De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) (part 3 of 3)
Er is reden om te vermoeden, dat in sommige gevallen de mensch door teeltkeus indirect invloed heeft uitgeoefend op zijn eigen seksevoortbrengende vermogens. Zekere vrouwen hebben een geneigdheid gedurende haar geheele leven meer kinderen van de eene sekse dan van de andere voort te brengen; en het zelfde gaat door bij vele dieren, bij voorbeeld koeien en paarden. Zoo vermeldde ik boven (blz. 481) reeds, dat volgens den heer Wright van Yeldersley House, een zijner Arabische merries, hoewel zevenmaal door verschillende hengsten gedekt, zeven merrieveulens voortbracht. Hoewel ik zeer weinig bewijzen er voor heb, zou de analogie leiden tot het geloof, dat de neiging om bij voorkeur jongen van een bepaalde sekse voort te brengen, kan worden overgeërfd gelijk bijna elke andere eigenaardigheid, bij voorbeeld die om tweelingen voort te brengen; en betreffende deze laatste geneigdheid heeft de heer J. Downing mij feiten medegedeeld, die schijnen te bewijzen dat dit plaats heeft bij sommige families van korthoornige runderen. Kolonel Marshall [621] heeft vóór eenige jaren na zorgvuldig onderzoek bevonden, dat de Toda’s, een bergstam in Engelsch Indië, bestaan uit 112 mannen en 84 vrouwen van allerlei leeftijd—dit is een verhouding van 133.3 mannen op 100 vrouwen. De Toda’s, bij wier huwelijken veelmannerij (polyandrie) heerscht, brachten in vroeger tijd onveranderlijk de meeste vrouwelijke kinderen om het leven; maar deze gewoonte is nu sedert aanmerkelijken tijd afgeschaft. Bij de in de laatste jaren geboren kinderen zijn de jongens talrijker dan de meisjes in de verhouding van 124 tot 100. Kolonel Marshall verklaart dit feit op de volgende vernuftige manier. „Laat ons bij voorbeeld drie huisgezinnen nemen om het gemiddelde van den geheelen stam voor te stellen; stel dat ééne moeder zes dochters en geen zoon voortbrengt; dat een tweede moeder alleen zes zoons heeft, terwijl de derde moeder drie zoons en drie dochters heeft. De eerste moeder doodt, volgens de gewoonte van den stam, vier dochters en houdt er twee in leven. De tweede behoudt haar zes zoons. De derde doodt twee dochters en houdt er ééne, alsook haar drie zoons. Wij hebben dus uit de drie huisgezinnen negen zoons en drie dochters, die hun geslacht verder voortplanten. Doch terwijl de mannen grootendeels behooren tot huisgezinnen waarin de geneigdheid om zoons voort te brengen groot is, behooren de vrouwen grootendeels tot die bij welke geen geneigdheid bestaat om bij voorkeur meisjes voort te brengen. Zoo versterkt zich de geneigdheid om bij voorkeur jongens voort te brengen met elke generatie, totdat wij eindelijk vinden, dat de huisgezinnen in den regel meer zoons dan dochters hebben.”
Dat dit het gevolg zou zijn van bovengenoemden vorm van kindermoord, schijnt bijna zeker; als wij ten minste aannemen, dat de geneigdheid om bij voorkeur kinderen van een bepaalde sekse voort te brengen, erfelijk is. Daar echter de bovengenoemde getallen zoo uiterst weinige zijn, heb ik naar meer bewijzen gezocht, maar kan niet beslissen, of hetgeen ik heb gevonden, vertrouwen verdient; toch zijn de feiten echter wellicht vermeldenswaardig. De Maori’s van Nieuw-Zeeland hebben lang kindermoord gepleegd, en de heer Fenton [622] getuigt, dat hij „voorbeelden heeft ontmoet van vrouwen die vier, zes en zelfs zeven harer kinderen, en wel meest meisjes, hadden vermoord. Zij die het meest bevoegd zijn er over te oordeelen, getuigen algemeen, dat dit gebruik sedert vele jaren bijna geheel heeft opgehouden te bestaan. Waarschijnlijk mag men aannemen, dat 1835 het jaar is, waarin het geheel in onbruik is geraakt.” Nu worden er bij de Nieuw-Zeelanders, evenals bij de Toda’s, aanmerkelijk meer jongens dan meisjes geboren. De heer Fenton merkt op (blz. 30): „Eén ding is zeker, hoewel de juiste tijd waarop deze vreemde toestand van wanverhouding tusschen de beide seksen is begonnen, niet met zekerheid kan worden bepaald, is het volkomen duidelijk, dat deze afneming in volle werking was gedurende de jaren 1830 tot 1844, toen de niet-volwassen bevolking van 1844 werd voortgebracht, en met groote kracht tot heden toe is voortgegaan.” De volgende opgaven zijn ontleend aan den heer Fenton (blz. 26); maar daar de getallen niet groot zijn en de volkstelling niet nauwkeurig was, kan men geen eenvormige resultaten verwachten. Men bedenke in dit en het volgende geval, dat de normale toestand van iedere bevolking een overmaat van vrouwen is, ten minste in alle beschaafde landen, voornamelijk ten gevolge van de grootere sterfte van de mannelijke sekse gedurende de jeugd, en gedeeltelijk van allerlei ongevallen in hun latere leven. In 1858 schatte men de inlandsche bevolking van Nieuw-Zeeland op 31667 mannen en 24303 vrouwen van allerlei leeftijd, dat is in de verhouding van 130.3 mannen op 100 vrouwen. Maar in dit zelfde jaar werden in sommige beperkte districten de getallen met veel zorg nagegaan, en waren hier de mannen van allerlei leeftijd 753 en de vrouwen 616 in getal; dat is in de verhouding van 122.2 mannen op 100 vrouwen. Het is belangrijker voor ons, dat men in dat zelfde jaar 1858 bevond, dat in het zelfde district het aantal onvolwassen mannen 178 en het aantal onvolwassen vrouwen 142 was, dat is in de verhouding van 125.3 tot 100. Men kan er bijvoegen, dat in 1844, op welken tijd het dooden van vrouwelijke kinderen nog maar pas had opgehouden, de onvolwassen mannen in een district 281 en de onvolwassen vrouwen slechts 194 in getal waren, dat is in de verhouding van 144.8 mannen op 100 vrouwen.
Op de Sandwich-eilanden overtreffen de mannen de vrouwen in aantal. Kindermoord werd daar vroeger op schrikbarende wijze gepleegd, maar was in geenen deele tot vrouwelijke kinderen beperkt, gelijk wordt aangetoond door den heer Ellis [623] en mij is medegedeeld door bisschop Staley en den weleerw. heer Coan. Toch merkt een ander naar het schijnt geloofwaardig schrijver, de heer Jarves [624], wiens waarnemingen zich over den geheelen archipel uitstrekken, op:—„Men vindt zeer vele vrouwen die bekennen van drie tot zes of acht harer kinderen te hebben gedood”; en hij voegt er bij: „Meisjes worden veelvuldiger gedood dan jongens, omdat men ze als minder nuttig beschouwt dan deze.” Wegens hetgeen men weet dat in andere deelen der wereld geschiedt, is dit waarschijnlijk juist, maar moet toch met veel omzichtigheid worden ontvangen. Het gebruik van kindermoord hield omstreeks het jaar 1819 op, toen de afgodendienst werd afgeschaft en zendelingen zich op de eilanden nederzetten. Een zorgvuldige telling in 1839 van de volwassen en belastingschuldige mannen en vrouwen op het eiland Kauai en in één district van Oahu (Jarves, blz. 404), geeft 4723 mannen en 3776 vrouwen; dat is in de verhouding van 125.08 tot 100. Terzelfdertijd was het aantal mannen beneden veertien jaar op Kauai en beneden achttien op Oahu 1797, en dat van de vrouwen van den zelfden leeftijd 1429; en hier hebben wij de verhouding van 125.75 mannen op 100 vrouwen.
Bij een volkstelling van al de eilanden in 1850 [625], bedroeg het aantal mannen van allerlei leeftijd 36272, dat der vrouwen 33128, zoodat de verhouding was 109,49 tot 100. Het aantal mannen beneden zeventien jaar bedroeg 10773, en dat der vrouwen beneden den zelfden leeftijd 9593, zoodat de verhouding was 112.3 tot 100. Volgens de volkstelling van 1872 staat het aantal mannen van allerlei leeftijd (met inbegrip van die van gekruist ras) tot dat der vrouwen als 125.36 tot 100. Men bedenke, dat al deze opgaven omtrent de Sandwich-eilanden de verhouding tusschen het aantal levende mannen en vrouwen aangeven; en te oordeelen naar wat de statistiek in alle beschaafde landen leert, zou het aantal mannen in verhouding nog veel grooter zijn geweest, als de getallen op de geboorten betrekking hadden gehad. [626]
Uit de verschillende bovenstaande gevallen kunnen wij eenigen grond ontleenen om te gelooven, dat kindermoord, uitgeoefend op de bovenvermelde wijze, een neiging doet ontstaan tot het vormen van een ras waarbij bij voorkeur mannelijke kinderen worden geboren; maar ik ben ver van te onderstellen, dat dit gebruik in het geval van den mensch of de eene of andere dergelijke handelwijze bij andere soorten de eenige determineerende oorzaak van de overmaat der mannelijke sekse is geweest. Er kan de eene of andere onbekende wet zijn, die tot dit resultaat leidt bij in aantal afnemende rassen die reeds eenigszins onvruchtbaar zijn. Behalve de verschillende oorzaken waarop vroeger, is gezinspeeld, zouden de meer gemakkelijke baring bij wilden en het bij gevolg minder beschadigd worden van hun mannelijke kinderen een geneigdheid doen ontstaan om het aantal levendgeboren jongens in verhouding van dat der meisjes grooter te maken. Er schijnt echter geen noodzakelijk verband te bestaan tusschen het wilde leven en een gemarkeerde overmaat van mannen; dat is, wanneer wij mogen oordeelen naar de verhouding bij het weinig talrijke kroost der voor korte jaren nog bestaande Tasmaniërs en het gekruiste kroost der Tahitiërs dat nu Norfolk-eiland bewoont.
Daar de mannetjes en wijfjes van vele dieren eenigszins in leefwijze verschillen en in verschillende mate aan gevaar zijn blootgesteld, is het waarschijnlijk, dat in vele gevallen gemiddeld meer individu’s van de eene dan van de andere sekse worden gedood. Doch zoover ik de ingewikkelde oorzaken kan nasporen, zou een niet stelselmatige, hoewel groote vernieling van een van beide seksen niet de geneigdheid hebben het sekse-voortbrengend vermogen van de soort te wijzigen. Bij strikt sociale dieren, zooals mieren of bijen, welke een in vergelijking van de mannetjes grooter aantal onvruchtbare en vruchtbare wijfjes voortbrengen en voor welke zulks van overwegend belang is, kunnen wij inzien, dat die maatschappijen het meest zullen bloeien, welke wijfjes bevatten die een sterken erfelijken aanleg hebben om hoe langer hoe grooter overmaat van wijfjes voort te brengen; en in dergelijke gevallen zou de aanleg van de beide seksen in ongelijk aantal voort te brengen langzamerhand door natuurlijke teeltkeus kunnen zijn ontstaan. Bij dieren die in kudden of troepen leven, waarbij de mannetjes voor het front komen en de kudde verdedigen, gelijk bij de bisons van Noord-Amerika en sommige bavianen, is het begrijpelijk, dat de aanleg om bij voorkeur mannetjes voort te brengen, door natuurlijke teeltkeus zou kunnen zijn ontstaan; want de individu’s van de kudden die het best werden verdedigd, zouden de talrijkste nakomelingschap nalaten. In het geval van den mensch onderstelt men, dat het voordeel om een overmaat van mannen in den stam te hebben, een der hoofdoorzaken is van het gebruik om vrouwelijke kinderen te dooden.
In geen geval zou, zoover wij kunnen inzien, een erfelijke aanleg om beide seksen in gelijk aantal of een der seksen in overmaat voort te brengen, voor sommige individu’s meer dan voor andere een rechtstreeksch voordeel of nadeel zijn; een individu met den aanleg om meer mannetjes dan wijfjes voort te brengen, zou bij voorbeeld niet beter slagen in den strijd om het leven dan een individu met den tegenovergestelden aanleg; en daarom zou zulk een aanleg niet door natuurlijke teeltkeus kunnen worden verkregen. Er zijn echter sommige dieren, bij voorbeeld visschen en mosselkreeften (Cirrhipedia), bij welke twee of meer mannetjes noodig schijnen te zijn bij de bevruchting van het wijfje, en in overeenstemming daarmede zijn de mannetjes veel talrijker; maar het is in geenen deele duidelijk hoe deze aanleg om bij voorkeur mannetjes voort te brengen, kan zijn verkregen. Ik dacht vroeger, dat, wanneer de aanleg om de beide seksen in gelijk aantal voort te brengen voordeelig voor de soort was, hij door natuurlijke teeltkeus zou ontstaan, maar ik zie nu in, dat het geheele vraagstuk zoo ingewikkeld is, dat het veiliger is de oplossing er van aan de toekomst over te laten.
AANTEEKENINGEN.
(1) Onder den naam „Loopvogels” vat Harting („Leerboek van de Grondbeginselen der Dierkunde”, Deel II, Afd. I, blz. 435) een aantal vogels samen, welke alle kleine vleugels hebben, die hun volstrekt niet als eigenlijke vliegwerktuigen kunnen dienen: de Walgvogels (Didus), Vleugelloozen (Apterygii) en Struisachtige Vogels (Struthionidae). Binnen deze grenzen behooren de Trapganzen (Otis) niet tot de Loopvogels (Cursores), maar moeten hetzij tot de Moerasvogels (Grallatores) of tot de Hoenderachtige Vogels (Gallinaceae) worden gebracht.
(2) Het zal bijna overbodig zijn hier op te merken, dat de Wieren (Algae), daar zij tot de Bloemlooze Gewassen (Cryptogamae) behooren, noch stuifmeel (pollen) noch stempel (stigma) bezitten, en dat dus bij de Wieren het stuifmeel onmogelijk op den stempel kan worden overgebracht „door het voortbewegend vermogen der Antherozoïden.” De Zwermsporen welke vele, doch niet alle Wieren bezitten, en die, nadat zij zich van haar moederplant hebben losgemaakt, met behulp van bewegelijke wimpers of draden (trilharen), gedurende eenigen tijd in de rondte zwemmen, staan ongetwijfeld met de voortplanting in verband, doch of zij in functie met het stuifmeel der Bloemdragende Gewassen (Phanerogamae) overeenkomen, is minstens twijfelachtig, daar men bij vele zoetwaterwieren heeft waargenomen, dat zij voor kieming vatbaar zijn. Anders is het gelegen met de eigenaardige, levendig zich bewegende Zwermdraden, waarvan alle bebladerde Bloemlooze Planten en de Krans-Wieren (Characeae) zijn voorzien. Zij gelijken zeer op de zaaddraden (Spermatozoïden) der Dieren en stemmen ook met deze in functie overeen; zij vormen het mannelijk element der bebladerde Bloemlooze Planten en Krans-Wieren en hun inwerking op het vrouwelijk element (de archegoniën) is onmisbaar voor de vorming van nieuwe individu’s. In de stuifmeelbuizen der Bloemdragende Gewassen, die zich uit het stuifmeel ontwikkelen, als dit op den stempel is overgebracht, vindt men vóór de bevruchting cellen die na de bevruchting zijn verdwenen; men beschouwt deze als rudimentaire spermatozoïden, waardoor de overeenkomst met de hoogere Bloemlooze Gewassen en Dieren volkomen wordt. Bij allen smelt een mannelijke kern met een vrouwelijke kern samen tot vorming van een nieuw individu, hetgeen Strassburger bij de Phanerogamen rechtstreeks waarnam.
(3) Wij hebben steeds gemeend, dat bij het gewone tamme schaap de wijfjes in den regel geen horens bezaten. Zoo merkt ook wijlen Prof. H. Schlegel („De dieren van Nederland; Zoogdieren”, Haarlem, A. C. Kruseman 1862, blz. 120) op, dat de Moeflons vooral ook daardoor veel overeenkomst hebben met ons tam schaap, dat de wijfjes niet of slechts bij uitzondering in enkele gevallen en op hoogen leeftijd van horens zijn voorzien.
(4) Niet alleen in het betrekkelijk aantal mannelijke geboorten, maar ook in alle andere levensverhoudingen wijken de Joden van de volken, te midden waarvan zij leven, af. Zoo vermeldt Dr. Lubach („Album der Natuur”, 1868, blz. 293), dat van 1822 tot 1840 in Pruisen van de Joodsche bevolking 2161 op de 100,000 overleden tegen 2961 op de niet-Joodsche. Deze sterfte was over de verschillende leeftijden verdeeld als volgt:
Pruisen. Joden. Doodgeborenen 143 89 Voor het einde van het 1ste jaar 697 459
Van 1 tot 5 jaren 477 386 ,, 5 ,, 14 ,, 202 151 ,, 14 ,, 25 ,, 155 123 ,, 25 ,, 45 ,, 334 231 ,, 45 ,, 70 ,, 614 392 ,, 70 en daarenboven 339 330 ==== ==== 2961 2161
In Algerië was, volgens Crebrassa (aangehaald door Lubach, ibid.) de gemiddelde sterfteverhouding van 1844 tot 1849 onder de Joden 33.4 op de 1000 inwoners tegen 57.2 onder de Europeeërs. In de stad Algiers met de voorsteden waren in 1856 onder de Europeeërs 1553 sterfgevallen op 1234 geboorten, onder de Mohammedanen 514 sterfgevallen op 331 geboorten, onder de Joden 187 sterfgevallen op 211 geboorten.
In de stad Frankfort sterft, volgens Dr. de Neufville (aangehaald door Dr. Lubach, ibid.):
Bij de Christenen. Bij de Joden.
¼ der bevolking boven 6 jaren 11 m., boven 28 jaren 3 m., ½ ,, ,, ,, 36 ,, 6 ,, ,, 53 ,, 1 ,, ¾ ,, ,, ,, 59 ,, 10 ,, ,, 71 ,, 0 ,,
In Nederland, Pruisen, Rijn-Beieren, Zwitserland, België en Algiers is (volgens Dr. Lubach, ibid.) bij de Joden de jaarlijksche toeneming der bevolking grooter dan bij hun landgenooten en staat tot die der geheele bevolking:
In Nederland als 2 : 1 ,, Pruisen en Rijn-Beieren als 3 : 1 ,, Zwitserland als 4 : 1 ,, Algiers als 7 : 1
Dr. Texeira de Mattos komt in zijn Verslag omtrent den ziektetoestand der stad Amsterdam in 1862, in verband met den geneeskundigen armendienst, Amsterdam, 1865 [627], tot de volgende op een 7-jarig (1856–1862) onderzoek steunende resultaten.
1. Het aantal levendgeborenen is bij de Israelieten grooter, het aantal levenloos aangegevene kinderen waarschijnlijk kleiner, doch stellig niet grooter dan bij de overige bevolking.
2. Het valt zeer te betwijfelen, of de kindersterfte in het 2de, 3de en 4de levensjaar onder de Israelieten wel ongunstiger is dan onder de Christenen.
3. Na den leeftijd van 4 jaren onderscheiden zich de Israelieten boven hun overige stadgenooten door een kleinere sterfte in elk levenstijdperk, bovenal in den leeftijd van 20–60 jaren.
4. De buurten die grootendeels door Israelieten worden bewoond, onderscheiden zich allen door een gunstige sterfteverhouding, die niet alleen uit de gunstige plaatselijke gesteldheid, uit de locale omstandigheden dier buurten kan worden verklaard.
5. De totale sterfte bedraagt bij de Israelieten 2.06 perc., tegen 2.87 perc. bij de overige bevolking.
(5) In het „Archivo per l’Anthropologia e la Etnologia, publicato dal Prof. Paolo Mantegazza e dal Prof. Felice Pinzi”, Firenze, 1871, vol. I, blz. 66, vindt men een verhandeling van Prof. G. Boccardo, getiteld: „Intorno alle cause determinante i numeri proporzionali dei due sesse nelle Statistiche delle Nascite”, waaraan wij de volgende stellingen en cijfers ontleenen.
Het aantal jongens die elk jaar worden geboren, is grooter dan het aantal meisjes die in het zelfde tijdvak worden geboren, en desniettemin maken de vrouwen, overal en ten allen tijde, een talrijker gedeelte van de bevolking uit, dan de mannen. [628]
Dit feit gaat zoo algemeen door, dat het den naam van een wezenlijke sociale natuurwet verdient. De schijnbare tegenstrijdigheid die er in is gelegen, wordt opgeheven door de volgende feiten:
1. De jongens worden geboren in grooter aantal dan de meisjes (in de verhouding van 106 tot 100).
2. In de eerste levensjaren is de sterfte grooter bij de jongens dan bij de meisjes.
3. Omstreeks het 15de jaar zijn de beide seksen ongeveer gelijk in aantal, of, met andere woorden, de grootere sterfte bij de mannelijke sekse neutraliseert op dien leeftijd het overwicht in getal der mannelijke geboorten.
4. Na het 15de jaar beginnen de vrouwen de mannen in aantal te overtreffen en de numerische meerderheid der vrouwelijke sekse gaat voort, doch volgens een variabele wet, in de volgende jaren, zoodat gemiddeld:
van het 15de tot het 20ste jaar het verschil is 1⁄54. ,, ,, 20ste ,, ,, 30ste ,, ,, ,, ,, omstreeks ⅓. ,, ,, 30ste ,, ,, 40ste ,, ,, ,, ,, ,, ⅕. ,, ,, 40ste ,, ,, 50ste ,, ,, ,, ,, ,, ¼.
5. De numerische ongelijkheid der beide seksen wordt hoe langer hoe kleiner en eindigt met geheel op te houden van het 50ste tot het 70ste jaar.
6. Van het 70ste tot het 80ste jaar hernemen de vrouwen de overhand met omstreeks ⅛.
7. Boven het 80ste jaar is de numerische meerderheid van de vrouwelijke sekse omstreeks ½.
De numerische meerderheid van de mannelijke boven de vrouwelijke geboorten is een algemeen (universeel) feit.
Veertien millioen van 1817 tot 1830 in Frankrijk opgeteekende geboorten gaven als gemiddelde verhouding 106.38 mannelijke tot 100 vrouwelijke. [629]
Kapitein Bickes verzamelde meer dan zeventig millioen opteekeningen van geboorten in de voornaamste landen van Europa, en leidde er uit af [630], dat op elke 100 vrouwelijke geboorten, in Rusland 108.91, in de provincie Milaan 107.61, in Mecklenburg 107.07, in Frankrijk 106.55, in België en Nederland 106.44, in Brandenburg en Pommeren 106.27, in het Koninkrijk der beide Siciliën 106.18, in Oostenrijk 106.10, in Pruisen 105.94, in Westfalen en de Rijnprovincie 105.86, in Wurtemberg 105.69, in Boheme 105.38, in Groot-Brittannië 104.75, in Zweden 104.62 en gemiddeld in geheel Europa 106 mannelijke geboorten plaats hebben.
Gegevens die op latere en meer nauwkeurige waarnemingen berusten, vindt men in de (door Prof. G. Boccardo aangehaalde) „Statistica del Regno d’Italia”, „Movimento dello Stato civile nell’ anno 1868”, blz. XXXV. Men vindt aldaar opgegeven, dat op elke 100 vrouwelijke geboorten in Italië 106.1, in Spanje 106.8, in Griekenland 106.3, in Hannover 106.2, in Denemarken 106.2, in Oostenrijk 106.1, in Portugal 106, in Saksen 105.8, in Nederland 105.4, in Beieren 105.3, in Frankrijk 105.3, in België 105.2, in Noorwegen 105.2, in Engeland 104.9, in Rusland 104.9, in Pruisen 104.8, en in Zweden 104.7 mannelijke geboorten plaats hebben.
In sinds korte eeuwen gekoloniseerde landen gaat het echter anders; zoo werden aan de Kaap de Goede Hoop op 100 blanke meisjes in 1813 97, in 1814 95, in 1815 99, in 1816 90, in 1817 99, in 1818 98, in 1819 99 en in 1820 98 blanke jongens geboren [631].
Omtrent het verschil tusschen het betrekkelijk aantal der seksen bij wettige en onwettige geboorten geven de aanteekeningen van Bickes en andere statistici de volgende verhoudingen:
Aantal jongens, geboren op 100 meisjes, wettig. onwettig.
Frankrijk 106.69 104.78 Keizerrijk Oostenrijk 106.15 104.32 Koninkrijk Pruisen 106.17 102.89 Zweden 104.73 103.12 Wurtemberg 105.97 103.54 Boheme 105.65 100.44 Provincie Milaan 107.79 102.30 Oost-Pruisen en Posen 105.81 103.60 Brandenburg en Pommeren 106.65 102.42 Silezië en Saksen 106.30 103.27 Westfalen en Rijnprovincie 106.07 101.55
Parijs 103.82 103.42 Amsterdam 105.00 108.83 Livorno 104.68 93.21 Frankfort aan de Main 102.83 107.84 Leipzig 106.16 105.94
In een brief aan Sir D. Brewster levert de uitnemende Engelsche mathematicus en staathuishoudkundige Dr. Babbage de volgende gegevens [632]:
LANDEN EN Wettige Geheel Onwettige Geheel PLAATSEN. mannelijke aantal mannelijke aantal geboorten opgeteekende geboorten opgeteekende op 100 geboorten. op 100 geboorten. vrouwelijke. vrouwelijke.
Frankrijk 106.57 9656135 104.84 673047 Napels 104.52 1059055 103.67 51309 Pruisen 106.09 3672251 102.78 212804 Westfalen 104.71 151169 100.39 19950 Montpellier 107.07 25064 100.81 2735 ------ ------ Gemiddeld 105.75 102.50
Omtrent de verhouding tusschen de beide seksen in Nederland bij de geboorte en op verschillende leeftijden vindt men uitnemende gegevens in de door Mr. M. M. von Baumhauer bewerkte hoofdstukken II tot XIII van Deel II der „Algemeene Statistiek van Nederland”, uitgegeven door de Vereeniging voor de Statistiek in Nederland, Leiden bij A. W. Sijthoff, 1871. De onderstaande cijfers zijn allen daaruit overgenomen of uit de daar gegevene berekend. [633]
Ook in Nederland gaf elk der vier algemeene volkstellingen, in 1829, 1839, 1849 en 1859 gehouden, een grooter aantal personen van het vrouwelijke dan van het mannelijke geslacht. In onderstaanden staat vindt men voor elke provincie naar de uitkomsten dier vier tellingen, met onderscheiding der feitelijke en werkelijke bevolking voor de laatste [634], het getal vrouwen op 100 mannen voor de gemeenten waarvan de werkelijke bevolking meer, en voor die waarvan zij minder dan 10,000 zielen bedroeg:
PROVINCIËN. Gemeenten boven 10,000 zielen. | Gemeenten beneden 10,000 zielen. | De Provincie. | | 1829 1839 1849 1859 1859 | 1829 1839 1849 1859 1859 | 1829 1839 1849 1859 1859 Feit. Werk. | Feit. Werk. | Feit. Werk. | | Noord-Brabant 98.8 96.6 106.2 107 106.8 | 101.8 100.9 100.5 100.1 100 | 101.4 100.3 101.2 101 100.9 Gelderland 105.8 104 109 109 109.1 | 98.3 98.5 97.4 97.7 96.6 | 99.4 99.5 99.3 99.8 98.7 Zuid-Holland 119.2 118.4 119.5 117.8 117.8 | 101.5 100.7 101.4 102.6 101.7 | 109.3 109.1 109.1 110.3 109 Noord-Holland 120.8 119 116.9 117.6 115.6 | 102.7 102.6 101.2 100.8 100.3 | 113.2 112.1 110.2 110.3 109 Zeeland 114.9 108.5 108.4 109.2 107.7 | 102.8 103.5 102.4 103.5 103.3 | 104.7 104.3 103.3 104.4 104 Utrecht 112.5 110.8 119.2 115.5 115 | 98 100.3 98.4 97.1 97.2 | 103.8 104.6 105.2 104.3 104.2 Friesland 102.7 103.5 101.7 99.8 99.6 | 103.1 104.9 103.6 102.4 101.7 | 103 104.4 103.1 101.7 101.1 Overijsel 105.7 112.4 110.6 106.4 105.6 | 95.7 97.1 96.1 95.3 95.3 | 97.7 100.1 98.9 97.5 97.4 Groningen 114.3 112.4 117.5 117.1 114.7 | 100.3 101.5 101.8 101.9 100.5 | 102.9 103.5 104.5 104.3 102.8 Drenthe — — — — — | 96.4 97.2 95.8 94 93.9 | 96.4 97.2 95.8 94 93.9 Limburg 102 88 103.5 107.1 107.5 | 101 99 97.6 96.9 96.5 | 101.1 97.5 98.3 98.1 97.9 | | Het Rijk 114.2 112.6 114.2 114.2 112.9 | 100.5 100.7 99.8 99.5 99.1 | 104.5 104.2 104 103.8 103.1
De overmaat van vrouwen is dus bij ons te lande het grootst in de gemeenten van meer dan 10,000 zielen. In de provinciën waar weinig of geen sterk bevolkte gemeenten voorkomen en het platteland de overhand heeft (Gelderland, Overijsel, Drenthe, Limburg), hebben zelfs de mannen de meerderheid. In de grootste gemeenten is daarentegen de overmaat van vrouwen het grootst, zooals blijkt uit den volgenden staat:
GEMEENTEN. Overmaat der vrouwen. | Aantal vrouwen op 100 mannen. | 1829 1839 1849 1859 | 1829 1839 1849 1859 Werk. | Werk. | Amsterdam 21700 20653 20323 20684 | 124 121.7 120 118.6 Rotterdam 7761 8480 8673 9738 | 124.1 124.4 121.3 120.2 ’s Gravenhage 4835 5236 6445 7244 | 118.9 118 119.6 120.4 Utrecht 2627 2811 4037 4008 | 114.3 112.3 118.5 116.4 Leiden 2302 2252 3063 2352 | 112.9 112.8 118.7 113.5 Groningen 2022 1954 2706 2447 | 115.6 112.4 117.5 114.7
De overmaat van vrouwen is niet slechts betrekkelijk het grootst in de meest-, maar tevens het kleinst in de minst-bevolkte gemeenten. Bij de volkstellingen van 1859 werden er op 100 mannen aangetroffen in de gemeenten van 10000 tot 6001 zielen, 106; in die van 6000 tot 3001 zielen, 99.4; in die van 3000 zielen en minder 98.4 vrouwen. Een der oorzaken hiervan is, dat zoovele vrouwen van het platteland naar de grootere gemeenten gaan om daar dienstboden te worden.
Wanneer men de levenstijdperken in aanmerking neemt, was de verhouding tusschen het aantal individu’s van de mannelijke en de vrouwelijke sekse in Nederland als volgt:
LEVENSTIJDPERKEN. 1 Januari 1830. | 1 Januari 1840. | Geheel Geheel Aantal | Geheel Geheel Aantal aantal aantal vrouwen | aantal aantal vrouwen mannen. vrouwen. op 100 | mannen. vrouwen. op 100 mannen. | mannen. | 0–1 jaar 33646 31824 97.5 | 37055 36488 98.4 1–6 ,, 172093 167995 97.6 | 187843 169423 90.1 6–12 ,, 178970 174810 93.8 | 183861 178981 97.3 12–16 ,, 106909 104976 98.1 | 122400 119057 97.1 16–20 ,, 90924 93918 103.2 | 110319 111907 101.4 20–30 ,, 206372 218689 105.9 | 228941 241011 105.2 30–50 ,, 289064 318995 110.3 | 328422 350147 106.6 50–75 ,, 176521 199952 113.2 | 183316 213201 116.3 75–90 ,, 17335 21588 124.5 | 17889 22866 127.8 90 en hooger. 414 628 151.6 | 419 636 151.7 Van onbekenden ouderdom 5758 917 — | 539 50 — ======= ======= ===== | ======= ======= ===== Totaal 1278006 1335292 104.4 | 1401004 1459555 104.1
LEVENSTIJDPERKEN. 19 November 1849. | 31 December 1859. | Werkelijke bevolking. | Geheel Geheel Aantal | Geheel Geheel Aantal aantal aantal vrouwen | aantal aantal vrouwen mannen. vrouwen. op 100 | mannen. vrouwen. op 100 mannen. | mannen. | 0–1 jaar 40344 39062 96.8 | 49032 48215 98.3 1–6 ,, 169423 167199 98.6 | 188829 186554 98.7 6–12 ,, 209676 203345 98.2 | 212331 208205 98.1 12–16 ,, 127906 125417 98 | 124474 121888 97.9 16–20 ,, 192619 194950 101.2 | 220407 220824 100.1 20–30 ,, 181492 188021 103.5 | 181832 189331 104.1 30–50 ,, 358750 376813 105 | 406331 420575 103.4 50–75 ,, 202769 238956 117.8 | 228181 261244 110.1 75–90 ,, 17995 23594 121.1 | 16634 22054 132.5 90 en hooger 402 614 152.7 | 330 505 153 Van onbekenden ouderdom 135 97 — | 647 698 — ======= ======= ===== | ======= ======= ===== Totaal 1498811 1558068 104.0 | 1629035 1680093 103.1
Voor Nederland moeten dus de regels 4 tot 7 van Prof. Boccardo (blz. 504) eenigszins worden gewijzigd, daar de vrouwelijke sekse na het 15de jaar voortdurend talrijker is dan de mannelijke, en deze overmaat met den leeftijd hoe langer hoe meer toeneemt, zoodat tusschen het 50ste en 70ste jaar dan ook geen periode van numerische gelijkheid intreedt.
Overigens is de verhouding in de verschillende provinciën van ons vaderland eenigszins verschillend. Zoo waren er bij de volkstelling van 1859 in Zuid-Holland van elk levensjaar meer vrouwen dan mannen en in Drenthe van elk levensjaar beneden 90 jaren meer mannen dan vrouwen.
Het aantal geboren jongens overtreft dat der meisjes in elk jaar en in elke provincie. Gedurende het 25-jarig tijdperk 1840–64 werden op 100 meisjes in Zeeland 105.9, in Zuid-Holland 106, in Gelderland 106.3, in Groningen 106.4, in Friesland 106.8, in Noord-Holland 106.9, in Drenthe 107, in Utrecht 107.1, in Overijsel 107.2, in Noord-Brabant 107.4, in Limburg 107.4, en gemiddeld over het geheele Rijk 106.6 jongens geboren.
Daar krachtens een circulaire van den minister van justitie van 13 Mei 1839 alle kinderen, overleden vóór de aangifte, als levenloos aangegeven in de sterfte-registers worden ingeschreven, zonder dat het blijkt of zij al dan niet na de geboorte hebben geleefd, is het onmogelijk de in Nederland geborenen in levend- en doodgeborenen, maar wel in levend- en levenloos aangegevenen te splitsen. Wanneer men bij beide categoriën de verhouding tusschen de seksen nagaat, vindt men dat er in verhouding tot het geheele aantal meer jongens dan meisjes levenloos worden aangegeven, hetgeen overeenkomt met den door Darwin op blz. 477 aangehaalden regel. Dit blijkt uit den volgenden staat, waarin voor elke sekse wordt aangegeven op hoeveel geborenen één levenloos aangegevene komt.
1840/64 1865 1840/64 1865
Drenthe 22 19.51 27.58 20.03 Friesland 21.53 18.13 27.52 22.43 Limburg 20.46 22.32 25.06 21.99 Groningen 19.57 18.37 23.32 22.81 Utrecht 19.11 20.34 21.82 20.31 Noord-Brabant 18.25 15.10 22.01 18.73 Noord-Holland 18.18 18.32 22.12 22.19 Zuid-Holland 18.05 18.85 21.71 21.89 Overijsel 17.28 16.35 20.01 20.13 Gelderland 17.15 15.25 20.37 19.76 Zeeland 16.44 14.56 20.27 16.93 Het Rijk 18.41 17.50 22.18 20.80
Ook het door Darwin op blz. 477, 478, 479 vermelde feit, dat de overmaat van de mannelijke geboorten over de vrouwelijke kleiner is, wanneer zij wettig dan wanneer zij onwettig zijn, gaat in Nederland in den regel door, zooals blijkt uit den volgenden staat, die de gemiddelde getallen over het vijf-en-twintigjarig tijdperk 1840/64 geeft.
PROVINCIËN. Aantal wettig geboren Aantal onwettig geboren jongens op 100 wettig jongens op 100 onwettig geboren meisjes. geboren meisjes.
Noord-Brabant 107.4 107.7 Gelderland 106.3 105.3 Zuid-Holland 106.1 104.4 Noord-Holland 106.9 106.2 Zeeland 106 103.7 Utrecht 107.3 103.4 Friesland 106.9 101.7 Overijsel 107.3 106.2 Groningen 106.6 103.8 Drenthe 107 106 Limburg 107.6 102.2 Het Rijk 106.7 104.8
Voor uitvoeriger bijzonderheden omtrent de verhouding tusschen het aantal individu’s van beide seksen in Nederland verwijzen wij naar de aangehaalde hoofdstukken van de „Algemeene Statistiek van Nederland.” De drie na 1859 gehouden volkstellingen behoeven wij hier niet in bijzonderheden na te gaan. Zij bevestigen de algemeene resultaten, waartoe wij boven uit de vier volkstellingen van 1829, 1839, 1849 en 1859 kwamen.
(6) Omtrent de oorzaken die bepalen tot welke sekse een kind zal behooren, merkt Prof. Dr. E H. Kisch te Praag in „Humboldt”, Aug. 1888 („Zur Geschlechtsentstehung beim Menschen”) o.a. op (omtrent de gronden waarop zijn stellingen berusten, zie men het oorspronkelijke):
1. Als de man minstens tien jaar ouder is dan de vrouw en deze 20 tot 25 jaar oud is, ontstaan zeer aanmerkelijk meer jongens dan meisjes. Deze overmaat van jongens is ook nog groot als de man minstens tien jaar ouder dan de vrouw en deze meer dan 26 jaar oud is. Daarentegen ontstaan minder jongens dan meisjes, zelfs als de man ouder is dan de vrouw, als deze minder dan 20 jaar oud is. Het grootst is de overmaat van meisjes als de man en de vrouw even oud zijn. Als de vrouw ouder dan de man is, ontstaat een matige overmaat van jongens.
2. Uit een door Düsing omtrent de geboorten in Noorwegen, Elzas-Lotharingen en te Berlijn opgemaakte statistiek blijkt, dat bij gelijken leeftijd der moeder oude en jonge mannen meer jongens verwekken dan bij mannen van middelbaren leeftijd het geval is.
3. Behalve den leeftijd der ouders is ook hun doorvoedheid van invloed. De voeding der ouders schijnt van invloed te zijn op de hoedanigheid der seksueele stoffen (ei en sperma). Physiologisch wordt aangenomen, dat een zeer gunstige toestand van ei en sperma tot het ontstaan van meisjes leidt. Het ei, zoodra het in de baarmoeder is getreden, en het sperma na de ejaculatie gaan, zoolang zij niet met elkander in aanraking zijn gekomen, den dood tegemoet. Hoe langer dus die aanraking op zich laat wachten, hoe meer zij verkwijnen. Daardoor hangt de sekse af van het tijdstip waarop het ei na zijn intrede in de baarmoeder wordt bevrucht, zoodat uit het spoedig bevruchte ei een meisje, uit het laat (minstens acht dagen na de menstruatie) bevruchte een jongen ontstaat. Echter kan de uitstekende hoedanigheid van het sperma ook in het laatste geval een meisje en de slechte hoedanigheid van het sperma ook in het eerste geval een jongen doen ontstaan.
4. Volgens E. Fürst te Weenen ontstaat als de conceptie vier of vijf dagen na het einde der menstruatie plaats heeft, een overmaat van jongens; heeft zij later plaats, een overmaat van meisjes. Dit resultaat leidt Fürst af uit een statistiek van de dagen der conceptie en bevalling van 292 gevallen uit de Braunsche kliniek te Weenen. Het komt niet goed met 3 overeen.
5. Bij zwakke menstruatie is er een grooter overmaat van jongens dan bij overvloedige menstruatie (Düsing).
6. Uit de statistiek der Pruisische stoeterijen blijkt volgens Düsing, dat, als de hengst dikwijls dekt, meer hengstveulens worden geboren dan wanneer hij weinig dekt. Fouquet kwam tot het zelfde resultaat bij stieren. Een stier die dikwijls springt, verwekt overmaat van stierkalveren; bij kudden bij welke veel stieren worden gehouden, ontstaat een overmaat van koekalveren.
In „Humboldt”, Oct. 1888, deelt W. O. Focke mede, dat volgens het „1. Supplement zu den Veröffentlichungen des Statistischen Amtes der Stadt Berlin” aldaar in 1886 op 40000 wettig geborenen de volgende verhoudingen plaats hadden:
Van 19-jarige vaders ontstonden 3 mannelijke, 0 vrouwelijke kinderen. ,, 20 ,, ,, ,, 20 ,, 2 ,, ,, ,, 21 ,, ,, ,, 73 ,, 16 ,, ,, ,, 22 ,, ,, ,, 213 ,, 51 ,, ,, ,, 23 ,, ,, ,, 394 ,, 194 ,, ,, ,, 24 ,, ,, ,, 603 ,, 379 ,, ,,
enz.
Door vaders onder 24 jaar werden bij moeders onder 18 jaar 10 jongens en geen enkel meisje verwekt. Van vaders en moeders onder 21 jaren stamden eveneens 10 jongens en geen enkel meisje af.
De jongste gehuwde moeders waren 16 jaren oud, maar onder de ongehuwde waren eenigen nog jonger. Buiten echt werden geboren:
Van moeders onder 15 jaar 2 meisjes. ,, ,, van 15 ,, 3 jongens, 6 ,, ,, ,, ,, 16 ,, 27 ,, 26 ,, ,, ,, ,, 17 ,, 62 ,, 62 ,,
enz.
Bij jeugdigen leeftijd des vaders (22–26 jaar) en hoogeren leeftijd der moeders (33–43 jaar) werden 88 jongens en 28 meisjes verwekt.
(7) De wetenschappelijke naam van den „Dal-ripa” is Lagopus subalpina.
NEGENDE HOOFDSTUK.
SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ. DE LAGERE KLASSEN VAN HET DIERENRIJK.
Deze kenmerken ontbreken bij de laagste klassen.—Schitterende kleuren.—Weekdieren (Mollusca).—Ringwormen (Annelida).—Schaaldieren (Crustacea); de secundaire seksueele kenmerken bij deze zeer ontwikkeld; dimorphisme; kleur; de kenmerken niet verkregen, dan op volwassen leeftijd.—Spinnen (Arachnoïdea); haar seksueele kleuren; sjirpen der mannetjes.—Duizendpooten (Myriapoda).
Bij de laagste klassen zijn de beide seksen niet zelden in één en het zelfde individu vereenigd, en kunnen daarom geen secundaire seksueele kenmerken worden ontwikkeld. In vele gevallen, waarin de twee seksen zijn gescheiden, zijn beide bestendig aan een of ander steunsel vastgehecht, en de eene kan de andere niet zoeken of om haar bezit kampen. Daarenboven is het bijna zeker, dat deze dieren te onvolmaakte zinnen en veel te laag ontwikkelde geestvermogens hebben om ijverzuchtig op elkander te zijn of om elkanders schoonheid of andere bekoorlijkheden op prijs te stellen
Vandaar komen in deze klassen, zooals de Vormlooze Dieren (Protozoa) (1), de Neteldieren (Coelenterata), de Stekelhuidigen (Echinodermata), de Weekwormen (Scolecida) enz. geen ware secundaire seksueele kenmerken voor, en dit feit komt overeen met het geloof, dat die kenmerken bij de hoogere klassen zijn verkregen door seksueele teeltkeus, welke afhangt van den wil, de begeerten en de keus der beide seksen. Toch bestaan er hierop eenige weinige schijnbare uitzonderingen; zoo verschillen, naar ik van Dr. Baird hoorde, de mannetjes van sommige Ingewandswormen (Entozoa) een weinig in kleur van de wijfjes; maar wij hebben geen reden om te onderstellen, dat die verschillen door seksueele teeltkeus zijn vermeerderd.
Vele der lagere dieren, hetzij hermaphrodieten of met gescheiden geslachten, prijken met de schitterendste kleuren, of zijn op bevallige wijze geschakeerd en gestreept. Dit is het geval met vele Koralen en Zeeanemonen (Actiniae), met sommige Schijfkwallen (Medusae, Porpita enz.), met sommige Platwormen (Planariae), Zakpijpen (Ascidiae), talrijke Zeesterren, Zeeklitten (Echini) enz.; maar wij mogen besluiten om de reeds opgegeven redenen, namelijk de vereeniging van de beide seksen bij sommige dezer dieren, den bestendig vastzittenden toestand van anderen, en de laag ontwikkelde geestvermogens van allen, dat deze kleuren niet dienen als middel om de andere sekse aan te trekken en niet zijn verkregen ten gevolge van seksueele teeltkeus. Met de hoogere dieren is het een geheel ander geval; want, wanneer bij deze de eene sekse veel schitterender of opzichtiger gekleurd is dan de andere, en er geen onderscheid is tusschen de gewoonten der beide seksen, dat dit verschil verklaart, hebben wij reden om aan den invloed der seksueele teeltkeus te gelooven; en dit geloof wordt sterk bevestigd, wanneer de meer versierde individu’s, dat bijna altijd de mannetjes zijn, met hun bekoorlijkheden voor de andere sekse pronken. Wij mogen dit besluit ook tot beide seksen uitstrekken, wanneer zij de zelfde kleuren bezitten, en die kleuren duidelijk overeenkomen met die, welke bij zekere soorten van de zelfde groep alleen aan ééne der seksen eigen is. Hoe moeten wij ons dan rekenschap geven van de schoone en zelfs prachtige kleuren van sommige dieren in de laagste klassen? Het schijnt zeer twijfelachtig, of dergelijke kleuren gewoonlijk tot bescherming dienen; maar wij kunnen uiterst gemakkelijk dwalen ten opzichte van kenmerken van allerlei aard met betrekking tot bescherming, zooals iedereen zal toegeven, die de uitnemende verhandelingen van den heer Wallace heeft gelezen. Het zou bij voorbeeld niemand dadelijk invallen, dat de volkomen doorzichtigheid der Medusen of Schijfkwallen hun als beschermend middel de grootste diensten bewees, maar wanneer Haeckel ons herinnert, dat niet slechts de Medusen, maar ook vele drijvende weekdieren, schaaldieren en zelfs kleine zeevisschen dit zelfde glasachtige maaksel bezitten (2), dan kunnen wij moeilijk betwijfelen, dat zij daardoor ontsnappen aan de opmerkzaamheid van zeevogels en andere vijanden.
Niettegenstaande onze onwetendheid, in hoever de kleur in vele gevallen tot bescherming dient, komt het mij voor de waarschijnlijkste meening ten opzichte der prachtige tinten van vele der laagste dieren te zijn, dat hun kleuren het rechtstreeksche gevolg zijn, hetzij van de scheikundige samenstelling of van de fijnere structuur van hun weefsels, onafhankelijk van elk daaruit ontspruitend voordeel. Geen kleur is wellicht schooner dan die van slagaderlijk bloed; maar er is geen reden om te onderstellen, dat de kleur van het bloed op zich zelve in eenig opzicht voordeelig is; en hoewel zij de schoonheid der wangen van een meisje vermeerdert, zal niemand willen beweren, dat zij tot dit doel is verkregen. Evenzoo is bij vele dieren, vooral bij de lagere, de gal rijk gekleurd; de heer Hancock deelt mij bij voorbeeld mede, dat de buitengewone schoonheid der Eolidae (naakte zeeslakken) vooral daarvan het gevolg is, dat men de galklieren door de doorschijnende huid heên ziet; van deze schoonheid hebben deze dieren waarschijnlijk geen dienst. (3) De tinten der afvallende bladeren in een Amerikaansch bosch worden door iedereen als prachtig beschreven, en toch onderstelt niemand, dat deze tinten aan de boomen in het minst voordeelig zijn. Wanneer men bedenkt, hoevele zelfstandigheden die in hooge mate met natuurlijke organische stoffen overeenkomen, en die de prachtigste kleuren bezitten, in den laatsten tijd door de scheikundigen zijn gevormd, zou het een vreemd verschijnsel zijn geweest, indien eveneens gekleurde stoffen niet dikwijls, onafhankelijk van een daardoor te bereiken nuttig doel, in het samengestelde laboratorium der levende organismen waren ontstaan.
Het Onder-Rijk der Weekdieren (Mollusca).—In deze groote afdeeling (in haar wijdste beteekenis genomen) van het Dierenrijk komen secundaire seksueele kenmerken, zooals die waarover wij hier handelen, voor zoover ik kan nagaan, nooit voor. Dit kon men ook niet verwachten bij de drie laagste klassen, namelijk de Zakpijpen (Ascidiae), de Mosdieren (Polyzoa) en Armpootigen (Brachiopoda), die te zamen de Molluscoïda van Huxley uitmaken; want de meeste dezer dieren zijn bestendig aan een steunsel bevestigd of hebben beide seksen in één en het zelfde individu vereenigd. Bij de Plaatkieuwigen (Lamellibranchiata) is hermaphroditisme niet zeldzaam. Bij de in rang onmiddellijk boven hen staande Buikpootigen (Gasteropoda) zijn de seksen bij sommige soorten vereenigd en bij andere gescheiden. In dit laatste geval bezitten de mannetjes echter nooit bijzondere organen om de wijfjes te vinden, vast te houden of te bekoren, of om met andere mannetjes te vechten. Het eenige uitwendige verschil tusschen de beide seksen bestaat, naar de heer Gwyn Jeffreys mij mededeelt, in een eenigszins anderen vorm van de schelp; zoo is bij voorbeeld de schelp van de mannelijke alikruik (Littorina littorea) nauwer en heeft een langer spiraal dan die van het wijfje. Men mag echter vermoeden, dat dergelijke verschillen in rechtstreeksch verband staan met de voortplantingshandeling of met de ontwikkeling van de eieren.
Hoewel de Buikpootigen zich vrij kunnen bewegen en onvolkomen oogen bezitten, schijnen zij geen genoeg ontwikkelde geestvermogens te bezitten, dan dat de leden van de zelfde seksen als medeminnaars samen zouden strijden en zoo secundaire seksueele kenmerken verkrijgen. Bij de het land bewonende Longslakken (Pulmonata) wordt de paring door een vrijage voorafgegaan; want deze dieren, hoewel hermaphrodieten, worden door hun maaksel genoodzaakt met elkander te paren. Agassiz merkt op [635]: „Quiconque a eu l’occasion d’observer les amours des limaçons, ne saurait mettre en doute la séduction déployée dans les mouvements et les allures, qui préparent et accomplissent le double embrassement de ces hermaphrodites.” Deze dieren schijnen ook vatbaar te zijn voor een zekere mate van bestendige genegenheid; een nauwkeurig waarnemer, de heer Lonsdale, deelt mij mede, dat hij een paar wijngaardslakken (Helix pomatia), waarvan de eene zwak was, in een kleinen en slecht voorzienen tuin zette. Na korten tijd verdween het sterke en gezonde individu en het slijmige spoor, dat het had achtergelaten, bewees, dat het over den muur naar een naburigen wel voorzienen tuin was gekropen. De heer Lonsdale besloot hieruit, dat het zijn ziekelijken makker had verlaten, maar na een afwezigheid van vier-en-twintig uren keerde het terug en deelde blijkbaar den uitslag van zijn voorspoedige ontdekkingsreis mede; want beide kropen toen langs het zelfde spoor weg en verdwenen over den muur.
Zelfs in de hoogste klasse der Weekdieren, namelijk die der Koppootigen (Cephalopoda), waarin de seksen gescheiden zijn, komen, voor zoover ik kan ontdekken, geen secundaire seksueele kenmerken van die soort welke wij hier beschouwen, voor. Dit is een verwonderlijk feit, daar deze dieren hoog ontwikkelde zintuigen en aanmerkelijke geestvermogens bezitten, zooals iedereen zal toestemmen, die hun kunstige popingen om hun vijanden te ontsnappen heeft waargenomen. [636] Sommige Koppootigen onderscheiden zich echter door één buitengewoon kenmerk, dat namelijk het mannelijk element zich in een der armen of voelers verzamelt, die daarna wordt afgeworpen, en, zich met zijn zuignappen aan het wijfje klemmende, voor een tijd een zelfstandig leven leidt. De afgeworpen arm gelijkt zoo volkomen op een afzonderlijk dier, dat hij door Cuvier als een parasietische worm is beschreven onder den naam van Hectocotylus. Dit verwonderlijke orgaan kan echter eer als een primair dan als een secundair seksueel kenmerk worden beschouwd. (4)
Hoewel bij de Weekdieren de seksueele teeltkeus niet in het spel schijnt te zijn gekomen, zijn toch vele horens en schelpen, zooals spiraalhorens (Voluta), kegelhorens (Conus), pelgrimschelpen enz., fraai gekleurd en schoon van vorm. De kleuren schijnen in de meeste gevallen niet tot bescherming te dienen; zij zijn waarschijnlijk, evenals bij de laagste klassen, het rechtstreeksche gevolg van den aard der weefsels, terwijl de vorm van de schelp van haar wijze van groei afhangt. De hoeveelheid licht schijnt tot zekere hoogte van invloed te zijn; want hoewel, zooals herhaaldelijk door den heer Gwyn Jeffreys is getuigd, de horens en schelpen van sommige op groote diepte levende soorten levendige kleuren vertoonen, zien wij toch over het algemeen, dat de ondervlakten en de door den mantel bedekte deelen minder hoog gekleurd zijn, dan de bovenvlakten en de aan het licht blootgestelde deelen. [637] In sommige gevallen, zooals bij horens en schelpen wier bezitters tusschen koralen of helder gekleurde zeewieren leven, dienen de levendige kleuren wellicht tot bescherming. [638] Vele Naaktkieuwigen (Nudibranchia), of Zeeslakken, zijn echter even schoon gekleurd als eenige horen of schelp, zooals men kan zien in het prachtige werk van de heeren Alder en Hancock; en volgens de inlichting die de heer Hancock zoo vriendelijk was mij te geven, is het uiterst twijfelachtig, of deze kleuren tot bescherming dienen. Bij sommige soorten is dit wellicht het geval, zooals bij een, die op het groene loof van wieren (Algae) leeft en zelf helder groen is. Maar vele helder groene, witte of op andere wijze opzichtig gekleurde soorten zoeken zich niet te verbergen, terwijl daarentegen sommige even opzichtige, evenals andere dof gekleurde soorten onder steenen en in donkere schuilhoeken leven. Bij deze Naaktkieuwigen staat derhalve de kleur blijkbaar volstrekt niet in een nauw verband met den aard hunner woonplaats.
Hoewel deze naakte Zeeslakken hermaphrodieten zijn, paren zij toch met elkander, evenals de Landslakken, van welke laatsten vele uiterst fraaie horens hebben. Het is denkbaar, dat twee hermaphrodieten, door elkanders groote schoonheid aangetrokken, zich vermengen en kroost nalaten, dat de grootere schoonheid hunner ouders zou overerven. Bij zulke laag georganiseerde wezens is dit echter uiterst onwaarschijnlijk. (5) Het is ook volstrekt niet duidelijk, waarom het kroost van de schoonere hermaphrodieten eenig voordeel waardoor het in aantal toenam, zou hebben boven het kroost der minder schoone, wanneer ten minste schoonheid en kracht niet gewoonlijk gepaard gingen. Wij hebben hier niet een aantal mannetjes die vroeger tot volkomen seksueele ontwikkeling komen dan de wijfjes, en waarvan de schoonste door de sterkste wijfjes worden uitgekozen. Indien echter schitterende kleuren voor een hermaphroditisch dier voordeelig waren met betrekking tot zijn algemeene levenswijze, dan zouden inderdaad de levendiger gekleurde individu’s het best slagen en in aantal toenemen; maar dit zou een geval van natuurlijke en niet van seksueele teeltkeus zijn.
Het Onder-Rijk der Wormen (Vermes): Klasse der Ringwormen (Annelida).—Hoewel in deze klasse de seksen (wanneer zij gescheiden zijn) somtijds van elkander verschillen in zoo belangrijke kenmerken, dat zij wel eens tot verschillende geslachten of zelfs families zijn gebracht, schijnen die verschillen echter niet van zoodanigen aard te zijn, dat zij veilig aan seksueele teeltkeus kunnen worden toegeschreven. Deze dieren zijn dikwijls fraai gekleurd; doch, daar de beide seksen in dit opzicht niet verschillen, zijn zij hier voor ons niet van veel belang. Zelfs de Snoerwormen (Nemertina) wedijveren, hoewel zoo laag georganiseerd, „in schoonheid en verscheidenheid van kleuren met elke andere groep ongewervelde dieren”; Dr. McIntosh [639] kan echter toch niet ontdekken, dat deze kleuren eenig nut hebben. De vastzittende ringwormen worden volgens Quatrefages [640] na den voortplantingstijd doffer gekleurd, en ik onderstel, dat dit aan hun te dier tijde minder krachtigen toestand mag worden toegeschreven. Al deze wormachtige dieren staan blijkbaar te laag op de ladder, dan dat de individu’s van ééne der beide seksen eenige voorkeur zouden betoonen bij het zoeken naar een individu van de andere sekse om zich mede voort te planten, of dat de individu’s van een zelfde sekse als medeminnaars met elkander zouden strijden.
Het Onder-Rijk der Gelede Dieren (Arthrozoa): Klasse der Schaaldieren (Crustacea).—In deze groote klasse ontmoeten wij voor het eerst ontwijfelbare secundaire seksueele kenmerken, die dikwijls buitengewoon ontwikkeld zijn. Ongelukkig zijn de gewoonten der Schaaldieren slechts zeer onvolkomen bekend, en kunnen wij het gebruik van vele deelen die slechts door ééne der beide seksen worden bezeten, niet verklaren. Bij de lagere parasietische soorten zijn de mannetjes klein van gestalte, en bezitten alleen deze volkomen zwempooten, sprieten en zintuigen, terwijl de wijfjes deze organen missen en haar lichaam dikwijls slechts uit een misvormde massa bestaat. Deze buitengewone verschillen tusschen de beide seksen staan echter ongetwijfeld in verband met haar hoogst verschillende levenswijze, en gaan ons derhalve hier niet aan. Bij verschillende Schaaldieren, tot onderscheidene families behoorende, zijn de voorste sprieten voorzien van bijzondere draadvormige lichamen, die men voor reukorganen houdt, en deze zijn veel talrijker bij de mannetjes dan bij de wijfjes. Daar de mannetjes, ook zonder eenige buitengewone ontwikkeling van hun reukzintuig, bijna zeker in staat zouden zijn om de wijfjes vroeger of later te vinden, is de vermeerdering van het aantal reukdraden waarschijnlijk een gevolg van de seksueele teeltkeus, daar de mannetjes die er het grootste getal van bezaten, er het best in slaagden om wijfjes te vinden en hun geslacht voort te planten. Fritz Müller heeft een opmerkelijke dimorphische soort van Tanais beschreven, bij welke het mannetje door twee verschillende vormen wordt vertegenwoordigd, tusschen welke geen overgangsvormen worden gevonden. Bij den eenen vorm bezit het mannetje een grooter aantal reukdraden en bij den anderen krachtiger en langer knijpers (chelae), welke dienen om het wijfje vast te houden. Fritz Müller oppert het denkbeeld, dat deze verschillen tusschen de beide mannelijke vormen van een zelfde soort zijn ontstaan, doordat bij sommige individu’s het aantal reukdraden, bij andere de vorm en grootte der knijpers varieerden, zoodat van de eersten zij die het best in staat waren het wijfje te vinden, en van de laatsten zij die het best in staat waren haar vast te houden als zij haar hadden gevonden, het grootste aantal nakomelingen hebben nagelaten, die hun respectieve voordeelen erfden. [641]
Bij sommige der lagere Schaaldieren verschilt de rechter voorste spriet zeer in maaksel van den linker, welke laatste evenals die van het wijfje uit leedjes bestaat, die naar het einde toe dunner worden. De gewijzigde spriet van het mannetje is in het midden òf opgezwollen òf met een hoek omgebogen òf in een bevallig en soms verwonderlijk samengesteld grijporgaan (Fig. 16) veranderd. [642] Het dient, naar ik van Sir J. Lubbock hoor, om het wijfje vast te houden, en voor het zelfde doel is één der beide achterpooten (b) aan de zelfde zijde van het lichaam in een knijper veranderd. In een andere familie vertoonen de onderste of achterste sprieten alleen bij de mannetjes „een merkwaardigen zigzag-vorm.”
Bij de hoogere Schaaldieren vormen de voorpooten een paar knijpers (chelae) en deze zijn bij het mannetje gewoonlijk grooter dan bij het wijfje. Bij vele soorten zijn de knijpers aan de tegenovergestelde zijden van het lichaam van ongelijke grootte; die aan de rechterzijde is, naar de heer C. Spence Bate mij mededeelt, gewoonlijk, hoewel niet altijd, de grootste. Deze ongelijkheid is dikwijls veel grooter bij het mannetje dan bij het wijfje. De beide knijpers verschillen dikwijls ook in maaksel (Fig. 17, 18, 19), waarbij dan de kleinste op die van het wijfje gelijkt. Welk voordeel wordt verkregen door hun ongelijkheid in grootte aan de beide tegenovergestelde zijden van het lichaam, en door hun veel grootere ongelijkheid bij het mannetje dan bij het wijfje; en waarom beide, als zij even groot zijn, bij het mannetje dikwijls veel grooter zijn dan bij het wijfje, is niet bekend. De knijpers zijn dikwijls zoo lang en groot, dat zij, naar ik van den heer Spence Bate hoor, bij geen mogelijkheid kunnen worden gebruikt om voedsel naar den mond te brengen. Bij de mannetjes van zekere zoetwater-steurkrabben (Palaemon) is de rechterpoot feitelijk langer dan het geheele lichaam. [643] Het is waarschijnlijk, dat de aanzienlijke grootte van een poot met zijn knijpers het mannetje helpt bij het gevecht met zijn medeminnaars; maar dit gebruik verklaart hun ongelijke grootte aan de tegenovergestelde zijden van het lichaam bij het wijfje niet. Bij een soort van strandkrab (Gelasimus) leven, volgens een door Milne Edwards aangehaalde mededeeling [644], het mannetje en het wijfje in het zelfde hol, hetgeen opmerkenswaardig is, daar het bewijst, dat zij paarsgewijze leven, en sluit het mannetje den ingang van het hol met een zijner knijpers, die verbazend sterk ontwikkeld is, zoodat deze hier indirect als een verdedigingsmiddel wordt gebruikt. Hun voornaamste doel is echter waarschijnlijk om het wijfje te grijpen en vast te houden, en in sommige gevallen, zooals bij de zoetwatergarnalen (Gammarus) weet men met zekerheid, dat dit zoo is. Bij de gewone strandkrab (Carcinus maenas) paren de beide seksen echter, naar de heer Spence Bate mij verzekert, onmiddellijk nadat het wijfje is verveld en haar harde schaal heeft verloren. Zij is dan zoo zacht, dat zij zou worden beschadigd, als zij door de sterke knijpers van het mannetje werd gegrepen; maar daar zij door het mannetje wordt gevat en medegedragen, vóór zij vervelt, kan het dan zonder gevaar geschieden.
Fritz Müller verhaalt, dat sommige soorten van Melito zich van alle andere Vlookreeften (Amphipoda) onderscheiden, doordat bij de wijfjes de „heupplaatjes van het voorlaatste paar pooten tot haakvormige aanhangsels zijn verlengd, welke aanhangsels de mannetjes grijpen met de knijpers van het eerste paar.” De ontwikkeling dezer haakvormige aanhangsels werd waarschijnlijk veroorzaakt, doordat die wijfjes welke gedurende de voortplantingshandeling het stevigst vast konden worden gegrepen, de grootste nakomelingschap nalieten. Fritz Müller beschrijft nog een andere soort van Braziliaansche vlookreeft (Orchestia Darwinii, fig. 20, 21, 22), die een dergelijk dimorphisme als Tanais vertoont; want er bestaan daarvan twee mannelijke vormen, die in den bouw hunner knijpers verschillen. [645] Daar knijpers van ééne dier beide vormen zeker voldoende zouden zijn geweest om het wijfje vast te houden, want beide worden tegenwoordig voor dat doel gebruikt, zijn de beide mannelijke vormen waarschijnlijk ontstaan, doordat sommige individu’s op de eene, andere op de andere wijze afweken; terwijl beide vormen het een of ander bijzonder, maar bijna even groot voordeel trokken uit hun verschillend gevormde organen.
Het is niet bekend, of de Schaaldieren met elkander strijden om het bezit der wijfjes, maar dit is waarschijnlijk het geval; want bij de meeste dieren waarvan het mannetje grooter is dan het wijfje, schijnt het zijn grootere gestalte te hebben verkregen, doordat gedurende vele geslachten de grootere mannetjes de kleinere hebben overwonnen. Nu deelt mij de heer Spence Bate mede, dat bij de meeste orden der Schaaldieren, in het bijzonder bij de hoogste, die der Krabben (Brachyura) het mannetje grooter is dan het wijfje; de parasietische geslachten, waarbij de beide seksen een verschillende levenswijze volgen, en de meeste Entomostraca maken hierop echter een uitzondering. De knijpers van de meeste Schaaldieren zijn uitnemend voor den strijd geschikte wapenen. Zoo zag een zoon van den heer Bate een duivelskrab (Portunus puber) met een strandkrab (Carcinus maenas) vechten, waarbij de laatste spoedig op den rug geworpen en alle leden van zijn lichaam afgescheurd werden. Toen Fritz Müller verscheidene mannetjes van een Braziliaansche strandkrab (Gelasimus), een soort die ontzaglijke knijpers bezit, bij elkander in een glazen vat plaatste, doodden en verminkten zij elkander. De heer Bate zette een groote mannelijke strandkrab (Carcinus maenas) in een pot met water, die door een wijfje dat met een kleiner mannetje gepaard was, werd bewoond; dit laatste werd spoedig onteigend; „als zij echter vochten”, voegt de heer Bate er bij „dan kostte de overwinning geen bloed; want ik zag geen wonden.” De zelfde natuuronderzoeker scheidde een mannelijke vlookreeft (Gammarus marinus), zoo gewoon op onze stranden, van zijn wijfje, en zette beide, elk afzonderlijk, in één vat met vele individu’s van de zelfde soort. Het aldus van haar mannetje gescheiden wijfje paarde met haar makkers. Na eenigen tijd werd het mannetje weder in het zelfde vat gebracht, en na een tijd lang te hebben rondgezwommen, begaf hij zich te midden der overigen en voerde zonder eenig gevecht eensklaps zijn wijfje mede. Dit feit bewijst, dat bij de Vlookreeften (Amphipoda), een orde die laag op de ladder staat, de mannetjes en wijfjes elkander herkennen en wederkeerig aan elkander gehecht zijn.
De geestvermogens der Schaaldieren zijn waarschijnlijk hooger ontwikkeld dan men wellicht zou hebben verwacht. Ieder die heeft beproefd een der op vele kusten van tropische landen zoo menigvuldige strandkrabben te vangen, zal hebben bemerkt, hoe voorzichtig en waakzaam zij zijn. Op koraaleilanden vindt men een groote krabsoort (Birgus latro), die op den bodem van een diep hol een dik bed maakt van door haar bijeen verzamelde vezels van de kokosnoot. Zij voedt zich met de afgevallen vruchten der kokospalmen, pelt er de vezels van het omkleedsel vezel voor vezel van af, en begint daarbij altijd aan dat einde, waar de drie oogvormige diepten zijn gelegen. Daarna doorboort zij ééne dier diepten door er met haar groote voorste knijpers op te kloppen, en haalt eindelijk, al ronddraaiende, de taaie witte zelfstandigheid die binnen in de vrucht zit, met haar smalle achterste knijpers er uit. Deze handelingen zijn echter waarschijnlijk instinktmatig, zoodat zij even goed door een jong als door een oud dier worden volbracht. Het volgende geval kan echter niet zoo worden beschouwd: een geloofwaardig natuuronderzoeker, de heer Gardner [646], nam een strandkrab (Gelasimus) waar, terwijl zij haar hol maakte, en wierp er eenige schelpen naar toe. Een daarvan rolde in het hol, terwijl drie andere schelpen op weinige duimen van den ingang bleven liggen In ongeveer vijf minuten bracht de krab de naar binnen gevallen schelp weêr naar buiten en droeg haar ongeveer een voet ver weg; toen zag zij de drie andere schelpen liggen, en blijkbaar bedenkende, dat zij er ook in zouden kunnen rollen, droeg zij ze naar de plaats, waar zij de eerste had gelegd. Het zou, dunkt mij, moeielijk zijn deze handelingen te onderscheiden van een die door den mensch met behulp zijner rede wordt volbracht.
Ten opzichte van de kleur, die bij dieren die tot de hoogere klassen behooren, zoo dikwijls bij beide seksen verschilt, kent de heer Spence Bate hiervan geen enkel sterk sprekend voorbeeld bij de Britsche Schaaldieren. In sommige gevallen verschilt echter het wijfje eenigszins in tint met het mannetje; maar de heer Bate houdt dit verschil voor gering genoeg om te kunnen worden verklaard door hun verschillende levenswijze, zooals doordat het mannetje meer rondloopt en derhalve meer aan het licht blootgesteld is. Bij een merkwaardige krab van Borneo, die sponsen bewoont, kon de heer Bate altijd de beide seksen van elkander onderscheiden, doordat de opperhuid van het mannetje minder afgeschaafd was. Dr. Power trachtte de seksen van de soorten die Mauritius bewonen, door haar kleur te onderscheiden; maar het mislukte hem voortdurend, behalve bij een enkele soort van steurkrab (Squilla, waarschijnlijk Squilla stylifera), van welke het mannetje wordt beschreven, als „fraai blauwachtig groen”, met sommige aanhangsels kersrood, terwijl het wijfje bruin en grijs bewolkt is, en de roode deelen bij haar „veel minder levendig zijn dan bij het mannetje.” [647] In dit geval mogen wij vermoeden, dat er seksueele teeltkeus in het spel is geweest. Bij Saphirina (een den oceaan bewonend geslacht van Entomostraca, en daarom laag op de ladder) zijn de mannetjes voorzien van kleine schilden of op cellen gelijkende lichamen, die schoone veranderende kleuren vertoonen; deze ontbreken bij de wijfjes en in ééne soort bij beide seksen. [648] Het zou echter zeer overijld zijn, hieruit te besluiten, dat deze organen uitsluitend dienen om het wijfje te bekoren. Bij het wijfje van een Braziliaansche soort van strandkrab (Gelasimus) is, naar Fritz Müller mij mededeelt, het geheele lichaam bijna effen grijsachtig bruin. Bij het mannetje is het achterste deel van het kop-borststuk (cephalothorax) zuiver wit, en het voorste prachtig groen, in donkerbruin overgaande; en het is merkwaardig, dat deze kleuren vatbaar zijn, in weinige minuten te veranderen,—waarbij het wit vuil groen, of zelfs zwart wordt, en het groen „veel van zijn schoonheid verliest.” De mannetjes zijn blijkbaar veel talrijker dan de wijfjes Het verdient inzonderheid opmerking, dat zij hun schitterende kleuren niet verkrijgen vóór zij volwassen zijn. Zij verschillen ook van de wijfjes door de meerdere grootte hunner knijpers. Bij sommige soorten van het geslacht, waarschijnlijk bij alle, leven de seksen paarsgewijze en bewonen het zelfde hol. Het zijn ook, zooals wij zagen, zeer verstandige dieren. Op deze verschillende gronden is het zeer waarschijnlijk, dat bij deze soort het mannetje zijn fraaie kleuren heeft verkregen om het wijfje te bekoren of op te wekken.
Ik heb zoo even medegedeeld, dat het mannetje van Gelasimus zijn opzichtige kleuren niet verkrijgt, vóór hij volwassen en ongeveer voor de voortplanting geschikt is. Dit schijnt ten opzichte der vele merkwaardige verschillen in maaksel tusschen de beide seksen in de geheele klasse de algemeene regel te zijn. Wij zullen later zien, dat de zelfde wet in het geheele onder-rijk der Gewervelde Dieren (Vertebrata) doorgaat, en in alle gevallen is het bij uitnemendheid kenmerkend voor alle eigenschappen die door seksueele teeltkeus zijn verkregen. Fritz Müller [649] geeft eenige sterk sprekende voorbeelden van deze wet; zoo verkrijgt het mannetje van de zeevloo (Orchestia) zijn groote tangen, welke geheel anders zijn samengesteld dan die van het wijfje, niet, voordat hij nagenoeg volgroeid is; zoolang hij jong is, gelijken zijn tangen op die van het wijfje. Evenzoo bezit het mannetje van Brachyscelus, gelijk alle andere Vlookreeften (Amphipoda), een paar achterste sprieten; bij het wijfje, en dit is een zeer buitengewone omstandigheid, ontbreken zij, en eveneens bij het mannetje, voordat het volwassen is. (6)
Klasse der Arachnida (Spinnen).—De mannetjes zijn dikwijls donkerder, maar soms ook lichter dan de wijfjes, zooals men kan zien in het prachtige werk van den heer Blackwall. [650] Bij sommige soorten verschillen de beide seksen sterk van elkander in kleur; zoo is het wijfje van Sparassus smaragdulus dof groen, terwijl het achterlijf van het mannetje schoon geel is, met drie overlangsche strepen van rijk rood. Bij sommige soorten van krabspinnen (Thomisus) gelijken de seksen nauwkeurig op elkander; bij andere verschillen zij zeer, zoo zijn bij Thomisus citreus de pooten en het lichaam van het wijfje bleek-geel of groen, terwijl de voorste pooten van het mannetje roodachtig bruin zijn; bij T. floricolens zijn de pooten van het wijfje bleekgroen, terwijl die van het mannetje zeer in het oog loopende ringen van verschillende kleur vertoonen. Talrijke dergelijke gevallen zouden kunnen worden gegeven uit de geslachten Epeira, Nephila, Philodromus, Theridion, Linyphia, enz. Het is dikwijls moeilijk te zeggen, welke der beide seksen het meest afwijkt van de gewone kleur van het geslacht waartoe de soort behoort; maar de heer Blackwall denkt, dat het over het algemeen het mannetje is. Canestrini [651] merkt op, dat in zekere geslachten de soortsbepaling bij de mannetjes gemakkelijk, doch bij de wijfjes hoogst moeilijk is. De heer Blackwall deelt mij mede, dat de seksen in haar jeugd gewoonlijk op elkander gelijken; en beide ondergaan dikwijls groote veranderingen in kleur bij haar opeenvolgende ververvellingen, vóór zij volwassen zijn. Zoo gelijkt het mannetje van den bovengenoemden Sparassus eerst op het wijfje, en verkrijgt zijn bijzondere kleuren pas, als het omstreeks volwassen is. Spinnen bezitten scherpe zintuigen en vertoonen veel verstand. Gelijk algemeen bekend is, toonen de wijfjes dikwijls de sterkste liefde voor haar eieren, die zij, in een zijden web omsloten, bij zich dragen. De mannetjes zoeken vurig naar de wijfjes, en Canestrini en anderen hebben gezien, dat zij om het bezit daarvan vochten. De zelfde schrijver zegt, dat de paring der beide seksen bij ongeveer twintig soorten is waargenomen; en hij verzekert stellig, dat het wijfje sommige van de mannetjes die haar het hof maken, weigert, hen met open kaken bedreigt en ten laatste na veel aarzeling het uitverkoren mannetje aanneemt. Op deze verschillende gronden mogen wij met eenig vertrouwen aannemen, dat de goed uitgedrukte verschillen in kleur tusschen de seksen van sommige soorten het resultaat van seksueele teeltkeus zijn, hoewel de beste soort van bewijs, het pronken van het mannetje met zijn versierselen, hier ontbreekt. Wegens de uiterst groote variabiliteit van kleur bij het mannetje van sommige soorten, bijvoorbeeld van Theridion lineatum, schijnt het, dat deze seksueele kenmerken van de mannetjes tot dusver niet zeer bestendig zijn geworden. Canestrini leidt het zelfde besluit af uit het feit, dat de mannetjes van sommige soorten twee vormen vertoonen, die van elkander verschillen in de grootte en lengte der kaken; en dit herinnert ons aan de bovenvermelde gevallen van dimorphische schaaldieren.
Het mannetje is over het algemeen veel kleiner dan het wijfje, somtijds in buitengewone mate [652], en hij is genoodzaakt uiterst voorzichtig te zijn als hij haar het hof maakt, daar het wijfje dikwijls haar preutschheid tot een gevaarlijke hoogte opvoert. De Geer zag een mannetje dat midden in zijn voorbereidende liefkoozingen door het voorwerp zijner liefde gegrepen, in spinrag gewikkeld en daarna verslonden werd, een gezicht dat hem, zooals hij er bijvoegt, „met afschuw en verontwaardiging vervulde.” [653]
De weleerw. heer O. P. Cambridge [654] verklaart op de volgende wijze de uiterste kleinheid van het mannetje in het geslacht Nephila. „De heer Vinson geeft een levendige beschrijving van de vlugge manier waarop het uiterst kleine mannetje aan de bloeddorstigheid van het wijfje ontsnapt, door weg te glijden en verstoppertje te spelen op haar lichaam en reusachtige ledematen; bij zulk een vervolging is het duidelijk, dat de kleinste mannetjes de grootste kans hebben van te ontsnappen, terwijl de grootere spoedig slachtoffers van het wijfje zouden worden; en op die wijze moest allengs door natuurlijke teeltkeus de grootte van de mannetjes afnemen, totdat zij ten laatste de geringste grootte verkregen, die nog vereenigbaar was met de uitoefening van hun voortplantingsfuncties,—feitelijk waarschijnlijk tot de grootte die zij nu bezitten, d.i. zoo klein, dat zij een soort van parasiet op het wijfje zijn, en hetzij beneden haar aandacht, of te vlug en te klein, dan dat zij ze zonder groote moeite kan vangen.”
Westring heeft de belangwekkende ontdekking gedaan, dat de mannetjes van verscheidene soorten van Theridion [655] het vermogen bezitten om een sjirpend (striduleerend) geluid voort te brengen (gelijk dat hetwelk vele kevers en andere insekten maken, maar zwakker), terwijl de wijfjes geheel stom zijn. Het daartoe dienend orgaan is een getande lijst aan het grondvlak van het achterlijf, waartegen het harde achterste deel van het borststuk wordt gewreven, en van dit deel kon bij de wijfjes geen spoor worden ontdekt. Het verdient opmerking, dat verscheidene schrijvers waaronder de welbekende araneoloog Walckenaer, hebben verklaard, dat spinnen door muziek worden aangetrokken. [656] Uit de analogie met de Rechtvleugelige en Gelijkvleugelige Insekten (Orthoptera en Homoptera), die in het volgende hoofdstuk moeten worden beschreven, mogen wij bijna met zekerheid opmaken, dat dit geluid, zooals Westwood opmerkt, dient, hetzij om het wijfje te roepen of om haar op te wekken, en dit is het eerste mij bekende voorbeeld, bij het opklimmen op de ladder van het dierenrijk, van geluiden die met dit doel worden gemaakt. (7)
Klasse der Myriapoda (Duizendpooten).—In geen der beide orden van deze klasse, die de eigenlijke duizendpooten en millioenpooten omvat, kan ik eenig sterksprekend voorbeeld vinden van dergelijke seksueele verschillen als die welke ons hier meer in het bijzonder aangaan. Bij Glomeris limbata echter, en wellicht bij eenige weinige andere soorten, verschillen de mannetjes eenigszins van de wijfjes in kleur; maar deze Glomeris is een zeer veranderlijke soort. Bij de mannetjes van de Diplopoda zijn de pooten die tot een der voorste segmenten van het lichaam, of tot het achterste segment behooren, vervormd in grijporganen, welke dienen om het wijfje te vatten. Bij sommige soorten van Julus zijn de voeten (tarsi) van het mannetje met het zelfde doel van vliezige zuigers voorzien. Een veel ongewoner geval is het, zooals wij zullen zien als wij de Insekten behandelen, dat het bij Lithobius het wijfje is, dat aan het einde van het lichaam grijpwerktuigen heeft om het mannetje te vatten. [657]
AANTEEKENINGEN.
(1) De Protozoa, en volgens de meeste hedendaagsche dierkundigen ook de Coelenterata (waarmede zij dan ook de Sponzen vereenigen) en Echinodermata, zijn Onder-Rijken, en geen Klassen. De afdeeling der Weekwormen (Scolecida), die ook op een hoogeren rang dan dien van klasse, schoon geenszins op een zoo hoogen rang als dien van onder-rijk, aanspraak zou kunnen maken, omvat volgens Haeckel alle Wormen, met uitzondering der Ringwormen (Annelida) en van de, door vele dierkundigen met de Crustaceeën vereenigd wordende Raderdieren (Rotatoria). De naam Ringwormen wordt dan beperkt tot die vormen welke door Harting („Leerboek”, III, 1, blz. 507) tot de orde der Borstelwormen (Chaetophora st. Setigera) worden gebracht.
(2) Tot deze „pelagische Fauna der Glasdieren”, zooals Haeckel ze noemt, behooren: uit de klasse der Visschen, de familie der Helmichthyoïdeï (Leptocephalus, Oxystomus, Tilurus, Leptocephalichthys, Helmichthys); uit de klasse der Cephalopoden, de familie der Loligopsidae (Loligopsis, Taonius), uit die der Gasteropoden, de familie der Phyllirhoïdae (Phyllirhoë, Acura) en bijna alle Pteropoden en Heteropoden; uit die der Tunicata, de beide orden der Thaliacea en Luciae; uit de klasse der Schaaldieren, menigvuldige soorten uit alle orden, vooral uit die der Copepoden en Amphipoden; uit het rijk der Wormen, de geslachten Alciope en Sagitta en vele larven; uit het onder-rijk der Echinodermata, de zwemmende larven; uit dat der Coelenterata, de geheele klasse der Rib- of Kamkwallen (Ctenophora), verder de Schijf- of Schermkwallen (Discomedusae) en de Siphonophoren.
(3) Ongetwijfeld zal niemand willen beweren, dat de schoone kleur van het slagaderlijk bloed is verkregen om de schoonheid van een meisje te verhoogen. Schrijft men echter de verschillen tusschen de menschenrassen aan seksueele teeltkeus toe, dan ligt het voor de hand, dat bij die rassen bij welke de huid der wangen doorschijnend genoeg is om de kleur van het slagaderlijk bloed door te laten, die doorschijnendheid waarschijnlijk het gevolg van seksueele teeltkeus is. De zelfde redeneering zou men op de Eoliden kunnen toepassen, en veronderstellen, dat niet de schoone kleur der galklieren, maar de doorschijnendheid der huid, welke toelaat, dat die kleuren uitwendig waarneembaar zijn, het gevolg van seksueele teeltkeus kan zijn. Zeer waarschijnlijk vinden wij echter deze onderstelling niet.
(4) Bij Argonauta bezit alleen het wijfje de verbreede eindplaten aan twee der vangarmen en de daardoor afgescheiden wordende schelp. Deze schijnen ons een goed voorbeeld van een secundair seksueel kenmerk bij Cephalopoden.
(5) Wanneer dit niet zoo onwaarschijnlijk was, kon men op deze wijze wellicht de vorming der zonderlinge zoogenaamde liefdepijlen (Harting, „Leerboek”, Deel III, Afd. 1, blz. 816) bij sommige Gasteropoden verklaren.
(6) Wij zullen in de volgende hoofdstukken zien, dat bij verschillende dieren de mannetjes eigenaardige bewegingen, als het ware dansen uitvoeren, als zij aan de wijfjes het hof maken. In „Eigen Haard”, 11 Mei 1889, no. 19, vinden wij een referaat van een stuk van den heer Morgan uit de „Popular Science Monthly”, waaruit blijkt, dat ook een soort van krab (Platyonychus ocellatus) zulks doet. Als het mannetje van deze krab aan het wijfje het hof maakt, gaat hij recht op staan op het derde en vierde paar pooten, trekt het achterste paar tegen zijn lichaam aan, slaat zijn scharen en oogen naar boven, en gaat om zijn as staan draaien. Nu en dan staakt hij die draaiende beweging om zich naar links en rechts te buigen of zich wat vooruit of achteruit te bewegen. Dit gaat zoo door tot vermoeidheid hem dwingt er mede op te houden. Zoodra echter het wijfje hem nadert, begint hij weêr van voren af aan en gedraagt zich „als een dronken man.” Nu en dan tracht hij met zijn lange scharen het wijfje te „omhelzen, maar op zoodanige wijze, dat men er aan twijfelt, of het zijn doel is haar door overreding en niet door geweld voor zich te winnen, dan wel of ontzag voor de scharen van zijn dame hem zich zoo betamelijk doet gedragen.”
(7) Het is bekend, dat de spinnen een uitnemend gehoor en veel smaak voor muziek bezitten. Pélisson merkte in zijn gevangenis een spin op, die dagelijks voor den dag kwam, wanneer men in de gevangenis op den doedelzak speelde. Walckenaer verhaalt, dat een dame bij het bespelen van haar harp een spin opmerkte, die aan den zolder juist boven haar zat. Zij verplaatste zich herhaaldelijk, doch werd telkens door de spin gevolgd. [658] Grétry zag, wanneer hij op de piano speelde, telkens een spin naderen, die zich op de piano zette en zich verwijderde, wanneer Grétry met spelen ophield. Van Beethoven wordt een dergelijke opmerking verhaald. Ik heb zelf waargenomen, hoe bij het spelen van een trio in een kamer een spin te voorschijn kwam, hoe langer hoe nader kwam en zich eindelijk plaatste op de hand van den persoon die violoncel speelde. Dit alles versterkt in geen geringe mate het geloof, dat de muzikale geluiden welke sommige mannelijke spinnen voortbrengen, dienen om het wijfje te bekoren en aan te lokken. Volgens sommigen voelen de spinnen wel de trillingen der geluidgevende lichamen, maar hooren het geluid niet. Dit verklaart moeilijk het geval van de spin die zich op de hand van den cellist plaatste, daar zoo’n week deel wel niet gevoelig zal trillen. In elk geval werd de spin gelokt, ’t zij dan door de trilling of door het geluid.
Wood Mason nam te Bombay waar, dat twee groote schorpioenen, welke tegen elkander werden opgehitst, een geluid maakten, gelijkende op dat hetwelk men hoort als men over een stuk zijde schrapt of met de nagels over een stijven tandenborstel strijkt. Het geluidmakend orgaan bleek te bestaan uit een schrapper en een rasp. De schrapper is bezet met stevige, kegelvormige en gebogen tandjes en ligt aan de platte buitenvlakte van het grondlid der voelerpooten. De rasp vertoont talrijke regelmatige, dicht bij elkander geplaatste paddestoelvormige knobbeltjes en ligt op het aan het grondlid der voelerpooten beantwoordende lid van het eerste paar pooten. („Nature”, 25 Oct. 1876, blz. 565.)
TIENDE HOOFDSTUK.
SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE INSEKTEN.
Verschillende organen van de mannetjes om de wijfjes te grijpen.—Verschillen tusschen de seksen, waarvan de beteekenis niet wordt begrepen.—Verschil in grootte tusschen de seksen.—Springstaarten (Thysanura).—Tweevleugeligen (Diptera).—Halfvleugeligen (Hemiptera).—Gelijkvleugeligen (Homoptera); alleen de mannetjes bezitten het vermogen muzikale geluiden voort te brengen.—Rechtvleugeligen (Orthoptera); de muziekwerktuigen der mannetjes van zeer verschillend maaksel; strijdlustigheid; kleuren.—Netvleugeligen (Neuroptera); seksueele kleurverschillen.—Vliesvleugeligen (Hymenoptera); strijdlustigheid en kleuren.—Schildvleugeligen (Celeoptera); kleuren; sommige bezitten groote horens, die blijkbaar tot versiering strekken; gevechten; sjirporganen gewoonlijk aan beide seksen gemeen.
In de verbazend groote klasse der Insekten verschillen de beide seksen soms in haar bewegingsorganen en dikwijls in haar zintuigen, zooals in de gekamde en schoon gevederde sprieten van de mannetjes van vele soorten. Bij een der Haften (Ephemerae), namelijk Chloëon, heeft het mannetje groote gesteelde oogen, die het wijfje geheel mist. [659] De bijoogjes (ocelli) ontbreken bij de wijfjes van verschillende andere insekten, zooals bij de Mutillen, bij welke zij ook vleugelloos zijn. Wij moeten hier hoofdzakelijk handelen over inrichtingen waardoor het eene mannetje in staat wordt gesteld om het andere te overwinnen, hetzij in den strijd of in de vrijage, door zijn kracht, strijdlust, versierselen of muziek. Bij de tallooze inrichtingen die het mannetje in staat stellen het wijfje te grijpen, behoeven wij hier daarom slechts kort stil te staan. Behalve de samengestelde organen aan de spits van het achterlijf, die wellicht als primaire organen [660] moeten worden beschouwd, „is het verwonderlijk”, zooals de heer B. D. Walsh [661] heeft opgemerkt, „hoevele verschillende organen in de natuur voorkomen, die slechts tot het schijnbaar onbeteekenende doel dienen om het mannetje in staat te stellen het wijfje stevig vast te grijpen.” De bovenkaken (mandibulae) worden daartoe somtijds gebruikt; zoo heeft het mannetje van Corydalis cornutus (een Netvleugelig Insekt, eenigermate met de Gaasvliegen, enz. verwant) verbazend groote kromme kaken, soms vele malen langer dan die van het wijfje; en zij zijn glad in plaats van getand, waardoor hij haar kan grijpen zonder haar te beschadigen. [662] Een der Vliegende Herten van Noord Amerika (Lucanus Elaphus) gebruikt zijn kaken, die veel grooter zijn dan die van het wijfje, tot het zelfde doel, maar waarschijnlijk ook om te vechten. Bij een der Graafwespen (Ammophila) gelijken de bovenkaken der beide seksen nauwkeurig op elkander, maar worden tot zeer verschillende doeleinden gebruikt; de mannetjes, die, zooals professor Westwood opmerkt, „uiterst vurig zijn, grijpen hun gezellinnen om den hals met hun sikkelvormige kaken” [663], terwijl de wijfjes deze organen gebruiken om in het zand te graven en haar nesten te maken.
De voeten (tarsi) der voorpooten zijn bij de mannetjes van vele kevers uitgezet of met breede haarkussens voorzien en bij vele geslachten van Waterroofkevers zijn zij gewapend met een ronden platten zuiger, opdat het mannetje zich aan het glibberige lichaam van het wijfje zou kunnen vasthechten. Het is een veel meer ongewone omstandigheid, dat bij de wijfjes van sommige Waterroofkevers (Dytiscus) de dekschilden (elytra) diepe groeven bezitten en dat zij bij Acilius sulcatus dik met haren zijn bezet, om het mannetje te helpen. Bij de wijfjes van sommige andere Waterroofkevers (Hydroporus) vertoonen de dekschilden met het zelfde doel verdiepte stippels. [664] Bij het mannetje van Crabro cribrarius (Fig. 23) is de scheen (tibia) tot een breede hoornachtige plaat uitgezet met kleine vliezige vlekken, die er een vreemd aanzien aan geven, gelijk aan dat van een zeef. [665] Bij het mannetje van Penthe (een kevergeslacht) zijn eenige weinige van de middelste leedjes der sprieten (antennae) uitgezet en aan de ondervlakte van haarkussens voorzien, volkomen gelijkende op die aan de voeten der Loopkevers (Carabidae), „en blijkbaar tot het zelfde doel dienende.” Bij de mannetjes der Waternimfen, „zijn de aanhangsels aan het uiteinde van den staart gewijzigd volgens een bijna oneindige verscheidenheid van merkwaardige modellen om hen in staat te stellen den hals van het wijfje te vatten.” Eindelijk zijn bij de mannetjes van vele insekten de pooten van bijzondere stekels, knobbels en sporen voorzien, of de geheele poot is gebogen of verdikt; dit is echter in geenen deele altijd een seksueel kenmerk, of één paar of alle drie de paren zijn verlengd, somtijds in buitensporige mate. [666]
In al de orden vertoonen de seksen van vele soorten verschillen waarvan men de beteekenis niet begrijpt. Eén merkwaardig geval is dat van een kever (fig. 25, 26) bij het mannetje waarvan de linker bovenkaak veel grooter is dan de rechter, zoodat de mond zeer misvormd is. Bij een anderen Loopkever, den Eurygnathus, hebben wij, voor zoover de heer Wollaston weet, het eenige geval, waarin het wijfje, hoewel in veranderlijke verhouding, een veel breeder en grooter kop bezit dan het mannetje. Een aantal dergelijke gevallen zouden hier kunnen worden opgenoemd. Zij zijn veelvuldig bij de Schubvleugelige Insekten (Lepidoptera); een der meest buitengewone is, dat bij vele Dagvlinders de voorpooten min of meer geatrophieerd zijn, zoodat de schenen (tibiae) en voeten (tarsi) in eenvoudige rudimentaire knobbels zijn overgegaan. Ook het beloop der vleugeladeren verschilt dikwijls bij de twee seksen [667], en soms verschilt ook de vorm van den omtrek der vleugels aanmerkelijk, zooals bij den Aricoris epitus, die mij in het Britsch Museum door den heer A. Butler werd getoond. De mannetjes van sommige Zuid-Amerikaansche Dagvlinders hebben bosjes haar op de randen der vleugels en horenachtige uitwassen op de oppervlakte van het achterste paar. [668] Bij verscheidene Britsche Dagvlinders zijn, zooals de heer Wonfor heeft aangetoond, alleen de mannetjes gedeeltelijk met bijzondere schubben bekleed. (1)
Over het nut van het heldere licht van het wijfje van den glimworm is veel geredeneerd. Het mannetje is zwak lichtgevend, evenals de larven en zelfs de eieren. Sommige schrijvers hebben ondersteld dat het licht dient om vijanden te verschrikken, andere om het mannetje den weg naar het wijfje te wijzen. De heer Belt [669] schijnt eindelijk het raadsel te hebben opgelost; hij heeft ontdekt, dat al de Lampyridae welke hij heeft onderzocht, in hooge mate walgelijk van smaak zijn voor insektenetende zoogdieren en vogels. Het is daarom in overeenstemming met de onderstelling van den heer Bates, die later zal worden uiteengezet, dat vele insekten de Lampyridae nauwkeurig nabootsen, zoodat ze voor deze zullen worden aangezien en zoo aan den dood ontsnappen. Hij gelooft verder, dat het voor de lichtgevende soorten voordeelig is, dat zij dadelijk als oneetbaar worden herkend. Waarschijnlijk kan de zelfde verklaring worden uitgebreid tot de Springkevers (Elater), van welke beide seksen in hooge mate lichtgevend zijn. Het is niet bekend, waarom de vleugels van den vrouwelijken glimworm niet tot ontwikkeling zijn gekomen; maar in haar tegenwoordigen toestand gelijkt zij zeer veel op een larve, en, daar vele dieren zoo gretig op larven azen, kunnen wij begrijpen, waarom zij zooveel lichtgevender en opzichtiger dan het mannetje is geworden, en waarom de larven zelf ook lichtgevend zijn.
Verschil in grootte tusschen de Seksen.—Bij Insekten van alle soorten zijn de mannetjes gewoonlijk kleiner dan de wijfjes [670]; en dit verschil kan soms zelfs in den larventoestand worden opgemerkt. Zoo aanmerkelijk is het verschil tusschen de mannelijke en vrouwelijke cocons van den zijdeworm (Bombyx mori), dat zij in Frankrijk door een bijzondere wijze van wegen van elkander worden gescheiden. [671]
In de lagere klassen van het Dierenrijk schijnt de meerdere grootte van de wijfjes algemeen daarvan af te hangen, dat zij een verbazend groot aantal eieren voortbrengen; en dit gaat tot op zekere hoogte wellicht ook bij de Insekten door. Dr. Wallace heeft echter een veel waarschijnlijker verklaring voorgesteld. Hij vindt na zorgvuldig acht te hebben gegeven op de ontwikkeling van de rupsen van Bombyx Cynthia en Yama-Maju, en vooral van eenige dwerg-rupsen, opgekweekt uit een tweede broedsel met onnatuurlijk voedsel, „dat naar verhouding dat de individueele nachtvlinder fraaier is, ook de voor haar gedaanteverwisseling noodige tijd langer is; en dit is de reden, dat het wijfje, hetwelk zwaarder en grooter is, omdat zij haar talrijke eieren moet dragen, zal worden voorafgegaan door het mannetje, dat kleiner is en minder noodig heeft om rijp te worden.” [672] Daar nu de meeste Insekten een kort leven hebben en daar zij aan vele gevaren zijn blootgesteld, zal het blijkbaar voordeelig voor het wijfje zijn om zoo spoedig mogelijk te worden bevrucht. Dit doel zal worden bereikt, als de mannetjes, doordat zij het eerst rijp worden, bij de komst der wijfjes in grooten getale gereed zijn, en dit zal op zijn beurt, zooals de heer A. R. Wallace heeft opgemerkt [673], op natuurlijke wijze het gevolg zijn van de natuurlijke teeltkeus; want de kleinste mannetjes zullen het eerst rijp zijn, en dus een grooter aantal nakomelingen nalaten, die de mindere grootte hunner voorvaderen zullen overerven, terwijl de grootere mannetjes, omdat zij later rijp worden, minder nakomelingen zullen nalaten.
Er zijn echter uitzonderingen op den regel, dat de mannetjes der Insekten kleiner zijn dan de wijfjes, en van sommige dezer uitzonderingen kan men de oorzaak begrijpen. Lichaamsgrootte en kracht zullen een voordeel zijn voor de mannetjes die om het bezit der wijfjes vechten; en in deze gevallen, zooals bij het Vliegend Hert (Lucanus), zijn de mannetjes grooter dan de wijfjes. Er zijn echter andere kevers, die, voor zoover men weet, niet met elkander vechten, bij welke toch de mannetjes grooter zijn dan de wijfjes; en wij begrijpen de beteekenis van dit feit niet; in sommige dezer gevallen echter, zooals bij de groote Dynastes en Megasoma, kunnen wij ten minste inzien, dat er geen noodzakelijkheid bestond, dat de mannetjes kleiner waren dan de wijfjes, opdat zij vroeger rijp zouden zijn dan deze; want deze kevers hebben geen kort leven, en er blijft dus tijd genoeg over voor de paring der seksen. Zoo zijn ook de mannetjes der Waternimfen (Libellulidae) soms aanmerkelijk grooter en nooit kleiner dan de wijfjes [674]; en de heer MacLachlan gelooft, dat zij gewoonlijk met de wijfjes paren, voor er één of twee weken zijn voorbijgegaan, en voor zij de aan de mannetjes eigen kleuren hebben verkregen. Het merkwaardigste geval echter, dat ons toont, hoe ingewikkeld en gemakkelijk voorbij te zien de oorzaken dikwijls zijn, waarvan een zoo onbeduidend kenmerk, als een verschil in grootte tusschen de seksen, afhangt, leveren ons de Angeldragende Vliesvleugelige Insekten (Hymenoptera aculeata); want de heer F. Smith deelt mij mede, dat in bijna geheel die groote groep de mannetjes, in overeenstemming met den algemeenen regel, kleiner dan de wijfjes zijn en ongeveer een week vroeger dan deze uit de pop te voorschijn komen; onder de Bijen zijn echter de mannetjes van de honigbij (Apis mellifica), van Anthidium manicatum en Anthophora acervorum, en onder de Graafwespen (Fossores) de mannetjes van Methoca ichneumonides, grooter dan de wijfjes. De verklaring van deze afwijking is, dat bij deze soorten bij de paring het vliegen in de open lucht volstrekt noodzakelijk is, en de mannetjes veel kracht en een groote lichaamsgestalte noodig hebben om de wijfjes door de lucht met zich te dragen. De toeneming der lichaamsgrootte is hier verkregen in tegenspraak met de gewone betrekking tusschen de grootte en den duur van het ontwikkelingstijdperk; want hoewel de mannetjes grooter zijn, komen zij vroeger uit de pop dan de kleinere wijfjes.
Wij zullen nu een overzicht geven van de verschillende orden, en daarbij die feiten uitkiezen, welke ons hier meer bijzonder aangaan. De Schubvleugelige Insekten (Lepidoptera) of Vlinders zullen voor een afzonderlijk hoofdstuk bewaard blijven.
Orde der Springstaarten (Thysanura).—De leden dezer orde zijn voor hun klasse laag georganiseerd. Het zijn vleugellooze, dof gekleurde, kleine insekten, met leelijke, bijna misvormde koppen en lichamen. De seksen verschillen niet van elkander; maar zij bieden ons één belangwekkend feit aan, waardoor wordt aangetoond dat de mannetjes zelfs op een laag gedeelte van de ladder van het dierenrijk vlijtig het hof aan de wijfjes maken. Bij de beschrijving van Smynthurus luteus zegt Sir J. Lubbock [675]: „Het is zeer vermakelijk deze kleine schepsels met elkander te zien koketteeren. Het mannetje, dat veel kleiner dan het wijfje is, loopt rondom haar, en zij stooten elkander, met het aangezicht naar elkander toestaande, en achterwaarts en voorwaarts gaande als twee speelsche lammeren. Dan houdt het wijfje zich, alsof zij weg wil loopen, en het mannetje loopt haar achterna, terwijl uit zijn uiterlijk op vreemdsoortige wijze zijn toorn blijkt, haalt haar in en gaat weder tegenover haar staan; dan draait zij op preutsche wijze rond maar hij, vlugger en levendiger, loopt ook snel rond, en schijnt haar met zijn sprieten te slaan; daarop staan zij een tijd lang tegenover elkander, spelen met hun sprieten en schijnen geheel en al in elkander verdiept te zijn.”
Orde der Tweevleugeligen (Diptera).—De seksen verschillen weinig in kleur. Het grootste aan den heer F. Walker bekende verschil is in het geslacht Bibio, waarin de mannetjes zwartachtig of geheel zwart, en de wijfjes donker bruinachtig oranje zijn. Het geslacht Elaphomyia, door den heer Wallace [676] in Nieuw Guinea ontdekt, is zeer opmerkelijk, daar de mannetjes horens bezitten, waarvan de wijfjes geen spoor vertoonen. De horens ontspringen onder de oogen en gelijken merkwaardig veel op die van herten, daar zij hetzij van puntige of van afgeplatte vertakkingen zijn voorzien. Zij evenaren bij een der soorten het geheele lichaam in lengte. Men zou kunnen denken, dat zij dienden om mede te vechten maar daar zij bij ééne soort van een prachtige met zwart omzoomde rozeroode kleur zijn, met een bleeke streep in het midden, en daar al deze insekten er zeer fraai uitzien, is het wellicht waarschijnlijker, dat deze horens tot sieraad dienen. Dat de mannetjes van sommige Tweevleugeligen met elkander vechten, is zeker; want Prof. Westwood [677] heeft dit meermalen bij sommige soorten van Tipula of Langbeenige Muggen gezien. De mannetjes van andere Tweevleugeligen schijnen te trachten de wijfjes door hun muziek te winnen. H. Müller [678] bespiedde een tijd lang twee mannetjes van Eristalis, die aan een wijfje het hof maakten; zij zweefden boven haar en vlogen heên en weêr, tegelijkertijd een hoog gonzend geluid voortbrengende. Muggen en muskieten (Culicidae) schijnen elkander ook door gegons aan te trekken, en Prof. Mayer heeft voor eenige jaren aangetoond, dat de haren op de sprieten van het mannetje eenstemmig trillen met de noten van een stemvork, binnen de grenzen van de geluiden die door het wijfje worden voortgebracht. (2) De lange haren trillen sympathetisch met de lage, en de korte met de hooge tonen. Landois verzekert ook, dat hij herhaaldelijk een geheelen zwerm muggen naar zich toe heeft doen vliegen door een bijzondere noot te zingen. De verstandelijke vermogens der Tweevleugeligen zijn waarschijnlijk hooger ontwikkeld dan die der meeste andere orden van Insekten [679], in overeenstemming met hun hoog ontwikkeld zenuwstelsel.
Orde der Halfvleugeligen (Hemiptera).—De heer J. W. Douglas die een bijzondere studie van de Britsche soorten heeft gemaakt, is zoo vriendelijk geweest mij het een en ander mede te deelen omtrent haar seksueele verschillen. De mannetjes van sommige soorten bezitten vleugels, terwijl de wijfjes vleugelloos zijn; de seksen verschillen in den vorm van het lichaam en van de voorste vleugels (elytra), in de tweede geledingen van haar sprieten en in haar voeten (tarsi); maar daar de beteekenis dezer verschillen volkomen onbekend is, kunnen wij ze hier stilzwijgend voorbijgaan. De wijfjes zijn over het algemeen grooter en sterker dan de mannetjes. Bij de Britsche en, voor zoover de heer Douglas weet, ook bij de uitlandsche soorten, verschillen de seksen gewoonlijk niet veel in kleur; bij ongeveer zes Britsche soorten is echter het mannetje aanmerkelijk donkerder dan het wijfje, en bij omstreeks vier andere soorten is het wijfje donkerder dan het mannetje. Van sommige soorten zijn beide seksen fraai gekleurd; en, daar deze insekten uiterst erg stinken, kunnen hun opzichtige kleuren aan insektenetende dieren tot een teeken dienen, dat zij oneetbaar zijn. In eenige weinige gevallen schijnen hun kleuren rechtstreeks beschermend te zijn; zoo meldt mij Prof. Hoffman, dat hij een kleine bleekroode en groene soort nauwlijks kon onderscheiden van de knoppen op de stammen van de limmetjesboomen welke dit insekt veelvuldig bezoekt.
Eenige soorten van Roofwantsen (Reduvidae) maken een sjirpend (striduleerend) geluid, dat bij Pirates stridulus, naar men zegt [680], wordt voortgebracht door de beweging van den hals in de holte van het voorste segment van het borststuk (prothorax). Volgens Westring maakt ook Reduvius personatus een piepend geluid. Het is mij echter niet mogen gelukken, eenige bijzonderheden omtrent deze insekten te vernemen; en ik heb ook geen reden om te onderstellen, dat er in dit opzicht verschil tusschen de beide seksen bestaat.
Orde der Gelijkvleugeligen (Homoptera) (3).—Ieder die in een woud tusschen de keerkringen heeft gewandeld, moet verbaasd zijn geweest over het geraas dat de mannetjes der Cicaden maakten. De wijfjes zijn stom, zooals de Grieksche dichter Xenarchus zegt: „Gelukkig leven de Cicaden, daar zij sprakelooze vrouwen hebben.” Het daardoor veroorzaakte rumoer kon duidelijk worden gehoord aan boord van de „Beagle”, toen deze op een vierde mijl afstands van de kust van Brazilië voor anker lag; en kapitein Hancock zegt, dat het op een afstand van een mijl kan worden gehoord. De Grieken sloten weleer de Cicaden ter wille van haar zang in kooien op, en de Chineezen doen zulks nog heden, zoodat hij in de ooren van sommige menschen aangenaam moet klinken. [681] (4) De Cicadidae zingen gewoonlijk over dag, de Lantaarndragers (Fulgoridae) schijnen nachtzangers te zijn. Volgens Landois [682], die dit onderwerp onlangs heeft bestudeerd, wordt het geluid voortgebracht door de trilling van de randen der spleten van de stigmata, die in beweging worden gebracht door een uit de luchtbuizen (tracheae) voortkomenden luchtstroom. Doch deze meening is vóór eenige jaren betwist. Dr. Powell schijnt te hebben bewezen [683], dat het geluid wordt voortgebracht door de trilling van een vlies, dat door een bijzondere spier in werking wordt gebracht. Bij het levende insekt kan men, als het sjirpt, dit vlies zien trillen, en bij het doode insekt wordt het juiste geluid gehoord, wanneer aan de spier, als zij een weinig is gedroogd en verhard, met de punt van een speld wordt getrokken. Bij het wijfje is de muzikale toestel aanwezig, maar veel minder ontwikkeld dan bij het mannetje en wordt nimmer gebruikt om geluid voort te brengen. (5)
Ten opzichte van het doel der muziek zegt Dr. Hartman, van de Cicada septemdecim der Vereenigde Staten sprekende [684]: „Het gezang wordt nu (6den en 7den Juni 1851) in alle richtingen gehoord. Ik geloof dat het de liefdesverklaringen der mannetjes zijn. In een dicht jong kastanjeboschje van ongeveer manshoogte staande, waar honderden Cicaden mij omgaven, nam ik waar, dat de wijfjes zich rondom de zingende mannetjes plaatsen.” Hij voegt erbij: „In dit jaargetijde (Aug. 1868) bracht een dwergpereboom in mijn tuin omstreeks vijftig larven van Cicada pruinosa voort; en ik merkte meermalen op, hoe de wijfjes naar een mannetje toegingen, als hij zijn schelle tonen voortbracht.” Fritz Müller schrijft mij uit Zuid-Brazilië, dat hij dikwijls naar een muzikalen wedstrijd tusschen twee of drie mannetjes van Cicaden heeft geluisterd, die een bijzonder krachtige stem hadden en op aanmerkelijken afstand van elkander zaten. Zoodra het eerste zijn zang had geëindigd, begon onmiddellijk het tweede; wanneer dit gereed was, begon een ander, en zoo vervolgens. Daar er veel wedijver tusschen de mannetjes bestaat, is het waarschijnlijk, dat de wijfjes hen niet slechts ontdekken door de voortgebrachte tonen, maar dat zij ook, evenals de wijfjes van vogels, worden opgewekt of aangelokt door het mannetje dat de aantrekkelijkste stem heeft.
Ik heb geen goed uitgedrukte gevallen van tot versiering dienende verschillen tusschen de seksen van de Gelijkvleugeligen gevonden. De heer Douglas meldt mij, dat er drie Britsche soorten zijn, bij welke het mannetje zwart of met zwarte banden geteekend is, terwijl de wijfjes bleek gekleurd of donker zijn. (6)
Orde der Rechtvleugeligen (Orthoptera).—In de drie families van springende insekten, die tot deze orde behooren, namelijk de Krekels (Achetidae), de Sabelsprinkhanen (Locustidae) en de Veldsprinkhanen (Acridiidae), munten de mannetjes uit door hun muzikale vermogens. Het door sommige Sabelsprinkhanen voortgebracht gesjirp is zoo sterk, dat het gedurende den nacht op een mijl afstands kan worden gehoord [685], en dat hetwelk door sommige soorten wordt voortgebracht, is niet wanluidend zelfs voor menschelijke ooren, zoodat de Indianen aan den Amazonenstroom hen in gevlochten kooien bewaren. Alle waarnemers zijn het er over eens, dat de tonen dienen om de wijfjes hetzij te roepen of op te wekken. Men heeft echter opgemerkt [686], dat het mannetje van den Russischen Treksprinkhaan (een der Veldsprinkhanen), als hij met het wijfje gepaard is, van toorn en ijverzucht sjirpt, wanneer een ander mannetje nadert. Als de huiskrekel ’s nachts wordt overvallen, gebruikt hij zijn stem om zijn makkers te waarschuwen. [687] Een der Sabelsprinkhanen, Platyphyllum concavum, die door de Noord-Amerikanen „Katy-did” wordt genoemd, klimt, volgens de beschrijving [688], op de bovenste takken van een boom, en begint des avonds zijn luidruchtig gesnap, terwijl de tonen zijner mededingers uit de naburige boomen voortkomen, en de bosschen weêrgalmen den geheelen nacht door van den kreet van „Katy-did-she-did.” De heer Bates zegt van den Europeeschen zwarten veldkrekel (een der Achetidae): „men heeft opgemerkt, dat het mannetje zich ’s avonds aan den ingang van zijn hol plaatst, en sjirpt tot er een wijfje nadert; dan worden de luide tonen vervangen door een meer gesmoord geluid, terwijl de gelukkige muzikant de gezellin die hij heeft verworven, met zijn sprieten liefkoost.” [689] Door met een penneschacht over een vijl te strijken, slaagde Dr. Scudder er in een dezer insekten zoo ver te brengen, dat het hem beantwoordde. [690] Bij beide seksen is door von Siebold een merkwaardig gehoorwerktuig gevonden, dat in de voorpooten is gelegen. [691]
Bij de drie Families worden de geluiden op verschillende wijze voortgebracht. Bij de mannetjes der Krekels (Achetidae) hebben beide voorvleugels den zelfden toestel; en deze bestaat bij den zwarten veldkrekel (Gryllus campestris, Fig. 24, 25), volgens de beschrijving van Landois [692] uit 131 tot 138 scherpe, dwarse ruggen of tanden (st), aan de onderzijde van een der aderen van den voorvleugel. Deze getande ader wordt snel gestreken over een gladde, harde, uitstekende ader van den tegenovergestelden vleugel. Eerst wordt de eene vleugel over den anderen gewreven en daarna wordt de beweging omgekeerd. Beide vleugels worden tegelijkertijd een weinig opgelicht om de resonantie te vermeerderen. Bij sommige soorten zijn de voorvleugels van het mannetje voorzien van een plaatje dat er als talk uitziet. [693] Ik heb hier een teekening gegeven (Fig. 29) van de onderzijde van de ader bij een andere soort van krekel, namelijk den huiskrekel (Gryllus domesticus).
Wat het ontstaan dezer tanden aangaat, heeft Dr. Gruber [694] aangetoond, dat zij ontwikkeld zijn met behulp der teeltkeus uit de kleine schubben en haren waarmede de vleugels en het lichaam bedekt zijn, en ik kwam tot het zelfde besluit ten opzichte van die der Schildvleugeligen (Coleoptera). Doch Dr. Gruber toont verder aan, dat hun ontwikkeling gedeeltelijk een rechtstreeksch gevolg is geweest van de wrijving van den eenen vleugel over den anderen.
Bij de Sabelsprinkhanen (Locustidae) verschillen de tegenovergestelde voorvleugels in maaksel (Fig. 30, 31, 32), en kunnen niet, gelijk in de vorige familie, op omgekeerde wijze worden gebruikt. De linkervleugel, die als de strijkstok van de viool werkt, ligt over den rechtervleugel die de viool zelf voorstelt. Een der aderen (a, Fig. 31) aan de ondervlakte van den eersten is fijn gezaagd en wordt gestreken over de vooruitstekende aderen aan de onderste oppervlakte van den tegenovergestelden of rechtervleugel. Bij onze Britsche Phasgonura viridissima scheen het mij toe, dat de gezaagde ader wordt gewreven tegen den afgeronden achterhoek van den tegenovergestelden vleugel, waarvan de rand verdikt, bruin gekleurd en zeer scherp is. Aan den rechtervleugel, maar niet aan den linker-, is een klein plaatje, zoo doorzichtig als talk, door aderen omgeven en spiegel (speculum) genaamd. Bij Ephippiger vitium een lid van de zelfde familie, hebben wij een merkwaardige ondergeschikte wijziging; want bij dezen zijn de voorvleugels sterk in grootte afgenomen, maar „het achterste gedeelte van het voorborststuk (prothorax) verheft zich als een soort van koepeldak over de voorvleugels en deze inrichting dient waarschijnlijk tot versterking van het geluid.” [695] (7)
Wij zien derhalve, dat het muziekinstrument meer is gedifferentieerd en gespecialiseerd bij de Sabelsprinkhanen, waartoe ik geloof, dat de krachtigste muzikanten van de orde behooren, dan bij de Krekels, bij welke beide voorvleugels het zelfde maaksel hebben en tot de zelfde functie dienen. [696] Landois ontdekte echter bij een der Sabelsprinkhanen, namelijk bij Decticus, een korte en smalle rij kleine tanden, bloote rudimenten, op de ondervlakte van den rechtervoorvleugel, die onder den anderen ligt en nooit als strijkstok wordt gebruikt. Ik nam het zelfde rudimentaire deel waar aan de onderzijde van den rechtervoorvleugel bij Phasgonura viridissima. Wij mogen hieruit gerust afleiden, dat de Sabelsprinkhanen afstammen van een vorm, bij welken, evenals bij de hedendaagsche Krekels, beide voorvleugels aan de ondervlakte gezaagde aderen bezaten en beide even goed als strijkstok konden worden gebruikt, maar dat bij de Sabelsprinkhanen de beide voorvleugels trapsgewijze zijn gedifferentieerd en volkomener gemaakt, volgens het beginsel van verdeeling van den arbeid, de eene om uitsluitend de rol van strijkstok, de andere om die van viool te vervullen. Op welke wijze de eenvoudiger inrichting bij de Krekels ontstond, weten wij niet; het is echter waarschijnlijk, dat de basale deelen der voorvleugels elkander vroeger evenals tegenwoordig overdekten, en dat de wrijving der aderen een knarsend geluid voortbracht, zooals ik zie, dat nu het geval met de voorvleugels is. [697] Een dergelijk knarsend geluid, nu en dan eens bij toeval door de mannetjes gemaakt, kan, als het hen, al was het maar nog zoo weinig, diende als een loktoon voor de wijfjes, gemakkelijk door de seksueele teeltkeus zijn versterkt, doordat gepaste wijzigingen in de ruwheid der aderen voortdurend behouden bleven.
Bij de derde en laatste familie, namelijk de Acridiidae of Veldsprinkhanen, wordt het gesjirp op een geheel verschillende wijze voortgebracht, en is, volgens Dr. Scudder, niet zoo schril, als bij de voorgaande families. De binnenvlakte van de dij (Fig. 33) is voorzien van een overlangsche rij kleine, sierlijke, lancetvormige, veerkrachtige tandjes, van 85 tot 93 in getal [698] (Fig. 34); en deze worden over de scherpe, uitstekende aderen der voorvleugels gestreken, welke daardoor in trilling geraken en geluid geven. Harris [699] zegt, dat wanneer een der mannetjes begint te sjirpen, hij eerst „de scheen van den achterpoot onder de dij brengt, waar zij in een daartoe bestemde groeve wordt opgenomen, en dan den poot snel op en neder trekt. Hij speelt niet op beide zijn violen te gelijk, maar afwisselend eerst op de eene en dan op de andere.” (8) Bij vele soorten is het grondvlak van het achterlijf uitgehold tot een groote holte, die, naar men gelooft, als klankbodem werkt. Bij Pneumora (Fig. 35 en 36), een Zuid-Afrikaansch geslacht tot de zelfde familie behoorende, ontmoeten wij een nieuwe en opmerkelijke wijziging: bij de mannetjes steekt namelijk een smalle scherpe rug aan beide zijden van het achterlijf uit, waartegen de dijen der achterpooten worden gewreven. [700] Daar het mannetje vleugels bezit, hoewel het wijfje vleugelloos is, is het opmerkelijk, dat de dijen niet op de gewone wijze tegen de voorvleugels worden gewreven; maar dit moet wellicht worden verklaard door de ongewoon geringe grootte der achterpooten. Ik ben niet in de gelegenheid geweest om de binnenste oppervlakte der dijen te onderzoeken, die, naar de analogie te oordeelen, fijn gezaagd zou zijn. De Pneumora-soorten zijn ter wille van haar sjirpvermogen sterker gewijzigd, dan eenig ander Rechtvleugelig Insekt; want bij het mannetje is het geheele lichaam in een muziekinstrument veranderd, als een groote doorzichtige blaas, door lucht uitgezet, om daardoor de resonantie te vermeerderen. (9) De heer Trimen deelt nog mede, dat aan de Kaap de Goede Hoop deze insekten gedurende den nacht een verwonderlijk geraas maken.
Er is ééne uitzondering op den regel, dat de wijfjes in deze drie families geen bruikbaar muziekinstrument bezitten; want bij Ephippiger (een der Sabelsprinkhanen) zegt men [701], dat beide seksen daarvan voorzien zijn. Dit geval kan worden vergeleken bij dat van het rendier, de eenige soort van hert bij welke beide seksen horens bezitten. Hoewel de wijfjes der Rechtvleugeligen dus bijna zonder uitzondering stom zijn, vond Landois [702] toch rudimenten van sjirporganen aan de dijen der vrouwelijke Veldsprinkhanen, en dergelijke rudimenten aan het ondervlak der voorvleugels van de vrouwelijke Krekels; maar hij slaagde er niet in om dergelijke rudimenten te vinden bij de wijfjes van Decticus, een der Sabelsprinkhanen. Bij de Gelijkvleugeligen bezitten de stomme wijfjes der Cicaden het eigenaardige muziekinstrument in onontwikkelden staat; en wij zullen later in andere afdeelingen van het dierenrijk tallooze voorbeelden ontmoeten van deelen die aan het mannetje eigen zijn, doch in rudimentairen toestand ook bij het wijfje worden gevonden. Dergelijke gevallen schijnen op het eerste gezicht aan te toonen, dat de beide seksen oorspronkelijk op de zelfde wijze gebouwd waren, doch dat zekere organen later door de wijfjes verloren werden. Het is echter een meer waarschijnlijke meening, zooals vroeger is verklaard, dat bedoelde organen door de mannetjes werden verkregen en gedeeltelijk op de wijfjes overgebracht.
Landois heeft een ander belangwekkend feit waargenomen, namelijk dat bij de wijfjes der Veldsprinkhanen de sjirptandjes op de dijen levenslang in den zelfden toestand blijven, waarin zij bij beide seksen in den larvenstaat het eerst verschijnen. Bij de mannetjes daarentegen komen zij tot volkomen ontwikkeling en verkrijgen zij hun volkomen inrichting bij de laatste vervelling, als het insekt volwassen en voor de voortplanting gereed is.
Uit de hier vermelde feiten zien wij, dat de middelen waardoor de mannetjes hun geluiden voortbrengen, bij de Rechtvleugeligen van zeer onderscheiden aard zijn, en dat zij geheel verschillen van die welke bij de Gelijkvleugeligen worden gebruikt. [703] Maar in het geheele dierenrijk vinden wij onophoudelijk, dat het zelfde doel door de meest verschillende middelen wordt bereikt, hetgeen daardoor wordt veroorzaakt, dat de geheele organisatie in den loop der eeuwen veelvuldige veranderingen ondergaat; en daar eerst het eene, daarna het andere deel wordt gewijzigd, wordt uit verschillende veranderingen voordeel getrokken tot het zelfde algemeene doel. De verscheidenheid der middelen om geluid voort te brengen bij de drie families der Rechtvleugeligen en bij de Gelijkvleugeligen vervult onzen geest met de hooge belangrijkheid van deze organen voor de mannetjes, ten einde de wijfjes te roepen of aan te lokken. Wij behoeven ons niet te verwonderen over de groote verandering welke de Rechtvleugeligen in dit opzicht hebben ondergaan, daar wij tegenwoordig door Dr. Scudder’s merkwaardige ontdekking [704] weten, dat daarvoor meer dan overvloedig tijd is geweest. Deze natuuronderzoeker heeft onlangs een fossiel insekt gevonden in de Devonische vorming van Nieuw-Brunswijk, dat voorzien is van „het welbekende tympanum of sjirp-orgaan der mannelijke Sabelsprinkhanen.” Dit insekt, hoewel in de meeste opzichten met de Netvleugeligen (Neuroptera) verwant, schijnt, zooals met zeer oude vormen zoo dikwijls het geval is, de beide orden der Netvleugeligen en Rechtvleugeligen te verbinden, die nu algemeen als geheel onderscheiden worden gerangschikt.
Ik heb weinig meer over de Rechtvleugeligen te zeggen. Sommige soorten zijn zeer strijdlustig; als twee mannelijke zwarte Veldkrekels (Gryllus campestris) bij elkander worden opgesloten, vechten zij, totdat de eene den anderen doodt, en de Mantis soorten (Roofsprinkhanen) manoeuvreeren volgens de beschrijving met hun zwaardvormige voorpooten als huzaren met sabels. De Chineezen bewaren deze insekten in kleine bamboezen kooien en laten ze met elkander vechten evenals vechthanen. [705] Wat de kleur aangaat, munten sommige uitlandsche (exotische) sprinkhanen uit, wier achtervleugels met rood, blauw en zwart versierd zijn; maar daar in deze geheele orde de beide seksen zelden veel in kleur verschillen, is het twijfelachtig, of zij deze fraaie kleuren aan seksueele teeltkeus verschuldigd zijn. Opzichtige kleuren kunnen voor deze insekten nuttig zijn als een bescherming, volgens het beginsel, dat in het volgende hoofdstuk zal worden verklaard, door hun vijanden te waarschuwen, dat zij oneetbaar zijn. Zoo heeft men waargenomen [706], dat een Indische fraai gekleurde sprinkhaan standvastig werd weggeworpen, als men hem aan vogels en hagedissen aanbood. Er zijn echter in deze orde enkele gevallen van seksueele kleurverschillen bekend. Het mannetje van een Amerikaanschen krekel [707] wordt beschreven als ivoorwit, terwijl het wijfje afwisselt van bijna wit tot geelachtig groen of zwartachtig. De heer Walsh deelt mij mede, dat het volwassen mannetje van Spectrum femoratum, een der Spookinsekten of Wandelende Bladeren (Phasmidae), „van een glanzend bruinachtig gele kleur is, terwijl de volwassen wijfjes dof ondoorschijnend aschachtig bruin en de jongen van beide seksen groen zijn. Eindelijk kan ik vermelden, dat het mannetje van ééne merkwaardige soort van krekel [708] voorzien is van een „lang vliesachtig aanhangsel, dat als een sluier over het gelaat valt”; of dit echter tot een sieraad dient, is niet bekend.
Orde der Netvleugeligen (Neuroptera).—Hierover behoeft weinig te worden gezegd, behalve ten opzichte der kleur. Bij de Haften (Ephemeridae) verschillen de donkere kleuren dikwijls bij de seksen een weinig [709]; maar het is niet waarschijnlijk, dat de mannetjes daardoor aantrekkelijker voor de wijfjes worden gemaakt. De Waternimfen (Libellulidae) zijn versierd met prachtige groene, blauwe, gele en vermiljoenkleurige metaalglanzende tinten; en de seksen verschillen dikwijls. Zoo zijn de mannetjes van sommige Agrionidae, gelijk Prof. Westwood opmerkt [710], „van een rijk blauw met zwarte vleugels, terwijl de wijfjes schoon groen met ongekleurde vleugels zijn.” Bij Agrion Ramburii zijn deze kleuren echter bij beide seksen juist omgekeerd. [711] Bij het uitgebreide Noord-Amerikaansche geslacht Hetaerina hebben alleen de mannetjes een fraaie karmijnroode vlek op het begin van elken vleugel. Bij Anax junius is het gronddeel van het achterlijf bij het mannetje levendig ultramarijnblauw en bij het wijfje grasgroen. Bij het verwante geslacht Gomphus en bij sommige andere geslachten verschillen de seksen daarentegen slechts weinig in kleur. In het geheele dierenrijk komen vele dergelijke gevallen voor, waarin de seksen van nauw verwante vormen hetzij grootelijks, of zeer weinig, of in het geheel niet verschillen. Hoewel bij vele Waternimfen zulk een groot verschil in kleur tusschen de seksen bestaat, is het dikwijls moeielijk te zeggen, welke de schitterendste is, en bij ééne soort van Agrion is de gewone kleuring der seksen juist omgekeerd, zooals wij daareven hebben gezien. Het is niet waarschijnlijk, dat in eenig geval haar kleuren tot bescherming zijn verkregen. Zooals de heer MacLachlan, die deze familie nauwkeurig heeft bestudeerd, mij schrijft, zijn de Waternimfen—de tyrannen der insektenwereld—van alle insekten het minst vatbaar om door vogels of andere vijanden te worden aangevallen. Hij gelooft, dat haar schitterende kleuren dienen om de andere sekse aan te lokken. Het verdient met betrekking hiertoe opmerking, dat de Waternimfen door bijzondere kleuren schijnen te worden aangetrokken; de heer Patterson [712] nam waar, dat die soorten van Agrionidae, wier mannetjes blauw zijn, zich in grooten getale op den blauwen dobber van een vischlijn neerzetten; terwijl twee andere soorten door blinkende witte kleuren werden aangetrokken.
Het is een belangwekkend, het eerst door Schelver opgemerkt feit, dat de mannetjes bij verscheidene geslachten, tot twee onder-families behoorende, als zij pas uit het larvenhulsel voortkomen, juist zoo zijn gekleurd als de wijfjes; maar dat hun lichamen binnen korten tijd een opzichtige melkachtige blauwe tint aannemen, die het gevolg is van de uitzweeting van een soort van in aether en alcohol oplosbare olie. De heer MacLachlan gelooft, dat deze kleursverandering bij Libellula depressa geen plaats grijpt voor ongeveer veertien dagen na de gedaanteverwisseling, als de seksen gereed zijn om te paren.
Sommige soorten van Neurothemis vertoonen volgens Brauer [713] een merkwaardig geval van dimorphisme, daar het adernet der vleugels bij sommige wijfjes den gewonen vorm vertoont, terwijl het bij andere wijfjes „zeer rijk aan aderen is, evenals bij de mannetjes van de zelfde soort.” Brauer verklaart dit verschijnsel volgens de Darwinistische beginselen „door de onderstelling, dat een groote rijkdom aan aderen een secundair seksueel kenmerk der mannetjes is”. Dit kenmerk is gewoonlijk alleen bij de mannetjes ontwikkeld; maar daar het, evenals elk ander mannelijk kenmerk, bij de wijfjes latent voorhanden is, komt het nu en dan ook bij deze tot ontwikkeling. Wij hebben hier een voorbeeld van de wijze waarop de beide seksen van vele dieren er waarschijnlijk toe zijn gekomen om op elkander te gelijken, namelijk door wijzigingen, die eerst bij het mannetje verschenen, bij dit bewaard bleven en dan werden overgebracht op en ontwikkeld bij de wijfjes; bij dit bijzondere geslacht komt echter nu en dan plotselinge en volkomen overbrenging tot stand. De heer MacLachlan deelt mij een ander geval van dimorphisme mede, dat bij verscheidene soorten van Agrion plaats grijpt, bij welke men een zeker aantal individu’s vindt van een oranjekleur, en dit zijn zonder uitzondering wijfjes. Dit is waarschijnlijk een geval van atavisme; want wanneer bij de ware Waternimfen (Libellulae) de seksen in kleur verschillen, zijn de wijfjes altijd oranje of geel, zoodat, als men onderstelt dat Agrion afstamt van den eenen of anderen oorspronkelijken vorm die de kenmerkende seksueele kleuren der typische Waternimfen (Libellulae) bezat, het niet te verwonderen zou zijn, zoo een neiging om in die richting af te wijken, alleen bij de wijfjes bestond.
Hoewel deze Waternimfen zulke groote, sterke en wreedaardige insekten zijn, heeft de heer MacLachlan nooit waargenomen, dat de mannetjes met elkander vochten, behalve, naar hij gelooft, bij sommige der kleinere Agrion-soorten. Bij een andere zeer verschillende groep in deze orde, namelijk bij de Termieten of Witte Mieren, kan men soms in den zwermtijd de seksen elkander achterna zien zitten, „het mannetje achter het wijfje, somtijds twee mannetjes één wijfje najagende en met groote vurigheid wedijverende, wie den prijs zal winnen.” [714]
Orde der Vliesvleugeligen (Hymenoptera).—Bij de beschrijving der levenswijze van een Graafwesp (Cerceris), merkt de heer Fabre [715], die onovertreffelijke waarnemer, op, dat „veelvuldig gevechten plaats grijpen tusschen de mannetjes om het bezit van het eene of andere bijzondere wijfje, dat schijnbaar, alsof zij er niet in was betrokken, naar den strijd om de oppermacht zit te kijken, en, als de overwinning is beslist, bedaard wegvliegt in gezelschap van den overwinnaar.” Westwood [716] zegt, dat de mannetjes van een der Bladwespen (Tenthredinidae) „te zamen vechtende met toegeklemde bovenkaken zijn gevonden.” Daar de heer Fabre zegt, dat de mannetjes van Cerceris een bijzonder wijfje trachten te verkrijgen, is het goed ons te herinneren, dat insekten, tot deze orde behoorende, het vermogen bezitten om elkander na lange tusschenruimten van tijd te herkennen, en zeer aan elkander zijn gehecht. Pierre Huber, wiens nauwkeurigheid niemand betwijfelt, scheidde bijvoorbeeld eenige mieren, en toen zij na een tusschenruimte van eenige maanden andere ontmoetten, die vroeger tot de zelfde vereeniging hadden behoord, herkenden zij elkander wederkeerig en liefkoosden elkander met haar sprieten. Waren zij vreemdelingen geweest, dan zouden zij te zamen hebben gevochten. Als daarentegen twee vereenigingen elkander slag leveren, vallen de mieren van de eene partij elkander soms in de algemeene verwarring aan; maar spoedig bemerken zij haar dwaling en dan liefkoost de eene mier de andere. [717]
In deze orde zijn geringe verschillen in kleur volgens de sekse gemeen; maar in ’t oog loopende verschillen zijn zeldzaam, behalve in de familie der Bijen; echter zijn beide seksen van zekere groepen zoo schitterend gekleurd,—bijvoorbeeld die van de Goudwespen (Chrysis) bij welke vermiljoen en metaalglanzend groen de overhand hebben,—dat wij in verzoeking komen om zulks voor een gevolg der seksueele teeltkeus te houden. Bij de Sluipwespen (Ichneumonidae) zijn volgens den heer Walsh [718] de mannetjes bijna algemeen lichter gekleurd dan de wijfjes. Bij de Bladwespen (Tenthredinidae) daarentegen zijn de mannetjes over het algemeen donkerder dan de wijfjes. Bij de Houtwespen (Siricidae) verschillen de seksen dikwijls; zoo heeft het mannetje van Sirex juvencus oranje banden over het lichaam, terwijl het wijfje donker purperkleurig is; maar het is moeielijk te zeggen, welke sekse het meest versierd is. Bij de Tremex columbae is het wijfje veel levendiger gekleurd dan het mannetje. Bij de Mieren zijn, naar de heer F. Smith mij mededeelde, de mannetjes van verscheidene soorten zwart, terwijl de wijfjes bruinachtig zijn. In de familie der Bijen, vooral bij de eenzaam levende soorten, verschillen, naar ik van den zelfden uitnemenden insektenkenner hoor, de seksen dikwijls in kleur. De mannetjes zijn over het algemeen het levendigst gekleurd, en bij Bombus, zoowel als bij Apathus, veel veranderlijker van kleur dan de wijfjes. Bij Anthophora retusa is het mannetje van een rijk roodachtig bruin, terwijl het wijfje geheel zwart is; evenzoo zijn de wijfjes van onderscheidene soorten van Xylocopa zwart, terwijl de mannetjes helder geel zijn.
Daarentegen zijn bij sommige soorten, gelijk Andraena fulva, de wijfjes veel levendiger gekleurd dan de mannetjes. Dergelijke verschillen in kleur kunnen moeilijk alleen worden verklaard, doordat de mannetjes, zonder verdedigingsmiddelen zijn en dus bescherming noodig hebben, terwijl de wijfjes goed worden verdedigd door haar angels. H. Müller [719], die een bijzondere studie heeft gemaakt van bijen, schrijft deze verschillen in kleur voornamelijk aan seksueele teeltkeus toe. Dat bijen een scherp waarnemingsvermogen voor kleuren hebben, is zeker. Hij zegt, dat de mannetjes de wijfjes hartstochtelijk zoeken en om haar bezit vechten; en hij verklaart door dergelijke gevechten, hoe de bovenkaken van de mannetjes bij sommige soorten grooter zijn dan die van de wijfjes. In sommige gevallen zijn de mannetjes veel talrijker dan de wijfjes, hetzij vroeg in het voorjaar, of op alle tijden en plaatsen, of locaal. Bij sommige soorten schijnen de schoonste mannetjes door de wijfjes, en bij andere de schoonste wijfjes door de mannetjes te zijn uitgezocht. Bij gevolg verschillen in zekere geslachten (Müller, blz. 42) de mannetjes van de verschillende soorten zeer in uiterlijk, terwijl de wijfjes bijna niet van elkander zijn te onderscheiden; bij andere geslachten heeft het tegendeel plaats. H. Müller gelooft (blz. 82), dat de door de eene sekse door seksueele teeltkeus verkregen kenmerken dikwijls in verschillende mate op de andere sekse zijn overgegaan, juist gelijk de toestel om stuifmeel te verzamelen van het wijfje dikwijls op het mannetje is overgegaan, voor wien hij volstrekt nutteloos is. [720] Bij een Nieuw-Hollandsche bij (Lestis bombylans) is het wijfje van een uiterst schitterend staalblauw, soms met levendig groene schakeeringen, terwijl het mannetje van een heldere bronskleur en rijk met roodachtig dons begroeid is. Daar in deze groep de wijfjes in haar angels uitnemende verdedigende wapenen bezitten, is het niet waarschijnlijk, dat zij in kleur van de mannetjes zijn begonnen te verschillen ter wille van de bescherming.
Mutilla Europea maakt een sjirpend geluid; en volgens Goureau [721] hebben beide seksen dit vermogen. Hij schrijft het geluid toe aan de wrijving van den derden en de daarvoorgaande ringen (segmenten) van het achterlijf, en ik heb waargenomen, dat de oppervlakte daarvan met fijne, gelijkmiddelpuntige (concentrische) richeltjes is bezet; maar dit is ook het geval met den uitstekenden kraag van het borststuk, waaraan de kop door een geleding is verbonden; en deze kraag geeft, als men hem met de punt van een naald bekrast, juist het zelfde geluid. Het is nog al vreemd, dat beide seksen het vermogen om te sjirpen zouden bezitten, daar het mannetje gevleugeld en het wijfje vleugelloos is. Het is bekend, dat Bijen sommige gemoedsaandoeningen, b.v. toorn, uitdrukken door den toon van hun gebrom, gelijk ook sommige Tweevleugelige Insekten doen (10); ik heb echter geen melding van die geluiden gemaakt, daar zij in volstrekt geen verband met de vrijage staan.
Orde der Schildvleugeligen (Coleoptera).—Vele kevers zijn zoodanig gekleurd, dat zij gelijken op de oppervlakten die zij gewoonlijk bezoeken. Andere soorten zijn met prachtige metallieke kleuren versierd,—bij voorbeeld, vele Loopkevers (Carabidae), die op den grond leven en het vermogen bezitten om zich te verdedigen door de afscheiding van een scherpe bijtende stof,—de prachtige Diamantkevers, die door een uiterst harde huid worden beschermd,—vele soorten van Goudhaantjes (Chrysomela), zooals Chrysomela cerealis, een groote, fraai met verschillende kleuren gestreepte soort die in Groot-Brittannië tot den naakten top van Snowdon beperkt zijn,—en een menigte andere soorten. Deze prachtige kleuren, die dikwijls in strepen, vlekken, kruisen en volgens andere sierlijke modellen gerangschikt zijn, kunnen moeielijk voordeelig zijn voor de bescherming, behalve in het geval van sommige zich met bloemen voedende soorten; en wij kunnen niet gelooven, dat zij doelloos zijn. Daarom rijst bij ons het vermoeden, dat zij strekken om de andere sekse te bekoren; maar wij hebben daarvan geen bewijzen; want de seksen verschillen zelden in kleur. Blinde kevers, die elkanders schoon natuurlijk niet kunnen zien, prijken, naar ik van den heer Waterhouse jun. hoor, nimmer met schitterende kleuren, hoewel zij dikwijls glanzende bekleedselen hebben; maar de reden van hun donkere kleur is wellicht, dat blinde insekten holen en andere duistere plaatsen bewonen.
Sommige Boktorren (Longicornia) echter, vooral zekere Prionidae, bieden een uitzondering aan op den gewonen regel, dat de seksen van kevers niet in kleur verschillen. De meeste dezer insekten zijn groot en prachtig gekleurd. De mannetjes van het geslacht Pyrodes [722] zijn, gelijk ik in de verzameling van den heer Bates zag, over het geheel rooder, maar iets doffer dan de wijfjes, welke laatste meer of minder prachtig goudgroen zijn gekleurd. Bij het geslacht Esmeralda verschillen de seksen zoozeer in kleur, dat zij als verschillende soorten zijn gerangschikt; bij ééne soort zijn beiden van een prachtig glinsterend groen; maar het mannetje heeft een rood borststuk (thorax). Over het geheel zijn, zoover ik er over kan oordeelen, de wijfjes van die Prionidae bij welke de seksen verschillen, rijker gekleurd dan de mannetjes; en dit stemt niet overeen met den algemeenen regel ten opzichte van de kleur, wanneer deze door seksueele teeltkeus is verkregen.
Een zeer merkwaardig onderscheid tusschen de seksen van vele kevers wordt opgeleverd door de groote horens, die op den kop, het borststuk of het schildje (clypeus) der mannetjes en in eenige weinige gevallen op de ondervlakte van hun lichaam zijn ingeplant. Deze horens gelijken in de groote familie der Bladsprietigen (Lamellicornia) op die van verschillende viervoetige dieren, zooals herten, neushoorns, enz., en zijn verwonderlijk zoowel door hun grootte als door de verscheidenheid hunner vormen. In plaats van hen te beschrijven heb ik afbeeldingen gegeven van de mannetjes en wijfjes der merkwaardigste vormen (Fig. 37–46). De wijfjes vertoonen gewoonlijk rudimenten van horens in den vorm van kleine knobbels of ribbetjes; maar sommige bezitten zelfs die rudimenten niet. Daarentegen zijn de horens bij het wijfje bijna even goed ontwikkeld als bij het mannetje bij Phanaeus lancifer, en slechts een weinig minder ontwikkeld bij de wijfjes van sommige andere soorten van het zelfde geslacht en van Copris. Bij de verschillende onderafdeelingen der familie bestaat er, naar de heer Bates mij mededeelt, geen verhouding tusschen de verschillen in het maaksel der horens en de meer belangrijke en kenmerkende verschillen; zoo zijn er in de zelfde natuurlijke afdeeling van het geslacht Onthophagus-soorten die een enkelen hoorn, en andere die twee verschillende horens op den kop hebben.
In bijna alle gevallen zijn de horens opmerkelijk wegens hun bovenmatige variabiliteit, zoodat een trapsgewijze reeks kan worden gevormd van de hoogst ontwikkelde mannetjes tot andere, die zoo weinig ontaard zijn, dat zij slechts even van de wijfjes te onderscheiden zijn. De heer Walsh [723] bevond, dat bij Phanaeus carnifex de horens bij sommige mannetjes driemaal zoo lang waren als bij andere. De heer Bates dacht, na meer dan honderd mannetjes van Onthophagus rangifer (Fig. 44) te hebben onderzocht, dat hij eindelijk een soort had ontdekt, bij welke de horens niet variabel waren; maar een nader onderzoek bewees het tegendeel.
De buitengewone grootte der horens en hun zeer verschillend maaksel bij nauw verwante vormen bewijzen, dat zij met het eene of andere belangrijke doel zijn gevormd; maar hun bovenmatige variabiliteit bij de mannetjes van de zelfde soort voert tot het besluit, dat dit doel niet van een bepaalden aard kan zijn. De horens vertoonen geen teekenen van afslijting, alsof zij voor het eene of andere gewone werk werden gebruikt. Sommige schrijvers onderstellen [724], dat de mannetjes, daar zij veel meer rondtrekken dan de wijfjes, horens noodig hebben om zich tegen hun vijanden te verdedigen; in vele gevallen schijnen echter de horens niet goed voor de verdediging geschikt te zijn, daar zij niet scherp zijn. De meest voor de hand liggende onderstelling is, dat zij door de mannetjes worden gebruikt om te vechten; maar men heeft nooit waargenomen, dat zij vochten; ook kon de heer Bates na een zorgvuldig onderzoek van vele soorten, in hun verminkten of gebroken toestand geen voldoende bewijzen vinden, dat zij daarvoor waren gebruikt. Als de mannetjes gewoon waren met elkander te vechten, zou hun grootte waarschijnlijk door seksueele teeltkeus zijn toegenomen, zoodat zij die bij het wijfje zou hebben overtroffen; de heer Bates vindt echter, na de beide seksen bij meer dan honderd soorten van Mesttorren (Copridae) met elkander te hebben vergeleken, bij goed ontwikkelde individu’s in dit opzicht volstrekt geen merkbaar verschil. Er is bovendien één kever, tot de zelfde groote afdeeling der Bladsprietigen (Lamellicornia) behoorende, van welke men weet, dat de mannetjes met elkander vechten; maar zij zijn niet van horens voorzien, hoewel hun bovenkaken veel grooter zijn dan die van het wijfje.
Het besluit, dat het best in overeenstemming is met het feit, dat de horens zoo verbazend en toch niet standvastig ontwikkeld zijn,—zooals door hun uitermate groote variabiliteit bij de zelfde soort wordt bewezen,—is, dat zij als versierselen zijn verkregen. Deze meening zal eerst uiterst onwaarschijnlijk voorkomen; maar wij zullen later zien, dat zich bij vele dieren die veel hooger op de ladder staan, namelijk Visschen, Amphibieën, Reptielen en Vogels, verschillende soorten van knobbels, horens en kammen blijkbaar met het zelfde doel hebben ontwikkeld.
De mannetjes van Onitis furcifer (Fig. 46) bezitten aan de dijen hunner voorpooten vreemdsoortige uitsteeksels en aan de ondervlakte van het borststuk een groote vork of een paar horens. Deze plaatsing schijnt uiterst slecht geschikt om met deze uitsteeksels te pronken, en wellicht dienen zij werkelijk voor het eene of andere bijzondere doel, maar tot dusverre kan men er het gebruik niet van bepalen. Het is een zeer merkwaardig feit, dat, hoewel de mannetjes zelfs geen spoor van horens op de bovenvlakte van het lichaam vertoonen (Fig. 48), bij de wijfjes toch een rudiment van een enkelen hoorn op den kop (Fig. 49, a) en een dergelijk van een kam (b) op het borststuk duidelijk zichtbaar zijn. Dat de kleine kam op het borststuk van het wijfje een rudiment is van een aan het mannetje eigen uitsteeksel, hoewel dit geheel ontbreekt bij het mannetje van deze bijzondere soort, is duidelijk; want het wijfje van Bubas bison, (die zeer nauw met Onitis verwant is) heeft een dergelijken kleinen kam op het borststuk, terwijl het mannetje op de zelfde plaats een groot uitsteeksel heeft. Zoo kan er ook geen twijfel zijn, of de kleine punt (a) op den kop van het wijfje van Onitis furcifer en op dien van de wijfjes van twee of drie verwante soorten is een rudimentaire vertegenwoordiger van den hoorn op den kop, zooals die van Phanaeus (Fig. 41, 42), welke aan de mannetjes van zoovele Bladsprietige Kevers (Lamellicornia) gemeen is. De mannetjes van eenige nog geen namen ontvangen hebbende torren in het Britsch Museum, die men tegenwoordig gelooft, dat tot het geslacht Onitis behooren, zijn van een dergelijken hoorn voorzien. De opmerkelijke aard van dit geval zal het best door een voorbeeld worden begrepen: de Herkauwende Zoogdieren vormen een evenwijdige reeks met de Bladsprietige Kevers (Lamellicornia), daar bij sommige de wijfjes horens bezitten, die even groot zijn als die van het mannetje, terwijl de wijfjes van andere veel kleiner horens hebben of de horens bij haar slechts in rudimentairen toestand bestaan (ofschoon dit bij de Herkauwende Zoogdieren even zeldzaam, als bij de Bladsprietige Kevers algemeen is), en zij eindelijk bij wederom andere in het geheel geen horens hebben. Als nu een nieuwe soort van hert of schaap werd ontdekt, bij welke het wijfje duidelijk rudimenten van horens bezat, terwijl de kop van het mannetje volkomen glad was, zouden wij een met dat van Onitis furcifer overeenkomend geval hebben.
In dit geval is het oude geloof, dat rudimentaire deelen zijn geschapen om het plan (schema) der natuur volledig te maken, zoover van steek te houden, dat alle gewone regels geheel overtreden schijnen. De meest waarschijnlijke meening komt mij voor te zijn, dat de eene of andere vroegere voorvader van Onitis, evenals andere Bladsprietige Kevers (Lamellicornia), horens op den kop en het borststuk verkreeg en ze daarop, evenals bij zoovele nog levende soorten, op het wijfje overbracht, door hetwelk zij sinds dien tijd steeds zijn behouden. Het later verlies van de horens door het mannetje kan wellicht het gevolg zijn geweest van het beginsel van compensatie wegens de ontwikkeling der uitsteeksels op de onderste oppervlakte, terwijl die invloed zich bij het wijfje niet doet gelden, daar zij deze uitsteeksels niet bezit en bij gevolg de rudimenten van horens op de bovenste oppervlakte heeft behouden. Hoewel deze meening wordt gesteund door het geval van Bledius, dat dadelijk zal worden medegedeeld, zoo verschillen toch de uitsteeksels op de onderste oppervlakte zeer in maaksel en ontwikkeling bij de verschillende soorten van Onitis en zijn bij sommige zelfs rudimentair; desniettemin vertoont de bovenste oppervlakte bij al deze soorten geen spoor van horens. Daar secundaire seksueele kenmerken zoo bij uitnemendheid variabel zijn, is het mogelijk dat de uitsteeksels op de onderste oppervlakte eerst door den eenen of anderen voorvader van Onitis zijn verkregen en hun invloed door compensatie hebben doen gelden, en daarna in zekere gevallen volkomen verloren zijn gegaan.
Al de tot dusverre vermelde gevallen hebben betrekking op Bladsprietige Kevers (Lamellicornia); ook de mannetjes van eenige weinige andere Kevers, tot twee zeer verschillende groepen, namelijk de Snuitkevers (Curculionidae) en Kortschilden (Staphylinidae) behoorende, zijn echter van horens voorzien,—bij de eerste op de benedenste oppervlakte van het lichaam [725], bij de laatste op de bovenste oppervlakte van den kop en het borststuk. Bij de Kortschilden (Staphylinidae) zijn de horens bij de mannetjes van eene en de zelfde soort buitengewoon veranderlijk, juist zooals wij bij de Bladsprietigen (Lamellicornia) hebben gezien. Bij Siagonium hebben wij een geval van dimorphisme: want de mannetjes kunnen in twee afdeelingen worden verdeeld, die sterk in lichaamsgrootte en in de ontwikkeling hunner horens verschillen, zonder eenige tusschenbeidenstaande overgangsvormen. Bij eene soort van Bledius (Fig. 50 en 51), die ook tot de Kortschilden (Staphylinidae) behoort, kunnen, gelijk Professor Westwood getuigt, mannelijke voorwerpen op een en de zelfde plaats worden gevonden, „bij welke de middelste hoorn van het borststuk zeer groot is, maar de horens op den kop geheel rudimentair zijn, en andere bij welke de hoorn op het borststuk veel korter is, terwijl de uitsteeksels op den kop lang zijn.” [726] Hier hebben wij dus blijkbaar een voorbeeld van compensatie van groei, dat licht werpt op het juist vermelde merkwaardige geval van het verlies der bovenste horens bij Onitis furcifer.
Gevechten.—Sommige mannelijke kevers die slecht voor het gevecht schijnen ingericht, voeren desniettemin strijd om het bezit van de wijfjes. De heer Wallace [727] zag twee mannetjes van Leptorhynchus angustatus, een lijnvormigen kever met zeer verlengden snuit (rostrum), „om een wijfje vechten, dat in de onmiddellijke nabijheid met boren bezig was. Zij stooten elkander met hun snuiten en krabden en sloegen elkander blijkbaar met de grootste woede.” Het kleinste mannetje „liep echter spoedig weg en erkende zich overwonnen.” In eenige weinige gevallen zijn de mannetjes goed geschikt om te vechten door het bezit van groote getande bovenkaken (mandibula), veel grooter dan die der wijfjes. Dit is het geval met het gewone Vliegende Hert (Lucanus cervus), waarvan de mannetjes ongeveer een week vroeger uit de pop te voorschijn komen dan de andere sekse, zoodat men er dikwijls verscheidene het zelfde wijfje kan zien vervolgen. Toen de heer A. H. Davis [728] twee mannetjes met één wijfje in een doos opsloot, kneep het grootste mannetje het kleinste met kracht totdat het zijn aanspraken liet varen. Een vriend meldt mij, dat hij, toen hij een jongen was, de mannetjes dikwijls bij elkander zette om hen te zien vechten, en opmerkte, dat zij veel stoutmoediger en woester zijn dan de wijfjes, evenals men algemeen weet, dat bij de hoogere dieren het geval is. De mannetjes pakten zijn vinger en knepen daarin als hij hun dien voorhield, maar de wijfjes niet. Bij vele Lucanidae, zoowel als bij den bovenvermelden Lepidorhynchus zijn de mannetjes grooter en krachtiger insekten dan de wijfjes. De beide seksen van Lethrus cephalotes (een der Bladsprietige Kevers) bewonen het zelfde hol: en het mannetje heeft grooter bovenkaken dan het wijfje. Indien gedurende den paartijd een vreemd mannetje in het hol beproeft te komen, wordt hij aangevallen; het wijfje blijft hierbij niet lijdelijk, maar sluit de opening van het hol en moedigt haar metgezel aan door hem voortdurend van achteren te stooten. Het gevecht eindigt niet voor de aanvaller is gedood of op de vlucht gaat. [729] De beide seksen van een anderen Bladsprietigen Kever, Ateuchus cicatricosus, leven paarsgewijze en schijnen zeer aan elkander te zijn gehecht; het mannetje spoort het wijfje aan om de ballen van mest te rollen, waarin de eieren worden gelegd; en als men haar wegneemt, wordt hij zeer onrustig. Als het mannetje wordt weggenomen, houdt het wijfje geheel en al met werken op en zou, gelijk de heer Brulerie [730] gelooft, op de zelfde plaats blijven tot zij stierf.
De groote bovenkaken der mannelijke Lucaniden zijn uiterst veranderlijk, zoowel in grootte als in maaksel en gelijken in dit opzicht op de horens op den kop en het borststuk van vele mannelijke Bladsprietige Kevers (Lamellicornia) en Kortschilden (Staphylinidae). Men kan een volkomen reeks vormen van de best voorziene tot de slechtst voorziene of ontaarde mannetjes. Hoewel de bovenkaken van het gewone Vliegende Hert en waarschijnlijk die van vele andere soorten werkelijk bij het gevecht als wapens worden gebruikt, is het twijfelachtig of men zich aldus rekenschap kan geven van haar aanzienlijke grootte. Wij hebben gezien, dat zij bij den Noord-Amerikaanschen Lucanus elaphus worden gebruikt om het wijfje te grijpen. Daar zij zoo sterk in het oog vallen en zoo sierlijk zijn vertakt, is het vermoeden soms bij mij opgekomen, of zij aan de mannetjes wellicht tot sieraad zouden kunnen dienen, op de zelfde wijze als de horens op den kop en het borststuk van de verschillende hierboven beschreven soorten. Het mannetje van Chiasognathus Grantii (Fig. 52) uit Zuid Chili,—een prachtigen kever, die tot de zelfde familie behoort,—heeft verbazend ontwikkelde bovenkaken; hij is stoutmoedig en strijdlustig; als hij aan de eene of andere zijde wordt bedreigd, draait hij zich om, opent zijn groote kaken en sjirpt tegelijkertijd op luidruchtige wijze; de bovenkaken waren echter niet sterk genoeg om mij zoo krachtig in den vinger te knijpen, dat het mij werkelijk pijn deed.
De seksueele teeltkeus die het bezit van aanmerkelijke waarnemende vermogens en van hevige hartstochten veronderstelt, schijnt op de Bladsprietige Kevers meer invloed te hebben uitgeoefend, dan op eenige andere Familie van Schildvleugelige Insekten (Coleoptera). Bij sommige soorten zijn de mannetjes voorzien van wapens om te vechten; sommige leven paarsgewijze en toonen genegenheid voor elkander; vele bezitten het vermogen om te sjirpen, als zij worden geprikkeld; vele zijn voorzien van de meest buitengewone horens, die klaarblijkelijk tot versiering dienen; sommige die dagdieren zijn, bezitten de prachtigste kleuren; en eindelijk, vele van de grootste kevers der wereld behooren tot deze Familie welke door Linnaeus en Fabricius aan het hoofd van de Orde der Schildvleugeligen (Coleoptera) werd geplaatst. [731]
Sjirporganen.—Kevers, tot vele en zeer verschillende Families behoorende, bezitten deze organen. Het geluid kan somtijds op den afstand van verscheidene voeten of zelfs ellen worden gehoord [732], maar kan niet met dat hetwelk de Rechtvleugeligen (Orthoptera) voortbrengen, worden vergeleken. Het deel dat de rasp kan worden genoemd, bestaat gewoonlijk uit een smalle, eenigszins bolle oppervlakte waarover zeer fijne, evenwijdige ribbetjes loopen, soms zoo fijn, dat zij iriseerende kleuren doen ontstaan, en die er onder het microscoop zeer sierlijk uitzien. In sommige gevallen, b.v. bij Typhaeus, kan men duidelijk zien, dat uiterst kleine, borstelachtige, op schubben gelijkende uitsteeksels die de geheele omringende oppervlakte volgens nagenoeg evenwijdige lijnen bedekken, de ribbetjes van de rasp vormen, door samen te vloeien en recht en tegelijkertijd uitstekend en glad te worden. Een harde rug op eenig nabij gelegen deel van het lichaam, die in sommige gevallen bijzonder voor dat doel is gewijzigd, dient als schrapper voor de rasp. De schrapper wordt snel over de rasp, of omgekeerd de rasp over den schrapper bewogen.
Deze organen zijn op uiterst verschillende plaatsen gelegen. Bij de Doodgravers (Necrophorus) staan twee evenwijdige raspen (r, fig. 55) op de rugvlakte van den vijfden ring van het achterlijf, terwijl dwars over elke rasp, volgens de beschrijving van Landois [733], 126 tot 140 fijne ribbetjes loopen. Deze ribbetjes worden geschrapt door de achterranden der dekschilden, waarvan een klein deel buiten den algemeenen omtrek uitsteekt. Bij vele Crioceridae en bij Clythra 4 punctata, één der Bladkevers (Chrysomelidae), en bij sommige Zwartlijven (Tenebrionidae), enz. [734], is de rasp aan den bovenkant van de spits (apex) van het achterlijf op het pygidium of propygidium gelegen, en wordt, evenals boven, met de dekschilden geschrapt. Bij Heterocerus, die tot een andere familie behoort, zijn de raspen op de zijden van den eersten ring van het achterlijf geplaatst en worden met op de dijen gelegen ruggen geschrapt. [735] Bij sommige Snuitkevers (Curculionidae) en Loopkevers (Carabidae) [736] liggen de deelen juist omgekeerd; want de raspen bevinden zich op de ondervlakten der dekschilden, dicht bij hun spitsen, of langs hun buitenranden, en de randen van de ringen van het achterlijf dienen als schrappers. Bij Pelobius hermanni, een der waterroofkevers (Dytiscidae), loopt een sterke rug evenwijdig aan en dicht bij de binnenranden der dekschilden, en dwars over den rug loopen ribbetjes, in het middelste gedeelte grof, maar aan de beide einden, voornamelijk aan het boveneinde, hoe langer hoe fijner wordende; als dit insekt onder water of in de lucht wordt gehouden, maakt het een sjirpend geluid, door den uitersten hoornachtigen rand van het achterlijf over de rasp te schrappen. Bij een groot aantal Boktorren (Longicornia) bevinden zich de organen op een geheel andere plaats, daar de rasp op het middenborststuk (mesothorax) ligt, dat tegen het voorborststuk (prothorax) wordt geschrapt; Landois telde 238 zeer fijne ribbetjes op de rasp van Cerambyx heros.
Vele Bladsprietigen (Lamellicornia) bezitten het vermogen om te sjirpen zeer luid, zoodat, toen de heer F. Smidt een voorwerp van Trox sabulosus ving, een boschwachter die er bij stond, dacht, dat hij een muis had gevangen; ik slaagde er echter niet in om de sjirporganen bij dezen kever te ontdekken. Bij Geotrupes en Typhaeus loopt een smalle rug (r, Fig. 56) schuins over de heup (coxa) van elken achterpoot, die bij Geotrupes stercorarius 84 ribben heeft, die worden geschrapt met een bijzonder uitstekend deel van een der ringen van het achterlijf. Bij de nauw verwante Copris lunaris loopt een uiterst smalle fijne rasp langs de binnenranden der dekschilden en een andere korte rasp dicht bij den grond van den buitenrand; maar bij sommige andere mesttorren (Coprini) is de rasp, volgens Leconte [737], op de rugvlakte van het achterlijf gelegen. Bij Oryctes ligt zij op het propygidium en bij sommige andere houteters (Dynastini), volgens den zelfden insektenkenner, op de ondervlakte der dekschilden. Eindelijk vermeldt Westring, dat bij Omaloplia brunnea de rasp op het prosternum en de schrapper op het metasternum is geplaatst, zoodat deze deelen derhalve aan de onderste oppervlakte van het lichaam zijn geplaatst, in plaats van aan de bovenste, zooals bij de Boktorren (Longicornia).
Wij zien dus, dat de sjirporganen bij de verschillende families van Schildvleugeligen een verwonderlijke verscheidenheid vertoonen in hun plaatsing, maar weinig in hun maaksel. In ééne en de zelfde familie zijn sommigen van deze organen voorzien, terwijl anderen ze geheel missen. Deze verscheidenheid is te begrijpen, als wij veronderstellen, dat oorspronkelijk verscheidene soorten een schokkend en sissend geluid maakten door de harde en ruwe gedeelten van hun lichaam, die elkander aanraakten, tegen elkander te wrijven, en dat, daar het zoo voortgebrachte geluid op de eene of andere wijze nuttig was, de ruwe oppervlakten zich allengs tot regelmatige sjirporganen ontwikkelden. Sommige kevers brengen tegenwoordig, wanneer zij zich bewegen, hetzij opzettelijk of onopzettelijk, een schokkend geluid voort, zonder eenig bepaald daarvoor bestemd orgaan te bezitten. De heer Wallace meldt mij, dat Euchirus longimanus (een Bladsprietige Kever, waarvan het mannetje verwonderlijk lange porten bezit) „als hij zich beweegt, een laag sissend geluid voortbrengt door het uitzetten en samentrekken van het achterlijf, en dat hij, als hij wordt aangevat, een krassend geluid voortbrengt door zijn achterpooten tegen de randen van zijn dekschilden te wrijven.” Het sissende geluid wordt blijkbaar veroorzaakt doordat een smalle rasp tegen den binnenrand van elk dekschild wordt gewreven: en ik kon ook het krassende geluid doen ontstaan door de op sagrijnleder gelijkende binnenste oppervlakte van de dij tegen den korreligen rand van het overeenkomstige dekschild te wrijven; maar ik kon hier volstrekt geen eigenlijke rasp ontdekken, en het is niet waarschijnlijk, dat ik die over het hoofd zou hebben gezien bij zulk een groot insekt. Nadat ik Cychrus heb onderzocht, en gelezen wat Westring in zijn beide verhandelingen over dien kever schreef, schijnt het mij zeer twijfelachtig, of hij een ware rasp bezit, hoewel hij het vermogen heeft om een geluid voort te brengen.
Wegens de analogie met de Rechtvleugeligen (Orthoptera) en Gelijkvleugeligen (Homoptera) verwachtte ik te vinden, dat de sjirporganen bij de Schildvleugeligen (Coleoptera) naar de sekse verschilden; maar Landois die verscheidene soorten zorgvuldig onderzocht, nam geen dergelijk verschil waar; evenmin deed zulks Westring, noch de heer G. R. Crotch bij het prepareeren der verschillende soorten die hij zoo vriendelijk was mij ter onderzoeking te zenden. Een of ander gering seksueel verschil zou echter moeilijk zijn te ontdekken, de groote variabiliteit dezer organen in aanmerking genomen. Zoo was bij het eerste voorwerp van Necrophorus humator en van Pelobius, dat ik onderzocht, de rasp aanmerkelijk grooter bij het mannetje dan bij het wijfje; maar bij volgende voorwerpen niet. Bij Geotrupes stercorarius scheen de rasp mij dikker, ondoorschijnender en meer uitstekend bij drie mannetjes dan bij het zelfde aantal wijfjes; mijn zoon, de heer F. Darwin, verzamelde daarom, om te ontdekken, of de seksen ten opzichte van haar sjirpvermogen verschillen, 57 levende voorwerpen welke hij in twee afdeelingen verdeelde, al naar zij, als zij op de zelfde wijze werden vastgehouden, een sterker of zwakker geluid voortbrachten. Daarna onderzocht hij hun seksen, maar vond, dat in beide afdeelingen de mannetjes ongeveer geheel in de zelfde verhouding als de wijfjes waren. De heer F. Smith heeft talrijke levende voorwerpen van Mononychus pseudacori (die tot de Snuitkevers, Curculionidae, behoort) bezeten en is overtuigd, dat beide seksen sjirpen, en, naar het schijnt, in gelijke mate.
Desniettemin is het sjirpvermogen bij eenige weinige Schildvleugeligen ongetwijfeld een seksueel kenmerk. De heer Crotch heeft ontdekt, dat alleen de mannetjes van twee soorten van Heliopathes (tot de Zwartlijven, Tenebrionidae, behoorende) sjirporganen bezitten. Ik onderzocht vijf mannetjes van H. gibbus, en bij deze allen was er een goed ontwikkelde rasp, gedeeltelijk in tweeën verdeeld, op de rugvlakte van den laatsten ring van het achterlijf; terwijl bij het zelfde aantal wijfjes zelfs geen spoor van een rasp bestond en het vlies van dit segment doorschijnend en veel dunner dan bij het mannetje was. Bij H. crilratostriatus heeft het mannetje een soortgelijke rasp, behalve, dat zij niet gedeeltelijk in tweeën is gedeeld, en het wijfje mist dit orgaan geheel; maar daarenboven heeft het mannetje aan de randen der dekschilden, nabij de spitsen daarvan, aan elke zijde van den naad drie of vier korte overlangsche ruggen die door uiterst fijne ribbetjes worden gekruist, evenwijdig aan en gelijkende op die van de rasp van het achterlijf; of deze ruggen dienen als een afzonderlijke rasp, of als een schrapper voor de rasp van het achterlijf, kon ik niet beslissen; het wijfje toont geen spoor van, dit laatste deel.
Bij drie soorten van het tot de Bladsprietige Kevers behoorende geslacht Oryctes hebben wij ook een bijna overeenkomstig geval. Bij de wijfjes van O. gryphus en nasicornis zijn de ribben op de rasp van het propygidium minder samenhangend en minder duidelijk dan bij de mannetjes; het voornaamste verschil is echter, dat men ziet, dat de geheele bovenste oppervlakte van dezen ring, als men haar in het daartoe geschikte licht beschouwt, met haren is bezet, die bij de mannetjes ontbreken of door een uiterst fijn dons worden vervangen. Wij moeten hier opmerken, dat bij alle Schildvleugeligen het werkzame deel van de rasp onbehaard is. Bij O. senegalensis is het verschil tusschen de seksen sterker uitgedrukt, en dit wordt het best gezien, als men den bedoelden ring schoonmaakt en bij doorvallend licht beschouwt. Bij het wijfje is de geheele oppervlakte bedekt met kleine, afzonderlijke, met stekels bezette kammen, terwijl bij het mannetje deze kammen, naarmate zij de spits naderen, hoe langer hoe meer samenvloeien, regelmatig en naakt worden; zoodat drie vierden van den ring met uiterst fijne evenwijdige ribbetjes zijn bedekt, die bij het wijfje geheel ontbreken. Bij de wijfjes van alle drie deze soorten van Oryctes kan men, als men het achterlijf van een geweekt voorwerp beurtelings naar achteren en naar voren duwt, een zwak krassend of sjirpend geluid voortbrengen.
In geval van Heliopathes en Oryctes kan er nauwelijks eenige twijfel bestaan, dat de mannetjes sjirpen, om de wijfjes te lokken of op te wekken; maar bij de meeste kevers dient het gesjirp vermoedelijk beide seksen tot wederkeerigen loktoon. Deze meening wordt niet onwaarschijnlijk gemaakt, doordat kevers sjirpen bij verschillende gemoedsaandoeningen; wij weten, dat vogels hun stem voor vele doeleinden gebruiken, behalve dat om voor hun gezellin te zingen. De groote Chiasogathus sjirpt van toorn of uit wantrouwen; vele soorten doen het zelfde uit smart of vrees, als men ze zoo vasthoudt, dat zij niet kunnen ontsnappen; de heeren Wollaston en Crotch waren in staat om op de Kanarische eilanden door tegen holle boomstammen te kloppen, de aanwezigheid van kevers, tot het geslacht Acalles behoorende, aan hun gesjirp te ontdekken. Het mannetje van Ateuchus, eindelijk, sjirpt om het wijfje bij haar werk aan te moedigen en van smart, als men haar wegneemt. [738] Sommige natuuronderzoekers gelooven, dat de kevers dit geluid maken om hun vijanden te verschrikken; maar ik kan niet denken, dat viervoetige dieren of vogels die in staat zijn de grootere keversoorten met uiterst harde huidpantsers te verslinden, zouden worden verschrikt door zulk een zwak knarsend geluid. Het geloof, dat het gesjirp tot een seksueele lokstem dient, wordt gesteund door het welbekende feit, dat de Doodskloppertjes (Anobium tesselatum) op elkanders getik, of, zooals ik zelf heb waargenomen, op een kunstmatig voortgebracht kloppend geluid antwoorden: en de heer Doubleday [739] meldt mij, dat hij twee- of driemaal een tikkend wijfje heeft waargenomen, en haar na verloop van een uur of twee met een mannetje verbonden en bij ééne gelegenheid door onderscheidene mannetjes omringd vond. Eindelijk schijnt het waarschijnlijk, dat de beide seksen van vele soorten van kevers eerst in staat waren elkander te vinden door het zwakke schokkende geluid, voortgebracht door het tegen elkander wrijven der nabij elkander gelegen deelen hunner harde lichamen, en dat, dewijl de mannetjes en de wijfjes, die het sterkste geluid maakten, het best slaagden om gezellen van de andere sekse te vinden, de oneffenheden op verschillende deelen van hun lichaam zich allengs door de seksueele teeltkeus tot sjirporganen ontwikkelden.
AANTEEKENINGEN.
(1) In een brief aan Darwin, gedateerd 19 October 1877, en gepubliceerd in „Nature” vol. XVII, 1877, blz. 78, zegt Fritz Müller naar aanleiding dezer plaats over het verschillend beloop der aderen op de vleugels van vlinders van verschillende sekse: „In alle gevallen die ik ken, staat dit verschil in verband met de ontwikkeling van vlekken uit eigenaardig gevormde schubben, haarbosjes of andere inrichtingen bij het mannetje, welke geuren van zich geven, die ongetwijfeld het wijfje aangenaam zijn, en zijn zij waarschijnlijk daardoor ontstaan. Dit is het geval bij de geslachten Mechanitis, Dircenna, bij eenige soorten van Thecla enz.” (Vergelijk aant. 2 op Hoofdstuk XI.)
(2) Zie omtrent Mayer’s proeven: „Amer. Journ. of Science and Arts”, 1874, blz. 94. Volgens Landois (in zijn door Darwin meermalen aangehaalde verhandeling) zou het geluid bij de Diptera worden voortgebracht door uitstrooming van lucht uit de in bromtoestellen veranderde voorste en achterste stigmata van het borststuk. Dicht onder de stigma-opening ligt een ring, de bromring, die van dunne als stembanden werkende chitineplaatjes is voorzien, welke door de door tracheeën aangevoerde lucht in trilling geraken. Het geluid der Diptera kan dus evenzeer een eigenlijke stem worden genoemd als dat der Homoptera (blz. 444). Volgens J. Perez („Compt. rend.” T. LXXXVII, blz 378) wordt het brommen der Tweevleugeligen en het zachte en weeke geluid dat sommige Schubvleugeligen en Netvleugeligen bij het vliegen maken, veroorzaakt door trillingen, waarvan de vleugelgewrichten de zitplaatsen zijn, terwijl het min of meer wordt gewijzigd door de wrijving der vleugels tegen de lucht. Naar aanleiding van de mededeelingen van Perez, schrijft Jousset de Bellesme („Compt. rend.” T. LXXXVII, blz. 659), dat alle insecten die, vliegende, meer dan 80 vleugeltrillingen per seconde maken, geluid geven, mits de vleugeloppervlakte groot genoeg is. Zoo ontstaat het lage geluid in het gebrom der Tweevleugeligen en Vliesvleugeligen. In dat gebrom is echter ook een hoog geluid en dit laatste is een gevolg van trillingen van den thorax, die worden veroorzaakt doordat de vliegspieren zich niet inplanten aan de vleugels zelven, maar aan gedeelten van den thorax, die de vleugels dragen.
Men zie overigens omtrent de door insekten voortgebrachte geluiden Dr. R. Horst, „De Stemwerktuigen der Insekten” (met afbeeldingen), in „Alb. d. Nat.” 1881, blz. 45.
(3) De Homoptera worden door de meeste dierkundigen niet als een zelfstandige orde, maar slechts als een onderafdeeling van de orde der Hemiptera beschouwd.
(4) Volgens Pape („Handwörterbuch der Griechischen Sprache”, Bd. II, blz. 108, kolom 1, regel 3 v. b.) zou men in Spanje nog heden de Cicaden in kooitjes bewaren ter wille van hun gezang.
Dat de oude Grieken het gezang der Cicaden bewonderden, blijkt uit onderscheidene plaatsen der oude schrijvers. Zoo weet Homerus (Ilias III, 146–154) de welsprekendheid van de oudsten des Trojaanschen volks (de demogeronten) niet beter te verheerlijken, dan door ze bij Cicaden te vergelijken; Plato (Phaedr. 230, C) prijst den toon van het koor der Cicaden; Hesiodus (Opera et Dies, 583) vermeldt de liefelijkheid van hun gezang; Anakreon wijdt daaraan de 43ste zijner oden.
Strabo verhaalt (Libr. VI, cap. 1, § 9) het volgende: „De rivier Halex doorboort een rots, tusschen Rhegium en Locri Epizephyrii gelegen. De Cicaden op het grondgebied der Locriërs geven geluid; de andere zijn stom. [740] Dit schijnt daarvandaan te komen, dat de landstreek aan den kant van Rhegium zeer in de schaduw ligt en de Cicaden daar vochtig bedauwd blijven, terwijl die aan den kant van Locri zeer aan de zon zijn blootgesteld en een hoornachtige huid hebben, zoodat zij een behoorlijk geluid kunnen geven.”
„Te Locri werd een standbeeld getoond van Eunomos den citherspeler, dat een Cicade op de cither had zitten. Timaeus verhaalt daaromtrent, dat Eunomos van Locri en Ariston van Rhegium eens met elkander wedijverden in het citherspelen bij gelegenheid van de Pythische spelen; dat Ariston de hulp van de Delphiërs inriep, omdat zijn voorouders priesters van den Delphischen god waren geweest, en omdat van Delphi een volkplanting” (naar Rhegium?) „was gezonden; dat, toen Eunomos zeide, dat zij in muziekwedstrijden volstrekt geen stem hadden, daar de Cicaden, de welluidendste (!) der dieren, bij hen stom waren, Ariston desniettemin uitmuntte en veel hoop had de overwinning te behalen; maar dat Eunomos toch overwinnaar bleef en het bovengenoemde standbeeld in zijn vaderstad Locri oprichtte, nadat tijdens den wedstrijd, toen een van zijn snaren was gesprongen, een Cicade op de cither was gaan zitten en den ontbrekenden toon had aangevuld.”
Bekend is ook de sage van Tithonus die door zijn gemalin Eos (of Hemera, zie Hellanici Fragm., 142, Schol. Homer. II. I, 151) in een Cicade was veranderd, uit medelijden voor zijn hulpeloozen ouderdom; hij had namelijk op haar verzoek van Zeus de onsterfelijkheid verkregen, doch zij had vergeten daarbij tevens een eeuwige jeugd voor hem te vragen (zie hierover ook Erasmi Adagia, in voce longaevitas).
Volgens een andere Grieksche sage waren de Cicaden vroeger menschen geweest, uit het slijk der aarde voortgekomen [741], zij hadden van de Muzen de muziek geleerd en oefenden zelven die kunst met zooveel ijver, dat zij er eten en drinken voor vergaten en den hongerdood stierven. De dankbare Muzen deden ze als Cicaden herleven en schonken hun het vermogen om zonder voedsel te kunnen leven, opdat zij zich ongestoord aan de kunst zouden kunnen wijden.
De Romeinen dweepten niet met het gezang der Cicaden. Dit blijkt o.a. uit een paar plaatsen van Virgilius (Ecl. II, 13 en Georg. III, 328), waar hij zingt:
At mecum raucis, tua dum vestigia lustro, Sole sub ardenti resonant arbusta cicadis.
en:
Et cantu querulae rumpent arbusta cicadae.
(5) Het stemorgaan der Cicaden wordt zeer uitvoerig beschreven en is experimenteel onderzocht door Prof. G. Carlet te Grenoble („Revue Scientifique”, 1 Dec. 1877, waar hij ook een vergroote afbeelding heeft gegeven). Elke twijfel schijnt opgeheven, dat het in hoofdzaak bestaat uit een vlies, dat door de snelle beweging van een daaraan ingeplante spier in trilling wordt gebracht.
(6) Wellicht behoort onder de secundaire seksueele kenmerken bij de Homoptera melding te worden gemaakt van het lichtend vermogen dat, volgens sommigen, de soorten van de familie der Lantaarndragers zouden bezitten. De eerste die daarvan melding heeft gemaakt en het zelf zou hebben waargenomen, was Mejuffrouw Maria Sibylla Merian. Daar later echter het bestaan van dit lichtend vermogen door andere natuuronderzoekers welke die dieren in hun vaderland waarnamen, niet alleen niet werd bevestigd, maar zelfs formeel tegengesproken, kwamen de meeste dierkundigen tot de overtuiging, dat het bericht van Mejuffrouw Merian op een dwaling moest berusten, totdat voor eenige jaren de heer J. Smith eenige waarnemingen omtrent den Chineeschen Lantaarndrager (Fulgora candelaria) publiek maakte; hij beweert, dat dit dier van Mei tot in Augustus niet zeldzaam is, en dat in die maanden de spits van de lantaarn (het blazige, vooruitstekende deel van den kop) een blauw of groenachtig licht verspreidt, dat bij het wijfje sterker is dan bij het mannetje en na de paring geheel verdwijnt. [742] Deze laatste omstandigheid zou kunnen verklaren, hoe zoovele waarnemers hebben kunnen volhouden, dat het lichtgevend vermogen een sprookje was; ook onze gewone mannelijke Glimworm intusschen geeft dikwijls geen licht.
Tot de Orde of Onder-Orde der Homoptera behoort ook de zeer merkwaardige familie der Membraciden, bij welke groep het voorborststuk (prothorax) allerlei grillige fantastisch gevormde uitsteeksels vertoont, welke aan deze insekten een allerzonderlingst uiterlijk geven. Daar het mij niet onwaarschijnlijk voorkwam, dat deze uitsteeksels door seksueele teeltkeus waren ontstaan, richtte ik tot wijlen onzen kundigen entomoloog Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, de vraag, of er in de grootte en den vorm dezer uitsteeksels eenig verschil tusschen de seksen bestond. Hij antwoordde mij, dat hij zulks niet geloofde.
Desniettemin kunnen deze uitsteeksels die bij nauw verwante soorten zeer sterk verschillen, zeer wel door seksueele teeltkeus zijn ontstaan, hetzij dan dat de aldus oorspronkelijk door de eene sekse verkregen kenmerken later op de andere werden overgeplant, of dat beide seksen door wederkeerige teeltkeus tegelijkertijd in deze richting werden veranderd.
(7) Het grootste en sterkste muziekinstrument bezit een soort van Sabelsprinkhaan van Java en Borneo, Macrolyristes genaamd.
Dat de door de mannetjes der Sabelsprinkhanen met hun instrument [743] voortgebrachte muziek werkelijk dient tot seksueele lokstem en dat het wijfje werkelijk een keus tusschen verschillende mannetjes doet en niet met het eerste het beste paart, blijkt o.a. overtuigend uit een waarneming van wijlen onzen kundigen entomoloog Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, die hij in zijn uitnemend, reeds meer aangehaald werk „Gedaantewisseling en Levenswijze der Insekten”, Haarlem, 1870, blz. 87, in zijn gewonen onderhoudenden stijl met de volgende woorden mededeelt:
„Ik herinner mij, dat ik eens kwam op een glooienden grond met een vergezicht dat mij uitlokte om er lang naar te zien,—dat mij uitlokte om te gaan liggen om er naar te blijven zien”.....
..... „Terwijl ik daar lag roerloos als een doode op de ademhaling na, hoor ik een licht geritsel aan mijn zijde, een hrr, hrr, zeer flauw, maar kenbaar geslaakt om attentie te trekken. Ik zie naar dien kant, doch bespeur niets; korten tijd daarna wordt het geluid herhaald, ik zoek nauwlettender met de oogen, en op de zelfde oogenblik springt mij een kleine sprinkhaan op den arm. Het spreekt van zelf, dat ik het diertje niet verontrustte, noch wegjoeg, maar in afwachting bleef wien zijn roepstem gold. Hij sjirpte weder, en het was mij of zijn geluid helderder was; misschien maakten wij beiden de zelfde opmerking, want nu barstte zijn muzikaal talent eerst recht los, en met intervallen van eenige seconden sjirpte hij wat hij kon. Gelukkig niet te vergeefs; zijn roepstem was gehoord. Evenals men op de oude platen der bijbelsche prentenboeken bij de offerande van Abraham altijd een ramskop tusschen de struiken afgebeeld ziet, zoo verscheen mij op kleinen afstand tusschen de grassprietjes een andere sprinkhaankop. Het duurde eenigen tijd eer deze tweede sprinkhaan behoedzaam durfde naderen, doch langzamerhand legde het diertje alle vrees af en kwam, gelokt door de liefelijke tonen, nader en nader, toen ik in de verte, als het hoorngeluid van Hernani, een tweede hrr, hrr hoorde weêrklinken. De tweede sprinkhaan bleef staan en luisterde; de minnaar riep haar met aandrang, met gevoel, maar de medeminnaar sprong dichterbij en sjirpte weder. Deze laatste kreet besliste de zaak; het bleek dat dit de toon niet was, waarmede men vrouwenharten verovert, want de geliefde wendde zich tot den eersten zanger, en beide—eensgezind—sprongen op en over mij heên om in het gras een offerande te brengen aan moeder Isis, de alles onderhoudende.”
Zoo schreef Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, tegenstander der Darwinistische beginselen, in 1870, vóór Darwin’s boek over seksueele teeltkeus was uitgekomen. In 1871, na het verschijnen van dit boek, op de zomervergadering der Nederlandsche Entomologische Vereeniging, ontkende hij daarentegen, nadat ik een discussie over het Darwinisme had uitgelokt, dat, zelfs bij de hoogere dieren, laat staan bij de lagere, het wijfje een keus deed tusschen verschillende mannetjes; „integendeel”, zeide hij, „het wijfje paart niet dan na daartoe formeel te zijn genoodzaakt, maar neemt dan ook het eerste het beste mannetje aan!” Het is niet onaardig op te merken, hoe zelfs de tegenstanders van Darwin’s leer huns ondanks bouwstoffen verzamelen, die haar de zegepraal helpen verzekeren.
(8) Volgens Goureau zouden er soorten van Veldsprinkhanen zijn, die wel de dijen tegen de randen der vleugels wrijven, doch daarbij geen geluid voortbrengen. Waarschijnlijk wordt er wel degelijk een toon voortgebracht, doch is deze te hoog om door het menschelijk oor te kunnen worden waargenomen. [744] Vele menschen kunnen zelfs het voor anderen zoo vervelende krieken van den Huiskrekel volstrekt niet waarnemen.
(9) De Nederlandsche bewoners van de Kaapkolonie noemen dit dier daarom Blaasop.
(10) Het komt mij voor, dat men het ontstaan van het stemorgaan der Diptera even goed kan verklaren door seksueele teeltkeus als in het geval van Kevers bij welke beide seksen sjirpen (blz. 467 v.v.). Gaat bij de Diptera en sommige andere insekten die verklaring niet door, dan wordt het mijns inziens ook minder waarschijnlijk, dat zij in andere gevallen de juiste is. Hebben de Diptera en sommige andere insekten het vermogen om geluid voort te brengen, verkregen zonder de inwerking der seksueele teeltkeus, dan zou het vreemd zijn, dat zij de eenigen waren, en dan is het ook onnoodig bij Kevers, bij welke beide seksen sjirpen, dat beginsel ter verklaring te hulp te roepen. Het ligt overigens voor de hand, dat ook bij de Diptera die individu’s van beiderlei sekse, die eenigermate het vermogen bezaten om geluid voort te brengen, elkander gemakkelijker konden vinden dan andere, derhalve grooter kans hadden om nakomelingschap na te laten dan deze, en op die nakomelingschap het vermogen om geluid voort te brengen overplantten, terwijl die nakomelingen welke het vermogen om geluid voort te brengen, in de sterkste mate bezaten, op hun beurt de kans hadden zich het sterkst te vermenigvuldigen. Ik geloof dus, dat wij ook in dit geval de werking der seksueele teeltkeus moeten aannemen, doch, zoo wij dit niet willen, ook geen recht hebben haar in andere gevallen waarin beide seksen sjirpen, aan te nemen.
ELFDE HOOFDSTUK.
SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE INSEKTEN, VERVOLG—ORDE DER SCHUBVLEUGELIGEN (Lepidoptera).
Vrijage bij de Dagvlinders.—Gevechten.—Tikkend geluid.—Kleuren aan beide seksen gemeen of het schitterendst bij de mannetjes.—Voorbeelden.—Zij zijn niet het gevolg van de rechtstreeksche werking der levensvoorwaarden.—Kleuren die tot bescherming geschikt zijn gemaakt.—Kleuren der Nachtvlinders.—Pronkerij.—Waarnemingsvermogen der Schubvleugeligen.—Veranderlijkheid.—Oorzaken van het verschil in kleur tusschen mannetjes en wijfjes.—Nabootsing, vrouwelijke Dagvlinders die fraaier gekleurd zijn dan de mannetjes.—Schitterende kleuren van rupsen.—Overzicht en slotopmerkingen betreffende de secundaire seksueele kenmerken der Insekten.—Vergelijking tusschen Vogels en Insekten.
In deze groote Orde is het belangrijkste punt voor ons het verschil in kleur tusschen de seksen van ééne en de zelfde soort. Bijna het geheele volgende hoofdstuk zal aan dit onderwerp zijn gewijd; maar ik zal eerst eenige weinige opmerkingen maken over een of twee andere punten. Men kan dikwijls zien hoe verscheidene mannetjes rondom het zelfde wijfje vliegen en haar vervolgen. Hun vrijage schijnt een langdurige zaak te zijn; want ik heb dikwijls mannetjes bespied, die rondom een wijfje fladderen, totdat het mij eindelijk verveelde, zonder het eind van de vrijage te zien. Hoewel Dagvlinders zulke zwakke en broze schepsels zijn, zijn ze toch strijdlustig, en men heeft een Irisvlinder [745] gevangen, bij welken de punten van de vleugels in een gevecht met een ander mannetje waren gebroken. De heer Collingwood zegt, sprekende van de veelvuldige gevechten tusschen de kapellen van Borneo: „Zij dwarrelen met de grootste snelheid om elkander heên en schijnen met de grootste verwoedheid te zijn bezield.”
Er is een geval bekend van een Dagvlinder, namelijk Ageronia feronia, die een geluid maakt, gelijkende op dat hetwelk wordt voortgebracht door een tandrad dat onder een springhaak doorloopt en dat op den afstand van verscheiden ellen kan worden gehoord. Te Rio de Janeiro werd dit geluid alleen door mij opgemerkt, als twee dergelijke kapellen elkander in onregelmatige vlucht nazaten, zoodat het waarschijnlijk alleen wordt gemaakt gedurende de vrijage van de seksen; maar ik verzuimde op dit punt nauwkeurig acht te slaan. [746]
Ook sommige nachtvlinders brengen geluiden voort; bij voorbeeld de mannetjes van Thecophora fovea. Bij twee gelegenheden hoorde de heer F. Buchanan White [747] een scherp, kort geluid, voortgebracht door het mannetje van Hylophila prasinana, en dat hij gelooft, dat evenals bij Cicada door een veerkrachtig vlies, van een spier voorzien, wordt voortgebracht. Hij haalt ook Guenée aan om te bewijzen, dat Senita een geluid voortbrengt, dat op het tikken van een horloge gelijkt, naar het schijnt met behulp van twee groote trommelvormige blazen, in de borststreek gelegen; en deze „zijn veel ontwikkelder bij het mannetje dan bij het wijfje.” Vandaar schijnen de geluidvoortbrengende organen bij de Schubvleugeligen (Lepidoptera) in eenige betrekking te staan met de seksueele functies. Ik heb geen melding gemaakt van het welbekende geluid dat de doodshoofduil voortbrengt; want dit wordt over het algemeen gehoord kort nadat de uil uit de pop is gekomen. (1)
Girard heeft altijd opgemerkt, dat de muskusgeur, welke door twee soorten van pijlstaart-vlinders (Sphinx) wordt voortgebracht, alleen aan de mannetjes eigen is [748]; en bij de hoogere dieren zullen wij talrijke gevallen ontmoeten, waarin alleen de mannetjes een bijzonderen geur hebben. (2)
Iedereen heeft de buitengewone schoonheid van vele Dagvlinders en van sommige Nachtvlinders bewonderd; en wij worden er toe gebracht om te vragen, hoe zij deze schoonheid hebben verkregen? Zijn hun kleuren en de zooveel verscheidenheid vertoonende teekeningen op hun vleugels eenvoudig het gevolg van de physische toestanden waaraan deze insekten zijn blootgesteld geweest, zonder dat daardoor eenig voordeel is verkregen? Of hebben opeenvolgende veranderingen zich opeengehoopt, en zijn zij ontstaan, hetzij ter bescherming, hetzij met een of ander onbekend doel, of opdat de eene sekse aantrekkelijker zou worden gemaakt voor de andere? En wat beteekent het daarenboven, dat bij sommige soorten de kleuren van de mannetjes zeer veel van die der wijfjes verschillen, terwijl bij andere soorten beide seksen op de zelfde wijze zijn gekleurd? Voor wij beproeven om een antwoord op deze vragen te geven, moeten wij eenige feiten mededeelen.
Bij de meeste van onze Engelsche Dagvlinders, zoowel bij die welke schoon zijn, gelijk de Nommerkapel, de Dagpauwoog en de Distelvink (Vanessae) als bij die welke effen zijn gekleurd, zooals de Zandoogjes (Hipparchia), gelijken de beide seksen op elkander. Dit is ook het geval bij de prachtige Heliconiden en Danaïden der Keerkringslanden. Bij sommige andere groepen uit de verzengde luchtstreek echter, en bij sommige onzer Engelsche kapellen, zooals den Irisvlinder, den Peterselievlinder enz. (Apatura Iris en Antocharis cardamines), verschillen de seksen hetzij zeer sterk, hetzij een weinig in kleur. Geen taal is in staat om de pracht der mannetjes van sommige soorten uit de verzengde luchtstreek te beschrijven. Zelfs in één en het zelfde geslacht vinden wij dikwijls soorten, bij welke de seksen buitengewoon sterk van elkander verschillen, terwijl zij bij andere zeer sterk op elkander gelijken. Zoo verhaalt mij de heer Bates, aan wien ik zeer ben verplicht, daar hij mij de meeste der volgende feiten mededeelde, en zoo goed was dit geheele hoofdstuk na te zien, dat hij in het Zuid-Amerikaansche geslacht Epicalia twaalf soorten kent, waarvan beide seksen de zelfde plaatsen bezoeken (en dit is met kapellen niet altijd het geval), en waarop daarom de uitwendige toestanden geen verschillenden invloed kunnen hebben uitgeoefend. [749] Bij negen dezer soorten behooren de mannetjes tot de schitterendste van alle vlinders en verschillen zoo sterk van de vergelijkenderwijze dof gekleurde wijfjes, dat zij vroeger tot verschillende geslachten werden gebracht. De wijfjes dezer negen soorten gelijken op elkander in de algemeene type van hun kleuring en gelijken eveneens op beide seksen in verscheidene verwante geslachten welke in verschillende deelen der wereld worden gevonden. Wij mogen daaruit in overeenstemming met de afstammingstheorie afleiden, dat deze negen soorten, en waarschijnlijk al de andere van het geslacht, afstammen van éénen stamvorm, die op ongeveer de zelfde wijze was gekleurd. Bij de tiende soort behoudt het wijfje nog de zelfde algemeene kleuring, maar het mannetje gelijkt op haar, zoodat hij op veel minder fraaie en afwisselende wijze is gekleurd, dan de mannetjes der vorige soorten. Bij de elfde en twaalfde soort wijken de wijfjes af van de type van kleuring, die gewoonlijk in dit geslacht aan haar sekse eigen is; want zij zijn sierlijk gekleurd op ongeveer de zelfde wijze als de mannetjes, maar in iets mindere mate. Vandaar schijnt het, dat bij deze beide soorten dus de schitterende kleuren der mannetjes op de wijfjes zijn overgebracht; terwijl het mannetje der tiende soort de effen kleuren van het wijfje en van den stamvorm van het geslacht hetzij behouden, hetzij teruggekregen heeft; in beide gevallen zijn dus de seksen, hoewel op tegenovergestelde wijze, aan elkander gelijk gemaakt. Bij het verwante geslacht Eubagis zijn beide seksen van sommige soorten effen gekleurd en gelijken zeer op elkander, terwijl bij de meeste soorten de mannetjes met fraaie metallieke kleuren met zeer veel verscheidenheid zijn gekleurd, en veel van de wijfjes verschillen. De wijfjes behouden in dit geheele geslacht, wat haar kleuring aangaat, de zelfde algemeene type, zoodat zij gewoonlijk veel meer op elkander dan op de mannetjes van haar eigen soort gelijken.
In het geslacht Papilio zijn al de soorten van de Aeneasgroep opmerkelijk wegens haar opzichtige en sterk tegen elkander afstekende kleuren, en zij geven een voorbeeld van de veelvuldig voorkomende neiging tot langzame overgangen in de hoegrootheid van het verschil tusschen de seksen. Bij eenige weinige soorten, bij voorbeeld bij P. Ascanius, zijn de mannetjes en wijfjes gelijk; bij andere zijn de mannetjes een weinig of zeer veel prachtiger gekleurd dan de wijfjes. Het met onze Schoenlappers (Vanessae) verwante geslacht Junonia biedt een bijna overeenkomstig geval aan; want hoewel de seksen der meeste soorten op elkander gelijken en geen rijke kleuren bezitten, zoo is toch bij zekere soorten, zooals bij J. oenone, het mannetje iets levendiger gekleurd dan het wijfje, en bij eenige weinige (bij voorbeeld J. andremiaja) is het mannetje zoo verschillend van het wijfje, dat hij bij vergissing voor een andere soort zou kunnen worden gehouden.
Op een ander treffend geval werd in het Britsch Museum mijn aandacht gevestigd door den heer A. Butler, namelijk op een der Page’s (Theclae) uit tropisch Amerika, bij welken beide seksen bijna gelijk en verwonderlijk schitterend zijn gekleurd; bij een anderen is het mannetje op overeenkomstige prachtige wijze gekleurd, terwijl bij het wijfje de geheele bovenste oppervlakte dof effen bruin is. Onze gewone kleine Engelsche blauwe kapellen van het geslacht Lycaena geven een bijna even goed, hoewel minder treffend voorbeeld van de onderscheidene verschillen in kleur tusschen de beide seksen, als de bovengenoemde exotische geslachten. Bij Lycaena agestis hebben beide seksen vleugels van een bruine kleur, omzoomd met kleine oogvormige oranje vlekjes, en zijn derhalve gelijk. Bij L. aegon zijn de vleugels van het mannetje fraai blauw, met zwart omzoomd, terwijl de vleugels van het wijfje bruin en evenzoo omzoomd zijn, en zeer op die van L. agestis gelijken. Bij L. arion eindelijk zijn beide seksen van een blauwe kleur en bijna gelijk, hoewel bij het wijfje de randen der vleugels iets donkerder, met effener zwarte vlekken zijn, en bij een helderblauwe Indische soort gelijken de beide seksen nog meer op elkander.
Ik heb de voorgaande gevallen eenigszins uitvoerig behandeld om aan te toonen, in de eerste plaats, dat, wanneer de seksen der kapellen verschillen, de algemeene regel is, dat het mannetje fraaier is en het meest afwijkt van de gewone type van kleuring van de groep waartoe de soort behoort. Vandaar gelijken in de meeste groepen de wijfjes van de onderscheidene soorten veel meer op elkander, dan de mannetjes. In sommige exceptioneele gevallen waarop ik later zal wijzen zijn echter de wijfjes schitterender gekleurd dan de mannetjes. In de tweede plaats zijn deze gevallen behandeld om helder voor den geest te brengen, dat in één en het zelfde geslacht de beide seksen dikwijls allerlei overgangen vertoonen tusschen geen verschil in kleur en een zoo groot verschil, dat het lang duurde, voor beide door de insektenkenners in het zelfde geslacht werden geplaatst. In de derde plaats hebben wij gezien, dat, wanneer de seksen veel op elkander gelijken, dit waarschijnlijk een gevolg daarvan is, dat het mannetje, hetzij zijn kleuren op het wijfje heeft overgebracht, of dat het de oorspronkelijke kleuren van het geslacht waartoe de soort behoort, hetzij heeft behouden of herkregen. Het verdient opmerking, dat in die groepen bij welke de seksen eenig verschil in kleur vertoonen, de wijfjes gewoonlijk tot op zekere hoogte op de mannetjes gelijken, zoodat, als de mannetjes buitengewoon schoon zijn, de wijfjes bijna zonder uitzondering een zekere mate van schoonheid vertoonen. Wegens de talrijke gevallen van overgang in de hoegrootheid van het verschil tusschen de seksen, en wegens het heerschen van de zelfde algemeene type van kleuring door een geheele zelfde groep heên, mogen wij besluiten, dat de oorzaken, welke zij dan ook mogen zijn geweest, die de schitterende kleuren bij sommige soorten alleen van de mannetjes en bij andere soorten van beide seksen in meer of minder gelijken graad hebben bepaald, over het algemeen de zelfde zijn geweest.
Daar zoo vele prachtige kapellen de tropische gewesten bewonen, heeft men dikwijls verondersteld, dat zij haar kleuren aan de groote hitte en vochtigheid van die streken zijn verschuldigd; maar de heer Bates [750] heeft door de vergelijking van onderscheidene nauw verwante insektengroepen van de gematigde en verzengde luchtstreek aangetoond, dat deze meening niet houdbaar is, en het bewijs wordt onwederlegbaar, wanneer schitterend gekleurde mannetjes en effen gekleurde wijfjes van de zelfde soort de zelfde landstreek bewonen, zich met het zelfde voedsel voeden en volkomen de zelfde levenswijze leiden. Zelfs als de seksen op elkander gelijken, kunnen wij moeielijk gelooven, dat haar prachtige en fraai geschikte kleuren het doelloos gevolg van den aard harer weefsels en van de werking der omringende omstandigheden zijn.
Bij dieren van alle soorten is, wanneer ook de kleur voor eenig bijzonder doel is gewijzigd, dit, voor zoover wij er over kunnen oordeelen, steeds geschied, hetzij tot bescherming, of om de andere sekse aan te trekken. Bij vele soorten van kapellen zijn de bovenste oppervlakten der vleugels donker gekleurd, en dit dient naar alle waarschijnlijkheid om aan de opmerkzaamheid en aan gevaar te ontsnappen. Kapellen moeten echter, vooral wanneer zij rusten, aan de aanvallen harer vijanden zijn blootgesteld, en bijna alle soorten richten, wanneer zij rusten, haar vleugels rechtop, zoodat alleen de ondervlakten kunnen worden gezien. Vandaar is het deze zijde die in vele gevallen blijkbaar zoodanig is gekleurd, dat zij de oppervlakten nabootst, waarop deze insekten gewoonlijk rusten. Dr. Rössler was, geloof ik, de eerste die de gelijkenis der gesloten vleugels van zekere Schoenlappers (Vanessae) en andere kapellen op de schors van boomen opmerkte. Vele overeenkomstige en treffende gevallen zouden kunnen worden medegedeeld. Het meest belangwekkende is dat hetwelk de heer Wallace [751] vermeldt van een in Indië en op Sumatra algemeen voorkomende kapel (Kallima), die als door een tooverslag verdwijnt, als zij zich op een struik nederzet; want zij verbergt haar kop en sprieten tusschen haar gesloten vleugels, en deze kunnen in vorm, kleur en aderbeloop niet worden onderscheiden van een verlept blad met zijn bladsteel. In sommige andere gevallen zijn de ondervlakten der vleugels schitterend gekleurd en dienen toch tot bescherming; zoo zijn bij de Bramenpage (Thecla rubi) de vleugels, als zij zijn gesloten, smaragdgroen en gelijken op de jonge bladeren van de braamstruik waarop men dezen vlinder in de lente dikwijls kan zien zitten.
Hoewel de donkere tinten van de boven- en ondervlakten van vele kapellen ongetwijfeld dienen om haar te verbergen, kunnen wij deze beschouwingswijze bij geen mogelijkheid toepassen op de schitterende en in ’t oog vallende kleuren van vele soorten, zooals van onze Nommerkapel en Dagpauwoog (Vanessae), onze witte Koolvlinders (Pieris) of den grooten Venkelvlinder (Papilio), die de open vlakten bezoekt;—want deze kapellen worden daardoor voor elk levend wezen zichtbaar gemaakt. Bij deze soorten gelijken de beide seksen op elkander; maar bij den gewonen Citroenvlinder (Gonopteryx rhamni) is het mannetje levendig geel gekleurd, terwijl het wijfje veel bleeker is; en bij den Peterselievlinder (Anthocharis cardamines) hebben alleen de mannetjes helderoranje punten aan hun vleugels. In deze gevallen zijn de mannetjes en de wijfjes even opzichtig, en het is niet geloofbaar, dat hun verschil in kleur in eenige betrekking tot gewone bescherming staat. Desniettemin is het mogelijk, dat de opzichtige kleuren van vele soorten haar op indirecte wijze voordeelig kunnen zijn, zooals later zal worden verklaard, door te maken, dat haar vijanden dadelijk zien, dat zij oneetbaar zijn. Zelfs in dit geval volgt hier nog niet met zekerheid uit, dat haar levendige kleuren en fraaie teekeningen voor dit bepaalde doel werden verkregen. In sommige andere merkwaardige gevallen is schoonheid verkregen tot bescherming door de nabootsing van andere schoone soorten die de zelfde streek bewonen en tegen een aanval zijn beveiligd, omdat zij langs den eenen of anderen weg haar vijanden schade kunnen berokkenen.
Het wijfje van den bovenvermelden Peterselievlinder en van een Amerikaansche soort (Anth. genutia) vertoonen ons waarschijnlijk, gelijk de heer Walsh mij deed opmerken, de oorspronkelijke kleuren van de stamsoort van het geslacht; want beide seksen van vier of vijf, in zeer ver uiteengelegen streken levende soorten zijn bijna op de zelfde wijze gekleurd. Wij mogen hieruit afleiden, gelijk in verscheidene vroegere gevallen, dat het de mannetjes van Anth. cardamines en genutia zijn, die van de gewone type van kleuring van hun geslacht zijn afgeweken. Bij Anth. sara uit Californië zijn de oranje punten ook bij het wijfje tot gedeeltelijke ontwikkeling gekomen; want haar vleugels bezitten roodachtig oranje punten, maar bleeker dan die van het mannetje en ook in enkele andere opzichten eenigszins verschillend. Bij een verwanten Indischen vorm, den Iphias glaucippe, zijn de oranje punten bij beide seksen geheel ontwikkeld. Bij dezen Iphias gelijkt de ondervlakte der vleugels, gelijk de heer A. Butler mij aanwees, verwonderlijk veel op een bleek gekleurd blad; en bij onzen Engelschen Peterselievlinder gelijkt de ondervlakte op de bloemhoofdjes van de wilde peterselie waarop men hem ’s nachts kan zien gaan rusten. [752] Het zelfde redeneerend vermogen dat ons aandrijft om te gelooven, dat de ondervlakten hier zijn gekleurd ter wille van de bescherming, brengt ons er toe om te ontkennen, dat de punten der vleugels met dit zelfde doel oranjekleurig zijn gemaakt, vooral daar dit kenmerk tot de mannetjes beperkt is.
Laten wij nu tot de Nachtvlinders overgaan: de meeste van deze blijven gedurende den geheelen of het grootste gedeelte van den dag bewegingloos met neêrgeslagen vleugels zitten; en de bovenste oppervlakten van hun vleugels zijn dikwijls, gelijk de heer Wallace [753] heeft opgemerkt, op bewonderenswaardige wijze geschakeerd en gekleurd om aan de ontdekking te ontsnappen. Bij de meeste Spinners (Bombycidae) en Uilen (Noctuïdae) overdekken en verbergen, wanneer zij rusten, de voorvleugels de achtervleugels, zoodat deze laatsten zonder veel gevaar levendig zouden kunnen zijn gekleurd; en zij zijn bij vele soorten van beide families aldus gekleurd. Gedurende het vliegen moeten nachtvlinders dikwijls in staat zijn om hun vijanden te ontsnappen; desniettemin moeten, daar hun achtervleugels dan geheel zichtbaar zijn, hun levendige kleuren ten koste van eenig gevaar zijn verkregen. Het volgende feit bewijst echter, hoe voorzichtig wij moeten zijn met hieromtrent besluiten te trekken. De soorten van het geslacht Triphaena vliegen dikwijls over dag of in den vroegen avond rond en vallen dan door de gele kleur harer ondervleugels zeer in het oog. Men zou natuurlijk denken, dat dit een bron van gevaar was; maar de heer J. Jenner Weir gelooft, dat dit haar werkelijk dient tot een middel om te ontsnappen; want de vogels treffen gewoonlijk deze levendig gekleurde en broze oppervlakte in plaats van het lichaam. De heer Weir bracht bij voorbeeld een prachtig voorwerp van den Hooivlinder (Triphaena pronuba) in zijn vogelhuis; het werd dadelijk door een roodborstje vervolgd; maar daar de oplettendheid van den vogel zich richtte op de gekleurde vleugels, werd de uil niet gevangen dan na ongeveer vijftig vergeefsche pogingen, en werden herhaaldelijk kleine stukjes van de vleugels afgebroken. Hij deed de zelfde proef in de open lucht met een Zoombandvlinder (Triphaena fimbria) en een zwaluw; maar de aanzienlijke grootte van dezen uil verhinderde waarschijnlijk, dat hij werd gevangen [754]. Wij worden hierdoor herinnerd aan een mededeeling van den heer Wallace [755], namelijk dat in de Braziliaansche bosschen en in Insulinde vele algemeen voorkomende en zeer fraaie vlinders slechte vliegers zijn, hoewel zij van bijzonder groote vleugels zijn voorzien, en dat zij „dikwijls worden gevangen met doorboorde en gebroken vleugels, alsof zij door vogels waren gegrepen, maar aan deze ontsnapt; indien de vleugels veel kleiner waren geweest in verhouding tot het lichaam, schijnt het waarschijnlijk, dat het insekt veelvuldiger in een voor het leven noodzakelijk deel zou zijn getroffen of doorboord, en zoo kan de vermeerderde grootte der vleugels op indirecte wijze voordeelig zijn geweest.”
Pronkerij.— De levendige kleuren van de Kapellen en van sommige Nachtvlinders zijn bijzonder ingericht om er mede te pronken, hetzij zij daarenboven tot bescherming mogen dienen of niet. Levendige kleuren zouden gedurende den nacht niet zichtbaar zijn; en er kan geen twijfel bestaan, dat de Nachtvlinders, over het geheel genomen, minder levendig zijn gekleurd dan de Kapellen die allen dagdieren zijn. De Nachtvlinders van zekere families, zooals de Zygaenidae, verscheidene Onrusten (Sphingidae), Uraniidae, sommige Beerrupsvlinders (Arctiidae) en Nachtpauwoogen (Saturniidae) vliegen gedurende den dag of in den vroegen avond rond en vele van deze zijn uiterst fraai en veel levendiger gekleurd dan die soorten, welke een uitsluitend nachtelijke levenswijze hebben. Eenige weinige exceptioneele gevallen van levendig gekleurde nachtelijke soorten zijn echter opgeteekend. [756]
Er zijn bewijzen van een andere soort, wat het pronken aangaat. Zooals boven is opgemerkt, houden kapellen, als zij rusten, de vleugels omhoog, en slaan ze, terwijl zij zich in de zon koesteren, beurtelings open en dicht; op die wijze stellen zij beide oppervlakten ten volle aan het gezicht bloot; en hoewel de ondervlakte dikwijls tot bescherming donker is gekleurd, is zij bij vele soorten toch even hoog en dikwijls op geheel andere wijze gekleurd dan de bovenvlakte. Bij eenige tropische soorten is zelfs de ondervlakte schitterender gekleurd dan de bovenvlakte. [757] Bij een Engelsche Parelmoêrkapel, de Argynnis aglaia, is alleen de ondervlakte versierd met blinkende zilveren schijven. Als algemeene regel is echter de bovenvlakte die waarschijnlijk het meest aan het gezicht is blootgesteld, op schitterende wijze gekleurd en vertoont meer verscheidenheid van kleuren dan de ondervlakte. Vandaar biedt de ondervlakte gewoonlijk aan de insektenkenners de bruikbaarste kenmerken aan om de verwantschappen der verschillende soorten te ontdekken. Fritz Müller meldt nog, dat bij zijn huis in Zuid-Brazilië drie soorten van Gastnia voorkomen; bij twee daarvan zijn de achtervleugels donker en worden altijd door de voorvleugels bedekt, als deze vlinders in rust zijn; maar de derde soort heeft zwarte ondervleugels, fraai gevlekt met rood en wit, en deze worden altijd volkomen uitgestrekt en vertoond, wanneer de kapel in rust is. Andere soortgelijke gevallen zouden hierbij kunnen worden gevoegd.
Als wij ons nu wenden tot de verbazend groote groep der Nachtvlinders die gewoonlijk de ondervlakte hunner vleugels niet volkomen aan het gezicht blootstellen, dan is die zijde, naar ik van den heer Stainton hoor, zeer zelden levendiger of zelfs even levendig gekleurd, als de bovenzijde. Er bestaan echter eenige, hetzij wezenlijke of schijnbare uitzonderingen op den regel, zooals die van Hypopyra die door den heer Wormald is beschreven. [758] De heer R. Trimen meldt mij, dat in Guinée’s groot werk drie nachtvlinders zijn afgebeeld, bij welke de ondervlakte het schitterendst is. Bij de Australische Gastrophora is bij voorbeeld de bovenvlakte van den voorvleugel grijsachtig okerkleurig, terwijl de ondervlakte versierd is met een kobaltblauwe oogvlek (ocellus), op een zwarten grond geplaatst, die door oranjegeel, en dit laatste door blauwachtig wit wordt omringd. De levenswijze van deze drie nachtvlinders is echter onbekend, zoodat geen verklaring van den ongewonen stijl, volgens welken zij gekleurd zijn, kan worden gegeven. De heer Trimen meldt mij ook, dat de ondervlakten der vleugels bij zekere andere Spanners (Geometrae) [759] en vierdeelige Noctuae, hetzij meer geschakeerd of levendiger gekleurd zijn dan de bovenvlakten; maar sommige dezer soorten hebben de gewoonte „om haar vleugels geheel rechtstandig boven den rug te houden en geruimen tijd in die houding te blijven zitten”, aldus de ondervlakte aan het gezicht blootstellende. Andere soorten hebben de gewoonte, als zij op den grond of op het gras zitten, nu en dan plotseling hun vleugels een weinig op te lichten. Daarom is het feit, dat bij zekere nachtvlinders de ondervlakte der vleugels levendiger is gekleurd dan de bovenvlakte, niet zulk een onregelmatigheid als men op het eerste gezicht zou zeggen. De Nachtpauwoogen (Saturniidae) omvatten eenige der schoonste van alle nachtvlinders, daar hun vleugels, evenals bij onzen Britschen grooten Nachtpauwoog, met fraaie oogvlekken (ocelli) versierd zijn; en de heer T. W. Wood [760] merkt op, dat zij in sommige hunner bewegingen op kapellen gelijken; „bij voorbeeld in het zachte op en neêr bewegen van de vleugels, als ware het om er mede te pronken, hetgeen meer een kenmerk van Dagvlinders is.”
Het is een vreemd feit, dat er geen Britsche Nachtvlinders, en zoover ik na kan gaan, ook bijna geen uitlandsche soorten zijn, die aan schitterende kleuren een verschil in kleur tusschen de seksen paren, hoewel dit met vele schitterende Kapellen het geval is. Het mannetje van éénen Amerikaanschen nachtvlinder, Saturnia Io, heeft echter volgens de beschrijving diepgele voorvleugels, op sierlijke wijze met purperachtig roode vlekken geteekend, terwijl de vleugels van het wijfje purperbruin en met grijze strepen zijn beteekend. [761] De Britsche nachtvlinders bij welke de seksen in kleur verschillen, zijn allen bruin of bijna wit, of zij vertoonen verschillende dofgele of bijna witte tinten. Bij onderscheidene soorten zijn de mannetjes veel donkerder dan de wijfjes [762], en deze behooren tot soorten die omstreeks den namiddag vliegen. Bij vele geslachten zijn daarentegen, gelijk de heer Stainton mij meldt, de achtervleugels van het mannetje witter dan die van het wijfje, van welk feit Agrotis exclamationis een goed voorbeeld oplevert. De mannetjes worden daardoor gemakkelijker zichtbaar gemaakt dan de wijfjes, als zij gedurende de schemering rondvliegen. Bij Hepialus humuli is het verschil sterker uitgedrukt, daar de mannetjes wit en de wijfjes geel met donkerder vlekken zijn. Het is moeielijk te gissen, welke de beteekenis kan zijn van deze verschillen tusschen de seksen in donkerheid of lichtheid van kleur; maar wij kunnen moeilijk onderstellen, dat zij alleen het gevolg zijn van variabiliteit met seksueel beperkte erfelijkheid, zonder dat daardoor eenig voordeel werd verkregen.
Wegens het boven medegedeelde is het onmogelijk aan te nemen, dat de schitterende kleuren der Kapellen en van eenige weinige Nachtvlinders gewoonlijk ter wille der bescherming zijn verkregen. Wij hebben gezien, dat de kleuren en sierlijke teekeningen op hun vleugels zijn ingericht en worden gebruikt om er mede te pronken. Daardoor ben ik er toe gekomen om te onderstellen, dat de wijfjes over het algemeen de voorkeur geven aan, of het meest worden opgewekt door de schitterendste mannetjes; want bij elke andere onderstelling zouden de mannetjes, voor zoover wij kunnen nagaan, zonder eenig doel zijn versierd. Wij weten dat de Mieren en sommige Bladsprietige Kevers vatbaar zijn om gehechtheid voor elkander te gevoelen, en dat mieren haar makkers na een tusschenruimte van verscheidene maanden herkennen. In het afgetrokkene beschouwd, is het daarom niet onwaarschijnlijk, dat de Schubvleugeligen (Lepidoptera), die waarschijnlijk bijna of volkomen even hoog op de ladder staan als deze insekten, voldoende geestvermogens hebben om levendige kleuren te bewonderen. Zij ontdekken gewis bloemen aan haar kleur, en, zooals ik elders heb aangetoond, hebben de planten die uitsluitend door den wind worden bevrucht, nimmer opzichtig gekleurde bloemkronen. Men kan den Meêkrapvlinder dikwijls van op een afstand op een tros bloemen te midden van het groen gebladerte zien neêrschieten; en een vriend heeft mij verzekerd, dat deze vlinders herhaaldelijk op bloemen afkwamen, die op den muur van een kamer in het Zuiden van Frankrijk waren geschilderd. De gewone Witjeskapel vliegt, gelijk ik van den heer Doubleday hoor, dikwijls op een op den grond liggend stukje papier af, het ongewijfeld voor een voorwerp van haar eigen soort houdende. De heer Collingwood zegt [763], sprekende over de moeilijkheid om zekere kapellen in Insulinde te vangen, „dat een dood voorwerp, op een in ’t oog vallend takje vastgestoken, dikwijls een insekt van de zelfde soort in zijn overijlde vlucht doet stilhouden, en het naar beneden lokt, zoodat het gemakkelijk met het netje kan worden bereikt, vooral als het van de tegenovergestelde sekse is.”
De vrijage der Kapellen is een langdurige zaak. De mannetjes vechten dikwijls met elkander uit minnenijd; en men kan soms vele mannetjes het zelfde wijfje zien vervolgen of omgeven. Indien dus het wijfje niet aan het eene mannetje de voorkeur geeft boven het andere, moet de paring aan het bloote toeval zijn overgelaten en dit komt mij niet waarschijnlijk voor. Indien daarentegen de wijfjes gewoonlijk, of zelfs slechts nu en dan, aan de schoonste mannetjes de voorkeur geven, zullen de kleuren dezer laatste trapsgewijze fraaier gemaakt en overgeplant zijn op beide seksen of op ééne sekse, al naar de wet van erfelijkheid, die de overhand behield. De werking der seksueele teeltkeus zal veel gemakkelijker zijn gemaakt, indien de besluiten waartoe wij door vele bewijsgronden in het bijvoegsel op het negende hoofdstuk kwamen, kunnen worden vertrouwd; namelijk dat de mannetjes van vele Schubvleugeligen (Lepidoptera), ten minste in den toestand van volkomen insekt, de wijfjes aanmerkelijk in aantal overtreffen.
Er zijn echter eenige feiten die in strijd zijn met het geloof, dat vrouwelijke kapellen aan de fraaiste mannetjes de voorkeur geven; zoo kan men, naar mij door onderscheidene waarnemers werd verzekerd, dikwijls ongeschonden wijfjes met ontredderde verflenste of vuile mannetjes gepaard zien; het kon echter moeilijk missen, of deze omstandigheid moest dikwijls daarvan het gevolg zijn, dat de mannetjes vroeger uit de pop komen dan de wijfjes. Bij de Nachtvlinders tot de familie der Spinners (Bombycidae) behoorende, paren de seksen onmiddellijk, nadat zij den staat van volkomen insekt hebben bereikt; want zij kunnen zich dan niet voeden ten gevolge van den rudimentairen toestand van hun monden. De wijfjes liggen, zooals onderscheidene insektenkenners mij deden opmerken, bijna in een toestand van verdooving en schijnen geen de minste verkiezing te toonen ten opzichte der mannetjes waarmede zij paren. Dit is het geval met den gewonen Zijdeworm (Bombyx mori), naar mij door sommige kweekers van het Vasteland en uit Engeland is gezegd. Dr. Wallace die zulk een verbazende ondervinding heeft in het aankweeken van den Ailanthus Zijdeworm (Bombyx cynthia), is overtuigd, dat de wijfjes geen verkiezing of voorkeur toonen. Hij heeft meer dan 300 dezer vlinders levend bijeen gehad en vond dikwijls de krachtigste wijfjes met slecht ontwikkelde mannetjes gepaard. Het omgekeerde schijnt zelden voor te komen; want, naar hij gelooft, gaan de krachtigste mannetjes de zwakke wijfjes voorbij, daar zij worden aangetrokken door die welke de meeste levenskracht vertoonen. Desniettemin zijn de Spinners (Bombycidae), hoewel donker gekleurd, dikwijls in onze oogen schoon wegens hun sierlijke en gevlekte schakeeringen.
Ik heb tot dusver alleen gesproken van de soorten bij welke de mannetjes levendiger zijn gekleurd dan de wijfjes, en ik heb haar schoonheid daaraan toegeschreven, dat de wijfjes gedurende vele geslachten (generaties) de aantrekkelijkste mannetjes hebben uitgekozen en met deze hebben gepaard. Doch ook het omgekeerde geval komt voor, hoewel zeldzaam, waarin de wijfjes schitterender dan de mannetjes zijn; en dan hebben, naar mijn meening, de mannetjes de schoonste wijfjes voor de voortteling uitgezocht en daardoor haar schoonheid langzamerhand grooter doen worden. Wij weten niet, waarom bij verschillende klassen van dieren de mannetjes de fraaiste wijfjes hebben uitgezocht, in plaats van gaafweg het eerste wijfje het beste aan te nemen, gelijk de algemeene regel in het dierenrijk schijnt te zijn; maar indien, in tegenstelling van wat over het algemeen bij de Schubvleugeligen (Lepidoptera) plaats grijpt, de wijfjes veel talrijker dan de mannetjes waren, zouden deze laatsten waarschijnlijk de fraaiste wijfjes uitkiezen. De heer Butler vertoonde mij verschillende soorten van Callidryas in het Britsch Museum, bij sommige waarvan de wijfjes de mannetjes in schoonheid evenaarden, terwijl zij hen bij andere ver daarin overtroffen, want alleen de wijfjes hadden bij deze laatsten de randen van haar vleugels overgoten met scharlakenrood en oranje en gevlekt met zwart. De minder opgesmukte mannetjes van deze soorten gelijken zeer veel op elkander, een bewijs, dat hier de wijfjes zijn gewijzigd; terwijl in die gevallen waarin de mannetjes het meest zijn versierd, deze gewijzigd zijn, daar de wijfjes zeer veel op elkander zijn blijven gelijken.
In Engeland hebben wij eenige soortgelijke gevallen, hoewel niet zoo sterk sprekend. De wijfjes alleen hebben bij twee soorten van Thecla een heldere purperen of oranjevlek op haar voorvleugels. Bij Hipparchis verschillen de seksen niet veel; doch bij H. janira heeft alleen het wijfje een opzichtige lichtbruine vlek op haar vleugels; en de wijfjes van sommige andere soorten zijn levendiger gekleurd dan haar mannetjes. Verder hebben de wijfjes van Colias edusa en hyale „oranje of gele vlekken op de zwarte randstreek van haar vleugels, die bij de mannetjes slechts door smalle strepen worden vertegenwoordigd”; en bij Pieris zijn het de wijfjes die „versierd zijn met zwarte vlekken op de voorvleugels, en deze zijn slechts gedeeltelijk tegenwoordig bij de mannetjes.” Nu weet men, dat de mannetjes van vele dagvlinders de wijfjes bij hun bruiloftsvlucht dragen; maar bij de zoo even genoemde soorten dragen integendeel de wijfjes de mannetjes, zoodat de rol die de beide seksen spelen, is omgekeerd, evenals haar betrekkelijke schoonheid. Door het geheele dierenrijk heên nemen de mannetjes het meest actief deel aan de vrijage, en schijnt hun schoonheid te zijn vermeerderd, doordat de wijfjes de aantrekkelijkste individu’s hebben aangenomen maar bij deze kapellen nemen de wijfjes het meest actief deel aan de slotplechtigheid van het huwelijk, zoodat wij mogen besluiten, dat zij zulks ook aan de vrijage doen; en in dit geval kunnen wij begrijpen, hoe het komt, dat zij de schoonsten zijn geworden. De heer Meldola, aan wien bovenstaande opgaven zijn ontleend, zegt in zijn besluit: „Hoewel ik niet ben overtuigd van de werking der seksueele teeltkeus in het voortbrengen van kleuren bij de insekten, kan echter niet worden ontkend, dat deze feiten de beschouwingen van den heer Darwin op treffende wijze bevestigen.” [764]
Daar de seksueele teeltkeus aanvankelijk op het voorkomen van variabiliteit berust, moeten eenige weinige woorden over dit onderwerp hier worden bijgevoegd. Ten opzichte van de kleur is er geen moeilijkheid, daar een groot aantal zeer veel verscheidenheid vertoonende Schubvleugeligen (Lepidoptera) zouden kunnen worden opgenoemd. Eén goed voorbeeld zal voldoende zijn. De heer Bates toonde mij een reeks voorwerpen van Papilio Sesostris en childrenae; bij dezen laatste verschilden de mannetjes zeer in de grootte van de fraaie op email gelijkende groene vlek op de voorvleugels, en in de grootte der witte vlek en die van de prachtige karmozijnen streep op de achtervleugels, zoodat er een groote tegenstelling was tusschen de meest en de minst versierde mannetjes. Het mannetje van Papilio Sesostris, hoewel een fraai insekt, is zulks veel minder dan P. childrenae; het verschilt ook een weinig in de grootte van de groene vlek op de voorvleugels en door een slechts nu en dan voorkomende karmozijnen streep op de achtervleugels, die, naar het schijnt, aan zijn eigen wijfje is ontleend; want de wijfjes van deze en van vele soorten van de Aeneasgroep bezitten deze karmozijnen streep. Vandaar was er tusschen de levendigst gekleurde voorwerpen van P. Sesostris en de minst levendig gekleurde van P. childrenae slechts een kleine tusschenruimte; en het was duidelijk, dat het, voor zoover bloot de verscheidenheid aangaat, niet moeilijk zou zijn de schoonheid van elk dier twee soorten door middel der teeltkeus te vermeerderen. De verscheidenheid is hier bijna alleen tot de mannelijke sekse beperkt; maar de heeren Wallace en Bates hebben aangetoond [765], dat er onder de wijfjes van sommige andere soorten uiterst veel verscheidenheid heerscht, terwijl de mannetjes bijna gelijk aan elkander zijn. Daar ik vroeger Hepialus humuli heb vermeld als een der beste voorbeelden in Groot-Brittannië van een verschil tusschen de seksen van Nachtvlinders, is het wellicht de moeite waard hier bij te voegen [766], dat men op de Shetlandsche eilanden dikwijls mannetjes vindt, die zeer veel op de wijfjes gelijken. In een volgend hoofdstuk zal ik gelegenheid hebben om aan te toonen, dat de oogvlekken (ocelli), die op de vleugels van vele Schubvleugeligen (Lepidoptera) zoo algemeen zijn, aan een groote mate van verscheidenheid onderhevig zijn.
Over het geheel schijnt het waarschijnlijk, hoewel vele ernstige tegenwerpingen hiertegen kunnen worden aangevoerd, dat de meeste soorten van Schubvleugeligen (Lepidoptera), die schitterend gekleurd zijn, haar kleuren aan seksueele teeltkeus zijn verschuldigd, behalve in zekere gevallen die thans moeten worden vermeld, waarin opzichtige kleuren voordeelig zijn tot bescherming. Wegens de vurigheid van het mannetje, door het geheele dierenrijk heên, is hij over het algemeen bereid elk wijfje aan te nemen, en is het het wijfje dat gewoonlijk een keus doet. Vandaar moet het mannetje, als de seksueele teeltkeus heeft gewerkt, wanneer de seksen verschillen, het schitterendst zijn gekleurd; en dit is ongetwijfeld de algemeene regel. Als de seksen schitterend zijn gekleurd en op elkander gelijken, schijnen de door de mannetjes verkregen kenmerken op beide seksen te zijn overgeplant. Zal echter deze verklaring van de gelijkheid of ongelijkheid in kleur tusschen de seksen voldoende zijn?
Het is bekend, dat de mannetjes en de wijfjes van de zelfde soort van kapel zich in onderscheidene gevallen op verschillende plaatsen ophouden, en dat alsdan de eersten zich gewoonlijk in den zonneschijn koesteren, terwijl de laatsten donkere bosschen bezoeken. [767] Het is daarom mogelijk, dat de verschillende levensvoorwaarden rechtstreeks op beide seksen hebben gewerkt; doch dit is niet waarschijnlijk [768], daar zij als volkomen insekt gedurende een zeer kort tijdperk aan verschillende levensvoorwaarden, en de larven van beide aan de zelfde voorwaarden zijn blootgesteld. De heer Wallace gelooft, dat de minder schitterende kleuren van het wijfje in alle of in bijna alle gevallen bijzonder ter wille van de bescherming zijn verkregen. Daarentegen schijnt het mij waarschijnlijker, dat alleen de mannetjes in verreweg de meeste gevallen hun levendige kleuren door seksueele teeltkeus hebben verkregen, terwijl de wijfjes slechts weinig zijn gewijzigd. Bij gevolg moeten de wijfjes van verschillende doch verwante soorten, veel meer op elkander gelijken dan de mannetjes van die zelfde soorten; dit is de algemeene regel. De wijfjes vertoonen ons dus bij benadering de oorspronkelijke kleuring van den stamvorm van de groep waartoe zij behooren. Zij zijn echter bijna altijd tot op zekere hoogte gewijzigd, doordat eenige der opeenvolgende trappen van variatie, door de opeenhooping (accumulatie) waarvan de mannetjes fraai werden gemaakt, ook op haar zijn overgeplant. De mannetjes en de wijfjes van verwante, ofschoon verschillende soorten zullen ook over het algemeen gedurende hun langdurigen larventoestand aan verschillende levensvoorwaarden zijn blootgesteld geweest, en kunnen daardoor wellicht indirect zijn aangedaan; hoewel bij de mannetjes eenige geringe aldus veroorzaakte kleurverandering dikwijls geheel zal zijn gemaskeerd door de door seksueele teeltkeus verkregen schitterende kleuren. Als wij over de Vogels handelen, zal ik het geheele vraagstuk moeten bespreken, of de kleurverschillen tusschen mannetjes en wijfjes door deze laatsten gedeeltelijk bijzonder tot bescherming zijn verkregen, zoodat ik hier alleen onvermijdelijke bijzonderheden wil mededeelen.
In alle gevallen waarin de meer gewone vorm van gelijke overerving door beide seksen de overhand heeft behouden, moet het voor de voortteling uitkiezen van levendig gekleurde mannetjes een streven doen geboren worden om de wijfjes levendig te kleuren, en het uitkiezen van dof gekleurde wijfjes een streven om de mannetjes dof te maken. Hadden beide processen tegelijkertijd plaats, dan zouden zij er naar streven om elkander te neutraliseeren. Zoover ik kan nagaan, zou het uiterst moeielijk zijn om door teeltkeus den eenen vorm van overerving in den anderen te veranderen. Als echter voor de voortteling opeenvolgende wijzigingen werden uitgekozen, die van het begin af in haar overplanting tot ééne sekse waren beperkt, zou het in het minst niet moeilijk zijn om alleen aan de mannetjes schitterende, en tegelijkertijd of later alleen aan de wijfjes doffe kleuren te geven. Op deze laatste wijze kunnen, zooals ik volkomen toegeef, vrouwelijke kapellen en nachtvlinders ter wille van de bescherming kleuren hebben verkregen, die haar voor het oog verborgen, en zeer verschillend van haar mannetjes hebben gemaakt.
De heer Wallace [769] heeft met veel kracht zijn meening verdedigd, dat, als de seksen verschillen, het wijfje bijzonder is gewijzigd ter wille der bescherming, en dat dit is veroorzaakt, doordat de eene vorm van overerving, namelijk de overplanting van kenmerken op beide seksen, door de werking der natuurlijke teeltkeus in den anderen vorm, namelijk overplanting op ééne sekse, is veranderd. Ik was eerst sterk geneigd om de waarheid dezer meening aan te nemen; maar hoe meer ik de verschillende Klassen door het geheele dierenrijk heên bestudeerde, hoe minder waarschijnlijk zij mij scheen. De heer Wallace voert aan, dat beide seksen van de Heliconidae, Danaidae, Acraeidae even schitterend zijn, omdat beide door haar walgelijken stank tegen de aanvallen van vogels en andere vijanden zijn beveiligd; maar dat in andere groepen die dezen vrijdom niet bezitten, de wijfjes niet in ’t oog vallende kleuren hebben verkregen, omdat zij meer bescherming noodig hadden dan de mannetjes. Dit veronderstelde verschil in het „noodig hebben van bescherming van beide seksen” is vrij bedriegelijk en vereischt eenige bespreking. Het is duidelijk, dat levendig gekleurde individu’s, hetzij het mannetjes of wijfjes waren, evenzeer de oplettendheid hunner vijanden tot zich moesten trekken en donker gekleurde individu’s daaraan evenzeer moesten ontsnappen. Wij hebben hier echter te maken met de uitwerkselen van de vernietiging of het bewaard blijven van zekere individu’s van ééne der beide seksen op den aard van het ras. Bij insekten kan, nadat het mannetje het wijfje heeft bevrucht en dit laatste haar eieren gelegd, de grootere of mindere veiligheid voor gevaar van ééne der beide seksen bij geen mogelijkheid eenige uitwerking op hun nakomelingen hebben. Voor de seksen die haar eigen functies hadden volbracht, zou, indien zij in even groot getal bestonden en allen paarden (alle andere omstandigheden de zelfde blijvende), het bewaard blijven der mannetjes voor het bestaan der soort en voor den aard der nakomelingen even belangrijk zijn als het bewaard blijven der wijfjes. Bij de meeste dieren kan echter het mannetje, gelijk men weet, dat met den tammen zijdeworm het geval is, twee of drie wijfjes bevruchten, zoodat de vernieling der mannetjes niet zoo schadelijk voor de soort zou zijn als die der wijfjes. Dr. Wallace gelooft nochtans, dat bij nachtvlinders de nakomelingschap, door de tweede of derde bevruchting voortgebracht, aanleg tot zwakte heeft en dus een minder goede kans zou hebben om te blijven leven. Wanneer de mannetjes in veel grooter aantal bestaan dan de wijfjes, zouden ongetwijfeld vele mannetjes zonder nadeel voor de soort kunnen worden vernield; maar ik kan niet inzien, dat het in ongelijk aantal bestaan der seksen invloed zou hebben op de gevolgen der gewone teeltkeus ten opzichte van de bescherming; want waarschijnlijk zouden de opzichtigste individu’s, hetzij dit mannetjes of wijfjes waren, in de zelfde verhouding worden vernield. Indien nochtans de mannetjes een grootere verscheidenheid in kleur vertoonden, zou het resultaat anders zijn; maar het is onnoodig, dat wij hier zulke ingewikkelde bijzonderheden nagaan. Over het geheel kan ik niet begrijpen, hoe een ongelijkheid in aantal van beide seksen op eenigszins merkbare wijze invloed zou kunnen hebben op de uitwerkselen van de gewone teeltkeus ten opzichte van de kenmerken der jongen.
De heer Wallace wijst er met aandrang op, dat de vrouwelijke vlinders eenige dagen noodig hebben om haar bevruchte eieren te leggen en daarvoor een geschikte plaats te zoeken; gedurende dit tijdperk (waarin het leven der mannetjes van geen belang is) zouden de levendigst gekleurde wijfjes aan gevaar zijn blootgesteld en kans hebben om te worden vernield. De meer dof gekleurde wijfjes daarentegen zouden blijven leven en zoo, naar men mag vermoeden, een merkbaren invloed hebben op de kenmerken der soort,—hetzij van beide seksen of van ééne sekse, al naar den vorm van erfelijkheid, die de overhand behield. Men moet echter niet uit het oog verliezen, dat de mannetjes eenige dagen vroeger uit de pop komen dan de wijfjes en gedurende dit tijdperk waarin de nog niet geboren wijfjes veilig zijn, zouden de levendiger gekleurde mannetjes aan gevaar zijn blootgesteld; zoodat ten slotte beide seksen gedurende een ongeveer even lange tijdruimte aan gevaar zouden zijn blootgesteld en de eliminatie van opzichtige kleuren op de eene sekse niet veel meer in zou werken dan op de andere.
Het is een belangrijker overwegingspunt, dat vrouwelijke vlinders, gelijk de heer Wallace opmerkt en gelijk aan ieder verzamelaar bekend is, over het algemeen langzamer vliegen, dan de mannetjes. Bij gevolg zouden de laatsten, als zij wegens hun opzichtige kleuren aan grooter gevaar waren blootgesteld, in staat kunnen zijn om aan hun vijanden te ontsnappen, terwijl de eveneens gekleurde wijfjes zouden worden vernield, en zoo zouden de wijfjes den meesten invloed hebben op het wijzigen van de kleur hunner nakomelingen.
Er is nog één ander overwegingspunt: schitterende kleuren zijn, voorzoover de seksueele teeltkeus aangaat, gewoonlijk aan wijfjes van geen dienst, zoodat, indien deze laatsten in levendigheid van kleur verschilden en de overplanting van die verschillen tot ééne sekse was beperkt, het eenvoudig van het toeval zou afhangen, of de levendigheid van kleur der wijfjes zou toenemen; en dit zou een neiging doen geboren worden om door de geheele Orde heên het aantal soorten met levendig gekleurde wijfjes minder te maken in verhouding tot de soorten welke levendig gekleurde mannetjes bezaten. Daar levendige kleuren worden verondersteld voor de mannetjes van veel dienst te zijn in den wedstrijd der liefde, zouden van den anderen kant de levendig gekleurde mannetjes (zooals wij in het hoofdstuk over Vogels zullen zien), hoewel aan iets grooter gevaar blootgesteld, toch gemiddeld een talrijker kroost voortbrengen dan de dof gekleurde mannetjes. In dit geval zouden, indien de variaties in haar overplanting tot de mannelijke sekse waren beperkt, alleen de mannetjes fraaier kleuren verkrijgen; indien echter een dergelijke beperking niet plaats greep, zou het bewaard blijven en de toeneming van dergelijke variaties daarvan afhangen, of er meer kwaad werd berokkend aan de soort door het verkrijgen van opzichtige kleuren door de wijfjes, dan goed aan de mannetjes, doordat zekere individu’s de zegepraal over hun mededingers behaalden.
Daar het nauwelijks kan worden betwijfeld, dat beide seksen van vele dag- en nachtvlinders doffe kleuren hebben verkregen ter wille van de bescherming, kan het wellicht even zoo zijn gegaan met de wijfjes alleen van sommige soorten, waarin opeenvolgende variaties in de richting der doffe kleur eerst bij de vrouwelijke sekse verschenen en in haar overplanting van den beginne af tot die zelfde sekse bleven beperkt. Had een dergelijke beperking niet plaats, dan moesten beide seksen doffe kleuren hebben verkregen. Wij zullen zoo dadelijk zien, als wij over nabootsing („mimickry”) handelen, dat bij sommige kapellen alleen de wijfjes uiterst fraai zijn gemaakt ter wille van de bescherming, zonder dat een enkele der opvolgende beschermende variaties op het mannetje is overgeplant, voor wien zij bij geen mogelijkheid in het minst schadelijk zouden kunnen zijn geweest, zoodat zij niet door de natuurlijke teeltkeus zouden kunnen zijn geëlimineerd. Of het bij elke bijzondere soort bij welke de seksen in kleur verschillen, het wijfje is geweest, dat bijzonder is gewijzigd ter wille van de bescherming; dan wel of het het mannetje is geweest, dat bijzonder is gewijzigd om daardoor aantrekkelijk te worden voor de wijfjes, terwijl deze laatsten haar oorspronkelijke kleur hebben behouden, alleen in geringe mate veranderd door de inwerkingen waarop vroeger is gezinspeeld; dan wel eindelijk, of beide seksen zijn gewijzigd, het wijfje tot bescherming, het mannetje om aantrekkelijker voor het wijfje te worden, kan alleen voorgoed worden beslist, als wij de geschiedenis van het leven van elke soort kennen.
Zonder stellige bewijzen ben ik niet geneigd om aan te nemen, dat bij een menigte soorten gedurende langen tijd een dubbel proces van teeltkeus heeft gewerkt, waardoor de mannetjes schitterender werden, omdat zij daardoor de zegepraal behaalden over hun vijanden en de wijfjes doffer kleuren verkregen, omdat zij daardoor aan hun vijanden ontsnapten. Wij kunnen als voorbeeld den gewonen Citroenvlinder (Gonopteryx) noemen, die vroeg in de lente vóór elke andere soort verschijnt. Het mannetje van deze soort is veel levendiger geel gekleurd dan het wijfje, ofschoon dit laatste bijna evenzeer in het oog valt; en in dit geval schijnt het niet waarschijnlijk, dat zij haar bleeke kleuren verkreeg met het bijzondere doel om haar te beschermen, hoewel het waarschijnlijk is, dat het mannetje zijn levendige kleur verkreeg om aantrekkelijker voor haar te worden. Het wijfje van den Peterselievlinder (Antocharis cardamines) bezit aan haar vleugels de fraaie oranje punten niet, waarmede het mannetje is versierd; bij gevolg gelijkt zij zeer veel op de Witjeskapellen (Pieris) die in onze tuinen zoo algemeen zijn; wij hebben echter geen bewijzen, dat deze gelijkenis voordeelig voor haar is. Daar zij gelijkt op beide seksen van verscheidene soorten van het zelfde geslacht, die verschillende deelen der wereld bewonen, is het integendeel waarschijnlijker, dat zij eenvoudig haar oorspronkelijke kleuren grootendeels heeft behouden.
Verschillende feiten ondersteunen dit besluit, dat het bij de meeste schitterend gekleurde vlinders het mannetje is, dat is gewijzigd, en dat de beide seksen er toe zijn gekomen om van elkander te verschillen of op elkander te gelijken, al naar den vorm van erfelijkheid, die de overhand behield. De erfelijkheid wordt door zoovele onbekende wetten of voorwaarden beheerscht, dat zij ons zeer grillig in haar werking schijnen te zijn [770], en wij kunnen in zoo verre begrijpen, hoe het komt, dat bij nauwverwante soorten de seksen van sommige verbazend verschillen, terwijl die van andere de zelfde kleur bezitten. Daar de opeenvolgende trappen van het proces van variatie allen noodzakelijk door het wijfje heên worden overgeplant, zou een grooter of kleiner aantal daarvan gemakkelijk ook bij haar tot ontwikkeling kunnen komen, en op die wijze kunnen wij de veelvuldige overgangen begrijpen tusschen een uitermate groot verschil en volstrekt geen verschil tusschen de seksen bij de soorten van ééne en de zelfde groep. Deze gevallen van overgang zijn veel te algemeen om de veronderstelling te begunstigen, dat wij hier de wijfjes juist bezig zien met het proces van overgang te ondergaan en haar levendige kleuren ter wille der bescherming te verliezen; want wij hebben alle reden om te besluiten, dat op elk gegeven tijdstip het grootste aantal soorten in een blijvenden toestand verkeeren. Ten opzichte van de verschillen tusschen de wijfjes van de soorten van één en het zelfde geslacht of ééne en de zelfde familie, kunnen wij opmerken, dat zij, ten minste gedeeltelijk, daarvan afhangen, dat de wijfjes deelen in de kleuren van haar respectieve mannetjes. Hiervan geven die groepen een goed voorbeeld, bij welke de mannetjes in buitengewone mate zijn versierd; want bij deze groepen deelen de wijfjes gewoonlijk tot op zekere hoogte in de pracht van haar mannelijke gezellen. Eindelijk vinden wij steeds, zooals reeds is opgemerkt, dat de wijfjes van bijna alle soorten van één en het zelfde geslacht, of zelfs van ééne en de zelfde familie, veel meer in kleur op elkander gelijken dan de mannetjes, en dit bewijst, dat de mannetjes een grootere mate van wijziging hebben ondergaan dan de wijfjes.
Nabootsing („Mimickry”).—Dit beginsel werd het eerst duidelijk gemaakt in een bewonderenswaardige verhandeling van den heer Bates [771] die daardoor een stroom van licht op menig duister vraagstuk wierp. Men had reeds vroeger opgemerkt, dat zekere kapellen in Zuid-Amerika, tot geheel verschillende families behoorende, zoo volkomen op de Heliconidae geleken in elke streep en schakeering harer kleuren, dat zij daarvan slechts door een geoefend insektenkenner konden worden onderscheiden. Daar de Heliconidae op haar gewone wijze zijn gekleurd, terwijl de andere afwijken van de gewone kleuring der groepen waartoe zij behooren, is het duidelijk, dat deze laatsten de nabootsers en de Heliconidae de nagebootsten zijn. De heer Bates merkte verder op, dat de nabootsende soorten vergelijkenderwijze zeldzaam zijn, terwijl de nagebootste in grooten getale rondvliegen, en dat beide met elkander dooreengemengd leven. Uit het feit, dat de Heliconidae opzichtige en fraai gekleurde insekten en toch zoo talrijk in individu’s en soorten zijn, besloot hij, dat zij tegen de aanvallen der vogels moesten worden beschermd door de eene of andere afscheiding of stank, en deze onderstelling is nu door een groot aantal merkwaardige bewijzen bevestigd. [772] Uit deze overwegingen leidde de heer Bates af, dat de kapellen die de beschermde soorten nabootsen, haar tegenwoordig verwonderlijk bedriegelijk uiterlijk hebben verkregen door afwijking en natuurlijke teeltkeus, opdat zij voor de beschermde soorten zouden worden gehouden en daardoor zouden ontsnappen aan het gevaar van te worden verslonden. Geen verklaring wordt hier beproefd van de schitterende kleuren der nagebootste, maar alleen van die der nabootsende kapellen. Wij moeten ons van de kleuren der eersten rekenschap geven op de zelfde algemeene wijze als in de vroeger in dit hoofdstuk besproken gevallen. Sinds de uitgaaf van de verhandeling van den heer Bates zijn gelijksoortige en even treffende gevallen door den heer Wallace [773] in Insulinde, door den heer Trimen in Zuid Afrika en door den heer Riley in de Vereenigde Staten waargenomen.
Daar sommige schrijvers [774] veel moeite hebben gehad om te begrijpen, hoe de eerste stappen van het proces van nabootsing („mimickry”) door natuurlijke teeltkeus tot stand konden zijn gekomen, zal het wellicht goed zijn op te merken, dat het proces waarschijnlijk nimmer is begonnen met vormen die zeer veel in kleur verschilden. Bij twee soorten echter, die tamelijk op elkander geleken, kan de grootst mogelijke gelijkenis gemakkelijk op die wijze zijn verkregen, indien zij voor één van beide vormen voordeelig was; en, indien de nagebootste vorm daarna allengs door seksueele teeltkeus of door eenige andere oorzaak werd gewijzigd, moest de nabootsende vorm hem op dat zelfde spoor volgen en aldus tot bijna elke hoogte worden gewijzigd, zoodat hij ten laatste een uiterlijk of kleuring verkreeg, geheel verschillende van dat der andere leden van de groep waartoe hij behoorde. Daar uiterst geringe variaties in kleur in vele gevallen niet voldoende zouden zijn om een soort zoo gelijk aan een andere beschermde soort te maken dat zij behouden bleef, moet ik er aan herinneren, dat vele soorten van Schubvleugeligen (Lepidoptera) vatbaar zijn voor aanmerkelijke en plotselinge variaties in kleur. Eenige weinige voorbeelden daarvan zijn in dit hoofdstuk gegeven; men zou echter goed doen over dit punt zoowel de oorspronkelijke verhandeling van den heer Bates over nabootsing („mimickry”), als de verhandelingen van den heer Wallace te raadplegen.
Bij verscheidene soorten zijn de seksen gelijk en bootsen de beide seksen van een andere soort na. Doch de heer Trimen deelt in de reeds aangehaalde verhandeling drie gevallen mede, waarin de seksen van den nagebootsten vorm van elkander in kleur verschillen, en de seksen van den nabootsenden vorm op dezelfde wijze van elkander verschillen. Onderscheidene gevallen zijn ook opgeteekend, waar alleen de wijfjes schitterend gekleurde en beschermde soorten nabootsen, terwijl de mannetjes „het normale uiterlijk van hun naaste verwanten” hebben behouden. Het is hier duidelijk, dat de opeenvolgende variaties waardoor het wijfje is gewijzigd, op haar alleen zijn overgeplant. Het is echter waarschijnlijk, dat sommige van de vele opeenvolgende variaties ook op de mannetjes zouden zijn overgebracht en zich ook bij deze zouden hebben ontwikkeld, als dergelijke mannetjes niet waren geëlimineerd, omdat zij daardoor minder aantrekkelijk voor de wijfjes werden gemaakt; zoodat alleen die variaties bewaard bleven, die van den beginne af in haar overerving stipt tot de vrouwelijke sekse waren beperkt. Wij hebben een voorbeeld tot opheldering van deze opmerkingen in een mededeeling van den heer Belt [775], dat de mannetjes van sommige Leptaliden, die beschermende soorten nabootsen, toch op verborgen wijze eenige hunner oorspronkelijke kenmerken bewaren. Zoo is bij de mannetjes „de bovenhelft van den ondervleugel zuiver wit van kleur, terwijl het geheele overige gedeelte van de vleugels zwarte, roode en gele strepen en vlekken vertoont, evenals bij de soorten die zij nabootsen. De wijfjes hebben deze witte vlek niet, en de mannetjes verbergen haar gewoonlijk door haar met den bovenvleugel te bedekken, zoodat ik niet kan begrijpen, dat zij van eenig ander nut voor hen zou zijn dan als een aantrekkingsmiddel bij de vrijage, waarbij zij haar aan de wijfjes vertoonen en daardoor van de diepgewortelde voorkeur partij trekken, welke deze gevoelen voor de normale kleur van de groep waartoe de Leptaliden behooren.”
Levendige Kleuren van Rupsen.—Terwijl ik nadacht over de schoonheid van vele kapellen, viel het mij in, dat sommige rupsen prachtig zijn gekleurd, en daar hier de seksueele teeltkeus bij geen mogelijkheid kan hebben gewerkt, scheen het overijld om de schoonheid der volkomen insekten aan de werking daarvan toe te schrijven, tenzij de levendige kleuren van hun larven op de eene of andere wijze konden worden verklaard. In de eerste plaats kan worden opgemerkt, dat de kleuren van rupsen volstrekt niet in nauw verband staan met die van het volkomen insekt. In de tweede plaats dienen hun levendige kleuren op geen enkele gewone wijze tot bescherming. Als een voorbeeld hiervan deelt de heer Bates mij mede, dat de meest opzichtige rups welke hij ooit zag, een Pijlstaartrups (Sphinx), leefde op de groote groene bladeren van een boom in de open Llano’s van Zuid-Amerika; zij was ongeveer een decimeter lang en bezat zwarte of gele dwarsbanden, terwijl de kop, pooten en staart helder rood waren. Daardoor viel zij elk mensch die op vele ellen afstands voorbijging, en waarschijnlijk elk voorbijkomend levend schepsel in het oog.
Ik wendde mij toen tot den heer Wallace die een aangeboren vernuft bezit om moeilijkheden op te lossen. Na eenig nadenken antwoordde deze mij: „De meeste rupsen hebben bescherming noodig, zooals daaruit mag worden afgeleid, dat vele soorten van doornen en prikkelende haren zijn voorzien, of groen gekleurd, gelijk de bladeren waarmede zij zich voeden, of merkwaardig veel gelijken op de twijgen der boomen waarop zij leven.” Ik kan hier als een ander voorbeeld van bescherming bijvoegen, dat er een rups van een nachtvlinder is, gelijk de heer J. Mansel Weale mij mededeelde, die op de mimosa’s van Zuid-Afrika leeft, en zich een verblijfplaats vervaardigt, die volstrekt niet van de omringende doornen kan worden onderscheiden. Op grond van dergelijke overwegingen hield de heer Wallace het voor waarschijnlijk, dat opzichtig gekleurde rupsen werden beschermd, doordat zij een walgelijken smaak hadden; maar daar haar huid uiterst teeder is, en haar ingewanden gemakkelijk uitpuilen uit een wond, zou een geringe pik van den snavel van een vogel bijna even noodlottig voor haar zijn, alsof zij verslonden waren geworden. Daarom zou, gelijk de heer Wallace opmerkt, „een walgelijke smaak alleen onvoldoende zijn om een rups te beschermen, tenzij eenig uiterlijk teeken aan het dier dat haar wilde verslinden, aantoonde, dat zijn prooi een wansmakelijk gerecht was.” Onder deze omstandigheden zou het in hooge mate voordeelig voor een rups zijn om oogenblikkelijk en met zekerheid door alle vogels en andere dieren als oneetbaar te worden herkend. Zoo zouden de levendigste kleuren nuttig zijn, en zouden kunnen zijn verkregen door variatie en het in leven blijven der gemakkelijkst herkenbare individu’s.
Deze veronderstelling schijnt op het eerste gezicht zeer stout, maar toen zij aan het oordeel der Engelsche Entomologische Vereeniging werd onderworpen [776], werd zij door onderscheidene mededeelingen bevestigd; en de heer Jenner Weir die een groot aantal vogels in een vogelhuis (volière) houdt, heeft, naar hij mij meldt, talrijke proeven genomen en vindt geen uitzondering op den regel, dat al de rupsen die een nachtelijke levenswijze hebben, zich schuil houden en een zachte huid bezitten, allen die groen van kleur zijn, en allen die twijgen nabootsen, gretig door zijn vogels worden verslonden. De harige en doornige soorten worden onveranderlijk weggeworpen, en evenzoo ging het met vier opzichtig gekleurde soorten. Als de vogels een rups wegwierpen, toonden zij duidelijk door hun koppen te schudden en hun bekken schoon te maken, dat zij van den smaak walgden. [777] Drie opzichtige soorten van rupsen werden ook door den heer A. Butler aan eenige hagedissen en kikvorschen gegeven, en werden weggeworpen, hoewel andere soorten gretig werden gegeten. De waarschijnlijke waarheid van de meening van den heer Wallace wordt dus bevestigd, dat namelijk zekere rupsen opzichtig zijn gemaakt voor haar eigen bestwil, opdat zij gemakkelijk door haar vijanden zouden kunnen worden herkend, ongeveer volgens het zelfde beginsel, als zekere vergiften door de apothekers worden gekleurd ten bestwil van den mensch.
Wij kunnen echter tegenwoordig de sierlijke verscheidenheid van de kleuren van vele rupsen niet op die wijze verklaren; maar elke soort die in een of ander vroeger tijdperk een dof gevlekt of gestreept uiterlijk had verkregen, hetzij in nabootsing van omringende voorwerpen of door de rechtstreeksche werking van het klimaat enz, zou bijna zeker niet eenvormig van kleur worden, als haar kleuren sterk en levendig werden; want, als het eenvoudig was te doen om een rups opzichtig te maken, zou er geen teeltkeus in de eene of andere bepaalde richting zijn.
Overzicht en Slotopmerkingen aangaande de Insekten.—Laten wij thans een terugblik slaan op de verschillende Orden. Wij hebben gezien, dat de seksen dikwijls in onderscheidene kenmerken verschillen, waarvan de beteekenis niet wordt begrepen. De seksen verschillen ook dikwijls in haar zintuigen of bewegingswerktuigen, opdat de mannetjes de wijfjes spoedig zouden kunnen ontdekken of bereiken, en nog veelvuldiger, doordat de mannetjes allerlei werktuigen hebben om het wijfje vast te houden als zij haar hebben gevonden. Wij hebben hier echter met dergelijke seksueele verschillen niet veel te maken.
In bijna alle Orden weet men, dat de mannetjes van sommige soorten, zelfs van zwakke en teedere, zeer strijdlustig zijn; en eenige weinige zijn van bijzondere wapenen voorzien om met hun medeminnaars te vechten. De wet van den strijd geldt echter bij de Insekten lang zoo algemeen niet als bij de hoogere dieren. Daardoor komt het waarschijnlijk, dat de mannetjes zelden grooter en sterker zijn geworden dan de wijfjes. Zij zijn daarentegen gewoonlijk kleiner, opdat zij zich in korten tijd zouden kunnen ontwikkelen, zoodat zij in grooten getale gereed zijn, als de wijfjes uit de pop komen.
In twee families van de Gelijkvleugeligen (Homoptera) bezitten alleen de mannetjes in werkzamen staat werktuigen die men stemorganen zou kunnen noemen; en in drie families van de Rechtvleugeligen (Orthoptera) bezitten alleen de mannetjes sjirporganen. In beide gevallen worden deze organen gedurende den paartijd onophoudelijk gebruikt, niet alleen om de wijfjes te lokken, maar ook om haar in den wedstrijd met andere mannetjes te bekoren of op te wekken. Niemand die de werking der natuurlijke teeltkeus aanneemt, zal betwisten, dat deze muziekinstrumenten door seksueele teeltkeus zijn verkregen. In vier andere Orden bezitten de leden van de eene sekse, of meer algemeen van beide seksen organen om verschillende geluiden voort te brengen, die alleen als loktonen schijnen te dienen. Zelfs wanneer beide seksen daarvan zijn voorzien, moeten zij die in staat zijn het luidste of langst aanhoudende geluid te maken, eerder gezellen krijgen dan zij die minder luidruchtig zijn, zoodat hun organen waarschijnlijk door seksueele teeltkeus zijn verkregen. Het is leerzaam om na te denken over de verwonderlijke verscheidenheid der middelen om geluid voort te brengen, welke alleen de mannetjes of beide seksen in niet minder dan zes Orden bezitten, en welke door ten minste één insekt in een uiterst lang geleden geologisch tijdvak werden bezeten. Wij leeren daaruit, hoe werkzaam de seksueele teeltkeus is geweest in het veroorzaken van verschillende wijzigingen van maaksel, die soms, zooals bij de Gelijkvleugeligen (Homoptera), belangrijk van aard zijn.
Wegens in het vorige hoofdstuk vermelde reden is het waarschijnlijk, dat de groote horens van de mannetjes van vele Bladsprietigen (Lamellicornia) en sommige andere Kevers als een sieraad zijn verkregen. Evenzoo is het wellicht ook met zekere andere tot de mannelijke sekse beperkte bijzonderheden. Wegens de geringe grootte der insekten zijn wij geneigd hun uiterlijk aanzien laag te schatten. Als wij ons een mannelijke Chalcosoma (Fig. 57) konden voorstellen, met zijn maliënkolder van gepolijst brons, tot de grootte van een paard of zelfs slechts van een hond vergroot, zou het een der indrukwekkendste dieren van de wereld zijn.
De kleuring der insekten is een ingewikkeld en duister onderwerp. Als het mannetje weinig van het wijfje verschilt en geen van beide schitterend gekleurd zijn, is het waarschijnlijk, dat de beide seksen op een eenigszins verschillende wijze hebben gevarieerd en de variaties op de zelfde sekse zijn overgeplant, zonder dat daardoor eenig voordeel is verkregen of nadeel geleden. Als het mannetje schitterend is gekleurd en in ’t oog loopend van het wijfje verschilt, zooals bij sommige Waternimfen en vele Kapellen, is het waarschijnlijk, dat hij alleen is gewijzigd en dat hij zijn kleuren aan seksueele teeltkeus is verschuldigd, terwijl het wijfje een oorspronkelijke of zeer oude type van kleuring heeft behouden, eenigermate gewijzigd door vroeger verklaarde oorzaken, en dus, ten minste in de meeste gevallen, niet donker is gekleurd ter wille van de bescherming. Maar soms is ook alleen het wijfje schitterend gekleurd, zoodanig, dat het andere in de zelfde streek wonende beschermde soorten nabootst. Als de seksen op elkander gelijken, en beide donker gekleurd zijn, is er geen twijfel, dat zij in een menigte gevallen die kleur ter wille van de bescherming hebben verkregen. Evenzoo is het in sommige gevallen, als beide levendig gekleurd zijn en zij daardoor op hen omringende voorwerpen, zooals bloemen, of op andere beschermde soorten gelijken, of op indirecte wijze haar vijanden doen weten, dat zij oneetbaar zijn. In vele andere gevallen waarin de seksen op elkander gelijken en schitterend gekleurd zijn, vooral wanneer de kleuren geschikt zijn om er mede te pronken, mogen wij besluiten, dat zij door de mannelijke sekse als een aantrekkelijkheid zijn verkregen en op beide seksen overgeplant. Wij worden meer in het bijzonder tot dit besluit gebracht, als de zelfde type van kleur door een geheele groep heên heerscht, en wij vinden, dat de mannetjes van sommige soorten zeer in kleur van de wijfjes verschillen, terwijl bij andere soorten beide seksen geheel gelijk zijn en tusschenliggende overgangen deze uiterste toestanden verbinden.
Op de zelfde wijze als levendige kleuren dikwijls gedeeltelijk van de mannetjes op de wijfjes zijn overgeplant, is het ook soms gegaan met de buitengewone horens van vele Bladsprietigen (Lamellicornia) en sommige andere kevers. Evenzoo zijn ook de stem- of instrumentale organen die aan de mannetjes der Gelijkvleugeligen (Homoptera) en Rechtvleugeligen (Orthoptera) eigen zijn, gewoonlijk in een rudimentairen of zelfs in een bijna volkomen toestand op de wijfjes overgeplant, en toch niet volkomen genoeg om tot het voortbrengen van geluid te worden gebezigd. Het is ook een belangwekkend feit, daar het op seksueele teeltkeus wijst, dat de sjirporganen van sommige mannelijke Rechtvleugeligen (Orthoptera) niet tot volkomen ontwikkeling komen voor de laatste vervelling, en dat de kleuren van de mannetjes van sommige Waternimfen niet tot volkomen ontwikkeling komen, dan korten tijd nadat zij uit de pop zijn gekomen en als zij gereed zijn voor de paring.
De seksueele teeltkeus sluit in zich, dat aan de aantrekkelijkste individu’s door de andere sekse de voorkeur wordt gegeven; en daar bij de insekten, wanneer de seksen verschillen, met zeldzame uitzonderingen het mannetje het meest is versierd en het meest afwijkt van de type waartoe de soort behoort, moeten wij veronderstellen, dat de wijfjes gewoonlijk of somtijds aan de fraaiste mannetjes de voorkeur geven, en dat deze op die wijze hun schoonheid hebben verkregen. Dat in de meeste of alle Orden de wijfjes het vermogen bezitten om eenig bijzonder mannetje van de hand te wijzen, mogen wij veilig afleiden uit de vele vreemdsoortige dwangwerktuigen welke de mannetjes bezitten om het wijfje te grijpen, zooals groote kaken, zuigkussentjes, doornen, verlengde pooten enz.; want deze dwangwerktuigen bewijzen, dat er aan de handeling eenige moeite is verbonden. In het geval van vereenigingen tusschen verschillende soorten, waarvan vele voorbeelden zijn opgeteekend, moet het wijfje daarin hebben toegestemd. Te oordeelen naar hetgeen wij weten van de waarnemingsvermogens en de neigingen van verschillende insekten, is er a priori volstrekt geen onwaarschijnlijkheid in gelegen, dat de seksueele teeltkeus sterk heeft gewerkt; maar wij bezitten daarvan tot dusver nog geen rechtstreeksche bewijzen, en sommige feiten pleiten tegen dit geloof. Desniettemin kunnen wij, als wij vele mannetjes het zelfde wijfje zien vervolgen, moeielijk gelooven, dat de paring aan het blinde toeval is overgelaten,—dat het wijfje geen keus uitoefent en dat de prachtige kleuren of andere versierselen waarmede het mannetje prijkt, geen invloed op haar uitoefenen.
Als wij aannemen, dat de wijfjes van de Gelijkvleugeligen (Homoptera) en Rechtvleugeligen (Orthoptera) de door hun mannelijke gezellen voortgebrachte muzikale tonen op prijs stellen, en dat de verschillende tot dit doel bestemde instrumenten door seksueele teeltkeus volkomener zijn gemaakt, is het niet zeer onwaarschijnlijk, dat de wijfjes van andere insekten schoonheid van vorm of kleur op prijs stellen, en dat bijgevolg dergelijke kenmerken op die wijze door de mannetjes zijn verkregen. Maar wegens de omstandigheid, dat de kleur zoo variabel is, en omdat zij dikwijls ter wille van de bescherming is gewijzigd, is het uiterst moeielijk te beslissen in hoe sterk een verhouding van gevallen de seksueele teeltkeus in het spel geweest. Dit is meer in het bijzonder moeielijk in die Orden, zooals de Rechtvleugeligen (Orthoptera), Vliesvleugeligen (Hymenoptera) en Schildvleugeligen (Coleoptera), in welke de beide seksen zelden veel in kleur verschillen; want wij zijn dan beroofd van ons beste bewijs voor eenige betrekking tusschen de voortplanting der soort en de kleur. Onder de Schildvleugeligen (Coleoptera) is het echter, zooals vroeger is opgemerkt, in de groote groep der Bladsprietige Kevers (Lamellicornia), door sommige schrijvers aan het hoofd van de Orde geplaatst, en waarin wij somtijds een wederkeerige gehechtheid tusschen de seksen waarnemen, dat wij de mannetjes van sommige soorten in het bezit van bijzondere wapens voor den strijd om de wijfjes, andere van verwonderlijke horens, vele van sjirporganen voorzien en andere met prachtige metallieke kleuren versierd vinden. Het schijnt daarom waarschijnlijk, dat al deze kenmerken door het zelfde middel, namelijk seksueele teeltkeus, zijn verkregen.
Als wij de vogels behandelen, zullen wij zien, dat zij in hun secundaire seksueele kenmerken de grootste analogie met de Insekten vertoonen. Zoo zijn vele mannelijke vogels in hooge mate strijdlustig en sommigen zijn van bijzondere wapenen voorzien om met hun medeminnaars te vechten. Zij bezitten organen die gedurende den paartijd worden gebruikt om vocale en instrumentale muziek voort te brengen. Zij zijn dikwijls versierd met kammen, horens, vleeschlappen en vederen van den meest verschillenden aard en prijken met schoone kleuren, hetwelk alles klaarblijkelijk dient om er mede te pronken. Wij zullen zien, dat, evenals bij de insekten, in sommige groepen beide seksen even schoon zijn, en beide gelijkelijk versierselen bezitten, die anders gewoonlijk tot de mannelijke sekse zijn beperkt. In andere groepen zijn beide seksen even dof gekleurd en onversierd. Eindelijk zijn in eenige weinige van den regel afwijkende gevallen de wijfjes fraaier dan de mannetjes. Wij zullen dikwijls in ééne en dezelfde groep van vogels allerlei overgangen vinden van volstrekt geen verschil tusschen de seksen tot een uiterst groot verschil toe. In het laatste geval zullen wij zien, dat de wijfjes evenals vrouwelijke insekten dikwijls min of meer duidelijke sporen bezitten van de kenmerken die eigenlijk aan de mannetjes toebehooren. De overeenkomst in al deze opzichten tusschen Vogels en Insekten is inderdaad merkwaardig groot. Elke verklaring die bij de eene Klasse toepasselijk is, is zulks waarschijnlijk ook bij de andere, en die verklaring is, zooals wij later zullen trachten aan te toonen, bijna zeker Seksueele Teeltkeus.
AANTEEKENINGEN.
(1) De Doodshoofd-uil (Acherontia atropos) maakt een eigenaardig piepend geluid dat volgens Landois (in zijn door Darwin meermalen aangehaalde verhandeling) door het wrijven van de voelers (palpi) tegen den zuiger wordt voortgebracht. Deze voelers bezitten aan de onbehaarde binnenzijde zeer fijne ribbetjes. [778]
De heeren Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, Dr. M. C. Verloren en R. T. Maitland antwoordden op mijn vraag, of er ten opzichte van dit geluidgevend vermogen ook eenig verschil tusschen de seksen van A. atropos werd waargenomen, dat zij zulks niet geloofden. Dit neemt niet weg, dat ik het toch zeer mogelijk acht, dat het vermogen om geluid voort te brengen, door A. atropos is verkregen ten gevolge van seksueele teeltkeus op de zelfde wijze waarop Darwin zulks verklaart bij torren van welke de beide seksen sjirpen. [779]
Ook bij andere Sphingidae vond Landois ribbetjes op de palpen, en wel in veel grooter aantal met betrekking tot de oppervlakte die zij innemen, zooals blijkt uit het volgende staatje:
SOORTEN. Lengte der Breedte der Aantal wrijfplaat (in wrijfplaat (in ribbetjes. millimeters). millimeters).
A. atropos 2 0.75 35 Sphinx convolvuli 2 1 92 S. ligustri 1.1 0.38 30 Deilephila elpenor 1.16 0.41 36 Sphinx pinastri 1.33 0.5 39
Daar nu bij gelijke wrijvingssnelheid een grooter aantal ribbetjes op een even lang gedeelte van de wrijfplaat noodzakelijk moet overeenkomen met een grooter aantal trillingen, dus met een hoogeren toon, ligt de gevolgtrekking voor de hand, dat al deze vlinders geluiden voortbrengen, doch dat wij slechts dat van A. atropos hooren, omdat die der andere te hoog zijn om door onze ooren te kunnen worden waargenomen. Wanneer wij verder aannemen, dat het geluidgevend vermogen door A. atropos is verkregen ten gevolge van de werking der seksueele teeltkeus, dan valt dit ook voor het overige niet te betwijfelen. Op die wijze komen wij er toe te bepalen op welke wijze deze laatsten een vermogen hebben verkregen, van welks bestaan wij ons door directe waarnemingen niet kunnen overtuigen.
Men kan nog verder gaan. Reuter („Zool. Anz.”, blz. 288, 17 Sept. 1888) onderzocht eenige honderden soorten van vlinders uit Finland, en vond bij allen zulk een onbehaarde plek aan de binnenzijde der voelers als Landois bij de Sphingiden had gevonden, en die plek schijnt voor de geheele orde der Schubvleugeligen typisch te zijn. Bij bijna alle onderzochte vlinders vond Reuter de door Landois ontdekte ribbetjes, bij vele soorten wel is waar vrij onduidelijk en onvolkomen, maar bij slechts weinige geheel ontbrekende. Steeds was de ligging zoo, dat de met een verhoogde lijst voorziene basis van den zuiger er gemakkelijk kon worden tegenaan gedrukt. Bij alle vlinders komt derhalve zulk een sjirporgaan of een rudiment daarvan voor. Naast de ribbetjes vond Reuter een eigenaardig zintuig, over de functie waarvan hij geen zeker besluit meende te kunnen trekken. Het bestaat uit een kegelvormig met een ringvlies omgeven orgaan, waarin zich haarvormige deeltjes bevinden, die met zenuwen in verbinding staan. De analogie hiervan met sommige deelen van ons eigen inwendig oor doet schrijver dezes vermoeden, dat wij hier wel met een gehoororgaan zullen hebben te doen.
Bij de dagvlinders waren zoowel de ribbetjes op de wrijfplaat als het zintuig aanmerkelijk grooter bij de mannetjes dan bij de wijfjes, hetgeen o.i. duidelijk bewijst, dat die deelen met de seksueele teeltkeus in verband staan.
Romanes, Mr. Sachlan, Buchanan White en Cunningham hebben in „Nature”, Jan. en Febr. 1877, blz. 177, 293, verscheidene mededeelingen gedaan omtrent geluidgevende vlinders. Verscheidene soorten van Vanessa maken een dergelijk geluid als Ageronia feronia, ofschoon zwakker, en het geluid wordt voortgebracht door een als een vijl getanden ader van den bovenvleugel, die strijkt over een uitpuilenden ader aan den ondervleugel, terwijl er bovendien daar ook een schubloos plekje is, door een lijstje omsloten. Ook in de geslachten Euprepia en Chelonia komen geluidgevende vlinders voor. Bij Chelonia pudica wordt het geluid voortgebracht door een soortgelijk orgaan als bij Setina, en gelijkt op het tikken van een horloge.
Dionychopus niveus Mén. bezit volgens Dönitz („Berl. Entomol. Zeitschrift”, 1887, Heft 1) een eigenaardig stemorgaan. Aan de bovenzijde van den achtervleugel en aan de onderzijde van den voorvleugel, daar waar de vleugels elkander bedekken, bevinden zich namelijk omstreeks 2 m.m. lange en 1 m.m. breede uit sterk gechitiniseerde dorens bestaande borstels. Door het tegen elkander wrijven daarvan brengt de vlinder een sjirpend geluid voort. Bij de Spinners (Bombycidae) zou de stemtoestel meestal aan de borst liggen en bestaan uit een over een holte gespannen vlies dat waarschijnlijk door wrijving met de achterpooten in trilling wordt gebracht.
(2) Wij zullen in Hoofdstuk XII, XIII en XVIII zien, dat Darwin den muskusachtigen geur welken de krokodillen, de Australische muskuseend (Bizura lobata) en vele zoogdieren verspreiden, met hun seksueele functiën in verband brengt, en de ontwikkeling der klieren waardoor de riekende stof wordt afgescheiden, ten minste bij sommige dezer dieren, door seksueele teeltkeus verklaart. Het bevreemdt mij, dat in dit hoofdstuk alleen, en dan nog maar ter loops, wordt gerept van den geur dien twee pijlstaartvlinders verspreiden, daar het zelfde bij zeer vele andere vlinders is opgemerkt.
Fritz Müller („Ausland”, 7 Oct. 1878) doet omtrent den geur van mannelijke vlinders eenige mededeelingen. (Vergelijk ook boven aant. 1).
De schubben welke op de vleugels der vlinders als dakpannen over elkander liggen, vertoonen, gelijk men weet, bij de mannetjes dikwijls kleinere of grootere onregelmatigheden door tusschenschubben.
Deze tusschenschubben zijn volgens F. Müller’s waarnemingen de zetel van den eigenaardigen geur welken bijna alle mannelijke vlinders in meerdere of mindere mate bezitten. Deze waarnemingen zijn later door verschillende andere natuuronderzoekers bevestigd.
Slechts die soorten welke tusschenschubben bezitten, verspreiden geur, en deze geur is vooral bij de door aanmerkelijke grootte uitmuntende Zuid-Amerikaansche soorten sterk, en werkt op den mensch dikwijls als de geur eener welriekende bloem. Daarbij is aangetoond, dat het steeds slechts aangename geuren, zooals vanille, muskus, jasmijn, citroen enz. zijn.
Gelijk sinds lang bekend is, kenmerken zich ook onder de Europeesche vlinders Charaxes jasius, Sphinx ligustri en Sphinx convolvuli, vooral de laatste, door een muskusgeur, Papilio Machaon door een venkelgeur.
De bedoelde geurschubben komen in den meest verschillenden vorm en op de meest verschillende plaatsen bij de dieren voor. Nu eens liggen zij in grootere of kleinere hoedanigheid tusschen de vleugelschubben verspreid, dan weder zijn zij in de nabijheid van den kop op één punt gelocaliseerd. Hier liggen zij aan de zijde van het lichaam in een soort van knobbel verborgen, ginds omhult ze aan den rand van den vleugel een soort van omslag die zich slechts bij het uitspreiden der vleugels opent; zelfs aan de pooten heeft men ze waargenomen. Zij zijn evenzoo verschillend van vorm, schildvormig, gestrekt, rondachtig, lancetvormig, gewonden enz., doch van boven eindigt de schub bijna altijd in een bos fijne haartjes, aan wier punten, evenals bij uitzweetende hars of oliën, kleine bolletjes hangen. Kanaalachtige strengen loopen van den klierachtigen wortel der schubben naar de haartjes.
Bij Hepiolus Humuli ontbreekt volgens Bertkau („Humboldt”, Mai 1885) het derde paar pooten en wordt vervangen door een peervormige plaat, uit welker verdiepte oppervlakte een dicht penseel van geelachtige borstels oprijst. In het binnenste van dezen rudimentairen poot ziet men reeds bij zwakke vergrooting groote van kernen voorziene kliercellen door de huid heên schijnen. Zij hebben den vorm eener flesch waarvan de hals uitmondt in een huidporie waaruit de met een kanaal doorboorde gele borstels ontspringen. Deze klieren scheiden een zwak aromatisch riekende aetherische olie af, die geelachtig groen van kleur is en droppelsgewijs aan de spits der borstels te voorschijn komt. Ter beschutting van dezen toestel bezit het dier aan weêrszijden van den eersten ring van het achterlijf een dunhuidig zakje waarin het steeds zijn vervormde achterste pooten tracht te verbergen.
Vraagt men naar den oorsprong van den geur der mannelijke vlinders en houdt men daarbij in het oog, dat het uitstroomen van den geur van den wil van het dier afhankelijk is, gelijk verschillende proeven onweêrlegbaar hebben bewezen, dan leidt ons dit ook hier tot de seksueele teeltkeus. Men kan aannemen, dat het mannetje zich door zijn geur aan het wijfje aangenaam wil maken, het koketteert daarmede als het ware, en het wijfje geeft van den anderen kant de voorkeur aan het mannetje dat het aangenaamst riekt. Aan het wijfje ontbreekt de geur, daar deze haar schadelijk is, omdat daardoor slechts vijanden zouden worden gelokt.
In zijn „Studien über Descendenztheorie” toont Professor Weissman iets dergelijks bij de ontwikkeling van de kleuren der vlinders. Bovengenoemde onderstelling wint nog meer aan waarschijnlijkheid, als men de soorten van één geslacht met betrekking daartoe nauwkeuriger onderzoekt. Het gebeurt vaak, dat niet bij alle soorten de mannelijke vlinders de geurschubben en den geur bezitten, en de soorten bij welke zij ontbreken, behooren dan ook ten opzichte van de kleur en teekening der vleugels tot de meest ontwikkelde van het geslacht. Dit is b.v. het geval bij de „blauwtjes.”
Eerst langzamerhand is hun oorspronkelijk bruine kleur door teeltkeus in blauw overgegaan; er zijn zelfs soorten welke eerstgenoemde kleur nog bezitten. Juist bij deze ontbreken nu ook de geurschubben.
De Schubvleugeligen zijn overigens niet de eenige Orde van Insekten, die welriekende soorten bevat. Ook onderscheidene Schildvleugeligen verspreiden een aangenamen geur; zoo riekt Aromia moschata naar Oostersche rozenolie, Velleius dilatatus naar muskus, Staphylinus olens naar renetappels of aether nitricus; Cicindela campestris en hybrida verspreiden eveneens een welriekenden geur, naar dien van rozen zweemende en ook eenigszins overeenstemmende met dien der producten welke men somtijds verkrijgt, als men essentia terebinthinae met mengsels van zwavel- en salpeterzuur behandelt. Wanneer men nu den geur van sommige vlinders voor een gevolg van seksueele teeltkeus houdt, zal men er van zelf toe komen om dit ook bij bovengenoemde Kevers aan te nemen. Moeilijker schijnt, oppervlakkig beschouwd, deze verklaring toe te passen op een aantal soorten van Mieren die een sterken muskusgeur verspreiden, vooral als men haar nesten omwoelt; want de meeste individu’s zijn hier geslachtloozen of zoogenaamde arbeiders. Men kan echter aannemen, dat die geur, oorspronkelijk door de mannelijke mieren door seksueele teeltkeus verkregen zijnde, later ook op hun niet mannelijke nakomelingschap is overgebracht. Evenzoo kan men aannemen, dat bij insekten bij welke beide seksen rieken, de geur oorspronkelijk tot ééne sekse was beperkt, maar later, doordat de wet van gelijke overerving op beide seksen de overhand kreeg boven die van seksueel beperkte erfelijkheid, de oorspronkelijk tot ééne sekse beperkte geur ook op de nakomelingschap van de andere sekse werd overgeplant.
Wat den stank aangaat, dien vele insekten (b.v. wantsen) verspreiden, zoo zal deze in de meeste gevallen wel, als een beschermingsmiddel, door seksueele teeltkeus zijn verkregen. In sommige gevallen kan hij echter ook een seksueele aantrekkelijkheid uitmaken en zich derhalve door seksueele teeltkeus hebben ontwikkeld; want wij moeten niet vergeten, dat het aangename of onaangename van een geur zeer subjectief is, zoodat iets dat wij een stank noemen, op een anders georganiseerd wezen een welriekenden indruk kan maken. Vele insekten worden b.v. aangetrokken door den reuk van rottend vleesch, faecalia, enz. Zelfs onder menschen zijn er individu’s die welriekend noemen hetgeen anderen voorkomt stinkend te zijn, en bij voorbeeld gaarne Asa foetida ruiken. Het is immers met andere zintuigen evenzoo. Wat den een heerlijk smaakt, lust de ander niet. De muziek waarin wilde volksstammen behagen scheppen, schijnt ons wanluidend; een schilderij die een Chinees fraai zal vinden, komt ons zeer leelijk voor; de Abessiniër vindt een stuk rauw vleesch, uit het levende rund gesneden, het heerlijkste gerecht, terwijl wij het liever gebraden, en uit een geslacht dier gesneden, eten. Hoe mogelijk is het derhalve, dat geuren die wij stank noemen, sommige insekten aangenaam aandoen!
SUPPLEMENTAIRE AANTEEKENING OP HOOFDSTUK XI.
DE SEKSUEELE KLEUREN DER VLINDERS, DOOR C. Darwin.
(Vertaald uit Nature, vol. XXI, 1880, blz. 237.)
Dr. Schulte te Fürstenwalde heeft mij opmerkzaam gemaakt op de schoone kleuren welke op alle vier de vleugels van een vlinder, de Diadema bolina, te voorschijn komen, als men hem van een bepaald punt uit beschouwt. De beide seksen van dezen vlinder verschillen aanmerkelijk van kleur. De vleugels van het mannetje zijn, als men het van een achter het dier gelegen punt uit beziet, zwart met zes zuiver witte vlekken en bieden een bevalligen aanblik, maar beschouwd van een vóór het dier gelegen standpunt, in welke positie het mannetje als het het wijfje nadert, door dit wordt gezien, vertoonen de witte vlekken zich met een kring van schoon blauw omgeven. De heer Butler liet mij in het Britsch museum een soortgelijk maar nog in ’t oogvallender verschijnsel zien bij een vlinder uit het geslacht Apature, waarbij de seksen ook in kleur verschillen en bij het mannetje de prachtigste blauwe en groene tinten alleen voor een persoon die vóór hetzelve is geplaatst, zichtbaar zijn. Verder vertoonen bij verscheidene soorten van Ornithoptera de achtervleugels van het mannetje een schoone goudgele kleur, maar alleen als zij van voren worden beschouwd; dit geldt ook voor O. magellanus, maar hier hebben wij, gelijk mij de heer Butler toonde, een gedeeltelijke uitzondering, want de kleuren gaan, als men ze van achteren beschouwt, van goudgeel in een bleek, iriseerend blauw over. Of deze laatste kleur de eene of andere bijzondere beteekenis heeft, zou alleen kunnen worden uitgemaakt door iemand die het gedrag van het mannetje kon waarnemen in het land waar dit in de natuur voorkomt. Dagvlinders sluiten, als zij stilzitten, hun vleugels tegen elkander aan; de ondervlakten welke dikwijls donker zijn gekleurd, kunnen dan alleen worden gezien, en dit dient, gelijk algemeen wordt aangenomen, tot bescherming. Als echter de mannetjes de wijfjes het hof maken, doen zij de vleugels afwisselend dalen en weêr oprijzen, en het schijnt een natuurlijk besluit, dat zij op die wijze handelen om de wijfjes te behagen of op te wekken. Door de boven beschreven gevallen wordt dit besluit nog waarschijnlijker gemaakt, doordat de schoonheid van het mannetje door het wijfje alleen volkomen wordt gezien, als dit haar nadert. Wij worden daardoor herinnerd aan de verschillende manieren waarop de mannetjes van vele vogels, b.v. de pauw, de Argusfazant enz., de wijfjes uitlokken en met hun verwonderlijk fraai gevederte zoodanig dat het op het voordeeligst uitkomt, voor hun niet versierde vriendinnen te pronken. (1)
Deze beschouwing geeft mij aanleiding er eenige opmerkingen aan toe te voegen over de vraag, in hoever bij het eerste verkrijgen van zekere instinkten, met inbegrip van seksueele pronkerijen, noodzakelijk bewustzijn in het spel komt; want daar alle mannetjes van de zelfde soort zich op de zelfde wijze gedragen, als zij aan de wijfjes het hof maken, mogen wij daaruit het gevolg trekken, dat het pronken tegenwoordig instinktmatig is geworden. De meeste natuuronderzoekers schijnen te gelooven, dat elk instinkt eerst met bewustzijn werd ontwikkeld, maar dat schijnt mij in vele gevallen een onjuist besluit te zijn, hoewel het in andere juist is. Vogels die op verschillende wijzen worden opgewekt, nemen zonderlinge posities aan en zetten hun vederen op; en als het opzetten der vederen bij een bijzondere soort voordeelig was voor een mannetje dat aan een wijfje het hof maakte, zoo komt het mij volstrekt niet onwaarschijnlijk voor, dat deze voordeelige eigenschap door zijn nakomelingen werd overgeërfd; wij weten, dat bij den mensch dikwijls leelijke aanwensels en onbewust aangenomen nieuwe gebaren erfelijk zijn. (2) Wij kunnen een ander geval beschouwen (waarop, naar ik meen, reeds door iemand de aandacht werd gevestigd), namelijk dat van jonge, op den grond levende vogels die zelfs onmiddellijk na het uit het ei komen neêrhurken en zich verbergen, als zij in gevaar zijn; hier schijnt het nauwelijks mogelijk, dat deze gewoonte dadelijk na de geboorte en zonder bewustzijn kan zijn verkregen. Wanneer echter die jonge vogels welke, wanneer zij schrikten, bewegingloos bleven zitten, veelvuldiger voor roofdieren bewaard bleven dan die welke trachtten te ontvluchten, dan kan de gewoonte van het neêrhurken door de jonge vogels zonder eenig bewustzijn hoegenaamd zijn verkregen. Deze redeneering kan met bijzondere kracht worden toegepast op zoodanige jonge loop- en watervogels, wier ouden zich zelven niet verbergen, als zij in gevaar komen. Van den anderen kant vliegt een patrijshen, als er gevaar bestaat, een kort eind van haar jongen dicht ineengedoken weg en laat die achter, vliegt dan op de aan bijna iedereen bekende manier, alsof het was verlamd, maar toch anders dan een werkelijk gewonde vogel dicht over den grond langs: zij maakt zich zelve in het oog vallend. Nu is het echter meer dan twijfelachtig, of er ooit een vogel heeft bestaan, die verstand genoeg bezat om te denken, dat hij een hond of anderen vijand van zijn jongen kon weglokken, als hij het gedrag van een verwonden vogel nabootste. Want dit veronderstelt, dat hij zulk een gedrag bij een verwonden kameraad had waargenomen en wist, dat het een vijand tot vervolging zou aansporen. Vele natuuronderzoekers nemen tegenwoordig bijvoorbeeld aan, dat het slot van een tweeschalig schelpdier door het behouden blijven en overerven van kleine nuttige wijzigingen (variaties) is ontstaan, daar de individu’s met een iets beter ingerichte schelp in grooter aantal behouden bleven, dan die met een minder goed ingerichte; waarom zouden niet voordeelige wijzigingen in de overgeërfde handelingen van een patrijs op de zelfde wijze bewaard zijn gebleven, zonder dat het dier er bij dacht of een bewust doel had, even goed als in het geval van het schelpdier, waarbij het slot der schalen onafhankelijk van het bewustzijn is gewijzigd en verbeterd?
AANTEEKENINGEN.
(1) Zie Deel II, hoofdstuk XIII, XIV en XV van het onderhavige werk. Wat Darwin hier van vogels zegt, had in dit werk beter achter die hoofdstukken gestaan, maar wij wilden het niet scheiden van hetgeen daaraan over kapellen voorafgaat, omdat het daarmede in het oorspronkelijk stuk in „Nature” door Darwin zelf tot één geheel is verbonden.
(2) Vergelijk: C. Darwin, „Het uitdrukken der Gemoedsaandoeningen bij den Mensch en de Dieren”.
VOETNOTEN
[1] Zie „Darwin’s Biologische Meesterwerken”, Deel I, „Het Ontstaan der Soorten”, vertaald door Dr. T. G. Winkler, 3de Ned. Uitgaaf, Arnhem, Gebr. E. & M. Cohen, blz. 679.
[2] Zie „Darwin’s Biologische Meesterwerken”, Deel II, en III, „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, vertaald en van aanteekeningen voorzien door Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen, Arnhem, Gebrs. E. & M. Cohen.
[3] De autobiographie loopt tot 1 Mei 1881. Zijn boek over de Vorming van Humus door de werkzaamheid der Aardwormen, was toen nog niet verschenen, maar juist ter perse gezonden.
[4] De werken der eerstgenoemde schrijvers zijn zoo bekend, dat het mij onnoodig voorkomt de titels daarvan op te geven; maar daar die der laatstgenoemden in Engeland minder bekend zijn, zal ik daarvan de titels noemen:—„Sechs Vorlesungen über die Darwin’sche Theorie”: zweite Auflage, 1868, von Dr. L. Büchner; in het Fransch overgezet onder den titel: „Conférences sur la Théorie Darwinienne”, 1869. „Der Mensch im Lichte der Darwin’sche Lehre”, 1865 von Dr. F. Rolle. Ik zal niet beproeven hier alle schrijvers op te sommen, die het vraagstuk van de zelfde zijde hebben beschouwd. Zoo heeft G. Canestrini („Annuario della Soc. d. Nat.” Modena, 1867, blz. 81) een zeer merkwaardige verhandeling uitgegeven over rudimentaire kenmerken die wijzen op den oorsprong van den mensch. Een ander werk, in 1869 door Dr. Barrago Francesco uitgegeven, draagt in het Italiaansch den titel van: „De mensch geschapen naar Gods beeld, werd ook geschapen naar het beeld van den aap.”
[5] Prof. Haeckel is de eenige schrijver, die, sinds de uitgave van „The Origin of Species”, in zijn verschillende werken op hoogst bekwame wijze over de teeltkeus met betrekking tot de sekse heeft gesproken, en ten volle de belangrijkheid van dit onderwerp heeft ingezien.
[6] „Grosshirnwindungen des Menschen”, 1868, blz. 96.
[7] „Leç. sur la Phys.”, 1866, blz. 890, aangehaald door M. Daily, „L’Ordre des Primates et le Transformisme”, 1868, blz. 29.
[8] „Naturgeschichte der Säugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 50.
[9] Brehm „Thierleben”, B. I., 1864, blz. 75, 86. Over den Ateles, blz. 105. Voor andere overeenkomstige opgaven, zie blz. 25, 107.
[10] Over insekten, zie Dr. Laycock: „On a General Law of Vital Periodicity”, British Association, 1842; Dr. Macculloch, „Silliman’s North American Journal of Science”, vol. XVI, blz. 305, heeft een hond gezien, die aan derdendaagsche koorts leed.
[11] Ik heb het bewijs hiervan gegeven in mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten” Ned. vertaling, Deel I, blz. 512. (In de tweede in het Ned. vertaalde uitgave laat Darwin zich hieromtrent lang zoo sterk niet uit als in de eerste Engelsche uitgaaf, vol. II, blz. 15, die hier eigenlijk wordt aangehaald. Dr. H. H. H. v. Z.).
[12] „Mares e diversis generibus Quadrumanorum sine dubio dignoscunt feminas humanas a maribus. Primum credo, odoratu, postea aspectu. Mr. Youatt, qui diu in Hortis Zoologicis (Bestiariis) medicus animalium erat, vir in rebus observandis cautus et sagax, hoc mihi certissime probavit, et curatoris ejusdem loci et alii e ministris confirmaverunt. Sir Andrew Smith et Brehm notabant idem in Cynocephalo. Illustrissimus Cuvier etiam narrat multa de hac re quâ ut opinor nihil turpius potest indicari inter omnia hominibus et Quadrumanis communia. Narrat enim Cynocephalum quemdam in furorem incidere aspectu feminarum aliquarum, sed nequaquam accendi tanto furore ab omnibus. Semper eligebat juniores, et dignoscebat in turba et advocabat voce gestuque.”(12)
[13] Deze opmerking wordt gemaakt ten opzichte van den Cynocephalus en de anthropomorphe apen door Geoffroy Sint-Hilaire en F. Cuvier, „Hist. Nat. des Mammifères”, tome I, 1824.
[14] Huxley, „Man’s Place in Nature”, 1863, blz. 34.
[15] „Man’s Place in Nature”, 1863, blz. 67.
[16] De menschelijke embryo (bovenste fig.) is naar Ecker, „Icones Phys.”, 1851–1858, tab. XXX, fig. 2. Deze embryo was 21 m.M. lang, zoodat de teekening veel vergroot is. De embryo van den hond is naar Bischoff, „Entwicklungsgeschichte des Hunde-Eies”, 1845, tab. XI, fig. 42 B. Deze teekening is vijfmalen vergroot; de embryo was 25 dagen oud. De ingewanden zijn niet geteekend, en de aanhangsels die in den uterus met den embryo zijn verbonden, bij beide teekeningen weggelaten. Ik werd op deze figuren gebracht door Prof. Huxley, aan wiens boek „Man’s Place in Nature” het denkbeeld om ze te geven is ontleend. Ook Haeckel heeft in zijne „Schöpfungsgeschichte” dergelijke teekeningen gegeven.
[17] Prof. Wyman in „Proc. of American Acad. of Sc.”, vol. IV, 1860, blz. 17.
[18] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. I, blz. 533.
[19] „Die Grosshirnwindungen des Menschen”, 1868, blz. 95.
[20] „Anatomy of Vertebrates”, vol. II, blz. 533.
[21] „Proc. Soc. Nat. Hist.”, Boston, 1863, vol. IX, blz. 185.
[22] „Man’s Place in Nature”, blz. 65.
[23] Ik had dit hoofdstuk in het ruwe geschreven, voordat ik een gewichtig stuk had gelezen: „Caratteri rudimentali in ordine all’origine del uomo” („Annuario della Soc. de Nat.”, Modena, 1867, blz. 81), door G. Canestrini, aan welk stuk ik veel verschuldigd hen. Haeckel heeft bewonderenswaardige verhandelingen gegeven over dit geheele onderwerp, onder den titel van Dysteleologie, in zijn „Generelle Morphologie” en „Schöpfungsgeschichte.”
[24] De HH. Murie en Mivart hebben eenige goede kritische opmerkingen hieromtrent gemaakt in „Transact. Zoolog. Soc.”, 1869, vol. VI, blz. 92.
[25] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., deel II, blz. 357–359 en 455. Zie ook het „Ontstaan der Soorten”, 3de Ned. Uitgaaf, blz. 196, 627, 637.
[26] M. Richard („Annales des Sciences Nat.”, 3e Série, Zoolog. 1852, tome XVIII, blz. 13) geeft b.v. beschrijvingen en afbeeldingen van rudimenten, van hetgeen hij noemt de „muscle pédieux de la main”, die, zegt hij, somtijds „infiniment petit” is. Een andere spier, „le tibial posterieur” genaamd, ontbreekt in de hand gewoonlijk geheel, maar komt soms in meer of min rudimentairen toestand voor.
[27] Prof. W. Turner, „Proc. Royal Soc. Edinburgh”, 1866–67, blz. 65.
[28] Canestrini haalt een dergelijk voorbeeld uit Hyrtl aan („Annuario della Soc. de Naturalisti”, Modena, 1867, blz. 97).
[29] „The Diseases of the Ear”, door J. Toynbee, F. R. S., 1860, blz. 12.
[30] Zie ook eenige opmerkingen en afbeeldingen van de ooren der Lemuroidea in de uitstekende verhandeling van de HH. Murie en Mivart in „Transact. Zoolog. Soc.”, vol. VII, 1869, blz. 6 en 90.
[31] „Ueber das Darwin’sche Spitzohr”, „Archiv für Path., Anat. und Phys.”, 1871, blz. 485.
[32] „Het Uitdrukken der Gemoedsaandoeningen”, Ned. Vert. Tweede uitgaaf, blz. 136.
[33] Müller’s „Elements of Physiology”, Eng. vertaling, 1842, blz. 1117. Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 260; de zelfde over den walrus, „Proc. Zoolog. Soc.” van 8 November 1854. Zie ook R. Knox’ „Great Artists of Anatomists”, blz. 106. Dit rudimentaire deel is bij negers en Nieuw-Hollanders naar het schijnt iets grooter dan bij de Europeanen, zie Carl Vogt, „Lectures on Man”, Engelsche vertaling, blz. 129.
[34] „The Physiology and Pathology of Mind”, 2nd. edit. 1868, blz. 134.
[35] Eschricht, „Ueber die Richtung der Haare am menschlichen Körper”. „Muller’s Archiv für Anat. und Phys.”, 1837, blz. 47. Dikwijls zal ik naar dit zeer belangrijke stuk moeten verwijzen.
[36] Paget, „Lectures on Surgical Pathology”, 1853, vol. II, blz. 71.
[37] Eschricht, ibid., blz. 40, 47.
[38] Zie mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., deel II, blz. 379. Prof. Alex. Brandt heeft mij onlangs nog een nieuw geval medegedeeld van een vader en een zoon, in Rusland geboren, die de zelfde bijzonderheden vertoonden. Ik heb afbeeldingen van beiden uit Parijs ontvangen.
[39] Dr. Webb, „Teeth in Man and the Anthropoid Apes”, aangehaald door Dr. D. Carter Clake in „Anthropological Review”, Juli 1867, blz. 299.
[40] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 320, 321 en 325.
[41] „On the Primitive Form of the Skull”, Eng. vertaling in „Anthropological Review”, Oct. 1868, blz. 426.
[42] Professor Mantegazza schrijft mij uit Florence, dat hij onlangs de achterste kiezen bij de verschillende menschenrassen heeft bestudeerd, en tot het zelfde besluit is gekomen, als ik in den tekst heb medegedeeld, namelijk, dat zij bij de hoogere rassen op weg zijn om te atrophieeren en te verdwijnen.
[43] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 416, 434, 441.
[44] „Annuario della Soc. d. Nat.”, Modena, 1867, blz. 94.
[45] M. C. Martins („De l’Unité Organique”, in „Revue des deux Mondes”, 15 Juni 1862, blz. 16) en Haeckel („Generelle Morphologie”, B. II, blz. 278), hebben beiden het zonderlinge feit opgemerkt, dat dit rudiment soms den dood veroorzaakt.
[46] „The Lancet”, 24 Jan. 1863, blz. 83. Dr. Knox („Great Artists and Anatomists”, blz. 63). Zie ook een gewichtig stuk hierover door Dr. Grube, in het „Bulletin de l’Acad. Imp. de St. Pétersbourg”, tome XII, 1867, blz. 448.
[47] „On the Caves of Gibraltar”. „Transact. Internat. Congress of Prehist. Arch.” Third Session, 1860, blz. 54.
[48] Quatrefages heeft eenige jaren geleden de bewijzen hiervoor bijeenverzameld, „Revue des Cours Scientifiques”, 1867–1868, blz. 625. In 1840 vertoonde Fleischmann een menschelijken foetus, die een vrijen staart bezat, welke, hetgeen niet altijd het geval is, wervellichamen insloot; en deze staart werd critisch onderzocht door de vele ontleedkundigen die tegenwoordig waren op de bijeenkomst van natuuronderzoekers te Erlangen (zie Marshall in het „Niederländisches Archiv für Zoölogie”, December 1871).
[49] Owen, „On the Nature of Limbs”, 1847, blz. 140.
[50] Leuckart in Todd’s „Cyclop. of Anat.”, 1849–1851, vol. IV, blz. 1415. Bij den mensch heeft dit orgaan slechts 6½–12½ m.M. lengte, maar evenals vele andere rudimentaire deelen, verschilt het in ontwikkeling zoowel als in andere kenmerken.
[51] Zie over dit onderwerp Owen, „Anatomy of Vertebrates,” vol. III, blz. 675, 676, 706.
[52] Dat de vleugels der vlinders geen bloote uitbreidingen der huid, maar werkelijk vervormde pooten zijn, blijkt uit een monster van Zygaena filipendulae, dat vijf pooten en vijf vleugels bezat, omdat één der pooten door een vleugel was vervangen. Dr. Lubach („Alb. d. Nat.”, 1890, Wet. Bijbl. blz. 5) trekt hieruit ten onrechte het besluit, dat de vleugels der vlinders niet slechts analoog, maar ook homoloog zijn met die der vogels. Er blijkt slechts uit, dat bij beide groepen de vleugels homoloog zijn met de pooten, maar er volgt geen homologie van de ledematen der eene groep met die der andere groep uit.
[53] H. W. de Graaf, „Bijdrage tot de kennis van den bouw en de ontwikkeling der Epiphyse bij Amphibieën en Reptielen”, Leiden, Adriani, 1886.
[54] „Nature”, 13 Mei 1886.
[55] Zie hoofdstuk VI en de aanteekeningen daarop.
[56] „Proceedings of the American Association for the Advancement of Science”, New-York, 1889.
[57] Linnaeus nam in zijn Orde der Primaten ook de vledermuizen op. Deze moeten echter van de apen en den mensch als afzonderlijke orde gescheiden blijven.
[58] De chimpanzee wordt den mensch hoe langer hoe ongelijker, naarmate hij meer tot den volwassen toestand nadert.
[59] Een ras van duiven. Zie „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., Deel I, blz. 173.
[60] Zie: „Sur les Caractères Anatomiques de l’Homme Préhistorique” par M. Paul Broca, professeur à la faculté de médecine, secrétaire général de la société d’anthropologie, Paris, 1868, blz. 32.
[61] Apophyses genianae (Fransch: apophyses géni). Vier knobbeltjes die soms de plaats innemen van de inwendige kinlijst (spina mentalis interna).
[62] Liever mediaanvlak; het is het vlak, dat het lichaam in twee symmetrische helften verdeelt.
[63] Ofschoon de tanden van de onderkaak van la Naulette waren uitgevallen, heeft men uit de grootte, vorm en plaatsing der tandkassen tot hun betrekkelijke grootte en plaatsing kunnen besluiten.
[64] „Mémoire sur les Ossements des Eyzies” („Époque du Mammouth”) par M. Paul Broca, professeur à la faculté de médecine, secrétaire général de la Société d’anthropologie, Paris, 1868, blz. 12.
[65] La Race Humaine de Neanderthal ou de Cannstatt en Belgique. Recherches Ethnographiques sur des Ossements Humains. Gand 1887.
[66] „Investigations in Military and Anthropolog. Statistics of American Soldiers”, door B. A. Gould, 1869, blz. 256.
[67] Zie ten opzichte van de schedelvormen van inboorlingen van Amerika, Dr. Aitken Meigs in „Proc. Acad. Nat. Sc.”, Philadelphia, Mei 1866. Over de Australiërs, Huxley, in Lyell’s „Antiquity of Man”, 1863, blz. 87. Over de Sandwich-eilanders, Prof. J. Wyman, „Observations on Crania”, Boston, 1868, blz. 18.
[68] „Anatomy of the Arteries”, door R. Quain.
[69] „Transact. Royal Soc.”, Edinburg, vol. XXIV, blz. 175, 189.
[70] „Proc. Royal Soc.”, 1867, blz 544 en 1868, blz. 483, 524. Men vindt daarover nog een vroeger stuk, ibid. 1866, blz. 229.
[71] „Proc. R. Irish Academy”, vol. X, 1868, blz. 141.
[72] „Act. Acad.”, St. Petersburg, 1778, deel II, blz. 217.
[73] Brehm, „Thierleben”, B. I, blz. 58, 87. Rengger, „Säugethiere von Paraguay”, blz. 57.
[74] „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Hoofdstuk XII, VIII en XIV.
[75] „Hereditary Genius: an Inquiry into its Laws and Consequences”, 1869.
[76] De heer Bates merkt („The Naturalist on the Amazons”, 1863, vol. II, blz. 159) ten opzichte der Indianen van een zelfden Amerikaanschen stam op, dat „er geen twee onder hen waren, die volkomen de zelfde gedaante van hoofd hadden; de een had een ovaal gelaat en schoone gelaatstrekken, de ander geleek volkomen op een Mongool door de breedte en het uitsteken zijner jukbeenderen, zijn wijde neusgaten en den schuinschen stand zijner oogen.”
[77] Blumenbach, „Treatises on Anthropology”, Eng. Vert., 1865, blz. 205.
[78] Mitford’s „History of Greece”, vol. I, blz. 282. Het schijnt ook te blijken uit een plaats in Xenophon’s „Memorabilia”, Bd. II, 4 (waarop mijn aandacht werd gevestigd door den weleerw. heer J. N. Hoare), dat het bij de Grieken een algemeen erkend beginsel was, dat de mannen bij de keus van hun vrouwen er op moesten letten, in hoever deze zoodanig gestel bezaten, dat het waarschijnlijk was, dat zij gezonde en krachtige kinderen zouden voortbrengen. De Grieksche dichter Theognis, die in het jaar 550 v. Chr. leefde, zag duidelijk in, hoe belangrijk zorgvuldig toegepaste teeltkeus voor de verbetering van het menschelijk geslacht was. Hij zag ook in, dat rijkdom dikwijls een beletsel is voor de goede werking der seksueele teeltkeus. Hij schrijft als volgt:
„’t Vered’len van het dier wordt als een kunst geleerd, Het fokvee, dat gezond en edel is van ras, Voor hoogen prijs gekocht, ’t gebrekkige geweerd; Steeds fraaier wordt het kroost, steeds ed’ler dan het was. Zoo doet men met het dier, maar niet zoo met den mensch, Wij trouwen om het geld; de schatten dezer aard Bepalen onze keus, slechts die zijn onze wensch. Zoo wordt de mensch verzuimd en ’t vee met zorg gepaard. Een vrek of groote fielt, die schatten samenbrengt, Huwt zijne kind’ren uit aan ’t fierste en trotschste ras; Wat edel is en laag, wordt dus te zaâm vermengd, Een basterdras ontstaat, zoo slecht als nimmer was. Ik heb u de oorzaak, vriend! nu duid’lijk aangewezen; Te treuren om ’t gevolg kan ’t onheil niet genezen.”
(The Works of J. Hookham Frere, vol. II, 1872, blz. 334.)
[79] Godron, „De l’Espèce”, 1859, tome II, livre III. Quatrefages, „Unité de l’Espèce Humaine”, 1861. Zie ook de voordrachten over anthropologie, medegedeeld in de „Revue des Cours Scientifiques”, 1866–1868.
[80] „Hist. Gén. et Part. des Anomalies de l’Organisation”, in drie deelen, deel I, 1832.
[81] Ik heb deze wetten uitvoerig besproken in mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, hoofdstukken XXII tot en met XXVI. M. J. Durand heeft onlangs (1868) een verdienstelijke verhandeling „De l’Influence des Milieux” enz. uitgegeven. Hij hecht veel gewicht aan den aard van den bodem.
[82] „Investigations in Military and Anthrop. Statistics” enz. 1869, door B. A. Gould, blz. 93, 107, 126, 131, 134.
[83] Zie, wat de Polynesiërs aangaat, Prichard’s „Physical Hist. of Mankind”, vol. V, blz. 145, 283. Eveneens Godron, „De l’Espèce”, tome II, blz. 289. Er bestaat ook een merkwaardig verschil in uiterlijk aanzien tusschen nauw-verwante Hindoe’s, die aan den Boven-Ganges en in Bengalen wonen; zie Elphinstone’s „History of India”, vol. I, blz. 324.
[84] „Memoirs Anthrop. Soc.”, vol. III, 1867–69, blz. 61, 565, 567.
[85] Dr. Brakenridge, „Theory of Diathesis”, „Medical Times”, 19 Juni en 17 Juli 1869.
[86] Ik heb bewijzen van verschillende beweringen gegeven in mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., Deel II, blz. 336–340. Dr. Jaeger „Ueber das Längenwachsthum der Knochen”, „Jenaische Zeitschrift”, B. v. afl. 1.
[87] „Investigations” enz. door B. A. Gould, 1869, blz. 288.
[88] „Säugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 4.
[89] „History of Greenland”, Eng. vert. 1767, vol. I, blz. 230.
[90] „Intermarriage”, door Alex. Walther, 1838, blz. 377.
[91] „Het Varieeren der Huisd. en Cultuurpl.”, Ned. Vert., Deel I, blz. 497, II, 375.
[92] „Principles of Biology”, vol. I, blz. 455.
[93] Paget, „Lectures on Surgical Pathology”, vol. I, 1853, blz. 209.
[94] Het is een vreemd en onverwacht feit, dat zeelieden voor landbewoners onderdoen in hun gemiddelden afstand van duidelijk zien. Dr. B. A. Gould („Sanitary Memoirs of the War of the Rebellion”, 1889, blz. 530) heeft bewezen, dat zulks het geval is; en hij verklaart het doordat de gezichtskring bij zeelieden gewoonlijk „beperkt is tot de lengte van het schip en de hoogte van de masten.”
[95] „Het Varieeren der Huisd. en Cultuurpl.”, Ned. Vert. Deel I, blz. 505.
[96] „Säugethiere von Paraguay”, blz. 8, 10. Ik ben in de gelegenheid geweest om de buitengewone scherpte van gezicht der Vuurlanders waar te nemen. Zie ook Lawrence („Lectures on Physiology”, 1822, blz. 404) over dit zelfde onderwerp. De heer Giraud-Teulon heeft onlangs („Revue des Cours Scientifiques”, 1870, blz. 625) vele gewichtige bewijzen verzameld, dat de oorzaak van kortzichtigheid „le travail assidu de près” is.
[97] Prichard, „Phys. Hist. of Mankind” voor de opmerking van Blumenbach, vol. I, 1817, blz. 311; voor de bewering van Pallas, vol. IV, 1844, blz. 107.
[98] Aangehaald bij Prichard, „Researches into the Phys. Hist. of Mankind”, vol. V, blz. 463.
[99] De hoogst belangrijke verhandeling van den heer Forbes is nu uitgegeven in het: „Journal of the Ethnological Society of London”, New Series, vol. II, 1870, blz. 193.
[100] Dr. Wilckens („Landwirthschaft. Wochenblatt”, no. 10, 1869) heeft onlangs een belangrijke verhandeling uitgegeven, waarin wordt betoogd, dat bij huisdieren die in bergachtige streken leven, wijzigingen in het geraamte ontstaan.
[101] „Mémoire sur les Microcéphales”, 1867, blz. 53, 125, 169, 171, 184–198.
[102] Prof. Laycock drukt het karakter van dierlijke idioten uit door hen theroïde te noemen: „Journal of Mental Science”, Juli 1863. Dr. Scott („The Deaf and Dumb”, 2e uitg., 1870, blz 10) heeft dikwijls het onnoozele rieken aan het voedsel waargenomen. Zie over dit zelfde onderwerp en over de behaardheid van idioten, Dr. Maudsley, „Body and Mind”, 1870, blz. 46–51. Pinel heeft ook een treffend geval van behaardheid bij een idioot medegedeeld.
[103] In mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, (eerste Eng. Uitgaaf, vol. II, blz. 57) schreef ik de niet zeer zeldzame gevallen van overtallige tepels bij vrouwen aan atavisme toe. Ik werd er toe geleid dit besluit waarschijnlijk te vinden, omdat de overtallige tepels over het algemeen symmetrisch op de borst zijn geplaatst, en meer bijzonder wegens één geval, waarin een enkele melkgevende tepel voorkwam in de liesstreek van een vrouw, de dochter van een vrouw met overtallige tepels. Ik bevind nu echter (zie b.v. Prof. Preyer, „Der Kampf um das Dasein”, 1869, blz. 45), dat mammae erraticae op andere plaatsen voorkomen, zooals op den rug (4), onder den oksel, en op de dij, en dat zij op deze laatste plaats wel eens zooveel melk hebben gegeven, dat het kind er mede werd gezoogd. De waarschijnlijkheid, dat de overtallige tepels een gevolg zijn van atavisme, wordt hierdoor veel geringer gemaakt; toch komt zulks mij nog waarschijnlijk voor, omdat dikwijls twee paar symmetrisch op de borst zijn geplaatst; en hiervan heb ik zelf verscheidene malen bericht ontvangen. Het is algemeen bekend, dat bij halfapen (Lemuriden) normaal twee paar tepels op de borst voorkomen. Vijf gevallen zijn opgeteekend van meer dan één paar tepels (natuurlijk rudimentaire) bij mannen; zie „Journal of Anat. and Physiology”, 1872, blz. 56, voor een geval, medegedeeld door Dr. Handyside, waarin twee broeders deze bijzonderheid vertoonden; zie ook een verhandeling van Dr. Bartels, in Reichert’s en Du Bois Reymond’s „Archiv”, 1872, blz. 304. In een der gevallen, waarvan Dr. Bartels melding maakt, had een man vijf tepels, waarvan een in de mediaanlijn van het lichaam boven den navel was geplaatst; Meckel von Hemsbach meent, dat dit laatste geval overeenstemt met een op de mediaanlijn gelegen tepel, die bij sommige vledermuizen (Chiroptera) voorkomt. Over het geheel mogen wij betwijfelen, of zich ooit overtallige tepels bij beide seksen van den mensch zouden hebben ontwikkeld, als zijn vroege voorouders niet van meer dan een paar voorzien waren geweest.
In bovengenoemd werk (deel II, blz. 12) heb ik ook, hoewel zeer aarzelend, de vele gevallen van veelvingerigheid (polydactylisme) bij den mensch en verschillende dieren aan atavisme toegeschreven. Ik werd hiertoe gedeeltelijk geleid door de opgaaf van Prof. Owen, dat sommige zeedraken (Ichthyopterygia) meer dan vijf vingers bezaten, en daarom, naar ik onderstelde, een oorspronkelijken toestand hadden bewaard, maar Prof. Gegenbaur („Jenaische Zeitschrift”, B. v. Heft 3, blz. 341) bestrijdt Owen’s besluit. Van den anderen kant schijnt er, volgens de voor korten tijd door Dr. Günther omtrent de vin van Ceratodus uitgesproken meening, welke vin is voorzien van gelede beenige stralen aan weêrszijde van een middelste aaneenschakeling van beenderen, niet veel tegen te zijn om aan te nemen, dat zes of meer vingers aan de eene zijde of aan beide zijden door atavisme weder zouden verschijnen. Dr. Hartogh Heys van Zouteveen meldt mij, dat er een geval is opgeteekend van een man, die vier-en-twintig vingers en vier-en-twintig teenen bezat (vergelijk aant. 8, blz. 38. Dr. H. H. H. v. Z.) Ik werd voornamelijk geleid tot het besluit, dat het bezit van overtallige vingers een gevolg van atavisme zou kunnen zijn, omdat dergelijke vingers niet slechts sterk erfelijk zijn, maar, gelijk ik toen geloofde, evenals de normale vingers van de lagere Gewervelde Dieren het vermogen bezaten om opnieuw aan te groeien, wanneer zij waren afgezet. (5) Ik heb echter in de 2de uitgaaf van mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten” uiteengezet, waarom ik nu weinig vertrouwen stel in de opgeteekende gevallen van dergelijk opnieuw aangroeien. Desniettemin verdient het opmerking, in zoover als stilstand in de ontwikkeling en atavisme nauwverwante zaken zijn, dat verschillende organen die in een embryonalen toestand verkeeren of in ontwikkeling zijn blijven stilstaan, zooals een gekloofd verhemelte, dubbele uterus enz., dikwijls gepaard gaan met polydactylisme. Hierop is met veel aandrang gewezen door Meckel en Isidore Geoffroy de St.-Hilaire. Voor het oogenblik is het echter het veiligst het denkbeeld geheel op te geven, dat er eenige betrekking bestaat tusschen de ontwikkeling van overtallige vingers en terugkeer tot den eenen of anderen laag georganiseerden stamvader van den mensch (atavisme).
[104] Zie Dr. A. Farre’s welbekend artikel in de „Cyclop. of Anat. and Phys.”, vol V, 1859, blz. 642. Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III 1868, blz. 687; Prof. Turner in „Edinburgh Medical Journal”, Febr. 1865.
[105] „Anuario della Soc. dei Naturalisti in Modena”, 1867, blz. 83. Prof. Canestrini geeft over dit onderwerp uittreksels uit verschillende gezaghebbende schrijvers. Laurillard merkt op, dat hij, daar hij een volkomen overeenkomst in vorm, afmetingen en verbindingswijze tusschen de beide jukbeenderen van verscheidene menschelijke individu’s en die van sommige apen heeft gevonden, die inrichting der deelen niet als een eenvoudig toeval kan beschouwen. Een andere verhandeling over de zelfde anomalie is door Dr. Saviotti publiek gemaakt in de „Gazetta della cliniche”, Turijn, 1871, waar hij zegt, dat sporen van de verdeeling worden gevonden bij omstreeks twee percent der schedels van volwassenen; hij merkt ook op, dat zij meer voorkomt bij prognathische schedels die niet tot het Arische ras behooren, dan bij andere. Zie ook G. Delorenzi over het zelfde onderwerp: „Tre nuovi casi d’anomalia dell’osso malare”, Modena, 1872. Ook E. Morselli, „Sopra una rara anomalia dell’osso malare”, Turijn. 1872. Later heeft ook Gruber nog een brochure geschreven over de verdeeling van dit been. Ik doe deze aanhalingen, omdat een recensent, zonder eenige gronden of schroom, mijn beweringen in twijfel heeft getrokken.
[106] Een geheele reeks dergelijke gevallen wordt gegeven door Isid. Geoffroy St.-Hilaire, „Hist. des Anomalies”, tome III, blz. 437. Een recensent („Journal of Anat. and Phys.”, 1871, blz. 366) keurt het zeer af, dat ik de talrijke gevallen die zijn opgeteekend van stilstand in ontwikkeling in verschillende deelen, niet heb besproken. Hij zegt, dat volgens mijn theorie „elke voorbijgaande toestand van een orgaan gedurende de ontwikkeling daarvan, niet slechts een middel voor een doel, maar op zich zelf een doel was.” Dit schijnt mij niet noodzakelijk juist te zijn. Waarom zouden geen afwijkingen voorkomen gedurende een vroeg ontwikkelingstijdperk, die in geen verband stonden tot atavisme; toch zouden zulke afwijkingen kunnen worden bewaard en opgehoopt als zij op eenige wijze nuttig waren, b.v. door den loop der ontwikkeling korter en eenvoudiger te maken? En waarom zouden van den anderen kant schadelijke afwijkingen, zooals geatrophieerde of gehypertrophieerde deelen, welke in geen verband staan tot een vroegeren toestand van bestaan, niet even goed in een vroeg tijdperk als gedurende den volwassen leeftijd voorkomen?
[107] „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, 1868, blz. 323.
[108] „Generelle Morphologie”, 1866, Bd. II, blz. clv.
[109] Carl Vogt, „Lectures on Man”, Eng. vert. 1864, blz. 151.
[110] C. Carter Bake, Over een kaak van la Naulette, „Anthropolog. Review”, 1867, p. 295; Schaaffhausen, ibid. 1868, blz. 426.
[111] „The Anatomy of Expression”, 1844, blz. 110, 131.
[112] Aangehaald door Prof. Canestrini in het „Annuario” etc, 1867, blz. 90.
[113] Deze verhandelingen verdienen zorgvuldig te worden bestudeerd door ieder die wenscht te leeren, hoe veelvuldig wijzigingen van ons spierstelsel voorkomen en hoe dikwijls het door die wijzigingen op dat der apen gelijkt. De volgende aanhalingen hebben betrekking op de weinige punten die ik heb behandeld in mijn tekst: „Proc. Royal Soc.” deel XIV, 1865, blz. 379–384, deel XV, 1866, blz. 241, 242, deel XV, 1867, blz. 544, deel XVI, 1868, blz. 524. Ik kan hierbij voegen, dat Dr. Murie en de heer Sir George Mivart in hun verhandelingen over de Lemuroidea „Transact. Zoolog. Soc.”, deel VII, 1869, blz. 96, hebben aangetoond, in hoe buitengewone mate sommige spieren aan wijziging onderhevig zijn bij deze dieren, de laagste leden van de orde der Primaten. Wijzigingen in het spierstelsel, overeenkomende met de inrichting daarvan bij dieren die nog lager op den ladder staan, zijn bij de Lemuriden ook talrijk.
[114] Prof. Macalister in „Proc. R. Irish Academy”, deel X, 1868, blz. 124.
[115] Prof. Macalister (ibid. blz, 124) heeft een tabel gemaakt van zijn waarnemingen en vindt, dat afwijkingen in het spierstelsel het veelvuldigst voorkomen in de voorarmen, in de tweede plaats in het gelaat, enz.
[116] De weleerw. heer Dr. Haughton deelt („Proc. R. Irish Academy” 27 Juni 1864, blz. 715) een opmerkelijk geval van afwijking in den menschelijken flexor pollicis longus mede, en merkt daarbij op: „dit merkwaardige voorbeeld bewijst, dat de mensch somtijds in zijn duim en vingers de rangschikking der pezen kan bezitten, die het geslacht Macacus kenmerken, maar of zulk een geval moet worden beschouwd als een Macacus zich tot een mensch ontwikkelende, of als een mensch afdalende tot den Macacus, of als een aangeboren natuurspeling, durf ik niet zeggen.” Het doet mij genoegen, dat een zoo bekwaam ontleedkundige en een zoo verbitterd tegenstander van de ontwikkelingstheorie zelfs de mogelijkheid van de beide eerste stellingen aanneemt. Ook Prof. Macalister heeft („Proc. R. Irish Acad.”, deel X, 1864, blz 188) wijzigingen in den flexor pollicis longus beschreven, merkwaardig door haar betrekkingen tot de zelfde spier bij de apen.
[117] De personen, op wier gezag deze verschillende stellingen rusten, zijn te vinden in mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., Deel II, blz. 373–391.
[118] Dit onderwerp is uitvoerig besproken in Hoofdstuk XXIII, Deel II, van mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten.”
[119] Zie het steeds gedenkwaardige: „Essay on the Principle of Population”, door den weleerw. heer T. Malthus, deel I, 1816, blz. 6, 517.
[120] „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, Ned. Vert., blz. 98–101, 161.
[121] De heer Sedgwick, „British and Foreign Medico-Chirurg. Review”, Juli 1863, blz. 1870.
[122] „The Annals of Rural Bengal”, door W. Hunter, 1868, blz. 259.
[123] „Primitive Marriage”, 1865.
[124] Zie eenige goede opmerkingen hieromtrent door W. Stanley Jevons, „A Deduction from Darwin’s Theory”, „Nature”, 1869, blz. 231.
[125] Latham, „Man and his Migrations”, 1851, blz. 135.
[126] De heeren Murie en Mivart zeggen in hun „Anatomy of the Lemuroïdea” („Transact. Zoolog. Soc.”, vol. VIII, 1869, blz. 96–98): „Sommige spieren komen zoo ongeregeld voor, dat zij niet goed tot een der bovenvermelde afdeelingen kunnen worden gebracht”. Deze spieren verschillen zelfs bij een en het zelfde individu in de beide tegenovergestelde helften van het lichaam.
[127] „Quarterly Review”, April, 1869, blz. 392. Dit onderwerp is uitvoeriger besproken in „Contributions on the Theory of Natural Selection”, 1870, van den heer Wallace, waarin al zijn in dit werk aangehaalde verhandelingen zijn herdrukt. Zijn verhandeling over den mensch is op zeer bekwame wijze gekritiseerd door Prof. Claparède, een der bekwaamste dierkundigen van Europa, in een artikel in de „Bibliothèque Universelle”, Juni 1870. De in mijn tekst aangehaalde aanmerking zal iedereen verwonderen, die de beroemde verhandeling van den heer Wallace heeft gelezen over den oorsprong der menschenrassen, afgeleid uit de theorie der natuurlijke teeltkeus, oorspronkelijk geplaatst in de „Anthropological Review”, Mei 1864, blz. CLVIII. Ik kan, mij niet weêrhouden hier met betrekking tot deze verhandeling een zeer juiste opmerking van Sir J. Lubbock („Prehistoric Times”, 1865, blz. 479) aan te halen, namelijk dat de heer Wallace, „met eigenaardige onbaatzuchtigheid, het” (het denkbeeld van de natuurlijke teeltkeus) „geheel en al aan den heer Darwin toeschrijft, hoewel hij, zooals wel bekend is, onafhankelijk van den heer Darwin op dat denkbeeld kwam en het tegelijkertijd met dezen, hoewel niet zoo zorgvuldig uitgewerkt, publiek maakte.”
[128] Aangehaald door den heer Lawson Tait in zijn „Law of Natural Selection”,—„Dublin Quarterly Journal of Medical Science”, Febr. 1869. Ook Dr. Keller wordt met betrekking tot die zaak aangehaald.
[129] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 71.
[130] „Quarterly Review”, April 1869, blz. 392.
[131] Bij Hylobates syndactylus zijn, zooals de naam uitdrukt, steeds twee der vingers aaneengegroeid, en de heer Blyth deelt mij mede, dat dit soms ook het geval is met de vingers van H. agilis, Lar en leuciscus. Bij Colobus ontbreekt ook de duim; deze apen leven voortdurend in de boomen en zijn bijzonder levendig (Brehm, „Thierleben”, Bd. I, blz. 50), maar of zij beter kunnen klimmen of grijpen dan de soorten van verwante geslachten, is onbekend.
[132] Brehm, „Thierleben”, Bd. I, blz. 80.
[133] „The Hand, its Mechanism”, etc., „Bridgewater Treatise”, 1813, blz. 38.
[134] Haeckel bespreekt op uitnemende wijze de trappen, langs welke de mensch een tweevoetig dier werd: „Natürliche Schöpfungsgeschichte”, 1868, blz. 507. Dr. Büchner („Conférences sur la Théorie Darwinienne”, 1869, blz. 35) heeft goede voorbeelden gegeven van het gebruik van den voet als een grijpwerktuig door den mensch; en ook van de wijze van loopen van de hoogere apen, waarop ik in de volgende alinea zinspeel. Zie over dit laatste onderwerp ook Owen („Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 71).
[135] „On the Primitive Form of the Skull”, vertaald in „Anthropological Review”, Oct. 1868, blz. 528. Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. II, 1866, blz. 551, over de tepelvormige uitsteeksels bij de hoogere apen.
[136] „Die Grenzen der Thierwelt, eine Betrachtung zu Darwin’s Lehre”, 1868, blz. 51.
[137] Dujardin, „Annales des Sc. Nat.”, 3rd series, Zoolog. tome XIV, 1850, blz. 203. Zie ook de heer Lowne, „Anatomy and Phys. of the Musca vomitoria”, 1870, blz. 44. Mijn zoon, de heer F. Darwin, ontleedde voor mij de hersengangliën van Formica rufa.
[138] „Philosophical Transactions”, 1869, blz. 513.
[139] Aangehaald in C. Vogt’s „Lectures on Man”, Eng. Vertaling, 1846, blz. 88, 90. Prichard, „Phys. Hist of Mankind”, vol. I, 1838, blz. 305.
[140] In het belangwekkend artikel waarvan boven melding is gemaakt, heeft Prof. Broca terecht opgemerkt, dat bij beschaafde volken de gemiddelde inhoud van den schedel kleiner moet worden gemaakt door het behouden blijven van een aanmerkelijk aantal individu’s, zwak van lichaam en geest, die in den wilden staat spoedig te gronde zouden zijn gegaan. Van den anderen kant sluit bij wilden het gemiddelde alleen de verstandigste individu’s in, die in staat zijn geweest om te blijven leven onder uiterst harde levensvoorwaarden. Broca verklaart aldus het anders onverklaarbare feit, dat de gemiddelde schedelinhoud van de oude holbewoners van Lozère grooter is dan die der hedendaagsche Franschen.
[141] „Compt. Rend. des Séances” enz., 1 Juni 1868.
[142] „Het varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., Deel I, blz. 145–149.
[143] Schaaffhausen deelt de gevallen van de krampen en van het litteeken op gezag van Blumenbach en Busch mede in „Anthropolog. Review”, Oct. 1868, blz. 420. Dr. Jarrold („Anthropologica”, 1808, blz. 115, 116) verhaalt gevallen, door Camper en door hem zelf waargenomen, van schedelwijzigingen ten gevolge van een onnatuurlijke houding van het hoofd. Hij gelooft, dat sommige ambachten, zooals dat van schoenmaker, doordat zij medebrengen, dat men het hoofd gewoonlijk voorover houdt, het voorhoofd ronder en meer vooruitstekend maken.
[144] „Varieeren der Huisdieren” enz., Ned. Vert, Deel I, blz. 137, over de verlenging van den schedel; blz. 139, 146, over de gevolgen van het naar voren hangen van het oor.
[145] Aangehaald door Schaaffhausen in „Anthrop. Review”, Oct. 1868, blz. 419.
[146] Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 619.
[147] Isidore Geoffroy St.-Hilaire maakt („Hist. Nat. Gén.”, tome II, 1859, blz. 215–217) opmerkingen over het lange haar, waarmede ’s menschen hoofd bedekt is, en over het feit, dat de bovenste oppervlakten van apen en andere zoogdieren dichter met haar begroeid zijn dan de onderste oppervlakten. Dit is eveneens door verschillende andere schrijvers opgemerkt. Prof. Gervais („Hist. Nat. des Mammifères”, tome I, 1854, blz. 28) deelt echter mede, dat bij den gorilla het haar dunner is op den rug, waar het gedeeltelijk is afgeschuurd, dan op de onderste oppervlakte.
[148] „The Naturalist in Nicaragua”, 1874, blz. 209. Eenigszins ter bevestiging van de meening van den heer Belt, kan ik de volgende plaats aanhalen uit Sir W. Denison („Varieties of Vice Regal Life”, vol. I, 1870, blz. 440): „Men zegt, dat de Nieuw-Hollanders gewoon zijn zich te zengen, als het ongedierte lastig wordt.”
[149] De heer H. George Mivart, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1865, blz. 562, 583. Dr. J. E. Gray, „Cat. Brit. Mus. Skeletons”. Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. II, blz 517. Isidore Geoffroy, „Hist. Nat. Gén.”, tome II, blz. 244.
[150] „Revue d’Anthropologie”, 1872; „La Constitution des Vertèbres Caudales”.
[151] „Proc. Zoolog. Soc.”, 1872, blz. 210.
[152] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 311, 312.
[153] „Primeval Man”, 1869, blz. 66.
[154] Bixia orellana.
[155] Volgens een verhandeling door hen voorgelezen op de vergadering te Philadelphia van de „American Association for the Advancement of Science”, 1884, zie ook „Nature”, 3 Nov. 1886.
[156] „Verhandlungen der Berliner Anthropol. Gesellsch.” in het „Zeitschrift für Ethnologie” 1885, Heft V, blz. 434.
[157] „Evidence as to Man’s Place in Nature”, blz. 157.
[158] Het bewijs hiervan is te vinden in Lubbock’s „Prehistoric Times”, blz. 344 v.v.
[159] „Instinct chez les Insectes”. „Revue des Deux Mondes”, Febr. 1870 blz 690.
[160] „The American Beaver and his Works”, 1868.
[161] „The Principles of Psychology”, 2nd edit., 1870, blz. 418–443.
[162] „Contributions to the Theory of Natural Selection”, 1870, blz. 212.
[163] „Recherches sur les Moeurs des Fourmis”, 1810, blz. 173.
[164] Al de volgende op autoriteit van deze twee geleerden medegedeelde feiten zijn ontleend aan Rengger, „Naturges. der Säugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 41–57 en aan Brehm’s „Thierleben”, Deel 1, blz. 10–87.
[165] Aangehaald door Dr. Lauder Lindsay in zijn „Physiology of Mind in the Lower Animals”, „Journal of Mental Science”, April 1871, blz. 36.
[166] „Bridgewater Treatise”, blz. 263.
[167] W. C. L. Martin, „Nat. Hist. of Mammalia”, 1841, blz. 405.
[168] Aangehaald bij Vogt, „Mémoire sur les Microcéphales”, 1867, blz. 168.
[169] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. Vert., Deel I, blz. 33.
[170] „Ann. d. Scienc. Nat.” (1e Serie), tome XXII, blz. 397.
[171] „Les Moeurs des Fourmis”, 1810, blz. 150.
[172] Aangehaald in Dr. Maudsley’s „Physiology and Pathology of Mind”, 1868, blz. 19, 220.
[173] Dr. Jerdon, „Birds of India”, vol. I, 1862, blz. XXI. Houzeau zegt, dat zijn parkieten en kanarievogels droomden: „Facultés Mentales”, tome II, blz. 136.
[174] „Fac. Ment.”, 1872, tome II, blz. 181.
[175] Het werk van den heer L. H. Morgan over „The American Beaver”, 1868, levert een goed voorbeeld hiervan op. Ik kan niet nalaten te denken, dat hij te ver gaat in het geringschatten van de macht van het instinkt.
[176] „Die Bewegungen der Thiere”, enz., 1873, blz. 11.
[177] „Facultés Mentales des Animaux”, 1872, tome II, blz. 265.
[178] Prof. Huxley heeft met bewonderenswaardige duidelijkheid de verstandelijke stappen geanalyseerd, waardoor een mensch, zoowel als een hond, tot een besluit komt in een dergelijk geval, als door mij in den tekst is medegedeeld. Zie zijn artikel: „Mr. Darwin’s Critics”, in de „Contemporary Review”, Nov. 1871, blz. 462, en in zijn „Critiques and Essays”, 1873, blz. 279.
[179] „The Moor and the Loch”, blz. 45. Kol. Hutchinson over „Dog Breaking”, 1850, blz. 46.
[180] „Personal Narrative”, Engelsche vertaling, vol. III, blz. 106.
[181] Aangehaald door Sir C. Lyell, „Antiquity of Man”, blz. 497.
[182] Voor meer bewijzen, met bijzonderheden, zie Houzeau, „Les Facultés Mentales”, tome II, 1872, blz. 147.
[183] Zie ten opzichte van vogels op oceanische eilanden mijn „Journal of Researches during the voyage of the Beagle”, 1845, blz. 398, „Ontstaan der Soorten”, Ned. Vert., 3de uitgaaf, blz. 309, 344.
[184] „Lettres Phil. sur l’Intelligence des Animaux”, nouvelle édit., 1802, blz. 86.
[185] Het bewijs hiervan is te vinden in hoofdst. I, Deel I, van „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten.”
[186] „Proc. Zool. Soc.”, 1864, blz. 186.
[187] Savage en Wyman in „Boston Journal of Nat. Hist.”, vol IV, 1843–44, blz. 383.
[188] „Säugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 51–56.
[189] „The Indian Field”, 4 Maart 1871.
[190] „Thierleben”, Bd. I, blz. 79, 82.
[191] „The Malay Archipelago”, vol. I, 1869, blz. 87.
[192] „Primaeval Man”, 1869, blz. 145, 147.
[193] „Prehistoric Times”, 1865, blz. 473 enz.
[194] De heer Hookham, in een brief aan Prof. Max Müller, in de „Birmingham News”, Mei 1873.
[195] „Conférences sur la Théorie Darwinienne”, Fransche vertaling, 1869, blz. 132.
[196] De weleerw. zeer gel. Heer Dr. J. M’Cann, „Anti-Darwinisme”, 1869, blz. 13.
[197] Aangehaald in „Anthropological Review”, 1869, blz. 158.
[198] Rengger, ibid. blz. 45.
[199] Zie mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Nederl. Vert., Deel I, blz 32.
[200] „Facultés Mentales des Animaux”, tome II, blz. 346–349.
[201] Een verhandeling hierover vindt men in het zeer belangwekkende werk van den heer E. B. Tylor, „Researches into the Early History of Mankind”, 1865, chaps. II–IV.
[202] Ik heb hierover verschillende uitvoerige mededeelingen ontvangen. Admiraal Sir J. Sulivan, dien ik als een nauwkeurig waarnemer ken, verzekert mij, dat een Afrikaansche papegaai die lang in zijn vaders huis werd gehouden, steeds sommige personen der huishouding, zoowel als bezoekers, bij hun naam riep. Hij zeide iedereen bij het ontbijt „goeden morgen”, en „goeden avond” als zij ’s avonds de kamer verlieten, en verwarde die groeten nooit. Tegen Sir J. Sulivan’s vader placht hij bij het „goeden morgen” een korten volzin te voegen, dien hij na den dood van dezen nooit weer herhaalde. Hij schold heftig op een vreemden hond die door het open venster in de kamer kwam, en hij berispte een anderen papegaai, die uit zijn kooi was ontvlucht en bezig was appels op de keukentafel te snoepen, met de woorden: „Jou stoute Polly.” Zie over papegaaien ook Houzeau „Facultés Mentales”, tome II, blz. 309. Dr. A. Moschkau meldt mij, dat hij een spreeuw heeft gekend, die zich nooit vergiste met in het Duitsch „goeden morgen” te zeggen tegen personen die aankwamen, en „adieu, oude jongen”, tegen degenen die weggingen. Ik zou er verscheidene andere dergelijke gevallen bij kunnen voegen. (8)
[203] Zie eenige goede opmerkingen hierover door Prof. Whitney, in zijn „Oriental and Linguistic Studies”, 1873, blz. 354. Hij merkt op, dat de wensch naar gedachtenwisseling bij den mensch de levende kracht is, welke bij de ontwikkeling der taal „zoowel bewust als onbewust werkt; bewust, wat aangaat het doel dat men onmiddellijk wenscht te bereiken; onbewust, wat de verdere gevolgen der handeling aangaat.”
[204] Daines Barrington in „Philosoph. Transactions”, 1773, blz. 262. Zie ook Dureau de la Malle in „Ann. des Sc. Nat.”, 3ième série, Zool., tome X, blz. 119.
[205] „On the Origin of Language”, door H. Wedgwood, 1866; „Chapters on Language”, door den weleerw. heer F. W. Farrer, 1865. Deze werken zijn zeer belangwekkend. Zie ook: „De la Phys. et de Parole”, door Albert Lemoine, 1865, blz. 190. Wijlen Prof. Aug. Schleicher’s werk over dit onderwerp is door Dr. Bikkers in het Engelsch vertaald, onder den titel van „Darwinism tested by the Science of Language”, 1869.
[206] Vogt, „Mémoire sur les Microcéphales”, 1867, blz. 169. Ten opzichte van wilden, heb ik eenige feiten vermeld in mijn „Journal of Researches”, enz., 1849, blz. 206.
[207] Zie het duidelijk bewijs hiervan in de reeds zoo dikwijls aangehaalde werken, bij Brehm en Rengger.
[208] Zie hierover de opmerkingen van Dr. Maudsley, „The Physiology and Pathology of Mind”, 2de uitgaaf, 1868, blz. 199.
[209] Hiervan zijn vele merkwaardige voorbeelden opgeteekend. Zie b.v. Dr. Bateman „On Aphasia”, 1870, blz. 27, 31, 53, 100, enz. Ook „Inquiries concerning the Intellectual Powers”, door Dr. Abercrombie, 1838, blz. 150.
[210] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurpl.”, Ned. Vert., Deel I, blz. 502.
[211] Lezingen over „Mr. Darwin’s Philosophy of Language”, 1873.
[212] Het oordeel van een philoloog van naam, Dr. Whitney, zal omtrent dit punt van veel meer gewicht zijn dan iets dat ik kan zeggen. Hij merkt („Oriental and Linguistic Studies”, 1873, blz. 297), van Bleek’s beweringen sprekende, op: „Omdat over het algemeen gesproken de spraak de noodzakelijke helpster der gedachte is, onmisbaar voor de ontwikkeling van het denkvermogen, voor de duidelijkheid en verscheidenheid en ingewikkeldheid van de kennis, voor het verkrijgen van volkomen zelfbewustzijn, daarom zou hij de gedachte gaarne volstrekt onmogelijk maken zonder de spraak, het vermogen vereenzelvigende met het werktuig. Hij zou met juist evenveel reden kunnen verzekeren, dat de hand van den mensch niets kan verrichten zonder een werktuig. Met zulk een leer als uitgangspunt kan het niet anders of hij moet vervallen in de ergste drogredenen van Müller, dat een klein kind (in fans, niet sprekend) geen menschelijk wezen is, en dat doofstommen niet in het bezit van rede komen, vóór zij hun vingers hebben leeren gebruiken om gesproken woorden na te bootsen.” Max Müller („Lectures on Mr. Darwin’s Philosophy of Language”, 1873, 3e lezing) laat de volgende uitspraak cursief drukken: „Er is geen gedachte zonder woorden, evenmin als er woorden zonder gedachte zijn.” Welk een vreemde definitie moet hier aan het woord gedachte worden gegeven!
[213] „Essays on Free-thinking”, enz., 1873, blz. 82.
[214] Hierover zijn eenige goede opmerkingen te vinden bij Dr. Maudsley, „The Physiology and Pathology of Mind”, 1868, blz. 199.
[215] Macgillivray, „Hist. of British Birds”, vol. II, 1839, blz. 29. Een uitnemend waarnemer, de heer Blackwall, merkt op, dat de ekster afzonderlijke woorden en zelfs korte volzinnen spoediger leert uitspreken dan eenige andere Britsche vogel; echter heeft hij, zooals hij er bijvoegt, na lang en nauwkeurig zijn gewoonten te hebben onderzocht, nooit opgemerkt, dat deze vogel in den natuurstaat eenigen bijzonderen aanleg voor het nabootsen vertoont. „Researches in Zoology”, 1834, blz. 158.
[216] Zie de hoogst belangrijke vergelijking tusschen de ontwikkeling van soorten en talen, door Sir C. Lyell gegeven in „De Geol. Bewijzen voor de Oudheid v. h. Mensch. Geslacht”, in ’t Ned. vertaald door Dr. T. C. Winkler Zalt-Bommel 1861, Hoofdstuk XIII. (13)
[217] Zie hierover de opmerkingen van den weleerw. heer F. W. Farrar in een belangrijk artikel, getiteld „Philology and Darwinism”, March 24 1870, blz. 528.
[218] „Nature”, 6 Jan. 1870, blz. 357.
[219] Aangehaald door C. S. Wake, „Chapters on Man”, 1868, blz. 101.
[220] Buckland, „Bridgewater Treatise”, blz. 411.
[221] Zie eenige goede opmerkingen over de vereenvoudiging van talen bij Sir J. Lubbock, „Origin of Civilisation”, 1870, blz. 278 (Ned. Vert. „De Oorsprong der Beschaving”, ’s Hertogenbosch, van Heusden, 1876, blz. 262–280).
[222] „The Spectator”, 4 Dec. 1869, blz. 1430.
[223] Zie een uitnemend artikel over dit onderwerp door den weleerw. heer F. W. Farrer in de „Anthropological Review”, Aug. 1864, blz. CCXVII. Voor verdere feiten zie Sir J. Lubbock „Prehistoric Times”, 2nd. edit. 1869 blz. 564, en vooral ook de hoofdstukken over den Godsdienst in zijn „Origin of Civilisation”, 1870.
[224] „The Worship of Animals and Plants”, in „Fortnightly Review”, Oct. 1, 1869, blz. 422.
[225] Tylor „Early History of Mankind”, 1865, blz. 6. Zie ook de drie treffende hoofdstukken over de Ontwikkeling van den Godsdienst in Lubbock’s „Origin of Civilisation”, 1870. Op gelijke wijze verklaart de heer Herbert Spencer, in zijn vernuftige verhandeling in de „Fortnightly Review” (May, 1870, blz. 535) het ontstaan der vroegste vormen van godsdienstig geloof in de geheele wereld, doordat de mensch door droomen, schaduwen en andere oorzaken er toe werd gebracht, zich zelf een dubbel bestaan toe te kennen, een lichamelijk en een geestelijk. Daar het geestelijk wezen wordt ondersteld na den dood voort te bestaan en machtig te zijn, wordt het door verschillende giften en plechtigheden vereerd en wordt zijn hulp ingeroepen. Hij toont daarop verder aan, dat de namen of bijnamen van dieren of andere voorwerpen, aan de voorouders of hoofden van een stam gegeven, na verloop van tijd werden ondersteld den wezenlijken stamvader voor te stellen, en men gelooft dan natuurlijk, dat zulk een dier of voorwerp als geest voortleeft; het wordt voor heilig gehouden en als godheid vereerd. Echter vermoed ik, dat er nog een vroeger en ruwer tijdperk van godsdienstige ontwikkeling heeft bestaan, waarin elk voorwerp, dat eenig vermogen of beweging bezat, werd ondersteld leven en geestvermogens te bezitten gelijk de mensch.
[226] Zie een uitstekend artikel over de psychische elementen van den godsdienst door den heer L. Owen Pike, in: „Anthropholog. Review”, April 1870, blz. 63.
[227] „Religion, Moral etc. der Darwinschen Art-Lehre”, 1862, blz. 53.
[228] „Prehistoric Times”, 2nd. ed., blz 571. In dit werk kan men vele vreemde en zonderlinge gewoonten van wilde volksstammen verhaald vinden.
[229] De Duitsche woorden zijn hetgeen de papegaai zegt.
[230] God behoede U (enkelvoud).
[231] God behoede U (meervoud).
[232] Psittacus erithacus.
[233] De inhoud van den schedel varieerde bij tien door Vogt opgemeten microcephalen-schedels tusschen 272 en 622 kub. centimeter. Een normaal pasgeboren kind heeft omtrent 400 kub. centimeter schedelinhoud, en overtreft ⅔ dier microcephalen, waarvan zeven boven de twintig jaar oud waren, in hersencapaciteit. De inhoud van den schedel van een normaal kind van één jaar is omstreeks 900 kub. centimeter, van een van vijf jaar omstreeks 1150 kub, centimeter, van een volwassen Europeaan 1450 tot 1570 kub. centimeter, van een jongen chimpanzee 300 kub. centimeter, van een volwassen gorilla 460 tot 530 kub. centimeter.
Omtrent het gewicht der hersenen van pasgeboren jongens en meisjes heeft Mies onderzoekingen gedaan. Uit de resultaten van 203 wegingen berekent deze het gemiddeld gewicht van pasgeboren jongens (te Weenen) op 339,3 gram en dat van pasgeboren meisjes op 330 gram. Het lichtste gewicht was 170, het zwaarste 482 gram. Het hersengewicht van pasgeborenen staat tot hun lichaamsgewicht als 1 : 7 à 8,5. Mies woog alleen hersenen van kinderen die levend ter wereld waren gekomen. („Wiener klinische Wochenschrift”, 1889.)
[234] Vgl. „Lucifer” IV, blz. 266 on 267, benevens Bernstein, „Het leven der Planten, Dieren en Menschen”, vert. door Rissik, 2de druk, blz. 217.
[235] Max Müller, „De Uitkomsten van de Wetenschap der Taalk.”, vert. door G. Penon, I, 269.
[236] Om daarvan een voorbeeld te geven, ontleen ik het volgende aan M. Müller, t.a.p., II. 314–333.
De wortel Mar, die in het Sanskriet fijnmalen beteekent, en die o.a. ook den vorm Mal kan aannemen, heeft, behalve aan een menigte Grieksche, Indische, Latijnsche en andere vreemde woorden, het aanzijn geschonken aan deze, meest Nederlandsche woorden: malen, molen, molenaar, meel; fr. mort, fr. mortel, ons mortel (kalk), moorden; murg, merg; moer (as), meer; Miölner (de hamer van Thor), h.d. zermalmen, molm, mul; m.n.l. molde (moede) mol; mal, malen (suffen); (Karel) Martel, Mars; melken; mollig, malsch fr. mou (mol), mild, smart, eng. to smart, smelten eng. to melt; marmer h.d. Marmor, marbels en mulvers (knikkers), memorie.
[237] Veel overeenkomst heeft hiermede hetgeen Max Müller, „Vorlesungen über Urspr. u. Entw. der Religion”, blz. 214 (Die ältesten Begriffe) en 211 (Alles als thätig benannt) opmerkt. Ook Darwin duidt dit tijdperk der godsdienstige ontwikkeling in de vier laatste regels van noot 2 op blz. 128, (die in de eerste uitgaaf van de „Afst v. d. Mensch” niet voorkomen) zeer kort aan.
[238] Zelfs bij ons wordt dikwijls het woord „leven” gebruikt voor beweging, zelfs van levenlooze voorwerpen, b.v. „levend” water voor stroomend water. Bij een boschbrand hoorde ik eens een man zeggen: „Het vuur loopt zoo hard als een man te paard.” Evenzoo zegt ook de schooljongen: „De som wil niet uitkomen” en de keukenmeid: „De aardappels willen niet gaar worden” enz. en stellen dus de som en de aardappels enz. als levende, met een wil begaafde wezens voor.
[239] Vergelijk J. Lippert, „Seelencult”, die, wel wat eenzijdig, nagenoeg allen godsdienst van de vereering der zielen van voorouders afleidt.
[240] Hoofdzakelijk naar „Die Ursprache der Menschheit” in „Die Kulturgeschichte in einzelnen Hauptstücken” door Julius Lippert, Leipzig, 1886.
[241] Met uitzondering waarschijnlijk van sommige door den mensch onderwezen papegaaien (vergelijk aant. 8, blz. 152). Ook verstaan ongetwijfeld sommige huisdieren b.v. honden, sommige door hun meester gesproken woorden. Sir John Lubbock leerde zelfs zijn hond eenvoudige in letters op plankjes gedrukte woorden begrijpen (zie zijn „Sense in Animals”, Londen, 1889, blz. 277) en het gesprokene of gedrukte te verstaan vereischt een dergelijke verstandelijke verbinding tusschen geluid of teeken en voorwerp of denkbeeld als het spreken of schrijven zelf. In al deze gevallen ging echter de impulsie van den mensch uit. Kan het blaffen, dat den hond alleen in tammen staat eigen is, geen poging zijn om de menschelijke spraak, zoover de stemorganen het toelaten, na te bootsen?
[242] Lippert spreekt van „jodeln”, een onvertaalbaar woord, dat echter onze meeste lezers wel zullen verstaan; het drukt een eigenaardige wijze van zingen uit, die bij vele Alpenbewoners, o.a. de Tyrolers in zwang is, en waarvan het eigenaardige in den overgang uit de borsttonen in de falsetstem bestaat. Het is een melodieuse uiting van levenslust, die door de zuivere Alpenlucht zoo gemakkelijk wordt opgewekt.
[243] De voorzetsels hadden waarschijnlijk eens in alle talen een plaatselijke beteekenis, althans in het Latijn worden jegens, behalve, wegens, overeenkomstig, uit hoofde van enz., kortom alle de zoo talrijke verbindingen en betrekkingen tusschen personen en zaken door voorzetsels uitgedrukt, die oorspronkelijk slechts plaatselijke verhoudingen, als: voor, achter, boven, tusschen enz. uitdrukten.
[244] Op Otaheite heette b.v. de nacht vroeger „Po” maar sedert koning Pomaré is gestorven, is ook het eerste woord uit de taal van het eiland verdwenen.
[245] Als b.v. in het Nederlandsch: drank (z. n.), dronk (z. n.), drenk (wortel van het werkwoord drenken), drink (wortel van het werkwoord drinken) waaraan zich het Engelsch drunk b. n. (beschonken) aansluit. Deze methode is zeer algemeen in de Semietische talen, en wordt ook bij onze ongelijkvloeiende en vele onregelmatige werkwoorden naast de volgende toegepast.
[246] Hierdoor ontstaan eindelijk ook verbuigingen en vervoegingen door wijziging der uitgangen, en soms met voorvoeging van lettergrepen. De vervoeging onzer gelijkvloeiende werkwoorden behoort hiertoe.
[247] Zoo heeft het Engelsche woord deer de beteekenis van hert, reeds zeer vroeg in Germanië het voornaamste jachtdier, en zal dit wellicht de oorspronkelijke beteekenis zijn, terwijl in het verwante Nederlandsch en Hoogduitsch dier en Thier tegenwoordig een dier, meer in ’t bijzonder een viervoetig dier, in het algemeen beteekenen. Een omgekeerde verschuiving zien wij als de boer onder „beesten” eenvoudig koeien verstaat.
[248] Zie b.v. over dit onderwerp Quatrefages, „Unité de l’Espèce Humaine”, 1861, blz. 21, enz.
[249] „Dissertation on Ethical Philosophy”, 1837, blz. 231, enz.
[250] „Metaphysics of Ethics”, vertaald door J. W. Semple, Edinburg, 1836, blz. 136.
[251] De heer Bain geeft een lijst („Mental and Moral Science”, 1836, blz. 543, 725) van zes-en-twintig Engelsche schrijvers die dit onderwerp hebben behandeld en wier namen aan elken lezer bekend zijn; bij deze moeten nog de naam van den heer Bain zelf en die van de heeren Lecky, Shadworth Hodgson, Sir J. Lubbock en nog meer anderen worden gevoegd.
[252] Nadat Sir B. Brodie („Psychological Enquiries”, 1855, blz. 192) heeft opgemerkt, dat de mensch een sociaal dier is, stelt hij de belangrijke vraag: „Behoort dit het twistpunt omtrent het bestaan van het zedelijk gevoel niet te beslissen?” Dergelijke denkbeelden zijn waarschijnlijk bij vele personen, evenals in lang verleden tijden bij Marcus Aurelius, opgekomen. De heer J. S. Mill spreekt in zijn beroemd werk, „Utilitarianism” (1864, blz. 46) van de aandrift tot het gezellige leven als van een „machtig natuurlijk gevoel” en als van „den grondslag der van het nuttigheidsbeginsel uitgaande zedeleer”; maar op de vorige bladzijde zegt hij: „indien mijn meening juist is, dat het zedelijk gevoel niet aangeboren, maar aangeleerd is, dan is het daarom nog niet minder natuurlijk.” Met beschroomdheid waag ik het, van een zoo diep denker in meening te verschillen, maar het kan moeielijk worden ontkend, dat de aandrift tot het gezellige leven bij de lagere dieren instinktmatig of aangeboren is; en waarom zou zij dat ook niet bij den mensch zijn? De heer Bain (zie b.v. „The Emotions and the Will”, 1865, blz. 481) en anderen gelooven, dat het zedelijk gevoel door elk individu gedurende zijn leven wordt aangeleerd. Als men de algemeene ontwikkelingstheorie aanneemt, is dit minst genomen zeer onwaarschijnlijk.
[253] „Die Darwin’sche Theorie”, blz. 101.
[254] De heer R. Browne in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1868, blz. 400.
[255] Brehm, „Thierleben”, B. I, 1864, blz. 52, 79. Voor het verhaal van de apen die elkander doornen uittrekken, zie blz. 54. Wat de Hamadryas aangaat, die steenen omkeeren, dit feit wordt (blz. 76) op autoriteit van Alvarez medegedeeld, wiens waarnemingen Brehm voor volkomen geloofwaardig houdt. Voor het geval van de oude mannetjes-bavianen die de honden aanvielen, zie blz. 79; voor dat van den arend, blz. 56.
[256] „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, November 1868, blz. 382.
[257] Sir J. Lubbock, „Prehistoric Times”, 2nd. edit., blz. 447.
[258] Aangehaald door den heer L. H. Morgan, „The American Beaver”, 1868, blz. 272. Kapitein Stansbury geeft ook een belangwekkend verhaal van de wijze, waarop een zeer jonge pelikaan, door een sterken stroom medegesleept, geleid, en in zijn pogingen om den oever te bereiken aangemoedigd werd door een zestal oude vogels.
[259] Zooals de heer Bain zegt: „werkdadige hulp aan iemand die lijdt, ontspruit uit individueel medegevoel.” „Mental and Moral Science”, 1868, blz. 245.
[260] „Thierleben”, B. I, blz. 85.
[261] „De l’Espèce et de la Classe”, 1869, blz. 97.
[262] „Die Darwin’sche Art-lehre”, 1869, blz. 54.
[263] Zie ook Hooker’s „Himalayan Journals”, vol. II, 1854, blz. 333.
[264] Brehm, „Thierleben”, B. I, blz. 76.
[265] Zie zijn uiterst belangwekkende verhandeling over „Gregariousness in Cattle and in Man”, „Macmillan’s Mag.”, Febr. 1871, blz. 353.
[266] Zie het eerste en treffende hoofdstuk in Adam Smith’s „Theory of Moral Sentiments.” Insgelijks des heeren Bain’s „Mental and Moral Science”, 1868, blz. 244, en 275–282. De heer Bain beweert, dat „medegevoel indirect een bron van genoegen is voor hem die het ondervindt”; en hij brengt hierbij ook de wederkeerigheid in rekening. Hij merkt op, dat „de beweldadigde persoon, of anderen in zijn plaats, door hun wederkeerig medegevoel en goede diensten wellicht de geheele opoffering kunnen vergoeden.” Wanneer echter, zooals werkelijk het geval schijnt te zijn, medegevoel eigenlijk een instinkt is, zal de uitoefening daarvan rechtstreeks genoegen verschaffen, evenals de uitoefening van bijna elk ander instinkt doet, zooals wij hierboven reeds opmerkten.
[267] Dit feit werd volgens den weleerw. heer L. Jenyns (zie zijn uitgaaf van White’s „Nat. Hist. of Selborne”, 1853, blz. 204) het eerst vermeld door den beroemden Jenner in „Phil. Transact.”, 1824, en is sinds bevestigd door onderscheidene waarnemers, vooral door den heer Blackwall. Deze laatste zorgvuldige waarnemer onderzocht gedurende twee jaren laat in den herfst zes-en-dertig nesten; hij bevond, dat twaalf daarvan doode jonge vogels bevatten, vijf bevatten eieren op het punt van uit te komen, en drie eieren die nog lang niet waren uitgebroed. Vele vogels die nog niet oud genoeg zijn om lang achtereen te vliegen, worden insgelijks achtergelaten. Zie Blackwall, „Researches in Zoology”, 1834, blz. 108, 118. Voor nog meer bewijzen, hoewel die overbodig zijn, zie men Leroy, „Lettres Phil.”, 1802, blz. 217.
[268] Hume merkt op („An Enquiry concerning the Principles of Morals”, uitgaaf van 1751, blz. 132): „Het schijnt noodzakelijk om te bekennen, dat het geluk en de ellende van anderen voor ons geen volkomen onverschillig schouwspel is, maar het gezicht van het eerste ... ons heimelijke vreugde verschaft, terwijl de aanblik van de tweede ... een zwaarmoedigen nevel voor onze verbeelding werpt”
[269] „Mental and Moral Science”, 1868, blz. 254.
[270] Ik heb één dergelijk geval medegedeeld, namelijk van drie Patagonische Indianen, die liever één voor één werden doodgeschoten dan de plannen hunner krijgsmakkers te verraden („Journal of Researches”, 1845, blz. 103).
[271] Vijandschap of haat schijnt ook een gevoel te zijn dat zeer moeilijk verdwijnt, moeilijker wellicht dan eenig ander dat kan worden genoemd. Nijd wordt bepaald als haat tegen een ander, omdat hij in het een of ander uitmunt of slaagt; en Baco zegt (Essay IX): „Van alle hartstochten is de nijd de lastigste en langdurigste.” Honden zijn zeer geneigd zoowel vreemde menschen als vreemde honden te haten, vooral indien zij dichtbij wonen, maar niet behooren tot het zelfde huisgezin, den zelfden stam of clan; dit gevoel schijnt dus aangeboren te zijn, en verdwijnt zeker uiterst moeilijk. Uit hetgeen wij van wilden hooren, zou men afleiden, dat ook bij deze iets van den zelfden aard bestaat. Indien dit zoo ware, zou het slechts een kleine stap voor iemand zijn om die gevoelens over te brengen op eenig lid van den zelfden stam, die hem had beleedigd of benadeeld en zijn vijand was geworden. Het is ook niet waarschijnlijk, dat het oorspronkelijke geweten iemand zou verwijten, dat hij zijn vijand schade had berokkend; eer zou het hem verwijten doen, als hij zich niet had gewroken. Kwaad met goed te vergelden, zijn vijand lief te hebben, is een zedelijke hoogte, waartoe men mag betwijfelen, of de sociale instinkten op zich zelven ooit zouden hebben geleid. Het was noodzakelijk dat deze instinkten, en tevens het medegevoel, zeer werden ontwikkeld en uitgebreid met behulp der rede, van het onderwijs en de liefde of vrees voor God, eer ooit aan zulk een gulden gebod kon worden gedacht of gehoorzaamd.
[272] „Insanity in Relation to Law”, London, Ontario, 1871, blz. 14.
[273] E. B. Tylor in „Contemporary Review”, April 1873, blz. 707.
[274] Dr. Prosper Despine geeft in zijn „Psychologie Naturelle”; tom. I, blz. 243, tom. II, blz. 169, verscheidene merkwaardige gevallen van de ergste misdadigers, die volstrekt geen geweten schijnen te hebben bezeten.
[275] Zie een uitnemend artikel in de „North British Review”, 1867, blz. 395. Zie ook de artikelen van den heer W. Bagehot over „The Importance of Obedience and Coherence to Primitive Man” in the „Fortnightly Review”, 1867, blz. 529, en 1868, blz. 457 enz.
[276] De uitgebreidste mededeeling die ik daarover heb gevonden, komt voor in Dr. Gerland’s werk „Ueber das Aussterben der Naturvölker”, 1868. Ik zal echter in een volgend hoofdstuk op den kindermoord terug moeten komen.
[277] Zie de zeer belangrijke bespreking van zelfmoord in Lecky’s „History of European Morals”, vol. I, 1869, blz. 223. Wat wilden aangaat, meldt de heer Winwood Reade mij, dat de negers van West-Afrika dikwijls zelfmoord begaan. Het is algemeen bekend, hoe algemeen die was onder de ongelukkige inboorlingen van Zuid-Amerika, na de verovering door de Spanjaarden. Voor Nieuw-Zeeland, zie de reis van de „Novara”, en voor de Aleutische eilanden, Müller, aangehaald door Houzeau, „Les Facultés Mentales” enz. tome II, blz. 136.
[278] Zie b.v. hetgeen de heer Hamilton over de Kaffers mededeelt „Anthropological Review”, 1870, blz. XV.
[279] De heer M’Lennan heeft („Primitive Marriage”, 1865, blz. 176) een groot aantal hierop betrekking hebbende feiten vermeld.
[280] Lecky, „History of European Morals”, vol. I, 1869, blz. 109.
[281] „Embassy to China”, vol. II, blz. 348.
[282] Overvloedige bewijzen hiervan zijn te vinden in Hoofdstuk VII van Sir J. Lubbock’s „Origin of Civilisation”, 1870 (Ned. Vert. „De oorsprong der Beschaving”, ’s Hertogenbosch, van Heusden, 1876).
[283] B. v. Lecky, „Hist. European Morals”, vol. I, blz. 124.
[284] Deze uitdrukking wordt gebruikt in een uitnemend artikel in de „Westminster Review”, Oct. 1869, blz. 498. Over het „Beginsel van het grootste geluk”, zie J. S. Mill, „Utilitarianism”, blz. 17.
[285] Mill erkent („System of Logic”, vol. II, blz. 422) op de duidelijkste wijze, dat handelingen kunnen worden volbracht uit gewoonte zonder het voorgevoel van genoegen. Ook de heer H. Sidgwick merkt in zijn „Essay on Pleasure and Desire” („The Contemporary Review”, April 1872, blz. 671) op: „Om kort te gaan, in tegenspraak met de leer, dat onze bewuste actieve aandriften altijd de strekking hebben om ons zelven aangename gewaarwordingen te bezorgen, houd ik vol, dat wij overal bij de bewuste wezens aandriften vinden die een strekking hebben buiten hen zelven gelegen, en zijn gericht op iets dat geen genoegen is; dat in vele gevallen de aandrift zoo onvereenigbaar is met het egoïsme, dat beide niet gemakkelijk gelijktijdig in ons bewustzijn kunnen bestaan.” Een duister gevoel, dat onze aandriften volstrekt niet altijd ontstaan uit het genoegen waarmede zij vergezeld gaan of waarop zij doen hopen, is volgens mijn overtuiging een der voornaamste oorzaken geweest van het aannemen der intuïtieve theorie der zedelijkheid en van de verwerping van de utilitarische of „grootste geluk” theorie. Wat deze laatste theorie aangaat, zijn ongetwijfeld de maatstaf en de beweegreden van het gedrag dikwijls met elkander verward, maar zij hangen werkelijk tot op zekere hoogte innig met elkander samen.
[286] Goede voorbeelden hiervan geeft de heer Wallace in: „Scientific Opinion”, 15 Sept. 1869; en uitgebreider in zijn „Contributions to the Theory of Natural Selection”, 1870, blz. 353.
[287] Tennyson, „Idylls of the King”, blz. 244.
[288] „The Thoughts of the Emperor M. Aurelius Antonius”, Engelsche vertaling, 2de uitgaaf, 1869, blz. 112. Marcus Aurelius werd geboren in het jaar des Heeren 121.
[289] Brief van den heer Mill in Bain’s „Mental and Moral Science”, 1868, blz. 722.
[290] Een schrijver in de „North British Review” (Juli 1869, blz. 531) die zeer goed in staat is een gezond oordeel te vellen, drukt zich hierover sterk uit. De heer Lecky („Hist. of Morals”, vol. I, blz. 143) schijnt tot zekere hoogte dit gevoelen te deelen.
[291] Zie zijn merkwaardig werk „Hereditary Genius”, 1869, blz. 349. De hertog van Argyll („Primaeval Man”, 1869, blz. 188) maakt eenige goede opmerkingen over den strijd tusschen goed en kwaad in ’s menschen natuur.
[292] „The Thoughts of Aurelius” enz., blz. 139.
[293] Wij zeggen met opzet „gewoonlijk.” Wanneer toch de oude koningin met een deel der bijen uit „zwermen” gaat, en een nieuwe koningin in den ouden korf heerscht, zullen, zoodra die jonge koningin op haar beurt moeder is geworden, de bijen in den ouden korf niet meer allen broeders en zusters van elkander zijn, maar er zullen er onder zijn die elkander als oom of tante en neef en nicht bestaan.
[294] Isidore Geoffroy St. Hilaire en Quatrefages. De eerste beweerde, tegen alle evidentie in, dat de mensch het eenige dier is, dat denkt: ook hij zocht daarenboven in het beginsel der moraliteit een qualitatief onderscheid tusschen mensch en dier.
[295] Onder de oudere geschriften over dit onderwerp noemen wij:
„Histoire critique de l’âme des bêtes”, par mr. Guer. à Amsterdam, 1749.
D’Argensius (gelatiniseerd?), „Lettres cabbalistiques”, lib. IV, lettre 134.
Bouiller, „Essai philosophique sur l’âme des bêtes”, 2 ed., Amsterdam 1737.
Reimarus, Hoogleeraar te Hamburg, „Algemeene Beschouwing van de driften der Dieren”, enz., uit het Hoogduitsch vertaald door J. W. van Haar, met een voorrede van Johan Lulofs, Hoogleeraar te Leiden, Leiden 1774.
„Geschichte des menschlichen Verstandes” (anoniem), Breslau (nuper 177.?).
’t Bovenstaande aangehaald in J. G. H. Feder, „Homo natura non ferus, dissertatio philosophica”, blz. 447 van „Syntagma dissertationum ad philos. moralem pertinentium”; Ed. M. Tydeman. Traj. ad Rh. 1777 4to.
J. H. Winkler, Prof. te Leipzig, „Philosophische Onderzoekingen over het bestaan en de natuur der ziel bij dieren.” In Nederl. Vert. 1765. „Dit Werkje vervat in zich datgene, waarover de Geleerde Heeren Martinus Schrok, Professor in de Philosophie te Groningen; Johan Lulofs, Professor te Leiden, in zijne Voorrede voor het werk van S. Reimarus, Professor te Hamburg; Adrianus Bradit, Predikant te Amsteldam; Bernardus Martinus, Predikant te Elspeet, en anderen, hunne Gevoelens de Geleerde Wereld hebben medegedeeld.”
Een bibliographie over dit onderwerp gaf Dr. A. van der Linde in „Androcles, Tijdschrift aan de bescherming der dieren gewijd”, 1875 (afl. Mei?).
[296] Wij herinneren hier, dat er onder de oudheden uit de rendierperiode in het Zuiden van Frankrijk ook een zoogenaamde Pansfluit is gevonden, uit pijpen van verschillende lengte (en dus verschillende tonen gevende) samengesteld, een bewijs, dat de voorhistorische mensch aldaar wel degelijk verschillende modulaties met zijn instrument uitdrukte.
[297] Geschreven te Londen, Januari 1874. Een uittreksel van Wallace’s „Scientific Aspect of the Supernatural” (Het Bovennatuurlijke van een Wetenschappelijk Standpunt beschouwd) en een vrije bewerking van zijn verdediging van het hedendaagsche spiritisme („Defence of modern Spiritualism”) vindt men in het Nederlandsche werk „Een Nieuw Veld voor de Wetenschap”, ’s Gravenhage, Mensing en Visser, 1877. Geen lezer van dat werk zal in twijfel trekken, dat Wallace een volkomen overtuigd spiritist is.
[298] Eigenlijk staat er: rubbish, d.i. prullen, lorren. Deze brief en de volgende zijn ontleend aan „Life and Letters”, vol II, chapt. IX.
[299] „Anthropological Review”, Mei 1864, blz. CLVIII.
[300] Na eenigen tijd beweren, zooals de heer Maine opmerkt („Ancient Law”, 1861, blz. 131), de leden van een stam, die met een anderen samengesmolten zijn, dat zij gezamenlijk van de zelfde voorouders afstammen.
[301] Morlot, „Soc. Vaud. Sc. Nat.”, blz. 294.
[302] Zie een merkwaardige reeks artikelen over „Physics and Politics” in de „Fortnightly Review”, Nov. 1867; 1 April, 1868; 1 Juli, 1869.
[303] De heer Wallace geeft hiervan voorbeelden in zijn „Contributions to the Theory of Natural Selection”, 1870, blz. 354.
[304] „Ancient Law”, 1861, blz. 22. Voor de opmerkingen van den heer Bagehot, „Fortnightly Review”, 1 April 1868, blz. 452.
[305] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz. 360.
[306] „Frasers Magazine”, Sept. 1868, blz. 353. Dit artikel schijnt veel personen te hebben getroffen en heeft aanleiding gegeven tot twee merkwaardige verhandelingen en een repliek in den „Spectator”, 3 en 17 Oct. 1868. Het is ook besproken in het „Q. Journal of Science”, 1869, blz. 152, door den heer Lawson Tait in het „Dublin Q. Journal of Medical Science”, Febr. 1869, en door den heer E. Ray Lankester in zijn „Comparative Longevity”, 1870, blz. 128. Dergelijke beschouwingen verschenen reeds vroeger in de „Australasian”, 13 Juli 1867. Ik heb aan verscheidenen dezer schrijvers denkbeelden ontleend.
[307] Voor den heer Wallace, zie „Anthropolog. Review”, op de vroeger aangehaalde plaats. De heer Galton in „Macmillan’s Magazine”, Aug. 1865, blz. 318; ook zijn groot werk, „Hereditary Genius”, 1870.
[308] Prof. H. Fick („Einfluss der Naturwissenschaft auf das Recht”, Juni 1872) geeft eenige goede opmerkingen omtrent deze en andere dergelijke zaken.
[309] „Hereditary Genius”, 1870, blz. 132–140.
[310] Zie de vijfde en zesde kolom van de uit goede bronnen geputte tabel in het werk van den heer E. R. Lankester, „Comparative Longevity,” 1870, blz. 115.
[311] „Hereditary Genius”, 1870, blz. 330.
[312] „Hereditary Genius”, 1870, blz. 347.
[313] E. Ray Lankester, „Comparative Longevity”, 1870, blz. 115. De opgave omtrent dronkaards is uit Nelson’s „Vital Statistics”. Ten opzichte van losbandigheid, zie Dr. Farr, „Influence of Marriage on Mortality”, „Nat. Assoc. for the Promotion of Social Science”, 1858.
[314] „Fraser’s Magazine”, Sept. 1868, blz. 353. „Macmillan’s Magazine”, Aug. 1865, blz. 318. De weleerw. heer F. W. Farrar („Fraser’s Mag.”, Aug. 1870, blz. 264) beschouwt de zaak uit een ander oogpunt.
[315] „On the Law of the Fertility of Women” in „Transact. Royal Soc.” Edinburgh, vol. XXIV, blz. 287. Zie ook de opmerkingen van den heer Galton over het zelfde onderwerp „Hereditary Genius”, blz. 352–357.
[316] „Tenth Annual Report of Births, Deaths, etc. in Scotland”, 1867, blz. XXIX.
[317] Deze aanhalingen zijn ontleend aan onze hoogste autoriteit in dergelijke vraagstukken, namelijk Dr. Farr in zijn verhandeling „On the Influence of Marriage on the Mortality of the French People”, voorgedragen voor de „Nat. Assoc. for the Promotion of Social Science”, 1858.
[318] Dr. Farr, ibid. De lager aangehaalde feiten zijn aan de zelfde treffende verhandeling ontleend.
[319] Ik heb het gemiddelde genomen van de gemiddelden over vijf jaren, gegeven in „The Tenth Annual Report of Births, Deaths, etc., in Scotland”, 1853. De aanhaling van Dr. Stark is overgenomen uit een artikel in de „Daily News”, 17 Oct. 1868, dat Dr. Farr voor zeer zorgvuldig geschreven houdt.
[320] Zie het vernuftige en oorspronkelijke bewijs daarvan bij den heer Galton, „Hereditary Genius”, blz. 340–342.
[321] De heer Greg, „Fraser’s Magazine”, Sept. 1868, blz. 157.
[322] „Hereditary Genius”, 1870, blz. 357–359. De weleerw. heer F. H. Farrar („Fraser’s Mag.”, Aug. 1870, blz. 257) brengt bewijsgronden daartegen in. De heer Lyell heeft reeds vroeger („Principles of Geology”, vol. III, 1868, blz. 489) in een treffende passage de aandacht gevestigd op den slechten invloed der Heilige Inquisitie, daar zij door teeltkeus de algemeene verstandelijke ontwikkeling heeft doen achteruitgaan.
[323] De heer Galton, „Macmillan’s Magazine”, Augustus 1865, blz. 325. Zie ook „Nature”, „On Darwinism and National Life”, Dec. 1869, blz. 184.
[324] „Last Winter in the United States”, 1868, blz. 29.
[325] Ik ben grooten dank verschuldigd aan den heer John Morley voor eenige goede kritische opmerkingen omtrent dit onderwerp; zie ook Broca, „Les Sélections”, „Revue d’Anthropologie”, 1872.
[326] „On the Origin of Civilisation”, „Proc. Ethnological Soc.”, 26 Nov. 1867.
[327] „Primeval Man”.
[328] „Royal Institution of Great Britain”, 15 Maart 1867. Ook, „Researches into the Early History of Mankind”, 1865.
[329] „Primitive Marriage”, 1865. Zie ook een uitnemend artikel, blijkbaar van dien zelfden schrijver, in de „North British Review”, Juli, 1869. Ook de heer L. H. Morgan, „A Conjectural Solution of the Origin of the Class. System of Relationship”, in „Proc. American Acad. of Sciences”, vol. VII, Febr. 1868. Prof. Schaaffhausen („Anthropolog. Review”, Oct. 1869, blz. 373) vestigt de aandacht op de „sporen van menschenoffers die men zoowel in Homerus als in het Oude Testament vindt.”
[330] Sir J. Lubbock, „Prehistoric Times”, 2nd. edit. 1889, chap. XV en XVI et passim.
[331] Dr. F. Müller heeft hierover eenige goede opmerkingen gemaakt, in de „Reise der Novara. Anthropolog. Theil”, Abtheil. III, 1868, blz. 127.
[332] „United States Explor. Exp.”, vol. I, blz. 191.
[333] Gomara, „Hist. de las Indias”, blz. 289.
[334] Vergelijk ook Max Scheffer, „Die Landwirthschaft der alt-Amerikanischen Kulturvölker”, Leipzig 1883.
[335] Isidore Geoffroy St. Hilaire geeft een uitgebreid overzicht van de plaats door verschillende natuuronderzoekers in hun klassificaties aan den mensch toegekend: „Hist. Nat. Gén.” tome II, 1859, blz. 170–189.
[336] Zie het zeer belangwekkende artikel, „l’Instinct chez les insectes”, door den heer George Pouchet, „Revue des Deux Mondes”, Febr. 1870, blz. 682.
[337] Westwood, „Modern Classification of Insects”, vol. II, 1840, blz. 87.
[338] „Proc. Zoolog. Soc.”, 1869, blz. 4.
[339] „Evidence as to Man’s Place in Nature”, 1863, blz. 70, et passim.
[340] Isid. Geoffroy, „Hist. Nat. Gén.”, tome II, 1859, blz. 217.
[341] „Ueber die Richtung der Haare” enz., Müllers „Archiv für Anat. und Phys.”, 1837, blz. 5.
[342] Aangehaald door Reade, „The African Sketchbook”, vol. I, 1873, blz. 152.
[343] Over het haar bij Hylobates, zie „Nat. Hist. of Mammals”, door C. L. Martin, 1841, blz. 415. Ook Isid. Geoffroy over de Amerikaansche en andere aapsoorten, „Hist. Nat. Gén.”, vol. II, 1859, blz. 216, 243. Eschricht, ibid., blz. 46, 55, 61. Owen, „Anat. of Vertebrates”, vol. III, blz. 619. Wallace, „Contributions to the Theory of Natural Selection”, 1870, blz. 344.
[344] „Ontstaan der Soorten”, 3de Nederl. Uitgaaf, blz. 599. „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 401–405.
[345] „An Introduction to the Classification of Animals”, 1869, blz. 99.
[346] Dit is ongeveer de zelfde klassificatie als die, welke voorloopig door den heer St. George Mivart („Transact. Philosoph. Soc.”, 1867, blz. 300) is aangenomen, die, na de Lemuriden te hebben afgescheiden, de overige Primaten verdeelt in de Hominidae, de Simiadae (overeenkomende met de Catarrhinae), de Cebidae en de Hapalidae (welke beide laatste groepen met de Platyrrhinae overeenkomen).
[347] „Transact. Zoolog. Soc.”, vol. VI, 1867, blz. 214.
[348] De heer H. G. Mivart, „Transact. Phil. Soc.” 1867, blz. 410.
[349] De heeren Murie en Mivart over de Lemuriden, „Transact. Zoolog. Soc.”, vol. VII, 1869, blz. 5.
[350] Haeckel is tot het zelfde besluit gekomen. Zie „Ueber die Entstehung des Menschengeschlechts”, in Virchow’s „Sammlung gemeinwissenschaftl. Vorträge”, 1868, blz. 61. Ook zijn „Natürliche Schöpfungsgeschichte”, 1868, waarin hij zijn beschouwingen over den stamboom van den mensch uitvoerig uiteenzet.
[351] „Anthropological Review”, April, 1867, blz. 236.
[352] „Elements of Geology”, 1865, blz. 583–585. „Antiquity of Man”, 1863, blz. 145.
[353] „Man’s Place in Nature”, blz. 105.
[354] Uitvoerige tabellen zijn gegeven in zijn „Generelle Morphologie”, B. II, blz. CLIII, en 425; en meer bijzonder met betrekking tot den mensch in zijn „Natürliche Schöpfungsgeschichte”, 1868. Prof. Huxley zegt in zijn beschouwing van dit laatste werk („The Academy”, 1869, blz. 42), dat hij gelooft, dat het phylum of de lijnen van afstamming der gewervelde dieren door Haeckel op bewonderenswaardige wijze zijn behandeld, ofschoon hij in enkele punten een verschillende meening is toegedaan. Hij drukt ook den hoogen dunk uit dien hij van de waarde en de algemeene strekking en geest van het geheele werk koestert.
[355] „Palaeontology”, 1860, blz. 199.
[356] Ik had de voldoening op de Falklandseilanden, in April 1833, en dus eenige jaren vroeger dan eenig ander natuuronderzoeker, de jongen te zien zwemmen van een samengestelde Ascidia, nauw verwant met, doch blijkbaar tot een ander geslacht behoorende dan Synoicum. De staart was ongeveer vijfmaal zoo lang als de langwerpige kop, en eindigde in een zeer fijnen draad. Zij werd, volgens een door mij onder een loep gemaakte schets door dwarse ondoorschijnende tusschenschotten duidelijk in afdeelingen verdeeld, welke, naar ik vermoed, overeenkomen met de groote cellen die door Kowalewski zijn afgebeeld. Op een vroeger tijdstip van de ontwikkeling was de staart dicht om den kop der larve gerold.
[357] „Mémoires de l’Acad. des Sciences de St. Pétersbourg”, tome X, No. 15, 1866.
[358] Ik ben echter verplicht hier bij te voegen, dat sommige bevoegde beoordeelaars de juistheid van dit besluit betwisten, b.v. de heer Giard, in een reeks artikelen in zijn „Archives de Zoologie Expérimentale” voor 1872. Toch merkt deze natuuronderzoeker op, blz. 281: „L’organisation de la larve ascidienne en dehors de toute hypothèse et de toute théorie, nous montre comment la nature peut produire la disposition fondamentale du type vertébré (l’existence d’une corde dorsale) chez un invertébré par la seule condition vitale de l’adaptation, et cette simple possibilité du passage supprime l’abîme entre les deux sous-règnes, encore bien qu’on ignore par où le passage s’est fait en réalité.”
[359] Dit is het besluit, waartoe een der hoogste autoriteiten in de vergelijkende ontleedkunde, namelijk Prof. Gegenbaur in zijn: „Grundzüge der Vergleich. Anat.”, 1870, blz. 876 komt. Hij heeft dit vooral afgeleid uit zijn studiën over de Amphibieën; maar volgens de onderzoekingen van Waldeyer (aangehaald in „Journal of Anat. and Phys.”, 1869, blz. 161), schijnt het, dat de geslachtsdeelen zelfs van „de hoogere Gewervelde Dieren in den vroegsten toestand hermaphroditisch zijn.” Dergelijke beschouwingen zijn sinds lang door sommige schrijvers gemaakt, ofschoon zij tot voor korten tijd niet op een goeden grondslag berustten.
[360] Het mannetje van den buidelwolf (Thylacinus) levert hiervan het beste voorbeeld. Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 771.
[361] Hermaphroditisme is waargenomen bij verscheidene soorten van Serranus, zoowel als bij sommige andere visschen, bij welke het òf normaal en symmetrisch, òf abnormaal en asymmetrisch is. Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen heeft mij inlichtingen hieromtrent verstrekt, meer bijzonder omtrent eene verhandeling daarover van Prof. Halbertsma, in de Verslagen en Mededeelingen der Nederlandsche Kon. Akad. v. Wet. Dr. Günther betwijfelt de zaak, maar zij is tegenwoordig door te vele goede waarnemers opgemerkt om langer te worden betwist. Dr. M. Lessona heeft de waarheid onderzocht en bevestigd gevonden van de door Cavolini omtrent Serranus gedane waarnemingen. Prof. Ercolani heeft voor eenige jaren aangetoond („Accad. delle scienze”, Bologna, Dec. 28, 1871), dat de aal hermaphroditisch is. (16)
[362] Prof. Gegenbaur heeft aangetoond („Jenaïsche Zeitschrift”, Bd. VII blz. 212), dat bij de onderscheidene orden van Zoogdieren twee verschillende typen van tepels bestaan, maar dat het volkomen begrijpelijk is, hoe beide zich kunnen hebben ontwikkeld uit de tepels der Buideldieren, en die van de laatste uit die der Snaveldieren. (17) Zie ook een verhandeling van Dr. Max Huss, over de melkklieren, ibid. B. VIII, blz. 176.
[363] De heer Lockwood (aangehaald in het „Quart. Journal of Science”, April 1868, blz. 269) gelooft, wegens hetgeen hij heeft waargenomen omtrent de ontwikkeling van het Zeepaardje (Hippocampus), dat namelijk de wanden van den broedzak van het mannetje op deze of gene wijze voedsel geven. Over mannelijke visschen die de eieren in hun bek uitbroeden, zie een zeer belangwekkende verhandeling van Prof. Wyman in „Proc. Boston Soc. of Nat. Hist.”, 15 Sept. 1857; ook Prof. Turner in „Journal of Anat. and Phys.”, 1 Nov. 1866, blz. 78. Dr. Günther heeft eveneens dergelijke gevallen beschreven.
[364] Alle levensfuncties vertoonen een neiging om haar loop te voleindigen in vaste en terugkeerende perioden, en bij stranddieren zullen die perioden waarschijnlijk van de schijngestalten der maan afhankelijk zijn; want dergelijke dieren moeten op het droge gelaten of met diep water bedekt zijn, overvloedig of karig voedsel hebben gekregen,—gedurende tallooze geslachten, op regelmatig terugkeerende, van de schijngestalten der maan afhankelijke tijden. Indien derhalve de Gewervelde dieren afstammen van stranddieren, met de tegenwoordig levende Zakpijpen (Ascidiae) verwant, wordt het geheimzinnige feit verklaarbaar, dat bij de hoogere en tegenwoordig het land bewonende Gewervelde Dieren, om andere klassen niet te vermelden, vele normale en abnormale levensprocessen hun loop voleindigen volgens perioden, die van de schijngestalten der maan afhankelijk zijn. Een terugkeerende periode zou, eens verkregen zijnde, als zij bij benadering den juisten tijd duurde, voor zoover wij er over kunnen oordeelen, niet aan verandering onderhevig zijn; bijgevolg zou zij dus overgaan gedurende een bijna onbeperkt aantal generaties. Indien deze gevolgtrekking kon worden bewezen steek te houden, zou zij merkwaardig zijn; want wij zouden dan zien, dat de tijd der zwangerschap van elk zoogdier en de tijd noodig voor het uitbroeden der eieren van elken vogel, en vele andere levensprocessen, nog het oorspronkelijke vaderland dezer dieren verrieden. (20)
[365] De gewone Braziliaansche Saüba-mier (Oecodoma cephalotes).
[366] Deze Orde omvat de Herkauwende Dieren, de Anoplotheria, de Varkens en Hippopotamus (de gehoefde dieren met een even aantal vingers).
[367] Deze Orde omvat de Eenhoevigen, de Neushoorns, Tapiren, Palaeotheria, enz. (de gehoefde dieren met een oneven aantal vingers, met uitzondering der Olifantachtige Dieren).
[368] De Olifantachtige Dieren.
[369] Deze Orde omvat slechts twee fossiele geslachten (Toxodon en Nesodon).
[370] Owen’s Bruta zijn de Edentata van andere schrijvers.
[371] Men vindt Catarrhinae en Platyrrhinae in de Zoologische boeken meestal met ééne r gespeld. Volgens den stelligen regel der Grieksche taal moet echter de r in dergelijke samenstellingen, als er een korte klinker aan voorafgaat, worden verdubbeld. Eigenlijk zou men dus ook moeten schrijven Ornithorrhynchus, R. tichorrhinus enz. Wij hebben dit echter niet gedaan, daar die woorden slechts een enkele maal in dit werk voorkomen en in de soort- en geslachtnamen in de zoölogie en botanie toch allerwege de vreemdsoortigste samenstellingen en barbarismen worden aangetroffen. Bij de namen van de beide hoofdafdeelingen der apen die in dit werk en de aanteekeningen veelvuldig voorkomen en ten opzichte van het onderwerp van dit boek zoo gewichtig zijn, hebben wij gemeend ons aan den regel te moeten houden en de juiste spelling te moeten volgen.
[372] De quaestie van den tertiairen mensch kan men uitvoeriger besproken vinden in Dr. Büchner’s door mij bewerkt boekje „Feiten en Theorieën”, Amsterdam, Warendorf, 1888.
[373] Prof. Kupffer te Kiel (zie o.a. „Entwicklungsgeschichte der Ascidien” in „Archiv. f. mikroskop. Anatomie”, Bd. VII) had destijds Kowalewski’s waarnemingen omtrent de stamverwantschap tusschen Zakpijpen en Gewervelde Dieren bevestigd en uitgebreid. Eveneens is zulks gedaan door Prof. A. Giard te Rijsel („Revue Scientifique”, 11 Juillet 1874, „Compt. Rend.”, 29 Juin 1874, blz. 1860), die bij sommige Ascidiënlarven (Molgula, Cynthia) uit de chorda dorsalis ontspringende vinstralen waarnam. Ook Ussow verdedigde in „Archiv. für Naturgeschichte” 1875, blz. 1–8, de afstamming der Gewervelde Dieren van Ascidiën.
[374] Zie ook Dohrn’s Geschrift „Ueber den Ursprung der Wirbelthiere”, Leipzig 1875.
[375] „Centralblatt für die medic. Wissenschaften”, 1874, No. 35 en 52; „Die Stammesverwandtschaft der Wirbelthiere und Wirbellosen, Arbeiten des zoot. Instituts in Würzburg”, 1874, Bd. II, blz. 25.
[376] „Journal of Microscopical Science”, 1875.
[377] Verdeeling in achter elkander gelegen, gelijkwaardige segmenten.
[378] De verdere gevolgen van deze opneming, vooral met het oog op de verwantschappen met de Polyzoa (Mosdieren) en Gephyrea (Brugdieren, Sipunculaceeën) openen, gelijk R. Lankester opmerkt, een wijd veld voor de bespiegeling en daarvan uitgaand embryologisch en anatomisch onderzoek. De Gephyrea zijn van den anderen kant onmiskenbaar met Echinodermata (Holothuriën) verwant, en ook de larvevorm van een der Balanoglossus-soorten gelijkt op die der Echinodermata. Blijkt hieruit een zekere verwijderde genetische betrekking tusschen deze en de Vertebrata, waarop Lankester, gelijk wij later zullen zien, vrij sterk wijst, zoo bedenke men, dat ten slotte door de gastrula alle Metazoa verwant zijn, en het er hier meer om te doen is sommige stammen van ongewervelden uit dat algemeene verband los te maken en hun nauwere verwantschap met de gewervelden aan te toonen.
[379] Operculum is de naam dien Agassiz geeft aan het toestel dat de kieuwen der visschen beschermt. Het wezenlijke kieuwdeksel wordt gesteund door vier beenplaten: het operculum, het prae-, sub- en interoperculum; het kieuwdekselvlies door beenstralen.
[380] Van epi, op, en pleura, zijde, dus zijdelingsche plooi. De epipleurale plooi, bij den jongen Amphioxus nog afwezig, ontstaat als parig orgaan langs de voorste helft ter weêrszijden van het lichaam, en groeit benedenwaarts. Zij vormt zijdelingsche overkappingen van de mondopening, alsmede een bedekking van de talrijke kieuwspleten, en haar beide deelen groeien in de mediaanlijn aan de buikzijde te zamen tot ééne onparige plooi, behalve op één punt, dat tot den porus branchialis wordt.
[381] De in de laatste uitgaaf (1889) der „Natürl. Schöpfungsgeschichte” daarin aangebrachte veranderingen zullen wij in noten aangeven.
[382] Tot staving dezer meening voert Haeckel aan, dat de scheikundigen tal van organische verbindingen uit anorganische stoffen door zuivere synthese hebben gevormd, dat zulks derhalve ook in de natuur onder den invloed der anorganische natuurkrachten heeft kunnen geschieden, en dat op die wijze vormlooze klompjes eiwitachtige stof of Moneren kunnen zijn gevormd. Wij brengen hiertegen in, dat een vormloos klompje eiwit nog geen Moneer is. Een vormloos klompje eiwit, door synthese gevormd, zou zich niet voeden, bewegen en voortplanten, gelijk de Moneren volgens Haeckel doen; het zou, aan zich zelf overgelaten, verrotten en te gronde gaan. Ook komt het ons voor, dat de bekende proeven van Pasteur krachtig tegen het bestaan van de generatio spontanea, ten minste van wezens als de voor ons waarneembare, pleiten; wel is waar merkt Haeckel op, dat deze proeven betrekking hebben op de spontane vorming van organismen in vloeistoffen die organische stoffen bevatten (Plasmogenie), terwijl de door hem bedoelde generatio spontanea betrekking heeft op de vorming van organismen in anorganische vloeistoffen (Autogenie); maar wij meenen, dat wanneer zich niet eens spontaan organismen vormen in vloeistoffen die in overvloed de verbindingen bevatten, waaruit organismen bestaan, het al zeer onwaarschijnlijk is, dat zij zullen ontstaan in vloeistoffen waarin die verbindingen ontbreken! Ook is protoplasma geenszins eenvoudig eiwit, maar een zeer samengesteld mengsel van een groot aantal organische verbindingen (zie „Alb. d. Nat.”, 1882, blz. 384). Daarenboven valt niet te betwijfelen, dat ook het protoplasma een zeer ingewikkelde organisatie en bepaalde organen bezit, en alleen de onvolkomenheid onzer hulpmiddelen belet ons die in al haar fijnheid te leeren kennen. (Vergelijk Prof. H. de Vries, „Intracellulaire Pangenesis”, Jena, 1889.)
De Moneren zelven houden wij niet voor zelfstandige wezens, daar niet het protoplasma, maar de kern het oorspronkelijkste deel van de cel schijnt te zijn (vergelijk onze aanteekening, blz. 194 en 195, Deel II, van het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”) en de kern voor de voortplanting onmisbaar schijnt te zijn. Het protoplasma bezit, behalve de physische en chemische, ook historische eigenschappen, zonder welke de erfelijkheid onverklaarbaar is. Aan de morphologische deeltjes, die de dragers der erfelijke eigenschappen zijn, geeft de Vries, gelijk wij in een aanteekening in het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten” Deel II, blz. 464, hebben medegedeeld, den naam van pangenen. Zij zijn niet identiek met de physico-chemische moleculen, maar daaruit opgebouwd en in de kern der cellen opgehoopt. Die kern is voor het leven der cel onmisbaar; gaat zij te gronde, dan sterft de cel weldra. Splitst men een cel zoo, dat de kern intact blijft, dan gaat het kernlooze deel spoedig te gronde. Wordt ook de kern bij het splitsen verdeeld, dan openbaart zich weldra in beide deelen het normale leven, de groei en de voortplanting! Het werkelijk bestaan van Haeckel’s Moneren, d.i. kernlooze naakte cellen, komt ons dus, zoowel tegenwoordig als in het verleden, hoogst onwaarschijnlijk voor. Zijn Bathybius is reeds gebleken geen levend wezen te zijn, maar slechts een neerslag van zwavelzure kalk in een fleschje waarin men andere organismen bewaarde, en ook het bestaan der andere Protamoeben komt ons zeer problematisch voor. De ontwikkelingstrap Moneren moet dus o.i. geheel vervallen. Wat ook ooit door Plasmogenie of Autogenie mag ontstaan, het kunnen onmogelijk Moneren of Amoeben zijn, maar hoogstens veel kleinere oorspronkelijke organische wezentjes, wier grootte ver beneden de grens van het door het sterkste microscoop zichtbare staat en die veel minder samengesteld van bouw en chemische constitutie zijn, dan de eenvoudigste ons bekende organismen. Die organische wezentjes zouden wellicht eeuwen noodig hebben, eer er zich vormen uit hadden ontwikkeld, met de moneren, bacillen enz. overeenkomstig, en groot genoeg om door ons met optische en andere hulpmiddelen te worden gezien en onderzocht. Zij zouden nog geen historische eigenschappen bezitten, maar die langzamerhand in den loop der generaties verkrijgen, naarmate zij in grootte toenamen en oorspronkelijk slechts de waarde van eenvoudige pangenen hebben. Een dergelijk denkbeeld is ook door Naegeli uitgesproken (vergelijk: Dr. Büchner, „Feiten en Theorieën”, bewerkt door Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen, Amsterdam Warendorf, blz. 279–282, waar men ook uiteengezet zal vinden, waarom ook de kosmische hypothese, volgens welke de kiemen der organismen uit de wereldruimte of van andere hemellichamen tot ons zouden zijn gekomen, ons causaliteitsgevoel volkomen bevredigt).
[383] Van daar wordt in de 8ste uitgaaf van Haeckel’s „Natürl. Schöpfungsgeschichte”, 1889, deze trap Moraeaden genoemd.
[384] Overeenkomende met den ontwikkelingstrap van het bevruchte ei, dien men Blastala noemt. Van daar heet deze trap in de 8ste uitgaaf der „Natürl. Schöpfungsgeschichte”, 1889, Blastaeaden.
[385] De zevende en achtste trap worden dan ook in de 8ste uitgaaf der „Natürl. Schöpfungsgeschichte” vervangen door:
Zevende trap: Nemertinen of Snoerwormen.
Achtste trap: Enteropneusta of Eikelwormen (tot deze afdeeling behoort ook Balanoglossus).
Negende trap: Prochordonia of Oerchordadieren. De sedert lang uitgestorven gemeenschappelijke stamgroep der Manteldieren en Gewervelde Dieren.
De Schedelloozen of Acraniën worden nu de tiende trap enz.
[386] Tusschen dezen trap en den volgenden wordt in de 8ste uitgaaf der „Natürl. Schöpfungsgeschichte”, 1889, nog ingelascht een nieuwe trap, die der Ganoïden of Emailvisschen. Deze groep, die eens zeer talrijk was, wordt in de levende schepping nog slechts door weinige vormen (Lepidosteus, Polypterus, Amia, Accipenser, waartoe de steur behoort, en Spatularia) vertegenwoordigd. Een andere, nauw met de Dipneusten verwante groep van visschen, de Crossopterygii, zou wellicht bestanddeelen van de groep rechtstreeksche voorouders van den mensch bevatten. De Dipneusten worden nu de veertiende trap.
[387] De dertiende, veertiende en vijftiende trap komen in de 8ste uitgaaf der „Natürl. Schöpfungsgeschichte”, 1889, als vijftiende, zestiende en zeventiende trap voor onder nieuwe namen, namelijk:
Vijftiende trap: Stegocephalen of Amphibieën met blijvende kieuwen; onze oudste voorouders uit de klasse der Amphibieën zouden tot de Stegosauriërs hebben behoord, en waarschijnlijk uit de groepen der Archegosauriërs en Branchiosauriërs.
Zestiende trap: Salamandrinen of Gestaarte Amphibieën.
Zeventiende trap: Proreptiliën of Protamniën. Verwant met de fossiele Protecosauriërs en de levende Hatteria.
Nu volgt een nieuwe
Achttiende trap: Zoogdier-reptielen of Theriosauriërs. Van deze groep zijn verschillende fossiele leden bekend.
De Stamzuigers of Promammaliën (boven de zestiende trap) worden thans de negentiende trap, zoodat er in het geheel vijf-en-twintig trappen (in plaats van twee-en-twintig) worden genoemd.
[388] Lang dacht men, dat zij tegenwoordig geheel tot Nieuw-Holland beperkt waren, wat voor Ornithorhynchus ook het geval schijnt te zijn. Van Echidna is echter tegenwoordig ook een op Nieuw-Guinea levende soort ontdekt.
[389] In de 8ste uitgaaf der „Natürl. Schöpfungsgeschichte” 1889, worden de Half-Apen of Prosimiën slechts als de voorouders der Lemuriden, der ware Apen en van den Mensch beschouwd.
[390] Merkwaardig is het, dat zij daarbij (ibid., blz. 148) de zelfde opmerking maakt, die ook Darwin is ingevallen, omtrent het zoogen der jongen door het mannetje: „Cependant il prend grand soin de sa progéniture: si la mère lui donne la naissance, le mâle contribue avec elle á la nourrir, car ses mammelles sont encore lactifères.”
Dr. E. Krause te Berlijn (Carus Sterne) komt in Humboldt, Juni 1888, blz. 236, met heftigheid op tegen de onderstelling dat bij de zoogdieren ooit de mannetjes de jongen zouden hebben gezoogd. „Met het zelfde recht”, zegt hij, „als men uit de tepels van den man besluit, dat zijn stamvorm de jongen mede heeft gezoogd, zou men uit zijn rudimentaire baarmoeder (de recula prostatica) kunnen besluiten, dat vroeger niet de vrouwen, maar de mannen de kinderen ter wereld hebben gebracht; want dit orgaan behoort geheel en al tot de zelfde categorie van organen die door overerving van de eene sekse op de andere zijn overgebracht, als de borstklieren.”
[391] Ik geloof de Nederlandsche lezers van Darwin’s „Afstamming van den Mensch” geen ondienst te doen door aan dit Hoofdstuk als bijlage toe te voegen de stellingen, door den toenmaligen nestor van Nederlands dierkundigen in de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Nat. Afd., zitting van 25 Februari 1871, bij gelegenheid, dat hij de eerste uitgaaf van mijn bewerking van Ch. Darwin’s „Afstamming van den Mensch” aan die Akademie aanbood, voorgedragen, en waarin de toenmalige stand van het vraagstuk in korte, duidelijke, algemeene trekken wordt weêrgegeven. Zijn Hoog Geleerde was zoo welwillend mij te veroorloven, die stellingen in mijne bewerking van Darwin’s boek over te drukken.
Dr. H. H. H. v. Z.
[392] Dit moet niet zoo worden verstaan dat de door de levensomstandigheden rechtstreeks ontstane veranderingen erfelijk zijn, maar dat door de natuur steeds die variaties in den levensstrijd worden begunstigd, welke het geschiktst zijn voor de levensomstandigheden.
Dr. H. H. H. v. Z.
[393] Deze volzin bevat een denkbeeld, dat geheel in strijd is met latere theorieën hieromtrent. Zie mijn opstel over het oorspronkelijk vaderland van den mensch, achter Hoofdstuk VII geplaatst.
Dr. H. H. H. v. Z.
[394] Wij verwijzen naar aant. 15, blz. 297, waar de verwantschap tusschen den mensch en de Ascidiën, in verband met latere denkbeelden, uitvoerig wordt besproken. De Ascidiën zijn een gedegenereerde zijtak der Chordadieren, maar behooren niet tot de hoofdafstammingslijn der Gewervelde Dieren.
Dr. H. H. H. v. Z.
[395] Dit is ongetwijfeld waar, wanneer men de geestvermogens in rekening brengt. Laat men deze echter buiten rekening, stelt men zich op zuiver anatomisch en zoölogisch standpunt, dan schijnt het mij niet twijfelachtig, dat b.v. de kloven tusschen de Catarrhinen, de eigenlijke Platyrrhinen of Hesperopitheci en de Hapaliden, en vooral tusschen de Ware Apen en de Lemuriden of Prosimiae (welke groepen allen door geen levende tusschenvormen zijn verbonden) grooter zijn, dan die tusschen de hoogste vormen der Catarrhinen en den mensch.
Dr. H. H. H. v. Z.
[396] „History of India”, 1841, vol. I, blz. 323. Pater Ripa maakt volkomen de zelfde opmerking ten opzichte van de Chineezen.
[397] Een zeer groot aantal metingen van blanken, zwarten en Indianen worden medegedeeld in de „Investigations in the Military and Anthropolog. Statistics of American Soldiers”, door B. Gould, 1859, blz. 228–358; over de grootte der longen, blz. 471. Zie ook de talrijke en belangrijke tabellen, door Dr. Weisbach, van de waarnemingen van Dr. Scherzer en Dr. Schwarz in de „Reise der Novara; Anthropolog. Theil”, 1867.
[398] Zie, bij voorbeeld, de mededeeling van den heer Marshall over de hersenen van een vrouwelijke Bosjesman, in „Phil. Transact.” 1864, blz 519.
[399] Wallace, „The Malay Archipelago”, vol. II, blz. 178.
[400] Ten opzichte der beelden in de beroemde Egyptische grotten van Aboe Simbel, zegt de heer Pouchet („The Plurality of the Human Races”, Eng. vert. 1864, blz. 50), dat hij ver was van herkenbare afbeeldingen te vinden van de twaalf of meer volken welke sommige schrijvers beweren te kunnen herkennen. Zelfs sommigen van de meest sterk geteekende rassen kunnen niet tot thans levende worden teruggebracht met die mate van eenstemmigheid, die men zou mogen verwachten na hetgeen over dit onderwerp is geschreven. Zoo getuigen de heeren Nott en Gliddon („Types of Mankind”, blz. 148), dat Rhamses II, of de Groote, prachtige Europeesche gelaatstrekken heeft, terwijl Knox, een ander krachtig voorstander van het soortelijk verschil der menschenrassen, („Races of Man”, 1850, blz. 201), van den jongen Memnon sprekende (de zelfde persoon als Rhamses II, naar de heer Birch mij verzekert), er zeer sterk op drukt, dat hij in uiterlijk voorkomen gelijkt op de Antwerpsche Joden. Toen wij in het Britsch Museum met twee bevoegde rechters, die aan die inrichting waren geplaatst, het standbeeld van Amenophis III beschouwden, waren wij het allen daarover eens, dat de vorm van zijn gelaat zeer met dien van een neger overeenkwam. De heeren Nott en Gliddon (ibid., blz. 146, fig. 53) beschrijven hem echter als: „een bastaard, doch zonder inmenging van negerbloed.” (4)
[401] Aangehaald door Nott en Gliddon, „Types of Mankind”, 1854, blz. 439, Zij bekrachtigen dit ook met bewijzen; maar C. Vogt meent, dat dit punt nog nader onderzoek vereischt.
[402] „Diversity of Origin of the Human Races”, in de „Christian Examiner”, Juli 1850.
[403] „Transact. R. Soc. of Edinburg”, vol. XXII, 1861, blz. 567.
[404] „On the Phenomena of Hybridity in the Genus Homo”, Eng. vert. 1864.
[405] Zie den belangwekkenden brief van den heer T. A. Murray in de „Anthropolog. Review”, April, 1868, blz. LIII. In dezen brief wordt de juistheid der bewering van Graaf Strzelecki, dat Nieuw-Hollandsche vrouwen die kinderen hebben voortgebracht bij blanke mannen, daarna onvruchtbaar zijn met haar eigen ras, ontkend. De heer A. de Quatrefages heeft („Revue des Cours Scientifiques”, Maart 1869, blz. 239) ook vele bewijzen verzameld, dat Nieuw-Hollanders en Europeanen niet onvruchtbaar zijn, als zij zich met elkander kruisen.
[406] „An Examination of Prof. Agassiz’s Sketch of the Nat. Provinces of the Animal World”, Charleston, 1855, blz. 44.
[407] „Military and Anthopolog. Statistics of American Soldiers” door B. A. Gould, 1869, blz. 319.
[408] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz. 371, 224, Deel II, blz. 97. Ik moet hier den lezer herinneren, dat de onvruchtbaarheid van soorten bij kruising geen afzonderlijk verkregen hoedanigheid is; maar evenals de onvatbaarheid van sommige boomen om op elkander te worden geënt, van andere verkregen verschillen afhangt. De aard van deze verschillen is onbekend, maar zij hebben meer in het bijzonder op het voortplantingsstelsel en veel minder op het uitwendig maaksel of gewone verschillen in gestel betrekking. Eén belangrijk element voor de onvruchtbaarheid van gekruiste soorten ligt blijkbaar daarin, dat een of beide lang zijn gewend aan vaste levensvoorwaarden; want wij weten, dat veranderde levensvoorwaarden een bijzonderen invloed hebben op het voortplantingsgestel, en wij hebben goede gronden om aan te nemen (zooals vroeger is opgemerkt), dat de afwisselende levensvoorwaarden bij de temming een neiging doen geboren worden tot opheffing van die onvruchtbaarheid, welke zoo algemeen is bij de kruising van soorten in den natuurstaat. Elders (ibid. Deel II, blz. 185–191, en „Ontstaan der Soorten”, 3de Ned. Uitgaaf, blz. 425) is door mij aangetoond, dat de onvruchtbaarheid van gekruiste soorten niet is verkregen door natuurlijke teeltkeus (9); wij kunnen inzien, dat het, wanneer twee vormen reeds zeer onvruchtbaar zijn gemaakt, nauwelijks mogelijk is, dat hun onvruchtbaarheid zou toenemen door het behouden blijven of het overleven der meer en meer onvruchtbare individu’s; want als de onvruchtbaarheid vermeerdert, zullen er hoe langer hoe minder nakomelingen worden geboren, die zich kunnen voortplanten, en ten laatste zullen er slechts enkele individu’s met groote tusschenruimten worden geboren. Er bestaat echter nog een grooter graad van onvruchtbaarheid. Zoowel Gärtner als Kölreuter hebben bewezen, dat bij geslachten van planten, die talrijke soorten bevatten, een reeks kan worden gevormd van soorten die bij kruising hoe langer hoe minder zaden voortbrengen, tot soorten die nimmer een enkel zaad voortbrengen, maar op welke toch het stuifmeel van de andere soorten nog invloed uitoefent; want de kiem zwelt op. Hier is het klaarblijkelijk onmogelijk om de onvruchtbaarste individu’s, die reeds hebben opgehouden zaden te geven, voor de voortplanting uit te kiezen; zoodat het toppunt van onvruchtbaarheid, waarbij alleen de kiem wordt aangedaan, niet door teeltkeus kan worden verkregen. Dit toppunt, en ongetwijfeld ook de andere graden van onvruchtbaarheid, zijn toevallige gevolgen van zekere onbekende verschillen in den aard van het voortplantingsstelsel der soorten die worden gekruist.
[409] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 75–78.
[410] De heer Quatrefages heeft („Anthropological Review”, Jan. 1869, blz. 22) een belangwekkende mededeeling gedaan over het succes en de energie van de Paulista’s in Brazilië, die een gekruist ras van Indianen en Portugeezen zijn met inmenging van het bloed van andere rassen.
[411] Bij voorbeeld bij de inboorlingen van Amerika en Nieuw-Holland. Prof Huxley zegt („Transact. Internat. Congress of Prehist. Arch.”, 1868, blz. 105), dat „de schedels van vele Zuid-Duitschers en Zwitsers even kort en breed zijn als die der Tartaren” enz.
[412] Zie een goede beschouwing hierover bij Waitz, „Introduct. to Anthropology”, Eng. translat. 1863, blz. 198–208, 227. Ik heb eenige der bovenvermelde mededeelingen ontleend aan H. Tuttle’s „Origin and Antiquity of Physical Man”, Boston, 1866, blz. 35.
[413] Prof. Nägeli heeft verschillende treffende gevallen zorgvuldig beschreven in zijn „Botanische Mittheilungen”, Bd. II, 1866, blz. 291–369. Prof. Asa Gray heeft overeenkomstige opmerkingen gemaakt omtrent sommige tusschenvormen bij de Saâmgesteldbloemige Planten (Compositae) van Noord-Amerika.
[414] „Ontstaan der Soorten”, 3de Ned. Uitgaaf, blz. 101.
[415] Zie hierover Prof. Huxley in de „Fortnightly Review”, 1865, blz. 275.
[416] „Lectures on Man”, Eng. vert. 1863, blz. 468.
[417] „Die Racen des Schweines”, 1860, blz. 46. „Vorstudiën für Geschichte, enz. Schweineschädel”, 1864, blz. 104. Ten opzichte van het vee, de Quatrefages, „Unité de l’Espèce Humaine”, 1861, blz. 119.
[418] Tylor’s „Early History of Mankind”, 1865; omtrent het bewijs ten opzichte van gebarentaal, zie blz. 54, Lubbock’s „Prehistoric Times”, 2nd edit. 1869.
[419] „The Primitive Inhabitants of Scandinavia”, Eng. vert., uitgegeven door Sir J. Lubbock, 1868, blz. 104.
[420] Hodder W. Westropp, „On Cromlechs”, enz., „Journal of Ethnological Soc.”, aangehaald in „Scientific Opinion”, 2 Juni 1862, blz. 3.
[421] „Journal of Researches: Voyage of the „Beagle””, blz. 46.
[422] „Prehistoric Times”, 1869, blz. 574.
[423] Vertaling in „Anthropological Review”, Oct. 1866, blz. 431.
[424] „Transact. Internat. Congress of Prehistoric Arch.”, 1866, blz. 172–175. Zie ook Broca (vertaling) in „Anthropological Review”, Oct. 1886, blz. 410.
[425] Dr. Gerland, „Ueber das Aussterben der Naturvölker”, 1868, blz. 82.
[426] Gerland (ibid. blz. 12) geeft feiten tot ondersteuning van deze bewering.
[427] Zie opmerkingen hierover in Sir H. Holland’s „Medical Notes and Reflections”, 1839, blz. 390.
[428] Ik heb („Journal of Researches, Voyage of the „Beagle””, blz. 435) een aanmerkelijk aantal gevallen verzameld, die op dit onderwerp betrekking hebben. Zie ook Gerland, ibid. blz. 8. Poeppig spreekt van den „voor wilden vergiftigen adem der beschaving”.
[429] Sproat, „Scenes and Studies of Savage Life”, 1868, blz. 284.
[430] Bagehot, „Physics and Politics”, „Fortnightly Review”, 1 April, 1868, blz. 455.
[431] Alle hier gegeven bijzonderheden zijn ontleend aan „The last of the Tasmanians” door J. Bonwick, 1870.
[432] Volgens een mededeeling van den gouverneur van Tasmania, Sir W. Denison, „Varieties of Vice Regal Life”, 1870, vol. I, blz. 67.
[433] Voor deze gevallen, zie Bonwick’s „Daily Life of the Tasmanians”, 1870, blz. 90; en de „Last of the Tasmanians”, 1870, blz. 386.
[434] „Observations on the Aboriginal Inhabitants of New-Zealand” uitgegeven door de Regeering, 1859.
[435] „New-Zealand”, door Alex. Kennedy, 1873, blz. 47.
[436] „Life of J. C. Patterson”, door C. M. Younge, 1874; zie meer in het bijzonder vol. I, blz. 530.
[437] De bovenstaande opgaven zijn hoofdzakelijk ontleend aan de werken: Jarves, „History of the Hawaiian Islands”, 1843, blz. 400–407. Cheever, „Life in the Sandwich Islands”, 1851, blz. 277. Ruschenberger wordt aangehaald door Bonwick, „Last of the Tasmanians”, 1870, blz. 378. Bishop wordt aangehaald door Sir E. Belcher, „Voyage Round the World”, 1843, vol. I, blz. 272. Ik ben de resultaten van de volkstelling der verschillende jaren verschuldigd aan de vriendelijkheid van den heer Coan, door tusschenkomst van Dr. Youmans van New-York; en in de meeste gevallen heb ik de cijfers van Youmans vergeleken met die, welke in verschillende der bovengenoemde werken werden medegedeeld. Ik sloeg de volkstelling van 1850 over, daar ik zag, dat er twee zeer verschillende getallen werden opgegeven.
[438] „The Indian Medical Gazette”, Nov., 1871, blz. 40.
[439] Over de nauwe verwantschap tusschen de Norfolk-eilanders, zie Sir W. Denison, „Variaties of Vice-Regal Life”, vol. I, 1870, blz. 410. Voor de Toda’s, zie Kolonel Marshall’s werk, 1873, blz. 110. Voor de eilanden bewesten Schotland, Dr. Mitchell, „Edinburgh Medical Journal”, Maart tot Juni, 1865.
[440] Voor bewijzen hiervan, zie „Varieeren der Huisdieren” enz., Deel II, blz. 100, 147–166.
[441] „Varieeren der Huisdieren” enz., Deel I, blz. 162.
[442] Deze bijzonderheden zijn ontleend aan „The Mutineers of the „Bounty””, door Lady Belcher, 1870; en aan „Pitcairn Island”, tot het drukken waarvan het House of Commons den 29sten Mei last gaf. De daarop volgende opgaven omtrent de Sandwich-eilanden zijn uit de „Honolulu Gazette” en van den heer Coan.
[443] „On Anthropology”, Eng. vertaling, „Anthropolog. Review”, Jan. 1868, blz. 38.
[444] „The Annals of Rural Bengal”, 1868, blz. 134.
[445] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 67–73 (18).
[446] Pallas, „Act. Acad. St. Petersburgh”, 1870, part II, blz. 69. Hij werd gevolgd door Rudolphi in zijn „Beiträge zur Anthropologie”, 1812. Een uitnemend overzicht der bewijzen wordt gegeven door Godron, „De l’Espèce”, 1859, vol. II, blz. 146 enz.
[447] Sir Andrew Smith, aangehaald bij Knox, „Races of Man”, 1850, blz. 473.
[448] Zie hierover Quatrefages, „Revue des Cours Scientifiques”, Oct. 17, 1868, blz. 731.
[449] Livingstone’s „Travels and Researches in S. Africa”, 1857, blz. 338, 329. D’Orbigny, aangehaald bij Godron, „De l’Espèce”, vol II, blz. 266.
[450] Zie een verhandeling, voorgedragen in de Royal Soc. in 1813 en in zijn „Essays” uitgegeven. Ik heb een overzicht van de beschouwingen van Dr. Wells gegeven in de „Historische Schets” (blz. XVI) die bij mijn „Ontstaan der Soorten” behoort (zie „Ontstaan der Soorten”, 3de Ned. Uitg., blz. 28). Verschillende voorbeelden van het verband tusschen kleur en bijzonderheden van gestel zijn gegeven in mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 389–391.
[451] Zie b.v. Nott en Gliddon, „Types of Mankind”, blz. 68.
[452] Majoor Tulloch in een verhandeling, voorgedragen voor de „Statistical Society”, 20 April 1848, en uitgegeven in het „Athenaeum”, 1840, blz. 353.
[453] „The Plurality of the Human Races”, Eng. vertaling, 1864, blz. 60.
[454] Quatrefages, „Unité de l’Espèce Humaine”, 1861, blz. 205. Waitz, „Introduct. to Anthropology”, vertaling vol. I, 1863, blz. 124. Livingstone geeft overeenkomstige gevallen in zijn „Travels.”
[455] In de lente van het jaar 1862 kreeg ik verlof van den Directeur-Generaal van het Geneeskundig Departement van het Leger, om aan de Officieren van Gezondheid van de verschillende regimenten die voor den dienst in het buitenland waren bestemd, een oningevulde tabel te zenden met bijvoeging der volgende opmerking, maar ik kreeg er geen terug: „Daar bij onze huisdieren verschillende sterk sprekende voorbeelden zijn opgeteekend van een samenhang tusschen de kleur der huidaanhangsels en het gestel; en daar het bekend is, dat er een beperkte mate van betrekking bestaat tusschen de kleur der menschenrassen en het door hen bewoond klimaat, schijnt het volgend onderzoek der overweging waardig. Of er namelijk bij Europeanen eenige betrekking bestaat tusschen de kleur van het haar en hun vatbaarheid voor de ziekten van tropische landen. Indien de Officieren van Gezondheid van de verschillende regimenten, als zij in ongezonde tropische streken verblijf houden, zoo goed wilden zijn, eerst, als maatstaf van vergelijking, te tellen, hoevele manschappen bij de militaire macht, waarvan de zieken afkomstig zijn, donker en licht gekleurd haar en haar van tusschenbeide liggende of twijfelachtige kleur hadden, en indien dan een dergelijke aanteekening werd gehouden door de zelfde heeren geneeskundigen van al de manschappen die aan moeraskoortsen en gele koorts of aan dissenterie leden, zou het spoedig blijken, nadat eenige duizenden gevallen in tabel waren gebracht, of er eenig verband bestaat tusschen de kleur van het haar en de constitutioneele vatbaarheid voor tropische ziekten. Wellicht zou geen dergelijke betrekking worden ontdekt, maar het onderzoek is wel waard om te worden ingesteld. In geval het eene of andere positieve resultaat werd verkregen, zou zulks eenig praktisch nut kunnen hebben bij het uitkiezen van manschappen voor den eenen of anderen bijzonderen dienst. Theoretisch zou het resultaat van hoog belang zijn, daar het een der oorzaken zou aanwijzen, waardoor een menschenras dat sinds zeer langen tijd een ongezond tropisch klimaat bewoonde, donker gekleurd zou kunnen zijn geworden, doordat de individu’s met donkere haren of donkere huid gedurende een langer opeenvolging van generaties beter zouden zijn bewaard gebleven.”
[456] „Anthropological Review”, Jan. 1866, blz. XXI. Dr. Sharpe zegt ook ten opzichte van Indië („Man a Special Creation”, 1873, blz. 118), dat door sommige officieren is opgemerkt, „dat Europeanen met licht haar en blozende aangezichten minder hebben te lijden van ziekten der tropische gewesten dan personen met donker haar en bleeke gelaatskleur; en zoover ik weet, schijnen er goede gronden voor deze opmerking te zijn.” Daarentegen is de heer Heddle, van Sierra Leone, „onder wien meer klerken zijn gestorven dan onder eenig ander”, door het klimaat der westkust van Afrika (W. Reade, „African Sketch Book”, vol. II, blz. 522), van een juist tegenovergestelde meening, evenals ook Kapitein Burton.
[457] „Man a Special Creation”, 1873, blz. 119.
[458] „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 242 v.v., 389–391.
[459] Zie, bij voorbeeld, Quatrefages („Revue des Cours Scientifiques”, 10 Oct. 1868, blz. 724) over de gevolgen van een verblijf in Abessinië en Arabië en andere dergelijke gevallen. Dr. Rolle („Der Mensch, seine Abstammung”, enz. 1865, blz. 99) deelt op autoriteit van Khanikof mede, dat het grootste gedeelte der in Georgië gevestigde Duitsche familiën in den loop van twee generaties donker haar en donkere oogen hebben verkregen. De heer D. Forbes deelt mij mede, dat de Quichua’s der Andes zeer in kleur verschillen, al naar de ligging der valleien die zij bewonen.
[460] Harlan, „Medical Researches”, blz. 532. Quatrefages („Unité de l’Espèce Humaine”, 1861, blz. 128) heeft vele bewijzen daarvoor bijeengezameld.
[461] Zie Prof. Schaaffhausen, Eng. vertaling, in „Anthropological Review”, Oct. 1868.
[462] De heer Catlin getuigt („N. American Indians”, 3de edit. 1842, vol. I, blz. 49) dat bij den geheelen stam der Mandanen ongeveer één van elke tien of twaalf leden van alle leeftijden en beide seksen glanzig zilverachtig grijs haar had, hetgeen erfelijk was. Dit haar nu was even grof en hard als paardenhaar, terwijl het haar van andere kleuren fijn en zacht was.
[463] Over den geur der huid, Godron, „Sur l’Espèce”, tom. II, blz. 217. Over de poriën der huid, Dr. Wilckens, „Die Aufgaben der landwirth. Zootechnik”, 1869, blz. 7.
[464] Deze personen zijn vergezeld van hun kudden, die uit ezels, antilopen en steenbokken bestaan; 3000 jaren v. Chr. bestonden dus de kudden grootendeels uit diersoorten die thans niet in getemden toestand voorkomen of niet meer in kudden worden gehouden, terwijl schapen, geiten, runderen, paarden en kameelen ontbraken, dat thans de voornaamste tamme dieren uit Egypte zijn.
[465] Ofschoon dit a priori hoogst waarschijnlijk is, daar de omstandigheden waaronder het dier leefde, sedert de oudste dynastieën wel degelijk geheel dezelfde zijn gebleven! Ieder die Egypte, vooral Opper-Egypte, heeft bezocht, in welke laatste streek het bouwland slechts een smalle strook vormt tusschen twee woestijnen, die nimmer bebouwd zijn geweest, en geheel in het klimaat dier woestijnen deelt, zal zulks toegeven.
[466] Men vergelijke S. B. Sketchley, „On the Occurrence of Stone Mortars in the ancient river-gravels of Butte-County (California)”, in „Journ. of the Anthrop. Institute of Great Britain and Ireland”, 1889, blz. 332. De geheele tertiaire steentijd wordt tegenwoordig door de Mortillet eolithische periode genoemd, een slecht gekozen naam! Wij zouden liever spreken van een pliolithische, miolithische en eolithische periode, al naar de bewerkte vuursteenen in pliocene of eventueel in miocene of eocene lagen waren gevonden.
Omtrent de in onze aanteekening 22, blz. 43, vermelde indeeling der voorhistorische tijden in steen-, brons- en ijzertijd (in 1836 in de wetenschap ingevoerd door den Deenschen oudheidkundige Thomsom, op grond zijner studiën in het rijke museum van oudheden te Kopenhagen), wenschen wij hier nog mede te deelen, dat in de laatste jaren van verschillende zijden in twijfel is getrokken, of zelfs ontkend, dat men van een bepaalden bronstijd mag spreken, en beweerd, dat de kennis van het ijzer ouder was dan die van het brons. Men vergelijke: R. Andree, „Die Metalle bei den Naturvölkern”, Leipzig, 1884; Dr. L. Beck, „Die Geschichte des Eisens”, Braunschweig, Vieweg, 1885; Dr. M. Alsberg, „Die Anfänge der Bronzecultur”, Berlin, 1885; Dr. A. J. C. Snijders, „De oorsprong der menschelijke nijverheid” (Slot), in den „Tijdspiegel” van Maart, 1891. Men zie omtrent den bronstijd en den tusschen dezen en den steentijd te plaatsen kopertijd echter ook Prof. R. S. Tjaden Modderman in „Album der Natuur”, 1891, blz. 81.
[467] „Revue d’Anthropologie”, 1889, blz. 75.
[468] „Archiv für Anthropologie”, 1889, blz. 375.
[469] Omstreeks 1000 n. Chr. vonden de Noormannen aan den Atlantischen Oceaan in het tegenwoordige Canada en de noordelijke Vereenigde Staten de zoogenaamde „Skraelinger”, naar de beschrijving stellig Eskimo’s. Na het terugvinden van Amerika door Columbus vonden de Franschen en Engelschen in die zelfde streken Roodhuiden, die dus tusschen 1000 en 1500 de Eskimo’s daar moeten hebben verdrongen.
Soren Hanssen onderstelt, dat de Eskimo’s over den Stillen Oceaan, de stamouders der Roodhuiden over de Behringstraat Amerika zijn binnengedrongen. Met deze stellingen kan ik mij, om later te vermelden redenen, volstrekt niet vereenigen, vooral met de eerste niet.
[470] „Les Hottentots au Jardin d’Acclimatation”, en „La Stéatopygie des Hottentots”, beide in de „Revue d’Anthropologie”, 1889, blz. 15 en 194.
[471] Deze wordt wegens den aard van zijn haar door Haeckel als nauwer met de Dravida’s, Nubiërs en zelfs Middellanders verwant beschouwd dan met de wolharige Papoea’s, Hottentotten, Kaffers en Negers. Wij zouden eer geneigd zijn hem als nauw verwant met deze laatsten, vooral met de Papoea’s te beschouwen en achten de geaardheid van het haar alleen niet zulk een belangrijk kenmerk als de kleur, schedelvorm, schedelgrootte enz te zamen.
[472] In het laatste geval zijn zij wellicht te verklaren als terugslag (atavisme) tot het type van een voorvader van het blanke ras, en zijn gelijk te stellen met de in Hoofdstuk II van dit werk vermelde aapachtige afwijkingen van het spierstelsel. Op het merkwaardige feit van de algemeene dolichocephalie der oorspronkelijke Afrikanen en der Afrikaansche anthropomorphen, in tegenoverstelling van de brachycephalie der Maleiers en Mongolen en der Aziatische anthropomorphen is reeds vroeger, aant. 10, blz. 294, gewezen.
[473] Zij komen in grooten getale voor in landen waar nimmer Kelten hebben gewoond, en de Fransche zijn zeker ouder dan de Keltische tijd. Zie mijn artikel: „Wie waren de stichters der Drenthsche hunebedden?” in den „Nieuwen Drenthschen Volksalmanak”, jaargang 1886.
[474] Men vergelijke over de wijze, waarop de hunebedden zijn gebouwd, ook het slot van mijn artikel: „Hunebedden in Noordwest-Duitschland” in „Nieuwe Drenthsche Volksalmanak”, 1891, blz. 152.
[475] De overste Yole, die in 1844, en de botanist J. Hooker, die in 1866 deze Khasia’s bezocht, vermelden beiden ook hun megalithische monumenten. Het woord men komt menigmaal in den naam hunner dorpen voor, evenzeer als dit het geval is in Bretagne, Wales en Cornwallis. Mensmaï duidt in het Khasiaansch een eed of zweersteen aan; menflong een begraasden steen; memloe een zoutsteen. De Khasia’s bewonen een deel der bergstreken die ten oosten van de Brahmapoetra liggen. Zij zijn nimmer in gemeenschap met de Hindoe’s geweest en behooren tot de vóór-Arische bewoners van Indië. Zij hebben zeer geringe en verwarde godsdienstige begrippen en staan op een zeer lagen trap van ontwikkeling. Hun uit steen en bamboes samengestelde hutten zijn even armoedig als zij zelven zijn.
Witkamp vermeldt in zijn Geschiedenis der XVII Nederlanden deze Khasia’s en schat den ouderdom onzer hunebedden op minstens 2500 jaren, mogelijk zelfs op 30, 35 of meer eeuwen. Naar mijn gevoelen zijn zij echter waarschijnlijk nog veel ouder, hetgeen daarmede samenhangt, dat Witkamp het Volk der Dolmen uit Indië naar Europa laat trekken, juist omgekeerd als ik.
[476] Schedels van Engis, Neanderthal, Eguisheim, Gibraltar enz. (ras van Chelles, oudste steentijd).
[477] Schedel van Florence (oudste steentijd).
[478] Schedels van Eyzies, Cro Magnon, Furfooz enz. (middelste steentijd); Borreby enz. (jongste steentijd).
[479] „Die Grosshirn-Windungen des Menschen.” „Abhandlungen der K. Bayerischen Akademie”, Bd. X, 1868.
[480] „Convolutions of The Human Cerebrum Topographically Considered” 1866, blz. 12.
[481] Aanteekeningen meer bijzonder over de overbruggende windingen in de, hersenen van den chimpanzee, „Proceedings of the Royal Society of Edinburgh”, 1865–66.
[482] Flower, „On the Anatomy of Pithecia Monachus”, „Proceedings of the Zoological Society”, 1862.
[483] „Man’s Place in Nature”, blz. 102.
[484] „Transactions of the Zoological Society”, vol. V, 1862.
[485] „Chez tous les singes les plis postérieurs se développent les premiers; les plis antérieurs se développent plus tard; aussi la vertébre occipitale et la pariétale sont elles relativement très grandes chez le foetus. L’Homme présente une exception remarquable quant à l’époque de l’apparition des plis frontaux, qui sont les premiers indiqués; mais le développement général du lobe frontal, envisagé seulement par rapport à son volume, suit les mêmes lois que dans les singes.” Gratiolet, „Mémoire sur les plis cérébraux de l’Homme et des Primates”, blz. 39, Tab. IV, fig. 3.
[486] Gratiolet’s woorden zijn (l.c. blz. 39): „Dans le foetus dont il s’agit les plis cérébraux postérieurs sont bien développés, tandis que les plis du lobe frontal sont à peine indiqués.” De plaat (Pl. IV, fig. 3) vertoont echter de groef van Rolando en een der voorhoofdsgroeven duidelijk genoeg. Desniettemin schrijft de heer Alix, in zijn „Notice sur les travaux anthropologiques de Gratiolet” („Mém. de la Société d’Antropologie de Paris”, 1868, blz. 32), als volgt: „Gratiolet a eu entre les mains le cerveau d’un foetus de Gibbon, singe éminemment supérieur et tellement rapproché de l’orang, que des naturalistes très compétents l’ont rangé parmi les anthropoïdes. M. Huxley, par exemple, n’hésite pas sur ce point. Eh bien, c’est sur le cerveau d’un foetus de Gibbon que Gratiolet a vu les circonvolutions du lobe temporo-sphenoïdal déjà développées, lorsqu’il n’existe pas encore des plis sur le lobe frontal. Il était donc bien autorisé à dire, que chez l’homme les circonvolutions apparaissent d’ α en ω, tandis que chez les singes elles se développent d’ ω en α.”
[487] „Ueber die typische Anordnung der Furchen und Windungen auf den Grosshirnhemisphären des Menschen und der Affen.” „Archiv. für Anthropologie”, III, 1868.
[488] „Zur Entwicklungsgeschichte der Furchen und Windungen der Grosshirn-Hemisphären im Foetus des Menschen.” „Archiv. für Anthropologie”, III, 1868.
[489] Later verscheen daarover nog een werk van Ad. Pansch, Berlijn 1879.
Dr. H. H. H. v. Z.
[490] Sulcus centralis. Dr. H. H. H. v. Z.
[491] Fissura temporalis superior. Dr. H. H. H. v. Z.
[492] Bij voorbeeld de abt Lecomte in zijn vreeselijk pamflet „le Darwinisme et l’Origine de l’Homme,” 1873.
[493] Vrij bewerkt naar een opstel van den markies G. de Saporta, „Un Essai de Synthèse Paléoethnique”, voorkomende in de „Revue des deux Mondes” van 1 Mei 1883. Deze belangrijke studie werpt een geheel nieuw en verrassend licht op het oorspronkelijk vaderland van den mensch en de verspreiding der menschenrassen, om welke reden wij een vrije bewerking met menigvuldige uitbreidingen daarvan als aanhangsel aan het eerste gedeelte van Darwin’s „Afstamming v. d. Mensch” toevoegen.
Dr. H. H. H. v. Z.
[494] In het jaar 450 v. Chr. vertoonde de Egyptische priester aan Herodotus aan de buitenzijde van den grooten tempel te Thebe de 345 houten beelden der voormalige opperpriesters, welke gedurende even zoovele menschenleeftijden van vader op zoon te Thebe hadden geheerscht (Herod. II, 143). Stellen wij een menschenleeftijd op 30 jaar, dan geeft dit reeds meer dan 10000 jaren.
[495] „La préhistorique antiquité de l’homme”, par M. Gabriel de Mortillet; „Musée préhistorique” par M.M. Gabriel et Adrien de Mortillet; Paris 1883 et 1881.
[496] Andere berekeningen klimmen tot 11000 jaar! Er liggen te Robenhausen drie paaldorpen boven elkander in het veen bedolven!
[497] Deze berekening geeft waarschijnlijk een te hooge uitkomst, daar nieuwere waarnemingen hebben bewezen, dat druipsteen zich veel sneller kan vormen dan men vroeger aannam en niets ons waarborgt, dat die druipsteen zich steeds met eenparige snelheid heeft verdikt (zie „Alb. d. Nat.”, 1888. Wet. Bijblad, blz. 31). Ging de druipsteenvorming echter vóór den Romeinschen tijd tienmaal sneller dan daarna, wat onwaarschijnlijk is, dan komen wij nog tot een minimum van vijf-en-twintigduizend jaar.
[498] Als men de nieuwere theorie van O. Torell aanneemt, waren die veranderingen in Noord- en Centraal-Europa echter veel minder groot dan men vroeger meende, wat natuurlijk ook op den berekenden tijd invloed moet oefenen. Vergelijk mijn stuk „Het diluvium der Nederlandsch-Noordduitsche vlakte” in „Isis”, 1881, blz. 97.
[499] Tot veel matiger berekening (ofschoon altijd nog ver over de vroeger door de theologen op grond van den bijbel aangenomen oudheid van het menschdom) leidt de theorie van den bekenden sterrekundige R. Falb, volgens welke geregeld perioden van grootere koude en grootere warmte, elk van 10500 jaren elkander zouden afwisselen (R. Falb, „Das Wetter und der Mond”, Wien 1887). In vroegere geologische tijdvakken dan het diluvium, tijdvakken, waarin èn de zon èn de aarde warmer waren dan tegenwoordig, behoeven de maxima van koude zich niet gekenmerkt te hebben door vorst en gletschers, maar toch waren zij kouder dan de minima. De voorlaatste ijsperiode kenmerkte zich daarentegen door buitengewoon sterke uitbreiding der gletschers. Zij valt in het zoogenaamde diluvium.
Deze theorie geeft voor de maxima en minima van koude (alleen de laatste en eerstvolgende duizendtallen van jaren in aanmerking nemende) de volgende jaren.
Minimum 19850 jaren v. Chr. Maximum 14600 jaren v. Chr. (voorlaatste ijstijd, groote ijstijd). Minimum 9350 jaren v. Chr. (interglaciaire periode). Maximum 4100 jaren v. Chr. (laatste ijstijd). Minimum 1150 jaren na Chr. (midden der tegenwoordige interglaciaire periode). Maximum 6400 jaren na Chr. (eerstvolgende ijstijd.)
Nemen wij dus aan (gelijk nader zal worden uiteengezet) dat de poolgewesten de bakermat van het menschdom zijn geweest en het daaruit door het kouder worden van het klimaat naar het Zuiden is verhuisd, dan zou, als Falb’s theorie juist was, die verhuizing tusschen 19850 en 14600 jaren v. Chr. begonnen zijn. In 14600 was dan zelfs Scandinavië voor den mensch onbewoonbaar en begint in Centraal- en Zuid-Europa de palaeolithische periode. Het rendiertijdperk in Europa kunnen wij dan omstreeks 9350 j. v. Chr. plaatsen. Omstreeks 4100 v. Chr. begint in Europa de neolithische periode of het tijdperk van den geslepen steen (dit komt dus vrij goed uit met den op geheel andere gronden berekenden ouderdom van het paaldorp te Robenhausen, zie blz. 401). In dien tijd zullen door de groote atmosferische neêrslagen vele tegenwoordige woestijnen in Azië en Afrika vruchtbaar zijn geweest; in Centraal-Europa was toen om de zelfde reden groote uitbreiding der gletschers en groote waterrijkdom der rivieren. Dat het in Europa in den Romeinschen tijd niet zoo warm was als in de 12e eeuw, maar dat daarentegen na de 13de eeuw het klimaat van Europa voortdurend kouder is geworden, wordt door vele oude berichten aangetoond (vergelijk Prof. v. Hall, in „Alb. d. Natuur”, 1861, blz. 27), en dat ook in de laatste tientallen jaren de daling der gemiddelde jaarlijksche temperatuur zeer merkbaar voortgaat, is een feit, waarop nog onlangs door C. Flammarion is gewezen, alles geheel in overeenstemming met Falb’s minimum, 1150 na Chr.
[500] Van Diemens Land moet worden beschouwd als de zuidpunt van Nieuw-Holland.
[501] Ofschoon de Azteken nog slechts kort beschaafd waren, waren zij door andere volken voorafgegaan, wier beschaving zij overnamen. Men kan de oudheid der Mexicaansche beschaving vóór Cortez’ tijd, van haar eerste begin af, gerust op een paar duizend jaar stellen.
[502] A. H. Sayce, een der hoogste autoriteiten in Europa op dit gebied, zegt („Nature” en daaruit vertaald in „Isis”, 1876, blz. 84), dat de Babyloniërs tusschen 4000 en 3000 jaren vóór het begin onzer jaartelling Mesopotamië binnentrokken en daarna veroverden, maar er reeds een beschaafd volk (de zoogenaamde Akkadiërs) gevestigd vonden. De stellig historische tijd van China begint met de dynastie Hia (van 2207–1767 v. Chr.), hun half-mythische tijd met den keizer Fo-hi, die tusschen 3468–2952 v. Chr. zou hebben geregeerd, of volgens Prof. G. Schlegel te Leiden 2852 v. Chr. Deze noemt („Uranographie Chinoise”, Leiden, Brill, 1875, blz. 754) nog vijf oudere keizers op. Volgens dezen laatste is de Chineesche beschaving echter nog veel ouder, en zouden de Chineezen vóór ongeveer 19000 jaren de sterrenbeelden hebben uitgevonden (ib. blz. 704) en toen ongeveer even beschaafd zijn geweest als de tegenwoordige wilde bewoners der Zuidzee-eilanden, van de binnenlanden van Afrika, Sumatra en Borneo, en onder keizer Yao (2357 v. Chr.) even beschaafd als de Egyptenaars van dien tijd (ib. blz. 749 en 773).
[503] Ook Voor-Indië in het Noorden waarvan zich reeds zeer vroeg een zelfstandig middelpunt van beschaving vormde, verdient hier te worden genoemd. In Amerika vinden wij nabij den Steenbokskeerkring Peru als een tweede middelpunt van beschaving. Wèl lag dit dichter bij de linie, maar wegens de grootere hoogte boven den zeespiegel in dergelijk klimaat als Mexico. Het uitgangspunt der Peruaansche beschaving lag waarschijnlijk aan het meer Titicaca op 16° Z.B. De Peruaansche beschaving, die ook op dergelijke wijze onderging als de Mexicaansche, schijnt van deze laatste geheel onafhankelijk te zijn ontstaan. Beide volken kenden elkander in de vijftiende eeuw niet. Toch vertoonen hun oudheden onmiskenbare sporen van gelijkenis. In Zuid-Afrika ontdekte Karl Mauch in 1871 de grootsche ruïnen van Zimbalye. Er moeten zich in die streek nog verscheidene andere bouwvallen bevinden. Hun oorsprong ligt geheel in het duister. Geheel ten onrechte heeft men ze met Salomo’s Ophir in verband gebracht. Uit Ophir kwamen zoowel apen als pauwen, en Indië is het eenige land, waar deze beide diervormen naast elkander voorkomen. (2) De ruïnen van Zimbalye liggen op den 20sten graad Zuiderbreedte, 32 graden Oosterlengte van Greenwich, ongeveer 50 mijlen ten Westen van Sofala, niet ver van de rivier Sabia, die de wateren van het Matoppogebergte naar Sofala afvoert. Hier staat op een 400 voet hoogen granietklomp nog een geweldig groot stuk ruïne, dat deels uit de rotsen gehouwen, deels met muren opgebouwd is. Het is met zigzagvormige voorwerken omgeven, die het als vesting kenmerken. Dicht daarbij ziet men op eene gneisplaat nog eene „rondeau”, dat door voorwerken met de vesting verbonden is. In het midden staat een ronde toren, die door een dubbelen muur omsloten wordt. In puin gevallen vertrekken en gangen laten den vroegeren vorm nog raden. Mauch vernam van een ouden priester, dat de toren „het huis van de koningin” heette. Iedere drie of vier jaar gaat het volk daar naar toe om te offeren. Door den Portugees de Barros (zestiende eeuw) wordt medegedeeld, dat hier een gedeelte van den hofstaat van den koning van Monomotapa heeft gewoond. De ruïnen van Zimbalye zijn echter ongetwijfeld veel ouder dan den tijd der Arabieren en Portugeezen, en schijnen te bewijzen, dat eens ook in Afrika onder den Steenbokskeerkring een zelfstandig, geheel ondergegaan middelpunt van beschaving lag. Ruïnen in de Kalahari-woestijn, waarvan wij voor eenige jaren een afbeelding in het Fransche Tijdschrift „Le Tour du Monde” zagen, bevestigen dit gevoelen. Zoo ook een soort van schriftteekens (zie de afbeelding bij J. C. Voigt, „Een belangrijke ontdekking” in „Eigen Haard” 1890, No. 1, blz. 15), die men in een voorhistorische mijnschacht in Transvaal heeft gevonden. Met Egyptische hiëroglyphen hebben deze niets te maken; wèl zijn er teekens bij, die aan onze letters X, Y en O en aan de Grieksche letter π herinneren, maar dit zal wel een louter toeval zijn. Men vindt in het aangehaalde stuk nog verschillende bijzonderheden omtrent de ruïnen van Zimbalye en een bezoek daaraan in den zomer van 1889 door zekeren Posselt uit Transvaal gebracht. Deze middelpunten van beschaving op het Zuidelijk Halfrond zijn echter zonder invloed op de ontwikkeling van het menschdom als geheel gebleven.
[504] Markies de Nadaillac bespreekt deze quaestie uitvoerig in zijn „Amérique préhistorique”, Paris 1883. Hoever echter enkele wilde stammen zich ook over uitgestrekte zeeën hebben verplaatst, bewijzen de landverhuizingen der Polynesiërs, die legenden daaromtrent hebben bewaard, welke men kan vinden in Waitz, „Anthropologie der Naturvölker.” Zij kwamen uit den Maleischen Archipel (waarheên zij oorspronkelijk waarschijnlijk uit Achter-Indië verhuisd waren) naar den Samoa-archipel en verspreidden zich van dezen uit over de Sandwich-eilanden, Tahiti en Nieuw-Zeeland.
[505] Zie Otto Kuntze, „De oudheid van Amerika’s oorspronkelijke bevolking bewezen door haar cultuurplanten” in „Isis”, 1878, blz. 331.
[506] De Bosjesmannen zijn eenerzijds verwant met de dwergstammen, die men als overblijfselen van de oudste bevolking van Centraal-Afrika kan beschouwen, anderzijds met de Hottentotten. De Hottentotten naderen, vooral door den aard van hun haar (vergelijk aanteekening 2, blz. 370), tot de Papoea’s, waartoe ook de Tasmaniërs behooren. Dat ook in Zuid-Amerika eens een met de Papoea’s verwant volk leefde, heeft het nader onderzoek der schedels van Lagoa-Santa bewezen (vergelijk aanteekening 5, blz. 374). Deze met de Papoea’s en Hottentotten verwante menschen zijn in Zuid-Amerika door de Roodhuiden verdrongen, wier laagst ontwikkelde stammen (de Vuurlanders) thans het uiterste Zuiden van dat werelddeel bewonen. Alles wijst er dus op dat een zelfde ras van menschen met wolachtig, in bosjes groeiend kroeshaar, de eerste bevolking was, die zich van uit de bakermat van het menschdom over de verschillende vastelanden verspreidde. Wellicht was dit het uitgestorven ras van Cannstatt, dat ook in Amerika schijnt te zijn doorgedrongen. De tweede bevolking waren in de Oude Wereld donkergekleurde menschen, gedeeltelijk met wolachtig, gelijkmatig over de schedelhuid verspreid kroeshaar (gelijk de Kaffers en Negers), gedeeltelijk sluikharig gelijk de Nieuw-Hollanders, en ook tot deze kan het ras van Cannstatt hebben behoord, dat wellicht ook de stam zoowel van deze rassen als van het eerstgenoemde, met de Papoea’s en Hottentotten verwante ras was. Daarop volgen in de Oude Wereld de Dravida’s en Nubiërs (in de beteekenis die Haeckel (zie blz. 379) aan die woorden geeft; ook den naam Nieuw-Hollanders gebruiken wij hier om een bepaald ras aan te duiden, en geenszins in den zin van inboorlingen van Nieuw-Holland, schoon deze tot dat ras behooren), en de Maleiers. Op deze laatsten volgen weldra de Mongolen, die zich van uit het Noorden van Azië Zuidwaarts, Oostwaarts en Westwaarts (ook over een groot deel van Europa) verspreiden (de Dravida’s worden teruggedrongen naar Voor-Indië, de Maleiers naar Malakka en den Maleischen archipel en waarschijnlijk ook over Formosa naar de Philippijnsche eilanden) en in Amerika de Roodhuiden en Eskimo’s. De Roodhuiden der Vereenigde Staten bezitten overleveringen die wijzen op een herkomst uit een koud land, waar veel ijs en sneeuw voorkwamen. (Zie „Historical and Statistical Information, respecting the history, conditions and prospects of the Indian Tribes of the United States, collected and prepared under the direction of the bureau of Indian Affairs, by H. R. Schoolcraft, published by authority of the Congress”, Philadelphia 1851.) Ook de Azteken waren volgens hun historische overleveringen uit noordelijker streken naar Mexico verhuisd, streken waar het sterk sneeuwde en de zomer slechts zes weken duurde! Eindelijk komt in de Oude Wereld het blanke ras, dat zich het eerst in het Noorden van Europa vertoonde, en over geheel Europa, Noord-Afrika en Zuidwest-Azië uitspreidt, de Mongolen worden teruggedrongen naar Centraal- en Oost Azië, de Dravida’s naar het Zuiden van Voor-Indië, de Nubiërs naar Nubië en Soedan. Elk der achtereenvolgende golven van landverhuizing dringt de vroegere naar het Zuiden terug of roeit ze geheel of grootendeels uit of absorbeert ze, en elke opeenvolgende golf bestaat gewoonlijk uit een lichter gekleurd en meer ontwikkelbaar ras. Al deze golvingen hadden plaats van het Noorden naar het Zuiden. Vermenging op groote schaal en wijziging gedurende de verhuizingen zelve, ten gevolge der veranderde levensvoorwaarden, konden daarbij natuurlijk niet uitblijven.
[507] Zie blz. 40.
[508] Vergelijk „Traité de géologie” par A. de Lapparent, Paris 1883, blz. 1245–1248; Voorts: Lowthian Green, „Vestiges of the molten Globe”, London, 1875.
[509] Tegen het midden van het Secundaire Tijdvak zijn waarschijnlijk de boomen met afvallend loof in de Noordpoolstreken ontstaan (tegen het einde van dat Tijdvak vindt men hun overblijfselen in de gematigde luchtstreek). Het afvallen van het loof is voornamelijk een adaptatie aan den maandenlangen nacht der poolstreken, en niet (of ten minste in veel mindere mate) aan den winter, daar ook ’s winters het bladgroen in het zonlicht zijn functies kan uitoefenen.
[510] Evenzoo zagen wij in aant. 15, blz. 385, dat het Volk der Dolmen zich waarschijnlijk in Europa van het Noorden naar het Zuiden, en van Europa via Noord-Afrika naar Indië heeft verplaatst. Ook de Ariërs zijn volgens de jongste onderzoekingen een volk dat oorspronkelijk in Noord-Europa woonde (zie „Kosmos” 1884, Bd. II, Heft 1, blz. 65 en Prof. S. A. Naber in de Gids van Juli 1884, „Penka, die Herkunft der Ariër”, Wien 1887), en dus van daar naar Midden- en Zuid-Europa, en Perzië en Indië (en niet omgekeerd) is getrokken. De Oude Perzen hadden overleveringen, dat zij kwamen uit een land, waaruit zij door het strenger worden van den winter verjaagd waren en waar de winter tien en de zomer slechts twee maanden duurde. Dat oorspronkelijk vaderland der Mongoolsche volken in Noord-Azië te zoeken is, is bekend. De oude Egyptenaars waren volgens Mariette over de landengte van Suez naar Egypte getrokken en kwamen dus ook uit noordelijker streken. Zeer merkwaardig is het, dat ook in latere en zelfs in historische tijden verreweg de meeste veroveringen die blijvende ethnologische veranderingen hebben ten gevolge gehad, zich van het Noorden naar het Zuiden bewogen. Zoo hebben de Belgische Kelten, van uit het Noorden komende, de Kymrische Kelten tot over de Seine, en de Germanen, uit het Noorden komende, de Belgische Kelten over den Rijn teruggedrongen, de Kymrische Kelten verdrongen in Spanje de zuidelijker wonende Iberiërs, de Romeinen overwonnen zuidelijker wonende Carthagers en koloniseerden Noordwest-Afrika, de Germanen (Gothen, Franken enz.) drongen bij de volksverhuizing van uit het Noorden het Romeinsche rijk binnen en verdrongen zuidelijker wonende Romaansche volken, de Turken kwamen uit Noord-Azië, toen zij hun eerste invallen in Centraal-Azië en later in het nog zuidelijker Klein-Azië, Balkan-schiereiland, Egypte en Noord-Afrika deden. Van uit het noordelijker gelegen Malakka drongen de Maleiers den Indischen Archipel binnen en drongen de oorspronkelijke zwarte, met de Nieuw-Hollanders verwante bevolking terug. In het jaarverslag van de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging te Batavia over 1890, door den voorzitter Dr. Van der Stok uitgebracht, leest men o.a. omtrent de op regeeringskosten gedane opgravingen van Dr. E. Dubois in Kediri op Java, dat in de grotten van de afdeeling Ngrowo deelen van menschengeraamten werden gevonden, die, evenals een vroeger aan genoemde vereeniging toegezonden schedel, de kenmerken vertoonen van het Australische (Nieuw-Hollandsche) ras. Blijkbaar hebben dus op Java de Maleiers de Nieuw-Hollanders verdrongen, evenals deze waarschijnlijk vroeger zelve de voorouders der Papoea’s Westwaarts van uit den Maleischen Archipel naar Nieuw-Guinea en omliggende eilanden en van uit Nieuw-Holland naar Van Diemen’s Land drongen. De Moorsch-Arabische bewoners van Noord-Afrika breiden zich allengs over Centraal-Afrika uit, Spaansch-Amerika ligt zuidelijker dan Spanje, de Vereenigde Staten en de meest bevolkte gedeelten van Canada zuidelijker dan Engeland of Frankrijk, Nieuw-Holland, Nieuw-Zeeland, de Kaaplanden, Suriname enz. zuidelijker dan Engeland of Nederland, enz. enz. Van volks- of landverhuizingen van het Zuiden naar het Noorden met blijvend gevolg zal men daarentegen in de geheele geschiedenis nauwelijks een enkel voorbeeld kunnen aanwijzen. De Noorsche kolonisatie van Groenland ging te gronde en de tegenwoordige bezittingen der Denen aldaar worden door Eskimo’s, niet door een Deensche bevolking (uitgezonderd de ambtenaren), bewoond. De Moorsche verovering van Spanje, die hier nog het best zou kunnen worden aangehaald, eindigde daarmede dat de Mooren eindelijk toch weêr naar het Zuiden en ten slotte naar Afrika werden teruggedrongen. De geheele geschiedenis is „im Ganzen und Groszen” beschouwd, een terugdringen en overstroomen van zuidelijke volken door oorspronkelijk meer noordelijk wonende.
[511] Van hier af tot aan II is grootendeels niet ontleend aan den Markies de Saporta, maar (gelijk ook veel van het voorgaande) bijna geheel door mij geschreven.
[512] A. Gaudry, „Les enchaînements du monde animal”, Paris, 1878.
[513] Lartet maakte uit het in 1856 gevonden onderkaaksfragment op, dat deze aap minder vooruitspringend aangezicht dan andere apen zou hebben gehad, dat hij door de afgeronde knobbels der kiezen op de Nieuw-Hollanders zou hebben geleken, en dat de „kies van verstand” bij hem evenals bij den mensch na den hoektand zou zijn verschenen, zoodat hij in al die opzichten nader bij den mensch zou hebben gestaan dan een der thans levende anthropomorphen. Uit een tweede, later ter zelfder plaatse gevonden onderkaak van een ander individu van Dryopithecus leidt Gaudry thans echter af, dat deze den laagsten trap onder de anthropomorphen bekleedde en dus ongetwijfeld niet de bewerker der bedoelde steenen is geweest.
[514] De fjorden en nauwe straten, die thans de pooleilanden onderling en van de vastelanden scheiden, zijn waarschijnlijk allen sedert het begin van het Quaternaire Tijdvak door ijswerking ontstaan. De Barendszee tusschen Noorwegen, Spitsbergen, Nova-Zembla en Frans-Josephsland was ongetwijfeld in een geologisch kort geleden tijd vast land, dat zich, wie weet hoever, naar het Noorden uitstrekte. Er bestond dus oudtijds in de Noordpoolstreken nog veel meer land dan tegenwoordig, en de Oude en de Nieuwe Wereld maakten destijds, over de Pool heên, een nagenoeg onafgebroken geheel uit. Als men een wereldkaart beschouwt, zoo geteekend, dat de Noordpool het middelpunt daarvan vormt, en zich de Poolzee voorstelt als nagenoeg geheel door land ingenomen, zal men zien, dat Azië, Europa en Noord-Amerika een nagenoeg samenhangenden driehoek vormen, waarvan Malakka, Arabië en Mexico de hoeken vormen en dat b.v. de Oostkust van Noord-Amerika (van Noord naar Zuid) in het verlengde valt van de Westkust van de Roode Zee (van Zuid naar Noord)! Men vergelijke het wereldkaartje, blz. 294.
[515] Reeds vroeger kunnen ook overbevolking en oorlogen tusschen stammen tot verhuizingen aanleiding hebben gegeven. In 1886 is door de Quatrefages in de zitting der Parijsche Académie des Sciences van 6 October en in een zitting van het Parijsche Aardrijkskundig Genootschap in December 1887 een dergelijk gevoelen uitgesproken. Hij houdt het uiterste Noord-Oosten van Azië voor de wieg van het menschdom in het tertiaire tijdvak en laat den mensch door de koude gedwongen naar lagere breedten trekken. Het laatstgenoemd denkbeeld was door hem ook reeds in 1877 in zijn boek „l’Espèce humaine” uitgesproken.
[516] Vandaar zouden palaeontologische nasporingen op het Zuidpoolland, zoo zij mogelijk waren, buitengewoon belangrijke resultaten beloven! Zoolang de equator te warm was om organisch leven toe te laten, maar de polen daartoe genoeg waren afgekoeld, waren de dieren en planten van het Noordelijk en Zuidelijk halfrond elkander even vreemd alsof zij verschillende planeten bewoonden.
[517] Onder de lava van een der uitgebrande vulkanen van Auvergne.
[518] Quatrefages houdt het er voor dat dit ras tot het Tertiaire Tijdvak opklimt („Nature”, 1887, blz. 23). Prof. Fraipont („Bull. de l’Acad. royale de Belgique”), aangehaald door A. H. Keane („Nature”, 1887, blz. 565), brengt het daarentegen tot de zoogenaamde Moustier periode (zie onder, blz. 426) en voor jonger dan de „période Chelléenne” (zie onder, blz. 423), en dus ook dan het nog oudere tertiaire tijdvak. De mensch van „la période Chelléenne” en van het Tertiaire Tijdvak zou dus nog dierlijker ontwikkeld zijn geweest dan het ras van Cannstatt.
[519] Zij zouden dit hebben gedaan door hem in het vuur te laten springen en de voor het doel geschikte splinters uit te zoeken, en niet door er stukjes af te slaan, gelijk de quaternaire menschen.
[520] Volgens professor J. Kollmann te Bazel (vergelijk: „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 82) zou ook het blonde menschen-type Europa van uit het Noorden zijn binnengetrokken, wat geheel in overeenstemming met onze hypothese is. Het moet dus uit het centrale Noordpoolgebied of uit het uiterste Noordoosten van Azië over het centrale Noordpoolgebied naar Europa zijn gekomen. Het brunette type zou daarentegen uit het Zuiden, dus uit Noord-Afrika Europa zijn binnengedrongen, hetgeen als een soort terugvloeiing naar het Noorden zou kunnen worden beschouwd door den drang van uit het Noord-Oosten van uit Azië Afrika binnenstroomende stammen. In dit geval zou men zelfs kunnen onderstellen, dat het brunette type, na in het Zuiden brunet geworden te zijn, door nieuwe verhuizingen uit Azië naar zijn vroegere, meer noordelijke woonplaats in Europa werd teruggedrongen.
[521] Dit is slechts schijnbaar in strijd met de in noot 1, blz. 410, gegeven schets van de waarschijnlijke wijze van verspreiding der menschenrassen (die wij daar volgens het systeem van Haeckel noemden). Al stond ’t ras van Cannstatt beneden de Bosjesmannen, Nieuw-Hollanders en Tasmaniërs, zoo kunnen deze toch voor de minst veranderde afstammelingen daarvan gelden. En al staan de hoogere menschenrassen nog meer boven het ras van Cannstatt, zoo zullen toch de oorspronkelijke stamvormen dier rassen niet zoo hoog hebben gestaan en onderling meer gelijkvormig zijn geweest dan de tegenwoordige rassen. Het leidt geen twijfel of alle tegenwoordige rassen stammen oorspronkelijk van een enkel ras af, dat lager stond dan zij allen, en dit kan zeer goed het ras van Cannstatt zijn geweest. In elk geval bedoelt de noot 1, blz. 410, alleen een schematisch overzicht te geven van de wijze waarop de tegenwoordige hoofdrassen elkander zijn opgevolgd en elkander zuidwaarts hebben teruggedrongen, en geenszins, dat de voorouders dier rassen, toen zij hun verhuizingen begonnen, reeds geheel de tegenwoordige kenmerken dier rassen bezaten en zich niet, door zich naar nieuwe levensvoorwaarden te voegen, in nieuwe locale rassen hebben gesplitst. In een beschouwing, gelijk in deze verhandeling wordt gegeven, moet noodzakelijk op het tegenwoordig standpunt onzer kennis, veel onbestemds blijven!
[522] Département Saône et Loire.
[523] Arrondissement Sarlat (Dordogne).
[524] In de pyramidengraven van Sakara in Egypte vond men een afbeelding van een vrouw die sterke steatopygie vertoont (zie blz. 378). Ofschoon Dr. H. Ploss („Das Weib”, 3e Auft., Leipzig, 1891), die er een houtsneê naar geeft, het verklaarde voor een Arabische vorstin van Aethiopisch ras uit de 18de eeuw voor Chr., houden wij het er voor, daar steatopygie in onzen tijd alleen bij de Hottentotten en hun naaste verwanten in Zuid-Afrika voorkomt, dat deze afbeelding bewijst, dat òf laatstgenoemde volken zich in de 18de eeuw v. Chr. veel noordelijker uitstrekten dan thans, òf dat de Egyptenaars destijds eenigszins met het uiterste Zuiden van Afrika bekend waren. De gelaatsvorm der afbeelding is volstrekt niet Arabisch, noch Egyptisch, maar bevestigt veeleer laatstgenoemde onderstelling.
[525] Men zie het wereldkaartje, blz. 294, waarop het land geel, de deelen van den Oceaan, die minder dan 1000 vademen diep zijn, wit, en de meer dan 1000 vademen diepe gedeelten van den Oceaan blauw zijn geteekend.
[526] Madagascar bewaart ons nog een voorbeeld van de fauna van Afrika, voordat daar de groote dikhuidige, herkauwende en verscheurende dieren en de ware apen waren, die waarschijnlijk uit het Europeesch-Aziatisch vasteland kwamen. Het Atlasgebergte hing toen met Europa samen, en de Sahara, Egypte en Tripoli waren door de zee bedekt. Dat in een tijd toen in Europa-Azië al de genoemde diervormen reeds voorkwamen (zij het in andere soorten dan de tegenwoordige), in Afrika (met uitzondering der natuurhistorisch tot Europa behoorende Atlaslanden) nog slechts Lemuriden voorkwamen, maakt het uiterst onwaarschijnlijk, dat Afrika het oorspronkelijk vaderland van den mensch zou zijn.
De uitgestorven reuzenvogels van Nieuw-Zeeland wijzen op een vroegeren samenhang, ook van die eilandengroep met een groot vasteland.
[527] Of uit Zuid-Amerika over het Zuidpoolland in Nieuw-Holland en Azië en vice-versa.
[528] De Noordelijke IJszee is zoover bekend, allerwege ondiep, en er is geen reden om aan te nemen, dat die naar de pool toe dieper wordt (wel om aan te nemen dat daar nog onbekend land ligt). Wij hebben het geheele centrale Noordpoolgebied daarom op het kaartje wit geteekend.
[529] Berekening bevestigt dit.
De Atlant. Oceaan is groot 1,610 millioen □ geographische mijlen. De Ind. Oceaan ,, ,, 1,340 ,, ,, ,, ,, Afrika ,, ,, 0,545 ,, ,, ,, ,, ===== Samen 3,495 ,, ,, ,, ,,
De Stille Oceaan is groot 3,190 millioen □ geographische mijlen.
Men houde hierbij in het oog, dat geologisch kort geleden een zeer aanzienlijk deel van Afrika (de Sahara, Tripoli en Egypte) stellig een deel des Oceaans was. Stelt men dit op ⅓ van Afrika, dus 0,181 millioen geographische mijlen, dan heeft men 1,610 + 1,340 + 0,181 = 3,131 millioen geographische mijlen, en komen wij nog dichter bij de grootte van den Stillen Oceaan dan bij onze eerste onderstelling Zuid- en Centraal-Afrika blijven dan als een groot driehoekig eiland in het middelpunt van den ring midden in den Indo-Atlantischen Oceaan liggen!
[530] Volgens Wallace is de gemiddelde hoogte van het land 2250 Eng. voet, de gemiddelde diepte van den Oceaan 14,640 Eng. voet, het volumen van het droge land 23,450,000 kub. mijlen, het volumen van het water van den Oceaan 323,800,000 kub. mijlen, zoodat, als al de vaste stof der aarde tot een bol was vereenigd, deze door een Oceaan van omstreeks twee mijlen diep bedekt zou zijn.
[531] Hiermede bedoelen wij dieper dan 1000 vademen.
[532] Deze mogelijkheid wordt door Wallace niet besproken.
[533] Derhalve hebben landen als Lemurië, Atlantis en ’t onderstelde vasteland waarvan de eilanden van Polynesië de overblijfselen zouden zijn, nimmer bestaan. Wel kan Nieuw-Holland over Nieuw-Guinea en den Oost-Indischen Archipel met Azië hebben samengehangen, en hangt het daarmede door een onderzeesch plateau nog heden aldus samen.
[534] De beide bewijzen zijn in hoofdzaak ontleend aan Wallace („Darwinism”, Hoofdstuk XII).
[535] Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol II 1840, blz. 541. De later vermelde mededeelingen omtrent Tanais, ben ik aan Fritz Müller verschuldigd.
[536] Kirby en Spence, „Introduction to Entomology”, vol. III, 1826, blz. 309.
[537] Dr. Perrier („Revue Scientifique”, Febr. 1873, blz. 865) voert dit geval aan als een afdoend argument tegen de seksueele teeltkeus, onderstellende, dat ik alle verschillen tusschen de beide seksen aan seksueele teeltkeus toeschrijf. Deze bekende natuuronderzoeker heeft dus, evenals zoovele andere Franschen, de moeite niet genomen om zelfs de eerste beginselen der seksueele teeltkeus te begrijpen. Een Engelsch natuuronderzoeker wijst er op, dat de grijporganen van sommige mannelijke dieren niet door de keus van het wijfje kunnen zijn ontwikkeld. Had ik deze opmerking niet ontmoet, dan zou ik het voor onmogelijk hebben gehouden, dat iemand die dit hoofdstuk had gelezen, zich zou hebben verbeeld, dat ik volhield, dat de keus van het wijfje iets te maken had met de ontwikkeling der grijporganen bij het mannetje.
[538] Zelfs bij die planten, bij welke de seksen zijn gescheiden, zijn de mannelijke bloemen gewoonlijk vroeger rijp, dan de vrouwelijke. Vele tweeslachtige (hermaphroditische) planten zijn, zooals het eerst door C. K. Sprengel is aangetoond, dichogaam, d.i. hun mannelijke en vrouwelijke organen zijn niet tegelijkertijd gereed, zoodat zij zich zelf niet kunnen bevruchten. Nu is bij zulke planten het stuifmeel gewoonlijk vroeger rijp dan de stempel, hoewel eenige soorten, bij welke de vrouwelijke organen vroeger rijp worden dan de mannelijke, hierop een uitzondering maken.
[539] Ik heb hieromtrent mededeelingen ontvangen, waarvan ik later gewag zal maken ten opzichte van hoenders. Zelfs bij vogels, zooals duiven, die zich voor hun geheele leven paren, verlaat, gelijk ik van den heer Jenner Weir hoor, het wijfje haar levensgezel, wanneer deze gekwetst of ziekelijk wordt.
[540] Over den gorilla, Savage en Wyman, „Boston Journal of Nat. Hist.” vol. V, 1845–47, blz. 423. Over Cynocephalus, Brehm, „Illustr. Thierleben”, Bd. I, 1864, blz. 77. Over Mycetes, Rengger, „Naturgesch.: Saügethiere von Paraguay”, 1830, blz. 14, 20. Over Cebus, Brehm, ibid., blz. 108.
[541] Pallas, „Spicilegia Zoolog.”, Fasc. XII, 1777, blz. 29. Sir Andrew Smith, „Illustration of the Zoölogy of S. Africa”, 1849, pl. 29, over den Kobus. Owen geeft in zijn „Anatomy of Vertebrates” (vol. III, blz. 633) een tabel, waarop bij elke soort van antilope is opgeteekend, of zij paarsgewijze of in kudden leeft.
[542] Dr. Campbell in „Proc. Zoölog. Soc.”, 1869, blz. 138. Zie ook een belangwekkende verhandeling van Luitenant Johnstone in „Proc. Asiatic Soc. of Bengal”, Mei 1868.
[543] Dr. Gray, in „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, 1871, blz. 302.
[544] Zie Dr. Dobson’s uitnemende verhandeling, in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1873, blz. 241.
[545] „The Ibis”, vol. III, 1861, blz. 133, over den Progne-Weduwvogel. Zie ook over Vidua axillaris, ibid., vol. II, 1860, blz. 211. Over de veelwijverij van den grooten auerhaan en groote trapgans, zie L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 19 en 182. Montagu en Selby spreken van den korhaan als veelwijvig en van den rooden Schotschen boschhaan als eenwijvig.
[546] De weleerw. heer Dixon zegt echter nadrukkelijk („Ornamental Poultry”, 1848, blz. 76), dat de eieren van het parelhoen onvruchtbaar zijn, als men meer dan één wijfje met een zelfde mannetje houdt.
[547] Kirby en Spence, „Introduction to Entomology”, vol. III, 1826, blz. 324.
[548] Een parasietisch Vliesvleugelig Insekt (Westwood, „Modern Classification of Insects”, vol. II, blz. 160) vormt een uitzondering op den regel, daar het mannetje rudimentaire vleugels heeft en de cel waarin hij is geboren, nooit verlaat, terwijl het wijfje goed ontwikkelde vleugels bezit. Audouin gelooft, dat de wijfjes worden bevrucht door de mannetjes die met haar in de zelfde cel worden geboren, maar het is waarschijnlijker, dat de wijfjes andere cellen bezoeken en dus een paring tusschen zeer nauwe bloedverwanten vermijden. Wij zullen later in verschillende klassen eenige weinige exceptioneele gevallen ontmoeten, waarin het wijfje, en niet het mannetje, de andere sekse opzoekt en haar het hof maakt.
[549] „Essays and Observations”, uitgegeven door Owen, vol. I, 1861, blz. 194.
[550] Prof. Sachs („Lehrbuch der Botanik”, 1870, blz. 633) merkt, van de mannelijke en vrouwelijke voortplantingscellen sprekende, op: „Verhält sich die eine bei der Vereinigung activ .... die andere erscheint bei der Vereinigung passiv.”
[551] „Vorträge über Viehzucht”, 1872, blz. 63.
[552] „Reise der Novara: Anthropologischer Theil”, 1167, blz. 216–269. De resultaten werden berekend door Dr. Weisbach uit metingen van Dr. K. Scherzer en Dr. Schwarz. Over de grootere neiging tot variabiliteit van de mannetjes van tamme dieren, zie mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz 54, 55.
[553] „Proceedings Royal Soc.”, vol. XVI, Juli, No. 3, 1868, blz. 519 en 521.
[554] „Proc. Royal Irish Academy”, vol. X, 1868, blz. 123.
[555] „Massachusetts Medical Soc.”, vol. II, No. 3, 1868, blz. 9.
[556] „Archiv für Path. Anat. und Phys.”, 1871, blz. 448.
[557] De besluiten waartoe voor eenige jaren Dr. J. Stockton Hough is gekomen ten opzichte van de temperatuur van den man, worden medegedeeld in de „Pop. Science Review”, 1 Jan. 1874, blz. 97.
[558] Prof. Mantegazza is geneigd te gelooven („Lettera a Carlo Darwin”, „Archivio per l’Anthropologia”, 1871, blz. 306), dat de levendige kleuren waardoor zoovele mannelijke dieren zich onderscheiden, worden veroorzaakt door de tegenwoordigheid en het door hen bewaren der zaadvloeistof; maar dit kan moeilijk het geval zijn; want vele mannelijke vogels, bij voorbeeld jonge fazanten, worden levendig gekleurd in den herfst van hun eerste levensjaar.
[559] Voor den mensch, zie Dr. J. Stockton Hough, wiens besluiten worden medegedeeld in de „Pop. Science Review”, 1874, blz. 97. Zie omtrent Schubvleugelige Insekten (Lepidoptera) Girard’s mededeelingen, medegedeeld in „The Zoölogical Record”, 1869, blz. 347.
[560] „Mammals and Birds of E. Florida”, blz. 234, 280, 295.
[561] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 54, 55. In op één na het laatste hoofdstuk wordt de hypothese der pangenesis uitvoerig verklaard.
[562] Deze feiten worden medegedeeld op de gewichtige autoriteit van een groot hoenderfokker, den heer Teebay in Tegetmeier’s „Poultry Book”, 1868, blz. 158. Over de kenmerken van kuikens van verschillende rassen, en over de duivenrassen, waarop boven wordt gedoeld, zie „Varieeren der Huisdieren” enz., Deel I, blz. 288, Deel II, blz. 57.
[563] „Novae Species Quadrupedum e Glirium ordine”, 1778, blz. 7. Over de overplanting van de kleur door het paard, zie „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz 67. Ook Deel II, blz. 52, voor de algemeene bespreking van de beperking der overerving door de sekse.
[564] Dr. Chapuis, „Le Pigeon Voyageur belge”, 1865, blz. 87. Boitard en Corbié, „Les Pigeons de Volière” enz., 1824, blz. 173. Zie ook omtrent dergelijke verschillen tusschen zekere rassen te Modena, „Le variazioni dei Columbi domestici”, del Paolo Bonizzi, 1873.
[565] Sedert het verschijnen van de eerste uitgaaf van dit werk heeft het mij groote voldoening geschonken de volgende opmerkingen te vinden („The Field”, Sept. 1872) van zulk een ondervindingrijk fokker als de heer Tegetmeier. Na eenige merkwaardige gevallen bij duiven te hebben beschreven, van het overplanten der kleur door de eene sekse alleen, en de vorming van een onder-ras met dat kenmerk, zegt hij: „Het is merkwaardig dat de heer Darwin het denkbeeld heeft geopperd, dat het mogelijk was om de seksueele kleuren van vogels door voortgezette kunstmatige teeltkeus te wijzigen. Toen hij dit deed, was hij onbekend met de feiten die ik thans heb medegedeeld; maar het is opmerkelijk hoe nauwkeurig hij de juiste methode aangaf, die men daarbij moest volgen.”
[566] Ik verwijs daaromtrent naar mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 52.
[567] Ik ben veel dank verschuldigd aan den heer Cupples, die omtrent den reebok en het edelhert van Schotland een onderzoek voor mij deed bij den heer Robertson, de ondervindingrijke opperhoutvester van den markies van Breadalbane. Wat het damhert aangaat, ben ik den heer Eyton en anderen inlichtingen verschuldigd. Omtrent den eland (Cervus alces) van Noord-Amerika, zie „Land and Water”, 1868, blz. 221 en 254; en omtrent Cervus virginianus en strongyloceros van het zelfde werelddeel, zie J. D. Caton in „Ottawa Acad. of Nat. Sc.”, 1868, blz. 13. Omtrent Cervus Eldi van Pegu, zie Luit. Beavan, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1867, blz. 762.
[568] Antilocapra americana, Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 627.
[569] Men heeft mij verzekerd, dat men de horens van de schapen in Noord-Wallis altijd kan voelen, en dat zij soms bij de geboorte zelfs 2½ c.M. lang zijn. Omtrent hoornvee zegt Youatt („Cattle”, 1834, blz. 277), dat het uitsteeksel van het voorhoofdsbeen bij de geboorte door de huid dringt, en dat de hoornachtige zelfstandigheid zich spoedig daarover vormt.
[570] Ik ben grooten dank verschuldigd aan Prof. Victor Carus, die bij de hoogste autoriteiten een onderzoek voor mij deed omtrent de merino-schapen van Saksen. Aan de kust van Guinea in Afrika is er een ras van schapen bij hetwelk, evenals bij de merino’s, alleen de mannetjes horens dragen; en de heer Winwood Reade meldt mij, dat in het eenige waargenomen geval een jonge ram, die den 10den Februari was geboren, het eerst horens vertoonde op den 6den Maart, zoodat in dit geval de ontwikkeling der horens in een later tijdperk van het leven plaats had, in overeenkomst met onzen regel, dan bij het schaap van Wales, bij hetwelk beide seksen gehorend zijn.
[571] „Ueber die knöchernen Schädelhöcker der Vögel” in het „Niederländisches Archiv für Zoologie”, Bd. 1, Heft 2, 1872.
[572] Bij den gewonen pauw (Pavo cristatus) bezit alleen het mannetje sporen, terwijl zich bij den Javaanschen pauw (Pavo muticus) het ongewone geval voordoet, dat beide seksen van sporen voorzien zijn. Ik verwachtte daarom stellig, dat zij zich bij laatstgenoemde soort op jonger leeftijd zouden ontwikkelen dan bij den gewonen pauw; maar de heer Hegt, van Amsterdam, meldt mij, dat tusschen jonge vogels van het vorige jaar, tot beide soorten behoorende, vergeleken op den 23sten April 1869, geen verschil in de ontwikkeling der sporen bestond. De sporen werden toen nog slechts door kleine knobbels of verhevenheden gevormd. Ik onderstel, dat ik bericht zou hebben ontvangen, indien later eenig verschil in de mate van ontwikkeling was waargenomen.
[573] Bij sommige andere soorten van de familie der Eenden verschilt de spiegelvlek bij de twee seksen in grootere mate; maar ik ben niet in staat geweest te ontdekken, of de volkomen ontwikkeling daarvan bij de mannetjes van dergelijke soorten op later leeftijd plaats grijpt dan bij de gewone eend, zooals volgens onzen regel zou moeten geschieden. Bij den verwanten Mergus cucullatus hebben wij echter een geval van dien aard; de beide seksen verschillen in het oog vallend in algemeen gevederte, en in aanmerkelijke mate in de spiegelvlek, die bij het mannetje zuiver wit en bij het wijfje grijsachtig wit is. Nu gelijken de jonge mannetjes eerst in alle opzichten op het wijfje en hebben een grijsachtig witte spiegelvlek; maar deze wordt zuiver wit op een jongeren leeftijd dan dien waarop het volwassen mannetje zijn andere sterker uitgedrukte verschillen in gevederte verkrijgt: zie Audubon, „Ornithological Biography”, vol. III, 1835, blz. 249–250.
[574] „Das Ganze der Taubenzucht”, 1837, blz. 21, 24. Omtrent het geval der gestreepte duiven, zie Dr. Chapuis, „Le Pigeon Voyageur belge”, 1865, blz. 87.
[575] Voor uitvoerige bijzonderheden en aanhalingen omtrent al deze punten ten opzichte van de verschillende hoenderrassen, zie „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz. 261 v.v. Wat de hoogere dieren aangaat, zijn de seksueele verschillen die ten gevolge der temming zijn ontstaan, in het zelfde werk bij elke soort beschreven.
[576] „Twenty-ninth Annual Report of the Registrar-General for 1886”. In dit verslag (p. XII) wordt een bijzondere tienjarige tabel gegeven.
[577] Omtrent Noorwegen en Zweden, zie een uittreksel van de onderzoekingen van Dr. Faye in „British and Foreign Medico-Chirurg. Review”, April, 1867, blz 343, 345. Omtrent Frankrijk, het „Annuaire pour l’An 1867”, blz. 213.
[578] Voor Philadelphia zie Dr. Stockton Hough, „Social Science Assoc.”, 1874. Voor de Kaap de Goede Hoop, Quetelet, aangehaald door Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen in de Nederlandsche vertaling van dit werk, in wiens vijfde aanteekening op dit hoofdstuk vele opgaven zijn bijeengebracht omtrent de getalsverhouding tusschen de seksen.
[579] Ten opzichte der Joden, zie den heer Thury, „La Loi de Production des Sexes”, 1863, blz. 25.
[580] „British and Foreign Medico-Chirurg. Review”, April, 1867, blz. 343. Dr. Stark merkt ook op („Tenth Annual Report of Births, Deaths, etc, in Scotland”, 1867, blz. XXVIII): „Deze voorbeelden mogen voldoende zijn, om aan te toonen, dat op elken leeftijd de mannen in Schotland meer kans hebben om te sterven dan de vrouwen, en dat hun gemiddelde sterfte grooter is dan die van deze laatste. Het feit echter, dat deze bijzonderheid het sterkst is ontwikkeld in dat kinderlijk tijdperk van het leven, waarin de kleeding, het voedsel en de behandeling van beide seksen het zelfde zijn, schijnt te bewijzen, dat de grootere gemiddelde sterfte der mannen een aangeboren, natuurlijke en constitutioneele, alleen door de sekse veroorzaakte bijzonderheid is.”
[581] „West-Riding Lunatic Asylum Reports”, vol. I, 1871, blz. 8. Sir J. Simpson heeft bewezen, dat het hoofd van de jongens bij de geboorte in omtrek ruim 9 millimeter en in dwarse doorsnede ruim 3 millimeter grooter is dan dat van de meisjes. Quetelet heeft bewezen, dat de meisjes kleiner geboren worden dan de jongens; zie Dr. Duncan, „Fecundity, Fertility, Sterility”, 1871, blz. 382.
[582] Bij de wilde Guarani’s van Paraguay staat volgens den nauwkeurigen Azara („Voyages dans l’Amérique mérid.”, tome II, 1809, blz. 60, 179) het aantal vrouwen tot dat der mannen als 14 tot 13.
[583] Babbage „Edinburgh Journal of Science”, 1829, vol. I, blz. 88; ook blz. 90, omtrent doodgeboren kinderen. Over onwettige kinderen in Engeland, zie „Report of Registrar-General” voor 1866, blz. XV.
[584] Leuckart in Wagner, „Handwörterbuch der Phys.”, Bd. IV, 1853, blz. 774.
[585] „Anthropological Review”, April, 1870, blz. CVIII.
[586] Gedurende de laatste elf jaren is er aanteekening gehouden van het aantal merries die onvruchtbaar bleken te zijn of haar veulens te vroeg baarden, en dit verdient opmerking, daar het bewijst hoe onvruchtbaar deze sterk gevoede en vrij dicht in de familie met elkander gepaarde dieren zijn geworden, zoodat bijna een derde gedeelte van de merries geen levende veulens voortbrachten. Zoo werden in 1886 809 hengstveulens en 816 merrieveulens geboren en 743 merries brachten geen jongen voort. In 1867 werden 836 hengstveulens en 902 merrieveulens geboren, 794 merries bleven onvruchtbaar.
[587] Ik ben veel dank verschuldigd aan den heer Cupples die mij de boven vermelde opgaven uit Schotland, zoowel als sommige van de volgende omtrent hoornvee heeft verschaft. De heer R. Elliot van Laighwood vestigde het eerst mijn aandacht op den vroegtijdigen dood der mannetjes—een mededeeling later door den heer Aitchison en anderen bevestigd. Aan dezen laatsten heer en aan den heer Payan heb ik de uitgebreidste opgaven omtrent schapen te danken.
[588] Bell, „History of British Quadrupeds”, blz. 100.
[589] „Illustrations of the Zoology of S. Africa”, 1849, blz. 29.
[590] Brehm („Illust. Thierleben”, Bd. IV, blz. 990) komt tot het zelfde besluit.
[591] Op autoriteit van L. Lloyd, „Game Birds of Sweden”, 1867, blz. 12, 132.
[592] „Nat Hist. of Selborne”, brief XXIX, uitgaaf van 1825, vol. I, blz. 139.
[593] De heer Jenner Weir ontving overeenkomstige mededeelingen, toen hij gedurende het volgende jaar onderzoek deed. Om het aantal gevangen vinken aan te toonen, kan ik vermelden, dat er in 1869 een wedstrijd tusschen twee deskundigen was; en de eene man ving op éénen dag 62, de andere 40 mannelijke vinken. Het grootste aantal dat ooit door éénen man op een enkelen dag is gevangen, bedroeg 70.
[594] „Ibis”, vol. II, blz. 260, aangehaald in Gould’s „Trochilidae”, 1861, blz. 25. Wat de overige verhoudingsgetallen aangaat, ben ik aan den heer Salvin een tabel van zijn resultaten verschuldigd.
[595] „Ibis”, 1860, blz. 137, en 1867, blz. 369.
[596] „Ibis”, 1862, blz. 137.
[597] Leuckart haalt Bloch aan (Wagner „Handwörterbuch der Phys.” Bd. IV, 1835, blz. 775), die zegt, dat er bij de visschen tweemaal zooveel mannetjes als wijfjes zijn.
[598] Aangehaald in de „Farmer”, 18 Maart, 1869, blz. 369.
[599] „The Stormontfield Piscicultural Experiments”, 1866, blz. 33. De „Field” Courant, 29 Juni, 1867.
[600] „Land and Water”, 1862, blz. 41.
[601] Yarrel, „Hist. British Fishes”, vol. I, 1836, blz. 307; over Cyprinus carpio, blz. 331; over Tinca vulgaris, blz. 331; over Abramis brama, blz. 336. Zie omtrent Leuciscus phoxinus, „Loudon’s Mag. of Nat. Hist.”, vol. V, 1832, blz. 682.
[602] Leuckart haalt Meinecke aan (Wagner, „Handwörterbuch der Phys.”, Bd. IV, 1853, blz. 775), die zegt, dat bij de Kapellen de mannetjes drie- of viermaal talrijker zijn dan de wijfjes.
[603] „The Naturalist on the Amazons”, vol. II, 1863, blz. 228, 347.
[604] Vier van deze gevallen worden door den heer Trimen medegedeeld in zijn „Rhopalocera Africae Australis.”
[605] Aangehaald door Trimen, „Transact. Ent. Soc.”, vol. V, part IV, 1806, blz. 330.
[606] „Transact. Linn. Soc.”, vol. XXV, blz. 37.
[607] „Proc. Entomolog. Soc.”, 17 Febr. 1868.
[608] Aangehaald door Dr. Wallace in „Proc. Ent. Soc.”, 3rd. Series, vol. V, 1867, blz. 487.
[609] Blanchard, „Metamorphoses, Moeurs des insectes”, 1868, blz. 225–226.
[610] „Lepidopteren-Doubletten Liste”, Berlin, No. X, 1866.
[611] Deze natuuronderzoeker is zoo vriendelijk geweest mij eenige opgaven omtrent vroegere jaren te zenden, gedurende welke de wijfjes de overhand schenen te hebben; maar zoovele daarvan waren slechts schattingen, dat het mij niet mogelijk was er een tabel van te maken.
[612] Günthers „Record of Zoological Literature”, 1867, blz. 260. Over de overmaat van wijfjes bij Lucanus, ibid., blz. 250. Over de mannetjes van Lucanus in Engeland, Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol. I, blz. 187. Over Siagonium, ibid., blz. 172.
[613] Walsh, in „The American Entomologist”, vol. I, 1869, blz. 103. F. Smith, „Record of Zoological Literature”, 1867, blz. 328.
[614] „Farm Insects”, blz. 45–46.
[615] „Anwendung der Darwinschen Lehre. Verh. d. n. V. Jahrg. XXIV.”
[616] „Die Strich-, Zug- oder Wanderheuschrecke”, 1828, blz. 20.
[617] „Observations in N. American Neuroptera”, door H. Hagen en B. D. Walsh, „Proc. Ent. Soc. Philadelphia”, October 1863, blz. 168, 223, 239.
[618] „Proc. Ent. Soc. London”, 17 Febr. 1868.
[619] Een andere groote autoriteit in deze klasse, Prof. Thorel van Upsala („On European Spiders”, 1869–70, part I, blz. 205) spreekt, alsof vrouwelijke spinnen over het algemeen meer voorkwamen dan mannelijke.
[620] Zie over dit onderwerp den heer Pickart-Cambridge, aangehaald in „Quarterly Journal of Science”, 1868, blz. 429.
[621] „The Todas”, 1878, blz. 100, 111, 194, 196.
[622] „Aboriginal Inhabitants of New-Zealand; Government Report”, 1859, blz. 36.
[623] „Narrative of a Tour through Hawaii”, 1826, blz. 298.
[624] „History of the Sandwich-Islands”, 1843, blz. 93.
[625] Dit wordt medegedeeld in des weleerw. heeren H. T. Cheever’s „Life in the Sandwich-Islands”, 1851, blz. 277.
[626] Dr. Coulter zegt („Journal R. Geograph. Soc.” 1835, vol. V, blz. 67), den toestand van Californië omstreeks het jaar 1830 beschrijvende, dat de inboorlingen die door de Spaansche zendelingen waren bekeerd, bijna allen zijn omgekomen of omkomen, hoewel zij goed behandeld en niet uit hun geboorteland verdreven worden, en men hen belet alcoholische dranken te gebruiken. Hij schrijft dit voor een groot deel toe aan het ontwijfelbare feit, dat de mannen de vrouwen aanmerkelijk in aantal overtreffen, maar hij weet niet, of dit komt, omdat er minder meisjes worden geboren, of omdat meer meisjes in haar prille jeugd sterven. Het laatste is volgens alle analogie zeer onwaarschijnlijk. Hij voegt er bij, dat „eigenlijk gezegde kindermoord niet algemeen is, ofschoon men zeer dikwijls zijn toevlucht neemt tot abortie.” Indien Dr. Coulter gelijk heeft omtrent kindermoord, kan dit geval niet tot ondersteuning van kolonel Marshall’s meening worden aangehaald. Wegens de snelle afneming van de bekeerde inboorlingen mogen wij vermoeden, dat, evenals in de vroeger medegedeelde gevallen, hun vruchtbaarheid is verminderd wegens verandering der levensvoorwaarden.
Ik had gehoopt eenig licht te verkrijgen omtrent dit onderwerp uit het fokken van honden, in zoover als bij de meeste rassen, uitgezonderd misschien bij windhonden, meer jonge teven dan reuen worden gedood, gelijk bij de kinderen der Toda’s. De heer Cupples verzekert mij, dat dit gewoonlijk geschiedt bij de Schotsche hertenhonden. Ongelukkig weet ik niets omtrent de getalsverhouding tusschen de seksen bij eenig ras, met uitzondering der windhonden, en bij deze laatste staat het aantal reuen dat wordt geboren, tot het aantal teven als 110.1 tot 100. Nu schijnt het volgens navraag bij vele fokkers gedaan, dat de teven in sommige opzichten hooger worden geschat, hoewel zij in andere opzichten lastig zijn; en het blijkt niet, dat de jonggeboren teven van de beste hondenrassen die worden gefokt, stelselmatig in grooter aantal worden gedood dan de reuen, hoewel dit soms in beperkte mate plaats grijpt. Ik ben daarom niet in staat te beslissen, of wij volgens de bovenvermelde beginselen de overmaat van mannelijke geboorten bij windhonden kunnen verklaren. Van den anderen kant hebben wij gezien, dat bij paarden, runderen en schapen, die te kostbaar zijn om de jongen van een van beide seksen te dooden, als er eenig verschil is, de vrouwelijke sekse eenigszins talrijker is.
[627] Behalve dit werk worden door Dr. Lubach nog aangehaald: Boudin, „Géographie médicale” en „Du non-cosmopolitisme des races humaines”, Nott, „Acclimatation” en Dr. S. Coronel, „Iets over het verschil in levensverhoudingen tusschen Joden en Christenen” in „Schat der Gezondheid”, jaargang VII, blz. 372 v.v.
[628] Dit laatste gaat niet door voor Servië, ofschoon daar het aantal vrouwen in verhouding tot de mannen jaarlijks toeneemt en dus in een nabijzijnde toekomst de wet ook voor Servië door zal gaan. Volgens Dr. Hugo Bach (in een artikel over „De bevolking van het koninkrijk Servië”, voorkomende in het Oostenrijksche „Statistische Monatschrift”), kwamen daar op elke duizend mannen:
1859 voor 938 vrouwen. 1863 ,, 939 ,, 1866 ,, 941 ,, 1874 ,, 946 ,, 1884 ,, 958 ,,
In de landen van Europa waar de beschaving geene vorderingen maakt, en bij de natuurvolken zou men tot nog toe in den regel een overwicht van de mannelijke bevolking hebben opgemerkt; het tegenovergestelde verschijnsel treedt in de beschaafde landen aan den dag, ofschoon er toch meer jongens dan meisjes worden geboren.
[629] „Annuaire du Bureau des Longitudes”, 1834, aangehaald door Prof. G. Boccardo.
[630] „Mémorial Encyclopédique”, 1832, Mei, aangehaald door Prof. G. Boccardo.
[631] Quetelet, „Physique Sociale”, vol. I, blz. 168 v.v., aangehaald door Prof. G. Boccardo die het verschil aan de Kaap aan de breedte toeschrijft.
[632] Aangehaald door Quetelet (volgens Boccardo; zie ook Brewster’s „Journal of Sciences”, New Series, No. I).
[633] Wij meenen omtrent Nederland, het vaderland van al onze lezers, wel eenigszins uitvoeriger te mogen zijn.
[634] Men onderscheidt: wettelijke, feitelijke en werkelijke bevolking. De wettelijke bevolking is de bevolking in de registers ingeschreven of de wettig gedomicilieerde bevolking (Artt. 74–80 Burg. Wetb.); de feitelijke bevolking wordt uit de wettelijke afgeleid door aftrekking der tijdelijk afwezigen en bijvoeging der tijdelijk aanwezigen. Onder werkelijke bevolking verstaat men de hoegrootheid der bevolking, wanneer tot grondslag wordt genomen, niet de woonplaats of het domicilie in den zin van het Burgerlijk Wetboek, maar de werkelijke woonplaats of de plaats, waar men gewoon is verblijf te houden.
[635] „De l’Espèce et de la Class.” enz., 1869, blz. 106.
[636] Zie b.v. mijn mededeeling in „Journal of Researches”, 1845, blz. 7.
[637] Ik heb („Geolog. Observations on Volcanic Islands”, 1844, blz. 53) een merkwaardig voorbeeld medegedeeld van den invloed van het licht op de kleuren van een loofvormige korst, door de branding op de rotsachtige kusten van Ascension afgezet, en door de oplossing van fijngewreven zeeschelpen gevormd.
[638] Dr. Morse heeft voor eenige jaren dit onderwerp besproken in zijn verhandeling over „Adaptive Colouring of Mollusca”, „Proc. Boston Soc. of Nat. Hist.”, vol. XIV, April 1871.
[639] Zie zijn fraaie monografie over „British Annelids”, deel I, 1873, blz, 3.
[640] Zie Perrier, „l’Origine de l’Homme d’après Darwin”, „Revue scientifique”, Feb. 1873, blz 866.
[641] In „Facts and Arguments for Darwin”, Eng. Vert., 1869, blz. 20, is het bovenvermeld onderzoek over de reukdraden te vinden. Sars (aangehaald in „Nature”, 1870, blz. 455) heeft een dergelijk geval beschreven bij een Noorweegsch schaaldier, Pontoporeia affinis.
[642] Zie Sir J. Lubbock in „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. XI, 1853, pl. I en X; en vol. XII (1853), pl. VII. Zie ook Lubbock in „Transact. Ent. Soc.”, vol. VI, nieuwe serie, 1856–1858, blz. 8. Ten opzichte van de lager aangehaalde zigzagvormige sprieten, zie Fritz Müller, „Facts and Arguments for Darwin”, 1869, blz. 40, onderste noot.
[643] Zie een verhandeling met platen van den heer C. Spence Bate in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1868, blz. 363, en over de nomenclatuur van het geslacht, ibid., blz. 585. Ik ben den heer Spence Bate grooten dank verschuldigd voor bijna al de bovengaande mededeelingen ten opzichte der knijpers bij de hoogere Schaaldieren.
[644] „Hist. Nat. des Crust.”, tome II, 1837, blz. 50.
[645] Fritz Müller, „Facts and Arguments for Darwin”, 1869, blz. 25–28.
[646] „Travels in the Interior of Brazil”, 1846, blz. 111. Ik heb in mijn „Journal of Researches”, blz. 463, de levenswijze van den Birgus medegedeeld.
[647] De heer Ch. Fraser, in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1869, blz. 3. De mededeeling omtrent Dr. Power ben ik aan den heer Bate verschuldigd.
[648] Claus: „Die freilebenden Copepoden”, 1863, blz. 35.
[649] „Facts and Arguments” enz., blz. 79.
[650] „A History of the Spiders of Great Britain”, 1862. Omtrent de volgende feiten, zie blz. 102, 77, 88.
[651] Deze schrijver heeft vóór eenige jaren een belangrijk stuk geschreven over „Caratteri sessuali secondarii degli Arachnidi”, in de „Atti della Soc. Veneto-Trentina di Sc. Nat.”, Padova, vol. I, fasc. 3, 1873.
[652] Aug. Vinson („Aranéides des Iles de la Réunion”, pl. VI, fig. 1 en 2) geeft een goed voorbeeld van de geringe grootte van het mannetje bij Epeira nigra. Bij deze soort, moet ik er bijvoegen, is het mannetje bruin, en het wijfje zwart met roode banden op de pooten. Andere nog sterker voorbeelden van ongelijke grootte der beide seksen zijn opgeteekend in „Quarterly Journal of Science”, 1868, Juli, blz. 429; maar ik heb de oorspronkelijke verhandelingen niet gelezen.
[653] Kirby en Spence. „Introduction to Entomology”, vol. I, 1818, blz. 280.
[654] „Proc. Zoolog. Soc.”, 1871, blz. 621.
[655] Theridion (Asagenas, Sund.) serratipes, 4 punctatum en guttatum: zie Westring, in Kroyer, „Naturhist. Tidskrift”, vol. IV, 1842–43, blz. 349. Zie ook, voor andere soorten, „Araneae Suecicae”, blz. 184.
[656] Dr. Hartogh Heys van Zouteveen heeft in zijn Nederlandsche vertaling van dit werk (zie aant. 7 op dit hoofdstuk) verscheidene gevallen hiervan bijeengebracht.
[657] Walckenaer en P. Gervais, „Hist. Nat. des Insectes Aptères”, tome IV, 1847, blz. 17, 19, 68.
[658] Darwin noemt Walckenaer in de eerste uitgaaf van dit werk niet en ontleende zijn opmerking omtrent Walckenaer aan deze aanteekening, die reeds in de eerste uitgaaf van dit werk iets korter voorkomt.
[659] Sir J. Lubbock, „Transact. Linnean Soc.”, vol. XXV, 1866, blz. 484. Ten opzichte der Mutillen zie Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol. II, blz. 213.
[660] Deze organen van het mannetje verschillen dikwijls bij nauw verwante soorten, en leveren uitnemende soortskenmerken op. Hun belangrijkheid ten opzichte hunner functie heeft men echter, volgens een opmerking die de heer R. MacLachlan mij maakte, waarschijnlijk te hoog geschat. Men heeft beweerd, dat kleine verschillen in deze organen voldoende zouden zijn om de kruising tusschen goed uitgedrukte verscheidenheden of beginnende soorten te voorkomen, en derhalve haar ontwikkeling bevorderen. Dat dit moeielijk het geval kan zijn, mogen wij afleiden uit vele gevallen, die zijn opgeteekend van verschillende soorten, die in copulatie met elkander zijn waargenomen. (Zie b.v. Bronn, „Geschichte der Natur”, Bd. II, 1843, blz. 164, en Westwood, „Transact. Ent. Soc.”, vol. III, 1842, blz. 195). De heer MacLachlan deelt mij mede, (zie „Stett. Ent. Zeitung”, 1867, blz. 155), dat, toen verschillende soorten van Kokerjuffers (Phryganidae), die sterk uitgesproken verschillen van deze soort vertoonen, door Dr. Aug. Meyer bij elkander werden opgesloten, zij met elkander paarden, en dat één paar vruchtbare eieren voortbracht.
[661] „The Practical Entomologist”, Philadelphia, vol. II, Mei 1867, blz. 88.
[662] De heer Walsh, ibid., blz. 107.
[663] „Modern Classification of Insects”, vol. II, 1840, blz. 106, 205. De heer Walsh, die mijn aandacht vestigde op dit dubbel gebruik der kaken, zegt, dat hij het feit herhaaldelijk heeft waargenomen.
[664] Wij hebben hier een merkwaardig en onverklaarbaar geval van dimorphisme; want sommige van de wijfjes van vier Europeesche soorten van Dytiscus hebben gladde dekschilden; en er zijn geen overgangen tusschen gegroefde of van verdiepte stippels voorziene en geheel gladde dekschilden waargenomen. Zie Dr. H. Schaum, aangehaald in de „Zoologist”, vol. V–VI, 1847–48, blz. 1896. Evenzoo Kirby en Spence, „Introduction to Entomology”, vol. III, 1826, blz. 305.
[665] Westwood, „Modern Class.”, vol. II, blz. 193. De volgende mededeelingen omtrent Penthe en andere, tusschen aanhalingstekens geplaatst, zijn ontleend aan den heer Walsh, „Practical Entomologist”, Philadelphia, vol. II, blz. 88.
[666] Kirby en Spence, „Introduction”, enz., vol. III, blz. 332–336.
[667] E. Doubleday, „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. I, 1848, blz. 379. Ik kan er bijvoegen, dat bij sommige Vliesvleugelige Insekten (Hymenoptera) het beloop der aderen op de vleugels bij de twee seksen verschilt (zie Shuckard, „Fossorial Hymenop.”, 1837, blz. 39–43).
[668] H. W. Bates, in „Journal of Proc. Linn. Soc.”, vol VI, 1862, blz. 74. De waarnemingen van den heer Wonfor worden aangehaald in „Popular Science Review”, 1868, blz. 343.
[669] „The Naturalist in Nicaragua”, 1874, blz. 316–320. Over het lichten der eieren, zie „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, 1871, Nov., blz. 372.
[670] Kirby and Spence, „Introduction to Entomology”, vol. III, blz. 209.
[671] Robinet, „Vers à Soie”, 1848, blz. 207.
[672] „Transact. Ent. Soc.”, 3rd series, vol. V, blz. 386.
[673] „Journal of Proc. Ent. Soc.”, 4 Febr. 1867, blz. LXXI.
[674] Voor deze en andere mededeelingen omtrent de grootte der seksen, zie Kirby en Spence, ibid., vol. III, blz. 300; over den levensduur der Insekten, ibid., blz. 444.
[675] „Transact. Linnean Soc.”, vol. XXVI, 1868, blz. 296.
[676] „The Malay Archipelago”, vol. II, 1869, blz. 313.
[677] „Modern Classification of Insects”, vol. II, 1840, blz. 526.
[678] „Anwendung” enz. „Verh. d. n. V. Jahrg.”, XXIV, blz. 80. Mayer, in „American Naturalist”, 1874, blz. 236.
[679] Zie het hoogst belangwekkende werk van den heer B. F. Laune, „On the Anatomy of the Blow-Fly, Musea vomitoria”, 1870, blz. 14.
[680] Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol. II, blz. 473.
[681] Deze bijzonderheden zijn ontleend aan Westwood’s „Modern Class. of Insects”, vol. II, 1840, blz. 422. Zie ook, over de Fulgoridae, Kirby and Spence, „Introduct.”, vol. II, blz. 401.
[682] „Zeitschrift für wissenschaft. Zoolog.”, Bd. XVII, 1867, blz. 152–158.
[683] „Transact. New-Zeeland Institute”, vol. V, 1873, blz. 286.
[684] Ik ben het volgende verschuldigd aan den heer Walsh, die mij dit uittreksel van een „Journal of the Doings of Cicada septemdecim” door Dr. Hartman, heeft gezonden.
[685] L. Guilding, „Transact. Linn. Soc.”, vol. XV, blz. 154.
[686] Köppen, aangehaald in de „Zoological Record” voor 1867, blz. 460.
[687] Gilbert White, „Nat. Hist. of Selborne”, vol. II, 1825, blz. 252.
[688] Harris, „Insects of New England”, 1842, blz. 128.
[689] „The Naturalist on the Amazons”, vol. 1, blz. 252. De heer Bates bespreekt op zeer belangwekkende wijze de overgangen tusschen de muziekinstrumenten der drie families. Zie ook Westwood, „Modern Class.”, vol. II, blz. 445 en 453.
[690] „Proc. Boston Soc. of Nat. Hist.”, vol. XI, April 1868.
[691] „Nouveau Manuel d’Anat. Comp.” (Fransche vertaling), tome I, 1850, blz. 567.
[692] „Zeitschrift für Wissenschaft. Zoolog.”, Bd. XVII, 1867, blz. 117.
[693] Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol. I, blz. 440.
[694] „Ueber den Ton-apparat der Locustiden, ein Beitrag zum Darwinismus”, „Zeitschr. f. wiss. Zoölog.”, Bd. XXII, 1872, blz. 100.
[695] Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol. I, blz. 453.
[696] Landois, ibid., blz. 121, 122.
[697] De heer Walsh deelt mij mede, dat hij heeft opgemerkt, dat het wijfje van Platyphyllum concavum, als men het vangt, een zwak knarsend geluid maakt door haar boven vleugels tegen elkander te wrijven.
[698] Landois, ibid., blz. 117.
[699] „Insects of New England”, 1842, blz. 133.
[700] Westwood, „Modern Classification”, vol. I, blz. 462.
[701] Westwood, ibid., vol. I, blz. 453.
[702] Landois, ibid., blz. 115, 116, 120, 122.
[703] Landois heeft eenige jaren geleden bij sommige Rechtvleugeligen (Orthoptera) rudimentaire organen gevonden, die zeer sterk gelijken op de geluidvoortbrengende organen der Gelijkvleugeligen (Homoptera) en dit is een verwonderlijke zaak. Zie „Zeitschr. für wissensch. Zoölog.”, B. XXII, Heft 3, 1871, blz. 348.
[704] „Transact. Ent. Soc.”, 3rd. series, vol. II („Journal of Proceedings”), blz. 117.
[705] Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol. I, blz. 427; voor de Krekels blz. 445.
[706] De heer Ch. Horne in „Proc. Ent. Soc.”, 3 Mei, 1869, blz. XII.
[707] De Oecanthus nivalis. Harris, „Insects of New England”, 1842, blz. 124.
[708] Platyblemnus: Westwood, „Modern Class.”, vol. I, blz. 447.
[709] B. D. Walsh, de Pseudo-Neuroptera van Illinois, in „Proc. Ent. Soc. of Philadelphia”, 1862, blz. 361.
[710] „Modern Class.”, vol. II, blz. 37.
[711] Walsh, ibid., blz. 381. Ik ben de volgende feiten over Hetaerina, Anax en Gomphus aan dezen natuuronderzoeker verschuldigd.
[712] „Transact. Ent. Soc.”, vol. I, 1836, blz. LXXXI.
[713] Zie uittreksel in de „Zoological Record” voor 1867, blz. 450.
[714] Kirby en Spence, „Introduction to Entomology”, vol. II, 1818, blz. 35.
[715] Zie een belangwekkend artikel, „The Writings of Fabre”, in „Nat. Hist. Review”, April, 1862, blz. 122.
[716] „Journal of Proc. of Entomolog. Soc.”, Sept. 1863, blz. 169.
[717] P. Huber, „Recherches sur les Moeurs des Fourmis”, 1810, blz. 150, 165.
[718] „Proc. Entomolog. Soc. of Philadelphia”, 1866, blz. 238–239.
[719] „Anwendung der Darwinschen Lehre auf Bienen”, Verh. d. n. Jahrg. XXIX.
[720] De heer Perrier maakt in zijn artikel „La Sélection sexuelle d’après Darwin” („Revue Scientifique”, Febr. 1873, blz. 868), zonder naar het schijnt veel over de zaak te hebben nagedacht, de tegenwerping, dat, daar men weet, dat de mannetjes van sociale bijen voortkomen uit onbevruchte eieren, zij geen nieuwe kenmerken op hun mannelijke nakomelingschap kunnen overbrengen. Dit is een buitengewone tegenwerping. Een vrouwelijke bij, bevrucht door een mannetje dat een of ander kenmerk bezat, waardoor de vereeniging der seksen gemakkelijker werd gemaakt, of dat hem aantrekkelijker voor het wijfje maakte, zal eieren leggen, waaruit alleen wijfjes zullen voortkomen; maar deze jonge wijfjes zullen het volgende jaar mannetjes voortbrengen; en zal men nu beweren, dat dergelijke mannetjes de kenmerken van hun grootvaders niet kunnen erven? Om een geval te nemen met gewone dieren, dat zoo dicht mogelijk daarbij komt: indien een wijfje van eenig wit viervoetig dier of vogel werd gekruist met een mannetje van zwart ras, en hun mannelijke en vrouwelijke jongen met elkander werden gepaard, zal men dan beweren, dat de kleinkinderen niet een aanleg tot zwartheid van hun grootvaders zouden kunnen erven? Het verkrijgen van nieuwe kenmerken door de onvruchtbare werkbijen is een veel moeielijker geval, maar ik heb in mijn „Ontstaan der Soorten” trachten aan te toonen, op welke wijze deze onvruchtbare wezens worden onderworpen aan de macht der natuurlijke teeltkeus.
[721] Aangehaald bij Westwood, „Modern Class. of Insects”, vol. II, blz. 214.
[722] Pyrodes pulcherrimus, bij welke de seksen in ’t oog loopend verschillen, is door den heer Bates beschreven in „Transact. Ent. Soc.”, 1862, blz. 50. Ik zal eenige weinige andere gevallen opnoemen, waarin ik van een verschil in kleur tusschen de seksen van kevers hoorde. Kirby en Spence („Introduct. to Entomology”, vol. III, blz. 301) vermelden een Cantharis, Meloe, Rhagium en de Leptura testacea; het mannetje van deze laatste is bruinachtig van kleur, met een zwart borststuk en het wijfje over het geheele lichaam dof rood. Deze twee laatste kevers behooren tot de familie der Boktorren (Longicornia). De heeren R. Trimen en Waterhouse jun. geven mij bericht omtrent twee Bladsprietige Kevers (Lamellicornia), namelijk een Peritrichia en Trichius, het mannetje van den laatsten is donkerder gekleurd dan het wijfje. Bij Tillus elongatus is het mannetje zwart en het wijfje, naar men meent, altijd van een donker blauwe kleur met een rood borststuk (thorax). Ook het mannetje van Orsodacna atra is, naar ik van den heer Walsh hoor, zwart, terwijl het wijfje (de zoogenaamde O. ruficollis) een roodachtig bruin borststuk heeft.
[723] „Proc. Entomolog. Soc. of Philadelphia”, 1864, blz. 228.
[724] Kirby en Spence, „Introduct. Entomolog.”, vol. III, blz. 300.
[725] Kirby en Spence, ibid., vol. III, blz. 329.
[726] „Modern Classification of Insects”, vol. I, blz. 172. Op de zelfde bladzijde vindt men een beschrijving van Siagonium. Op het Britsch Museum merkte ik één mannelijk voorwerp van Siagonium in een tusschenbeidenstaanden toestand op, zoodat het dimorphisme niet streng doorgaat.
[727] „The Malay Archipelago”, vol. II, 1869, blz. 276.
[728] „Entomological Magazine”, vol. II, 1833, blz. 82. Zie ook omtrent de gevechten van deze soort, Kirby en Spence, ibid., vol. III, blz. 314; en Westwood, ibid., vol. I, blz. 187.
[729] Aangehaald door Fischer, in „Dict. Class. d’Hist. Nat.”, tome X, blz. 324.
[730] „Ann. Soc. Entomolog. France”, 1866, aangehaald in „Journal of Travel”, door A. Murray, 1868, blz. 135.
[731] Westwood, „Modern Class.”, I, blz. 184.
[732] Wollaston, over eenige muziekmakende Snuitkevers (Curculionidae), „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. VI, 1860, blz. 14.
[733] „Zeitschrift für wiss. Zoolog.”, Bd. XVII, 1867, blz. 127.
[734] Ik ben grooten dank verschuldigd aan den heer G. R. Crotch, zoowel wegens de toezending van talrijke geprepareerde voorwerpen van verschillende torren, tot deze drie Families en andere behoorende, als wegens belangrijke inlichtingen van allerlei soort. Hij gelooft, dat het sjirpvermogen bij Clythra nog nooit te voren was waargenomen. Ik ben ook veel dank verschuldigd aan den heer E. W. Janson voor inlichtingen en voorwerpen. Ik mag hierbij voegen, dat mijn zoon, de heer F. Darwin, heeft ontdekt, dat Dermestes murinus sjirpt, maar hij zocht te vergeefs het daartoe dienende orgaan. Scolytus is onlangs door den heer Algen als een sjirpend insekt beschreven in het „Edinburgh Monthly Magazine”, 1869, Nov., 130.
[735] Schiödte, vertaald in „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, vol. XX, 1867, blz. 37.
[736] Westring heeft (Kroyer, „Naturhist. Tidskrift”, Bd. II. 1848–1849, blz. 334) de sjirporganen zoowel bij deze twee, als bij andere Families beschreven. Van de Loopkevers (Carabidae) heb ik Elaphrus uliginosus en Blethisa multipunctata onderzocht, mij door den heer Crotch toegezonden. Bij Blethisa worden de dwarse ruggen op den gerimpelden rand van den ring van het achterlijf, voor zoover ik kon beoordeelen, niet gebruikt om de raspen op de dekschilden te schrappen.
[737] Ik ben aan den heer Walsh, van Illinois, dank verschuldigd voor de toezending van uittreksels uit Leconte’s „Introduction of Entomology”, blz. 101, 143.
[738] De heer P. de la Brulerie, aangehaald in „Journal of Travel”, A. Murray, vol. I, 1868, blz. 135.
[739] De heer Doubleday meldt mij, dat „het geluid wordt voortgebracht, doordat het insekt zich zoo hoog, als het kan, op zijn pooten verheft, en dan zijn borststuk vijf of zes malen in snelle opeenvolging tegen de zelfstandigheid slaat, waarop het zit.” Voor mededeelingen aangaande dit onderwerp, zie Landois, „Zeitschrift für wissens. Zoolog.”, Bd. XVII, blz. 131. Olivier (aangehaald bij Kirby en Spence, „Introduct.”, vol. II, blz. 325) zegt, dat het wijfje van Pimelia striata een vrij sterk geluid voortbrengt door met haar achterlijf tegen de eene of andere harde zelfstandigheid te kloppen, „en dat het mannetje, aan dezen loktoon gehoor gevende, haar spoedig volgt, waarop zij paren.”
[740] De sage zegt, dat Hercules, aan den Rhegiaanschen oever der rivier willende uitrusten, zoo werd gehinderd door het gesjirp der Cicaden, dat hij Zeus bad ze te doen verstommen. Zijn bede werd verhoord; aan den Rhegiaanschen oever werd na dien tijd nooit weêr het geluid van een Cicade vernomen, terwijl de Locrische oever van hun eentonig gesjirp bleef weêrgalmen. Deze fabel bewijst, dat er toch ook wel Grieken waren, die minder bewondering voor het gezang der Cicaden gevoelden.
[741] Vandaar hadden de Atheners van goeden huize gouden Cicaden op het voorhoofd, of op de kruin van het hoofd in de haren gevlochten, of op het gevest van het zwaard, als zinnebeeld, dat zij autochthonen waren (Thucyd. I, 6; Scholiast op Aristophan.; Nubes vs. 984; Athenaeus XII, 512, 6; Virgilius, Ciris, 126).
[742] „Proc. Ent. Soc. of Lond.”, 1864, blz. 13.
[743] Wij spreken hier van Sabelsprinkhanen, daar wij onderstellen, dat de hieronder medegedeelde waarneming van Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven betrekking heeft op een der tot die familie behoorende soorten. Wanneer wij ons hierin vergissen en de bedoelde soort een der Veldsprinkhanen is, dan blijft onze redeneering toch volkomen in haar geheel; men heeft hier dan slechts te lezen Veldsprinkhanen, en het hier opgemerkte bij aanteekening 7 in plaats van bij aanteekening 6 te voegen.
[744] De grenzen der waarneembare tonen zijn bij alle menschen niet geheel de zelfde. Helmholtz neemt aan, dat gemiddeld de laagste waarneembare toon overeenstemt met 16 trillingen per seconde, de hoogste waarneembare toon met 38000 trillingen per seconde. Elke toon die derhalve met minder dan 16 of meer dan 38000 trillingen per seconde overeenstemt, maakt geen indruk op ons gehoorwerktuig.
[745] Apatura Iris: „The Entomologist’s Weekly Intelligencer”, 1859, blz. 139. Voor de kapellen van Borneo zie C. Collingwood, „Rambles of a Naturalist”, 1868, blz. 183.
[746] Zie mijn „Journal of Researches”, 1845, blz. 33. De heer Doubleday („Proc. Ent. Soc.”, 3 Maart, 1845, blz. 123) heeft een bijzonderen vliezigen zak ontdekt aan de basis der voorvleugels, die waarschijnlijk met de voortbrenging van het geluid in verband staat.
[747] „The Scottish Naturalist”, Juli 1872, blz. 213.
[748] „Zoölogical Record”, 1869, blz. 347.
[749] Zie ook de verhandeling van den heer Bates in „Proc. Ent. Soc. of Philadelphia”, 1855, blz. 206. Ook den heer Wallace over het zelfde onderwerp, ten opzichte van Diadema, in „Transact. Entomolog. Soc. of London”, 1869, blz. 278.
[750] „The Naturalist on the Amazons”, vol. I, 1863, blz. 19.
[751] Zie het belangwekkende artikel in de „Westminster Review”, Juli, 1867, blz. 10. Een houtsnede, Kallima voorstellende, is door den heer Wallace gegeven in „Hardwicke’s Science Gossip”, Sept. 1867, blz. 196.
[752] Zie de belangwekkende waarnemingen van den heer T. W. Wood, „The Student”, Sept. 1868, blz. 81.
[753] De heer Wallace in „Hardwicke’s Science Gossip”, Sept. 1867, blz. 193.
[754] Zie hierover ook de verhandeling van den heer Weir in „Transact. Ent. Soc.”, 1869, blz. 23.
[755] „Westminster Review”, Juli 1867, blz. 16.
[756] Bij voorbeeld, Lithosia; Prof. Westwood („Modern Class. of Insects”, vol. II, blz. 390) schijnt over dit geval verwonderd. Over de betrekkelijke kleuren van Dag- en Nachtvlinders, zie ibid., blz. 333 en 392; ook Harris, „Treatise on the Insects of New England”, 1842, blz. 315.
[757] Dergelijke verschillen tusschen de boven- en ondervlakten der vleugels van verschillende soorten van Papilio kan men zien op de fraaie platen bij de verhandeling van den heer Wallace over de Papilionidae van Insulinde in „Transact. Linn. Soc.”, vol. XXV, part I, 1865.
[758] „Proc. Ent. Soc.”, 2 Maart, 1868.
[759] Zie ook een mededeeling omtrent het Amerikaansche geslacht Erateina (een der Geometrae) in „Transact. Ent. Soc.”, new series, vol. V, pl. XV en XIV.
[760] „Proc. Ent. Soc. of London”, 6 Juli, 1868, blz. XXVII.
[761] Harris, „Treatise” enz., uitgegeven door Flint, 1862, blz. 395.
[762] Ik merk bij voorbeeld in de insektenverzameling van mijn zoon op, dat de mannetjes bij Lasiocampa quercus, Odonestis potatoria, Hypogymna dispar, Dasychira pudibunda en Cycnia mendica veel donkerder zijn dan de wijfjes. Bij deze laatste soort is het verschil in kleur tusschen de beide seksen sterk sprekend; en de heer Wallace meldt mij, dat wij hier naar hij gelooft, een voorbeeld hebben van tot ééne sekse beperkte beschermende nabootsing („mimickry”), zooals later uitvoeriger zal worden verklaard. Het witte wijfje van de Cycnia gelijkt op de zeer algemeene Spilosoma menthastri, van welke beide seksen wit zijn; en de heer Stainton nam waar, dat deze laatste nachtvlinder met de grootste walging werd weggeworpen door een geheel broedsel jonge kalkoenen die andere nachtvlinders gaarne aten; zoodat, als Cycnia door de Britsche vogels gewoonlijk voor Spilosoma werd aangezien, zij zou ontsnappen aan het gevaar van te worden verslonden, en op die wijze zou haar bedriegelijke witte kleur haar in hooge mate voordeelig zijn.
[763] „Rambles of a Naturalist in the Chinese Seas”, 1868, blz. 132.
[764] „Nature”, 27 April 1871, blz. 508. De heer Meldola haalt Donzel aan, in „Soc. ent. de France”, 1837, blz. 77, over het vliegen der kapellen bij het paren. Zie ook den heer G. Fraser in „Nature”, 20 April 1871, blz. 489, over de seksueele verschillen van verschillende Britsche kapellen.
[765] Wallace, over de Papilionidae van Insulinde, in „Transact. Linn. Soc.”, vol. XXV, 1865, blz. 8, 36. Een treffend geval van een zeldzame verscheidenheid die juist tusschen twee andere goed uitgedrukte verscheidenheden van wijfjes in staat, wordt door den heer Wallace vermeld. Zie ook den heer Bates, in „Proc. Entomolog. Soc.”, 19 Nov. 1866, blz. XL.
[766] De heer R. MacLachlan, „Transact. Ent. Soc.”, vol. II, part 6th., 3rd series; 1866, blz. 459.
[767] H. W. Bates, „The Naturalist on the Amazons”, vol. II, 1863, blz. 228, A. R. Wallace, in „Transact. Linn. Soc.”, vol. XXV, 1865, blz. 10.
[768] Zie over dit geheele onderwerp, „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., deel II, hoofdstuk XXIII.
[769] A. R. Wallace in „Journal of Travel”, vol. I, 1868, blz. 88. „Westminster Review”, Juli, 1867, blz. 37. Zie ook de heeren Wallace en Bates in „Proc. Ent. Soc.”, 19 Nov. 1866, blz. XXXIX.
[770] „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., deel I, hoofdstuk XII, blz. 513.
[771] „Transact. Linn. Soc.”, vol. XXIII, 1862, blz. 495.
[772] „Proc. Ent. Soc.”, Dec. 1866, blz. XLV.
[773] „Transact. Linn. Soc.”, vol. XXV, 1865, blz. 1; ook „Transact. Ent. Soc.”, vol. IV (3rd series), 1867, blz. 301. Trimen, „Linn. Transact.”, vol XXVI, 1869, blz. 497. Riley, „Third Annual Report on the Noxious Insects of Missouri”, 1871, blz. 163–168. Deze laatste verhandeling is belangrijk, omdat de heer Riley daarin alle tegenwerpingen bespreekt, die tegen de theorie van den heer Bates zijn gemaakt.
[774] Zie een vernuftig artikel, getiteld, „Difficulties of the Theory of Natural Selection”, in de „Month”, 1869. Het is vreemd, dat de schrijver veronderstelt, dat ik de variaties in kleur van de Schubvleugeligen (Lepidoptera), waardoor zekere soorten tot verschillende familie’s behoorende, er toe zijn gekomen om op elkander te gelijken, aan terugkeer tot de type van een gemeenschappelijken stamvader (atavisme) toeschrijf; er is echter niet meer reden om deze variaties aan atavisme toe te schrijven, dan in het geval van elke gewone variatie.
[775] „The Naturalist in Nicaragua”, 1874, blz. 385.
[776] „Proc. Entomolog. Soc.”, 3 Dec. 1866, blz. XIV en 4 Maart 1867, blz. LXXX.
[777] Zie de verhandeling van den heer J. Jenner Weir over insekten en insektenetende vogels, in „Transact. Ent. Soc.”, 1869, blz. 21; ook de verhandeling van den heer Butler, ibid., blz. 27.
[778] Ik schreef reeds in de eerste uitgaaf dezer bewerking van de Afstamming van den Mensch, dat ik niet volkomen overtuigd was, dat het geluid van A. atropos werkelijk op de door Landois aangegeven wijze wordt voortgebracht; want Dr. M. C. Verloren heeft mij verzekerd, ook de pop, ja zelfs de rups van dezen vlinder een gelijksoortig, ofschoon zwakker geluid dan het volkomen insekt te hebben hooren voortbrengen. Is de door Landois gegeven verklaring onjuist, dan vervallen natuurlijk de gevolgtrekkingen omtrent andere Sphingidae die ribbetjes op de palpen bezitten.
De heer R. T. Maitland zeide mij reeds in 1873, dat het geluidgevend orgaan van A. atropos de kropsgewijs gedilateerde oesophagus is; hij vond daarenboven, dat het geheele achterlijf (abdomen) met lucht gevuld en door een spiraalsgewijs gedraaid vlies als het ware in verschillende compartimenten verdeeld is; hij kon echter geen gemeenschap tusschen deze luchtreservoirs en den oesophagus ontdekken.
In zijn „Thierstimmen” (Freiburg i/B., 1874) geeft Landois zelf ook een andere verklaring en zegt: „De doodshoofdvlinder heeft een stijf met lucht gevulde zuigblaas welke dicht vóór de eigenlijke maag ligt, het voorste gedeelte van het achterlijf inneemt en in het einde der spijsbuis uitmondt. Dit orgaan speelt wellicht een rol bij het opzuigen van honig en ander vloeibaar voedsel. De beide helften van de roltong sluiten van voren niet volkomen tegen elkander, maar laten een fijne spleet tusschen zich open. De toon ontstaat, doordat de lucht uit de zuigbuis door deze spleet wordt gedreven. Men kan zulks bewijzen door een dooden, maar nog niet verstijfden doodshoofdvlinder door den zuiger lucht in te blazen, waardoor het achterlijf opzwelt; drukt men dan op het achterlijf, dan houdt de toon aan, zoo lang men drukt.”
Swinton vond in de mondholte van dezen vlinder, na den zuiger ver naar beneden te hebben gedrukt, een neêrhangend vlies dat bij het klinken van den toon sterk trilde, evenals de stembanden der hoogere dieren.
Volgens deze laatste verklaringen kan men dus zeggen, dat de doodshoofdvlinder niet alleen sjirpt, maar een werkelijke stem, evenals de hoogere dieren, bezit.
[779] Dr. M. C. Verloren deed mij echter terecht opmerken, dat deze verklaring niet gemakkelijk is overeen te brengen met het feit, dat A. atropos alleen geluid geeft als men haar aanraakt.