De Decamerone van Boccaccio (part 3 of 3)
O ongelukkige, die ik ben! zei de donna, mijn schoonheden gaf God nu aan hen, die mij kwaad willen doen, maar gij wreeder dan ieder wild dier, hoe hebt gij kunnen volhouden mij zoo te mishandelen? Ik zou niet anders te wachten hebben, als ik Uw familie onder de wreedste martelingen had vermoord. Welke ergere wreedheid zou men hebben aangewend jegens een verrader, die een heele stad aan een slachting had overgeleverd? Gij hebt mij in de zon laten roosteren en laten opeten door de muggen en bovendien hebt gij mij zelfs geen beker water willen geven; de moordenaars, die ter dood gebracht worden, geeft men dikwijls wijn te drinken, zoo zij er om vragen. Zie, daar ik merk, dat gij verhard blijft in Uw bittere wreedheid en mijn lijden U geenszins kan bewegen, bereid ik mij geduldig voor den dood te ontvangen, opdat God medelijden hebbe met mijn ziel, dien ik bid, dat Hij met rechtvaardige oogen Uw werk aanschouwe. En bij die woorden sleepte zij zich met groote moeite naar het midden van het terras, wanhopend de zoo brandende hitte te ontkomen en niet eens, maar duizend maal behalve van haar andere kwellingen, meende zij van dorst te sterven, schreide onophoudelijk weer en jammerde over haar ongeluk. Maar daar het al vesper was en de student meende genoeg te hebben gedaan, liet hij haar kleeren halen en in den mantel van den knecht wikkelen en ging naar het huis van de rampzalige donna, vond daar de meid mistroostig, treurig en radeloos aan de deur zitten, en sprak tot haar: Vrouw, wat is er met Uw donna? De meid antwoordde: Messire, ik weet het niet; ik geloofde haar vanmorgen in bed te vinden, waar zij gisteravond mij in scheen te zijn gegaan, maar ik vond haar noch hier, noch elders en ik weet ook niet, wat er van haar geworden is. Maar gij, messer, weet gij mij er niets van te zeggen? De student antwoordde daarop: Ik wou, dat ik U had, waar ik haar heb gehad, opdat gij voor Uw schuld zoo gestraft zoudt wezen, als ik het haar deed voor de hare. Maar gij zult zeker niet aan mijn handen ontsnappen, opdat ik U voor Uw werk betaal, zoodat gij nooit meer met een man zult spotten of gij zult aan mij denken. En toen zei hij tot den knecht: Geef haar die kleeren en zeg haar, dat zij naar haar toegaat, als zij wil. De knecht deed gelijk hem bevolen was; daarom vreesde de meid zeer, die ze had opgenomen en herkend en hoorde, wat haar gezegd was, dat zij haar hadden gedood en weerhield zich ternauwernood te schreeuwen. Dadelijk liep zij huilend, daar de student al vertrokken was, hiermee naar den toren. Bij toeval had dien dag een pachter van die donna twee varkens verloren en liep ze te zoeken. Kort na het vertrek van den student kwam hij bij den toren en overal rondstarend om zijn twee varkens te zien, vernam hij de jammerklacht, welke de ongelukkige donna uitte. Hij klom naar boven, en zoo hard hij kon schreeuwde hij: Wie huilt daar? De donna herkende de stem van haar pachter en na hem bij den naam geroepen te hebben, sprak zij: Zeg, ga naar mijn dienstmeid en doe wat mogelijk is om haar hier te laten komen. De boer, die haar kende, antwoordde: Wee mij, mevrouw, maar wie bracht U daarop? De meid zocht den heelen dag naar U, maar wie zou hebben gedacht, dat gij hier waart? En na de twee armen van den ladder te hebben gegrepen begon hij dien op te richten gelijk die staan moest en die te binden met koorden en dwarsstokken. Intusschen kwam de meid, die, in den toren gekomen, haar stem niet kon inhouden en met de hand voor het hoofd begon zij te schreeuwen: Wee mij, mijn goede mevrouw, waar is U? De donna hoorde haar en zeide zoo luid zij kon: O zusjelief, ik ben hierboven; huil niet, maar breng mij spoedig mijn kleeren. Toen de meid haar hoorde spreken, klom zij geheel bemoedigd op den ladder, dien de boer bijna geheel in orde had gemaakt en door hem geholpen, kwam zij op het terras en toen zij haar donna zag niet meer met een menschelijk lichaam maar eer als een verschrompeld blad van den wijnrank, geheel gebroken, geheel bleek en naakt op den grond liggend, begon zij met de nagels in het gezicht over haar te schreien of zij gestorven was. Maar de donna verzocht haar bij God te zwijgen en haar te helpen bij het aankleeden. En daar zij wist, dat niemand bekend was, waar zij zich bevond, behalve wie haar de kleeren hadden gebracht en de boer, die daar tegenwoordig was, bad zij bij God, dat zij er nooit iemand iets van zouden zeggen. De boer na veel praten, nam de donna, die niet loopen kon, op zijn nek en bracht haar veilig buiten den toren. De ongelukkige meid, die achter was gebleven en er minder voorspoedig af klom, gleed uit, viel van den ladder en brak zich de dij en door de pijn begon zij te brullen ais een leeuwin. De boer, die de donna had neergezet op op een weide, ging zien, wat de meid had en vond haar met gebroken dijbeen, legde haar ook op de weide en plaatste haar naast de donna. Toen zij zag, dat bij haar andere kwalen dit haar nog overkwam, dat die het dijbeen had gebroken, door welke zij hoopte geholpen te worden meer dan door anderen, begon zij bedroefd opnieuw zoo jammerlijk te weenen, dat niet alleen de boer haar niet kon troosten maar zelf van zijn kant begon te huilen. Daar de zon al laag stond, ging hij, opdat de nacht ze daar niet zou overvallen, gelijk het aan de mistroostige donna behaagde, naar zijn huis en na daar zijn twee broeders en zijn vrouw te hebben geroepen en met een plank te zijn teruggekeerd, legden zij de meid daarop en droegen haar naar huis en na de donna met frisch water te hebben versterkt en met goede woorden, nam de boer haar op zijn nek en droeg haar in haar kamer. De vrouw van den boer gaf haar gedrenkt brood te eten en na haar te hebben ontkleed, bracht zij haar te bed en zij spraken af, dat zij en de meid ’s nachts naar Florence zouden gebracht worden en zoo geschiedde het. Daar deed de donna, die een grooten voorraad leugens bij de hand had, haar broeders en zusters en iedereen gelooven, dat hun dit door duivelsstreken overkomen was. De doktoren werden geroepen en niet zonder zeer grooten angst en gevaar voor de donna, wier huid meermalen kleven bleef aan de lakens, genazen zij haar van een hevige koorts en van de andere ongelukken en evenzoo het dijbeen van de meid. Hierdoor behoedde zich de donna, die haar minnaar vergat, voortaan wijselijk zoowel voor misleiding als voor liefde. De student vernam, dat de meid het dijbeen gebroken had, wat hem een genoegzame wraak scheen. Dat geschiedde met de dwaze, jonge dame door haar grappen, die gedacht had met een geleerde te kunnen spelen als met ieder ander, niet beseffend dat zij—ik zeg niet allen—maar het meerendeel weten, waar Abraham de mosterd haalt. En daarom, donna’s, neemt u in acht, om in het bijzonder geen geleerden te misleiden.
ACHTSTE VERTELLING.
Twee mannen zijn bevriend; de een slaapt met de vrouw van den ander; degene, die dit merkt, maakt, dat die door zijn vrouw in een koffer wordt gesloten, waarop hij, terwijl die daarin zit, met de vrouw van deze de schade inhaalt.
De lotgevallen van Elena waren treurig en bedroevend geweest voor de donna’s om aan te hooren, maar omdat zij meenden, dat die haar ten deele met recht waren overkomen, hadden zij die met meer getemperd medelijden gevolgd, hoezeer zij den student hard en zelfs wreed vonden. Maar toen Pampinea tot het slot was geraakt, beval de koningin, dat Fiammetta zou voortgaan, die verlangend te gehoorzamen zeide: Bekoorlijke donna’s. Daar het mij schijnt, dat de strengheid van den student u eenigszins heeft ontstemd, vind ik het passend de bedroefde zielen een vroolijke, kleine geschiedenis te verhalen van een jonkman, die met zachtheid een beleediging ontving en zich met een gematigd middel wreekte. Daardoor zal het goed zijn te begrijpen, dat wie een ezel ontvangt een gelijke moet terug geven zonder te willen beleedigen, en waar men zich voor een ontvangen hoon moet wreken, niet boven het passende van de wraak te gaan.
Gij moet dan weten, dat er in Siena twee welgestelde jonge mannen waren van goede burgerfamilies, de een heette Spinelloccio Tanena en de ander Zeppa di Mino; zij waren buren in Camollia [158]. Zij gingen altijd samen om en naar wat zij toonden, mochten zij elkaar zoo gaarne lijden, alsof zij broeders waren. Ieder van hen had een schoone echtgenoote. Daar Spinelloccio veel in het huis van Zeppa kwam of die er was of niet, werd hij zoo met de vrouw van Zeppa bevriend, dat hij er mee ging slapen en aldus deden zij langen tijd zonder dat iemand iets merkte. Eens toen Zeppa thuis was en de donna het niet wist, kwam Spinelloccio. De donna zeide, dat hij niet thuis was, waarop Spinelloccio spoedig naar boven ging, de donna alléén in de zaal vond en daarop kusten en omhelsden zij elkander. Zeppa, verborgen, keek, hoe het spelletje liep, sprak geen woord, maar zag weldra, dat zijn vrouw en Spinelloccio gearmd naar hun kamer gingen en zich opsloten, waarover hij zeer boos werd. Maar hij wist, dat door eenig tumult te maken zijn smaad niet minder werd en de schande grooter en dat hij zich zóó moest wreken, dat men het buiten niet wist, maar zijn ziel tevreden zou zijn. Na lang denken vond hij het middel. Hij verborg zich zoo lang, als Spinelloccio met de donna bleef. Toen deze was weggegaan, trad hij in de kamer der donna; zij was nog niet gereed met haar sluier, welke Spinelloccio bij het stoeien had laten vallen en zeide: Vrouw, wat doet gij? Hierop antwoordde de donna: Ziet gij het niet? Zeppa zeide: O zeker, zeker, ik heb ook wat gezien, wat ik niet had willen zien. En over hetgeen gebeurd was, begon hij met haar te spreken en na met den grootsten angst en na veel omwegen bekend te hebben wat zij aangaande haar verhouding niet verbergen kon, vroeg zij hem schreiend om vergiffenis. Hierop sprak Zeppa: Gij hebt kwaad gedaan, en indien gij wilt, dat ik het U vergeef, dan moet gij geheel vervullen, wat ik U zal opdragen, en dat is: Dat gij zegt aan Spinelloccio, dat hij morgen op het uur der terza reden vindt om van mij heen te gaan en hier bij U te komen en wanneer hij hier zal zijn, zal ik terugkeeren en als gij mij bespeurt, zult gij hem in een koffer sluiten en dan zal ik U verder zeggen, wat gij doen moet. Aarzel niet het te doen, want ik zal hem in ’t geheel geen kwaad doen. De donna om hem tevreden te stellen, zeide, dat zij het zou doen. Den volgenden dag, toen Zeppa en Spinelloccio in de terza te samen waren, zeide Spinelloccio tot Zeppa: Ik moet vanmorgen met een vriend ontbijten, waar ik mij niet wil laten wachten en daarom ga met God. Zeppa antwoordde: Het is nog geen uur om te ontbijten. Spinelloccio antwoordde: Ik heb hem ook over een zaak te spreken, zoodat ik er vroeg moet zijn. Aldus ging Spinelloccio heen, maakte een omweg en kwam in het huis van diens vrouw en toen hij in de kamer was gekomen, duurde het niet lang of Zeppa kwam terug. De donna toonden groote angst en verborg hem in den koffer en ging daarna de kamer uit. Zeppa naar boven geklommen sprak: Vrouw, kunnen wij al ontbijten? De donna antwoordde: Ja, in een oogenblik. Toen sprak Zeppa: Spinelloccio is vanmorgen bij een vriend gaan eten en heeft zijn vrouw alleen gelaten. Ga aan het venster en roep haar om bij ons te komen ontbijten. De bevreesde donna gehoorzaamde en deed wat haar bevolen werd. De vrouw van Spinelloccio ging na lang aangezocht te zijn en gehoord te hebben, dat haar man niet kwam ontbijten. Toen zij daar was, gaf Zeppa haar zijn liefkoozingen, nam haar bij de hand en beval zijn vrouw zachtjes naar de keuken te gaan, nam haar mee naar zijn kamer en sloot die van binnen. Toen de donna dit zag, zeide zij: Wee mij, Zeppa, wat wil dat zeggen! Hebt gij mij daarom hier laten komen? Is dat vriendschap, die gij voor Spinelloccio gevoelt? Zeppa, die de koffer genaderd was, waarin haar man zat en die haar stevig vast hield, sprak: Voor gij boos wordt, moet gij luisteren: ik houd en hield van Spinelloccio als een broeder, maar gisteren vond ik, dat het vertrouwen, dat ik in hem gesteld had; zoover was gegaan, dat hij met mijn vrouw sliep als met U. Ik bemin U; ook daarom ben ik niet van plan een andere wraak te nemen dan de beleediging eischt; hij heeft mijn vrouw gehad, ik wil daarom U hebben. Als gij weigert, zal hij het zeker later betalen en daar ik niet van plan ben die beleediging ongewroken te laten, zal ik hem dan wat leveren, dat gij noch hij ooit weer vroolijk zult zijn.
De donna geloofde Zeppa en zeide: Mijn Zeppa, daar de wraak op mij moet vallen, ben ik tevreden, mits gij mij in vrede met Uw vrouw laat blijven, daar ik, ondanks wat zij mij gedaan heeft, met haar wil blijven omgaan. Hierop antwoordde Zeppa: Dat zal ik zeker doen en bovendien zal ik U zulk een mooi en duur juweel geven, als gij er nog geen ander bezit. Bij die woorden omhelsde en kuste hij haar, legde haar op den koffer, waar haar man in zat opgesloten en hierop verheugden zij elkander, zooveel het hun beviel. Spinelloccio, die in den koffer zat en de woorden van Zeppa en het antwoord van zijn vrouw gehoord had en daarna den dans van Treviso had bespeurd, die boven zijn hoofd werd uitgevoerd, gevoelde zulk een smart, dat hij dacht te sterven en als hij niet bang was geweest voor Zeppa, had hij zijn vrouw een groote beleediging toegevoegd. Daarna zich toch herinnerend, dat hij met den smaad begonnen was en dat Zeppa reden had te doen, wat hij deed en zich jegens hem menschlievend en als vriend had gedragen, zeide hij tot zich zelf, dat hij meer dan ooit de vriend van Zeppa wilde blijven. Zeppa, die met de donna zoolang was geweest als hij verkoos, kwam van den koffer af en toen de donna hem het beloofde juweel vroeg, maakte hij de kamer open, liet zijn vrouw komen, die niets anders dan lachend zeide: Madonna, gij hebt mij een brood gegeven voor een aschkoek. Hier voegde Zeppa aan toe: Open dien koffer en zij deed het. Daarin toonde Zeppa aan de donna haar Spinelloccio. En het zou lang duren om te zeggen, welke van de twee zich het meest schaamde. Zeppa sprak tot haar: Ziehier het juweel, dat ik u geef. Spinelloccio, uit den koffer gekomen, zeide zonder veel praatjes te maken: Zeppa, wij zijn quitte en daarom is het goed, gelijk gij zooeven tot mijn vrouw zeide, dat wij vrienden blijven en daar er geen ander verschil tusschen ons is geweest als van vrouwen, moeten wij die ons ook gemeen maken. Zij ontbeten alle vier te samen in vrede en Zeppa was voldaan. En van toen af hadden zij elk twee vrouwen, zonder dat zij er ooit twist of oneenigheid over hadden.
NEGENDE VERTELLING.
Docter Simon, door Bruno en Buffalmacco bij nacht op een plaats gebracht om deel uit te maken van een gezelschap, dat naar den heksen-sabbat gaat, wordt door Buffalmacco in een kuil met vuil geworpen en achtergelaten.
Toen de donna’s wat hadden geschertst over de gemeenschap van de vrouwen vastgesteld tusschen de twee Sieneezen, begon de koningin, die alleen nog vertellen moest, om Dioneo geen onrecht te doen: Verliefde donna’s. Spinelloccio betaalde heel goed dien streek van Zeppa. Daarom schijnt het mij, dat men niet scherp moet misprijzen, gelijk Pampinea kort te voren wilde aantoonen, wie spot met dengeen, die de misleiding zoekt of die zich deze op den hals haalt. Ik wil u van iemand vertellen, die er zich aan bloot stelde en meen, dat de daders niet te laken maar te loven waren. Degeen, wien dit geschiedde, was een dokter, die geheel bedekt met bont [159] van Bologna naar Florence ging en toch een ezel was.
Gelijk wij het iederen dag zien, komen onze medeburgers van Bologna terug als rechter, dokter en notaris met lange en breede scharlaken gewaden met bonten randen en andere onderscheidingen. Welke gevolgen dit heeft, zien wij elken dag. Voor kort kwam tot ons zekere maëstro Simone da Villa terug, rijker aan erfgoederen dan aan wetenschap, gekleed in scharlaken en met een kap tot over de schouders, dokter in de medicijnen, gelijk hij zelf zeide, gevestigd in de Via del Cocomero (Komkommer-Straat). Deze pas teruggekeerde dokter had onder zijn opmerkelijke gewoonten, die: aan wie zich bij hem bevond, den naam te vragen van iedereen, die door de straat ging en alsof hij naar de houding der menschen zijn medicijnen moest samenstellen, lette hij op allen en onthield ze. Onder hen, die hem bijzonder aantrokken, waren twee schilders, van welke heden reeds tweemaal gesproken is, Bruno en Buffalmacco, zijn buren. Het scheen hem, dat zij onbezorgder en vroolijker leefden dan wie ook, en hij vroeg vele menschen naar hun beroep.
Daar hij van iedereen hoorde, dat zij arme schilders waren, meende hij, dat het niet mogelijk was, dat zij van hun armoede zoo vroolijk konden leven, maar hij vermoedde, dat zij slimme kerels waren, die op onbekende wijze van anderen profiteerden en daarom wilde hij met beide of met een van hen zich bevriend maken. Hij kwam in kennis met Bruno. Bruno, die spoedig zag, dat die dokter een ezel was, begon zich te vermaken met zijn dwaasheden en de medicus van zijn kant had in hem wonderbaar genoegen. Nadat hij hem dikwijls tot ontbijten had uitgenoodigd, geloofde hij familiaar met hem te kunnen spreken en zeide, dat het hem verwonderde, dat zij zoo vroolijk leefden en hij verzocht het hem te leeren. Die vraag scheen Bruno één van de vele dwaasheden van den medicus. Hij lachte en antwoordde in overeenstemming met zijn domheid: Maëstro, alléén aan u wil ik zeggen, hoe wij dit doen, omdat gij een vriend zijt en omdat ik weet, dat gij het niet aan anderen zult zeggen. Mijn metgezel en ik leven zoo vroolijk en zoo goed als het schijnt en nog beter. Noch van onze kunst, nog van eenige rente, kunnen wij het water betalen, waarmee wij werken. Ik hoop niet, dat gij denkt, dat wij het stelen, maar wij gaan op avontuur uit en zoo krijgen wij alles.
De dokter geloofde het, verwonderde zich zeer en onmiddellijk kreeg hij het brandendste verlangen te weten, wat dat op avontuur uitgaan was en met groote volharding drong hij aan het hem te zeggen en verzekerde, dat hij er nooit over zou spreken. O wee, maëstro, zei Bruno, wat vraagt ge mij? Dat is een te groot geheim en zou de oorzaak zijn van mijn ondergang en mijn verbanning uit de wereld. Het zou mij zelf in den muil van den Lucifer van San Gallo [160] brengen, als anderen het weten. Maar zoo groot is de vriendschap, die ik voor uw eigenaardige ezelachtigheid van Legnaja gevoel en het vertrouwen, dat ik in u heb, dat ik het u niet kan weigeren, en daarom zal ik het u vertellen op voorwaarde, dat gij mij zweert bij het kruis van Montesone, dat gij het nooit aan iemand zult zeggen. De maëstro beloofde dit.
Welnu dan, doktertje, sprak Bruno, nog niet lang geleden bevond zich in onze stad een groot meester in de toovenarij, die Michele Scotto heette, omdat hij van Schotland kwam en wien door vele edellieden, van welke er nog maar weinige leven, groote eer werd bewezen. Toen hij van hier vertrok, liet hij op hun aandrang twee goed onderrichte leerlingen achter, aan wien hij gelastte tot elken dienst voor die ridders bereid te zijn. Aldus dienden zij hen welwillend bij zekere liefdesgeschiedenissen en meer dergelijke zaakjes. Toen de stad en de zeden hun bevielen, bleven zij en sloten een groote en nauwe vriendschap met enkele lieden en letten er alleen op, of hun gewoonte met de hunnen overeen stemden. Om die vrienden te behagen vormden zij een gezelschap van misschien vijfentwintig personen, die elkaar minstens tweemaal in de maand op een afgesproken plaats ontmoetten; dan zeide elk zijn verlangen en zij voldeden hieraan met spoed. Met die twee zijn Buffalmacco en ik bijzonder bevriend en wij zijn in dit gezelschap. En als wij samen kwamen, was het een wonder de tapijten te zien, in de zaal, waar wij aten, de koninklijke tafels, het aantal edelen en schoone bedienden, zoowel mannen als vrouwen, de spoelvaten, de lampetkannen, de flesschen, de bekers en ander vaatwerk van goud en zilver, waaruit wij aten en dronken en behalve dat de vele en verschillende spijzen. Het is niet mogelijk op te sommen hoedanig en hoeveel heerlijke tonen en klanken van tallooze instrumenten en zangen vol melodie er gehoord worden, noch hoeveel was men bij die gastmalen brandt, noch hoeveel meelspijzen er gegeten worden en hoe kostbaar de wijnen zijn, die men er drinkt. En gij moet niet gelooven, mijn braaf pompoenen-hoofd, dat wij daar blijven in dit gewaad; er is er daar geen, die er minder uitziet dan een keizer.
Maar boven alle genoegens zijn er schoone vrouwen, welke er dadelijk van alle deelen der wereld samen komen. Gij zoudt daar de heerscheresse der Barbaniechi zien, de koningin der Basken, de vrouw van den Sultan, de keizerin van Osbeck, de Ciancianfera van Nornieca, de Semistante van Berlinzone en de Scalpedra van Narsia. Maar waarom zou ik ze u opsommen? Alle koninginnen van de wereld zijn er, ik beweer tot zelfs de Schinchimurra van den priester Johannes [161], die, naar ik weet, van achteren horens draagt; zie het verder eenmaal zelf. Nadat men goed gedronken en gegeten heeft en een of twee dansen uitgevoerd, gaat elke dame met haar minnaar in haar kamer. De kamers schijnen een paradijs en zijn even welriekend als de bakken met kruiden in uw winkel [162], wanneer gij den komijn laat stampen. Er zijn bedden, die u schooner zouden schijnen dan dat van den doge van Venetië. Hoe de weefsters spinnen om het weefsel sterk te maken, laat ik alleen aan Uw verbeelding over, maar onder hen, die er het best aan toe zijn naar mijn meening, behooren Buffalmacco en ik, omdat Buffalmacco er meestal voor zich de koningin van Frankrijk laat komen en ik voor mij die van Engeland, welke twee de schoonste vrouwen van de wereld zijn en we hebben zoo weten te handelen, dat zij aan niets anders denken dan aan ons. Daarom begrijpt gij wel, dat wij vroolijker dan andere menschen leven en handelen bij het denkbeeld, dat wij de liefde bezitten van twee zulke koninginnen; buiten dat: als wij een- of tweeduizend florijnen van ze wenschen, dan hebben wij die niet. [163] En dat noemen wij in de volkstaal op strooptocht uitgaan; omdat wij als zeeroovers elkeen plunderen, maar wij verschillen daarin van hen, dat zij ze nooit teruggeven maar wij, als we er ons van bediend hebben. Nu hebt gij, mijn goede maëstro, gehoord, wat wij op strooptocht gaan noemen, maar gij kunt zien, hoe geheim gij dit moet houden. De dokter, wiens wetenschap zich waarschijnlijk niet verder uitstrekte dan het genezen van kinderen van het hoofdzeer, schonk zooveel geloof aan de woorden van Bruno, als men het voor welke begeerenswaardige zaak ook zou kunnen wenschen. Hij antwoordde Bruno, dat hij het waarlijk geen wonder vond, dat zij vroolijk waren, en met groote moeite bedwong hij zich hem te vragen hem dadelijk op te nemen, opdat hij na hem nog beter te hebben onthaald, hem die verlangens met meer vertrouwen kon mededeelen. Hij zette dus den omgang met hem voort, liet hem ’s avonds en ’s morgens bij zich eten, betuigde hem buitengewone vrienschap en die was zoo groot, dat de maëstro niet zonder Bruno kon leven. Opdat Bruno niet ondankbaar zou schijnen, schilderde hij in des dokters salon de Vasten en een Lam Gods aan den ingang en boven de deur van de straat een waterpot, opdat zij, die zijn raad noodig hadden, hem van zijn collega’s konden onderscheiden en in een kleine galerij had hij voor hem den Veldslag der Ratten en Katten geschilderd, welke den dokter al te mooi scheen. Hij zeide dikwijls tot den maëstro, als hij niet met hem avondmaalde: Ik was vannacht op de vergadering en daar ik een beetje moe was van de koningin van Engeland, liet ik mij Gumedra komen van den Khan van Tartarije. De dokter vroeg: Wat beteekent Gumedra? Ik begrijp die namen niet best, dokter, sprak Bruno, ik verwonder mij niet, want ik heb wel hooren zeggen, dat Porco grasso [164] en Vannacena er nooit van spreken. De dokter hernam: Gij meent Hippocras en Avicenna. Bruno ging voort: Bij God, ik weet het niet, ik versta uw namen even slecht als gij de mijnen, maar Gumedra in die taal van den grooten Khan beteekent in de onze: keizerin. O zij zou u een schoon vrouwtje schijnen en zou u de medicijnen en de recepten en elke pleister doen vergeten. Zoo sprak hij voort om hem te ontvlammen en toen de dokter hem op een avond goed onthaald had en het licht voor Bruno vasthield, die aan den veldslag der ratten en katten bezig was, besloot hij hem zijn gemoed te openen en sprak tot hem: Bruno, gelijk God weet, heb ik voor u alles over en ik zou als gij mij zegt naar Peretola [165] te gaan, dat doen. En daarom zult gij u niet verwonderen, indien ik u vriendschappelijk en in vertrouwen iets verzoek. Nog niet lang geleden hebt gij mij van de gewoonten van uw vroolijk gezelschap gesproken, waarnaar ik zoo verlangend ben geworden, dat ik nooit iets anders meer heb begeerd. En kunt gij mij uitlachen, indien ik er niet de mooiste dienstmeid laat komen, die gij in langen tijd gezien hebt, welke ik echter het vorige jaar te Cacavincigli [166] aanschouwde? Ik heb haar bij Christus’ Lichaam tien groote bologneezen aangeboden, als zij naar mij luisteren wilde, maar zij heeft niet gewild. Daarom bid ik u mij te leeren, wat ik doen moet om in dat gezelschap te komen; waarlijk gij zult in mij een goed en trouw metgezel hebben, die u eer zal aandoen. Gij hebt gezien, dat ik een knap man ben en hoe sterk mijn beenen zijn; ik heb een gelaat zoo frisch als een roos en bovendien ben ik dokter in de medicijnen en gij hebt er, meen ik, in uw gezelschap geen een zoo, Ik weet tal van schoone zaken, mooie liederen en hij begon een lied te zingen. Bruno lachte, dat hij bijna stikte, maar hield zich goed. Toen het lied uit was, vroeg de maëstro: Hoe vindt gij dit? Bruno sprak: Zeker de guitaren van turksch koren [167], hoe kunstig ook bespeeld, moeten het tegen u verliezen. De dokter hernam: Zoudt gij het ooit geloofd hebben, als gij mij niet hadt gehoord? Neen, nooit, sprak Bruno. De maëstro ging voort: Ik ken er nog meer, maar laten wij die ter zijde. Mijn vader was edelman, hoewel hij buiten woonde en ik ben door mijn moeder afkomstig van Vallecchio en gelijk gij weet, heb ik de schoonste boeken en de schoonste gewaden onder de medici van Florence. Bij het geloof in God; ik heb een kleed, dat alles bij elkaar gerekend bijna honderd lire in bagattini [168] kostte, meer dan tien jaar geleden. Daarom bid ik u mij spoedig er bij te brengen en bij het geloof in God, als gij mij dit doet, kunt gij ziek worden, maar nooit zal ik u een halfje rekenen. Bruno sprak: Maëstro, maak daar wat meer licht en wees niet ongeduldig, tot ik de staarten van die ratten heb afgemaakt en dan zal ik u antwoorden. Toen de staarten voltooid waren en Bruno deed of hij hem zeer hinderde, zeide hij: Waarde dokter, gij kunt groote dingen voor mij doen, maar hoe gering dit ook is in betrekking tot de grootte van uw geest, is het voor mij toch zeer groot, en ik weet niemand, voor wien ik dit zou doen behalve voor u. Ik houd zooveel van u als dit past, ook door uw woorden, welke vol zijn van zooveel verstand, dat zij de begijntjes uit hun schoenen zouden halen, zoo goed als zij mij van mijn voornemen afbrengen en hoe meer ik met u omga, hoe wijzer gij mij voorkomt. En dit zeg ik u ook nog, dat, als ik u niet zoo welgezind was, ik dit zou zijn, omdat ik zie, dat gij verlangt naar een zoo schoone zaak. Maar ik moet u zeggen: dat ik hierin niet zooveel macht heb, als gij meent en daarom kan ik voor u niet doen, wat noodig is, maar, als gij mij belooft bij uw groote, kwade trouw het geheim te houden, zal ik u een middel geven om het gedaan te krijgen en het schijnt mij zeker, daar gij zulke schoone boeken en andere zaken hebt, dat het zal gebeuren. De dokter sprak: Spreek zonder vrees; ik zie, dat gij mij niet goed kent en nog niet goed weet, hoe goed ik kan zwijgen. Toen messer Guasparruolo van Saliceto rechter was van den schout van Forlimpopoli, waren er weinig dingen, die hij deed, die hij mij niet gelastte te vertellen. En wilt gij zien, dat ik de waarheid spreek? Ik was de eerste man, aan wien hij vertelde, dat hij Bergamina zou trouwen; ziet gij het nu? Nu, sprak Bruno, als die zich aan u toevertrouwde, kan ik het ook. Het middel is dit: Wij hebben altijd aan het hoofd van ons gezelschap een kapitein met twee raadslieden, die om de zes maanden aftreden en de eerste van de volgende maand zal Buffalmacco kapitein worden en ik raadsman. Wie kapitein is, kan veel doen om binnen te leiden, wien hij wenscht. Maak u dus bevriend met Buffalmacco en ontvang hem goed. Hij is een man, die terstond met uw wijsheid ingenomen zal zijn en wanneer gij hem met de vele dingen, die gij bezit een weinig bevriend hebt gemaakt, kunt gij het hem vragen; hij zal U niet weigeren. Ik heb hem al over u gesproken en hij is u ten zeerste genegen en wanneer gij zoo hebt gehandeld, laat mij dan met hem gaan. Toen sprak de dokter: Uwe redeneering bevalt mij zeer en als hij een man is, die graag met de geleerden omgaat en met mij slechts een weinig spreekt, zal ik wel zorgen, dat hij mij steeds zal opzoeken, omdat ik wel zooveel verstand heb, dat ik er een heele stad van zou kunnen voorzien en zeer wijs zou blijven. Toen dit was afgesproken, vertelde Bruno alles aan Buffalmacco. Het scheen aan Buffalmacco, dat het nog wel duizend jaar zou duren, eer men kon doen, wat die maëstro Scipa [169] wilde.
De dokter, die boven alles verlangde op een strooptocht uit te gaan, had geen rust, voor hij bevriend werd met Buffalmacco, wat hem licht gelukte. Hij begon de schoonste avondmalen en ontbijten te geven en ook aan Bruno en dezen deden zich te goed als die heeren [170], welke de beste wijnen verzwelgend, de vette kapoenen en meer, zich aan hem vastklampten en zonder zich te laten bidden. Maar toch, toen het tijd scheen aan den dokter, richtte hij zijn vraag tot Buffalmacco, gelijk hij dit tot Bruno had gedaan. Buffalmacco toonde zich daarover zeer vertoornd en maakte Bruno groote verwijten: Ik zweer bij den verheven God van Pasignano [171], dat weinig mij weerhoudt, je niet zóó op het hoofd te slaan, dat de neus je op de hielen valt, verrader, die gij zijt, want geen ander dan gij heeft die dingen aan den dokter verteld. Maar de dokter verontschuldigde hem en zeide en zwoer, dat hij het van anderen kant had geweten en na vele van zijn wijze woorden deed hij hem toch bedaren. Buffalmacco tot den dokter gewend, zeide: Waarde maëstro, het schijnt wel, dat gij uit Bologna een gesloten mond hebt medegebracht en bovendien, dat gij het a. b. c. niet op een appel hebt geleerd, gelijk vele dwazen het willen doen, maar goed op een meloen [172], die zóó lang is, en als ik mij niet bedrieg, zijt gij op een Zondag gedoopt [173]. En daar Bruno gezegd heeft, dat gij daar in de medicijnen hebt gestudeerd, schijnt het mij, dat dit is geweest om de menschen in te pakken beter dan ik het ooit van iemand hoorde door uw verstand en uw gesprekken. De medicus, die hem in de rede viel, zeide tot Bruno: Wat is het goed om te gaan met geleerden! Wie zou zoo spoedig elke bijzonderheid van mijn geest hebben begrepen als deze waardige man? Gij hebt niet zoo spoedig gezien, wat ik waard was, als hij, maar zeg hem tenminste, wat ik u zeide, toen gij mij vertelde, dat Buffalmacco gaarne met geleerde mannen omging; schijnt het u, dat ik het goed gedaan heb? Beter, hernam Bruno. Toen zei de dokter tot Buffalmacco: Gij zoudt iets anders gezegd hebben, als gij mij te Bologna hadt gezien, waar groot noch klein was, dokter noch student, die mij niet mocht lijden, zoo wist ik allen te behagen door mijn redeneeren en mijn verstand. En ik zal u nog er bij vertellen, dat ik nooit een woord sprak of ik deed iedereen lachen, zoo beviel ik hun en toen ik er vandaan ging, klaagden allen om het hardst en allen wilden, dat ik toch maar gebleven was en het kwam zoo ver, dat zij mij alleen wilden laten les geven in de medicijnen aan al de studenten, maar ik wilde niet, daar ik bereid was hierheen te komen om het zeer groote erfgoed, dat altijd aan mijn familie behoorde.
Toen sprak Bruno tot Buffalmacco: Hoe vindt ge het? Gij hebt het niet geloofd, toen ik het zeide. Bij de Evangeliën! Er is hier geen dokter, die zoo’n verstand heeft van ezelspis als deze en zeker zult gij er geen aan hem gelijk vinden van hier tot aan de poorten van Parijs. Kom, weiger nu te doen, wat hij wil! De dokter zeide: Bruno zegt de waarheid, maar ik heb mezelf niet gekend. Gij zijt ook domme lieden als geen anderen, maar ik wou, dat gij mij onder de doktoren hadt gezien. Toen hernam Buffalmacco: Waarlijk, dokter, gij weet het veel beter dan ik het ooit had geloofd, en u toesprekend gelijk men spreekt tot geleerden als gij, zeg ik u beschaamd, dat ik mijn best zal doen, dat gij zonder twijfel in ons gezelschap zult komen. De gastmalen vermeerderden na die belofte; zij deden hem rondrijden op de geit van de grootste dwaasheden en zij beloofden hem tot vrouw de gravin van Civillari [174] te geven, die het schoonste ding was, wat men in al de bestekamers van het menschelijk geslacht kon vinden. De medicus vroeg, wie die gravin was; hierop zeide Buffalmacco: Mijn zaai-komkommer, zij is een maar al te groote dame en er zijn weinig huizen in de wereld, waarin zij geen grondgebied heeft en geen anderen dan de Minderbroeders bewijzen haar eer met trompetgeschal. Ik zeg u, dat, wanneer zij rondgaat, zij zich dan goed doet gewaar worden, maar meestal thuis blijft; toch is zij niet lang geleden langs Uw deur gegaan op een nacht, dat zij aan den Arno haar voeten ging wasschen en een weinig lucht ging scheppen. Het meest woont zij in Laterina. Vaak gaan daarom wachters van haar rond en allen als bewijs van haar macht dragen een riet en een lood [175]. Men ziet vele van haar baronnen als Tamagnino aan de poort, dan Meta, Manico di Scopa, Squacchera en anderen, die, geloof ik, uw vrienden zijn, maar gij herinnert u die niet. In de bekoorlijke armen van die groote dame willen wij u voeren, als ons plan niet faalt. De dokter, die te Bologna geboren en getogen [176] was, begreep hun uitdrukkingen niet en was met de donna tevreden.
Toen de dag was gekomen, waarna men in den volgenden nacht hem zou ontvangen, had de dokter ze beide aan het ontbijt. Toen ze gegeten hadden, vroeg hij ze, op welke wijze hij in dat gezelschap kon komen. Buffalmacco zeide hem: Zie, maëstro, gij moet moed bezitten, want anders zoudt gij geweigerd kunnen worden en ons zeer groote schade doen. Waarin gij zeer moedig behoort te zijn, zult gij vernemen. Wij moeten zorgen van avond in den tijd van den eersten slaap u op een der opgehoogde graven te vinden, welke voor kort gemaakt zijn rondom Santa Maria Novella, met een uwer schoonste gewaden aan, opdat gij de eerste maal voornaam verschijnt en ook omdat—naar wat ons gezegd is ... maar toen waren wij er niet—gij edelman zijt en de gravin van plan is u gedoopt ridder te maken op haar kosten [177]. Daar zult gij wachten, tot hij u komt halen, dien wij zenden. En nadat gij van alles onderricht zijt, zal er een zwart en gehorend beest tot u komen, niet zeer groot en dat om u heen zal gaan op het plein met groot geblaas en groote sprongen om u bang te maken, maar daarna, wanneer het zal zien, dat gij niet verschrikt, zal het u zachtjes naderen. Wanneer het bij u zal zijn, zult gij op zijn rug klimmen en zult gij zonder vrees afdalen van den grafsteen zonder God of de heiligen aan te roepen. Dan zult gij de handen op de borst leggen zonder het dier aan te raken en het zal u naar ons toe brengen. Maar, indien gij u God of de heiligen aanbeveelt of bang zijt, waarschuw ik u, dat het u wel zou kunnen afwerpen op een plaats, waar het zou stinken en daarom waant gij u te moedig, ga er dan niet heen, want gij zoudt u zelf nadeel doen zonder voordeel voor ons.
Toen antwoordde de dokter: Gij kent mij nog niet; gij zijt misschien bevreesd, omdat ik handschoenen en lange gewaden draag. Indien gij wist, welke nachten ik vroeger in Bologna heb doorgemaakt, wanneer ik soms met mijn metgezellen naar de vrouwen ging, dan zoudt gij u er over verwonderen. Eens op een nacht, dat er een niet met ons mee wou gaan—het was ook een ongelukkige, en erger: niet hooger dan de elleboog—gaf ik die eerst verscheidene stompen daarna, toen ik haar met geweld beetpakte, geloofde ik haar een pijlschot ver te dragen en toen kreeg ik haar toch mee. Op een andere keer herinner ik mij, dat ik niemand bij mij had dan een mijner knechts en kort na het Ave Maria ging ik langs het kerkhof der Minderbroeders, waar men denzelfden dag een vrouw had begraven en toch was ik heelemaal niet bang. Hebt daarom geen wantrouwen, want ik ben te moedig en vermetel. En om u eer aan te doen, zal ik mijn scharlaken rok aantrekken, waarmee ik tot dokter werd gepromoveerd. Ik wil zien of het gezelschap niet blij is, wanneer het mij aanschouwt en of ik niet spoedig kapitein zal worden. Gij zult eens kijken, hoe de zaak gaat, wanneer ik er ben, want voor de gravin mij gezien heeft, is zij al zóó verliefd op mij, dat zij mij tot gedoopt ridder wil slaan. Misschien zal de ridderschap mij slecht staan en ik die niet goed weten door te voeren of toch wel! Laat mij maar gaan. Buffalmacco zei: Gij spreekt maar al te goed, maar pas op, dat gij, den streek uithaalt niet te komen of dat gij er niet wordt gevonden, als wij u laten halen. Ik zeg u dit, omdat het koud is en gij heeren medici, er zeer bang voor zijt. Het behage niet aan God, zei de dokter, ik behoor niet tot die koukleumen. Wanneer ik ’s nachts dikwijls opsta voor zekere lichaamsbehoefte, doe ik niets anders over mijn wambuis dan mijn pels; daarom zal ik flink wezen. Toen zij dus vertrokken waren, vond de maëstro, zoodra de nacht aanbrak, een uitvlucht tegenover zijn vrouw en na in het geheim zijn beste gewaad te hebben aangetrokken, ging hij naar een der genoemde graven en op een steen, die zeer koud was, wachtte hij het beest af. Buffalmacco, die groot en forsch van gestalte was, schafte zich een masker aan, waarvan men zich pleegde te bedienen bij bepaalde spelen, die thans niet meer plaats hebben en deed zich een zwarte huid binnenste buiten om, zoodat hij op een beer geleek, als zijn gelaat niet dat van een duivel geweest was en met horens. Zoo toegetakeld ging hij naar het nieuwe plein van Santa Maria Novella. Toen hij bemerkte, dat mijnheer de dokter er was, begon hij hoog te springen en vreeselijk spektakel te maken, te blazen, te huilen en te knarsetanden of hij dol was geworden. Toen de dokter dit gewaar werd, gingen al de haren op zijn lichaam overeind staan en hij begon over het gansche lijf te beven, zoodat hij wel een bange vrouw leek en hij was toen liever thuis geweest. Maar omdat hij er eenmaal heen was gegaan, spande hij zich in zich rustig te houden, zoo beheerschte hem het verlangen die wondere dingen te zien. Maar terwijl Buffalmacco zich zoo aanstelde, bedaarde hij, en kwam die bij het graf, waarop de maëstro stond. De dokter, die van angst sidderde, aarzelde om op het beest te klimmen. Ten slotte bevreesd, dat het hem kwaad zou doen, als hij er niet op sprong, verjoeg hij met den tweeden angst den eerste, daalde van den grafsteen af en sprak zachtjes: Dat God mij helpe, sprong er op en na er zich goed op te hebben gezet en altijd nog bevend, kruiste hij de handen om recht op te blijven. Toen begon Buffalmacco zich zachtjes te richten naar Santa Maria della Scala en droeg hem als op vier pooten tot aan het klooster der nonnen van Ripoli. Er waren toen in die straat kuilen, waarin de boeren de gravin Civillari haar cijns lieten storten om hun akkers te bemesten. Toen Buffalmacco daar dichtbij was, naderde hij een der randen, sloeg de hand om een der beenen van den dokter en na hem zoo van zijn rug te hebben gerukt, wierp hij hem met het hoofd voorover er in, begon te knarsetanden, te springen en te duikelen en langs Santa Maria della Scala naar de Allerheiligen-weide te gaan, waar hij Bruno vond, die, omdat hij zich niet kon houden van het lachen, gevlucht was. Toen begonnen zij van verre te beloeren, wat de gemeste dokter zou doen. Mijnheer de medicus, die bemerkte, op wat voor afschuwelijke plaats hij zich bevond, deed zijn best zich op te heffen om er uit te komen, maar dan hier dan daar er in terugvallend, werd hij van het hoofd tot de voeten heelemaal kleverig, bedroefd en kwaadaardig en na er voor een paar drachmen van geslikt te hebben kwam hij er toch uit en liet er zijn kap bij in den steek. Hij veegde zich met de handen zoo goed hij kon en daar hij er niets anders op wist, keerde hij terug naar huis en klopte zoo lang, tot men hem open deed. Pas was hij zoo stinkend binnen getreden en had de deur gesloten, of Bruno en Buffalmacco waren daar om te hooren, hoe de maëstro door zijn vrouw ontvangen werd. Ze hoorden, hoe de donna hem op de grofste manier uitschold als ooit met een armen duivel geschied was en zeide: Kijk, wat staat het je mooi! Gij zijt naar een andere vrouw gegaan en wilde er heel voornaam verschijnen in uw scharlaken kleed. Was ik niet genoeg voor je? Ik kan heel wat mannen voldoen, vriendlief en niet alleen jou. Hadden ze je maar verdronken, waar ze je insmeten. Kijk, dat is me een waardige dokter, die een vrouw heeft en ’s nachts naar anderen gaat! Onder dezen overvloed van woorden waschte de dokter zich en hield de donna niet op hem te kwellen tot middernacht.
Den volgenden morgen kwamen Bruno en Buffalmacco, die zich de huid beschilderd hadden onder de kleeren met plekken, zooals de stokslagen die achterlaten, in het huis van den dokter en vonden hem op, en toen zij binnen waren, roken zij dat alles nog stonk. Toen de medicus ze zag, zeide hij, dat God hun een goeden dag zou geven. Maar Bruno en Buffalmacco antwoordden met een vertoornd gelaat: Dat zeggen wij niet aan u, maar wij bidden God, dat Hij u zooveel slechte jaren geeft, dat gij er van omkomt als de oneerlijkste en grootste verrader, die er leeft. Want het is uw schuld niet, terwijl wij ons best deden u eer en genoegen te bewijzen, dat wij niet als honden zijn vermoord. Door uw oneerlijkheid hebben wij zooveel slagen gehad, dat een ezel er voor minder naar Rome zou gaan, en bovendien waren wij aan het gevaar blootgesteld uit het gezelschap weggejaagd te worden. En als gij ons niet gelooft, zie dan naar ons vel. Na op een donkerder plaats hun kleeren te hebben losgemaakt toonden zij hem hun borsten, geheel beschilderd en bedekten die weer snel. De medicus wilde zich verontschuldigen door te vertellen, hoe en waar hij in was geworpen. Buffalmacco sprak tot hem: Ik zou willen, dat gij van de brug over den Arno af waart gegooid. Waarom hebt gij u God en de heiligen aanbevolen? Hebben wij u niet gewaarschuwd? De dokter antwoordde: Bij het geloof in God, ik heb er niet aan gedacht. Hoe, riep Buffalmacco: hebt gij er niet aan gedacht? Dan hebt gij u niet veel herinnerd, want onze bode zeide, dat gij beefde als een riet. Gij hebt het ons mooi geleverd, maar niemand zal ons dat weer doen en wij willen u de eer bewijzen, die u toekomt. De dokter vroeg vergeving, smeekte bij God, dat ze hem niets zouden verwijten en met de mooiste woorden poogde hij ze te verzoenen. En uit vrees, dat zij zijn schande zouden bekend maken, bewees hij hun van toen af nog meer eer en welwillendheid dan vroeger. Zoo leert men gezond verstand aan wie het niet opdeed te Bologna.
TIENDE VERTELLING.
Een Siciliaansche ontneemt op listige wijze aan een koopman geld, wat hij naar Palermo meegebracht heeft. Hij doet of hij terugkeert met nog meer koopwaren dan de eerste maal en na van haar geld te hebben geleend, laat hij haar water en henneppluis tot pand.
Hoe het verhaal van de koningin de donna’s had doen lachen, behoeft men niet te vragen. Er was er geen een bij wie niet van het uitgelaten lachen de tranen wel twaalf keer in de oogen kwamen. Maar toen het uit was, sprak Dioneo, aan wien nu de beurt was: Genadige donna’s. Het is duidelijk, dat de goede streken des te aardiger zijn, naarmate zij door fijner bedrog de bedriegers zelf misleiden. En daarom, hoewel gij allen zeer schoone dingen hebt verteld, ben ik van plan u er een te verhalen, dat u des te meer moet bevallen dan degenen, die al verhaald zijn, omdat dit geleverd werd aan een vrouw, die beter meesteres was in het misleiden van anderen dan de reeds besproken personen.
Het was gewoonte—en het is het misschien nog—in alle handelssteden met een haven, dat alle kooplieden, die met koopwaar aankomen, na ze te laten lossen, ze in een loods laten brengen die in vele plaatsen tolhuis heet, gehouden door de gemeente of door den heer er van. En daar geven zij hen, die er voor aangesteld zijn, een schriftelijke opgaaf van al hun koopwaar en den prijs er van en door dezen wordt aan den koopman een magazijn geschonken, waarin hij zijn goederen plaatst en dit afsluit. De tolbeambten schrijven dan in het tolboek op rekening van den koopman al zijn artikelen en laten hem invoerrecht betalen alnaar het gedeelte, dat hij er uithaalt. Uit dit tolboek vragen de makelaars dikwijls inlichtingen naar de hoedanigheid en de hoeveelheid der aanwezige waren en ook wie de kooplieden zijn, waarmede zij onderhandelen.
Dit gebruik bestond ook in Palermo, waar vele schoone vrouwen zijn maar vijandinnen van eerlijkheid; dezen worden gehouden voor voorname en eerbare dames. Maar daar zij er op uit zijn de mannen niet te plukken maar te villen, als ze een koopman zien, vragen zij ook uit het tolboek, wat hij heeft en hoeveel hij kan betalen en daarna beproeven zij met hun bekoorlijke manieren en heele zoete woorden die kooplieden te bevangen. Zoo hebben zij er al veel verstrikt door hun een groot deel van hun koopwaren te ontrooven en er zijn er geweest, die er de koopwaar en het schip en vleesch en been hebben achtergelaten, zoo lief heeft de barbierster het scheermes weten te hanteeren. Nu, nog niet lang geleden, kwam daar gezonden door zijn patroons, een onzer jonge florentijnen Nicolo da Cignano genaamd, hoewel hij Salabaetto heette, met zooveel linnen overgebleven van de jaarmarkt van Salerno, dat het wel vijfhonderd goudguldens waard kon zijn. Nadat hij daarvan de factuur had gegeven aan de tolbeambten, deed hij dit in hun magazijn en zonder veel haast te maken voor den verkoop ging hij voor zijn ontspanning de stad rond. En daar hij blank en blond en heel aardig was en recht van lijf en leden, bespeurde zulk een barbierster, die zich Madonna Jancofiore [178] noemde, iets van zijn doen en laten. Toen hij dit gewaar werd en dacht, dat ze een groote dame was, meende hij, dat hij door zijn knap uiterlijk beviel en nam hij zich voor die liefdesgeschiedenis in stilte door te zetten en zonder iemand er over te spreken wandelde hij langs haar huis heen en weer. Zij begon, nadat zij hem met lonken had ontvlamd, te doen of zij door hem verteerd werd en zond hem in ’t geheim een harer vrouwen, die uitstekend de kunst der koppelarij verstond. Deze met de tranen in de oogen zeide hem na veel praatjes, dat hij met zijn schoonheid en bekoorlijkheid de donna zoo had veroverd, dat zij dag noch nacht rust had en daarom, als het hem zou behagen, verlangde zij boven alles hem in een badhuis in ’t geheim te vinden en na een ring uit haar beurs gehaald te hebben gaf zij hem dien. Salabaetto, die dit hoorde, was de gelukkigste man van de wereld; hij nam den ring aan en na die aan de oogen te hebben gebracht en gekust, deed hij zich dien aan den vinger en antwoordde aan de vrouw, dat, indien madonna Jancofiore hem lief had, zij een goeden ruil had gedaan, omdat hij haar meer dan zijn leven beminde en dat hij gereed was te gaan, waar het haar aangenaam was en ten allen tijde. Toen de boodschapster aldus met dat antwoord naar haar donna was gegaan, zeide zij in welk badhuis hij den volgenden dag na den vesper moest wachten. Deze, zonder er over te spreken, begaf zich er op het hem bevolen uur heen en bevond, dat een badkamer door de donna besteld was. Het duurde niet lang, dat er twee slaven [179] kwamen, de een beladen met een mooi en groot matras van katoen, de ander met een groote mand vol van allerlei dingen. Die matras werd uitgestrekt in een kamer van het badhuis op een rustbed, waarop men een paar lichte lakens met zijden randen legde en daarna een deken van zeer witte Cyprische katoen met twee wonderbaar bewerkte oorkussens. En nadat hij zich ontkleed had en in het bad was gegaan, waschten en wreven zij hem uitstekend. Het duurde niet lang of daarna kwam de donna met twee andere slaven in het bad. Toen zij alleen was, betuigde zij aan Salabaetto groote vreugde en na lange zuchten en hem verscheidene malen omhelsd te hebben, sprak zij: Geen ander dan gij had mij hiertoe kunnen voeren; gij hebt mij het vuur aan het wapen gezet, hond van een Toscaner. Hierop, gelijk het haar behaagde, gingen beide naakt in het bad met hen twee slaven. Zonder hem door een ander te laten aanraken waschte zij hem met muscus- en kruidnagelzeep en daarna liet zij zich wasschen en wrijven door de slaven. Toen dit gedaan was, brachten de slaven twee zeer witte en lichte lakens, waaruit zulk een sterke reuk van rozen kwam, dat het werkelijk rozen schenen en met het eene omwikkelden zij Salabaetto en met het andere de donna en na ze op den hals te hebben genomen droegen zij die beide te bed. En daar, nadat zij een oogenblik waren blijven uitdampen, werden de lakens door de slaven weggetrokken en bleven zij naakt liggen. Daarna haalde men uit de mand flacons van prachtig zilver, de een gevuld met rozenwater, de ander met sinaasappelbloesem, deze met jasmijnbloesem en gene met oranjebloesem-essence en besproeiden hen met al die parfumerie en nadat zij schotels hadden gebracht met meelspijzen en ook kostbare wijnen, versterkten zij zich.
Salabaetto waande zich in het paradijs en had haar duizend keer aanschouwd, die zeer schoon leek en ieder uur, dat die slaven bleven, voor hij zich in haar armen kon werpen, scheen hem honderd jaar. Toen die eindelijk op bevel der donna na een aangestoken toorts in de kamer [180] te hebben gelaten heengingen, omhelsden zij elkander en tot zeer groot genoegen van Salabaetto, wien het scheen dat zij door liefde tot hem werd verscheurd, bleven zij zoo een groot uur samen. Toen scheen het de donna tijd de slaven te laten komen; zij werden aangekleed na nogmaals gedronken en gegeten te hebben. Nadat het gezicht en de handen met die reukwaters gewasschen waren en zij vertrekken wilden, zeide de donna tot Salabaetto: Wanneer het u aangenaam is, zou het voor mij een groote gunst wezen, als gij vanavond in mijn huis kwaamt. Salabaetto, die door haar schoonheid en haar gekunstelde bekoring bevangen was, geloofde vast naar ziel en lichaam bemind te worden en antwoordde: Madonna, elk genoegen voor u is mij ten hoogste aangenaam en daarom zoowel van avond als altijd wil ik doen, wat u zal behagen. De donna naar huis teruggekeerd liet haar kamer goed versieren met kostbaarheden. Een prachtig avondmaal werd gereed gemaakt en zoo verwachtte zij Salabaetto. Deze ging, toen het donker was op weg, en na blijmoedig te zijn ontvangen, at hij met groote vreugde. Toen zij in de kamer binnen waren getreden, rook hij een wonderbare geur van aloë-hout en zag hij een bed zeer rijk met cyprische vogeltjes op de zuilen [181] en vele schoone gewaden op mantelstokken. Al die dingen te samen deden hem denken, dat zij een groote donna moest zijn, en hoewel hij het tegenovergestelde had hooren mompelen, wilde hij het voor niets ter wereld gelooven en als hij had nagedacht, dat zij op die wijze iemand kon misleiden, had hij toch nooit kunnen gelooven, dat het hèm kon overkomen. Hij sliep dien nacht met haar met het grootste genoegen, steeds meer ontvlamd. Toen de morgen aanbrak, gaf zij hem een schoonen en aardigen gordel van zilver en een fraaie beurs en sprak: Mijn lieve Salabaetto, ik beveel mij bij u aan; mijn persoon is tot uw beschikking, al wat ik bezit en wat tot uw dienst kan zijn. Nadat Salabaetto haar blijde had omhelsd, ging hij haar huis uit en kwam daar, waar zich de andere kooplieden gewoonlijk ophielden.
Hij bezocht de donna zeer dikwijls zonder dat het hem iets kostte en daar hij telkens meer ontbrandde, kwam hij er toe zijn lakens contant te verkoopen met een goede winst, wat de donna van anderen vernam. Toen Salabaetto op een avond bij haar gekomen was, begon zij met hem te stoeien, te omhelzen en te kussen en deed zich zoo verliefd voor, of zij van liefde zou sterven. Bovendien wilde zij hem twee zeer mooie zilveren bekers geven, welke Salabaetto niet wilde aannemen. Hij had er reeds een gehad, die wel dertig goudguldens waard was, en zij wilde van hem niets aannemen, dat een gros waarde had. Nadat zij hem goed had in vuur gezet, riep zij een van haar slavinnen, ging de kamer uit en bleef een poosje weg; daarna kwam zij schreiend binnen, wierp zich met het gelaat op bed en begon zoo bitter te klagen, als ooit een vrouw het deed. Salabaetto verwonderde zich, hief haar in zijn armen en begon met haar te treuren en zeide: Kom, hartedief, wat hebt gij plotseling? Wat is de reden van die smart? Toen de donna zich genoeg had laten bidden, sprak zij: Wee mij, mijn goede heer! Ik ben ten einde raad; zooeven ontving ik een brief uit Messina, waarin mijn broeder mij schrijft, dat ik, al moest ik alles verkoopen en verpanden, hem zonder uitstel over acht dagen, duizend goudguldens stuur en zoo niet, dat hem dan het hoofd zal afgeslagen worden. Wat moet ik doen om die som op tijd te hebben? Had ik veertien dagen tijd, dan kon ik wel een middel vinden ze mij te verschaffen, en ik zou enkele van mijne bezittingen verkoopen, maar nu zou ik liever dood willen zijn; en zij toonde zich geheel wanhopend. Salabaetto, wien de liefdevlammen een deel van het noodig besef hadden ontroofd, geloofde, dat dit echte tranen en ware woorden waren en zeide: Madonna, ik zou u wel met vijfhonderd goudguldens kunnen helpen, als gij ze mij in veertien dagen kunt teruggeven. Gelukkig voor u, dat ik gisteren mijn lakens verkocht, anders had ik u geen stuiver kunnen leenen. Wee mij, sprak de donna, hebt gij dan nog geldgebrek gehad? O, waarom hebt gij mij dat niet gezegd? Al had ik geen duizend florijnen, dan kon ik er u nog wel honderd en zelfs twee honderd schenken. Gij hebt mij den moed ontnomen om den dienst aan te nemen, dien gij mij aanbiedt. Salabaetto door die woorden nog meer bevangen, zeide: Madonna, daarom wil ik niet, dat gij mij laat varen, want als ik ze noodig had gehad, zou ik ze gevraagd hebben. O mijn Salabaetto, sprak de donna, wel weet ik, dat Uwe liefde waar en volkomen is, nu gij zonder af te wachten, dat ik u iets vraag, edelmoedig aan mij denkt. Zeker, ik had niet noodig om geheel de uwe te zijn, maar ik zal het nog meer wezen en nooit vergeten, dat ik u het hoofd van mijn broeder schuldig ben. Maar God weet, dat ik ongaarne dit geld aanneem, daar gij een koopman zijt en de kooplieden moeten met hun geld zaken doen maar de nood dwingt mij en ik vertrouw er op het u spoedig te kunnen teruggeven, daarom zal ik het geld aannemen en als ik geen sneller middel weet mijn goed verpanden. Schreiend wierp zij zich bij die woorden aan Salabaetto’s borst. Hij troostte haar en na den nacht bij haar te hebben doorgebracht om zich haar dienaar te toonen, bracht hij haar zonder verzoek af te wachten vijfhonderd goudguldens, welke zij met een lachend hart en weenende oogen aannam en Salabaetto was met haar belofte tevreden. De donna liet de datums verspringen. Salabaetto, die vroeger naar de donna ging, wanneer hij wilde, begon nu in het geval te komen, dat hij van de zeven keer een keer binnen kwam en de liefkoozingen niet meer ontving. Toen er twee maanden verstreken waren, waarop hij het geld moest terug krijgen, ontving hij, toen hij er om vroeg, woorden in betaling. Salabaetto, die de list van de slechte vrouw gewaar werd, beklaagde zich over zijn dwaasheid, daar hij voelde, dat hij er niets van kon zeggen, omdat hij er geen geschrift of getuigenis van had. Hij schaamde zich bij iemand te klagen, omdat men hem van te voren had gewaarschuwd en was bevreesd voor den spot, die hij wegens zijn domheid verwachtte. Daar hij van zijn patroons verscheidene brieven had, waarin men hem opdroeg geld te wisselen en het te zenden, en hij het niet doen kon, besloot hij, opdat zijn domheid niet ontdekt zou worden, te vertrekken. Hij ging scheep en kwam niet te Pisa, gelijk hij moest, maar te Napels.
Er bevond zich te Napels in dien tijd onze vriend Pietro dello Canigiano, de schatbewaarder van mevrouw de keizerin van Constantinopel, een man van groot verstand, een vriend van Salabaetto. Salabaetto beklaagde zich op een goeden dag en verhaalde zijn treurig avontuur en vroeg hem hulp en raad om zijn brood te kunnen verdienen, daar hij plan had nooit meer naar Florence terug te keeren. Canigiano, die het zeer treurig vond, zeide: Gij hebt verkeerd en slecht gehandeld, uw meester slecht gehoorzaamd en te veel geld in vermaak verteerd, maar wij moeten alles zien te herstellen. Hij bedacht als vernuftig man, wat er gedaan moest worden en zeide het tot Salabaetto. Deze besloot dien raad te volgen en daar hij wat geld had en Canigiano hem wat leende, kocht hij verscheidene goed dicht gebonden en samengepakte balen en twintig olievaten, liet ze vullen en opladen en keerde terug naar Palermo. Hij gaf de factuur aan de tolbeambten en nadat hij alles op zijn rekening had laten schrijven, deed hij dit in de loods en zeide, dat hij er niet aan wilde raken voor de andere waar, die hij verwachtte, was aangekomen. Jancofiore, die hoorde, dat, wat hij nu had meegebracht, wel tweeduizend goudguldens waard was, en hetgeen hij wachtte, misschien wel drieduizend goudguldens, vond, dat ze hem weinig had ontroofd en nam zich voor hem de vijfhonderd terug te geven om het grootste deel van de vijfduizend te krijgen. Zij liet hem roepen. Salabaetto, nu slim geworden, ging. Zij deed of ze niets wist van wat hij had meegebracht, ontving hem met wonder veel vreugde en zeide: Als gij boos zijt geworden, omdat ik u uw geld niet ter rechtertijd heb teruggegeven ... Salabaetto begon te lachen en zeide: Madonna, waarlijk het heeft mij een weinig mishaagd, want ik had mij het hart uit het lijf getrokken om het u te geven; hoor, hoe kwaad ik op u geworden ben. De liefde, die ik u toedraag, is zoodanig, dat ik het grootste deel mijner bezittingen heb verkocht en hier zooveel koopwaar heb aangebracht, dat die meer dan tweeduizend goudguldens waard is en ik verwacht er van den Levant, die wel drieduizend waard zijn. Ik heb plan in deze stad een magazijn op te richten om altijd bij u te kunnen zijn, want ik meen het met uw liefde beter te maken dan eenig ander minnaar. Hierop sprak de donna: Kijk, Salabaetto, wat u behaagt, bevalt mij zeer, daar ik u meer dan mijn leven lief heb; ik ben verheugd, dat gij met dit doel zijt teruggekeerd en ik hoop een gelukkigen tijd met u door te brengen. Ook moet ik mij nog verontschuldigen over de keeren, die gij hier gekomen zijt voor uw vertrek er niet zoo vroolijk zijt ontvangen als gewoonlijk en ook, omdat ik u uw geld niet op tijd terug gaf. Gij moet weten, dat ik toen zeer treurig en in de grootste droefenis was en wie in dien toestand is, hoe hij ook lief heeft, kan geen prettig gezicht trekken, noch de aandacht aan hem schenken, zooals hij zou willen. Ook is het voor een vrouw zeer moeilijk duizend goudguldens te krijgen. Men vertelt ons den ganschen dag leugens en daardoor moeten wij ook anderen voorliegen. Er kome geen ander kwaad van, dat ik u uw geld niet terug gaf. Kort na uw vertrek had ik alles, en zou het u zeker gestuurd hebben, als ik wist, waar het heen moest, maar ik heb het voor u bewaard. En nadat zij een beurs had laten komen, stelde zij hem die ter hand en zeide: Tel of er vijfhonderd zijn. Salabaetto was nog nooit zoo blijde geweest en na bevonden te hebben, dat er vijfhonderd waren, stak hij ze bij zich en zeide: Madonna, ik weet, dat gij de waarheid zegt en gij hebt goed gehandeld. En ik zeg u hierom en om de liefde, die ik u toedraag, dat gij mij nooit een som zoudt kunnen vragen, die ik u niet zou willen geven, als gij dien noodig hadt. En na de liefde in woorden te hebben hernieuwd, begon Salabaetto haar ijverig te bezoeken en haar alle mogelijke genoegens te doen en de grootste eer en de meest mogelijke liefde te bewijzen. Maar Salabaetto, die door bedrog haar bedrog wilde straffen, had haar ten avondmaal gevraagd en ging met haar slapen en deed zoo treurig of hij zou sterven. Jancofiore omhelsde hem en vroeg hem, waarom hij zoo droefgeestig was. Na veel bidden zeide hij: Ik ben verloren, omdat het schip, waarop de koopwaar was, die ik verwachtte, door zeeroovers van Monaco genomen is en gebrandschat voor tienduizend goudguldens, waarvan ik er duizend moet betalen. Ik heb er geen stuiver van, omdat ik de vijfhonderd, die gij mij teruggaaft, dadelijk naar Napels zond om zeilen te koopen. Als ik nu mijn koopwaar verhandel, kan ik ze ternauwernood, omdat het thans geen tijd is, voor de helft van den prijs verkoopen en hier ben ik niet genoeg bekend om iemand te vinden, die mij helpt en daarom weet ik geen raad. Zend ik niet spoedig het geld, dan zal de koopwaar naar Monaco worden gebracht en ik zal die nooit terug krijgen. De donna was hierover heel treurig, want het scheen haar, dat voor haar alles verloren was en denkend aan een middel, waardoor zij hem moest binden, opdat hij niet naar Monaco zou gaan, zeide zij: God weet, hoezeer het mij spijt, maar wat helpt het er zoo over te weeklagen? Als ik het geld had, zou ik het u dadelijk leenen. Eergisteren leende mij iemand vijfhonderd goudguldens, maar hij eischte hooge woekerwinst, niet minder dan tegen dertig procent. Als gij dat wilt, onder goeden borg, ben ik voor u bereid al mijn gewaden en mij zelf, voor zoover hij wil, te verpanden om u te kunnen dienen. Salabaetto begreep de reden van dien dienst en bemerkte, dat zij zelf het geld zou leenen. Hij bedankte en zeide, dat hij het voor de hooge rente niet zou laten, daar de nood hem dwong en dat hij hem als borg zijn waren verzekerde, en dat hij die dan zou laten overschrijven op diens naam, maar dat hij den sleutel der magazijnen wilde bewaren, zoowel om zijn koopwaar te kunnen toonen als opdat niets zou kunnen aangeraakt, bedorven of verruild worden. De donna was het daarmee eens.
Toen de dag gekomen was, ontbood zij een makelaar, waarin zij groot vertrouwen had en zij gaf hem duizend goudguldens, die de makelaar aan Salabaetto leende, bij de douane op zijn naam liet inschrijven, wat Salabaetto daar had liggen en hun contracten in orde maakte. Salabaetto ging, zoo gauw hij kon, scheep met de duizend vijfhonderd goudguldens, keerde naar Pietro Canigiano terug te Napels en vandaar zond hij alles, wat hij schuldig was naar Florence aan zijn patroons, en nadat hij Pietro en alle anderen alles betaald had, vermaakte hij zich vele dagen met Canigiano over het bedrog jegens de Siciliaansche. Daar hij nu niet langer koopman wilde zijn, begaf hij zich naar Ferrara. Jancofiore, die Salabaetto niet in Palermo vond, kreeg argwaan en toen hij na twee maanden wachten niet kwam, liet zij door den makelaar de magazijnen ontgrendelen. En nadat zij eerst de vaten onderzocht, naar zij dacht, vol olie, bevond zij, dat die vol zeewater waren met slechts een buis vol olie rondom de spon. Na hierop de balen te hebben open gemaakt vond zij die, behalve twee met lakens, vol hennep-pluis en dat alles was niet meer dan tweehonderd florijnen waard. Daar Jancofiore zich misleid zag, beweende zij lang de vijfhonderd teruggegeven goudguldens en de meer dan duizend geleende en zei meermalen: Wie te doen heeft met een Toscaan, moet vroeg opstaan. Aldus achtergebleven met de schade en de schande, zag zij, dat die net zoo slim was als alle anderen.
Daar Dioneo zijn vertelling geëindigd had en Lauretta zag, dat haar regeerings-termijn verstreken was en na den raad van Pietro Canigiano geprezen te hebben en de sluwheid van Salabaetto, hief zij den lauwer omhoog, plaatste dien Emilia op het hoofd en zeide met vrouwelijke gratie: Madonna, ik weet niet of wij aan u een lieve koningin zullen hebben, maar zeker een schoone; laten dus uw daden met uw bekoorlijkheden overeen komen. Daarna keerde zij zich om en ging zitten. Emilia bloosde een weinig, niet zoozeer omdat zij zich verheven zag tot koningin als wel, omdat zij zich openlijk geprezen voelde om wat de vrouwen het meest begeeren en haar gelaat werd als de jonge rozen bij zonsopgang. Maar nadat zij de oogen had neergeslagen en haar blos was verdwenen en zij zich met haar hofmeester van de voortdurende plichten van het gezelschap had gekweten, begon zij aldus te spreken:
Beminnelijke donna’s. Wij zien duidelijk genoeg, dat, wanneer de ossen een deel van den dag gezwoegd hebben onder het juk gebonden, zij daarvan ontheven worden en waar het hun behaagt, laat men ze in de bosschen grazen. En wij zien ook, dat de tuinen beplant met verschillende boomen niet minder mooi maar veel schooner zijn dan de wouden, waarin wij alleen eiken vinden. Daarom, nu wij zooveel dagen onder beperkende wetten gesproken hebben, meen ik, dat het nuttig en aangenaam zal zijn, dat wij wat rondzwerven en daardoor krachten herwinnen om weer onder het juk te treden. En opdat elk morgen zal vertellen, wat hem het aangenaamst, is wil ik u niet beperken, daar de afwisseling der dingen, waarover men zal spreken niet minder aangenaam is. Zoo kan, wie na ons aan de regeering komt, ons als sterkeren aan onze wetten binden. Daarna gaf zij elk volledige vrijheid tot aan het uur van het avondmaal. Iedereen prees de koningin als verstandig en na opgestaan te zijn gaf deze aan het eene, gene aan het andere genoegen zich over: de dames met kransen te vlechten en zich te verlustigen, de jongelieden met te spelen en te zingen en zoo brachten zij den tijd tot het etensuur door. Toen aten zij rondom de fontein met genoegen en na het maal vermaakten zij zich op de gewone wijze met zingen en dansen. Ten slotte beval de koningin om het voorbeeld van haar voorgangsters te volgen, hoewel er al vele liederen vrijwillig door velen waren opgezegd, dat Pamfilo er een zou zingen. Deze begon vrijmoedig aldus:
Zoo groot, o Amor, is het goede, Dat ik door u gevoel, en de blijdschap en de vreugde, Dat ik gelukkig ben in uw vuur te branden.
De overvloedige vreugde, die ik draag in het hart, Die van dit verheven en dierbaar welbehagen komt, Waartoe gij mij hebt gebracht, En dat er niet in besloten kan blijven, ontsnapt daaraan En op mijn verhelderd gezicht Toont het mijn gelukkigen toestand; Want, daar ik verliefd ben, Is het mij op een zoo hooge en aanzienlijke plaats Zoet, dat ik in vuur sta.
Ik kan niet zoo goed met mijn zang betuigen, Noch met de hand schrijven O Amor, het heil, dat ik gevoel. En zoo ik het wist, zou ik het moeten verbergen: Want indien het bespeurd werd, Zou het in een marteling veranderen. Maar ik ben zoo voldaan, Dat alle taal weinig en zwak zou zijn, Voor ik er iets van zou hebben onthuld.
Wie zou kunnen denken, dat mijn armen Haar ooit zouden bereiken, Waar ik haar omhelsd heb, En dat ooit mijn gelaat haar zou naderen, Waar ik tot haar kwam, Door gratie en door geluk? Men zou nooit geloofd hebben Aan mijn zaligheid. Daarom ben ik geheel in vuur. Terwijl ik verberg, wat mij verblijdt en verheugt.
Het lied van Panfilo was ten einde en hoewel allen er hun meening over hadden gezegd, was er geen, die niet met alle aandacht op de woorden had gelet en zijn best deed te raden, wat hij bij het zingen verborgen hield. En wat men zich ook verbeeldde, toch kwam niemand tot de waarheid. Maar toen de koningin zag, dat het lied van Panfilo geëindigd was en de jonge dames en heeren wilde uitrusten, beval zij, dat ieder zou gaan slapen.
NEGENDE DAG.
De achtste dag der Decamerone eindigt; de negende vangt aan. Onder het bewind van Emilia vertelt iedereen, wat hem bevalt.
De dageraad, welks glans den nacht doet vlieden, had reeds den licht-azuren tint van den achtsten [182] hemel in donkerblauw veranderd en de bloemkens richtten zich al op in de velden, toen Emilia haar gezellinnen en de jonge lieden deed roepen. Toen zij met langzame schreden de koningin waren gevolgd, begaven zij zich naar een boschje niet ver van het verblijf en toen zij daar in waren geloopen, zagen zij de dieren zooals geiten, herten en anderen beveiligd tegen jagers door de heerschende pestziekte hen afwachten, zonder vrees, alsof zij bevriend met hen waren geworden. En de dieren naderend, of zij ze wilden vangen, vermaakten zij zich door ze te doen rennen en springen. Maar toen de zon geheel op was, keerden allen terug. Zij waren met eikenloof bekransd en hadden de handen vol geurige kruiden of bloemen en wie ze zou ontmoet hebben, had niets anders kunnen zeggen dan: O dezen zullen niet door den dood overwonnen worden of het zal in vreugde zijn. Aldus gaande schrede na schrede, zingend en spelend en schertsend kwamen zij bij hun verblijf en vonden hun bedienden feestelijk gestemd. Toen zij wat uitgerust hadden, gingen zij niet aan tafel voor zes liederen, het een al aardiger dan het andere, waren gezongen. Vervolgens werd het water voor de handen aangereikt en plaatste de hofmeester ze aan tafel en allen aten vroolijk, gaven zich daarna over aan dans en fluitspel en op bevel der koningin ging, wie wilde, uitrusten. Maar toen het uur gekomen was, vereenigden allen zich op de gewone plaats om te vertellen, waarop de koningin naar Filomena ziende, zeide, dat zij een aanvang zou maken met de verhalen, welke glimlachend aldus begon:
EERSTE VERTELLING.
Madonna Francesca, bemind door een zekeren Rinuccio en een zekeren Alessandro en die geen van beide lieft heeft, bevrijdt zich handig van hen door den een als doode in een graftombe te stoppen en dezen door den ander er uit te laten halen, zoodat geen van beide het gestelde doel bereiken.
Madonna, het is mij zeer aangenaam, daar het u behaagt, dat ik de eerste moet zijn, die in dit open en vrije veld, waar Uwe Doorluchtigheid ons de gelegenheid geeft, mag beginnen met verhalen en zoo ik het goed zal doen, twijfel ik er niet aan, dat zij, die later komen het beter zullen volbrengen. In onze vertellingen, o genadige donna’s, is dikwijls genoeg aangetoond, hoe groot de kracht der liefde is. Toch geloof ik niet, dat er alles van gezegd is noch, dat men er alles van weet te zeggen, al zou men er een jaar over spreken. En omdat de liefde niet alleen de minnenden aan verschillende doodsgevaren bloot stelt, maar ze zelfs in de verblijven der dooden voert, trekt het mij aan u een geschiedenis te vertellen, waaruit gij niet alleen de macht der liefde, maar ook de slimheid van een waardige donna zult leeren kennen, en wat zij aanwendde om zich er twee van den hals te schuiven, die haar tegen haar verlangen lief hadden.
In de stad Pistoja leefde vroeger een zeer schoone weduwe, welke twee van onze Florentijnen, die er in ballingschap woonden, ten zeerste beminnen, Rinuccio Palermini en Alessandro Chiarmontesi genaamd, zonder dat zij iets van elkaar wisten. Elk van hen ging zoo voorzichtig mogelijk te werk om haar liefde te verwerven. En daar deze edelvrouw, die madonna Francesca de’ Lazzari heette, zeer dikwijls met boodschappen en smeekbeden van beide werd lastig gevallen en onverstandig er meermalen naar had geluisterd en er zich wijselijk aan wilde onttrekken, kwam bij haar een gedachte op om zich van hun vervolging te bevrijden. Zij wilde hun een dienst vragen, welke zij dacht, dat geen van beide haar zou doen, hoewel het mogelijk was, opdat zij, als ze het niet deden, een ware of schijnbare reden had hun verzoeken niet meer aan te hooren.
In Pistoja was iemand gestorven, die, hoe hoog zijn edele voorvaderen ook stonden aangeschreven, bekend was als de gemeenste kerel, die daar en overal had bestaan; hij was zoo mismaakt en van zulk een ongewoon uiterlijk, dat wie hem niet zou gekend hebben en hem zag, bang geworden zou zijn. Hij werd begraven in de graftombe bij de kerk der Minderbroeders. Dat zou een goede hulp voor haar plan zijn. Daarom zeide zij tot haar dienstmaagd: Gij kent den hinder en den angst, die ik den ganschen dag ondervind door die twee Florentijners, Rinuccio en Alessandro. Ik ben niet van zins hen met mijn liefde ter wille te zijn en om ze kwijt te raken, heb ik mij voorgenomen ze op de proef te stellen door een feit, waarvan ik zeker ben, dat zij het niet willen doen; zoo zal deze vervolging tegen mij ophouden. Luister: Gij weet, dat heden op het kerkhof der Minderbroeders Scannadio, (zoo heette die gemeene vent,) begraven werd, voor welken niet als doode maar als levende, de dapperste mannen bang waren. Gij zult eerst in ’t geheim naar Alessandro gaan en hem aldus toespreken: Madonna Francesca laat u weten, dat thans de tijd gekomen is, dat gij haar liefde kunt verkrijgen, die gij zoo hebt verlangd. Om een reden, dien gij later zult weten, moet een van haar verwanten het lijk van Scannadio bij haar thuis brengen, die van morgen begraven werd. Die dit moet doen is zeer bang voor hem als doode en wil niet; daarom verzoekt zij u bij wijze van grooten dienst van avond naar Scannadio’s tombe te gaan, dat gij zijn kleeren zult aantrekken en er blijven, of gij deze waart, totdat men zal komen en zonder dat gij iets zeggen of u verroeren zult, u er uit zult laten halen en naar haar huis laten brengen. Zij zal u dan ontvangen en met u blijven en gij zult, naar het u behaagt, kunnen vertrekken om het overige aan haar over te laten. En indien hij zegt dit te willen doen, is het goed; mocht hij niet willen, zeg hem dan namens mij, dat hij niet meer verschijnen moet, waar ik ben en dat hij, als zijn leven hem lief is, mij geen berichten of boodschappen stuurt. Daarna zult gij naar Rinuccio Palermini gaan en gij zult hem aldus toespreken: Madonna Francesca zegt, dat zij bereid is uw elk genoegen te doen, mits gij haar een grooten dienst doet, en dat is, dat gij vannacht naar de tombe gaat, waaronder van morgen Scannadio begraven is en hem zonder dat gij iets zegt er heimelijk uit haalt en bij haar thuis brengt. Dan zult gij zien, waarom zij dit wil en gij zult met haar uw genoegen hebben. Wilt gij het niet doen, dan bericht zij u haar nooit meer boodschappen te zenden.
De meid ging naar beide toe en vertelde aan elk, wat haar was opgedragen. Zij antwoordden beiden, dat zij voor haar niet in een graf maar in de hel zouden gaan, wanneer het haar zou behagen. De meid gaf het antwoord aan de donna, die wilde zien of zij gek genoeg zouden zijn het te doen. Toen de nacht gevallen was en het uur van den eersten slaap begonnen, kleedde Alessandro zich in een wambuis, ging het huis uit om in plaats van Scannadio in het graf te gaan liggen, maar terwijl hij er heenging, bekroop hem groote angst en hij begon tot zich zelf te zeggen: Zie, ben ik niet een groote ezel? Waar ga ik heen? Hoe weet ik, dat de verwanten van die donna, die misschien bemerkt hebben, dat ik haar bemin, haar dit niet laten doen om mij in dat graf te vermoorden. Indien dat zou gebeuren, zou ik er alleen de schade van hebben; of kan het zijn, dat misschien een vijand mij dit heeft op den hals geschoven, die haar wellicht lief heeft? En daarna zeide hij: Maar laat ons onderstellen, dat daar niets van waar is en dat haar verwanten mij naar haar huis brengen, dan geloof ik, dat zij niet de bedoeling hebben het lichaam van Scannadio weg te nemen om het voor het laatst te omhelzen of dit haar te laten doen maar het in stukken te hakken, omdat hij hun op eenigerlei wijze beleedigd heeft. Zij zegt mij, dat ik niet moet spreken van wat ik gewaar word. Maar als zij mij de oogen uitstaken, de tanden uittrokken, mij de handen afkapten of een spelletje van dit soort speelden, waar zou ik dan aan toe zijn? Hoe zal ik stil kunnen blijven? En indien ik spreek, zouden zij mij herkennen en kwaad doen of als zij mij geen kwaad doen, zal ik nog niets hebben, want zij zullen mij niet bij de donna laten. En de donna zal zeggen, dat ik haar gebod heb overtreden en nooit iets doen, wat mij zal behagen. Bij die woorden was hij haast naar huis gegaan, maar toch dreef de groote liefde hem voort met tegenstrijdige beweringen en met zooveel kracht, dat die naar het graf leidden. Nadat hij Scannadio had uitgekleed, zich zelf herkleed had en de tombe over zich had gesloten en op diens plaats was gaan liggen, begon hij na te denken wie deze geweest was en de dingen, die bij nacht plaats hadden niet alleen in de graven der dooden maar ook elders en al zijn haren rezen overeind en het scheen hem, dat opeens Scannadio zich recht op verhief en hem zou worgen. Maar versterkt door hevige liefde overwon hij die en andere gedachten en bleef liggen, of hij dood was en wachtte af.
Te middernacht ging Rinuccio het huis uit om te doen, wat hem door zijn donna was opgedragen en terwijl hij voortliep, kwam hij op verschillende gedachten over allerlei mogelijkheden: bijvoorbeeld, dat hij in de handen van de justitie zou vallen en dat hij als toovenaar zou verbrand worden of kwaad met Scannadio’s verwanten en meer wat hem weerhield. Maar van voornemen veranderend zeide hij: Zal ik neen zeggen op het eerste, waarom die edelvrouw mij vraagt, die ik zoo bemin, wanneer ik haar gunst moet winnen? Al moest ik er voor sterven, zou ik toch doen, wat ik heb beloofd. Hij kwam bij het graf en opende het zachtjes. Toen Alessandro bemerkte, dat het geopend werd, hield hij zich toch stil, hoewel hij zeer bang was. Rinuccio, die er in gegaan was en geloofde het lichaam van Scannadio aan te vatten, nam Alessandro bij de voeten en trok hem er uit, nam hem op de schouders en ging naar het huis van de donna; op niets anders lettend stootte hij dikwijls tegen een of andere plank langs den weg. De nacht was zoo donker, dat hij niet kon onderscheiden, waar hij heen ging. Toen Rinuccio aan den drempel van de deur was der edelvrouw, die aan de vensters met haar meid wachtte om te zien of hij Alessandro meebracht en zich er al op voorbereid had ze beide weg te sturen, kwamen de knechten van den schout, die in die straat zich hadden opgesteld en in stilte op den loer stonden om een bandiet te overvallen. Zij hoorden het gedruisch, dat Rinuccio met de voeten maakte, en haalden opeens een licht te voorschijn om te zien, waar ze heen moesten gaan en riepen met opgeheven schilden en lansen: Wie is daar? Daar Rinuccio wist, wat dat was en geen tijd had voor lang overleg, liet hij Allessandro vallen en vluchtte, zoover zijn beenen hem dragen konden. Alessandro, die snel was opgestaan, ging in de kleeren van den doode in andere richting aan den haal. De donna had door het licht, dat de knechten omhoog hielden, Rinuccio duidelijk gezien met Alessandro op den rug in het gewaad van Scannadio en verwonderde zich zeer over den grooten moed van beide, maar met al haar verbazing lachtte zij, toen zij Alessandro ter aarde zag werpen en vluchten. Hierover zeer vroolijk loofde zij God, dat Hij haar van dezen had bevrijd. Zij ging naar binnen en was het met haar meid eens, dat zonder twijfel beide haar zeer moesten liefhebben. Rinuccio, die zijn ongeluk vervloekte, ging niet naar huis, maar toen de dienaren van den schout uit die straat waren heengegaan, keerde hij terug, en begon hem op den tast zoeken om zijn plicht te vervullen, maar daar hij meende, dat de gerechtsdienaars hem vandaar moesten hebben opgenomen, ging hij toen treurig naar huis. Alessandro, in twijfel en zonder te weten, wie hem had gedragen en bedroefd over dit ongeval ging eveneens naar huis. Den volgenden morgen, toen de tombe van Scannadio open werd gevonden en men hem er niet in zag, omdat Alessandro hem in de diepte daarvan had gerold, sprak heel Pistoja daarover op allerlei manieren en meenden de dwazen, dat hij door duivels was weggevoerd. Niettemin vroeg elk der beide minnaars, die aan de donna hadden verteld, wat er gebeurd was en zich zoo verontschuldigden, dat haar bevel niet geheel nagekomen was, haar gunst en haar liefde. Maar daar zij deed of zij hun niet geloofde, maakte zij zich van hen vrij met het antwoord: nooit iets voor hen te willen doen, omdat zij niet hadden gedaan, wat zij had gevraagd.
TWEEDE VERTELLING.
Een abdis staat in groote haast en in het donker op om een harer nonnen met haar minnaar te betrappen. Daar zij zelf met een priester slaapt en gelooft haar sluierkap op het hoofd te hebben gezet, plaatst zij er de broek op van den priester. Als de betrapte non dat ziet en het haar doet bemerken, bevrijdt zij zich van straf en blijft daardoor bij haar minnaar.
Filomena zweeg en allen prezen de handigheid van de donna, terwijl daarentegen niet de liefde maar de vermetele aanmatiging der minnaars niet voor liefde maar voor dwaasheid werd gehouden, toen de koningin vol gratie tot Elisa zeide: Zeer geliefde donna’s. Madonna Francesca wist zich, gelijk gezegd is, zeer slim van haar last te bevrijden, maar een jonge non, welke de fortuin hielp, verloste zich zelf uit een dreigend gevaar door haar scherts. Gelijk gij weet, zijn er genoeg menschen, die zeer dwaas zijn en zich van anderen de meerderen en de kastijders maken; zooals gij door mijn novelle begrijpen zult, worden die door het toeval soms zelf terecht gebrandmerkt en dat gebeurde met de abdis, onder welks gezag de non stond, waarover ik zal spreken.
In Lombardië was een klooster, zeer beroemd om zijn heiligheid en zijn vroomheid, waarin, onder meerdere nonnen, een jong meisje was van edel bloed en begaafd met wonderbare schoonheid, welke Isabetta heette en die op een dag, toen zij een harer verwanten door de tralies naderde om te spreken, op een knap jonkman, die daarbij stond, verliefd werd. En deze, die zag, dat zij zeer schoon was, en uit haar oogen haar verlangen had begrepen, werd evenzoo op haar verliefd en niet zonder groote smart van beide verduurden zij dien hartstocht langen tijd zonder gevolg. Ten slotte: daar elk begeerig was, vond hij een weg om in het geheim naar zijn non te gaan, waardoor zij zeer gelukkig was en hij haar verscheidene keeren tot groot genoegen van beiden bezocht. Eens op een nacht zag een der schoone donna’s hem van Isabetta vertrekken zonder dat zij het merkte, wat zij aan anderen over vertelde. Zij wilden haar eerst bij de abdis beschuldigen, welke madonna Usimbalda heette, een goede en heilige donna volgens de meening der dames-nonnen en elk, die haar kende; daarop wilden zij, opdat geen ontkenning kon plaats hebben, hem met het jonge meisje door de abdis laten betrappen. Zij verdeelden in het geheim de nachtwaken en de wachten om ze te snappen. Daar Isabetta dat niet merkte, liet zij hem op een nacht komen, wat ook zij wisten, die daarop loerden. Dezen, toen het al laat in den nacht was, verdeelden zich in tweeën; een deel begaf zich op wacht bij de deur der cel van Isabella en een ander liep naar de kamer der abdis. Zij klopten aan de deur en zeiden tot haar, die al antwoord gaf: Mevrouw, sta gauw op, want wij hebben ontdekt, dat Isabella een jonkman in de cel heeft. De abdis was dien nacht samen met een priester, die zij dikwijls in een koffer liet komen. Toen zij dit hoorde en vreesde, dat de nonnen misschien door al te veel haast of door moedwil de deur zouden open stooten, stond zij haastig op en kleedde zich, zoo goed als het kon, in den donker. Terwijl zij geloofde zekere gevouwen sluiers aan te vatten, welke zij om het hoofd dragen en die zij het psalmboek noemen, kwam haar de broek van den priester in handen en zij had zooveel haast, dat zij zonder het te merken in plaats van het psalmboek zich die om het hoofd deed en naar buiten ging en na snel de deur achter zich te hebben toegetrokken sprak zij: Waar is die van God vermaledijde? En met de anderen, die van zulk een ijverzucht en nieuwsgierigheid brandden om Isabella op heeterdaad te zien betrappen, dat zij niet bemerkten wat de abdis om het hoofd droeg, ging deze naar de deur van de cel en wierp die, geholpen door een andere non tegen den vloer en toen zij binnen waren getreden, vonden zij op het bed de twee minnenden in elkaars armen. Door zulk een verrassing onthutst en niet wetend wat te doen, hielden zij zich stil. Het meisje werd dadelijk door de andere nonnen beetgepakt en op bevel van de abdis naar de kapittel-zaal gebracht. De jonkman, die was achtergebleven, had zijn kleeren weer aangedaan. Hij wachtte af, welk einde die zaak zou hebben met de bedoeling een kwaad spelletje te spelen, als men aan de jonge nieuwelinge iets zou doen en haar met zich mede te voeren. De abdis, die in het kapittel den hoofdzetel innam, begon in tegenwoordigheid van al de nonnen, die allen de schuldige aankeken, haar den grootsten smaad toe te voegen, daar zij de heiligheid, de eerbaarheid en den goeden naam van het klooster met haar schandelijke en laakbare daden had bevlekt. Bij de beleediging voegde zij de ernstigste bedreigingen. Het meisje beschaamd en verlegen als schuldige wist niet wat te antwoorden, maar zwijgend boezemde zij de anderen medelijden in.
Daar de abdis met verwijten voortging, hief het meisje het hoofd op en zag, wat die op haar hoofd had en de banden, die er links en rechts afhingen, waarop zij alles begrijpend, rustig sprak: Madonna, als God u helpt, maak dan uw kap in orde en zeg mij dan, wat gij wilt. De abdis, die haar niet begreep, zeide: Wat kap, slechte meid? Of hebt gij den moed om gekheid te maken? Schijnt het je soms, dat gij hier nog schertsen moogt? Toen sprak het meisje andermaal: Madonna, ik bid u, dat gij uw kap los knoopt en zeg dan aan mij, wat gij wilt. Daarop richtten verscheidene nonnen het oog naar de kap van de abdis en daar zij er de handen aan legde, bemerkte zij, waarom Isabella dat zeide.
Toen de abdis zich aldus betrapt zag, veranderde zij van toon en kwam tot het besluit, dat het onmogelijk was zich tegen de prikkelingen van het vleesch te verweren en daarom zeide zij, dat elk heimelijk, gelijk het tot dien dag gebeurd was, de kans moest waarnemen. Nadat het meisje was vrijgelaten, ging zij weer met haar priester naar bed en Isabella met haar minnaar, welken zij vaak ten spijt van hen, die jaloersch op haar waren, liet komen. De anderen, die zonder minnaar waren, zochten zoo goed zij konden in het geheim hun heil.
DERDE VERTELLING.
Meester Simone doet op aandringen van Bruno, Buffalmacco en Nello Calandrino gelooven, dat hij zwanger is. Deze geeft Bruno geld voor kapoenen en wordt beter zonder te bevallen. [183]
Toen Elisa haar vertelling eindigde en allen God hadden gedankt voor de blijde bevrijding der jonge non uit de beten harer ijverzuchtige gezellinnen, beval de koningin Filostrato te volgen, die zonder verdere orders af te wachten, begon: Zeer schoone donna’s. De ruwe, marchesaansche rechter, van wien ik gisteren sprak, dwingt mij een novelle van Calandrino te vertellen. En daar, wat van hem gezegd wordt, de vreugde zal vermeerderen, hoewel er van hem en zijn metgezellen al voldoende gesproken is, zal ik u vertellen, wat ik gisteren van plan was.
Het is vroeger al genoeg aangetoond, wie Calandrino was en de anderen, van welke ik in deze historie moet spreken. Een tante van Calandrino stierf en liet tweehonderd lire contant na. Calandrino zeide er een landgoed voor te willen koopen en met alle makelaaars van Florence onderhandelde hij of hij tienduizend goudguldens had te verteren, maar de zaak sprong af, toen men hem den prijs voor het landgoed gevraagd had. Bruno en Buffalmacco, die het wisten, hadden hem meermalen gezegd, dat hij het best zou doen zich met hen te vermaken inplaats grond te koopen, alsof hij kogels [184] moest fabriceeren, maar behalve hiertoe hadden zij hem er evenmin toe kunnen krijgen hen ten eten te vragen. Toen zij op een dag zich daarover beklaagden en er een metgezel van hen bijgekomen was, die Nello heette, een schilder, overlegden zij, om zich op kosten van Calandrino te goed te doen. Zonder uitstel, na geregeld te hebben, wat zij te doen hadden, beloerden zij den volgenden morgen, hoe laat de Calandrino uit huis ging. Nauwelijks was hij de deur uitgegaan, of Nello ging hem tegemoet en zeide: Goeden dag, Calandrino. Calandrino antwoordde hem, dat God hem een goeden dag en een goed jaar zou geven. Hierna hield Nello hem een weinig op en zag hem in het gelaat. Calandrino sprak tot hem: Waar kijkt gij naar? Nello zeide: Hebt gij vannacht niets gemerkt? Gij schijnt mij dezelfde man niet meer. Calandrino twijfelde en zeide: Wee mij! Wee mij! Wat zou ik hebben? Nello sprak: Dat weet ik niet, maar gij schijnt mij geheel veranderd; het zal misschien niets zijn en hij liet hem gaan. Calandrino liep argwanend door en voelde niet het minste. Maar toen trad Buffalmacco hem tegemoet en na hem gegroet te hebben, vroeg hij hem, of hij niets voelde.
Calandrino antwoordde: Ik weet het niet, maar toch zeide mij Nello zooeven, dat ik hem geheel veranderd scheen; zou het mogelijk zijn dat ik iets mankeer? Buffalmacco zeide: Gij zoudt wel iets kunnen mankeeren; gij schijnt half dood. Het scheen Calandrino, dat hij de koorts had. Toen kwam Bruno en het eerste wat hij zei was: Calandrino, wat ziet gij er uit! Het is, of gij dood zijt! Calandrino, die zoo hoorde spreken, dacht bepaald, dat hij ziek was en ongerust vroeg hij hem: Wat te doen? Bruno sprak: Ga naar huis en te bed, laat u goed toedekken en uw water naar onzen vriend, maëstro Simone, brengen. Hij zal u dadelijk zeggen, wat er gebeuren moet en als er iets te doen is, willen wij dat op ons nemen. En terwijl Nello zich bij hen voegde, gingen zij met Calandrino naar zijn huis en toen hij geheel onthutst in de kamer kwam, zeide hij tot de vrouw: Kom en dek mij goed toe, want ik voel mij erg ziek. Toen hij te bed ging, zond hij een kleine dienstbode met zijn water naar dokter Simone, die een winkel hield op de Oude Markt onder het uithangbord van de Meloen. En Bruno zeide tot zijn metgezellen: Blijft gij met hem hier; ik wil vernemen, wat de medicus zal zeggen en als het noodig zal zijn, hem hier brengen. Calandrino sprak toen: Ga, mijn vriend, en zie hoe het er mee staat, want ik weet niet, wat ik gevoel. Bruno, die naar meester Simone ging, kwam er voor de kleine meid, die het water droeg en had hem weldra op de hoogte gebracht. Toen de kleine meid binnentrad en de dokter de urine gezien had, zeide hij: Ga heen en zeg aan Calandrino, dat hij zich goed warm houdt en dat ik dadelijk bij hem kom. Het meisje bracht dit over en het duurde niet lang of de dokter en Bruno kwamen. Nadat de medicus naast hem was gaan zitten, voelde hij hem de pols en sprak in het bijzijn van de vrouw: Kijk Calandrino, om als vriend tot u te spreken hebt gij geen ander kwaad dan dat gij zwanger zijt. Toen Calandrino dit hoorde, begon hij smartelijk te schreien en te zeggen: Wee mij! Tessa, wat hebt gij mij gedaan, dat gij niet anders dan boven woudt liggen? Ik heb het je wel gezegd. De eerbare donna, die dit hoorde, werd heelemaal rood van schaamte en met gebogen voorhoofd zonder een woord te spreken ging zij de kamer uit.
Calandrino riep weeklagend: Wee mij! Ongelukkige, die ik ben! Hoe zal ik doen? Hoe zal ik van dat kind bevallen? Waar moet het uit komen? Ik ben verloren door de hartstocht van mijn vrouw; dat God haar zoo treurig make als ik vroolijk zou willen wezen. O, als ik gezond was, zou ik zeker opstaan en haar zoo’n pak slaag geven, dat ik haar heelemaal zou radbraken. Het komt mij toe, want ik had haar niet op mij moeten laten klimmen. Kom ik er goed af, dan kan zij van verlangen daarna sterven. Bruno en Buffalmacco en Nello moesten zoo lachen, dat zij haast stikten, maar zij hielden zich in. Meester Scimmione [185] echter lachte zoo gul, dat men al zijn tanden had kunnen trekken. Maar toen Calandrino zich aan den dokter toevertrouwde en hem vroeg raad en hulp te verschaffen, zeide de dokter tot hem: Calandrino, ik wil niet, dat gij u kwelt, want—God zij geloofd—hebben wij het feit zoo spoedig bemerkt, dat ik u met weinig moeite en binnen weinig dagen zal verlossen, maar het is noodig er wat geld voor uit te geven. Calandrino sprak: Wee mij, dokter! Om Gods wil! Ik heb hier tweehonderd lire, waarmee ik een landgoed wou koopen; als die noodig zijn, neem ze, opdat ik niet hoef te bevallen, want ik weet niet, hoe ik zou moeten doen. Ik heb de vrouwen zulk een leven hooren maken, als zij moeten bevallen, hoewel zij er ruimte genoeg voor hebben, dat ik geloof, indien ik barenswee zou krijgen, eer te sterven dan te bevallen. De arts sprak: Denk daar niet aan. Ik zal u een goeden, lekkeren, gedistilleerden drank geven, die in drie morgens alles zal doen verdwijnen en gij zult gezonder blijven dan een visch. Maar wees voortaan wijs en handel niet zoo dwaas meer. Wij hebben voor dien drank drie goede en vette kippen noodig en gij geeft aan elk van uw vrienden vijf lire, voor welke zij alles koopen en het naar mijn winkel zullen brengen en morgen zal ik u bij Gods heiligen naam van dien gedistilleerden drank sturen en gij moet er een goeden, grooten beker per keer van drinken.
Calandrino hoorde dit en sprak: Dokter, ik vertrouw op u; en na vijf lire te hebben gegeven aan Bruno en geld voor de drie paar kapoenen, verzocht hij hem zich die moeite te geven tot zijn dienst. De dokter, na te zijn vertrokken, liet voor hem een weinig chiarea [186] klaar maken en zond hem die. Nadat Bruno de kippen gekocht had en de verdere benoodigdheden om te smullen, aten zij die samen op. Calandrino dronk dien morgen van de chiarea en de medicus met de drie kameraden kwamen bij hem; na hem den pols te hebben gevoeld, zeide hij: Calandrino gij zijt zonder twijfel genezen; gij kunt weer naar uw zaken gaan. Calandrino, die verheugd opstond, ging naar zijn werk en prees overal de prachtige kuur, die maëstro Simone hem had laten doormaken. Bruno en Buffalmacco en Nello hadden genoegen met list de gierigheid van Calandrino te hebben bespot, hoewel mevrouw Tessa, die het gewaar werd, er met haar man hevig over twistte.
VIERDE VERTELLING.
Cecco van messer Fortarrigo verspeelt te Buonconvento al zijn goed en het geld van Cecco van messer Angiulieri, zijn meester. Hij loopt den ander in zijn hemd achterna en zeggend, dat die hem beroofd heeft, laat hij hem vangen door de boeren, doet diens kleeren aan en op zijn paard gesprongen, gaat hij er vandoor en laat den ander in zijn hemd achter.
De woorden van Calandrino tot zijn vrouw werden door het gezelschap met groot gelach aangehoord. Toen Filostrato zweeg, begon Neifile, naar het de koningin behaagde: Waardige donna’s. Indien het niet moeilijker was voor de menschen anderen hun verstand en hun deugd te toonen, dan hun dwaasheid of hun ondeugd, zouden velen zich te vergeefs inspannen hunne woorden te beteugelen. En dit heeft de domheid van Calandrino voldoende bewezen, die volstrekt niet noodig had te genezen van de kwaal, waaraan zijn simpelheid hem deed gelooven en in het publiek de geheime genoegens van zijn vrouw mede te deelen. Dit heeft mij een geheel tegengestelde zaak in het geheugen gebracht namelijk, hoe de boosaardigheid van den een met schade en schande het verstand van den ander overtrof.
Niet vele jaren geleden leefden er in Siena twee mannen van al rijpen leeftijd, beide Cecco genaamd, maar de een van messer Angiulieri en de ander van messer Fortarrigo. Zij kwamen in karakter overeen en vooral in één ding, namelijk, dat zij beiden hun vaders haatten, daardoor werden ze vrienden en zochten elkaar vaak op. Angiulieri was knap en welgemanierd en hij vond, dat hij slecht kon blijven in Siena van het pensioen hem door zijn vader verstrekt. Hij vernam, dat er een kardinaal als pauselijk gezant was gekomen in het markgraafschap Ancona bij wien hij zeer in den gunst stond, en besloot tot hem te gaan, daar hij geloofde zoo zijn toestand te verbeteren, Nadat hij zijn vader dit had doen weten, kwam hij met hem overeen te ontvangen, wat die hem anders gedurende zes maanden gaf, opdat hij zich kon kleeden, paarden kon aanschaffen en op weg gaan. Dat hij iemand zocht om hem van dienst te zijn, werd bekend aan Fortarrigo; deze bad, dat hij hem zou medenemen als bediende, onderhoorige of wat hij wilde zonder eenig loon maar alleen onderhoud. Angiulieri antwoordde hem, dat hij hem niet mede wilde nemen, omdat hij speelde en zich bedronk. Fortarrigo antwoordde daarop, dat hij zich daarvoor zou wachten en bevestigde dit alles met vele eeden en voegde er zooveel smeekbeden aan toe, dat Angiulieri overwonnen zeide, dat hij er vrede mee had.
Op een morgen gingen zij op weg en gebruikten te Buonconvento het middagmaal. Nadat Angiulieri gegeten had, had hij, daar het zeer warm was, een bed in de herberg laten opmaken en na zich te hebben ontkleed geholpen door Fortarrigo, ging hij slapen na hem gezegd te hebben hem om negen uur te wekken. Terwijl Angiulieri sliep, ging Fortarrigo in de taveerne; na wat gedronken te hebben, begon hij met eenige lieden te spelen. In korten tijd verloor hij zijn geld en al de kleeren, die hij aan had. Begeerig te herwinnen en in zijn hemd ging hij, waar Angiulieri stevig sliep en haalde zooveel geld, als hij bij zich had, uit zijn beurs en naar het spel teruggekeerd, verloor hij dit als het andere. Toen Angiulieri ontwaakte, vroeg hij naar Fortarrigo, die niet was te vinden. Angiulieri meende, dat hij in een of andere hoek dronken sliep, gelijk hij vroeger placht te doen. Daarom dacht hij er over hem te laten schieten, het zadel te laten opleggen en een valies op zijn rijpaard en nam zich voor te Corsignano een anderen bediende te nemen. Hij wilde den waard betalen, maar vond zijn geld niet. Hierover ontstond groot rumoer in het huis van den waard en hij dreigde ze allen gevankelijk naar Siena te laten brengen. Daar komt Fortarrigo in zijn hemd aanzetten om de kleeren te stelen, gelijk hij het geld had ontvreemd. Toen hij Angiulieri zag te paard stijgen, zeide hij: Wat is dat, Angiulieri? Willen wij al heengaan! Kom, wacht nog even. Er moet hier iemand komen, die mij op mijn wambuis achtendertig stuivers heeft geleend. Ik ben er zeker van, dat hij het voor vijf en dertig teruggeeft, als ik dadelijk betaal. Onderwijl kwam er iemand bij, die Angiulieri verzekerde, dat Fortarrigo hem zijn geld had ontstolen en toonde hem de som, die hij bij hem verloor. Hierdoor zeer verstoord beleedigde Angiulieri Fortarrigo zeer en als hij niet voor meer dan voor God alleen bang was geweest, zou hij hem leelijk hebben te pakken genomen en dreigde hem te laten ophangen of hem uit Siena te doen verbannen en steeg te paard.
Fortarrigo deed of Angiulieri dit niet hem maar tot een ander had gezegd en sprak: Angiulieri, laten wij die woorden voor een beter oogenblik bewaren, die niets waard zijn. Laat ons daaraan denken. Wij zullen het voor vijf en dertig stuivers terug hebben door het contant te betalen, terwijl, als wij tot morgen wachten, het niet minder dan acht en dertig zal komen, gelijk hij mij vroeg en doe mij toch genoegen, daar ik ze op zijn aanraden heb ingezet. Zeg, waarom zouden wij die stuivers niet uitwinnen? Toen Angiulieri hem zoo hoorde spreken, werd hij wanhopig en het meest, omdat hij zich beloerd zag door de lieden om hem heen, die niet schenen te gelooven, dat Fortarrigo het geld van Angiulieri had verspeeld, maar dat Angiulieri daar nog schuld aan had en hij sprak tot hem: Wat heb ik met uw wambuis te maken. Laten ze jou maar ophangen, die niet alleen het mijne geroofd en verspeeld hebt, maar bovendien mijn reis hebt belemmerd en nog den gek met mij scheert. Fortarrigo hield echter vol, alsof hij dit niet tot hem zeide en sprak: Zeg, waarom wilt gij mij die drie stuivers niet laten winnen? Gelooft gij, dat ik u niet nog kan dienen met geld? Kom, doe het, als gij nog wat om mij geeft. Waarom hebt gij zoo’n haast? Wij zullen van avond nog wel te Torrenieri aankomen. Doe het, trek de beurs open, weet, dat ik in heel Siena zou kunnen zoeken en er geen zou vinden, dat mij zoo goed stond als dit. En te moeten zeggen, dat ik hem dit voor acht en dertig stuivers moet laten! Het is wel veertig waard of nog meer, zoodat ge mij zoo op twee manieren schaadt. Angiulieri zeer wrevelig, dat hij door hem bestolen werd en hem zoo hoorde spreken, sloeg zonder hem te antwoorden, den weg in naar Torrenieri. Daarop begon Fortarrigo, die op een listige gedachte kwam, in zijn hemd hem na te loopen en na hem wel twee mijlen gevolgd te hebben en steeds om het wambuis vragend, ging Angiulieri er hard van door om zich het gezanik uit de ooren te houden. Toen werden er door Fortarrigo boeren in een veld nabij den straatweg gezien voor Angiulieri uit. Hij begon hard te schreeuwen: Houdt hem! Houdt hem! waarop de een met zijn houweel en de ander met zijn spade voor Angiulieri verschenen, in de meening, dat degeen, die in zijn hemd liep te schreeuwen, beroofd was en pakten hem beet. Het hielp weinig of hij hun zeide, hoe de zaak stond. Toen Fortarrigo daar aankwam, zeide hij met een kwaad gezicht: Ik weet niet, waarom ik je niet vermoord, gemeene dief. En tot de dorpelingen gewend, sprak hij: Ziet gij, heeren, hoe hij mij in de herberg heeft achtergelaten na eerst alles van mij te hebben verspeeld. Ik kan wel zeggen, dat ik door God en door u zooveel zal terugwinnen, dat ik u er altijd dankbaar voor zal zijn. Angiulieri vertelde het anders, maar er werd niet naar geluisterd. Fortarrigo wierp met behulp der dorpelingen het paard op den grond en na hem te hebben beroofd, deed hij zijn kleeren aan en te paard gestegen, liet hij Angiulieri in zijn hemd en blootsvoets achter, ging naar Siena en vertelde overal, dat hij het paard en de kleeren van Angiulieri had gewonnen. Angiulieri, die rijk naar den kardinaal in het markgraafschap hoopte te gaan, kwam arm en in zijn hemd te Buonconvento terug en durfde uit schaamte zich niet dadelijk naar Siena begeven, maar toen hem kleeren geleend waren, ging hij op den knol, dien Fortarrigo bereed, naar zijn verwanten te Corsignano, waar hij bleef tot zijn vader hem opnieuw hielp. Zoo bedierf de boosheid van Fortarrigo het goede voornemen van Angiulieri, terwijl hij toch ter plaatse en op tijd hem niet ongestraft liet loopen.
VIJFDE VERTELLING.
Calandrino wordt op een jong meisje verliefd. Bruno maakt voor hem een schriftelijken talisman, waardoor zij hem volgt, als hij haar daarmee aanraakt. Wanneer hij door zijn vrouw wordt betrapt, geeft het een grooten en ernstig en twist.
Toen het korte verhaal van Neifile geëindigd was, zonder dat het gezelschap er te veel om gelachen of over gesproken had, keerde de koningin zich naar Fiammetta en beval haar te volgen, welke zeer welgemoed antwoordde, dat zij gaarne wilde en aldus begon: Allerliefste donna’s. Gelijk ik meen, dat gij weet, zijn er dingen, die te meer behagen, naarmate men er meer van spreekt, mits men den tijd en de plaats, die dezen eischen, behoorlijk weet te kiezen, wanneer men ervan wil spreken. En daarom als ik beschouw, waarom wij hier zijn (want wij zijn hier om genoegen en goede tijdpasseering te hebben en voor niets anders) geloof ik, dat al wat vreugde en vermaak kan verschaffen, hier de vereischte plaats en tijd vindt. En hoewel er al duizende malen over gerept werd, is het niet noodig over iets anders te praten om zich te vermaken. Er is al dikwijls over de daden van Calandrino gesproken en indien ik er aan denk, gelijk voor kort Filostrato zeide, dat die allen vermakelijk zijn, durf ik u er nog wel een novelle van vertellen, die ik om van de waarheid af te wijken wel had kunnen samenstellen onder andere namen. Maar omdat dit het genoegen bij de hoorders zeer vermindert, zal ik u dit daarom in den echten vorm verhalen.
Niccolo Cornacchini was onze medeburger, een rijk man, en had onder anderen een schoone bezitting in Camerata, waar hij een voornaam en fraai kasteel liet bouwen en overeen kwam met Bruno en Buffalmacco het geheel te beschilderen. Dezen, omdat het werk groot was, namen Nello en Calandrino mee en begonnen te arbeiden. Elke kamer was voorzien van een bed en van andere benoodigdheden en een oude meid bleef huisbewaarster, omdat er geen ander dienstpersoneel was. Een zoon van genoemden Niccolo, die Filippo heette, een ongehuwd jonkman, bracht er soms voor zijn plezier een vrouw heen, hield die er een of twee dagen en stuurde haar dan weg. Eens bracht hij er een mee, die Niccolosa heette, welke een treurig sujet, Mangione genaamd, in een huis te Camaldoli onderhield en uithuurde. Zij was mooi en goed gekleed en voor een vrouw van haar soort welgemanierd en aardig in den omgang. Toen zij eens op een middag uit de kamer was gegaan in een witten rok met de haren om het hoofd gerold en zich aan een put op de binnenplaats van het kasteel de handen en het gezicht waschte, kwam Calandrino daar water halen en groette haar vriendelijk. Zij keek hem aan meer, omdat hij haar een rare kerel scheen dan door een ander verlangen. Calandrino zag haar aan en daar zij hem mooi leek, zocht hij voorwendsels en ging met het water niet naar de metgezellen terug; maar omdat hij haar niet kende, durfde hij haar niets te zeggen. Zij, die dit gewaar werd, keek hem soms aan om hem voor den mal te houden en slaakte een paar zuchten. Daardoor ontvlamde Calandrino dadelijk en ging niet van de binnenplaats weg, voor zij door Filippo in de kamer werd geroepen.
Calandrino deed niets dan zuchten, wat Bruno bemerkte, omdat hij hem dikwijls op de handen keek en groot vermaak schepte in diens doen en laten en zeide: Wat duivel, mankeert jou, kameraad? Je doet niets dan zuchten. Hierop sprak Calandrino: Vriend, als ik iemand had, die mij zou helpen, zou ik het goed maken. Hoe? zeide Bruno. Calandrino hernam: Gij moet het aan niemand zeggen, er is hier een jong meisje schooner dan een fee, welke zoo verliefd op mij is, dat het u een bijzonder geval zou schijnen. Ik merkte het pas, toen ik water ging halen. Wee mij! hernam Bruno, pas op, dat het niet de vrouw is van Filippo. Calandrino ging voort: Dat geloof ik, omdat hij haar riep en zij naar hem toeging, maar wat wil dat zeggen? Ik zou in die dingen Christus bedriegen en niet slechts Filippo. Ik zal u de waarheid zeggen, vriend, zij bevalt mij onuitsprekelijk. Toen sprak Bruno: Vriend, ik zal je wel vertellen, wie zij is en als zij de vrouw is van Filippo, zal ik uw zaken in twee woorden in orde krijgen, omdat zij met mij zeer bevriend is. Maar hoe zullen wij maken, dat Buffalmacco het niet weet? Ik zal haar nooit kunnen spreken, zonder dat hij er bij is. Calandrino hervatte: Ik bekommer mij niet om Buffalmacco, maar laat ons op Nello passen, want hij is een verwant van mijn vrouw Tessa en zou voor ons alles bederven. Bruno sprak: Goed zoo. Bruno wist heel goed, wie zij was en bovendien had Filippo het hem verteld. Daarom, toen Calandrino een oogenblik het werk had verlaten en naar haar was gaan zien, vertelde Bruno alles aan Nello en aan Buffalmacco en zij regelden, wat zij hem om zijn verliefdheid zouden leveren. Toen hij terugkeerde, zeide Bruno zachtjes: Hebt gij haar gezien? Calandrino antwoordde: Wee mij, ja, zij doet mij sterven. Bruno hervatte: Ik wil gaan kijken om te zien of zij de bedoelde is en laat mij dan maar gaan. Daarop ging Bruno in den hof en vond daar Filippo en haar en vertelde hun, wat Calandrino gezegd had, en regelde ook met hen, wat zij moesten doen en zeggen om pret te hebben.
En tot Calandrino teruggekeerd sprak hij: Zij is het en wij moeten dit zeer slim aanleggen, omdat, als Filippo het merkt, al het water van den Arno het niet kan afwasschen. Maar wat wilt gij, dat ik haar van uw kant zeg, als ik haar toevallig spreek? Calandrino antwoordde: Wel gij moet haar voor alles zeggen, dat ik haar van mij duizendmaal zwanger wensch en ik haar dienaar ben! Bruno zeide: Ja, laat mij maar gaan. Toen het uur van het avondmaal kwam en zij het werk hadden neergelegd, naar de binnenplaats afdaalden en Filippo en Niccolosa daar waren, bleven zij daar eenigen tijd. Daar begon Calandrino Niccolosa te beschouwen en haar zoo verstaanbare lonken toe te werpen, dat een blinde het moest merken. Zij van haar kant deed alles, wat zij moest om hem goed te ontvlammen en volgens de voorlichting, die zij van Bruno had gehad, nam zij de beste gelegenheid waar, terwijl Filippo met Buffalmacco en de anderen deden of zij praatten en er niets van merkten. Maar toch na eenigen tijd gingen zij heen tot grooten spijt van Calandrino en terwijl ze zich naar Florence begaven, zeide Bruno tot Calandrino: Ik zeg u, dat gij haar smelt als het ijs voor de zon, bij het Lichaam van Christus; als gij uw guitaar hier haalt en een beetje met haar uw liefdeliederen zingt, zult gij haar door de ramen doen springen. Calandrino zeide: Zou je denken, dat ik die moet halen? Ja, antwoordde Bruno. Hierop sprak Calandrino: Gij geloofde mij heden niet, toen ik het u zeide: Zeker, vriend, ik weet beter dan ieder ander man dat te doen, wat ik wil. Wie zou anders dan ik zoo spoedig zulk een donna verliefd hebben kunnen maken? Werkelijk, dat hadden die soort jongelieden, die alles rondbazuinen, niet kunnen gedaan krijgen, die den geheelen dag overal heen gaan en in duizend jaar nog niets winnen. Nu, ik wil, dat gij mij een weinig met mijn ribeba (mandoline) zult zien; gij zult mooi spelen hooren. Weet wel, dat ik niet zoo oud ben, als ik schijn; zij heeft dat wel gemerkt. Maar ik zal het haar doen merken, wanneer ik haar aan den scheepshaak sla; bij het ware Lichaam van God, ik zal haar voorspelen, dat zij mij naloopt als een gekkin haar kind. O zeide Bruno, gij zult haar besnuffelen als de zwijnen en het schijnt mij al, dat ik u haar rooden mond zie bijten met uw tanden als guitaarhoutjes [187] en haar wangen, die twee rozen schijnen en haar heelemaal opeten.
Calandrino, welke deze woorden hoorde, scheen er al mee bezig te zijn en liep zoo vroolijk te zingen en te dansen, dat hij uit zijn vel leek te springen. Toen hij den volgenden dag de ribeba haalde, zong hij tot groot vermaak van het heele gezelschap met haar verscheidene liederen. In korten tijd begon hij zoo naar haar te verlangen, dat hij bijna bijna niet meer werkte, maar duizend keer per dag naar het raam, de deur en op de binnenplaats liep om haar te zien. Zij ging handig volgens de voorschriften van Bruno te werk en gaf hem zeer dikwijls aanleiding. Bruno zelf gaf hem antwoord op zijn boodschappen en voor haar deed hij het ook menigmaal. Wanneer zij niet op het kasteel was, wat meestentijds gebeurde, zond zij hem brieven, waarin zij hem groote hoop gaf voor zijn verlangens en verklaarde, dat zij bij haar ouders was, waar hij haar toen niet kon vinden.
Op die manier hadden Bruno en Buffalmacca het grootste plezier en lieten zich, alsof het door zijn donna gevraagd werd, nu eens een ivoren kam en dan weer een beurs of een mesje en meer zulke snuisterijen schenken en gaven hem in ruil daarvoor valsche juweelen, waar Calandrino zeer blij mee was. Bovendien haalden zij er bij hem goede gastmalen en andere voordeelen uit, daar zij op zijn belangen letten. Nadat zij hem wel twee maanden op die wijze hadden bezig gehouden zonder er iets voor te hebben gedaan en Calandrino zag, dat het werk ten einde liep en meende, dat, als hij niet tot een resultaat kwam, zijn liefde zou eindigen, voor zijn taak was afgeloopen, begon hij Bruno aan te zetten. Daarom zeide Bruno tot Calandrino, toen het meisje eens was teruggekomen en hij eerst met Filippo en haar had afgesproken, wat er gedaan moest worden: Kijk, vriend, die donna heeft mij wel duizend maal beloofd te zullen doen, wat gij wilt en ten slotte doet zij niets en het schijnt mij, dat zij u bij den neus leidt en daarom zullen wij er haar toe nopen, of zij wil of niet. Calandrino antwoordde: Ja, om Gods wil, laten wij dit gauw doen. Bruno hernam: Zou Hij u dan moed geven haar met een schriftelijken talisman aan te raken, dien ik u zal geven? Calandrino ging voort: Goed. Dan, zei Bruno, laat mij dan een perkament brengen uit vel van een ongeboren kalf en een levende vleermuis en drie korrels wierook en een heilige kaars en laat mij gaan.
Calandrino bracht den ganschen avond door met zijn jachtwerktuigen om een vleermuis te vangen en toen hij er eindelijk een had, bracht hij die met de andere benoodigdheden naar Bruno. Deze, die zich in een kamer had begeven, schreef op dat perkament een paar dwaasheden van hem met wat tooverletters, bracht ze hem en zeide: Calandrino, gij moet haar met dit geschrift aanraken; zij zal u dadelijk volgen en doen wat gij wilt. En om kort te gaan, als Filippo heden ergens heen gaat, spreek haar toe, raak haar aan en ga in de schuur hiernaast, die de beste plaats is, omdat er nooit iemand komt. Gij zult zien, dat zij u zal volgen. Wanneer zij er is, weet gij wel, wat gij te doen hebt. Calandrino was zeer gelukkig en na het formulier te hebben opgenomen, zeide hij: Kameraad, laat mij gaan. Nello, voor welken Calandrino zich in acht nam, vermaakte zich hiermee ook en ging er mee voort hem voor den mal te houden en daarom gelijk Bruno hem gelast had, ging hij naar Florence naar de vrouw van Calandrino en zeide haar: Tessa, gij weet hoeveel slagen Calandrino u gaf zonder reden op den dag, dat hij met de steenen uit den Mugnone thuis kwam en daarom wensch ik, dat gij dit wreekt en als gij het niet doet, zult gij mij niet meer tot familie hebben noch tot vriend. Hij is daar ginds verliefd geworden op een donna en zij is zóó gemeen, dat zij zich dikwijls genoeg met hem opsluit. Niet lang geleden hadden zij een afspraak. Daarom wil ik, dat gij er heengaat en hem betrappen zult en kastijden. Toen de donna dit hoorde, scheen haar dit geen grapje, maar zij zeide: Wee mij, beruchte dief, doe jij mij dat? Bij het kruis van God, dat zal zoo niet gebeuren.
Na haar mantel te hebben aangedaan en met een vrouw in gezelschap, ging zij er snel met Nello heen. Toen Bruno haar van verre zag aankomen, zeide hij tot Filippo: Kijk, onze vriend. Filippo ging naar de plaats, waar Calandrino en de anderen werkten en sprak: Maestri, ik moet nu naar Florence gaan, werk hard door. En toen hij uit de kamer was gegaan, verborg hij zich om te zien, wat Calandrino zou doen. Calandrino, daar hij geloofde, dat Filippo zich verwijderd had, daalde dadelijk op de binnenplaats af, waar hij Niccolosa alleen vond en na haar te zijn genaderd, bewees hij haar wat meer vriendschap dan gewoonlijk. Daarop raakte Calandrino haar aan met het formulier en richtte zich zonder meer naar de schuur, waarheen Niccolosa hem volgde. Toen de deur was gesloten, omarmde zij Calandrino en wierp hem op het stroo, dat daar op den grond lag, sprong hem als te paard op den rug en legde hem de handen op de schouders zonder hem haar gelaat te doen naderen, keek hem aan als met groot verlangen en sprak: O mijn zoete Calandrino, hart van mijn lijf, mijn ziel, mijn schat, mijn rust, hoelang heb ik u begeerd! Gij hebt mij met uw bekoring smoorlijk verliefd gemaakt; gij hebt mij met uw ribeba het hart gestreeld Zou het mogelijk kunnen zijn, dat ik u krijg? Calandrino, die zich nauwelijks kon bewegen, zeide: Och, mijn lieve ziel, laat mij u kussen. Niccolosa sprak: O, gij hebt groote haast, laat mij mijn oogen verzadigen aan uw zoet gelaat.
Bruno en Buffalmacco waren naar Filippo gegaan en alle drie zagen en hoorden dit. En reeds wilde Calandrino Niccolosa kussen, toen daar Nello met monna Tessa aan kwam zetten, die zeide; Ik doe een belofte aan God, als ze niet samen zijn. Bij de deur van de schuur gekomen stiet de donna, die woedend was, er met de handen tegen en binnengetreden zag zij Niccolosa te paard op Calandrino zitten. Deze, zoodra zij de donna zag, stond op, vluchtte weg en ging daarheen, waar Filippo was. Monna Tessa vloog met de nagels aan het gelaat naar Calandrino, die nog niet opgestaan was, krabde hem overal en na hem bij de haren te hebben gerukt en hem heen en weer te hebben getrokken, zeide zij: Jou leelijke, gemeene hond. Waarom doe jij me dat? Oude gek, vervloekt zij het goed, dat ik je heb willen doen. Schijnt het je soms, dat je thuis niet genoeg hebt te doen, dat je op anderen verliefd wordt? Een mooie minnaar ben je me! Ken jij je zelf dan niet, stakker? Ken je je dan niet, dwaas, die je bent? Want als je je geheel zoudt uitpersen, zou er nog geen vocht genoeg uitkomen om er een saus van te maken. Bij het geloof in God, het was Tessa niet, die jou zwanger maakte; dat God haar straffe, wie het ook zij, want zij moet wel niet veel bijzonders wezen, die verliefd is op zulk een fijn juweel, als jij bent. Calandrino, die zijn vrouw zag komen, stond verstomd, en had den moed niet zich eenigzins tegen haar te verdedigen, maar geheel bekrabd, geplukt en geslagen, raapte hij zijn hoed op, stond op en begon zijn vrouw nederig te smeeken, dat zij niet zou schreeuwen, als zij niet wilde, dat hij heelemaal aan stukken zou worden gescheurd, omdat die vrouw, die bij hem was, van den heer van het kasteel hoorde. De donna sprak: Best. Dat God hem een treurig jaar geve. Bruno en Buffalmacco, die met Filippo en Niccolosa over die ontmoeting zich slap hadden gelachen, deden of ze op het spektakel afgingen en na met veel praatjes de donna tot rust te hebben gebracht, gaven zij aan Calandrino den raad naar Florence te gaan en niet meer terug te keeren, opdat Filippo, indien hij er iets van zou merken, hem geen kwaad zou doen. Zoo keerde Calandrino treurig en heelemaal geplukt en gekrabd naar Florence terug en had geen moed meer daarheen terug te komen, dag en nacht gekweld en gehinderd door de verwijten van zijn vrouw en maakte een einde aan zijn brandende liefde, nadat hij zijn metgezellen, Niccolosa en Filippo, veel had laten lachen.
ZESDE VERTELLING.
Twee jongelieden slapen bij een waard, waarvan de een bij de dochter gaat liggen en de vrouw van deze per ongeluk bij den ander in bed komt. Hij, die met de dochter is, gaat daarna naast den vader in bed en vertelt hem alles in de meening dit aan zijn metgezel toe te vertrouwen. Zij maken te zamen kabaal. De vrouw, die het gewaar wordt, gaat in het bed bij haar dochter en dan maakt zij met een paar woorden alles weer goed.
Calandrino, die meermalen het gezelschap had doen lachen, deed het ook ditmaal weer. Toen daarna de donna’s over zijn daden zwegen, gelastte de koningin, dat Panfilo zou voortgaan, die sprak: Lofwaardige donna’s. De naam van Niccolosa, door Calandrino bemind, heeft mij de geschiedenis van een andere Niccolosa in het geheugen geroepen, welke ik wil vertellen, omdat gij in deze zult zien, dat een plotselinge inval van een goede vrouw een groot schandaal voorkwam.
In de vlakte van de Mugnone was niet lang geleden een goed man, die voor hun geld aan reizigers te eten en te drinken gaf en daar hij arm was en een klein huis bezat, herbergde hij soms uit grooten nood niet iedereen maar wel bekenden. Deze had een zeer schoone vrouw, van wien hij twee kinderen had. De een was een schoon en lief jong meisje van vijftien of zestien jaar, die nog geen man had; de ander was een kleine knaap, nog geen jaar oud, dien de moeder zelf zoogde. Tot het jonge meisje had een knappe, aardige en adellijke jonkman van onze stad de oogen opgeslagen, die dikwijls door de straat kwam en haar vurig beminde. En zij, die er zich veel op beroemde door zulk een jonkman bemind te worden en die haar best deed hem door opvallende vriendelijkheden te boeien, werd ook op hem verliefd en meermalen zou door den wil van beide partijen die liefde gevolg hebben gehad, als Pinuccio (zoo heette de jonkman) niet de schande van het meisje en de zijne had willen ontwijken. Maar toch daar hun hartstocht van dag tot dag vermeerderde, kwam de begeerte bij Pinuccio op om toch met haar samen te zijn en het kwam hem in de gedachte een middel te vinden bij den vader zijn intrek te nemen, meenende, daar hij den bouw van haar huis wist, dat, indien hij dit deed, hij er toe kon komen met haar samen te zijn, zonder dat iemand het merkte. Hij bracht het zonder verwijl ten uitvoer. Met een vertrouwden metgezel, Adriano, die bekend was met deze liefde, nam hij twee huurpaarden en plaatste daarop twee valiezen vol stroo en zij gingen ’s avonds uit Florence. Na een omweg te hebben gemaakt kwamen zij, toen het al nacht was, op de vlakte van de Mugnone, en vandaar, alsof zij uit Romagna terugkeerden, gingen zij naar het huis en klopten bij den goeden man aan. Deze was gastvrij en opende haastig de deur. Pinuccio sprak tot hem: Gij moet ons dezen nacht herbergen; wij geloofden Florence te bereiken maar konden dit niet, zoodat wij op dit uur hier zijn gekomen. Hierop antwoordde de waard: Pinnaccio, gij weet wel, hoe moeilijk ik een man kan herbergen, maar omdat het geen tijd meer is elders heen te gaan, zal ik u naar mijn vermogen huisvesten.
De jongelieden stalden hun paarden, traden de herberg binnen, haalden hun avondeten voor den dag en aten met den waard te samen. De waard had niets dan een klein kamertje en had daarin, zoo goed hij kon, de kleine bedden gezet en daardoor was er weinig ruimte gebleven, daar twee bedden aan een zijde van de kamer geplaatst waren en zoo kon men niet anders dan moeilijk er tusschen door gaan. De waard liet het minst slechte der drie bedden voor de beide metgezellen gereed maken en liet hen ter ruste gaan. Toen zij na eenigen tijd veinsden te slapen, liet de waard in een van de twee bedden de dochter liggen en hij ging zelf in het andere met zijn vrouw, die naast het bed de wieg plaatste, waarin haar zoontje lag. Toen Pinuccio alles gezien had en meende, dat zij alle sliepen, stond hij op en begaf zich naar het bed, waarin het door hem beminde meisje lag en ging naast haar liggen. Hij werd door haar hoewel zij het angstig deed, blijde ontvangen en bleef en genoot, zooals zij verlangden. Terwijl Pinuccio bij het meisje was, liet een kat iets vallen, wat de vrouw des huizes, die wakker was geworden, merkte. Daarom vreezend dat er iets was, stond zij in het donker op en ging daarheen, waar zij het geluid had gehoord. Adriano moest toevallig opstaan voor een natuurlijke behoefte. Hij voelde de wieg en daar hij er niet langs kon zonder die op te heffen, nam hij die op en zette die naast het bed, waar hij zelf sliep. Toen hij voldaan had aan datgene, waarvoor hij was opgestaan, ging hij zonder zich om de wieg te bekommeren in bed. De donna, die gezocht had en bevond, dat er niet was, wat zij vreesde, dacht er aan een licht aan te steken, maar na tegen de kat gescholden te hebben keerde zij in het kamertje terug en op den tast ging zij recht op het bed af, waarin haar man sliep. Maar daar zij de wieg niet vond, zeide zij tot zich zelve: Wee mij, ongelukkige, zie wat ik deed! Ik ging recht in het bed van mijn gasten. Na de wieg te hebben gevonden ging zij in dat bed, waar die nu naast stond en legde zich naast Adriano neer. Adriano, die nog niet was ingeslapen, ontving haar goed en vriendelijk en deed zonder verder te spreken meer dan eens zijn plicht tot genoegen van de donna.
Pinuccio vreesde, dat de slaap hem zou overvallen na het genoegen, dat hij had gesmaakt. Hij stond naast haar op en keerde naar zijn bed terug. Daar gekomen en de wieg vindend, dacht hij, dat dit het bed van den waard was. Een weinig verder gaande, legde hij zich naast den waard, die door de komst van Pinuccio ontwaakte. Pinuccio, die waande, dat hij aan de zijde van Adriano lag, zeide: Ik zeg u, dat er niets heerlijker was dan Niccolosa; ik heb er het grootste genoegen van gehad, dat ooit een man met een vrouw kende en ik zeg u, dat ik meer dan zes mijlen heb afgelegd, voordat ik ben heengegaan. De waard, die de praatjes hoorde en wien dit niet erg beviel, zeide eerst tot zich zelf: Wat duivel, doet die hier? Daarna, meer geprikkeld dan voorzichtig, zeide hij: Pinuccio, gij hebt een groote laagheid gedaan en ik begrijp niet, waarom gij mij dat doet. Maar bij het Lichaam van God, ik zal het je betalen. Pinuccio, die niet zeer slim was en zijn dwaling niet bemerkte, beproefde zich niet te herstellen, maar zeide: Zeg, hoe zal ik het u vergoeden? Wat kunt gij mij doen? De vrouw van den waard sprak tot Adriano: Wee mij! Hoor de gasten, waarover hebben die samen woorden? Adriano sprak lachend: Laat gaan, dat God hun een slecht jaar geve; zij dronken gisteravond te veel. De donna, wien het scheen, dat zij haar man hoorde knorren, bemerkte opeens, waar zij was en met wien. Daarom als slimme vrouw, zonder een woord spreken, stond zij dadelijk op en na de wieg van haar zoontje te hebben opgenomen, droeg zij die met overleg naast het bed, waar hun dochter sliep en ging naast deze liggen. Daarna doende of zij ontwaakt was, vroeg zij hem, wat hij met Pinuccio sprak. De echtgenoot antwoordde: Hoort gij niet, dat hij vertelt, wat hij vannacht bij Niccolosa gedaan heeft? De donna sprak: Hij liegt als een ketter. Hij heeft niet bij Niccolosa geslapen, want ik legde mij naast haar en vanaf dat oogenblik heb ik niet geslapen en als gij het gelooft, zijt gij een beest. Gij drinkt ’s avonds zooveel, dat gij ’s nachts droomend hier of daar heengaat, en het schijnt u dan, dat gij wonderen doet. Het is jammer, dat gij den hals niet breekt, maar wat doet Pinuccio daar? Waarom is hij niet in zijn bed? Van den anderen kant zeide Adriano, die zag, dat de donna slim haar schande en die van haar dochter verborg: Pinuccio, ik heb het je honderd keer gezegd niet buitenshuis te gaan, want het gebrek van u in den droom op te staan en verzinsels als waar te vertellen, zullen u nog eens leelijk ongeluk bezorgen. Kom hier terug, dat God u een slechten nacht geve. De waard, die dit hoorde begon al te licht te gelooven, dat Pinuccio gedroomd had. Daarom hem bij den schouder vattend, en heen en weer schuddend riep hij: Pinuccio, sta op; ga terug naar uw bed. Pinuccio, die vernomen had, wat er gezegd was, begon als iemand, die droomde in andere fantasiën te vervallen, waarom de waard ten zeerste lachte. Toen hij zich hoe langer hoe meer voelde schudden, deed hij of hij ontwaakte en Adriano roepend, zeide hij: Is het al dag, dat gij mij roept? Adriano sprak: Ja, kom hierheen. Deze nog altijd veinzend zeer slaperig te zijn, stond op en ging te bed met Adriano. Toen het dag werd en hij was opgestaan, ging de waard met hem spotten. Zoo pratende maakten de beide jongelingen hun paarden gereed, en laadden hun valiezen op; na met den waard te hebben gedronken en te zijn opgestegen kwamen zij te Florence, Tevreden over de wijze, waarop de zaak had plaats gehad, over het gevolg en na opnieuw maatregelen te hebben genomen, kwam Pinuccio weer met Niccolosa te samen, die haar moeder had verzekerd, dat hij bepaald had gedroomd. Daarom zeide de donna, zich de omhelzingen van Adriano herinnerend, dat zij alleen had gewaakt.
ZEVENDE VERTELLING.
Talano van Molese droomt, dat een wolf de keel en het gelaat van zijn vrouw geheel verscheurt; hij zegt, dat zij op moet passen, zij doet het niet waarop het gebeurt.
Toen de geschiedenis van Pamfilo geëindigd was en de slimheid van de donna door allen was geprezen, zeide de koningin tot Pamfilo, dat zij de hare moest aanvangen, die aldus begon: Bekoorlijke donna’s. Vroeger is er reeds gesproken over de gebleken juistheid van droomen, waarover velen spotten. Hoewel er over gesproken is, zal ik niet nalaten er u een te vertellen, die zeer kort is, welke nog niet lang geleden een mijner buurvrouwen overkwam, omdat zij een droom, die haar man had, niet wilde gelooven.
Ik weet niet of gij hier Talano di Molese kent, een zeer eerbaar man. Deze had een meisje, Margarita genaamd, schoon boven alle anderen tot vrouw, maar meer dan elk was zij grillig, onaangenaam en zoo kregel, dat zij nooit iets naar het oordeel van anderen wilde doen, en hoe moeilijk dit ook voor Talano was te verduren, duldde hij dit, omdat het zoo moest. Op een nacht, toen Talano met zijn Margarita op een zijner landgoederen sliep, zag hij in een droom zijn vrouw door een zeer schoon bosch gaan, dat zij niet ver van hun huis hadden. Er kwam aan een kant een groote en wreede wolf te voorschijn, die snel haar naar de keel vloog en haar op den grond trok. Zij schreeuwde om hulp en trachtte zich aan hem te onttrekken. Toen zij uit zijn muil kwam, was haar gansche keel en gelaat verminkt. Toen hij den volgenden morgen opstond, zeide hij tot de vrouw: Vrouw, hoewel uw kregel karakter mij nooit heeft veroorloofd een goeden dag met u door te brengen, zou ik toch treurig zijn, wanneer u kwaad overkwam en daarom, indien gij naar mijn raad wilt luisteren, ga heden niet uit huis. Toen zij hem vroeg waarom, vertelde hij zijn droom. De donna, die het hoofd schudde, zeide: Wie u kwaad wil, droomt kwaad van u. Gij bekommert u zeer om mij, maar gij droomt van mij, wat gij wenscht en daarom zal ik er steeds voor oppassen u het genoegen te geven met dit of ander onheil. Daarop hernam Talano: Ik wist wel, dat gij zoo zoudt spreken, want wie iemand met hoofdzeer kamt, krijgt er geen dank voor, maar ik voor mij zeg u, dat om uw bestwil en nogmaals raad ik het u aan, dat gij vandaag thuis blijft of tenminste niet in ons bosch te gaan.
De donna sprak: Goed, ik zal het doen. En toen zeide zij in zich zelf: Hebt gij gezien hoe hij boosaardig gelooft mij bang te maken, als ik vandaag naar het bosch ga? Hij heeft daar zeker een slechte vrouw ontboden en wil niet, dat ik hem er vind. O, hij zou goed blinden kunnen misleiden en ik zou wel dwaas zijn, als ik het geloofde. Maar hij zal het niet gedaan krijgen. Ik ga toch kijken, al moest ik er den ganschen dag waken om te zien welken koop hij heden wil sluiten.
Toen de man aan den eenen kant het huis verliet, ging zij er aan den anderen kant uit en heimelijk ging zij dadelijk naar het dichtste gedeelte van het bosch, verborg zich en bleef opletten.
Terwijl zij wachtte zonder aan den wolf te denken, komt daar zoo’n groot en vreeselijk dier vlak bij haar uit dicht struikgewas en zij kon ternauwernood: God, help mij! roepen, toen de wolf haar al naar de keel was gevlogen. Na haar stevig te hebben beetgepakt droeg hij haar weg, of zij een lammetje was. Zij kon zich niet verweren noch schreeuwen, zoo was haar keel toegeklemd en terwijl de wolf haar droeg, had die haar zeker geworgd, als niet een paar herders hem door hun kreten hadden gedwongen haar los te laten. Ellendig en ontdaan werd zij door de herders herkend en naar huis gedragen en na langdurige zorg door de doktoren genezen. Haar keel en een deel van haar gelaat waren zoo verminkt, dat zij steeds misvormd bleef en leelijk. Daarna schaamde zij zich te verschijnen, waar zij vroeger gezien was en beklaagde zich dikwijls over haar nukkigheid en onwil, hoewel het haar niets zou gekost hebben geloof te hechten aan den droom van haar man.
ACHTSTE VERTELLING.
Biondello drijft den spot met Ciacco door een middagmaal, waarover Ciacco zich listig wreekt door hem, een schandelijk pak slaag te geven.
Iedereen in het vroolijk gezelschap zeide, dat, wat Talano gezien had, in den slaap geen fantasie was geweest, maar een visioen, zóó was het uitgekomen. Maar toen iedereen zweeg, beval de koningin, dat Lauretta zou volgen, die sprak: Zeer wijze donna’s. Gelijk zij, die voor mij hebben gesproken, allen zijn begonnen te praten over een reeds behandelde zaak, zoo beweegt mij de geduchte wraak gisteren door Pampinea verteld, welke de student uitoefende, er een te verhalen, die pijnlijk genoeg was, hoewel niet zoo wreed. En daarom wil ik U het volgende vertellen.
Er bevond zich te Florence iemand, die door allen Ciacco werd genoemd, de vraatzuchtigste man, die er ooit bestond. Daar hij de verteringen niet kon maken, die zijn gulzigheid vereischte en hij toch welgemanierd was en goed en geestig wist te antwoorden, deed hij zijn best in ’t geheel geen hoveling te zijn maar een tafelschuimer en bezocht hen, die rijk waren en die lekker aten. Bij hen ging hij dikwijls middag- en avondmalen, hoewel hij er nooit toe werd uitgenoodigd. Gelijktijdig leefde er iemand in Florence, die Biondello heette, klein van stuk, zeer keurig van kleeding en en schitterender dan een mot met zijn kapsel op het hoofd, zijn blonde dos, waarvan het eene haar niet langer was dan het ander, die hetzelfde vak als Ciacco (het zwijn) uitoefende. Toen hij op een morgen van de vasten zich daarheen had begeven, waar men de visch verkoopt en er twee zeer groote lampreien kocht voor messer Vieri de’ Cerchi, werd hij door Ciacco opgemerkt. Hij naderde Biondello en zeide: Wat beteekent dit? Biondello antwoordde hem: Men heeft er gisteren drie anderen gestuurd nog veel mooier dan dezen en een steur naar messer Corso Donati, die, daar zij niet voldoende waren om een paar edellieden te verzadigen, mij die twee anderen liet koopen. Zult gij er niet heengaan? Ciacco antwoordde, dat hij er komen zou. Toen het hem tijd scheen, begaf hij zich naar messer Corso en vond hem daar met enkelen van zijn buren, die nog niet waren gaan middagmalen. Hij antwoordde hun, toen deze hem vroeg, wat hij kwam doen: Mijnheer, ik kom met U en Uw gezelschap middagmalen. Messer Corso antwoordde hem: Gij zijt welkom en laat ons beginnen. Toen zij aan tafel zaten, aten zij eerst grauwe erwten en gezouten tonijn en gebakken visch uit den Arno. Ciacco, die het bedrog van Biondello bemerkt had en in stilte boos was, nam zich voor het hem te betalen. Kort daarop ontmoette hij hem, die reeds velen over den grap had doen lachen. Biondello, die hem zag, ontmoette hem en vroeg hem lachend, hoe de lampreien van messer Corso gesmaakt hadden, waarop Ciacco antwoordde: Voor acht dagen verstreken zijn, zult gij het mij nog veel beter weten te vertellen. En zonder het plan uit te stellen nam hij van Biondello afscheid, kwam met een slim makelaar den prijs overeen en na dien een glazen flesch te hebben gegeven, leidde hij hem in de buurt van de galerij der Cavicciuoli en wees hem daarin een ridder, messer Filippo Argenti, een groot, krachtig en sterk man, trotscher, driftiger en nukkiger dan wie ook en zeide tot hem: Gij zult naar dezen toegaan met die flesch in de hand en hem dit zeggen: Messer Biondello zendt mij tot U om U te verzoeken zoo goed te zijn die robijnkleur te geven met uw goeden rooden wijn, omdat hij zich wat met zijn vrienden vermaken wil, maar pas op, dat Argenti U niet bij de kladden neemt, want hij zou U een kwaden dag bezorgen en gij zoudt mijn plannen er mee bederven. De makelaar sprak: Hebt u nog iets anders te zeggen? Ciacco zeide: Neen, ga maar. En als gij dit zult gezegd hebben, kom dan hier terug bij mij met de flesch en ik zal U betalen. Toen de makelaar was heengegaan, deed hij de boodschap aan messer Filippo. Messer Filippo, die weinig hersens had en meende, dat Biondello, dien hij kende, hem voor den gek wilde houden, sprak met ontvlamd gelaat: Wat maakt gij robijnrood en welke vrienden zijn dat? Dat God U en hem een slecht jaar zal geven! Hij stond op en stak den arm uit om den makelaar beet te pakken, maar deze nam de vlucht en ging langs een anderen weg naar Ciacco, die alles had gezien en zeide hem, wat messer Filippo had geantwoord. Ciacco betaalde tevreden den makelaar en rustte niet, eer hij Biondello had gevonden, tot wien hij zeide: Zijt gij een dezer dagen niet in de galerij der Cavicciuoli geweest? Biondello antwoordde: Wel neen, waarom vraagt gij mij dit? Ciacco zeide: Omdat messer Filippo U laat zoeken; ik weet niet, wat hij wil. Toen sprak Biondello: Goed, ik zal hem spreken.
Toen Biondello was weggegaan, ging Ciacco hem achterna om te zien, hoe dat zou afloopen. Messer Filippo, die den makelaar niet had kunnen krijgen, verging in zich zelf van toorn en kon uit de woorden van den makelaar niets anders halen dan, dat Biondello op aandrang van wien dan ook, hem voor den mal hield. Terwijl hij zoo kwaad was, kwam Biondello nader; zoodra hij dien zag, ging hij hem tegemoet en gaf hem een hevigen vuistslag in het gelaat. Wee mij, messer, zeide Biondel, wat is dat? Messer Filippo nam hem bij de haren, trok hem de kap van hoofd en na zijn mantel ter aarde hebben geworpen en hem stevig te hebben geranseld zeide hij: Verrader! Gij zult ondervinden, wat dat: geeft U hem robijnkleur en die vrienden zijn, die gij zendt om dat te zeggen! Meent gij, dat ik een kind ben? En hij beukte hem op het gezicht met ijzeren vuisten, liet hem geen haar meer op zijn hoofd en na hem door den modder te hebben gesleurd, verscheurde hij al zijn kleeren. Hij deed dit met zooveel kracht, dat Biondello geen woord kon spreken. Hij had wel iets gehoord van geeft U hem robijnkleur en van vrienden, maar hij wist niet, wat dat beteekende. Ten slotte nadat messer Filippo hem leelijk had geslagen en er veel menschen om heen kwamen, trokken die hem met de grootste moeite verminkt en verbijsterd uit zijn handen.
Zij zeiden hem, waarom messer Filippo dat had gedaan en laakten hem om wat hij gezegd had en beweerden, dat messer Filippo geen man was om mee te spotten.
Biondello verontschuldigde zich klagend en zeide, dat hij messer Filippo nooit om wijn had gevraagd. Toen hij een beetje hersteld was, ging hij verslagen naar huis in de meening, dat dit het werk was van Ciacco. En toen na eenige dagen de schrammen op zijn gezicht verdwenen waren, ging hij weer uit en vond hij Ciacco, die hem lachend vroeg: Biondello, hoe lijkt U de wijn van messer Filippo? Biondello antwoordde: Hadden de lampreien van messer Corso U maar zoo bevallen. Toen sprak Ciacco: Het hangt voortaan van U af, dat, wanneer gij mij zoo wilt te eten geven, ik ook U zóó te drinken geef.
Biondello, die wist, dat hij bij Ciacco meer kwaad dan goed kon opdoen, bad God, dat die hem met vrede zou laten en paste voortaan op hem niet meer voor den mal te houden.
NEGENDE VERTELLING.
Twee jongelieden vragen raad aan Salomo, de een: hoe hij bemind kan worden, de ander: hoe hij zijn weerspannige vrouw kan verbeteren. Aan den een antwoordt hij lief te hebben, aan den ander naar de Ganzenbrug te gaan.
Er bleef voor niemand te vertellen over dan de koningin, want zij wilde het voorrecht voor Dioneo behouden, en zij begon, toen de donna’s genoeg hadden gelachen om den ongelukkigen Biondello, vroolijk aldus: Beminnelijke donna’s. Als men met een goeden geest de orde der dingen beschouwt, zal men gemakkelijk zien, hoe de meerderheid der vrouwen door de natuur en de gewoonten en de wetten onderworpen is aan de mannen en dat zij zich moeten regelen en gedragen naar hun besluiten. En om rust, troost en vrede te hebben met een man moet zij nederig, geduldig en gehoorzaam zijn en zeker eerbaar wezen, wat de hoogste schat is van elke verstandige vrouw. En wanneer de wetten, die het algemeen belang op het oog hebben, het ons niet leerden, de gewoonten en de gebruiken, wier krachten groot en eerbiedwaardig zijn, zou de natuur het ons duidelijk bewijzen; zij schiep ons met fijne en broze lichamen, met verlegen en schuchtere zielen, maakte onze lichaamskrachten gering, onze stemmen bekoorlijk en onze bewegingen bevallig. Dit bewijst duidelijk, dat wij door anderen geregeerd moeten worden. En wie daaraan behoefte heeft, moet gehoorzaam en eerbiedig zijn jegens zijn meester. Wie hebben wij anders tot heeren en helpers dan de mannen? Dus moeten wij ze vereeren en ons onderwerpen. Wie van dien regel afwijkt, acht ik een ernstige berisping waard en een harde kastijding. Tot deze beschouwing voert mij, wat Pampinea van de weerspannige vrouw van Talano verhaalde, aan welke God die kastijding zond, die haar man haar niet kon geven en daarom acht ik allen een strenge en harde straf waard, die er van afwijken bekoorlijk, welwillend en onderworpen te zijn.
Het behaagt mij U een oordeel van Salomo te vertellen als een goed middel om hen te genezen, die met deze kwaal behept zijn. Geen goede vrouw behoeft te denken, dat het voor haar is gezegd, hoewel de mannen dit spreekwoord gebruiken: een goed en een slecht paard heeft de sporen noodig, een goede en een slechte vrouw den stok. Wie in scherts deze woorden wilde uitleggen, geeft men licht toe, dat ze waar zijn. Wie ze ernstig zou willen opvatten, zeg ik, dat ze moet erkennen. Alle vrouwen zijn van nature bewegelijk en buigzaam en daarom is het noodig, dat men ze met den stok straft. Wie te veel buiten de termen gaan verdienen er straf mee en opdat de deugd van de goeden versterkt wordt, moet de stok ze steunen en bang maken. Maar ik zal nu het preeken ter zijde laten om te komen tot, wat ik wil zeggen.
Door de geheele oude wereld was de roem van de wonderbaarlijke wijsheid van Salomo al verbreid en de mildheid, waarmee hij ieder de bewijzen er van gaf, die dit met zekerheid wilde weten. Velen van verschillende deelen der aarde kwamen bij hem voor hun moeilijkste en neteligste zaken om raad en onder anderen vertrok daartoe een zeer rijk en adellijk jongeling, Melisso uit de stad Lajazzo. Terwijl hij te paard naar Jeruzalem toog, verliet een ander jonkman Jozef Antiochië langs denzelfden weg. Gelijk het de gewoonte der reizigers is, knoopte hij met hem een gesprek aan. Nadat Melisso van Jozef zijn toestand had vernomen en vanwaar hij was, vroeg hij hem, waar hij heenging en waarom, en Jozef antwoordde, dat hij naar Salomo ging om hem raad te vragen over zijn echtgenoote, die meer dan eenige andere vrouw weerspannig en boosaardig was en die hij noch met gebeden noch met liefkoozingen noch hoe ook van haar onwil kon afbrengen. Daarna vroeg hij ook hem, vanwaar hij was en waar hij heenging en waarom, waarop Melisso antwoordde: Ik ben van Lajazzo en zoo’n ongeluk heb ik ook. Ik ben een rijk jonkman en ik verteer mijn bezit door mijn medeburgers aan tafel te noodigen en te ontvangen en het is zonderling te moeten denken, dat ik toch geen mensch vind, die mij goed wil doen en daarom ga ik mij raad schaffen om bemind te worden. Aldus reisden zij te samen en in Jeruzalem gekomen werden zij door een der baronnen [188] van Salomo voor den koning geleid. Melisso verklaarde zijn toestand. Hem antwoordde Salomo: Heb lief. En toen dit gezegd was, werd Melisso dadelijk buiten gebracht en Jozef zeide, waarom hij gekomen was. Hierop antwoordde Salomo niets anders dan: Ga naar de Ganzenbrug. Na die woorden werd Jozef eveneens zonder verwijl uit de tegenwoordigheid des konings geleid en vond Melisso terug en zeide hem, welk antwoord hij kreeg. Toen zij de bedoeling noch het voordeel er van konden begrijpen, gingen zij, of ze misleid waren, terug. Nadat zij eenige dagen voortgetrokken waren, kwamen zij bij een rivier, waarover een schoone brug spande en daar er een groote karavaan van muilezels en paarden met lasten overging, moesten zij wachten. Toen haast alles voorbij was, werd een muildier opeens schichtig en het wilde niet voort. De drijver nam een knuppel en sloeg het hevig. Maar de muilezel liep rechts, links en terug, doch wilde volstrekt niet vooruit. De verwoede drijver gaf hem overal nog duchtiger slagen, maar het gaf niets. Melisso en Jozef zeiden meermalen tot den drijver: Zeg, stommeling, wat doe je? Wilt gij hem dooden? Waarom doet gij Uw best niet hem vriendelijk en zachtjes te leiden! Hij zal dan eerder gaan dan door hem te ranselen. De drijver antwoordde: Gij kent Uw paarden en ik mijn muildier; laat mij dus met hem gaan. En hierna begon hij hem opnieuw te ranselen en gaf hem zooveel slaag, dat de ezel vooruit ging en de drijver dien bleek te kennen. Toen de jongelieden wilden vertrekken, vroeg Jozef aan een man, die aan den ingang van de brug zat, hoe of die plaats heette. De man antwoordde: Messere, zij heet de Ganzenbrug. Toen Jozef dit gehoord had, herinnerde hij zich de woorden van Salomo en sprak tot Melisso: Nu ik zeg U, kameraad, dat de raad mij door Salomo gegeven goed en waar kan zijn, omdat ik nu duidelijk inzie, dat ik mijn vrouw niet genoeg sloeg. Deze muilezeldrijver heeft mij getoond wat ik doen moet. Toen zij na eenige dagen te Antiochië waren aangekomen, hield Jozef Melisso eenigen tijd bij zich om uit te rusten en hij werd zeer koeltjes door de vrouw ontvangen. Jozef zeide haar het avondmaal gereed te maken, gelijk Melisso zou vaststellen. Toen Melisso zag, dat dit Jozef beviel, gaf hij dit met weinig woorden te kennen. De donna, als naar gewoonte, deed het niet, gelijk Melisso het aangaf, maar bijna geheel tegenovergesteld. Toen Jozef dit zag, zeide hij woedend: Was het U niet gezegd, hoe gij het avondmaal moest gereed maken? De donna, die zich trots omkeerde, sprak: Wat wil dat zeggen? Zeg, waarom eet gij niets als gij wilt avondmalen? Het is mij wel zoo gezegd, maar het beviel mij niet het zoo te doen. Als het U bevalt, des te beter; zoo niet, laat het staan. Melisso verwonderde zich over het antwoord van de donna en laakte haar zeer. Jozef sprak: Vrouw, gij zijt nog steeds dezelfde, maar geloof me, dat ik je zal veranderen. Tot Melisso gekeerd, sprak hij: Vriend, spoedig zullen wij den raad van Salomo beproeven; laat het U niet hinderen en houdt niet voor een spel, wat ik zal doen; denk aan het antwoord van den drijver. Melisso sprak hierop: Ik ben in Uw huis en zal U daarin niet lastig vallen. Jozef, die een gladden stok had gevonden van een jongen eikentak, begaf zich in de kamer, waar de donna brommend heen was gegaan. Hij nam haar bij de haren, wierp haar op den grond en begon hard te slaan. De donna schreeuwde en dreigde, maar jozef hield niet op en zij begon geheel gebroken om genade te vragen, opdat hij haar niet zou vermoorden en zeide, dat zij nooit iets meer tegen zijn zin zou doen. Jozef hield niet op, maar sloeg integendeel nog met meer woede dan eens op de zijden, op de heupen, op de schouders en ranselde, totdat hij moede was. Geen been en geen deel van haar rug bleef ongedeerd.
Daarna ging hij naar Melisso en sprak: Morgen zullen wij zien welk gevolg de raad van het Ga naar den Ganzenbrug gehad heeft. Na eenigen tijd gerust te hebben en zich de handen te hebben gewasschen, avondmaalde hij met Melisso en toen het tijd was, gingen zij slapen. De boosaardige vrouw stond met groote moeite op en wierp zich te bed; ’s ochtends zeer vroeg opgestaan, liet zij Jozef vragen, wat zij zou klaar maken. Hij, die om deze vraag met Melisso lachte, gaf dit op en daarop vonden zij op den bepaalden tijd teruggekeerd alles en in de opgegeven orde gereed. Toen prezen zij den vernomen raad ten zeerste. Na eenige dagen vertrok Melisso en teruggekeerd, vertelde hij aan een wijs man, wat hij van Salomo had gehoord. Deze sprak tot hem: Ik kan U geen waarder noch beter raad geven. Gij weet, dat gij niemand lief hebt en de eerbewijzen en de diensten, die gij verstrekt, schenkt gij niet uit naastenliefde maar uit praalzucht. Heb dus lief, gelijk Salomo zeide, en men zal U lief hebben. Aldus werd de weerspannige vrouw gekastijd en de jongeling werd bemind.
TIENDE VERTELLING.
Donno Ganni betoovert op aandringen van zijn peet Pietro de vrouw van deze, zoodat ze in een merrie verandert. Wanneer hij er een staart aan wil hechten, verstoort peet Pietro, omdat hij er geen staart bij wil hebben, de geheele betoovering.
De novelle door de koningin verhaald, deed de donna’s een weinig mompelen en de jongelieden lachen, maar toen zij ophielden begon Dioneo aldus te spreken: Lieve donna’s. Tusschen witte duiven schijnt een zwarte raaf schooner dan een vlekkelooze zwaan. Evenzoo vermeerdert te midden van vele wijzen een minder verstandige de glans en de schoonheid van hun verstand, hun genoegen en vermaak. Aldus moet ik, daar gij allen zeer bescheiden en gematigd zijt, te meer waard zijn, ik, die integendeel weinig geest heb en Uw deugd meer doen schitteren door mijn minderwaardigheid. Bijgevolg moet ik grooter vrijheid hebben om mij te toonen, gelijk ik ben. Ik moet met meer geduld door U worden aangehoord, wat niet zou moeten gebeuren, indien ik wijzer was. Ik zal U een niet al te lange historie vertellen, waaruit gij kunt begrijpen, hoezeer zij moeten oppassen, die iets door tooverkracht willen gedaan krijgen en hoe een kleine fout alles bederft.
Het vorige jaar was er te Barletta een priester, donno Gianni van Barolo, die slechts een arme parochie had om van te leven en daarom op een merrie hier en daar op de jaarmarkten in Apulië zaken deed. Aldus reizend sloot hij intieme vriendschap met zekeren Pietro van Tresanti, die hetzelfde vak met een ezel uitoefende en tot teeken van genegenheid noemde hij hem op de Apulische manier peet Pietro; zoo vaak hij in Barletta aankwam, leidde hij hem altijd naar zijn kerk, hield hem daar bij zich in huis en ontving hem zoo goed als hij kon. Peet Pietro, die zeer arm was en een huisje had in Tresanti, ternauwernood groot genoeg voor hem, zijn dochter, zijn schoone vrouw en zijn ezel, ontving donno Gianni, zoo dikwijls die in Tresanti was, in zijn woning uit erkentelijkheid voor het onthaal bij dezen in Barletta genoten. Maar peet Pietro had niets anders tot logies dan een klein bed, waarin hij met zijn vrouw sliep, en kon hem niet huisvesten, gelijk hij wilde, maar hij legde hem te slapen op een weinig stroo in een kleinen stal, waar het paard van den heer Gianni naast zijn ezel stond. De donna wist, hoe de priester haar man te Barletto ontving en had meermalen, wanneer de priester bij hen kwam, willen gaan slapen bij een buurvrouw, Zita Carapresa van Giudice Leo, opdat de priester bij haar echtgenoot in het bed zou slapen, maar hij wilde het nooit. Eens sprak hij tot haar: Petemoeder Gemmata, stel U over mij gerust, want als het mij bevalt, verander ik dit paard in een mooi jong meisje en slaap daarmee. Wanneer ik het wil, wordt zij weer merrie en daarom wil ik er niet van scheiden. De jonge vrouw verwonderde zich, geloofde hem, vertelde dit aan haar man en voegde er bij: indien hij zoo Uw vriend is, waarom laat gij U dan die tooverij niet leeren, want dan kunt gij van mij een paard maken en zaken doen met den ezel en de merrie en wij zullen het dubbele winnen. Wanneer wij naar huis zullen terugkeeren, kunt gij mij dan niet weer de vrouw maken, die ik ben? Peet Pietro, die zeer onnoozel was, vereenigde zich met dien raad en verzocht donno Gianni hem dit te leeren. Donno Gianni deed zijn best hem die dwaasheid uit het hoofd te praten, maar daar hij dit niet kon, zeide: Kijk, omdat gij het toch wilt, zullen wij morgen opstaan, voor het dag is en ik zal U dit toonen. Het moeielijkste is er de staart aan te hechten. Peet Pietro en petemoeder Gemmata sliepen ’s nachts nauwelijks; met zooveel verlangen wachtten zij. Zij stonden kort voor den dageraad op en riepen donno Gianni, die in zijn hemd in de kamer van peet Pietro kwam en zeide: Ik weet niemand, voor wien ik dit zou doen behalve voor U. Gij moet nakomen, wat ik U zal zeggen. Zij zeiden, dat zij zouden doen, wat hij zou gelasten.
Donno Gianni gaf aan peet Pietro een kaars en zeide: Let wel op, wat ik doe en onthoud goed, hoe ik spreek en pas op, als gij er op gesteld zijt, niet alles te bederven, dat gij, bij wat gij ook hoort of ziet, geen enkel woord spreekt. En bidt God, dat de staart er goed wordt aangehecht. Peet Pietro nam de kaars aan en zeide, dat hij alles zou doen. Daarop liet donno Gianni petemoeder Gemmata uitkleeden, zoo naakt als ze geboren was, en liet haar de handen en de voeten op den grond zetten gelijk de paarden en onderrichtte haar ook, dat zij bij al, wat er zou gebeuren, niets zou zeggen. Hij begon haar de handen, het gezicht en het hoofd aan te raken en sprak: Dit zij de schoone kop van het paard en na haar de haren te hebben beroerd, zeide hij: Dat zullen de schoone manen van het paard zijn. Daarna de armen aanrakend, zeide hij: Dit zullen de mooie pooten en de hoeven van de merrie zijn. Daarna betastte hij haar de borst en daar hij die hard en rond vond, voelde hij ontwaken, wat niet genoemd kan worden en zeide: En dit zij de schoone borst van het paard. En zoo deed hij met de ruggegraat en de buik, met de achterste, met de dijen en met de beenen.
Ten slotte, toen er niets meer te tooveren was dan de staart, zeide hij geen weerstand meer biedend aan zijn hartstocht: En dit wordt de mooie staart van de merrie. Peet Pietro, die aandachtig tot nu toe bij alles had toegezien en die ook dit zag en wien dit niet goed scheen, sprak: O donno Gianni, ik wil er geen staart bij, ik wil er geen staart bij! Maar de vruchtbare stamper, waardoor alle planten wortel schieten, was er al, toen donno Gianni zeide: O wee, peet Pietro, wat hebt gij gedaan! Zei ik U niet, dat gij geen woord zou spreken bij al wat gij ziet? Maar gij hebt met praten alles bedorven en er is geen middel meer het over te doen. Peet Pietro zeide: Goed, dien staart wil ik er niet aan. Waarom hebt gij niet tegen mij gezegd: doet gij dit? en bovendien hebt gij dien er te laag aan gehangen. Donno Gianni sprak: Waarom hebt gij dien er niet eerst even goed aan kunnen hechten als ik? De vrouw, die deze woorden hoorde, stond op en zeide te goeder trouw tot haar man: Ezel, die je bent, waarom heb je Uw zaken en de mijnen bedorven? Welke merrie hebt gij ooit zonder staart gezien? Als God mij helpt: gij zijt arm, maar het zou jammer wezen, als gij niet nog veel armer zoudt worden. Daar er dus geen middel meer was om van de vrouw een merrie te maken, kleedde zij zich treurig en neerslachtig weer aan en peet Pietro legde er zich weer op toe met een ezel, gelijk hij gewoon was, zijn oud beroep uit te oefenen ging met donno Gianni te samen naar de jaarmarkt van Bitonto en vroeg hem nooit meer zulk een dienst.
Hoe zeer men om die geschiedenis lachte, beter door de donna’s begrepen dan Dioneo wilde, kan ieder denken, die er nog om zal lachen. Maar toen de verhalen geëindigd waren en de zon al begon te verkoelen, stond de koningin op, die het einde van haar heerschappij gekomen zag. Na zich den krans van het hoofd te hebben genomen, zette zij dien Pamfilo op het hoofd, die daarvoor alleen nog overbleef en glimlachend sprak zij: Mijn heer, een groote last valt U ten deel, die nu de laatste zijt om deze te vervullen, waarvoor God U de genade verleene gelijk aan mij om U koning te doen zijn. Pamfilo, die met blijdschap de hulde ontving, antwoordde: Uw deugd en die mijner andere onderdanen zal maken, dat ik eveneens te prijzen zal zijn. Na volgens de gewoonte van zijn voorgangers met den hofmeester over de noodige zaken te hebben beschikt, keerde hij zich tot de wachtende donna’s en zeide: Verliefde donna’s. De bescheidenheid van Emilia, die heden onze koningin is geweest, gaf U tot ontspanning vrije keuze te spreken over, wat U het meest zou behagen. Daar gij nu uitgerust zijt, acht ik het goed tot de gebruikelijke wetten terug te keeren en daarom wil ik, dat iedereen morgen spreken zal van hen, die door mildheid of grootmoedigheid iets hebben verricht om liefde of om andere dingen. Als gij dit vertelt, zal het Uw zielen zeker tot welgezind en verdienstelijk handelen stemmen. Want ons leven, dat in ons sterfelijk lichaam niet anders dan kort kan zijn, vereeuwigt zich door den roem. Iedereen, die niet gelijk de dieren slechts den buik dient, moet dit verlangen en ook met allen ijver dit doen. Het thema beviel aan het vroolijk gezelschap, dat met verlof van den nieuwen koning opstond en zich aan de gewone genoegens overgaf, elk naar zijn verlangen en zoo deden zij tot het avondmaal. Toen zij daar verheugd weer waren samengekomen en alle met ijver en orde waren bediend, stonden zij op voor hun gebruikelijke dansen en voor misschien duizend liederen, die aardiger van woorden dan meesterlijk van klank waren.
Hierna beval de koning aan Neifile, dat zij er een zou zingen.
Deze met klare en blijde stem begon bekoorlijk en zonder verwijl aldus:
Ik ben heel jong en gaarne Verheug ik mij en ik zing in het nieuwe seizoen. Dank zij de liefde en de zoete gedachten.
Ik ga door de groene weiden en aanschouw De witte en gele en roode bloemen, De rozen op de struiken en de blanke leliën, En allen ga ik vergelijken Met het gelaat van hem, die mij beminde, En mij nam en mij altijd zal houden als haar, Die geen andere gedachten heeft dan zijn genoegens.
Wanneer ik er van dezen een vind, Die, naar ’t mij schijnt, hem wel gelijkt Pluk ik die, kus ik die en spreek ik tot deze En, gelijk ik weet, openbaar ik die Geheel mijn ziel en al wat zij begeert; Dan met de anderen maak ik daarvan een krans Gewonden door mijn blonde en lichte haren.
En hetzelfde genot, dat de bloem van nature Schenkt aan de oogen, dit zelfde geeft het mij, Alsof ik de persoon zelf zag, Die mij met zijn zoete liefde heeft ontvlamd; Dat wat zijn zoete geur mij geeft, Zou ik niet met woorden kunnen uitdrukken, Maar mijn zuchten zijn er de oprechte getuigen van.
Zij verlaten nooit mijn gemoed Als van de andere donna’s, bitter noch zwaar, Maar zij ontsnappen dit warm en zacht En gaan tot mijn liefde’s aanschijn, Die, als hij ze voelt, om mij te behagen Zijn ziel naar mij beweegt en tot mij ijlt, Als ik op het punt sta te zeggen: O kom, dat ik niet wanhoop!
Het lied van Neifile werd zoowel door de koning als door de donna’s zeer geprezen en daar de nacht al ver was gevorderd, beval de koning toen, dat elk zou gaan rusten.
TIENDE DAG.
De negende dag der Decamerone eindigt. De tiende vangt aan. Onder het bewind van Panfilo spreekt men over hen, die door mildheid, of grootmoedigheid iets doen om liefde of andere dingen.
Nog waren enkele wolkjes in het westen rood en glansden die in het oosten reeds aan hun rand als het schitterendste goud, getroffen door de zonnestralen, welke naderden, toen Panfilo de donna’s en zijn metgezellen deed roepen. Toen hij met hen vastgesteld had, waar zij tot hun genoegen heen konden gaan, begaf hij zich met langzamen tred, vergezeld door Filomena sprekend over hun toekomstig leven vooruit op weg.
Na een grooten tocht keerden zij, toen de zon warmer werd, naar het verblijf terug en nadat zij de bekers om de fontein hadden gezet om zich te laven, gingen zij in verfrisschende schaduwen van den tuin zich vermaken tot aan het etensuur. En toen zij gegeten en geslapen hadden, verzamelden zij zich, waar het den koning behaagde en daar beval hij aan Neifile de eerste vertelling voor te dragen, welke blijmoedig aldus begon:
EERSTE VERTELLING.
Een ridder dient den koning van Spanje. Hij meent daar slecht voor beloond te zijn. De koning bewijst met zekerheid, dat het zijn schuld niet is, maar van zijn ongelukkig lot en geeft hem prachtige geschenken.
Eerbare donna’s. Ik moet het als een groote gunst beschouwen, dat onze koning mij gekozen heeft om het eerst te spreken over zulk een schoone zaak als de grootmoedigheid, welke evenals de zon de schoonheid en het sieraad van den ganschen hemel de klaarheid en het licht is van elke andere deugd. Hierover zal ik U een kleine geschiedenis vertellen, mijns inziens zeer aardig, en het zal zeker nuttig zijn zich die te herinneren. Onder de dappere ridders, die sinds lang in onze stad waren, was er een, misschien de de beste, messer Ruggieri dè’ Figiovanni, rijk en grootmoedig. De levenswijze en de gewoonten van Toscane beschouwend en ziende, dat, indien hij er bleef, hij weinig van zijn moed zou kunnen toonen, verkoos hij daarom eenigen tijd te vertoeven bij Alphonse, koning van Spanje, daar de faam van diens dapperheid die van elk ander heer in die tijden overtrof. Voornaam uitgerust met wapens, paarden en dienaren begaf hij zich naar Spanje en werd door den koning genadig ontvangen. Messer Ruggierri, die daar luisterrijk leefde en wonderbaarlijke wapenfeiten verrichtte, deed zich spoedig als een dapper man kennen. Toen hij er een heelen tijd vertoefd had en op de handelwijzen des konings lette, meende hij te bemerken, dat die dan aan deze dan aan gene zoo maar een kasteel, een stad of een baronie schonk, die het niet waard was. En omdat aan hem, die wist, wat hij beteekende, niets werd gegeven, meende hij, dat zijn roem er zeer door verminderde en daarom besloot hij te vertrekken en vroeg aan den koning verlof. De koning stond hem dit toe en gaf hem een der beste en schoonste muildieren, wat voor de lange reis, die hij te maken, had zeer door messer Ruggieri werd op prijs gesteld.
Vervolgens gelastte de koning aan een bescheiden bediende op handige wijze met messer Ruggieri mede te reizen, zoodat hem dit niet zou schijnen door den koning te zijn bewerkstelligd. Alles, wat hij zou zeggen, zou hij goed opvangen en het weten te herhalen en den volgenden morgen zou hij hem bevelen naar den koning terug te keeren. De bediende loerde er op, wanneer messer Ruggieri het grondgebied verlaten zou, kwam op slimme manier in zijn gezelschap en deed hem gelooven, dat hij naar Italië ging. Terwijl messer Ruggieri den muilezel bereed en hij over dit en dat sprak, zeide hij, toen het haast drie uur was: Ik geloof, dat het tijd is onze dieren te laten wateren en nadat zij in een stal waren gegaan, waterden zij allen behalve de muilezel. Zij gingen weer voorwaarts; terwijl de stalknecht lette op de woorden van den ridder, kwamen zij aan een rivier en toen daar hun beesten gedronken hadden, waterde het muildier daarin. Toen messer Ruggieri dit zag, zeide hij: Kijk, God make je bedroefd, want jij lijkt, leelijk beest, op den heer, die jou aan mij gaf.
De bediende onthield die woorden en hoewel hij er veel opving, daar hij den ganschen dag met hem reisde, hoorde hij hem verder alles zeggen tot den hoogsten lof des konings. Toen hij den volgenden dag naar Toscane wilde rijden, meldde de bediende hem het vorstelijk bevel. De koning hoorde, wat hij van den muilezel gezegd had, liet hem roepen, ontving hem met blij gelaat en vroeg hem, waarom hij hem met zijn muilezel had vergeleken of liever den muilezel met hem. Messer Ruggieri zei ronduit: Mijn heer, omdat gij op hem gelijkt, want gij geeft, wanneer het niet moet en niet, wanneer het wel moet, evenals het dier waterde, toen het niet behoorde en niet, toen het wel behoorde. Toen sprak de koning: Messer Ruggieri, dat ik U niets heb geschonken, terwijl ik het velen deed, die bij U vergeleken niets zijn, komt niet daarvan, dat ik U niet erken als dapper en een groot geschenk waardig, maar het is Uw noodlot, dat hierin gezondigd heeft, daar dit mij niet in de gelegenheid liet en dat ik U de waarheid zeg, zal ik U duidelijk toonen. Hierop antwoordde messer Ruggieri: Mijn heer, ik ben niet verstoord, omdat ik geen geschenk ontvangen heb, maar omdat ik van U in geen enkel opzicht een getuigenis ontving van mijn waarde. Niettemin houd ik Uw verontschuldiging voor eerlijk en ben bereid te zien, wat gij mij wilt toonen, hoewel ik U zonder bewijzen geloof. De koning leidde hem toen in een groote zaal, waar, gelijk hij het van te voren besloten had, twee groote, gesloten koffers waren en in veler tegenwoordigheid zeide hij: Messer Ruggieri in een van die koffers is mijn kroon, de koninklijke schepter en de rijksappel en vele van mijn schoone gordels, ketens, ringen en verdere juweelen; de andere is vol aarde. Neem er een van en welke gij ook kiest, zal de Uwe zijn en gij zult kunnen zien, wie ondankbaar is geweest jegens Uw dapperheid: ik of het lot. Messer Ruggierri koos er een, welken de koning beval te openen en men vond, dat die vol aarde was. Hierop sprak de koning lachend: Gij kunt wel zien, messer Ruggieri, dat het waar is, wat ik U zeg van het lot, maar zeker verdient Uw dapperheid, dat ik mij tegen zijn krachten verzet. Ik weet, dat gij geen lust hebt Spanjaard te worden en daarom wil ik U hier noch kasteel noch stad geven, maar dien koffer, welken de fortuin U ontnam, wil ik U ondanks haar schenken, en gij kunt dien naar Uw land medenemen en U als bewijs van Uw moed bij Uw makkers beroemen op mijn geschenken. Messer Ruggieri nam dien aan en na die dankbetuigingen te hebben geschonken, bij zulk een gift passend, keerde hij met dezen verheugd naar Florence terug.
TWEEDE VERTELLING.
Ghino di Tacco neemt den abt van Cligny gevangen, geneest hem van maagziekte en laat hem daarna vrij. Deze, naar het Hof van Rome teruggekeerd, verzoent hem met Paus Bonifacius en doet hem tot Prior der Hospitaal-Ridders benoemen.
Reeds was de grootmoedigheid van koning Alphonso jegens den Florentijnschen ridder geprezen, toen de koning, aan wien de geschiedenis zeer had behaagd, Elisa beval te volgen, die haastig aldus begon: Teedere donna’s. Het kan slechts als een lofwaardige en grootsche zaak beschouwd worden, dat een koning zich grootmoedig toont en die gulheid gebruikt jegens iemand, die hem gediend heeft. Maar wat zullen wij het noemen, als men ons verhaalt, dat een geestelijke een bewonderenswaardig mildheid heeft toegepast jegens iemand, waar geen mensch het gelaakt had dien als vijand te behandelen? Zeker niet anders dan bij den koning een deugd, maar bij den geestelijke een wonder, daar zij allen gieriger zijn dan de vrouwen en geslagen vijanden van alle vrijgevigheid. Hoewel iedereen wraak verlangt voor ontvangen beleedigingen, zoeken de geestelijken, hoezeer zij lijdzaamheid prediken en ten zeerste de vergiffenis voor beleedigingen, die met veel meer vuur dan de andere menschen. Dat een priester grootmoedig was, zult gij duidelijk uit mijn volgende geschiedenis begrijpen.
Ghino di Tacco, een man berucht om zijn wreedheid en zijn rooftochten, die uit Siena was weggejaagd en een vijand der graven van Santa Fiore, deed Radicofani opstaan tegen de Roomsche Kerk en terwijl hij daar woonde, liet hij door zijn volgelingen ieder, die in de omstreken voorbijging, uitplunderen. Toen nu Bonifacius VIII Paus was, kwam de abt van Cligny aan zijn Hof, dien men geloofde een der rijkste prelaten van de wereld te wezen. Daar hij er zijn maag had bedorven, werd hem door de doktoren aangeraden zich naar de baden van Siena te begeven.
Nadat de Paus hem dit had toegestaan, ging hij zonder zich om de faam van Ghino te bekommeren met praal van lastdieren, paarden en bedienden op reis. Ghino di Tacco, die zijn aankomst gewaar werd, spande zijn valstrikken en zonder zelfs een schildknaap te verliezen sloot hij den abt met zijn heele personeel op een enge plaats in. Hierop zond hij naar den abt een der zijnen, den best bespraakten, die hem uit zijn naam op zeer beminnelijke wijze, vroeg of het hem zou behagen met hem naar het kasteel van Ghino te gaan. Toen de abt dit hoorde, antwoordde hij verwoed, dat hij het niet wilde, omdat hij niets met Ghino te maken had, maar dat hij voortging en zou zien, wie het hem zou beletten. Hierop sprak de bode op nederigen toon:
Messire, gij zijt op een plaats gekomen, waar wij buiten Gods toorn niets vreezen en waar de excommunicaties en de banvloeken allen zelf in den ban zijn gedaan en daarom zou het het best zijn hiermee Ghino een genoegen te doen. Reeds was bij dit gesprek de gansche plaats door snorrebaarden omringd, zoodat de abt, die zich gevangen zag met de zijnen, zeer verontwaardigd met den bode den weg insloeg naar het kasteel en zijn heele gevolg. Hij werd in een kleine kamer van een zeer donker en ongeriefelijke verblijf gebracht maar ieder ander werd naar zijn rang vrij goed in de sterkte gehuisvest en de paarden en de heele bagage veilig geborgen. Toen begaf Ghino zich naar den abt en zeide: Messire, Ghino, wiens gast gij zijt, verzoekt U, dat het U behage hem te zeggen, waar gij heen gaat en waarom. De abt, die verstandig zijn trots had afgelegd, beduidde hem, waar hij heen ging en waartoe. Ghino ging daarop weg, en besloot hem zonder bad te genezen en nadat hij steeds in het kamertje een groot vuur liet branden en het goed liet onderhouden, kwam hij eerst den volgenden morgen terug en bracht hem in een blanke doek twee sneden geroosterd brood en een grooten beker witten wijn van Cornaglia, van denzelfden, dien de abt had en sprak aldus tot deze: Messer, toen Ghino jonger was, studeerde hij in de medicijnen en hij beweert, dat er geen beter genezing tegen maagpijn is dan hij U zal klaar maken, waarvan dit het begin is; neem dit dus en versterk U. De abt, die meer honger had dan lust om te schertsen, at, hoewel hij verontwaardiging voorgaf, het brood en dronk den wijn en sprak uit de hoogte, praatte veel, gaf veel raad en vroeg in het bijzonder om Ghino te zien. Ghino liet een deel daarvan ijdel maar waaien, maar op een en ander antwoordde hij zeer beleefd en beweerde, dat die hem zoo gauw mogelijk zou bezoeken. Toen ging hij heen en kwam pas den volgenden dag terug met een ander geroosterd brood en anderen, witten wijn en zoo onderhield hij hem verscheidene dagen, tot hij merkte, dat de abt droge boonen had gegeten, die hij in ’t geheim mee had gebracht. Daarom liet hij hem zijnentwege vragen, hoe het met zijn maag was. De abt antwoordde: Die zou mij in orde schijnen, als ik uit zijn handen was en verder heb ik in niets trek dan te eten, zoo goed hebben zijn medicijnen mij genezen.
Ghino, die vervolgens voor hem met zijn eigen bagage en zijn eigen bedienden een mooie kamer had laten inrichten en een groot gastmaal had laten maken, waar met vele mannen van het slot het heele personeel van den abt aanzat, ging den volgenden morgen naar hem toe en sprak tot hem: Messer, daar gij U zoo wel voelt, is het tijd uit het gasthuis te vertrekken. Hij leidde hem bij de hand naar zijn gereed gemaakte kamer, bracht hem bij zijn gevolg en liet een prachtig gastmaal aanrichten. De abt vermaakte zich met de zijnen en vertelde hun, hoe zijn leven geweest was, terwijl zij integendeel allen mededeelden, dat zij wondergoed door Ghino waren ontvangen. Maar op het etensuur werden de abt en al de anderen behoorlijk van goede spijzen en wijnen voorzien, zonder dat Ghino zich nog aan den abt deed kennen. Toen de abt eenige dagen zoo had doorgebracht, liet Ghino in een zaal zijn heele bagage brengen en op een binnenplaats daaronder al zijn paarden tot den ellendigsten knol toe, ging naar den abt en vroeg hem, hoe hij het maakte en of hij zich sterk genoeg geloofde om op te stijgen. Hierop antwoordde de abt, dat hij flink genoeg was en zijn maag goed genezen en gaarne uit de handen van Ghino zou raken. Toen leidde Ghino hem in de zaal, waar zijn bagage was en zijn geheele personeel en naar een venster, waar hij al zijn paarden kon zien en sprak: Heer abt, gij moet weten, dat het geen boosheid van ziel geweest is, die Ghino di Tacco er toe bracht—en die ben ik—straatroover te worden en een vijand van Rome’s Hof, maar dat hij edelman is en arm uit zijn huis verjaagd en vele en machtige vijanden heeft en zoo zijn leven en zijn adel moet verdedigen.
Maar omdat gij mij een waardig heer schijnt en ik U hier de maag heb genezen, ben ik niet van plan U anders te behandelen dan ik het een ander zou doen van wien ik, als hij in mijn handen was, dat deel van het zijne tot het mijne zou maken, dat mij zou behagen, maar ik wensch, dat gij dit deel van het Uwe tot het mijne maakt, wat gij zelf verkiest. Hier ligt alles en Uw paarden kunt gij uit dat venster op de binnenplaats zien. Neem daarom of een deel of alles en blijf of ga van nu af, gelijk het U bevalt. De abt verbaasd, dat de woorden van een straatroover zoo edelmoedig waren, onderdrukte dadelijk zijn toorn en verontwaardiging, en veranderde die daarentegen in welwillendheid, werd van harte met Ghino bevriend, wilde hem omarmen en zeide: Ik zweer bij God, dat om de vriendschap te winnen van zulk een man als gij, ik een veel grooter beleediging zou dulden. Vervloekt zij het noodlot, dat U tot zulk een afkeurenswaardig beroep dwingt! Daarna liet hij van zijn vele zaken er zeer weinig en slechts de noodige meenemen en eveneens van de paarden. Na hem al de anderen te hebben gegeven keerde hij terug naar Rome. Daar de Paus de gevangenneming van den abt had vernomen en dit hem zeer verdroot, vroeg hij hem, toen hij hem zag, of de baden hem goed hadden gedaan. De abt antwoordde lachend: Heilige Vader, ik heb dichterbij een beter dokter gevonden en hij vertelde hem het middel, waarover de Paus lachte. Hierop vroeg de abt volgens zijn belofte uit edelmoedigheid een gunst. De Paus denkend, dat hij wat anders zou verzoeken, stond hem dit gul toe. Toen sprak de abt: Heilige Vader, wat ik U wil vragen, is, dat gij genade schenkt aan Ghino di Tacco, mijn dokter, omdat hij van de waardige mannen, waarvan ik er velen ontmoette, zeker een van de beste is en welk kwaad hij ook doet, dit is, meen ik, veel meer een zonde van zijn lot dan van hem zelf. Verander dus zijn lot en maak dat hij naar zijn rang kan leven en ik twijfel er dan niet aan, dat het binnen kort U zoo zal voorkomen als aan mij. De Paus, die groot van ziel was en veel van waardige mannen hield, wilde dit gaarne doen, mits het was, gelijk de abt meldde. Ghino kwam zoo onder vrijgeleide ten hove en spoedig hield de Paus hem voor een waardig man en na zich met hem verzoend te hebben gaf hij hem een groot prioraat van de Hospitaal-Orde, van welke hij hem Tempelridder maakte. Dit ambt behield hij, zoolang hij leefde, als vriend en dienaar der heilige Kerk en van den abt van Cligny.
DERDE VERTELLING.
Mithridanes jaloersch op de edelmoedigheid van Nathan wil hem dooden en zonder deze te kennen, ontmoet hij dien zelf; onderricht door dezen over het middel daartoe, ontdekt hij hem in een boschje, dat die er voor had aangewezen, schaamt zich, als hij hem erkent en wordt zijn vriend.
Het scheen allen een wonder, dat een geestelijke een zaak grootmoedig behandelde, maar toen de de donna’s al met praten ophielden, beval de koning aan Filostrato voort te gaan, die haastig begon: Edele donna’s. Groot was de mildheid van den koning van Spanje en ook die van den abt van Cligny, maar het zal U nog wonderlijker voorkomen, dat een grootmoedig man jegens een ander, die zijn bloed en zijn leven begeerde, wijs besloot het hem te geven. En hij zou het geschonken hebben, als de ander het had willen aannemen, hetgeen ik U zal vertellen.
Het is zeer zeker, (als men geloof kan hechten aan de woorden van eenige Genueezen en eenige anderen, die in die streken geweest zijn) dat er vroeger in zekere gedeelten van Cattajo [189] een man leefde van edel geslacht en onvergelijkelijk rijk, Nathan, die een bezitting had bij een straatweg, waar noodzakelijk haast iedereen passeerde, die van het Westen naar den Levant of van het Oosten naar het Westen wilde gaan en daar hij grootmoedig en mild was en dit wilde toonen, liet hij er, daar hij over vele kunstenaars kon beschikken, in korten tijd het schoonste en rijkste paleis bouwen, dat ooit was aanschouwd en liet dit voorzien van al wat noodig was om edellieden te onthalen. Hij had een groot en schoon dienstpersoneel, en liet er met welwillendheid en eer elk, die kwam onthalen. Hij hield die lofwaardige gewoonte zóó vol, dat niet alleen het Oosten, maar ook heel het Westen hen door de faam kende. Toen hij al oud was, zonder dat zijn gulheid was verzwakt, bereikte zijn roem een jongeling Mithridanes uit een land niet ver van het zijne, die wetend, dat hij niet armer was dan Nathan, zoo jaloersch was geworden op zijn roem en zijn deugd, dat hij zich voornam die met grooter vrijgevigheid of te vernietigen of te overschaduwen. Na een paleis te hebben laten bouwen gelijk aan dat van Nathan begon hij de buitensporigste mildheid te betuigen aan ieder, die daar kwam en hij werd in korten tijd beroemd. Terwijl hij eens geheel alleen in den hof van zijn paleis was, vroeg een vrouwtje door een der poorten binnengetreden hem een aalmoes en ontving die en door een tweede poort weer bij hem gekomen, kreeg zij er nog een en zoo vervolgens twaalf maal maar de dertiende maal sprak Mithridanes; Vrouwtjelief, gij zijt niet vlug tevreden, maar niettemin gaf hij haar de aalmoes. Het oudje zeide: O milddadigheid van Nathan, wat zijt gij wonderbaar! Want ik werd nooit na door de twee en dertig poorten van zijn paleis te zijn binnengetreden en hem een aalmoes te hebben gevraagd door hem herkend, zóó dat hij het toonde, en kreeg die altijd en hier ben ik er nog geen dertien door gegaan of ik word herkend en berispt. Zonder terug te keeren ging zij heen. Mithridanes, die hoorde, dat de roem van Nathan den zijne verminderde, zei in woedende gramschap ontbrand: O ongeluk over mij! Wanneer zal ik de mildheid van Nathan in groote dingen bereiken, als ik hem zelfs nog niet in de kleinsten kan nabij komen? Waarlijk, ik vermoei mij tevergeefs, als ik hem niet van de wereld stuur, wat ik, daar de ouderdom hem niet weg voert, zonder twijfel met eigen handen zal moeten doen. Zonder zijn plan aan iemand mede te deelen en met weinig geleide te paard gestegen, kwam hij na drie dagen, waar Nathan woonde en na aan zijn metgezellen bevolen te hebben te doen of zij hem niet kenden, zeide hij hun een herberg te zoeken tot nader order. Hij trof tegen den avond alleen gebleven niet ver weg Nathan voor het schoone paleis, die zonder pronkkleed eenzaam wandelde. Daar hij hem niet kende, vroeg hij hem te zeggen, waar Nathan woonde. Nathan antwoordde blijmoedig: Mijn zoon, niemand in deze streek weet het U beter te zeggen dan ik en daarom zal ik U, als het U behaagt, er heen leiden. De jongeling zeide, dat dit hem zeer aangenaam zou zijn, maar dat hij zoo mogelijk door Nathan noch gezien noch gekend wilde worden. Nathan sprak toen: Dit zal ik doen, omdat U dat wilt. Toen Mithridanes was afgestegen, ging hij met Nathan in aangenaam gesprek naar diens prachtig paleis. Hier liet Nathan door een van zijn bedienden het paard van den jonkman vasthouden en fluisterde hem in, dat hij haastig aan allen in het paleis zou mededeelen, dat niemand aan den jongeling zou zeggen, dat hij zelf Nathan was. Hij liet Mithridanes in een zeer schoone kamer, waar niemand hem zag uitgezonderd zij, wien zijn bediening was opgedragen, liet hem prachtig onthalen, en hield hem zelf gezelschap. Terwijl Mithridanes bij hem bleef, vroeg hij hem toch, hoewel hij hem vaderlijk eerbiedigde, wie hij was. Nathan antwoordde: Ik ben een geringe dienaar van Nathan: ik ben van af mijn jeugd met hem oud geworden en hij gebruikte mij nooit voor iets anders dan voor wat gij ziet, zoodat, hoewel ieder ander hem zeer prijst, ik het slechts weinig kan doen. Deze woorden gaven aan Mithridanes hoop met meer overleg en sluwheid zijn verraderlijk plan uit te voeren. Nathan vroeg hem zeer beleefd, wie hij was en wat hem daarheen voerde en bood hem zijn raad en zijn hulp aan, waarin hij dit kon.
Mithridanes wachtte een oogenblik en besluitend zich hem toe te vertrouwen, vroeg hij met een lange omhaal zijn woord en daarna raad en hulp, zei, wie hij was en waarom hij kwam. Nathan was waarlijk hierbij geheel onthutst maar zonder te lang te dralen antwoordde hij met een gerust hart en een onbewogen gelaat: Mithridanes, Uw vader was een edel mensch, van welken gij niet moogt ontaarden, nu gij zulk een trotsch besluit genomen hebt jegens allen grootmoedig te zijn en ik prijs U zeer om Uw afgunst op de deugd van Nathan. Als er meer zoo waren, zou de wereld die nu zeer ellendig is, spoedig goed worden. Uw voorstel zal geheim blijven, maar ik kan er eer nuttigen raad dan groote hulp voor verleenen, en wel deze: Gij kunt van hier misschien op een halve mijl afstand een boschje zien, waarin Nathan elken morgen geheel alleen voor ontspanning een lange wandeling doet; daar is hij gemakkelijk te treffen. Ga, indien gij hem doodt, opdat gij zonder hindernis naar huis terugkeert, niet denzelfden weg terug, maar dien gij links uit het bosch ziet komen, omdat deze een weinig meer ongebaand dichter bij Uw huis is en veiliger. Daarna liet Mithridanes in ’t geheim aan zijn metgezellen weten, waar zij hem den volgenden dag moesten wachten. Nathan ging onveranderlijk in zijn gevoelens volgens den raad, dien hij had gegeven, naar het boschje om te sterven. Mithridanes nam zijn boog en zijn degen,—want andere wapens had hij niet,—ging er te paard heen en zag Nathan van verre alleen wandelen. Voor hij hem aanviel, wilde hij hem zien en spreken, liep op hem toe, greep hem bij den doek op het hoofd en zeide: Grijsaard, gij zijt des doods! Nathan antwoordde er niets op als: Dan heb ik dien verdiend. Mithridanes, die hem aan stem en gelaat herkende, als degene, die hem welwillend had ontvangen en trouw had geraden, liet opeens zijn woede varen en zijn toorn veranderde in schaamte. Daarop steeg hij af na den degen te hebben weggeworpen, viel klagend Nathan te voet en zeide: Nu ken ik Uw gastvrijheid, dierbare vader, nu ik zie hoe, gij hier gekomen zijt om mij Uw leven te geven, wat ik zonder rede toonde te begeeren. Maar God, die meer nauwgezet is op mijn plicht dan ik, heeft op het ware oogenblik mijn oogen geopend, die gesloten waren door ellendigen nijd. En ik verdien te meer straf voor mijn dwaling, naarmate gij meer bereid waart, mij te dienen. Neem die wraak, welke gij voor mijn zonde eischt. Nathan hief hem op, omhelsde en kuste hem teeder en sprak: Mijn zoon, voor uw plan of gij het misdaad of hoe ook noemen wilt, behoeft gij geen vergeving te vragen, omdat gij het niet uit haat hebt gevolgd maar om voor braver door te gaan. Leef ongestoord voort en wees er zeker van, dat er niemand is, die zooveel van U houd als ik, want ik begrijp den trots van Uw ziel, die er zich aan wijdde niet slechts te verzamelen, gelijk de ellendigen doen, maar het verzamelde te besteden. Evenmin behoeft gij U te schamen mij uit roemzucht te dooden noch te denken, dat ik mij er over verwonder. De beroemdste keizers en de grootste koningen hebben niet anders dan door moorden niet één man, zooals gij het wilde, maar oneindig veel menschen gedood, de landen plat gebrand en de steden vernield om hun rijken te vergrooten en bijgevolg hun roem. Als gij om U meer beroemd te maken mij hebt willen dooden, hebt gij niets wonderlijks of nieuws gedaan, maar iets zeer gewoons.
Mithridanes, die zijn boos plan niet verontschuldigde, maar die de vereerende verontschuldiging van Nathan zeer prees, zeide, dat hij zich zeer verwonderde over den raad, dien bij hem gaf. Hierop zei Nathan: Mithridanes, verwonder U niet, omdat ik, sinds ik mijn eigen wil had en besloot hetzelfde te doen als gij, niemand ooit in mijn huis ontving, dien ik niet voldeed, wat hij ook vergde. Gij zijt hier gekomen begeerig naar mijn leven, daarom, opdat gij ook niet onbevredigd zoudt weggaan, besloot ik het U te schenken. Ik gaf U den raad, dien ik, geschikt achtte; U mijn leven te geven en U het Uwe niet te doen verliezen. Gij kunt het nog nemen, daar ik het niet beter weet te besteden. Ik heb het al tachtig jaar voor mijn genoegens en voor mijn weldadigheid gebruikt en ik volg den loop der natuur, die mij nog maar weinig tijd overlaat. Daarom acht ik het veel beter dat te offeren, gelijk ik steeds mijn schatten gegeven en verteerd heb, dan dit te bewaren tot het tegen mijn wil mij door de natuur wordt ontnomen. Het is een klein geschenk honderd jaar te geven; hoeveel minder is het dan niet de zes of acht te schenken, die ik nog heb te leven? Neem het dus, als dit U bevalt, bid ik U, omdat ik, terwijl ik hier geleefd heb, niemand vond, die het heeft begeerd, en ik ook niemand zal vinden, die het wenscht. En mocht ik nog iemand vinden, dan weet ik, dat hoe langer ik het houd, hoe minder het waard zal zijn; en omdat het minder waard wordt, bid ik U het te nemen. Mithridanes zeide beschaamd: God verhoede, dat ik uw zoo kostbaar leven neem of dat ik er de begeerte toe krijg als voor kort, wat ik niet met zijn jaren wil verminderen maar gaarne met de mijne verlengen. Nathan sprak snel: Wel, gij kunt het verlengen en schenk mij uw leven, die nooit iets van anderen nam. Goed, zeide Mithridanes. Dan, sprak Nathan, handel, gelijk ik zeg. Blijf als jongeling in mijn huis en noem U Nathan en ik zal naar het Uwe gaan en Mithridanes heeten. Toen antwoordde Mithridanes: Indien ik nu wist te handelen als gij, zou ik het aannemen, maar omdat mijn handelwijzen den roem van Nathan zouden verminderen en ik niet bij anderen wil bederven, wat ik bij mezelf niet wist te verkrijgen, zal ik dit niet aannemen. Bij deze geestige woorden gingen zij naar het paleis terug, waar Nathan Mithridanes prachtig onthaalde en hem met al zijn vernuft en wetenschap in zijn grootsch plan versterkte. Mithridanes ging met zijn gezelschap huiswaarts, nadat Nathan hem wel had doen ondervinden, dat hij hem nooit in mildheid zou kunnen overtreffen.
VIERDE VERTELLING.
Messer Gentil de’ Carisendi haalt teruggekeerd van Modena een donna door hem bemind, die voor dood is begraven, uit het graf, welke hersteld een zoon baart en messer Gentile geeft haar en den zoon terug aan Niccoluccio Caccianimico, haar echtgenoot.
Het scheen allen een wonder, dat iemand zoo vrijgevig was met zijn eigen bloed en zij erkenden, dat Nathan werkelijk den koning van Spanje en den abt van Cligny overtrof. Toen er over een en ander genoeg gezegd was, beduidde de koning Lauretta, dat zij zou spreken, die opgewekt begon:
Jonge donna’s. De verhalen waren prachtig en het schijnt mij, dat er niets voor ons overblijft te vertellen, zoo grootsch waren die. Alleen liefdesgeschiedenissen geven nog voor elk onderwerp de overvloedigste stof tot spreken. En zoowel hierdoor en omdat onze leeftijd ons daartoe hoofdzakelijk leidt, behaagt het mij U de grootmoedigheid van een minnaar vertellen, welke wel beschouwd U niet minder zal schijnen dan een der verhaalde feiten, indien het waar is, dat men de schatten geeft, dat men de vijandigheden vergeet en dat men het leven, de eer en den roem, die veel meer waard zijn in duizende gevaren brengt om het beminde voorwerp te bezitten.
Er leefde dan in Bologna, die zeer edele stad van Lombardije, een ridder zeer gezien om zijn deugd en den adel van zijn bloed, Gentil Carisendo, een jonkman, die verliefd werd op een edelvrouw, madonna Catalina (Catharina), de echtgenoote van een zekeren Niccoluccio Caccianimico. Omdat zijn liefde door haar slecht werd beantwoord, vertrok hij, tot baljuw van Modena benoemd, wanhopig. In dien tijd, terwijl Niccoluccio te Bologna was en de donna op een harer bezittingen misschien drie mijlen van de stad, waar zij voor haar zwangerschap heenging, werd zij door zulk een ernstige ongesteldheid getroffen, dat zij door elken dokter voor dood werd gehouden. Daar haar naaste verwanten uit haar eigen mond hadden vernomen dat het kind nog niet rijp kon zijn, begroeven zij haar met veel geklaag in een tombe van een kerk daar in de buurt zonder zich verder ongerust te maken. Dit werd dadelijk door een vriend bericht aan messer Gentil, die, hoewel hij zeer weinig van haar welwillendheid had genoten, er zeer bedroefd over was en dacht: Zie, mevrouw Catalina, gij zijt dood; zoolang gij leefde, heb ik nooit één blik van U gehad, daarom nu gij U niet meer kunt verzetten, moet ik een kus van U hebben. ’s Nachts gaf hij zijn bevelen, opdat zijn vertrek geheim bleef, steeg met een bediende te paard en zonder oponthoud bereikte hij de tombe, opende die, waarin hij binnenging, legde zich naast haar zijn gelaat bij het hare en kuste het meermalen met vele tranen. Daar wij de wenschen der mannen nooit bevredigd zien, maar die steeds vermeerderen en in het bijzonder die der minnaars en hij besloten had er niet langer te blijven, zeide hij: Wel, waarom zou ik haar niet even de borst aanraken? Ik mag die nooit meer beroeren en raakte die nooit aan. Door dit verlangen overwonnen legde hij de hand op haar boezem en toen hij die daar eenigen tijd gehouden had, scheen het hem, dat haar hart nog sloeg. Toen hij alle vrees van zich verjaagd had, bevond hij, dat zij zeker niet dood was, hoe gering en zwak hij haar leven ook achtte; daarom trok hij haar zoo zacht hij kon met behulp van zijn bediende uit de tombe en na haar voor zich op het paard te hebben gelegd, bracht hij haar heimelijk in zijn huis in Bologna. Daar was zijn moeder, een waardige en wijze vrouw, die, nadat zij van haar zoon alles vernam, door medelijden bewogen langzaam met groote hitte en een bad het verzwakte leven terug riep. Toen zij tot zich zelf kwam, stiet zij een grooten zucht uit en zeide: Wee mij! Waar ben ik? Waarop de waardige donna antwoordde: Houdt U goed, je bent op een goede plaats. Tot bezinning gekomen en niet goed wetend, waar zij was en messer Gentile voor zich ziende, vroeg zij vol verbazing zijn moeder haar te zeggen, hoe zij daar kwam, waarop messer Gentil alles vertelde. Zij, hierover bedroefd, bedankte hem, zooveel zij kon en bad hem bij de liefde, die hij haar vroeger toedroeg en uit beleefdheid, dat er niets zou gebeuren, wat tegen haar eer en die van haar man ging en haar, als het dag werd, naar haar eigen huis te laten terugkeeren. Messer Gentile antwoordde: Madonna. Hoedanig mijn verlangen ook eertijds was, ik ben thans niet van plan noch voortaan (daar God mij die genade schonk U uit den dood aan het leven terug te geven dank zij de liefde, die ik U vroeger toedroeg) U noch hier noch elders anders dan als geliefde zuster te behandelen maar de dienst, dien ik U vannacht bewees, verdient een belooning en daarom wil ik, dat gij mij die schenkt. De donna verklaarde zich hiertoe bereid, mits die gunst eerbaar was. Messer Gentil sprak toen: Madonna, al Uw verwanten en alle Bologneezen gelooven stellig, dat gij gestorven zijt. Ik verlang van U, dat gij hier zult blijven met mijn moeder, tot ik spoedig van Modena terugkeer. De reden hiervan is, dat ik U in tegenwoordigheid der beste burgers een duur en feestelijk geschenk wil geven. De donna, die zich verplicht gevoelde, stemde toe, hoezeer zij ook verlangde haar familie te verheugen en beloofde het hem op haar woord. Kort daarna meende zij te moeten bevallen en met zorg geholpen door de moeder van messer Gentile beviel zij weldra van een schoonen knaap, wat de vreugde van messer Gentil en van haar zeer verhoogde. Messer Gentile beval, dat zij van alles werd voorzien, behandeld als zijn eigen vrouw en keerde in ’t geheim naar Modena terug. Toen daar de tijd voor zijn baljuwschap om was, keerde hij naar Bologna terug. Den ochtend, dat hij zou binnen komen, beval hij voor vele edele lieden van Bologna een groot gastmaal te bereiden, waarbij Niccoluccio Caccianimico tegenwoordig zou zijn. Toen hij zich bij hen bevond, zag hij de donna schooner en gezonder terug dan ooit en het zoontje welvarend, zette met opgeruimdheid zijn gasten aan tafel en liet ze van allerlei spijzen bedienen. Toen het maal haast geëindigd was, begon hij, die met de donna alles geregeld had, aldus te spreken: Heeren, ik herinner mij eens te hebben gehoord, dat er in Perzië een aardig gebruik bestond namelijk, wanneer iemand zijn vriend ten hoogste wilde onthalen, hem bij zich uit te noodigen en hem vrouw, vriendin of dochter te toonen of wat hem het dierbaarst was met het verzoek, dat ook deze zou zeggen, wat hem het liefst was en ik doe dit nu hier in Bologna. Gij hebt mijn gastmaal eer aangedaan en wil u op zijn perzisch ontvangen door u het dierbaarste te toonen, wat ik op de wereld heb. Maar eer ik dit doe, bid ik u mij te zeggen, wat gij denkt van den twijfel, dien ik in mij omdraag. Iemand heeft een goed en trouw dienaar, die ernstig ziek wordt; zonder het einde van den zieke af te wachten, laat hij hem midden op straat dragen en zorgt niet meer voor hem; er komt een vreemde en bewogen door medelijden verzorgt hij hem en met groote kosten wordt hij weer gezond. Nu zou ik willen weten of, als hij dien in zijn dienst houdt, zijn eerste meester zich terecht kan beklagen over den tweede, indien die, als hij den dienaar terugvraagt, dezen niet afstaat. De edellieden kwamen tot één besluit en droegen Niccoluccio Caccianimico op, omdat hij een goed spreker was, te antwoorden. Deze prees het perzisch gebruik en meende als de anderen, dat de eerste meester geen recht meer op zijn dienaar had, omdat hij hem in dit geval niet alleen had verlaten maar zelfs verstooten en dat het, voor de diensten door den tweeden bewezen, rechtvaardig was, dat hij diens knecht werd, en hij, door hem te houden, den eerste geweld noch beleediging aandeed. Alle aanwezigen zeiden hetzelfde. De ridder hierover tevreden beweerde, dat hij van een andere meening was en zeide daarentegen: Het is tijd, dat ik u volgens mijn belofte eer bewijs. Hij liet door twee knechts de donna halen, die hij rijk had getooid, en verzocht haar om de edellieden met haar tegenwoordigheid te vereeren. Met haar mooi knaapje op den arm kwam zij in de zaal en ging naast een waardig man zitten. Hij sprak: Heeren, dit is het dierbaarste, wat ik heb. Ben ik in mijn recht? De edellieden vierden haar zeer en zeiden den ridder, dat hij haar moest liefhebben. Er waren er verscheidene, die hem gezegd zouden hebben, wie zij was, als zij haar niet dood hadden gewaand. Maar vooral Niccoluccio keek haar aan, die, toen de ridder even heen ging, daar hij brandde om te weten of ze het was, zich niet houden kon, en haar vroeg of zij uit Bologna was of een vreemde. De donna, door haar echtgenoot ondervraagd, zweeg om de afspraak te houden. Een ander vroeg of dit haar zoontje was en gene of zij de vrouw was van messer Gentile of met hem verwant; hierop antwoordde zij niets. Maar toen messer Gentile terug kwam, zeide een der gasten: Messire, zij is schoon, maar zij schijnt mij stom. Is zij dit? Heeren, sprak messer Gentile, dat zij tot nu toe niet gesproken heeft, is geen klein bewijs van haar deugdzaamheid. Zeg dan, wie zij is. De ridder sprak: Dat zal ik gaarne doen, mits gij mij belooft, dat niemand van zijn plaats zal bewegen, voor ik geëindigd heb en hierna, toen de tafel al was opgeheven, sprak messer Gentile, die naast de donna ging zitten: Heeren, deze donna is die eerlijke dienaar, waarover ik U sprak, deze werd geminacht en als gemeen en nutteloos op de straat geworpen, en door mij opgenomen. Door mijn zorg heb ik haar uit den dood opgehaald en God, die lette op mijn barmhartigheid, heeft haar van een afschrikwekkend lichaam weer schoon doen worden. Maar ik zal U in het kort verklaren, wat mij is overkomen, Hij vertelde van zijn verliefdheid af alles uitvoerig tot aller groote verbazing en voegde er nog aan toe: Als gij dus niet sinds zooeven van gevoelen zijt veranderd en vooral Niccoluccio, is die donna met recht de mijne en kan niemand haar met reden van mij weer opeischen. Niemand antwoordde, maar alle wachtten af. Men weende van ontroering; messer Gentile stond op, nam den kleinen jongen in zijn armen en de donna bij de hand en sprak tot Niccoluccio: Sta op, peetvader, ik geef U deze niet als Uw vrouw terug door Uw familie en haar verwanten verstooten maar als mijn petemoei en dit knaapje, waarvan ik zeker ben, dat het van u is, dat ik ten doop hield en Gentile heb genoemd. Ik bid u, dat zij, daar zij drie maanden in mijn huis is geweest, u niet minder dierbaar zal zijn. Want ik zweer u bij dien God, die mij op haar verliefd maakte, misschien om haar te redden, dat zij nooit eerbaarder bij haar ouders of u heeft geleefd dan bij mijn moeder in mijn huis. Hierbij wendde hij zich naar de donna en sprak: Madonna, ik ontsla u van elke belofte mij ooit gedaan en geef u over aan Niccoluccio en hij sloot de donna en het kind in diens armen. Niccoluccio ontving verlangend zijn donna en haar zoontje en des te meer verblijd, naarmate hij meer wanhopend was geweest en zoo goed hij kon, bedankte hij den ridder. Al de anderen weenden van ontroering en prezen hem zeer en ieder, die het later hoorde. De donna werd met groote vreugde tehuis ontvangen en zij werd met verbazing langen tijd door de Bologneezen beschouwd. Messer Gentile leefde steeds als vriend van Niccoluccio en zijn verwanten en die der donna.
Wat zult gij hier zeggen, welwillende donna’s? Zoudt gij denken, dat een koning, die zijn schepter en kroon geeft en een abt, die zonder schade een misdadiger met den Paus verzoende of een oude, die zijn keel biedt aan het mes van een vijand, vergeleken kunnen worden met de daad van messer Gentile, die jong en vurig, te recht meenend te bezitten, wat de dwaasheid van anderen had weggeworpen en wat hij door goed geluk had gevonden, niet alleen zijn liefde matigde maar ook terug gaf, wat hij langen tijd begeerd had en zocht te rooven. Zeker schijnt niets van het verhaalde mij hieraan gelijk.
VIJFDE VERTELLING.
Madonna Dianora eischt van messer Ansaldo een tuin in Januari even schoon als in Mei. Messer Ansaldo geholpen door een toovenaar, geeft haar dien. De echtgenoot staat toe, dat zij messire Ansaldo ter wille is, die dit hoorend haar van haar belofte ontslaat en de toovenaar, zonder iets van hem te verlangen, beschouwt hem als vrij van schuld.
Ieder van het vroolijk gezelschap verhief messer Gentile tot in de wolken, toen de koning beval Emilia te volgen, welke onbeschroomd verlangend te spreken, aldus begon: Teedere donna’s, Niemand kan ontkennen, dat messer Gentile ridderlijk gehandeld heeft, maar als men wilde beweren, dat men het niet noch schooner kan, zou het niet moeilijk zijn dit te weerleggen. Dit wil ik u in mijn verhaal toonen.
In Frioli, een koud land, maar vroolijk door schoone bergen, vele rivieren en heldere bronnen, leefde in een stad Udine, een mooie edelvrouw madonna Dianora, de gade van een voornaam, rijk man Gilberto, aardig en van knap uiterlijk. De donna won de liefde van een edelen en grooten baron, messire Ansaldo Gradense, een man van ondernemingsgeest en door zijn wapenfeiten en hoffelijkheid bij allen bekend. Hij deed alles, wat hij kon, om door haar bemind te worden en zond haar daartoe vaak boodschappen maar vergeefs. En daar de verzoeken van den ridder de donna hinderden en zij zag, dat hij niet ophield door haar weigeren noch haar te beminnen noch haar te bidden, bedacht zij door een naar haar meening onmogelijken eisch zich van hem te ontdoen en sprak tot een vrouw, die dikwijls zijnentwege tot haar kwam, aldus: Goede vrouw, gij hebt dikwijls beweerd, dat messer Ansaldo mij boven alles liefheeft en gij hebt wonderbare geschenken uit zijn naam aangeboden, die ik niet aannam, maar indien ik er zeker van ben, dat hij mij zóó liefheeft, als gij zegt, zou ik zeker trachten hem lief te hebben; indien hij wil beloven, wat ik hem zal vragen, zal ik tot zijn beschikking zijn. De goede vrouw zeide: Wat verlangt gij van hem? Zij antwoordde dit: Ik wil in de komende maand Januari bij deze stad een tuin vol groen gras, bloemen en boomen met bladeren evenals in Mei; als hij dit niet geeft, laat hij u dan niet meer sturen, omdat, als hij mij weer zal hinderen, ik mij bij mijn man en familie zal beklagen, wien ik tot nu toe alles verborg.
De ridder, die het voorstel van de donna hoorde, nam zich toch voor, hoe moeilijk en onmogelijk het hem scheen, het te beproeven en ging in vele deelen der wereld iemand zoeken om hulp en raad. Hij ontmoette iemand, die aanbood voor veel geld het te bewerkstelligen door tooverij. Toen messer Ansaldo voor een zeer groote som het met hem eens werd, wachtte hij verheugd den hem gestelden tijd af. Het was toen zeer koud en alles vol sneeuw en ijs en de waardige man handelde in een zeer schoone weide vlak bij de stad in den nacht voor één Januari zóó, dat op den morgen volgens ooggetuigen, een der schoonste tuinen verscheen met gras en boomen en vruchten van allerlei soort. Toen messire Ansaldo dit gezien had, liet hij zeer verheugd er de schoonste vruchten en bloemen plukken, liet die in ’t geheim zijn donna aanbieden en haar uitnoodigen den tuin, door haar geëischt, te zien, en dat zij zich de belofte zou herinneren en die zou houden.
De donna hoorde door velen over den wonderbaren tuin spreken, en kreeg berouw. Maar daar zij begeerig was wonderen te zien, ging zij er met vele andere donna’s van de stad heen, prees die niet zonder verbazing, en ging, bedroefder dan eenige vrouw, naar huis denkend aan wat zij verplicht was. Zij kon haar smart niet verbergen; de echtgenoot merkte dit en wilde de reden weten. De donna zweeg uit schaamte; ten laatste vertelde zij hem alles. Gilberto werd eerst heel kwaad. Toen de reine bedoeling van de donna in aanmerking nemend, gaf hij zijn besten raad na zijn toorn te hebben verdreven: Dianora, het is geen daad van een wijze of eerbare donna zulk een boodschap aan te hooren noch op eenige voorwaarden haar eerbaarheid aan een verdrag te wagen. Woorden in het hart opgenomen, hebben grooter kracht dan velen denken en bijna alles wordt voor minnaars mogelijk; gij hebt dus slecht gehandeld. Maar omdat ik de reinheid van uw ziel ken, zal ik om u van uw belofte te ontslaan, u dat toestaan, wat wellicht geen ander zou veroorloven ook, omdat ik bang ben voor den toovenaar, waardoor misschien messer Ansaldo, als gij met hem spot, ons schade zou doen. Ik wil, dat gij naar hem toe gaat en u best doet, zooveel gij kunt, dat gij met het oog op uw eerbaarheid van die belofte bevrijd wordt. Zoo het niet anders kan, geef hem dan ditmaal uw lichaam maar niet uw ziel. De donna weende en weigerde hem zulk een gunst toe te staan. Gilberto, hoezeer de donna zich ook verzette, wilde, dat het geschiedde. De donna ging, toen het daagde, zonder veel opschik met twee dienaren en een kamervrouw naar messere Ansaldo. Toen deze dit hoorde, verbaasde hij zich zeer, liet den toovenaar roepen en sprak: Zie, hoeveel goeds uw kunst mij verschafte! Hij ontving haar met eerbied, beteugelde zijn begeerte, en nadat hij haar en de anderen in een fraaie kamer met een groot vuur had laten plaats nemen, zeide hij: Madonna, ik smeek u, indien de langdurige liefde, die ik u heb toegedragen, eenig loon verdient, dat het u niet zal hinderen mij de ware reden mede te deelen van uw vroege komst met dit geleide.
De donna beschaamd en met de tranen in de oogen, antwoordde: Messere, geen liefde, noch de gegeven belofte leidden mij hier, maar het bevel van mijn echtgenoot, die meer lettend op de smarten van uw onbeteugelde liefde dan op zijn en mijn eer, mij hierheen stuurde en daarom ben ik voor deze keer tot uw beschikking. Messer Ansaldo, die eerst over de donna verwonderd was, verbaasde zich nu nog meer en door de gezindheid van Gilberto bewogen veranderde zijn hartstocht in medelijden en hij zeide: Madonna, God verhoede, dat ik de eer schend van hem, die zich over mijn liefde ontfermt en daarom zult gij hier zijn als mijn zuster en als het u aangenaam is, kunt gij vrij vertrekken op voorwaarde, dat gij aan uw man voor zooveel beleefdheid die gunsten schenkt, die gij goed zult achten en gij mij altijd in de toekomst tot broeder en dienaar wilt hebben. De donna blijder dan ooit sprak: Als ik op uw gewoonten let, had ik niets anders van u verwacht, waarvoor ik u altijd verplicht zal zijn. En na afscheid te hebben genomen, ging zij eervol begeleid terug naar Gilberto en vertelde hem het gebeurde. Daaruit kwam tusschen hem en messer Ansaldo een innige en trouwe vriendschap voort. De toovenaar, voor wien messer Ansaldo zich gereed maakte de beloofde som te geven, zeide, toen hij de mildheid van Gilberto jegens Ansaldo en die van messer Ansaldo jegens de donna zag: God beware mij, dat ik, die de edelmoedigheid van Gilberto jegens u bemerkte, niet even mild zou zijn en daarom wil ik, dat het uwe blijft, wat ik weet, dat u te pas kan komen. De ridder schaamde zich en deed zijn best hem alles of een deel te betalen, maar tevergeefs. Na drie dagen deed de toovenaar zijn tuin verdwijnen en beval hem Gode aan. Ansaldo na zijn overspelige liefde te hebben overwonnen bleef ontgloeid in een eerlijke vriendschap voor haar.
Wat zullen wij zeggen, verliefde donna’s! Zullen wij de dood gewaande donna en de liefde reeds verkoeld door de verloren hoop tegenover die edelmoedigheid van messer Ansaldo kunnen stellen, die meer dan ooit liefheeft en door meer hoop ontbrand is en in zijn handen de zoo lang gevolgde prooi houdt? Het schijnt mij dwaas te gelooven, dat die edelmoedigheid daarmee is te vergelijken.
ZESDE VERTELLING.
De oude koning Carlo, de Zegevierende, wordt op een jong meisje verliefd; beschaamd over zijn dwaze gedachte huwt hij haar en haar zuster eervol uit.
Wie zou de verschillende redeneeringen der donna’s kunnen navertellen over wie de grootste edelmoedigheid toonde: Gilberto of Ansaldo of de toovenaar tegenover het gedrag van madonna Dianora? Na dezen beval de koning naar Fiammetta ziende, dat zij een einde aan het redetwisten zou maken en zij begon zonder verwijl aldus:
Schitterende donna’s. Altijd was ik van meening, dat men in een gezelschap als het uwe alles zóó breedvoerig moet verklaren, dat er geen aanleiding voor anderen meer kan zijn om over te twisten. Dit past beter op de hoogeschool dan voor ons, die ternauwernood geschikt zijn voor het spinnewiel en den weefstoel. En daarom zal ik, die misschien een zaak met tweeledige opvatting in het hoofd had en u door het verhaalde in twist zie, die laten varen en u er een vertellen, niet van een man van weinig beteekenis, maar van een waardig koning, die zeer ridderlijk te werk ging. Ieder van u heeft dikwijls gehoord van koning Karel den Oude of ook den Eerste door zijn prachtigen tocht en zijn roemrijke overwinning behaald op koning Manfred, waardoor de Ghibellijnen uit Florence werden verjaagd en de Guelfen er terugkeerden. Daardoor wilde een ridder, messer Neri degli Uberti [190], met al zijn bedienden en veel geld gevlucht uit de stad, nergens anders terugkomen dan onder de bescherming van koning Karel. Om op een eenzame plaats te leven en zijn dagen in rust te eindigen ging hij naar Castello da Mare di Distabia.
Op een voetboogs-pijlschot afstand van de stad te midden der olijven en notenboomen en kastanjes, waarvan de streek vol is, kocht hij een landgoed, waarop hij een schoon en gemakkelijk huis liet zetten en daarnaast een aardigen tuin aanleggen, te midden van welke hij naar ons gebruik een fraaien en helderen vijver liet graven en vulde die met veel visschen. Hij gaf om niets anders dan om zijn tuin zoo mooi mogelijk te maken. Eerst in den heetsten tijd begaf koning Karel om wat uit te rusten zich naar Castello da Mar. Hij wilde dien schoonen tuin zien. Nadat hij vernomen had van wie deze was, dacht hij, daar de ridder tot de hem vijandige partij behoorde, dat hij hem op een vriendelijker manier moest behandelen en liet hem melden, dat hij met vier metgezellen den volgenden avond in stilte bij hem in den tuin wilde komen eten. Dit was messer Neri zeer aangenaam en hij regelde alles om den koning zoo goed hij kon te ontvangen.
Toen die den heelen tuin en het huis van messer Neri gezien en geprezen had, zette de koning zich aan een der tafels, die aan den vijverkant geplaatst waren, na zich te hebben gewasschen en beval aan graaf Guido di Monforte, een van de metgezellen, naast hem plaats te nemen en messer Neri eveneens en aan de overige drie, die mee waren gekomen, dienst te doen, gelijk Neri het had vastgesteld. Er kwamen uitgezochte spijzen en zeer fijne en kostbare wijnen en de bediening was lofwaardig. Terwijl hij opgewekt avondmaalde en zich verheugde over de eenzame plaats, kwamen in den tuin twee jonge meisjes, waarvan de eene misschien vijftien jaar was, met losse haren blond als gouddraad en daarover een kleinen, lichten krans van maagdenpalm gewonden, wier oogen die van engelen schenen. Zij hadden de huid bedekt met een kleed van zeer fijn en sneeuwwit linnen, aan den gordel het nauwst en dat van daar omlaag, breed als een voorhangsel, tot op de voeten viel. Zij, die voorop ging, droeg op haar schouders een paar vischnetten, die zij met de linkerhand vasthield en in de rechter een langen stok. De tweede had op den linkerschouder een oventje en onder den linkerarm een bundel hout, in de hand een drievoet en in de andere hand een potje olie en een aangestoken fakkeltje. De koning verwonderde zich bij dien aanblik en wachtte gespannen af, wat dat beteekende. De meisjes traden eerbaar en beschaamd vooruit en maakten voor den koning een buiging. Zij, die de kachel droeg, plaatste die op den grond en toen het overige, nam den stok van haar gezellin en beide traden in den vijver, waarvan het water hun tot de borst steeg. Een der bedienden van Neri stak haastig het vuur aan en na de kachel op den drievoet te hebben geplaatst en er de olie op te hebben gegoten begon hij af te wachten, dat de meisjes hem visch zouden toewerpen.
De een zocht op de plaatsen, waar zij wist, dat de visschen zich verscholen en de ander hield het net gereed tot groot genoegen van den koning, die met aandacht toezag, en zij vingen er in korten tijd vele. Zij wierpen ze toe aan den knecht, die ze levend op den oven legde en daarna vingen zij er van de schoonsten, die zij op tafel den koning, graaf Guido en hun vader toewierpen. Die sprongen op tafel, waarin de koning wonder veel genoegen had en terwijl hij er op zijn beurt van ving, wierp hij ze hoffelijk naar hen terug en zoo schertsten zij eenigen tijd, tot de knecht de zijnen gebakken had en die eer als een toespijs dan als een duur of keurig gerecht, gelijk messer Neri beval, den koning werden voorgezet. De meisjes, die de gebakken visch zagen en genoeg gevischt hadden, kwamen uit den vijver het witte en lichte kleed geheel klevend aan hun huid, zoodat niets van den fijnen vorm van hun lichaam verborgen bleef en nadat zij de voorwerpen weer hadden opgenomen, gingen zij beschaamd langs den koning naar huis terug. De koning, de graaf en de anderen hadden die meisjes heel mooi en welgemaakt, aardig en welgemanierd gevonden, maar bovenal hadden ze aan den koning behaagd. Hij had zoo aandachtig elk deel van hun lichaam beschouwd, toen zij uit het water kwamen, dat hij, als men hem geprikt zou hebben, het niet gevoeld had. Steeds meer aan hen denkende voelde hij in het hart een brandende begeerte groeien ze te bezitten en dat hij verliefd zou worden, als hij zich niet in acht nam. Hij wist zelf niet, wie van de twee hem het meest beviel. Na eenig nadenken wendde hij zich tot Neri en vroeg hem, wie de twee jonge dames waren, die antwoordde: Mijnheer, dat zijn mijn dochters, beide op denzelfden dag geboren, waarvan de eene Ginevra, de Schoone, en de andere Isotta, de Blonde, heet. De koning prees ze zeer en spoorde hem aan ze uit te huwen, waarover Neri, omdat hij dit niet kon, zich verontschuldigde. Er bleef niets meer dan het fruit op te disschen en de twee meisjes kwamen in twee rokken van zeer fraai taf met twee zeer groote zilveren schotels in de hand vol verschillende vruchten en zetten dien voor den koning op tafel. Daarna gingen zij wat achteruit en begonnen een lied te zingen, dat aldus aanving:
Hoever gij, Amor, mij hebt gebracht, Lang kan men daar niet van verhalen ....
met zooveel zachtheid en zoo lief, dat het den koning, die met genoegen toekeek en luisterde, scheen, dat alle engelenkoren daar waren neergedaald. Vervolgens knielden zij en vroegen eerbiedig verlof aan den koning, die, hoewel hun vertrek hem hinderde, het hun toch schijnbaar welwillend gaf. Het maal eindigde, de koning steeg met zijn metgezellen te paard, ze lieten messer Neri achter, spraken over een en ander en keerden naar de koninklijke woning terug. Hier hield de vorst zijn genegenheid verborgen, maar kon, welke ernstige zaak ook voorviel, de schoonheid en bekoorlijkheid van de schoone Ginevra niet vergeten, waarvan hij ook de zuster liefhad, die op haar geleek en hij raakte zoo vast aan den lijmstok der liefde, dat hij aan niets anders kon denken. Hij greep andere voorwendsels aan om met messer Neri een innige vriendschap te sluiten en bezocht zeer vaak in den tuin de schoone Ginevra. Reeds kon hij het niet meer uithouden en was hij op de gedachte gekomen, daar hij er niets anders op zag om niet één maar beide meisjes te schaken, toen hij zoowel zijn liefde als zijn plan bekende aan graaf Guido, die, omdat hij een waardig man was, hem zeide: Mijn heer, ik verwonder mij er zeer over, wat gij mij zegt en meer dan wie ook, daar het mij voorkomt, dat ik uw gewoonten van af uw jeugd tot heden toe beter gekend heb dan ieder ander. Omdat gij in uw jeugd, waarin de liefde lichter u in haar banden moest boeien, nooit zulk een hartstocht gekend hebt, vind ik het haast een wonder, dat gij, de ouderdom al nabij, lief hebt. En als het mij paste u er over te laken, weet ik wel, wat ik u zou zeggen, als ik in aanmerking neem, dat gij in een pas veroverd rijk het harnas nog aan hebt bij een onbekend volk vol bedrog en verraad, en terwijl gij geheel belast zijt met zeer groote zorgen en gewichtige zaken en met nog geen tijd om te gaan zitten, ruimte hebt gegeven aan zulk een bedriegelijke liefde.
Dit is geen daad van een groot koning, maar van een kleinmoedig jonkman. Behalve dat, zegt gij, wat erger is, dat gij hebt overlegd de twee meisjes aan den armen ridder te ontrooven, die u in zijn huis boven zijn middelen heeft ontvangen en om u nog meer te eeren ze u haast naakt heeft getoond, op die wijze betuigend, hoeveel vertrouwen hij in u heeft en dat hij in u bepaald een koning ziet en geen roofzuchtige wolf. Is het u dan zoo spoedig ontgaan, dat de geweldenarijen van Manfred jegens de vrouwen u den toegang tot dit rijk hebben ontsloten? Welk verraad, als het ooit werd gepleegd, zou meer een eeuwige straf waard zijn dan hem zijn eer te ontnemen en zijn hoop en zijn troost? Wat zou men dan van u zeggen? Gij denkt misschien, dat het een genoegzame verontschuldiging is: Ik deed dit, omdat hij een ghibellijn is. Is dit nu de rechtvaardigheid des konings, dat zij, die bij hem hun toevlucht zoeken, wie ze ook zijn, zoo worden behandeld? Ik herinner u, o koning, dat het een zeer groote glorie is Manfred te hebben overwonnen, maar nog grooter zich zelf te overwinnen. Overwint gij, die anderen moet verbeteren, daarom u zelf en bedwing dien lust en bezoedel niet met zulk een vlek, wat gij met eere hebt veroverd.
Deze woorden troffen de ziel des konings bitter en bedroefden hem te meer, naarmate hij beter haar waarheid besefte. Hij antwoordde na eenige heete zuchten: Graaf, ik vind zeker, dat ieder ander vijand, hoe sterk ook, gemakkelijker en sneller te overwinnen is voor een goed geoefend krijgsman dan zijn eigen hartstocht, maar hoe groot het verdriet ook is en de vereischte kracht, uw woorden hebben mij zoo aangespoord, dat ik, voor te veel dagen verstrijken, u door mijn daden zal toonen, dat ik als anderen ook mij zelf kan vermeesteren. Kort daarop, toen de koning naar Napels was teruggekeerd, zoowel om zich zelf te beletten iets slechts te doen als om den ridder te beloonen voor de genoten gastvrijheid, stelde hij vast, hoe hard het ook voor hem was een ander tot den bezitter te maken van wat hij het meest voor zich zelf verlangde: de twee meisjes uit te huwen en niet als de dochter van messer Neri maar als van hem zelf. Met goedvinden van dezen schonk hij een prachtige bruidschat, gaf de schoone Ginevra aan messer Maffeo van Palizzi en de blonde Isotta aan messer Guiglielmo della Magna, beide edele ridders en groote baronnen. Na ze hun te hebben toegevoerd, begaf hij zich met onnoemelijke smart naar Apulië en met voortdurende vermoeienissen vernietigde hij, zoo goed hij kon, zijn wreede begeerte, opdat hij na de liefdeboeien te hebben verbroken, voor de rest van zijn leven van zulk een hartstocht vrij bleef.
Er zullen er misschien zijn, die zeggen, dat het niet veel is voor een koning om twee meisjes uit te huwen en dat wil ik toegeven, maar ik zou zeggen, dat het een groot, een zeer groot ding is, wanneer een verliefd vorst dit doet met haar, die hij lief heeft zonder van haar liefde blad, bloem of vrucht te hebben geroofd. Zoo handelde dus de grootmoedige koning en beloonde den edelen ridder op nobele wijze, eerde de beminde meisjes loffelijk en overwon met kracht zich zelve.
ZEVENDE VERTELLING.
Koning Peter, die gehoord heeft van de vurige liefde, die de zieke Lisa hem toedraagt, maakt haar beter en huwt haar daarna aan een jong edelman uit, kust haar het voorhoofd en noemt zich sedert voor altijd haar ridder.
Toen Fiametta aan het einde van haar vertelling gekomen was en de mannelijke grootmoedigheid van koning Carlo zeer was geroemd, hoewel een enkele donna, die ghibellijnsch was hem niet wilde prijzen, begon Pampinea op last des konings aldus: Hooggeachte donna’s. Er is geen verstandig man, die niet zou spreken als gij over koning Carlo behalve wie om anderen reden hem kwaad gezind is; maar omdat mij iets invalt misschien lofwaardiger en gedaan door een van zijn tegenstanders jegens een onzer Florentijnsche meisjes, behaagt het mij u dit te vertellen.
Tijdens den Siciliaanschen Vesper werden de Franschen verdreven en leefde er in Palermo als apotheker een onzer Florentijnen: Bernardo Puccini, een zeer rijk man, die slechts één zeer schoone en al verloofde dochter van zijn vrouw had. Koning Peter van Aragon, heer van dit eiland geworden, hield daar met zijn baronnen een wonderbaar feest en op Catalonische wijze een steekspel. De dochter van Bernardo: Lisa, zag hem uit een venster, waar zij met andere donna’s zat, en hij beviel haar zoo, dat zij vurig op hem verliefd werd. Toen het feest geëindigd was en zij zich in het huis van haar vader bevond, kon zij aan niets anders denken dan aan deze heerlijke en hooge liefde. En wat haar hierbij het meest hinderde was: het besef van haar nederigen stand, die haar geen hoop liet op een heugelijk einde, maar toch hield zij vol den koning lief te hebben en uit vrees voor meer verdriet, durfde zij het niet bekennen. De koning merkte het niet, wat haar meer dan men denken kan, ondragelijk pijnigde. Zoo, doordat haar liefde voortdurend aanwies en er zwaarmoedigheid bij kwam, werd zij ziek en zij kwijnde weg als sneeuw voor de zon. Haar ouders deden hun best haar met versterkingen en doktoren en medicijnen te helpen, maar niets baatte, omdat zij niet langer wou leven. Het kwam haar in de gedachte, als het op passende wijze kon, haar liefde en haar voornemen, eer zij stierf, aan den koning mede te deelen en daarom verzocht zij haar vader Minuccio d’Arezzo bij haar te brengen. Minuccio werd destijds voor een uitstekend zanger en fluitspeler gehouden en was zeer gezien bij koning Peter. Bernardo dacht, dat Lisa hem wat wilde hooren spelen en zingen; daarom liet hij hem zeggen dadelijk bij haar te komen en toen hij als aardig mensch haar met liefdewoorden gesterkt had, begon hij op zijn viool zacht een sonate te spelen en zong daarna eenige liederen; dezen waren voor het meisje vuur en vlam, terwijl hij haar geloofde te troosten.
Hierna wilde het meisje aan hem alleen iets zeggen en zij sprak: Minuccio, ik zal u een geheim toevertrouwen, dat gij alleen moogt mededeelen, wien ik u aanwijs om mij zooveel mogelijk te helpen. Ik zag, Minuccio, toen koning Peter zijn groot kroningsfeest gaf, hem bij het steekspel en werd daardoor zóó getroffen, dat dit mij in den toestand bracht, waarin gij mij ziet. Daar ik weet, hoe slecht mijn liefde een koning past en ik die niet kan verjagen maar wel verminderen en die voor mij zeer zwaar te dragen is, heb ik om minder smart verkozen te sterven. Ik zou ongetroost sterven, als hij het niet eerst zou weten en daar ik niet weet aan wien ik het beter kan mededeelen dan u, draag ik dit aan u op en ik smeek u dat gij mij het niet weigert en als gij het gedaan zult hebben, laat het mij dan weten, opdat ik bevrijd van die smarten getroost sterf en na dit schreiend gezegd te hebben, zweeg zij. Minuccio verwonderde zich over haar trots en wreed voornemen en berispte haar daarover. Het viel hem in, hoe hij haar met eere kon dienen en zeide: Lisa, ik verpand u mijn woord, en gij zult er nooit door bedrogen worden. Ik prijs u, dat gij uw liefde gericht hebt op zulk een groot koning en bied u mijn hulp aan, waarmee ik hoop zoo te werk te gaan—wat u moet sterken—dat, voor de derde dag voorbij is, ik geloof tijdingen te hebben, die u zeer welkom zullen zijn. Om geen tijd te verliezen, wil ik dadelijk beginnen. Lisa, die hem dit opnieuw smeekte en beloofde zich goed te houden, wenschte, dat hij ging met God. Minuccio ging een zekeren Mico van Siena opzoeken, een goed rijmer van dien tijd en overreedde hem op haar verzoek het volgende lied te maken:
Liefde, ga en ijl tot mijn Heer, Spreek hem van de pijnen die ik draag: En zeg hem, dat ik sterven zal, Als mijn begeerte door vrees blijft verborgen.
Amor, ik smeek u met gevouwen handen, Dat gij gaat, waar mijn Heer verblijft, Zeg, dat ik vaak hem begeer en bemin, Zoo zoet verliefd is mijn harte: En door het vuur, dat mij geheel ontvlamt, Vrees ik te sterven en toch weet ik niet het uur, Dat ik vrij zal zijn van zoo wreede smart, Die ik verduur in verlangen naar hem In vrees en in schaamte. Ach! Om Gods wil, doe het hem weten.
Sinds ik, Amor, op hem werd verliefd, Hebt gij niet zooveel moed als vrees gegeven, Zoodat ik geen enkele maal Hem mijn hartewensch kon openbaren, Die mij zoo in spanning houdt. Het is wreed zoo te sterven. Misschien dat het hem zou behagen, Als hij wist, hoeveel pijn ik gevoel En als gij mij den moed hadt gegeven Om mij het hem te doen weten.
Daar dit, Amor, u niet behaagde, Mij die beslistheid te geven, Dat mijn Heer mijn hart kent, Hetzij door een boodschap of door een teeken, Vraag ik u de genade, mijn zoete heer, Dat gij tot hem gaat en hem te herinneren, Den dag, toen ik hem zag met schild en lans Met andere ridders in strijd, Toen ik hem bleef aanschouwen. Zoo verliefd, dat mijn hart er van vergaat.
Minuccio toonzette die woorden dadelijk op een zachte en klagende wijze, gelijk de stof dit eischte in die dagen; later ging hij naar het hof, terwijl koning Peter nog aan tafel zat en hem verzoeken liet wat op zijn viool te spelen. Hij deed dit zoo, dat allen in de koninklijke zaal buiten zich zelf waren, en zij stonden allen zwijgend en gespannen te luisteren, de koning nog meer dan de anderen. Toen Minuccio zijn zang had geëindigd, vroeg de koning, hoe het kwam, dat hij die niet vroeger had gehoord. Mijn heer, antwoordde Minuccio de woorden en de muziek zijn nog geen drie dagen geleden gemaakt. Toen de koning vroeg door wien, antwoordde hij: Ik zou het niet durven openbaren dan aan u alleen. De koning hiernaar verlangend liet hem, toen de tafel was opgeheven, in zijn kamer komen, waar Minuccio hem alles vertelde. Hierover was de koning zeer verheugd, prees het meisje zeer en zeide, dat hij zich over zulk een waardige jonkvrouw wilde ontfermen en dat hij daarom namens hem naar haar toe ging en zeggen zou, dat hij haar stellig dien dag tegen den vesper zou bezoeken.
Minuccio verheugd zulk een aangename tijding aan het meisje te brengen, ging onverwijld weg met zijn viool en vertelde háár alleen alles en zong daarna het lied met zijn vioolspel. Het meisje was hierover zoo verheugd, dat er dadelijk teekens van herstel verschenen en met verlangen zonder dat iemand in huis het wist, wachtte zij. De koning, die een zeer vrijgevig en goed man was, had er meermalen aan gedacht en daar hij het meisje en haar schoonheid zeer goed kende, kreeg hij nog meer medelijden en op het uur van den vesper te paard gestegen, deed hij of hij voor zijn genoegen uitreed en kwam aan het huis van den apotheker. Daar liet hij een zeer schoonen tuin voor zich openen, waarin hij afsteeg en na eenigen tijd Bernardo vroeg, hoe zijn dochter het maakte en of die al gehuwd was. Bernardo antwoordde: Heer, zij is nog niet gehuwd, maar zij was en is integendeel zeer ziek: het is waar, dat zij sinds vanmiddag verbazend hersteld is. De koning begreep wel, wat die verbetering beteekende en zeide: Het zou waarlijk jammer zijn, als zulk een mooi schepsel zoo spoedig van de wereld zou verdwijnen; wij zullen haar gaan bezoeken. Met slechts twee metgezellen en Bernardo begaf hij zich naar haar kamer en toen naderde hij het bed, waarop het meisje half opgerezen hem met verlangen verwachtte en sprak haar bij de hand nemend: Madonna, wat beteekent dat? Gij zijt jong en moest anderen troosten en laat u door het kwaad overwinnen. Wij verzoeken u, dat het u zal behagen uit liefde tot ons spoedig beter te worden. Toen het meisje zich de hand voelde drukken door hem, dien zij boven alles lief had en zij zich eenigszins schaamde, verheugde zij zich zoo, of zij in het Paradijs was en antwoordde: Mijn heer, de oorzaak van die ziekte is, dat ik mijn te zwakke krachten te zware lasten wilde doen dragen, van welke gij mij, dank zij u, spoedig genezen zult zien. Alleen de koning verstond de bedekte taal van de jonkvrouw en hij achtte er haar steeds meer om. In stilte vervloekte hij het lot, dat haar tot de dochter had gemaakt van zulk een man en nadat hij eenigen tijd bij haar gebleven was en haar had getroost, ging hij weg. Deze menschlievendheid van den koning werd zeer geprezen en als een groote eer beschouwd voor den apotheker en zijn dochter en door de beste hoop gesteund was zij in weinige dagen genezen en schooner dan ooit. Maar toen zij hersteld was en de koning met de koningin had behandeld, welk loon hij haar voor die liefde moest geven, steeg hij eens te paard met velen van zijn baronnen, begaf zich naar het huis van den apotheker en in den tuin gegaan, liet hij dien roepen en zijn dochter. Ook de koningin kwam er met vele donna’s en zij ontvingen het meisje wonder goed. Nadat de koning wat met de koningin gesproken had, riep hij Lisa en zei: Meisjelief, de liefde, die gij mij hebt toegedragen, heeft u groote achting bij ons verschaft en wij willen, dat gij uit liefde voor ons tevreden zult zijn. Wij schenken u de eer, dat gij, als gij huwt, nemen zult, dien wij u geven, altijd wel te verstaan, dat wij ons uw ridder noemen, zonder meer liefde van u te verlangen dan een enkelen kus. Het meisje, dat van schaamte geheel rood was geworden, stelde den koning tevreden en sprak met gedempte stem: Mijn heer, ik ben er zeker van, dat, indien men wist, dat ik verliefd op u was, de meeste menschen mij gek zouden verklaren, maar God, die alleen in de harten der stervelingen leest, weet, dat ik op het uur, dat gij voor het eerst mij bekoorde, besefte, dat gij de koning waart en ik de dochter van den apotheker Bernardo en dat het mij kwalijk paste naar zulk een hoogen rang den brand van mijn ziel te richten. Gij weet veel beter dan ik, dat niemand naar verplichte keus verliefd wordt, maar naar begeerte en welbehagen; tegen die wet verzetten zich mijn krachten en niet meer kunnend, beminde ik u, bemin ik u en zal ik u altijd beminnen. Het is waar, dat ik, sinds ik door liefde tot u bevangen werd, besloot van uw wil steeds den mijne te maken. Daarom zal ik niet slechts gaarne tot man nemen en lief hebben, dien het u behaagt mij te geven naar mijn eer en volgens mijn stand, maar indien gij zoudt zeggen, dat ik in de hel moest leven, zou het mij aangenaam zijn. U tot ridder te hebben, u die koning zijt, gij weet, hoeveel dit mij waard is, en daarom spreek ik daar niet meer over. En de kus, die gij vraagt van mijn liefde, zal u met toestemming van mevrouw de koningin gegeven worden. Voor zulk een goedheid als de uwe en die van mevrouw de koningin geve God u genade en loon, want ik kan het niet.
Haar antwoord behaagde de koningin zeer en zij scheen haar even verstandig, als de koning gezegd had. De koning ontbood een jonkman, een arm ridder, Perdicone, en na hun ringen aan de vingers geplaatst te hebben huwde hij hem, die zich niet verzette, met Lisa. De koning en de koningin gaven hun behalve vele en dure juweelen, Ceffalu, en Calatabellotto (een kleine stad niet ver van de haven Sciacca), twee zeer goede en vruchtbare landgoederen en hij sprak: Dezen geven wij u als bruidschat; wat wij verder voor u zullen doen, zult gij later zien. En toen zei hij tot het meisje: Thans willen wij die vrucht van uw liefde hebben, die ons verschuldigd is; hij kuste haar het voorhoofd. Perdicone en de ouders van Lisa en zij zelf zeer gelukkig, maakten een blijde bruiloft.
Naar hetgeen velen bevestigen, hield de koning de belofte aan het meisje gedaan, omdat hij zich, zoolang hij leefde, haar ridder noemde en nooit ging strijden, zonder dat hij de baanderol droeg, die hem door het meisje was gezonden. Aldus handelend worden de harten der onderdanen gewonnen, men geeft zich gelegenheid aldus goed te handelen en verwerft zich eeuwigen roem. Maar weinigen hebben daarheen thans den boog des geestes gespannen, daar de meeste heeren wreed en despotiek zijn geworden.
ACHTSTE VERTELLING.
Sophronia geloovend de vrouw te zijn van Gisippos wordt die van Titus Quintius Fulvius en gaat met hem naar Rome, waar Gisippos zelf arm aankomt. Hij meent door Titus vergeten te worden en beschuldigt zich zelf een man te hebben vermoord om dan ter dood te worden gebracht. Titus herkent hem, verklaart, dat hij de dader is om hem te redden, waarop de ware schuldige zich zelf aanklaagt. Dan worden zij allen door Octavianus in vrijheid gesteld en Titus geeft zijn zuster aan Gisippos tot vrouw en deelt met hem al zijn goederen.
Toen Pampinea ophield met spreken en ieder koning Peter al geprezen had, vooral de Ghibellijnsche, begon Filomena op bevel des konings aldus: Grootmoedige donna’s. Wie weet niet, dat de koningen allerlei groote dingen kunnen doen, wanneer zij het willen en dat men van hen in het bijzonder eischt zich edelmoedig te toonen? Die dus doen kan, wat hij moet doen, doet goed. Maar men moet zich daarover minder verwonderen noch ze met den hoogsten lof prijzen zooals anderen, van wien het bij minder macht geëischt werd en die dit dan zouden doen. En als gij daarom zoo de daden der koningen hebt verheerlijkt, twijfel ik er niet aan, dat die van onze gelijken u nog meer moeten behagen, wanneer zij de daden der koningen evenaren of overtreffen. Daarom wil ik u de lofwaardige en grootmoedige daad vertellen van twee medeburgers en vrienden.
In den tijd, dat Cesar Octavianus, toen nog niet Augustus genoemd, het Romeinsche Rijk regeerde als lid van het Triumviraat, leefde er in Rome een edelman Publius Quintius Fulvius, die een zoon van hem, Titus Quintius Fulvius, wonderbaar begaafd, naar Athene zond om philosophie te studeeren en hem zeer aanbeval bij een edel man Cremetes, zijn oudsten vriend. Deze hield Titus in diens eigen huis met diens zoon Gisippos en onder de leiding van een wijsgeer Aristippos. Titus en Gisippos moesten gelijkelijk door bemiddeling van Cremetes leeren. Daar de jongelieden samen omgingen, vonden zij elkaars gewoonten zoo gelijk, dat er een groote broederschap en vriendschap tusschen hen ontstond, die sinds slechts door den dood kon verbroken worden. Geen van hen had vreugde of rust, als zij niet weer samen waren. Zij hadden de studies begonnen en beiden met den hoogsten geest begaafd stegen naar de roemvolle hoogte der wijsbegeerte met gelijken tred en met wonderbaren lof en aldus hielden zij drie jaar vol tot het grootste genoegen van Cremetes, die ze beide als zijn zoons beschouwde. Op het einde van dezen tijd stierf Cremetes al oud; hierover droegen zij met gelijke smart rouw als over een vader en de vrienden en verwanten van Cremetes wisten hen niet over het gebeurde te troosten.
Na eenige maanden waren de vrienden en verwanten van Gisippos bij hem, spoorden hem met Titus aan een vrouw te nemen en vonden voor hem een meisje van wonderbare schoonheid en van zeer edele ouders en burgeres van Athene, Sophronia, misschien vijftien jaar oud. Toen de tijd van de bruiloft naderde, verzocht Gisippos eens Titus om haar te komen zien, wat nog niet was geschied. Toen zij in haar huis waren en zij tusschen beide in zat, beschouwde Titus de schoonheid van de vrouw van zijn vriend zeer aandachtig en daar zij hem uitermate behaagde, werd hij, zonder het aan iemand te toonen zoo verliefd als ooit een minnaar ontgloeide voor een donna. Maar toen zij eenigen tijd samen waren geweest, vertrokken zij en gingen naar huis terug. Hier dacht Titus aan het bekoorlijke meisje en ontvlamde hoe langer hoe meer. Toen hij dit merkte, sprak hij voor zich na vele heete zuchten: Ach, uw ellendig leven, Titus! Waar en in wat stelt gij uw liefde en uw hoop? Of weet gij niet zoowel door de gastvrijheid van Cremetes en zijn huisgenooten als door de groote vriendschap tusschen u en Gisippos, wiens vrouw zij is, dat gij dit meisje moet eerbiedigen als een zuster? Wie bemint gij dan? Waartoe laat gij u vervoeren met uw bedriegelijke liefde? Waarheen met valsche hoop? Open de oogen des geestes en ken, o ellendige, u zelf; geef plaats aan de rede, beteugel de begeerte tot bijslaap, matig de ongezonde verlangens en richt uw gedachten op iets anders. Weersta van af het begin uw lust en overwin u zelf, terwijl gij den tijd hebt. Wat gij wilt, past niet; dat is niet eerlijk en zelfs wanneer gij zeker zijt te slagen in wat gij doen wilt (wat gij niet zijt), moet gij het vermijden en acht geven op wat de ware vriendschap van u eischt. Wat wilt gij dus doen, Titus? Laat de onpassende liefde varen, indien gij behoorlijk wilt handelen. En toen aan Sophronia denkend, tot het tegengestelde gezind, veroordeelde hij al het gesprokene en zeide: De wetten der liefde zijn van meer kracht dan alle anderen; zij breken niet slechts die der vriendschap maar zelfs de goddelijke. Hoeveel keeren heeft reeds de vader de dochter bemind, de broer de zuster, de schoonmoeder haar schoonzoon! Die dingen veel monsterachtiger dan dat de eene vriend de vrouw van den ander lief heeft, hadden al duizend maal plaats. Bovendien ben ik een jonkman en vooral de jeugd is onderworpen aan de liefdewetten. Wie dus aan Amor behaagt, bevalt mij. De eerbaarder dingen passen rijpere mannen; ik kan niets anders willen dan Amor. Haar schoonheid verdient door iedereen bemind te worden en indien ik het doe, die jong ben, wie zal mij dit terecht kunnen verwijten? Ik heb haar niet lief, omdat zij van Gisippos is, maar ik bemin haar zelfs, die ik, al behoorde zij aan wie ook, zou beminnen. Hier zondigt de fortuin, die haar eerder aan mijn vriend Gisippos heeft gegeven dan aan mij, en als zij bemind moet worden (wat zij door haar schoonheid verdient) moet Gisippos eerder tevreden zijn, als hij het weet, dat ik haar lief heb dan een ander. En op die wijze zichzelf bespottend, naar het tegengestelde en van het een naar het ander draaiend, bracht hij niet alleen dien dag maar ook den volgenden nacht door zoo, dat hij eet- en slaaplust had verloren en uit zwakte gedwongen was te gaan liggen.
Gisippos, die hem meermalen vol gedachten en nu ziek zag, treurde daarover zeer en zonder een oogenblik van hem vandaan te gaan, deed hij zijn best hem te sterken en vroeg hem vaak en met aandrang de oorzaak van zijn gedachten en zijn ziekte. Maar nadat Titus hem meermalen met verzinsels had geantwoord en Gisippos dit had bemerkt, voelde hij zich toch gedwongen en antwoordde hem met klachten en zuchten aldus: Gisippos, als het aan de goden behaagd had, zou het mij aangenamer wezen dood te zijn dan te leven, als ik bedenk, dat het noodlot mij gebracht heeft tot een uiterste, waarin ik mijn deugd moest bewijzen en mij tot mijn groote schaamte overwonnen zie. Maar zeker verwacht ik spoedig het loon, dat ik verdien: den dood, die mij liever zal zijn dan het leven door de herinnering aan mijn lafheid, omdat ik aan u niet kan noch mag verbergen, wat ik u niet zonder groote schaamte openbaren zal. Hij bekende alles en beweerde, dat hij wetend, hoezeer hem dit niet paste, tot straf had willen sterven en geloofde, dat het spoedig zou gebeuren. Gisippos, die zijn tranen zag, bleef eenigen tijd in zich zelf gekeerd, alsof hij gelijk deze door de schoonheid van het jonge meisje maar kalmer bevangen was. Doch dadelijk bedacht hij, dat het leven van zijn vriend hem dierbaarder moest zijn dan Sophronia. Hij antwoordde, tot schreiens toe bewogen: Titus, indien gij niet zooveel behoefte hadt aan versterking, zou ik mij bij u over u zelf beklagen, daar gij onze vriendschap geschonden hebt door dien zeer ernstigen hartstocht zoo lang voor mij verborgen te houden. Want hoewel u die oneerbaar schijnt, moet men dien evenmin als de eerbare zaken voor een vriend verbergen, omdat wie behagen schept in de eerbare daden van een vriend, zijn best doet hem af te houden van de schandelijke, maar wij zullen dit nu laten varen en ik wil komen tot wat ik moet weten. Indien gij vurig Sophronia bemint, verwondert dit mij niet, omdat ik haar schoonheid en uw zielenadel ken, een feit, dat te meer een hartstocht kweekt, naarmate het voorwerp er van door meerdere uitnemendheid behaagt. Hoe meer gij Sophronia werkelijk bemint, des te meer beklaagt gij u ten onrechte over het noodlot, al uit gij u daar niet over, dat het haar mij heeft afgestaan. Want het schijnt u, dat gij haar eerbaar zoudt beminnen, als zij aan een ander had behoord. Maar indien gij verstandig zijt als gewoonlijk: aan wien zou de fortuin haar beter kunnen afstaan, opdat gij er haar dankbaar voor zoudt zijn? Wie het ook geweest ware, zou, hoe eerbaar uw liefde ook is, haar meer voor zich zelf hebben lief gehad dan voor u, wat gij van mij niet behoeft te vreezen. Alles heb ik u toevertrouwd; stond het er zoo mee, dat het niet anders kon, dan sou ik ook zoo handelen als de anderen, maar daar het nog niet zoo ver is, zoo dat ik haar nog tot de uwe kan maken, zal ik dit ook doen. Wat zou mijn vriendschap u waard zijn, als ik met eere haar niet de uwe liet worden? Sophronia is mijn verloofde en ik heb haar zeer lief en wacht met groote vreugde onze bruiloft af. Maar omdat gij gevoeliger zijt en met meer vuur zulk een dierbaar voorwerp verlangt dan ik, kunt gij er zeker van zijn, dat zij niet als mijn maar als uw vrouw in mijn kamer zal komen. Verjaag dus de neerslachtigheid, roep de verloren gezondheid terug en verheug u, dat van nu af aan uw verdiensten veel meer liefde waard zijn dan de mijnen.
Toen Titus Gisippos zoo hoorde spreken, deed zooveel als de bedriegelijke hoop, die hij hem gaf, hem verheugde, de juiste reden hem zich schamen en hij vond, dat hoe grooter de edelmoedigheid van Gisippos was, het voor hem ongepaster was daarvan gebruik te maken. Hij antwoordde klagend aldus: Gisippos, uw grootmoedigheid en ware vriendschap toont mij klaar genoeg, wat ik moet doen. Zeus verhoede, dat ik ooit haar, die hij u als de waardigste gaf, aanneem en zoo hij gezien had, dat zij mij paste, zou niemand moeten gelooven, dat hij u haar had afgestaan. Maak dus verheugd van zijn keuze gebruik en laat mij in smart doen verteren, die hij mij—zooveel goeds onwaardig—bereid heeft. Mijn verdriet zal ik te boven komen en ik zal u dierbaarder zijn of het zal mij overwinnen en dan ben ik uit mijn lijden.
Gisippos antwoordde: Titus, indien onze vriendschap mij zooveel vrijheid geeft, dat ik u dwingen kan tot mijn besluit, zal ik er nu ten volle van gebruik maken. En als gij niet goedschiks gehoorzaamt, zal ik met geweld, dat men ten goede voor een vriend moet gebruiken, Sophronia tot de uwe maken. Ik ken de macht der liefde en weet, dat zij vaak de minnenden tot een ongelukkig einde voerde en ik zie u daar zóó dichtbij, dat gij niet kunt teruggaan om de smarten te overwinnen, maar voortgaande u overwonnen zult zien, en ik zou weldra volgen. Want om zelf te leven is uw leven mij dierbaar. Sophronia wordt dus de uwe; want gij zoudt niet licht een andere vinden, die u meer zou behagen. Ik zou niet zoo vrijgevig zijn, als de vrouwen zoo zeldzaam en moeilijk te vinden waren als vrienden; ik wil haar eerder ruilen, niet verliezen,—wat ik haar aan u schenkend niet doe,—dan u verliezen.
Als mijn beden iets op u vermogen, verzoek ik u, u van die smart te bevrijden en troost tegelijk u en mij en bereidt u er op voor met goede hoop die vreugde te genieten, welke uwe warme liefde van het beminde voorwerp verlangt.
Daar Titus zich schaamde er in toe te stemmen, dat Sophronia zijn vrouw werd en nog weigerde, doch de liefde en de bemoedigingen van Gisippos hem deden weifelen, zeide hij: Kijk, Gisippos, ik weet niet, of ik mijn genoegen of het uwe zal doen, wanneer ik doe, wat gij mij vraagt. Maar omdat uw grootmoedigheid zoo is, dat zij mijn schaamte overwint, geef ik toe, maar wees er zeker van, dat ik het niet zal doen als een man, die hiermee meent alleen de beminde donna te ontvangen maar zijn leven. Mogen de Goden maken, dat ik u met eer en rijkdom kan toonen, hoe aangenaam mij dit is, dat gij jegens mij barmhartiger handelt dan ik zelf.
Toen sprak Gisippos: Titus, wij moeten dezen weg inslaan: gelijk gij weet, is na den langen omgang van onze ouders, Sophronia mijn verloofde geworden en daarom als ik nu zeg, dat ik haar niet tot vrouw zou willen, zouden er groote twisten uit voortkomen. Als ik haar daardoor de uwe zag worden, zou ik daar niet om geven, maar ik vrees, als ik haar zoo laat gaan, dat haar ouders haar niet dadelijk aan een ander zouden geven en zeker niet aan u en zoo zoudt gij die verloren hebben, die ik niet zal hebben gewonnen. En daarom zal ik doorzetten, wat ik begonnen ben en als de mijne haar naar huis voeren en de bruiloft vieren. Daarna zult gij in ’t geheim met haar als uw vrouw slapen. Dan zullen wij op het goede oogenblik de zaak bekend maken, wat, als het hun bevallen zal, zal lukken; zoo niet, dan zal het toch gebeurd zijn en moeten zij er in berusten. Die raad beviel aan Titus en na een groot feest bij nacht lieten de vrouwen de pasgehuwde in het bed van haar man achter.
De kamer van Titus was naast die van Gisippos en men kon van de eene in de andere komen. Toen elk licht was uitgedaan en Gisippos stil naar Titus gegaan was, zeide hij, dat die met zijn donna zou slapen. Toen Titus dit zag, werd hij door schaamte overwonnen en weigerde, maar Gisippos, die zoowel met daden als met woorden tot alles bereid was, bracht hem er toe na een lang verzet. Toen hij in het bed lag, nam hij het meisje en haar liefkoozend vroeg hij haar heimelijk of zij zijn vrouw wilde zijn. Deze meenend, dat het Gisippos was, zeide van ja, waarop hij haar een schoonen en rijken ring aan den vinger stekend zeide: En ik wil uw echtgenoot zijn. Nadat aldus het huwelijk gesloten was, had hij een lang liefdegenot met haar, zonder dat zij het bemerkte, dat Titus naast haar lag. Toen het aldus met dit huwelijk stond, stierf Publius, Titus’ vader, waardoor hem geschreven werd dadelijk naar Rome terug te keeren om zijn zaken waar te nemen en daarom besloot hij met Gisippos en Sophronia er heen te gaan. Hij kon dit niet doen zonder haar te toonen, hoe het met de zaak gesteld was. Zij riepen haar eens in een kamer en verklaarden haar alles en Titus verklaarde haar, wat er had plaats gehad. Zij zag verontwaardigd den een na den ander aan, weende en beklaagde zich over het bedrog van Gisippos en voor zij er verder een woord over sprak, ging zij naar haar vaders huis en vertelde haar ouders het bedrog van Gisippos. Dit was voor den vader van Sophronia zeer grievend en ook de oorzaak van grooten twist tusschen beider ouders. Ook Gisippos was kwaad met de families en ieder verklaarde hem niet alleen een berisping maar een zware kastijding waard. Maar hij beweerde een eerbare daad te hebben verricht en dat de ouders van Sophronia hem er dankbaar voor moesten zijn, daar hij haar beter dan aan zich zelf had uitgehuwd. Titus wist alles en verduurde het met groote ergernis. Daar hij het karakter van de Grieken kende, die veel rumoer maken, zoolang men draalt met hun te antwoorden, maar die dan nederig en kruiperig worden, meende hij, dat het niet goed was zonder antwoord hun praatjes te verdragen. Daar hij een romeinsch hart had en een atheenschen geest, liet hij onder een handig voorwendsel de ouders van Gisippos en Sophronia in een tempel komen en alleen door Gisippos vergezeld, sprak hij aldus tot de aanwezigen:
Vele wijsgeeren gelooven, dat wat door de stervelingen gebeurt de beschikking en de voorzienigheid der onsterfelijke Goden is en daarom meenen zij, dat wat gebeurt of gebeuren zal, noodzakelijk is, hoewel er anderen zijn, die alleen die noodzakelijkheid aannemen, voor wat gebeurd is. Als men die verschillende meeningen met eenige aandacht beschouwt, zal men duidelijk zien, dat het afgeven op een zaak, die niet meer te keeren is, niets anders is dan zich wijzer te willen toonen dan de Goden, van welken wij moeten gelooven, dat zij met eeuwige rede en zonder eenige dwaling over ons en onze zaken beschikken en heerschen. Dus kunt gij licht begrijpen, welk een dwaze en domme aanmatiging het is hun werken te laken en ook hoedanige en welke ketenen zij verdienen, die zich hierin door hun vermetelheid laten meesleepen. Tot dezen behoort gij allen, indien het waar is, wat gij steeds zegt, omdat Sophronia mijn vrouw is geworden, terwijl gij haar aan Gisippos hadt gegeven niet in aanmerking nemend, dat in der eeuwigheid beschikt was, dat zij niet de zijne maar de mijne moest worden, wat gij nu pas weet. Maar omdat het spreken over de geheime voorzienigheid en bedoeling der goden voor velen moeilijk te begrijpen is, zal ik maar aannemen, dat zij zich om ons lot niet bekommeren en behaagt het mij tot de overwegingen der menschen af te dalen. Hiervan sprekend zal ik twee dingen moeten doen zeer tegen mijn gewoonten: het eerste mijzelf te prijzen, het tweede: anderen een weinig te laken of te verlagen. Maar omdat ik zoowel in het een als in het ander niet van de waarheid wil afwijken en de tegenwoordige aanleiding dit eischt, zal ik het toch doen. Uw klachten, meer door woede dan door redeneering ontstaan, en het voortdurend gemompel en rumoer schandvlekken, kwellen en schaden Gisippos, omdat hij mij die vrouw tot echtgenoote gaf, welke gij aan hem hadt willen geven, waarvoor ik vind, dat hij zeer te prijzen is, en wel hierom: ten eerste, omdat hij het uit vriendschap moest doen, ten tweede, omdat hij wijzer heeft gehandeld dan gij. Ik wil nu niet uiteenzetten, wat de heilige wetten van de vriendschap eischen, maar zal tevreden zijn u te herinneren, dat de band der vriendschap veel meer bindt dan die des bloeds, omdat wij vrienden hebben naar keuze en verwanten, naar het toeval ze ons geeft. Als Gisippos daarom mijn leven meer lief heeft dan uw welgezindheid, omdat ik zijn vriend ben, moet dat volstrekt niet verbazen. Maar laat ons tot de tweede reden komen, waarin ik u met nog meer nadruk moet aantoonen, dat hij wijzer is geweest dan gij zijt, hoewel gij niets van de voorzienigheid der Goden schijnt te weten en nog minder den invloed kent van de vriendschap. Ik zeg, dat uw verstand, uw raad en uw overleg Sophronia hadden gegeven aan Gisippos, een jonkman en wijsgeer; die van Gisippos gaven haar aan een jonkman en wijsgeer. Uw raad gaf haar een Athener en die van Gisippos aan een Romein, de uwe aan een rijken jongeling, die van Gisippos aan een zeer rijken, de uwe aan een jonkman, die haar niet alleen niet liefhad, maar haar nauwelijks kende, die van Gisippos aan een jonkman, die boven alle geluk en zijn eigen leven haar lief had. Opdat dit waar blijkt en daar dit meer te prijzen is dan wat gij hebt gedaan, beschouw daartoe punt voor punt. Dat ik jonkman en wijsgeer ben als Gisippos: mijn gelaat en mijn studies, zonder langer te praten, kunnen het bewijzen. Zijn en mijn leeftijd zijn dezelfden en met gelijken tred voortgaande studeerden wij. Het is waar, dat hij Athener is en ik Romein. Indien men over den roem van onze stad zou twisten, zal ik zeggen, dat ik van een vrije stad ben en hij van een schatplichtige; ik zal zeggen, dat ik van een stad ben: heerscheresse der gansche aarde en hij van eene aan de mijne gehoorzaam; ik zal zeggen, dat ik van een stad ben zeer beroemd door zijn wapenfeiten, zijn macht en zijn scholen, terwijl de zijne slechts op zijn scholen kan roemen. Behalve dat, hoewel gij mij hier ziet als een nederig leerling, ben ik niet geboren uit de heffe van het Romeinsche volk; mijn huizen en de openbare plaatsen van Rome zijn vol antieke beelden van mijn voorvaderen en men zou de romeinsche annalen op het romeinsche Capitool vol vinden van veel triumfen behaald door de Quintiië. De glorie van onzen naam is niet door ouderdom vervallen maar schittert er thans te meer door. Ik zwijg uit schaamte over mijn rijkdommen, als ik er acht op geef, dat de eerlijke armoede het oude en overgroote erfdeel was der edele burgers van Rome. Indien deze meening door het plebs geminacht en de rijkdom geprezen wordt, bezit ik dien niet als begeerig man maar als bemind door de fortuin. Ik weet wel, dat het u aangenaam was en moet zijn Gisippos tot verwant te hebben, maar ik moet u te Rome om geenerlei reden minder dierbaar zijn, als ik in aanmerking neem, dat gij daar in mij een zeer goed gastheer zult hebben, nuttig en zorgzaam en een machtig beschermer zoowel in openbare als in bijzondere aangelegenheden. Wie dan, die zijn begeerte ter zijde stelt en met reden beschouwt, zal uw besluiten meer prijzen dan dat van Gisippos? Zeker niemand. Sophronia is dus goed gehuwd met Titus Quintius Fulvius, een edel, oud en rijk burger van Rome en vriend van Gisippos; daarom, zoo gij er over treurt of klaagt, doet gij niet, wat gij doen moet, en weet gij niet, wat gij doet. Er zijn er misschien eenige, die zullen zeggen, dat zij er niet over klagen, dat Sophronia de vrouw is van Titus, maar te treuren over de wijze, waarop zij het geworden is, in ’t geheim, steels, zonder dat een vriend of verwant er iets van wist. En dat is geen wonder, noch iets nieuws.
Ik laat gaarne hen terzijde, die tegen den wil van hun vaders mannen hebben genomen en die hun minnaars ontvlucht zijn en die eerst vriendinnen, daarna vrouwen geweest zijn en die eerst hun huwelijk hebben doen kennen door hun zwangerschap en hun bevalling en daarna door hun mond en het noodzakelijk hebben gemaakt. Dat alles is niet gebeurd met Sophronia, maar zij is vrijwillig, verstandig en eerlijk door Gisippos aan Titus geschonken. Anderen ook zullen zeggen, dat het niet paste, dat hij haar aan deze uithuwde. Dit zijn dwaze en vrouwelijke klachten en uit weinig verstand voortgekomen. Is het dan iets nieuws, dat de fortuin thans verschillende wegen gebruikt en nieuwe middelen om de zaken tot bepaalde gevolgen te voeren? Wat heb ik er mee te maken of een schoenmaker eerder dan een wijsgeer met zijn oordeel over mijn zaken tot een goed einde beschikt heeft, in ’t geheim of openlijk? Ik moet slechts oppassen, als de schoenmaker niet verstandig is, dat hij het niet weer doet en hem voor de gedane zaak bedanken. Als Gisippos Sophronia goed gehuwd heeft, is het klagen over de wijze van te werk gaan een overtollige dwaasheid. Indien gij niet op zijn verstand vertrouwt, pas dan op, dat hij niet weer zal trouwen en bedank hem er voor. Gij moet ook weten, dat ik niet zocht noch door list, noch door valschheid eenige smet te werpen op de eer en de waarde van uw bloed in de persoon van Sophronia en al heb ik haar in het geheim tot vrouw genomen, kwam ik niet als een dief deze haar maagdelijkheid ontnemen, noch wilde ik haar als een vijand oneerbaar bezitten en verwantschap met u weigeren. Maar hevig ontvlamd door haar begeerenswaardige schoonheid en haar deugd wist ik, dat, als ik haar op de wijze, die gij wilde, gevraagd had, ik haar, die zeer door u bemind wordt, uit vrees, dat ik haar naar Rome had geleid, niet had gekregen. Ik gebruikte dus een geheim middel en ik heb Gisippos doen toestemmen in mijn naam. Daarna, hoezeer ik haar vurig beminde, zocht ik niet als minnaar maar als man haar omhelzingen, omdat ik haar niet naderde, gelijk zij zelf kan getuigen, voor ik haar met den ring had getrouwd en met de vraag of zij mij tot man wilde, waarop zij toestemde. Indien het haar schijnt, dat zij bedrogen is, ben ik niet te berispen, maar zij, die mij niet vroeg, wie ik was. Dit is dus het groote kwaad, de groote zonde begaan door Gisippos als vriend en van mij als minnaar, dat Sophronia in stilte de vrouw van Titus Quintius is geworden; daarom verscheurt, dreigt en beleedigt gij hem. En wat zoudt gij doen, als hij haar aan een bedelaar, een landlooper, een slaaf had gegeven? Welke ketenen, welke kerkers, welke kruisen zouden dan voldoende zijn? Maar laten wij dit nu ter zijde: mijn vader stierf onverwachts en ik moet naar Rome terugkeeren. Omdat ik Sophronia wilde meenemen, heb ik u bekend, wat ik anders misschien u nog had verborgen. Dit zult gij, als gij verstandig zijt, met blijmoedigheid dragen, omdat ik, als ik u had willen bedriegen of beleedigen, haar als misleide had achtergelaten. Maar Zeus verhoede, dat in een romeinsche ziel ooit zulk een laagheid kan huizen. Sophronia is dus met goedvinden der Goden, door de kracht der menschelijke wetten, het lofwaardig verstand van mijn Gisippos en mijn liefdelist de mijne, wat gij, die u toevallig wijzer waant dan de Goden en de andere menschen, in mij op twee manieren veroordeelt.
De eene is, dat gij Sophronia hier houdt, waartoe gij niet meer recht hebt dan ik wil toestaan; de andere: dat gij Gisippos als vijand behandelt, dien gij naar recht verplicht zijt. Ik wil u thans niet uiteenzetten, hoe dwaas gij daarmee handelt maar als vriend u raden, dat gij uw toorn laat varen en al uw haat en dat Sophronia mij wordt teruggegeven, opdat ik blijmoedig als uw bloedverwant vertrek en leef. Wees er zeker van, dat, of het gebeurde u behaagt of niet, indien gij anders hadt willen te werk gaan, ik Gisippos daaraan zou onttrekken en als ik te Rome kom, zal ik zeker haar terug hebben, die met recht de mijne is, en wat de verontwaardigde ziel van een Romein vermag, als die u steeds vijandig blijft, zal ik u—hoop ik—doen ondervinden. Toen Titus zoo gesproken had, stond hij met verstoord gezicht op, nam Gisippos bij de hand en toonde, dat het hem weinig kon schelen, hoevelen er ook in den tempel waren en ging het hoofd schuddend tot bedreiging er uit. Zij, die daar binnen bleven ten deele verschrikt door zijn laatste woorden, vonden eenstemmig, dat het beter was Titus tot familielid te hebben, omdat Gisippos het niet had willen wezen, dan Gisippos als verwant te hebben verloren en Titus tot vijand te krijgen. Zij gingen daarom weg, vonden Titus terug en keurden goed, dat Sophronia de zijne werd, hem tot familie te hebben en Gisippos tot goed vriend. Zij vierden samen een huiselijk feest, namen afscheid en gaven hem Sophronia terug. Zij maakte verstandig van den nood een deugd, richtte de liefde voor Gisippos spoedig naar Titus en ging met hem naar Rome, waar zij met groote eer werd ontvangen. Gisippos bleef in Athene bij allen weinig in tel en werd niet lang daarna door zekere stadskuiperijen met al de zijnen arm en ellendig uit zijn huis te Athene verjaagd en tot eeuwige ballingschap veroordeeld. Zoo zelfs als bedelaar ging Gisippos naar Rome om te zien, of Titus zich hem herinneren zou, en daar hij wist, dat die in den gunst van alle Romeinen stond, ging hij na gehoord te hebben, waar zijn huizen waren, daar afwachten tot Titus er kwam, waar hij zich voornam niet te spreken van zijn ellende maar zijn best deed zich hem te vertoonen, opdat Titus hem herkennen zou en roepen. Maar toen Titus voorbij ging en Gisippos geloofde, dat die hem gezien had en vermeden en zich herinnerde, wat hij voor hem had gedaan, vertrok hij verontwaardigd en wanhopig.
Het was al nacht en hij nuchter, zonder geld, en zonder te weten, waarheen te gaan, bovenal verlangend te sterven kwam op een zeer eenzame plaats, waar hij een groote grot zag. Hij ging er in om te slapen; op den naakten bodem en slecht gekleed, sluimerde hij in, overwonnen door de langdurige smart. Hierheen kwamen ’s morgens twee mannen, die op roof waren uitgegaan met hun buit. Er ontstond twist en de een doodde den ander en ging weg. Gisippos zag dit en vond hierin een middel tot zelfmoord. Hij bleef zoolang tot de politiemannen, die het feit al hadden vernomen, er kwamen en Gisippos woedend meenamen. Na een verhoor bekende hij het te hebben gedaan. Daarom werd door den praetor Marcus Varro bevolen, dat hij aan het kruis zou sterven, gelijk toen gewoonte was. Toevallig kwam Titus toen in het praetorium, die den ongelukkigen veroordeelde zag en de reden van het vonnis hoorde, hem herkende en zich verbaasde over zijn rampspoed en zijn komst aldaar. Hij verlangde zeer hem te helpen en zag er niets anders op dan zich zelf te beschuldigen, drong naar voren en riep: Marcus Varro, roep den armen man terug, dien gij veroordeeld hebt, want hij is onschuldig. Ik heb met genoeg schuld de Goden beleedigd door dengeen te vermoorden, die uw wachters vanmorgen vonden, dat ik ze nu niet met den dood van een onschuldige wil tarten. Varro verwonderde zich en betreurde het, dat het geheele praetorium het gehoord had en daar hij zich niet met eere aan de wetten kon onttrekken, liet hij Gisippos terugkeeren en sprak tot hem: Hoe waart gij zoo dwaas zonder door de pijnbank te zijn gedwongen te bekennen, wat gij nooit hebt gedaan en wat u het leven zou kosten? En nu komt deze man hier en zegt, dat hij het bedreef? Gisippos zag, dat dit Titus was en begreep wel, dat die het tot zijn redding had gedaan, dankbaar voor den hem bewezen dienst. Daarom zeide hij schreiend van aandoening: Varro, ik heb hem werkelijk gedood en het medelijden van Titus komt te laat om mij te redden. Titus van zijn kant sprak: Praetor, gelijk gij ziet, dit is een vreemde, die zonder wapens naast den doode aangetroffen werd en gij kunt zien, hoe zijn ellende hem reden geeft te willen sterven. Laat hem daarom vrij en straf mij, die het verdiend heb. Varro verwonderde zich over de standvastigheid van die twee en vermoedde al hun beider onschuld en toen hij dacht aan een middel tot vrijspraak, kwam daar een verloopen jonkman, Publius Ambustus, een bij alle Romeinen bekende dief, die het werkelijk gedaan had en wist, dat geen van beide schuldig was en hij werd daardoor zoo bewogen, dat hij voor Varro trad en zeide: Praetor, mijn misdaden voeren mij er toe dit pijnlijke vraagstuk op te lossen. Jupiter drijft mij aan om mijn misdaad te openbaren. Weet dan, dat geen van beide schuldig is. Ik ben werkelijk degeen, die gisteren bij den dageraad dien man doodde en dezen ongelukkige zag ik daar dóórslapen, terwijl ik den gemaakten buit deelde met hem, dien ik vermoordde. Het is niet noodig, dat ik Titus vrijspreek; zijn goede naam is overal bekend genoeg en ontlast hem voor mij van de straf, die de wetten opleggen.
Reeds had Octavianus dit gehoord en hij liet alle drie bij zich komen. Hij liet de twee als onschuldig en de derde om hunnentwil vrij. Titus gaf Gisippos de hand en laakte hem zeer over zijn verlegenheid en zijn wantrouwen, betuigde hem groote vreugde en leidde hem naar huis, waar Sophronia met tranen van ontroering hem als een broeder ontving. Nadat hij wat hersteld was en verkleed en terug gekeerd in de dracht passend bij zijn deugd en adel, deelde hij met hem eerst elken rijkdom en bezitting en gaf hem daarna een jonge zuster Fulvia tot vrouw en sprak vervolgens: Gisippos, gij kunt naar verkiezing altijd bij mij blijven of met al het geschonkene naar Griekenland terugkeeren. Gisippos gedwongen aan den eenen kant door de ballingschap en aan den anderen door de vriendschap voor Titus, besloot Romein te worden. Sinds leefde hij langen tijd met zijn Fulvia en Titus met zijn Sophronia steeds in één huis gelukkig en werden zij zoo mogelijk nog meer bevriend. De vriendschap is dus een zeer heilige zaak en niet alleen bijzondere eerbied waard, maar eeuwige lof als de zeer wijze moeder van de grootmoedigheid en de eerbaarheid, als de zuster van de dankbaarheid en de weldadigheid, en de vijandin van haat en gierigheid, altijd zonder verzoek bereid voor anderen goed te handelen als voor zich zelf. Haar goddelijken invloed ziet men thans weinig bij twee menschen door de ellendige hebzucht en tot schande der stervelingen, die alleen op eigen belang lettend haar buiten de uiterste einden der aarde tot eeuwige ballingschap hebben gedoemd. Welke liefde, welke rijkdom, welke verwantschap dan deze zou de kracht hebben gehad de tranen en de zuchten van Titus zoo aan Gisippos te doen gevoelen, dat hij daarvoor zijn schoone en door hem beminde vrouw die van Titus liet worden? Welke wetten, bedreigingen, vrees hadden de jeugdige armen van Gisippos op eenzame en donkere plaatsen, in zijn eigen bed kunnen terughouden van de omhelzingen van het mooie meisje, misschien vaak daartoe uitnoodigend dan alleen deze? Welke grootheden, waardigheden, voordeden zouden Gisippos er toe gebracht hebben er niet om te geven zijn ouders en die van Sophronia te verliezen, onverschillig te zijn voor de schandelijke praatjes van het gepeupel zich niet te bekommeren om spot en hoon om den vriend te bevredigen dan alleen deze? En van den anderen kant: wie zou Titus zonder eenig overleg (daar hij met eere doen kon of hij niets zag) geheel bereid hebben gemaakt zich zelf den dood aan te doen om Gisippos van het kruis te halen, wat hij zich zelf oplaadde, dan deze? Wie zou Titus zonder eenige aarzeling zich hebben doen beijveren zijn zuster aan Gisippos af te staan, die hij zeer arm en in de uiterste ellende zag dan deze? Laten de menschen dus maar een menigte bloedverwanten, veel broeders en kinderen verlangen en met hun geld hun dienaren vermeerderen en er niet op letten, hoe elk van dezen bij het minste eigen gevaar meer vrees hebben dan ijver bij groote onheilen van vader, broeder of heer om die te beschermen, terwijl men juist het tegengestelde ziet bij een vriend.
NEGENDE VERTELLING.
Saladin vermomd als koopman wordt ontvangen door messer Torello, die een Kruistocht medemaakt. Messer Torello stelt voor zijn vrouw een termijn om weer te mogen huwen. Hij wordt gevangen genomen en door den Sultan opgemerkt als valkenier. De Sultan herkent hem en wordt herkend en ontvangt hem zeer goed. Messer Torello wordt ziek en wordt door tooverkunst in één nacht naar Pavia overgebracht op de bruiloft, welke men voor zijn hertrouwde vrouw maakte, door haar herkend en keert met haar naar huis terug.
Fiametta eindigde en de grootmoedige dankbaarheid van Titus werd door allen gelijkelijk geprezen, toen de koning de laatste vertelling bewarend voor Dioneo aldus begon te spreken: Begeerenswaardige donna’s. Filomena sprak over de vriendschap de waarheid en met recht beklaagde zij zich aan het einde, dat die zoo weinig door de stervelingen gewaardeerd wordt. En als wij hier waren om de gebreken der wereld te verbeteren of toch ze te laken, zou ik met langer gesprek haar woorden vervolgen, maar omdat ons doel een ander is, viel het mij in u met een vrij lange geschiedenis, maar toch aardig, een grootmoedigheid van Saladin te verhalen, opdat gij daaruit zult hooren, dat, zoo men niet de gansche vriendschap van iemand door onze ondeugden kan winnen, men althans er genoegen in kan hebben een dienst te bewijzen, hopend, dat—hoe ook—daaruit een belooning volgen zal.
Ten tijde van keizer Frederik den Eerste ondernam men een algemeenen kruistocht om het Heilige Land te veroveren. Saladin, een zeer waardig heerscher en toen Sultan van Babylon [191], die daar al van te voren iets van hoorde, nam zich voor zelf de toebereidselen er van te aanschouwen om beter gereed te staan. Hij regelde al zijn zaken in Egypte, gaf voor een pelgrimstocht te doen en begaf zich met twee van zijn grootste en wijste mannen en slechts drie dienaren als koopman vermomd op weg. Zij zwierven door vele christelijke landen en door Lombardije rijdend om de bergen over te gaan, ontmoetten zij op weg van Milaan naar Pavia een edelman, messer Torello d’Istria van Pavia, die met zijn knechten, honden en valken zich naar zijn landgoed begaf aan den Tessino. Zoodra Torello ze zag, begreep hij, dat zij edellieden en vreemden waren en wenschte hij ze te onthalen. Toen Saladin aan een van zijn dienaren vroeg, hoever Pavia nog af was en of hij er bijtijds kon binnenkomen, liet Torello den knecht niet antwoorden, maar hij zelf sprak: Heeren, gij kunt Pavia niet bijtijds binnentreden. Dan, vroeg Saladin, behage het u ons te wijzen, waar wij het best verblijven, omdat wij vreemdelingen zijn. Torello sprak: Dat zal ik gaarne doen; ik was juist op het punt een der mijnen in de buurt van Pavia te sturen. Ik zal hem u meegeven en hij zal u leiden naar een plaats, waar gij zeer goed kunt verblijven. Hij gelastte de verstandigste van zijn onderhoorigen, wat hij te doen had en zond hem met dezen weg. Hij ging naar zijn landgoed en liet snel een goed avondmaal gereed maken en de tafels in zijn tuin zetten en daarna wachtte hij ze aan de deur. De knecht sprak met de edellieden over verschillende dingen en voerde ze langs bepaalde wegen om naar het landgoed van zijn heer, zonder dat zij het merkten. Toen Torello hen zag, ging hij ze te voet tegemoet en sprak lachend: Heeren, wees allen welkom. Saladin, die zeer hoffelijk was, bemerkte, dat deze ridder er aan twijfelde, dat hij de uitnoodiging niet zou hebben aangenomen, als hij dit gedaan had, toen hij hem op weg aantrof, en hij ze met overleg naar zijn huis geleid had, opdat ze niet konden weigeren den avond met hem door te brengen en den groet beantwoordend, sprak hij: Messer, indien men zich kon beklagen over de hoffelijkheid van de menschen, moesten wij het over u doen, die, daargelaten, dat gij ons belet hebt onzen weg te vervolgen, ons gedwongen hebt, en die, terwijl uw welwillendheid voor ons slechts een groet waard was, zoo hoffelijk waart. De wijze en welsprekende ridder antwoordde: Heeren, wat gij van ons ontvangt, zal bij hetgeen voor u passen zou, naar uw uiterlijk te oordeelen, een povere ontvangst worden, maar werkelijk buiten Pavia zoudt gij het nergens goed treffen en daarom moge het u niet hinderen, dat gij wat zijt omgeloopen om wat meer geriefelijkheid te hebben.
Zoo sprekend hadden zijn bedienden de reizigers omringd, die afgestegen waren en voerden de paarden weg en Torello leidde de drie edellieden naar hun kamer, waar hij ze de laarzen liet uittrekken en verfrisschen met zeer jongen wijn. Hij hield ze in aangename gesprekken tot het maal. Saladin en zijn metgezellen en alle bedienden kenden Latijn, zoodat ze elkaar zeer goed verstonden en het scheen aan hun allen, dat die ridder de aardigste en beleefdste man was en beter praatte dan wie ze ook kenden. Messer Torello schenen zij edele mannen en veel meer dan hij eerst had gedacht, waarom hij het in stilte betreurde, dat hij ze niet met gezelschap en een statiger gastmaal dien avond kon onthalen. Daarom wilde hij dit den volgenden morgen herstellen en na een van zijn bedienden gezegd te hebben, wat hij doen wilde, zond hij hem naar zijn vrouw, die zeer verstandig en grootmoedig was, te Pavia, bij wie men de poorten nooit sloot. Daarna leidde hij de edellieden in den tuin en vroeg ze hoffelijk, wie zij waren. Saladin antwoordde: Wij zijn cyprische kooplieden en gaan voor onze zaken naar Parijs. Torello ging voort: Mocht het God behagen, dat onze streek zulke edellieden voortbracht, als Cyprus kooplieden oplevert. En toen men hierna over meer had gesproken, werd het tijd om te avondmalen. Hij noodigde ze uit het maal eer aan te doen. Toen de tafel was opgeheven, zag Torello spoedig, dat zij moede waren en liet ze in zeer schoone bedden slapen.
De knecht deed de boodschap te Pavia aan de donna, die niet met vrouwelijke maar met koninklijke ziel dadelijk een groot aantal vrienden en dienaren van Torello liet roepen, alles voor een grootsch gastmaal liet gereed maken en bij toortslicht vele der edelste burgers liet uitnoodigen. Ze liet lakens halen en zijden stoffen en eekhoren-vellen en daarmee alles opsieren. Bij den dageraad stonden de edellieden op, waarna Torello te paard steeg. Hij liet zijn valken komen, leidde ze naar een naburig moeras en liet hun zien, hoe ze vlogen. Maar toen Saladin iemand verlangde, die hem naar Pavia en naar de beste herberg zou leiden, zeide Torello: Dat doe ik, daar ik er heen moet. Zij waren daarmee tevreden en gingen tegelijk met hem op reis en toen het al drie uur was en zij bij de stad waren gekomen en meenden, dat zij naar de beste herberg waren gegaan, bereikten zij het huis van Torello, waar wel vijftig van de edelste burgers waren om de ridders te ontvangen, die dadelijk hun toomen en paarden omringden. Saladin en zijn gezellen begrepen al te wel, wat dit beteekende en zeiden: Messer Torello, dat hebben wij niet gevraagd; gij hebt den vorigen nacht genoeg gedaan en meer dan wij verlangden. Hij antwoordde: Heeren, wat gisteravond gedaan werd, weet ik, is meer te danken aan het toeval dan aan u, zoodat gij noodzakelijk in mijn klein buiten moest komen. Wat dat van morgen betreft, ben ik aan u verplicht en met mij al die edele burgers, die u omringen, aan wien gij, als het u beleefd schijnt, kunt weigeren met u te ontbijten.
Saladin en zijn metgezellen werden overreed, stegen af en werden door de edellieden ontvangen, en naar de kamers geleid, die zeer rijk voor hen waren versierd. Nadat zij hun reisgewaad hadden afgelegd en zich wat hadden verfrischt, kwamen zij in de zaal, waar alles prachtig gereed was gemaakt.
Toen het water voor de handen was aangereikt en men zich aan tafel had gezet, werden zij rijkelijk met vele spijzen bediend, zoodat, als de keizer er gekomen was, men hem niet meer eer had kunnen bewijzen. En hoewel Saladin en zijn metgezellen groote heeren waren en gewoon groote dingen te zien, verwonderden zij zich toch zeer en het scheen hun des te fraaier, daar zij wisten, dat de ridder een burger was en geen vorst. Toen men na den eten over andere dingen wat gesproken had, gingen de edellieden van Pavia, daar het zeer warm was, naar Torello’s wensch wat rusten en hij bleef met hun drieën achter en trad met hen in een kamer, opdat alles wat hem dierbaar was, door hen gezien werd en liet daarom zijn waardige vrouw roepen. Deze groot en schoon van gestalte en rijk gekleed trad tusschen haar twee zoontjes, die engeltjes geleken, op hen toe en groette ze bekoorlijk. Zij stonden op en ontvingen haar met eerbied en na haar tusschen zich geplaatst te hebben vleiden zij haar zeer met haar twee zoontjes. Maar toen zij met hen een aangenaam gesprek had aangeknoopt en Torello een oogenblik was heengegaan, vroeg zij lieftallig, waar zij vandaan kwamen en heengingen. Zij antwoordden daarop als aan Torello. Toen sprak de donna met blij gelaat: Nu zie ik, dat vrouwelijk doorzicht nuttig kan zijn en daarom bid ik u, dat gij mij de bijzondere gunst bewijst deze kleine gift niet te weigeren noch dit kwalijk te nemen, dat ik die liet komen, maar omdat de donna’s naar hun kleinen geest kleine geschenken geven moet gij hierbij meer letten op de goede gezindheid dan op de hoeveelheid. Zij liet voor hen twee paar gewaden komen, het een geborduurd met zijde en het andere met eekhoornvel niet passend voor burgers of kooplieden maar voor ridders en drie rokken van taf en linnen en zeide: Neem die, ik heb u gekleed met de gewaden van mijn heer. Wanneer gij er acht op geeft, dat gij ver van uw vrouwen zijt en op de lengte van de gemaakte reis en op die, welke gij nog maken moet en dat de kooplieden zindelijke en gemakzuchtige menschen zijn, zullen zij u van nut wezen, hoewel ze weinig waarde hebben.
De edellieden verwonderden zich en bemerkten, dat Torello in geen enkel opzicht zijn hoffelijkheid jegens hen wilde verwaarloozen en zij twijfelden er aan, terwijl zij de voornaamheid van de koopvrouw zagen, dat Torello hen niet kende. Maar toch antwoordde een van hen: Madonna, dat zijn prachtige kleederen en dat is niet licht aan te nemen, indien uw beden er ons niet toe dwongen. Daarna keerde messer Torello terug en de donna beval ze Gode aan en vertrok en liet hun bedienden ook van dergelijke gewaden voorzien. Torello verzocht hen met veel aandrang, dat zij dien ganschen dag bij hem bleven. Daarom na te hebben geslapen en in hun gewaden gekleed gingen zij met hem wat door de stad rijden en toen het uur van het avondmaal gekomen was, aten zij met voorname dischgenooten zeer overvloedig. Toen het tijd was, gingen zij rusten en bij dageraad stonden zij op en vonden in plaats van hun vermoeide knollen drie zware en goede ridderpaarden en ook nieuwe en sterke dieren voor hun knechten. Saladin keerde zich hierbij tot zijn metgezellen en sprak: Ik zweer bij Allah, dat ik nooit een beschaafder, hoffelijker en voorkomender man gezien heb als deze en als de christelijke koningen zoo vorstelijk zijn als deze ridderlijk is, zal de sultan van Babylon niet hoeven te verwachten, dat een hunner, nog minder zoovelen als er zijn, hem zullen aanvallen om niet te spreken van hen, die zich gereed maken. Maar wetend, dat hij tevergeefs zijn geschenken zou weigeren, bedankten zij daarvoor zeer beleefd en stegen te paard. Messer Torello begeleidde hen een heel eind en hoezeer het scheiden van Torello Saladin moeite kostte, zooveel vriendschap had hij voor hem opgevat, toch gedwongen voort te gaan, verzocht die hem terug te keeren. Deze, hoe hard het hem ook viel te scheiden, zeide: Heeren, ik wil het doen, omdat het u behaagt, maar dit zeg ik u: ik weet niet, wie gij zijt, noch wil ik er meer van weten, dan gij verkiest; maar wie gij ook zijt, gij zult mij geen oogenblik doen gelooven, dat gij kooplieden zijt en ik beveel u Gode aan. Saladin, die reeds van alle bedienden van Torello afscheid had genomen, antwoordde hem: Messer, het zal nog kunnen voorkomen, dat wij u onze koopwaar kunnen toonen, waardoor wij uw geloof zullen bevestigen en ga met God.
Saladin en zijn metgezellen vertrokken met het vaste voornemen, dat als zijn leven gespaard bleef en de oorlog, dien hij verwachtte, niet zijn val zou zijn, niet minder eer te bewijzen aan messer Torello dan deze hem had gedaan: en hij sprak veel van hem en zijn vrouw en prees alles steeds meer. Toen hij het geheele Westen met groote inspanning was doorgetrokken en in zee was gestoken, ging hij met zijn metgezellen terug naar Alexandrië en maakte zich geheel ingelicht tot de verdediging gereed. Messer Torello keerde naar Pavia terug en in lang nadenken wie die drie konden wezen; maar hij kwam daar niet achter. Toen de tijd voor den Kruistocht gekomen was en overal groote toebereidselen gemaakt werden, wilde messer Torello ondanks de beden en tranen van zijn donna beslist heengaan en toen alles klaar was om op te stijgen, zeide hij haar, die hij ten zeerste liefhad: Donna, gelijk gij ziet, ga ik bij die kruisvaart mee tot eer van mijn persoon en tot heil van mijn ziel; ik beveel u onze zaken aan en onze eer en daar ik zeker ben van het heengaan maar door duizend gevallen, die zich kunnen voordoen heelemaal niet zeker van den terugkeer, wil ik, dat gij mij een groote gunst bewijst: Wat er ook gebeure, zoolang gij geen tijdingen hebt omtrent mijn leven, dat gij één jaar en één maand en één dag op mij zult wachten, te beginnen van af heden, mijn vertrek. De donna, die zeer schreide, antwoordde: Messer Torello, ik weet niet, hoe ik de smart zal verduren, waarin gij mij achterlaat, maar zoo mijn leven sterker is dan deze en U het tegendeel mocht overkomen, leef en sterf in de zekerheid, dat ik als vrouw van messer Torello en van zijn nagedachtenis zal leven en sterven. Hierop antwoordde hij: Vrouw, ik ben er zeker van, dat, voor zoover het van u afhangt, wat gij belooft, gebeuren zal, maar gij zijt een jonge vrouw en schoon en van voorname familie en uw deugd is groot en overal bekend: daarom twijfel ik niet, dat vele voorname en edele mannen, als er niets van mij gehoord wordt, u zullen vragen aan uw familie. Gij zult u tegen hun aanzoeken, hoezeer gij ook wilt, niet kunnen verzetten en door geweld zult gij hun wil moeten doen. Dit is de reden, waarom ik u dien termijn en geen grooteren stel. De donna sprak: Ik zal doen, wat ik zal kunnen en wanneer ik toch iets anders zou moeten doen, zal ik u zeker gehoorzamen. Ik bid God, dat gij binnen dien termijn terugkeert. De donna omhelsde schreiend Torello; zij trok een ring van den vinger, gaf hem dien en sprak: Indien ik sterf, zoo ik u niet terugzie, denk dan aan mij, als gij dien zien zult. Hij nam dien aan, steeg te paard en na allen vaarwel gezegd te hebben, ging hij op reis. Te Genua ging hij met zijn gezelschap op een galei en kwam spoedig te Acre en vereenigde zich met het andere leger van de Christenen, waarin dadelijk een zware, besmettelijke ziekte uitbrak. Intusschen, of het de krijgskunst of de kans van Saladin was, het overschot der Christenen daaraan ontsnapt werd door hem gevangen genomen en in vele steden verdeeld en gekerkerd. Ook messer Torello werd te Alexandrië in de gevangenis gezet. Daar men hem niet kende en hij vreesde zich te doen kennen, begon hij door noodzakelijkheid gedwongen vogels te fokken, waarin hij een groot meester werd en daardoor de aandacht trok van Saladin. Deze liet hem daarom vrij en hield hem als zijn valkenier. Messer Torello, die niet anders dan de christen van Saladin genoemd werd, die hem niet herkende, noch de Sultan hem, had zijn gedachten in Pavia en had meermalen beproefd te vluchten, maar het was hem nooit gelukt Toen eenige Genueezen als gezanten bij den Sultan kwamen om verscheidene medeburgers los te koopen en vertrekken moesten, schreef hij in een brief aan zijn vrouw, dat hij leefde en zoo spoedig mogelijk bij haar zou terugkeeren en dat zij hem zou verwachten. Hij bad vurig een der gezanten, dien hij kende, dat hij zou zorgen dien in handen te stellen van den abt van San Pietro di Ciel d’oro, die zijn oom was. Eens sprak Saladin hem over zijn vogels; Torello glimlachte en maakte een beweging met zijn mond, die Saladin, toen hij te Pavia was, meermalen had opgemerkt. Daardoor keek hij hem strak aan en hij herinnerde zich Torello. Hij staakte dit gesprek en zei: Zeg mij, Christen, uit welk land van het Westen zijt gij? Mijnheer, zeide Torello, ik ben Lombardiëer uit de stad Pavia, een arm man en van lagen stand. Toen Saladin dit hoorde, haast zeker van datgene, waaraan hij twijfelde, zeide hij verheugd in zich zelf: God heeft mij de gelegenheid gegeven hem te toonen, hoe aangenaam zijn hoffelijkheid mij was en zonder meer liet hij al zijn kleeren in een kamer brengen, voerde hem er in en sprak: Kijk, christen, of er onder die gewaden geen is, dat gij ooit hebt gezien. Torello zag die, welke zijn vrouw aan Saladin had geschonken, maar dacht, dat die het niet konden wezen en antwoordde: Mijnheer, ik ken er geen van; het is wel waar, dat die twee op rokken gelijken, waarmee ik drie kooplieden, die bij mij verblijf hielden, gekleed heb. Toen kon Saladin zich niet meer houden, omhelsde hem innig en sprak: Gij zijt messer Torel d’Istria en ik ben een van de drie kooplieden, aan wien uw donna die rokken heeft gegeven en nu is het tijd om u zekerheid te geven omtrent mijn koopwaar, gelijk ik u bij mijn vertrek zeide, dat gebeuren kon. Torello verheugde zich zeer en schaamde zich. Hij was blij hem te gast te hebben gehad en verlegen, omdat hij hem armelijk ontvangen had. Saladin sprak: Messer Torello, omdat God u hier gezonden heeft, denk, dat ik niet meer hier de heer ben maar gij. Na te samen een groot feest te hebben gevierd, deed hij hem koninklijk kleeden en na hem voor al zijn groote baronnen te hebben gebracht en veel tot zijn lof te hebben gezegd, beval hij, dat elk zijn gunst op prijs zou stellen en dat hij even geëerd zou zijn als hij zelf. Dit deed van toen af iedereen, maar veel meer dan de anderen de twee heeren, die Saladin’s metgezellen in zijn huis waren geweest.
De grootte van de plotselinge glorie, waarin Torello zich bevond, deed hem een weinig de dingen uit Lombardije vergeten, vooral omdat hij vast hoopte, dat zijn brieven zijn oom zouden bereiken. In het kamp, waar het leger der Christenen, op den dag, dat zij door Saladin gevangen werden genomen, zich bevond, was een provençaalsch ridder van weinig beteekenis gestorven, die messer Torello de Dignes heette. Daar Torello d’Istria door het heele leger om zijn adel bekend was, hoorde ieder zeggen: messer Torello is dood en geloofde, dat het Torello d’Istria was en zijn gevangenneming hield de bedrogenen in dien waan. Vele Italianen, waaronder er verscheiden durfden beweren, dat ze hem dood gezien hadden, gingen met die tijding terug en beweerden zelfs, dat ze bij de begrafenis geweest waren. Toen zijn familie dit wist, was dit de oorzaak van zeer groote en onnoemelijke droefheid, niet alleen bij deze maar bij al zijn kennissen. Groot was de rouw en treurigheid van zijn vrouw, die eenige maanden voortdurend in tranen doorbracht en toen zij wat minder begon te treuren en door vele voorname mannen van Lombardije gevraagd werd, drongen haar broeders bij haar aan te hertrouwen. Zij weigerde vaak met groot geklaag, maar ten slotte gedwongen volgde zij het verlangen van haar familie met inachtneming van de voorwaarde, die zij aan Torello beloofd had. Omstreeks acht dagen voor haar huwelijk, zag Torello te Alexandrië een man, die hij met de Genueesche gezanten op de galei had zien stijgen, die naar Genua ging. Hij liep op hem toe en vroeg hem, hoe de reis geweest was en wanneer zij te Genua waren aangekomen. Hij sprak tot hem: Mijnheer, ik hoorde te Creta, dat de galei een slechte reis deed. In de buurt van Sicilië verhief zich een gevaarlijke storm, die haar op de zandbanken van Barbarije deed stooten. Geen levende ziel ontkwam en twee van mijn broeders kwamen om. Torello geloofde deze woorden en herinnerde zich, dat de termijn binnen kort eindigen zou en daar hij dacht, dat zijn toestand te Pavia niet bekend was, achtte hij het zeker, dat zijn vrouw hertrouwd zou zijn. Hij verloor van verdriet zijn eetlust, legde zich te bed en wilde sterven. Saladin hoorde dit en vernam na ernstig aandringen zijn smart en ziekte, en laakte, dat hij dit niet eerder gezegd had. Hij smeekte hem beter te worden bewerend, dat hij dan zou beproeven hem op den bepaalden termijn naar Pavia te voeren. Torello geloofde hem en daar hij vaak had gehoord, dat dit meermalen was gebeurd, begon hij aan te sterken en bij Saladin op spoed aan te dringen. Saladin gelastte aan een toovenaar, dat die een weg zou vinden om Torello in één nacht op een bed naar Pavia te vervoeren. Hij antwoordde, dat dit zou gebeuren, maar dat hij in diepen slaap moest zijn. Toen dit geregeld was, ging Saladin tot Torello terug en daar hij hem geheel bereid vond op den bepaalden datum in Pavia te zijn of, als dit niet kon, te sterven, sprak hij: Messer Torello, als gij uw vrouw innig lief hebt en gij er niet aan twijfelt, dat zij de vrouw van anderen wordt, weet God, dat ik u geenszins zou laken, omdat zij van alle donna’s, die ik ooit zag, degene is, die in gewoonten, manieren en wijze van optreden, daargelaten haar schoonheid, slechts een vergankelijke bloem, mij het meest van allen te loven en beminnenswaardig schijnt. Het zou mij zeer aangenaam zijn, omdat de fortuin u hierheen zond, dat wij zullen leven als heeren, gelijk wij tijdens mijne regeering geleefd zouden hebben. Omdat God het niet toe stond, toen het in u opkwam te sterven of naar Pavia te gaan voor den gestelden termijn, verlangde ik zeer tijdig te weten met welke eer, grootheid en het gevolg, dat uw deugd verdient, ik u naar uw huis moest laten voeren. Dit is mij niet gegund, maar daar gij verlangt er spoedig te zijn, zal ik u er toch heen zenden. Torello antwoordde: Mijn heer, zonder uw woorden hebben uw daden mij genoeg uw welwillendheid getoond, die ik niet in zoo hooge mate verdiende en ik zal gerust leven en sterven. Maar omdat ik die keus deed, bid ik u om dit spoedig te doen, want het is morgen de laatste dag, waarop ik verwacht wordt. Saladin antwoordde, dat hij er voor zou zorgen en den volgenden dag liet Saladin in een groote zaal een rein, schoon en rijk bed van matrassen opmaken, allen naar hun gewoonte van fluweel en goudlaken. Hij liet er een pronkdeken op leggen bewerkt met ornamenten van zeer groote parels en met zeer kostbare steenen, die in het Westen zeer hoog geschat worden en twee oorkussens, gelijk daarbij vereischt wordt.
Toen beval hij Torello, die herstelde, een gewaad aan te doen op saraceensche manier, het rijkste en het mooiste, wat ooit door iemand gezien was en plaatste hem op het hoofd een van zijn grootste tulbanden. Het was al laat, toen Saladin zich met velen van zijn baronnen in die kamer begaf. Hij ging naast hem zitten en sprak bedroefd: Messer Torello, het uur van scheiden nadert en omdat ik u niet kan vergezellen noch laten begeleiden, nu de weg het niet toestaat, neem ik hier afscheid van u. Voordat ik u dus bij Allah aanbeveel, bid ik u bij onze vriendschap, dat gij aan mij denkt en indien het mogelijk is, voordat onze leeftijd vervuld is, dat gij, als gij uw zaken in Lombardije geregeld hebt, tenminste één keer mij komt opzoeken, opdat ik dan verheugd de leemte kan aanvullen, die ik thans moet verdragen. Gij moet geen bezwaar maken mij brieven te sturen en mij alles te vragen, wat gij wenscht, en wat ik voor u liever doen zal dan voor wie ook. Torello kon zijn tranen niet weerhouden en door dezen belemmerd, antwoordde hij, dat hij onmogelijk zijn weldaden en zijn waarde zou vergeten en dat hij zou doen, wat hij hem aanbeval, mits hem de tijd daartoe verleend werd. Saladin omhelsde hem innig en zeide met vele tranen: Ga met God en ging de kamer uit; al de andere baronnen namen daarop afscheid van hem en gingen met Saladin in die zaal, waar het bed geplaatst was. Daar de toovenaar het oogenblik van vertrek afwachtte en het bespoedigde, kwam er een dokter met een drank. Hij gaf hem dien als versterking en kort daarop sliep hij in. Zoo werd hij op bevel van Saladin in zijn fraai bed vervoerd, waarop hij een kostbaren krans plaatste en kenmerkte dien zoo, dat men later wel begrijpen kon, dat deze door Saladin aan de vrouw van Torello was gezonden. Daarop deed hij aan den vinger van Torello een ring, waarin een robijn gezet was, glanzend als een toorts van haast onschatbare waarde. Vervolgens liet hij hem een degen aangorden, waarvan het beslag niet licht te schatten was en hij liet hem bovendien een halsketen om hangen van nooit geziene parels met andere kostbare juweelen en aan beide zijden liet hij twee zeer groote bekkens vol dubloenen plaatsen en vele parelsnoeren, ringen en gordels en andere zaken, wat lang zou zijn om te vertellen.
Hierop kuste hij Torello opnieuw en beval den toovenaar zich te haasten, opdat dadelijk in tegenwoordigheid van Saladin het bed met den geheelen messer Torello werd weggevoerd en hij bleef met zijn baronnen over hem spreken. Reeds was Torello in de kerk van San Piero in Ciel d’oro van Pavia neergedaald met al de genoemde juweelen en sieraden en sliep hij nog, toen de vroegmis luidde, de koster met een licht in de kerk kwam en dadelijk het kostbare bed zag en niet alleen verwonderd was, maar zeer bang vluchtte. De abt en de monniken zagen dit, verbaasden zich en vroegen hem de reden daarvan. De koster vertelde het. O, sprak de abt, je bent toch geen kind meer en niet in een vreemde kerk, dat je zoo gauw moet schrikken; laten we gaan kijken wie boe! boe! tegen je geroepen heeft. De abt en de monniken staken meer lichten aan en allen zagen in de kerk dit wonderbare en rijke bed en den ridder en terwijl ze aarzelend en schroomvallig zonder vlak bij het bed te komen de edele steenen beschouwden, richtte, toen de kracht van den drank uitgewerkt had, messer Torello zich op met een grooten zucht. Zoodra de monniken hem zagen, vluchtten de abt met hun allen verschrikt en schreeuwden zij: God helpe ons! Messer Torello opende de oogen en zag duidelijk, dat hij was, waar Saladin het verlangd had. Hij ging zitten, zag met aandacht om zich heen en hoezeer hij vroeger al de vrijgevigheid van Saladin gekend had, scheen die hem nu nog grooter. Niettemin zonder zich verder te bewegen riep hij den abt en verzocht hem niet bang te zijn, omdat hij Torello, zijn neef, was. De abt werd toen nog banger, daar hij hem verscheidene maanden dood waande, maar na eenigen tijd werd hij gerust gesteld, maakte het teeken des kruises en ging naar hem toe. Torel sprak: Mijn vader, waarom zijt gij bang? Ik leef Goddank en ben van over zee teruggekeerd. De abt, hoewel Torello een langen baard droeg en op zijn Arabisch gekleed was, herkende hem spoedig en geheel bedaard, nam hij hem bij de hand en sprak: Mijn zoon, gij zijt behouden teruggekeerd; verbaas u niet over onze vrees, omdat er hier niemand is, die niet vast gelooft, dat gij dood zijt en dat madonna Adalieta, uw vrouw, overreed door de bedreigingen van haar ouders en tegen haar wil hertrouwd is en van morgen naar haar nieuwen man zal gaan; de bruiloft is gereed. Torello, door de abt en de monniken zeer goed ontvangen, smeekte van zijn terugkeer niet te spreken, totdat hij zijn taak zou volbracht hebben. Nadat hij de rijke juweelen in veiligheid had laten brengen, vertelde hij alles aan den abt. Deze was verheugd over zijn fortuin, en zij dankten samen God. Torel sprak: Voor zij mijn terugkeer weet, wil ik haar houding bij die bruiloft zien en hoewel het geen gebruik is, dat geestelijken naar zulk een gastmaal gaan, wil ik, dat gij mij vermomt om er samen te komen. De abt vond dit goed en toen het dag werd, vroeg hij aan den nieuwen echtgenoot verlof om met een ambtsbroeder op de bruiloft te zijn, wat den pas gehuwden zeer aanstond. Op het etensuur gingen zij naar diens huis door ieder met verbazing beschouwd, maar hij werd door niemand herkend en de abt vertelde aan allen, dat hij een Saraceen was door den Sultan naar den koning van Frankrijk gezonden als ambassadeur. Torello werd dus aan tafel geplaatst vlak tegenover zijn vrouw. Zij keek hem aan, hoewel zij hem niet herkende, want de groote baard en het ongewone gewaad en het vaste geloof, dat hij dood was, beletten dit. Toen Torello wilde beproeven of zij zich hem herinnerde, deed hij den ring van zijn vinger, dien de donna hem bij zijn vertrek gegeven had, liet een jongen knecht roepen, die hem vroeger diende en zeide: Zeg namens mij aan de jonge vrouw, dat het in mijn land de gewoonte is, wanneer een vreemdeling gelijk ik hier eet aan het gastmaal van een jonggehuwde vrouw ten teeken van goedkeuring, dat zij hem haar beker geeft vol met wijn, waarvan, nadat de vreemdeling heeft gedronken, zooveel hij lust en hij die weer heeft toegedekt, de vrouw de rest drinkt. De jonkman deed de boodschap aan de donna, die welgemanierd en verstandig hem voor een groot edelman hield en wilde toonen, dat zijn komst haar aangenaam was. Zij liet een grooten, vergulden beker schoonmaken en vullen en naar den ridder brengen. Torello, die haar ring in den mond had gestopt, liet dien bij het drinken er in vallen, dekte den beker weer toe en stuurde dien aan de donna. Deze nam hem aan, opdat zij zijn gewoonte volgde, maakte hem open, zette dien aan den mond, zag den ring en zonder iets te zeggen bezag zij hem even. Zij herkende dien, greep dezen, tuurde hem star aan, herkende hem, werd als dol, wierp de tafel voor haar omver en schreeuwde: Dit is mijn heer, dit is werkelijk messer Torello! Zij liep naar de tafel, waaraan hij zat zonder te letten op de lakens of wat er op stond, wierp zich aan zijn hals, omarmde hem innig en men kon haar niet scheiden, wat men ook zeide of deed, voor messer Torello had gezegd, dat zij tot zich zelf zou komen, omdat er nog tijd genoeg was tot onmhelzen.
Nadat zij zich hersteld had, maar de heele bruiloft in de war kwam en men ten deele blijder was dan ooit, omdat men zulk een edelman herwon, bleef, toen hij er om vroeg, ieder stil. Toen vertelde Torello alles en zeide, dat het den edelman, die zijn vrouw had gehuwd, niet moest mishagen, dat hij haar weer tot zich nam. De nieuwe echtgenoot, hoewel verlegen, antwoordde grootmoedig en als vriend, dat hij met zijn eigendom mocht doen, wat hij wilde. De donna gaf den krans en den ring aan den nieuwen echtgenoot terug, deed zich dien uit den beker aan en zette zich den krans op gezonden door Saladin en van daar gingen zij met bruiloftspraal naar het huis van messer Torello en daar bekeken hem al de troostelooze vrienden, verwanten en burgers als een wonder en hielden een lang en vroolijk feest. Messer Torello maakte hem, die de kosten van de bruiloft had gedragen van zijn dure juweelen deelgenoot en ook den abt en vele anderen. Door vele berichten verwittigde hij Saladin van zijn gelukkigen terugkeer, bleef zijn vriend en dienaar en leefde sinds met zijn donna vele jaren en hoffelijk voor anderen. Dat was het einde van de ongelukken van messer Torello en die van zijn dierbare vrouw en het loon van hun beleefdheid. Velen doen hun best zoo te handelen, die, hoewel zij de middelen hebben, het zóó slecht doen, dat zij hun grootmoedigheid voor meer verkoopen dan die waard is. Als er daarom voor hen geen loon op volgt, moeten zij er zich niet over verwonderen.
TIENDE VERTELLING.
De markies van Saluzzo door de verzoeken van zijn leenmannen gedwongen tot trouwen, neemt naar vrije keus de dochter van een dorper. Hij krijgt twee zonen, die hij schijnbaar laat dooden. Daarna voorgevend zijn vrouw niet meer lief te hebben en een andere te begeeren, doet hij zijn eigen dochter terugkeeren of die zijn tweede vrouw wordt, na de moeder in haar hema te hebben weggejaagd. Wanneer hij haar in alles toegevend ziet, doet hij haar terugkeeren, hem dierbaarder dan ooit, toont haar de volwassen zonen, eert haar en doet haar eeren als markgravin.
Toen het lange verhaal van den koning geëindigd was, zeide Dioneo lachend: De goede man, die de rechte staart wou laten neerhalen van het spook [192] zou geen twee oortjes gegeven hebben voor al de lofuitingen van u voor messer Torello. Daar hij alleen nog had te spreken, begon hij: Mijn lieve donna’s. Naar het mij schijnt, is deze dag gewijd aan een koning, sultans en meer lieden van dien rang en opdat ik niet afwijk, wil ik u van een markgraaf verhalen: geen grootmoedige daad maar een buitengewone beestachtigheid, hoewel er voor hem ten slotte goeds uit voort kwam. Toch raad ik niemand hem te volgen, want het is jammer, dat het zoo voor hem eindigde.
Lang geleden was onder de markgraven van Saluzzo de doorluchtigste van hun huis een jonkman, Gualtieri, die ongetrouwd zijn tijd doorbracht met de valkenvangst, de jacht en niet aan het huwelijk dacht, waarom hij zeer wijs verdiende genoemd te worden. Zijn leenmannen beviel dit niet en zij verzochten hen een vrouw te nemen, opdat hij niet zonder erfgenaam bleef en zij niet zonder heer. Zij boden zich aan er een van zulk een waarde te zoeken en van zulk bloed, dat hij goede hoop mocht koesteren en zeer tevreden zou zijn. Gualtieri antwoordde: Mijn vrienden. Gij dwingt mij tot iets, wat ik mij voorgenomen had nooit te doen, daar het moeielijk is er een te vinden, die zich in mijn gewoonten schikt en groot de overvloed van het tegendeel en hard het leven van hem, wiens vrouw bij hem niet past. En uw geloof, dat gij uit de manieren van den vader en moeder de dochters kunt kennen, waardoor gij mij er een wilt geven, die mij bevalt, is een dwaasheid, omdat ik niet weet, waar gij de vaders zoudt hebben kunnen kennen of de geheimen van hun moeders; hoe het ook zij, ook als men ze kent, zijn toch dikwijls de dochters aan de ouders ongelijk. Maar, omdat gij mij in ketenen wilt boeien, heb ik er vrede mee. En opdat ik er mij niet over zal hebben te beklagen, als er kwaad voor mij uit voort komt, zal ik haar zelf zoeken en wie ik ook kies, als zij door u niet als donna geëerd wordt, zult gij tot uw groote schade ondervinden, hoe gevaarlijk het was mij tot een huwelijk te dwingen. De waardige mannen zeiden, dat zij tevreden waren, mits hij zich maar een vrouw koos. De manieren van een arm meisje uit een dorp dicht bij zijn kasteel, hadden Gualtieri zeer behaagd en daar zij hem zeer mooi scheen, dacht hij, dat hij met haar een gelukkig leven kon leiden en vroeg haar ten huwelijk. Hierna liet Gualtieri al zijn vrienden uit den omtrek bijeenkomen en sprak tot hen: Mijn vrienden, het behaagde u, dat ik een vrouw nam meer om u dan uit eigen beweging. Gij weet, dat gij mij hebt beloofd de donna te eeren, wie ik ook nemen zou. De tijd is gekomen, dat ik mijn belofte aan u en gij die aan mij moet nakomen. Ik heb een meisje gevonden hier heel dicht bij, dat ik als vrouw binnen enkele dagen naar huis leid. Denk er dus aan, dat het bruiloftsfeest schoon wordt en haar eervol te ontvangen, opdat ik over u zoo tevreden kan zijn als gij over mij. De goede lieden antwoordden verheugd, dat zij, wie het ook was, haar in alles als gebiedster zouden eeren. Hierna maakten zij en ook Gualtieri zich gereed voor een groot bruiloftsfeest. Vrienden en verwanten en groote edellieden en anderen uit den omtrek werden uitgenoodigd. Hij liet verscheidene rijke gewaden maken naar het model van een jonge vrouw, die hem gelijk van maat scheen met zijn meisje, en ook bestelde hij gordels, een ring, een fraaien krans en verder al wat voor een bruid vereischt wordt.
Op den bruiloftsdag steeg Gualtieri op de helft van het derde uur te paard en sprak tot iedereen, die gekomen was om hem eer aan te doen: Heeren, het is tijd de bruid te halen. Hij begaf zich met allen naar het dorp en toen zij het huis van den vader van het meisje bereikt hadden, ontmoetten zij haar met water van de fontein in grooten haast terugkeerende. Toen Gualtieri haar ontwaarde, riep hij haar bij haar naam Griselda en vroeg, waar haar vader was. Zij antwoordde bedeesd: Mijnheer, hij is in huis. Gualtieri steeg af en na iedereen bevolen te hebben op hem te wachten, trad hij in de arme hut, waar hij haar vader Giannucole vond en sprak: Ik ben gekomen om Griselda te huwen, maar eerst wil ik in haar bijzijn iets van u weten. Ik vroeg haar of zij altijd, als ik haar tot vrouw genomen heb, haar best zou doen te behagen en over niets kwaad zou worden en gehoorzaam zou zijn, hetgeen zij alles toestemde. Toen leidde Gualtieri haar bij de hand naar buiten en in tegenwoordigheid van het geheele gevolg liet hij haar naakt uitkleeden, en na de bestelde gewaden te hebben laten komen, liet hij haar snel kleeden en schoeien en op de nog losse haren een krans zetten. Toen iedereen zich verwonderde, sprak hij: Heeren, dit is degene, die ik tot vrouw begeerde, en tot haar, die bloosde en verward was: Griselda, wilt gij mij tot man? Zij antwoordde: Mijn heer, ja. Hij zeide: En ik wil u tot vrouw; en in aller bijzijn huwde hij haar. Hij liet haar op een sierpaard stijgen en eervol begeleid voerde hij haar naar huis. Daar was de bruiloft schoon en groot en het feest niet minder dan alsof hij de dochter van den koning van Frankrijk genomen had. Het scheen, dat de jonggehuwde met de kleeren ook van ziel en gewoonten veranderde. Zij was schoon van gestalte en gelaat, even voorkomend, lieftallig en welgemanierd als mooi, niet als een dochter van Giannucole en een herderin, maar van een edel heer, waarmee zij al haar kennissen verbaasde. Bovendien was zij zoo gehoorzaam en gedienstig aan den echtgenoot, dat hij zich voor den best beloonden man ter wereld hield en evenzoo was zij tegen zijn onderhoorigen zoo genadig en welwillend, dat ieder haar beminde en eerde en haar welzijn, gezondheid en voorspoed wenschte. Zij zeiden, dat Gualtieri wijs had gehandeld als weinigen en de scherpzinnigste man ter wereld was, daar niemand anders haar hooge deugd verborgen onder haar arme kleeren en haar dorpsgewoonten had bespeurd. Kortom zij wist niet slechts in haar markgraafschap maar overal weldra zoo te handelen, dat zij over haar goedheid deed spreken en het tegendeel deed beweren, indien men iets gezegd had tegen haar man, toen hij haar trouwde. Zij leefde niet lang met Gualtieri of zij werd ernstig ziek en beviel van een dochter, waarover Gualtieri zeer verheugd was. Maar kort daarop kreeg hij een nieuwe gedachte en wel om haar lijdzaamheid aan een onverdragelijke proef te onderwerpen. Hij toonde zich toornig en zeide, dat zijn vazallen zeer ontevreden waren met haar lage afkomst en zij treurig waren, dat zij een dochter had gekregen en niets deden dan mompelen. Toen de donna dit hoorde, zeide zij zonder van gelaat te veranderen of van goed voornemen bij iedere daad: Mijn heer, doe met mij, wat gij gelooft dat uw eer en vrede is, want ik zal mij met alles vergenoegen, omdat ik weet, dat ik minder ben dan zij en dat ik de rang niet waardig ben, waartoe gij mij door uw hoffelijkheid gebracht hebt. Dit antwoord was Gualtieri zeer aangenaam, omdat zij volstrekt niet trotsch was geworden, nadat hij haar gezegd had, dat zijn leenmannen haar dochter niet mochten lijden. Hij gaf aan een zijner knechten bevelen, zond haar die en deze sprak met zeer treurig gelaat: Madonna, als ik niet wil sterven, moet ik dat doen, wat mijn heer mij beveelt. Hij heeft mij bevolen uw kind te nemen en dat ik ... meer zeide hij niet. De donna begreep, dat hem bevolen was het te dooden. Zij nam het uit de wieg, kuste en zegende het, hoewel zij groot hartzeer gevoelde en zonder een spier te vertrekken legde zij het in de armen van den knecht en sprak: Zie, doe geheel, wat uw en mijn heer u heeft opgedragen, maar zorg, dat de wilde dieren en vogels het niet verslinden, of het moet u bevolen zijn. De knecht nam het meisje mee en vertelde aan Gualtieri, verwonderd over haar standvastigheid, wat de donna gezegd had. Hij zond hem naar Bologna naar een bloedverwant, die zonder ooit te zeggen, wie het meisje was, het met zorg grootbracht.
Toen werd de donna op nieuw ziek en beviel van een zoon, die Gualtieri zeer dierbaar was. Maar daar het hem niet genoeg was, wat hij gedaan had, trof hij de donna nog pijnlijker en met geveinsden toorn zeide hij haar eens: Donna, nu gij een knaap hebt gekregen, heb ik het niet met de mijnen kunnen uithouden, zoo hard verwijten zij mij, dat een kleinzoon van Giannucole na mij hun heer moet worden, zoodat ik, indien ik niet verjaagd wil worden, een andere vrouw moet nemen. De donna antwoordde lijdzaam niet anders dan: Mijnheer, bekommer u niet om mij, daar niets mij dierbaar is dan uw wil. Kort daarop zond Gualtieri op dezelfde wijze zijn zoon weg, deed ook of hij die had laten dooden, doch stuurde hem om hem op te voeden naar Bologna. De donna zweeg weer, waarover Gualtieri zich zeer verwonderde en in zich zelf beweerde hij, dat geen andere had kunnen doen als zij. En als hij niet gezien had, dat zij verzot op haar kinderen was, had hij ondersteld, dat zij om hen niet gaf, maar hij wist, dat zij gewoon was verstandig te handelen. Zijn onderhoorigen, denkend, dat hij zijn kinderen had laten ombrengen, spraken veel kwaad van hem, noemden hem wreed en hadden veel medelijden met haar. Zij zeide tot de donna’s niets meer dan, dat haar alleen hetzelfde behaagde als hun vader. Toen reeds vele jaren voorbij gegaan waren sinds de geboorte van haar dochter en het Gualtieri tijd scheen de uiterste proef te nemen met haar lijdzaamheid, zeide hij, dat hij Griselda niet meer tot vrouw wenschte, dat hij slecht en lichtzinnig had gehandeld door haar te nemen en dat hij daarom van den Paus verlof wilde erlangen voor een andere, waarover hij door vele goede mannen gelaakt werd. Hierop antwoordde hij alleen, dat het hem aanstond. Toen de donna duchtte naar het huis van haar vader terug te keeren en misschien weer de schapen te moeten hoeden en hem met een andere vrouw te zien, wien zij slechts goed had gedaan, had zij in stilte zeer groot verdriet. Maar toch gelijk zij de andere slagen van het lot verdroeg, besloot zij met strak gelaat ook dit te verduren.
Kort daarop liet Gualtieri valsche brieven van Rome komen en liet aan zijn leenmannen zien, dat de Paus hem verlof gaf een andere vrouw te nemen. Daarom riep hij haar tot zich en sprak: Vrouw, door dispensatie, mij vanwege den Paus verleend, kan ik een andere vrouw nemen; omdat mijn voorvaderen groote heeren en edellieden in deze streken waren en de uwen altijd dorpers, wil ik u niet langer tot vrouw. Keer naar het huis van Giannucole terug met uw bruidschat en dan zal ik een andere hierheen voeren. De donna, die dit niet zonder groote spanning aanhoorde, weerhield tegen de natuur der vrouwen haar tranen en sprak: Mijn heer, ik heb altijd geweten, dat mijn lage afkomst volstrekt niet met uw adel overeenstemde en wat ik met u geweest ben, erkende ik altijd door God en door u mij te zijn gegeven. Het behaagt u dit terug te nemen en dus aan mij dit terug te geven. Zie hier uw trouwring. Gij beveelt mij u de bruidschat terug te geven. Daarvoor hebt gij niet noodig mij te betalen met geld of vee, omdat ik niet vergeet, dat gij mij naakt hebt genomen. En indien gij het eerbaar oordeelt, dat dit lichaam, waarin ik uw kinderen heb gedragen, door allen gezien wordt, zal ik naakt heengaan, maar ik bid u, dat gij in ruil voor mijn maagdelijkheid, die ik hier bracht en niet meenam, mij tenminste een enkel hemd geeft buiten de bruidschat, die ik niet kan wegvoeren. Gualtieri, die meer lust had om te huilen dan in iets anders, zeide toch met hard gelaat: Gij krijgt er een. De aanwezigen baden hem, dat hij haar een gewaad gaf, opdat men niet zou zien, dat zij, meer dan dertien jaar zijn vrouw, zoo arm en zoo schandelijk zijn kasteel verliet, maar te vergeefs. De donna, die allen Gode aanbeval, keerde in een hemd, barrevoets en zonder hoofddeksel tot haar vader terug onder tranen en klachten van alle aanwezigen. Giannucole (die nooit had kunnen gelooven, dat Gualtieri zijn dochter werkelijk als vrouw hield en dit elken dag verwachtte) had de kleeren bewaard, die zij had uitgedaan op den morgen, dat Gualtieri haar trouwde. Hij ontving haar en kleedde haar weer aan. Zij wijdde zich weer aan de kleine zorgen voor zijn huis en verdroeg met sterke ziel den wreeden aanval van het vijandige lot.
Hierop berichtte Gualtieri aan de zijnen, dat hij een dochter had genomen van de graven van Panago en terwijl hij groote toebereidselen maakte voor de bruiloft, ontbood hij Griselda en zeide haar: Ik breng deze donna, die ik pas heb genomen en wil, dat zij van het begin af aan geëerd wordt. Gij weet, dat ik in huis geen vrouwen heb, die de kamers weten in te richten noch wat voor zulk een feest vereischt wordt. Daarom moet gij, die dit alles kent, dit doen. Noodig uit, wie u goeddunkt en ontvang ze, of gij hier meesteres zijt. Dan kunt gij na de bruiloft naar huis terugkeeren. Hoewel elk woord een messteek was in het hart van Griselda, die van de liefde voor hem niet zoo licht had kunnen afstand doen als van de fortuin, antwoordde zij: Mijn heer, ik ben geheel bereid. Zij ging met haar kleeren van grof en dik laken van Romagna door dat huis, waar zij kort te voren in haar hemd uit was gegaan, begon de kamers te reinigen en te ordenen, behangsels en tapijten in de zalen te brengen, de keuken in orde te maken en zich met alles bezig te houden, alsof zij een dienstmeisje was. Na aan Gualtieri te hebben medegedeeld, dat zij al de edelvrouwen uit den omtrek uitnoodigde, wachtte zij het feest af. Toen de bruiloftsdag aanbrak, ontving zij, hoewel zij zeer armelijke kleeren aan had, met een voorname geest en houding al de dames en met blij gelaat. Gualtieri had zijn kinderen met zorg te Bologna laten opvoeden bij zijn verwante, die gehuwd was in de familie der graven van Panago. Zijn dochter was al twaalf jaar oud en de schoonste, die men ooit had gezien en zijn zoon was zes jaar. Hij verzocht den verwant te Bologna met de kinderen naar Saluzzo te komen en een fraai en voornaam gezelschap mee te brengen en allen te zeggen, dat hij het meisje meebracht als zijn vrouw zonder aan iemand te openbaren, wie zij was. De edelman, die handelde gelijk de markgraaf het verlangde, ging op reis en kwam kort na het etensuur te Saluzzo, met de dochter en haar broeder en met een nobel geleide, waar hij al de boeren en vele andere buren uit den omtrek vond, die de nieuwe bruid van Gualtieri verwachtten. Toen zij door de donna’s ontvangen was en in de zaal gekomen, waar de tafels waren, trad Griselda haar blijmoedig tegemoet en sprak: Madonna, wees welkom. De edelvrouwen (die vaak, maar vergeefs, Gualtieri hadden verzocht, dat Griselda in een kamer zou blijven of dat hij haar een van haar vroegere gewaden leende, opdat zij zoo niet voor de vreemdelingen zou verschijnen) werden aan tafel gezet en bediend. Het meisje werd door iedereen bekeken en ieder zeide, dat Gualtieri een goeden ruil had gedaan, en met de anderen prees Griselda haar zeer en ook haar broeder. Gualtieri, dien het scheen, dat hij alles gezien had, wat hij van de lijdzaamheid van zijn vrouw begeerde en dat zij in ’t geheel niet door de nieuwe gebeurtenissen veranderde en zeker was, dat dit niet voortkwam uit domheid, vond het tijd haar van die bitterheid te bevrijden, welke hij meende, dat zij onder een onbewogen gelaat verborgen hield. Nadat hij haar dus had laten komen, zeide hij in aller bijzijn glimlachend: Hoe lijkt u onze bruid! Mijn heer, antwoordde Griselda, zij komt mij zeer goed voor en als zij zoo wijs is als mooi—want dat geloof ik—twijfel ik niet, dat gij met haar bepaald als de gelukkigste ridder ter wereld zult leven. Maar zoo ik kan, bid ik u, dat gij haar niet de smarten veroorzaakt als de andere, vroeger de uwe, want ik geloof, dat zij die nauwelijks kan verdragen, zoowel omdat zij een jong meisje is, als omdat zij beter en voornamer is opgevoed, terwijl de andere van jongs af voortdurend hard moest werken. Gualtieri, die zag, dat zij die bepaald zijn vrouw waande en toch niet ongunstiger sprak, zette haar naast zich en zeide: Griselda, het is thans tijd, dat gij de vruchten plukt van uw langdurige lijdzaamheid en dat zij, die mij vroeger wreed en onrechtvaardig en dom hebben genoemd, weten, dat ik dit deed met een voorop gezet doel. Ik wilde u leeren vrouw te zijn en hun de hunne leeren kiezen en te behouden en mij een voortdurende rust veroveren voor geheel mijn leven. Ik was hier, toen ik u tot vrouw nam, zeer bang en om er de proef van te nemen, heb ik u op zooveel manieren geschokt en gekwetst. Daar ik gezien heb, dat gij u in woord en daad nooit tegen mijn wil hebt verzet, en het mij voorkwam, dat ik van u zou hebben, wat ik verlangde, wil ik u in een één uur teruggeven, wat ik u in velen ontnomen heb en ik zal met de hoogste vreugde de veroorzaakte wonden herstellen. Neem daarom haar met blij gemoed, die gij mijn vrouw waant en haar broeder als uw en mijn kinderen weer aan. Zij zijn het, van wie gij en vele anderen lang meenden, dat ik ze wreed liet vermoorden en ik ben uw echtgenoot, die u boven alles bemin en die gelooft zich er op te kunnen beroemen, dat er geen is, die zoo met zijn vrouw tevreden kan zijn. Toen omhelsde en kuste hij haar en hij stond op met haar, die schreide van vreugde en zij gingen samen naar de dochter, die toen geheel overbluft zat, en toen zij haar en ook den broeder innig had omhelsd, waren zij en de vele andere aanwezigen bevrijd van hun waan. De donna’s, zeer verheugd van de tafels opgestaan, gingen met Griselda in de kamer, ontdeden haar onder de beste voorteekens van de grove dracht, kleedden haar opnieuw en leidden haar als edelvrouw, wat zij zelfs onder haar lompen scheen, naar de zaal. Daar maakte men met de kinderen een wonderbaar feest, daar ieder er vroolijk over was en vermeerderde men de blijdschap en de feestelijkheid en verlengde die vele dagen en noemden zij Gualtieri zeer wijs, hoewel zij de proeven met zijn donna genomen voor al te wreed en ondragelijk hielden en bovenal vonden zij Griselda zeer verstandig. De graaf van Panago kwam na eenige dagen van Bologna terug en Gualtieri, die Giannucole uit zijn werk had gehaald, behandelde hem als zijn schoonvader, zoodat hij met eere en zeer gelukkig voortaan op zijn ouden dag leefde. Gualtieri, die zijn dochter voornaam uithuwde, leefde lang en gelukkig met Griselda en eerde haar steeds, zooveel hij kon.
Wat kan men hier anders zeggen dan, dat engelengeesten in armelijke harten afdalen, gelijk men in de koninklijke paleizen er vindt, die eerder waard zijn zwijnen te hoeden dan adelsrechten uit te oefenen over de menschen? Wie anders dan Griselda zou met een niet alleen strak maar blij gelaat de harde en ongehoorde proeven hebben verduurd van Gualtieri? Het zou voor hem misschien niet kwaad zijn geweest, als hij er eene getroffen had, die, nadat hij deze in haar hemd uit het huis had gejaagd, zich door een ander de peluw had laten schudden om er slechts een mooi gewaad voor te krijgen.
Het verhaal van Dioneo was uit en de donna’s, zeer verschillend van meening, prezen en laakten. De koning, met het gelaat ten hemel, ziende, dat de zon al laag was op het uur van den vesper zonder zich van zijn zetel te verheffen begon aldus te spreken: Schoone donna’s. Naar ik geloof, weet gij, dat het verstand der stervelingen niet alleen daarin bestaat de vroegere dingen in het geheugen te bewaren en het tegenwoordige te begrijpen, maar door beide de toekomstigen te kunnen voorzien, waarvoor groote mannen befaamd waren. Het zal morgen veertien dagen zijn, dat wij uit Florence gingen om ons te vermaken tot behoud van onze gezondheid en ons leven en tot de verslagenheid en de smarten en de angsten, door de pest in onze stad, weken. Dit hebben wij naar mijn oordeel eerbaar gedaan. Daarom, als ik wel heb gezien, hoezeer de histories vroolijk waren en misschien tot den bijslaap aantrekken, ook het voortdurend eten en drinken en het spelen en zingen, alles dingen, die zwakke zielen tot minder eerlijke dingen leiden, heeft men geen daad, geen woord, niets van uwe of onze zijde kunnen laken. Voortdurende eerbaarheid, eendracht en broederlijke welwillendheid heb ik hier gekend, wat zeker u tot eer en nut en mij zeer aangenaam is. Maar opdat er uit een al te lange gewoonte geen verveling ontstaat en opdat een al te lang verblijf niet tot twist leidt en daar ieder gedurende zijn dag dat deel van de eer heeft gehad, dat ik nog geniet, oordeel ik, wanneer het u mocht behagen, dat het goed zou zijn terug te keeren. Anders, indien gij er wel over denkt, zou ons gezelschap, reeds bij vele anderen in den omtrek bekend, zich zoo kunnen vermeerderen, dat al ons genoegen zou ophouden en als gij mijn raad goedkeurt, zal ik mijn kroon tot ons vertrek bewaren, wat ik morgen wensch te doen. Als gij er anders over denkt, ben ik al gereed te kiezen, wie ik voor den volgenden dag moet kronen.
De redeneeringen tusschen de donna’s en de jongelieden waren velen, maar ten slotte beschouwden zij den raad des konings als nuttig en rechtmatig en zij besloten aldus te doen. Zij lieten dus den hofmeester roepen en men sprak met hem af, hoe men den volgenden morgen zou handelen. Nadat het gezelschap vrijaf had gekregen tot het uur van het avondmaal, stond men op. De donna’s en de anderen gaven zich als steeds, deze aan dit, gene aan dat vermaak over. Op het uur van het avondmaal zaten zij met het grootste genoegen aan en daarna begonnen zij te zingen, te spelen en te dansen. En terwijl Lauretta een dans leidde, beval de koning aan Fiammetta een lied te zingen, dat zij zeer bekoorlijk begon:
Indien Amor zonder ijverzucht zou komen Weet ik niet, of er één donna ter wereld zou wezen Meer verheugd dan ik.
Indien blijde jeugd Met een schoonen minnaar een donna gelukkig maken moet Of waarde van deugd Of moed of dapperheid, Verstand, fraaie manieren of sierlijke taal Of volmaakte bekoorlijkheden Ben ik die, zeker want tot mijn heil Verliefd zag ik Die allen in hem, die mijn hoop is.
Maar omdat ik bemerk, Dat andere donna’s even wijs zijn als ik, Beef ik van angst En vrees ik voor erger. Want ik zie bij de anderen dezelfde begeerte, Die mij de ziel ontneemt; En wat mij het hoogste geluk is, Maakt mij troosteloos, Doet mij diep zuchten en ellendig leven.
Als ik zoo vertrouwde In mijn heer als ik zijn waarde besef, Zou ik niet jaloersch zijn; Maar men ziet er zooveel, Wie het ook zij—die den minnaar verlokken, Dat ik ze allen voor schuldig houd. Dit bedroeft mij en ik zou gaarne sterven, En van elk, die hij aanziet, Vermoed ik en vrees ik, dat zij hem meesleept.
Bij God, dat elke donna Gewaarschuwd zij, dat zij niet overlegt Mij hiermee te grieven Want als er een zou wezen, Die met woorden of teekens of liefkoozingen Mij hierin zou schaden, Of die veroorzaken en ik het zou weten Zou ik misvormd willen worden, Als ik haar niet bitter die dwaasheid deed beweenen.
Toen Fiammetta haar zang had geëindigd, sprak Dioneo lachend aan haar zijde: Madonna, het zou een groote beleefdheid zijn Uw minnaar aan al de donna’s te doen kennen, opdat men niet door onwetendheid U zijn bezit ontrooft, daar gij er toornig om zoudt kunnen worden. Vervolgens zongen vele anderen hierover en toen het haast middernacht was, gingen allen, naar het den koning behaagde, rusten. En toen de nieuwe dag verscheen en de hofmeester al het noodige reeds vooruit had gestuurd, stonden zij op en gingen onder de leiding van den verstandigen koning op weg naar Florence. Nadat de drie jongelieden de zeven donna’s in de Santa Maria Novella hadden achtergelaten, de kerk, waaruit zij met hen waren vertrokken en zij van hen verlof hadden gekregen, gaven zij zich aan hun andere genoegens over. Wat de donna’s betreft, die gingen, toen het hun tijd scheen naar huis.
BESLUIT VAN DEN SCHRIJVER.
Zeer edele donna’s, voor wier genoegen ik mij zulk een langdurigen arbeid heb opgelegd, ik geloof, bijgestaan door de goddelijke Genade—verkregen, naar ik denk, door uw vrome gebeden en niet door mijn verdiensten—geheel dat te hebben verricht, wat ik in het begin van dit werk beloofd heb, waarop ik na eerst God en dan u te hebben bedankt mijn veder en mijn hand rust moet geven. Maar voordat ik hun die schenk, wil ik eerst eenige dingen beantwoorden, welke misschien eenigen onder u of anderen, bewogen door geheime drijfveeren zouden kunnen zeggen, hoewel het mij schijnt, dat deze verhalen niet meer voorrecht moeten hebben dan anderen, wat ik mij ook herinner aangetoond te hebben bij het begin van den Vierden Dag.
Er zouden er onder u toevallig kunnen zijn, die zullen zeggen, dat ik bij het schrijven al te vrij ben geweest, bijvoorbeeld waar ik aan de donna’s dingen laat zeggen en zeer vaak hooren, die voor eerbare dames niet welvoegelijk zijn. Dit ontken ik, omdat er niets oneerbaars in is, waarover niet elk kan spreken in fatsoenlijke termen. Maar laten wij voorop stellen, dat het zoo is—ik wil dit niet met u bespreken, want gij zoudt mij verslaan—dan zeg ik om te verklaren, waardoor ik zoo gehandeld heb, dat er veel aanleiding toe was. Ten eerste, indien er zich iets van dien aard in bevindt, heeft de soort der verhalen het vereischt en ieder, die met onpartijdig oog dit beschouwt, zal klaar inzien, dat zij niet anders zijn te vertellen, zonder dat ik hun vorm veranderde. En indien er misschien een stukje in dezen is, een woord misschien vrijer dan aan huichelaarsters past, die de woorden zwaarder wegen dan de daden en die meer goed trachten te schijnen dan het te zijn, moet men minder mij het recht ontzeggen ze te schrijven dan te verbieden aan heeren en dames te zeggen: gat en pen, stamper en vijzel, saucijs en metworst en al zulke dingen meer. Buitendien moet aan mijn veder evenveel gezag worden toegestaan als aan het penseel van den schilder, die zonder eenig verwijt en terecht—daargelaten, dat hij Sint Michaël de slang doet treffen met den degen of lans en Sint George den draak, naar het hem bevalt—Christus mannelijk en Eva vrouwelijk voorstelt en dan eens met een, dan eens met twee spijkers Hem zelf aan het kruis nagelt, waaraan Hij voor het heil der Menschheid wilde sterven. Behalve dat kan men er in den Bijbel vinden, waarin van die dingen met zeer reine taal en ziel moet worden gesproken, en velen nog anders staan dan in mijn werk. Ook worden zij niet verteld in de scholen der wijsgeeren, waar de eerbaarheid niet minder dan elders vereischt wordt, noch waar ook onder geestelijken of denkers maar in tuinen bij wijze van verstrooiïng onder jongelieden, hoewel reeds rijp en niet gemakkelijk van keus voor verhalen, in een tijd, waarin het aan de eerbaarsten geoorloofd was met de broek op het hoofd te loopen om hun leven te redden.
Deze verhalen kunnen schaden en nuttig zijn als alle andere dingen al naar dengeen, die er bij luistert. Wie weet niet, dat de wijn zeer goed is voor alle stervelingen, volgens Cinciglione en Scolajo [193] en vele anderen en nadeelig voor een koortslijder? Zullen wij zeggen, omdat die aan dezen hindert, dat die slecht is? Wie weet niet, dat het vuur zeer nuttig is en noodig voor de menschen? Zullen wij dan zeggen, omdat het huizen, dorpen en steden verbrandt, dat het slecht is? De wapens verdedigen ook het heil van hen, die vreedzaam verlangen te leven en toch dooden zij vaak menschen, die ze niet uit boosaardigheid, maar toch slecht gebruiken. Nooit verstaat een bedorven geest een woord goed en zooals de eerbaren die niet verbeteren, zoo kunnen zij, die oneerbaar zijn de niet daartoe aangelegden niet bezoedelen, zoo min als het slijk de zonnestralen of het vuil van den grond de schoonheden des hemels.
Welke boeken, welke woorden, welke brieven zijn heiliger, waardiger, eerbiedwaardiger dan die van de Heilige Schrift? En er zijn er genoeg geweest, die deze verkeerd verstaan en zich zelf en anderen ten verderve hebben gevoerd. Elk ding op zich zelf is goed voor iets en slecht toegepast kan het in vele gevallen nadeelig zijn en dit zeg ik ook van mijn novellen. Die er slechten raad of een slechte daad uit wil doen voortkomen, zullen zij het niet beletten, als zulke menschen dit misschien al in zich hebben en die ze verwringen en vervormen om zoo te doen. En die er nut uit zal halen, zullen zij het niet verhinderen; en zij zullen nooit anders dan nuttig en eerbaar genoemd worden, indien zij op dien tijd en door die menschen gelezen worden, voor wie ze worden verteld. Die paternosters moet zeggen of zoete broodjes moet bakken bij zijn zielenherder, late ze liggen. Die hoeven niemand na te loopen om ze te laten lezen en die maken zelf soms genoeg van die histories!
Er zullen er ook zijn, die zeggen, dat het beter ware, dat enkelen van die verhalen ontbraken. Dat stem ik toe: maar ik kon noch moest anderen schrijven dan de verhaalden; bijgevolg hadden de dames, die ze vertelden, ze mooi moeten vertellen en ik ze mooi moeten schrijven. Maar als men zou willen onderstellen, dat ik er èn de schepper èn de schrijver van was (wat niet zoo is), zou ik mij daar niet voor schamen, omdat er geen meester is, behalve God, die alles goed en volmaakt doet en Karel de Groote, die de schepper was der Paladijnen heeft van dezen geen heel leger kunnen maken. In vele dingen moet men een groote verscheidenheid vinden. Geen veld is zoo goed bewerkt of men vindt er brandnetels, distels of doornen vermengd met het heilzame groen. Buitendien: als men te spreken heeft tegen eenvoudige jonge meisjes, als gij zijt, zou het dwaasheid geweest zijn te gaan zoeken en zich in te spannen voor de meest kiesche zaken en met groote zorg zeer behoedzaam te spreken. Evenwel zij, die ze lezen, kunnen de kwetsenden voorbij gaan en men leze de vermakelijken. Om niemand te bedriegen dragen zij allen het opschrift van wat zij inhouden. En dan, geloof ik, zullen er zijn, die er eenigen te lang zullen vinden. Hun zeg ik nog, dat wie wat anders te doen heeft, dwaasheid doet ze te lezen zelfs, als ze korter waren. En hoewel het lang geleden is, dat ik ze begon te schrijven, is, nu ik tot het einde van mijn arbeid kom, het mij niet uit den geest gegaan, dat ik mijn werk heb aangeboden aan hen, die niets te doen hebben en niet aan anderen. Wie ze leest als tijdverdrijf, kan niets te lang duren, zoo daaruit volgt, wat men zoekt. De korte dingen passen meer voor de studenten, die niet om den tijd te verdrijven maar om dien nuttig te besteden zich inspannen dan aan u, donna’s, die zooveel tijd overhoudt als gij niet voor uw liefdegenoegens verbruikt. Behalve dat moet men, omdat geen van u te Athene, Bologna of Parijs ging studeeren, uitvoeriger spreken tot u dan tot hen, die hun geest in de studie scherpten.
Ook twijfel ik er niet aan, dat er zullen zeggen, dat de verhalen te vol zijn van woordspelingen en scherts en dat dit slecht staat aan een ernstig, bedachtzaam man. Aan hen moet ik dank zeggen en doe ik dit, omdat zij door goeden ijver bewogen worden voor mijn naam. Maar dit wil ik op hun verzet antwoorden: Ik beken een bedachtzaam man te zijn en vaak in mijn leven te hebben gewogen en daarom zeg ik aan hen, die mij niet gewogen hebben, dat ik niet zwaar ben, maar zóó licht, dat ik drijf als een galnoot op water. En omdat de preeken van de monniken om de schulden der menschen uit te wisschen tegenwoordig vol woordspelingen, scherts en dwaasheid zijn, meen ik, dat die zelfden niet slecht zouden staan in mijn novellen, geschreven om de zwaarmoedigheid van de vrouwen te verdrijven. Niettemin als zij er te veel om lachen, kunnen de klaagliederen van Jeremia, het Lijden van den Verlosser en de Boete van Magdalena hen dan licht genezen. En wie zal aanvoeren, dat er nog zullen zeggen, dat ik een kwade en giftige tong heb, omdat ik ergens de waarheid heb gezegd van de monniken? Hen, die zoo spreken, moet men dit vergeven, omdat het niet te gelooven is, dat een andere dan een rechtmatige reden ze beweegt, daar de monniken goede lieden zijn, die den arbeid ontwijken uit liefde tot God en bij sluizen vol malen maar in het geheim en als zij niet een beetje naar den geitebok roken, zou hun omgang veel aangenamer zijn. Ik beken niettemin, dat de dingen dezer wereld in ’t geheel niet standvastig zijn, maar steeds veranderen en dat zou met mijn tong kunnen gebeurd wezen, van welke daar ik niet aan eigen oordeel hecht,—dat mij in eigen zaken zou kunnen ontgaan—toch onlangs een mijner buurvrouwen zeide, dat ik de beste en de zoetste ter wereld had. Waarlijk, als dat zoo was, bleef er weinig van dezen te schrijven over. En voor hen, die zoo uit welwillendheid spreken, meen ik, dat dit antwoord volstaat. Verder laat ik elk spreken en denken, gelijk het hem goeddunkt, daar het mij tijd schijnt aan de woorden een einde te maken, Hem nederig dankend, die na zulk een langen arbeid met Zijn hulp mij tot het gewenschte einde heeft gevoerd. En gij, bekoorlijke donna’s, blijf in vrede met Zijn genade, als gij aan mij denkt en als het voor een Uwer misschien van nut is ze te hebben gelezen.
Hier eindigt de Tiende en Laatste Dag van het Boek genaamd Decameron, bijgenaamd Prins Galeotto.
INHOUD
Het Leven en de Werken van Boccaccio. Inleiding tot de Decamerone.
Eerste Dag.
Inleiding. 9 De valsche Biecht. 28 De bekeerde Jood. 38 De drie Godsdiensten. 42 De Waardigheid van den Abt. 44 De Kippen van de Markiezin. 47 De beschaamde Inquisiteur. 50 De drie Brooden van Primasseau. 52 Guglielmo Borsiere. 56 De Koning van Cyprus. 58 De Kop van de Prei. 59
Tweede Dag.
Inleiding. 65 De valsche Lamme. 65 Het Gebed van Sint Julianus. 69 De dochter van den Koning van Engeland. 75 Het Juweelen-Kistje. 82 De Ring van den Aarts-Bisschop. 86 De Avonturen van Beritola. 97 De Verloofde van den Koning van Algarvië. 109 De Graaf van Angers. 126 Madonna Ginevra. 138 De Kalender der Grijsaards. 148
Derde Dag.
Inleiding. 157 De Tuinman van het Nonnen-Klooster. 160 De Stalknecht des Konings. 165 De gefopte Monnik. 170 Broeder Puccio. 177 De Fat. 182 Ricciardo Minutolo. 187 De Pelgrim. 194 Het Vagevuur. 207 Giletta van Narbonne. 215 De Duivel in de Hel. 222
Vierde Dag.
Inleiding. 230 De Minnenden van Salerno. 236 De Engel Gabriël. 244 De Minnenijd. 252 Gerbino. 258 De Pot van den Basiliek. 262 De twee Droomen. 267 Simona. 273 De Krachten der Liefde. 276 Het vreeselijk Gerecht. 281 De Slaapdrank. 284
Vijfde Dag.
Inleiding. 295 Cimon. 296 De beloonde Trouw. 304 Pietro Boccamazza. 310 De Nachtegaal. 315 De twee Medeminnaars. 320 Gianni van Procida. 324 Violanta. 329 De Spook-Jacht. 335 De Valk. 340 De schandelijke Verzoening. 345
Zesde Dag.
Inleiding. 354 De mislukte Vertelling. 356 Bakker Cristi. 357 Monna Nonna. 360 De Kraanvogels. 362 Messer Giotto. 364 De Adel der Baronci. 306 Madonna Filippa. 368 Fresco van Celatico. 370 Guido Cavalcanti. 371 De Relieken. 373
Zevende Dag.
Inleiding. 385 Het Spook. 386 Het Vat. 389 Broeder Rinaldo. 392 De Put. 396 De Echtgenoot-Biechtvader. 399 Madonna Isabetta. 404 De misleide Echtgenoot. 407 De jaloersche Man. 411 De betooverde Perenboom. 416 De twee Peetvaders. 422
Achtste Dag.
Inleiding. 428 De gierige Vrouw. 428 De Pastoor van Varlungo. 430 De Toover-Steen. 434 De Provoost van Fiesole. 440 De Broek van den Rechter. 444 Het Varken van Calandrino. 446 De Wraak van den Student. 450 De Wraak van den Echtgenoot. 467 Dokter Simon. 470 De bestolen Dievegge. 481
Negende Dag.
Inleiding. 491 Madonna Francesca. 492 Het Psalmboek van de Abdis. 496 De zwangere Man. 498 Cecco Fortarrigo. 501 De gelukkige Calandrino. 504 De Wieg. 510 De Wolf. 514 Ciacco, de Gulzigaard. 515 Het Oordeel van Salomo. 518 De Merrie van Peet Pietro. 521
Tiende Dag.
Inleiding. 526 De Muilezel des Konings. 526 De Abt van Cligny. 529 De Edelmoedigheid van Nathan. 532 Ridder Gentile. 536 De betooverde Tuin. 541 Karel de Zegevierende. 544 Het Lied van Minuccio. 548 Sophronia. 553 Messer Torello. 565 Griselda. 576
Besluit van den Schrijver. 586
AANTEEKENINGEN
[1] Decamerone, woord van griekschen oorsprong, dat tien dagen beteekent.
[2] Vorst Galeotto. Deze titel werd aan het boek door Boccaccio gegeven (zoo hij het althans was, die het dezen schonk misschien ter herinnering aan den bekenden versregel van Dante uit het fragment over Francesco da Rimini. (Inferno V). “Galeotto was het boek en die het maakte.”)
[3] Zinspeelt op zijn liefde voor Fiametta of Maria, natuurlijk kind van Roberto, koning van Napels.
[4] De vreeselijke ziekte overgebracht in het vorige jaar uit den Levant door Genueesche galeischepen na vele verwoestingen in Italië te hebben aangericht, verminderde een weinig in November maar woedde nog erger in dat jaar 1348, in heel Italië moordend, ging door Milaan en Piemont en vandaar naar Frankrijk, Duitschland, Engeland en andere landen, waar zij overal een ongehoorde wanhoop veroorzaakte. Mattheus Villani getuigt, dat in Florence en in zijn stadsdistrict van de vijf personen van elke sekse en leeftijd er drie stierven, in Bologna overleden twee derden van de bevolking en Agnolo di Susa schrijft, dat in zijn stad Siena alleen tachtigduizend menschen stierven, wat overdreven schijnt.
[5] Dit heeft betrekking op de jongelieden en het genoegen.
[6] Men kan niet zeggen, dat die signor Ciappelletto of Cepparello werkelijk heeft bestaan, maar als feit staat vast, dat de familie der Cepparelli bloeide tot aan het einde van de vorige eeuw in Prato, waarvan Boccaccio juist onze man afkomstig laat zijn.
[7] Dino Compagni verhaalt van Musciatto Franzesi, dat hij een ridder was van groote sluwheid, klein van persoon maar groot van ziel en dat hij zeer rijk geworden en tot ridder geslagen, den handel opgaf en Charles van Valois volgde op zijn tocht naar Italië.
[8] Alle Italianen heetten destijds in Frankrijk, Vlaanderen en Engeland Lombardiërs.
[9] Boccaccio trok de strekking van deze vertelling uit de Avventuroso Ciciliano van Bosone van Gubbio, waar Saladin na Rome bezocht te hebben in gezelschap van graaf Artese, met hem dezelfde gesprekken houdt, welke Boccaccio den Jood Abraham in den mond legt.
[10] Boccaccio trok de stof voor deze vertelling uit de drie-en-zevenstigste van Novellino, die tot titel heeft: “Hoe de Sultan, die behoefte aan geld had, verstand wou krijgen van een Jood.”
[11] Jussuf, koning van Marokko, later Salâh-ed-dîn genaamd, en door taalbederf Saladin, vervulde van zijn naam geheel Europa en als de andere groote mannen van de Midden-Eeuwen had hij zijn legende. Maar de schrijvers van dien tijd gebruiken den naam Saladin om onverschillig welken khalief of arabischen en barbarijschen emir aan te duiden.
[12] Manni beweert, dat naar de meening van Aldo Manuzio junior die geschiedenis van de markiezin van Montferrat door Boccaccio is gecopieerd naar het bekende feit van koning Manfred met zijn zuster Siligaita, gravin van Caserta, maar op niet aanstootelijke wijze is veranderd, omdat, waar die met bloedschande eindigt, dit verhaal van Boccaccio slechts besluit met de berisping van den koning van Frankrijk.
[13] De Paleologo’s, markiezen van Montferrat waren een van de beroemdste en machtigste vorstenfamilies, die in de middeleeuwen Italië beroemd hebben gemaakt. Hun stamburchten lagen te Montferrat in Piemont; hun paleis stond te Casale; maar terzelfdertijd heerschten ze ook in Thessalië en te Jeruzalem. Het Huis der Paleologi stierf uit in 1533 en het markiesaat ging over op de Gonzago’s.
[14] Giovanni Villani verhaalt in zijn Geschiedenissen, dat dit broeder Pietro Dall’ Aquila was, wien de florentijners om zijn groote gierigheid zeer vijandig gezind waren en die in 1348 benoemd werd tot Bisschop van Sant’ Angelo in het koninkrijk Napels.
[15] Cinciglione, naam van een bekenden drinker uit dien tijd, wat later de naam werd voor elken dronkaard.
[16] De genade van Sint Johannes Goudmond, een woordspeling, die betrekking heeft op de florijnen van Florence, welke het beeld van den heiligen Johannes dragen.
[17] De Inquisitie schreef dikwijls voor onbeteekenende ketterij het dragen voor van een groot laken kruis op de kleeren.
[18] De held van die vertelling is Cane Grande della Scala, van welke Dante in Zang XVII van zijn Paradiso schreef:
Als eerst verblijf zal—om u te beveiligen— U des grooten Lombardiërs hoofschheid wachten, Wiens schild een Trap en Adelaar voert, den heiligen;
Die voor U van zóó goeden wil is te’ achten, Dat van voldoen en vragen bij u beide Het eerst gebeurt, wat and’re’ eer ’t laatste dachten.
Men meent juist thans met eenig recht, dat Primasseau, waarvan Boccaccio spreekt, een dergelijke Primas of Primasso of Primate was, kanunnik van Colonia, een licht te begrijpen en beroemd dichter uit de XIIIe eeuw, waaraan ook door Salimbene in zijn Cronaca wordt herinnerd en die voor den auteur wordt gehouden van eenige gedichten.
[19] Godfried van Bouillon, hertog van Lotharingen, leider van den Eersten Kruistocht en eerste christelijke Stedehouder van Jeruzalem.
[20] Manni gelooft, dat die maëstro Alberto, een beroemd arts, geen ander was dan de Bolognees Alberto Zancari, die toch ook lid was van de gemeenteraad en openbare lezingen hield in de Universiteit van Bologna vanaf 1326 tot aan het jaar van zijn dood.
[21] Het feit in deze geschiedenis verhaald is historisch en ook Giovanni Bonifacio verhaalt het in Boek VIII van zijn Istoria Trivigiana.
[22] Manni op het gezag van Sansovino meent, dat de historie door Boccaccio in deze vertelling verhaald, plaats had omstreeks 1306 of eenige jaren vroeger en leidt dit daaruit af, dat toen de markies Azzo van Ferrara leefde, van wien hier melding wordt gemaakt.
[23] San Giuliano was de heilige beschermer der reizigers en de gewoonte hem ter eere, voor men op reis ging, een gebed te doen, terecht het Paternoster van San Giuliano genoemd, is overoud.
[24] Castel Guiglielmo, een dorp, dat nog bestaat in het district Lendinara op den rechteroever van het Bianco-Kanaal.
[25] Over de historische waarheid van het feit in deze vertelling verhaald, kan men alleen zeggen, dat de Lamberti’s en de Agolanti’s zeer oude Florentijnsche families waren en dat men in de Cronologia van Girolamo Bardi vindt, dat koning Alexander I van Schotland in 1109 den troon beklom. Maar alle Alexanders, die deze bestegen, waren uit de familie van koning Malcolm. En men vindt alleen, dat omstreeks den tijd aangeduid door Bardi onder koning Malcolm, als eerste van dien naam een zekere Alexander stierf, Carrone genoemd. Na zich door een wapenfeit te hebben onderscheiden, werd aan hem en ook aan zijn nakomelingen toegestaan in den oorlog den koninklijken standaard te dragen.
[26] Woorden letterlijk overgenomen uit Dante’s Hel. VII, vers 80–85.
[27] Ravello was een kolonie van de republiek Amalfi, waar ze niet ver vandaan ligt. Victor III verhief haar tot een bisdom, maar thans is het een gewone gemeente.
[28] Het was toen het tijdvak van de noodlottige twisten tusschen de Guelfen en de Ghibellijnen; die laatsten trokken partij voor keizer Frederik II, genen voor den Paus, die Karel van Anjou naar Italië riep.
[29] Een historisch persoon, werkelijk onderkoning van Sicilië van koning Manfred.
[30] Ponzo, onbewoond eiland bij de westkust van het koninkrijk Napels.
[31] Magra, tak van de Lunigiana, van welke Dante schreef:
... Die langs korten weg Het Genueesch land scheidt van het Toscaansche.
[32] Pietro III van Arragon, bijgenaamd de Groote, geboren in 1239, overleden in 1285.
[33] Gian di Procida, een dokter en napolitaansch edelman, uit een edel, napolitaansch geslacht en beroemd in de geschiedenis door zijn aandeel in het oproer van de Siciliaansche Vesper in 1282.
[34] Men noemde Caïro van Babylon, de stad Caïro van Egypte en de muzelmaansche vorsten van Egypte Soldani van Babylon.
[35] Garbo of Algarvië, de gansche kust van Afrika tegenover Andalusië en het koninkrijk van Granada, dus het tegenwoordige Marokko.
[36] Majolica, het eiland Majorca, het grootste der Balearen.
[37] Chiarenza of Clarentza was vroeger een der belangrijkste steden van Morea thans is het er slechts een ellendig vlek.
[38] Jurisdictie: rechtspraak.
[39] Chinzica is nog de naam van een straat in de stad Pisa.
[40] Gualandi, een zeer oude Pisaansche familie. Dante herinnert er aan in den Zang XXXIII van zijn Hel:
Gualandi met Sismondi en met Lanfranchi.
[41] Te Ravenna, zegt Martinelli, zijn evenveel kerken als dagen in het jaar, van daar dat elke dag er aan een heilige gewijd is.
[42] Paganin da Mare is de titel in plaats van Paganin van Monaco, afgeleid van de plaats, waar hij met vele andere Genueezen zich een standplaats had gekozen, die op de Middellandsche Zee rooftochten deden. De familie Da Mare of Da Mari is een zeer oud en edel geslacht uit Genua.
[43] De dag van 12 uur was verdeeld in vier deelen: terza, sesta, nona en vespro; vandaar dat mezza terza, (half terza) beteekent anderhalf uur na zonsopgang.
[44] Lamporecchio is een bekoorlijk dorp bij Pistoia. Er gaat een oude traditie in dit graafschap, dat daar in de buurt een nonnenklooster was, hetwelk werd afgebroken, en dat de nonnen voor een of andere overtreding naar elders werden overgebracht. Of dit waar is of niet, het schijnt aan Boccaccio voldoende stof te hebben gegeven er deze geschiedenis uit te putten.
[45] Het verhaal schijnt historisch te zijn, en op bekende personen betrekking te hebben, maar heeft te veel aanrakingspunten met andere overleveringen, om geheel waar te wezen.
[46] Agilulf, hertog van Turijn, daarna koning der Longobarden. Hij beklom den troon door zijn huwelijk met Teodelinda en regeerde lang en roemrijk (590–616.)
[47] Teudelinga of Teodelinda, dochter van Garibaldo, hertog van Beijeren, huwde eerst Autarius en daarna Agilulf. Zij stierf in 625 beweend door al haar onderdanen om de vroomheid en wijsheid, die haar sierden.
[48] Men gelooft naar oude geschiedvorschers, dat het feit, in deze historie verhaald, werkelijk in Florence gebeurd is, waar zeer rijke wevers woonden, te meer daar Boccaccio stellig verzekert den naam te weten van de dame, die deze klucht uithaalde.
[49] De oorsprong van de veertig missen van Sint Gregorius, schrijft Manni, ontleenen wij aan de Geschiedenis van Paus Sint Gregorius, waarin men leest, dat veertig missen dienden tot de verlossing van de ziel van broeder Giusto, een rijk man. De heilige Antonino, aartsbisschop, herinnert er ook in zijn Somma aan, dat die daarvan afkomstig zijn.
[50] Puccio behoorde tot de orde van Sint Franciscus van Assisi, die behalve monniken ook leeken als zij, tertiartiïe daar in opnam.
[51] Boccaccio zeide, dat hij van dien broeder Puccio had hooren spreken en in de hospitaalherinneringen van de heilige Maria Nuova van Florence leest men, dat in 1300 op den 30en Januari zij van hem een zoon verloste Rinieri genaamd en dat hij te San Pancrazio woonde.
[52] Brancazio of Pancrazio.
[53] Men zegt, dat hij tot zulk een groep behoorde, daar deze dit gewoon waren te doen. Het is echter onzeker, omdat men bij die vergadering kwam met de kap over het hoofd en de leden elkaar slechts zelden kenden.
[54] Over de historische waarheid van deze vertelling weet men niets anders, dan dat ridder Francesco Vergelli of Vergiolesi als gezant naar Parijs werd gezonden in 1313 gelijk Michelangelo Salvi in zijn geschiedenis van Pistoja verhaalt.
[55] Men wil, dat die Ricciardo Minutolo een historische persoonlijkheid is.
[56] Het geslacht der Elisei was een der oudste families van Florence, waaraan door verschillende schrijvers herinnerd wordt voornamelijk door Giovanni Villani en door Malespini.
[57] Men moet zich dit huis voorstellen gebouwd tegen een berg.
[58] Men zie, hoe Boccaccio lang de tijden vooruit was door af te geven op de wreede en valsche wijze van onderzoek, die hem toch nog zooveel eeuwen zou overleven!
[59] De Oude van den Berg, een legendair persoon uit de Middel-Eeuwen, hoofd van een godsdienstige sekte, welke zich tegen het einde van de XIe Eeuw in de gebergten van Perzië vestigde. Marco Polo spreekt er uitvoerig over in zijn Milione. Het poeder, dat de Oude van den Berg aan zijn volgelingen gaf om hun in bedwelming een voorproef te schenken van de vreugden, die hen wachtten, indien zij in zijn dienst stierven, was, naar wat men zegt, indische hennep, door de Arabieren hasheisch genoemd, waarvan de naam assassijnen van het begin af aan gegeven aan de leden van die sekte stamt en sinds dien in het spraakgebruik algemeen is geworden.
[60] Ragnolo Braghiello, boersche verminking van Agnolo Gabriello, de engel Gabriël.
[61] Giovanni Villani in Boek VII van zijn Istoria noemt een zekeren Beltram, graaf de Roussillon, die kapitein was der Florentijnen en misschien van hem zelf hoorde.
[62] Volgens Manni gelooft men, dat dit feit door Boccaccio om eenige reden is gewijzigd en dat het werkelijk plaats had niet in de woestijn van Thebaïda maar in de buurt van Todi. Inderdaad wordt een gelijksoortige gebeurtenis verhaald door Franco Sacchetti in de novelle CI en toegeschreven aan zekere Giovanni Dell’ Innamorato, Apostolo genoemd, die van Todi afkomstig was.
[63] Capsa (thans Gafsa), stad in Tunis, waar de schat was van koning Jugurtha.
[64] Thebaïda was de zuidelijkste der drie voornaamste deelen van Egypte en kreeg den naam Thebe, dat er de hoofdstad van was. De woestijnen omgeven het, welke er gedurende de eerste vijf eeuwen van het Christendom bevolkt waren met monniken en kluizenaars.
[65] Omdat hij dan zoo mager zou zijn geworden (drie mannen met zeven vrouwen!), dat de beenderen hem uit de huid hadden gestoken door de magerheid en ontdaan van spieren geklonken zouden hebben als die van een skelet.
[66] Filostrato is een naam van griekschen oorsprong en beteekent: vriend van oorlog en wapenoefeningen.
[67] Deze plaats wordt op verschillende wijze uitgelegd. De een schreef, dat Boccaccio bedoelde te zeggen, dat zijn boek voorop niet den naam droeg van den auteur; anderen zeiden, dat hij wilde zeggen zonder titel n.l. zonder aan iemand te zijn opgedragen (wat aan Filippo Villani het waarschijnlijkst voorkomt); weer anderen, omdat de naam Decameron eerder dan een ware titel de indeeling er van aanduidt.
[68] Boccaccio begon aan dit boek op zijn 35ste jaar en voltooide het vijf jaar later.
[69] Deze geschiedenis is geput uit een episode van den Roman van Barlaam en Josaphat.
[70] De berg Asinajo of meer algemeen gezegd Senario, tusschen la Sieve en il Mugnone, tien mijlen van Florence, waarop sinds onheugelijke tijden een klooster stond.
[71] Casuisten zijn de bedriegelijke verdedigers van de grootste misdaden.
[72] De mattapan was een Venetiaansche munt van zilver ter waarde van vier stuivers.
[73] De maremma (zeekust) is het moerassig gedeelte van het land bij Venetië aan zee. Op de wereld of aan de maremma is een schertsende uitdrukking gelijk in het hollandsch: alles en nog wat.
[74] Boccaccio had blijkbaar een hekel aan de Venetianen. Eerst heeft hij ze leeghoofden genoemd en hier oneerlijk.
[75] Deze novelle wordt door Landau gehouden van grieksch-byzantijnschen oorsprong te zijn.
[76] Candia, moderne naam voor het eiland Creta, die Boccaccio schijnt te gebruiken voor de hoofdstad daarvan.
[77] Guiglielmo, de tweede koning van Sicilië, maar door anderen de vierde genoemd; vandaar dat Pandolfo Collenuccio schrijft: Guiglielmo de tweede in de regeering, maar de vierde in de volgorde der Guiglielmo’s. Hij regeerde van 1149 tot 1164.
[78] Inderdaad beklom Ruggiero IV, nadat de Sicilianen den vader in 1161 hadden afgezet, den troon in diens plaats, maar hij werd na enkele dagen vermoord.
[79] De Moorsche heerschappij van Granada in het zuiden van Spanje werd eerst gegrondvest in 1238; dit is dus een anachronisme van Boccaccio.
[80] Wie in de Middeneeuwen op de valkenjacht ging, droeg dien vogel op de vuist en opdat de sterke klauwen van het dier de hand niet kwetsten, hield men die bedekt met een handschoen van zeer dik leer. Dat verklaart het spottend antwoord van Gerbino.
[81] Een soort sierplant.
[82] San Gimignano, een groot gebied in Toscane, waar de linnenweverij bloeide.
[83] Deze novelle van onzen Boccaccio, zegt Manni, wordt bewaarheid in de getuigenis door mij met veel zorg ontleend aan een geschiedenis van uit Brescia bevestigd, welke Elia Cavriuolo Giureconsulto heet, waar zij omstreeks 1378 als historisch in omloop was.
[84] De beroemde florentijnsche dokter Targioni dacht van deze novelle, dat die eer verzonnen zou zijn dan waar, hoewel eenige artsen die als waar hebben opgevat en voornamelijk Antonio Mizaldo Monluciano. Zoo beschouwde haar ook Manni, die onderstelde, dat het geval hierin verhaald plaats had in 1325 of niet veel later.
[85] Er was werkelijk in Florence een familie dei Sighieri en Manni zag het testament van een zekeren Giovanni Sighieri met den datum van 1363, waarin goederen genoemd zijn, die deze familie bezat, in het gebied van Carpentras in Provence.
[86] Men kan een authentiek bewijs lezen van dit voorval tusschen Roussillon en Gardestagne in het leven, dat van den laatste uit het Provençaalsch is vertaald door Crescimbeni, waar men het bijna woord voor woord vertaald vindt. Die Gardestagne was een beroemd dichter uit Provence en deze noemt hem Capestani, gene Cabestain, en een ander Casteign, terwijl Crescimbeni hem op zijn italiaansch Cabestano noemt. Zijn schoone verzen verliefden de vrouw van Roussillon en veroorzaakten haar dood, waarvan Petrarca ter verklaring zeide:
en die Guglielmo, Die door gezang zijn bloei van dagen kortte.
Aldus Martinelli. Het kasteel van Roussillon verrees, naar men gelooft, bij de stad Apt, waar nog steeds een dorp bestaat, dat Castel Roussillon heet.
[87] Mazzeo of Matteo della Montagna, naar hetgeen Scipio Mazzella, een napolitaansch historicus schrijft, leefde in Salerno en tusschen 1309 en 1342, schreef hij op aandringen van koning Roberto de Pandecten der Medicijnen, welke in verschillende talen werden overgezet.
[88] Malfi of Amalfi, een stad op vijftien mijlen gelegen van Salerno.
[89] Een italiaansche uitdrukking.
[90] De Stadico was bij de Napolitanen de rechter.
[91] Een eigenaardige Italiaansche uitdrukking.
[92] Een once, een grooten munt, die iets meer waard was dan een secchino of sequin.
[93] Beroaldo, die in 1499, die novelle in het Latijn vertaalde, gelooft, dat Boccaccio zijn verhaal ontleende aan de antieke annalen van Cyprioten en Manni voegt er eenige redenen aan toe, die het voor mogelijk doen houden, dat Boccaccio dit zou hebben gedaan. Maar er is geen enkel bewijs van en het is niet onmogelijk, dat deze geschiedenis meer dan eenige andere een navolging is van Theocritus, die in zijn idylle getiteld Il bifolchetto (de kleine Koeherder) meer dan een bijzonderheid, die men bij onzen verteller ziet, heeft opgenomen.
[94] Susa, de tweede stad van Tunis in dat gebied door haar bevolkings-cijfer en haar toestand.
[95] Latijn beteekent Italiaansch. De christelijke volken noemden zich in tegenstelling met de Saracenen Latijnen.
[96] Sansovino zegt, dat de raad door Martuccio gegeven aan den koning van Tunis door Villani ontleend is aan het achtste boek, waar hij spreekt over de onderneming, die Cassano, de koning der Tartaren tegen den Sultan ondernam, die door hem werd verslagen, daar hij het middel had gebruikt dunne koorden op de bogen te spannen.
[97] Ten tijde van Boccaccio was het pauselijk Hof te Avignon en Rome in den ban.
[98] Alagna of Anagni, een kleine stad in Latium, beroemd wegens den smaad Bonifacius VIII in 1303 aangedaan.
[99] Het feit verhaald door Boccaccio vindt men terug in de Storia di Faënza van Tonduzzi, die de inneming van zijn stad, waarvan Giacomino in de vertelling spreekt, stelt in het jaar 740 ten tijde van koning Luitprando. In de plaats daarvan zegt Boccaccio, dat zij is overgegeven in den strijd met keizer Frederik en het schijnt, dat hij zinspeelt op Frederik II, die Faënza innam in 1240.
[100] Deze Gianni van Procida, gelijk elders gezegd is, was de neef van den beroemden naamgenoot, die zulk een aandeel had in den opstand van de Siciliaansche Vesper.
[101] Frederik van Sicilië was de zoon van Peter van Aragon.
[102] Ruggier dell’ Oria of Ruggierso di Lauria, een zeer beroemd Italiaansch admiraal. Hij stierf in 1305.
[103] De goede koning Guiglielmo, namelijk Guglielmo il Buono, de derde koning van Sicilië, overleden in 1184.
[104] De bevoegden voor de correctie van de Decameron doen ons weten, dat deze novelle ontleend is aan Elinando, een schrijver in zijn tijd zeer geacht, namelijk omstreeks 1200. Boccaccio verwisselde de namen der personen en van de plaats, waar het feit gebeurde, maar herinnert toch aan de individuen, die tot werkelijk bestaande families behoorden.
[105] De Traversari waren werkelijk een zeer edel geslacht in Ravenna; er wordt van een zekeren Paolo Traversari gesproken in de XXXVe novelle der Novellino.
[106] Chiassi of Classe heette een kleine landstreek niet ver van Ravenna en ook de haven van die stad; thans is die geheel verwoest en is er geen spoor meer van over.
[107] Deze geschiedenis zelf van Elinando wordt verhaald van den Graaf van Niversa en van een kolenbrander en Passavanti herhaalde haar in zijn “Spiegel van de ware Boete”. Overigens zijn die legenden van duivels-jachten in de Midden-Eeuwen zeer algemeen verbreid en ook in latere tijdperken.
[108] Ammirato zegt, dat in het graafschap Florence, daar het eene huis ver van het andere was, men vuur ging halen met een vod om het niet te doen met kolen of brandhout en ook omdat een vod langer (?) brandt en gemakkelijker te dragen valt. Dit is een kleine dienst en toch zegt zij, dat niemand dit voor haar wilde doen, zoo oud en leelijk was ze geworden. (Fanfani).
[109] Troïlus en Crescida zijn de figuren van Filostrato, een gedicht in octaafrijm, geschreven door Boccaccio zelf, die—naar men wil—hier onder den naam van Dioneo zijn eigen persoon laat optreden.
[110] Consistorium, hier schertsend gebruikt. Naam voor de vergadering van den Paus met de kardinalen.
[111] Wat Messire Mazza en de Zwarte Berg beteekenen, hoeft niet nader verklaard te worden. Een goed verstaander....
[112] Deze Oretta of Lauretta was de dochter van Obizzo Malaspina en de vrouw van Ruggeri of Geri di Manetto Spini. Reeds in 1332 was zij weduwe.
[113] Deze bakker Cisti is werkelijk een historisch persoon. Van zijn bakkerswinkel spreekt ook Ferdinando Leopoldo Del Migliore in zijn Firenze illustrata. Cisti is misschien een afkorting van Bencivenisti.
[114] Het is Bonifacius VIII, die Paus was van 1294 tot 1303.
[115] Dit gezantschap kwam in Florence in Juni 1300, toen Dante Alighieri tot de Priors der Republiek behoorde. De Paus zond het speciaal om de twee fracties der Cerchi en der Donati te verzoenen, maar dit droeg weinig vruchten. Het hoofd er van was de kardinaal Matteo d’ Acquasparta.
[116] Het zal wel haast onnoodig zijn te melden, dat de Arno de rivier is, die Florence doorstroomt.
[117] Zachtjes om den wijn niet troebel te maken.
[118] Dego: Diego.
[119] Dit gebeurde in het jaar 1314, in welken tijd messer Diego della Ratta kapitein van wapenen was in Florence en vicaris van koning Roberto.
[120] Popolini waren muntstukken van twee stuivers of soldi van denzelfden vorm als de beroemde goudguldens van Florence, namelijk met aan den eenen kant het beeld van San Giovanni Battista, schutspatroon der stad en aan den anderen kant de florentijnsche lelie.
[121] Sint Johannes, den 24en Juni.
[122] Peretola, een dorp, drie mijlen van Florence.
[123] De familie van Rabatta, afkomstig uit Mugello, behoorde vroeger tot de oudsten en edelsten van Florence, maar door de ongelukkige twisten tusschen de Guelfen en de Ghibellijnen moest zij naar Udine trekken en kwam vandaar in het graafschap Gorizia.
[124] De Baronci waren in Florence bekend om hun leelijk gezicht.
[125] Niet ten onrechte schreef Vasari van Giotto: Hij was vernuftig en zeer aardig en heel geestig in zijn uitingen, waarvan er nog velen in de herinnering te Florence voortleven; behalve die van Boccaccio heeft Franco Sacchetti er in zijn driehonderd novellen velen en zeer schoonen van verhaald.
[126] Dit is een lichte spot met Pamfilo. Vergelijk dit met den noot over de Baronci in de voorgaande vertelling.
[127] Een dubbele uitdrukking met een schertsende bedoeling, aldus gebruikt door Scalza. De Maremma is een moerassige streek.
[128] Monseigneur Della Casa toont in zijn Galateo te gelooven, dat het feit van die madonna Filippa waar is. Manni gelooft, dat die wijziging van de wet van Prato waar is en laat ook nog als mogelijkheid aannemen, dat tusschen de familie der Pugliesi en die der Guazzagliotri wegens die liefdes-intrige deze doodelijke vijandschap geboren werd, die zeer lang duurde. Aldus Martinelli in zijn Osservazio storiche.
[129] Deze Betto-Brunelleschi leefde werkelijk in Florence ten tijde van Guido Cavalcanti en stierf in 1311 of omstreeks dien tijd.
[130] Deze zuilen van porfier, die nog bestaan bij de kerk van San Giovanni werden door de Pisanen aan de Florentijnen gegeven.
[131] Het verhaal van dien broeder Cipolla gaf velen heel wat te zeggen door een verkeerde meening, die zij opvatten over de bedoeling van den verteller, alsof hij van plan was den draak te steken met de heilige dingen. Tegen deze blaam begon een prelaat van de grootste reinheid van zeden en gelijksoortige geleerdheid hem te verdedigen met verschillende van zijn grondige lezingen door hem gehouden in de Academia della Crusca en door Manni aangehaald in zijn toelichtingen tot die historie. Zij bevat de aardigste en de teekenendste satire, die ooit door een bedrieger is gemaakt. Het karakter van Frate Cipolla niet minder dan dat van zijn metgezel kan niet beter beschreven worden dan de domheid der goede Certaldesers. De namen der personen er in aangehaald zijn echt, volgens de documenten door Manni aangehaald (en zij leefden omstreeks 1300). Het feit kan aan niemand minder dan aan onzen auteur zelf overkomen zijn volgens een overlevering in Certaldo, waar hij vaak kwam, daar hij er een deel van zijn bezittingen had en waaraan door hem later die gratie verleend is, die het zoo aardig hebben gemaakt (Mannelli).
[132] Deze woordspeling is aldus bedoeld: Cipolla is de naam van den monnik en beteekent tegelijkertijd: ui, wat in het Hollandsch niet letterlijk schertsenderwijze te vertalen is.
[133] Te Altopascia in Lucchese was een abdij; twee maal in de week was er groote soepuitdeeling. Vandaar werd de buitengewoon groote ketel, waarin zij die kookten, spreekwoordelijk.
[134] Porco: het zwijn.
[135] Beteekent vermoedelijk Leugenland.
[136] Beduidt vermoedelijk Kletsland.
[137] Leugenrijk.
[138] De heele redevoering van Fra Cipolla is volgens Fanfani de bizarste en de aardigste ter wereld. Al de opgesomde plaatsen en rijken zijn straten en plaatsen in Florence, die denzelfden naam dragen.
[139] Namelijk als zij er saucijzen van maken.
[140] Snoeimessen: pennati, een woordspeling met de uitdrukking: pennati, ook pennuti: met vleugels uitgerust.
[141] “Scheld-me-niet-uit Alsjeblieft”.
[142] Deze vraag slaat schertsend op de bedriegerijen, die in verhalen het onderwerp zullen zijn van den volgenden dag in de Decameron.
[143] De uitdrukking “bescio sanctio” in den oorspronkelijken tekst is volgens verschillende commentators niet geheel helder.
[144] De naam Egano vindt men veelvuldig onder de Bologneezen en de familie Galluzi is in Bologna zeer oud.
[145] Heilige oorlog: Kruistocht.
[146] Avignon was toen de zetel van den Paus.
[147] Behoedt mij.
[148] Zonder wacht.
[149] Dit drietal waren schilders, die ten tijde van Boccaccio leefden.
[150] De Mugnone is een stroom, die zich bij Florence in den Arno stort.
[151] De Heliotroop is een kostbare steen evenals de smaragd rood gevlekt, waaraan de Ouden de eigenschap toeschreven onzichtbaar te maken wie hem droeg.
[152] Settignano en Montisci of Montici, twee streken van den Valdarno, de eene op drie, de ander op twee en een halve mijl van Florence.
[153] Fiesole ligt op een heuvel in gezonde lucht, Sinigaglia in een ongezond moeras vooral gedurende den zomer.
[154] De uitgang “azza” heeft door den klank in het Italiaansch iets verachtelijks.
[155] Te Florence evenals in alle andere, middeneeuwsche republieken noopte de staatkundige naijver der stads-partijen altijd vreemde magistraten te kiezen.
[156] Vele commentators beweren, dat dit geval voor de helft werkelijk is gebeurd en dat Boccaccio in den leerling zich zelf schildert, aan wien de poets wordt gebakken door de weduwe, die hij beminde.
[157] Middeneeuwsche uitdrukking voor: naar den grond, daar de hel onder de aarde was.
[158] Camollia, een straat in Siena.
[159] Daar de doktoren over de toga van scharlaken een mantel droegen van bont en op het hoofd een bonten baret.
[160] Lucifer van San Gallo, een dwaasheid in scherts gezegd, evenals mellonaggine da Legnaja. Maar hier is het noodig er bij te voegen, dat werkelijk uit Legnaja, een dorp niet ver van Florence de beste en grootste meloenen komen en ook komkommers. Mellonaggine beteekent ezelachtigheid.
[161] Priester Johannes was een legendaire figuur uit de Middeneeuwen, die een zeer machtig christelijk rijk beheerschte van het Oosten in Aethiopië of in Indië.
[162] Dit bewijst, dat de doktoren toen ook nog drogisten waren en geneesmiddelen bereidden en verkochten.
[163] Het schijnt dat men hier het tegenovergestelde moet lezen, maar niet voor niets steekt Bruno den draak met de onnoozelheid van den dokter.
[164] Vet varken.
[165] Peretola ligt misschien vier mijlen van Florence, maar aan dien dokter schijnt dit een heel ding.
[166] Een slechte buurt in Florence.
[167] Gewoonlijk spreekt hij van groote dwaasheden om dien zot te verbluffen. De guitaren van turksch koren, zouden volgens Martinelli, guitaren uit riet van Turksch koren of zwart graan zijn, die de kinderen der landbouwers vervaardigen.
[168] Bagattini, kleine venetiaansche munt.
[169] Maëstro Scipa, een spotnaam. Scipa is ongetwijfeld afgeleid van scipito, leeghoofd, dwaas.
[170] Hoewel de commentatoren hier: “comeque’ signori” niet begrijpen, komt mij voor, dat hiermee slechts ironisch geen andere heeren bedoeld zijn dan Bruno en Buffalmacco zelf.
(De Vertaler.)
[171] In den gevel van de kerk van Pasignano, een dorp van het florentijnsche graafschap, was God de Vader geschilderd. Maar de goede dokter verbeeldde zich, dat Buffalmacco werkelijk bij deze vreeselijke Godheid een belofte deed.
[172] Woordspeling van meloen met mellonaggine, de onnoozelheid van den dokter. Sommige, vroegere navorschers hebben echter beweerd, dat imparar sulla mela en sul mellone een dubbelzinnige en verachtelijke beteekenis had en misschien bedoelde Buffalmacco het ook zoo.
[173] Namelijk wanneer de winkels gesloten zijn en er geen zout te koop is, wat gelijk staat met hem voor dwaas uit te schelden.
[174] Civillari was in Florence een plaats, waar zekere kuilen waren om de uitwerpselen te bewaren en er de omliggende tuinen van te voorzien. Die naam en allen, die volgen, als Laterina (wat een streek is in het gebied van Arezzo maar hier latrine beteekent), Tamagnino, Meta enz., zijn van Florentijnschen tongval en zinspelen weinig geschaafd op faecaliën, uitwerpselen en ander vuil van dit soort.
[175] Werktuigen van het edele gilde der putscheppers.
[176] Hier spreekt Boccaccio zich tegen, want in den aanvang der historie heeft hij gezegd, dat de dokter in Florence was geboren.
[177] Er bestond werkelijk destijds een orde van gedoopte (eigenlijk gebaadde) ridders, die zeer gezien en beroemd was en die de gewoonte had de nieuwelingen openlijk in de kerk in een bad te dompelen. De plechtigheid had met zeer groote praal plaats en daarom waren de kosten zeer hoog. Derhalve om hem niet wegens zijn gierigheid te verschrikken, verzekeren de schelmen, dat de gravin de kosten zal betalen, maar zij maken een woordspeling met dubbele beteekenis, want het bad, wat zij van plan zijn hem te geven, is er geen in water, maar in een ... welriekende stof!
[178] Jancofiore, Biancofiore, Witte Bloem.
[179] In geheel Italië gedurende de Middeneeuwen en ook twee eeuwen nog daarna waren er blanke en oostersche slaven, wat wet en kerk toestonden.
[180] De kamers in de badhuizen waren zonder eenig raam om er de warmte in te bewaren en daardoor geheel donker.
[181] Het was toen gewoonte aan de zuilen van het bed eenige kleine instrumenten toe te voegen in den vorm van vogels, die door middel van zekere toestellen gemoduleerde klanken voortbrachten als het gezang van werkelijke vogels. In het oude gedicht Fabusso en Breusso, is in bijzonderheden zulk een bed beschreven. (Fanfani.)
[182] Volgens het systeem van Ptolemeus, in de Oudheid en de Middeneeuwen algemeen aangenomen, was de hemelsfeer met de vaste sterren, die zich bevond onder de zeven hemelronden der planeten, de achtste en gaf aan het uitspansel de kleur van azuur.
[183] Deze streek, uitgehaald met den onnoozelen Calandrino wordt op goede gronden door Manni voor zeer waar gehouden, zoodat hij er toe komt er den datum van te berekenen, n.l. omstreeks 1320.
[184] Kogels om te werpen met den voetboog, wat men deed door te steunen op de aarde.
[185] Maëstro Scimmione is een schertsnaam voor meester Simone en beteekent groote aap.
[186] Chiarea is een drank, waarvan men tot nu toe de samenstelling niet te weten kwam, waarschijnlijk was het een purgeermiddel of eenvoudig: helder water afgeleid van chiaro, chiara? [De Vertaler.]
[187] Hiermee zijn bedoeld de kamhoutjes, waarop de snaren worden gespannen; er is dus mee uitgedrukt, dat Calandrino lange tanden heeft.
[188] De titel baron staat in den oorspronkelijksten tekst. Juist om de naïveteit van dien middeneeuwschen term is dit geheel in den stijl van dien tijd. (De Vertaler.)
[189] Cattajo of Cathay. Zoo pleegde men in de Midden-Eeuwen de landen te noemen van het Uiterste Oosten en in het bijzonder China.
[190] Deze Neri was evenwel toch Ghibellijn.
[191] Zoo heette in de Midden-Eeuwen Caïro.
[192] Vierde Dag. Eerste Vertelling van Gianni Lotteringhi.
[193] Twee beruchte drinkebroers.