← De Decamerone van Boccaccio

De Decamerone van Boccaccio (part 2 of 3)

Part 2 of 3 · Boccaccio, Giovanni · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #19591, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (3)

Continue:

De Decamerone van Boccaccio (part 2 of 3)

Maar wat zullen wij zeggen tot hen, die zooveel bezorgdheid over mijn honger hebben, dat zij mij raden mij brood te verschaffen? Zeker, ik weet het niet, wanneer ik er over denk, wat hun antwoord zou zijn; als ik uit nood het hun zou vragen, dan meen ik, dat zij zouden zeggen: Ja, zoek het met verdere vertelsels te verdienen. En vroeger hebben de dichters er meer met hun fantasiën bij gevonden dan vele rijken onder hun schatten. Velen zelfs door hun verhalen te verbeelden, deden hun leven bloeien, terwijl integendeel velen bij het zoeken naar meer brood dan ze noodig hadden, jong te gronde gingen. Wat meer? Dat zij mij wegjagen, wanneer ik er hun om vraag? Neen, Goddank, heb ik het nog niet noodig en mocht de nood toch nog komen, dan weet ik volgens den Apostel, den overvloed te verdragen en de armoede en daarom dat niemand zich meer met mij bemoeit dan ik het doe met een ander.

Voor hen, die zeggen, dat ik de dingen niet vertel zooals ze gebeurd zijn, zou ik zeer op prijs stellen, dat zij de bronnen voor den dag haalden, en dan, als ze met wat ik schrijf in strijd waren, zou ik zeggen, dat hun aanmerkingen juist waren en ik zou mijn best doen ze zelf te verbeteren. Maar zoolang mij niets anders voor de oogen komt dan praatjes, zal ik ze in hun meening laten, de mijne volgen en van de hunne zeggen, wat zij van de mijne beweren. En denkend, dat ik er voor ditmaal genoeg op heb geantwoord, zeg ik, dat ik met Gods hulp en de uwe, liefste donna’s, waarop ik hoop, gewapend en met veel geduld hiermee zal voortgaan en het hoofd keer tegen dien wind in, welke ik laat blazen. Omdat ik niet zie, dat er voor mij iets anders uit kan voortvloeien dan wat er met het stof gebeurt, dat, wanneer een wind blaast, of niet van de aarde opstuift of als het wordt opgeheven, omhoog wordt gedragen en dikwijls op de hoofden der menschen, op de kronen der koningen en keizers en dikwijls op de trotsche paleizen en de verheven torens neerkomt, waarvan het, als het weer neerslaat, niet lager kan dalen dan het reeds opgejaagd is. En als ik mij er ooit op toelegde met al mijn kracht u te behagen, zou ik mij er nu meer dan ooit aan wijden, want ik weet, dat men met recht niets anders zal kunnen zeggen dan dat de anderen en ik, die u liefhebben, zeer natuurlijk handelen. Tegen die wetten in te gaan, namelijk tegen de natuurwetten, gebeurt niet alleen dikwijls tevergeefs, maar tot groote schade van de daders. Ik beken, dat ik die krachten niet heb en dat ik ze hiervoor niet begeer; en als ik ze had, zou ik ze liever anderen leeren dan ze zelf te gebruiken. Laten daarom mijn vijanden zwijgen en als zij niet kunnen in vuur raken, doordat zij zoo verstompt leven in hun genoegens, of liever in hun verdorven begeerten, laten zij mij in het korte leven mij gesteld, de mijnen gunnen. Maar om terug te keeren tot hetgeen, waarvan wij zeer zijn afgeweken, o schoone donna’s, laten wij daarvan weer uitgaan en de ingestelde orde volgen.

De zon had van den hemel elke ster en van de aarde den vochtigen nevel van den nacht verdreven, toen Filostrato opstond, zijn geheele gezelschap deed herrijzen en nadat zij zich in den schoonen tuin hadden begeven, gingen zij daarin wandelen. Toen het etensuur gekomen was, ontbeten zij daar, waar zij den vorigen avond gegeten hadden. En na geslapen te hebben, toen de zon op zijn hoogste punt stond, verhieven zij zich en volgens gewoonte zetten zij zich neer bij de schoone fontein. Daar beval Filostrato aan Fiammetta, dat die met de vertellingen zou beginnen, welke zonder verder te wachten, wat er gelast werd, vol gratie aldus begon:

EERSTE VERTELLING.

Tancredi, prins van Salerno doodt den minnaar van zijn dochter en zendt haar zijn hart in een gouden beker. Het jonge meisje neemt vergift in en sterft.

Onze koning heeft ons heden een moeilijk onderwerp opgegeven om te behandelen als wij bedenken, dat wij, bijeen gekomen om elkaar op te vroolijken, moeten verhalen van de tranen van anderen, waarvan men niet kan spreken zonder dat zij, die er van vertellen of die er van hooren, geroerd worden. Misschien heeft hij het bevolen om een weinig het genoegen gedurende de voorafgaande dagen gesmaakt, te temperen, maar wat hem er ook toe mag hebben bewogen, ik zal, daar het aan mij niet past zijn wil te veranderen, een betreurenswaardig voorval vertellen of veeleer ongelukkig en uw tranen waard.

Tancredi, prins van Salerno, was een zeer menschlievend en welwillend heer, (als hij niet op zijn ouden dag de handen bezoedeld had met het bloed van verliefden), die in zijn heele leven niet meer dan een dochter had en die veel gelukkiger zou geweest zijn, als hij die niet bezeten had. Deze werd door haar vader even teer bemind als ooit een andere dochter, en juist door die teedere genegenheid, hoewel zij sinds vele jaren den leeftijd te boven was om te trouwen, omdat hij van haar niet wilde scheiden, huwde hij haar niet uit. Nadat hij haar eenigen tijd had gegeven aan een zoon van den hertog van Capua, bleef zij korten tijd bij hem, werd weduwe en keerde weer naar haar vader terug. Zij was zeer schoon van lichaam en van gelaat zooals ooit een vrouw het was, jong, schelmsch en slimmer dan het in sommige omstandigheden van een donna geëischt wordt. Zij leefde met haar vader teeder als een groote donna, verzorgd met vele kiesche oplettendheden, maar daar zij bemerkte, dat haar vader door de liefde, die hij haar toedroeg, er weinig aan dacht om haar uit te huwen en het haar geen eerbare zaak scheen het hem te vragen, dacht zij zoo mogelijk in stilte een minnaar haar waardig te krijgen. Zij zag, dat vele heeren het hof van haar vader bezochten, edelen en uit het volk, gelijk wij dit aan hoven aanschouwen en nadat zij op de manieren en de gewoonten van velen had acht gegeven, behaagde haar onder de anderen een jonge knecht van haar vader, die Guiscardo heette, een man van zeer nederige afkomst, maar door deugd en nobele manieren beter dan wie ook en op hem werd zij in stilte, hem vaak ziende, zeer verliefd, en prees steeds meer zijn gedrag. En de jonkman, die van zijn kant ook niet dom was, had het van haar opgemerkt en droeg haar zoo in het hart, dat hij aan niets anders dacht dan haar te beminnen. Terwijl zij zoo elkaar in stilte lief hadden en het meisje niets anders verlangde dan met hem samen te komen en zij die liefde aan niemand wilde toevertrouwen, dacht zij een nieuw middel uit om hem die te bekennen. Zij schreef een brief, legde hem daarin uit, wat hij den volgenden dag moest doen na dien in een hollen stok te hebben gestoken en gaf dien schertsend aan Guiscardo met de woorden: Maak er voor uwe dienares een blaasbalg van, opdat zij er het vuur mee zal doen opvlammen. Guiscardo nam hem aan en denkend, dat zij niet zonder reden hem dien gaf en zoo sprak, ging heen en begaf zich daarmee naar huis. Toen hij de stok onderzocht en vond, dat die hol was, opende hij dien en vond er haar brief in, las deze en wel begrijpend, wat hem te doen stond, was hij de gelukkigste man, die ooit heeft bestaan en maakte zich gereed om naar de jonge vrouw te gaan door het middel, hem door haar aangewezen.

Er was ter zijde van het paleis van den prins een grot in den berg uitgehold, zeer lang geleden daar gemaakt, waarin een gat met geweld daarin geboord eenig licht in die spelonk gaf. De opening was verlaten en met struiken en kruiden begroeid, verborgen. Men kon in die grot komen langs een geheime trap in een der gelijkvloersche kamers van het paleis, waarin de donna verblijf hield, hoewel die door een stevige deur gesloten was. En die trap was geheel aan allen uit het geheugen gegaan, daar die in lange tijden niet was gebruikt, zoodat bijna niemand zich meer herinnerde, waar die was. Maar Amor, voor wiens oogen niets geheim is, of hij ziet het, had het de verliefde donna doen onthouden. Deze, opdat niemand er iets van zou merken, had vele dagen om een middel geworsteld om dien uitgang open te krijgen. Toen dit gelukt was en zij in de grot was afgedaald en het gat had gezien, waardoor zij Guiscardo bevolen had te trachten bij haar te komen, had zij hem de hoogte aangegeven, die dit van den grond verwijderd was. Om hierin te voorzien had Guiscardo haastig een koord met knoopen en strikken klaar gemaakt om daarlangs te kunnen afdalen en weer opklimmen en gekleed in leer, dat hem tegen de struiken beschermde, ging hij zonder dat hij het iemand zeide den volgenden nacht naar het gat en na een der einden van het koord aan een sterken stam te hebben vastgemaakt, die in de holte van het gat was ontstaan, liet hij zich daardoor in de grot glijden en wachtte de donna af. Deze deed den volgenden dag of zij wilde slapen, zond haar kameniers weg en na zich alleen in haar kamer te hebben opgesloten, maakte zij de deur open en daalde in de grot af, waar zij Guiscardo vond en zij zich samen zeer verheugden. Zij gingen samen naar haar kamer en bleven er een groot deel van den dag met het grootste genoegen. Nadat zij alles zeer voorzichtig hadden geregeld, opdat hun liefde geheim zou blijven, keerde Guiscardo naar de grot terug, sloot zij de deur en ging zij tot haar kameniers naar buiten. Daarop ging Guiscardo bij het invallen van den nacht langs het touw klimmend door het gat, waarin hij binnen was gekomen, weer heen en begaf zich naar huis. Nu hij den weg had geleerd, keerde hij meermalen in verloop van tijd er terug. Maar de fortuin, afgunstig op zulk een lang en een zoo groot genoegen, veranderde de vreugde der beide minnenden door een treurig voorval in droeve klacht.

Tancredi was gewoon soms geheel alleen in de kamer van zijn dochter te komen en daar bij haar te blijven, wat met haar te praten en dan heen te gaan. Deze was op een dag na den eten daar gekomen, terwijl de donna, die Ghismonda heette, in een van haar tuinen was gegaan met al haar jonkvrouwen, zonder dat hij er door iemand was gezien of opgemerkt en daar hij haar niet in haar vermaak wilde storen en de vensters van de kamer gesloten vond en de gordijnen van het bed omlaag, zette hij zich aan de voeten daarvan neer op een verhooging en met het hoofd op het bed geleund en de gordijnen om zich heen getrokken, alsof hij zich daar met zorg had verborgen, sliep hij in. Terwijl hij aldus sluimerde kwam Ghismonda, die per ongeluk dien dag Guiscardo had ontboden en haar vrouwen in den tuin had achtergelaten, stilletjes binnen in de kamer en na die gesloten te hebben en zonder te merken, dat er iemand was, maakte zij de deur open, waarachter Guiscardo haar wachtte en toen zij naar het bed gingen, gelijk zij gewoon waren, en samen schertsten en grappen maakten, werd Tancredi wakker en merkte en zag wat Guiscardo en zijn dochter deden. Hierover zeer treurig, wilde hij eerst schreeuwen, maar besloot toen te zwijgen en verborgen te blijven, indien hij kon, om voorzichtiger te doen—en met minder schande voor hem zelf—wat hem daartoe reeds inviel. De twee minnenden bleven lang te samen, gelijk zij gewoon waren, zonder Tancredi te zien en toen het hun tijd scheen, verlieten zij het bed; Guiscardo keerde in de grot terug en zij ging de kamer uit. Hieruit sprong Tancredi zoo oud als hij was door een venster in den tuin en zonder door iemand gezien te zijn, keerde hij doodelijk bedroefd naar zijn kamer terug. Op zijn bevel werd bij den uitgang van het gat den volgenden nacht Guiscardo in zijn eersten slaap, in leer gekleed van het paartje gevangen nemen en in ’t geheim werd hij voor Tancredi gebracht. Toen deze hem zag, zeide hij klagend: Guiscardo, mijn welwillendheid jegens U had de beleediging en de schande niet verdiend, die gij mij hebt aangedaan, gelijk ik nu met eigen oogen heb gezien. Hierop antwoordde Guiscardo niet anders dan dit: Amor vermag dikwijls meer dan wij. Tancredi beval toen, dat hij heimelijk in een kamer van het kasteel werd bewaakt en zoo geschiedde het. Den volgenden dag, terwijl Ghismonda hier niets van wist en Tancredi in zich zelf verschillende en onderscheidene nieuwe dingen daarover had bedacht, kwam hij na den eten volgens zijn gewoonte in de kamer van zijn dochter, liet haar daar roepen en na zich daarin met haar te hebben opgesloten begon hij klagend te spreken: Ghismonda, het scheen mij, dat ik uwe deugd en uwe eerbaarheid kende, maar ik zou het nooit geloofd hebben, wanneer het mij gezegd was, indien ik het niet met eigen oogen gezien had, dat gij u zoudt overleveren aan een man, die uw echtgenoot niet was. Hierover zal ik het weinige van mijn leven, dat mij als ouden dag dient, altijd treurig blijven, als ik het mij herinner. En had het God maar behaagd, omdat gij u tot zulk een oneerbaarheid liet verleiden, dat gij een man hadt genomen van U passenden adel, maar onder de velen, die mijn hof bezoeken, hebt gij Guiscardo uitgekozen, een jonkman van zeer lage afkomst, aan ons hof uit barmhartigheid van kindsbeen af tot heden opgevoed. Hierdoor hebt gij mij in groote verlegenheid gebracht, daar ik niet weet, hoe ik met u moet handelen. Wat Guiscardo betreft, dien ik van nacht heb laten gevangen nemen, toen hij uit het gat kwam en in de gevangenis liet zetten, weet ik wat mij te doen staat, maar God weet, hoe ik met u moet te werk gaan. Aan den eenen kant trekt mij de liefde, die ik u meer heb toegedragen dan ooit een vader zijn dochter deed en aan den anderen kant de zeer rechtmatige verontwaardiging, die mij beving wegens uw groote dwaasheid. Gene wil, dat ik u vergeef en deze dat ik tegen mijn wil wreed tegen u ben. Maar voor ik beslis, wensch ik dat te hooren, wat gij hierop hebt te zeggen. Bij die woorden boog hij het gelaat voorover en weende zoo bitter als een hevig geslagen kind.

Toen Ghismonda haar vader had aangehoord en wist, dat niet alleen haar geheime liefde ontdekt was, maar ook Guiscardo was gevangen genomen, gevoelde zij een onuitsprekelijke smart en stond op het punt met geschrei en tranen gelijk de vrouwen meestal doen die te toonen, maar toch, zij overwon in haar trotsche ziel die zwakheid, hield haar gelaat met bewonderenswaardige kracht onbewegelijk en besloot liever dan te smeeken niet langer te blijven leven, daar zij dacht, dat haar Guiscardo al dood was. Daarom zeide zij niet als een klagende vrouw of een, die berispt wordt over haar fout, maar zorgeloos en dapper, met strak en open gelaat en geenszins verontrust tot haar vader: Tancredi, ik ben noch bereid tot ontkennen noch tot smeeken, omdat noch het een mij tot iets dienen zou, noch het andere mij iets waard is en behalve dat ben ik niet van plan door eenige daad uw zachtmoedigheid en liefde te winnen, maar de waarheid te zeggen en ik wil eerst met ware redenen mijn eer verdedigen en dan met feiten ten sterkste de grootheid van mijn ziel toonen. Het is waar, dat ik Guiscardo bemind heb en nog bemin en als men hiernamaals lief heeft, zal ik niet ophouden dit te doen, maar de vrouwelijke zwakheid heeft mij niet zoozeer daartoe gebracht als uw weinige zorg om mij weer uit te huwen en zijn deugd. Het moet u duidelijk zijn, Tancredi, daar gij van vleesch zijt, dat gij een dochter van vleesch hebt voortgebracht en niet van steen of van ijzer en gij moet u ook herinneren hoewel gij nu oud zijt, hoe en hoedanig en met welk een kracht de wetten der jeugd zich doen gelden. En hoewel gij u als man in uw beste jaren in den wapenhandel heb geoefend, moet gij even goed weten wat ledigheid en de zoetheid van het leven vermag bij de ouden niet minder dan bij de jongen. Ik ben uit u van vleesch geboren en ik heb zoo weinig geleefd, dat ik nog jong ben en door het een en ander was ik vol begeerte naar bijslaap, waar het huwelijk bij is gekomen, als wonderbare kracht en het kennen van dit genot dit verhoogde. Daar ik aan die krachten geen weerstand kon bieden, was ik geneigd die te volgen, welke mij aantrokken als een jonge vrouw en ik werd verliefd. Voorzeker, ik verzette mij er tegen met al mijn deugd, te willen dat, waartoe deze natuurlijke zonde mij aantrok, noch aan u noch aan mij schande zou veroorzaken. Hiertoe hadden voor mij de barmhartige Amor en de welwillende fortuin een weg gevonden en mij die aangewezen, waardoor ik zonder dat iemand het merkte, mijn verlangen kon voldoen. En dat wat gij hebt bewezen en weet, ontken ik niet. Ik heb Guiscardo genomen niet bij toeval gelijk velen doen, maar na rijp beraad heb ik hem boven elkeen uitgekozen en heb hem met overleg bij mij binnen gevoerd en met een wijze volharding van mij en van hem heb ik mij lang in mijn begeerte verheugd. Het schijnt dus, dat gij, behalve dat ik uit liefde heb gezondigd mij met nog meer bitterheid verwijt,—daar gij meer de gewone meening volgt dan de waarheid—dat ik (alsof gij niet ontroerd moest zijn als ik een edelman had uitgekozen boven hem) mij met een man van lage afkomst heb opgehouden. Gij bemerkt niet, dat gij hierin niet mijn zonde, maar die der fortuin afkeurt, die dikwijls genoeg de onwaardigen hoog verheft en de waardigsten doet zinken. Maar dit ter zijde latend, let een weinig op de beginselen der dingen: gij zult dan bemerken, dat ons aller vleesch gemaakt is uit een massa vleesch en dat de schepper elke ziel geschapen heeft met gelijke krachten en met gelijke deugd. De deugd onderscheidde ons eerst, die allen gelijk geboren werden en worden; en die deze bezaten en er het grootste deel van hadden, werden edelen genoemd en de rest bleef volk. En hoewel een tegengestelde gewoonte die wet heeft verkracht, is die nog niet verdwenen, noch vernietigd door de natuur of door goede zeden. Dus wie zich goed gedraagt, toont daardoor van adel te zijn, en als iemand hen anders noemt, is het niet hij, die genoemd wordt, maar hij die noemt, welke een fout begaat. Zie onder al uwe edellieden en onderzoek hun deugd, hun zeden en hun manieren en beschouw van den anderen kant die van Guiscardo; indien gij zonder vijandigheid wilt oordeelen, zult gij hem zeer edel noemen en al die edellieden dorpers. Over de deugd en de waarde van Guiscardo heb ik niet geoordeeld naar de meening van iemand anders maar naar uwe woorden en met mijn oogen. Wie prees hem ooit zoo aan als gij, toen gij hem hebt aanbevolen in al die lofwaardige dingen, in welke een waardig man moet geprezen worden? En zeker niet ten onrechte, want als mijn oogen mij niet hebben bedrogen, werd hem door u geen lof verstrekt, welke hij niet verdiende, maar heel veel meer dan uwe woorden het konden uitdrukken. Indien ik mij hierin toch eenigszins bedrogen heb, dan ben ik het door u. Zult gij dan nu zeggen, dat ik met een man van lage afkomst heb omgegaan? Dan zult gij geen waarheid spreken, maar indien gij zult zeggen met een arm man, zal men u tot uwe schande kunnen na geven, dat gij een waardig man als uw dienaar niet in goeden stand hebt kunnen verheffen. De armoede ontneemt aan niemand zijn adel, maar wel zijn bezittingen. Vele koningen, vele groote vorsten waren vroeger arm en velen van hen, die de aarde spitten en het vee hoedden, waren eenmaal zeer rijk en zoo is het nog heden. De laatste twijfel, dien gij bij u zelf verwekt, namelijk wat gij met mij hebt te doen, verjaag dien geheel, indien gij in uwen hoogsten ouderdom geneigd zijt te doen, wat gij als jonkman niet gewoon waart namelijk wreed te worden; oefen jegens mij uwe wreedheid uit, die niet van zins ben eenige smeekbede tot u te richten, als gij daartoe de eerste aanleiding vindt in de zonde, indien er gezondigd is. Want ik verzeker u, dat, wat gij van Guiscardo zult gemaakt hebben of maken zult, zal ik met mijn eigen handen van mij maken als gij het niet doet. Welnu, ga als de vrouwen huilen en breng door wreed te worden met een zelfden dood hem en mij om, als wij het aan u verdiend hebben.

De vorst leerde aldus de grootheid van ziel van zijn dochter kennen, maar hij geloofde niet, dat zij zoo sterk geneigd was tot datgene, wat zij zeide en waarop haar woorden zinspeelden. Hij ging van haar weg en nadat hij de gedachte verwijderd had, dat zij er zelf onder zou lijden, bedacht hij een middel om zijn brandende liefde in het leed van anderen te verkoelen en beval aan twee man, die Guiscardo bewaakten, dat zij hem zonder gedruisch den volgenden nacht zouden worgen en hem zijn hart zouden brengen, na hem dit te hebben uitgerukt. Zij deden dit gelijk hun bevolen was. Daarop liet de prins den volgenden dag een grooten en schoonen gouden beker komen, liet daarin het hart van Guiscardo doen, zond zijn meest vertrouwden bediende naar zijn dochter en gelastte hem haar het volgende te zeggen bij het overreiken van dezen: Uw vader zendt u dit om u te troosten over hetgeen gij het meest bemind hebt gelijk gij hem troostte over wat hij het meest lief had.

Ghismonda niet afgebracht van haar beslist plan, liet toen haar vader haar had verlaten, kruiden komen en vergiftige wortels, die zij afkookte en in water oploste om ze gereed te hebben, als gebeuren zou, wat zij vreesde. Toen de knecht gekomen was zoowel met de aanbieding als met de woorden van den vader, nam zij den beker met een strak gelaat aan, deed dien open, zag het hart en hoorde de woorden en hield het voorzeker, dat dit het hart was van Guiscardo. Daarom het aangezicht heffend naar den bediende, zeide zij: Er past geen minder waardige bewaarplaats dan van goud aan een hart, als dit is: hierin heeft mijn vader passend gehandeld. Bij die woorden naderde zij den beker, kuste het en zei: In alles, altijd en tot het einde van zijn leven heb ik bij mijn vader teedere liefde voor mij gevonden, maar thans meer dan ooit en daarom zult gij hem van mijn kant voor een zoo groot geschenk de laatste liefdebetuigingen teruggeven, die ik hem ooit vergelden kan.

Bij die woorden boog zij zich over den beker, dien zij omklemde, en sprak het hart aanschouwend: O zeer teedere schuilplaats van al mijn vreugden, vervloekt zij de wreedheid van hem, die mij dwingt u met stoffelijke oogen te zien! Het was mij genoeg u steeds met die des geestes te aanschouwen. Gij hebt uw loopbaan volbracht: gij zijt gekomen tot het eind, dat ieder bereikt; gij hebt de ellenden en de zorgen der wereld achtergelaten en gij hebt van uw vijand zelf het graf, dat gij hebt verdiend. Niets ontbrak u om een volkomen begrafenis te hebben dan de tranen van haar, die u bij uw leven zoozeer heeft bemind en opdat gij die zoudt ontvangen, gaf God het mijn onvermurwbaren vader in u aan mij toe te zenden en ik zal ze u wijden, hoewel ik besloten had met droge oogen te sterven en met een door niets ontzet gelaat. En wanneer ik u die zal hebben geschonken, zal ik zonder verwijl maken, dat mijn ziel u dienend bij die komt, welke gij zoo zorgvuldig hebt bewaard. En met welk ander geleide dan dit zou ik tevredener of geruster kunnen vertrekken naar de onbekende gewesten? Ik ben er zeker van, dat zij nog hierin is en dat zij de plaatsen van uwe en mijn vreugden aanschouwt. En deze, waarvan ik zeker ben, dat hij mij bemint, verwacht mij, die hem het meest lief had. Daarna alsof zij een bron in het hoofd had, zonder kreten te uiten gelijk de vrouwen gewoon zijn, boog zij zich over den beker en zuchtend begon zij zooveel tranen te storten, dat het vreeselijk was om te zien en kuste tallooze malen het doode hart.

Haar jonkvrouwen, die om haar heen stonden, begrepen niet wat dat hart beteekende of wat die woorden zeggen wilden, maar door medelijden overwonnen, weenden zij allen en vroegen haar tevergeefs met een uitdrukking van erbarming naar de oorzaak van haar tranen en trachtten haar, zoo goed ze wisten en konden, te troosten. Toen zij genoeg scheen geschreid te hebben, hief zij het hoofd op, wischte haar oogen af en sprak: O teer bemind hart, elke plicht jegens u heb ik volbracht, mij rest niets anders om te doen dan om u met mijn ziel te begeleiden. En bij die woorden liet zij zich het fleschje geven, waarin het water was, dat zij den vorigen flag had klaar gezet, wat zij in den beker deed, waarin het hart met haar tranen was gewasschen en zonder eenige vrees hief zij het aan den mond en dronk het geheel leeg. Daarna legde zij zich met den beker in de hand te bed en zich zoo eerbaar mogelijk in haar kleeren wikkelend, strekte zij haar lichaam daarop uit; dicht bij haar hart bracht zij dat van den vermoorden minnaar en wachtte zonder iets meer te zeggen op den dood. Haar kamervrouwen, die deze dingen hadden gezien en gehoord, maar die niet wisten, wat voor water het was, dat zij had gedronken, lieten alles aan Tancredi melden. Deze bevreesd voor wat zou gebeuren, daalde ijlings naar de kamer van zijn dochter af, waar hij juist kwam, toen zij op het bed lag. En toen hij te laat zich had opgeheven om haar met zoete woorden te troosten en zag in welk een toestand zij was, begon hij smartelijk te schreien. Hierop sprak de donna: Tancredi, laat die tranen dienen voor een voorval minder gewenscht dan dit en wijdt ze niet aan mij, die ze niet verlang. Wie zag ooit iemand, behalve u weenen over wat hij zelf heeft gewild! Maar toch, indien er iets van de liefde, die gij mij vroeger hebt toegedragen nog in u leeft, sta mij als laatste geschenk dan toe, daar het niet naar uw zin was, dat ik zwijgend en in stilte met Guiscardo leefde, dat mijn lichaam met het zijne, waar gij het hebt doen neerwerpen, openlijk begraven wordt. De beklemming van zijn tranen belette den vorst te antwoorden. Toen voelde de jonge vrouw haar einde naderen, drukte het doode hart aan haar borst en sprak: Blijf achter met God, want ik ga heen. En de oogen sluitend en zonder bewustzijn verscheidde zij uit dit smartelijk leven. Zulk een treurig einde, als gij nu hebt gehoord, had de liefde van Guiscardo en Ghismonda. Nadat Tancredi hen zeer had beklaagd en te laat berouw had over zijn wreedheid, liet hij hen onder de algemeene droefenis van alle Salerners beide eervol in een zelfde tombe begraven.

TWEEDE VERTELLING.

Broeder Alberto laat aan een dame gelooven, dat de engel Gabriël verliefd op haar is en laat zich voor dien engel doorgaan om verscheidene malen met haar samen te zijn. Uit vrees voor haar verwanten ontvlucht hij haar huis en verschuilt zich bij een armen man, die hem den volgenden dag op het plein brengt vermomd als wildeman. Daar wordt hij herkend door haar zwagers en naar den kerker gevoerd.

De geschiedenis door Fiammetta verhaald had het gezelschap reeds meermalen de tranen in de oogen doen staan, maar toen deze geëindigd was, zeide de koning met een somber gelaat: Het leven schijnt mij van weinig waarde, als ik dit moest geven voor de helft van het genot, dat Ghismonda met Guiscardo had en niemand van u moet er zich over verwonderen, daar het hiermee zoo gesteld is, dat ik levend mij steeds duizend dooden voel sterven zonder dat mij gedurende al dien tijd het minste beetje genot wordt geschonken. Maar wanneer ik voor het oogenblik mijn lotgevallen in hun eigen kring besloten laat, wil ik toch, dat Pampinea met treurige verhalen en ten deele aan mijn avonturen gelijk, met spreken vervolgt; indien zij voortgaat gelijk Fiammetta is begonnen, zal ik zonder eenigen twijfel een verkoeling voelen dalen op mijn vuur. Toen Pampinea zag, dat het haar beurt was, begreep zij veeleer door haar welgezindheid van haar gezelschap het verlangen daarnaar dan dat des konings door diens woorden derhalve meer geneigd het een weinig op te vroolijken dan alleen aan het bevel des konings te voldoen, en daardoor gedwongen te zijn een vertelling te verhalen om te lachen zonder van het voorgestelde onderwerp af te wijken, maakte zij zich gereed en begon aldus:

De menschen uit het volk gebruiken dit spreekwoord: Die slecht is en voor goed wordt gehouden, kan kwaad doen zonder dat men het gelooft. Dit verschaft mij overvloed van stof om over hetgeen mij is voorgesteld te spreken en bovendien om aan te toonen, hoe groot en hoedanig de huichelarij is der monniken. Met hun breede en lange gewaden en hun kunstmatig verbleekte gezichten en met hun nederige en zachte stem als zij anderen vragen en trotsch en barsch om in anderen hun eigen ondeugden te misprijzen, verklaren zij, dat zij door te nemen en anderen door te geven, tot verlossing komen. Bovendien niet als menschen, die het Paradijs moeten winnen evenals wij, maar als bezitters en heeren daarvan geven zij aan ieder, die sterft naar de hoeveelheid geld door hem nagelaten een meer of minder goede plaats en trachten hiermee eerst zich zelf, indien zij dit gelooven en vervolgens anderen, die in hun woorden vertrouwen stellen, te bedriegen. Als het mij geoorloofd was dit aan te toonen, gelijk ik wenschte, zou ik naar aanleiding hiervan spoedig uiteen zetten, hoeveel zij onder hun wijde kappen verborgen houden. Maar mocht het Gode behagen, dat aan allen in hun kunstenmakerij overkwam, wat aan een Minderbroeder geschiedde, geen onbeduidend jonkman maar een, die voor een van de beste casuisten [71] werd gehouden te Venetië. Dat wil ik heel graag vertellen om hierdoor een weinig uw zielen vol medelijden met den dood van Ghismonda, misschien met gelach en plezier op te beuren.

Er leefde dan, zeer waarde dames, te Imola een man van een boos en verdorven gedrag, die Berto della Massa heette, waarvan de slechte daden bij de bewoners van die stad zeer bekend waren en hem zoo brandmerkten, dat er niemand meer in Imola was, die niet alleen niet aan de leugens, maar ook niet aan de waarheden, die hij vertelde, geloofde. Daarom, toen hij gewaar werd, dat zijn bedriegerijen er niet meer hielpen, ging hij wanhopig naar Venetië, een vergaarbak van allerlei onzedelijkheid en dacht daar op andere wijze naar zijn boosheid te werk te gaan, wat hij aldaar niet had kunnen doen. En alsof hij door zijn geweten gekweld werd wegens de valschheden vroeger door hem gedaan, toonde hij zich van een uiterste nederigheid en bovendien beter katholiek dan ieder ander en werd Minderbroeder. Hij liet zich broeder Alberto van Imola noemen en in hun gewaad begon hij voor den schijn een leven van ontbering te leiden en de boete en het vasten te prijzen en hij at geen vleesch en dronk geen wijn, wanneer hij er geen had, die hem beviel. Men had ternauwernood gemerkt, dat hij van een dief een wellusteling, een falsaris, een moordenaar, een groot prediker was geworden zonder daarom de genoemde ondeugden te hebben verbeterd, die hij als hij kon, in ’t geheim bot vierde. Bovendien, daar hij priester was geworden, weende hij altijd bij het altaar, wanneer hij de mis bediende en velen zagen hem schreien over het lijden van den Verlosser, als iemand wien de tranen weinig kostten, als hij het wilde. En in korten tijd door zijn prediken en tranen wist hij op zoo’n wijze de Venetianen te misleiden, dat hij tot vertrouwde en bewaarder van elk testament werd gemaakt, dat er opgesteld werd en kassier van de gelden van velen en biechtvader en vertrooster van vele mannen en vrouwen. Zoo was hij van wolf herder geworden en zijn roep van heiligheid was daar veel grooter dan ooit die van Franciscus van Assisi. Nu kwam een onnoozele en dwaze jonge dame, die madonna Lisetta van het huis Quirino heette en de vrouw van een groot koopman, die met de galeischepen naar Vlaanderen was gegaan met andere dames bij dien broeder biechten. Deze dame zat aan zijn voeten en nadat zij hem als Venetiaansche—en die zijn allen dwaas—een deel van haar zonden gebiecht had, nam broeder Alberto haar in verhoor en vroeg haar of ze niet een of anderen minnaar had. Daarop antwoordde zij met een verontwaardigd gezicht: Och, messire de monnik, hebt u geen oogen in uw hoofd? Schijnen mijn schoonheden u geschapen als die der anderen? Ik zou te veel minnaars hebben, als ik wilde; maar de mijnen zijn er niet op gemaakt om door deze of gene bemind te worden. Hoevelen ziet u er, waarvan de schoonheden gevormd zijn als de mijnen, van mij, die nog in het paradijs schoon zou zijn? En bovendien vertelde zij zooveel over haar eigen schoonheid, dat het vervelend was om aan te hooren. Broeder Alberto begreep dadelijk, dat zij verwaand was en daar dit hem een terrein scheen voor zijn plannen, werd hij dadelijk zeer op haar verliefd. Maar hij hield zijn valstrikken voor een geschikter oogenblik verborgen en om zich voor een heilige uit te geven, begon hij haar voor ditmaal te berispen en haar te zeggen, dat dit een ijdele roem was en meer van die dingen. Daarom zei de donna hem, dat hij een ezel was en dat hij de eene schoonheid niet van de andere wist te onderscheiden. Broeder Alberto, die haar niet al te boos wilde maken, liet haar, nadat zij gebiecht had, heengaan met de andere vrouwen.

Eenige dagen later ging hij vergezeld van een zijner getrouwen naar het huis van madonna Lisetta en nadat hij zich met haar alleen in een zaal had begeven en door geen anderen kon gezien worden, wierp hij zich voor haar op de knieën en sprak: Madonna, ik bid God, dat gij mij vergeeft, wat ik u Zondag, toen ik over uw schoonheid sprak, gezegd heb, daar ik er den volgenden nacht zoo wreed voor gekastijd ben, dat ik daarna mij niet meer kon oprichten voor heden. Toen vroeg de malle donna: En wie kastijdde u aldus? Alberto ging voort: Dat zal ik u vertellen. Toen ik ’s nachts bezig was te bidden gelijk ik steeds gewoon ben, zag ik opeens in mijn cel een groote glans en eer ik mij had kunnen omwenden om te zien, wat dat beteekende, zag ik boven mij een schoonen jongeling met een grooten stok in de hand, die mij bij de kap greep, mij neerdrukte en mij zoo ranselde, dat hij mij geheel radbraakte. Ik vroeg hem daarna, waarom hij zoo te werk was gegaan en hij antwoordde: Omdat gij heden u verstout hebt de hemelsche schoonheid van madonna Lisetta te misprijzen, welke ik, God uitgezonderd, boven alles lief heb. Toen vroeg ik: Wie is u! Hierop antwoordde hij, dat hij de engel Gabriël was. O mijn heer, zei ik, ik bid u mij te vergeven. Toen voegde hij er bij: Welnu, ik zal u vergeven, mits gij naar haar toe gaat, zoo spoedig gij kunt en u doet vergeven door haar. Maar als zij het niet doet, zal ik hier terugkeeren en ik zal je zooveel slaag geven, dat ik jou je heele leven zal vergallen, zoolang als je op deze wereld blijft. Wat hij mij daarop vertelde, durf ik u niet mede te deelen, indien gij mij niet eerst genade schenkt. Donna Leeghoofd, die niet erg galachtig was uitgevallen, werd zeer blijde, toen zij die woorden hoorde en geloofde, dat alles waar was en zeide kort daarop: Ik zei het wel, broeder Alberto, dat mijn schoonheden hemelsch waren, maar als God mij helpt, heb ik medelijden met u en opdat u geen kwaad meer overkomt, vergeef ik u, indien gij mij naar waarheid verhaalt, wat de engel u daarna zeide. Fra Alberto ging voort: Madonna, omdat gij mij hebt vergeven, zal ik het u gaarne zeggen, maar denk aan een ding, dit zeg ik u, dat gij er u voor wacht aan wien ook ter wereld te vertellen, wat de engel Gabriël mij meldde, dat ik u moest berichten en dat gij hem zoo bekoorde, dat hij meermalen ’s nachts bij u zou zijn gekomen, als het niet was geweest om u niet te verschrikken. Nu bericht hij u door mijn mond, dat hij een nacht bij u wil komen en een heelen tijd bij u wil blijven en omdat hij engel is en gij hem niet in de gedaante daarvan, als hij komt, kunt aanraken, zegt hij, dat hij om u een plezier te doen in de gestalte van een man wil komen en daartoe vraagt hij of gij hem wilt laten weten, wanneer hij kan komen en in de gedaante van wien en dat hij zich hierheen zal begeven. Hierom moogt gij u meer dan eenige andere donna, die leeft, gelukkig achten. Madonna de Zottin antwoordde toen, dat het haar zeer zou bevallen, indien de engel Gabriël haar lief had, daar zij hem zeer beminde en dat zij nooit faalde op de plaatsen, waar zij zijn beeld zag, een kaars te branden, die niet minstens een mattapan [72] waard was en dat hij op welk uur hij verkoos mocht komen; dat hij haar heel alleen in de haar kamer zou vinden, maar op voorwaarde dat hij haar niet voor de Heilige Maagd in den steek zou laten, waarvan men haar verteld had, dat die deze zeer welgezind was en dat scheen haar ook zoo te zijn, want overal waar zij hem slechts zag, lag hij voor deze op de knieën. Bovendien stond het aan hem te komen in welken vorm hij maar wilde, mits zij er maar niet bang voor behoefde te zijn. Toen zeide fra Alberto: Madonna, gij spreekt verstandig en ik zal alles op zijn best met hem in orde brengen gelijk gij zegt. Maar gij kunt mij een groote gunst bewijzen, die aan u niets zal kosten en dat is deze, dat gij verlangt, dat hij in mijn gedaante komt. En hoor, waardoor gij mij aldus een gunst bewijst, hij zal mij den geest uit het lichaam trekken en dien in het paradijs voeren. Hij zal in mijn lichaam wezen, zoolang hij met u zal zijn en ik zal zoolang in het paradijs zijn. De domme juffrouw antwoordde: Dat bevalt mij zeer. Ik wil, dat in plaats van de slagen, die hij u om mijnentwil gaf, gij dien troost zult deelachtig worden. Toen sprak broeder Alberto: Zorg dan, dat hij vannacht de deur van uw huis open vindt om binnen te kunnen treden, omdat, wanneer hij in menschelijk gedaante komt, gelijk hij zal doen, hij alleen door deze binnen kan gaan. De donna antwoordde, dat het zou gebeuren. Broeder Alberto ging heen en zij bleef zoo verheugd achter, dat zij geen oogenblik meer stil kon blijven zitten en dat het haar duizend jaar scheen te duren, eer de engel Gabriël kwam. Broeder Alberto die bedacht, dat hij dien nacht ruiter en geen engel moest wezen, begon zich met meelspijzen en ander goed voedsel te versterken, opdat hij niet licht van het paard zou worden geworpen. En nadat hij verlof had gekregen, begaf hij zich met een metgezel, toen het nacht was, naar het huis van een zijner vriendinnen, waar hij meermalen van was uitgegaan, wanneer hij merries moest berijden. Vandaar, toen het oogenblik hem gekomen scheen, begaf hij zich verkleed naar de woning van de donna en toen hij daar binnen was gekomen, veranderde hij zich met de kleeren, die hij bij zich droeg, in den engel en klom naar boven en trad de kamer van de donna in. Toen deze hem zoo in het wit zag, knielde zij voor hem neer, de engel zegende haar, deed haar opstaan en gaf haar een teeken, dat zij naar bed moest gaan. Zij geneigd om te gehoorzamen, deed dit spoedig en de engel ging naast de hem toegewijdde donna liggen. Broeder Alberto was een knap man en forsch van lichaam en hij stond maar al te goed op zijn beenen. Daar hij bij donna Lisetta lag, die frisch was en teeder en hij haar heel wat beteren bijslaap gaf dan haar man, vloog zij menigen nacht zonder vleugels, waarover zij zeer tevreden was. Bovendien sprak hij haar veel van de hemelsche glorie. Toen de dag naderde en hij zijn terugkeer had geregeld, ging hij met zijn gewone kleeren naar buiten en ging naar zijn metgezel, welke, opdat hij niet bang hoefde te wezen om alleen te slapen, de huishoudster vriendelijk gezelschap had gehouden. Nadat de donna had ontbeten, ging zij met haar gezellin naar broeder Alberto en vertelde hem nieuws van den engel Gabriël en wat zij gehoord had van de glorie van het eeuwige leven en wat hij gedaan had en voegde er nog wonderlijke verzinsels bij. Hierop antwoordde broeder Alberto: Madonna, ik weet niet, hoe gij u met hem bevonden hebt. Wel weet ik, dat van nacht, toen hij bij mij kwam en ik uw boodschap aan hem had gebracht, hij mijn ziel dadelijk tusschen zooveel bloemen en rozen voerde, als men er ooit van aanschouwde en ik bleef tot vanmorgen bij de vroegmetten in een van de bekoorlijkste oorden, die er bestond. Wat er met mijn lichaam gebeurd is, weet ik niet. Zeide ik het u niet sprak de donna.—Uw lichaam bleef den geheelen nacht in mijn armen met den engel Gabriël en als gij mij niet gelooft, zie dan onder de linkerborst, waar ik een sterke kus aan den engel gaf, zoodat het spoor er van verscheidene dagen zal blijven. Vervolgens ging broeder Alberto voort: Ik zal heden wel iets doen, wat ik sinds lang niet gedaan heb: ik zal mij ontkleeden om te zien of gij de waarheid spreekt. En na veel onzin te hebben verteld, ging de donna naar huis terug, waarheen sedert broeder Alberto zich meermalen begaf in de gedaante van een engel zonder op eenige hindernis te stuiten.

Eens echter, toen madonna Lisetta bij een van haar buurvrouwen was en zij met haar over de schoonheid sprak, zeide zij om die van haar zelf boven elke andere te stellen als een vrouw, die weinig goeds in haar hoofd had: Als gij wist aan wien mijn schoonheid bevalt, zoudt gij werkelijk over de anderen zwijgen. De buurvrouw begeerig om dit te hooren, daar zij haar wel kende, zeide: Madonna, gij kunt de waarheid zeggen, maar toch, daar ik niet weet wie het is, zouden anderen het niet zoo licht gelooven. Toen antwoordde de donna, die zeer onnoozel was:—Buurvrouw, dat mag men niet zeggen, maar mijn minnaar is de engel Gabriël, die mij meer dan zichzelf lief heeft als de schoonste donna gelijk hij zegt, die er is op de wereld of aan de zeekust. [73] De buurvrouw wilde er om lachen maar zij hield zich goed om haar meer te doen praten en zeide: Bij God, madonna, als de engel Gabriël uw minnaar is en hij heeft dit gezegd, moet dit wel zoo zijn, maar ik geloofde niet, dat de engelen die dingen deden. De donna zeide: Buurvrouw, gij vergist u, bij Christus’ wonden, hij behandelt mij beter dan mijn echtgenoot en hij zegt mij, dat dit hierboven ook gebeurt, maar omdat ik hem mooier schijn dan wie ook in den hemel, is hij verliefd op mij geworden en komt hier om heel dikwijls met mij samen te zijn. Begrijpt gij het nu?

Toen de buurvrouw van madonna Lisetta was weggegaan, scheen het haar duizend jaar lang te duren eer zij ergens was, waar zij dit weer kon vertellen en toen zij op een feest was in een groot gezelschap van donna’s, verhaalde zij die historie achtereenvolgens. Deze dames vertelden het aan hun echtgenooten en aan andere donna’s en dezen aan weer anderen en aldus was in minder dan twee dagen Venetië er vol van. Maar onder degenen, dien dit ter oore kwam, waren ook haar schoonbroeders, die zonder iets te zeggen, zich vast hadden voorgenomen dien engel te vinden en om te weten te komen of hij vliegen kon en zij stonden verscheidene nachten op den loer. Toevallig kwam broeder Alberto hiervan niets ter ooren, die om weer de donna te zien een nacht daar heen was gegaan. Ternauwernood had hij zich ontkleed of haar schoonbroeders, die hem hadden zien komen, waren aan den uitgang van de kamer om hem open te doen. Toen broeder Alberto merkte, wat er aan de hand was en geen andere schuilplaats vond, opende hij een venster, dat op het Groote Kanaal uitzag en wierp zich daarna te water. De diepte was er zeer groot, maar hij kon goed zwemmen, zoodat hem niets kwaads gebeurde. Na naar een ander deel van het Kanaal te zijn gezwommen trad hij haastig in een geopend huis en bad een man, die daar binnen was, dat die hem om Gods wil het leven zou sparen en verzon maar wat waarom hij op dat uur zich daar zoo naakt bevond. De goede man tot medelijden bewogen en die naar zijn werk moest gaan, liet hem op zijn bed, liggen en zeide hem, dat hij er tot zijn terugkeer moest blijven en na hem binnen te hebben gesloten, ging hij aan den arbeid.

De schoonbroeders van de donna vonden in de kamer gekomen, dat de engel Gabriël, die er de vleugels had achtergelaten, was weggevlogen. Hierover teleurgesteld beleedigden zij de donna zeer, lieten haar ten slotte mistroostig achter en keerden naar huis terug met de pij van den engel Gabriël. Ondertusschen, terwijl het licht was geworden, hoorde de goede man, terwijl hij op den Rialto was, dat de engel Gabriël bij nacht had geslapen bij madonna Lisetta en door de schoonbroeders gevonden, uit angst zich in het Kanaal had geworpen en men wist niet, wat er van hem geworden was. Daarom dacht hij, dat die bij hem in huis het moest wezen. Toen hij daar gekomen was en hem had herkend en over veel met hem gesproken had, kwam hij met hem overeen, dat, als hij niet door hem wilde aan de schoonbroeders overgeleverd worden, hij hem vijftig ducaten moest laten bezorgen en dit gebeurde. Daarna, toen broeder Alberto verlangde er uit te gaan, zeide hem de goede man: Daar is geen middel voor, tenzij gij dit niet wilt. Wij zullen heden een feest maken, waarop ieder een man leidt als een beer gekleed of als een wilde of in een andere vermomming en zoo zullen wij een jacht maken op het plein van San Marco en als dat gedaan is, eindigt het feest en dan gaat ieder met dengeen, dien hij geleid heeft, waar hij wil. Indien gij wilt, dat men niet zal weten wie gij zijt, zal ik u in een van die vermommingen daar brengen en ik zal u vervolgens kunnen leiden, waar gij verkiest. Anders zie ik niet, hoe gij hieruit zult kunnen gaan zonder herkend te worden, want de zwagers van de dame van meening, dat gij op eenige plaats in den omtrek verborgen zijt, hebben overal schildwachten uitgezet om u te krijgen.

Hoewel het hard scheen aan broeder Alberto zoo vermomd te vertrekken bracht de vrees hem er toch toe, die hij voor de verwanten van de donna had en zeide hij aan hem, waar hij heen gebracht wilde worden en dat hij tevreden zou zijn, mits men hem er heen leidde. Nadat hij hem heelemaal met honing had ingewreven, bestoken had met kleine veeren en hem een keten in den mond had gedaan, een masker voor het gelaat en in de eene hand een groote stok had gegeven en in de andere twee groote honden, die hij van de slagerij had gebracht, zond hij iemand naar den Rialto, die bekend maakte, dat wie de engel Gabriël zien wilde naar het San Marco-plein moest gaan. En dit is de Venetiaansche betrouwbaarheid! [74] Toen dit gedaan was, liet hij hem er uitgaan, hield hem van achteren vast aan een keten, niet zonder groot rumoer van de menigte, die om strijd riepen: Wat is dat? Wat is dat? en leidde hem het plein op, waar degenen, die hem achterna gegaan waren en ook degenen, die de bekendmaking op den Rialto hadden gehoord, een eindelooze massa menschen vormden. Toen zij daar waren aangekomen op een verheven en hooge plaats, bond hij den wildeman aan een zuil, en deed of hij de jacht afwachtte, terwijl aan dien laatste de muggen en de paardenvliegen, omdat hij met honing was ingewreven, zeer grooten last veroorzaakten. Maar toen de ander het plein zeer vol zag en deed of hij zijn wildeman wilde ontketenen, trok hij broeder Alberto het masker af en zeide: Heeren, daar het wilde zwijn niet ter jacht komt en die anders niet doorgaat, wil ik, opdat gij niet voor niets zijt gekomen, dat gij den engel Gabriël ziet, die ’s nachts van den hemel ter aarde daalt om de Venetiaansche donna’s te troosten. Zoodra het masker was afgerukt, werd Fra Alberto dadelijk door allen herkend, tegen wien zich een algemeen gejouw verhief, terwijl men hem de grofste scheldwoorden en de grootste beleedigingen toevoegde, die men ooit een schurk nagaf en behalve dat wierp elk, deze hem eene, gene hem een andere hoop vuil in het gezicht. Zoo hielden zij hem een heelen tijd vast, totdat toevallig het nieuws tot zijn ordebroeders was doorgedrongen en zes van hen er heen kwamen, hem een kap op den rug gooiden en hem geketend niet zonder zeer groot rumoer naar hun huis voerden, waar hij werd gevangen gezet en men gelooft, dat hij na een ellendig leven stierf. Aldus durfde hij, die voor goed werd gehouden en die kwaad deed, hoewel men het niet geloofde, den engel Gabriël spelen en vermomd als wilde man, werd hij op den langen duur, gelijk hij verdiend had, geschandvlekt en beklaagde vergeefsch de bedreven zonden. Zoo behage het aan God, dat het aan alle anderen zal gaan.

DERDE VERTELLING.

Drie jongelieden worden op drie zusters verliefd en vluchten met hen naar Creta. De oudste doodt haar minnaar uit jaloezie, de tweede redt de oudste zuster het leven door te slapen met den hertog van dit eiland, wier minnaar haar doodt en met de oudste vlucht. De derde minnaar en de derde zuster worden beschuldigd van den moord; zij bekennen dit na gevangen genomen te zijn en uit vrees voor den dood koopen zij den bewaarder om en vluchtten arm naar Rhodes, waar zij in ellende sterven. [75]

Toen Filostrato het einde der geschiedenis van Pampinea gehoord had, bleef hij eenigen tijd stil en zeide toen naar haar gekeerd: Er was wel wat goeds—en dat beviel mij—in het slot van uw verhaal, maar er was in den aanvang te veel in om te lachen, wat ik liever niet had gewild. Daarop sprak hij naar Lauretta gewend: Donna, volgt u nu met een beter verhaal, indien dit kan. Lauretta zeide lachend: Gij zijt te wreed jegens de minnenden, indien gij toch maar voor hen een ongelukkig einde wenscht. En ik om u te gehoorzamen zal u er een vertellen van hen, die eveneens er slecht bij voeren en weinig pleizier van hun liefde beleefden en na die woorden begon zij:

Jonge dames. Gelijk gij zeer goed kunt begrijpen, kan elke ondeugd in het grootste nadeel verkeeren voor hem, die er misbruik van maakt en dikwijls ook voor anderen. En onder de gebreken, die ons met losse teugels in het verderf voeren, schijnt mij de drift te behooren, welke geen andere is dan een plotselinge en ondoordachte beweging, ontstaan door een gevoel van treurigheid, dat alle rede verdrijft en onze geestesoogen met duisternis verblindend in de ziel een hevige woede doet ontvlammen. Daar dit dikwijls bij de mannen gebeurt en bij den een meer dan bij den ander, ziet men die ondeugd met nog grooter nadeel bij de vrouwen, omdat die in hen lichter ontbrandt, met helderder vlam ontstoken wordt en minder zelfbedwang ze weerhoudt. Daar is niets wonderlijks in, omdat wij het vuur, als wij willen opletten, van nature eerder lichte en zwakke dingen zullen zien aantasten dan harde en zwaardere. Toch—en de mannen nemen het niet als een kwaad op—zijn wij veel gevoeliger dan zij zijn en veel bewegelijker. Daarom in aanmerking nemend, dat wij hiertoe van nature geneigd zijn en als we daarna beschouwen, hoe onze zachtmoedigheid en welwillendheid aan de mannen een groote rust en genot schenken, met welken wij moeten leven en dat aldus de drift en de woede een groot nadeel en gevaar zijn en dat wij hierdoor een sterker karakter bewaren, wil ik met mijn geschiedenis aantoonen, waarin de liefde van drie jongelieden en even zooveel donna’s gelijk ik hierboven zeide, door den toorn van een hunner van gelukkig zeer ongelukkig is geworden.

Marseille is gelijk gij weet gelegen in Provence aan den oever der zee, een antieke en zeer voorname stad en die vroeger vol was van rijke lieden en van grooter kooplui dan men heden ziet. Onder deze was er een Arnaud Claude genaamd, een man van geringe geboorte, maar van goede trouw en eerlijke koopmanschap grenzeloos rijk aan bezittingen en geld, die van zijn vrouw meerdere dochters had, van welke drie meisjes waren ouder dan de zonen. Van de eerste waren er twee tweelingen van vijftien jaar en de derde was veertien. De ouders verwachtten niets anders om ze te huwen dan de terugkeer van Arnaud, die met zijn waren naar Spanje was gegaan. Van de twee eersten waren achtereenvolgens de namen Ninetta en Madeleine, de derde heette Berthole. Op Ninetta was een jong edelman, die helaas arm was en Restagnon heette, vurig verliefd en het meisje op hem. Zij hadden zoo te werk weten te gaan, dat, zonder dat iemand ter wereld het wist, zij in hun liefde zich verheugden en reeds hadden zij zich er een heelen tijd in verblijd, toen twee jonge metgezellen, waarvan de een Fouques heette en de ander Hugues en waarvan de vaders dood waren en die zeer rijk achter bleven, de een op Madeleine en de ander op Berthole verliefd werden. Restagnon bemerkte dit, daar Ninetta hem er op gewezen had en dacht zijn eigen geldgebrek te kunnen overwinnen door hun liefde. Hij verbond zich met hen en vergezelde dan den een en dan den ander en soms beide om hun donna’s en de zijne te zien en toen hij genoeg met hen bekend en bevriend was, riep hij ze eens bij zich thuis en zeide tot hen: Zeer waarde jongelui, onze omgang kan u verzekerd hebben, hoe groot de vriendschap is, die ik u toedraag en dat ik voor u zou doen, wat ik voor mij zelf zou verrichten en omdat ik u zeer mag lijden, wil ik u uiteenzetten wat mij is te binnen gevallen en daarna zult gij met mij samen die partij kiezen, welke u het voordeeligst zal schijnen. Gij, als uwe woorden niet liegen en ook door wat ik uit uw daden bij dag en nacht meen te begrijpen, brandt van zeer groote liefde voor de twee jonge dames door u bemind en ik voor de derde, hun zuster voor welken gloed, als gij het eens kunt worden, het hart mij een zeer zacht en aangenaam geneesmiddel wijst, namelijk dit: Gij zijt zeer rijke jongelieden, wat ik niet ben; indien gij uw bezittingen tot een wilt verbinden en mij tot den derden bezitter met u te samen er van wilt maken en overleggen naar welk deel der wereld wij willen gaan om een heerlijk bestaan met hen te hebben, geeft mijn hart mij zonder twijfel mij in het volgende te doen: dat de drie zusters met een groot deel der goederen van hun vader met ons mede zullen gaan, waarheen wij willen en daar kan ieder met de zijne en wij dus als drie broeders, leven als de tevredenste menschen, die er op de wereld zijn te vinden. Aan u staat het verder partij te kiezen door u hiermee te vereenigen of het na te laten. De twee jongelieden, die zeer ontgloeiden, toen zij hoorden, dat zij hun meisjes zouden krijgen, vermoeiden zich niet te veel met beraadslagen, maar zeiden, dat men dit moest navolgen, wat zij bereid waren te doen. Toen Restagnon dit antwoord van de jongelieden ontvangen had, ontmoette hij een paar dagen later Ninette, bij wien hij niet zonder groote moeite kon komen en nadat hij eenigen tijd met haar samen was geweest, vertelde hij haar wat hij met de jongelui afgesproken had en deed zijn best met vele redeneeringen haar dit voornemen te doen bevallen. Maar dit beviel haar zeer, omdat zij nog meer dan hij verlangde hem zonder argwaan te zien. Daarom antwoordde zij vrijmoedig, dat zij het goed vond en dat de zusters en het meest hierin, dat zouden doen wat zij wilde, en zeide hem, dat hij elk gunstig middel hiertoe zoo gauw hij kon, moest aanwenden. Restagnon keerde tot de jongelieden terug, die hem sterk aanspoorden tot wat hij besproken had en hun zeide, dat van den kant van hun donna’s het werk op den goeden weg was, Zij beraadslaagden onder elkaar om naar Creta te gaan, verkochten enkele bezittingen die zij hadden onder voorwendsel baar geld te krijgen voor den handel, maakten al het andere te gelde, kochten een fregat en bewapenden dit heimelijk geheel, en wachtten den gegeven termijn af. Anderzijds zette Ninette, die genoeg van de begeerte van haar zusters wist, met mooie woorden hen tot zooveel verlangen hiernaar aan, dat zij zich verbeeldden niet meer te kunnen leven, eer dit gebeurd was. Toen de nacht aanbrak, waarin zij het fregat moesten bestijgen, haalden de drie zusters na een groote kist van hun vader geopend te hebben, daaruit een zeer groote hoeveelheid geld en juweelen, gingen hiermee alle drie volgens de afspraak stil uit het huis en vonden de drie minnaars, die hen wachten. Met hen bestegen zij dadelijk het schip, staken de riemen in het water en gingen weg. Zonder zich ergens op te houden kwamen zij den volgenden avond te Genua, waar de jonge minnenden voor het eerst weer vreugde en genoegen hadden van hun liefde. Nadat zij zich voorzien hadden van al wat zij noodig hadden, gingen zij weg en van haven tot haven kwamen zij, voor acht dagen om waren, zonder hindernis op Creta, waar zij zeer groote en schoone gronden kochten en zij vrij dicht bij Candia [76] zeer fraaie en aangename woningen deden bouwen. Daar begonnen zij met veel bedienden, met honden en vogels en paarden, bij gastmalen en feesten en in vreugde met hun donna’s als de tevredenste menschen ter wereld bij wijze van baronnen te leven. Aldus gelijk wij iederen dag zien, dat de aangenaamste dingen vervelen, wanneer men er te grooten overvloed van heeft, begon Restagnon, die veel van Ninette gehouden had en die haar tot zijn behagen hebben kon en zonder eenige vrees genoeg van haar te krijgen en bijgevolg zijn liefde te verflauwen. Toen hij zich op een feest bevond, had een jong meisje van dit eiland hem zeer behaagd. Het was een schoone en lieve donna, die hij met den grootsten ijver volgde en hij begon haar wonderlijk te vieren en te eeren. Ninette merkte dit, werd zeer jaloersch op hem, zoodat hij geen pas kon verzetten of ze wist het en kwelde hem daarna met woorden en schimp. Maar gelijk de overvloed der dingen hinderlijk wordt, zoo vergroot de onthouding van begeerten het verlangen en zoo vermeerderden de scheldwoorden van Ninette de vlammen der nieuwe liefde van Restagnon. Door verloop van tijd—hetzij Restagnon de gunsten van de donna verkreeg of niet—verviel Ninette, die het van wie ze het ook hoorde, voor waar hield, tot zulk een droefheid, toen tot zulk een toorn en daarna tot zulk een woede, dat de liefde voor hem omsloeg in fellen haat, en zij besloot, verteerd door gramschap door den dood van Restagnon de beleediging te wreken, die zij meende, dat haar was aangedaan.

Zij ging naar een oude Griekin, zeer ervaren in het samenstellen van vergiften en haalde haar door beloften en geschenken over een doodelijke drank te bereiden, die zij zonder verder te aarzelen op een avond aan Restagnon te drinken gaf, die het warm had en er niet op lette. De kracht daarvan was zoo groot, dat die hem vóór den morgen gedood had. Toen Fouques en Hugues en hun vrouwen diens dood hoorden zonder te weten, dat hij door vergift was vermoord, beweenden zij hem bitter met Ninetta te samen en deden hem eervol begraven. Maar weinige dagen later werd de oude vrouw, die voor Ninette het venijnige vocht had klaar gemaakt, voor een andere misdaad gevangen genomen, die bij haar andere misdrijven op de pijnbank dit bekende en ten volle aangaf, waardoor dit was geschied. Hierdoor kwam de hertog van Creta zonder er iets van te zeggen, een nacht stil in het paleis van Fouques en zonder eenig rumoer of tegenspraak, voerde hij Ninette, die in hechtenis werd genomen, weg. Fouques en Hugues hadden van den hertog gehoord—en hun donna’s weer van hen—waarom Ninette was gevangen genomen, wat hun zeer onaangenaam was en zij deden alles om Ninette aan den brandstapel te ontrukken, waartoe zij dachten, dat zij zou worden veroordeeld, als een, die het wel had verdiend. Maar het scheen niets te helpen, omdat de hertog vast besloten was recht te doen. Madeleine, die een mooi, jong meisje was en lang den hertog had begeerd zonder ooit iets te hebben willen doen, dat hem zou behagen, verbeeldde zich, dat zij hierdoor haar zuster van den vuurdood zou kunnen redden en gaf hem door een voorzichtigen bode te kennen, dat zij tot elk bevel van hem gereed was, waaruit twee zaken moesten volgen: ten eerste, dat zij haar zuster veilig en vrij zou terug krijgen, ten tweede, dat dit een geheim zou blijven. De hertog hoorde de boodschap, deze beviel hem en hij dacht lang na, wat hij zou doen. Eindelijk stemde hij toe en zeide, dat hij bereid was. Alsof hij inlichtingen van hen wilde hebben, liet hij Fouques en Hugues een nacht gevangen nemen en sliep met toestemming van Madeleine in ’t geheim met haar. Nadat hij eerst deed of hij Ninette in een zak had laten doen en dienzelfden nacht in zee werpen met een steen om den hals, voerde hij haar met zich mede naar haar zuster terug en gaf haar deze als loon. Hij verzocht haar, dat zij ’s morgens zou vertrekken en dat die nacht, welke de eerste van hun liefde was geweest niet de laatste zou zijn. Bovendien gelastte hij haar, dat zij de schuldige donna wegzond, opdat zij hem niet zou schandvlekken en hem niet zou noodzaken haar opnieuw te vervolgen. Den volgenden morgen werden Fouques en Hugues vrijgelaten, nadat zij hadden hooren vertellen, dat Ninette dien nacht verdronken was geworden en zij geloofden dit en keerden terug naar hun huis om hun vrouwen over de dood van hun zuster te troosten, hoewel Madeleine haar best deed haar goed verborgen te houden, maar toch bemerkte Fouques, dat zij er was. Hierover was hij zeer verwonderd en kreeg dadelijk argwaan (daar hij al bemerkt had, dat de hertog Madeleine had bemind) en vroeg haar, hoe het mogelijk was, dat Ninette zich daar bevond. Madeleine spon een lang verzinsel uit om het hem te willen verklaren, die haar, omdat hij slim was, weinig geloofde en die haar dwong de waarheid te zeggen, wat zij na weinig praten dan ook maar deed. Fouques door smart overwonnen en in woede ontbrand trok een degen en terwijl zij tevergeefs genade vroeg, doodde hij haar. Hij vreesde den toorn en de vervolging van den hertog, liet haar dood in de kamer achter en begaf zich daarheen, waar Ninette was en zeide haar met een geveinsd vroolijk gelaat: Laten wij dadelijk heengaan, waar het door uw zuster afgesproken is, waarbij ik u zal leiden, opdat gij niet meer in handen van den hertog valt.

Ninette geloofde dit en daar zij bang was en daardoor verlangde te vertrekken, begaf zij zich met Fouques zonder verder afscheid van haar zuster te nemen op weg. En met dat weinige geld, waarop Fouques de hand kon leggen, gingen zij naar de haven, bestegen een bark en nooit kwam men te weten, waar zij landden. Den volgenden dag, toen Madeleine vermoord gevonden werd, waren er eenigen, die door nijd en haat jegens Hugues het dadelijk aan den hertog berichtten. De hertog, die Madeleine zeer beminde, liep hierdoor in groote woede naar het huis, nam Hugues gevangen en zijn vrouw en dwong hen, die van de zaak nog niets wisten namelijk van het vertrek van Fouques en Ninette, te bekennen gezamenlijk schuldig te zijn met Fouques aan den dood van Madeleine. Daar zij door die bekentenis terecht den dood vreesden, kochten zij met groote list degenen, die hen bewaakten, om, door hun een zekere hoeveelheid geld te geven, die zij in hun huis voor mogelijke gelegenheden verborgen hadden gehouden en met de wachters zelf, zonder tijd te hebben iets vandaar te kunnen medenemen, bestegen zij een bark en vluchtten ’s nachts naar Rhodes, waar zij in armoede en ellende niet lang leefden. Zoo voerden hen en anderen de dwaze liefde van Restagnon en de woede van Ninette tot zulk een einde.

VIERDE VERTELLING.

Gerbino, ondanks het gegeven woord van koning Guiglielmo, zijn grootvader, valt een schip aan van den koning van Tunis om een dochter van dezen te schaken. Zij wordt gedood door hen, die op het schip waren. Gerbino doodt ze allen en op zijn beurt wordt hem later het hoofd afgeslagen.

Toen Lauretta haar verhaal geëindigd had, zweeg zij en elk in het gezelschap pratend deze met gene en die met een ander, treurde over het ongeluk der minnenden en de een laakte de toorn van Ninette en de ander zei dit en een derde dat, toen de koning van een diepe gedachte bevrijd, het gelaat ophief en aan Elisa een teeken gaf, dat zij zou voortgaan, welke nederig begon: Bekoorlijke donna’s. Er zijn genoeg menschen, die gelooven, dat Amor alleen zijn pijlen werpt, nadat men door het gezicht ontbrand is, en spotten met hen, die willen staande houden, dat men van hooren zeggen verliefd kan worden. Dat dezen bedrogen uitkomen, zal duidelijk blijken uit een novelle, welke ik wil vertellen. Gij zult er uit zien, dat niet alleen de faam prikkelt zonder dat de minnenden elkaar ooit hebben aanschouwd, maar het zal duidelijk worden, dat die allen hier tot een ellendigen dood heeft gevoerd.

Guiglielmo, de tweede koning van Sicilië [77], gelijk de Sicilianen willen, had twee kinderen, een zoon Ruggieri en een dochter Gostanza. Deze Ruggieri [78] stierf voor zijn vader en liet een zoon na Gerbino genaamd, die door zijn grootvader met zorg werd opgevoed, een schoone jongeling werd en beroemd door dapperheid en hoffelijkheid. En zijn faam bleef niet alleen beperkt binnen de grenzen van Sicilië, maar klinkend in verschillende deelen der wereld, was zij zeer verbreid in Barbarije, dat in dien tijd aan den koning van Sicilië schatplichtig was. En onder velen, wier ooren de groote faam van de kracht en de hoffelijkheid van Gerbino bereikte, was een dochter van den koning van Tunis, die, volgens elk, die haar had gezien, een der schoonste schepsels was, welke ooit door de natuur werd gevormd en met een groote en edele ziel. Deze, die gaarne van dappere mannen hoorde spreken, ontving met zooveel welwillendheid de moedige daden door Gerbino verricht door den een en den ander verteld, dat zij, in zich zelf zich verbeeldend hoe hij moest wezen, hevig op hem verliefd werd en liefst van hem sprak en luisterde naar wie dit deed. Van den anderen kant had de groote naam van haar schoonheid en waardigheid op gelijke wijze Sicilië bereikt en kwam niet zonder groote bekoring noch vergeefs Gerbino ter oore, zoo dat hij niet minder op haar ontvlamde dan zij op hem. Hierdoor tot hij een eerlijke reden van zijn grootvader verkreeg tot verlof om naar Tunis te gaan, gelastte hij aan elken vriend van hem, die daar heenging aan haar zooveel mogelijk zijn geheim en groote liefde op de meest geschikte manier toe te vertrouwen en hem nieuws van haar te melden. Een van hen deed dit op zeer schrandere wijze, onder voorwendsel juweelen voor dames te brengen gelijk de kooplieden en te laten zien. Hij openbaarde haar geheel de hartstocht van Gerbino en bood zich aan om voor haar en haar zaken te zorgen. Zij ontving met een blij gelaat den bode en de boodschap en nadat zij hem had geantwoord, dat zij van gelijke liefde brandde, zond ze hem een van haar duurste juweelen als getuigenis. Gerbino ontving dit met zooveel vreugde, als hij eenige kostbaarheid maar ontvangen kon, schreef door diens bemiddeling haar meermalen, zond zeer dure geschenken en maakte met haar bepaalde afspraken om elkaar, indien de fortuin het zou toestaan, te zien en met haar te spreken.

Doch toen de zaken aldus voortgingen en wat langer duurden dan noodig was en het jonge meisje en Gerbino wederkeerig van liefde brandden, huwde de koning van Tunis haar uit aan den koning van Granada. [79] Zij was hierover zeer bedroefd denkend, dat zij niet alleen door den afstand verder van haar gelietde verwijderd was, maar dat zij hem geheel werd ontvoerd. En als zij een middel had geweten, opdat dit niet zou gebeuren, zou zij van haar vader gevlucht zijn en naar Gerbino zijn gekomen. Evenzoo was Gerbino, toen hij van dit huwelijk hoorde, zeer bedroefd en dacht er dikwijls over of er een middel zou zijn om haar met geweld te schaken, indien zij over zee naar haar echtgenoot zou gaan. De koning van Tunis, die iets van die liefde vernomen had en van het voorstel van Gerbino en die bevreesd was voor zijn moed en zijn kracht, verzocht, toen de tijd gekomen was om haar weg te sturen, aan koning Guglielmo hem te verklaren, wat die voornemens was en wat hij van plan was te doen om verzekerd te zijn, dat hij noch door Gerbino noch door wie ook hierin belemmerd zou worden. Koning Guglielmo, die een oud man was, die niets van de verliefdheid van Gerbino had bespeurd en zelfs niet vermoedde, dat hem daartoe die zekerheid gevraagd werd, stond die gaarne toe en ten teeken hiervan zond hij aan den koning van Tunis zijn handschoen. Toen hij die waarborg had ontvangen, liet hij een zeer groot en schoon schip in de haven van Carthago uitrusten en het voorzien van al wat noodig was voor wie er op moest gaan en het wapenen en inrichten om daarop de dochter naar Granada te zenden. Hij wachtte niet anders af dan gunstig weer. De jonge dame, die alles wist en zag, zond in stilte een van haar dienaren naar Palermo en gelastte hem, dat hij Gerbino in haar naam liet groeten en hem zeggen, dat zij binnen enkele dagen naar Granada zou gaan, waardoor men dan nu zou zien of hij zulk een dapper man was, als men zeide en of hij haar zoozeer beminde, als hij haar meermalen had te kennen gegeven.

Hij, aan wien de boodschap was opgedragen, verrichtte deze zeer goed en keerde naar Tunis terug. Toen Gerbino dit hoorde en wist, dat koning Guglielmo, zijn grootvader de geruststelling had gegeven aan den koning van Tunis, wist hij niet wat te doen, maar toch werd hij door liefde aangespoord, en had hij de woorden der donna begrepen. Om niet laf te schijnen ging hij naar Messina, waar hij ijlings twee lichte galeien deed bewapenen; nadat hij er dappere mannen op geplaatst had, begaf hij zich met die schepen naar Sardinië, omdat hij meende, dat daar het vaartuig van de donna moest voorbijgaan. Het gevolg van zijn plan bleef niet lang uit, daar weinige dagen later het schip met weinig wind niet ver van de plaats, waar hij het in stilte verwachtte, aankwam. Gerbino zag dit en zeide tot zijn metgezellen: Heeren, wanneer gij zoo dapper zijt als ik denk, geloof ik niet, dat een van u nooit liefde zal gevoeld hebben of nog gevoelt, zonder welke, naar ik zelf meen, geen sterveling eenige deugd of iets goeds in zich kan dragen en als gij verliefd geweest zijt of nog zijt, zal het voor u gemakkelijk zijn te begrijpen wat ik verlang. Ik heb lief en de liefde drijft mij u deze inspanning te veroorzaken en wie ik lief heb, bevindt zich op het schip, dat gij daar voor u ziet, hetwelk met dat wat ik het meeste begeer vol groote rijkdommen is, die wij, als gij dappere kerels zijt, met weinig moeite door flink te vechten, kunnen veroveren. Van deze zegepraal zoek ik niets anders als aandeel voor mij dan een vrouw; uit liefde tot haar voer ik de wapenen; al het andere behoore u volop. Laat ons dus gaan en met goed geluk het schip aanvallen. God, gunstig gestemd voor onze onderneming, houdt het hier vast zonder het wind te verte verleenen. De knappe Gerbino had zooveel woorden niet noodig, omdat de Messineezen, die hem vergezelden, begeerig waren naar buit en reeds geneigd waren dat te doen, waartoe Gerbino ze met woorden aanzette. Daarom hieven zij bij het slot van zijn woorden een luid geschreeuw aan van: Zoo zij het! en de trompetten klonken, zij grepen de wapens, staken de riemen in het water en bereikten het schip. Zij, die er op waren, zagen de galeien van verre komen en daar zij niet konden vertrekken, maakten zij zich gereed tot verdediging. De schoone Gerbino, toen hij het naderde, beval, dat de heeren van het schip op de galeien zouden komen, indien zij geen gevecht wenschten. De Saracenen, wetend wie zij waren en wat zij wenschten, zeiden, dat dit tegen de verzekering was hun gegeven door den koning van hun aanvallers en tot teeken daarvan toonden zij den handschoen van koning Guiglielmo en weigerden volstrekt ooit, tenzij door een strijd, zich over te geven of iets wat zich op hun schip bevond af te staan. Gerbino, die op den achtersteven van het schip de donna gezien had, veel schooner, dan hij in zich zelf had gedacht, nog meer dan vroeger ontvlamd, antwoordde bij het toonen van den handschoen, dat er geen valken waren, zoodat er geen handschoen noodig was [80] en zich, daar ze de donna niet wilden overgeven, gereed te maken den slag te beginnen, welke zonder uitstel plaats had. Zij begonnen elkaar duchtig met pijlen te beschieten en met steenen te gooien en lang tot schade van beide vochten zij op die wijze. Ten slotte zag Gerbino, dat het weinig hielp, nam een klein scheepje, dat hij van Sardinië had meegevoerd, stak het in brand en naderde met de twee galeien vlak bij het vaartuig. De Saracenen ontwaarden dit en begrepen, dat zij zich moesten overgeven of sterven, lieten de koningsdochter op het dek komen, die in het ruim weende en leidden die naar den voorsteven van het schip. Zij riepen Gerbino en doodden haar, terwijl zij voor zijn oogen genade en hulp smeekte, wierpen haar in zee en zeiden: Neem haar, wij geven haar gelijk wij kunnen en gelijk uw trouw het heeft verdiend. Gerbino, die hun wreedheid zag, verlangend te sterven, liet zich niet lettend op pijl of steen tot het schip naderen en daarop geklommen, ondanks zij, die zich daar bevonden, doodde hij vele Saracenen evenzoo als een hongerige leeuw onder een kudde kalven gekomen, die dan deze, dan gene ombrengt, en eerst zijn woede, welke de honger is, met zijn tanden en nagels verzadigt. Zoo deed hij het met een degen in de hand dan deze dan gene vermoordend. Reeds wies het vuur op het aangestoken schip en had hij er door zijn matrozen laten afhalen, wat de vijanden tot betaling kon dienen, toen hij er afdaalde met een niet zeer blijde overwinning op zijn tegenstanders behaald.

Vervolgens liet hij het lichaam van de schoone donna uit zee ophalen en beweende het langen tijd met vele tranen. Hij keerde naar Sicilië terug en liet haar in Ustica, een klein eilandje zoo goed als tegenover Trapani, eervol begraven en keerde bedroefder dan wie ook terug naar huis. Toen de koning van Tunis het nieuws hoorde, zond hij zijn gezanten in het zwart gekleed naar koning Guglielmo, beklaagde zich over de belofte, die zoo slecht was gehouden en vertelde hem hoe alles gebeurd was. Hierover was koning Guglielmo zeer vertoornd en daar hij geen weg zag om de gerechtigheid te weigeren, (die zij van hem eischten) liet hij Gerbino gevangen nemen en hij zelf, zonder dat de beden van een zijner baronnen hem konden vermurwen, veroordeelde hem tot onthoofding en liet hem het hoofd in zijn tegenwoordigheid afhakken, daar hij liever zonder kleinzoon wilde blijven dan gehouden worden voor een vorst zonder trouw. Zoo stierven dus binnen weinige dagen de twee minnenden zonder eenige vrucht van hun liefde te hebben genoten een kwaden dood, gelijk ik gezegd heb.

VIJFDE VERTELLING.

De broeders van Isabella dooden haar minnaar; hij verschijnt haar in een droom en wijst haar de plaats aan, waar hij begraven is. Zij graaft in stilte het hoofd op en plaatst dit in een pot van basiliek. [81] Daarbij blijft zij iederen dag langen tijd weenen, de broeders nemen haar dien af en zij sterft kort daarop van smart.

Toen het verhaal van Elisa geëindigd was en door den koning nogal werd geprezen, werd aan Filomena opgedragen te spreken; deze vol medelijden met den ongelukkigen Gerbino en zijn donna, begon na een teedere zucht: Gracieuse donna’s, mijn novelle zal niet handelen over menschen van zoo hoogen stand als die waren, van welke Elisa heeft gesproken, maar zij zal daarom niet minder roerend zijn. En het zal mij dat herinneren, wat Messina mij voor kort in ’t geheugen riep, waar het voorval plaats had.

Er waren dan in Messina drie jonge broeders en kooplieden en vrij rijk gebleven na den dood van hun vader, die van San Gimignano [82] was, en zij hadden een zuster, een jong, zeer schoon meisje van goede manieren, welke zij, wat er ook de reden van ware, nog niet hadden uitgehuwelijkt. Behalve dat hadden die drie broeders in een van hun winkels een Pisaansch jonkman Lorenzo genaamd, die al hun zaken leidde en deed. Deze was zeer knap van persoon en heel aardig en had meermalen Lisabetta gezien, zoodat hij aan haar ten zeerste begon te behagen, wat Lorenzo bemerkte en een en ander maal op dezelfde wijze liet hij zijn andere verliefdheden ter zijde en begon zijn geest naar haar alleen te richten. En het ging zoo, daar de een de ander gelijk beviel, dat het niet lang duurde of, toen zij zeker van elkaar waren, zij deden, wat elk het meest verlangde. Daar zij hiermee voortgingen en te samen genoeg plezierigen tijd en voldoening hadden, wisten zij het niet zoo geheim te doen of op een nacht, toen Lisabetta daarheen ging, waar Lorenzo sliep, bemerkte het de oudste van de broeders, zonder dat zij het gewaar werd.

De broeder, die een verstandig jongmensch was, hoezeer de zaak hem ook hinderde, die hij kende, toch tot een eervoller besluit geleid, overwoog zonder een woord te spreken of te zeggen, verschillende dingen en wachtte tot den volgenden morgen. Toen de dag was aangebroken vertelde hij aan zijn broeders, wat hij in den afgeloopen nacht van Isabetta en Lorenzo gezien had en met hen te samen na lang beraad, kwam hij tot de beslissing, opdat noch voor hen, noch voor de zuster er eenige schande uit zou volgen, er stil over heen te gaan en te veinzen, dat zij er niets van hadden gezien of geweten tot de tijd kwam, waarop zij zonder schade en gevaar voor hen, die blaam, voor dit verder ging, aan het gezicht konden onttrekken. Zoo bleven zij schertsen en lachen met Lorenzo, gelijk zij gewoon waren en toen zij eens deden of zij alle drie uit de stad gingen voor hun uitspanning, namen zij Lorenzo mede. Op een eenzame en afgelegen plaats gekomen, zagen zij de kans schoon en doodden Lorenzo, die er in ’t geheel niet voor gewaakt had en begroeven hem, zoodat niemand het merkte. In Messina teruggekeerd vertelden zij, dat zij hem voor hun zaken ergens heen hadden gestuurd, wat licht werd geloofd, omdat zij gewoon waren hem dikwijls naar buiten te zenden. Toen Lorenzo niet terug keerde en Isabella het meermalen en dringend aan de broeders vroeg als iemand, wien die lange afwezigheid kwelde, zeiden zij eens, toen zij het zeer met nadruk herhaalde: Wat wil dat zeggen? Wat hebt gij met Lorenzo te maken, dat gij zoo vaak naar hem vraagt? Als gij het niet meer zult vragen, zullen wij U een antwoord geven, dat U aangenaam is. Daardoor bleef het jonge meisje droef en treurig, vreezend en niet wetend, zonder dat zij er meer om vroeg en meermalen riep en bad zij ’s nachts, dat hij zou komen en dikwijls beklaagde zij zich met vele tranen over zijn lange afwezigheid en zonder een oogenblik zich op te vroolijken bleef zij altijd wachten. Op een nacht, toen zij lang over Lorenzo had geklaagd, die niet terugkeerde en zij ten slotte schreiend was ingeslapen, verscheen haar Lorenzo in den droom, bleek en geheel ontdaan met verscheurde en bebloedde kleederen en het scheen haar, dat hij zeide: O Lisabetta, gij doet niets dan mij roepen en treurt over mijne lange afwezigheid en gij beschuldigt mij wreed met uw tranen. Weet daarom, dat ik niet meer hier kan terugkeeren, omdat op den laatsten dag, dat gij mij hebt gezien, uw broeders mij doodden en de plaats aanwijzend, waar zij hem hadden begraven, zeide hij haar, dat zij hem niet meer moest roepen of verwachten en hij verdween. Het meisje werd wakker, had vertrouwen in den droom en weende bitter. Toen het morgen werd, durfde zij niets aan de broeders zeggen, nam zich voor naar de aangewezen plaats te gaan en te zien, of het waar was, wat er in haar droom was geopenbaard. Nadat zij verlof had gekregen wat buiten de stad te gaan voor haar genoegen, ging zij in gezelschap van een dienstmeid, die vroeger bij hen was en die alles van haar wist, er zoo spoedig mogelijk heen.

Zij veegde de droge bladeren weg, die er lagen, en waar de aarde minder hard scheen begon zij te graven. Zij had nog niet lang gezocht of zij vond het lichaam van haar ongelukkigen minnaar nog in geen enkel opzicht misvormd of bedorven, waardoor zij duidelijk begreep, dat haar visioen waar was geweest. Hierover treuriger dan eenige andere vrouw zag zij in, dat het daar de plaats niet was om te jammeren en had zij, als ze had gekund, gaarne het heele lichaam weggedragen om het een eervolle begrafenis te geven, maar ziende, dat dit niet kon, sneed zij, zoo goed ze kon, met een mes het hoofd van den romp en na dit gewikkeld te hebben in een doek en over de rest van het lichaam de aarde te hebben geworpen, stopte zij ’t in het schort van de dienstmaagd zonder door iemand te zijn opgemerkt, ging vandaar heen en keerde naar huis terug. Daar sloot zij zich met het hoofd in de kamer op, klaagde lang en bitter, baadde het geheel met haar tranen en gaf het overal duizend kussen. Toen nam zij een groote en schoone pot van het soort, waarin men de majoleine of basiliek plant en deed dit er in, gewikkeld in een laken. Daarna bedekte zij die met aarde en plantte er verscheidene stammen van den basiliek op en besproeide die met niets anders dan rozen- of oranjebloesem-water of met haar eigen tranen. En zij had de gewoonte aangenomen altijd bij dat hoofd te gaan zitten en het met al haar liefde te beschouwen, omdat die haar Lorenzo verborgen hield en als zij het lang bestaard had, boog zij zich er over en begon lang te schreien, totdat de basiliek doorweekt was van tranen. Die plant, zoowel door de lange en voortdurende zorg als door de vetheid der aarde, welke uit het ontbonden hoofd voortkwam, dat er in was, werd zeer schoon en geurde sterk. Toen het jonge meisje voortging zoo te treuren, werd het meermalen door de buren gezien. Dezen, terwijl de broeders zich verwonderden, omdat haar schoonheid verwelkte en dat haar oogen hol in het hoofd stonden, zeiden tot hen: Wij hebben gemerkt, wat zij elken dag doet.

De broeders hoorden dit, werden het gewaar en nadat zij haar dit eenige malen verweten hadden en het niet hielp, lieten zij dien pot in ’t geheim weghalen. Toen zij dien niet terug vond, vroeg zij hem met den grootsten aandrang weer velen malen terug en toen men dien haar niet gaf, hield zij niet op met klagen en weenen, werd ziek en vroeg in haar lijden niets anders dan haar bloempot. De jongelieden verwonderden zich zeer over haar vraag en wilden ten slotte zien, wat die pot inhield. Zij wierpen de aarde er uit, zagen het laken en daarin het hoofd, nog niet zoo verteerd, of zij herkenden aan het gegolfde haar, dat het dat van Lorenzo was. Zij verbaasden zich zeer sterk en vreesden, dat men dit te weten zou komen. Nadat zij dit hadden begraven, gingen zij zonder het de ouders te zeggen, voorzichtig uit Messina weg en na alles voor hun vertrek te hebben in orde gebracht, togen zij naar Napels. Het meisje hield niet op met weenen en altijd om haar bloempot roepend, stierf zij en zoo eindigde die ongelukkige liefde. Maar toen de geschiedenis aan velen na zekeren tijd bekend werd, was er iemand, die er het volgende lied op dichtte, wat men nog zingt:

Wie was de slechte Christen, Die mij mijn bloempot heeft afgenomen, Waarin mijn basiliek was van Salerno! Hij was met kracht gegroeid. Ik plantte hem met eigen hand Den dag zelf van mijn geboorte, Die het goed van anderen steelt, begaat een lafheid.

Die het goed van anderen steelt, begaat een lafheid En de zonde is zeer groot. O ongelukkige, die mij Een pot met bloemen had gezaaid. Hij was zoo schoon, dat ik in zijn schaduw sliep, Benijd door de menschen. Hij is mij ontroofd en voor mijn deur.

Hij is mij ontroofd en voor mijn deur. Ik was daarover zeer bedroefd. Ongelukkige, hoe ben ik niet gestorven, Ik, die er zoozeer aan was gehecht! Toch den vorigen dag, dat ik slecht waakte Voor den heer, die ik zoo beminde. Ik had hem gansch omringd van majoleine.

Ik had hem gansch omringd van majoleine Gedurende de schoone maand van Mei; Ik besproeide hem elke week drie malen; Ook zag ik, hoe hij goed wortel vatte. Nu is het klaar, dat hij mij is ontroofd.

Nu is het klaar, dat hij mij is ontroofd. Ik kan hem niet meer verbergen, Maar als ik van te voren had geweten, Dat dit mij zou gebeuren, Zou ik voor de deur hebben geslapen Om mijn bloempot te bewaren: De groote God moge mij helpen.

De groote God moge mij helpen, Indien het Hem behaagt Tegen den man, die zoo schuldig jegens mij is, Die mij in pijn en kwelling heeft gebracht, Die mijn basiliek heeft gestolen, Welke vol was van zooveel geur, Zijn balsem streelde mij zoo zeer.

Zijn balsem streelde mij zoo zeer, Zoo frisch geurde hij En ’s ochtends, als ik hem besproeide Bij het rijzen van de zon, Was iedereen verwonderd: Waar komt zooveel geur vandaan? En ik uit liefde voor hem zal sterven van verdriet.

En ik uit liefde voor hem zal sterven van verdriet. uit liefde voor mijn pot met bloemen. Als iemand mij zou willen wijzen, waar die is, Zou ik die graag terugkoopen; Ik heb in mijn beurs wel honderd onsen goud Die ik hem gaarne zal geven, En een kus, als hij het zou verlangen.

ZESDE VERTELLING.

Andreuola bemint Gabriotto; zij verhaalt hem een droomgezicht en hij haar een ander. Vlak daarop sterft hij in haar armen; terwijl ze hem met een meid van haar naar huis dragen, worden zij door de wacht aangehouden en vertelt zij, wat er gebeurd is. De schout wil haar geweld aandoen, maar zij weigert. Haar vader herkent haar en nadat zij onschuldig is bevonden, wordt zij in vrijheid gesteld. Zij weigert volstrekt in de wereld te leven en wordt non. [83]

Deze novelle door Filomena verhaald, trok de dames zeer aan, omdat zij dat lied dikwijls genoeg hadden hooren zingen, maar zij hadden nooit kunnen weten, zelfs als zij het vroegen, welke de reden was, waarom dat was gemaakt. Maar toen de koning het slot er van had gehoord, beval hij aan Pamfilo de ingestelde orde te volgen. Pamfilo zeide toen: De droom in het voorafgaande verhaal vermeld geeft mij stof U er een te vertellen, waarin van twee droomen sprake is, welke betreffen de eene, wat gebeurd was, de andere wat gebeuren zou en ternauwernood waren die droomen verteld door hen, die ze hadden gehad of het gevolg van beide kwam. En toch, verliefde donna’s, moet gij weten, dat het een algemeene neiging is van elk levend wezen verschillende dingen in een droom te zien, welke, hoewel zij aan hem, die droomt zeer waar schijnen, wanneer hij ontwaakt sommigen hem waar, anderen waarschijnlijk voorkomen en voor een deel met elke waarheid tegenstrijdig zijn; toch bevindt men, dat velen zijn uitgekomen. Daardoor hechten velen aan elke droom zooveel geloof, als zij zouden verleenen aan de dingen, die zij wakend zien en zij bedroeven of verheugen zich naar wat zij volgens dezen of vreezen of hopen. En er zijn er integendeel ook, die er niets van gelooven, voor zij zich in het reeds voorspelde gevaar zien. Ik vind noch de eenen noch de anderen te loven, omdat droomen noch altijd waar, noch altijd valsch zijn. Dat ze niet altijd waar zijn, kan elk van ons een voldoend aantal keeren hebben waargenomen, en dat zij niet altijd valsch zijn, is hiervoor reeds in de geschiedenis van Filomena aangetoond en in de mijne wil ik, gelijk ik het van te voren zeide, ook bewijzen. Daarom meen ik, dat men door geen tegenstrijdigen droom moet nalaten deugdzaam te leven en te handelen noch daarvoor de goede waarschuwingen verwaarloozen; wat tegennatuurlijke en slechte dingen betreft, moet men er niets van gelooven, hoezeer droomen daarvoor gunstig schijnen en met gunstige uitleggingen versterken zouden, wie ze heeft en ook in het in het tegenovergestelde moet men geen volkomen vertrouwen schenken.

In de stad Brescia was een edelman, messer Negro van Ponte Carraro genaamd, die onder meerdere zonen een dochter had, welke Andreuola heette, een mooi, jong meisje en zonder man, welke toevallig op een buurman van haar, Gabriotto, verliefd werd, een man van lage afkomst, maar vol lofwaardige manieren en van persoon knap en bekoorlijk en met de samenwerking en de hulp van de meid, handelde het meisje zoo, dat Gabriotto niet alleen wist, dat hij door Andreuolo bemind werd, maar meermalen in een schoonen tuin van haar vader tot genoegen van beide partijen werd geleid. En opdat niets anders dan alleen de dood hen in hun zalige liefde zou scheiden, werden zij in ’t geheim man en vrouw. Terwijl aldus tersluiks hun bijeenkomsten voortgingen, scheen het meisje op een nacht ingeslapen in een droom te zien, dat zij met Gabriotto was, dien zij tot groot genoegen van beide in haar armen hield en terwijl zij zoo bij elkaar bleven, leek het haar, dat uit zijn lichaam een donker en vreeselijk ding te voorschijn kwam, welks vorm zij niet kon herkennen en dat het ding Gabriotto beetpakte en ondanks haar met wonderlijke kracht hem uit haar armen nam en met hem onder den grond verdween; de een kon den ander nooit meer terugzien, waarover zij onnoemelijk veel smart voelde en daarop ontwaakte zij. Hoewel zij ontwaakt blij was door te zien, dat zij het slechts had gedroomd, kreeg zij van het droomgezicht angst. Toen Gabriotto den volgenden nacht bij haar wilde komen, deed zij zooveel zij kon haar best, dat hij dien avond daar niet kwam. Maar daar zij toch zijn wil zag, ontving zij, opdat zij niets anders vermoedde, hem den volgenden nacht in haar tuin, waar zij na vele witte en roode rozen geplukt te hebben, omdat ’t het seizoen er voor was, met hem aan de voeten van een schoone en klare fontein in den tuin ging zitten. Nadat zij elkaar een goede en lange ontvangst hadden bereid, vroeg Gabriotto wat de reden was, waarom zij zijn komst den vorigen dag had ontweken. Het meisje verhaalde hem den droom, dien zij den vorigen nacht had gehad en de argwaan, die haar daardoor had aangegrepen. Gabriotte hoorde dit, lachte er om en zeide, dat het een groote dwaasheid was aan eenigen droom geloof te slaan, omdat die voortkomen uit overlading van de maag of gebrek aan voedsel en dat men elken dag ziet, dat ze ijdel zijn. Daarop zeide hij: Indien ik acht had willen geven op droomen niet op een van u, maar op een, die ik den vorigen nacht heb gehad, zou ik niet hier gekomen zijn, waarbij ik in een schoon en heerlijk woud scheen te wezen. Daar ving ik op jacht een ree zoo mooi en bekoorlijk, als men er nooit een zag. En het scheen mij, dat zij witter was dan sneeuw en in korten tijd zoo eigen met mij werd, dat zij mij in ’t geheel niet meer verliet. Van mijn kant scheen zij mij zoo dierbaar, naar het mij voorkwam, dat ik, om door haar niet te worden verlaten haar een halsband van goud om den hals deed, en dat ik haar met een gouden keten in de hand hield. Daarna leek het mij, dat die ree een oogenblik rustte en de kop op mijn borst houdend daaruit een panter, zwart als kool—ik weet niet van waar—voortkwam, uitgehongerd en vreeselijk van aanblik en dat die op mij toekwam. Alle weerstand scheen mij onmogelijk; het was of die zijn muil in mijn linkerborst zette en zoover door beet, dat hij tot mijn hart kwam, mij dit ontroofde en het wegdroeg. Ik voelde hierdoor zulk een pijn, dat mijn droom ophield en ik zocht ontwaakt met de hand dadelijk of er niets aan de borst mankeerde, maar daar ik geen letsel vond, spotte ik zelf er mee, dat ik gezocht had. Maar wat wil dat zeggen? Ik heb van zulke en erger dingen er genoeg gezien en van niets ter wereld is mij daardoor meer of minder overkomen. Laat ze daarom varen en laten wij ons den tijd aangenaam maken. Het meisje, zeer ontsteld door haar droom, hoorde het en dit werd haar te veel, maar om Gabriotto geen reden tot ongenoegen te geven, verborg zij haar angst zooveel mogelijk. En terwijl zij zich bevredigde door hem meermalen te omhelzen en te kussen en door zich van hem te laten omhelzen en kussen, vreezend en niet wetend, staarde zij meer dan gewoonlijk rond en keek door den tuin of zij niets zwarts van eenige zijde zag aankomen. Toen dit zoo voortduurde, slaakte Gabriotto een groote zucht, omarmde haar en zij zeide: Wee, mijn ziel, help mij, ik sterf!—en bij die woorden viel hij op het gras van het perk op de aarde. Het jonge meisje zag dit, en hief hem op, trok hem op haar borst en sprak klagend: O mijn lieve heer, o wat voelt gij? Gabriotto antwoordde niet, maar hevig sidderend en bedekt met zweet ging hij na korten tijd uit dit leven. Hoe vreeselijk en treurig dit voor het meisje was, kan ieder zich denken. Zij klaagde zeer en riep hem meermalen vergeefs. Maar daar zij toch merkte, dat hij dood was, nadat zij elk deel van zijn lichaam onderzocht had en hem geheel koud vond en niet wetend wat te doen of te zeggen, ging zij betraand als zij was en vol angst haar meid roepen, welke van die liefde kennis droeg en toonde deze haar ellende en haar smart. Toen zij samen droevig eenigen tijd hadden geklaagd over het doode gelaat van Gabriotto, zei het meisje tot de dienstmaagd: Omdat God mij deze heeft ontnomen, wil ik niet langer leven. Maar voor ik mij van kant maak, zou ik willen, dat wij een middel zochten om behoorlijk mijn eer te dienen en de geheime liefde, die er tusschen ons was en dat het lichaam, waaruit de genadige ziel verdwenen is, begraven wordt.

Hierop antwoordde de meid: Mijn kind, zeg niet u zelf te willen dooden, omdat gij, indien gij hem hier verloren hebt, hierdoor hem in de andere wereld ook zult verliezen, want gij zult naar de hel gaan, waar ik zeker ben, dat zijn ziel niet is neergedaald, omdat hij een goed jonkman was, maar het is veel beter u te sterken en er aan te denken en met gebeden en andere goede dingen zijn ziel te helpen; indien deze het voor eenige, begane zonde noodig heeft. Er is een middel om hem spoedig in dezen tuin te begraven, wat nooit iemand zal weten, omdat niemand bekend is, dat hij er ooit kwam en als gij dit niet wilt, laten wij hem dan buiten den tuin brengen en hem daar laten. Dan zal hij morgen gevonden worden en naar zijn huis gedragen en begraven door zijn familie. Het meisje, hoezeer het ook vol droefenis was en voortdurend weende, luisterde toch naar den raad van haar meid; en nadat zij het eerste niet goed had gevonden, antwoordde zij op het tweede: God wil zeker mij niet toestaan, dat een zoo lieve jonkman, zoo door mij bemind en mijn man, als een hond zou begraven worden of op straat zou worden achter gelaten. Hij heeft mijn tranen gehad en zooveel ik zal kunnen, zal hij die van zijn familie hebben en het schiet mij nog te binnen, wat wij hiervoor moeten doen.

Snel zond zij haar weg om een stuk zijden doek te halen, dat zij in haar koffer had en toen zij terugkwam, spreidden zij het op de aarde uit en plaatsten daarop het lichaam van Gabriotto na hem het hoofd op een kussen te hebben gelegd. Met vele tranen sloten zij hem de oogen en den mond, vlochten hem een krans van rozen en na hem geheel bedekt te hebben met rozen, die zij hadden geplukt, sprak zij tot de meid: Van hier tot aan de deur van zijn huis is de afstand klein, daarom zullen gij en ik, gelijk wij van plan waren, hem daarheen dragen en hem van hier daarheen voeren. Het zal niet lang duren, dat het dag wordt en hij zal opgenomen worden en hoewel dit geen troost zal wezen voor de zijnen, zal dit toch een voldoening zijn voor mij, in wiens armen hij stierf. Bij die woorden wierp zij zich op nieuw met overvloedige tranen op zijn gelaat en weende langen tijd. Eindelijk sterk aangespoord door haar meid, omdat het dag werd, stond zij op, trok denzelfden ring, waarmee zij zich met Gabriotto had verbonden, van haar vinger, deed dien aan den zijne en zeide schreiend: Mijn lieve heer, indien Uw ziel mijn tranen ziet of indien eenige kennis of gevoel na het heengaan daarvan in het lichaam overblijft, ontvang dan welwillend van deze de laatste gift, die U bij Uw leven zoo beminde. Bij die woorden viel zij bewusteloos op hem neer en na weer te zijn bijgekomen en opgestaan, nam zij met de meid samen het doek op, waarover het lijk lag, gingen er mee den tuin uit en gingen naar zijn huis. Terwijl zij zich daarheen begaven, werden zij toevallig opgemerkt door de wachters van den schout, die door een of andere oorzaak daar juist langs kwamen en zij werden met den doode aangehouden.

Andreuola, die meer begeerde te sterven dan te leven en die de knechten van de overheid kende, zeide vrijmoedig: Ik weet wie gij zijt en dat het vluchten mij niet zou baten; ik ben bereid met U voor de rechters te verschijnen en die te zeggen, wat er gebeurd is, maar laat niemand van U begeeren mij aan te raken, indien ik U gehoorzaam ben, noch dit lichaam te naderen, opdat ik hem niet beschuldig. Aldus, zonder te worden aangeraakt, ging zij met het heele lichaam van Gabriotto naar het paleis. Toen de baljuw dit hoorde, stond hij op, liet haar in zijn kamer komen en onderzocht wat er plaats had gegrepen. Nadat hij door een paar doktoren had laten schouwen of de goede man door vergift of iets anders was omgebracht, bevestigden allen van niet, maar dat er een gezwel bij het hart was doorgebroken, dat hem had doen stikken. Toen hij dit hoorde en begreep, dat zij er weinig schuld aan had, deed hij zijn best haar te doen blijken, dat hij haar wilde geven, wat hij niet kon verkoopen en zeide, dat, als zij zijn genoegen wilde bevredigen, hij haar zou loslaten, maar als zijn woorden niet hielpen, dat hij haar naar willekeur door geweld zou krijgen. Maar Andreuola door verontwaardiging ontvlamd en zeer sterk geworden, verdedigde zich moedig, en stiet hem met beleedigende en fiere woorden terug.

Doch toen het dag werd en dit verteld was aan messire Negro, ging deze doodelijk bedroefd met vele van zijn vrienden naar het paleis en toen hij door den schout van alles op de hoogte was gesteld, vroeg hij schreiend of zijn dochter hem werd teruggegeven. De schout, die zich eerst wilde verontschuldigen wegens het geweld, dat hij de jonge vrouw had willen aandoen, voor hij door haar beschuldigd werd, begon haar standvastigheid te prijzen en zeide, dat hij, wat hij gepoogd had, deed om haar op de proef te stellen. Daarom bij het zien van haar vasten wil, had hij groote liefde voor haar opgevat en indien dit behaagde aan hem, die haar vader was evenals aan haar, zou hij, hoewel zij een man had gehad van lagen afkomst, haar gaarne huwen. Terwijl hij zoo sprak, werd Andreuola voor haar vader geleid en, wierp zich weenend aan zijn voeten en zeide: Vader, ik geloof niet, dat het noodig is U de geschiedenis te vertellen van mijn liefde en mijn ongeluk, want ik ben er zeker van, dat gij, die gehoord hebt en weet; en daarom vraag ik zooveel ik kan, vergiffenis voor mijn misslag, namelijk zonder uw voorkennis den man te hebben gekozen, die mij het meest beviel. En ik vraag dat niet, opdat mij het leven zal geschonken worden, maar om als uw dochter en niet als uw vijandin te sterven. En schreiend viel zij aan zijn voeten.

Messire Negro, die al oud was en van goedmoedigen en beminnelijken aard, begon bij die woorden, te huilen, hief zijn dochter teerhartig op en zeide: Kind, het zou mij aangenamer zijn geweest, als gij er een gekozen had, die mij voor u geschikter had geschenen en als gij er een hebt genomen gelijk U beviel, zou ook dat mij nog genoegen hebben gedaan, maar dat gij hem verborgen hebt door uw weinig vertrouwen, dat doet mij verdriet en meer nog, dat ik het niet heb geweten. Maar toch, omdat het zoo is, wil ik, wat ik gedaan zou hebben om u te bevredigen, als hij nog leefde, namelijk hem eeren als mijn schoonzoon, hem nu doen na den dood. Hij keerde zich daarop tot de zonen en zijn verwanten en gelaste hun, dat de begrafenis, die zij voor Gabriotto in orde brachten, grootsch en eervol zou zijn. Intusschen waren de mannelijke en vrouwelijke familieleden van het meisje toegeloopen, die het nieuws hadden vernomen en alle donna’s en mannen, die er in de stad waren. Toen het lichaam in het midden van den hof geplaatst was op de doek van Andreuola met al haar rozen, werd hij niet alleen door haar en haar familie, maar in het openbaar door alle vrouwen van de stad en door vele mannen beweend. En hij werd niet bij wijze van een plebejer, maar van een ridder uit de openbare binnenplaats met de grootste eer op de schouders van de edelste burgers naar het graf gedragen. Eenige dagen later, toen de schout volhardde bij wat hij gevraagd had en messire Negro er zijn dochter over gesproken had, wilde zij er niets van hooren. Toen haar vader haar hierin haar zin gaf, werden zij en haar dienstmaagd in een klooster, dat wel bekend was om zijn heiligheid, non, waarin beide langen tijd eerbaar leefden.

ZEVENDE VERTELLING.

Simona bemint Pasquino; zij komen in een tuin samen, waar Pasquino zich met een salie-blad de tanden wrijft en sterft. Simona wordt gevangen genomen en om aan den rechter te toonen, hoe hij gestorven is, doet zij het ook en sterft op haar beurt. [84]

Pamfilo had zich van zijn taak gekweten, toen de koning, die niet het minste medelijden toonde met Andreuola, Emilia aanzag en haar vertrouwelijk te kennen gaf, dat het hem aangenaam zou zijn, indien zij hun, die gesproken hadden, zou navolgen. Deze zonder eenig uitstel begon: Waarde gezellinnen. De novelle, verteld door Pamfilo, drijft mij er toe u er een te verhalen geheel aan de zijne gelijk. Zoo ook van Simona gezegd moet worden, dat zij als Andreuola haar minnaar verloor en als deze werd gevangen genomen, bevrijdde zij zich niet door kracht en deugd, maar door een plotselingen dood van haar rechters.

En gelijk het al onder ons gezegd is, dat, hoewel Amor graag de huizen der edelen bewoont, hij niet weigert in die der armen te verblijven, maar integendeel er soms zijn krachten toont, doet hij zich als de machtigste meester bij de rijksten vreezen. Dit zal zoo niet geheel dan toch voor een groot deel uit mijn vertelling blijken, waarbij het mij behaagt in onze stad terug te keeren, waarvan wij heden door over zooveel dingen te spreken en door verschillende deelen der wereld te doorreizen, ons zoo ver hebben verwijderd.

Er leefde dan niet lang geleden in Florence een schoon en lief jong meisje, wanneer men haar karakter beschouwde en de dochter van een armen vader, die Simona heette, en hoe gaarne zij ook met eigen handen haar brood wilde verdienen en haar bestaan onderhouden met het spinnen van wol, was zij toch niet zoo arm van ziel, dat zij niet brandde om Amor in haar hart te ontvangen, die onder de trekken en de aangename woorden van een jonkman van niet hooger stand dan zij en belast was door zijn meester, een wolhandelaar, haar de wol te brengen, een grooten lust toonde om er plaats in te vinden. Na hem dus te hebben ontvangen in den vorm van den bekoorlijken jongeling, die haar beminde en die Pasquino heette, brandde zij zeer van verlangen en durfde niet verder gaan met spinnen en bij iedere streng gesponnen wol, die zij om den spil draaide, stiet zij duizend zuchten uit heeter dan vuur, en dacht aan hem, die haar deze te spinnen had gegeven. Hij van den anderen kant, die er zich voor beijverde, dat de wol van zijn meester goed gesponnen werd, lette alleen op die, welke Simona spon en op geen andere of zij alleen het heele weefsel moest maken. Daar de een waakte en de ander blij was bewaakt te worden, en de een meer begeerte had en de andere meer vrees en schaamte verjoeg dan gewoonlijk, vereenigden zij zich tot gemeenschappelijke genoegen. Deze genoegens bevielen hun zoo, dat zij niet alleen niet wachtten tot de een door den ander werd uitgenoodigd, maar dat beide genoodzaakt werden het elkaar te vragen. Terwijl zoo hun heerlijkheid van den eenen dag op den anderen voortging en bij het voortgaan steeds vermeerderde, zeide Pasquino tot Simona, dat hij wilde, dat zij een middel zocht om in den tuin te komen, waar hij haar heen wilde leiden, opdat zij dit meer op hun gemak en met minder argwaan konden verkrijgen. Simona zeide, dat het haar beviel en nadat zij op een zondag na den eten aan haar vader te verstaan had gegeven, dat zij plan had naar den aflaat van San Gallo te gaan, begaf zij zich met een van haar gezellinnen, Lagina genaamd, naar den tuin, die Pasquino haar had aangewezen. Daar vond zij hem met een van zijn vrienden, die Puccino heette, maar die lo Stramba (de Krombeen) werd genoemd en nadat er een nieuwen liefdebond was gesloten tusschen Stramba en Lagina, namen zij hun genoegen waar in het eene deel van den tuin en lieten Stramba en Lagina in een ander deel hun gang gaan.

Er was in dat deel van de gaarde, waar Pasquino en Simona zich hadden begeven, een zeer groote en schoone salie-struik. Zij zetten zich aan diens voet neer en na zich langen tijd te hebben verheugd en veel te hebben gesproken over een avondmaal, dat zij in dien tuin rustig wilden houden, keerde Pasquino zich tot dien grooten plant, plukte daarvan een blad en begon zich daarmede de tanden en het tandvleesch te wrijven, zeggende, dat de salie zeer goed reinigde van alles wat er in achter bleef, wanneer men gegeten had. En nadat hij zich een weinig had gewreven, keerde hij met zijn praten terug tot het avondmaal, waarvan hij eerst sprak. Hij ging daar nog niet lang mede voort, toen hij geheel van uiterlijk begon te veranderen en na dien omkeer duurde het maar kort, dat hij het gezicht en de spraak verloor en weldra stierf hij. Simona dit ziende, begon te schreien en te jammeren en Stramba en Lagina te roepen. Zij kwamen haastig aanloopen en daar zij Pasquino niet alleen dood zagen, maar geheel gezwollen en vol donkere vlekken op het gelaat en het lichaam, riep Stramba opeens: O, slecht schepsel, jij hebt hem vergiftigd. Hij maakte veel alarm, zoodat het door velen, die vlak bij den tuin woonden, werd vernomen. Deze kwamen op het geschreeuw aanzetten. Toen zij hem dood vonden en opgezwollen en Stramba hoorden klagen en Simona hoorden beschuldigen, dat zij hem verraderlijk had vergiftigd en zij, door de smart over het onverwachte ongeluk, dat haar haar minnaar had ontnomen, buiten zich zelve zich niet wist te verdedigen, werd door allen beweerd, dat het was gelijk Stramba zeide. Zij werd daarom gevangen genomen, terwijl ze steeds bitter weende en naar het paleis van den schout gebracht. Daar, op aandringen van Stramba, l’Atticciato (de Sterke) en Malagevole (de Lastige), gezellen van Pasquino, die er bij waren gekomen, begon een rechter zonder uitstel aan de zaak te geven, het feit te onderzoeken. Daar hij niet kon begrijpen, dat zij bij deze gebeurtenis kwaadwillig of schuldig was geweest, wilde hij in haar tegenwoordigheid het lijk zien en de plaats en het middel, door haar aan hem verteld, omdat hij het door haar woorden niet goed genoeg begreep. Hij liet haar dus zonder gedruisch naar de plek voeren, waar het lichaam van Pasquino nog lag, gezwollen als een vat, en nadat hij er later heen was gegaan en zich over den doode had verwonderd, vroeg hij haar, hoe het gebeurd was. Zij ging naar de saliestruik en na elk voorafgaand voorval verteld te hebben, deed zij om het gebeurde geheel te doen begrijpen, juist gelijk Pasquino had gedaan door zich met een van de bladen de tanden te wrijven. Ondertusschen werd dit door Stramba en l’Atticciato en door de andere vrienden en metgezellen van Pasquino in tegenwoordigheid van den rechter nietig en ijdel verklaard en zij met meer nadruk van misdaad beschuldigd en eischten zij niet anders dan dat de brandstapel de straf voor zulk een boosheid zou zijn. De ongelukkige was door smart over den verloren minnaar en door vrees voor de straf, geëischt door Stramba, ontzet en doordat zij zich met het blad de tanden gewreven had, viel zij in den toestand, waarin eerst Pasquino verkeerd had, tot groote verbazing van de aanwezigen, neer.

O gelukkige zielen, wien het op één dag ten deel valt de hevige liefde en het vergankelijke leven te eindigen! En gelukkiger nog, indien gij te samen op een plaats heengaat! En het gelukkigst, indien gij elkaar hiernamaals lief hebt en zooals gij het hier deed! Maar gelukkig boven allen de ziel van Simona—naar ons oordeel,—waarvan de fortuin niet duldde, dat de onschuld onder de getuigenis leed van Stramba en l’Atticciato en Malagevole, misschien wolkaarders of nog minder soort lieden, en die het voor zich een eervoller weg vond om met hetzelfde stervenslot van haar minnaar zich aan hun schurkerij te onttrekken en de ziel van haar Pasquino door haar zoo bemind, te volgen. De rechter geheel ontsteld evenals allen, die er bij waren, wist niet wat te zeggen en bleef langen tijd onbewegelijk. Toen tot meerder nadenken gekomen, zeide hij: Dit bewijst, dat die salie vergiftig is, wat gewoonlijk niet met die plant het geval is. Maar opdat deze geen ander op die wijze schade kan doen, moet men die tot de wortels afhakken en in het vuur smijten. Toen dit door den tuinwachter in tegenwoordigheid van den rechter was gebeurd, had men den grooten struik nog niet neer gehouwen of de oorzaak van den dood der arme minnenden bleek. Er was onder den struik van die salie een pad van wonderlijke grootte, waarvan zij bevestigden, dat het venijn de plant moést hebben vergiftigd. Daar niemand de pad durfde naderen, legden zij rondom een zeer grooten hoop van droog hout en verbrandden hem met de salie-struik. Dat was het einde van het proces van den heer rechter bij den dood van den armen Pasquino. Hij met zijn Simona werden zoo opgezwollen door Stramba en l’Atticciato en Guccio Imbratta en Malagevole in de kerk van San Paolo begraven, waarvan zij parochianen waren.

ACHTSTE VERTELLING.

Girolamo bemint Salvestra; toegevend aan de beden van zijn moeder, gaat hij naar Parijs, keert terug en vindt haar gehuwd. Hij treedt heimelijk in haar huis en sterft aan haar zijde. Men draagt hem in een kerk, waar Salvestra aan zijn zijde sterft.

Het verhaal van Emilia vond haar einde, toen op bevel des konings, Neifile aldus begon: Waardige donna’s. Naar mijn meening zijn er lieden, die meenen meer te weten dan anderen en die minder weten en daarom zijn ze niet alleen verwaten genoeg tegen den raad der menschen maar ook tegen de natuur der dingen hun denkwijze te stellen, uit welke aanmatiging reeds zeer groote kwalen zijn voortgekomen, terwijl men er nooit iets goeds uit zag volgen. En omdat onder de andere, natuurlijke dingen, zij, die het minst raadgevingen of tegenspraken duldt, de liefde behoort, wier aard het is, dat zij eer zich zelf verteert dan dat zij zich ophoudt bij een ontvangen waarschuwing, is het mij te binnengevallen U een vertelling te doen van een donna, die trachtend wijzer te zijn dan zij behoorde te wezen en was en die de zaak niet gedoogde, waarin zij haar verstand wou toonen en gelooft de liefde uit het hart te kunnen rukken van een minnaar, welke de sterren wellicht er in geplaatst hadden, er toe kwam tegelijkertijd de liefde en de ziel uit het lichaam van haar zoon te verdrijven.

Er was dan in onze stad, naar hetgeen de ouden verhalen, een zeer groot en rijk koopman, wiens naam Leonardo Sighieri [85] luidde, die van zijn donna een zoon Girolamo had en na diens geboorte, nadat hij zijn zaken met zorg had geregeld, uit dit leven scheidde. De voogden van het kind met zijn moeder te samen leidden goed en eerlijk zijn zaken. Het kind groeide op met de anderen van de buren en sloot met meer dan eenig ander uit den omtrek vriendschap met een meisje van zijn leeftijd, de dochter van een kleermaker. Toen de ouderdom toenam, veranderde de vriendschap in liefde en zoo vurig, dat Girolamo zich niet goed voelde, als hij haar soms niet zag en zeker had zij hem niet minder lief dan hij haar.

De moeder van den jongen, die dit gezien had, schold hem verscheidene malen en sloeg hem. Daarna, daar Girolamo zich niet weerhouden kon, beklaagde zijn moeder zich er over bij zijn voogden en daar zij geloofde, door den grooten rijkdom van haar zoon, van den pruimenboom een oranje-appel te kunnen plukken, zeide zij tot hen: Die jongen van ons, die nauwelijks veertien jaar is, is zoo verliefd op de dochter van onzen buurman, den kleermaker, die Salestra heet, dat, indien wij haar niet uit zijn oogen weg halen, hij haar tot zijn ongeluk op een goeden dag tot vrouw zal nemen, zonder dat iemand het weet en ik zal daarna nooit meer vroolijk zijn of hij zal verteren, als hij haar met een ander zal zien trouwen en daarom schijnt het mij, dat gij om het te ontwijken hem ergens ver hier vandaan moet sturen om in een winkel te dienen, opdat zij op die manier van hem verwijderd, hem niet zien kan en daar uit de gedachte zal gaan en wij hem later een welgeboren donna tot vrouw kunnen geven. De voogden zeiden, dat de donna gelijk had en dat zij naar hun vermogen zouden handelen. Nadat zij het kind in den winkel hadden laten roepen, begon er een te zeggen op beminnelijken toon: Mijn jongen, je wordt nu groot; het is goed, dat gij zelf uw zaken leert behartigen; daarom zouden wij er zeer mee ingenomen zijn; als gij eenigen tijd in Parijs zoudt vertoeven, waar gij zult zien, hoe een groot deel van uw geld verhandeld wordt zonder te rekenen, dat gij er veel beter en meer opgevoed en rijker zult worden, wat hier niet gebeuren kan, daar gij er vele ridders en baronnen en edellieden zult zien, en als gij hun zeden hebt leeren kennen, kunt gij hier later terugkeeren. De jongen luisterde ingespannen en antwoordde kort, dat hij er niets van wilde weten, omdat hij even goed als een ander meende in Florence te kunnen blijven. De waarde heeren hoorden dit en berispten hem nog meer, maar daar zij uit hem geen ander antwoord konden krijgen, vertelden zij het aan de moeder.

Deze fel vertoornd, niet wegens zijn weigering naar Parijs te gaan maar om zijn liefde, beleedigde hem zwaar en toen om het te verzoeten met lieve woordjes begon zij hem te vleien en hem zacht te vragen, of hij wou doen, wat zijn voogden wenschten en zij wist hem zoo te bepraten, dat hij toestemde er een jaar en langer te blijven en dat gebeurde. Girolamo ging dus zeer verliefd naar Parijs en werd er met uitstel op uitstel twee jaar gehouden. Vandaar keerde hij meer dan ooit ontvlamd terug, vond zijn Salvestra gehuwd met een goed jonkman, tentenmaker van beroep en was daarover uiterst bedroefd. Maar toen ziende, dat het niet anders kon, deed hij zijn best zich rust te verschaffen en na ontdekt te hebben, waar zij woonde, begon hij volgens de gewoonte der verliefde jongelieden daar langs te gaan in het geloof, dat zij hem niet vergeten had, gelijk hij haar niet. Maar de zaak nam een anderen keer; zij dacht niet meer aan hem, alsof zij hem nooit had gezien en als zij er zich nog iets van herinnerde, toonde zij het tegendeel, wat de jongeling in korten tijd gewaar werd en niet zonder zeer groote smart. Maar niettemin deed hij, al wat hij kon om dit in zijn ziel te verbergen; daar echter niets scheen te helpen, besloot hij om niet weg te kwijnen haar te spreken. Nadat hij door een buurman ingelicht was, hoe het huis van zijn vriendin was gebouwd, trad hij er op een avond, toen zij en haar man waren gaan waken bij buren, in ’t geheim binnen en verborg zich in haar kamer achter tentendoeken, die er waren uitgespannen en wachtte, totdat zij huiswaarts gekeerd en te bed waren en hij zag, dat de man sliep en ging toen naar die zijde, waar hij gemerkt had, dat Salvestra was gaan liggen, legde zijn hand op haar borst en zeide zachtjes: O mijn ziel, slaapt gij al! De vrouw, die niet sliep, wilde schreeuwen, maar de jonkman sprak haastig: Bij God, schreeuw niet, want ik ben uw Girolamo. Toen zij dit hoorde, zeide zij sidderend: Zeg, bij God, Girolamo, ga heen; de tijd is voorbij, dat het in onze kindsheid niet verboden was verliefd te zijn; ik ben, gelijk gij ziet gehuwd; daarom past het niet meer, dat ik op een anderen man acht geef dan op mijn echtgenoot en nu bid ik u bij den eenigen God, dat gij heengaat. Want als mijn man u zou bespeuren, kunnen wij onderstellen, dat, zoo er geen ander kwaad uit voortkomt, er toch uit zou volgen, dat ik noch in vrede noch in rust meer met hem zou kunnen leven, waar ik door hem bemind in rust met hem leef. De jonkman hoorde die woorden en voelde diepe smart en toen hij aan den vroegeren tijd dacht en aan zijn liefde nooit door den afstand verminderd en er de vele beden en beloften van vroeger bijvoegde, bezat hij er niets meer van. Daarom met het verlangen te sterven, bad hij haar ten slotte, dat zij, als loon voor zooveel liefde, zou toestaan, dat hij naast haar ging liggen, zoodat hij zich een weinig kon verwarmen, want hij was door het wachten als ijs geworden. Hij beloofde haar, dat hij er niets van zou zeggen, noch haar zou aanraken en dat hij heen zou gaan, als hij een weinig verwarmd was.

Salvestra, die medelijden met hem had, stond hem dit onder die voorwaarden toe. Aldus strekte hij zich naast haar uit zonder haar aan te raken en in een opwelling herdenkend de langdurige liefde, haar toegedragen, en haar tegenwoordige hardheid en de verloren hoop, besloot hij niet langer te leven en zijn geest in zich zelf vernietigend, sloot hij de vuist en stierf aan haar zijde. Na eenigen tijd verwonderde zich de jonge vrouw over zijn standvastigheid, vreesde, dat haar man zou wakker worden en begon te zeggen: Wel, Girolamo, waarom ga je niet weg? Maar daar zij hem niet hoorde antwoorden, dacht zij, dat hij was ingeslapen. Daarom de hand uitstrekkend om hem te wekken, begon zij hem te betasten en hem aanrakend, voelde zij een ijzige koude, waarover zij zich zeer verbaasde. Toen zij hem met meer kracht beroerde en voelde, dat hij niet bewoog, zag zij na dit meermalen te hebben herhaald, dat hij dood was. Hierover was zij zeer bedroefd en bleef in groote verlegenheid niet wetend wat te doen. Ten slotte bedacht zij te zien, wat haar echtgenoot zou zeggen alsof het een ander persoon betrof en na hem te hebben gewekt, vertelde zij wat haar overkomen was, alsof het met een ander gebeurd was en vroeg hem daarop, wat, indien het haar gebeurde, te doen stond. De goede man antwoordde, dat het hem scheen, dat men hem, die dood was in stilte naar zijn huis moest voeren en hem daar laten, zonder eenige kwaadwilligheid jegens de vrouw te hebben, welke hem niet voorkwam te hebben gefaald. Toen zeide de jonge vrouw: Wel, dat moeten wij dan doen, en zijn hand nemend liet zij hem den dooden jonkman aanraken. Hij, zeer ontsteld, stond op, stak een licht aan en zonder met de vrouw verder te spreken, trok hij het lijk zijn eigen kleeren aan, en zonder uitstel, overtuigd van de onschuld zijner vrouw, tilde hij dit op zijn schouders, droeg het naar de deur van diens huis, legde het neer en liet het daar achter.

Bij het aanbreken van den dag, toen men den man dood voor de deur zag, ontstond er een groot rumoer, vooral door de moeder en nadat men overal gezocht had en gekeken en noch wond noch stoot ontdekte, geloofden de doktoren algemeen, dat hij van verdriet was dood gebleven, zooals hij daar lag. Het lichaam werd dan ook in een kerk gebracht en hier kwam de moeder met vele andere verwante donna’s en buurvrouwen en zij begonnen over hem zeer heftig te weenen en te treuren. Terwijl het geklaag zeer groot werd, zeide de goede man, in wiens huis hij gestorven was, tot Salvestra: Zeg, doe een mantel over je hoofd, ga naar de kerk, waar Girolamo is heen gevoerd, begeef je tusschen de vrouwen en luister, naar wat men u vertelt. Ik zal hetzelfde doen onder de mannen, opdat wij vernemen of men iets kwaads van ons zegt. Dit beviel aan de jonge vrouw, die door een laat medelijden was aangegrepen, want zij verlangde hem te zien, aan wien zij bij zijn leven met niet één kus genoegen had willen doen en ging er heen. Maar het is wonderlijk te denken, hoe moeilijk de krachten der liefde zijn te verklaren. Het ongeluk opende dat hart, dat de blijde fortuin van Girolamo niet had kunnen doordringen en al de oude vlammen laaiden weer omhoog en veranderden dit tot zooveel erbarmen, toen zij het gelaat van den doode zag, dat zij verborgen onder haar mantel en gemengd tusschen de andere donna’s geen stand hield, voor zij tot het lijk was genaderd. Daar stiet zij een schrillen kreet uit, wierp zich op het gelaat van den jonkman en had den tijd niet zijn gelaat met tranen te baden, want ternauwernood had zij hem aangeraakt of, gelijk het Girolamo gebeurd was, ontnam de smart haar het leven. De andere vrouwen wilden haar bemoedigen, zeiden, dat zij wat op zou staan en herkenden haar nog niet. Toen zij zich nog niet verhief en men haar wilde doen oprijzen en onbewegelijk vond en haar toch zich deed verheffen, zag men dat zij Salvestra was en tegelijk bespeurde men, dat zij was gestorven. Daarop begonnen de vrouwen, door dubbel medelijden bewogen, nog meer te weeklagen. De tijding verspreidde zich buiten de kerk onder de mannen, en bereikte ook haar echtgenoot, die tusschen hen stond en die zonder te hooren naar troost of steun van wie ook, langen tijd weende. En toen hij de geschiedenis, die dien nacht gebeurd was van dien jonkman en zijn vrouw aan een genoegzaam aantal van hen had verteld, deed die elkeen leed. Toen de overleden jonge vrouw was opgenomen en versierd gelijk men dit gewoon is met de dooden te doen, legde men haar op dezelfde baar naast den jongen man en nadat daar lang was getreurd, werden beide in eenzelfde graf begraven en hen, die de liefde niet als levenden had kunnen vereenigen, verbond onafscheidelijk de dood.

NEGENDE VERTELLING.

Seigneur Guillaume Roussillon geeft zijn gemalin het hart te eten van seigneur Guillaume Gardestagne, dien hij doodde en dien zij beminde. Als zij dit te weten komt, werpt zij zich uit een hoog venster op de aarde, sterft en wordt met haar minnaar begraven. [86]

Toen de geschiedenis van Neifile geëindigd was, niet zonder het geheele gezelschap tot groot medelijden te hebben bewogen, begon de koning, die het voorrecht van Dioneo niet wilde schenden, daar er geen ander te spreken had: Medelijdende donna’s. Ik heb thans een vertelling gereed, welke, omdat de ongelukken der liefde u zoo ontroeren, u niet minder tot erbarming zal bewegen dan de voorafgaande, omdat dezen, die ik u ga vertellen met menschen van hooger hoedanigheid geschied is en nog van treuriger verwikkeling dan die in de vorigen verhaald. Gij moet dan weten, dat, naar wat de Provençalen verhalen, er in Provence twee edele ridders leefden, die elk een kasteel en vazallen beheerschten en waarvan de een Guillaume Roussillon en de ander Guillaume Gardestagne heette. Daar zij beide mannen waren bedreven in den wapenhandel, hielden ze veel van elkaar en hadden de gewoonte altijd samen te gaan tournooien of ten steekspel te gaan, of naar iedere andere wapenoefening en gekleed in dezelfde kleuren. Hoewel elk op zijn kasteel woonde en het een van het andere wel tien mijl verwijderd was, werd toch, daar seigneur Guillaume Roussillon een zeer schoone en begeerlijke vrouw tot echtgenoote had, seigneur Guillaume Gardestagne ten zeerste ondanks de vriendschap en den omgang tusschen hen, op haar verliefd en zoo, dat hij door een en andere daad het de donna deed bemerken. Daar zij hem als een zeer dapper ridder kende, beviel haar dit en begon zij hem liefde toe te dragen, zóó dat zij niets anders dan hem verlangde en beminde, en zij verwachtte ook niets anders dan door hem te worden veroverd. Het duurde ook niet lang of dit gebeurde en zij waren te samen en meermalen beminden zij elkaar zeer. Toen zij het minder verborgen deed, werd de echtgenoot dit gewaar en was zeer verontwaardigd, waardoor de groote vriendschap, die hij voor Gardestagne koesterde, overging in een doodelijken haat. Maar hij wist dit beter te verbergen dan de twee minnenden hun liefde en overlegde, hoe ze te dooden. Toen Roussillon in dien toestand was en er een groot tournooi in Frankrijk werd aangekondigd, berichtte hij dit dadelijk aan Gardestagne en gelastte hem te zeggen, of hij, indien het hem behaagde, bij hem kwam en te samen zouden zij overleggen of zij er heen zouden gaan en hoe, Gardestagne antwoordde verheugd, dat hij zonder dralen den volgenden dag bij hem zou komen avondmalen. Roussillon vernam dit en dacht, dat de tijd was gekomen om hem te kunnen dooden en den volgenden dag steeg hij gewapend met een van zijn knechten te paard en stelde zich een mijl van het kasteel in een bosch in hinderlaag, waar Gardestagne voorbij moest komen. Na een geruime poos op hem te hebben gewacht, zag hij hem met twee bedienden bijna ongewapend naderen als iemand, die nergens op verdacht is en toen hij hem daar zag, waar hij het wenschte, doodde hij hem verraderlijk en vol boozen toeleg met een lans in de vuist en riep hem na: jij bent des doods! Dit te zeggen en hem die lans door de borst te stooten, was het werk van een zelfde oogenblik. Gardestagne zonder zich eenigszins te kunnen verdedigen of een woord te kunnen spreken, viel van die lans doorboord en stierf kort daarop. Zijn knechten, zonder herkend te hebben wie het had gedaan, keerden de koppen der paarden en vluchtten zoo snel zij konden naar het kasteel van hun heer.

Roussillon steeg af, opende met een mes de borst van Gardestagne en rukte er met eigen handen het hart uit, liet dit in een pennoen (lans-wimpel) wikkelen en beval aan een van zijn knechten, dat die het daarin zou dragen. En nadat hij aan elk had gezegd, dat ze den moed niet moesten hebben er over te spreken, steeg hij weer te paard en toen het al nacht was, ging hij weer naar zijn kasteel terug. De donna, die gehoord had, dat Gardestagne dien avond ten eten zou komen en met het grootste verlangen hem verwachtte, verwonderde zich zeer, dat zij hem niet zag naderen en zei tot haar man: Hoe komt het, heer, dat Gardestagne niet gekomen is? Hierop zeide de echtgenoot: Madame, ik heb van hem gehoord, dat hij eerst morgen hier kan zijn, waarover de donna een weinig verstoord was. Toen Roussillon was afgestegen liet hij den kok roepen en zeide tot hem: Gij zult dit hart van een wild zwijn nemen en er een gerecht van maken zoo goed en lekker om te eten als gij het maar weet, en wanneer ik aan tafel zal zijn, zult gij het mij opdragen in een zilveren schotel.

De kok nam het aan, wijdde er al zijn kunst aan en al zijn ijver, hakte het, deed er goede kruiden bij en maakte er een uitstekenden ragout van. Toen het tijd was, zette seigneur Guillaume zich met zijn vrouw aan tafel. Het maal kwam, maar hij door de begane misdaad in gedachte gestoord, at weinig. De kok bracht hem den ragout, welke hij voor de donna liet neerzetten, hield zich dien avond verzadigd en prees dien zeer. De donna, die trek had, begon er van te eten en die scheen haar goed; daarom at zij dien geheel op. Toen de ridder gezien had, dat zij hem geheel had opgegeten, zeide hij: Mevrouw, hoe is u die spijs bevallen? De donna antwoordde: Mijn heer, werkelijk, hij beviel mij goed. God helpe mij, ik geloof u—zei de ridder—en het verwondert mij niet, als dood u bevallen heeft, wat levend meer dan iets anders u aanstond.

De vrouw hoorde dit en bleef een oogenblik onbewegelijk. Toen zei ze: Hoe! Wat hebt gij mij laten eten? De ridder antwoordde: Dat, wat gij gegeten hebt, is werkelijk het hart geweest van den heer Guillaume Gardestagne, dien gij als oneerlijke vrouw hebt bemind en weet wel, dat hij het is geweest, omdat ik hem dit met deze handen uit de borst heb gerukt, kort voor ik hier kwam. Men behoeft niet te vragen of de donna dit hoorende van hem, dien zij boven alles beminde, bedroefd was en na eenige oogenblikken antwoordde zij: Gij deed wat een oneerlijk en slecht ridder moest doen; want indien ik, terwijl hij mij niet er toe dwong, hem tot den heer van mijn liefde heb gemaakt en u hiermee had beleedigd, had niet hij maar ik de straf moeten dragen. Maar dat het aan God behage, dat nooit andere spijs op een zoo nobel voedsel volgt als op het hart van dien dapperen en hoffelijken ridder, gelijk Guillaume Gardestagne was. Zij stond op en wierp zich zonder verder bedenken uit een venster achter haar. Het raam was zeer hoog boven den grond, zoodat de vrouw niet alleen stierf, maar geheel werd verpletterd. Toen seigneur Guillaume dit zag, was hij geheel verbluft en het scheen hem, dat hij kwaad had gedaan en daar hij bevreesd was voor de boeren en voor den graaf van Provence, deed hij de paarden zadelen en ging heen. Den volgenden morgen was het door de geheele streek bekend, wat er gebeurd was; daarom werden door de lieden van het kasteel van Guillaume Gardestagne en ook van die uit het slot van de donna met de grootste droefenis en weedom de twee lijken afgehaald en in de slotkapel van de vrouwe in een zelfde grafgewelf geplaatst en daarop verzen geschreven, die uitdrukten wie zij waren, die er in begraven lagen en de wijze en de oorzaak van hun dood.

TIENDE VERTELLINGEN.

De vrouw van een dokter doet haar voor dood gehouden, bedwelmden minnaar in een koffer, welke twee woekeraars met hem er in naar hun huis dragen. Zij worden hem gewaar en hij wordt voor een dief gehouden. De dienstmaagd van de donna verhaalt voor het gerecht, dat zij het was, die hem in den koffer der woekeraars deed, waardoor hij de galg ontloopt en de woekeraars worden wegens diefstal van den koffer tot geldboete veroordeeld.

Daar de koning zijn verhaal geëindigd had, bleef alleen Dioneo zijn taak over, die dit wetend en al daartoe aangespoord door den koning, begon: De verhaalde ellenden der ongelukkige liefden hebben niet slechts aan u, donna’s, maar ook mij de oogen en het hart bedroefd, waardoor ik zeer heb verlangd, dat er een einde aan kwam. Nu, God zij geloofd, zijn zij geëindigd, tenzij ik nog aan die kwade waar een slechte zou willen toevoegen, waarvoor de hemel mij behoede. Want zonder te blijven bij zulk een triestig onderwerp, zal ik over iets vroolijkers en beters beginnen, waardoor ik misschien een aanwijzing geef tot wat morgen moet verteld worden.

Gij moet dan weten, zeer schoone jonge dames, dat er nog niet lang geleden in Salerno een groot medicus in de chirurgie leefde, die maëstro Mazzeo delle Montagna [87] heette, die tot den hoogsten ouderdom gekomen, een schoone en lieve donna uit zijn stad tot vrouw had genomen in het bezit van voorname en rijke gewaden en van andere kostbaarheden en van al wat aan een donna kan behagen meer dan eenige anderen van die plaats; het is waar, dat zij het meestal koud in bed had, omdat zij door den maëstro slecht werd toegedekt. Deze, gelijk messer Ricciardo di Chinzica, van wien wij spraken, die aan de zijne de rustdagen leerde waarnemen, beweerde tegenover haar, dat slapen met een vrouw, ik weet niet hoeveel dagen kostte, om zich te herstellen en dergelijke onzin meer, waar ze maar heel slecht tevreden mee was; evenwel verstandig en van grooten geest, besloot zij om het geld voor het huis te sparen, de eerste gelegenheid de beste waar te nemen en te genieten met een ander en nadat zij hoe langer hoe meer jongelingen had beschouwd, hield zij er eindelijk een in het hart, waaraan zij met al haar hoop hechtte, met haar geheele ziel en haar geheele vermogen. De jonkman bemerkte dit en haar zeer beklagend, keerde ook hij al zijn liefde tot haar. Deze heette Ruggieri van Jeroli, van edele geboorte, maar van een slecht leven en een laakbaar gedrag, zóó dat hij verwant noch vriend had, die hem goed wilde doen of hem zien wilde en door heel Salerno werd hij beschuldigd van diefstallen en andere laagheden, waarom de donna weinig gaf, daar hij haar om een andere reden beviel en zij regelde alles zoo met een dienstmaagd, dat zij samen konden komen. En nadat zij eenig genoegen hadden gesmaakt, begon de donna hem te laken wegens zijn schandelijk leven en hem te verzoeken uit liefde tot haar hiermee op te houden en om hem de gelegenheid te geven dit te doen, begon zij hem dan met eene, dan met een andere som geld te steunen.

Terwijl zij dit intusschen samen zeer heimelijk volhielden, werd den dokter een zieke toevertrouwd, die een kwaal aan het been had. De medicus zag dit en zeide tot zijn ouders, dat, als hij er een rottend gebeente uithaalde, hij het dan heelemaal moest laten afzetten of hij zou sterven. Door hem het been er uit te snijden, kon hij genezen, maar hij zou het niet ondernemen zonder hem als ten doode opgeschreven te beschouwen. Toen zijn ouders hierin hadden toegestemd, gaven zij hem met dit doel aan hem over. De arts, die meende, dat de zieke zonder bedwelming de pijn niet zou verduren, noch zich zou laten helpen, moest tot na den vesper wachten, om dat te doen en liet voor hem ’s morgens een soort drank bereiden, welke opgedronken hem even lang zou doen slapen als hij tijd noodig had om hem pijn te doen met de bewerking. Hij liet dien drank bij zich thuis brengen en zette dien neer in een hoek van zijn kamer zonder aan iemand te zeggen wat dit was.

Het uur van den vesper brak aan en de maëstro moest tot hem gaan. Toen kwam er een bode tot hem van een zijner grootste vrienden van Amalfi [88], welke hij om niets ter wereld anders dan dadelijk zou moeten bezoeken, omdat die in een groot gevecht was geweest, waarbij velen gekwetst waren geworden. De dokter stelde het genezen van het been tot den volgenden morgen uit, besteeg zijn kleine bark en begaf zich naar Amalfi. Daar de donna wist, dat hij dien nacht niet naar huis zou komen als gewoonlijk, liet zij in stilte Ruggieri komen, liet hem in haar kamer en sloot hem daarin op tot andere lieden uit het huis zouden gegaan zijn om te slapen. Ruggieri bleef dus in de kamer op de donna wachten en had, hetzij door de vermoeienis op den dag verduurd of door zout eten te hebben genuttigd of misschien uit gewoonte een vreeselijken dorst en zag in het venster dien drank, welken de dokter voor den zieke had bereid, en denkend water te drinken, bracht hij dien aan den mond en dronk dien geheel op. Het duurde niet lang of een zware slaap beving hem en hij sluimerde in. De donna, zoo gauw ze kon, kwam in de kamer, vond Ruggieri ingeslapen, begon hem te betasten en met gedempte stem te zeggen, dat hij zou opstaan, maar het hielp niets; hij antwoordde, noch bewoog. Daardoor een weinig vertoornd stiet de donna hem met meer kracht aan en sprak: Sta op, slaapkop; want als je wilt slapen, moet je naar huis gaan en niet hier komen. Ruggieri, aldus geschud, viel van een stoel, waarop hij lag, ter aarde en toonde niet meer gevoel dan een doode. Hierover nog al ontsteld, wilde de donna hem optillen en hem nog sterker schudden, hem bij den neus nemen en aan den baard trekken; maar het was alles ijdel, hij had zijn ezel goed vastgebonden [89]. Daarom begon de donna te vreezen, dat hij dood was, maar toch begon zij hem vinnig in de huid te prikken en die te schroeien met een aangestoken kaars, maar niets baatte. Daarom geloofde zij, die geen geneeskundige was als haar man, dat hij zonder twijfel dood was. Men behoeft dus niet te vragen, daar zij hem boven alles beminde, of zij treurig was. Daar zij geen leven durfde maken, begon zij zacht over hem te klagen en te weenen over dit ongeluk. Maar na eenigen tijd uit vrees bij haar schade schande op te loopen bedacht zij, dat zij dadelijk een middel moest vinden om hem als doode het huis uit te krijgen en daar zij geen raad wist, riep zij stilletjes haar meid, toonde haar het ongeval en vroeg haar meening. De meid, die zich zeer verwonderde, hem nog trok en kneep en zonder gevoel zag, beweerde, gelijk de donna zeide, dat hij heusch dood was en gaf den raad, dat hij buitenshuis moest gebracht worden. De donna antwoordde haar: En waar zullen wij hem heen dragen, opdat men er geen erg in krijgt, dat men hem van hier heeft weggebracht wanneer het morgen zal gezien worden? De meid ging voort: Mevrouw, ik zag van avond heel laat voor den winkel van dien timmerman onzen buurman, een niet al te groote kist, die als de baas hem niet in huis heeft gezet, al te goed voor ons plan te pas komt, omdat wij hem daarin kunnen doen en hem twee of drie messteken kunnen geven en hem daar laten. Wie hem er in zal vinden, weet niet of hij van hier of elders er in is gestopt; bovendien zal men gelooven, omdat hij een gemeene jongen is geweest, dat hij uitgegaan voor iets kwaads, door een vijand van hem gedood is en daarna in de kist geduwd.

De raad van de meid beviel aan de donna, maar niet hem een por te geven en zij zeide, dat om niets ter wereld haar ziel zou dulden, dat dit gebeurde en gelastte haar te kijken of de kist daar nog stond, die zij had gezien. Zij keerde terug en zeide van ja. De meid nu, die jong en sterk was, geholpen door de donna, tilde Ruggieri op haar schouders en terwijl de donna vooruit ging om te zien of er niemand aankwam, liepen zij naar de kist, deden hem er in, sloten die en lieten haar staan. Eenige dagen te voren hadden een paar huizen verder twee jonge mannen hun intrek genomen, die op woeker leenden en die begeerig veel te verdienen en weinig te verteren, behoefte hadden aan meubelen en den vorigen dag de kist gezien hadden en samen hadden afgesproken, als die er ’s nachts bleef staan, die in huis te dragen. Toen het middernacht werd, gingen zij het huis uit, vonden die en zonder verder te kijken droegen zij die haastig, hoewel ze hun zwaar scheen, naar binnen en zetten haar in een kamer neer, waar hun vrouwen sliepen, zonder zich er om te bekommeren haar behoorlijk te plaatsen en na haar dus te hebben laten staan, gingen zij slapen.

Ruggieri, die een aardig dutje gedaan had, den drank al had verteerd en de kracht er van verwerkt, werd bij het naderen van den morgen wakker en daar hij door de bedwelming als geradbraakt was en zijn zinnen hun kracht hadden teruggekregen, bleef bij hem toch in de hersens een verbazing achter, welke niet alleen dien nacht, maar daarna verscheidene dagen hem buiten westen hield. Toen hij de oogen opende en niets zag en de handen hier en ginds uitstrekte en zich in die kist bevond, begon hij zijn herinneringen te verzamelen en tot zich zelf te zeggen: Wat is dat? Waar ben ik? Slaap ik of waak ik? Ik herinner mij toch, dat ik van avond in de kamer van mijn donna kwam en nu schijn ik in een kist te liggen. Wat wil dat zeggen? Zou de dokter zijn thuis gekomen of er een ander ding zijn gebeurd, waardoor de donna mij, die sliep, hier zou hebben verborgen? Ik geloof het en het zal zeker zoo zijn. Daarom begon hij zich stil te houden en te luisteren of hij iets gewaar werd. Toen hij dit lang had gedaan en hij het in de kist, die klein was, erg benauwd kreeg en zich geheel gekneusd voelde aan de zijde, waarop hij lag, wilde hij zich op de andere draaien, maar deed dit zoo bijdehand, dat hij met een der ribben tegen de kanten van de kist stootte, die niet op een gelijken vloer was geplaatst, en haar deed tuimelen en daarna vallen en met dien val maakte zij een groot geraas, zoodat de vrouwen, die naast elkaar sliepen, wakker werden, bang werden en uit angst zich stil hielden. Ruggieri wist niet wat te denken van den val van de kist, maar daar hij haar door dit voorval open zag, dacht hij het beter, dat er iets anders gebeurde dan er in te blijven. En daar hij niet wist, waar hij was en dan het eene, dan het andere zich verbeeldde, begon hij op den tast af door het huis te gaan om te weten of hij een trap of deur vond, waardoor hij weg kon komen. Toen de vrouwen, die wakker waren, hem hoorden stommelen, begonnen zij te roepen: Wie is daar? Ruggieri, die de stemmen niet kende, antwoordde niet; daarom begonnen de vrouwen de twee jonge mannen te roepen, die, omdat zij lang hadden gewaakt, vast sliepen en die van dit alles niets hadden bemerkt. Daarop stonden de vrouwen nog meer bevreesd geworden op, gingen naar de vensters en begonnen te schreeuwen: Houdt den dief! Houdt den dief! Toen liepen van verschillende plaatsen tal van buren, deze over het dak en gene van de eene en een derde van een andere zijde samen en traden het huis binnen en ook de jongelieden, ontwaakt door dit rumoer, stonden op. Ruggieri (die dit zag en door verbazing buiten zich zelve naar geen kant wou of kon vluchten) gaven zij gevangen in handen van de wachters van den baljuw dier gemeente, die daar op het leven waren toe geloopen. Voor den schout gebracht, omdat hij door allen voor een grooten schurk werd gehouden, werd hij dadelijk op de pijnbank gelegd en bekende in het huis van den woekeraar te zijn getreden om te stelen; daarom wilde de baljuw hem zonder uitstel laten opknoopen. Het nieuwtje werd ’s ochtends door heel Salerno verbreid, dat Ruggieri gevat was om te stelen in het huis der woekeraars. Toen de donna en de meid dit hoorden, waren zij zoo vol verbazing over dit nieuws, dat zij haast geloofden, dat, wat zij den afgeloopen nacht gedaan hadden, niet gebeurd was, doch slechts een droom geweest was. Maar bovendien voelde de donna over het gevaar, waarin Ruggieri verkeerde, zulk een smart, dat ze haast niet tot bedaren was te krijgen. Kort na drie uur, toen de medicus van Malfi teruggekeerd was, vroeg hij, waar de drank was gebleven, omdat hij zijn zieke wilde genezen en toen hij vond, dat de flesch leeg was, maakte hij een groot rumoer, dat er niets in het huis op zijn plaats bleef. De donna, die door erger smart gepijnigd werd, antwoordde woedend: Wat zoudt gij zeggen, meester, bij een gewichtige zaak, als gij voor zoo’n omgevallen flesch met drank al zoo’n spektakel maakt! Is er niet meer van te krijgen op de wereld? Hierop ging de maëstro voort: Vrouw, gij dacht, dat het klaar water was; het is het niet, maar een drank om te doen slapen. En hij vertelde haar, waarom hij die had bereid. Toen de donna dit had gehoord, meende zij, dat Ruggieri die gedronken had en hem daarom dood had geschenen en zeide: Maëstro, dat wisten wij niet en maakt u daarom een anderen. Kort daarop keerde de meid, die op bevel van mevrouw uit was gegaan om te weten, wat men van Ruggieri vertelde, terug en zeide: Madonna, men zegt van Ruggieri, dat hij een slechte kerel is en dat, naar wat ik kon vernemen, vriend noch verwant is opgestaan of het wil om hem te helpen, en men houdt het voor zeker, dat de Stadico [90] hem morgen laat ophangen.

En behalve dat zal ik u een andere nieuwe zaak vertellen, die ik meen te begrijpen, namelijk hoe hij in het huis der woekeraars is geraakt en hoort u wel: u kent wel de timmerman, waar tegenover de kist stond, waar wij hem in stopten; hij was juist met iemand, die beweerde, dat het zijn kist was, in den grootsten twist ter wereld, want hij vroeg er een prijs voor en de meester antwoordde, dat hij de kist niet had verkocht, maar dat die hem van nacht was ontstolen.

Hierop antwoordde deze: Het is niet waar, gij hebt hem integendeel verkocht aan de twee woekeraars, gelijk die mij van nacht vertelden, toen ik in hun huis was op het oogenblik, dat Ruggieri er gevangen werd genomen. De timmerman antwoordde: Dat liegen ze, want ik verkocht hun die nooit, maar ze hebben die van nacht gestolen; laten wij naar hen toe gaan. En dadelijk gingen zij eensgezind naar het huis der woekeraars en ik ben hier gekomen. En gelijk gij kunt zien, begrijp ik, dat op die manier Ruggieri, waar hij gevonden werd, heen is gevoerd, maar ik weet niet, hoe hij er uit is gekomen. De donna begreep toen best, hoe het met de zaak stond, vertelde aan de meid, wat zij van den dokter gehoord had en verzocht haar tot de bevrijding van Ruggieri hulp te verleenen, daar zij tegelijkertijd, als ze wilde, Ruggieri kon doen ontkomen en haar eer kon dienen. De meid sprak: Madonna, onderricht mij het en ik zal gaarne alles doen. De donna, die het benauwd had en met onmiddellijk beraad overlegd had, wat er moest gedaan worden, stelde de meid geregeld op de hoogte. Deze ging eerst naar den dokter en begon klagend te zeggen: Messer, ik moet u vergeving vragen voor een groote domheid, die ik jegens u heb begaan. De dokter zei: Hoe zoo? En de meid, die niet ophield met schreien, ging voort: Mijnheer, gij weet, wat met den jongen Ruggieri van Jeroli het geval is, met wien ik, terwijl ik hem beviel, zoowel door vrees als door liefde dit jaar heb geleefd. Daar hij wist, dat u gisteravond niet hier waart, drong hij zoo bij mij aan, dat ik hem in uw huis in mijn kamer meenam om te slapen en daar hij dorst had en ik geen toevlucht had tot water of wijn en ik niet wilde, dat mevrouw, die in de zaal was, mij zou zien, herinnerde ik mij, dat ik in uw kamer een flesch met water gezien had. Ik liep daar heen, gaf hem dit te drinken en zette de flesch weer neer, waar ik haar vandaan had gehaald, waarover ik hoorde, dat u in huis groote ruzie hebt gemaakt. En zeker beken ik, dat ik kwaad deed, maar wie doet dit wel eens niet? Het spijt mij erg, dat ik het gedaan heb, niet zoozeer daarom als om wat er uit zal volgen, dat Ruggieri op het punt staat het leven te verliezen. Daarom bid ik u zooveel ik kan, dat u mij vergeeft en dat u mij toestaat, dat ik Ruggieri ga helpen, waarin ik het kan.

Toen de medicus dit hoorde, antwoordde hij, hoe kwaad hij ook geweest was, schertsend: Gij hebt u zelf geschonken, omdat gij, waar gij geloofde van nacht een jonge man te hebben, die u zeer goed de peluw zou schudden, je een slaapkop naast je hadt. Ga daarom en zorg voor de redding van uw minnaar en pas voortaan op hem niet meer in huis te brengen, want dan zal ik je die keer en deze betaald zetten. De meid, dien het scheen, dat zij voor den eersten stap goed te werk was gegaan, ging zoo gauw zij kon naar de gevangenis, waar Ruggieri zich bevond en vleide den bewaarder zoo, dat hij haar Ruggieri liet spreken. Zij, na hem te hebben verteld, wat hij voor den Stadico moest antwoorden, indien hij wilde vrij worden, deed zoo haar best, dat zij voor den rechter kwam. Deze, voor hij naar haar wilde luisteren, omdat zij flink en sterk was, wilde eerst eens zijn haak slaan in die dwaze meid van Onzen Lieven Heer [91] en zij om gehoord te worden, had er niet op tegen en toen zij van die omhelzing was opgestaan, zeide zij: Heer, gij hebt Ruggieri van Jeroli als dief gevangen genomen, maar dat is niet waar. En met den aanvang beginnend vertelde zij hem de geschiedenis van stukje tot beetje, hoe zij als zijn minnares hem in het huis van den dokter had gebracht en hem er drank had te drinken gegeven in onwetendheid en hoe zij hem als een doode in de kist had gestopt; daarna vertelde zij, wat zij tusschen den meester-timmerman en den eigenaar van de kist had hooren praten en verklaarde zoo, hoe Ruggieri in het huis van de woekeraars kwam. De Stadico, die begreep, dat het gemakkelijk viel om te weten of het waar was, vroeg eerst aan den dokter of dat van dien drank een feit was. Toen liet hij den timmerman komen en hem aan wien de kist had behoord en de woekeraars en bevond na veel gepraat, dat de woekeraars de kist dien nacht hadden gestolen en in huis hadden gevoerd.

Ten slotte ontbood hij Ruggieri en na hem te hebben gevraagd, waar hij den vorigen avond zijn onderkomen had gevonden, antwoordde hij, dat hij dit niet wist, maar dat hij zich wel herinnerde, dat hij zijn logies zou gaan zoeken bij de meid van maëstro Mazzeo, in wiens kamer hij den drank had gedronken, omdat hij zoo’n dorst had, maar dat hij niet wist, hoe het gebeurde, dat hij in de kist der woekeraars was gevonden. De rechter, die dit alles hoorde, en er groot pleizier van had, liet het de meid en Ruggieri en den timmerman en de woekeraars meermalen opnieuw vertellen. Toen hij ten slotte zag, dat Ruggieri onschuldig was, veroordeelde hij de woekeraars, die de kist hadden gestolen tot een geldboete van tien oncen [92] en liet Ruggieri vrij. Hoezeer haar dit ten harte ging, hoeft men niet te vragen en de donna was er ten zeerste blij mee. Deze lachte er dikwijls om met hem en met de goede meid, die hem messteken had willen geven en beleefde er pleizier van, terwijl hun liefde en genoegen steeds van goed tot beter ging. En ik zou willen, dat het mij ook zoo ging, maar niet, dat ik in de kist wordt gestopt.

Zoo de eerste verhalen de harten der begeerenswaardige donna’s zeer hadden bedroefd, deed dit laatste van Dioneo ze lachen en vooral toen hij vertelde, dat de rechter zijn haak had ingeslagen, dat zij zich konden herstellen van de meewarigheid met de anderen. Maar toen de koning zag, dat de zon geel begon te worden en dat het einde van zijn heerschappij gekomen was, verontschuligde hij zich met aardige woorden over hetgeen hij had gedaan, namelijk over zoo treurige stof te hebben laten spreken en over die van den rampspoed der minnenden en toen dit geschied was, stond hij op, hief den lauwerkrans van het hoofd en terwijl de donna’s afwachtten, wie hem zou dragen, plaatste hij dien bekoorlijk op het geheel blonde hoofd van Fiammetta met de woorden: Ik draag aan u deze kroon over, als degene, die het best voor den zwaren dag van heden ons met dien van morgen zal kunnen troosten. Fiammetta, wier haren gekruld waren, lang en van goud en bij wien ze over blanke en ranke schouders vielen en waarvan het gelaat eenigzins dik was, had een glanzende, natuurlijke kleur als van blanke leliën vermengd met roode rozen, met twee oogen in het hoofd als van een pelgrims-valk en met een allerliefst klein mondje, waarvan de lipjes robijnrood waren en antwoordde lachend: Filostrato, ik neem haar gaarne aan en opdat gij beter bemerkt, wat gij hebt gedaan, wil en beveel ik, dat van nu af aan ieder zich voorbereidt om morgen te spreken van wat aan een of ander minnaar, na enkele wreede en ongelukkige voorvallen, gelukkig ten deel werd. Dit voorstel beviel aan allen. En zij, na den hofmeester te hebben geroepen en over de zaken, die te pas kwamen, met hem te hebben beschikt, gaf, nadat het heele gezelschap van zijn zetels was opgestaan, tot aan het uur van het avondmaal blijmoedig aan ieder de vrijheid. Dezen derhalve, begonnen ten deele door den tuin, welks schoonheid niet zoo spoedig ging vervelen en ten deele naar den molen, die buiten deze werkte en dezen hier en gene daar, naar hun verschillenden smaak zich onderscheidene genoegens te verschaffen tot aan het uur van het avondmaal. Toen dit was aangebroken en allen bijeen waren als naar gewoonte, aten zij bij de schoone fontein met zeer groot genoegen en wel bediend. En daarvan opgestaan, gaven zij zich, gelijk bij hen gebruik was, over aan dans en zang en terwijl Filomena den dans leidde, zei de koningin: Filostrato, ik wil niet afwijken van mijn voorgangers, maar gelijk die hebben gedaan, wil ik, dat men op mijn bevel een zang zal zingen en omdat ik er zeker van ben, dat uw liederen zoodanig zijn als uwe verhalen, willen wij, opdat geen andere dan deze dag gestoord zij door de ongelukkige liefden, dat gij er een opzegt, dat u het meest zal behagen. Filostrato antwoordde, dat hij gaarne wilde en zonder verwijl begon hij op deze wijze te zingen:

Weenend toon ik, Hoe een hart zich met recht beklaagt, Omdat Amor in zijn geloof is bedrogen.

Amor, die eerst In mijn hart haar heeft gesteld voor wie ik zucht, Zonder op heil te hopen, Gij hebt haar zoo vol deugd getoond. Dat ik elke marteling licht achtte, Die in mijn geest, Droef gebleven, Mij was overkomen; maar mijn dwaling Ken ik thans en niet zonder smart.

Wat mij mijn dwaling heeft doen kennen, Is mij van haar verlaten te zien, In wien ik alleen hoopte; Want toen dacht ik het meest te zijn In haar gratie en haar dienaar. Zonder de schade vooruit te zien Van mijn toekomstig leed Bemerkte ik, dat zij van anderen de waarde Daarin had opgenomen en mij er uit had verjaagd.

Toen ik mij daaruit verjaagd zag, Ontstond er in het hart een droeve klacht. Die er nog in klinkt. En dikwijls vervloek ik den dag en het uur, Dat mij het eerst haar verliefd gelaat verscheen Door hooge schoonheid gesierd En meer dan ooit ontvlamd, Vergaat mijn geloof, mijn hoop en mijn moed, Mijn ziel, die versmachtend dit alles verfoeit.

Hoezeer mijn smart zonder troost is, Heer, dat kunt gij gevoelen, zoo vaak ik u roep Met trieste stemme, En ik zeg u, dat ik zóó brand, Dat ik om minder foltering den dood verlang. Kom dan en maak Aan mijn wreed en ongelukkig leven Met één slag een einde en aan mijn razernij; Want waar ik ook zal gaan, zal ik die minder gevoelen.

Geen ander leven, geen andere troost Redt mij meer dan de dood van mijn smart, Dat men mij dien voortaan schenke. Maak een einde, Amor, door dezen aan mijn pijnen En dat men mijn hart van zulk een ellendig leven ontrooft. Ach, doe dit, omdat ten onrechte. Mij alle vreugd en genoegen ontnomen is, Maak haar gelukkig, door mij te doen sterven, o Heer, Gelijk gij haar gelukkig hebt gemaakt met een nieuwen minnaar.

O mijn lied, indien niemand u leert, Kan het mij niet schelen, omdat niemand Dan ik u kan zingen, En moeite alleen wil ik u geven, Dat gij Amor terug vindt en dat gij aan hem alleen Toont ten volle, hoe onverschillig Het trieste, bittere leven, Mij is, hem biddend, dat hij in beter Haven mij brengt door zijn waarde.

Weenend toon ik, enz.

De woorden van dit lied toonden duidelijk genoeg, hoe de zielstoestand was van Filostrato en de oorzaak daarvan en misschien had nog beter het gelaat van de dame het getoond, die aan den dans deelnam, indien de schaduwen van den komenden nacht den blos op haar gezicht niet zouden hebben verduisterd. Maar toen hij dit ten einde had gebracht, werden er verscheidene anderen gezongen, totdat het uur van slapen gekomen was: daarom op bevel van de koningin, trok ieder zich in zijn kamer terug.

VIJFDE DAG.

De vierde dag van de Decamerone eindigt: de vijfde vangt aan. Onder het bewind van Fiammetta spreekt men van wat met een of anderen minnaar na eenige wreede en noodlottige voorvallen gelukkig gebeurt.

Reeds was het Oosten geheel wit en hadden de rijzende stralen klaarheid verbreid door ons gansche halfrond, toen Fiammetta ontwaakt door de zoete zangen der vogelen, die van af de eerste stonde van den dag vroolijk op de jonge boomen zongen, opstond en al de andere donna’s en de drie jongelieden deed roepen. Met langzamen tred ging zij naar de velden, door de ruime vlakte met het bedauwde gras, tot de zon hoog was gestegen en wandelde met haar gezelschap in gesprek over verschillende dingen. Maar toen zij voelde, dat de zonnestralen warmer werden, richtte zij hun schreden naar hun verblijfplaats, waar zij gekomen en na zich hersteld te hebben van hun lichte vermoeidheid met beste wijnen en meelspijs, zich in den aangenamen tuin vermeiden tot aan het etensuur. Toen dat oogenblik aangebroken was en alles door den zeer bescheiden hofmeester was in orde gebracht en een lied en een of twee dansliederen waren gezongen, begonnen zij vroolijk gestemd, naar het de koningin behaagde, te eten. En toen dit ordelijk en blijmoedig was geschied en omdat zij den ingestelden regel van te dansen niet vergeten waren, voerden zij met de instrumenten en de zangen eenige dansen uit. Hierna gaf de koningin tot na het uur der siësta vrij; eenigen van hen gingen sluimeren en anderen bleven tot hun genoegen in den tuin. Maar allen verzamelden zich, toen het uur van den noen even voorbij was, daar, waar het de koningin beviel, volgens de gewoonte bij de fontein. Daar zag de koningin gezeten, alsof zij bij een rechtbank voorzitter was, naar Pamfilo en glimlachend beval zij hem de eerste te zijn, die met de verhalen van geluk zou beginnen. Hij deed dit gaarne en sprak aldus:

EERSTE VERTELLING.

Cimon wordt verstandig door lief te hebben en schaakt in zee zijn vrouw Ephigenie. Hij wordt op Rhodes in de gevangenis gezet. Lysimachos bevrijdt hem en opnieuw rooft hij met hem Ephigenia en Cassandra, als die bruiloft vieren. Zij vluchten met hen naar Creta en vervolgens, als zij hun echtgenooten zijn geworden, roept men ze naar hun huis terug. [93]

Lieve donna’s. Om een zoo blijden dag te beginnen als deze zal zijn, staan mij vele novellen voor den geest om te verhalen, waarvan er een mij het meest behaagt, omdat gij daardoor zult kunnen begrijpen, niet het heugelijke doel, waarvoor wij beginnen te spreken, maar ook hoe heilig, hoe machtig en hoe weldadig de krachten der Liefde zijn, welke velen, zonder te weten, wat zij zeggen, zeer ten onrechte veroordeelen en schandvlekken, wat, indien ik mij niet bedrieg—daar ik geloof, dat gij verliefd zijt—U zeer aan ’t hart moet gaan.

Aldus, (gelijk wij het al gelezen hebben in de antieke geschiedenissen der Cyprioten) leefde er op het eiland Cyprus een zeer edel man, die Aristippos heette, meer dan eenig ander bewoner daarvan zeer rijk aan alle aardsche goederen en als de fortuin hem niet over een zaak treurig gemaakt had, had hij meer dan wie ook tevreden kunnen zijn. En dat was deze, dat hij onder zijn overige zonen er een had, die alle andere jongelingen in grootheid en schoonheid van lichaam overtrof, maar die bijna en haast hopeloos idioot was, Galeso genaamd. Maar daar nooit de lessen van meesters, de vaderlijke liefkozingen of de kastijdingen hem iets in het hoofd hadden kunnen brengen of hem de minste welgemanierdheid hadden geleerd en hij daarentegen sterk en grof in de volkstaal sprak en zijn handelwijzen meer met die van een dier overeenstemden dan met die van een mensch, werd hij ironisch Cimon genoemd, wat in hun taal hetzelfde beteekent als in de onze: Groot Beest. De vader verdroeg zijn verloren bestaan met zwaar verdriet en reeds was hem alle hoop ontvloden niet steeds de oorzaak van zijn smart voor zich te zien, toen hij hem gelastte naar een dorp te gaan en en er bij de landbouwers te blijven. Dit was voor Cimon zeer aangenaam, omdat hem de gewoonten en de gebruiken dier ruwe menschen beter bevielen dan die der stedelingen. Toen Cimon zich dan naar het dorp begeven had en daar zich bezig hield met den veldarbeid, trad hij eens, na den middag, terwijl hij van het eene veld naar het andere ging met een stok op den nek, in een boschje, dat zeer schoon was in deze streek en dat, daar het Meimaand was, geheel was doorlooverd. Hij ging hier doorheen en alsof de fortuin hem gevoerd had, kwam hij in een kleine weide, omringd door zeer hooge boomen; in een van de hoeken was een zeer schoone en koele fontein; ter zijde van deze zag hij op het groene veld een zeer schoon jong meisje slapen in een zoo licht kleed, dat het haast niets van het blanke vleesch verborg en alleen van af den gordel naar beneden bedekt was met een wit en licht gewaad. Aan haar voeten sliepen eveneens twee vrouwen en een man, haar dienaren.

Toen Cimon haar aanzag, alsof hij nog nooit een vrouwelijke figuur had aanschouwd, leunde hij op zijn stok en zonder een woord te spreken, begon hij haar met de grootste bewondering aan te staren. En in zijn ruwe borst, waar meer dan duizend lessen niet den minsten indruk had kunnen doen doordringen van een heerlijk genot, voelde hij een aandrang ontwaken, die hem in zijn botten en groven geest zeide, dat dit jonge meisje het schoonste was wat ooit door eenig sterveling was aanschouwd. Dadelijk begon hij in iedere bijzonderheid alle deelen van haar lichaam te onderzoeken en bewonderde de haren, die hij van goud waande, het voorhoofd, den neus en den mond, de hals en de armen en vooral den weinig opwelvenden boezem en van boer opeens schoonheidsrechter geworden, verlangde hij vurig haar schoone oogen te zien, die zij gesloten hield in haar diepen slaap en om ze aan te staren had hij ineens den lust om haar te wekken. Maar daar zij hem schooner scheen dan ooit eenige vrouw, die hij eertijds had gezien, twijfelde hij er aan of zij geen godin was en toch had hij wel zooveel gevoel, dat hij de goddelijke dingen waardiger vond om geëerd te worden dan de menschelijke en hield zich daarom in, afwachtend tot zij van zelf zou ontwaken en hoewel het tijdverlies hem te groot scheen, kon hij toch door het genoten welbehagen niet heengaan. Na een lange poos werd het meisje wakker, die Ephigenia heette, en vóór dat de anderen ontwaakten; ze hief het hoofd op, opende de oogen en zag Cimon op zijn stok geleund voor haar staan, waarover zij zich zeer verwonderde en zeide: Cimon, wat zoekt gij op dit uur in dit bosch? (Cimon was door zijn manier van doen en ook door zijn grofheid zoowel als door den adel en den rijkdom van zijn vader aan iedereen in het land bekend.) Hij antwoordde niets op de woorden van Ephigenia, maar toen hij haar oogen geopend zag, begon hij vast daarin te staren en het scheen hem, dat hem daaruit een zachtheid tegenstraalde, die hem vervulde van een zaligheid nog nooit door hem gevoeld. Het meisje zag dit en begon te vreezen, dat door haar zoo star aan te zien, zijn boerschheid hem tot een daad zou drijven, die haar kon schandvlekken, daarom riep zij haar vrouwen, stond op en zeide: Cimon, ga met Zeus.

Cimon antwoordde: Ik zal met u gaan. En hoewel het meisje steeds voor hem bevreesd, zijn gezelschap weigerde, kon zij zich niet van hem bevrijden, voor hij haar had begeleid tot aan haar huis. Vandaar ging hij naar de woning van zijn vader en hield vol, dat hij niet meer naar het dorp wilde terugkeeren, wat zijn vader en de zijnen goed vonden, hoewel het hem hinderde en zij de reden trachtten te ontdekken, die hem van besluit had doen veranderen. Zoo was dan het hart van Cimon, waarin geen enkele les had kunnen binnen dringen, dank zij de schoonheid van Ephigenia door de pijl van Amor doorboord en in zeer korten tijd door van de eene gedachte tot de andere op te klimmen verwonderde hij zijn vader en al de zijnen en elkeen door wat hij begreep. Eerst vroeg hij zijn vader hem gekleed en getooid te doen gaan gelijk zijn broeders, wat deze zeer welgemoed deed. Sedert in omgang met begaafde jonge mannen volgde hij de manieren en de gewoonte der edellieden na en vooral die der verliefden en leerde niet alleen tot elks verbazing in zeer korten tijd de eerste letters, maar werd van beteekenis onder de geleerden. Daarna (en dit alles was de oorzaak der liefde, die hij Ephigenia toedroeg) legde hij niet alleen de grove en boersche taal af voor fatsoenlijke en steedsche, maar hij werd een meester in zang en muziek, in het paard rijden en den wapenhandel zoowel ter zee als te land en zeer ervaren en dapper. In het kort (opdat ik niet elke bijzonderheid van zijn deugden hoef te vertellen) eindigde hij nog niet het vierde jaar van zijn eerste liefde of hij herrees als de aardigste en de hoffelijkste jonkman en van meer uitnemenden moed dan eenig ander, die er op Cyprus was. Wat zullen wij, bekoorlijke dames, dan van Cimon zeggen? Zeker niets anders dan dat de jaloersche fortuin de groote gaven, die de hemel in zijn dappere ziel had neergelegd, gebonden had en verborgen in een zeer klein hoekje van zijn hart met de sterkste banden, welke Amor—machtiger dan deze alle—losmaakte en brak. Hij als wekker van de ingeslapen geesten, rukte door zijn kracht de deugden van Cimon uit de wreede schaduwen, die ze verduisterden in het heldere licht en toonde duidelijk, vanwaar hij de geesten aan hem onderworpen kan opheffen en waarheen hij ze met zijn stralen leidt.

Hoewel Cimon dan, door Ephigenia te beminnen gelijk verliefde jongelieden dikwijls doen, in enkele opzichten buitensporigheden beging, verdroeg Aristippos, deze in aanmerking nemend, dat Amor hem van een idioot tot een mensch had gemaakt, en bemoedigde hem in het volgen van al zijn genoegen. Maar Cimon, die weigerde Galeso genoemd te worden, daar hij zich herinnerde, dat hij zoo door Ephigenia genoemd was, wilde aan zijn verlangens een eerbaar doel geven en wilde herhaaldelijk Cypseos, den vader van Ephigenia, verzoeken hem haar tot vrouw te geven, maar Cypseos antwoordde steeds, dat hij haar toegezegd had aan Pasimundos, een edel jonkman van Rhodes, wien hij niet te kort wilde doen. Toen de tijd, vastgesteld voor de bruiloft van Ephigenia, gekomen was en de echtgenoot haar had laten halen, zeide Cimon in zich zelf: Nu is het tijd te toonen, o Ephigenia, hoe gij door mij wordt bemind. Door U ben ik man geworden en indien ik U kan bezitten, twijfel ik er niet aan roemrijker te worden dan eenig god en ik zal U zeker krijgen of sterven. Na die woorden riep hij de hulp in van eenige edele jongelieden, die zijn vrienden waren en na in het geheim een schip te hebben uitgerust met al wat noodig was voor een zeegevecht, stak hij in zee, in afwachting van het vaartuig, waarop Ephigenia naar haar echtgenoot op Rhodes zou worden vervoerd. Ephigenia ging in zee, nadat haar vader aan de vrienden van haar man alle eer had bewezen en men begaf zich op weg en richtte den steven naar Rhodes. Cimon, die niet sliep, volgde het den dag daarna met zijn schip en riep met kracht op den voorsteven van zijn schip tot hen, die op Ephigenia’s vaartuig waren: Maak halt, doe de zeilen dalen of reken er op overwonnen te worden en in zee geworpen. De tegenstanders van Cimon hadden hun wapens getrokken op de brug en maakten zich ter verdediging gereed, waarop Cimon na die woorden een ijzeren harpoen nam en die wierp op den voorsteven van de Rhodiërs, die snel wilden vluchten en dezen met geweld naar dien van zijn schip trok en verwoed als een leeuw, zonder door iemand gevolgd te worden, sprong hij daarop of hij ze allen voor niets rekende. Daar aangespoord door Amor, stortte hij zich met een wonderbare kracht tusschen de vijanden met een mes in de hand en dan deze dan gene verwondend, sloeg hij ze neer als schapen. Toen de Rhodiërs dat zagen, wierpen zij de wapens op het dek en gaven zich eenstemmig over.

Cimon sprak tot hen: Jonge mannen, noch begeerte naar buit, noch haat, die ik tegen Ü zou hebben deed mij van Cyprus vertrekken om in volle zee gewapenderhand U aan te vallen. Wat mij bewoog is voor mij iets te verkrijgen wat mij zeer dierbaar is en het is voor U gemakkelijk genoeg om mij dit in vrede toe te staan en dit is Ephigenia, door mij boven alles bemind, welke ik van haar vader niet krijgen kon als vriend en goedschiks, zoodat Amor mij dreef die op U kwaadschiks en gewapend te veroveren. Daarom wil ik voor haar zijn, wat Uw Pasimundos voor haar moest wezen; geef haar mij en ga met de gunst van Zeus. De jongelieden, die meer het geweld dan de vrijgevigheid dwong, stonden klagend Ephigenia aan Cimon af. Hij zag haar schreien en zeide: Edele donna, wees niet mistroostig, ik ben Uw Cimon, die door langdurige liefde veel meer verdiend heeft U te bezitten dan Pasimundos door gegeven belofte. Daarna keerde Cimon zich tot zijn gezellen (nadat hij haar reeds op zijn schip had doen springen zonder iets anders van de Rhodiërs aan te raken) en liet hen gaan. Cimon was toen meer dan wie ook tevreden over den zoo dierbaren verworven buit. Nadat hij eenigen tijd had genomen om haar, die weende, weer te troosten, overlegde hij met zijn makkers naar Cyprus terug te keeren. Daarom met gelijke gedachte van allen, richtte hij den steven van hun schip naar Creta, waar iedereen en het meest Cimon door oude en nieuwe verbintenissen en door veel vrienden geloofde, dat men met Ephigenia veiliger zou zijn. Maar de fortuin, die zeer blijmoedig de verovering van de donna aan Cimon had toegestaan, niet standvastig, veranderde opeens de onbeschrijfelijke vreugde van den verliefden jonkman in treurige en bittere klacht.

Er waren nog geen vier uur verloopen, dat Cimon de Rhodiërs had achtergelaten toen bij het vallen van den nacht, welke Cimon blijder dan eenigen anderen ooit verwachtte, een zeer bar en stormachtig weer begon, dat den hemel met wolken vulde en de zee met woedende winden. Daardoor kon hij niet zien wat hij moest doen of waar hij heen moest gaan, noch zich op het schip staande houden om eenigen dienst te doen. Hoe dat aan Cimon verdroot, behoeft men niet te vragen. Het scheen, dat Zeus hem zijn verlangen had toegestaan om hem van meer teleurstelling te doen sterven, waarom hij zich eerst als dat niet was gebeurd, weinig bekommerd zou hebben. Ook zijn metgezellen beklaagden zich, maar vooral Ephigenia en zij vreesden elke golfslag en in haar geschrei vervloekte zij ruw de liefde van Cimon en laakte zijn moed en beweerde, dat die vreeselijke storm door niets anders was ontstaan, dan omdat de goden niet wilden, dat hij, die tegen hun wil haar tot echtgenoot had begeerd, van zijn aanmatigend verlangen zou genieten maar dat hij haar eerst zou zien sterven en daarna zelf ellendig zou omkomen. Bij zulke klachten en nog meer anderen wisten de zeelieden niet wat te doen en terwijl de wind steeds sterker werd, wisten of beseften zij niet, waar zij heen gingen en kwamen nabij het eiland Rhodes, maar zij herkenden dit niet en deden al hun best om te landen, zoo het mogelijk was ten einde hun leven te redden. De fortuin was hun daarin gunstig en stond hen toe te landen in een kleinen zeeboezem, waarin kort voor hen, de Rhodiërs gekomen waren, die Cimon had verlaten. Zij bemerkten pas, dat ze op het eiland Rhodes gekomen waren, toen de dageraad aanbrak en de hemel helderder werd en zij zich ternauwernood op een pijlschot afstand ontwaarden van het schip den vorigen dag door hen verlaten. Hierover was Cimon zeer treurig, vreezend, dat gebeuren zou, wat hem ook werkelijk geschiedde. Hij beval, dat men alle kracht zou aanwenden om vandaar weg te gaan en dan daarheen, waar de fortuin het behaagde ze heen te voeren, want het kon op geen andere plaats erger zijn dan daar. Zij spanden zich zeer in om daar uit te komen, maar vergeefs: de machtige wind blies in tegengestelde richting, zoodat zij uit de kleine golf niet weg konden komen, maar of ze wilden of niet, hield die hen aan het strand vast.

Toen zij het strand bereikten, werden zij door de Rhodische matrozen, die van hun vaartuig waren afgedaald, herkend. Snel liep er een van hen naar een dorp, waar in de buurt de edele Rhodische jonge mannen waren gegaan en vertelde hun, dat toevallig Cimon met Ephigenia op hun schip evenals zij daar waren aangekomen. Toen die dit hoorden, namen zij zeer verheugd velen van hun mannen mede en waren spoedig aan zee en Cimon, die al van zijn vaartuig gestegen, het plan had opgevat in een naburig woud te vluchten werd met allen en met Ephigenia gevangen genomen en naar het dorp gebracht. En vandaar, toen Lysimachos van de stad kwam, in welks nabijheid hij dat jaar de opperrechter der Rhodiërs was, voerde die met een zeer groot aantal gewapende mannen, Cimon en zijn makkers allen naar de gevangenis, gelijk Pasimundos, wien het nieuws bereikte, woedend met den senaat van Rhodes, bevolen had. Zoo verloor de ellendige en verliefde Cimon zijn Ephigenia pas door hem gewonnen zonder iets meer van haar te hebben gekregen dan eenige kussen. Ephigenia werd door vele edele vrouwen van Rhodes ontvangen en herstelde, zoowel voor de smart geleden door haar schaking als van de vermoeienis ondergaan op de toornende zee en zij bleef bij hen tot aan den dag vastgesteld voor haar bruiloft. Aan Cimon en zijn gezellen werd wegens de edelmoedigheid jegens de Rhodische jongelingen den vorigen dag betoond, het leven geschonken, wat Pasimundos met al zijn macht hun wilde ontnemen en zij werden tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, waarin zij, gelijk men kan denken, in smart achterbleven en zonder hoop ooit eenig genoegen te hebben.

Maar Pasimundos verhaastte zijn aanstaande bruiloft zooveel hij kon. De fortuin, of zij berouw had over den onverwachten slag, dien Cimon trof, bracht een nieuw voorval tot zijn heil teweeg. Pasimundos had een broeder, minder in jaren maar niet in deugd, die Ormisda heette en die lang had onderhandeld om als echtgenoote een edel en schoon meisje uit de stad te krijgen, Cassandra genaamd; dat Lysimachos ten zeerste lief had, maar het huwelijk was door verschillende gebeurtenissen meermalen belemmerd. Daar Pasimundos zag, dat hij gedwongen was zijn bruiloft met een groot feest te vieren, achtte hij het best, om niet meer kosten en feesten te maken, dat hij zorgde, dat op hetzelfde feest Ormisda en zijn vrouw huwen zouden. Hij hervatte daartoe de onderhandelingen met de ouders van Cassandra en met goed gevolg. Hij en zijn broeders besloten, dat Pasimundos denzelfden dag Ephigenia zou huwen, waarop Ormisda Cassandra zou trouwen. Lysimachos hoorde dit en het beviel hem in ’t geheel niet, omdat hij zich van zijn hoop verlaten zag, welke hij koesterde haar zeker te krijgen als Ormisda haar niet nam. Maar als verstandig man verborg hij zijn spijt en hij begon te bedenken hoe hij kon beletten, dat dit gevolg had en hij zag er geen anderen weg op dan haar te rooven. Dit scheen hem gemakkelijk door het ambt, dat hij bekleedde maar ook oneerlijker dan wanneer hij dien post niet had bezet. Maar om kort te gaan na lange overpeinzing week de eerlijkheid voor de liefde en besliste hij, dat, wat er ook mocht gebeuren, hij Cassandra zou rooven. En denkend aan de hulp, die hij daarvoor noodig had en de maatregelen, die hij daarvoor moest nemen, herinnerde hij zich Cimon, dien hij met zijn makkers gevangen hield en meende geen beter en geen trouwer metgezel in deze zaak te kunnen hebben dan hem. Daarom liet hij hem den volgenden nacht heimelijk in zijn kamer komen en begon hem aldus toe te spreken:

Cimon, gelijk de goden de beste en mildste schenkers van loon zijn voor de menschen, zoo beproeven zij ook het wijste hun moed en hen, die zij flink en standvastig vinden in alle omstandigheden, maken zij ook, als de besten, de grootste belooningen waardig. Zij hebben van Uw moed een zekerder bewijs gewild dan gij binnen de perken van Uws vaders huis had kunnen leveren, dien ik als overmatig rijk ken. Eerst hebben zij U door de heftige aandoeningen der liefde van een redeloos dier, gelijk ik hoorde, tot mensch willen vormen; daarna hebben zij door harde tegenspoed en thans met treurige gevangenschap willen zien of uw ziel zich van wat die was, niet verandert, wanneer gij voor korten tijd de verlangde prooi had veroverd. Indien die dezelfde is als voorheen, schonken zij U nooit zulk een vreugde als zij U thans bereiden, wat ik U wil aantoonen, opdat gij Uw krachten herwint en weer moed vat. Pasimundos, verheugd over Uw ongeluk en die met aandrang Uw dood heeft gezocht, verhaast zooveel hij kan het vieren van de bruiloft met Uw Ephigenia, opdat hij zich dan verblijdt met den buit, welke eerst de gunstige fortuin U had toegestaan en toen opeens gramstorig U ontnam. Dit moet U leed doen naar ik zelf weet, indien gij haar zoo lief hebt als ik geloof; want op denzelfden dag maakt Ormisda, zijn broeder, zich gereed, om mij een dergelijke hoon aan te doen met Cassandra, die ik boven alles bemin. Om zooveel smaad en zooveel verdriet van het ongeluk te ontgaan, zie ik geen anderen weg open dan de kracht van onze zielen en van onze rechtervuisten, waarin wij het zwaard moeten voeren en waarmee wij ons ruim baan moeten maken gij voor den tweeden en ik voor den eersten roof van onze beide vrouwen. Daarom, indien gij wilt—ik wil niet zeggen de vrijheid, waarom gij, denk ik, zonder Uw vrouw weinig geeft—dat gij Uw vrouw terug krijgt, hebben de goden, die mij bij mijn onderneming willen helpen, dit in Uw handen gesteld.

Deze woorden deden al de verloren wilskracht in Cimon terugkeeren en zonder te veel tijd voor het antwoord te nemen, zeide hij: Lysimachos, gij kunt geen sterker en trouwer makker in deze zaak hebben, indien er voor mij uit moet volgen, wat gij zegt en daarom vertel mij, wat U goed dunkt, dat ik moet doen en gij zult zien, dat het met een bewonderenswaardige kracht zal gebeuren. Lysimachos antwoordde hem: Binnen drie dagen zullen de jonge vrouwen het eerst de huizen hunner mannen betreden, waarin gij gewapend met Uw makkers en ik met de mijnen, die ik genoeg vertrouw, bij het vallen van den avond zullen binnentreden en welke wij te midden van de gasten geroofd naar een schip zullen brengen, dat ik in ’t geheim heb laten gereed maken, terwijl wij iedereen zullen dooden, die zich vermeet ons weerstand te bieden. Dit plan beviel aan Cimon en stil begaf hij zich tot den bepaalden tijd naar de gevangenis. Toen de dag van de bruiloft kwam, was de staatsie groot en prachtig en elk deel van het huis was vol van het vroolijke feest.

Lysimachus, die alles gereed had gemaakt, vereenigde Cimon en zijn makkers met zijn eigen vrienden en hij verdeelde ze, toen het oogenblik hem gekomen scheen, in drie groepen alle met wapens onder hun kleederen na ze met woorden ten gunste van zijn onderneming te hebben aangespoord. Een groep werd zonder gedruisch naar de haven gezonden, opdat niemand ze zou beletten het schip te bestijgen, wanneer het noodig zou zijn. Met de andere twee ging hij naar het huis van Pasimundos, waar hij aangekomen er een bij de deur liet, opdat niemand hem er kon insluiten of hem den aftocht belemmeren en met de derde beklom hij den trap gevolgd door Cimon. In de zaal gekomen, waar de jonge bruiden aan tafel waren gezeten om te eten met een groot aantal andere dames, wierpen zij zich vooruit, smeten de tafels omver en nadat elk van hun zijn vrouw genomen had en in handen had gesteld van zijn makkers, gaven zij order ze dadelijk naar het schip te leiden, gereed om hen te ontvangen. De jonge vrouwen begonnen te huilen en te schreeuwen, evenals de anderen en de dienaren en opeens was het huis vol rumoer en geklaag. Maar Cimon en Lysimachus, die hun zwaarden hadden getrokken en alles op hun weg verjoegen, richtten zich naar de trappen; zij daalden ze af, tot ze Pasimundos ontmoetten, die met een grooten stok in de hand op het leven afkwam: Cimon sloeg hem woedend op het hoofd, kloofde hem den schedel en deed hem dood aan zijn voeten neerstorten. Toen de ongelukkige Ormisda tot zijn hulp aansnelde, werd hij eveneens door de slagen van Cimon gedood en alle anderen, die wilden naderen, werden gekwetst en achteruit geworpen door de makkers van Lysimachos en Cimon. Zij lieten het huis achter vol bloed, vol tumult, tranen en droefenis en in een dichte groep bereikten zij te zamen met hun prooi het schip. Hierop zetten zij de vrouwen neer en klommen er zelf op met hun gezellen, toen het strand al vol gewapend volk was, dat tot bevrijding van de vrouwen aankwam. Zij staken de riemen in het water en gingen verheugd over hun bedrijven heen. Op Creta gekomen werden zij door vele vrienden en verwanten blijde ontvangen, huwden de vrouwen en na een groot feest genoten zij gelukkig van hun roof. Op Cyprus en Rhodes was het rumoer en de stoornis groot en lang door hun daad. Ten slotte nadat hun vrienden en verwanten op het eene en het ander eiland als bemiddelaars waren opgetreden, vonden die een uitweg, zoodat na eenigen tijd van ballingschap Cimon met Ephigenia gelukkig naar Cyprus terugkeerde en Lysimachus ook met Cassandra naar Rhodes en elk leefde langen tijd met zijn vrouw gelukkig in zijn land.

TWEEDE VERTELLING.

Gostanza bemint Martuccio Gomito, welke hoorend, dat hij dood is, uit wanhoop zich alleen in een bark neerzet, die door den wind naar Susa gevoerd wordt. Zij vindt hem levend terug in Tunis, doet zich aan hem kennen en daar hij zeer bevriend wordt met den koning voor geschonken raadgegevingen, huwt hij haar en keert rijk met haar terug naar Lipari.

Toen de koningin bespeurde, dat de novelle van Pamfilo uit was, gelastte zij, na die zeer te hebben geprezen, dat Emilia zou voortgaan met het verhalen van een andere, die aldus begon: Ieder moet zich terecht verheugen in de dingen, waarin men de belooning op genegenheid ziet volgen en wel omdat de liefde op den langen duur eerder vreugde verdient dan smart. Met veel grooter genoegen zal ik door deze stof te behandelen de koningin gehoorzamen dan het ik om de voorafgaande deed aan den koning.

Teedere donna’s. Gij moet dan weten, dat er in de nabijheid van Sicilië een eilandje is, Lipari genaamd, waarop nog niet lang geleden een zeer mooie meisje geboren werd, Gostanza, uit zeer achtenswaardige familie vandaar. Op haar werd een jonkman, die er woonde, Martuccio Gomito, zeer aardig en beschaafd en bekwaam in zijn vak, verliefd. Zij werd eveneens zoo door hem ontbrand, dat zij zich nooit goed gevoelde, als zij hem niet zag. En daar Martuccio haar tot vrouw begeerde, liet hij haar aan haar vader vragen. Deze antwoordde, dat hij arm was en haar daarom niet wilde geven. Martuccio verontwaardigd, omdat hij zich haar zag weigeren om zijn armoede, zwoer met eenige van zijn vrienden en verwanten nooit in Lipari terug te keeren dan rijk. Hij vertrok vandaar en begon als zeeroover de kust van Barbarije te bevaren elk bekapend, die minder machtig was dan hij. De fortuin was hem hierbij zeer gunstig, als hij zich maar met zijn voorspoed tevreden had kunnen stellen. Maar daar het hem niet genoeg was, dat hij en zijn vrienden in korten tijd zeer rijk werden, daar zij meer dan rijk wilden worden, werd hij door zekere schepen der Saracenen na een lange verdediging gevangen genomen en weggevoerd en het grootste deel van hen door de Mahomedanen verdronken. Nadat zijn schip was vernield, werd hij naar Tunis in de gevangenis gevoerd en in lange ellende bewaard. Op Lipari kwam de tijding, dat al degenen, die met Martuccio op het schip waren, verdronken. Het meisje, dat over het heengaan van Martuccio mateloos bedroefd was, toen zij hoorde, dat hij als de anderen dood was, klaagde langen tijd en besloot niet langer te leven. In ’t geheim verliet zij ’s nachts haars vaders huis en aan de haven gekomen zag zij toevallig afgescheiden van de andere schepen een visscherspink, die zij, hoewel de eigenaars er voor het oogenblik af waren, voorzien vond van een mast, zeilen en riemen. Zij klom er snel op, roeide met de riemen in zee en daar zij eenigszins de zeevaart meester was als al de vrouwen op dit eiland, heesch zij het zeil, stak de riemen in het water, wierp de roerpen achteruit en liet zich geheel gaan voor den wind. Zij dacht, dat bepaald de wind de bark zonder lading en zonder evenwicht zou omslaan of dat een schok die moest breken en verpletteren, waardoor zij, zelfs als zij het wilde ontgaan, niet kon maar zeker moest verdrinken. Zij wikkelde het hoofd in haar mantel en legde zich klagend op den bodem van de bark. Maar het gebeurde heel anders dan zij had verwacht, omdat de wind, die haar voerde, tramontaansch (noordelijk) was en zacht en er haast geen golfslag bewoog en die de bark goed leidend op den dag na den nacht, dat zij die had bestegen, haar tegen den vesper ongeveer op honderd mijlen boven Tunis op een strand dreef in de buurt van de stad Susa. [94]

Het jonge meisje bemerkte niet meer of zij in land of in zee was, want zij had besloten, wat er ook zou gebeuren het hoofd niet op te heffen en had dit dan ook niet gedaan. Er was bij toeval op het strand, toen de bark er op zou stooten, een arme goede vrouw bezig de netten der visschers uit de zon te trekken en die bij het gezicht van de bark er zich over verwonderde, dat men die met vol zeil op de kust had laten loopen. Denkend, dat de visschers er op waren ingeslapen, begaf zij zich er heen en zag er slechts een jong meisje in, dat sliep. Nadat zij het meermalen geroepen had, wist zij het eindelijk te wekken en daar zij het aan haar kleederen herkend als Christin en zij Latijn [95] sprak, vroeg zij haar, hoe zij daar zoo alleen in die bark gekomen was. Het jonge meisje, dat Latijn hoorde spreken, twijfelde er aan of zij misschien niet door een anderen wind naar Lipari was teruggekeerd en plotseling opgestaan keek zij rond en daar zij dit wel kende, vroeg zij aan de goede vrouw, waar zij was. Deze antwoordde: Mijn kind, gij zijt dicht bij Susa in Barbarije. Toen het jonge meisje dit hoorde, ging het aan den voet van de bark zitten wanhopig, dat God haar den dood niet had willen zenden en vreezend, dat haar schande zou overkomen en begon te schreien.

Toen de goede vrouw dit zag, had zij medelijden met haar en op haar aandringen slaagde zij er in haar naar haar hut mee te krijgen en daar behandelde zij haar zoo liefderijk, dat het jonge meisje haar vertelde, wat er gebeurd was. Daar de goede vrouw begreep, dat zij nog nuchter was, bracht zij het hard brood, wat water en een paar visschen en bad haar zoo, dat zij er iets van at. Na gegeten te hebben vroeg Gostanza, wie zij was. Zij zeide, dat zij van Trapani kwam en Carapresa heette en dat zij de dienstmaagd was van een paar christelijke visschers. Toen het meisje Carapresa hoorde spreken, vond zij dit, hoewel zij troosteloos was en niet wist, wat haar daartoe dreef, een goed teeken bij het hooren van dien naam en begon te hopen zonder te weten hoe en een weinig haar begeerte te laten varen om te sterven en zonder bekend te maken wie zij was of van waar, bad zij de goede vrouw om Gods wil medelijden met haar te hebben en met haar jeugd en haar eenige raad te geven, opdat men haar niet zou beleedigen. Carapresa hoorde haar als een brave vrouw, die zij was, aan, liet haar in haar hut blijven en na vlug haar netten te nebben opgehaald, kwam zij haar halen. Na haar van het hoofd tot de voeten in haar mantel gewikkeld te hebben, nam zij haar mee naar Susa en daar zeide zij tot deze: Gostanza, ik zal U bij een zeer goede saraceensche dame brengen, aan wien ik diensten doe; het is een oude en barmhartige vrouw; ik zal U zoo goed ik kan aan haar aanbevelen en ik ben er zeker van, dat zij U gaarne zal ontvangen en U als haar dochter zal behandelen; wat U betreft, gij moet al het mogelijke doen, wanneer gij bij haar blijft, om haar te dienen en haar gunst te winnen, totdat God U meer geluk zal zenden. En zij voegde de daad bij het woord.

De donna, waar de oude heen gegaan was, zag het meisje in het gelaat en begon te schreien, nam haar aan, kuste haar het voorhoofd en leidde haar toen bij de hand in haar huis, waarin zij zonder man met eenige vrouwen woonde en allen met hun handen verschillende voorwerpen maakten van zijde, van palmhout of van leer. Het meisje leerde die binnen enkele dagen vervaardigen, begon met hen samen te werken en het kwam zoo in de gunst en won zoo de genegenheid van de donna en van de anderen, dat het een wonder was. En in den korten tijd, dat zij haar die onderwezen, leerde zij hun taal. Terwijl het meisje aldus in Susa bleef, werd zij thuis al beweend als verloren en gestorven.

Destijds was Mariabdela koning van Tunis en verzamelde een jonkman van hooge geboorte en groote macht, die zich te Granada bevond een zeer groote menigte manschappen met de bewering, dat hem de heerschappij over Tunis toebehoorde en rukte tegen dien koning op om hem van den troon te jagen. Dit kwam Martuccio Gomito in de gevangenis ter ooren, die het Barbarijsch goed kende en toen hij hoorde, dat de koning van Tunis een zeer groote macht tot zijn verdediging bijeen bracht, zeide hij tot een der lieden, die hem en zijn makkers bewaakten: Wanneer ik den koning mag spreken, maak ik mij sterk hem een raad te geven, waardoor hij in zijn strijd zal zegevieren. De wachter bracht die woorden aan zijn heer over, die het dadelijk aan den koning berichtte. De koning gelastte, dat Martuccio bij hem gebracht werd en vroeg hem, wat die raad was. Deze antwoordde hem aldus: Heer, als ik wel in een vroeger tijd, toen ik Uw rijk bezocht, Uw strijdwijze heb gade geslagen, schijnt het mij, dat gij die eerder met boogschutters volgt dan met andere soldaten en daarom, als men een middel kon vinden, dat Uw tegenstanders pijlen zouden missen en de Uwen er in overvloed hadden, denk ik, dat gij in den krijg zoudt winnen. Hierop sprak de koning: Zonder twijfel, als dat kon, zou ik zeker overwinnaar zijn. Martuccio ging voort: Heer, indien gij het wilt, kan dat heel goed en ziehier hoe: gij moet voor de bogen van Uw boogschutters koorden laten maken veel dunner dan men ze gewoonlijk overal gebruikt; dan moet gij pijlen laten vervaardigen, waarvan de kepen alleen op die koorden passen en dat alles moet zoo in ’t geheim geschieden, dat Uw tegenstander het niet weet, want anders zal hij een middel vinden tot tegenweer. En ziehier waarom ik zoo spreek: wanneer de boogschutters van Uw vijand hun pijlen zullen hebben geworpen en de Uwen hun schichten, weet gij, dat de vijanden de pijlen oprapen, die de Uwen hebben afgeschoten evenals wij die van den vijand. Maar als de vijand zich van de onzen niet kan bedienen, omdat de kleine kepen niet op zijn dikke koorden passen, terwijl juist het tegenovergestelde het geval zal zijn met de schichten van den vijand, zullen de dunne koorden wel de pijlen dragen met een groote keep en zoo zullen de Uwen er overvloedig van voorzien worden, terwijl Uw tegenstanders er gebrek aan zullen krijgen. [96]

De raad van Martuccio beviel aan den koning, die een zeer wijs man was en hij volgde hem geheel op, waardoor hij den slag won. Daardoor steeg Martuccio hoog in zijn gunst en werd aldus machtig en rijk. Het gerucht van die dingen ging door het gansche land en het bereikte de ooren van Gostanza, dat Martuccio Gomito leefde, dien zij langen tijd dood had gewaand. Hierdoor ontvlamde haar liefde, die reeds in haar hart zeer was verkoeld, opnieuw en werd grooter en de gedoode hoop herleefde.

Derhalve vertelde zij geheel aan de goede dame, waar zij was, haar lot en zeide zij, dat zij verlangde naar Tunis te gaan, opdat zij met de oogen zich verzadigde aan wat de ooren van de ontvangen geruchten haar hadden doen begeeren. Deze prees haar verlangen zeer en alsof zij haar moeder was geweest, ging zij met haar op een bark te zamen naar Tunis, waar zij met Gostanza bij een bloedverwante eervol in huis werd ontvangen. En daar Carapresa met haar mee was gegaan, gelastte zij die te vernemen, wat zij van Martuccio kon te weten komen. Toen zij bevonden had, dat hij leefde en heel voornaam en Carapresa het haar had gemeld, behaagde het de edelvrouw, dat zij het zou zijn, die aan Martuccio zou berichten, dat zijn Gostanza voor hem daarheen was gekomen.

Toen zij op een dag zich begeven had daarheen, waar Martuccio woonde, zeide zij tot hem: Martuccio, in mijn huis is een dienaar van U van Lipari gekomen, die U daar in stilte wil spreken en omdat ik het niet aan anderen wilde toevertrouwen, ben ik, gelijk hij het verlangde, zelf hier gekomen om het uiteen te zetten. Martuccio bedankte haar en ging toen naar haar huis. Toen hij het meisje zag, stierf hij haast van vreugde en daar hij zich niet kon weerhouden, vloog hij haar met open armen om den hals en omarmde haar en begon uit medelijden over de vroegere ongevallen en door de blijdschap van het oogenblik zonder een woord te kunnen spreken, zeer te weenen. Martuccio zag het meisje aan, bleef eenigzins verwonderd en zei toen zuchtend: O mijn Gostanza, hoe leef je nog? Het is al lang geleden, dat ik gehoord heb, dat gij dood waart en ook in ons land wist men niets van U en na die woorden schreide hij zeer en omarmde en kuste haar. Gostanza vertelde hem al haar avonturen en de eer, die haar te beurt was gevallen bij de edelvrouw, waar zij was blijven wonen. Na vele gesprekken nam Martuccio afscheid van haar, ging naar zijn heer, den koning en vertelde hem alles, namelijk zijn lotgevallen en die van het meisje en voegde er bij, dat hij met zijn verlof volgens onze wet haar wilde huwen.

De koning verwonderde zich hierover en ontbood het meisje en nadat hij van haar had gehoord, dat het zoo was als Martuccio had verteld, zeide hij: Gij hebt dan Uw man wel verdiend. Hij liet zeer groote en voorname geschenken komen, gaf een deel aan haar en een deel aan Martuccio en liet hun de vrijheid met elkaar te doen, wat elk het liefst was. Martuccio bewees veel eer aan de edelvrouw, waarbij Gostanza had gewoond, en na haar bedankt te hebben voor wat zij in haar dienst had gedaan en haar geschenken te hebben gegeven, die haar te pas kwamen en haar aan God te hebben aanbevolen, ging zij niet zonder veel tranen van Gostanza heen. Na het verlof des konings bestegen zij een scheepje en met hen keerde Carapresa naar Lipari terug onder voorspoedigen wind, waar zulk een groote vreugde heerschte, dat men het nooit zou kunnen beschrijven. Hier huwde Martuccio haar en maakte een groote en schoone bruiloft en daarna verheugden zij zich lang te samen door hun liefde in vreugde en rust.

DERDE VERTELLING.

Pietro Boccamazza vlucht met Agnolella. Hij ontmoet dieven; het meisje vlucht door een woud en komt bij een burcht. Pietro wordt gevangen genomen en ontsnapt aan de dieven. Na eenige avonturen komt hij in het kasteel, waar Agnolella is, huwt haar en keert naar Rome terug.

Er was niemand onder hen, die de geschiedenis van Emilia niet prees en de koningin, die bemerkte, dat zij geëindigd had, keerde zich naar Elisa en beval haar voort te gaan. Deze, verlangend te gehoorzamen, begon: Genadige donna’s. Ik herinner mij een boozen nacht, die twee onvoorzichtige jongelieden doorbrachten, maar omdat daarop vele blijde dagen volgden en dit daarom met ons voorschrift overeen komt, behaagt het mij U dit te vertellen.

Te Rome, dat vroeger de kop der wereld was, maar thans de staart [97] er van is, leefde voor kort een jonkman Pietro Boccamazza van een aanzienlijk geslacht onder de romeinsche families en die verliefd werd op een zeer schoon en zeer begeerenswaardig jong meisje Agnolella, de dochter van een zekeren Gigliuozzo Saullo, een plebejer, maar zeer bij de Romeinen bemind. En daar hij haar liefhad, wist hij zoo te werk te gaan, dat het meisje van hem niet minder begon te houden dan hij van haar. Pietro door een heftig lijden gedreven, veroorzaakt door verlangen naar haar, vroeg haar tot vrouw. Zoodra zijn verwanten dit vernamen, gingen zij allen, naar hem toe en laakten zeer, wat hij doen wilde en anderzijds deden zij aan Gigliuozzo Saullo weten, dat hij geen acht zou slaan op Pietro’s woorden, omdat, zoo hij het deed, hij ze nooit tot vriend noch tot familie zou hebben. Toen Pietro zich den weg zag afgesneden, langs welken hij alleen meende zijn begeerte te kunnen bevredigen, was hij op het punt te sterven van verdriet en indien Gigliuozzo had toegestemd, had hij tegen het genoegen van elken bloedverwant, dien deze had, zijn dochter tot vrouw genomen. Maar toch nam hij zich bepaald voor, indien dit het meisje aanstond, te zorgen, dat het gevolg zou hebben en door de tusschenkomst van een welwillend persoon sprak hij met haar af met haar uit Rome te vluchten. Toen dit geregeld was, stond Pietro op een morgen zeer vroeg op, steeg met haar samen te paard en zij sloegen den weg in naar Alagna [98], waar Pietro zekere vrienden had, waarin hij veel vertrouwen stelde. Aldus te paard gezeten hadden zij geen tijd hun liefkoozingen voort te zetten, omdat zij vreesden vervolgd te worden, begonnen over hun minnarijen te spreken en kusten elkaar van tijd tot tijd. Daar Pietro den weg niet goed kende, namen zij, toen zij op acht mijl misschien van Rome verwijderd waren en zij rechts moesten houden, den weg links. Zij waren nog geen twee mijlen verder gereden of zij bevonden zich in de nabijheid van een klein kasteel, waaruit, daar zij er gezien waren, dadelijk twaalf knechten te voorschijn kwamen en toen zij al dicht bij hen waren, ontwaarde het meisje hen en zeide daarom schreeuwend: Pietro, laat ons vluchten, want wij worden aangevallen en zoodra hij het merkte, richtte hij het paard naar een zeer groot woud en de sporen strak aan het lijf houdend, hield zij zich aan den haarkam vast. Het paard, dat zich voelde aanzetten, droeg haar galoppeerend door het woud weg. Pietro, die meer op haar lette dan op den weg, had niet zoo snel als zij de manschappen bemerkt en terwijl hij nog keek zonder te begrijpen, vanwaar zij gekomen waren, werd hij door hen achterhaald, gevangen genomen en gedwongen van het paard te stijgen. Zij vroegen hem, wie hij was en toen hij dit gezegd had, begonnen zij onder elkaar raad te houden en te zeggen: Hij behoort tot de vrienden van onze vijanden; wat moeten wij anders doen dan hem de kleeren afnemen en het paard en hem ten spijt van de Orsini’s aan een van deze eiken ophangen? Zij werden het daar allen over eens en bevalen aan Pietro zich uit te kleeden. Terwijl hij dit deed en hij zijn treurig lot al vermoedde, kwam op eens uit een hinderlaag een troep van vijfentwintig man te voorschijn en schreeuwde achter hen: Dood aan hen, dood aan hen! Dezen door de anderen verrast, lieten Pietro staan en wendden zich om ter verdediging, maar toen zij zagen veel minder in aantal te zijn dan hun aanvallers, begonnen zij te vluchten en de anderen hen te vervolgen.

Toen Pietro dit zag, nam hij zijn goed bijeen, sprong op zijn paard en begon zoo hard hij kon te vluchten langs den weg, waarlangs hij het meisje had zien vlieden. Maar daar hij door het woud pad noch straatweg zag noch een spoor van een paard, scheen het hem daarna veiliger zoowel buiten de macht van hen, die hem hadden gevangen genomen als ook buiten die der anderen, welke hadden aangevallen, te zijn. En daar hij zijn meisje niet terug vond, begon hij bedroefder dan eenig ander man te schreien en links en rechts door het woud gaande haar te roepen, maar niemand antwoordde hem en hij durfde niet terug keeren en voorwaarts gaande wist hij niet, waar hij zou aankomen.

Van den anderen kant had hij groote angst voor de wilde dieren, die gewoonlijk in de bosschen huizen en voor zijn meisje, dat misschien al verslonden was door een beer of door een wolf. De ongelukkige Pietro liep toen den ganschen dag door het woud te schreeuwen en te roepen en kwam dikwijls op zijn schreden terug, als hij meende voorwaarts te gaan en eindelijk door het schreeuwen en klagen en den angst en het lange vasten was hij zoo vermoeid, dat hij niet meer voorwaarts kon. Toen hij den nacht zag aanbreken en hij zich geen anderen raad wist te verschaffen, vond hij een grooten eik, steeg van het paard, dat hij er aan vast bond en daarna om niet door de wilde dieren gedurende den nacht te worden verscheurd, klom hij er in. Kort daarna ging de maan op en het weer werd zeer helder. Hoewel hij den moed niet had in te slapen, daar hij bang was te vallen, was hij ook niet op zijn gemak, omdat de smart en de gedachten aan het jonge meisje hem geen rust lieten. Hij waakte zuchtend en klagend en vervloekte zijn lot.

Het vluchtende meisje, gelijk wij vroeger al zeiden, wist niet waar heen te gaan tenzij daarheen, waar haar paard haar naar toe scheen te dragen en zij begaf zich zoo diep in het woud, dat zij de plaats niet meer kon vinden, vanwaar zij er binnen was gekomen. Aldus dwaalde zij evenals Pietro den ganschen dag dan weer halt houdend dan weer voortgaande en klagend en roepend en treurend over haar ongeluk door het bosch. Eindelijk ziende, dat Pietro niet kwam en dat het reeds avond was, sloeg zij een klein pad in. Toen zij iets meer dan twee mijlen gereden had, zag zij van verre een huisje, waar zij, zoo gauw zij kon, heenging en daar vond zij een bejaard, goed man met zijn vrouw, die ook al oud was. Zij zagen haar alleen en zeiden: O kind, wat doet gij op dit uur zoo alleen in deze streek? Het treurende meisje zeide, dat zij haar gezelschap in het woud verloren had en vroeg, hoe dicht zij bij Alagna was, waarop de goede man antwoordde: Mijn dochter, dat is geen weg om naar Alagna te gaan; dat is meer dan twaalf mijlen afstand. Het meisje ging voort: En zijn er dan hier woningen om te overnachten? Hierop antwoordde de goede man: Meisje, het zal mij aangenaam zijn, als gij dezen avond bij ons blijft, maar wij willen U in ieder geval er aan herinneren, dat door deze streken bij dag als nacht, zoowel bevriende als vijandige troepen gaan, welke U herhaaldelijk groot leed en groote schade kunnen doen en indien bij ongeluk, terwijl gij er zoudt zijn, er een langs kwam en U zou zien mooi en jong als gij zijt, zouden zij U last en schande aandoen en wij zouden U niet kunnen helpen. Wij willen U dit zeggen, opdat gij, indien dit gebeurde, het ons niet kunt verwijten. Het meisje ziende, dat het al laat was, terwijl de woorden van den oude haar nog meer ontstelden, zeide: Als het God mag behagen, zal Hij U en mij dit verdriet besparen; als het mij zou overkomen, zou het veel minder zijn door mannen te worden aangerand dan in de bosschen door de wilde dieren te worden verslonden. Bij die woorden steeg zij van haar paard, trad in de hut van den armen man en avondmaalde daar met wat zij hadden, povertjes en wierp zich daarna geheel gekleed met hen samen in een bed en hield dien heelen nacht niet op te zuchten en haar ongeluk te beklagen en dat van Pietri, waarvan zij niets anders dan kwaad verwachtte. Toen de morgen al nabij was, hoorde zij een groot rumoer van menschen naderen, hierdoor stond zij op, ging op een groote plaats, die achter het kleine hutje was en zag daar een grooten hoop hooi, waarin zij zich verborg om niet zoo spoedig, indien die daar heen kwamen, gezien te worden.

Ternauwernood had zij dit gedaan of zij, die een grooten troep bandieten vormden, kwamen bij de deur van de kleine hut, lieten zich open doen, traden binnen, zagen het paard van het meisje, dat zijn zadel nog op had en vroegen wie daar was. De goede man, die het meisje niet zag, zeide: Er is hier niemand dan wij, maar dat paard, van wien het ook is, kwam hier gisteravond en wij hebben het doen binnen komen om niet door de wolven te worden verscheurd. Dan, zei het hoofd van de bende, zal het goed voor ons zijn, omdat het geen ander heer heeft. Nadat zij zich allen door het boschje hadden verspreid, ging een deel van hen naar de binnenplaats en daar zij hun lansen en hun houten schilden neerlegden, stak een van hen zijn spies, niet wetend wat te doen, in het hooi en het scheelde maar weinig of hij doodde het jonge meisje, dat daarin verborgen was en dat hij haast gedwongen had zich te vertoonen, omdat de lans zoo dicht langs haar linkerborst ging, dat het ijzer haar kleeren scheurde en zij bijna een grooten gil had gegeven uit angst gewond te worden, maar zich de plaats herinnerend, waar zij was, hernam zij al haar koelbloedigheid en hield zich stil.

De mannen van de bende braadden hun geiten- en ander vleesch aten en dronken, gingen deze hier-, gene daarheen naar hun bezigheden en namen het paard van het meisje mede. Toen zij al op eenigen afstand waren, vroeg de goede man de vrouw: Waar was ons meisje, dat gisteravond hier aankwam? Ik heb haar niet gezien, sinds wij opstonden. De goede vrouw antwoordde, dat zij het niet wist en ging kijken. Toen het meisje bemerkte, dat de roovers vertrokken waren, kwam zij uit het hooi te voorschijn, waarmee de goede man zeer vergenoegd was, omdat hij zag, dat zij niet in hun handen was gevallen en daar het al dag werd, zeide hij: Nu het morgen wordt, zullen wij, als gij wilt, U vergezellen tot een kasteel, hier vijf mijlen vandaan en dan zult gij op een veilige plaats zijn, maar gij zult er te voet moeten heengaan, omdat die schelmentroep, toen ze hier wegging, Uw paard met zich mede heeft gevoerd. Het jonge meisje, op dat punt gerust gesteld, bad hem bij God haar naar dit kasteel te leiden; daarna gingen zij op weg en kwamen er op de helft van het derde uur aan. Het kasteel behoorde aan een der Orsini’s, die zich Liello di Campo di Fiore noemde en toevallig hield zich daar zijn vrouw op, die zeer goed en heilig was. Toen zij het meisje zag, herkende zij het spoedig ontving het met vreugde en wilde alles nauwkeurig weten. Het meisje vertelde dit. De donna, die ook Pietro kende, daar deze een vriend van haar man was, werd zeer treurig over het geval en hoorend, waar hij was gevangen genomen, meende zij, dat hij dood was; zij zeide dan tot het meisje: Daar gij niet weet, wat er van Pietro geworden is, zult gij bij mij blijven, totdat ik in staat zal zijn U zonder gevaar naar Rome terug te zenden.

Pietro op den eik gezeten, zoo treurig als hij maar kon wezen, zag op het uur van den eersten slaap een kudde van wel twintig wolven komen, welke allen, zoodra zij het paard zagen, daarom een kring vormden. Het paard werd ze gewaar, hief het hoofd op, brak de teugels en wilde vluchten, maar daar het omsingeld was en niet weg kon, verdedigde het zich langen tijd met zijn tanden en zijn hoeven; eindelijk door hen ter aarde gelegd, werd het in stukken gescheurd en dit dadelijk de ingewanden uit het lijf gehaald en allen aten er van zonder iets anders over te laten dan het rif en gingen weg. Pietro, die hoopte in het paard een makker te hebben en een steun in zijn vermoeienissen, was heel neerslachtig en meende nooit weer uit dat woud te komen. Terwijl het al haast dag was, en hij bijna van koude op den boom stierf en steeds rond keek, zag hij op een mijl misschien voor zich uit een groot vuur. Toen het geheel dag werd, klom hij niet zonder vrees uit dien eik, begaf zich daarheen en ging zoover, tot hij het bereikte. Rondom dat vuur vond hij herders, die aten en zich vermaakten en hij werd uit medelijden door hen opgenomen. Nadat hij gegeten en zich verwarmd had, hun zijn ongeluk had verhaald en hoe hij daarheen was gekomen, vroeg hij hen of er daar ergens een dorp of kasteel was, waar hij heen kon gaan. De herders zeiden, dat daar misschien op drie mijl afstand een kasteel stond van Liello di Campo Fiore, waarin ook toen zijn donna zich bevond. Pietro hierover zeer vergenoegd verzocht hun, dat een van dezen hem naar het kasteel zou vergezellen, wat twee er van gaarne deden. Toen Pietro daar aankwam en zag, dat hij bij bekenden was, vroeg hij het jonge meisje te laten zoeken in het woud, waar de donna hem liet roepen; hij ging dadelijk naar haar toe; en daar hij Agnolella naast haar zag, was hij verheugd als nooit te voren. Hij verging van verlangen haar te omhelzen, maar uit verlegenheid, die hij had tegenover de donna van het kasteel, liet hij het na. En zoo hij blijde was, was de vreugde van het meisje niet geringer. De edelvrouw berispte hem zeer, toen hij na de ontvangst alles verteld had en zij hoorde, wat hem gebeurd was, omdat hij tegen den wil van zijn ouders zijn zin had gevolgd. Maar toen zij zag, dat hij toch niet anders gestemd werd en dat hij aan het meisje behaagde, zeide zij: Waarom zal ik mij moe maken? Zij houden van elkaar; zij kennen elkaar; elk is evenzeer bevriend met mijn man en hun verlangen is eerlijk en ik geloof, dat dit aan God behaagt, omdat de een aan de galg ontsnapt is en de andere aan de lans en beide aan de wilde dieren des wouds en laat het daarom maar gebeuren. En zich tot hen wendend zeide zij: Indien het u dan toch behaagt man en vrouw te worden,—en ook mij staat dit aan—doe het dan maar en hier zal bruiloft gevierd worden op kosten van Liello. Ik zal den vrede weten te stichten tusschen U en Uw ouders. Pietro was zeer blijde en Agnolella nog meer. Zij huwden toen en zoover dat in het bergland mogelijk was, bereidde de edelvrouw het bruiloftsfeest voor en daar genoten zij de eerste vruchten hunner allerzoetste liefde. Een paar dagen daarna steeg de donna met hen samen te paard en keerden zij onder goed geleide naar Rome terug, waar Pietro zijn ouders zeer vertoornd vond over wat hij had gedaan, maar weer tot een verzoening met hen geraakte. En hij leefde in groote rust en genoegen met zijn Agnolella tot in zijn ouderdom.

VIERDE VERTELLING.

Ricciardo Manardi wordt door messer Lizio van Valbona met zijn dochter gevonden. Hij huwt haar en verzoent zich met haar vader.

Toen Elisa zweeg en naar de loftuitingen hoorde van haar gezellinnen over haar verhaal, beval de koningin aan Filostrato, dat hij er een zou vertellen, die lachend begon: Ik ben zoo dikwijls door u gelaakt door u gedwongen te hebben over een pijnlijk onderwerp te spreken en u te doen klagen, dat ik mij verplicht acht, ten einde het verdriet wat te doen vergeten, dat ik u iets moet vertellen, waarom ik u zal doen lachen. En daarom wil ik u in een vrij kleine historie een liefde vertellen, die tot een vroolijk einde gevoerd werd en door geen andere smart gestoord dan door zuchten en een kortstondigen angst vermengd met schaamte.

Waarde donna’s. Het is niet lang geleden, dat er in Romagna een rijk en welgemanierd ridder leefde, die Lizio van Valbona heette. Hij kreeg, toen hij al haast oud was bij zijn vrouw, madonna Giacomina genaamd, een dochter die meer dan eenige andere in den omtrek in haar groei schoon en aardig werd en daar zij hun eenigste kind was, werd zij door dezen ten zeerste bemind en gekoesterd en met wonderbare zorg behoed in afwachting haar een groot huwelijk te doen sluiten. Nu kwam er dikwijls in het huis van messire Lizio, een knap en frisch jonkman en hield zich daar veel op; hij was van de familie Manardi van Brettinoro en heette Ricciardo, dien de heer Lizio en zijn vrouw vertrouwden als een eigen kind. Ricciardo zag het meisje dikwijls, dat zeer schoon was en vol gratie van manieren, wel opgevoed en reeds huwbaar, werd wanhopig op haar verliefd en hield zijn liefde met de grootste zorg verborgen. Het meisje zag dit en begon zonder ontmoeting te vermijden hem evenzeer lief te hebben, waarover Ricciardo zeer blijde was. En hoewel hij dikwijls zin had er haar over te spreken, had hij toch uit vrees gezwegen, maar een dag, toen hij tijd en moed vond, sprak hij: Catharina, ik bid u mij niet uit liefde voor u te doen sterven. Het jonge meisje antwoordde dadelijk: Het moge aan God behagen, dat gij ook mij niet van liefde doet sterven. Dit antwoord gaf Ricciardo veel genoegen en moed en hij zeide tot haar: Het zal aan mij niet liggen alles te doen, wat aangenaam voor u is, maar het staat aan u een middel te vinden om Uw leven en het mijne te redden. Het meisje ging voort: Ricciardo, gij ziet, hoe ik bewaakt word en daarom weet ik niet, hoe gij tot mij kunt naderen, maar indien gij een weg ziet, die ik kan volgen zonder schande, zeg mij dien en ik zal dien betreden. Ricciardo, die over vele middelen had nagedacht, zeide opeens: Mijne zoete Catharina, ik zie geen weg, behalve dat gij slapen gaat of komen kunt op de galerij, die dicht bij den tuin is van Uw vader, waar ik, als ik zou weten, dat gij er ’s nachts zijt, komen kan, hoe hoog die ook is. Hierop antwoordde Catharina: Als gij den moed hebt daar te komen, geloof ik goed te doen, door daar te gaan slapen. Ricciardo zeide, dat dit goed was. En bij die woorden kusten zij elkaar slechts één keer vluchtig en gingen heen. Den volgenden dag,—het liep reeds tegen het einde van Mei—begon het meisje zich bij haar moeder er over te beklagen, dat zij den afgeloopen nacht niet had kunnen slapen van de hevige warmte. De moeder sprak: Och kind, welke groote warmte? Het was integendeel heelemaal niet warm. Catharina ging voort: Moeder, gij moet zeggen: Naar het mij scheen en dan zult gij misschien de waarheid spreken, want gij moet bedenken hoeveel warmbloediger de meisjes zijn dan de vrouwen op leeftijd. Toen zei de donna: Mijn dochter, dat is waar, maar ik kan geen warmte en koude maken naar mijn wil, gelijk gij misschien zoudt wenschen. Men moet het weer verdragen, gelijk de seizoenen het schenken; misschien zal het van nacht koeler zijn en zult gij beter slapen. Nu God behage het—zei Catharina—maar gewoonlijk worden de nachten, wanneer men naar den zomer gaat, niet kouder. De donna vervolgde: Maar wat wil je dan, dat er gebeurt? Catharina hernam: Als vader en U het zouden goedvinden, zou ik graag een bed laten opslaan op de galerij, die naast zijn kamer is en boven den tuin en daar slapen en het gezang van den nachtegaal hooren en het frisscher hebben. Ik zou het daar veel beter maken dan in Uw kamer. Toen ging de moeder voort: Kind, wees gerust, ik zal het aan je vader zeggen, en wij zullen doen, wat hij wil. Toen messer Lizio dit hoorde van zijn donna, zeide hij, omdat hij oud was en misschien om die praatjes een beetje stuursch: Wie is die nachtegaal, bij wiens gezang zij slapen wil? Ik kan haar wel doen slapen bij het gezang van den krekel. Toen Catharina dit vernam, kon zij meer van boosheid dan van hitte niet alleen den volgenden nacht niet slapen, maar zij liet ook de moeder geen rust en klaagde maar steeds over de warmte. De moeder hoorde dit, kwam ’s ochtends bij messer Lizio en zeide: Messer, gij geeft niet veel om dat kind; wat hindert het U, dat zij op die galerij slaapt? Zij heeft den ganschen nacht door de warmte geen rust gehad. En bovendien verwondert gij U, dat zij er plezier in heeft den nachtegaal te hooren zingen, omdat zij een kind is. De jonge meisjes zijn begeerig naar dingen, die op hen gelijken. Messer Lizio hoorde dit en sprak: Goed, laat haar dan een bed maken gelijk gij wilt, laat er gordijnen van serge om hangen en laat ze daar slapen en het gezang van den nachtegaal hooren, als ze wil.

Het meisje vernam dit en liet er snel een bed opslaan en daar zij er den komenden avond zou slapen, wachtte zij er zoolang, tot zij Ricciardo zag en gaf hem een teeken, tusschen hen afgesproken, waardoor hij verstond, wat er te doen was. Toen messire Lizio bemerkte, dat het meisje naar bed was gegaan, sloot hij een deur, die van zijn kamer op de galerij uitkwam en ging ook naar bed. Ricciardo merkte, dat alles stil werd, klom met behulp van een ladder op een muur en één maal daarop haakte hij aan enkele steenen van een anderen muur en kwam hij met groote moeite en gevaar, als hij gevallen zou zijn, op de galerij, waar hij heimelijk met de grootste vreugde door het meisje werd ontvangen en na veel kussen gingen zij samen te bed en genoten gedurenden den ganschen nacht van elkaar en lieten verscheidene malen den nachtegaal zingen.

De nachten waren kort, maar het genoegen was groot en de dag al nabij wat zij niet geloofden. En zij waren nog zoo warm zoowel door het weer als door het genoegen, dat zij zonder bedekking in slaap vielen, terwijl Catharina haar rechterarm om den hals had geslagen van Ricciardo en hem met den linker elders vasthield. En zoo sliepen zij zonder te ontwaken, tot de dag aanbrak en messer Lizio opstond.

Toen hij zich herinnerde, dat het meisje op de galerij sliep, maakte hij stil de deur open en zeide: Laat ons kijken of de nachtegaal Catharina vannacht heeft laten slapen. Hij ging verder, hief het serge omhoog, waarmee het bed was omgeven en zag Ricciardo en haar naakt en zonder dek in elkaars armen slapen op de wijze als hierboven beschreven. Nadat hij Ricciardo goed had herkend, ging hij daar weg naar de kamer van zijn vrouw, riep haar en zeide: Spoedig vrouw, sta op en kom kijken, uw dochter was zoo begeerig naar den nachtegaal, dat zij hem gevangen heeft en in haar armen houdt. De donna sprak: Hoe is dat mogelijk? Messire Lizio ging voort: Je zult het dadelijk zien. De donna, die zich haastig kleedde, volgde zonder gedruisch messer Lizio en beide kwamen bij het bed, hieven het gordijn op en daar kon mevrouw Giacomina duidelijk gewaar worden, hoe haar dochter den nachtegaal gevangen had en koesterde, dien zij zoo verlangd had te hooren zingen. De donna, die zich zeer door Ricciardo bedrogen zag, wilde schreeuwen en hem beleedigen, maar messire Lizio zeide haar: Vrouw, pas er voor op een woord te spreken, als gij op mijn liefde gesteld zijt, want heusch, omdat hij haar genomen heeft, zal zij de zijne worden. Ricciardo is van adel en een rijk jonkman; wij kunnen slechts een goede verbintenis met hem aangaan. Als hij goedwillig hier vandaan zal gaan, zal hij haar eerst hier huwen, zoodat hij den nachtegaal in zijn eigen kooi zal hebben gedaan en niet in die van anderen. Hiermee was de donna getroost, toen zij zag, dat haar man er niet kwaad over was en in aanmerking nam, dat de dochter een goeden nacht had, best had geslapen en den nachtegaal had gevangen en zij zweeg. Kort na die woorden ontwaakte Ricciardo en toen hij zag, dat het helder dag was, hield hij zich voor verloren, riep Catharina en zeide: Wee mijn ziel, hoe zullen we doen, daar de dag is aangebroken en mij hier heeft verrast! Bij die woorden kwam messer Lizio toeloopen, hief het gordijn op en zeide: Wij zullen goed te werk gaan. Toen Ricciardo hem zag, scheen het hem, dat het hart hem uit het lijf werd gerukt en nadat hij in het bed op ging zitten, zeide hij: Mijn heer, ik vraag u bij God om genade. Ik weet, dat ik als oneerlijk en slecht man den dood heb verdiend en doe daarom met mij wat gij wilt, maar wel bid ik u, dat gij mij het leven schenkt en dat ik niet zal sterven. Hierop zeide messire Lizio: Ricciardo, de liefde, die ik u toedroeg en het vertrouwen, dat ik in u had, zouden u die belooning niet waard maken, maar toch, omdat het nu eenmaal zoo is en de jeugd u tot zulk een misstap heeft gevoerd, huw, opdat gij den dood ontkomt en ik de schande, Catharina als wettige vrouw, opdat zij, gelijk dezen nacht voortaan met u zal leven. Zoo kunt gij mijn vrede en uw geluk erlangen, maar als gij het niet wilt doen, beveel uw ziel dan aan God.

Terwijl zij die woorden spraken, liet Catharina den nachtegaal vrij, verborg zich onder het dek en begon zeer te schreien en haar vader te smeeken, dat hij het Ricciardo zou vergeven. En van den anderen kant bad Ricciardo, dat zij deed, wat messer Lizio wilde, opdat zij voortaan met zekerheid allebei zulke nachten konden hebben. Maar daarvoor waren niet veel smeekbeden noodig, omdat van den eenen kant de schande over den beganen misstap en het verlangen dien te herstellen en van den anderen kant de vrees te sterven en de begeerte gezond en wel te ontkomen en ten slotte de brandende liefde en de begeerte het beminde voorwerp te bezitten, aan Ricciardo vrij deden zeggen en zonder aarzeling, dat hij bereid was te doen, wat aan messer Lizio zou behagen. Daarom liet messer Lizio zich van zijn vrouw Giacomina een van haar ringen leenen en huwde Ricciardo Catharina in hun tegenwoordigheid zonder van plaats te veranderen. Hierop gingen messer Lizio en de donna heen en zeiden: Slaap maar voort, want gij hebt dit denkelijk meer noodig dan op te staan.

Toen zij vertrokken waren, omhelsden de jongelieden elkaar opnieuw en daar zij dien nacht niet meer dan zes mijl gereisd hadden, legden zij er nog twee meer af en besloten zoo den eersten dag van hun huwelijkstocht. Toen zij daarna opstonden en Ricciardo met messer Lizio meer geregeld had gesproken, huwde hij eenige dagen later, gelijk men overeenkwam, op nieuw in tegenwoordigheid der vrienden en verwanten het meisje en leidde haar met groote vreugd naar huis en maakte een eervolle en schoone bruiloft en langen tijd in vrede en rust hoorde hij met haar naar den zang der nachtegalen dag en nacht, zooveel hij begeerde.

VIJFDE VERTELLING.

Guidotto van Cremona laat aan Giacomina van Pavia een dochter achter en sterft. Zij wordt bemind door Giannuol di Severino en Minghino di Mingole in Faënza. Zij twisten met elkaar. Wanneer men ontdekt, dat zij een zuster is van Giannòle, wordt zij aan Minghino tot vrouw gegeven. [99]

De dames hadden bij het luisteren naar de vertelling van den nachtegaal, zoo gelachen, dat, hoewel Filostrato met verhalen had opgehouden, zij zich nog niet houden konden. Maar toch, toen zij genoeg hadden gelachen, zeide de koningin: Zeker, indien gij ons gisteren bedroefd hebt, hebt gij thans u voor ons zoo beijverd, dat het onrechtvaardig zou zijn U iets te verwijten. Daarna tot Neifile het woord richtend, beval zij, dat die zou voortgaan. Deze begon blijmoedig te spreken: Omdat Filostrato met vertellen Romagna is binnengegetrokken, behaagt het ook aan mij daar wat rond te gaan met mijn verhaal.

Ik zeg dan, dat er in de stad Faënza twee Lombarden woonden, waarvan de een Guidotto van Cremona genoemd werd en de ander Giacomin van Pavia, beide mannen op leeftijd. Zij waren in hun jeugd altijd onder de wapens en soldaat geweest. Toen Guidotto stierf en hij geen vrouw naliet noch een anderen vriend of verwant, dien hij meer vertrouwde dan Giacomin, liet hij aan dien laatste een meisje na, dat hij thuis had, nauwelijks tien jaar oud, en evenzoo al wat hij op de wereld bezat en na hem lang over zijn zaken gesproken te hebben, stierf hij. In die tijden kwam de stad Faënza, die lang in oorlog en ongeluk was geweest, in beteren toestand en aan ieder stond het vrij er terug te keeren, die dit wilde; daarom kwam Giacomino, die er vroeger had gewoond en wien het verblijf er beviel, met al zijn goed er terug en voerde het kind met zich mede, dat hem door Guidotto was nagelaten en dat hij als zijn eigen dochter beminde en behandelde. Dit groeide op en werd het mooiste meisje meer dan elk ander, dat er toen in de stad woonde en zoo schoon als zij was, was zij ook welopgevoed en eerbaar. Hierdoor begonnen verscheidenen haar te begeeren, maar bovenal twee heel aardige jongelingen, die haar beide gelijkelijk liefde toedroegen, zoodat zij elkaar uit minnenijd vreeselijk gingen haten. De een heette Giannole di Severino en de andere Minghino di Mingole. Daar zij al vijftien jaar was, hadden beide haar gaarne getrouwd, als het door hun ouders zou toegestaan zijn; daarom ziende, dat zij hun op eerlijke wijze werd ontnomen, zocht elk van hen naar het beste middel om haar toch te krijgen.

Giacomino had in huis een oude dienstmeid en een knecht Crivello, een zeer aardig en vriendelijk man: met hem verbond Giannole zich en aan hem openbaarde hij, toen hij het oogenblik gekomen achtte, zijn liefde en verzocht hem, dat hij hem voor zijn verlangen gunstig gezind zou zijn en beloofde hem daarvoor groote belooning. Hierop antwoordde Crivello: Ziet gij: hierin zou ik U niet anders kunnen helpen dan zoo: Wanneer Giacomino ergens gaat avondmalen, breng ik U daar, waar het jonge meisje zal zijn, want als ik wat voor U zou willen zeggen, zou zij mij niet willen aanhooren. Als U dat bevalt, beloof ik U het te doen, gij zult vervolgens dat doen, wat gij gelooft, dat goed is. Giannole zeide, dat hij niets meer verlangde en zij werden het eens. Van zijn kant had Minghino nu een bond gesloten met de meid en met haar zoo onderhandeld, dat zij meermalen boodschappen had weggebracht van het meisje en dat zij van liefde voor Minghino was ontbrand. Behalve dat had zij hem beloofd hem bij haar te brengen, wanneer Giacomino om een of andere reden ’s avonds van huis zou gaan. Niet lang na deze woorden, ging Giacomino door den invloed van Crivello bij een van zijn vrienden avondmalen en nadat hij Giannole had gewaarschuwd, kwam hij met hem overeen, dat hij, wanneer hij een bepaald teeken zou geven, zou komen en de deur open zou vinden. De meid van den anderen kant, die daar niet van wist, deed om Minghino weten, dat Giacomino niet thuis avondmaalde en zeide hem, dat hij nabij het huis moest blijven, tot zij een teeken zou geven en hij dan zich er heen zou begeven en binnen moest komen. Op den avond, daar de beide minnaars niet van elkaar wisten, maar ze elkaar wantrouwden,—kwam gevolgd door een aantal gewapende metgezellen, die gereed waren om binnen te treden, Minghino met de zijnen om het teeken af te wachten, hield zich op in het huis van een vriend, een buurman van het meisje en Giannole stond met de zijnen op een afstand van haar huis. Crivello en de meid deden hun best, daar Giacomino er niet was om de een den ander weg te krijgen. Crivello zeide tot de meid: Waarom ga je nu niet slapen? Waarom dwaal je nog zoo door het huis? En de meid zei tot hem: Maar waarom gaat gij Uw meester niet na, die U verwacht, omdat hij reeds heeft geavondmaald? En zoo kon de een den ander niet weg krijgen. Maar Crivello, die wist, dat het uur vastgesteld met Giannole gekomen was, zeide: Wat kan die mij schelen? Als zij zich niet stil houdt, zal zij er slecht bij varen. En na het afgesproken teeken gegeven te hebben, maakte hij de deur open en Giannole trad met zijn twee makkers binnen, vond het meisje in de zaal en zij pakten haar beet om haar weg te voeren. Het meisje begon weerstand te bieden en erg te schreeuwen en de meid insgelijks. Minghino werd dit gewaar, liep er hard met zijn metgezellen heen en toen hij het meisje de deur uit zag sleepen, trokken zij hun degens, en riepen allen: Ah “verraders, gij zijt des doods. Dat gaat zóó niet. Wat is dat voor geweld!” Bij die woorden begonnen zij te steken en van den anderen kant kwamen de buren op het rumoer te voorschijn met wapens en met licht en begonnen die zaak te bespotten en Minghino te helpen. Na een langen strijd ontrukte Minghino het meisje aan Giannole en bracht haar in het huis van Giacomino terug. De schermutseling was nog niet geëindigd of de manschappen van den kapitein van de stad bemoeiden zich er mee en namen velen van hen gevangen en onder de anderen bevonden zich Minghino en Crivello en ze brachten die naar de gevangenis.

Doch toen de zaak in orde was gemaakt en Giacomino terugkeerd hierover zeer neerslachtig onderzocht had, hoe het gebeurd was, bevond hij, dat het meisje er geenerlei schuld aan had en stelde hij zich weer gerust en nam zich voor, opdat zoo iets niet meer zou plaats hebben, haar zoo gauw hij kon te huwen. Toen het morgen werd, waren de ouders van den eenen en van den anderen kant bij hem. Daar zij de waarheid der historie hadden vernomen, zagen zij het kwaad in, dat er van de jongelieden uit kon voortkomen, als Giacomino wilde doen, wat hij naar alle recht kon. Met zoete woordjes verzochten zij hem, dat hij niet zoozeer acht zou slaan op de beleediging ondergaan door het onverstand der jongelieden als op de liefde en de welwillendheid, welke zij geloofden, dat hij aan hen, die hem smeekten toedroeg en boden hem bovendien aan elke schadevergoeding, die hij wilde, met de jongelieden samen, die het kwaad hadden gedaan, te betalen. Giacomino die in zijn leven heel wat had gezien en die goedhartig was, antwoordde kortweg: Heeren, als ik in mijn gebied was als gij in het Uwe, houd ik mij toch zoo voor Uw vriend, dat ik hierin als in elke andere zaak geheel zou handelen naar Uw genoegen, en bovendien moet ik dus te meer Uw verlangens vervullen, omdat gij U zelf hebt beleedigd, daar dit meisje, misschien gelijk vele meenen niet van Cremona is, noch van Pavia maar integendeel van Faentina, hoewel noch ik, noch zij, noch diegene, van wien ik het kind heb, ooit wisten van wien zij de dochter was. Daarom zal ik ten opzichte van wat gij mij verzocht, alles doen, wat ik kan. Toen de waardige mannen hoorden, dat zij van Faënza was, waren zij daarover verwonderd en na Giacomino bedankt te hebben voor zijn mild antwoord, verzochten zij hem hun te zeggen hoe zij in zijn handen was gekomen en hoe hij wist, dat zij van Faentina was. Giacomino antwoordde hun: Guidotta van Cremona was mijn metgezel en vriend en toen hij op sterven lag, zeide hij mij, dat, wanneer deze stad door Keizer Frederik genomen werd en alles werd geplunderd, hij met zijn metgezellen in een huis trad en het vol buit vond en verlaten door hen, die het bewoonden behalve door dat kind, dat ongeveer twee jaar oud was en dat, toen het hem de trappen zag opklimmen, hem vader noemde. Uit medelijden met haar, droeg hij het met alles uit het huis weg naar Fano en stierf daar, waar hij het met alles, wat hij had, mij naliet en mij opdroeg, wanneer het tijd zou zijn, haar uit te huwelijken en dat ik, wat hem had behoord, haar als bruidschat zou geven. Toen zij op den huwbaren leeftijd kwam, heb ik geen gelegenheid gehad haar te geven aan een man, die mij beviel. Ik zou het gaarne doen, uit vrees, dat een avontuur als dat van gisteren mij opnieuw overkomt.

Er was daar onder anderen een zekere Guiglielmino van Medicina, die met Guidotto bij die inneming tegenwoordig geweest was en die zeer goed wist aan wien het huis had behoord, dat Guidotto had geplunderd en toen hij hem daar onder de anderen zag, kwam hij tot deze en zeide: Bernabuccio, hoort gij, wat Giacomin zeide? Bernabuccio antwoordde: Ja, en juist dacht ik er sterk aan, omdat ik mij herinner, dat ik in die wanorde een dochtertje verloor van den leeftijd, dien Giacomin noemt. Hierop ging Guiglielmo voort: Dan is zij het zeker, omdat ik mij daar bevond, waar ik van Guidotto hoorde vertellen, dat hij zijn buit had verkregen en ik herkende, dat het uw huis is geweest. Herinner u daarom, of gij gelooft haar aan eenig teeken te kunnen herkennen. Onderzoek het, want gij zult zeker zien, dat het Uw dochter is. Bernarbuccio dacht hierover na en herinnerde zich, dat zij een litteeken in den vorm van een kruis boven het linkeroor had, ontstaan uit een zweer, die hij haar kort voor die gebeurtenis had laten uitsnijden. Daarom zonder uitstel te nemen, naderde hij Giacomino, die daar nog was en verzocht hen, dat hij hem mee naar huis nam en hem dit meisje zou toonen. Giacomino nam hem gaarne mede en liet haar voor hem komen. Zoodra Bernarbuccio haar zag, scheen hij geheel en al het gezicht van haar moeder te ontwaren, die nog een schoone vrouw was. Maar toch, daar niet bij blijvend, verzocht hij aan Giacomino, of hij zoo goed wilde zijn haar de haren te laten oplichten boven het linkeroor, waarmee Giacomino tevreden was.

Bernarbuccio naderde haar, die verlegen stond, hief met de rechterhand de haren op en zag toen het kruis. Daardoor zeker wetend, dat het zijn dochter was, begon hij te schreien en haar te omhelzen, hoewel zij het niet wilde en zeide tot Giacomino gekeerd: Mijn broeder, dat is mijn dochter. Het was mijn huis, dat door Guidotto werd geplunderd en zij werd in de plotselinge verschrikking daar achter gelaten door mijn vrouw en haar moeder en tot heden hebben wij geloofd, dat zij verbrand is in het huis, dat dien dag in de asch werd gelegd. Toen het meisje dit hoorde en hem zag als een man op leeftijd en vertrouwen schonk aan zijn woorden, begon zij door geheime kracht bewogen, zijn omhelzingen beantwoordend, met hem teerhartig te schreien. Bernarbuccio liet dadelijk de moeder halen en haar verwanten en zusters en broers en toonde haar aan hen allen, en verhaalde het gebeurde; elk ontving haar na duizend omhelzingen met groote vreugde, waarover Giacomino zeer tevreden haar naar zijn huis geleidde. De kapitein van de stad kwam dit te weten en toen hij hoorde, dat Giannole, dien hij gevangen had genomen, de zoon was van Bernarbuccio en de eigen broeder van het jonge meisje, meende hij, dat hij eendoor hem begane overtreding met goedmoedigheid door de vingers moest zien en nadat hij zich hierover met Bernabuccio en Giacomino had verstaan, wist hij ook Giannole en Minghino vrede te doen sluiten. Aan Minghino gaf hij tot groote vreugd van al zijn verwanten het meisje tot vrouw, wier naam Agnesa was en met hen samen gaf hij de vrijheid aan Crivello en de anderen, die in die zaak waren betrokken. Daarna richtte Minghino een schoone en groote bruiloft aan en na haar huiswaarts te hebben geleid, leefde hij met haar nog vele jaren in vrede en welstand.

ZESDE VERTELLING.

Gian van Procida wordt gevonden met een meisje, dat hij bemint en overgeleverd aan koning Frederik om met haar aan één paal gebonden te worden verbrand. Maar Gianni wordt door Ruggieri d’Oria herkend, ontsnapt aan de straf en wordt haar man.

Toen de novelle van Neifile geëindigd was en zeer aan de donna’s had behaagd, beval de koningin aan Pampinea zich gereed te maken er een te verhalen. Deze, een opgeruimd gezicht toonend, begon: Bekoorlijke donna’s. Zeer groot zijn de krachten der liefde en zij vereischen van de minnenden groote inspanning en werpen ze in onnoemelijke en onvoorziene gevaren, gelijk men door vele dingen, die heden en vroeger verteld werden, kan nagaan, maar niettemin heb ik lust U er nog een te vertellen van een verliefden jonkman.

Ischia is een eiland dicht bij Napels. Daar was vroeger onder anderen een heel jong, schoon en aardig meisje, Restituta, de dochter van een edelman van dat eiland, die Marin Bólgaro heette. Een jonge man van een eiland bij Ischia: Procida, Gianni [100] genaamd, had dit meisje meer dan zijn eigen leven lief en zij hem. Deze had niet slechts de gewoonte om bij dag naar Ischia te komen om haar te zien, maar reeds menigmaal was hij ’s nachts, als hij geen bark had gevonden, van Procida naar Ischia gezwommen om, als het niet anders kon, slechts de muren van haar huis te zien. Terwijl die vurige liefde voortduurde, was het jonge meisje eens op een zomerdag alleen naar den zeekant gegaan en van rots tot rots loopend met een mes in de hand om de schelpen van de steenen los te maken, kwam zij op een plaats om te rusten tusschen de wanden. Daar, zoowel om den schaduw als om de nabijheid van een fontein met koel water, waren een aantal Italiaansche jongelieden vereenigd, die op een fregat van Napels gekomen waren. Bij het gezicht van het zeer mooie, jonge meisje, dat hen nog niet had opgemerkt en dat zij alleen zagen, overlegden ze met elkaar haar te rooven en weg te voeren en op de beraadslaging volgde de daad. Zij namen haar, hoewel zij hard schreeuwde, op, brachten haar op het schip en gingen heen, en in Calabrië gekomen, twisten zij er met elkaar over, aan wien het meisje zou behooren en ieder, om kort te gaan, wilde haar hebben. Daarom konden zij het onder elkaar niet eens worden, vreesden, dat dit steeds erger zou worden en hun zaken door haar zouden worden bedorven en zij besloten haar Frederik, koning van Sicilië, [101] te geven, die toen nog jong was en daarin behagen schepte. Te Palermo gekomen, deden zij dit. De koning zag, dat zij mooi was en stelde prijs op haar, maar daar hij een weinig lijdend was, beval hij, tot hij sterker was geworden, haar in een zeer mooi paleis te midden van een zijner tuinen te brengen, welke men la Cuba noemde en er haar goed te behandelen. Dit geschiedde.

Er werd druk over het geroofde meisje op Ischia gesproken en wat dit nog verhoogde, was, dat men niet kon weten wie het waren, die haar hadden ontvoerd. Maar Gianni, wien dit meer dan wien ook leed deed en die wachtte, tot hij iets van haar op Ischia vernam en wist in welke richting het fregat was gegaan, deed er ook een bewapenen, besteeg het en kruiste zoo gauw hij kon de heele kust af van Minerva tot Scalea in Calabrië en deed overal naar het meisje onderzoek. In Scalea werd hem gezegd, dat zij door Siciliaansche zeelieden was weggevoerd naar Palermo. Daar liet Gianni, zoo gauw hij kon zich heen voeren en na veel zoeken, vond hij, dat het meisje aan den koning was geschonken en door hem in la Cuba werd bewaard, zoodat hij haast alle hoop verloor niet alleen haar ooit terug te krijgen maar zelfs haar te zien. Maar toch door de liefde weerhouden, zond hij het fregat terug en ziende, dat niemand hem er kende, bleef hij te Palermo. Dikwijls ging hij langs la Cuba en zag hij haar bij toeval op een dag aan een venster en zij hem, waarmee beide gelukkig waren. Daar Gianni zag, dat de plaats eenzaam was, naderde hij zooveel hij kon, sprak haar toe en door haar ingelicht over de wijze, waaraan hij zich moest houden om haar opnieuw daarna te spreken, ging hij heen na vóór alles de gesteldheid van de plaats te hebben opgenomen. Hij wachtte den nacht af en liet een goed deel daarvan voorbij gaan, kwam er terug en na zich vastgehaakt te hebben aan plaatsen, waaraan spechten zich zelfs niet hadden kunnen vasthouden, kwam hij in den tuin en vond daar een kleinen scheepsmast, zette dien tegen het venster door het meisje aangewezen en sprong hierlangs vrij gemakkelijk er doorheen.

Het meisje, dat haar eer als verloren beschouwde, en met die gedachten aan Gianni weerstand had geboden, meende nu niemand meer dan hem waardig die te geven en in de hoop, dat hij haar zou kunnen wegvoeren, had zij besloten hem in alles zijn zin te geven. Zij had het venster open gelaten, opdat hij sneller er binnen kon komen. Gianni trad heimelijk binnen en legde zich naast het meisje, dat niet sliep, neer. Zij, voor zij tot iets anders overgingen, verklaarde hem haar verlangen en vooral bad zij hem haar vandaar mee te nemen en haar weg te voeren. Gianni antwoordde haar, dat hij niets liever dan dat wilde en dat hij zonder twijfel, zoodra hij van haar weggegaan zou zijn, alles in het werk zou stellen, zoodat hij bij zijn eersten terugkeer, haar vandaar kon wegvoeren. Hierna omhelsden zij elkaar met het grootste genoegen en hadden die verrukking, boven welke de liefde geen grootere kan verleenen en nadat zij dit meerdere malen hadden herhaald, vielen zij, zonder dat zij het merkten, in elkaars armen, in slaap. De koning, wien het meisje op het eerste gezicht zeer had behaagd, herinnerde zich haar en toen hij zich goed voelde, besloot hij, hoewel het bijna dag was, een poosje bij haar te gaan vertoeven en ging heimelijk met enkelen van zijn dienaren naar la Cuba. Toen hij het paleis was binnen getreden, en hij de deur had laten openen van de kamer, waarin hij wist, dat het jonge meisje sliep, trad hij binnen met een groote toorts en naar het bed kijkend, zag hij haar naakt en in de armen van Gianni slapen.

Hij werd hierover dadelijk zeer verstoord en werd zoo woedend, dat zonder iets te zeggen, het maar een haar scheelde of hij had met een mes, dat hij aan zijn zijde droeg, beide gedood. Daarna denkend, dat het voor elkeen zeer laag was en ook voor een koning twee naakte menschen in den slaap te vermoorden, hield hij zich in en wilde ze in het openbaar en op den brandstapel doen sterven. Hij keerde zich tot een der metgezellen, dien hij bij zich had en zeide: Wat denkt U van dat ellendige vrouwspersoon, waarop ik al mijn hoop heb gesteld? Daarna vroeg hij hem of hij den jonkman kende, die den moed had gehad, in zijn huis te komen tot zulk een beleediging en teleurstelling. Deze, door hem ondervraagd, zeide, dat hij zich niet herinnerde ooit zoo iets te hebben gezien. De koning ging gramstorig uit de kamer en beval, dat de twee gelieven zoo naakt als zij waren, gevangen zouden worden genomen en vastgebonden en als de dag zou aanbreken naar Palermo gestuurd en op het plein aan één paal geboeid rug aan rug en zoo tot het derde uur, opdat zij door allen gezien zouden worden en daarna verbrand, gelijk zij hadden verdiend. Vervolgens keerde hij te Palermo in zijn kamer zeer verstoord terug.

Toen de koning vertrokken was, grepen velen onmiddellijk de beide minnenden en wekten ze niet alleen, maar namen ze zonder erbarmen gevangen en boeiden hen. Toen de beide jongelieden dit zagen, werden zij wanhopig, vreesden voor hun leven en weenden en klaagden, wat men zich wel kan voorstellen. Zij werden op bevel des koning naar Palermo gevoerd en aan één paal op het plein gebonden en voor hun oogen werden de brandstapel en het vuur gereed gemaakt om ze op het uur door den koning aangegeven te verbranden. Dadelijk liepen hier de Palermers, mannen als vrouwen heen om de twee minnenden te zien; de mannen richtten hun blikken op het jonge meisje en gelijk die haar prezen als schoon en welgemaakt, zoo kwamen de donna’s den jonkman kijken en prezen hem als ten hoogste knap en goed gebouwd, maar de ongelukkige gelieven, beide zeer beschaamd, stonden met gebogen hoofden en beweenden hun ongeluk van uur tot uur in afwachting van den dood. En terwijl zij daar tot de vastgestelde stonde werden gehouden en overal het gerucht ging van een misstap door hun bedreven en dit Ruggier dell’Oria [102] ter ooren kwam, een man van onschatbare waarde en destijds admiraal des konings, ging hij daarheen, waar zij stonden vastgebonden.

Daar gekomen beschouwde hij eerst het meisje en vond haar zeer mooi en toen hij daarna den jonkman bekeek, herkende hij dien dadelijk, naderde hem en vroeg hem of hij Gianni van Procida was. Gianni hief het gelaat op en antwoordde den admiraal herkennend: Mijn heer, ik was vroeger, dien gij vraagt, maar sta op het punt het niet meer te zijn. Toen vroeg hem de admiraal, wat hem hiertoe gebracht had. Gianni hernam: Liefde en de toorn des konings. De admiraal deed hem de geschiedenis uitvoeriger vertellen en toen hij wist, hoe alles gebeurd was en wilde heengaan, riep Gianni hem terug en zeide: Zeg, mijnheer, zoo het kan, tracht dan voor mij een genade te verkrijgen van hem, die mij hier zoo laat staan. Ruggieri vroeg: Welke? Hierop zeide Gianni: Ik zie, dat ik—en spoedig—moet sterven. Ik vraag als gunst in plaats rug aan rug te worden gebonden met dat meisje, dat ik meer dan mijn leven liefheb en die mij ook zoo heeft bemind, dat men ons met het gelaat naar elkaar toe plaatst en ik getroost kan heengaan. Ruggieri zeide lachend: Graag, ik zal zoo te werk gaan, dat gij haar nog tot vervelens toe zien zult. Van hen heengegaan, beval hij aan hen, wien gelast was de terechtstelling uit te voeren, dat zij zonder nader bevel des konings, die niet zouden laten geschieden en zonder verwijl begaf hij zich naar den vorst.

Hoewel hij dien zeer vertoornd zag, besloot hij niettemin hem zijn meening te vertellen en zeide: Koning, waarmee hebben die twee jongelieden U beleedigd, die gij bevolen hebt daar op het plein te laten verbranden. Toen de vorst het hem gezegd had, ging Ruggieri voort: De misstap door hem begaan eischt dit wel, maar niet van U en zoo de misstappen straf vorderen, eischen de goede daden belooning zonder te spreken van genade en barmhartigheid. Kent gij hen, die gij wilt laten verbranden? De koning antwoordde van niet. Toen zeide Ruggieri: Maar ik wil, dat gij ze zult kennen, opdat gij ziet, hoe licht gij U door den aandrang van den toorn hebt laten meeslepen. De jonkman is een zoon van Landolfo van Procida, een eigen broeder van messer Gianni van Procida, door wiens werk gij koning en heer van dat eiland zijt. Het meisje is de dochter van Marin Bólgaro, wiens macht de oorzaak is, dat uw heerschappij thans niet verdwenen is op Ischia. Zij zijn jonge menschen, die elkaar lang hebben liefgehad en daartoe door liefde genoodzaakt waren en niet om U te beleedigen, hebben zij die zonde bedreven, indien men zonde kan noemen, wat jongelieden uit liefde doen. Waarom wilt gij dus hen doen sterven, terwijl gij ze met zeer groote genoegens en geschenken moest eeren! De koning hoorde dit en bevond, dat Ruggieri de waarheid sprak. Hij had er niet alleen berouw van, dat men met de straf zou voortgaan, maar ook van het reeds gebeurde. Daarom beval hij onmiddellijk, dat de twee jongelieden van den paal zouden losgemaakt worden en voor hem gebracht en zoo geschiedde het. Toen hij hun geheelen toestand had leeren kennen, meende hij, dat hij met eer en geschenken den aangedanen smaad kon herstellen en na ze eervol te hebben doen kleeden en nadat hij zag, dat zij van eenerlei gezindheid waren, liet hij Gianni het meisje trouwen en na hen prachtige geschenken te hebben gegeven, zond hij ze gelukkig naar huis, waar zij met zeer groote blijdschap ontvangen langen tijd in vrede en vreugd te samen leefden.

ZEVENDE VERTELLING.

Teodoro, verliefd op Violante, de dochter van messire Amerigo, zijn heer, maakt haar zwanger en wordt tot de galg veroordeeld. Na er met geeselslagen heen te zijn geleid, wordt hij door zijn vader herkend en in vrijheid gesteld en neemt Violante tot vrouw.

De donna’s, die allen in spanning vreesden te hooren, dat de twee gelieven verbrand waren, en vernamen, dat ze ontkwamen, prezen God en verheugden zich allen opnieuw. En de koningin, die het einde gehoord had, droeg aan Lauretta de volgende vertelling op, die met een blij gelaat begon te spreken: Zeer schoone donna’s. Toen de goede koning Guiglielmo [103] Sicilië regeerde, was er op dat eiland een edelman, messire Amerigo Abate van Trapani, die onder andere aardsche goederen wel van kinderen was voorzien. Daarom toen hij dienaars noodig had en er eenige galeien van Genueesche zeeroovers van den Levant waren gekomen, waar zij vele jonge slaven hadden gevangen bij het kruisen op de kust van Armenië, kocht hij er eenigen van in de meening, dat dit Turken waren. Onder dezen, waarvan de meesten herders schenen te zijn, was er een van aardig en beter uiterlijk, die Teodoro heette. Bij het opgroeien, hoewel hij steeds als lijfeigene werd behandeld, werd hij toch opgevoed met de kinderen van messire Amerigo en daar hij zich meer liet leiden door de natuur dan door het noodlot, begon hij beschaafd te worden en van goede manieren, zoodat hij dermate aan messire Amerigo beviel, dat die hem tot een vrij man maakte en daar hij geloofde, dat hij Muzelman was, liet hij hem doopen en Pietro noemen, maakte hem tot zijn rentmeester en stelde in hem veel vertrouwen. Gelijk de andere kinderen van messer Amerigo opgroeiden, gebeurde dit ook zijn dochter Violante, een schoon en bevallig jong meisje, welke daar haar vader haar te lang liet wachten met trouwen, verliefd werd op Pietro. Hoewel zij hem lief had en hem hoog achtte om zijn goed voorkomen en zijn talenten, schaamde zij zich toch dit aan hem te bekennen. Maar Amor ontnam haar die moeite, omdat Pietro, die haar meermalen in het geheim had gade geslagen, zoo verliefd op haar was geworden, dat hij zich niet wel voelde, als hij haar niet zag; toch vreesde hij haar te toonen wat hij gevoelde, daar dit hem niet wenschelijk scheen.

Het meisje, dat hem gaarne zag, bemerkte dit en om hem meer zekerheid te geven, toonde zij er zich zeer gelukkig mede, van welken stand ze ook was. En zoo bleef het lang, en zij durfden niets aan elkaar te zeggen, hoezeer elk het ook begeerde. Maar terwijl beide van dezelfde liefdevlam brandden, vond de fortuin, alsof die overlegd had, dat dit zou geschieden, een weg om hun vrees, die ze schuchter maakte en het belette, te verjagen. Messire Amerigo had op misschien een mijl afstand van Trapani een schoon landhuis, waar zijn vrouw met zijn dochter met andere vrouwen en donna’s dikwijls heen placht te gaan om zich te ontspannen. Terwijl zij daar heengegaan waren op een dag, dat het zeer warm was en zij Pietro mee hadden genomen en daar bleven, werd de hemel, gelijk wij dat dikwijls zien gebeuren, opeens bedekt met donkere wolken. Daarom begaf zich de donna met haar gezelschap, opdat het slechte weer haar daar niet zou verrassen, weer op weg terug naar Trapani en zij liepen zoo snel ze konden. Maar Pietro die jong was en ook het meisje, liepen haar moeder en de andere gezellinnen een eind vooruit, misschien niet minder gedreven door de liefde dan door de vrees voor het weer. En daar zij de donna en de anderen al zoover vooruit waren, dat men hun ternauwernood zag, viel er opeens na verscheidene donderslagen een zware en onophoudelijke hagelbui, welke de donna en haar gezelschap ontvluchtte in het huis van een boer. Pietro en het meisje, die niet eerder een schuilplaats vonden, traden een oude en geheel vervallen hut binnen, waarin niemand woonde en waarin zij onder een overgebleven stuk dak zich borgen en waar de weinig ruimte noodzakelijk ze dwong elkaar aan te raken. Deze aanraking was de oorzaak, dat zij de zielen een weinig moed gaf voor elkaar hun liefde te bekennen en Pietro begon het eerst te spreken: God mocht geven, dat ik hier mocht blijven en die regen nooit ophoudt. En het jonge meisje sprak: Dat zou mij zeer aangenaam zijn. Na die woorden kwamen zij er toe elkaar bij de hand te nemen en wederkeerig te drukken en hierop elkaar te omarmen en dan te kussen, terwijl het maar altijd hagelde. En om mij niet bij elke bijzonderheid op te houden: het weer werd niet beter, voor zij de hoogste verrukkingen der liefde gekend hadden en hun maatregelen genomen hadden om in ’t geheim van elkaar te genieten. Het slechte weer hield op en bij de poort van de stad, die daar niet ver vandaan was, wachtten zij de donna en keerden met haar terug naar huis.

Zij vonden elkaar meermalen terug met groote voorzichtigheid en in stilte tot elkanders groot genoegen. En het ging zoo, dat het meisje zwanger werd, wat beide zeer hinderlijk was. Daarom zocht zij met vele kunstmiddelen tegen den loop der natuur de vrucht af te drijven, maar kon het niet gedaan krijgen. Daarom zeide Pietro haar, dat hij voor zijn eigen leven vreesde en plan had te vluchten. Toen zij dit hoorde, zeide zij: Als gij vlucht, zal ik mij zeker van kant maken. Hierop antwoordde Pietro, die veel van haar hield: Hoe wilt gij, mijn donna, dat ik hier blijf? Uw zwangerschap zal onzen misstap openbaren. U zal men het licht vergeven, maar ik, ongelukkige, zal het zijn, die voor Uw zonde en de mijne de straf zal moeten dragen. Het meisje hernam: Pietro, men zal mijn zonde wel kennen, maar wees er zeker van, dat men, indien gij de Uwe niet zult vertellen, dit nooit zal weten. Toen sprak Pietro: Nu gij mij dit belooft, zal ik blijven, maar denk er aan Uw belofte te houden.

Het jonge meisje, dat zooveel zij kon, haar zwangerschap had verborgen gehouden en zag, dat de omvang, die haar lichaam kreeg, haar niet veroorloofden dien langer te verbergen, bekende die een dag met vele tranen aan haar moeder en smeekte die haar te redden. De donna ten zeerste bedroefd hoonde haar zeer en wilde weten, hoe dit gebeurd was. Het jonge meisje verzon, opdat er aan Pietro niets kwaads zou geschieden, een historie en vertelde de zaak op haar manier. De donna geloofde haar en om den misstap van haar dochter te verbergen, zond zij haar naar een van haar landhuizen. Toen daar de tijd der bevalling gekomen was, schreeuwde het meisje, gelijk de vrouwen in dergelijke omstandigheden doen en daar haar moeder niet voorzag, dat messer Amerigo, die bijna nooit op die plaats kwam, er juist zou komen, verwonderde hij zich, die terugkwam van de vogelvangst en langs de kamer ging, waar zijn dochter schreeuwde, kwam opeens binnen en vroeg, wat er gaande was. De donna, die haar man op het onverwachtst zag, stond zeer onthutst op en vertelde hem, wat er met haar dochter was gebeurd. Maar hij—minder spoedig geneigd om te gelooven, wat men hem vertelde dan de donna—zeide, dat het niet waar kon zijn, dat zij niet wist, van wien ze zwanger was en verklaarde, dat hij alles wilde weten en dat door het te zeggen zijn dochter zijn genegenheid kon herwinnen, maar als ze het niet deed, dat ze er dan aan moest denken zonder genade te sterven.

De donna deed haar best, zooveel ze kon, haar echtgenoot tevreden te stellen met wat zij gezegd had, maar dat hielp niets. Hij, in woede ontbrand, liep met uitgetogen degen in de hand op zijn dochter toe, welke, terwijl de moeder haar vader met woorden tegenhield, van een knaapje beviel en zei: Of gij bekent van wien gij dit kind hebt gekregen of gij zult dadelijk sterven. Het meisje brak in doodsangst de belofte aan Pietro gedaan en openbaarde, dat het van hem en haar was. Toen de ridder dit hoorde en haast razend was geworden van woede, weerhield hij zich ternauwernood haar te vermoorden, maar nadat hij gezegd had, wat de toorn hem ingaf, steeg hij te paard, kwam te Trapani en liet door een zekeren Currado, die door den koning tot kapitein was benoemd, Pietro onverhoeds gevangen nemen na hem den hoon verteld te hebben hem door deze aangedaan en op de pijnbank leggen, waar hij alles bekende. Na eenige dagen werd hij door den kapitein veroordeeld door de gemeente heen gegeeseld te worden en daarna opgehangen. Opdat een zelfde uur de twee minnenden en het kind van de aarde deed verdwijnen, goot messer Amerigo, wiens toorn door de ter dood veroordeeling van Pietro nog niet was gestild, vergift in een beker wijn, gaf die aan een van zijn knechts, overhandigde dien met een ontbloote dolk en zeide: Ga Violante zoeken met die twee dingen en zeg haar uit mijn naam, dat zij spoedig een van beide kiest om te sterven: gift of metaal; zoo niet, dan zal ik haar voor de oogen van alle burgers laten verbranden gelijk zij het heeft verdiend en daarna zult gij het kind nemen door haar gebaard en na dit het hoofd tegen den muur verpletterd te hebben, zult gij het den honden als voedsel voorwerpen. Toen de beestachtige vader zulk een wreed bevel tegen zijn dochter en kleinkind gegeven had, ging de dienaar meer ten kwade dan ten goede geneigd weg.

Pietro, veroordeeld, liep naar de galg, gegeeseld door de beulsknechten, die hem er heen voerden, toen hij naar den wil van hen, die de groep leidden, langs een herberg kwam, waar zich drie edellieden uit Armenië bevonden, welke hun koning als gezanten naar Rome had gestuurd om met den Paus te onderhandelen over gewichtige zaken betreffende een doortocht van troepen, die plaats moest hebben en die daar waren afgestegen om zich te verfrisschen en er eenige dagen te blijven. Zij werden met veel eer ontvangen door de edellieden van Trapani en in het bijzonder door messire Amerigo. Toen zij degenen zagen voorbijgaan, die Pietro leidden, kwamen zij aan een venster om te kijken. Pietro was tot op den gordel naakt en had de handen op den rug gebonden. Een der gezanten, een bejaard man en van groot gezag, Fineo genaamd, die hem per toeval had aanschouwd, zag op zijn borst een groote, roodachtige plek niet geschilderd maar op natuurlijke wijze op de huid afgedrukt, als die, welke de vrouwen gewoon zijn rozen te noemen. Bij dat gezicht herinnerde hij zich plotseling een van zijn zonen, die hem reeds voor vijftien jaar geleden door zeeroovers op de kust van Lajazzo ontvoerd was en waarvan hij nooit meer iets had gehoord en toen hij over den leeftijd dacht van den ongelukkige, die gegeeseld werd, meende hij, indien zijn zoon nog leefde, dat hij dit moest zijn en denzelfden leeftijd moest hebben als deze en hij begon te vermoeden door dit teeken, dat hij het werkelijk was. En hij meende, dat, als hij het zou wezen, hij zich nog zijn naam en dien zijns vaders en de taal van Armenië herinneren moest. Toen hij in zijn nabijheid was, riep hij derhalve: O Teodoro! Pietro hoorde die stem en hief dadelijk het hoofd op. Hierop zeide Fineo in het Armenisch: Waar ben je vandaan? Wiens zoon ben je? De wachters, die Pietro geleidden, hielden uit eerbied voor den waardigen man stand, zoodat Pietro kon antwoorden: Ik kwam uit Armenië als zoon van iemand, die Fineo heette, waarvan ik als klein kind door ik weet niet wat voor lieden werd geroofd. Fineo vernam dit en wist nu zeker, dat hij de zoon was, dien hij had verloren: daarom liep hij klagend met zijn metgezellen naar beneden en vloog hem tusschen de soldaten om den hals en na hem een mantel van zeer rijk laken te hebben omgeworpen, dien hij aan had, bad hij hen, die hem naar de strafplaats leidden, te wachten, gelijk hij wilde en te blijven tot zij een order zouden ontvangen. Zij antwoordden, dat zij dit gaarne deden. Fineo had de reden al vernomen, waarom Pietro ter dood zou worden gebracht, daar het nieuws zich overal had verbreid. Daarom ging hij haastig met zijn gezelschap en hun bedienden naar messer Currado en sprak tot hem: Messere, hij, die zich ter dood wil laten brengen als bediende is een vrij man en mijn zoon en hij is bereid haar tot vrouw te nemen van wie men zegt, dat hij haar maagdelijkheid heeft geroofd. En derhalve moge het U behagen de terechtstelling zoo lang op te schorten, dat men kan weten of zij hem tot man wil, opdat zij, zoo zij wil, niet tegen de wet handelt. Toen Messer Currado hoorde, dat deze de zoon was van Fineo, was hij verbaasd en zich schamend over de zonde, die het noodlot hem deed begaan en na herkend te hebben, dat hij werkelijk, die het zeide, Fineo was, liet hij hem snel naar huis terugkeeren en liet messere Amerigo halen en vertelde hem alles.

Messer Amerigo, die dacht, dat zijn dochter en kleinzoon al dood waren, was de bedroefdste man ter wereld over wat hij had gedaan, met het besef, dat, als zij niet dood was, daar veel goeds uit kon voortkomen, maar niettemin zond hij iemand er op uit naar de dochter, opdat, als zijn bevel nog niet was opgevolgd, dit niet zou gebeuren, Hij, die ging, vond den knecht door messere Amerigo afgezonden, die de dolk en het gift voor zich had geplaatst, en omdat zij niet zoo spoedig koos, haar beleedigde en haar wilde dwingen er een te kiezen. Doch na het bevel van zijn heer gehoord te hebben, liet hij haar met rust, keerde naar hem terug en zeide hem, hoe het met de zaak stond. Hierover was messere Amerigo tevreden, begaf zich naar Fineo, klagend, daar hij nu beter wist, en verontschuldigde zich over hetgeen er was voorgevallen, vroeg vergeving en beweerde, als Teodoro zijn dochter tot vrouw wenschte, dat hij zeer verheugd zou zijn die hem te geven. Fineo nam gaarne de verontschuldigingen aan en antwoordde: Ik wil, dat mijn zoon Uw dochter neemt en als gij niet wilt, ga dan voort met het vonnis, dat hem is voorgelezen. Daar Fineo en messer Amerigo het eens waren, terwijl Teodoro nog geheel in doodsangst verkeerde en blijde was zijn vader te hebben teruggevonden, vroegen zij op hun beurt hem, wat hij wilde. Teodoro hoorend, dat Violante, mits hij wilde, zijn vrouw zou zijn, was zoo verheugd, dat de hel hem in den hemel scheen te veranderen en zeide, dat dit voor hem de hoogste genade zou wezen, wanneer dat beide ouders behagen kon. Men vond iemand om den wil te vernemen van het meisje; toen zij hoorde, wat Teodoro overkomen was en wat hem te wachten stond, terwijl zij bedroefder dan welke vrouw ook den dood afwachtte, hechtte zij na lang praten geloof aan die woorden, vroolijkte een weinig op en antwoordde, dat, als zij daarin haar verlangen mocht volgen, niets blijders haar kon gebeuren dan de vrouw te worden van Teodoro, maar dat zij in elk geval zou doen, wat haar vader gelasten zou.

Toen zoo allen het eens waren geworden, huwde men het meisje uit en het feest was zeer groot tot het hoogste genoegen van alle burgers. Het meisje, na zich hersteld te hebben en haar zoontje te laten zoogen, werd na korten tijd schooner dan ooit en na van het kraambed te zijn opgestaan, wachtte zij Fineo bij zijn terugkeer van Rome af en eerde hem als haar vader. En hij zeer tevreden met zijn zoo mooie schoondochter, maakte met zeer groote vreugde en blijdschap voor hen bruiloft en ontving en behield haar altijd als zijn dochter. Nadat eenige dagen later zijn zoon en zijn kleinzoon op een galei waren gestegen, nam hij ze met zich mede naar Lajazzo, waar de twee gelieven in rust en vrede, zoolang zij leefden, bleven wonen.

ACHTSTE VERTELLING.

Nastagio deglie Onesti, die een donna uit de familie Traversari bemint, verkwist zijn rijkdommen zonder wederliefde te vinden. Op verzoek der zijnen gaat hij naar Chiassi. Daar ziet hij een ridder een vrouw najagen en haar dooden en door twee honden verscheuren. Hij noodigt zijn familie en de donna door hem bemind tot een ontbijt en deze ziet diezelfde jonge vrouw in stukken rijten. Uit vrees voor een dergelijke behandeling stemt zij toe Nastagio [104] tot man te nemen.

Toen Lauretta zweeg, begon Filomena op bevel der koningin aldus: Beminnelijke donna’s. Indien het medelijden een deugd is, die in ons wordt geprezen, zoo wordt ook de wreedheid, waaraan gij U schuldig maakt door de goddelijke gerechtigheid uit U te verjagen, gewroken en om u dit aan te toonen heb ik zin U een verhaal te doen niet minder roerend dan aangenaam.

Er was vroeger in Ravenna, een zeer oude stad van Romagna een groot aantal edele ridders, onder welken een jonkman Nastagio degli Onesti, dien de dood van zijn vader en van een zijner ooms onschatbaar rijk had achtergelaten. Deze, gelijk het met jongelieden gebeurt, omdat hij zonder vrouw was, werd verliefd op de dochter van messer Paolo Traversaro [105], een meisje van veel hooger adel dan hij en hij hoopte door zijn pogingen haar op hem verliefd te maken. Maar dezen, hoe grootsch, schoon en lofwaardig ze ook waren, deden haar niet alleen geen genoegen, maar schenen haar zelfs te vervelen, zoo wreed, hard en ruw toonde zich het beminde meisje, misschien door haar bijzondere schoonheid of door haar zoo hoogen adel zoo trotsch en aanmatigend geworden, dat noch hij, noch iets van hem haar kon behagen. Dat was voor Nastagio zoo zwaar te dragen, dat hij van verdriet meermalen na zich beklaagd te hebben, van plan was haar te vermoorden. Daarna zich bedwingend, nam hij zich vaak voor haar geheel te laten varen, of, indien hij kon, haar te laten gelijk zij hem. Maar vergeefs nam hij zulk een besluit, omdat, hoe meer hem de hoop ontbrak, des te meer groeide zijn liefde aan. Daar hij volhield het meisje lief te hebben en doorging met bovenmatig geld verteren, scheen het aan sommigen van zijn vrienden en verwanten, dat hij beide: zich zelf en het zijne te verteren scheen. Daarom verzochten en raadden zij hem meermalen uit Ravenna te vertrekken en eenigen tijd in een andere plaats te vertoeven; dan zou daardoor de liefde en de verkwisting ophouden.

Nastagio spotte meermalen met dien raad, maar toch door hen aangespoord, kon hij niet langer weigeren en stemde toe. Hij liet een groote uitrusting gereed maken, alsof hij naar Frankrijk of Spanje of naar een andere vergelegen streek wilde gaan, steeg te paard en vergezeld van vele vrienden ging hij uit Ravenna weg en begaf zich naar een plaats op drie mijlen misschien vandaar, Chiassi [106] genaamd en daar—nadat hij paviljoenen en tenten had laten opslaan—zeide hij tot hen, die hem vergezeld hadden, dat hij daar wilde blijven en dat zij naar Ravenna zouden terugkeeren. Terwijl Nastagio daar halt maakte, begon hij het mooiste, het schitterendste leven te leiden, dat ooit geleefd was en noodigde dan dezen dan genen tot een avond- of middagmaal uit, gelijk hij gewoon was. Daar het begin van Mei was en zeer mooi weer en hij over de wreede donna nadacht, verzocht hij aan zijn heele personeel hem alleen te laten om weer naar zijn welgevallen aan haar te kunnen denken en ging voet voor voet zich zelf verstrooiend door te peinzen tot in een pijnbosch. Daar het vijfde uur van den dag haast voorbij was en hij bijna een halve mijl er in was gegaan en er niet aan dacht te eten of aan iets anders, scheen hij opeens een zeer groote klacht te hooren en schrille kreten, geuit door een donna. Daarom brak hij zijn zoete gedachten af en hief het hoofd op om te zien wat er gaande was en verwonderde zich er over, dat hij zich in het pijnhout bevond. Daarna voor zich uitziende, zag hij uit een zeer dicht bosch van boompjes en doornstruiken naar de plaats, waar hij was, een zeer schoon jong meisje loopen, naakt, met loshangende haren en geheel verscheurd door de distels en de doornstruiken, die weende en luid om genade riep. En behalve dat zag hij aan haar zijden twee zeer groote en wreede waakhonden, die haar dicht op de hielen wreed, waar zij haar maar krijgen konden, beten en achter haar zag hij op een zwart strijdros een bruinen ridder met een zeer verwoed gezicht en een degen in de hand, die haar met vreeselijke en beleedigende woorden met den dood bedreigde. Dit verbaasde en ontstelde hem tegelijkertijd en wekte ten slotte zijn medelijden op met de ongelukkige donna, waaruit de begeerte ontstond haar, als hij kon, van dien angst en van zulk een dood te bevrijden. Maar hij was ongewapend en na zijn toevlucht te hebben genomen tot een boomtak bij wijze van stok, ging hij de honden en den ridder tegemoet. Maar de ridder, die dit zag, schreeuwde hem van verre toe: Nastagio, meng U er niet in, laat de honden en mij dat doen, wat die slechte vrouw heeft verdiend. En bij die woorden grepen de honden het meisje met kracht in de zijden, deden haar stand houden en de ridder, die volgde, steeg van zijn paard.

Hierop zeide Nastagio, die nader kwam: Ik weet niet, wie gij zijt, dat gij mij zoo kent maar ik zeg U, dat het een groote lafheid is van een gewapend ridder een naakte vrouw te willen vermoorden en haar de honden na te sturen of zij een wild dier is. Ik wil haar zeker zoo goed verdedigen als ik kan. Toen zeide de ridder: Nastagio, ik was van denzelfden staat als gij en gij waart nog een klein kind, toen ik, die messer Guido degli Anastagi genoemd werd, veel meer verliefd op die vrouw werd dan gij het nu zijt op die der Traversari en haar hardheid en wreedheid maakten mij zoo ongelukkig, dat ik eens met dienzelfden degen, welke gij in mijn hand ziet als wanhopig mij doodde en ik ben tot de eeuwige straffen veroordeeld. Maar het duurde niet lang, dat zij, die over mijn dood zeer verheugd was, stierf en wegens de zonde van haar wreedheid en de vreugde over mijn martelingen had zij geen berouw, daar zij geloofde hierdoor niet te zondigen maar zich verdienstelijk te hebben gemaakt en daarom werd en is ook zij tot de straffen der hel veroordeeld. Zoodra zij er in afdaalde, werd dit aan haar en mij als straf gegeven: aan haar voor mij uit te vluchten en aan mij, die haar zoozeer beminde, haar te volgen als een doodvijand niet als een beminde donna en zoo vaak ik haar achterhaal, dood ik haar met den degen, waarmee ik mij zelf doodde en open haar de borst en dat harde en koude hart, waarin nooit liefde of medelijden konden binnentreden, ruk ik haar, gelijk gij dadelijk zult zien, uit het lichaam en geef het te eten aan de honden. Maar het duurt niet lang of gelijk de gerechtigheid en de macht van God het wil, staat zij, alsof zij niet gestorven was, weer op en opnieuw begint de treurige vlucht en volgen de honden en ik haar. En elken Vrijdag op dit uur bereik ik haar en volvoer ik die marteling, welke gij zien zult. En geloof niet, dat wij op andere dagen uitrusten, maar dan haal ik haar op andere plaatsen in, waar zij jegens mij wreed dacht of handelde en daar ik van minnaar vijand geworden ben gelijk gij ziet, moet ik aldus haar zooveel jaren volgen, als zij maanden wreed jegens mij geweest is. Laat dus de goddelijke gerechtigheid haar gang gaan en verzet U niet tegen datgene, waaraan gij geen weerstand zult kunnen bieden.

Toen Nastagio die woorden hoorde, werd hij geheel verlegen en had haast geen haar op het lichaam, dat niet overeind stond, ging achteruit en naar het meisje ziende, begon hij beangst af te wachten wat de ridder zou doen. Toen deze met spreken ophield, liep hij als een dolle hond met den degen in de hand naar het meisje, dat geknield en stevig vastgehouden door de honden hem om genade smeekte. Hij stak dien met al zijn kracht door het midden van de borst, die hij geheel doorboorde. Nauwelijks had het jonge meisje den stoot ontvangen, of zij viel voorover op de aarde en klaagde en gilde voortdurend en de ridder, die een mes nam, opende haar de ribben en trok er het hart uit en al wat er om was en wierp het den honden voor, die als uitgehongerd het dadelijk opaten. Het duurde slechts een oogenblik of het meisje, alsof er niets gebeurd was, stond weer dadelijk op en begon te vluchten naar de zee, terwijl de honden achter haar steeds haar beten en de ridder, op zijn paard gestegen, nam den degen weer ter hand, begon haar te volgen en in korten tijd waren zij zoo ver weg, dat Nastagio ze niet meer kon zien.

Na dit bijgewoond te hebben stond hij langen tijd medelijdend en beangst en het kwam hem voor, dat dit veel voor hem waard kon zijn, omdat het tooneel er zich elken Vrijdag herhaalde. Daarom na wel de plaats te hebben opgemerkt, ging hij naar zijn bedienden terug en vervolgens, toen het hem goed dacht, zeide hij tot zijn verwanten en vrienden, die hij had ontboden: Gij hebt mij lang aangespoord mijn vijandin niet meer te beminnen en een eind te maken aan mijn verkwisting en ik ben bereid dit te doen, wanneer gij mij één gunst toestaat namelijk deze, dat gij aanstaanden Vrijdag het zoo regelt, dat messer Paolo Traversaro, zijn vrouw, zijn dochter, al de hun verwante vrouwen en alle andere donna’s, die gij verkiest, bij mij zullen komen middagmalen. Wat ik hiermee wil, zult gij dan zien. Het scheen hun een licht werk om dit te doen en te Ravenna terug gekeerd noodigden zij, toen het tijd was, hen uit, die Nastagio wenschte en hoewel het moeite kostte het meisje er heen te krijgen door hem bemind, ging dit er toch met de anderen samen heen. Nastagio liet een prachtig maal gereed maken en liet de tafels onder de pijnboomen zetten vlak bij de plek, waar hij het verscheuren van de wreede donna had gezien en nadat hij de heeren en dames aan tafel had laten gaan, had hij dit zoo geregeld, dat het beminde meisje juist door hem geplaatst werd tegenover de plek, waar het feit weer moest geschieden. Toen het laatste gerecht was opgedragen, begonnen allen de wanhoopskreten van de opgejaagde donna te hooren. Iedereen was daarover zeer verwonderd en vroeg, wat dat dat was en daar niemand het wist te zeggen, stonden zij allen recht overeind en kijkend, wat dat kon wezen, zagen zij het klagende meisje en den ridder en de honden, en het duurde maar een oogenblik, of zij waren bij hen. Het rumoer werd groot, zoowel van de honden als van den ridder en velen, om het meisje te helpen, liepen er op af. Maar de ridder sprak hen toe gelijk hij het Nastagio had gedaan en deed ze niet alleen terug deinzen, maar verschrikte ze allen en vervulde ze met verwondering. Hij deed, wat hij vroeger had gedaan en zooveel donna’s, als er waren (want er waren er genoeg, die verwant geweest waren of met het klagende meisje of met den ridder en die zich zoowel zijn liefde als zijn dood herinnerden) begonnen allen jammerlijk te schreien, alsof zij het zich zelf zagen doen. [107] Toen dit gebeurd was en de donna en de ridder waren verdwenen, begonnen zij, die dit gezien hadden, daarover vele en verschillende gesprekken, maar onder degenen, die het meest verschrikt waren, bevond zich de wreede, jonge dame door Nastagio bemind, welke alles duidelijk had gezien en gehoord en in zich zelf begrepen had meer dan iemand anders op wie die dingen sloegen, terwijl zij zich de wreedheid herinnerde, door haar steeds tegen Nastagio volgehouden. Daarom scheen het haar, of zij al voor hem, die vol toorn was, vluchtte en of zij de honden aan haar zijden voelde. En zoo groot was de vrees, die daaruit bij haar ontstond, dat het haar niet zou overkomen, dat zij den tijd niet afwachtte (welke haar dienzelfden avond gegeven was) om met haat in liefde veranderd, een kamenier aan haar getrouw naar Nastagio te sturen, die hem van haar kant verzocht, of hij bij haar wou komen. Want zij was bereid alles te doen, wat hij begeerde. Hierop liet Nastagio antwoorden, dat hem dit zeer aangenaam was, maar dat, als het haar zou behagen, hij haar genoegen slechts met eer wenschte en dat was om haar te trouwen. Het meisje, dat wist, dat het slechts haar schuld was, als zij niet de vrouw van Nastagio werd, liet hem antwoorden, dat het haar aanstond. Daarom maakte zij zich zelf tot bode van dit alles en zeide tot haar vader en moeder, dat zij er tevreden mee was de vrouw van Nastagio te worden. Dezen waren daarover zeer verheugd en den volgenden Zondag huwde Nastagio haar en vierde bruiloft en leefde lang gelukkig met haar. En die angst was niet alleen de oorzaak van dit geluk, maar alle Ravenneesche donna’s werden er bang van, zoodat zij sedert veel inschikkelijker werden voor de genoegens der mannen dan zij eerst geweest waren.

NEGENDE VERTELLING.

Federigo degli Alberighi bemint en wordt niet bemind. Daar hij al zijn bezittingen verkwist, blijft hem slechts een valk over, die hij, daar hij niets anders heeft, aan zijn donna te eten geeft, als zij eens bij hem aan huis komt. Zij ziet dit nieuwe bewijs van liefde, verandert van gezindheid, neemt hem tot echtgenoot en maakt hem rijk.

Reeds had Filomena opgehouden met praten, toen de koningin, die gezien had, dat niemand iets meer had te zeggen behalve Dioneo met zijn voorrecht de laatste te zijn, met blij gelaat sprak: Nu is het aan mij de beurt om te vertellen, en—zeer geliefde donna’s—ik zal het gaarne doen met een verhaal gelijk aan de voorgaanden niet alleen, opdat gij weet hoeveel macht Uw schoonheid over edelmoedige harten heeft maar ook, opdat gij leeren zult U zelf te zijn, wanneer gij schenksters moet wezen van Uw belooningen zonder de fortuin leidsvrouw te laten wezen, welke ze meestal zonder onderscheidingsvermogen blindelings verdeelt.

Gij moet dan weten, dat Coppo di Borghese Domenichi, die in onze stad woonde en er misschien nog een man is van groot aanzien en groot gezag en zoowel door zijn manieren als zijn deugd, nog meer dan door den adel van zijn bloed zeer bekend en eeuwige roem waard, reeds oud er behagen in schepte met zijn buren en anderen over de dingen van het verleden te spreken, welke hij in meer orde en met beter geheugen en sierlijker bewoordingen wist te vertellen dan een ander man. Hij was gewoon onder andere schoone zaken te verhalen, dat er vroeger in Florence een jonkman leefde Federigo genaamd, zoon van messire Filippo Alberighi, en die in den wapenhandel en in hoffelijkheid boven elk jong edelman van Toscane hooggeschat werd. Deze gelijk met de meeste edellieden gebeurt, werd verliefd op een edeldame, monna Giovanna genaamd, die destijds tot de schoonsten en liefsten gerekend werd, die er in Florence waren en opdat hij haar liefde kon winnen, worstelde, schermde hij, hield hij feesten en schonk en verkwistte zonder eenig zelfbedwang zijn goederen. Maar zij niet minder eerbaar dan schoon, gaf niets om de dingen door hem gedaan, noch om hem, die ze deed. Daar Federigo boven zijn macht veel verteerde en niets verkreeg, begonnen, gelijk licht gebeurt, zijn rijkdommen te verminderen. Hij werd arm en bleef achter zonder iets anders dan een kleine landhoeve, van welker rente hij zeer karig leefde en had behalve dat slechts een der beste valken van de wereld. Daarom verliefder dan ooit en ziende, dat hij niet langer het stadsleven kon leiden, gelijk hij wenschte, ging hij te Campi, waar zijn boerderij was, wonen. Hier droeg hij, zoo goed hij kon met de vogelvangst en zonder iemand iets te vragen, geduldig zijn armoede. Nu gebeurde het, toen Federigo zoo tot de uiterste armoede kwam, dat de man van monna Giovanna ziek werd en toen hij den dood zag naderen, maakte hij zijn testament. En daar hij zeer rijk was, liet hij als erfgenaam een reeds grooten zoon achter en na dezen, daar hij monna Giovanna zeer had bemind, maakte hij haar in diens plaats tot erfgenaam, wanneer de zoon zonder wettig nakomeling zou sterven. Monna Giovanna bleef dus als weduwe achter en gelijk het de gewoonte is van onze donna’s, ging zij het zomerseizoen met haar zoon buiten doorbrengen op een landgoed vrij dicht bij dat van Federigo. Hierdoor begon die jongen met Federigo vriendschap te sluiten en zich met vogels en honden te vermaken.

Daar hij dikwijls de valk van Federigo had zien vliegen en die hem buitengewoon beviel, verlangde hij zeer dien te bezitten, maar durfde hem dit niet te vragen, daar hij zag, hoe deze op den vogel gesteld was. Terwijl de zaak zoo stond, werd de knaap ziek, waarover de moeder zeer treurig was, daar zij niets anders had en hem zooveel zij kon liefhad; zij was den ganschen dag bij hem, hield niet op hem te sterken en vroeg hem dikwijls of hij iets verlangde, hem smeekend het haar te zeggen, daar zij hem zeker, als het haar mogelijk was, hem dit zou bezorgen. De knaap, die dikwijls deze vragen hoorde, zeide: Moeder, als gij mij den valk zoudt kunnen geven van Federigo, zou ik spoedig beter worden. De donna, die dit hoorde, bleef een oogenblik in gedachten en begon er over te peinzen, wat haar te doen stond. Zij wist, dat Federigo haar lang had bemind, maar dat hij van haar nooit een enkele blik had gehad. Daarom zeide zij: Hoe zal ik sturen om hem dien valk te vragen, die, naar ik heb gehoord, de beste is, die er ooit vloog en die bovendien zijn troost in deze wereld is? En hoe zou ik zoo zelfzuchtig zijn er een edelman van te ontdoen, wien geen ander genoegen is overgebleven! Door die gedachten verontrust, hoewel zij er zeker van was den valk te krijgen, dien zij wenschte, wist zij niet, wat zij aan haar zoon zou zeggen en antwoordde hem niet. Eindelijk nam de liefde, die zij haar zoon toedroeg, zoo de overhand, dat zij besloot hem tevreden te stellen en wat er ook mocht gebeuren, zelf den vogel te gaan vragen in plaats het te laten doen en zij antwoordde het kind: Jongen, houdt moed en doe je best te herstellen, want ik beloof je, dat het eerste, wat ik morgen doen zal, is den valk te gaan halen en ik zal je dien brengen. Het kind hierover verheugd toonde denzelfden dag al eenige beterschap.

De donna na een andere tot gezelschap te hebben medegenomen, ging den volgenden morgen bij wijze van uitspanning naar het tuintje van Federigo en liet hem roepen. Daar het weer niet gunstig was en hij dien dag niet op de vogelvangst ging, was hij in zijn tuin en liet er eenig werk in orde maken. Toen hij hoorde, dat monna Giovanna naar hem vroeg, was hij zeer verwonderd en liep verheugd naar haar toe. Toen zij hem zag komen, stond zij voor hem met vrouwelijke bekoorlijkheid op en nadat Federigo haar eerbiedig gegroet had, zeide zij: Het ga U wel, Federigo. En zij vervolgde: Ik ben gekomen om U de schade te vergoeden, die gij door mij hebt geleden, toen gij mij meer lief hadt dan noodig was en de vergoeding is deze, dat ik met mijn gezellin van ochtend vriendschappelijk bij U wil blijven middagmalen. Federigo antwoordde nederig: Madonna, ik herinner mij niet ooit eenige schade door U geleden te hebben, maar integendeel zooveel goeds van U te hebben ontvangen, dat, zoo ik ooit iets waard ben geweest, het aan U te danken is en aan de liefde, die ik U heb toegedragen, dat dit gebeurd is. En zeker is Uw welgemeende komst mij aangenamer dan dat het mij gegeven zou zijn opnieuw te kunnen verkwisten, wat ik verteerd heb, hoewel gij bij een armen gastheer zijt gekomen. Bij die woorden ontving hij haar verlegen in zijn huisje en voerde haar vandaar in den tuin en daar hij er niemand had om haar gezelschap te houden, zeide hij: Madonna, omdat er niemand is, zal deze goede vrouw, de echtgenoote van dien tuinman, U gezelschap houden, terwijl ik de tafel ga dekken.

Hoewel zijn armoede uiterst groot was, had hij nog nooit gemerkt, hoe hem de rijkdommen ontbraken, die hij teugelloos verkwist had. Maar die ochtend, toen hij niets vond, waarmee hij de donna eer kon bewijzen, uit liefde tot welke hij al aan eindeloos veel menschen genoegen had gedaan, deed het hem inzien. En buitengewoon angstig, zijn lot vervloekend als een man, die buiten zich zelve was, liep hij dan hier dan daar heen en weer. Hij vond geld noch wissel en het werd al laat en zijn verlangen was groot om toch met een of ander de edelvrouw te ontvangen en daar hij niemand anders dan zijn tuinman hulp wilde vragen, wierp hij de oogen op den goeden valk, die hij in zijn kamertje op den stang zag zitten. Daar hij tot niets anders zijn toevlucht kon nemen, nam hij dien en vond hem dik en dacht, dat deze een waardige spijs voor de donna zou zijn. En daarom zonder verder nadenken draaide hij hem den hals om, liet hem door zijn bediende, geplukt en toebereid, aan het spit steken en flink braden. En na de tafel gedekt te hebben met hagelwitte servetten, waarvan hij er nog eenige had, ging hij met blij gelaat terug naar de donna in zijn tuin en zeide, dat het middagmaal, dat hij voor haar had kunnen bereiden, gereed was. Daarop stonden de donna en haar gezellin op en gingen aan tafel en zonder te weten, wat zij aten, deden zij zich evenals Federigo te goed met den valk, dien hij met genoegen liet opdienen.

Toen zij van tafel waren opgestaan en eenigen tijd met hem in aangename gesprekken waren gebleven, scheen het aan de donna tijd om dat te zeggen, waarvoor zij gekomen was en begon aldus vriendelijk tegen Federigo te spreken: Federigo, wanneer gij U Uw vroeger leven herinnert en mijn eerbaarheid, welke gij ongelukkigerwijze voor hardheid en wreedheid hebt gehouden, twijfel ik er niet aan, dat gij U moet verwonderen over mijn aanmatiging, wanneer gij weet, waarom ik hoofdzakelijk gekomen ben. Maar indien gij kinderen hebt of gehad hebt, waardoor gij zoudt weten, hoe groot de kracht is der liefde, die men hun toedraagt, schijnt het mij zeker, dat gij mij ten deele zult verontschuldigen. Gij hebt er echter geen en ik wel; ik kon dus de wetten voor alle moeders gelijk niet ontloopen. Omdat het mij past dien aandrang te gehoorzamen, moet ik, tegen mijn goedvinden en tegen elken regel van wellevendheid in U een geschenk vragen, wat ik weet, dat U zeer dierbaar is en wat de reden is, waarom Uw slecht fortuin U geen ander genoegen, geen ander vermaak, geen anderen troost heeft gelaten en dat geschenk is Uw valk, waarnaar mijn kind zoo begeerig is, dat, als ik het dien niet breng, ik vrees, dat hij veel zieker wordt Dit zal tengevolge zal hebben, dat ik hem zal verliezen, als het niet gebeurt. Daarom bid ik U niet bij de liefde, die gij mij toedraagt—waardoor gij tot niets verplicht zijt—maar bij Uw adel, welke gij door het schenken van Uw beleefdheid getoond hebt meer dan in wat ook, dat gij mij dien met genoegen zult geven, opdat ik zeggen kan door die gift mijn zoon in het leven te hebben gehouden en U aan hem daardoor steeds te danken te hebben. Toen Federigo hoorde, wat de donna vroeg en begreep, dat hij haar niet van dienst kon zijn, omdat die tot spijs gediend had, begon hij in haar tegenwoordigheid te zuchten en kon niets antwoorden. De donna geloofde eerst, dat die smart meer voortkwam uit de scheiding van den goeden valk dan uit iets anders en was op het punt te zeggen, dat zij het niet meer verlangde, maar zich inhoudend, wachtte zij na het klagen het antwoord van Federigo af, die aldus sprak: Madonna, sinds het aan God heeft behaagd, dat ik op U mijn liefde had gericht, is de fortuin mij in heel wat dingen tegen geweest, en ik heb mij er over moeten beklagen, maar allen zijn licht geweest in vergelijking tot wat zij mij heden aandoet, waarover ik nooit vrede met haar zal hebben, als ik er aan denk, dat gij hier in mijn arm huis gekomen zijt, waar gij, toen ik rijk was, U niet hadt verwaardigd te komen en van mij nu een klein geschenk wilt hebben en zij het thans zoo heeft besteld, dat ik U dit niet kan geven. Waarom dit niet kan, zal ik U in het kort zeggen: Zoodra ik gehoord had, dat gij dank zij Uw gunst met mij wilde middagmalen, nam ik Uw hoogen rang en waardigheid in aanmerking en heb ik het een welvoegelijke en passende zaak geacht U met de beste spijs naar mijn vermogen te onthalen veel meer dan men in ’t algemeen voor andere personen doet. Daarom, toen ik aan den valk dacht, dien gij mij vraagt en aan zijn deugdelijkheid, heb ik die waardige spijs voor U geacht en gij hebt hem van ochtend gebraden op den schotel gehad, dien ik daartoe zeer goed besteed achtte, maar nu ik zie, dat gij dien op andere wijze begeert, doet het mij groot leed, dat ik U niet van dienst kan zijn, zoodat ik geloof mij zelf nooit rust te kunnen geven. En bij die woorden liet hij de veeren, de klauwen en de bek van den valk voor haar werpen.

De donna zag en hoorde dit en berispte hem eerst, dat hij om een vrouw te onthalen zulk een valk had gedood, maar bewonderde daarna in stilte weer zijn grootmoedigheid, welke zijn armoede niet had kunnen noch kon neerslaan. Daarna zonder hoop den valk te krijgen en misschien ook daartoe op het herstel van haar zoon, ging zij geheel terneergeslagen heen en keerde tot den jongen terug. Deze, hetzij door zwaarmoedigheid, omdat hij den valk niet kon krijgen of omdat de ziekte er toch de oorzaak van was, stierf na verloop van eenige dagen tot zeer groote smart van de moeder. Zij bleef een tijd vol tranen en bitterheid, maar daar zij zeer rijk was, werd zij dikwijls door haar broeders aangespoord om weer te trouwen. Hoewel zij het niet wilde, maar hen toch zag volhouden en zij zich de waarde van Federigo herinnerde en zijn laatste gulheid, namelijk zulk een valk gedood te hebben om haar te ontvangen, zeide zij tot de broeders: Ik zou gaarne, als gij het ook wenschte, alleen willen blijven, maar als gij toch wilt, dat ik een man neem, zal ik zeker geen ander huwen dan Federigo degli Alberighi. De broeders spotten hiermee en zeiden: Hoe dwaas! Wat zegt gij? Hoe wil je hem hebben, die niets op de wereld bezit? Daarop antwoordde zij: Mijn broeders, ik weet wel, dat dit zoo is, maar ik wil liever een man, die behoefte heeft aan rijkdom dan rijkdom, die een man noodig heeft. De broeders, die haar gezindheid vernamen en Federigo kenden als iemand van veel waarde, hoewel hij arm was, gaven haar, gelijk zij het wilde, aan hem met al haar rijkdommen. Hij huwde de vrouw van dien rang, welke hij zoo had bemind, werd aldus ook zeer rijk en eindigde met haar, nu zorgzamer geworden voor zijn geld, zijn dagen in vreugde.

TIENDE VERTELLING.

Pietro di Vinciola gaat buitenshuis middagmalen. Zijn vrouw laat een kleine jongen komen. Als Pietro terugkeert, verbergt zij den jongen in een kippenmand. Pietro verhaalt, dat bij Ercolano, waarmee hij avondmaalde, een jonkman gevonden werd, dien zijn vrouw er had binnengeleid. De donna laakt de vrouw van Ercolano. Bij ongeluk zet een ezel zijn hoef op de vingers van den jongen, die onder de mand zit. Hij schreeuwt, Pietro loopt er heen en ontdekt het bedrog van zijn vrouw, waarmee hij tot zijn schande in vrede blijft leven.

De vertelling van de koningin was ten einde en het werd door allen geprezen, dat God Federigo waardig had beloond, toen Dioneo, die nooit een bevel afwachtte, begon: Ik weet niet of ik zeggen kan, dat het een toevallige ondeugd bij de menschen is en door de slechte gewoonten bij dezen ontstaan of een natuurlijk gebrek eerder om de slechte dan om de goede daden te lachen en in het bijzonder, wanneer die ons persoonlijk niet raken. En daar de moeite, die ik genomen heb en die ik ook thans weer nemen zal, geen ander doel heeft dan U van neerslachtigheid te bevrijden en U gelach en vroolijkheid te schenken, en hoewel de stof van mijn volgend verhaal, verliefde jonge dames, ten deele minder dan eerbaar is, zal ik het toch vertellen om U genoegen te verschaffen. Wat U betreft bij het aanhooren, zult gij acht geven, gelijk gij gewoon zijt, wanneer gij een tuin binnentreedt en gij Uw kleine hand uitstrekkend, de rozen plukt en de doornen vermijdt. Zoo zult gij ook handelen als gij den slechten man, waarvan ik U spreken zal, aan zijn ongeluk en zijn schande overlaat, maar gij zult lachen om de liefdesschelmerijen van zijn vrouw, Uw medelijdend bewarend voor het ongeluk van anderen, wanneer dit noodig is.

Niet lang geleden leefde er in Perugia een rijk man Pietro di Vinciolo genaamd, die misschien minder om anderen te bedriegen en de algemeene achting niet te verliezen dan om de begeerte, die hij daarvoor had, een vrouw nam. De fortuin stemde met zijn verlangen samen zoo, dat de echtgenoote, die hij koos, een gezet jong meisje was, met rossig haar en licht ontvlambaar, die liever twee mannen dan er een had gehad, daar het haar overkwam er een te hebben, die veel meer zin had voor iets anders dan om haar te voldoen. Zij bemerkte dit na korten tijd en daar zij zag, dat ze mooi en frisch was en zich ondeugend en sterk voelde, begon zij er eerst heel boos over te worden en er met haar man over te twisten, met wien zij een slecht leven leidde. Daarna ziende, dat dit eer tot uitputting van haar gezondheid kon voeren dan tot verbetering van de slechtheid van haar man, zeide zij tot zich zelf: Die ellendige verlaat mij om met zijn verdorvenheid op sandalen te gaan bij droog weer en ik zal mijn best doen een ander in mijn schip te voeren over water. Ik heb hem tot man genomen en ik heb hem een groote en goede bruidschat gegeven denkend, dat het een man was en in het geloof, dat hij lief zou hebben, wat de mannen beminnen en moeten beminnen, en als ik dat niet had gemeend, had ik hem nooit genomen. Waarom nam hij, die wist, dat ik een vrouw was, mij tot echtgenoote, als hij het land aan de vrouwen heeft? Dat kan ik niet dulden. Als ik niet in de wereld had willen blijven, zou ik non zijn geworden, maar daar ik er in wil leven, gelijk ik dat wensch en ben, zou ik vergeefs ongelukkig oud worden met wachten, indien ik van hem genoegen of plezier bleef begeeren. En wanneer ik oud zal zijn en ik zou mij dan terugzien, zou ik er vergeefs over klagen mijn jeugd verloren te hebben. Hij is zelf goed genoeg om mij aan te duiden, hoe ik mij daarover moet troosten, door mij daarmee genoegen te verschaffen, waarmee hij het ook heeft, welk genoegen mij tot eer, maar hem tot schande verstrekt en in hooge mate. Ik zal alleen de wetten overtreden, terwijl hij en de wetten en de natuur verkracht. Toen de donna zoo had nagedacht en misschien meer dan eens, sloot zij om hieraan in het geheim gevolg te geven vriendschap met een oude vrouw, die zich voor deed als een Santa Verdiana, welke zelfs de slangen te eten zou geven. Zij ging steeds met haar rozenkrans in de hand naar elken aflaat en sprak nooit over iets anders dan over de Heilige Vaders of over de wonden van Sint Franciscus en werd door allen voor een heilige gehouden. Toen het haar tijd scheen, legde de jonge vrouw haar duidelijk haar bedoelingen bloot. De oude zeide: Mijn dochter, God, die alles kent, weet, dat gij goed wilt handelen en als gij geen andere reden hadt, zoudt gij het moeten doen als elke goede jonge vrouw om den tijd van haar jeugd niet te verliezen, want er is, voor wie verstand heeft, geen grooter smart dan zijn jeugd te hebben verloren. En waar zijn wij dan anders goed voor, als wij oud zijn, dan om de asch bij het vuur te bewaren? Als er zijn, die het weten en het kunnen getuigen, behoor ik daartoe; want nu ik oud ben, is het niet zonder een zeer groote en bittere beklemming, dat ik weet voor niets den tijd te hebben laten verstrijken en hoewel ik niet alles verloren heb—want ik zou niet willen, dat gij mij voor een gekkin zoudt houden—heb ik toch niet gedaan, wat ik zou hebben kunnen doen. Hierover, als ik er aan denk, en gij mij zoo leelijk ziet, als ik ben, dat ik niemand zou vinden, die mij met een vod [108] vuur zou geven,—God weet het—voel ik smart. Zoo is het niet met de mannen; zij worden geboren goed voor duizend dingen en niet alleen hiervoor en de meesten van hen zijn beter oud dan jong, maar de vrouwen komen alleen ter wereld om lief te hebben en kinderen te krijgen en daarom bemint men ze. En als gij het bij niets anders bemerkt hebt, hebt gij het moeten gewaar worden daaraan, dat wij steeds bereid zijn lief te hebben, wat bij de mannen niet het geval is. Bovendien zou bij dit spelletje een vrouw verscheidene mannen uitputten, waar meer mannen een vrouw niet zouden voldoen. En omdat wij daarvoor geboren zijn, zeg ik U opnieuw, dat gij wel zult handelen, Uw wettige man met een kluitje in het riet te sturen, zoodat Uw geest aan Uw vleesch geen verwijten hoeft te doen, als gij oud zult wezen. Ieder heeft van dit leven, slechts wat hij er van neemt en vooral de vrouwen, waar voor het veel meer dan voor de mannen noodig is den tijd wel te besteden, wanneer zij het kunnen, omdat gij zult zien, dat, wanneer wij oud zijn, echtgenooten noch anderen ons hebben willen, maar ons integendeel naar de keuken sturen om praatjes te gaan vertellen aan de kat en de potten en de schotels te gaan tellen. Het is nog erger als zij ons voor den mal houden en zeggen: Aan de jongen de goede hapjes en aan de ouden de restjes; en zij zeggen nog bovendien veel meer. Maar opdat ik niet langer met U praat, zeg ik U thans, dat gij aan niemand, die U van meer dienst kan zijn, het hart kunt luchten dan aan mij, omdat er geen man zoo bij de hand is, dien ik niet den moed heb te zeggen, wat noodig is, noch zoo hard of ruw, dat ik hem niet klein krijg en gebruik voor wat gij wilt; zeg dus maar wat gij verlangt en laat mij gaan. Maar denk aan één ding, mijn kind, dat ik U voor oogen houd, omdat ik arm ben en ik wensch, dat gij deelt in al mijn aflaten en ik alle paternosters, die ik zeggen zal, opdat God licht zal geven en kaarsen voor al Uw afgestorvenen. Daarop zweeg zij.

Het meisje was het dus hierover met de oude eens geworden, dat, als zij een jonkman zag, welke dikwijls door de buurt ging, waarvan zij haar alle kenteekens opgaf, dat zij dan zou weten, wat haar te doen stond en na haar een weinig gezouten vleesch te hebben gegeven, beval zij haar Gode aan. De oude zond haar na eenige dagen dien jongen, waarvan zij had gesproken, in haar kamer en kort daarop een ander naar het de donna beviel. Zij altijd in angst voor den echtgenoot en wat daaruit kon voortkomen, liet echter geen gelegenheid ongebruikt. Toen op een avond haar man bij een vriend moest gaan avondmalen, die Ercolano heette, gelastte de jonge vrouw aan de donna haar een jongen te doen toekomen, die een der knapsten en aardigsten was van Perugia. Deze volgde dit haastig op. Nadat zij zich met deze aan tafel had gezet om te avondmalen, riep opeens Pietro aan de deur, die voor hem geopend moest worden. De donna beschouwde zich toen als verloren, maar toch wilde zij zoo mogelijk den jonkman verbergen. Daar zij geen toevlucht zag om hem weg te sturen of hem elders te verbergen dan in een klein kabinet, dat naast de kamer was, waar zij aten, stopte zij hem onder een kippenmand, die daar was en wierp er een groote doek over van een zak, dien zij dienzelfden dag had laten ledigen; daarna deed zij haar man ijlings open. Hij trad in de kamer en zij zeide tot hem: Je hebt dat avondmaal gauw opgepeuzeld. Pietro antwoordde: Wij hebben het niet aangeroerd. En hoe kwam dat? vroeg de donna. Pietro hernam: Ik zal het U zeggen. Wij waren al aan tafel, Ercolano, zijn vrouw en ik, toen wij vlak boven ons hoorden niezen, waarover wij ons den eersten en den tweeden keer een weinig hebben verontrust, maar toen hij die geniesd had, het een derden, vierden en vijfden keer deed en nog vele malen, waren wij zeer verwonderd. Hierop zeide Ercolano, die wat ruzie met zijn vrouw had gehad, omdat zij ons langen tijd aan de deur had laten wachten, voor zij ons opende, woedend: Wat beteekent dat? Wie niest zoo? En nadat hij van tafel was opgestaan, ging hij naar een trap daar in de nabijheid, waaronder een hok was van planken om er een hoop dingen in te bergen, gelijk wij het zien in de huizen van hen, die hun logies in orde houden. Daar het hem leek, dat het genies vandaar kwam, opende hij dadelijk een klein deurtje en hieruit kwam de vreeselijkste zwavellucht van de wereld, veel sterker dan wij eerst geroken hadden en de donna sprak na hierover beknord te zijn: Dat is het; ik heb mijn zeilen met zwavel gewit en daarop heb ik den ketel onder de trap gezet, waarover ik ze had uitgespannen om den stoom op te vangen zóó, dat die reuk er nog vandaan komt.

Toen Ercolano de deur had geopend en de lucht was verdreven, keek hij in het hok en zag hem, die geniesd had en die nog niesde, daar de kracht van den zwavel hem benauwde. Hoewel hij niesde, had de zwaveldamp hem zoo den adem afgesneden, dat, als hij er een oogenblik langer in gebleven was, hij nooit meer geniesd zou hebben. Ercolano zag hem en schreeuwde: Nu zie ik, vrouw, waarom gij ons straks zoo lang aan de deur hebt gelaten, alvorens ons te openen, maar ik zal nooit meer in iets genoegen hebben, als ik je dit niet betaald zet. Toen de vrouw dit hoorde en haar misstap ontdekt zag, stond zij zonder een verontschuldiging te voelen van tafel op en vluchtte ik weet niet waarheen. Ercolano zonder op de vlucht van zijn vrouw te letten, riep meermalen tot hem, die geniesd had, er uit te komen, maar hij, die niet meer kon, verroerde zich niet, wat Ercolano ook zeide. Hij pakte hem bij een voet, trok hem er uit en zocht een mes om hem te vermoorden, maar ik, die voor mij zelf de justitie vreesde, stond op en belette, dat hij hem doodde of eenig kwaad deed, maar schreeuwde, terwijl ik hem verdedigde, waardoor er eenige buren op af kwamen, die den half dooden jonkman beet namen en uit het huis voerden, ik weet evenmin waarheen. Zoo werd ons avondmaal gestoord en ik heb het niet alleen niet gegeten, maar ik heb het zelfs niet aangeraakt gelijk ik U zeide.

Toen de donna dit hoorde, zag zij dat anderen even slim waren als zij, hoewel een andere ook soms een ongeluk opliep en zij had graag de vrouw van Ercolano verdedigd, maar omdat het laken van de fout van anderen haar den weg vrijer zou laten, begon zij te zeggen: Dat is wat moois! Dat is me een goede en heilige vrouw! Dat is de trouw van een fatsoenlijke donna, bij wien ik zou gebiecht hebben, zoo vroom als ze mij scheen. En wat erger is, zoo oud als ze reeds is, geeft zij een mooi voorbeeld aan de jonge dames. Dat het uur vervloekt zal wezen, waarop zij ter wereld kwam en ook die zij nog zal leven, die verraderlijke en schuldige vrouw, de schande en blaam voor alle vrouwen van de wereld, zij, die zich niet geschaamd heeft haar eerbaar leven weg te werpen en de trouw beloofd aan haar echtgenoot en de achting der wereld, van hem, een zoo goed man en een zoo eerzaam burger en die haar zoo goed behandelde, en hem met een ander man te schandvlekken en zichzelf met dezen. God beware mij; met zulke vrouwen moet men geen medelijden hebben, men moest ze dooden, men moest ze levend in het vuur werpen en in asch doen verkeeren. Toen aan haar minnaar denkend, dien zij onder de mand dicht genoeg bij zich had, begon zij Pietro aan te zetten, dat die naar bed ging, omdat het daarvoor tijd was. Maar Pietro, die meer trek had om te eten dan te slapen, vroeg toch of er niets van het avondmaal voor hem over was. De donna antwoordde: Zeker is er van het avondmaal over. Hebben wij de gewoonte ’s avonds te eten, als gij er niet zijt. Houdt ge mij voor de vrouw van Ercolano? Zeg, waarom ga je niet? Slaap van avond. Daar zou je beter mee doen!

Dien avond kwamen enkele boeren van Pietro met eetwaren uit het dorp en hadden hun ezels zonder ze te drinken te geven in een kleinen stal geplaatst, welke naast het kabinetje was. Een der ezels had grooten dorst, maakte den kop los van het koord, ging uit den stal en berook alles om te zien of hij water vond en kwam ook zoo in het midden van de kamer bij de korf, waaronder de jongen zat. Daar de jongen zich als op vier pooten moest houden, had hij een van zijn handen buiten de mand gestoken en zijn ongeluk was, dat de ezel hem den poot op den vinger zette. De hevige pijn, die hij voelde, deed hem een schrillen kreet uitstooten. Toen Pietro dit hoorde, was hij verwonderd en merkte, dat dit in huis moest zijn. Daarom ging hij uit de kamer en hoorde opnieuw schreeuwen, daar de ezel zijn poot nog niet van zijn vingers had gelicht, maar met klem vroeg hij: Wie is daar? en liep naar de mand en toen hij die ophief, zag hij den jongen, die behalve door de trappen, die hij van den ezel had ontvangen, van angst geheel voor Pietro trilde, die hem niets geen kwaad deed. Pietro, die hem herkend had, daar hij langen tijd hem met zijn schandelijke voorstellen had vervolgd, vroeg hem: Wat doet gij? waarop hij niets antwoordde maar hem bij Gods genade bad hem geen kwaad te doen. Hierop zeide Pietro: Sta op, vrees niet, dat ik U eenig kwaad zal doen, maar zeg mij, hoe je hier bent en waarvoor? De jongen zeide hem alles. Pietro niet minder blijde hem te hebben gevonden dan dat zijn donna er om treurde, nam hem bij de hand en voerde hem in de kamer mede, waar de donna hem met den grootsten angst van de wereld afwachtte. Nadat hij tegenover haar was gaan zitten, zeide hij: Nu, gij vervloekte zooeven de vrouw van Ercolano en zeide, dat men haar moest verbranden en dat zij voor U allen een schande is; hoe spreekt gij nu van U zelve? Of, als gij het niet wilt zeggen, hoe durft gij het dan van haar, wetend, dat gij zelf hebt gedaan, wat zij heeft misdreven? Zeker, niets dwong U er toe dan dat gij allen zoo zijt geaard en met de fouten van anderen Uw eigen misstappen tracht te verbergen. Dat het vuur van den hemel U allen verbrandt, ellendig geslacht, dat gij zijt. De donna, die zag, dat hij bij de eerste ontmoeting hem geen ander kwaad had gedaan dan met woorden en wien het scheen, dat hij heel tevreden was, omdat hij zulk een knappen jongen bij de hand hield, vatte moed en zeide: Ik ben er zeker van, dat gij wilt, dat er van den hemel een vuur zou vallen, dat ons allen verbrandde als een man, die even begeerig is naar ons als een hond naar stokslagen, maar bij het kruis van God: Uw verlangen zal niet vervuld worden. Gaarne evenwel wil ik een beetje met U praten om te weten, waarover gij U beklaagt en zeker zou het mooi wezen mij te vergelijken met de vrouw van Ercolano, die een oude schijnvrome is, een huichelaarster, die van hem alles heeft, wat ze wil en die haar koestert, gelijk men dat een vrouw moet doen, wat mij niet gebeurt. Want, zoo ik wel voorzien ben van kleeren en schoeisel, weet gij wel, hoe het met het andere staat en hoe lang het geleden is, dat gij naast mij hebt gelegen. En ik zou liever met lompen op den rug gaan en barrevoets en door U goed behandeld worden dan alles verder in overvloed te hebben, terwijl gij mij zoo bejegent. En weet wel, Pietro, dat ik een vrouw ben als de anderen, en wil, wat zij willen zóó, dat als ik het niet van U krijg en ik het mij toch verschaf, men het mij niet kwalijk kan nemen. Tenminste doe ik U al genoeg eer door mij niet af te geven met knechts of met liederlijke kerels.

Pietro, die zag, dat ze den heelen nacht niet zou ophouden met spreken, zeide hem als een man, die weinig om haar gaf: Genoeg nu, vrouw; ik zal U wat dat betreft wel tevreden stellen. Gij zult zeer goed, zijn, als wij iets tot avondeten krijgen, want die jongen schijnt mij evenals ik nog niet te hebben gegeten. Zeker niet, zeide de donna, want toen gij te kwader ure gekomen zijt, gingen wij aan tafel. Nu dan, zeide Pietro, maak, dat wij eten en daarna zal ik alles zoo schikken, dat gij geen reden tot klagen hebt. De donna ziende, dat haar man tevreden was, stond op, liet de tafel weer spoedig dekken en het avondmaal opdragen, dat zij had klaar gemaakt en at verheugd te samen met haar boozen echtgenoot en den jongen. Na het avondmaal is mij uit het geheugen gegaan, wat Pietro deed tot voldoening van alle drie. Zooveel weet ik wel, dat, toen den volgenden morgen de jongen op straat werd gezet, men nooit zeker heeft geweten, wie hem die nacht meer gezelschap had gehouden. Daarom moet ik U, mijn lieve donna’s, dit zeggen: Wie U te kort doet, zet het hem betaald en als gij het niet dadelijk kunt, onthoudt het dan, tot gij er toe in staat zijt, opdat wie U een kat in den zak geeft, er net zoo een terug krijgt.

Toen de geschiedenis van Dioneo geëindigd was en de donna’s zich weerhouden hadden te lachen minder uit schaamte, dan omdat zij er weinig genoegen bij gesmaakt hadden en de koningin zag, dat zijn verhaal uit was, stond zij op, nam zich den lauwerkrans van het hoofd, plaatste die vol gratie op het hoofd van Elisa en sprak tot haar: Aan U, madonna, behoort thans het bewind. Elisa, die deze eer had aangenomen, deed, gelijk te voren gedaan was en na den hofmeester eerst order gegeven te hebben omtrent alles, wat bij den duur van haar leiding noodig zou zijn, zeide zij tot groote voldoening van het gezelschap: Wij hebben al dikwijls gehoord, dat velen met schoone woorden of snelle verdediging of met vlugge invallen vroeger met de noodige wraak de tanden van anderen hebben weten te ontkomen of een dreigend gevaar te verdrijven en omdat die stof schoon is en nuttig kan zijn, wil ik, dat men morgen met Gods hulp binnen die beperking spreekt, namelijk van hen, die aangezet door een of andere scherts, zich hebben geweerd of met een vlug antwoord of een wijs vooruitzienden blik verlies, gevaar of schande ontkwamen. Dit werd door allen zeer geprezen. De koningin stond op en gaf ze allen tot aan het avondmaal vrij. Het heele eerzame gezelschap rees op, toen het de koningin zag opstaan en volgens gewoonte gaf elk zich over aan, wat hem het meest beviel. Maar toen de krekels al met zingen hadden opgehouden en iedereen werd terug geroepen, gingen zij allen naar het avondmaal, dat vroolijk eindigde en gaven zich over aan zang en muziek. En nadat reeds met goedvinden van de koningin Emilia een dans had gevormd, werd er aan Dioneo bevolen, dat hij een lied zou zingen. Hij begon spoedig: Monna Aldruda, licht Uw staart op, omdat ik U goede tijdingen breng. Hierom begonnen allen te lachen en het meest de koningin, die hem beval hiermee op te houden en een ander in te zetten. Dioneo sprak: Madonna, als ik cymbalen had, zou ik zingen: Licht de slippen van je hemd op, monna Lapa; of Onder den olijfboom en het groene gras of zoudt gij willen, dat ik zing: Het water van de zee doet mij groot kwaad? Maar ik heb geen cymbaal en daarom kies, wat gij van de anderen wilt. Zou U bevallen: Kom naar buiten, dat gij wordt gesneden als een vrucht in het veld? De koningin sprak: Neen, zeg een ander op. Dan, zei Dioneo, zal ik zingen: Monna Simona, zing, zing, wij zijn niet in October. De koningin zei lachend: Kijk, dat is slecht van pas; zeg een mooi vers op, indien gij wilt, want dit verlangen wij niet. Dioneo sprak: Neen, Madonna, maak U er niet boos om, maar wat bevalt U dan toch wel? Ik weet er meer dan duizend. Of wilt gij: O deze, mijn schelp, zoo ik haar niet prik of Zeg, zachtjes aan, mijn man, of wel: Ik zal een haan koopen van honderd lire. De koningin, een weinig boos, hoewel al de anderen lachten, zeide: Dioneo, houdt op met schertsen en zeg een mooi gedicht op en zoo niet, dan zult gij kunnen bewijzen hoe kwaad ik kan worden. Toen Dioneo dit hoorde, hield hij op met de grappen en begon spoedig aldus te zingen:

Amor, het levendige licht Dat uit de schoone oogen van mijn liefste straalt, Heeft mij tot Uw slaaf gemaakt en tot den hare.

De glans, die uit haar schoone oogen vloeit, Ontstak mij voor Uw vlam het hart, Terwijl gij mij doorboorde, En hoe groot uw macht is, Heeft haar schoon gelaat mij geopenbaard En het mij verbeeldend, Voelde ik al mijn deugden van mij gaan En legde die aan haar voeten, Het nieuwe voorwerp van mijn zuchten.

Zoo werd ik een der Uwen. Dit ben ik, geliefde Heer en gehoorzaam verwacht ik Genade van Uw macht. Maar ik weet niet, of zij gansch de onmetelijke liefde kent, Die zij mij in het hart heeft gebracht, Noch mijn geheele trouw, Zij, die zoo mijn ziel bemachtigde, Dat ik geen vrede zou hebben Noch buiten haar willen zou.

Daarom bid ik U, mijn zoete Heer, Dat gij haar die toont en haar doet gevoelen Een weinig van Uw vuur Tot mijn heil, want gij ziet, dat ik Van liefde verteer en door mijn marteling Langzaam sterf En dan, als het tijd zal zijn, Beveel mij bij haar aan, gelijk gij moet, Want ik zou gaarne met U gaan om dit te doen.

Toen Dioneo met zijn zang toonde door te zwijgen, dat die gedaan was, liet de koningin hem er nog vele anderen zingen, hoewel zij het vers van Dioneo toch zeer prees. Maar daar de nacht al grootendeels verstreken was en de koningin gevoelde, dat de warmte al overwonnen was door de koelte van den nacht, beval zij, dat elk tot den volgenden dag voor zijn genoegen zou gaan slapen.

ZESDE DAG.

De vijfde dag van de Decamerone eindigt, de zesde vangt aan. Onder het bewind van Elisa spreekt men van dengene, die, aangespoord door een of andere aardige zet zich verweert, of met een snel antwoord of doorzicht zich behoedt voor schade, gevaar of schande.

De maan in het midden des hemels geklommen, had zijn stralen verloren en reeds onder het nieuwe, wassende licht, was elk deel der aarde verhelderd, toen de koningin opgestaan haar gezelschap liet wekken en zij zich met langzame schreden verwijderden van den schoonen heuvel, zich over het gras verspreidden, over verschillende dingen spraken, van gedachten wisselden over de meerdere of mindere schoonheid van verhaalde novellen en nog over de verscheidene daarin voorkomende gevallen weer lachten, tot het aan allen tijd scheen, toen de zon warmer begon te worden, naar huis terug te gaan. Daarom keerden zij hun schreden daarheen, vanwaar ze gekomen waren. En ginds, waar de tafels al gedekt stonden en alles met geurige kruiden en met schoone bloemen bezaaid was, begonnen zij, voor het warmer werd, op verzoek der koningin te eten. Toen zij verzadigd waren, zongen zij, voor zij iets anders deden, eenige schoone en aardige liederen; deze ging slapen, gene schaakspelen en een ander hervatte dit. En Dioneo met Lauretta begonnen samen Troïlus en Crescida [109] te zingen. En reeds was het uur om consistorium [110] te houden weergekeerd, toen de koningin alle als gewoonlijk had laten roepen en zij rondom de fontein gingen zitten. Reeds wilde zij bevel geven de eerste geschiedenis te verhalen, toen er iets gebeurde, wat nog nooit was geschied, namelijk dat er door de koningin en allen een groot rumoer werd gehoord, dat de meiden en knechts in de keuken maakten. Men liet daarom den hofmeester komen en vroeg hem, wat de oorzaak was van het geschreeuw en het tumult en hij antwoordde, dat het leven gaande was tusschen Licisca en Tindaro. Maar de reden wist hij niet, hoewel hij er toch heen wou gaan om ze te doen zwijgen, wanneer hij van hunnentwege daartoe bevel kreeg. De koningin gelastte hem Licisca en Tindaro dadelijk te laten komen; nadat dit geschied was, vroeg zij hun, wat de oorzaak van het tumult was. Tindaro wilde er op antwoorden, toen Licisca, die een vrouw van een zekeren leeftijd was en trotscher dan eenige andere en verhit door haar geschreeuw, met een kwaad gezicht naar hem gekeerd, zeide: Kijk, die ezel van een vent, die den moed heeft, wanneer ik er bij ben, vóór mij te spreken! Laat mij aan het woord. En tot de koningin gewend, ging zij voort: Madonna, die wil mij de vrouw van Sycophante leeren kennen. Die wil mij, alsof ik haar nooit bezocht had, wijs maken, dat in de eerste huwelijksnacht, toen Sycophante met haar sliep, Messire Mazza met geweld en bloedverlies in den Zwarten Berg kwam. [111] En ik zeg, dat het niet waar, is maar dat het integendeel vreedzaam ging en tot groot genoegen van beide. En hij is wel zoo stom, dat hij maar al te goed gelooft, dat de jonge meisjes gek genoeg zijn om hun tijd te verliezen en berusten voor hun vader en broeders, die hun zes van de zeven keer drie of vier jaar langer laten wachten dan ze moesten om ze uit te huwen. Ze zouden het goed maken, broederlief, als ze zoo lang wachtten. Bij het geloof in Christus—en ik moet toch weten wat ik zeg, als ik zweer—ik heb geen buurvrouw, die als maagd naar haar man is gegaan en ook van de getrouwde vrouwen weet ik, hoe en wat voor poetsen ze hun mannen bakken. En die ezel wil mij de vrouwen doen kennen of ik van gisteren ben. Terwijl Licisca sprak, moesten de donna’s zoo lachen, dat men ze al hun tanden had kunnen trekken.

De koningin had haar wel zes maal het zwijgen opgelegd, maar het hielp niets, zij hield maar niet op voor ze gezegd had, wat haar uit den mond viel. Toen zij klaar was, zeide de koningin lachend tot Dioneo: Dioneo, dat is iets voor U. En daarom, als wij onze verhalen verteld hebben, zult gij zorgen, dat gij hierover het eindoordeel uitspreekt Hierop antwoordde Dioneo haastig: Madonna, het oordeel is uitgesproken zonder dat er meer voor noodig is om te hooren en ik zeg, dat Licisca gelijk heeft en geloof, dat het is zooals zij zegt en Tindaro is een ezel. Toen Licisca dit hoorde, begon zij te lachen en tot Tindaro gewend, zeide zij: Dat heb ik je wel gezegd. Ga weg met Gods genade; geloof jij er soms meer van te weten dan ik, jij, die als de zuigelingen je oogen nog niet open hebt gedaan. Ik heb, Goddank, niet voor niets geleefd.

Als de koningin haar niet met een kwaad gezicht het zwijgen had opgelegd, en haar niet bevolen had er geen woord meer aan toe te voegen noch ruzie te maken, als ze geen slaag wou hebben en met Tindaro weggejaagd worden, had men den heelen dag wel met haar aan den gang kunnen blijven. Toen zij heengegaan waren, beval de koningin aan Filomena, dat zij met de verhalen aanving. Zij begon blijmoedig aldus:

EERSTE VERTELLING.

Een ridder vraagt aan madonna Oretta [112] met hem te paard te gaan zitten en haar een verhaal te doen. Als hij echter slecht vertelt, verzoekt zij hem haar weer te doen afstijgen.

Jonge dames. Evenals op de schoone avonden de sterren de sieraden des hemels zijn en in de lente de bloemen van de groene weiden en de struiken bedekt met hun loover de heuvels tooien, zoo zijn de geestige woorden dit van de lofwaardige manieren en de schoone gesprekken. En omdat zij kort moeten zijn, passen zij beter de donna’s dan de heeren te meer, omdat het lange spreken meer aan de vrouwen dan aan de mannen misstaat. Het is waar, dat, wat er ook de reden van zij, of door de minderheid van onzen geest of door de zonderlinge vijandschap, die de hemel aan onzen tijd toont, er thans weinig donna’s of geen zijn, die er een kan zeggen op het juiste oogenblik of indien men er haar een zegt, het weet te verstaan gelijk het behoort, wat in ’t algemeen ons tot schande strekt. Maar daar er over dit onderwerp al genoeg beweerd is door Pampinea, wil ik er niet meer van zeggen. Maar om U te doen zien, hoeveel schoons zij in zich bevatten, als zij op het juiste oogenblik verteld worden, behaagt het mij U te verhalen van de hoffelijke manier, waarop een edelvrouw aan een ridder het stilzwijgen wist op te leggen.

Gelijk velen van U het hebben kunnen zien of hooren, leefde er nog niet lang geleden in onze stad een lieve, welopgevoede en welsprekende donna en van een waardigheid, zoo dat ik haar naam niet verbergen wil—zij heette dan madonna Oretta en was de vrouw van messer Ger Spina—welke toevallig buiten was gelijk wij nu. Zij ging van de eene plaats naar de andere om zich te ontspannen met donna’s en cavalieri, welke zij dien dag allen ten middagmaal had gehad. Daar de weg was van daar, waar men vertrok tot ginds, waar allen te voet wilden heengaan, zeide een der ridders van het gezelschap: Madonna Oretta, wanneer gij wilt, zal ik U te paard een groot deel van den weg nemen, dien wij zullen gaan en ik zal U dan een der schoonste verhalen van de wereld doen. Hierop antwoordde de donna: Messire, daarom bid ik U ten zeerste en het zal mij zeer aangenaam zijn.

Messire de ridder, wien misschien de degen beter aan de zijde stond dan het verhalen met den mond, hoorde dit en begon een novelle, die hij zelf voor zeer schoon hield, maar daar hij drie of vier keer dezelfde woorden herhaalde en dan op hetzelfde terugkwam en telkens zei: Ik heb het niet goed gezegd, en vaak de namen verwarde en den een met den ander verwisselde, bedierf hij die op barbaarsche wijze zonder er van te spreken, dat hij zeer slecht de hoedanigheid der personen en de gebaren, die zij maakten, weergaf. Hiervan brak madonna Oretta herhaaldelijk, terwijl zij hem hoorde, het zweet uit en werd ze wee om het hart, alsof zij ziek was en flauw dreigde te vallen. Toen zij het eindelijk niet langer kon uithouden, en begreep, dat de edelman in de war was en er niets meer van terecht zou brengen, zeide zij schertsend: Messer, Uw paard heeft een te harden loop, daarom bid ik U mij te laten afstijgen. De ridder, die eigenlijk beter toehoorder dan verteller was, begreep dit woord en nam dit in scherts als aardigheid op en begon over andere dingen te spreken, terwijl hij zonder die af te maken, de begonnen en slecht voortgezette vertelling staakte.

TWEEDE VERTELLING.

De bakker Cisti [113] doet met een woord messer Geri Spina inzien, dat hij een onbescheiden vraag doet.

Het antwoord van madonna Oretta werd door elk der donna’s en der heeren zeer geprezen, waarop de koningin beval, dat Pampinea zou volgen. Daarom begon zij aldus: Schoone donna’s. Ik zou door mij zelf niet kunnen beoordeelen wie meer zondigt of de natuur door een nobele ziel aan een slecht lichaam te verbinden of de fortuin door een gewoon beroep op te leggen aan een lichaam met een edelen geest begaafd als bij onzen medeburger Cisti, wat wij ook nog bij velen hebben kunnen zien. Dezen Cisti met een hooge ziel begiftigd, maakte de natuur bakker. En zeker zou ik en de natuur en de fortuin gelijkelijk verfoeien, indien ik niet wist, dat de natuur zeer voorzichtig is en de fortuin duizend oogen heeft, hoewel de dwazen haar als blind voorstellen. Ik geloof, dat zij als bedachtzame lieden, dikwijls doen, onzeker zijn van de toekomst, de kostbaarste voorwerpen om ze in veiligheid te stellen op de minste plaatsen in huis verbergen als de minst verdachte plekken en ze er slechts bij hooge noodzakelijkheid uit te voorschijn halen, daar de minste plaats juist zekerder dienst doet dan de mooiste kamer het zou kunnen. En aldus verbergen dikwijls de twee hoogste regeerders der wereld hun kostbaarste dingen in het duister van de beroepen, die als de laagsten bekend staan, opdat, als zij er die uit te voorschijn halen, hun glans des te klaarder verschijnt. Het behaagt mij U een kleine historie te verhalen, hoe de bakker Cisti, die de oogen des geestes terug gaf aan messer Geri Spina, dit toonde, wat mij de geschiedenis in het geheugen riep van madonna Oretta, die zijn vrouw was. Ik zeg dan, dat paus Bonifacius [114], bij wien messer Geri Spina in groot aanzien stond, eenige van zijn edellieden als ambassadeurs naar Florence had gezonden voor eenige belangrijke zaken [115], die in het huis van messer Geri Spina waren afgestegen, welke hen bij de zaken van den Paus hielp. Wat er ook de reden van zij, elken morgen gingen messer Geri en de gezanten van den Paus langs Santa Maria Ughi, waar de bakker Cisti zijn bakkerij had en persoonlijk zijn beroep uitoefende. Hoewel de fortuin hem een zeer nederig beroep had gegeven, was zij hem toch zoo welwillend geweest, dat hij er rijk in was geworden en zonder dit beroep ooit voor een ander te verlaten zeer ruim leefde, terwijl hij onder andere goede dingen altijd de beste witte en roode wijnen had, die men in Florence of buiten vond. Hij zag elken morgen messer Geri en de gezanten van den Paus langs zijn deur gaan en daar het zeer warm was, meende hij, dat het een groote beleefdheid was hun witten wijn te drinken te geven, maar op zijn stand lettend en dien van messer Geri, scheen het hem niet passend hem uit te noodigen, maar hij wilde een middel verzinnen, dat messer Geri er toe zou voeren zich zelf uit te noodigen. Daar hij een geheel wit vest aan had en een altijd gewasschen sloof, die hem eer het uiterlijk gaven van een molenaar dan van een bakker, liet hij zich elken morgen op het uur, dat messer Geri met de gezanten moest voorbijgaan voor zijn deur een nieuwe kan vol frisch water brengen en een kleine, nieuwe, bologneesche flesch met zijn goeden witten wijn en twee bekers, die van zilver schenen, zoo blank waren die. Daarna ging hij zitten en als ze voorbijgingen, na twee of drie keer te hebben gespuwd begon hij zoo smakelijk dien wijn van hem te drinken, dat een doode er trek in zou krijgen.

Toen messer Geri dat een of twee ochtenden gezien had, vroeg hij op den derden: Wel, Cisti, is die goed! Cisti stond snel op en zeide: Zeker, messere, maar ik kan het U niet doen begrijpen, als gij er niet van proeft. Messer Geri, wien of de hitte van het weer of meer dan gewone arbeid of misschien het smakelijk drinken, wat hij Cisti had zien doen, dorst had gegeven, zeide glimlachend tot de gezanten gekeerd: Heeren, het is goed, dat wij eens proeven van den wijn van dezen waarden man; misschien is die zóó, dat wij er geen berouw van zullen hebben, en met hen samen ging hij naar Cisti. Deze, die dadelijk een mooie bank uit den winkel had laten halen, verzocht hen te gaan zitten en zeide tot de knechts, die al vooruit kwamen om de glazen te vullen: Metgezellen, ga achteruit en laat mij dien dienst verrichten, want ik kan niet minder goed wijn mengen dan bakken. En wacht u er niet mee er een teug van te proeven. Bij die woorden, na zelf vier schoone en nieuwe bekers gespoeld te hebben, liet hij een kleine flesch van zijn wijn komen, waarvan hij gedienstig messer Geri en zijn metgezellen te drinken gaf. Het scheen hun de beste wijn, dien zij sinds lang gedronken hadden; daarom na hem veel geprezen te hebben kwam messer Geri, zoolang de gezanten daar bleven, elken morgen met hen drinken.

Toen hun zaken afgedaan waren en zij tot vertrek gereed waren, gaf messer Geri een prachtig gastmaal, waaraan hij een groot deel van de eerzaamste burgers uitnoodigde en ook Cisti, die er op geenerlei voorwaarde wilde komen. Messer Geri beval daarop aan een van zijn knechts aan Cisti een kleine flesch van diens wijn te gaan vragen en er bij de eerste spijzen een halven beker per persoon van te schenken. De knecht misschien zeer aanmatigend, omdat hij nooit van dien wijn had kunnen drinken, nam een groote flesch, maar toen Cisti deze zag, zeide hij: Mijn zoon, messer Geri heeft u niet tot mij gezonden. De knecht beweerde herhaaldelijk het tegendeel, maar kreeg geen ander antwoord, keerde naar messer Geri terug en vertelde hem dit. Hierop antwoordde messer Geri: Ga terug en zeg hem, dat ik het deed en als hij u weer zoo antwoordt, vraag hem dan naar wien ik u dan zend?

De knecht ging terug en zeide: Cisti, stellig zendt messer Geri mij toch naar u. Cisti antwoordde: Mijn zoon, dat is bepaald niet waar. Aan wien zendt hij mij dan? vroeg de knecht. Cisti hernam: Naar de Arno. [116] De knecht berichtte dit aan messer Geri en dadelijk gingen zijn geestesoogen hem open en sprak hij tot den knecht: Laat mij de flesch zien, die gij medebrengt. Nadat hij die had gezien, zeide hij: Cisti zegt de waarheid en na hem te hebben beschimpt liet hij hem een passende flesch meenemen, Cisti zag de flesch opnieuw en zeide: Nu weet ik zeker, dat hij u naar mij toezendt en hij vulde haar met genoegen. Denzelfden dag liet hij een vat met dien wijn vullen en liet dit zachtjes [117] naar het huis van messer Geri dragen, ging er vervolgens zelf heen, vond hem en zeide: Messer, ik wilde niet, dat gij gelooven zoudt, dat de groote flesch vanmorgen mij had verschrikt, maar daar het mij scheen, dat gij vergeten waart, dat ik mij aan u dezer dagen vertoond had met kleine flesschen, namelijk met wijn die niet voor de bedienden is, heb ik u dit vanochtend willen herinneren. Daar ik er niet langer op wil passen, heb ik u dien doen toekomen; doe er thans mee wat gij wilt. Aan messer Geri was het geschenk van Cisti zeer aangenaam en hij toonde hem zooveel dank als passend was en hield hem daarna steeds in eere en tot vriend.

DERDE VERTELLING.

Monna Nonna de’Pulci maakt met een vlug antwoord aan de minder eerlijke scherts van den bisschop van Florence een einde.

Toen Pampinea haar vertelling geëindigd had, en zoowel het antwoord als de vrijgevigheid van Cisti door allen zeer waren geprezen, behaagde het aan de koningin, dat Laurella daarna zou spreken, die vroolijk aldus met verhalen begon: Bekoorlijke donna’s. Eerst heeft Pampinea en nu Filomena inderdaad genoeg gesproken van ons gebrek aan geest en de schoonheid van gevatte woorden, waartoe het dus niet noodig is terug te keeren. Maar behalve dat, wat al van antwoorden gezegd is, is hun hoedanigheid zoo, dat zij hen, die ze verstaat, niet meer moeten bijten als schapen en niet als de hond, want wanneer het woord zóó sterk bijt, dan is het geen scherts meer maar een beleediging. Dit deden heel goed zoowel de woorden van mevrouw Oretta als het antwoord van Cisti. Het is waar, dat, als men tot verweer spreekt en hij, die dan antwoordt, bijt als een hond, diegene mij niet te laken schijnt, die het eerst door een hond is gebeten, daar dit anders niet zou gebeurd wezen en men moet dus er op letten, hoe, wanneer en met wien en ook waar men schertst. Omdat een onzer prelaten daar geen acht op gaf, ontving hij geen minderen beet, dan hij gaf, wat ik u in een klein verhaal wil aantoonen. Toen messer Antonio d’Orso bisschop was van Florence, een waardig en wijs prelaat, kwam daar een catalaansch edelman, messer Dego [118] della Ratta, maarschalk van koning Ruberto [119]. Daar die edelman zeer schoon van lichaam was en een zeer groot liefhebber van vrouwen, bekoorde onder de andere florentijnsche donna’s hem er een, die zeer schoon was en de nicht van een broeder des genoemden bisschops. Daar hij had bemerkt, dat haar echtgenoot, van hoe goede familie ook, zeer gierig was en slecht, kwam hij met hem overeen hem vijfhonderd goudguldens te geven, als hij hem een nacht met zijn vrouw zou laten slapen. Daarom liet hij zilveren popolijnen [120], die toen koers hadden, vergulden en gaf hem die na met de vrouw te hebben geslapen, hoewel het tegen haar zin was. Daar allen dit wisten, had de gemeene kerel er schade bij en spot en de bisschop als wijs man deed of hij niets er van wist.

Daar de bisschop en de maarschalk veel met elkaar omgingen, zagen zij op Sint Johannes [121] naast elkaar rijdend de donna’s loopen langs den weg, waar wedloopen werden gehouden, en bemerkte de bisschop een jong meisje, dat de tegenwoordige pestziekte ons ontnomen heeft en dat monna Nonna de’Pulci heette, een nicht van messer Messer Rinucci en dat gij alle moet gekend hebben. Het was toen een frisch en een mooi meisje, dat goed praatte en openhartig was van natuur.

Zij wachtte sinds een oogenblik haar man bij de poort van San Piero. De bisschop toonde haar aan den maarschalk en toen hij bij haar was, legde hij zijn hand op haar schouder en sprak: Nonna, hoe bevalt U deze man. Gelooft gij hem te kunnen veroveren? Het scheen aan Nonna, dat die woorden een weinig haar eer raakten en van dien aard waren, dat die haar konden schandvlekken voor degenen,—en dat waren er vele—die ze hoorden. Daarom niet bedoelend die besmetting af te wisschen maar stoot om stoot te geven, antwoordde zij snel: Messire, misschien zou hij overwinnen, maar ik zou dan geen valsch geld vragen. Toen de maarschalk en de Bisschop zich gelijkelijk aangetast voelden, de een als dader van een oneerlijke zaak jegens de nicht van des bisschops broeder en de andere als degeen, die de beleediging trof, omdat het zijn nicht was, gingen zij zonder elkaar aan te zien beschaamd en zwijgend weg en spraken den heelen dag geen woord meer. Zoo was het dus de jonge vrouw, die gebeten werd, niet verboden anderen met scherts terug te bijten.

VIERDE VERTELLING.

Chichibio, kok van Currado Gianfigliazzi doet tot zijn redding met een vlug antwoord den toorn van Currado in lachen overgaan en ontsnapt aan het kwade lot, waarmee hij door Currado werd bedreigd.

Reeds zweeg Lauretta en werd Nonna ten hoogste door allen geprezen, toen de koningin gelastte, dat Neifile zou volgen. Zij sprak: Verliefde donna’s. Hoewel de zwakheid van geest dikwijls vlugge en nuttige en schoone woorden ingeeft aan hen, die ze zeggen al naar de omstandigheden, komt ook dikwijls de fortuin vreesachtige lieden te hulp en legt er hun opeens op de tong, die nooit met kalm brein door den spreker zouden kunnen gevonden worden, wat ik U door mijn novelle wil aantoonen. Currado Gianfigliazzi, gelijk elk van U het heeft kunnen hooren en zien, is altijd beschouwd geworden als een edel burger van onze stad. Vrijgevig en prachtlievend leidt hij een leven van baanderheer, liefhebbert voortdurend met honden en vogels om nu niet te spreken van zijn ernstiger werken. Hij had eens op een dag met een van zijn valken bij Peretola [122] een kraanvogel gedood en daar hij haar vet en jong vond, liet hij dien naar zijn kok brengen, die Chichibio heette, een Venetiaan, en gelastte hem dien te braden voor het avondmaal en haar wel te verzorgen. Chichibio, die net zoo nieuwbakken van hersens was als hij er uitzag, maakte den kraanvogel klaar, deed hem op het vuur en begon hem met ijver te braden. Toen die zoo goed als gaar was en er een sterke geur van af kwam, kwam er een vrouwtje van het land, Brunetta genaamd, waarop Chichibio zeer verliefd was, in de keuken en toen zij den reuk van den kraan gewaar werd en den vogel zag, verzocht zij Chichibio dringend er haar de dij van te geven. Chichibio antwoordde haar zingend: Gij zult haar niet van mij hebben, donna Brunetta, gij zult haar niet van mij hebben. Hierover kwaad antwoordde Brunetta: Bij het geloof in God, als gij mij haar niet geeft, zal je van mij nooit meer iets hebben, wat je bevalt. En in korten tijd wisselden zij vele woorden. Tenslotte gaf Chichibio, na een van de dijen losgesneden te hebben, die aan de donna om haar niet boos te maken. Toen de kraan daarna opgediend was voor Currado en een vreemdeling, dien hij had uitgenoodigd, zonder die dij, en Currado daarover verwonderd was, liet hij Chichibio roepen en vroeg hem wat daarmee gebeurd was. De domme Venetiaan antwoordde dadelijk: Signor, de kraanvogels hebben maar één dij en één poot. Currado antwoordde woedend: Wat duivel hebben ze maar een dij en een poot? Heb ik dan geen andere kranen dan die gezien? Chichibio ging voort: Het is, mijnheer, zooals ik U zeg en als het U aanstaat, zal ik het U bij de levenden laten zien. Currado ter wille van den vreemdeling, die bij hem was, wilde er verder geen woorden over hebben, maar zeide: Daar gij mij zegt dit te zullen aantoonen bij de levenden, iets wat ik nooit heb gezien of hooren zeggen, wil ik dit morgenochtend zien en zal dan tevreden zijn, maar ik zweer u bij het lichaam van Christus, dat, als het anders zal wezen, ik u zal tracteeren op een manier, dat gij u tot uw schade mijn naam zult herinneren, zoolang gij hier zult leven.

Het onderhoud hield dus voor dien avond op en den volgenden morgen, zoodra het dag werd, stond Currado, die door den toorn niet had kunnen slapen, nog geheel prikkelbaar op en beval, dat de paarden werden voorgebracht en nadat hij Chichibio op een hengst had laten klimmen, zeide hij, terwijl hij hem naar een rivier leidde, aan welker oever altijd bij den dageraad kraanvogels te zien waren: Nu zullen we spoedig zien, wie gisterenavond gelogen heeft, gij of ik. Chichibio, die zag, dat de toorn van Currado nog voortduurde en dat hij zijn domheid bekennen moest en niet wist, hoe hij het doen moest, reed in den grootsten angst van de wereld naast Currado en had graag, als hij had gekund, willen vluchten, maar daar dit onmogelijk was, keek hij dan weer vooruit en dan weer achteruit en op zijde en al, wat hij zag, waren, meende hij, kraanvogels, die op twee pooten stonden. Maar ternauwernood waren zij bij de rivier gekomen of het eerste wat zij zagen, waren een twaalftal kranen, die allen op een poot stonden, gelijk zij gewoon zijn, als zij slapen. Daarom wees hij ze ijlings aan Currado en zeide: Gij kunt duidelijk genoeg zien, messer, dat ik u gisteravond de waarheid heb gezegd, dat de kraanvogels maar een dij en een poot hebben, als gij ziet naar hen, die daar staan. Currado zeide bij het zien van deze: Wacht maar, tot ik je zal toonen, dat ze er twee hebben en ze wat meer naderend, schreeuwde hij: Ho, ho, door welken kreet de kraanvogels de andere poot uitstaken en na eenige treden begonnen te vluchten. Hierop zeide Currado tot Chichibio gekeerd: Hoe lijkt het, je schelm? Schijnt het je nu, dat zij er twee op na houden? Chichibio, geheel van streek, antwoordde, niet wetend, hoe het in hem opkwam: Ja, messer, maar u hebt niet Ho, ho, geroepen tegen dien van gisteravond, want als U daartegen zoo hadt geschreeuwd, had die ook de andere dij en den anderen poot uitgestoken, zooals dezen hebben gedaan. Dit beviel zoo aan Currado, dat al zijn toorn in goedmoedigheid en lachen veranderde en hij sprak: Chichibio, je hebt gelijk; ik had dit moeten doen. Zoo vermeed Chichibio met zijn vlug en aardig antwoord het kwade gevolg en verzoende zich met zijn meester.

VIJFDE VERTELLING.

Messer Forese van Rabatta [123] en meester Giotto, de schilder, komen van Mugello en bespotten elkaar onderweg over hun leelijk voorkomen.

Zoodra Neifile zweeg en de donna’s veel genoegen hadden gehad in het antwoord van Chichibio, sprak Pamfilo naar den wil der koningin: Zeer geliefde donna’s. Het gebeurt dikwijls, dat, gelijk de fortuin onder lagere beroepen soms zeer groote schatten van deugd verbergt, wat Pampinea kort te voren aantoonde, aldus ook in de leelijkste gedaanten van menschen wonderbare geest door de natuur is neergelegd. Dit blijkt zeer sterk bij twee onzer burgers, van wien ik u in ’t kort hoop te spreken. Want de een, die messer Forese van Rabatta heette, was klein en misvormd van figuur met een plat en knorrig gezicht, zoodat hij bij wien ook der Baronci [124] vergeleken nog leelijk zou geweest zijn. Deze was zoo doorkneed in de kennis der wetten, dat hij door vele bekwame mannen voor een heele boekenkast van rechtsgeleerdheid werd gehouden. En de ander, die Giotto heette, had een zoo uitstekenden geest, dat er niets was in de natuur, de moeder en de oorzaak aller dingen door de voortdurende wenteling des hemels, dat hij niet met het stilet, de pen of het penseel weer kon geven, dat zij daarop niet slechts gelijkend maar eer de voorwerpen zelf schenen, zoodat het zintuig van het gezicht der menschen, er door misleid, hen die deed houden voor echt in plaats nagebootst. En daar hij die kunst weer in het volle licht heeft gesteld, die vele eeuwen begraven was onder de dwalingen van enkelen, die meer schilderden om de oogen der onwetenden te bekoren dan den geest der kenners te voldoen, kan men met recht hem een der stralen van Florence’s glorie noemen. En dit des te meer, omdat hij in leven als meester onder de anderen dien roem met zooveel meer nederigheid verwierf, daar hij steeds weigerde meester genoemd te worden. Deze titel door hem verworpen omglanst hem des te meer, naarmate die met des te meer verlangen door hen, die minder dan hij kenden of door zijn leerlingen gretig werd aangenomen. Maar hoewel zijn kunst zeer groot was, was hij daarom nog niet van figuur of van aanblik mooier dan messer Forese. Maar laat ik tot de geschiedenis overgaan:

Messer Forese en Giotto hadden in Mugello hun bezittingen en toen messer Forese de zijnen was gaan zien, in dien tijd van den zomer als de rechtbanken vacantie nemen en op een slecht karrepaard er heen ging, ontmoette hij den reeds gezegden Giotto, die eveneens de zijnen bezichtigd had en die naar Florence terugkeerde. Deze was noch door zijn paard, noch door zijn bagage beter voorzien dan de ander en als oude lieden vergezelden zij elkaar met langzamen gang. Gelijk wij het dikwijls zien gebeuren, overviel hen een plotse stortbui, die hen zoo spoedig ze konden deed vluchten in het huis van een boer, met wien zij beide bevriend en bekend waren. Maar daar de regen na eenigen tijd niet scheen te willen ophouden en zij denzelfden dag te Florence wilden zijn, leenden zij van den landman twee oude mantels van laken van Romagna en twee hoeden heelemaal rood van ouderdom, omdat er geen beteren waren en begaven zich weer op weg. Toen zij eenigen tijd waren voortgegaan en zich geheel doorweekt zagen en smerig door de modderspatten, die de paarden met de pooten in menigte opwierpen—wat ze er juist niet beter deed uitzien—en het weer wat opklaarde, begonnen zij, die lang zwijgend waren voortgegaan, te spreken. Messer Forese, die voortreed en naar Giotto luisterde, welke een zeer goed prater was, begon hem van ter zijde, van boven en overal te bekijken en daar hij er in elk opzicht zoo schandelijk en ontoonbaar uitzag, begon hij zonder eenigen eerbied voor zijn persoon te lachen en zeide: Giotto, als ons op dit oogenblik een vreemde tegemoet kwam, die u nooit zou gezien hebben, gelooit gij, dat hij zou wanen, in u den grootsten schilder van de wereld voor zich te hebben gelijk gij zijt? Giotto antwoordde snel: Messire, ik geloof, dat hij het zou denken, wanneer hij u ziende, zou meenen, dat u het a, b, c kent. [125] Toen messer Forese dit hoorde, erkende hij zijn dwaling en zag zich met dezelfde munt betaald, waarmee hij zijn koren verkocht had.

ZESDE VERTELLING.

Michele Scalza bewijst aan zekere jongelieden, dat de Baronci de oudste edellieden ter wereld zijn en van de Maremma en wint er een avondmaal mee.

De donna’s lachten nog om het gevatte antwoord van Giotto, toen de koning aan Fiammetta beval te volgen, die aldus begon te spreken: Jonge dames. Pamfilo, [126] door aan de Baronci te herinneren, die gij toevallig niet kent als hij, heeft mij een verhaal in het geheugen geroepen, waarin zonder van ons onderwerp af te wijken, u wordt aangetoond hoe groot hun adel was en daarom behaagt het mij u dit te vertellen.

Nog niet lang geleden was er in onze stad een jonkman, Michele Scalza genaamd, die de aardigste en aangenaamste mensch ter wereld was en die de nieuwste nieuwtjes bij de hand had. Daarom zorgden de florentijnsche jongelieden er wel voor hem in hun gezelschap te hebben. Toen hij op een goeden dag met eenigen van hen te Mont’ Ughi was, deed zich onder hen de vraag op wie de edelste en oudste lieden van Florence waren. Enkelen van hen beweerden, dat het de Uberti’s waren, en anderen de Lamberti’s en deze die en gene weer anderen, naar het hun inviel. Scalza hoorde deze, glimlachte en sprak: Ga heen, simpelen, die jullie bent, gij weet niet, wat ge zegt: de edelste en oudste lieden niet van Florence maar van de heele wereld en van de Maremma [127] zijn de Baronci en alle philosoofjes en elk, die ze kent, zijn het er met mij over eens. En opdat gij begrijpt, dat ik van geen anderen dan van hen spreek, zeg ik u, dat ik de Baronci bedoel, uw buren van Santa Maria Maggiore. Toen de jongelieden, die van hem iets anders verwachtten, dit hoorden, begonnen zij allen met hem te spotten en zeiden: Gij scheert met ons den gek, alsof wij de Baronci niet zouden kennen als gij. Scalza zeide: Neen, bij de heilige Evangeliën, ik zeg integendeel de waarheid, en indien er iemand onder u is, die er een avondmaal om wil verwedden om dit aan te bieden aan hem, die overwint, met de zes kameraden, die hem bevallen, zal ik mij gaarne daartoe verbinden en nog meer: ik zal mij er bij onderwerpen aan het oordeel van elk, dien gij wilt. Een van hen, Neri Mannini sprak: Ik ben bereid om dit avondmaal te wedden en nadat zij het er over eens waren geworden tot rechter Piero di Fiorentino te nemen, in wiens huis zij woonden, gingen zij naar hem toe en al de anderen om Scalza te zien verliezen en hem te plagen en vertelden alles, wat door hem gezegd was.

Piero, die een voorzichtig jongmensch was en die eerst de woorden van Neri had aangehoord, keerde zich daarna tot Scalza en zeide: En hoe kunt gij bewijzen, wat gij beweert? Scalza antwoordde: Wat? Ik zal het zóó bewijzen, dat niet alleen gij, maar hij, die het ontkent, zal zeggen, dat ik de waarheid vertel. Gij weet, dat, naarmate het geslacht van menschen ouder is, het ook als edeler beschouwd wordt en daarvan was juist zoo pas onder hen sprake en de Baronci zijn ouder dan eenige andere familie, zoodat zij edeler zijn en als ik bewijs, dat zij de oudsten zijn, zal ik zonder twijfel bij de zaak hebben overwonnen. Gij moet weten, dat de Baronci al geschapen zijn door God den Heer in den tijd, dat hij schilderen begon te leeren, maar de anderen in den tijd, toen Hij het kon. En om te weten, dat ik hierin de waarheid zeg, herinner u daartoe de Baronci en de andere menschen; waar gij alle anderen kunt zien met goed gebouwde gezichten en behoorlijk van verhoudingen, kunt gij de Baronci zien: den een met een heel lang en smal gelaat, den ander met een buitengewoon breed gezicht en dezen met een heelen langen neus en dien met een korten en genen met de kin vooruit en om zich zelf gebogen en met kaken, welke die van een ezel schijnen. En deze heeft het eene oog grooter dan het andere en die nog het eene lager dan het andere gelijk de gezichten plegen te wezen, welke de kinderen maken, als zij pas beginnen teekenen te leeren. Daaruit, zooals ik reeds zeide, blijkt voldoende, dat God de Heer ze maakte toen hij leerde schilderen, zoodat zij aldus ouder zijn dan de andere lieden en daardoor adellijker. Hierover dachten toen zoowel Piero, die scheidsrechter was als Neri, die om het avondmaal had gewed en ieder ander en nadat zij de geestige redeneering van Scalza hadden gehoord, begonnen allen te lachen en te bevestigen, dat Scalza gelijk had en dat hij het avondmaal gewonnen had en dat voorzeker de Baronci de edelste en de oudste familie waren niet slechts van Florence, maar van de wereld en van de Maremma. En het is daarom, dat Pamfilo, die de leelijkheid van het gezicht van messer Forese wou weergeven, met recht had gezegd, dat hij leelijk had geschenen naast een der Baronci.

ZEVENDE VERTELLING.

Madonna Filippa wordt door haar echtgenoot met een minnaar gevonden en voor de rechtbank geroepen. Zij bevrijdt zich met een vlug en aardig antwoord en doet de wet wijzigen. [128]

Reeds zweeg Fiammetta en nog lachte iedereen om de nieuwe redeneerwijze door Scalza gebruikt om boven allen de Baronci tot den adel te rekenen, toen de koningin aan Filostrato beval te vertellen en hij begon te zeggen: Waardige donna’s. Het is een schoone zaak in alle opzichten goed te kunnen spreken, maar ik vind dit het schoonste het dáár te kunnen doen, waar de noodzakelijkheid het vereischt. Dit verstond een edelvrouw, waarvan ik wil spreken, die niet alleen haar hoorders tot vroolijkheid en lachen bracht, maar zich uit de strikken van een smadelijken dood losmaakte gelijk gij zult hooren.

In de gemeente van Prato bestond vroeger een wet, waarlijk niet minder schandelijk dan hard, welke zonder eenig onderscheid te maken beval, dat de vrouw verbrand moest worden, welke door den echtgenoot met een minnaar op overspel werd betrapt evenals die, welke voor geld met een ander man gevonden werd. Terwijl die wet bestond, werd een edelvrouw, schooner en verliefder dan welke andere ook, die madonna Filippa heette, in haar eigen kamer op een nacht gevonden door Rinaldo de’ Pugliesi, haar man, in de armen van Lazzarino de’ Guazzagliotri, een adellijk en knap jonkman uit die gemeente, dien zij meer dan zich zelf lief had. Toen Rinaldo dat zag, weerhield hij zich zeer verwoed ternauwernood ze na te zitten en ze te vermoorden en indien hij niet aan zich zelf getwijfeld had, had hij het, den aandrang van zijn toorn volgend, gedaan. Daar hij zich daarvan weerhouden had, kon hij zich niet bedwingen dat te wenschen door de wet van Prato, wat hem zelf niet veroorloofd was teweeg te brengen, namelijk den dood van zijn vrouw. En daar hij om de schuld van de donna te bewijzen genoegzame gegevens had, liet hij, zoodra het dag werd, zonder verder raad in te winnen en de vrouw te hebben aangeklaagd, haar voor het gerecht roepen. De donna, die een groot hart had, gelijk gewoonlijk zij plegen te hebben, die van nature hartstochtelijk zijn, was, hoewel haar ouders en vrienden het haar afraadden, geheel gereed te verschijnen en zij wilde liever door de waarheid te bekennen met sterke ziel sterven dan laf vluchten, bij verstek veroordeeld in ballingschap leven en zich onwaardig toonen jegens zulk een minnaar, in wier armen zij den verloopen nacht had doorgebracht.

Terwijl zij vergezeld was van een groot aantal donna’s en mannen, en door allen werd aangeraden te ontkennen, vroeg zij voor den magistraat met een flink gelaat en een vaste stem, wat hij van haar wilde. De magistraat, die haar aanzag en vond, dat zij zeer schoon was en van zeer lofwaardige manieren en gelijk haar woorden het getuigden, van grooten moed, begon medelijden met haar te krijgen en vreesde, dat zij dat zou bekennen, waardoor hij haar moest doen sterven, terwijl hij haar eer wilde redden. Maar toch, daar hij zich niet kon onthouden haar te vragen, wat hem haar had doen dagvaarden, zeide hij tot haar: Madonna, gelijk gij ziet, is hier Rinaldo, uw man en hij beklaagt zich over U, van wie hij zegt, dat hij U met een ander man op echtbreuk heeft betrapt; en daarom vraagt hij, dat ik volgens een wet hier geldig, U daarvoor straf door U te doen sterven; maar ik kan dat niet doen, wanneer gij het niet bekent en pas daarom wel op wat gij antwoordt en zeg mij of het waar is, waarvan Uw echtgenoot U beschuldigt. De donna, zonder een oogenblik te vreezen, antwoordde met zeer bekoorlijke stem: Messire, het is waar, dat Rinaldo mijn echtgenoot is en dat hij mij in den afgeloopen nacht in de armen vond van Lazzarino, waarin ik door de goede en volmaakte liefde, die ik hem toedroeg, dikwijls was en dit zal ik nooit ontkennen, maar gelijk ik zeker ben, dat U bekend is, moeten de wetten gelijk zijn en gemaakt met de toestemming van hen, op wien zij betrekking hebben. Dat gebeurt evenwel niet, daar zij alleen de arme vrouwen dwingt, welke veel beter dan de mannen voor vele wetten bevoegd zouden zijn. En bovendien heeft geen enkele donna, toen die wet gemaakt werd, er niet alleen geen toestemming bij gegeven, maar geen een werd er bij geraadpleegd; daarom mag men die terecht slecht noemen. En indien gij daar de uitvoerder van wilt zijn ten koste van mijn lichaam en ziel, ben ik tot Uw beschikking, maar eer gij voortgaat met eenige zaak te beoordeelen bid ik U, dat gij mij een kleine gunst bewijst, namelijk dat gij mijn man vraagt of ik elken keer en zooveel keer als hem beviel zonder ooit te weigeren uit mij zelf mij hem geheel overgaf of niet. Hierop antwoordde Rinaldo zonder af te wachten, wat de rechter zou vragen, haastig, dat de vrouw zonder eenigen twijfel aan elk verlangen van hem geheel tot zijn genoegen had voldaan. Dan, vervolgde de donna gevat, mijnheer de rechter, indien hij altijd van mij heeft gekregen, wat hij noodig had en begeerde, wat moest ik of wat moet ik doen met wat hij mij vrij laat? Moet ik dat aan de honden voor werpen? Is het niet beter er een edelman mee te dienen, die mij meer dan zich zelf lief heeft dan het verloren te doen gaan of het te laten bederven?

Bij dit onderzoek van zulk een bekende vrouw waren alle bewoners van Prato toegeloopen, die na deze geestige vraag lachend als met één stem schreeuwden, dat de donna gelijk had. Op aanraden van den rechter, veranderde men de wreede wet zóó, dat deze alleen betrekking had op die vrouwen, welke voor geld ontrouw werden. Rinaldo verliet verlegen het verhoor en de donna ging in glorie vroolijk naar huis.

ACHTSTE VERTELLING.

Fresco dringt bij zijn nicht aan niet in een spiegel te kijken, wanneer haar het zien van leelijke menschen hinderde.

De novelle verhaald door Filostrato trof de harten van de donna’s met eenige schaamte en zij gaven er met een eerbaren blos zichtbaar op hun gelaat blijk van en toch konden zij zich ternauwernood van lachen onthouden. Toen hij tot het einde gekomen was, keerde de koningin zich tot Emilie en gelastte, dat die zou volgen. Deze verhief zich, alsof zij uit den slaap opstond en begon zuchtend: Verliefde, jonge dames. Omdat een langdurige gedachte mij hier ver vandaan heeft gevoerd, zal ik gedwongen zijn onze koningin te gehoorzamen, misschien met een korter historie dan wanneer ik met mijn geest hier aanwezig was geweest. Ik zal u de zotte dwaling vertellen van een meisje, dat door een scherts van een harer ooms zou verbeterd zijn, zoo zij verstandig genoeg was geweest hem te hebben begrepen.

Een zekere Fresco van Celatico had een nicht, schertsend Ciesca genaamd, die hoewel zij schoon was van vorm en gelaat, toch niet zoo engelachtig was als dikwijls het geval is en zich zoo edel waande, dat zij gewoon was mannen, vrouwen en alles te laken, zonder er op te letten, dat zij zelf onbehagelijker en driftiger dan eenige andere donna was. Zij was zoo trotsch, alsof zij tot de dynastie der koningen van Frankrijk behoord had. Als zij op straat liep, scheen zij zoo sterk de lucht van verbrand vuil te ruiken, dat zij niets deed dan haar neus snuiten, alsof zij bij iedereen stank bespeurde. Bovendien had zij nog vele andere, hinderlijke manieren. Zij ging eens naar huis teruggekeerd, waar Fresco was, zitten, vol landerigheid en deed niets dan zuchten. Fresco vroeg haar: Ciesca, waarom zijt gij, terwijl het heden feest is, zoo spoedig naar huis terug gekeerd? Zij antwoordde geheel uit de hoogte door zotheid: Omdat ik geloof, dat er nooit op de wereld zooveel onaangename en vervelende menschen zijn geweest als nu; er is er niet een op straat of die mishaagt mij als de duivel. En ik geloof niet, dat er een vrouw op de wereld is, wien het hinderlijker is al die nare gezichten te zien en om daar niet naar te kijken ben ik naar huis gegaan.

Fresco, wien de manieren van zijn nicht zeer hinderden, antwoordde: Meisje, als de onaangename gezichten je zoo verdrieten en je toch blijmoedig wilt leven, kijk dan nooit in den spiegel. Maar zij van ziel zoo hol als een riet en die Salomo meende te evenaren, verstond de ware beteekenis der scherts van Fresco niet beter dan een schaap: Integendeel, zeide zij, ik wil mij zelf zien als de andere vrouwen en zoo bleef zij in haar stompzinnigheid en is nog zoo.

NEGENDE VERTELLING.

Guido Cavalcanti beleedigt in beleefde termen zekere florentijnsche ridders, die hem hadden verrast.

Toen de koningin bemerkt had, dat Emilia haar verhaal had verteld en dat behalve degeen, die het voorrecht had, het laatst te spreken, zij dit nog moest doen, begon zij aldus: Lieve donna’s. Hoewel gij mij twee van de novellen ontnomen hebt, die ik wilde verhalen, is er mij één overgebleven, waarvan het slot een zoo aardig antwoord bevat, dat er misschien nooit een met zulk een diepen zin gezegd is.

Gij moet dan weten, dat er vroeger in onze stad veel schoone en lofwaardige gebruiken bestonden, waarvan er slechts een is overgebleven, dank zij de gierigheid, die tegelijk met den rijkdom is toegenomen en de eersten er uit verdreven heeft. Een van die gewoonten was, dat de edellieden zich op verschillende plaatsen in Florence verzamelden en groepen vormden en slechts hen toelieten, die de kosten konden dragen. Zij hielden dan bij den een, dan bij den ander open tafel. Zij noodigden dikwijls vele vreemde edellieden en ook burgers uit. Eens per jaar minstens kleedden zij zich op dezelfde wijze en de adellijksten reden te paard, hielden wapenspelen en dikwijls bij voorname feesten of als een of ander blij bericht van overwinning of van iets anders de stad had bereikt. Onder deze gezelschappen was er een van messer Betto Brunelleschi [129], messer Betto, die met zijn metgezellen dikwijls zijn best had gedaan, Guido, den zoon van Cavalcante de’Cavalcanti te halen, omdat hij behalve een der beste redenaars ter wereld een uitstekend natuur-philosoof (het gezelschap gaf daar weinig om) en heel aardig was, wel bemind, zeer bespraakt en omdat hij beter wist, wat hem paste dan welk edelman ook. Hij was zeer rijk en wist volgens alle eischen te ontvangen. Maar messer Betto was er bij hem nooit in geslaagd dit gedaan te krijgen en hij en zijn kameraden geloofden, dat het kwam, omdat Guido in zijn bespiegelingen zeer afgezonderd van de menschen leefde. En omdat hij in eenige opzichten van de meening der Epicuristen was, zeide de groote menigte, dat hij met zijn bespiegelingen geen ander doel had dan om te bevinden, dat er geen God was.

Eens was Guido vertrokken van den Tuin van San Michele en langs de renbaan van Adimari tot San Giovanni gekomen. Er waren toen rondom San Giovanni groote graven in marmer en steen, die thans zich bevinden in Santa Reparata. Toen hij tusschen de zuilen van porfier [130] gekomen was, en die graven en de poort van San Giovanni, welke gesloten was kwam messer Betto met zijn gezelschap over het Santa Reparata-plein en toen ze Guido tusschen die graven zagen, zeiden ze: Laten we hem eens plagen. Ze gaven hun paarden de sporen, alsof zij voor de grap een aanval op hem deden, waren achter hem, voor hij het merkte en zeiden hem: Guido, gij weigert ons gezelschap, maar kijk, als gij bevonden zult hebben, dat God niet bestaat, wat zult gij dan doen? Hierop antwoordde Guido vlug, die zich door hen ingesloten zag: Heeren, u kunt mij bij u thuis zeggen, wat gij wilt, en nadat hij zijn hand op een van die graven had gelegd, die groot waren, sprong hij er licht over heen en kwam aan den anderen kant en ging van hen bevrijd heen.

Zij keken elkander aan en zeiden tegen elkander, dat Guido zijn hoofd verloren had en dat, hetgeen hij gezegd had, niets beteekende, omdat het er zóó mee stond, dat zij daar niets meer te vertellen hadden dan alle andere burgers en Guido niet minder dan een van hen. Messer Betto keerde zich toen tot hen en zeide: Gij zijt leeghoofden, als gij niet hebt begrepen, dat hij goed en in weinige woorden de grootste beleediging van de wereld heeft gezegd. Want deze graven zijn de huizen der dooden, omdat de dooden daarin liggen en blijven, welke hij onze huizen noemt om ons te toonen, dat wij en de andere menschen dwazen en en ongeletterden zijn vergeleken bij hem en andere wetenschappelijke mannen en minder dan dood zelfs en daarom zegt hij, zijn wij tehuis. Toen begreep ieder met schaamte, wat Guido had willen zeggen; nooit hinderden zij hem meer en hielden van af dat oogenblik messer Betto voor een slim en verstandig ridder.

TIENDE VERTELLING.

Broeder Cipolla belooft aan een paar boeren, hun een veer te toonen van den engel Gabriël. Hij vindt daarvoor in de plaats kolen en hij zegt hun, dat het die zijn, waarmee Sint Laurentius geroosterd is. [131]

Toen ieder met vertellen gereed was, wist Dioneo, dat het zijn beurt was. Daarom geen plichtgevoel afwachtend, legde hij allen stilte op, die het scherpe woord van Guido prezen en begon: Bekoorlijke donna’s. Hoewel ik het voorrecht heb te zeggen, wat mij het meest behaagt, wil ik heden niet afwijken van onderwerp, waarover gij allen zeer verstandig gesproken hebt. Maar ik wil u aantoonen met welk een voorzichtigheid en onverwacht een der broeders van Santo Antonio aan een strik ontsnapte hem door twee jongelieden gespannen.

Certaldo is een burcht in den Val d’Elsa in ons graafschap gelegen, dat, hoe klein ook, vroeger door edele en welgestelde lieden werd bewoond. Daar hij er veel geld kreeg, had frate Cipolla een der broeders van Santo Antonio de gewoonte er eens per jaar langen tijd heen te gaan, om er de aalmoezen, gegeven door stommelingen, in te zamelen. Hij was er gezien niet minder om zijn naam dan door vroomheid, daar die plaats de best bekende uien [132] voortbrengt van geheel Toscane. Cipolla was klein van gedaante, rood van haar, van een vroolijk uiterlijk, een gezellig man en behalve dat, hoewel hij niets wist, was hij zoo’n goed en handig spreker, dat wie hem niet kende, hem niet slechts voor een groot redenaar zou gehouden hebben, maar voor Cicero zelf of misschien voor Quintilianus en daarom was hij van allen in die streek de vertrouwde, de vriend of de beschermer. Daar hij volgens zijn gewoonte op een Zondagmorgen in de maand Augustus gekomen was en de mannen en de vrouwen van de naburige dorpen in de hoofdkerk naar de mis waren gegaan, sprak hij: Dames en heeren. Het is uw gewoonte elk jaar aan de armen van baron messer Santo Antonio van uw graan en haver te sturen elk naar zijn vermogen en vroomheid, opdat de zalige Santo Antonio Uw ossen en ezels en varkens en schapen onder zijn bescherming neemt. En in het bijzonder betaalt gij hen, die bij onze broederschap zijn ingeschreven, den kleinen cijns, die men eens per jaar opbrengt. Ik ben door mijn meerdere, dat is de heer abt, gezonden om U daaraan te herinneren en daarom met Gods zegen, als gij de klokken zult hooren luiden na den noen, zult gij hier komen buiten de kerk, waar ik ook tot U zal spreken en gij het kruis zult kussen. Ik ken U allen als zeer devoot jegens den baron, messer Antonio, en zal U door bijzondere genade een zeer heilig en zeer schoon reliek toonen, dat ik zelf uit het Heilige Land van over zee hebt meegebracht, een der veeren van den engel Gabriël, die in de kamer van de Maagd Maria achterbleef, toen hij haar de Boodschap bracht in Nazareth. Er waren, toen broeder Cipolla deze woorden sprak, twee zeer sluwe jongelieden in de kerk, Giovanni del Bragoniera en Biagio Pizzini. Nadat zij een weinig gelachen hadden over het reliek van broeder Cipolla, stelden zij elkaar voor, hoewel zij met hem bevriend waren hem met die veer een poets te bakken.

Zij wisten, dat broeder Cipolla dien ochtend in het kasteel ontbeet met een van zijn vrienden en zoodra zij hem daar aan tafel bemerkt hadden, gingen zij naar de herberg, waar de monnik was afgestapt na overeengekomen te zijn, dat Biagio den knecht van broeder Cipolla aan de praat moest houden en Giovanni dan onder de bagage van den broeder naar die veer zou zoeken en die stelen. Broeder Cipolla had een knecht, Guccio Balena, door anderen Guccio Imbratta en Guccio Porco genaamd. Hij was zoo leelijk, dat Lippo Topo nooit zijn gelijke geschilderd heeft. Broeder Cipolla maakte er dikwijls met zijn gezelschap gekheid over en zeide van hem: Mijn knecht bezit negen eigenschappen en als een in het bezit was geweest van Salomo, Aristoteles of Seneca, was die voldoende geweest om hun deugd, hun verstand en hun heiligheid te bederven. Denk eens na en hij heeft er negen, die er noch deugd, noch verstand, noch heiligheid op na houdt. Als men hem soms vroeg naar die negen dingen, antwoordde hij, die ze op rijm had gebracht: Hij is langzaam, vuil en leugenachtig, slordig, ongehoorzaam, kwaadsprekend, zorgeloos, zonder geheugen en ongemanierd. Bovendien heeft hij nog andere ondeugden, waarover het beter is te zwijgen. En het lachwekkendst is, dat hij overal een vrouw wil nemen en een huis huren. Omdat hij een grooten, zwarten en glanzenden baard heeft, gelooft hij zoo mooi te zijn en aardig, dat alle vrouwen die hem zien, verliefd op hem worden en als men hem liet gaan, zou hij ze naloopen, tot hij er zijn gordel bij verloor. Het is waar, dat hij voor mij een groote steun is, omdat er niemand is, hoe vertrouwelijk hij ook met mij mee spreekt, of mijn knecht moet er het zijne van weten en vraagt men mij iets, dan is hij zóó bang, dat ik niet zal weten te antwoorden, dat hij dadelijk ja of neen zegt, al naar hij ’t het best acht. Broeder Cipolla had hem in de herberg achtergelaten en hem gelast op te passen, dat niemand zijn knapzakken zou aanraken, omdat zich daarin heilige dingen bevonden. Maar Guccio Imbratta, die nog verlangender was in de keuken te zijn dan een nachtegaal op de groene takken en vooral als hij er een dienstmeid zag, had in dien van den waard er een gevonden vet, dik, klein en mismaakt en met een paar borsten, die twee mestmanden leken en met een gezicht, dat aan de Baronci herinnerde, en erg zweetend, smerig en berookt; daarop wierp hij zich als een gier op aas en liet de kamer van broeder Cipolla in den steek. Hoewel het Augustus was, ging hij bij het vuur zitten, begon met haar, die Nuta heette, een gesprek, zeide, dat hij volgens getuigenis van een procureur edelman was en dat hij meer dan duizende florijnen rijk was, zonder te rekenen wat hij aan anderen schuldig was en dat hij tot meer in staat was dan God zelf. Zonder te letten op haar muts, waarop zulk een laag vet was, dat zij er den soepketel van Altopascio [133] mee had kunnen klaar maken, en op haar verscheurde en gelapte schort. Om haar hals en oksels zat vuil zweet en meer vlekken en kleuren dan ooit tartaarsche of indische kleeden vertoonden en hij zeide haar, alsof hij heer van Castiglione was, dat hij haar goed wilde kleeden, haar uit die ellende bevrijden anderen te dienen en haar de hoop te geven op meer fortuin en vele andere dingen. En hoewel hij het op zeer welgezinden toon zeide, verging het in den wind en er bleef niets van over gelijk de schoonsten van zijn ondernemingen. De twee jongelieden vonden aldus Guccio Porco [134] met Nuta bezig. Verheugd door die omstanstandigheid, traden zij in de kamer van broeder Cipolla; het eerste wat zij zochten, was de knapzak, waarin de veer lag. Toen zij die openden, vonden zij een klein kistje; zij ontsloten dit, ontdekten er een veer in uit een papagaaienstaart en meenden, dat dit degene moest zijn, die hij beloofd had te vertoonen. En allicht kon hij dat in die tijden doen gelooven, omdat nog niet de weeldeartikelen van Egypte, tenzij in een klein deel in Toscane waren ingevoerd en zij hadden zelfs nog nooit van papagaaien gehoord. De jongelingen, blijde die veer gevonden te hebben, namen die mede en het kistje vulden zij met kolen, die zij in een hoek in de kamer zagen. Na het weer te hebben gesloten gingen zij, ongezien, verheugd heen. De onnoozele menschen, die in de kerk waren, vernamen, dat zij na den noen de veer van de engel Gabriël zouden zien. De eene buurman vertelde het aan gene en de eene buurvrouw aan de andere en zoodra ieder had gemiddagmaald; liepen zij naar het kasteel en vonden er ternauwernood plaats en wachtten af om die veer te zien. Broeder Cipolla, die goed gegeten had en een weinig geslapen en de menigte boeren zag, beval aan Guccio Imbratta te zeggen, dat hij met de heiligenklokjes naar het slot zou opklimmen en zijn knapzakken zou brengen. Guccio rukte zich met moeite uit de keuken van Nuta en ging met de gevraagde dingen naar boven. Toen hij daar was aangekomen, ging hij op last van frater Cipolla naar de deur van de kerk en begon met kracht de klokken te luiden.

Frate Cipolla begon, daar hij er niets van had gemerkt, dat zijn bagage veranderd was, zijn preek en zeide tot staving van de feiten vele woorden. Hij moest nu de veer vertoonen, zeide met groote plechtigheid het Confiteor op, liet twee toortsen aansteken, wikkelde zacht het taf los en na eerst zijn kap te hebben afgenomen haalde hij het kistje te voorschijn. Eerst sprak hij eenige zinsneden uit tot lof en eer van den engel Gabriël en van zijn reliek en opende toen het kistje. Hij zag het met kolen gevuld en dacht, dat Guccio Baleta hem dat niet geleverd had, omdat hij hem er niet toe in staat rekende en hij schold hem even uit, omdat hij het zoo slecht bewaakt had en begreep, dat anderen hem dit hadden gedaan, maar hij vervloekte in stilte zich zelve, dat hij het bewaren van zijn goed had opgedragen aan hem, dien hij kende als slordig, ongehoorzaam, zorgeloos en kort van geheugen. Doch zonder van kleur te verschieten hief hij het gelaat en de handen ten hemel en sprak luide: O Heer, steeds zij uw macht geprezen. Hij sloot het kistje en sprak tot de menigte: Dames en heeren. Gij moet weten, dat ik, toen ik nog zeer jong was, door mijn meerdere gestuurd werd naar dat deel der wereld, waar de zon opgaat en mij werd opzettelijk gelast, dat ik zou zoeken tot ik er de bullen van den grooten Porcellana zou vinden, welke hoewel ze niets kosten om ze zegelen, meer voor anderen van nut zijn dan voor ons. Ik ging op reis, vertrok uit Vinegia en kwam langs den Burcht der Noordoostwinden, reed vandaar door het koninkrijk van Garbo en Baldacca, bereikte Parione en vandaar uit, niet zonder dorst, kort daarna Sardigna. Maar waarom zal ik u van alle landen spreken, die ik heb doorzocht! Ik kwam, nadat ik het kanaal was overgestoken, den arm van San Giorgio genaamd, in Truffia [135] en Ruffia [136], zeer bevolkte rijken en vandaar kwam ik in het gebied van Menzogna [137], waar ik vele van onze broeders en van andere godsdiensten vond, die allen den arbeid ontweken uit liefde tot God en zich om weinig bekommerden, mits zij er voor zich zelf voordeel in zagen en veel geld verkwistten. Vandaar trok ik naar het gebied der Abruzzen [138], waar de mannen en vrouwen op klompen over de bergen gaan en de varkens met hun eigen darmen aankleeden [139] en dicht daarbij vond ik lieden, die het brood op stokken en den wijn in zakken dragen. Vandaar kwam ik bij de bergen van Bacchus, waar alle wateren naar beneden loopen en in korten tijd drong ik zoo ver door, dat ik India Pastinaca bereikte, waar ik u zweer bij mijn ordekleed, dat ik de snoeimessen [140] zag vliegen, iets ongeloofelijks. Maar dit kan mij zelfs Maso del Saggio niet ontstrijden, den grooten koopman, dien ik daar vond, die noten kraakte en de schalen als afval verkocht. Maar omdat ik niet vinden kon, wat ik zocht, keerde ik terug en kwam in het Heilige Land, waar in den zomertijd het oudbakken brood vier denari kost en het versche voor niets wordt verkocht. En daar vond ik den eerwaardigen vader, messer Nonmiblasmete Sevoipiace [141], den allereerwaardigsten patriarch van Jerusalem, die uit eerbied voor het ordekleed van baron messire Sint Antonius wilde, dat ik al de heilige relieken zag, die hij bij zich had. En er waren er zooveel, dat ik, zoo ik ze allen wilde tellen, tot verscheidene duizenden zou komen. Maar toch om U niet zonder troost te laten, zal ik U er eenigen noemen. Eerst toonde hij mij den vinger van den Heiligen Geest zoo volledig en gaaf, als die ooit is geweest en de kuif van den Serafijn, die aan Sint Franciscus verscheen en een der nagels van de Cherubijnen, een der ribben van het vleesch geworden Woord aan de vensters uitgestald, kleeren van het katholieke Heilig Geloof, eenige stralen der Ster, die aan de drie Magiërs in het Oosten verscheen, een flesch vol zweet van den heiligen Michaël, toen hij tegen den Duivel vocht, de kaak als doodsbeen van Sint Lazarus en anderen. En daar ik hem gul een afschrift schonk der plagiaten van Monte Morello in de volkstaal en van eenige hoofdstukken van Caprezio, die hij lang had gezocht, maakte hij mij deelgenoot van zijn heilige relieken en gaf mij een der nagels van het Heilige Kruis en een klein fleschje gevuld met een weinig klank der klokken van den tempel van Salomo, de veer van den engel Gabriël, waarvan ik U gesproken heb en een der klompen van San Gherardo da Villa Magna, welke ik onlangs te Florence aan Gherardo van Bonsi gaf, die er een zeer grooten eerbied voor heeft. Ook gaf hij mij kolen, waarop de gelukzalige martelaar Sint Laurentius gebraden werd. Deze dingen heb ik alle meegebracht en ik heb ze allen bij mij.

Het is waar, dat mijn meerdere mij nooit heeft toegestaan die te vertoonen, voor hij er zeker van was, dat ze echt waren. Maar nu het door zekere wonderen van hen uitgegaan en door brieven ontvangen van den Patriarch zeker is, heeft hij mij dit veroorloofd, maar ik, bevreesd ze aan anderen toe te vertrouwen, draag die altijd bij mij. Ik draag de veer van den engel Gabriël, opdat die niet bederft, in een kistje en de kolen, waarop San Lorenzo gebraden werd in een ander. Dezen zijn zoo aan elkaar gelijk, dat ik dikwijls het eene voor het andere aanvat; dat is mij nu gebeurd, want ik dacht het kistje met de veer te hebben meegenomen en nu heb ik dat meegedragen met de kolen. Ik geloof niet, dat dit het gevolg alleen van een dwaling is maar Gods wil, daar ik mij herinner, dat het feest van San Lorenzo binnen twee dagen plaats heeft. En daar God wenschte, dat ik door U de kolen te toonen, waarmee hij gebraden is, in Uw zielen weer het vuur der vroomheid doe opvlammen, heeft Hij mij de gezegende kolen bedropen van de vochten uit dat heilige lichaam doen meenemen.

Daarom, gezegende zonen, neem Uw kappen af en nader vroom om ze te aanschouwen. Maar weet eerst, dat elk, die door die kolen gemerkt wordt met het teeken des Kruises, het heele jaar er zeker van kan zijn, dat het vuur hem niet zal aanraken zonder dat hij het voelt. Na die woorden zong hij een loflied voor San Lorenzo, opende het kistje en toonde de kolen. Toen de dwaze menigte met vrome bewondering alles had gade geslagen, drongen allen naar broeder Cipolla en gaven hem een beter offerande dan gewoonlijk. Broeder Cipolla begon met de kolen in de hand op de witte hemden, op de keurslijven en de sluiers der vrouwen de grootste kruisen te trekken, die er op konden staan, denkend, dat hoe meer die versleten, hoe meer ze het kistje met geld zouden vullen gelijk hij meermalen ondervonden had. Na op die wijze niet dan tot zijn grootste voordeel al de Certaldeezen te hebben bekruist, deed hij door zijn tegenwoordigheid van geest hen de bedrogenen blijven, die hem voor den mal dachten te houden. Zij waren bij de preek tegenwoordig geweest en daar zij het nieuwe verdedigingsmiddel, door hem aangewend, hadden gehoord, hadden zij zoo gelachen, dat zij dachten hun kaken er bij te verliezen. En toen de menigte vertrokken was, gingen zij naar hem toe en bekenden met genoegen, wat zij hadden uitgehaald en gaven hem zijn veer terug, welke hem het volgende jaar niet minder opbracht dan dien dag de kolen.

Deze historie schonk aan het heele gezelschap groot genoegen en vermaak en het meest toen broeder Cipolla sprak van zijn pelgrimstocht en over de relieken door hem aanschouwd en medegebracht. De koningin zag haar heerschappij geëindigd en stond op, nam den krans en plaatste dien lachend op het hoofd van Dioneo en zeide: Het is tijd, Dioneo, dat gij een weinig den last gewaar wordt van donna’s te regeeren en te leiden. Wees dus koning en bestuur ons aldus, dat als uw rijk uit is, wij U moeten prijzen. Dioneo antwoordde met een lach, de kroon aanvaardend: Gij kunt er reeds velen gezien hebben, ik meen koningen van het schaakbord, die meer waard zijn dan ik, maar zeker, indien gij mij gehoorzaamt gelijk men een koning eerbiedigt, zal ik u daarvan doen genieten zonder hetwelk zeker geen feest volmaakt vroolijk is. Ik zal regeeren, zoo goed ik kan. En nadat hij volgens de gewoonte den hofmeester had laten komen, gelastte hij hem, wat hij te doen had, zoolang zijn heerschappij duurde en sprak daarna:

Waardige donna’s. Er is op zoo verschillende manieren over menschelijke bekwaamheid en de verschillende voorbeelden daarvan gesproken, dat, als juffrouw Licisca niet kort geleden hier was gekomen om mij stof te geven voor de aanstaande vertellingen van morgen, ik er aan twijfel, of het mij niet veel moeite zou gekost hebben een onderwerp te kunnen vinden om over te spreken. Zij, gelijk gij hoorde, zeide, dat zij geen buurvrouw had, die als maagd tot haar echtgenoot was gegaan en zij voegde er aan toe, dat zij wel wist hoe vele en hoedanige streken de getrouwde vrouwen nog aan hun mannen hadden geleverd. Maar het eerste daar gelaten, meen ik, dat het tweede aardig moet zijn om over te spreken en daarom wil ik, dat men morgen spreekt, daar donna Liscisca er mij aanleiding toe gaf, over de streken, die of uit liefde of tot hun redding de vrouwen jegens hun mannen hebben uitgehaald, hetzij die het al of niet merkten. Het behandelen van deze stof scheen aan elk der donna’s slecht te passen en zij verzochten hem het al voorgestelde te veranderen. De koning antwoordde hun: Donna’s. Ik ken het onderwerp, dat ik u voor heb geschreven niet minder goed dan gij en wat gij mij wilt aantoonen, kan mij er niet van af brengen, want ik meen, dat nu de tijd zoo is, dat de menschen er op uit zijn oneerbaar te handelen, elk verhaal geoorloofd is. Of weet gij niet, dat door de verdorvenheid van dit tijdvak de rechters de rechtbanken hebben verlaten, dat de wetten zoowel goddelijke als menschelijke zwijgen en dat groote vrijheid aan elk is geschonken om het leven te beveiligen? Daarom, indien uw eerbaarheid wat minder gevoelig wordt door dit te vertellen, is dat niet om er een of andere laakbare daad op te doen volgen. Maar om u en anderen te vermaken, zie ik niet, welke reden men zou kunnen aanhalen om u later verwijten te kunnen doen. Bovendien is uw gezelschap van af den eersten dag van samenkomst tot op dit uur zeer eerbaar geweest bij alles, wat men ook verteld heeft en het schijnt mij niet, dat het door eenige slechte daad geschandvlekt is, noch met Gods hulp worden zal. En: wie is er die uw fatsoen niet kent? Ik geloof niet, dat dit door genoegelijke gesprekken en zelfs niet door de vrees voor den dood kan verzwakt worden. En om u de waarheid te zeggen, indien men wist, dat gij er een oogenblik voor aarzelde over die streken te praten, zou men misschien denken, dat gij u er schuldig aan voelde en er daarom niet over wilt spreken. Zonder te rekenen dat gij mij een groote eer aandoet, mij, die tot heden aan allen hebt gehoorzaamd, nu gij mij tot uw koning hebt gemaakt, wilt gij mij nu de wet toevertrouwen en niet spreken over wat ik u beveel. Laat dus liever die bedenking varen, die meer eigen is aan slechte zielen dan aan de uwen en laat ieder met goed geluk een mooi verhaal doen.

Toen de dames dit hadden gehoord, zeiden zij, dat het zou gebeuren gelijk hij wenschte; daarom gaf de koning verlof aan elk tot aan het uur van het avondmaal te doen, wat men wilde. De zon stond nog zeer hoog, daar de gedachtenwisseling kort was geweest; toen derhalve Dioneo met de andere jongelieden was gaan schaak spelen, zeide Elisa, die de andere donna’s geroepen had. Daar wij hier zijn, heb ik verlangd u te leiden naar een plaats hier dicht bij, waar ik meen, dat nooit iemand van u was en die men de Dames-Vallei noemt en ik heb nog geen gelegenheid gehad u er heen te brengen, behalve nu, want de zon staat nog hoog en daarom als het u behaagt er heen te gaan, twijfel ik er bepaald niet aan, dat gij, wanneer gij er zult zijn, zeer voldaan zult wezen u er heen te hebben begeven. De donna’s antwoordden, dat zij gereed waren en nadat zij een van hun dienstmaagden hadden geroepen zonder er iets van te zeggen aan de jongelieden, begaven zij zich op weg. Zij waren niet verder dan een mijl gegaan, toen zij de Dames-Vallei bereikten. Zij gingen die door een zeer nauw pad binnen, waaraan een van de zijden een zeer heldere beek liep en vonden die zoo schoon en aangenaam en in het bijzonder op dat oogenblik, toen het zeer warm was, dat men die onder geen beter omstandigheid had kunnen zien. En naar hetgeen elk van hen mij later herhaalde, was de vlakte, die het diep van de vallei vormden zoo rond of zij met een passer was afgecirkeld; zoozeer scheen zij een kunstwerk der natuur en niet van menschenhand. Zij was in omtrek meer dan een halve mijl, omringd door zes kleine bergen niet al te hoog en op den top van elk zag men een verblijf in den vorm van een schoon lustoord. De hellingen van die kleine bergen daalden zacht naar die vlakte af gelijk wij in de theaters de trappen van hun top van boven naar beneden achtereenvolgens geordend zien dalen, steeds meer hun kring vernauwend. En deze hellingen, voor zoover ze naar het Oosten zich uitstrekten, waren bedekt met wijnranken, olijven, amandelboomen, kersenboomen, vijgenboomen en een groot aantal andere vruchtboomen, zonder dat een duim gronds verloren ging. Zij, die de vlakte tegen den noord oostenwind beschutten, waren allen bedekt met eiken, esschen en andere gewone boomen in de grootste orde geplant. De vlakte, die volgde en die geen anderen toegang had dan die de dames waren ingegaan, was vol dennenboomen, cypressen, laurierboomen en eenige pijnboomen zoo goed gerangschikt en opgesteld, alsof de beste kunstenaar ze daar neergezet had. Zelfs als de zon hoog stond, drong hij er bijna niet door tot den bodem, die een kleine, groene weide was en vol purperkleurige en andere bloemen. En bovendien, wat niet het minst genoegen verschafte, was een beekje, dat uit een der valleien tusschen de genoemde bergjes afdaalde en bij sprongen viel over levendig gekleurd gesteente en dat neerschietend een zeer aangenaam gedruisch maakte en uiteenspattend van verre levend zilver scheen, dat uit een of ander dof voorwerp opschitterde. Beneden in de kleine vlakte gekomen en ontvangen in een klein kanaal liep het vlug tot in het midden van de weide en vormde daar een klein meertje gelijk aan de vijvers, welke de burgers dikwijls in de tuinen maken, als zij dit kunnen. Dit meertje was niet dieper dan een man tot de borst hoog is, zonder dat er eenige troebelheid in was, en toonde in zijn heldere diepte zeer fijn zand, zoodat, wie niets anders te doen zou gehad hebben, de korrels kon tellen, als hij gewild had. En niet alleen liet de diepte water zien, maar er schoten hier en daar zooveel visschen doorheen, dat dit ook een wonder was van genoegen. Het meertje had geen anderen oever dan den bodem van de weide, die te meer schoonheid verspreidde rondom, naarmate zij er meer vochtigheid van ontving. Het te overvloedige water werd in een ander kanaal ontvangen, waardoor het uit de vallei stroomde en liep naar de laagste gedeelten.

Toen de jonge dames hier aangekomen waren na overal te hebben rondgekeken, prezen zij die plaats zeer. Daar het zeer warm was en zij het waterbekken voor zich zagen, overlegden zij of zij daar zouden baden. Na hun meid last te hebben gegeven op den weg te blijven staan en op te letten of er iemand aankwam, ontkleedden zij zich alle zeven en gingen in het water, dat de blankheid van hun lichaam niet meer verborg dan een doorschijnend glas het een roode roos zou hebben gedaan. Daar ze allen er in gegaan waren, zonder dat het water er eenigszins onhelder van geworden was, begonnen zij hier en daar de visschen te vangen met de handen, daar die zich niet konden verbergen. Bij dit vermaak maakten ze er enkelen buit en na eenigen tijd gingen zij er uit; zij kleedden zich weer aan en toen was het uur daar om huiswaarts te keeren. Vroegtijdig bij het paleis aangekomen, vonden zij er nog de jongelieden bij het spel. Pampinea sprak lachend: Wij hebben ons heden waarlijk bedrogen! Waarom, vroeg Dioneo, begint gij dan eerst met daden eer gij met woorden aanvangt! [142] Pampinea vertelde hem uitvoerig, vanwaar zij kwamen en hoe de plaats er uit zag en wat zij hadden gedaan. De koning, die van de schoonheid van die plek hoorde en deze verlangde te zien, liet snel het avondmaal komen; toen dit allen verzadigd had, gingen de drie jongelieden met hun bedienden naar die vallei en zij prezen deze als een van de schoonste plaatsen van de wereld. En nadat zij er gebaad en zich weer aangekleed hadden en het reeds zeer laat was, keerden zij huiswaarts, waar zij de donna’s dansende vonden, op een wijs, die Fiammetta zong. Toen de dans gedaan was, begonnen zij over de Dames-Vallei te praten en spraken met zooveel lof daarvan, dat de koning den hofmeester ontbood, beval hem het maal voor den volgenden morgen daar klaar te zetten en er bedden te laten aandragen, indien men er wilde slapen of s’esta houden. Hierna liet hij lichten komen, wijn en meelspijzen. Na gebruik daarvan beval hij, zich gereed te maken tot den dans. Toen Pamfilo op zijn bevel een dans geordend had, keerde de koning zich tot Elisa en sprak tot haar met gratie: Schoone, jonge dame. Door u had ik de eer de krans te worden opgezet, en nu wil ik vanavond u de eer laten voor den zang en zing dus het lied, dat U het meest zal behagen. Elisa antwoordde glimlachend, dat zij dit gaarne wilde en begon met een zachte stem aldus:

Liefde, indien ik aan uw klauwen kan ontsnappen, Kan ik nauwelijks gelooven, Dat niet een andere klauw mij grijpt.

Ik ging heel jong in uw oorlog Geloovend, dat dit een hooge en zoete vrede was, En ik legde al mijn wapens neder Als hij die vertrouwen heeft: Maar gij, trouwelooze tyran, tuk en roofziek, Gij waart mij op de hielen Met uw wapens en uw wreede nagels.

Toen, eenmaal omslingerd door uw ketens Voor hem, die geboren werd om mij te doen sterven, Vol bittere tranen en smarten, Maakte gij mij gevangen en gij hebt mij in zijn macht gesteld; En zijn heerschappij is zoo wreed, Dat nooit zuchten hem bewogen Noch klachten, die mij dooden.

Al mijn gebeden vervaagt de wind. Hij luistert naar geen, noch wil hij er naar hooren Daardoor stijgt mijn marteling ieder uur En is dus het leven mij een last, en toch kan ik niet sterven. Heer, heb medelijden met mijn smarten En doe, wat ik niet vermag Lever mij hem over in uw ketenen.

Indien gij dit niet wilt, ontkluister dan althans De banden geknoopt door de hoop. Zie! ik bid U, Heer, dat Gij dit wilt, Want als Gij dit doet, heb ik nog vertrouwen Weer schoon te worden, zooals ik placht te wezen, En als de smart verdwijnen zal, Zal ik mij tooien met witte en roode bloemen.

Nadat Elisa met een zeer meewarige verzuchting haar zang had geëindigd en hoewel allen over zulke woorden verwonderd waren, kon toch niemand raden, wat de aanleiding was. Maar de koning, die in goeden luim was, liet Tindaro roepen, en beval hem, dat hij zijn doedelzak voor den dag haalde, op welk geluid hij vele dansen liet uitvoeren. Maar daar reeds een groot deel van den nacht voorbij was, gelastte hij toen, dat elk zou gaan rusten.

ZEVENDE DAG.

De zesde dag van de Decamerone eindigt, de zevende vangt aan. Onder het bewind van Dioneo wordt gesproken over de streken, welke de vrouwen, gedreven door liefde of tot hun redding tegenover hun echtgenooten hebben uitgehaald, die het al of niet merken.

Alle sterren waren reeds in het Oosten geweken, behalve die wij Lucifer noemen en die nog schitterde in den blankenden dageraad, toen de hofmeester opstond en met veel goed zich naar de Dames-Vallei begaf om er alles te ordenen. Niet lang na zijn vertrek ontwaakte de koning, dien het rumoer van de badende bedienden en der lastdieren had gewekt en hij liet al de donna’s en de jongelieden volgen. Ternauwernood schenen de zonnestralen, toen allen zich op weg begaven en nooit was het hun voorgekomen, dat de nachtegalen en de andere vogels zoo lustig hadden gezongen als dien morgen; door hun liederen begeleid gingen zij tot aan de Vallei der Donna’s, waar, omdat zij door nog meer vogels werden toegekweeld, het hun leek, dat die zich over hun komst verheugden. Zij wandelden er weer in rond en die scheen hun nog zooveel te schooner dan den vorigen dag, naarmate het uur meer met zijn schoonheid overeen kwam. En nadat zij met goeden wijn en meelspijs zich hadden ontnuchterd, begonnen zij, opdat zij niet werden overtroffen door de vogels, te zingen en de vallei met hen zong steeds dezelfde liederen als zij, waarbij de vogels, alsof zij niet overwonnen wilden worden zoete, nieuwe tonen kweelden. Maar toen het dansuur was aangebroken en de tafels gezet waren onder de levendige laurierboomen en de andere schoone stammen dicht bij het meertje, zaten zij aan en onder het eten zagen zij de visschen in zeer talrijke scholen het meer doorzwemmen, wat hun meermalen even goed reden tot kouten als tot kijken gaf. Maar toen het verblijf was geëindigd, begonnen zij nog opgeruimder dan te voren te zingen. Vervolgens, toen er op verschillende plaatsen rustbedden waren opgeslagen, en die allen door den zeer bescheiden hofmeester waren omgeven en gesloten met fransche serge gordijnen, kon elk, met verlof des konings, wien dit beviel, gaan slapen, en wie dit niet verkoos, kon naar welbehagen van hun andere genietingen gebruik maken. Toen het uur gekomen was, dat allen opstonden en het tijd was om te gaan vertellen, werden niet ver van die plaats, tapijten op het gras uitgespreid; en zij zetten zich dicht bij het meer neder en de koning beval, dat Emilia zou aanvangen, die blijde glimlachend aldus met verhalen begon:

EERSTE VERTELLING.

Gianni Lotteringhi hoort bij nacht aan zijn deur kloppen. Hij wekt zijn vrouw en zij doet hem gelooven, dat dit een spook is. Zij beginnen het met een gebed te bezweren en het tikken houdt op.

Mijn heer, het zou mij zeer aangenaam geweest zijn, indien het u had behaagd, dat een ander met zulk een schoonen stof begonnen ware, maar omdat het u bevalt, dat ik hierdoor al de anderen moed schenk, doe ik het gaarne. Zeer geliefde donna’s. Ik zal u iets verhalen, wat u in de toekomst van nut kan zijn, zoo gij even bang zijt als ik en het meest voor een spook, waarmee ik—God weet het—niet bekend ben, en ik vond ook niemand, die het nog zag en om dit, daar wij het allen evenzeer vreezen, weg te jagen, wanneer gij maar goed mijn geschiedenis onthoudt en ook een heilig en goed gebed kunt leeren.

Er leefde vroeger te Florence in de San Brancazio-straat een fijnlinnenkaarder Gianni Lotteringhi, een man gelukkiger in zijn vak dan in andere dingen, omdat hij onnoozel van geest, meermalen tot koorvoerder was gemaakt van de Laudesi van Santa Maria Novella om voor hun vergaderplaats te zorgen. Dit beviel hem, omdat hij als welgesteld man zeer vaak goede gastmalen aan de broeders gaf. Dezen, omdat de een er kousen, de ander een kap en gene er vaak een schoudermantel mee verdienden, leerden hem goede gebeden en gaven hem het Pater noster in de volkstaal en den zang van Sint Alexis en de klacht van Sint Bernardus en het loflied van donna Mathilde en al dergelijke gekkepraat meer, waar hij zeer veel mee ophad en die hij met groote zorg voor het heil van zijn ziel bewaarde.

Nu had hij een zeer mooie en bekoorlijke vrouw, monna Tessa, de dochter van Mannuccio van la Cuculia, tevens wijs en zeer schrander. Zij, die de onnoozelheid van haar man kende, was verliefd op Federigo di Neri Pegolotti, een knappe en frissche jonkman en hij op haar. Zij regelde het met haar meid, dat Federigo haar kwam spreken op een zeer mooie plek, die gezegde Gianni in Camerata had, waar zij den ganschen zomer bleef en Gianni soms kwam eten en slapen en ’s ochtens naar zijn winkel ging en enkele malen naar zijn Laudesi. Federigo, zeer verlangend, koos den tijd, die hem was opgegeven en ging gedurende den vesper heen, en daar Gianni er dien avond niet kwam, bleef hij geheel op zijn gemak en met veel genoegen bij de donna avondmalen en slapen. Terwijl zij in zijn armen lag, leerde zij hem gedurende den nacht wel zes van de lofzangen van haar man. Maar daar zij niet wilde, dat dit de laatste maal was en tevens de eerste en Federigo evenmin, stelden zij het volgende vast, opdat de dienstmeid niet telkens tot hem moest gaan: dat hij elken dag, wanneer hij ging naar of terugkwam van zijn buiten, hij acht zou geven op een wijnrank langs haar huis. Hij zou een ezelskop zien geplaatst op een der wijngaardstaken. Wanneer hij den snuit gekeerd zag naar Florence, kon hij zeker dien nacht bij haar komen en als hij de deur niet open vond, had hij maar drie keer te kloppen. Maar wanneer hij den kop zou zien met den spits naar Fiesole, zou Gianni er zijn. Zoo kwamen zij dikwijls bijeen. Doch eens zou Federigo avondmalen met Monna Tessa. Zij had voor hem twee groote kapoenen laten braden, en Gianni kwam zeer laat. Daarover was de donna zeer treurig en hij en zij aten een beetje van het gezouten vleesch, dat zij afzonderlijk had laten koken. Zij liet de meid de twee gebraden kippen in een witten doek doen en verscheidene versche eieren en een flesch met goeden wijn in haar tuin dragen, waar men in kon komen zonder door het huis te gaan en waar zij gewoon was soms met Federigo te avondmalen en zij zeide haar, dat zij die moest neerleggen aan den voet van een perzikboom, die aan den kant van een veld stond. Haar toorn was zoo groot, dat zij vergat aan de meid te zeggen, dat zij zoo lang wachtte en hem te berichten, dat Gianni er was en dat hij dien voorraad uit den tuin zou medenemen. Aldus, toen zij en Gianna naar bed waren gegaan en ook de meid, duurde het niet lang of Federigo kwam en klopte een keer hard aan de deur, welke zoo dicht bij de kamer was, dat Gianni het onmiddellijk hoorde en de donna ook, maar opdat Gianni niets kon vermoeden, deed zij of ze sliep. En na eenigen tijd gestaan te hebben, klopte Federigo ten tweeden male, waarover Gianni verwonderd de donna een weinig aan de elboog stootte en zeide: Tessa, hoor je, wat ik hoor? Het schijnt, dat men aan onze deur klopt. De donna, die veel beter dan hij had gehoord, deed of zij wakker werd en zeide: Wat zegt gij? Ik zeg, zeide Gianni, dat het schijnt, dat men aan onze deur klopt. De donna zeide: Klopt men? O wee, Gianni, weet je dan niet, wat dat is? Dat is het spook, waarvoor ik deze nachten den grootsten angst heb gehad, zoodat ik, zoodra ik het gewaar werd, het hoofd onder de dekens stak en het er niet onderuit durfde trekken, voor het licht werd. Toen zeide Gianni: Kom, vrouw, wees niet bang, want ik heb maar dadelijk het Te Lucis en de Intemerata en andere gebeden op te zeggen, wanneer wij naar bed gaan en maak aan elken hoek van het bed het teeken des kruises in naam van den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, dan hoeft gij niet bang meer te zijn, daar het U dan geen kwaad meer kan doen.

De donna, opdat Federigo geen argwaan kreeg en met haar ging twisten, stond toch op om hem te doen bemerken, dat Gianni er was en zeide tot den echtgenoot: Wel, wel, dat zijn mooie woorden! Ik voor mij, ik zou mij niet veilig achten, indien wij het niet bezwoeren, terwijl gij er bij zijt. Gianni hernam: En hoe bezweert men het? De donna sprak: Ik weet het wel te bezweren, want eergisteren, toen ik naar den aflaat te Fiesole ging, leerde mij een van de kluizenaarsters, die, Giannilief, voor mij wel het heiligst van allen zijn en die mij zoo bang zag, een heilig en goed gebed en zeide, dat zij het altijd met goed gevolg beproefd had, voor zij kluizenaarster was. God weet, dat ik nooit den moed heb gehad om het alléén te beproeven, maar nu gij er zijt, wil ik, dat wij het bezweren. Gianni zeide, dat het hem zeer beviel. Zij gingen samen zachtjes naar de deur, waar Federigo al argwanend afwachtte. Toen zeide de donna tot Gianni: Gij moet spuwen, als ik het U zeg. Goed, zei Gianni. En de donna begon het gebed en zeide: Spook, spook, dat ’s nachts rondgaat, gij zijt hier gekomen met opgeheven staart in den tuin naar den voet van den grooten perzikboom, waar gij het gebradene tweemaal gebraden zult vinden en honderd eieren van mijn hen; zet je mond aan de flesch en ga heen en doe geen kwaad noch aan mij, noch aan mijn Gianni. Hierna sprak zij tot den echtgenoot: Spuw Gianni, en Gianni spuwde. Federigo hoorde dit, van minnenijd vertoornd, en had ondanks al zijn neerslachtigheid zulk een lust te lachen, dat hij er van barstte en zachtjes sprak hij, terwijl Gianni spuwde: Spuw je tanden uit. De donna, die drie maal het spook had bezworen, ging met den echtgenoot weer naar bed. Federigo, die verwacht had met haar te avondmalen, en die haar woorden wel had verstaan, ging den tuin in en vond alles aan den voet van den grooten perzikboom, droeg het naar huis en avondmaalde daar zeer op zijn gemak.

Later lachte hij met haar dikwijls over die bezwering. Het is waar, dat sommigen zeggen, dat de donna wel de ezelskop naar Fiesole gekeerd had, maar dat een landman door den wijngaard gaande hem een stokslag gaf en hem om en om draaide en hij naar Florence gekeerd bleef en dat daardoor Federigo in de meening geroepen te zijn, gekomen was en dat de donna het gebed aldus had gedaan: Spook, spook, ga met God, want ik heb het ezelshoofd niet omgekeerd, maar een ander en dat God hem er over bedroeve; ik ben hier met mijn Gianni; en dat hij daarop heengegaan zonder nachtverblijf en avondmaal bleef. Maar een mijner buurvrouwen, een zeer oude donna, vertelde mij, dat het allebei waar was, naar wat zij er van wist als kind; maar dat het laatste niet met Gianni Lotteringhi gebeurd was maar met iemand, die Gianni di Nello heette, welke bij de poort San Piero woonde, niet minder dwaas dan Gianni Lotteringhi. En daarom, mijn lieve donna’s, staat het aan U van de beide lezingen die te kiezen, welke U het meest van de twee bevalt of beide. Zij hebben een zeer groote kracht bij zulke dingen, gelijk gij—hoop ik—gehoord hebt. Leer ze en dan kan dat U nog helpen.

TWEEDE VERTELLING.

Peronella stopt haar minnaar in een groot wijnvat, als haar man thuis komt. Als deze zegt, dat hij dit verkocht heeft, zegt zij, dat zij dit ook heeft verkocht aan iemand, die er in is gekropen om te zien of het in goeden staat is. Deze springt er uit en laat het door den echtgenoot schoon maken, terwijl hij de vrouw liefkoost en laat het daarna bij zich thuis brengen.

De novelle van Emilia werd met zeer groot gelach aangehoord en het gebed door allen als goed en heilig geprezen en toen die geëindigd was, beval de koning aan Filostrato te vervolgen, die aldus begon: Zeer geliefde donna’s. De bedriegerijen, die de mannen jegens U uithalen en vooral de echtgenooten zijn zoo talrijk, dat, wanneer soms een vrouw haar man bedriegt, gij niet alleen voldaan moet zijn en U tevreden toonen het te weten of het aan iemand te hooren zeggen, maar gij moet het zelf overal vertellen om aan de mannen te leeren, dat, als die poetsen weten te bakken, de vrouwen het ook kunnen, wat niet anders dan zeer nuttig kan zijn, omdat, als men weet, dat de tegenpartij het ook kan, men die niet zoo licht zal willen bedriegen. Wie twijfelt er dus aan, dat, wanneer het thans bij de mannen bekend wordt, het niet hun grootste reden tot zelfbedwang zal zijn, als zij weten, dat gij hen evenzeer voor den mal kunt houden? En aldus wil ik U vertellen wat een jonge vrouw van hoe lagen stand ook in een ommezien tot haar zelfbehoud aan haar man leverde.

Nog niet lang geleden nam in Napels een arm man een schoone en begeerenswaardige vrouw tot echtgenoote, Peronella en hij als metselaar en zij door te spinnen verdienden moeilijk den kost. Eens werd een aardig jonkman, die Peronella zag, op haar verliefd en beijverde zich zoo voor haar, dat zij zich met hem eigen maakte. Om samen te zijn, namen zij deze maatregel: daar de echtgenoot elken morgen vroeg moest opstaan om te werken of werk te vinden, stond de jonkman ergens om hem naar buiten te zien komen en daar de straat, waar hij woonde en die Avorio heette, zeer eenzaam was, kon hij, als de ander heenging, in haar huis komen en zoo deden zij meermalen. Eens kwam Giannello Strignario, de jonkman, toen de man er op uit was gegaan in huis en bleef met Peronella samen. Na eenigen tijd kwam de man, hoewel hij gewoonlijk den heelen dag niet thuis kwam, terug. Daar hij de deur van binnen gesloten vond, klopte hij en zeide in zichzelf: O God, wees altijd geprezen; want, hoewel Gij mij arm hebt gemaakt, hebt Gij mij tenminste getroost met een goede en brave vrouw. Ziet Gij, hoe zij spoedig van binnen sloot, opdat niemand er in zou komen, die haar zou hinderen. Peronella, die den echtgenoot bemerkte, daar zij zijn wijze van kloppen kende, zeide: Wee mij, Giannellief, ik ben des doods, want daar is mijn man, dien God bedroeve, omdat hij is teruggekeerd en ik begrijp het niet, dat hij op dit uur komt; misschien, dat hij U zag. Maar bij de liefde van God, wat er ook gebeurd is, kruip in dat vat, ik zal open gaan doen en kijken wat het beduidt. Giannello kroop haastig in het wijnvat en Peronella opende haar man en zeide stuursch: Wat is dat voor nieuwigheid, dat gij hedenmorgen zoo vroeg naar huis komt? Het schijnt mij, dat gij niets uitvoert, want ik zie U terugkeeren met uw gereedschappen in de hand, en als gij zoo doet, waar zullen wij dan van leven! Gelooft gij, dat ik duld, dat gij mijn rok en andere kleeren naar den lommerd brengt. Ik doe dag en nacht niets anders dan spinnen, zoodat het vleesch mij van de nagels gaat voor de olie van de lamp. Man, man, er is geen buurvrouw, die er zich niet over verwondert en die niet met mijn zwoegen den draak steekt, zooveel als ik heb te verduren en gij komt me thuis met hangende handen, wanneer gij uit werken moest gaan. En bij die woorden begon zij te huilen en opnieuw te zeggen: Wee mij, laat mij treuren. Op wat een kwaad uur ben ik geboren? Want ik heb zulk een welgestelden jonkman kunnen trouwen en ik heb U genomen, die niet denkt aan haar, die hij thuis heeft. De anderen profiteeren met hun minnaars en er is er niet één, die er niet twee of drie heeft en zij toonen aan hun echtgenooten de maan voor de zon en ik, ongelukkige, omdat ik goed ben, lijd en heb tegenspoed; waarom ontzeg ik mij minnaars als de anderen? Hoor wel, man, dat, als ik kwaad zou willen doen, ik er wel zou vinden, die heel aardig zijn, mij liefhebben en die mij groote sommen gelds hebben laten bieden, kleeren of edelgesteenten, maar mijn hart duldde dit niet, omdat ik mijn moeders dochter ben en gij keert naar huis terug, wanneer gij moet werken. De man zeide: Vrouw, bij God, maak je niet zoo treurig. Ik ken U wel en dit heb ik van ochtend gemerkt; ik ging uit om te werken, maar wij vergaten, dat het heden Santo Galeone is, een rustdag, en daarom kwam ik thuis, maar ik heb toch het middel gevonden, dat wij voor meer dan een maand brood zullen hebben, want ik heb het wijnvat aan iemand, die bij mij zal komen, verkocht, aan hem, die daarvoor al zoolang om het huis heeft gedraaid en hij gaf mij er vijf goudlelies (goudguldens) voor.

Peronella antwoordde: Dat is juist mijn verdriet, dat gij een man zijt, die van de wereldsche dingen moest weten en een vat voor vijf goudlelies verkocht hebt, terwijl ik, vrouwtje, die nooit buiten de deur kwam, den last ziende, die het ons veroorzaakte, het een man heb verkocht, die, toen gij terugkeerde, er in is gegaan om te zien of het heel is. Toen de echtgenoot dit hoorde, was hij meer dan tevreden en hij zei tot hem, die met hem mee was gegaan: Mijn goede man, ga met God, want gij hoort, dat mijn vrouw het tegen zeven heeft verkocht, terwijl gij er maar vijf voor gaaft. De man sprak: Goed, en ging heen. En Peronella zeide tot den echtgenoot: Regel met hem onze zaken. Giannelli, die de gespitste ooren overeind hield of hij ook voor iets bang moest zijn, wierp zich haastig uit het vat en alsof hij niets van het binnenkomen van den echtgenoot had gemerkt, zeide hij: Waar zijt gij, brave vrouw! Hierop antwoordde de echtgenoot: Hier ben ik, wat verlangt gij? Giannello hernam: Wie zijt gij? Ik vraag het aan de donna, met wien ik onderhandelde. De echtgenoot sprak: Handel gerust met mij, want ik ben haar man. Giannello voegde er bij: Het vat schijnt mij goed in orde, maar het komt mij voor, dat gij er vuil in hebt laten liggen, want het is heelemaal smerig van ik weet niet wat voor droog goed, dat ik er met de nagels niet af kan krijgen en ik neem het niet, voor het schoon is. Toen sprak Peronella: Neen, daarom zal de verkoop niet uitblijven, mijn man zal het heelemaal schoon maken. Na zijn gereedschappen te hebben neergelegd en zich in zijn hemd te hebben gezet, liet de echtgenoot licht aansteken en zich een schrapijzer geven; toen sprong hij in de kuip en begon te schrappen. En Peronella, alsof zij wilde zien, wat hij zou doen, stak het hoofd door den mond van het vat, die niet zeer groot was en een van de armen met den schouder en zei: Schrap hier, schrap daar en ook ginder en: kijk, daar is nog wat vuil overgebleven. En terwijl zij zoo den echtgenoot onderrichtte, besloot Giannello, die dien morgen zijn verlangen nog niet bevredigd had, het te doen gelijk hij kon. Hij naderde haar, die de opening van het vat geheel gesloten hield en zooals in de wijde velden de losse merries en de verhitte hengsten van Parthië te werk gaan, bevredigde hij zijn jeugdige begeerte. Toen het vat gekrabd was liet hij haar los. Petronella zei tot Giannello: Houdt dat licht vast, manlief en zie of het naar Uw zin schoon is gemaakt. Giannello, die er in keek, zeide, dat het in orde was en nadat hem zeven goudlelies waren geschonken, liet hij het naar zijn huis brengen.

DERDE VERTELLING.

Broeder Rinaldo slaapt met zijn petemoei; de echtgenoot vindt hem, met haar in de kamer en zij doen hem gelooven, dat hij de wormen van het zoontje bezwoer.

Filostrato wist niet op zóó bedekte wijze over de parthische paarden te spreken, of de ondeugende donna’s lachten er om en deden of het om iets anders was. Maar toen de koning zag, dat de novelle geëindigd was, gelastte hij Elisa te verhalen. Deze gehoorzaamde en begon: Bekoorlijke donna’s. Het bezweren van het spook van Emilia heeft mij een geschiedenis in het geheugen geroepen van een andere bezwering, die ik zal verhalen, hoewel deze niet zoo schoon is als de voorgaande, maar daar mij voor ons onderwerp op het oogenblik geen andere invalt.

Gij moet weten, dat er in Siena een heel aardig jonkman was van voorname familie, Rinaldo. Hij was vurig verliefd op een zeer schoone buurvrouw, de echtgenoote van een rijk man en hoopte een middel te vinden haar zonder argwaan te spreken en alles te verkrijgen, wat hij verlangde. Maar daar hij er geen kans toe zag en de donna zwanger was, dacht hij er aan haar peet te worden en na vriendschap te hebben gesloten met haar man zeide hij hem zijn wensch en het geschiedde.

Rinaldo peet geworden van madonna Agnesa en meer in de gelegenheid haar te spreken, verzekerde zich er van haar met woorden zijn bedoeling te doen kennen, die zij te voren uit de uitdrukking van zijn oogen had kunnen opmaken. Hoewel aan de donna niet mishaagde, wat zij had gehoord, gaf het hem niet veel. Het duurde niet lang of wat er ook de reden van zij, Rinaldo werd monnik, doch hij bleef naar haar verlangen, hoewel hij eenigen tijd de liefde ter zijde had gesteld, die hij zijn petemoei toedroeg. Doch na verloop van tijd zonder het kleed af te leggen, wakkerde hij zijn ijdelheden weer aan en begon er behagen in te scheppen zich goed gekleed te vertoonen, liederen en sonnetten en balladen te maken en te zingen en al dergelijke dingen meer. Maar wat zeg ik van onzen broeder Rinaldo? Welke monniken doen zoo niet? O schande van de verdorven wereld! Zij schamen zich niet te verschijnen met dik geverfd gelaat, verwijfd in hun kleeren en in alles. Zij loopen niet als duiven maar als zegevierende hanen met opgeheven kam en de borst vooruit. En wat nog erger is—laat staan, dat zij hun cellen vol potjes met pommade en olie hebben, met potten vol verschillende confituren, met flacons en glazen karaffen, met reukwaters en oliën, met fleschjes van malvezij en griekschen wijn en andere zeer kostbare wijnen, zoodat het geen monniks-cellen schijnen maar eer aan de toeschouwers apotheken en winkels van reukwerk—zij schamen zich niet drankzuchtig te zijn en zij verbeelden zich, dat men niet weet, dat de vasten, grove en eenvoudige spijzen en een sober leven de menschen mager en licht en het gezondst maken. En als zij ziek worden, zijn zij het niet het minst van de jicht, waarvoor men als geneesmiddel kuischheid pleegt voor te schrijven en andere dingen behoorend tot het leven van een nederigen monnik. En zij gelooven, dat men niet weet, dat buiten een karig leven, de lange nachtwaken, het bidden en de leefregels de menschen bleek en droefgeestig moeten maken en dat noch San Domenico, noch San Francesco er vier kleeden op na hielden, noch gekleurde rokken, noch heidensch goed, maar alles van grof linnen en van natuurlijke kleur om de koude te verdrijven en niet om te pronken. Hierin moge God voorzien, gelijk noodig is voor de zielen der onnoozelen, die hen onderhouden. Aldus begon frate Rinaldo tot zijn begeerten teruggekeerd de petemoei vaak te bezoeken en daar zijn vermetelheid groeide, begon hij met meer volharding dan eerst haar te vragen, wat hij verlangde. De donna op een goeden dag door hem lastig gevallen zag, hoezeer zij begeerd werd en daar frate Rinaldo haar misschien schooner scheen dan eerst, zocht daarbij hulp, wat allen doen, die willen toestaan, wat hun gevraagd wordt en zeide: Hoe, broeder Rinaldo, doen de broeders zulke dingen? Hierop antwoordde frate Rinaldo: Madonna, als ik die kap van mijn rug zal hebben—en ik zal dit vlug doen,—zal ik U een man schijnen als de rest en geen broeder. De donna glimlachte en zeide: Helaas, ongelukkige, die ik ben, gij zijt mijn peetvader en ik heb dikwijls gehoord, dat dit een al te groote zonde is en zeker, als het niet zoo was, zou ik doen, wat gij wilde. Frate Rinaldo zeide: Gij zijt een dwaze vrouw, als gij het daarom nalaat. God vergeeft erger, als men er berouw over heeft. Maar zeg mij, wie is meer verwant met Uw zoon, dan ik, die hem ten doop zal houden of Uw echtgenoot, die hem voortbracht? De donna antwoordde: Mijn man is hem nader. Gij zegt de waarheid, sprak de broeder, en slaapt Uw man niet met U? Zeker, antwoordde de donna. Dan, zei de broeder, moet ook ik, die minder verwant met Uw zoon ben, bij U slapen. De donna, die de logica niet kende en die maar weinig geest noodig had om te gelooven of te doen, alsof zij geloofde, dat de broeder de waarheid sprak, antwoordde: Wie zou op Uw wijze opmerkingen weten te antwoorden? En daarna ondanks de verwantschap stemde zij toe naar zijn genoegen te handelen.

Onder den dekmantel van het peetschap meer op hun gemak, omdat de argwaan minder was, waren zij meermalen samen. Eens toen frate Rinaldo bij de donna kwam en er niemand was dan een kleine en aardige meid, zond zij die naar den duiventil met een metgezel van hem om haar het Paternoster te leeren. Zij nam haar kind bij de hand, sloot de deur en zij begonnen op een sofa elkaar te liefkozen. Terwijl dit geschiedde, kwam de vader thuis zonder door iemand opgemerkt te worden, klopte aan de deur van de kamer en riep de donna. Madonna Agnesa, die dit gewaar werd, zeide: Daar is mijn man; nu zal hij merken, wat de reden is van onze vriendschap. Broeder Rinaldo was ontkleed, dat wil zeggen zonder kap en gewaad, in een gewoon wambuis en sprak, toen hij dit vernam: Gij zegt de waarheid, als ik maar gekleed was, zou er wel een middel op zijn, maar als gij opent en hij mij zoo vindt, is er geen voorwendsel te vinden. De donna door onmiddellijk overleg geholpen zei: Kleedt je aan, neem Uw petekind op den arm en luister goed, wat ik hem zeggen zal, opdat Uw woorden goed met de mijnen overeen stemmen. De man had nog niet opgehouden met kloppen, of de vrouw antwoordde: Ik kom bij je. Zij ging met een welgemoed gezicht naar de deur van de kamer, en zeide: Man, broeder Rinaldo onze peetvader is hier en God zond hem; want als hij niet gekomen was, zouden wij vandaag ons kind verloren hebben. Toen de arme dwaas [143] dit hoorde, was hij buiten zich zelf en zeide: Hoe dat?

O man, zei de donna; het heeft pas zulk een hevige flauwte gehad, dat ik geloofde, dat hij dood was. Onze peetvader, die hier was, heeft hem op den arm genomen, sprak: Petemoei, hij heeft wormen in het lijf, die het hart naderen en hem zeker zullen dooden, maar wees niet bang, want ik zal ze bezweren en doen sterven en gij zult Uw kind gezond zien. Wij hadden U hier noodig om gebeden op te zeggen, en daar de meid U niet wist te vinden, heeft hij ze toch doen uitspreken door zijn metgezel op de hoogste verdieping van ons huis. Geen ander dan de moeder van het kind mag bij een dergelijke plechtigheid tegenwoordig zijn en opdat niemand ons zou storen, sloten wij ons hier op en ik geloof, dat hij niet langer wacht dan tot zijn metgezel zijn gebeden zal opgezegd hebben, want het kind is nu al geheel tot zich zelf gekomen. De dwaas geloofde die dingen; zóó greep de liefde voor zijn zoon hem aan. Hij slaakte een diepen zucht en zeide: Ik wil het zien. De donna sprak: Neen, ga niet, gij zoudt bederven, wat er gebeurd is; wacht af en ik zal U dan roepen. Broeder Rinaldo kleedde zich op zijn doode gemak aan, nam het kind op den arm en riep toen gelukkig: O petemoei, hoor ik niet den peetvader? De dwaas antwoordde: Ja, messer. Dan, zeide frate Rinaldo, kom hier. De dwaas ging er heen. Rinaldo zei hem: Gij behoudt Uw zoon door Gods genade; nog pas geloofde ik, dat gij hem tot den vesper niet levend zoudt zien. Laat zijn evenbeeld van was tot Gods eere voor het beeld zetten van San Ambruogio, door wiens bemiddeling God U die genade schonk. Toen het kind den vader zag, betuigde het hem vreugde, gelijk kleine kinderen doen; hij nam het in zijn armen, weende, alsof hij het uit het graf had opgehaald, kuste het en bedankte den peetvader. De metgezel van broeder Rinaldo, die niet één maar misschien wel vier paternosters aan de meid had geleerd en haar een beursje had gegeven van witte zijde, dat een non aan hem had geschonken en haar tot zijn toegewijde had gemaakt, had de peetvader naar de kamer van de vrouw hooren roepen en was zachtjes naar een kant er van gekomen, waar hij zien en hooren kon, wat men er deed. Toen hij de zaak tot een goed einde gevoerd zag, ging hij naar beneden en zeide de kamer binnen tredend: Broeder Rinaldo, de vier gebeden, die gij mij hebt gelast te prevelen, heb ik allen opgezegd. Hierop hervatte frate Rinaldo: Mijn broeder, gij hebt goeden adem. Ik had, toen mijn peetvader kwam, er nog maar twee opgezegd, maar God de Heer heeft door ons het kind genade geschonken. De dwaas liet goede wijnen en meelspijzen komen en bewees aan zijn peetvader en zijn gezel eer in, wat ze meer noodig hadden dan iets anders. Toen ging hij met hen samen het huis uit en beval ze Gode aan en zonder eenig uitstel liet hij den afdruk van was maken en zond dien om met anderen te worden opgehangen bij het beeld van Sint Ambrosius maar niet die van Milaan.

VIERDE VERTELLING.

Tofano sluit een nacht zijn vrouw buiten de deur, die niet bij machte door smeekbeden binnen te komen, doet alsof zij zich in een put werpt. Tofano loopt het huis uit, gaat er heen en zij komt er in, sluit hem buiten, en beleedigt hem met luid geschreeuw.

Toen de koning zag, dat de historie van Elisa geëindigd was, keerde hij zich zonder verwijl naar Lauretta en toonde haar daardoor, dat zij zou volgen; daarom zonder af te wachten, begon zij aldus: O Liefde, hoedanige en welke zijn Uw krachten! Hoe groot Uw raadgevingen en Uw oordeel! Welke wijsgeer, welke kunstenaar kon ooit die listen toonen, dit doorzicht, die aanwijzingen, die gij dadelijk geeft aan wie Uw sporen volgt? Zeker, alle andere wetenschap is achterlijk bij de Uwe. Verliefde donna’s, ik zal U een list vertellen aangewend door een zeer eenvoudige vrouw, die alleen Amor haar had kunnen leeren.

In Arezzo leefde een rijk man, Tofano. Hij kreeg een zeer schoone vrouw tot echtgenoote, monna Ghita, waarop hij zonder te weten waarom spoedig jaloersch werd. Toen de donna dit merkte, was zij zeer verontwaardigd en omdat hij niet anders dan vage en ongeldige redenen daarvoor kon opgeven, besloot zij hem aan het kwaad te doen sterven, waar hij zonder reden bang voor was. Zij bemerkte, dat een jonkman haar begeerde en begon zich stilletjes met hem te verstaan. Aan hunne verhouding ontbrak slechts van het woord tot de daad over te gaan. Zij kende onder de slechte gewoonten van haar man zijn drankzucht en begon hem niet alleen dit aan te bevelen, maar hem zelfs kunstmatig daartoe aan te sporen. Als zij hem goed dronken zag, en hij in slaap was, begaf zij zich naar haar minnaar en ging zoo voort hem te ontmoeten. Door zijn drinken kreeg zij niet alleen den moed haar minnaar in huis te laten komen, maar zij ging een groot deel van den nacht in het zijne doorbrengen, wat daar niet ver vandaan was. De ongelukkige echtgenoot bemerkte, dat, als zij hem aanspoorde te drinken, zij het zelf nooit deed. Dit gaf hem argwaan en hij vermoedde, dat de donna hem beschonken maakte om haar genoegen te kunnen waarnemen, terwijl hij sliep. Hij wilde er de proef van nemen, en hield zich, zonder dat hij iets op had, een avond geheel buiten westen.

De donna meende, dat hij niet meer hoefde te drinken en spoorde hem aan te gaan slapen. Toen hij dit deed, ging zij het huis uit naar dat van haar minnaar en bleef daar tot het midden van den nacht. Tofano stond op, sloot de deuren van binnen en ging aan de vensters zitten, totdat hij de donna zou zien huiswaarts keeren om haar te toonen, dat hij haar rondsluipen bemerkt had. Zij keerde huiswaarts en toen zij het huis van buiten gesloten vond, was zij zeer treurig en beproefde met geweld de deur te openen. Na eenigen tijd zeide Tofano: Vrouw, gij maakt U vergeefs moe, omdat gij er toch niet in kunt komen. Ga, keer terug, vanwaar gij komt en wees er zeker van, dat gij nooit hier terug zult keeren, tot ik U in tegenwoordigheid van Uw ouders en buren die eer heb aangedaan, die U toekomt. De donna begon hem toen bij de liefde van God te smeeken, dat het hem zou behagen haar open te doen, omdat zij niet kwam, vanwaar hij meende, maar van het waken bij een harer buurvrouwen, omdat de nachten lang waren en zij altijd slecht sliep. De gebeden hielpen niets, omdat die wreedaard besloten had, dat al de bewoners van Arezzo haar schande zouden weten. De donna, die zag, dat het bidden niet baatte, ging tot bedreigingen over en zeide: Als gij mij niet open doet, zal ik U tot den rampzaligsten man maken. Tofano antwoordde hierop: Wat kunt gij mij doen? Amor had den geest der donna met zijn raadgevingen verscherpt en antwoordde: Voor ik de schande wil dragen, die gij mij ten onrechte wilt veroorzaken, zal ik mij in gindschen put werpen en dood daar in gevonden zal iedereen gelooven, dat gij in dronkenschap mij er in hebt gesmeten en aldus zult gij moeten vluchten, verliezen wat gij bezit en in ballingschap leven of men zal U het hoofd afslaan als mijn moordenaar, wat gij ook werkelijk geweest zult zijn. Tofano raakte evenwel van zijn dwaze meening niet af. Daardoor zeide de donna: Nu dan, ik kan die behandeling van U niet meer dulden; God vergeve het U, gij kunt mijn spinrokken komen halen, dat ik hier achter laat. En bij die woorden, terwijl de nacht zoo donker was, dat de een den ander ternauwernood kon zien, ging de donna naar de put, nam een grooten steen, die ter zijde lag en liet hem met een schreeuw van God vergeve het mij er in vallen. De steen op het water ploffend maakte een groot gedruisch. Tofano dacht bepaald, dat zij zich er in had geworpen, nam den emmer met het touw en snelde naar de put om haar te helpen. De donna, die zich bij de deur van haar huis had verborgen, nam, zoodra zij hem naar de put zag loopen, de vlucht in huis, sloot het van binnen, ging naar de vensters en zeide: Men moet bijtijds water in zijn wijn doen.

Tofano, die dit hoorde, zag, dat hij er in was geloopen en daar hij de deur niet kon openen eischte hij dit van haar. Zij, die hem stilletjes liet praten gelijk hij het eerst haar had gedaan, begon hem toe te schreeuwen: Bij het kruis van God, vervelende dronkelap, gij komt vannacht niet de deur in: ik kan die manieren niet meer dulden, het is noodig, dat ik aan iedereen laat zien, wie je bent en op welk uur je naar huis komt. Tofano op zijn beurt verbitterd begon haar te beleedigen en te schreeuwen, waardoor de buren die het rumoer hoorden, opstonden, naar de vensters gingen en vroegen wat er aan de hand was.

De donna begon huilend te spreken: Het is die slechte kerel, die me ’s avonds dronken thuis komt of in de kroegen in slaap valt en daarna op dit uur huiswaarts keert. Lang heb ik dat verdragen, maar nu duld ik het verder niet en ik heb hem de schande aangedaan hem buiten de deur te sluiten om te zien of hij zich wil verbeteren. Van den anderen kant vertelde de beestachtige Tofano, hoe het feit had plaats gehad en bedreigde haar zeer. De donna zeide tot haar buren: Kijk, wat een kerel? Wat zoudt gij zeggen, als ik op straat zou staan en hij in huis zou zijn? Bij het geloof in God, dan zou ik denken, dat gij gelooft, dat hij de waarheid zegt. Gij kunt nu zijn verstand kennen. Want hij zegt juist, dat ik dat heb gedaan, wat ik geloof, dat hij heeft uitgevoerd. Hij dacht mij te verschrikken door zich in een put te werpen; had het God mogen behagen, dat hij er zich werkelijk in gegooid had en verdronken was, dan had hij een weinig water in den wijn gedaan, dien hij te veel heeft gedronken. De buren gaven Tofano de schuld en begonnen hem te beleedigen over hetgeen hij de donna toevoegde. Het rumoer werd zoo groot, dat het eindelijk de ouders van de donna bereikte. Deze kwamen daar en hoorden de zaak van de buren. Zij pakten Tofano beet en gaven hem zooveel slagen, dat zij hem geheel gebroken achterlieten. Daarna in het huis gekomen, namen zij tot zich, wat aan de donna behoorde, voerden haar mede naar hun woning en bedreigden Tofano met nog erger. Tofano, die zich door de jaloezie in dien slechten toestand zag, nam, daar hij het goed met zijn vrouw voor had, eenige vrienden als bemiddelaars en deed zijn best de donna in vrede in zijn huis terug te krijgen, aan welke hij beloofde nooit meer naijverig te zijn. Behalve dat gaf hij haar verlof alles naar haar genoegen te doen maar zoo, dat hij het niet zou merken. En aldus als een dwaze stommeling, sloot hij na de schade deze overeenkomst. En leve de liefde en dood aan de tweedracht en de heele boel.

VIJFDE VERTELLING.

Een jaloersch man vermomd als priester neemt zijn vrouw de biecht af, wien zij voorliegt, dat zij een priester bemint, die elken nacht bij haar komt. Terwijl de ijverzuchtige man bij de deur op post staat, laat de donna haar minnaar over het dak binnen komen en blijft met hem.

Nadat Lauretta haar verhaal had geëindigd en ieder de donna geprezen had, die den booswicht behandelde zooals paste, keerde de koning, om geen tijd te verliezen, zich naar Fiammetta en beduidde haar op beminnelijke wijze te vertellen, die aldus begon: Zeer edele donna’s. De voorafgaande geschiedenis drijft mij er toe U ook van een ijverzuchtig man te spreken, want dat, wat de vrouw doet en vooral wanneer de mannen zonder reden jaloersch zijn, is welgedaan. En als de wetgevers alles wel overwogen, zouden zij geen andere straf voor de vrouwen bepaald hebben dan zij voor ieder vaststelden, die een ander treft om zich zelf te verdedigen, want de ijverzuchtigen zijn de belagers der jonge vrouwen en zoeken met alle macht hun dood. Zij blijven de heele week opgesloten en nemen de familie- en de huiselijke plichten waar, verlangend gelijk elk om op feestdagen eenige verlichting, rust en vermaak te hebben gelijk de boeren buiten, de handwerkers in de steden en de regeerders aan de hoven, gelijk God zelf, die den zevenden dag rustte en gelijk de heilige en de burgerlijke wetten het willen, die Gods eer en het gemeenschappelijk welzijn in het oog houdend de dagen van den arbeid onderscheidde van den rustdag. Dit willen de jaloersche mannen niet toestemmen; integendeel, als alle anderen vroolijk zijn, houden zij hun vrouwen meer opgesloten en achteraf en maken hen ongelukkiger en treuriger. Hoe groot en hoedanig het verlangen is van die misdeelden, weten alleen zij, die dit ondervonden hebben. Dus: wat een vrouw ten onrechte aan een jaloersch echtgenoot doet, moet men zeker niet veroordeelen maar prijzen.

Er was dan in Arimino een rijk koopman, met veel bezittingen en geld, die een zeer schoone echtgenoote had. Hij was zeer jaloersch op haar en had geen andere reden daarvoor dan dat hij veel van haar hield en haar heel mooi vond en wist, dat zij al haar best deed om hem te behagen en aldus dacht, dat ieder man haar zou beminnen en zij allen schoon moest voorkomen en ook, dat zij moeite deed aan anderen te behagen, wat de meening was van een slecht, ongevoelig man. Door zijn ijverzucht was hij zoo waakzaam en hield haar zoo gebonden, dat misschien vele ter dood veroordeelden door de gevangenbewaarders met evenveel voorzorg worden in het oog gehouden. De donna kon naar geen bruiloft, feest of kerk gaan of een voet buitenshuis zetten en durfde zich niet aan een venster vertoonen. Aldus was haar leven zeer treurig en zij droeg dat verdriet met des te meer ongeduld, naarmate zij zich minder schuldig voelde.

Daar zij zich door haar man verongelijkt zag, peinsde zij er over tot haar vertroosting een middel te vinden om dat te doen, waardoor haar dit met recht zou geschieden. Daar zij geen middel had zich verblijd te toonen met de liefde, die de een of ander aan den dag legde voor haar, welke door de straat ging, dacht zij er over na, dat er in het huis naast het hare een knap en aardig jonkman was en of er in de scheidsmuur geen gat was, waardoor zij zoo dikwijls kon loeren, als zij met den jonkman zou spreken en hem haar liefde te schenken, indien hij die wilde aannemen. Zij kon hem zoo terug vinden en haar treurig leven veranderen, tot de duivel bij haar man uit het lijf was gedreven. Daar zij het geheele huis doorliep, als de man er niet was, zag zij in den muur der woning bij toeval in een vrij afgelegen deel, dat er een spleet in was. Zij keek door die scheur en kon slecht, wat er achter was, onderscheiden, maar werd een kamer gewaar en zeide tot zich zelf: Indien dit de kamer van Filippo is, (haar buur) zijn wij bijna klaar. En voorzichtig liet zij haar dienstmeid, die haar welgezind was, verspieden en die bevond, dat de jonkman werkelijk heel alleen daar sliep. Zij ging daarom dikwijls naar die spleet toe en als zij er den jonkman bemerkte, liet zij door de scheur kleine steentjes vallen en dergelijke prutserijen, zóó, dat de jonkman om te zien, wat dat beteekende, er heen kwam. Zij riep hem zachtjes. En hij, die haar stem kende, antwoordde haar en zij, die nu gelegenheid had, opende hem haar geheele ziel. Hierover was de jongeling zeer blijde en maakte het gat grooter zoo, dat niemand het merkte. Zij keuvelden dikwijls en gaven elkaar de hand, maar meer konden zij niet doen door de voortdurende waakzaamheid van den jaloerschen echtgenoot. Toen het Kerstfeest naderde, zeide de donna tot haar man, dat, als het hem beviel, zij ’s ochtends naar de kerk wilde gaan biechten en deelnemen aan de plechtigheid, gelijk de andere christenen doen. Hierop antwoordde de nijdigaard: Hebt gij dan gezondigd, dat gij wilt gaan biechten? De donna sprak: Hoe! Gelooft gij, dat ik heilig ben, omdat gij mij opgesloten houdt! Gij weet wel, dat ik zonden bega als de andere stervelingen, maar die wil ik U niet zeggen, want gij zijt geen priester. De nijdigaard kreeg argwaan en wilde de zonden, die zij had bedreven, te weten komen en peinsde over een middel. Hij vond het goed, maar wilde niet, dat zij naar een andere kerk ging dan naar hun kapel en dat zij er bij tijds naar toe zou gaan en er biechten bij hun kapelaan of den priester, dien de kapelaan haar zou aanwijzen en dan dadelijk naar huis zou gaan. De donna begreep het maar half, maar zonder een woord meer antwoordde zij, dat zij het zou doen. Toen de morgen van den feestdag kwam, stond de donna bij het krieken van den dag op en ging naar die kerk. De jaloersche man stond ook op, ging naar dezelfde kerk en was er eerder dan zij en daar hij het al met den priester eens was, wat hij wilde doen, trok hij haastig een gewaad van den priester aan met een groote, om het hoofd sluitende kap, welke hij een weinig naar voren had getrokken en zette zich neer in het koor. De donna liet den priester roepen. De priester kwam en toen hij van de donna hoorde, dat zij wilde biechten, zeide hij, dat hij haar niet aan kon hooren, maar dat hij een metgezel zou sturen en zond tot diens ongeluk den jaloerschen man. Deze veranderde zich zooveel mogelijk, hoewel het nog niet helder dag was en had zich de kap ver over de oogen getrokken, maar wist zich niet zoo te vermommen, dat hij door de donna niet spoedig werd herkend. Toen zij dit zag, zeide zij tot zich zelf: Geloofd zij God, dat deze van jaloersch man priester is geworden; maar ik zal hem geven, wat hij zoekt. Zij deed of zij hem niet kende en ging aan zijn voeten zitten. Messer de jaloersche had zich eenige steentjes in den mond gestoken, opdat die hem een weinig de spraak zouden belemmeren, zoodat hij geloofde geenszins ontdekt te kunnen worden. In de biecht vertelde de donna, dat zij gehuwd was en dat zij verliefd was op een priester, die elken nacht met haar sliep. Toen de nijdigaard dit hoorde, was het hem of hij een messteek in het hart kreeg en ware het niet geweest, dat de begeerte hem drong er meer van te weten, dan had hij de biecht laten varen en zou heengegaan zijn. Hij hield zich dus goed en vroeg de donna: Hoe zoo? Slaapt uw man met U? De donna antwoordde: Zeker, messire. Maar, zei de nijdigaard, hoe kan de priester met U slapen? Messer, hernam de donna, ik weet niet door welk kunstmiddel, maar er is in huis geen deur zoo gesloten, die, als hij klopt, niet opengaat en wanneer hij tot de deur van mijn kamer gekomen is, spreekt hij, voor hij die opent, zekere woorden uit, waardoor mijn man dadelijk inslaapt en zoodra hij dit merkt, komt hij binnen en blijft bij mij. Toen sprak de nijdigaard: Madonna, dat is een leelijk ding en mag zeker niet zoo blijven. De donna hernam: Messire, ik kan niet van hem scheiden, omdat ik hem veel te lief heb. Dan, sprak de nijdigaard, kan ik U geen absolutie geven. De donna voegde er aan toe: Ik ben er treurig om, want ik kwam niet hier om U leugens te vertellen, en als ik gelooven zou het te kunnen, zou ik het U zeggen.

De nijdigaard sprak toen: Werkelijk, mevrouw, ik heb medelijden met U, want ik zie, dat gij uw ziel zult verliezen, maar ik wil moeite doen om mijn gebeden afzonderlijk tot God te richten in uw naam, misschien zullen die U geholpen hebben en als dat zoo is, zullen wij er mee voortgaan. De donna antwoordde hierop: Messer, stuur niemand bij mij, want als mijn man het te weten komt, is hij zoo vreeselijk jaloersch, dat niemand hem uit het hoofd kan praten, dat men voor iets anders dan kwaad komt, en ik zou het geheele jaar geen goed bij hem kunnen doen. Hierop antwoordde de nijdigaard: Madonna, twijfel er niet aan, want ik zal zoo te werk gaan, dat gij er voor hem nooit iets over zult hooren. Toen sprak de donna: Indien gij dit durft, stem ik er in toe. En nadat de absolutie gegeven was, ging zij naar de mis. De nijdigaard met zijn leelijk avontuur deed zuchtend de kleeren van den priester uit en ging naar huis, verlangend een middel te ontdekken om den priester en zijn vrouw een leelijke poets te bakken. De donna zag wel aan het gezicht van den echtgenoot, dat zij hem een kwaad feest had gegeven, maar hij trachtte, zooveel hij kon, te verbergen, wat hij gedaan had en wat hij meende te weten. Daar hij besloten had in den komenden nacht bij de deur te gaan staan en af te wachten, tot de priester kwam, zeide hij tot de donna: Ik moet van avond elders eten en slapen en daarom moet gij goed de straatdeur sluiten en ook die op het midden van de trap en van de kamer en ga dan naar bed. De donna antwoordde: Goed. En zoodra zij de gelegenheid had, ging zij naar het gat en gaf het gewone teeken. Zoodra Filippo dit vernam, kwam hij dadelijk. De donna vertelde hem, wat er dien morgen gebeurd was en zeide toen: Ik ben er zeker van, dat hij zich op den loer zal leggen bij de deur en vindt gij dus een middel, opdat gij vannacht over het dak komt. De jongeling hierover zeer tevreden zeide: Madonna, laat mij gaan. Toen de nacht kwam, verborg zich de nijdigaard heimelijk met zijn wapens in een gelijkvloersche kamer en de donna had alle deuren laten sluiten en het best, die op het midden van de trap, opdat de nijdigaard niet kon komen. Toen haar het oogenblik gunstig scheen en de jongeling langs een zeer verborgen weg kwam, gingen zij naar bed en gaven elkaar goede gelegenheid en veel genoegen. Bij het aanbreken van den dag ging de jongeling naar huis. De nijdigaard, treurig en zonder avondmaal, stervend van koude, stond den geheelen nacht met zijn wapens naast de deur om te wachten, tot de priester kwam en toen het dag werd en hij niet meer kon waken, ging hij in de gelijkvloersche kamer slapen. Hij stond om drie uur in den morgen op en daar de deur van het huis open was, deed hij, of hij van elders kwam, klom de trap op en ontbeet. Kort daarop liet hij een kleinen jongen komen, alsof het de klerk van den priester was, en zond dien naar haar toe met de vraag of de priester gekomen was. De donna, die den bode wel kende, antwoordde, dat hij dien nacht niet gekomen was en als het zoo voortging, hij dien kon vergeten maar zij niet. De nijdigaard stond verscheidene nachten op post om den priester bij de deur te beloeren en de donna nam voortdurend met den jonkman de kans waar. Ten slotte vroeg de nijdigaard, die het niet meer uithield met een vertoornd gelaat, wat zij dien ochtend gebiecht had. De donna wilde het niet zeggen, daar dit niet eerbaar was. De nijdigaard antwoordde: Slechte vrouw. Ik weet toch, wat gij hem gezegd hebt en ik moet weten wie de priester is, waarop gij zoo verliefd zijt en die door zijn tooverijen alle nachten met U slaapt, anders zal ik je ervoor laten bloeden. De donna ontkende, dat zij op een priester verliefd was. Wat, sprak de nijdigaard, heb je dat dan niet verteld aan den priester, die U de biecht afnam? De donna hernam: Hij heeft het U niet over verteld, maar voor mijn part zoudt gij er bij geweest zijn.

De nijdigaard sprak: Zeg mij, wie die priester is. De donna glimlachte en zeide: Het doet mij veel genoegen, wanneer een wijs man zich laat leiden door een onnoozele vrouw gelijk men een ram bij de horens naar de slachtplaats voert, hoewel gij niet verstandig waart van het oogenblik af, dat de booze geest der jaloezie in Uw borst drong en daarom hoe dwazer en dommer gij zijt, des te minder kan ik met mijn list eer inleggen. Gelooft gij, man, dat ik blind ben met de oogen in mijn hoofd gelijk gij met die van den geest? Ik heb den priester herkend, die mij de biecht afnam; gij waart het zelf en trachtte U in het hoofd te praten, wat gij zoeken gingt. Waart gij wijs geweest, gelijk gij U verbeeldt, en hadt gij niet beproefd de geheimen te weten te komen van Uw goede vrouw, en zonder ijdele argwaan zoudt gij er op gelet hebben, of, wat zij U bekende, waar was, terwijl zij in geen enkel opzicht had gezondigd. Ik zeide U, dat ik een priester liefhad en hadt gij U zelf niet, dien ik ten onrechte bemin, tot priester gemaakt? Ik zeide U, dat ik geen enkele deur van het huis voor hem gesloten kon houden, wanneer hij met mij wilde slapen. Ik zeide U, dat de priester zich elke nacht bij mij bevond en wanneer waart gij niet bij mij? Zondt gij Uw klerkje tot mij, dan wist gij, dat gij niet bij mij waart en ik liet U weten, dat de priester niet bij mij geweest was. Welke dwaas, behalve gij, die U door ijverzucht hebt laten verblinden, had dit niet begrepen? Gij hebt aan de deur gewaakt en hebt mij willen wijs maken, dat gij ergens anders zijt gaan avondmalen en slapen. Verander U, wordt weer man, gelijk gij het waart; en laat U niet voor den mal houden, want ik zweer bij God, dat, als ik U horens wilde doen dragen en gij honderd oogen hadt gelijk thans twee, ik mijn zin zou volgen, zóó, dat gij het niet zoudt gewaar worden.

De booze nijdigaard, die zeer handig het geheim van de donna meende te hebben gemerkt, dacht, dat hij niet bedrogen was, hield zijn vrouw voor goed en wijs en ontdeed zich van zijn minnenijd, toen hij er reden voor had, terwijl hij er van verging, toen het onnoodig was. Daardoor had de sluwe donna niet meer noodig als de katten haar minnaar over het dak te laten komen maar door de deur. Zij ging stil te werk en verschafte zich zelf en hem meermalen een goede gelegenheid en een vroolijk leven.

ZESDE VERTELLING.

Madonna Isabella, die zich bij haar minnaar Leonetto bevindt, ontvangt bezoek van messer Lambertuccio. Als haar man thuis komt, laat zij hem messer Lambertuccio met een mes in de hand tegemoet gaan en haar man vergezelt daarna Leonetto.

De novelle van Fiammetta beviel allen wonderbaar en elk beweerde, dat de donna zeer goed had gehandeld en dit goed was voor den dommen echtgenoot. Daarop beval de koning, dat Pampinea zou volgen. Zij begon te zeggen: Er zijn er velen, die onnoozel beweren, dat de liefde de menschen verblindt en dat wie liefheeft, zijn bezinning verliest. Dit schijnt mij een dwaze meening en blijkt ook uit de verhaalde histories en ik heb plan het nog meer te bewijzen.

In onze rijke stad leefde een lieve en zeer schoone donna, de vrouw van een zeer waardig ridder. En gelijk dikwijls gebeurt: verandering van spijs doet eten en daar haar man niet goed voldeed, werd zij verliefd op een jonkman Leonetto en hij evenzoo op haar. En daar het altijd goed gevolg heeft, wat elk der partijen wil, duurde het niet lang of zij konden hun liefde genoegdoening verschaffen. Nu werd ook op deze donna een ridder verliefd, messer Lambertuccio, welken zij, omdat hij haar onaangenaam en vervelend scheen, niet mocht lijden. Hij viel haar met boodschappen lastig en toen dit ook niets hielp, dreigde hij haar, daar hij machtig was, te schandvlekken. Daarom besloot zij, die bang was en hem kende, hem ter wille te zijn. De dame, madonna Isabella, was ’s zomers naar gewoonte naar een van haar schoone buitengoederen gegaan om daar te verblijven en daar haar man op een morgen te paard was gestegen om eenige dagen elders te vertoeven, verzocht zij aan Leonetto bij haar te komen, die zeer verheugd dadelijk kwam. Messer Lambertuccio, die wist, dat haar man heen was gegaan, steeg geheel alleen te paard, begaf zich ook tot haar en klopte aan de deur. De meid van de donna, die wist, dat zij met Leonetto samen was, ging haar roepen en zeide: Mevrouw: messer Lambertuccio is beneden. De donna, die dit hoorde, was de bedroefdste vrouw van de wereld, maar daar zij heel bang voor hem was, bad zij Leonetto, dat hij geen bezwaar zou maken zich eenigen tijd achter het bedgordijn te verbergen, tot messer Lambertuccio zou weggaan. Leonetto, die niet minder bang voor hem was dan de donna, verborg zich; en zij beval aan de meid, dat zij messer Lambertuccio zou openen. Deze steeg van een zijner sierpaarden; na het aan een haak vastgebonden te hebben, ging hij naar boven. De donna, die een vriendelijk gezicht zette en boven aan de trap stond, ontving hem met vriendelijke woorden en vroeg hem, wat hij kwam doen.

De ridder omhelsde haar en sprak: Mijn ziel, ik hoorde, dat Uw man er niet was, zoodat ik kom om een beetje bij U te blijven. Daarna trad hij de kamer in, sloot de deur en begon zich met haar te verheugen. Geheel buiten verwachting van de donna kwam de echtgenoot terug; toen de meid dezen dicht bij het verblijf zag, liep zij dadelijk naar de kamer van de donna en sprak: Madonna, daar is mijnheer; ik geloof, dat hij al in den hof is. Toen de donna dit hoorde en wist, dat er twee mannen in huis waren en dat de ridder zich niet kon verborgen houden door het sierpaard, dat in den hof stond, hield zij zich voor verloren. Niettemin wierp zij zich dadelijk uit het bed op den grond, nam een besluit en zeide tot messer Lambertuccio: Messer, indien gij mij goed gezind zijt en mij den dood wilt doen ontloopen, zult gij doen, wat ik U zal zeggen. Gij zult Uw mes ontbloot in Uw hand nemen, woest de trappen afgaan en woedend zeggen: Ik zweer bij God, dat ik hem elders zal vinden. En als mijn man U wil terug houden of U iets wil vragen, zegt gij niets anders dan wat ik U gezegd heb en te paard gestegen blijft gij om geen enkele reden bij hem. Messer Lambertuccio zeide, dat hij dit gaarne wilde en na het mes te hebben getrokken en met geheel ontvlamd gelaat door de moeite, die hij zich gaf zoowel als door den toorn, dien hij voelde over den terugkeer van den ridder, deed hij, gelijk de donna hem bevolen had.

Haar echtgenoot, die al in den hof was afgestegen en zich over het sierpaard verwonderde en er op wilde springen, zag messer Lambertuccio toornig de trap afkomen en verwonderde zich en zeide: Wat is dat, messere? Messer Lambertuccio, die den voet in den stijgbeugel zette en er opklom, zeide niets anders dan: Bij het Lichaam van God, ik zal hem elders vinden en hij ging heen. De edelman, die naar boven ging, vond zijn donna geheel onthutst en vol angst en hij zeide tot haar: Wat is dat? Waarom is messer Lambertuccio zoo vertoornd? De donna, die de kamer naderde, opdat Leonetto het zou hooren, antwoordde: Messire, ik heb nog nooit zoo’n angst gehad. Zoo pas kwam hier een jonkman binnen, dien ik niet ken en dien messer Lambertuccio met het mes in de hand volgde en die toevallig deze kamer open vond en sidderend sprak: Madonna, help mij bij God, opdat ik niet dood in Uw armen blijf. Ik stond rechtop en toen ik hem wilde vragen, wie hij was en wat er aan de hand was, komt mij daar messer Lambertuccio naar boven met de woorden: Waar ben je, verrader? Ik ging naar de kamerdeur en daar hij binnen wilde treden, hield ik dien vast; hij was hoffelijk genoeg, daar hij zag, dat het mij niet aanstond hem te laten binnentreden, na veel woorden naar beneden te gaan. Toen sprak de echtgenoot: Vrouw, gij hebt wel gedaan. Het zou een al te groote blaam zijn geweest, als hier iemand gevonden was en messer Lambertuccio deed een zeer onpassende daad door iemand te volgen, die daar binnen zou gevlucht zijn. Daarna vroeg hij, waar die jonkman was. De donna antwoordde: Messer, ik weet niet, waar hij zich verborgen heeft. De ridder hernam: Waar zijt gij? Kom zonder vrees voor den dag. Leonetto, die alles had gehoord, kwam heel angstig, alsof hij bevreesd was, uit den hoek. De ridder sprak toen: Wat hebt gij met messer Lambertuccio te maken? De jonkman antwoordde: Messer, niets ter wereld en daarom geloof ik bepaald, dat hij niet goed wijs is of mij voor den verkeerden houdt, omdat hij, zoodra hij mij dicht bij dit huis op straat zag, de hand aan het mes sloeg en zeide: Verrader, gij zijt des doods. Ik vluchtte en kwam hier, dank zij God en deze edelvrouw. Toen sprak de ridder: Nu, heb maar geen vrees meer; ik zal U thuis brengen en gij zult nagaan, wat gij met hem hebt uit te staan. En toen zij geavondmaald hadden, liet hij hem te paard stijgen en leidde hem naar Florence. Naar de voorlichting der donna sprak Leonetto dien avond met messer Lambertuccio en regelde alles zóó met hem, dat, hoeveel er ook later over gesproken zou worden, de edelman daardoor nooit te weten zou komen, welke poets men hem met zijn vrouw had gebakken.

ZEVENDE VERTELLING.

Lodovico bekent aan madonna Beatrice de liefde, die hij haar toedraagt. Zij zendt haar man Egano in den tuin in haar plaats en slaapt met Lodovico. Nadat hij is opgestaan, gaat hij heen en ranselt Egano in den tuin af.

De schranderheid van madonna Isabella werd door ieder voor wonderbaar gehouden. Doch Filomena, aan wie de koning bevolen had te volgen, sprak: Verliefde donna’s. Indien ik mij niet bedrieg, geloof ik U een niet minder mooi verhaal te kunnen doen.

In Parijs leefde een florentijnsch edelman, die uit armoede koopman was geworden en in den handel zóó geslaagd was, dat hij zeer rijk werd. Van zijn donna had hij een eenigen zoon, die Lodovico heette. En omdat hij op den adel van zijn voorouders en niet op den handel gesteld was, zond hij hem gelijk andere edellieden naar den koning van Frankrijk, waar hij fraaie en goede manieren leerde. Terwijl hij daar verblijf hield, mengden zich verscheidene ridders, die van het Heilige Graf kwamen, met jongelieden in een gesprek, waaronder Lodovico zich bevond. Toen een van hen hoorde spreken van de mooie vrouwen van Frankrijk en Engeland en uit andere deelen der wereld, begon die te zeggen, dat hij zeker over het heele wereldrond en onder alle vrouwen er nooit een had gezien zoo schoon als de vrouw van Egano de’ Galluzi [144] van Bologna, madonna Beatrice. Hiermede waren al zijn metgezellen, die haar met hen samen in Bologna aanschouwd hadden, het eens. Toen Lodovico dit hoorde, die nog nooit verliefd geweest was, ontbrandde hij in zulk een verlangen haar te zien, dat hij zijn gedachten bij niets anders kon houden en besloot naar Bologna te gaan en er te blijven, indien zij hem zou behagen. Hij deed zijn vader gelooven, alsof hij naar het Heilige Graf ging, wat hij met grooten weerzin gedaan kreeg. Hij nam den naam Anichino aan, kwam te Bologna en daar de fortuin het wilde, zag hij haar den volgenden dag op een feest en ze scheen hem nog schooner dan hij zich had voorgesteld. Daarom zeer vurig op haar verliefd, besloot hij niet uit Bologna te vertrekken, voor hij haar liefde verworven had. Hij overlegde, dat, zoo hij knecht van haar echtgenoot kon worden, die verscheidene bedienden had, hij misschien kon gedaan krijgen, wat hij verlangde. Hij verkocht zijn paarden, regelde alles met zijn onderhoorigen, beval hun te doen of zij hem niet kenden, en na met zijn waard te hebben afgerekend zeide hij, dat hij gaarne in dienst van een welgesteld heer wilde treden. De waard sprak tot hem: Gij zijt de rechte bediende voor een edelman uit dit gebied, die Egano heet en die wil, dat al zijn bedienden er uitzien als gij; ik zal hem er over spreken. Voor de waard Egano verliet, had hij Anichino doen aannemen, die zijn best deed hem aangenaam te zijn.

Zoo had hij dikwijls gelegenheid zijn donna te zien en hij diende zijn heer zoo goed en naar wensch, dat deze zoo aan hem hechtte, dat hij niet meer buiten hem kon en over al zijn goederen gaf hij hem de leiding. Eens gebeurde het, dat Egano op de vogelvangst was en Anichino was thuis gebleven. Madonna Beatrice, die zijn liefde nog niet had opgemerkt, maar op zijn manieren meermalen lette, had hem zeer geprezen en het behaagde haar met hem schaak te spelen. Anichino, die haar verlangde te behagen, nam dit gaarne aan, waarmee de donna zeer blijde was. Toen al de vrouwen na het toezien waren heengegaan en hen alleen lieten spelen, slaakte Anichino een diepen zucht. De donna keek hem aan en zeide: Wat hebt gij, Anichino? Bedroeft het U zoo, dat ik U overwin? Mevrouw, antwoordde Anichino, iets veel belangrijkers was de oorzaak van mijn zucht. Toen sprak de donna: Zeg het mij bij de genegenheid, die gij voor mij gevoelt. Anichino voelde zich betooverd bij dit: door de genegenheid, die gij voor mij gevoelt door haar, die hij boven alles lief had, zoodat hij een nog grooter zucht uitstiet dan de eerste, waardoor de donna hem opnieuw vroeg of hij haar wilde zeggen, wat de oorzaak van zijn zucht was. Hierop sprak Anichino: Madonna, ik vrees zeer, dat het U boos zou maken, indien ik U dat vertel, en dan ben ik ook bang, dat gij het zoudt over vertellen. De donna hernam: Het zal voor mij zeker niet onaangenaam zijn en reken er op, dat ik er nooit aan anderen over zal spreken. Met tranen in zijn oogen zeide Anichino haar, wie hij was, wat hij van haar gehoord had, hoe hij op haar verliefd werd en waarom hij knecht was geworden en daarna smeekte hij haar nederig medelijden met hem te hebben en hem in dit zoo brandend verlangen ter wille te zijn en ook dat hij in de gedaante, waarin hij was, tevreden zou zijn haar te beminnen. O, zonderlinge zachtheid van het bologneesche bloed! Wat zijt gij altijd te prijzen geweest in zulke gevallen! Gij waart nooit verlangend naar tranen of zuchten en waart steeds welwillend voor nederige smeekbeden en verliefde verlangens; als ik waardige loftuitingen had om U te prijzen, zou men zien, dat mijn stem er nooit genoeg van had!

De edelvrouw, die Anichino aanzag en alle vertrouwen aan zijn woorden schonk en zijn liefde, maakte zooveel indruk op haar, dat zij begon te zuchten en daarna antwoordde: Mijn lieve Anichino, houdt moed; noch geschenken, noch beloften, noch begeerten van edelman of heer, noch van wie ook (want, ik werd nog door velen begeerd) konden ooit mijn ziel bewegen, maar gij hebt mij in even korten tijd, als Uwe woorden geduurd hebben, de Uwe doen worden. Gij hebt U mijn liefde verworven en daarom geef ik U die en ik beloof U, dat ik er U mee zal gelukkig maken, en nog dezen nacht. Te middernacht zult gij op mijn kamer komen. Ik zal de deur open laten. Gij weet aan welken kant van het bed ik slaap; gij zult mij wakker maken en ik zal U troosten over uwe langdurige begeerte en opdat gij dit gelooft, zal ik U een kus als pand geven. Zij wierp hem den arm om den hals, kuste hem hartstochtelijk en Anichino haar en met de grootste zaligheid ter wereld wachtte hij de komst van den nacht af. Egano kwam van de vogelvangst terug en toen hij het avondmaal had gebruikt, ging hij vermoeid slapen en daarna de donna. Zij liet de kamerdeur open en op het afgesproken uur kwam Anichino binnen, sloot de deur achter zich en begaf zich naar den kant, waar de donna lag, legde de hand op haar borst en vond haar wakker. Toen zij bemerkte, dat Anichino gekomen was, nam hij haar hand tusschen de zijne en hield die stevig vast en woelde zoo, dat Egano wakker werd. Zij sprak tot hem: Ik heb U gisteravond niets willen zeggen, daar gij mij vermoeid scheen, maar zeg mij, Egano, wien gij voor den besten en eerlijksten bediende houdt en wien gij het meest genegen zijt van degenen, die gij in huis hebt. Egano antwoordde: Waarom vraagt gij mij dit? Kent gij hem niet? Nog nooit had ik er een, dien ik zoo vertrouwde of genegen was als Anichino; Anichino, die merkte, dat Egano wakker was en die over zich zelf hoorde spreken, had verscheidene malen zijn hand weggetrokken, daar hij vreesde, dat de donna hem wilde bedriegen, maar zij hield zoo stevig vast, dat hij niet loskomen kon. De donna zeide tot Egano: Ik dacht ook, dat hij U trouwer was dan ieder ander, maar toen gij heden op de vogelvangst zijt gegaan, bleef hij hier en toen hij de kans schoon zag, schaamde hij zich niet mij te vragen of ik tot zijn genoegen wilde toestemmen en om het U gemakkelijk te bewijzen, antwoordde ik, dat ik er vrede mee had en dat ik na middernacht in onzen tuin zou gaan en aan den voet van den pijnboom zou wachten. Nu heb ik voor mij geen zin er heen te gaan, maar als gij de trouw van Uw knecht wilt kennen, doe dan een vrouwenkleed van mij aan, een sluier om Uw hoofd en ga daar wachten, of hij zal komen, waarvan ik zeker ben. Toen Egano dit hoorde, zeide hij: Zeker, wil ik hem gaan zien en hij trok, zoo goed het in den donker ging, een gewaad van zijn vrouw aan, deed een sluier om het hoofd, ging in den tuin en begon op Anichino aan den voet van den pijnboom te wachten. Zoodra hij was opgestaan en de kamer uit, sloot de donna de deur van binnen. Anichino, die den grootsten angst van zijn leven had doorstaan en die getrokken had wat hij kon om zich los te rukken en honderdduizend maal haar en zijn liefde, die hij haar had toevertrouwd, had vervloekt, merkte, met welk doel zij dit had gedaan en was nu de gelukkigste man van de wereld.

Hij kleedde zich, gelijk zij wilde, uit en te samen hadden zij genoegen en vreugde gedurende langen tijd. Toen het de donna scheen, dat Anichino niet langer moest blijven, deed zij hem opstaan en zich weer aankleeden en zeide: Mijn lieve vriend, gij moet een flinken stok nemen en naar den tuin gaan en net doen, of gij mij hebt geroepen om mij op de proef te stellen en zoo zult gij Egano uitschelden en goed met den stok ranselen en hieruit zal wonderbaar genoegen en vermaak volgen. Anichino stond op en ging in den tuin met een grooten wilgenstok en dicht bij den pijnboom zag Egano hem aankomen, die hem met gemaakte vreugde wilde ontvangen. Anichino voegde hem toe: Ah, eerlooze vrouw, ben je dus gekomen en gij hebt geloofd, dat ik mijn heer deze schande wilde aandoen? Gij zijt hier ééns voor duizend keer gekomen; en den stok opheffend, begon hij Egano te slaan, die dit bemerkend, vluchtte zonder een woord te spreken en Anichino zeide daarop: Dat God U een kwaad jaar geve, slecht wijf, want ik zal het morgen aan Egano zeggen. Egano, die verscheidene goede klappen beet had, ging, zoo gauw hij kon, naar zijn kamer terug. De donna vroeg hem of Anichino gekomen was. Egano zeide: Was hij het maar niet geweest, want in de meening, dat gij het waart, heeft hij mij met een stok lam geslagen en zoo beleedigd, als men het een slechte vrouw ooit deed. Zeker verwondert het mij sterk, dat hij dit zou hebben afgesproken met de bedoeling mij te schandvlekken, maar omdat hij U zoo verheugd en voorkomend meende te zien, wilde hij U op de proef stellen. Toen sprak de donna: Geloofd zij God, dat hij mij alleen met woorden en U met feiten op de proef gesteld heeft en ik geloof, dat hij zeggen kan, dat ik met meer geduld de woorden heb verdragen dan gij de slagen en omdat hij U zoo trouw is, moet gij hem op prijs stellen en eer aandoen. Egano sprak: Zoo is het en hij was van meening, dat hij de braafste vrouw en de trouwste dienaar bezat. Nadat over dit feit door hen gelachen was, hadden Anichino en de donna voldoende gelegenheid, meer dan zij zonder dit avontuur zouden hebben, te doen, wat hun vermaak en genoegen was en daarom behaagde het Anichino bij Egano in Bologna te blijven.

ACHTSTE VERTELLING.

Een echtgenoot wordt jaloersch op zijn vrouw. De ega doet zich ’s nachts een draad aan den teen om te weten of haar minnaar tot haar zal komen. De echtgenoot merkt dit en terwijl hij den minnaar nagaat, laat de donna in haar plaats een andere vrouw op het bed liggen, welke de echtgenoot slaag geeft en wien hij de haren uittrekt. Dan gaat hij naar de broeders van zijn vrouw, die bevindend, dat dit niet waar is, hem beleedigen.

Het scheen aan allen, dat madonna Beatrice zonderling arglistig geweest was bij het misleiden van haar echtgenoot en ieder beweerde, dat de angst van Anichino zeer groot moest geweest zijn. De koning keerde zich tot Neifile en zei: Spreekt gij nu. Deze een weinig glimlachend begon: Schoone donna’s. Het is lastig U een fraaier vertelling te doen dan die, welke U tot heden hebben bevredigd, maar met Gods hulp hoop ik mij er wel door te slaan.

In onze stad leefde vroeger een zeer rijk koopman Arriguccio Berlinghieri, die dwaas, gelijk kooplieden zijn, dacht zich door een huwelijk in den adelstand te verheffen, met een jonge edelvrouw trouwde, welke slecht bij hem paste en monna Sismonda heette. Deze, daar hij zooals kooplieden gewoon zijn, veel naar buiten ging en weinig bij haar was, werd verliefd op een jonkman Ruberto genaamd, die haar lang had begeerd. Zij sloot vriendschap met hem; dit verheugde hem en alles ging minder in stilte en daarvan was het gevolg, dat Arriguccio er iets van merkte, het reizen staakte, de ijverzuchtigste man ter wereld werd en er zich aan wijdde haar goed te bewaken. Hij sliep nooit, als hij haar niet het eerst naar bed had zien gaan. Hierdoor gevoelde de donna zeer hevige smart, daar zij op die wijze niets aan Ruberto kon hebben. Evenwel na rijp beraad kwam het in haar op aldus te handelen: De kamer was zeer ver van de straat en meermalen had zij gemerkt, dat Arriguccio moeite had in te slapen maar dan zeer sterk sliep. Zij kon Ruberto dan te middernacht aan de deur van het huis laten komen en hem open doen en eenigen tijd bij hem blijven. En om te weten, wanneer hij zou komen, legde zij een draad uit het venster van haar kamer, welke met een der uiteinden de aarde raakte en waarvan het andere einde neergelaten op den vloer en tot haar bed leidend onder de dekens zou voeren en dien zij dan aan den grooten teen van haar voet zou doen. Zij liet het aan Ruberto zeggen en gelastte hem, als hij kwam, aan den draad te trekken en zij zou dien laten schieten, als haar man sliep, en daarna de deur openen, maar als hij niet sliep, zou ze den draad vasthouden en naar zich toetrekken, opdat hij niet behoefde te wachten.

Dit beviel aan Ruberto en daar hij er dikwijls op af ging, was hij soms met haar en dan weer niet. Die handelwijze duurde voort, totdat op een nacht, dat de donna sliep, Arriguccio den voet uit het bed stekend, dien draad vond. Nadat hij de hand er op gelegd had en zag, dat die aan de teen van de donna was bevestigd, zeide hij tot zich zelf: Dat moet bedrog zijn. En toen hij merkte, dat de draad uit het venster liep, hield hij het voor zeker, en knipte dien zachtjes af, bond hem aan den zijne en bleef aandachtig afwachten. Het duurde niet lang of Ruberto kwam na aan den draad te hebben getrokken. Arriguccio werd dit gewaar en daar hij hem niet had weten te binden en Ruberto sterk trok, meende hij te moeten wachten. Arriguccio stond haastig op, nam zijn wapens mee, en liep naar de deur om te zien wie dat was. Nu was Arriguccio, hoewel koopman, dapper en sterk en toen hij de deur opende en Ruberto hem gewaar werd, vermoedde hij, dat het Arriguccio moest zijn. Daarom vluchtte hij haastig en Arriguccio volgde hem. Toen ten slotte Ruberto een heel een eind weg was en Arriguccio hem steeds naijlde en daar ook Ruberto gewapend was, trok hij den degen, keerde zich om en zij begonnen te vechten. Toen Arriguccio de kamer geopend had, werd de donna wakker, vond den draad doorgeknipt en bemerkte, dat haar bedrog ontdekt was en daar zij zag, dat Arriguccio Ruberto was nageloopen, stond zij snel op. Zij riep haar meid, die alles wist en smeekte haar zoo, dat die er in toestemde in haar plaats op het bed te gaan liggen, en bad, dat zij, zonder zich te doen kennen, die behandeling zou ondergaan, welke Arriguccio haar zou aandoen. Zij zou er haar zóó voor beloonen, dat zij zich niet zou hebben te beklagen. Nadat zij het licht had uitgedaan, dat in de kamer brandde, ging zij in een hoek van het huis verborgen afwachten, wat er zou gebeuren. De buren, die het gerucht hoorden van het gevecht tusschen Arriguccio en Ruberto, stonden op en begonnen hen te schelden, waarop Arriguccio, bevreesd herkend te worden, den jonkman liet gaan zonder te weten wie hij was en zonder hem te kwetsen en in toorn thuis kwam. In zijn kamer begon hij woedend te roepen: Waar ben je, boos wijf! Je hebt het licht uitgedaan, opdat ik je niet zal vinden, maar je hebt je vergist. Hij ging naar het bed en geloovend er de vrouw te pakken, nam hij de meid beet en zoover hij haar aan handen en voeten kon voortsleuren, gaf hij haar zooveel stompen en trappen, dat hij haar het geheele gezicht verminkte en ten slotte trok hij haar de haren uit, terwijl hij haar voortdurend de grootste scheldwoorden toevoegde. De meid weeklaagde, alsof zij werkelijk schuld had en te meer, omdat zij soms riep: Wee mij, genade om Gods wil; o houd op! En haar stem was zoo door haar geschrei veranderd en Arriguccio zoo verblind van woede, dat hij niet had kunnen zien, dat het een andere vrouw was dan de zijne. Terwijl hij haar meer dan zij verdiend had, sloeg, sprak hij: Boos wijf, ik heb geen plan je verder te straffen, maar ik zal naar Uw broeders gaan en hun je goede werken vertellen en laten die dan maar hier komen en doen wat zij denken, dat jou eer aanbrengt en je meenemen, want gij zult niet meer in dit huis blijven. Bij die woorden ging hij uit de kamer, sloot die van buiten en ging weg.

Toen monna Sismonda bemerkte, dat de echtgenoot was heengegaan, maakte zij de kamer open, stak het licht weer aan en vond de meid geheel verwond, die luid schreide. Zij troostte haar en bracht haar naar haar kamer, waar zij haar in stilte verzorgde en gaf haar zooveel geld van Arriguccio, dat zij er tevreden over was. Daarna maakte zij haar bed in orde, bracht alles weer in goeden staat, alsof er dien nacht niemand had geslapen, stak de lamp weer aan en kleedde zich weer. Nadat zij een licht had aangestoken, ging zij boven aan de trap zitten en begon zij te naaien en af te wachten. Arriguccio ging, zoo gauw hij kon, naar het huis der broeders van zijn vrouw en klopte er zoo hard aan, dat men hem open deed. Deze broeders, drie in getal en hun moeder, zagen, dat het Arriguccio was, en stonden allen op. Nadat zij lichten hadden aangestoken, gingen zij naar hem toe en vroegen hem, wat hij op dit uur en zoo alleen kwam zoeken. Arriguccio vertelde alles, wat hij had ontdekt en gedaan, en om hun volledige getuigenis te geven, stelde hij de haren, die hij de vrouw meende uitgerukt te hebben ter hand en vroeg, dat zij zouden doen, wat aan hun eer paste, omdat hij haar niet verder in huis wilde houden. De broeders van de donna waren zeer vertoornd, vertrouwden er vast op, lieten toortsen aansteken en om haar een leelijke poets te bakken gingen zij met Arriguccio op weg. De moeder volgde weenend en smeekte hen, dat zij alles niet dadelijk moesten gelooven, omdat de echtgenoot om een andere reden boos op haar kon zijn en haar kwaad kon hebben gedaan. Zij zeide ook zich te verbazen, omdat zij haar dochter wel kende, daar zij haar had opgevoed en zoo meer. Toen zij het huis van Arriguccio binnen waren gegaan, klommen zij de trappen op. Monna Sismonda zeide: Wie is daar? Waarop een der broeders antwoordde: Dat zult gij wel weten, slechte meid. Monna Sismonda hernam: Wat wilt gij daarmee zeggen? God helpe mij. En opgestaan ging zij voort: Broeders, gij zijt welkom; wat zoekt gij alle drie op dit uur?

Dezen zagen haar zitten naaien en zonder eenig teeken op het gezicht, terwijl Arriguccio had gezegd, dat zij geheel verwond was, en waren bij de ontmoeting verwonderd, bedwongen hun toorn en vroegen, waarom Arriguccio zich over haar beklaagde en bedreigden haar zeer, zoo zij niet alles vertelde. De donna sprak: Ik weet niet, wat ik daarop moet zeggen en waarom Arriguccio zich over mij beklagen moet. Arriguccio keek verbaasd, daar hij zich herinnerde, hoe hij haar geslagen had en haar nu zag, alsof er niets gebeurd was. In het kort vertelden de broeders haar, wat Arriguccio had gezegd. De donna sprak: Wee mij, man, wat hoor ik? Waarom laat gij mij doorgaan voor een slechte vrouw tot Uw groote schande en U zelf voor een slecht en wreed man? En wanneer hebt gij mij dezen nacht geslagen? Arriguccio zeide: Wat, slechte vrouw, zijn wij niet samen naar bed gegaan? Ben ik niet terug gekeerd na Uw minnaar te hebben achtervolgd? Heb ik U niet geslagen en de haren uitgetrokken? De donna antwoordde: Gij hebt hier niet geslapen. Maar dat daargelaten, want ik kan niet anders dan de waarheid zeggen, en laten wij ons houden aan wat gij zegt: Gij hebt mij nooit geslagen en allen, die hier zijn, ziet of ik er eenig teeken van op mijn lichaam heb. Maar raak mij niet aan, want bij het kruis van God ik zou het U op het gezicht teekenen. Gij hebt mij ook niet de haren uitgerukt of misschien zoo, dat ik het niet voelde. En nadat zij de sluiers van haar hoofd had opgelicht, toonde zij, dat de haren niet uitgetrokken waren. De broeders en de moeder zeiden tot Arriguccio: Wat zegt gij nu, Arriguccio? Dat is toch niet, wat gij zeide te hebben gedaan; wij weten niet, hoe gij het overige zult bewijzen. Arriguccio stond als in een droom en wilde toch spreken, maar dit alles ziende, durfde hij niets zeggen. De donna sprak: Broeders, ik zie, dat hij wegging om te maken, dat ik zou doen, wat ik nooit wilde, maar nu zal ik U zijn gebreken en boosheden vertellen. Ik geloof zeker, dat, wat hij U gezegd heeft, gebeurd is; hoor hoe: Die waardige man, aan wien gij mij te kwader uur tot vrouw hebt gegeven, wil koopman zijn en vertrouwen hebben en hij, die gematigder moet zijn dan een monnik en fatsoenlijker dan een meisje, heeft maar weinig avonden, dat hij zich niet bedrinkt in de kroegen en met slechte vrouwen omgaat en mij laat hij dikwijls tot middernacht en tot in den nacht wachten. Ik ben er zeker van, dat hij, als hij goed dronken is, met zoo’n treurig schepsel gaat slapen en bij haar opgestaan een draad aan den voet vond en daarna al die geweldenarijen verrichtte en dat hij haar geslagen heeft en de haren heeft uitgerukt en dat hij nog niet goed tot zichzelf gekomen geloofde dat mij te hebben gedaan. En als gij hem goed aanziet, is hij nog half dronken. Maar toch, wat hij ook van mij gezegd heeft, ik wil, dat gij er niet meer rekening mee houdt dan met de woorden van een dronken man en omdat ik hem vergeef, moet gij het hem ook doen.

Haar moeder, die deze woorden hoorde, schreeuwde: Bij het kruis van God, men moest deze verachtelijke en ondankbare hond dooden, want hij is een dochter als gij zijt niet waardig. Waarachtig, het zou wat anders zijn, als hij U uit de goot had opgehaald. Hij mag voortaan een slecht leven hebben, indien gij gekweld moet worden door een koopmannetje van ezelsdrek, zooals ze hier van het land komen en van lage familie, gekleed in laken van Romagna, met de kousen op de hakken, met de veer op hun achterwerk, en die, als ze drie stuivers rijk zijn, de dochters van edellieden willen hebben en voorname vrouwen, zich wapens laten schilderen en zeggen: Ik ben van die en die familie en die van mijn huis hebben dit of dat gedaan. Hadden mijn zonen mijn raad maar gevolgd, dan hadden zij U eervol kunnen doen opnemen in het huis der graven van Guidi met een bruidschat, maar zij hebben U toch aan die schoone vreugde van mijn ziel gegeven, die, hoewel gij de eerbaarste dochter van Florence zijt, zich niet geschaamd heeft te middernacht te zeggen, dat gij een lichte vrouw zijt, alsof wij U niet kennen, maar bij het geloof aan God, indien jullie naar mij geluisterd hadt, zou men hem zulk een kastijding geven, dat hij er berouw van zou hebben. En zich naar haar kinderen keerend, zeide zij: Mijn zonen, hebt gij gehoord, hoe Uw goede zwager Uw zuster behandelt? Het is een koopmannetje van vier stuiver. Neen, als ik jullie was, zou ik niet tevreden zijn, voor ik hem uit de wereld gestuurd had. En als ik een man was, zou ik mij zelf er mee belasten. Heer, straf hem, dien treurigen dronkelap, die geen schaamtegevoel heeft. Toen voegden de jongelieden Arriguccio de grootste beleediging toe, die ooit aan een slecht man gezegd was en zeiden: Wij vergeven U dit, omdat gij dronken waart, maar pas er je heele leven voor op niet meer zulke vertelsels te laten hooren, want heusch, als zoo iets ons weer ter ooren komt, zullen wij het U betalen. Bij die woorden gingen zij heen. Arriguccio, die als een dwaas achterbleef, wist zelf niet, of hij waakte of droomde en zonder er meer over te spreken, liet hij de vrouw met vrede. Deze ontkwam niet alleen met haar sluwheid het dreigend gevaar, maar baande zich den weg om de gelegenheid te hebben zich elk genoegen te verschaffen zonder eenige vrees voor haar echtgenoot.

NEGENDE VERTELLING.

Lydia, de vrouw van Nicostratus, bemint Pyrrhus. Deze om haar te gelooven, vraagt haar drie dingen, die zij alle drie doet, en behalve dat bevredigt zij zich met hem in tegewoordigheid van Nicostratus en doet hem gelooven, dat het niet waar is, wat hij gezien heeft.

De novelle van Neifile was zoo bevallen, dat de donna’s zich niet konden weerhouden te lachen en er over te spreken, hoewel de koning meermalen het zwijgen had opgelegd en aan Pamfilo had bevolen de zijne te verhalen. Toen zij zwegen, begon de Pamfilo aldus: Eerbiedwaardige donna’s, ik geloof niet, dat, hoe ernstig en smartelijk iets ook is, dit niet ondernomen wordt door wie vurig lief heeft. Hoewel dit in tal van geschiedenissen is bewezen, geloof ik echter het U nog meer te toonen door U er een te verhalen van een donna, dien de fortuin gunstiger werd, naarmate zij onvoorzichtiger was. En daarom raad ik U de voetsporen niet te volgen van degene, van wien ik wil spreken, omdat de fortuin niet altijd gunstig gezind is, noch alle mannen op de wereld even dwaas zijn.

In Argon, die zeer oude stad van Griekenland, door zijn vroegere koningen eer beroemd dan groot, leefde vroeger een man, Nicostratus aan wien, reeds de ouderdom nabij, de fortuin een voorname vrouw schonk, edel, hartstochtelijk en schoon. Hij had veel bedienden, honden en vogels en had een groot genoegen in de jacht. Onder de bedienden had hij een aardig, welgemaakt en knap jonkman en buitengewoon bijdehand, Pyrrhus genaamd. Nicostratus mocht hem boven anderen lijden en vertrouwde hem meer dan wie ook. Lydia werd op hem zeer verliefd, zoodat zij dag noch nacht nergens dan met hem in gedachten was. Pyrrhus echter, die van haar liefde niets merkte of niets wilde bemerken, bekommerde er zich ook niet om, wat de donna ondragelijk hinderde. En besloten hem dit goed te doen bespeuren, riep zij een harer kamervrouwen Lusca, waarin zij veel vertrouwen stelde en sprak aldus: Lusca, de weldaden, die gij van mij ontvingt, moeten U gehoorzaam en trouw hebben gemaakt; daarom zorg, dat niemand ooit weet, wat ik U zeg, behalve wien ik het U gelast. Lusca, ik ben een jonge en frissche vrouw en rijk voorzien van alles, wat een vrouw kan verlangen en op ééne zaak na, kan ik mij niet beklagen en deze is, dat mijn echtgenoot te bejaard is. Vergelijk ik mijn leeftijd bij den zijne, dan kan ik niet tevreden zijn met datgene, waarin de jonge donna’s het meest behagen scheppen en toch verlang ik dit als de anderen. Nu heb ik sinds lang besloten, daar de fortuin zoo slecht gezind was mij een ouden echtgenoot te geven, niet de vijandin van mij zelf te zijn door geen middel te vinden mijn lusten te bevredigen en mijn heil niet na te jagen. En om mijn genoegen te hebben wensch ik, dat onze Pyrrhus, waardiger dan eenig ander, hem met zijn omhelzingen vervangt. Ik bezit zooveel liefde voor hem, dat ik mij nooit goed gevoel, als ik hem niet zie of aan hem denk. En heb ik niet spoedig een onderhoud met hem, dan geloof ik te zullen sterven. Indien mijn leven U lief is, dan zult gij op uwe wijze hem mijn liefde mededeelen en hem vragen bij mij te komen.

De kamenier zeide, dat zij het gaarne wilde doen. Toen tijd en plaats haar gunstig scheen, nam zij Pyrrhus ter zijde. Deze was zeer verbaasd, daar hij niets gemerkt had en twijfelde niet of het was om hem op de proef te stellen. Hij antwoordde dan ook ruw: Lusca, komen deze woorden van mijn donna, dan geloof ik niet, dat zij die u te goeder trouw doet zeggen. Meent zij het echter, dan zal ik, daar mijn meester mij meer eer bewijst dan ik verdien, hem nooit zulk een beleediging aandoen en daarom neem je in acht. Lusca niet onthutst zeide tot hem: Van alle dingen, die mijn donna mij opdraagt, zal ik u spreken, zoo dikwijls als zij mij het zal bevelen of het u ook tot genoegen of verdriet zal zijn. Maar gij zijt een schaapskop. En vertoornd over de woorden van Pyrrhus keerde zij naar de donna terug, die dit hoorend verlangde te sterven. Na eenige dagen evenwel sprak zij de kamenier er op nieuw over en zeide: Lusca, gij weet, dat de eik niet valt onder den eersten slag; daarom ga weer naar hem, die op ongehoorde wijze in mijn nadeel trouw wil zijn en toon hem op het gunstige oogenblik al mijn vuur. Doe in alles uw best, dat de zaak slagen zal, want als het zoo zou blijven, zou ik sterven en hij zou gelooven voor den mal te zijn gehouden en waar wij zijn liefde zoeken, zou zijn haat volgen. De kamervrouw bemoedigde de donna en na Pyrrhus gezocht te hebben zeide zij, toen zij hem vroolijk en goed geluimd vond: Pyrrhus, ik zeide u, hoeveel liefde mijn donna u toedraagt en ik verzeker u dit thans opnieuw; gaat gij door met de hardheid, die gij gisteren toonde, wees er dan zeker van, dat zij maar kort zal leven. Daarom bid ik u, dat het u behage haar in haar begeerte te vertroosten en zoo gij in uw koppigheid wreed blijft, zal ik, die u voor zeer verstandig hield, u voor een dwaas houden. Een zegepraal moet het voor u zijn, dat zulk een mooie, lieve donna u boven alles lief heeft! Bovendien: hoe moet gij u jegens de fortuin verplicht gevoelen, als gij er aan denkt, dat zij u dit bereid heeft overeenkomstig de verlangens uwer jeugd en met voldoening van uw begeerten! Welk man aan u gelijk kent gij, die voor zijn genot beter af is dan gij? Wie zult gij beter voorzien vinden van wagens, paarden, kleeren en geld, zoo gij uw liefde aan haar wilt schenken? Open dus uw hart voor mijn woorden: herinner u, dat het maar eens gebeurt, dat de fortuin zulk een vriendelijk gezicht toont en u met open armen ontvangt. Wie haar dan niet weet te grijpen en later arm is en aan den bedelstaf, moet zich zelf beklagen maar niet over haar. En er moet niet dezelfde trouw zijn tusschen dienaars en heeren als tusschen vrienden en bloedverwanten; integendeel moeten de dienaars zooveel mogelijk hen behandelen, gelijk zij door dezen behandeld worden. Denkt gij, dat als gij een mooie vrouw of moeder of dochter had, die aan Nicostratus zou bevallen, dat hij jegens u de trouw zou in acht nemen, die gij jegens zijn donna wilt bewaren? Je bent gek als ge dit gelooft. Wees er zeker van, dat, als beloften en smeekbeden niet zouden helpen, hij, hoewel u dit niet zoo schijnt, geweld zou gebruiken. Laten wij dus ook zoo doen. Maak van de gunst der fortuin gebruik, ga haar tegemoet en ontvang haar, want indien gij het niet doet, daargelaten, dat de dood van uw donna er zeker op zal volgen, zult gij er evenveel keeren berouw van hebben, als gij zult willen sterven. Pyrrhus, die meermalen had nagedacht, over hetgeen Lusca hem gezegd had, had zich reeds voorgenomen een ander antwoord te geven en toe te stemmen de donna te behagen, mits hij er zeker van was, dat hij niet op proef werd gesteld en antwoordde daarom: Ziet gij, Lusca, al de dingen, die gij zegt, zijn waar, maar ik weet ook, dat mijn heer wijs is en schrander en daar hij mij al zijn zaken toevertrouwt, vrees ik zeer, dat Lydia met zijn wil dit doet om mij op de proef te stellen en daarom, zoo zij drie dingen, die ik vraag wil doen, zal zij mij niets meer bevelen, wat ik mij niet zal haasten te volgen. Deze drie dingen zijn: Ten eerste, dat zij in tegenwoordigheid van Nicostratus haar goeden sperwer doodt, ten tweede, dat zij mij een lok uit den baard van Nicostratus zendt, en ten slotte een van zijn tanden en wel een der besten. Deze dingen schenen moeilijk aan Lusca en zeer bezwaarlijk voor de donna, maar Amor, die grooten moed geeft en een groote meester is in raadgevingen, hielp haar. Ze liet hem door haar kamervrouw zeggen, dat hij spoedig ten volle zou verkrijgen, wat hij gevraagd had. En bovendien, omdat hij Nicostratus voor zoo slim hield, liet zij hem weten, dat zij zich in tegenwoordigheid van Nicostratus met Pyrrhus zou bevredigen en aan Nicostratus zou doen gelooven, dat het niet waar was.

Toen Nicostratus een paar dagen later aan enkele edellieden een groot middagmaal gaf, gelijk hij vaak plachtte te doen, en de tafels al waren weggezet, kwam zij in een grooten sluier gehuld en mooi opgetooid uit haar kamer in de zaal. Toen zij Pyrrhus zag, ging zij recht op den stang af, waarop de sperwer zat, dien Nicostratus op zoo hoogen prijs stelde en na hem losgemaakt te hebben, deed zij of zij hem in de hand wilde opheffen, maar hem bij zijn klauwen pakkend sloeg zij hem tegen den muur en doodde hem. Nicostratus schreeuwde tot haar: Wee mij, vrouw, wat doet gij? Niets, antwoordde zij hem, maar zich keerend tot de adellijke heeren zeide zij: Heeren, ik zou mij moeilijk kunnen wreken op een koning, die mij beleedigd heeft, als ik hem geen sperwer zou durven ontnemen. Gij moet weten, dat zoodra de dageraad aanbreekt, de tijd, dien de mannen tot genoegen der vrouwen behooren te besteden, Nicostratus opstaat, te paard springt en met zijn sperwer in de open vlakten gaat en ik blijf alleen en ontevreden in mijn bed achter.

Daarom wilde ik, wat ik heb gedaan, alleen doen in tegenwoordigheid van mannen, die rechtvaardige rechters zijn, gelijk ik geloof, dat gij zijn zult. De edellieden geloofden, dat haar genegenheid voor Nicostratus zóó was als uit haar woorden scheen en lachend keerden zij zich tot Nicostratus, die toornig was en zeiden: De donna heeft wel gedaan door zich te wreken met den dood van den sperwer! En zij bespotten, toen de vrouw weer naar haar kamer was gegaan, de gramschap van Nicostratus. Pyrrhus, die dit zag, dacht: Zij heeft een goed begin gemaakt voor onze gelukkige liefde; dat Zeus haar doet volharden. Een paar dagen later bevond zij zich met Nicostratus in haar kamer en terwijl zij hem liefkoosde, begon zij met hem te schertsen en daar hij voor de grap een paar haren uittrok, gaf hij haar de gelegenheid te slagen voor het tweede, wat Pyrrhus haar gevraagd had en haastig trok zij hem lachend bij een baardlokje, zoo sterk, dat zij hem dit geheel van de kin rukte. Toen Nicostratus hierover klaagde, zeide zij: Nu, wat hebt gij! Waarom trekt gij zoo’n gezicht! Omdat ik u misschien zes haren uit den baard heb getrokken? Dan hebt gij gevoeld, wat ik gewaar werd, toen gij mij zooeven de haren uitrukte. En zoo voortgaande bij hun scherts bewaarde de donna voorzichtig de lok van den baard en zond die denzelfden dag aan haar minnaar. Over de derde zaak dacht de donna weer na, maar daar zij zeer schrander was en Amor het haar nog meer maakte, had zij gepeinsd, dat er een middel moest zijn. Nicostratus had twee kinderen, door hun vaders hem toevertrouwd, opdat zij als edellieden manieren leerden. De een sneed voor, als Nicostratus at en de andere schonk hem in. De donna liet beide roepen en overtuigde hen, dat zij uit hun mond roken en raadde hun, wanneer zij Nicostratus bedienden, het hoofd zooveel mogelijk achterwaarts te houden en dit nooit aan iemand te zeggen.

De jongelieden geloofden dit en deden gelijk de donna hun gezegd had. Daarop vroeg zij eens aan Nicostratus: Hebt gij gemerkt, hoe de jongens doen, wanneer zij u bedienen? Nicostratus zeide: Wel zeker, ik heb ze zelfs willen vragen, waarom zij dit deden. Hierop antwoordde de donna: Doe het niet; ik zal het u zeggen; een geheelen tijd heb ik gezwegen om u niet onaangenaam te zijn, maar daar anderen dan ik het bemerken, kan ik het niet meer verbergen. Gij ruikt erg uit uw mond; ik weet niet, wat er de oorzaak van is, daar dit vroeger niet zoo was en daar gij met edellieden moet omgaan, moet men dit verhelpen. Toen antwoordde Nicostratus: Wat zou dat kunnen zijn! Zou ik een aangestoken tand hebben? Lydia hernam: Misschien wel. Zij leidde hem naar een venster, liet hem den mond openen en nadat zij dien bekeken had, riep zij: O Nicostratus, hoe kunt gij dat verduurd hebben? Gij hebt er daar een, die, naar het mij schijnt, niet alleen bedorven is, maar geheel stuk en u zeker allen zal doen rotten aan dien kant; daarom zou ik u raden hem te trekken. Toen sprak Nicostratus: Als het u zoo voorkomt, stuur dan zonder uitstel naar een tandarts. De donna ging verder: Dat het God niet behage, dat hiervoor een tandmeester komt; zonder dokter kan ik hem best er uit krijgen. En de tandmeesters zijn zoo wreed, dat mijn hart niet zou dulden u in handen van zoo iemand te zien. Daarom wil ik het zelf doen; en als het u te veel pijn doet, zal ik u dadelijk loslaten, maar zoo’n tandarts niet. Zij liet daarom de tang komen en nadat zij allen uit de kamer had weggestuurd, hield zij alleen Lusca bij zich. Zij sloot de deur, liet Nicostratus zich uitstrekken op een zetel en na een van zijn tanden te hebben gepakt, trok zij dien, hoewel hij van pijn hard schreeuwde, er uit. Nadat die terzijde was gelegd en Lydia een andere in de hand had genomen, die door en door verrot was, toonden zij hem, die half dood was van pijn, dezen en zeiden: Kijk, dien gij in den mond hadt, zag er al zóó uit. Hij geloofde het en hoewel hij hevige pijn had doorstaan en er zeer over klaagde, scheen hij toch, nu die er uit was, genezen en getroost ging hij de kamer uit.

De donna zond de tand dadelijk aan haar minnaar; deze zeker van haar liefde bood zich aan tot elk genoegen van haar bereid. De donna, die hem nog zekerder van haar liefde wilde maken en wien het nog duizend uren scheen te duren, eer zij met hem zou zijn, wilde woord houden. Zij deed of zij ziek was en nadat Nicostratus haar op een dag na den eten was komen bezoeken en hij niemand anders bij haar zag dan Pyrrhus, vroeg zij hem ter verlichting van haar lijden, dat zij haar zouden helpen om in den tuin te gaan. Nicostratus nam haar aan de eene en Pyrrhus haar aan de andere zijde en plaatste haar in een veld aan den voet van een schoonen perenboom. Toen zij daar zat, zeide de donna, die aan Pyrrhus al had laten weten, wat hij moest doen: Pyrrhus, ik heb grooten lust in een paar van die peren—klim er daarom in en gooi er eenige naar beneden en terwijl hij dit deed, riep hij uit den boom: Hé, messire, wat doet gij daar? En gij, mevrouw, schaamt gij u niet? Gelooft gij, dat ik blind ben? Gij waart toch zooeven zeer ziek! Hoe zijt gij zoo spoedig genezen, dat gij dit doet! Als gij toch die dingen doen wilt, waarom gaat gij dan niet naar uw mooie kamers, wat fatsoenlijker is dan in mijn bijzijn? De donna tot haar echtgenoot gewend, sprak: Wat zegt Pyrrhus? Is hij gek? Pyrrhys sprak: Ik ben niet gek, madonna; gelooft gij, dat ik niet zie? Nicostratus was zeer verwonderd en zeide: Pyrrhus, ik geloof heusch, dat gij droomt. Pyrrhus antwoordde: Mijnheer, ik droom in ’t geheel niet en gij evenmin; gij beweegt u zóó, dat, als die perenboom het zou doen, er geen peer aan zou blijven zitten. Toen sprak de donna: Zou het waar kunnen zijn, wat hij beweert te zien? Dat Zeus mij behoede; indien ik gezond was als te voren, zou ik in dien boom klimmen om te kijken, wat de wonderlijke dingen zijn, die hij beweert te aanschouwen. Pyrrhus nog steeds in den perenboom ging door met dezelfde praatjes. Toen zeide Nicostratus: Kom er uit. Daarop zei hij tot hem: Wat zegt gij te hebben gezien? Pyrrhus zeide: Ik geloof, dat gij mij voor gek of begoocheld houdt; ik zag U op Uw vrouw liggen en toen ik omlaag kwam, zag ik U opstaan en gaan zitten zooals nu. Nicostratus sprak: Dan waart gij zeker waanzinnig, want wij hebben, terwijl gij in den perenboom waart, gezeten, zooals gij het nu ziet. Hierop antwoordde Pyrrhus: Waarom zullen wij er over twisten? Indien ik U gezien heb, waart gij toch op Uw eigen erf. Nicostratus verwonderde zich steeds meer, zoodat hij zeide: Ik wil ook wel eens zien of die perenboom betooverd is en of hij, die er op is, die wonderen aanschouwt. Toen hij er in geklommen was, begonnnen zij elkaar te liefkoozen en Nicostratus dit gewaar wordend, schreeuwde: Ah, slechte vrouw, wat doet gij daar? En gij, Pyrrhus, dien ik het meest vertrouwde? En bij die woorden klom hij uit den perenboom. De donna en Pyrrhus zeiden: Laten wij hier gaan zitten; en toen zij hem er uit zagen komen, gingen zij weer zitten, zooals hij ze verlaten had. Toen Nicostratus beneden was en hen zag, die hij had achter gelaten, begon hij hen te schelden. Pyrrhus antwoordde: Nicostratus, nu beken ik werkelijk, dat ik, gelijk ik zooeven zeide, verkeerd heb gezien, toen ik in den perenboom zat, want ik weet nu, dat gij verkeerd hebt gezien. Dat ik de waarheid zeg, toont U, als gij nadenkt, op welke wijze Uw vrouw, die de eerbaarste en de verstandigste van allen is, zich er zeker voor in acht zou nemen dit voor Uw oogen te doen en ik liet mij toch liever villen dan dat ik er aan zou denken zoo in Uw bijzijn te handelen. Dat gezichtsbedrog moet zeker uit dien boom voortkomen; daarom zou niemand mij hebben doen gelooven, dat gij U met Uw vrouw vleeschelijk genoegen zoudt hebben verschaft, als ik het U niet had hooren zeggen en dat het U zoo scheen, alsof ik het deed.

Hierop stond de donna, die zich zeer kwaad voordeed, op en zeide: Verwenscht zij het uur, waarop gij het er voor houdt, dat ik mij zou overgeven aan zulke treurige dingen, als gij zegt te hebhen gezien. Wees er zeker van, dat, als ik zoo iets wilde, ik het in een van onze kamers zou doen en op zulk een wijze, dat het voor U moeilijk zou zijn het ooit te weten te komen. Nicostratus, wien het waar scheen, dat zij zich nooit voor zijn oogen tot zoo iets lieten voeren, sprak niet meer, staakte de verwijten en begon over het wonder te spreken. Maar de donna, die zich over Nicostratus’ meening boos toonde, sprak: Deze perenboom zal nooit meer aan mij, noch aan een andere donna zulk een schande doen; daarom, Pyrrhus, haal een bijl en wreek tegelijk U en mij door hem om te kappen, hoewel het mij beter schijnt daarmee op het hoofd van mijn man te slaan, die zonder nadenken zoo spoedig het verstand door de oogen liet verblinden; want hoewel het zoo scheen, moest gij toch door het oordeel van Uw geest begrijpen, dat het niet zoo was. Pyrrhus haalde haastig de bijl en hakte den perenboom om; toen de donna dien zag vallen, zeide zij tot Nicostratus: Nu ik den vijand van mijn eer geveld zie, is mijn toorn verdwenen en zij vergaf den smeekenden Nicostratus welwillend en drukte hem op het hart, dat hij niet meer zou verdenken haar, die hem meer dan zichzelf liefhad. Zoo keerde de misleide echtgenoot met haar en haar minnaar terug naar zijn woning en sedert verschaften Pyrrhus met Lydia en zij met hem zich verscheidene malen met meer gemak genoegen en vermaak. God geve er van aan ons.

TIENDE VERTELLING.

Twee Sieneezen beminnen een dame, een petemoei van een hunner. De peetvader sterft, komt volgens de hem gedane belofte zijn vriend opzoeken en vertelt hem, hoe het er uitziet in de andere wereld.

Alleen de koning moest nog vertelllen, welke, toen hij de donna’s zeer treurig zag over den val van den perenboom, die het niet helpen kon, begon: Het is zeer duidelijk, dat elk rechtvaardig koning de eerste dienaar der wetten moet zijn door hem gemaakt en als hij anders handelt, moet men hem beschouwen als een lijfeigene, waardig om gestraft te worden. Het is waar, dat ik gisteren de wet stellend voor onze verhalen van heden, niet de bedoeling had van mijn voorrecht gebruik te maken en niet over het onderwerp te spreken, hetgeen gij allen behandelde. Niet alleen is er verteld, waarover ik zelf had willen spreken, maar er is zooveel schoons gezegd, dat, hoe ik ook zoek, mij er geen invalt, dat ik in verband met dit onderwerp met dit verhaalde zou kunnen vergelijken en daar ik dus moet zondigen tegen mijn wetten en strafbaar ben, verklaar ik mij bereid tot elke boete. De geschiedenis door Elisa verteld van den peetvader en peetmoeder en de dwaasheid der Sieneezen hebben zooveel kracht, zeer geliefde donna’s, dat ik, daargelaten de grappen door slimme vrouwen met hun echtgenooten uitgehaald, er toe gedreven word u een geschiedenis te vertellen, die, hoewel er veel ongeloofelijks in voorkomt, toch aardig is.

Er leefden dan in Siena twee jongelieden uit het volk, waarvan de een Tingoccio Mini en de ander Meuccio di Tura heette. Zij woonden bij de Salaja-poort, gingen altijd samen en waren zeer bevriend. Zij gingen veel naar de kerken en de preeken en hadden meermalen gehoord van hen, die stierven en van de glorie en van de ellende der ziel hiernamaals. Omdat zij daaromtrent zekerheid verlangden, beloofden zij elkaar, dat wie het eerst van hen dood zou gaan, zoo hij kon, zou terugkeeren en nieuws zou vertellen aan hem, die overbleef, en dit bevestigden zij met een eed. Het gebeurde eens, dat Tingoccio peet werd van zekeren Ambruogio Anselmini te Campi Reggi, welke van zijn vrouw, monna Mila een zoon had gekregen. Deze Tingoccio bezocht eens met Meuccio zijn peettante, die een zeer schoone en begeerlijke donna was. Niettegenstaande het peetschap werd hij op haar verliefd en insgelijks Meuccio, dien zij ook zeer beviel en die haar door Tingoccio zeer had hooren prijzen. De een verborg die liefde voor den ander maar niet om dezelfde reden. Tingoccio waakte er voor die aan Meuccio toe te vertrouwen, daar het hem scheen de peettante lief te hebben en hij zou zich geschaamd hebben, als iemand het had geweten. Meuccio nam zich er voor in acht, maar omdat hij gewaar werd, dat zij Tingoccio behoorde. Daarom zeide hij: Als ik dit openbaar, zal hij jaloersch op mij worden en daar hij recht van spreken heeft, zal hij mij zoo hatelijk mogelijk maken en zoo zal ik nooit kans hebben haar te behagen. Nu gebeurde het, dat Tingoccio, wien het het gemakkelijkst viel zijn verlangen aan de donna te bekennen, zoo te werk ging, dat hij van haar genoegen had, hetgeen Meuccio merkte. En hoezeer het hem mishaagde, toch in de hoop eens het doel van zijn begeerte te bereiken, opdat Tingoccio geen aanleiding of grond had zijn plan te vernietigen, deed hij toch of hij niets bespeurde en zoo beminden de beide metgezellen de een gelukkiger dan de ander. Tingoccio vond op het erf van zijn peettante een zachten grond en bewerkte dien zóó, dat hij ziek werd en overleed. Drie dagen na zijn dood kwam hij (daar hij misschien door omstandigheden verhinderd was) volgens de gedane belofte in de kamer van Meuccio en riep hem, die stevig sliep. Meuccio ontwaakte en sprak: Wie zijt gij? Hij antwoordde: Ik ben Tingoccio, die volgens den eed u gedaan, ben teruggekeerd om U nieuws te vertellen uit de andere wereld. Meuccio schrikte een weinig, toen hij hem zag, maar toch sprak hij gerust gesteld: Gij zijt welkom, mijn broeder. En toen vroeg hij hem of hij verloren was. Tingoccio antwoordde: Verloren zijn de dingen, die niet worden weer gevonden en hoe zou ik hier kunnen zijn, als ik verloren was geraakt? O, zei Meuccio, zoo bedoel ik het niet, maar ik meen of gij onder de verdoemde zielen zijt in het wrekende vuur van de hel? Toen antwoordde Tingoccio: Zeker niet, maar ik verkeer wel wegens mijn zonden in pijn en angst. Meuccio vroeg in bijzonderheden aan Tingoccio welke straf zij voor elke zonde kregen. Tingoccio meldde die allen. Meuccio vroeg hem of hij iets voor hem doen kon. Toen antwoordde Tingoccio: Zeker, door missen voor mij te laten lezen, gebeden te doen en aalmoezen te geven, omdat die de menschen daar veel hielpen. Meuccio zeide, dat hij dat graag wilde en toen Tingoccio van hem heen ging, dacht Meuccio aan de peettante; Nadat hij het hoofd een weinig had opgeheven, zeide hij: Nu herinner ik het mij, o Tingoccio: welke straf hebt ge daar gekregen voor de peettante, met welke gij, toen gij hier waart, geslapen hebt. Tingoccio antwoordde: Mijn broeder, toen ik daar aankwam, was er iemand, die mijn zonden uit het hoofd scheen te weten en mij beval op een plaats te gaan, waar ik in de grootste smart mijn schulden zou beweenen; daar vond ik vele metgezellen tot dezelfde straf als ik veroordeeld. Ik herinnerde mij, wat ik vroeger gedaan had met de peettante en verwachtte, dat mij groote straf zou opgelegd worden, en rilde geheel van schrik, hoewel ik in een zeer fel vuur was. Toen degene, die naast mij was, dat merkte, zeide hij: Wat hebt gij meer gedaan dan de anderen; gij huivert in het vuur staande? O, zeide ik, mijn vriend, ik ben zeer bang voor het vonnis, door een groote zonde, die ik bedreef. Hij vroeg mij, welke zonde dat was. Ik zeide tot hem: Die zonde was, dat ik met een peettante sliep en ik heb dit zoo vaak gedaan, dat ik er de huid bij liet. En hij zeide spottend: Ga, dwaas, wees niet bang, want hier houdt men geen rekening met peettantes. Toen ik dit hoorde, stelde ik mij weer gerust. Toen de dag naderde, sprak hij: Meuccio, handel met God, want ik kan niet langer bij U blijven; en hij ging heen. Meuccio, die gehoord had, dat men daar beneden met peettantes geen rekening hield, begon met zijn dwaasheid te spotten, omdat hij er al velen ontzien had en werd nu verstandiger. En als frate Rinaldo dat had geweten, had hij niet zooveel praatjes hoeven te verkoopen, toen hij zijn goede peettante tot zijn genoegen overhaalde.

Zephir had zich al verheven, toen de zon het punt van ondergang naderde en de koning zijn verhaal geëindigd had. Hij hief zich den krans van het hoofd, plaatste die op het hoofd van Lauretta en sprak: Madonna, ik kroon U met Uw eigen naam: de Gelauwerde, als koningin van dit gezelschap en wat gij voortaan meent voor allen een genoegen en troost te zijn, zult gij bevelen als heerscheresse. En hij ging zitten. Lauretta, koningin geworden, liet den hofmeester roepen, aan wien zij gelastte, dat hij de tafels in de bekoorlijke vallei wat vroeger dan gewoonlijk liet plaatsen, opdat zij daarna op hun gemak naar hun verblijf zouden kunnen terugkeeren. Daarna zich wendend tot haar gezelschap sprak zij: Dioneo wilde gisteren, dat men heden zou spreken over de poetsen door donna’s gebakken aan hun echtgenooten en indien het niet was, dat ik mij niet van het soort van den bastaardmopshond wil toonen, die zich dadelijk wil wreken, zou ik U zeggen, dat men heden moet spreken van de streken, die mannen jegens hun vrouwen uithalen. Maar, dat daargelaten, zeg ik, dat elk er aan moet denken er van te verhalen, welke bedriegerijen, gewoonlijk of de vrouw jegens den man, of de man jegens de vrouw of de eene jegens den ander pleegt en ik geloof, dat het hierom niet minder aangenaam zal zijn, dan het vandaag was en bij die woorden stond zij op en gaf het gezelschap tot aan het uur van het avondmaal vrijaf. De donna’s en de heeren stonden dus tegelijk op, van welke eenigen ontschoeid door het heldere water gingen loopen en anderen zich onder de schoone en rijzige boomen op de groene weide begaven tot ontspanning. Dioneo en Fiammetta zongen langen tijd te samen van Arcita en Palemone en aldus brachten zij den tijd tot het uur van het avondmaal door met het smaken van verschillende genoegens. Toen dit was aangebroken en zij zich bij het meertje aan den disch hadden geplaatst, aten zij bij het gezang van duizend vogels verheugd en steeds verfrischt door een zachten wind, die van de omringende heuvels kwam zonder eenigen last van de muggen te hebben. En toen de tafels waren opgenomen en zij een kleinen ommegang hadden gemaakt door de bekoorlijke vallei, sloegen zij, toen de zon nog hoog stond in het midden van den vespertijd, zooals het de koningin behaagde, naar hun gewoon verblijf den weg in met langzamen tred en schertsend en gekscherend over duizend dingen zoowel over die, waarover dien dag was gesproken als over anderen, bereikten zij omstreeks den nacht het schoone verblijf. Daar verjoegen zij met zeer versche wijnen en met meelspijzen de vermoeienissen van den kleinen tocht en begonnen rondom de schoone fontein te dansen, dan eens op de maat van den doedelzak van Tindaro en dan weer bij die der andere instrumenten. Maar ten slotte beval de koningin, dat Filomena een lied zou zingen, die aldus begon:

Zie, hoe ongelukkig is mijn leven! Zal het ooit zijn, dat ik kan terugkeeren, In den toestand, waaruit mij het trieste afscheid voerde?

Zeker ik weet het niet, zoo groot is het vurig verlangen, Dat ik in de borst draag, Mij terug te vinden in den staat, waarin ik vroeger was. O mijn geliefde, o mijn eenige rust, Die mij het hart benauwt: Ach, zeg het mij, want anderen vragen Durf ik het niet, en ik weet niet aan wien. Helaas, mijn heer, helaas: laat het mij hopen, Opdat ik mijn verrukte ziel sterken zal.

Ik kan niet herhalen, hoe het genoegen was, Dat mij zoo heeft ontvlamd, Want dag noch nacht vond ik rust, Omdat het gehoor, het gevoel, het gezicht Met ongewone kracht Elk voor zich mij met nieuw vuur ontgloeide, Waar ik geheel in verzeng; En geen ander dan gij kunt mij sterken Of mij de verdwenen moed hergeven.

Ach, zeg mij of het zoo moet zijn en wanneer het geschiedt, Dat ik U ooit vinden zal, Dat ik die oogen kus, die mij deden smachten van verlangen. Zeg het mij, mijn zoetelief, mijn ziel, Wanneer gij hier zult komen, En bemoedig mij door het spoedig mij te zeggen. Het verbeiden dure kort, Totdat gij komen zult, en het blijven lang, Opdat ik minder treur, daar Amor mij heeft gewond.

Als het gebeurt, dat ik U ooit zal bezitten, Weet ik niet of ik zoo dwaas zal zijn, Gelijk ik was, toen ik U liet heengaan; Ik zal U houden, wat er ook van kome. En aan Uw zoeten mond Zal ik mijn verlangen voldoen.

Ik wil er thans niets meer van zeggen. Kom dan spoedig, kom mij omhelzen Daar toch de gedachte van den zang mij er toe drijft.

Dit lied deed het geheele gezelschap denken, dat een nieuw en bekoorlijke liefde Filomena benarde en omdat het door de woorden scheen, dat zij meer was gewaar worden dan alleen den aanblik van haar minnaar, hield men haar voor gelukkiger, zoodat er van het gezelschap jaloersch op haar waren. Maar toen het lied was geëindigd en de koningin zich herinnerde, dat de volgende dag een Vrijdag was, zeide zij bekoorlijk tot allen: Gij weet, edele donna’s en gij jongelieden, dat het morgen den dag is gewijd aan het Lijden onzes Heeren en dat wij dien, als ik mij wel herinner, vroom vierden, toen Neifile koningin was, door onze vroolijke vertellingen te staken en hetzelfde zullen wij den nu volgenden rustdag doen. Daar ik het goede voorbeeld van Neifile volgen wil, meen ik, dat het een passende zaak is, dat wij morgen en overmorgen, gelijk wij het vroeger hebben gedaan, ons er van onthouden geschiedenissen te vertellen en dat wij ons herinneren tot heil van onze zielen, wat eertijds in die dagen gebeurde. De vrome taal der koningin beviel aan allen en na hun vrijaf te hebben gegeven, begaven zich allen ter ruste.

ACHTSTE DAG.

De zevende dag van de Decamerone eindigt; de achtste vangt aan. Onder het bewind van Lauretta spreekt men van de streken, welke de vrouw met den man of de man met de vrouw of de eene man met den anderen uithaalt.

Reeds verschenen op den Zondagochtend boven den top der hoogste bergen de stralen van het stijgende licht en verdween iedere schaduw en herkende men duidelijk alle bergen, toen de koningin en haar gezelschap opgestaan door het met dauw bedekte gras liepen. Omstreeks het midden van het derde uur bezochten zij een naburig kerkje, waarin zij bij den heiligen dienst toehoorden. Terug gekeerd zongen en dansten zij een wijle na met genoegen en vreugde ontbeten te hebben en daarna met verlof van de koningin kon, wie het wilde, ter ruste gaan. Toen de zon den cirkel van den meridiaan reeds was doorgetogen, gingen zij allen, gelijk het de koningin behaagde, volgens het gebruik om te vertellen zitten bij den schoonen fontein en op haar bevel begon Neifile aldus:

EERSTE VERTELLING.

Gulfardo vraagt van Guasparruolo geld te leen en geeft dit aan zijn vrouw, die hem toestond met haar te slapen. In haar bijzijn zegt hij tot Guasparruolo, dat hij het haar terugbetaalde.

Indien God het aldus heeft beschikt, dat ik vandaag met mijn vertelling aanvang, behaagt dit ook mij. En verliefde donna’s, daar er tot nu toe veel gezegd is van de streken, die vrouwen met mannen hebben uitgehaald, heb ik lust u er een te vertellen, niet met de bedoeling den man te laken of om te zeggen, dat het voor die vrouw niet goed was, maar om den man te prijzen en de vrouw te laken en aan te toonen, dat ook de mannen, wie hen vertrouwt, weten voor den gek te houden, evenals zij door de vrouwen, die zij gelooven, worden misleid. Het zou goed zijn voor wie het duidelijker wil uitdrukken, het geen grap te noemen maar verdiende loon, omdat men, waar de vrouw zeer eerbaar moet zijn en haar reinheid evenals haar leven moet bewaren, geen reden heeft haar te misleiden. En dit kan zoo nooit geheel, gelijk men zal toegeven door onze zwakheid zijn. Ik beweer, dat zij het vuur waard is, die zich hiertoe voor geld verkoopt, terwijl zij, die door liefde hiertoe komt—ik ken de zeer groote krachten daarvan—van een niet al te streng rechter vergiffenis verdient gelijk een paar dagen geleden Filostrato toonde, dat men gedaan had met madonna Filippa in Prato.

Er leefde dan vroeger in Milaan een duitsch soldaat, Gulfardo (Wolfaard), een dappere kerel en zeer trouw, wat weinig bij de Duitschers voorkomt en leende men hem geld, dan gaf hij dit eerlijk terug, en hij kon genoeg kooplieden vinden, die hem voor een kleinen interest zooveel leenden, als hij wilde. Hij richtte in Milaan verblijf houdend zijn liefde op een zeer schoone vrouw, madonna Ambruogia, de echtgenoote van een zeer rijken koopman, Guasparruolo Cagastraccio, die met hem zeer bevriend was en daar hij in stilte beminde, vroeg hij haar, zonder dat iemand het bemerkte een dag te spreken en smeekte haar, dat het haar zou behagen zijn liefde te beantwoorden en dat hij van zijn kant bereid was alles te doen, wat zij zou bevelen. De donna na lang praten besloot te doen, wat Gulfardo wilde, als daaruit twee dingen zouden volgen: ten eerste, dat hij het nooit aan iemand zou openbaren; ten tweede, dat hij rijk, haar tweehonderd goudguldens zou geven, die zij voor iets noodig had en dat zij hem daarna altijd van dienst zou zijn. Gulfardo, die dit hoorde, veranderde verontwaardigd door haar laagheid zijn liefde voor haar, die hij voor een waardige donna hield, in haat. Hij peinsde er over haar te bedriegen en deed alsof hij zeer gaarne een en ander voor haar wilde doen om haar te behagen en liet haar vragen, wanneer zij wilde, dat hij bij haar kwam om het geld te brengen en zei, dat nooit iemand het zou merken, behalve een metgezel, waarop hij zeer vertrouwde en in alles zijn deelgenoot. De slechte donna was tevreden en liet hem weten, dat Guasparruolo, haar man, voor zijn zaken binnen eenige dagen naar Genua moest en dat zij hem dit nader zou mededeelen. Toen het hem tijd scheen, ging Gulfardo naar Guasparruolo en zeide hem: Ik heb tweehonderd goudguldens noodig, welke ik gaarne wil leenen tegen rente. Guasparruolo zeide, dat hij dit gaarne wilde doen en gaf hem het geld.

Een paar dagen later ging Guasparruolo naar Genua en zij berichtte Gulfardo, dat hij bij haar zou komen met de twee honderd goudguldens. Gulfardo nam zijn metgezel met zich mede. Nadat hij haar had gevonden, was het eerste, wat hij deed, haar die tweehonderd goudguldens ter hand te stellen, terwijl zijn metgezel er bij was en Gulfardo sprak: Madonna, hier is het geld en geef het aan uw man, als hij terug zal gekeerd zijn. De donna nam het aan en bemerkte niet, waarom Gulfardo dit zeide, maar zij geloofde, dat hij het deed om zijn metgezel niet te laten bemerken, dat hij het voor zijn genoegen gaf. Daarom zeide zij: Ik zal het gaarne doen, maar ik wil zien, hoeveel het is, en nadat zij ze op een tafel geworpen had en bevonden, dat er twee honderd waren, was zij innerlijk zeer tevreden, legde ze weg, keerde tot Gulfardo terug en na hem in haar kamer te hebben geleid, voldeed zij hem niet alleen dien nacht maar vele anderen. Toen Guasparruolo van Genua kwam en Gulfardo had uitgevorscht, wanneer hij te samen met zijn vrouw zou zijn, begaf hij zich tot hen en zeide tot Guasparruolo: De twee honderd goudguldens, die gij mij geleend hebt, had ik niet noodig. En daarom bracht ik ze dadelijk aan Uw vrouw terug en gij zult dus mijn rekening wel willen uitwisschen. Guasparruolo vroeg de donna of zij het geld ontvangen had. Zij, die den getuige er bij zag, kon niet ontkennen, maar zeide: Zeker heb ik het ontvangen; ik had vergeten het U te zeggen. Toen zeide Guasparruolo: Gulfardo, het is in orde; ga met God, en ik zal Uw rekening uitmaken. Gulfardo vertrok en de donna bleef in de klem achter en gaf aan haar man den gemeenen prijs van haar slechtheid en zoo maakte de sluwe minnaar zich vroolijk over zijn gierige donna zonder kosten.

TWEEDE VERTELLING.

De pastoor van Varlungo slaapt met monna Belcolore laat haar zijn koorkleed tot pand en leent van haar een vijzel. Hij geeft dien terug en vraagt haar den rok terug, dien hij haar tot pand liet. De donna laat hem dien met een scherp woord overreiken.

De heeren zoowel als de donna’s prezen gelijkelijk, wat Gulfardo de gierige Milaneesche gedaan had, toen de koningin zich tot Pamfilo keerde en hem glimlachend beval te volgen, en Pamfilo begon aldus: Schoone donna’s. Ik moet U een kleine novelle verhalen tegen hen gericht, die ons voortdurend benadeelen, zonder dat wij het hen kunnen doen, namelijk tegen de priesters, die een heiligen oorlog [145] tegen onze vrouwen hebben ondernomen en wien het schijnt, dat zij slechts de kwijtschelding van schuld en boete verwerven, wanneer zij er een meester zijn geworden, alsof dit er mee gelijk staat, dat zij den Sultan zelf uit Alexandrië gebonden en wel naar Avignon [146] zouden hebben gevoerd. De ongelukkige leeken kunnen het het hun niet leveren, hoewel zij met niet minder vuur hun wraak jegens hun moeders, hun zusters, hun vriendinnen en hun dochters uitoefenen dan, waarmee zij hun vrouwen aanvallen. En daarom ben ik van plan U een dorpsliefde te verhalen, lachwekkender om het slot dan om de lengte, waarvan gij als vrucht zult kunnen plukken, dat men van de priesters niet alles gelooven moet.

Ik zeg dan, dat er te Varlungo, een dorp hier vrij dichtbij, een vermetel priester leefde en schelmsch in dienst van de vrouwen, welke, daar hij niet al te goed kon lezen, toch met vele goede en heilige bewoordingen ’s Zondags aan den voet van een olm zijn gemeenteleden vermaakte. Hij bezocht het meest de vrouwen, wanneer hun mannen elders heengingen, en meer dan een van zijn voorgangers bracht hij hun dikwijls bidprentjes en wijwater en eindjes kaars tehuis en gaf hun zijn zegen. Nu bekoorde hem onder al zijn vrouwelijke parochianen het meest monna Belcolore, de vrouw van een boer, die zich Bentivegna del Mazzo liet noemen, welke inderdaad een aardige en flinke boerin was, bruin en welgemaakt en beter geschapen voor zekere kunst dan iedere ander. En behalve dat kon zij het best op de tamboerijn slaan en zingen: Het water loopt naar het ravijn en beter een rondedans of een rei aanvoeren, als het noodig was, dan een harer buurvrouwen met een schoonen doek sierlijk in de hand. Daardoor werd de priester zoo op haar verliefd, dat hij er gek van werd. En wanneer hij haar Zondagsmorgens in de kerk gewaar werd, zeide hij een Kyrie of een Sanctus op en deed zijn best een groot meester in de zangkunst te schijnen, terwijl het was, of een ezel balkte. Maar als hij haar niet zag, kweet hij zich heel gewoon van die taak. Maar toch wist hij zoo te werk te gaan, dat Bentivegna del Mazzo het niet merkte, noch een buurman, dien hij had. En om beter de vriendschap van monna Belcolore te verwerven gaf hij haar van tijd tot tijd een klein geschenk. Soms zond hij haar een bosje van verschen knoflook, van welke hij de schoonste uit den omtrek in zijn tuin had, dan weer een mandje met erwten of een bosje nieuwe mei uien of sjalotten en toen hij de kans schoon zag, na haar een weinig bespied te hebben, maakte hij uit verliefdheid gekheid met haar en zij, de preutsche spelend, deed of zij het niet merkte en verzette zich, zoodat mijnheer de pastoor zijn doel niet kon bereiken.

Toen de priester eens op het middaguur door de streek slenterde, ontmoette hij Bentivegna del Mazzo met een beladen ezel. Hij sprak hem aan en vroeg hem, waar hij heen ging. Hierop antwoordde Bentivegna: Sere, ik ga naar de stad voor een zaak en ik breng deze dingen naar mijnheer Bonaccorri van Ginestreto, opdat hij mij helpe, daar ik niet weet, waarom men mij voor den rechter dagvaardt in een oproeping mij gestuurd door zijn procureur. De priester zeide opgeruimd: Je doet goed, mijn zoon, ga dus met mijn zegen en kom spoedig terug en als gij Lapuccio of Naldino soms ziet, zeg hun dan, dat zij mij de riemen voor mijn dorschvlegels brengen. Bentivegna zeide, dat het zou gebeuren en terwijl hij naar Florence ging, dacht de priester, dat het tijd was naar Belcolore te gaan en zijn kans te wagen. En nadat hij was doorgestapt, maakte hij niet halt, voor hij bij haar was binnen getreden en sprak: God behoede ons; wie is daar? Belcolore, die op den zolder was gegaan en hem hoorde, zeide: O sere, gij zijt welkom; waarom dwaalt gij zoo door de hitte? De priester antwoordde: Als God wil, zal ik een poosje bij u blijven; uw man is naar de stad gegaan. Belcolore daalde af, ging zitten en begon koolzaad uit te zoeken. De pastoor zeide: Wel, Belcolore, moet gij mij voortdurend laten versmachten? Belcolore begon te lachen en te zeggen: Och, wat doe ik u? De priester hernam: Gij doet mij niets, maar gij laat mij u niets doen, wat ik zou willen en wat God beval. Belcolore sprak: Ach, ga weg, ga weg! O, doen priesters zulke dingen? De priester antwoordde: Waarom niet? Ik zeg u, dat wij het beter doen dan andere menschen. En weet je waarom? Omdat wij de molen weinig laten malen, maar werkelijk het zal u voordeel doen, als gij mij laat gaan. Belcolore antwoordde: Welk voordeel kan mij dat verschaffen, daar gij allen zoo gierig zijt als de duivel. Toen voegde de pastoor er aan toe: Wilt gij een paar schoenen of een haar-lint of een mooien wollen doek of wat wilt ge? Belcolore sprak: Dat is wat moois! Dat heb ik allemaal, maar waarom geeft gij mij niet iets anders, dat ik wil en ik zal doen, wat gij wilt. Toen sprak de pastoor: Zeg, wat gij wilt, en ik zal het gaarne doen.

Belcolore hernam: Zaterdag moest ik naar Florence gaan om wol terug te brengen, die ik gesponnen heb en mijn spinnewiel te laten herstellen en als gij mij vijf lire leent, die gij wel hebt, zal ik van den woekeraar mijn donkerpaarsen rok en mijn leeren ceintuur voor de feestdagen terughalen, die ik bij mijn huwelijk meebracht, en waarmee ik naar de kerk en overal heen kan en zoo zal ik altijd kunnen doen, wat gij wilt. De pastoor antwoordde: Dat God mij een goed jaar geeft; ik heb ze niet bij mij, maar eer het Zaterdag is, zal ik maken, dat gij ze bezit. Ja, zeide Belcolore zoo doet gij allen groote beloften en houdt er geen een. Denkt gij met mij te handelen als Biliuzza, die met leege handen thuis kwam? Bij God, dat zult gij niet doen want zij is daarna publieke vrouw geworden. Als gij ze niet hebt, ga ze halen. Kom, zei de pastoor, laat mij niet naar huis gaan; nu is de kans gunstig, en als ik zou weggaan en terugkeeren, is er misschien iemand. En zij sprak: Goed. Wilt gij uw gang gaan, geef ze dan, en als gij het niet wilt, laat het. De priester, die zag, dat zij niet bereid was te doen, wat hij wilde zonder een salvum me fac [147], terwijl hij het wenschte sine custodia, [148] zeide: gij gelooft dus niet, dat ik ze u zal brengen. Vertrouw mij en ik laat u als pand dezen koorrok van blauw laken. Belcolore hief het gelaat hoog op en zei: Zoo. Die koorrok? En wat is die waard? De pastoor hernam: Wat hij waard is? Weet, dat die twee- of driedraadsch is en er zijn er, die gelooven vier-draadsch en het is nog geen veertien dagen geleden, dat ik bij Lotto, den uitdrager, er zeven lire voor betaalde, en ik heb hem goedkoop gekregen, naar wat Buglietto mij zeide, en gij weet, dat die verstand heeft van die blauwe lakenstoffen. Ah zoo, zei Belcolore, God helpe mij; ik zou het nooit geloofd hebben, maar geef hem mij maar. Mijnheer de priester, die den boog gespannen had, trok het koorkleed uit, gaf het haar en zij, na het te hebben onderzocht, zeide: Sere, laat ons in de schuur gaan, want daar komt nooit iemand. En hier verheugde zich de priester een heelen tijd, terwijl hij haar de zoetste kussen van de wereld gaf en haar familielid van God den Heer maakte; daarna vertrok hij in zijn soutaan, alsof hij van een bruiloftsfeest ter bediening kwam en ging naar de kerk terug.

Daar bedenkend, dat al de eindjes kaars, die hij het jaar uit de aangebodenen spaarde, niet de helft van vijf lire waarde hadden, meende hij een slechte zaak te hebben gemaakt en hij had er berouw over. Hij peinsde er over, hoe hij den koorrok zonder onkosten terug zou krijgen. En daar hij slim was, dacht hij er maar al te goed over na, hoe hij zou handelen en kwam tot het volgende plan: Den volgenden dag, een feestdag, stuurde hij een jongen van een zijner buren naar Belcolore om haar steenen vijzel te leenen, daar hij saus wilde maken en ontbijten met Binguccio van den Poggio en Nuto Buglietti. Belcolore zond hem dien. Toen het uur van het ontbijt was aangebroken, riep de pastoor, die onderstelde, dat Bentivegna del Mazzo en Belcolore aten, zijn klerk en sprak tot hem: Neem dien vijzel en breng dien terug bij Belcolore en zeg, dat sere haar wel bedankt en dat gij haar het kleed terugvraagt, dat de jongen haar tot pand liet. De klerk ging naar het huis van Belcolore, en vond haar met Bentivegna aan tafel. Hij zette den vijzel op den grond en deed de boodschap. Toen Belcolore hoorde, dat het kleed werd teruggevraagd, wilde zij antwoorden, maar Bentivegna zeide met een boos gezicht: Gij vraagt dus een pand aan mijnheer de pastoor? Ik beken voor Christus, dat ik grooten lust heb je een flinke stomp onder de kin te geven; ga, haal hem zou gauw als je kunt en als hij weer iets vraagt, al was het onze ezel of iets anders mag hem niets geweigerd worden. Belcolore stond grommend op, ging naar haar linnenkist onder het bed, trok het kleed er uit, gaf het aan den klerk en sprak: Gij zult aldus namens mij tot den heer pastoor spreken: Belcolore zegt, dat zij God bidt, dat gij nooit meer met haar vijzel saus zult maken, omdat gij haar daarmee geen groote eer hebt bewezen. De klerk ging met het kleed weg en deed aan den heer pastoor de boodschap, waarop hij lachend zeide: Zeg, haar, wanneer gij haar ziet, dat als zij mij haar vijzel niet leenen zal, ik haar mijn stamper niet leen. Bentivegna geloofde, dat de vrouw die woorden sprak, omdat hij haar had bekoord en dacht er niet meer over. Maar Belcolore werd kwaad op den pastoor en sprak hem tot den wijnoogst niet meer toe. Later, toen de priester haar gedreigd had, haar in den muil van den grooten Lucifer te sturen, werd ze zeer bang en voor most en heete kastanjes, die hij haar gaf, werd zij goed met hem en deden zij elkaar nog menigmaal genoegen. En in plaats van de vijf lire liet de priester haar tamboerijn herstellen en daar een schel aanhangen en daarmee was zijn voldaan.

DERDE VERTELLING.

Calandrino, Bruno en Buffalmacco [149] dalen in de vallei der Mugnone [150] af om den Heliotroop [151] te zoeken. Calandrino meent dien gevonden te hebben en gaat met steenen beladen naar huis. Zijn vrouw scheldt hem uit en hij, toornig geworden, slaat haar en vertelt aan zijn metgezellen, wat zij beter weten dan hij.

Toen de geschiedenis van Panfilo geëindigd was, lachten de donna’s, evenzeer als zij het nog doen. De koningin droeg Elisa op, dat die zou volgen, welke lachend begon: Bekoorlijke donna’s. Ik zal mijn best doen u een kleine vertelling te verhalen even waar als aardig en die u evenzoo kan doen lachen als Panfilo door de zijne.

In onze stad, die altijd van verschillende gewoonten en van zonderlinge lieden vol is geweest, leefde niet lang geleden een schilder, Calandrino, een onnoozel en vreemd man, die meestentijds met twee andere schilders omging: Bruno en Buffalmacco, een paar vroolijke lieden, uitgeslapen en slim, die met Calandrino omgingen, omdat zij van zijn onnoozelheid vaak groot plezier hadden. Gelijktijdig leefde er in Florence een jonkman van wonderbare beminnelijkheid, snaaksch en voorkomend, Maso del Saggio; deze hoorde van de onnoozelheid van Calandrino en wilde zich genoegen verschaffen door hem een poets te bakken of iets zonderlings te doen gelooven. Daar hij hem toevallig in de kerk van San Giovanni vond en hem aandachtig zag kijken naar de schilderijen en het houtsnijwerk van het sacraments-huisje, dat boven het altaar van die kerk staat en dat er niet lang geleden geplaatst werd, dacht hij, dat het nu tijd was voor zijn plan en na een metgezel te hebben ingelicht, wat hij doen wilde, naderden zij Calandrino, die alleen zat, en deden of zij hem niet zagen. Zij begonnen met elkaar te spreken over de kracht van verschillende steenen, van welke Maso zoo stellig sprak of hij een groot juwelier was. Calandrino leende aan deze praatjes het oor. Hij stond kort daarna op en merkte, dat het geen geheim was en voegde zich bij hen, wat Maso zeer beviel. Deze zette zijn gesprek voort en Calandrino vroeg, waar die krachtdadige steenen gevonden werden. Maso antwoordde, dat men de meesten vond in Berlinzone, een stad der Basken in een streek, die Bengodi heette, waar men de wijnstokken met saucijzen opbond en men een gans voor geld krijgt en het mandje er van voor niets op den koop toe en daar was een berg geheel van geraspte parmezaansche kaas, waarop menschen staan, die niets anders deden dan maccaroni en reepjes deeg bakken in kippensaus en ze dan naar beneden werpen en die er het meest van nam, had er ook het meest van. Daar dichtbij liep een kleine beek van den besten witten wijn, die men ooit drinkt, zonder dat er ooit een druppel water in kwam. O, zeide Calandrino, dat is een goed land, maar zeg mij, wat doet men met de kapoenen, die zij braden? Maso antwoordde: De Basken eten die allen op. Toen sprak Calandrino: Waart gij daar ooit? Hierop antwoordde Maso: Ik ben er meer dan duizend maal geweest. Toen antwoordde Calandrino: En hoeveel mijlen is het ver? Maso hernam: Het is meer dan zooveel mijlen loopen, als een heele nacht door zingen duurt. Calandrino voegde er bij: Dat moet dan verder zijn dan de Abruzzen. Jawel, zeide Maso, het is iets verder.

De onnoozele Calandrino, die Maso deze woorden hoorde zeggen met een uitgestreken gezicht, had er vertrouwen in, hield het voor een feit en zeide: Het is voor mij te ver weg, maar als het dichter bij was, zou ik er eens met U willen heengaan alleen om die maccaroni er te zien afvallen en mij een roes te drinken. Maar vertel mij, opdat God U zegene, vindt men in die streken geen van die steenen van groote kracht? Hierop antwoordde Maso: Ja, men vindt er twee soorten steenen; de eenen zijn de steenen van Settignano en van Montisci [152], door welke, wanneer er molensteenen van gemaakt worden, het meel wordt bereid en daarom zegt men in die landen, dat van God de genadebewijzen komen en van Montisci de molensteenen, maar er zijn er daar zooveel, dat zij bij ons even weinig waard zijn als bij hun de smaragden, want daarvan zijn er grooter bergen dan de Morello, die te middernacht schitteren. En weet, dat, wie de molensteenen zou laten polijsten en in ringen zou laten zetten, vóór zij doorboord worden, en ze naar den Sultan brengt, er voor zou krijgen, wat hij verlangde.

De andere is een steen, welke wij, juweliers, Heliotroop noemen, van zeer groote kracht, omdat wie hem bij zich draagt, door niemand gezien wordt. Toen sprak Calandrino: Dat zijn groote krachten, maar waar vindt men dien tweede? Hierop antwoordde Maso, dat men die in de Mugnone vond. Calandrino vroeg: Hoe groot is die steen! En welke kleur heeft hij? Maso antwoordde: Zij is van verschillende grootte en bijna zwart. Calandrino, die al die dingen in zich had opgenomen, deed, alsof hij iets had te verrichten, verliet Maso en besloot die steensoort te gaan zoeken, maar hij nam zich voor het niet te doen, zonder dat Bruno en Buffalmacco het wisten, van wien hij bijzonder veel hield. Hij ging ze zonder verwijl zoeken en besteedde het verdere deel van den morgen om ze te vinden. Toen het uur van den noen al voorbij was, herinnerde hij zich, dat zij werkten in het vrouwenklooster van Faënza en hoewel het zeer warm was, liet hij zijn zaken in den steek, ging naar hen toe en zeide tot hen: Vrienden, wanneer gij mij gelooft, kunnen wij de rijkste mannen van Florence worden, daar ik van een betrouwbaar man gehoord heb, dat er in de Mugnone een steen is, welke dengeen, die deze draagt, onzichtbaar maakt. Daarom zou het mij goed lijken, dat wij, vóór iemand anders er heengaat, er ons heen begeven om te zoeken. Wij zullen dien zeker vinden, daar ik dien ken en als wij dien gevonden hebben, wat zullen wij dan anders hoeven te doen dan dien in onze beurs te steken en naar de tafels der wisselagenten te gaan, welke altijd vol zijn van grossen en florijnen? En dan zullen wij er van nemen, zooveel wij willen. Niemand zal ons zien en wij zullen ons verrijken zonder den ganschen dag de muren te moeten bekladden gelijk de slakken doen. Toen Bruno en Buffalmacco hem hoorden, begonnen zij te glimlachen en deden, of zij zeer verbaasd waren en prezen den raad van Calandrino, maar Buffalmacco vroeg, welken naam die steen had. Calandrino, die weinig hersens had, was de naam ontschoten. Daarom antwoordde hij: Wat hebben we met dien naam te maken, als wij de kracht er van kennen? Laten wij hem dadelijk gaan zoeken. Welnu, zeide Bruno, hoe ziet hij er uit? Calandrino antwoordde: Zij zijn van elken vorm, maar allen zijn haast zwart. Wij hebben dus op allen te letten, die zwart zijn. Laat ons daarom geen tijd verliezen. Hierop zeide Bruno tot Buffalmacco gewend: Hetgeen Calandrino zegt, is goed, maar het is nu het uur niet, daar de zon hoog is en recht op de Mugnone valt en het net is of de steenen verkalkt zijn en wit schijnen. Nochtans voor de zon ze gedroogd heeft zijn ze zwart. En nu zijn er ook vele lieden, daar het heden werkdag is, naar de Mugnone, die ons daar ziende zouden raden, wat wij gingen doen; wellicht zou de steen hun in handen komen en wij zouden den draf door den galop verloren hebben. Dus is het beter morgen te gaan, omdat men dan beter de kleur kan onderscheiden; ook is het dan feestdag en niemand zal er zijn. Buffalmacco prees den raad van Bruno en Calandrino vereenigde zich er mee en zij stelden vast, dat zij den volgenden zondagmorgen alle drie zouden gaan zoeken. Calandrino verzocht hen beslist er niemand over te spreken. Toen zij zeiden dit te doen, vertelde hij hun, wat hij gehoord had van de streek van Bengodi en bevestigde met eeden, dat dit zoo was. Toen Calandrino ze verlaten had, spraken die twee onder elkaar af, wat ze zouden doen.

Toen de morgen aanbrak, stond Calandrino bij het krieken van den dag op en na de metgezellen te hebben gewekt, gingen zij door de San Gallo-poort, daalden naar den Mugnone af en gingen steenen zoeken. Calandrino ging als de ijverigste voorop en sprong haastig overal, waar hij een zwarten steen zag, raapte hem gretig op en bewaarde dien op zijn borst. De metgezellen volgden en raapten er af en toe ook een op. Calandrino was niet ver gegaan of hij had er de borst vol van, toen hief hij de slippen van zijn rok op, die niet aan het lichaam gesloten was en maakte daarvan een wijden zak door ze over zijn leeren gordel te slaan, vulde die en evenzoo na van zijn mantel een zak te hebben gemaakt, vulde hij dien ook. Buffalmacco en Bruno zagen, dat Calandrino geheel beladen was en toen het etensuur naderde, zeide Bruno tot Buffalmacco: Waar is Calandrino? Buffalmacco, die hem dichtbij zag, keerde zich om en antwoordde dan hier, dan daar kijkend: Ik weet het niet, maar zooeven toch was hij nog voor ons. Bruno zeide: het doet er weinig toe; het schijnt, dat hij naar huis is gegaan om te eten en ons tot de dwaasheid heeft gebracht zwarte steenen in den Mugnone te gaan zoeken. Kijk, hoe goed hij dit heeft klaar gespeeld, zei toen Buffalmacco, ons bedriegt en hier achterlaat, die zoo dwaas waren hem te gelooven. Kijk! Wie anders zou dwaas genoeg zijn geweest te gelooven, dat in de Mugnone een steen van die kracht wordt gevonden? Calandrino, die deze woorden hoorde, verbeeldde zich, dat de steen hem in handen gekomen was en dat zij door haar werking hem niet zagen. Ten zeerste verheugd over dit geluk, nam hij zich voor zonder iets te zeggen naar huis te gaan en begaf zich op weg. Toen Buffalmacco dit zag, zeide hij tot Bruno: Waarom zullen wij niet heengaan? Bruno antwoordde: Ja, laat ons gaan; maar ik zweer, dat Calandrino het ons niet meer zal leveren; en als ik dicht bij hem was als den heelen morgen, zou ik hem zooveel van die steenen tegen zijn hielen gooien, dat hij misschien wel een maand aan die grap zou denken. Het mikken en raken tegen den hiel van Calandrino was nu het werk van een oogenblik.

Toen Calandrino de pijn voelde, trok hij den voet omhoog en begon te zuchten, maar zweeg toch en ging verder. Buffalmacco, die een van de keien in de hand genomen had, zeide tot Bruno: Zeg, kijk eens wat een mooie kei; hoe zal die Calandrino tegen de ribben komen en na hem te hebben weggeslingerd, kwam hij met kracht tegen zijn ribben. Op die wijze wierpen zij hem met steenen van de Mugnone tot aan de San Gallo-poort. Nadat zij de steenen, die zij verzameld hadden, hadden weggegooid, hielden zij een oogenblik stand bij de tolgaarders; deze ingelicht deden of ze niets zagen en lieten met het meeste plezier van de wereld Calandrino stil door. Zonder oponthoud begaf hij zich naar zijn huis bij de Canto alla Macina (Molenhoek). De fortuin was de grap zóó gunstig, dat, terwijl Calandrino langs de rivier ging en door de stad, hem niemand tegen kwam, daar elk aan het ontbijt was. Aldus beladen kwam Calandrino daar aan. Toevallig stond zijn echtgenoote, monna Tessa, een schoone en verstandige vrouw, boven aan den trap en een weinig boos over zijn lang uitblijven, zag zij hem aankomen en begon schimpend te zeggen: Broerlief, de duivel zal je nooit meer thuis brengen; iedereen heeft ontbeten, nu gij terugkeert. Calandrino merkte, dat hij gezien was en vol spijt zeide hij: Wee mij, slechte vrouw, zijt gij daar? Gij hebt mij ongeluk gebracht, maar bij God: ik zal het je betalen. Hij ging in een kleine kamer, ontdeed zich van de verzamelde steenen, liep naar zijn vrouw, wierp haar bij de haren aan zijn voeten en daar hij zijn armen en beenen nu goed bewegen kon, gaf hij haar overal schoppen en stompen zonder een haar op haar hoofd te laten of één plaats, die niet bezeerd was, en het hielp haar niets met gevouwen handen om genade te roepen. Buffalmacco en Bruno gingen Calandrino, nadat zij met de tolgaarders hadden gelachen, langzaam achterop en toen zij bij zijn deur waren, hoorden zij het wreede pak ransel, dat hij zijn vrouw gaf en veinzend pas te zijn aangekomen, riepen zij hem. Calandrino geheel bezweet en vuurrood vertoonde zich aan het venster en verzocht ze boven te komen. Zij hielden zich eenigszins verstoord, gingen naar boven en zagen de kamer vol steenen en in een der hoeken de vrouw met loshangende haren, gehavend, doodsbleek, het heele gelaat verminkt, droevig huilende en in een anderen hoek Calandrino met gescheurde kleeren en hijgend als een afgemat mensch. Toen zij dit een oogenblik hadden aanschouwd, zeiden zij: Wat is dat, Calandrino? Gaat gij bouwen, dat wij hier zooveel steenen zien? En wat scheelt monna Tessa? Het schijnt, dat gij haar hebt geslagen. Wat is dat voor fraais? Calandrino, vermoeid door het steenen dragen, de woede, waarmee hij zijn vrouw had geslagen, en door de smart over het geluk, dat hij meende te hebben verloren, kon zijn geest niet bedwingen te antwoorden. Buffalmacco ging voort: Calandrino, als gij een andere reden tot toorn hadt, hadt gij ons toch niet voor den gek moeten houden, want gij hebt ons er toe gebracht met U den kostbaren steen te zoeken, hebt ons zonder een woord tot God of den duivel te spreken in de Mugnone als een paar mallen achtergelaten en ge zijt naar huis gegaan, wat wij U zeer kwalijk nemen, maar zeker zal het de laatste grap zijn, die gij met ons uithaalt. Bij die woorden deed Calandrino zich geweld aan om te zeggen: Metgezellen, wordt niet boos, de zaak is anders. Ik, ongelukkige, had dien steen gevonden en wilt gij hooren, dat ik de waarheid spreek: Toen gij mij de eerste maal hebt geroepen, was ik op minder dan tien vademen afstand van U en daar ik zag, dat gij niet kwaamt en mij niet zaagt, ging ik voor U de stad in en ben ik voortdurend recht voor U uit gegaan. En nu vertelde hij hun tot het einde toe, wat zij hadden gedaan en gezegd en toonde hun den rug en de hielen evenals de kwetsuren en ging voort: Toen ik de poort inging met al die steenen, werd er niets gezegd en gij weet, hoe lastig die tolgaarders zijn om alles na te kijken. Ook kwam ik op straat verscheidene buren en vrienden tegen, die mij altijd aanspreken en tot drinken uitnoodigen en nu zelfs geen half woord zeiden, alsof zij mij niet zagen. Ten slotte, toen ik hier kwam heeft die duivelsche, vervloekte vrouw mij gezien en gij weet, de hoe vrouwen elk voorwerp hun kracht doen verliezen, zoodat ik, die mij den gelukkigsten man van Florence kon noemen, de ongelukkigste ben. Ik heb haar daarom zooveel geslagen, als ik maar kon en ik weet niet, wat mij weerhoudt, dat ik haar niet de aderen open, want vervloekt is het uur, waarop ik haar zag en zij in mijn huis kwam! En toen zijn toorn weer aanwakkerde, wilde hij opstaan om haar opnieuw te slaan. Buffalmacco en Bruno deden, of zij zich zeer verwonderden en bevestigden, wat Calandrino zeide en hadden zoo’n grooten lachlust, dat zij haast stikten, maar toen zij hem zoo woedend zagen, dat hij weer zijn vrouw wilde slaan, stonden zij op en hielden hem tegen en zeiden, dat de donna er geen schuld aan had, maar hij zelf, die wist, dat de vrouwen van de voorwerpen alle kracht doen te loor gaan en haar niet gezegd had, op te passen bij hem dien dag niet te verschijnen en dat God hem dat geluk had ontnomen, hetzij, omdat het hem niet mocht te beurt vallen of omdat hij van plan was geweest zijn metgezellen te bedriegen. En na vele woorden werd met groote moeite de vrouw met hem verzoend en vertrokken zij hem neerslachtig achterlatend met het huis vol steenen.

VIERDE VERTELLING.

De provoost van Fiesole bemint een weduwe, die hem niet bemint. Hij gelooft met haar te slapen, doch doet dit met haar dienstmaagd en de broeders van de donna doen hem betrappen door den bisschop.

Toen Elisa aan het eind van haar novelle gekomen was en tot groot genoegen van het gezelschap had verteld, keerde de koningin zich naar Emilia en gaf haar aldus te kennen, dat zij na Elisa zou vertellen; deze begon: Waardige donna’s. Hoe de priesters, de broeders en alle geestelijken de heerschers over onze geesten zijn, is in vele novellen aangetoond, maar daar men er nooit zooveel van kan vertellen, of er blijft nog meer over, zal ik u een verhaal doen van een provoost, die ondanks alles wilde, dat een edelvrouw hem genoegen zou doen, doch, daar zij zeer slim was, hem behandelde, gelijk hij het verdiende.

Gelijk ieder uwer weet, was Fiesole, welks heuvel wij van hier zien kunnen, een zeer oude en groote stad; hoewel thans geheel vervallen, heeft zij toch nog een bisschop. In de buurt van de hoofdkerk bewoonde een edelvrouw, weduwe, monna Piccarda, een landgoed met een niet te groot huis, waar zij het grootste deel van het jaar vertoefde met haar twee broeders, welopgevoede en hoffelijke jongelieden. De provoost van de kerk werd, terwijl zij gewoon was daarheen te gaan en zij nog zeer jong, schoon en bekoorlijk was, op haar verliefd, zoodat hij zich niet bedwingen kon. Na eenigen tijd was hij zoo ontvlamd, dat hij haar dit mededeelde, smeekte met zijn liefde vrede te hebben en hem ook te beminnen. Deze provoost was al oud, maar van zeer jeugdigen temperament, vermetel, trotsch, had een hoog idee van zich zelf en manieren en gewoonten vol aanstellerij. Hij was zoo vervelend en hinderlijk, dat niemand hem welgezind was en als iemand een hekel aan hem had, was het die donna, want niet alleen dat zij hem niet mocht lijden, maar zij haatte hem meer dan kiespijn. Daarom zeide de slimme vrouw:

Messire, dat gij mij lief hebt, is mij zeer aangenaam en ik moet en zal u liefhebben, maar bij uw liefde en de mijne mag nooit iets oneerbaars voorkomen. Gij zijt mijn geestelijke vader en priester en reeds den ouderdom nabij, hetgeen u eerbaar en kuisch moet maken en ook ik ben geen kind, dien zulke verliefdheden passen. Ik ben weduwe en gij weet, hoe zeer men eerbaarheid van weduwen vereischt en neem mij dus niet kwalijk, dat ik u nooit zal lief hebben op de wijze, waarop u dit vraagt. De provoost, die van haar niets anders kon gedaan krijgen, toonde zich bij den eersten tegenslag noch verwonderd, noch overwonnen, maar hield zijn dwaze indringerigheid vol, viel haar vaak lastig met brieven en boodschappen en deed dit zelfs, als hij haar in de kerk zag komen. Zij vond deze vervolging te hinderlijk en te ergerlijk, en zij besloot hem zijn verdiende loon te geven maar niets te doen, voor zij er met haar broeders over had gesproken. Na hen gezegd te hebben, wat de provoost in het schild voerde, en ook wat zij van plan was te doen en na daarin van hen volkomen verlof te hebben gekregen, ging zij een paar dagen later naar de kerk. De provoost zag haar, ging toen dadelijk naar haar toe en en begon op een familiare manier met haar te spreken. Toen de donna hem zag aankomen en hem aankeek, zette zij een verheugd gezicht en na hem ter zijde te hebben getrokken en nadat hij haar veel had gezegd op zijn gebruikelijke wijze, sprak de donna na een diepen zucht: Messere, ik heb dikwijls gehoord, dat er geen kasteel bestaat zoo sterk, dat niet, als het elken dag bestormd wordt, eens wordt genomen, wat ik wel zie, dat mij gebeurd is. Gij hebt zoo om mij gedraaid met zoete woorden en hoffelijkheden, dat gij mij mijn voornemen hebt doen verbreken en dat ik bereid ben, zoo u dit behaagt, de uwe te willen zijn. De provoost zeide verheugd: Madonna, dank en om u de waarheid te zeggen, heb ik mij zeer verbaasd, dat gij zoo terughoudend waart, daar mij dit nog nooit was overkomen. Integendeel heb ik enkele malen gezegd: Als de vrouwen van zilver waren, zouden zij geen oortje waard zijn als munt, omdat er geen een aan den hamer weerstand biedt. Maar laten wij dit nu terzijde stellen: Wanneer kunnen wij samen zijn! Mijn lieve heer, wanneer het ons behaagt; ik heb geen echtgenoot, aan wien ik rekenschap moet geven. Maar waar zullen wij samen zijn? De provoost hernam: Niet in uw huis? De donna antwoordde: Messere, gij weet, dat ik twee broeders heb, die nacht en dag thuiskomen met hun vrienden en mijn woning is niet te groot; daarom kan dat daar niet gebeuren of gij moet u houden als een stomme en in het donker geen gerucht maken evenals de blinden. Als gij dit wilt doen, zal het gaan, omdat zij niet in mijn kamer doordringen, maar de hunne is zoo dicht bij de mijne, dat niet het minste woordje kan gezegd worden. De provoost zeide toen: Madonna, dat is goed voor een of twee nachten, maar dan zullen wij elders meer op ons gemak zijn. De donna sprak: Messere, dat staat toch aan u, maar één ding bid ik u, dat dit geheim blijft. Daarop ging de provoost voort: Madonna, twijfel daar niet aan en indien het kan, zorg dan, dat wij vanavond te zamen zijn. De donna sprak: Dat bevalt mij en na haar te hebben gezegd, hoe en wanneer hij zou komen, ging hij heen.

Deze donna had een meid, die lang niet jong was, en zij had het misvormdste gezicht dat men ooit zag; een platten neus, een scheeven mond, dikke lippen, slechte en groote tanden en zij keek loensch en had altijd pijn in de oogen en had een groene en gele kleur, zoodat zij den zomer niet scheen doorgebracht te hebben in Fiesole [153] maar in Sinigaglia. Behalve dat was zij mank en een weinig scheef aan den rechterkant. Zij heette Ciuta en omdat zij zulk een misvormd gezicht had, werd zij door elk man Ciutazza [154] genoemd. Hoewel zij leelijk was, was zij bovendien snibbig. De donna sprak tot haar: Ciutazza, als gij mij vanavond een dienst wilt doen, zal ik u een mooi hemd geven. Toen Ciutazza van een hemd hoorde spreken, antwoordde deze: Madonna voor een hemd zal ik mij in het vuur werpen en meer nog. Welnu, zeide de donna, ik wil, dat gij vannacht in mijn bed slaapt met een man en dat gij hem liefkoost en zóó, dat het niet wordt opgemerkt door mijn broeders, want gij weet, dat die vlak bij u slapen. Ciutazza zeide: Desnoods wil ik er wel met zes in plaats van een slapen. Toen de avond viel, kwam messere de provoost en de twee jongelieden waren in hun kamer en lieten zich wel hooren; daarom ging de provoost tersluiks en in het donker in die van de donna naar bed en van den anderen kant Ciutazza. Mijnheer de provoost, die waande de donna aan zijn zijde te hebben, nam Ciutazza in zijn armen en begon haar te kussen zonder een woord te spreken en Ciutazza hem en hij begon zich met haar te bevredigen na langdurige begeerte.

Toen de donna dit had gedaan, beval zij aan haar broers, dat zij de rest zouden doen van wat zij hadden afgesproken, die, heimelijk uit de kamer gegaan, zich naar het plein begaven en de fortuin was hun gunstiger, dan zij het zelf gewenscht hadden, want daar de warmte groot was, vroeg de bisschop om met hen naar hun huis te gaan en met hen te drinken. Zij vertelden hem hun bedoeling, begaven zich met hem op weg en na met hem op een zeer koele, kleine binnenplaats te zijn gegaan, waar veel lichten waren aangestoken, dronk hij met groot genoegen van een hunner goede wijnen. Na gedronken te hebben, zeiden de jongelieden: Messer, omdat gij ons zulk een gunst hebt bewezen, dat gij u verwaardigd hebt ons kleine huisje te bezoeken, wenschen wij, dat het u zal behagen een zaakje te zien, dat wij u zullen toonen. De bisschop antwoordde: Gaarne. Een van de jongelieden nam een toorts, ging voorop en de bisschop en de anderen volgden en wendden zich naar de kamer, waar mijnheer de provoost met Ciutazza lag. Deze had zich gehaast tot ruiterdienst en had dien al drie maal verricht en daardoor vermoeid en door de warmte sliep hij met Ciutazza in zijn armen. Toen de jongelieden in de kamer traden en daarna de bisschop, werd hem de provoost aangewezen met Ciutazza in dien toestand. Messer de provoost richtte zich op, zag het licht en de lieden rondom, schaamde zich, werd bang en stak het hoofd onder de lakens. De bisschop beleedigde hem zeer en liet zijn hoofd te voorschijn trekken en hem zien, met wie hij geslapen had. De provoost, die het bedrog ontdekte, werd ook door de schande de treurigste man ter wereld; na zich op bevel des bisschops gekleed te hebben, werd hij naar huis gezonden om een groote boete te doen onder goede bewaking. Later wilde de bisschop weten, hoe het kwam, dat hij met Ciutazza had geslapen. De jongelieden vertelden hem alles. Toen de bisschop dit had gehoord, prees hij de donna en ook de jongelieden, die zonder zich met het bloed van den priester te bevlekken hem hadden behandeld, zooals hij het verdiende. De bisschop legde hem veertig dagen kerkerstraf op, maar de liefde en de woede deden hem die negen en veertig dagen beklagen. Behalve dat kon hij sinds dien tijd nooit uitgaan zonder door de kinderen te worden bespot met: Kijk daar heb je hem, die met Ciutazza sliep, wat voor hem zoo hinderlijk was, dat hij er haast gek van werd. En op die manier raakte de donna den last van den vervelenden provoost kwijt en verdiende Ciutazza het hemd en een goeden nacht.

VIJFDE VERTELLING.

Drie jongelieden trekken een Marcezaansch rechter te Florence, terwijl hij zitting houdt, zijn broek uit.

Emilia had haar vertelling geëindigd, terwijl de weduwe door allen geprezen was, toen de koningin naar Filostrato ziende, sprak: Aan u is thans de beurt om te verhalen. Hierop antwoordde hij haastig, dat hij gereed was en begon: Verrukkelijke donna’s. De jongeling, waarvan Elisa u zooeven gesproken heeft, namelijk Maso del Saggio, herinnert mij aan een novelle van hem en eenige van zijn kameraden, welke, hoewel er uitdrukkingen in voorkomen, die u zullen doen blozen, niettemin zooveel stof tot lachen geeft, dat ik u die toch zal mededeelen.

Gelijk gij allen kunt gehoord hebben, komen in onze stad zeer dikwijls Marcezaansche schouten [155], die gewoonlijk menschen met weinig gevoel zijn en die zulk een bekrompen en ellendig leven leiden, dat het niets anders schijnt dan één schraperij en door hun armoe en hun ingeboren gierigheid, brengen zij rechters en notarissen mede, die menschen schijnen eer achter de ploeg vandaan gehaald of uit een touwslagerij dan uit de scholen der magistratuur. Toen een van hen als baljuw bij ons gekomen was, bracht hij een rechter mee, Niccola van San Lepidio, die naar het uiterlijk eerder een ketellapper scheen en die alleen aangesteld was om misdadige zaken te onderzoeken. En daar er dikwijls burgers kwamen, die niets in het gerechtshof te maken hadden, zocht Maso del Saggio daar op een morgen naar een vriend en keek naar den zetel van messer Niccola. Deze scheen hem een vreemde vogel en hij nam hem van het hoofd tot de voeten op. En terwijl hij hem zag met een zwart geworden baret van bont en een ganzenpen in den gordel en de toga langer dan het sleepend gewaad daaronder, aanschouwde hij onder andere vreemde dingen iets opmerkelijks en dat was een broek zoo wijd, dat het achterstuk tot op de helft van zijn beenen viel, als hij zat, terwijl de kleeren van voren van nauwheid open stonden. Zonder hem langer te beturen en niet verder zoekend, ging hij iemand anders opsporen en vond twee van zijn vrienden, Ribi en Matteuzzo, jongelieden even snaaksch als Maso en zeide tot hen: Als gij mij welgezind zijt, ga dan met mij mee naar het gerechtshof, waar ik jullie de gekste kerel van de wereld zal laten zien. Hij ging met hen daarheen en toonde hun dien rechter en zijn broek.

Zij begonnen er om te lachen, zoover ze die zien konden; na dichter bij de banken te zijn gekomen, waar mijnheer de rechter zetelde, zagen zij, dat zij er licht onder konden kruipen en bovendien, dat de planken, waarop deze de voeten zette, zoo gebroken waren, dat men er met gemak hand en arm door kon steken. Toen sprak Maso tot zijn kameraden: Laten wij hem zijn broek heelemaal uittrekken, want dat gaat best. Ieder van de gezellen had opgelet, hoe het mogelijk was. Den volgenden morgen kwamen zij terug en daar het gerechtshof vol menschen was, ging Matteuzo, wien niemand gewaar werd, onder de bank en begaf zich juist onder de plaats, waar de rechter de voeten zette. Maso, die den rechter aan den eenen kant genaderd was, nam hem bij een slip van zijn toga en Ribi, die van den anderen kant kwam, deed het zelfde en Maso sprak: Edelachtbare, o edelachtbare, ik bid u bij God, dat gij, eer die spitsboef, die daar aan uw zijde staat, weggaat, mij door hem een paar schoenen doet terug geven, welke hij van mij gestolen heeft en toch zegt hij van niet, en ik zag nog geen maand geleden, dat hij ze opnieuw liet zoolen. Ribi van den anderen kant schreeuwde hard: Edelachtbare, geloof hem niet, want hij is een bedrieger en omdat hij weet, dat ik hier gekomen ben om een valies op te eischen, dat hij van mij heeft weggenomen, is hij hier gekomen en praat van de schoenen, die ik pas sinds eergisteren in huis heb. En als gij mij niet gelooft, zal ik tot getuigenis brengen la Trecca, die naast mij woont en la Grassa, de dikke pensverkoopster en iemand, die het vuil ophaalt van Santa Maria tot Verzaja, die ze zag, toen hij van het dorp terugkeerde. Maar van zijn kant liet Ribi hem niet uitspreken, maar schreeuwde ook en ging nog meer te keer. Terwijl de rechter rechtop stond om beter te hooren, nam Matteuzo de kans waar, stak de hand door een scheur van de planken en trok zeer hardhandig het achterstuk van de broek van den rechter omlaag. Onmiddellijk viel de broek neer, daar de rechter mager en zonder heupen was. Hij voelde iets, maar wist niet wat het was en wilde de broek optrekken, zich weer bedekken en gaan zitten, doch Maso hield hem aan den eenen en Ribi aan den anderen kant vast en zij riepen luid: Messere, gij beleedigt mij door mij niet aan te willen hooren en weg te willen gaan. Zulke kleinigheden behandelt men niet schriftelijk in onze gemeente.

En bij die woorden hielden zij hem zóó bij zijn slippen vast, dat allen, die in het gerechtshof waren, zagen, dat hem de broek afgetrokken was. Maar Matteuzo na hem eenigen tijd te hebben vastgehouden liet hem los, kwam naar buiten en ging heen zonder te zijn opgemerkt. Ribi, die meende, dat hij genoeg gepleit had, zeide: Bij God, ik ga hulp zoeken bij den burgemeester. En Maso, die de toga losliet, zeide: Neen, ik zal hier nog dikwijls terug komen, als gij het niet zoo druk hebt; en zij gingen zoo gauw als zij konden weg. Mijnheer de rechter, die zijn broek had opgetrokken in tegenwoordigheid van iedereen, bemerkte nu, alsof hij pas wakker werd, de grap en vroeg, waar die twee heengegaan waren, die gevraagd hadden naar de schoenen en het valies, maar daar men ze niet terugvond, zwoer hij bij de darmen van God zelf, dat hij wilde weten of het te Florence gewoonte was aan rechters de broek uit te trekken, wanneer zij zetelden in het gestoelte der justitie. De schout, die dit hoorde, maakte veel kabaal, maar toen zijn vrienden hem hadden uiteengezet, dat dit alleen was geschied om hem aan te toonen, dat de Florentijners wisten, dat hij dwazen had gebracht, omdat hij die goedkooper kon krijgen, waar hij behoord had rechters te brengen, vond hij het beter te zwijgen en ditmaal had die zaak daarom geen verder gevolg.

ZESDE VERTELLING.

Bruno en Buffalmacco stelen van Calandrino een zwijn. Zij geven hem hoop het weer te vinden met gemberpillen en witten wijn en geven hem er twee van, als die voor de honden in aloë gekonfijt en het schijnt hem, dat hij het zelf heeft geroofd. Zij laten hem er voor betalen, indien hij niet wil, dat zij het aan zijn vrouw zeggen.

De novelle van Filostrato, waarover zeer werd gelachen, was nog niet uit of de koningin beval aan Filomene, dat zij zou volgen, die aldus begon: Genadige donna’s. Daar Filostrato door den naam Maso er toe werd aangetrokken de geschiedenis te vertellen, die gij hebt gehoord, zoo ben ik er toe geneigd door die van Calandrino en zijn metgezellen U een andere van hen te vertellen, die, naar ik geloof, U zal behagen.

Het is niet noodig, dat ik U zeg, wie Calandrino, Bruno en Buffalmacco waren, omdat gij daarvan genoeg hebt gehoord en daarom zeg ik alleen, dat Calandrino een klein buiten had niet ver van Florence, dat hij van zijn vrouw als bruidschat ontvangen had. Onder de inkomsten, die hij daaruit trok, kreeg hij elk jaar een varken. Het was zijn gewoonte in December met zijn vrouw daar heen te gaan en het varken te slachten en in te zouten.

Calandrino ging eens, toen zijn vrouw alleen was, alleen het zwijn slachten. Toen Bruno en Buffalmacco wisten, dat zijn vrouw niet mee ging, begaven zij zich naar een priester, een zeer goed vriend van hem, een buurman van Calandrino om een dag of wat bij hem door te brengen. Calandrino had den morgen, toen zij aankwamen, het varken gedood. Toen hij ze bij den pastoor zag, riep hij ze en sprak: Wees welkom en ziet, hoe goed ik het huishouden kan waarnemen. Na ze in huis te hebben geleid, toonde hij hun het varken. Zij zagen, dat het zeer mooi was en hoorden van hem, dat hij het voor zijn huishouden wilde inzouten. Bruno sprak: Wel, wat zijt gij dom! Verkoop het en laat ons van het geld plezier hebben en zeg aan Uw vrouw, dat men het gestolen heeft. Calandrino antwoordde: Neen, dat gelooft ze niet en ze zou mij het huis uitjagen; dat doe ik nooit. Zij praatten genoeg, maar het hielp niets. Calandrino noodigde hen gulweg tot het avondmaal uit; zij gingen evenwel weg. Bruno zeide tot Buffalmacco: Willen wij vannacht dat varken van hem stelen? Buffalmacco antwoordde: Och, hoe zullen wij dat kunnen? Bruno sprak: Hoe, dat weet ik wel, als hij hier maar niet weggaat. Buffalmacco zeide: Laten wij het dan doen? En later zullen we er met den pastoor plezier van hebben. De pastoor zeide, dat het hem zeer beviel. Toen sprak Bruno: Men moet hier een weinig listig te werk gaan; gij weet, Buffalmacco, hoe gierig Calandrino is en hoe hij gaarne drinkt, als een ander betaalt. Laat hem naar een taveerne brengen en daar zal de pastoor doen, of hij alles betaalt om ons en hem eer te bewijzen. Hij zal zich dronken drinken en dan zullen wij onze kans waarnemen, omdat hij alleen thuis is. Zoo gezegd, zoo gedaan. Calandrino, die zag, dat de priester betaalde, begon duchtig te drinken en hoewel hij er niet veel van noodig had, nam hij er toch een goede lading van in en daar het al laat was, toen hij de taveerne verliet, trad hij binnen zonder te eten, geloofde de deur gesloten te hebben, liet die open en ging naar bed.

Buffalmacco en Bruno gingen met den priester avondmalen en daarna namen zij zekere gereedschappen mede om heimelijk in het huis van Calandrino binnen te dringen, waar Bruno het had aangewezen. Toen zij de deur open vonden, haakten zij het varken af, droegen dit naar het huis van den pastoor, en gingen slapen. Calandrino, dien de wijn uit het hoofd was gegaan, stond ’s ochtends op en toen hij beneden was, keek hij, zag het varken niet en de deur open. Daarom vroeg hij aan iedereen of ze het varken gezien hadden en toen hij het niet vond, schreeuwde hij: Wee mij, ongelukkige! Bruno en Buffalmacco stonden op en gingen naar Calandrino om te hooren, wat hij van het varken zou zeggen. Zoodra hij hen zag, zeide hij klagend: Wee mij, mijn vrienden, het varken is mij ontroofd. Bruno sprak zachtjes: Het is een wonder, dat gij één keer wijs zijt geweest. Wee mij, riep Calandrino, want wat ik zeg, is waar. Vertel dit maar, sprak Bruno, en schreeuw het zoo hard, dat het schijnt, dat het zoo is gebeurd. Calandrino klaagde toen nog harder en zeide: Bij het Lichaam van God, ik zeg de waarheid, en Bruno hernam: Zeg dat maar en indien gij het zoo wilt vertellen, schreeuw dan hard en doe denken, dat het waar is. Calandrino sprak: Gij zult mij aan den duivel overleveren. Gij gelooft mij toch niet; ik zal opgeknoopt worden, als het niet geroofd is. Toen sprak Bruno; Kijk, hoe is dat mogelijk! Ik zag het nog gisteren. Meent gij mij te kunnen wijs maken, dat het gestolen is? Calandrino sprak: Het is, zooals ik u zeg. Hè, hernam Bruno, hoe kan dat zijn! Zeker, zeide Calandrino, zoo is het, en ik weet niet, hoe ik naar huis zal komen. Mijn vrouw zal mij niet gelooven en als zij het toch doet, zal ik het heele jaar geen vrede meer met haar hebben. Toen sprak Bruno: God beware mij, het is leelijk genoeg, maar gij weet, Calandrino: ik raadde u gisteren aan aldus te spreken en ik zou niet willen, dat gij tegelijkertijd uw vrouw en ons voor den mal houdt. Calandrino begon te schreeuwen: Wel, waarom maakt gij mij wanhopig en doet mij God en de heiligen en al, wat er is, lasteren. Ik zeg u, dat het varken vannacht van mij gestolen is.

Toen sprak Buffalmacco: Als het toch zoo is, moeten wij een middel zien te vinden om het terug te hebben. En welk middel, sprak Calandrino, is er dan? Buffalmacco hernam: Er is zeker niemand uit Indië gekomen om het varken van u te stelen; het moet dus een van uw buren geweest zijn en als gij die bijeenroept, zal ik de brood- en kaas-proef nemen en wij zullen dadelijk zien, wie het gestolen heeft. Ja, sprak Bruno, gij zult wel de proef kunnen doen, want een uit den omtrek moet het gestolen hebben, maar men zal het gewaar worden en niet hier komen. Hoe moeten wij dan doen? sprak Buffalmacco. Bruno antwoordde: We moeten ze uitnoodigen en goeden, witten wijn met gemberpillen te drinken geven. Ze zullen er dan niet aan denken en aldus zullen wij de gemberpillen kunnnen zegenen zoo goed als het brood en de kaas. Buffalmacco zeide: Dat is goed en gij, Calandrino, wat zegt gij er van? Wat zullen wij doen? Calandrino sprak: Ik bid U er om bij de liefde tot God. Want als ik wist, wie het gestolen heeft, zou ik al half getroost zijn. Goed, hernam Bruno, ik ben bereid daarvoor naar Florence te gaan, indien gij mij geld geeft. Calandrino had misschien veertig stuivers, welke hij hem gaf. Bruno, die naar een intiemen vriend te Florence ging, kocht een pond flinke gemberpillen en liet er twee van het soort voor honden maken, die hij in deeg van aloë liet doen. Hij liet ze vervolgens in suiker rollen evenals de anderen en om ze niet te verwarren gaf hij ze een merk. Hij kocht een flesch goeden witten wijn, keerde in het dorp naar Calandrino terug en zeide: Gij moet morgen degenen bij U te drinken vragen, tegen wien gij argwaan hebt; het lijkt dan een feest; iedereen zal gaarne komen en ik zal vannacht met Buffalmacco de bezwering over de pillen uitspreken en uit vriendschap voor U zal ik zelf alles uitvoeren. Calandrino deed dit.

Toen hij een heel gezelschap van florentijnsche jongelieden en van boerenarbeiders had verzameld, ging hij den volgenden morgen voor de kerk bij den olm staan, en kwamen Bruno en Buffalmacco daar met een schotel pillen en met den wijn en na ze in een kring geplaatst te hebben, zeide Brano: Heeren, ik moet U de reden zeggen, waarom gij hier zijt, opdat, als er iets onaangenaams voorvalt, gij U niet zult beklagen. Aan Calandrino werd gisteren een mooi varken ontstolen en men weet niet, wie het heeft gedaan en daar een van ons het moet hebben weggenomen, geeft hij om dien te ontdekken U deze pillen en dezen wijn. Wie het varken stal, zal de pil niet opeten, maar die zal hem bitterder smaken dan venijn. Hij zal haar uitspuwen en opdat die schande hem in tegenwoordigheid van zoovelen zal aangedaan worden, is het daarom misschien beter, dat diegene het boetvaardig aan den pastoor zegt. Elk van hen zeide, dat hij gaarne de pil wou slikken; daarom, nadat Bruno Calandrino tusschen hen geplaatst had en hij bij een der uiteinden van den kring aanving, gaf hij er ieder een. Toen hij tegenover Calandrino stond, nam hij een der hondenpillen en gaf hem die. Calandrino deed die snel in zijn mond en begon te kauwen, maar zoodra zijn tong de aloë proefde, die de bitterheid niet kon verdragen, spuwde hij die uit. Zij keken elkaar aan om te zien, wie de zijne zou uitspuwen en daar Bruno nog niet klaar was met het uitdeelen en deed of hij er niet op lette, hoorde hij achter zich zeggen: He, Calandrino wat is dat? Hij keerde zich snel om, zag, dat Calandrino de zijne had uitgespuwd en zeide: Wacht, misschien deed een andere reden hem die uitspuwen; neem een andere en nadat hij de tweede genomen had, stopte hij hem die in den mond en gaf de tweede rond, die hij nog had.

Zoo de eerste aan Calandrino bitter leek, scheen de tweede nog bitterder, maar toch schaamde hij zich die uit te spuwen. Hij hield haar kauwend in den mond hoewel met tranen in de oogen, daar het hem zeer pijnlijk scheen. Eindelijk kon hij het niet meer uithouden, en spuwde die ook uit. Buffalmacco liet het aan het gezelschap en Bruno drinken; dezen, die dit met de anderen te samen merkten, zeiden, dat Calandrino het zeker zelf had gestolen en er waren er onder, die hem dit hevig verweten. Maar toen Bruno en Buffalmacco met Calandrino waren achter gebleven, zeiden zij tot hem: Wij waren er wel zeker van, dat gij het zelf hebt gedaan en dat gij ons hebt willen wijs maken, dat het u ontstolen was om geen rondje te geven van het geld, dat gij daaruit geslagen hebt. Calandrino, die de bitterheid van de aloë nog niet had uitgespuwd, begon te zweren, dat hij het niet had gedaan. Buffalmacco zeide: Maar wat hebt gij er voor gehad, grappenmaker, te goeder trouw? Hebt gij er zes florijnen aan verdiend? Calandrino, die dit hoorde, begon te wanhopen. Hierop sprak Bruno: Hoor, Calandrino, in het gezelschap was er iemand, die zeide, dat gij hier een jonge vrouw tot uw beschikking hield en haar alles geeft en dat hij vast geloofde, dat gij dien het varken gestuurd hebt; gij kunt anderen goed misleiden. Gij hebt ons eens naar de Mugnone gebracht om zwarte steenen te verzamelen en toen gij ons op de galei hebt gezet zonder scheepsbeschuit, zijt gij er vandaan gegaan. Met uwe eeden gelooft gij op een andere manier ons wijs te maken, dat het varken, hetwelk gij hebt weggeschonken of verkocht hebt, u is ontstolen. Wij kennen nu uw grappen en gij zult ze ons niet meer leveren en daarom, om u de waarheid te zeggen, hebben wij die proefneming gedaan, daar wij wenschen, dat gij ons twee paar kippen geeft of wij vertellen alles aan monna Tessa. Calandrino, die zag, dat het niet werd geloofd en genoeg leed had, wilde niet den naijver van zijn vrouw op den koop toe hebben en gaf hun twee paar kippen. Toen zij het varken hadden gezouten, droegen zij het naar Florence en lieten Calandrino met de schade en misleid achter.

ZEVENDE VERTELLING.

Een student bemint een weduwe, welke op een ander verliefd, hem een geheelen winternacht in de sneeuw laat wachten. Hij laat haar door zijn toeleg daarna in het midden van Juli naakt op een toren blijven, blootgesteld aan de muggen en de paardenvliegen en aan de zon. [156]

De donna’s moesten erg lachen om dat ongeluk van Calandrino en zij zouden dit nog meer hebben gedaan, als het hen niet gespeten had, dat hem bovendien nog de kapoenen werden afgenomen. Bij het einde gelastte de koningin Pampinea te vertellen en zij begon aldus: Zeer geliefde donna’s. Het gebeurt heel dikwijls, dat list met list wordt overwonnen en daarom is het niet verstandig zich er in te verheugen anderen te misleiden. Wij hebben bij vele geschiedenissen over de uitgehaalde streken gelachen, maar nooit werd daarin gesproken van wraakoefening. Nu ben ik van plan met medelijden te spreken over een rechtvaardige boete, waarin een onzer burgeressen een grap haast met den dood moest betalen, daar deze zelf misleid werd en de list zich tegen haar keerde. Dat te hooren zal voor u van groot nut zijn, omdat gij u wel zult hoeden anderen te misleiden en voorzichtigheid te betrachten.

Kort geleden leefde er in Florence een jonge vrouw, schoon van lichaam en trotsch van ziel, van zeer edele geboorte, bekoorlijk en begiftigd met de goederen der fortuin, Elena genaamd. Zij bleef als weduwe achter en wilde niet hertrouwen, daar zij op een schoonen en naar haar keus aardigen jonkman verliefd was. Van elke zorg bevrijd verheugde zij zich met behulp van haar meid, waarin zij veel vertrouwen stelde, verscheidene malen met hem. Intusschen keerde een edele jonkman, Rinieri, uit onze stad, die lang te Parijs had gestudeerd, vandaar terug, niet om zijn wetenschap voor geld weer te verkoopen, gelijk velen doen, maar om de reden en de oorzaak der dingen te doorgronden, wat een edelman ten zeerste past. Hij leefde als burger en zeer geëerd om zijn adel en om zijn geleerdheid. Maar zooals dikwijls plaats heeft, dat zij, die de meeste kennis hebben, zich het lichtst door de liefde laten verdwazen, geschiedde dit met Rinieri. Toen hij tot ontspanning naar een feest was gegaan, verscheen daar Elena voor zijn oogen, in het zwart gekleed, gelijk onze weduwen loopen, naar zijn oordeel zoo schoon en bekoorlijk, als hij er nog nooit een scheen gezien te hebben en hij meende, dat hij zich gelukkig mocht noemen, aan wien God de gunst schonk haar naakt in de armen te sluiten. Hij zag haar dikwijls aan en daar hij wist, dat groote en dure dingen niet zonder moeite te verkrijgen zijn, besloot hij alles aan te wenden om haar te behagen, opdat hij daardoor haar liefde zou veroveren en ten volle genieten. De jeugdige donna, die de oogen niet steeds naar de hel hield gericht [157] maar die, zich hooger achtend dan zij was, ze gekunsteld deed rondstaren, merkte spoedig genoeg op, wie in haar behagen schepte. Toen zij Rinieri gewaar werd, sprak zij lachend in zichzelf:

Ik ben hier heden niet vergeefs gekomen, want als ik mij niet vergis, zal ik een haantje bij den snavel hebben genomen. Zij begon hem te begluren en deed haar best hem te toonen, dat zij op hem gesteld was. Want zij dacht, dat hoe meer zij hem inpakte en behagen in hem toonde, hoe meer haar schoonheid op prijs zou worden gesteld. De geleerde student, die de wijsgeerige gedachten terzijde had gesteld, richtte zijn gansche ziel tot haar meenend, dat hij haar bekoorde. Hij wist er verschillende redenen voor te vinden haar huis voorbij te gaan. De donna door de al genoemde oorzaak was er zoodoende zeer trotsch op en liet blijken, dat zij hem gaarne zag. De student vond aldus een middel zich met haar dienstmeid te verstaan, openbaarde haar zijn liefde en bad haar, dat zij zoo zou te werk gaan, dat hij de gunst der donna zou verwerven. De meid beloofde dit, vertelde het haar donna, die haar met het grootste gelach aanhoorde en zeide: Ziet, waar die zijn verstand ging verliezen, dat hij van Parijs heeft meegebracht! Laten wij hem geven, wat hij zoekt en gij moet hem zeggen, dat ik hem veel meer bemin dan hij mij, maar dat het mij past mijn eerbaarheid te bewaren, zoodat ik niet als de andere donna’s met ontbloot gelaat kan loopen en hij zal, als hij zoo wijs is, als hij zegt, mij zeer op prijs stellen. O die ongelukkige! Zij wist niet goed, mijn donna’s, hoe gevaarlijk het is zich met de studenten in verbinding te stellen.

De meid vond hem, en zeide, wat de donna haar had gelast. De student richtte verheugd warmer smeekbeden tot haar en schreef brieven, zond geschenken en dat alles werd goed ontvangen, maar hij kreeg slechts een vaag antwoord en zoo hield zij hem langen tijd aan het lijntje. Toen zij ten slotte alles aan haar minnaar had bekend, die er een weinig boos en jaloersch over was, zond de donna om te toonen, dat zijn wantrouwen ongegrond was, haar meid naar den student, die het haar zeer lastig maakte en berichtte uit haar naam, dat zij nooit gelegenheid had gehad zijn verlangen te bevredigen, sinds hij haar van zijn liefde had verzekerd, maar dat hij den volgenden avond—het was Kerstfeest—als het donker was, op haar binnenplaats zou komen en dat zij dan, zoo gauw zij kon, naar hem toe zou komen. De student meer dan welgemoed ging op den vastgestelden tijd naar het huis van de donna en werd door de meid op de binnenplaats gelaten; zij sloot die en hij wachtte de donna af. De donna had dien avond haar minnaar laten komen om aangenaam met hem te vertoeven, vertelde hem, wat zij van plan was te doen en voegde er bij: Nu kunt gij zien, hoe groot de liefde is, die ik hem toedraag, op wien gij dwaas jaloersch zijt geworden. De minnaar hoorde die woorden met groot genoegen aan verlangend te zien door daden, wat de donna hem met woorden te verstaan gaf. Het had juist dien dag sterk gesneeuwd en alles was blank, zoodat de student nog pas kort op de binnenplaats zich kouder begon te gevoelen dan hem lief was maar in afwachting, dat hij zich zou herstellen, hield hij dit geduldig uit. De donna sprak na eenigen tijd tot haar minnaar: Laat ons in de kamer gaan om uit een venster te zien, wat hij doet op wien gij zoo jaloersch geworden zijt en wat hij aan de dienstmeid zal antwoorden. Beide gingen dus naar een klein venster en toeziende zonder zelf gezien te worden, hoorden zij de meid uit een ander tot den student spreken en zeggen: Rinieri, mevrouw is de bedroefdste donna van de wereld; vanavond is een van haar broeders gekomen en heeft druk met haar gesproken; daarna wilde hij met haar avondmalen en is nog niet weggegaan. Maar ik geloof, dat hij spoedig zal heengaan. Zij kan natuurlijk niet komen; zij zal het zoo vlug zij kan doen en zij bidt, dat het U niet hindert te blijven wachten. De student, die geloofde, dat dit waar was, antwoordde: Gij moet aan mijn donna zeggen, dat zij zich over mij niet bezorgd maakt, voordat zij op haar gemak bij mij kan komen, maar dat zij dit zoo spoedig doet, als zij kan. De meid begaf zich naar binnen en ging slapen.

Toen sprak de donna tot haar minnaar: Welnu, wat zegt ge? Gelooft gij, dat, ik als ik wilde, wat gij vreest, zou dulden, dat hij daar beneden bleef om te bevriezen? Na die woorden ging zij met haar minnaar, die al ten deele tevreden was, naar bed. Zij vierden samen feest, smaakten genoegen, lachten om den ongelukkigen student en maakten er grappen op. De student, die door den binnenhof op en neer ging, maakte bewegingen om zich te verwarmen, maar had niets om te gaan zitten of om zich te beveiligen tegen den ijzel en vervloekte het lang vertoeven van den broeder en bij elk geluid, dat hij hoorde, geloofde hij, dat het de donna was, die hem zou opendoen; maar hij hoopte tevergeefs. Zij, die zich tot op de helft van den nacht met haar minnaar had verheugd, zeide tot hem: Hoe lijkt het je, mijn ziel, met onzen student? Wat schijnt U grooter zijn verstand of de liefde, die ik U toedraag? Zal de koude, die ik hem heb doen lijden, U dat uit het hart doen gaan, wat er door mijn woorden eergisteren in is gekomen! De minnaar antwoordde: Hartedief, ja, ik erken nu, hoe gij mijn schat zijt, mijn rust, mijn vreugde en al mijn hoop, gelijk ik de Uwe ben. En de donna sprak: Kus mij duizendmaal om te zien of gij de waarheid zegt. De minnaar omhelsde haar daarna innig en kuste haar geen duizend, maar wel honderdduizend keer. En toen zij zoo eenigen tijd gesproken hadden, zeide de donna: Kom, laat ons een weinig opstaan en laat ons gaan kijken of het vuur al wat gebluscht is, waarvan mijn nieuwe minnaar schreef, dat hij den ganschen dag brandde. En opgestaan gingen zij naar het venster en keken op de binnenplaats, waar zij den student met korte passen, terwijl zijn tanden klapperden, door de sneeuw zagen loopen, wat bij hem door te veel koude veroorzaakt werd, en zoo voortdurend en snel, dat zij nog nooit iets dergelijks gezien hadden. Toen sprak de donna: Wat zegt gij nu, mijn zoete hoop? Schijnt het U, dat ik de mannen kan laten dansen zonder trompet of doedelzak. De minnaar sprak hierop lachend: Ja, mijn heerlijk genoegen. De donna hernam: Ik wil, dat wij beneden naar de deur gaan, gij zult U stil houden, ik zal met hem spreken en wij zullen hooren, wat hij zeggen zal en wij zullen misschien niet minder pleizier hebben dan straks door hem te zien. Zij maakte de kamer zachtjes open, daalde af tot de deur en daar zonder die te openen riep de donna hem met gedempte stem door een gat, dat zij er was. De student, die roepen hoorde, prees God en geloofde al te licht binnen te mogen komen en deur genaderd sprak hij: Hier ben ik, madonna; bij God, doe open, want ik sterf van koude. De donna sprak: O ja, ik weet, dat gij een koukleum zijt en de koude is ook zeer groot, omdat er wat sneeuw is gevallen. Ik weet ook, dat dit veel erger gebeurt te Parijs. Ik kan U nog niet open doen, omdat die verwenschte broeder van mij, die gisteravond hier bij mij kwam, nog niet vertrekt, maar hij zal spoedig gaan en dan zal ik U dadelijk open doen. Ik ben pas met groote moeite hem ontvlucht om U te bemoedigen, dat het wachten U niet zal hinderen. De student sprak: Och madonna, ik bid U bij God, dat gij mij open zult doen, opdat ik gedekt kan staan; er is sinds kort hier de dichtste sneeuw van de wereld gevallen en ik zal op U wachten, tot het U aangenaam zal zijn. De donna zeide: Wee mij, mijn zoetelief, ik kan niet, want die deur maakt zoo’n leven, als zij opengaat, dat gij allicht bemerkt zult worden door mijn broeder, als ik U open doe. Maar ik zal hem zeggen, dat hij weg gaat, opdat ik daarna kan terugkeeren om U te openen. De student hernam: Ga dan vlug, en ik smeek U een goed vuur aan te leggen, opdat ik, als ik binnen zal komen, mij kan verwarmen, daar ik zoo koud ben geworden, dat ik mij zelf ternauwernood gevoel. De donna sprak: Dat kan niet zoo wezen; als het waar is, wat gij mij meermalen hebt geschreven, dat gij geheel van liefde brandt. Maar ik ga nu weg, wacht en houdt goeden moed. De minnaar, die dit alles hoorde en het grootste genoegen had, ging met haar weer naar bed, maar zij sliepen weinig dien nacht; daarentegen brachten zij dien geheel door met hun genoegen en in het bespotten van den student. De ongelukkige student (die wel een ooievaar geleek, zoo klapperde hij met de tanden) bemerkte, dat hij voor den gek was gehouden en beproefde verschillende malen of hij de deur kon openen, maar toen hij geen middel zag en als een leeuw in de kooi rondliep, vervloekte hij de ruwheid van het weer, de boosaardigheid van de donna, de lengte van den nacht en zijn onnoozelheid er bij en zeer verwoed op haar veranderde de langdurige en vurige liefde, die hij haar had toegedragen in wreeden en bitteren haat en bedacht hij zich te kunnen wreken, wat hij nu evenveel meer verlangde, als hij de donna eerst had begeerd.

De nacht na een zoodanig en lang verblijf spoedde ten einde en de dageraad begon op te komen. Daarom ging de dienstmeid op bevel van de donna naar beneden, opende die half en medelijden met hem voorgevend, sprak zij: Dat hij, die gisteravond gekomen is, een ongeluk krijgt. Hij heeft ons den geheelen nacht in wanorde gebracht en U doen bevriezen. Maar weet gij wat? Draag het in vrede, want wat deze nacht niet heeft kunnen wezen, zal een andere keer gebeuren, daar het niet kon geschieden, wat zoo aangenaam is voor mevrouw. De verwoede student, die als verstandig man wist, dat bedreigingen slechts wapenen voor den bedreigde zouden zijn, verkropte, wat de onbeteugelde wil wenschte uit te storten en met zachte stem zonder zich kwaad te toonen, zeide hij: Ik heb werkelijk den ergsten nacht van mijn leven doorgebracht, maar ik heb wel gezien, dat de donna er geen schuld aan heeft, omdat zij uit medelijden naar beneden kwam om zich te verontschuldigen en mij te troosten en gelijk gij zegt, wat deze nacht niet gebeurd is, komt een andere keer; beveel mij haar aan en ga met God.

Zoo goed als geheel verstijfd, ging hij, zoo gauw hij kon, naar huis; daar, vermoeid en stervend van slaap, wierp hij zich te bed om te rusten, en hij stond op of hij zijn armen en zijn beenen verloren had. Daarom zond hij om een dokter, vertelde hem van de koude, die hij doorleden had en liet hem voor zijn gezondheid zorgen. De dokter, die sterke en snel werkende middelen gebruikt had, kon hem ternauwernood na korten tijd de spieren genezen en maken, dat die zich zouden ontspannen en als hij geen jongeling geweest was en er geen warmte gevolgd was, zou hij veel te lijden gehad hebben. Maar toen hij weer sterk en flink was, verborg hij zijn haat en toonde zich meer dan ooit op zijn weduwe verliefd. Nu gaf de fortuin na een zeker verloop van tijd den student een gelegenheid om zijn verlangen te voldoen, omdat de jongeling, die door de weduwe bemind werd, (en die niet meer lette op de liefde, die zij hem toedroeg) op een andere donna verliefd werd en daar hij noch veel noch weinig wilde zeggen, noch in iets haar aangenaam wilde zijn, verging zij in tranen en in bitterheid. Maar haar meid, die zeer veel medelijden met haar had en geen middel vond om haar donna te troosten over de smart, die zij wegens den verloren minnaar voelde, zag den student op zijn gewone wijze door de straat gaan, kwam op een dwaze gedachte namelijk, dat de minnaar van haar donna door zwarte kunst haar opnieuw als vroeger zou liefhebben en dat de student hierin een groot meester was en zij vertelde haar dit. De donna dom, zonder te denken, dat, als de student de zwarte kunst had gekend, hij die voor zich gebruikt zou hebben, richtte haar geest naar die woorden en zeide haar meid, dat zij van hem zou te weten komen of hij dat wilde doen en beloofde stellig, dat zij om de verdienste daarvan voor haar zou doen, wat haar mocht behagen. De meid deed de boodschap goed en met ijver, en toen de student dit hoorde, zeide hij verheugd in zich zelf: God, wees geloofd; de tijd is gekomen, dat ik met Uw hulp de booze vrouw zal doen boeten voor de beleediging mij aangedaan. En tot de meid zeide hij: Zeg, aan mijn donna, dat, zoo haar minnaar in Indië was, ik die spoedig zou doen komen en genade laten vragen voor wat hij tegen haar mocht gedaan hebben, maar wat het middel betreft, dat zal ik haar zeggen, wanneer en waar het haar zal behagen.

De meid bracht het antwoord over en regelde het zoo, dat zij samen kwamen in Santa Lucia del Prato. Toen de donna met de student alleen was en zij samen spraken, herinnerde zij zich niet, dat zij hem haast vermoord had, vertelde hem alles, wat zij verlangde en smeekte hem om haar geluk. De student sprak tot haar: Madonna, het is waar, dat onder de dingen, die ik te Parijs leerde, de zwarte kunst behoort, die ik grondig ken, maar omdat die Gode zeer ongevallig is, heb ik gezworen die nooit voor mij noch voor anderen aan te wenden. Het is waar, dat mijn liefde voor u zoo sterk is, dat ik u niets kan weigeren en als ik naar het huis van den duivel moet gaan, ben ik om u bereid dit te doen. Maar ik herinner u er aan, dat dit een gevaarlijker zaak is dan gij denkt, wanneer een vrouw een man of een man een vrouw, haar of hem er weer toe brengt hem of haar lief te hebben zonder wederliefde en dat de ander zeker van zich zelf moet zijn, daar het bij nacht moet gebeuren en op eenzame plaatsen, waartoe ik niet weet of gij wel bereid zijt. Hierop antwoordde de donna meer verliefd dan verstandig: Amor prikkelt mij zoo, dat ik alles zou doen om hem terug te hebben, die mij ten onrechte verliet, maar in ieder geval zeg mij, welken moed ik moet hebben.

De student, die kwaad gezind was, sprak: Madonna, ik moet een beeld van tin van hem hebben om hem te heroveren; wanneer ik u dit terugzend, moet gij, als de maan zeer afneemt, naakt in een beek van stroomend water gaan in den tijd van den eersten slaap en geheel alleen en zeven maal moet gij dit met u baden en daarna naakt moet gij op een boom klimmen of op een onbewoond huis en naar het noorden gewend moet gij zekere woorden uitspreken, die ik u geschreven zal geven. Zoodra gij die gezegd hebt, zullen twee der schoonste jonge dames tot u komen. Zij zullen u groeten en bekoorlijk vragen, wat gij wilt. Aan hen zult gij al uw wenschen mededeelen en pas er voor op, dat gij niet den eenen in plaats van den anderen naam noemt. Zoodra gij die gezegd hebt, zullen zij heengaan en gij zult neerdalen naar de plaats, waar gij uw kleeren hebt gelaten, u aankleeden en naar huis terug keeren. En voorzeker, het zal niet de helft van den volgenden nacht worden of uw minnaar zal klagend hier komen om genade en dan zal hij u nooit om een andere vrouw verlaten. De donna, die hem vertrouwde, scheen haar minnaar al opnieuw in de armen te hebben en zei al half gelukkig: Ik twijfel er niet aan, of ik zal alles goed volbrengen en ik ben er geheel toe bereid, want ik heb een buiten boven den Val d’Arno, dat dicht genoeg bij den oever van de rivier is en het is juist Juli, wat voor het baden aangenaam zal zijn. En ik herinner mij, dat daar niet ver vandaan een eenzame toren is, waar soms de herders langs de treden van kastanjehout op een terras komen om naar hun verdwaalde beesten uit te zien, een zeer eenzame plek; daar zal ik opklimmen en hoop te doen, wat gij mij hebt bevolen.

De student, die het buiten en den toren kende en blij was zeker van haar voornemen te zijn, sprak: Madonna, ik was nooit in dien omtrek, en ik ken daarom noch het buiten noch den toren, maar als dat is, gelijk gij zegt, kan het niet beter. Als het tijd is zal ik u het beeld en de tooverspreuk zenden en ik zal u goed hebben gediend, zoodat gij aan mij zult denken en uw belofte aan mij zult houden. De donna zeide, dat zij dit zonder twijfel zou doen en nadat zij van hem afscheid had genomen, ging zij naar huis terug. De student verheugd, dat, wat hij overlegd had, zou slagen, maakte een beeld en schreef een verzinsel van tooverwoorden als bezwering, zond die aan de donna en liet haar berichten, dat zij den volgenden nacht zonder verwijl zou doen, wat hij gezegd had. Daarna ging hij met een van zijn bedienden naar het huis van een zijner vrienden, dat dicht bij den toren was om zijn plan ten uitvoer te brengen. Ook de donna begaf zich met haar meid naar haar buiten en toen de nacht was gekomen en zij deed of ze naar bed ging, zond zij de meid ter ruste en in het uur van den eersten slaap, stil uit het huis gegaan, begaf zij zich in de buurt van den toren naar den oever van de Arno. Nadat zij goed had rond gekeken, niemand zag of hoorde, ontkleedde zij zich, legde haar goed onder een struik, baadde zich zevenmaal met het beeld en daarop naakt, met het beeld in de hand, ging zij naar den toren. De student, die bij het aanbreken van den nacht met zijn knecht tusschen wilgen en andere boomen bij den toren verborgen was en alles zag, had toch medelijden, toen zij geheel naakt voorbij ging en haar aanschouwde, die met de blankheid van haar lichaam de duisternis van den nacht overwon en toen hij naderbij de borst en de onderdeelen van haar gestalte gewaar werd en zoo schoon vond en bedacht, wat daar mee zou gebeuren. Van den anderen kant overviel hem opeens de prikkeling van het vleesch, die hem deed oprijzen en hem dreef uit zijn schuilhoek te gaan, haar te nemen, zijn begeerte te bevredigen en hij was bijna door zijn gevoelens overwonnen. Maar toen hij zich herinnerde wie hij was en de ontvangen beleediging en waarvoor en door wie, ontvlamde zijn toorn weer, verjoeg hij het medelijden en de vleeschelijke begeerte en liet haar gaan. De donna, die op den toren was geklommen en zich naar het noorden had gekeerd, sprak de opgegeven woorden uit. De student klom kort daarop heimelijk in den toren, nam zachtjes den ladder weg, waarmee de donna op het terras was gekomen en wachtte. De donna begon nu de twee jonge meisjes af te wachten en bleef zoo lang, (zonder dat de koelte van den nacht haar langer scheen) tot ze de dageraad zag aanbreken. Bedroefd, omdat niet gebeurd was, wat de student haar had gezegd, sprak zij tot zich zelf: Ik vrees, dat die mij een nacht heeft willen bezorgen als ik aan hem, maar als hij dit heeft gewild, heeft hij zich slecht weten te wreken, want die duurt slechts het derde van den zijne, terwijl de koelte van een ander soort was. En opdat de dag haar daar niet zou vinden, wilde zij van den toren afdalen, maar vond er den ladder niet. Toen, alsof de wereld haar onder de voeten was weggerukt, viel zij bewusteloos op het terras van den toren neer. Nadat haar krachten terugkeerden, begon zij ellendig te weenen en te klagen en nu zij begreep, dat dit de toeleg van den student was geweest, herinnerde zij zich een ander beleedigd te hebben en hem daarna te veel te hebben vertrouwd, dien zij zeker als haar vijand had moeten beschouwen en zoo bleef zij daar langen tijd. Toen rondziende of er een weg was om af te dalen, dien zij niet vond, begon zij opnieuw te klagen en zeide tot zichzelf: O ongelukkige, wat zullen Uw broeders, en familie en buren en alle Florentijnen zeggen, wanneer men weet, dat gij hier naakt gevonden zijt? Uw eerbaarheid, tot hiertoe standvastig, zal men kennen als valsch en als gij hiervoor leugenachtige verontschuldigingen wilt zoeken, die er toch niet zijn, zal de vervloekte student U niet laten liegen. Ach ongelukkige, die gij zijt, die op hetzelfde oogenblik den vergeefs beminden jonkman en Uw eer hebt verloren. Zij werd zoo bedroefd, dat zij zich van den toren wou werpen. Maar daar de zon al op was, naderde zij dicht een der randen van den muur van den toren en keek of daar niet een herdersknaap met zijn kudde naderde, dien zij naar haar meid kon sturen. Maar de student, die aan den voet van een struik wat had geslapen, stond op, zag haar en zij hem. De student sprak tot haar: Goeden dag, mevrouw. Zijn de jonge dames nog gekomen? De donna begon opnieuw zeer te klagen en smeekte hem, dat hij in den toren kwam, opdat zij hem kon spreken. De student was daartoe beleefd genoeg. De donna, die zich plat op den buik had gelegd, stak alleen het hoofd over den rand van den uitgang en sprak weenend: Rinieri, indien ik U een slechten nacht heb bezorgd, hebt gij U wel op mij gewroken, omdat ik, hoewel het Juli is, dezen nacht, daar ik geheel naakt was, meende te bevriezen. Buitendien heb ik zoo gehuild over Uw bedrog en mijn dwaasheid, dat het een wonder is, hoe mijn oogen mij nog in het hoofd zijn gebleven. En daarom bid ik U niet om mij, die gij niet kunt liefhebben, maar om U zelve als edelman, dat dit U voldoende is als wraak over de beleediging, die ik U heb aangedaan. Laat mij mijn kleeren brengen, opdat ik hier afkom en ontneem mij niet, wat gij mij later niet kunt teruggeven, namelijk mijn eer. En als ik U er van heb beroofd dien nacht met mij samen te zijn, zal ik, wanneer gij wilt, U er velen voor dien eenen teruggeven. Laat het U als een waardig man genoeg wezen U te hebben gewroken en het mij te hebben doen gevoelen; oefen Uw kracht niet uit jegens een vrouw, want het is geen eer voor een adelaar een duif te hebben overwonnen; daarom bij de liefde van God en bij Uw eer, heb medelijden met mij.

De student, die met wreede ziel zich de ontvangen beleediging herinnerde en haar zag schreien en smeeken, had tegelijk vreugde en verdriet; vreugde over de wraak, die hij meer dan iets anders had verlangd en verdriet, daar de barmhartigheid hem bewoog medelijden met haar te hebben. Maar toch, daar deze niet de wreedheid van zijn begeerte kon overwinnen, antwoordde hij: Madonna Elena, indien mijn smeekbeden (welke ik weliswaar niet kon baden in tranen noch honingzoet kon maken als gij thans de Uwen) mij hadden doen bereiken in den nacht, dat ik in Uw hof vol sneeuw stierf van koude, dat ik alleen een weinig onder dak kwam, zou het mij nu licht vallen de Uwen in te willigen. Maar indien gij thans meer om Uw eer geeft dan vroeger en als het U zoo pijnlijk is daarboven naakt te blijven, richt dan die beden tot hem, in wiens armen gij geen vrees hadt gedurende den nacht, welke gij U herinnert, naakt te zijn gebleven, terwijl gij wist, dat ik klappertandend op Uw binnenplaats heen en en weer liep en in de sneeuw stampvoette en laat u door hem helpen, laat door hem uw kleeren halen, laat door hem den ladder aanbrengen om af te dalen, tracht hem barmhartigheid in te boezemen met uw eer, dien gij niet geaarzeld hebt zoowel thans als duizend andere keeren in gevaar te stellen. Waarom roept gij hem niet om u te hulp te komen? Gij zijt de zijne en wie zal hij beschermen of helpen, als hij u niet behoedt of van dienst is? Roep hem, gekkin, die gij zijt, en bewijs, dat de liefde, die gij hem toedraagt, en dat uw slimheid en de zijne u van mijn onnoozelheid kunnen bevrijden naar aanleiding van welke, toen gij u met hem verheugde, gij gevraagd hebt, wat hem grooter scheen: mijn dwaasheid of de liefde, die gij hem hebt toegedragen. Gij kunt thans niet welwillend zijn voor wat ik niet verlang, noch het weigeren, als ik het verlangen zou. Behoudt de nachten voor uw minnaar, als gij hier levend vandaan mocht komen. Uw nachten behooren aan hem: ik heb van één te veel en het is mij voldoende ééns te zijn bespot. En bovendien, gij gebruikt al uw slimheid met praten om mijn welwillendheid te verkrijgen door te vleien en gij noemt mij een ridder en heimelijk poogt gij mij te leiden, opdat ik als edelmoedig man zal ophouden u te straffen voor uw boosheid. Maar uw vleierijen zullen thans mijn geestesoogen niet verduisteren gelijk uw oneerlijke beloften vroeger het deden. Ik ken mijzelf; ik heb nooit zooveel daarvan geleerd, toen ik in Parijs was als gij mij in één enkelen nacht er van hebt doen ervaren. Maar ondersteld, dat ik toch edelmoedig zou zijn, zijt gij niet van degenen op wie edelmoedigheid invloed kan hebben. Het einde van de straf bij wilde dieren gelijk gij er een zijt en evenzoo van de wraak moet de dood zijn, waar bij menschen genoeg is, wat gij wilt. Daarom, hoewel ik geen adelaar ben, en gij geen duif, daar ik u ken als een vergiftige slang, wil ik als een zeer oude vijand u vervolgen met al mijn haat en al mijn kracht, met al datgene, wat ik u doe en wat men niet zoozeer wraak kan noemen, maar veeleer kastijding, in zooverre, dat de wraak de beleediging zou moeten overtreffen, wat hier niet zal gebeuren. Daarom als ik mij zou willen wreken, wanneer ik er aan denk, aan welk uiterste gij mij hebt blootgesteld, zou uw leven mij niet voldoende zijn, indien ik het u zou ontnemen noch honderd anderen aan het uwe gelijk, omdat ik een gemeen en verdorven en slecht vrouwspersoon zou dooden. En wat duivel—indien het beetje schoonheid van uw gelaat binnen weinig jaren door rimpels verdwenen zal zijn, zijt gij meer dan een of andere jammerlijke dienstmeid, die haast een edelman had doen sterven, wiens leven op één dag van meer nut kan zijn dan honderdduizend van uw soort het kunnen wezen, zoolang als de wereld zal bestaan. Ik zal u leeren door de smart, die gij hebt te verduren, wat het is mannen te bespotten, die een gevoel in hun hart hebben, en om studenten voor den gek te houden en ik zal u de gelegenheid geven niet meer tot zulk een dwaasheid te vervallen, indien gij er nu aan ontkomt.

Maar als gij zulk een groot verlangen hebt om af te dalen, waarom werpt gij u dan niet op de aarde? Dan zult gij tegelijk met Gods hulp uw hals brekend uit de kwelling raken, waarin gij zijt en mij tevreden stellen. Thans wil ik u niets meer zeggen; ik heb u naar boven laten klimmen, ziet gij thans maar naar beneden te komen, gelijk gij het spotten verstond. Terwijl de student dit zeide, schreide de ongelukkige donna voortdurend en de tijd verstreek met het stijgen van de zon. Maar toen hij zweeg, zeide zij: Zie, man zonder hart, als die vervloekte nacht zoo smartelijk voor je was en mijn misstap u zoo groot schijnt, dat noch mijn jeugdige schoonheid, noch mijn bittere tranen, noch mijn nederige smeekbeden uw medelijden opwekken, laat u dan tenminste bewegen en uw strenge hardheid verminderen daardoor alleen, dat ik mij u opnieuw heb toevertrouwd en u elk geheim heb geopenbaard, waarmee ik u de gelegenheid heb gegeven mij mijn zonde te doen beseffen, want had ik dat niet gedaan, dan hadt gij geen middel kunnen vinden u te wreken. Ach, laat die toorn varen en vergeef mij voortaan, ik ben, wanneer gij mij wilt vergeven, bereid den oneerlijke jonkman geheel te verlaten en u alleen tot minnaar te hebben en tot heer, hoewel gij mijn schoonheid hebt gelaakt en zeide, dat die van korten duur was en niet veel waard. Hoedanig mijn schoonheid ook is, ik weet, dat, als die van andere vrouwen, indien zij voor u om niets anders waarde heeft, deze toch een verlangen is en een tijdverdrijf en een genot voor de jeugd en gij zijt niet oud. En hoewel ik door u wreed ben behandeld, geloof ik niet, dat gij zulk een smadelijken dood wilt zien mij als een wanhopige hier af te werpen voor uw oogen, dien ik, als gij geen leugenaar zijt geworden, vroeger zoo heb bekoord. Ach, heb medelijden met mij om Gods wil. De zon begint al te heet te worden en gelijk de koelte van den nacht mij hinderde, begint mij de warmte zeer te kwellen.

Hierop antwoordde de student, die er genoegen in had dit gesprek te verlengen: Madonna, uw vertrouwen bleef niet in mijn handen om de liefde, die gij mij hebt toegedragen, maar om dien te herkrijgen, die gij hadt verloren en daarom verdient het nog grooter straf. En gij denkt dwaas, dat dit de eenige weg was, die voor mijn wraak open was. Ik had er duizend anderen en duizend strikken had ik om uw voeten gespannen, terwijl ik veinsde u lief te hebben, en het kon slechts kort duren, dat gij er niet in hadt moeten geraken. En gij zoudt door allen in grooter kwelling en schande zijn dan die u thans te beurt vielen. En ik heb deze gekozen niet om u te verlichten maar om eerder tevreden te zijn. En als alle deze mij hadden ontbroken, had mij de veder nog niet in den steek gelaten, waarmee ik op zoodanige wijze Uw daden zou beschreven hebben, dat gij ze u herinnert zóó, dat gij duizendmaal per dag zoudt wenschen niet geboren te zijn. De krachten van de pen zijn veel grooter dan zij meenen, die het niet uit ervaring weten. Ik zweer God (en Hij moge begeeren, dat deze wraak, die ik op mij neem, bij het eind er van verheugen zal en evenzoo als het begin), dat ik zoo over u zal schrijven, dat gij u niet alleen zult schamen voor anderen, maar ook voor u zelve en om u zelf niet te zien u de oogen zult willen uitsteken en verwijt daarom de zee niet aangegroeid te zijn uit een kleine beek. Dat gij de mijne wordt, daarom bekommer ik mij niet; behoor slechts aan hem, van wien gij geweest zijt, als gij kunt. Gelijk ik hem vroeger heb gehaat, ben ik hem nu welgezind om hetgeen hij u thans heeft gedaan. Gij wordt verliefd op jongelieden, omdat zij wat meer kleur hebben, wat donkerder baard, omdat zij meer rechtop loopen, dansen en wapenspelen uitvoeren; maar het is ook hun eigen, die wat ouder zijn en die weten, wat zij nog hebben te leeren. En bovendien acht gij hen beter ruiters, omdat zij meer mijlen per dag afleggen dan rijpere mannen, en ik weet wel, dat zij met meer kracht de rokken uitschudden, hoewel de ouderen beter de plaatsen weten, waar de vlooien zitten en het is veel beter het weinige en smakelijke te kiezen dan het vele en smakelooze en het harddraven breekt en vermoeit, hoe jong men ook is, terwijl het zacht gaan, hoewel wat later, rustig naar de herberg voert. Gij bemerkt niet evenals de dieren, hoeveel kwaad er onder zoo weinig uiterlijke schoonheid verborgen is. De jongelieden zijn met een niet tevreden, maar verlangen er zooveel zij zien als hunner waardig; daarom kan hun liefde niet standvastig zijn en gij kunt er thans een zeer ware getuigenis van geven. Het schijnt hun, dat zij waard zijn door de donna’s ontzien en geliefkoosd te worden en kennen geen grooter glorie dan zich te beroemen op degenen, die zij gehad hebben, welk gebrek er velen beneden de monniken stelt, die het tenminste niet weer over vertellen. Hoewel gij zegt, dat Uw liefde niet bekend is dan aan Uw meid en aan mij, weet gij dit slecht en gelooft het zelf ook niet. In haar straat en in de Uwe spreekt men van niets anders, maar de meeste keeren is de laatste, wiens ooren dit bereikt, degene, met wien dit plaats had. De jongelieden berooven U bovendien, terwijl de anderen U geschenken geven. Gij hebt dus slecht gekozen; behoor aan hem, aan wien gij U hebt gegeven en laat mij, dien gij bespot hebt, aan anderen over, want ik heb een veel beter donna dan gij gevonden, die mij beter kent. En opdat gij naar de andere wereld een grooter zekerheid van het verlangen van mijn oogen kunt meenemen dan gij in deze toont te bezitten uit mijn woorden, werp U daarvoor dadelijk naar beneden en Uw ziel, reeds opgevangen in de armen van den duivel, zal kunnen gewaar worden of mijn oogen vochtig zullen worden, indien ik U zie neerstorten. Maar daar gij mij dit genoegen niet zult aandoen, raad ik U, als de zon U begint te verhitten U te herinneren, welk een koude ge mij hebt doen lijden; dan zult gij de zon zonder twijfel matiger gevoelen.

De troostelooze donna ziende, dat de woorden van den student tot een hard einde voerden, begon opnieuw te weeklagen en zeide: Zoo gij geen medelijden hebt, laat dan de liefde U roeren, welke gij draagt voor een donna verstandiger dan ik, die gij hebt gevonden en door welke gij bemint wordt en vergeef mij om de liefde tot haar. Geef mij mijn kleeren terug, opdat ik mij kan aankleeden en laat mij gaan. Toen begon de student te lachen en ziende, dat het derde uur al voorbij was, antwoordde hij: Kijk, ik kan nu niet weigeren, omdat gij mij dit om die donna gevraagd hebt. Wijs mij die en ik zal er heen gaan en U hiervan doen afklimmen. De donna, die dit geloofde, kreeg een weinig moed en wees hem de plaats, waar zij de kleeren gelegd had. De student uit den toren gegaan, gelastte aan zijn knecht, dat hij daar niet vandaan zou gaan, en dat niemand daar in zou gaan, eer hij was terug gekeerd en bij die woorden keerde hij naar het huis van zijn vriend terug en ontbeet daar op zijn gemak en toen ging hij slapen. De donna op den toren, hoewel door dwaze hoop een weinig bemoedigd, ging heel treurig zitten en aan dien kant van den muur, waar een weinig schaduw was. Hopend en wanhopend aan den student en de kleeren en van de eene gedachte op de andere overspringend, sliep zij in, alsof zij door smart overwonnen was en of zij in den afgeloopen nacht niet had gerust. De zon, die brandend was en al tot de middaghoogte gestegen, trof recht haar naakt, teeder, fijn lichaam en haar hoofd door niets bedekt met zooveel kracht, dat niet alleen het vel verbrandde maar het langzaam open ging en de hitte was zoo, dat zij, die in diepen slaap was, gedwongen werd op te staan. Terwijl zij zich voelde blakeren en zich wat bewoog, scheen het haar daarbij, dat de geheele verschroeide huid openging en barstte, gelijk wij dat zien gebeuren met brandend perkament, als men het daarna wil uitrekken en haar hoofd deed vreeselijk pijn. Het terras van den toren was zoo gloeiend, dat zij er met de voeten noch met een ander lichaamsdeel plaats kon vinden, zoodat zij zonder stil te kunnen staan dan hier dan daar huilend rond liep. En bovendien, daar er in ’t geheel geen wind was, waren er tal van muggen en vliegen, die zich op de open huid neerzetten en haar zoo pijnlijk staken, dat elk haar een prik met een naald scheen te geven, zoodat zij met de handen geen oogenblik rust had en zich zelf, haar leven, haar minnaar en den student vervloekte. Door duizend kwellende gedachten beangst en geprikkeld en gekwetst ging zij op de teenen staan om te zien of zij in den omtrek iemand gewaar werd, bereid, wat er ook van zou komen, hulp te vragen. Maar ook dit had het vijandige noodlot haar ontroofd.

De boeren waren allen door de hitte van de velden vertrokken, en er kwam bij, dat dien dag niemand daar in de buurt was gaan werken, omdat allen in hun huis aan het dorschen waren. Daarom hoorde zij niets anders dan den krekel en zag de Arno, die haar het verlangen schenkend naar zijn water, haar dorst niet leschte maar verergerde en op verschillende plaatsen zag zij bosschen, schaduwen en huizen, waar zij verlangde te wezen en die haar allen angst inboezemden. Wat zullen wij nog meer van de arme donna zeggen? De zon boven haar en de hitte van den bodem onder haar en de steken van de muggen en de vliegen rondom hadden haar van alle kanten in zulk een toestand gebracht, dat zij, die den vorigen nacht met haar blankheid de duisternis scheen te overwinnen, toen zoo rood was geworden als meekrap en nu bestreept met bloed, voor wie haar gezien zou hebben, de leelijkste vrouw ter wereld scheen en aldus niets anders dan den dood verwachtte. Toen de halve noen al voorbij was, stond de student uit zijn siësta op, dacht aan de donna en ging naar den toren terug om te kijken, hoe het met haar gesteld was en zond zijn knecht, die nog nuchter was, weg om te gaan eten. Toen de donna hem bespeurd had, zwak en angstig van de hevige kwelling, kwam zij op den rand van den ingang boven, ging zitten en begon schreiend te zeggen: Rinieri, gij hebt U wel verschrikkelijk gewroken, want indien ik U op mijn binnenplaats bij nacht deed bevriezen, hebt gij mij vandaag op dezen toren doen roosteren, zelfs verbranden en doen sterven van honger en dorst. Daarom bid ik U bij den eenigen God, dat gij naar boven komt en daar ik den moed niet heb mij zelf te dooden, schenk mij dien, want ik verlang dien meer dan iets anders, zoo groot en zoodanig is de marteling, die ik voel. En als gij mij die gunst niet wilt schenken, geef mij dan tenminste een beker water, dat ik mij den mond kan verkoelen, waartoe mijn tranen niet voldoen, zoo is de droogheid en de brand, die mij kwelt. De student herkende wel haar zwakheid aan haar stem en zag ook ten deele haar lichaam geheel geroosterd door de zon, zoodat hij door haar nederige gebeden wat medelijden met haar kreeg, maar toch antwoordde hij: Slechte vrouw, gij zult door mijn hand niet sterven, maar toch door de Uwe, als dit Uw wil is en gij zult zooveel water krijgen van mij voor de verlichting van Uw hitte als gij mij vuur hebt gegeven voor de verlichting van mijn koude. Een ding doet mij verdriet, dat de ziekte van mijn koude moest genezen met de hitte van vieze mest, terwijl Uw verhitting genezen zal met de koude van welriekend rozenwater en terwijl ik de spieren moest verliezen en het geheele lichaam, zult gij, verschroeid door die hitte zoo mooi blijven als de slang, die een oude huid heeft afgelegd.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us