnan, dat niet een enkel gezicht de verliefde lonken van Porthos beantwoordde. Het waren niets anders dan hersenschimmen en oogverblinding; doch voor een oprechte liefde, voor een wezenlijken minnenijd bestaat er geen andere werkelijkheid dan hersenschimmen en begoocheling.

Toen het sermoen geëindigd was, naderde de procureursvrouw het wijwatersvat: Porthos kwam haar voor, en in plaats van er een vinger in te steken, doopte hij er de geheele hand in. De procureursvrouw glimlachte, in de meening dat het voor haar was, dat Porthos zich die moeite gaf; maar zij werd spoedig en bitter in haar meening bedrogen; want toen zij slechts drie schreden van hem af was, draaide hij het hoofd om en vestigde strak zijn oogen op de dame van het roode kussen, die was opgestaan en, gevolgd door haar negerjongen en kamenier, nader trad.

Toen de dame van het roode kussen nabij Porthos was, haalde deze zijn druipende hand uit het wijwatersvat; de schoone godvruchtige raakte met haar langwerpige, kleine hand de groote hand van Porthos, maakte al glimlachende het teeken des kruises en verliet de kerk.

Dat was te veel voor de procureursvrouw, zij twijfelde er nu niet meer aan, of die dame en Porthos stonden met elkander in liefdesbetrekking. Indien zij een groote dame ware geweest, zou zij in onmacht zijn gevallen, maar wijl zij slechts een procureursvrouw was, bepaalde zij zich er toe den musketier met bedwongen woede toe te voegen: „Welzoo, mijnheer Porthos, biedt gij mij geen wijwater aan?”

Porthos sprong op het geluid dezer stem op als iemand, die, na honderd jaren geslapen te hebben, plotseling ontwaakt.

„Me.... mevrouw!” riep hij, „zijt gij het? Hoe vaart mijnheer uw echtgenoot, die waardige heer Coquenard? Is hij altijd nog even vrekkig? Waar heb ik mijn oogen toch gehad, dat ik u niet eens heb bespeurd gedurende de twee uren, dat de preek heeft geduurd!”--„Ik zat twee schreden van u af, mijnheer!” antwoordde de procureursvrouw; „maar gij hebt mij niet gezien, omdat gij voor niemand anders oogen hadt dan voor die schoone dame, aan wie gij wijwater hebt aangeboden.”

Porthos hield zich verlegen.--„Ha, gij hebt opgemerkt?”--„Men had blind moeten zijn geweest, om het niet te zien.”--„Ja,” zeide Porthos losweg, „het was een hertogin, een mijner vriendinnen, die ik moeite heb te ontmoeten, uit hoofde van de jaloezie van haar echtgenoot; maar die mij had laten weten, dat zij heden in deze ellendige kerk dezer afgelegen wijk zou komen, alleen om mij te zien.”--„Mijnheer Porthos,” zeide de procureursvrouw, „zoudt gij zoo goed willen zijn mij een oogenblik den arm te geven? Ik zou gaarne met u eens spreken.”--„Hoe! mevrouw!” zeide Porthos, met zijn oogen knippende, als een speler, die met dengenen lacht, die zijn offer gaat worden.

Op dat oogenblik kwam d’Artagnan voorbij, die milady volgde; hij wierp van ter zijde een blik op Porthos en zag diens zegevierende houding.--„Ei, ei,” zei hij tot zich zelven, redeneerende in den zin van de in dien tijd zoo zonderling gemakkelijke zedenleer, „ziedaar iemand, die wel vóór het vereischte tijdstip geheel zijn uitrusting kan hebben.”

Porthos, aan de drukking van den arm der procureursvrouw zich overgevende gelijk een schip aan het roer, naderde het klooster St. Magloire, een weinig bezochte doorgang, die aan beide einden door een draaiboom gesloten was. Men zag er overdag niets dan etende bedelaars en spelende kinderen.

„Ach, mijnheer Porthos!” riep de procureursvrouw, toen zij zich had verzekerd, dat geen aan de gewone bezoekers dier plaats vreemde personen haar konden hooren noch zien; „ach, mijnheer Porthos, gij zijt een groot overwinnaar, naar het schijnt.”--„Ik, mevrouw!” zeide Porthos, de borst vooruitstekende, „en waarom, dat?”--„En die lonken en dat wijwater van zooeven? Wel! het was niet minder dan een prinses, die dame met haar negerjongen en haar kamenier.”--„Gij bedriegt u. Mijn God! neen, zij is niet meer dan hertogin.”--„En die looper, die voor de deur wachtte en die koets, met den koetsier in groote livrei, die op den bok zat?”

Porthos had noch looper noch koets gezien; maar met haar jaloerschen blik had mevrouw Coquenard alles gezien. Het deed Porthos leed, niet al dadelijk de dame met het roode kussen tot een prinses te hebben verheven.

„Oh! gij zijt het beminde kind der schoonen, mijnheer Porthos!” hernam zuchtend de procureursvrouw.--„Maar gij begrijpt,” hernam Porthos, „dat, met een voorkomen als dat, waarmede de natuur mij heeft begiftigd, ik geen gebrek aan fortuintjes heb.”--„Mijn God! wat zijn de mannen lichtzinnig!” riep de procureursvrouw, de oogen ten hemel slaande.--„Niet zoo erg als de vrouwen, geloof ik,” antwoordde Porthos; „want inderdaad kan ik zeggen, mevrouw! dat ik uw offer ben geweest, toen, gekwetst, stervende, ik mij door de geneesheeren verlaten zag; ik, de telg van een doorluchtig geslacht, die zich aan uw vriendschap had vertrouwd, ik was op het punt, vooreerst ten gevolge mijner wonden en ten tweede door den honger, in een gemeene herberg te Chantilly te bezwijken, zonder dat gij u eens verwaardigdet één enkelen mijner vurige brieven te beantwoorden.”--„Maar, mijnheer Porthos!” lispte de procureursvrouw, die voelde dat zij, te oordeelen naar de handelwijze der groote dames van dien tijd, ongelijk had.--„Ik, die voor u de gravin de Penaflor heb verlaten....”--„Dat weet ik.”--„De barones van....”--„Mijnheer Porthos! ik smeek u.”--„De gravin de....”--„Porthos, wees edelmoedig.”--„Gij hebt gelijk, mevrouw! ik zal niet verder gaan.”--„Maar mijn man wil van geen geldschieten hooren.”--„Mevrouw Coquenard!” zeide Porthos, „herinner u den eersten brief, dien gij mij hebt geschreven en welken ik in mijn hart heb gegrift.”--„Maar daarenboven, de som, die gij mij ter leen vraagdet, was wel wat hoog. Gij zeidet mij duizend franken noodig te hebben.”--„Mevrouw Coquenard! ik gaf u de voorkeur; ik behoefde slechts aan de hertogin de.... te schrijven. Ik wil u haar naam niet noemen; want ik weet niet wat het is, een vrouw publiek te maken; maar wat ik weet, is, dat ik haar slechts behoefde te schrijven, om er van haar vijftienhonderd te ontvangen.”

De procureursvrouw liet een traan ontglippen.--„Mijnheer Porthos!” zeide zij, „ik zweer u, dat gij mij streng hebt gestraft en dat, indien gij voortaan u in een dergelijken toestand mocht bevinden, gij u slechts tot mij hebt te wenden.”--„Foei, mevrouw!” zeide Porthos als verstoord, „spreken wij over geen geld, dat vernedert mij.”--„Dus, gij bemint mij niet meer?” zeide langzaam en treurig de procureursvrouw.--Porthos bleef een majestueus zwijgen bewaren.--„Is dat uw antwoord? Helaas! ik begrijp....”--„Herinner u de beleediging, welke gij mij hebt aangedaan, mevrouw! hier heeft zij mij gekwetst,” zeide Porthos, de hand op het hart leggende en ze er hard op drukkende.--„Ik zal die herstellen; toe, mijn waarde Porthos!”--„Buitendien, wat vroeg ik u,” hernam Porthos, met een goedige beweging der schouders, „mij iets te leenen, anders niet. In allen gevalle, ik ben geen onredelijk man. Ik weet, dat gij niet rijk zijt, mevrouw Coquenard! en dat uw man genoodzaakt is de arme pleiters uit te zuigen, om van hen eenige ellendige kronen te trekken. O! indien gij gravin, markiezin of hertogin waart, dan ware het iets anders en gij zoudt onverschoonbaar zijn.”

De procureursvrouw was geraakt.--„Weet, Porthos!” zeide zij, „dat mijn geldkist, al behoort die aan een procureursvrouw, misschien beter voorzien is, dan die van al uw verarmde nuffen.”--„Dan is het een dubbele beleediging, die gij mij aandoet,” zeide Porthos, den arm der procureursvrouw uit den zijne los makende; „want indien gij rijk zijt, mevrouw Coquenard! dan is uw weigering niet te verontschuldigen.”--„Wanneer ik rijk zeg,” hernam de procureursvrouw, die zag, dat zij te ver was gegaan, „dan moet men zulks niet naar den letter opnemen. Ik ben juist niet rijk, maar ik kan leven.”

„Luister, mevrouw!” zeide Porthos, „spreken wij hierover niet meer, dat verzoek ik u. Gij hebt mij miskend: alle vriendschap is tusschen ons afgebroken.”--„Ondankbare, die gij zijt!”--„Gij moet u nog beklagen, dat raad ik u,” zeide Porthos.--„Welnu! ga dan met uw hertogin, ik weerhoud u niet langer.”--„O! zij is nog niet genoeg getroffen, naar ik zie.”--„Welaan, mijnheer Porthos! nog éénmaal voor het laatst: Bemint gij mij nog?”--„Helaas! mevrouw!” zeide Porthos, op den droefgeestigsten toon, dien hij kon aannemen; „wanneer wij een veldtocht gaan openen, een veldtocht, waarin ik, mijn voorgevoelen zegt het mij, den dood zal vinden....”--„O! spreek zoo niet!” riep de procureursvrouw, in snikken uitbarstende.--„Er is iets, dat mij zulks voorzegt,” vervolgde Porthos, al meer en meer droefgeestig wordende.--„Zeg liever, dat gij een nieuwen liefdehandel hebt aangeknoopt.”--„Neen, neen, ik spreek openhartig. Geen nieuw voorwerp heeft mij geraakt en zelfs voel ik hier, hier in het diepste van mijn hart, iets, dat voor u klopt. Maar binnen veertien dagen, zooals gij weet of niet weet, wordt de veldtocht geopend; ik zal het verschrikkelijk druk met mijn uitrusting hebben.... Vervolgens ga ik een reis doen naar mijn bloedverwanten in Bretagne, om de som, noodig tot mijn vertrek, bij elkander te brengen.”

Porthos bespeurde een laatsten strijd tusschen de liefde en de geldzucht.--„En dewijl,” ging hij voort, „de landgoederen der hertogin, die gij in de kerk hebt gezien, in de nabijheid der mijne liggen, zullen wij te zamen reizen. Het reizen, zooals gij weet, schijnt van korter duur te zijn, wanneer men in gezelschap reist.”--„Hebt gij dan geen vrienden te Parijs, mijnheer Porthos?” vroeg de procureursvrouw.--„Ik meende er te hebben,” zeide Porthos, opnieuw zijn droefgeestige houding aannemende; „maar ik heb wel gezien, dat ik mij bedroog.”--„Gij hebt er, mijnheer Porthos! gij hebt er!” hernam de procureursvrouw, met een overijling, die haar zelve bevreemdde. „Kom morgen aan huis. Gij zijt de zoon mijner tante, bijgevolg mijn neef; gij komt van Noyon in Picardië; gij hebt een menigte processen te Parijs en geen procureur. Zult gij dit alles kunnen onthouden?”--„Volkomen, mevrouw!”--„Kom tegen het uur van het middagmaal.”--„Zeer goed.”--„En houd u goed in tegenwoordigheid van mijn man, die, ondanks zijn zes en zeventig jaren, zeer slim en doortrapt is.”--„Zes en zeventig jaren! duivelsch! dat is een fraaie ouderdom!” riep Porthos.--„Een hooge ouderdom, wilt gij zeggen, mijnheer Porthos! Ook kan de arme, brave man mij alle oogenblikken weduwe maken,” ging zij voort, een veelbeteekenenden blik op Porthos werpende. „Gelukkig, dat wij een huwelijkscontract hebben gemaakt, waarbij alles aan den langstlevende behoort.”--„Alles!” riep Porthos uit.--„Alles.”

„Gij zijt een zeer zorgvuldige vrouw, zie ik, mijn lieve mevrouw Coquenard!” zeide Porthos, teederlijk de hand der procureursvrouw drukkende.--„Wij zijn dus verzoend, waarde heer Porthos?” vroeg zij vleiend.--„Voor het leven!” hernam Porthos op denzelfden toon.--„Tot wederziens dan, verrader!”--„Tot wederziens, vergeetachtige!”--„Tot morgen, mijn engel!”--„Tot morgen, vlam mijns levens!”

HOOFDSTUK XXX.

Milady.

D’Artagnan was milady gevolgd, zonder door haar bemerkt te zijn geworden; hij zag haar in haar koets stijgen en hoorde haar aan den koetsier het bevel geven, naar St. Germain te rijden.

Het was onnoodig te beproeven een rijtuig te volgen, dat werd voortgejaagd door twee sterke paarden.... D’Artagnan keerde dus naar de straat Férou terug. In de straat de Seine ontmoette hij Planchet, die voor een pasteibakkerswinkel stond te kijken en in verrukking scheen bij het beschouwen van een eiergebak, dat er allersmakelijkst uitzag. Hij beval hem, twee paarden te zadelen in de stallen van den heer de Tréville, één voor hem, d’Artagnan, en één voor zich zelf, en hem daarna bij Athos te komen halen.

De heer de Tréville had eens voor altijd zijn stal ter beschikking van d’Artagnan gesteld. Planchet begaf zich naar de straat du Colombier en d’Artagnan naar de straat Férou. Athos was te huis, treurig een der flesschen vermaarden Spaanschen wijn ledigende, welken hij van zijn reis naar Picardië had medegebracht. Hij gaf Grimaud een teeken, om voor den heer d’Artagnan een glas te brengen en Grimaud gehoorzaamde, als naar gewoonte, stilzwijgend.

D’Artagnan verhaalde toen Athos al wat er in de kerk tusschen Porthos en zijn procureursvrouw was voorgevallen en op wat wijze hun vriend waarschijnlijk op dit oogenblik bezig was zich een uitrusting te bezorgen.

„Wat mij betreft,” antwoordde Athos op die mededeeling, „ik ben gerust, dat het de vrouwen niet zullen zijn, die de kosten van mijn uitrusting zullen goed maken.”--„En nochtans, schoon, begaafd, een groot heer, zooals gij zijt, mijn waarde Athos! zijn er geen prinsessen of koninginnen voor uw liefdepijlen gevrijwaard.”

Op dat oogenblik stak Planchet nederig het hoofd door de half openstaande deur en berichtte zijn meester, dat de paarden gereed waren.--„Welke paarden?” vroeg Athos.--„Twee paarden, die de heer de Tréville mij voor mijn vermaak leent en met welke ik een wandeling naar St. Germain ga doen.”--„En wat gaat ge te St. Germain doen?” vroeg Athos.

Toen verhaalde d’Artagnan de ontmoeting, die hij in de kerk had gehad, en hoe hij de vrouw had wedergevonden, die met den edelman met den zwarten mantel en het litteeken aan den slaap des hoofds eeuwig in zijn gedachten was.--„Dat wil zeggen, dat gij op haar verliefd zijt, zooals op juffrouw Bonacieux,” zeide Athos, verachtelijk de schouders ophalende, alsof hij medelijden gevoelde voor de menschelijke zwakheid.--„Ik, in het geheel niet!” riep d’Artagnan. „Ik ben alleen nieuwsgierig, het geheim te ontdekken, dat haar omhult. Ik weet niet waarom; maar ik verbeeld mij, dat die vrouw, hoe onbekend zij mij ook zij, en ik voor haar ben, invloed op mijn leven heeft.”--„Waarlijk, gij hebt gelijk,” zeide Athos, „ik ken niet een vrouw, die waard is, dat men haar zoekt, wanneer zij verloren is. Juffrouw Bonacieux is verloren! des te erger voor haar, laat zij zorgen weer terecht te komen.”--„Neen, Athos! neen, gij bedriegt u,” zeide d’Artagnan, „ik bemin mijn arme Constance meer dan ooit, en indien ik wist, waar zij zich bevond, al ware dit ook aan het andere eind der wereld, dan zou ik vertrekken, om haar uit de handen harer vijanden te bevrijden; maar het is mij onbekend, al mijn nasporingen zijn vruchteloos geweest.... Wat wilt gij, men moet zich wel eenige uitspanning verschaffen.”--„Neem dan uw uitspanning met milady, mijn waarde d’Artagnan! ik gun het u van harte, als u dat kan vermaken.”--„Luister, Athos!” zeide d’Artagnan, „in plaats van te huis te blijven, alsof gij huisarrest hadt, ga te paard zitten en vergezel mij naar St. Germain.”--„Mijn waarde!” zeide Athos, „ik berijd mijn paarden, wanneer ik er heb, zoo niet, ga ik te voet.”--„Welnu, ik,” zeide d’Artagnan, over de stekeligheid van Athos glimlachende, die hem bij een ander zeker zou gekwetst hebben; „ik ben minder trotsch dan gij, ik berijd de paarden, die ik vind. Dus tot wederziens, waarde Athos!”--„Tot wederziens,” zeide de musketier, Grimaud een teeken gevende de flesch open te trekken, die hij gebracht had.

D’Artagnan en Planchet stegen te paard en sloegen den weg naar St. Germain in. Langs den geheelen weg waren des jongelings gedachten vervuld met hetgeen Athos hem nopens juffrouw Bonacieux had gezegd. Hoewel d’Artagnan niet zeer sentimenteel van aard was, had echter de jonge winkeliersvrouw inderdaad veel indruk op zijn hart gemaakt. Zooals hij had gezegd, was hij gereed naar het andere einde der wereld te gaan, om haar te zoeken. Maar de wereld heeft zoo vele einden, en wel doordien zij rond is, dat hij niet wist, welken weg hij zou inslaan.

Intusschen ging hij nu trachten iets omtrent milady te vernemen; milady had met den zwartmantel gesproken, derhalve kende zij hem. En volgens d’Artagnan’s denkwijze was het niemand anders dan de zwartmantel, die juffrouw Bonacieux voor de tweede maal had ontvoerd, zooals hij zulks den eersten keer had gedaan. D’Artagnan loog dus slechts ten halve, hetgeen niet zeer veel beteekent, toen hij zeide, dat hij, milady zoekende, tegelijkertijd Constance zocht.

Aldus in gedachten verzonken, en van tijd tot tijd zijn paard de sporen gevende, had d’Artagnan den weg afgelegd en was te St. Germain gekomen. Hij was het paviljoen langs gereden, waarin tien jaren later Lodewijk XIV zou geboren worden. Hij ging een zeer eenzame straat door, links en rechts ziende, of hij niet een of ander spoor zijner schoone Engelsche zou ontwaren, toen, voor de benedenvertrekken van een fraai huis, dat volgens de gewoonte van dien tijd aan de straat geen vensters had, hij een hem bekend figuur zag verschijnen. Die gestalte wandelde op een soort van terras, met bloemen beplant. Planchet was de eerste, die ze herkende.

„Wel, mijnheer!” zeide hij, zich tot d’Artagnan wendende, „herinnert gij u dat gezicht niet meer, dat daar naar de lucht staat te gapen?”--„Neen,” zeide d’Artagnan, „en nochtans ben ik zeker, dat het niet de eerste maal is, dat ik dat gezicht zie.”--„Ik geloof het wel, pardieu!” zeide Planchet; „het is de arme Lubijn, de lakei van den graaf de Wardes, dien gij zoo fraai hebt toegetakeld, nu een maand geleden, te Calais, op den weg naar het buitenverblijf van den gouverneur.”--„Ha, ja,” zeide d’Artagnan, „nu herken ik hem eerst. Gelooft gij, dat hij u zal herkennen, Planchet?”--„Mijn God! mijnheer! hij was zoo ontsteld, dat ik niet geloof, dat hij een zeer nauwkeurige gedachtenis van mij heeft bewaard.”--„Welnu, ga dan een praatje met den jongen maken,” zeide d’Artagnan, „en tracht, al pratende, te vernemen, of zijn meester gestorven is.”

Planchet klom van het paard, ging recht op Lubijn af, die hem werkelijk niet herkende, en beide lakeien begonnen het vertrouwelijkste gesprek van de wereld met elkander, terwijl d’Artagnan beide paarden in een nauwe steeg leidde en toen, om het huis gaande, het gesprek achter een hazelnotenboschje ging beluisteren. Na een oogenblik achter de haag een en ander te hebben gadegeslagen, hoorde hij het gerucht van een naderend rijtuig, en hij zag voor zich de koets van milady stil houden. Er was niet aan te twijfelen, milady zat er in. D’Artagnan ging op den hals van zijn paard liggen, ten einde alles te zien, zonder gezien te worden.

Milady stak haar bekoorlijk blond hoofd buiten het portier en gaf eenige bevelen aan haar kamenier. Deze laatste, een fraai meisje van 20 tot 22 jaren, vlug en levendig, een echte kamenier eener voorname dame, sprong de voettrede af, op welke zij volgens de gewoonte van dien tijd gezeten was, en begaf zich naar het terras, waar d’Artagnan Lubijn had bespeurd.

D’Artagnan volgde de kamerjuffer met de oogen en zag haar naar het terras gaan. Maar toevallig had, op een bevel van binnen, Lubijn zich verwijderd, zoodat Planchet alleen was gebleven, naar alle kanten rondziende langs welken weg d’Artagnan was verdwenen.

De kamenier naderde Planchet, dien zij voor Lubijn aanzag, en stelde hem een briefje ter hand.--„Voor uw meester,” zeide zij hem.--„Voor mijn meester?” hernam Planchet verbaasd.--„Ja, er is haast bij, dus neem aan.”--Daarop vlood zij naar de koets, die naar den kant was omgekeerd van welken ze gekomen was, sprong op de voettrede en de koets verwijderde zich.

Planchet keerde het briefje om en om, vervolgens, gewoon aan lijdelijke gehoorzaamheid, sprong hij van het terras af, ging het steegje in en ontmoette op twintig schreden afstands d’Artagnan, die, alles gezien hebbende, hem tegemoet trad.

„Voor u, mijnheer!” zeide Planchet, den jongeling het briefje aanbiedende.--„Voor mij?” vroeg d’Artagnan, „zijt gij er wel zeker van?”--„Pardieu! of ik er zeker van ben; de kamenier heeft gezegd: voor uw meester.... Ik heb geen anderen meester dan u, bijgevolg.... Waarachtig een aardige meid, die kamenier!”

D’Artagnan opende het briefje en las:

„Een persoon, die meer belang in u stelt, dan zij u kan zeggen, wenschte te weten, welken dag gij in staat zult zijn in het woud een wandeling te doen; morgen zal aan het hotel du Champ du drap d’or een zwarte en roode lakei uw antwoord wachten.”

„Ha, ha!” dacht d’Artagnan, „dat is vrij haastig. Het schijnt, dat milady en ik nopens de gezondheid van denzelfden persoon tamelijk nieuwsgierig zijn. Welnu, Planchet! hoe vaart de heer de Wardes? hij is dus niet dood.”--„Neen, mijnheer! hij is zoo wel als men wezen kan, met vier degensteken in het lijf, want gij hebt dien waarden edelman er wel degelijk vier toegebracht, maar hij is nog zeer zwak, daar hij bijna al zijn bloed heeft verloren. Zooals ik aan mijnheer gezegd heb, Lubijn heeft mij niet herkend en mij geheel en al ons avontuur verhaald.”--„Zeer goed, Planchet! gij zijt de koning der lakeien; maar klim thans te paard en laat ons trachten de koets te bereiken.”

Dit duurde niet lang; na verloop van vijf minuten bespeurde men de koets, die bezijden den weg stilstond: een rijk gekleed ruiter stond aan het portier. Het gesprek van milady en den ruiter was zoo levendig, dat d’Artagnan aan de andere zijde der koets bleef stilstaan, zonder dat iemand anders dan de lieve kamenier zijn tegenwoordigheid bespeurde.

Het gesprek werd in het Engelsch gevoerd, een taal die d’Artagnan niet verstond; maar aan den klank der stem meende de jongeling te kunnen raden, dat de schoone Engelsche in hevigen toorn was. Zij eindigde met een gebaar, dat hem geen twijfel liet omtrent den aard van dat gesprek; namelijk: een slag met den waaier, zoo hevig toegebracht, dat het klein vrouwelijk meubelstuk in duizend stukken vloog. De ruiter barstte uit in een schaterenden lach, wat de lady buiten zich zelve van kwaadheid maakte.

Toen meende d’Artagnan, dat het tijd was tusschenbeide te komen; hij naderde het andere portier, en eerbiedig den hoed afnemende, zeide hij: „Mevrouw! veroorloof mij u mijn diensten aan te bieden; het schijnt dat die heer u vertoornd heeft. Een woord, mevrouw! en ik belast mij, hem voor zijn onbeleefdheid te straffen.”--„Mijnheer! volgaarne zou ik mij onder uw bescherming stellen, indien de persoon, met wien ik in twist ben, mijn broeder niet ware.”--„O, vergeef mij dan,” zeide d’Artagnan, „gij begrijpt, dat mij zulks onbekend was, mevrouw!”--„Waarmede bemoeit zich toch die wildzang!” riep, zich tot op de hoogte van het portier bukkende, de kavalier, dien milady als haar broeder had opgegeven, „en waarom vervolgt hij zijn weg niet?”--„Gij zelf zijt een wildzang,” zeide d’Artagnan, zich op zijn beurt over den hals van zijn paard buigende, ook door het portier antwoordende: „ik vervolg mijn weg niet, omdat het mij behaagt hier te blijven staan.”--De ruiter sprak eenige Engelsche woorden tot zijn zuster.--„Ik spreek Fransch tot u,” zeide d’Artagnan; „doe mij dus het genoegen mij in dezelfde taal te antwoorden. Gij zijt de broeder van mevrouw, het zij zoo, maar gelukkig zijt gij de mijne niet.”

Men zou verwacht hebben, dat milady, vreesachtig als een vrouw, in dit begin eener uitdaging zich als middelaarster zou gesteld hebben, ten einde te beletten, dat de twist ernstiger gevolgen had; maar integendeel, zij wierp zich achterover in haar koets en riep den koetsier koel toe: „Naar het hotel!” De lieve kamenier wierp een onrustvollen blik op d’Artagnan, wiens fraaie gestalte op haar indruk scheen te maken. De koets vertrok en liet beide mannen tegenover elkander staan.

Geen stoffelijk voorwerp scheidde hen meer. De ruiter maakte een beweging om het rijtuig te volgen; maar d’Artagnan, wiens toorn reeds kookte, werd nog kwaadaardiger, toen hij in hem den Engelschman herkende, die te Amiëns zijn paard had gewonnen; hij reed op hem toe en vatte den toom van zijn paard.--„Hier, mijnheer! gij schijnt nog grooter wildzang te zijn dan ik, want gij vergeet, dat er tusschen ons een kleine twist moet worden beslecht.”--„Ha! ha!” zeide de Engelschman, „gij zijt het, meester! Gij moet dan altijd het een of ander spel spelen.”--„Ja, en dat herinnert mij, dat ik revanche moet nemen. Wij zullen eens zien, mijnheer! of gij even handig met den degen zijt als met de dobbelsteenen.”--„Gij ziet wel, dat ik geen degen heb: of wilt gij tegenover een ongewapende den dappere vertoonen?”--„Ik hoop toch, dat gij er een thuis zult hebben. In alle geval, ik heb er twee, en als gij wilt, waag ik er een.”--„Dat is niet noodig,” zeide de Engelschman, „ik ben ruim voorzien van die soort van gereedschappen.”--„Welnu dan, achtbare heer!” hernam d’Artagnan, „kies dan den langsten en vertoon mij dien eens van avond.”--„Waar dat, als het u belieft?”--„Achter het Luxembourg, dat is een allerliefste plek voor wandelingen als die, welke ik u voorstel.”--„Het is goed, men zal er wezen.”--„Hoe laat?”--„Te zes uur.”--„A propos! gij hebt zeker een of twee vrienden?”--„Wel, ik heb er drie, die zich zeer vereerd zullen vinden, dezelfde partij met mij te spelen.”--„Drie, dat kan niet beter,” zeide d’Artagnan, „dat is juist wat ik verlangde.”--„Maar zeg mij nu eens wie gij zijt?” vroeg de Engelschman.--„Ik ben de heer d’Artagnan, Gaskonjisch edelman, in dienst der gardes, bij de compagnie van den heer des Essarts. En gij?”--„Ik ben lord de Winter, baron van Sheffield.”--„Welnu, dan ben ik uw dienaar, mijnheer de baron!” zeide d’Artagnan, „hoewel uw namen vrij moeilijk te onthouden zijn.”--En zijn paard de sporen gevende, zette hij het in galop en sloeg den weg naar Parijs in.

Zooals hij in dergelijke omstandigheden gewoon was, begaf d’Artagnan zich rechtstreeks naar Athos. Hij vond dezen op een groote canapé liggen, waar hij, zooals hij gezegd had, wachtte totdat zijn uitrusting hem zou tegemoet komen. D’Artagnan verhaalde aan Athos al het voorgevallene, behalve datgene wat den brief aan den heer de Wardes betrof. Athos was blijde te vernemen, dat hij tegen een Engelschman ging strijden. Wij meenen gezegd te hebben, dat het zijn gewone droom was.

Men liet onmiddellijk Porthos en Aramis door de lakeien roepen en men maakte hen met de gesteldheid der zaken bekend. Porthos trok zijn degen uit de scheede en begon tegen den muur te schermen, van tijd tot tijd achteruit gaande en als een danser de beenen buigende. Aramis, die steeds aan zijn gedicht werkte, sloot zich in het kabinet van Athos op en verzocht, dat men hem niet zou storen voor het oogenblik, waarop het gevecht zou beginnen. Athos vroeg met een wenk aan Grimaud een andere flesch. Wat d’Artagnan betreft, deze beraamde bij zich zelven een klein plan, waarvan wij later de uitvoering zullen zien en dat hem zeker een vermakelijk avontuur beloofde, zooals men kon opmaken uit de lachjes, die van tijd tot tijd op zijn gezicht zweefden en de droomerige uitdrukking er van verhelderden.

HOOFDSTUK XXXI.

Engelschen en Franschen.

Op het bepaalde uur begaven de vrienden zich met hun vier lakeien achter het Luxembourg, in een omheind veld, waar geiten graasden. Athos gaf eenig geld aan den herder, opdat deze zich zou verwijderen. De lakeien werden op schildwacht gesteld. Dra naderde een zwijgende troep hetzelfde veld, trad de omheining binnen en voegde zich bij de musketiers; vervolgens hadden, naar overzeesch gebruik, de voorstellingen plaats.... De Engelschen waren allen lieden van den hoogsten rang; de zonderlinge namen der drie vrienden waren alzoo voor hen niet alleen een voorwerp van verwondering, maar van bekommering.

„Met dat alles,” zeide lord de Winter, toen de drie vrienden waren genoemd geworden, „weten wij nog niet, wie gij eigenlijk zijt, en wij willen niet met zoodanig genoemden een gevecht aangaan. Dat zijn herdersnamen, die namen.”--„Gij begrijpt wel, mylord!” zeide Athos, „dat het valsche namen zijn.”--„Hetgeen ons te meer doet verlangen de ware namen te vernemen,” antwoordde de Engelschman.--„Gij hebt wel met ons gespeeld zonder ze te kennen,” zeide Athos, „en derwijze, dat gij van ons twee paarden hebt gewonnen.”--„Dat is waar, maar toen waagden wij slechts ons geld, terwijl wij nu ons bloed wagen. Men speelt met de geheele wereld; men vecht slechts met zijns gelijken.”--„Dat is waar,” zeide Athos. En hij nam een der vier Engelschen, met wien hij zou strijden, ter zijde en fluisterde dezen zijn naam in het oor. Porthos en Aramis deden van hun zijde hetzelfde.

„Is dat u genoeg?” vroeg Athos aan zijn tegenpartij, „en beschouwt gij mij als genoegzaam edelman, om mij de eer te bewijzen den degen met mij te kruisen?”--„Ja, mijnheer!” antwoordde de Engelschman groetende.--„Welnu, wilt gij thans, dat ik u wat zegge?” hernam Athos koel.--„Wat?” vroeg de Engelschman.--„Dat gij beter hadt gedaan niet te eischen, dat ik mij bekend maakte.”--„Waarom dat?”--„Omdat men mij overleden waant, en omdat ik reden heb te wenschen, dat men niet verneemt, dat ik nog in leven ben, en mij dus genoodzaakt vind u te dooden, ten einde te voorkomen, dat mijn geheim ontdekt wordt.”--De Engelschman beschouwde Athos, zich verbeeldende dat deze schertste; maar Athos schertste in het geheel niet.--„Mijne heeren!” zeide Athos, zich tot zijn vrienden en vijanden wendende, „zijn wij gereed?”--„Ja,” antwoordden eenparig Engelschen en Franschen.--„Welaan, verdedigt u dan!” riep Athos.

En tegelijkertijd blonken acht degens in de stralen der ondergaande zon, en het gevecht begon met een woede, die zeer natuurlijk was tusschen lieden, welke elkander op twee wijzen vijandig waren. Athos schermde met evenveel bedaardheid en nauwkeurigheid, alsof het in een schermzaal ware geweest. Porthos, waarschijnlijk van zijn te groot vertrouwen genezen door zijn ontmoeting te Chantilly, speelde een spel vol slimheid en voorzichtigheid. Aramis, die den derden zang van zijn gedicht moest eindigen, haastte zich als iemand, die geen tijd heeft te verliezen.

Athos was de eerste, die zijn vijand doodde. Hij had hem slechts één stoot toegebracht, maar zooals hij hem had gewaarschuwd, was de stoot doodelijk geweest, daar de degen het hart had doorboord. Porthos was de tweede, die zijn vijand op het gras uitstrekte; hij had hem de dij doorstoken. Toen nam Porthos den Engelschman, die hem zijn degen had overgegeven, in zijn armen en geleidde hem naar zijn koets. Aramis drong op den zijnen zoo hevig aan, dat, na hem slechts een vijftigtal schreden te hebben doen wijken, hij hem buiten gevecht stelde. Wat d’Artagnan betreft, deze had slechts eenvoudig verdedigenderwijze gehandeld; vervolgens, toen hij zijn vijand zeer vermoeid vond, deed hij hem door een geweldigen slag den degen uit de hand vliegen. De baron, zich ontwapend ziende, deed twee of drie schreden achteruit; maar bij die beweging gleed zijn voet uit en hij viel achterover. D’Artagnan was in één sprong op hem: „Mijnheer, ik zou u kunnen dooden, want gij zijt in mijn macht; maar ik schenk u, uit liefde voor uw zuster, het leven.”

D’Artagnan was ten toppunt van vreugd; hij had het plan verwezenlijkt, dat hij te voren had beraamd, en dat, bij het ontluiken, op zijn gelaat den glimlach deed ontstaan, van welken wij gesproken hebben.

De Engelschman, verheugd met een edelman van zooveel inschikkelijkheid te doen te hebben, klemde d’Artagnan in zijn armen, bewees den drie musketiers duizend beleefdheden, en daar de tegenstander van Porthos zich reeds in het rijtuig bevond, en die van Aramis het op een loopen had gezet, dacht men aan niets anders dan aan den overledene.

Terwijl Porthos en Aramis hem ontkleedden, in de hoop dat zijn wond niet doodelijk mocht zijn, viel een zware beurs van tusschen zijn gordelriem. D’Artagnan raapte die op en reikte haar aan lord de Winter over.

„En wat duivel! wilt gij, dat ik hiermede uitvoer!” vroeg de Engelschman.--„Gij kunt die aan zijn familie teruggeven,” zeide d’Artagnan.--„Zijn familie bekommert zich wat over dat bagatel; zij erft vijftien duizend louis d’or rente.... Geef die beurs aan uw lakeien.”

Onderwijl was Athos d’Artagnan genaderd.

„Ja,” zeide hij, „geef die beurs niet aan onze, maar aan de Engelsche lakeien.”--Athos nam de beurs en wierp die den koetsier toe: „Voor u en uw makkers.”

Deze onbaatzuchtige handelwijze in een volkomen geldeloozen man trof zelfs Porthos, en deze Fransche edelmoedigheid, overal door lord de Winter en zijn vriend verhaald, verwierf algemeene goedkeuring, behalve bij de heeren Grimaud, Mousqueton, Planchet en Bazijn.

„En thans, mijn jonge vriend, want ik hoop, dat gij mij veroorlooft u dien naam te geven,” zeide lord de Winter, „nog heden avond zal ik u, indien gij zulks verkiest, aan mijn zuster, lady Clarick, voorstellen, want ik wil, dat zij u op haar beurt vriendschap toedrage; en daar zij niet geheel en al met het hof onbekend is, zal misschien één woord, in het vervolg ten uwen voordeele gezegd, niet vruchteloos zijn.”

D’Artagnan bloosde van blijdschap en boog ten teeken van goedkeuring. Lord de Winter gaf d’Artagnan, hem verlatende, het adres zijner zuster; zij woonde op het Koningsplein No. 6, destijds de meest voorname wijk. Bovendien verbond hij zich, om hem aan haar voor te stellen.

D’Artagnan bepaalde de samenkomst bij Athos te acht uur. Deze voorstelling aan milady vervulde niet weinig het hoofd van onzen Gaskonjer. Hij herinnerde zich de zonderlinge wijze, op welke die vrouw tot hiertoe zijn levenspad gekruist had. Volgens zijn overtuiging was het een dienares des kardinaals, en nochtans voelde hij zich onweerstaanbaar tot haar aangetrokken door een dier gevoelens, waarvan men zich geen rekenschap kan geven: zijn eenige vrees was, dat milady in hem den man van Meung en Douvres mocht herkennen, want dan zou zij weten, dat hij tot de vrienden van den heer de Tréville behoorde, en bijgevolg met ziel en lichaam den koning was toegedaan, hetgeen hem in dat geval een gedeelte zijner voordeelen zou doen verliezen, daar hij, aan milady bekend zijnde, zooals hij haar kende, met haar gelijk spel zou spelen.

Wat dat begin van liefdehandel met den graaf de Wardes betrof, hierover bekreunde zich onze verwaten jongeling weinig, ofschoon de graaf jong, schoon, rijk en zeer in de gunst van den kardinaal was. Het is niet voor niets, dat men twintig jaar oud en te Tarbes geboren is.

D’Artagnan begon met zich naar huis te begeven en aldaar zich op schitterende wijze te kleeden; vervolgens ging hij naar Athos, en naar gewoonte verhaalde hij dezen alles. Athos luisterde naar zijn plannen, schudde het hoofd en beval hem, met min of meer smart, voorzichtigheid aan.

„Wat,” zeide hij hem, „gij hebt nauwelijks een minnares verloren, die gij goed, bekoorlijk, volmaakt vondt, en zie, daar loopt gij weder een andere na.”--D’Artagnan gevoelde de waarheid van dat verwijt.--„Ik bemin juffrouw Bonacieux met mijn hart, terwijl ik milady met mijn hoofd bemin,” zeide hij, „en door mij aan haar te doen voorstellen, tracht ik er achter te komen, welke rol zij aan het hof speelt.”--„De rol, die zij speelt, pardieu! het is niet moeilijk die te raden, na al hetgeen gij mij hebt gezegd. Zij is de een of andere zendelinge des kardinaals, een vrouw die u in een valstrik zal lokken, waarin gij niets minder dan uw hoofd zult laten.”--„Duivelsch! mijn waarde Athos! gij beschouwt de zaken van een zeer donkere zijde, dunkt mij.”--„Mijn waarde! ik wantrouw de vrouwen. Wat wilt gij? ik heb er reden voor, en vooral de blonde vrouwen. Milady is immers blond, hebt gij mij gezegd?”--„Zij heeft hoofdhaar van de allerfraaiste blonde kleur, die men kan zien.”--„Ach! mijn arme d’Artagnan!” zuchtte Athos.--„Luister! ik wil inlichtingen nemen, en dan, wanneer ik weet, wat ik wensch te weten, verwijder ik mij.”--„Doe dat,” zeide Athos koel.

Lord de Winter kwam op het bepaalde uur; maar Athos, te voren gewaarschuwd, begaf zich in het naaste vertrek. Hij vond dus d’Artagnan alleen, en daar het bij achten was, nam hij den jongeling met zich mede.

Een fraaie koets, met twee heerlijke paarden bespannen, stond voor de deur, zoodat zij in één oogenblik op het Koningsplein waren.

Milady de Winter ontving d’Artagnan met veel bevalligheid. Haar hotel was buitengewoon prachtig, en hoewel de meeste Engelschen, door den oorlog verjaagd, Frankrijk verlieten, of gereed waren het te verlaten, had milady aan haar huis nieuwe onkosten gemaakt, hetgeen bewees, dat de algemeene maatregel, die de Engelschen deed vertrekken, haar niet aanging.

„Gij ziet,” zeide lord de Winter, d’Artagnan aan zijn zuster voorstellende, „een jongeling, die mijn leven in zijn macht heeft gehad en van zijn voordeel geen misbruik heeft willen maken, hoewel wij, om twee oorzaken, vijanden waren, daar ik hem had beleedigd en Engelschman ben. Bedank hem dus, mevrouw! indien gij mij eenige vriendschap toedraagt.”

Milady fronste even de wenkbrauwen; een nauwelijks zichtbare nevel betrok haar voorhoofd, en een zoo zonderlinge glimlach zweefde op haar lippen, dat den jongeling, die deze drievoudige gelaatsvertrekking beschouwde, een rilling overviel.

De broeder zag niets, hij had zich omgekeerd, om met den geliefkoosden aap van milady te spelen, die hem bij zijn rok had getrokken.

„Wees welkom, mijnheer!” zeide milady met een stem, wier zonderlinge zachtheid zeer afstak bij de kenteekenen van kwade luim, welke d’Artagnan had opgemerkt; „want gij hebt heden een eeuwig recht op mijn erkentelijkheid verkregen.”

De Engelschman keerde zich toen om en verhaalde de bijzonderheden van het tweegevecht, zonder iets te vergeten. Milady luisterde naar hem met de grootste aandacht; intusschen kon men gemakkelijk zien, dat, welke poging zij ook deed om haar gewaarwordingen te verbergen, dit verhaal haar niet aangenaam was: het bloed steeg haar naar het hoofd en haar kleine voet stampte onder haar rok. Lord de Winter bemerkte niets; maar toen hij geëindigd had, naderde hij een tafel, waarop een flesch Spaansche wijn stond, vulde twee glazen en met een wenk verzocht hij d’Artagnan te drinken.

Deze wist, dat het een Engelschman onaangenaam was, indien men dit weigerde; hij naderde dus de tafel en nam het tweede glas. Hij had milady niet uit het oog verloren, en in den spiegel bespeurde hij de verandering, welke er op haar gelaat had plaats gegrepen. Thans, nu zij meende niet meer te worden gadegeslagen, vertrok een gewaarwording, welke naar wreedheid geleek, haar gezicht. Zij beet met woede op haar zakdoek.

Op dat oogenblik trad de lieve, kleine kamenier binnen, die door d’Artagnan reeds was opgemerkt. Zij zeide tot lord de Winter eenige woorden in het Engelsch, die onmiddellijk daarop d’Artagnan verlof vroeg zich te mogen verwijderen, ter verontschuldiging aanvoerende het gewicht der zaak, die hem riep, en zijn zuster belastende voor hem verschooning te verkrijgen.

D’Artagnan wisselde een handdruk met lord de Winter en keerde tot milady terug. Het gezicht dier vrouw had met een verwonderlijke beweegbaarheid deszelfs bevallige uitdrukking hernomen; alleen duidden eenige kleine, op haar zakdoek verspreide bloedvlekjes aan, dat zij tot bloedens toe op haar lippen had gebeten. Die lippen waren zeer fraai; men zou ze voor koraal hebben aangezien.

Het gesprek nam een aangename wending. Milady scheen zich volkomen hersteld te hebben. Zij verhaalde, dat lord de Winter slechts haar schoonbroeder en niet haar eigen broeder was; zij was met een jongeren broeder van hem gehuwd geweest, die haar weduwe met een kind had gelaten. Dat kind was de eenige erfgenaam van lord de Winter, wanneer deze zich niet in het huwelijk zou begeven.

Dit alles deed d’Artagnan een sluier vermoeden, maar hij kon nog niet onderscheiden, wat er onder dien sluier verborgen was.--Trouwens, na verloop van een half uur, dat het gesprek had geduurd, was d’Artagnan overtuigd, dat milady zijn landgenoote was; zij sprak zoo zuiver Fransch en met zooveel smaak, dat hieromtrent bij hem niet de minste twijfel overbleef.

D’Artagnan was onuitputtelijk in verliefde spreekwijzen en betuigingen van toewijding. Al de beuzelarijen, die onze Gaskonjer zich liet ontvallen, beantwoordde milady met een bevalligen glimlach. Eindelijk was het oogenblik daar; d’Artagnan, de gelukkigste der menschen, nam afscheid van milady en verliet de zaal.

Op de trap ontmoette hij de lieve kamenier, die in het voorbijgaan hem zacht aanraakte, tot aan de oogen rood wordende hem daarvoor verschooning verzocht met een zoo zachte stem, dat haar onmiddellijk vergiffenis werd geschonken.

D’Artagnan kwam den volgenden dag terug en werd nog beter dan den vorigen dag ontvangen. Lord de Winter was niet tegenwoordig, en milady hield dien avond de eer van het bezoek op. Zij scheen een groot belang in hem te stellen, vroeg hem van waar hij kwam, wie zijn vrienden waren, en of hij niet wel eens had gedacht in dienst van den kardinaal te gaan.

D’Artagnan, die, zooals men weet, voor een jongeling van twintig jaren zeer voorzichtig was, herinnerde zich toen de vermoedens, die hij nopens milady koesterde. Hij hield een groote lofrede op Zijne Eminentie, zeide haar, dat hij zeker zich bij de gardes van den kardinaal zou hebben doen inlijven, in plaats van bij de garde des konings, indien hij bijvoorbeeld den heer de Cavois in plaats van den heer de Tréville gekend had.

Milady veranderde met de meeste gemakkelijkheid van gesprek en vroeg d’Artagnan, op de meest losse wijze der wereld, of hij nooit in Engeland was geweest. D’Artagnan antwoordde, dat hij er door den heer de Tréville gezonden was geworden, om over een remonte van paarden te onderhandelen, en hij er zelfs vier tot proeve had medegebracht.

Milady beet zich gedurende het gesprek drie of vier malen op de lippen; zij had met een jongeling te doen, die ondoorgrondelijk was.

Op hetzelfde uur als van den vorigen dag vertrok d’Artagnan. Op de trap ontmoette hij wederom de lieve Ketty (dit was de naam der kamenier). Deze beschouwde hem met een uitdrukking van geheimzinnige welwillendheid. Maar d’Artagnan was zoo vervuld met haar meesteres, dat hij voor niets anders oogen had dan voor hetgeen van deze kwam.

D’Artagnan keerde den volgenden dag en den daarop volgenden dag weder tot milady terug, en telkens ontving hem milady even vriendelijk.--Ook ontmoette hij elken avond de schoone kamenier, hetzij in de voorkamer, in de gang of op de trap.

Maar, zooals wij hebben gezegd, sloeg d’Artagnan volstrekt geen acht op de zonderlinge volharding der arme Ketty.

EINDE VAN HET EERSTE DEEL.

DE DRIE MUSKETIERS.

II.

DE DRIE MUSKETIERS.

DOOR

ALEXANDER DUMAS.

Opnieuw bewerkt naar het Fransch.

Blankwaardt en Schoonhoven

Rijswijk (Z.-H.)

TWEEDE DEEL.

HOOFDSTUK I.

Een procureurs middagmaal.

Intusschen had het duel, waarin Porthos een zoo luisterrijke rol had gespeeld, hem het middagmaal niet doen vergeten, waarop de procureursvrouw hem had genoodigd. Den volgenden dag te één uur liet hij zich voor de laatste maal door Mousqueton afschuieren, en begaf zich naar de Berenstraat.

Zijn hart klopte, maar niet, als dat van d’Artagnan, van jeugdige, ongeduldige liefde. Neen, een meer lichamelijk gevoel dreef hem voort, hij zou eindelijk dien geheimzinnigen drempel gaan overschrijden, die onbekende trap gaan bestijgen, waarlangs een voor een de oude kronen van meester Coquenard in huis waren gebracht. Hij ging nu inderdaad de bewuste kast beschouwen, waarvan het beeld hem zoo dikwijls in zijn droomen was verschenen; de langwerpige, diepe, met sloten voorziene, verroeste en aan den vloer geklonken kast; de kast, van welke hij zoo dikwerf had hooren spreken, en die de hand van den procureur voor zijn opgetogen blik zou gaan openen. En vervolgens zou hij, de zwerveling op aarde, de man zonder fortuin, zonder bloedverwanten, de soldaat in herbergen, kroegen en posada’s verkeerende, de lekkerbek, meerendeels genoodzaakt zich met eenige toevallig opgedane maaltijden te vergenoegen, nu aan een huiselijken disch aanzitten, het genot van een huiselijk verkeer smaken.

In hoedanigheid van neef alle dagen aan een goed voorziene tafel te zitten, het geel en gerimpeld voorhoofd van den ouden procureur op te vroolijken, een weinig de jonge klerken te plukken, door hun verschillende kaartspelen en het lanskenet in hun fijnste fijnheden te leeren, en van hen, bij wijze eener fatsoenlijke belooning voor de lessen, die hij hun zou geven, in den tijd van één uur het door hen gespaarde geld van een maand te winnen; dat alles was volstrekt volgens de zeden van dien tijd en lachte Porthos ontzaglijk toe.

De musketier stelde zich wel voor den geest de hier en daar verspreide geruchten nopens de procureurs, hun vrekkigheid, geldzucht en vastendagen; maar dewijl, alles wel beschouwd, behalve eenige oogenblikken van spaarzaamheid, die Porthos steeds zeer ontijdig vond, hij de procureursvrouw dikwijls tamelijk gul had gezien, wel te verstaan voor een procureursvrouw, hoopte hij derhalve een op een goeden voet ingericht huis te vinden.

Voor de deur echter begon de musketier eenigen twijfel te voeden; de toegang was niet geschikt om de lieden aan te moedigen; het was een vuile, donkere gang, waarvan de trap ternauwernood verlicht werd door het grijskleurig daglicht van een nabijzijnde binnenplaats, dat door traliën binnenviel.

Porthos klopte aan een voordeur, laag en met ijzeren spijkers beslagen, zooals de groote deur van het grand Châtelet;[10] een groote, bleeke klerk, met een bos ongekamde haren op het hoofd, kwam de deur openen en groette als iemand, die gedwongen is een anderen te eerbiedigen, zoowel uit hoofde der groote gestalte, die kracht aanduidt, het krijgsgewaad, dat den staat doet kennen, als der blozende kleur, die de gewoonte van een goed leven te leiden aanduidt. Achter dezen klerk zag hij een tweeden, die kleiner was, daar achter een derden, van grooter afmeting, en een loopjongen van twaalf jaar achter den derden. In alles drie en een halve klerk, hetgeen in dien tijd een zeer beklant kantoor aanduidde.

[10] Het hoogste gerechtshof toen ter tijd te Parijs.

Hoewel de musketier eerst te één uur moest komen, had echter de procureursvrouw een waakzaam oog gehouden en op het hart, en misschien ook wel op de maag van haar aanbidder gerekend, dat hij er voor het bepaalde uur zou wezen. Mevrouw Coquenard naderde dan door de deur van het vertrek, terwijl tegelijkertijd haar gast de deur van de trap binnentrad; de verschijning der waardige dame redde Porthos uit een groote verlegenheid; de klerken beschouwden hem met een nieuwsgierig oog, en hij, niet wetende wat tot die opklimmende klerkenrij te zeggen, bleef sprakeloos.

„Ha, neef!” riep de procureursvrouw, „kom toch binnen, kom toch binnen, mijnheer Porthos!”--De naam Porthos deed op de klerken zijn uitwerking, en zij begonnen te lachen; doch Porthos keerde zich om en alle gezichten hernamen hun ernst.

Men trad het kabinet van den procureur binnen, na de voorkamer, waar de klerken waren, en het kantoor, waar zij behoorden, te zijn doorgegaan. Het laatste was een donkere kamer, opgevuld met papieren. Het kantoor uitkomende, liet men de keuken rechts liggen, en men trad de gezelschapszaal binnen. Al de vertrekken, welke aan elkander verbonden waren, boezemden Porthos niet veel vertrouwen in. De gesprekken moesten van verre door al die opene deuren verstaan worden; bovendien had hij in het voorbijgaan een snellen, onderzoekenden blik in de keuken geworpen, en hij bekende het zich, tot schande zijner procureursvrouw en tot zijn innig leedwezen, dat hij dat vuur, de levendigheid, die beweging niet had gezien, die eenige oogenblikken vóór een goeden maaltijd gewoonlijk in het heiligdom der lekkerbekken heerscht.

De procureur was ongetwijfeld van dat bezoek verwittigd geworden, want hij toonde niet de minste verwondering op het zien van Porthos, die hem tamelijk ongedwongen naderde en hem beleefd groette.

„Wij zijn, naar het schijnt, neven, mijnheer Porthos!” zeide de procureur, zich met alle kracht zijner armen van zijn van rotting gevlochten leuningstoel opheffende.

De grijsaard, in een wijden, zwarten kamerrok gewikkeld, waarin zijn uitgemergeld lichaam als verloren was, zag er nog krachtig, maar droog uit; zijn kleine, grijze oogen schitterden als karbonkels en schenen, met zijn krampachtig bewogen mond, het eenige gedeelte van zijn gezicht, waarin het leven was gebleven. Ongelukkig weigerden de beenen hun dienst aan dat knokachtige werktuig; sedert vijf of zes maanden, dat deze verzwakking zich had doen gevoelen, was van lieverlede de waardige procureur de slaaf zijner vrouw geworden.

De neef werd met onderwerping aangenomen, en dat was alles. Meester Coquenard, indien hij nog vlug ter been ware geweest, zou alle bloedverwantschap met den heer Porthos hebben verloochend.

„Ja, mijnheer! wij zijn bloedverwanten,” zeide Porthos, die trouwens nooit op een hartelijk onthaal van den echtgenoot had gerekend, zonder de minste verlegenheid.--„Door de vrouwen, geloof ik?” zeide de procureur boosaardig.

Porthos begreep die scherts niet en hield ze voor eenvoudigheid, over welke hij in zijn vuistje lachte. Mevrouw Coquenard, die wist, dat een onnoozele procureur een zeldzaamheid in zijn soort was, glimlachte een weinig maar bloosde sterk.

De heer Coquenard had, sedert de komst van Porthos, de oogen ongerust op een groote kast geworpen, die over zijn eikenhouten schrijftafel stond. Porthos begreep, dat die kast, hoewel niet in vorm met die van zijn droomen overeenkomende, de heilrijke schatkist moest zijn, en hij verheugde zich, dat zij werkelijk zes voet hooger dan die van zijn droom was.

Meester Coquenard dreef niet verder zijn genealogisch onderzoek door; maar zijn onrustigen blik van de kast op Porthos werpende, bepaalde hij zich te zeggen: „Mijnheer uw neef zal, alvorens te vertrekken, ons het genoegen wel willen doen ten eten te blijven, niet waar mevrouw Coquenard?”--Nu ontving Porthos den stoot in de volle borst en voelde dien; het schijnt dat van haar kant mevrouw Coquenard er ook niet ongevoelig voor was, want zij voegde er bij: „Mijn neef zal niet terugkeeren, indien hij vindt, dat wij hem niet wel behandelen; doch het tegenovergestelde is waar, en wijl zijn verblijf te Parijs van korten duur is, zou het ons zeer aangenaam zijn, indien hij ons al die oogenblikken wilde schenken, over welke hij tot aan zijn vertrek kan beschikken.”--„O, mijn arme beenen! mijn arme beenen!” mompelde de heer Coquenard, en hij trachtte te glimlachen. De hulp, welke Porthos te beurt viel, in hetzelfde oogenblik dat hij in zijn hoop een goed middagmaal te doen werd aangevallen, boezemde den musketier voor de procureursvrouw veel erkentelijkheid in.

Weldra sloeg het etensuur. Men trad de eetzaal binnen: een groote, donkere kamer tegenover de keuken. De klerken, die, naar het schijnt, in huis ongewone geuren hadden geroken, waren van een militaire nauwgezetheid en hielden hun tabouretten gereed om neer te zetten; men zag hen bij voorbaat reeds de kinnebakken met een verschrikkelijken eetlust bewegen.

„Tudieu!” dacht Porthos, op de drie uitgehongerden een blik werpende; want de loopjongen, zooals men kan denken, deelde niet in de eer aan des meesters tafel te zitten. „Tudieu! als ik in de plaats van mijn neef was, dan zou ik zulke gulzigaards niet willen behouden. Zij schijnen schipbreukelingen, die in geen zes weken gegeten hebben.”

De heer Coquenard kwam binnen, in zijn stoel voortgerold door mevrouw Coquenard, die Porthos op zijn beurt te hulp kwam, om haar echtgenoot voor de tafel te brengen. Nauwelijks binnengekomen, bewoog hij neus en kinnebakken naar het voorbeeld zijner klerken.--„O, o!” zeide hij, „ziedaar een soep, die er smakelijk uitziet.”

„Wat duivel! zien zij toch zoo buitengewoon smakelijks aan deze soep?” vroeg Porthos zich zelven, op het zien van een groote hoeveelheid lichtkleurig vleeschnat, waarop geen enkel vet oog zichtbaar was, en op hetwelk eenige weinige broodkorsten dreven, als eilandjes in den Archipel. Mevrouw Coquenard glimlachte, en op een wenk van haar zetten allen zich overhaast aan tafel.

De heer Coquenard werd het eerst bediend, vervolgens Porthos; daarna vulde mevrouw Coquenard haar bord en deelde de korsten, zonder het vleeschnat, aan de overige hongerigen uit. Op dat oogenblik ging de deur der eetkamer al knarsende open, en Porthos bespeurde, door de kier, den kleinen loopjongen, die, aan het feestmaal geen deel mogende nemen, zijn brood at, onderwijl de beide geuren opsnuivende, die uit de keuken en de eetkamer opstegen. Na de soep bracht de dienstmaagd een gekookt hoen, een lekkernij, die de oogen der aanzittenden derwijze deed uitpuilen, dat zij bijna uit hun holten sprongen.

„Men ziet, dat gij uw bloedverwanten liefhebt, mevrouw Coquenard!” zeide de procureur met een bijna tragischen glimlach: „Ziedaar zeker een verrassing, die gij voor uw neef hebt bereid.”

Het arme hoen was doodmager en omhuld met dat dik stekelig vel, dat de beenderen, ondanks hun pogingen, nooit kunnen doorboren; men had het lang moeten zoeken, alvorens het in het hoenderhok te vinden, waar het in een hoek was gekropen, om van ouderdom te sterven.

„Duivelsch!” dacht Porthos, „dat ziet er treurig uit; ik eerbiedig den ouderdom, maar ik acht hem niet veel gekookt of gebraden.”

Hij zag rondom zich, of zijn gevoelen gedeeld werd, maar integendeel, hij bespeurde niets dan gloeiende blikken, die bij voorbaat dat edel hoen, het voorwerp zijner verachting, verslonden. Mevrouw Coquenard trok den schotel tot zich, maakte behendig de twee groote, zwarte pooten los, die zij op het bord van haar man legde, sneed den vleugel voor Porthos af en gaf den schotel terug aan de dienstmaagd, die het dier had gebracht; deze nam het bijna geheel mede en was verdwenen, alvorens de musketier den tijd had gehad de veranderingen te zien, welke de teleurstelling op de aangezichten bracht, naar het karakter en den aard dergenen, die ze ondervonden.

Na dat hoen werd er een schotel met boonen opgebracht, een ontzaglijk groote schotel, waarop eenige schapenbeenderen, waaraan men bij den eersten aanblik eenig vleesch meende gehecht te zien, hier en daar uitkwamen. Maar de klerken lieten zich door dat schijnbedrog niet misleiden, en de akelige gezichten veranderden in onderworpen gezichten. Mevrouw Coquenard verdeelde dat gerecht onder de jongelieden met de zuinigheid eener goede huismoeder.

Nu was de beurt aan den wijn gekomen. De heer Coquenard schonk uit een steenen, zeer kleine flesch het derde van een glas voor elk der jongelieden, schonk er zich zelven een in, bijna in gelijke evenredigheid en de flesch ging toen onmiddellijk over naar den kant van Porthos en mevrouw Coquenard. De jongelieden vermengden dat derde gedeelte wijn met water; vervolgens, toen zij gedronken hadden, deden zij er opnieuw water bij, en bleven aldus voortgaan, zoodat zij bij het einde van den maaltijd een drank dronken, die van de robijnkleur tot een gele topaaskleur was overgegaan.

Porthos at schroomvallig zijn hoendervleugel en dronk ook een half glas van den zoo zuinig bedeelden wijn, dien hij voor Montreuil[11] herkende. Meester Coquenard zag hem den onvermengden wijn inzwelgen en zuchtte.

[11] Een goedkoope landwijn.

„Zult gij nog van die boonen eten, neef Porthos?” vroeg mevrouw Coquenard op een toon, die wilde zeggen: „Geloof mij, eet er niet van.”--„Ik dank u, nicht, ik heb geen honger meer.”

Er heerschte een stilte. Porthos wist niet, hoe zich te houden. De procureur herhaalde eenige malen: „O, mevrouw Coquenard! ik maak u mijn compliment, uw diner was waarlijk een feestmaal!”--Porthos verbeeldde zich, dat men hem voor den gek hield, en begon zijn knevel op te krullen en zijn wenkbrauwen te fronsen; maar een blik van mevrouw Coquenard raadde hem geduldig te zijn.

Op dat oogenblik stonden de klerken, op een wenk des procureurs, langzaam van tafel op, vouwden nog langzamer hun servetten, vervolgens groetten zij en vertrokken.--„Gaat, jongelui, gaat de spijsvertering door werkzaamheid bevorderen,” zeide de procureur ernstig.

Toen de klerken zich hadden verwijderd, stond mevrouw Coquenard op en haalde uit een spijskast een stuk kaas, wat geconfijte kweeën en een koek, welken zij eigenhandig van amandelen en honing had bereid. De heer Coquenard fronste de wenkbrauwen op het zien van zooveel gerechten.--„Inderdaad, een feestmaal!” riep hij, zich op zijn stoel bewegende, „een waarachtig feestmaal! Epuloe Epulorum: Lucullus is te eten bij Lucullus!”

Porthos beschouwde de flesch, die voor hem stond, en hij hoopte met wijn, brood en kaas zijn middagmaal te doen; maar de wijn ontbrak dra, de flesch was ledig; mijnheer en mevrouw Coquenard gaven geen blijk zulks te bemerken.--„Het is wel,” dacht Porthos, „dat strekt mij tot waarschuwing.”

Hij liet zijn tong over een klein lepeltje met confituren gaan en bleef met zijn tanden in het door mevrouw Coquenard bereide kleverige deeg zitten.--„Nu,” zeide hij, „is het offer volbracht.”

Meester Coquenard gevoelde, na het genot van een dergelijk maal, hetwelk hij een buitensporigheid noemde, behoefte aan een middagslaapje. Porthos hoopte, dat zulks onmiddellijk en in de kamer, waar men zich bevond, zou plaats hebben; maar hiernaar had de procureur geen ooren; hij moest in zijn vertrek worden teruggerold en hij bleef zoolang schreeuwen, totdat hij voor zijn kast zat, op de kanten van welke hij uit meer voorzorg de voeten zette.

De vrouw van den procureur geleidde Porthos in een andere kamer.--„Gij kunt driemaal in de week ten eten komen,” zeide mevrouw Coquenard.--„Ik dank u,” antwoordde Porthos, „ik houd niet van iemand overlast aan te doen. Daarenboven, ik moet aan mijn uitrusting denken.”--„Dat is waar ook,” zeide de procureursvrouw zuchtende; „die ongelukkige uitrusting, niet waar?”--„Helaas ja!” hernam Porthos, „dat is waar.”--„Maar waarin bestaat dan toch de uitrusting van uw kompagnie, mijnheer Porthos?”--„O! in velerhande zaken,” antwoordde Porthos; „de musketiers, zooals gij weet, vormen een keurbende en zij hebben een aantal dingen noodig, die de Gardes en Zwitsers kunnen ontberen.”--„Maar noem mij die dan eens.”--„Wel, dat kan zoowat beloopen....” zeide Porthos, die liever over het geheel dan over gedeelten wilde onderhandelen.--De procureursvrouw luisterde angstig.--„Hoeveel?” vroeg zij; „ik hoop, dat het niet meer zal bedragen....”--Zij zweeg, zij had geen woorden meer.--„Och, neen,” zeide Porthos, „het zal niet meer wezen dan vijf en twintig honderd livres. Ik geloof zelfs, dat, met eenige zuinigheid, ik mij met twee duizend zou kunnen redden.”--„Goede God! twee duizend franken! maar dat is al wat ik bezit, en nooit zal mijn man er in toestemmen een dergelijke som te leenen.”

Porthos maakte een veelbeteekenend gebaar. Mevrouw Coquenard begreep het.--„Ik vroeg u naar de voorwerpen, dewijl, daar ik bloedverwanten en klanten heb, die veel handel drijven, ik bijna zeker ben een en ander honderd percent beneden den prijs te verkrijgen, dien gij zoudt moeten betalen.”--„O! als het dat is, wat gij wildet zeggen.”--„Ja, waarde heer Porthos! Moet gij ook niet vooral een paard hebben?”--„Wel zeker.”--„Nu, ik heb juist iets, dat u lijkt....”--„Ha!” riep Porthos, blinkend van vreugd, „ziedaar dus de zaak, wat mijn paard betreft, geschikt; vervolgens moet ik een paard voor mijn knecht en een valies hebben. Wat mijn wapens betreft, hierover behoeft gij u niet te bekommeren, die heb ik.”--„Een paard voor uw lakei,” hernam aarzelende de procureursvrouw; „maar dat is op een zoo hoogen voet, mijn vriend!”--„Wel, mevrouw!” zeide Porthos trotsch, „ben ik bij toeval een gemeene kerel?”--„Neen, ik wilde u alleen zeggen, dat een muilezel soms even goede vertooning maakt als een paard, en dat ik meende, door uw knecht Mousqueton een fraaien muilezel te bezorgen....”--„Nu, laat het een fraaie muilezel zijn,” zeide Porthos; „gij hebt gelijk; ik heb zeer voorname Spaansche edellieden gezien, wier gevolg allen op muilezels zaten. Maar dat begrijpt gij wel, mevrouw Coquenard, dat het een muilezel moet zijn met pluimen en bellen.”--„Wees gerust,” zeide de procureursvrouw.--„Nu blijft het valies nog over,” hernam Porthos.--„O! wees hierover niet ongerust,” riep mevrouw Coquenard, „mijn man heeft vijf of zes valiezen, gij kunt het beste kiezen: hij heeft er vooral een, dat hij het liefst op reis medenam, en hetwelk zoo groot is, dat men er de wereld in zou kunnen stoppen.”--„Is uw valies dan ledig?” vroeg Porthos.--„Zeker is het ledig,” antwoordde de procureursvrouw.--„O! maar het valies, dat ik noodig heb,” riep Porthos, „moet een goed gevuld valies zijn, mijn lieve!”

Mevrouw Coquenard slaakte nieuwe zuchten. Molière had zijn tooneelstuk van den Vrek nog niet geschreven; mevrouw Coquenard was dus Harpagon vóór. Kortom, het overige der uitrusting werd achtereenvolgens op dezelfde wijze betwist, en de uitslag der zitting was, dat de procureursvrouw haar man een som van achthonderd franken in specie ter leen zou vragen en het paard en den muilezel leveren, die de eer zouden hebben, Porthos en Mousqueton dáárheen te dragen, waar de roem hen wachtte.

Nadat de voorwaarden vastgesteld waren en de interest bepaald was, zoowel als de tijd der terugbetaling, nam Porthos afscheid van mevrouw Coquenard en keerde naar huis terug met een zeer kwaadaardigen honger.

HOOFDSTUK II.

Kamenier en meesteres.

Intusschen, zooals wij gezegd hebben, werd d’Artagnan, ondanks de stem van zijn geweten, ondanks den wijzen raad van Athos en de zachte herinnering aan mejuffrouw Bonacieux, hoe langer hoe meer verliefd op milady; ook liet hij niet na haar dagelijks het hof te maken, verzekerd, zooals onze avontuurlijke Gaskonjer was, dat vroeg of laat zij zijn liefde zoude beantwoorden.

Op zekeren avond, dat hij, met den neus in den wind, licht als iemand, die een gouden regen verwacht, aankwam, ontmoette hij de kamenier onder de koetspoort; maar nu bepaalde de lieve Ketty er zich niet toe hem in het voorbijgaan toe te lachen, maar zij vatte hem zachtjes bij de hand.--„Goed,” dacht d’Artagnan, „zij is met de een of andere boodschap voor mij vanwege haar meesteres belast; zij zal mij hier of daar een samenkomst willen aanwijzen, die zij mij niet zelve heeft durven mededeelen.”--En hij beschouwde het schoone kind met een van trotschheid blinkend gelaat.

„Ik wilde u wel een paar woorden zeggen, mijnheer de ridder,” stamelde de kamenier.--„Spreek, mijn kind! spreek,” zeide d’Artagnan, „ik luister.”--„Hier! onmogelijk; wat ik u te zeggen heb, vereischt te veel tijd en evenveel geheimhouding.”--„Welnu, wat wilt gij dan, dat ik doe?”--„Indien mijnheer de ridder mij wilde volgen,” zeide Ketty schroomvallig.--„Waar gij wilt, mijn lief kind!”--„Kom dan!”--En Ketty, die de hand van d’Artagnan niet had losgelaten, trok hem langs een kleine, donkere wenteltrap voort, en na hem een vijftiental treden te hebben doen opklimmen, opende zij een deur.--„Ga binnen, mijnheer de ridder, hier zullen wij alleen zijn en vertrouwelijk kunnen spreken.”--„En wat is dat voor een kamer, mijn schoon kind?” vroeg d’Artagnan.--„De mijne, mijnheer de ridder! die door deze deur gemeenschap heeft met die mijner meesteres. Maar wees gerust, zij kan niet hooren, wat wij zeggen, daar zij nooit vóór middernacht te bed gaat.”

D’Artagnan wierp rondom zich een blik. De kleine kamer was bevallig van smaak en netheid; maar onwillekeurig vestigden zijn oogen zich op die deur, welke Ketty hem gezegd had die der kamer harer meesteres te zijn.--Ketty raadde, wat er in de ziel des jongelings omging en slaakte een zucht.

„Gij bemint dan zoo innig mijn meesteres, mijnheer de ridder?” vroeg zij.--„Ik weet niet, of ik haar oprecht bemin, maar wat ik weet, is, dat ik dol verliefd op haar ben.”--Ketty slaakte een tweeden zucht.--„Helaas, mijnheer! dat is wel jammer!”--„En wat duivel waarom ziet ge hierin zooveel jammers?”--„Omdat, mijnheer! mijn meesteres u volstrekt niet bemint.”--„Ei,” liet d’Artagnan hooren, „zij zou u belast hebben mij dit te zeggen?”--„O neen, mijnheer! maar ik ben het, die, uit belangstelling voor u, het voornemen heb opgevat het u te zeggen.”--„Ik dank u, goede Ketty! maar alleen voor de bedoeling; want die mededeeling, zooals gij moet bekennen, is niet van de aangenaamste.”--„Dat wil zeggen, dat gij niet gelooft, wat ik u heb gezegd, niet waar?”--„Men heeft altijd moeite dergelijke dingen te gelooven, mijn schoon kind! al ware het slechts uit eigenliefde.”--„Dus, gij gelooft mij niet?”--„Ik beken, dat, zoolang gij mij geen bewijs hebt gegeven van hetgeen gij voorgeeft....”--„Wat zegt gij van dit?”--En Ketty haalde uit haar boezem een naamloos briefje.--„Voor mij?” riep d’Artagnan, haastig het briefje grijpende, en met een even snelle beweging als de gedachte scheurde hij het open, ondanks den kreet, dien Ketty slaakte op het zien van hetgeen hij wilde doen, of liever van wat hij deed.--„Ach, mijn God! mijnheer de ridder! wat doet gij?” riep zij.--„Wel, pardieu!” antwoordde d’Artagnan, „moet ik geen kennis nemen van hetgeen mij wordt toegezonden?”--En hij las:

„Gij hebt mijn eersten brief niet beantwoord; zijt gij dan ongesteld, of zoudt gij de lonken hebben vergeten, die gij mij op het bal van mevrouw de Guise toewierpt? Ziehier wederom een gelegenheid, graaf! laat u die niet ontglippen.”

D’Artagnan verbleekte; hij was in zijn eigenliefde gekwetst, hij meende in zijn liefde gekwetst te zijn.--„Dat briefje is niet voor mij!” riep hij.--„Neen, het is voor een ander; gij hebt mij den tijd niet gelaten u zulks te zeggen.”--„Voor een ander? Zijn naam! zijn naam!” riep d’Artagnan woedend.--„De heer graaf de Wardes!”

De herinnering aan het tooneel van St. Germain vertoonde zich toen eensklaps voor den geest van den verwaten Gaskonjer, en bevestigde hetgeen Ketty had geopenbaard.

„Arme, goede mijnheer d’Artagnan!” zeide zij met een stem vol medelijden, opnieuw de hand van den jongeling drukkende.--„Gij beklaagt mij, arme kleine!” zeide d’Artagnan.--„O, ja, uit geheel mijn hart; want ik weet, wat liefde is.”--„Gij weet wat liefde is?” hernam d’Artagnan, haar voor het eerst met zekere aandacht beschouwende.--„Helaas, ja!”--„Welnu, in plaats van mij te beklagen, zoudt gij beter doen mij te helpen op uw meesteres wraak te nemen.”--„En wat soort van wraak zoudt gij op haar willen nemen?”--„Ik zou in de plaats van mijn medeminnaar willen treden.”--„Hierin zal ik u nooit behulpzaam zijn, mijnheer de ridder!” zeide Ketty haastig.--„En waarom niet?” vroeg d’Artagnan.--„Om twee redenen.”--„Welke?”--„De eerste, omdat mijn meesteres u nooit zal beminnen.”--„Hoe weet gij dat?”--„Gij hebt haar diep beleedigd.”--„Hoe kan ik haar hebben beleedigd, ik, die, sinds ik haar ken, aan haar voeten leef als een slaaf. Spreek, ik bid u.”--„Ik zal dat nooit bekennen dan aan den man, die in het diepste van mijn hart kan lezen.”

D’Artagnan beschouwde Ketty voor de tweede maal. Het meisje was van een frischheid en schoonheid, voor welke hertoginnen haar kronen zouden hebben gegeven.

„Ketty?” zeide hij, „ik zal in het diepst van uw hart lezen, laat u dat niet weerhouden, mijn lief kind! maar spreek.”--„O, neen!” riep Ketty, „gij bemint mij niet, gij bemint alleen mijn meesteres, gij zeidet mij zulks nog zooeven.”--„En belet u dat, mij de tweede reden te zeggen?”--„De tweede reden, mijnheer de ridder!” hernam Ketty, bemoedigd door de uitdrukking van des jongelings oogen, „is, dat in de liefde iedereen voor zich zelven handelt.”

Toen eerst herinnerde zich d’Artagnan de smachtende lonken van Ketty, haar glimlach en haar gesmoorde zuchten, telkens wanneer zij hem ontmoette; maar alleen vervuld met de begeerte aan de groote dame te behagen, had hij de kamenier voorbijgezien: die op den arend jacht maakt, let niet op de musch.

Maar nu bemerkte de Gaskonjer in één oogopslag al de voordeelen, die hij uit een liefde kon trekken, welke Ketty hem zoo onnoozel had te kennen gegeven: onderschepping der brieven voor den graaf de Wardes bestemd; bekendheid in de vesting; en alle oogenblikken vrijen toegang in de kamer van Ketty, welke aan die van haar meesteres grensde. De valschaard, zooals men ziet, offerde reeds bij zich zelven het arme, jonge meisje aan de groote dame op.

Het sloeg middernacht, en men hoorde bijna tegelijkertijd de schel in de kamer van milady klinken.--„Groote God!” riep Ketty, „het is mijn meesteres, die mij roept; vertrek, vertrek spoedig!”

D’Artagnan stond op, nam zijn hoed, alsof hij voornemens was te gehoorzamen; vervolgens haastig de deur van een groote kast openende, verborg hij er zich in achter de kleederen en ochtendjaponnen van milady.

„Wat doet gij toch?” riep Ketty.--D’Artagnan, die vooraf den sleutel had genomen, sloot zich in de kast zonder te antwoorden.--„Hoe is het?” riep milady met scherpe stem; „slaapt gij, dat gij niet komt, wanneer ik schel?”--En d’Artagnan hoorde met hevigheid de gemeenschapsdeur openen.--„Hier ben ik, milady, hier ben ik!” riep Ketty, haar meesteres tegemoet ijlende. Beiden traden de slaapkamer binnen, en daar de deur open bleef, kon d’Artagnan nog gedurende eenigen tijd milady haar kamenier hooren beknorren; eindelijk bedaarde zij, en het gesprek viel op hem, terwijl Ketty haar meesteres uitkleedde.

„Welzoo!” zeide milady, „ik heb onzen Gaskonjer heden avond niet gezien.”--„Hoe, mevrouw!” zeide Ketty, „is hij niet hier geweest? Zou hij reeds veranderlijk zijn geworden, alvorens gelukkig te zijn gemaakt?”--„Och, neen! hij zal door den heer de Tréville of den heer des Essarts verhinderd zijn geworden. Ik ken ze, Ketty, en dezen heb ik beet.”--„Wat zal mevrouw er mede beginnen?”--„Wat ik met hem zal doen? wees gerust, Ketty! er is tusschen dien man en mij iets, dat hij niet weet. Hij heeft mij bijna mijn krediet bij Zijne Eminentie doen verliezen. O! ik zal mij wreken.”--„Ik dacht, dat mevrouw hem beminde?”--„Ik hem beminnen! ik verfoei hem. Een ezel, die het leven van lord de Winter in zijn handen heeft en het hem niet ontneemt en mij driemaal honderd duizend pond rente doet verliezen.”--„Dat is waar,” zeide Ketty, „uw zoon is de eenige erfgenaam van zijn oom, en tot zijn meerderjarigheid zoudt gij de vruchten van zijn vermogen hebben genoten.”

D’Artagnan rilde tot in het merg van zijn gebeente, toen hij dat heerlijke schepsel hem hoorde verwijten, met die snijdende stem, welke zij zooveel moeite had in het gemeenzaam verkeer te verbergen, een man niet om het leven te hebben gebracht, dien hij haar met zooveel vriendschap had zien behandelen.

„Ook,” ging milady voort, „zou ik mij reeds op hem gewroken hebben, indien, ik weet niet waarom, de kardinaal mij niet had aanbevolen hem te sparen.”--„O, ja! maar mevrouw heeft dat jonge vrouwtje niet gespaard, welke hij beminde.”--„O, de winkeliersvrouw der Doodgraversstraat. Heeft hij niet reeds vergeten, dat zij bestaat? waarlijk een fraaie wraak!”

Een koud zweet besproeide het voorhoofd van d’Artagnan. Die vrouw was dus een monster?--Hij maakte zich weder gereed om te luisteren, maar ongelukkiglijk was het toilet geëindigd.

„Het is wel,” zeide milady, „ga naar uw kamer en tracht morgen een antwoord te krijgen op den brief, dien ik u heb gegeven.”--„Voor den heer de Wardes?” vroeg Ketty.--„Zeker, voor den heer de Wardes.”--„Dat is iemand, die er mij geheel anders uitziet, dan die arme d’Artagnan.”--„Vertrek, juffer!” zeide milady, „ik houd niet van aanmerkingen.”

D’Artagnan hoorde de deur sluiten, vervolgens de twee grendels, die milady er op schoof, ten einde niet gestoord te worden. Van haar kant, maar zoo zachtjes mogelijk, draaide Ketty de deur op het nachtslot. Toen opende d’Artagnan de deur der kast.

„Ach, mijn God!” zeide Ketty zacht, „wat deert u? hoe bleek zijt gij?”--„Dat afschuwelijk schepsel!” mompelde d’Artagnan.--„Stil, stil, vertrek!” zeide Ketty: „één enkel beschot scheidt slechts mijn kamer van die mijner meesteres; men hoort van de eene, al wat er in de andere gesproken wordt.”--„Om het even; maar ik wil niet vertrekken, alvorens gij mij zult gezegd hebben, wat er van juffrouw Bonacieux is geworden.”

Het arme meisje zwoer op het kruisbeeld aan d’Artagnan, dat zij er volstrekt niets van wist, daar haar meesteres nooit, dan ten halve, haar geheimen liet doorgronden. Alleen meende zij te kunnen verzekeren, dat zij nog in leven was.

Wat de oorzaak betrof, die aan milady haar krediet bij den kardinaal bijna had doen verliezen, hiervan wist Ketty nog minder. Maar omtrent deze aangelegenheid was d’Artagnan beter op de hoogte dan zij; daar hij milady op een der schepen had gezien, welke de haven niet mochten verlaten op het oogenblik, dat hij Engeland verliet, twijfelde hij er niet aan, of het betrof de diamanten haken. Het duidelijkste in dat alles was, dat de wezenlijke haat, de diepe, ingekankerde haat van milady voor hem daaruit voortsproot, dat hij haar schoonbroeder niet had gedood.

D’Artagnan keerde den volgenden dag naar milady terug. Zij was in een zeer kwade luim; d’Artagnan begreep, dat het niet antwoorden des heeren de Wardes haar zoo boos maakte. Ketty trad binnen; maar milady ontving haar zeer ruw. Een blik, dien zij op d’Artagnan sloeg, wilde zeggen: „Gij ziet, wat ik om uwentwil lijd.”

Intusschen bedaarde de schoone leeuwin tegen het einde des avonds; zij luisterde glimlachend naar het zoet gekout van d’Artagnan; zij gaf hem zelfs haar hand te kussen.

D’Artagnan vertrok, niet meer wetende wat te denken; maar een Gaskonjer zijnde, dien men niet gemakkelijk het hoofd deed verliezen, had hij bij zich zelven een zeker plan gevormd. Hij vond Ketty aan de deur, en gelijk den vorigen avond, begaf hij zich in haar kamer, om iets nieuws te vernemen. Ketty was erg beknord en van onoplettendheden beschuldigd geworden. Milady begreep niets van het zwijgen van graaf de Wardes; zij had Ketty bevolen zich te negen uur den volgenden ochtend te vertoonen, ten einde haar bevelen te ontvangen.

D’Artagnan deed aan Ketty beloven, den volgenden morgen bij hem te komen, om hem van den aard dier bevelen kennis te geven. Het arme meisje beloofde d’Artagnan alles, wat hij wilde: zij was verliefd!

Te elf uur zag hij Ketty naderen; zij had wederom een briefje van milady in de hand. Nu trachtte het arme kind niet eens het aan d’Artagnan te betwisten, zij liet hem begaan; want zij behoorde met ziel en lichaam aan haar schoonen soldaat.

D’Artagnan opende het tweede briefje, dat evenmin naam of opschrift droeg, en las het volgende:

„Ziedaar de derde maal dat ik u schrijf, om u te zeggen, dat ik u bemin; zorg, dat ik u niet voor de vierde maal schrijve, om u te zeggen, dat ik u verfoei.”

D’Artagnan werd beurtelings rood en bleek, terwijl hij het briefje las.--„O, gij bemint haar steeds?” zeide Ketty, die geen oogenblik haar blik van het gelaat des jongelings had afgewend.--„Neen, Ketty! gij bedriegt u, ik bemin haar niet meer, maar ik wil mij over haar verachting wreken.”

Ketty zuchtte.--D’Artagnan nam een pen en schreef:

„Mevrouw! tot hiertoe twijfelde ik, of het wel aan mij was, dat uw beide briefjes gericht waren, daar ik mij voor een dergelijke eer onwaardig vond. Maar thans moet ik wel aan de grootheid uwer gunst gelooven, omdat niet alleen uw brief maar ook uw kamenier mij bevestigen, dat ik het geluk heb door u bemind te worden. Ik zal mijn vergiffenis te elf uur heden avond komen afsmeeken.... Dit nog één dag uit te stellen zou in mijn oogen zijn u een nieuwe beleediging doen.--Hij, dien gij den gelukkigsten der menschen maakt.”

Dat briefje was geen werkelijke valschheid. D’Artagnan teekende het niet; maar het was een onkieschheid, en zelfs lijnrecht in strijd met de hedendaagsche zeden; het was iets, dat naar het schandelijke zweemde; doch men spaarde elkander in dien tijd minder dan men heden doet. Bovendien wist d’Artagnan, door haar eigen bekentenis, dat zij zich aan hoogverraad had schuldig gemaakt, terwijl hij voor haar slechts zeer weinig achting koesterde. Eindelijk wilde hij haar, wegens haar koketterie jegens hem, en haar gedrag ten aanzien van juffrouw Bonacieux, straffen.

Het plan van d’Artagnan was zeer eenvoudig: uit de kamer van Ketty kwam hij in het vertrek harer meesteres; hij zou de trouwelooze beschaamd maken, hij zou haar dreigen ruchtbaarheid aan de zaak te geven, om van haar, door vreesaanjaging, al datgene te vernemen, wat betrekking op het lot van juffrouw Bonacieux had. Misschien zou wellicht de vrijheid der lieve winkeliersvrouw de uitslag dezer samenkomst zijn.

„Ziedaar,” zeide de jongeling, aan Ketty het briefje verzegeld ter hand stellende, „geef dien brief aan milady; het is het antwoord van den heer de Wardes.”

De arme Ketty werd bleek als een doode; zij raadde den inhoud van het briefje.--„Luister, mijn lief kind!” zeide haar d’Artagnan, „gij begrijpt, dat dit op de eene of andere wijze een einde moet nemen: milady kan ontdekken, dat gij het eerste briefje aan mijn knecht hebt gegeven in plaats van aan den knecht van den graaf; dat ik het andere heb geopend, dat de heer de Wardes had moeten openen. Dan zal zij u wegjagen, en gij kent haar, het is geen vrouw, om daarbij haar wraak te laten.”--„Helaas!” zuchtte Ketty, „waarom mij aan dat alles blootgesteld?”--„Voor mij, dat weet ik wel, mijn allerschoonste!” zeide de jongeling, „ik ben u daarom zeer dankbaar, dat zweer ik u.”--„Maar wat behelst uw briefje eigenlijk?”--„Milady zal het u zeggen.”--„Ach, gij bemint mij niet!” riep Ketty, „en ik ben wel ongelukkig.”

Ketty weende lang, alvorens te kunnen besluiten den brief aan milady te brengen; maar eindelijk gaf zij, uit vriendschap voor den jongeling, toe: dit was alles, wat d’Artagnan begeerde.

HOOFDSTUK III.

Waarin wordt gehandeld over de uitrusting van Aramis en Porthos.

Sedert de vier vrienden, elk voor zich, op hun uitrusting jacht maakten, bestond er geen bepaalde samenkomst meer tusschen hen: men nam het middagmaal afzonderlijk, waar men zich bevond, of liever, men ontmoette elkander, waar men kon. Ook de dienst verslond een gedeelte van den kostbaren tijd, die zoo spoedig vervloog.

Men had alleen bepaald, eenmaal in de week bij elkander te komen, en wel te één uur in het huis van Athos, aangezien deze, volgens zijn eed, den drempel zijner deur niet wilde overschrijden.

Het was juist de dag der samenkomst, dat Ketty bij d’Artagnan was geweest. Nauwelijks was Ketty vertrokken, of d’Artagnan begaf zich naar de straat Férou. Hij vond Athos en Aramis philosofeerende; Aramis was eenigszins geneigd om het priesterkleed weer aan te trekken. Athos, volgens gewoonte, raadde hem dit niet aan of af. Athos wilde aan iedereen zijn vrijen wil laten. Hij gaf nooit een raad, dan wanneer men hem dien vroeg, en dan moest men dit nog wel tweemaal doen.--Gewoonlijk vraagt men alleen raad om dien niet te volgen, of om, indien men hem heeft gevolgd, aan iemand te kunnen verwijten, dien te hebben gegeven.

Porthos trad een oogenblik na d’Artagnan binnen. De vier vrienden waren dus voltallig. De vier gezichten drukten vier verschillende gevoelens uit: dat van Porthos gerustheid, dat van d’Artagnan hoop, dat van Aramis bekommering, dat van Athos onverschilligheid.

Nadat het gesprek eenige oogenblikken had geduurd, en Porthos te kennen had gegeven, dat een hooggeplaatste dame zich wel had willen belasten hem uit zijn verlegenheid te redden, trad Mousqueton binnen. Hij kwam Porthos verzoeken naar huis te komen, waar, zeide hij met een allerbedroefdst gezicht, zijn tegenwoordigheid werd vereischt.

„Is het mijn uitrusting?” vroeg Porthos.--„Ja en neen,” antwoordde Mousqueton.--„Maar wat wilt gij dan zeggen?”--„Kom, mijnheer!”

Porthos stond op, groette zijn vrienden en volgde Mousqueton.

Een oogenblik later verscheen Bazijn voor de deur.

„Wat wilt gij, mijn vriend?” zeide Aramis op dien zachten toon, welken hij aannam, telkens wanneer zijn denkbeelden hem tot de kerk trokken.--„Een man wacht mijnheer te huis,” antwoordde Bazijn.--„Een man, wat voor een man?”--„Een bedelaar.”--„Geef hem een aalmoes, Bazijn! en zeg hem, voor een armen zondaar te bidden.”--„Die bedelaar wil u met alle geweld spreken en gelooft, dat gij zeer verheugd zult zijn hem te zien.”--„Heeft hij iets bijzonders voor mij?”--„Ja wel: ‚indien de heer Aramis mocht aarzelen zich bij mij te vervoegen, zult gij hem zeggen, dat ik van Tours kom.’”--„Van Tours? Ik kom!” riep Aramis. „Duizendmaal verschooning, heeren! maar die man brengt mij ongetwijfeld het nieuws, waarop ik wacht.”--En opstaande verwijderde hij zich haastig.

Nu bleven Athos en d’Artagnan alleen.

„Ik geloof, dat die snaken hun zaak hebben gevonden.... Wat denkt gij er van, d’Artagnan?” vroeg Athos.--„Ik weet, dat Porthos op den goeden weg is,” zeide d’Artagnan, „en wat Aramis betreft, om u de waarheid te zeggen, ik ben omtrent hem nooit ernstig ongerust geweest. Maar gij, mijn waarde Athos! gij, die zoo edelmoedig de pistolen van den Engelschman hebt uitgedeeld, die uw rechtmatig eigendom waren, wat zult gij doen?”--„Ik ben zeer tevreden dien snaak gedood te hebben, aangezien hij de dwaze nieuwsgierigheid had, mijn waren naam te willen kennen; maar indien ik mij van zijn pistolen had meester gemaakt, zouden zij mij als een wroeging op de ziel drukken.”--„Och kom, mijn waarde Athos! gij hebt waarlijk een te ver gaande kieschheid.”--„Spreken wij over iets anders. Wat zeide mijnheer de Tréville, die mij gisteren de eer deed mij te komen bezoeken, over uw verdachte verkeering met die Engelschen, die door den kardinaal worden beschermd.”--„Dat is te zeggen, dat ik een Engelsche vrouw bezoek, dezelfde van wie ik u heb gesproken.”--„O ja, die blonde vrouw, omtrent welke ik u een raad gegeven heb, dien gij u natuurlijk wel gewacht zult hebben te volgen.”--„Ik heb u mijn redenen gezegd. Ik heb de zekerheid verkregen, dat die vrouw betrokken is in de ontvoering van juffrouw Bonacieux.”--„Ja, ik begrijp, dat gij, om de eene vrouw terug te vinden, aan de andere het hof maakt. Dat is de langste maar de vermakelijkste weg.”

Wij zullen de twee vrienden verlaten, die elkander weinig bijzonders hadden te zeggen, om Aramis te volgen.

Op het bericht, dat de man, die hem wilde spreken, van Tours kwam, zagen wij, met welke haast de jongeling Bazijn gevolgd, of liever vooruit was gesneld; hij deed op die wijze slechts één sprong van de straat Férou in de straat van Vaugirard. Te huis komende, vond hij werkelijk een man van een kleine gestalte, met geestige oogen, doch overigens in lompen gekleed.

„Zijt gij het, die naar mij hebt gevraagd?” vroeg de musketier.--„Dat is te zeggen, dat ik den heer Aramis wensch te spreken; zijt gij het, die dus heet?”--„Ik zelf, hebt gij mij iets ter hand te stellen?”--„Ja, indien gij mij zekeren geborduurden zakdoek vertoont.”--„Hier is hij,” zeide Aramis, een sleutel uit zijn borst halende en daarmede een klein ebbenhouten, met paarlemoer ingelegd kistje openende. „Hier is hij, ziedaar.”--„Goed,” zeide de bedelaar, „verwijder uw lakei.”

Want Bazijn, nieuwsgierig te weten wat de bedelaar van zijn meester verlangde, had zijn schreden naar die van hem geregeld en was bijna even spoedig als zijn meester aangekomen. Maar deze haast baatte hem niet veel. Op het verzoek van den bedelaar gaf zijn meester hem een wenk te vertrekken, en hij was wel genoodzaakt te gehoorzamen.

Toen Bazijn vertrokken was, wierp de bedelaar een snellen blik rondom zich, ten einde zeker te zijn, dat niemand hem zien of hooren kon, en toen zijn gescheurd buis openende, dat door een lederen riem kwalijk werd toegehouden, begon hij het bovenste van zijn gewaad los te tornen, waaruit hij een brief haalde. Aramis slaakte een kreet van vreugde op het zien van het zegel, kuste het schrift en met een bijna godsdienstigen eerbied opende hij den brief, die het volgende behelsde:

„Vriend, het lot wil, dat wij voor een zekeren tijd nog gescheiden blijven; maar de schoone dagen der jeugd zijn niet voor altijd verloren.... Doe uw plicht in het leger, ik doe den mijne elders. Neem, hetgeen brenger dezes u zal ter hand stellen; ga ten oorlog als een schoon en goed edelman, en denk aan mij. Vaarwel! of liever tot weerziens.”

De bedelaar bleef steeds voortgaan met zijn buis los te tornen; hij haalde een voor een uit zijn kleederen honderd vijftig dubbele Spaansche pistolen, welke hij op tafel telde; vervolgens opende hij de deur, groette en vertrok, zonder dat de verbaasde jongeling hem een woord had durven toespreken.--Toen herlas Aramis den brief en bemerkte, dat dezelve een postscriptum had:

„P.S. Gij kunt den brenger met alle onderscheiding ontvangen; hij is graaf en grande van Spanje.”

„O, gouden droomen!” riep Aramis, „o, wat heerlijk leven. Ja, wij zijn nog jong! Ja, wij zullen nog gelukkige dagen genieten.... O, voor u! voor u mijn liefde, mijn bloed, mijn leven! Alles, alles, alles voor mijn schoone minnares!”--En hij kuste den brief hartstochtelijk, zonder zelfs eens naar het goud te zien, dat op tafel blonk.

Bazijn krabde aan de deur; Aramis had geen reden meer hem op een afstand te houden, hij veroorloofde hem dus binnen te komen. Bazijn ontstelde op het gezicht van al dat goud en vergat, dat hij d’Artagnan moest aandienen, die, nieuwsgierig te weten wie de bedelaar was, na Athos verlaten te hebben, naar Aramis was gegaan. En dewijl d’Artagnan geen plichtplegingen met Aramis maakte, diende hij zich zelven aan, daar Bazijn zulks scheen te vergeten.

„Wel duivelsch, mijn waarde Aramis!” zeide d’Artagnan, „indien dat de pruimen zijn, die men u van Tours zendt, moet gij den tuinier, die ze plukt, mijn compliment maken.”--„Gij bedriegt u, mijn waarde!” zeide Aramis, steeds even geheimhoudend, „ze zijn van mijn boekverkooper, die mij den prijs zendt van dat éénlettergrepig dichtstuk, dat ik ginds begonnen was.”--„Waarlijk?” zeide d’Artagnan, „inderdaad, uw boekverkooper is gul, mijn waarde Aramis! dat is al wat ik u kan zeggen.”

„Hoe is het mogelijk, heeren!” riep Bazijn, „brengt een dichtstuk zooveel geld op! Ach, mijnheer! gij doet al wat gij wilt; gij zult de heeren Voiture en de Benserade op zijde streven.... O, ik houd veel van dichtkunde. Een dichter is bijna een priester.... Ach, mijnheer Aramis! wordt toch poëet, ik bid u.”--„Bazijn, mijn vriend, ik geloof, dat gij u in het gesprek mengt.”--Bazijn begreep, dat hij ongelijk had, hij boog het hoofd en vertrok.

„Zoo,” zeide d’Artagnan, „het schijnt dat gij uw voortbrengselen tegen hun gewicht aan goud verkoopt? Gij zijt wel gelukkig, mijn vriend! maar wees voorzichtig, gij zult den brief verliezen, die uit uw buis steekt en die zeker ook van uw boekverkooper is.”

Aramis bloosde tot in het wit der oogen, stak den brief dieper in zijn buis en knoopte het dicht.

„Mijn waarde d’Artagnan!” zeide hij. „Als gij wilt, zullen wij onze vrienden gaan bezoeken, en dewijl ik rijk ben, zullen wij, heden te beginnen, weer samen het middagmaal nemen, in afwachting dat gij op uw beurt rijk zult worden.”--„Waarlijk,” zeide d’Artagnan, „dat is niet te weigeren. Het is lang geleden, dat wij een behoorlijk middagmaal hebben genoten, en daar ik heden avond een min of meer gewaagde onderneming moet ten uitvoer brengen, zou het mij niet onaangenaam zijn, dat beken ik, mij met eenige flesschen ouden Bourgogne het hoofd wat op te winden.”--„Goed, het zal oude Bourgogne zijn, ik verfoei ze ook niet,” zeide Aramis, die, op het gezicht van goud, elke gedachte aan afzondering liet varen. En na drie of vier dubbele pistolen in zijn zak te hebben gestoken, om in de dadelijke behoeften te voorzien, sloot hij de overige in het met paarlemoer ingelegde ebbenhouten kistje, waarin reeds de bewuste zakdoek lag, die hem tot talisman had gediend.

Beide vrienden begaven zich eerst naar Athos, die, getrouw aan zijn eed van niet uit te gaan, zich belastte ten zijnent het middagmaal te doen bezorgen. Daar hij zich wonderwel verstond op het aanrechten van een gastmaal, maakten d’Artagnan en Aramis geen de minste moeilijkheid, om hem dien gewichtigen last op te dragen. Vervolgens begaven zij zich naar Porthos, toen zij aan den hoek der straat du Bac Mousqueton ontmoetten, die in bedroefde houding een muilezel en een paard voor zich uitdreef.

D’Artagnan slaakte een kreet van verwondering, waaraan eenig gevoel van blijdschap niet te miskennen was.--„Wel, daar is mijn geel paard!” riep hij, „bezie eens dat paard.”--„O, wat leelijke vos!” zeide Aramis.--„Welnu, mijn waarde!” hernam d’Artagnan, „dat is het paard, waarop ik te Parijs ben gekomen.”--„Wat, kent mijnheer dat paard?” vroeg Mousqueton.--„Het heeft al een zeer vreemde kleur,” zeide Aramis; „van mijn leven heb ik zulk haar niet gezien.”--„Dat geloof ik wel,” zeide d’Artagnan; „ik heb er daarom ook drie kronen voor gekregen, en zulks moet wel voor het haar geweest zijn, want het rif is waarachtig geen achttien franken waard. Maar hoe komt dat paard in uw bezit, Mousqueton?”--„Ach!” zeide de knecht, „spreek er mij niet van, mijnheer! dat is een afschuwelijke trek van den man onzer hertogin.”--„Hoe dat, Mousqueton?”--„Wel ja, een zeer voorname dame, de hertogin, heeft op ons een zeer goed oog.... maar ik vraag u om verschooning; mijn meester heeft mij geheimhouding bevolen. Zij had ons gedwongen, een kleine gedachtenis aan te nemen: een voortreffelijken Spaanschen hengst en een Andalusischen muilezel; wonderen om te zien. Maar de echtgenoot is er achter gekomen; hij heeft in het voorbijgaan de beide heerlijke dieren, die men ons zond, in beslag genomen, en in de plaats er van die afschuwelijke dieren gegeven.”--„Die gij hem terugbrengt?” vroeg d’Artagnan.--„Ja,” antwoordde Mousqueton. „Gij begrijpt, dat we dergelijke dieren niet kunnen aannemen voor die, welke men ons beloofd heeft.”--„Volstrekt niet. Pardieu! hoewel ik gaarne Porthos op mijn geel paard had gezien. Dat zou mij een denkbeeld hebben gegeven, hoe ik, te Parijs komende, er uitzag. Maar houden wij u niet op, Mousqueton! ga de boodschap uws meesters doen, ga. Is hij te huis?”--„Ja, mijnheer!” zeide Mousqueton, „maar ik verzeker u, hij is in een zeer slechte luim.”

En hij vervolgde zijn weg in de richting der kade van de Grands Augustins, terwijl beide vrienden aan de deur van den rampzaligen Porthos schelden. Deze had hen de plaats zien overgaan, maar hij wachtte er zich wel voor, hun te openen. Zij schelden dus tevergeefs.

Intusschen vervolgde Mousqueton zijn weg; de Pont Neuf overgaande en steeds de twee bonken voor zich uitdrijvende, bereikte hij de Berenstraat. Daar gekomen bond hij, ingevolge het bevel zijns meesters, het paard en den muilezel aan den klopper der deur van den procureur; vervolgens, zonder zich over hun toekomstig lot te bekreunen, keerde hij naar Porthos terug en gaf dezen kennis van de volvoering zijner opdracht.

Na verloop van eenigen tijd begonnen de twee ongelukkige dieren, die sedert des ochtends niet meer hadden gegeten, een zoo verschrikkelijk geweld te maken, door den klopper op te heffen en dan weer te laten vallen, dat de procureur aan zijn loopjongen het bevel gaf, in de buurt te gaan onderzoeken, aan wien dat paard en die muilezel behoorden. Mevrouw Coquenard herkende haar geschenk, begreep aanvankelijk niets van deze terugbezorging; maar dra verklaarde het bezoek van Porthos haar zulks. De gramschap, die in de oogen des musketiers blonk, ondanks de moeite die hij deed zich in te houden, beangstigde de gevoelige minnares. En inderdaad, Mousqueton had zijn meester niet verheeld, dat hij d’Artagnan en Aramis had ontmoet, en dat d’Artagnan in het gele paard den Bearneeschen hit had herkend, op welken hij te Parijs was gekomen, en dien hij voor drie kronen had verkocht.

Porthos vertrok, na met de procureursvrouw een samenkomst in het klooster van St. Magloire te hebben afgesproken. De procureur, ziende dat Porthos zich verwijderde, verzocht hem ten eten, welke uitnoodiging Porthos met een majestueuze houding van de hand wees.

Mevrouw Coquenard begaf zich bevende naar het klooster St. Magloire, want zij voorzag de verwijtingen, die haar wachtten; maar zij was als betooverd door de goede manieren van Porthos. Al wat een in zijn eigenliefde gekwetste man van vervloekingen en verwijtingen op het hoofd eener vrouw kan doen neervallen, liet Porthos op het gebogen hoofd der procureursvrouw neerkomen.--„Helaas!” zeide zij, „ik heb ten beste gehandeld. Een onzer klanten is paardenkooper; hij was aan het kantoor geld schuldig, maar toonde zich onwillig; ik heb toen dat paard en dien muilezel genomen voor hetgeen hij ons schuldig was. Hij had mij twee koninklijke dieren beloofd.”--„Welnu, mevrouw!” zeide Porthos, „indien hij u meer dan vijf kronen schuldig was, dan is uw paardenkoopman een dief.”--„Het is niet verboden, zoo goedkoop mogelijk te koopen, mijnheer Porthos!” zeide de procureursvrouw, zich trachtende te verontschuldigen.--„Neen, mevrouw! maar zij, die zoo goedkoop trachten te koopen, moeten anderen veroorloven, edelmoediger vrienden te zoeken.”--En Porthos, zich op zijn hiel omdraaiende, deed een stap om zich te verwijderen.

„Mijnheer Porthos! mijnheer Porthos!” riep de procureursvrouw, „ik heb ongelijk, ik beken het: ik had niet moeten dingen, waar het de uitrusting van een edelman zooals gij zijt gold.”

Porthos, zonder te antwoorden, deed een tweeden stap. De procureursvrouw verbeeldde zich hem te zien in een schitterende wolk, omringd van hertoginnen en markiezinnen, die zakken vol goud voor zijn voeten wierpen.

„Wacht toch in ’s hemels naam, mijnheer Porthos?” riep zij, „wacht toch, en spreken wij eerst te zamen.”--„Met u te spreken brengt mij ongeluk aan.” zeide Porthos.--„Maar zeg mij dan, wat verlangt gij?”--„Niets; want dat is hetzelfde, alsof ik u om iets vraag.”

De procureursvrouw hing aan den arm van Porthos, en in de hevigheid harer smart riep zij: „Mijnheer Porthos! ik weet volstrekt niets van het gebeurde; weet ik iets van het paard! heb ik kennis van het tuig!”--„Gij moest het aan mij hebben overgelaten, die er mede bekend ben, mevrouw! maar gij hebt willen bezuinigen en derhalve op woekerwinst willen leenen.”--„Hierin heb ik ongelijk gehad, mijnheer Porthos! maar ik zal het herstellen, op mijn woord van eer.”--„En op wat wijze?” vroeg de musketier.--„Luister! heden avond gaat mijnheer Coquenard den hertog de Chanlais spreken, die hem heeft doen roepen. Die samenkomst zal ten minste twee uur duren; kom dus, wij zullen alleen zijn en kunnen dan onze rekening opmaken.”--„Zoo is het goed, dat heet ik spreken, mijn lieve.”--„Zult gij mij vergiffenis schenken?”--„Wij zullen zien,” antwoordde Porthos majestueus.--En scheidende herhaalden beiden: „Tot van avond?”

„Duivelsch!” dacht Porthos, zich verwijderende, „het schijnt, dat ik de geldkist van den heer Coquenard begin te naderen.”

HOOFDSTUK IV.

Des nachts zijn alle katten grijs.

De door Porthos en d’Artagnan zoo ongeduldig verwachte avond genaakte eindelijk.--D’Artagnan vertoonde zich als gewoonlijk tegen negen uur ten huize van milady. Hij vond haar in een heerlijke luim; nooit had zij hem zoo goed ontvangen. Onze Gaskonjer bespeurde bij den eersten aanblik, dat het voorgewende briefje van den graaf de Wardes door Ketty aan haar meesteres was bezorgd geworden en zijn uitwerking had gedaan. Ketty trad met eenige sorbets binnen. Haar meesteres glimlachte haar met een allerbekoorlijkst gelaat allervriendelijkst toe; maar het arme meisje was zoo treurig over d’Artagnan’s tegenwoordigheid bij milady, dat zij niet eens de goedheid van deze bemerkte.

D’Artagnan beschouwde beurtelings die twee vrouwen, en hij was gedwongen zich zelven te bekennen, dat de natuur, haar vormende, zich bedrogen had: aan de voorname dame had zij een lage, valsche ziel gegeven; aan de kamenier daarentegen een beminnend en trouw hart geschonken.

Te tien uur begon milady eenige ongerustheid te doen blijken; d’Artagnan raadde zeer goed, wat zulks beteekende, zij zag op de pendule, stond op, ging weer zitten en glimlachte d’Artagnan toe op een wijze, die te kennen gaf: „Gij zijt zeer beminnelijk, maar gij zoudt nog beminnelijker zijn, indien gij u verwijderdet.”

D’Artagnan stond op en nam zijn hoed; milady gaf hem haar hand te kussen. De jongeling bespeurde, dat zij die drukte en begreep, dat zulks ontstond uit een gewaarwording, niet van koketterie, maar van erkentelijkheid wegens zijn vertrek.--„Zij bemint hem tot dolwordens toe!” mompelde hij.

Ketty wachtte hem niet in de voorkamer, noch in de gang, noch aan de koetspoort. D’Artagnan moest zich alleen naar de trap en de kleine kamer begeven. Ketty zat met haar handen voor de oogen en weende. Zij hoorde d’Artagnan binnenkomen, maar zij richtte het hoofd niet op. De jongeling trad naar haar toe en nam haar handen; toen barstte zij in gesnik uit.

Zooals d’Artagnan vermoedde, had milady, toen zij den brief ontving, dien zij meende het antwoord van den graaf de Wardes te zijn, in de dronkenschap harer vreugd alles aan de kamenier verhaald; vervolgens had zij haar, ter belooning voor de wijze op welke zij dezen keer haar boodschap had verricht, een beurs gegeven. Ketty, in haar kamer komende, had de beurs in een hoek geworpen, waar ze geheel open was blijven liggen, terwijl er drie of vier goudstukken op het vloerkleed waren uitgevallen. Het arme meisje, de stem van d’Artagnan hoorende, richtte eindelijk het hoofd op.

D’Artagnan schrikte over de verandering van haar gelaat. Zij vouwde de handen op een smeekende wijze, maar zonder één woord te durven spreken. Hoe weinig gevoelig d’Artagnan’s hart ook was, voelde hij zich verteederd door deze stomme smart; doch hij was te zeer gehecht aan zijn plannen, en vooral aan het laatste, om iets in zijn voornemens te veranderen; hij gaf aan Ketty niet de minste hoop van zijn roekelooze onderneming te zullen afzien, die hij besloten had ten uitvoer te brengen; alleen stelde hij haar die voor zooals zij werkelijk was, namelijk: als een eenvoudige wraakneming op milady voor haar koketterie en als het eenige middel, dat hem overbleef, om van haar, door vrees voor schande, de verlangde bekentenissen nopens juffrouw Bonacieux te verkrijgen. Dit plan was overigens te gemakkelijker uit te voeren, daar milady, uit hoofde van redenen welke men zich niet kon verklaren, maar die van veel gewicht schenen, Ketty had aanbevolen al de lichten van haar vertrek, zelfs die in de kamer der kamenier, uit te dooven.

Na verloop van een oogenblik hoorde men milady zich in haar slaapkamer begeven. D’Artagnan verborg zich daarop haastig in zijn kast. Nauwelijks was hij er in, of de schel klonk. Ketty keerde tot haar meesteres terug, maar liet de deur niet open; het beschot was echter zoo dun, dat men bijna alles hoorde, wat er tusschen beide vrouwen werd gezegd.

Milady scheen dronken van vreugd; zij liet zich door Ketty de minste bijzonderheden der vermeende samenkomst van de kamenier met den graaf de Wardes herhalen; op welke wijze hij den brief had ontvangen, hoe hij had geantwoord, hoe de uitdrukking van zijn gezicht was geweest, of hij verliefd scheen; en bij al die vragen was de arme Ketty genoodzaakt zich goed te houden en antwoordde met een gesmoorde stem, van welke haar meesteres zelfs niet den toon opmerkte. Zoo zelfzuchtig is het geluk.

Dewijl eindelijk het uur harer samenkomst met den graaf naderde, deed milady inderdaad al het licht in haar kamer uitdooven en gelastte Ketty naar haar kamer terug te keeren en den heer de Wardes, zoodra deze zou komen, binnen te leiden.

Het wachten van Ketty was van geen langen duur. Nauwelijks had d’Artagnan door het sleutelgat der deur de donkerheid bespeurd, waarin de kamer was gedompeld, of hij trad uit zijn schuilplaats op hetzelfde oogenblik dat Ketty de gemeenschapsdeur sloot.

„Wat beteekent dat leven?” vroeg milady.--„Ik ben het,” zeide d’Artagnan half zacht, „ik, graaf de Wardes.”--„O, mijn God! mijn God!” lispte Ketty, „hij heeft niet eens het door hem zelf bepaalde uur kunnen afwachten.”--„Welnu,” zeide milady met een bevende stem, „waarom komt hij niet binnen? Graaf! graaf!” voegde zij er bij, „gij weet wel, dat ik u wacht.”

Op dezen roep verwijderde d’Artagnan zachtjes Ketty en trad de kamer van milady binnen.

Indien woede en smart een ziel kunnen folteren, dan is het die van den minnaar, die onder een vreemden naam liefdesbetuigingen ontvangt, welke voor zijn begunstigden mededinger zijn bestemd. D’Artagnan was in een door hem niet voorzienen, smartelijken toestand; de jaloezie knaagde hem aan het hart, en hij leed bijna evenveel als de arme Ketty, die op dat oogenblik in de aangrenzende kamer weende.

„Ja, graaf!” zeide milady, zoo zacht mogelijk een zijner handen in de hare drukkende; „ja, ik ben gelukkig door de liefde, welke uw blikken en uw woorden mij telkens uitdrukten, wanneer wij elkander ontmoetten. Ook ik bemin u. O! morgen, morgen wil ik een pand van u, dat mij ten bewijze zal strekken, dat gij aan mij denkt;--en daar gij mij zoudt kunnen vergeten, ziedaar.”--En zij stak een ring aan den vinger van d’Artagnan, dien zij van den hare nam. Het was een prachtige saffier, omringd van brillanten.

De eerste beweging van d’Artagnan was, haar dien terug te geven; maar milady voegde er bij: „Neen, neen, bewaar dien ring ter liefde van mij. Gij bewijst mij daarenboven, door dien aan te nemen,” ging zij met een bewogene stem voort, „een grooteren dienst dan gij u kunt verbeelden.”

„Die vrouw is vol geheimen,” dacht d’Artagnan.--Op dat oogenblik was hij op het punt alles te openbaren. Hij opende den mond, om milady te zeggen wie hij was, en met welk een wraakzuchtig doel hij was gekomen, maar zij hernam: „Arme engel! dien dat monster van een Gaskonjer bijna het leven heeft ontnomen.”--Hij was dat monster.--„Ach!” vervolgde milady, „lijdt gij nog aan uw wonde?”--„Ja, nog zeer veel,” zeide d’Artagnan, die niet wist wat te antwoorden.--„Wees gerust,” lispte milady op een niet zeer geruststellenden toon voor haar hoorder, „ik, ik zal u wreken, en gruwelijk wreken.”

„Duivelsch,” dacht d’Artagnan bij zich zelven, „het oogenblik mijner bekentenis is nog niet gekomen.”

D’Artagnan had eenige oogenblikken noodig om zich van die korte samenspraak te herstellen; al de denkbeelden van wraak, die hij had medegebracht, waren volkomen vervlogen. Die vrouw oefende op hem een ongelooflijke macht uit: hij haatte en aanbad haar tevens; hij had nooit gedacht, dat twee zoo tegenstrijdige gevoelens in hetzelfde hart konden wonen en, met elkander vereenigd, een zonderlinge, in zeker opzicht duivelachtige liefde konden vormen.

Intusschen was het reeds één uur geworden; het was tijd te scheiden. D’Artagnan, op het oogenblik van milady te verlaten, voelde niets anders meer dan een hevig leedwezen zich van haar te moeten verwijderen, en onder het hartstochtelijkst vaarwel, dat men elkander van weerszijden deed, werd er nog voor de volgende week een nieuwe samenkomst bepaald.

De arme Ketty hoopte eenige woorden aan d’Artagnan te kunnen zeggen, wanneer hij door haar kamer zou gaan; maar milady geleidde hem zelve in de duisternis en verliet hem eerst op de trap.

Den volgenden dag begaf d’Artagnan zich naar Athos. Het avontuur, waarin hij was betrokken, was zoo zonderling, dat hij hem om raad wilde vragen. Hij verhaalde hem alles. Athos fronste eenige keeren de wenkbrauwen.

„Uw milady schijnt mij een allerlaagst schepsel te zijn; maar gij hebt niettemin ongelijk gehad, haar te misleiden. Gij hebt u hierdoor op de een of andere wijze een vijand gemaakt.”--Ondertusschen beschouwde Athos met aandacht den saffier met diamanten omzet, die aan den vinger van d’Artagnan de plaats van den ring der koningin had ingenomen, welken laatste hij zorgvuldig in een kistje had geborgen.--„Gij beziet dien ring?” zeide de Gaskonjer, trotsch, voor de blikken zijner vrienden een zoo rijk geschenk ten toon te kunnen spreiden.--„Ja,” zeide Athos, „hij herinnert mij een familie-juweel.”--„Hij is fraai, niet waar?” vroeg d’Artagnan.--„Heerlijk!” antwoordde Athos; „ik wist niet, dat er twee saffieren van die fraaiheid bestonden. Hebt gij dien voor uw diamant verruild.”--„Neen, het is een geschenk van mijn schoone Engelsche, of liever, van mijn schoone Fransche; want, hoewel ik het haar niet heb gevraagd, ben ik zeker, dat zij in Frankrijk is geboren.”--„Hebt gij dien ring van milady?” riep Athos met een stem, in welke het gemakkelijk was een diepe ontroering te bemerken.--„Uit eigen beweging heeft zij mij dien hedennacht gegeven.”--„Laat mij dien ring eens zien?” zeide Athos.--„Hier is hij,” antwoordde d’Artagnan, hem van zijn vinger nemende.

Athos beschouwde hem met nog meer aandacht en werd zeer bleek: vervolgens paste hij hem aan den ringvinger van zijn linkerhand; hij paste aan dien vinger, alsof hij er voor gemaakt was. Een wolk van toorn en wraak vertoonde zich op het gewoonlijk zoo kalme voorhoofd van den edelman.

„Het is niet mogelijk, dat het dezelfde is,” hernam hij. „Hoe zou die ring in het bezit van milady Clarick gekomen zijn? En echter is het bijna niet mogelijk, dat er tusschen twee juweelen een zoo groote gelijkenis bestaat.”--„Kent gij dien ring?” vroeg d’Artagnan.--„Ik meende hem te herkennen,” zeide Athos, „maar ik heb mij vergist.”--En hij gaf hem aan d’Artagnan terug, zonder echter zijn oog er van af te wenden.

„Wees zoo goed, d’Artagnan!” zeide hij na een kort oogenblik, „doe dien ring van uw vinger, of keer den steen naar binnen; hij herinnert mij zooveel vreeselijks, dat mijn hoofd er niet toe zoude staan om met u te spreken.... Kwaamt gij mij niet om raad vragen, en zeidet gij mij niet, dat gij in verlegenheid waart omtrent hetgeen gij doen moet? maar wacht eens, geef mij dien saffier nog eens; degene, welken ik bedoel, moet aan een der zijden door een of ander toeval beschadigd zijn.”

D’Artagnan trok opnieuw den ring van zijn vinger en gaf dien aan Athos weder. Athos ontroerde.

„Zie, zie,” zeide hij, „is het niet zonderling?”--En hij toonde d’Artagnan den schrap, welken hij zich herinnerde te bestaan.--„En van wien hadt gij dien saffier, Athos?”--„Van mijn moeder, die hem van haar moeder had gekregen. Zooals ik u zeide, is het een oud juweel, dat nooit uit de familie moest gaan.”--„En gij hebt het.... verkocht?” vroeg d’Artagnan aarzelende.--„Neen,” hernam Athos met een zonderlingen glimlach; „in een verliefd oogenblik gaf ik den ring, zooals hij u is gegeven.”

D’Artagnan bleef op zijn beurt in gedachten verzonken. Hij meende in het leven van milady afgronden te zien, welker diepten donker en vreeselijk waren. Hij stak den ring niet aan zijn vinger, maar in zijn zak.

„Luister!” zeide Athos, zijn hand vattende, „gij kent de vriendschap, die ik u toedraag, d’Artagnan! indien ik een zoon had, zou ik hem niet meer beminnen dan u; welnu, geloof mij, zie af van die vrouw; ik ken haar niet, maar een soort van ingeving zegt mij, dat het een verloren schepsel, en er iets noodlottigs in haar is.”--„Gij hebt gelijk,” zeide d’Artagnan, „ook zal ik daarom van haar scheiden. Ik beken u, dat die vrouw mij zelven schrik aanjaagt.”--„Zult gij dien moed hebben?” vroeg Athos.--„Ik zal dien hebben,” antwoordde d’Artagnan, „en wel oogenblikkelijk.”--„Welnu, mijn kind! gij hebt gelijk,” zeide de edelman, de hand des Gaskonjers drukkende met een bijna vaderlijke teederheid. „En God geve, dat deze vrouw, die nauwelijks in uw levensloop is getreden, er geen noodlottig spoor in achterlate.”

En Athos groette d’Artagnan met een hoofdknik, als iemand die wil te kennen geven, dat het hem niet onaangenaam zou zijn, alleen met zijn gedachten te blijven.

Te huis komende, vond d’Artagnan Ketty, die hem wachtte. De koorts gedurende een maand kon het arme kind niet meer hebben veranderd dan één uur van jaloezie en smart had gedaan. Zij was door haar meesteres naar den graaf de Wardes gezonden. Haar meesteres was krankzinnig van liefde en dronken van vreugd; zij wilde weten, wanneer de graaf haar een nieuw bezoek zou komen brengen. En de arme Ketty, bleek en bevende, wachtte op het antwoord van d’Artagnan.

Athos had een grooten invloed op den jongeling. De raad van zijn vriend, gevoegd bij de gevoelens van zijn eigen hart en de herinnering aan juffrouw Bonacieux, die hem slechts zelden verliet, hadden hem doen besluiten, thans, nu zijn hoogmoed was voldaan, milady niet weer te zien. Zijn antwoord bestond eenvoudig in een pen te nemen en den volgenden brief te schrijven, dien hij evenmin teekende als den vorigen:

„Reken niet op mij, mevrouw! sedert ik hersteld ben, heb ik aan zoovele afspraken van dien aard te voldoen, dat ik genoodzaakt ben er zekere orde in te stellen. Als het uw beurt is, zal ik de eer hebben u er kennis van te geven. Ik kus u de hand.”

Van den saffier geen enkel woord: de Gaskonjer wilde hem tot nader orde behouden en hem tot een wapen tegen milady doen strekken. Men zou overigens ongelijk hebben, de daden van een vroeger tijdvak in vergelijking te stellen met die van thans. Hetgeen thans als een schande voor een fatsoenlijken man zou worden beschouwd, was in dien tijd zeer eenvoudig en natuurlijk.

D’Artagnan gaf den open brief aan Ketty, die hem aanvankelijk las zonder dien te begrijpen, en bijna het verstand verloor bij het herlezen er van. Ketty kon aan dat geluk niet gelooven; d’Artagnan was verplicht haar mondeling de verzekering te geven, welke de brief haar in geschrift gaf. Welk gevaar, met het oog op het driftige karakter van milady, het arme kind ook liep, door haar meesteres dat briefje ter hand te stellen, snelde zij desniettemin zoo hard zij kon naar het Koningsplein.

Het hart der goedaardigste vrouw is onmeedoogend voor de smart eener medeminnares. Milady opende den brief met een overhaasting, gelijk die van Ketty, om haar denzelven te bezorgen; maar bij de eerste woorden die zij las, verbleekte zij, en zij verkreukte het papier; vervolgens wendde zij zich met bliksemende oogen tot Ketty.

„Wat beteekent die brief?” vroeg zij.--„Wel, dat is het antwoord op dien van mevrouw,” antwoordde Ketty bevende.--„Onmogelijk!” hernam milady, „onmogelijk, dat een edelman een dergelijken brief aan een vrouw kan schrijven.”--Vervolgens riep zij eensklaps uit:--„Mijn God! zou hij weten....”--En zij zweeg al bevende. Haar tanden knarsten; zij was lijkkleurig. Zij wilde een schrede naar het venster doen om lucht te scheppen, maar zij kon slechts den arm uitstrekken, de krachten ontbraken haar en zij viel op een leuningstoel.

Ketty meende, dat zij in onmacht viel, en snelde toe om haar corset los te maken. Maar milady stond haastig op.--„Wat wilt gij?” zeide zij, „en waarom slaat gij de hand aan mij?”--„Ik meende, dat mevrouw zich niet wel bevond en wilde haar te hulp komen,” antwoordde de kamenier, geheel verschrikt door de vreeselijke uitdrukking, welke het gezicht harer meesteres had aangenomen.--„Mij niet wel bevinden! ik! ziet gij mij voor een zoo teergevoelige vrouw aan? Wanneer men mij beleedigt, val ik niet van mij zelve, ik wreek mij. Verstaat gij mij?”--En door een wenk met de hand gebood zij Ketty zich te verwijderen.

HOOFDSTUK V.

Wraakzucht.

Des avonds gaf milady het bevel, d’Artagnan onmiddellijk binnen te geleiden, zoodra hij volgens gewoonte zou gekomen zijn. Maar hij kwam niet. Den volgenden dag ging Ketty opnieuw den jongeling bezoeken en verhaalde hem alles, wat er den vorigen avond was voorgevallen. D’Artagnan glimlachte. Die grimmige jaloerschheid van milady was zijn wraak. Des avonds was milady nog ongeduldiger dan den vorigen dag. Zij hernieuwde het bevel nopens den Gaskonjer; maar, zooals den vorigen dag, wachtte zij hem tevergeefs. Den daarop volgenden dag vertoonde zich Ketty bij d’Artagnan, niet meer vroolijk en levendig, gelijk de twee vorige dagen, maar integendeel treurig en neerslachtig als de dood.

D’Artagnan vroeg het arme meisje, wat haar deerde; maar deze, in plaats van te antwoorden, haalde een brief uit haar zak en stelde hem dien ter hand. Die brief was door milady eigenhandig geschreven, maar nu was hij niet aan den heer de Wardes, maar wel degelijk aan d’Artagnan gericht. Hij opende en las:

„Waarde Heer d’Artagnan!

Het is niet fraai, zijn vrienden zoo te veronachtzamen, vooral op het oogenblik, dat men hen voor een geruime poos verlaat. Mijn schoonbroeder en ik hebben gisteren en eergisteren tevergeefs op u gewacht. Zal het evenzoo van avond wezen?

Uw zeer erkentelijke,

Lady de Winter.”

„Dat is zeer natuurlijk, en ik wachtte zoodanigen brief,” zeide d’Artagnan; „mijn krediet vermeerdert door de vermindering van dat van den heer de Wardes.”--„Zult gij gaan?” vroeg Ketty.--„Luister, mijn lief kind!” zeide de Gaskonjer, die trachtte zich in zijn eigen oogen te verontschuldigen, dat hij de belofte verbrak, die hij Athos had gedaan; „gij begrijpt, dat het onstaatkundig zou zijn, een zoo uitdrukkelijk gedane uitnoodiging niet te beantwoorden; als milady mij niet ziet terugkeeren, zou zij niet weten, waaraan mijn wegblijven toe te schrijven; zij zou iets kunnen vermoeden, en wie weet, hoe ver de wraakzucht eener vrouw van dat karakter gaan zou.”--„Ach, mijn God! gij weet de dingen op zoodanige wijze voor te stellen, dat gij steeds gelijk hebt. Gij zult haar weder het hof maken, en indien gij haar nu onder uw waren naam en met uw wezenlijk gezicht gaat bezoeken, dan zal het nog erger zijn dan de eerste maal.”--Een inwendige stem deed het arme meisje een gedeelte van wat er gebeuren zou, raden.

D’Artagnan stelde haar zooveel mogelijk gerust en beloofde haar ongevoelig te blijven voor de verleidingsmiddelen van milady. Hij verzocht haar milady te verzekeren, dat hij vol dankbaarheid was voor haar goedheid en zich aan haar verlangen zou onderwerpen. Hij durfde niet schrijven, uit vrees van zijn geschrift voor zulke geoefende oogen, als die van milady, niet genoegzaam te kunnen veranderen.

Toen het negen uur sloeg, was d’Artagnan op het Koningsplein. Het was blijkbaar, dat de dienaars in de voorkamer verwittigd waren; want zoodra hij verscheen, en zelfs alvorens gevraagd te hebben of milady te huis was, diende een hunner hem al aan.

„Laat binnenkomen,” zeide milady kortaf, maar zoo luid, dat d’Artagnan het in de voorkamer hoorde. Men geleidde hem binnen.--„Ik ben voor niemand thuis,” zeide milady, „hoort gij? Voor niemand.”--De lakei vertrok.

D’Artagnan wierp een nieuwsgierigen blik op milady; zij was bleek en haar oogen waren vermoeid, hetzij van tranen te storten, of van niet geslapen te hebben. Men had met opzet het gewone getal lichten verminderd, en toch vermocht de jonge vrouw niet de kenteekenen der koorts te verbergen, die haar sedert twee dagen verteerde.

D’Artagnan naderde haar met zijn gewone beleefdheid. Zij deed een geweldige poging om hem te ontvangen, maar nooit loochende een meer ontsteld gelaat een meer bevalligen glimlach. Op de vragen, die d’Artagnan haar nopens haar gezondheid deed, antwoordde zij: „Slecht, zeer slecht!”--„Maar dan,” zeide d’Artagnan, „kom ik op een zeer ongelegen uur, en ik ga mij verwijderen, daar gij rust noodig hebt.”--„Neen, neen,” zeide milady, „integendeel, blijf, mijnheer d’Artagnan! uw aangenaam gezelschap zal mij verzetten.”

„Zij is nooit zoo bekoorlijk geweest,” dacht d’Artagnan; „laat ik op mijn hoede zijn.”

Milady nam de bevalligste houding aan, die zij kon en gaf de meeste bekoorlijkheid aan haar gesprek. Tegelijkertijd kwam de koorts, die haar voor een oogenblik had verlaten, den glans aan haar oogen, de kleur aan haar wangen, het karmijn aan haar lippen teruggeven. D’Artagnan hervond weer die Circé, welke hem reeds met haar betooveringen had omgeven. Milady glimlachte, en d’Artagnan voelde, dat hij zich door zoo een glimlach der verdoemenis zou wijden. Een oogenblik voelde hij iets als een wroeging, wegens hetgeen hij jegens haar had misdreven.

Van lieverlede werd milady spraakzamer.... Zij vroeg d’Artagnan, of hij in zijn hart een liefde had.--„Helaas!” zeide d’Artagnan, op de sentimenteelste wijze, die hem mogelijk was, „kunt gij week genoeg zijn, mij een dergelijke vraag te doen, aan mij, die, sinds ik u zag, slechts voor u en door u adem en zucht.”

Milady glimlachte op een zonderlinge wijze.--„Dus gij bemint mij?” vroeg zij.--„Moet ik het u zeggen, en hebt gij het niet reeds bespeurd?”--„Ja wel; maar gij weet, hoe fierder harten, hoe moeilijker te overwinnen.”--„O, de moeilijkheden schrikken mij niet af,” zeide d’Artagnan, „alleen de onmogelijkheid zou mij vrees aanjagen.”--„Niets is voor een oprechte liefde onmogelijk.”--„Niets, mevrouw?”--„Niets,” herhaalde milady.

„Duivelsch!” dacht d’Artagnan, „de toon is veranderd. Zou zij, de wispelturige, op mij bij toeval verliefd zijn geworden en genegen zijn mij een anderen saffier te geven, gelijk aan dien, welken zij aan mij voor de Wardes gaf?”

„Laat hooren,” hernam milady; „wat zoudt gij doen, om die liefde te bewijzen, van welke gij spreekt?”--„Al wat men van mij zou verlangen. Op een bevel ben ik gereed.”--„Tot alles?”--„Tot alles!” riep d’Artagnan, die van te voren wist, dat hij niet veel waagde zich derwijze te verbinden.--„Welnu, praten wij dan eens,” zeide milady, haar leuningstoel nader bij dien van d’Artagnan schuivende.--„Ik luister, mevrouw!” zeide deze.

Milady bleef een oogenblik in gepeins verzonken en als besluiteloos; vervolgens een besluit genomen hebbende, zeide zij: „Ik heb een vijand.”--„Gij, mevrouw?” riep d’Artagnan, verwondering veinzende. „Is het mogelijk, mijn God! goed en schoon als gij zijt!”--„Een doodsvijand.”--„Waarlijk?”--„Een vijand, die mij heeft beleedigd, zoo gruwelijk beleedigd, dat er tusschen mij en hem een strijd op leven en dood is. Kan ik op u, als op een bondgenoot, rekenen?”--D’Artagnan begreep dadelijk het doel van het wraakzuchtig schepsel.--„Gij kunt het, mevrouw!” antwoordde hij met geestdrift. „Mijn arm en mijn leven behooren u, zoowel als mijn liefde.”--„Dan,” zeide milady, „dewijl gij even edelmoedig als beminnelijk zijt....”--„Welnu?” vroeg d’Artagnan.--„Welnu,” hernam milady na een oogenblik zwijgens, „spreek van nu aan van geen onmogelijkheid meer.”--„Verplet mij niet onder mijn geluk!” riep d’Artagnan, zich op de knieën werpende en met kussen de hand bedekkende, die hem werd overgelaten.

--„Wreek mij op den schandelijken de Wardes,” dacht milady, „en ik zal mij later van u ontslaan, dubbele dwaas! levende degenkling!”--

--„Ja, zeg nu maar, dat gij mij bemint, na mij schandelijk bedrogen te hebben, huichelares en gevaarlijke vrouw!” dacht d’Artagnan van zijn kant, „en daarna zal ik met hem, dien gij door mijn hand wilt straffen, u uitlachen.”--

D’Artagnan hief het hoofd op.--„Ik ben gereed,” zeide hij.--„Gij hebt mij dan begrepen, waarde heer d’Artagnan!” zeide milady.--„Eén blik is voor mij genoeg, om uw bedoelingen te raden.”--„Dus wilt gij uw arm, die zich reeds zooveel roem heeft verworven, ten mijnen dienste stellen?”--„Oogenblikkelijk.”--„En,” vroeg milady, „hoe zal ik ooit een dergelijken dienst kunnen beloonen?”--„Uw liefde is de eenige belooning, die ik begeer,” zeide d’Artagnan, „de eenige, die u en mij waardig is.”--„Baatzuchtige!” zeide zij glimlachende.--„Ach!” riep d’Artagnan, een oogenblik vervoerd door den hartstocht, welken die vrouw de gave had in zijn hart te doen ontbranden; „ach! maar uw liefde voor mij schijnt niet mogelijk, en vreezende ze als een droom te doen vervliegen, ben ik ongeduldig er de verzekering van uit uw mond te hooren.”--„Verdient gij dan reeds een dergelijke bekentenis?”--„Ik wacht uw bevelen,” zeide d’Artagnan.--„Oprecht?” vroeg milady, nog twijfelende.--„Noem mij den eerlooze, die uw schoone oogen heeft doen schreien.”--„Wie zegt u, dat ik geweend heb?” riep zij.--„Ik dacht....”--„Vrouwen, zooals ik, weenen niet,” hernam milady.--„Des te beter. Welaan, zeg mij hoe hij heet?”--„Bedenk, dat in zijn naam geheel mijn geheim ligt.”--„Ik moet nochtans zijn naam kennen?”--„Ja, dat moet gij: zie eens, of ik in u ook vertrouwen stel.”--„Gij vervult mij met vreugd. Hoe heet hij?”--„Gij kent hem.”--„Inderdaad?”--„Ja.”--„Hij is niet een mijner vrienden?” hernam d’Artagnan, eenige aarzeling veinzende, om aan zijn onwetendheid te doen gelooven.--„Indien het een uwer vrienden ware, zoudt gij dan aarzelen!” riep milady, en een dreigende bliksem schoot uit haar oogen.--„Neen, al ware het mijn broeder!” riep d’Artagnan in geestvervoering. Onze Gaskonjer ging verder, zonder iets te wagen, want hij wist waar hij ging.--„Ik zie uw diensttoewijding met vreugd,” zeide milady.--„Helaas! bemint gij slechts dat in mij?” zeide d’Artagnan.--„Ik zal u dat een andermaal zeggen,” antwoordde zij, hem bij de hand nemende. En die handdruk deed d’Artagnan rillen, alsof door die aanraking de koorts, die in milady gloeide, hem zelven overviel.--„Gij, gij zult mij eenmaal beminnen!” riep hij. „O, indien zulks waar mocht zijn, ik zou er krankzinnig door worden.”

D’Artagnan was inderdaad dronken van blijdschap, en in zijn waanzin geloofde hij bijna aan de misdaad van de Wardes. Indien de Wardes op dat oogenblik onder zijn bereik ware geweest, zou hij hem gedood hebben. Milady maakte van de gelegenheid gebruik.--„Hij heet....” zeide zij op haar beurt.--„De Wardes, ik weet het,” viel d’Artagnan haar in de rede.--„En hoe weet gij dat?” vroeg milady, zijn beide handen vattende en door zijn oogen in het diepste van zijn ziel trachtende te lezen.

D’Artagnan begreep, dat hij zich overijld en een misslag begaan had.

„Spreek, spreek! maar spreek dan toch,” herhaalde milady. „Hoe weet gij het?”--„Hoe ik het weet? omdat gisteren de Wardes in een gezelschap, waar ik was, een ring toonde, dien hij zeide van u te hebben ontvangen.”--„De ellendeling,” riep milady.--Die scheldnaam vond, zooals men wel kan begrijpen, weerklank in het diepste van d’Artagnan’s hart.--„Welnu,” vervolgde zij.--„Welnu, ik zal u wreken, op.... dien ellendeling,” hernam d’Artagnan, zich aanstellende als Don Japhet van Armenië.--„Ik dank u, mijn dappere vriend!” riep milady. „En wanneer zal ik gewroken zijn?”--„Morgen, onmiddellijk, wanneer gij wilt.”

Milady was gereed uit te roepen: „Onmiddellijk!” Maar zij overwoog, dat een dergelijke overhaasting d’Artagnan niet zeer gevallig zou zijn. Bovendien moest zij duizenderlei voorzorgen nemen, duizenderlei raadgevingen aan haar verdediger geven, om te voorkomen, dat hij, in tegenwoordigheid van getuigen, in eenige verklaring met den graaf zou treden.

„Morgen,” hernam d’Artagnan, „zult gij gewroken of ik dood zijn.”--„Neen,” zeide zij, „gij zult mij wreken, maar niet sterven. Ik weet dit zeker.”--„En hoe weet gij dat?”--„Wel, het schijnt, dat gij in den strijd met hem u niet over de fortuin te beklagen hebt gehad.”--„De fortuin is een wispelturige: gisteren mij gunstig, kan zij mij morgen verraden.”--„Hetgeen wil zeggen, dat gij nu aarzelt?”--„Neen, ik aarzel niet, God beware mij, maar....”--„Stil!” viel zij hem in de rede, „ik hoor mijn broeder; het is niet noodig, dat hij u hier vindt.”

Zij schelde. Ketty trad binnen.--„Ga deze deur uit,” zeide zij tot d’Artagnan, een kleine verborgene deur openende, „en keer te elf uur terug, dan zullen wij ons gesprek voortzetten. Ketty zal u bij mij binnenleiden.”--Het arme kind meende omver te vallen op het hooren dier woorden.--„Wel, wat doet gij daar, juffer! gij blijft daar staan als een beeld. Welaan, doe den ridder uitgeleide, en hedenavond te elf uur.... gij hebt het gehoord?”

„Het schijnt, dat haar samenkomsten steeds te elf uur plaats hebben,” dacht d’Artagnan, „dat is zeker een gewoonte.”--Milady reikte hem haar hand, die hij teederlijk kuste.

„Welaan,” dacht hij, zich verwijderende en nauwelijks op de verwijtingen van Ketty antwoordende, „welaan, laat ons niet dwaas zijn; het is uitgemaakt, die vrouw is een groote misdadigster. Laat ons op onze hoede zijn.”

HOOFDSTUK VI.

Het geheim van milady.

D’Artagnan had het hotel verlaten zonder zich naar Ketty’s vertrek te begeven, om er het uur der samenkomst met milady af te wachten, en dat om twee redenen: de eerste, omdat hij op die wijze de verwijtingen, smeekingen en tegenwerpingen van het meisje ontweek; de tweede, omdat het hem niet onaangenaam was, met koelheid de plannen van die vrouw zoo mogelijk te overwegen en te doorgronden.

Hetgeen hem het duidelijkste in dat alles voorkwam, was, dat hij zich blootstelde op milady verliefd te worden, terwijl zij hem, integendeel, in het geheel niet beminde en hem nooit zou beminnen. Een oogenblik begreep hij, dat het beste, wat hij doen kon, zou zijn, naar huis terug te keeren en een wijdloopigen brief te schrijven, waarin hij zou bekennen, dat hij en de Wardes voor haar tot hiertoe dezelfde persoon was geweest, en hij bijgevolg zich niet kon verbinden een zelfmoord te begaan, door den heer de Wardes om het leven te brengen, over wien zij voorgaf zich te beklagen te hebben; maar overtuigd, dat zij hem verfoeide en hem slechts als een ellendig werktuig harer wraak beschouwde, hetwelk zij, na er zich van bediend te hebben, zou wegwerpen, kwam de begeerte naar eigen wraakneming weder in zijn hart te boven. Hij wilde die vrouw beheerschen, welke hem om den tuin leidde, en die ook hem in zijn zuivere en reine liefde had gekwetst, door haar medeplichtigheid in de ontvoering van juffrouw Bonacieux.

Hij liep vijf of zes keeren het Koningsplein rond, gejaagd door al die tegenstrijdige gedachten, bij elke tien schreden zich omwendende, om het licht te zien van milady’s vertrek, dat door de zonneschermen scheen; het was blijkbaar, dat de jonge vrouw nu zoo ongeduldig niet was naar haar slaapvertrek terug te keeren als den eersten keer. Eindelijk sloeg het elf uur. Op dat gerucht verdween elke aarzeling uit het hart des jongelings. Hij herinnerde zich de bijzonderheden der samenkomst, die hij met milady had gehad, en door een dier veranderlijkheden van denkwijze in soortgelijke omstandigheden, trad hij met een kloppend hart en een gloeiend hoofd het hotel binnen en snelde naar de kamer van Ketty. Het meisje, bleek als de dood, over haar geheele lichaam bevende, wilde d’Artagnan tegenhouden, maar milady, aandachtig luisterende, had het gerucht gehoord, dat hij, binnenkomende, maakte en opende.

„Kom,” zeide zij.--D’Artagnan was als zinneloos; hij meende door iets fantastisch te zijn meegesleept, zooals zulks in den droom plaats heeft, en hij naderde milady, aan die aantrekkingskracht gehoorzamende, welke de magneet op het ijzer uitoefent.

Ketty ging luisterend tegen de deur staan. Minnenijd, woede, beleedigde trots, kortom, al de hartstochten, die elkander het hart eener vrouw betwisten, noopten haar alles te openbaren; maar zij was verloren, indien zij bekende de hand in een dergelijke zaak te hebben geleend, en bovenal was d’Artagnan voor haar verloren. Die laatste liefdesgedachte deed haar nog tot dat laatste offer besluiten.

Van zijn kant gaf d’Artagnan zich geheel aan de ingeving zijner ijdelheid over. Hij was niet meer een medeminnaar, dien men in hem beminde, hij was het in persoon, dien men den schijn aannam te beminnen. Een geheime stem uit het diepste van zijn hart zeide hem wel, dat men hem slechts als een wapen gebruikte, dat men streelde totdat het den dood zou hebben gegeven; maar de ijdelheid, de eigenliefde, de dwaasheid verstomden deze stem, versmoorden dat gefluister.

Vervolgens vergeleek onze Gaskonjer, met de dosis zelfvertrouwen die hij bezat, zich met de Wardes, en vroeg zich af, waarom men hem eigenlijk niet voor zich zelven zou beminnen. Dank zij de begoocheling zijner denkbeelden, was milady voor hem niet meer de vrouw met die noodlottige voornemens, welke hem een oogenblik te voren beangstigde. Zij was nu voor hem een bekoorlijke vrouw, die beloofde dezelfde liefde te zullen gevoelen, welke zij inboezemde.

Intusschen trok milady, die dezelfde reden niet had als d’Artagnan om te vergeten, hem weldra uit zijn mijmering en herinnerde hem aan het werkelijk doel dezer samenkomst; zij vroeg hem, of de maatregelen, die voor de ontmoeting den volgenden dag tusschen hem en de Wardes moesten genomen worden, reeds behoorlijk bij hem waren overlegd. Maar d’Artagnan, wiens denkbeelden een geheel andere richting hadden genomen, vergat zich als een dwaas en antwoordde op verliefden toon, dat hij in haar tegenwoordigheid, wanneer hij geheel was overgegeven aan het geluk van haar te zien en te hooren, zich met geen tweegevechten en degenstooten kon bezig houden.

Die onverschilligheid voor de eenige belangen, die haar vervulden, verontrustte milady, wier vragen meer dringend werden. Toen wilde d’Artagnan, die nooit ernstig aan dat onmogelijk tweegevecht had gedacht, aan het gesprek een andere wending geven; maar dat gelukte hem niet. Milady deed het gesprek in den kring blijven, dien zij te voren met haar onwrikbaren, ijzersterken wil had bepaald.

D’Artagnan meende nu zeer geestig te zijn door aan milady den raad te geven, van haar woedende voornemens af te zien en aan de Wardes vergiffenis te schenken. Maar bij de eerste woorden, die hij sprak, nam het gezicht der jonge vrouw een onheilspellende uitdrukking aan.

„Zoudt gij bang worden, mijn goede heer d’Artagnan!” riep zij op scherpen en spottenden toon, die zonderling in de ooren van den jongeling klonk.--„Gij gelooft zulks toch niet, mijn teergeliefde?” antwoordde d’Artagnan, „maar als die graaf de Wardes eindelijk eens minder schuldig ware, dan gij u verbeeldt.”--„In alle geval,” zeide milady ernstig, „hij heeft mij bedrogen, en van het oogenblik, dat hij mij heeft bedrogen, heeft hij den dood verdiend.”--„Hij zal dan sterven, dewijl gij hem veroordeelt,” zeide d’Artagnan, op een zoo vasten toon, dat het voor milady de uitdrukking eener beproefde verknochtheid was.--Dadelijk glimlachte zij hem opnieuw toe.

„Ja,” zeide d’Artagnan, in onwillekeurige geestvervoering gerakende, „ik ben gereed; maar vooreerst wilde ik omtrent iets zeker zijn.”--„Waaromtrent?” vroeg milady.--„Dat gij mij bemint.”--„Uw tegenwoordigheid hier schijnt mij hiervan wel het bewijs,” antwoordde zij, eenige verlegenheid veinzende.--„Ja, ik behoor u met lichaam en ziel; gij kunt over mijn arm beschikken.”--„Ik dank u, mijn moedige beschermer! en, zooals ik u mijn liefde bewijs door u hier te ontvangen, zult gij op uw beurt mij van de uwe overtuigen, niet waar?”--„Zeker. Maar indien gij mij bemint, zooals gij mij zegt,” hernam d’Artagnan, „vreest gij dan niet min of meer voor mij?”--„Wat heb ik te vreezen?”--„Wel, dat ik gevaarlijk gekwetst, of zelfs gedood word.”--„Onmogelijk!” zeide milady, „gij zijt zoo moedig en een zoo behendig strijder!”--„Gij zoudt dan niet liever een middel aanwenden,” zeide d’Artagnan, „dat u eveneens zou wreken en elk gevecht nutteloos maken?”

Milady beschouwde zwijgend den jongeling; haar oogen hadden een zonderling onheilspellende uitdrukking.--„Waarlijk,” zeide zij, „ik geloof, dat gij opnieuw aarzelt!”--„Neen, ik aarzel niet; maar inderdaad, voor den armen de Wardes gevoel ik waarlijk medelijden, sedert gij hem niet meer bemint, en het schijnt mij, dat een man reeds gruwelijk moet zijn gestraft alleen door het verlies uwer liefde, zoodat hij geen andere bestraffing behoeft.”--„Wie zegt u, dat ik hem heb bemind?” vroeg milady.--„Ten minste kan ik thans zonder te veel verwaandheid gelooven, dat gij een anderen bemint,” zeide de jongeling op beminnelijken toon; „en ik herhaal het u, ik stel in den graaf belang.”--„Gij?” vroeg milady.--„Ja, ik.”--„En waarom?”--„Omdat ik alleen weet....”--„Wat?”--„Dat hij er verre af is, of liever, zoo schuldig jegens u niet is geweest, als gij het u verbeeldt.”--„Waarlijk,” zeide milady ongerust, „verklaar u; want ik weet inderdaad niet, wat gij wilt zeggen.”--En zij beschouwde d’Artagnan met oogen, die van lieverlede een onheilspellend vuur schoten.

„Luister; ik ben een fatsoenlijk man,” zeide d’Artagnan, besloten er een einde aan te maken, „en sedert gij mij uw liefde hebt bekend en ik zeker ben, die te bezitten; want ik bezit ze, niet waar?”--„Volkomen, ga voort.”--„Welnu, ik voel mij nu als herschapen; een bekentenis drukt mij.”--„Een bekentenis?”--„Indien ik aan uw liefde twijfelde, zou ik ze niet doen, maar gij bemint mij, niet waar, gij bemint mij?”--„Zonder twijfel!”--„Indien ik mij nu eens, door een al te groote liefde jegens u, schuldig had gemaakt, zoudt gij mij dan vergiffenis schenken?”--„Misschien; maar die bekentenis,” zeide zij verbleekende, „wat is dat voor een bekentenis?”--„Gij hadt met den heer de Wardes verleden Donderdag een samenkomst bepaald, in deze kamer, niet waar?”--„Wel neen, dat is niet waar!” zeide milady, met een zoo strak gelaat, dat, indien d’Artagnan niet van zijn zaak ware zeker geweest, hij zou getwijfeld hebben.--„Lieg niet, mijn schoone engelin!” zeide d’Artagnan, met geweld pogende te glimlachen, „dat zou onnoodig zijn.”--„Hoedat? Spreek toch, gij doet mij sterven.”--„Ik, ik ben het, die dien ring bezit. De de Wardes van Donderdag en de d’Artagnan van heden zijn dezelfde persoon.”

De onvoorzichtige verwachtte eenige verbazing, met schaamte vermengd, een kleine onweersbui, die in een tranenvloed zich zou oplossen; maar hij bedroog zich aardig, en zijn vergissing was niet van langen duur.

Bleek en vreeselijk richtte milady zich overeind, en d’Artagnan, die naast haar zat, van zich afstootende, door hem geweldig tegen de borst te duwen, wilde zij hem ontvlieden. D’Artagnan hield haar bij haar kleed vast, om haar vergiffenis af te smeeken; maar met een geweldige krachtsinspanning en vastbesloten trachtte zij te ontvluchten. Toen scheurde het keurs van haar kleed, en d’Artagnan bespeurde, met een onbeschrijfelijke hartsbeklemming, de lelie op een der fraaie schouders, die bloot was geraakt; dat onuitwischbaar merk, door de schendende hand des beuls ingedrukt.

„Groote God!” riep hij, het kleed loslatende; en hij bleef stom, onbeweeglijk en als versteend op zijn plaats zitten.

Maar milady gevoelde zich, reeds alleen door de ontsteltenis van d’Artagnan, verraden. Hij had ongetwijfeld alles gezien; nu kende de jongeling haar geheim, dat vreeselijk geheim, hetwelk niemand kende behalve hij. Zij wendde zich om, niet als een woedende vrouw, maar als een gekwetste panter.

„O, ellendeling!” riep zij, „gij hebt mij lafhartig bedrogen, en daarenboven, gij bezit mijn geheim, gij zult sterven!” En zij snelde naar een met fraaie houtsoorten ingelegd kistje, dat op haar kaptafel stond, opende het met een koortsachtig bevende hand, haalde er een kleinen, scherpen dolk met gouden heft uit en vloog in een sprong op d’Artagnan toe, die was blijven zitten.

Hoewel dapper, zooals men weet, schrikte d’Artagnan voor dat vertrokken gezicht, voor die vreeselijk uitpuilende oogen, voor die bleeke wangen, die bloedende lippen. Hij stond op en deinsde achteruit, zooals hij zou gedaan hebben bij de nadering van een op hem afkomende slang, en werktuigelijk zijn met zweet bevochtigde hand aan de greep van zijn degen slaande, trok hij dien uit de scheede. Doch zonder voor den blooten degen te schromen, ging milady voort hem te naderen, om hem te treffen, en zij bleef niet eer staan, dan toen zij de punt des degens op haar borst voelde. Daarop trachtte zij den degen in haar handen te grijpen, maar d’Artagnan weerde haar omstrengelingen steeds af en bood haar zijn zwaard, nu voor de oogen, dan op de borst, zonder haar te kwetsen, terwijl hij bleef achteruittreden, de deur der kamer van Ketty zoekende, om er door te ontsnappen.

Onderwijl bleef milady, in vreeselijke driftvervoering en afgrijselijk schreeuwende, op hem aandringen. Intusschen, daar zulks eenigszins op een tweegevecht begon te gelijken, herstelde d’Artagnan zich van lieverlede.--„Mooi, schoone dame! mooi!” zeide hij, „maar bij God! bedaar, of ik teeken een tweede lelie op den anderen schouder.”--„Eerlooze! eerlooze!” brulde milady.

Maar d’Artagnan, steeds de deur zoekende, bleef zich verdedigen. Op het gerucht der omvallende meubels, die beiden, zij om hem te naderen, en hij om er zich achter te verschansen, omverwierpen, opende Ketty de deur.

D’Artagnan, die steeds zijn bewegingen had ingericht om de deur te naderen, was er niet verder dan drie schreden meer van af. In één sprong was hij uit de kamer van milady in die van Ketty en met bliksemsnelheid sloot hij de deur, tegen welke hij met al zijn krachten zich staande hield, terwijl Ketty de grendels er op schoof. Milady trachtte toen dien zuilenboog, die haar in haar kamer hield opgesloten, met meer dan vrouwelijke kracht omver te werpen, maar voelende dat zulks haar onmogelijk was, doorstak zij de deur met een aantal dolksteken, van welke eenige de dikte van het hout doordrongen. Elke stoot ging vergezeld van een vreeselijke vervloeking.

„Gauw! gauw!” zeide d’Artagnan halfluid, toen de grendels waren opgeschoven, „laat mij het hotel uit, want geven wij haar den tijd om zich te bedenken, dan zal zij mij door haar lakeien doen vermoorden. Haasten wij ons, begrijpt gij, het geldt hier leven of dood.”

Ketty begreep maar al te wel. Zij trok hem in de duisternis langs de trap voort. Het was tijd. Milady had reeds gescheld en bracht het geheele hotel in opschudding; de portier had de deur, op de stem van Ketty, reeds geopend op hetzelfde oogenblik dat milady uit het venster riep: „Doe niet open!”

De jongeling vlood, terwijl zij hem nog een onmachtige bedreiging toewierp. Op het oogenblik, dat ze hem uit het gezicht verloor, viel zij in onmacht in haar kamer neer.

HOOFDSTUK VII.

Hoe, zonder eenige moeite te doen, Athos aan zijn uitrusting kwam.

D’Artagnan was zoo ontsteld, dat hij, zonder zich om Ketty te bekommeren, al loopende, de helft van Parijs doorsnelde, en niet eer dan voor de deur van Athos bleef staan. De verwarring van zijn geest, de schrik, die hem voortjoeg, het geschreeuw van eenige patrouilles, die hem vervolgden, deden hem nog harder loopen. Hij ging de binnenplaats over, klom de twee verdiepingen hooge trap van Athos op en sloeg op de deur, alsof hij alles wilde verbrijzelen.

Grimaud deed open met door slaap opgezwollen oogen. D’Artagnan snelde de voorkamer zoo driftig binnen, dat hij hem bijna omverwierp. Ondanks de gewone stomheid van Grimaud, kreeg hij nu echter de spraak weder.--Op het gezicht van den blooten degen, dien d’Artagnan in de hand hield, meende de knecht, dat hij met een of anderen moordenaar had te doen.

„Help! help!” riep hij.--„Zwijg, ongeluk!” zeide de jongeling, „ik ben d’Artagnan.... Herkent gij mij niet? Waar is uw meester?”--„Zijt gij het, mijnheer d’Artagnan?” riep Grimaud verschrikt, „onmogelijk!”--„Grimaud!” zeide Athos, uit zijn kamer komende, „ik geloof, dat gij u veroorlooft te spreken?”--„Ach, mijnheer! het is omdat....”--„Stilte!”

Grimaud bepaalde zich toen er toe, d’Artagnan met den vinger zijn meester aan te wijzen. Athos, hoe koel ook anders, barstte in een luid gelach uit, waartoe het ontstelde gezicht van zijn jeugdigen vriend hem genoeg reden gaf.

„Lach niet, mijn vriend!” zeide d’Artagnan, „bij den hemel, lach niet, want bij mijn ziel, ik zeg het u, er is geen reden om te lachen.”--En hij sprak deze woorden op een zoo plechtigen en waarlijk angstigen toon uit, dat Athos dadelijk zijn handen vatte, uitroepende: „Zijt gij gekwetst, mijn vriend? gij zijt zeer bleek.”--„Neen, maar er is mij iets vreeselijks gebeurd. Zijt gij alleen, Athos?”--„Pardieu! wie zoudt gij denken, dat op dit uur bij mij zou kunnen zijn?”--„Goed, goed!”--En d’Artagnan stormde de kamer van Athos binnen.

„Welnu, spreek!” zeide deze, de deur sluitende en de grendels er op schuivende, om niet gestoord te worden. „Is de koning dood? Hebt gij den kardinaal vermoord? Gij zijt geheel ontsteld, kom, spreek, want ik ben doodelijk ongerust.”

„Athos!” antwoordde d’Artagnan, „bereid u voor een ongelooflijke, ongehoorde geschiedenis te hooren.”--„Spreek dan,” zeide Athos.--„Welnu,” ging d’Artagnan voort, het oor van Athos naderende en hem zacht influisterende: „Milady is met een lelie op den schouder gebrandmerkt.”--„Ai!” liet de musketier hooren, alsof een kogel hem het hart had doorboord.

„En nu,” zeide d’Artagnan, „zijt gij wel zeker, dat de andere wezenlijk dood is?”--„De andere!” herhaalde Athos met een gesmoorde stem, zoodat d’Artagnan hem nauwelijks verstond.--„Ja, die, van wie gij mij op zekeren dag te Amiëns spraakt.”--Athos slaakte een zucht en liet zijn hoofd in zijn handen zinken.--„Deze is een vrouw,” vervolgde d’Artagnan, „van zes- tot acht en twintig jaar.”--„Blond?” vroeg Athos.--„Ja.”--„Heldere, blauwe oogen, zonderling van helderheid, met zwarte wenkbrauwen en oogharen?”--„Ja.”--„Groot en welgevormd? haar ontbreekt een tand naast den linker oogtand?”--„Ja.”--„De lelie is klein, rosachtig en bijna uitgewischt door lagen van blanketsel, waarmede zij die dekt?”--„Ja.”--„Gij zegt nochtans, dat de vrouw een Engelsche is?”--„Men noemt haar milady, maar zij kan desniettemin een Fransche zijn, lord de Winter is slechts haar schoonbroeder.”

„Ik wil haar zien,” zeide Athos.--„Wees op uw hoede, Athos! wees op uw hoede, gij hebt haar willen om het leven brengen, en zij is een vrouw om het u betaald te zetten en niet te falen.”--„Zij zal niets durven openbaren, want dan maakt zij zich bekend.”--„Zij is tot alles in staat; hebt gij haar ooit in woede gezien?”--„Neen,” zeide Athos.--„Dan is zij als een tijger, als een panter. Ach, mijn waarde Athos! ik vrees zeer, ons beiden een verschrikkelijke wraak op den hals te hebben gehaald.”--D’Artagnan verhaalde toen alles: de ontembare woede van milady en haar moordbedreigingen.

„Gij hebt gelijk, mijn leven hangt aan een haar,” zeide Athos. „Gelukkig verlaten wij overmorgen Parijs, volgens alle waarschijnlijkheid gaan wij naar la Rochelle, en eenmaal vertrokken....”--„Zij zal u tot het einde der wereld vervolgen, Athos! indien zij u herkent. Laat daarom haar haat zich op mij koelen.”--„Wel, mijn waarde! wat komt het er op aan, of zij mij om het leven brengt,” zeide Athos. „Zoudt gij u bij geval verbeelden, dat ik aan het leven ben gehecht?”--„Er schuilt onder dat alles een vreeselijk geheim, Athos! Die vrouw is een bespiedster in dienst van den kardinaal, hiervan ben ik zeker.”--„In dat geval, wees op uw hoede. Indien de kardinaal u al niet bewondert, wegens de zaak van Londen, draagt hij u althans een hevigen haat toe, maar dewijl, bij slot van rekening, hij u met grond niets kan ten laste leggen, moet de haat gekoeld worden, vooral die van een kardinaal; wees dus op uw hoede! Wanneer gij uitgaat, ga dan niet alleen, wanneer gij eet, neem dan de noodige voorzorgen; hoed u voor alles, zelfs voor uw schaduw.”--„Gelukkig,” zeide d’Artagnan, „dat wij slechts tot overmorgenavond vrees behoeven te koesteren, want eenmaal bij het leger, zullen wij, hoop ik, niets anders dan mannen te vreezen hebben.”--„Intusschen,” zeide Athos, „zie ik van mijn plan van opsluiting af en zal u overal vergezellen. Gij moet naar de Doodgraversstraat terugkeeren. Ik zal u geleiden.”

„Het zij zoo, mijn waarde Athos! maar laat mij u vooraf den ring teruggeven, dien ik van die vrouw heb gekregen. Die saffier behoort u. Hebt gij mij niet gezegd, dat dat juweel een familiestuk was?”--„Ja, mijn vader kocht dien ring voor twee duizend kronen, zooals hij mij eertijds heeft gezegd; hij maakte een deel uit van den bruidschat, dien hij mijn moeder ten geschenke gaf; het is een kostbaar voorwerp, mijn moeder gaf het mij, en ik dwaas, die ik was, in plaats van het als een heilige reliquie te bewaren, gaf het op mijn beurt aan die eerlooze.”--„Welnu, neem hem terug, ik begrijp, dat gij er aan gehecht moet zijn.”--„Ik, dien ring terugnemen, nadat hij in handen dier eerlooze is geweest, nooit! Die ring is besmet, d’Artagnan!”--„Welnu, verkoop hem dan, of verpand hem, men zal er u wel duizend kronen op leenen. Met die som zijt gij volkomen gered; vervolgens kunt gij hem, zoodra gij weder bij kas zijt, lossen en hem, van zijn besmetting gezuiverd, terugnemen, nadat hij door de handen der woekeraars zal zijn gegaan.”

Athos glimlachte.--„Gij zijt een beste jongen, mijn waarde d’Artagnan! Gij wekt door uw onveranderlijke vroolijkheid de bedrukten van geest weder uit hun droefheid op. Welnu, ja, verpanden wij den ring, die mij behoort, maar op een voorwaarde.”--„Welke?”--„Dat er vijfhonderd kronen voor mij en vijfhonderd voor u zullen zijn.”--„Wat denkbeeld, Athos! ik heb het vierde gedeelte van de som niet noodig; dewijl ik bij de gardes ben, zal ik mij het noodige door het verkoopen van mijn zadel wel bezorgen. Wat heb ik noodig? Een paard voor Planchet, ziedaar alles. Vervolgens vergeet gij, dat ook ik een ring bezit.”--„Aan welken gij nog meer zijt gehecht, meen ik, dan ik aan den mijne, ten minste ik meen het te zien.”--„Ja, want in een buitengewone omstandigheid kan hij ons niet alleen uit een groote verlegenheid, maar zelfs uit een groot gevaar redden. Het is niet alleen een eenvoudige diamant, maar tevens een toover-, een behoedmiddel.”--„Ik begrijp u niet, maar ik geloof, wat gij zegt. Keeren wij dus tot onzen ring terug, of liever tot den uwe, gij zult de helft nemen der som, welke men er ons voor zal geven, of ik werp hem in de Seine, en ik twijfel er aan, of een of andere visch beleefd genoeg zal wezen hem ons, zooals aan Polycrates, terug te bezorgen.”--„Welaan, ik stem er in toe,” zeide d’Artagnan.

Op dat oogenblik trad Grimaud binnen met Planchet, die omtrent zijn meester ongerust, nieuwsgierig was te weten, wat van hem geworden was.

Athos kleedde zich, en gereed om te vertrekken, gaf hij Grimaud een teeken, namelijk de beweging makende van iemand, die zijn geweer op iets aanlegt. Deze nam daarop zijn musket van den wand en maakte zich gereed zijn meester te vergezellen. D’Artagnan en Athos, door hun lakeien gevolgd, kwamen zonder eenig ongeval in de Doodgraversstraat.

De heer Bonacieux stond voor de deur, hij bezag d’Artagnan met een spottend gelaat.--„Wel, mijn beste heer! haast u toch. Er is boven in uw kamer een schoon meisje, dat u wacht, en de vrouwen, zooals gij weet, houden er niet van, dat men haar laat wachten.”

„Dat is Ketty!” riep d’Artagnan, de gang insnellende. En waarlijk, op het portaal zijner kamer, tegen de deur geleund, vond hij het arme kind, bevende van angst.

Zoodra zij hem ontwaarde, zeide zij: „Gij hebt mij uw bescherming beloofd, gij hebt mij beloofd, mij voor haar toorn te hoeden, herinner u, dat gij het zijt, die mij in dezen toestand gebracht hebt.”--„Zeker,” zeide d’Artagnan, „wees gerust, Ketty! maar wat is er na mijn vertrek gebeurd?”--„Ik weet het niet,” zeide Ketty. „Op haar geschreeuw zijn de knechts toegeschoten, zij was in hevigen toorn, en alle mogelijke vervloekingen heeft zij tegen u uitgebraakt. Toen dacht ik, dat zij zich zou herinneren, dat het langs mijn kamer was, dat gij in de hare kwaamt, en derhalve bemerken dat ik uw handlangster was. Ik heb het weinige geld, dat ik bezit, en mijn beste kleederen genomen en ben gevlucht.”--„Arm kind! maar wat met u te beginnen? Ik vertrek overmorgen.”--„Al wat gij wilt, heer ridder! Laat mij Parijs, zelfs Frankrijk verlaten.”--„Ik kan u toch niet naar het beleg van la Rochelle medenemen,” zeide d’Artagnan.--„Neen, maar gij kunt mij een dienst in de provincie bij eene of andere dame uwer kennissen bezorgen; in uw land, bij voorbeeld.”--„Ach, mijn lief kind! in mijn land hebben de dames geen kameniers.--Maar wacht, ik heb iets gevonden. Planchet! ga Aramis roepen; verzoek hem dadelijk hier te komen.--Wij hebben hem iets zeer gewichtigs te zeggen.”

„Ik vat het nu,” zeide Athos; „maar waarom niet Porthos? Ik geloof, dat zijn markiezin....”--„De markiezin van Porthos zou zich liever door de klerken van haar man laten kleeden, dan een kamenier nemen,” hernam d’Artagnan glimlachende.... „Bovendien, Ketty zou in de Berenstraat niet willen wonen, niet waar, Ketty?”--„Ik zal gaan waar men wil,” antwoordde Ketty, „als ik maar goed verborgen ben, en men niet weet, waar ik mij bevind.”--„Thans, Ketty! nu wij scheiden, en gij bijgevolg niet meer op mij jaloersch behoeft te zijn....”--„Mijnheer de ridder, van verre of nabij, ik zal u steeds blijven beminnen,” zeide Ketty.

„Waar duivel nestelt zich de trouw!” mompelde Athos.

„Ik ook,” zeide d’Artagnan, „ik ook zal u steeds beminnen, wees er van verzekerd. Maar zeg mij eens, ik hecht veel gewicht aan het antwoord, dat gij mij zult geven. Hebt ge nooit van een jonge vrouw hooren spreken, die men, gedurende zekeren nacht, heeft ontvoerd?”--„Wacht.... maar ach, mijn God! mijnheer de ridder! bemint gij die vrouw nog?”--„Neen, het is een mijner vrienden, die haar bemint, Athos, dien gij ziet.”--„Ik?” riep Athos, op een toon, als van iemand, die gevaar loopt van op een ratelslang te trappen.--„Wel zeker, gij!” hernam d’Artagnan, de hand van Athos drukkende. „Gij weet wel, welk belang wij allen in die kleine, arme juffrouw Bonacieux stellen. Bovendien, Ketty zal niets doen blijken, niet waar Ketty? Gij begrijpt, mijn kind!” ging d’Artagnan voort, „zij is de vrouw van dien leelijken aap, dien gij, hier binnenkomende, voor de deur hebt gezien.”--„Ach, mijn God!” riep Ketty, „gij maakt mij opnieuw angstig; als hij mij maar niet herkend heeft.”--„Hoe! herkend? Hebt gij dien man nog meer gezien?”--„Hij is twee malen bij milady geweest.”--„Ei! wanneer ongeveer?”--„Wel, veertien of achttien dagen geleden.”--„Juist.”--„En gisteren avond is hij teruggekomen.”--„Gisteren avond?”--„Ja, een oogenblik vóór dat gij kwaamt.”--„Mijn waarde Athos, wij zijn in een net van bespieders verward! En gij gelooft, dat hij u herkend zou hebben, Ketty?”--„Ik heb mijn kap laten vallen, toen ik hem bespeurde, maar misschien was zulks reeds te laat.”--„Ga naar beneden, Athos! men wantrouwt u minder dan mij, en zie eens, of hij nog altijd voor de deur staat.”

Athos ging naar beneden, maar kwam dadelijk weer boven.--„Hij is vertrokken en het huis is gesloten.”--„Hij is zijn verslag gaan doen en zeggen, dat de duiven op dit oogenblik in de duiventil bij elkander zijn.”--„Welnu! vliegen wij dan weg,” zeide Athos, „en laat Planchet hier blijven om ons het nieuws te berichten.”--„Een oogenblik! En Aramis, dien wij hebben laten roepen?”--„Dat is waar ook,” zeide Athos, „wachten wij Aramis.”

Op hetzelfde oogenblik trad Aramis binnen. Men gaf hem kennis van de zaak, terwijl men hem de noodzakelijkheid deed inzien, om bij zijn aanzienlijke vrienden een plaats voor Ketty te vinden. Aramis overwoog een oogenblik en zeide blozende: „Zou ik u hiermede inderdaad van dienst kunnen zijn, d’Artagnan?”--„Ik zal er u geheel mijn leven voor erkentelijk zijn.”--„Welnu! mevrouw de Bois-Tracy heeft mij voor een harer vriendinnen, die, geloof ik, op het land woont, een vertrouwde kamenier gevraagd, en wanneer gij, d’Artagnan! verantwoordelijk voor mejuffrouw blijft?”--„Ach, mijnheer!” riep Ketty, „wees verzekerd van mijn onkreukbare trouw voor den persoon, die mij de middelen zal verschaffen Parijs te verlaten.”--„Dan,” hernam Aramis, „schikt alles zich ten beste.”

Hij zette zich aan een tafel en schreef een paar regels, die hij met een ring verzegelde, en gaf het briefje aan Ketty.

„Thans, mijn kind!” zeide d’Artagnan, „weet gij, dat het voor ons hier evenmin raadzaam is om te blijven als voor u. Dus scheiden wij. Wij zullen elkander in gelukkiger dagen wederzien.”--„En wanneer het gebeuren zal, dat wij elkander weerzien,” zeide Ketty, „zult gij mij terugvinden met dezelfde liefde voor u vervuld, als die ik u nu toedraag.”--„Een dronkenmans eed,” zeide Athos, terwijl d’Artagnan Ketty de trap afbracht.

Een oogenblik later scheidden de drie jongelieden, hun samenkomst bij Athos bepalende en Planchet achterlatende, om het huis te bewaken.

Aramis keerde naar zijn kamers terug, en Athos en d’Artagnan gingen zich met de verpanding van den saffier bezig houden.

Zooals onze Gaskonjer had voorzien, vond men gemakkelijk een Jood, die driehonderd pistolen op den ring wilde geven. En wat meer is, de Jood verklaarde, dat, indien men hem dien wilde verkoopen, hij er vijfhonderd pistolen voor zou geven, aangezien het juweel, met een dergelijk dat hij bezat, voor een paar oorringen bijzonder geschikt scheen.

Athos en d’Artagnan, met de bedrijvigheid van twee krijgs- en de kunde van twee kooplieden, hadden in minder dan drie uren tijds zich de benoodigde uitrusting eens musketiers aangeschaft. Daarenboven had Athos een goeden smaak, en was hij een groot heer tot in de toppen der vingers. Telkens, wanneer iets hem behaagde, betaalde hij den daarvoor gevraagden prijs, zonder zelfs te beproeven iets er op af te dingen. D’Artagnan wilde hem deswege wel eenige aanmerkingen maken; maar Athos legde hem dan glimlachend de hand op den schouder, en d’Artagnan begreep hieruit, dat zoodanige handelwijze goed was voor een geringen Gaskonjischen edelman, zooals hij, maar niet voor iemand, die zich het aanzien van een prins gaf.

De musketier vond een voortreffelijk Andalusisch gitzwart paard met vurige neusgaten, fijne, sierlijke beenen, en nog geen zes jaar oud. Hij onderzocht het en bevond het zonder gebreken. Men vroeg hem duizend livres. Misschien had hij het voor iets minder gekregen; maar, terwijl d’Artagnan over den prijs met den paardenkooper handelde, telde Athos reeds de honderd pistolen op tafel.

Grimaud kreeg een Picardisch, ineengedrongen sterk paard, dat driehonderd franken kostte. Zoodat, na het koopen van den zadel voor het laatste paard en de wapens van Grimaud, aan Athos geen stuiver meer van de honderd vijftig pistolen overbleef.

D’Artagnan bood zijn vriend een gedeelte van hetgeen hem toekwam, om, desverkiezende, hem het geleende later terug te geven. Maar Athos antwoordde alleen door zijn schouders op te halen.

„Voor hoeveel wilde de Jood den saffier koopen?” vroeg hij.--„Voor vijfhonderd pistolen.”--„Dat is tweehonderd pistolen meer; dus honderd pistolen voor elk. Wel, dat is waarachtig een fortuintje, mijn waarde vriend! Keer tot den Jood terug.”--„Hoe! gij wilt?”--„Waarlijk, die ring zou in mij te wreede herinneringen opwekken; daarenboven, wij zullen den Jood nooit die driehonderd pistolen kunnen teruggeven, zoodat wij bij dien handel duizend franken zouden verliezen. Ga hem zeggen, dat hij den ring kan behouden, d’Artagnan! en keer met tweehonderd pistolen terug.”--„Overweeg, Athos!”--„Geld is tegenwoordig duur, en men moet in zekere omstandigheden zich een opoffering weten te getroosten. Ga, d’Artagnan, Grimaud zal u met zijn musket vergezellen.”

Een half uur later kwam d’Artagnan met twee duizend franken terug zonder dat hem eenig ongeval bejegend was.

Op die wijze vond Athos, te huis blijvende, een uitkomst, die hij in het minste niet had verwacht.

HOOFDSTUK VIII.

Een bekoorlijke verschijning.

Op het bepaalde uur waren de vier vrienden bij Athos vereenigd. De zorg over hun uitrusting was geheel verdwenen, geen gelaat droeg er meer de kenteekenen van, doch slechts die van eigene en verborgene onrust; immers onder elke vreugd is vrees voor de toekomst verborgen.

Eensklaps trad Planchet binnen, twee brieven voor d’Artagnan medebrengende. De eene was een klein, net, langwerpig briefje verzegeld met groen zegellak, waarop een duif met een olijftak stond geprent. De andere was een groote vierkante brief, met het schitterende wapen van den hertog-kardinaal verzegeld.

Op het zien van het kleine briefje sprong het hart van d’Artagnan in zijn boezem op, want hij meende het schrift te kennen, en hoewel hij dat schrift slechts eens had gezien, was de herinnering er van diep in zijn hart gebleven. Hij nam het briefje en opende het haastig.

„Ga aanstaanden Woensdag,” behelsde het, „van zeven tot acht uur des avonds, een wandeling langs den weg van Chaillot doen, en zie nauwkeurig in de koetsen, die u voorbij zullen rijden. Maar als gij op uw eigen leven en op dat van hen, die u liefhebben, gesteld zijt, maak dan niet de minste beweging, welke zou kunnen doen gelooven, dat gij haar hebt herkend, die zich aan alles blootstelt om u een oogenblik te zien.”

Geen handteekening.

„Dat is een valstrik, d’Artagnan,” zeide Athos, „ga niet.”--„Echter,” zeide d’Artagnan, „meen ik het schrift te herkennen.”--„Dat kan nagemaakt zijn,” hernam Athos; „te zeven of acht uur is thans de weg naar Chaillot volkomen eenzaam. Gij zoudt even verstandig doen in het woud van Bondy te gaan wandelen.”--„Maar indien wij allen gingen,” merkte d’Artagnan op, „wat duivel! men zal ons vieren zoo gemakkelijk niet verslinden, en dan nog vier lakeien, de paarden en de wapens; het zou hen al te slecht bekomen.”--„Bovendien is het een gelegenheid om onze uitrusting te vertoonen,” merkte Porthos op.--„En indien het een vrouw is, die schrijft,” zeide Aramis, „en deze vrouw niet begeerde gezien te worden, wees dan voorzichtig, d’Artagnan! haar in ongelegenheid te brengen, hetgeen een edelman niet fraai zou staan.”--„Wij zullen ons achteraf houden,” zeide Porthos, „en hij alleen zal voorgaan.”--„Goed,” verklaarde Athos, „maar een pistoolschot is spoedig gelost uit een koets, die snel voorbijrijdt.”--„Och,” zeide d’Artagnan, „men zal mij niet treffen, en dan zullen wij de koets aanvallen en hen, die er in zijn, verdelgen. Dat zal dan altijd zooveel vijanden minder wezen.”--„Hij heeft gelijk,” riep Porthos uit, „welaan, een gevecht; wij moeten buitendien onze wapens nog beproeven.”--„Wel ja, laten wij ons dat pretje gunnen,” zeide Aramis op zachten en lossen toon.--„Zooals gij wilt,” hernam Athos, „heeren, het is nu half vijf, en nauwelijks kunnen wij tijdig genoeg op den weg van Chaillot zijn.”--„Ook indien wij te laat vertrekken,” zeide Porthos, „zal men ons niet zien, wat wel jammer zou zijn. Maken wij ons dus gereed, heeren!”

„Maar gij vergeet dien tweeden brief,” zeide Athos. „Ik meen echter, dat het zegel genoeg aanduidt, dat hij wel verdient te worden opengebroken. Wat mij betreft, ik verklaar, mijn waarde d’Artagnan, dat ik er meer aan hecht, dan aan dat kleine reepje papier, hetwelk gij op uw hart drukt.”

D’Artagnan bloosde.--„Welnu, heeren!” zeide de jongeling, „zien wij eens, wat Zijne Eminentie van ons begeert.”

D’Artagnan verbrak het zegel en las den brief:

„De heer d’Artagnan, garde des konings, bij de kompagnie des Essarts, wordt heden avond te acht uur in het paleis verwacht.

La Houdinière

Kapitein der gardes.”

„Duivelsch!” riep Athos uit, „ziedaar een meer verontrustende samenkomst dan de andere.”--„Ik zal het tweede bezoek doen, na het eerste te hebben afgelegd,” zeide d’Artagnan; „het eene is te zeven en het andere te acht uur. Dus wij hebben den tijd voor beide.”--„Hm! ik zou niet gaan,” zeide Aramis, „een fatsoenlijk ridder kan van een door een vrouw gegeven samenkomst niet afzien; maar een voorzichtig edelman kan zich verontschuldigen, zijn opwachting bij Zijne Eminentie te maken, vooral wanneer hij reden heeft te gelooven, dat het niet is, om er gelukwenschen te gaan ontvangen.”--„Ik ben van het gevoelen van Aramis,” zeide Porthos.--„Heeren!” antwoordde d’Artagnan, „ik heb reeds door den heer de Cavois een dergelijke uitnoodiging van Zijne Eminentie ontvangen, ik heb daaraan niet voldaan, en den volgenden dag is mij een groote ramp overkomen. Constance was verdwenen; wat er ook van moge komen, ik ga.”--„Als gij er toe hebt besloten, doe het dan,” zeide Athos.--„Maar de Bastille?” riep Aramis.--„Och! daar haalt gij mij wel uit,” zeide d’Artagnan.--„Zeker,” hernamen Aramis en Porthos met een bewonderenswaardig zelfvertrouwen en alsof het de eenvoudigste zaak der wereld was; „zeker zullen wij er u uithalen. Maar intusschen, daar wij overmorgen moeten vertrekken, zoudt gij beter doen u aan de Bastille niet te wagen.”

„Laat ons het beter aanleggen,” stelde Athos voor, „verlaten wij hem den geheelen avond niet meer; elk onzer zal hem aan een der deuren van het paleis wachten, met drie musketiers achter zich. Zien wij dan een gesloten koets er uit komen, die ons verdacht voorkomt, dan vallen wij ze aan. Het is lang geleden, dat wij met de gardes van den kardinaal niets te vereffenen hebben gehad en de heer de Tréville zal meenen, dat wij dood zijn.”--„Ongetwijfeld, Athos!” zeide Aramis, „gij zijt geschapen om veldheer te zijn. Wat zegt gij van het plan, heeren?”--„Voortreffelijk!” riepen de jongelieden eenparig.--„Welnu,” zeide Porthos, „dan zal ik naar het hotel ijlen en onze krijgsmakkers verwittigen zich tegen acht uur gereed te houden; de samenkomst zal op het plein van het kardinaals-paleis plaats hebben; geef gij intusschen de lakeien bevel de paarden te zadelen.”--„Ik heb geen paard,” zeide d’Artagnan; „maar ik zal er een van den heer de Tréville laten halen.”

„Dat is niet noodig,” hernam Aramis, „gij kunt een der mijne krijgen.”--„Hoeveel hebt gij er dan?” vroeg d’Artagnan.--„Drie,” antwoordde Aramis glimlachende.--„Mijn waarde!” zeide Athos, „gij zijt waarschijnlijk de best betaalde dichter van geheel Frankrijk en Navarre. Luister, Aramis! gij weet zeker niet, wat gij met drie paarden zult uitvoeren, niet waar? Ik begrijp zelfs niet eens om welke reden gij drie paarden hebt gekocht?”--„Ik heb er slechts twee gekocht.”--„Is dan het derde uit de wolken gevallen?”--„Neen; het derde is mij heden morgen gebracht geworden door een knecht zonder livrei, die mij niet wilde zeggen, van wien het kwam, maar mij verzekerde, het bevel van zijn meester ontvangen te hebben....”--„Of van zijn meesteres,” viel d’Artagnan in de rede.--„Dat doet niets ter zake,” zeide Aramis blozende; „en die mij verzekerde, zeg ik, het bevel van zijn meester of van zijn meesteres te hebben ontvangen, om dat paard in mijn stal te brengen, zonder mij te zeggen van wien het kwam.”--„Alleen aan poëten gebeuren dergelijke zaken,” hernam Athos ernstig.--„Welnu, dan zullen wij iets beters doen,” zeide d’Artagnan. „Welk der twee paarden wilt gij berijden? dat, wat gij gekocht, of dat, wat men u gegeven heeft?”--„Wel, zonder twijfel dat, wat men mij heeft gegeven. Gij begrijpt wel, d’Artagnan! dat ik zoo onbeleefd niet kan zijn....”--„Jegens den onbekenden gever,” hernam d’Artagnan.--„Of jegens de geheimzinnige geefster,” zeide Athos.--„Dat wat gij hebt gekocht wordt u dus tot last?”--„Ten naasten bij.”--„Gij hebt het zelf gekozen?”--„En met de meeste zorg; want gij weet, de zekerheid van den ruiter hangt bijna altijd van zijn paard af.”--„Welnu, sta het mij dan af voor den prijs, dien het u kost.”--„Ik wilde het u juist aanbieden, mijn waarde d’Artagnan! u al den tijd latende, dien gij mocht noodig hebben, om mij die kleinigheid terug te geven.”--„En hoeveel kost het u?”--„Achthonderd franken.”--„Ziedaar veertig dubbele pistolen, mijn waarde vriend!” zeide d’Artagnan, die som uit zijn zak halende; „ik weet, dat het de munt is, waarmede men u uw dichtwerken betaalt.”--„Gij hebt dus geld?” vroeg Aramis.--„Rijk, schatrijk, beste vriend!”--En d’Artagnan liet het overschot van het geld in zijn zak klinken.--„Zend uw zadel naar het hotel der musketiers, en men zal u uw paard met de onze hier brengen.”--„Best, maar het is dra vijf uur.”--„Haasten wij ons.”

Een kwartieruurs later verscheen Porthos aan het einde der straat Férou op een prachtigen hengst. Mousqueton volgde hem op een Auvergneesch paard, klein, maar sterk. Porthos blonk van vreugd.

Tegelijkertijd verscheen Aramis aan het andere einde der straat op een kostelijk Engelsch paard. Bazijn volgde hem op een Rouaansch paard en hield bij den toom een sterken Mecklenburger, die voor d’Artagnan was bestemd. Beide musketiers ontmoetten elkander voor de deur. Athos en d’Artagnan zagen hen van uit het venster.

„Duivelsch!” zeide Aramis, „gij hebt daar een prachtig paard, mijn waarde.”--„Ja,” antwoordde Porthos, „dat is dat, wat men mij dadelijk had moeten zenden. Een ellendige grap van den echtgenoot had het andere er voor in de plaats gesteld; maar de echtgenoot is er voor gestraft; ik heb een volkomen genoegdoening verkregen.”

Nu verscheen Grimaud, bij den toom het paard van zijn meester leidende; d’Artagnan en Athos gingen naar beneden, sprongen in den zadel, en de vier vrienden begaven zich naar de kade; Athos op het paard, dat hij aan zijn vrouw had te danken; Aramis op het paard, dat hij van zijn minnares had ontvangen; Porthos op het paard, dat hij van de procureursvrouw had gekregen; en d’Artagnan op het paard, dat hem zijn fortuin had bezorgd, de beste van alle minnaressen. De lakeien volgden.

Zooals Porthos had gedacht, maakte de stoet een grootsche vertooning, en indien mevrouw Coquenard op den weg van Porthos ware geweest, dan zou zij hebben kunnen zien, hoe trotsch hij op zijn heerlijken Spaanschen hengst zat, en zich niet hebben beklaagd over de bres in de geldkist van haar man gemaakt.

Nabij het Louvre ontmoetten de vier vrienden den heer de Tréville, die van St. Germain terugkwam; hij hield hen staande, om hen over hun uitrusting zijn kompliment te maken, hetgeen in een oogenblik eenige honderden ledigloopers rondom hen lokte. D’Artagnan nam deze gelegenheid waar, om den heer de Tréville over den brief met het roode hertogelijke zegel te spreken. Het spreekt vanzelf, dat hij van het briefje niet repte.

De heer de Tréville keurde het door hem genomen besluit goed en verzekerde hem dat, indien hij den volgenden morgen niet zou zijn teruggekomen, hij hem wel zou vinden, waar hij ook mocht wezen. Op dit oogenblik sloeg het uurwerk der Samaritaine zes uur. De vier vrienden verontschuldigden zich wegens een af te leggen bezoek en namen van den heer de Tréville afscheid.

Een korte galop bracht hen op den weg van Chaillot. De avond begon te vallen en rijtuigen reden heen en weer. D’Artagnan, op eenigen afstand van zijn vrienden en door deze bewaakt, wierp zijn blikken in de koetsen, maar bespeurde daarin niet één gezicht, dat hij kende.

Eindelijk, na een kwartieruurs wachten, en terwijl de avondschemering al meer en meer zich uitbreidde, naderde een rijtuig in vollen galop, op den weg van Sèvres. Een voorgevoel fluisterde d’Artagnan dadelijk in, dat dit het rijtuig was, hetwelk de persoon bevatte, die hem een samenkomst had bepaald. De jongeling verwonderde zich over het hevig kloppen van zijn hart. Bijna onmiddellijk stak een vrouw het hoofd uit het portier en legde twee vingers op haar mond, als om voorzichtigheid aan te bevelen en tevens een kus te zenden.

D’Artagnan slaakte een flauwen vreugdekreet. Die vrouw, of liever die verschijning,--want het rijtuig vloog als een schaduw voorbij,--was juffrouw Bonacieux....

Door een onwillekeurige beweging en ondanks de hem gedane aanbeveling, zette d’Artagnan zijn paard in galop, en in weinig sprongen bereikte hij het rijtuig; maar de opening van het portier was geheel gesloten en de verschijning verdwenen.

Toen eerst herinnerde zich d’Artagnan die aanbeveling: „Indien gij uw leven en dat van hen, die u beminnen, liefhebt, blijf dan onbeweeglijk alsof gij niets gezien hadt.” Hij bleef dus staan, bevende, niet voor zich zelven, maar voor de arme vrouw, die blijkbaar aan een groot gevaar was blootgesteld, door met hem een samenkomst af te spreken. Het rijtuig vervolgde zijn weg met dezelfde snelheid, reed Parijs in en verdween.

D’Artagnan was als vastgenageld op dezelfde plaats blijven staan, niet wetende wat te denken. Indien het juffrouw Bonacieux was geweest en zij naar Parijs terugkeerde, waartoe dan die vluchtige samenkomst, die eenvoudige oogwenk, die verloren kus? Indien, van den anderen kant, zij het niet was geweest,--hetgeen ook mogelijk kon zijn, want de avondschemering maakte een vergissing gemakkelijk;--indien zij het niet was geweest, zou het dan niet het begin van een aanslag op zijn persoon kunnen zijn, door de vrouw, voor welke men zijn liefde kende, als een lokaas te doen dienen?

De drie vrienden naderden hem. Alle drie hadden duidelijk een vrouwenhoofd door het portier zien verschijnen, maar geen hunner, behalve Athos, kende juffrouw Bonacieux. De meening van Athos was trouwens, dat zij het was geweest; maar minder dan d’Artagnan door dat fraaie gezicht afgetrokken, had hij zich verbeeld een tweede hoofd, een mannenhoofd in het rijtuig te zien.

„Als dat zoo is,” zeide d’Artagnan, „dan voeren zij haar van de eene naar de andere gevangenis. Maar wat wil men dan toch van dat ongelukkige schepsel, en hoe zal ik ooit mij met haar kunnen vereenigen?”--„Vriend!” zeide Athos ernstig, „herinner u, dat de dooden de eenigen zijn, die men niet is blootgesteld op aarde te ontmoeten. Gij weet hiervan zoowel als ik te spreken, niet waar? Derhalve, is uw minnares niet dood, en is zij het geweest, die wij hebben gezien, dan zult gij haar den een of anderen dag wedervinden. En misschien, mijn God!” voegde hij er bij op dien menschenhatenden toon, die hem eigen was, „misschien eer dan het u lief is.”

Het sloeg half acht; ingevolge de afspraak had het rijtuig nu reeds een twintigtal minuten daar moeten zijn. D’Artagnan’s vrienden herinnerden hem, dat hij nog een bezoek had af te leggen, hem tevens doende opmerken, dat het nog tijd was er van af te zien. Maar d’Artagnan was stijfhoofdig en nieuwsgierig. Hij had eenmaal besloten, dat hij naar het kardinaals-paleis zou gaan en weten, wat Zijne Eminentie hem te zeggen had. Niets kon hem van besluit doen veranderen.

Men bereikte de straat St. Honoré en het kardinaals-paleis; men vond daar de twaalf genoodigde musketiers die, al wandelende, hun krijgsmakkers verbeidden. Slechts dáár gaf men hun kennis van hetgeen er te doen was.

D’Artagnan was zeer goed bekend in het eervol korps van ’s konings musketiers, waarin men wist, dat hij eenmaal een plaats zou vervullen, zoodat men hem reeds als een kameraad beschouwde. Hiervan was het gevolg, dat allen volkomen bereid waren den last te vervullen, waartoe zij waren uitgenoodigd. Buitendien, het betrof, volgens alle waarschijnlijkheid, den kardinaal en den zijnen een leelijken trek te spelen, en voor dergelijke ondernemingen waren die waardige edellieden steeds gereed.

Athos verdeelde hen in drie troepen, nam het bevel van den eenen troep op zich en stelde Aramis en Porthos aan het hoofd van de beide andere, en elke troep stelde zich in hinderlaag voor een der uitgangen. D’Artagnan trad van zijn kant moedig den hoofdingang binnen.

Hoewel hij op de krachtdadige ondersteuning zijner vrienden vertrouwde, was de jongeling echter niet zonder bekommering, toen hij voet voor voet de breede trap opging. Zijn gedrag jegens milady had wel iets van verraad, en hij geloofde bijna met zekerheid aan een staatkundige gemeenzaamheid tusschen die vrouw en den kardinaal; te meer, de Wardes, dien hij zoo deerlijk had gewond, was een der vertrouwelingen van den kardinaal, en d’Artagnan wist dat, indien Zijne Eminentie vreeselijk voor haar vijanden was, zij zeer aan haar vrienden was gehecht.

„Indien de Wardes de geheele toedracht onzer ontmoeting aan den kardinaal heeft verhaald, waaraan niet te twijfelen is, en hij mij herkend heeft, hetgeen waarschijnlijk is, moet ik mij zoo goed als voor veroordeeld beschouwen,” zeide d’Artagnan bij zich zelven, het hoofd schuddende. „Maar waarom heeft hij tot vandaag gewacht? Wel, dat is zeer eenvoudig: milady zal zich over mij hebben beklaagd met die huichelachtige smart, die haar zoo belangwekkend maakt, en die laatste misdaad zal den kelk hebben doen overloopen. Gelukkig zijn mijn goede vrienden waakzaam, en deze zullen niet, zonder mij te hulp te komen, mij gevankelijk laten wegvoeren. Maar de kompagnie der musketiers van den heer de Tréville kan niet alleen den oorlog tegen den kardinaal volhouden, die over al de machten van Frankrijk beschikt en voor wien de koningin zonder macht, de koning zonder wil is. D’Artagnan! mijn vriend! gij zijt dapper, gij zijt voorzichtig, gij bezit voortreffelijke hoedanigheden, maar de vrouwen zullen u ten verderve strekken!”

Hij kwam tot dat treurig besluit, toen hij de voorkamer binnentrad.

Hij stelde zijn brief den dienstdoenden kamerbewaarder ter hand, die hem in de receptiezaal geleidde en toen dieper het paleis binnenging. In de zaal bevonden zich vijf of zes gardes van den kardinaal, die, d’Artagnan herkennende en wetende dat hij het was, die Jussac had gekwetst, hem met een zonderlingen glimlach beschouwden. Die glimlach was voor d’Artagnan een slecht voorteeken; maar dewijl onzen Gaskonjer niet gemakkelijk vrees aan te jagen was, of liever, dewijl hij, dank zij den nationalen hoogmoed, zoo eigen aan zijn landslieden, niet spoedig liet zien wat er in zijn ziel omging, vooral wanneer zulks naar vrees zweemde, bleef hij trotsch voor de heeren gardes staan en wachtte met de hand op de heup en in een houding, die van fierheid niet was ontbloot.

De kamerdienaar kwam weder binnen en wenkte d’Artagnan hem te volgen. De jongeling meende, dat de gardes, toen zij hem zagen vertrekken, onder elkander fluisterden. Hij ging door een gang, trad een zaal en vervolgens de bibliotheek binnen, waar hij voor zich een man zag, die aan een tafel zat te schrijven. De kamerbewaarder leidde hem binnen en verwijderde zich zonder één woord te spreken.

D’Artagnan bleef staan en beschouwde dien man. Hij meende aanvankelijk in hem een rechter te zien, die processtukken onderzocht; maar hij bespeurde dra, dat de man schreef, of liever, regels van verschillende lengte verbeterde, terwijl hij lettergrepen op zijn vingers telde; nu zag hij, dat hij zich in de tegenwoordigheid eens dichters bevond.

Na verloop van een oogenblik sloeg de poëet zijn manuscript, op welks omslag MIRAME, Treurspel in vijf bedrijven, stond geschreven, toe en richtte het hoofd op.

D’Artagnan herkende den kardinaal.

HOOFDSTUK IX.

Een vreeselijke gebeurtenis.

Richelieu zette den elleboog op zijn manuscript en liet de wang op zijn hand rusten, terwijl hij d’Artagnan een oogenblik beschouwde. Geen oog was doordringender dan dat van den kardinaal, en de jongeling voelde zijn blik als een koortsachtige rilling door zijn aderen loopen. Nochtans hield hij zich goed, en met den hoed in de hand wachtte hij, zonder te veel trotschheid, ook niet met te veel nederigheid, de bevelen van Zijne Eminentie.

„Mijnheer!” vroeg hem de kardinaal, „zijt gij zekere d’Artagnan, uit Bearn?”--„Ja, Uwe Eminentie.”--„Er zijn verschillende geslachten van d’Artagnans te Tarbes en in de omstreken; tot welk behoort gij?”--„Ik ben de zoon van hem, die met den grooten koning Hendrik, den vader Zijner Genadige Majesteit, de godsdienst-oorlogen heeft medegemaakt.”--„Dien bedoel ik.... Gij zijt, zeven of acht maanden geleden, uit uw land vertrokken, om in de hoofdstad fortuin te zoeken?”--„Ja, Uwe Eminentie!”--„Gij zijt langs Meung gekomen, waar u iets is overkomen; ik weet niet juist wat, maar er heeft toch iets plaats gehad?”--„Eminentie! zie hier wat mij is overkomen....”--„Onnoodig, onnoodig!” hernam de kardinaal met een glimlach, die bewees, dat hem de geschiedenis even goed bekend was als hem, die ze wilde verhalen. „Gij waart den heer de Tréville aanbevolen, niet waar?”--„Ja Eminentie! maar juist bij die ongelukkige ontmoeting te Meung....”--„Is de aanbevelingsbrief verloren geraakt,” hernam Zijne Eminentie; „ja, dat is mij bekend. De heer de Tréville is een goed gelaatkundige, die de menschen op het eerste gezicht weet te schatten; hij heeft u in de kompagnie van zijn schoonbroeder, den heer des Essarts, doen aannemen, u de hoop gevende, vroeg of laat bij de musketiers te worden ingelijfd?”--„Uwe Eminentie is volkomen goed onderricht.”--„Sedert dien tijd is u nog al wat gebeurd. Gij zijt op zekeren dag achter het Karthuiser-klooster gaan wandelen, terwijl het beter ware geweest elders te zijn; vervolgens hebt gij met uw vrienden een reisje naar de baden te Forges gedaan. Zij zijn op weg achtergebleven, maar gij hebt uw reis voortgezet. Dat is zeer natuurlijk, want gij hadt in Engeland zaken te doen.”--„Eminentie!” zeide d’Artagnan, geheel ontroerd, „ik ging....”--„naar de jacht te Windsor of elders, dat raakt niemand. Ik weet het, omdat het mijn beroep is, alles te weten. Bij uw terugkomst werdt gij door een doorluchtig persoon ontvangen; en ik zie met genoegen, dat gij het aandenken, hetwelk zij u heeft gegeven, bewaard hebt.”

D’Artagnan bracht de hand aan den diamant, dien hij van de koningin had gekregen, en keerde haastig den steen naar binnen; maar het was te laat.

„Den dag daarna hebt gij het bezoek van den heer de Cavois ontvangen, die u kwam verzoeken, aan het paleis te komen. Aan die uitnoodiging hebt gij niet beantwoord, en gij hebt niet wel gedaan.”--„Ik vreesde mij het ongenoegen Uwer Eminentie op den hals te hebben gehaald.”--„En waarom dat, mijnheer? Omdat gij de bevelen uwer meerderen met meer moed en beleid hadt uitgevoerd, dan een ander zou hebben gedaan? Mijn ongenade op den hals halen, wanneer gij lof verdient? Het zijn de lieden, die niet gehoorzamen, welke ik straf, en niet hen, die, zooals gij, te goed.... gehoorzamen.... En om u te bewijzen, dat gij niet wel hebt gedaan, behoeft gij u slechts den dag te herinneren, dat ik u liet noodigen; herinner u, wat dienzelfden avond is voorgevallen.”

Het was op dienzelfden avond, dat juffrouw Bonacieux was ontvoerd geworden. D’Artagnan beefde, en hij herinnerde zich, dat een half uur te voren de arme vrouw hem was voorbijgereden, waarschijnlijk nog door dezelfde macht voortgesleept, die haar had doen verdwijnen.

„Kortom,” ging de kardinaal voort, „dewijl ik sedert eenigen tijd niet meer van u hoorde spreken, wilde ik weten, wat gij uitvoerdet. Bovendien, gij zijt mij nog wel eenigen dank verschuldigd; immers, gij moet gezien hebben, hoe men u bij alle gelegenheden heeft gespaard.”

D’Artagnan maakte een eerbiedige buiging.

„Zulks,” vervolgde de kardinaal, „ontsproot niet alleen uit een gevoel van billijke rechtvaardigheid, maar nog meer ten gevolge van een plan, dat ik te uwen aanzien had beraamd.”--D’Artagnan was al meer en meer verwonderd.--„Ik wilde,” hernam de kardinaal, „u dat plan voorleggen op den dag, toen gij mijn eerste uitnoodiging ontvingt; maar gij kwaamt niet. Gelukkig is nog niets door dat uitstel verloren, en heden zult gij mijn plan vernemen. Ga daar zitten, mijnheer d’Artagnan! gij zijt een te goed edelman om staande naar mij te luisteren.”

En de kardinaal wees een stoel aan den jongeling, die zoozeer verwonderd was over hetgeen er voorviel, dat hij, alvorens te gehoorzamen, een tweeden wenk van Zijne Eminentie wachtte.

„Gij zijt moedig, mijnheer d’Artagnan!” ging de kardinaal voort, „en daarbij voorzichtig, dat nog beter is. Ik, ik houd veel van stoutmoedige en verstandige lieden. Wees niet bevreesd,” zeide hij glimlachende, „onder stoutmoedige mannen versta ik mannen zooals gij; intusschen hebt gij, hoe jong ook, en hoe kort geleden gij in de wereld verkeert, vermogende vijanden. Indien gij niet voorzichtig zijt, zullen zij u ten verderve brengen.”--„Helaas, Uwe Excellentie,” hernam de jongeling, „zij zullen dit voorwaar gemakkelijk ten uitvoer kunnen brengen; want zij zijn sterk en goed ondersteund, terwijl ik alleen ben.”--„Dat is waar; maar alleen hebt gij echter reeds veel verricht, en gij zoudt nog meer doen, hieraan twijfel ik niet. Echter geloof ik, dat gij een gids noodig hebt in deze avontuurlijke loopbaan, die gij u gekozen hebt; want, indien ik mij niet vergis, zijt gij te Parijs gekomen met het eerzuchtig oogmerk om fortuin te maken.”--„Ik ben in den ouderdom der dwaze hoop, Excellentie!” zeide d’Artagnan.--„Alleen voor de dwazen bestaat er een dwaze hoop, mijnheer! en gij zijt verstandig. Wel, wat zoudt gij zeggen, indien ik u een vaandrigsplaats bij mijn gardes aanbood, en een kompagnie na den veldtocht?”

„O, Excellentie!”--„Gij neemt aan, niet waar?”--„Eminentie!” hernam d’Artagnan met een verlegene houding.--„Hoe, gij weigert?” riep de kardinaal verwonderd.--„Ik behoor bij de gardes Zijner Majesteit, Eminentie! en heb geen reden ontevreden te zijn.”--„Maar ik meen,” zeide de kardinaal, „dat mijn garde ook die Zijner Majesteit is, en dat, in welk corps men diene, men den koning dient.”--„Uwe Eminentie heeft mijn woorden kwalijk verstaan.”--„Gij verlangt een voorwendsel, niet waar? Ik begrijp zulks; maar gij hebt een voorwendsel. Het avancement, de aanstaande veldtocht, de gelegenheid, die ik u aanbied, dat is voldoende voor het oog der wereld; en wat u betreft, gij hebt een zekere bescherming noodig. Want gij moet weten, mijnheer d’Artagnan! dat mij ernstige klachten tegen u zijn ingebracht. Gij wijdt uw dagen en nachten niet uitsluitend den dienst des konings.”--D’Artagnan bloosde.

„Overigens,” vervolgde de kardinaal, de hand op een pak papieren leggende, „hier heb ik een verzameling van stukken, u betreffende. Maar alvorens ze te lezen, heb ik met u eens willen praten. Ik weet, dat gij iemand van een vasten wil zijt, terwijl uw diensten, goed geleid, u, in plaats van tot nadeel, tot groot voordeel zouden strekken. Kom! overweeg en neem een besluit.”--„Uw goedheid, Excellentie! maakt mij beschaamd,” antwoordde d’Artagnan, „en ik erken in Uwe Eminentie een grootheid van ziel, die mij als een aardworm zoo klein maakt; maar dewijl Uwe Eminentie mij in ieder geval veroorlooft mij rondborstig te verklaren....”--D’Artagnan zweeg.

„Ja, spreek!”--„Welnu, dan moet ik aan Uwe Eminentie zeggen, dat al mijn vrienden tot de musketiers en de garde des konings behooren, en mijn vijanden, door een onbegrijpelijke noodlottigheid, in den dienst Uwer Eminentie zijn.... Ik zou dus hier zeer slecht ontvangen worden, indien ik het aanbod Uwer Eminentie aannam.”--„Zoudt gij u reeds trotschelijk verbeelden, dat ik u niet aanbied, wat gij waard zijt, mijnheer?” vroeg de kardinaal met een verachtelijken glimlach.--„Uwe Eminentie is honderdmaal te goed jegens mij, en integendeel, ik geloof nog niet genoeg gedaan te hebben, om die goedheid te verdienen. Het beleg van la Rochelle is aanstaande, Excellentie! ik zal onder uw oogen dienen, en indien ik het geluk heb, mij bij dat beleg derwijze te gedragen, van door u te worden onderscheiden, welnu, dan zal ik ten minste de een of andere kloekmoedige daad hebben verricht, de bescherming waardig, waarmede gij mij wel wilt vereeren. Alles heeft zijn tijd. Later zal ik misschien het recht hebben mij te geven, terwijl ik op dit oogenblik den indruk zou wekken mij te verkoopen.”--„Hetgeen wil zeggen, dat gij weigert in mijn dienst te gaan, mijnheer!” zeide de kardinaal spijtig, hoewel eenig blijk van achting in zijn woorden doorstraalde. „Blijf dan vrij, en getrouw aan uw haat en uw vriendschap.”--„Eminentie!....”--„Het is wel,” zeide de kardinaal, „ik ben u niet vijandig, maar gij begrijpt: men heeft genoeg te doen met zijn vrienden te verdedigen en te beloonen; en aan zijn vijanden is men niets verschuldigd. En nochtans wil ik u een raad geven: wees op uw hoede, d’Artagnan! want van het oogenblik, dat ik mijn hand van u heb afgetrokken, geef ik geen oortje meer voor uw leven.”--„Ik zal trachten, Eminentie!” antwoordde de Gaskonjer met nederig zelfvertrouwen.--„Herinner u later, en op zeker oogenblik, indien u een ongeluk mocht overkomen,” zeide Richelieu met opzet, „dat ik het ben geweest, die u heb doen halen, en dat ik al het mogelijke heb gedaan, om u voor dat ongeluk te behoeden.”--„Ik zal, wat er ook gebeure,” zeide d’Artagnan, de hand op zijn hart leggende en zich buigende, „steeds een eeuwige dankbaarheid voor Uwe Eminentie bewaren, voor hetgeen zij op dit oogenblik wel jegens mij wil doen.”--„Welnu, zooals gezegd is, wij zullen ons na den veldtocht weer ontmoeten. Mijn blik zal op u gevestigd zijn, want ook ik zal daar wezen,” vervolgde de kardinaal, terwijl hij met zijn vinger aan d’Artagnan een prachtige wapenrusting toonde, die voor hem was bestemd. „En na onze terugkomst, welnu, dan zullen wij afrekenen.”--„Ach, Eminentie!” riep d’Artagnan, „spaar mij voor het gewicht uwer ongenade, blijf onpartijdig, Uwe Excellentie! indien gij ziet, dat ik als een edelman handel.”--„Jongeling!” zeide Richelieu, „indien ik u nogmaals datgene kan zeggen, wat ik u heden zeide, dan beloof ik u zulks te doen.”

Die laatste woorden van Richelieu drukten een vreeselijken twijfel uit; zij verschrikten d’Artagnan meer dan een bedreiging had kunnen doen, want zij bevatten een waarschuwing. De kardinaal trachtte hem dus voor een ongeluk te behoeden, dat hem bedreigde? Hij opende den mond, om te antwoorden, maar met een trotschen wenk gaf de kardinaal hem zijn afscheid.

D’Artagnan vertrok, maar aan de deur begon zijn moed hem te verlaten, en hij was gereed naar binnen terug te keeren. Onderwijl verscheen hem het ernstige en strenge gelaat van Athos voor den geest. Indien hij met den kardinaal het verbond aanging, dat deze hem voorstelde, zou Athos hem de hand niet meer toereiken, Athos zou hem als zijn vriend verloochenen.

Deze vrees weerhield hem. Zoo vermogend is de invloed van een waarlijk groot karakter op alles, wat het omringt.

D’Artagnan ging dezelfde trap af, langs welke hij was opgekomen; voor de deur vond hij Athos en de vier musketiers, die zijn terugkomst wachtten en ongerust begonnen te worden. Met een enkel woord stelde d’Artagnan hen gerust, terwijl Planchet de anderen ging berichten, dat het niet meer noodig was langer de wacht te houden, daar zijn meester gezond en wel uit het kardinaals-paleis was teruggekomen.

Bij Athos teruggekeerd, vroegen Aramis en Porthos naar de reden van die zonderlinge uitnoodiging; maar d’Artagnan bepaalde zich er toe hun te zeggen, dat Richelieu hem ontboden en hem een vaandrigsplaats in zijn garde had willen geven, maar dat hij had geweigerd.

„En gij hebt gelijk!” riepen eenparig Porthos en Aramis.

Athos verzonk in een diepe mijmering en antwoordde niet. Maar toen hij alleen met d’Artagnan was, zeide hij hem: „Gij hebt gedaan, wat gij moest doen; doch wellicht hebt ge ongelijk gehad.”

D’Artagnan slaakte een zucht; want die stem paarde zich aan een geheime stem zijner ziel, die hem toefluisterde, dat hij aan groote ongelukken was blootgesteld.... De volgende dag ging voorbij in het maken van toebereidselen voor het vertrek. D’Artagnan ging naar den heer de Tréville, om afscheid te nemen. Op dat oogenblik meende men nog, dat de scheiding der gardes en der musketiers slechts kortstondig zou zijn, daar de koning denzelfden dag het parlement zou voorzitten en den volgenden dag vertrekken. De heer de Tréville bepaalde zich dus, aan d’Artagnan te vragen, of hij hem ook van dienst kon zijn; maar d’Artagnan antwoordde fier, dat hij van alles was voorzien, wat hij noodig had. Des nachts vereenigden zich al de krijgsmakkers van de kompagnie der gardes van den heer des Essarts, en der kompagnie musketiers van den heer de Tréville, die met elkander vriendschap hielden. Men verliet elkander tot weerziens, wanneer en als het Gode behaagde.

Het was dan ook, zooals men kan denken, een vrij ruwe nacht; want in dergelijke omstandigheden kan men slechts de uiterste bezorgdheid door een uiterste onverschilligheid verdringen. Den volgenden dag verlieten de vrienden elkander op het eerste trompetgeschal; de musketiers begaven zich naar het hotel van den heer de Tréville; de gardes naar dat van den heer des Essarts. Elk der kapiteins voerde onmiddellijk hierop zijn kompagnie naar het Louvre, waar de koning hen in oogenschouw zou nemen.

De koning was droefgeestig en scheen ongesteld te zijn, hetgeen hem in gestalte kleiner deed schijnen. En inderdaad, den vorigen dag was hem de koorts, te midden der zitting van het parlement dat hij voorzat, overvallen. Hij had desniettemin besloten dienzelfden avond te vertrekken, en ondanks de aanmerkingen, welke men had gedaan, had hij het leger willen in oogenschouw nemen, in de hoop door een dadelijke krachtsontwikkeling de ziekte te overwinnen, die zich van hem meester maakte.

Toen de revue geëindigd was, namen de gardes alleen den tocht aan, daar de musketiers met den koning zouden vertrekken, hetgeen Porthos veroorloofde in zijn schitterende uitrusting een wandeling te paard naar de Berenstraat te doen.

De procureursvrouw zag hem voorbijrijden in zijn nieuwe uniform en op zijn fraai paard gezeten. Zij beminde Porthos te veel, om hem zóó te laten vertrekken, en wenkte hem af te stijgen en in huis te komen. Porthos was prachtig: zijn sporen klonken, zijn harnas blonk, en zijn zwaard sloeg kletterend tegen zijn beenen. Nu hadden de klerken niet den minsten lachlust, zoozeer zag Porthos er als een koppenhakker uit.

De musketier werd bij den heer Coquenard binnengeleid, wiens kleine oogen van woede fonkelden, zijn gewaanden neef zoo blinkend te zien; echter troostte hem iets inwendigs: immers men zeide algemeen, dat de veldtocht ruw zou zijn, hij hoopte derhalve van harte, dat Porthos mocht sneuvelen.

Porthos maakte meester Coquenard zijn kompliment en nam van hem afscheid. Meester Coquenard wenschte hem allerlei soort van voorspoed. Wat mevrouw Coquenard betrof, deze kon haar tranen niet weerhouden, maar men gaf niet de minste kwade uitlegging aan haar smart, men wist, dat zij aan haar bloedverwanten zeer was gehecht, welke teergevoeligheid de aanleiding was tot voortdurenden twist met haar echtgenoot. Zoo lang de procureursvrouw haar schoonen neef met haar oogen kon volgen, wuifde zij met een zakdoek, zich uit het venster zoover voorover buigende, dat zij gevaar liep er uit te vallen. Porthos ontving al haar bewijzen van teederheid als iemand, die aan dergelijke betuigingen gewoon is. Alleen toen hij om den hoek der straat verdween, lichtte hij den hoed op en wuifde er mede ten teeken van afscheid.

Aramis schreef een langen brief. Aan wien? Niemand wist het. In de aangrenzende kamer wachtte Ketty, die nog dienzelfden dag naar Tours moest vertrekken, op dien geheimzinnigen brief. Athos dronk met kleine teugen de laatste flesch van zijn Spaanschen wijn.

Onderwijl toog d’Artagnan met zijn kompagnie voort. In de voorstad Saint Antoine gekomen, wendde hij het hoofd om, lachend de Bastille beschouwende, die hij tot hiertoe ontkomen was. Daar het alleen de Bastille was, waarop hij zijn oog vestigde, zag hij milady niet, die, op een Isabelkleurig paard gezeten, hem aan twee mannen van een zeer slecht voorkomen aanwees, welke mannen onmiddellijk de gelederen naderden, om hem van dichtbij te zien. Op een vragenden blik, dien zij op milady wierpen, antwoordde deze met een bevestigend knikje, dat hij het was. Toen, verzekerd dat er geen vergissing in de uitvoering harer bevelen kon plaats hebben, reed zij spoorslags heen.

Beide mannen volgden toen de kompagnie, en de voorstad St. Antoine verlatende, sprongen zij op twee gezadelde paarden, welke een hen wachtende knecht zonder livrei bij den toom hield.

HOOFDSTUK X.

Het beleg van la Rochelle.

Het beleg van la Rochelle was een der gewichtigste gebeurtenissen tijdens de regeering van Lodewijk XIII. De staatkundige inzichten van den kardinaal, bij het ondernemen der belegering, waren zeer uitgebreid. Van de door Hendrik IV aan de Hugenooten afgestane steden bleef slechts la Rochelle over. De kardinaal wilde dat laatste toevluchtsoord van het Calvinisme vernietigen. La Rochelle, dat door de verdelging der andere Calvinistische steden een nieuwe belangrijkheid verkregen had, was buitendien de laatste ingangspoort der Engelschen in Frankrijk, en door die poort voor Engeland, Frankrijks eeuwigen vijand, te sluiten, voltooide de kardinaal het werk, door Jeanne d’Arc en den hertog de Guise begonnen.

Ook Bassompierre, die tegelijk protestant en katholiek was: protestant uit overtuiging en katholiek als commandeur der Orde van den H. Geest; Bassompierre, Duitscher van geboorte, maar Franschman van harte, Bassompierre eindelijk, die een bijzonder commando bij de belegering van la Rochelle had, zeide, toen hij aan het hoofd van eenige andere edellieden, evenals hij protestant, een aanval deed: „Gij zult zien, heeren, dat wij dom genoeg zijn la Rochelle in te nemen.”

En Bassompierre had gelijk. De kanonnade van het eiland Ré voorspelde hem de dragonnades der Cévennes; de inneming van la Rochelle was het voorspel van de herroeping van het Edict van Nantes. Maar bij dat algemeen overzicht van den gelijkmakenden en vereenvoudigenden minister, dat tot de geschiedenis behoort, is de kroniekschrijver wel verplicht de kleine oogmerken van den verliefden en ijverzuchtigen medeminnaar aan te stippen.

Richelieu, zooals algemeen is bekend, was op de koningin verliefd geweest; was die liefde bij hem slechts staatkunde, of wel een dier hartstochten, welke Anna van Oostenrijk diegenen wist in te boezemen, die haar omringden? Dat kunnen wij niet bepalen, maar men heeft in alle geval door de voorafgaande bijzonderheden dezer geschiedenis gezien, dat Buckingham op hem de overwinning had behaald, en in twee of drie omstandigheden en vooral bij gelegenheid der diamanten haken, dank zij de toewijding der drie musketiers en den moed van d’Artagnan, hem bitter had misleid. Richelieu had dus niet alleen belang Frankrijk van een vijand te bevrijden, maar zich ook op een medeminnaar te wreken. Overigens, de wraak moet groot en schitterend zijn, waardig een man, die al de krachten eens koninkrijks als een degen in zijn hand heeft.

Richelieu wist, dat door Engeland te bestrijden, hij over Buckingham zoude zegevieren; immers, door Engeland voor het oog van geheel Europa te vernederen, vernederde hij Buckingham in de oogen der koningin.

Van zijn kant werd Buckingham, tegelijk de eer van Engeland op den voorgrond stellende, door volkomen dezelfde belangen gedreven als de kardinaal; ook Buckingham streefde naar de vervulling eener persoonlijke wraak. Onder geen voorwendsel hoegenaamd had Buckingham als ambassadeur naar Frankrijk kunnen terugkeeren; nu wilde hij er als overwinnaar binnendringen. Hieruit volgde, dat de inzet van dit spel, hetwelk de twee machtige staten ten pleziere van twee verliefde mannen speelden, niets meer dan eenvoudig een blik van Anna van Oostenrijk was.

Het eerste voordeel was voor den hertog van Buckingham geweest; onverwachts in het gezicht van het eiland Ré met negentig schepen en ongeveer twintig duizend man gekomen zijnde, had hij den graaf de Toiras overvallen, die op het eiland in naam des konings het bevel voerde, en na een bloedig gevecht had hij zijn ontscheping bewerkstelligd. Melden wij in het voorbijgaan, dat in dat gevecht de baron Chantal sneuvelde. De baron Chantal liet als wees een jong meisje van achttien maanden na. Dat meisje was later mevrouw de Sévigné. De graaf de Toiras trok zich met het garnizoen terug in de citadel St. Martijn en bemande een klein fort, dat men het fort de la Prée noemde, met een honderdtal soldaten. Die gebeurtenis deed den kardinaal zijn plan bespoedigen, en in afwachting dat de koning en hij het opperbevel der belegering van la Rochelle, waartoe besloten was, op zich zouden nemen, had hij reeds Monsieur doen vertrekken, om de eerste werkzaamheden te besturen, en naar het tooneel des oorlogs al de troepen gezonden, over welke hij had kunnen beschikken. Het was bij deze afdeeling, die de voorhoede uitmaakte, dat onze vriend d’Artagnan zich bevond.

De koning, zooals wij hebben gezegd, zou volgen, zoodra hij zijn parlement had gehouden. Van de zitting opstaande had hij de koorts gevoeld, doch niettemin willen vertrekken; intusschen verergerde zijn toestand en was hij genoodzaakt te Villeroy te blijven. En dewijl de musketiers bleven, waar de koning zich ophield, was hiervan het gevolg, dat d’Artagnan, die eenvoudig bij de garde behoorde, zich voor een oogenblik van zijn goede vrienden, Athos, Porthos en Aramis, vond gescheiden. Die scheiding, welke voor hem slechts een onaangenaamheid was, zou hem zeker grootelijks hebben verontrust, indien hij de onbekende gevaren had kunnen raden, welke hem omgaven. Hij kwam desniettemin behouden in het legerkamp voor la Rochelle aan.

Alles was in denzelfden toestand. De hertog van Buckingham en zijn Engelschen, meester van het eiland Ré, gingen voort, maar zonder voordeel, de citadel St. Martijn en het fort la Prée te belegeren, en de vijandelijkheden met la Rochelle waren sedert twee of drie dagen begonnen, bij gelegenheid van het opwerpen van een fort in de nabijheid der stad, door den hertog d’Angoulême.

De gardes, onder bevel van den heer des Essarts, waren in het klooster der Minderbroeders gelegd. Maar zooals ons bekend is, had d’Artagnan, steeds vervuld met het denkbeeld om tot de musketiers over te gaan, weinig vriendschap met zijn krijgsmakkers onderhouden; hij vond zich dan ook alleen aan zijn denkbeelden overgegeven. Zijn beschouwingen waren van geen aangenamen aard. Sedert een jaar, dat hij te Parijs was gekomen, had hij zich met de openbare zaken bezig gehouden, terwijl zijn eigen zaken niet zeer waren vooruitgegaan, evenmin wat liefde als wat fortuin betrof. Immers de eenige vrouw, die hij waarlijk had bemind, was juffrouw Bonacieux, en zij was verdwenen, zonder dat het hem mocht gelukken te ontdekken, wat er van haar geworden was. En wat zijn fortuin betreft, had hij, een zoo nietig wezen, zich den kardinaal tot vijand gemaakt, den man, voor wien de aanzienlijksten van het koninkrijk, te beginnen met den koning, beefden. Die man had hem kunnen vernietigen, en toch had hij het niet gedaan. Voor een zoo vooruitzienden geest als d’Artagnan was die goede gezindheid hem als een licht, dat hem een betere toekomst deed zien. Vervolgens had hij zich nog een vijand gemaakt, wel minder te vreezen, dacht hij, maar die echter niet te verachten was. Die vijand was milady. Daar tegenover stond, dat hij de bescherming en de gunst der koningin genoot; maar de gunst der koningin was in die oogenblikken een reden te meer om vervolgd te worden, en haar bescherming, zooals men weet, beschermde zeer slecht, getuige hiervan Chalais en juffrouw Bonacieux. Wat hij eigenlijk bij dat alles gewonnen had, was de diamant van vijf of zes duizend franken, dien hij aan den vinger had; maar in de veronderstelling dat d’Artagnan dien diamant voor zijn eerzuchtige plannen wilde bewaren, om er zich den een of anderen dag als herkenningsteeken bij de koningin van te bedienen, had die intusschen voor het oogenblik even weinig waarde als de keisteenen, welke hij betrad.

Wij zeggen als de keisteenen, die hij betrad; want d’Artagnan maakte deze opmerking, terwijl hij een fraaien kleinen weg bewandelde, die van het legerkamp naar een naastbijgelegen dorp leidde. Maar die beschouwingen hadden hem verder gebracht dan hij dacht, de dag begon te tanen, toen hij in de laatste zonnestralen achter een heg den loop van een musket meende te zien blinken.

D’Artagnan bezat een vluggen blik en ging steeds spoedig tot een besluit over; hij begreep, dat het musket daar niet alleen was gekomen, en hij, die het droeg, zich niet achter een heg had verscholen met vredelievende bedoelingen. Hij besloot zich uit de voeten te maken, toen hij aan de andere zijde achter een rots den loop van een tweede musket bespeurde. Hij was ongetwijfeld in een hinderlaag gevallen. De jongeling wierp een blik op het eerste musket en zag met zekeren angst, dat het in de richting waar hij was nederdaalde; maar zoodra hij bemerkte, dat de opening van den loop onbeweeglijk bleef, wierp hij zich voorover op den grond. Tegelijkertijd ging het schot af, en hij hoorde het fluiten van den kogel, die hem over het hoofd vloog. Er was geen tijd te verliezen, d’Artagnan was in één sprong overeind, toen op hetzelfde oogenblik de kogel van het andere musket de keisteenen deed opspringen, juist op de plek waar hij zich met het gezicht ter aarde had geworpen.

D’Artagnan was niet een dier onzinnige dapperen, die een dwazen dood tegemoet gaan, opdat men van hen kunne zeggen, dat zij geen schrede achteruit zijn gegaan; bovendien was hier geen moed te toonen, d’Artagnan was in een moordkuil gevallen.

„Indien het derde schot afgaat, ben ik dood,” dacht hij. En onmiddellijk vlood hij, met de snelheid zijner wegens hun vlugheid beroemde landslieden, in de richting van het legerkamp, maar hoe snel zijn vlucht ook was, had hij, die het eerst zijn musket had afgeschoten, den tijd gehad het weder te laden en zoo juist te mikken, dat de kogel d’Artagnan’s hoed doorboorde en hem tien schreden ver deed wegvliegen. D’Artagnan, geen anderen hoed hebbende, raapte hem al loopende op, kwam hijgende en bleek te huis, zette zich zonder aan iemand iets te zeggen neder en begon na te denken.

Dat voorval kon drieërlei oorzaken hebben: de eerste, meest waarschijnlijke, kon een hinderlaag der vijanden uit la Rochelle zijn, aan wie het niet onaangenaam zou zijn geweest een der gardes Zijner Majesteit neer te schieten, daar zulks een vijand minder ware geweest en die vijand een goed gevulde beurs in zijn zak had kunnen hebben. D’Artagnan bekeek zijn hoed, beschouwde het door den kogel gemaakte gat en schudde het hoofd. De kogel was niet van een musket, het was die van een bus: de juistheid van het schot had hem reeds doen vermoeden, dat het door een bijzonder geweer gelost was geworden; bijgevolg kon het geen krijgsaanval geweest zijn, daar de kogel niet van het gewone kaliber was.

Het kon ook een herinnering aan den kardinaal zijn. Men weet, dat op hetzelfde oogenblik, toen die heilrijke zonnestraal hem den loop des geweers deed bemerken, hij zich verwonderde over de goede gezindheid van Zijne Eminentie jegens hem. Maar d’Artagnan schudde twijfelachtig het hoofd. Jegens lieden, voor welke hij slechts den arm behoefde uit te strekken, ging de kardinaal zelden tot dergelijke middelen over.

Het kon ook een wraakoefening van milady zijn geweest. Die veronderstelling was waarschijnlijker. Hij trachtte zich tevergeefs de gelaatstrekken of de kleeding der moordenaars te herinneren; zijn haastige vlucht had hem in de onmogelijkheid gesteld iets op te merken.

„Ach, mijn arme vrienden!” zuchtte d’Artagnan, „waar zijt gij? O! hoe ontbeer ik u!”

D’Artagnan bracht een zeer slechten nacht door. Drie of vier malen ontwaakte hij verschrikt, zich verbeeldende dat iemand zijn bed naderde om hem met een dolk te doorsteken. Intusschen daagde de ochtend, zonder dat de duisternis iets bijzonders had aangebracht. Doch d’Artagnan was verzekerd dat, wat was uitgesteld, daarom niet was opgegeven. Hij bleef den geheelen dag te huis; het slechte weer strekte hem voor zich zelven ter verontschuldiging.

Den daaropvolgenden dag werd te negen uur de ban geslagen. De hertog van Orleans inspecteerde de wachtposten. De gardes stelden zich in slagorde; en d’Artagnan nam in hun gelederen plaats. Monsieur ging het front voorbij; vervolgens naderden hem al de hoofdofficieren om hem te complimenteeren. De heer des Essarts, kapitein der gardes, naderde gelijk de overigen. Na verloop van een oogenblik meende d’Artagnan, dat de heer des Essarts hem wenkte; hij wachtte een nieuwen blik van zijn bevelhebber, en toen de wenk hernieuwd werd, trad hij uit de gelederen en naderde om de bevelen te ontvangen.

„Monsieur,” zeide de heer des Essarts, „verlangt eenige vrijwilligers ter uitvoering eener gevaarlijke onderneming, maar die tot eer zal verstrekken aan diegenen, welke haar zullen vervuld hebben; ik heb u daarom een wenk gegeven, ten einde u gereed te houden.”--„Ik dank u, kapitein!” zeide d’Artagnan, die niets liever wenschte dan zich voor het oog van den luitenant-opperbevelhebber te onderscheiden.

Het was dan ook tengevolge van een uitval der bezetting van la Rochelle, die het bolwerk had hernomen van hetwelk het koninklijke leger zich twee dagen te voren meester maakte, dat tot het doen van een looze verkenning, om te zien op welke wijze dat bolwerk bewaard werd, moest worden overgegaan. Eenige oogenblikken daarna verhief Monsieur de stem en zeide: „Ik heb voor die onderneming drie of vier vrijwilligers noodig, aangevoerd door iemand, waarop men kan rekenen.”--„Wat den laatsten betreft, Uwe Excellentie! dezen heb ik bij de hand,” zeide de heer des Essarts, d’Artagnan aanwijzende; „en wat de vier of vijf vrijwilligers aangaat, Uwe Excellentie heeft slechts zijn bedoeling te doen kennen, en er zullen hem geen manschappen ontbreken.”--„Vier vrijwilligers om met mij den dood te trotseeren?” riep d’Artagnan, zijn degen omhoog stekende. Twee zijner krijgsmakkers traden onmiddellijk voor en twee soldaten voegden zich bij hen, zoodat het vereischte getal aanwezig was. D’Artagnan wees dan ook al die zich nog aanboden af, hen niet voorbij willende gaan, die de eersten waren geweest.

Men was niet zeker, of na de herneming van het bolwerk de belegerden het verlaten of er een bezetting in gelegd hadden; de plaats moest dus tamelijk van nabij onderzocht worden om zich van de zaak te verzekeren. D’Artagnan vertrok met zijn vier manschappen en volgde de loopgraaf; de twee gardes gingen naast hem, terwijl de twee soldaten volgden. Zij waren tot op ongeveer een honderdtal schreden het bolwerk genaderd, gedekt door de bemanteling, toen d’Artagnan, omziende, bemerkte, dat de twee soldaten verdwenen waren. Hij meende, dat zij uit vrees waren achtergebleven, en hij vervolgde zijn weg. Aan den hoek der loopgraaf bevond men zich op zestig schreden van het bolwerk. Men bespeurde niemand en het bolwerk scheen verlaten te zijn. De drie waaghalzen raadpleegden met elkander of zij nog verder zouden gaan, toen eensklaps een wolk van rook den reusachtigen steenhoop omringde en een twaalftal kogels rondom d’Artagnan en zijn makkers vlogen. Zij wisten nu wat zij wilden weten: het bolwerk werd bewaakt; een langer oponthoud op die gevaarlijke plek zou een nuttelooze onvoorzichtigheid zijn geweest.

D’Artagnan en de twee gardes keerden terug en begonnen een aftocht, die veel naar een vlucht geleek. Aan den hoek der loopgraaf gekomen, die hun tot verschansing zou strekken, viel een der gardes, door een kogel in de borst getroffen; de andere, wien niets deerde, zette zijn loop naar het legerkamp voort.

D’Artagnan wilde op die wijze zijn krijgsmakker niet verlaten en boog zich over hem om hem in het opstaan behulpzaam te zijn en hem naar het legerkamp terug te voeren; maar op dat oogenblik werden er twee schoten gelost; een kogel verbrijzelde het hoofd van den gekwetste, terwijl de andere tegen de rots vloog, na twee duim bezijden d’Artagnan te zijn voorbijgesnord. De jongeling wendde zich haastig om, want die aanval kon niet van het bolwerk komen, wijl hij door den hoek der loopgraaf gedekt was.

De twee soldaten, die hem verlaten hadden, kwamen hem voor den geest en herinnerden hem de twee moordenaars van twee dagen te voren; hij besloot dus nu te onderzoeken, waaraan hij zich te houden had, en liet zich op het lichaam van zijn makker vallen, alsof hij dood ware geweest. Hij zag toen onmiddellijk twee hoofden boven een verlaten verschansing uitkomen, die op dertig schreden afstands was. Het waren die van onze twee soldaten.

D’Artagnan had zich niet bedrogen; die mannen waren hem slechts gevolgd om hem te vermoorden, in de hoop dat de dood des jongelings op rekening van de vijanden zou worden gesteld. Daar het echter kon zijn, dat hij enkel gekwetst was, en derhalve hun misdaad kon openbaren, naderden zij om hem af te maken. Gelukkig werden zij door de list van d’Artagnan misleid en zij verzuimden hun geweren weer te laden.

Toen zij op tien schreden afstands van hem waren, stond d’Artagnan, die vallende gezorgd had zijn degen niet los te laten, eensklaps overeind en was in één sprong hen genaderd. De moordenaars begrepen dat, indien zij naar het legerkamp vloden zonder hun man te hebben gedood, zij door hem zouden worden aangeklaagd; daarom was hun eerste denkbeeld tot den vijand over te loopen. Een hunner nam het geweer bij den loop en bediende er zich van als een knots, d’Artagnan een geweldigen slag toebrengende; doch deze ontweek hem door op zijde te springen; maar tengevolge dezer beweging liet hij den bandiet een vrijen doorgang, die hiervan gebruik maakte om naar het bolwerk te vlieden.

Daar de belegerden van la Rochelle, die het bolwerk bewaakten, niet bekend waren met het oogmerk van hem, die naderde, gaven zij vuur, en hij viel door een kogel in de borst getroffen.

Intusschen had d’Artagnan zich tot den tweeden soldaat gewend en hem met den degen aangevallen. De strijd was van geen langen duur; de ellendeling had te zijner verdediging niets dan het afgeschoten vuurroer. De degen van den garde gleed langs den loop van het nutteloos geworden wapen en doorstak de dij van den moordenaar, die ter aarde viel.

D’Artagnan zette hem onmiddellijk de punt van het staal op de keel.--„Ach! dood mij niet!” riep de bandiet. „Genade, genade! mijn officier! en ik zal u alles zeggen.”--„Is uw geheim waard dat ik u het leven laat?” vroeg de jongeling.--„Ja, indien gij het leven van eenige waarde beschouwt voor iemand, die, zooals gij, twee en twintig jaar oud is, en die tot alles kan geraken, daar hij schoon en dapper is.”--„Ellendeling!” zeide d’Artagnan; „welaan, spreek; haast u! Wie heeft u den last gegeven mij te vermoorden?”--„Een vrouw, die ik niet ken, maar welke men milady noemt.”--„Maar indien gij die vrouw niet kent, hoe weet gij dan haar naam?”--„Mijn makker kent haar en noemt haar zoo; zij heeft met hem en niet met mij onderhandeld. Hij heeft bovendien in zijn zak een brief van die vrouw, welke voor u van het grootste belang moet zijn, naar hetgeen ik hem heb hooren zeggen.”--„Maar hoe komt gij dan deelgenoot te zijn in dien sluipmoord?”--„Hij heeft mij voorgeslagen gezamenlijk den slag te doen, en ik heb aangenomen.”--„En hoeveel heeft zij u voor die fraaie onderneming gegeven?”--„Honderd louis d’or.”--„Welzoo! dat is vrij wat,” zeide de jongeling glimlachende; „zij schat mij toch iets waard te zijn. Honderd louis d’or! dat is een goede som voor twee ellendelingen, zooals gij. Ik begrijp daarom, dat gij hebt aangenomen, en ik schenk u genade op één voorwaarde.”--„Welke?” vroeg de soldaat angstig, ziende dat alles nog niet geëindigd was.--„Dat is, mij den brief te halen, dien uw makker in zijn zak heeft.”--„Maar!” riep de bandiet, „dat is een ander middel om mij het leven te ontnemen. Hoe wilt gij, dat ik den brief krijg onder het vuur van het bolwerk?”--„Gij moet er echter toe besluiten hem te gaan halen, of ik zweer u, dat gij door mijn hand zult sterven.”--„Genade! mijnheer! barmhartigheid! in naam dier jonge vrouw, welke gij bemint, die gij misschien dood waant, doch die nog leeft!” riep de bandiet, knielende en zich met zijn hand ondersteunende; want hij begon met zijn bloed zijn krachten te verliezen.--„En hoe weet gij, dat ik een jonge vrouw bemin, en dat ik geloofde, dat die vrouw dood was?” vroeg d’Artagnan.--„Door dien brief, dien mijn makker in zijn zak heeft.”--„Gij ziet dus wel, dat ik dien brief moet hebben,” hernam d’Artagnan. „Derhalve geen langer uitstel, geen aarzeling meer, of, hoe groot mijn afkeer ook zij om ten tweeden male mijn degen in het bloed van een ellendeling als gij te doopen, ik zweer u op mijn woord van eerlijk man....”--En bij die woorden maakte d’Artagnan een zoo dreigend gebaar, dat de gekwetste opstond en, door angst gedreven, zijn moed verzamelende uitriep: „Wacht!.... wacht!.... ik zal gaan!.... ik zal gaan!....”

D’Artagnan nam het vuurroer van den soldaat, liet hem voorgaan en duwde hem naar zijn makker, door hem met zijn degen in de zijde te prikken.

Het was vreeselijk om te zien, hoe de rampzalige op den weg, langs welken hij ging, een lange streep bloed achterliet; bleek door den hem naderenden dood, trachtte hij zich, zonder gezien te worden, tot aan het lichaam van zijn medeplichtige te sleepen, die op twintig schreden afstands van daar lag. De vrees was zoo akelig op zijn aangezicht, waarlangs een koud zweet vloeide, uitgedrukt, dat d’Artagnan medelijden met hem had en hem met verachting beschouwde.

„Welaan!” zeide hij, „ik zal u het onderscheid toonen, dat er tusschen een moedige en een lafaard, zooals gij, bestaat. Blijf, ik zal gaan!”--En met snelle schreden, met een waakzaam oog de bewegingen des vijands gade slaande en van de gesteldheid van den weg voordeelig gebruik makende, naderde d’Artagnan den tweeden soldaat.

Er bleven hem twee middelen over om zijn doel te bereiken: hem te onderzoeken ter plaatse waar hij was, of hem weg te dragen en zich van zijn lichaam als van een schild te bedienen, om hem daarna in de loopgraaf te onderzoeken. D’Artagnan ging tot het tweede middel over en laadde den moordenaar op zijn schouder, op hetzelfde oogenblik dat de vijand vuur gaf. Een lichte schok, een laatste snik, het sidderen van den doodsstrijd, dat alles bewees aan d’Artagnan, dat hij, die hem had willen vermoorden, hem het leven had gered.

D’Artagnan trad weder de loopgraaf in en wierp het lijk naast den als den doode zoo bleeken gekwetste. Onmiddellijk deed hij onderzoek en vond een lederen brieventasch, een beurs, waarin blijkbaar een gedeelte der som was, die de bandiet had ontvangen, een dobbelkoker en dobbelsteenen; dat was alles, waaruit de erfenis van den gesneuvelde bestond. Hij liet den dobbelkoker en de dobbelsteenen liggen, waar zij gevallen waren, wierp de beurs den gekwetste toe en opende begeerig de brieventasch. Onder eenige niets beteekenende papieren vond hij den volgenden brief, welken hij met gevaar zijns levens had gehaald.

„Dewijl gij het spoor dezer vrouw hebt verloren en zij thans in zekerheid in dat klooster is, waarin gij haar nooit hadt moeten doen binnengaan, tracht nu ten minste den man niet te missen; zoo ja, dan weet gij dat ik lange armen heb, en dat u de honderd louis d’or, die gij van mij hebt ontvangen, duur te staan zullen komen.”

Geen onderteekening. Nochtans was het blijkbaar, dat de brief van milady was. Hij bewaarde dien bijgevolg als een bewijsstuk, en daar hij zich veilig achter den hoek der loopgraaf bevond, begon hij den gekwetste te ondervragen. Deze beleed, dat hij zich met zijn makker had verbonden een jonge vrouw te ontvoeren, die Parijs door de poort van la Villette moest verlaten; maar dewijl zij zich te lang in een herberg met drinken hadden opgehouden, was het rijtuig hen tien minuten vóór geweest.

„En wat zoudt gij met die vrouw gedaan hebben?” vroeg d’Artagnan in doodsangst.--„Wij moesten haar naar een hotel op het Koningsplein voeren,” antwoordde de gekwetste.--„Ja, ja,” mompelde d’Artagnan, „zoo is het wel, ten huize van milady zelve.”

Toen dacht de jongeling bevende aan de vreeselijke wraakzucht, welke die vrouw aanspoorde hem niet alleen, maar al degenen, die hem beminden, in het verderf te storten, en hoe goed zij met de hofzaken moest bekend zijn, daar zij alles had ontdekt. Zonder twijfel had zij deze mededeelingen aan den kardinaal te danken. Maar daarentegen begreep hij ook met een innig gevoel van blijdschap, dat het der koningin eindelijk was gelukt de gevangenis te ontdekken, waar de ongelukkige juffrouw Bonacieux haar toewijding boette, doch waaruit zij haar had bevrijd.

Toen werd de brief hem duidelijk, dien hij van de jonge vrouw had ontvangen, en ook haar voorbijrijden op den weg van Chaillot, dat veel van een geestverschijning had.--Van dat oogenblik af, zooals Athos had gezegd, was het mogelijk juffrouw Bonacieux weer te vinden, en een klooster was niet ondoordringbaar. Dat denkbeeld voltooide zijn stemming tot barmhartigheid, en hij wendde zich tot den gekwetste, die angstig al de veranderingen volgde, welke zich op zijn gelaat vertoonden.

„Welaan,” dacht hij, „ik wil hem op die wijze niet verlaten. Steun op mij en keeren wij naar het legerkamp terug.”--„Ja,” zeide de gewonde, die aan zooveel edelmoedigheid niet kon gelooven, „maar is het niet om mij te doen hangen?”--„Gij hebt mijn woord,” zeide hij, „en voor de tweede maal schenk ik u het leven.”

De gewonde liet zich op zijn knieën glijden en kuste opnieuw de voeten van zijn redder; maar d’Artagnan, die hoegenaamd geen reden meer had zoo dicht in de nabijheid des vijands te blijven, brak dadelijk die betuigingen van dankbaarheid af.

De garde, die bij het eerste vuur was teruggekeerd, had het sneuvelen zijner vier makkers aangekondigd; men was derhalve zeer verwonderd en tevens verheugd bij het regiment, toen men den jongeling springlevend zag terugkeeren. D’Artagnan verklaarde den degensteek het gevolg van een uitval, dien hij verzon. Hij verhaalde den dood van den anderen soldaat en de gevaren, die zij hadden geloopen. Het gevolg van dat verhaal was voor hem een wezenlijke zegepraal.

Geheel het leger sprak over deze onderneming gedurende een geheelen dag, en Monsieur liet hem van zijnentwege geluk wenschen. Overigens, daar elke goede daad haar belooning medebrengt, had de schoone daad van d’Artagnan het gevolg hem de rust weder te geven, die hij verloren had. Inderdaad, de jongeling meende nu gerust te kunnen zijn, dewijl van zijn twee vijanden de eene gedood, de andere aan zijn belangen was verbonden. Die gerustheid bewees, dat d’Artagnan milady volstrekt nog niet kende.

HOOFDSTUK XI.

De Anjou-wijn.

Na eenige zeer verontrustende tijdingen nopens de gezondheid des konings, begon eindelijk het gerucht zijner beterschap zich in het legerkamp te verspreiden, en daar hij zeer ongeduldig was het beleg bij te wonen, zeide men, dat, zoodra hij te paard kon stijgen, hij de reis zou aanvaarden. Onderwijl voerde Monsieur, die wist, dat hij alle oogenblikken in zijn bevelhebberschap zou kunnen vervangen worden, hetzij door den hertog van Angoulême, hetzij door Bassompierre of Schomberg, die het elkander betwistten, weinig of niets uit en verloor den tijd in verkenningen, niet een enkele groote onderneming durvende wagen, om de Engelschen van het eiland Ré, uit hetwelk zij de citadel St. Martijn bestookten, en uit het fort de la Prée te verjagen, terwijl de Franschen van hun kant la Rochelle belegerden. D’Artagnan, zooals wij zeiden, was geruster geworden, zooals steeds het geval is, wanneer men een gevaar ontsnapt, en dat gevaar schijnt verdwenen te zijn.

Er bleef hem slechts een bekommering over, namelijk die, hoegenaamd geen tijding van zijn vrienden te ontvangen. Maar op zekeren ochtend werd hem alles opgehelderd door den volgenden brief, gedagteekend uit Villeroy.

„Mijnheer d’Artagnan!

De heeren Athos, Porthos en Aramis, na een groot feest bij mij gegeven en zich zeer vermaakt te hebben, zijn echter zoo luidruchtig geweest, dat de provoost van het kasteel, een zeer streng man, hen voor eenige dagen huis-arrest heeft gegeven. Ik vervul de bevelen, die zij mij hebben opgedragen, u een dozijn flesschen van mijn wijn van Anjou te zenden, waarvan zij groote liefhebbers schijnen te zijn; zij verlangen, dat gij hun geliefkoosden wijn op hun gezondheid drinkt.

Ik ben, mijnheer! met diepen eerbied, Uw zeer onderdanige en zeer gehoorzame dienaar,

Godeau,

Kastelein der H.H. Musketiers.”

„Bravo!” riep d’Artagnan, „zij herinneren zich mijner in hun vermaken, zooals ik aan hen in mijn verdriet denk; welzeker zal ik op hun gezondheid drinken, met veel pleizier, maar niet alleen.”--En d’Artagnan begaf zich tot twee gardes, met wie hij meer vriendschap dan met de overige onderhield, om hen uit te noodigen bij hem den heerlijken wijn van Anjou te komen drinken, dien hij van Villeroy had ontvangen.

Een der gardes was voor dienzelfden avond elders genoodigd, en de andere voor den volgenden dag, de samenkomst werd dus op twee dagen later bepaald.

D’Artagnan zond zijn twaalf flesschen naar de gelagkamer der gardes, met aanbeveling er goede zorg voor te dragen. Vervolgens, toen de dag van het feest dáár was, terwijl het maal tegen twaalf uur des middags was bepaald, zond d’Artagnan reeds te negen uur Planchet, om alles in orde te brengen.

Planchet, trotsch tot de waardigheid van hofmeester te zijn verheven, peinsde er over, hoe zijn last op een waardige wijze te vervullen. Tot dat einde vereenigde hij zich met den knecht van een der genoodigden zijns meesters, Fourreau genaamd, en ook met Brisemont, dien gewaanden soldaat, welke onzen held had willen vermoorden, maar die, tot geen corps behoorende, in dienst van d’Artagnan was gegaan, of liever in dien van Planchet, sedert d’Artagnan hem het leven had gered.

Toen het uur van den maaltijd had geslagen, verschenen beide genoodigden, die plaats namen, terwijl de gerechten op tafel werden gerangschikt; Planchet bediende, met het servet onder den arm, Fourreau trok de flesschen open, en Brisemont, bijna hersteld, goot in kristallen karaffen den wijn over, die, naar het scheen, door het hotsen op den weg troebel was geworden. Uit de eerste flesch van dien wijn goot Brisemont het bezinksel in een glas, hetwelk d’Artagnan hem veroorloofde te ledigen, want de arme duivel had al zijn krachten nog niet terug.

Na de soep te hebben gebruikt, wilden de genoodigden het eerste glas wijn aan hun lippen zetten, toen eensklaps kanonschoten van het fort Louis en het nieuwe fort weergalmden. Onmiddellijk grepen de gardes, meenende dat het een onverwachte aanval der belegerden of der Engelschen betrof, hun degens; d’Artagnan deed evenzoo, en alle drie verwijderden zich al loopende, om zich op hun posten te begeven. Maar nauwelijks waren zij uit de gelagkamer, of zij vernamen de oorzaak van dat gerucht. Het geroep „leve de koning! leve de kardinaal!” weergalmde van alle zijden, en de trommels roffelden in alle richtingen. En inderdaad, in zijn ongeduld had de koning twee pleisterplaatsen overgeslagen en kwam op dat oogenblik met geheel zijn huis en een versterking van tien duizend man aan.

Zijn musketiers gingen hem voor en volgden hem. D’Artagnan, met zijn kompagnie langs den weg geschaard, groette met een uitdrukkelijk gebaar zijn vrienden en den heer de Tréville, dien hij dadelijk ontwaarde. Nadat de plechtigheid der ontvangst afgeloopen was, waren de vier vrienden spoedig vereenigd.

„Pardieu!” riep d’Artagnan, „gij kondt op geen beter oogenblik gekomen zijn, en het eten heeft den tijd nog niet gehad, koud te worden. Niet waar, heeren!” voegde de jongeling er bij, zich tot de beide gardes wendende, die hij aan zijn vrienden voorstelde.--„Ha! ha! het schijnt dat wij smullen,” zeide Porthos.--„Ik hoop,” zeide Aramis, „dat er geen vrouw aan tafel is?”--„Is er gebottelde wijn in uw kroeg?” vroeg Athos.--„Wel, de uwe, pardieu! beste vriend!” antwoordde d’Artagnan.--„Onze wijn?” liet Athos verwonderd hooren.--„Ja, dien gij mij gezonden hebt.”--„Hebben wij u wijn gezonden?”--„Wel ja, gij weet immers wel, dien lichten wijn van Anjou?”--„Ja, ik ken den wijn heel wel, dien gij bedoelt.”--„Het is die wijn, van welken gij zooveel houdt.”--„Zeker, als ik geen Chambertin of Champagne heb.”--„Welnu, bij gebrek aan Chambertin of Champagne zult gij u met dezen moeten tevreden stellen.”--„Gij hebt dus wijn van Anjou laten komen, gij lekkerbek?” vroeg Porthos.--„Wel neen, het is de wijn, die mij van uwentwege is gezonden.”--„Van onzentwege?” riepen de musketiers.--„Zijt gij het, Aramis,” vroeg Athos, „die wijn hebt gezonden?”--„Neen.”--„Indien gij het niet zijt, dan is het uw kastelein,” zeide d’Artagnan.--„Onze kastelein?”--„Wel zeker, uw kastelein: Godeau, kastelein der musketiers.”--„Zoo! laat hij zijn van wien hij wil, het doet er niet toe,” zeide Porthos, „proeven wij hem, en als hij goed is, laat ons hem drinken.”--„Neen,” zeide Athos, „drinken wij geen wijn van welken wij den oorsprong niet kennen.”--„Gij hebt gelijk, Athos,” zeide d’Artagnan. „Heeft niemand uwer den kastelein Godeau gelast mij wijn te zenden?”--„Neen, en heeft hij u nochtans uit onzen naam gezonden?”--„Ziehier den brief,” zeide d’Artagnan, en hij toonde het biljet aan zijn vrienden.--„Dat is zijn schrift niet,” zeide Athos. „Ik ken het, want ik ben het geweest, die voor ons vertrek de rekening der gemeenschappelijke vertering met hem heb vereffend.”--„Het is een valsche brief,” zeide Porthos, „wij hebben geen huis-arrest gehad.”--„D’Artagnan!” zeide Aramis op berispenden toon, „hoe hebt gij kunnen gelooven, dat wij gerucht zouden hebben gemaakt?”

D’Artagnan verbleekte, een stuipachtige beving schudde al zijn leden.--„Gij verschrikt mij,” zeide Athos, „wat is u toch gebeurd?”--„Haasten wij ons, mijn vrienden!” riep d’Artagnan, „een vreeselijk vermoeden verheft zich in mijn ziel; zou het wederom de wraak dier vrouw zijn?”--Nu verbleekte Athos op zijn beurt.

D’Artagnan snelde naar de gelagkamer, de drie musketiers en de twee gardes volgden hem. Het eerste voorwerp, dat den blik van d’Artagnan trof, toen hij de eetzaal binnentrad, was Brisemont, die zich in vreeselijke stuiptrekkingen op den grond wentelde. Planchet en Fourreau, bleek als lijken, waren bezig hem hulp te verleenen, maar het was blijkbaar, dat alle hulp vruchteloos was, het aangezicht van den stervende was door den doodsstrijd akelig misvormd.

„Ha!” riep hij, toen hij d’Artagnan bespeurde, „ha! dat is afgrijselijk, gij houdt u, alsof gij mij vergiffenis schenkt, en gij vergiftigt mij!”--„Ik?” riep d’Artagnan, „ik, rampzalige! maar wat durft gij zeggen?”--„Ik zeg, dat gij het zijt, die mij hebt gezegd, dien te willen drinken; ik zeg, dat gij u op mij hebt willen wreken; ik zeg, dat het afgrijselijk is.”--„Geloof dat niet, Brisemont!” zeide d’Artagnan. „Geloof het niet, ik bezweer u.”--„O! maar God is daar! God zal u straffen! Mijn God! dat hij eenmaal lijde, wat ik lijd.”--„Op het evangelie zweer ik u!” riep d’Artagnan, zich naast den stervende werpende, „dat ik niet wist, dat die wijn vergiftigd was, en ik zooals gij hem zou gedronken hebben.”--„Ik geloof u niet,” zeide de soldaat, en hij gaf den geest in een nieuwen, meer hevigen aanval van smarten.--„IJselijk! ijselijk!” mompelde Athos, terwijl Porthos de flesschen verbrak en Aramis, hoewel wat laat, het bevel gaf een biechtvader te gaan halen.

„Ach, mijn vrienden,” zeide d’Artagnan, „gij hebt mij wederom het leven gered; niet alleen het mijne, maar ook dat van die heeren. Mijne heeren!” ging hij voort, zich tot de gardes wendende, „ik verzoek u geheimhouding over het gebeurde: groote personages mochten in hetgeen gij hebt gezien betrokken zijn, en de kwade gevolgen er van zouden op ons neerkomen.”--„Ach, mijnheer!” stamelde Planchet, meer dood dan levend, „ach, mijnheer! wat ben ik het aardig ontsnapt.”--„Ha, knaap!” riep d’Artagnan, „gij wildet dus van mijn wijn drinken!”--„Op de gezondheid van den koning, mijnheer! was ik gereed een glas te ledigen, indien Fourreau mij niet had gezegd, dat ik geroepen werd.”--„Helaas!” zeide Fourreau, die van angst klappertandde, „ik wilde hem verwijderen om alleen te drinken.”--„Mijne heeren!” zeide d’Artagnan, zich tot de gardes wendende, „gij begrijpt, dat een dergelijk feestmaal, na hetgeen er gebeurd is, niet dan zeer treurig kan zijn, ik verzoek u dus mijn verontschuldigingen wel te willen aannemen, en bid u de partij tot een anderen dag uit te stellen.”

De twee gardes namen beleefdelijk deze verontschuldiging aan, en begrijpende dat de vier vrienden wenschten alleen te blijven, vertrokken zij.

Toen de jonge garde en de drie musketiers zonder getuigen waren, beschouwden zij elkander met een gebaar, dat te kennen gaf, dat zij het gevaarlijke van hun toestand beseften.

„Vooreerst,” zeide Athos, „verlaten wij dit vertrek, het gezelschap van een lijk is niet zeer aangenaam.”--„Planchet!” zeide d’Artagnan, „ik gelast u het lijk van dien armen duivel te bewaken en te zorgen, dat hij in gewijde aarde begraven wordt. Het is waar, hij heeft een misdaad bedreven, maar hij heeft er berouw over getoond.”--En de vier vrienden verlieten de kamer, Planchet en Fourreau de zorg overlatende aan Brisemont de laatste eer te bewijzen.

De kastelein gaf hun een andere kamer, waar men hun eieren in den dop voorzette, en bronwater, dat Athos in persoon ging putten. Eenige woorden waren genoeg om Porthos en Aramis met de gesteldheid van zaken bekend te maken.

„Ziet gij wel,” zeide d’Artagnan tot Athos, „mijn waarde vriend! dat het een strijd op leven en dood is.”--Athos schudde het hoofd.--„Ja, ik zie het wel, maar gelooft gij dat zij het is?”--„Ik ben er zeker van.”--„Ik moet u echter bekennen, dat ik nog twijfel.”--„Maar die lelie op den schouder?”--„Zij zal een Engelsche wezen, die men in Frankrijk wegens een door haar gepleegde misdaad zal hebben gebrandmerkt.”--„Athos! het is uw vrouw, zeg ik u,” antwoordde d’Artagnan, „herinnert gij u dan niet, hoe beide signalementen overeenkomen?”--„Ik meende echter, dat de andere dood was; ik had haar zoo goed opgehangen.”

Nu was het d’Artagnan, die op zijn beurt het hoofd schudde.--„Maar wat zullen wij eigenlijk beginnen?” vroeg hij.--„Inderdaad, wij kunnen niet eeuwig met het zwaard boven ons hoofd blijven,” zeide Athos, „wij moeten uit dien toestand zien te geraken. Maar hoe?”

„Luister,” antwoordde d’Artagnan, „tracht haar te ontmoeten, om een verklaring met haar te hebben. Zeg haar: ‚Oorlog of vrede. Ik geef u mijn woord van eer, nooit over u te spreken, nooit iets tegen u te doen. Zweer mij van uw kant plechtig, onzijdig jegens mij te blijven; zoo niet, dan vervoeg ik mij tot den kanselier, ik wend mij tot den koning, ik ga den beul een bezoek brengen; ik zal het hof tegen u ophitsen en u als een gebrandmerkte tentoonstellen; ik zal u doen veroordeelen; en mocht men u vrijspreken, dan, dat zweer ik u op mijn woord van edelman, dan zal ik u, achter den een of anderen straatpaal, als een razenden hond doodschieten.’”

„Dat middel bevalt mij tamelijk wel, maar hoe haar te ontmoeten?”--„De tijd, mijn waarde vriend, zal de gelegenheid medebrengen; de gelegenheid is het geluk van den speler, hoe meer men heeft verloren, des te meer wint men, wanneer men weet te wachten, omringd van moordenaars en giftmengers....”--„Och!” zeide Athos, „God heeft ons tot heden behoed, God zal ons nog langer behoeden.”--„Ja, wij, wij zijn in elk geval mannen, en alles wel beschouwd, is het ons beroep ons leven te wagen; maar zij....” voegde hij er half luid bij.--„Wie zij?” vroeg Athos.--„Constance.”--„Juffrouw Bonacieux? O! het is waar ook,” zeide Athos. „Arme vriend! ik vergat, dat gij verliefd zijt.”

„Wel, vrienden!” zeide Aramis; „hebt gij dan niet in den brief, die bij den gesneuvelden ellendeling is gevonden, gezien, dat zij zich in een klooster bevond? Men is zeer goed in een klooster, en zoodra het beleg van la Rochelle zal geëindigd zijn, beloof ik u, wat mij betreft....”--„Goed,” zeide Athos, „goed. Ja, wij weten, goede Aramis! wij weten, dat uw begeerten naar het godsdienstige haken.”--„Ik ben slechts musketier ad interim,” zeide Aramis nederig.--„Het schijnt, dat hij in langen tijd geen tijding van zijn minnares heeft ontvangen,” zeide Athos zacht; „maar let er niet op, wij kennen dat.”--„Welnu,” zeide Porthos, „ik geloof, dat er een zeer eenvoudig middel is.”--„Welk?” vroeg d’Artagnan.--„Zij is in een klooster, zooals gij zegt?” hernam Porthos.--„Ja.”--„Welnu, zoodra het beleg zal geëindigd zijn, zullen wij haar uit dat klooster ontvoeren.”--„Maar men moet eerst weten in welk klooster zij is.”--„Dat is waar,” zeide Porthos.--„Maar ik herinner mij,” zeide Athos, „meent gij niet, waarde d’Artagnan, dat het de koningin is, die dat klooster voor haar heeft gekozen?”--„Ja, ik geloof het althans.”--„Wel, dan zal Porthos ons hierin kunnen helpen.”--„Hoe dat, als ik u mag verzoeken?”--„Wel, door uw markiezin, uw hertogin, uw prinses; deze moet lange armen hebben.”--„Stil!” zeide Porthos, den vinger op zijn mond leggende; „ik geloof, dat zij kardinaalsgezind is, zij mag niets weten.”--„Dan,” zeide Aramis, „belast ik mij haar te vinden.”--„Gij, Aramis!” riepen de drie vrienden, „gij, en hoe dat?”--„Door den aalmoezenier der koningin, van wien ik een zeer goed vriend ben,” zeide Aramis blozende.

En op die verzekering scheidden de vier vrienden, die, na hun soberen maaltijd geëindigd te hebben, afspraken elkander denzelfden avond weer te zien. D’Artagnan keerde naar het Minderbroederklooster terug, en de drie musketiers naar het hoofdkwartier des konings, waar zij hun kwartieren hadden doen gereed maken.

HOOFDSTUK XII.

De herberg De Roode Duiventoren.

Nauwelijks in het legerkamp gekomen, wilde de koning, in zijn ongeduld om zich in de tegenwoordigheid des vijands te bevinden, en den haat van den kardinaal tegen Buckingham deelende, al het vereischte aanwenden, vooreerst om de Engelschen van het eiland Ré te verjagen, en ten tweede om het beleg van la Rochelle te bespoedigen, maar ondanks zich zelven werd hij hierin opgehouden door de oneenigheden, die er tusschen de heeren Bassompierre en Schomberg aan de eene en den hertog d’Angoulême aan de andere zijde uitbraken....

De heeren Bassompierre en Schomberg, als maarschalken van Frankrijk, eischten het recht, om onder het oog des konings het opperbevel des legers te voeren, maar de kardinaal, vreezende dat Bassompierre, die inwendig Hugenoot was, slechts flauwelijk de Engelschen en de inwoners van la Rochelle, zijn geloofsgenooten, zou bestoken, droeg daarentegen den hertog d’Angoulême voor, dien de koning, op zijn inblazing, tot luitenant-generaal had benoemd. Hieruit volgde, dat, wilde men de heeren Bassompierre en Schomberg het leger niet zien verlaten, men verplicht was, aan elk hunner een bijzonder bevelhebberschap te geven.

Bassompierre vestigde zijn hoofdkwartier ten noorden der stad, van af Laleu tot aan Dompierre, de hertog van Angoulême het zijne ten oosten van Dompierre tot aan Périgny, en de heer Schomberg ten zuiden van Périgny tot aan Angoulin.

Het kwartier van Monsieur was te Dompierre. Dat van den koning nu eens te Estré dan weer te la Jarrie. Eindelijk was het hoofdkwartier van den kardinaal op de duinen, bij de brug de la Pierre, in een eenvoudig huis zonder eenige verschansingen. Zoo was het, dat Monsieur Bassompierre gadesloeg, de koning den hertog d’Angoulême en de kardinaal den heer Schomberg. Eenmaal dit bepaald zijnde, hield men zich bezig de Engelschen van het eiland Ré te verjagen.

De gelegenheid hiervoor was gunstig. De Engelschen, die vooral, om goede soldaten te zijn, goede levensmiddelen behoeven, aten niets dan pekelvleesch en slechte beschuit en hadden in hun legerkamp een aantal zieken; daarenboven vergingen dagelijks op zee--in dat jaargetijde langs geheel de westelijke kust zeer gevaarlijk--vele kleine vaartuigen, zoodat de kust, van de punt de l’Aiguillon tot aan de loopgraven, letterlijk bij elken vloed overdekt was met verbrijzelde pinken en andere kleine schepen. Het gevolg hiervan moest noodwendig zijn, dat, al hielden des konings troepen zich rustig in hun legerkamp, Buckingham, die slechts uit stijfhoofdigheid op het eiland Ré bleef, genoodzaakt zou zijn het beleg op te breken.

Maar dewijl de heer de Toiras liet zeggen, dat in het vijandelijk legerkamp aanstalten tot een nieuwen aanval werden bespeurd, oordeelde de koning dat er een einde aan moest worden gemaakt, en hij gaf de noodige bevelen tot een beslissenden slag.

Daar het ons voornemen niet is een dagboek van de belegering te schrijven, maar integendeel slechts die gebeurtenissen aan te halen, welke in verband met ons verhaal staan, zullen wij ons bepalen met een paar woorden te zeggen, dat de onderneming tot groot genoegen van den koning en tot den meest mogelijken roem van den kardinaal gelukte. De Engelschen, voet voor voet teruggedreven, in al de gevechten geslagen, verplet bij den overgang van het eiland, werden genoodzaakt zich in te schepen, op het slagveld twee duizend man latende, waaronder vijf kolonels, drie luitenant-kolonels, tweehonderd vijftig kapiteins en twintig voorname edellieden, vier stukken geschut en zestig vlaggen, die door Claude de Saint Simon naar Parijs gebracht, met groote praal aan de gewelven van de Onze Lieve Vrouwekerk werden opgehangen. Te Deums werden gezongen en vonden weerklank door geheel Frankrijk. De kardinaal was dus in staat de belegering voort te zetten, zonder althans voor het oogenblik iets van de Engelschen te vreezen te hebben. Maar, zooals wij zeggen, die rust was slechts kortstondig.

Een zendeling van den hertog van Buckingham, genaamd Montaigu, was gevangen genomen, en men had het bewijs in handen van bondgenootschap tusschen Duitschland, Spanje, Engeland en Lotharingen tegen Frankrijk. Vervolgens had men in het hoofdkwartier van Buckingham, hetwelk hij genoodzaakt was geweest plotseling te verlaten, papieren gevonden, die dat bondgenootschap bevestigden en, naar hetgeen de kardinaal in zijn Gedenkschriften verklaart, mevrouw de Chevreuse, en bijgevolg de koningin, zeer verdacht maakten. Het was op den kardinaal dat de geheele verantwoordelijkheid rustte; want men is niet oppermachtig minister zonder verantwoordelijk te zijn.

De hulpmiddelen van zijn veelomvattenden geest waren dan ook dag en nacht werkzaam, en hij luisterde met inspanning naar de minste beweging, welke zich in een of ander der groote rijken van Europa verhief. De kardinaal kende de bedrijvigheid en den haat van Buckingham: indien het bondgenootschap, dat Frankrijk bedreigde, zegevierde, was Richelieu’s invloed vernietigd.

De Spaansche en Oostenrijksche staatkunde had haar vertegenwoordigers in het kabinet van het Louvre, waar zij tot hiertoe slechts partijgangers had gehad. Hij, Richelieu, de Fransche, de bij uitnemendheid nationale minister, was verloren; de koning, die, hem als een kind gehoorzamende, hem als een kind dat zijn meester verfoeit haatte, gaf hem aan de dubbele wraak van Monsieur en de koningin over. Hij was verloren, en misschien Frankrijk met hem; en dat alles moest worden voorkomen.

Men zag dan ook de koeriers alle oogenblikken talrijker worden en elkander dag en nacht in dat kleine huis aan de brug de la Pierre, waar de kardinaal zijn kwartier had gevestigd, opvolgen. Nu eens waren het monniken, die hun pij zoo slecht droegen, dat men gemakkelijk kon zien, dat zij vooral tot de strijdende kerk behoorden; dan weder vrouwen, min of meer gedwongen haar pagegewaad dragende, van hetwelk de breede poffen niet volkomen de fraaie ronding harer gestalte konden verbergen; eindelijk boeren met vuile handen, maar met welgevormde beenen, waaraan men den edelman op een uur afstands kon herkennen. Vervolgens nog andere, minder aangename bezoekers; want twee of drie malen verspreidde zich het gerucht, dat de kardinaal op het punt was geweest vermoord te worden. Het is waar, de vijanden Zijner Eminentie zeiden, dat de kardinaal op zich zelven onhandige moordenaars afzond, ten einde bij voorkomende gelegenheid het recht van wedervergelding te kunnen uitoefenen; maar men moet geen geloof slaan noch aan de gezegden der ministers, noch aan hetgeen hun vijanden zeggen.

Dit alles echter belette den kardinaal niet, aan wien zijn hevigste tegenstanders nooit persoonlijken moed hebben kunnen betwisten, nachtelijke tochten te doen; nu eens om den hertog van Angoulême gewichtige bevelen over te brengen, dan weder om zich met den koning te verstaan, een andermaal om zich met een of anderen bode, dien hij niet verkoos bij zich te ontvangen, te onderhouden.

Van hun kant leidden de musketiers, die bij de belegering niet veel te doen hadden en aan geen strenge krijgstucht onderworpen waren, een vroolijk leven. Dat was vooral voor onze drie vrienden des te gemakkelijker, daar zij, tot de vrienden van den heer de Tréville behoorende, zonder veel moeite van hem de vergunning verkregen, om na het sluiten van het legerkamp met bijzondere verlofpassen uit te blijven.

Op zekeren avond, dat d’Artagnan, die de wacht bij de loopgraven had, hen niet had kunnen vergezellen, kwamen Athos, Porthos en Aramis, op hun strijdpaarden gezeten en in hun krijgsmantels gewikkeld, een hand op den knop van hun pistool latende rusten, van een herberg terug, die Athos een paar dagen te voren had ontdekt op den weg van la Jarrie en die de Roode Duiventoren heette. Zij volgden den weg naar het legerkamp, zooals wij zeiden, met behoedzaamheid voortrijdende, uit vrees in een hinderlaag te vallen, toen zij op ongeveer een kwartieruurs afstands van het dorp Boisneau paardengetrappel hoorden, dat hen naderde. Dadelijk bleven alle drie, zich naast elkander scharende, op het midden van den weg staan. Na eenige oogenblikken, terwijl de maan van achter een wolk te voorschijn kwam, zagen zij om den hoek van een weg twee ruiters verschijnen, die, hen ontwarende, op hun beurt bleven staan en met elkander schenen te raadplegen, of zij hun weg zouden vervolgen of terugkeeren. Die aarzeling deed de drie vrienden iets kwaads vermoeden, en Athos, eenige schreden vooruitgaande, riep met vaste stem: „Werda!”--„Werda? vragen wij u,” antwoordde een der twee ruiters.--„Dat is geen antwoord,” hernam Athos. „Werda! antwoord, of wij vallen aan!”--„Wees er op bedacht wat gij wilt doen, mijne heeren!” zeide daarop een helderklinkende stem, die gewoon scheen het commando te voeren.

„Het is een of ander hoofdofficier, die zijn nachtronde doet,” zeide Athos, tot zijn vrienden terugkeerende. „Wat wilt gij doen, heeren?”

„Wie zijt gij?” vroeg dezelfde stem op denzelfden gebiedenden toon; „antwoord op uw beurt, of uw ongehoorzaamheid zou u kwalijk kunnen bekomen.”--„Musketiers des konings!” riep Athos, meer en meer overtuigd dat hij, die hem dit vroeg, er recht toe had.--„Welke kompagnie?”--„Kompagnie van Tréville.”--„Treedt voorwaarts en geeft rekenschap van wat gij hier ter plaatse zoo laat doet.”

De drie musketiers naderden, nu een weinig ootmoediger, want zij waren nu alle drie overtuigd, dat zij met machtiger dan zij waren te doen hadden. Men liet overigens aan Athos het woord over. Een der twee ruiters, hij die na den eersten het woord had opgenomen, was ongeveer tien schreden van zijn tochtgenoot verwijderd. Athos gaf aan Porthos en Aramis een teeken om ook achter te blijven en naderde alleen.

„Verontschuldig mij, mijn officier!” zeide Athos, „wij wisten niet met wien wij te doen hadden, en gij kunt zien, dat wij waakzaam zijn.”--„Uw naam!” zeide de officier, die met zijn mantel een gedeelte van zijn aangezicht bedekte.--„Maar, mijnheer!” hernam Athos, die zich tegen die soort van inquisitoriale ondervraging begon te verzetten, „ik verzoek eerst mij het bewijs te geven, dat gij het recht hebt mij te ondervragen.”--„Uw naam!” hernam voor de tweede, maal de ruiter, terwijl hij zijn mantel liet vallen, waardoor zijn gelaat werd ontbloot.--„Zijne Eminentie de kardinaal!” riep de musketier ontsteld.--„Uw naam!” herhaalde voor de derde maal Zijne Eminentie.--„Athos,” antwoordde de musketier.

De kardinaal wenkte zijn stalmeester, die nader trad.--„Die drie musketiers zullen ons volgen,” zeide hij zacht tot hem, „ik wil niet, dat men wete, dat ik het legerkamp heb verlaten, en ons volgende, zijn wij zeker dat zij het aan niemand zullen zeggen.”

„Wij zijn edellieden, Uwe Eminentie!” zeide Athos, „eisch dus ons woord van eer, en verontrust u over niets. Goddank! wij weten een geheim te bewaren.”

De kardinaal vestigde zijn doordringenden blik op den stoutmoedigen spreker.--„Gij hebt een scherp gehoor, mijnheer Athos!” zeide de kardinaal, „maar luister, het is niet uit wantrouwen, dat ik u verzoek mij te volgen, het is voor mijn zekerheid; zonder twijfel zijn uw twee gezellen de heeren Porthos en Aramis?”--„Ja, Uwe Eminentie!” zeide Athos, terwijl de twee musketiers, die waren achtergebleven, met den hoed in de hand naderden.--„Ik ken u, heeren! ik ken u! ik weet wel, dat gij juist niet tot mijn vrienden behoort, en dat doet mij leed; doch ik weet, dat gij moedige, trouwe edellieden zijt, en men zijn vertrouwen in u kan stellen. Mijnheer Athos! bewijs mij dus de eer mij te vergezellen, gij en uw twee vrienden, en ik zal een geleide hebben, waarop Zijne Majesteit zou afgunstig zijn, indien wij hem mochten ontmoeten.”

De drie musketiers bogen tot op den hals van hun paarden.--„Op mijn eer,” zeide Athos, „Uwe Eminentie heeft gelijk ons mede te nemen: wij hebben op den weg al zeer afzichtelijke lieden ontmoet, en zelfs met vier er van in de Roode Duiventoren twist gehad.”--„Twist! en waarom, mijne heeren?” zeide de kardinaal, „gij weet wel, dat ik van geen twistzoeken houd.”--„Het is juist uit dien hoofde dat ik de eer heb Uwe Eminentie van het gebeurde kennis te geven, want zij zou het door anderen dan door ons kunnen vernemen, en tengevolge van een kwalijk overgebracht verslag ons als de schuldigen beschouwen.”--„En wat zijn de gevolgen van dezen twist geweest?” vroeg de kardinaal, de wenkbrauwen fronsende.--„Wel, mijn vriend Aramis, die hier is, heeft een lichten degensteek in den arm ontvangen, hetgeen hem niet zal beletten, zooals Uwe Eminentie zal zien, morgen bij de bestorming tegenwoordig te zijn, indien Uwe Eminentie dit beveelt.”--„Maar gij zijt niet van die lieden, welke zich zoo gemakkelijk degensteken laten toebrengen,” zeide de kardinaal. „Spreekt! weest oprecht, heeren! gij hebt er wel eenige teruggegeven; biecht op, gij weet, dat ik de macht heb absolutie te geven.”

„Ik, Uwe Eminentie!” zeide Athos, „heb niet eens den degen in de hand gehad, maar hem, met wien ik te doen had, in mijn armen genomen en uit het venster geworpen; hij schijnt in zijn val,” ging Athos met eenige aarzeling voort, „het dijbeen te hebben gebroken.”--„Zoo, zoo!” riep de kardinaal, „en gij, mijnheer Porthos?”

„Ik, Uwe Eminentie! wetende dat het tweegevecht verboden is, heb een bank opgenomen en een dier bandieten daarmede een slag gegeven, die hem, geloof ik, den schouder heeft verbrijzeld.”--„Fraai!” zeide de kardinaal, „en gij, mijnheer Aramis?”

„Ik, Uwe Eminentie, die van een zeer vredelievenden en zachten aard ben, en bovendien, hetgeen Uwe Eminentie misschien niet weet, op het punt sta tot den geestelijken stand over te gaan, ik wilde mijn vrienden van die ellendelingen scheiden, toen een hunner mij verraderlijk in den linkerarm een degensteek toebracht; toen was mijn geduld ten einde en ik trok op mijn beurt den degen, en daar hij opnieuw mij aanviel, meende ik te voelen, dat hij zich zelven aan mijn degen reeg, alleen weet ik zeer goed dat hij gevallen is en men hem met zijn makkers heeft weggedragen.”

„Duivelsch, mijne heeren!” zeide de kardinaal, „drie mannen in een herbergtwist neervellen! dat is de handen roeren. Maar uit wat oorzaak ontstond die twist?”--„Die ellendelingen waren dronken,” zeide Athos.... „bekend met de aankomst eener vrouw in die herberg, wilden zij de deuren openbreken.”--„En was die jonge vrouw jong en fraai?” vroeg de kardinaal met zekere ongerustheid.--„Wij hebben haar niet gezien, Uwe Eminentie!” antwoordde Athos.--„Hebt gij haar niet gezien? Ha! zeer goed!” hernam de kardinaal levendig; „gij hebt wèl gedaan de eer eener vrouw te verdedigen, en dewijl het naar de Roode Duiventoren is, dat ik mij begeef, zal ik dra weten of gij mij de waarheid hebt gezegd.”

„Mijnheer!” antwoordde Athos trotsch, „wij zijn edellieden, en al konden wij er ons hoofd door redden, zouden wij niet liegen.”--„Ook twijfel ik geen oogenblik aan hetgeen ge zegt, mijnheer Athos! geen oogenblik, maar,” ging hij voort, aan het gesprek een andere wending gevende, „was die dame dan alleen?”--„Die dame had zich met een cavalier in haar kamer opgesloten, maar dewijl die cavalier, ondanks het geweld, niet te voorschijn kwam, is het te veronderstellen dat hij een lafaard is.”--„Oordeel niet vermetel, zegt het Evangelie,” hernam de kardinaal.--Aramis boog het hoofd.--„En thans, mijne heeren, is het wel, ik weet, wat ik verlangde te weten,” ging Zijne Eminentie voort, „volgt mij nu.”

De drie musketiers plaatsten zich achter den kardinaal, die opnieuw zijn aangezicht met den mantel bedekte en zijn paard aansporende, acht of tien schreden voor zijn vier geleiders voortreed.

Men bereikte spoedig de stille, eenzame herberg. Zonder twijfel wist de kastelein, welken doorluchtigen bezoeker hij zoude ontvangen; bijgevolg had hij de nieuwsgierigen verwijderd. Op drie schreden van de deur gaf de kardinaal aan zijn stalmeester en aan de drie musketiers een wenk te blijven staan. Een gezadeld paard was aan den ring van een vensterluik vastgemaakt; de kardinaal klopte drie malen op een bijzondere wijze. Een man in een mantel gewikkeld kwam onmiddellijk buiten en wisselde haastig eenige woorden met den kardinaal, waarna hij te paard steeg en in de richting van Surgères op den weg naar Parijs verdween.

„Nadert, heeren!” riep de kardinaal. „Gij hebt de waarheid gezegd, edellieden!” zeide hij, zich tot de drie musketiers wendende, „en het zal aan mij niet liggen, dat onze ontmoeting van heden u niet tot voordeel strekke.... Intusschen volgt mij.”

De kardinaal steeg af, de drie musketiers deden evenzoo, toen wierp de kardinaal den toom van zijn paard aan zijn stalmeester toe, terwijl de drie musketiers hun paarden aan de vensterluiken vastmaakten.

De kastelein bleef voor de deur staan, voor hem was de kardinaal niets meer dan een officier, die een dame kwam bezoeken.

„Hebt gij ook een benedenkamer, waar de heeren mij bij een goed vuur kunnen wachten?” vroeg de kardinaal.--De kastelein opende de deur van een groot vertrek, in hetwelk men juist een slechte kachel door een grooten flinken schoorsteen had vervangen.--„Deze is beschikbaar.”--„Dat is goed,” zeide de kardinaal. „Gaat daar binnen, heeren, en wacht mij, ik zal niet langer dan een half uurtje wegblijven.”

En terwijl de drie musketiers het benedenvertrek binnentraden, ging de kardinaal, zonder iets verder te vragen, de trap op, als iemand dien men den weg niet behoeft te wijzen.

HOOFDSTUK XIII.

Het nut der kachelpijpen.

Het is blijkbaar, dat, zonder het te weten en alleen gedreven door hun ridderlijken en avontuurlijken aard, onze drie vrienden een dienst hadden bewezen aan iemand, die door den kardinaal met zijn bijzondere bescherming werd vereerd. Maar wie was die iemand?

Het was deze vraag, die de musketiers elkander het eerst deden, vervolgens, toen zij zagen dat geen der antwoorden, welke hun verstand hun ingaf, voldoende was, riep Porthos den kastelein en vroeg om dobbelsteenen. Porthos en Aramis zetten zich aan tafel en begonnen te spelen. Athos wandelde, al peinzende, heen en weer. Alzoo peinzende en wandelende, ging Athos telkens de half afgebroken kachelpijp voorbij, van welke het andere einde in de bovenkamer uitkwam, en telkens als hij er voor heen en weer ging, hoorde hij een fluisterend gesprek, dat eindelijk zijn aandacht wekte. Athos naderde en onderscheidde eenige woorden, die hem ongetwijfeld zoo belangrijk schenen, dat hij zijn vrienden een wenk gaf stil te houden, terwijl hij, zijn oor voor de opening der pijp houdende, luisterend bleef staan.

„Luister, milady!” zeide de kardinaal, „de zaak is van het grootste belang. Ga zitten en praten wij eens....”

„Milady!” mompelde Athos.

„Ik luister naar Uwe Eminentie met de grootste aandacht,” antwoordde een vrouwenstem, die den musketier deed ontroeren.--„Een klein vaartuig, met Engelschen bemand en welks kapitein tot mijn orders is, wacht u aan den mond der Charente, nabij het fort la Pointe; het zal morgenochtend onder zeil gaan.”--„Ik moet dus nog hedennacht mij derwaarts begeven?”--„Oogenblikkelijk, dat is, na mijn voorschriften te hebben ontvangen. Twee mannen, die gij, hier uitgaande, voor de deur zult vinden, zullen u tot geleide verstrekken; ik zal het eerst vertrekken, vervolgens zult gij u een half uur daarna op uw beurt verwijderen.”--„Goed, Uwe Eminentie! Gelieve mij de zending mede te deelen, waarmede gij mij wilt belasten, en daar ik er prijs op stel, voortdurend met het vertrouwen van Uwe Eminentie vereerd te worden, zoo zou ik ze gaarne duidelijk, in bepaalde woorden van Uwe Eminentie vernemen, opdat er geen vergissing kan plaats hebben.”

Er ontstond voor eenige oogenblikken een diepe stilte tusschen de beide sprekers; blijkbaar overdacht de kardinaal de woorden, welke hij zou bezigen, terwijl milady al haar verstandvermogens inspande, om de zaken te begrijpen, die hij gereed was haar toe te vertrouwen, en na die gehoord te hebben, in haar geheugen te prenten.

Athos nam deze gelegenheid waar, om zijn vrienden te verzoeken de deur van binnen te sluiten, waarna hij hun een teeken gaf met hem te komen luisteren. De twee musketiers, die van hun gemak hielden, namen elk een stoel en een voor Athos. Alle drie zetten zich neder, de hoofden luisterend bij elkander stekende.

„Gij moet naar Londen vertrekken,” hernam de kardinaal; „daar gekomen zult gij Buckingham een bezoek brengen.”--„Ik moet Uwe Eminentie doen opmerken,” zeide milady, „dat sedert de zaak der diamanten haken, welke des hertogs vermoeden op mij heeft doen vallen, Zijne Genade mij wantrouwt.”--„Ook betreft het niet meer zijn vertrouwen te winnen, maar eerlijk en rondborstig in onderhandeling te treden.”--„Eerlijk en rondborstig?” herhaalde milady op een toon van onuitsprekelijke valschheid.--„Ja, rondborstig,” hernam de kardinaal op denzelfden toon; „die geheele zaak moet openlijk worden behandeld.”--„Ik zal letterlijk de voorschriften van Zijne Eminentie nakomen en wacht ze te ontvangen.”--„Gij zult Buckingham een bezoek brengen en hem van mijnentwege zeggen, dat ik al de toebereidselen ken, welke hij maakt, dat ik er mij evenwel weinig om bekommer, dewijl ik bij de eerste daad, die hij zal wagen, de koningin in het verderf stort.”--„Gelooft Uwe Eminentie, dat zij in staat is die bedreiging te vervullen?”--„Ja, want ik heb bewijzen.”--„Ik moet hem die bewijzen kunnen blootleggen.”--„En gij zult hem zeggen, dat ik het verslag van Bois Robert en van den markies de Beautru zal openbaar maken over de samenkomst, welke de hertog bij de vrouw van den konnetabel met de koningin heeft gehad, op den avond dat die dame een gemaskerd bal gaf; gij zult hem zeggen, opdat hij aan niets twijfele, dat hij er zich begeven heeft in het kostuum van den Grooten Mogol, dat de ridder de Guise moest hebben aan gehad, en hij het voor een som van drie duizend pistolen heeft gekocht.”--„Goed, Uwe Eminentie!”--„Al de bijzonderheden van zijn intrede en zijn uitgang des nachts, toen hij zich in het gewaad van een Italiaanschen waarzegger had verkleed, zijn mij bekend; gij zult hem zeggen, opdat hij wederom niet twijfele aan de echtheid mijner narichten, dat hij onder zijn mantel een ruim wit kleed aan had, bezaaid met zwarte tranen en doodshoofden op kruiselings gelegde doodsbeenderen, ten einde in geval van verrassing als de geest der Witte Dame te verschijnen, die, zooals algemeen bekend is, in het Louvre terugkeert, telkens wanneer een groote gebeurtenis ophanden is.”--„Is dat alles, Uwe Eminentie?”

„Zeg hem, dat ik al de bijzonderheden ken van zijn avontuur te Amiëns, dat ik er een kleinen, geestigen roman van zal doen schrijven met een platten grond van den tuin en de portretten der voornaamste acteurs van dat nachtelijk tooneel.”--„Ik zal het hem zeggen.”--„Zeg hem nog, dat Montaigu in mijn macht en in de Bastille is, dat men wel geen brieven bij hem heeft gevonden, maar dat de pijnbank hem alles zal doen zeggen wat hij weet, en zelfs.... wat hij niet weet.”--„Zeer goed.”--„Voeg er eindelijk bij, dat Zijne Genade, in de overhaasting waarmede hij het eiland Ré heeft verlaten, zekeren brief van mevrouw de Chevreuse in zijn kwartier heeft laten liggen, die op zonderlinge wijze de koningin verdacht maakt, daar hij niet alleen bewijst, dat Hare Majesteit de vijanden des konings kan beminnen, maar tevens dat zij met de vijanden van Frankrijk samenspant. Gij hebt alles, wat ik u gezegd heb, goed onthouden, niet waar?”

„Uwe Eminentie zal er over oordeelen: het bal van de vrouw des konnetabels, de nacht in het Louvre, de avond te Amiëns, de gevangenneming van Montaigu, de brief van mevrouw de Chevreuse.”--„Zoo is het,” zeide de kardinaal, „gij hebt een zeer goed geheugen, milady!”--„Maar,” hernam zij, tot wie de kardinaal dat compliment had gemaakt, „indien, ondanks al die redenen, de hertog zich niet onderwerpt en voortgaat Frankrijk te bedreigen?”--„De hertog is verliefd als een dwaas, of liever, als een onnoozele,” hernam Richelieu met bitterheid. „Zooals de oude ridders, heeft hij alleen dezen oorlog ondernomen om een blik zijner schoone te verkrijgen. Indien hij weet, dat die oorlog de eer en misschien de vrijheid van de dame zijner gedachten, zooals hij haar noemt, kan kosten, dan verzeker ik u zal hij zich bedenken.”--„En,” zeide milady met een aandrang, die bewees, hoe zij begeerde haar zending tot aan het einde helder in te zien, „en wanneer hij volhardt?”--„Indien hij volhardt!” zeide de kardinaal.... „dat is niet waarschijnlijk.”--„Dat is mogelijk,” hernam milady.--„Wanneer hij volhardt....”

De kardinaal zweeg een oogenblik en vervolgde toen: „Indien hij volhardt, welnu! dan zal ik op een dier gebeurtenissen hopen, welke het aanzicht der rijken veranderen.”--„Indien Uwe Eminentie mij uit de geschiedenis eenige dier gebeurtenissen wilde aanhalen,” zeide milady, „ik zou dan wellicht in zijn vertrouwen op de toekomst deelen.”

„Welnu! ziehier bijvoorbeeld,” zeide Richelieu: „Toen in 1610, voor een zaak bijna gelijk aan die, welke thans den hertog doet handelen, Hendrik IV, glorierijker gedachtenis, gelijktijdig Vlaanderen en Italië aanviel om Oostenrijk van beide zijden te treffen, welnu! is er toen niet iets gebeurd, waardoor Oostenrijk werd gered? Waarom zou de koning van Frankrijk niet een even goede kans hebben als de keizer van Oostenrijk?”--„Uwe Eminentie bedoelt den messteek in de straat la Féronnerie?”--„Ja,” zeide de kardinaal.--„Vreest Uwe Eminentie niet, dat de straf van Ravaillac hen zal afschrikken, die een oogenblik de gedachte mochten hebben hem na te volgen?”--„Er zijn in alle tijden en in alle landen, vooral wanneer die landen door verschillende godsdienstige sekten worden verdeeld, geestdrijvers, die niets liever begeeren dan als martelaars te sterven. En ziedaar, ik herinner mij juist, dat de Puriteinen woedend zijn op den hertog van Buckingham, en dat hun predikanten hem als den Antichrist voorstellen.”--„Welnu?” vroeg milady.

„Welnu,” ging de kardinaal op ongedwongen toon voort, „men zou voor het oogenblik, bijvoorbeeld, slechts een jonge, schoone, behendige vrouw moeten kennen, die zich op den hertog zou willen wreken. Zoodanige vrouw kan gevonden worden. De hertog is in de liefde een zeer gelukkig man, en indien hij door zijn belofte van eeuwige trouw veel liefde heeft gezaaid, heeft hij tevens veel haat moeten zaaien door zijn eeuwigdurende ongetrouwheden.”--„Zeker,” zeide milady koel, „een dergelijke vrouw kan gevonden worden.”--„Welnu! zoodanige vrouw, door het mes van Jacques Clement of van Ravaillac in de handen van een geestdrijver te stellen, zou Frankrijk redden.”--„Ja, maar zij zou de medeplichtige van een moordenaar zijn.”--„Heeft men ooit de medeplichtigen van Ravaillac of van Jacques Clement gekend?”--„Neen, want zij waren misschien te hooggeplaatst om hen te durven zoeken, waar zij waren. Men zal het gerechtshof niet voor iedereen in den brand steken, Uwe Eminentie!”--„Gelooft gij dan dat de brand van het gerechtshof door een andere oorzaak dan het toeval heeft plaats gehad?” vroeg Richelieu op den toon, alsof hij een vraag van niet het minste belang zou hebben gedaan.--„Ik, Uwe Eminentie!” antwoordde milady, „ik geloof niets. Ik haal een daadzaak aan, meer niet. Ik wil alleen zeggen, indien ik Mademoiselle de Montpensier of Maria de Médicis heette, ik minder voorzorgen zou nemen dan ik doe, omdat ik eenvoudig lady de Winter heet.”--„Dat is waar,” zeide Richelieu. „Wat begeert gij dan?”

„Ik begeer een volmacht, die vooraf alles goedkeurt, wat ik tot het welzijn van Frankrijk noodzakelijk acht te doen.”--„Maar ik zou eerst de vrouw moeten hebben gevonden, waarvan ik spreek, eene, die zich op den hertog zoude willen wreken.”--„Deze is gevonden,” zeide milady.--„Vervolgens zou die ellendige geestdrijver moeten worden gevonden, die der rechtvaardigheid Gods tot een werktuig moet strekken.”--„Men zal hem vinden.”--„Welnu!” zeide de kardinaal, „dan is het tijd genoeg de volmacht te vragen, die gij verlangt.”

„Uwe Eminentie heeft gelijk,” hernam milady, „en ik had ongelijk in de zending, waarmede zij mij vereert, iets anders te zien dan hetgeen werkelijk het geval is, namelijk: aan Zijne Genade vanwege Zijne Eminentie te berichten, dat gij de verschillende vermommingen kent, met behulp van welke hij er in geslaagd is de koningin te naderen gedurende het door de echtgenoot van den konnetabel gegeven feest; dat gij het bewijs hebt der samenkomst, door de koningin aan zekeren Italiaanschen waarzegger vergund, die niemand anders dan de hertog van Buckingham was; dat gij een zeer geestigen, kleinen roman hebt besteld, het avontuur te Amiëns tot onderwerp hebbende, met den platten grond van den tuin, waar het is voorgevallen, en de portretten der voornaamste acteurs, die er zich op hebben vertoond; dat Montaigu in de Bastille is en de pijnbank hem zaken kan doen openbaren, welke hij zich herinnert, en zelfs die, welke hij vergeten heeft; eindelijk, dat gij zekeren brief van mevrouw de Chevreuse bezit, in het hoofdkwartier van Zijne Genade gevonden, die niet alleen de schrijfster er van blootstelt, maar ook haar, in wier naam hij is geschreven. Als hij nu ondanks dit alles mocht volharden, blijft mij, dewijl mijn last zich niet verder uitstrekt, niets anders te doen over dan Gode te bidden een mirakel te doen, ter redding van Frankrijk. Het is immers wel alles, Uwe Eminentie, en ik heb niets anders te doen?”--„Dat is alles,” hernam de kardinaal droogjes.

„En nu,” zeide milady, zonder den schijn aan te nemen de toonsverandering van den kardinaal jegens haar op te merken, „nu ik de voorschriften Uwer Eminentie ten aanzien zijner vijanden heb ontvangen, zal het mij wel veroorloofd zijn Uwe Eminentie twee woorden over de mijnen te zeggen?”--„Gij hebt dus vijanden?” vroeg Richelieu.--„Ja, Uwe Eminentie! vijanden tegen welke ik uw bijstand noodig heb; want zij zijn zulks jegens mij in uw dienst geworden.”--„En wie zijn dat?” vroeg de kardinaal.--„Vooreerst een kleine intriguante, zekere juffrouw Bonacieux.”--„Zij is in de gevangenis te Mantes.”--„Ja, zij is er geweest,” hernam milady; „maar de koningin heeft van den koning een bevelschrift weten te krijgen, met welks hulp zij haar naar een klooster heeft doen vervoeren.”--„In een klooster?” vroeg de kardinaal.--„Ja, in een klooster.”--„En in welk?”--„Dat weet ik niet; men heeft het geheim zeer goed bewaard.”--„Maar ik zal het weten.”--„En zal Uwe Eminentie mij dan zeggen in welk klooster die vrouw is?”--„Hierin zie ik geen bezwaar,” antwoordde de kardinaal.

„Goed, nu heb ik nog een anderen vijand, voor wien ik oneindig meer ben bevreesd dan voor dat juffertje Bonacieux.”--„En wie?”--„Haar minnaar.”--„Hoe heet hij?”--„O! Uwe Eminentie kent hem!” riep milady, door gramschap vervoerd; „dat is ons beider kwade geest; hij is het, die in een gevecht met uw gardes de overwinning naar de zijde der musketiers heeft doen overhellen; hij is het, die de Wardes, uw zendeling, vier degensteken heeft toegebracht en de zaak der diamanten haken heeft doen mislukken; hij is het eindelijk, die, wetende dat ik het was, die juffrouw Bonacieux deed ontvoeren, mij den dood heeft gezworen.”--„Ha! ha! nu weet ik van wien gij wilt spreken.”--„Ik bedoel dien ellendigen d’Artagnan.”--„Dat is een stoutmoedige knaap,” zei de kardinaal.--„En juist wegens zijn stoutmoedigheid is hij het meest te vreezen.”--„Men moest,” hernam de kardinaal, „slechts één bewijs hebben van zijn verstandhouding met Buckingham.”--„Eén bewijs!” riep milady, „ik zal er tien krijgen!”--„Welnu! dan is het de eenvoudigste zaak der wereld; bezorg mij dat bewijs en ik zend hem naar de Bastille.”--„Goed, Uwe Eminentie! maar verder?”--„Wanneer men in de Bastille is, is er niets verder,” hernam de kardinaal op doffen toon.

„O, pardieu!” vervolgde hij, „ware het mij even gemakkelijk mij van mijn vijand te ontslaan als het gemakkelijk valt u van den uwen te bevrijden, en gij mij jegens dergelijke lieden straffeloosheid verzocht....”--„Uwe Eminentie!” hernam milady, „ruilen wij; leven voor leven, man voor man, geef mij hem, ik geef u den anderen.”--„Ik weet niet, wat gij wilt zeggen, en ik wil het ook niet weten,” zeide de kardinaal, „maar ik wensch u aangenaam te zijn en ik zie volstrekt geen beletsel u toe te staan, wat gij verlangt ten aanzien van een zoo nietig schepsel, te meer daar, zooals gij mij zegt, de jonge d’Artagnan een losbol, een voorvechter, een verrader is.”--„Een eerlooze! Uwe Eminentie! een eerlooze!”--„Geef mij dan papier, pen en inkt,” zeide de kardinaal.--„Ziehier, Uwe Eminentie!”--„Goed.”

Er heerschte een oogenblik stilte, welke bewees, dat de kardinaal bezig was de woorden te zoeken, welke het briefje, dat hij wilde schrijven, moest behelzen, of dat hij het werkelijk schreef. Athos, wien geen woord van het gesprek was ontgaan, nam zijn beide vrienden elk bij de hand en geleidde hen naar het andere einde der kamer.

„Welnu!” zeide Porthos, „wat wilt gij en waarom laat gij ons niet naar het einde van het gesprek luisteren?”--„Stil,” zeide Athos, „wij hebben alles gehoord, wat wij noodig hadden te hooren; buitendien, ik belet u niet naar het overige te luisteren, maar ik moet vertrekken.”--„Gij moet vertrekken?” zeide Porthos; „en indien de kardinaal naar u vraagt, wat zullen wij antwoorden?”--„Gij zult niet wachten, totdat hij u vraagt; gij zult hem dadelijk zeggen, dat ik ter verkenning vooruit ben gegaan, dewijl eenige den kastelein ontvallen woorden mij hebben doen vermoeden, dat de weg niet veilig was; ik zal er overigens een paar woorden aan den stalmeester van den kardinaal over zeggen; laat het andere aan mij over; weest niet ongerust.”--„Wees voorzichtig, Athos!” zeide Aramis.--„Wees gerust,” hernam Athos, „gij weet, ik ben koelbloedig.”

Porthos en Aramis hernamen hun plaatsen bij de kachelpijp. Athos vertrok zonder de minste geheimhouding; ging zijn paard, dat met die zijner vrienden aan de vensterluiken was gebonden, losmaken, verzekerde den stalmeester van de noodzakelijkheid eener voorhoede om terug te keeren, onderzocht met geveinsde nauwkeurigheid de pan van zijn pistool, nam den degen tusschen de tanden en begaf zich als een verloren kind op den weg, die naar het legerkamp leidde.

HOOFDSTUK XIV.

Huwelijkstooneel.

Zooals Athos had voorzien, duurde het niet lang, of de kardinaal ging naar beneden. Hij opende de deur der kamer, waarin zich de musketiers bevonden, en zag Porthos en Aramis zeer druk samen dobbelen. Met een snellen blik had hij de geheele zaal overzien en bespeurde, dat een zijner manschappen ontbrak.

„Waar is de heer Athos gebleven?” vroeg hij.--„Eminentie!” antwoordde Porthos, „op eenige woorden, die de kastelein heeft laten ontvallen, is hij ter verkenning uitgegaan, in de veronderstelling, dat de weg niet veilig was.”--„En wat hebt gij gedaan, mijnheer Porthos?”--„Ik heb vijf pistolen van Aramis gewonnen.”--„En kunt gij thans met mij terugkeeren?”--„Wij zijn gereed, Uwe Eminentie te gehoorzamen.”--„Te paard dan, heeren! want het wordt laat.”

De stalmeester was voor de deur en hield het paard van den kardinaal bij den toom. Wat verder in de schaduw vertoonde zich een groep van twee mannen en drie paarden; die beide mannen waren zij, die milady naar het fort la Pointe, moesten geleiden en over haar bij haar inscheping waken.

De stalmeester bevestigde den kardinaal, hetgeen de twee musketiers hem omtrent Athos hadden gezegd. De kardinaal gaf zijn goedkeuring door een gebaar te kennen en nam den terugweg aan, dezelfde voorzorgen nemende, die hij, komende, had in acht genomen. Laten wij hem zijn weg naar het kamp vervolgen, en keeren wij tot Athos terug.

Een honderdtal schreden had hij in denzelfden stap voortgereden, maar zoodra hij buiten het gezicht was, wendde hij zijn paard rechts, maakte een omweg en keerde een twintigtal schreden op zijn weg terug, waar hij, in het kreupelhout verborgen, de kleine bende afwachtte; na de met galon bezette hoeden zijner vrienden en de gouden franje van des kardinaals mantel te hebben herkend, bleef hij zoo lang stil, totdat de ruiters den hoek van den weg achter zich hadden, en toen zij uit het gezicht waren verdwenen, keerde hij in vollen galop naar de herberg terug, die men voor hem, zonder eenige moeilijkheid, opende.--De kastelein herkende hem.

„Mijn officier!” zeide Athos, „heeft vergeten de dame der eerste verdieping iets zeer gewichtigs aan te bevelen, en hij zendt mij om zijn vergissing te herstellen.”--„Ga boven,” zeide de kastelein, „zij is nog in haar kamer.”

Athos maakte van het verlof gebruik, klom de trap zoo zacht mogelijk op, kwam in het portaal, en door de half geopende deur zag hij milady, die haar hoed opzette. Hij trad haar kamer binnen en sloot de deur achter zich. Athos stond voor de deur in zijn mantel gehuld en zijn hoed in de oogen gedrukt. Die stomme, onbeweeglijke gestalte ziende, werd milady angstig.

„Wie zijt gij, en wat wilt gij?” riep zij.

„Ja, zij is het wel,” mompelde Athos. En zijn mantel latende vallen en zijn hoed uit de oogen zettende, naderde hij milady.--„Herkent gij mij, mevrouw?” vroeg hij.

Milady naderde een schrede en trad vervolgens achteruit, alsof zij een slang had gezien.--„Goed,” zeide Athos, „ik zie, dat gij mij herkent.”--„De graaf de la Fère?” mompelde milady, verbleekende en terugdeinzende, totdat de muur haar belette verder te gaan.--„Ja, milady!” antwoordde Athos, „de graaf de la Fère in persoon, die om geen andere reden uit de andere wereld komt, dan om het pleizier te hebben u te zien.... Nemen wij ons gemak en praten wij eens, zooals de kardinaal zegt.”

Milady, door een onuitsprekelijken angst beheerscht, ging zitten, zonder één woord te spreken.

„Gij zijt een op de aarde gezonden duivel,” zeide Athos. „Uw macht is groot, dat weet ik, maar gij weet ook, dat met Gods hulp de menschen vaak de vreeselijkste duivels hebben overwonnen. Gij hebt u reeds op mijn weg gesteld, en ik meende u geveld te hebben, mevrouw! óf ik heb mij bedrogen, óf de hel heeft u weder uitgebraakt.”--Milady liet bij die woorden, welke haar zoo vreeselijke herinneringen voor den geest brachten, het hoofd met een gesmoorden zucht op de borst zinken.--„Ja, de hel heeft u weder uitgebraakt,” hernam Athos, „de hel heeft u rijk gemaakt, de hel heeft u een anderen naam gegeven, de hel heeft u zelfs bijna een ander aangezicht geschonken, maar zij heeft noch de smet van uw ziel, noch de vlek van uw lichaam gewischt.”

Milady stond als door een springveer bewogen op, en haar oogen schoten bliksemstralen.--Athos bleef zitten.

„Gij waandet mij dood, niet waar? zooals ik u dood waande; de naam van Athos heeft den naam des graven de la Fère bedekt, zooals de naam van milady de Winter dien van Anna de Breuil! Was het niet dus, dat gij u noemdet, toen uw eerwaardige broeder ons den huwelijkszegen gaf?--Onze wederzijdsche gesteldheid,” ging Athos lachende voort, „is waarlijk zonderling; wij hebben de een zoowel als de andere tot hiertoe geleefd, omdat wij elkander dood waanden, en omdat een herinnering minder grieft dan een schepsel, hoewel een herinnering soms knagend is.”

„Maar,” zeide milady, met gesmoorde stem, „wat voert u tot mij; en wat wilt gij eigenlijk?”--„Ik wil u zeggen, dat, ofschoon voor uw oogen steeds onzichtbaar, ik u echter niet uit het oog heb verloren.”--„Gij weet, wat ik heb gedaan?”--„Ik kan u dag voor dag uw daden verhalen, sedert den dag, dat gij in dienst van den kardinaal zijt getreden, tot op heden avond.”

Een glimlach van ongeloovigheid vertrok de lippen van milady.--„Luister! gij zijt het, die de diamanten haken van den schouder des hertogen van Buckingham hebt gesneden; gij zijt het, die juffrouw Bonacieux hebt doen ontvoeren; gij zijt het, die, op de Wardes verliefd en in de meening hem te ontvangen, uw deur voor den heer d’Artagnan opendet; gij zijt het, die, meenende dat de Wardes u had bedrogen, hem door zijn medeminnaar hebt willen doen om het leven brengen; gij zijt het, die, toen die medeminnaar uw schandelijk geheim had ontdekt, hem op zijn beurt door twee huurlingen, die gij hem hadt achterna gezonden, wildet doen vermoorden; gij zijt het, die, hoorende dat de kogels hun doel hadden gemist, vergiftigden wijn hebt gezonden, met een valschen brief, die uw slachtoffer moest doen gelooven, dat die wijn van zijn vrienden kwam;--gij zijt het eindelijk, die hier in deze kamer, op den stoel waarop ik zit, u jegens den kardinaal de Richelieu hebt verbonden den hertog van Buckingham te doen vermoorden, waarvoor hij u de belofte heeft gedaan, d’Artagnan aan uw moordzucht over te laten.”

Milady was lijkkleurig.--„Maar gij zijt dan Satan?” zeide zij.

„Misschien,” hernam Athos, „maar hoe het ook zij, luister goed; vermoord den hertog van Buckingham, dat is mij volkomen onverschillig, ik ken hem niet; en bovendien hij is een vijand van Frankrijk; maar raak aan geen enkel haar van het hoofd van d’Artagnan, die een getrouw vriend van mij is, dien ik bemin en bescherm, of ik zweer u bij het hoofd mijns vaders, de misdaad, die gij mocht beproeven te plegen, of gepleegd mocht hebben zal de laatste zijn.”--„De heer d’Artagnan heeft mij beleedigd,” zeide milady met een gesmoorde stem, „de heer d’Artagnan zal sterven.”--„Hoe is het mogelijk, mevrouw! dat men u kan beleedigen,” zeide Athos glimlachende; „hij heeft u beleedigd, en hij zal sterven?”--„Zij eerst en hij daarna.”

Athos werd als door een duizeling verblind; het gezicht van dat schepsel, hetwelk niets eener vrouw had, herinnerde hem iets vreeselijks; hij dacht aan den dag, toen hij in een minder gevaarlijk oogenblik dan dat, waarin hij zich thans bevond, haar reeds aan zijn eer had willen offeren; moordzucht overviel hem gloeiend als de koorts. Op zijn beurt stond hij op, haalde een pistool uit zijn gordel te voorschijn en trok den haan over.

Milady, bleek als een lijk, wilde om hulp roepen, maar haar verstijfde tong veroorloofde haar slechts een dof geratel voort te brengen, dat niets van een menschelijke stem had, en het gebrom van een wild dier scheen; tegen het donkerkleurig behangsel gedrongen, verhief zij zich met verwilderde haren als een levend schrikbeeld.

Athos hief langzaam het pistool op, strekte den arm uit, zoodat het wapen bijna het voorhoofd van milady raakte, en toen zeide hij met een stem, die vreeselijker was door de verheven kalmte van zijn onwrikbaar besluit: „Mevrouw! stel mij oogenblikkelijk het papier ter hand, door den kardinaal geteekend en u gegeven, of, bij mijn ziel, ik schiet u door de hersens.”

Tegenover een ander dan Athos zou milady eenigen twijfel hebben kunnen koesteren; maar zij kende hem. Zij bleef echter onbeweeglijk.--„Een seconde blijft u over om een besluit te nemen,” zeide hij.--Milady zag aan de vertrekking van zijn gelaat, dat het schot zou losgaan; zij bracht de hand aan haar boezem, haalde er een papier uit te voorschijn en reikte het Athos over.--„Ziedaar,” zeide zij, „en wees vervloekt.”

Athos nam het papier, stak het pistool weder in zijn gordel, naderde de lamp, ten einde zich te verzekeren, dat het wel het rechte was, ontvouwde het en las:

„Het was op mijn bevel en tot welzijn van den staat, dat houder dezes deed, wat hij heeft gedaan.

Richelieu.”

3 Augustus 1628.

„En thans,” zeide Athos, zich in zijn mantel hullende en zijn hoed op het hoofd drukkende, „thans, nu ik u de tanden heb uitgebroken, bijt nu als gij kunt.”--En hij verliet de kamer, zonder zelfs om te zien.

Voor de deur vond hij de beide mannen en het paard, dat zij bij den toom hielden.--„Mijne heeren!” zeide hij, „gij weet, dat Zijne Eminentie bevolen heeft zonder tijdverlies die vrouw naar het fort la Pointe te voeren, en haar niet te verlaten, alvorens zij aan boord is.”--Daar deze woorden volkomen met het bevel, dat zij hadden ontvangen, overeenstemden, bogen zij het hoofd, ten teeken van gehoorzaamheid.

Wat Athos betreft, deze sprong vlug in den zadel en vertrok in galop. Maar in plaats van den weg te volgen, ging hij het veld over, zijn paard geweldig aansporende en van tijd tot tijd stilhoudende om te luisteren.

Gedurende een dier halten hoorde hij op den weg het getrappel van eenige paarden. Hij twijfelde er niet aan, dat het de kardinaal en zijn geleide was. Hij begaf zich dan ook onmiddellijk weer op weg, en na eenigen tijd te hebben voortgedraafd, bleef hij staan, wreef zijn paard met mos en boombladeren en ging ongeveer tweehonderd schreden van het kamp dwars op den weg staan.

„Werda!” riep hij in de verte, toen hij de ruiters bespeurde.--„Dat is onze moedige edelman, geloof ik,” zeide de kardinaal.--„Ja, Uwe Eminentie!” antwoordde Athos, „hij is het.”--„Mijnheer Athos!” zeide Richelieu, „ontvang mijn welgemeenden dank voor de goede waakzaamheid, die gij ons hebt betoond. Mijne heeren! wij zijn aangekomen; gaat de poort ter linkerzijde binnen; het wachtwoord is: Koning en Ré.”--Dit zeggende, groette de kardinaal met een hoofdknik de drie vrienden en ging rechts, gevolgd door zijn stalmeester; want dien nacht zou hij in het legerkamp slapen.

„Wel?” vroegen eenparig Porthos en Aramis, toen de kardinaal ver genoeg vertrokken was om niet meer te kunnen hooren; „welnu, hij heeft het papier geteekend, dat zij hem vroeg.”--„Ik weet het wel,” antwoordde Athos bedaard, „want ik heb het.”--En de drie vrienden spraken geen enkel woord vóór zij in hun kwartieren waren gekomen, behalve dat zij aan de schildwachten het wachtwoord zeiden. Alleen zond men Mousqueton naar Planchet om dezen te zeggen, dat zijn meester verzocht werd, zoodra hij van de wacht in de loopgraven zou zijn afgelost, zich onmiddellijk naar het kwartier der musketiers te begeven.

Van den anderen kant, en zooals Athos had voorzien, maakte milady, toen zij de mannen aantrof, die haar voor de deur wachtten, niet de minste moeilijkheid hen te volgen. Zij was wel een oogenblik van meening geweest zich voor den kardinaal te doen voeren en dezen alles te verhalen; maar een openbaring van haar zou er eene van Athos ten gevolge hebben gehad. Zij zou wel kunnen zeggen, dat Athos haar had opgehangen, maar daarentegen zou Athos zeggen, dat zij gebrandmerkt was; zij geloofde daarom, dat het nog beter was het stilzwijgen te bewaren, stilletjes te vertrekken en met haar gewone behendigheid de moeilijke zending te volbrengen, waarmede zij zich had belast. Vervolgens, na alles volkomen naar het genoegen van den kardinaal te hebben volvoerd, zou zij van dezen haar wraak komen eischen.

Bijgevolg was zij, na den geheelen nacht te hebben doorgereisd, te zeven uur des ochtends aan het fort de la Pointe gekomen, te acht uur was zij scheep gegaan en te negen uur lichtte het vaartuig het anker en ging onder zeil naar Engeland.

HOOFDSTUK XV.

Het bolwerk Saint Gervais.

Toen d’Artagnan bij zijn drie vrienden kwam, vond hij ze in dezelfde kamer vereenigd. Athos overwoog, Porthos krulde zijn knevel, Aramis las zijn getijden in een fraai klein, in blauw fluweel gebonden kerkboek.

„Pardieu!” riep d’Artagnan, „ik hoop, mijne heeren! dat hetgeen gij mij te zeggen hebt de moeite waard is, ik zou u anders nooit vergeven mij alleen een bolwerk te hebben laten verdedigen, het was er heet!”--„Wij waren ook ergens, waar het niet koud was,” antwoordde Porthos, aan zijn knevel een hem bijzondere krulling gevende.--„Stil!” zeide Athos.--„Oh! oh!” riep d’Artagnan, het licht fronsen der wenkbrauwen van Athos begrijpende, „er schijnt hier iets nieuws te zijn gebeurd?”--„Aramis!” zeide Athos, „gij hebt gisteren in de herberg het Geuzennest ontbeten, geloof ik?”--„Ja.”--„Wel, hoe is het daar?”--„Ik heb er wat mij betreft zeer slecht gegeten, want eergisteren was het vastendag en er was niets dan vleesch voorhanden.”--„Wat!” riep Athos, „hebben zij in een zeehaven geen visch?”--„Zij zeggen,” hernam Aramis, zijn vrome lectuur hervattende, „dat de dijk, dien de kardinaal laat maken, al de visch in zee jaagt.”--„Maar dat is het niet, wat ik u vraag, Aramis!” hernam Athos, „ik wenschte te weten of gij alleen waart en niemand u is komen hinderen?”--„Wel, ik geloof, dat wij over te veel nieuwsgierigen niet te klagen hebben gehad. Wel ja, voor hetgeen gij bedoelt, Athos, zullen wij tamelijk wel in het Geuzennest zijn.”--„Gaan wij dan naar het Geuzennest,” zeide Athos, „want hier zijn de muren zoo dik als papier.”

D’Artagnan, die aan de handelwijze van zijn vriend gewoon was en dadelijk aan één woord, aan één gebaar, aan één teeken van hem begreep, dat de omstandigheden netelig waren, nam Athos bij den arm en vertrok met hem zonder iets te zeggen. Porthos volgde al pratende met Aramis.

Op weg ontmoette men Grimaud; Athos wenkte hem, dat hij zou volgen. Grimaud gehoorzaamde, volgens gewoonte zonder te spreken; de arme jongen had bijna het spreken verleerd. Men bereikte de herberg het Geuzennest. Het was zeven uur des ochtends en het werd licht; de vier vrienden bestelden een ontbijt en traden een kamer binnen, waar zij, volgens zeggen van den herbergier, niet zouden gehinderd worden.

Ongelukkig was het oogenblik voor een geheim gesprek zeer slecht gekozen. Men had juist de réveille geslagen en overal wreef men den slaap uit de oogen, en voor de vochtigheid van de ochtendlucht ging men naar de herberg een slokje drinken; dragonders, Zwitsers, gardes, musketiers en lichte kavalleristen volgden elkander onophoudelijk en moesten den waard niet weinig voordeel aanbrengen; maar dat strookte zeer slecht met de oogmerken der vier vrienden, ook beantwoordden zij op zeer onvergenoegden toon de begroetingen, de gezondheidsdronken en de kwinkslagen hunner krijgsmakkers.

„Zoo,” zeide Athos, „zullen wij ons een twist op den hals halen, en dit zou ons voor het oogenblik zeer ongelegen komen. D’Artagnan! verhaal ons eens, wat u hedennacht is overkomen, daarna zullen wij u vertellen, hoe onze nacht is afgeloopen.”--„Inderdaad,” zeide een ruiter, die geen oogenblik stilstond, terwijl hij langzaam een glas brandewijn opslurpte, „inderdaad, gij waart in de loopgraven, heeren gardes! en ik geloof, dat gij met de belegerden van la Rochelle iets te doen hebt gehad.”

D’Artagnan wierp een vragenden blik op Athos om te weten, of hij dien indringer, die zich in het gesprek mengde, moest antwoorden.--„Wel!” riep Athos, „verstaat gij den heer de Busigny niet, die u de eer aandoet u toe te spreken? Vertel wat er dezen nacht is voorgevallen, daar die heeren verlangend zijn het te weten.”

„Haben Sie kein Bollwerk genommen?” vroeg een Zwitser, die uit een bierglas rum dronk.--„Ja, mijnheer!” antwoordde d’Artagnan buigende, „wij hebben die eer gehad, wij hebben zelfs, zooals ge hebt kunnen hooren, onder een der hoeken een ton buskruit gelegd, die, losbarstende, een fraaie bres heeft gemaakt, zoodat het geheele bolwerk, dat niet van gisteren meer was, deerlijk is geschud geworden.”--„En welk bolwerk is dat?” vroeg een dragonder, die aan zijn sabel een gans had gestoken, welke hij had meegebracht om te braden.--„Het bolwerk St. Gervais,” antwoordde d’Artagnan, „van waaruit de belegerden onze werklieden verontrusten.”--„En is het er heet toegegaan?”--„Welzeker! wij hebben vijf en de belegerden acht of tien man verloren.”--„Palsambleu!” riep de Zwitser, die, ondanks de bewonderenswaardige verzameling van vloeken, welke de Duitsche taal bezit, echter de gewoonte had aangenomen in het Fransch te vloeken.--„Maar waarschijnlijk zullen zij hedenochtend schansgravers afzenden om het bolwerk weder in goeden staat te brengen.”--„Ja, dat is waarschijnlijk,” zeide d’Artagnan.

„Mijne heeren!” zeide Athos, „ik stel u een weddenschap voor.”--„Ah ja, ein barie,” herhaalde de Zwitser.--„Welke?” vroeg de ruiter.--„Wacht,” zeide de dragonder, die zijn sabel als een spit op de twee haardijzers legde, tusschen welke het vuur brandde, „ik wed mede. Ellendige kastelein, geef mij dadelijk een braadpan, opdat er geen droppel vet van dat achtenswaardige gevogelte verloren ga....”--„Er hat recht, Gänsefett ist ganz gut mit Confituren.”--„Welnu? laat hooren de weddenschap. Wij luisteren, mijnheer Athos!”--„Ja, zeg ons de weddenschap,” zeide de lichte kavallerist.

„Luister, mijnheer de Busigny! ik wed met u,” zeide Athos, „dat mijn drie vrienden, de heeren Porthos, Aramis, d’Artagnan en ik, in het bolwerk Saint Gervais zullen ontbijten en er één uur in blijven, op klokslag af, wat de vijand ook moge doen om ons er uit te drijven.”--Porthos en Aramis keken elkander aan, zij begonnen te begrijpen.--„Maar,” fluisterde d’Artagnan Athos in het oor, „gij zult ons zonder genade doen om hals brengen?”--„Men zal ons wel op een andere wijze om hals brengen!”--„Wel, heeren!” zeide Porthos, zich achterover op zijn stoel werpende en zijn knevel opstrijkende, „ik meen, dat dit een fraaie weddenschap is?”--„Ik neem ze dan ook aan,” zeide de heer de Busigny. „Wij moeten nu slechts weten, waarom wij wedden.”--„Gij zijt met u vieren, mijne heeren!” zeide Athos, „wij ook, een nader te bepalen diner voor acht personen, wat denkt gij daarvan?”--„Kostelijk!” hernam de Busigny.--„Best,” zeide de dragonder.--„Das geht,” zeide de Zwitser. De vierde, die gedurende dat gansche gesprek geen woord had gesproken, knikte met het hoofd, ten teeken dat hij met het voorstel genoegen nam.

„Het ontbijt der heeren is gereed,” kwam de kastelein berichten.--„Welnu, breng het dan,” zeide Athos. De herbergier gehoorzaamde. Athos riep Grimaud, toonde hem een groote mand, die in een hoek stond en gaf hem een teeken de gebrachte vleeschspijzen in een servet te wikkelen. Grimaud, begrijpende dat men in het gras wilde ontbijten, nam de mand, pakte het vleesch er in, voegde de flesschen er bij en hing de mand aan zijn arm.

„Maar waar gaat gij ontbijten?” vroeg de kastelein.--„Wat raakt u dat, als gij betaald wordt?”--En hij wierp trots twee pistolen op tafel.--„Moet ik u teruggeven, mijn officier?” vroeg de kastelein.--„Neen voeg er slechts twee flesschen Champagne bij, het overschot is voor de servetten.”

De kastelein maakte een minder goede zaak dan hij aanvankelijk meende; maar hij stelde zich schadeloos, door de vier gasten twee flesschen Anjou-wijn in plaats van Champagne in de hand te stoppen.

„Mijnheer de Busigny!” zeide Athos, „wilt gij wel zoo goed zijn uw horloge naar het mijne te regelen, of mij veroorloven het mijne naar het uwe te zetten?”--„Met plezier, mijnheer!” zeide de ruiter, uit zijn zak een zeer fraai, met diamanten omzet horloge halende; „half acht,” zeide hij.--„Vijf minuten over half acht, wij weten nu, dat ik vijf minuten vóór ben, mijnheer!”--En de verbaasde omstanders groetende, sloegen de vier jongelieden den weg naar het bolwerk Saint Gervais in, door Grimaud gevolgd, die de mand droeg, niet wetende werwaarts men ging; maar aan lijdelijke gehoorzaamheid gewoon, dacht hij er niet eens aan er naar te vragen.

Zoo lang zij zich nog binnen de grenzen van het legerkamp bevonden, wisselden de vrienden met elkander geen enkel woord; te meer daar zij gevolgd werden door de nieuwsgierigen, die van de weddenschap kennis droegen en wilden weten, hoe zij er zich zouden uitredden; maar eenmaal de grenslijn over en zich in de vrije lucht bevindende, meende d’Artagnan, die volstrekt niet wist waarvan er sprake was, dat het nu tijd was een nadere verklaring te vragen.

„En nu, mijn waarde Athos! doe mij nu eens het genoegen mij te zeggen, werwaarts wij gaan?”--„Gij ziet het,” zeide Athos, „wij gaan naar het bolwerk.”--„Maar wat gaan wij er doen?”--„Gij weet het immers, wij gaan er ontbijten.”--„Maar waarom niet in het Geuzennest ontbeten?”--„Omdat wij elkander belangrijke zaken hebben te zeggen, en het onmogelijk was in die herberg vijf minuten vertrouwelijk te spreken in tegenwoordigheid van al die nieuwsgierigen, die heen en weer gingen, ons groetten en aanspraken. Hier ten minste,” ging Athos voort, het bolwerk aanwijzende, „zal men ons niet komen storen.”--„Het komt mij voor,” hernam d’Artagnan met die voorzichtigheid, welke zich bij hem zoo wèl en zoo natuurlijk aan een uitstekenden moed paarde, „het komt mij voor, dat wij een afgelegene plek in de duinen of aan den oever der zee hadden kunnen vinden.”--„Waar men ons alle vier had kunnen in gesprek zien, zoodat na verloop van een kwartier de kardinaal door zijn spionnen verwittigd zou zijn geweest, dat wij met elkander raad hielden.”--„Ja,” zeide Aramis, „Athos heeft gelijk: Animadvertunt in desertis.”--„Een woestijn zou zoo kwaad niet zijn geweest,” zeide Porthos, „maar waar die te vinden?”--„Er is geen woestijn, of een vogel kan er ons over het hoofd vliegen, een visch er uit het water springen, een konijn er uit zijn leger komen; en ik geloof, dat vogels, visschen, konijnen, zich allen tot spionnen van den kardinaal hebben gemaakt. Het is daarom beter, dat wij onze onderneming ten uitvoer brengen, van welke wij zonder schande toch niet meer kunnen afzien. Wij hebben een weddenschap aangegaan, een onmogelijk te voorziene weddenschap, van welke ik iedereen tart de ware beweegreden te doorgronden. Wij zullen, om haar te winnen, één uur in het bolwerk blijven. Of wij zullen worden aangevallen, òf wij zullen het niet worden. Indien wij niet worden aangevallen, zullen wij genoeg tijd hebben om te praten, en niemand zal ons hooren; want ik verzeker u, dat de muren van deze sterkte geen ooren hebben; indien wij worden aangevallen, zullen wij toch nog over zaken spreken en bovendien door ons te verdedigen ons met roem bedekken; gij ziet wel, dat alles winst is.”--„Maar,” zeide d’Artagnan, „wij zullen ongetwijfeld getroffen worden.”--„Ja, mijn waarde!” hernam Athos, „maar gij weet wel, dat de gevaarlijkste kogels niet die des vijands zijn.”--„Ik meen echter,” zeide Porthos, „dat wij voor een dergelijke onderneming onze musketten hadden moeten medenemen.”--„Gij zijt een onnoozele, vriend Porthos! waarom ons met een nuttelooze vracht te belasten?”--„Ik vind tegenover den vijand een goed musket met twaalf patronen en een kruithoorn geen onnoodige zaken.”--„Welnu,” hernam Athos, „hebt gij dan niet gehoord, wat d’Artagnan heeft gezegd?”--„Wat heeft d’Artagnan gezegd?” vroeg Porthos.--„D’Artagnan heeft gezegd, dat bij den aanval van heden nacht acht of tien Franschen en evenveel vijanden waren gesneuveld.”--„En verder?”--„Men heeft den tijd niet gehad hen uit te kleeden, niet waar? dewijl men voor het oogenblik iets meer gewichtigs te doen had.”--„Welnu?”--„Welnu, wij zullen hun kruithoorns en patronen gaan zoeken, en in plaats van vier musketten en twaalf kogels zullen wij vijftien stuks geweren en een honderdtal patronen hebben.”--„O, Athos!” zeide Aramis, „waarlijk, gij zijt een groot man!”

Porthos boog het hoofd, ten teeken van toestemming. D’Artagnan was de eenige, die nog niet volkomen overtuigd scheen. Grimaud deelde ongetwijfeld in de onzekerheid van den jongeling; want toen hij bemerkte, dat men op den weg van het bolwerk bleef voortgaan, iets waarvan hij tot hiertoe niet zeker was geweest, trok hij zijn meester bij de slip van zijn kleed.--„Waarheen gaan wij?” vroeg hij met een gebaar.--Athos toonde hem het bolwerk.--„Maar,” zeide in dezelfde taal de zwijgende Grimaud, „wij zullen er ons vel laten.”

Athos hief de oogen en den vinger hemelwaarts, Grimaud zette zijn mand op den grond en ging, zwijgend het hoofd schuddende, er bij zitten. Athos haalde een pistool uit zijn gordel, onderzocht de pan, haalde den haan over en zette den loop tegen het oor van Grimaud. Grimaud stond op zijn voeten, als door een springveer bewogen. Athos beduidde hem toen met een wenk, dat hij de mand zou opnemen en vooruitgaan. Grimaud gehoorzaamde. Al wat de arme jongen bij die kortstondige pantomime had gewonnen was, van de achterhoede naar de voorhoede te zijn verplaatst.

Aan het bolwerk gekomen, keerden de vier vrienden zich om. Meer dan driehonderd soldaten van allerlei wapen stonden voor den ingang van het legerkamp, en in een afgezonderde groep bespeurde men den heer de Busigny, den dragonder, den Zwitser en den vierden wedder. Athos nam zijn hoed af, zette hem op de punt van zijn degen en wuifde er mede. Al de aanschouwers beantwoordden zijn groet, deze beleefdheid aan een luid hoera parende, dat hun ooren bereikte; waarna zij alle vier in het bolwerk verdwenen, waarin Grimaud hen was voorgegaan.

HOOFDSTUK XVI.

De vergadering der musketiers.

Zooals Athos het had voorzien, was het bolwerk slechts bevolkt door een twaalftal gesneuvelden, zoowel eigen volk als vijanden.

„Mijne heeren!” zeide Athos, die het bevel der onderneming op zich had genomen, „terwijl Grimaud de tafel zal dekken, zullen wij beginnen de geweren en patronen bij elkander te zoeken. Wij kunnen tegelijkertijd onder dat werk over onze zaken spreken. Die heeren,” vervolgde hij, de gesneuvelden aanwijzende, „zullen ons niet beluisteren.”--„Maar wij zouden hen toch in de gracht kunnen werpen,” zeide Porthos, „na ons vooraf verzekerd te hebben, dat hun zakken niets bevatten.”--„Ja,” hernam Athos, „dat is de zaak van Grimaud.”--„Welnu dan,” zeide d’Artagnan, „laat Grimaud hen onderzoeken en ze daarna over den muur werpen.”--„Wachten wij er ons wel voor,” zeide Athos, „zij kunnen ons nog dienen.”--„Kunnen die dooden ons nog dienen?” vroeg Porthos. „Maar waarlijk, gij wordt gek, beste vriend!”--„Oordeel niet lichtzinnig, zegt het Evangelie en de kardinaal,” antwoordde Athos. „Hoeveel geweren zijn er, heeren?”--„Twaalf,” antwoordde Aramis.--„Dat is juist zooveel als wij noodig hebben; laden wij de geweren.”

De vier musketiers begonnen met dat werk. Toen het laatste geweer geladen was, gaf Grimaud door een wenk te kennen, dat het ontbijt gereed was. Athos antwoordde, zooals altijd, met een gebaar, dat het goed was, en wees Grimaud een soort van schilderhuis aan, waarin deze begreep, dat hij op den uitkijk moest gaan staan. Maar om de verveling zijner wacht te verzachten, veroorloofde Athos hem een brood, twee koteletten en een flesch wijn mede te nemen.

„En nu aan tafel, heeren!” riep Athos.

De vier vrienden zetten zich met over elkaar geslagen beenen, als Turken of kleermakers, op den grond.

„Maar thans,” zeide d’Artagnan, „nu gij niet meer behoeft te vreezen gehoord te worden, vertrouw ik, dat ge ons uw geheim zult mededeelen!”--„Ik hoop u tevens vermaak en glorie te bezorgen, mijne heeren!” zeide Athos. „Ik heb u een aangename wandeling bezorgd, ziedaar nu een zeer smakelijk ontbijt, en vijf personen daarginder, zooals gij door de schietgaten kunt zien, die ons voor dwazen of helden houden, en een paar soorten van krankzinnigen, die elkander tamelijk gelijken.”--„Maar het geheim?” vroeg d’Artagnan.--„Het geheim,” antwoordde Athos, „is, dat ik gisterenavond milady heb gesproken.”

D’Artagnan bracht het glas aan zijn lippen, maar bij den naam van milady begon hij zoo geweldig te beven, dat hij het weer op den grond zette, om den inhoud niet te storten.

„Gij hebt uw vr....”--„Stil toch!” viel Athos hem in de rede, „gij vergeet, mijn waarde! dat die heeren niet, zooals gij, met mijn huiselijke geheimen zijn bekend. Ik heb milady gesproken.”--„En waar dat?” vroeg d’Artagnan.--„Ongeveer twee uren van hier, in de herberg de Roode Duiventoren.”--„In dat geval ben ik verloren,” zeide d’Artagnan.--„Neen, nog niet geheel,” hernam Athos, „want op dit uur moet zij de kust van Frankrijk hebben verlaten.”--D’Artagnan haalde adem.--„Maar bij slot van rekening,” vroeg Porthos, „wat is toch die milady?”--„Een zeer lieve vrouw,” antwoordde Athos, terwijl hij een glas schuimenden wijn ledigde.

„Schurkachtige hospes!” riep hij, „hij heeft ons wijn van Anjou in plaats van Champagne gegeven, in de meening dat wij het niet zouden bemerken.”

„Ja,” hernam hij, „een zeer lieve vrouw, jegens welke onze vriend d’Artagnan ik weet niet welke boosaardigheden heeft bedreven, waarover zij, een maand geleden, getracht heeft zich te wreken, door hem te willen doodschieten, en nu, acht dagen geleden, pogingen heeft aangewend om hem te vergiftigen, terwijl zij gisteren den kardinaal zijn hoofd vroeg.”--„Wat! den kardinaal mijn hoofd vragen?” riep d’Artagnan, bleek van schrik.--„Ja,” zeide Porthos, „zoo waar als het evangelie! ik heb het met mijn beide ooren gehoord.”--„Ik ook,” zeide Aramis.--„Dan,” zeide d’Artagnan, zijn armen moedeloos langs zijn zijden latende vallen, „is het vruchteloos langer te worstelen, het is het beste, dat ik mij voor het hoofd schiet, dan is alles geëindigd.”--„Dat is de laatste dwaasheid, waartoe men kan overgaan,” zeide Athos, „en wel eene, waaraan niets meer te veranderen is.”--„Maar ik zal nooit de handen van dergelijke vijanden ontkomen,” zeide d’Artagnan. „Vooreerst, mijn onbekende van Meung, vervolgens de Wardes, dien ik vier degensteken heb toegebracht, daarna milady, wier geheim ik heb ontdekt, en eindelijk de kardinaal, wiens wraak ik heb doen mislukken.”--„Welnu! dat zijn er niet meer dan vier, en wij zijn met ons vieren, één tegen één, pardieu! Als ik de teekens versta, die Grimaud ons maakt, dan zullen wij met eenige lieden meer te doen krijgen. Wat is er, Grimaud? Uit hoofde van het gewicht der omstandigheden veroorloof ik u te spreken, mijn vriend! maar wees kort en zakelijk, als ’t u blieft. Wat ziet gij?”--„Een bende.”--„Van hoeveel personen?”--„Van twintig mannen.”--„Welke mannen?”--„Zestien schansgravers en vier soldaten.”--„Op hoeveel schreden afstands zijn zij?”--„Op vijfhonderd schreden.”--„Goed, wij hebben den tijd nog dat hoen af te kluiven en een glas wijn te drinken. Op uw gezondheid, d’Artagnan!”--„Op uw gezondheid!” herhaalden Porthos en Aramis.--„Het zij dan zoo, op mijn gezondheid, hoewel ik niet geloof, dat uw wenschen mij veel zullen baten.”--„Och!” zeide Athos, „God is groot, zooals de belijders van Mahomeds leer zeggen, en de toekomst is in zijn handen.”

En daarop den inhoud van zijn glas geledigd hebbende, dat hij naast zich neerzette, stond Athos bedaard op, nam het eerste het beste geweer en naderde een schietgat. Porthos, Aramis en d’Artagnan volgden zijn voorbeeld. Wat Grimaud betreft, dezen werd bevolen zich achter de vier vrienden te plaatsen, ten einde de geweren te laden.

Kort daarna zag men den troep verschijnen, die een soort van loopgraaf volgde, welke de stad met het bolwerk vereenigde.

„Pardieu!” zeide Athos, „het is wel de moeite waard ons voor een twintigtal kinkels, met schoppen, spaden en houweelen gewapend, te vertoonen! Grimaud had hun slechts een wenk behoeven te geven, dat zij zich moesten verwijderen, en ik ben verzekerd, dat zij ons met rust hadden gelaten.”--„Ik twijfel er toch aan, want zij naderen stoutmoedig. Daarenboven worden zij beschermd door vier soldaten en een brigadier, met musketten gewapend.”--„Zij hebben ons ook niet gezien,” zeide Athos.--„Op mijn woord,” zeide Aramis, „ik schiet ongaarne op die arme duivels van burgers.”--„Een slecht priester,” zeide Porthos, „die met ketters medelijden heeft.”--„Het is waar,” zeide Athos, „Aramis heeft gelijk, en ik zal hen waarschuwen.”--„Wat duivel gaat gij doen?” riep d’Artagnan. „Gij zult u laten doodschieten, mijn waarde!”

Maar Athos stoorde zich niet aan de waarschuwing, en op de bres klimmende, in de eene hand zijn geweer en in de andere zijn hoed houdende, riep hij, beleefd groetende, tot de naderende werklieden en soldaten, die, verwonderd over deze verschijning, op vijftig schreden van het bolwerk waren blijven staan: „Mijne heeren! ik en eenige mijner vrienden zijn op dit oogenblik in dit bolwerk bezig met te ontbijten. En dewijl gij weet, dat er niets onaangenamers is dan gedurende het ontbijt gestoord te worden, verzoeken wij u, indien gij hier volstrekt iets te doen mocht hebben, zoo lang te wachten, totdat de maaltijd geëindigd zal zijn, of later terug te keeren, althans indien gij het heilrijke voornemen niet hebt de partij des oproers te verlaten en met ons op de gezondheid van den koning van Frankrijk te komen drinken.”

„Wees op uw hoede, Athos!” zeide d’Artagnan, „ziet gij niet, dat zij op u aanleggen?”--„Jawel, jawel,” zeide Athos, „maar het zijn burgers, die zeer slecht mikken en er zich wel voor zullen wachten mij te raken.”

En werkelijk werden er vier geweerschoten gelost, zoodat de kogels rondom Athos neervielen, zonder dat hij door één geraakt werd. Vier geweerschoten beantwoordden dezelve bijna gelijktijdig, maar zij waren beter dan die van de aanvallers gericht: drie soldaten vielen dood neder en een der werklieden werd gekwetst.

„Grimaud! geef mij een ander musket,” riep Athos, op de bres blijvende.

Grimaud gehoorzaamde dadelijk. Ook de drie vrienden hadden wederom hun geweren geladen. Een tweede losbarsting volgde de eerste; de brigadier en twee schansgravers vielen dood; de overigen der bende namen de vlucht.

„Welaan, heeren! doen wij een uitval!” zeide Athos.

En de vier vrienden het fort verlatende, bereikten het slagveld, raapten de vier musketten der soldaten en de piek van den brigadier op, en verzekerd, dat de vluchtelingen niet eer met loopen zouden ophouden dan bij de stad, keerden zij naar het bolwerk terug, de zegeteekenen hunner overwinning medevoerende.

„Laad opnieuw de geweren, Grimaud!” beval Athos, „terwijl wij, heeren! met ontbijten zullen voortgaan en ons gesprek vervolgen. Hoe ver waren wij gekomen?”--„Ik herinner het mij,” zeide d’Artagnan, „gij zeidet, dat, toen milady mijn hoofd aan den kardinaal had gevraagd, zij de kust van Frankrijk ging verlaten.--En werwaarts begeeft zij zich?” voegde d’Artagnan er bij, die zeer ongerust was over den weg, dien milady moest volgen.--„Zij steekt naar Engeland over,” antwoordde Athos.--„En met welk oogmerk?”--„Met het oogmerk Buckingham te vermoorden, of te doen vermoorden.”

Aan d’Artagnan ontglipte een uitroep van verbazing en verontwaardiging.--„Maar dat is allerschandelijkst!” riep hij.--„Och! wat dat betreft,” zeide Athos, „ik verzoek u te gelooven, dat ik er mij weinig om bekommer. Thans, nu gij gedaan hebt, Grimaud! moet gij de piek van onzen brigadier nemen, een servet er aan vastmaken en haar dan boven op het bolwerk planten, opdat die oproerige burgers van la Rochelle kunnen zien, dat zij met brave en moedige soldaten des konings te doen hebben.”

Grimaud gehoorzaamde zonder te antwoorden; een oogenblik daarna woei de vlag boven de hoofden der vier vrienden. Een vreugdekreet, met een donderend gejuich gepaard, begroette haar verschijning. De helft van het legerkamp stond voor den ingang.

„Wat!” hernam d’Artagnan, „gij bekommert u er zoo weinig om, dat zij Buckingham vermoordt, of laat vermoorden, terwijl de hertog onze vriend is?”--„De hertog is Engelschman, de hertog strijdt tegen ons, laat zij dus met den hertog doen, wat zij wil, ik geef er evenmin om, als om die ledige flesch.”

En Athos wierp een flesch, die hij in de hand had, en uit welke hij de laatste bloeddroppels in zijn glas had geschonken, een vijftiental passen ver.

„Wacht een oogenblikje,” zeide d’Artagnan, „ik verlaat Buckingham niet op deze wijze; hij heeft ons zeer fraaie paarden geschonken.”--„En vooral zeer fraaie zadels,” zeide Porthos, die op dat oogenblik de franje van het zijne aan zijn mantel had.--„En daarbij,” zeide Aramis, „God wil de bekeering en niet den dood des zondaars.”--„Amen,” zeide Athos, „en wij zullen hierop later terugkomen, indien u zulks aangenaam is; maar wat op dat oogenblik mijn eerste zorg was, en gij, d’Artagnan! hiervan ben ik zeker, zult het begrijpen, was, van die vrouw een soort van volmacht af te persen, die zij den kardinaal had weten te ontwringen, en waarmede zij ongestraft u en misschien ons uit den weg zou hebben geruimd.”--„Maar dat schepsel is dan de duivel,” riep Porthos, zijn bord aan Aramis aanbiedende, die bezig was een hoen voor te snijden.--„En die volmacht,” vroeg d’Artagnan, „is die in haar handen gebleven?”--„Neen, ze is in de mijne overgegaan; ik zal niet zeggen zeer gemakkelijk, dan voorzeker zou ik liegen.”--„Mijn waarde Athos,” zeide d’Artagnan, „ik kan niet meer tellen, hoe dikwijls ik u het leven te danken heb.”--„Het was dus om tot haar terug te keeren, dat gij ons verliet?” vroeg Aramis.--„Zeker.”--„En hebt gij dat briefje van den kardinaal?” vroeg d’Artagnan.--„Hier is het,” antwoordde Athos. En hij haalde het kostbaar papier uit den zak van zijn gewaad.

D’Artagnan vouwde het open met een hand, van welke hij niet eens het beven wilde verbergen; en hij las op zijn beurt:

„Het was op mijn bevel en tot welzijn van den staat, dat houder dezes deed, wat hij heeft gedaan.

Richelieu.”

3 Augustus 1628.

„Inderdaad,” zeide Aramis, „dat is een absolutie in den volsten zin.”--„Dit papier moet verscheurd worden,” zeide d’Artagnan, die zijn doodvonnis meende te lezen.--„Volstrekt niet,” hernam Athos, „het moet zorgvuldig worden bewaard, en ik zou dat papier niet geven, al wilde men het met goudstukken bedekken.”--„En wat zal zij nu gaan doen?” vroeg de jongeling.--„Wel,” zeide Athos losweg, „zij zal waarschijnlijk den kardinaal schrijven, dat een vervloekte musketier, Athos genaamd, haar gewelddadig de volmacht heeft ontweldigd; zij zal bij die gelegenheid hem tevens aanraden, zich zoowel van dezen als van diens twee vrienden, Porthos en Aramis, te ontdoen. De kardinaal zal zich dan herinneren, dat het altijd mannen zijn, welke hij op zijn weg ontmoet; en op zekeren schoonen morgen zal hij d’Artagnan in hechtenis laten nemen, en opdat deze zich niet geheel alleen vervele, zal hij ons hem in de Bastille doen gezelschap houden.”--„Wel zoo! maar het schijnt mij, dat uw scherts niet om te lachen is, mijn waarde!” zeide Porthos.--„Ik scherts niet,” zeide Athos.--„Weet gij wel,” hernam Porthos, „dat het minder kwaad zou zijn die vervloekte milady den hals om te draaien, dan die arme duivels van Hugenooten, die nooit een andere misdaad hebben bedreven dan in het Fransch de Psalmen te zingen, die wij in het Latijn zingen.”--„Wat zegt hiervan de abt?” vroeg Athos bedaard.--„Ik zeg, dat ik met Porthos van dezelfde denkwijze ben,” antwoordde Aramis.--„En ik!” riep d’Artagnan.--„Gelukkig dat zij veraf is, want ik beken, dat zij mij hier vreeselijk zou hinderen,” hernam Porthos.--„Zij hindert mij in Engeland evenveel als in Frankrijk,” zeide Athos.--„Zij hindert mij overal,” zeide d’Artagnan.--„Maar dewijl gij haar in uw macht hadt,” zeide Porthos, „waarom hebt gij haar dan niet verzopen, verworgd, gehangen? Alleen de dooden komen niet terug.”--„Meent gij dat, Porthos?” antwoordde de musketier met een somberen glimlach, dien d’Artagnan alleen begreep.--„Ik bedenk iets,” zeide d’Artagnan.--„Laat hooren!” riepen de musketiers.

„Te wapen!” riep Grimaud. De jongelieden stonden haastig op en grepen hun geweren. Nu naderde een kleine krijgsbende van twintig of vijf en twintig man; doch het waren nu geen schansgravers, maar soldaten van het garnizoen.

„Willen wij naar het kamp terugkeeren?” zeide Porthos, „ik geloof, dat de partij niet gelijk staat.”--„Onmogelijk! om drie redenen,” antwoordde Athos. „Vooreerst hebben wij nog niet gedaan met ontbijten, ten tweede hebben wij elkander nog veel belangrijks te zeggen, ten derde moeten er nog tien minuten verloopen, alvorens het uur voorbij is.”--„Welaan!” zeide Aramis, „maar wij dienen van te voren een verdedigingsplan te maken.”--„Dat is zeer eenvoudig,” zeide Athos. „Zoodra de vijand onder het bereik van ons schot zal zijn gekomen, geven wij vuur; wanneer hij blijft voortgaan, geven wij nogmaals vuur, en dat zoo lang als er nog geladen geweren overblijven; indien dan, hetgeen van den troep overblijft, mocht willen stormloopen, laten wij de belegeraars tot in de gracht dalen, en dan begraven wij hen onder een brok van dien muur, die slechts door een wonder van evenwicht is staande gebleven.”--„Bravo!” riep Porthos, „waarachtig, Athos! gij zijt tot generaal geboren, en de kardinaal, die zich een groot veldheer waant, is niets bij u vergeleken.”--„Mijne heeren!” zeide Athos, „mikt op twee voorwerpen tegelijk, dat verzoek ik u, dat elk schot slechts voor één man zij.”--„Ik heb den mijnen al,” zeide d’Artagnan.--„En ik den mijnen.”--„En ik idem,” zeide Aramis.--„Vuur!” riep Athos.

De vier geweerschoten vormden slechts één losbranding en vier mannen vielen. Dadelijk hierop werd de trom geroerd en de kleine bende naderde in den stormpas. Toen volgden de geweerschoten elkander onregelmatig op, maar steeds troffen die der vrienden met juistheid het doel; intusschen bleef de vijand, alsof hij het zwakke getal der vrienden gekend had, stormloopend naderen. Drie andere geweerschoten troffen weder twee mannen, de nadering der ongekwetsten werd daarom niet langzamer.

Aan den voet van het bolwerk gekomen, was de vijand nog twaalf of vijftien in getal, een laatste losbranding begroette hen, maar hield hen niet staande; zij sprongen in de gracht en beproefden de bres te beklimmen.

„Welaan, vrienden!” zeide Athos, „maken wij er een einde aan. Naar den muur!”--En de vier vrienden, door Grimaud bijgestaan, begonnen met de loopen hunner geweren tegen een ontzaglijk grooten brok van den muur te duwen, die zich boog, alsof hij door den wind bewogen werd, en van deszelfs voetstuk losrakende met een vreeselijk geraas in de gracht viel; daarop hoorde men een hard geschreeuw, een stofwolk rees ten hemel en alles was gedaan.

„Zouden wij hen van den eersten tot den laatsten verplet hebben?” vroeg Athos.--„Op mijn woord,” zeide d’Artagnan, „het schijnt wel zoo.”--„Neen,” zeide Porthos, „zie, daar vluchten er twee of drie, geheel verminkt.”--En waarlijk, een viertal dier rampzaligen, met bloed en slijk bedekt, vloden langs den hollen weg stadwaarts; dat was alles, wat van de kleine bende overbleef.

Athos zag op zijn horloge.--„Mijne heeren!” zeide hij, „het is nu een uur, dat wij hier zijn, en de weddenschap is gewonnen; maar wij moeten toonen wat spelers wij zijn, en daarenboven heeft d’Artagnan ons nog zijn denkbeeld mede te deelen.”--En met zijn gewone koelbloedigheid zette zich de musketier voor het overschot van het ontbijt neder.

„Gij wilt mijn plan kennen?” zeide d’Artagnan tot zijn drie vrienden, toen, na de schermutseling, welke voor die kleine bende een zoo rampzalig einde had genomen, zij aan het ontbijt hun plaatsen hadden hernomen.--„Ja,” hernam Athos, „gij zeidet een denkbeeld te hebben.”--„O ja, ik herinner mij,” zeide d’Artagnan, „welnu, ik ga voor de tweede maal naar Engeland, bezoek den hertog van Buckingham en waarschuw hem voor den aanslag tegen zijn leven.”--„Gij zult dat niet doen, d’Artagnan!” zeide Athos koel.--„En waarom niet, heb ik het niet reeds gedaan?”--„Ja, maar destijds waren wij niet in oorlog, de hertog van Buckingham was toen een bondgenoot en geen vijand, wat gij wilt doen, zou als verraad worden beschouwd.”

D’Artagnan gevoelde de gegrondheid dier redeneering en zweeg.--„Maar,” zeide Porthos, „ik geloof, dat ik ook een denkbeeld heb.”--„Stilte voor het denkbeeld van den heer Porthos!” riep Aramis.--„Ik vraag verlof aan den heer de Tréville, onder een of ander voorwendsel, dat gij wel zult vinden; ik ben in het vinden van voorwendsels niet zeer handig. Milady kent mij niet, ik nader haar, zonder dat zij voor mij de minste vrees koestert, en wanneer ik haar onder mijn bereik heb, draai ik haar den hals om.”--„Wel,” zeide Athos, die voor den jongen musketier zeer veel onderscheiding koesterde. „Men moet de koningin verwittigen.”--„Inderdaad, dat is waar ook!” riepen eenparig Porthos en d’Artagnan; „ik geloof, dat wij bijna het middel raken. De koningin verwittigen, en op wat wijze? Staan wij in de minste aanraking met het hof? Kunnen wij iemand naar Parijs zenden, zonder dat het in het legerkamp bekend wordt? Van hier naar Parijs is een afstand van honderd veertig mijlen; en voor onze brief te Angers zou wezen, zouden wij reeds in de gevangenis zijn.”--„Wat betreft aan Hare Majesteit met zekerheid een brief te doen geworden,” zeide Aramis blozende, „hiermede zal ik mij belasten; ik ken te Tours een zeer behendig persoon.”

Aramis zweeg, Athos ziende glimlachen.--„Wel, vindt gij dat middel niet doelmatig, Athos?” vroeg d’Artagnan.--„Ik verwerp het niet geheel,” zeide Athos, „maar ik wilde alleen aan Aramis doen opmerken, dat hij het legerkamp niet kan verlaten, en elk ander dan wij niet zeker is, dat twee uren, nadat onze bode zal zijn vertrokken, al de Kapucijners, al de gerechtsdienaars, al de zwartmutsen van den kardinaal uw brief van buiten zullen kennen, en men u en uw behendigen vriend in hechtenis zal nemen.”--„Zonder daarbij te rekenen,” zeide Porthos, „dat de koningin wel den hertog van Buckingham, maar volstrekt ons niet zal redden.”--„Mijne heeren,” zeide d’Artagnan, „de tegenwerping van Porthos is zeer juist.”

„Maar luistert eens: wat gebeurt er in de stad?” riep Athos.--„Men slaat alarm.”--De vier vrienden luisterden, en het tromgeroffel bereikte werkelijk hun oor.--„Gij wilt toch niet een geheel regiment weerstand bieden?” vroeg Porthos.--„Waarom niet?” antwoordde Athos; „ik ben aan den gang, en ik zou mij tegen een geheel leger verzetten, indien wij slechts de voorzorg hadden genomen een dozijn flesschen meer mede te nemen.”--„Op mijn woord, de trom nadert,” zeide d’Artagnan.--„Laat ze naderen,” zeide Athos, „een kwartier zijn wij hier van de stad verwijderd, en bijgevolg ligt de stad een kwartier van hier; wij hebben dus genoegzaam tijd om ons plan te beramen; eenmaal van hier vertrokken, zullen wij nooit gunstiger plek vinden. En zie, daar komt juist het rechte denkbeeld in mij op.”--„Spreek dan.”--„Veroorloof mij eerst eenige onvermijdelijke bevelen aan Grimaud te geven.”

Athos wenkte zijn knecht te naderen.--„Grimaud!” zeide hij, op de dooden wijzende, die in het bolwerk lagen, „gij zult die heeren opnemen en tegen den muur zetten, met de hoeden op het hoofd en het geweer in de hand.”--„O, groote man!” riep d’Artagnan, „nu begrijp ik u!”--„Gij begrijpt?” vroeg Porthos.--„En gij, Grimaud! hebt gij mij verstaan?” vroeg Athos.--Grimaud knikte van ja.--„Dan is het wel,” zeide Athos. „Keeren wij tot mijn denkbeeld terug.”--„Ik wilde toch wel eerst begrijpen,” zeide Porthos.--„Dat is niet noodig.”--„Neen, eerst het denkbeeld van Athos!” riepen gelijktijdig d’Artagnan en Aramis.--„Die milady, die vrouw, dat schepsel, die duivelin heeft, zooals gij mij hebt gezegd, d’Artagnan! een schoonbroeder, niet waar?”--„Ja, dezen ken ik zeer goed, en ik geloof zelfs, dat hij zijn schoonzuster ook niet zeer genegen is.”--„Dat kan geen kwaad,” zeide Athos, „en al verfoeide hij haar, dat zou er niet te slechter om zijn.”--„In dat geval zijn wij naar wensch bediend.”--„Maar,” hernam Porthos, „ik wilde toch wel eens weten, wat Grimaud uitvoert.”--„Stil, Porthos,” zeide Aramis.--„Hoe heet die schoonbroeder?”--„Lord de Winter.”--„Waar is hij thans?”--„Op het eerste oorlogsgerucht is hij naar Londen teruggekeerd.”--„Welnu,” zeide Athos, „dat is juist de man, die ons lijkt. Hij is het, dien wij moeten waarschuwen. Wij laten hem weten, dat zijn schoonzuster op het punt is iemand te vermoorden, en wij verzoeken hem haar niet uit het oog te verliezen. Er zal te Londen wel een inrichting zijn, zooals die der Madelonnettes en der boetvaardige zusters,[12] daarin laat hij zijn schoonzuster plakken en wij zijn gerust.”--„Ja, zoo lang tot zij er weer uitkomt,” zeide d’Artagnan.--„Op mijn woord,” hernam Athos, „gij vergt te veel van mij, d’Artagnan! ik heb u gegeven, wat ik had, en ik verzeker u, dat het alles is, wat mij overblijft.”--„Het komt mij voor, dat zulks het beste is,” zeide Aramis. „Wij zullen tegelijkertijd de koningin en lord de Winter verwittigen.”--„Ja, maar door wien zullen wij den brief naar Tours en naar Londen doen bezorgen?”--„Ik ben voor Bazijn verantwoordelijk,” zeide Aramis.--„En ik voor Planchet,” zeide d’Artagnan.--„Inderdaad,” zeide Porthos, „indien wij het legerkamp niet mogen verlaten, kunnen het onze knechts.”--„Zeker,” zeide Aramis, „en nog heden schrijven wij de brieven en geven hun reisgeld.”--„Hebt gij dan geld?” hernam Athos.

[12] Twee kloosters, waarin de politie vrouwen van slecht gedrag opsluit, en waarin toen ter tijd ook wel eens verdachte of politieke misdadigers werden gevoerd.

De vier vrienden zagen elkander aan, een wolk verdreef den glans, die een oogenblik te voren op hun aangezicht blonk.--„Opgepast!” riep d’Artagnan, „ik zie in de verte roode en zwarte stippen, die zich bewegen. Wat zeidet gij toch van een regiment, Athos? het is een leger!”--„Het is op mijn eer waar!” hernam Athos, „daar zijn ze. Ziet eens, die veinzaards! zij naderen met stille trom en trompet. Ha! ha! zijt gij gereed, Grimaud?”

Grimaud knikte van ja en toonde een twaalftal lijken, die hij in de bevalligste houdingen tegen den muur had geplaatst, eenige met het geweer op den schouder, hun geweer aanleggende en wederom andere met den degen in de hand.

„Bravo!” zeide Athos, „dat doet uw vindingrijkheid eer aan.”--„Wat er van zij, ik wenschte toch wel te begrijpen.”--„Vertrekken wij eerst, daarna zult gij begrijpen.”--„Een oogenblikje, mijne heeren, een oogenblikje; geven wij Grimaud den tijd om de tafel af te nemen.”--„Ha! de roode stippen beginnen goed zichtbaar te worden,” zeide Aramis, „en ik vereenig mij met den raad van d’Artagnan, ik geloof, dat er ons maar weinig tijd meer overblijft, om het legerkamp te bereiken.”--„Welnu!” zeide Athos, „ik ben er volstrekt niet tegen, dat wij heengaan, wij hebben gewed een uur hier te zullen blijven, en het is nu reeds anderhalf uur, er valt dus niets op aan te merken; vertrekken wij dus, heeren! vertrekken wij.”

Grimaud had zich reeds met de mand en het overige tafelgoed vooruitgespoed. De vier vrienden vertrokken achter hem en deden een tiental schreden.

„Wel!” riep Athos, „duivelsch! wat gaan wij doen, heeren?”--„Hebt gij iets vergeten?” vroeg Aramis.--„En de vlag, morbleu! men mag geen vlag in de macht des vijands laten, al is die vlag slechts een servet.”--En Athos snelde in het bolwerk terug, klom op den wal en nam de vlag; intusschen waren de aanvallers tot op een geweerschot het bolwerk genaderd en gaven een geweldig vuur op dien man, die als uit vermaak er zich aan ging blootstellen. Maar het was, alsof Athos kogelvrij was; de kogels snorden fluitend rondom hem; doch niet één enkele raakte hem.

Athos zwaaide met zijn vlag, den lieden der stad den rug keerende, en die van het legerkamp begroetende. Van weerszijden verhief zich een luid geschreeuw; van den eenen kant een kreet van woede, van den anderen kant een kreet van verwondering.--Een tweede losbranding volgde op de eerste, en drie kogels, die het servet doorboorden, maakten er een wezenlijke vlag van.

Men hoorde door het gansche legerkamp den kreet van: „Klim af! klim af!” aanheffen.--Athos klom af, en zijn vrienden, die hem met angst wachtten, zagen hem met vreugd verschijnen.

„Kom, Athos! kom,” zeide d’Artagnan, „maken wij van onze beenen gebruik, spoeden wij ons; thans, nu wij alles, behalve geld hebben gevonden, zou het dom zijn ons te laten doodschieten.”

Maar Athos bleef majestueus voortwandelen, en zijn vrienden, ziende dat alle aanmaningen vruchteloos waren, regelden hun schreden naar de zijne. Grimaud en zijn mand waren vooruit en beiden schotvrij. Na een kort oogenblik hoorde men geweerschoten.

„Wat is dat?” vroeg Porthos, „en waarop schieten zij? Ik hoor de kogels niet fluiten, en ik zie niemand.”--„Zij schieten op de gesneuvelden,” zeide Athos.--„Maar onze dooden zullen niet antwoorden?”--„Neen, en daarom zullen zij een hinderlaag vermoeden en met elkander raadplegen; zij zullen een parlementair zenden, en wanneer zij de grap zullen hebben bemerkt, zijn wij buiten bereik. Ziedaar, waarom het onnoodig is, ons een pleuris op den hals te halen door overhaasting.”--„Ha, nu begrijp ik,” zeide Porthos vol bewondering.--„Dat is wel gelukkig,” hernam Athos, de schouders ophalende.

Toen de Franschen nu de vier vrienden bedaard zagen aankomen, hieven zij een luid vreugdegejuich aan.--Eindelijk werd er een nieuw geweervuur gehoord, en de kogels pletten zich tegen de keisteenen van den weg, rondom de vier vrienden, en floten akelig langs hun ooren. De belegerden hadden zich eindelijk van het bolwerk meester gemaakt.

„Dat zijn toch zeer onhandige lieden,” zeide Athos. „Hoeveel hebben wij er doen sneuvelen?”--„Twaalf tot vijftien.”--„Hoeveel hebben wij er verplet?”--„Acht of tien.”--„En daarentegen geen schram. Maar ja, wat deert u toch aan de hand, d’Artagnan? zij bloedt, geloof ik?”--„Het is niets,” antwoordde d’Artagnan.--„Een schampschot?”--„Niet eens.”--„Wat dan?”--Wij hebben gezegd, dat Athos d’Artagnan als zijn zoon beminde, en hoewel somber en onwrikbaar van aard, was hij vaak voor den jongeling goed als een vader.--„Een schram,” hernam d’Artagnan: „mijn vingers zijn tusschen twee steenen beklemd geraakt, tusschen dien van den muur en dien van mijn ring, zoodat het vel opengescheurd is.”--„Ziedaar de gevolgen van diamanten te dragen,” zeide Athos verachtelijk.--„Maar het is waar ook!” riep Porthos, „er is inderdaad een diamant; en wat duivel! klagen wij dan geen geld te hebben, wijl er een diamant is.”--„Wel, inderdaad,” zeide Aramis, „gij oppert daar waarlijk een goed denkbeeld, Porthos!”--„Zeker,” hernam Porthos, trotsch op het kompliment van Aramis, „dewijl er een diamant is, verkoopen wij hem.”--„Maar,” zeide d’Artagnan, „die diamant komt van de koningin!”--„Een reden te meer,” hernam Athos. „Niets billijker, dan dat de koningin den hertog van Buckingham, haar minnaar, redt, niets redelijker, dan dat de koningin ons, haar vrienden, redt. Verkoopen wij den diamant. Wat denkt mijnheer de abt er van? Ik vraag niet naar de denkwijze van Porthos, hij heeft ze medegedeeld.”--„Wel, ik denk,” zeide Aramis, „dat, wijl zijn ring niet van een minnares afkomstig en bijgevolg geen liefdepand is, d’Artagnan hem mag verkoopen.”--„Mijn waarde! gij spreekt als de levende Theologie.... Dus gij besluit?”--„Den diamant te verkoopen,” antwoordde Aramis.--„Welnu, verkoopen wij den diamant, en laat ons er niet meer over spreken.”

Het geweervuur bleef aanhouden, maar de vrienden waren buiten schot, en de lieden van la Rochelle schoten alleen ter voldoening van hun geweten.

„Op mijn woord,” hernam Athos, „het was tijd, dat Porthos dat denkbeeld kreeg, wij zijn het kamp genaderd.... Dus, heeren! geen enkel woord meer over die zaak. Men slaat ons gade, men komt ons tegemoet, en wij zullen in zegepraal worden rondgevoerd.”

En waarlijk, zooals wij zeiden, het geheele kamp was in opschudding. Meer dan twee duizend personen hadden, als bij een tooneelvoorstelling, het goed afgeloopen waagstuk der vier vrienden bewonderd, een snoeverij, van welke men verre was het eigenlijke oogmerk te vermoeden. Men hoorde niets anders dan het geroep van: „Leven de gardes! leven de musketiers!”

De heer de Busigny was het eerst genaderd, om Athos de hand te drukken en te erkennen, dat hij de weddenschap had verloren. De dragonder en de Zwitser hadden zijn voorbeeld gevolgd en de overige krijgsmakkers dat van deze. Het was een oneindige reeks van gelukwenschingen, handdrukken en omhelzingen, een onuitputtelijk gelach, ten koste van de lieden van la Rochelle, kortom, een zoo geweldig leven, dat de kardinaal in de meening verkeerde, dat er een oproer plaats had, zoodat hij la Houdinière, kapitein zijner gardes, zond, ten einde te vernemen, wat er gaande was. De zaak werd den afgezondene met de meeste geestvervoering verhaald.

„Wel?” vroeg de kardinaal, la Houdinière ziende.--„Wel, Uwe Eminentie! het zijn drie musketiers en een garde, die met den heer de Busigny een weddenschap hadden aangegaan om in het bolwerk Saint Gervais te gaan ontbijten, en die gedurende hun ontbijt twee uren lang de vijanden uit la Rochelle tegengehouden en ik weet niet hoeveel hunner gedood hebben.”--„Hebt gij naar de namen der drie musketiers onderzoek gedaan?”--„Ja, Uwe Eminentie!”--„Wie zijn zij?”--„De heeren Athos, Porthos en Aramis.”--„Altijd mijn drie dapperen,” mompelde de kardinaal. „En de garde?”--„De heer d’Artagnan.”--„Altijd mijn jonge knaap! Het is besloten; die vier mannen moeten mij behooren.”

Dienzelfden avond sprak de kardinaal den heer de Tréville over de heldendaad van dien ochtend, welke het onderwerp van al de gesprekken in het legerkamp was; de heer de Tréville, die het verhaal van dat avontuur uit den mond der uitvoerders zelf had gehoord, deelde het in al zijn bijzonderheden den kardinaal mede, zonder de episode van het servet te vergeten.

„Het is wel, mijnheer de Tréville!” zeide de kardinaal, „bezorg mij dat servet, als het u belieft, ik zal er drie gouden leliën in doen borduren en het als standaard aan uw kompagnie geven.”--„Uwe Eminentie!” zeide de heer de Tréville, „men zou onbillijk jegens de garde zijn. De heer d’Artagnan behoort niet mij, maar den heer des Essarts.”--„Welnu, neem hem!” zeide de kardinaal; „dewijl de vier dappere krijgslieden elkander zoo liefhebben, is het billijk, dat hij in dezelfde kompagnie wordt ingelijfd.”

Dienzelfden avond berichtte de heer de Tréville dat goede nieuws aan de drie musketiers en aan d’Artagnan, hen alle vier voor den volgenden ochtend aan het ontbijt noodigende.

D’Artagnan was zich van blijdschap geen meester meer. Immers men weet, dat de droom zijns levens was eenmaal musketier te worden. De drie vrienden waren ook zeer verblijd.

„Op mijn woord,” zeide d’Artagnan tot Athos, „gij hebt daar een zeer gelukkigen inval gehad, en zooals ge zeidet, hebben wij roem behaald en een allerbelangrijkst gesprek kunnen houden.”--„Dat wij thans kunnen hervatten, zonder dat iemand eenig kwaad vermoeden op ons zal hebben, want met Gods hulp zullen wij voortaan voor kardinalisten worden gehouden.”

Dienzelfden avond ging d’Artagnan den heer des Essarts begroeten en hem zijn bevordering mededeelen. De heer des Essarts, die d’Artagnan zeer genegen was, bood hem zijn goede diensten aan, ter tegemoetkoming in de onkosten, welke die verandering van korps na zich sleepte. D’Artagnan weigerde, maar de gelegenheid gunstig vindende, verzocht hij hem de waarde van den diamant te bepalen, dien hij hem ter hand stelde, en welken hij te gelde wilde maken. Den volgenden morgen te acht uur trad de knecht van den heer des Essarts bij d’Artagnan binnen en stelde hem een zak met zeven duizend franken ter hand. Dat was de som, die de diamant der koningin had opgebracht.

HOOFDSTUK XVII.

Familiezaken.

Athos had eindelijk het woord gevonden, namelijk: van de zaak van Buckingham een familiezaak te maken. Immers, een familiezaak zou niet aan het onderzoek van den kardinaal onderworpen worden. Een familiezaak raakte niemand, en men kon zich met een familiezaak in tegenwoordigheid van de geheele wereld bezighouden. Aramis had het denkbeeld gevonden: den lakei. Porthos het middel: den diamant. Alleen d’Artagnan had niets gevonden, hij, gewoonlijk de vindingrijkste van allen; maar het moet ook gezegd worden, dat alleen de naam van milady voldoende was om hem te ontzenuwen. Maar neen, wij bedriegen ons, hij had een kooper voor den diamant gevonden.

Het ontbijt bij den heer de Tréville was zeer vroolijk. D’Artagnan bezat reeds zijn nieuwe uniform. Van bijna dezelfde grootte als Aramis zijnde, had deze, die, zooals men weet, zoo edelmoedig betaald was geworden door den boekverkooper, die zijn dichtstuk had gekocht, alles dubbel laten maken en zijn vriend een volledige uitrusting afgestaan. D’Artagnan zou het toppunt zijner wenschen hebben bereikt, indien hij niet milady als een donkere wolk aan den gezichteinder had zien opdagen.

Na het ontbijt maakte men afspraak, elkander bij Athos dienzelfden avond weder te vinden, alwaar men de zaak zou afhandelen.

D’Artagnan besteedde den dag met het vertoonen van zijn musketiersgewaad in al de straten van het legerkamp. Des avonds vereenigden zich de vier vrienden op het bepaalde uur; er bleven nog slechts drie punten ter overweging over: Wat men aan den broeder van milady zou schrijven. Wat men aan dien knappen persoon van Tours zou schrijven. En wie de lakeien zouden zijn, die de brieven moesten bezorgen. Elk bood den zijnen aan. Athos roemde de stilzwijgendheid van Grimaud, die dan alleen sprak, wanneer zijn meester hem den mond opende; Porthos roemde de kracht van Mousqueton, die tegen vier mannen, van gewone grootte, was opgewassen; Aramis, in de slimheid van Bazijn volkomen vertrouwen stellende, weidde uit in loftuitingen op zijn kandidaat; d’Artagnan ten slotte wees op den moed van Planchet en herinnerde aan de wijze, op welke hij zich in de zoo moeilijke zaak van Boulogne had gedragen. Die vier deugden betwistten elkander lang den prijs en gaven aanleiding tot redevoeringen, die wij, uit vrees voor langwijligheid, niet zullen mededeelen.

„Ongelukkiglijk,” zeide Athos, „zou hij, dien men zond, alleen die vier hoedanigheden bij elkander moeten bezitten.”--„Maar waar een dergelijken dienaar te vinden?”--„Die is niet te vinden,” zeide Athos, „dat weet ik wel; neem dus Grimaud.”--„Neem Mousqueton.”--„Neem Bazijn.”--„Neem Planchet. Planchet is trouw en behendig, dat zijn reeds twee hoedanigheden van de vier.”--„Mijne heeren!” zeide Aramis, „het voornaamste is niet te weten, wie van onze vier knechts de geheimhoudendste, de sterkste, de behendigste of de moedigste is; het voornaamste is te weten, wie het meest van geld houdt.”--„Hetgeen Aramis daar opmerkt, is zeer verstandig gezegd,” hernam Athos; „men moet met de gebreken der menschen zijn voordeel doen, en niet met hun deugden. Mijnheer de abt, gij zijt een groot zedenmeester!”--„Ongetwijfeld,” hernam Aramis, „want wij moeten niet alleen goed bediend worden, ten einde te slagen, maar ook om onze onderneming niet te doen mislukken; immers in het laatste geval is niet het hoofd van den lakei....”--„Spreek zachter, Aramis!” zeide Athos.--„Het is waar ook. Is niet het hoofd van den lakei, maar dat van den meester er mede gemoeid. Hebben onze knechts ons nu zoo lief, dat zij hun hoofden voor ons zouden wagen? Neen.”--„Wel,” zeide d’Artagnan, „ik zou bijna voor Planchet willen verantwoordelijk blijven.”--„Welnu, mijn beste vriend! voeg dan bij zijn natuurlijke genegenheid een goede som, die hem eenig genot kan geven, en dan, in plaats van eenmaal voor hem verantwoordelijk te zijn, wees het dan twee malen.”

„Ach, mijn God! gij zoudt u eveneens bedrogen vinden,” zeide Athos, die Optimist was wanneer het zaken, en Pessimist wanneer het menschen betrof: „zij zullen alles beloven voor geld, maar onderweg zal de vrees hen beletten te handelen. Eenmaal in handen, zal men hen knijpen; en geknepen, zullen zij bekennen. Wat duivel! wij zijn kinderen! Om naar Engeland te gaan (Athos begon zachter te spreken) moet men geheel Frankrijk door, dat wemelt van spionnen en aanhangers van den kardinaal; men moet Engelsch spreken, om in Londen den weg te vragen. Zie, ik beschouw de zaak als zeer moeilijk.”--„Wel, volstrekt niet,” zeide d’Artagnan, die er zeer op gesteld was, dat de zaak werd voortgezet; „ik, integendeel, beschouw ze als zeer uitvoerbaar. Het spreekt vanzelf, parbleu! dat wanneer men lord de Winter ongerijmdheden, afschuwelijkheden van den kardinaal schrijft....”--„Spreek toch zachter,” zeide Athos.--„Intrigues en staatsgeheimen,” ging d’Artagnan voort, de aanbeveling nakomende, „dan spreekt het vanzelf, dat men ons levend zal radbraken. Maar om Gods wil, vergeet niet, zooals gij het zelf hebt gezegd, Athos! dat wij over familiezaken schrijven; dat wij hem alleen schrijven, milady, zoodra zij in Engeland aankomt, buiten staat te stellen ons te schaden. Ik zal hem een brief in dien zin schrijven.”--„Laat hooren,” zeide Aramis, reeds bij voorbaat het gezicht van een recensent aannemende.

„Mijnheer en waarde vriend!....”

„Wel zeker! waarde vriend aan een Engelschman! Alleen om deze woorden zou men u vierendeelen, in plaats van levend radbraken.”--„Welnu, dan zal ik eenvoudig mijnheer schrijven.”--„Gij kunt wel mylord zeggen,” hernam Athos, die zeer op étiquette was gesteld.--„Mylord! herinnert gij u nog wel die kleine omheinde geitenweide bij het Luxembourg?”--„Nog fraaier! Nu het Luxembourg! men zal gelooven, dat men op de koningin-moeder zinspeelt! zeer slim inderdaad!” zeide Athos.--„Welnu, dan zullen we eenvoudig zetten: Mylord! herinnert gij u nog wel zekere omheinde weide, waar men u het leven redde?”--„Mijn waarde d’Artagnan!” zeide Athos, „gij zult nooit anders dan een slecht briefsteller zijn. Waar men u het leven redde! wel foei! dat is onwaardig! men herinnert dergelijke zaken niet aan een edelman. Een herinnerde weldaad wordt een beleediging.”--„Ach, mijn waarde!” zeide d’Artagnan, „gij zijt onverdragelijk; en indien men onder uw toezicht moet schrijven, dan zie ik er van af.”--„En gij doet wel. Ga met het musket en den degen om, mijn vriend! gij bedient u van beide wapens voortreffelijk; maar geven wij de pen aan Aramis, ze behoort hem.”--„Wel ja,” zeide Porthos, „geef Aramis de pen in de hand; immers hij schrijft zijn thesis in het Latijn.”--„Goed, het zij zoo,” zeide d’Artagnan, „stel ons dien brief op, Aramis! Maar bij onzen Heiligen Vader den Paus, pas op! want op mijn beurt zal ik u mijn aanmerkingen niet onthouden, dat verzeker ik u.”--„Ik begeer niets anders,” zeide Aramis, met dat onnoozel vertrouwen, hetwelk ieder poëet in zich zelven stelt; „maar men moet mij met de zaken bekend maken. Ik heb wel hier en daar gehoord, dat die schoonzuster een zeer slechte vrouw is, en er zelfs het bewijs van gekregen, toen ik naar haar gesprek met den kardinaal luisterde.”--„Spreek toch zoo luid niet, sacrebleu!” hernam Athos.--„Maar,” vervolgde Aramis, „die bijzonderheden zijn mij ontgaan.”--„En mij ook,” zeide Porthos.

D’Artagnan en Athos beschouwden elkander een poos zwijgend. Eindelijk gaf Athos, na overwogen te hebben, en nog bleeker geworden zijnde dan gewoonlijk, een teeken van toestemming. D’Artagnan begreep, dat hij mocht spreken.

„Welnu, ziehier wat er te schrijven is,” hernam d’Artagnan: „Mylord! uw schoonzuster is een slechte vrouw, die u heeft willen doen vermoorden om van u te erven; zij mocht trouwens met uw broeder niet gehuwd zijn, daar zij reeds in Frankrijk....” D’Artagnan zweeg, als om het woord te zoeken, terwijl hij Athos aanzag.--„Door haar man was weggejaagd,” zeide Athos.--„Uit hoofde zij gebrandmerkt was,” vervolgde d’Artagnan.--„Och!” riep Porthos, „onmogelijk! zou zij haar schoonbroeder hebben willen doen vermoorden?”--„Ja.”--„Was zij reeds gehuwd?” vroeg Aramis.--„Ja.”--„En heeft haar man ontdekt, dat zij een lelie op den schouder had?” riep Porthos.--„Ja.”--Driemaal had Athos ja gezegd, met een trapsgewijze verdooving zijner stem.--„En wie heeft die lelie gezien?” vroeg Aramis.--„D’Artagnan en ik; of liever, om de chronologische volgorde in acht te nemen, ik en d’Artagnan,” antwoordde Athos.--„En leeft dat afschuwelijk schepsel nog?” vroeg Aramis.--„Het leeft nog.”--„Zijt gij er zeker van?”--„Ik ben er zeker van.”

Een oogenblik heerschte er een onaangename stilte, van welke ieder, volgens zijn aard, den indruk voelde.

„Nu, dezen keer,” hernam Athos, het eerst de stilte afbrekende, „heeft d’Artagnan ons een heerlijk voorschrift gegeven, en dat is het, wat wij vooreerst moeten schrijven.”--„Duivelsch! gij hebt gelijk, Athos!” hernam Aramis, „maar het opstel is moeilijk genoeg. Mijnheer de kanselier zoude zelfs in verlegenheid zijn een dergelijken brief op te stellen, en nochtans stelt hij zeer aardig een proces-verbaal op. Maar het doet er niet toe. Zwijgt nu een oogenblik en ik zal schrijven.”

Aramis nam de pen, peinsde eenige oogenblikken, schreef een acht- of tiental regels in een zeer net, klein vrouwenschrift; vervolgens las hij met een zachte stem en langzaam, alsof elk woord nauwkeurig ware overwogen, het volgende:

„Mylord!

De persoon, die u deze weinige regels schrijft, heeft de eer gehad den degen met u te kruisen in zekere kleine omheinde weide in de straat d’Enfer. Daar gij sedert meermalen dien persoon uw vriend hebt genoemd, is hij jegens u verplicht die vriendschap door een goede waarschuwing te erkennen. Tot tweemalen toe zijt gij bijna het offer geworden eener bloedverwante, die gij uw erfgename waant, omdat het u onbekend is, dat zij, vóór haar huwelijk in Engeland, reeds in Frankrijk was gehuwd; maar de derde maal, hetgeen nu het geval is, zoudt gij kunnen bezwijken. Uw bloedverwante is van la Rochelle naar Engeland vertrokken. Bewaak haar bij haar aankomst, want zij wil groote en verschrikkelijke plannen volvoeren. Als gij volstrekt wilt weten, waartoe zij in staat is, lees dan haar verleden op den linkerschouder.”

„Wel, dat kan niet beter,” zeide Athos, „en gij hebt een stijl als van een staatssecretaris, mijn waarde Aramis! De Winter zal nu een waakzaam oog houden, althans indien de waarschuwing hem gewordt, en al mocht die brief in handen van Zijne Eminentie vallen, kan hij ons niet benadeelen. Maar dewijl de knecht, die vertrekken moet, ons zou kunnen wijsmaken, dat hij in Londen is geweest, en echter te Châtellerault kan gebleven zijn, moeten wij hem niet meer dan de helft der som geven, met belofte hem de andere helft voor het antwoord te geven. Hebt gij den diamant?”--„Ik heb iets beters dan dat, ik heb het geld,” zeide d’Artagnan, en hij wierp den zak op tafel.

Op den klank van het geld richtte Aramis de oogen hemelwaarts. Porthos sprong op, terwijl Athos onbeweeglijk bleef zitten.

„Hoeveel is er in dien kleinen zak?” vroeg de laatste.--„Zeven duizend franken, in louis van twaalf franken.”--„Zeven duizend franken?” riep Porthos; „was die kleine, nietige diamant zeven duizend franken waard?”--„Het schijnt wel, want daar zijn ze; ik kan toch niet veronderstellen, dat onze vriend d’Artagnan er van het zijne heeft bijgelegd?”--„Maar, heeren! bij dat alles wordt er niet aan de koningin gedacht; trachten wij een weinig voor den welstand van haar lieven Buckingham zorg te dragen; dat is niet meer dan wij haar verschuldigd zijn.”--„Dat is waar,” zeide Athos; „maar dat raakt Aramis.”--„Welnu,” antwoordde deze blozende, „wat moet ik doen?”--„Wel,” hernam Athos, „dat is zeer eenvoudig: een anderen brief voor den knappen persoon, die Tours bewoont, opstellen.”

Aramis vatte wederom de pen op, begon opnieuw te peinzen en schreef de volgende regels, die hij onmiddellijk aan de goedkeuring zijner vrienden onderwierp:

„Lieve nicht!”

„O, o!” riep Athos, „is die knappe persoon uw nicht?”--„Mijn volle nicht,” zeide Aramis.--„Laat het dan nicht zijn!”

Aramis vervolgde:

„Lieve nicht!

Zijne Eminentie de kardinaal, dien God behoede voor het heil van Frankrijk en het verderf der vijanden van het koninkrijk, is op het punt een einde aan de kettersche rebellen van la Rochelle te maken; het is waarschijnlijk, dat de Engelsche vloot, ter hulp gezonden, niet in het gezicht der stad zal komen; ik zou zelfs durven verzekeren, dat de hertog van Buckingham door een of andere groote gebeurtenis zal belet worden te vertrekken. Zijne Eminentie is de beroemdste staatkundige van den tegenwoordigen tijd, en misschien der toekomstige tijden. Hij zou de zon uitdooven, indien de zon hem hinderde. Deel die gelukkige tijding aan uw zuster mede, lieve nicht! Ik heb gedroomd, dat die vervloekte Engelschman dood was. Ik herinner mij niet meer, of zulks ten gevolge van staal of vergift was. Alleen, en hiervan ben ik zeker, is, dat hij dood was; en gij weet, mijn droomen komen altijd uit. Wees dus verzekerd van mijn spoedige terugkomst.”

„Kostelijk!” riep Athos; „gij zijt de koning der dichters, mijn waarde Aramis! Gij spreekt als de openbaring van Johannes, en gij zijt zoo waar als het evangelie. Er blijft nu slechts over, het adres op den brief te zetten.”--„Dat is zeer gemakkelijk,” zeide Aramis.

Hij maakte op sierlijke wijze den brief dicht, daarop keerde hij hem om en schreef er op:

„Aan mejuffrouw Michon, koopvrouw in lijnwaad te Tours.”

De drie vrienden zagen elkander lachend aan. Men had Aramis beet.--„Nu begrijpt gij wel, heeren!” zeide Aramis, „dat alleen Bazijn den brief naar Tours kan brengen. Mijn nicht kent niemand dan Bazijn en stelt alleen in hem vertrouwen. Elk ander zou de zaak doen mislukken. Bovendien is Bazijn eerzuchtig en geleerd. Bazijn kent de geschiedenis, mijne heeren! hij weet, dat Sixtus V, na varkenshoeder te zijn geweest, paus is geworden; en dewijl hij voornemens is tegelijk met mij zich aan de kerk te verbinden, laat hij de hoop ook niet varen nog eenmaal paus, ten minste kardinaal te worden. Nu begrijpt gij wel, dat iemand, die zulke vooruitzichten heeft, zich niet laat vangen, en gevangen wordende, liever martelaar wordt dan te spreken.”

„Zeer goed,” zeide d’Artagnan, „ik sta u van harte Bazijn af, maar laat mij Planchet. Milady heeft hem op zekeren dag met stokslagen de deur uit laten werpen. En dewijl Planchet een zeer goed geheugen heeft, sta ik u borg, indien hij de minste wraak als mogelijk beschouwt, dat hij zich liever levend zal doen radbraken dan er van af te zien. Indien de zaken van Tours de uwe zijn, Aramis! zijn die van Londen de mijne. Ik verzoek dus, dat men Planchet verkieze, die buitendien reeds met mij te Londen is geweest en zeer goed kan zeggen: ‚London, Sir if you please,’ en ‚my master, lord d’Artagnan.’ Wees daarom gerust, hij zal zijn weg wel vinden heen en weer.”

„In dat geval,” zeide Athos, „moet Planchet zevenhonderd franken om te gaan en zevenhonderd franken, om terug te keeren hebben, en Bazijn driehonderd franken om te gaan en driehonderd franken om terug te keeren; dat zal de som tot vijf duizend franken verminderen. Wij zullen elk duizend franken nemen om die naar ons goedvinden te gebruiken, en een fonds van duizend franken houden, dat de abt zal bewaren voor buitengewone uitgaven of gemeenschappelijke benoodigdheden. Neemt gij hiermede genoegen?”--„Mijn waarde Athos!” zeide Aramis, „gij spreekt als een Nestor, die, zooals de geheele wereld weet, de wijste onder de Grieken was.”--„Welnu, het is bepaald,” hernam Athos, „Planchet en Bazijn zullen vertrekken. En alles wel beschouwd is het mij niet onaangenaam Grimaud te behouden; hij is aan mijn leefwijze gewoon en ik ben aan hem gehecht; de dag van gisteren heeft hem reeds moeten doen wankelen; die reis zou hem geheel verloren doen gaan.”

Men liet Planchet komen en gaf hem de noodige voorschriften; hij was door d’Artagnan reeds gewaarschuwd, die hem vooreerst roem, ten tweede geld en eindelijk gevaar had doen vooruitzien.

„Ik zal den brief tusschen de voering van mijn kleed steken,” zeide Planchet, „en dien inslikken, wanneer men mij aanhoudt.”--„Maar dan zult gij uw boodschap niet kunnen verrichten,” zeide d’Artagnan.--„Geef er mij van avond een afschrift van, en ik zal het morgen van buiten kennen.”

D’Artagnan beschouwde zijn vrienden als wilde hij vragen: „Wel, wat heb ik u gezegd?”

„En nu,” ging hij voort, zich tot Planchet wendende, „gij hebt aan acht dagen genoeg om u naar lord de Winter te begeven; gij hebt vervolgens wederom acht dagen om terug te keeren; dus in het geheel zestien dagen. Indien gij nu den zestienden dag na uw vertrek des avonds te acht uur niet terug zijt, dan krijgt gij geen geld, al zou het slechts vijf minuten er over zijn.”--„Koop mij dan een horloge, mijnheer!” zeide Planchet.--„Neem dit,” zeide Athos met zijn ruwe edelmoedigheid, „en wees braaf; wees indachtig, dat indien gij spreekt of babbelt of slentert, gij uws meesters hals doet afsnijden, die zooveel vertrouwen in uw getrouwheid stelt, dat hij jegens ons voor u verantwoordelijk is gebleven.... Maar wees tevens ook indachtig dat, indien den heer d’Artagnan een ongeluk gebeurt, ik u overal zal weten te vinden om u den buik open te rijten.”--„Ach, mijnheer!” zeide Planchet, vernederd door dat wantrouwen, maar vooral verschrikt door die bedaarde houding van den musketier.--„En ik,” zeide Porthos, zijn groote oogen vreeselijk latende rollen, „bedenk dat ik u levend vil.”--„En ik,” zeide Aramis met zijn zachte, welluidende stem, „herinner u, dat ik u als een wilde zachtjes zal roosteren.”--„Ach, mijnheer!”

En Planchet begon te huilen; wij durven niet zeggen of zulks van angst voor de hem gedane bedreigingen was, of van verteedering op het zien dezer zoo nauw aan elkander verbonden vrienden. D’Artagnan vatte hem bij de hand.

„Ziet gij, Planchet!” zeide hij, „die heeren zeggen u dat alleen uit liefde voor mij; maar inderdaad houden zij veel van u.”--„Ach, mijnheer!” zeide Planchet, „òf ik zal slagen, òf men zal mij vierendeelen; maar wees verzekerd, dat er geen stuk van mij zal spreken.”

Het was bepaald, dat Planchet den volgenden dag, des morgens te acht uur, zou vertrekken, ten einde, zooals hij had gezegd, des nachts den brief van buiten te kunnen leeren. Hij won juist twaalf uren bij die schikking, immers hij moest den zestienden dag daarna, des avonds te acht uur, terug zijn.

Des morgens, toen hij wilde te paard stijgen, nam d’Artagnan, die in zijn hart een zwak voor den hertog van Buckingham gevoelde, hem ter zijde en zeide hem: „Luister! Zoodra gij den brief aan lord de Winter zult hebben ter hand gesteld en hij dien gelezen heeft, zult gij hem nog zeggen: ‚Waak over Zijne Genade, lord Buckingham! want men wil hem vermoorden.’ Maar dat, Planchet, hoort gij, is van een zoo ernstigen, gevaarlijken aard, dat ik niet eens aan mijn vrienden heb willen bekennen, dat ik u dat geheim zou toevertrouwen, en al bood men mij een kapiteinsplaats, zou ik u dit niet eens willen opschrijven.”--„Wees gerust, mijnheer!” zeide Planchet, „gij zult ondervinden of men op mij kan rekenen.”--En op een kostelijk paard gezeten, dat hij twintig mijlen verder voor de post moest verwisselen, vertrok Planchet in galop, wel eenigszins inwendig angstig voor de akelige beloften, die de musketiers hem hadden gedaan, maar overigens in de beste gezindheid der wereld.

Bazijn vertrok den volgenden dag naar Tours en verkreeg acht dagen om zijn boodschap te verrichten.

De vier vrienden waren, gedurende al den tijd dat beiden afwezig waren, meer dan ooit werkzaam en scherpten hiertoe al hun zintuigen. Zij brachten den dag door in pogingen om te beluisteren wat er rondom hen gesproken werd, in het nagaan der gangen van den kardinaal en het uithooren der koeriers, die aankwamen. Meer dan eens overviel hen een onwillekeurige rilling, wanneer zij geroepen werden ter uitvoering van een onverwachten dienst. Zij waren buitendien genoodzaakt voor hun eigene zekerheid te waken; immers milady was een spookgedaante die, wanneer zij eenmaal aan de lieden was verschenen, hun een gerusten slaap niet meer vergunde.

Op den ochtend van den achtsten dag trad Bazijn, als naar gewoonte frisch en glimlachende, de herberg het Geuzennest binnen, terwijl de vier vrienden zaten te ontbijten, en volgens afspraak zich tot Aramis wendende, zeide hij: „Ziedaar, mijnheer! het antwoord van uw nicht.”

De vier vrienden wisselden een verheugden blik met elkander; de helft van het werk was verricht; het is waar, dat het de gemakkelijkste en kortste helft was. Aramis nam onwillekeurig blozende den brief, die zeer slecht geschreven en zonder de minste taalkennis was.

„Goede God!” riep hij lachend uit, „nu wanhoop ik er voor altijd aan, dat die arme Michon ooit als de Heer Voiture zal schrijven.”--„Was sagst du doch, die arme Migeon?” vroeg de Zwitser, die met de vier vrienden in gesprek was, toen de brief kwam.--„Ach, mijn God! iets minder dan niets,” zeide Aramis, „het betreft een allerliefst linnenkoopstertje, die ik veel liefde toedraag en die mij ter gedachtenis eenige regels heeft gezonden.”--„Teufel!” zeide de Zwitser, „wenn sie eine ebengrosse Tame als ihr Schrift ist, dann bist du mein Freund ein glücklicher Mann.”--„Zie eens wat zij mij schrijft, Athos!”--Athos wierp een blik op den brief en om alle vermoedens te doen verdwijnen, die zouden hebben kunnen ontstaan, las hij luid:

„Neef! mijn zuster en ik kunnen zeer goed droomen uitleggen en zijn er vreeselijk benauwd voor, maar van den uwen zal men hoop ik kunnen zeggen: droomen is bedrog.... Vaarwel, houd u goed en tracht ons van tijd tot tijd eenige tijding van u te doen geworden.

Aglaé Michon.”

„En van welken droom spreekt zij?” vroeg de dragonder, die onder het lezen was genaderd.--„Ja, was träumte sie?” hernam de Zwitser.--„Wel, pardieu!” zeide Aramis, „van den droom, dien ik heb verhaald.”--„Ach ja! es ist ganz natürlich von sein Traum zu sprechen, aber ich träume nie.”--„Gij zijt wel gelukkig,” zeide Athos opstaande, „en ik zou gaarne zulks met u willen zeggen.”--„Nie!” hernam de Zwitser, verheugd dat een man als Athos hem iets benijdde, „nie! nie!”

D’Artagnan, ziende dat Athos opstond, deed evenzoo, nam zijn arm en vertrok. Porthos en Aramis bleven, om op de kwinkslagen van den dragonder en den Zwitser te kunnen antwoorden. Intusschen ging Bazijn op een bos stroo liggen slapen, en daar zijn verbeelding waakzamer was dan die van den Zwitser, droomde hij, dat de heer Aramis, paus geworden zijnde, hem den kardinaalshoed opzette.

Maar, zooals wij zeiden, had Bazijn, door zijn gelukkige terugkomst, slechts een gedeelte der ongerustheid, die de vier vrienden prikkelde, weggenomen. Het wachten valt lang; en vooral d’Artagnan zou gezworen hebben, dat de dagen acht en veertig uren hadden. Hij vergat de noodwendige langzaamheid der scheepvaart, hij overdreef de macht van milady en schreef aan die vrouw, welke hem een helsche geest scheen, bovennatuurlijke bondgenooten toe, aan haar gelijk; hij verbeeldde zich bij het minste gerucht, dat men hem kwam halen en Planchet terugbracht, om dezen met hem en zijn vrienden te confronteeren. En wat meer is, zijn vertrouwen in den waardigen Picardiër verminderde dagelijks. Die ongerustheid was zoo sterk, dat zij ook Porthos en Aramis overviel; alleen Athos bleef zich zelven gelijk, alsof geen enkel gevaar hem dreigde en hij in zijn gewone sfeer verkeerde.

Vooral waren die teekenen van onrust den zestienden dag zoo zichtbaar bij d’Artagnan en zijn twee vrienden, dat zij niet stil konden blijven en steeds als schimmen op den weg dwaalden, langs welken Planchet moest terugkomen.

„Waarlijk,” zeide Athos, „gij zijt geen mannen, gij zijt kinderen, om u door een vrouw zooveel angst te laten aanjagen. En wat beteekent het in alle geval, gevangen te worden genomen? Welnu, men zal ons uit de gevangenis bevrijden, waaruit men juffrouw Bonacieux wel heeft bevrijd.... Te worden onthalsd? maar wij gaan immers dagelijks in de loopgraven ons nog meer blootstellen; want een kogel kan ons been verbrijzelen, en ik ben zeker, dat een wondheeler ons meer doet lijden, door ons een been af te zetten, dan een beul door ons het hoofd af te slaan. Weest dus gerust, binnen twee, vier of zes uren op het langst zal Planchet hier wezen; hij heeft beloofd hier te zijn, en ik stel veel vertrouwen in de beloften van Planchet, die er als een zeer brave jongen uitziet.”--„Maar als hij niet komt?” zeide d’Artagnan.--„Welnu, indien hij niet komt, is hij opgehouden, ziedaar alles. Hij kan van het paard zijn gevallen, hij kan over een brug zijn geduikeld, hij kan zooveel spoed hebben gemaakt, dat hij er een verkoudheid door heeft gekregen.... Nemen wij daarom, mijne heeren, de toevalligheden in aanmerking. Het leven is een groote rozenkrans van kleine ellenden, terwijl de wijsgeer lachend de kralen door zijn vingers laat glijden. Weest wijsgeeren, zooals ik het ben, mijne heeren, zet u aan tafel en laat ons drinken; niets geeft aan de toekomst een meer rooskleurigen weerschijn, dan ze door een glas Chambertin heen te beschouwen.”--„Dat is zeer goed,” antwoordde d’Artagnan, „maar ik ben het moede steeds, wanneer ik drink, te moeten vreezen, dat de wijn uit den kelder van milady komt.”--„Gij zijt wel lastig,” zeide Athos. „Een zoo schoone vrouw!”--„Een zoo merkwaardige[13] vrouw!” riep Porthos hard lachende.

[13] Er is hier in het Fransch een uitdrukking „femme de marque”, die men op een gebrandmerkte vrouw, zooals milady, kan toepassen. Porthos wist, gelijk men weet, van de zaak niet af.

Athos ontroerde, bracht de hand aan het voorhoofd, om er het zweet af te wisschen, en stond op zijn beurt op met een zenuwachtige spanning, die hij niet kon bedwingen.

De dag liep ten einde, en de avond naderde langzaam, maar hij kwam toch; de kroegen vulden zich met drinkers. Athos, die zijn aandeel van den diamant had ontvangen, verliet het Geuzennest niet meer; hij had in den heer de Busigny, die den vrienden bereids een prachtig maal had gegeven, een hem waardigen drinkebroer gevonden. Zij waren met elkander, volgens gewoonte, aan het dobbelen, toen het zeven uur sloeg; men hoorde de patrouilles voorbijgaan, die de wachtposten gingen verdubbelen. Te half acht werd de taptoe geslagen.

„Wij zijn verloren,” zeide d’Artagnan, Athos in het oor fluisterende.--„Gij wilt zeggen, dat wij verloren hebben,” zeide Athos bedaard, uit zijn zak tien louis d’or halende, die hij op tafel wierp. „Komt, heeren!” ging hij voort, „men slaat de taptoe; wij gaan slapen.”

En Athos verliet het Geuzennest, gevolgd door d’Artagnan. Aramis kwam achterna, den arm aan Porthos gevende. Aramis zeide bij zich zelven verzen op, en Porthos trok zich van tijd tot tijd wanhopend eenige haren uit den knevel.

Maar daar verschijnt eensklaps in de duisternis een schim, van welke de gestalte aan d’Artagnan niet onbekend is, terwijl een ook bekende stem hem toeroept: „Mijnheer! ik breng u uw mantel, want het is koud van avond.”--„Planchet!” riep d’Artagnan buiten zich zelven van vreugd.--„Planchet!” riepen Porthos en Aramis.--„Welnu ja, wat is er aan Planchet wonders te zien?” zeide Athos. „Hij heeft beloofd te acht uur terug te zullen zijn, en ziedaar slaat het acht uur. Bravo, Planchet! gij zijt een man van uw woord, en indien gij ooit uw meester mocht verlaten, heb ik voor u een plaats in mijn dienst open.”--„Neen, nooit,” zeide Planchet, „nooit zal ik den heer d’Artagnan verlaten.”

En tegelijkertijd voelde d’Artagnan, dat Planchet hem een briefje in de hand stopte. D’Artagnan had veel lust Planchet te omhelzen; maar hij was bevreesd, dat dit bewijs van genegenheid midden op den weg, jegens zijn lakei betoond, den een of anderen voorbijganger zou opvallen, en hij bedwong zich.--„Ik heb het antwoord,” zeide hij tot Athos en zijn vrienden.--„Goed,” hernam Athos, „laat ons binnengaan, en wij zullen het lezen.”

Het briefje brandde in de hand van d’Artagnan; hij wilde zijn schreden verhaasten, maar Athos nam hem bij den arm, en de jongeling was genoodzaakt zijn stap naar dien van zijn vriend te regelen. Eindelijk trad men de tent binnen, men stak een lamp aan, en terwijl Planchet voor de deur bleef staan, ten einde te zorgen, dat de vier vrienden niet werden overvallen, brak d’Artagnan met een bevende hand het zegel los en opende den zoo lang verwachten brief.

Hij behelsde slechts een halven regel echt Engelsch schrift, van een volkomen Spartaansche zakelijkheid:

„Thank you; be easy.”

Hetgeen wilde zeggen: ik dank u: wees gerust. Athos nam den brief uit de handen van d’Artagnan, stak hem in de vlam der lamp en liet hem niet los, voordat hij tot asch verteerd was. Vervolgens riep hij Planchet.

„Thans, mijn jongen!” zeide hij, „kunt gij de zevenhonderd franken eischen, maar gij waagdet niet veel met een dergelijk briefje.”--„Dat heeft niet belet, dat ik allerhande middelen heb moeten bedenken, om het goed te verbergen,” zeide Planchet.--„Welnu,” zeide d’Artagnan, „verhaal ons dat eens.”--„Duivelsch,” zeide Planchet, „dat vereischt veel tijd, mijnheer!”--„Gij hebt gelijk, Planchet! bovendien is de taptoe geslagen en men zou ons opmerken, indien men langer dan bij de anderen licht bij ons zag.”--„Goed,” zeide d’Artagnan, „laat ons gaan slapen, slaap wel, Planchet!”--„Op mijn woord, mijnheer! dat zal de eerste maal sedert zestien dagen zijn.”--„Voor mij ook,” zeide d’Artagnan.--„Voor mij ook,” hernam Aramis.--„Luistert, wilt gij dat ik u de waarheid zegge? Voor mij ook,” zeide Athos.

HOOFDSTUK XVIII.

Noodlottigheid.

Intusschen was milady dronken van toorn en brulde op het verdek van het vaartuig als een leeuwin, die werd ingescheept. Zij was zelfs op het punt geweest in zee te springen, om de kust te bereiken, want zij vond het denkbeeld ondragelijk, dat zij, na door d’Artagnan beleedigd, door Athos bedreigd te zijn geworden, nu Frankrijk verliet, zonder zich op hen gewroken te hebben. Weldra kreeg dat gevoelen zoodanig de overhand, dat zij, alles wagende wat voor haar hieruit nadeeligs zou kunnen voortspruiten, den kapitein verzocht haar aan wal te zetten; maar de kapitein, verlangend uit zijn gevaarlijken toestand te geraken, daar hij tusschen Fransche en Engelsche kapers zat, als de vleermuis onder de ratten en vogels, maakte zooveel mogelijk spoed om Engeland te bereiken; hij weigerde dus halsstarrig aan datgene gehoor te geven, wat hij een vrouwengril noemde, zijn passagier, die trouwens door den kardinaal bijzonder was aanbevolen, belovende, haar in een der havens van Bretagne, hetzij in die van Lorient of van Brest, aan land te zetten.

Maar ondertusschen bleef de wind ongunstig en de zee onstuimig; men laveerde en maakte niet veel voortgang. Negen dagen na uit Charente te zijn vertrokken zag milady, bleek van verdriet en woede, eindelijk de blauwachtige kust van Finisterre dagen. Zij berekende dat, om dien hoek van Frankrijk te doorreizen en tot den kardinaal terug te keeren, zij ten minste drie dagen noodig had; hierbij gevoegd één dag voor de ontscheping, maakte vier dagen. Hierbij de vorige negen voegende, zoo waren er dertien dagen verloren. Dertien dagen, in welke zoovele gewichtige gebeurtenissen te Londen hadden kunnen plaats hebben! Zij begreep tevens, dat de kardinaal ongetwijfeld woedend over haar terugkomst zoude zijn en bijgevolg meer genegen wezen de klachten, welke men tegen haar zoude inbrengen, aan te hooren, dan haar beschuldigingen tegen anderen. Zij zeilde derhalve Brest en Lorient voorbij, zonder bij den kapitein aan te dringen, die van zijn kant zich wel wachtte haar in het minste iets te herinneren.

Milady vervolgde dus haar weg, en denzelfden dag, dat Planchet zich te Portsmouth naar Frankrijk inscheepte, liep de zendelinge Zijner Eminentie zegevierend de haven binnen. De geheele stad was in een buitengewone gisting; vier pas gebouwde groote schepen waren te water gelaten. Aan het havenhoofd stond, met goud belegd en volgens gewoonte schitterende van diamanten en edelsteenen, den hoed versierd met een witte veder, die langs zijn schouder golfde, Buckingham, omringd door een staf, bijna even schitterend als hij. Het was een dier zoo zeldzaam fraaie dagen, op welke Engeland zich herinnert dat een zon bestaat. De bleeke, maar nochtans schitterende ster ging in het westen onder, tevens de zee en den hemel in purper hullende en als met strepen vuurs bedekkende, die op de torens en oude huizen der stad een laatsten gouden straal wierpen en de glasruiten deden glinsteren als de weerschijn van een brand.

Toen milady, die bij het naderen der kust de meer doordringende en balsemgeurige zeelucht inademde, al die toebereidselen en krachtsontwikkeling zag, welke zij moest vernielen, de macht van dat leger, dat zij alleen moest bestrijden, zij alleen, met eenige zakken goud, vergeleek zij zich bij Judith, die vreeselijke Joodsche vrouw, toen deze, in het Assyrische legerkamp binnendringende, die ontzaggelijke opeenhooping van strijdwagens, paarden, menschen en wapens zag, welke zij door een beweging harer hand als een rookwolk moest doen verdwijnen. Men kwam op de reede; maar, terwijl men zich gereed maakte om het anker te doen vallen, naderde een kleine, sterk gewapende kotter het handelsvaartuig, deed zich als kustbewaarder herkennen en liet een sloep te water, die naar de opgangsladder roeide. De boot bevatte een officier, een onderstuurman en acht roeiers. Alleen de officier klom aan boord, waar hij met al de onderscheiding werd ontvangen, welke de uniform inboezemt.

De officier onderhield zich eenige oogenblikken met den kapitein, liet hem eenige papieren lezen, welke hij bij zich had, en op bevel van den koopvaardij-kapitein werd de geheele equipage van het vaartuig, zoowel matrozen als passagiers, op het verdek geroepen.

Toen die soort van oproeping gedaan was, vroeg de officier met luide stem, van waar de brik was gekomen en naar haar koers en haar oponthoud, op welke vragen de kapitein zonder aarzeling of moeite antwoordde. Toen nam de officier achtereenvolgens al de aanwezigen in oogenschouw, en voor milady blijvende staan, beschouwde hij haar met de grootste nauwkeurigheid, zonder haar één enkel woord toe te voegen. Vervolgens keerde hij tot den kapitein terug, zeide dezen nog eenige woorden, en alsof hij het ware geweest, wien het schip voortaan moest gehoorzamen, gaf hij het bevel tot een beweging, die het scheepsvolk onmiddellijk ten uitvoer bracht. Dadelijk ging het schip weer onder zeil, maar nu vergezeld door den kleinen kotter, die er naast bleef, met de gapende monden zijner vijf kanonnen dreigende, terwijl de boot het zog van het schip volgde, als een kleine stip bij dien grooten klomp vergeleken.

Terwijl de officier milady zoo aandachtig beschouwde, had zij, zooals men wel kan denken, hem van haar zijde niet minder door haar blik verslonden. Maar hoe gewoon die vrouw met haar vlammende oogen ook was in de harten van hen te lezen, van wie zij de geheimen wilde doorgronden, vond zij nu een zoo onbeweeglijk gelaat, dat niet de minste ontdekking op haar onderzoek volgde.

De officier, die voor haar was blijven staan en haar stilzwijgend met zooveel nauwkeurigheid had gadegeslagen, kon vijf of zes en twintig jaar oud zijn geweest, was blank van vel, met helder blauwe, een weinig diep liggende oogen; zijn kleine en welgevormde mond bleef onbeweeglijk in zijn gewone omtrekken; zijn sterk geteekende kin gaf die wilskracht te kennen, welke bij den gewonen Engelschman gewoonlijk niet meer dan hoofdigheid is; een min of meer achteroverhellend voorhoofd, als dat eens dichters, eens geestdrijvers of krijgsmans, werd beschaduwd door kort en zeer dun haar, dat, evenals de baard, welke het onderste van zijn gelaat bedekte, van een schoone, donkere kastanjekleur was.

Toen men de haven binnenkwam, was de avond reeds gevallen. De mist verdikte nog meer de duisternis en vormde rondom de vuren en lichten der havenhoofden een kring als dien, welke de maan omringt, wanneer het weder tot regenen dreigt over te gaan. De lucht was treurig, vochtig en koud. De officier liet zich de goederen van milady aanwijzen en haar bagage in de boot laden; na het eindigen dezer werkzaamheid verzocht hij haar er zelve in te gaan, terwijl hij haar hiertoe de hand bood. Milady beschouwde hem en aarzelde.

„Wie zijt gij, mijnheer?” vroeg zij, „die zoo goed zijt zich zoo bijzonder met mij bezig te houden?”--„Gij kunt het aan mijn uniform zien, mevrouw! Ik ben Engelsch zee-officier,” antwoordde de jonge man.--„Maar is het dan gebruikelijk, dat Engelsche zee-officieren hun diensten aan hun landgenooten aanbieden, wanneer deze in een der havens van Groot-Brittanje aanlanden, en zoover de beleefdheid uitstrekken van hen aan land te geleiden?”--„Ja, milady! het is de gewoonte, niet uit beleefdheid, maar uit voorzichtigheid, dat in oorlogstijd de vreemdelingen naar een daartoe bestemde verblijfplaats worden gebracht, om tot na den afloop van een volkomen onderzoek onder het toezicht van het gouvernement te blijven.”

Die woorden werden met de grootste beleefdheid en de volmaaktste bedaardheid uitgesproken. Echter hadden zij het vermogen niet milady te overtuigen.

„Maar ik ben geen vreemdelinge, mijnheer!” zeide zij in het zuiverste Engelsch, dat ooit van Portsmouth tot Manchester gesproken is geworden; „ik heet lady de Winter, en die maatregel....”--„Die maatregel is algemeen, milady! en gij zoudt vruchteloos trachten er u aan te onttrekken.”--„Ik zal u dan volgen, mijnheer!”--En de hand des officiers aannemende, begon zij de ladder af te klimmen, beneden welke de boot haar wachtte.

De officier volgde haar; een groote mantel was aan den achtersteven uitgespreid, de officier deed haar er op plaats nemen en zette zich naast haar.--„Roeit voort!” beval hij den matrozen.

De acht roeispanen vielen in zee, slechts één slag voortbrengende, en de boot scheen over de oppervlakte des waters te vliegen. Binnen vijf minuten was men aan wal. De officier sprong op de kade en bood zijn hand aan milady. Een rijtuig wachtte.

„Is dat rijtuig voor ons?” vroeg milady.--„Ja, mevrouw!” antwoordde de officier.--„Is dan de herberg zoo ver van hier?”--„Aan de andere zijde der stad.”--„Welaan!” zeide milady, en zij stapte moedig in het rijtuig.

De officier zorgde, dat de bagage behoorlijk achterop werd vastgemaakt, en dit verricht zijnde, zette hij zich naast milady en sloot het portier. Onmiddellijk daarop, zonder dat het bevel hiertoe werd gegeven, of zonder hem zijn bestemming aan te duiden, vertrok de koetsier in vollen draf en reed de straten der stad in.

Een zoo zonderlinge ontvangst moest milady veel stof tot nadenken geven, en ziende dat de jonge officier volstrekt niet genegen scheen in gesprek met haar te treden, dook zij diep in den hoek van het rijtuig en liet achtereenvolgens al de vooronderstellingen voorbijgaan, die zich voor haar geest vertoonden. Na verloop van een kwartier was zij intusschen over de lengte van den weg verwonderd, en zij boog zich uit het portier om te zien, waarheen men haar voerde. Maar geen huizen bespeurde men meer; en alleen boomen verhieven zich in de duisternis als groote, zwarte, elkander na-ijlende spookgedaanten. Milady ontroerde.

„Maar wij zijn niet meer in de stad, mijnheer!”--De jonge officier zweeg.--„Ik zal niet verder gaan, indien gij mij niet zegt, waarheen ik word gevoerd, dat verzeker ik u, mijnheer!”--Op die bedreiging kwam niet het minste antwoord.--„O, dat is te erg!” riep milady. „Help, help!”

Geen stem beantwoordde de hare; het rijtuig bleef snel voortrollen. De officier geleek een beeld. Milady beschouwde den officier met een dier vreeselijke uitdrukkingen, haar aangezicht zoo eigen, en die zoo zelden haar uitwerking misten. De toorn deed haar oogen in de duisternis schitteren. De jongeling bleef onbeweeglijk. Milady wilde het portier openen en uit het rijtuig springen.--„Wees voorzichtig, mevrouw!” zeide de jongeling koel, „gij zoudt uw leven in groot gevaar brengen.”

Milady zette zich neder, schuimbekkende van woede. De officier wendde zich tot haar, beschouwde haar op zijn beurt en scheen verwonderd dat vroeger zoo schoon gezicht, nu bijna afschuwelijk geworden en door razernij misvormd, te zien. Het doortrapte schepsel begreep, dat zij zich in het verderf stortte door op die wijze in haar ziel te doen lezen, zij verzachtte daarom haar gelaatstrekken en op zuchtenden toon sprak zij: „In ’s hemels naam, mijnheer! zeg mij toch, of ik aan u, het gouvernement of aan een vijand de gewelddadigheid moet toeschrijven, welke men mij aandoet?”--„Men pleegt geen de minste gewelddadigheid jegens u, mevrouw! en hetgeen u wedervaart is het gevolg van een zeer eenvoudigen maatregel, welken wij verplicht zijn jegens allen, die in Engeland aankomen, in acht te nemen.”--„Dan kent gij mij niet, mijnheer!”--„Het is de eerste maal, dat ik de eer heb u te zien.”--„En hebt gij, op uw eer, niet de minste reden van haat jegens mij?”--„Volstrekt niet, dat zweer ik u.”

Er lag zooveel oprechtheid, kalmte, zelfs zachtheid in de stem van den jongeling, dat milady zich gerust stelde. Eindelijk, na ongeveer een uur te zijn voortgereden, hield het rijtuig voor een ijzeren hek stil, dat een hollen weg sloot, die den toegang verleende tot een eenzaam, groot kasteel van strenge bouworde. Dewijl de wielen toen het fijne zand doorwoelden, hoorde milady een hevig gedruisch, ’t geen zij voor dat der zee herkende, wier golven zich voor een steile kust komen breken. Het rijtuig reed onder twee gewelven door en bleef eindelijk op een vierkante, donkere binnenplaats staan. Bijna onmiddellijk hierop werd het portier geopend, de jongeling sprong vlug op den grond en bood milady de hand, die, er op steunende, op haar beurt tamelijk bedaard uit het rijtuig stapte.

„Het is in alle geval zeker,” zeide milady, rondom zich ziende en haar oogen met den bevalligsten glimlach ter wereld op den jongen officier terugbrengende, „dat ik gevangen ben; maar ik zal het niet voor langen tijd zijn, hiervan ben ik zeker,” voegde zij er bij. „Mijn geweten en uw beleefdheid, mijnheer! zijn er mij borg voor.”

Hoe vleiend die toespraak ook was, antwoordde de officier echter niet, maar uit zijn gordel een kleine zilveren fluit nemende, gelijk die waarvan zich de onderstuurlieden op de oorlogsschepen bedienen, floot hij tot drie malen op verschillende tonen: dadelijk hierop verschenen eenige mannen, die de dampende paarden afspanden en het rijtuig in een koetshuis brachten. De officier verzocht milady met zijn gewone bedaarde beleefdheid in huis te gaan. Deze, steeds even vriendelijk glimlachende, gaf hem haar arm en ging met hem door een lage, ronde poort in een slechts aan het einde verlicht gewelf, dat tot een zware, van steenen opgetrokken wenteltrap leidde; toen bleef men voor een deur stilstaan, welke de jongeling met een sleutel, dien hij bij zich had, opende en, zwaar op haar hengsels draaiende, toegang verleende tot de kamer voor milady bestemd; met een enkelen blik had de gevangene de kamer in haar geringste bijzonderheden in oogenschouw genomen. Het was een kamer van welke het huisraad te zindelijk voor een gevangenis, maar tevens te eenvoudig voor een vrijen bewoner was. Intusschen pleitten de traliën voor de vensters en de buitenste grendels der deur ten voordeele eener gevangenis.

Voor een oogenblik verliet de geestkracht dat in alles verharde schepsel. Zij viel op een leuningstoel neer, sloeg de armen kruiselings over haar borst, boog het hoofd en verwachtte elk oogenblik een rechter te zien verschijnen om haar te ondervragen. Maar niemand trad binnen dan twee of drie zeesoldaten, die de koffers en kisten brachten, ze in een hoek zetten en zonder één woord te spreken vertrokken. De officier woonde al deze bijzonderheden bij met dezelfde bedaardheid, welke milady voortdurend in hem had waargenomen, zelfs niet een enkel woord sprekende, en zich op een gebaar of op een geluid zijner fluit doende gehoorzamen. Men zou gemeend hebben, dat tusschen dien man en zijn onderhebbenden de gewone taal niet bestond, of althans onnoodig was geworden. Eindelijk kon milady het niet langer verkroppen en zij verbrak de stilte.

„In ’s hemels naam, mijnheer!” riep zij, „wat beteekent toch alles wat er gebeurt? Doe mijn twijfelingen ophouden. Ik heb moed voor elk gevaar, dat ik voorzie, voor elke ramp, die ik kan begrijpen; waar ben ik, en wat ben ik hier? Ben ik vrij? waarom dan die tralies en die grendels? Ben ik gevangen? wat misdaad heb ik dan bedreven?”--„Gij zijt hier in het vertrek, dat voor u bestemd is, mevrouw! Ik heb het bevel gekregen u in zee te gaan ontvangen en u hier in dit kasteel te geleiden. Dat bevel heb ik volbracht, geloof ik, met al de nauwgezetheid van een krijgsman, maar tevens met al de beleefdheid eens edelmans. Tot hiertoe bepaalt zich ten minste de last, dien ik jegens u heb te vervullen; het overige betreft een anderen.”--„En wie is die andere persoon?” vroeg milady; „kunt gij mij zijn naam niet zeggen?”

Op dat oogenblik hoorde men op de trap een groot gerucht van kletterende sporen; eenige stemmen gingen voorbij, doofden van lieverlede en het gerucht der voetstappen van een enkel persoon naderde de deur.

„Hier is die persoon, mevrouw!” zei de officier, ter zijde gaande en den doorgang vrijlatende, in een onderdanige, eerbiedige houding staan blijvende. Tegelijkertijd opende zich de deur. Een man verscheen op den drempel. Hij was zonder hoed, droeg een degen op zijde en verkreukte een zakdoek in zijn hand. Milady meende die schim in de schaduw te herkennen; zij steunde met de eene hand op den arm van haar leuningstoel en bracht het hoofd vooruit, als om zich van iets stelligs te verzekeren. Daarop naderde de vreemdeling met langzame schreden, en naar gelang hij naderde en den lichtkring, welken de lamp van zich wierp, binnentrad, deinsde milady onwillekeurig terug. Vervolgens, toen haar geen twijfel meer overbleef, riep zij vol verbazing: „Wel hoe, mijn broeder! zijt gij het?”--„Ja, schoone dame!” antwoordde lord de Winter, half beleefd, half spottend groetende; „ik zelf.”--„En dit kasteel?”--„Behoort mij.”--„En deze kamer?”--„Is de uwe.”--„Ben ik dan uw gevangene?”--„Ten naasten bij.”--„Maar dat is een vreeselijk misbruik van vertrouwen!”--„Geen groote woorden; laat ons gaan zitten en met bedaardheid praten, zooals het een broeder en een zuster betaamt.”--En zich naar de deur keerende en ziende, dat de jonge officier zijn bevelen wachtte, zeide hij: „Het is wel, ik dank u; laat ons nu alleen, mijnheer Felton.”

HOOFDSTUK XIX.

Gesprek van broeder en zuster.

Terwijl lord de Winter bezig was de deur te sluiten, een vensterluik dicht te maken en een stoel naast den leuningstoel van zijn schoonzuster te schuiven, wierp milady droomend een blik in de mogelijkheid en ontdekte het geheele weefsel, hetwelk zij zelfs niet eens had kunnen vermoeden, zoolang zij niet wist in wiens macht zij was gevallen. Zij kende haar schoonbroeder voor een echten edelman, een stouten jager, een onversaagden speler, een bij de vrouwen zeer ondernemend man, doch ver van listig. Hoe had hij derhalve haar komst kunnen voorzien, haar doen aanhouden, en waarom hield hij haar gevangen?

Athos had haar wel eenigszins laten blijken, dat het gesprek van den kardinaal ter kennis van anderen was gekomen, maar zij kon het zich niet begrijpelijk maken, hoe deze zoo snel en zoo stoutmoedig haar had kunnen tegenwerken. Zij vreesde eerder, dat haar vroegere ondernemingen in Engeland ontdekt mochten zijn. Buckingham kon geraden hebben, dat zij het was geweest, die de twee diamanten had afgesneden, en zich voor dat kleine verraad willen wreken. Maar Buckingham was niet in staat tot eenig uiterste jegens een vrouw over te gaan, vooral indien deze vrouw verondersteld werd uit jaloezie gehandeld te hebben.

Die meening scheen haar dan ook de waarschijnlijkste; zij dacht, dat men zich over het verledene wilde wreken en niet voor de toekomst zorgen. Intusschen, en in alle geval was zij verheugd in handen van haar schoonbroeder te zijn gevallen, dien zij verzekerd was spoedig te zullen ontkomen, ten minste eerder dan uit de handen van een slimmen en wezenlijken vijand.

„Ja, praten wij eens, broeder!” zeide zij met zekere bevallige losheid, besloten uit dat gesprek, hoe achterhoudend lord de Winter ook mocht zijn, al de inlichtingen te trekken, welke ter regeling van haar toekomstig gedrag zouden kunnen strekken.--„Gij zijt dan eindelijk er toe overgegaan om terug te komen,” zeide lord de Winter, „ondanks het besluit, dat gij mij zoo dikwijls te Parijs hebt betuigd, nimmer meer een voet in Groot-Brittanje te zetten?”--Milady beantwoordde deze vraag met een andere vraag.--„Maar zeg mij vooreerst eens, hoe gij mij zoo streng hebt doen bewaken, om vooruit, niet alleen van mijn komst, maar daarenboven van den dag, het uur en de haven waar ik zou binnenloopen, verwittigd te kunnen zijn?”

Lord de Winter ging tot dezelfde taktiek van milady over, in de vooronderstelling dat, indien zijn schoonzuster die bezigde, ze de rechte moest wezen.--„Maar zeg mij zelve eens, waarde zuster, wat gij in Engeland komt doen?”--„Wel! ik kom u bezoeken,” hernam milady, zonder te begrijpen, hoe ze door dat antwoord de vermoedens vergrootte, welke de brief van d’Artagnan in den geest van haar schoonbroeder had doen ontstaan, en door een leugen de goede gezindheid van haar hoorder willende winnen.--„Ha! om mij te bezoeken!” herhaalde de Winter listig.--„Wel zeker, om u te bezoeken. Is dat zoo verwonderlijk?”--„En hebt gij geen ander oogmerk gehad om naar Engeland over te komen, dan om mij te bezoeken?”--„Neen.”--„Dus alleen voor mij hebt gij u de moeite gegeven het kanaal over te steken!”--„Voor u alleen.”--„Duivelsch! dat is almachtig teeder, zuster!”--„Wel, ik ben immers uw naaste bloedverwante,” zeide milady zoo onschuldig en teeder mogelijk.--„En ook mijn eenigste erfgename, niet waar?” zeide lord de Winter, op zijn beurt de oogen op die van milady vestigende, „namelijk door uw zoon.”

Welke macht milady ook op haar zelve had, kon zij zich niet beletten te beven, en daar bij het uitspreken der laatste woorden lord de Winter zijn hand op den arm zijner zuster had gelegd, ontging die ontroering hem niet. De slag trof ook goed en diep. Het eerste denkbeeld, dat zich voor den geest van milady vertoonde, was, door Ketty verraden te zijn, en dat deze aan den baron dien baatzuchtigen haat had medegedeeld, van welken zij zoo onvoorzichtig de kenteekenen in tegenwoordigheid van haar kamenier had laten ontglippen; daarbij herinnerde zij zich ook den hevigen en onbedachten uitval tegen d’Artagnan, toen deze het leven van haar schoonbroeder had gespaard.

„Ik begrijp niet, mylord!” zeide zij, om tijd te winnen en haar bestrijder te doen spreken, „wat gij wilt zeggen? Er ligt in uw woorden een geheime zin verborgen.”--„Ach, mijn God! neen,” zeide lord de Winter met schijnbare goedheid; „gij hadt het verlangen mij een bezoek te brengen, en gij begeeft u naar Engeland. Ik verneem die begeerte, of liever, ik twijfel er aan, dat gij ze koestert, en om al de onaangenaamheden van een nachtelijke aankomst in een haven te besparen, zend ik een mijner officieren te uwer ontvangst; ik stel een rijtuig te zijner beschikking en hij voert u in dit kasteel, van hetwelk ik gouverneur ben, waar ik dagelijks kom, en waar ik, ten einde onze wederzijdsche begeerte van elkander te zien te kunnen voldoen, een kamer voor u heb doen gereed maken. Is hierin iets meer verwonderlijks gelegen dan in hetgeen gij mij gezegd hebt?”--„Neen; maar ik vind het zoo wonderbaar, dat gij van mijn komst zijt verwittigd geworden.”--„Dat is nochtans zeer eenvoudig, waarde zuster! Hebt gij dan niet gezien, dat de kapitein van uw klein vaartuig, na op de reede aangekomen te zijn en om verlof te verkrijgen in de haven binnen te loopen, een kleine boot afzond met zijn journaal en de lijst der schepelingen? Ik ben bevelhebber der haven, men heeft mij die papieren gebracht en ik heb er uw naam op gevonden. Mijn hart heeft mij gezegd, hetgeen mij uw mond heeft bevestigd: namelijk, met welk oogmerk gij u aan de gevaren van een zoo onstuimige zee en een ten minste in dezen tijd zeer vermoeiende reis hebt blootgesteld; en ik heb mijn kotter u tegemoet gezonden. Gij weet het overige.”

Milady begreep, dat lord de Winter loog en was er nog te meer door beangst.--„Broeder!” hernam zij, „was het lord Buckingham niet, dien ik heden avond bij mijn aankomst op het havenhoofd zag staan?”--„Hij zelf. O! ik begrijp, dat zijn gezicht u heeft moeten treffen,” hernam lord de Winter. „Gij komt uit een land, waar men over hem wel veel moet spreken, en ik weet, dat zijn krijgstoerustingen tegen Frankrijk uw vriend, den kardinaal, zeer verontrusten.”--„Mijn vriend den kardinaal!” riep milady, ziende dat, zoowel ten opzichte van dit punt als van het andere, mylord de Winter zeer goed van alles was onderricht.--„Is hij dan niet uw vriend?” vroeg de baron onverschillig. „O! vergeef mij, ik dacht het. Maar wij zullen later op mylord terugkomen. Wijken wij niet van de sentimenteele wending af, die het gesprek heeft aangenomen. Gij zijt gekomen zegt gij, om mij een bezoek te brengen?”--„Ja.”--„Welnu, ik heb u gezegd, dat uw verlangen zou vervuld worden en wij elkander dagelijks zouden zien.”--„Moet ik dan eeuwig hier blijven?” vroeg milady eenigszins angstig.--„Zoudt gij u slecht gehuisvest vinden, zuster? Vraag wat gij begeert, en ik zal mij haasten het u te bezorgen.”--„Maar ik heb noch mijn vrouwen noch mijn knecht.”--„Gij zult dat alles hebben, mevrouw! zeg mij, op welken voet uw eerste man zijn huis had ingericht, en ofschoon slechts uw schoonbroeder zijnde, zal ik het voor u hier op denzelfden voet inrichten.”--„Mijn eerste man?” riep milady, lord de Winter met verschrikte oogen aanziende.--„Ja, uw Fransche echtgenoot, ik spreek niet van mijn broeder. Overigens, indien gij het hebt vergeten, zal ik hem, daar hij nog in leven is, kunnen schrijven, en hij zal mij het noodige te dien aanzien wel willen mededeelen.”

Een koud zweet parelde op het voorhoofd van milady.--„Gij schertst,” zeide zij met een gesmoorde stem.--„Zie ik er naar uit?” vroeg de baron opstaande en een stap achteruit doende.--„Of liever gij beleedigt mij,” ging zij voort, met haar krampachtig vertrokken vuisten de beide leuningen van den stoel omknellende en zich oprichtende.--„U beleedigen? ik?”--„Mijnheer!” zeide milady, „gij zijt dronken of gek. Vertrek en zend mij mijn vrouwen.”--„De vrouwen zijn zoo praatachtig, zuster! zou ik u niet als kamenier kunnen bedienen? Op die wijze zouden al onze geheimen in de familie blijven.”--„Onbeschaamde!” riep milady. En als door een springveer bewogen, viel zij den baron aan, die haar onbeweeglijk afwachtte, echter de hand aan het gevest zijns degens slaande.--„Ha! ha!” zeide hij, „ik weet, dat gij gewoon zijt de lieden te vermoorden; maar ik zal mij verdedigen, hoort gij, al was het tegen u.”--„O! gij hebt gelijk,” hernam milady, „en gij schijnt mij laag genoeg toe, om de hand aan een vrouw te slaan.”--„Als dat plaats vond, zou ik hiervoor een verontschuldiging hebben. Mijn hand zou daarenboven de eerste hand niet zijn, die op u is neergekomen, verbeeld ik mij.”--En de baron wees langzaam en beschuldigend op den linkerschouder van milady, dien hij met zijn vinger bijna raakte.

Milady slaakte een dof gebrul en deinsde achteruit in een der hoeken van de kamer als een panter, die zich langs den grond sleept om een sprong te doen.

„O! brul zoo lang gij wilt,” riep lord de Winter, „maar waag het niet te bijten; want ik verklaar u, dat zou tot uw nadeel afloopen. Er zijn hier geen procureurs, die te voren over de erfenissen beschikken; er is geen dolende ridder, die met mij twist komt zoeken wegens de schoone dame, die ik gevangen houd; maar ik heb rechters bij de hand, die over een vrouw zullen beschikken, welke schaamteloos genoeg is geweest, hoewel gehuwd, zich in de familie te dringen van lord de Winter, mijn oudsten broeder, en deze rechters zullen u naar een beul zenden, die u beide schouders gelijk zal maken.”

De oogen van milady schoten zulke vreeselijke bliksems, dat, hoewel man en gewapend tegenover een ongewapende vrouw, lord de Winter het ijskoude van den angst tot in zijn ziel voelde doordringen; hij ging desniettemin en met klimmende woede voort: „Ja, ik begrijp, dat, na van mijn broeder te hebben geërfd, het u gestreeld zou hebben, ook van mij te erven; maar weet het vooruit, gij kunt mij het leven ontnemen of doen ontnemen, mijn voorzorgen zijn genomen. Geen penning van hetgeen ik bezit zal in uw handen noch in die van uw zoon komen. Zijt gij, die reeds een half millioen bezit, niet rijk genoeg? en hadt gij niet kunnen blijven stilstaan op uw noodlottigen weg, indien gij het kwaad niet bedreeft alleen om het onuitsprekelijk en helsch genot, dat het te bedrijven u schenkt. O! ik zeg u, indien het aandenken mijns broeders mij niet heilig ware, zoudt gij in een staatsgevangenis uw leven gaan eindigen, of te Tyburn de nieuwsgierigheid der matrozen verzadigen. Ik zal zwijgen: maar gij zult geduldig uw gevangenschap ondergaan. Binnen veertien dagen of drie weken ga ik met een leger naar la Rochelle; maar den dag vóór mijn vertrek zal een schip u komen afhalen; ik zal het zien vertrekken en het zal u naar onze zuidelijke koloniën voeren. Wees overigens gerust, ik zal u een reisgezel medegeven, die u bij de eerste poging, welke gij mocht wagen, om in Engeland of op het vaste land terug te keeren, door de hersens zal schieten.”

Milady luisterde met een aandacht, welke haar vlammende oogen vergrootte.--„Ja; maar voor het oogenblik,” ging lord de Winter voort, „zult gij in dit kasteel blijven; de muren zijn dik, de deuren zijn sterk, de tralies stevig, en bovendien is uw venster vlak boven de zee. Mijn zeelieden zijn mij in dood en leven getrouw; zij zullen de wacht rondom uw kamer betrekken en al de uitgangen bewaken, die tot op de binnenplaats leiden; en mocht gij al op de binnenplaats zijn gekomen, dan blijven u nog drie hekken door te gaan. Het bevel is duidelijk, één voetstap, één gebaar, één woord, dat op een ontvluchting doelt, en men schiet u neer. Indien men u doodt, dan hoop ik, zal het gerecht van Engeland mij verplichting schuldig zijn, het in zijn werk behulpzaam te zijn geweest.... Zoo! uw gelaatstrekken hernemen hun kalmte, uw geest duidt meer moed aan; tien dagen, veertien dagen, zegt gij? O! nog zoo lang! ik ben vindingrijk, er zal in mij wel een denkbeeld opkomen: mijn helsche geest zal wel een offer weten te vinden. Nog veertien dagen, zegt gij? dan ben ik hieruit bevrijd! Beproef....”

Milady, die zich ontmaskerd zag, drukte haar nagels in haar vleesch, om elke gewaarwording te onderdrukken, welke aan haar aangezicht een andere uitdrukking dan die van angst had kunnen geven.

Lord de Winter vervolgde: „Wat den officier betreft, die hier alleen in mijn afwezigheid het bevel voert, dezen hebt gij gezien, gij kent hem reeds; hij weet, zooals gij hebt gezien, een bevel uit te voeren; want gij zijt van Portsmouth niet hier gekomen zonder pogingen te hebben aangewend hem te doen spreken. Welnu! wat denkt gij er van? Zou een marmeren beeld onbeweeglijker, stommer hebben kunnen zijn? Gij hebt reeds op vele mannen het vermogen uwer verleidingsmiddelen beproefd, en helaas, het is u steeds gelukt; maar beproef dezen, Goddam! en als gij slaagt, dan verklaar ik u voor satan in persoon.”--Hij begaf zich naar de deur en opende die haastig.--„Dat men den heer Felton roepe,” zeide hij. „Wacht nog een weinig, en ik zal u hem aanbevelen.”

Er ontstond tusschen de beide personages een zonderlinge stilte, terwijl men het gerucht van langzame en regelmatige voetstappen hoorde, die naderden. Weldra zag men in de schaduw van de gang een menschelijke gedaante verschijnen, en de jonge luitenant, met wien wij reeds hebben kennis gemaakt, bleef op den drempel staan, de bevelen van den baron afwachtende.

„Kom binnen, mijn beste John!” zeide lord de Winter. „Kom binnen, maar sluit de deur.”--De jonge officier trad binnen.--„Beschouw nu eens die vrouw! zij is jong, zij is schoon, zij bezit al de verleidingsmiddelen der wereld; welnu, zij is een gedrocht, dat, slechts vijf en twintig jaar zijnde, zich aan zoovele misdaden heeft schuldig gemaakt, dat gij een jaar zoudt noodig hebben, om in de archieven onzer gerechtshoven er een even groot getal te vinden. Haar stem strekt haar tot voorspraak, haar schoonheid is voor haar offer een lokaas; zij zal u trachten te verleiden, misschien zelfs zal zij beproeven u om het leven te brengen.... Ik heb u uit de ellende getrokken, Felton! Ik heb u tot officier doen benoemen; ik heb u eenmaal het leven gered, gij weet bij welke gelegenheid; ik ben niet alleen voor u een beschermer, maar tevens een vriend; niet alleen een weldoener, maar een vader. Die vrouw is in Engeland gekomen, om tegen mijn leven een aanslag te smeden; ik heb die slang in mijn handen, en nu laat ik u roepen en zeg u: Vriend Felton! mijn zoon! waak over mij en vooral waak over u zelven ten aanzien dezer vrouw. Zweer op uw zaligheid, haar te bewaren voor de kastijding, welke zij verdiend heeft. John Felton! ik stel vertrouwen in uw woord; John Felton! ik geloof aan uw trouw.”--„Mylord!” zeide de jonge officier, op zijn rein aangezicht al den haat vertoonende, die in zijn hart aanwezig was, „mylord, ik zweer, dat uw wensch zal vervuld worden.”

Milady doorstond dien aanblik als een onderworpen offer; het was niet mogelijk een meer nederige en zachtere uitdrukking te zien dan die, welke toen op haar fraai gezicht lag verspreid. Zelfs lord de Winter herkende nauwelijks meer de tijgerin, tegen welke hij een oogenblik te voren gereed was zich te verdedigen.

„Zij mag nooit deze kamer verlaten, hoort gij, John!” ging de baron voort; „zij mag met niemand briefwisseling houden; zij zal alleen tot u mogen spreken, althans indien gij haar de eer wilt doen tot haar te spreken.”--„Het is genoeg, mylord! ik heb gezworen.”--„En nu, mevrouw!” zeide de baron, „tracht nu met God vrede te maken, want door de menschen zijt gij veroordeeld.”

Milady boog het hoofd, als verplette haar dit oordeel. Lord de Winter vertrok, Felton, die hem volgde en de deur sloot, een wenk gevende.

Een oogenblik later hoorde men in de gang de zware voetstappen van een zeesoldaat, die op schildwacht stond, met een enterbijl in zijn gordel en een musket in de hand.

Milady bleef gedurende eenige minuten dezelfde houding bewaren, want zij bedacht, dat men haar soms door het sleutelgat zou kunnen gadeslaan; vervolgens hief zij langzaam het hoofd op, terwijl haar aangezicht intusschen een vreeselijke uitdrukking van bedreiging en tarting had aangenomen; zij legde haar oor luisterend tegen de deur, zag door het venster, en opnieuw begroef zij zich als het ware in een grooten leuningstoel. Zij peinsde.

HOOFDSTUK XX.

Officier!

Onderwijl wachtte de kardinaal uit Engeland tijding, maar hij hoorde niets anders dan hetgeen onaangenaam en dreigend was; zoodat la Rochelle werd ingesloten; en hoe zeker de uitslag ook scheen te zijn, ten gevolge der genomen voorzorgen en vooral uit hoofde van den dijk, die geen enkel schip meer in de belegerde stad toeliet, kon de belegering nog lang duren, hetgeen een zeer groote schande voor de wapenen des konings en een groote onaangenaamheid voor den kardinaal was, die wel niet meer Lodewijk XIII en Anna van Oostenrijk tegen elkander behoefde op te zetten, want dat was reeds gedaan; maar nu den heer Bassompierre met den hertog d’Angoulême, die elkaar vijandig gezind waren, moest verzoenen.

De stad had, ondanks de ongelooflijke volharding van haar burgemeester, een soort van oproer beproefd en zich willen overgeven. De burgemeester had de muiters doen ophangen. Die strafoefening bekoelde de verhitte hoofden, die toen het besluit namen van honger te sterven; een dood, die altijd langzamer en minder zeker scheen dan die door verworging.

Van hun kant namen de belegeraars van tijd tot tijd boden der belegerden gevangen, die dezen tot Buckingham zonden; of spionnen, die Buckingham naar de belegerden zond. In beide gevallen was het vonnis spoedig geveld. De kardinaal sprak slechts één woord: „Hangen!” En dan noodigde men den koning om de hangpartij te komen zien. De koning kwam sukkelend aan, nam de beste plaats in, ten einde de strafoefening in haar geringste bijzonderheden te kunnen gadeslaan. Dat was ten minste voor hem een kleine uitspanning en deed hem de langdurigheid van het beleg geduldig aanzien. Toch belette zulks niet, dat hij zich schrikkelijk verveelde en onophoudelijk er van sprak naar Parijs terug te keeren, zoodat, indien boden en spionnen hadden ontbroken, Zijne Eminentie, ondanks zijn vindingrijkheid, zeer verlegen zou zijn geweest.

Intusschen vervloog de tijd en la Rochelle gaf zich niet over. De laatste spion, dien men gevat had, was in het bezit van een brief. Die brief gaf den hertog van Buckingham wel bericht, dat de stad tot het uiterste was gekomen; maar in plaats dat hierop zou zijn gevolgd: „indien gij ons binnen veertien dagen geen hulp zendt, zullen wij ons overgeven!” volgde er eenvoudig: „indien gij ons binnen veertien dagen geen hulp zendt, zullen wij, bij aankomst van hulp, allen van honger gestorven zijn!”

De belegerden in la Rochelle stelden derhalve alleen hun hoop op Buckingham; Buckingham was hun Messias.... Het was blijkbaar dat, zoodra zij op zekere wijze zouden vernemen, dat er op Buckingham niet meer te rekenen was, de hoop met hun moed zou verdwijnen. De kardinaal wachtte daarom ook met groot ongeduld de tijding uit Engeland, die hem moest berichten, dat Buckingham niet zou komen. Het plan, om de stad stormenderhand in te nemen, dikwerf in des konings raad ter tafel gebracht, was steeds ter zijde gelegd. Vooreerst scheen la Rochelle onoverwinnelijk te zijn; vervolgens wist de kardinaal, wat hij er ook van mocht gezegd hebben, zeer goed, dat de afschuwelijke bloedvergieting bij zoodanige ontmoeting, waarin Franschen tegen Franschen moesten strijden, een achteruitgaande beweging van zestig jaren aan de staatkunde zou geven, terwijl de kardinaal op dat tijdstip, zooals men thans zegt, een man van vooruitgang was. En waarlijk, een inneming stormenderhand van la Rochelle en het vermoorden van twee of drie duizend Hugenooten, die zich het leven zouden hebben laten ontnemen, geleek te veel in 1628 op het bloedbad van den St. Bartholomeusnacht in 1572. Eindelijk leed dit uiterste middel, van hetwelk de koning als goed katholiek volstrekt niet afkeerig was, steeds schipbreuk op dezen grondslag der generaals van de belegeraars: La Rochelle is niet anders te overwinnen dan door hongersnood.

De kardinaal kon uit zijn gedachte de vrees niet verdrijven, welke zijn vreeselijke zendelinge hem verwekte; want ook hij begreep de zonderlinge eigenschappen dezer vrouw, die dan eens een slang, dan weder een leeuwin was. Had zij hem verraden? Was zij dood? Hij kende haar te goed, om niet in elk geval te weten dat, voor of tegen hem, vriendin of vijandin, zij niet zonder groote beletselen werkeloos zou blijven; maar van waar kwamen die beletsels? Daarvan kon hij zich geen denkbeeld vormen. Overigens rekende hij, en met recht, op milady. Hij had in het verleden van die vrouw dingen geraden, van welke alleen zijn roode mantel de vreeselijkheid kon bedekken, en hij gevoelde dat, door de een of andere oorzaak, die vrouw hem toebehoorde, daar zij in hem alleen voldoende bescherming kon vinden tegen het gevaar, dat haar bedreigde. Hij besloot dus den oorlog alleen te voeren en op geen andere hulp te wachten dan op een gelukkige kans.

Hij ging voort den vermaarden dijk te voltooien, die la Rochelle moest doen uithongeren, terwijl hij intusschen het oog liet vallen op die rampzalige stad, die zooveel diepe ellende en zooveel heldendeugd besloot, en zich de woorden van Lodewijk XI, zijn staatkundigen voorganger, zooals hij zelf de voorganger van Robespierre was, herinnerende, herdacht hij die grondstelling van den peetvader van Tristan: „Verdeelen, om te heerschen.” Hendrik IV, Parijs belegerende, liet brood en mondbehoeften over de muren werpen. De kardinaal liet briefjes in de stad werpen, in welke hij de bewoners onder het oog bracht, hoe onrechtvaardig, baatzuchtig en barbaarsch hun opperhoofden waren. Die opperhoofden hadden koorn in overvloed en deelden het niet; zij hadden tot grondstelling, want ook zij hadden grondstellingen, dat het er niet op aan kwam, dat vrouwen, kinderen en grijsaards stierven, indien slechts de mannen, die de muren moesten verdedigen, sterk en gezond bleven. Tot hiertoe, hetzij uit machteloosheid om zich er tegen te verzetten, was die grondstelling, zonder algemeen te zijn aangenomen, van theorie in praktijk gebracht; maar die briefjes maakten er inbreuk op. Die briefjes herinnerden den mannen, dat die kinderen, die vrouwen en die grijsaards, welke men den dood wijdde, hun zonen, hun gaden, hun ouders waren; dat het rechtvaardiger zou zijn, dat iedereen in de algemeene ellende deelde, ten einde eenzelfde gesteldheid een eenparig besluit zou doen nemen.

Maar op het oogenblik dat de kardinaal reeds zijn middel zag vrucht dragen en zich geluk wenschte het in werking te hebben gesteld, wist een ingezetene van la Rochelle, die van Portsmouth kwam en God weet hoe, ondanks de driedubbele waakzaamheid van Bassompierre, van Schomberg en van den hertog van Angoulême, over wien wederom de kardinaal een waakzaam oog hield, de koninklijke wachtposten had weten door te komen, binnen de stad te geraken en verhaalde een prachtige vloot te hebben gezien, die binnen acht dagen gereed was onder zeil te gaan. Daarenboven berichtte Buckingham den burgemeester, dat eindelijk het groote bondgenootschap tegen Frankrijk zou worden tot stand gebracht, en dat het koninkrijk gelijktijdig door Engelsche, keizerlijke en Spaansche legers zou worden aangevallen. Die brief werd openlijk op alle pleinen voorgelezen, en men plakte afschriften er van aan alle hoeken der straten aan, en zelfs zij, die onderhandelingen hadden aangeknoopt, braken ze af, besloten die zoo spoedig beloofde hulp af te wachten.

Deze onverwachte omstandigheid vervulde opnieuw Richelieu met ongerustheid en dwong hem wederom zijn blik naar de overzijde der zee te richten.

Onderwijl leidde het koninklijk leger, voordeel trekkende van de onrust van zijn eenig en wezenlijk opperhoofd, een vroolijk leven; levensbehoeften ontbraken niet in het legerkamp, zoo min als geld. Al de korpsen wedijverden in moedbetoon en vroolijkheid; spionnen te vangen en ze op te hangen, gewaagde ondernemingen op den dijk of in zee ten uitvoer te brengen, dwaasheden te bedenken en die koelbloedig te bedrijven, dat waren de uitspanningen, die voor het leger de dagen zoo kort maakten, welke den belegerden zoo lang vielen, die door angst en gebrek verteerd werden, maar ook voor den kardinaal, die hen zoo nauw insloot. Het gebeurde wel eens, wanneer de kardinaal, altijd te paard als de geringste ruiter van het leger, zijn peinzenden blik over die naar zijn zin zoo langzaam voortgaande werken liet weiden, welke onder zijn bevelen door de ingenieurs, die hij van alle gedeelten van Frankrijk liet komen, werden uitgevoerd, het gebeurde wel eens, zeggen wij, dat hij een of anderen musketier der kompagnie van Tréville ontmoette; doch wanneer hij dien dan naderde en op een bijzondere wijze beschouwde, maar niet een onzer vier vrienden in hem herkende, bracht hij zijn doordringenden blik en veelomvattenden geest op iets anders over.

Op zekeren dag, verteerd door een doodelijk verdriet, zonder hoop op een onderhandeling met de stad, zonder tijding uit Engeland, was de kardinaal uitgegaan, zonder ander doel dan om uit te gaan, en alleen vergezeld van Cahussac en de la Houdinière. Het strand volgende en de veelomvattendheid zijner denkbeelden als aan de onmetelijkheid des oceaans parende, bereikte hij, zijn paard langzaam latende voortstappen, de kruin van een heuvel, van waar hij zeven mannen ontwaarde, die achter een heg op het gras onder een groep boomen voor de brandende zonnestralen beschut te midden van een hoop ledige flesschen lagen neergevlijd. Vier dezer mannen waren onze musketiers, die zich gereed hielden naar de voorlezing van een brief te luisteren, dien een hunner had ontvangen. De brief was zoo belangrijk, dat men trom, kaarten en dobbelsteenen had vergeten. De drie anderen waren bezig een ontzaggelijk groote dikbuikige flesch met Collioure wijn te ontkurken. Het waren de lakeien dier heeren.

De kardinaal, zooals wij gezegd hebben, was in een kwade luim, en niets, wanneer hij in die gesteldheid van geest was, maakte hem onvriendelijker dan de vreugd van anderen te zien. Daarenboven had hij de zonderlingheid te gelooven, dat juist de redenen zijner treurigheid het vermaak van anderen opwekte. Een teeken aan Cahussac en la Houdinière gevende van te blijven staan, steeg hij van zijn paard en naderde die ontijdige lachers, in de hoop door het zand, dat zijn voetstappen verdoofde, en de heg, die zijn nadering bedekte, eenige woorden te kunnen opvangen van dat gesprek, hetwelk hem zoo belangrijk scheen. Slechts op tien stappen van de heg herkende hij het Gaskonjische gebabbel van d’Artagnan, en dewijl hij reeds wist, dat die mannen musketiers waren, twijfelde hij er niet aan of de andere drie waren degenen, die men de onafscheidelijken noemde, namelijk Athos, Porthos en Aramis.

Men oordeele of zijn begeerte om het gesprek te beluisteren door die ontdekking heviger werd; zijn oogen namen een zonderlinge uitdrukking aan, en sluipend als een tijgerkat naderde hij de heg; doch hij had nog niets anders dan eenige niets beteekenende woorden zonder zin kunnen hooren, toen een luid en kort geroep hem deed ontroeren en de aandacht der musketiers wekte.

„Officier!” riep Grimaud.--„Gij spreekt, geloof ik, kerel!” zeide Athos, zich op een elleboog ten halve oprichtende en Grimaud door zijn vlammenden blik doende verstijven. Grimaud voegde er dan ook geen woord meer bij en bepaalde er zich toe den wijsvinger in de richting der heg uit te strekken, door dat gebaar den kardinaal en zijn geleide aankondigende.

In één sprong waren de vier musketiers overeind en groetten eerbiedig. De kardinaal scheen woedend te zijn.

„Het lijkt, dat men bij de heeren musketiers waakzaam is; komt de Engelschman over land, of beschouwen de musketiers zich als hoofd-officieren?”--„Uwe Eminentie!” antwoordde Athos, want hij alleen had te midden der algemeene verwarring de kalmte en koelbloedigheid eens edelmans behouden, die hem nooit verlieten: „Eminentie! wanneer de musketiers geen dienst doen of zoo die geëindigd is, drinken en dobbelen zij en zijn voor hun lakeien zeer groote heeren.”--„Lakeien,” bromde de kardinaal, „lakeien, die het bevel hebben hun meesters te waarschuwen, wanneer iemand voorbijkomt; dat zijn geen lakeien, dat zijn schildwachten.”--„Uwe Eminentie ziet toch wel dat, indien wij deze voorzorg niet hadden genomen, wij Uwe Eminentie zouden hebben laten voorbijgaan, zonder u onzen eerbied te betuigen en te bedanken voor de ons bewezen goedheid van ons te hebben vereenigd, D’Artagnan!” vervolgde hij, „gij, die zooeven de gelegenheid wenschtet uw dankbaarheid aan Zijne Eminentie te betuigen, ziehier nu die gelegenheid, maak er gebruik van.”

Die woorden werden met die onveranderlijke koelbloedigheid uitgesproken, die in oogenblikken van gevaar Athos zoozeer onderscheidde, en met die bovenmatige beleefdheid, welke hem, bij zekere gelegenheden, meer majesteit gaf dan menigen geboren koning. D’Artagnan trad nader en stamelde eenige woorden van dankbetuiging, die spoedig onder den somberen blik van den kardinaal verstomden.

„Het doet er niet toe, heeren!” ging de kardinaal voort, zonder den minsten schijn zijn aanvankelijk voornemen te laten varen, ondanks de wending, die Athos aan het gesprek had gegeven, „het doet er niet toe, ik wil niet, dat eenvoudige soldaten, omdat zij het voordeel genieten in een begunstigd korps te dienen, op die wijze den grooten heer vertoonen, terwijl de krijgstucht voor hen dezelfde als voor anderen is.”

Athos liet den kardinaal volkomen uitspreken, en zich buigende ten teeken van overtuiging, hernam hij op zijn beurt: „De krijgstucht, Uwe Eminentie! hoop ik, dat in geen geval door ons is uit het oog verloren. Wij doen op dit oogenblik geen dienst, en wij meenden buiten diensttijd over onzen tijd naar willekeur te kunnen beschikken. Indien wij nogmaals zoo gelukkig mochten zijn van Uwe Eminentie eenige bijzondere bevelen te ontvangen, zijn wij gereed te gehoorzamen. Uwe Eminentie ziet,” vervolgde Athos, de wenkbrauwen fronsende, want die ondervraging begon hem te vervelen, „dat wij, om dadelijk bij het minste onraad gereed te kunnen zijn, onze wapens hebben medegenomen.”--En hij wees den kardinaal de vier musketten, die tegen elkander gezet bij de trom stonden, op welke de dobbelsteenen en de kaarten lagen.--„Uwe Eminentie gelieve te gelooven,” voegde d’Artagnan er bij, „dat wij u tegemoet zouden zijn gekomen, indien wij hadden kunnen veronderstellen, dat Uwe Eminentie met een zoo klein geleide ons naderde.”

De kardinaal beet zich op zijn knevel en een weinig op de lippen.--„Weet gij wel, waarnaar gijlieden lijkt, altijd bij elkander, gewapend, zooals gij zijt, en door uw knechts bewaakt?” zeide de kardinaal, „gij gelijkt vier samenzweerders.”--„O! wat dat betreft, Uwe Eminentie! dat is waar,” zeide Athos, „en wij spannen samen, zooals Uwe Eminentie het op zekeren dag heeft kunnen zien; maar het is tegen de bewoners van la Rochelle.”--„O, heeren staatkundigen!” hernam de kardinaal op zijn beurt de wenkbrauwen fronsende, „men zou misschien in uw hersenen het geheim van vele dingen vinden, indien men er in lezen kon als in dien brief, welken gij verborgt, toen gij mij zaagt naderen.”

Een blos overdekte het gelaat van Athos; hij trad Zijne Eminentie een schrede nader.--„Men zou zeggen, dat gij ons waarlijk verdenkt, Uwe Eminentie! en wij een werkelijk verhoor ondergaan. Als dat zoo is, dat Uwe Eminentie dan zoo goed zij zich te verklaren, wij zullen dan ten minste weten, waaraan wij ons te houden hebben.”--„En indien het al een verhoor moge zijn,” hernam de kardinaal, „anderen dan gij hebben dit ondergaan, mijnheer Athos! en hebben geantwoord.”--„Daarom zeide ik ook tot Uwe Eminentie, dat gij ons slechts te ondervragen hadt en wij bereid waren te antwoorden.”--„Wat is dat voor een brief, dien gij wildet lezen, mijnheer Aramis! doch dien gij hebt verborgen?”--„Die brief is van een vrouw, Uwe Eminentie!”--„Ja, ik begrijp, die soort van brieven vereischen geheimhouding; maar men mag ze toch wel aan een biechtvader vertoonen, en gij weet, ik heb de wijding ontvangen.”--„Uwe Eminentie!” hernam Athos met een kalmte, die des te vreeselijker was, daar hij zijn hoofd waagde met derwijze te antwoorden, „Uwe Eminentie! die brief is van een vrouw, maar hij is niet geteekend Marion Delorme, noch mevrouw de Combalet, noch mevrouw de Chaulnes.”[14]

[14] Minnaressen van den kardinaal.

De kardinaal werd bleek als een lijk. Een woeste bliksemstraal schoot uit zijn oogen. Hij wendde zich als om een bevel aan Cahussac en la Houdinière te geven; Athos zag die beweging, hij naderde een schrede de musketten, op welke de drie vrienden het oog gevestigd hielden als lieden, die niet zeer genegen zijn zich te laten aanranden. De kardinaal was met de zijnen slechts drie personen sterk, terwijl de musketiers met de lakeien er zeven telden; hij oordeelde de partij dus al te ongelijk, vooral indien Athos en zijn vrienden samenzwoeren; en door een dier plotselinge ommekeeren, welke hij steeds bij de hand had, loste hij al zijn gramschap in een glimlach op.

„Kom, kom,” zeide hij, „gij zijt brave jongelieden, trotsch bij het zonlicht, in de duisternis, en het kan geen kwaad zich zelven goed te bewaken, wanneer men anderen zoo goed bewaakt. Mijne heeren! ik heb den nacht niet vergeten, toen gij mij tot geleide strektet bij mijn gang naar den Rooden Duiventoren. Indien er nu eenig gevaar bestond op den weg, dien ik zal volgen, zou ik u verzoeken mij te vergezellen; maar dewijl zulks het geval niet is, kunt gij blijven, waar gij zijt, uw flesschen ledigen, uw partij en uw briefwisseling eindigen. Vaartwel, mijne heeren!”

En het paard bestijgende, dat Cahussac hem had gebracht, groette hij hen met de hand en vertrok.

De vier jongelieden, overeind en onbeweeglijk staande gebleven, volgden hem met hun blikken zonder een woord te spreken, totdat zij hem uit het gezicht hadden verloren. Toen zagen zij elkander aan, allen waren ontsteld; want ondanks het vriendelijk vaarwel van Zijne Eminentie, begrepen zij, dat de kardinaal met de woede in zijn hart vertrokken was. Alleen Athos grimlachte trots en verachtelijk. Toen de kardinaal buiten het bereik der stem en uit het oog was, riep Porthos, die groote begeerte had zijn kwade luim op iemand te doen neerkomen: „Die Grimaud heeft al zeer laat geroepen.”

Grimaud wilde antwoorden om zich te verontschuldigen; Athos hief den vinger op en Grimaud zweeg.--„Zoudt gij den brief hebben gegeven, Aramis?” vroeg d’Artagnan.--„Ik,” zeide Aramis, „had reeds een besluit genomen; indien hij den brief geëischt had, zou ik hem dien hebben aangeboden met de eene hand, terwijl ik hem met de andere aan mijn degen zou hebben geregen.”--„Ik vermoedde het wel,” zeide Athos, „en daarom heb ik mij tusschen u en hem gesteld. Waarlijk, die man is wel onvoorzichtig andere mannen dus toe te spreken. Men zou zeggen, dat hij nooit anders dan met vrouwen en kinderen te doen heeft gehad.”--„Mijn waarde Athos!” zeide d’Artagnan, „ik bewonder u; maar in alle geval hadden wij ongelijk.”--„Hoe, ongelijk!” riep Athos. „Aan wien behoort dan de lucht, welke wij inademen? aan wien de oceaan, welke zich voor ons oog uitstrekt? aan wien de brief uwer minnares? behoort dit alles den kardinaal? Op mijn eer, die man verbeeldt zich, dat de wereld hem toebehoort. Gijlieden stondt daar stamelend, ontroerd, vernietigd; het was alsof de Bastille zich voor uw oogen verhief, en de reusachtige Medusakop u in steenblokken had veranderd. Wel, is het samenzweren, wanneer men verliefd is! Gij zijt verliefd op een vrouw, die de kardinaal heeft doen opsluiten; gij wilt haar den kardinaal ontrukken; dat is een partij, die gij met Zijne Eminentie speelt. Die brief is uw spel. Waarom zoudt gij nu uw spel openleggen? Laat hij het raden! Wij raden wel het zijne.”--„Het is waar, Athos! wat gij zegt is zeer juist.”--„Welnu, laat er dan van het gebeurde geen sprake meer zijn, en laat Aramis de lezing van den brief zijner nicht voortzetten, waar die door de komst van den kardinaal werd afgebroken.”

Aramis haalde den brief uit zijn zak; de drie vrienden naderden hem en de drie lakeien begaven zich in een groep rondom de Damejeanne.

„Gij hebt slechts een paar regels voorgelezen,” zeide d’Artagnan, „begin dus den brief van voren aan.”--„Gaarne,” zeide Aramis.

„Waarde neef!

„Ik geloof, dat ik er toe zal besluiten naar Béthune te vertrekken, waar mijn zuster onze kleine dienstmaagd in het Karmelieten-klooster heeft doen gaan. Het arme kind heeft zich onderworpen; zij weet, dat zij niet elders kan zijn, zonder dat het heil harer ziel gevaar loopt. Intusschen, wanneer onze familiezaken zich naar wensch schikken, geloof ik, dat zij het wagen zal te zondigen, en zij tot hen zal terugkeeren, die zij beweent; te meer daar zij weet, dat men steeds aan haar denkt. Onderwijl is zij niet al te gelukkig; al wat zij begeert is een brief van haar aanstaande. Ik weet wel, dat dergelijke zaken moeilijk door de tralies kunnen; maar in alle geval, zooals ik u reeds heb bewezen, waarde neef! ben ik tamelijk slim, en ik belast mij met uw boodschap. Mijn zuster dankt u voor uw hartelijke en blijvende herinnering; zij is eenigen tijd zeer ongerust geweest; maar thans is zij eenigszins gerustgesteld, daar zij haar klerk naar ginds heeft doen vertrekken, opdat er niets onverwachts plaats hebbe.

„Vaarwel, waarde neef! schrijf ons zoo dikwijls mogelijk, namelijk telkens, wanneer gij meent zulks met zekerheid te kunnen doen.--Ik omhels u.

Marie Michon.”

„Ach! hoeveel ben ik u niet verschuldigd, Aramis?” riep d’Artagnan. „Lieve Constance! Eindelijk heb ik tijding van haar. Zij leeft, zij is in zekerheid in een klooster; zij is te Béthune, Athos?”--„Wel, op de grenzen van Artois en Vlaanderen. Wanneer eenmaal het beleg zal zijn geëindigd, kunnen wij derwaarts een reisje doen.”--„En het zal niet lang meer duren,” zeide Porthos; „want men heeft dezen morgen nog een spion gehangen, die verklaarde, dat de belegerden reeds aan het leder hunner schoenen waren begonnen. In de veronderstelling nu, dat zij, na het bovenleder te hebben gegeten, aan de zolen zullen beginnen, zie ik niet al te goed, wat hen daarna zal overschieten, ten minste als zij elkander niet eten.”--„Arme dwazen!” zeide Athos, een glas heerlijken Bordeaux ledigende, die, hoewel destijds niet zoo beroemd zijnde als thans, het echter niet minder verdiende. „Arme dwazen! alsof de katholieke godsdienst niet de voordeeligste en de aangenaamste aller godsdiensten ware. Om het even,” hernam hij, na zijn tong tegen zijn verhemelte te hebben doen klappen, „zij zijn trouwe en dappere lieden.... Maar wat duivel doet gij toch, Aramis?” vervolgde Athos, „bergt gij den brief weder in uw zak?”--„Ja,” zeide d’Artagnan, „Athos heeft gelijk, men moet hem verbranden. En daarenboven, wie weet of de kardinaal niet een geheim bezit om in de asch te kunnen lezen.”--„Hij moet er een hebben,” zeide Athos.--„Maar wat wilt gij met den brief doen?” vroeg Porthos.--„Kom hier, Grimaud!” riep Athos.

Grimaud stond op en naderde.--„Om u te straffen zonder verlof gesproken te hebben, mijn vriend, zult gij dat papier inslikken; en vervolgens, om u voor den dienst te beloonen, dien gij ons bewezen hebt, kunt gij daarna dit glas wijn ledigen. Ziedaar vooreerst den brief, kauw hem goed.”--Grimaud glimlachte, de oogen op het glas houdende, dat Athos boordevol had geschonken; hij kauwde het papier en slikte het door.--„Bravo! mijnheer Grimaud!” zeide Athos, „en nu drink uit. Gij behoeft mij niet te danken.”

Grimaud dronk een glas Bordeaux-wijn leeg; maar zijn naar den hemel gerichte oogen spraken gedurende die liefelijke bezigheid een taal, die, hoewel stom, niet minder welsprekend was.--„En nu,” zeide Athos, „althans indien de kardinaal niet het verstandig denkbeeld mocht koesteren, om Grimaud den buik te doen openen, geloof ik, dat wij ten naasten bij gerust kunnen zijn.”

Onderwijl zette Zijne Eminentie zijn treurige wandeling voort, in zijn baard mompelende: „Onvoorwaardelijk, die vier mannen moeten de mijne zijn.”

HOOFDSTUK XXI.

Een eerste dag van gevangenschap.

Keeren wij tot milady terug, die wij, door een blik op de kust van Frankrijk te werpen, voor een oogenblik uit het oog hebben verloren. Wij zullen haar in denzelfden wanhopigen toestand wedervinden, waarin wij haar hebben gelaten, en in een afgrond van sombere vertwijfeling verzonken; een donkere hel, voor wier deur zij bijna de hoop heeft verloren; want voor het eerst twijfelt, voor het eerst vreest zij.

In twee omstandigheden is haar de fortuin ontrouw geweest, in twee omstandigheden heeft zij zich ontdekt, verraden gevonden, en in die beide omstandigheden is zij bezweken tegenover den noodlottigen geest, ongetwijfeld door den Heere gezonden om haar te bestrijden.

D’Artagnan heeft haar overwonnen, zij, die onoverwinnelijke macht des boozen. Hij heeft haar in haar liefde misleid, in haar hoogmoed vernederd, in haar eerzucht bedrogen; en ziedaar, nu treft hij haar in haar fortuin, treft haar in haar vrijheid en bedreigt zelfs haar leven. Wat meer is, hij heeft een gedeelte van haar masker opgelicht, dat schild, waarmede zij zich bedekt, en dat haar zoo sterk maakt. D’Artagnan heeft van Buckingham, dien zij haat, zooals zij alles haat, wat zij eens heeft bemind, den storm afgewend, waarmede Richelieu hem in de persoon der koningin bedreigde. D’Artagnan heeft zich voor de Wardes doen doorgaan, voor wien zij de gloeiende liefdedrift eener tijgerin gevoelde, een drift, even onstuimig als dergelijke vrouwen die kunnen gevoelen. D’Artagnan kent dat vreeselijk geheim, hetwelk zij gezworen heeft, dat niemand zou kennen zonder te sterven. Ten slotte, op het oogenblik dat zij van Richelieu een volmacht ontvangt, met wier hulp zij zich op haar vijand zal wreken, wordt haar die volmacht ontrukt, en het is d’Artagnan, die haar gevangen houdt en haar naar de een of andere walgelijke Botanybay of schandelijke Tyburn van den Indischen oceaan zal zenden. Want dat alles komt ongetwijfeld van d’Artagnan; van wien anders zou zooveel schande, op haar hoofd gestapeld, kunnen voortkomen, dan van hem? Hij alleen heeft aan lord de Winter die afschuwelijke geheimen kunnen overbrengen, welke hij door een noodlottigen samenloop van omstandigheden het een na het ander ontdekt heeft. Hij kende haar schoonbroeder; hij zal hem geschreven hebben. Hoeveel haat verzamelt zij drop voor drop in haar boezem!

Daar zit zij onbeweeglijk en met gloeiende, strakke oogen in haar eenzaam vertrek; hoe wèl paren zich de uitbarstingen van het gesmoord gebrul, dat bijwijlen haar boezem ontglipt, aan het gedruisch der zich verheffende baren, die brullend, donderend als een eeuwige, onmachtige wanhoop tegen de rots uiteenspatten, op welke dit somber, trotsch kasteel gebouwd is. Hoe heerlijk schijnen haar de plannen van wraak, die zij, bij het licht der bliksemstralen, welke haar woedende gramschap haar in den geest doet zien, tegen juffrouw Bonacieux, tegen Buckingham, en vooral tegen d’Artagnan beraamt; maar die echter nog verborgen zijn in de donkere toekomst.

Ja, maar om zich te wreken, moet men vrij zijn, en om vrij te zijn, wanneer men gevangen is, moet men een muur doorbreken, traliën uitnemen, den grond doorgraven, al welke ondernemingen door een geduldigen, sterken man kunnen worden ten einde gebracht, maar voor welke de koortsachtige drift eener vrouw moet zwichten. Daarenboven wordt, om dit alles te doen, veel tijd vereischt.... maanden, jaren! en zij, zij heeft slechts tien of twaalf dagen, zooals lord de Winter heeft gezegd, haar broederlijke en vreeselijke cipier. En echter zou zij, een man zijnde, dit alles beproeven, en misschien zou zij slagen; waarom heeft de Hemel zich dan zoozeer vergist, door dien mannelijken geest in dat teedere, zwakke lichaam te doen huizen? Ook waren de eerste oogenblikken harer gevangenschap vreeselijk; en eenige stuiptrekkingen van razernij, welke zij niet kon overwinnen, hebben der natuur de schuld harer vrouwelijke zwakheid betaald. Maar van lieverlede heeft zij zich boven de uitbarstingen van haar dwazen toorn verheven, de zenuwachtige stuiptrekkingen haars lichaams zijn verdwenen, en nu ligt zij neer, als een ineengekronkelde, vermoeide slang, die rust.

„Och! ik was dwaas mij zoo te vervoeren,” zegt zij, in den spiegel ziende, die aan haar oogen haar gloeienden blik terugkaatst, door welken zij zich zelve schijnt te ondervragen. „Geen geweld! geweld is een bewijs van zwakheid; en daarenboven, door dat middel is mij nooit iets gelukt. Misschien zou ik, indien ik mijn krachten jegens vrouwen aanwendde, kans hebben, ze nog zwakker dan ik te vinden, en ze bijgevolg kunnen overwinnen; maar het zijn mannen, waarmede ik worstel, en ik ben slechts een vrouw voor hen. Worstelen wij dus als een vrouw; mijn kracht is in mijn zwakheid.”

Toen, als om zich zelve te overtuigen, welke veranderingen zij aan haar zoo uitdrukkingsvol en edel gelaat kon geven, deed zij het achtereenvolgens allerlei uitdrukkingen aannemen, vanaf die des toorns, welke al haar trekken misvormde, tot aan die van den vriendelijksten, verleidelijksten glimlach. Eindelijk nam, onder haar behendige vingers, haar hoofdhaar al die krullingen aan, welke zij meende aan haar bekoorlijk gelaat meer schoonheid te zullen bijzetten, en lispte zij ten laatste over haar zelve tevreden: „Komaan! alles is nog niet verloren, ik ben steeds schoon.”

Het was ongeveer acht uur des avonds; milady bespeurde een bed; zij meende, dat rust gedurende weinige uren niet alleen haar hoofd en haar denkbeelden zoude verfrisschen, maar nog bovendien haar gelaatskleur. Onderwijl kwam in haar, alvorens te gaan slapen, een beter denkbeeld op. Zij had van een avondmaal hooren spreken. Reeds was zij één uur in dat vertrek, en men zou niet lang meer wachten haar eten te brengen. De gevangene wilde geen tijd verloren laten gaan, en zij besloot nog dienzelfden avond eenige pogingen aan te wenden, om het karakter te bestudeeren van hen, die haar moesten bewaken en dienen.

Een licht blonk onder haar deur; dat licht duidde de terugkomst harer bewakers aan. Milady, die overeind stond, wierp zich haastig in haar leuningstoel, haar hoofd achterover latende hangen, van hetwelk haar fraai hoofdhaar los en verward neergolfde; haar borst was half bloot onder de verkreukte kanten; de eene hand hield zij op haar hart, de andere hing langs haar zijde neder.--Men schoof de grendels weg, de deur kraste op haar hengsels, voetstappen weergalmden in de kamer en naderden.

„Zet die tafel daar,” zeide een stem, welke de gevangene voor die van Felton herkende.--Het bevel werd volbracht.--„Gij moet kaarsen binnenbrengen en de schildwacht doen aflossen,” ging Felton voort; en dat dubbel bevel, dat de jonge luitenant denzelfden persoon gaf, bewees aan milady, dat haar dienaars dezelfde als haar bewakers waren, namelijk soldaten.

De bevelen van Felton werden overigens met een zwijgende snelheid uitgevoerd, welke een goed denkbeeld gaf van den staat, waarin hij de krijgstucht hield. Eindelijk wendde Felton, die milady nog niet had aangezien, zich tot haar.

„Ha! ha!” zeide hij, „zij slaapt. Goed, als zij ontwaakt, kan zij soupeeren.”--En hij deed eenige schreden om zich te verwijderen.--„Maar, luitenant!” zeide een minder ongevoelig soldaat dan zijn overste, en die milady was genaderd, „die vrouw slaapt niet.”--„Wat! slaapt zij niet?” riep Felton, „wat doet zij dan?”--„Zij ligt in onmacht; haar aangezicht is zeer bleek, en hoe ik ook luister, ik hoor haar ademhaling niet.”--„Gij hebt gelijk,” zeide Felton, na milady te hebben beschouwd van de plaats, waar hij stond, zonder één schrede haar te naderen. „Ga lord de Winter waarschuwen, dat zijn gevangene in zwijm ligt; want ik weet niet, wat ik doen moet; in dat geval is niet voorzien.”

De soldaat vertrok, om de bevelen zijns officiers te volbrengen. Felton ging op een stoel zitten, die bij toeval bij de deur stond, en wachtte zonder één woord te spreken en onbeweeglijk. Milady bezat die groote, door de vrouwen zoo ijverig bestudeerde kunst, van alles te zien met behulp van een spiegel, een weerschijn of een schaduw. Zij beschouwde Felton, die haar den rug toekeerde en bleef hem ongeveer tien minuten beschouwen, gedurende welke de onbeweeglijke bewaker zich niet één enkele maal omkeerde.--Zij bedacht toen, dat lord de Winter zou komen, die door zijn tegenwoordigheid meer kracht aan zijn cipier zou geven. Haar eerste proefneming was mislukt; maar zij troostte er zich over als een vrouw, die nog meer hulpmiddelen heeft. Bijgevolg richtte zij het hoofd op en slaakte een flauwen zucht. Op dien zucht zag Felton eindelijk om.

„Ha! zijt gij eindelijk ontwaakt, mevrouw!” zeide hij, „ik behoef dus hier niet meer te zijn. Als gij het een of ander mocht noodig hebben, kunt gij roepen.”--„Ach, mijn God! mijn God! wat heb ik geleden!” lispte milady, met die welluidende stem, welke, gelijk aan die der Sirenen, al diegenen bekoorde, welke zij wilde in het verderf storten.--En zij nam, zich in haar leuningstoel oprichtende, een houding aan nog bekoorlijker en ongedwongener dan die zij liggende had.

Felton stond op.--„Gij zult alzoo drie malen daags bediend worden, mevrouw!” zeide hij: „des morgens te negen uur, des namiddags te een uur, en des avonds te acht uur. Indien u zulks niet bevalt, kunt gij andere uren bepalen, dan die ik u voorstel, en omtrent dat punt zal men zich aan uw begeerte onderwerpen.”--„Maar zal men mij dan altijd geheel alleen in deze groote, treurige kamer laten?” vroeg milady.--„Een vrouw uit de omstreken is ontboden geworden, om voortaan in het kasteel te zijn, en telkens, wanneer gij haar tegenwoordigheid mocht verlangen, zal zij bij u komen.”--„Ik dank u, mijnheer!” antwoordde de gevangene nederig.--Felton maakte een lichte buiging en begaf zich naar de deur.

Op het oogenblik, dat hij den drempel zou overgaan, verscheen lord de Winter in de gang, gevolgd door den soldaat, die hem van de bezwijming van milady bericht had gebracht; hij hield in zijn hand een fleschje met vlugzout.

„Wel, wel! wat gebeurt er toch?” riep hij op spottenden toon, zijn gevangene overeind ziende en Felton gereed om te vertrekken. „Is die doode al weer verrezen? Goddam, Felton! mijn zoon! hebt gij dan niet opgemerkt, dat men u voor een schooljongen aanziet, en men het eerste bedrijf van een komediestuk speelt, waarvan wij zonder twijfel het pleizier zullen hebben al de verwikkelingen te kunnen volgen?”--„Ik twijfelde er aan, mylord!” antwoordde Felton; „maar dewijl de gevangene in alle geval een vrouw is, wilde ik jegens haar al de onderscheiding in acht nemen, welke ieder welopgevoed man aan een vrouw is verschuldigd, al is het dan niet voor haar, dan toch voor zich zelven.”

Milady liep een rilling door het gansche lichaam. Die woorden van Felton vloeiden als ijs door al haar aderen.

„Alzoo,” hernam de Winter lachende, „hebben dat fraaie hoofdhaar, zoo sierlijk ten toon gespreid, dat blanke vel en die smachtende blik uw steenen hart nog niet vermurwd?”--„Neen, mylord!” antwoordde de ongevoelige jongeling; „en geloof mij wel, er behoort meer toe dan gebaren en de koketterie eener vrouw, om mij te verleiden.”--„In dat geval, mijn brave luitenant! zullen wij milady iets anders laten zoeken en aan tafel gaan. Maar wees gerust, zij heeft een zeer vruchtbare verbeelding, en het tweede bedrijf van het tooneelspel zal spoedig het eerste volgen.”--En bij deze woorden stak de Winter zijn arm in dien van Felton en trok hem lachende voort.

„O! ik zal wel vinden, wat ik noodig heb,” mompelde milady binnensmonds; „wees gerust, arme, mislukte monnik! arme, bekeerde soldaat! die uw uniform uit een monnikspij hebt gesneden.”--„A propos, milady!” hernam de Winter, op den drempel der deur blijvende staan, „die teleurstelling moet u den eetlust niet ontnemen. Proef eens van dat hoen en dien visch, welke ik, op mijn eer, niet heb doen vergiftigen. Ik ben vrij wel over mijn kok tevreden, en daar hij van mij niet moet erven, stel ik in hem volkomen vertrouwen. Doe zooals ik. Vaarwel, lieve zuster! tot aan uw aanstaande bezwijming.”

Dat was alles, wat milady kon verdragen. Haar handen sloten zich krampachtig om de leuning van haar stoel; dof knarsetandende volgde zij met haar oogen de beweging der deur, welke zich achter de Winter en Felton sloot, en toen zij alleen was, overviel haar een nieuwe, nog geweldiger wanhoop. Zij liet haar oogen op de tafel vallen, zag een mes glinsteren, sprong toe en greep het; maar haar teleurstelling was wreed, het lemmet was rond en van buigzaam zilver.

Een schaterend gelach klonk achter de niet geheel geslotene deur, die weder geopend werd.--„Ha! ha!” riep lord de Winter, „ha! ha! ha! ziet gij wel, mijn beste Felton! ziet gij wel, wat ik u heb voorzegd? Dat mes was voor u bestemd, mijn zoon! zij zou u vermoord hebben, hoort gij; een harer grillen is, zich op deze of gene wijze van de lieden te bevrijden, welke haar hinderen. Indien ik naar u geluisterd had, ware het mes puntig en van staal geweest en met Felton zou het dan gedaan zijn geweest; zij zou u gekeeld hebben, en na u ons allen. Zie maar eens, John! hoe ferm zij het mes houdt.”

Inderdaad, milady hield nog het onschadelijke wapen in haar krampachtige hand geklemd: maar die laatste woorden, die verregaande beleediging opende haar hand en ontspande haar krachten, ja zelfs haar wil. Het mes viel op den grond.

„Gij hebt gelijk, mylord!” zeide Felton op een toon van diepe walging, die in het diepste van het hart van milady weerklonk, „gij hebt gelijk, en ik was het, die ongelijk had.”--En beiden vertrokken opnieuw. Maar nu luisterde milady beter dan de eerste maal, en zij hoorde hun voetstappen zich verwijderen en eindelijk aan het einde van de gang geheel verdwijnen.

„Ik ben verloren!” mompelde zij; „nu ben ik in de macht van lieden, op welke ik niet meer vat heb dan op bronzen of steenen beelden; zij kennen mij van buiten en zijn geharnast tegen al mijn wapens.... Het is nochtans niet mogelijk,” hernam zij na een kort oogenblik, „dat alles eindige, zooals zij besloten hebben.”

En waarlijk, zooals die laatste overweging, de werktuiglijke terugkeer tot de hoop, het aanduidde, bleven de vrees en het gevoel van zwakheid niet lang in die onpeilbare ziel bovendrijven. Milady zette zich aan tafel, at van verschillende gerechten, dronk een weinig Spaanschen wijn en voelde al haar stoutmoedigheid herleven.

Alvorens zich te bed te begeven, had zij reeds overwogen, ontleed, zich naar alle zijden omgekeerd en de woorden, gang, gebaren en teekens, ja zelfs het stilzwijgen harer bewakers in al hun deelen beschouwd; en uit deze diepe, doordachte en geleerde beschouwing had zij het besluit getrokken, dat Felton, alles bij elkander genomen, de minst onkwetsbare van beiden was.--Een woord vooral kwam telkens in de herinnering van milady weder op: „Indien ik naar u geluisterd had,” had lord de Winter tegen Felton gezegd.--Derhalve had Felton in haar voordeel gesproken, omdat lord de Winter naar Felton niet had willen luisteren.

„Hoe zwak of sterk ook,” herhaalde milady, „heeft die man echter een vonk van medelijden in zijn ziel. Van deze vonk zal ik een brand doen uitbreken, die hem zal verslinden. Wat den anderen betreft, deze kent, vreest mij, en weet, wat hij van mij te wachten heeft, indien ik ooit aan zijn handen ontsnap; het is dus nutteloos iets op hem te beproeven. Maar Felton, dat is iets anders, hij schijnt een onnoozel, rein en deugdzaam jongeling te zijn. Op dezen is het middel te beproeven, hem in het verderf te storten.”--En milady legde zich te bed en sliep met een glimlach op de lippen.

Iemand, die haar in dien slaap zou hebben gezien, had een jonge maagd meenen te zien, die aan den rozenkrans dacht, waarmede zij op het aanstaande feest haar hoofd zou bekronen.

HOOFDSTUK XXII.

Tweede dag van gevangenschap.

Milady droomde, dat d’Artagnan eindelijk in haar macht was, en zij zijn strafoefening bijwoonde; en het was het gezicht van zijn afschuwelijk bloed, dat onder de bijl des beuls stroomde, hetwelk dezen bevalligen glimlach op haar lippen teekende.--Zij sliep als een gevangene, wien een eerste hoop vervult. Den volgenden dag was zij nog te bed, toen men haar kamer binnentrad.... Felton bleef in de gang staan; hij had de vrouw medegebracht, van welke hij den vorigen dag had gesproken, en die was aangekomen. Die vrouw trad binnen, naderde het bed van milady en bood haar heur diensten aan.

Milady was gewoonlijk bleek; haar gelaatskleur kon dus iemand lichtelijk bedriegen, die haar voor het eerst zag.--„Ik heb de koorts,” zeide zij, „ik heb geen oogenblik gedurende dezen langen nacht geslapen. Ik lijd geweldig! zoudt gij menschlievender zijn, dan men het gisteren met mij is geweest? Alles, wat ik verzoek, is trouwens niets anders, dan om te bed te blijven.”--„Wilt gij, dat men een geneesheer doe komen?” vroeg de vrouw.

Felton luisterde naar dat gesprek zonder één woord te spreken. Milady begreep, dat, hoe meer zij door lieden werd omringd, hoe meer gelegenheid er voor haar zou zijn, om eenigen hunner medelijden in te boezemen, waardoor derhalve de waakzaamheid van lord de Winter zou verdubbelen. Bovendien kon de geneesheer verklaren, dat de ziekte geveinsd was; en milady, na het eerste spel verloren te hebben, wilde het tweede niet verliezen.

„Waartoe een geneesheer te ontbieden?” zeide zij, „de heeren hebben gisteren verklaard, dat mijn ziekte een komediespel was, het zou vandaag hetzelfde wezen; want sedert gisteren heeft men den tijd gehad den geneesheer te verwittigen.”--„Zeg dan, mevrouw!” zeide Felton ongeduldig, „welke behandeling gij verlangt te ondergaan.”--„Weet ik het, mijn God! Ik voel, dat ik lijd, ziedaar! Dat men mij geve wat men wil, wat bekommer ik er mij om.”--„Ga lord de Winter roepen,” zeide Felton, vermoeid door deze eeuwigdurende klachten.--„Ach! neen, neen!” riep milady; „neen, mijnheer! roep hem niet, ik bezweer u; ik ben wèl, ik heb niets noodig; roep hem niet!”--Zij legde een zoo natuurlijke drift in dezen uitroep, dat Felton, medegesleept, eenige schreden de kamer binnentrad.--„Hij is bewogen,” dacht milady.--„Intusschen, mevrouw!” zeide Felton, „indien gij wezenlijk lijdt, zal men een geneesheer ontbieden, en mocht gij ons misleiden, des te erger voor u; maar ten minste zullen wij ons niets te verwijten hebben.”

Milady antwoordde niet, maar haar schoon hoofd op haar hoofdkussen drukkende, barstte zij in tranen en gesnik uit.--Felton beschouwde haar een oogenblik met zijn gewone onbeweeglijkheid; toen, ziende dat de crisis scheen te zullen voortduren, vertrok hij. De vrouw volgde hem. Lord de Winter verscheen niet.

„Ik geloof, dat ik klaar begin te zien,” mompelde milady met een woeste vreugd, terwijl zij zich met haar bedsprei bedekte, ten einde die inwendige ontboezeming van genoegen voor allen, die haar mochten bespieden, te verbergen.--Twee uren verliepen er.--„Nu is het tijd, dat de ziekte ophoudt,” zeide zij, „laat ons opstaan en trachten reeds van heden aan eenige voordeelen te behalen. Er blijven mij slechts tien dagen over, en reeds heden avond zullen er twee vervlogen zijn.”

Des morgens in de kamer van milady komende, hadden de dienstboden haar het ontbijt gebracht. Zij meende derhalve, dat men het spoedig zou komen afnemen, en zij dan Felton zou zien. Milady bedroog zich niet. Felton verscheen, en zonder er acht op te slaan, of milady al of niet van het ontbijt iets genuttigd had, wenkte hij, dat men de tafel, die men gewoonlijk gedekt binnenbracht, buiten de kamer zou brengen. Felton keerde terug, hij hield een boek in de hand. Milady, schoon, bleek en gelaten, in een armstoel bij den schoorsteen neergevlijd, geleek een heilige maagd, die het martelaarschap verwacht.

Felton naderde haar en zeide: „Lord de Winter, die roomsch is, zooals gij, mevrouw! heeft gedacht, dat het gemis der gebruiken en ceremoniën van uw godsdienst u smartelijk moet vallen; hij veroorlooft dan ook, dat gij dagelijks de gebeden uwer mis leest, en ziedaar een boek, dat ze bevat.”

De wijze ziende, op welke Felton het boek op het tafeltje legde, aan hetwelk milady zat, den toon hoorende, op welken hij die twee woorden: uwer mis uitsprak, en den verachtelijken glimlach opmerkende, waarmede hij een en ander vergezelde, richtte milady het hoofd omhoog en beschouwde den officier meer aandachtig.--Toen herkende zij aan dat korte hoofdhaar, aan dat meer dan eenvoudig gewaad, aan dat als marmer zoo gladde, maar harde en ondoordringbare voorhoofd, als hij zelf, een dier afgetrokkene Puriteinen, die zij zoo dikwijls zoowel aan het hof van Jacobus als aan dat van den koning van Frankrijk had aangetroffen, waar zij, ondanks de herinnering aan den Bartholomeus-Nacht, bijwijlen een toevlucht kwamen zoeken.--Zij had op dat oogenblik een dier plotselinge ingevingen, welke alleen menschen van genie ontvangen in die gewichtige omstandigheden, welke over hun geluk of over hun leven moeten beslissen. Die beide woorden: uwer mis, en een eenvoudige blik op Felton geworpen hadden haar inderdaad het groote gewicht doen beseffen van het antwoord, dat zij geven moest.

En met de snelheid van bevatting, die haar eigen was, vloeide van haar lippen dit reeds geheel bereid antwoord: „Ik?” zeide zij op een toon van verachting, niet minder diep dan die zij in de stem van den jongen officier had opgemerkt, „ik, mijnheer! mijn mis? Lord de Winter, die verdorven Katholiek, weet wel, dat ik tot zijn leer niet behoor; het is een valstrik, dien hij mij legt.”--„En welken godsdienst belijdt gij dan, mevrouw?” vroeg Felton met een verwondering, die hij ondanks zijn zelfbeheersching niet geheel kon verbergen.--„Ik zal het zeggen!” riep milady met een geveinsde geestvervoering, „den dag, op welken ik genoeg voor mijn geloof zal geleden hebben.”

De blik van Felton openbaarde aan milady de geheele uitgestrektheid der hulp, die zij zich door die weinige woorden had verschaft. Intusschen bleef de jongeling stom en onbeweeglijk; alleen zijn blik had gesproken.

„Ik ben in de handen mijner vijanden,” vervolgde zij op dien dwependen toon, welke den Puriteinen zoo eigen was. „Welnu, dat God mij redde, of dat ik voor God verloren ga! Ziedaar het antwoord, dat ik u verzoek aan lord de Winter over te brengen; en wat dat boek betreft,” voegde zij er bij, het gebedenboek met den vinger aanwijzende, maar zonder het aan te raken, alsof zij door die aanraking besmet zou zijn geworden, „gij kunt het medenemen, of er u zelven van bedienen, want waarschijnlijk zijt gij dubbel medeplichtige van lord de Winter, medeplichtige in zijn vervolgingen, medeplichtige in zijn ketterij.”

Felton antwoordde niet, nam het boek met denzelfden afkeer, dien hij reeds had doen blijken, en vertrok peinzende. Lord de Winter kwam tegen vijf uur des namiddags. Milady had gedurende den geheelen dag den tijd gehad zich een gedragslijn voor te schrijven. Zij ontving hem als een vrouw, die volkomen van haar voordeel bewust is.

„Het schijnt,” zeide de baron, in een leuningstoel zich neerzettende, vóór dien op welken milady zat, en gemakkelijk zijn beenen naar den haard uitstrekkende, „het schijnt, dat wij een weinig ons geloof hebben verzaakt.”--„Wat wilt gij zeggen, mijnheer?”--„Ik wil zeggen, dat, sedert het laatst dat wij elkander gezien hebben, wij van godsdienst zijn veranderd. Zoudt gij bij toeval een derden Protestantschen man hebben gehuwd?”--„Verklaar u, mylord!” hernam de gevangene met majesteit, „want ik verzeker u, dat ik uw woorden hoor, maar ze niet begrijp.”--„Dan is het, omdat gij volstrekt geen godsdienst hebt; maar dat heb ik nog liever,” hernam lord de Winter met een schamperen lach.--„Zeker is het, dat dit meer met uw denkwijze strookt,” antwoordde milady koel.--„Och! ik, ik beken u, dat het mij volkomen onverschillig is.”--„O, gij zoudt die onverschilligheid in zake van godsdienst niet belijden, indien uw schandelijke leefwijze en uw misdaden ze niet bevestigden.”--„Welzoo, spreekt gij van schandelijke leefwijze, mevrouw Messalina! spreekt gij van misdaden, lady Macbeth! òf ik heb kwalijk verstaan, òf gij zijt, Goddam! vrij onbeschaamd.”--„Gij spreekt aldus, omdat men ons beluistert, mijnheer!” antwoordde milady koel, „en gij uw gevangenbewaarders en beulen tegen mij wilt ophitsen.”--„Mijn gevangenbewaarders en beulen? wel, mevrouw! gij neemt nu een dichterlijken toon aan, en de komedie van gisteren schijnt heden avond tot een treurspel over te gaan. Maar binnen acht dagen zult gij weten, waar gij te huis hoort, en mijn taak zal volbracht zijn.”--„Een schandelijke, goddelooze taak,” hernam milady met de geestvervoering van het offer, dat haar rechter tart.--„Ik geloof, op mijn eer, dat het vrouwspersoon gek wordt.... Kom, kom, wees bedaard, mevrouw de kwezel, of ik laat u in het cachot brengen. Goddam! het is mijn Spaansche wijn, die u naar het hoofd stijgt, niet waar? maar wees gerust, die dronkenschap is niet gevaarlijk en zal geen gevolgen hebben.”--En lord de Winter verwijderde zich al vloekende, hetgeen in dien tijd een zeer fatsoenlijke gewoonte was.

Felton stond inderdaad achter de deur en had geen enkel woord van het tooneel verloren. Milady had juist geraden.--„Ja, o ja!” mompelde zij, „de gevolgen naderen integendeel; maar gij zult ze niet weten, domkop! dan wanneer het te laat zal zijn om ze te voorkomen.”

De stilte hernieuwde zich; twee uren verliepen; men bracht het avondmaal en men vond milady een gebed biddende, dat zij van een ouden dienaar van haar tweeden echtgenoot, een zeer streng Puritein, had geleerd. Zij scheen in volkomen geestverrukking en gaf niet het minste blijk eenige acht te slaan op hetgeen rondom haar voorviel. Felton wenkte, dat men haar niet zou storen; en toen alles gereed was, vertrok hij in stilte met de soldaten. Milady wist, dat zij kon bespied worden, zij ging dus met haar gebeden tot aan het einde voort, en zij meende dat de soldaat, die voor de deur op schildwacht stond, niet meer denzelfden tred hield, maar scheen te luisteren. Voor het oogenblik verlangde zij niets meer, zij stond op, zette zich aan tafel, at weinig en dronk slechts water.

Een uur daarna kwam men de tafel wegnemen; maar milady bemerkte, dat Felton nu de soldaten niet vergezelde. Hij vreesde dus haar te dikwijls te zien. Zij keerde het hoofd om, om haar glimlach te verbergen, want in dien glimlach lag een zoo zegevierende uitdrukking, dat die alleen voldoende zou zijn geweest haar te ontmaskeren. Zij liet nog een half uur verloopen, en dewijl nu alles in het oude kasteel stil was geworden en men niets anders hoorde dan het eeuwig gedruisch der baren, die geweldige ademhaling des oceaans, begon zij met haar zuivere, welluidende, trillende stem het eerste couplet van dezen toen bij de Puriteinen zeer in gunst zijnden Psalm:

Om te beproeven onze krachten, Verlaat Gij, Heere! ons geheel; Maar voor ons streven, voor ons wachten, Valt ons uit Uwe milde hand de palmtak ook ten deel.

Die verzen waren zeker niet voortreffelijk, er ontbrak veel aan, maar, zooals bekend is, de Puriteinen hechtten niet veel waarde aan poëzie. Al zingende bleef milady echter luisteren; de soldaat, die op schildwacht voor haar deur stond, was als het ware in steen veranderd stil blijven staan. Milady kon dus oordeelen over den indruk, dien zij had teweeggebracht. Daarop vervolgde zij haar gezang met een vurig en onuitsprekelijk gevoel; het scheen alsof de klank harer stem in de verte onder de gewelven weergalmde en alsof een toovermiddel de harten harer bewakers ging verzachten. Intusschen scheen die schildwacht, ongetwijfeld een oprecht Katholiek, de tooverij te verachten, want door de traliën in de deur, welke hij opende, zeide hij: „Zwijg, mevrouw! uw lied is treurig als een De profundis, en indien men boven het genoegen van hier in garnizoen te zijn nog iets dergelijks moet hooren, zal het er niet langer uit te houden zijn.”--„Zwijg!” riep toen een bevelende stem, die milady voor die van Felton herkende; „waarmede bemoeit gij u, kerel? Heeft men u bevolen die vrouw het zingen te beletten? Neen, men heeft u bevolen haar te bewaken en op haar te schieten, indien zij mocht trachten te ontvluchten. Bewaak haar; indien zij vlucht, dood haar dan, maar verander niets aan het bevel.”

Een onbeschrijfelijke glans van vreugd verspreidde zich op het gelaat van milady; maar die glans verdween even spoedig als een weerlicht, en zonder te laten blijken die woordenwisseling gehoord te hebben, van welke zij echter geen woord had verloren, hernam zij, aan haar stem al de volheid, al de bekoring en verleiding gevende, die de duivel er had ingelegd:

Voor al de ramp door mij geleden, Voor mijne ballingschap vol smart, Heb ik mijn’ jonkheid, mijn’ gebeden, En God, die richten zal den vijand, dien ik tart.

Haar stem, van een onbeschrijfelijke welluidendheid en vol verheven vuur, gaf aan de ruwe en onbeschaafde poëzie dezer psalmen een betoovering en uitdrukking, welke de buitensporigste Puriteinen zelden in de gezangen hunner broeders vonden, die zij verplicht waren met al de hulpmiddelen hunner verbeelding schoonheid bij te zetten. Felton meende den engel te hooren zingen, die de drie Hebreërs in den gloeienden oven troostte.--Milady vervolgde:

De vrijheidszon zal eenmaal schijnen, En God ons helpen uit den nood, Doet Hij dan onze hoop verdwijnen, Dan blijft ons echter nog èn martlaarschap èn dood.

Dit couplet, waarin die vreeselijke bezweerster geheel haar ziel scheen te leggen, voltooide de verwarring, waaraan het hart des jongen officiers ten prooi was; hij opende driftig de deur en milady zag hem verschijnen, wel bleek als naar gewoonte, maar met gloeiende en bijna waanzinnige oogen.--„Waarom zingt gij op die wijze?” zeide hij met een ontroerde stem.--„Vergeef mij, mijnheer!” zeide milady met zachtheid, „ik vergat, dat mijn zangen in dit huis niet in den smaak zijn. Ik heb u waarschijnlijk in uw geloof beleedigd, maar dit was, ik verzeker u, zonder opzet. Vergeef mij dus een misslag, die misschien groot is, maar door mij zeker niet opzettelijk is bedreven.”

Milady was zoo schoon, de godsdienstige geestverrukking, waarin zij was gedompeld, gaf aan haar gelaat zooveel uitdrukking, dat Felton, begoocheld, nu den engel meende te zien, dien hij eenige oogenblikken alleen meende te hooren.--„Ja, ja,” antwoordde hij, „ja, gij ontroert, gij verontrust de lieden, die het kasteel bewonen.”--En de arme dwaas bespeurde zelf niet het onsamenhangende zijner woorden, terwijl milady haar tijgerkatoog in het diepste van zijn hart wierp.--„Ik zal zwijgen,” zeide milady, de oogen neerslaande, met al de zachtheid, die zij aan haar stem kon geven, met al de onderwerping, die zij haar houding kon doen aannemen.--„Neen, neen, mevrouw!” zeide Felton, „maar zing wat zachter, vooral des nachts.”

En bij die woorden snelde Felton, die voelde, dat hij tegenover de gevangene niet langer gestreng kon wezen, het vertrek uit.--„Gij hebt wel gedaan, luitenant!” zeide de soldaat, „die gezangen beroeren de ziel; maar men gewent er toch eindelijk aan: de stem is zoo schoon.”

HOOFDSTUK XXIII.

Derde dag van gevangenschap.

Felton was gekomen; maar hij moest nog verder worden gebracht; hij moest worden gehouden, of liever hij moest uit zich zelven blijven; milady zag echter nog slechts in het duistere het middel, dat haar dat voordeel moest bezorgen. En wat meer is, hij moest tot spreken worden genoopt, ten einde ook tot hem te kunnen spreken; immers milady wist zeer goed, dat haar grootste verleidingsmiddel in haar stem was gelegen, die zoo behendig al de klanken wist aan te nemen van die eener menschelijke tot die eener hemelsche stem. En echter, ondanks al die verleidingsmiddelen, zou milady kunnen schipbreuk lijden; want Felton was gewaarschuwd,--schipbreuk lijden door het geringste toeval.

Van af dat oogenblik sloeg zij al zijn gangen, al zijn woorden, tot zelfs den eenvoudigen blik zijner oogen gade, zijn gebaren, zijn ademhaling, die men voor een zucht had kunnen houden; zij studeerde, als een bekwaam tooneelspeler, wien men een nieuwe rol heeft gegeven, welke hij niet gewoon is te vervullen. Tegenover lord de Winter was haar gedrag gemakkelijker; ook had zij het den vorigen dag bepaald. Sprakeloos en waardig in zijn tegenwoordigheid te blijven, hem van tijd tot tijd door een in het oog vallenden afkeer, door een verachtelijk woord te vertoornen, hem tot bedreigingen en gewelddadigheden aan te sporen, die bij haar onderwerping zeer zouden afsteken, ziedaar haar plan. Felton zou zien, misschien wel niets zeggen, maar toch zien.

Des morgens kwam Felton als naar gewoonte; milady liet hem stil al de toebereidselen tot het ontbijt bijwonen, zonder tot hem een enkel woord te richten. Ook toen hij gereed was zich te verwijderen, vervulde haar een straal van hoop, want zij meende, dat hij het zou zijn, die zou spreken, maar zijn lippen bewogen zich, zonder dat de minste klank uit zijn mond kwam, en met geweld besloot hij in zijn hart de woorden, die hij op het punt stond van zijn lippen te doen vloeien, en hij vertrok. Tegen den middag kwam lord de Winter binnen. Het was een fraaie zomerdag, en een straal dier bleeke zon van Engeland, welke verlicht, maar niet verwarmt, drong door de traliën harer gevangenis. Milady zag door het venster en hield zich, alsof zij niet hoorde, dat de deur werd geopend.

„Ha! ha!” riep lord de Winter, „na eerst een komedie, vervolgens een treurspel, begint gij nu droefgeestigheid te vertoonen!”--De gevangene antwoordde niet.--„Ja, ja!” vervolgde de Winter, „ik begrijp, gij zoudt wel aan den oever in vrijheid willen zijn; gij zoudt wel op een goed schip de baren dier smaragdgroene zee willen doorklieven; gij zoudt mij wel op het vaste land of op den oceaan een dier lieve kleine valstrikken willen leggen, zooals gij ze zoo aardig weet samen te stellen. Geduld, geduld! binnen vier dagen zult gij tot den oever worden toegelaten, dan zal de zee zich voor u uitbreiden, meer uitbreiden dan gij verlangt; want binnen vier dagen zal Engeland van u bevrijd zijn.”

Milady vouwde de handen en sloeg haar schoone oogen hemelwaarts.--„Heere! Heere!” sprak zij met een engelachtige zachtheid in gebaren en toon, „vergeef dien man, zooals ik hem vergeef.”--„Ja, bid, vervloekte!” riep de baron, „uw gebed is te edelmoediger, daar gij, dit zweer ik u, in de macht zijt van iemand, die niet zal vergeven.”--En hij verwijderde zich.

Op het oogenblik dat hij vertrok, doordrong haar diepe blik de half openstaande deur, en zij zag Felton, die haastig ter zijde trad om niet door haar gezien te worden. Toen wierp zij zich op de knieën en begon te bidden: „Mijn God! Mijn God! Gij kent de heilige zaak, voor welke ik lijd; schenk mij daarom de kracht te kunnen lijden.”--De deur werd zachtjes geopend, de schoone bidster hield zich, alsof zij niets gehoord had, en met een door tranen gesmoorde stem vervolgde zij: „Wrekend God! God van goedheid! zult Gij de afschuwelijke plannen van dien man veroorloven!”

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us